(navigation image)
Home American Libraries | Canadian Libraries | Universal Library | Community Texts | Project Gutenberg | Children's Library | Biodiversity Heritage Library | Additional Collections
Search: Advanced Search
Anonymous User (login or join us)
Upload
See other formats

Full text of "David Copperfield"

Google 



This is a digital copy of a book that was preserved for generations on library shelves before it was carefully scanned by Google as part of a project 

to make the world's books discoverable online. 

It has survived long enough for the copyright to expire and the book to enter the public domain. A public domain book is one that was never subject 

to copyright or whose legal copyright term has expired. Whether a book is in the public domain may vary country to country. Public domain books 

are our gateways to the past, representing a wealth of history, culture and knowledge that's often difficult to discover. 

Marks, notations and other maiginalia present in the original volume will appear in this file - a reminder of this book's long journey from the 

publisher to a library and finally to you. 

Usage guidelines 

Google is proud to partner with libraries to digitize public domain materials and make them widely accessible. Public domain books belong to the 
public and we are merely their custodians. Nevertheless, this work is expensive, so in order to keep providing tliis resource, we liave taken steps to 
prevent abuse by commercial parties, including placing technical restrictions on automated querying. 
We also ask that you: 

+ Make non-commercial use of the files We designed Google Book Search for use by individuals, and we request that you use these files for 
personal, non-commercial purposes. 

+ Refrain fivm automated querying Do not send automated queries of any sort to Google's system: If you are conducting research on machine 
translation, optical character recognition or other areas where access to a large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the 
use of public domain materials for these purposes and may be able to help. 

+ Maintain attributionTht GoogXt "watermark" you see on each file is essential for in forming people about this project and helping them find 
additional materials through Google Book Search. Please do not remove it. 

+ Keep it legal Whatever your use, remember that you are responsible for ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just 
because we believe a book is in the public domain for users in the United States, that the work is also in the public domain for users in other 
countries. Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we can't offer guidance on whether any specific use of 
any specific book is allowed. Please do not assume that a book's appearance in Google Book Search means it can be used in any manner 
anywhere in the world. Copyright infringement liabili^ can be quite severe. 

About Google Book Search 

Google's mission is to organize the world's information and to make it universally accessible and useful. Google Book Search helps readers 
discover the world's books while helping authors and publishers reach new audiences. You can search through the full text of this book on the web 

at |http: //books .google .com/I 



Google 



Dit is ccn digitale kopie van een boek dat al generatics lang op bibliothcckplankcn hccft gcstaan, maar nu zorgvuldig is gcscand door Google. Dat 

docn wc omdat we alle boeken ter wereld online beschikbaar willcn makcn. 

Dit bock is ua oud dat hct autcursrecht erop is verlopen, zodat hct bock nu deel uitmaakt van hct publickc domcin. Ecn bock dat tot hct publickc 

domcin bchoort, is ccn bock dat nooit onder het auteursrecht is gevallen, of waarvan de wettelijkc autcursrcchttcrmijn is verlopen. Hct kan per land 

vcrschillcn of ccn bock tot hct publieke domein behoort. Boeken in het publieke domein zijn ccn stem uit hct verlcden. Zc vormen ccn bron van 

geschiedenis, cultuur en kennis die anders moeilijk te verkrijgen zou zijn. 

Aantekeningen, opmerkingen en andere kanttekeningen die in het origineel stonden, worden weergegeven in dit bestand. als herinnering aan de 

lange reis die hct boek hccft gemaakt van uitgever naar bibliotheek, en uiteindelijk naar u. 

Richtlijnen voor gebruik 

Google werkt samen met bibliothekcn om materiaal uit het publieke domein te digitaliseien, zodat het voor iedereen beschikbaar wordt. Boeken 
uit het publickc domcin behoicn toe aan hct publiek; wij bewaren ze alleen. Dit is echter een kostbaar proces. Om deze dienst te kunnen blijven 
levercn, hebben we maatrcgelcn genomen om misbruik door commercicle partijen te voorkomen, zoals het plaatsen van technische beperkingen op 
automadsch zocken. 
Verder vragen we u hct volgende: 

+ Gebruik de besianden alleen voor niei-commerci^le doeleinden We hebben Zocken naar boeken met Google ontworpen voor gebruik door 
individuen. We vragen u deze bestanden alleen te gebruiken voor pcrsoonlijkc en nict -commercicle doeleinden. 

+ Voer geen geautomatiseerde zoekopdrachten uit Stuur geen geautomatiseerde zoekopdrachten naar het systeem van Google. Als u onderzoek 
doct naar computcrvertalingen, optische tekenherkenning of andere wetenschapsgebieden waarbij u toegang nodig heeft tot grote hoeveelhe- 
den tekst, kunt u contact met ons opnemen. Wc raden u aan hicrvoor materiaal uit hct publickc domcin te gebruiken, en kunnen u misschien 
hicrmee van dienst zijn. 

+ Laat de eigendomsverklaring staan Het "watcrmerk" van Google dat u onder aan elk bestand ziet, dient om mensen informatie over het 
project te geven, en ze te helpen extra materiaal te vinden met Zocken naar boeken met Google. Verwijder dit watcrmerk nict. 

+ Houd u aan de wet Wat u ook doet, houd cr rekening mee dat u er zelf verantwoordelijk voor bent dat alles wat u doct Icgaal is. U kunt er 
niet van uitgaan dat wanneer een werk beschikbaar lijkt te zijn voor het publieke domein in de Verenigde Staten, het ook publiek domein is 
voor gebniikers in andere landen. Of er nog auteursrecht op een boek mst, verschilt per land. We kunnen u niet vertellen wat u in uw geval 
met een bepaald boek mag doen. Neem niet zomaar aan dat u een boek overal ter wereld op allerlei manieren kunt gebruiken, wanneer het 
eenmaal in Zocken naar boeken met Google staat. De wettelijkc aansprakelijkheid voor auteursrechten is bchoorlijk streng. 

Informatie over Zoeken naar boeken met Google 

Het docl van Google is om alle informade wcrcldwijd toegankelijk en bruikbaar te maken. Zoeken naar boeken met Google helpt lezcrs boeken uit 
allerlei landen te ontdekken, en helpt auteurs en ui tgevers om een nieuw leespubliek te bereiken. U kunt de voUedige tekst van dit boek doorzoeken 

op het web via |http: //books .google .coml 






i-:.^: 






^^■X .. 



f?w>.; 






tic 'j- ■v-'^* 



»«- • IS ; 





,6'f_^ 






.4^. 


-/' 




:** :" 








-"'* 


r'».f.,f^ 


, "■ 




^a^-i: 


- ■*-* 


''■,'- 


■• ;»V' - 


'J 


"' 



h^^ - 



% 



CHARLES DICKEN! 



(EERSTEDEEL. 



1 L 




0\^ 




\J 



DAVID 



COPPERFIELD 



DOOR 



CHARLES DICKENS 

I 



-1-- 



EERSTE DEEL 



fc ' » • 









'M- 



• - 1 1. 



.J » ^ > 









» <# 






SCHIEDAM 

H. A. M. ROELANTS. 
1882 



THE T^EW YORK 

PUBLIC LIBRARY 

512958ft 

ASTOR, LENOX AND 

TILDKN rOUiNDA'iiON. 

R 1930 i- 






» ••• 



• • • • • • • 

• • •• • • • •, 

• • • • • • 



» • •• 

A/ • 

• • • 

• • «• » 

• •• • 

• • •» 

• » « 

• • • 

••• • 

• • • 

• ••* 

••• 1 • • 



I 



DAVID COPPERFIELD. 



I. 

IK WORD GEBOREN. 

Of ik de held van mijn eigen leven zal worden, dan of iemand anders 
dien rang zal bekleeden, zullen deze bladen moeten doen blijken. Om 
mijn leven met het begin van mijn leven te beginnen, moet ik aanteeke- 
nen, dat ik (gelijk men mij gezegd heeft en ik ook geloof) op een vrijdag- 
nacht ten twaalf ure geboren ben. Het werd opgemerkt, dat gelijktijdig 
de klok begon te slaan en ik te schreeuwen. 

Uithoofde van den dag en het uur mijner geboorte, verklaarden de 
baker en eenige wijze vrouwen nit de buurt, die reeds verscheidene 
. maanden, voordat er eenige mogelijkheid bestond, dat wij persoonlijk 

f met elkander kennis maakten, eene levendige belangstelling in mij had- 

l den getoond : vooreerst, dat ik bestemd was om veel tegenspoed in mijn 

kven te hebben, en ten tweede, dat ik het voorrecht zou genieten van 
geesten en spoken te kunnen zien ; daar beide deze gaven. naar zij ge- 
loofden, onfeilbaar het deel waren van alle ongelukkige kmderen, on- 
verschillig van welk geslacht, die op een vrijdagnacht, tegen den tijd dat 
het weder vroeg begon te worden, ter wereld kwamen. 
Over het eerste punt behoef ik hier niets te zeggen, dewijl niets beter 
I dan mijne geschiedenis zelve kan toonen, of die voorspeUing door de 

I gevolgen werd bewaarheid of gelogenstrait. Wat het tweede stuk der 

vraag betreft, wil ik slechts aanmerken, dat ik, indien ik dat gedeelte van 
mijn erfeoed niet heb opgemaakt terwijl ik als kind in de wieg lag, het 
Dog niet m bezit heb gekregen. Ik klaag er echter volstrekt niet over, dat 
Q mij dit eigendom is onthouden ; en inmen iemand anders tegenwoordig 
in het genot daarvan mocht wezen, laat ik hem hartelijk gaame daarin 
W blijvcn, 

(0 Ik werd met een helm geboren, die door eene advertentie in de cou- 
^ rant, voor den geringen piijs van vijftien guinjes, te koop werd geboden. 

DAVm COPFKRFISLD. — L I 

O 

00 



DAVID COPPERFIELD. 



Of zeevarende lieden in dien tijd juist weinig geld te missen hadden, of 
dat het hun aan geloof ontbrak en zij aan met kurk gevoerde zwembuizen 
de voorkeur gaven, weet ik niet; al wat ik weet is, dat er slechts 66n bod 
werd gedaan, en dit kwam van een solliciteur, die aan wisselzaken gewoon 
was , en voorstelde om twee pond in contanten en het restant in wijn te 
betalen, maar volstrekt niets meer wilde geven om tegen verdrinken ge- 
waarborgd te zijn. Dientengevolge was met die advertentie slechts moeite 
en kosten verloren — want wat den wijn betrof, mijne arme lieve moeder 
was toen genoodzaakt haar eigen wijn te laten verkoopen — en tien 
jaren later werd die helm ergens bij ons in den omtrek verloot onder 
vijftig inleggers, die ieder eene halve kroon betaalden, terwijl de winner 
nog vijf schellingen tot de vertering zou moeten bijdragen. Ik was zelf 
daarbij tegen woordig, en herinner mij nog wel hoe verlegen enbeschaamd 
ik was, dat er aldus met een stuk van mij zelven werd gehandeld. De helm 
werd, gelijk mij nog heugt, door eene oude jufifrouw met een hengel- 
mandje gewonnen, waaruit zij met veel tegenzin de bepaalde vijf schel 
lingen haalde, alles in halve stuivers, en derdehalven stuiver te weinig — 
gelijk men haar, met ontzaglijk groot verlies van tijd en rekenkunst, ge- 
heel vruchteloos poogde te bewijzen. Het is een feit, dat in die streek 
nog lang als iets merkwaardigs in gedachtenis zal worden gehouden, dat 
zij nooit verdronken, maar op haar twee en negentigste jaar zegevierend 
in haar bed gestorven is. Ik heb gehoord, dat zij zich tot in het laatst van 
haar leven er op beroemde, dat zij nooit op het water was geweest, be- 
halve op eene brug ; en dat zij onder haar kopje thee (waarvan zij een« 
groote lief hebster was) insgelijks tot op het laatst van haar leven, hare 
verontwaardiging uitboezemde over de goddeloosheid van zeelieden en 
andere menschen, die roekeloos genoeg waren om door de wereld rond 
te zwalken. Vruchteloos hield men haar voor, dat sommige aangenaam- 
heden, een kopje thee misschien daaronder begrepen, zonder dit beris- 
pelijke bedrijf niet te bekomen zouden zijn. Altijd antwoordde zij, met 
nog grooter nadruk en bij zich zelve evenzeer overtuigd van de kracht 
barer tegenwerping : >Ik houd niet van dat rondzwalken." 

Om zelf niet rond te zwalken, en van mijn tekst te geraken, keer ik tot 
mijne geboorte terug. 

h4Ik werd te of bij Blunderstone in Suffolk geboren, en was bij 
mijne geboorte reeds een halve wees. Mijn vader had zijne oogen reeds 
zes maanden voor het licht dezer wereld gesloten, toen ik de mijne daar- 
voor opende. Er ligt zelfs nu nog iets vreemds voor mij in de gedachte, 
dat hij mij nooit gezien heeft ; en iets nog vreemders in de schaduwach- 
tige herinnering, die ik heb van mijne eerste kinderlijke denkbeelden 
over zijne witte grafzerk op het kerkhof, en het onbeschrijfelijk medelij- 
den, dat ik daarmede placht te gevoelen, omdat zij in den donkeren 
nacht daar zoo alleen lag, wanneer wij in ons voorkamertje licht en 
warmte hadden van kaars en vuur, en de deur van ons huis — wat mij 
somtijds bijna onbarmhartig voorkwam — er voor gesloten en gegren- 
deld was. 

Eene tante van mijn vader, bij gevolg eene oudtante van mij, van wie 




MUKE XANTE KIJKT DOOR HEX RAAM NAAR BINNEN. 



ik straks meer zal te verhalen hebben, was de voomaamste persoon van 
onre familie. Tante Trotwood, of tante Betsey, gelijk mijne Heve moeder 
baar altijd noemde, als zij ten minste hare vrees voor die geduchte per- 
sonage genoeg te boven kwam om van haar te spreken (hetgeen zelden 
gebenrde), was met een man getrouwd geweest, die jonger was dan zij — 
cen zeer mooi man, behalve in den zin van het ouderwetsche spreekwoord 
imooi is, wie mooi doet," — want hij lag erg onder verdenking, dat hij 
tante Betsey wel geslagen had, en dat hij zelfe eens, bij een geschil over 
geldzaken^ haastige maar zeer dreigende aanstalten had gemaakt om 
haar twee verdiepingen hoog uit het venster te smijten. Deze blijken 
ecner incompatibiliteit van karakter bewogen tante Betsey om hem af te 
koopen en tot eene scheiding met wederzijdsch goedvinden over te gaan. 
Hij begaf zich met zijn kapitaal naar I n d i ^ en daar had men hem eens, 
volgens eene in onze familie bewaarde overlevering, in gezelschap van 
een baviaan, op een olifant zien rijden ; maar ik geloof, dat het een Indi- 
aan of een Indiaansche prinses zal zijn geweest. Hoe dit zij, binnen de 
tien jaren kwam cr uit In die tijding dat hij dood was. Welken indruk 
dit nieuws op mijne tante maakte, heeft niemand ooit geweten ; want ter- 
stond na de scheiding had zij haar meisjesnaam weder aangenomen, een 
fauisje gekocht in een afgelegen gehucht aan de zeekust, en was daar met 
-eene enkele meid gaan wonen en in de strengste^ afzondering blijven 
Icvcn. 

Mijn vader was eens een gtmsteling van haar geweest^ geloof ik; maar 
zijn huwelijk had zij als eene onvergeeflijke beleedigmg aangenomen, 
om reden, dat mijne moeder > eene wassen pop" was. Zij had mijne moe- 
<ier nooit gezien, maar zij wist, dat zij nog geene twintig jaren was. Mijn 
vader en tante Betsey zagcn elkander nooit weder. Hij was, toen hij 
trouwde, tweemaal zoo oud als mijn moeder, en had een zwak gestel. 
Hij stierf een jaar daama en, gelijk ik reeds gezegd heb, zes maanden 
voor dat ik in de wereld kwam. 

Zoodanig was de staat van zaken tegen den avond van dien vrijdag, 
dien ik wel een gewichti^en da^ zal mogen noemen. Ik kan mij dus niet 
vermeten te zeggen, dat ik op dien tijd wist hoe de zaken stonden, of dat 
ik eenige op de getuigenis nujner zinnen gegronde geheugenis heb van 
wat ik nu zsd laten volgen. 

Mijne moeder zat bij het vuur, niet te best van gezondheid en zeer 
neerslachtig, en staarde in de gloeiende kolen, terwijl zij met angstval- 
lige bekommeringover zich zelve en den kleinen vreemdeling dacht, die 
reeds door eenipe looden profetische spelden, in eene lade boven, ver- 
welkomd werd m eene wereld, welke zijne komst lang niet voor eene 
zaak van gewicht scheen te houden; mijne moeder, zeg ik, zat bij het 
vnor, op dien helderen, winderigen Maartschen namiddag, zeer angst- 
vallig en treurig, en zeer twijfelachtig of zij de beproeving, die haar te 
wachten stood, ooit levend zou doorkomen, toen zij, hare oogen, terwijl 
zij ze afdroogde, naar het venster tegenover haar opslaande eene vreemde 
dame door den tuin zag aankomen. 

Bij den tweeden blik ontwaarde mijne moeder een onbedrieglijk voor- 



DAVID COPPERTIELD. 



gevoel, dat het tante Betsey was. De ondergaande zon verspreidde, over 
het tuinhek heen, de vreemde dame met een gloeiend licht, terwijl deze- 
met eene dreigende stijfheid van houding en strakheid van gelaat, die 
niemand anders konden toebehooren, naar de deur kwam stappen. 

Toen zij het huis bereikte, gaf zij nog een bewijs, dat zij niemand an- 
ders kon wezen. Mijn vader had dikwijls met een enkel woord gezegd^ 
dat zij zich zelden gedroeg gelijk een gewoon christenmensch;enna 
kwam zij, in plaats van aan te schellen, op het venster af om er doorheen 
te kijken, en drukte haar neus zoo hard tegen het glas, dat hij, geHjk 
mijne goede moeder placht te zeggen, in een oogenblik geheel plat en 
wit werd. 

Zij deed mijne moeder zoodanig ontstellen, dat ik altijd overtuigd ben 
geweest, het aan niemand anders dan tante Betsey te danken te hebben, 
dat ik op een vrijdag ter wereld ben gekomen. 

Mijne moeder was in hare ontsteltenis van haar stoel opgestaan en 
daarachter in een hoekje gekropen. Tante Betsy keek langzaam zoekende 
in de kamer rond, aan den anderen kant beginnende, en liet zoo hare 
oogen draaien, gel^k een moorenkopje op een houten klok, tot zij mijne 
moeder bereikten. Toen gaf zij met een zuur gezicht mijne moeder een 
wenk, gelijk iemand, die gewoon was gehoorzaamd te worden, om haar 
de deur te komen opendoen. Mijne moeder kwam. 

iMevrouw David Copperfield, naar ik meen," zeide tante Betsey, met 
een nadruk, die misschien op mijn moeders rouwgewaad en toestand 
doelde. — »Ja," antwoordde mijne moeder flauw en bedeesd. — >Juf-, 
frouw Trotwood," zeide tante Betsey. >Gij hebt wel van haar gehoord^ 
durfikzeggen?" 

Mijne moeder antwoordde, dat zij dat genoegen had gehad; en zij had 
daarbij de onaangename bewustheid, dat het scheen als wilde zij te ken- 
nen geven, dat dit genoegen juist niet zeer groot was geweest. 

>Nu ziet gij haar," zeide tante Betsey. 

Mijne moeder boog haar hoofd en verzocht haar om binnen te komen. 

Zij gingen naar de kamer, waaruit mijne moeder gekomen was, dewijl 
in de pronkk^mer, aan de andere zijde van de gang, geen vuur aan was 
— er was eigenlijk sedert de begrafenis van mijn vader niet gestookt; ea 
toen zij beiden daar zalen en tante Betsey niet sprak, begon mijne moe- 
der, na eene vruchtelooze poging om zich te bedwingen, te schreien. 

>0, tut, tut, tut!" zeide tante Betsey haastig. >Doe dat niet. Kom, 
kom !" 

Mijne moeder kon het evenwel niet laten, en schreide dus zoo lang tot 
zij had uitgeschreid. 

> Neem uwe muts af, kind," zeide tante Betsey, > en laat ik u eens zien." 

Mijne moeder was te bang voor haar om dit zonderlinge verzoek af te 
slaan, al was zij genegen geweest om dit te toen. Zij deed dus wat haar 
gezegd werd, en wel met zulke bevende handen, dat hare haren (die bij- 
zonder welig en fraai waren) over haar gezicht heenvielen. 

>Wel lieve hemel!" riep tante Betsey uit. >Gij zijt waarlijk nog eca 
Idndje, dat men op schoot zou nemen !" ^ ^ 



&. 



BHJNE MOEDER IS NIET OP HAAR 6EMAK. 



Mljne moeder zag er zeker, zelfs voor hare jaren, buitengemeen jeug- 
-dig uit. Zij liet haar hoofd hangen, alsof dit hare schuld was, arme vrouw, 
-en zeide snikkende, dat zij waarlijk bang was dat zij eeneheelkinderach- 
t^e weduwe was, en ook eene heel kinderachtige moeder zou zijn, als 
zij in leven bleef. In de korte poos van stilte, die hierop volgde, verbeeldde 
zij zich, dat tante Betsey hare haren aanraakte, en dat wel met geene on- 
zachte hand; maar toen zij met schroomvallige hoop naar haar opkeek, 
zag zij, dat die juffrouw, met den rand van haar rok omgeslagen, hare 
lianden over €€ne knie gevouwen, en hare voeten op den haardrand^ 
:somber in het vuur zat te staren. 

>In 's hemels naam,'' zeide tante Betsey op eens, >waarom Kraaien- 
hof ?" — >Meent gij het huisr"* vroeg mijne moeder. — >Waarom 
Kraaienhof?" herhaalde tante Betsey. »Keukenhof zou veel beter gepast 
hebben, als gij een van beiden gezonde denkbeelden van het leven hadt 
gehad." — iCopperfield heeft dien naam gekozen," antwoordde mijne 
tnoeder. iToen hij het huis kocht, beviel het hem dat er, naar hij dacht, 
kraaien in den omtrek nestelden." 

De avondwind maakte juist zulk een gerucht in eenige hooge olmen 
achter in den tuin, dat mijne moeder en tante Betsey beiden niet konden 
nalaten daarheen om te kijken. Terwijl de olmen naar elkander overbo- 
gen, gelijk reuzen, die elkaar geheimen toefluisterden, en, na eenige 
seconden van zulke rust, weder in geweldige beweging kwamen en met 
hunne wilde armen zwaaiden, alsof hunnevertrouwelijke mededeelingen 
waarlijk van te goddeloozen aard waren om hen hunne gemoedsrust te 
laten behouden, zag men eenige oude, door het weder geteisterde en ge- 
havende kraaiennesten, die de hoogste takken bezwaarden, heen en we- 
der slingeren, gelijk wrakken op eene stormachtige zee. 

1 Waar zijn de beesten ?" vroeg tante Betsey. — > De — ?" Mijne moeder 
had aan lets anders zitten denken. — »De kraaien — waar zijn zij geble- 
▼cn ?" vroeg tante Betsey. — > Er zijn er geen geweest zoolang wij hier 
gewoond hebben," antwoordde mijne moeder. iWij dachten — mijn 
Copperfield dacht — dat hier al heel veel kraaien nestelden; maar het 
waren zeer oude nesten, die de vogels reeds lang hadden verlaten." — 
^ David Copperfield heel en al !" zeide tante Betsey, i David Copperfield 
▼an top tot teen ! Noemt een huis Kraaienhof, al is er geen kraai in de 
nabijheid, en neemt de vogels maar op goed geloof aan, omdat hij de 
nesten ziet!" — iMijnheer Copperfield," antwoordde mijne moeder, >is 
<lood, en als gij bij mij met minachting van hem durfl spreken — " 

Mijne arme moeder koesterde, geloof ik, voor een oogenblik het 
Toomemen tot een gewelddadigen aanval op mijne tante, die haar 
.^emakkeHjk met 6€ne hand had kunnen omgooien, zelfs al was mijne 
moeder door haar toestand veel beter voor zoo iets geschikt geweest dan 
<zij dien avond was. Maar terwijl zij van haar stoel oprees, gmg die drift 
Toorbij; zij ging zeer zachtzinnig weder zitten en yiel in flauwte. 

Toen zij weder bij zich zelve kwam. of tante Betsey haar had bijgehol- 
pen, hoe het dan ook was, zag zij de laatste bij het venster staan. De 
«chemering ging nu reeds in duistemis over; en hoe flauw zij elkander 



DAVID COPPERPIELD. 



ook zagen, hadden zij dit zonder de hulp van het vuurniet kunnendoen*. 

tWel?" zeide tante Betsey, naar haar stoel terugkomende, alsof zif 
maar eens even had gaan uiticijken ; > en wanneer rekent gij . . . /' — >Ik 
beef overal," stamelde mijne^moeder. ilkweetnietwatmijoverkomU 
Ik zal zeker sterven." — >Neen, neen, neen," zeide tante Betsey. > Gij 
moest maar wat thee drinken." — 9 Och Heere, Heere, denkt gij, dat die 
mij goed zal doen?" riep mijne moeder radeloos uit, — i Wei zeker," 
antwoordde tante Betsey. >Het is niets anders dan verbeelding. Hoe 
moet ik uw meisje noemen ?" — >Ik weet nog niet of het wel een meisje 
zal zijn," antwoordde mijne moeder onnoozel. — i God zegen het kind !*^' 
riep tante Betsey, en herhaalde aldus de tweede spreuk op het spelden- 
kussen boven in de lade, die zij echter op mijne moeder, in plaats van 
mij, toepaste. iDat meen ik niet Ik meen uw dienstmeisje." — >Peg- 
gotty," zeide mijne moeder. — >Peggotty !" herhaalde tante Betsey met 
zekere verontwaardiging. >Wilt ^e mij ze^gen, kind, dat er ooit een 
menschelijk wezen naar eene chnstenkerk is ge|;aan en zich Peggotty^ 
heeft laten doopen?" — >Dat is haar van," zeide mijne moeder be- 
schroomd. iMijn Copperheld liet haar daarbij noemen, omdat zij den- 
zelfden doopnaam had als ik." — >Hier, Peggotty !" riep tante Betsey^ 
de kamerdeur openende. 9 Geef thee. Uwe meesteres is niet al te wel^ 
Talmniet!" 

Nadat zij dit bevel had uitgevaardigd, met zooveel gezag alsof zij eene 
erkende autoriteit in huis was geweest, zoolang dat huis gestaan had, en 
eens had uitgekeken om zich aan de verbaasde Peggotty te laten zien^ 
die op het geluid eener vreemde stem met eene kaars de gang door- 
kwam, sloot tante Betsey de deur weder en zette zich weder neer, evenals- 
te voren, met de voeten op den haardrand, den rok van hare japon om— 
geslagen en hare handen over 66ne knie gevouwen. 

9 Gij hebt zoo daar even gezegd, dat ge niet wist of het wel een meisje 
zou zijn," zeide tante Betsey, ilk twijfel er niet aan of het zal een meisje 
wezen. Ik heb een voorgevoel, dat het een meisje wezen moet. Nu kindy. 
van het oogenblik af, dat dat meisje in de wereld is. ..." — Of misschien 
jongen," nam mijne moeder de vrijheid om er tusschen te voegen. — >Ik 
zeg u, ik heb een voorgevoel, dat het een meisje moet wezen," ant- 
woordde tante Betsey. iSpreek mij toch niet tegen. Van het oogenblik 
af, dat dat meisje in de wereld is, ben ik voomemens haar mij aan te 
trekken. Ik wil hare peet zijn, en ik verzoek u haar Betsey Trotwood 
Copperfield te laten noemen. Met deze Betsey Trotwood moeten geene 
verkeerdheden plaats hebben. Met haar hartje, arme lieve kleine, moet 
geen spel gedreven worden. Zij moet verstandig worden groot gebracht: 
en wel gewaarschuwd om geen dwaas vertrouwen te bewijzen, waar men 
dat niet verdient. Dat moet ik tot mijne zorg maken." 

Na ieder van deze geze^den gaf tante Betsey een ruk met haar hoofd^ 
alsof hare eigene oude gneven in haar binnenste woelden, en het haar 
veel zelfbedwang kostte om daarvan niet duidelijker te spreken. Zdo 
dacht mijne moeder ten minste, terwijl zij haar bij het schijnsel van het 
bijna uitgebraude vuur gadesloeg ; te bang voor tante Betsey, te vol pijui 




L. 



MXJNE MOEDER GEVO&LT ZICH ONPASSELIJK 



cn onnist, en veel te verlegen en verward, om iets zeer duidelijk te kun- 
Dcn waamemen of te weten wat zij zeggen moest 

lEn was David goed voor u, kind f" vroeg tante Betsey, toen zij een 
poosje had gezwegen en die bewegingen met haar hoofd langzamerhand 
hadden opgehouden. >Hadt gij een vergenoegd leven met elkander ?" — 
fWij zijn zeer gelukkig geweest," antwoordde mijne moeder. iMijn 
Copperield was maar al te goed voor mij." — >Zoo ! Hij heeft u dus 
bedorvea, zou ik denken ?" hervatte tante Betsey. — » Om in deze barre 
werdd weder geheel alleen te zijn en op mij zelve te staan ; ja, ik vrees, 
dat hij dat waarlijk gedaan heeft," snikte mijne moeder. — iWelnu, 
schrei maar niet!" zeide tante Betsey. >Gij waart niet gelijk gepaard, 
kind — als ooit twee menschen gelijk gepaard kunnen zijn — en daarom 
YToeg ik dat. Gij waart eene wees, niet waar ?" — >Ja." — >En eene gou- 
vemante ?" — >Ik was bij de kleine kinderen in eene familie, waar mijn 
Copperfield dikwijls kwam. Hij behandelde mij heel vriendelijk, scheen 
bijzonder op mij te letten, bewees mij vele beleefdheden en vroeg mij 
eindelijk. Ik gaf hem het jawoord. £n zoo werden wij getrouwd," zeide 
mijne moeder zeer eenvoudig. — > Ja ! Arm kind !" zeide tante Betsey 
peinzende, terwijl zij nog met een betrokken gezicht in het vuur keek. 
>Verstaat gij iets?" — iNeem mij niet kwalijk," zeide mijne moeder 
haperend. — >Van huishouden, bij voorbeeld?" vervolgde tante Bet- 
sey. — iNiet veel, vrees ik," antwoordde mijne moeder. >Niet zooveel 
als ik wel wenschen zou. Maar mijn Copperfield leerde mij . . . ." — >Hij 
wist er zelf veel van," merkte tante Betsey terloops aan. — >En ik hoop, 
dat ik er wel in gevorderd zou hebben, want ik was zeer verlangend om 
te leeren, en hij zeer geduldig om mij te onderrichten, als die groote 
ramp van zijn sterven , , ." Hier bleef mijne moeder steken en kon geen 
woord meer uitbrengen. — »Nu, kom, kom !" zeide tante Betsey. — ilk 
hield geregeld mijn huishoudboekje en zag het elken avond mtt mijn 
Copperfield na," riep mijne moeder, met eene nieuwe uitbarsting van 
droefheid, en bleef toen weder steken, — » Nu, kom !" zeide tante Betsey, 
iSchrei nu maar niet meer." — lEn ik kan u verzekeren, dat wij nooit 
een woord van verschil daarover hadden, behalve als mijn Copperfield 
cr tegen had, dat mijne drieen en vijven te veel op elkander geleken, of 
dat ik krulstaarten aan mijne zevens en negens maakte," hervatte mijne 
moeder met eene vemieuwde uitbarsting, en bleef alweder steken. — 
tOij zult u zelve ziek maken," zeide tante Betsey, >en gij weet toch wel, 
dat dit voor u en mijn pleegdochtertje niet zou deugen. Kom, kom ! Dat 
moet ge niet doen." 

Deze dwangreden bracht iets toe om mijne moeder te doen bedaren, 
hoewel hare toenemende onpasselijkheid er misschien nog meer toe 
bijdxoeg. £r volgde eene poos van stUte, slechts nu en dan door eene ge- 
mompelde uitroeping van tante Betsey afgebroken, die met hare voeten 
op dai haardrand bleef zitten. 

> David had zijn geld op lijfirente uitgezet, dat weet ik," zeide zij, na. 
verloop van eenigen tijd. t Wat heeft hij voor u gedaan ?" — >Mijn Cop- 
perfield," zeide mijne moeder, die tamelijk veel moeite had om antwoord 



8 . DAVID COPPERFIELD. 



te geven, i is zoo goed en zorgNruldig geweest om een gedeelte daarvan 
op mij te laten overschrijven." — >Hoeveel?" vroeg tante Betsey. — 
>Honderd en vijf pond 's jaars," antwoordde mijne moeder. — >Hethad 
erger kunnen zijn," zeide mijne tante. 

Het woord % erger" kwam op het oogenblik juist van pas. Mijne moe- 
der was onder het spreken zooveel erger geworden, dat Peggotty, die 
methettheeblad en de kaarsen binnenkwam, terstond zag hoe ongesteld 
zij was — gelijk tante Betsey reeds vroeger had kunnen zien, als het 
maar licht genoeg was geweest — en haar met alien spoed naar boven 
en naar bed hielp. Terstond daarop zond zij Ham Peggotty, haar neef, 
die eenige dagen lang, zonder dat mijne moeder het wist, in huis ver- 
scholen was geweest, ten einde in geval van nood als renbode te kunnen 
dienen, uit, om de baker en den dokter te halen. 

Deze verbondene mogendheden, die weinige minuten na elkander 
aankwamen, waren niet weinig verbaasd, toen zij eene onbekende dame 
van een geducht voorkomen voor het vuur vonden zitten, die haar hoed 
aan haar linkerarm had hangen en bezig was hare ooren met watten vol 
te stoppen. Daar Peggotty niets van haar wist, en mijne moeder niets van 
haar zeide, was hare aanwezigheid in de voorkamer een geheimzinnig 
raadsel ; en de omstandigheid, dat zij een magazijn van watten in haar 
zak had, en dit goed op die manier in hare ooren stopte, verminderde 
zelfe de statigheid van haar voorkomen niet. 

Toen de dokter naar boven was geweest en weder beneden was geko- 
men, en zich, naar ik meen, had overtuigd, dat er waarschijnlijkheid be- 
stond, dat die onbekende dame en hij eenige uren bij elkander zouden 
moeten zitten, begon hij lijn best te doen om beleefd en gezelli^ te we- 
zen. Hij was een manueke zoo zachtzinnig en bedeesd, als er lemand 
onder geheel het mannelijk geslacht te vinden is. Hij ging zijdelings de 
kamer uit en in, om minder plaats te beslaan. Hij stapte zoo zacht als de 
geestin Hamlet, en nog langzamer. Hij hield zijn hoofd op zijde, gedeel- 
telijk uit bescheidene kleinachting van zich zelven, gedeeltelijk om alle 
andere menschen met bescheidenheid om eene verschoonende behande- 
ling te verzoeken. Het zou te weinig zijn te zeggen, dat hij geenhond een 
kwaad woord zou hebben gegeven. Hij zou dit zelfs een doUen hond 
niet gedaan hebben. Hij had zich misschien kunnen verstouten om hem 
een goed woord te geven, of een half woord, of een stukje van een woord, 
want hij sprak even langzaam als hij ging ; maar hij had hem voor niets 
op de wereld ruw of driffig kunnen toespreken. 

Dokter Chillip zag mijne tante met bedeesde vriendelijkheid aan, met 
zijn hoofd op zijde, maakte eene bulging voor haar, en zeide, op de wat* 
ten doelende, terwijl hij even zijn linkeroor aanraakte : 

9 Eene plaatselijke irritatie, mejuffrouw ?" — > Wat !" zeide mijne tante, 
en trok te gelijk het watje uit haar oor, alsof het eene kurk was. 

Dokter ChUlip schrikte zoodanig van hare driftigheid — gelijk hij 
mijne moeder naderhand zeide — dat het waarlijk een geluk was, dat hij 
zijne tegenwoordigheid van geest niet geheel en al verloor. Hij herhaalde 
echter, zeer zoetsappig : 



I. 



MIJNE XANTE VKRDWUNT WKDER. 



lEene plaatselijke irritatie, mejufFrouw?" — iWat zottemij!" ant- 
woordde mijne tante, en kurkte zich in eens weder toe. 

Dokter Chillip kon daarop niets anders doen, dan stil blijven zitten en 
haar bedeesd aankijken, terwijl zij stil bleef zitten en in het vuur staarde, 
tot hij weder naar boven werd geroepen. Na ongeveer cen kwartier uurs 
afwezig te zijn gebleven, kwam hij terug. 

»Wcl!" zeide mijne tante, het watje uit het oor trekkende, dat het 
dichtst naar hem toe was. — iWel, mejuflfrouw," antwoordde dokter 
Chillip, >wij vorderen langzamerhand, mejuffrouw," — >Ba-a-ah" zeide 
mijne tante met een langen tremulant op die minachtende uitroeping, en 
kurkte zich weder toe gelijk te voren. 

Waarlijk — waarlijk — gelijk dokter Chillip mijne moeder zeide, hij 
was er bijna van ontzet ; zeUs alleen als man van het vak sprekende, was 
hij er waarlijk bijna van ontzet. Doch hij bleef haar, niettemin, bijna twee 
uren lang zitten aankijken, terwijl zij naar het vuur zat te staren, tot hij 
weder naar boven werd geroepen. Nogmaals kwam hij na eene poos van 
afwezigheid terug. 

1 Wei ?" zeide mijne tante, wederom het watje uit haar oor halende. — 
>Wel, mejuffrouw" antwoordde dokter Chillip, i wij vorderen — langza- 
merhand." — 1 Ja-a-ah !" zeide mijne tante. Zij gaf hem zulk een snauw, 
dat dokter Chillip het werkelijk niet verdragen kon. Het was waarlijk ge- 
nocg om hem geheel van stuk te brengen, zeide hij naderhand. Hij ging 
liever buiten de kamer op de trap zitten, in het donker en in een sterken 
tocht, tot hij wederom geroepen werd. 

Ham Peggotty, die op de volksschool ging en een baas in zijn cate- 
dusmus was, en wien men dus voor een geloofwaardig getuige mag hou- 
den, verklaarde des anderen daags, dat hij, toenhij een uur later toe vallig 
ccns door de kamerdeur binnenkeek, dadelijk door tante Betsey werd 
ontdekt, die toen onrustig heen en weer stapte, en hem vastgreep eer hij 
rich kon wegmaken. Dat er nu boven in huis tusschenbeide een geluid 
van voetstappen en stemmen werd gehoord, hetwelk hij meende dat die 
wa^ niet konden afsluiten, daar het duidelijk bleek^ dat de dame hem 
gepakt had om een slachtoflfer te hebben, waartegen zij, wanneer die ge- 
faiiden zich het hardst lieten hooren, hare overmatige onrustkon uitlaten. 
Dat zij hem bij zijn kraag vasthield en zoo gedurig op en neer liet stap- 
pen (aJsof hij te veel opium had gebruikt) en bij bovengemelde gelegen- 
heden zijne haren in de war haalde, zijn linnen kreukelde, z ij n e ooren 
dichtstopte, alsof zij die met hare eigene verwarde, en hem op andere 
manieren havende en mishandelde. Dit werd gedeehelijk door mijne 
tante bevesdgd, die hem tegen half een, kort na dat hij was losgelaten, 
wedereag, en verklaarde, dat hij toen even rood was als ik. 

De zachtzinnige dokter Chillip kon op zulk een tijd — zoo al Doit — 
niet haatdragend zijn. Hij ging. zoodra hij gemist kon worden, naar de 
▼oorkamer, trad zijdelings de deur binnen, en zeide op zijn zoetsappig- 
stentoon: 

»Wel mejufifrouw, het doet mij genoegen u te mogen feliciteeren." — 
tWaarmee ?" zeide mijne tante scherp. 



XO DAVID COPPERFIELD. 



Dokter Chillip ontstelde alweder van hare buitengemeene barschheid 
en drifligbeid. Hij boog dus maar eens en glimlachte eens, om haar wat 
zachter te stemmen. 

t Wei, goede hemel, wat scheelt dien man toch ?" riep mijne tante onge- 
duldig uiL 9 Kan hij niet spreken ?" — >Wees bedaard, fievejuffrouw,'^ 
zeide dokter Chillip op zijn zachtsten toon. >Er bestaat geene reden meer 
om u ongerust te maken, mejuffrouw. Wees bedaard." 

Men heefl het sedert bijna voor een wonder gehouden, dat mijne tante 
hem niet aanpakte en been en weer schudde, om zoo uit hem te schud- 
den, wat hij te zeggen had. Zij schudde slechts haar eigen hoofd, maar 
dit deed zij op eene manier, die hem bijna deed bezwijmen. 

t Wei, mejuffrouw," hervatte dokter Chillip, zoodra hij er moeds ge- 
noeg toe had, het doet mij genoegen u te mogen feliciteeren. Alles is af* 
geloopen, mejuflfrouw, en dat wel gelukkig afgeloopen," 

Gedurende de vijf minuten, of daaromtrent, die dokter Chillip aan het 
uitspreken dezer redevoering wijdde, hield mijne tante hem strak in het 
oog. 

> Hoe gaat het haar ?" zeide mijne tante, hare armen over elkander 
slaande, met haar hoed nog aan den linker hangende. — i Wel, mejuf- 
frouw, zij zal spoedig geheel op haar gemak zijn, hoop ik," antwoordde 
dokter Chillip; izooveel op haar gemak als men kan verwachten, dat 
eene jonge moeder, onder zulke treurige huiselijke omstandigheden, zal 
wezen. Er behoeft volstrekt geen bezwaar gemaakt te worden, dat gij 
haar zoo met een eens gaat zien, mejuffrouw. Het zal haar misschien 
goeddoen." — >En z ij. Hoe is z ij ?" zeide mijne tante scherp. 

Dokter Chillip hield zijn hoofd nog wat meer op zijde en keek mijne 
tante aan ^elijk een mak vogeltje. 

> De kleme," zeide mijne tante. » Hoe is zij f " — i Ik meende, dat gij het 
al wist, mejuflfrouw," antwoordde dokter Chillip. iHet is een jongen.'* 

Mijne tante sprak geen woord meer, maar nam haar hoed bij de linten, 
bijwijze van een slinger, deed daarmede een slag naardesdokters hoofd ^ 
zette hem op, zoo verbogen als hij was, ging naar buiten en kwam niet 
terug. Zij verdween gelijk eene onvergenoegde fee; of gelijk een van die 
wezens, welke ik, volgens het volksvooroordeel, moest kunnen zien, en 
kwam nooit weder terug. 

Neen. Ik lag in mijn wiegje, en mijne moeder lag in haar bed; maar 
Betsey Trotwood Copperfiield bleefvooraltijdinhetlandderdroomea 
en schimmen, het geduchte gewest, waaruit ik zoo pas was komen aan- 
reizen ; en het licht, dat uit het venster onzer kamer straalde, bescheen 
de laatste aardsche rustplaats van al zulke reizigers en den heuvel, die 
het stof bedekte van hem, zonder wien ik er nooit zou zijn geweest. 



i. 



BERSTB INDRUKKEN. n 



n. 

IK BEGIN OP TE MERKEN. 



De eerste voorwerpen, die een duidelijken vorm voor mij aannemeD^ 
als ik ver terug in het ledige mijner vroegste kihdsheid zie, zijn mijne 
moeder met hare fraaie haren en haar jeugdig figuurtje, en Peggotty, met 
geheel geene figunr, oogen zwart, zoodat zij hunne geheele nabijheid in, 
haar gezicht schenen te verdonkeren, en wangen en armen zoo hard en 
rood, dat ik mij verwonderde dat de vogels niet liever aan haar pikteiv 
dan aan appelen. 

Ik meen mij deze twee nog te kunnen herinneren op eenigen afstand. 
tegenover elkander, in mijne oogen veel kleiner geworden doordat zij 
bdLten of op den grond knielden, terwijl ik wa^gelend van de eene naar 
de andere liep. £r is mij nog eene voorsteUmg, die ik niet van eene 
wezcnlijke herinnering kan onderscheiden, bijgebleven van Peggotty'a. 
voorvinger, dien zij mij placht toe te steken, en dat die ruw was van het 
naaien, evenals een muskaatraspje. 

Dit kan wel verbeelding zijn, hoewel ik denk, dat het geheugen der 
meeste menschen verder in de kindsheid kan teruggaan dan men veelal 
meent; evenals ik geloof^ dat het waamemingsvermogen bij vele nog 
zeer jonge kinderen een waarlijk verwonderenden trap van scherpheid 
en juistheid bezit Ik ben zelfe van gedachte^ dat men van de meeste voU 
wassenen, die in dit opzicht uitmunten, met meer juistheid zou kunnen 
zeggen^ dat zij dit vermogen niet verloren, dan dat zij het verworven heb'* 
ben; des te meer, daar ik doorgaans opmerk, dat zulke menschen zekere 
frischheid, zachtaardigheid en vatbaarheid voor genoegens behouden^ 
die insgelijks een erfgoed zijn, dat zij uit hunne kindsheid hebben be- 
waard. 

Ik zou wel kunnen vreezen, dat ik aan het >rondzwalken'' ben, terwijl 
ik mij ophoud om dit te zeggen, indien het mij niet tot de opmerking 
voerde, dat ik dezt besluiten gedeeltelijk op mijne eigeneinnerlijkeerva« 
ring heb gegrond ; en wanneer het uit iets, dat ik in dit verhaal aanteeken^ 
mocht blijken, dat ik als kind een buitengemeen waamemingsvermogen 
bezat, of dat ik als man eene levendige herinnering van mijne kindsheid 
bewaard heb, maak ik zonder twijfel aanspraak op beide deze eigenaar« 
dige begaafdheden. 

Wanneer ik, gelijk ik zeide, in het ledige mijner vroegste kindsheid 
terugzie, zijn oe eerste voorwerpen, die ik mij, als afgezonderd van eenQ 
verwarring van allerlei dingen en op zich zelven staande, kan herinne* 
ren, mijne moeder en Peggotty. Wat herinner ik mij nog meer ? Laat 
eenszien. 

Uit den nevel komt nog ons huis — niet nieuw voor mij, maar mij zel& . 
in de vroegste herinnering daarvan gemeenzaam bekend. Beneden ia. 
Peggotty's keuken, die op eene achterplaats uitkomt ; met een duivenhok, 
zonder duiven^ op een paal in het midden ; een groot hondenhok, zonder 
hond, in een hoek, en een aantal kippen, die mij geducht groot voorko% 



t2 DAVID COPPERFIELD. 



toen en op eene woeste, dreigende manier rondstappen. Er is een haan, 
die op een paal vliegt om te kraaien, en bijzonder op mij schijnt teletten 
als ik door het keukenraam naar hem kijk, en mij dan doet beven, zoo 
kwaadaardig als hij er uitziet. Van de ganzen buiten het zijpoortje, die 
mij met uitgestrekte halzen komen nawaggelen als ik dien kant heen 
kom, droom ik des nachts, gelijk iemand, door wilde dieren omringd, 
van leeuwen zou droomen. 

Hier is een lange gang — welk een verbazend vergezicht maak ik er 
van — die van Peggotty's keuken naar de voordeur loopt. Eene donkere 
provisiekamer komt daarin uit, en dat is eene plaats om des avonds hard 
voorbij te loopen ; want ik weet niet wat er tusschen die tonnen, potten 
en oude theekisten mag schuilen, als er niet iemand met een flauw lichje 
in is, en de duffe lucht, die een reuk van zeep, ingemaakt goed, peper, 
kaarsen en koffie, alles in eens, heeft, de deur laat uitkomen. Dan zijn er 
twee voorkamers : de voorkamer, waar wij des avonds zitten, mijne moe- 
der en ik en Peggotty — want Peggotty komt ons altijd gezelschap hou- 
den, als haar werk gedaan is en wij alleen zijn — en de beste voorkamer, 
waar wij des zondags zitten, deftiger, maar niet zoo genoeglijk. Die kamer 
heeft iets naargeestigs voor mij, want Peggotty heeft mij verteld — ik 
weet niet wanneer, maar het schijnt eeuwen geleden — van mijn vaders 
begrafenb, en dat de menschen, die medegingen, daar hunne zwarte 
mantels omkregen. Op een zondagavond leest mijne moeder in die 
kamer voor Peggotty en mij, hoe Lazarus uit den dood werd opgewekt. 
En ik word zoo angstig daarvan, dat zij mij naderhand uit het bed moe- 
ten nemen, en mij uit het venster der slaapkamer het stille kerkhof laten 
zien, waar de dooden, onder den plechtigen maneschijn, alien in hunne 
graven liggen te rusten. 

Er is nergens iets half zoo groen, dat ik weet, als het gras van dat 
kerkhof; niets half zoo lommerrijk als de boomen, die daar staan ; niets 
half zoo rustig als de grafzerken. De schapen grazen daar, alsik des mor- 
gens vroeg, in mijn bedje, dat in een afgeschoten kamertje achter de 
kamer mijner moeder staat, op mijne knieen overeind kom om er naar 
te kijken 5 en dan zie ik het roode licht op den zonnewijzer schijnen, en 
denk bij mij zelven : »Is de zonnewijzer blij, dat zou ik wel eens willen 
weten, dat hij weer kan zeggen hoe laat het is ?" 

Hier is onze bank in de kerk. Welk een hoog beschot heeft die bank ! 
Dichtbij is een venster, waaruit men ons huis kan zien, en 00k onder den 
ochtendgodsdienst dikwijb door Peggotty wordt gezien, die zich 
gaame zooveel zij kan verzekert, dat het niet bestolen wordt, of niet in 
brand staat. Maar hoewel Peggotty's oogen zwerven, neemt zij het zeer 
kwalijk als de mijne dat doen, en beduidt zij mij, als ik opdebankopsta, 
met een donkeren blik, dat ik naar den doming moet kijken. Maar ik 
kan niet altijd naar hem kijken — ik ken hem ook wel als hij dat witte 
ding niet aanheeft, en ik ben bang, dat hij zich zal verwonderen waarom 
ik hem zoo aanstaar, en misschien onder den dienst zal ophouden om mij 
dat te vragen — en wat zal ik dan doen ? Gapen is eene ijselijkheid, maar 
ik moet het toch somtijds doen. Ik kijk naar mijne moeder, maar zij 



L 



VROEGSTE HERINNERINGEN. 



n 



houdt zich alsof zij mij niet zag. Ik kijk naai' een jongen in de verte, en 
hij trekt gezichten tegen mij. Ik kijk naar den zonneschijn, die door d^ 
openstaande deur van het portaal binnenkomt, en daar zie ik een dwa« 
laid schaap — ik meen geen zondaar, maar een wezenlijk schaap — dat 
half gezind is om in de kerk te komen. Ik gevoel dat ik, als ik langer 
daamaar kijk, in verzoeking zal komen om hardop iets te zeggen ; en hoe 
zou het dan met mij gaan ! Ik kijk omhoog naar de grafschr^en aan de 
muren, en poog aan mijnheer Bodgers, in leven ingezetene van dit kerspel, 
te denken, en hoe mevrouw Bodgers het zich moet hebben aangetrok^ 
ken, toen mijnheer Bodgers met zware ziekte werd bezocht en alle ge- 
neesmeesters nutteloos waren. Ik ben benieuwd of zij dokter Chillip er 
bij geroepen hebben, en of hij ook nutteloos was ; en zoo ja, hoe het hem 
dan bevalt eens in de week daaraan herinnerd te worden. Ik kijk van 
dokter Chillip, met zijne zondagsche das, naar den preekstoel, en denk, 
welk een goed plaatsje die zou zijn om in te spelen, en welk een kasteel 
hij zou wezen, als een andere jongen de trap opkwam om het aan te val- 
len, en hem dan het fluweelen kusseh met kwasten op zijn hoofd werd 
gegooid. Door den tijd vallen mijne oogen langzamerhand dicht; en 
nadat ik mij eerst verbeeld heb den doming in de warmte een slaperig 
liedje te hooren zingen, hoor ik niets meer, tot ik met een smak van de 
bank val, en meer dood dan levend door Peggotty word weggebracht. 

En nu zie ik de buitenzijde van ons huis, met de klapvensters der slaap- 
kamers, die openstaan om de geurige lucht binnen te laten, en de geha^ 
Tcnde oude kraaiennesten, die nog in de olmen aan het eind van den 
tain v66r het huis hangen te schommelen. Nu ben ik in den tuin achter 
het huis, voorbij de plaats met het ledige duiven- en hondenhok — eene 
warande voorkapelletjes, herinner ik mij, met eene hooge schutting, een 
poortje en een hangslot; waar het fruit aan de boomen hangt, rijper en 
ovcrvloediger dan ik sedert ooit het fruit in eenigen anderen tuin heb ge» 
zien, en waar mijne moeder er van plukt in een mandje, terwijl ik er bij 
sta, haastig de gesnoepte aalbessen verzwelg, en dan mijn best doe om te 
kijken alsof ik nergens van wist. £r komt een sterke wind op, en de zo« 
mer is in een oogenblik om. Wij spelen in de winteravondschemering en 
dansen in de voorkamer rond. Als mijne moeder buiten adem is en in 
een leuningstoel zit te rusten, blijf ik staan kijken hoe zij hare glanzige 
knillen om hare vingers windt, en het lijQe van hare japon naar omlaag 
trekt, en niemand weet beter dan ik, dat zij er gaame zoo goed uitziet, en 
grootsch is dat zij zoo mooi is. 

Dit behoort onder mijne vroegste herinneringen. Dit, en eene bewust- 
heid dat wij beiden eeni^zins ban^ voor Peggotty waren, en ons in de 
meeste dingen aan haar wil onderschikten, behoorden onder de vroegste 
meeningen — indien zij zoo mogen genoemd worden — die ik ooit uit 
datgene, wat ik zag, ontleende. 

P^lgotty en ik zaten op een avond alleen bij het vuur in de voorka- 
mer. Ik had Peggotty van krokodillen voorgelezen. Ik moet bijzonder 
dnidelijk hebben gelezen, of de goede ziel moet met bijzonder veel be* 
laogsteUing hebben geluisterd, want ik herinner mij, dat zij, toen ik ge« 



DAVID COPPERFIELD. 



daan had, zich nevelachtig voorstelde dat zij eene soort van groente wa- 
I^en. Ik was moede van het lezen en halfdood van den vaak ; zoaar daar 
ikj als eene bijzondere gtmst, verlof had bekomen om op te blijven tot 
mijne moeder thuis kwam, die bij buren den avond doorbracht, had ik 
(natuurlijk) liever op mijn post willen sterven dan naar bed gaan. Ik was 
tot een trap van slaperigheid gekomen, waarop Peggotty zich hoe langer 
hoe meer scheen uit te zetten en vervaarlijk poot te worden. Ik hield 
cchter mijne oogleden met mijne twee voorvingers omhoog, en keek 
haar. terwijl zij zat te naaien^ strak aan ; en te gelijk keek ik naar het 
eindje waskaars, dat zij gebrmkte om haar draad door te halen — hoe 
oud scheen het te zijn, overal zoo ingekorven ! — naar het huisje met een 
Btrooien dak, waarin haar elleraaatje woonde ; naar haar naaikistje, met 
een schuifdeksel, en een gezicht der St. Paulskerk (met een rozerooden 
koepel) daarop geschilderd ; naar den koperen vingerhoed aan haar vin- 
ger, en dan weder naar haar zelve, die ik voor mooi hield. Ik gevoelde 
mij zoo slaperig, dat ik wel wist dat ik weg zou zijn, zoodra ik maar iets 
tiit het gezicht verloor. 

t Peggotty," zeide ik eenskkps, 9 zijt ge wel ooit getrouwd geweest ?" — 
tWel Heere, jonge heer David," antwoordde Peggotty, >hoe komt u dat 
Inhethoofd!" 

Zij antwoordde met zulk een opvliegen, dat ik er geheel wakker van 
werd. Toen hield zij op met naaien en keek mij aan, terwijl zij hare 
baald nitgetrokken hield zoo lang de draad was. 

tMaar z ij t ge dan ooit getrouwd geweest, Peggotty ?" begon ik weder. 
>Ge zijt immers mooi genoeg — heel mooi zelfe r 

Ik vond wel, dat zij er geheel anders uitzag dan mijne moeder, maar 
beschouwde haar toch als een volmaakt voorbeeld van eene andere soort 
van schoonheid Er stond in de beste voorkamer een rood fluweelen 
voetbankje, waarop mijne moeder een bloemruiker had geschilderd. De 
grond van dat voetbankje en Peggotty's kleur kwamen mij juist eveneens 
voor. Het voetbankje was glad en Peggotty was niw, maar dat maakte 
geen verschil. 

> Ik mooi, David !" zeide Peggotty.> Wel Heere neen, mijn jongen. Maar 
hoe komt gij over trouwen te denken?" — >Dat weet ik zelf niet ! — 
Maar gij moogt met niet meer dan 66n man te gelijk trouwen — mag dat 
wel, Peggotty?" — >Wel zekerniet," antwoordde Peggotty, zeermel 
beraden. — »Maar als gij met iemand trouwt, en die man sterft, dan 
tnoogt ge wel met een ander trouwen, niet waar, Peggotty ?" — Dat 
m a g," antwoordde Peggotty, > als men verkiest. Dat is naar men er over 
denkt." — >Maar hoe denkt gij er over, Peggotty?" zeide ik. 

Ik zag haar bij die vraag nieuwsgierig aan, omdat zij mij zoo zonder- 
ling aankeek. 

ilk kan er niets van zeg^en," antwoordde zij, terwijl zij hare oogen, na 
eene korte besluiteloosheid, van mij afwendde en weder met haar werk 
voortging, >dan dat ik zelf nooit getrouwd ben geweest, jonge heer 
David, en niet geloof, dat ik er ooit toe zal komen. Dat is al wat Qc 
w van weet." 



L 



DE HESR MIT DE ZWARTE BAKKEBAARDEN. 15 



>Gc «jt toch niet boos, Peggotty, niet waar ?" zeide ik, nadat ik een 
poosje stil was blijven zitten. 

Ik dacht inderdaad, dat zij boos was, omdat zij mij zoo kortaf ant- 
woord had gegeven; maar ik had het geheel verkeerd; want zij legde 
haar werk neer (eene kous, die zij stopte) en hare arnfca wijd uitsprei- 
dende, nam zij mijn krullebol daartusschen en gaf dien een stevigen druk. 
Ik weet, dat het een stevigen druk was, omdat zij, daar zij zeer gezet was, 
nadat zij was aangekleed nooit eene krachtige beweging kon maken, 
zonder dat er van den rug van hare japon eenige knoopjes afsprongen. 
£q ik herinner mij dat er, terwijl zij mij zoo omhelsde, twee naar den 
anderen kant der kamer vlogen. 

»Laat mij nu nog wat van de kurken-dillen hooren," zeide Peggotty, 
'die den naam nog met recht had gevat ; > want ik heb er nog niet half ge- 
noeg van gehoord." 

Ik kon niet recht begrijpen waarom Peggotty zoo wonderlijk voor zich 
keek, of waarom zij zoo gaame weer op de krokodillen wilde komen. Wij 
keerden echter, met vemieuwde wakkerheid van mijne zijde, naar die 
monsters terug en lieten hunne eieren in het zand liggen. om ze door de 
ion te laten uitbroeden ; en wij liepen voor hen weg en lopten hen door 
gedurig om te keeren, hetgeen zij, uithoofde van hunne logheid en on- 
bmgzaamheid, niet zoo gauw konden doen ; en wij liepen hen, als inboor- 
lingen, in het water na, en stakenhunscherpeeindenhoutindekeel; 
kortom, wij deden alles met de krokodillen wat er maar mede te doen 
was. Ik deed dit ten minste ; maar ik twijfelde aan Peggotty, die zich al 
dien tijd peinzend met hare naald hier en daar in haar gezicht en hare 
armen zat te prikken. 

Wij hadden met de krokodillen afgedaan en waren aan de kaaimans 
b^onnen, toen er aan de tuinschel werd getrokken. Wij gingen naar bui- 
ten om open te doen*, en daar stond mijne moeder, die er buitengemeen 
lief oitzag, naar mij dacht, en bij haar was een heer met fraai zwart haar 
en bakkebaarden, die den vorigen zondag met ons uit de kerk naar 
bms was gegaan. 

Toen mijne moeder op den drempel bukte om mij in hare armen op 
te ncmen en een kus te geven, zeide die heer, dat die kleine jongen groo- 
ter voorrechten had daji een koning, of lets van dien aard; want ik ge- 
Toel wel, dat mijn later begrip mij hier te hulp komt. 

» Wat wil dat zeggen ?" vroee ik hem, over haar schouder. 

Hij klopte mij op mijn hoofd ; maar hoe het wezen mocht, ik had maar 
geen behagen in hem of zijne zware stem, en was bang, dat zijne hand 
die van mijne moeder zou aanraken, terwijl ze mij aanraakte — hetgeen 
zij werkelijk deed. Ik schoof ze weg zoo goed ik kon. 

»0 David,*' zeide mijne moeder berispend. — > Lieve jongen !" zeide 
die heer. »Ik kan mij niet verwonderen, dat hij zoo gehecht is." 

Ik had nog nooit zulk eene fraaie kleur op mijn moeders gezicht ge- 
2ien. Zij beknorde mij in het vriendelijke omdat ik zoo lomp was, en mij 
dicht tqgen haar schawl dnikkende, keerde zij zich naar dien heer om en 
bedankte hem, dat hij zich zooveel moeite had gegeven om haar thuis te 



1 6 DAVID COPPERFiELD. 



brengen. Zij stak hem onder het spreken hare hand toe, en terwijl hij die 
in de zijne nam, keek zij, naar mij dacht, naar mij. 

J Laten wij elkander goedennacht zeggen, aardig knaapje," zeide^die 
heer, toen hij zijn hoofd - dit zag ik — over het handschoentje mijner 
moeder gebogen had. — » Goedennacht!" zeide ik. — iKom! Wij moe- 
ten de beste vrienden van dewereldworden," zeide hij lachend,>Gcef 
mij de hand." 

Mijne rechterhand was in de linker mijner moeder gesloten; dus gaf 
ik hem de andere 

1 Wei, dat is de verkeerde hand, David," zeide hij, alweder lachende. 

Mijne moeder duwde mijne rechterhand vooruit, maar om bovenge- 
melde reden wilde ik hem volstrekt niet geven, en deed dit ook niet. Ik 
gaf hem de andere, en hij schudde die hartelijk, en zeide, dat ik een ferme 
jongen was, en ging heen. 

Nog op dit oogenblik zie ik hem zich in den tuin omkeeren, en ons- 
een laatsten blik geven met zijne onheilspellende zwarte oogen, eer de 
deur gesloten werd. 

Peggotty, die geen woord gesproken en geen vinger bewogen had,, 
schoof terstond de grendels op, en wij gingen alien naar de voorkamen 
Mijne moeder bleef, in plaats van naar den leuningstoel bij het vuur te 
komen, tegen hare gewoonte, aan den anderen kant van de kamer, ea 
zat daar bij zich zelve te zingen, 

»Hoop dat gij een pleizierigen avond hebt gehad, ihevrouw," zeide- 
Peggotty, die met een blaker in de hand, zoo stijf als een staak — of lie- 
ver als eene ton — midden in de kamer bleef staan. — > Wei bedankt, 
Peggotty," antwoordde mijne moeder met eene vroolijke stem. >Ik heb 
een heel pleizierigen avond gehad." — >E^n vreemdeling kan eene 
aangename verandering maken," merkte Peggotty aan. — i Ja, eene zeer 
aangename verandering," antwoordde mijne moeder. 

Peggotty bleef onbeweeglijk midden in de kamer staan, mijne moeder 
be^on weder te zingen, en ik viel in slaap, schoon niet zoo vast in slaap, 
of ik kon stemmen hooren, zonder te verstaan wat zij zeiden. Toen ik. 
uit dezen onrusti^n sluimer half wakker werd, vond ik mijne moeder en 
Peggotty beiden m tranen en beiden aan het praten. 

»Niet zoo een als deze zou mijnheer Copperfield hebben aangestaan,'* 
zeide Peggotty. >Dat zeg ik en dat wil ik bezweren." — >Goedehemel!" 
riep mijne moeder nit, >gij zult mij nog razend maken ! Is ooit een onge- 
lukkig meisje zoo door hare dienstboden mishandeld als ik het word i 
Maar waarom doe ik mij onrecht aan door mij zelve een meisje te noe- 
men? Ben ik dan niet getrouwd geweest, Peggotty? — iGod weetwel 
van ja, mevrouw," antwoordde Peggotty. — >Hoe durft gij dan," zeide 
mijne moeder, — >gij weet wel, ik meen niet hoe gij kunt durven, Peg- 
gotty, maar hoe gij het hart kunt hebben, om mij zoo onrusti^ te maken 
en mij zulke scherpe dingen te zeggen, terwijl gij wel weet, dat ik, behalve- 
bier, geen enkel vriend heb, tot wien ik mij wenden kan." — > Zooveel 
te meer reden," antwoordde Peggotty, lomte zeggen dat het niet aan- 
gaat. Neen ! Het gaat niet aan, en het zal nooit aangaan. Neen I" Ik dftcht. 



L. 



MIJNE MOEDER £N PEGGOTTY HKBBEN VERSCHIL. 1 7 

dat Peggotty den blaker zou hebben neergesmeten, zoo zwaaide zij daar- 
mee. — >Hoe kunt ge toch zoo onredelijk zijn," zeide mijne moeder, 
terwijl de tranen haar nog harder over de wangen rolden, »om er zoa 
over te spreken ! Hoe kunt gij er over aangaan alsof alles al vast en zeker 
was, terwijl ik u nog eens en nog eens zeg, gij wreedaardige meid, dat er 
niets anders heeft plaats gehad dan de allergewoonste beleefdheden. Gij 
praat er van, dat ik mij laat bewonderen. Wat moet ik dan doen? A Is de 
menschenonnoozel genoeg zijn om dat te doen, is het dan mijne schuld? 
Wat moet ik dan doen, vraag ik u? Zoudt ge willen, dat ik mijne haren 
a£meed, of mijn gezicht zwart maakte, of het met eene brandwond, of 
zoo lets, ontsierde ? Dat zoudt ge wel willen, Peggotty, Daarin zoudt ge 
wcl vermaak hebben." 

Peggotty scheen zich dit verwijt zeer aan te trekken, naar mij dacht. 

lEn mijn lieve jongen," riep mijne moeder uit, naar den leuningstoel 
komende, waarin ik zat en mij liefkoozende,» mijn kleine David !Zal men 
mij te verstaan geven, dat ik mijn kostbaarsten schat, het dierbaarste 
kind dat er ooit geweest is, niet genoeg liefheb!" — »Niemand heeft ooit 
zoo lets te verstaan willen geven," zeide Peggotty. — >Dat hebt gij ge- 
daan, Peggotty," antwoordde mijne moeder. iDat weet gij zelve weL 
Wat kon ik met mogelijkheid anders uit uw zeggen opmaken, gij onge- 
voelig schepsel; terwijl ge toch evengoed weet als ik, dat ik nog met het 
laatste vierendeeljaars alleen om hem geen nieuwe parasol wilde koopen, 
boewel de oude haast overal is doorgesleten en de franje er uitziet alsof 
er de mot in was. Gij weet wel dat het zoo is, Peggotty. Gij kunt het niet 
ontkennen." En zich toen liefderijk naar mij keerende, met hare wang 
tegen de mijne. >Ben ik eene booze mama voor u, David? Ben ikeene 
Icclijke, harde, eigenlievende, slechte mama? Zeg het maar, mijn kind, 
rcg maar t ja," lieve jongen, dan zal Peggotty u lief hebben, en Peg^otty's 
liefde is veel beter dan de mijne, David. I k heb u in het geheel met hef, 
niet waar?" 

Daarop gingen wij alien te zamen aan het schreien. Ik geloof, dat ik 
de luidruchtigste van de drie was, maar ik ben overtuigd, dat wij het 
alien even oprecht meenden. Ik was geheel buiten mij zelven, en ik vrees, 
dat ik in de eerste vervoering mijner gewonde teerhartigheid Peggotty 
ecn ibeest" noemde. Dat goede schepel was diep bedroefd, herinner ik 
mij wcl, en moet bij deze gelegenheid geheel knoopeloos zijn geworden; 
want er ging een salvo van die kleine kanonschoten af, toen zij, na het 
met mijne moeder te hebben bijgelegd, voor den leuningstoel knielde, 
om het ook met mij bij te leggen. 

Wij gingen diep bedrukt naar bed. Mijn snikken hield mij langen djd 
wakker; en toen een bijzonder krachtige snik mij geheel in het bed op- 
hkf bemerkte ik, dat mijne.moeder, over mij heengebogen, op den rand 
van mijn ledikantje zat. Daama viel ik in hare armen in slaap en sliep 
gerost. 

Of het den volgenden zondag was dat ik dien heer wederzag, dan of 
cr ecn langer tijd verliep eer hij zich weder vertoonde, kan ik mij niet 
h^nncTcn. Ik wil niet zeggen, dat de daliuns mij nog duidelijk voor den 

DAVm COPPERFIKLD. — I. 2 



1 8 DAVID COPPEREIELD. 



geest staan. Maar daar was hij, in de kerk, en ging naderhand met ons 
naar huis. Hij kwam ook binnen om naar den vermaarden geranium te 
kijken, dien wij voor het venster hadden staan. Hij scheen er niet veel op 
te letten, maar eer hij heenging vroeg hij mijne moeder om hem een takje 
er van te geven. Zij verzocht hem om er zelf maar een te kiezen, maar 
hij wilde dit niet doen — ik kon niet begrijpen waarom — en dus plukte 
zij er een voor hem en gaf hel hem in de hand. Hij zeide, dat hij ernooit, 
nooit weder van zou scheiden ; en ik dacht dat hij wel een groote domkop 
moest zijn om niet te weten, dat het over een paar dagen zou verwelken 
en de bloem uitvallen. 

Peggotty begon des avond minder bij ons te zitten, dan zij vroeger 
altijd had gedaan. Mijne moeder gaf haar veel toe — meer dan gewoon- 
lijk, kwam het mij voor — en wij waren alle drie uitmuntende vrienden ; 
maar wij waren toch anders dan wij plachten te zijn en niet zoo genoeglijk 
onder elkander. Somtijds verbeeldde ik mij, dat Pe^jgotty er tegen had, 
dat mijne moeder al de mooie kleedjes droeg, die zij in hare laden had, 
of dat zij zoo dikwijls naar dien buurman ging; maar ik kon het niet met 
mij zelven eens worden, hoe het eigenlijk was. 

Langzamerhand werd ik er aan gewoon om dien heer met zijn zwarten 
bakkebaard te zien. Ik had niet meer behagen in hem dan in het eerst, 
en bleef dezelfde angstige jaloezie behouden ; maar indien ik eenige rede- 
nen daartoe had, behalve den instinctmatigen afkeer van een kind en 
een onbepaald denkbeeld, dat Peggotty en ik genoeg werk van mijne 
moeder konden maken zonder dat iemand ons hielp, was het zeker die 
reden niet, welke ik had kunnen vinden indien ik ouder was geweest. 
Zoo iets kwam mij volstrekt niet in het hoofd, zelfs niets, dat er eenigszins 
naar geleek. Ik kon als het ware bij kleine stukjes waamemen en opmer- 
ken; maar van een aantal dezer stukjes een net te maken en daarin 
iemand te vangen, dit was tot nog toe boven mijn vermogen. 

Op een herfstochtend was ik met mijne moeder in den tuin voor het 
huis, toen mijnheer Murdslone — ik kende hem nu bij dien naam — te 
paard voorbijkwam. Hij hield zijn paard in om mijne moeder te groeten, 
en zeide, dat hij naar Lowestoft reed, om eenige vrienden tebezoeken, 
die daar met een jacht lagen. Ten slotte deed hij lachende het voor- 
stel om mij voor zich op het paard te nemen, als ik lust in een toertje 
had. 

De lucht was zoo helder en frisch, en het paard zelf scheen zooveel 
lust in het toertje te hebben, terwijl het voor het tuinhek stond te brie- 
schen en te stampen, dat ik zeer veel zin kreeg om mede te gaan. Ik werd 
dus met Peggotty naar boven gezonden om wat opgeknapt te worden, 
en intusschen stapte mijnheer Murdstone af, en wandelde, metdeteugels 
van zijn paard over zijn arm, langzaam buiten de eglantierheg op en 
neer, terwijl mijne moeder aan den binnenkant op en neer wandelde om 
hem gezelschap te houden. Ik herinner mij nog, dat Peggotty en ik uit 
mijn venstertje naar hen uitkeken; ik herinner mij nog, hoe dicht zij 
onder het voortwandelen de heg, die tusschen hen in was, schenen te 
bekijken ; en hoe Peggotty, die eerst in een engelachtig humeur was ge- 



lajNHEER MURDSTONE NKEMT MU MBDE OP EEN RIJTOERTJB. 1 9 



^eest, in cen oogenbl^ geheel daaruit geraakte en mijn haar geweldig 
hard den verkeerdcn kant op schuierde. 

Mijnheer Murdstone en ik reden weldra been en draafden over het 
.groene gras langs den kant van den weg. Hij hield inij met 66n arm 
Inchtig vast, en ik geloof niet, dat ik anders zoo onnistig was; maar ik 
kon niet zoo voor hem zitten, zonder nu en dan mijn hoofd om te draaien 
«n naar zijn gezicht op te zien. Hij had die soort van glazige, zwarte 
oogen — ik weet geen beter woord om oogen aan te duiden, die geene 
■dieptc hebben, waarin men zien kan — die dooreeneafandereeigen- 
aardigheid van het licht, als zij verstrooid vobr zich kijken, nu en dan 
cen oogenblik scheel schijnen te zien. Verscheidene malen merkte ik, 
als ik hem aanzag, deze bijzonderheid met zekere angstige ontzettingop, 
en verwonderde mij waarover hij zoo ingespannen nadacht. Zijn haar en 
bakkebaard waren, zoo nabij gezien, nog zwarter en dichter dan zelfs 
mijne verbeelding ze gemaakt had. lets breeds en hoekigs in het bene- 
^enste gedeelte van zijn gezicht, en de gestippelde sporen van den zwa- 
ren, zwarten baard, dien hij dagelijks glad afschoor, herinnerden mij aan 
<ie wassen beelden, die een half jaar vroeger bij ons te zien waren geweest. 
Dit, zijne regelmatige wenkbrauwen, en het heldere blank en bruin van 
^jne kleur — verwenscht zij zijne kleur en zijne gedachtenis ! — deden 
mij hem, in weerwil van mijn tegenzin, voor een zeer knap man houden. 
Ik twijfel er niet aan, dat mijne goede, lieve moeder hem ook daarvoor 
hield. 

Wij reden naar een logement bij den zeekant, waar twee heeren in 
«ene kamer alleen sigaren rookten. Zij lagen ieder op ten minste vier 
stoelen en hadden wijde, ruige buizen aan. In een boek lag een hoop 
schippersjassen en mantels, en eene vlag^ alles op elkander gesmeten. 

Beiden lieten zich op eene onbehoudene manier van hunne stoelen 
roUen, toen wij binnenkwamen, en zeiden: > Holla, Murdstone! Wj 
-dachten dat se doodwaart." — > Nog niet," zeide mijnheer Murdstone. — 
>En wie is dat gastjei"' zeide een van de heeren, mij aanpakkende. — 
«Dat is kleine David," antwoordde mijnheer Murdstone. ■ — > David 
wie?" vroeg deandere heer. > Jones?" — >Copperfield," zeide mijnheer 
Murdstone. — > Wat ! Het zoontje van die betooverende mevrouw Cop- 
perfield?" riep de andere heer uit. >Dat aardige weeuwtje?" — >Qui- 
nion," zeide mijnheer Murdstone, >pas op als het ubelieft. Zekeriemand 
is geslepen." — > Wie dan ?" vroeg de andere heer lachende. 

Ik keek snel op, want ik was nieuwsgierig om het te weten. 

» Brooks van Sheffield maar," antwoordde mijnheer Murdstone. 

Het was eene verademing voor mij toen ik hoorde, dat het maar 
Brooks van S h e f f i e 1 d was ; want in het eerst dacht ik werkelijk, dat ik 
het was. 

Er scheen iets zeer comisch aan den naam van mijnheer Brooks van 
S h e f f i e 1 d verbonden te zijn, want beide heeren lachten haitelijk toen 
hij genoemd werd, en mijnheer Murdstone lachtemede. Natehebben 
uitgelachen, zeide de heer, dien hij Quinion had genoemd : 

lEn hoe denkt Brooks van Sheffield over de voorgenomene: 



20 DAVm COPPERFIELD, 



zaak ?" — 1 Wei, ik geloof niet, dat Brooks er op het oogenblik nog veel 
van begrijpt," antwoordde mijnheer Murdstone. >Maar over het geheel 
IS hij er niet voor, geloof ik." 

Daarop werd er nog meer gelachen, en mijnheer Quinionzeide, dat hij 
eens zou schellen en sherry laten komen om op Brooks te drinken. Dit 
deed hij ; en toen de wijn gebracht was, gaf hij er mij wat van, met een 
beschuitje, en moest ik, eer ik dronk, opstaan en zeggen: >Naar de 
weerga met Brooks van S h e f f i e 1 d !" Dezc toast werd met toejuiching 
opgenomen, en men lachte zoo hartelijk, datikzelfmedelachte; waar- 
over toen nog meer gelachen werd. Kortom, wij vermaakten onsbuiten- 
gemeen. 

Daama gingen wij op de rotsen wandelen, en op het gras zitten, en 
keken in de verte door een verrekijker — ik kon er niets door zien toen 
hij voor mijn oog werd gehouden, maar hield mij toch alsof ik wel wat 
zag, — en daama kwamen wij naar het logement terug om te eten. Al 
den tijd, dien wij buiten waren, rookten de twee heeren onophoudelijk ; 
en naar den reuk van himne ruige jassen te oordeelen^ dacht ik, moesten 
zij dit aldoor gedaan hebben sedert de jassen van den kleermaker thui^ 
kwamen. Ik moet niet vergeten, dat wij aan boord van het jacht gingen^ 
waar alle drie in de kajuit afklommen en met eenige papieren bezig 
waren. Ik zag hen druk aan het werk, toen ik door de openstaande Ian- 
taren naar beneden keek. Zij lieten mij zoolang bij een heel aardig man 
met een zeer groot hoofd met rood haar, en een zeer klein blinkend 
hoedje daarop. Hij had een hemd of vest met dwarsloopende strepen 
aan, waarop over de borst met grootedruklettersiLeeuwerik"stond. 
Ik dacht, dat hij zoo heette, en dat hij, daar hij aan boord woonde en 
geene straatdeur had om zijn naam op te zetten, die maar daar op zijne 
borst had gezet ; maar toen ik hem mijnheer Leeuwerik noemde, zeide 
hij mij, dat daarmede het vaartuig werd bedoeld. 

Ik merkte den geheelen dag op, dat mijnheer Murdstone veel rustiger 
en bedaarder was dan de twee andere heeren. Zij waren zeer vrooHjk en 
luchtig. Zij maakten allerlei grappen met elkander, maar zelden met 
hem. Het kwam mij voor, dat hij schranderder en koeler was dan zij, en 
dat zij hem eenigszins met hetzelfde gevoel als ik beschouwden. Ik merkte 
een paar malen op, dat mijnheer Quinion, terwijl hij aan het praten was, 
mijnheer Murdstone zijdelings aankeek, als om zich te verzekeren, dat 
hij het niet kwalijk nam : en dat hij eens, toen mijnheer Passnidge (de 
andere heer) bijzonder vroolijk was, dezen op zijn voet trapte en met 
zijne oogen eene heimelijke waarschuwing gaf om op mijnheer Murd- 
stone te letten, die stroef en stil zat te kijken. Ook herinner ik mij niet^ 
dat mijnheer Murdstone den geheelen dag lachte, behalve over die aar- 
digheid met Brooks van She f f ie Id — en deze aardigheid was van hem 
zelven afkomstig. 

Wij reden des avonds vroeg weder naar huis. Het was een fraaie avond^ 
en mijne moeder en hij wandelden nog eens langs de rozenhaag op en 
neer, terwijl ik in huis werd gezonden voor mijn avondeten. Toen hij weg 
^as, vroeg mijne moeder mij zeer omstandig naar den dag dien ik had 



Id 



IK VERTEL MUNE MOEDER WAT ZIJ VAN H A AR GEZEGD HEBBEN, 2 1 



.^ehad, en wat zij gezegd en gedaan hadden. Ik vertelde wat zij van haar 
hadden gezegd, en zij lachte en zeide mij, dat zij onbeschaamde kerels 
waren, die maar gekheid praatten — maar ik wist, dat het haar streelde. 
Ik wist dat toen evengoed als ik het nu weet. Ik nam de gelegenheid waar 
om haar te vragen of zij ook iets van mijnheer Brooks van S c h e f f i e 1 d 
wist, maar zij antwoordde >Neen," behalve dat zij dacht, dat hij een fa- 
l)rikant moest wezen, die messen en vorken maakte. 

Kan ik van haar gezicht — zoo veranderd als ik het mij helaas kan 
herinneren en tot stof vergaan als ik weet dat het is — zeggen, dat het 
verdwenen is, terwijl het op dit oo^enblik voor mij komt, zoo duidelijk 
als eenig gezicht, dat ik in eene woelige straat verkies aan te zien ? Kan ik 
van hare onschiildige, kinderlijke schoonheid zeggen, dat zij eens ver- 
welkte en niet meer te vinden is, terwijl ik haar adem nu nog tegen mijne 
wang voel, gelijk ik hem dien avond voelde? Kan ik zeggen, dat zij ooit 
veranderd is, wanneer mijne herinnering haar alleen gelijk zij toen was 
in het leven herroept, en getrouwer aan die liefelijke jeugd, dan ik geweest 
^n, of een man ooit is, nog vasthoudt wat zij toen boven alles liefhad ? 

Ik schrijf van haar gelijk zij was toen ik na dit gesprek naar bed was 
gegaan, en zij mij goedennacht kwam wenschen. Zij knielde schertsend 
naast mijn bed neder, en hare kin op hare handen leggende, zeide zij 
lachend: 

1 Wat hebben zij ook gezegd, David? Zeg het mij nog eens. Ik kan het 
niet gelooven." — iDie betooverende," begon ik. 

Mijne moeder hield hare handen voor mijne lippen om mij te stuiten. 

iHetwaszeker geen betooverend,'' zeide zij, lachende. >Het kan geen 
betooverend zijn geweest, David. Dat weet ik zeker." — > Ja, dat was het 
weL iBetooverende mevrouw Copperfield," herhaalde ik stoutweg. lEn 
taardig." — >Neen, neen, aardig was het zeker niet,'* viel mijne moeder 
er weder op in, en legde nogmaals hare vingersop mijne lippen. — ija, 
dat was het wel. Dat aardige weeuwtje.** — iHoe gek en hoe onbe- 
schaamd!'* riep mijne moeder lachend uit en hield hare handen voor 
haar gezicht. »Ik vind die heeren al heel belachelijk. Gij ook niet? Maar 
no, lieve David...*' — i Wel ma?" — i Vertel het maar niet aan Peggott)r; 
zij zou zich misschien boos op hen maken. Ik ben zelf geweldig boos op 
hen; maar ik had toch liever dat Peggotty het niet wist." 

Ik beloofde natuurlijk te zwijgen; en wij kusten elkander nogmaals eo 
nogmaals, en ik viel spoedig gerust in slaap. 

Het komt mij, na zulk een tijdsverloop, voor, alsof het des anderen 
daags was, dat Peggotty het buitengemeene en avontuurlijke voorstel 
opperde, waarvan ik nu melding moet maken; maar waarschijnlijk was 
het ongeveer twee maanden later. 

Wij zaten, gelijk te voren, op een avond (terwijl mijne moeder, gelijk 
te voren, uit was) bij elkander, m gezelschap van de kous,het ellemaatje, 
het stukje was, het naaikistje met de St-Paulskerk op het deksel, en het 
krokodillenboek, toen Peggotty, nadat zij mij verscheidene malen had 
aangezien en haar mond s^eopend alsof zij wilde spreken, zonder ditech- 
ter te doen — hetgeen ik voor gapen hield, of ik zou er mij eenigs- 



2 a DAVID COPPERFIELD. 



zins ongenist over gemaakt hebben — op een vleienden toon zcider 
> Jonge heer David, zdudt ge niet wel lust hebben om eens voor een 
veertien daag met mij naar mijn broeder te Yarmouth te gaan ? Zou 
dat geen pretje zijn ?" — >Is uw broeder een vriendelijkman^Peggotty ?'* 
vroeg ik bij voorraad. — i O, wat een vriendelijk man !" riep Peggotty 
uit en stak daarbij hare handen omhoog. >£n dan is daar de zee; en d& 
booten en de schepen; en de visschers; en het strand; en Am om mede 
te spelen." 

Peggotty mecnde hear neef Ham, van wien in het eerste hoofdstuk 
meldmg is gemaakt, maar was gewoon zeer willekeurig met de letter h 
om te springen. 

Deze optelling van vermakelijkheden deed mij een gloed in het gezicht 
komen, en ik antwoordde, dat dit wel pleizierig zou zijn ; maar wat zou 
mijne moeder er van zeggen? 

>Wel, ik durf er wel een guinje onder verwedden," zeide Peggotty,, 
scherp op mijn gezicht lettende, % dat zij ons zal laten gaan, Ik zal het 
haar vragen, als ge wilt, zoodra zij thuis komt. Ziedaar !" — >Maar hoe 
zal zij het maken terwijl wij weg zijn ?" zeide ik, mijne kleine ellebogcn 
op de tafel plantende, om over dit punt te redeneeren. >Zij kan toch niet 
aUeen blijven." 

Indien Peggotty zoo op eens naar een gaatje in de kous keek, moet 
het wel een heel kleintje zijn geweest en het stoppen niet waard. 

ilk zeg, Peggotty, zij kan toch niet alleen blijven; dat weet ge wel." — 
>Och Heere mijn tijd!" zeide Peggotty, mij eindelijk weder aanziende- 
J Weet gij het dan nog niet? Zij zal voor veertien da^en bij mevrouw 
Grayper gaan logeeren. Mevrouw Grayper krijgt een huis vol gasten/* 

O, als dat zoo was, zou ik gaame gaan. Ik wachtte met het grootste- 
ongeduld tot mijne moeder van mevrouw Grayper thuis kwam (want 
deze was de meermalen gemelde buurvrouw), om te vememen of wij 
verlof zouden krijgen om dat groote plan ten uitvoer te brengen. Lang, 
niet zoozeer verrast als ik verwacht had, gaf mijne moeder gereedelijk 
hare toestemming; en alles werd dien avond afgesproken. Zoolang ik. 
daar logeerde zou er kost en inwoning voor mij betaald worden. 

Spoedig kwam de dag van ons vertrek. Hij was zoo nabij, dat hij zelfe- 
voor mij spoedig kwam, hoewel ik bijna de koorts had van ongeduld, en 
half en half bang was, dat er eene aardbeving, of een vuurspuwende 
berg, of eene andere groote stuiptrekking der natuur tusschen beiden 
zou komen om de reis te beletten. Wij zouden met eene voermanskar 
medegaan, die des morgens na het ontbijt afreed. Ik had er veel geld 
voor willen geven om mij dien nacht in eene deken te mogen rollen en 
met mijn hoed op en laarzen aan te slapen. 

Het ^aat mij nu aan het hart, schoon ik het zoo luchtig vertel, als ik 
mij hermner hoe verlangend ik was om mijn gelukki^ moederlijk huis te 
verlaten, als ik bedenk hoe weinig ik vermoedde wat ik voor alti jd verliet. 

Dc verheug mij nog in de herinnering, dat er, toen de kar voor het hek . 
was en toen mijne moeder mij stond te kussen, eene dankbare teederheid 
voor haar en de oude woning, die ik nog nooit den rug had toekeerd, bij. 



N. 



k 



WU RIJDEN MBT DEN VOERMAN NAAR YARMOUTH. 23 



mij opkwam en mij deed schreien, Dc denk er met blijdschap aan, 
dat niijne moeder ook schreide en ik haar hart tegen het mijne voelde 
kloppen. 

Ik verheug mij nog in d^ herinnering, dat, toen de voerman voortreed, 
mijne moeder het hek kwam uitloopen en hem toeriep om te wachten, 
dat zij mij nog een kus kon geven. Met eene streelende aandoening denk 
ik aan de hartelijkheid en teederheid, waarmede zij mijn gezichtje naar 
het hare optilde en mij dien laatsten kus gaf. 

Toen wij haar op den weg lieten staan, kwam mijnheer Murdstone 
naar haar toe, en scheen er haar over te onderhouden^ dat zij zoo ont- 
roerd was. Ik keek om het zeil van de kar heen, en verwonderde mij wat 
hem dit aanging. Peggotty, die aan den anderen kant omkeek, scheen 
alles behalve vergenoegd, gelijk het gezicht, dat zij weder binnen de kar 
haalde, aanduidde. 

Ik zat Peggotty eene poos aan te kijken, terwijl ik peinsde over dit als 
mo^elijk onderstelde geval : of ik, indien zij was uit^ezonden om mij te 
verbezen, geluk de kleine jongen in het sprookje, m staat zou zijn om 
den weg naar nuis te vinden op het spoor der knoopen, die zij zou laten 
Tallen? 



m. 

IK ONDERVIND VERANDBRINGEN. 

Het paard var den voerman was het luiste paard van de wereld, zou 
ikhopen, en sjokte met een hangenden kop voort, alsof het er vermaak in 
bad om de menschen, aan wie de pakjes geadresseerd waren, te laten 
wachten. Ik verbeeldde mij werkelijk, dathetsomtijds hoorbaar over die 
gedachte grinnikte, maar de voerman zeide, dat het maar eene kuch had. 

De voerman had eene manier om zijn hoofd, evenals zijn paard, te 
laten hangen, en terwijl hij mende, slaperig voorover te zakken, met een 
ann op elke knie. Ik zeg, dat hij > mende,'' maar het kwam mij voor, dat 
de kar, zonder hem, even goed te Yarmouth zou zijn gekomen, want 
het paard liep maar zooals het wilde ; en wat conversatie aangaat, daar- 
van had hij geen denkbeeld, behalve dat hij somtijds wat floot. 

Peggotty had eene mand met ververschingen op hare knieen, waar- 
mede wij rijkelijk zouden zijn toegekomen, al hadden wij naar L o n d e n 
moeten rijden. Wij aten veel en sliepen veel. Als Peggotty in slaap viel, 
het zij hare kin altijd op het hengsel der mand zakken, dat zij altijd even 
itev^ vasthield; en ik had nooit kunnen gelooven, als ik het niet van haar 
gefaoord bad, dat 6€nt weerlooze vrouw zoo kon snorken. 

Wij reden zoo dikwijls bezijden af, een dwarsweg op en weer terug, en 
hielden ons zoo lang op om aan een herberg een ledikant af te laden en 
op andere plaatsen boodschappen te doen, dat ik zeer moede enzeer 
blijde was, toen wij Yarmouth za^en. Het zag er tamelijk sponsachtig 
en sopperig uit, dacht mij, terwijl ik mijne oogen over de groote een- 



24 DAVID COPPERFIKLD. 



tonige wildemis liet gaan, die aan den o verkant der rivier lag ; en ik kon 
niet nalaten mij te verwonderen, indien de aarde werkelijk zoo rond wis 
als mijn geographie-boek zeide, hoe dan een gedeelte daarvan zoo plat 
kon wezen. Maar ik bedacht mij, dat Yarmouth wel aan een der polen 
kon liggen ; hetgeen de zaak zou verklaren. 

Toen wij wat naderbij kwamen, en het geheele omliggende land als 
eene lage, rechte streep onder den hemel zagen liggen, gaf ik Peg- 
gotty te kennen, dat een berg of zoo iets het wel zou verfraaid hebben; 
en ook dat, indien het land wat meer van de zee was onderscheiden 
geweest, en de stad en de vloed niet zoo ondereen gemengd, gelijk een 
watersop met brokken brood, het mooier zou zijn geweest. Maar Peg- 
gotty zeide, met grooter nadruk dan gewoonlijk, dat wij de dingen moes- 
ten nemen zooals wij ze vonden, en dat zij, wat haar betrof, er trotsch op 
was zich een Yarmouther Panharing te noemen. 

Toen wij in de straat kwamen (die er mij vreemd genoeg uitzag) en de 
visch, het pek, het werk en het teer roken, en de matrozen zagjen rond- 
loopen, en de karren over de steenen hoorden ratelen, begreep ik, dat ik 
zulk eene levendige plaats onrecht had gedaan, en zeide ik dit ook tegen 
Peggotty, die mijne uitdrukkingen van opgetogenheid met innig genoe- 
gen aanhoorde, en mij zeide, dat het wel bekend was (ik denk onder hen, 
die het geluk hadden van geboren Panharingen te zijn), dat Yarmouth, 
over het geheel, de fraaiste stad van de wereld was. 

>Daar is mijn Am!" gilde Peggotty uit. iZoo gegroeid, dat ik hem 
haast niet meer zou kennen." 

Hij stond werkelijk bij de herberg naar ons te wachten, en vroeg mij, 
als een oude kennis, hoe het mij ging. Ik kon in het eerst niet zeggen, dat 
ik hem zoo goed kende als hij mij deed, daar hij sedert den nacht, waarin 
ik geboren werd, niet weder bij ons in huis was gekomen, en hij natutir- 
lijk iets op mij voor had. Doch onze gemeenzaamheid werd er zeer door 
bevorderd, dat hij mij op zijn rug nam om mij zoo naar huis te dragen. 
Hij was nu een groote, forsche gast van zes voet lengte, breed in evenre- 
digheid en rond van schouders, maar met een onnoozel, zoetsappig jon- 
gensgezicht en licht krullend haar, dat hem een zeer schaapachtig uitzicht 
gaf. Zijne kleeding bestond uit een buis van zeildoek, en zulk eene stijve 
broek, dat zij evengoed alleen overeind had kunnen staan, zonder dat er 
beenen in staken. Ook had men niet zoozeer kunnen zeggen, dat hij een 
hoed droeg, als dat hij, gelijk een oud gebouw, voor behulp met iets was 
gedekt, dat met pek scheen doortrokken. 

Ham droeg mij op zijn rug en een koffertje van ons onder den arm, 
Peggotty droeg een ander koffertje, en zoo gingen wij eenige straatjes 
door, die met houtspaanders en zandheuveltjes warenbezaaid, en voor bij 
gasstokerijen, lijnbanen, scheepstimmerwerven, sloopers-werven, kal- 
faatplaatsen, tuigage-loodsen, smederijen en een warboel van dergelijke 
plaatsen, tot wij aan de eentonige zandvlakte kwamen, die ik reeds in de 
verte had gezien ; en toen zeide Ham : 

>Daar gmder is ons huis, jonge heer David." 

Ik keek naar alle kanten rond, zoover mijne oogen over de wildemis 



L 



M1JNHEER PKGGOTTY HEEFT EEN PLEIZIERIG HUIS. 25 

konden reiken, en nu nog verder over de zee en de rivier, maar ik kon 
geen huis ontdekken. £r lag eene zwarte schuit of ander soort van afge- 
dankt vaartuig, niet veraf, hoog en droog op het land, waaruit eene ijze- 
ren kachelpijp, bij wijze van schoorsteen, opstak en zeer genoeglijk 
rookie; maar niets anders, dat naar eene woning geleek, was er voor mij 
zichtbaar. 

>Dat is het toch niet?'' zeide ik. iDat ding, dat zfoo naar een schip 
gcHjkt?" 

> Ja, dat is het, jonge heer David," antwoordde Ham. 

IncHen het Aladdin's paleis was geweest, met het ei van den vogel Rock 
en alles, geloof ik dat ik niet meer ingenomen had kunnen zijn met het 
romaneske denkbeeld om er in te wonen. £r was eene alleraardigste 
denr op zijde in gemaakt, en het had een dak, en er waren venstertjes in; 
maar wat het vooral zoo wonderbaar en betooverend maakte, was, dat 
het eene echte visschersschuit was, die zonder twijfel honderden malen 
op het water was geweest, en nooit gebouwd was om er op het land in te 
wonen. Dit was het, wat dit huis vooral zoo uitlokkend voor mij maakte. 
Indien men bij het bouwen ooit gedacht had er zoo in te wonen, zou ik het 
misschien bekrompen, ongemakkelijk of eenzaam hebben gevonden ; 
maar nu het nooit daarvoor bestemd was geweest, werd het in mijne 
oogen eene onverbeterlijke woning. 

Zij was van binnen zeer zindelijk en zoo net ingericht als maar moge- 
lijk was. £r was eene tafel en een hangklok, en eene latafel, en op die 
latafel stond een theeblad met een schilderijtje er op van eene dame met 
eene parasol, die eene wandeling deed met een kleinen jongen, die een 
soldatenpakje aanhad en met een hoepel speelde. Dit theeblad werd 
door een bijbel voor omvallen bewaard ; en indien het was omgevallen 
zou het een aantal kopjes en schoteltjes hebben gebroken, die met een 
trekpot er bij om het boek stonden geschikt. Aan de muren hingen eenige 
|emeene gekleurde prenten van bijbelsche historien in lijst en glas, die 
i later nooit weder m de handen van prentenkooplieden heb gezien, of 
ik had ook weder op eens het geheelebinnenhuis van Peggotty's bree- 
der voor mijne oogen. Abraham in het rood, die Isaslk in het blauw ging 
offeren, en Daniel in het geel, in een hoi met groene leeuwen geworpen, 
staken het meest daaronder uit. Boven het schoorsteenmanteltje hing 
eene afbeelding van den logger i de Sara Jane,'' te Sunderland gebouwd, 
met een echten houten spiegel daaraan: een kunstwerk, dat schilder- en 
dmmerwerk te zamen vereenigde, en ik voor een der meest benijdens- 
waardi^e bezittingen hield. die de wereld kon opleveren. Er zaten eenige 
haken m de balken van aen zolder, welker eebruik ik toen niet kon ra- 
den ; en er waren eenige kastjes en kistjes en dergelijke dingen, welke als 
l>ankjes dienen konden om op te zitten als er stoelen te kort kwamen. 

Dit alles zag ik met den eersten blik nadat ik den drempel over was — 
met het eigenaardige waamemingsvermogen van een kind, volgens mijne 
theorie — en toen deed Peggotty een deurtje open en wees mij mijne 
Blaapkamer. Het was het kompleetste en pleizierigste slaapkamertje, dat 
men ooit crgens zag — in den achtersteven van het vaartuig; met een 



a6 DAVID COPPERFIELD. 



vcnstertje op de plek, waar het roer voorheen doorkwam; een spiegel^, 
juist op de rechte hoogte voor mij tegen den muur gespijkerd, met eea 
rand van oesterschelpen er om been ; een bedje, dat juist ruimte genoeg 
had om er in te komen ; en een niiker van zeeplanten in eene blauwekan 
op het tafeltje. De muren waren zoo wit als krijt, en de lappendeken, die 
ah sprei op het bed lag, deed mijne oogen schemeren door zijne heldere 
kleuren. lets, dat in dit pleizieri^e huisje vooral mijne aandacht trok, was 
de vischlucht, die zoo doordrmgend was, dat ik, toen ik mijn zakdoek 
uit mijn zak haalde om mijn neus te snuiten, bevond, dat deze eveneens 
rook alsof men hem om een kreeft had gewikkeld. Toen ik deze ontdek- 
king in vertrouwen aan Peggotty mededeelde, onderrichtte zij mij, dat 
haar broeder in kreeften, krabben en aiidere schaalvisschen handelde ; 
en naderhand bevond ik, dat er doorgaans een hoop van deze dieren — 
op eene verwonderlijke mauier aan elkander klevende, daar zij nooit 
loslieten wat zij eens hadden vastgepakt — gewoonlijk in een schuurtje 
lag, waar de potten en pannen bewaard werden. 

Wij werden verwelkomd door eene zeer beleefde vrouw met een wit 
voorschoot, die, toen ik, op den rug van Ham, bijna nog een half kwar- 
tier ver was, reeds aan de deur had staan nijgen, en insgelijks door een 
buitengemeen schoon klein meisje (of dat ik daarvoor hield) met een 
snoer blauwe kralen om den hals, dat zich niet door mij wilde laten kus- 
sen toen ik dit wilde doen, maar wegliepom zich te verschuilen. Nader- 
hand, toen wij een heerlijken maaltijd hadden gedaan (gekooktebot,met 
gesmolten boter en aardappelen, en eene karbonade voor mij) kwam er 
een bijzonder harig man met een zeer goedhartig gezicht thuis. Daar hij 
Peggotty meid noemde en haar een hartelijk smakkenden kus op de wang 
gaf, twijfelde ik niet, daar zij zich anders zeer zedig gedroeg, of hij was 
haar broeder ; en dit bleek hij ook te zijn, daar hij mij weldra als baas 
Peggotty, de heer des huizes, werd gepresenteerd. 

iWelkom hier, jonge heer," zeide baas Peggotty. iGijzultonswat 
grof vinden, jonge heer, maar hartelijk." 

Dc bedankte hem voor zijne vriendelijke welkomst, en zeide, dat ik het 
in zulk een pleizierig huis zeker wel naar mijn zin zou hebben. 

>Hoe vaart uw mama, jonge heer," hervatte baas Peggotty. i Hield zij: 
2ich nog knapjes bij uw heengaan f " 

Dc gaf baas Peggotty te verstaan, dat zij zich zoo knapjes had gehoo- 
den als ik kon verlangen, en dat zij haar compliment had verzocht — 
hetgeen een beleefd verdichtsel van mij was. 

»Ik verzoek haar wel te bedanken," zeide baas Peggotty. tNu, jonge 
heer, als gij het hier met haar," naar zijne zuster knikkende, >en Ham en 
kleine Emily, een veertien daag kunt uithouden, zuUen wij vereerd zijn 
met uw gezelschap." 

Na mij met zulk eene gulheid te hebben verwelkomd, ging baas Peg- 
gotty naar buiten om zich met een ketel vol heet water te wasschen, met 
de aanmerking, dat hij zich met koud nooit kon schoon boenen. Weldra 
kwam hij terug en zager nu beter uit, maar zoo rood, dat ik niet kon na- 
laten te denken, dat zijn gezicht dit met kreeften en krabben en gamalen 




IK HKB KEN VERTROUWELIJK PRAATJE MET BAAS PEGGOTTY. 37 



gemeen had — dat het heel zwart in het heete water ging en er heel roo4 
weder uitkwam. 

Na de thee, toen de deur gesloten en alles goed dicht gemaakt waa 
(daar de avonden nu koud en mistig waren) vond ik het huis de aange- 
naamste schuilplaats, die menschelijke verbeelding kon uitdenken. Te 
hooren hoe de wind uit zee opkwam, te weten hoe de mist buiten over de 
harre vlakte kroop, en dan naar het vuur te kijken, en te denken, dat er 
geen ander huis in de nabijheid was dan dit eene, en dat dit eene oude 
schnit was, geleek wel naar een tooversprookje. Kleine Emily was hare 
schuwheid te boven gekomen, en zat naast mij op het laagste en kleinste 
der bankjes, dat juist groot genoeg voor ons beiden was en juist in den 
hoek naast den schoorsteen paste. Jufifrouw Peggotty met haar wit voor-r 
schoot, zat aan den anderen kant van het vuur te breien. Peggotty en 
haar naaiwerk waren daar met de St.-Paulskerk en het eindje waskaar^ 
100 goed thuis, alsof zij nooit een ander dak hadden gekend. Ham, die 
met een spel smerige kaarten mij mijne eerste les in kaartspelen had ge* 
gegeven, poogde zich eene manier te herinneren om uit de kaart waar te 
z^gen, en liet op elke kaart, die hij omkeerde, een visschig afdruksel 
van zJjn duim achter. Baas Peggotty zat zijne pijp te rooken. Ik gevoelde^ 
dat het nu tijd was voor een vertrouwelijk praatje. 

iMijnheer Peggotty !" zeg it — i Jonge heer !" zegt hij. — >Hebt gij 
nw zoon den naam van Ham (Cham) gegeven, omdat gij in eene soor^ 
vanarkwoont?" 

Baas Peggotty scheen dit een diepzinnig denkbeeld te vinden, maaF 
antwoordde : 

>Neen, jonge heer. Dcheb hem geheel geen naam gegeven," — i Wie 
heeft hem dan dien naam gegeven ?" zeide ik, de vrijheid nemende om 
baas Peggotty de tweede vraag uit den catechismus voor te stellen. — i 
»Wel, jonge heer, dat heeft zijn vader gedaan," antwoordde baas Peg- 
gotty. — >Ik dacht, dat gij zijn vader waart!" — iMijn broeder Jo was 
z ij n vader," zeide baas Peggotty. — i Dood, mijnheer Peggotty ?" vroeg 
ik half fluisterend, na eene poos van eerbiedige stilte. — t Verdronken," 
zeide baas Peggotty. 

Ik was zeer verwonderd, dat baas Peggotty Ham's vader niet was, en 
begon te denken, dat ik mij wel in zijne betrekkin^ tot al de anderen 
daar in huis kon vergist hebben. Ik was zoo nieuwsgierig daamaar, da^ 
ik besloot het maar in eens met baas Peggotty uit te maken. 

>Maar kleine Emily," zeide ik, naar haar omkijkende. >Zij is tocb 
owe dochter, niet waar, mijnheer Peggotty ?" — iNeen, jonge heer. Mijn 
schoonbroeder, Tom, was haar vader." 

Ik kon het niet laten. iDood, mijnheer Peggotty?" vroeg ik weder 
half fluisterend, na nog eene poos van eerbiedig stilzwijgen. — iVer* 
dronken," zeide baas Peggotty. 

Ik vond het wel moeielijk de zaak weder op te vatten, maar ik had ze 
nog niet doorgrond, en dat moest ik toch op de eene af andere manier 
doen. Ik zeide dus : 

»Hebt gij dan geene kinderen, mijnheer Peggotty ?" — >Neen, jonge 



firS DAVID COPPERFIELD. 



heer," antwoordde hij eventjes lachende. >Ik ben nog ongetrouwd," — 
lOngetrouwd !" herhaalde ik verbaasd. >Maar wie is dat dan, mijnheer 
Peggotty ?" en daarbij wees ik naar de juffrouw, met l\et witte voorschoot, 
die zat te breien. — i Dat is juffrouw Gummidge," zeide baas Peggotty — • 
> Guramidge, mijnheer Peggotty ?" 
Maar op dit oogenblik begon Peggotty — ik meen mijne eigene Peg- 

{jotty — mij zoo nadrukkelijk te wenken om niet verder te vra^en, dat 
k niet anders doen kon dan het zwijgende gezelschap even stil zitten 
lumkijken, tot het tijd werd om naar bed te gaan. Toen, met mij alleen in 
tnijn kamertje, onderrichtte zij mij, dat HamenEmilyeenneefennichtje 
waren, die hunne ouders hadden vcrloren, en die mijn gastheer, toen zij 
hulpeloos achterbleven, als zijne kinderen had aangenomen ; en dat juf- 
"frouw Gummidge de weduwe was van iemand, die met hem eigenaar van 
-eene boot was geweest en doodarm was gestorven. Hij was zelf niet rijk, 
zeide Peggotty, maar zoo goed als goud en zoo trouw als staal — dit 
waren hare vergelijkingen. Het eenige, waarover hij zich ooit driftig 
maakte of zich een vloek liet ontvallen, was, onderrichtte zij mij, als men 
van die edelmoedigheid van hem sprak. Als iemand van hen maar een 
woord daarvan zeide, gaf hij met zijn rechterhand een harden slag op de 
tafel (hij had eens bij zulk eene gelegenheid het blad doen splijten) en 
deed een ijselijken vloek, dat hij igeblekt" wilde worden, zoo hij niet 
voor altijd wegliep, als men ooit weder daarvan praatte. Uit de antwoor- 
den op mijne navraag bleek het, dat niemand eenig denkbeeld had van 
de afleiding van dit schrikkelijk lijdende werkwoord >geblekt worden," 
maar dat zij alien het voor eene geduchte verwensching hielden. 

De goedhartigheid van mijn gastheer trof mij diep, en ik luisterde in 
^eene streelend weemoedige stemming, die nog door mijne slaperigheid 
werd verhoogd, hoe de vrouwen in een tweedekamertje,gelijk het mijne, 
aan het andere einde der boot naar bed gingen, en hoe hij en Ham een 
paar hangmatten voor zich ophingen aan de haken, die ik in de zolder^ 
balken had opgemerkt. Terwijl de slaap mij langzamerhand bekroop, 
hoorde ik den wind zoo geweldig over de zee en de vlakte loeien, dat er 
eene droomerige vrees bij mij opkwam, dat de ^oote oceaan in den 
nacht het geheele land zou overstroomen. Maar ik bedacht mij, dat ik 
"dan toch in eene schuit was, en dat het, indien er iets gebeurde, niet 
kwaad was zoo iemand als baas Peggotty aan boord te hebben. 

Er gebeurde echter niets ergers dan dat het weder ochtend werd. Bijna 
zoodra de morgenzon de oesterschelpen-rand van mijn spiegeltje be- 
Bcheen, was ik uit mijn bed en met kleine Emily naar buiten, om op het 
strand steentjes op te rapen. 

>Gij zult zelve wel een halve matroos zijn^ denk ik?" zeide ik tot 
Emily. Eigenlijk dacht ik dit in het geheel met, maar ik meende uit 
galanterie toch iets te moeten zeggen ; en daar een schitterend wit zeil 
dicht bij ons op dat oogenblik zulk een aardig, verkleind beeld van zich 
zelf in haar helder oog maakte, kwam het mij in het hoofd om dit te zeg- 
gen. — tNeen," antwoordde Emily, en schudde haar hoofdje. ilk ben 
bang voor de zee." — iBang !" zeide ik met voegzame onverschrokken- 



D£ KLEINE EMILY EN IK. 29 



held, en keek daarbij zeer trotsch naar den machtigen oceaan. »Ik 
niet !" — iMaar o, zij is zoo wreedaardig," zeide Emily, ilk heb wel ge^- 
zien hoe wreedaardig zij voor ons visschers kan zijn. Ik heb haar een^ 
scbuit, zoo groot als ons huis, geheel in stukken zien slaan/' — ilk hoop, 
dat het die schuit niet was, waarmee ..." — jMijn vader verdronken is r" 
zeide Emily. >Neen, die niet. Die schuit heb ik nooit gezien." — >En 
hem ook niet?" vroeg ik. 

Kleine Emily schudde haar hoofdje. iNiet dat mij heugt." 

Daar vond ik eene onverwachte dvereenkomst tusschen onsbeider 
lot. Ik vertelde haar terstond hoe ik ook nooit mijn vader had gezien ; 
en hoe mijne moeder en ik altijd zoo vergenoegd als maar mogelijk was 
met elkander alleen hadden geleefd, en nog zoo leefden, en altijd 
meenden te leven ; en hoe mijn vaders graf op het kerkhof wais, dicht bij 
ons huis, in de schaduw van een boom, onder wiens takken ik op menio 
gen vroolijken ochtend had gewandeld en de vogeltjes hooren zingen. 
Maar het bleek toch, dat er tusschen Emily's lot en het mijne eenig ver- 
schil bestond. Zij had hare moeder verloren nog v66r haar vader, en 
waar haar vaders graf was wist niemand, behalve dat het ergens in de 
diepte der zee moest wezen. 

iBuitendien," zeide Emily, terwijl zij naar schelpen en keisteentjes 
zocht, >uw vader was een heer en uwe moeder is eene dame; en mijn 
vader was een visscher en mijne moeder eene visschersdochter, en miin 
com Dan is ook een visscher." — iDat is mijnheer Peggotty, niet waar?" 
zeide ik. — i Oom Dan — daar ginder," antwoordde Emily, knikkend 
naar de woonschuit omkijkende. — >Ja. Hem meen ik ook. Hij moet 
een heel goed man wezen, zou ik denken ?" — iGoed ?" zeide Emily, 
> Als ik eene dame mocht worden, zou ik hem een hemelsblauwen rok 
met diamanten knoopen geven, en eene nankinsche broek, een rood 
fluweel vest, een driekanten hoed met goud, een groot goud horloge, 
eene zilveren pijp en eene kist met geld.'* 

Ik zeide, dat ik niet twijfelde of mijnheer Peggotty die schatten wel 
verdiende. Ik moet bekennen dat ik het eenigszins moeielijk vond mij 
voor te stellen, dat hij zeer op zijn gemak zou zijn in de kleecUng, die zijn 
dankbaar nichtje hem toedacht, en dat ik vooral betwijfelde of die drier 
kanten hoed met goud hem wel goed zou staan ; maar ik hield deze ge* 
dachten voor mij zelven. 

Kleine Emily was blijven stilstaan om naar omhoog te staren, terwijl 
zij deze fraaiigheden opttlde, alsof zij eene heerlijke verschijning in de 
lucht waren. Wij gingen weder voort, onder het rapen van schelpen eq 
keitjes. 

iZoudt ge gaame eene dame willen zijn ?" vroeg ik. 

Emily zag mij aan, lachte en knikte van ja. 

iHeel gaame. Dan zouden wij allemaal heeren en dames worden. Ik, 
en oom, en Ham en juffrouw Gummidge. Dan zou het ons niet kunnen 
schelen als er stormachtig weer kwam. — Niet voor ons zelven, meen ik^ 
Voor de arme visschers zou het ons wel kunnen schelen, en wij zoudeu 
hen helpen, met geld, als zij een ongeluk hadden gehad." 



Jo DAVID COFPKRFIKLD. 

Dit was naar myne gedachte een leer billijke wensch, en de vervulling 
daarvan gcheel met ODwaarschiJDlijk. Ik zdde Emily, dat ik het volko- 
tnen met haar eens was, en toen werd zij stout genoegomtezeggen, 
hoewel eenigszins bedeesd : 

> Denkt ge nu nog, dat ge niet bang voor de zee zijt ?" 

De zee was stU genoeg om mij genist te stellcn ; maar ik twijfe! niet of 
ik zoil, als ik eene matig hoogc golf had zien komen aanrollcn, terstond 
het hazenpad hebben gekozen, met ccneangstigeherinneringaan hare 
verdronkene bloedverwanten. Ik zeide evcnwel »neen," en voegdeer 
bij : »Gij schijnt het ook niet te wezen, hoewel ge zegt, dat gij het zijt;" 
want zij gtng vcel te dicht langs den rand van een ouden houten steiger, 
dien wij waren opgewandeld, en ik was bevreesd, dat zij er af zou valten. 

>0p die manier ben ik niet bang," zeide kleine Emily. iMaaralshet 
hardwaattkanikniet slapen, endanbeefikalsikaanoomDanenHam 
denk, en verbeeld ik mij, dat ik hen omhulphoorroepen.Daaromis 
het, dat ik eoo gaame eene dame zou willen zijn. Maar op die manier 
ben ik niet bang. Geheel niet. Kijk maar eens !" 

Zij sprong van mij af en liep op eenbalfvergaan stukhout^datvan 
de plek waar wij stonden tamelijk hoog boven het diepe water uitstak en 
Vraarop men zich aan niets kon vasthouden. Dit voorval is mij zoodanig 
in het geheugen geprent, dat ik,alsik eenteekenaar was, het,naarmij 
dunkt, nog zou kunnen teekenen gelijk ik het toen zag ; hoe Emily haar 
verderf (naar het mij voorkwam) te gemoet huppelde, met een blik, dien ' 
ik nooic zal vergeten, ver vooruit op de zee gevestigd. 

be kleine, lichte, vermetele, fladderende gedaante kwam veilig bij mij 
terug, en spoedig lachte ik over inijn angst en over den schreeuw dien ik 
gegeven had, en die in alien gevalle nutteloos zou zijn geweest, want er 
was ntemand in de nabijheid. Maar in mijn mannelijken leeftijd is het 
frel gebeurd, dikwijls gebeurd, dat ik dacht : Zou het mogelijk zijn, onder 
alle verborgene mogelijkhedeo, dat die plotseUnge roekeloosheid van 
het meisje en haar wilde, in de vcrte starendc bUk gevolgen waren van 
een geheimen invloed, die haar dooden vader genadig werd vergimd, 
om haar in het gevaar te lokken en eene kans te geven om haar leven 
dien dag te eindigen ? Het is gebeurd, dat ik mij verwonderde of ik, indiea 
het leven, dat voor haar lag, mij in een oogenblik had kunnen geopen- 
baard worden, zoodanig geopenbaard, dat een kind het ten voile kon 
begrijpen, en haar behoud van eene cnkele beweging mijner hand had 
afgehangen, ik die dan wel had moeten uitsteken om haar te redden. Er 
is sedert een tijd geweest — ik zcg niet, dat hij lang duurde, maar hij is 
cr toch geweest — toen ik mij zelvcn de vraag deed, of het niet beter 
voor kleine Emily zou geweest zijn, als zij op £en ochtend voor mijne 
oogen in de golven was vcrzonkcn; en toen ik antwoordde: Ja, dat 
zou het, 

Dit is misschien voorbarig, Mogelijk heb ik het te vrocg geschreven. 
Laat het nu echter maar blijven staan. 

Wij dedcn eene verre wandelin^, en bevrachtteo ons met allerld din- 
gen, die wij voor zcldzaamheden hielden, en plaatsten ecnige zeesterren^ 



k 



DB VKRDRIETELIJRHEDEN VAN JUFFROUW GUMMIDGE. 31 



die op het droge waren geraakt, zeer behoedzaam weder in het water 
— ik weet zelf nu nog niet &;enoeg van dat soort van dieren om er zeker 
van te zijn of zij reden hadden om ons daarvoor dankbaar te wezen, of 
het tegendeel — en keerden toen naar huis, dat is naar de woning van 
baas Peggotty, tenig. Achter het kreeftenschuurtje bleven wij staan om 
ecn onschuldigen kus te wisselen, en toen stapten wij, blozende van ge- 
zondheid en vroolijkheid, binnen om te ontbijten. 

iGelijk twee jonge lijsters," zeide baas Peggotty, hetgeen ik als een 
compliment opvatte. 

Natuurlijk was ik op Emily verliefd. Ik ben o vertuigd, dat ik dat kleine 
mei^ even oprecht, even teeder, met meer reinheid en onbaatzuchtig- 
heid liefhad, dan de reinste Uefde van later levenstijd, zoo edel en ver- 
edelend als zij is, kan bevatten. Mijne verbeelding omhulde dat tengere, 
nietige schepseltje, met hare blauwe oogjes, met iets, dat haar iets 
hemelsch gaf en haar bijna tot een engel maakte. Indien zij op een zon« 
nigen voormiddag een paar vlerkjes had uitgespreid en voor mijne oogen 
was weggevlogen, geloof ik niet, dat ik dit voor zooveel meer zou hebben 
gehouden dan voor iets, dat ik wel had mogen verwachten. 

Wij plachlen uren aan uren zoo als kinderlijke gelieven over die een- 
tonige vlakte bij Yarmouth met elkander te wandelen. De dagen 
hoppelden ons voorbij, alsoi ook de tijd nog niet groot geworden was, 
maar zelf een kind en altijd aan het spelen was. Ik zeide Emily, dat ik 
haar aanbad, en dat ik, als zij niet bekende, dat zij mij ook aanbad, in de 
iKxxlzakelijkheid zou gebracht worden om mij met een degen dood te 
steken. Zij zeide, dat zij het deed, en ik twijfel er niet aan of zij deed 
het ook. 

Wat gedachten aan onze ongelijkheid van stand, onzejeugdof andere 
hezwaren betrof, daardoor werden kleine Emily en ik niet geplaagd; 
want wij dachten aan geene toekomst. Wij waren de troetelkindertjes 
▼an juffiouw Gummidge en Peggotty, die ons maar niet genoeg konden 
bewonderen, ab wijdes avonds zoo verliefd op ons bankje zaten, en 
elkander dikwijls toefluisterden : tOch, is dat niet lief!" terwijl baas Peg- 
gotty al rookende met een glimlach naar ons zat te kijken en den ge- 
heelen avond grinnikte en niets anders deed. Zij hadden, naar ik denk, 
eenigermate hetzelfde soort van vermaak in ons, als zij in een fraai stuk 
speelgoed of in een miniatuurmodel van het Colosseum zouden gehad 
hebben. 

Weldra bespeurde ik, dat jufifrouw Gummidge zich niet altijd zoo aan- 
genaam maakte, als men, de omstandigheden barer inwoning bij baas 
P^otty in aanmerkin^ nemende, wel had mogen verwachten. Juffrouw 
Gummidge was eenigszms verdrietig van humeur, en huilde dikwijs meer 
^ in zulk eene kleine woning voor anderen verkieslijk was. Ilet speet 
mij zeer voor haar; maar er waren oogenblikken, wanneer het, naar mij 
,wht^aangenamer zou zijn geweest als juffrouw Gummidge eene eigene 
hamer had gehad, waar zij zich kon afzonderen, en daar gebleven was 
tot zij wat opgeruimder was geworden. 

Baas Peggotty ging nu en dan naar eene herherg, het Crewillige Hart 



j2 DAVID COPPERFIEU). 

geheeten. Ik ontdekte dit, toen faij op den twecden of derden avond dat 
wij daar waren, uitbleef^ en juflrouw Gummidge tusschen acht en negm 
uur op de klok keek en zeide, dat tiij daar was, en dat zij, wat meer was, 
des morgens al geweten had, dat hij daaiheen zou gaan. 

JufTrouv Gummidge was den geheelen dag zeer neerslachtig gcweest, 
en was des morgens in tianen uitgebaisten toen het vuur rookte. *Ik bei^ 
toch een jammerlijk, ongelukkig scbepsel," waren hare woorden, toen 
die onaangename omstandigheid plaats had, >en altijd heb iknieuwe 
□arigheid." — »Och, het zal gauw ophouden," zeide Peggotty — ik 
meen wederom onte Peggotty — ■ »en buitendien, weet ge, is het voor a 
niet lastiger dan voor ons." — »Ja, maar ik voel het erger," zeide jufirouw 
Gummidge. 

Hetwaseenzeerkoudedag,metscherpewindv1agen.JufirouwGummid- 
ge's hoekje van den haard kwam mij voor het warmste en meest beschutte 
plaatsje van het geheele vertrek te zijn, evenals haar stoel zeker de ge- 
makkelijkste was, maar dien dag was zij er geheel niet mede tevreden. 
Zij klaagde gedurig over de koude, en dat deze haar een ongemak in 
den rug veroorzaakte, dat zij > eene kruiping" noemde. Eindelijkvergoot 
zij tranen daarover, en zeide wederom, dat zij een jammerlijk ongelukk^ 
schepsel was en dat zij altijd nieuwe narighcid had. 

>Het is zeker bijzonder koud," zeide Peggotty, >dat moetiedereen 
wel voelen." — »Ja, maar ik voel het erger dan andere menschen," 
zeide juflrouw Gummidge. 

Zoo weer hij den maaltijd, wanneer juffixjuw Gummidge altijd de 
eerste na mij werd bediend, aan wien, als een gast van aanzien, de voor- 
rang werd ge^even. De visch was klein en gratig, en de aaidappeleit 
waren een weinig aangebrand. Wij erkenden alien, dat wij hct eene te- 
leurstelling vonden; maar juffrouw Gummidge zeide, dat zij het erger 
proefde dan wij, en vergoot wederom tranen, en herhaalde met zeerveel 
bitterheid hare vorige verklaring. 

Zoo zat dus, toen baas Peggotty tegen negen uur thuis kwam, die on- 
gelukkige juffrouw Gummidge in haar hoekje in een zeer ellendigen en 
rampzabgen staat te breien. Peggotty had vergenoegd zitten werken. 
Ham had een paar groote waterlaarzen gelapt; en ik had, metkleine 
Emily naast mij, de anderen zitten voorlezen. juffrouw Gummidge had 
na het theedrinken niets laten hooten dan een jammerlijken zucht, en 
hare oogen niet opgeslagen. 

*Wel, maatjes," zeide baasFeggotty, zichbij onsneerzetteDde,iho& 
gaat het ?" 

Allen zeiden wij iets om hem te verwelkommen, of toonden met onze 
oogen dat wij dit deden, behalvejuffrouw Gummidge, die slechts over 
haar breiwerk haar hoofd schudde. 

1 Wat scheelt er aanP" zeide baas Peggotty, en klapte te gelijk in zijne- 
handen. »Beur u wat op, moedertje." 

Juflrouw Gummidge scbeen niet in staat om zicb op te beiiren. Zij 
haalde een ouden, zwarteo zijden doek uit en veegde hare oogen af ^ 
maar in plaats van hem weder in haar zak te steken, bleef zij er mede 



k 



ZIJ HEEFT AAN DEN OUDEN ZITXEN DENKEN. 35 



zhten, veegdc nog"eens hare oogen af, en hield hem weder in haar hand 
tot gebniik gereed. 

»Wat scheelt er aan, vrouwtje?" zeide baas Peggotty. — iNiets," 
antwoordde juffrouw Gummidge. iGij komt uit het Gewillige Hart, 
Dan?" — » Ja, ik ben daar van avond een poosje blijven plakken," zeide 
baas Peggotty. — iHet spijt me, dat ik u daar naar toe jaag," hervatte 
jnftouw Gummidge. — ijagen! Ik behoef niet gejaagd te worden" ant- 
woordde baas Peggotty met een gullen lach. ilk ga maar al te gewillig." 
— iHeel gewillig," zeide JufFrouw Gummidge, wederom haar hoofd 
schuddende en hare oogen afvegende. > Ja, ja, heel gewillig. Het spijt 
mij wcl, dat het om mij is, dat ge zoo gewillig zijt." — lOm u? Het is 
niet om u," zeide baas Peggotty. »Dat moet ge geheel niet gelooven." — 
•Ja, ja, dat is wel zoo," hervatte juftrouw Gummidge. ilk weet wel wat 
ik ben. Ik weet wel, dat ik een jammerlijk, ongelukkig schepsel ben, en 
dat ik niet alleen nieuwe narigheid heb, maar ook iedereen narigheid 
geef. Ja, ja. Ik voel alles erger dan andere menschen, en laat het meer 
blijken. Dat is mijn ongeluL" 

Ik kon werkelijk, terwijl ik naar dit alles zat te luisteren, niet nalaten 
te denken, dat dit ongeluk zich ook tot andere leden van het gezin, 
behalve jufifrouw Gummidge, uitstrekte. Doch baas Peggotty zeide niets 
van dien aard, maar antwoordde slechts met een nieuw verzoek om zich 
wat op te beiu-en. 

•Ik ben niet wat ik zelf wel zou wenschen dat ik was," antwoordde 
jaflfrouw Gunmiidge. tDat scheelt veel. Ik weet wel wat ik ben. Mijne 
ongelukken hebben mij naargeestig doen worden. Ik gevoel mijne on^e- 
hiUcen en zij maken mij naargeestig. Ik wenschte wel, dat ik ze met 
gevoelde, maar dat doe ik toch. Ik wenschte, dat ik er mij tegen kon 
verharden, maar dat kan ik toch niet. Ik maak het huis hier verdrietie, 
en dat verwondert mij niet. Ik heb uwe zuster den heelen dag verdrietig 
gemaakt, en jongen heer David ook." 

Hier werd ik eensklaps zoo geroerd, dat ikzielsbedroefduitbulkte: 
•Necn, dat hebt ge niet, jufFrouw Gummidge." — i Het is heel verkeerd, 
dat ik dat doe," vervolgde juffrouw Gummidge. • Het is een slechte dank, 
dien ik geei. Ik moest liever naar het werkhuis gaan en daar sterven. Ik 
ben een jammerlijk, ongelukkig schepsel, en moest mij zelve hier niet 
tot een last maken. Als ik toch van alles narigheid moet hebben, en zelf 
narigheid geven, laat ik dat dan mijn kerspel doen. Daniel, het zou veel 
beter zijn, dat ik in het werkhuis ging en daar stierf en men mij zoo 
kwijt was." 

]u£Erouw Gummidge ging met deze woorden been en begaf zich naar 
bed. Toen zij weg was, keek baas Peggotty, die geen ander gevoel dan 
bet diepste medelijden had laten blijken, ons in het rond aan, knikte eens 
met zijn hoofd, terwijl eene levendige uitdrukking van hetzelfde gevoel 
nog zijne trekken bezielde, en zeide fluisterend : 
>Zij heeft aan den ouden zitten denken." 

Ik kon niet recht begrijpen welke oude het was, op wien men meende 
dat juffirouw Gtmimidge hare gedachten gevestigd had, totdat Peggotty 

DAVID COPPERFIELD, — L 3 



34 DAVID COPPERFIELD. 



mij, bij het naar bed brengen, verklaarde, dat dit de overledene baas 
Gummidge was; en dat haar broeder dit bij zulke gelegenheden altijd 
voor eene ontwijfelbare waarheid hield, en bet hem altijd zeer weekhar- 
tig maakte. Dien zelfden avond hoorde ik hem, toen hij eene poos in 
zijne hangmat had gelegen, tegen Ham zeggen: > Anne vrouw; zij heeft 
weer aan den ouden zitten denken!'* En wanneerjuf&ouw Gummidge 
zulk eene bui had (hetgeen gedurende den tijd van ons verblijf nog 
eenige malen gebeurde) zeide hij altijd hetzelfde tot hare verontschuldi- 
ging, en altijd met het teederste mededoogen. 

Zoo gingen de veertien dagen voorbij, zonder andere afwisselingmede 
te brengen dan die van het getij, waardoor de tijd, waaropbaas Peggotty 
uitging en terugkwam, verplaatst werd, en ook de bezigheden van Ham 
werden gewijzigd. Wanneer deze geen werk had, ging hij somtijds met 
ons uit om ons de booten en schepen te wijzen, en een paar malen nam 
hij ons op een roeitochtje mede. Ik weet niet waarom, wanneer men aan 
eene of andere plaats denkt, de herinnering van zekere gerin^e omstan- 
digheid, welke daarmede in betrekking staat, ons eerder dan lets anders 
in het geheugen komt, hoewel ik geloof dat dit, vooral wat herinnerin- 
gen uit de kindsheid betreft, met de meeste menschen het geval is. Ik 
kan den naam van Yarmouth nooit hooren of lezen, of ik denk aan 
zekeren zondagochtend op het strand, toen de kerkklokken luidden, 
kleine Emily op mijnschouderstond te leunen.Hamdroomerigsteentjes 
in het water zaMe gooien, en de zon, over de zee, juist door den zwaren 
mist heenbrekende, ons de schepen deed zien, sdsof zij schimmen van 
zich zelven waren. 

Eindelijk kwam de dag om naar huis te gaan. Ik hield mij goed bij het 
scheiden van baas Peggotty en juffrouw Gummidge, maar mijne ziele- 
smart toen ik kleine Emily moest verlaten was geducht. Wij gingen arm 
in arm naar de herbergjvaar de voerman stalde, en onderweg beloofde 
ik, haar te zullen schrijven. (Ik vervulde die belofte naderhand met let- 
ters, grooter dab die, waarmede men doorgaans eene aankondi^g 
schrijft om kamers te huur te zetten.) Wij waren bij het scheiden beiden 
buiten ons zelven; en indien ik ooit in mijn leven eene ledigheid in mijn 
hart gevoelde, deed ik dit op dien dag. 

Nu was ik, al den tijd van mijn logeeren, wederom ondankbaar voor 
het moederlijke huis ^eweest, en had zelden of nooit daaraan gedacht. 
Maar niet zoodra was ik weder daarheen op reis, of mijn kinderlijk, kna- 
gend geweten scheen met onafgewenden vinger dien weg op te wijzen 
en ik gevoelde, des te meer omdat ik zoo neerslachtig was, dat ik daar 
thuis hoorde en mijne moeder mijne troosteres en vriendin was. 

Ditgevoel werd sterker naarmate wij vorderden; zoodat ik, hoe nader 
wij kwamen en hoe gemeenzamer de voorwerpen, die wij voorbijreden, 
mij werden, des te meer begon te verlangen om daar te komen en in hare 
armen te vliegen. Doch Peggotty, in plaats van deze verukking te deelcn, 
poogde ze (hoewel zeer vriendelijk) te betoomen, en keek alsof zij ver* 
legen en verdrietig was. 

Kraaienhof moest echter. haars ondanks in het gezicht komen wan* 



THUIS ALLES ZBBR VERANDERD. 35 



neer het des voennans paard beliefde, en dit deed het ook. Hoe we] 
beiinner ik het mij nog op dien kouden grauwen namiddag, met die 
betrokkene^ met regen dreigende lucht! 

De deur werd geopend, en ik keek, half lachende, half schreiende van 
blijde aandoening, naar mijne moeder uit. Ik zag haar niet, maar eene 
vreemde meid. 

•Heere, Peggotty!" zeide ik droevig. >Zou zij nog niet weer thuis 
zijn?*' — >Ja, ja, jonge heer David," antwoordde Peggotty. >Zij is wel 
thuis. Wacht eens even, jonge heer David ; ik moet — 'Sl moet u nog wat 
icggen." 

Hare aandoening en natuurlijke onbehendigheid deden Peggotty, 
terwijl zij uit de kar klom, de allerwonderlijkste houdingen aannemen; 
maar ik was te zeer onthutst om haar dit te zeggen. Toen zij beneden 
was gekomen, nam zij mij bij de hand, bracht mij, die zeer verwonderd 
was naar de keuken en sloot de deur. 

•Peggotty!" zeide ik, nu werkelijk verschrikt enbeangst. > Watscheelt 
«r toch aan?" — > Wei mijn tijd! lieve jonge heer David, er scheelt nie- 
mendal aan," antwoordde zij, met gemaakte vroolijkheid. — >£r moet 
zeker iets aan schelen. Waar is mama?" — > Waar uwe mama is, jonge 
heer David!" — >Ja. Waarom is zij niet buiten aan het hek gekomen, en 
waarom zijn wij hier gegaan? O Peggotty!" Mijne oogen schemerden, 
«n het was mij alsof ik zou neervallen. — » God zegen ons, beste jongen!" 
riep Peggotty, mij vastgrijpende. » Wat schort u ? Spreek toch, mijn hart!" 
— >Immers ook niet dood! O, zij is immers niet dood, Peggotty?" — 
•Neen!" riep Peggotty, op eens haar toon verbazend uitzettende; en liet 
xich toen op een stoel vallen, begon te hijgen en zeide, dat ik haar een 
jchrik op het lijf had gejaagd. 

Ik omhelsde haar om dien schrik weder weg te nemen, of wel om haar 
•een nieuwen schrik op het lijf te jagen, en bleef toen voor haar staan, haar 
angstig vragend aanziende. 

» Gij moet weten, lieve jongen, ik had het u al vroeger moeten zeggen," 
begon Peggotty, >maar ik heb er nog geene gelegenheid toe gehad. 
M^schien had ik er eene gelegenheid voor moeten maken, maar eigenlijk 
kon ik er niet wel toe besluiten." — »Ga toch voort, Peggotty," zeide ik, 
nog meer beangst dan te voren. — > Jonge heer David," hervatte Peg- 
gotty, met eene bevende hand haar hoed losmakende en sprekende alsof 
zij buiten adem was. >Wat dunkt u? Gij hebt weer een vader gekregen!" 

Ik beefde en verbleekte. lets — ik weet niet wat of hoe — dat met het 
graf op het kerkhof en het opwekken der dooden in verband stond, kwam 
mij in het hoofd en deed mij sidderen. 

>Een nieuwen vader," zeide Peggotty. — >Een nieuwen vader ?" her- 
haaldeik. 

Peggotty maakte een benauwd geluid, alsof zij een harden brok door- 
zwolg, stak-mij toen hare hand toe en zeide : 

>Kom, ik zal u bij hem brengen." — >Ik wil hem niet zien." — »En 
bij uwe mama," zeide Peggotty. 

Ik trok niet meer achteruit. Zij bracht mij naar de beste voorkamer en 



36 DAVID COPPERFIELD. 



liet mij daar alleen staan. Aan den eenen kant van het vuur zat mijne 
moeder, aan den anderen kant mijnheer Murdstone. Mijne moeder legde 
haar werk neder en stond haastig op, maar schroomvallig, naar mij dacht. 

»Nu, lieve Clara," zeide mijnheer Murdstone. >Bedenk! Houduin 
bedwang^ altijd in bedwang ! David, jongetje, hoe gaat het ?" 

Ik gaf hem mijne hand. Na een oogenbUk van onzekerheid ging ik 
naar mijne moeder en kuste haar; zij gaf mij een kus, klopte mij zacht 
op den schouder en zette zich weder aan haar werk. Ik kon haar niet 
aanzien ; ik kon hem niet aanzien. Ik wist heel wel, dat hij ons beiden 
aanzag, en ik keerde mij naar het venster en keek daar buiten naar eenige 
heesters, die in de koude het hoofd lieten hangen. 

Zoodra ik kon wegsluipen, sloop ik naar boven. Mijne oude Ueve 
slaapkamer was veranderd, en ik moest ver van mijne moeder gaan sla- 
pen. Ik zwierf beneden rond om iets te vinden, dat nog naar zich zelf 
geleek, zoo geheel veranderd scheen alles te zijn ; en zoo dwaalde ik 
naar de plaats. Zeer spoedig liep ik met schrik daar vandaan, want het 
ledige hondenhok was nu met een grooten hond gevuld — met eene 
zware stem en zwart haar, evenals hij — en toen hij mij zag, werdhij heel 
kwaad, en schoot uit om mij te pakken. 



IV. 

IK VAL IN ONGENADE. 

Indien de kamer, waarheen mijn ledikantje verplaatst was, een den- 
l^end en gevoelend wezen was, dat getuigenis kon geven, zou ik er mij 
nu nog op kunnen beroepen — ik zou wel eens willen weten, wie er nu 
slaapt ! — om getuigenis te geven met welk een beklemd hart ik haar 
binnentrad. Ik ging er naar toe — onderweg op de trap hoorde ik den 
hond mij nog nablaffcn — en de kamer even vreemd aankijkende als zij 
mij aankeek, zette ik mij neer, met mijne handjes over elkander, en ging 
aan het denken, 

Ik dacht aan de wonderlijkste diugen. Aan het fatsoen der kamer, aan 
de reten in den zolder, aan het behangsel op den muur, aan de striemen 
in de vensterruilen, die rimpels en dwarrelingen in het uitzicht maakten, 
aan het waschtaffeltje, dat op zijne drie pooten niet vast scheen te staan 
en iets onvergenoegds over zich had, dat mij aan juffrouw Gummidge 
deed denken, als zij den oude in het hoofd had. Ik schreide al dien tijd, 
maar behalve dat ik voelde, dat ik koud en neerslachtig was, dacht ik er 
zeker niet eens aan waarom ik schreide. Eindelijk begon ik in mijne 
zwaarmoedrgheid te overwegen, dat ik schrikkelijk op kleine Emily ver- 
liefd was en van haar was afgerukt om hier gebracht te worden, waar 
niemand naar mij scheen te verlangen of half zooveel om mij te geven, 
als zij deed. Dit maakte mijn geheelen toestand zoo jammerlijk, dat ik 
mij in een hoek van de deken rolde en mij in slaap schreide. 

Ik werd eerst wakker toen iemand zeide : » Hier is hij !" en mijn gloeiend 



MIJN NIEUWE VADER. 37 



iioofd ontblootte. Mijne moeder en Peggotty waren mij komen zoeken^ 
en het was een van de twee, die dit gezegd en gedaan had. 

> David," zeide mijne moeder, > wat scheelt er aan ?" 

Ik vond het zeer vreemd, dat zij mij dit vroeg, en antwoordde : > Niets. *^ 
Ik keerde mij om, dat heugt mij nog wel, om mijne bevende lippen te 
verbergen, die haar met meer waarheid beantwoordden. 

> David," zeide mijne moeder, > David, mijn kind !" 

Geene woorden. die zij had kunnen spreken, hadden mij zoo kunnen 
treffen, dan dat zij mij haar kind noemde. Ik verborg mijne tranen onder 
iiet dek, en duwde haar met mijne hand van mij af, toen zij mij wilde 
optillen. 

>Dat is uw bedrijf, Peggotty, gij ongevoelig schepsel!" zeide mijne 
moeder. >Daar twijfel ik geheel niet aan. Hoe kunt gij het voor uw ge- 
weten verantwoorden, dat gij mijn eigen kind tegen mij opzet, of tegen 
demand, die mij dierbaar is ? Waarom doet gij dat, Peggotty ?" 

De arme Peggotty hiet handen en oogen op, en antwoordde slechts 
met uitdrukkingen,'die zij van het tafelgebedje, dat ik na den maaltijd 
opzeide, scheen te ontleenen : 

>De Heer yergeve u, mevrouw Copperfield, en ik hoop, dat gij nooit 
recht berouw moogt hebben over wat ge daar gezegd hebt." — >Het is 
waarlijk genoeg om mij buiten mij zelve te brengen," riep mijne moeder 
uiu >£n dat in deze dagen, nu mijn ergste vijand mij wel mocht ontzien, 
zou men denken, en mij een beetje ^eluk en rust niet misgunnen. David, 
gij ondeugende jongen ! Peggotty, gij ongevoelig schepsel! OchHeere!" 
riep mijne moeder uit, zich met de ongeduldige drift van een verwend 
kindje van den een naar den ander keerende, > welk een lastige wereld 
is dit toch, nu iemand juist zou mogen verwachten, dat het er eens recht 
aangenaam in zou wezen." 

Ik voelde mij door eene hand aanraken, die ik wel wist, dat niet de 
hare of die van Peggotty was, en Iiet mij, terstond opstaande, van het bed 
glijden. Het was de hand van mijnheer Murdstone, en hij hield mijn arm 
daarmede vast, terwijl hij zeide : 

>Wat is dit? Clara, liefste, hebt gij al vergeten ? Vastheid, lieve !" — 
9 Het spijt mij zeer, Edward," zeide mijne moeder. >Ik had mij heelgoed 
willen houden, maar ik ben zoo van mijn stuk." — > Waarlijk I" ant- 
woordde hij, >Zoo spoedig ? Dat is eene slechte tijding, Clara !" — >Ik 
vind het wel hard, dat ik dit nu al moet wezen," zeide mijne moeder met 
-een pruilend lipje ; >en het is werkelijk hard — vindt gij dat ook niet ?" 

Hij trok haar naar zich toe, fiuisterde haar iets in het oor en kuste 
haar. Ik wist, toen ik zag hoe mijne moeder haar hoofd op zijn schouder 
Iiet zinken en haar arm om zijn hals sloeg, evengoed als ik nu weet dat 
hij het wist, dat hij haar buigzaam gemoed kon kneden in welken vorm 
liij maar wilde. 

»Ga gij nu maar heen, Ueve," zeide mijnheer Murdstone. > David en ik 
2ullen te zamen beneden komen. Meisje," en hier keerde hij zich met 
een donker gezicht naar Peggotty, nadat hij mijne moeder met een knikje 
en een glimlach had zien heengaan, >weet gij wel hoe uwe meesteres 



38 DAVID COPPBRFIELD. 



heet ?" — > Zij is al lang mijne meesteres geweest, mijnheer," antwoordde 
Peggotty. >Ik behoor het dus wel te weten." — >Dat is waar," hervatte 
hij. >Maar ik meende, toen ik naar boven kwam, dat ik u haar met een 
naam hoorde aanspreken, die de hare niet is. Zij heeft den mijnen aaoge- 
nomen, gelijk gij weet. Zult gij dat onthouden ?" 

Peggotty ging, nadat zij een paar malen een onrustigen blik naar mij 
had geworpen, zonder antwoord te geven, al nijgende de kamer uit, daar 
zij wel zag, naar ik denk, dat men dit verlangde en zij geen voorwendsel 
had om te blijven. Toen wij met ons beiden alleen waren, sloot hij de 
deur, zette zich op een stoel, plaatste mij vlak voor hem en zag mij strak 
in de oogen. Daar de mijne door de zijne schenen te worden aangetrok- 
ken, zag ik hem niet minder strak aan. Als ik mij herinner hoe wij zoo 
elkander aanstaarden, is het mij alsof ik weder mijn hart hoor kloppen, 
gelijk het toen deed. 

> David," zeide hij, zijne Uppen samenknijpende, zoodat zij nog veel 
dunner werden dan anders, >als ik met een koppig paard of een onwilli- 
ligen hond te stellen heb, wat denkt gij, dat ik dan doe ?'* — >Dat weet ik 
niet" - >Dan geef ik hem slaag." 

Ik had iluisterend geantwoord, daar het mij aan adem ontbrak om 
overluid te spreken, maar ik voelde nu, terwijl ik zweeg, dat mijn adem 
nog veel korter werd. 

>Dan laat ik hem voelen wat pijn is. Dan zeg ik bij mij zelven : > Ik zai 
dien rekel wel klein krijgen;" en almoest het hem al het bloed kosten 
dat hij heeft, ik zou het doen. Wat is dat op uw gezicht ?" — »Vuil," 
zeide ik. 

Hij wist evengoed als ik, dat het de sporen van tranen waren. Maar al 
had hij het mij twintigmaal gevraagd, telkens met twinti| slagen, geloof 
ik toch, dat mijn kinderlijk hart zou gebarsten zijn, eer ik het hem had 
willen zeggen. 

> Gij hebt verstand genoeg voor een kleinen jongen," zeide hij, met 
een emstigen glimlach, die hem eigen was, >en gij hebt mij zeer wel be- 
grepen, zie ik. Wascji dat gezicht af, en kom met mij naar beneden." 

Hij wees naar het waschtafeltje, waarin ik eene gelijkenis op jufFrouw 
Gummidge had gevonden, en wenkte mij met de hand om terstond te 
gehoorzamen. Ik twijfelde er toen weinig, en twijfel er nu nog minder 
aan, of hij zou, als ik geaarzeld had, mij zonder het minste bezwaar een 
slag hebben gegeven, dat ik er van neerviel. 

> Clara, melieve," zeide hij, toen ik zijn bevel had gehoorzaamd,en hij 
mij, altijd met zijne hand om mijn arm, naar de voorkamerhadgebracht^ 
>gij zult nu niet meer van uw stuk gebracht worden, hoop ik. Wij zullen 
ons jeugdig humeur spoedig verbeteren." 

Goede God, ik had voor geheel mijn leven verbeterd, ikhad misschien 
voor geheel mijn leven een geheel ander mensch ktmnen worden, als 
men mij toen een goed woord had gegeven. Een woord van bemoedi* 
ging en ophelderin^, van medelijden met mijne kinderlijke onwetendheid^ 
van welkomst thuis, van geruststelling, dat ik daar werkelijk thuis wasy 
had mij in mijn hart, in plaats van slechts huichelachtig voor het uitwen- 



ZIJNE ZUSTER KOMT BIJ ONS INWONEN. 39 



dige, gehoorzaam voor hem kunnen maken^ en mij hem doen achten en 
eerbiedigen in plaats van haten. Ik dacht, dat het mijne moeder be- 
droefde, mij daar zoo vreemd en bedeesd te zien staan, en zij mij daarop, 
toen ik naar een stoel sloop, met nog droeviger oogen nazag — daar zij 
misschien zekere vrijheid in miin kinderlijken tred miste ; — maar het 
woord werd niet gesproken, en ae tijd daartoe was voorbij. 

Wij aten alleen met ons drieen. Hij scheen zeer hartelijk voor mijne 
moeder te zijn — ik vrees, dat ik daarom niet te meer van hem hield, — 
en mijne moeder was zeer hartelijk voor hem. Uit hetgeen zij zeiden 
maakte ik op, dat eene oudere zuster van hem bij^ien zou komen inwo- 
nen, en dat zij dien avond verwacht werd. Ik ben er niet zeker van of het 
toen of naderhand was dat ik ontdekte, dat hij zonder werkzaam aandeel 
in handelszaken te nemen, toch aandeelhouder was in een kantoor te 
L o n d e n, dat in wijnen handelde, en waarin zijne familie, van zijn over- 
grootvaders tijd af» betrokken was geweest, of wel eene jaarlijksche uit- 
keering daarvan te vorderen had, en dat zijne zuster dergelijke inkom- 
sten bexat; maar hetzij ik dit vroeger of later vemam, ik teeken het nu 
maaraan. 

Toen wij na den maaltijd bij het vuur zaten, en ik op een middeldacht 
om naar Peggotty te vluchten, zonder evenwel den moed te hebben om 
weg te loopen, daar ik vreesde den heer des huizes te zuUen verstoren, 
bield er eene koets voor het tninhek op en ging hij naar buiten om het 
bezoek te ontvangen. Mijne moeder volgde hem. Toen ik haar be- 
schroomd nasloop, keerde zij zich bij de kamerdeur in het donker om^ 
sloot mij in hare armen gelijk zij placht te doen, en fluisterde mij toe, dat 
ik mijn nieuwen vader moest hefhebben en hem gehoorzaam zijn. Zij 
deed dit haastig en heimelijk, alsof het kwaad was, maar met liefderijke 
teederheid; en hare hand achter zich uitstekende, hield zij de mijne 
daarin vast, tot wij bij de plek kwamen waar hij stond ; toen liet zij mij 
los en stak haar arm door den zijnen. 

Het was juf&ouw Murdstone, die gekomen was, en eene sombere 
dame bleek te zijn ; donker van kleur, gelijk haar broeder, op wien zij in 
gezicht en stem sterk geleek ; en met zeer zware wenkbrauwen, die boven 
haar grooten neus bijna tot elkander kwamen, alsof zij, door een onrecht- 
vaardig op hare sekse gelegd verbod verhinderd om bakkebaarden te dra- 
gen, ze daarom naar haar voorhoofd had verplaatst Zij bracht twee onge- 
nadig harde zwarte koffers mede, met hare voorletters, met harde,koperen 
spijkers, op het deksel. Toen zij den koetsier betaalde, nam zij het geld uit 
eene harde stalen beurs, en die beurs bewaarde zij in eene gevangenis- 
achtige beugeltasch, die aan een zwaren ketting aan haar arm hing, en 
toeknipte ahof hij iemand wilde bijten. Ik had toen nog nooit zulk eene 
metaalachtige dame gezien als juffirouw Murdstone over het geheel was. 
Zij werd met vele blijken van welkomst in de voorkamer gebracht, en 
daar erkende zij mijne moeder plechtig als eene nieuwe en nauwe ver- 
wante. Toen zag zij mij aan en zeide : 
>Is dat uw jongen, schoonzuster ?" 
Mijne moeder erkende mij. 



40 DAVID COPPERFIELD. 



>Over het algemeen houd ik niet van jongens," zeide juflfrouw Murd- 
stone. >Hoe vaart ge, jongen ?" 

Onder deze aanmoedigende omstandigheden, antwoordde ik, dat ik 
zeer wel voer en van haar hetzelfde hoopte ; maar deed dit met zoo 
weinijg innemendheid, dat jufifrouw Murdstone met twee woorden mijn 
vonnis velde : 

»Geene manieren." 

Nadat zij dit zeer duidelijk verstaanbaar had gezegd, verzocht zij vrien- 
delijk, dat men haar hare kamer zouwijzen, welke vandien tijdafeene 
plaats van vrees en schrik voor mij werd, waarin de twee zwarte kistennooit 
open werden gezien of ongesloten bleven^ en waar doorgaans (want een 
paar malen kwam ik even inkijken, terwijl zij uit was) een aantal stalen 
kentinkjesen slootjes^waarmedejuffrouw Murdstone zich opsierde als zij 
gekleed was, in eene geduchte rij boven den spiegel hingen. 

Zooveel ik begrijpen kon, was zij gekomen om bij ons te blijven, en 
had zij geen plan om ooit weder heen te gaan. Den vol^enden morgen 
begon zij mijne moeder te helpen, en den geheelcn dag hep zij de provi- 
siekamer uit en in, bracht alles naar haar zin in orde^ en smeet alle oude 
inrichtingen overhoop. Bijna de eerste merkwaardigheid, die ik bij juf- 
frouw Murdstone opmerkte was, dat zij gedurig door een vermoeden 
werd gekweld, dat de meiden ergens in huis een man hadden weggestopt. 

Onder den invloed van dit zelfbedrog vloog zij op de ontijdigste uren 
naar het kolenhok, en bijna nooit opende zij de deur eener donkere kast, 
zonder die terstond weder toe te slaan, in het geloof, dat zij hem daar 
betrapt had. 

Hoewel jufirouw Murdstone anders niets luchtigs over zich had, kon 
zij, wat vroeg opstaan betrof, met den leeuwerik wedijveren. Zij was 
altijd v66r iemand anders in huis het bed uit, en zocht dan, gelijk ik tot 
heden toe geloof, naar dien man. Peggotty zeide, dat zij zeker met ^6n 
oog open sliep ; maar ik kon niet met dit denkbeeld instemmen ; want 
nadat ik er van had hooren spreken, beproefde ik het zelf eens, en be- 
vond toen, dat het niet te doen was. 

Op den eersten morgen na hare aankomst was zij bij hethanengekraai 
reeds op en trok aan hare schel. Toen mijne moeder beneden kwam om 
te ontbijten en thee wilde zetten, gaf juffrouw Murdstone haar een soort 
van pik op den wang, hetgeen hare manier was om een kus te geven, en 
zeide : 

>Nu, lieve Clara, ben ik, gelijk ge weet, hier gekomen om u zooveel 
mogelijk van alle moeite te onthefien. Gij zijt veel te mooi en uwhoofdje 
is veel te los" — mijne moeder bloosde, maar lachte te gelijk, en het ge- 
zegde scheen haar niet te mishagen — >om u met eenige plichten be- 
zwaard te laten, die ik op mij kan nemen. Als ge zoo goed wilt zijn om 
mij uwe sleutels te geven, melieve, zal ik voortaan op al die dingen 
passen." 

Van dien tqd af hield juffrouw Murdstone de sleutels den geheelen 
dag in hare beugeltasch gevangen en den geheelen nacht onder haar 
kussen, en had mijne moeder er even weinig mede te doen als ik. 



Li 



MUNK ARMS MOEDERWORDT HET BBHBER ONTNOMEN. 4 1 

Mijne moeder liel zich echter niet zonder een zweem van protest haar 
gezag on^lippen. Op een avond toen juffrouw Murdstone haar breeder 
zekere huiselijke plannen had medegedeeld, waarover hij zijne goedkeu- 
ring te kennen gaf, begon mijne moeder te schreien, en zeide dat zij 
dadit, dat men haar toch ook wel had mogen vragen. 

>Qara!" zeide mijnheer Murstone met barschen emst. > Clara! ik 
vcrwonder mij over u." — »0, gij hebt heel goed zeggen, dat gij u ver- 
wondert, Edward," riep mijne moeder uit, > en gij kunt ook heel goed 
over vastheid van karakter spreken: maar het zou u zelf toch niet be- 
vallcn." 

Vastheid van karakter, moet ik hier aanmerken, was de verhevene 
eigenschap, waarmede mijnheer Murdstone en zijne zuster zich vooral 
sterk maakten. Hoewel het mij toen misschien moeilijk zou zijn geweest 
mijn begrip daarvan uit te drukken, indien men mij daamaar gevraagd 
had, begreep ik echter op mijne eigene manier zeer duidelijk, dat die 
vastheid slechts een andere naam voor dwingelandij was, en voor zekere 
sombere, heerschzuchtige, duivelachtige manier om hun humeur te too- 
Den, die beiden eigen was. Hunne geloofsartikelen, gelijk ik ze nu zou 
opgeven, waren de volgende. Mijnheer Murdstone was vast ; niemand in 
<k wereld moest zoo vast wezen als hij ; niemand anders in zijne wereld 
moest eigenlijk vast wezen, want iedereen moest voor zijne vastheid bui- 
gen. Ju&ouw Murdstone was eene uitzondering. Zij mocht ook vast 
wezen, maar slechts betrekkelijk vast, in een minderen en aan hem on- 
dergeschikten graad. Mijne moeder was eene tweede uitzondering; zij 
mocht en moest ook vast wezen ; maar alleen in het verdragen van hunne 
vastheid, en in het vaste geloof dat er op aarde geenq andere vastheid 
bestond. 

>Het is wel hard," zeide mijne moeder, >dat ik in mijn eigen huis..." — 
>Mijn eigen huis?" herhaalde mijnheer Murdstone. >Clara!" — >Ons 
dgen huis, meen ik," zeide mijne moeder, blijkbaar verschrikt — >ik 
boop, dat gij wel weten moet wat ik meen, Edward — het is wel hard, 
dat ik in uw eigen huis geen woord over huiselijke zaken mag te zeggen 
hebben. Ik ben overtuigd dat ik, eer wij getrouwd waren, heel goed met 
het huishouden te recht kon. Er zijn getuigen van," zeide mijne moeder 
sikkende. >Vraag het Peggotty maar, of ik alles niet heel wel deed, 
toen men mij ongehinderd liet begaan." — > Edward," zeide juffrouw 
Murdstone, >laat dit gedaan wezen. Ik vertrek morgen." — >Jane Murd- 
stone," antwoordde haar broeder, > zwijg ! Hoe durft gij er een schijn van 
gcven, dat gij mijn karakter niet beter kent dan uwe woorden zouden 
aanduiden ?" — »Ik verlang waarlijk niet, dat er iemand vertrekt," ver- 
volgde mijne arme moeder, erg uit het veld geslagen en met vele 
tranen. >Ik zou zeer bedroefd en verdrietig zijn als er iemand vertrok. 
Ik vraag niet veel. % ben niet onredelijk. Ik verlang maar, dat men 
mij somtijds ook mijne gedachten vraagt. Ik ben er dankbaar voor als 
iemand mij helpt, en ik wilde maar enkel uit beleefdheid ook geraad- 
pleegd worden^i somtijds. Ik dacht, dat gij er vroeger beha^en in hadt, 
Uinrdf dat ik nog een weinig onbedreven en kinderachtig was — ik 



42 DAVID COPPERFIELD. 



weet zeker, dat gij zoo gezegd hebt — maar nu schijnt gij er mij om te 
minachten, zoo streng zijt gij." — > Edward," zeide juffrouw Murdstone 
wederom, >laat dit gedaan wezen, Ik vertrek morgen." — Jane Murd- 
stone," bulderde hij, » Wilt ge wel zwijgen ? Hoe dui% gij ?" 

Juffrouw Murdstone ontsloeg haar zakdoek uit zijne hechtenis in de 
beugeltasch, en hield hem voor hare oogen. 

» Clara," vervolgde hij, mijne moeder aanziende, >gij verbaast mij. 
Gij doet mij versteld st^an. Ja, ik vond zeker genoegen in de gedachte^ 
dat ik eene vrouw zou trouwen, die nog onervaren en onergdenkend 
was, en dat ik haar karakter zou vormen, en haar iets van die vastheid 
en beradenheid mededeelen, waaraan zij behoefte had. Maar wanneer 
Jane Murdstone vriendelijk ^enoeg is om mij bij deze pogingen te hulp 
te komen, en om roijnentwil eene betrekking te aanvaarden, welke 
eenigszins naar die eener huishoudster gelijkt, en wanneer zij dan met 
lagen ondank wordt beloond...." — »Och, ik bid u, Edward," riep 
mijne moeder uit, ibeschuldig mij toch niet van ondankbaarheid. Q: 
verzeker u, dat ik niet ondankbaar ben. Niemand heeft voorheen ooit 
gezegd, dat ik dat was. Ik heb vele gebreken, maar dat gebrek niet. O, 
zeg dat toch niet." — » Wanneer Jane Murdstone, zeg ik," vervolgde hij, 
na gewacht te hebben tot mijne moeder zweeg, > met lagen ondank wordt 
beloond, dan wordt het gevoel, dat ik koesterde, verkoeld en veran- 
derd." — >0, zeg dat toch niet, lieve !" zeide mijne moeder, jammerlijk 
smeekende. >0, doe dat toch niet, Edward. Ik kan dat niet hooren. Wat 
ik ooit wezen ma^, ik heb een goed hart Ik weet dat ik een goed hart 
heb. Ik zou het met zeggen als ik er niet zeker van was. Vraag het Peg- 
gotty maar^ en zij zal u zeker zeggen, dat ik een goed hart heb." — »Hct 
IS geene overdrijving van zwakheid, Clara," zeide mijnheer Murdstone 
tot antwoord, >die lets bij mij kan uitwerken. Gij brengt u maar tever- 
geefe buiten adem." — >Och, laten wij weder vrienden zijn," zeide mijne 
moeder; >in koelheid of oneenigheid zou ik niet kunnen leven. Het spijt 
mij zoo. Ik heb vele gebreken, dat weet ik, en het is wel goed van u, 
Edward, dat gij die met uwe kracht van geest bij mij poogt te verbeteren^ 
Jane, ik klaag over niets. Het zou mij het hart breken, als gij er nog aan 
dacht om te vertrekken." — >Jane Murdstone," zeide mijnheer Murd- 
stone tot zijne zuster, »harde woorden tusschen ons zijn, hoop ik, iets 
ongewoons. Het is mijne schuld niet, dat er van avond zoo iets onge- 
woons heeft plaats gehad. Ik werd er door iemand anders toe vervoerd» 
En ook uwe schuld is het niet. Gij werdt er ook door iemand anders toe 
vervoerd. Laten wij beiden het pogen te vergeten. En daar dit," ver- 
volgde hij, na dezegrootmoedigegezegden, >geen voegzaamschouwspel 
voor dien jongen is — David, ga naar bed !" 

Ik kon nauwelijks de deur vinden, door de tranen, die mij in de oogen 
stonden. Het speet mij zoo, dat mijne moeder z^ bedroefd was ; maar 
ik ging op den tast naar buiten, en insgelijks op den tast in het donker 
naar mijne kamer, zonder het hart te hebben om Peggotty goedennacht 
te zeggen of licht bij haar te halen. Toen zij, missdiien een uur later, 
naar mij kwam kijken, en ik daarvan wakker w^rd, zeide zij mij, dat 



k 



DONKERE SCHADXnV VAN JUFFROUW MXnU)STONE. 4J 

nuJDe moeder met hoofdpijn naar bed was gegaan, en dat mijnheef 
Mnrdstone en zijne zuster alleen bij elkander zaten. 

Toen ik den.volgenden morgen wat vroeger dan gewoonlijk naar be* 
neden kwam, bleef ik^ op het hooren der stem mijner moeder, voor de 
denr der voorkamer staan. Zij bad jufirouw Murdstone zeer emstig ex| 
nederig om vergiffenis, welke deze dame dan ook verleende ; en daarop 
had er eene voU^omene verzoening plaats. Ik hoorde mijne moeder na» 
derhand nooit haar gevoelen over lets zeggen, zonder eerst juffrouw 
Murdstone te vragen, ofzich eerst opeeneofandere veiligemanier t9 
verzekerea, wat deze er van dacht; en ik zag juffrouw Murdstone, als zij 
nit haar humeur was (hetgeen haar dikwijls gebeurde), nooit de hand in 
bare tasch steken alsof zij er de sleutels uit wilde halen en die aan mijne 
moeder overgeven, zonder ook te zien, dat dit mijne moeder een ge- 
dnchten schrik aanjoeg. 

De sombere smetstof, die in het bloed der Murdstone's zat, verdoor 
kerde ook hunne godsdienstige begrippen, die streng en liefdeloos waren, 
Ik heb sedert wel eens gedacht, dat zij noodzakelijk dien aard moesten 
aannemen, als een onvermijdelijk gevolg van mijnheer Murdstone's vast- 
heid van karakter, die hem niet toeliet iemand te ontheffen van d^ 
zwaarste straffen, waarvoor hij eenige reden kon vinden. Hoe dit wezen 
mag, ik herinner mij nog wel de strakke gezichten, waarmede wij naar 
de kerk plachten te gaan, en hoe geheel veranderd mij daar alles voor* 
kwam. Wederom komt de gevreesde zondag aan, en ik stap vooniit de 
odde bank binnen, gelijk een welbewaakte gevangene, die zijne eigene 
l^krede moet komen aanhooren. Wederom volgt juffrouw Murdstone, 
met eene zwart fluweelen japon, die van een doodkistkleed schijnt ge- 
maakt te zijn, mij dicht op de hielen ; dan mijne moeder en dan haar 
man. Peggotty gaat nu niet meer mede, gelijk in vroeger tijd. Wederom 
inister ik er naar hoe jufi&ouw Murdstone de antwoorden mompelt en 
aOe geduchte woorden met wreedaardig welbehagen een klemmenden 
nadnik geeft. Wederom zie ik hare donkere oogen door de kerk rollen 
ik zij aan de woorden >rampzalige zondaren'' komt, alsof zij de geheele 
gemeente wilde uitschelden. Wederom, maar zeldzaam, vang ik een blik 
van mijne moeder op, die schroomvallig, tusschen die twee in, hare geber 
denprevelt, terwijl zij haar ieder in een oor brommen, alsof men een verren 
donder hoorde. Wederom verwonder ik mij, met plotselingen schrik, of 
het waarschijnlijk is, dat onze goede oude domind ongelijk, en mijnheer 
Mnrdstone en zijne zuster gelijk kunnen hebben, en al de engelen in den 
hemel verderfengelen ktmnen zijn. Wederom geeft, als ik maar een vin- 
Ser beweeg, of eene spier van mijn gezicht zich ontspant, juffrouw Murd* 
stone mij een stomp met haar gebedenboek, waarvan ik nog eene poof 
pijn in de zijde houd. 

Ja, en wederom let ik er op hoe, als wij naar huis gaan, sommige buren 
oaar mijne moeder en naar mij omkijken en met elkander fluisteren, 
Wederom volg ik, terwijl die drie gearmd met elkander vooniit gaan en 
ik draiend achteraan kom, sommigen van die blikken, en ik vraag mij 
idyen of de tred mijner moeder werkelijk niet zoo licht meer is als ik 



44 DAVID COPPKRFIELD. 



hem wel gezien heb, en of het vroolijke barer scboonbeid werkelijkbijna 
is verdwenen en in iets verdrietigs en kwijnends veranderd. Wederom 
denk ik, of een van die buren zich nog wel herinnert, gelijk ik doe, hoe 
wij\ zij en ik^ te zamen naar huis plachten te gaan ; en met botte verwon- 
dering blijf ik den geheelen dag daarover peinzen. 

£r was bij gelegenheid van gesproken, dat ik naar eene kostschopl zou 
gaan. Mijnheer Murdstone en zijne zuster hadden dit opgeworpen, en 
mijne moeder had natuurlijk alles toegestemd wat zij zeiden. £r was 
echter nog niets over dit punt met zekerheid beslist Ondertusschen 
kreeg ik thuis geregeld les. 

Ik zal nooit die lessen vergeten ! Gelijk het heette, moest ik bij mijne 
Inoeder opzeggen^ maar werkelijk bij mijnheer Murdstone en zijne zus- 
ter, die er altijd bij waren en daarin eene gunstige gelegenheid vonden 
om mijne moeder les te geven in die zoogenoemde vastheid, die de vloek 
van ons beider leven was. Ik geloof, dat ik alleen met dat oogmerk thuis 
werd gehouden. Ik was vlug genoeg in het leeren geweest, en ook gewillig 
genoeg, toen ik nog alleen met mijne moeder samen woonde. Ik kan mij 
Hog flauw herinneren, dat ik aan hare knie het ABC leerde. Als ik nog 
die dikke zwarte letters in het AB-boek aanzie, schijnt mij het verbijste- 
rend nieuwe van hunne fatsoenen, en de ronde goedharligheid der 
O, Q en S, weder voor den geest te komen, gelijk toen ik ze voor het 
eerst leerde kennen. Maar ik herinner mij daarbij geen gevoel van verve- 
ling of tegenzin. Integendeel, ik schijn tot aan het krokodillenboek toe 
langs een pad van bloemen te hebben gewandeld, den geheelen weg 
langs aangemoedigd door de zachte stem en vriendelijke manieren mij- 
ner moeder. Maar de plechtige lessen, die daarop volgden, heugen mij 
nog als eene doodsteek voor mijne kinderlijke gemoedsrust, eene dage- 
lijks teruekomende plaag en ellende. Zij waren zeer lang en zeer talrijk, 
zeer moeielijk — sommige geheel onverstaanbaar voor mij — en door- 
gaans werd ik er evenzeer door verbijsterd als ik geloof dat mijne lieve 
moeder zelve was. 

Laat ik mij herinneren hoe het placht te zijn, en een van die ochtenden 
terugroepen. 

Ik kom na het ontbijt in de kleine^ niet de beste, voorkamer met mijne 
boeken, mijn themaboek en mijne *lei. Mijne moeder zit voor haar lesse- 
naartje voor mij gereed, maar niet half zoo gereed als mijnheer Murd- 
stone in zijn leuningstoel bij het venster (ofschoon hij veinst in een boek 
te lezen) of als juffrouw Murdstone die dicht bij mijne moeder stalen 
kraaltjes zit te rijgen. Het gezicht alleen van deze twee heeft zulk een 
invloed op mij, dat ik begin te gevoelen, hoe al de woorden, die ik met 
oneindig veel moeite in het hoofd heb gekregen, er weder uit en ik weet 
niet waarheen loopen. En terloops gezegd, het verwondert mij werkelijk 
waar zij eigenlijk blijven 

Ik geef mijne moeder het eerste boek over. Misschien is het eene 
spraakkunst, misschien een leerboekje voor geschiedenis of aardrijks- 
kunde. Ik werp nog een laatsten wanhopigen blik op het blad bij het 
overgeven, en begin hardop in vollen ren, terwijl ik nog aUes versch heb. 



lb 



IK BEN ONDER EENE BETOOVERING. 



43 



Ik struikel over een woord. Mijnheer Murdstone kijkt op. Ik word rood, 
strompel over een half dozijn woorden been en blijf steken. Ik denk, dat 
mijne moeder mij het boek wel zou laten zien als zij durfde, maar zij 
diuft niet, en zegt zachtjes : 

>0, David, David!" — > Clara, wees nu vast," zegt mijnheer Murdr 
stone. Zeg niet »o, David, David !" »Dat is kinderachtig. Hij kent zijne 
Ics, of hij kent ze niet." — > Hij kent ze n i e t," valt juffrouw Murdstono 
er ontzaglijk op in. — »Ik vrees ook waarlijk van neen," zegt mijne 
moeder. — >Dan ziet ge, Clara," antwoordt juffrouw Murdstone, >moet 
gij hem het boek eenvoudig teruggeven en hem ze laten leeren." — > Ja 
zeker^" zegt mijne moeder, >dat denk ik ook tedoen^lieve Jane. Kon^ 
David, probeer het nog eens, en wees nu zoo dom niet." 

Ik gehoorzaam het eerste bevel en probeer nog eens, maar het tweede 
bevel kan ik niet gehoorzamen, want ik ben nu zeer dom. Ik struikel al 
eer ik aan de oude plaats kom, op een punt waar het te voren nog vlot 
ging, en houd op om mij te bedenken. Maar ik kan onmogelijk aan de 
ks denken. Ik denk, hoeveel ellen tulle er aan juffrouw Murdstone'smuts 
louden zijn, hoeveel mijnheer Murdstone's kamerjapon zou gekost helv 
ben, of aan eene dergelijke zotte vraag, waarmede ik niets te maken heb 
en ook mets te maken wil hebben. Mijnheer Murdstone maakt eene be- 
weging van ongeduld, die ik reeds lang verwacht had. Juffrouw Murd^ 
stone doet hetzelfde. Mijne moeder ziet hen met nederige onderwerping 
aan, slaat het boek toe, en legt het bij de achterstallen, die ik moet inha^ 
len als het overige mijner taak is afgedaan, 

Zeer spoedig komt er een stapel van die achterstallen, die aangroeit 
gclijk een roUende sneeuwbal. Hoe grooter hij wordt, des te hotter word 
Al. De zaak is zoo hopeloos^ en ik gevoel, dat ik in zulk een poel van 
wartaal spartel, dat ik alle denkbeeld om er uit te komen laat varen en 
mij aan mijn lot overgeef. De vertwijfeling, waarmede mijne moeder en 
ik elkander aanzien, terwijl ik zoo voorthaspel, is waarlijk iets treurigs. 
Maar het ergste van die ellendige lessen komt, wanneer mijne moeder 
(denkende, dat er niemand op haar let) mij door eene beweging barer 
lippen op den weg poogt te helpen. Op dat oogenblik zegt juffrouw 
Murdstone, die reeds lang op niets anders heeft geloerd, met eene doffe, 
waanchuwende stem: 

f Clara!" 

Mijne moeder schrikt, bloost en glimlacht flauwtjes. Mijnheer Murd* 
itone staat van zijn stoel op, neemt het boek, gooit het mij naar bet hoofd, 
of slaat er mij mede om de ooren, en zet mij bij een arm de kamer uit. 

Ztlfs wanneer de lessen gedaan zijn, moet het ergste nog komen in de 
gedaante van eene ontzettende som. Deze, die door mijnheer Murdstone 
Toor mij wordt bedacht en door hem zelven opgegeven, begint: > Als ik 
oaar een kaaskooper ga^ en vijf duizend dubbele Gloucestersche kazen 
koop tegen vier en een halven stuiver het stuk, contant geld," — waar- 
mede ik zie, dat juffrouw Murdstone zich heimelijk vermaakt. Ik zit, 
wndcr eenig gcvolg en zonder er meer begrip van te krij^en, over die 
kazen te suffen, tot het etenstijd wordt; wanneer ik, nadat ik mij zelven 



46 DAVID COPPERFIELD. 



lot een mulat heb gemaakt door het zwart mijner lei in de porien mijner 
huid te wrijven, een stuk brood krijg oro bij de kazen te gebruiken, en 
Voor het overige van den avond in ongenade blij€ 

Het komt mij na dit tijdsverloop voor, dat mijne ongelukkige studien 
doorgaans zoo afliepen. Ik had het zeer goed kunnen maken, alsdie 
Murdstone's er maar niet bij waren geweest; maar de invloed van die 
Murdstone's op mij geleek naar de tooverkracht van twee slangen op een 
tampzalig jong vo^eltje. Zelfs wanneer ik tamelijk wel door den morgen 
heen kwam, had ik niet veel gewonnen, behalve een maaleten; want 
juffrouw Murdstone kon mij nooit zonder werk zien, en als ik roekeloos 
genoeg was om te laten blijken, dat ik niets te doen had, vestigde zij de 
liandacht van haar broeder op mij, door te zeggen: > Clara, niets zoo 
goed als werkzaamheid — geef uw jongen toch wat uit te voeren;" het- 
geen ten gevolge had, dat ik terstond aan eene of andere nieuwe taak 
werd gezet. Wat uitspanning of spel met andere kinderen van mijne jaren 
betrof, daarvan had ik zeer weinig; want de sombere godgeleerdheid der 
Murdstone's verklaarde alle kinderen voor adderengebroedselin hetklein 
(schoon er eens toch een kind in het midden der jongeren werd geplaatst) 
en beweerde, dat zij elkander maar kwaad leerden. 

Uet natuurlijke gevolg dezer behandeling, die, naar ik meen, zes 
tnaanden of langer werd voortgezet, was, mij stuursch, dof en koppig te 
tnaken. Ik werd dit vooral niet te minder door het gevoel, dat ik d^^e- 
lijks meer en meer van mijne moeder afgezonderd en vervreemd werd. 
tk geloof, dat ik, zonder ddne gelukkige omstandigheid, geheel suf en 
gevoelloo's zou zijn ^eworden. 

Die omstandigheid was deze. Mijn vader had in een kamertje boven, 
Waar ik toegang had (want het was naast mijne slaapkamer^ en niemand 
anders ooit een voet zette, eene kleine verzameling van Doeken na^e- 
laten. Uit dat gezegende kamertje kwamen Roderick Random, Peregnne 
ftckle, Humphrey Clmker, Tom Jones, de Predikant van Wakefield, 
Don Quichot, Gil Bias en Robinson Crusoe, een schitterende stoet, om 
tnij gezelschap te houden. Zij hielden mijne verbeelding en mijne hoop 
op iets beters levendig — zij en de Arabische Nachtvertellingen — en 
deden mij geen kwaad: want het kwaad, dat in sommigen van hen steken 
mocht, was geen kwaad voor mij; ik wist er niets van. Het komt mij nu 
verbazend voor, hoe ik, te midden van mijn zwoegen en tobben met 
tnoeielijke lessen, zooveel boeken kon lezen. Het is mij iets verwonder- 
lijks hoe ik mij onder mijne kleine rampen (die voor mij groote rampen 
Waren) heb kunnen troosten door daaronder mijne geliefkoosdekarakters 
te verplaatsen — gelijk ik deed — en mijnheer Murdstone en zijne zuster 
in al de slechte te steken — gelijk ik insgelijks deed. Ik ben eene week 
tichtereen Tom Jones geweest — een kinderlijke Tom Jones, een on- 
schuldig wezen. Ik heb eene geheele maand lang — geloof ik waarlijk — 
bij mij zelven de rol van Roderick Random gespeeld. Ik had veel smaak 
in eenige deelen met reisbeschrijvingen — het is mij nu ontschoten welke 
*— die in de boekenkast stonden; en kan mij herinneren, dat ik dagen 
ium dagen in het aan mij overgelaten gedeelte van het huis heb ron(^;e- 



IK VAL GBHEEL IN ONGSNADE. 47 



i 



f 



loopen, gewapend met een stuk van een ouden laarzenknecht — in znijne 
rerbeelding niemand anders dan de zeekapitein Dings, in gevaar van 
door wilden te worden aangevallen en voomemens om zijn leven duur 
te verkoopen. De kapitein verviel nooit van zijn rang door met eene 
Latijnsche spraakkunst om de ooren te krijgen. Dit gebeurde mij wel; 
maar de kapitein bleef een kapitein en een held, in spijt van alle spraak- 
kunsten van alle doode of levende talen in de wereld. 

Dit was mijn eenige en bestendige troost AJs ik daaraan denk, komt 
de herinnering bij mij op van een zomeravond, toen de jongens op het 
kerkhof aan het spelen waren, en ik op mijn bed zat te lezen alsof het 
om mijn leven te doen was. Elke schuur in de nabijheid, elke steen aan 
de kerk en elke voet gronds van het kerkhof stond in mijne verbeelding 
op eene of andere wijs met die boeken in verband, en moest eene plaats 
bcduiden, die daarin vermaard was. Ik heb Tom Pipes tegen den kerk- 
toien zien opklouteren; ik heb Strapbespied, terwijlhij metdenknap- 
zak op zijn rug op het hekje zat te rusten; en ik weet zeker, dat de 
▼oorkamer der herberg van ons dorp de plaats was, waar kommandeur 
Tnmnion die club met mijnheer Pickle had. 

De lezer begrijpt nu evengoed als ik wat ik was toen ik dat punt mijner 
Mg<%e gesclidedenis bereikte, waarop ik nu terugkom. 

Op een morgen, toen ik met mijne boeken de voorkamer inkwam, zag 
ik, dat mijne moeder zeer angstig keek, juffrouw Murdstone een gezicht 
2ctte, dat vastheid aanduidde, en mijnheer Murdstone bezig was met iets 
om het eind van een rotting te binden — een taai en buigzaam rietje — 
maar daarmede ophield toen ik binnentrad, en den rotting, als totproef- 
neming, drillend door de lucht liet zwiepen. 

>Ik zeg u, Clara," zeide mijnheer Murdstone, >ik heb zelf dikwijls een 
pak gehad." — > Wel zeker ; dat spreekt van zelf," zeide juffrouw Murd- 
stone. — >0 ja wel, lieve Jane," bracht mijne moeder haperend uit. 
>Maar — maar denkt gij, dat het Edward heeft goedgedaan ?" — > Denkt 
^j dan dat het Edward kwaad heeft gedaan, Clara?" vroeg mijnheer 
Murdstone, zeer emstig. — >Dat is de zaak," zeide zijne zuster. — >0 ja 
wel, lieve Jane," gaf mijne moeder ten antwoord en zeide toen niets meer. 
Ik werd bevreesd, dat ik persoonlijk belang had bij dat gesprek, en 
zocht mijnheer Murdstone's blik op te vangen toen hij naar mij omkeek. 
»Nu, David," zeide hij — en toen hij dit zeide, zag ik weder dat scheel- 
trekken van zijne oogen — >moet ge van daag veel beter oppassen dan 
gewoonlijk." 

Hij liet den rotting nog eens drillen en zwiepen, en nu daarmede gereed 
zijnde, legde hij hem met een veelbeteekenenden blik naast zich neer, 
«n nam zijn boek op. 

Dit was uitmtmtend om mijne tegenwoordigheid van geest op te wek- 
ken, eer ik nog begon. Ik voelde de woorden mijner lessen,niet een voor 
«en, of regel voor regel, maar bij de geheele bladzijde wegloopen, ik 
poogde ze vast te houden; maar zij schenen, als ik het zoo mag uitdruk- 
ken, schaatsen te hebben aangebonden, en mij met eene gladheidi die 
niet te stuiten is, te ontglijden. 



48 DAVID COPPERFIELD. 



Het opzeggen begon slecht en ging hoe langer hoe slechter. Ik was 
binnengekomen met de gedachte^ dat ik dien ochtend eenigszins zou 
uitmunten, daar ik begreep, dat ik mij bijzonder goed had voorbereid; 
maar dit bleek eene groote vergissing te zijn. Het eene boek werd na het 
andere op den hoop van achterstallen gelegd, terwijl juffrouw Murdstone 
al dien tijd scherp op ons lette, en toen wij eindelijk aan de vijf duizend 
kazen kwamen (rottingen maakte hij er dien dag van, dit herinner ik mij 
nog wel) barstte mijne moeder in traiien uit. 

» Clara !" zeide jufFrouw Murdstone met hare waarschuwende stem. — 
ilk ben niet heel wel, geloof ik, lieve Jane," zeide mijne moeder. 

Ik zag hem zijne zuster een emstigen wenk geven, terwijl hij opstond, 
den rotting opnam en zeide : 

iNeen, Jane, wij kimnen met wel verwachten, dat Clara met onge- 
schokte vastheid het verdriet zal dragen, dat David haar vandaag ver- 
oorzaakt heeft. Dat zou Stoicynsch wezen. Clara is veel vaster en sterker 
geworden, maar zooveel kunnen wij niet wel van haar verwachten. 
David, wij zuUen eens te zamen naar boven gaan, jongen." 

Terwijl hij mij de deur uitbracht, kwam mijne moeder naar ons toe 
loopen. Juffrouw Murdstone zeide : > Clara, ge zijt nog gansch eene zot- 
tin !'' en plaatste zich tusschen ons. Ik zag mijne moeder toen hare ooren 
dicht houden en hoorde haar schreien. 

Hij bracht mij langzaam en deftig naar mijne kamer — ik ben zeker, 
dat hij zich met pralende vertooning eener rechtsoefening verlustigde — 
en toen wij daar waren pakte hij eensklaps mijn hoofd onder zijn arm. 

iMijnheer! mijnheer!" riep ik. iDoe dat toch niet! Geef mijgeen 
slaag ! Ik heb mijn best gedaan om te leeren, mijnheer ; maar ik kan niet 
leeren als gij en juffrouw Murdstone er bij zijt. Dat kan ik waarlijk 
niet." — >Zoo, David, kunt ge dat waarlijk niet?" zeide hij. >Dat zuUen 
wij beproeven." 

Hij had mijn hoofd als in eene schroef, maar ik wrong mij toch om 
hem heen, en hield hem dus een oogenblik op, hem biddende en smee- 
kende om mij geen slaag te geven. Het was slechts voor een oogenblik, 
dat ik hem ophield, want terstond daarop gaf hij mij een gevoeligen slag, 
en op hetzelfde oogenblik pakte ik de hand, waarmede hij mijn mond 
dicht hield, tusschen mijne tanden, en beet door. Er gaat mij nog een 
zonderling gevoel door de tanden als ik er aan denk. 

Toen sloeg hij mij, alsof hij mij wildedoodslaan. Boven al het gerucht, 
dat wij maakten, hoorde ik hen de trap komen oploopen en schreeu- 
wen — ik hoorde mijne moeder schreeuwen — en Peggotty insgelijks. 
Toen was hij weg, en de deur was van buiten gesloten ; en ik lagkoortsig 
gloeiende, gepli^t en gescheurd, met pijn overal,en machteloosrazende 
op den grond. 

Hoe wel herinner ik mij nog, toen ik wat bedaarde, welk eene onna- 
tuurlijke stilte er door het geheele huis scheen te heerschen. Hoe wel 
herinner ik mij nog, toen mijne pijn en drift begonnen te verminderen, 
hoe schuldig ik mij begon te ^evoelen. 

Ik zat een langen tijd te luisteren, maar hoorde geen geluid. Ik kroop 



IK BEN OPGESLOTEN. 49 



van den grond op en zag mijn gezicht in den spiegel, zoo gezwollen, 
rood en leelijk, dat ik er bijna bang voor werd. Mijne striemen deden 
mij zeer toen ik mij bewoog, en brachten mij opnieuw aan het huilen ; 
maar dat was nog niets bij het schuldbesef dat ik gevoelde. Het drukte 
mij zwaarder op het hart, durf ik wel zeggen, dan alsof ik de gruwelijkste 
misdadiger ware geweest. 

Het begon donker le worden, en ik had het venster gesloten (ik had 
meestal met mijn hoofd op de vensterbank gelegen, beurtelings schrei- 
ende, sluimerende en wezenloos uitkijkende) toen de sleutel werd omge- 
draaid en juffrouw Murdstone binnenkwam, om mij brood, vleesch en 
melk te brengen. Dit zette zij zonder een woord te spreken op de tafel, 
zag mij met voorbeeldige vastheid aan, ging weder heen enslootdedeur 
achter zich. 

Lang na dat het donker was zat ik daar nog te wachten of er niemand 
anders zou komen. Toen dit voor dien avond onwaarschijnlijk scheen, 
ontkleedde ik mij en gingnaar bed ; en daar begon ik met angstte beden- 
ken wat er met mij gedaan zou worden. Of het eene misdaad was wat ik 
gedaan had ? Of ik in hechtenis zou genomen en naar de gevangenis ge- 
zonden worden ? Of ik ook eenig gevaar liep om te worden opgehangenf 

Nooit zal ik het ontwaken van den volgenden morgen vergeten ; het 
gevoel van opgeruimdheid en frischheid voor het eerste oogenblik, en 
daama het drukkende der akelige herinnering. JufFrouw Murdstone ver- 
scheen weder eer ik uit het bed was ; zeide mij, met niet meer woorden 
dan volstrekt noodig waren, dat ik de vrijheid had om een half uur en 
niet langer in den tuin te wandelen, en ging weder heen, de deur open 
latende, zoodat ik terstond van het ontvangen verlof kon gebruik maken. 

Ik deed zulks, en deed het elken morgen van mijne gevangenschap, 
die vijf dagen duurde. Als ik mijne moeder alleen had kunnen zien, zou 
ikvoor haarop mijne knieen zijn gevallen en haar om vergiffenis hebben 
gebeden ; maar ik zag al dien tijd niemand dan juffrouw Murdstone — 
behalve bij het avondgebed in de voorkamer, waar ik door juffrouw 
Murdstone werd heen gebracht, nadat al de anderen hunne plaatsen 
hadden genomen ; waar ik, als een kleine balling, alleen bij de deur werd 
gezet ; en van waar ik door mijne cipierster weder werd weggebracht, 
voordat iemand van zijne knieen was opgestaan. Ik merkte slechts op dat 
mijne moeder zoo ver van mij af bleef als mogelijk was, en haar gezicht 
naar een anderen kant gekeerd hield, zoodat ik het geheel niet zag ; en 
dat mijnheer Murdstone's hand in een grooten linnen doek was ge- 
wikkeld. 

Van de lengte dier vijf dagen kan ik niemand eenig denkbeeld geven. 
Zij beslaan in mijn geheugen de plaats van jaren. De manier, waarop ik 
naar alles luisterde, dat ik in huis kon hooren ; het schellen, het openen 
en sluiten van deuren, het gemurmel van steramen, de voetstappen op 
de trap; en ook naar een lachen, fluiten of zingen buiten de deur, dat mij 
in mijne eenzaamheid en ballingschap nog akeliger dan eenig ander ge- 
luid voorkwam — de onzekere loop der uren, vooral in den nacht, wan- 
neer ik wakker werd met de gedachte, dat het haast morgen werd, en dan 

david]^copperfield. — I. 4 



50 DAVID COPPERFIELD. 

bevond, dat men in huis nog niet naar bed was en de geheele leogte van 
den nacht nog moest komen — de akel!ge droomen en aanvallen van 
nachtmerric, die ik had — de terugkomst van dag, middag, namiddag 
en avond. wanneer de jongens op het kerkhot speelden, en ik op een 
afstand binnen de kamer naar hen keek, daar ik mij schaanide om mij 
aan het venster te vertoonen, uit vrees, dat zij zouden begrijpen, dat ik 
een gevangene was ^- het vreemde gevoel van mij zelven nooit te hoo- 
ren spreken - — de zonderlinge tusschenpooaen van lets, dat naar opge- 
niimdheid geleek, die met het eien en drinken kwamen, en daarmede 
weder voorbijgingen — het begin van eene regenbui op een avond, met 
eene frissche lucht, en hoe de regen toen al harder en harder neer- 
stTOOmde tusschen mij en de kerk, totdat hij en de vallende avond 
mij in duisternis, vrees en wroeging schenen te bedelven — datallcs 
schijnt jaren in plaats van dagen te hebben geduurd, zoo levendig en 
krachtig is het mij in het geheugen gebleven. 

. In den laatsten nacht mijner gevangenschap werd ik wakker, doordien 
ik fluisterend mijn naam hoorde noemen. Ik vloog in mijn bed overeind, 
stak in het donker mijne armen uit en zeide: 

• Zijt gij dat, Peggotty?" 

Er kwam zoo dadelijk geen antwoord ; maar weldra hoorde ik nog- 
maals mijn naam uitspreken, op een toon zoo gehdmzinnig en akeljg, 
dat ik denk, dat ik een toeval zou hebben gekregen, als het mij niet was 
ingevallen, dat die stem door het sleutelgat moest komen. 

Ikgingopden tast naardedeur, en zelf mijn mondvoor het sleutelgat 
houdende, fluisterde ik: 

• Zijt gij dat Peggotty-lief ?" — » Ja, mijn kostbare David," antwoordde 
zij. iHoudustilalseenmuisje, ofdekat zalonshooren." 

Ik begreep, dat zij daarmede juffrouw Murdstone meende, en dacht, 
datde zaakweldringend moest wezen,daar hare kamer dichtbij was. 

»Hoe vaartmama,lie¥ePeggolly?lszijergboosopmijf" 

Ik kon Peggotty aan haar kant van het sleutelgat zacht hooren schreien, 
gelijk ik aan den mijnen deed, eer zij antwoordde: iNeen, niet erg." 

» Wat zal er met mij gedaan worden, Peggotty-Hef ? Weet ge dat ook f" 
— ■ »Naar school. Bij Londen," was Peggoiiy's antwoord. Ik moest 
het haar doen herhalen, want de eerste maal vloog het mij recht in de 
keel, dewijl ik vergeten had mijn mond van het sleutelgat weg te nemen 
en mijn oor er voor te houden ; hoewel ik hare woorden wel voelde krie- 
welen, hoorde ik ze tochniet. — » Wanneer, Peggotty?" — iMorgen." 
— »Ib dat de reden waarom juffrouw Murdstone mijne kleeren uit de 
latafel heeft genoraenf" hetgeen lij gedaan had, hoewel ik vergeten heb 
er melding van te maken. — » Ja," zeide Peggotty. > Inpakken." — » Zal 
ik mama met zien P" — • Ja," zeide Peggotty. • Morgenochtend," 

Daarop plakte Peggotty haar mond vlak voor het sleutelgat, en sprak 
daardoor de volgende woorden, met zooveel gevoel en ernst, als er zicb 
ooit een weg door een sleutelgat hebben gebaand — dit durf ik genist 
verzckeren. Elk afgebroken gezegde schoot er met eene stuipachtige 
losbarsting doorheen. 



L 



IK WORD GEBANNEN. 51 



tDavidje-lief. Als ik niet zoo familiaar met u was — sedert eenigen 

tajd, als ik voorheen placht te zijn — is het niet omdat ik u niet liefheb — 

even lief en nog liever, mijn jongen. Het is omdat ik dacht, dat het betcr 

voor u was — en voor nog iemand anders. David, mijn troetelkind, 

luistert gij? Kunt ge wel hooren?" — tja— a — a, Peggotty," snikte ik. — 

>Mijn arme lieveling!" zeide Pe^gotty met innig medelijden. tWatik 

zeggen wil is — dat ge mij nooit vergeten moet — want ik zal u nooit 

vergcten — en ik zal zoo goed voor uwe mama zorgen, David — als ik 

ooit voor u gezorgd heb — en ik zal haar nooit verlaten. Er zal misschien 

nog eens een dac; komen — dat zij blij zal zijn — als zij haar hoofd we- 

der in den arm — van hare domme knorrige oude Peggotty kan neer- 

leggen. En ik zal u schrijven, lieve jongen — al kan ik het niet te best 

En ik zal — ik zal — " Hier begon zij vurig het sleutelgat te kussen, 

daar zij mij niet kon bereiken. — »Ik dank u, lieve Peggotty," zeide 

ik. »0, ik dank u. Wilt ge mij ddn ding beloven, Peggotty? Wilt gij 

aan mijnheer Peggotty en kleine Emily en juffrouw Gummidge en Ham 

schrijven, dat ik niet zoo slecht ben als zij wel konden denken, en dat ik 

altijd veel van hen houd — vooral van kleine Emily ? Wilt ge dat doen, 

lieve Peggotty" 

De goede ziel beloofde het mij, en beiden kusten wij het sleutelgat 
met de grootste teederheid — ik streelde het met mijne hand, herinner 
ik mij, als ware het haar goedig gezicht geweest — en daarop scheidden 
wij. Van dien nacht af ontstond er in mijne borst een gevoel voor Peg- 
gotty, dat ik niet wel kan beschrijven. Zij verdrong mijne moeder niet; 
dat kon niemand doen; maar zij vulde eene ledige plaats in mijn hart, die 
zich daarop dicht sloot, en ik gevoelde iets voor haar, dat ik nooit voor 
ecnig ander menschelijk wezen heb gevoeld. Er was ook iets comisch 
in die genegenheid ; en toch, als zij gestorven was, kan ik mij niet ver- 
beelden wat ik zou gedaan hebben, of hoe ik mijne droef heid zou zijn 
te boven gekomen. 

Des morgens verscheen juffrouw Murdstone volgens gewoonte, en 
zeide mij, dat ik naar eene kostschool zou worden gezonden: hetgeen* 
Diet zulk een groot nieuws voor mij was als zij wel dacht Zij onaerrichtte 
mij ook, dat ik, als ik gekleed was, beneden in de voorkamer moest 
komen cm te ontbijten. Daar vond ik mijne moeder, zeer bleek en met 
roode oogen. Ik vloog in hare armen, en bad haar uit het diepst mijner 
bcdroefde ziel om vergiffenis. 

>0 David!" zeide zij. iDat gij iemand hebt kunnen kwaaddoen, dien 
ik liefheb? Doe uw best om u te verbeteren; bid om beter te worden. 
Ik vergeef u: maar ik ben too bedroefd, David, dat gij zulke booze harts- 
tochten in het hart hebt." 

Zij hadden haar overreed, dat ik een kwaadaardige jongen was, en 
dit speet haar meer dan dat ik heenging. Ik gevoelde dit ten diepste. Ik 
deed miin best om het afscheidsontbijt te gebniiken, maar mijne tranen 
rolden op mijne boterham en droppelden in mijne thee. Ik zag mijne 
moeder somtijds naar mij. en dan naar de waakzame juffrouw Murdstone 
kijken, en hare oogen neerslaan of afwenden. 



5 a DAVID COPPERFIELD. 

» Breng den koffer van jongenheer CopperfieM !" zeide juffrouw Murd- 
stone, tocD igen widen voor het hek hoorde. 

Ik keck naar Peggotty TOad, maar zij was cr niet. Zij en mijnheer 
Murdstone Heten zich niet zien.Mijn vroegere kennis, de voerman, stond 
voor d« deur. Mijn koffer werd naar zijne kar gedragen en er in gezet. 

»Clara!" zeide juftouw Murdstone. op haar waarschuwenden toon. — 
ija, tieve Jane," antwoordde mijne moeder. > Dag, David. Het is tot uw 
bestwil, dat gij heengaat. Vaarwel, mijn kind. Met de vacantie zult ee 
naar huis koiuen, en dan een beter kind zijn." — > Clara !" herhaalde 
Murdstone. — »Ja wel, beste Jane," antwoordde mijne raoeder, die mij 
nog vasthield. "Ik vergeef u, mijn lieve jongen, God zegene u!" — 
iClara !" hcrhaaldejuffrouw Murdstone nog eens. 

Juffrouw Murdstone was zoo goed om mij naar de kar te brengen, en 
onderweg te zeggen dat zij hoopte dat ik berouw zou krtjgen, eer ik tot 
een slecht einde kwam; en toen klom tk in de kar, en staple het lule 
paard met mij voort. 



IK WORD VAN HUIS WEGUEZONDEN. 

Wij hadden een half kwartier ver gereden, en mijn zakdoek was door- 
nat toen de voermaa ophield. 

Toen ik rondkeek waarvoor dit geschicdde, zagik, tot mijne verbazing, 
Peggotty door de heg dringen en in de kar klimmen. Zij nam mij in haar 
arm en sloot mij aan haar korset, tot de drukking tegen mijn neus gewel- 
dig pijnlijk werd, hoewel ik daaraan niet dacht voor naderhand, toen ik 
de plek zeer gevoclig vond, Zij sprakgeenenkelwoord. Eenharerarmen 
loslatende, stak zij dien tot aan den elteboog in haar zak, en haalde er 
eenige papieren zakjes met gebakjes uit, die zij in mijne zakken stopte, 
' en eene beurs, die zij mij in de hand drukte^ ma^r nog sprak zij geen 
woord. Na mij nog eens voor het laatst in beide hare armen te hebben 
gesloten, klom zij weder van de kar en liep heen — zonder een enkel 
knoopje aan hare japon, gelijk ik altijd geloofd heb. Ik raapte er een 
Op van de velen, die er rondrolden, en bewaarde het lang als eene 
gedachtenis. 

De voerman zag raij aan, alsof hij wilde vragen of zij nog zou lerug- 
komen. Ik schudde mijn hoofd, en zeide, ij^t ik het niet dacht. >Koni 
aan dan maarl" zeide de voerman tot het luie paard, dat daarop weder 
voortstapte. 

Daar ik nu zoo lang geschreid had als ik met mogelijkheid kon doen, 
begon ik te bedenken, dat het niet baten kon nog langer te schreien, 
vooral daar noch Roderick Random, noch die zeekapitein, zooveel ik 
mij kon herinneren, in moeielijke omslandigheden ooil geschreid had- 
den. De voerman, dit bealuit van mij opmerkende, deed mij het voorstel 
om mijn zakdoek op den rug van het paard uit tespreidenomtedrogen. 



EKNK BOODSCHAP VOOR PEGGOTTY. 53 



Ik nam dit met dankzegging aan ; en bijzonder klein zag mijn zakdoek 
CT toen uit. 

Ik had nu tijd om de beurs na te zien. Het was een stijf lecferen beursje, 
met een knipje^ en er zaten drie blinkende schellingen in. die Feggotty 
blijkbaar met krijt had opgepoetst, om mij te meer te verheugen. l3och 
het kostbaarste van den inhoud bestond uit twee halve kronen^ te zamen 
in een stukje papier gevouwen, waarop, in de hand mijner moeder, ge- 
schreven was: t Voor David. Met mijne liefde." Dit roerde mij zoodanig, 
dat ik den voerman vroeg, zoo goed te willen zijn om mij mijn zakdoek 
weder aan te reiken ; maar hij zeide, dat ik hem nu wel kon missen, en 
daar ik dit 00k begreep, veegde ik mijne oogen met mijne mouw af en 
bedwong mijne tranen. 

Voor goed en al; hoewe] mijne vroegere aandocningen verocrzaakten, 
dat mij nu en dan nog eens een snik werd afgeperst. Nadat wij eenigen 
tijd hadden voortgesjokt, vroeg ik den voerman of hij mij den geheelen 
weg bracht. 

tWaar naar toe den geheelen weg?" vroeg hij wederom. — >Daar 
naar toe," zeide ik. — tWaar is daar?" vroeg hij. — >l)ichtbij Lon- 
d en," zeide ik. — > Wel, dat paard," zeide de voerman, met een ruk aan 
de teugels, om te toonen welk paard hij mcende, tzou morsdood wezen 
eer het half zoo ver was." — iBrengt ge mij dan tot Yarmouth?" 
vroeg ik. — » Zoo is het," antwoordde de voerman. » En daar zal ik u op de 
diligence bezorgen, en de diligence zal u brengen — waar gij wezen moet " 

Daar dit voor dezen voerman (die Barkis heette) al zeer vetl gezegd 
was — alzoo hij, gelijk ik in een vorig hoofdstuk heb aangtfmerkt, van 
een flegmatisch temperament en niet zeer spraakzaam was — bood ik 
hem als een blijk van oplettendheid een gebakje aan^ dat hij op eens in 
zijn mond stak, evenals een olifant, en dat tusschen zijne grove kaken 
even weinig merkbaar was, als het tusschen die van een olifant zou ge- 
weest zijn. 

iHeeft zij die gebakken?" vroeg Barkis, altijd zakkerig voorover 
hangende, met een arm op elke knie. — iMeent gij Peggotty, mijnheer?" 
— »Ja," zeide Barkis. »Haar." — »Ja zij kookt en baktbij ons." — tZoo, 
doet zij dat ?" zeide Barkis. 

Hij spitste zijn mond alsof hij wilde fiuiten, maar floot toch niet. Hij 
zat naar de ooren van zijn paard te kijken, alsof hij daar lets nieuws zag, 
en bleef een geruimen tijd zoo zitten. Eindelijk zeide hij : 

t Geen naloop, geloof ik ?" — » Wat zegt ge, mijnheer Barkis ?" vroeg 
ik, want ik meende^ dat hij een of ander gebak bedoelde, dewijl hij daar- 
van het laatst had gesproken. — tGeen vrijers, meen ik," zeide Barkis. 
>Geen jon^en, die met haar gaat kuieren?" — »Met Peggotty?" — »Ja," 
zeide Barkis. tMet haar." — tWel neen. Zij heeft nooit een vrijer ge- 
had." — t Zoo, heeft ze niet ?" zeide Barkis. 

Wederom spitste hij zijn mond om te fluiten, en wederom floot hij niet, 
maar bleef naar de ooren van zijn paard zitten kijken. 

>Dus bakt zij al de appeltaartjes," zeide Barkis, na een geruimen tijd 
van overpeinzing, >en kookt alles, doet ze ?" 



54 DAVID COPPl^RFieLD. 

Ik antwoordde, dat dit eoo was. 

) Wei, dan zal ikueenswatzeggen/'zcide Barkis. >Misschien schrijft 
ge wel eens aan haar f" — »Ik zal haar zekerlijk schrijven," antwoordde 
ik. — > Zoo !" zeide hij, langzaara naar raij amkijkende, > Wel, als gij dan 
aan haar schrijft, zulc ge misschien wel eens kunnen onthouden om haar 
te schrijven, dat Barkis klaar is. Wilt ge dat doen P"- — > Dat Barkis klaar 
is," herhaalde ik, onnoozel. » Is dat de geheele boodschap f " — t Ja— a," 
wide hij, zich bedenkende. >Ja — a. Dat Barkis klaar is." — » Maar pij 
zult morgen weder tc Blunderstone zijn, mijnheer Barkis," zeide ik, 
van ontroering stotterende bij de gedachte, dat ik er dan vet vandaan 
zou wezen, >en zoudt dan veel beter awe eigene boodschap kunnen 
doen." 

Daar hij echter dezen raad met een ongeduldig hoofdschudden van 
de hand wees, en zijn vroeger verzoek nog eens bevestigde, door met 
diepen crnst te zeggen: iBarkis is klaar. Dat is de boodschap," nam ik 
bereidvaardig het overbrengen daarvan op mi;. Terwijl ik dien avond in 
het logement te Yarmouth naar de diligence wachtte, liet ik mij een 
blad papier en een inktkoker geven, eo schreef een brieje aan Peggotty, 
hetwelk aldus luidde : ■ Mijne lieve Peggotly. Ik ben goed en wel hier 
gekomen. Barkis is klaar. Mijn liefderijken groetaan mama. HarteJijk de 
uwe. P. S. Hij zegt, dat hij vooral verlangt u te laten weten, dat Barkis 
klaar is." 

TocD ik deze boodschap op mij had genomen, verzonk Barkis weder in 
de diepste stilte ; en ik, die mij, door al wat mij in korten tijd gebeurd was, 
geheel afgemat gevoelde, legde mij op een zak in de kar ncer en viel in 
slaap. Ik sUep gerust tot wij te Yarmouth kwamen, hetwelk mij op 
het herbergpleintje dat wij binnenreden, zoo geheel vreemd voorkwam, 
dat ik terstond eene stil gekoesterde hoop liet varen om bier iemand 
van Peggotty's familie — mischien de kleine Emily zeive — te ont- 
moeten. 

De diligence slond buiten, overal blinkende, maar tot nog toe zonder 
paarden er voor; en zd6 zag zij er uit alsof niets onwaarschijnlijker was 
dan dat zij ooit naar Londen zou komen. Ik dacht hierover, en ver- 
wonderde mij hoe het met mijn koffer zou gaan, dien Barkis voor den 
disselboom had neergezet (hij was het pleintje opgereden om zijne kar 
te laten keeren) en hoe het eindelijk met mij zou gaan, toen er eene Jiif- 
frouw uit een open venster kwam kijken, waarin eenige kippen en stukken 
vleesch hingen, en zeide: 

• Isdatjongeheertje van Blunderstone?" — »Ja,juffrouw," zeide 
ik. — iHoe is de naam f" vroeg zij. — »Copperfield, juffrouw," zeide ik. 
— >Dat is dan verkeerd," antwooidde de juffrouw, » Met dien naam is 
er voor niemand eten betaald." — »Is het dan Murdstone, juffrouw?" 
zeide ik. — lAls gij de jonge heer Murdstone zijt," zeide de juffrouw, 
>waarom geefl gij ii zelven dan eerst een anderen naam i" 

Ik vcrklaarde haar hoe de zaak gelegen was, en daarop schelde zij en 
riep: »Willem, wijsdckofliekamer eens!" waarop een knecht uit eene 
keuken aan dui nnderen kant van het pleintje kwam aanloopen, om mij 



EEN KNECHT TOONT DEELNKMING MET MIJ. 55 

die kamer te wijzen, en zich zeer scheen te verwonderen, dat er niemand 
anders was danlk^ wien hij den weg moest wijzen. 

Hij bracht mij in eene ruime, zeer langwerpige kamer, waarin eenige 
groote landkaarten hingen. Ik twijfel er aan of ik mij wel vreemder had 
kunnen gevoelen, indien die kaarten werkelijk vreemde landen waren 
geweest, en ik daar middenin was verplaatst. Het was mij alsof ik eene 
vrijpostigheid beging met vlak bij de deur op een hoekje van een stoel 
te gaan zitten, met mijne pet in de hand ; en toen de knecht voor mij 
alleen een tafellaken spreidde en een olie en azijnstel daarop zette, geloof 
ik, dat ik bloedrood moet zijn geworden van verlegenheid. 

Hij bracht mij karbonaden en groenten, en nam met zulk eene drift 
de deksels van de schotels, dat ik vreesde, dat ik hem eenige reden tot 
ongenoegen moest hebben gegeven. Hij stelde echter mijn gemoed 
weder grootendeels gerust, door een stoel voor mij bij de tafel te zetten 
en zeer vriendelijk te zeggen : >Kom aan, zesvoeter. Begin maar." 

Ik bedankte hem en nam plaats aan de tafel ; maar ik vond het zeer 
moeielijk met eenige handigheid met mijn mes en vork om te gaan en 
op te passen. d-it ik mij niet met jus bespatte, terwijl hij daar vlak over 
mij zoo strak naar mij stond te kijken, en mij telkens als ik zijn blik op- 
ving zoo schrikkelijk rood deed worden. Na zoo gewacht te hebben tot 
ik aan mijne tweede karbonade was, zeide hij : 

1 Er is een half pintje bier vcor u besteld. Wilt ge da^ nu maar hebben ?" 

Ik bedankte hem en zeide »Ja;" waarop hij het uit eene kruik in een 
groot glas schonk, en het glas tegen het licht hield, zoodat ik zien kon 
hoe helder het was. 

» Wel weerga's," zeide hij. iDat lijkt nog al veel te zijn, niet waar?" — 
1 Ja, het lijkt wel wat veel," antwoordde ik met een glimlach ; want ik 
was er over opgetogen, dat ik hem zoo vroolijk en aardig vond. Hij was 
een manneke met fiikkerende oogjes, een gezicht vol roode puisten, en 
haar^ dat over geheel zijn hoofd recht overeind stond ; en toen hij daar 
stond, met zijn eenen arm in de zijde, terwijl hij met de andere hand het 
glas tegen het licht hield, keek hij mij zeer vriendelijk aan. — t Er was 
hier een heer, gisteren," zeide hij, >een dik heer, Topsawyer heette hij — 
misschien kent gij hem wel." — »Neen," zeide ik, >Ik geloof niet..." — 
»Met eene korte broek en slopkousen, een breeden rand aan zijn hoed, 
eene grijze jas en gespikkelde bouffante," zeide de knecht. — >Neen," 
zeide ik beschaamd, >ik heb het pleizier niet...." — »Hijkwamhier 
binnen," zeide de knecht, door het glas been naar het licht kijkende, 
»vroeg een glas van dit bier — wilde het met geweld hebben — ik 
raadde het hem af — dronk het uit en viel dood neer. Het was te oud 
voor hem. Men moest het niemand tappen ; dat is de waarheid." 

Ik was ontzet toen ik van dit ongeluk hoorde, en zeide, dat ik liever 
wat water wilde hebben. 

•Maar weet ge wel," zeide de knecht, nog door het glas been naar het 
licht kijkende en daarbij €€n oog dichtknijpende, tmen ziet hier niet 
gaame, dat er iets besteld wordt en dan blijft staan. Dat neemt men licht 
kwalijk. Maar ik zal het wel uitdrinken, als ge wilt. Ik ben er aangewoon. 



56 DAVID COPPIMIKLD. 

en gcwoonte is alles. Ik geloof niet, dat het mij kwaad zal doen, als ik 
mijn hoofd achterover houd en het gauw laat doorloopen. Zalikmaarf" 

Ik antwoordde, dat hij mij zeer zou verplichten door het glas maar 
uit le drinken, ab hij dacbt, dat hij het veilig kon doen, maar anders vol- 
strekt niet, Tocn hij lijn hoofd achterover hield en het gauw lict door- 
loopen, was ik, dit moet ik bekennen, schrikkelijk bang, dat ik hem in 
het lot van den ongelukkigen mijnheer Topsawyer zou zien deelen en 
levenloos neervallen. Maar het deed hem geen kwaad. Integendeel, hij 
scheen er door op^efrischt. 

• Wathebbenwij daarf'ieidehij, eene vorkinmijnschotelstekende. 
»Toch geene karbonadcnf" — »Ja, karbonaden," leide ik, — *Heere 
mijn tijdl" riep hij uit. >Ik had niet gezien dat het karbonaden waren. 
Eene karbonade is juist het allerbeste am de nadeelige gevolgen van dat 
bier te voorkomen. Is dat niet gelukkig ?" 

Zoo nam hij met de eene hand eene karbonade bij het beenlje en met 
de andere een aardappel, en at beide, tot mijn groot genoegen, zeer 
smakelijk op. Naderhand nam hij nog eene karbonade en nog «n aard- 
appel, en daama nog eens. Toen wij gcdaan hadden, bracht hi] mij cen 
podding, en toen hij mij dien had voorgezet, scheen hij in een verstrooid 
gepeins te verzinken, en bleef zoo eene poos staan. 

iHoesmaakt detaart f" zeide hij, weder wakker wordende. — »Hel is 
een podding," antwoordde ik. ^ »Een podding!" riep hij uit. >Ja waar- 
lijk, dat is het ook. Wat !" hij kwam naderbij om tc kijlten, »Gij wilt toch 
niet zeggen, dat het een broodpodding is?" — »Ja, dat is het," zeide 
ik. — > Wei," hervattc hij, een eetlepel opnemende, » een broodpodding 
is juist mijn liefste podding! Is dat geen fortuintje? Kom aan, kleine, 
laten wij eens zien wic er het meeste van zal krijgen !" 

De knecht kreeg er zekerlijk het meeste van. Hij spoorde mij mecr 
dan eens aan om mij te haasten en het hem af te winnen ; maar met zijn 
eetlepel tegen mijn theelept:ltje, zijne vlugheid tegen mijne vlugheid, en 
zijn honger tegen mijn honger, bleef ik reeds bij den eersten hap ver ten 
achteren, en had ik geene de mjnste kans. Nooit zag ik iemand zooveel 
smaak in een podding hebben, geloof ik ; en toen alles op was, lachte 
hij, alsof hij er nog smaak in had. 

Daar ik hem zoo vriendelijk en gezellig vond, vrocg ik hem toen om 
pen, inkt en papier, om aan Peggotty te schrijven. Hij bracht mij niet 
alleen terstond het gevraagde, maar was ook zoo goed om over mijn 
schouder te blijven kijken terwijl ik schreef. Toen ik gedaan had, vroeg 
hij mij waar ik school zou gaan liggen. 

Ik antwoordde: »Uichtbij Londen;"hetgeen alles was watik wist 

iWel weerga's!" zeide hij j zeer neerslachtig kijkende. >Dat spijt 
mij," — iWaarom?" vroeg ik hem. — »Och Heere!" zeide hij, en 
schudde zijn hoofd, >dat is die school, waarzijdicnjongenderibben 
hebben gebroken — twee ribben — een kleine jongen was hij nog maar, 
Ik zou zeggen, dat hij — laat eens zien — hoe oud zijt gij omtrent?" 

Ik zeide hem tusschen de acht en negen jnar. 

> Dus juist zoo oud als hij," zeide hij. > Hij was achtjaar en tes maanden 



MEN DRIJFT DEN SPOT MET Bqj. ^ 57 



toen zij zijne eerste rib braken ; en acht jaar en acht maanden toen zij de 
tweede braken^ en hem zijn bekomst gaven." 

Ik kon het voor mij zelven en den knccht niet ontveinzen, datdit eene 
onrustbarende omstandigheid was, en vroeg hem hoe het gebeurd was. 
Zijn ant woord strekte niet om mij op te beuren, want het bestond uit de 
akelige woorden : » Van het ranselen." 

Het blazen van den horen des conducteurs ophetpleintjegafeene 
tijdige afleiding. die mij deed opstaan, en met eene mengeling van trotsch- 
heid en bedeesdheid, omdat ik eene beurs had (welk ik uit mijn zak 
haalde)^ vragen, of er iets te betalen was. 

lEen blaadje postpapier," antwoordde hij. >Hebt ge wel eens een 
blaadje poscpapier gekocht ?" 

Ik kon mij niet herinneren, dat ik dit ooit ^edaan had. 

iHet is duur," zeide hij, tdoor de belastmg. Drie stuivers. Zulke be- 
lastingen hebben wij hier in het land. Anders is er niets dan de knecht. 
Om den inkt behoeft gij niet te denken. Dien leg ik er bij toe." — > Wat 
zoudt gij — wat moet ik — hoeveel behoor ik — wat behoort men den 
knecht wel te geven, als het u belieft ?" bracht ik blozend en stotterend 
uit. — > Als ik geen kinderen had, en die kinderen de koepokken had- 
den,*' zeide de knecht, t zou ik geen halven schelling aannemen. Als ik 
geen ouden vader en geene lieve zuster te onderhouden had" hier werd 
de knecht zeer ontroerd — tzou ik geen penning aannemen. Als ik 
eene goede plaats had en hier goed behandeld werd, zou ik liever ver- 
zoeken om eene kleinigheid te mogen geven, in plaats van ze aan te 
nemen. Maar ik kef van de kliekjes — en ik slaap op de steenkolen" — 
hier barstte de knecht in tranen uit 

Ik had diep medelijden met zijn ongeluk, en gevoelde, dat eene fooi 
van minder dan negen stuivers eene barbaarsche hardvochtigheid zou 
aanduiden. Ik gaf hem dus een van mijne drie blinkende schellingen, 
dien hij met groote nederigheid en eerbiedigheid aannam, en terstond 
daama op zijn duim liet draaien, om zich te verzekeren of hij goed was. 

Het maakte mij, toen ik achter op de diligence werd geholpen,eenigs- 
zins verlegen, toen ik bevond, dat men zich verbeeldde dat ik alles wat 
mij was voortgezet zonder iemands hulp had opgegeten. Ik ontdekte dit 
daardoor, dat ik de juffrouw voor het venster tegen den conducteur 
hoorde zeggen : »Pas op dat kind, George, of hij zal barsten ;" en dat ik 
al de meiden, die in huis waren, lachend zag komen uitloopen om naar 
mij te kijken, alsof ik een jeugdig wonder der natuur was. Mijn ongeluk- 
kige vriend, de knecht, die zijne vroolijkheid geheel had teruggekregen, 
scheen zich dit niet aan te trekken, maar nam, zonder eenigszins verlegen 
te worden, deel aan de algemeene verwondering. Indien ik eenigen twij- 
fel aan hem koesterde, geloof ik, dat deze daardoor ten hal ve werd opge- 
wekt ; maar ik ben genegen te gelooven, dat ik, met het argeloos ver- 
trouwen van een kind aan menschen van meerdere jaren (hoedanigheden, 
welke ik de kmderen slechts met leedwezen te vroeg voor wereldsche 
wijsheid zie verruilen), over het geheel zelfs toen nog geen emsdg wan- 
trouwen tegen hem opvatte. 



58 DS.V1D COPPEKFIELD. 

Ik vond-het wet eenigszins hard, moet ik bekennen, dat ik, zonder dit 
verdiend te bebbea, het onderwerp vnn spotteraijen tusschen den voer- 
man eo den conducteur werd, die zeiden, dat de diligence van achteren 
te xwaar hing, omdat ik daar zat, en dat het beter zou geweest zijn als ik 
met den vrachtnagen reisde. Daar het sprookje van mijn vermeendt eet- 
lust ook onder de buitenop zittende passagiers bekend werd, maakten 
zij er zich insgelijks vroolijk mede, en vroegeD mij of men op de kost- 
school als twee brocders of als drie voor mij zou betalen, en of men cen 
bijzonder accoord voor mij gemaakt had, dan of ik op degewone con- 
dition ging ; met andere schertscnde vragen. Doch het ergste er van was, 
dat ik wel wist, dat ik mij nu zou schamen om iets te cten, als zich eene 
gelegenheid daartoe aanbuod, en ik dus, na een tamelijk Hcht middag- 
maal, den geheelen nacht hongerig zou blijven — want ik had mtjne ge- 
bakje&, door mijne haast, in het logement laten liggen. Mijne vrees werd 
bewaarheid. Toen wij ophielden om te soupeeren, had ik het hart niet 
om iets te gebruiken, hoewel ik dit gaarne zou gedaan hebben, maar 
bleef bij het vuur zitten, en zeide, dat ik niets noodig had. Dit behoedde 
mij echter niet voor nog meer spottemijen ; want een heer met eene 
hecsche stem en een grof geiicht, die bijna den geheelen weg langs bo- 
terhammen had zitten eten, behalve wanneer hij uit eene flesch zat te 
drinken, zeide, dat ik eene boa constrictor was, die in eens genoeg tot 
zich nam om er een langen tijd op te kunnen vasten ; en daarna propte 
hij zich zoo vol gekookt ossevleesch, dat hij bijna geen adem meer kon 
halen. 

Wij warcn ten drie ure in den namiddag van Yarmouth afgereden, 
en moesten tegen acht uur den volgenden morgen in Lo nden zijn. Het 
was zomerweder en wij hadden een zcer fraaien avond. Als wij een dorp 
doorreden, verbeeldde ik mij bij mij zelven hoe de huizen er van binnen 
uitzagen en wat de bcwoners uitvoerden ; en als de jongens ons kwamen 
naloopen, en achterop klommen en zich zoo een eind ver lieten rijden, 
verwonderde ik mij of hunnc vaders nog leefden, en of zij het thuis plei- 
zierig hadden. Ik had dus overvloedig slof om over te denlen, behalve 
dat gcdurig de vraag opkwam, naar welkc soort van plaats ik toch wel 
op weg was — eene angstverwekkende gedachte. Somtijds, heugt mij 
nog, gaf ik mij aan mijne herinneringen over en dacht aan mijne moeder, 
mijn ouderlijk huis en Peggotly, en poogde mij , alsof ik verbijsterd 
in den blinde tastte, te binnen te brengen, hoe het mij te moede en welk 
Boort van- een jongen ik was, cer ik mijnheer Murdstone hadgebetenj 
waarover ik het maai volstrekt niet met mij zelven eens kon worden, zoo 
lang schcen het geledeo te zijn dat ik hem gebeten had. 

De nacht was niet zoo aangenaam als de avond, want het werd vrij 
koud ; en daar ik tusschen twee heeren in zat (die met het grove gezlcht 
en een ander) opdat ik niet van de bank zou vallen, werd ik bijna ge- 
srooord als zij insluimerden en tegen mij aanzakten. Somtijds geraakte 
ik zoo erg in de klem, dat ik niet nalaten kon te roepen : ■ Och, als het u 
belieft" — hetgeen bUn volstrekt niet beviel, omdat tk hen daardoor 
wakker maakte. Tegerover raij zat eene bejaarde dame met een grooten 



L 



IK ZOU AFGEHAALD WORDEN. 59 



bonten mantel, die er in het donker meer als eene hooischelf dan als 

eene dame uitzag, zoo was zij ingemoffeld. Deze dame had eene mand 

bij zich, en wist lang niet waar zij die zou laten, tot ze begreep, dat ze, 

daar mijne beenen zoo kort waren, wel daaronder kon staan. Die mand 

hinderde mij zoodanig en deed mij zoo zeer, dat het niet om uit te staan 

was; maar als ik mij maar even bewoog, en een glas, dat in de mand was. 

tegen iets anders deed rinkclen (gelijk altijd zeker gebeurde) gaf zij mij 

ccn gevoeligen schop met haar voet, en zeide : 

t Zit toch stil. Dat mandje kan u niet hinderen." 

Eindelijk ging de zon op, en toen schenen mijne reifgenooten geruster 

te kunnen slapen. Hoe benauwd zij bet den geheelen nacht hadden ge- 

had, gelijk het uit hun allerschrikkelijkst snorken en hijgen was gebleken, 

kan men zich niet verbeelden. Toen de zon hoogersteeg, werdhunslaap 

lesser^ en zoo werden zij langzamerhand een voor een wakker. Ik herin- 

ncr mij nog hoe het mij verwonderde, dat iedereen zich wilde houden 

akof hij in het geheel niet geslapen had, en met buitengewone veront- 

waardiging die beschuldiging van zich afwierp. Tot op dezen dag toe 

blijft iets dergelijks mij nog verwonderen, daar ik zonder uitzondering 

beb opgemerkt) dat onder alle menschelijke zwakheden diegene, welke 

de mensch het minst gaarne wil bekennen (ik kan mij niet verbeelden 

waarom), de zwakheid is van in een rijtuig te hebben geslapen. 

Welk eene verbazende stad Lon den voor inij was toen ik het in de 
Terte zag, en hoe vast ik geloofde, dat al de avonturen mijner gelief- 
koosde helden zich nog gedurig daar herhaalden, en hoe ik eene onbe- 
stemde overtuiging koesterde, dat die stad meer wonderen en meer god- 
deloosheid moest bevatten dan alle steden op de wereld, behoef ik hier 
niet uitvoerig te verhalen. Langzamerhand kwamen wij naderbij, en ten 
behoorlijken tijde bereikten wij de herberg in de buurt vanWither- 
kapel, die de plaats onzer bestemming was. Hetis mij ontschotenof 
het de Blauwe Slier of de Blauwe Beer was; maar ik weet wel, dat het iets 
blauws was, en dat eene afbeelding daarvan achter op de diligence was 
gcschilderd. 

Toen de conducteur afstapte keek hij naar mij op, en voor de deiir 
▼an het kantoor riep hij : 

>Is hier iemand voor een jongetje, geboekt met den naam van Murd- 
stooe, van BlunderstoneinSu f f o 1 k, dat afgehaald zou worden." 
Niemand antwoordde. 

» Probeer het eens met Copperfield, als het u belieft, mijnheer," zeide 
ik, verlegen naar beneden ziende. — » Is hier iemand voor een jongetje, 
geboekt met den naam van Murdstone, van BlunderstoneinSuffolk. 
maar die zegt, dat hij Copperfield heet, dat afgehaald zou worden ? 
zeide de conducteur. > Kom aan ! Is er iemand ?'' 

Neen. Er was niemand. Ik keek angstig rond ; maar de vraag maakte 

geen den minsten indruk op iemand der omstanders, behalve op een 

man met slopkousen en ^^n oog, die aanraadde, dat men mij maar een 

koperen halsband zou omdoen en in den stal zou vastleggen. 

Er werd eene ladder gebracht, en ik klom af, na de dame, die op eene 



6o QAVn> COPPBRFIELD. 

hooischelf geleek, daar ik mij niet durfde bewegen voordat hare maod 
was weggenotnen. Alle passagiers varen nu afgestapt, de bagage was 
spoedig afgeladen, de paarden waren reeds voor dat afladen uitgespan- 
nen ; en nu werd de diligence zelf door eenige stalknechts omgedraaid 
entlitden wcggeduwd. Nogkwamerniemandomhetstofferige jongc^e 
vanBlundcrstoneinSutfolkop teeischen. 

EenEamer dan Robinson Crusog, die niemand had om naar hem te 
kijken en te Eien, dat hij zoo eenzaam was, stapte ik het kantoor binnen, 
ging, op uitnoodiging van den kleik, die daar was, achter de toonbank, 
en zette mij daar op de schaal, waarmede men de bagage woog. Terwijl 
ik hier naar de pakken, balen en boeken z&t te kijken, en dc stallucht 
inademde (welke mij naderhand ahijd weder aan dien morgen deed den- 
kcn), begon ecne heele stoet van schrikkelijke overdenkingen in proces- 
sie door mijn gemoed te trekken. Als cr eens niemand mij kwam halen, 
hoe lang zou men mij dan daar wel willen houden i Zouden cij mij laten 
blijven tot ik mijne zcven schellingen *erteerd had f Zou ik des nachls in 
een van die houten bakken moeten slapcn, bij de andere bagage, en mij 
des morgens aan de pomp op de plaats moeten wasschen ; of zou men 
mij etkcn avond wegzenden, en begrijpen dat ik den volgendcn ochtend, 
als het kantoor geopend werd, wel weder zou terugkomen om te wachtes 
tot men mij kwam afhalen f Als er eens geene vergissing in het spel was, 
maar mijnheer Murdstone dezen streek had verzonnen om mij kwijt te 
raken, wat zou ik dan doen i Al liet men mij daar blijven tot mijne zeven 
schelhngen op waren, dan kon ik toch niet hopen nog te mogen blijven 
alsik begon dood te hongeren. Dat zou blijkbaar lastig en onaangenaam 
voor de klanten zijn, behalve dat het den Blauwen Leeuw (of wat het was) 
in gevaar kon brengen om begrafeniskosten te moeten betalen. Als ik 
terstond heenging en te voet weder naar huis poogde te komen, hoe zoa 
ik dan den weg vinden, of hoe kon ik hopen soover te kunnen loopcn, 
en hoe kon ik, al kwam ik weder thuis, er op rekenen, dat iemand, be- 
halve Peggotty, mij zou willen terugnemen ? Als ik de nlaste bevoegde 
machten opzocht, en mij aanbood om als soldaat of matrons dienstte 
nemen, dan was ik nog zoo klein, dat men mij waarschijniijk niet eens 
2011 willen hebben. Deze gedachten, en honderd dergelijke, deden mij 
gloeiend faeet worden en maakten mij duizelig van angst en akeligheid. 
Ik was in het heetste van die koorts, toen er iemand binnenkwam en 
met den klerk fluisterde, die mij daarop van de schaal liet glijden 
en aan hem toeschoof, alsof ik gewogen, gekocht afgeleverd en be- 
taaldwas. 

Toen ik aan de hand van dczen nieuwen bckende het kantoor uitging, 
zag ik hem eens tersluiks aan, Hij was een jongmensch, mager en vaal 
bleek, met holle wangen en eene kin bijna even zwart als die van mijn* 
heer Murdstone ; maar daarmede hield de gelijkenis op ; want zijn bak- 
kebaard was weggeschoren, en zijn baar zag er, in plaats van glanzig, 
zeer droog en stroef nit. Hij was in het zwart gekleed ; zijn rok en broek 
waren even kaal en vaal, en tamelijk kort van mouwen en pijpen \ en hij 
had eene witte das om, die niet al te schoon kon heeten. Ik dacht niet, en 



L 



DE MKESTSR EN IK BRENGEN EEN BEZOEK. 6 1 



denk ook niet, dat deze das al het linnen was dat hij droeg ; maar het 
was toch alles wat hij liet zien. 

»Gij zijt immers de nieuwe joDgen ?" zeide hij. — t Ja, mijnheer," ant- 
woordde ik. 

Ik dacht dit maar zoo. Zeker wist ik het niet. 

> Ik ben een van de meesters op Salem House," zeide hij. 

Ik maakte eene buiging voor hem, en vatte dadelijk een diep ontzag 
Toor hem op. Ik schaamde mij zoo om tegen een geleerd heer en een 
meester op Salem House van zoo iets alledaagsch als mijn koffer te spre- 
kea, dat wij ai een eind ver waren eer ik er van durfde reppen. 

Toen ik echter nederig in bedenking gaf, dat deze mij naderhand nog 
wel kon te pas komen, keerden wij terug en zeide hij den klerk, dat de 
Toerman last had om den koffer des middags te halen. 

t Als ik vragen mag mijnheer,'' zeide ik, toen wij weder omtrenteven 
f er ab te voren waren gekomen, > is het ver ?" — t Bij B 1 a c k h e a t h," 
antwoordde hij. — t Maar is dat ver?" vroe^ ik schroomvalli^. — lEen 
goed eind," zeide hij. »Wij zullen met de diligence gaan. Het is omtrent 
zes mijlen." 

Ik was zoo moede en flauw, d^t de gedachte om het nog zes mijlen 
fer te moeten uithouden, a) te erg voor mij was. Ik vatte moed genoeg 
om hem te zeggen<i dat ik sedert den vorigen middag niets had gegeten, 
en dat ik hem zeer dankbaar zou zijn, als hij mij verlof wilde geven om 
ctcn te koopen. Hij scheen hierover verwonderd te zijn — ik zie hem 
nog stilstaan en mij aankijken — en na zich eene korte poos bedacht te 
hebben, zeide hij, dat hij nog eene oude juffrouw wilde bezoeken, die 
niet ver woonde^ en dat het best zou zijn dat ik wat brood kocht, of iets 
anders, waarvan ik het meeste hield en dat niet ongezond was, en bij haar 
aan huis ontbeet, waar wij dan wel wat melk konden krijgen. 

Wij bleven dus voor het venster van een bakkerswinkel staan kijken, 
en nadat ik eene reeks van voorstellen had gedaan om het vetste en on- 
ferteerbaarste, dat er maar in den winkel was, te koopen, en hij die een 
foor een had verworpen, besliste hij ter gunste van een lekker bruin 
broodje, dat mij drie stuivers kostte. Daama kochten wij in een kom-en- 
ijsirinkel een ei en een sneedje doorloopen spek, waardoor ik van mijn 
tweeden biinkenden schelling nog zooveel overhield, datik Londen 
TOOT eene zeer goedkoope stad begon te houden. 

Na het opdoen van dezen voorraad gingen wij verder, door een gewoel 
en gerucht, dat mijn vermoeid hoofd boven alle beschrijving verwarde, 
en over eene brug, die zonder twijfel de Londensche brug moet zijn ge- 
weest, (ik geloof zelfs, dat hij mij dit zeide, maar ik was half in slaap) tot 
wq aan de woning der oude juffrouw kwamen, die in een hofje van arm- 
hoisjes stond, gelijk ik uit het voorkomen daarvan opmaakte, en ook 
vemam uit een opschrift op een steen boven de poort, hetwelk zeide, dat 
rij voor vijf en twintig arme vrouwen waren gesticht. 

De meester van Salem House lichtte de klink van een der zwarte 
denrtjes op, die alle aan elkander gelijk waren, en elk een venstertje met 
Ueine schuine ruiten er naast, en nog een venstertje met kleine schuine 



'6t DAVID COPPERFIBLD. 

ruiten er boven hadden ; en wij stapten bet huisje van eene dier arme 
vrouwen binnen, die juist bezig was met haar vuur aan te blazen om een 
sauspannetje aan de kook te brengen. Toen zij den meester lag binnen- 
komen, hield de oude vrouw op, met den blaasbalg op hareknie, en 
zeide lets, dat als imijn Kareltje I" klonk, maar toen zij mij zag binnen- 
komen, stond zij op, wreef in hare handen en maakte bedremmeld eene 
beweging om te nijgen. 

)Kunt ge voor dezen jongen heer zijn ontbiji klaarmaken, als het u 
belieft ?" zeide denjeester van Salem House, — »0f ik kan ?" antwoordde 
de oude vrouw. >Ja, wel zeker kan ik dat." — >Hoe maaktjufTrouw 
Fibbitson het vandaag?"zeide de meester, naar eene andere oude vrouw 
ziende, die in een wijden leuningstoel bij het vuur zaL, en zoo naar een 
hoopje kleeren geleek, dat ik tot heden toe er blij om ben dat ik niet bij 
vergissing op haar ben gaan zitten. — »Och, slapjes!"zeidedeeerste 
ou<fe vrouw. »Het is een van hare kwade dagen. Als het vuur bij ongeluk 
uitging, geloofik waarlijk, dat sij ook zou uitgaan en nooit weder levend 
worden." 

Daar zij naar haar keken, deed ik dit insgelijks. Hoewelhet een warmc 
dag was, scheen zij om niets anders dnn het vuur te denken. Ik ver- 
beelddc mij, dat zij zelfs jaloersch was op het sauspannetje, dat er op 
stond ; en ik heb reden om te denken, dat zij het zeer kwalijk nam, dat 
het gebruikt werd om mijn ei te koken en mijn spek te bakken ; want ik 
zag haar, met mijne eigene ontstelde oogen, eens hare vuist tegen mij 
scnudden, terwijl die toebereidselen plaats hadden en niemand anders 
naar haar keek. De zonneschijn kwam door het venster binnen, maar zij 
zat met haar eigen rug en den rug van haar stoel daamaar toe, alsof zij 
een scherm voor het vuur wilde maken, en dit zorgvuldig warm houden, 
in plaats dat het haar warm hield. Zij scheen het met angstig wantrouwen 
tebewaken. De vollooiing der toebereidselen voor mijn onlbijt,waardoor 
het vuur weder vrijgelaten werd, verheugde haar zoodanig, dat zij hardop 
begon le lachen — en een zeer onaangenamen lach had zij, dit moet Ik 
leggen. 

Ik zette mij aan mijn bruin broodje, mijn ei en mijn snecdje spek, met 
eene kom melk daarbij, en deed een heerlijken maaltijd. Terwijl ik nog 
in het voile genot daarvan was, leide de oude vrouw des huizes tot den 
meester: 

»Hebt gij uwc fluit bij u?" — tja," antwoordde hij. — iKomblaas 
dan eens wat !" zeidc de oude vrouw op een vteienden toon. » Och toe !" 

Daarop stak de meester zijne hand onder de panden van zijn rok, en 
haalde zijne fluit voor den dag, die hij ineenzette ; waarop hij terstond 
begon te spelen. Mijne vaste overtniging, navelejaren van overwegin^, 
is, dat er nooit icmand in de wereld kan zijn, die slechter speelde. Hij 
maakte de droevigste geluiden, die ik ooit door eeni| middel, natuurlijk 
of kunstmatig, heb hooren voortbren^en. Ik weetmet welke wijzen het 
waren — als het spelen iets van eene wijs had, waaraan ik zeer twijfel — 
maar de invloed dezer muziek op mij was, dat zij mij eerst aan al mijn 
leed deed denken, toldat ik mijne tranen bijna niet meer kon bedwingen, 



AANKOMST OP > SALEM HOUSE." 63 

daama mijn eetlust wegnam, en mij eindelijk zoo slaperig maakte, dat 

ik mijne oogen niet kon openhouden. Zij beginnen weder dicht te vallen 

en ik begin weder te knikken, terwijl de herinnering opnieuw bij mij 

opkomt. Het kamertje met de opene hoekkast, en de stoelen met vier- 

kante leuningen, en het hoekige trapje, dat naar de bovenkamer voert^ 

en de drie pauweveeren boven den schoorsteenmantel — het heugt mij 

Dog^ dat ik mij verwonderde, toen ik pas binnenkwam^ wat die pauw wel 

zou gedacht hebben als hij geweten had tot welk een lot zijn opschik 

eens gedoemd zou zijn — verdwijnt weder voor zijn gezicht en ik zak 

voorover in slaap. De fluit wordt onhoorbaar, daarentegen, boor ik de 

wielen der diligence, en ik ben weder op reis. De diligence hotst, ik word 

met een schrik wakker, de mcester van Salem House zit met de beenen 

kruiselings over elkander alleijammerlijkst te spelen terwijl deoude vrouw 

opgetogen toekijkt en luisterL Zij verdwijnt weder op hare beurt, en hij 

verdwijnt, en alles verdwijnt, en er is geene fluit, geen meester, geen 

Salem House, geen David Copperfield meer, niets anders meer dan een 

dofie slaap. 

Ik droomde, naar mij dacht, dat eens, terwijl hij op die akelige fiuit 
blies, de oude vrouw des huizes, die in opgetogene verwondering al 
nader en nader bij hem was gekomen, zich over de leuning van zijn stoel 
boog en hem hartelijk om den hals pakte, hetgeen hem voor een oogen- 
blik in zijn spelen stuitte. Ik was toen of terstond daarop in een tusschen- 
staat tusschen slapen en waken : want toen hij weder begon te spelen — 
dat hij ophield was eene werkelijke waarheid — zagen hoordeik de oude 
TTOuw aan juflfrouw Fibbitson vragen, of het niet verrukkelijk was (waar- 
mede zij het spelen bedoelde), waarop juffrouw Fibbitson antwoordde : 
>Ja, zeker," en tegen het vuur knikte, hetwelk zij, daarvan houd ik mij 
overtuigd, al de eer van die muziek gaf. 

Toen ik een langen tijd scheen gesluimerd te hebben, nam de meester 
van Salem House zijne fluit weder in drie stukken uit elkander, stak haar 
weg, en ging met mij been. Wij vonden de diligence zeer dichtbij gereed 
staan, en klommen bovenop ; maar ik was zoo slaperig, dat men mij, toen 
wij onderweg stilhielden om nog iemand op te nemen, binnenin zette, 
waar niemand zat en waar ik gerust doorsliep, tot ik bevond, dat de dili- 
gence, tusschen ^oen gebladerte, stapvoets te^en een steilen beuvel 
opreed. Weldra hield zij op en had hare bestemmmg bereikt. 

Elene korte wandeling bracht ons — ik meen den meester en mij — 
aaar Salem House, dat met een hoogen rooden muur was omringd en 
er zeer somber uitzag. Boven eene deur in dezen mour was een bord, 
waarop men de woorden >salem house" las; en door een tralievenstertje 
m deze deur werden wij, nadat wij gescheld badden, door een zeer 
knorrig gezicht bekeken, hetwelk ik, toen de deur geopend werd, bevond 
dat aan een zwaarlijvig man toebehoorde, met een nek als een stier, een 
houten been, een dreigend overhangend voorhoofd en dicht langs het 
hoofd afgeknipte haren. 

» De nieuwe jongen," zeide de meester. 

De man met het houten been bekeek mij van het hoofd tot de voeten 



64 DAVID COPPERPtKLD. 

— dit duurde niet lang, want ik was Diet groot — sloot de deur achter 
ODs en nam den sleutel er uit. Wij gingen reeds tusschen eenige donkcre 
Eware boomen oaai het huis, toen hij mijn geleider nariep : * Heidaar !" 

Wij kekcQ am, en hij stood voor de deur van cen huisje, waarin tuj 
wooode, met een paar laarzen in de hand. 

■ Hier! Deschoenlapperisergeweest,"zeklehij, iterwijlgij uit waait, 
mijnheer Uell, en hij zegL, dat hij ze niet meer lappen kan. Hij zegt, daC 
er geen brokje van de oude laarien meer over is en hij lich verwondert 
hoe ge u zoo iets kunt verbeelden." 

Mel deie woordcn gooide hij mijnheer Mcll de laarzen toe. Mijo ge- 
leider ging ccnige schrcden terug cm ze op te rapen en bekeek ze (zeer 
droevig, vrees ik) terwijl wij metelkander voortgingen. Ik letteer toen voor 
de eerste maal op, dat de laarzen, die hij aanhad, al erg waren afgedra- 
gen, en dat zijne kous er op eene plaats even doorheen kwam, gelijk een 
uitbottend knopjc. 

Salem House was een vierkant blok van baksteenen, met uitgebouwde 
vleugels, en zag er zeer kaal en onbewoond uit. Alles in den omtrek was 
zoo stil, dat ik tot mijnheer Mell zeide, dat hetmij voorkwamalsofde 
jODgens uit waren; maar hij scheen lich te verwonderen dat ik niet wist, 
dat het in de vacantie was; data! dejongens naar huis waren; dat mijn- 
heer Crcakle, de eigenaar, met mevrouw Creakteen de jongejuf&ouw 
Creakle, naar den zeekant was, en dat ik tot strafvan mijn misdrijf in 
de vacantie naar school was gezonden, hetwelk hij mij alles onder het 
voortgaan uiteenzette. 

Ik het mijne btikken in de schoolzaal, waarin hij mij bracht, rondgaan, 
en vond dit het akeligste vertrek, dat ik nog ooit gezien had. Ik zie haar 
nu nog. Eeoe lange kamer, met drie lange schrijftarels en zes banken, en 
in het rond stekelig van de pennen om hoeden en leien op te hangen. 
Brokken van oude schriflen Uggen over den morsigen vloer verstrooid. 
Eenige huisjes voor zijwormen, van dezelfde stof vervaardigd, zijn over 
de tafels verspreid. Twee ellendige witte muisjes, door hun eigenaar 
achtergelaten, loopen been nu weder in eeo stofiig, van bordpapier en 
ijzcrdraad gemaakt kastceltje, en zoeken met bunne roode oogjes in alle 
hoeken naar iets te eten. Een vogeltje, in een kooitje zeer weinig grooter 
dan het zelf is, maaktnu en dan een droevig geratelals het op zijn stokje 
van twee duim hoog spring!, of zich daarvan af laaC vallen, maar het 
zicgt of tjilpt niet. Er heerscht een vreemde, benauwe reuk in het vcr- 
trek, als van beschimmeld leer, rotte zoete appelen en muffe boeken. Er 
had niet vecl meer inkt gespat kunnen zijn, al was de zaal van haar eer- 
sten bouw af zonder dak geweest, en al had het door al de afwisselende 
seizoenen van het jaar been, aanhoudend inkt geregend, gesneeuwd ea 
gehageld. 

Toen mijnheer Mell mij eenigen tijd alleen het, om zijne onherstelbare 
laarzen naar boven te brengen, ging ik zachtjes naar het andere eind der 
zaaL, en merkCe onder het voortsluipen dit alles op. Eensklaps kwam ik 
aan een op bordpapier geplakt biljet, zeer fraai geschreven, dat op de 
tafel lag en deze woorden te lezen gaf: * Neem u in acht voor hem. Hij bijt." 



IK WORD VAN EEN KENMERK VOORZIEN. 65 



Ik klom dadelijk op de tafel, bevreesd, dat er ten rainste een groote 
bond onder lag. Maar hoewel ik met angstige oogen naar alle kanten 
rondkeek) kon ik niets van hem zien. Ik was nog aan het rondgluren, 
toen mijnheer Mell terugkwam en mij vroeg, wat ik daar deed. 

> Neem mij dat niet kwalijk, mijnheer, als het u belieft/' zeide ik. 9 Ik kijk 
naar den bond." — t Den hond ! " zeide hij. t Welken hond r " — t Is het dan 
gccn bond) mijnheer ?" — 9 Welke hond zou er zijn f " — 9 Waarvoor men 
zich meet in acht nemen, mijnheer ; — die bijt.'* — 9 Neen, Copperfield," 
zeide hij emstig, 9 dat is geen hond. Dat is een jongen. Ik heb last gekre- 
gen, Copperfield, om u dit papier op den rug te hangen. Het spijt mij, 
dat ik zidk een begin met u moet maken, maar ik moet het do en." 

Daarmede tilde hij mij van de tafel af, en hing mij het papier, dat daar- 
toe was ingericht, als een ransel op den rug ; overal waar ik vervolgens 
ging^had ik het genoegen van het mede te dragen. 

Wat dat papier mij deed lijden, kan niemand zich voorstellen. Of het 
mogelijk was, dat iemand mij zag of niet, altijd verbeeldde ik mij, dat 
iemand het las. Het baatte mij niet, dat ik mij omkeerde en niemand 
vond; want waarheen ik mijn rug 00k keerde, verbeeldde ik mij altijd 
dat iemand was. Die onbarmhartige man met het houten been ver- 
zwaarde nog mijn leed. Hij voerde gezag ; en als hij mij tegen een boom 
of een muur zag leunen, bulkte hij aan de deur van zijn huisje : t Hei- 
daar ! Gij Copperfield ! Laat dat teeken duidelijk zien, of ik zal rapport 
van u maken." De speelplaats was eene kale; met kiezelgruis bestrooide 
plek, waarop de achtervensters van het huis en de keuken uitzagen ; en 
ik wist, dat de dienstboden het geschrift lazen, en dat de slachter het las, 
en de bakker het las, kortom, dat iedereen, die des morgens, als ik daar 
op hoog bevel moest wandelen, van of naar het huis kwam, op mijn rug 
las, dat men zich voor mij moest in acht nemen, omdat ik beet. Ik her- 
inner mij nog, dat ik werkelijk voor mij zelvcn bang begon te worden, 
als een soort van wilde, bijterige jongen. 

Er was op deze speelplaats eene oude deur, waarin de jongensgewoon 
waren hunne namen te snijden. Zij was geheel met zulke opschriften be- 
dekt. In mijn angst voor het eind der vacantie en hunne terugkomst, kon 
ik den naam van geen jongen lezen, zonder bij mij zelven te vragen op 
welken toon h ij wel zou lezen : t Neem u in acht voor hem. Hij bijt.*' Er 
was 6€n jongen — zekere J. Steerforth — die zijn naam zeer diep en zeer 
dikwijis had gesneden, en die het, dacht ik, met eene forsche stem zou 
lezen en mij naderhand bij het haar trekken. Er was een andere jongen, 
Tommy Traddles, dien ik vreesde, dat er een spelletje van zou raaken, 
en zich houden alsof hij schrikkelijk bang voor mij was. Er was een 
derde, George Demple, dien ik mij verbeeldde dat het zou zingen. Ik 
heb, ineenkrimpende van benauwdheid, die deur staan aankijken, totdat 
de eigenaren van al die namen — er waren er toen vijf en veertig op 
school, zeide mij mijnheer Mell — mij met algemeene stemmen in den 
ban schenen te doen, en ieder op zijne eigene manier te roepen : » Neem 
u in acht voor hem. Hij bijt !" 

Het was eveneens met de plaatsen aan de tafels en op de banken. Het 

DAVID COPPERFIELD. — I. 5 



66 DAVID COPPCRPIELD. 

was eveneena met de rijen ledige tedikanten, waamaar ik keek als ik oaar 
mijn eigen bed ging, of er in lag. Ik heriDner mij nog, dat ik nacht op 
nacht droomde, dat ik bij mijne moeder was, gelijk ik vroeger placht, of 
dat ik bij mijnheer Peggotty op visile ging, of dat ik op de diligence 
reed, of dat ik met mijn ongelukkigen vriend den logementsknecht zat 
te Men, en in al die omstandigheden de menschen deed gillen en mij 
nakijken door ongelukkig te verraden, dat ik niets anders aaithad dan 
mijn nach^aponne^e en dat biljet. 

Bij de eentonigheid van mijn leven en mijne gedurige vrees, dat de 
school weder eou beginnen, was dit o zulk ecne onuitsUanbare kwelling I 
Ik had elken dag lange taken bij mijnheer Mel! af te doen, maar dewijl 
hicr geen mijnheer Murdstone en zijne zuster waren, kwam ik er zonder 
schande doorheen. Voor en na die lessen wandclde ik onder toezicht, 
gelijk ik gezegd heb, van den man met het houten been. Hoe levcndig 
hermner ik mij de vochtigheid van het huis, de groene, gebarsten tegels 
op de plaats, eene oude, lekkendc waterton, en de wankleurige stammen 
van eenigen dier sombere boomen, die in den regen erger schenen te 
dniipen en in den zonnescbijn minder op te drogen dan andere boo- 
men ! Ten een ure aten wij, mijnheer Mell en ik, aan het oppereinde eener 
groote, kale eetzaal, vol viirenhoiiten tafels en waar een reuk van vet 
hcerschte, Dan hadden wij wederom lessen tot het tijd werd voor de 
thee, die mijnheer Mell uit een blauw kopje en ik uit een tinnen kroesje 
dronk. Den geheelen dag lang tot des avonds zeven of acht ure, zat 
mijnheer Mell aan zijn eigen alleen staanden lessenaar in de schoolzaal, 
ijverig met pen, inkt, liniaal, boeken en papier Ic werken, om (gelijk ik 
bevond) de rekeningen van het vorige halQaar op te maken. Als hij zijn 
werk voor dien avond had weggeborgen, nam hij zijne fluit en blies 
daarop, tot ik bijna begon te denken, dat hij langeamerhand geheel zijn 
aanzijn door het groote gat bovenaan zou wegblazen endoor dckleppen 
laten vervloeien. 

I jlk zie mijn eigen persoontje nog, in de flauw verlichte zaal met het 
hoofd in de hand zittende, onder het luisteren nav de jammerlijke 
muziek van mijnheer Mell en het overleeren der lessen van den volgen- 
den ochtend. Ik zie mij zelven nog, nadat ik mijne boeken heb wegge- 
legd, naar die jammerlijke muziek luistcrenj en daar doorheen hooren 
wat ik thuis placht te hooren en hoe de wmd over het strand te Yar- 
mouth loeide, en daarbij recht gevoelende hoe treurig en eenzaam ik 
ben. Ik zie mij zelven nog door de onbewoonde kamers naar bed gaan 
en op den rand van mijn bed zitten schreien, uit verlangen naar een 
troostend woord van Peggotty. Ik zie mij zelven nog des morgcns naar 
beneden komen, en door het venster op de trap eene tange streep, die 
op zich zelf reeds iets akeligs voor mij had, naar de schoolklok kijken, 
die in een toren^e boven een der b'jgebouwen hangt, met een wind- 
vaan^e er bovenop, en mij angstig maken voor den rijd wanneer ri] 
J.Steerforth en de anderen naar het werk zal luiden; en voor dien nog 
meer gcdnchten tijd, wanneer de man met het houten been het roestige 
hek zatopensluiten om den ontzaglijken mijnheer Crcaklebinnentc laten. 



MIJNHBER CRBAKLE KOIO" THUIS. 67 



Ik kan niet denken, dat ik in een van die toestanden juist gevaarlijk was, 
maar altijd droeg ik toch dezelfde waarschuwing op mijn rug. 

Mijnheer Mell sprak nooit veel met mij, maar gaf mij nooit een hard 
woord. Ik geloof dat wij, zonder te praten, elkander toch gezelschap 
hielden. Ik vergat nog te vermelden, dat hij somtijds bij zich zelven sprak, 
grijnsde, zijne vuist balde, op zijne tanden knarste en aan zijne haren 
trok, zonder dat er eenige reden voor was te vinden. Hij had evenwel 
^eze zonderlin^e gewoonten ; en in het eerst maakten zij mij bang, hoe- 
wel ik er spoedig aan gewoon werd. 



VI. 

IK VKRGROOT MUN KRING VAN BEKENDEN. 

Ik had omtrent eene maand lang dit leven geleid, toen de man met 
het houten been met een luiwagen en een emmer water begon rond te 
stampen, waaniit ik begreep. dat er toebereidselen werden gemaakt om 
mijnheer Creakle en de jongens daar af te wachten. Ik vergiste mij daarin 
Diet; want weldra kwam de luiwagen in de schoolzaal en joeg mijnheer 
Mell en mij daaruit, die daarop eenige dagen lang maar moesten zien 
waar wij bleven en hoe wij het maakten, en al dien tijd gedurig twee of 
drie jonge meiden in den weg liepen, die zich te voren maar zeer zelden 
hadden vertoond. Wij leefden zoodanig in het stof, dat ik bijna zooveel 
niesde alsof Salem House eene groote snuifdoos ware geweest. 

Eindelijk werd ik eens door mijnheer Mell onderricht, dat mijnheer 
Creakle dien avond thuis zou komen. Des avonds, na het theedrinken, 
hoorde ik, dat hij gekomen was. Eer ik naar bed ging werd ik door den 
man met het houten been gehaald om voor hem te verschijnen. 

Het gedeelte van het huis, dat mijnheer Creakle bewoonde, was veel 
beter ingericht dan het onze, en hij had een aardig lapje tuin, dat ik zeer 
mooi vond, bij die stoflferige speelplaats vergeleken, die zulk eene woes- 
tijn in miniatuur was, dat ik dacht, dat alleen een kameel of dromedaris 
er zich thuis kon gevoelen. Ik durfde zelfs bijna niet opmerkenhoe mooi 
de gang was, terwijl ik bevende naar mijnheer Creakle werd gebracht, 
wiens gezicht, toen ik voor hem werd gelaten^ mij zoo bedeesd deed 
worden, dat ik mevrouw Creakle en de jonge juffrouw Creakle (die beide 
daar in de zijkamer waren) bijna niet zag — eigenlijk niets anders kon 
zien dan mijnheer Creakle, een zwaarlijvig heer met een bos cachetten 
aan zijn horlogeketting, in een leuningstoel gezeten, met eene flesch en 
^een bierglas naast hem. 

»Zoo!" zeide mijnheer Creakle. »Dat is dan de jonge heer, wien de 
tanden moeten afgevijld worden. Draai hem eens om !" 

De man met het houten been draaide mij rond, om het papier op mijn 
rug te laten zien, en nadat hij tijd gelaten had om dit goed te bekijken, 
draaide hij mij wederom rond met mijn gezicht naar mijnheer Creakle, 
en plaatste zich toen naast dezen heer. Het gezicht van mijnheer Creakle 



68 DAVID COPPERFIELD. 



was vuurrood ; zijne oogen waren klein en lagen diep in zijn hoofd ; hi^ 
had dikke aderen op het voorhoofd^ een kleinen neus en eene groote 
kin. Hij was boven op het hoofd geheel kaal, en eenige dunne, juist in 
het grijze overgaande haren, die er nitzagenalsofzijnatwareo, waren. 
over zijne slapen naar voren gekamd, zoodat zij van de twee kanten 
boven zijn voorhoofd tot elkander kwamen. Doch wat onder zijne eigen- 
aardigheden den meesten indruk op mij maakte. was dat hij geene sten> 
had, maar altijd fluisterend sprak. De moeite, aie hem dit kostte, of de 
bewustheid dat hij zich zoo flauw liet hooren, wanneer hij sprak, deed 
zijn boos gezicht zooveel boozer en zijne dikke aderen zooveel dikker 
worden, dat het mij, als ik daaraan terugdenk, niet verwondert, dat ik 
deze bijzonderheid de voomaamste van zijne eigenschappen vond. 

»Wel," zeide mijnheer Creakle. »Wat hebt ge van dien jongen te rap- 
porteeren?" — tEr is nog niets tegen hem," antwoordde de man met 
hethouten been. tEr is nog geene gelegenheid geweest." 

Het kwam mij voor, dat dit mijnheer Creakle eenigszins speet ; en ook 
dat het mevrouw Creakle en jonge juffrouw Creakle (welke ik nu voor 
de eerste maal aanzag, en die beiden even mager waren en zich even stil 
hielden) niet speet. 

»Kom hier, jonge heer !" zeide mijnheer Creakle, mij wenkende. — 
>Kom hier!" zeide de man met het houten been, dit gebaar herha- 
lende. — ilk heb het genoegen van uw stiefvader te kennen," fluisterdc 
mijnheer Creakle, mij bij het oor pakkende; teneenbraafraan ishij, 
en een man van een krachtig karakter. Hij kent mij, en ik ken hem. Kent 
g ij mij al ? He ?" zeide mijnheer Creakle, met barbaarsche dartelheid 
mijn oor knijpende. — iNog niet, mijnheer," antwoordde ik, krimpende 
van pijn. — >Nog niet? He?" herhaalde mijnheer Creakle. > Maar gij 
zult toch wel gauw, He ?" — tOij zult toch wel gauw. He ?" herhaalde 
de man met het houten been. Ik be vond naderhand, dat hij met zijne 
forsche stem mijnheer Creakle doorgaans tot tolk bij de jongens diende. 

Ik werd geweldig bang, en zeide, dat ik zoo hoopte, als het hem be- 
liefde. Ondertusschen was het alsoi mijn oor eene kool vaur was, zoo 
hard kneep hij het. 

>Ik zal u eens zeggen wat ik ben," fluisterde mijnheer Creakle, mijn 
oor eindelijk loslatende, met eene kneep tot afscheid, die mij het water 
in de oogen bracht. tik ben een ongemakkelijk heerschap." — tEen 
ongemakkelijk heerschap," zeide de man met het houten been. — » Als 
ik zeg, dat ik iets doen zal, dan doe ik het," vervolgde mijnheer Creakle ; 
en als ik zeg, dat ik iets gedaan wil hebben, dan wil ik het gedaan heb- 
ben." — tlets gedaan wil hebben, dan wil ik het gedaan hebben." her- 
haalde de man met het houten been. — tlk ben iemand, die op zijnstuk 
staat," zeide mijnheer Creakle. >Dat ben ik. Ik doe mijn plicht. Dat doe 
ik. Mijn eigen vleesch en bloed," dit zeggende zag hij naar mevrouw 
Creakle, tals het tegen mij opstaat, is mijn vleesch en bloed niet meer. 
Ik verzaak het dan. Is die knsap," hier sprak hij tegen den man met het 
houten been, >weer hier geweest?" — >Necn," was hetantwoord. — 
*Neen," herhaalde mijnheer Creakle. >Hij is wel wijzer. Hij kent mij ► 



TOMMY TRADDLES EN J. STURFORTH. 69 

Laat hij raaar wegbUjven. Ik teg, laathij maarwogblijven,"hiersloeg 
hij met zijne hand op de tafel cd zag weder naar mevrouw Crcakle, » want 
hij kent mij. Nu hebt ge mij ook eenigszins lecren kennen, niiJD jonge 
Tiiend, en kunt gaan. Breng hem weg." 

Ik was zeerblijde,datik weggezondenwerd, want mevrouwende jonge 
jnffronw Creakle veegden beiden hare oogen af, en ik was even ongerust 
TOor haar als voot mij zelven. Maar ik had ecn venoek te docn, dat mij 
100 nauw ter harte ging, dat ik niet kon nalaten er mede voot den dag 
te komen, hoewel ik mij over mijo eigen moed verwonderde, 

■ Neem mij niet kwalijk, mijnheer." 

MijnbecT Creakle fluisterde; iHa! Watisdat?" en zag mij aan, alsof 
hij mij met zijne oogen wilde doorboren. 

>Neem mij niet kwalijk, mijnheer," stotterde ik, >als ik dit papier 
mocht afhemen eer de jongens terugkwamen. Ik heb waarlijk groot be- 
Toaw, mijnheer, van wat ik gedaan heb." 

Of mijnheer Creakle in emst was, dan of hij heC alleen deed om mi] 
bang te maken, weet ik niet, maar hij vloog van zijn stoel op en met zoo- 
veel woede op mij aan, dat ik haastig aftrok zonder naar het geleide van 
4en man met het houten been te wachten, en niet stilstond voordat ik 
mijne slaapkamer had bereikt, waar ik, toen ik bevond dat ik niet ver- 
TOlgd werd, terstond naar bed ging, waartoehetnutijdwas— -ennog 
-ecn paar uren lang lag te beven. 

Den volgenden morgen kwam mijnheer Sharp terug. Mijnheer Sharp 
was de eerste mecsCer en boven mijnheer Mell. Mijnheer Mell at met de 
jongens, maar mijnheer Sharp dineerde en soupeerde bij mijnheer Crea- 
kle aan tafel. Hij zag er, naar mij dacht, teer en zwakkelijk uit, had ecn 
taroelijk grooten neus, en eene manier om zijn hoofd op zijde te laten 
hangen, alsofheteen weinigje teiwaarvoorhemwas. Zijn golvendhaar 
was bijzonder glanzig ; maar ik werd door den allereersten jongen die 
tenigkwam onderricht, dat het eene pruik was (eene halfslcet gekochte 
pniik, zeide hij) en dat hij elken zaterdagavond uitging om ze te laten 
opkrullen. 

Het was niemand anders dan Tommy Traddles, die mij dit bericht 
gaf. Hij was de eerste jongen, die teru^kwam, Hij maakte zich aan mij 
bekend door mij te onderrichten, dat ik zijn naam zou vinden op den 
rechterhoek van de deur, boven den hoogsten grendel. Daarop zeide 
ik: iTraddles?" waarop hij antwoordde: tDeielfde," en vervolgens 
VToeg hij mij om votledige inlichting aangaande mij zelven en mijne 
lamilie. 

Het was eene gelukkige omstandigheid voor mij, dat Traddles het 
eerst tenigkwam. Hij had zooveel vermaak in mijn schandbordje, dat 
hij mij de verlegenheid bespaarde ora het 6f te laten zien 6f te veibergen, 
door mij aan elken terugkomenden jongen, groot of klein, terstond na 
zijne aankomst voor te stellen, met de woorden : » Kijk eens ! Hier is eene 
klucht !" Gelukkig, evenwel, kwamen de meeste jongens zeer neerslach- 
tig tenig, en maakten zich ten raijnen koste niet zoo luidruchtig vroolijk 
ab ik verwacht had. Sommige dansten wel als wilde Indianen om mij 



70 DAVID COPPBRFIKLD. 

rond, en de meesten konden de verzoeking niet wcderstaan om te doeo' 
alsof ik een hond was, en mij te streeten opdat ik hen niet zou bijteiL, en 
ikoest !" tegen mij te zeggen, en mij Caro te noemen. Dit moest mij na- 
tlturlijk onder zooveel vreemdelingen verlegen maken, en kostte mij ook 
eenige tranen, maar over het geheel liep het veel beter af dan ik gedacht 
had. 

Men hield mij echer niet voor geheel op de school aangenomen, voor- 
dat }. Steerforth gekomen was. Voor dezen jongen, die voor zeer knap 
gehouden werd, en er zecr goed uitzag en ten niinste zes jaren ouder waS' 
dan ik, werd ik door de anderen, als voor een rechter, in het verhoor 
gebracht. Hi] deed, onder een afdakje op de speelplaats, onderzoek naar 
mijne straf en de redenen daarvan, en daarop behaagde het hem zijn 
gevoelen te kennen te geven, dat het >eene comische soort van schande" 
was, waardoor ik voor altijd aan hem gehecht werd. 

• Hoeveelgeldhebtgemeegebracht, Copperfieldf" zeide hij, met mij 
ter zijde gaande, toen hij zijne zaak aldus had afgedaan. 

Ik zeide hem, dat het zeven schellingen was. 

iGijzoudt best doen met le mij te bewarentc geven," zeide hij. »Tei> 
minste, dat kunt gij als ge verkiest Gij behoeft het niet te doen als ge 
licver niet wilt." 

Ik haastte mij aan zijn vriendelijkcn raad gehoor te geven, en Peg- 
gotty's beursje opende, schudde ik het in zijne hand ledig. 

iZoudt gij er nu iets van willen verteren ?" vroeg hij mij. — iNeeD^ 
wet bedankt," antwoordde ik. — > Gij kunt als ge maar wilt, dat weet ge 
wel," zeide Steerforth. > Zeg het maar." — » Neen, wel bedankt," zeide ik 
nog eens. — »Misschien zoudt ge wel een paar schellingen of zoo willen 
uitgeven, voor eene fiesch besscnwijn, straks boven in de slaapzaalf'^ 
zeide Steerforth. » Gij behoort in mijne slaapzaal, heb ik gezien." 

Dit was mij zeker nog niet ingevallen;maarik zeide: >Ja,datiouik 
wel willen." 

iHeel goed," zeide Steerforth. lEndanzutt^enogweleenschelling 
of zoo aan amandeltaartjes willen besteden, zou ik denken ?" — >Ja, dat 
zou ik ook wel willen," zeide ik. — »En nog een schelling of zoo aoo 
beschuitjes,ennoKeenaanwat&uit,he?" zeide Steerforth. >Nietwaar, 
kleine &>pperfield, het moet maar op I" 

Ik lachte omdat hij tachte, maar ik was toch bij mij zelven niet zeer 
_ m mijn schik. 

>Wel," zeide Steerforth. >Wij moelen het zoo ver laten strekken als 
wij kiinnen, dat is alles. Ik zal mijn best voor u doen. Ik kan uitgaan als 
ik wil en de traktatie binnensmokkelen." 

Met deze woorden stak hij het geld in zijn zak, en zeide mij vrieodelijk, 
dat ik mij maar niet ongerust moest maken ; hij zou wel zorgen, dat alles 
naar behooren was. 

Hij hield zijn woord, indien, nameUjk, datgene naar behooren was, 
wat ik heimelijk vreesde, dat lang niet naar behooren was, Ik kon niet 
anders denken of ik had de twee halve kronen mijner moeder niet zoo 
moeten verkwisten^ hoewel ik het stukje papier, waarin zij geweest 



EEN ONTHAAL OP DE SLAAPZAAL. 7 1 

wareD, toch bewaard had ; en dit was lets kostbaars gered. Toen wij naar 
boven en naar bed gingea, haalde hij de waardij van mijne zeven schel- 
lingen te voorschijn, stalde alles op mijn bed uit, en zeide : 
»Daar is het, kleine Copperfield; en een koninklijk onthaal hebt gij er 

VOOT." 

Ik kon er op mijne jaren niet aan denken om zelf de honneurs der 
tafel waar te nemen^ terwijl hij er bij was ; mijne hand beefde reeds als ik 
er maar aan dacht. Ik verzocht hem mij de eer te bewijzen om president 
te zijn; en daar mijn verzoek door de andere jongens in de kamer werd 
aangedrongen, gaf hij er gehoor aan,zette zich op mijne peluw, deelde 
— met de grootste onpartijdigheid en billijkheid, moet ik zeggen — de 
eetwaren rond, en schonk den bessenwijn in een glaasje zonder voet, dat 
zijn eigendom was. Wat mij betreft, ik zat aan zijne linkerhand, en de 
anderen zaten om ons been op de naaste ledikanten en op den grond. 

Hoe duidelijk herinner ik mij nog hoe wij daar zaten en fiuisterend 
met elkander praatten ; of hoe zij praatten en ik eerbiedig luisterde, 
moest ik liever zeggen ; hoe de maan, die door het venster een eind ver 
in de kamer scheen, een bleek venster op den grond schilderde, en de 
meesten van ons in het donker bleven, behalve wanneer Steerforth, als 
hij naar iets op onze tafel wilde zoeken, een zwavelstokje in een phos- 
phorus-doosje stak, en een blauwachtig schijnsel over ons verspreidde, 
dat terstond weder verdween. Een zonderling benauwend gevoel, een 
gevolg van de duisternis, het heimelijke van het gastmaal en den fluiste- 
renden toon, waarmede alles gezegd werd, bekruipt mij weder, en ik 
luister naar al wat zij mij zeggen met eene onbestemde gewaarwording 
van plechtig ontzag en angst, die mij blijde doet zijn, dat zij alien zoo 
dicht bij mij zijn, en mij bang doet worden (hoewel ik veins te lachen) 
als Traddles beweert, dat hij in den hoek een spook ziet. 

Ik hoorde allerlei dingen van de school en van alles wat daaraan vast 
was. Ik hoorde, dat mijnheer Creakle niet zonder reden had gezegd, dat 
hij »een ongemakkelijk heerschap" was; dat hij de onvriendelijkste en 
strengste van alle meesters was ; dat hij alle dagen van zijn leven rechts 
en links om zich been sloeg, als een ruiter op de jongens inrende en on- 
genadig onder hen ranselde. Dat hij zelfs niets verstond dan de kimst 
van ranselen, en gelijk J. Steerforth zeide, dommer was dan de laagste 
jongen van de school; dat hij vele jaren geleden een klein koopman in 
hop was geweest, en eene school had opgezet nadat hij in de hopnegotie 
bankroet had gemaakt en het geld van zijne vrouw had doorgebracht; 
met nog veel meer van dien aard, waarover ik mij verwonderde hoe zij 
het te weten waren gekomen. 

Ik hoorde, dat de man met het houten been, die Tungay heette, een 
gruwelijk barbaar was, die voorheen in de hop-negotie had medegehol- 
pen, maar met mijnheer Creakle naar de kostschool was verhuisd, om 
reden, gelijk onder de jongens geloofd werd, dat hij in mijnheer Creakle's 
dienst een been had gebroken, en vele smerige karreweitjes voor hem 
had gedaan en al zijne geheimen wist. Ik hoorde, dat Tungay, met de 
enkele ultzondering van mijnheer Creakle, het geheeleinstituut, meesters 



7 J DAVID COPPERnKLD, 

en jongens, als ztjne natuurlijke vijanden beschouwde, en dat brommig 
en kwaadaardig te zijn de eeniee lust van zijn levcn was. Ik hoorde, dat 
mijnheer Creakle een zoon had, die gcen vricnd van mijnheer Tungay 
was geweest, en daar hij in de school medehie]p, eens zijn vader, toen 
deze eene bijzonder wreede tuchtiging had gehouden, had willen tegen- 
gaan, terwijl men tevens meende, dat hij zijne afkeuring had te kennen 
gegeven van de manier, waarop zijn vader zijne moeder behandelde. 
Ik hoorde, dal mijheer Creakle hem uit dien hoofde de deur had uitge- 
zet, en dat mevrouw en juffrouw Creakle sedert altijd zeer droefgeestig 
waren. 

Doch het grootste wonder, dat ik van mijnheer Creakle hoorde, was 
dat er een jongcn op school was aan wien hij nooit de hand duride le^- 
gen, en dat die jongen J, Seerforth was, Steerforth zelfbevestigde dit, 
toen mij dit bericht werd, en leide, dat hij hem wel eens wilde zien be- 
ginnen. Toen een zachtzinnige joogen (ik niet) hem vroeg, wal hij wel 
doen zou als hij hem eens zag beginnen, stak hij opzettelijk een zwavel- 
stokje aan om zijn antwoord met dat akelige schijnsel toe te Hchten -, en 
zeide, dat hij zou begianen met hem een slag tegen zijn voorhoofd te 
geven mpt de inklflesch, die altijd op den schoorste en mantel stond. 
Daama zaten wij eene poos in het donker, zonder bijna adem te halen. 

Ik hoorde hoe men vermoedde, dat mijnheer Sharp en mijnheer Mell 
beiden ellendig slecht betaald werden ; en dat men, als er bij mijnheer 
Creakle warm en koud vleesch op tafel kwam, altijd van mijnheer Sharp 
vcrwachtte, dat hij zeggen sou meer van koud tehouden;hetgeen we- 
derom door J. Steerforth, de eenige jongcn, die aan mijnheer Creakle's 
tafe! at, werd bevestigd. Ik hoorde, dat mijnheer Sharp's pruik hem niet 
paste; en dat hij er niet zoo mal mee behocfde te zijn, omdat men toch 
van achteren duidelijk zijn eigen rood haar kon zien, 

DC hoorde, dat een jongen, die een kolenkoopers zoon was, voor de 
kolenrekening school lag en om die reden Ruilhandel werd genoemd. Ik 
hoorde, dat het bier over tafel niets anders was dan een middeltje om de 
ouders nog meer te bestelen, en de podding eene afzetterij. Ik hoorde, 
hoc men net er op school algemeen voor hield, dat juffrouw Creakle op 
Steerforth verliefd was ; en ik moet zeggen, terwijl ik daar in het donker 
zat en aan zijne ftaaie stem, zijn knap gezicht, zijne ongedwon^ene ma- 
nieren en zijn kniltend haar dacht, achtte ik dit zeer waarschijnlijk. Ik 
boorde, dat mijnheer Mell geen kwade vent was, maar nooit een halven 
schelling op zak had ; en dat er geen twijfel aan was of oude juffrouw 
Mell, zijne moeder, was zoo arm als Job. Ik dacht toen aan mijn ontbijt 
en den uitroep, die mij als iMijn Kareltje I" in de ooren had geklonkeo; 
maar — ik ben nog blijdc als ik mij dit herinner — ik zweeg daarvan 
doodstil, 

Het vertellen en aanhooren van dit alles, en nog veel meer, duiirde 
eenigen tijd langer dan het feestmaal. De mecste gasten waren naar bad 
gegaan zoodra het eten en drinken over was^ en wij, die half uitgekleed 
waren blijven fluisteren, en luisteren, gingen emdelijk ook naar bed. 

iGoedennacht, klefaie Copperiid^" zeide Steerforth. >Ik zal wel op 



STEERFORTH WOBDT MIJN BESCHERMER. 73 



« passen." — Ge zijt wel vriendelijk," antwoordde ik met oprechte dank- 
baarheid. ilk ben u zeer verplicht." — tGij hebt geene zuster, hebt ge 
vel?" zeide Steerforth geeuwende. — tNeen,'* antwoorde ik. — tDat is 
jammer," zeide Steerforth. t Als gij er eene gehad hadt, denk ik, dat het 
een lief, aardig, bedeesd, klein meisje, met heldere oogjes had raoeten 
ajn. Ik had haar gaame willen kennen. Goedennacht, kleine Copper- 
field." — > Goedennacht, mijnheer," antwoordde ik. 

Toen ik in bed was, lag ik nog lang aan hem te denken, en ik herinner 
mij, dat ik overeind kwam om naar hem te kijken, gelijk hij daar in den 
maneschijn lag, met zijn fraai besneden gezicht naar mij toegekeerd en 
zijn hoofd ongedwongen op zijn arm rustende. Hij was in mijne oogen 
iemand van macht en aanzien ; dit was natuurlijk de reden, dat ik zoo 
lang aan hem lag te denken. Geene nog omsluierde toekomst wierp in 
den maneschijn een flauwen blik op hem. In den tuin, waar ik den ge- 
heelen nacht in mijn droom wandelde, zag ik geene schaduwachtige 
sporen zijner voetstappen. 



vn. 

MIJN EERSTE HALFJAAR OF DE KOSTSCHOOL. 

Des anderen daags begon de school in emst. Ik herinner mij nog, welk 
«en diepen indruk het op mij maakte, toen het daverend gemcht van 
stemmen in de schoolzaal eensklaps doodstil werd, toen mijnheer 
Creaklc na het ontbijt binnentrad en ons in de deur bleef staan aanzien, 
gcIijk een reus in een sprookje zijne gevangenen overziet. 

Tungay stond vlak naast mijnheer Creakle. Hij behoefde niet eens, 
dacht ik, zoo kwaadaardig dreigend »sti]te !" te roepen, want de jongens 
waren alien sprakeloos en roerloos van schrik. 

Men zag mijnheer Creakle spreken en hoorde Tungay het volgende 
overbrengen: 

»Nu, jongens, dit is het nieuwe halfjaar. Pas op hoe gij het nu in het 
nieuwe halijaar maakt Gaat frisch aan de lessen, raad ik u, want ik ga 
frisch aan de straf. Ik zal er niet bang voor zijn. Het zal niet baten of gij 
u al wrijft; gij zult de teekens, die ik u geven zal, niet uitwrijven. Nu 
iederc jongen aan zijn werk !" 

Toen deze schrik aanjagende redevoering ten einde was en Tungay 
stampend was heengegaan, kwam mijnheer Creakle naar de plaats waar 
ik zat, en zeide mij dat, als ik vermaard was voor mijn bijten, hij ook 
vermaard voor zijn bijten was. Toen hield hij mij den rotting voor en 
vroeg wat ik daarvan dacht voor een tand ? Was het een scherpe tand, 
he ? Was het een hoektand, he ? Had hij eene scherpe punt, he ? Beet hij 
goed, he? Beet hij goed?" Bij elke vraag gaf hij mij een veeger mede, 
die mij deed krimpen. Zoo was ik spoedig burger van Salem House ge- 
worden (gelijk Steerforth zeide) en ook spoedig aan het huilen. 

Niet dat ik zeggen wil, dat dit bijzondere teekenen van onderscheiding 



74 DAVm COPPERmLD. 

waren, die ik alleen ontvmg. iDtegendcel, de groote meerderheid der 
joncens (vooral van de klcinste) werd met dergclijke blijken van oplet- 
tendheid begunstigd, toen mijnheer Creakle in de schoolzaal de ronde 
deed. De helfl der aanwezigen zaten te krimpen en te huilen eer hetwcrk 
van den dag begon ; en hoevelen er gekrompen en gehuild hadden ecr 
het werk van den dag gedaan was, durfik mij waarlijk niet pogente 
herinneren, uit vrees, dat ik de zaak zou schijnen te overdrijven. 

Ik zou denken, dat er nooit iemand kan geweest zi;n, die meer ver- 
maak in zijn berocp had dun mijnheer Creakle. Hi; vond een geoot in 
bet slaan van jongens, dat naar het bevredigen van een knagenden hon- 
ger geleek. Ik boud mij overtuigd, dat hij dien lust vooral niet bij een 
welgevleeschten joogen kon wederstaan ; dat het gezicht van zulk een 
voorwerp eene toovermacht op hem uitoefende, die hem onrusdg maakte, 
totdat hij hem voor dien dag had geteekend. Ik zelf was goed in het 
vleesch, gelijk ik maar al te zeer ondervond. Ik kan verklaren, als ik nit 
aan dien kerel denk, begint mijnbloedtekoken vandiebelangelooie 
verontwaardiging, die ik gevoelen zou als ik alles van hem had kunnen 
weten, zonder ooit in zijne macht te zijn geweest; maar het begintvooia) 
zoo te koken, omdat ik weet, dat hij even dom en onwctend als bar- 
baarsch en wreedaardig was, en het in hem gestelde vertrouwen even 
weinig verdiende als hij waardig zou geweest zijn om lord opper-admi- 
raal of komramandant-en chef te worden; in beide welke betrekkingea 
het waarschijnlijk is, dat hij oneindig minder kwaad zou hebben gedaan. 

EUendige kleine aanbidders van een onbarmhartigen Afgod, hoe la^ 
kropen wij voor hem ! Welk een begin van het leven vind ik thans, nu ik 
tenigzie, zoo slaafsch onderdanig te lijn voor een man van zulke diepe 
onkunde en zooveel aanmatiging ! 

Hicr zit ik^weder aan de schrijflafel, op zijne blikken lettende — met 
nederigen ootmoed op zijne blikken lettende, terwijl hij een schrijfboek 
linieertvoor een ander slachtofier, wienshandenjuist metdezelfdelini- 
aal zijn plat geklopt, en die door wrijven met zijn zakdoek de pijn poogt 
te verdooven. Ik heb werk genoeg. Hetisniet uitledigheid, datflt zoo 
op hem let, maar omdat zijne oogen eene akelige aantrekkingskracbt op 
mij uiCoefenen, en eene angstige nieuwsgierigheid mij noopt om daarin 
te willen lezen wat hij nu vervolgens zal doen, en ofhet mijne beurt, of 
die van een ander zal worden, om te kniip>2n of te huilen. Eene dubbele 
rij kleine jongens, die op mij volgen, die denzelfden angst voor zijne 
blikken gevoelen, letten ings^elijks daarop. Ik denk dat hij dit wel weet, 
schoon hij zich houdcalsofhij het niet wist. Onder het linieerentrekt hij 
leeUjkegezichten; ennu werpt hij een blik terzijdelangsonzetweeiijen, 
en slaan wij alien de oogen neer, kijken in onze boeken en beven. 
Een oogenblik later turen wij weder naar hem. Een ongelukkige, schul- 
dig aan fouten in zijne thema, nadert op zijn bevel. De schuldige stottert 
eenige verschooningen uit en betuigt zijn voornemen om het morgen 
beter te maken. Mijnheer Creakle maakt eene grap eer hij slaat en wij 
lachen er om ^ — ellendige kleine slaven, wij lachen, met gezichten zoo 
wit als een dock, en terwijl het hart ons in de scboenen zinkt 



L 



TRADDLES HKEFT EBN FIJN EERGEVOEL. ^^ 



Hier zit ik weder voor de tafel, op een slaperigen zomerdag tegen dei^ 
avond. £r soist een gegons en gebrom om mij heen, alsof al de jongena. 
paardenvliegen waren. Ik heb een gevoel van walging en opgeblazen* 
hdd, een nasmaak van het lauw warme vet van het vleesch (wij hebbea 
een paar uren geleden gegeten) en mijn hoofd is zoo zwaar alsof er lood. 
in zat. Ik zou de heele wereld willen geven om te mogen slapen. Ik zit; 
naar mijnheer Creakle te ttiren, knipoogende als een jonge tiil. Wan^ 
neer de slaap mij voor een minaut overweldigt, zie ik hem toch nog ala 
door een nevel die schrijfboeken linieeren, totdat hij zachtjes achter mij 
komt en mij met eene roode striem over mijn rug tot een duidelijk besef 
Tin hem doet ontwaken. 

Hier ben ik op de speelplaats, en nog worden mijne oogen door henv 
betooverd, hoewel ik hem niet kan zien. Het venster op een geringen 
aistand) waarbij ik weet, dat hij zit te eten, bekleedt zijne plaats, en il^ 
bond dat venster in plaats van hem in het oog. Als hij er maar met zijn 
gezicht nabij komt, neemt het mijne eene smeekend onderdanige uit^r 
drtikking aan. Als hij door de ruiten uitkijkt, zwijgt de stoutste jongen 
(Steerforth uitgezonderd) in het midden van een vreugdekreet of gil, 
en blijft peinzend staan staren. Eens gooit Traddles (de ongelukkigste 
jongen van de wereld) bij ongeluk met een bal eene ruit van dat vem 
Her in. 

Nog op dit oogenblik deed het schrikkelijke geval mij huiveren, waar? 
mede ik dat zag, en begreep, dat de bal tegen mijnheer Creakle's ge? 
beiligd hoofd was gevlogen. 

Anne Traddles ! In een nauw spannend hemelsblauw pakje, waarin 

^e armen en beenen er als volgestopte worsten uitzagen, was hij de 

noolijkste en de ellendigste van al de jongens. Hij kreeg altijd met den 

nrtdng — ik geloof, dat hij er dat halfjaar alle dagen mee kreeg, behalve 

op zekeren feestmaandag, toen hij maar op beide handeif met de liniaal 

kreeg — en zou er altijd aan zijn oom over schrijven, en deed het toch 

oooiL Nadat hij een poosje met zijn hoofd op de tafel had gelegen, beurde 

laj zich weder op, begon weder te lachen, en teekende zijne geheele le{ 

▼ol geraamten, eer zijne oogen weder droog waren. In het eerst placht 

ik mij te verwonderen welken troost Traddles in dat teekenen van ge* 

raamten vend ; en een tijd lang beschouwde ik hem als een soort van 

kknzenaar, die zich door deze zinnebeelden van sterfelijkheid in het ge* 

heugen hield, dat het slaagkrijgen niet eeuwigkon duren. Maar ik geloof, 

dat hij het alleen deed omdat zij gemakkelijk waren, en hij er geene ger 

zichten aan behoefde te teekenen. 

Hij had een fijn gevoel van eer, die Traddles, en achtte het een heili* 
gen pUcht van jongens om elkander trouw te blijven. Verscheidene malen 
moest hij hiervoor boeten, eens inzonderheid, toen Steerforth in de kerk 
lachte, en de kerkeknecht dacht dat het Traddles was en hem wegbracht, 
Ik zie hem nog, door de geheele gemeente veracht, gevankelijk heen- 
▼ocren. Hij wilde niet zeggen wie de ware schuldige was, hoewel hij er 
des anderen daags geducht voor moest botten, en zoovele uren in ge* 
Tangenis bleei^ dat hij, toen hij weder voor den dag kwam, een gehee] 



76 DAVm COFPKBPIBLD. 

kerkhof vol geraaraten over zijn Latijnsch woordenboek gestrooid had. 
Doch hij werd wel beloond. Steerforth zeide, dat Traddles nooit tot de 

minstelaaghartigheidinstaat zouzijn, en wij gevoclden alien, dat dit de 
hoogste lof was. Wat mij betreft, ik had veel kunoen doorstaan (schooo 
ik veel minder moed had dan Traddles en ook lang zoo oud niet was) 
om zutk eene belooning te verwerven. 

Steerforth voor ons uit, gcariud metjongejufTrouw Creakle, naarde 
kerk te zien gaan, was een schonwspel, dat ik nooit heb kunnen vergeten. 
Ik dacht niet, dat jonge juffrouw Creakle, wat schoonheid betrof, met 
kleine Emily gelijkstond, en ik was niet op haar verliefd (ik durfde niet); 
maar ik vond haar eene jonge dame van buitengemeene bevalligheid, 
«n die, wat fatsoenlijke manieren betrof, door niemand kon worden 
■overtrofFen. Wan neer Steerforth, met zijnewittebroek, hare parasol voor 
haar droeg, was ik er trotsch op, dat ik hem kende, en geloofde ik, dat 
zi; niet anders kon doen dan hem van ganscher harte aanbidden. Mijn- 
hcer Sharp en mijnheer Mell waren beide uitstekende personcD in mijne 
oogen ; maar Steerforth was bij hen wat de zon bij twee sterren zou zijn. 

Steerforth bleef mij beachermen, en bleek een zeer ntlttig vriend voor 
mij te zijn, daar geen van de andere jongens het waagde iemand lastig te 
vallen, dien hij met lijne gunst vereerde. Hij kon mij wet niet tegenmijn- 
heer Creakle, die zeer op mij gebeteo was, verdedigen — -of deed dit 
ten minste niet; maar wanneer ik crger dan gewoonlijk raishandeld was, 
zeide hij mij altijd, dat ik een beetje van zijne courage moest hebben, en 
■dat hij zelf het niet zou hebben verdragen ; hetgeen ik begreep, dat hij 
zeide om mij aan te moedigen en voor vriendelijk van hem hield. Mijn- 
heer Creakle's zucht tot slaan had 66n voordeel, en dit was het eenige, 
waarvan ik weet. Hij vond dat mijn schandboidje, hem in den weg was, 
als hij de bqnk, waarop ik zat, van achteren langs kwam en mij in het 
voorbijgaan een slag wilde geven ; om deze reden werd het mij spoedig 
afgenomen, en ik zag het niet weerom. 

Eene toevallige omstandigheid verjterkte de vertrouwelijke gemeen- 
zaamheid tusschen Steerforth en mij op eene voor mij zeer streelende 
wijs, waarop ik niet weinig trotsch was, hoewel zij somtijds wel eenige 
onaangenaamheid medebracht. Bij zekere gelegenheid, toen hij mij op 
de speelplaats de eer bewees van met mij te praten, waagde ik aan te 
roerken, dat iemand ofiets — het is mij ontschoten wat — opiemandof 
lets in Peregrine Pickle geleek. Hij zeide er toen niets op; maar toen wij 
des avonds naar bed gingen, vroeg hi; mij of ik dat boek had. 

Ik antwoordde van neen, en verklaarde hem hoe het kwam dat ik dit 
boek, en al de andere boeken waarvan ik gesproken heb, had gelezen. 

• En hebt gij le nog onthouden?" vroeg Steerforth. — »Oja, "ant- 
woordde ik. Ik had een goed geheugen, en meende alles nog zeer wel 
onthouden te hebben. — » Dan za! ik u eens wat zeggen, kleine Copper- 
field," zeide Steerforth. i Gij moet mij er uit vertellen, Ik kan des avonds 
niet gauw in slaap komen, en word doorgaans des morgens vroeg al 
wakker, Wij zullen ze achter elkander doorgaan. Wij zullen er echte 
Arabische Nachten van maken." 



VERSBTERT EEN WEINIC. 



7T 



Ik gevoelde mij door deze afspraak zeer gevleid, en wtj begonnen ze 
-ceds denzelfden avond ten uitvoer te brcngen. Wdke mishandeliDgen 
k mijiie geliefkoosde schiijvers bij mijn oververteUcn aandeed, zou ik 
lu niet meer kunnen zeggen, en zou ik ook zeei ongaame willen weten; 
maar ik hield alles, wat ik bij hen gelezen had, voor zuivere waarheid, en 
rertelde alles, zooveel ik mij herinnerde, met emstige eenvoudigheid ; en 
deze twee eigcnschappen hielpen mij zeer. 

De onaangenaamhcid was, dat ik des avondsdikwijlsslaperigwasof 
geen lust had om het verhaal te vervolgen ; en dan was heC vertellen een 
tamelijk lastig werk, maar dat toch moestgedaan worden; want Steer- 
forth te leurtestellenoftemishagen wasiets,datniet inbedenkingkon 
worden genomen. Ook des morgens, als ik nog niet uitgerust was en 
giame nog een uur zou hebben geslapen, was het zeer verdrietig te wor- 
den wakker gcToepen — evenals de sultane Scheherazade — en genood- 
zaakt om eene lange geschiedems te vertellen, eer de ontbijtklok luidde; 
miar Steerforth stond op zijn stuk ; en daar hij mij wederkeerig aan 
mijne sommen en thema's, of ander werk dat mij te moeielijk was, hielp, 
kvam ik bij deze uitwisseling van dienstbewijzen niet te koit. Laat ik 
Khter mij zelven recht doen. Ik werd door geene baatzuchtige of eigen- 
lievende beweegredenen gedreven, en evenmin door vrees voor hem. Ik 
bcwondetde hem en hield veel van hem, en zijne tevredenheid was be- 
looning genoeg. Deze was mij zoo dierbaar, dat ik du met een weemoe- 
dig hart aan die beuzclingen tenigdenk. 

Bovendien was Steerforth zorgvuldig genoeg voor mij ; en dit toonde 
bij bij zekere gelegenheid op eene manier, dieik geloof dat voor den 
annen Traddles en de anderen eenigszinsspijtigwas.Peggotty'sbeloofde 
brief — welk een troostrijke en opbeurende brief was het! — kwam, 
voordat het half jaar vele weken ond was, en daarbij een koek, tusschen 
linusappelen ingepakt,eD twee flesschenkruidenwijn.Dezen sdiat legde 
ik, volgens mijn plicht, aan de voeten van Steerforth, en verzocht hera 
□ch met de uitdeeling te belasten. 

tNu zalik u wat zeggen, kleine CoppeTfield,"zeide hij. > Die wijn zal be- 
iraard worden om u de keel vochtig te houden alsgij aan het vertellen zijt." 
Het denkbceld deed mij blozen, en in mijne bescheidenheid verzocht 
ik hem om daaraan niet te denken. Maar hij zeide,dathijhadopgemerkt 
dat ik eenigszins schor was, en dat de wijn tot den laatsten droppel aan 
bet door hem gemelde doel zou worden gewijd. De voorraad werd dua 
ia zijne kist gesloten, door hem zelven in een medicijnfleschje overgetapt 
m mij, door een eindje penneschacht, in de kurk gestoken, toegediend, 
ranneer men begreep, dat ik eene hartsterking noodig had. Somtijds, 
}m het middel krachtiger te maken, was hij zoo goed om er een sinaas- 
ippelin uitteknijpen, ofergemberofpepermentin te tatensmelten;ea 
loewel ik niet zeggen kan, dat door deze toevoegselen de smaak verbe- 
erd werd, of dat men zulk een mengsel juist zou gekozen hebben om, 
ies avonds laat of des morgens vroeg gebruikt, de maag in ordc te hou- 
len, sJurpte ik het toch daBkbaar op, en was ik zee» gcvoelig voor zijne 
fltUendh&d. 



^8 DATID COPFKRFIELD. 

Het komt tnij voor, dat wij maanden lang met Per^rine, en nog 
taaanden lang met de andere geschiedenissen hebben doorgebracht 
bit weet ik zeker, dat cr nooit gebrek was aan eene vertelling; endewijn 
duurde bijna even lang als de stof, De arme Traddles ^ ik kan nooit 
aan dien jongen denken zonder eene vreemde opwelling van laclilust, 
«n dat wel met tranen in de oo^en — speelde de rol van het koor in ecn 
Grieksch treurspel, en hield zich alsof hij bij de comische plaatsen de 
Btuipenkreegvanhetlachen, enzichdoodelijkangstigmaaktealseriets 
onrustbarends in het verhaal voorkwam. Zeer dikwijls bracht dit mij 
eenigsiins van de wijs. Het was eene groote aardigheid van hem, dit her- 
inner ik mij, zich tehouden alsof hij het klappertandennietkonlaten, zoo 
dikwijls er in de avonturen van Gilblas van een Alguazil werd melding 
gemaakt; en het heugt mij nog, dat, toen Gilblas te Madrid denroo- 
verkapitein ontmoctte, die ongelukkige grappenniaker zulk eene koorts 
van angst veinsde te krijgen, dat mijnhecr Creakle, die op de gang 
Btoild te luistcren, hem hoorde, en hem, voor ongeregeldheid in de 
slaapzaal, een duchtig pak gaf. 

Al het romaneske en droomerige, dat in mijn gemoed school, werd 
door zooveel sprookjes vertellen in het donker opgewekt en ontwikkeld; 
CD in dit opzicht zal die bezigheid misschien niet heilzaam voor mij ge- 
weest zijn. Maar dat ik in mijne kamer als een soort van speeltuig werd 
geliefkoosd, en dat ik wist hoe er over dit talent van mij onder de jon- 
gens werd gepraat, en het mij, schoon ik daar de jongste was, zeker 
aanzien verschafte, prikkelde mij tot inspanning. In eene school, die met 
enkel wreedheid wordt geregeerd, hetzij de man die aan hoofd daarvan 
Btaat, een dorakop is Df met, is het niet waarschijniijk, dat er veel geleerd 
zal worden. Ik geloof dat onze jongens, over het algemeen, zulk een 
onkundige troep schooljongens waren, als men ergens zou kunnen vin- 
den ; zij werden te veel geplaagd en geslagen om te leeren ; zij konden dit 
evenmin met lust doen, als iemand in een leven vol aanhoudend ongeluk, 
onrust en kwelling iets, wat het ook wezeo mag, met lust kan doen. 
Doch mijne kinderlijke ijdelheid en de hulp van Steerforth dreven mij 
toch voort; en zonder mij veel, zoo at eenige, straf uit te halen, maakten 
zij mij zoolang ik daar bleef tot eene uitzondering op den grooten troep, 
daar Ik toch bestendig eenige kruimpjes van kennis oppikte. 

Hierin werd ik vooral door mijnheer Mell geholpen, die eene gene- 
genheid voor mij had, welke ik mij met dankbaarheid herinner. Het 
deed mij altijd Iced, te zicn, dat Steerforth hem met opzettelijke minach- 
ting behandclde, en zelden eene gelegenheid verzuimde om zijn gevoel 
te kwesten of anderen daartoe op te stoken. Dit kwelde mij des te meer, 
omdat ik Steerforth, voor wien ik zulk een geheim evenmin kon be- 
waren, als hem een koek of ander tastbaar eigendom kon onthouden, 
Bpoedig van de twee oude vrouwen had verteld, naar welke mijnheer 
Mell mij had medegenomen, en ik altijd bang was dat Steerforth dit 
zou Uttbrengen en het hem voor de scheenen werpen. 

Weinig dacht iemand van ons, durf ik we! zeggen, toen ik op den 
«ersten morgen daar ontbeet, en onder de schaduw der pauweveeren bij 



Tungay twee- of dnemaal met zijn houten been binnenkwam, 
len der voorDaamste schuldigen aanteekende, maakte dit geen 
idruk, daar zij toch, wat zij ook deden, tamelijk zeker waren 
en daags in ongelegenheid te komen, en het zonder twijfel 
I achtten dien dag eens recht te genieten, 
; eigenlijk een halve vacantiedag, daar het zaterdag was. Maar 
gerucht op de speelplaats mijnheer Creakle zou gehinderd 
m. het weder niet gunstig was om te gaan wandelen, werden wij 
Idags weder naar de school gezonden, en aan wat lichter werk 
»onlijk^ dat voor deze gelegenheid werd opgezocht, gezet. Op 
van de week ging mijnheer Sharp altijd uit om zijne pruik te 
laken; en dus hield mijnheer Mell, die alle onaangename 
jes kreeg, van welken aard zij ook mochten zijn, alleen school, 
tiet denkbeeld van een stier of beer met iemand, die zoo zacht- 
s als mijnheer Mell, kon verbinden, zou ik zeggen dat hij op 
iddag, toen het oproer op het ergst was, naar zulk een onge- 
er geleek, door duizend honden omsmg«ld. Ik herinner mij 
bij zijn gloeiend hoofd, door zijne beenderige hand ondersteund, 
boek op zijn lessenaar gebogen hield, om wanhopig met zijn 
! werk voort te gaan, onder een rumoer, waarvan de voorzitter 
luis der Gemeenten duizelig zou zijn geworden. Jongens, die 
wisselen met elkander speelden, vlogen tusschen hunne plaat- 
en weder, Er waren lachende jongens, zingende jongens, pra- 
gens, schreeuwende jongens, sommigen scharrelden met hunne 
uderen dwarrelden om hem heen, grijnsden hem aan, trokken 
, aapten hem achter zijn rug en voor zijne oogen na; zijne 
zijne laarzen, zijn rok, zijne moeder — alles waarmede zij 
medelijden behoorden te hebben, was het voorwerp van hun 

!" riep mijnheer Mell, plotseling opstaande en met het boek op 



t 



1 



So DAVID COPPERFIELD. 

Steerforth's plaats was aan het andere eiad der lange schoolzaal. Hij 
stood met de handen in de zakken tegen den muur te leirnen, en toen 
mijnheer Mell hem aanzag, keek hij dezen aan en kneep zijn monddlcht 
alsof hij floot. 

iStilte, jonge heer Steerforth!" zeide mijnheer Mell. — »Houduielf 
stil," antwoordde Steerforth, rood wordende. iTegen wien spreekt 
gij f" — » Ga zitten !" zeide mijnheer Mell.— i Ga zelf zitten," antwoordde 
Steerforth, > en doe uwe dingen." 

Er ontstond een zacht gelach, en eenigen klapten in de handen; maar 
mijnheer Mell zag zoo bleek, dat er terstond weder stilte kwam, en een 
jongen, die achter hem opgeslopen was, om wederom zijne moeder na 
te apen, veranderde van gedachten en hield zich alsof zijne pen vennaakt 
moest worden. 

»A!s gij denkt, Steerforth," zeide mijnheer Mell, » dat iknietbekend 
ben met den invloed, dien gij hier op iedereen ktint uitoefenen" — hij 
legde zijne hand, zonder te bedenken wat hij deed {geloof ik), op mijn 
hoofd ; • of dat ik niet heb opgemerkt hoe gij zoo even de anderen hebt 
opgestookt om mij op allerlei wijzen te beleedigen , bedriegt gij u 
zeer." — ilk geef mij in helgeheeldemoeite niet om over utedenlren," 
antwoordde Steerforth koelljes; »en dus heb ik mij niet bedrogen." — 
»En wanneer gij van uw invloed als gunsteling gebmik maakt," ver- 
volgde mijnheer Mell, met bevende lippen, »omeen fatsoenlijk mante- 
beleedigen . . ." — lEen wat? — Waar IS hij f" zeide Steerforth. 

Hier riep iemand: iSchaam u, Steerforth! Dat is te erg!" Het was 
Traddles, wien mijnheer Mell terstond uit het veld sloeg door hem te 
bevelen zijn mond t&houden, 

lOm iemand te beleedigen, die geen gelukkig leven heefV, jonge heer, 
en die u nooit het minste heeft misdaan. terwijl gij oud en wijs genoeg 
zijt om te begrijpen, hoeveel redenen er zijn om hem niet te beleedigen, 
handelt gij laag en verachtelijk. Gij kimt au gaan zitten of blijven staan, 
gelijk het u belieft, jonge heer. Ga voort, Copperfield." — iWacht 
een beetje, kleine Copperfield," zeide Steerforth, de zaal door naar ons 
toe komende, >Ik heb u, voor eens enaltijd, wat te zeggen, mijnheer 
hfcll. Als gij de vrijheid neemt om mij laagofverachtehjk, ofietsvaa 
dien aard te noemen, zijt gij een onbeschofte bedelaar," Gij zijt altijd 
een bedelaar, dat weet ge wel ; maar als gij dat doet, zijt gij een onbe- 
schofle bedelaar, 

Het is mi; niet duidelijk of hij mijnheer Mell wilde slaan, dan of mijn- 
heer Mell hem wilde slaan, zelfs niet of een van beiden wel zulk een 
voomemen had. Ik zag eene strakheid over de geheele school komen, 
alsof alien in steen veranderd waren, en vond mijnheer Creakle midden 
onder ons staan, met Tungay naast hem, terwijl mevrouw Creakle en de 
jonge jnffrouw voor de deur naar binnen stonden te kijken alsof zij ver- 
schnkt en angstig waren. Mijnheer Mell bleef, met de ellebogen op zijn 
Icssenaar en het gezicht in de handen, eene korte poos doodstil Eitten. 

iMijnheer Mell," zdde mijnheer Creakle, hem bij den arm grijpende; 
en zijn fluisteren was nu zoo veistaanbaar, dat Tungay hetonnoodig 



MIJNHERR MBLL VCRLAAT SAI,EM HOUSE. 8l 

achtte rijne woorden te herhalcn ; » gij hebt u zelven nict vergeten, hoop 
ik?" — iNeen, mijnheer," antwoordde mijnheer Mell, nu zijn gezicht 
toonende en zijn lioofd schuddende, tenrijl hij bevende van ontroering 
in djne handen wreef. iNeen, mijnheer, neen. Ik heb wel om mij zelven 
ged&cht Ik — neen, mijnheer Creakle, ik heb mij zelven niet vergeten. 
Ik — ik heb wel om mij zelven gedacht, mijnheer. Ik — ikhad welkim- 
nen wenschcn, dat gij wat vroeger om mij gedacht hadt, mijnheer. Dat — 
dat zoo vriendelijker gcweest zijn, mijnheer, en billijker, mijnheer. Het 
ion mij lets bespaard hebben." 

Mijnheer Crcakle, die mijnheer Mell strak aanzag, legde zijnehaodop 
Tnngay's schoudcr, staple op eene bank dichtbij en zette zich op den 
ten^aar. Nadat hij mijnheer Mell, die nog djn hoofd schudde en in zijne 
handen wreef, en nog eveneens beefde van ontroering, nog eens strak 
bad aangeden, keerde mijnheer Creakle sich naar Steerforth en zeide: 
> No, mijnheer, daar hij zich niet verwaardigt om het mij te zeggen — 
wat er is gebeurd i" 

Steerforth scheen die vraag lie&t niet te willen beantwoorden, zag zijn 
tegenstandd met gramstorigc minachting aan en zweeg. Ik kon, dit her- 
inner ik mij, zells op dat oogenblik niet nalaten te denken, welkeen edel 
Toorkomen hij toch had, en hoe laag en nietig mijnheer Mell er bij hem 
ntiag. 

iWat meende hij dan met van gunstelingen tesprckeni" zeide Steer- 
forth cindelijk. — iGunstelingen i" herhaalde mijnheer Creakle, terwijl 
de aderen van zijn voorhoofd snel opzwollen. > Wie heeft er van gmiste- 
liiigen gcsproken f" — »Dat hceft hij gedaan,"antwoordde Steerforth.— 
tbi wat hebt gij daarmede gemeend, mijnheer ?" vroeg mijnheer Crea- 
kle, lichtoomignaar zijn secondantomkeerende. — >Ik meende, mijn- 
heer Creakle," antwoordde hij met eene zachte stem, >gelijk ik ook 
uide, dat bet geen leerline paste van zijn invloed als gnnstelin^ gebniik 
te maken om mij te vemederen." — »Omutevernederen?" zeide mijn- 
heer Creakle. >Wel mijn hemell Maar laat ik u eens mogen vragcn, 
mqnbeer, wie ge dan ook wezen moogt," en bier sloeg hij zijnc armen, 
met rotdng en al,kniiaelings over zijne borst, en trok zijne wenkbrauwen 
loo dicht tc zamen, dat zijne kleine oogen daaronder nauwelijks i^eer 
achjlbaar waren, >ofgijjals|;ij van gunstelingen spreekt, mij wel gepas- 
len ecrbied betoont ? Mij, mijnheer," zeide mijnheer Creakle, een^ups 
mat zija hoofd naar hem uitvallende en het weder terugtrekkende, * het 
hoo&J van deze inrichting en uw patroon ?" — i Het was niet verstandig 
vaa mij gedaan, mijnheer, dat wil ik wel bekennen," zeide mijnheer McIL 
■en ik zou het ook niet gedaan bebben, ab ik bedaard was geblevcn.'' 
Hier viel Steerforth er op in. 



aEn toen zeide hi}, dat ik laag was, en dat tk verachtelijk was, en toen 
heb ik ham gezegd, dat bij een bedelaar was. Als ik bedaard was geble- 
«^ aoa ik hem misschien gcen bedelaar hebben genoemd. Maar dat 



heb. ik gedaan, en ik ben bc^id om er de gevolgen van af te wachten." 

Zondcr miMfhtiin te bedenken, of er wel gevolgen van te wachten 

won, geroelde ik bij dit manhaftige gezegde een gloed in mijn bin| 

SAVm COFFEKnXLD. L '6 



8a DAVID COPPBRFIELD. 

nenste. Het maakte ook indnik op de jongens, want er kwam bewegic 
en gemompcl onder hen, hoewel niemand een woord sprak. 

»Het verwondert mij, Steerforth — hoewel uwe rondboretigheid u t( 
«er stiekt," zeide mijnheer Crcaklc, »zeer tot eer strekt — het verwoi 
dert mij, Steerforth, moet ik zeggen, dat gij zulk eene benaming hel 
ktmnen geven aan iemand, die op Salem House geemployeerd en ges 
larieerd is." 

Steerforth lachte schamper. 

iDat is geen antwoord op tnijngezegde,jongcheer," zeide inijnhe< 
Creakle. »Ik verwacht een ander antwoord van u, Steerforth." 
W Indien mijnheer Mell er te voren in raijne oogen nietig had uitgeziei 
bij den manhaftigen knaap vergeleken, onmogelijk zou ik kunnen zegge 
faoe nietig mijnheer Creakle er nti uitzag. 

>Laat hij het maar ontkennen," zeide Steerforth. — »Ontkennendi 
hij een bedelaar is, Steerforth ]" riep mijnheer Creakle uit. » Wei, waa 
loopt hij dan bedelen f " — »Als hi; geen bedelaar is, is eene nabestaand 
ran hem toch eene bedeiaarster," zeide Steeriorth. »Datiseveneens, 

Hij keek naar mij, en de hand van mijnheer Mell klopte mij zacht o 
den schouder. Ik zag naar hem op, met een gloed in mijn gezicht e 
wroeging in het hart ; maar de oogen van mijnheer Mell waren op Steei 
forth gevestigd. Hij bleef mij vriendelijk op den schouder kloppen, maa 
zag naar hem. 

>Daar gij verwacht, datik mij rechtvaardigen zal, mijnheer Creakle, 
zeide Steerforth, len zeggen watikmeen — heb ik niets anders te zeg 
gen, dan dat zijne moeder in een armhuisje van aalmoezen leeft." 

Mijnheer Mell bleefhem nog aanzicn en mij vriendelijk op den schot 
der kloppen, en zeide, als ik het recht verstond, fluisterend bij zich zelven 
»Ja, dat dacht ik wel" 

Mijnheer Creakle keerde zich met een donker, gefronst voorhoofc 
en met stijve, gemaakte beleefdheid naar zijn secondant, 

» Gij hoort wat die jonge hecr zegt, mijnheer Mell. Wees zoo goed, al 
het u belieft, om hem voor dc geheele verzamelde school te recht t 
wijzen." — »Hij behoeft niette recht gewezenteworden, mijnheer: h: 
heA gelijk," antwoordde mijnheer Mell, te midden eenerdoodsche stiltt 
>Wathijgezegdheeftisdewaarheid," — » Wees dan zoo goed om open 
lijk te verklaren, als het u belieft," zeide mijnheer Creakle, terwijl hij ziji 
hoofd op zijde hieid en zijne oogen door de school lietrondgaan,>o 
dit ooit vOOr dit oogenblik tot mijne kennis is gekomen." — »Ik geloo 
niet onmiddellijk," was het antwoord. — »Gij weet immers wel vai 
neen," zeide mijnheer Creakle, » Weet gij dat niet, man f" — >Ikmeei] 
dat gij mijne wereldsche omstandigheden nooit voor zeer ^unstig heb 
gehouden," antwoordde de secondant. »Gij weet hoe ik hter geplaats 
ben en altijd ben geweest." — » Ik meen, ab gij daarvan spreekt," zddi 
»ijnheer Creakle, terwijl zijne aderen dikker dan ooit opzwollen, »da 
gij op eene geheel verkeerde plaats zijt geweest, en dit voor eene arm 
school hebt aangezien. Mijnheer Mell, wij zullen scheiden, als het u be 
liefl. Hoc eer hoe beter." — » Nooit betcr dan nu terstond," antwoorddi 



ER WORDEN BEZOEKEN VOOR MIJ AANGEKONDIGD. 8^ 



mijnheer Mell, opstaande. — »Juist, mijnheer," zeide mijnheer Crea- 
kle. — >Ik neem afscheid van u, mijnheer Creakle, en van u alien," zeide 
mijnheer Mell, in het vertrek rondziende en mij wederom zacht op den 
schouder kloppende. > James Steerforth, de beste wensch, dien ik u laten 
kan, is, dat gij u eens moogt schamen over hetgeen gij vandaag gedaan 
hcbt. Voor het tegenwoordige wilde ik u liever alle andere dingen zien, 
dan een vriend van mij of van iemand in wien ik belang stel." 

Nogmaals legde hij zijne band op mijn schouder; en toen zijne fluit en 
cenige boeken uit zijn lessenaar nemende en den sleutel voor zijn op- 
volger daarin latende steken, ging hij, met zijn eigendom onder den arm, 
de school uit. Mijnheer CreaSkle hield daarop, met behulp van Tungay, 
eene aanspraak, waarin hij Steerforth bedankte, dat hij (hoewel mis- 
schien met al te veel vuur) de eer en het fatsoen van Salem House had 
gehandhaafd ; en besloot met Steerforth de hand te geven, waarop wij 
driemaal hoezee riepen — ik wist niet recht waarvoor, maar onderstelde, 
dat het ter eere van Steerforth was, waarop ik ookhard medeschreeuwde, 
hoewel ik mij lang niet vroolijk gevoelde. Daamagaf mijnheer Creakle 
Tommy Traddles een pak slaag, omdat deze er zich op liet betrappen, 
dat hij over het vertrek van mijnheer Mell huilde, in plaats van mede 
hoezee te roepen ; en vervolgens ging hij terug naar zijne sofa of zijn bed, 
of van waar hij ook gekomen was. 

Wij bleven nu alleen aan ons zelven overgelaten en keken elkander, 
dit herinner ik mij, zeer verslagen aan. Wat mij zelven betrof, ik ont- 
waarde zooveel berouw en zelfverwijt over het gebeurde, dat ik niet in 
staat zou geweest zijn om mijne tranen te weerhouden, als ik niet had 
gevreesd, dat Steerforth, die mijdikwijlsaanzag,hetonvriendschappelijk 
— of ik moest, ons verschil in jaren en het gevoel, dat ik hem toedroeg, 
in aanmerking nemende, liever oneerbiedig zeggen — zou vinden, als 
ik toonde dat ik bedroefd was. Hij was zeer boos op Traddles en zeide 
blij te zijn, dat deze een pak had gekregen. 

De arme Traddles, die het tijdperk, waarin hij met zijn hoofd op de 
tafel lag, reeds te boven was, en zijn hart volgens gewoonte lucht gaf met 
geraamten te teekenen, zeide dat hij er niet om gaf. Mijnheer Mell was 
mishandeld. 

iWie heeft hem dan mishandeld, gij sentimenteele jonge juffrouw ?" 
zeide Steerforth. — > Wei, dat hebt gij gedaan," antwoordde Traddles. — 
» Wat heb ik dan gedaan ?" zeide Steerforth. — > Wat gij gedaan hebt?" 
liet Traddles hierop volgen. >Zijn gevoel gekwetst en hem zijne betrek- 
king doen verliezen." — >Zijn gevoel!" herhaalde Steerforth met min- 
achting. >Zijn gevoel zal dat wel spoedig te boven komen, durf ik 
verzekeren. Zijn gevoel *": niet zoo teer als het uwe, jonge juffrouw Trad- 
dles. Wat zijne betrekking s.^ i lat — het was ook eene heerlijke betrek- 
king, niet waar? — denkt ge daa. dat ik niet naar huis zal schrijven, en 
zorgen dat hij wat geld krijgt?" 

Wij vonden dit voomemen zeer ed. van Steerforth, wiens moeder 
eene schatrijke weduwe was en, naar men ide, bijna alles deed waarom 
hij haar maar vroeg. Wij waren alien blijd Traddles zoo den mond 



DATtD COPPERFIBLD. 



gesnoerd werd, en verhieven Steerforth tot aan de wolken ; vooral toen 
bij ons zeide (waartoe hij zich nog verwaardigde) dat hij, wat hij gedaan 
had, alleen voor ons en om onientwil had gedaan, en ona eene gToote 
weldaad had bewezen door dit te docn, zonder zich zelven eenigszim 
teoDtzien. 

Maar ik moet zeggen dat, toen ik dien avond in het donker weder 
eenc vcrtelling vervolgde, de oude fluit van mijnheer Mell mij meer dan 
eens treurig in de oorcn scheen te klinken; en dat ik, toen Steerforth 
eindelijk genoeg had gehoord en ik op mijn kussen lag, mij verbeeMde, 
dat ik haar ergens klagend hoorde spelen, en diep bedroefd was, 

Ik vergat hem echter spoedig in de opgetogene beschouwing van 
Steerforth, die als vrijwilliger, met het grootste gemak en zonder bock 
(hij scheen alles van buiten te kennen), eenige van zijne lessen waamani, 
tot er een nieuwe meestei gevonden werd. Deze nieuwe mecster kwam 
van dene Latijnsche school ; en eer hij zijn post aanvaardde, at hij Hiis 
bij mijnheer Creakle aan tafel, om met Steerforth kennts te maken. Steer- 
forth was zeer wel over hem tevreden, en zeide dat hij eenBramwas. 
Zonder recht te b^rijpen welken rang van geleerdheid daaimede werd 
aangeduid, kreeg ik hierdoor zeer veel eerbied voor den nienwen mees- 
ter, en twijfelde ik volstrekt niet aan zijne buitengemeene kundighcden; 
hoewel hij nooit zooveel werk van mij maakte — niet dat ik iets te be- 
dmden had — als mijnheer Mell had gedaan. 

Er had in dit halfjaar nog maar 66ne gebeurtenis buiten het eewone 
schooUeven plaats, die zulk een indnik op mij maakte, dat zij mi] nog in 
het geheugen blijft Dit doet zij echter om vde redenen. 

Op een namtddag, toen degeheele school in de war was, en mijnheer 
Creiutle duchtig om zich been sloeg, kwam Tnngay binnen en riep met 
zijne gewone forsche stem: >Bezoek voorCopperfield]" 

Eenige woorden werden tuBschen hem en mijnheer Creakle gewisscld, 
om te zeggen wie de bezoekers waren en te vragen in welke kamer zij 
moesten gelatenworden;entoenwerdmij, die volgensgewoontebijdit 
bericht was opgestaan en suf was van verbaiing, gezegd, dat ik de ach- 
tertrap moest afgaan en een schoon boordje omdoen, eer ik mij naar de 
eetzaal begaf. Ik gchoorzaamde deze bevelen, onder znlk een opi«er in 
miJD kinderlijk gemocd als ik nog nooit te voren had gevoeld; en toen 
ik aan de deur dcr eetzaal kwam en de gedachte mij te binnen schoot, 
dat het mijne moeder kon zijn — ik had tot dusverre alleen om mijnheer 
Murdstone of zijne zuster gedacht — trok ik mijne hand vsn de kmk 
terug, en bleef staan om eens uit te snikken eer ik binnenging. 

Jb het cerst zag ik niemasd ; maar toen ik eene drukking tegen de dear 
voelde, keek ik davombeen; en daar zag ik, tot mijne vertwzing, baas 
Feggotty en Ham, die tegen mij stonden te bnigen, alsof zij mij met 
hunne hoofden wilden stooten en elkander tegm den mmr duwdon. Ik 
kOD niet nalaten te lachen^ maar het was vcel meer van blijdacbap, dat 
ik ben zi^, dan over de vertooning, die zij raaaktm. Wij gaven elumder 
■eer hartdijk dekai)d,eniklBchte<aUchte,'totikiB^zakdoekBioeft 
oidialen en mijne oogen afvegeo. 



IK STEL HSN AAN STBRRFORTH VOOR. 8$ 



Baas Peggotty (die, geUjk ik mij herinner, staande dit bezoek geene 
«nkele maal zijn mond dicht deed) toonde zich zeer bewogen toen hij 
mij dit zag doen, en stiet Ham aan om iets tegen mij te zeggen. 

>Wees maar vroolijkjonge heer David!" zeide Ham op zijne omioo- 
zel vriendelijke manier. >Wel, wat zijt ge groot geworden !" — >Benik 
groot geworden?'' zeide ik, mijne oogen afdrogende. Ik schreide om 
l^eene bijzondere reden, zooveel ik weet; maar hoe het dan ook kwam^ 
ik moest er van schreien, dat ik oude vrienden zag. — i Groot geworden, 
jonge heer David ?" zeide Ham. > Of hij groot geworden is I" — > Of hij 
groot geworden is!" herhaalde baas Peggotty. 

Ik ging weder aan het lachen, omdat zij tegen elkander lachten, en 
toen lachten wij alle drie tot ik gevaar liep om weder te gaan huilen. 

>Weet gij ook hoe mama vaart, mijnheer Peggotty?" zeide ik. >£n 
hoe mijne Ueve, lieve oude Peggotty het maakt ?" — »Opperbest," ant- 
woordde baas Peggotty. — > En kleine Emily en juflfrouw Gmpmidge ?" — 
•Opperbest," zeide baas Peggotty. 

£r volgde eene poos van stilte. Om daaraan een eind te maken, haalde 
baas Peggotty twee reusachtige kreeften, eene vervaarlijk groote krab, 
en een grooten zeildoekschen zak met gamalen te voorschijn, en stapelde 
ze in Ham's armen op elkander. 

» Wij wisten wel," zeide baas Peggotty, > dat gij gaame wat hartigs bij 
aw eten hadt toen gij bij ons waart, en daarom hebben wij de vrijheid 
genomen. Vrouw Gummidge heeft ze gekookt. J a," zeide baas Peggotty, 
dit bij dit onderwerp scheen te blijven omdat hij geen ander hadi, »ik 
verzeker u, vrouw Gummidge heeft ze gekookt." 

Ik bedankte hem wel ; en daarop vervolgde baas Peggotty, naar Ham 
kijkende, die schaapachtig over de schaaldieren stond te glimlachen, 
zonder eenige poging te doen om hem te helpen : 

» Wij komen, ziet ge, met wind en tij in ons voordeel, met een van onze 
Yarmouther loggers naar Gravesend. Mijne zuster had mij geschre- 
ven hoe die plaats hier heette, en ook geschreven, dat ik, als ik toevallig 
naar Gravesend kwam, eens naar jonge heer David moest gaan vragen, 
en hare groetenis doen, en hem gezondheid wenschen, en zeggen, dat de 
fiunilie het opperbest maakte. Kleine Emily, ziet ge, zal aan mijne zuster 
schrijven als ik terugkom, dat ik u gezien heb, en dat gij het ook opper- 
best maakt, en zoo zuUen wij er een mallemolen van maken." 

Ik was genoodzaakt eene poos na te denken, eer ik begreep wat baas 
Peggotty met deze figuurlijke uitdrukking meende, waarmede hij wilde 
aanduiden, dat hij aldus alle belan^tellenden over en weder berichtzou 
hebben bezor^d. Toen bedankte ik hem hartelijk, en zeide, met de be- 
wustheiddat ik daarbij bloosde, dat ik geloofde dat kleine Emily ook 
wel veranderd zou zijn, sedert wij te zamen op het strand schelpen en 
keisteentjes plachten op te rapen. 

»Zij wordt al haast een volwassen meisje, dat doet ze," antwoordde 
baas Peggotty. i Vraag het hem maar." 

Hij meende Ham, wiens gezicht over den zak met gamalen van ver- 
genoegdheid scheen te stralen, terwijl hij toestemmend knikte. 



86 DAVID COPPERFIELD. 

> Zulk een gezichtje ! " zeide baas Peggot^, wiens eigen gezicht daarbi; 
een elans kreeg. — »En zoo geleerd I" zeide Ham. — »En haar schrij? 
ven ! zeide baas Peggotty, » Wei, het is zoo zwart als git, en zoo groot, 
dat gij het in de verte kunt lezen," 

Het was waarlijk een genot, te zien welk een geestdrift baas Peggottj' 
vervulde als hij aan zijne kleine gunstelinge dacht. Hij staat wederom 
v06r mij, terwijl van zijn grofenruighariggezichteenebljjdeliefde en 
trotschheid afstralen, voor welker beschrijving ik geene woorden kan 
vinden. Zijne heldere oogen vlammen enflikkeren, alsofhunnediepte 
door iets schitterend holders in beweging werd gebracht. Zijne breede 
borst zwoegt van innig genoegen. Zijne forsche handen klemmen zich 
eamen in den crnst van zijn gevoel ; en om nadruk aan zijne woorden te 
geven, zwaait bij een recbterarm, die in de oogen van een dwergje getijk 
ik ben, naar een smids moker gelijkt. 

Ham geraakte evenzeer in vuur als hij. Ik geloof zeker, dat zij nog, 
veel meer van haar zouden gezegd hebben, als zij niet verlegen waren 
geworden door het onvenvacht binnenkomen van Steerforth, die toen 
hij mij in een hoek met twee vreemdelingen zag staan spreken, het, 
liedje, dat hij zong, afbrak, en zeide: >Ik wist niet, dat gij hier waait, 
kleine Copperfield !" (want het was de kamer niet waar zulke bezoekers 
gewoonlijk werden ontvangen), waarop hij ons voorbijstapte om weder 
been te gaan. 

Ik ben niet zeker of het uit trotschheid op zulk een vriend ats Steer- 
forth was, of uit vetlangen omhem te verklaren hoe bet kwam, dat ik 
zulke vrienden als baas Peggotty had, dat ik hem, toen hij beenging, 
tenigriep ; maar ik zeide zeer bescheiden — goede Hemel, hoe komt 
alles mij zoo lang naderhand weder te binnen ! — 

> Ga niet heen, Steerforth, als het U belieft. Dit zijn twee Yarmouther 
visschers — zeer goede, brave lieden — die nabestaanden zijn van mtine- 
oppasster, en van Gravesend zijn gekomen om mij te zien." — >Zoo, 
loo!" zeide Steerforth, terugkomende, »Dan verheugthetmij hen ook 
ecDS te zien. Hoe vaart ge beiden f" 

Hij had eene ongedwongenheid in zijne manieren — zijn toon was 
vrooUjk en luchtig, maar zonder iets aanmatigends te hebben — die ik 
nog geloof, dat zekere toovermacht uitoefende. Ik geloof nog, dat hij 
door zijne houding, zijne levendigheid, zijne welluidende stem, zijn wel- 
besneden gezicht en welgemaakte gesialte, en misschien ook wel door 
zekereaangeboreneaantrekkingskracht(dieikdenk,datweinigmenschen 
bezitlen) iets betooverend innemends had, waarvoor het eene zeer na- 
tuurlijke zwakheid was te zwichten, en die weinig menschen konden we- 
derstaan. Ik kon niet nalaten te zien hoe zij met hem ingenomen waren, 
en hoe zij in een oogenblik htm hart voor hem schenen te openen. 

_»Gij moet bet Ihuis laten weten, als het u belieft, mijnheer Peggotty," 
zeide ik, lals die brief geschreven wordt, dat mijnheer Steerforth heel 
goed voor mij is, en dat ik niet weet hoc ik het hier zonder hem zou stel- 
Icn." -— iM^gheid!" zeide Steerforth lachende. »Zoo iets moet gij 
hem niet wijs maken." — >£n als mijnheer Steerforth ooitnaai Nor- 



MUN KERSTE VACAHTIE KOMT IN B&T VBRSCHIBT. 87 

folk of Suffolk komt, mijohecr Peggotty,"zeideik, tterwijlikdaar 
ben,kuntgijeropaan, datik hem naar Yarmouth zalbren^en,alsliij 
maar wil medcgaan, om uw huis te zien. Gij hebt nog nooit zutk een 
aardig huis gczien, Steerforth. Het is van een scheepje gemaakt !" — 
• Van een scheepje gemaakt?" ieide Steerforth. iDanis het rechleen 
huis voor zulk een degelijk zeeman." — > Dat is het ook, mijoheer, dat is 
het ook," zeide Ham grinoikeod. iGij hebt wel gelijk, jonge heer. Die 
jonge heer heeft wel gelijk, jonge heer David. Een degelijk zeeman ! Ha, 
ha I Dat is hij ook, degelijk." 

Baas Feggotty was niet minder in zijn schik dan zijn neef, hoewel zijne 
bescheidenheid hem verbood een persoonlijk compliment zoo luid- 
tnchtig toe te juichen. 

»We!, jonge heer," zeide hij, buigende en giggelende, terwijl hij tc ge- 
lijk de slippen zijner das in zijne borst stopte. >Ik dank u wel, jonge heer. 
Ik doe op mijne manier mijn best, jonge heer." — iDe beste kan niet 
beter doen, baas Peggotty," zeide Steerforth. Hij had zijn naam reeds 
opgevangen. — >Ik wil er wel voor instaan, datgij datzelfook doet, 
jonge heer," «ide baas Peggotty, ilk dank u wel, jonge heer. Ik ben u 
wel verplichl voor uwe guile ontvangst, Ik ben wat grof, jonge heer, 
maar ik ben goed — ten mioste, ik hoop, dat ik goed ben, moet ge be- 
grijpen. Aan mijn huis is niet veel te zien, jonge heer, maar het is hartelijk 
tot uw dienst, als gij het eens met jongen heer David wilt komen zien. De 
ben een echte s!ak, dat ben ik," zeide baas Peggotty, waarmede hij 
nienidc, dat hij zoo traag was om heen te gaan, want na ieder van zijne 
i^ebrokene gezegden had hij willen gaan en was hij telkens weer terug- 
jekomen ; » maar nu wcnsch ik u toch allebei geiondheid eo welzijn," 

Ham herhaalde dezen wensch en wij namen zeer hartelijk a^cheid 
ran elkander. Ik kwam dien avond in verzoeking om Steerforth van de 
Ikvc Emily te vertellen, maar ik was te schroomvallig om haar naam te 
noemen en te bang, dat hij mij zou uitlachen. Het heugt mij nog, dat ik 
er veel en met zekere onrust aan dacht, dat baas Peggotty gezegd had, 
dat zij haast een volwassen meisje werd ; doch eindeUjk begreep ilt, dat 
dlt maar gekheid was, 

Wij brachten de kreeften, de krab en de gamalen onof^emerkt naar 
onze kamer en hidden dien avond een groot souper. Doch voor Traddles 
liep dit niet goed af. Hij was te veel een on^eluksvogel om gelijk iemand 
anders een souper tc boven te komen. Hij werd des nachts ziek — erg 
liek was hij — van de krab; en nadat hij drankjes en pillen had moeten 
ilikken — genoeg, zeide Demple, wiens vader een dokter was, om het 
gestel van een paard te ondermijnen — krceg hij nog een [)ak slaag en 
zes hoofdstukken uit het Grieksche Testament, omdat hij niet wilde 
bckennen. 

Het overige van het halfjaar is in mijn geheugen een warhoop van de 
dagelijksche ellende van ons leven ; van het afhemen van den zomer en 
het naderen van den winter; van de koude ochtenden wanneer de klok 
ons uit het bed luidde, en de kilheid der donkere avonden wanneer zij 
ons weder naar bed luidde: van de schoolzaal des avonds, flauw ver 



88 DAVID COPPERFIELD. 



licht en tamelijk warm, en des morgens, wanneer zij niets anders was dan 
eene groote bibber-machine; van de afwisseling tusschen gekookt en ge- 
braden ossenen schapenvleesch; van kleiachtige boterhammen, geha- 
vende lesboeken, gebarsten leien^ met tranen gevlekte schrijfboeken, 
afstraffingen met rotting en liniaal, haarsnijden^regenachtige zondagen, 
vettige poddingen, en een vuile atmospheer van inkt, die alles omringde. 

Ik herinner mij echter nog wel, hoe het verwijderde denkbeeld der 
vacantie, nadat het een ontzaglijken tijd lang een stilstaand plekje had 
geschenen, naar ons toe begon te komen en al grooter en grooter te 
worden. Hoe wij van het tellen der maaden tot het tellen der weken en 
toen tot het tellen der dagen kwamen: en hoe ik toen begon te vreezen, 
dat men niet om mij zou schrijven, en noe ik, toen ik van Steerforth ver- 
nam, dat men om mij geschreven had en ik zeker naar huis zou gaan, 
een duister voorgevoel had, dat ik voor dien tijd nog mijn been zou bre- 
ken. Hoe de dag van vertrek van plaats verwisselde, eerst van over veer- 
tien daag naar aanstaande week, daarop naar deze week, overmorgen, 
morgen, vandaag, van avond - - toen ik in de diligence naar Yarmouth 
zat en naar huis reed. 

Ik deed menig afgebroken slaapje in de diligence naar Yarmouth, 
en had dan menigen verwarden droom van al die dingen. Maar als ik 
tusschenbeide wakker werd, zag ik buiten het portier niet de speelplaats 
van Salem House, en hoorde ul niet hoe mijnheer Creakle Traddles af- 
roste, maar hoe de koetsier zijne paarden aanzweepte. 



vm. 

MIJNB VACANTIEDAGEN. VOORAL SEN VSRGENOEGDE NAMIDDAG. 

Toen wij voor den dageraad de herberg bereikten waar de diligence 
oi)hield, welke niet de herberg was waar de knecht woonde, die zoo 
vriendelijk voor mij was geweest, bracht men mij naar een net slaapka- 
mertje, waar op de deur het woord iDolfijn" was geschilderd. Ik weet 
wel dat ik zeer koud was, in weerwil van de heete thee, die men mij be- 
neden voor een groot vuur te drinken had gegeven, en zeer blijde 
dat ik in bed kon kruipen, de dekens om mijn hals instoppen en gaan 
slapen. 

Barkis, de vrachtrijder, zou mij des morgens om negen uur komen 
halen. Ik stond om acht uur op, nog een weingje zwaar in hoofd, omdat 
ik zoo kort had geslapen, en was voor den bepaalden tijd voor hem ge- 
reed. Hij ontving mij eveneens alsof het geene vijf minuten geleden 
was, dat wij elkander voor het laatst hadden gezien, en ik maar even het 
logement was binnenge^aan om een zesstuiversstuk tewisselen, ofiets 
van dien aard. Zoodra ik en mijne kist in de kar waren en de voerman 
gezeten was, stapte het luie paard in zijn gewonen tred voort 

»Gij zieter heel goed uit, mijnheer Barus," zeide ik, denkende, dat hij 
<lit gaame zou hooren. 



BARKIS WACBT OP AMTWOORD. 89 

Btrlds wreef zijne wang met den opsl^ zijncr mouw, en keek vervol- 
gaa luar zijne mouw, alsof hij verwaditte er tets van zijn bios op te zullen 
Yinden, maar gaf geeo ander blijk, dat hij mijn compliment gehoord had. 

ilk beb uwe boodschap gedaan, mijnheei Barkis," zeide ik. >Ik heb 
aaa Peggotty gcscbreven !" — »Zoo!" zeide Barkis. 

Barkis scheen knorrig te zijn en imtwoordde zeer stroef. 

>Was dat niet goed, mijnheer Barkis?" zeide ik, na eene poos aarze- 
Jens. — iWelncen," antwoordde Barkis. — >De boodschap niet?" — 
>De boodschap was misschien wel goed," zeide Barkis, *maar daarbij 
is bet geblevcn." 

Daar ik niet begreep wat hij meende, herhaalde ik vragend : > Daarbij 
geUeven. mijnheer Barkis?" — >Niets van ttekomen," antwoordde hij, 
mij zijdelinfp aanziende. »Geen antwoord," — » Was er dan antwoord 
seinicbt, mijnheer Barkis?" zeide ik, mijneoogenwijdopenende; want 
bet was een nieuw licht, dat nu voor mij opging. — * Als een man zegt 
dat hij klaar is," zeide Barkis, wederom tangzaam zijn hoofd omdraaiendie 
om mij aan te den, >is dat zooveel gezegd als dat die man antwoord 
wicht." — » Welnu, mijnheer Barkis ?" — »Wchiu," antwoordde Barkis, 
zqne oc^en weder op de ooren van zijn paard vcstigcnde: >die man 
wacht nog altijd op antwoord," — (Hebtgijhaar zoo gezegd, mijnheer 
Bvkis^' — >Ne-een,"bromde Barkis, er over peinzende. ilkhadgecn 
but om baar dat te zeggen. Ik heb nooit zes woorden met baar gesproken. 
Ik tal baar dat niet gaan leggen." — > Zoudt ge gaame willen, dat ik 
hetdeed, mijnheer Barkis ?"vraegiktwijfelend. — >Gij zoudt baar wel 
DK^^en zeggen, als ge wilt," antwoordde Barkis, nogmaals langzaam 
naar mij omkijkende, > dat Barkis antwoord wacht. Zeg eens — hoe is de 
Mam!" — iHaar naam?" — »Ja!" zeide Barkis knikkende. — »Peg- 
jotty." — *Doopnaam?" zeide Barkis. — iNeen, datis haardoopnaam 
met," antwoordde ilt, »Haar doopnaam is Clara." — iZoo waarlijk!" 
zeide Barkis. 

Hij scheen in deze omstandigbeidstoftotgewichtigeoverdenkingen 
te yinden, en zat ccnigcn tijd tc peinzen en tc fluiten. 

» Wel," zeide hij eindelijk. * Gij zegt : > Feggottv, Barkis wacht op ant- 
woord." Zij zegt misschien: >Antwoord, waaropr" Gij zegt: >Op wat ik 
n gezegd beb." >Wat is dat?" zegt zij. iBarkis is klaar," zegt gij. 

Deze bnitengemeen schrandere vinding vergezelde Barkis met een 
eUeboogstoot, die mij een steek in de zijde deed krijgen. Daarna zat hi} 
op zijne gewone manier over zijn paard te hangen en roerde bet onder- 
weip niet weder aan, behalve dat bij een half uur later een stukkrijtuit 
zijn zak haalde en tegen een binnenwand van de karscbreef: iCIara 
Peggotty" — blijkbaar om zijn geheugen te hulp te komen. 

Ach, welk een vreemd gevoel was het, naar huis te gaan terwijl bet 
geen dnda meci voor mij was, en te ondervinden hoc alles wat ik zag mij 
■an het gelukkige oude moedeilijke huis herinnerde, dat naar een droom 
gele^ dien ik nooit weder kon droomen ! De dagen toen mijne moe- 
3er, ik en Peggotty alles in alles voor elkander waren en er niemand 
ons kvam, reien onderweg zoo treurig voor mij op, dat ik niet 



zeker ben of ik wel blijde was, dat ik naar huia gtng — met zeker ben of 
ik niet liever had willen wcgblijven en in Steerforth's gezelschap het 
ouderlijke huis vergeten. Maar ik was onderweg, en spoedig was ik bij 
ons huis, waar de kale oude olmen hunne vele handen in de gure winter- 
Iticht stonden te wringen, en de overblij&elen der oude kraaiennesteD 
bij stukken door den wind werden weggevoerd. 

De voerman zette mijn koffer bij het tuinhek neer en verliet mij. Ik 
ging het pad naar hub op, tenvijj ik naar de vensters keek en bij iederen 
voetstap vreesde het dreigende gezichl van mijnheer Murdstone of zijne 
zuster voor een daarvan naar mij te zien turen. Er veitoonde zich echter 
geen geiicht ; en toen ik aan het huis was gekomen, wetende hoe ik voor 
den donker zonder aankloppen de deur kon openen, ging ik met zachte, 
beschroomde schreden naar binnen. 

God weet hoe kinderUjk de herinnering mag geweest zijn, die door de 
stem mijner moeder bij mij werd opgewekt, zoodra ik een voet in bet 
voorhuis zette. Ik hoorde haar xacbt emgen. Ik denk dat ik, toen ik nog 
maar een kind was, in hare armen moest hebben gelegen en haai zoo 
voor mij hooren zingen. De wijs was nieuw voor mij, en toch zoo oud, 
dat zij mijn hart op eens lot overloopens toe vol deed worden, gehjk een 
oud vriend, na lange afwezigheid teruggekomen. 

Uit den mijmerenden toon, waarmede mijne moeder haar gezangneu- 
riede, bcgreep ik dat zij alleen was. En ik sloop zachtjes de kamer bm- 
nen. Zij zat bij het vuur een wichtje zoogende, welks mollig handje zij 
met hare hand tegen haar hals drukte. Hare neergeslagene oogen staar- 
den in het gezichtje, en zij zat voor dit wichtje te zingen. Ik had in zoo- 
verre gehjk, dat zij geen ander gezelschap had. 

Ik sprak haar aan, en zij sprong verschrikt op en gaf een gil. Maar toen 
zij mij zag, noemde zij mij haar heve David, haar kind I en mij halver- 
wege de kamer te gemoet komende, knielde zij op den grond en kuste 
mij, en legde mijn noofd tegen hare borst, naast het wichtje, dat zich 
daaraan verschool, en bracht zijn handje aan mijne lippen. 

Ik wensch, dat ik gestorven ware. Ik wensch, dat ik toen gestorven 
ware, met dat gevoel in het hart I Dan zou ik raeer geschikt voor dot 
bemel zijn geweest, dan ik sedert ooit geweest ben. 

iHij is uw broertje!" zeide mijne moeder, mij liefkoozende. »David, 
mijn heve jongen ! Mijn arm kind !" Toen kuste zij mij nog ecns en nog 
eens, en sloeg haar arm om mijn hals. Dit deed zij jtiist toen Peggotty 
kwam binnenstuiven, en zich bij ons op den grond neersmakte, en zich 
een kwartier lang aanstelde alsof zij dol was. 

Het bleek, dat men mij nog niet verwacht had, daar de voerman veel 
vroeger danop zijn gewonen tijd was gekomen. Het bleek ook, dat mijn- 
heer Murdstone en zijne zuster in de buurt een bezoek waren gaan afleg- 
gen en niet voor des avonds zouden terugkomen. Dit had ik nooit dur- 
ven hopen. Ik had het niet mogelijk durven achten, dat wij nog eens on- 
gestoord met ons drieen bij elkander zouden zijn; en voor dat oogenblik 
was het mij alsof de oude tijd was teruggekomen. 
, Wij aten daar in de kamer met elkander. Peggotty wildeachtcrdetafel 



k 



IflJN MOEDER, PEGGOTTY EN IK. 91 



Uijven staan om ons te bedienen, maar mijne moeder wilde dit niet toe* 
kten en deed haar bij ons plaats nemen. Ik had mijn eigen bord van 
Toorheen, met een bruin oorlogschip met voile zeilenerop,datPeggotty 
al den tijd, dien ik weg was geweest, als een schat had bewaard, en voor 
geen honderd ]K)nd, zeide zij, had willen zien breken. Ik had mijn eigen 
ood kroesje^ met David er op, en mijn eigen oud vorkje en mesje, dat 
niet wilde snijden. 
Terwijl wij aan tafel zaten, achtte ik het eene gunstige gelegenheid om 
. Peggotty van Barkis te vertellen, maar eer ik nog gedaan had, begon zij 
I telachen en sloeg haar voorschoot over haar gezicht. 
1 >Peggotty zeide mijne moeder. iWat scheelt u ?" 
• P^otty lachte slechts des te harder, en hield haar voorschoot, toen 
miJDe moeder het wilde wegtrekken, stijf over haar gezicht vast, zoodat 
zij daar zat alsof zij haar hoofd in een zak had. 

>Wat doct gij toch, malle meid ?" zeide mijne moeder lachende. — « 

»Och, die gekke vent !" riep Peggotty uit. iHij wil met mij trouwen." — 

)Dat zou een heel goed huwelijk voor u wezen ; zou het niet ?" zeido 

mqnc moeder. — > Och, dat weet ik niet," antwoordde Peggotty. > Spreek 

I er maar niet van. Ik zou hem niet willen hebben al was hij van goud ge- 

I maakt. Ik wil niemand hebben." — > Waarom zegt gijhem dat dan niet, 

I vonderlijk schepsel?" zeide mijne moeder. — >Hem dat zeggen?" ant* 

f woordde Peggotty, uit haar voorschoot uitkijkende. > Hij heeft er mij nog 

Booit een woord van gesproken. Hij is wel wijzer. Als hij het hart been 

om mij zoo iets te zeggen, zou ik hem een slag in zijn gezicht geven." 

Haar eigen gezicht was zoo rood als ik het ooit gezien had, of als ooit 
een gezicht wezen kon, denk ik ; maar zij bedekte het eenige malen weder 
TOOT een oogenblik met haar voorschoot, kreeg dan eene geweldigQ 
hfhbui, en na twee of drie van die vlagen ging zij weder aan het eten. 

Ik merkte op, dat mijne moeder, hoewel zij glimlachte, als Peggotty 
baar aanzag, emstiger en meer nadenkend werd. Ik had terstond gezien, 
dat zij veranderd was. Haar gezichtje was nog zeerbevalHg, maar het 
stond zorgelijk, en scheen al te fijn en teer te zijn ; en hare vingers waren 
100 dun en wit, dat zij mij voorkwamen bijna doorschijnend te wezen. 
Maar de verandering, die ik nu bedoel, kwam nog bovendien daarbij : 
z^' scheen nu angstig en onthutst te zijn. Eindelijk zeide zij, hare hand 
Mstrekkende en ze vriendelijk op die barer oude dienares leggende : 

iPcggotty, lieve, gij zult toch niet gaan trouwen ?" — »Ik, mevrouw?" 
antwoordde Peggotty, verwonderd starende. >Wel Heere, neen!" — 
iNog zoo gauw niet ?" zeide mijne moeder, bijna smeekende. — > Nooit !" 
ncp Peggotty uit. 
Mijne moeder vatte haar bij de hand en zeide : 
>Verlaat mij niet, Peggotty. Blijf bij mij. Het zal misschien niet voor 
kng meer zijn. Wat zou ik zonder u beginnen!" — > U verlaten, mijn 
liartjc !" riep Peggotty. * Voor de geheele wereld niet. Wel, wie heeft dat 
in nw onnoozel hoofdje gebracht ?" — Want Peggotty was vanouds af 
gewooD om somtijds tegen mijne moeder te spreken alsof zij een kleiu 
^was. 



92 DAVID COPPERFIBLD. 



Do€h mijne moeder gaf geen antwoord) behalve om haar le bedanken, ^ 
en toen ging Peggotty op haar trant voort 

ilk u verlaten ? Wei ja^ dat zie ik mij zelve al doen, dunkt mij, Peg- - 
gotty van u wegloopen ? Ik zou er haar wel eens op willen betrappen! 
Neen, neen^ neen," zeide Peggotty, haar hoofd schuddende en hare i 
armen over elkander slaande. >Zij niet, mijn liefje. Niet dat ergeene ^ 
katten zijn, die wel blij zouden wezen als zij het deed ; maar zij zuUeii - 
niet blij gemaakt worden. Zij zullen gesard worden. Ik zal bij u blijven i 
tot ik een knorrig en lastig oud wijf ben. En als ik te dooi, en te blind en ^ 
te veel van den tand ben om ergens meer toe te kunnen dienen, zel6 niet - 
om beknord te worden, dan zal ik naar mijn David gaan en hem vragen ^ 
om mij op te nemen." — i£n Peggotty," zeide ik, >ik zal blij zijn als ik ~ 
u zie, en u eene welkomst geven als eene koningin." — »God zegene uw , 
lief hartje !" riep Peggotty uit. >Ik weet wel, dat ge dat zult !" En zij kustc r:, 
mij reeds bij voorraad, tot dankbare erkentenis van mijne gastvrijheid. 
Daama bedekte zij haar hoofd weder met haar voorschoot, en ging nog 
eens over Barkis zitten lachen. Daama nam zij het wichtje uit de wieg < 
en suste het. Daama ruimde zij de tafelaf, en kwam zij weder binnen -- 
met eene andere muts op, en met haar naaidoosje, haar ellemaatje en -- 
haar eindje waskaars, alles juist eveneens als te voren. ^ 

Wij zaten om het vuur genoeglijk te praten. Ik vertelde welk een hard ^ 
meester mijnheer Creakle was, en zij beklaagden mij zeer. Ik vertekk '^i 
welk een knappe jongen Steerforth was en hoe hij mij begunstigde, en Peg- -^ 
gott^ zeide, dat zij wel twintig mijlen ver zou willen loopen om hemeeu — 
te zien. Ik nam het kleine kindje in mijne armen toen het wakker was — 
en liefkoosde het. Toen het weder sliep, kroop ik dichtbij mijne moeder, 
volgens mijne oude gewoonte, nu zoo lang afgebroken, en zat met mipe 
armen om haar middel en mijn roode wang tegen haar schouder, en 
voelde weder hare zachte haren over mij zweven — gelijk de vleugelen 
van een engel, placht ik te denken ; dit herinner ik mij nog wel — en 
was waarlijk volmaakt gelukkig. 

Terwijl ik zoo zat in het vuuf te staren, en schilderijQ'esin de gloeiende 
kolen zag, begon ik bijna te gelooven, dat ik nooit weg was geweest; 
dat mijnheer Murdstone en zijne zuster ook zulkeschilderijenwaren, 
en verdwijnen zouden als het vuur af brandde, en er in al wat ik heria- 
nerdeniets wezenlijks was, behalve mijne moeder, Peggotty en ik. 

Peggotty zat zoo lang zij zien kon aan eene kous te stoppen, en dan 
bleef zij, met de kous als een handschoen aan de linkerhand en de naald ^ 
in hare rechter zitten wachten, gereed om weder een steek te doen als ^ 
het vuur eens opvlamde. Ik kan mij niet verbeelden van wie die kousen 
waren, die Peggotty altijd zat te stoppen, of waar zulk een onuitputtelijke ^ 
toevoer van kousen om te stoppen kan vandaan zijn gekomen. Van t 
mijne vroegste kindsh^id af, schijnt zij altijd aan dat soort van naalden- ^ 
werk bezig te zijn geweest, en nooit aan eenig ander. 

>Ik verwonder mij," zeide Peggotty, die zich somtijds op eens over 
lets zeer onverwachts kon verwonderen, > waar David's oudtantetodi 
gebleven is ?" — > Heere, Peggotty !" zeide mijne moeder, uit een mijme- 1 



picGorry txrwondbst zicb waar uune tantr gkblevkn is. 93 

a>d ^epeins ontwakende; *wat ktmt getocbmalpratcDl" — iNeen, 
laar ik verwondcr mij cr waarlijk over, mevrouw," zeidc Feggotty. — 
Hoe kaa n zoo iemand in het hoofd komeD i" zeide miJDe mocder. 
Hebe gij dan nicnmnd anders in dc wereld om aan te denken }" — ilk 
cet nict hoehet is,"2ntwoorddePcggotty, tofhctmoetwezenomdat 
I loodom ben, maar ik kan maar zoo niet kiezen, welke menschen mij 
I het hoofd moeten komen. Zij komen en gaan, of komen nict en gaan 
tet, juist zooals zij maar wiUen. Ik ben er werkelijk benieuwd naar, waar 
g toch gcblevcn is." — iHoewonderlijkkuntgetochwezen,Peggottyl" 
tide mijne moeder. >Men zou denken, dat ge nog eens een bezoek van 
•ar zoadt willen hebben." — »Heerc, bewaar ons!" riep Peggotty uit. 
- > Welno, praat dan niet van znlke onpleizierige dingen, als eene goede 
Mid," zeide mijne moeder. ijuflrouw Betsey zit zeker weder in haar 
ta^ aan den zeekant opgesloten, en zai daar wel blijven. In alien ge- 
■De is het niet te denken, dat zij ons ooit weder zallastigvallen." — 
Necn!" zeide Peggotty peinzende. iNeen, dat is zeker geheelniette 
Icnken. — Het zou mij verwonderco, als zij sderE, of zij David wat zou 
mlaXeni" — » Wei goede hemel Peggotty," antwoordde mijne moeder, 
hoe kmit ge tocfa zoo dwaas zijn, daar ge wel weet dat zij het ze\b kwa- 
gk nam, dat de arme lieve jongen op de wereld kwam." — » Het kon 
oisschicn wel zijn, dat lij hem dat nu wel zou willen vergeven," zeide 
Peggotty, half bmnensmonds. — iWaarom zou zij het hem nil willen 
pogeven f" vroeg mijne moeder, niet zonder scherphcid. — » Nu hij een 
jToeTtje heeft Kekregen, mcen ik," zeide Peggotty. 

l/Gjat moeder b^on dadelijk te schrcicn en verwonderde zich hoe 
l^ggotty zoo iets duride zeggen. 

>Aliof dat arm, onschuklig kind in zijn wiegje u of iemand anders 
loit eenig kwaad hadt gedaan, gij wangunsd^ schepsel !" zeide zij. > Gij 
nodt veel beter doen als ge maar met Barkis den voerman gingt trou- 
VOL. Waarom doet git dat niet?" — iQczoujnfirouwMurdstonealte 
lilit maken als ik dat deed," antwoordde Peggotty. — >Wateenleelijken 
laid hebt ge toch, Peggottyl" zeide mijne moeder daarop. >Ge zijt zoo 
nngnnstig op juffrouw Murdstone, als zulk een wonderlijk schepsel 
Daar wesen kan. Gij zoudt lelve de sleutels willen hebben en alles iiit- 
^en, denk ik i Het zou mij niet verwonderen als dat zoo was. Ed gij 
net toch, dat zij het uit vriendelijkbeid en met de beste inzichteo doet. 
)at weet gij heel wel, Peggotty." 

'Peggauj mompelde iets van ibeste inzicbtcn, die de drommel mocht 
Mla^^ en nog iets, dat zij van die beste inzichten al meer dan geno^ 
mA. 

»Ik weet wel wat gij meeot, knorrepot," zeidc mijne moeder. >Ik be- 
rijp B volkomen, P^got^. (^j weet wel, dat ik dat doe, en het verwoo- 
int mij dat gi} geenkleur 'knygl als vuur. Doe maar €ia ding te gelijk. 
Sb bd hebben wij het over juSrouv MsrdBtone, Peggotty, en op dat 
ant laat ik n niet los. Hebt gij het haar niet dikwijls hooren zeggen i Dc 
en aaor ham gedachtsn te onnadenkend en te — te«" — vTemooi," 
cide P^got^ ladrt. — iWelau," antwoordde mijoc nocder, baU 



t)4 DAVID COPPERnELD, 

lachende, i en als zij mal genoeg is om zoo te zeggen kan ik het dan 
helpen?" — »Erisniemand,diedatzegt,"zeidePeggotty,- — iDatzou 
ik waarlijk ook hopen," hervatte mijne moeder. »Hebt gij haarniet dik- 
Wijls hooren zeggen, dat zij mij om die reden alle moeite wenscht uit te 
hc^en, waarvoor zij denkt dat ik nietberekend ben, en waarvoor ik waar- 
lijk zelf niet weet of ik wel berekend ben; en is zij niet vroeg en laat op, 
en loopt zij niet gedurig been en weer — en doet zij niet allerlei dingen, 
CD kruipt zij niet overal in, in het kotenhok en de keukenkasten en ik 
Weet niet al waar, dat toch niet heel pleizierig kan zijn — en wilt gij haar 
dan verdacht maken, dat zij het met wel met mij raeentf" — »Ikwi! 
niemand verdacht maken," zeide Peggotty, — ■ » Dat doet gij wel, Peg- 
gotty," antwoordde mijne moeder. » Gij doet nooit iets anders, behalre 
uw werk. Gij zijt altijd aan het verdacht maken en hebt er pleizier in. 
En als gij van mijnheer Murdstone's goede inztchten spreekt..." — 
iDaarvan heb ik nooit gesproken," zeide Peggotty. — »Neen," ant- 
woordde mijne moeder, iinaar ze toch verdacht willen maken. Dal is 
juist wat ik u zoo even gezegd heb, Dat is het ergste van u. Gij wilt altijd 
verdacht maken. Ik heb u zooeven gezegd, dat ik ti begreep, en nu net 
ge wel, dat ik dat doe. Als gij van mijnheer Murdstone's goede inzichten 
spreekt en u houdl alsof gij ze verdacht (want ik geloof niet, dat gij dat 
in uw hart werkelijk doet, Peggotty), moet ge toch evenzeer overtiiigd 
Kijn ab ik, hoe goed ze zijn, en hoe zij hem in alles besturen. Als hij voor 
zeker iemaod hard schijnt te zijn, Peggotty — gij begrijpt wel, en David 
doet dat zeker ook, dat ik niet iemand bedoel, die hier in de kamer is — 
is dat alles omdat hij zich overtuigd houdt, dat dit tot zeker jemands 
bestwil zal strekken. Hij heed zeker iemand om mijnentwil lief, en doet 
alles alleen tot zeker iemands bestiriL Hij is beter in staat om daarover 
te oordeekn dan ik; want ik weet heel wel, dat ik een zwak, onbedacht 
en kinderachtig schepseltje ben, en dat hij een emstig denkend man van 
een vast karakter is. En hij geeft zich,'' zeide mijne moeder, terwijl de 
tranen, die liefderijke teerhartigheid haarontlokte, over hare wangen rol- 
den, »hij geeft zich veel moeite met mij; en ikbehoor hem zeerdankbaar 
te zijn, en zelfs in mijne gedachten zeer onderworpen voor hem; en als 
ik dat niet- ben, Peggotty, laak en kwel ik er mij zelve over, en twijfelik 
aan mijneigen hart, en weet niet wat tebeginnen." 

Peggotty zat met hare kin op den voet der kous zwijgend in het vuar 
te staren. 

»Kom aan, Peggotty," zeide mijne moeder, van toon veranderende, 
»latenwij geen ongenoegen met elkander hebben, want dat zou ik niet 
kunnen dragen. Gij zijt mijne trouwe vriendin, dat weet ik, als ik er eene 
op de wereld heb. Als ik u een wonderlijk schepsel of eene lastige meid i 
noem, of iets van dien aard, Peggotty, dan meen ik maar, dat gij mijne 
trouwe vriendin zijt, en altijd zijt geweest, sedert dien avond toen mijn- | 
heer Copperfield mij hier voor het eerst thuis bracht, en gij mij buiten 
het hek te gemoet kwaamt loopen," ' 

Peggotty draalde niet met een gunstig antwoord, en bekrachtigde het 
vriendschapsverdrag door mij eens hartelijk te omhelzen. Ik geloof, dat 



HARTBLTfKB OMTVANGST DOOR DE MURDSTONE's. 95 

ik Op dien tijd wel iets van den waren aard van dit gesprek begreep ; 
maar thans ben ik er volkomen zeker van, dat de goede meid er alieen 
aanleiding toe had gcgeven, opdat mijne moeder gelegenheid zou heb- 
ben om haar hart te ontlastcn door die uitboezeming, waarmede zij het 
hadbesloten. Haar oogmerk werd volkomen bereikt; want ik herinner 
mij, dat mijne moeder het overige van den avond meer op haar gemak 
was, CD dat Feggotty minder op haar lette. 

Toen wij thee hadden gedronken, en het vuur was bijgelegd, en de 
kaarsen gesnoten waren, las ik Feggotty, ter gedachtcnis van den ouden 
tijd, een hoofdstuk uil het krokodilienboek voor. Zij haalde dit boek uit 
haar zaki ik weet niet of zij het al dien lijd daarin had bewaard.'; en 
daama praatten wij over Salem House, hetgeen mij weder op Steerforth 
bracht, van wien ik nooit genoeg kon vertellen, Wij waren zeer verge- 
noegd ; en die avond — de laatste van zija stam en bestemd om dat boek- 
deel van mijn leven voor attijd te sluiten — zal mij nooit uil het geheugen 
g«an. 

Het was bijna tien uur, eer wij een rijtuig hoorden. Wij stonden alien 
op, en mijne moeder zeide haastig, dat ik, daarhet zoolaatwa3,enmijn■ 
hee^ Murdstone en zijne zuster goedvonden, dat kinderen vroeg te rust 
gingen, misschien maar liever naar bed moest gaan. Ik gaf haar een kus, 
en ging terstond met mijn blaker naar boven, eer zij binnenkwamen. Het 
icheen mijne kinderlijke verbeelding toe, dat zij, terwijl ik naar de slaap- 
kamer ging waar ik gevangen had gezeten, een kouden tocht in huis 
medebrachten, welke het oude gevoel van vertrouwelijke gemeenzaam- 
hdd als een veertje wegblies. 

Ik was niet op mijn gemak toen ik des morgens naar beneden moest 
gun om te ontbijten, daar ik mijnheer Murdstone seder t den dag, waarop 
i mijn gedenkwaardig misdrijf had gepleegd, niet weder onder de oogen 
was gekomen. Het moest even wel geschieden, en ik ging naar beneden — 
nadat ik twee- of driemaal halverwege was gekomen en op de teenen 
weder naar mijne kamer was geslopen — en trad de voorkamer binnen. 
Hij stond voor het vuur, met zijn rug daar naar toe, terwijl juffrouw 
Murdstone bezig was met thee te zetten. Hij zag mij strak aan toen ik 
binnenkwam, maar gaf geen blijk van herkenning. 

Na een oogenblik van verlegenheid, ging ik naar hem toe en zeide : 
>Ik verzoek u excuus, mijnheer. Ik heb veel spijt van wat ik gedaan heb, 
en hoop, dat gij het mij vergeven zult." 
» Het verheugt mij te hooren, dat het u spijt, David," antwoordde hij. 
De hand, die hij mij gaf, was de hand die ik gebeten had. Ik kon niet 
nalaten mijn blik een oogenbhk op eene roode plek op die hand te laten 
nisten; maar zij was zoo rood niet als ik werd, toen ik die drcigende uit- 
dnikking van zijn gezicht ontmoette. 

»Hoe vaart gij, juffrouw?" zeide ik tot juffrouw Murdstone. — lOch 
Heere!" zuchtte zij, mij het theeschepje in plaats van hare vingers ge- 
Tende. iHoelang duurt de vacantief" — »Eene maand^uf&ouw." — 
1 Van wanneer af gerekend ?" — > Van vandaag af, juffrouw." — » Zoo 1" 
zdde ju&ouw Murdstone, > Dan is er haast 66n dag af." 



96 DAVID COFPERFIBLD. 

Op deze vijs hidd zij een almanak van de vacandcdagen, en elken 
morgen telde zij erjuist op dezelfde tnanicT, ecu dag van ai. Zij decddit 
met sombere neerslachtigheid tot zij de tien bereikte, maar toeii zij in de 
twee djfers was gckomen werd zij opgeniimder, en met faet verloop van 
tijd zcik schertsend vroolijk. 

Het was op den allereersten dag, dat ik bet ongeluk hadomhaar,Iioe- 
wel zij anders niet licht schrikte, ecn geweldigen schrik op bet lijfte 
ja^en. Ik kwam in de kamer, waar zij en mijne moedei zaten; en daar 
mijn broertje (dat nog maar eenige weken oud was) op mijn moedera 
schoot lag, nam ik het zeer behoedzaam in mijne annen. Eensklaps gaf 
juffrouw Murdstone zulk een gil, dat ik het bijna had laten vallen. 

»Mijnc licve Jane!" riep mijne moederuit. — > Gocde hemel, Claia, 
zict gij niet ?" gilde ju&ouw Murdstone. — » Wat zicn, lieve Jane ?" zeide 
mijne moeder. >Waarf" — iHij heeft het!" riep juffrouw Murdstone. 
1 De jongen heeft het kind !" 

Zij zakte in elkander van ontzetdng ; maar nchtte zich weder op, ota 
naar mij toe te schieten en het mij uit de annen te nemen. Daarop werd 
zij flauw, en bleef 100 erg ongesteld, dat men verplicht was haar morel- 
len-brandewijn te geven. Toen zij weder bekomen was, werd mij plechdg 
door haar verboden, om mijn broertje ooit, onder welk voorwendsd 
ook, wedcT aan te raken; en mijne arme moeder, die ik wel zien kon dat 
dit anders wenschte, gaf gedwee hare toestemming tot ditverbod door 
tezeggen; »Gijzult zondertwijfcl wel gelijkhebben, lieve Jane?" 

Een andcrmaal, toen wij weder met ons drieSn bij elkander waren, 
washetzelfde dierbarewichtje, het was mij waarlijk dierbaar, om dea wil 
(wzer moedei — de onschuldige oorzaak, dat ju&ouw Murdstone zich 
drift^ maakte, Mijne moeder, die het, terwijl het op haar schoot lag, in 
de oogjes had gekeken, zeide: > David, kom eens bier!" en keek toen 
naar mijne oogen. 

Ik zag juffrouw Murdstone hare kraal^es neerteggen. 

>Ik moet waarlijk zeggen," zeide mijne moeder zacht, > nj gelijken 
piedes op elkander. Ik gelooE, dat het de mijne zijn. Ik denk, dat zij 
mijne kleur hebbca. Maar zij gelijken verbazoid op elkander. — > Waar- 
over praat gij toch, Clara?" zeide juffrouw Murdstone. — it£jne lieve 
Jane," stamelde mijne moedei, eenigszins onthutst door den banchen 
toon dezer vraag, >ik vind, dat de oogen van mijn kleint}e ea die van 
David zoo volmaakt op elkandei gelijken." — iClaral" zeide jnCfronw 
Murdstone, toomig opstaande, igij kunt toch somtijds eene echte sottia 
zijn." — >MaaT lieve Jaiie,"brachtmijnemoedeischroomvaUighierte- 
gen in. — >£ene cchte zottin!" heihaalde jn&ouw Hmdstone. ■ Wte 
andeis zou ooit mijn broederakmd metnw jongen kunnenveTgelqkfln^ 
Zij gelijken geheel niet op elkaai. Zij verschiUen geheel en u in alle 
opzicbten. Ik hoop, dat zij dat altijd znllen blijven doen. Ik wil hicr met 
langer naar ztilke vergeHjlungeQ dtten luiateren. Daannede ging zij def- 
tig heen en tr^k de deur met een slag achta tich toe. 

Kortom, ik was geen gmisteling van ju&ouw h&irdtione. Ik waa eigen- 
lijk daar geen gunatelbig van iauml, van mij ichsB ook aiet; want sq. 



IK WORD DOOR DE MURDSTONE's VERSTAAN. 97 

die mij wel mochten lijden, konden dit niet toonen, en zij, die mij niet 
moditen lijden, toonden dit zoo duidelijk, dat ik eene dnikkende be- 
wustheid met mij omdroeg van er altijd even stijf^ stom en lomp uit 
te zien. 

Ik gevoelde, dat ik hen even onrustig maakte, als zij mij deden. Als ik 
in de kamer kwam, en zij met elkander zaten te praten, en mijne moeder 
opgeniimd scheen te zijn, kwam er, zoodra ik binnen was, een nevel van 
angstvalligheid over haar gelaat. Als mijnheer Murdstone in zijn beste 
hmneur was, bracht ik hem er uit Als juffrouw Murdstone in haar slechtste 
was, versterkte ik haar daarin. Ik had verstand genoeg om te begrijpen, 
dat mijne moeder altijd het slachtoffer was ; dat zij bang was om tegen 
mij te spreken of mij vriendelijk te bejegenen, uit angst, dat zij hun door 
de manier, waarop zij dit deed, eenigen aanstoot zou geven, en dan 
naderhand eene les krijgen ; dat zij niet alleen onophoudelijk bevreesd 
was, dat zij zelve iets zou misdoen, maar ook dat ik lets zou misdoen, en 
onrostig op hunne blikken lette als ik mij maar bewoog. Ik besloot 
daarom hun zooveel ik maar kon uit den weg te blijven ; en menig win- 
teruur hoorde ik de kerkklok slaan^ terwijl ik in mijne barre slaapkamer, 
in mijn jasje gewikkeld, in een boek zat te turen. 

Des avonds ging ik somtijds bij Peggotty in de keuken zitten. Daar 
was ik op mijn gemak en niet bang voor mij zelven. Doch geen van die 
twee uitvluchten werd in de voorkamer goedgekeurd. De plaagzucht, 
die daar heerschte, maakte aan beiden een einde. Ik werd nog noodig 
geacht om mijne arme moeder vastheid te doen leeren, en daar ik dienen 
moest om haar op de proef te stellen, kon men niet toelaten, dat ik mij 
verwijderde. 

> David," zeide mijnheer Murdstone eens na den maaltijd, toen ik 
Yolgens gewoonte de kamer wilde uitgaan, >hetspijtmij temoetenop- 
merken^ dat gij stug van aard zijt." — »Zoo norsch als een beer!" zeide 
juflfrouw Murdstone. 

Ik bleef staan en liet het hoofd hangen. 

1 En David," vervolgde mijnheer Murdstone, >eenestugge,weerbar- 
stige inborst is de slechtste die iemand kan hebben." — > En die jongen 
is zoo stug en weerbarstig als ik ooit iemand gezien heb," merkte zijne 
zuster aan. >Mij dunkt, lieve Clara, dat zelfs gij dit moet hebben opge- 
merkt." — >Neem mij niet kwalijk, lieve Jane," zeide mijne moeder, 
»maar zijt gij er wel geheel zeker van — gij zult mij toch wel verschoo- 
nen, lieve Jane, — dat gij David goed verstaat?" — » Ik zou mij eenigszins 
voor mij zelven schamen, Clara," antwoordde juflfrouw Murdstone, » als 
ik dien jongen, of welke jongen het wezen mocht, niet kon verstaan. Ik 
wil mij niet voor heel schrander uitgeven; maar ik maak toch aanspraak 
op gezond verstand." — > Zonder twijfel, lieve Jane," antwoordde mijne 
moeder, igij hebt een zeer krachtig verstand...." — »Och Heere, neen ! 
Zeg dat toch niet, Clara," viel ju&ouw Murdstone er gramstorig op in. 
— »Maar het is toch zeker zoo," hervatte mijne moeder, »en iedereen 
weet, dat het zoo is. Ik zelf heb er op vele manieren zooveel nut van — 
behoorde dat ten minste te hebben — dat niemand er meer van over- 

DAVm COPPBRFIBLD. — I. *I 



98 DAVID COPPERFIBLD. 

tulgd kan zijn dan ik; en daarom spreek ik met groote angstvalligheid, 
lievc Jane, dat vereeker ik u," — » Wij zuUen dan maar zeggen, dat ik 
den jongen niet versta, Clara," antwoordde juffrouw Murdstone, de 
kluisters om hare polsen wat verschikkende, »Wij zullcn het er dan, als 
het u belieft, maar voor houden, dat ik hem geheel niet versta. Hij is mij 
veel tc gesloten. Maar misschien zal miJD breeders doorzicht hem toch 
tot eenig inzicht in zijn karakter kunnen helpen. En ik geloof, dat mijn 
broedcr er over aan het spreken was, toen wij hem — niet zeer welge- 
manierd — in de rede vielen." — »Ik denk, Clara," zeide mijnheer 
Murdstone met ecne zware stem en zeer eni3tig,»datermisschienbctere 
en meer onpartijdige rechters over die vraag zullen zijn dan gij." — 
lEdward," antwoordde mijne moederschroomvallig, igijzijtoversUe 
dingen een veel beter rechter dan waarvoor ik mij ooit kan uitgeven. 
Datzijt gijenjanebeiden. Ikzeidenookmaar..." — > Gij hebt maar iets 
zvaks en onbedachts gezegd," antwoordde hij. iDoe uw best om dat 
niet weder te doen^ lieve Clara, en houd de wacht over u zelve." 

Mijne moederbewoog hare lippenalsofzij zeide: >Ja,Iieve Edward," 
maar overluid sprak zij geen woord. 

»Het spijt mij, David, zeide ik," hervatte mijnheer Murdstone, zich 
zeer stijf naar roij omkeerende en mij strak aanziende, ■ te moeten op- 
merken, dat gij stug van aard zijt Ik kan zulk een karakter zich met 
onder mijne oogen laten ontwikkelen, zonder eene poging te willcn doen 
om het te verbeteren. Gij moet dat trachten te veranderen, jon^e hecr. 
Wij moeten trachten het u te doen vcranderen." — »Neem mij nietkwa- 
lijk, mijnheer," stamelde ik. ilkhcb zoolangik hier terugben nooitstug 
willen zijn." — »Verschuil u nietachtereene lcugen,jongeheerI" ant- 
woordde hij, zoo gramstorig, dat ik mijne moedcr onwillekeurig hare 
bevende hand zag uitsteken, als om tusschen ons in te komen. > Gij hebt 
U uit stugheid naar uwc kamer begeven. Gij zijt op uwe kamer gebleven 
ab gij hier hadt behooren tc zijn. Gij moet nu, voor eens en voor aldjd, 
weten dat ik verlang, dat gij hier en niet daar blijft. Verder dat ik verlang 
dat gij hier gehoorzaamheid medebrengt. Gij kent mij, David. Ik wil dat 
dit geschieden zal." 

Juffrouw Murdstone liet een gegrinnik hooren. 

ilk wil, dat gij u eerbiedig, bereidwiJlig en dienstvaardig toont, soo- 
wel voor mij zelven," vervolgde hij, > als voor mijne zuster en voor uwe 
moeder. Ik wil deze kamer niet vermeden hebben alsofzij besmet was, 
naar het believen van een kind. Ga zitten." 

Hij kommandeerde mij ab een bond, en ik gehoorzaamde als een 
hond. 

>Nog iets," zeide hij. ilk moet opmerken, dat gij bijzonder op laag 
en gemecn gezelschap zijt gesteld. Gij behoort niet met dienstboden om 
te gaan. De keuken zal a met verbeteren, in de vele opzichten waarin gij 
verbetering noodig hebt. Van de vrouw, die u opstookt, zeg ik niets — 
daar gij, Clara," met eene zachtere stem mijne moeder aansprekende, 
fuit oude betrekking en door eene lang gekoesterde inbeelding een zwak 
voor haar hebt, dat nog niet overwonnen is." — i Eene onverklaarbarc 



iqjNK VACAHTIE-DAOEN LOOPEK TEN EINSB. 99 

verdwaasheid is het!" ricp juffrouw Murdstone nit. — ilkzegalleen," 
faemam hij, mij weder aansprckende, >dat ik het afkeur, dat gij aan zolk 
gezclschap als dat van juffrouw Peggotty de voorkeur geeft, en dat gij 
daarvan zult afzien. Nu, David, hebt gij mij verstaan, en gij weet vrat 
het gevolg lal lijn als gij niet oppast om mij letterlijk le gehoorzamcn." 

Ik wist het wel — beter misschien dan hij dacht, Eooverniijneaxme 
jDoeder betrof — en ik gehoorzaamde hem letterlijk, Ik ging niet tnen 
naar mijne kamer; ik nam niet meer de wijknaar Peggotty ;maarzat 
mij dag aan dag in de voorkamer te vervelen en te wachten tothetavond 
werd en tijd om naar bed te gaan. 

Onder welk een lastig bedwang was ik daar; uren aan uren in dezelfde 
bonding gezeten, bevreesd om een arm of heentebewegen, opdat juf- 
frouw Murdstone niet (gelijk zij bij de minste aanleiding deed) over 
mijne onmstigheid zoii klagen, en bevreesd om een oog op te slaan, 
opdat het geen blik van ongenoegcn of vijandige opiettendheid zou ont- 
moeten, die in mijn blik nieuwe reden tot klagen jsou vinden! Hoe on- 
dnutglijk vervclend, daar naar het tikken dcr klok te zitten luisteren; 
naai jafirouws Murdstone's blinkendc kraaltjes te zitten kijken, terwiji 
zq ze aanrecg; mij te veiwondcren of zij wel ooit zou trouwen, en zoo ja, 
nietwelk sooit van ongelukkig man; de verdeeling van het snijweikaan 
den schoorsteenmontel te tellen, en met mijne oogen tusschen de krullen 
VXD het behangsd op den muur naar den zolder op te klimmen I 

Welke wandelingen deed ik in mijne eenzaamheid, langs modderige 
paden, in het siechte winterweder, terwiji ik die voorkamer, met mijnheer 
Murdstone en zijne zusterdaaHn, overalmededroeg^eene vervaarlijke 
vracht, die ik gcnoodzaakt was te torschen, eene dagmerrie, die ik met 
geene mogelijkheid kon afwerpen, eene zwaarte, die mijn geest onder- 
dnikte en mij versufte ! 

Welke maaltijden deed ik, in stilte en verlegenheid, altijd overtuigd, 
dat *T een mes en eene vork te veel warcn, en dat wel de mijne ; een hon- 
ger tc veel, en dat wel de mijne; een bord en stoel te veel, en dat wel de 
mijne ; iemand te veel, en wel ik I 

Welke avonden, ab de kaarsen binnenkwamen, en men verwachtte 
dat ik mij zou bezig houden, maar ik, geen onderhoudend boek durvende 
teten, in een geestdoos, en nog meer harteloos leerboek van rekenkunst 
zat te tnren ; wanneer de tafels van maten en gewicht zich zelven op noten 
cettm en zich zongen op de wijs van iRule Britannia" or>Wegmet 
Mgit en zorgen," en niet wilden stilstaan om zich te laten leeren, ma&r 
door mijn ongelukkig hoofd been gonsden, het eene oor in en het andere 
wedo-tBtl 

Hoe zat ik te geenwen en te duttcn, in spijt van al mijn oppassen ; hoe 
achrikte ik uit mijn heimelijkcn slaap wakker; hoe kreeg ik nooit ant- 
voord op het weinige dat ik waagde te zeggenj welk eene ledige ruimte 
sdieen ik, (fie ntemand opmerkte en die toch ledereen in d€n weg wu ; 
«n weUt eene veriossing was het als ft juflrouw Murdstone den eersten 
dag vu negenen hooroe welkom heeten en mij bevelen om naar bed 
tegaan. 



DAVID COPPERFIELD. 



Zoo gingen de vacande-dagen slepend om, totdat de morgen kwain, 
iraarop ju^ouw Murdstone zeide: >Dat is de laatste dag I" en mij het 
laatste kopje tbee gaf. 

Ilet speet mij niet dat ik vertrok. Ik was in een staat van verdooving 
verzonken ; raaar ik begon een wemig te bekomen en zagnaar Steetforth 
nit, hoewel mijnheer Creakle acbter hem opdoemde. Wederom kwam 
Barkis voor bet hek, en wederom leide juffrouw Murdstone met bare 
waarschuwende stem: » Clara!" toen mijne mocder zich over mij been 
boog om mij vaarwel tc zeggen. 

Ik kuste haar en mija brocrtje, en was toen zeer bedroefd ; maar niet 
bedioefd omdat ik heenging, want de kloof tusscfaen ons was er tocb, en 
bet scbeiden was er toch, elken dag. En het is nti niet zoozeer de kus, 
dien zij mij gaf, welke in mijn geheugen leefl , scboon die zoo vurig wa» 
ids een kus kon zijn, als wel wat daarop nog volgde, 

Ik zat in de kar toen ik baar nog hoorde roepen. Ik keek uit, en zij 
stond alleen blj het tuinhek, en hield miin brocrtje in hare armen om- 
hoog, om hem mij te laten zien. Het was koud maar stilwedei^geen 
haar van haar boofd, geen plooi van haar kleed bewoog zicb, terwijl zij, 
baar kind omboog m de armen hondende, strak naar mij stond te staren. 

Zoo verloor ik haarui: het gezieht. Zoo zag ik haar naderband, in 
mijn slaap op school — als eene stille scbim voor mijn bed -:- naar mij 
starende met denzelfden strakken blik en met haar kind in hare armen 
omhoog. 



DC HBB RN GBDKHKWAARStGEH VXRJAARDAG. 

Ik sla allcs over wat er op school gebcurde, totdat in Maart mijn ver- 
jaardag tenigkwam. Behalve dat Steerfoith mecr te bewonderen was dan 
ooit, heiinner ik mij niets. Hij zou op het emd van bet halijaar, zoo niet 
VTOeger, vertiekken, engedroegzick,naarmijdacbt,nogmoedigeren 
met meer onaf hankelijkeid dan te voren, waarom ik dan ook nog meer 
dan te voren met hem was ingenomen ; maar behalve dat herinner ik mij 
niets. De groote gebeurtenis, waardoor die tijd in mijn geheugen wordt 
gekenmerkt, schijnt alle kleinere herinneringen te hcbben verzwolgen, 

Het is mij zel& moeilijk te gelooven, dat cr tusschcn mijne terugkomst 
op Salem House en dien vetjaardag een tijdsbestek van twee voile maaa- 
den verliep. Ik kan alleen begrijpen, dat bet zoo was, omdat ik. weet, 
dat het zoo moet ^eweest zijn ; andeis zon ik mij overtuigd houden, dat 
er geen tnsschentijd had bestaan, en de eene gebeurtenis de andere on- 
middellijk was opgevolgd. 

Hoe duidelijk herimier ik mij nog welk een soort van dag het was I Ik 
niik den mist nog, die om bet buis hing ; ik zie den schemcrendcn rijm 
nog daar doorbeen ; ik voel mijn vochtig haar klam langs mijne wangen 
lia^en ; ik zie nog het duistere versct^et der schoolzaal, met eene flikke- 
^rende kaats bier en daar om den mistigen ocbtend te verhelderen, en 



IICVKOUW CRKAKLB HEBFT HU lETS TI ZCGOBN. lOI 

den adem dei jongens, die als ccd kronkelende damp in de konde lucht 
vervUegt, terwiji zij op hunne viogers blazen en met huone voeteo op 
4eD grond stampcn. 

Het was na het ontbijt, en wij waren van de spedplaats in huis geroe- 
pcn, tocnmijnhecr Sharp binncDkwam en zeide: 

>David Copperfield moet in de zijkamer komen." 

Ik verwachtte cenc mand van Peggotty, en di't bevel deed dus mijn 
gezicht opheldcren. Eenigcn van de jongens riepen mij eene hcrinnering 
toe om bij de uitdeeling van het lekkers niet vergeten te warden, toen ik 
groote dnft maakte van mijne plaats tc komen. 

iHaast u maar niet, David," zeide mijnheer Sharp. Eristijdgenoeg, 
mijn jongen : haast u maar niet " 

Ik zou mij misschien verwonderd hebben over de aandoening, die uit 
zijn toon sprak, als ik daaraan gedacht had; maar ik deed dit niet voot 
naderhand. Ik haastte mij naar de zijkamer; en daarvondikmijnheer 
Creakle aan zijn ontbijt zitten, met den rotting en eene courant voor 
dch, en mevrouw Creakle met een open briefinde hand. Maar geene 

» David Copperfield," zcide mevrouw Creakle, terwiji zij mij naar eene 
sofa bracht en zich oaast mij zette. ilk moet u eens zeet bijzonder spre- 
ken. Ik heb u iets te zeggeo, mijn kind." 

Mijnheer Creakle, naar wien ik natuurlijk omkeek, schudde zijn hoold 
conder mij aan te zien, en venstopte een zucht met een groot stuk gebo- 
tcrd brood. 

• Gijzijtnogtejongom te wetenhoedewereldelken dag verandert," 
zcide mevrouw Creakle, »en hoe onverwacht de menschen daariiit wor- 



den weggenomen. Maar dat moeten wij alien toch leeren, David: som- 
migen van ons als wij jong zijn, sommigen van ons als wij oud zijn, en 
sommigcn van ons geheel ons leven door." 

Ik zaghaar emstig aan. 

»Toengij met het einddervacantic van huiskwaamt," zeide mevrouw 
Creakle na eene poos stilzwijgens, > waren toen alien wcl?" Na nog 
eene poos zwijgens : > Was uwe mama toen wel i" 

• Ik becfde, zonder duidelijk te weten waarom, en bleefhaar emstig 
aanzicn, maar zonder eene poging te doen om antwoord te geven. 

tOmdat," zeidezij, ihet mij spijtute moeten zeggen, dat ik van mor- 
gen gehoord heb, dat uwe mama erg ziek is. 

Er kwam een nevel tusschen mevrouw Creakle en mij, en hare ge- 
daantc scheen een oogenblik daarin te zweven. Toen voelde ik heete 
tranen over mijn gezicht rollen en was die nevel weder weg. 

>Zij is zeer gevaarlijk ziek," vervolgde zij. 

Ik wist alles nu, 

• Zijisdood." 

Het was niet noodi^ mij dit te seggen. Ik was reeds in een kreet van 
washopige droefhnd uitgebarsten, en gevoelde mij een wees in de wijde 
wereld. 

Zij was zeer goed en zacbt voor mij. Zij hield mij daar den geheelctt. 



109 DAVID COPPXRFULD. 

dag, en liet mij somdjds alleen : en ik schreide, en viel van uitputtin^ ia 
slaap, en werd dan wakker en scnreide weder. Toen ilc niet meer schreie» 
kon, ibegon ik te denkenf en toen was de dnik op mijnc borsthet 
zwaarste, en werd mijne smart eene doSe pijn, waarvoor ik gecne verlich- 
ting kon vinden. 

En toch waren mijne gedacbten nog niet bepaald ; ztj vestigden zich 
niet op de ramp, die mij hct hart beklemde, maar speelden ijdel daarom* 
been. Ik dacbt aan ons huis, gesioten en sdL Ik dacht aan mijn broertje, 
dat, gelijk mevrouw Creakle zeide, sedert eenigen tijd had gekwijnd cd 
waarschijnlijk ook wel zou stcrvcn. Ik dacbt aan mijn vaders graf op bet 
keikhof, bij bet huis, en boe mijne moeder daar nti ook zou liggen ondcr 
den boom, dien ik zoo wel kcnde. Ik klom, toen ik alleen gelaten was, 
op een stoel en keek in den spiegel, om te zien boe rood mijne oogen 
waien en boe droevig mijn geztcbt was. Ik bedacbt, na verloop van 
eenige uren, indien mijne tranen nu inderdaad moeielijk vloeiden, gelijk 
zij scbenen te doen, wat mij van mijn vcrlies wel bet meest zou aandoea 
ais ik dicht bij hub kwam — want ik zou naar buis gaan voor de begra- 
fenis. Ik ben er van bewust, gevoeld te bebben, dat ik onder de overige 
joDgens zekere waardigbeid had verkreKcn, en dat ik in mijne dioefenis- 
een persoon van gewicht was. 

Indien ooit een kind oprecht bedroefd was, was ik bet. Maar ik herin- 
nei mij, dat deze gewichtigheid mij toch zekete voldoening gaf, toen ik 
dien nantiddag op de speelplaats wandelde, terwijl de andere jongens ia 
de school waren. Als ik ben door de vcnsters naar mij zag kijken, terwijl 
zij naar hunne ploatsen gingen, gevoeldc ik mij boven hen onderscbei- 
den, en keek nog droevigei en gmg nog langzamer. Toen de schooltijd 
om was, en zij buitcn kwamen en tegen mij spraken, achtte ik heteenigs- 
rins voor eene deugd van mij, dat ik tegen niemand van hen trotscb was, 
en mij juist evenveel aan ben alien liet gelegen It^gen als te voren. 

Ik zou den volgenden avond naar huis gaan ; met met de postdiligence, 
maar met den zwarcn nacbtwagcn, die de Fanner genoemd werd, en 
voomamelijk door landlieden weid gebniikt, die onderweg slechts voor 
een korten afatand medereden. Dien avond werd er niet verteld, en 
Traddles drong er op aan om mij zijn hoofdkussen te leenen. Ik weet 
niet wat voor goed bij dadit dat dit mij zou doen, want ik had er zelf 
een ; maar bet was alles wat hij te leenen had, arme jongen, behalve een 
blaaxlje postp^ipier vol geraamten ; en dit schonk hij mij bij bet a&cheid 
als eene bijdrage om mij te troosten en te bedaren. 

Des anderen daags in den namiddag verliet ik Salem House. Weinig 
dacht ik toen, dat ik bet verliet om nooit tenig te komen. Wij reden dea 
gebeelen nacht door, maar zeer langzaam, en kwamen niet voor negen 
of tien uur m den ocbtend te Yarmouth. Ik keek naar Barkis uit, maar 
bij was er niet. In plaats van hem, kwam er een dik, koitademig, vroolijk 
oud mannetje, in bet zwart, met vale strikjes aan zijne korte broek^ 
iwarte kousen en een hoed met een breeden rand, bijgcnde aan bet p«r- 
tier, en zeidc : 

> Jonge beer Copperfield ¥' — » Ja, mijnheer." — » Wilt gc maar mede- 



» 



IK WORD DOOR MI|NHEBR OHER At'CEHAALD. lOj 

komen, jonge heer, aU het u belicft," zcide hij, het portier opende, » dan 
2al ik het pleizier hebben van u Daar huis te brengen." 

Ik stak mijne hand in dezijnc, mij verwonderendc wic hij was, en wij 
gingen naar een winkel in eene smalle straat, waarboven ik tas : i Omer, 
ukenkooper, kleermaker, bedienaar van begrafenissen, enz." Het was ' 
een duf, benauwd winkeltje, vol allerlei kleedingstoffen en gemaakte 
kleeren, waaronder een venster vol vilten mans- en vrouwenhoeden. Wij 
gingen naar een achterkamertje achter den winkel, waar wij drie jonga 
juffers aan het werk vonden, bij een vooiraad van iwarte stoffen, die op 
de tafel lagen gehoopt, terwijl snippers en a&nijdsels daarvan overal over 
den vioer verstrooid lagen. £r brandde een goed vuur in de kamer, en 
er heerachte een op de borst siaande reuk van warm zwart krip — ik 
wist toen nog niet welken reuk het was^ maar ik weet het nu wel. 

De drie jonge juffers, die zeer vlijtig en weltevreden schenen te zijn, 
keken even naar mij en gingen toen weder voort met haar werk. Piek, 
piek, pick! Te gelijk kwam uit eene werkplaats, aan de overzijde van 
een bmnenplaatsje, waarop het venster uitzag, een geluid van geregelde 
hamerslagen, die een soort van wijsje vormden. Tak — tik-tik, tak — 
tik-tik, tak — tik-tak, zander eenige afwisseling. 

* Wel," zeide mijn gelcider tot eene der jonge juffers, »hoe vordcrt ge, 
Minnie f'' — > Wij zuUen wel ktaar zijn als het tijd is om te passen," ant- 
woordde zij vroolijk, zonder op te kijken. >Wees maar niet bang, 
vader." 

Mijnheer Omer nam zijn breed geranden hoed af en ging zitten hijgen. 
Hij was zoo dik, dat hij eene poos moest hijgen, eer hij kon zeggen : 

iGoed zoo!" — iVader" leide Minnie, schertsend, »wat wordtgij 
toch een dikzak !" — - 1 Ja, ik weet niet hoe het komt, liefje," antwoordde 
hij, er over peinzende; >maar het is wel eenigsiins zoo." — >Gij zijt 
altijd zoo weltevreden, ziet ge," zeide Minnie. »Gij neemt alle dingen 
zoo licht op." — >Het baat toch niet of men ze al anders opneamt, 
liefje," antwoordde mijnheer Omer. — »Neen, zeker niet," zeide zijoe 
dochter daarop. » Wij zijn hier alien tamelijk vroolijk, Goddankl Niet 
waar, vader f" — > Dat hoop ik, liefje," antwoordde hij. lEnnuikwser 
wat op adem ben gekomen, zal ik, dunkt mij, dezen jongen geleerde 
maar de maat nemeiL Wilt gij eens in den winkel komen, jonge heer 
Copfwrfield i" 

De ging, volgens dit verzoek, met mijnheer Omer medc; en nadat hij 
mij eene rol l^en had laten zien, hetwelk hij zeide, dat extra superfijn 
was en te mooi om over lets andccs dan over ouders er mee te rouwen, 
nam hij mij de maat en teekende die in een boekje aan. Terwijl bij dit 
deed, vestigde hij mijne aandacht op zijn voorraad van goederen cd op 
zekere modes, die hij zeide dat pas waren opgekomen, en zekere andere 
modes, die nu afgeschaft wares. 

>En daardoor verliezen wij dikwijls een achat van geld," zeide mijn- 
heer Omer. >Maar de modes zijn evenals de mcnscfaen. Zij komen op, 
zonder dat iemand weet wanneer, waarom of hoe, en zij gaan weder 
hem, sonder dat iemand weet wumc«T, waarom of hoe. Alles gelijkt. 



104 DAVID COPPBXFIELD. 

naar mijne gedachten, op bet inenscbelijke leven, als men hetuit ditoog- 
punt beschouwt." 

Ik was te vol droefheid om over dit onderwerp te redeneeien, dat 
misschien coder alle omstandigheden bovec mijne macht zou zijn ge- 
* weest; en mijnheer Omer bracht mij wedcr naar de achterkamcr, onocr- 
weg met eenige moeite ademhalende. 

Daama Hep hij van een halsbrckerig trapje achter eenc dcur af : » Breng 
de thee en boterhammen boven," welke dan ook, na vcrloop van eem- 
gen tijd, waarin ik zat rond te kijken en te denken, en naar bet pieken in 
de kamer en de muziek der hamerslagen, die over de plaats klonkeo, te 
luisteren, op een bakje werden binnengebracht en voor mij bestemdble- 
ken te zijn. 

ilk ben al lang," z«de mijnheer Omer, nadat bij mij eene poos had 
aangek^ken, terwijl ik nog niet met mijn ontbijt vordra/le — want die 
zwarte dingen henamen mij den eetlust, ■ ik ben al heel lang met u be- 
kend geweest, mijn kleine vriend." — » Zijt ge, mijnheer ?" — » Uw leven 
lang, zeide mijnheer Oroer. ilkmagzel^welzeggenalvroeger. Ikheb 
uw vader voor u ^kend. Hij was vijf voet negen en een halven duim en 
ligt in vijf en twintig voet gronds." 

Tak — tik-tikj tak — tik-tik, Uk - tik tak, klonk bet over de plaats. 

>Hij ligt in vijf en twintig voet gronds, zoo goed als in een duim," 
zeide mijnheer Omer schertsende. >HetwasopzijnverEoek,ofophaar 
verlangen; dat is mij ontschoten." — »Weet gij ook hoe mijn kleine 
broertjc vaart, mijnheer ?" vroeg ik. 

Mijnheer Omer schuddc bet hoofd. 

Tak — tik-tik, tak — tik-tik, tak — tik-tak. 

»Hij ligtinziJD moeders arm," zeide hij. — »Och, dat arme kind! Hij 
is dan dood f" — »Trek bet u maar niet aan," /eide mijnheer Omer. » Ja. 
Het kind is dood." 

Mijne wonden begonnea bij dit bericht opnicuw te bloeden. Ik liet 
bet nauwelijks aangeroerd ontbijt staan, en ging met mijn hoofd op eene 
andere tafel in een hoek van fact kamer^e liggen, die Minnie haastig 
afruimde, opdat ik het rouwgoed, dat daar lag, niet met mijne tranen 
zou bevlekken. Zij was een aardig, goedhartig meisje, en streek mij met 
eene zachte, viiendelijke hand de baren uit de oogen ; maar zij was VTOO- 
Ujk dat haar werk bijna af was en bijtijds gereed kwam, en geheel anders 
gestemd dan ik. 

Weldra hield de muziek der hamerslagen op, en een knap, frisch jonk- 
man kwam over de plaats naar de kamer. Hij had een hamer in de hand 
en den mond vol kleine spijkertjes, die hij er uit moest nemeneerhijkon 
spreken. 

»Wel, Joram!" zeide mijnheer Omer. »Hoe vordertgij?" — *Heel 
goed," antwoordde Joram. » Klaar, mijnheer. " 

Minnie kleurde een weinigje en de twee andere mmjes zageo elkander 
gUmlachend aan. 

>2oo! Dan zijt gij er gisteravond bij de kaara aan geweest, terwijl ik 
naar de club was? Zegr zeide mijnheer Omer, zijn ttneoogdichtknij- 



LIEFDK TB UIDDBM DER DOODKISTBN. XO$ 

pende, — »Ja," antwoordde Joram. lUaar gij geze^d hadt, dat vi] er 
«enuitstapje vankoQdenmaken,eDertezametiheennjdeQ, alshetklaar 
was, Minnie en ik — en gij." — >Zoo!Ikdacht,dat gemijgeheelenal 
xoudt vergeten," zeide mijobeer Omer en lachte tot hij er van moest 
hoesten. — >Daar ge zoo goed waart om dat tc zeggen," hervatte de 
jonkman, > gmg ik met lust aan het werk, ziet ge ! Wilt gc mij eens zeggen , 
wat ge er van vindt?" — »Ja, kom," zeide mijnheer Omer, opstaande. 
iLieve jongen," daarbij bleef hij staanenkeerdezichnaarraij, »zoudt 
ge niet eens willen zien hoe..." — iNeen, vader," viel Minnie hierop 
in. — ilkdachtjdathethemmogelijkaangenaamzouzijn, lieve," zeide 
mijnheer Omer. tMaar misscHen hebt gij gelijk," 

Ik kan nietzeggen, hoe ik wist dat het dedoodkistniijnerlieve,lieve 
mocderwas, waamaar zij gingen kijken.Ik had er nooit eene hooren spij- 
keren ; ik had er nooit eene gezien, zooveel ik weet \ maar het kwam mij 
voor den geest wat dat geluid was, zoodra ikhethoorde; entoen die 
jonkman binnenkwam, was ik overtuigd, dat ik wist wat hij gedaan had. 

Daar het werk nu gereed was, borstclden de twee meisjes, wier namen 
ik Diet gehoord had, de draadjes en pluisjes van haar gocd, en gingen 
naar den winkel, om dien in orde te brengen en naar de klanten te wach- 
ten. Minnie bleef^ om op te vouwen wat zij gemaakt hadden en het in 
manden te pakken. Dit deed zij op hare knie^n liggende, en neuriede 
ondcrtusschen ecn vroolijk wijsje. Joram, (ik twijfelde niet of hij was haar 
minnaar) kwam weder binnen en ontsCal haar een kus, terwijl zi) zoo 
druk bezig was (hij schees zich volstrekt niet aan mij te storen), en zeide 
dat haar vadei om het wagentje was gegaan, en zij zich moest haasten 
om zich klaar te maken. Toen ging hij weder heen, en toen stak zij haar 
vingerhoed en schaar in haar zak, en eene naald met een zwarten diaad 
«r m voor op de boret van hare japon, en ging, ora met smaak een over- 
kleedje aan te doen, voor een spiegeltje achter de deiir staan, waaiin 
ik de wcerkaatsing van haar vergenoegd gezichtje zag. 

Dit alles merkte ik op, terwijl ik met het hoofd in de hand aan de tafel 
in den hoek zat, en.mijnegedachten overgeheelanderedingenliepen. 
Weldra kwam het wagentje voor de denr. De manden werden er eerst 
ingezet, toen werd ik geplaatst, en die dric volgden. Ik herinner mij, dat 
het half een soort ran pleizierrijtuigje, half een meubelwagen geleek, met 
eene donkere kleur beschilderd en door een zwart paard met een langen 
staart getrokken. Er was overvloedig plaats voor ons alien, 

Ik denk niet, dat ik ooit in mijn leven zulk een vreemd gevoel heb 
ontwaard (misschien ben ik nu wijier geworden) als toen ik bij die men- 
scben zat, bedacht waarmede zij bezig waren geweest, en zag hoeveel 
vermaak zij in dat tochtje hadden. Ik was niet verstoord op hen ; ik was 
veeleer bang voor hen, alsof ik onder wezens was verplaatst, waarmede 
mijne natuur niets gemeens had. Zij waren zeeropgeniimd. De oudeman 
lat voorin om het paard te mennen, en de twee jongelieden zaten achter 
hem, en wanneer hij sprak leunden zij voorover, de ecn aan den eenen 
kant van zijn blozend rond gezicht, en de andcr aan den anderen, en 
maakten vecl werk van hem. Zij zouden ook met mij gepraat hebben, 



lo6 DAVID CCPPERPIKLD, 

maar ik hield mij tenigenzatinmiJDhoelctedniilen, afgeschriktdoor 
hiitine verliefdheid en vroolijkheid, schoon die verre van luidnichtiy 
was, en mij bijna verwonderende, dat er geen oordeel over hen kwam 
wegens de hardheid liunner haiten. 

Toen zij stUhielden om het paard te ververschen, en aten en dronken 
en zich te goed deden, kon ik dus niets aanraken dat zij aanraakteo, 
maar bleef zitten vasten. Toen wij aan huis kwamen, liet ik mij dus 
Epoedie achter uit het wagentje glijden, om niet in hun gezelschap te zijn 
voor die akelige vensters, die mij gelijk eens heldere, maar nu geslotene 
oogen zoo blind aanstaardcn. En o, hoe weinig had ik behoeven te be- 
denken wat mij tot tranen zou bewegen als ik weder bij huis kwam — 
toen ik het venster van mijn moeders kamer zag, en dat daamaast, waar 
eens in beter tijd mijn kamerlje was ] 

Ik was in Feggotty's armen eer ik nog aan de deur kwam, en zij bracht 
mij in huis. Toen nij mij voor het eerst za^, barstte hare smart los ; maar 
spoedig bedwong zij zich, en sprak fluisterend, en ging op de teeneD, 
aJsof de doode had kunnen gestoord worden. Zij was, naarik vernam, in 
langen tijd niet naar bed geweesL Zij bleef des nachts nog zitten waken, 
Zoolang hare arme, heve meesteres nog boven aarde was zeide zij, wilde- 
zij haar niet verlaten. 

Mijnheer Murdstonc lette niet op mij, toen ik bij hem in de voorkamer 
kwatn, maar bleel in zijn leuningstoel bij het vuur zilten schreien en pein- 
zen. JufTrouw Murdstone, die aan haar lessenaartje, met brieven en pa> 
pieren bedekt, zat te schrijven, gaf mij hare koude vingertoppen, en 
vtoeg, met een ijzerhard gefluister, of men mij de maat voor mijn roilw 
goed had gen omen. 

Ik zeide: »]a." — »En uwe hemden," zeide zij, ihebtge die meege- 
bracht f " — » Ja, juffrouw. Ik heb al mijne kleeren meegebrxcht." 

Dit was al de troost, dien hare vastheid mij toediende Ik twijfel niet 
of zij vond er een uitstekend genocgen in om bij zulk eene gelegenheid 
hare zoogenoemde zelfbeheersching, en vastheid, en geestkracht, en ge- 
zond verstand, en hare geheele duivelsche lijst van hatelijke eigenschap- 
pen ten toon te spreiden. Zij was bijzonder grootsch op hare knapheid 
in het behandelen van zaken ; en bewees deze nu door alles tot eene zaak 
van pen en inkt te maken en zich door niets te laten ontroeren. Het ove- 
rige van dien dag, en daama wederom van den ochtend tot den avond, 
zat zij voor dat lessenaartje zeer bedaard te krassen met eene harde pen, 
en sprak zij tegen iedereen met hetzelfde ijzerharde gefluister, zonder 
dat zij ooit een trek van haar gezicht ontspande, den toon harer stem 
verzachtte, of dat erde geringste wanordein haar toilet was te bespeureo. 

Haar broeder nam somtijds een boek op, maar las er nooit in, zooveel 
ik Ea^. Hij opende er een en keek er in alsof hij las, maar bleef een geheel 
uur zitten zonder het blad om te slaan, en legde het dan neer en staple 
door de kamer been en weder. Ik placht met gcvouwene handen naar 
hem te zitten turen, en uren achtereen zijne voetstappen te tellen. Hij 
sprak zeer zelden tegen haar, en nooit tegen mij. Hij scheen, behalve de 
Uokken, het eenige nistelooze ding te zijn in het geheele roerlooze huis. 



BEGRAFBNIS.MUNBR^DIERBARE MOBDER 107) 

In die dageo voor de begrafema zag ik Peg^otty slechts weinig, behalvo- 
dat ik haar, ab ik de trsp op- en afging, alujd dicht bij de kamer vond 
waar oiijne moeder en haar kindje lagen, en behalve dat zij elken avond 
bij mij kwam en aan het hoordeindevanmijnbedbteef zitten totikia 
slaap viel. Een paar dagen voor de begiafenis — ikmeen, datheteen 
paar dagen daarvoor was, maar ik moet bckennen, dat ik met de reke- 
ning van dien zwaren tijd, die niets had om zijn verloop aan te duiden, 
zebeel in de war ben — bracht zij mij in die kamer. Ik kan mij alleen 
ho-inneren, dat daar onder een wit laken op het bed, waar alles in heb 
nmd uitstekend zindelijk en frisch was, de oorzaik scheen te liggen dei- 

Schtige stiltc, die in het geheele huis heerschte ; en dat ik, toen zij dat 
en zachtjes wilde omslaan, uitriep : ■ neen, o neen !" en hare hand 
vasthield. 

Indien de begrafenis pas gisteren had plaats gehad, zou ik mij die nict 
beter kunnen herinneren. Het geheele voorkomen onzer beste zijkamer, 
tocD ik de deur inkwam, het helder brandende vuur, het glinsteren van 
den wijn in de karafTcn, de fatsoenen der glazen en borden, de flauw» 
zoete reuk van koek, de reuk van juflrouwMurdstone'sjaponenonzA 
xwarte kleeren. Mijnheer Chilhp is in de kamer en korat mij aanspieken, 

>En hoe vaart jongc heer David f " zegt hij vriendelijk. 

Ik kan niet >faeel wel" zeggen. Ik geef hem mijne hand, die hij in de 
zijne houdt. 

> Wel mijn tijdl" zegt mijnheer Cbillip, met een soetsappiggUmlachjef 
terwijl er in cijne oogen lets glinsteTt. >Onze kleine vrienden worden 
groot. Zij zouden ons haast ontgroeien, juffrouw !" 

Dit is tot jufixouw Murdstone gericht, die gecn antwoord geeft. 

»Ik lie hier eenc groote verbetering, juffrouw f " zegt mijnheer Chillip, 

Jufirouw Murdstone antwoord allecn met een zuur gezicht en eene- 
sdjve buiging. Mijnheer Chillip, uit het veld gestagen, gaat naai een hock, 
waarheen hij mij mcdeneemt, en opent zijn mond niet meer. 

Ik merk dit alleen op, omdat ik alles opmcrk wat er gebctirt, niet om- 
dat ik ieta om mij zelven geef^ of dit sedert ik thuis ben gedaan heh. En 
nu begint de klok te luiden, en komen mijnheer Omer en een andci om. 
ons aan te kleeden. Feggotty placht mij lang geleden te vertellen,datzij, 
die mijn vader naar hetzelfde graf volgden, in dezeUde kamer aai^e- 
kleed werden. 

De volgers zijn nu mijnheer Murdstone, onze buurman mijnheer 
Grayper, mijnheer Chillip en ik. Als wij de deur uitkomen, zijn de dra< 
gers met him last in den tuin ; en zij gaan voor ons uit het pad af, en de 
. olmen voorbij, en het hek uit, naar het kerkhof, waar ik zoo dikwijls op 
een lomerochtend de vogekjes heb hooren zineen. 

Wij staan om het gra£ De dag komi mij anders voor dan eike andere 
dag, en het licht niet van dezelfde kleur — van eene droeviger kteur. Nu 
heerscht er eene plechtige stilte, die wij van huis hebben medegcbracht 
met wat daar in de aarde rust ; en terwijl wij zoo blootshoofds staan, hoor 
ik de stem van den geestelijke, die in de opene lucht klinkt alsof zij uit 
de verte kwam, en toch duidelijk en helder, zeggen: ilk ben de opstan> 



fo8 DAVm COPPERFISLD. 



ding en het leven, zegt de Heer!" Dan hoor ik snikken; en, op een 
afstand tusschen de toekijkers staande, zie ik die goede trouwe dienares, 
die ik onder alle menschen op aarde het liefst heb, en tot wie mijn kin- 
derlijk hart zich overtuigd houdt dat de Heer eens zalzeggen: iWel 
gedaan !" 

£r zijn vele gezichten die ik ken onder den kleinen drom ; gezichten, 
dieik in de kerk heb leeren kennen; menschen, die mijne moeder zagen 
toen zij in den bloei harer jeugd voor het eerst in het dorp k warn. Ik 
denk niet om hen — ik denk om niets dan mijn leied — maar toch zie en 
ken ik hen alien; en zelfs zie ik, ver weg op den achtergrond, Minnie 
staan toekijken, en hoe haar oog haar minnaar zoekt, die dicht bij mij 
staat. 

Het is voorbij ; het graf is met aarde gevuld, en wij keeren het den rug 
toe om heen te gaan. Voor ons staat ons huis, zoo mooi en onveranderd, 
in mijn gemoed zoo zeer verbonden met de jeugdige voorstelling van 
haar, die nu verscheiden is, dat al mijne vorige droef heid nog niets 
is geweest bij de droef heid, welke het gezicht van dat huis bij mij opwekt 
Doch zij nemen mij mede, en mijnheer Chillip spreekt tegen mij, en als 
wij thuis zijn gekomen, houdt hij mij water voor den mond; en als ik hem 
vraag om naar mijne kamer te mogen gaan, brengt hij mij met de zachte 
vrieudelijkheid eener vrouw daarheen. 

Dit alles, zeg ik, is als ware het pas gisteren gebeurd. Gebeurtenissen 
van later dagteekenin^ zijn van mij weggedreven naar de kust, waar alle 
vergetene dingen weder te voorschijn zuUen komen; maar deze staat 
gelijk eene hooge rots in den oceaan. 

Ik wist wel, dat Peggotty in mijne kamer bij mij zou komen. De sab- 
batstilte van dien tijd (de dag geleek zoo naar een zondag ! — dit had ik 
vergeten) was ons beiden weldadig. Zij zette zich naast mij op mijn ledi- 
kantje, en terwijl zij mijne hand vasthield, somtijds aan hare lippen 
bracht en somtijds met de hare streelde, gelijk zij had kunnen doen om 
mijn broertje to sussen, vertelde zij mij op hare manier alles wat zij van 
het gebeurde te vertellen had. 

>Zij was al een langen tijd nooit wel geweest," zeide Peggotty. »Zij 
was onrustig in haar gemoed, en niet gelukkig. Toen zij haar kindje had 
gekregen, dacht ik eerst dat het beter met haar zou worden, maar zij 
werd nog zwakker en verminderde iederen dag een beetje meer. Zij 
placht gaarne alleen te zitten, eer zij haar kindje kreeg, en dan schreide 
zij ; maar naderhand placht zij er veel voor te zingen — zoo zacht, dat 
ik eens dacht, toen ik haar hoorde, dat het naar eene stem in de lucht 
geleek, die omhoog wegzweefde. 

>Ik denk, dat zij in den laatsten tijd nog vreesachtiger werd en lichter 
Bchrikte, en dat een hard woord evengoed als een slag voor haar was. 
Maar zij was voor mij altijd dezelfde. Voor hare malle Peggotty veran- 
derde zij nooit — nooit — die lieve!" 

Hier zweeg Peggotty en tikte een poosje zacht op mijne hand. 

>De laatste keer, dat ik haar eenigszins zag zooals zij vroeger was, was 
op den avond toen gij thuis waart gekomen, lieve David. Op den dag 




DE LAATSE LEVENSDAGKN HUNSR MOEDER. 109 

van uw hcengaan zeide zij tegen mij : i Ik zal mijn lieveliog nooit weer- 
lien. Er is iets, dat mij dit zegt, en ik weet dat hct de waarheid zcgL" 

> Zij poagde zich daama goed te houden ; en dikwijls als zij faaar zei- 
den, dat zij onDadenkend en luchthartig was, deed zij faaar best om zich 
zoo tc faouden: maar dat was toen alles al voorbij. Zij zeide haar man 
nooit wai zij mij gezegd had — zij was bang om het iemand te zeggen — 
tot op een avond, weini^ langer dan eene week voor dat het gebeurde, 
toen zij zeide: >Edward,ikgeloof datikgasterven." 

iNu is het van mijn hait, Peggotty," zeide zij mij, toen ik haar dicn 
avond naar bed hielp. > Hij zai het van dag tot dag meer leeren gelooven, 
anne man, eenige dagen lang; en dan zal het gedaan zijn. O, ik ben zoo 
moe. Als dit slaap is, blijf dan bij mij zitten terwijl ik slaap; verlaatmij 
niet. God zegene mijne kinderen, bciden. God bescherme en behoede 
mijn vaderloos knaapje !" 

1 Ik heb haar daarna niet meer vertaten," zeide Peggotty. i Z^) sprak 
dikwijls tegen die twee beneden — want zij had hen lief; zij kon niet 
leven zander iedereen, die bij haar was, lief te hebben — maar als zij van 
haar bed weggingen, keerde zij zich altijd naar mij, alsof zij toch maar 
bij Peggotty rust had, en zij kon nooit anders in slaap komen. 

*OpdenIaatstenavondgafzi;mijecnkus,enzcide: > Als mijn kindje 
00k sterven moest, Peggotty, och, laten zij het dan in mijn ann leggen en 
0fl5tezamenbegraven."(Endat is ook gedaan, want het armelammetje 
heeft haar maar 66n dag overlecfd.) iLaat mijn Iteve David met ons me- 
degaan naar onze rustplaats," zeide zij, >en zeg hem, dat zijne moeder, 
toen zij hier lag, hem niet cens, maar wel duizendmaal heeft gezegend." 
Er volgdc wederom eene poos van stilte, en wederom likle zij zacht 
op mijne hand. 

iHet was al viij diep in den nacht," zeide Peggottyv>toen le mij om 
mt drinken vroeg, en toen zij gedronken had, zag zij mij met zulk een 
geduldigen glimlach aan, die lleve ! — o zoo schoon ! 

iDe dag was aangekomen, en de zon ging op, toen zij mij zeide, hoe 
goed en zorgvuldig mijnheer Copperfield altijd voor haar geweest was, 
en hoeveel geduld hij met haar had gehad, en haar gezegd had, als zij 
un zich zelve twijfelde, dat een liefderijk hart beter en sterker was dan 
*ijsheid, en dat hij met haar hart een gelukkig man was. »Lieve Peg- 
gotty," zeide rij toen, ischuif mij wat dichtcr bij u;" want zij was heel 
nrak. >Leg uw goedcn arm onder mijn hals," zeide zij, ten keer mija 
faoofd naar u toe, want uw gezicht gaat veraf, en ik wilde bet dichtbij 
hebben." Ik deed wat zij vroeg, en o David I toen was de tijd gekomen, 
dat de woorden, waarmede ik eens afscheid van u nam, waarheid wer- 
den — dat zij blijde was dat zij haar ann hoofd op den arm van hare 
domme, knorrige Peggotty kon neerleggen — en zoo stierf zij, als een 
kind dat in slaap vicl !" 

Dit was het slot van Peggotty's verhaal. Van het oogenblik af, dat ik 
den dood mijoer moeder vemam, was haarbeeld, gelijk zij in den laatsten 
tijd geweest was, voor mij verdwenen. Van dat oogenblik afherinnerde 
ik nuj haar aUran als de jeugdige moeder mijner vroege kindsheid, diq 



no DAVID COPPERFIELD. 



hare glanzige kruUen om haar vinger placht te winden, en in de scheme- 
ring met mij door de kamer dansend. Wat Peggotty mij nu verteld had — 
wel verre van mij tot een later tijdperk tenig te brengen — diende slechts 
Om dat vroegere beeld nog srterker in het gemoed te prenten. Dit mag 
Eonderling wezen, maar het is toch waar. Met haar dood zweefde zij 
iveder naar hare kalme, onbewolkte jeugd terug, en wischte al het ove- 
rige uit. 

De moeder, die in het graf lag, was de moeder mijner vroege kinds* 
heid ; het wichtje in hare armen was ik zeli, gelijk ik eens geweest was, 
voor altijd aan hare borst in slaap gesust 



X. 

IK WORD VERWAARLOOSD, EN WORD VERZORGD. 

Het eerste, dat juffrouw Murdstone deed toen de dag derplechtigheid 
-cm was en het licht weder vrijen toegang in huis had gekregen, was Peg- 
gotty de huur op te zeggen. Over eene maand zou zij moeten vertrekken. 
Hocveel tegenzin Peggotty ook in zulk een dienst zou gehad hebben, 
geloof ik toch, dat zij dien om mijnentwil boven den besten van de 
wereld zou hebben verkozen. Zij zeide mij dat wij moesten scheiden en 
waarom ; en wij beklaagden elkander in alle oprechtheid. 

Wat mij zelven of mijne toekomst betrof, daarover werd geen woord 
gesproken, en evenmin iets aan gedaan. Zij zouden wel blijde zijn ge- 
weest, durf ik zeggen, als zij mij ook de huur hadden kunnen opzeggen 
en wegzenden. Eens verzamelde ik moeds genoeg, om juffrouw Murd- 
fitone te vrageij, wanneer ik weder naar school zou gaan; en zij ant- 
woordde droogjes, dat zij niet geloofde dat ik weder daarheen zou gaan. 
Verder werd mij niets gezegd. Ik was zeer verlangend om te weten wat 
'er met mij gebeuren zou, en Peggotty insgelijks ; maar wij konden ons 
.geen van beiden in dit opzicht eenige inlichting verschaffen. 

En was 66ne verandering in mijn toestand gekomen, die, hoewel zij 
mij van vele tegenwoordige onaangenaamheden onthief^ mij toch, als ik 
in staat ware geweest om grondig daarover na te denken, nog meer on- 
gerust over de toekomst had moeten maken. Zii was deze. Hetbedwang, 
dat men mij had opgelegd, werd geheel opgeheven. Wel verre van ge- 
tioodzaakt te worden om op mijn vervelenden post in de voorkamer te 
blijven, gebeurde het mij verscheidene malen, dat, als ik daar kwam 
eitten, juffi-ouw Murdstone mij met een donkeren blik te kennen gaf, dat 
ik maar moest heengaan. Wel verre van voor Peggotty's gezelsc&ip gc- 
waarschuwd te worden, werd er, als ik mij maar niet aan dat van mijn- 
heer Murdstone opdrong, nooit naar mij gezocht of gevraagd. In het eerst 
was ik dagelijks in angst, dat hij mijne opvoeding weder onder handen 
20U nemen, of dat juffrouw Murdstone zich daaraan zou toewijden ; maar 
^poedig begon ik te begrijpen, dat zulk eene vreesongegrond was,endat 
ik niets anders had te verwachten dan verwaarloozing. 



WAT ZAL UBN MBT UU DOKK. Ill 

Ik weet Diet, dat die ontdekking mij toen bijzonder speet Ik was nog 
versufi van den schok, dien de dood miJDer moeder mij gegeven had, 
«n als het ware verdoold voor alle dingen van minder gewicht. Ik kan 
mij wel herinneren, dat ik nu en dan heb nagedacht overde mogelijkheid, 
<lat ik niets meer zou leeren of niet mcer verzorgd wordcn, en dat ik dan 
zou opgroeien tot een onbruikbaar, naargccstig man, die altijd arm moest 
blijven en zijn werkeloos leven ophet dorpverslenterenjzoowelalsover 
de kans om mij aan dit lot te onttrekken door, gelijk de held van een 
Toman, ergens mijn fortuin te gaan zoeken. Maar dit waren vluchtige 
hersenschimmen, wakende droomgezichten, waamaar ik somtijds zat te 
turen, alsof zij flauw op den muur mijnerkaniergescliilderd of geschre- 
▼en waren, en die, wanncer zij wegsmolten, den ledigen muur weder 
OTcrlieten. 

■ Peggotty," zeide ik eens, peinzend fluisterend, op een avond toen ik 
voor het ketikenvuur mij ne handen zat te warmen,>mijnheerMurdstQne 
houdt nog minder van mij dan hij plachttedacn. Hij hceftnooit veel 
van mij gehouden, Peggotty ; maar nu zou hij mij liever zelfs niet zicn, 
als hij het maarkon mijden." — iMisschien is dat zijnedroefheid," zeide 
Peggotty, mijn hoofd streelende. — »lk ben ook bedroefd, Peggotty. 
Als ik geloofde, dat het zijne drocfheid was, zou ik er geheet niet aan 
denken. Maar dat is het niet ; o neen, dat is het niet." — » Hoe weet gij, 
dat het dat niet is ?" zeide Peggotty, na eene poos van stilte. — lO, zijne 
droefheid is geheel iets andcTs. Hij is nu op het oogenblik bedroefd, ter- 
wijl hij met jufTrouw Murdstone bij den haard zit ; maar als ik binnen- 
kwam, Peggotty, zou hrj nog iets anders worden." — • Wat zou hij dan 
ifOrden f" zeide Peggotty. — »Boos," antwoordde ik, onwillekeurig zijn 
dreigend gezicht nabaotsendc. > Als hij alleen bedioefd was, zou hij mij 
loo niet aanzien als hij doet. I k ben alleen bedroefd, en dat maakt mij 
meer medelijdend." 

Peggotty sprak eene poos niet; en ik zat mijne handen te warmen, 
even stil als zij. 

• David," zeide zij eindelijk. — tWel, Peggotty?" — *Ik heb mijne 
manieren beproefd, lieve jongen, die ik bedenken kon — alle manicren 
(Be er zijn, en atle manieren die er niet zijn, kortom — omhier op Blun- 
der s t o n e een geschikten dicnst voor mij te krijgcn ; maar er is zoo iets 
niet te vinden." — lEn wat denkt gij dan te doen, Peggotty ?" zeide ik 
eenigszins angstig. iDenkt gij uw fortuin te gaan zoek^f" — ilk denk, 
dat ik naar Yarmouth zal moeten gaan," antwoordde Peggotty, i en 
daar blijven wonen." — Gij hadt wel verder kunnen heengaan," seideik 
eenigszins ophelderende, len zoogoed als verloren voor mij zijn. Daar 
zal U u toch somtijds zien, mijne lieve oude Peggotty. Dan zult ge toch 
niet geheel aan het andere eind van de wereld zijn, niet waar i" — > Wel 
integendeel, als het God beheftl" riep Peggotty vuriguit.iZoolang gij 
hier zijt, mijn troetelkind, zal ik iedere week overkomen om u te zien, 
Een dag in de week, zooluig als ik maar leef." 

Ik gevoelde mijn hart door deze belofte van een zwaren last ontheven ; 
maar teUs dit was nog niet alles, want vervolgens zetde Peggotty : 



tia DAVID COPPBRFIKLD. 

*Ik ga eerst mijn broeder opzoeken, David, om nog eene veerticn 
dagen bij hem tc logeeren — om tijd te hebben om rood te kijken en 
weer eentgszins tot mij zelvc te komen. Nu heb ik gedacht, dat ztj mia- 
scbien. daar zij u faier toch nict gaame zien, wel zullen willen, dat ik u 
medeneem.'- 

Als iets mij op dieo tijd eenig geooegen had kunnen gevcn — ofhet 
had mocten zijn, met alien ora mij heen, uitgezonderd Peggotty, op een 
anderen voet te komen — zou het vooral dit vooruitzicht zijn geweest. 
De gedachte om mij weder door die goede brave lieden omringdterien, 
wier vriendelijke gezichten mij toonden hoe welkom ik was; am weder 
het vreedzame van dien streelenden zondagochtend te genieten, toen de 
klokken luidden, de steentjes in het water plasten, en de schepen als 
schimmen iiit den mist te voorschijnkwamen ; om weder met kleinc Emily 
rond te zwerven, haaral mijn leed te verhalen, en toovermiddelen daar- 
tegen te vinden, in de schelpen en keitjes op het strand, bracht mijn hart 
tot kalmte. Deze werd het volgendc oogenblik wel wederom gestoord 
door een twijfel of jufFrouw Murdstone hare toestemming wel zou geven; 
maar ook in dit opzicht werd ikspoediggerustgesteld, want terwijlwi} 
nog aan het praten waren kwam zij hare avondnazoeking in de provisie~ 
kast doen, en met eene stoutheid, waarover ik mij verbaasde, begon 
Peggotty dadelijk van de zaak te spreken. 

iDe jongen zal daar ledi^ zijn," zeidejufTrouw Murdstone, in een pot 
met ingelegde augurken kijkende, len ledigheid is de wortel van alle 
kwaad. Maar hier zou hij toch ook ledig zijn. Hij zal naar mijne gedach- 
ten nergens ooit veel goeds uitvoeren." 

Peggotty had een purastorig antwoord gereed, dit kon ik zien ; maar 
om mijnentwil hield zij dit binnen en zweeg. 

* Hm !" zeide juffrouw Murdstone, nogin den pot kijkende, >het is van 
meer gewicht dan iets anders — het is van het allergrootste gewicht — 
dat mijn broeder niet gehinderdoflasdggevallenwordt. Ikgetoof, dat 
bet beste is maar ja te zeggen." 

Ik bedankte haar, zonder eenige blijdschap te toonen, uit vrees, dat dit 
haar mocht bewegen om hare toestemming weder in te Irekken. Ik kon 
ook niet nalaten te denken, dat ik daarmede voorzichtig had gehandeld, 
toen zij mij uit den pot aankeek, met zulk eene vermeerdering van zuur- 
heid in haar gezicht, alsofhare zwaite oogen den geheelen inhoud had- 
deningeiogen. Evenwel, het vcilof was gegeven en werd niet herroepen; 
want toen de maand om was, waren Peggotty en ik gereed om te ver- 
trekken. 

Barkis kwam in huis am Peggotty's kofiers te halen. Ik had hem vn>e- 
ger Dooit het tuinhuis zien binnenkomen, maar bij deze gelegcnheid 
kwam hij in huis ; en toen hij den grootsten kofTcr op zijn schouder nam 
en er mede heenging, wierp hij mij een blik toe, dien ik dacht, dat cent 
bijzondere uitdrukking had, indien men oait zeggen kon, dat het gc- 
zicht van Barkis voor eenige uitdrukking vatbaar was. 

Peggotty was natuurlijk neerslachtig toen zij het huis moest verlaten^ 
dat zoovele jaren zoogoed als haar eigea was geweest, en waar de twee 



GROOTMOEDIGHBID VAN M^UFFROUW BAfiKlS. 1 13 

teedente betrekkingen van haar leven — die tot mijne moeder en tot 
mij — waren ontstaan. Zij had ook in den vroegen ochtend het kerkhof 
boocht ; en zij staple nu met haar zakdoek voor hare oogeo in de karen 
bleef 100 zitten. 

Zoolang zij in dezen toestand bleef, gaf Barkis geen teeken van leven 
hoegenaamd. Hij zat op zijne gewone plaats en in zijoe gewonc houding, 
alsof hij eene graote pop was. Maar toen zij begon rond te kijken en met 
mij te praten, knikte hij verscheidene malen met zijn hoofd en grinnikte 
daarbij. Ik heb er niet het minste denkbeeld van, wie hij daarbij op het 
oog had, of wat hij er mcde meende. 

>Het is een mooie dag, mijnheer Barkis," zeide ik uit beleefdheid. — 
> Nog al niet slecht," antwoordde Barkis, die doorgaans zeer voorzichtig 
was in zijr spreken en zich zelden bloot gaC 

• Peggotty is nn weer geheel in haar schik, mijnheer Barkis," merkte 
tkaanomhemgenoegen tegeven. — > Zoo, is zij dat!" zeide Barkis. 

Nadat hij er, met een zeer slim gezicht, eene poos over had gedacht, 
keek hij haar aan en zeide : 

> Zijt gij nu zoo tamelijk in uw schik i" 

Peggotty lachtte en antwoordde bevestigend. 

■ Maar wezenlijk en waarlijk, weet ge. Is het zoo l" bromde Barkis, op 
de bank dichter naar haar toe schuirende en haar een stoot met ziinelle- 
boog gevcnde, »Is het zoo ? Wezenlijk en waar wel in uw schik r Is het 
zoor Zegf* Bij elk dezervragenschoofBarkiswederwat dichter bij en 
gaf baar een stootje ; zoodat wij eindelijk alien op elkander gedrongen 
waren in den linkerhoek van de kar, en ik zoo beklemd was, dat ik het 
bijna niet kon uithouden. 

Toen Peggotty hem op raijn ongemak deed letten, maakte Barkis ter- 
stond rtiimte en schoof langzamerhand weder wcg. Ik kon echter niet 
nalatcn op te merken, dat hij zich scheen te verbeelden een verbazend 
schiander middel te hebben gevonden om zich op eene aardige en sne- 
dige manier uit te dnikken, zonder den last te hebben om te verzinnen 
hoe bij een gesprek aan den gang zouhouden. Blijkbaar grinnikte hij 
daarover eene poos bij zich zelven. Weldra keerde hij zich nogmaals 
naar Peggotty, en nog eens gevraagd hebbende; »Zijt ge wel inuw 
schik ?" schoof hij weder naar ons toe, tot ik bijna geen adem meer kon 
halen. Kort daarop dronghij alweder op,metdezelfdevraagenhetzelfde 
gevolg. Eindehjk stond ik op, ala ik hem zag aankomen, en bleef op de 
Toetenplank staan, alsof ik naar het uitzicht wilde kijken ; en zoo ging 
bet mij naderhand zeer goed. 

Hij was Eoo beleefd om opzettelijk om onzentwil voor eene herbei^ 
op te houden, en ons op gebradcn schapevleesch en bier te onthalen. 
Zel£> terwijl Peggotty jmst aan het drinken waa, kreeg hij een van die 
boien om op te dringen en deed haar bijna sdkken. Doch toen wij het 
cnid oceer reia nadcrden, had hij meer te doen en minder tijd voor ga- 
Ittiterieen -, en toen wij op destraatsteenen van Yarmouthkwamen, 
wCrden wij alien te veel gehotst en geschud om aan iets anders te kmi- 
Bcndenken. 

DAvm comutruLD. — I. & 



114 DAYID COPFERFIBLD. 

Baas Peggotty en Ham stonden op de oude plaats naar ons te wadi' 
ten. Zij ontvingcn mij en Feggotty zecr faartdijk, en gaven Barkis de 
faimd, die, met zijn hoed gebeel ochteropEijnhoofd, eneenrerlegeh 
lach op zijn gezicht, welkc zelfs tot in zijne beenen scheen te reilttn, 
eene vrij gekke vertooningmaakte, naarniij dacht. Zij nameniedereen 
van Peggotty's koSersop^enwij wildenjuisthcengaao, toenBaikiamij 
plednig een teeken met zijn voorvinger gaf om ondcr eene poort te 
komen. 
' iZegecns,"broiDde Barkis. >Hct wasgoedzoo." 

Ik keek naar hem op en anCwoordde, met eene poging om zeer di^ 
zinmgtezijn:»OI" 

>Hetis niet daarbtj gebleven," zeide Barkia, met een vertrouweUjk 
knikje. iHet was goed zoo." 

Wederomantwoorddeik: lO!" 

>Gij weet wel wie er klaar was," zeide tnijnvtiend.tDat was Barids, 
en niemand anders." 

Ik knikte toesteramend. 

>Hetis goed zoo," zeide Barkis mij dehandschuddende. ilkblijf 
Uw vriend. Gij hebl het goed gemaakt. Hct is nu alles klaar." 

Met zijne pogingen om bijzonder dutdelijk te zijn, was Barkis koo bui- 
tengemeen geheimzionig, dat ik hem wel een uur lang in het gezicht had 
kunnen staan kijken, on zcker daardoorevenveel wijzerzouzijn gewor- 
den als door het kijken op eene stilstaande klok, indien Feggotty mij niet 
had weggeroepen. Onder het voortgaan vioeg zij mij wat hij gezegd had; 
en ik antwoordde, dat hij gezegd had, dat alles nu klaar was. 

»Die onbeschaamde vent!" zeide Peggotty. iMaardaaigeefikniet 
omi David, lieve jangen, wat zoudtgij weldenken, alsikeraandacht 
om te gaan tronwen f" — » Wel — ik denk, dat gij dan toch evenveel 
van mij zoudt houden als genu doet, Feggotty ?" antwoordde ik, naeeoig 
bedenken. 

Tot groote verbazing de^ voortnjgangers op straat, zoowel als van 
hare vooruitgaande bloedverwaDten, was de goede ziel genoodeaakt te 
blijven stilstaan en mij op de pick te omhelzeo, met vele betuigiogen 
harer onveranderlijke lieftk. 

; >Zeg mij toch wat gij er van soudt vinden, liereling?" begon zij 
wedcr, toen dit was afjcloopen en wij wederom voortstapten. — >AJi 
gq er aan dachtom tegaan trouwen — met mijnheer Barkis, Feggotty?"— 
»Ja," zeide Peggotty. — *Ik denk, datdatheelgoedzou zijn. Wantgij 
weet, Feggotty, dan zoudt gij altijd de kar en het paard hebbcn om mij 
te komen zien, en koadt voomiet r^den, en zeker.wezen, dat ^ kondt 
komen." — iWelkeen verstandheeftdielievejongentochi" nep Pec - 
gotty uit. ijmat waar ik aldczegcheetemaandlangoveigedaicht^ebl 
fa, tnija beste jongen ; en ik denk, dat ik dan over het geheel meer onaf- 
hankelijk zou wezen, ziot ge, behalve dat tk ook met meer lust in mijii 
eigen tuiis zou werkcn, dan ik mi bij iemand anden zou kunnen doeo. 
Ik weet niet of ik nu nog wel sou deugen om bij vreemden te dienea. En 
dan zal ik altijd dicht bij hare rustplaalsblijven," zeide Peggot^peia- 



DE LIEVB KLKINE EUILY. It^ 

send, len die kunnen zlen zoo dikwijis ik wil; en als ik ecus ga rusten, 
zal ik misschien niet ver van mijne lieve jonge meesteres Hggen." 

Wij spraken eenigen tijd geen van beiden. 

iMaar ik zou er geheel niet weer aan willen denken, als mijn David 
er maar lets tegen had — neen, niet al was ik dertigmaal driemaal in de 
kerk afgekondigd, en al versleet de ring in mijn zak." -— tKijk raij maar 
eeos aan, Peggotty," zeide ik, » en zie of ik er niet waarlijk b!ij mede ben 
en er waarlijk naar verlang." En dat deed ik ook inderdaad met al mijn 
hart. — »Wel, mijn hartedief," zeide Peggotty, mij een dmk gevende, 
>ik heb er dag en nacht over gedacht, op alle manieren die ik kon, en ik 
hoop op de rechte manicr; maar ik zal er nog eens over denken, en er 
met mijn broeder over spreken, en onderttisschen zullen wij het maar 
voor ons zelveo houden, David, gij en ik. Barkis Is een goed, eenvoudig 
man," zeide Peggotty, > en als ik mijn best deed om als zijne vrouw mijn 
plicht te doen, denk ik, dat het mtjne eigene schuld £ou zijn — alsikniet 
tamelijk wel in mijn achik was," zeide Peggotty, hartelijk lachende. 

Deze aanhaling van Barkis kwam zoowel te pas en beviel ons zoo, dat 
wij er beiden nogmaals en nogmaals over moesten lachen, en in eene 
zeer vroolijke stemming waren, toen wij de woning van baas Peggotty 
in het gezicht kregen. 

Deze woning zag er nog juisteveneensuit,behalve dat zij misschien 
in mijne oogen een weinig gekrompen was; en juffrouw Cummidge stond 
aan de deur te wachtcn, alsof zij daar sedert altijd gestaan had. Van 
Innnen was alles nog eveneens, tot aan de zeeplanten in de blauwe kan 
in mijn slaapkamertje toe. Ik ging eens in het schuurCje kijken ; en daar 
schenen dezelfde kreefVen en krabben, altijd met denzelfden lust bezield 
om de geheele wereld te knijpen, nog eveneens in elkandergeward in 
denzelfden hoek te liggcn. 

Doch er was geene kleine Emily te zien, en dus vroeg ik baas Peggotty 
waar zij was. 

»Zij is naar school, jonge heer," antvoordde htj, het zweet, dat het 
dragen van Peggotty's koffer hem had tlitgeperst, van zijn voorhoofd 
vegende. »Zijzal,"vervolgdehij, opdeklokziende, »over eenkwarticr 
of een half uurtje thuis komcn. Wij misscn haar alien, nu zij school gaat." 

Juffrouw Gumraidge slaakte een kermendeo zucht. 

»Kom, beuru maar wat op !"riep baas P^gotty haar toe. — »Ikgevoel 
het erger dan iemand anders," zeide juflrouw Gummidge. > Ik ben een 
jammerlijk, ongelnkkig schepsel, en zij placht haast het eenige te zijn 
waaivan ik geen nieuwe narigheid had." 

Al zuchtcnde en haar hoofd schuddende, ging juffrouw Gummidge 
het Tuiir aanbtazen. Baas Peggotty keck ons, terwijl zij zoo bezig was, m 
het rond aan, en zeide zachtj terwijl hij de hand naast den mond hield : 
»De onde!" Hiernit maakteikmetrecht op, daterindegemoedsstem- 
ming van jufirouw Gummidge sedert mijn vroeger bezoek geene verbe- 
tering had plaats gevonden. 

Nu was de geheele plaats even vermakelijk alsooittevoren, ofhad 
dit ten minste nioeten zijn, en toch maakte zij niet denzelfden indnik 



Il6 DAVID COPPERFIELD. 



op mij. Ik gevoelde mij eenigszins te leur gesteld. Misschien was hetora- 
dat kleine Emily niet thuis was. Ik wist den weg, dien zij komen raoest^ 
en weldra wandelde ik dien kant op, om haar te gemoet te gaan. 

Het duurde niet lang of ik zag iets aankomen, en weldra herkende ik 
Emily, die hoewel gegroeid, toch nog klein van gestalte was. Maar toen 
zij nader kwam, en ik hare blauwe oogen nog blauwer, en haar lief ge- 
zichtje nog frisscher, en haar geheel en al nog bevalliger en darteler 
vond, overviel mij een zonderling gevoel, hetwelk de oorzaak was, dat 
ik mij hield alsof ik haar niet kende, en voorbijging alsof ik in de verte 
naar geheel iets anders keek. Ik heb in later tijd zoo iets wel meer gedaan^ 
of ik moest mij vergissen. 

Kleine Emily trok zich dit volstrekt niet aan. Zij zag mij heel goed ; 
maar in plaats van om te keeren en mij na te roepen, Hep zij lachend 
heen. Dit noodzaakte mij om haar na te loopen, en zij liep zoo hard, dat 
wij zeer dicht bij huis waren eer ik haar ving. 

>0, zijt gij het ?*' zeide kleine Emily. — »Wel, ^j wist immers wel wie 
het was, Emily?" zeide ik. — lEn wist gij dan met wie het was f" zeide 
Emily. 

Ik wilde haar kussen, maar zij hield hare handjes voor hare roode 
lippen, en zeide^ dat zij nu geen kind meer was, en liep, nog harder 
lachende, het huis in. 

Zij scheen groot vermaak te hebben om mij te plagen, hetgeen eene 
verandering in haar was, waarover ik mij zeer verwonderde. De thee- 
tafel stond gereed, en ons bankje werd op zijne oude plaats gezet, maar 
in plaats van naast mij te komen zitten, schonk zij haar gezelschap aan 
die grommige juffrouw Gummidge ; en toen baas Peggotty haar vroeg 
waarom zij dit deed, haalde zij hare knillen over haar gezichtje om het 
te verbergen, en wilde maar niets anders doen dan lachen. 

>Zij is een poesje," zeide baas Peggotty, haar met zijne groote hand 
streelende. — tja, dat is zij, dat is zij I" riep Ham. >Dat is zij, jonge heer 
David !" en hij bleef haar eene poos grinnikend aankijken, met eene 
mengeling van lachlust en opgetogenheid, die zijn gezicht gloeiend rood 
deed worden. 

Kleine Emily werd eigenlijk door hen alien bedorven, en door nie- 
mand meer dan door baas Peggotty zelf, wien zij al vleiende tot alles had 
ktmnen overhalen, door maar hare wang tegen zijn niigen baard te 
drukken. Zoo dacht ik ten minste, toen ik haar dit zag doen, en ik vond, 
dat baas Peggotty volkomen gelijk had. Maar zij was zoo zachtaardig ei> 
lieftallig, en had zulk eene aardige manier om te gelijk schalkachtig en 
bedeesd te zijn, dat zij mij meer dan ooit betooverde. 

Zij was teerhartig insgelijks; want toen wij na de thee omhetvuur 
zaten, en baas Peggotty, onder^hetrookenvanzijnepijp, iets zeide van 
het verlies dat ik geleden had, kwamen haar de tranen in de oogen en 
zag zij mij, over de tafelheen, zoo vriendelijk aan, dat ik haar wezenlijk 
dankbaar daarvoor was. 

»Och ja I" zeide baas Peggotty, hare krullen opnemende, die hij als 
water over zijne hand liet loopen, » hier is nog een weesje, ziet ge, jooge 



IK VKRKOMDIG DEN LOF VAN STEERFORTH. Ii^ 

heer. En hier," ver volgde hij en gaf Ham een tamelijk frisschen stoot voor 
de borst, »is er nog een, hoesrel hij cr niet veel naar uitdet." — ■Alsik 
11 tot voogd had, mijnheer Peggotty," zeidc ik, mijn hoofd schuddende, 
>geloof ik ook niet, dat ik het veel eou v o e 1 c n."— • Wei geregd, jonge 
iMcr David!" riep Ham in verrukking uit. >Hoezee! Wclgeiegd! Dat 
Eoudt gij ook niet! Hoezee! Daarmede gaf hij baas Peggotty zijn stoot 
tcnig, en kteine Emily stond op en gaf haarverzorger eenkus. — >En 
hoe maakt het uw vriend, jonge heer?" zeide baas Peggotty tegen mij. — 
»Steerfbrth?" zeide ik. — tDat is de naam!" riep baas Peggotty, zich 
tot Ham keerende. »Ik wist wel, dat het iets vanonsbedrijfwas." — 
»Gij hebt gezezd, dat het Rudderforth was," merkte Ham lachend 
aan. — » Welnii?" lictbaas Peggotty hierop volgen. »En gijstuurtiramers 
met een roer? Dat is er zoover niet vandaan. Hoe maakt hij het, jonge 
he^r?" — iHij was heel wel toen ik heenging, mijnheer Peggotty." — 
»Dat is eerst een vriend !" zeide baas Peggotty, zijne pijp uitstekende 
abof hij er mede wilde wijzen. iDat is ecrst een vriend, als gij van vrien- 
den spreekt. Waarachtig, als het niet een lust is om hem te zien." — i Hij 
ziet er knap uit, niet waar f" reide ik opgetogen over dienlof. — iKnap !" 
riep baas Peggotty uit. » Hij gelijkt — hij gelijkl — ik weet niet waar hij 
niet op gelijkt, zoo manhaflig staat hij daar voor u." — >Ja, dat is hij 
jiiist," zeidc ik. • Hij is zoo mocdig als een leeuw, en gij kunt a niet vcr- 
beclden hoe oprecht en openhartig hij is, mijnheer Peggotty," — >Enik 
ton ook denken," zeide baas Peggotty, door den rook zijner pijp naar 
mij turende, idat hij, als het op gcleerdheid nit boeken aankomt, ook 
wel haast iedercen achter zich zal laten," — » Ja," zeide ik opgetogen. 
»hij weet alles. Hij is verbazend knap." ■ — iDat is eerst een vriend! 
mompelde oaas Peggotty met een ernstig knikje. — >Niets schijnt hem 
moeite te kosten," zeide ik. > Hij kent zijne lessen al, als hij ze maar eens 
even hecft ingekeken. Hij is de beste balspeler, dien gij ooit gezien hebt. 
In het dammen zal hij n bijna zooveel schijveu voorgeven als gij maar 
wilt, en het toch met gemak winnen," 

Baas Peggotty knikte nog eens, alsof hij wilde zeggen: »NatUUrlijk." 

»Hij spreekt zoo goed," vervolgde ik, idathijiedereenkan overre- 
den; en ik weet niet wat ge zoudt zeggen, als ge hem eens kondt booren 
xingen, mijnheer Peggotty." 

Baas Peggotty knikte nogmaals, alsof hij wilde zeggen; ilk twijfel er 
niet aan." 

lEn dan is hij zulk een ferme, edelmoedige, trouwhartige jongen," 
zeide ik, door mijn geliefkoosd onderwerp medegesleept, >dat het naast 
niet mogelijk is hem naar verdienste te prijzen. Ik kan hem waarlijk niet 
dankbaar genoeg zijn voor de grootmoedigheid waarmede hij mij bc- 
schermd heeft, die zooveel lager en jonger op de school was dan hij." 

Zoo was ik aan het doorslaan, toen mijn oog op kleine Emily viel, die^ 
over de tafel gebogen, met de grootste opletlendheid zat te luisteren. Zij 
scheen haar adem m te houden ; hare blauwe oogen flikkerden als juwee- 
len -, en zij had een bios op de wangen. Zij keek zoo buitcngemeen emstig 
en zag er daarbij zoo lief uit, dat ik met zekere verwondering stilzweeg; 



]l8 DAVID COPPSRrlELD. 

en dit deed alien gelijk op haar letten, want toen ilc zweeg, Uchten zij en 
zagen haar aan. 

(Emily is evenals ik," zeide baas Peggotty, ten ^ou hem gaameeens 
willen den." 

Emily werd er vcrlegen over, dat wij haar alien zoo aankeken, en z^ 
liet haar hoofdje hangen, en de bios veispreidde zich over geheel haar 
gezichtje. Toen zij weder door hare neerhangende krullen opzag, en 
vond dat wij nog naar haar keken (ik voor mij had haar uren lang kunnen 
aankijken), liep zij heen en bteef weg tot het bijna tijd was om naar bed 
te gaan. 

Ik sliep in het oude bedje in den achtersteven der schuit, en de wind, 
streek klagend over de vlaktc, gelijk hij vroeger had gedaan. Maar ik kon 
niet nalaten mij te verbeelden, dat hij kSaa^de over hen, die niet naeer 
waren ; en in plaats van te denken, dat de zee m den nacht kon opkonien 
en de schuit doen wegdrijven, dacht ik, dat de zee, sedeit ik de laatste. 
maal dit geluid had gehoord, werkelijk opgekomen was en mijn geluk- 
ki^ huis overstroomd had. Ik herinner mij, datik, toen wind en^olven 
mij flauwer in de ooren begonnen te klinken, nog een regeltje in mijn 
gebed voegde, om te vragen dat ik, als ik groot werd, met kleine Emily 
zou trouwcn, en zoo met een hart vol liefde in slaap viel. 

Dc dagen verliepen omttent eveneens als zij te voren hadden gedaan, 
behalve dat — hetgeen eene groote uitzonderin^ was — kleine Emily 
en ik nu zelden op het strand gingen wandelen. Zij had lessen te leeren. 
en naaiwerk te doen, en was bet ^ootste gedeelte van den dag van huis. 
Maar ik gevoelde wel, dat wij die oude wandelbgen toch niet mecr ge- 
daan zouden hebben, al was het anders geweest. Hoe wild en vol kinder- 
lijke grillen Emily ook wezen mocht, bad zij toch al meet van een voU 
wassen meisje dan ik mij verbeeld had. Zij scheen mij, in weini^ langer 
dan een jaar, op grooten afstand vooruit te ziJD ^ekomen. Zij hield weL 
van mij, maar zij lachte mij ook uit en kwelde mij \ en als ik haar te ge- 
moet ging, sloop zij een anderen weg naar huis, en stond aan de deur te 
lachen, als ik te leur gesteld terugkwam. De beste tijden waren die, wan- 
nccr zij stil in de deur zat te werken, en ik op het houten trapje aan hare 
voeten zat en haar voorlas. Het komt mij nu nog voor, dat ik naoit zulr 
ken zonneschijn heb gezien als op die heldere namiddagen in April ; dat 
ik nooit zulk een zonni^ iiguurtje heb gezien, als ik daar in de deur der 
oude schuit placht te zien zitten; dat ik nooit zulk eene Incht, of zulk 
water heb gezien, nooit zulke heerlijke glanzende schepen in het gulden 
vcrschict heb zien wegzeiten. 

Op den allerecrsten avond na onze aankomst zagen wij Barkis ver- 
schijnen, die zeer bedremmeld en verlegen scheen, en een aantal in een 
zakdoek geknoopte sinaasappelen medebracht. Daar hij van dezesinaas- 
appelen geen enkel woord sprak, meende men, dat hij ze bi; toeval had 
laten liggen toen hij hecnging ; totdat Ham, die hem naliep om ze temg 
te geven, weder thuis kwam met het bericht, dat zij voor Peggotty be- 
stemd waren. Daama verscheen hij elken avond stiptelijk op hetzelfder 
uur, altijd met een bundeltje, waarvan hij nooit een woord sprak, en dat 



VRIJAGB TUt HIJNBEBK' BARKIS. II9 

laj geregetd achter de deiirstopte en daar Het H^en; Deie pandenvsa 
gcDegenheiii waren van den meest verschiileaden en Eonderlingsten 
and. Ik herinner mi) daoFonder een zooilje varkenskhiiijes, «eii vcrvaar- 
Igk gioot speldenkuscn^ nagenocg een half mod appelen, een paai oor- 
bieBen van git, eenige uien, een domino-spelletje, eicn kananevogeltje in 
een kooitje en een gepekelden raikenspoot. 

De vrija^e van Barkis, geUjk ik mij heriuner, was over het gehed van 
een zeer bmtengemeenen aard. Zeer zelden zeide hij lets ; maar gewoon- 
lijk bleef hij b^ het vuur dUen, omtrent in dezelfde houding waatin hij 
op zijne kar zat, en staarde Feggotty, die tegoiover hem zat, met bolle 
oo^n ean. Opeen avond, door liefile ^dieven,naarikveTnioed,schoot 
hij op bet eindje vaakaara toe, waar zij haar garen doorhaalde,' stak het 
inujnvestzakjeengingermedeheen.DaamawashetziJn giootstever- 
inaak, dit Etukje was, dat half gesmolten aas de voering van zijn zak 
kleefde, voor den dag te halen als het noodig was, en weder in njn zak te 
stcken als het gebniikt was. Hij scbeenzeer vergenoegdte wezenenvol- 
strekl geene tocping te gevoelen am te praten. ^Ifs wanneer hij Peggotty 
medenam om lanzs het strand te wandelen, geloofik, dat hij zichdaartoe. 
geeae moeite ga^ maar zicb tevreden hield met nu en dan te viagen of 
lij wel in haar schik was; en ik berinner mij, datPeggotty somtijds, nadat 
Mjiras heengegaan, haar voorschoot over haar gezicht sloeg en een iialf 
inir aat te lachen. Wij moesten er alien meer of minder ora Uchen, be- 
hatve die ongelukkige jufirouw Gummidge, wier viiji^ van gelijken 
aard scheen te zijn geweest, dewijl zij door die kleinighcdcn zoo gedurig 
aan den ouden wcrd berinnertl, " 

Eindelijk toen de tijd van mijn bezoek bijna verstreken was, wetd er 
gnegd, dat Peggotty en Barkis te zamen een dag pleiziei zouden gaan 
hebben, en dat klelne Emily wi ik met hen zoudenmedegaan.Ik kon des ■ 
nachts te voren niet goed slapen, zoo onrustigmaakte mij het vooniit- 
zicht op het vermaak om een geheelen dag met Emily door te brengen. 
Wij waxen alien des morgens vroeg op de been, en terwijl wij nog aan 
bet ontbijt zaten, zagen wij Barkis in de verte met een open wagmtje 
aankomen, om bet voorwerp zijnei genegenheid afte halen. 

Peggotty was gelijk gewoonlijk gekleed, netjes en stenunig in den 
ronw ; maar Barkis pronkte met een nieuwen blauwen rok, dien de kleer- 
makcr hem zoo ru:m had aangemeten, dat de mouwen hem zd& bij het 
koudstewederde noodzakeUjUieid konden besparen van handGchoenen 
te dragen, terwijl de kraag zoo hoog was, dat hij zijne haren van achteren 
steal naar boven duwde. Zijne bli^ende knoopen waren insgehjks van 
de ^rootste sooiL Verder met eene geeUchtige broek en een bruin- 
achtig vest versierd, zag Baikis in mijne oogen er uit als het model van 
een deftig heer. 

Toen wij alien naar bulten gestormd waren, berond ik, dat baas Peg- 
gofty lich van een ouden schoen had voorzicn, die ons tot een gped 
voorteeken moest wordcn nagegooid, en dien hij ju&ouw Gummidge 
tot dat einde aanbood. 

*Neen, laat liever ienumd aoders dat doen, Daniel," zcidejufirouw 



I90 DAVID COPPERflBLD. 

Gummidge. *Ik ben een jammtfrlijk ongelukldg achepsel, en alles wat 
mij aan'mcnschen doet denken, die niet zoo jammerUjk ongelukkig zijn, 
geeft mij maar nieuwe narigheid." — iKom aan, oudjel" riep bau 
Feegotty haar toe. >Pak aan en gooi op." — >Neen, Daniel," ant wo ordde 
jufltouwGummidgeopeen huilenden toon, en schudde haar hoofd. > Als 
ik zooveel niet gevoeldc, sou ik meer kunnen doen. Gij gevoelt niet 
zooveel als ik, Danid; gij hebt geen narigheid van iets; doe bet liever 
relf," 

Doch nu riep Peggotty, die van den een naar den anderwasgevlogen, 
om ieder een kus te geven, uit het wagentje, waarin wij alien reeds zaten 
(Emily en ik naast elkandcr), datjuffrouwGummidge het doen moest. 
JuffrouwGummidge deed het dus; maarmetleedwezen moetik zeggen, 
dat zij de feestelijke vretigde ran onzen uittocht benevelde, door onmid- 
dellijk daarop in tranen uit te barsten en machteloos in de armen van 
Ham te zinken, met de verklaring, dat zij wel wist dat zij een last was, en 
liever maar terstond naar het werkhuis moest gebracht worden — hct- 
geen ik werkelijk dacht, dat eene verstandige gedachte was, welke Ham 
wel ten uitvoer had mogen breogen. 

Wij reden echter been ; en het eerst wat wij deden was, dat wij voor 
eene kcrk stilhielden, waar Barkis het paard aan een Kek bond en met 
Peggotty binnenging, terwiji kleine Emily en ik alleen in het wagentje 
bleven zitten. Ik nam deze gelegenheid waar om mijn arm om Emily's 
middeltje te slaan en haar voor te stellen, dat wij, daar ik zoo spoedig 
zou faeengaan, dicn geheelen dag heel lief voor elkander zouden zijn en 
zooveel vermaak hebben als maar mogelijk was. Toen Emily hierin 
toestemde en mij vergunde om haar te kussen, werd ik wanhopig. Tk 
onderrichtte haar, dit herinner ik mij, dat ik nooit eene andere kon lief- 
hebben, en dat ik gereed was om het bloed te storten van iederecn, die 
naar hare genegenheid durfde staan. 

Hoe vroolijk maaktekleine Emily zichdaaroverlMetwelkeenstem- 
mig gezichtje, alsor zij oneindig ouder en wijzer was dan ik, eeide het 
tengere kleine ding, dat ik een * onnoozele jongen" was, enlachte daarop 
zoo bekoorlijk, dat het genoegen van haar aan te zien mij mijne spijt 
over zulk eene vemederende bcmaning deed vergeten, 

Barkis en Peggotty bleven eene goede poos in de kerk, maar kwamen 
er eindelijk toch uit, en toen reden wij naar buiten. Ondcr het voortrij- 
den keerde Barkis zich naar mij om, en zeide, knipoogend — ik had te 
voren eigenlijk niet gedacht, dat hij kon knipoogen : 

J Welke naam was het, dicn ik toen in de kar schreef ?" — >Clara 
Peggotty," antwoordde ik. — > En welken naam zou ik nu schrijven aU 
er hier plaats voor was?" — »WederomClaraPeggotty,zouikdenkenJ" 
antwoordde ik. — iCIaraPeggotty BARKis!"riephij,enbarsttetoeDin 
een geschater uit, dat het wagentje er van trilde. 

Kortom, zij waren getrouwd, en waren met geen ander oogmerk die 
kerk binnengegaan. Peggotty had gewild, dat het stil zou gebeurenj en 
de koster had als bruidsvader gestaan, en er waren geene getuigen bij de 
plechtigheld geweest. Zij werd eenigszins verlegen toen Barkis zoo on- 



PEGGOTTY's TROUWDAG. 121 



yerhoeds hanne vereeniging aankondigde, en kon mij niet genoeg kussen 
ta omhelzen, ten teeken barer onverflauwde genegenheid ; maar spoedig 
werd zij weder gelijk gcwoonlijk, en zeide, dat zij zeer blij was dat het 
gedaanwas. 

Wij reden naar eene kleine herberg aan een dwarsweg, waar wij ver- 
wacht werden, en een zeer goeden maaltijd hielden en met veel genoegen 
den dag doorbrachten. Indien Peggotty zich tien jaren lang dagelijks 
had laten trouwen^ had zij het niet lichter kunnen opnemen. Het maakte 
volstiekt geen verschil bij haar; zij was volmaakt dezelfde als altijd, en 
ging v66r de thee met kleine Emily en mij eene wandeling doen, terwijl 
Barkis philosophisch zijne pijp bleef zitten rooken en zich, naar ik ver- 
moed) met de bespiegeling van zijn geluk vermaakte. Zoo ja, dan scherpte 
deze bespiegeling zijn eetlust op, want ik herinner mij duidelijk dat hij, 
schoon hij des middags eene goede portie varkensvleesch met groenten 
had gegeten en met een paar kippen had besloten, bij de thee weder 
gekookt spek moest hebben, en zonder eenige gemoedsaandoenmg eene 
groote hoeveelheid daarvan naar binnen zond. 

Ik heb sedert dikwijls gedacht, welk een wonderlijke, onschuldige, 
boitengemeene soort van bruiloft dit toch was ! Wij stapten kort na den 
donker weder in het wagentje en reden genoeglijk terug, terwijl wij naar 
de sterren opkeken en daarover praatten. Ik was de voornaamste spree- 
ker en opende voor Barkis een verbazenden schat van kundigheden. Ik 
vertelde hem al wat ik wist; maar hij zou alles geloofd hebben wat ik 
hem maar had wiilen wijsmaken; want hij koesterde een diepen eerbied 
voor mijne talenten, en onderrichtte zijne vrouw bij deze gelegenheid 
ten mijnen aanhoore, dat ik een »jonge Rosjes" was — waarmede ik 
geloo^ dat hij een wonder van geleerdheid meende. 

Toen wij over de sterren waren uitgepraat, of liever toen ik er Barkis 
niets meer van kon doen begrijpen, maakten kleine Emily en ik een 
mantel van een oud paardedek en bleven daaronder zitten zoolang de 
rds nog duurde. O, hoe lief had ik haar. Welk een geluk, dacht ik, als 
wij eens getrouwd waren, en ergens onder het geboomte in het veld gin- 
gen levcn, zonder ooit ouder te worden, zonder ooit wijzer te worden, 
altijdkinderen, die hand in hand door zonneschijn en bebloemde weiden 
dwaalden, des nachts het hoofd op het zachte mos neerlegden, in een 
zoeten slaap van onschuld en vrede, en als wij dood waren door de 
vogeltjes begraven werden ! Zulk een tafereel, geheel buiten de wezenlijke 
wereld, verhelderd door het licht onzer onschuld, en schemerachtig 
gelijk de verste sterren, had ik den geheelen weg langs voor den geest. 
Ik verheug mij nog in de gedachte, dat er bij Peggotty's huwelijk twee 
arglooze harten waren als dat van kleine Emily en het mijne. Ik verheug 
mij nog in de gedachte, dat de minnegoodjes en grati^n bij dien eenvou- 
digen bruilotfstoet zulke kinderlijke vormen aannamen. 

Wij kwamen laat in den avond weder aan de oude schuit, en daar 
zeiden Barkis en zijne vrouw ons vaarwel en reden gezellig heen naar 
hun eigen huis. 

Toen gevoelde ik voor de eerste maal, dat ik Peggotty verloren had. 



133 DA,VIB COfPSaeaUi. i 

Ik zou waailijk met een bekkmd hart naaibed zijn g«gMO,alshet ooder 
eeD ander A^k was geweest, dan dat hel hoofdjs vim kleine Emiljr ' 
beschermde. 

Ba^ Feggotty en Ham wbten evengoed als ik wat er in mij on^tng^ 
en waren met eea avondmaal en hunn^vriendelijkegezichten gereed 
om het uit mijoe gedachten te verdrijven. Kleine Emily kwam naast mij 
op bet bankje zitten, voor de eenige maal in al den tijd van mijn bezoek ; 
en het was een wosderbaar slot van een wcinderbaren dag. 

Het zou dien nacht hoog water z^a, en kort na dat wij naar bed waren, 
ffngen baas Feggotty en Ham uitcmte visschen. Ikgevoelde mi>zcer 
df^pei nu ik zoo alleen in het eenzame huia was gebkven, als bescfaer- 
mer van kleine Emily en juffrouw Gummidge, en weoschte maar dat een 
leeuw of een slan^, of een ander boo&aardig monster, op ons zou komen 
aanvallen, opdat ik het ondier zou kunnen verdelgen en mij zelven met 
roem overladen. Maar dewijl er bij toeval dien nacht geen beest van diea. 
aaidbij Varmouth over bet strand dwaalde, vergoedde ik dit gebrek 
zooveel mogelijk door tot aan den ochtend van draken te droomen. 

Met den ochtend kwam Feggotty, die mij volgens gewoonte under 
naijn venster liep, alsof Barkis de vrachtrijder ook van het be^ tot het 
eisde een droom was geweeat. Na het ontbijt bracht zij mij naar luar 
eigen huis, en een allerliefst huisje was het. Van al de meubelen daarin^ 
rooet ik het meest op zeker oud bureau van donker hout bebben gelet^ 
dat in de zijkamer stond (de keuken, die een vioer van tegels had, waa- 
de gewone huiskamer) en eene klep had, die men kon neer&laan, en dan 
een lessenaar werd, en waaxacbter het Martelaarsboek van Fox — ecD 
groote, dikke kwartijn, — lag weggesloten. Dit kostbaie boek, waarvaa 
uc mij geen woord meer hetinner, werd dadelijk door mij opengeslagen ; 
en naderhand bezocbt ik nooit weder het huis, of ik ging geknield op een 
stoei liggen, opende de bewaarplaats, waarin dat juweel verborgen was, 
le^de mijne armcn op den lessenaar en begon het boek opoieuw te vet' 
slmden. Wat mij vooral beviel, vrces ik, wartn de prenten, die ««r tal- 
rijk waren en allerlei gruwelen en akeligheden vooistelden; maar de 
martelaren en Feggotty's huts zijn sedert altijd in mijne gedachten onof- 
scheidbaar geweest, en zijn dat nog. 

- Ik nam dien dag afscheid van baas Feggotty, en Ham, en juf&ouw 
Gummidge, en kleine Emily, en sleet den nacht bij Feggotty aan huis, in 
een kamertje onder het dak (met het krokodillenboek op eene plank 
dicht bij mijn bed), dat altijd het mijne zou wezen, seide Peggottjr, ei> 
altijd in denzelfden staat voor mij zou gehouden worden. 

>}ong of oud, lieve David," zeide Feggotty, >zoolangikleef en dit 
huis boven mijn hoofd beb, zult gij het vinden fdsof ik u ieder oogenblik 
hier verwachtte. Ik zal het alle dagen opruimen, zooals ik uw vorig kir 
mertje placht te doen, mijn lieveling; en al tnochtge naar China gaan, 
dan Loudt ge toch den heelen weg over kunnen denken,dat beteveneeos 
voor u klaar werd gehouden." 

Ik gevoelde de trouw en stand vastigheid mijner lieve oude oppasster 
in het diepst van mijn hart, en dankte haar zoo goed tk kon. Heel goed 



IK VERVAL or KEN TOBSTAMD VAN VERWAARLOOZIHG. 12^ 

kott ik dat niet doen, want het was des morgens toen zij mij dit zeide, 
met harearmCD ommijn lials, en dten morgenzouik wedernaarhuia. 
gaan, en ik ging ook weder naar huis, met haar en Ba^kjsjjl, de kar. Zy 
lumen bijhethek afscheid van mij, niet vroolijk of gemakkelijk; en het 
was een vreemd gezicht voor mij, de kar te zien vooitrijdeD en Peggolty^ 
wegvoeren, terwijl ik onder de oude olmen bleef staan, naar het huis kij- 
kende, waar niemand meer was, die met liefde of wetgevallen naar mij. 
zou uitzien. 

En nu verviel Jk m een toestand van verwaarloozing, waarheen ik niet 
zonder medelijdcn kan terugzien. Ik werd op eens in eene eenzaamheid 
verplaatst, vcrstokcn van alle vriendelijke zorg, van alien omgang met 
jongens van mijn eigen oudeidom, van alle gezelschap behalve mijne 
eigene neerslachtige gedachten die, terwijl ik schrijf, hare sombcre duis- 
ternis over het papier schijnen te werpen. 

Wat had ik niet willen geven om naar de hardste school te worden ge« 
londcn, die ergens te vinden was — om maar lets te leeren, hoe en waar 
dan ook, Gecne zulke hoop daagde voor mij op. Zij hadden een hekel 
tan mij, en hidden mij slechts met norsche strengheid onder gcstadig 
toezicht. Ik geloof, dat mijnhcer Murdstone tegen dczen tijd in meer be- 
krompene omstandigheden geraakte : maar dit doet er weinig toe. Hij 
kon mij niet uitstaan ; en door mij van zich te verwijderen poogde hij, 
geloof Si, het dcnkbeeld te verdrijven, dat ik eenige aanspraak op hem 
had — en dit gelukte hem ook. 

Ik werd niet eigenltjk misbandeld. Men sloeg mij niet en liet mij geen 
honger lijden ; maar het onrecht, dat men mij aandeed, kende geene 
tusschenpoozen van verzachting, en werd koelbloedig en stelselmatig 
gepleegd. Dag aan dag, week op week, maand op maand, werd ik met 
koude onverschilligheid verwaarloosd. Ik verwondcr mij somtijds, als 
ik daAfjifln denk, wat zij wel met mij zouden gedaan hebben als ik eene 
zickte had gekregen ; of ik dan in mijn eenzaam kamertje zouzijn blijveQ 
%gen, om alleen, gelljk altijd, te kwijnen tot ik weder beter werd, dan 
of lemand mij zou hebbenbijgestaan. 

AU mijnheer Murdstone en zijne zuster thuis watcn, at ik met Hen; ala 
lij uit waren, at ik alleen. Altijd mocht ik ongebinderd door het huis en 
in den omtrek dwalen, behalve dat zij niet willen hebben dat ik mij er- 
gens vrienden maakte, misschien denkende, dat ik dan btj iemand zou 
klagen. Om deze reden gebeurde het ook maar zelden — hoewel mijn- 
heer Chillip mij dikwijls vroeg om hem te komen opzoeken (hij was een 
veduwnaar, die eenige jaren geleden een tenger, lichlblond vrouwtjc had 
verloren, dat ik mij nog even kan herinneren, omdat zij mij altijd aan 
eene bleeke schildpadden kat deed denken) — dat ik het geli^ smaakte 
van een namiddag in zijne achterkamer door te brcngen, waar ik dan 
een of ander boek las, dat nieuw voor mij was en waaniit de reuk der ge- 
heelc apotheek mij in den neus vloog, of onder zijn zachtzinnig toezicht 
het een of ander m den vijzel stamptc. 

Om die zelfde reden, zonder twijfel vereenigd met him ouden hekel 
aan haar, mocht ik maar zelden Feggotty gaan opzoeken. Getrouw aan 



134 DAVID COPPKRFIELD. 

hare belol^e, kwam zij mij eens in de week bezoeken, ofwachttemij 
ergens in de nabijheid op, en dat nooit met ledigc handen ; maar veel- 
vuldig en bitter waren de teleurstellingeD, die ik onderrond, door wei- 
geringen om haai aan haar huis te gaan bezoeken. Eenige weinige malen 
echter, met lange tusschenpoozen, mocht ik daarheen gaan ; en toen 
ontdekteik, dat Barkis wel iets van een gierigaard had, of (gelijk Peggot^ 
hetverschoonenduitdrukte) teen beetje deun was" en een schat van geld 
onder zijn bed in een koffer bewaarde, dien hij voorgaf, dat slechls met 
rokken en brocken was gevuld. In dezen koffer verborg zijn rijkdom zich 
met zulk eene hardnekkige bescheidenheid, dat zelfs de kleinste som- 
metjes niet anders dan door kunstgrepen daaraan waren te ontlokken ; 
zoodatPeggottyelken zaterdageen uitvoerigenwelberekend plan moest 
ontwerpen om aan het noodige geld voor haar huishouden te komen. 

Al dien tijd begfeep ik zoo duidelijk, dat ik alles wat ik geweten had 
weder verleerde, dat ik geheel verwaarloosd werd, en er op die manier 
nooit iets goeds van mij zou komen, dat ik er niet aan twijfel of ik zou 
mij diep rampzalig hebben gevoeld, als ik die oude boeken niet hart ge- 
had, Zij waren mijn eenige troost; en ik was hun even trouw als zij mij wa- 
ren, en las hen nogmaals en nogmaals, en ik weet niet hoe dlkivijls, door. 

Ik nader nu een tijdperk van mijn leven, waarvanik, zoolangikmij 
nog iets herinner, nooit de geheugenis kan verliezen, en waarvan zelfs de 
herinnering, zonder dat ik die opriep, dikwijis als een spook voor mij is 
opgerezen en gelukkiger tijden heeft verbitterd. 

Ik was eens gaan wandelen, op die lustelooze, mijmerende manier, 
die een gevolg van mijne levenswijze was, toen ik, dicht bij ons huis een 
hoek eener laan oraslaande, mijnheer Murdstone ontmoette, die met een 
ander heer aankwam, Ik werd verlegen en wilde hen voorbijgaan, toen 
dieheerriep: 

»WatI Daar is Brooks!" — tNeen, mijnheer, David Copperfield," 
zetde ik. — >Maak mij dat niet wijs. Gij zijt Brooks," was het antwoord. 
• Gij zijt Brooks van Sheff i el d, Zoo heet gij," 

Op deze woorden zag ik dien heer meeropkttend aati,Daarnuook 
zijn lach mij in het geheugen kwam, herkende ik hem als mijnheer Qui- 
Dion, dien ikmet mijnheer Murdstone teLowestoft was gaan opzoe- 
ken, voordat — raaar ik behoef niet te herinneren wanneer. 

»En hoe gaat het u, en waar ligt genu school, Brooks?" zeide mijn- 
heer Quinion, 

Hij had zijne hand op mijn schouder gelegd en draaide mij om, om 
met hen mede te gaan. Ik wistniet watte antiroordenenzagtwijfelachtig 
naar mijnheer Murdstone om. 

»Hij is tegenwoordig thuis," zeide deie. > Hij gaat niet meer school. 
Ik weet niet wat ik met hem doen zal. Hij is een lastig onderwerp." 

Die oude loensche blik rustte voor een oogenblik op mij, en toen ver- 
Bcholen zijne oogen zich onder zijne saamgetrokkene wenkbrauwen, 
terwijl zij zich met tcgcnzin van raij afkeerden, 

>Hm !" zeide mijnheer Quinion, ons beiden te gelijk aanziende, naar 
mij dacht, >Mooi weer!" 



^^^^^^^^^^^^^^^^m • 



DE WKRELD STAAT VOOR MU OPEN. 



El volede eene stilte, en ik dacht er over hoe ik best mijn schouder 
■an zijne hand zou onttrekken en mij wegmaken, toen hij zeide: 

>Ik denk, dat ge nog wel een tamelijk slim kereltje zult zijn^Niet 
vaar, Brooks f" ~ > Ja, hij is slim genoeg," zeide raijnheer Murdsione 
ongeduldig. »L.iiat hcralicvcrloopen. Gijzultergeenpleiziervanhebben 
als gij u met hem bemoeit." 

Op dezen wenk l!et mijnheer Quinion mij los, en ik haastte mij naar 
hms, Toen ik bij den ingang van den tuinomkeek, zagikmijnheeiMurd- 
stone tegen het hek van hetkerkhofstaanleunen en mijnheer Quinion 
met hem spreken. Zij keken mij beiden na, en ik begreep wel, dat zij over 
mij spraken. 

Mijnheer Quinion sliep den nacht bij ons in huis. Den volgenden mor- 
gen had ik na het ontbijt mijn stoel weggezel en wilde de kamer uitgaan, 
toen mijnheer Murdstone mij terugriep. Vervolgens stapte hij deflignaar 
eene andere tafel, waar zijne zuster zich voor haar lessenaarlje had ge- 
xet ; mijnheer 'Quinion stand met de hand in de zakken uit het venster te 
kijken, en ik bleef hen alien staan aanzien. 

>David," zeide mijnheer Murdstone, >voor jonge lieden is diteene 
wercld ora bedrijvig le zijn, niet ODi te loopen sufFen en druilen." — 
iZooals gij doet," voegde zijne zuster er bij. — » Jane Murdstone, laat 
bet maar voor mij over, als het u belicft. Ik zeg, David, voor jongelieden 
is dit eene wereld om bedrijvig te zijn, en niet om te loopen suffen en 
druilen. Dit is zij vooral voor een jongen van uw aard, die veel zal moeten 
veranderen, en wien men geen beter dienst kan bewijzen dan hem te 
dwingen om zich naar den gang der bedrijvige wereld tevoegen,en zijne 
bborst te buigen en te breken.'' — » Want koppigheid komt hier niet te 
pas," zeide zijne zuster. * Als iemand een harden kopheellmoet hij maar 
gebroken worden. En dat zal hij ook." 

Hij wierp haar een half bestraffenden, halfgoedkeurendenblik toe, 
en vervolgde. 

»Gij zult wel wetcn, David, dat ik niet rijk ben. In alien gevalle, weet 
gij het nu. Gij hebt rceda vrij wat geleerd. Het schoolliggen is kostbaarj 
en zelfs al was het zoo niet en al kon ik het betalen dan ben ik toch van 
gedachte, dat het u geheel ^een nut zou doen u langer te laten schoollig- 
gen. Wat gij voor u hebt is een strijd met de wereld; en hoe eerder gij 
dien begint, des le beter." 

. Ik geloof dat het mij inviel, dat ik dien strijd, op mijne kinderlijke 
manier, reeds begonncn had ; maar hoe dit zij, het valt mij nu in. 

1 Gij hebt wel eens van het kantoor hooren spreken," zeide mijnheer 
Murdstone. — iHet kantoor, mijnheer?"herhaaldeik. — iVanMurd- 
stone en Grinby, in wijnen," antwoordde hij. 

Ik lal wel verwonderd en verlegen hebben gekeken, want hij vervolgde 
haasdg: 

iGi] hebt zeker wel van het kantoor hooren spreken, of van den wijn- 
handcl, of dekelders,ofzooiets." — ilkmeen, dat ik wel eens iets van 
den wijnhandel heb gehoord, mijnheer," zeide ik, mij herinnerende wat 
ik in bet iilgemeen van zijne inkomsten en die zijner zuster bad vemo- 



iaS DAVID COPPERPIELD. 

men; tmaar ik weet niet wanneer." — * Het komt er niet op aan wac- 
neer," antwoordde hij. iMijnheer Quimon bestuurt de Eaken van dat 
fcmtoor." 

Ik tag met schro&mvallige onderdanigheid naardezenheerom^die 
nog uit hct venjter stond te kijken, 

iMijaheer Quinion geeft mij in bedenking, dat dJt kantodr reeds 
cenige andere jongens hah het werk houdt, en dat hij geene reden ziet 
vaarom het u ook niet op dezelfde conditien aan het werk zou houden." — 
>Daar hij toch geene andere vooniitiichten heeft, Murdstone," merkte 
Quinon zachtjes aan, zich halFomkeerende. 

Zonder op dit gezegde te letten, vervolgde mijnheer Murdstone, met 
eene ongeduldige, zelfs toomige beweging : 

»Die conditien lijn, dat gij geld genoeg lult verdienen om u zelven 
Van eten drisken en zakgela te voorzien. Uwe woning (vaarvoor ik ge- 
BOrgd heb) zal door mij betaald worden. De wasch insgehjks." — iBn 
ik zal wel oppassen, dat men daarvoor niet te veel rekent," zeide zijoe 
zuster, — »Voor uwe kleeren zal gezorgd worden," hervatte mijnhrer 
Murdstone, »daar gij vooreerst nog niet in staatzultzijnom diezclfte 
bekosti^n. Dus ^aat gij nu met mijnheer Quinion naar L on de n, David, 
om te zien hoe gij zelf door de wereld kunt komen." — » Kortom, gij zijt 
bezorgd," merkte zijne zustcr aan, len hebt nu maar uw plicht te doen." 

Hoewel ik zeer wel begreep, dat dit alles niet onders beteekende, dan 
dat men mij maar kwijt wilde zijn, kan ik mij niet duidelijk herinneren, 
of ik er mij over verheugde of er van schrikte. Ik geloof, dat ik er mede 
in de war was, en niet recht wist of ik blijde of angstig moest wezen. Er 
werd mij ook niet veel tijd gelaten om tot helderderhegripte komen, 
tlaar mijnheer Quinon des anderen daags zon vertrekken. 

Zie mij daar des anderen daags, met een afgedragen wit hoedje, met 
een rouwband voor mijne moeder er om, een zwart btiisje. eene broek 
van harde stijve stof — die juffrouw Murdstone voor de beste wapeo- 
rusting voor de beencn hield, in dien strijd met de wereld, die nu zou 
aanvangen; zie mij zoo gekleed, en met al mijn wercldsche goed in een 
kofier^e voor mij, als een jammerlijk ongelukkigkind(geIijk}uf&ouw 
Gummidge wel had mogen zeggen) in de postsjees zitten, die mijnheer 
Quinion teYarmouth opde diligence naar Londen zou brengeni 
Zie, hoe ons huis en de kerk in de verte al kleiner ea kleiner worden ; hoe 
het graf onder den boom door ander geboomte wordt verborgcn; hoe 
de torensptts niet meer van mijne oude speelplaats naar boven wijfA en 
4e lucht ledig wordt I 



XL 

IK TRBBD DB WBRBLD N, BH ZC BEVA.LT Mil tn^T. 

Dc weet nu genoeg van de wereld, om bijna aHe vatbaarheid voor 
Verwondering, over wat het ook wezen mag, verloren te hebben; maar 
toch verwondert het mij nu nog eenigszins, dat men mij op zulk een 
otiderdom zoo onverschillig heeft kunnen wcgwerpcn. Een kind van 



t/ajVE WERKZAAHHEDEN IN HET WUNPAKHUIS. IfJ 

vitDUiotendea aanleg, viug van btvatdng en ooideel, met hist ea vat- 
tmrheid omte leeien, teer van gestel, zeei gevoelig vooi smart naar 
lichaaiD enzieL;komt faet mijvcTwondcrlijkvooTdatnieniandtenmijnen 
behoeve een vinger uitstak. Dit gebearde echter niet; en ik weid op 
tietijarigeii leeftijd een kldae daglooner in den (Senst van Murdstone 
«Q Grinby. 

Murdstone en Grinby's pakhuis stond bij de Blakftiars-bmg, aan den 
waterkant Latere verbeteringen hebben die plek geheel veranderd; 
maar het was toen het laatste hius onder aan eene nauwe straat, die met 
ttae bocht Bteil naar beneden liep en aan het eind eene trap had, waar 
men in eene boot kon stappen. Het was een oud bouwvalhg huis, met 
cene daarbij behoorende werf, die bij hoog water aan dat water en bij 
la«g water aan de modder grensde, en letteiiijk van ratten wemelde. De 
met bout beschotene kamen, met het vuil en den rook van honderd jaren 
beddkt; de half vergone vloeren en trappen -, het schatrelen enpiepen 
dcr oUde Krijze ratten in de kelders ; het duffe en vunrige van het geheele 
talis, zijn voor mijne verbeelding dingen, niet van het veriedene, maar 
van het nog tegenwocwdige. Allen staan aij wedCT voor mij, gelijk het 
was in het ongelukkig uut toen ik ze, met mijne bevende hand in die van 
mijnheer Qtiinion, voor de eerste maal genaakte. 

Murdstcme en Grinby deden zaken met velerlei soorten van menachrai, 
maar een voomame tak van hun handel was de leverantie van wijn en 
tterke dranken aan sekere pakketbooten. Het is mij nu ontgaan waar- 
been zij voomsmelijk voeren, maar ik meen, dat er sommtgen onder 
waren, die reizen naarOost-en West- Indie deden. Ik weet, dat onder 
de gevolgen van deien handel eene groote menigte ledige Besschen be- 
boorde, en dat zekere mannen en jongens gebezigd wcrden om deze 
flesschen tegen het ticht te bezien, de gebarstene aan kant te zetten, en 
<le andere te spoelen. Ab er geene ledige flesschea meer waren, waren 
er etiquettes op voile flesscben te plakken, offlesschentekurkenofte 
lakkeo, of in kisten te pakken. Al dat werk was mijn werk ; ik behoorde 
<mder de jongens, die daartoe gebruikt werden. 

Wij waren met ona drieen of vieren, ik daarbij gerekend. Mijne werk- 
plaats was in een hock von bet pakhuis, waar mijnheer Quinion raij kon 
ziea, als hij verkOos op de laagste sport van zijn kantoorstoel te gaan 
Staan en door een raampje boven zijn lessenaar naai mij te kijken. Hier 
werd, op dm ochtend toen ik met zulke gmisttge vooruitiichten de 
wereld intrad, de oudste der vaste jongens heengeroepen om mij mijn 
Vdk te wijzen. Hij heette Mick Walker en dro^ een versleten voor- 
Khoot en eene papieren muta. Hij onderrichtte mij, dat lijn vaderschm- 
tenvoorder was en bij de veikiezing van den Lord Mayor met een zwart 
fiinreelen hoofdtootsel met den stoet medeging. Hij onderrichtte mij 
inigelijka, dat onze vooniaamste makker een andere jongen zon zijn, 
wieo bij mij onder dec — voor mij — buitengewonen naam van Mealy 
Potatoes (Meiige Aaidappelen) voorstelde. Ik ontdekte evenwel, dat 
deze jongen niet met dien naam was ^^edoopt, maar deze hem in het pak- 
fattis was gegeren, uithoo&le van njn klettr, die bteek of mdig was. 



las DAVID COPPBRFIKLD. 

Mealy'a vader was een bootroeier^ die het boveodien tot bmcdspuitgast 
bad gebracht, en als zoodanig by een der groote theathcrs was aange- 
stetd, waar een der jeugdige farailiebetrekkingcn van Mealy — ik mcen 
zijn zusje — in de pantomimes voor duiveltje speelde, 

Geene woorden kunnen het geheime zieleleed schilderen, waarmede 
ik mij tot dit gezelschap vemederd utg, en deze makkers, met wie ik 
voortaan dagelijks zou moeten omgaan, met die van raijne gelukkige 
kindsheid vergeleek — om niet van Steerforth, Tiaddles en de ovcrigen 
van die jongens te spreken — en mijne hoop om als ik groot werd een 
geleerd en vemiaard man te worden, gehcel en al zag uitdooven. Wat 
ik mij nog herinner van het gevoel, hetwelk ik toen ontwaarde, dat ik nn 
geheel hopeloos was ; van mijne schaarate over mijntocstand; van den 
jammer dien het voor mijn jeudig hart was, te moeten gelooven, dat ik 
alles wat ik geleerd en overdracht had, wat mijn lust was geweest, wat 
mijne verbeelding en eerzucht had geprikkeld, nu dag aan dag zou ont- 
wennen en nooit terugwinnen, kan ik nietbeschrijven. Zoo dikwijlsMick 
Walker in den loop van dien voormiddag heenging, vermengde ik mijne 
tranen met het water, waarmede ik de flesschen spoelde, en snikte ik 
alsof mijne eigene borst zou barsten. 

De kantoorklok slond op half ^n, en men maakte algemecn toebe- 
leidselen om te gaan eten, toen mijnheer Quinon, tegen het venstertje 
tikte en mij wenkte om binnen te komen. Ik kwam binnen en vond daar 
een zwaarlijvig man van middelbare jareo, met eene bmine jaa, zwarte 
broek en lage schoenen, niet meer haar op zijn hoofd (dat groot en blin- 
kend was) daii er op eene eierschaal zit, en een bijzonder breed gezicht, 
dat hij vlak naar mij toekeerde. Zijnekleederen warensmerigenkaal, 
maar hij pronkte met een zeer deftig halsboordje. Hij droeg een opzich- 
tig soon van rotting, met een paar groote verkleurde kwasten er aan j en 
buiten op zijn rok hing een lorgnet — tot sieraad, gelijk ik naderhand 
bevond, daar hij er zeer zelden door keek, en er, als hij dit deed, niets 
door kon zien. 

>Dil is hij," zeide mijnheer Quinion, op mijn doelende. — »Dit,"ieide 
de vreemdeling, met zekere welwillende galming in zijne stem, en zeker 
onbeschrijfelijk air alsof hij zeer elegant meende te zijn, dat een bijzon- 
deren indruk op mij maakte, » is jonge heer Copperfield f Ik hoop U wel- 
varend te zien, jonge heerf" 

Ik zeide, dat ik zeer wel voer, en hoopte, dat hij dit ook deed. Ik ge- 
voelde mij echter lan^ niet wel ; maar op dien ouderdom lag het klagen 
niet in m^n aard, en ik zeide dus maar, dat ik zeer wel voer, en dit ook 
van hem hoopte. 

»Ik ben," zeide de vreemdeling, »de hemel zij gedankt, volkomen 
weL Ik heb een brief van mijnheer Murdstone ontvangen, waarin hij mij 
bericht, dat hij wet verlangen zon dat ik u in een vertrek achter in mijn 
huis ontving, dat voor het oogenblik onbezet is en dat — omkortte 
gaan, te huur b als — om kort te gaan," zeide de vreemdeling met een 
glimlach en op een toon van vertrouwen,>a]s eene slaapkamer — enn 
al6«en jong beginner, wien ik nu bet genoegen heb — " hier afbrekende^ 



ICB 



DC WORDT KEN INWOKER BQ MUNHEER UICAWBER. 119 

wuifde hijmetdehandeDzettezijnekminzijnboordjeterecht. — »DIt 
is mijnheer Micawber," zeide mijnheer Quinion tegen mij. — • A hem !" 
zeide de vreemdeling. »Zoo is mijn naam." — » Mijnheer Micawber," 
zeide mijnheer Quinion, » is met mijnheer Murdstone bekend. Hij neemt 
commissien voor ons op, als hij daartoe gelegenheid heeft. Mjnheer 
Murdstone heeft hem over nwe woning geschreven, en hij zal u cenc 
learner geven." — »Mijn adres,"zcide mijnheer Micawber, »is Windsor 
Terrace. City Road. Ik^omkorttegaan,"vervo!gde hij, met het- 
zelide air van elegantie en wederom alsof hij mij een bijzonder blijk van 
vertrouwen gaf, » daar woon ik." 
Ik antwoordde met cene bulging. 

iln de vooronderstelling," zeide mijnheer Micawber, »dat uwe om- 
wandelingen door deze hoofdstad nognict uitgebreid zijn geweest, en dat 
het ecnigszins bezwaarlijk voor u zou kunnen zijn om door de doolhoven 
van het modeme Babylon de richting teontdekken, waarin de City 
Road gelegen is — om kort tc gaan," zeide hij, alweder een vertrouwe- 
lijken toon aannemende, >dat gtj zoudt kunnen verdwalen — zal het mij 
een genoegen zijn u dezen avond te komen af halen, en U in te wijden in 
de kennis van den naasten weg." 

Ik bedankte hem met al mijn hait, want ik vond het vriendelijk van 
bem, dat hij die moeite wilde nemen. 

»Hoc laat," zeide mijnheer Micawber, izal ik...," — iTegenacht 
nur," zeide mijnheer Qumion. — ■ Tegen acht uur," herhaalde mijnheei 
Micawber. >Dan verzoek ik u nu goedendag te mogen wenschen, mijn- 
heer Quinion. Ik wilu niet langer ophouden." 

Hij zette dus zijn hoed op en ging been met zijn rotting onder den arm 
en zoo recht als een staak ; en zood^a hij de deur van het kantoor uit was 
begon hij een wijsje te neurien. 

Daarop nam mijnheer Quinion mij formeel in dienst om in het pakhuis 
nn Murdstone en Grinby alles te doea wat in mijn vermogen was, voor 
ten salaris, naar ik meen, van zes schellingen in de week. Het staat mij 
niet duidelijk voor den geest ofhet tes of zeven was. Ik zou, door mijne 
onzekerheid in dit opzicht, haast gelooven, dat het eerst zes was en na- 
derhand zeven werd. Hij betaalde mij eene week voomit (uit zijn eigen 
zak, geloof ik,) en ik gaf Mealy een zesstuiversCuk daarvan om mijn kof- 
ferdienavondnaar Windso r Terrace telatendragen, daar die, hoe 
klein hij ook was, voor mijne kracht te zwaar was. Ik betaalde nog zes 
ttuivers voor mijn middagmaal, dieuit eenvleeschpasteitjeeneenslok 
uit cene naburige pomp bestond; en sleet het uur, dat voor dien maaltijd 
wcrd toegestaan, met langs de straten te knieren. 

Des avonds kwam mijnheer Micawber op den bepaalden tijd terug. 
Ik waschte mijne handen en mijn gezicht, om een man van zijn fatsoen 
niet tot schande tc zijn, en wij gingen te zamen naar ons huis, gelijk ik 
het nu meen te moeten noemen. Onder het voortgaan trachtte mijnheer 
Micawber mij de namen der straten en het voorkomen der hoekhuizen 
m het geheugen te prenten, opdat ikden volgenden morgen gemakkelijk 
wedcr den weg zou kunnen vinden. 

DAVm COFPEKFIELD. — L 9 




130 DAVID COPPERFIELD. 

Aan Eijn huis gekomen (hetwelk ik opmerkte, dat er even kaal en fat- 
soenlijk uitzag aU hij, maar 00k, evenals hij, zooveel vertooning maaktc 
als het maar kon) presenteerde hij mij aan mevrouw Micawber, ecne 
magere, verlepte dame, lang niet jong meer, die met cen kindje aan de 
borst op de bovenvoorkamer lat — dc eerste verdieping was geheelonge- 
meubilcerd, en de valgordijnen bleven aliijd neergelaten om de buren 
temisleiden.Dit kindje was een van eenpaar tweelingen: enik maghier 
wel aanmerken, dat ik, zoolang ik de familie heb gekend, mevrouw 
Micawber bijna nooit zonder een van die tweelingen heb gezien. Een 
van beiden was altijd aan het zuigcn, 

Er waren nog twee kinderen; jongeheer Micawber, omtrentvier, en 
jonge juffrouw Micawber, ongevcer drie jarcn oud. Deze, en een jong 
meisje, bijzonderdoDkervankleur, en met eenbijzonderaanwendselom 
snuivend haar neus op te halen, dat hier diende, en mij, eer dat ik haar 
nog een half uur had gekend, ondeirichtte dat zij een weeskind was en 
nit het St.-Lucaswerkhuis kwam, vormden het geheele huisgezin. Mija 
slaapvertiek was boven in het achterhuts; een benauwd kamertje, waar- 
van het behangsel bezaaid was met een ornament, hetwelk mijne jeug- 
dige verbeelding zich als een blauw krenten brood je voorstelde, en zeer 
kmg gemeubileerd. 

»Ik had," zeide mevrouw Micawber, toen zij met tweelingen en al oaar 
boven kwam om mij mijne kamer te wijzen, en zich daar neerzette om 
adem te halen, >eer ik trouwde, en toen ik nog bij papa en mama woonde, 
Dooit gedacht, dat ik eens kamers zou moeten verhuren. Maar daar raijn- 
heer Micawber in ongelegenheden is geraakt, moeten alle bedenkingen 
van kieschheid wijken," 

Ik zeide :»Ja wel, mevrouw." — MijnheerMicawber's ongelegenheden 
zijn op het oogenblik bijna overstelpend," zeide mevrouw Micawber, 
»en of het mogelijkisheraerdoorheentehelpen, weetikniet. Toenik 
thuis bij papa en mama woonde, zou ik waarlijk haast niet begrepen 
hebben wat dat woord beteekende, in den zin waarin ik het nu gebruik, 
maar experientia doet het — gelijk papa placht te zeggen." 

Ik kan het niet met mij zelven eens worden, of zij mij zeide, dat mijn- 
heer Micawber officier bij de mariniers was geweest, of dat ik mij dil 
maar verbeeld heb. Ik weet alleen, dat ik tot op dit uur geloof^ dat hij 
eens bij de mariniers had gestaan, zonder dat ik weet waarom. Hij was 
een soort van commissionair voor een aantal verschillende kantoren; 
maar hij verdiende daarmede weinig of niets, vrees ik. 

»A!s mijnheer Mica wber's crediteuren hem geen tijd willcn laten," 
zeide mevrouw Micawber, * moeten zij de gevolgen maar ondervindenj 
cn hoe gauwer zij er dan een eind aan maken,deslcbeter. Men kan geen 
bloed uit een steen halen; en evenmin is er op het oogenblik iets op 
rekening van mijnheer Micawber te krijgen — om niet eens van gerechts- 
kosten te spreken." 

Ik heb nooit kunnen begrijpen of de omstandigheid, dat ik zoo bij- 
zonder vroeg op mij zelven moest staan, mevrouw Micawber met mijp 
ouderdom in de war bracht, of dat zij zoo vol van de zaak was, dat li] 



MEVKOirW MICAWBRR 13! 

CT ie\is tegen de tweelingen over zou gepraat hebben, als zij niemand 
anders had gehad; maar dit was de toon, waarop zij met mij begoo, en 
zoolang ik haar gekend heb ging zij op dezelfde manier voort 

Anne mevrouw Micawber ! Zij zeide, dat zij haar best had willen doen; 
en daaraan twijfel ik ook nieL Het middelpaneelderhuisdetirwasge- 
heel bedekt met eetie grooCe koperen plaat, waarop gegraveerd was: 
»Mcvrouw Micawber's Instituut voor Jonge Juffrouwen;" maar ik heb 
nooit veroomcn, dat daar ooiteene jonge juffrouw had schoolgelegen; 
of dat er ooit eene jonge juffrouw gekomen was of had zullen komen ; of 
dat er ooit de minste aanstalte was gemaaktom eene jonge jufTrouwte 
ontvangeo. De eenige bezoekera, die ik ooit zag of hoorde, waren schuld- 
dschers. Deze plachten op alle nren te komen, en sommigen van hen 
warec zeer dringend. Zeker man met een morsig gczicht, ik geloof dat 
hij een schoenmaker was, placht zich reeds des morgens om zeven uor 
in de gang te dringen, en onder aan de trap tegen mijnheer Micawber 
tc roepen: >Rom aan! Ge zijt nu nog niet uit, dat weet ik wcl. Betaal 
ons maar! Houd umaar nict schuil; dat is gemeeo. Alsik uwas, zouik 
zoo gemeen niet willen zijn. Betaal maar. Hoort gij nietP Kom aan!" 
Geen antwoord op deze smadelijke aanmaningen bekomende, steeg 
zijne gramschap tot de woorden lafzetters" en »oplichters;" en wanneer 
dezen even weinig baatten, sloeg hij somtijds tot het uiterste over om 
aan den overkant der straat te gaan staan en naar de vensters der tweede 
verdieping op te schreeuwen, waar hij wist, dat mijnheer Micawber was. 
In zulke oogenblikken was mijnheer Micawber buiten zich zelven van 
verdriet en akeligheid, in zooverre zelfe, dat hij (gelijk eene gil van zijne 
vrouw mij eens deed ontdekken) met zijn scheermes bewegingen maakte 
alsof hij zijne etgene keel bedreigde^ maar een half uur later kon hij met 
buitengewone zorgvuldigheid zijne schoenen poetsen en onder het neu- 
lien van een wijsje uitgaan, met grooter air van elegantie dan ooit. 
Mevrouw Micawber had evenveel veerkracht in haar gestel. Ik weet, dat 
zij om drie uur bij een bezoek van den belastinggaarder eene flauwte 
kon kriigen, en om vier uur lamskarbonaden eten en warm bier drin- 
ken — betaald met twee theelepeltjes, die naar den lommerdhouder 
waren gebracht Eens, toen er juist beslag op haar boedel was gelegd, en 
ik toevallig reeds om zes uur thuis kwam, zag ik haar (natuurlijk met een 
tweeliog) m tlauwte onder den haard Hggen, met de haren verward en 
half uitgeplukt om het hoofd ; maar nooit heb ik haar vroolijkcr gekend 
dan zij dien zelfden avond was, terwijl zij zich bij het keukenvuur op 
kalfslapjes vergastte, en mij van haar papa en mama, en het gezelschap 
dat zij plachten te zien, vertelde. 

In dit huis en bij deze familie sleet ik mijn vrijcn tijd. Mijn afzonderlijk 
ontbijt van een stuivcrsbroodje en een stuiver meUt vcrschafte ik mij 
zelven. Ik bewaarde een ander broodje en een stukje kaas op eene bij- 
zondere plank in eene bijzondere kas, om des avonds als ik thuis kwam 
te eten. Dit maakte een aanmerkelijk gat in de zes of zeven schelHngen, 
dat weet ik wel; en ik was den ganschen dag in het pakhuis en moest van 
dat geld de geheele week leven. Van maan da g ochtend tot zaterdagavond 



132 DAVID COPPERFIELD. 



had ik, zooveel ik mij kan herinneren, van Qiemand raad, aanmoediging, 
troost, hulp of bijstand van eenigen aard, zoo waar als ik in den hemel 
hoop te komen. 

Ik was nog zoo jong en kinderachdg, zoo weinig geschikt — hoe kon 
het anders zijn ? — om geheel voor mij zelven te zorgen^ dat ik des mor- 
gens, als ik naar het pakhuis ging, dikwijls de verzoeking van het oud- 
bakken goed niet kon weerstaan, dat voor half geld bij de banketbakkers 
te koop lag, en daaraan het geld besteedde, dat ik voor mijn middag- 
maal had moeten bewaren. Dan bleef ik des middags zonder eten, of 
kocht maar een broodje of eene snee podding. Ik herinner mij twee 
poddinewinkels^tusschen welke ik^naar denstaatmijner financiSn, mijne 
klandizie verdeelde. De eene was op een pleintje dicht bij de St.-Maiar- 
tenskerk. De podding in dezen winkel was met krenten en bijzonder 
lekker, maar duur, want men kreeg daarvan voor twee stuivers geen 
grooter stuk dan voor 6€n stuiver van een gewonen podding. Een goede 
winkel voor dezen laatsten was in het Strand, ergens in dat gedeelte, 
dat sedert geheel herbouwd is. Dit was een stevige, bleeke podding, 
zwaar en kleffig, met enkele groote platte rozijnen er in, die ver van elk- 
ander zaten. Tegen mijn etenstijd was hij dagelijks heet te krijgen, en 
meni^en dag heb ik er mijn maal mede gedaan. Als ik beter kon eten 
nam ik eene worst met een stuiversbroodje, of eene portie koud osse- 
vleesch van vier stuivers nit een eethuis, of eene portie brood en kaas 
met een glas bier uit eene ellendige slechte herberg vlak over ons kan- 
toor, die de Leeuw, of de Leeuw en nog iets, dat mij ontschoten is, heettc. 
Eens herinner ik mij, dat ik mijn brood (hetwelk ik des morgens van 
huis had medegebracht) in een stuk papier gewikkeld, als een boek onder 
mijn arm medenam, en er mede naar een vermaard ^-la-mode bieistuk 
huis dicht bij Drury Lane ging en >eene halve portie" van die lek- 
kemij bestelde om er bij te eten. Wat de knecht er wel van dacht, dat 
zulk een vreemd verschijnseltje zoo geheel alleen binnenkwam, weet ik 
niet ; maar ik zie hem mij nog staan aanstaren terwijl ik at, en den ande- 
ren knecht er bij halen om 00k te kijken. Ik gaf hem een halven stui- 
ver voor hem, en ik wenschte, dat hij dien niet had aangenomen. 

Wij hadden, als ik wel heb, een half uur voor de thee. Als ik geld ge- 
noeg had, placht ik een half pintje warme koffie en eene snee brood met 
boter te halen. Als ik geen geld had, placht ik voor den poelierswinkel 
inFleetstreet te staan kijken; of ik wandelde dan 00k wel naar 
Co vent Garden en keek naar de ananassen. Ik kuierdeindeAdelphi 
op en neer, omdat dit zulk een geheimzinnig gebouw was, met die don- 
kere bogen. Ik zie mij zelven no^ op een avond uit een van die bogen 
komen, naar eene kleine herberg dicht bij de rivier, met eene opene plek 
er voor, waarop eenige kolendra^ers aan het dansen waren. Dc ging op 
eene bank zitten om naar hen te kijken ; en ik ben er nog benieuwd naar 
wat zij wel van mij dachten. 

Ik was nog zulk een kind en zoo klein,dat men dikwijls, als ik voor de 
toonbank van eene vreemde herberg om een glas ale af porter vroeg, 
om mijn maaltijd door te spoelen, bang was om het mij te geven. Ik her- 



K KOOP ZBLF MUM ETBN. 13J 

innsT mij, dat ik eens op ecn warmen avond voor de toonbank eencr 
tapperij kwam cd tot den kastelein zeide : 

>Hoeveel kost een glas van uw bcsten ale — uwallerbesten?" Want 
bet was eene bijzondere gelegenheid. Ik weet niet meer wat. Misschien 
wel mijn veijaardag. — iTwee en een halven stuiver," antwoordde de 
kastelein, >is de prijs van den echten Stunning ale." — *^^P ">ij <^ 
eens," zeide ik, het geld uithalende, teen glas van dien echten Stunning, 
maar als het u belief met een goeden kop schuim er op." 

De kastelein bekeek mij over de toonbank van het hoofd tot de voe- 
ten, met een zonderlingen glimlach op zijn gezicht ; en in plaats van mij 
het bier te geven, stak hi) zijn hoofd om het beschot en zeide iets tot zijne 
vTouw. Zij kwam er, met haar naaiwerk in de hand, achter vandaan, en 
begoD mij insgelijks te bekijken. Ik zie ons alle drie nog voor mij, gelijk 
wij daar stonden : de kastelein in zijne hemdsmouwen tegen het venster- 
kozijn leuncnde, zijne vrouw over het onderdeurtje turende, en ik hen 
eenigszins vcilegen over de toonbank aanstarende. Zij deden mij een 
aantal vragen, zooals : hoe ik heettc, hoe OTid ik was, waar ik woonde, 
w&t ik deed en hoe ik daar kwam ; op al welke vragen ik vrees, dat ik^ 
om niemand bloot te geven, gepaste antwooiden venon. Zij tapten mij 
den ale, hoewel ik vermoed, dat het geen echte Stunning was; en de 
vrouw van den kastelein opende bet aetutje van het buffet, bukte naar 
mij, stopte mij mijn geld weder in de hand en gaf mij een kus, die half 
bewonderend, half medelijdend was, maar geheel moederlijk en welmee- 
oend, daarvan ben ik overtuigd. 

Ik weet zeker, dat ik de schraalheid mijner inkomsten en de bezwaren 
van mijn leven niet onwillekeurig en opzettelijk overdrijf. Ik weet, dat 
ik, als mijnheei Quinion mij somtijds een schelling gaf, dien altijd aan 
cten of drinken besteedde. Ik weet, dat ik, als een kind dat niemand toe- 
kwam, van den ochtend tot den avond met gemeene mannen en jongens 
werkte. Ik weet, dat ik slecht gevoed en hongerig langs de straten 
dwaalde. Ik weet, dat ik, zonder Gods genade, licht een kleine diet 
of deugniet zou zijn geworden — zoo weinig zorg werd er voor mij 
gediagen. 

Evenwel bekleedde ik zekeren rang in het pakhuis. Mijnheer Qiunion 
deed wat een loszinnig mensch, die net zoo dnik had, doen kon om mij 
op een anderen voet dan deanderejongenstebehandelen; en ik zeide 
nooit tegen iemand, man of jongen, hoe ik daar gekomen was, en liet 
00k nooit eenigszins blijken, dat het mij speet daar te moeten werken. 
Dat ik heimelijk leedj en schrikkelijk leed, heeft nooit iemand geweten 
dan ik zelf Hocveel ik leed, ben ik, gelijk ik reeds gezegd heb, buiten 
staat te beschrijven. Maar ik bield mij stil en deed mijn werk. Ik begreep 
van den eersten af, dat ik mij, als ik niet evcngoed als de anderen kon 
werken, onmisbaar verachting en smaad op den hals zou halen. Spocdig 
werd ik ten minste even vlug en handig ^ de andere jongens. Hoewel 
ik zeer gcmeenzaam met hen was, verschilden mijn gedrag en mijne 
manieren toch genoeg van de hunne om ons op een a&tand te doen 
blijven. Zij en de weiklieden noemden mij onder elkander gewoonlijk 



134 DAVID COPPERFIELD. 

ihet jonge hecrtje" of »de kleine Suffolker." Zekcr man, die Gregory 
heette en meesterknecbt in het pakhuis was, en een ander, die Tipp 
heette, karreman was en een rood buis droeg, plachten mij somtijc^ 
iDavid" te ooemen; maar dit gebeurde meestal als wij eens bijzonder 
vertrouwelijk waren, en ik mij moeite had gcgeven om hen onder ons 
werk te vermaken met eene of andcre herinnering iiit mijne vroegere 
lectuur, die mij sncl uit het geheugen begon te gaan. Mealy Potatoes 
kwam eens in opstand en wilde met langer dulden, dat ik zoo onder- 
scheiden werd, maar Mick Walker bracht hem in een oogenblik tot 
zwijgen. 

Mijne redding nil dezen toestand kwam mij gcheel hopeloos voor, ta 
ik zag er dus ganscbelijk van af. Ik ben ernstig oveituigd, dat ik nooit 
voor een enkel uur er mede verzoend was, of mij anders dan diep onge- 
lukkig gevoelde; maar ik verdroeg mijn leed, en zelfs Feggotty maakte 
ik, gedeeltelijk uit licfde voor haar, gedeeltelijk uit schaamte, nooit in 
een brief (hoewel er velen tusschen ons gewisseld werden) met de waar- 
heid bekend. 

Mijnhecr Micawber's ongelegenheden strektec nog om mijne naar- 
geestigbeid te vergrooten. Zoo eenzaam en verlaten als ik was, hadik 
mij zeer aan die familie gehecht, en ptacht mij onder bet wandelen met 
mevrouw Micawber's berekeningen van hulpmiddelen en uitvluchteo 
bezig te houden, alsof ik lelf met den last van mijnhecr Micawber's 
schulden bezwaardwas. Opzaterdagavond, die een feest voor wtj was — 
gedeeltelijk omdat het iets groots was mei zes of zeven schellingen op 
zak naar buis tc stappcn, in de winkels te kijken en te bedenken wat men 
voor zutk eene som kon koopen, en gedeeltelijk omdat ik dan vroeger 
naar buis ging — placht mevrouw Micawber mij debartverschetirendste 
klacbten te doen ; en ook op zondagocbtend, als ik de portie thee of 
koffie, die ik den vorigen avond had gekocbt, in een kannet;e liet trekken, 
en later dan gewoonJijk aan mijn ontbijt bleef zitten. Het was niets 
ongewoons, dat mijnheer Micawber in het begin van deze zaterdag- 
avond-gesprckken jammerlijk snikte, en op hetcind een vroolijk Hedje 
zong. Ik hcrinner mij zeer wel, dat hij eens, des avonds thuis komende 
om te eten, een vloed van tranen stortte en vcrklaarde, dat hem nu ntets 
andere overschoot dan de gevangenis, en naar hedging onder het maken 
cener berekening der kosten om zijn buis met balkonvensters te lateo 
versieren, als >zich eens iets opdeed," hetgeen zijne geliefkoosde uit- 
drakking was. En mevrouw Micawber was juist eveneens. 

Er ontstond tusschen mij en deze lieden eene zonderlingegelijkheid 
van vriendschap, die, naar ik meen, uit de overeenkomst onzer omstan- 
digbeden sproot, in weerwil van het koddige verschil tusschen onze jaren. 
Maar ik liet mij nooit overhalen om met hen te eten of te drinken, daar 
ik wel wist, dat zij met bakker en slager op een slechten voet stonden, cD 
dikwijls niet genoeg voor zich zelven hadden, totdat mevrouw Micawber 
mij eens geheel in haar vertrouwen nam. Dit deed zij op zekeren avond 
aldus: 

ijonge heer Copperfield," zeide mevrouw Micawber, likhoud a niet 



K BEWgS HEVROUW UlCAWBER EGN DIEN5T. I3S 

voor een vreemde, en daarom maak ik geen beswaar om u te zeggen, dat 
het met die ongelegeDheden van mijnheer Micawber nu tot eene crisis is 
gekomen." 

Het deed mij zeer aao dit te hooren, en ik lag met het diepste roede- 
lijdea mevrouw Micawbei's Toode oo^en aan, 

(Met uitzonderiiig van een hompje Mollandsche kaas, dat volstrekt 
□iet voor de behocften eener jeugdige familie bcrekend is," zeide me- 
viouw MicawbcT, >is er werkelijk geen brokj'e van wat het ook wezen 
mag in de pravisiekameT. Ik was, toen ik bij papa en mama woonde, ge- 
wend van de provisiekamer tespreken, engebiuiknudatwoordbijna 
zonder er aan te denken. Wat ik wil zeggen is, dat wij niets meer in huis 
hebbcn om teeten," — >Goede hcmell" zeide ik zeer tretmg. 

Ik had nog twee of drie schellingen van mijn weekgeld in mijn zak — 
waaniit ik opmaak, dat het een wocnsdagavond moet zijn geweest toen 
wij dit gesprek hielden — en ik haalde ze haastig uit en verzocht me- 
vrouw Micawber, met diepe ontroering, om zc van mij te leen te nemen. 
Deze dame antwoordde echter, dat zij daaraan niet denken kon, gaf mij 
een kus en dwong mij om het geld weder in mijn zak te steken. 

»Neen, lievejongeheerCopperfield," zeide zij; laan zoo iets hoop ik 
Doott te denken. Maar gij hebt verstand en bescheidenheid bovcn awe 
jarcn, engij kunt mijeenandersoortvandienstbewijzen, alsgij wilt;en 
ml een dienst, dien ik met dankbaarheid zal aannemen." 

Ik verzocht haar mij te zeggen wat zij meende. 

»Ik heb zelwe al mijn zilver weggebracht," zeide mevrouw Micawber. 
>0p zes theelepel^es, twee zoutlepeltjeseneenesuikeitanghebikvan 
tijd tot tijd, met eigene handen, heimelijk geld opgenomen. Maar de 
tweelingcn houden mij erg gebonden, en met mijne herinneringen van 
papa en mama, zijn zulke boodschappen mij zeer onaangenaam. Et zija 
nog eenige kleinighedeu, die wij wel konden missen. Maar mijnheer 
Micawber's gevoei zou hem nooit toelaten ze te gaan wegbrengen, en 
Clickett" — dit was het meisje uit het werkhuis — ihecftcengeMeen 
karakter en zou onaangename vrijheden gaan nemen als er Kooveel ver- 
trouwen in haar gesteld werd. Jonge heer Copperiield, als ik u mocht 
vr^en . . ." 

Ik begrcep mevrouw Micawber nu, en verzocht haar dringend mij 
zooveel te gebruiken als zij maar wilde. Ik begon dien zelfden avond 
eenige dcr meest draagbare bezittingen weg te brengen, engingbijna 
elken morgen op een dergelijken tocht uit, eer ik naar het pakhuis ging. 

Mijnheer Micawber had op eene chiffonni^re eenige boeken stoan, 
velke hij zijne bibliotheek noemde, en deze verdwenen bet eerst.Ik 
bracht ze een voor een naar een boekenstalletje aan de CityRoad — 
waarvan een gedeelte, dicht bij ons huis, toen geheel met boeken- 
stalletjes en vogelkraampjes was bezet — en verkocht ze voor zooveel 
ik kon krijgen. De eigenaar van dit stalletje, die in een huisje daarachter 
Toonde, placht zich elken avond te bedrinken, en elken ochtend gewel* 
dig door zijne vrouw bekeven te worden. Meer dan eens, als ik vroeg 
naar hem toe ging, gaf hij mij audi^ntie in zijn bed, met een gat in het 



136 DAVID COPPERFIELD. 



hoofd of een blauw oog, dat getuigenis droeg van buitensporigheden op 
den vorigen avond (ik vrees, dat hij in zijne dronkenschap wat ruzie- 
achtig was), en poogde hij, met eene bevende hand, de noodige schellin- 
gen in een of anderen zak van zijne kleeren, die op den vloer lagen, te 
vinden, terwijl zijne vrouw, met een klein kind op den arm en neerge- 
trapte schoenen, niet ophield hem uit te schelden. Somtijds was hij zijn 
geld kwijtgeraakt, en dan verzocht hij mij om terug te komen ; maar 
zijne vrouw had altijd geld — had hem, geloof ik zeker, het zijne afge- 
nomen terwijl hij dronken was — en sloot dan heimelijk den koop op de 
trap, als wij naar beneden gingen. 

Ook bij den lommerdhouder begon ik tamelijk wel bekend te worden. 
De voomaamste der heeren, die achter de toonbank stonden, was zeer 
vriendelijk voor mij, en liet mij dikwijls, terwijl hij mij hielp, aan zijn oor 
een Latijnsch naamwoord verbuigen of een Latijnsch werkwoord ver- 
voegen. Na zulk eene boodschap richtte mevrouw Micawber altijd een 
klein feestmaal aan, doorgaans een soupertje; en deze maaltijden 
hadden iets bijzonder smakelijks, dat ik mij nog wel herinner. 

Eindelijk kwamen mijnheer Micawber's ongelegenheden werkelijk tot 
eene crisis ; vroeg op een ochtend werd hij gearresteerd en naarde jevan- 
genis van King's Bench gebracht. Hij zeide mij, toen hij het huis uitging, 
dat de god des daags nu voor hem was ondergegaan — en ik dacht wer- 
kelijk, dat dit ongeluk hem het hart zou breken, en mij ook. Maar ik 
hoorde naderhand, dat men hem voor den middag een spelletje hadzien 
kegelen. 

Op den eersten zondag nadat hij in hechtenis was genomen, zou ik 
hem gaan bezoeken en bij hem blijven eten. Ik moest eerst den wegnaar 
zekere plek vragen, en dicht daarbij zou ik weder een pleintje zien^ dit 
moest ik dan overstappen en daama rechtuit gaan tot ik een cipiers* 
knecht zag. Dit alles deed ik; en toen ik eindelijk een cipiersknecht zag 
(arme kleine jongen, die ik was !) en dacht hoe, toen Roderick Random 
in de gijzeling zat, daar een man was, die niets anders om- of aanhad dan 
eene oude deken, verdween de cipiersknecht ineennevelvoormijne 
schemerende oogen en mijn kloppend hart. 

Mijnheer Micawber stond binnen het hek naar mij te wachten, en wij 
gingen naar zijne kamer (bovenste verdieping op 66n na) en schreiden 
zeer veel. Hij bezwoer mij, dit herinner ik mij nog wel, om mij door zijn 
lot te laten waarschuwen, en te onthouden dat, als iemand een inkomen 
van twintig pond 's jaars had en negentien pond negentien schellingen 
en zes stuivers verteerde, hij gelukki^ zou zijn ; maar als hij twintig pond 
en een schelling verteerde, ongelukkig moest worden. En daarop leende 
hij een schelling van mij om porter te laten halen, gaf mij een order- 
brieQe op mevrouw Micawber voor die som, stak zijn (zakdoek weg en 
werd weder vroolijk. 

Zoo zaten wij bij een vuurtje in een roestigen haard, waarin aan elken 
kant een paar steenen waren gelegd, opdat hij niet te veel kolen zou ver- 
slinden, tot er een andere ^^evangene, die de kamer met mijnheer Micaw- 
ber deelde, uit de bakkenj kwam, met eene schaperib, die ons gemeen- 



IK BBTRBK KENB AMD8RE KAMKR, I37 

schappeltjk maal zou zijn.ToenwerdiknaarikapiteiD Hopkins" in de 
kanjer vlak daarboven gczonden, met het complimcDt van mynheer 
Micawber, en dat ik zijn kleine vriend was, en of kapitein Hopkins mij 
ecn mes en vork wilde leencn. 

Kapitein Hopkins leende mij ecn mes en vork, met zijn compliment 
aan mijnheer Micawber. In zijn kamertjc zag ik eene smerige dame en 
twee tanige meisjes, zijne dochters, die niige hoofden met tiaar hadden. 
Ik dacht, dat het beter was kapitein Hopkin's mes en vork te leenen, dan 
cjne kam. De kapitein zelf sag er uiterst verloopen uit, met groote bak- 
kebaardeu, en eene oude bmine overjas, waaronder hij geen rok scheen 
te hebbcn. Ik zag zijn bed in een hoek opgerold liggen, eu de schotels, 
borden en pottcn, die hij had, op eene plank staan, en meende te kunnen 
raden (de hcmel weet hoe) dat, hoewel de twee meisjes met ruige hoofden 
zijne dochters waren, de smerige dame toch niet met hem eetrouwd was. 
Ik bleef nict langer dan een paar minuten bedeesd op den ^rempel staan ; 
maar ik kwam toch met aj die wetenschap weder naar beneden, zoo 
teker ab ik mes en vork medebracht. 

Ooze maaltijd had toch iets ongegeneerds en pleizierigs. Ik bracht 
TToeg in den namiddag kapitein Hopkins zijn mes en vork terug, en ging 
naar hois, om mevrouw Micawber met een verslag van mijn bezoek te 
troosten, Zij viel flauw toen zij mij zag aankomeo, en maakte naderhand 
een keteltje bisschop, om ons wat op te beuren, terwijl wij er over 
pTutten. 

Ik weet niet hoe het toeging, dat het huisraad ten voordeele der familie 
TCTkocht werd, of wie het verkocht, behalve dat i k het niet deed. Maar 
liet werd toch verkocht en met een wagen wcggebracht, met uitzondering 
fan de bedden, eenige stoelen en de keukcntafel. Met deze bezittingen 
bmpeerden wij als het ware in de twee zijkamers van het ledige huis — 
|»eviouw Micawber, de kinderen, het weeskind en ik zelf, — en leefden 
ID die kamers oacht en dag. Ik kan mij niet bezinnen hoelang dit duurde, 
idioon het mij voorkomt zeer tang te zijn geweest. Eindelijk besloot 
Ixvrouw Micawber om naar de gevangenis te verhuizen, waar mijnheer 
Micawber nu een kamer alleen had bekomen. Ik bracht dus den sleutel 
nn het huis naar den huishccr, die er zeer blij mee was; en de bedden 
verdec, met uitzondering van het mijne, naar de K ing's Bench gezonden. 
Voor mij huurde men een kamertje buiten de muren, maar in de nabij- 
Iieid van dit gesticht, zeer naar mijn genoegen, daar de Micawber's en ik 
onder onze rampen te veel aan elkander gewend waren, om te kunnen 
tcheiden. Het weeskind werd insgelijks van eene goedkoope woning in 
dezelfde buurt voorzien. Mijn kamer^e was een stil achterzoldertje, met 
ecD schuin dak en eec vroolijk uitzichi op eene houtwerf; en toen ik het 
is bezit nam, met de gedachte, dat de ongelegenheden van mijnheer 
Micawber nu eindelijk tot eene crisis waren gekomen, vond ik het een 
vaar paradijsje. 

AI dien djd bleef ik in het pakhuis van Murdstone en Grinby, nog aan 
hetzelfde gemeene werk^ onder dezelfde gemeene makkers, en ntet het- 
zelfde gevoel van onverdiende vemedering als in het begin. Maar nooit, 



138 DAVID COPPKRFIKLD. 

zonder twijfel tot mijn geluk, knoopte ik met iemand kennfe aan at 
maakte ik een praatje met dejongens, dieikdagelijks,alsiknaarmiJD 
werk ging of er vandaan kwam, of in mijn ctcnstijd langs de straten 
dwaalde, onlmoette. Ik leidde heUelfde heimelijk ongelukkig leven, maar 
deed dit alleen en zonder bjj iemand tc willen klagen. De eenige veran- 
deringen, welke mi) bewust lijn, waren : vooreerst dat ik er meer verloo- 
pen begon uit te zien ; en ten tweedc, dat ik nu grootendeels van mijne 
bekommeringen over mijnbeer enmevrotiwMicawberontheven werd; 
want sommige betrekkingen of vriendenhadden zich verbonden om hen 
in hun tegenwoordigen nood te helpen, en zij leefden nu in de gevan- 
genis op beter voet dan zij sedert lang daaibuiten hadden gedaan. Qc 
placht nu met hen te ontbijten, ten gevolge van eene schikking, waarvan 
de bijzonderheden mij ontschoten zijn. Het is mij ook ontgaan, hoe laat 
de poort des morgens geopend wtrd, zoodat ik kon binnenkomen; maar 
ik weet wel, dat ik dikwijls al om zes uur op was, en dat mijn gelief- 
koQsde wachtplaats in dien tusschenttjd de oude Londensche brug was, 
waar ik op een der steenen banken placht te zitten, om dc menscben te 
zien voorbijgaan, of over de leiming te kijken naar de zon, die in het 
water scheen en de gouden vlam boven op het Monument deed flikkeren. 
Het weeakind kwam hier somtijds bij mij, om zich verbazende historijin 
van de weiven en den Tower te laten vertellen, waarvan ik niets anders 
kan zeggen, dan dat ik hoop dat ik er zelf aan geloofde. Des avonds placht 
ik weder naar de gevangenis te gaan en met mijnheer Micawber de wan- 
delplaats op en neer te kuieren, of met mevrouw Micawber casino te 
spelen en hare herinncringen van papa en mama aan te hooren. Of mijn- 
heer Murdstone wist waar ik woonde, weet ik nict te zeggen. In het 
■ kantoor ofhetpakhuisverteldeikernooitietsvan. 

Hoewel de zaken van mijnheer Micawber door de crisis heen waren, 
bleven zij toch nog zeer ingewikkeld, tcngevolge van zekere »akte" 
waarvan ik veel placht te hooren, en die ik nu geloof, dat een vroeger 
accoord met zijne schuldeischers was, hoewel de zaak mij toen zoo on- 
duidelijk was, dat ik mij wel hetinner dat geschiift voor iets gehouden 
te hebben, waarmede de zwarte ktmst en dc duivel gemoeid waren. 
Eindelijk scheen dit document toch op eene of andere manier uit den 
weg te zijn gecijferd; in alien gevallc het was zulk een stniikelblok niet 
meer als het vroeger was geweest; en mevrouw Micawber ondetrichtte 
mij, dat > hare familie" besloten had, dat mijnheer Micawber volgens de 
wet op Insolvcnte schuldenaren om zijn ontslag zou verzoeken, waar- 
door zij verwachtte, dat hij over ongeveer les weken weder zou vrijkomen. 

>En dan," jzeide mijnheer Micawber, die er bij was, > twijfel ik niet, of 
ik zal, als het den Hemel behaagt, wel in de wereld vooruidiomen en op ■ 
eene geheel andere manier kunnen leveo, als — om kort te gaan, als zidi 
maar lets opdoet." 

Als een staaltje hoe mijnheer Micawber gclcgenhedcn opzocht om 
vooruit te komen, herinner ik mij, dat hij in dezen tijd eene petitie aan 
het Huia der Gemeenten opstelde, waarin hij om eene verandering van 
de wet op het gijzelen voor schulden verzocht. Ik teeken deze herin- 



DE CLUB IN DE GEVANGENIS. I39 

neriDg hier aan, omdat ztj voor mij zelven een voorbeeld is van ds 
macier, waarop ilc in mijo verauderd leven mijne oude boeken gebtuikte, 
en uit de straten, die Uc doorgisg, en de menschen, die ik zag, voor mijn 
etgen vermaak veitellingeQ samensteldej en hoe eentge voomame trek- 
ken van het karakter, dat ik, naar ik meen, bij het schrijven mijner 
Icvensgeschiedcnis onwillekeurig aan het licht zal brengen, zich dien • 
gebeelen tijd door langzamerhand ontwikkelden. 

Er bestond in de gevangenis eere club, waarin mijnheer Micawber, 
Us gentleman, een persoon van gezag en aanzien was. Mijnheer 
Micawber had zijn denkbeeld van ziilk eene pelitie aan de club mede- 
gedeeld, en de club, had dit ten hoogste goedgekeurd. Daarop ging 
miphecr Micawber (die een zeer welwillend man was en in alles behalve 
liJDe eigcne zaken zoo ijverig als er iemand wezen kon, en nooit zoo blij 
dan wanneer hij met iels bezig was, dat hem zelven nooit eenig voordeel 
kon aanbrengen) aan het werk, stelde de petitie op, schreefze op een 
ontzaglijk groot papier in het net, spreidde dit op eene tafet uit, en be- 
paaldc een tijd wanneer de geheele club, en alien binnen de muren in< 
dien zij verkozen, in zijne kamer konden komen teekenen. 

Toen ik van deze naderende plechtigheid hoorde, was ik zoo verlan. 
gend om de lieden een voor een te zien binnenkomen, hoewel ik de 
mcesten van hen reeds kende (en zij mij), dat ik aan het kantoor om eet) 
uur verlof verzocht, en mij tot dat einde in een hoek poateerde. 

Zoovelen van devoomaamsteledender club aJser in dekleine kamer 
konden, zonder die al te vol te doen worden, ondersteunden mijnheer 
Micawber's voordracht der ^edtie en schaarden zich voor de tafel, ter* 
*ijl mijn oude vriend kapitem Hopkins (die zich ter eere van zulk eene 
plechtige gelegenhetd had gewasschen) zich dicht daarbij plaatste, om 
net geschnft aan alien, die nog met den inhoud onbekend naren, voor 
te lezen. Toen werd de deur o[>engezet, en kwam de geheele bevolkinj; 
der gevangenis in eene langerijaansIappen;altijdstoDdenerverscbei- 
dene buiten te wachten, lerwijl er een binnenkwam, het stuk teekende 
en weer heenging. Tegen ieder, die zich achtereenvolgens vertoonde, 
icide kapitein Hopkins: iHebtgijhetgelezenf" — iNeen!" — iZoudt 
gij het Aan willen hooren?" Indien de man zwak genoeg was om de 
minstc genegenheid daartoe te toonen, las kapitein Hopkms hem het 
geschrift met een klinkende stem voor, zonder een woord over te slaan, 
De kapitein zou het twintig duizendmaal hebben voorgelezen, alstwindg 
duizend menschen hem 66a voor 66ti hadden willen hooren. Ik herinner 
mij nog wel hoe hij sommige spreekwijzen over de tong liet rollen, 
zooals: »De vertegenwoordigers des volks in Parlement vergaderd." 
*int dien hoofde naderen de ondergeteekenden met nederigcn eerbied 
Qw edelachtbaar huis." iDeongelukkigeonderdanenZijner Majesteit;" 
alsof die woorden in zijn mond eene werkelijke zelfstandigheid hadden 
en hem lekker smaakten ; terwijl mijnheer Micawber, met een weinigje 
van de ijdelheid eens auteurs, stond te luisteren, en met aandacht (maar 
lang niet met barschheid) naar de ijzeren punten op den muur aan den. 
overkant keek. 



t4o SAVm COPPRRnsLD. 

Terwijl ik dagelijks tusschen S o u t h w a r Ic en 6 1 rt c Ic f r i a TS been en 
treder ging, en in mijn etenstijd door achterstraten omzwieri^ wclker 
Heenen misschien wel door mijne kinderlijke voeten gesleten zullen zjjn, 
vcrwonder ik mij hoevelen van die menschen er wel ontbreken in den 
drom, die opdenweergalm van kapitein Hopkins' stem wedervoor mij 
placht voorbij te trekken! Wanneer mijne gedachtenthans tot die laog- 
zame marteling mijner jeugd terugkeeren, verwonder ik mij hoeveel van 
de romans, die ik van zulke lieden verdicht heb, als een nevel van ver- 
beelding over de daadzaken is blijven hangen, die ik mij nog wel hci- 
Innerl Als ik dien ouden grond weder betreedl, vcrwonder ik mij niet, 
dat ik een onschuldig romanesk knaapje voor mij schijn te zien mtgaan 
en te beklagen, dat uit zulk eene zonderlinge ervaring en zulk eenc ge- 
tneene werkelijkheid zijne denkbeeldige wereld samenstelt ! 



DAAR DI W8RELD, DIE IK INGKTREDEN BEN, UTJ NIKT BETER 
BSVALT, NKEU IK EEN CROOT BESLUIT. 

Ten behoorlijken tijde kwam mijnheer Micawber's verzock om ont- 
Blag voor het Hof en werd hij, tot mijne groote blijdschap, werkelijk 
ontslagen. Zijne schuldenaars waren nietonverbiddelijk', enmevrouw 
Micawber ondenichttc mij, dat zelfs de wraakzuchtige schoenmaker 
voorhet Hofhad verkla^rd, dat hij hem geenkwaad hart toedroeg,maai 
dat hij, als men hem geld schuldig was, gaame betaling kreeg. Hij telde, 
dat hij dit voor niet meer dan menschelijk en natuurlijk hield. 

Mijnheer Micawber kwam, toen zijne zaak uitgewezen was, naar de 
King's Bench terug, dewijl er nog eenige kosten betaald en eenige Top- 
mahteiten verruld moesten worden, eer hij werkelijk in vrijheid gesteld 
kon worden. Dc club ontving hem met vemikking, en hield dien avond 
tot zijne cer eene muzikale bijeenkomst ; terwijl mevrouw Micawber en 
ik in sdlte, door dc slapende familie omringd, op lamsgebraad te gast 
gingen. 

>Bij zulk eene gelegenheid,jongeheerCopper{ield,"zeide mevrouw 
Micawber, imoet ik u nog eens inschenken," want wij hadden reeds vrij 
wat heet] bier gedronken, » om de gedachtenis van mijn papa en mama 
in te stellen," — » Zij zijn immers dood, mevrouw ?" vroeg ik, nadat ik 
dien toast uit een wijnglas had gedronken. — >Mijne mama heefl dit 
leven verlaten," antwoordde mevrouw Micawber, »voordat mijnheer 
Micawber's ongelegenheden begonnen, of ten minstc ecr zij drmgend 
werden. Mijn papa heeft lang genoeg gcleefd om verscheidene malen 
voor mijnheer Micawber borg te spreken, en is toen gestorven, door een 
talrijken kring van vriendcn betreurd." 

Mevrouw Micawber schudde haar hoofd en lict een kinderlijken traaa 
Vallen op dien van dc tweelingen, dien zij juist aan de borst had. 

Daar ik bczwaarlijk op eene meer gunsdge gelegenheid kon hopen om 



DK PAUILa VAN UEVROUW UICAWBER, 



> Mag ik u wel vragen, mevrouw, wat gij ea mijnheer Mtcawber denken 
X doen, aa mijnheer Micawber uit zijne on^elegeDheden en in vrijheid 
s? Hebt gij datalbepaald?" — »Mijnefarailie,"antwoorddcnievrouw 
tlicawber, die deze (wee woordeo altijd met bijzonderen nadnik uit- 
iprak, schoon iknooit heb kunnen ontdekken wie zij daarmedcbedoelde, 
>mijnc familie is van gevocleo, dat mijnheer Micawber L o n d e n zou 
noetcn verlatea en ergens anders zijne talenten gaan uitoefenen. Mijii- 
lecr Micawber is een man van groote talenten, jonge heer Copperfleld." 
Ik zcide, dat ik daarvan overtuigd was. 

(Van groote talenten," herhaalde mevrouw Micawber. iMijne familis 
is van gevoelen, dat er, met eenige voorspraak, voor iemand van zijne 
bekwaainheid wel iets bij het Tolkantoor zou kunnen gedaon worden. 
Daar de invloed mijner familie geheel plaatselijk is, verlangt zij, dat 
mijnheer Micawber zich naar Plymouth zal begeven. Zij achten zijne 
persooQlijke aannezigheid aldaar volstrekt noodzakelijk. — >0m bij 
de hand te zijn?" zeide ik vragendeiwijs. — ijuist," antwoordde mc- 
wouw Micawber. »0m bij de hand te zijn — als er zich iets mocht op- 
doen." — »Engaatgij mede, mevrouw f" 

De gcbeurtenissen van den dag, door de tweelingen, zoo nief door het 
beetc bier geholpen, hadden mevrouw Micawber zenuwachtig doeo 
worden, en zij stortte tranen terwij! zij antwoordde : 

ilk zal mijnheer Micawber nooit verlaten. Hij heefl in het begin zijns 
ongelegenheden voor mij verborgen, maar zijn luchtig gestet zal hem 
kbbcD doen denken, dat hij ze wel te boven zou komen. Het parelsnoer 
h de braceletten, die ik van mama geerfd had, siju wel voor minder 
Q de hclft van de waarde verkocht, en het gamituur koralen, dat een 
■idsgeschenk van mijn papa was, is wel zoogocd als voor niemendal 
Igcgooid. Maar ik zal mijnheer Micawber toch nooit verlaten. Neen,'' 
Ezij uit, nog meer aangedaan dan te voren, >dat zal iknooit doen, 
fbeboeft men mij niet eens te vragen !" 
I werd zeer verJegcn — alsof zij dacht dat ik haar zoo iets had willen 

m! — en zathaarbedeesdaante kijken, 

kijnbcer Micawber heeft zijne gcbrekcn. Ik wil niet ontkennen, dat 

nvooTzichtig is. Ik wil niet ontkennen, dat hij mij zoowel van hulp- 

1 als van zijne verbintenissen onkundig heeft gehouden," ver- 

", naar den muur starende, imaai ik zal hem toch nooit 

r mevrouw Micaber hare stem thans tot een gillende hoogte had 
m, werd ik zoo benauwd, dat ik naar de vergaderplaats der club 
\ mijnheer Micawber, die aan het hoofd ecner lange tafel het koor- 
1 leidde, in zijne blijdschap stoordc met de tijding, dat mevrouw 
r zich in een onniEtbarenden toestand bevond, waarop hij 
tin tranen uitbarstte en voortliep, met de koppen en staarten dor 
L die hij gegeten had, op zijn vest. 
, mijn engell" riep mijnheer Micawber, de kamer binnen. 



Ua 



Btuivendej »wat schcelt er aan f" — »Ik zai u nooit verlaten, Micawber!" 
riep zij Uit. — iMiJD liefste leven!" zeidc mijnheer Micawber, haar in 
lijne aimeD sluitendc, idaarvan ben ik volkomen overtuigd." — >Hij is 
de va.der van mijne kinderen I Hij is de vader van mijne tweelingen I Hij 
is de man van mijn hart 1" riep mevrouw Micawber, met stuipachdge be- 
wegingen, iDt — lal — hem — no — ooit verlaten!" 

Mijnheer Micawber werd door deze bhjken van genegenheid too diep 
geroerd (wat mij betreft, ik smolt in tranen), dat hij haar nog hartstoch- 
telijker omhelsde en haar smeekte omhem eens aan te zien en te bedarcn, 
Doch hoe meer hij mevrouw Micawber bad om hem eens aan te zien, 
des te mcer staarde zij in de ledige ruimte ; en hoe meer hij haar drong 
om te bedaren, des te minder wilde zij dit doen. Dientengevolge werd 
mijnheer Micawber weldra zoo weekhartig, dat hij zijne tranen met dc 
hare en demijne vermengde, tot hijmij verzochthemhetpleisierte doen 
van een stoel op het portaal van de trap te zetten en daar te gaan zitten, 
terwijl hij haar in bed hielp. Ik had voor dien avond afscheid willen 
nemen, maar hij wilde er niet van hooren dat ik zou heengaan, eer de 
k]ok luidde, die vreemdelingen het teeken gat om zJch te verwijderen. 
Zoo bleef ik dus voor het portaalvenster zitten, tot hij met nog een stoel 
aankwam en zich bij mij zette. 

»Hoe is mevrouw Micawber nu, mijnheer f'vroegik. — > Heel slap," 
ftntwoordde hij, zijn hoofd schuddende. »Dat is de reactie. Ach, het is 
een geduchte slag geweest ! Wij staan nu alleen — alles isonsontvallcn?" 

Mijnheer Micawber drukte mij de hand, slaakte een kermenden zucht 
en ging vervolgens aan het schreien. Ik was zeer aangedaan, en te lenr 
gesteld ook, want ik had gedacht, dat wij bij deze heugelijke, lang ver- 
wachte gelegenheid zeer vroolijk zouden zijn. Doch mijnheer Micawber 
en zijne vrouw waren, geloof ik, zoo zeer aan hunne oudc ongelegenbfr 
den gewoon, dat zij zich geheel van hunne streek gevoelden, toenzij 
moesten denken dat zij daarvan ontheven waren. AI hunne geestkracbt 
had hen begeven, en nooit zag ik hen half zoo neerslachtig als op dien 
Bvond; zoo zeer zelfs dat ik, toen deklok luidde en mijnheer Micawber 
tot aan de poort met mij medeging en daar met eene zegenbede van mij 
scheiddc, waailijk bang was om hem allecn te laten, zoo diep ellendig 
was hij. 

Maar door alle verbijstering en neerslachtigheid been, die ons, voor 
mij zoo onverwacht, overstelpt had, zag ik duidelijk dat mijnheer en 
mevrouw Micawber met hun gezin van Lo n de n zouden vertreklcen, en 
er eene acheiding tusschen ons ophanden was. Het was op mijne wande- 
ling naar huis dien avond, en in de slapelooze uren die op mijn naar bed 
gaan volgden, dat zich voor het eerst de gedachte bij mij vestigde — 
Gchoon ik niet weet hoe zij mij in het hoofd kwam — welke naderhand 
in een vast besluit overging. 

Ik was zoodanig aan de Micawber's gewooD geworden, was in htinne 
rampen zoo vertrouwd met hen geweest, en was buiten hen zoo geheel 
zonder vrienden, dat het vooruit^zicht om naar eene nieuwe woning te 
moeten verhuizeo en weder onder vreemdeu te komen, hetzelfde voor 



HUN LAATSTK ZONDAO BIJ DE HICAWBER S. 



mi] vas alsof ik mijo tegenwoordig leven nog ecus opnieuw moest intre- 
dcii, terwijl ik nu bij ODdervinding wist wat mij daano te wachten stood, 
Al het gevoel, dat zoo pijnlijk gekwetst was geworden, al de schaamte, 
die mij vroeger had gemarteld, ontwaakten weder toen ik hieraan dacht ; 
en ik werd het met mij zelven eens, dat dit leven ondraaglijkwas. 

Dat ik geene hoop kon koesleren om er aan te ontkomen, of het moest 
door mijn eigen bedrijf zijn, wist ik zeer wel. Vt hoorde zelden van juf- 
fronw Murdstone en nooit van haarbroeder: slechtstweeofdriepakjes 
met nieuwe of gelaptekleeren waren voot mijaanhetadresvanmijnheer 
Quinion gezoaden, en telkens was daarbij slechts een vodje papier, 
waarop stond, dat J. M. vertrouwde, dat D. C. ijverig in zijne zaken was 
en lich gehecl aan zijne plichten wijdde — niet de minste wenk, dat ik 
ooit iets anders zou worden dan zulk een slaafech slover, waartoe ik mij 
reeds met snelheid zag afdalen. 

Reeds de volgende dag, terwijl de ontroering, die mijn nadenken had 
opgewekt, nog versch was, bewees mij, dat mevrouw Micawber nietzon- 
der grond van baar aanstaand vertrek had gesproken. Zij nam in het 
hois waar ik woonde i.ene kamer voor eene week, na verloop van welken 
tijd zij naar Plymouth zouden opbreken. Mijnheer Micawber kwam 
zelf aan het kantoor, om mijoheer Quinion te zeggen, dat hij mij op den 
dag vat] zijn vertrek aan mijn lot zou moeten oveilaten, en om mij eene 
lo^raak te geven, weike ik zeker ben dat ik wel veidiende ; en mijnheer 
Qmnion riep Tipp, den voerman, die getrouwd was en eene kamer te 
hunr had, en b^telde mij voorloopig bij hem in kwartier — met ons 
wedenijdsch gocdvinden, gclijk hij ^le reden had om te denken; want 
ik zeide niets, hoewel ik nu mijn besluit had genomen. 

Ik sleet mijne avonden bij mijnheer en mevrouw Micawber, zootang 
wij DOg onder hetzelfde dak woonden ; en ik geloof, dat wij in dien tijd 
nog hoe langer hoe meer van elkander leerden houden. Op den laatsten 
zondag vroegen lij mij ten eten en hadden wij een varkensribbetje met 
appelmoes en een podding, Ik had den vorigen avond een houten paardje 
gekocht tot een ^cheidsgeschenk voor kleine Wilkins Micawber — 
zoo heette bet jongetje — en eene pop voor kleine Emma. Ik had ook 
een schelling aan het weeskind gegeven, dat nu haar dienst zou ver- 
liezen. 

Wij hadden een zeer genoeglijken dag, hoewel onze naderende schei- 
ding ons alien weemoedig maakte. 

>Ik zal mij nooit, jonge heer Copperfield," zeide mevrouw Micawber, 
»den tijd hcrinneren toen mijnheer Micawber in ongelcgenheid was, 
zonder te gehjk aan u te denken. Uw gedrag is altijd even kiesch als 
vriendschappelijk geweest. Gij zijt nooit een vreemde huurder voor ons 
geweest, maar altijd een vriend," — iLieve vrouw," zeide mijnheer 
Micawber, » Copperfield," want zoo had hij mij sedert eenigen tijd be- 
ginnen te noemen, >heefl een liart om den nood zijner medemenachen, 
als zij in druk zijn, te gevoelen, een hoofd om plannen te beramen, eene 
band om — kortom eene algemeene bekwaamheid om alle voorwerpen 
die nog eenigszins bruikbaar zijn, op het voordeeligst te plaatsen/' 



144 DAVID CUPPERFIELD. 

He betulgde tnijne dankbaarheid voor dezen lof, en leide, dat het mi) 
zcer speet dat wij elkander Eouden vcrliezen. 

*Mijnlieve jeugdige vTiend," zeide mijnheer Micawber, likbenouder 
dan ^j ; een man van eenise ervaring in het leven, en- — en van eenige 
ervanng, om kort te gaan, in ongelegenheden, in het algcmecD eespro- 
ken. Voor het oogenblik, en totdat er zich lets opdoet (hetgeen ik, mag 
ik wel zeggen, ieder uur verwacht) heb ik niets te geven dan raad. Even- 
wel is mijn raad in zoaveire wel het aanhooren waardig, dat — om kort 
te gaan, dat ik zelf dien nooit heb in acht genomen, en daardoor" (de 
spreker, die tot nog toe met geheel zijn gezicht had geglimlacht, bedacht 
zich hier enkeek zeerdonker)>derampzaligeellendelingbengeworden, 
dien gij hier voor u ziet," • — i Mijn beste Micawber !" riep zijne vrouw 
hiermt, — »Ik zeg," hervatte mijnheer Micawber, zich geheel vergctendc, 
en wcdcrom glimlachende, >de rampzalige ellendelmg ben geworden, 
dien gij hier voor u ziet. Mijn raad is ; > stel nooit tot morgen uit wat gij 
heden kunt doen. Uitstel is eentijddief.Houd hem vast!"- — >Datwas 
de stelregel van mijn goeden papa," merkte mevrouw Micawber aan. — 
ija, meheve," zeide mijnheer Micawber, >iiw papa was voor zijn doen 
een heel knap man, en de Kernel verhoedej dat ik hem zou willcn ver- 
kleinen. Over het geheel genomen, tullen wij nooit — om kort te gaan, 
waaischijniijk nooit met iemand kennis maken, die op zijne jaren nog 
zulke beenen had om slopkousen te dragen, en zonder bril zulk een 
kleinen druk kon lezen. Maar hij paste dien stelregel op ons huwelijk 
toe, melievei en dat werd, dientengevolge, in zooveire met overijling 
aaDgegaan, dat ik nooit de onkosten ben te boven gekomen." Mijnheer 
Micawber keck mevrouw eens aan, en voegde er bij : iNiet dat ik erspjjt 
van heb. Wel integcndeel, melieve." En daama bleef hij eene minuut, of 
daaromtient, emstig. >Mijn anderen raad, Copperfield," zeide mijnheer 
Micawber, ikent gij reeds. Jaarlijks inkomen twintig pond, jaarlijksche 
vertering negcntien, negentien en zes, gevolg — geluk. Jaarlijksch inko- 
men twintig pond, jaarlijksche vertering twintig pond en zes stuivets, ge- 
volg — ellende. De blocsem verwelkt, het blad verdort, de god des daags 
dadt neder over het akeligc tooneel — om kort te gaan, gij ligt voor 
altijd omver. Zooals ik !" 

Om dit voorbeeld te meer indruk te doen maken, dronk mijnheer 
MicawbCT zeer smakelijk en genoeglijk een glas punch uit en floot een 
luchtig dansje. 

Ik liet niet na hem te verzekeren, dat ik deze lessen ter harte zou 
nemen, hoewel ik dit niet had behoeven te doen, want bet was zichtbaar 
genoeg, dat zij mij deden ontroeren. Den volgendenmorgeabrachtik 
de geheelc familie naar het diligencekantoor, en zag hen met een diep 
bedroefd hart achter op het rijtuig klimmen. 

*Jonge heer Copperfield," zeide mevrouw Micawber, >God zegene 
ul ik kan dat alles, wat ge wel weet, nooit vergeten^ en zou ook nooit 
willen, al kon ik." — * Vaarwel, Copperfield," zeide mijnheer Micawber. 
> Alle geluk en voorspoed ! Als ik, in den loop der wisselende jaren, mij 
zelven kon overredeo, dat mijn jammerlijk lot u tot waarschuwing bad 




VOORKERElDtNG TOT MUNE VLUCHT. 145 

gestrekt, zou ik gevoelen, dat ik met geheel nutteloos de plaats van een 
mder mensch in dit aanziJD had beslagen. In geval zich iets opdoet (wat 
ik vrij leker verwacht), zal het mij buitengemeen verheugen, als het in 
mijn vcrmogen mocht zijn uwe vooruitiichlen te verbcteren." 

Ik geloof dat, toen mevrouw Micawber met dc kinderen achter op de 
diUgcDcc zat en ik droevig naar hen opkijkende op straat stond, cr een 
Bevel van hare oogen verdween, en zij zag welk een klein, nietig schep- 
scltje ik werkelijk nog was. Ik geloof dit, devrijl zij mij, met eene geheel 
nienwe, moederlijke uitdrukking in haar gezicht, een venk gaf om op te 
klimmen, haar ann om mijn hals sloeg en mij jilist lulk een kus gaf aU 
zij haar eigen knaapje had kunnen geven. tk had nog maar even tijd om 
weder af te klimmen, toen de diligence vooitreed, en toen kon ik de 
&milie bijna niet zien, door de zakdoeken waarmede men wuifde. Nog 
eeoe minuut later waren de reizigers verdwenen. Het weeskind en ik 
stonden elkander midden op straat wezenloos aan te staren, gaven 
elkander de hand, en zeiden elkander vaarwel. Zij begaf zich, denk ik, 
weder naar het St-Lucaswerkhuis, terwijl ik naar het pakhuis ging om 
mijn vervelend dagwerk weder te beginnen. 

Doch niet met voomemen om daar nog vele vervelende dagen door 
tc brengen. Neen. Ik had bealoten om weg te loopen — om, op eene of 
andere manier, de eenige bloedverwante, die ik in de wereld had, op 
te zoeken en mijne tante, juffrouw Betsey, mijn wedervareo te vertellen. 
Ik heb reeds aangemerkt dat ik niet weet hoe mij dit wanhopige denk- 
beeld in de hersens kwam. Maar toen het eens daar was, bleef het daar, 
en verhardde zich tot een voomemen, krachtiger dan eenig ander voor- 
oemen, dat ik ooit in mijn leven heb gekoesterd. Ik ben lang niet zeker 
dat ik geloofde er iets goeds van te mogen hopen, maar ik was het toch 
Tolkomen met mij zelven eens, dat ik het ten uitvoer moest brengen. 

Nogmaals, en nogmaals, en nog honderd malen, sedert den nacht 
toen die gedachte voor het eerst bij mij was opgekomen en mijn slaap 
had vcrbannen, had ik mij die oude vertelling van mijne moeder te bin- 
nen gebracht van hetgeen er bij mijne geboorte was voorgevalien, die ik 
hiar in vroeger tijd zoo gaame hoorde vertellen, en die ik van buiten 
kende. In die vertelling trad mijne tante op als een geducht, onbegrtj- 
peli|k vezen; maar in haar gedrag kwam toch 6in kleine trek voor, 
vaarbij mijne gedachten gaame vertoefden en die mij een flauwen 
zweem van aanmoediging gaf. Ik kon niet vergeten, hoe mijne moeder 
gemeend had, dat zij haar met geene onvriendelijke hand hare fraaie 
tokkenvoeldeaanraken^enhoewel dit misschien maar eene verbccldmg 
*>n mijne moeder kon zijn geweest, die op niets, dat naar werkeUjkheid 
gelcek, gegrond was, maakte ik er toch een schilderljtje van, waarin ik 
tniine vTeesehjke tante zich zag verteederen voor die kinderlijke schoon- 
hod, die ik mij nog zoo wel heiinnerde en nog zoo liefhad; en dese 
enkele trek verzachtte het geheele verhaal. Het is wel mogelijk, dat dit 
mij rccds lang voor den geest had gezweefd en mij langzamerhand tot 
mija bealuk bracht 
Daar ik niet eens wist waar juf&ouw Betsey woonde, schreef ik. em 
DAvm coppnunsLD. — L lo 



140 UAVm COPPKRFIELD. 

lan^eD brief aan Feggotty, en vroeg haar daarin, als terloops en toe- 
vaUig, of zij zich dit ook herinnerde; mij houdende alsof ik van zulk 
eene dame had gehoord, die ergens woonde bij een doip, dat ik maar in 
het wilde noemde, en nieuwsgieri^ was om te weten of^zij dezelfde was. 
In den loop van dien brief zeide ik Peggotty ook, dat ik bijzonder om 
een halven guinje veriegen was; en dat zij, als zij mij die som koo leenen 
tot ik in staat was ze terug te geven, mij zeer zou verplichten, en ik haar 
naderhand wel zou zeggen, waartoe ik die noodig had gehad. 

Het antwoord van Peggotty kwam spoedig en was, gelijk gewoonlijk, 
vol hartelijkheid en teederheid, Zij zond mij ook een halven guinje (ik 
vrees, dat zij geweldig veel moeite moel hebben gehad om dien uit deo 
koffer van Barkis te krijgen) en berichtte mij, dat juffrouw Betsey dicht 
bij Dover woonde, maar of het te Dover zelf, of te Hythe, te 
Sandgate ofte Folkstone was, kon zij niet zeggen. Een van onze 
werklieden onderrichtte mij echter, toen ik hem naardie plaatsen vroeg, 
dat zij alien dicht bij elkander iagen; dit achtte ik voor mijn oogmerk 
voldoende, en besloot op heteind dier week te verlrekken. 

Daar ik voor ■ een kleinen jongen zeer eerlijk was, en den naam, dien 
ik bij Murdstone en Grinby zou achterlaten, niet wilde schandvlekkeo, 
achtte ik mij verplicht om tot zaterdagavond te blijven, en dewijl mij bij 
mijne komst het loon van eene week vooruitbetaald was, mij niet op het 
gewone uur in het kantoor aan te melden om mijn geld te ontvangen. 
Opzettelijk om deze reden had ik den halven guinje geleend, opdat ik 
niet zonder geld op reis zou behoeven te gaan. Toen het dus zaterdag- 
avond was en wij alien in het pakhuis op betaling stonden te wachten, en 
Tippdevoerman,diealtijdden voorranghad, het cerst naar binnen ging 
om zijn geld te ontvangen, drukte ik Mick Walker de hand, vroeg hem 
om, als het zijne beurt was, aan mijnheer Quinion te zeggen, dat ik heen- 
gegaan was om mijn koffer te halen en naar Tipp te brengen, wenschte 
Mealy Potatoes een laatsten goeden avond en liep weg. 

Mijn koffer was in mijne oude woningover het water, en ik had een 
adres daar voor geschreven achter op een van onze adreskaartjes^ die op 
onze vatengespijkerdwerden:»Jongeheer David ;zal aan het diligence- 
kantoor te Dover worden afgehaald." Dit kaar^e had ik in mijn 
zak gereed om het aan den koffer te doen, nadat ik dien uit het huis had, 
en onderweg keek ik rond naar iemand, die mij helpen kon om hem 
naar het diligencekantoor te brengen. 

< £r stond een langbeenige jongen met een bijzonder klein ledig ezel- 
karretje bij den Obelisk in de Blackfriars Road, die op mij 
lette toen ikvoorbijkwam, en mij vroeg >o[ik hem nuhaastkennen zou 
als ik hem weerom zag," zonder twijfel daarop doelende, dat ik hem zoo 
oplettend aankeek. Ik bleef stilstaan om hem te verzekeren, dat ik dit 
met uit ongemanierdheid had gedaan, maar omdat ik twijfelde of hij al 
of niet een karreweitje zou willen hebben. 

» Wat voor karreweitje f" zcidc de langbeenige jongen. — »Een koffer 
halen," antwoorddeik, — » Wat voor een koffer f" vroeg de langbeenige 
jongen. 



IK WORD VAN lilTM KOFFER EN GELD BBROOFD. 147 

Se zeide hem, dat bet de mijne was, die ik daar wat verderop had 
staao, en dien ik voor een zeastuiverstuk naar het Doversche diligence- 
kantoor wilde gebracht hebben. 

>Daar doe ik het voor," zeide de langbeenige jongen, sprang tcrstond 
op lijn karretje, dat niets anders dan een grooten houten bak op wielen 
was, en ratelde voort, zoo hard, dat ik moeite had om den ezel bij te 
bouden. 

t>ie jongen had iets brutaals over zich, vooral in de manier waarop hij 
op een strooitje kauwde terwijl hij met mij sprak, dat mij niet zeerbeviel; 
daar echter de koop gemaakt was, bracht ik hem boven naar de kamer, 
die ik veriiet, en wij droegen den koffer naar beneden en zetten dien op 
zijn karretje. Nu was ik ongenegen om het adreskaattje er daar op vas^ 
te maken, tiit vrees, dat iemand uit het huis zou begrijpen wat ik wilde 
doen en mij tegenhouden, en ik zeide dus den jongen, dat ik gaame zou 
willeo dat hij even ophield als wij voor den blinden muur van de King's 
Bench gevangenis kwamen. Niet zoodra waren die woorden uit mijn 
mond, of hij ratelde voort, alsof hij, mijn koffer, de kar en de ezel alien 
tc gelijk dol waren geworden ; en ik was geheel buiten adein van het 
loopen en naroepen toen ik hem op de bepaalde plaats inhaalde 

Driltig en angstig, liet ik, toen ik het adteskaar^e uit mijn zak haalde, 
00k mijn halven giuinje er uit roUen. Ik stak hem in mijn mond, om 
hem veilig le bewaren, en hoewei mijne handen erg beefdcn had ik 
het kaar^e toch juist naar mijn zin vastgemaakt, toen ik mij door den 
langbeenigen jongen een geweldigen stomp onder de kin voelde 
geven, en mijn halven guinje uit mijn mond in zijne hand zag 
vliegen. 

>Wat!" leide dejongenmet eenschrikkelijkengrijns, engreepmij te 
gelijk bij den kraag van mijn buisje : » Dat is een ding waarvan de politie 
moet wcten. Gij wilt er mee voortgaan, dat zie ik wel. Kom aan, mee 
naar de polide, gij kleinedeugniet; mee naar de politie." — iGeefmij 
mijn geld terug, als het u belieft," zeide ik, zeer ontsteld, »en laat mij 
los," — » Mee naar de politie," antwoordde de jongen. »Gij zuU voor de 
politic moetenbewijzen, dat hetu toebehoort."— »Geef mij mijn geld en 
mijn koffer terug, zeg ik !" riep ik, in tranen uitbarstende. 

De jongen bleef maar roepen: »Mee naar de politie!" en duwdemij 
met geweld tegen zijn ezel aan, alsof er eenige gelijkenis tusschen dat 
dier en een magistraats-persoon bestond, tot hij op een anderen inval 
Icwam, in het karretje sprong, zich op mijn koffer zette, en mij toeroe- 
pende dat hij recht naar de politie reed, nog harder dan ooit voort- 
ratelde. 

Ik licp hem na zoo hard ik kon, maar ik bad geen adem om te roepen, 
en ik had ook nu niet durven roepen. Twintigmaal ten roinste was ik op 
het punt om overreden te worden. Nu raakte ik hem kwijt, dan zag ik 
hem weder, dan raakte ik hem weder opnieuw kwijt ; nu kreeg ik een slag 
met een zweep, dan weTdiknageschreeuwd;nulagikindenmodder, 
dan was ik weder overeind ; nu liep ik iemand in de armen, dan rende ik 
blindelings tegen een paal aan. Eindehjk, geheel verbijsterd van schrik 



148 DAVID COPPERFIELD. 

en drift, en twijfelende ofnietalhalfLoadenopdebeenwasonimi| 
aan te houden, liet ik den jongen met mijn kofler en geld rijden waarbeen' 
hij wilde. Ik bleef ectiter niet stUstaan, maitr sloeg hijgende en snikkende 
de richting naar Greenwichin, hetwelklkgehoordhad, dataanden 
weg naar Dover lag, weinig meer uit de wereld naar de verblij^laats^ 
niijner tante, juffrouw Betsey, medenemende, dan ik daarin had medege- 
bracbt in dien nacht toen mijne komst haar zoo ongevalUg was. 



HOK HBT MET HQN BESLU1T AFLrKP. 

Zooveel ik weet, had ik misschien, toen ik het naloopen van den jon- 
gen met het ezelkarretje opgafenden wegnaarGreenwichinsloeg, 
een onbesuist voomemen om tot D o v e r toe door teloopen. Zoo ja, dan 
kwam ik in dit opzicht spoedig tot beiinning; want op den KentRoad 
bleef ik stilstaan voor een terras, met een vijvertje er voor, en een groot 
leelijk beeld, dat op een drogen zcehoom blies, in het midden. Hicr cette 
ik mij op eene stoep, reeds geheel afgcmat van het loopen dat ik gedaan 
had, en met nauwelijks adem genoeg om nog over het verlies van mijn 
koffer en halven guinje te huilen. 

Het was nu donker geworden ; ik hoorde de klokken tien slaan, tenrijl 
tk daar zat te rusten. Maar het was gelukkig een zoroeraacht en mooi 
weer. Toen ik wedcr op adem wasgekomenenvaneen gevoelindekecl, 
alsof ik stikken zou, was bevrijd, stond ik op en ging verder. Te midden, 
van mijn nood en mijne droefheid dacht ikaan geen tenigkeeren. Ik 
twijfel of ik dit wel zou gedaan hebben, al had er op den weg naar 
Greenwich een Zwitsersche sneeuwjacht gcheerscht, 

Maar dat ik niet meer dan drie halve stuivers in de wercld bezat (en 
het verwondert mij zecr hoe ik die op een zatcrdagavond nog in mijn zak 
had gehouden) maakte mij, hoewel ik verder ging, toch zeer ongerust. 
Ik began te denken hoe er over eeoige dagen wel in de courant zoukun- 
nen staan, dat ik onder een heg dood gevonden was ; en ik staple diep- 
ter neer geslagen, maar toch zoo hard als ik kon, voort, tot ik aan een 
winkeltje kwam, waar geschrevenstond,datmen daar mans- en vrouwen- 
kleeren opkocht, en de hoogst mogelijke prijzen voor vodden, beenderen 
en keukenafval betaalde. De eigenaar van dit winkeltje zat in zijnehemds- 
mouwen aan de deur te rooken ; en dewijl er rokken en broeken in me- 
nigte aan den lagen zolder hingen te bengelen, en er binnen maar twee 
flauwe kaarsen brandden, waarbij men kon zien wat zij waren, ver> 
beeldde ik mij, dat hij naar een man van wraakgierige inborst geleek, 
die al zijne vijanden had opgehangen, en zich nu daarover zat te ver- 
lustigen. 

De ondervinding, die ik bij mijnheer en mevrouw Micawber had op- 
gedaan, deed mij op de gedachte komen, dat ^ faier misschien een mid- 
od had gevonden om den bonger nog eenigen tijd af te weren. Ik stapte- 



IK VXROORZAAK B^NA DAT lEN HAN ZQN HUISHOUDBM BBNADKELT. I49 

<le ccTsw zijsbaat in, trok inijn vest uit, nam hel netjes opgerold onder 
mijn arm, en gin^ naar bet winkeltje terug. 

>Als hetu belieft,mijnheeT,"zeideik;iditmoetik vooreeDbillijken 
prijs vcrkoopen." 

Mijnhecr Dolloby — DoUoby was ten minste de naam, die boven de 
deurstond — namhetvestje, zctte zijne pijp ovcreind tegcn den post van 
de deur, gicg, door mij gevolgd, het winkeltje binnen, snoot de twee 
kaarsen met zijne vingers, spreiddc het vest op de toonbank uit, bekeek 
het zoo liggende, hield het voor het licht, bekeek het zoo nog eens, en 
zcide eindelijk : 

■ En watnoemtgenueen prijs voor datvestje?" — >0,datzullgcze!f 
bot weten, mijnheer," antwoordde ik bescheiden. — >Ik kan geen koo- 
per en verkooper te gelijk wezen,"zeide mijnheer Dolloby. »Zeghoeveel 
ge Toor dit vestje vraagt." — > Zou achttien stuivers...." begoD ik, na teat 
poos geaarzeld te hebben. 

Mijnheer DoUoby rolde het vestje weder op en gaf het mij terug. 

• Ik zou mijn huishouden benadeelen," zeide hjj, *alsikernegen stui- 
vers voor bood." 

Dit was eene onpleizi^rige manier om de taak voor te stellen, daar zij 
mij, een vrccmdeling, in de onaangename noodzakelijkheid bracht om 
mijnheer DoUoby te vergen, dal hij om mijnentwil zijn huishoudcn zou 
beiiadeelen. Daar echter mijne omstandigheden zoo dringend waren, 
zeide ik, dat ik er negen stuivers voor ncracn zou, als hij die behefde te 
geven, Niet zonder wacbrommengaf mijnheer Dolloby negen stuivers. 
Ik wenschte hem goeden avond en ging het winkeltje uit, die som rijker 
en een vest armer. Maar als ik mijn buisje toeknoopte beduiddc dat niet 
reel. 

Ik zag eigenlijk vrij duidelijk vooruit, dat mijn buis het vest zou moe- 
ten volgen en ik het grootste gedeelte van den weg naar D o v e r in een 
bcmd en eene broek zou moeten afleggen, en blij zou mogen wezen als 
ik er zdd nog maar kwam. Ik dacht echter niet zooveel hieraan als men 
wel zou kunnen meenen. Behalve eene algemeenc voorstelling, dat ik 
nog ver te loopen en de jongen met het karretje mij slecht behandeld 
had, geloof ik, dat ik geen zeer dringend gevoel van mijne benarde om- 
standigheden had, toen ik met negen stuivers op zak weder voortstapte. 

Er was mij een plan ingevallen om den nacht door te brengen, dat ik 
nn gbg verwezenlijken. Dit was om mij bij den muur achter mijne oude 
school te slapen te leggen, op eene ^lek waai eene hooischelf placht te 
stasn. Ik verbeeldde mij, dat het eenigszins gezellig zou wczcn als ik de 
jongens en de slaapkamer, waar ik htstorietjes placht te vertellen, zoo 
dicht bij mij had, hoewel de jongens niet zouden weten, dat ik daar was, 
en de slaapkamer mij geene schuilplaats zou verleenen. 

Ik had een zwaren dag gehad, en was tamelijk afgemat toen ik einde- 
lijk al klimmendede vlaktevanBlackheathbereikte. Het kosttemij 
eenige moeite om Salem House te vinden ; maar ik vond het toch, en ik 
vond 00k de hooischelf in den hoek en legde mij daarbij neer, nadat ik 
cent den muur was omgegaan en naar de vensters had opgekeken, om 



150 DAVID COPPERFIELD. 



mij te verzekeren, dat alles daar binnen donker en stil was. Nooit zal ik 
het gevoel van eenzaamheid en verlatenheid vergeten, om daar voor het 
eerst zoo te liggen, zonder dak boven mijn hoofd ! 

De slaap bekroop mij, evenals vele andere verschoppelingen, voor 
welke in dien nacht de huisdeuren gesloten waren en de huishonden 
blaften — en ik droomde, dat ik op school in mijn gewoon bed la^ en 
met de jongens in mijne kamer praatte ; en op eens zat ik recht overemd, 
met Steerforth's naam op de lippen, en keek verbijsterd naar de sterren 
op, die boven mij glinsterden en flikkerden. Toenikmij herinnerde waar 
k op dat ontijdig uur was, bekroop mij een gevoel, dat mij deedopstaan 
ien rondwandelen, bevreesd voor ik weet niet wat Maar de verflauwende 
glans der sterren en de bleeke schemering in de lucht, waar de dag aan- 
brak, stelden mij weder gerust, en daar mijne oogen nog zeer zwaar 
waren, legde ik mij weder neer en sliep — hoewel ik in mijn slaap wist 
dat het koud was — tot de war me zonnestralen en de klok, die de jon- 
gens op Salem House het teeken gaf om op te staan, mij wekten. Als ik 
had kunnen hopen, dat Steerforth daar nog was, zou ik zijn blijven 
schuilen tot hij alleen buiten kwam ; maar ik wist wel, dat hij reeds lang 
geleden was vertrokken. Traddles was er misschien nog, maar dit was 
zeer twijfelachtig, en ik stelde niet genoeg vertrouwen in zijne voorzich- 
tigheid of zijn fortuin, hoe sterk ik 00k op zijne goedhartigheid rekende,. 
om hem het geheim mijner omstandigheden te durven openbaren. Ik 
sloop dus been terwijl de jongens opstonden, en ging den langen stoffe- 
rigen weg op, dien ik als den weg naar Dover had leeren kennen toett 
ik nog ouder hen was en weinig dacht, dat iemands oogen mij ooit als 
zulk een reiziger daarop zouden zien wandelen. 

Welk een geheel anderen zondagochtend dan die oude zondagochtend 
te Yarmouth! Op den gewonen tijd hoorde ik wel, terwijl ik voort- 
zwoegde, de kerkklokken luiden ; en ik ontmoette menschen, die naar 
de kerk gingen ; en ik kwam een paar kerken voorbij, waarin de gemeente 
verzameld was, en waaruit het zingen mij in den zonneschijn in de ooren 
klonk, terwijl de kerkeknecht zich in het portaal zat af te koelen, of 
onder den iepeboom stond, en met zijne hand boven zijn voorhoofd mij 
donker aankeek terwijl ik voorbijging. Maar de vrede en rust van den 
ouden zondagochtend heerschten overal behalve in mijn binnenste. Dat 
was het verschil. Zoo vuil en bestoft en met verwarde haren, gevoelde 
ik mij zeer goddeloos. Zonder het opbeurend tafereel, dat ik mij voor 
den geest had geroepen, hoe mijne moeder in hare jeugd en schoonheid 
bij het vuur zat te schreien, en mijne tante zich door haar liet verteede- 
ren, geloof ik bijna niet, dat ik den moed zou gehad hebben om dien dag 
verder te gaan. Maar dat tafereel ging mij altijd vooruit, en ik volgde. 

Ik legde dien zondag op den rechten weg drie en twintig mijlen af^ 
hoewel niet met gemak, want die soort van inspanning was mij nieuw. 
Ik zie mij zelven nog, tegen het vallen van den avond, kreupel en strom- 
pelend, en onder het eten van het brood, dat ik voor mijn avondmaal 
had gekocht, te Rochester over de brug komen. Een paarhuisjes^ 
waar het bericht >Logies voor Reizigers" mthing, hadden mij wel aan- 



IK LEG VELE MTJLEN TE VOET AF. I51 

gelokt, maar ik was bang om de weintge stuivers, die ik nog had, uit te 
geven, en tells nog raeer bevreesd voor de brutale gezichten der land- 
loopers, die ik ondeiweg had oDtnioet of ingehaald. Ik zoctit dus geene 
andere schuilplaats dan de luchl ; enChattara binnenstrompelende — 
dat, gelijk ik bet mij van dlen avond herinner, nieis anders is dan een 
droom van kalksteen, ophaalbruggen en mastelooze scbepen, met daken 
gelijk Noach's ark, in eene modderige rivier — kroop ik eindelijk op 
eene soort van met gras begroeide batterij aan een pad, waarop een 
schildwacht been en weder staple. Hier legde ik mij neer, dicht bij een 
kanon^ en mij verheugende over des schildwachts voetstappen, hocwel 
bij even weinig wbt dat ik daar boven hem was ab de jongens op Salem 
House wisten, dat ik achter den muur lag, sliep ik gerust tot aan den 
morgen. 

Des morgens was ik zeer stijf, had veel pijn aan de voeten, en werd 
gcheel versuft door het slaan van trommen en het marcheeren van sol- 
datea, die mij aan alle kanten schenen in te sluiten, toen ik van mijne 
hoogte naar de lange smalle straat afdaalde. Daar ik wel voelde, dat ik 
dien dag niet ver zou moeten gaan, als ik mijne krachten genoeg wilde 
sparen om het eind mijner reis te bcreiken, besloot ik om voor heden 
het verkoopen van mijn buis tot mijne hoofdzaak te maken. Ik trok mijn 
bnis dus uit, om mij aan hetgemis daarvan tegewennen; en deed met 
dit pakje onder mijn arm eene wandellng, om de verschlllende oude- 
kleerenwinkels op te nemen. 

Het scheen eene gunstige plaats te zijn om een buis te verkoopen ] 
want de handeJaren in oude kleeren waren talrijk, en stonden meestal 
&au de deur van hun winkel naar klanten uit tc kijken. Maar dewiji de 
meesten van ben onder bun voorraad een paar officiersrokken, met 
epauletten en al, hadden bangen, schrikte het gezicht van deze kostbaar- 
heden mij af, en bleef ik lang rondzwerven zonder mijne waar aan icmand 
te durven aanbieder. 

Mijne bescheidenheid deed mij vooral de aandacht vestigen op vod- 
denkramers en lulke winkels als die van mijnhcer Dolloby, veeleer dan 
op die van hoogerrang.Eindelijk vondiker een, die mij ietsgoeds scheen 
te beloven, op den hoek van een smerig steegje, dat op een met brandne- 
telen begroeid staketsel uitliep, aan welks palen eenige afgelegde matr& 
zenpakken, die in den winkel geene plaats meer schenen te hebben, bin- 
gen te bengelen, tusschen roestige geweren, gelakte hoeden, en eenige 
bakken zoo vol roestige sleutels van allerlei grootte, dat er verscheiden- 
bdd genoeg scheen tezijn om er alle deuren van de wereld mede te 
openen. 

Dezen winkel, die klein en laag was en door een met kleeren bebangen 
venstertje veeleer werd verdonkerd dan verlicht, trad ik, eenige trappen 
afgaande, met een kloppend hart binnen. Mijne hartklopping werd niet 
geringer, toen een Icelijk man, wiens gezicht met de atoppels van een 
grijzen baaid was bedekt, uit een morsig bol achter den winkel kwam 
uitschieten en mij bij de haren greep. Die oude man was schrikkelijk 
om aan te zien, met zijn flanellen borstrok, en lOok geducht naar rum. 



152 DAVID COPPKRFIELD. 



Zijn ledikant, met eene gehavende lappendeken bedekt, stond in het hoi 
waaruit hij gekomen was en waar een ander venstertje op nog meer 
brandnetels en een kreupelen ezel uitzag. 

>0, wat moet gij hebben?" zeide de oude man,grijnzendeenmeteene 
huilende stem, die geweldig kwaadaardig klonk. >0, mijne oogen en 
ledematen, wat moet gij hebben ? O, mijne long en lever, wat moet gij 
hebben. O, gnroe, grroe !" 

Ik ontstelde zoodanig van deze woorden^ vooral van het laatste onbe- 
kende, dat een soort van gerochel in zijne keel was, dat ikgeen antwoord 
kon geven ; en daarop begon de oude man, zonder mijne haren los te 
laten, al weder: 

»0, wat moet gij hebben ? O, mijne oogen en ledematen, wat moet gij 
hebben ? O, mijne long en lever, wat moet gij hebben ? O, ^oe !" het- 
welk hij nu uitgilde, met eene kracht, die hem de oogen mt het hoofd 
deed puilen. — »Ik wilde weten,*' antwoorddeikbeveude, >ofgijook 
een buisje wilt koopen." — >0, laat het buisje dan zien,*'riepde oude 
man. »0, mijn brandend hart, laat het buisje dan kijken I O, mijne oogen 
en ledematen, haal het buisje dan voor den dag !" 

Daarmede haalde hij zijne bevende handen, die naar de klauwen van 
een grooten vogel geleken, uit mijn haar, en zette een bril op, die zijne 
rood ontstokene oogen lang niet tot sieraad strekte. 

»0, hoeveel voor dat buisje?" riep de oude man, na het bezichtigd tc 
hebben. >0, grroe! hoeveel voor dat buisje?" — > Eene halve kroon," 
antwoordde ik, mij herstellend. — >0, mijne long en lever!" riep de 
oude man, >neen ! O, mijne oogen, neen ! O, mijne ledematen, neen ! 
Achttien stuivers. Grroe !" 

Telkens wanneer hij deze uitroeping liet hooren, schenen zijne oogen 
in gevaar om geheel uit zijn hoofd te barsten ; en elk gezegde, dat hij 
uitsprak, zong Uj als een soort van deuntje, altijd volmaakt hetzelfde, en 
dat meer van eene huilende windvlaag had, die zacht begint, tot eene 
gillende hoogte stijgt en dan weder daalt, dan van iets anders waarbij ik 
het kan vergelijken. 

tWelnu," zeide ik, blijde dat de koop gesloten was, »ik zal er achttien 
stuivers voor nemen." — >0, mijne lever !" riep de oude man, te gelijk 
het buisje op eene plank werpende. >Maak dat gij den winkel uit komt ! 
O, mijne long, maak dat gij den winkel uit komt. O, grroe ! — vraag mij 
niet om geld. Ruil het tegen wat anders." 

Ik ben nooit in mijn leven, vroeger of later, zoo ontseld geweest; maar 
ik zeide hem toch met alle nederigheid, dat ik geld noodig had en iets 
anders mij niet kon dienen, maar dat ik er, gelijk' hij wilde, buiten op zou 
wachten en hem niet verlan^de te haasten. Zoo ging ik dus naar buiten 
en zette mij daar in een hoek in de schaduw neer. £n daar zat ik zoovele 
uren, dat de schaduw in zonneschijn, en de zonneschijn weder in scha- 
duw overging; en nog zat ik daar op het geld te wachten. 

Nooit is er in dien tak van handel nog zulk een dronken doUeman 
geweest, hoop ik. Dat hij in de buurt welbekend was, en den naam had 
van zich aan den duivel verkocht te hebben, begreep ik spoedig uit de 



EXS DAO VOL KW£LUNOEH. 153 

L, welke hij van de jongens ontving, die gedurig voor den winkel 
'kwamen been en weer loopen, bet loo even gemelde sprookje uit- 
schreeuwden en hem toeriepen om zijn goud voor den dag tc halen. 
>Ge zijt Diet 100 arm, Charley, als gij uhoudt. Haaluw goud maar voot 
den dag. Breng eens wat van het goud hier, waarvooi gij u aan den 
duivel verkocht hebt. Kom aan. Het zit in het overtrck van de matras, 
Charley. Snijd het open en geef cr ons wat van!" Dit geroep, en vele 
aanbiedingea om hem tot dat einde een mes te leenen, maakten hem zoo 
dol, dat degeheele dag nietsanderswas dan eene reeks van schermutse- 
lingen tusscben hem en de jongens , waarbij hij telkens een woesten 
nitval deed en de jongens, zoo hard zij konden, wegliepen. Somtijds 
Meld hij mij in zijne woede voor een van hen, en kwam naar mij toe met 
een gczicht alsof hij mij wilde verscheuren;dan, zichjuistbij tijdsherin- 
nerende wie ik was, sloop hij zijn winkel weder binnen en ging op zijn 
bed liggen, gelijk ik uit den klank zijner stem opmaakte, terwijl hij, alsof 
taj geheel razend was geworden, met zijn eigenaardigen huilenden galm, 
dc dood van Nelson uitgilde, met een »0!" voor elken regel en met 
ontelbare (grroes" doorcaaid. Alsof dit nog niet erg genoeg voor mij 
was, kwamen de jongens, die uit het geduld en de volharding, waaf mede 
ik half gekleed daar bleef zitten, opmaakten, dat ik tot den winkel be- 
boorde, mij met vuil gooien, en raishandelden zij mij den geheelen dag 
leererg. 

Mij had vele pogingcn aangewend om mij tot eene niiling te bewegen, 
ou eens met eene hengelioede, dan met eene viool, dan weder met een 
■teckhoed, dan weder met eene fiuit buiten komende.Doch ik wees al die 
aanbiedingen van de hand en bleef daar met wanhopi^e standvastig- 
heid zitten, hem telkens, met tranen in de oogen, om mijn geld of mijn 
bnis vragende. Eindelijk. begon hij mij te betalen met enkele halve stui* 
Ten tc gelijk, en het duurde twee voile uren eer hij zoo op zijn gemak 
tot een schelling was gekomen. 

» O, mijne oogen en ledematen t" riep hij tocn, na eene langc tusschen- 
poos met een a&cbuwelijk leelijk gezicht zijn boofd buitenstekende, 
>wilt gc voor nog twee stuiversheengaan?" — • Dat kanik niet," zeide 
ik. >Dan lou ik moeten doodhongeren." — »0, mijne long en lever, 
wilt ge dan voor drie stuivers heengaan?" — »Ik zou wel voor niemendal 
willen heengaan, als ik maar kon," antwoordde ik, imaar ikheb het 
geld heel erg noodig." — »0, giroel" (Het is waarlijk onmogelijk te 
beschrijven, hoe hij zich dien uitroep uit de keel wrong, terwijl hij om 
den post van de deur naar mij keek en niets anders lict zien dan zijn arg* 
listig oud gezicht) ; iwiltge dan voor vier stui vers gaan i" 

Ik was zoo mat en flauw, dat ik in dit aanbod bewilligde-, en niet 
Eonder beven het geld uit zijn klatiw nemende, ging Ik tegen het vallen 
van den avond been, hongeriger en dorstiger dan ik nog ooit in mijn 
leven geweest was. Doch ten koste van drie stuivers was & spoedi^ ge- 
heel verkwikt; en toen meer welgemoed, strompelde ik nog zeven mijlen 
verder voort. 

Mijn bed was dien nacht weder bij eene hooischelf, waar ik gerust 



154 DAVID COPPERFIKLD. 

sliep, nadat ik mijiie geblaarde voeten in eene beek had gewasschen eo- 
ze, zoo goed ik kon, met koele bladeren had verbonden.Toen ik mij dea 
volgenden morgen weder op weg begaf, bevond ik, dat deze door eene 
reeks van hopvelden en boorogaardcn liep. Het was zoo laat in het jaar, 
dat er reeds roode appelen aan de boomen hingen, en hier en daar de- 
hopplukkers aao het werk waren. Ik vond die alles uitnemend schoon, 
en nam mij voor dieo nachc cusschen de hop te gaan slapen, mij ver- 
beeldende, dat die lange verschieten van staken, met die sierlijk daarom- 
heen gesUngerde bladeren, iets zeer vroolijks en gezelligs moesten hebben. 

De landloopers waren dieD dag erger dan ooit, en joegen mij een 
angsl aan, die mij nog versch voor den geest is. Sommigen van hen 
waren schavuiten van het allerbrutaalste voorkomen, die mij, in het voor- 
bijgaan, aanstaarden, en somtijds bleven stilstaan om mij na te roepcn 
dalzij mij wildespreken, enalsikdanaandenloopgmg,mijmetsteencn 
wierpen. Ik herinner mij een jonge kerel — een ketellapper, denk ik, on* 
zijn reiazak en komfoor — die eene vrouw bij zich had, en zich om- 
draaide om mij zoo aan te staren ; en mij tocn met zulk eene vervaarlijke- 
stem nariep om terug te komen, dat ik staan bleef en orokeek. 

»Kom hier, als gij geroepen wordt," «ide de ketellapper, >of ikzal 
U den nek omdraaien." 

Ik achtte het best terug te keeren. Toen ik naderbij kwam, mijn best 
doende om den kettellapper met een ootmoedig gezicht te bevredigen, 
zag ik, dat de vrouw een blauw oog had. 

»Waar gaat gij naar toef" zeide dc ketellapper, mij met zijne zwarte 
hand bij ae borst grijpende. — ■ »Ik moetnaar Dover," antwoordde 
ik. — iWaar komt gij vandaanf" zeide de ketellapper, mij nog wat 
steviger bij mijn hemd vastgrijpende. ^ ■ Ik kom van L o n d e n," zeide 
ik. — >Welk handwerk hebt gijf" vroeg de ketellapper. Kapenof rol- 
len?" — >Ne — een!" antwoordde ik. ^ iNiet, voor den duivel? Als ge 
bij mij op uwe eerlljkheidwihsnoeven," zeide de ketellapper, islaiku 
de hersens in." 

Hij maakte met de hand, die hij vnjhad,-eenedre!gendebewegingf 
alsof hij mij een slag wilde geven, en bekeek mij tocn van het hoofd tot 
de voeten. 

» Hebt gij geld voor een pintje bier bij u ?" zeide de ketellapper. » Zoo 
ja, dok dan op, eer ik het u afneem." 

Ik zou zeker mijn geld hebben ultgehaald, als ik niet een blik van de 
vrouw had opgevangen, die even haar hoofd schudde en met de lippen 
»neen!" zeide. 

>Ik ben heel arm," zeide ik, mijn best doende tot een glimlach,>eD 
heb geheel geen geld." — »Wat moet dat beduiden?" zeide de ketel- 
lapper, mij zoo barsch aankijkende, dat ik bijna vreesde, dat hij het geld 
in mijn zak zag zitten. — »Mijnheer!"bracht ikhaperenduit. — tV/aX 
moet dat beduiden," zeide de ketellapper, >dat gij eene zijden das van 
mijn broerom hebt Pgeefterstond over. "En hij had in een oogenblikde 
das van mijn hals en wierp ze de vrouw toe. 

De vrouw begon te lachen, alsof zij dil voor eene grap hield, en terwijl 



ONAAHGBNAME ONTMOBTING MET EEN KETELLAFPER. I55 

zij mij de das weder toewierp, knikte zij even en vormde met hare lippen 
dc woorden : >Loop weg !" Doch eer ik kongehooTzamen rukte de ketel' 
lapper mij de das wederom uit de hand, met eene ruwheid, die mij als 
een veertje deed heenschuiven, sloeg ze los om zijn eigen hals, keerdo 
zich "toen met een vioek naar de vrouw om en gaf haar een vuistslag 
waarvan lij neerviel. Ik zal nooit vcrgeten hoe ik haar achterover op den 
harden weg zag nederploffen en daar blijven liggen, met haar hoed van 
het hoofd en hare los zwierende haren in het stof ; en evenmin hoe ik in 
de verte omkeek en haar op eene hoogte aan den kant van den weg zag 
zitten, terwijl zij met ecne punt van haar omslagdoek het bloed van haar 
gezicht veegde, en hij vooruit verder ging. 

Deze ontmoeting deed mij zoodanig ontstellen, dat ik naderhand, als 
ik van die menschen zag aankomen, terugliep, tot ik eene schuilplaats 
kon vinden, waar ik dan bleef tot zij buiten gezicht waren ; hetgeen zoo 
dikwijls gebeurde, dat ik er aanmerkelijk door werd ophouden. Doch 
onder dit bezwaar, geUjk onder alle bezwaren mijner reis, scheen ik on- 
detsteund en voortgeleid te worden door het hersenschimmige tafereel 
van mijne naoedcr in hare jeiigd, eer ik nog op de wereld was. Dit tafereet 
hield mij altijd gezelschap. Het stond daar tusschen de hop, toen ik mij 
te slapen legde ; het was weder bij mij toen ik ontwaakte ', het zweefde 
den geheclen dag voor mij uit Het is in mijne herinnering ahijd onaf- 
scheidbaar van de zonnige straat vanCanterbury, als het ware dut- 
tende in het warme licht,en van het gezicht der oude huizen en poorten, 
en derstatigc, grijzedomkerk, metdekraaiendieomdetorenszwierden, 
Toen ik cindehjk op de kale, uitgestrekte duinen bij Dover kwam, ver- 
helderde het dit eenzame tooneel met eene blijde hoop;en nietvoordat 
ik dat ecTste groote doel mijner rets bereikte en, op den zesden dag na 
mijne vlucht, werkelijk roijn voet in de stad zette, begafhet mij. Maar, 
VTcemd genoeg, toen ik daar met mijne versleteneschoenen, half gekleed, 
door de zon veibrand en met stof bedekt, op de plek stond waarnaar ik 
zoo lang had verlangd, scheen het als een droom te verdwijnen en mij 
hulpeloos en moedeloos achter te laten. 

Ik vroeg eerst onder de schippers naar mijne tante, en ontving ver- 
schillende antwoorden. De een zeide, dat zij in de vuurbaak op 5 o u t h 
Foreland woonde en daar haar baard had afgebiand ; eenander, dat 
zij aan de groote boei buiten de reede vastlag en men haar alleen bij laag 
water kon opzoeken ; een derde, dat zij om kinderdieverij in de gevange- 
nis van Maidstone was vastgezet ; een vierde, dat men haar met den 
laAtsten harden wind op een bezemstokrechtnaarCalaishadzien v1ie< 
hen.Devigilante-koetsiers,bijwieikvervolgensnavraagdeed, waren even 
geestig en ongemanierd ; en de winkeliers, aan welke mijn voorkomen 
met beviel, antwoordden doorgaans, zonder te luisteren naar wat ik wilde 
zeggen, dat zij niets voor mij hadden. Ik gevoelde mij ellendiger en in 
grooter nood dan ik nog ooit sedert mijn wegloopen had gedaan. Mijn 
geld was geheel op, en ik had niets meer om te verkoopen. Ik was hon' 
gerig, dorstig en afgemat, en scheen nog even ver van mijn doel alsofik 
te Londen ware gcbleven. 



t5fi DAVID COPPERnCLD. 

Onder deze nasporingen was de morgen verloopen, fcn ik zat op de 
Stoep van een ledigstaand winkelhuis, op den hoek ecner straat, bij de 
markt, na te denken of ik du niet naar die andere plaatsen sou gaan, die 
mij genoetnd waren, toen ereene vigilante aankwam, en dckoctsierdjcht 
bij mij een paardedek liet vallen. lets goedhartigs in bet gezicht van 
dien man, toen ik bet hem vreder aangaf, moedigde mij aan om bem te 
vragen, of bij ook wist waar juflrouw Trotwood woonde ; hoewel ik die 
vraag reeds zoo dikwijls had gedaan, dat zij mij bijnaop delippen bestterf. 

• Trotwood," zeide hij. >Laateensden. Ikkendiennaamtoch. f^ne 
oude juffrouw?" — »Ja," zeide ik. iTamelijk oud." — »Nogalstijfin 
den rug ?" zeidehij, zich recht oprichtende. — » Ja," antwoorddc ik ; »dat 
zou ik wel denken." — iDraagteenetasch?" zeide hij — ■ecnegroote 
tasch, daar veel in kan — is brommig, en vaarl iemand scberp aan7" 

Het hart werd mij beklemd toen ik deontwijfelbarejuistheiddeEei 
beschrijving moest erkennen. 

» Wel, dan zal ik u eens wat zeggen," zeide bij. i Als gij daarheen gaat," 
met zijne zweep naar de hoogten wijzende, len dan maar al rechtuit, tot 
gij aan eenige buizen komt, die dicbt aan zee staan, denk ik dat ge wel 
van baar zult hooren. Ik ben van gedachte, dat zij u niets geven zal; 
daar hebt ge dus een stuiver van mij." 

Ik nam deze gift met dankbaarheid aan en kocht er een broodje voor, 
IMt onderweg opetende, sloeg ik de richting in, die mijn vriend had aan- 
gewezen, en ging tamelijk ver, zonder aan de huizcn te komen waarvan 
hij gesproken had. Eindelijk zag ik er toch eenige voor mij, en daarop 
afgaande, stapte ik een winkeltje binnen (too een, dat wij thuis een win- 
keltje van alles noemden) en vroeg of men daar zoo goed zou kunnen 
zijn om mij te zeggen waar jufTrouw Trotwood woonde. Ik richtte mij 
tol den man achter de toonbank, die bezig was met rijst te wegen voor 
een jong meisje, dat daarop wachtte ; maar dit laatste trofc zich mijne 
vraag aan, en zich snel omkeerende, zeide zij : 

» Mijne juffrouw f Wat moet gij van haar hebben, jongen ?" — >Ik wou 
baar spreken, als het u belieft," antwoordde ik. — iBij baarbedelen, 
meent gij," liet het meisje bierop volgen. — » Neen, waarlijk niet," zeide 
ik. Maar eenskUps bedenkende dat ik eigenlijk metgeenanderoogmerk 
kwam, zweeg ik verlegen stil en voelde mijn gezicht gloeien." 

De dienstmaagd mijner tante ^ gelijk ikuit-hetgeen zij g<.zegd had 
begreep dat zij wezen moest — zette haar zakje rijst in een mandje en 
ging den winkel uit, mij zeggende, dat ik haar kon volgen, als ik wilae 
weten waar juffrouw Trotwood woonde. Ik volgde bet meisje, en wij 
kwamen spoedig aan een bijzonder net landelijk huisje, met vroolijke 
balkonvensters, en met een vierkant pleintje oftuin^e daarvoor, met be- 
zande paden en ook vol bloemen, die zeer zorgvuldig gekweekt schenen 
en een heerlijken geur verspreidden. 

» Hier woont juffrouw Trotwood," zeide het meisje. »Nu weet gij het; 
en dat is al wat ik u te zeggen beb," 

Met deze woorden ging zij haasdg in huis, also! zij alle verantwoorde- 
lijkbeid voor mijne verschijning van zich wilde afwerpen, en liet mij voor 



u 



EINBELUK AAN HKT DOEL MIJNER REIS. 157 



het tmnhek droevig naar bet venster der zijkamer staan kijken, waar een 
balf opengeschoven neteldoeksch gordijn, een groot, rond^ groen hand- 
sdieimpje of waaier, op de vensterbank vastgemaakt) een tafeltje en een 
lenningstoel mij deden denken, dat mijne tante misschien op dat oogen^ 
blik in ontzagwekkende staatsie zou gezeten zijn. 

Mijne schoenen waren thans in een jammerlijken toestand. De zolen 
waren bij stukjes afgevallen, en het bovenleder was zoodanig gescheurd 
CD gebarsten, dat zij zelfs het fatsoen van schoenen hadden verloreii. Mijn 
hoed (die mij ook tot slaapmuts had gediend) was zoo ingeduwd en ge- 
havend, dat geen oud gedeukt sauspannetje zonder steel op een mest- 
hoop zich had behoeven te schamen om met hem te wedijven. Mijn 
^ bemd en broek, bevlekt door het zweet, den dauw, het gras en den klei^ 
giond waarop ik geslapen had — en bovendien overal geschem-d — ' 
hadden best kunnen dienen om er een vogelverschrikker van te maken. 
Mijn haar had sedert ik Londe n verliet kam noch borstel gekend. Mijn 
^ezicht, hals en handen waren door den ongewonen invloed van hetlicht 
en zon roodbruin gekleurd. Van het hoofd tot de voeten was ik met kalk 
en stof bijna zoo wit bepoeierd alsof ik pas uit een kalkoven was geko* 
men. In dezen toestand, en wel bewust hoe ik er uitzag, stond ik te wach- 
ten om mijne geduchte tante onder de oogen te komen en mijn eersten 
ittdnik op haar te maken. 

Toen de ongestoorde stilte achter het venster der zijkamer mij naeene 
poos deed begrijpen, dat zij daar niet was, sloeg ik mijne oogen naar het 
venster daarboven op, waar ik een heer met een blozend, vergenoegd 
gezicht en een grijs hoofd zag, die op koddige manier zijn eene oog 
dichtkneep, eenige malen tegen mij knikte, even dikwijls zijn hoofd 
scbudde, lachte en heenging. 

Ik was tevoren reeds bedremmeld genoeg geweest; maar door dit 
onverwachte gezicht geraakte ik zoodanig van mijn stuk, dat ik op het 
punt was om stil weg te sluipen en dan te overleggen wat verder te doen, 
toen er eene dame het huis uitkwam, die over hare muts een zakdoek 
geknoopt, een paar dikke tuin-handschoenen aan de handen^ eene tuin- 
mans tasch, gelijk het voorschoot van een tolbaas, voorgebonden en een 
groot mes in de hand had. Ik herkende haar dadelijk voor juffrouw 
Betsey., want zij kwam juist zoo het huis uitstappen, als mijne moeder mij 
zoo dOcwijls verteld had dat zij den tuin van Kraaienhof kwam instappen, 

>Ga been!'* zeide juffi-ouw Betsey, haar hoofd schuddende, en deed in 
de verte een hak met haar mes door de lucht. > Ga voort I Geen jongens 
hicrr 

Ik stood, met het hart in de keel, naar haar te kijken, terwijl zij naar 
etD hoekje van haar tuin ging en bukte om een wortel uit te graven. 
Toen giDg ik, zonder een aasje moed, maar met wanhopige stoutheid 
ttchtjes naar haar toe, bleef naast haar staan en raakte haar met mijn 
dinger aan« 

> Als het u belielt, juffitouw,'^ begon ik. 

Zy schiikle en keek op. 

» Als het u belielt, tante." — » Wat ?" riep juffrouw Betsey uit, op een 



15^ DAVID COPPERFIELD, 



toon van verbazing, dien ik nooit heb hooren evenaren. — > Als het u 
belieft, tante ; ik ben uw neef." — *0 Heere !" zeide mijne tante, en zette 
zich plat op den grond. — >Ik ben David Copperfield van Blunder- 
Btone in S u f f o 1 k — waar gij op den avond toen ik geboren werd geko- 
men zijt en mijne lieve mama hebt gezien. Ik ben sedert zij dood is heel 
ongelukkig geweest. Men heeft mij achteraf gezet, en nietslaten leeren, 
en aan mij zelven overgelaten, en aan werk gezet dat niet voor mij 
deugde. Daarom ben ik weggeloopen, om bij u te komen. Eer ik nog de 
stad uit was ben ik bestolen, en ik heb den geheelen weg geloopen, en 
taiet in een bed geslapen zoolang ik op reis ben geweest" Hier bezweek 
mijne standvastigheid op eens, en met eene beweging van mijne handen, 
Waarmede ik haar wilde wijzen hoe haveloos ik er uitzag en daardoor 
aantoonen dat ik wel iets moest geleden hebben, barstte ik in hartstoch- 
telijke tranen uit, die ik geloof, dat reeds de geheele week bij mij opgc* 
kropt hadden gezeten. 

Mijne tante, van wier gezicht alle uitdrukking behalve verbazing vef' 
bannen was, bleef mij op den grond zitten aanstaren, tot ik begon t^ 
Bchreien ; toen stond zij haastig op, greep mij bij mijn kraag en trok mij 
mede naar de zijkamer. Het eerst wat zij daar deed was, dat zij eenc 
groote kast opensloot, verscheidene flesschen daaruit haalde, en mij uit 
elk daarvan iets in den mond goot. Ik geloof, dat zij ze maar in den 
blinde moet hebben genomen, want ik ben zeker dat ik venkelwater, 
ansjovis-saus en andere vreemde dingen proefde. Toen zij mij deze hart- 
sterking had toegediend, en ik toch nog zenuwachtig bleef en mijn snik- 
ken niet kon bedwingen, legde zij mij op de sofa, met een omslagdoek 
onder mijn hoofd, en de zakdoek van haar eigen hoofd onder mijne 
voeten, opdat ik het vertrek niet zou vuil maken ; en zich toen achteri 
den groenen waaier zettende, waarvan ik reeds gesproken heb, zoodat 
ik haar gezicht niet kon zien, riep zij nu en dan uit : > Be waar ons !" welke 
uitroepingen zij als noodschoten om de minuut liet afgaan. 

Na eene poos trok zij aan de schel. ijanet," zeide mijne tante, toen 
hare meid binnenkwam, iga eens naar boven, doe mijn compliment aan 
mijnheer Dick, en zeg, dat ik hem verlang te spreken." 

Janet keek eenigszins verwonderd toen zij mij zoo stijf op de sofa zag 
liggen (uit vrees van mijne tante te mishagen, durfde ik mij niet be- 
wegen), maar ging toch hare boodschap doen. Mijne tante stapte, met 
de handen op den rug, de kamer op en neer totdat de heer, die mij uit 
het bovenvenster zoo wonderlijk had aangekeken, al lachende binnen- 
kwam. 

• Mijnheer Dick," zeide mijne tante, >doe nu niet alsof ge mal waart^ 
Want niemand kan verstandiger wezen dan gij kunt zijn, als ge maar wilt 
Dat weten wij allemaal wel, Houd u dus niet alsof gij mal waart." 

Mijnheer Dick was terstond emstig, en zag mij aan, naar ik dacht 
alsof hij mij wilde bidden om niets van het venster te zeggen. 

t Mijnheer Dick," zeide mijne tante, >gij hebt mij wel van David Cop- 
perfiield hooren spreken? Houd u nu niet alsof gij geen geheugen hadt; 
Want dat weten wij allebei wel beter." — •David Copperfield?" zeide 



TKH HUIZE MIJNER TANTB. 159 

niijnlieer Dick, die er zich nict veel ran schcen te herinnercn. >David 
Copperfieldf O ja wel. David, zekerlijk," — ^ »WeI,"zeideniijnetante, 
'dimzijn jongen — zijn zoon.Hij zou zooveel opzijn vader gelijken als 
iemwid maar docn kan, als hij ook niet zoo sterk op zijne inoeder ge- 
l«k." — *Z\ya zoon?" zeide raijnheer Dick. tDavid's zoon? Inder- 
"laad!" — "Ja," hervatte inijne tante, ten hij heeft een mooi ding 
gedaan. Hij is weggeloopen. Ha! Zijn zusje, Belsey Trotwood, zou nooit 
liJD weggeloopen." Mijne tante schudde emstig haar hoofd, vol vertrou- 
■enophetkarakterengedragvanhet meisje, datnooit geborenwas. — 
•Zoo, gij denkt dat zij niet zou zijn weggeloopen ?" zeide mijnheer 
Kct. — iBewaar den man," ricp mijne tante vinnig uit, »wat praat hij 
foch! Wcet ik het niet, dat zij nooit zou djn weggeloopen? Zij zoubij 
fwe peetmoeder hebben gewoond en wij zouden alles voor elkander 
njn geweest. Waar, in 's hemeb naam, zou zijn zusje, Betsey Trotwood, 
^daan zijn geloopenofwaarnaar toe f" — » Nergens," zeide mijnheer 
Kcfc. — »Welnu dan," hervatte mijne tante, door ditantwoord bevre- 
^d, ihoe kuat gij u dan zoo houden alsof gij geheel buiten westen 
V*rt, mijnheer Dick, terwijl gij toch zoo slim zijt als een vos ? Nu, hier 
*•" gij den kleinen David Copperfield, en de vraag, die ik u voorstel, is : 
"M lal ik met hem docn f" — » Wat zult gij met hem doen ?" herhaaldc 
■"iJDheer Dick zeer flauw, en krabde zijn hoofd. » Zoo ! Met hem doen f" — 
'Ji," zeide mijne tante, met een zeer emstig gezicht en terwij) zij haar 
^rvinger ophield. »Kom aan! Ik moet eenseen heel goeden raadheb- 
wn." — J Wel, als ik u was," antwoordde raijnheer Dick, zich beden- 
Irodeen mij wezenloos aanstarende, »zou ik...." Terwijl hij mij aankeek 
*thecn hem plotseling iets in te vallen, en hij voegde er vlug bij : » zou ik 
nem wasschen!" — ijanet," zeide mijne tante, zich met een stillen 
taomfomkeerende, waarvan ik toen nietsbegreep. » Mijnheer Dick heeft 
<™«aUen te recht geholpen. Ga het bad stoken," 

Hoewel dit gesprek van het grootste gewicht voor mij was, kon ik 
•och niet nalaten, terwijl het gevoerd werd, mijne tante, mijnheer Dick 
*n Janet oplettend te bekijken, en mijne oogen verder in de kamer te 
^n rondgaan. 

Mijne tante was eene lange dame, met scherpe en harde trekken, maar 
geheel niet leelijk. Er was iels onbuigzaams in haar gezicht, hare stem, 
W houding en haar gang, rijkelijk voldoende cm den indrak te ver- 
Uaren, dien zij op zulk een zachtaardig wezen als mijne moedcr had 
gtmaakti m**'' h'Te trekken waren veeleer fraai dan het tegendcel, 
noewel streng en stijf. Ik merkte bijzonder op, dat zij zeerheldere,Ieven- 
°jge oogen had. Hare haren, die grijs waren, droeg zij cenvoudig ge- 
"ieidcn en wcggestreken onder eene muts, die ik geloof, dat ecne 
"wpmuts moet genoemd worden; ik meen eene muts, die toen veel meer 
^oon was dsm nu, met slippenj die onder de kin waren vastgemaakt, 
°^n japon was groenachtig brum van kleur en zeer net van fatsoen, 
laarkrap gesncden, alsof zij verlangde met zooweinigstofbezwaard 
!**orden ab maar raoge'ijk was. Ik herinner mij dat ik vond, dat die 
j^on, wat het fatsoen betrof, meer naar een rijkleed, waarvan de ovei- 



l6o DAVID COPPEItFISLU. 

tollige sleep was afgesneden, dan naar iets anders geleek. Zij droeg een 
goud horloge op zijde, dat naar de grootte en bet fetsoen te oordeelra, 
een heerenhorloge was, met daarbij behoorenden Vetting en cachctten;^ 
zij had een kraagje om den hals, dat naar een heerenhemdsboordj^ - 
zweemde, en om hare polsen dingen die naar mouwboordjes gelelcen. 

Mijnheer Dick had, gelijk ik reeds geiegd heb, een grijs hoofd en eeoes- 
blozende kleur. Daarmede zou ik alles van hem gezegd hcbben, als ajat- 
hoofd niet op eene zonderlinge manier gebogen was geweest — niet vu& 
ouderdom ; het herinnerde mij aan een der jongens van mijnheer Creakle- 
na een pak slaag — en zijne grauwc oogeo niet zoo groot en vooruit— 
komend waren geweest, met zekere vreemde waCerige belderheiderin, 
welke mij, met zijn wczenloos uitzicht, zijne onderworpenbeid aan mijoe- 
tante en zijne kindcrlijke bhjdschap als zij hem prees vereenigd, deed 
vermoeden, dat hij niet rechtwijs was; hoewelhet mij zeer verwonderde 
hoe hij, als dit het geval was, daar in buis kwam. Hij was gekleed gelijfe 
ieder ander gewoon fatsoenlijk man, met eene loshangende grijze ocb- 
tendjas, een vest van dezelfde stof, en eene wittc broek, droeg een hor- 
loge en had geld in zijne zakken, dat hij liet rammelcn akof hij e>^ 
bijzonder trotsch op was. 

Janet was een bevalli^, bloeiend meisje, van omtrent negentien of 
twuitig jaren, en een schilderijtje van netheid, hoewel ik op 't oogenbUlt 
niet verder op haar Icttc, kan ik bier wel vermelden watik eerst later 
ontdekte, namelijk dat zij tot eene soort van protegees beboorde, welkc 
mijne tante opzettelijk in dienst had genomen om ze in eene algemeen^ 
verzaking van bet mannelijk geslacht op te voeden, en die doorgaanS- 
bare afzweering vollooiden door met den bakker te trouwen. 

Dekamer was even netjes als Janet of mijne tante zelven. Toenikzocr 
even mijne pen voor een oogenblik neerlegde om daaraan te denken, 
kwam de frissche zeelucbt, met de gcUT van bloemen gemengd, mij weder 
aanwaaien; en ik zag weder de ouderwetsche glanzig geboende meu- 
belen, den onschendbaren stoet mijner tante en haar tafeltje bij den 
ronden groenen waaier voor het venster, bet wollige tapijt, de kat, bet 
haardstel, de twee kanaries, bet oude porselein, de puncbkom vol ge- 
droogde rozebladeren, de booge kast met allerlei potten en flesschen 
daarin, en, verbazend bij dat alles afstekende, mij zelven, zoo bestoftals 
ik was, op de sofa, op dat alles lettende. 

Janet was heengegaan om het bad gereed te maken, toen mijne taote^ 
tot mijn grooten schrik, scheen te versteenen en nauwelijks nog stem ge- 
noeg had cm te roepen : > Janet ! Ezels !" 

Daarop kwam Janet naar boven vliegen alsof het buis in brand stood, 
snelde de deur uit naar een grasveldje voor het buis, en verdreef van 
daar twee gezadelde en met dames beladene ezels, die lich vermeten 
badden de hoeven daarop te zetten; terwijl mijne tante, insgelijk naar 
boiten stnivende, een derdezoodanigdieT,meteen scbrijlings daarop gexe- 
ten kind bevracht, bij den teugel greep, en het aldus van dien gebeil^dcn 
grond vetwijderde, en den ongetukkigen jon^en, die met de ezels liqiea 
die verbodene piek had durven ontwijdeii,eenigeklappen om deooFCDgiL 



IK SLAAP WEDKR IN EEN COED BtD. l6l 

Tot Op dit aur weet ik niet of mijne tante eeoig weltig lecht op dat 
grasveldje had ; maar zij hield zich overtuigd dat dii zoo was, eo dit was 

baar genoeg, De grootste beleediging, die haar ooil kon worden aange- 
daan, en die telkens wraak eischte, was dat er over die onschendbare 
piek een ezel kwam loopen. Waarmede ziJ ook bezig was, hoe belangrijk 
iKt gesprek, waaraan zij deehiam, ook voor haar moctit wezen — een 
wlgafharegedachten oogenbhkkehjk eene andere richting, en zijging 
ttfitond op hem los. Kannen en gieters vol water werdeo op geheime 
plaatsen gereed gehouden om over de schuldige jongens te worden 
jnigestort; stokken werden achter de deurin hinderlaag gelegd; op alle 
men van den dag werden uitvallen gedaan, en er heerschte een einde- 
We oorlog. Misschien was dit een pretje voor de ezeljongens; of rois- 
schien hadden de schrandersten der ezels, begrijpende hoe de zaak 
gf^legen was, er met aangeboren koppigheid vermaak In om dien weg te 
nemen. Ik weet allecn dat er, eer het bad gereed was, driemaal alarm 
*erd geroepen, en dat ik bij den laatsten en hevigsten uilval, raijne tante 
^leen met een vlasharigen knaap van vijftien jaren handgemeen zag, en 
^ lijti vlassig hoofd tegen haar eigen tuinhek moest bonzen, eer hij 
scheen te begrijpen waar het om te doen was. Deze storingen kwamen 
mij des te belachlijker voor, omdat mijne tante toen juist bezig was om 
niij met een eetlepel bouillon te voeren (daar zij zich vast overtuigd 
kield, dat ik geheel uitgehongerd was en in het eerst bij zecr kleine hoe- ' 
'Wlheden voedsel moest ontvangen) en zij, terwijl ik mijn mond voor 
den lepel openhield, dien weer in de kom legde, ■ Janet! Ezels !"riep, en 
Mir het slag veld snelde. 

Het bad was eenc groote verkwikking. Want ik begon scherpe pijnen 
in de leden te voelen, een gevolg van het slapen in de open lucht en op 
den blooten grond, en was nu zoo mat en zwak, dal ik nauwelijks 
vij/aiinuten achtereen kon wakker blijven. Toen ikuit het bad kwam, 
token zij (ik meen mijne tante en Janet) mij in een hemd en onderbroek, 
die raijnheer Dick toebehoorden, en bakerden mij verder in twee of drie 
(?oote omslagdoeken. Hoe ik er uitzag weet ik niet, maar werd, zoo 
mgepakt, geweldig warm. Daar ik mij ook flauw en doramelig gevoelde, 
ging ik spoedig weder op de sofa liggen en viel in slaap. 

Het kan een droom geweest zijn, voortgesproten uit de inbeelding, 
die mijn geest zoo lang bad bezig gehouden, lAaar ik ontwaakte met de 
TOorstelling, dat mijne tante bij mij was gekomen, en zich over mij heen 
had gebogen, en mij de haren uit het gezicht had gestreken, en mijn 
hoofd gemakkelijker had gelegd, en toen naar mij was blijven staan 
kijken. De woorden tLieve jongen!" en lArmejongen!" schenen mij 
ook nog in de ooren te klinken; maar zeker bestond er, toen ik ont- 
waakte, niets anders, hetwelk mij kon doen gelooven dat zij door mijne 
tante waren uitgesproken, die voor het venster naar de zee zat te slaren, 
schter den groenen waaier, welke op een soort van krukje stond en naar 
alle kanten kon gedraaid worden. 

Spoedig nadat ik wakker was geworden, gingen wij eten. Onze maal- 
tijd bestond nit een gebraden hoentje en een podding. Ik zelf liad,^er«\\\ 

DAVa> COPPEKTBtD. — L VI 



1 62 DAVID COPPERFIELD. 

ik aan tafel zat, zelf wel iets van een opgespalkten vogel, en kon e 
armen maar met moeite bewegen. Maar dewijl mijne tante mij zelv€ 
had ingebakerd, klaagde ik niet dat het mij ongemakkelijk was. Al 
tijd was ik angstig en verlangend om te weten wat zijmet mij doen 
maar zij gebruikte haar maaltijd in diepe stilte, behalve wanneer zij i 
tijds hare oogen op mij vesrigde, die tegen haar over zat, en ze 
•Bewaar ons!" hetgeen lang niet strekte om mijne bekommerin 
verminderen. 

Toen de tafel was afgenomen en er eene flesch sherry was opg 
(waarvan ik een glas kreeg), liet mijne tante mijnheer Dick wede 
roepen, die toen bij ons kwam zitten en zoo verstandig keek als hij n 
kon, toen zij hem verzocht om naar mijne geschiedenis te luisteren 
zij mij dan ook, door eene reeks van vragen, langzamerhand ontlc 
Gedurende mijn verhaal hield zij mijnheer Dick in het oog, die ik ge 
dat, als zij dit niet gedaan had , in slaap zou zijn gevallen, en die telk 
als hij zich tot een glimlach liet verlokken, door een donkeren blik 
mijne tante daarin werd gestuit. 

t Wat dat ongelukkige kind toch bewogen heeft om nog eens te g 
trouwen," zeide mijne tante, toen ik gedaan had, tkaniknietbe 
pen." — >Misschien was zij op haar tweeden man verliefd," merkte n 
heer Dick hierop aan. — i Verliefd !" herhaalde mijne tante. iWat m< 
gij daarmee ? Wat behoefde zij verliefd te worden ?" — > Misschi 
zeide mijnheer Dick zoetsappig, na zich een poosje te hebben beda 
• deed zij het vo6r pleizier." — iPleizier nog al!" antwoordde ii 
tante. > Een machtig pleizier voor het arme kind om haar onnoozel 
trouwen te geven aan zulk een bond van een kerel, die haar zeke 
eene of andere manier zou mishandelen. Wat wilde zij toch hebben. 
zou ik wel eens willen weten ! Zij had 66n man gehad. Zij had D; 
Copperfield, die van zijne wieg af altijd wassen poppen naliep, ui 
wereld zien verhuizen. Zij had een kind gekregen — och, er waren t 
kinderen bij elkaar, toen zij op dien vrijdagnacht dat kind, dat daai 
ter wereld bracht ! — en wat kon zij meer willen f" 
(5 Mijnheer Dick schudde heimelijk zijn hoofd tegen mij, alsof hij d 
dat hierop geen antwoord mogelijk was. 

i * Zij kon zelfs geen kind krijgen zooals iemand anders," zeide c 
tante. >Waar is het zusje van dit kind, Betsey Trotwood, geble 
Niet gekomen. Spreek er mij niet van !" 

Mijnheer Dick scheen zeer benauwd te worden. 

»Dat kereltje van een dokter, met zijn hoofd op zij," verrolgde n 
tante, ijellips, of hoe hij heette, watVoerde hij uit ? Al wat hij doen 
was mij te zeggen, alsof een geleerde goudvink het floot : >Hetii 
jongen !'* Een jongen. Ba, hoe dom is toch die heele troep !'. 

De drift, waarmede zij dit uitriep, deed mijnheer Dick schrikkei 
om de waarheid te zeggen, mij insgelijks. 

» En alsof dat niet genoeg was, en zij het zusje van dit kind, B 
Trotwood, niet genoeg m het licht had gestaan," zeide mijne tante, t 
zij nog eens trouwen — trouwen met een Moordenaar — of me' 



MIJNE TANTB BEREDENEERD DE ZAAK. 1 63 



lierel wiens naam daarnaar klinkt — en staat ook d i t kind in het licht ! 
En het natuurlijke gevolg is, zooals iedereen, die zulk een kind niet was, 
had kunnen voorzien, dat hij zwervende en dolende is overde aarde. Hij 
gelijkt op Kain, voordat hij groot geworden was, zooveel als hij maar 
kan." 

Mijnheer Dick keek mij strak aan, alsof hij wilde zien of ik werkelijk 
op Kain geleek. 

>En dan is daar die meid met dien heidenschen naam," zeide mijne 
tante, > die Peggotty, z ij gaat ook al trouwen. Omdat zij nog niet genoeg 
hecft gezien hoeveel ongeluks daarvan komt, moet zij ook al gaan trou- 
wen, zooals dit kind vertelt, Ik hoop maar,'* zeide mijne tante, haar hoofd 
«:huddende, > dat haar man een van die kerels is, waarvan men zoo dik- 
wijls in de couranten leest, en haar goed met een pook afklopt" 

Ik kon mijne oude oppasster niet zoo hooren smaden en zooveel 
kwaad toewenschen, Ik zeide mijne tante, dat zij zich waarlijk vergiste. 
Dat Peggotty de beste, de trouwste, de gewilligste en onbaatzuchtigste 
vriendin en dienares van de wereld was ; die mij altijd hartelijk had lief- 
gehad en mijne moeder even hartelijk; die het stervende hoofd mijner 
BQoeder op haar arm had laten rusten, en op wier wang mijne moeder 
haar laatsten dankbaren kus had gedrukt. En daar mijne herinnering van 
beiden mij overstelpte, bleef ik steken toen ik nog wilde zeggen, dat haar 
huis het mijne was, en al wat zij had het mijne was, en dat ik naar haar 
zou zijn toegegaan om schuilplaats te zoeken, als zij niet van zoo nede- 
ngen stand was geweest, en ik daarom gevreesd had haar in ongelegen- 
heden te brengen — ik bleef steken, zeg ik, toen ik dit wilde zeggen, en 
fet mij met het gezicht in de handen voorover op de ta.fel zakken. 

»Nu ja I" zeide mijne tante, thet kind heeft gelijk, dat hij hen bijstaat, 
^^ hem hebben bijgestaan." 

Ik geloof zeker, dat wij zonder die ongelukkige ezels tot eene goede 
^erstandhouding zouden zijn gekomen; want mijne tante legde hare 
hand op mijn schouder, en daardoor aangemoedigd was ik op het punt 
om haar om den hals te vallen en om hare bescherming te smeeken. 
^^ die stoomis, en de onrust waarin de opschudding daar buiten haar 
hracht, joeg voor het oogenblik alle zachte aandoening op de vlucht: en 
'^ijne tante bleef, vol verontwaardiging, tegen mijnheer Dick over haar 
^luit uitweiden, om de wetten van haar land tot hare verdediging in te 
'oepen en al de ezelhouders van D o v e r in rechten te betrekken, tot het 
^jd werd om thee te drinken. 

Na de thee bleven wij voor het venster zitten — op den uitkijk, ver- 
l^ldde ik mij, naar de scherpe blikken mijner tante te oordeelen, of er 
^og meer indringers zouden komen — tot het donker werd, waneer Janet 
kaarsen en een triktrakbord op de tafel zette, en de valgordijnen liet 
zakken. 

>Nu, mijnheer Dick," zeide mijne tante, met haar emstigen blik en 
baar voorvinger omhoog, gelijk te voren, >moetik u nog eene vraag 
doen. Kijk eens naar dit kind." — > David's zoon ?" zeide mijnheer Dick, 
niet een oplettend, maar zeer verbijsterd gezicht. — t Juist," hervatte 



164 DAVID COPPERFIELD. 



mijne tante. >Wat zoudt ^j nu met hem doen ?" — >Met 
doen?" zeide mijnheer Dick. — >Ja" antwoordde mijn 



David's zoon 
mijne tante, >met 
David's zoon." — >0," zeide mfjnheer Dick. ija. Met hem doen — ik 
zou hem naar bed brengen." — >Janet !" riep mijne tante, met denzelf- 
den vergenoegden triomf, dien ik vroeger had opgemerkt. t Mijnheer Dick 
helpt iedereen te recht. Als het bed klaar is, zullen wij er hem maar naar 
toe brengen." 

Daar Janet zeide dat het ^eheel klaar was, werd ik er naar toegebracht f 
vriendelijk, maar toch eenigermate als een gevangene ; mijne tante ging 
namelijk vooniit, terwijl Janet achteraankwam.Deeenigeomstandigheii 
die mij nieuwe hoop gaf, was, dat mijne tante op de trap bleef staan, om 
naar de brandlucht te vragen die er heerschte, en Janet antwoordde, dat 
zij beneden in de keuken tonder had gebrand, van mijn oud hemd. Maar 
op mijne kamer waren geene andere kleederen dan de wonderlijke hoop 
goed, dien ik aanhad ; en toen ik daar alleen gelaten was, met een kaarsje, 
hetwelk mijne tante mij waarschuwde dat precies vijf minuten zou bran- 
den, hoorde ik hen mijne deur van buiten op slot draaien. Over dit alles 
nadenkende, achtte ik het mogelijk dat mijne tante, die niets van mij 
we ten kon, vermoedde, dat het wegloopen eene gewoonte van mij was, 
en daarom voorzorgen nam om mij goed te be war en. 

Ik had eene vroolijke kamer, boven in huis, met een uitzicht op de zee, 
die toen helder door de maan werd beschenen. Nadat ik mijn gebed had 
gedaan, en het kaarsje was afgebrand, weet ik nog wel, dat ik naar den 
maneschijn op het water bleef zitten turen, alsof ik hopen kon daarin, 
als in een heerlijk boek, mijn toekomstig lot telezen; of mijne moeder 
met haar kindje langs dat schitterende pad uit den hemel te zien komen, 
om op mij neer te zien, gelijk zij mij had aangezien toen ikvoor het laatst 
haar lief gelaat had aanschouwd. Ik herinner mij nog, hoe de plechtige 
aandoening, waarmede ik eindelijk mijne oogen afwendde, in een gevoel 
van rust en dankbaarheid overging, mij ingeboezemd door het gezicht 
van het bed met witte gordijnen, en hoe dat gevoel nog sterker werd toen 
ik daar zacht tusschen de sneeuwwitte lakens lag gekropen. Ik herinner 
mij nog, hoe ik aan al de eenzame plaatsen onder den nachthemel dacht 
waar ik geslapen had, en hoe ik bad, dat ik nooit weder zonder huisves- 
ting mocht wezen, en nooit de armen, wien het aan huisvesting ontbrak, 
mocht vergeten. Ik herinner mij 00k nog, hoe ik toen langs den zachten 
glans van dat lichtspoor over de zee, het land der droomen scheen in te 
zweven. 



XIV. 

MUNE TANTE NEEMT TEN MUNEN OPZICHTt EEN BESLUIT. 

Toen ik binnenkwam vond ik mijne tante, bij de tafel waarop het ont- 
bijt gereed Stond, met haar elleboog op het blad, zoo diepzinnig zitten 
mijmeren, dat de inhoud der watervaas den trekpot had overstroomd en 



IK VERKEBR IN ONZEKBRHEID. 165 

iet geheele tafellaken onder water begon te zetten, toen mijn biDoenko- 
mcD hare gepdnzen op de vlucht joeg. Ik hield mij overtuigd, dat ik het 
onderwerp barer overdenkin^en was geweest, en verlangde meer dan 
ooit te weten, wat zij met mij voomemens was. Ik durfdc cvenwel, iiit 
''nes van haar boos te maken, dat angsdge verlangen niet te kennen 
gtven. 

Mijne oogen echter, die ik niet zoo goed onder bedwang had als mijne 
tong, werdcti onder het ontbijl zecr dikwijls naar mijne tante getrokken. 
Ik kon haar nooit eeo oogenblik aanzien, of ik zag dat zij ook naar mi; 
iwk — op ecne zondcrlinge, peiniende raanier, alsofik ontzaglijk ver 
■eg was, in plaats van aan den overkant der kleine ronde tafel te zitten, 
loen lij gedaan had met ontbijten, liet mijne tante dch zeer bedaard in 
hiar stoel achteroverzakken, trok hare wenkbrauwen samen, sloeg hare 
•noen over elkander, en beachouwde mij zoo op haar gemak, met zulk 
MK strakke aandacht, dat ik mij van verlegcnheid niet wist te bcrgen. 
Daai ik nog niet gedaan had met ontbijten, poogde ik mijne verwarrtng 
tt Qntveinzen door daarmedc voort te gaan ; maar mijn mes struikelde 
over mijne vork, mijne vork lichtte mijn mes cen beentje, ik lict de stuk- 
jesspek,dieikaniakte, hoogin de lucht vlte^en, in plaats van zehand^ 
if te snijden, en srikte bijna aan mijne thee, die met geweld den verkeer- 
pcQwegop wilde, tot ik er geheel van afzag, en onderdestarendeoogea 
mjOH tante blozend bleef zitten. 

>Heila!"zeidemijne tante, naverloop van geruimentijd. 

Ik keek op, en ontmoette met eerbiedigheJd haar scherpen, helderen 
Wik. 

►Dt heb aan hera geschreven," zeide mijne tante. — »Aan....?" — 
•Aan uw stiefvader,"' zeide zij. » Ik heb hem een brief geschreven, waarop 
Injbehoorlijkantwoordzalmoetengeven, ofwij zuUen ongenoegen met 
«lkaDder krijgen." — > Weet hij waar ik ben, tante ?" vroeg ik ongerust. — 
»Dat heb ik hem gezegd," antwoordde mijne tante, met een knikje, — 
•Zilik — zalik — aan hem wordenovergegeven?"brachtikhaperend 
W. — iDat weit ik nog niet," antwoordde mijne tante. »Wij zulien 
wn." — »0, ik weel niet wat iItdoenzal,"riep ijtuit,»alsikweer naar 
oijnheer Murdstone moet !" — iDaarvan weet ik nog niets," zeide mijne 
Iwie, haar hoofd schuddende. »Ik kan er waarlijk nog niets van zeggen. 
^jiullenzien." 

Deie woorden deden mij het hart wegzinken, en ik bleef zeer benau wd 
™ Qeerslachttg zitten kijken. Zonder veel op mij te letten, naar het 
^tieeo, deed mijne tante een grof voorschoot met een borstlapje aan, 
^^ lij uit de kast nam, waschte eigenhandig de kopjes om, en toen allea 
"Aoon en weder op het theeblaa gezet, en het tafellakcn opgevouwen 
*" Over alles been gelegd was, schelde zij Janet om het thcegoed weg te 
^tavL Vervolgens veegdc zij de kruimels met een bczempje op, (nadat 
^i eerst een paar han(£choenen had aangetrokken) tot er gcen cnkel 
picroKopisch kruimpje meer op het tapijt lag ; en daama stofte zij alles 
* de kamer af, en schikte alles opoieuw, hoewel alles reeds onberispelijk 
'^toft was en op een haar af op zijne plaats stond. Toen zij deze ver- 



l66 DAVID C0PP8RF1ELD. 

schitlende zaken tot haar genoegen had verrich t, deed zij haar voorschoo - 
af en hare handschoenen uit, vouwde ze op, tegde ze in de kast, in het 
zelfde hoekje waar zij ze vandaan had genomen, bracht haar werkdoosf* 
naar hare eigene tafel voor het opene venster, en ging daar, met dex 
groenen waaier tusschen haar en het licht, zitten werken. 

>Ik had gaame/' zeidemijnetante, tenviji zij hare naa1dinstak,ida,' 
gij eens naar boven gingt, en mijn comphment deedt aan mijnheer Dick 
en dat ik gaame zou willen weten hoe hij met zijne Memorie vordert." 

Ik stond met aUen ijver op, om deze boodschap te gaan verrichten. 

>Ik denk," zeide miji^e tante, mij even oplettcnd aanziende als zij hare 
naald had gedaan toen zij er ecn draad instak, ■ dat gij mijoheer Dick 
wel een korten naam zult vinden, niet waar?"- — - >Ikdachtgisteren,dat 
het een vrij korte naam was," bekende ik. ■ — »Gij moet niet denken, dat 
hij geen langer naam heeft, als hij dien wilde gebniiken,"zeide mijne 
tante met zekere trolschheid. iBabley — mijnheer Richard Babley — 
zoo heet mijnheer eigenlijk." 

Ik wilde, met de zedige bewustheid mijner jeugd en der familiateit, 
waaraan ik mij reeds had schuldig gemaakt, in bedenking geven, of het 
niet beter was, dat ik hem zijn vollen naam gaf,toen mijoe tante vervolgde: 

iMaar gij moet hem niet bij dien naam noemen, vooral niet. Hij kan 
zijn naam niet i^itstaan. Dat is iels zonderlings van hem. Hoewel ik tocfa 
niet vinden kan, dat die zonderlingheid zoo groot is ; want hij is door 
sommigen, die dien naam dragen, sTecht genoeg behandeld, om er doo- 
delijken tegenzin in te hebben, dat weet de Hemel. Mijnheer Dick is nu 
zijn naam, hier en overal — als hij ooit ergens anders heenging;, wat hij 
niet doet/ Pas dus op, kind, dat gij niets anders tegen hem zegt dan mijn- 
heer Dick." 

Ik beloofde gehoorzaam te zijn en ging naar boven met mijne bood- 
schap; onderweg denkende dat, ak mijnheer Dick altijd even hard aao 
zijne Memorie werktc, als ik hem door de opene deui had zien doen, 
toen ik naar beneden kwam, hij er waarschijnlijk zeer goed mee vorderde. 
Ik vend hem nog ijverig aan het schrijven, met eene zeer lange pen, en 
zijn neus bijna op het papier. Hij was zoo vol aandacht, dat ik ruim den 
tijdhad, om in de kamer rond te zien — - naar een grooten papieren vlie- 
ger, die in een hoek stond, een aantal pakjes beschreven papier, die od- 
geregeldop hoopenlagen, eene menigte pennen, en vooral een geheelen 
voorraad van inkt (dien hij in kruiken bij het dozijn scheen op te doen), 
eer hij mijne tegenwoordigheid opmerkte. 

»Ha, Phebus!" zeide mijnheer Dick, zijne pen neerleggende. >Hoe 
loopt de wereld! Ik zal u eens wat zeggen," vervolgde hij zachter, lik 
zou Diet willen, dat er van gesproken werd, maar het is," hier wenkte hij 
mij om naderbij te komen en hield zijn mond dicht voor mijn oor, >het 
is eene gekke wereld. Zoo gek alsBedlam, jongen !" zeide mijnheer Dick, 
terwijl hij een snuiije nam uit eene ronde doos, die op de tafel stond, en 
hartelijk lachte. 

Zonder mij te verstouteo om mijn gevoelen over dit pUDt te niteii, 
bracht ik mijne boodschap over. 



HOE MIJNHEBR DICK DAAR KWAM. 1 6/ 

>Wel,"zeideinijnheerDick tot antwoord,>mijn compliment aanhaar, 
CD ik — ik geloof, dat ik goed op dreef ben," zeJde hij, lijne hand door 
zijne grijze haren halende, en met een alles behalve rustigen blik naar 
zijn gescbrift kijkende. » Gij hebt schoolgegaan f" — t Ja, tnijnheer,"ant- 
woordde ik, »een korten tijd." — »Herinnert gij u den datum," zeide 
iniJDheei Dick, mij erastig aanziende ea zijne pen opnemende om het 
antwoord aan te teekenen, » toen koning Karel de Eersle onChoofd werd :"' 
Ik zdde te nieenen, dat dit in het jaar zestienhonderd negen en veertig 
was gebeiird. 

>Ja," antwoordde mijnheer Dick, met zijne pen achter zijn oor krab- 
bendc en mij twijfelachtig aansiende, »Zoo zeggendeboeken, maarik 
begrijp niet hoe bet zoo zijn kan. Want als het zoo lang geleden was, hoe 
konden de menschen, die er bij waren, zich dan zoo vergist hebben om 
het gemaal uit zijn hoofd, toen het afgeslagen was, in het mijne te 
steken?" 

Ik was zeer verwonderd over de vraag, maar kon hem in dit opzicht 
gecne inlichting geven. 

■Het is vreemd," zeide mijnheer Dick, met een angstigen blik naar 
liJDe papieren en wederom met de hand in het haar, > dat ik dat nooii in 
orde kan krijgen. Ik kan het mij maar nooit geheel duidelijk maken. 
Maar dat komt er niet op aan !" zeide hij vroolijk en zich als het ware 
vakker schuddende, >er is nog djd genoeg! Mijn compliment aan juf- 
&ouw Trotwood, en dat ik heel goed vorder," 
Ik wilde heengaan, toen hij mijne aandacht op den vlieger vestigde. 
»Wat vindt ge van dien vlieger f" zeide hij. 

Ik antwoordde, dat het een mooie vlieger was. Ik zou denken, dat hij 
wel zeven voet hoog moet zijn geweest. 

>Dien heb ik gemaakt. Wij zullen hem eens gaan opschieten, gij en 
V zeide mijnheer Dick, >Ziet ge dit wel?" 

Hij wees mij, dat die vheger geheel met schrift bedekt was, zeer klein 
(Q dicht, maar zoo duidelijk, dat ik, tcrwijl ik de regels langs keek, op 
(ffl paar plaatsen wederom iets van het hoofd van koning Karcl den 
Eersten meende te zien. 

>Er is touw in overvloed bij," zeide mijnheer Dick, >cn als hij hoog 
''liegt,brengthij defeiten een heel eindver. Dat is mijne manieromzele 
"erspreiden. Ik weet niet waar zij zuUen neerkomen. Dat han^ van om- 
"andigheden af, van den wind, en zoo vDort ; maar daar waag ik het Op." 
Zijn gezicht was zoo vriendelijk en vergenoegd, en had, hoewel het 
£Uond en friscb was, iets zoo eerwaardig3,datik niet zeker wist, ofhij 
met tnaar uit goedhartigheid met mij wilde schertsen. 
, iWel, kind," zeide mijne tante, toen ik wederbeneden kwam. i Hoe 
■s het met mijnheer Dick van morgen ?" 

. Ik berichtte haar, dat hij zijn compliment liet doen en heel goed 
vorderde. 
»Wat vindt gij van hem }" zeide mijne tante. 

Ik had gaame deze vraag willen ontwijken, door te antwoorden, dat 
ik hem een heel aardig heer vond; maar mijne tante liet zich zoo niet 



1 68 DAVID COPPERFIELD. 



afschepen, want zij legde haar werk in haar schoot, en zeide, hare han- 
den daarover vouwende : 

>Kom aan! Uwe zuster Betsey Trotwood zou mij terstond gezegd 
hebben wat zij van iemand vond. Doe zooals uw zusje zou gedaan heb- 
ben, zooveel gij kunt, ep spreek op. — >Is hij — is mijnheer Dick — ik 
vraag het maar omdat ik het niet weet, tante — is hij niet een beetje van 
zijn verstand ?" Ik stotterde, want ik gevoelde, dat ik mij op een gevaar- 
lijken grond waagde.— iGeen zier^^antwoordde mijne tante. — tZool" 
merkte ik flauwtjes aan. — > Als er lets in de wereld is," zeide mijne tante 
zeer stellig en met grooten nadnik, > dat mijnheer Dick niet is, is het dat." 

Ik wist niets beters te zeggen dan nog een schroomvallig : t O, zoo I" — 
• Men heeft hem voor gek willen verklaren," zeide mijne tante. iHet is 
met zelfzuchtige blijdschap, dat ik dat zeg, want anders zou ik nu geene 
tien jaren het voorrecht van zijn gezelschap en zijn raad hebben gehad — 
of nog langer ; eigenlijk sedert uw zusje, Betsey Trotwood, mij zoo te 
leur stelde." — >Zoo lang ?" zeide ik. — lEn aardige lieden waren het, 
die de stoutheid hadden om hem voor gek te verklaren," vervolgde 
mijne tante > Mijnheer Dick is eenigszins aan mij geparenteerd — hoe, 
komt er niet op aan ; daarvan behoef ik nu niet te spreken. Als ik er niet 
geweest was, zou zijn eigen broeder hem voor geheel zijn leven opgeslo- 
ten hebben. Dat is alles." 

Ik vrees, dat het eenigszins huichelachtig was, maar daar ik zag, dat 
mijne tante zich de zaak zeer emstig aantrok, poogde ik te kijken alsof 
ik dit ook deed. 

tEen trotsche gek!" zeide mijne tante. •Omdatzijn broeder een beetje 
zonderling was — schoon hij niet half zoo zonderling is als vele andere 
menschen zijn — had hij niet gaame, dat hij bij hem aan huis gezien 
werd, en zond hem naar een verbeterhuis ; hoewel hij nog al bijzonder 
onder zijne zorg was gesteld door hun overleden vaderj die dacht, dat hij 
daartoe de naaste was. En een verstandig man moet h ij geweest zijn om 
zoo iets te denken. Zeker zelf gek !" 

Daar mijne tante keek alsof zij zich daarvan stellig overtuigd hield, 
poogde ik wederom dit ook te doen. 

» Dus kwam ik er tusschen," zeide mijne tante, * en deed hem een voor- 
steL Jk zeide : uw broeder is wel bij zijn verstand — veel beter bij zijn 
verstand dan gij zijt, of ooit zult wezen, het is te hopen. Laat hem zijn in- 
komentje uitbetalen en bij mij komen wonen. I k ben niet bang voor hem ; 
ik ben niettrotsch;ikml wel voor hem zorgen, en zal hem niet mis- 
handelen, zooals sommige menschen (behalve in dat gesticht) gedaan 
hebben. Na veel haspelens," vervolgde mijne tante, tkreeg ik hem hier : 
en sedert is hij altijd bij mij gebleven. Hij is de vriendelijkste en schikke- 
lijkste man, die er leeft, en wat raadgeven betreft ! — Maar niemand 
weet wat er in dien man steekt, behalve ik." 

Mijne tante streek hare japon glad en schudde haar hoofd, alsof zij de 
geheele wereld wilde uitdagen. 

tHij had eene zuster, van wie hij bijzonder veel hield," zeide mijne 
tante, >een goed schepsel en die zeer zachtvoor hem was. Maar zij deed 



DE MEMORie VAN HUNHKKR DICK. 169 

wat alle vrouwen doen — lij nam een man. En hij deed wat alle mannen 
■doai — hij maakte haar ongelukkig. Dit maakte lulk een indruk op het 
gemoedTanmijuheerDiclc (dat is toch geen bewijs van kraokzinnigheid, 
lou ik hopen) dat hij, met zijne vrees voor lijn broeder en het verdriet 
■over lijne hardheid er bij, er eene koortsziekte van kreeg. Dat was voor- 
^t hi] bier kwam ; maar de herinnering er van drukt hem nog altijd. 
Hteft hij n iets van koning Karel den Eerstengeiecd, kind?" — >Ja, 
^te." — »Ha!" zeide mijne taote, haar neus wrijvende, alsof zij eeoigs- 
nni irrevelig werd. » Dat is zijne zinnebeeldige manieromhet uit te druk- 
ken, Hij schrijft zijne ziekte aan schrik en bekommering toe, gelijk na- 
tuurlijk is ; en dat is het bee Id, of de gelijkenis of zooals men het noemen 
vil, die hij verkiest te ^bruiken. En waarnm zou hij niet, ab hij dat 
,|oedvindt?" — iZekerhjk, tante!" zeideik. — »Hetiseeneongewonc 
fMnier van spreken, heel anders dan in wereldsche zaken gebniikelijk 
iSi" zeide mijne tante. *Dat weet ik wet ; en dat is ook de reden waarom 
4 er op sta, dat er geen woord van in zijne Memorie zal komen." ^ i Is 
Itt eene memorie van zijn eigen leven, die hij schrijft, tante ?" — »Ja, 
kind," antwoordde mijne tante, wederom haar neus wrijvende. >Hij 
schrijft eene memorie voor den lord kanselier of ik weet niet wat voor een 
kird — een van die lieden, in alle gevallen, die er voor betaald wordun 
om mcmorien aan te nemen — over zijne zaken. Ik geloof, dat hij ze eerst- 
<iug3 tal inzenden. Hij is nog niet in staat geweest om ze op te stelkn, 
tooder er die manier van uitdnikking in te brengen ; maar dat heeft nieCs 
te beduiden ; het houdt hem toch bezi^." 

Ik vemam naderhand ook, dat mijnheer Dick reeds tienjarenlang 
tijn best had gedaan om koning Karel den Eersten uit de Memorie te 
wiuden; maar deze was er toch gedurig in gekomen en was er ook nu 
wederin. 

>Ikzeg nog eens,"hervatte mijne tante, > niemand weet wat er indien 
Dtan steekt, behalve ik: en hij is de vriendelijkste en schikkelijkste 
■Mtucb, die er leeft. Als hi] somtijds lust heefl om een vlieger op te laten, 
ftt maakt dat uit? Franklin placht wel een vlieger op te laten. Hi] was 
*^ Kwaker, of iets van dien aard, als ik mij niet vergis. En een Kwaker, 
<^e eea vlieger oplaat, is veel belachelijker dan iemand anders. 

Indian ik had kunnen denken, dat mijne tante mij in het bijzondcr 
deze omstandigebeden vertelde en mij daardoor een bewijs van haar 
vmrouwen wilde geven, zou ik dit eene groote onderscheiding hebben 
8**cht, en zulk een blijk van hare goede raeening als een gunstig voor- 
^Kken hebben beschouwd, Maar ik kon niet wel nalaten op te merken, 
'utcij er vooraamelijk van sprak omdat haar gemoed er vol van was, en 
JiJ daarbij zeer weimg aan mij dacht, hoewel zij, daar zij niemand anders 
"d, bet woord tot mij richtte. 

Te gelijk moet ik zeggen, dat de edelmoedigheid, waarmede zij voor 
*" armen, onnoozelen mijnheer Dick partij had getrokken, mijne jeug- 
*ge borst niet alleen met eene baatzuchtige hoop voor mij zelven 
^wvnlde, maar mij ook een warm, onbaatzuchtig gevoel voor haar 
^hoezem^. Ik geloof dat ik begon te begrijpen, dat mijne tante, ia 



170 DAVID COPPKRFIELD. 

weerwil harer talrijke zonderlingheden en grillen, iets had, dat eerbied 
en vertrouwen verdiende. 

Hoewel zi; dien dag even scherp en diiftig was als den vorigen, en 
even dikwijls uitvloog om ezels weg te jagen, en zich schrikkelijk veront- 
waardigde toen een jonkman, die voorbijkwam, Janet door het venster 
een lonkje toewierp (hetgeen een der zwaarste vergrijpen was, die tegea 
de waardigheid mijner tante gepleegd konden worden), sctieen zij mi), 
toch meer achting, zoo al niet minder vrees, in te boezemen. 

De angst dien ik uitstond in den tusschentijd, die er noodwendig ver- 
loopen moest eer mijne tante een antwoord op haar brief aanmijnheer 
Murdstone kon ontvangen, was bijna onuitstaanbaar; maarikpoogde 
dien toch te smoren en mij in stille bij vaijnt tante en mijnheer Dick zoo 
aangenaam te makeo als ik kon. Deze laatste en ik zouden uitgegaan zijn 
om den grooten vlieger op te laten; maar ik had nog geene andere klee- 
ren dan net alles behalve sierlijke gewaad, waarin ik op den eersten dag 
was tiitgedost, en dat mij in huis hield, behalve vooreenuurnahetvallen 
van den donker, wanneer mijne tante, voor mijne gczondheid, eer ik 
naar bed ging, buiten langs de rotsen met mij op en neer wandelde.. 
Eindelijk kwam er een antwoord van mijnheer Murdstone, en mijne tante 
onderrichtte mij, tot mijne onbeschrijfelijke ontsteltenis, dat hij des an- 
deren daags zelf met haar zou komen spreken. Den volgenden dag zat 
ik, nog in mijne wonderlijke kleeding ingepakt, verhit en bedwelmd 
door den stiijd van bezwijkende hoop en opkomende vrees in mijn bin- 
nenste, de uren te tellen, en verwachtte telkens te zullen schrikken van 
dat barsche gezicht, welks niet-verschijning mij reeds telkens deed 
schrikken. 

Mijne tante was nog heerschzuchtiger en stroever dan gewoonlijk, 
maar ik bespeurde geen ander blljk, dat zij zich tot de ontvangst van het 
voor mij zoo geduchte bezoek ^ereedmaakte, Zij zat bij het venster te 
werken, ik zat bij haar, lerwijl mijne gedachte met alle mogelijke en on- 
mogelijke gevolgen der komst van mijnheer Muidstonespeeldenj zoo 
duurde het tot laat in den namiddag. 0ns middagmaal was onbepaald 
uitgesteld; maar het werd zoo laat, dat mijne tante reeds last had gege- 
ven om de tafel maar te dekken, toen zij eensklaps een alarm van ezels 
aanhief, en ik, tcrt mijne verbazing en ontsteltenis, juffrouw Murdstone 
op een zijzadel zeer bedaard over het geheiligde gras-.eld zag rijden^ 
voor het huis stilhouden en rondkijken. 

iMaak dat gij wegkomt!" riep mijne tante, voor het venster haar 
hoofd schuddende en met hare vuist dreigende. »Gij hebthiernietste 
maken. Hoc durfc gij zoo hier komen i Maak dat gij wegkomt, gij onbe- 
schaamde prij !" 

Mijne tante maakte zich zoo boos over de koelbloedigheid, waarmede 
juffrouw Murdstone rondkeek, dat ik werkelijk geloof, dat zij daardoor 
buiten staat was om volgens gewoonte nit te schieten. Ik nam de gelegen- 
heid waar om haar te onderrichten wie het was, en dat de heer, die nu 
naar de schuldige toekwam (want de weg naar omhoog was zeer ateil, en 
bij was daardoor achtergebleven), mijnheer Murdstone lelf was. 



DE HURDSTONE 5 KQMEN B1J MIJNE 1 



171 



>Hn kao mij niet schelen wie het is !" riep mijne tante, nog haar hoofd 
■chiiddende en voor het vepster gebaren' makende, die alles behalve 
gebaren van welkomst waren. »Ik wil hier geen overlast hebben, Ik wil 
het niet velen. Ga er naar toe ! Janet, keer hem om en jaag bem weg !" 
en it aanschouwde, achter mijne tante verscholen, een tooneel van op- 
schuddbg en verwamng, een soort van haastig bataille-stukje. De ezel 
itODd met de vier pooten wijd uitgestrekt op den grond geplant, naar 
alle kanten tegenstand biedende, tenvijl }anet haar best deed om hem 
bij deo teuge! om te trekken, mijnheer Murdstone hem wilde voortdrij- 
ven, ju&ouw Murdstone met hare parasol naar Janet sloeg, en eenigo 
jongens, die naar het gevecht waren komen kijken, een groot gejuich aan- 
hieven. Doch mijne tante, welke onder die jongens eensklaps den jongen 
boosvncht onldekte, die bij den ezel behoorde, en schoon nog maar even 
boven de tien jaren, een barer hardnekkigste vijanden was, ijlde naar 
het slagveld, schoot op hem toe, nam hem krijgsgevangen, sleepte hem 
met lijn buis over zijn hoofd, terwijl zijne hielen kuilen in den grond 
Stampten, den tuin binnen, en hield hem daar vast, terwijl zij Janet toe- 
riep om de constables en het gerecht te roepen, ten einde hem op 
Stainden voet te doen vcroordeelen en straffen. Deze staat van zaken 
duarde echter niet lang; want de kleine deugniet, die in een aantal von- 
den en kunstjes bedreven was, waarvan mijne tante geen begrip had, 
Sep weldra met een vreugdekreet weg, waarbij hij eenige diepe sporen 
van lijne bespijkerde schoenen in de bloembedden ndiet, en voerde 
rijn ezel in zegepraal mede. 

Juflrouw Murdstone was in het laatste tijdperk van den strijd afge- 
st^n, en stond nti met haar breeder onder aan de stoep te wachten, tot 
mijne tante tijd zou hebben om hen te ontvangen. Mijne tante, eenigszina 
gekreukeld door het gevecht, slapte hen deftig voorbij en ging het huis 
binnen, zonder dc minste nodtie vanhunne tegenwoordigheidtenemen, 
totdat zij door Janet werden aangediend. 

>Zal ik hcengaan, tante?" vroeg ik bevende. — »Neen,jongeheer," 
antwoordde mijne tante. iZekerlijk niet!" Daarmede dtiwde zij mij in 
een hoek achter haar en zette een stoel vMi mij, alsof ik achter de tra- 
lien ecnergevangenis of voor de balie eener rechtbank stond, Zoobleef 
ik staan zoolang het geval duurde, en zoo zag ik nil mijnheer Murdstone 
en zijne zuster de kamer binnenkomen. 

>0!" zeide mijne tante. > Ik wist eerst niet wie ik het pleizier had van 
te wiUen wegjagen. Maar ikgeefniemand verlof over datgras terijden. 
Daarin maak ik geene uitzonderin^en. Dat wil ik van nieroand heb- 
ben." — »Uw reglement is wel een igszins lastig voor vreemdelingen," 
zeide jufirouw Murdstone. — »Ei !" zeide mijne tante. 

Mijnheer Murdstone scheeneenigsziosbeduchl voor eenevernieuwing 
der vijandelijkheden en viel er nu op in : 

»Juffrouw TrotwoodI" — »0, neem mij niet kwalijk," zeide mijne 
tante met een scherpen blik. »Gijzijtimmers die mijnheer Murdstone, 
die getrouwd geweest is met de weduwe van mijn neef David Copperfield, 
van Kraaienhof bijBlundcrstone? — schoon ik niet begrijp waarom 



172 DAVID COPPERFIELD. 



het Kraaienhof moest heeten." — »Die ben ik," antwoordde mijnheer 
Murdstone. >Gij zult mij wel verschdonen, mijnheer," hervattc mijne 
tante, »als ik zeg^ dat het naar mijne gedachten veel beter en gelukkiger 
zou geweest zijn als gij dat arme kind maar hadt laten zitten." — > Ik ben 
het in zooverre eens met hetgeen juffrouw Trotwood daar heeft aange- 
merkt," zeide juflfrouw Murdstone nu, haar hoofd in den nek zettende, 
»dat ik insgelijks geloof, dat onze betreurde Clara^ in alle opzichten van 
wezenlijk belang, niet meer dan een kind was/' — t Het is een troost 
voor u en mij, juffrouw," liet mijne tante hierop volgen, >dieinjaren 
beginnen te vorderen, en waarschijnlijk wel niet door onze schoon- 
heid tot een ongeluk zullen komen, dat niemand zoo iets van ons kan 
zeggen." — »Zonder twijlel," antwoordde juffrouw Murdstone, hoe- 
wel, naar ik dacht, hare toestemming niet zeer bereidvaardig of vriende- 
lijk klonk. ȣn zekerlijk zou het, gelijk gij zegt, misschien beter en ge- 
lukkiger voor mijn broeder zijn geweest, als hij nooit zulk een huwelijk 
had aange^aan. Ik ben altijd van dat gevoelen geweest.'' — 9 Daaraan 
twijfel ik met," zeide mijne tante. > Janet," te gelijk schelde zij, t mijn 
compliment aan mijnheer Dick, en verzoek hem om beneden te komen." 

Totdat hij kwam bleef mijne tante stokstijf zitten en keek, met een 
donker gezicht, starend naar den muur. Toen hij kwam presenteerde zij 
hem met alle defHgheid. 

> Mijnheer Dick. Een oud en vertrouwd vriend. Op wiens oordeel,*' 
zeide mijne tante met nadruk, als eenewaarschuwing voor mijnheer Dick, 
die op zijn voorvinger beet en een eenigszins mal gezicht zette, »ik mij 
verlaat." 

Mijnheer Dick nam op dezen wenk zijn vinger uit zijn mond, en bleef 
met een gezicht vol ernst en oplettendheid tusschen de proep staan. Mijne 
tante boog met haar hoofd naar mijnheer Murdstone, die toen vervolgde : 

1 Juffrouw Trotwood, op het ontvangen van uw brief meeude ik, dat 
ik mij zelven best recht zou laten wedervaren, en u misschien de meeste 
achting zou bewijzen...." tWel bedankt," zeide mijne tante, hem 
nog scherp aanziende ; » om mij behoeft gij niet te denken." — t Om 
dien," vervolgde mijnheer Murdstone, >hoe ongelegen mij de reis 00k 
mocht komen, liever in persoon dan schriftelijk te beantwoorden. Deze 
ongelukkige knaap, die van zijne vrienden en zijne werkzaamkeden is 
weggeloopen — " — tEn die er zoo gruwelijk en schandelijk uitziet," 
viel zijne zuster er op in, de algemeene aandacht op mijn onbeschrijfelijk 
costuum vestigende. — > Jane Murdstone," zeide haar broeder, » wees 
zoo goed om mij niet in de rede te vallen. Deze ongelukkige knaap, juf- 
frouw Trotwood, is de oorzaak van veel huiselijk verdriet en zorg ge- 
weest, zoowel bij het leven mijner dierbare overledene vrouw, als in later 
tijd, Hij heeft eene wrevelige en weerbarstige inborst, een kwaadaardig 
humeur en een onaangenaam, onhandelbaar karakter. Mijne zuster en ik 
zelf hebben beiden ons best gedaan om zijne gebreken te verbeteren, 
maar zonder vrucht. En ik heb begrepen — wij hebben beiden begrepen, 
mag ik wel zeggen, daar mijne zuster ten voile in mijn vertrouwen deelt — 
dat het billijk was u uit onzen eigen mond deze emstige en onpartijdige 



Zir SCHETSEN MIJN KARAKTER. 1 73 

TnKkenng tc lalen hooren." — iHetkanbijnanietnoodigwezen, dat 
i lets bevcstig dat mijn breeder heeft gezegd," voegde juffrouw Murd- 
Stone r bij ^ > maar ik verzoek te mogen aanmerken, dat, van alle jongeng 
op de wereld, hij de ergste joogen is." — »Sterk !" zeide mijne tantc 
komf, — »Maar volstrekt met te sterk voor de omstandigheden," aot- 
»oordde juffrouw Murdstone. — » Zoo!" zeide mijoetante. » Wei, mijn- 
heerf" — >Ik heb mijn bijzonder gevoelen," hervatte mijnheer Murd- 
stone, wiens gezicht hoe langer hoe meer betrok, naarmate hij en mijne 
tanle elkander langer gadesloegen, hetgeen zij zeer oplettend deden, 
jover de beste manier om hem groot te brengen. Dit gevoelen is gegrond, 
ledeeltelijk op mijne kennis van zijn karakter en aanleg, en gedeeltelijk 
op mijne kennis van mijne eigene middelen en vermogens. Ik heb dat 
gevoelen voof ciij lelven tc veranCwoorden ; ik zal daarnaar handelen 
en wil er verder niets van zeggen. Het is genoeg, dat ik deien kraap 
onder het oog van een mijner eigene vrienden in een fatsoenlijk beroep 
pluts; dat dit hem niet bevalt; dat hij ei van afloopt, als een gemeene 
Tagsbond het land doorzwerft, en in een voddenpak hier bij u, juffrouw 
Ttotwood, hulp komt zoeken, Ik wensch u rondborstig dejuistegevol- 
gen voor te houden — zoover die mij bekend kimnen zijn — die het 
fiebben moet als gij de partij voor hem opneemt." — iMaar eersteens 
Kts over dat fatsoenlijk beroep," zeide mijne tante. i Als hij uw eigen 
zoon was geweest, zoudt ge er hera toch eveneens in geplaatst hebben, 
zou ik denken ?" — Als hij mijn broeclers eigen zoon was geweest," ant- 
woordde juffrouw Murdstone, er op invallende, » vertrouw ik, dat hij een 
geheel ander karakter zou hebben gehad." — tOf als dat arme kind, 
njne moeder, nog geleefd had, zou hij zeker ook naar dat fatsoenlijke 
•wroep zijn gezonden, niet waar?" zeide mijne tante. — »Ik geloof," 
wilwoorddc mijnheer Murdstone met eene hoofdbuiging, >dat Clara 
nooit lets zou hebben tegengesproken, waarover ik zelf en mijne zuster 
Jare Murdstone het eens waren, dat het zoo best zou zijn." 

Juflrouw Murdstone bevestigde dil met een hoorbaar gemompel. 

<Hm !" zeide mijne tante, ■ Ongelukkig kind !" 

Mijnheer Dick, die al dien tijd met zijn geld had geramroeld, deed dit 
"u 100 hard, dat mijne tante het noodig achtte hem met een bJik te 
^Mrschuwcn, eer zij zeide : 

•Het jaargeld van dat arme kind is met haar gestorven ?" — » Met 
''^sr gestorven," antwoordde mijnheer Murdstone. — »En dat eigen- 
doTninetje ~ het huis en tuin — dal Kraaienhof zonder kraaien — was 
"i^" op haar zoon overgemaakt ?" — » Het was haar door haar eersten 
"m zonder eenige condities nagelaten," bc|;on mijnheer Murdstone, 
toen mijne tanie hem vol drift en ongeduld m de rede viel. — » Gocde 
kernel, man, dat behoeft gij niet eens te zeggen. David Coppcrfield was 
^ dc man niet naar om aan condities of iets van dien aard te denken, al 
"onden zij hem vlak voor de oogen ! Naluurlijk werd het haar zonder 
^ondities nagelaten. Maar toen zij hertrouwde — toen zij, kortom en om 
duidelijk te spreken, dien allerjammerlijksten stap deed om met u te 
'^"veii," zeide mijne tante, >heeft toen niemand een woord voor diea 



174 DAVID COPFERFIBLD. 

Jongen gesproken ?" — »Mijneovcrledene vrouwhaxlhaartweedeaecht- 
) genoot lief, mejuffrouw," antwoordde mijnheer Murdstoae, »en ver- 
troilwde hem onvoorwaardelijk." — »Uwe overledene vrouw, mijnhecr," 
ceide mijne tante hierop en schudde dreigend haar hoofd, *was een on- 
gelukkig, onnoozel kind, dat niets van de wereld wist. D a t was zij. En 
wat hebt gij nu verder le zeggen f" — » AUeen dit, juffrouw Trotwood," 
antwoordde hij. »Ik ben hier om David terugtehalen — hemionder 
eenige voorwaarden lerug te nemen, over hem te beschikken gelijk ik 
voor voegzaam houd, en hem te behandelen gelijk ik rechtmatig acht. 
Ik ben met hier gekomen om iemand eenige belofte of vcrzekering te 
geven. Gij kunt er misschien aan gedachthebbenjuffrotiw Trotwood, 
om voor ziJD wegloopen en zijne klachten bij u partij te trekken. Vw 
toon, die ik zeggen moet, dat niet schijnt te strekken om mij te willen 
bevredigen, doet mij dit voor mogelijk houden. Nu moet ik u waarscha- 
wen dat gij, als gij u hem eensaantrekt, hem u voor altijdaantrekt.Als gij 
nu tusschen ons beiden komt, juffrouw Trotwood, moet gij altijd tusschen 
ons blijven, Ik kan niet beuzelen of met mij laten beuzelen. Ik ben no 
hier, voor de eerste en de laatste maal, om hem weg te halen. Is hij ge- 
reed om raede te gaan ? Zoo niet — en als gij mij zegt van neen ; om 
weike reden ocik ; dat is mij onverschillig — dan is mijne deur voortaan 
voor hem gesloten,en de uwc, gelijk ik daaruit moet opraaken, voor 
hem open." 

Met de grootste aandacht had mijne tante stijf rechtop,metdehanden 
over ^^ne knie gevouwen, en den spreker met barschen emst aanstai- 
rende, naar deze aanspraak zitten luisteren. Toen hij gedaan had, ver- 
draaide lij hare oogen zooveel, dat zij juffrouw Murdstone kon aanzien, 
zonder lich aoders eenigszins te bewegen, en zeide : 

»Wel, juffrouw," hebt gij nog iets aan te merkenf" — tlndcrdaad, 
juffrouw Trotwood," antwoordde juffrouw Murdstone, >al wat ik zou 
kunnen zeggen heeft mijn broeder zoo wel gezegd, en alles wat ik weet 
dat het geval is, heeft hij zoo duidelijk uiteengezet, dat ik cr niets heb bij 
te voegen behalve mijn dank voor uwe beleefdheid — voor uwe buiten- 
gemeen groote beleefdheid," zeide juffrouw Murdstone, met eene ironie, 
die mijne tante even weinig trof, als zij het kanon kon ontroeren waarbij 
ik te Chatham had geslapen. — >£n wat zegt de jongen zelf?" zeide 
mijne tante. iZijt gij klaar om mee te gaan, David ?" 

Ik antwoordde van neen en bad haar om mij niet te laten gaan. Ik 
teide, dat mijnheer Murdstone en zijne zuster nooit van mij hadden ge- 
houden en nooit goed voor mij waren geweest. Dat zij mijne mama, die 
mij altijd zeer liefgehad had, tegen mij opgestookt hadden, en dat ik dtt 
wel wist en Peggotty het ook wel wist. Ik zeide, dat ik ongelukkiger ge- 
weest was dan ik dacht dat iemand zou ktmnen gelooven, die atleen 
maar wist hoe jong ik nog was. En ik bad en smeekte mijne tante — het 
is mij ontgaan in welke bewoordingen, maar ik weet wel, dat ik er self 
diep ontroerd van was — dat zij mij om mijn vaders wil zou helpen en 
beschermen. 

> Mijnheer Dick," zeide mijne tante, > wat zal ik met dit kind doen i" 



Z!J WORDEN WEGGEZOHDEN. I75 

MijohecT Dick bcdacht zich, aarzelde, beldcTde op en antwoordde : 
■Hem dadelijk demaat Inten nemen vooreenpakkleereti." — vMijn- 
hKt Dick," zeide mijne tante zegevierend, »gecf mij uwe hand, want uw 
geiond verstaud is onwaardeerbaar." 

NadaC zij hem zeer hartehjk de hand had geschud, trok zij mij naat 
rich tew, en zeide tot mijnheer Murdstone : 

>Gi} kunt ^aan zoodra gij maar wilt; ik zal het er met den jongen op 
wagcD. Als hij alles is wat gij zegt, kan ik ten minstc eveneens met hem 
doen als gij gedaan hebt. Maar ik geloof er geen woord van," — »Juf- 
"frouw Trotwood," zeide mijnheer MurdstoDe,zijneschoudersophalende 
terwijl hij opstond, »alsgij een man waart..." — »Ba! praatjesen mallig- 
lirid," leide mijne tante, * Zeg maar niets !" — » Hoe ongemeen beleefd!" 
riep jufirouw Murdstone uit, terwijl zij opstond. » Het is waarlijk ora er 
tatt vcrlegen te wotden." — * Denkt gij dat ik niet weet," hervatte mijne 
tante, die zich voor de zuster doof hield en het woord tot den broeder 
bleef richten, tegen wien zij met onuitsprekelijken nadnik haar hoofd 
schudde, >welk een leven gij dat arme, ongelukkige, bedrogen meisje 
bij u hebt gegeven f Denkt gij dat ik met weet, welk een heillooze dag 
het voor dat zachte schepseltje was, toen gij haar voor het eerst in den 
'Cg kwaamt, met een kniiperig lachje en groot opgezette oogen, daar 
durf ik op zweren, alsof ge niet in staat waart om boe ! tegen eene gans 
te Mggen," — ilk hebnooitiets zoo elegants gehoord!" zeide juffrouw 
Murdstone. — iDenkt gij, dat ik u niet zoo goed begrijp alsof ik u toen 
gezicn had," vervolgde mijne tante, »nuik u voor mij zie en aanhoor ^ 
dat. ik zeg het u oprecht, alles behalve een genoegen voor mij is ? Wei ja 
Kker! Goede Hemel, wie is zoo zacht en teer ab mijnheer Murdstone in 
het begin ! Het arme, onnoozele wicht had nog nooit zulk een man ge- 
zien. Hij was geheel zoetheid en lieftalligheid. Hij aanbad haar. Hij was 
zoo ingenomen met haar knaapje en had hem al o zoo lief! Hij zou een 
tweede vader voor hem zijn, en zij zouden alien te zamen in een rozen- 
tuin levcD, zouden zij niet? Ba! Maak dat gij mij uit de oogen komt!" 
zeide tnijne tante. — »Ik heb nooit in mijn leven zoo iets gehoord als 
dat mensch!" riep jul&ouw Murdstone uit. — »En toen gij U van het 
arme zottinnelje verzekerd hadt," zeide mijne tante, — »Godvergcve 
mij, dat ik haar zoo noem, nu zij daar is waar gij niet gauw komen zult — 
alsof gij haar en dc haren nog niet genoeg kwaad hadt gedaan, moest gij 
haar nog gaan dresseeren, niet waar ? haar africhten als een arm opge- 
kooid vogeltje, en haar een ellendig leven laten versliiten met uwe 
deuntjes tc leeren dngcn," — »Dit is 6f krankzinnigheid ifdronken- 
schap," zeide juffrouw Murdstone, zich verbijtende dat zij niet in staat 
was om mijne tante haar woordenstroom naar haar te doen keeren, >eD 
ik vermoed, dat het dronkenschap is." 

Zonder het minste op deze stoomis te letten, bleef juffrouw Betsey 
zich tot mijnheer Murdstone richten, alsof zijne zusterer geheel niet ge- 
weest ware. 

> Mijnheer Murdstone," zeide zij, haar vinger tegen hem schuddende, 
>gij zijt een tiiao geweest voor dat onnoozele kind en hebt hair het hart 



176 DAvm coppkrheld. 

gebroken. Zij was een liefderijk schepseltje — dat weet ik; dat wist ik al 
jaren voor dat gij haar ooit gtzita hadt — en van het beste dat haie 
zwakheid had, hebt giJ gebruik gemaakt om haar de wondeo toe tu bren- 
gen, waaraan zij gestorven is. Daar hebt gij de waarheid, waarmede gij 
u Iroosten kunt, zij mag u bevallen of niet En ik hoop, dat gij en uwe 
handlangers er nog dikwijls om ziilt denken." — »Vcrgun raij tevragen, 
juffrouw Trotwood," vieJ juffrouw Murdstone er op in, • wie het zijn, die 
gij, met eene woordenkeus waaraan ik niet gewoon ben, de handlangers 
van mijn breeder gelieft te noemen," 

Nog geheel doof voor deze stem en zonder zich de vraag eenigsiins 
aan te trekken, vervolgde juffrouw Betsey hare rede. 

tHet was duidelijk genoeg, zooabik U gezegd hebjaren voordatgij 
haar ooit gezien hadt — en warom gij haar, volgens de raadsclachdge 
bcschikkingen der Voorzienigheid ooit hebt moeten zien, is meer dan 
htt menschelijk verstand kan begrijpen — het was duideUjk genoeg, dat 
het arme zachtzinnige dingetje op een ofanderen tijd zouhertrouwen;. 
maar ik hoopte, dat het met zoo erg zou afloopen als het gedaan heeft. 
Dat was toen ter tijd, mijnheer Murdstooe," zeide mijne tante, > toen zij 
haar jongetje daar ter wereld bracht, het arme kind, waarmede gij haar 
naderhand dikwijls gematteld hebt, wat nu eene onaangename herinne- 
ring voor uis, en U zijn gezicht halelijk maakt. Ja, ja, gij behoeft niet eens te 
scbrikken .'zeide mijne tante, • ik weel buitendien loch wel dat helwaar is." 

Hi) had haar al dien tijd bij de deur staan aanstaren, met een glimlach 
op zijn gezicht, hoewel zijne zwarte wenkbrauwen dicht waren samen- 
getrokken. Ik merkte nu op dat, hoewel die gUmlach nog op zijn gezicht 
blecf, zijne kleur in een oogenblik verdwenen was, en hij scheen adem 
te balen alsof hij hard geloopen had. 

• Goedendag, mijnheer," zeide mijne tante, » en vaarweUUookgoe- 
dendag, juffrouw," zeide mijne tante, zich eensklaps naar zijne zustcr 
keerende. t En laat ik u weder op een ezel over m ij n grasveld zien rijdenj 
en zoo zeker als gij een hoofd op uwe schouders hebt, zal ik tiw hoed af- 
slaan en er op trappen !" 

Er zou een schilder toe noodig zijn, en wel geen gewoon schilder, om 
hei gezicht mijner tante af te teekenen terwijl zij dit hoogst onverwachte 
slot barer rede uitsprak, en het gezicht van juffrouw Murdstone onder 
het aanhooren daarvan. Doch de toon barer rede, niet minder dan de 
inhoud, was zoo dreigend, dat juffrouw Murdstone voorzichtig genoeg 
was om, zonder er een woord tegen in te brengen, haar breeder den arm 
te geven. Zij staple met een trotsche houding de deur uit, terwijl mijne 
tante hen voor het venster bleef staan nazien, gereed, "hieraan twijfel 
ik niet, om, indien de ezel zich weder vertoonde, haar dreigement ter- 
stond ten uiCvoer te brengen. 

■ Daar er echter geene poging werd gedaan om haar te tarten, ontspande 
haar gezicht zich Ian gzamerhand en werd ten laatste zoo genoeglijk, dat 
ik moedkreegom haar een kuste geven en tebedanken, between ikzeer 
hartelijk deed, met mijne armen om haar hals. Daarop gaf ik mijnheer 
Dick de hand, die verscheidene malen terugkwam om dit nog eens te 



MtFNE TANTE ZN MUMHBRR DICK ZIJM MIJNE VOOGDEN. I77 

doen, en dezen gelukkigen afloop der onderhandeling met herhaalde 
oitbantingeo van gelach begroene. 

«Gij lult u nu, met mij te zamen, als voogd van dit kind beschounren, 
nujnbew Dick," zeide mijne tante. — • Het zal mij seer verheugen," 
wide mijnheer Dick, ivoogd van David's zoon le wezen." — >Heel 
goed," hervatte mijne tante, idat is'dan zoo'bepaald. Ikhebgedacht, 
dnnkc u niet, mijnheer Dick, dat ik hem wel Trotwood mocht noe- 
men?" — iWel zeker, wel zeker. Noem hem Trotwood, zekerlijk," 
•ntwoordde mijnheer Dick. »David's zoon Trotwood."^ iTrotwood 
Copperfield, meent gij," zeide mijne tante.- — »0 ja, zeker, Trotwood 
Copperfield," antwoordde mijnheer Dick cenigsiins verlegen.' 

Deze gedachte beviel mijne tante zoo zeer, dat eenige gemaakte klee- 
reo, welke dien middag voor mij gekocht werden, met hare eigene hand 
enonuitwischbarenteekeiiinkt »TrotwoodCopperfield"werdengemerkt, 
nrikzeaantrok; enhet werdafgesproken, dat aldeanderekleederen, 
die voor mij besteld waren (eene voUedige uitnisting was reeds dien 
Mmiddag onder haoden gegeven), op dezelfde wijs gemerkt zouden 
wordea 

Aldus begon ik mijn nieuw leven, met een nieuwen naam, en alles om 
mij lieen even nieuw. Nu die staat van twijfel voorbij was, was het mij 
™'e dagen lang alsof ik in een droom verkeerde. Ik dacht cr nooit aan, 
daiik in mijne tante en mijnheer Dick een paar zonderlinge voogden had. 
Ikdachl nooil met helderheid aan iets dat mij zelven belrof. Wat mij het 
•Juidelijkst voor den geest stond was, dat mijn vroeger leven teBliin- 
•Jerstone nu veel verder verwijderd was — het scheen op een onmete- 
Kjken afstand in een nevel te liggeo ; en dat er voor mijn leven bij Murd- 
slODe en Grinby voor altijd een gordijn was gevallen. Niemand heeft 
"•ten ooit dat gordijn opgelicht. Ik heb het, zelfe in dit verhaaL, slechts 
■"tt eene onwillige hand voor een oogenblik opgetild, en gaame weder 
Ulen vallen, De herinnering van dat leven doet aan zoo veel smart, zoo- 
*m1 zielclijden en hopeloosheid denken, dat ik nooit den moed heb 
S^Kad om zelfs maar na te gaan hoetang ik er toe gedoemd was. Of het 
een jaar lang, of korter, of langer duurde, weet ik niet. Ik weet alleen dat 
ik het gebad heb, en dat het heeft opgehouden ; en dat ik het beschreven 
beb en het daarbij laat blijven. 



IK MAAK KEK MIBUW BEGIN. 

Mijnheer Dick en ik werden spoedig de bestc vrienden, en zeer dik* 
wijls gingen wij, a)s zijn dagwo'k gedaan vas, te zamen uit om den groo- 
ten vUeger op te laten. Geen dag van zijn leven ging er om of hij werkte 
tiren achtcrecn aan zijn Memorie, die echter, hoe hard hij ook werkte, 
nooit den minsten voortgang maakte, want vroeger of later kwamkoning 
Karel de Ecrste er altijd in, en dan werd bet stuk ter zijde gelegd en een 

DAVm COFFBRFISLD. L U 



XyS DAVID COPPKRFIELD. 



ander begonnen. Het geduld en de hoop, waarmede hij deze gedurige 
teleurstellingen droeg, de stille bewustheid die hij had, dat het met dien 
koning Karel den E^rsten niet richtig was, de zwakke pogingen die hij 
aanwendde om hem buiten de Memorie te houden, en de zekerheid 
waarmede hij er toch inkwam en alles bedierf , maakten een diepen 
indruk op mij. Wat mijnh'eer Dick zich voorstelde dat er van die Memo- 
rie zou komen, als hij er mede gereed was ; waarheen hij dacht dat zij 
gaan zou, of wat hij dacht dat zij zou doen, wist hij even weinig als iemand 
anders, geloof ik. Ook was het geheel niet noodig, dat hij zich over zulke 
vragen het hoofd brak, want indien er iets onder de zon zeker was, zoo 
was het zeker dat de Memorie nooit zou afkomen. 

Het was waarlijk een aandoenlijk schouwspel, placht ik te denken, 
hem bij den vlieger te zien staan, als deze hoog in de lucht stond. Wat 
hij mij op zijne kamer had gezegd van zijne meening, dat de vlieger de 
daaropgeplakte berichten zou verspreiden, die niets anders waren dan 
oude bladen van mislukteMemori€n,magsomtijdswerkelijkeeneinbeel- 
ding van hem geweest zijn ; maar niet wanneer hij buiten naar zijn in de 
lucht staanden vlieger keek, en dien aan zijne hand voelde trekken. 
Nooit zag hij er zoo helder uit als dan. Ik placht mij te verbeelden, alsik 
des avonds op eene groene helling bij hem zat, en hem hoog in de stille 
lucht naar den vlieger zag tiu-en, dat deze zijn geest aan zijne verwarring 
ontvoerde, en hem (dit was mijne kinderlijke gcdachte) mede in de lucht 
verhief. Als hij het touw inhaalde, en de vlieger al lager en lager daalde, 
uit het heerlijke licht, tot hij fladderend naar den grond kwam en daar 
als dood bleef liggen, scheen hij langzamerhand uit een droom te ontwa- 
ken ; en ik herinner mij, dat ik hem zijn vlieger heb zien opnemen en 
verbijsterd rondkijken, alsof zij beiden te zamen naar beneden waren 
gekomen, en dat ik hem dan met al mijn hart beklaagde. 

Terwijl ik met mijnheer Dick vriendschappelijker en gemeenzamer 
werd, ging ik in de gunst zijner standvastige vriendin, mijne tante, niet 
achteruit. Zij kreeg zooveel behagen in mij, datzij,na verlopp vaneenige 
weken, mijn aangenomen naam Trotwood tot Trot verkortte,en mij zelfe 
hoop gaf dat ik, indien ik voortging gelijk ik begonnen was, eens den- 
zelfden rang in hare genegenheid zou verwerven als mijn zusje Betsey 
Trotwrood. 

>Trot," zeide mijne tante op een avond, toenhettriktrakbord volgens 
gewoonte tusschen haar en mijnheer Dick stond, >wij moeten uwe op- 
voeding toch niet vergeten." 

Dit was het eenige wat mij nog bekommerd had, en ik was zeer blijde 
dat zij er van sprak. 

» Zoudt gij wel te C an terb ury school willen gaan ?" zeide mijne tante. 

Ik antwoordde, dat ik dit gaame zou willen, daar dit zoo dichtbij haar 
zou zijn. 

t Goed," zeide mijne tante. » Zoudt ge morgen wel willen heengaan ?** 

Daar de voortvarendheid, welke mijne tante doorgaans in alles liet 
blijken, mij reeds niet vreemd was, verwonderde dit plotselinge voorstel 
mij niet, en antwoordde ik: »Ja." — »Goed," zeide mijne tante wederom. 




•Jinet, bestel het wagentje met den grijzen hit tegen morgenochtend om 
mnvrea, en pak van avood jonge heer Trotwood's kleeren in." 

Ik was opgetogen toen ik deze bevelen hoorde geven ; maar mijn hart 
ver«M mtj mijne telfzucht, toen ik den indiuk dezer woorden op miju'^ 
h«r Dick vemam, die door het vooruitzicht op onze scheiding zoo nccr- 
slachtig werd en dicntengevolge zoo slecht speelde, dat mijne tante, na 
Jittn met haar beker vetscheidene waarschuwende tikken op de vingers 
*< bebben gegevcn. het bord toedeed en niet langcr met hem wilde spc-" 
■loi. Doch tocn hij van mijne tante hoorde, dat ik somtijds des zaterdags 
wa overkomen, en dat hij mij somtijds des woensdags zou gaan bezoe- 
ken, herleefde hij weder, en bcloofdc voor die gelcgenhedcncen anderen 
▼li^cr le zullen maken, veel grooter dan de tegen woordigc. Des morgens 
*19 hij weder ter necr geslagen, en had hij zich willen opbeuren door 
<iuj al het geld te geven, dat hij in zijn bezit had, goud en zilver, als mijne 
tute cr niet tusschen was gekomen en de gift tot vijf schellingen had be- 
pctkt, die, op zijn dringend verzoek, naderhand tot den vermeerderd 
Vcrden. Wij namen bij het hek van den tuin op de hartelijkste manier 
a&cheid, en niijnheer Dick ging niet in huis voordat wij (mijne tante en 
<k) met het wagentje uit het gezicht waren. 

Mijne tante, die het geheel onversclullig was wat de menschen van 
hur dachten of teiden, mende zelve den hit op eene meesterlijke manier 
^reed zoo door Dover. Zij zat hoog en stijf als een livreikoetsier, 
bield haar paardje vast in het oog, en stelde er eene eer in om het in geen 
CDkel opzicht zijn eigen zin te laten doen. Toen wij buiten op den weg 
TCren, gaf zij het echter wat meer toe ; en naar mij omlaag kijkende, in 
eene vallei van kussens naast haar, vToeg zij mij of ik nu in mijn schik was. 
>Zeer in mijn schik waarlijk, en ik dank u wel, tante," zeide ik. 
Zij was daarover zeer wel tevreden, en daar zij beide handen vol had, 
tikte zij mij eens met de zweep op het hoofd. 

»Is het eene groote school, tante f" vroeg ik. — iDat weetik niet," 
antwoordde zij. iWij gaan cerst naar mijnheer Wick&eld."^ »Houdt 
die eene school?" vroeg ik, — »Neen, Trot," zeide mijne tante, >hij 
houdt een kantoor." 

Ik vroeg om geene vcrdere inhchtingen aangaande mijnheer Wick- 
field, daar zij die niet vrijwillig aanbood, en wij praatten over andere 
dingen totwijteCanterbury kwamen, waar, dewiji het marktdag was, 
mijne tante eene goede gelegenheid had om den grijzen hit tusschen kar- 
ren, manden, hoopen groente en uitstallingen te laten doordraven. De 
ge vaarlijke wendingen en draaien, die wij deden, lokten eene menigte aan - 
merkingen van omstanders tut, die niet altijd vieiend waren ; maar mijne 
tante reed met volkomene onverschilligheid door, en ik geloof zeker, 
dat zij even koelblocdig door een vijandeUjk land zou hebben heen- 

Eindelijk hidden wij stil voor een zeer oud huis, dat over destraat 
heenhing, met eene bovenverdieping vol lagc klapvensters, die nog ver- 
der ovcrhing, en balken met gebeeldhouwde koppen aan de einden, die 
weder nog vcrder uitstaken, zoo dat ikmij verbeeldde, dat het gcheele huis 



i8o 



vooroverieunde, en beproefde te zien wat er beneden op de smalle stniat 
omging. Het was buitengemeen zindelijk. De ouderwetsche koperea 
klopper aan de lage boogdeur, met gedrevene kransen van bloemeD' 
en vnichten vcreierd, Sikkerde als eencster; de twee steenen treden^ 
waaimede men naar de deur afging, waren zoo wit alsof zij met schooD- 
Unnen waren bedekt : en al de hoeken en uitstekken, de lijsten en knillcD, 
dc Eutrdige kleine ruitjes en de nog aardiger venstertjes, schoon zoo oud sis- 
de bergen, waren zoo zuiver als er ooit sneeuw op de bergen is gevallen, 

Toen het wagentje voor de deur stilhield en ik net buis aanstaarde, zag 
ik een lijkachtig gericht verschijnen voor een venstertje gelijkvloers (ia 
ecD rond torentje, dat aan den eenen hoek van het buis stond) en snel 
wedcT verdwijneD. Daarop werd de 1^ boogdeur geopend en kwam bet 
gezicht naar buiten. Het zag er even lijkachtig uil als het voor het venster 
had gedaan, nfschoon onder de buid een zweempje van dat rood sche- 
merde, dat men somtijds bij menscben ziet, die rood haar hebben, Het 
behoorde ook aan iemand met rood haar — een jongmensch van vijftien 
jaren, gelijk ik nu begrijp, maar die er veel ouder uitiag — wicnshaar 
zoo kort als de kortste stoppels was geknipt ; die bijna geene wenkbrau* 
wen en geheel geene oogbaren had, maar roodachtig bniine oogcn, die 
zoo bloot en onbeschaduwd in zijn hoofd lagen, dat ik er mij over ver- 
wonderde hoe bij Icon slapen. Hij had hooge scbouders en was grof ge~ 
beeiid, en fatsoenlijk in het jwart gekleed, met een rok, die tot aan zijne 
keel was dicbtgeknoopt, en eenc smalle witte das, en hij bad eene lange, 
smalle, scheletachcige hand, die bijzonder mijne aandacbt trok, toen hij 
er zijne kin mede wreef, terniji hij bij den kop van den hit naar one in 
het wagentje stond te kijken. 

tis mijnheer Wickfield thuis, Uriah Heep?" zcide mijne tante. — 
• Mijnhcer Wickfield is thuis, juffrouw," antwoordde Uriah Heep, >als ge 
maar zoo goed wilt zijn om binnen te gaan ;" en bij wees met zijne lange 
hand naa' de kamer, die bij bedoelde, 

Wij stapten uil, en hetn den hit latende vasthouden, traden wij eene 
diepe, lage zijkamer binnen die op de straat uitzag, en juist bij het binnen- 
komen zag ik door het venster, dat Uriah Heep den hit in de neus^aten 
aderode en deze terstond daarop met zijne hand bedekte, alsof hij het 
beest wilde betooveren. Tegenover den hoogen ouden schoorsteen- 
mantel hingen twee portretten : het eene van een beer met grijs haar (hoe- 
wel lang geen oud man) en zwarte wenkbrauwen, die eenige papicreo 
doorkeek, met rood band bij elkandergebonden; het andere van eene 
dame wier gezicht eenc leei vrcedzame en vriendelijke uitdnikking bad 
«n die mij aanzag. ' 

Ik gcloof, dat ik mij omkeerde om naar bet portrct van Uriah te 2oe- 
ken, toen er eene deur aan het eind van het vertrek werd geopend en e«n 
heer binnentrad, op wiens gezicht ik mij weder naar het eei^t gemelde 
portret keerde, om mij volkomen te verzckcrcn, dat het niet uit Eijne lijst 
was gekomen. Doch bet was er in gebleven ; en toen de heernaderbij 
kwam in het licht, zag ik, dat hij eenige jaren ouder was dan toen hij zijtt 
portret had laten schilderen. 



Wd BRBHOEN EERST EEN BEZOEK BIJ HAAR ADVOCAAT. iSl 

'Juifrouw Betsey Trotwood," zeide deze heer, »ei, kom loch binnen. 
Ik «u op bet oogenblik beztg, maar gij zult het mij niet kwalijk nemcn, 
<Jat ik het dnik heb. Gij weet wel welke beweeereden ik hcb om mij met 
a»veel werk te overladen. Ik heb er maar een in geheel mijnleven," 

JuBioUw Betsey bedankte hem en wij gingen naar rijne kamer, die als 
een kantoor was gemeubileerd, met boeken, papiercn, blikken trommels 
en 100 voort. Dit vertrek zag op deo tuin uit, en er was eene ijzcren 
brandkast in den muur gemetseld, zoo vlak boven den schoorsteen- 
mimtel, dat ik mij vcrwonderde, terwijl ik ging zitten, hoe de schoorsteen- 
vegers er om been kwamen als zij den schoorsteen veegden. 

•Wel, juffrouw Trotwood,'' zeide mijoheer Wickfield ; want spoedif 
«mam ik, dat hij het was, en dathij een rechtsgeleerde was en rent- 
iMester der goederen van een rijk edelman in het graafschap, twelke 
wind waait u hier naar toe ? Geen slechte wind, hoop ik f" — tNeeo," 
*ni«oordde raijne tante. ilkkom niet omrechtszaken." — iGocdzoo, 
jcfffouw," zeide mij nheer Wickfield. »Beterdat gij om iets anders komt." 
Zijn haar was nu geheel wit; hoewel zijne wenkbrauwen nog zwart 
*aKn. Hij had een zeer innemend gezicht^ en was een schoon man, naar 
mij dacht. Zijne kleur had iets gloeiends, waarbij ik, door Peggotty on- 
<lwricht, sedeit lang gewoon was aan portwijn te denken ; ik verbeeldde 
Qjj dien ook in zijne stem te hooren, en schreef zijne zwaarlijvigheid aan 
dezelfde oorzaak toe. Hij was zeer net enzindelijk gekleed, met een 
bliuwen rok, gestreept vest en nankingsche broek ; en zijn fijn geplooid 
overhemd en kamerdoeksche das zageo er zoo buitengemeen zacht en 
*il uit, dat lij (dit herinner ik mij nog) mijne spelende verbeelding aan 
liet doDS op de borst van een zwaan deden denken 

> Dit is mijn neef," zeide mijne tante. — > Wist niet, dat gij er een hadt, 
jnffrouw Trotwood,"zeide mijn heer Wickfield. — iDat is te zeggen, mijn 
achtemeef," merkte mijne tante aan. — tWist niet, dat gij een achler- 
neef hadt, op mijn woord," antwoordde mijnhcer Wickfield. — ■ ilk heb 
hem tot mij genomen," zeide mijne tante, met hare hand wuivende. 
waarmede zij aanduidde, dat zijn weten en niet weten haar eveneenswaren, 
len heb hem hier gcbracht om hem op eene school te bestellen, waar 
hij grondig onderwezen en goed behandeld wordt Zeg mij nu waar zulk 
eene school is, en wat zij is, en zoo al meer." — »Eer ikubehoorlijkraad 
kangeven," zeide mijnheer Wickfield -^ ide oude vraag, weet ge. Welke 
beiveegreden hcbt ^e hierbij ?" — »Wat scheelt dien man loch!" riep 
mijne tante uit. > AlUjd zoekt hij naar beveegredenen, al zijn zij ook zoo 
fclaar als de dag I Wel, om het kind gelukkig te maken en een bruikbaar 
mensch te doen worden." — »Het zal toch eene beweegreden van gc- 
mengden aard moeten zijn, denk ik," zeide mijnheer Wickfield, en 
schudde me; een ongeloovig glimlachje zijn hoofd. — »Loop been met 
uw gemengden aard! antwoordde mijne tante. Gij wilt zeggen, dat gij bij 
al wat gij doet maar ^ne eenvoudige beweegreden hebt. En gij denkt 
toch niet, hoop ik, dat gij de eenige op de wereld zijt, die recht door zee 
gaat?" — >Ja, ik heb raaar ^ne beweegreden, maar SSndoelinhet 
leveo, juffrouw Trotwood, Andere menschen hebben er bij dozijnen, bij 



iSa DATID copfkrtiklo. 

honderden. Ik beb er maai een. Daar ligt het onderscheid. Maar dit b nu 
de vraag niet Ue beste school f Wat uwe beweegreden dim ook wezeo 
mag, gij wilt de bestc hebben ?" 

Mijne tante kniktc tocstemmcnd. 

»Op de beste, die wij hebben," zeide mijnheer Wickfield peinzende^ 
»zou iiw neefje op het oogenblik niet m den kost kunnen genomen wor- 
den." — iMaar hij zou toch wel ergens anders in den kost kunnen ge- 
daan worden ? gaf mijne tante in bedenking. 

Mijnheer Wick field dacht,dat ditwel kon.Na eenige woordenwisseling- 
deed hij het voorstel om mijne tante naar de bedoelde school te bren- 
gen, opdat zij zelve zou kunnen zien en oordeelen, en haar ook, met 
hetzelfde oogmerk, naar twee of drie huizcnte brengen, waarhij dacht 
dat ik in den kost zou kunnen komen. Daar mijne tante dit voorstel aan- 
nam, zouden wij alle drie te zamen uitgaan, toen hij staan bleef en zeide: 

»Ons vriendje hier zou wel eene beweegreden kunnen hebben om 
bezwaren tegen onze schikkingen te maken. Ik geloof, dat het beter sou 
zijn hem hier te laten," 

Mijne tante scheen genegen oro dit punt te betwisten; maar om de 
zaak te bespoedigen, zeide ik, dat ik gaame daar wilde blijven, als bun 
dit zoo beliefde, en ging wedcr naar het kantoor, waar ik mij weder op 
den stoel zette waarop ik eerst gezeten bad, om naar hunne terugkomst 
te blijven wachten, 

Nu was het geval, dat die stoel vlak tegenover een smallen gangstond, 
die op het ronde kamertje uiiliep, waar ik het bleeke gezicht van Uriah 
Heep uit het venster had iien kijken. Uriah, die den hit naar een nabu- 
rigen stal gebracht had, zat in dit kamertje te schrijven voor een lesse- - 
naar, die bovenaan een kopercn hekje had om papieren over te hangen, 
en waarover toen het geschrift hing, dat hij zat te kopieeren. Hoewel hij 
zijn gf zicht naar mij toe had, dacht ik eene poos, dat hij dewijl dit ge- 
schrift tusschen ons was, mij niet kon zien; maar toen ik met meer 
oplettendheid naar dien kant keek begonhet mij tehinderen, datzijne 
twee slapelooze oogen telkens als twee roode zonnen onder dat geschrift 
kwamen, en mij tersluiks aanstaarden, zeker wel eene voile minuut 
achtereen, terwijl toch zijne pen even vlug voortschreef, of scheen voort 
te schrijven als ooit. Ik deed verscheidene pogingen om die oogen uit 
den weg te gaan — zooals door boven op de stoel te gaan staan om 
naar eene landkaart aan het andere eind der kamer te kijken, of een 
Kentsch nieuwsblad door te zien — maar altijd trokken zij mij weder 
naar zich toe ; en wanneer ik ook naar die twee roode zonnen keek, altijd 
bevond ik, dat zij of juist opkwamen of juist ondergingen. 

Eindelijk kwamen, zeer tot mijne verademing, mijne tanteen mijnheer 
Wickfield. na eene vrij lange afwezigheid, terug, Zij waren niet zoo gocd 
geslaagd als zij wel gewenscht hadden; want hoewel de vele aanbevc- 
lenswaardige hoedanighcdcn der school onloochenbaar waren, had 
mijne tante geen der voor mij voorgestelde kosthuizen goedgekeurd. 

■ Het is heel ongelukkig," zeide mijne [ante; >ik weet nietwattedoen^ 
Trotwood," — iHet is zeer ongelukkig," zeide mijnheer Wickfield. 




^ 



IK ZIS AGNES VOOR HEX EERST. 1 83 

iMaar ik wil u toch wel zc^gen wat gij doen kunt, jufFrouw Trotwood.'' — 
>Ed wat is dat ?" vroeg mijne tante. — >Laat uw neef je vooreerst maar 
hier blijven. Hij zal ons volstrekt niet hinderen. Dit is een uitmuntend 
hab om te studeeren. Het is stil als een klooster en bijnaeven niiro. Laat 
hem maar hier." 

MiJDe tante was blijkbaar ingenomen met dit voorstel, schoon zij te 
Uesch was om het aan te nemen. Mij beviel het insgelijks. 

iKom aan, juffirouw Trotwood," zeide mijnheer Wickficld. tZoo zijt 

gij het bezwaar te boven. Het is maar eene voorloopige schikking, weet 

ge. Als het niet goed gaat, of ons niet van weerskanten bevalt, kanhet 

gemakkelijk weer veranderd worden. Ondertusschen zult ge tijd hebben 

om een beter hois voor hem te zoeken. Gij moet er maar toe overgaan 

om hem vooreerst hier te laten," — > Uw voorslag is mij zeer aangenaam," 

zeide mijne tante, ten hem ook, dat zie ik; maar..." — tOch, ik weet 

wel wat gij meent," riep mijnheer Wickfield uit. t Gij zult niet onder den 

dnik van eene verplichting komen, juffrouw Trotwood. Gij kunt voor 

hem betalen, zoo gij verkiest. Wij zuUen over de condities geene 

nizie maken; maar gij kunt betalen als ge dat wilt." — »Met dat 

beding," zeide mijne tante, » schoon het de wezenlijke verplichting 

niet vermindert, zal ik hem zeer gaame hier laten." — >Kom,laten 

wij dan mijn huishoudsterje eens gaan opzoeken," zeide mijnheer 

VWckfield. 

Wij gingen dus eene verwonderlijke oude trap op, met eene leuning 
zoo breed, dat wij daarover bijna even gemakkelijk naar boven hadden 
kunnen gaan; en naar eene ouderwetsche, schemerachtige pronkkamer, 
verlicht door drie of vier van die aardige venstertjes, naar welke ik van 
de straat had opgezien, met eikenhouten banken er voor, die van dezelfde 
boomen schenen te zijn gekomen als de spiegelende vloer en de groote 
balken van de zoldering. Deze kamer was zeer aardiggemeubileerd,met 
eene piano, en vroolijk met rood en ^oen bekleede meubelen, en bloe- 
men hier en daar. Zij scheen geheel mtzonderlinge hoeken enuitstekken 
te bestaan, en in elken hoek en uitstek stond een zonderling gefatsoen- 
eerd tafeltje, of kastje, of $toel, of iets anders, dat mij denken deed dat 
er geen tweede zoo pleizierg hoekje in de kamer was ; tot ik naar het vol- 
gende zag, en dit even pleizierig, zoo niet no^ beter vond. AUes droeg 
denzelfden stempel van stilte rust en zindehjkheid, die het huis van 
buiten kenmerkte. 

Mijnheer Wickfield tikte aan eene deur in den met hout beschoten 
wand, en een meisje van omtrent mijne eigene jaren kwam snel naar 
buiten en gaf hem een kus. Op haar gezichtje zag ik terstond dezelfde 
vreedzame en vriendelijke uitdrukking, welke ik in het damesportret, dat 
ik beneden had gezien, had opgemerkt. Het was voor mijne verbeelding 
alsof het portret verouderd en het oripneel een kind gebleven was. Hoe- 
wel haar ^ezicht zeer helder en vroolijk was, had het toch iets rustigs, en 
dat had. zij geheel over zich — een stillen, goeden, kalmen geest — dat 
ik nooit vergeten heb; dat ik nooit vergeten zal. 

Dit was zijn huishoudstertje, zijne dochter Agnes, zeide mijnheer 



184 DAVm COPPBRFIELD. 

Wickfield. Toen ik hoorde hoe hij dit zeide, en zag hoe hij baar handje 
vasthield, giste ik wat het ^^ne doel van zijn leven was. 

Zij had een gevlochten taschje of mandje op zijde hangen, met sletttds 
er in ; en scheen zulk een stemmig en zorgvuldig huishoudstertje te djn 
als het oude huis maar kon hebben. Zij luisterde met een genoeg- 
lijk gezichtjc naai haar vader, terwijl hij haar van mij verteldc; en 
toen hij gedaan had, noodi^de lij mijne tante om naar boven te komen 
en mijne kamer te zien. Wij gingen alien te zamen; zij voor ons uit; en 
eene heerlijke ouderwetsche kamer was het, met nog meer eiken balken 
en kleine schuinsche ruitjes; en de breede leuning liep de geheele trap 
langs tot boven toe. 

Ik kan mij niet herinneren waar of wanneer ik in mijne Idndsheid in 
eene kerk een geschilderd venster had gezien . Ook het onderwerp daarvan 
herinner ik mij niet. Maar ik weet wel, toen ik haar zich zag omkeeren, 
in het plechtige licht van die oude trap, en boven naar ons wachten^toea 
dacht ik aan dat venster; en dat Agnes Wickfield mij altijd naderhand 
lets van die zachte helderheid voor den geest riep. 

Mijne tante was even weltevreden als ik, over de voor mij gemaakte 
schikking, en wij gingen zeer vergenoegd weder naar de pronkkamer. 
Daar zij er niet van wilde hooren om te blijven eten, uit vrees dat een of 
ander toeval haar dan mocht verhinderen om voor den donker met den 
grijzen hit thuis te zijn; en daar mijnheer Wickfield haar te wel scheen te 
kennen om haar over lets te willen tegenspreken, werd er daar het een 
en ander voor haar gereed gezet, en ging Agnes weder naar hare gouver- 
nante en mijnheer Wickfield weder naar zijn kantoor. Zoo bleven wij 
alleen en konden ongehinderd a&cheid nemen. 

Mijne tante zeide mij, dat mijnheer Wickfield in alle opzichten voor 
mij zou zorgen, en dat ik aan niets gebrek zou hebben, en gaf mij de 
vriendelijkste woorden en den besten raad. 

>Trot," zeide zij tot besluit, > maak dat gij u zelven, en mij en mijnheer 
Dick tot eer strekt, en de Hemel zij met u !" 

Ik was diep aangedaan, en kon niets anders doen dan haar nogmaals 
en nogmaals bedanken, en mijnheer Dick mijn vriendelijksten groet 
zeoden. 

iWees nooit laag," zeide mijne tante, >in wat het ookwezenmag; 
wees nooit valsch; wees nooit wreed. Vermijd die drie ondei^en, Trot^ 
dan kan ik altijd het beste van u hopen." 

Dc beloofde, zoo goed ik kon, dat ik hare goedheid nooit zou misbrui- 
ken en hare vermaning nooit ver^eten. 

> De hit staat voor de deur," zeide mijne tante, * en ik moet vooit Blijf 
hier." 

Met deze woorden gaf zij mij haastig een kus, ging de kamer uit en 
sloot de deur achter zidi. In het eerst schrikte ik van dit overijld vertrck, 
en vreesde ik bijna dat ik haar verstoord had ; maar toen ik naarde straat 
keek, en zag hoe neerslachtig zij in het wagenq'e staple, en voortreed 
zonder meer op te kijken, begieep ik haar beter en deed ik haar gcen 
onrecht meer aan. 



K BLtjr TOORBBRST TKN HUIZB VAN UUNHEER WICKFIBLD. iSg 

T^|en vijf uur, dat mijnheer Wickfield's etensuur was, ha.d ik mijne 
^Toolijkheid reeds herkregen, en was ik gereed om met mes en vork aan 
^ gang te gaan. De tafel was alleen voor ons beiden gedekt; maar 
Agnes zat voor den maaltijd in de pronklcamer te wachteo, ging met 
Mit rader naar bencden en ^elte zich tegenover hem aan tafel. Ik twijfel 
ttiia of hij zonder haar wel had kunnen eten. 

Na den maaltijd bleven wij niet zitten, maar gingcn weder naar boven 
°W de prankkamer, waar Agnes in een genoegLtjk hoekje eene kaiaf 
met portwijn en glazen voor haar vader had gereed ^ezet Ik dacht, dat 
^wijn zijn gewonen smaak zou gemist hebben, als hij daar door andere 
bioden voor hem geiet was. 

Daar lat hij twee uren lang en dronk op zijn gemak, en tamehjk veel, 
■nwijl Agnes op de piano speelde, werkte en met hem en mij praatte. 
Hij vas meestal vroohjk en opgeruimd; maarsomtijds bleef zijn oo^ voor 
ttat poos op haar nisten, en dan verzonk hij in een mijmerend stiinrij- 
pa. Zij merkte dit, naar mij dacht, spoedig op, en wekte hem altijd met 
etDcvraag of eene liefkoozing. Dan ontwaakte hij uit zijn gepeins, en 
ifconk al weder cen glas wijn. 

Agnes zette en schonk thee j en daarna verliep de tijd gelijk na den 
maattijd, totdat zij naar bed ging. Toen nam haar vader haar in zijne 
innen en gaf haar een kus,en zoodra zij heengegaan wasjiethijkaarsen 
to zijn kantoor brengen. Toen ging ik ook naar bed. 

Doch in den loop van den avond was ik eens naar de deur gegaan en 
een eindje de straat op gedwaald, am nog eens naar de oude huizen en 
de eerwaardige domkerk te kijken ; en te denken, hoe ik op mijne reis 
door die oude stad was gekomen, en hetzelfde huis, waarin ik nu woonde, 
*M voorbijgegaan zonder het te kennen. Toen ik terugkwam, zag ik 
Uriah Heep het kantoor sluiten ; en daar ik voor iederecn vriendelijk 
nlde zijn, ging ik naar binnen om met hem te spreken, en gaf hem bij 
het afscheid de hand. Maar o, welk eene klamme hand had hij ! even 
spookachtig voor het gevoel als voor het gezicht ! Ik wreefnaderhandde 
mijne, om ze le warmen, en om de zijne af te wrijven. 

Met was zulk eene akelige hand, dat zij mij, toen ik naar mijne kamer 
S^'Si °og nat en koud in het geheugen lag. Toen ik mijn hoofd uit het 
venster stak, en een der koppen aan de uitstekende balken schnins naar 
mij zag kijken, verbeeldde ik mij, dattet Uriah Heep was, die op eene 
of andere manier daarbovenop was gekomen, en sloo t hem haastig buiten. 



XVI. 

IK BBM KKH MIEUWB JONGEK IH MEER DAN ttS OPZICHT. 

Den volgenden ochtend, na het ontbijt, begon ik wederschool te gawi. 
Ik stapte, door mijnheer Wickfield vergezeld, naar dc plaats waar ik 
Toortaan zou studceren — een deftig gebouw met een voorplein, hetwelk 
d, dat zeer wel scheen te strooken met de enVAt 



iets gelceids over zich had, d 



X86 DAVm COPPERFIELD. 



kraaien en kauwen, die van de torens der domkerk naar beneden kwa- 
men om stemmig over het grasperk te wandelen — en werd aan mijn- 
nieuwen meester, doctor Strong, voorgesteld. 

Doctor Strong zag er, naar mijne gedachten, bijna even roestig uit als 
het hooge ijzeren hek voor het huis, en bijna even stijf en log als de groote 
steenen vazen, die om het voorplein, op regelmatigen afstand, op den 
rood steenen muur stonden, als een reusachtig kegelspel, voor den Tijd, 
om mee te spelen. Hij was in zijne bibliotheek ( ik meen doctor Strong)' 
met kleeren, die niet bijzonder schoon geborsteld, en haren, die niet 
zorgvuldig gekamd waren ; zijne korte broek niet opgehaald, en zijne 
lange zwarte slopkousen niet toegeknoopt, terwijl zijne schoenen voor 
hem op het haardkleedje stonden. Een paar glanslooze oogen naar mi] 
toekeerende, die mij aan een lang vergeten blind paard deden denken^ 
dat op het kerkhof van Blunderstone het gras placht af te knabbelen 
en over graven te strompelen, zeide hij, dat hij zich verheugde mij te zien, 
en gaf mij toen zijne hand, waarmede ik niet wist wat te doen, daar die 
hand zelf ook niets deed. 

Doch aan een werktafeltje, niet ver van doctor Strong, zat eene zeer 
bevallige jonge dame — die hij Annie noemde, en ik voor zijne dochter 
hield — welke mij uit mijne verlegenheid hielp door neer te knielen om 
doctor Strong zijne schoenen aan te doen en zijne slopkousen toe te 
knoopen, hetgeen zij zeer vlug en vroolijk deed. Toen z\) gedaan had, en 
wij naar de schoolkamer zouden gaan, verwonderde het mij zeer, dat 
mijnheer Wickfield, die haar goedenmorgen wenschte, haar als mevrouw 
Strong aansprak, en ik poogde te raden of zij de vrouw van des doctors 
zbon of wel van den doctor zelven zou zijn, toen doctor Strong mij on- 
willekeurig inlichting gaf. 

»A propos, Wickfield," zeide hij, terwijl hij in de gang bleefstaan, 
met zijne hand op mijn schouder, »gij hebt nog geene goede betrekking 
voor dien neef van mijne vrouw?" — »Neen," antwoordde mijnheer 
Wickfield. »Nog niet" — »Ik zou wel wenschen, dat dit zoo spoedigge- 
beurde als maar kon," hervatte doctor Strong, »want JackMaldonis 
arm en loopt ledig ; en van die twee leeliike dingen komen somtijds nog 
leelijker dingen. » Wat zegt doctor Watts r" vervolgde hij, mij aanziende, 
en met zijn hoofd knikkende, op de maat van den aangehaalden versre- 
gel : »De duivel vindt altijd iets kwaads voor leege handenuit." — >Och, 
doctor," zeide mijnheer Wickfield hierop, » als doctor Watts de menschen 
had gekend, had hij met evenveel reden kunnen zeggen, dat de duivel 
voor werkzame handen iets kwaads te doen weet te vinden. De werk- 
zame menschen doen kwaad genoeg in de wereld, d^r kunt gij op aan. 
Wat hebben die lieden uitgevoerd, die sedert een paar honderd jaren 
den meesten ijver hebben getoond om geld te winnen en macht te beko- 
men ? Geen kwaad ?" — » Jack Maldon zal nooit veel ijver toonen om 
een van beide te bekomen." zeide doctor Strong, peinzend zijne kin 
wrijvende. — »Misschien wel niet," zeide mijnheer Wickfield, » en gij 
brengt mij weder tot de vraag, terwijl ik verschooning moet verzoeken, 
dat ik er van ben afgedwaald. Neen, ik ben nog niet in staat geweest om 



DOCTOR STROKO. 187 

mijiiheer Jack Maldon te plaatsen. Ik geloof^" dit zeide hij eenigSEina 
iuzelend,>datikuwebeweegreden doorzieenditmaaktdezaakraoeie- 
lijter." — iMijne beweegreden," anlwoordde doctor Strong, >is ecn 
neef en ouden speelkameraad van Annie aan een bestaan te helpen." — . 
'Ja, dat weet ik," zeide naijnheer Wickfield, »het zij hier of buitens- 
tinds." — »Ja!" antwoorddc de doctor, zich verwonderende naar het 
icheeD, vaarom hij zulk een nadruk op die woorden legde. »Hier of 
btiitenlands." — »Uwe eigene woorden, gelijk ge weet," hervatte mijn- 
littrMckfield.iOfbuitensIands." — 1 Wei zeker!"antwoorddede doctor, 
>Wel leker. Het een ofhetander," — >Heteenofhetander?Hebtgij 
geene voorkeurf" vroeg naijnheer Wickfield. — >Neen," antwoordde 
dc doctor. — >Niet?" zeide mijnheer Wickfield, met verbazing. — iln 
bet minste niet." — » Geene beweegreden," hervatte naijnheer Wickfield, 
10m huitenslands, en niet hier te nemen f — » Neen, antwoordde do 
doctor, — »Ik ben vcrplicht om u te gelooven, en natuurlijk geloof ik u 
ook," zeide mijnheer Wickfield hierop. »Het had mijne taak zeer kun- 
Des vereenvondigen , als ik dit vroeger had geweten. Daar ik tnoet 
^ennen dat ik een ander denkbeeld koesterde," 

Doctor Strong zag hem aan met een blik van verlegenheid en twijfel, 
&t echter spoedig in een glimlach overging, welke mtj zeer bemoedigde, 
Wi vriendelijk en goedig was hij. Bovendien lag in dien glimlach, zoo- 
*cl als in geheel zijn voorkomen en zijne manieren, als hij maai door 
lijne geleerde, mijmerendestroefheidheenwas, eene eenvoudigheid,die 
Hn jeudig student, zooals ik, moest aanlokken en vertrouwen inboeze- 
■Mn. Onder het mompelen van iNeen," en »In het rainste niet," en 
indere dergerlijke korte verzekeringen, staple doctor Strong voorons. 
lit, met een wonderiijken, ongelijken tred, en wij volgden. Mijnheer 
Wickfield keek emstig en schudde het hoofd, zonder te wcten dat ik 
dit ug. 

De schoolkamer was eere tamelijk groote zaal, aan den stikten kant 
I'M het huis, die vlak tegenover een deftig uitzicht had op een half dozijn 
^ die groote vazen, en in de schuinte op een ouderwetschen tuin, ^e 
den doctor behoorde, en waar, aan den zonnigen muur tegen het-zuiden, 
dc perziken hingen te rijpen. £r stonden ook groote aloe's in tobben, op 
hetgras voorde vensters; en sedert zijn de breede, harde bladen der 
plant (die er uitzien alsof zij van beschilderd blik gemaakt waren) 
'oot mij zinnebeelden van stilte en afzondering geweest, Ongeveer 
^f en twintig jongens waren ijverig met hunne boeken bezig toen 
*ij binnenkwamen, maar zij stonden op om den doctor goeden mor- 
gen te wenschen en bleven staan toen zij mijnheer Wickfield en mij 
zagen. 

• Een nieuwe jongen, jonge heeren," zeide de doctor. iTrotwood 
Copperfield." 

Zekere Adams, die deeerste van de school was, kwam van zijne plaati^ 
om mij te verwelkomen. Hij zag er met zijne witte das uit abof hij een 
jonge doming was, maar was zeer vriendelijk en goedwillig, en wees mi} 
mijne plaats en stelde mij aan de meesters voor, met een "«e^%tmaiflftii> 



t$8 DAVm COPPERFIELO. 

heid, die mij uker op mijn gemak zou gebracht bebben, als lets dit had 
kunnen docn. 

Het kwam mij echter zoo lang^deden voor, dat ik onderzulke joD- 
gens, of onder makkers van mijne eigene jaren, behalve Mick Walker en 
Mealjr Potatoes, was geweest, dat ik mij daar zoo rreemd gevoelde als 
ik ooit in mijn leven ergens gedaanheb. IkwaszoobewustvantooneeleQ 
te hebben bijgewoond, waarvan lij niets konden weten, en eene ondcr- 
vinding te hebben opgedaan, welke iemand van mijn ouderdom, voor- 
komcn en stand (als een hunner) geheel vreemd bad moeten zijn, dat ik 
het half voor een bedrog hield, zooals een gevone kleine schoolknaap 
onder hen te komen. Ik was in mijn tijd bij Murdstone en Grinby, hoc 
lang of kort dien dan roag geduurd hebben, de bedrijven en spelen van 
jongens zoozeer afgewend, dat ik in de meest gewone dingen, die hun 
aangingen, lorap en onervaren was. Wat ik vroeger geleerd had, had ik 
onder de lage beslommeringen van mijn leven zoodanig verleerd, dat ik 
nu, toen mij gevraagdwerdnaarhetgeenik wist, niets meer wist en in de 
laagste klasse der school geplaatst werd, Maar hoezeer mijn gebrek aan 
jongensbehendigheid en kunde mij ook ontniste, oneindig meer kwelde 
mi; de gedachte, dat ik door datgene wat ik wist nog op veel grooter 
afstand van mijne makkers werd verwijderd, dan door wat ik nict wiat. 
Het vtoog m^ door het hoofd, wat zij wel van mij zouden denkcn, als zij 
wisten hoe gemeenzaam ik met de gevangenis van King's Bench bekend 
was. Zou ik iets over mij hebben, dat mijns ondanks moest verraden wat 
ik bij en voor de familie Micawber had gedaan — al dat verpanden, en 
verkoopen, en die soupertjesf Als eens een van die jongens mij haveloos 
en kreupel geloopen door Canterbury had zien komen, en mij nuher- 
kende! Wat zouden zij zeggen, die het geld zoo weioig telden, a\s zij 
konden weten hoe ik mijne halve siuivers had samengeschraapt, om 
dagelijks mijn stuk worst met bier of mijne snee podding te kunnen koo- 
pen? Wat zouden zij er van vinden, die zoo weinig van het leven in 
Londen en de Londensche stralen wisten, als zij wisten hoe wel ik be- 
kend was (lot mijne schaamte bekend was) met veel van het gemeenste 
dat beiden opieverden? Dit aUes maalde mij, op dien eersten dag bij 
doctor Strong, zoodanig door het hoofd, dat ik mijne ramste blikken en 
bewegingcn wantrouwde, in mij zelven wegkroop als mijne nieunre 
Echoolmakkers mij naderden, en heensnelde zoodra de schooltijd om 
Was, bevreesd dat ik mij door mijn antwoord op eene vriendelijke toe- 
■praak zou blootgeven. 

Doch bet oude huis van mijnheer Wickfield oefende zulk een invloed 
uit, dat ik, toen ik, met mijne schoolboeken onder den arm, daar aan- 
klopte, mijne onnist voelde bedaren. Tcrwijl ik naar mijne luchtige, 
ouderwetsche kamer ging, scheen de plechdge schaduw van de trap ook 
Op mijne angsten en twijfelingen te vallen, en het verledene onduidelijker 
te doen worden. Ik zat daar ijverig in mijne boeken te leeren, tot bet tijd 
werd om te eten (onze schooltijd was om dric ure voor den geheclen 
dag om) en ging toen naar beneden, vol hoop dat ik nog een draaglijk. 
soort van jongen zou worden. 



DB WKKF VAN MEVROUW STRONG. 1 89 

Agnes zat in de pTonkkameT naar haar vader te wachten, die door 
icmaod in zijn kantoor werd opgehouden. Zij ontving mij met haar ge- 
■KXglijk lachje, en vroeg hoe de school mij beviel. Ik antwoordde, dat 
lij mij heel wel sou bevallea, naar ik hoopte, maar dat ik er vooreerst 
DOgwat vrecmd was. 

iGij hebt nooit schoolgegaan," zeide ik, »nietwaar?" — >Oja,alle 
dagnog." — »Ja, maar gij meent hier, in uweigen huisf" — Papazou 
mij niet kunnen missen," antwoordde zij, en scbudde met een glimlach 
hair hoofdjc. — » Hij houdt zeker veel van u," zeide ik. 

Zij ksikte van ja en ging naar de deur om naar zijnekomst te luisteren, 
Dm hem op de trap tegemoet te gaan. Maardaar zij hem nog niet hoorde. 
kmiQ zij weder teiug. 

iMama is al zoo lang dood ala ik geboren ben," zeide zij met hare ge- 
woac kalmte, ilk ken alleen maar haar portret beneden, Ik zag eru 
gisteren naar kijken. Hadt gij al geraden wie het was?" 

Ik zeide haar van ja, omdat het zoo op haar zelve geleek. 

•Dat zegt papa ook," zeide Agnes vergenoegd. iLuister! Daar is 
ptpa nu !" 

Haar helder, kalm gezichtje kreeg een glans van blijdschap, toen zij 
hen te gemoet ging en zij daarop hand in hand binnenkwamen. Hij 
groctte mij met hartelijkheid en zeide, dat ik het bij doctor Strong, die 
ttn der zachtaardigste menschen was, zeker zeer goed zou hebben. 

lEr zijn misschien wel menschen — ik weet niet of cr zijn — die zijne 
Koedbeid misbniiken," zeide mijnheer Wickfield. Zorg dat gij nooit on- 
on ben behoort, Trotwood, in eenig opzicht. Hij is de minst achter- 
dochiige van alle menschen ; en hetzij dit eene verdienste of een gebrek 
is. men beboort er in alles wat men met den doctor 1e doen heeft, groote 
of kleine zaken, om te denken." 

Hij sprak, naar mij dacht, alsofhij vermoeid,ofmetietsoDtevreden 
*as; maar ik dacht niet verder over dit punt, want juistkwara debood- 
Khap dat de tafel gereed was, en wij gingen naar beneden en namen 
plub, evenals daags te voren. 

Nauwelijks waren wij gezeten, of Uriah Heep-stak zijn rood hoofd ea 
^jne dorre hand binnen de deur, en zeide : 

• Daar is mijnheer Maldon, mijnheer, en verzoekt u even te mogea 
spreken." ^ »Ik ben pas van mijnheer Maldon losgekomen," zeide zijn 
BieeMer, — » Ja, mijnheer," antwoordde Uriah, » maar mijnheer Maldon 
Bdaartenig, en verzoekt u nog even temogenspreken." 

Terwijl hij de denr met zijne hand openhield, keek Uriah naar mij, en 
Diar Agnes, en naar de schotels, en naar de borden, naar alles in de ka> 
ner, naar mij dacht; en tochscheen hij naar nietstekijken, zooieer be- 
*urde hij den schijn atsof hij zijne roode oogen steeds eerbiedig op zijn 
■Wetter gevesti^d hield. 

■Neem mij met kwalijk. Het is alleen maar om te zeggen, dat ik mij al 
Mtcht heb," zeide eene stem achter Uriah, terwijl Uriah's hoofd op 
<ljde werd geduwd, en dat van den spreker daarvoor in de plaats kwam, 
>nnchooDing dat ik zoo indringend ben — en daar ik todi geene keu» 




I90 DAVm COPPBRFIELD. 

•chijn te hebben, wil ik maar hoe eer hoc liever buitenslands gun. Hip 
nichtje Annie zeide, toen wij er over praatten, dat zij hare vtiend^ Uevet 
binnen bereik dan gebannen witde hebben, en de oude doctor...."— 
>Meent gij doctor Strong?" viel mijnheer Wckheld er seer enislig op 
in. — NatuuTlijk.doctorStrong,"zeidedeander.>Iknoenihemdenouden 
dokter — dat is evenecjis, wcet gc wel." — »Dat weetikniet,"ant• 
woo^dde mijnheer Wickfield. — » Welnu dan, doctor Strong," Kide de 
«nder. iDoctor Strong dacht er 00k zoo over, geloofik.Maarnaaide 
nianier, waarop ge nu met mij handelt, schijnt het dat hij van gedachtea 
veranderd is, en dus is er niets meer te zeggen^ dan dat ik hoe eer hoe 
beter maar voort moet. Daarom, dacht ik, moest ik nog maar eens tenig- 
komen en zeggen, dat ik hoe eer hoe liever maar voort wil. Ab mentodi 
in het water moet springen, helpt het niet ofmenopdenkantstaatte 
talmen." — lErzal zoo weinig met ugetalmdworden als maar raoKeUjk 
is, mijnheer Matdon^ daar kunt gij op aan," zeide mijnheer Wickfield.— 
»Wel bedankt," wide de ander. »Zeer verplicht. Ik wil eeng^vea 
paard niet in den bek zien, want dat staat niet mooi; maar anderszon 
ik wel durven zeggen, dat raijn nichtje Annie het gemakkelijk naar haar 
eigen zin had kimnen schikken. Ik geloof zeker, dat Annie maar tegen 
den ouden doctor had behoeven te zeggen...." — iGij meent,dat me- 
vrouw Strong maar tot haar echtgenoot had behoeven te zeggen — bc- 
grijp ik u wd ?" zeide mijnheer Wickfield — » Volkomen," was het ant- 
woord. »Maar had behoeven te zeggen, dat zij too iets zoo en zoo wilde 
hebben, en dan zou het ook zoo en zoo zijn gewees% dat spreekt van 
zelf." — »En waarom spreekt dat van zelf, mijnheer Maldon?"vroeg 
mijnheer Wickfield, die bedaard aan zijn maaltijd bleef. — > Wel, omdat 
Annie een bekoorlijk jong meisje is, en de oude doctor — doctor Strong 
neenik — niet heel raooiofjong meer is," zeide mijnheer Jack Maldon 
lachende. >Ik zeg dit niet om iemand te beleedigen, mijnheer Wickfield. 
Ik meen maar, dat ik denk dat bij zulk een soort van huwelijk eene scha* 
deloosstelling billijk en redelijk is." — > Eene schadeloosstelling voor de 
dame, mijnheer?" vroeg mijnheer Wickfield zeer emstig. — iVoorde 
dame, mijnheer," antwoordde mijnheer Jack Maldon lachende. Dochnu 
schijnende op te merken, dat mijnheer Wickfield even bedaard en onver- 
stoorbaar aan zijn maaltijd btee^ en er geene hoop bestond om hem eene 
Bpier van zijn gezicht te doen ontspannen, voegde hij er bij ; lEvcnwel, 
ik heb nu gezegd wat ik had willen zeggen, en nogmaals verschooning 
voor mijne vrijpostigheid verxoekende, zal ik mij maar voortmaken. Na- 
tuurlijk zal ik uwe waarschuning onthouden, om die zaak tebeschouwen 
als iets, dat geheel alleen tusschen u en mij geschikt zal worden, en er 
daar bij den doctor niet van spreken." — >Hebt gij al gegeten f" vroeg 
mijnheer Wickfield," met zijne hand naar de tafel winvende. — »Wel 
bedankt. Ik ga bij mijn nichtje Annie eten," zeide mijnhea Maldon. 
• Goedendag." 

Toen hij heenging zag mijnheer Wickfield hem, zonder op te staan, 
peiozend achtema. Ik dacht, dat hij met zijn welbesneden gezicht, zijne 
melle spiaak en zijn stout uitzicht, toch een vrij dom en onbeduidend 



DB HEER WICKFIELD VKRVALT SOMS IN UUMERIHGEN. I9I 

5 jong beer moest wezen. En dit was de eerste maal dat ik mijnheer Jack 

6 Maldon zag, dien ik, toen ik den doctor des morgens van hem hoorde 
^ken, niet verwacht had loo spoedig te zien. 

tjf Toen wij gegeten hadden, gingen wij weder naar boven, en daar ging 
xi alia eveneens aU den vorigen dag. Agnes lette de glaEen en karaffen in 
hetielfae hoekje, en mijnheer Wickfield ging zitten drinken, en dronk 
*eder tamelijk veel. Agnes speelde op dc piano voor hem, en werkte en 
pnatte, en speelde eenige spelletjes domino met mij. Toen het tijd daar- 
ioeirerd, zette zij thee ; en toen ik naderhand mijne boeken haalde, keek 
sj die in, en zeide mij wat zij er uit wist (hctgcen niet weinig was, hoewel 
aj het weinig noemde), en wat de beste manier was om er uit te Icercn 
^ a te verstaan. Ik zie haar nog voor mij, met haar zedig gezichtje en 
nille, bedaarde manieren, en hoor nog hare zachte, welluidende stem, 
lerwijl ik dit schrijf. De invloed ten goede in alle opzichten, dien zij in 
Jatn tijd op mij uitoefende, begint zich reeds in mijne borst te doen ge- 
n 'oelen. Ik hcb kleine Emily lief, en Agnes niet — neen, volstrekt niet op 
■ "die manier — maar ik gevoel, dat goedheid, vrede en waarheid Agnes 
f 'Overal vergezellen ; en dat het zachte licht van het gekleurde kerkven- 
I 'ter, zoo lang geleden gezien, haar altijd bestraalt en ook mij bestraalt 
[ ^ ik bij haar bin, en alles otn haar heen. 

Toen het tijd geworden was om voor dien avond te scheiden, en zij 
Oils verlaten had, gaf ik mijnheer Wickfield de hand en wilde ook been- 
-Saan. Docb hij hield mij tegen en zeide : >Zoudt gc liever bij ons willen 
Wijven, Trolwood, of ergensanderskomenf" — »Lieverblijven,"ant- 
*oordde ik snel. — »Weet gij dat zeker?" — » Als het u maar beUeft. 
AU ik maar mag." — iMaar hetis een eentonig, vervelend lever, dat wij 
nier Iciden, jongen, vrees ik." — »Niet vervelender voor mij dan voor 
Agnes, mijnheer, Geheel niet vervelend." — *Dan voor Agnes," her- 
ualde hij, terwiji hij langzaamnaar den grootenschoorsteenmantel ging 
4idaartegen bleef staan leunen. >Dan voor Agnes I" 

Hij haddien avond zooveel wijn gedronken (of ik verbeeldde mij dit), 
^l lijne oogcn errood van waren opgeloopen. Niet dat ik zenu zien 
uti, want zij waren neergeslagen en bij hield zijne hand er voor; maar 
ik had er eene poos vroeger op gelet. 

• Ikzou wel willen weten," prevelde hij, »of mijne Agnes mij ook 
t»oede wordt. Wanneer zou ik haar ooit moede worden ! Maar dat is iets 
Wifcrs, geheel iets anders." 

Hij zeide dit peinzend bij zich zelven, niet tegen mij, en ik hield mij 
^ussiil. 

"Een akelig otid huis," zeide hij, » en een eentonig leven — maarik 
Moethaar toch bij mij houden. Als de gedachte, dat ik zou kunnen stcr- 
vcn en mijne lieveling alleen laten, of dat zij zou kunnen sterven en mij 
^Kn laten, in mijne gelukkigste uren als een spook voor mij oprijst, en 
alleen kan verdreven worden door — " 

Hij sprak niet geheel uit, maar nng langzaam naar de T>lek waar hij 
gczeten had, en nam werktuiglijk de ledige karafopomzijnglasinte 
Khenken, zette ze weder neer, en kwam even langzaam terug. 



192 DAVID COPPERFISLD. 



» Als dat zoo ellendig zwaar om te dragen is als ik haar bij mij heb^**^ 
zeide hij, » wat zou het dan zijn als zij weg was ? Neen, neen. Dat kaa ik 
niet beproeven." 

Hij bleef tegen den schoorsteenmantel staan leunen, en zijn mijmeren 
duurde zoo lang, dat ik het niet met mij zelven eens kon worden of ik 
het er op wagen zou om hem te storen door heen te gaan, of mij zou stil- 
houden waar ik was, tot hij uit zijn gepeins zou ontwaken. Eindelijk za^ 
hij op, en keek in de kamer rond tot zijne oosen de mijne ontmoetten. 

>Gij blijft dus bij ons, Trotwood, niet waarr" zeide hij, op zijn gewonea 
toon, en alsof hij antwoord gaf op iets, dat ik zoo pas had gezegd. »Daar 
ben ik blij om. Gij houdt ons beiden gezelschap. Het is goed u hier t^ 
hebben. Goed voor mij, goed voor Agnes, goed misschien voor ons aUc" 
drie." — »Ik ben zeker, dat het goed voor mij is, mijnheer," zeide ik. ilk 
ben zoo blij, dat ik hier ben." — »Dat is een beste jongen !" zeide mijn- 
heer Wickfield. » Zoolang gij gaarne hier blijft, zult gij ook hier blijven.*^ 
Daarop gaf hij mij de hand, klopte mij op den rug, en zeide mij dat ik^ 
als ik des avonds, nadat Agnes was heengegaan, nog iets te doen had, 
vrij in zijne kamer mocht komen zitten, als iknaar gezelschap verlangde. 
Ik bedankte hem voor zijne vriendelijkheid, en dasurhij kort daarop naar 
beneden ging, en ik nog geen slaap had, ging ik ook met een boek naar 
beneden, om voor een half uiuije van zijn verlof gebruik te maken. 

Maar toen ik licht in het ronde kantoortje zag, en mij terstond door 
Uriah Heep, die cene soort van toovermacht op mij uitoefende, voelde 
aantrekken, gin^ ik in plaats daarvan daarbinnen. Ik vond Uriah in een 
groot dik boek zitten lezen, met zulk eene overmatige aandacht, dat zijn 
dorre voorvinger elken regel onder het lezen volgde, en evenals eene 
slak (of zoo geloofde ik ten minste) klamme sporen over het papier naliet. 

»Ge zijt van avond laat aan het werk," Uriah, zeide ik. — tja, jonge 
heer Copperfield," zeide Uriah. 

Terwijl ik op den hoogen kantoorstoel tegenover hem klom, ommeer 
op mijn gemak met hem te praten, bemerkte ik, dat hij niet scheen te 
kunnen glimlachen, maar alleen zijn mond zoodanig kon vertrekken, 
dat er daamaast twee stijve plooien in zijne wangen kwamen, een aan 
elken kant, hetgeen in plaats van een glimlach moest dienen. 

ilk ben nu aan geen kantoorwerk, jonge heer Copperfield," zeide 
Uriah. — » Aan welk werk dan ?" vroeg ik. — » Ik doe mijn best om mijne 
rechtsgeleerde kundigheden te vermeerderen, jonge heer Copperfield,'* 
zeide Uriah. »Ik ben aan het doorlezen van Tidd's Prakdjk. O, welk een 
schrijver is die mijnheer Tidd, jonge heer Copperfield !" 

Mijn stoel was zulk eene goede wachttoren, dat ik, toen hij na deze 
uitboezeming van verrukking weder aan het lezen ging, en evenals te 
voren de regels met zijn vinger volgde, opmerkte, dat zijne neus^ten^ 
die dun en spits waren, metscherpe kloo^es er in,eeneallerzonderlmgste 
en onaangenaamste manier hadden van zich uit te zetten en samen te 
trekken — zoodat zij schenen te knipoogen, in plaats van zijne oogen 
zelven, die dit bijna nooit deden. 

tGij moet al een groot rechtsgeleerde zijn?" zeide ik, na eene poos. 



L 



NEDERICHEID VAN URIAH HESP. I93 

niu hem te hebbeo gekeken. — »Ik, jonge heer Copperfieldf" ant- 
vondde Uriah. > Och, neen ! Ik ben een zeer nederig persoon." 

Hct was geene verbeelding vim mij, dat ik zijne handen zoo nat en 
b»d vond, i3g ik nu ; want (Ukwijls wreef hij de palmen tegen elkander, 
iliof bij ze droog en warm wilde wrijvco, behalve dat hij ze dikwijls ter- 
ilnikgaan zijn zakdoek afveegde. 

ilk weet heel wel, dat ik dc nederigstc persoon van de wereld ben," 
wide Uriah Heep bescheiden, »laal de ander wezen waar hij wil. Mijne 
moerier is ook een zeer nederig persoon. Wij levcn in eene nederige 
*omiig, jonge heer Copperfield, maar ik heb toch vccl reden ora dank- 
bsar te zijn. Mijn vaders vro«ger beroep was nederig, Hij was een dood- 
giiver." — »Wat is hij nu?" vroeg ik. — iHij is tegenwoordig deelge- 
Doot van de heerlijkhcid, jonge heer Copperfield," zeide Uriah Heep. 
>Uaar wij hebben veel reden om dankbaar te zijn, dat ik bij mijnheer 
WicUeld geplaatst ben I" 

Ik vroeg Uriah, of hij al lang bij mijnheer Wickfield geweest was. 

>Ik ben nu haast vier jaren bij hem geweest, jonge heer Copper6eld," 
utwoordde Uriah, zijn boek toeslaande, nadat hij de plaats waar hij ge- 
blcven was corgvuldig gemerkt had, )Sedert een jaar na raijn vaders 
dood ; hoeveel reden heb ik daarin om dankbaar te zijn ! Hoeveel reden 
l>cb ik om dankbaar te zijn voor het vriendelijke voomemen van mijn- 
h«i Wickfield om mij mijn contract te schenken, dat anders boven het 
nederige vermogen van mijne moedcr en mij zou wezen!" — iDuszult 

?ij dan eens zelf procureur warden f" zeide ik. — »Met den zegen der 
oorzienigheid, jonge heer Copperfield," ant woordde Uriah. — iMis- 
Khien wordt gij wel eens compagnon in het kantoor van mijnheer Wick- 
^eld," zeide ik, om mij aangenaam te maken, len zal het dan Wickfield 
** Heep, of Heep voorhcen Wickfield wezen." — » O neen, jonge heer 
^(^perfield," antwoordde Uriah, zijn hoofdschuddende, idaartoe ben 
* veel te nederig," 

Hij geleek zeker buitengemcen naar het gebeeldhouwde gezicht op 
d% balk boven mijn venster, tcrwijl hij mij daar in zijne nederigheid, 
"tet breed ^trokken mond en die plooien in de wangen, in de si^uinte 
^ aan te kijken. 

• Mijnheer Wickfield b een alleruitmuntendst man, jonge beer Copper- 
^tid," zeide Uriah. » Als gij hem al lang gekend hebc, weet gij dat zeker 
^1 beter dan ik het u kan zeggen." 

Ik antwoordde, dat ik daarvan overtuigd was ; maar dat ik zelf hem 
Mg met lang had gekend. scboon hij een vriend van mijne tante was. 

»Zoo waarlijk, jonge heer Copperfield," zeide Uriah. lUwe tante is 
•ene aUerUe&te dajne, jonge heer Copperfield." 

Hij had, wanneer hij zijne geestvervoerin^ wilde uitdrukken, eene 
nianiei om zidi te wringen, die hem zeer leelijk stond, en die na mijne 
•udacht van bet compliment, dat hij mijne bloedverwante gemaakt had, 
afaok en le op het slangachtige kronkekn van zijne keel en zijn lichaam 

aUerKeftte dame, jonge heer Copperfield," zode Uriah Heep. 
Davm coFFEanBLD. — I, 13 



DAVID COPPERFIELD. 



*Zij is bijzonder met jongcjuffrouw Agnes ingeDomen,jongeheerCop- 
perfield, gcloof ik." — »J»i" zeide ik stoutweg^ hoewel ik er niets vaa 
wist — de Hemel vcrgeve mij 1 — lEnik hoopgij ook, jongeheer Cop> 
perfield," hervatte Uriah, >Maar zeker, dat moet gij wel zijn." — »Dat 
moet iederecn wel zijn," antwoordde ik. — »0, ik ben u wel dankbaar, 
jonge heer Copperfield," zeide Uriah Heep, tvoordatgezegde.Hetu 
100 waar I Nederig als ik ben, weet ik toch wel hoe waar het is I O, ik ben 
u wel dankbaar jonge heer Copperfield." 

In de opgewondenheid zijner aandoeningen, wrong hij zich van zija 
stoel af; en er eens af zijnde, begon hij aanstalten te malEen om noaihnis 
tegaan. 

iMoedei zal mij wachten," zeide hij, op een horlogekijkende, waar- 
van het glas zoo dof was, datmen de wijzersbijnanietkon ondenchei- 
den, len zich ongenistmaken; want hoewel wij zeer nederig zijn, jonge 
beer Copperfield, zijn wij toch zeer aan elkander gehecht. Als gij ons 
eens op een namiddag woudt komen bezoeken, en in onze armelijke 
woning een kopje thee drinken, zou mijne moeder even vereerd zifb met 
uw gezelschap als ik." 

Ik zeide, dat ik gaame eens zou aankomen. 
f I > Ik dank u wel, jonge heer Copperfield," antwoordde Uriah, terwiji 
hij zijn boek in de kast zette. >Ikdenk,d3tgijhierweleenigen tijdiD 
huis zult blijven, jonge heer Copperfield ?" 

Cllk zeide, dat ik daar in huis zou blijven wonen,naarikmcendc,zoo- 
lang ik op die school bleef. 

iZoo waarlijk!" riep Uriah uit. >Dan zouik denken, datgij welein- 
delijk in de zaken zult komen, jonge heer Copperfield !" 

Ik betuigde, dat ik geene oogmerken van dien aard bad, en dat 
niemand voor mij aan zoo iets dacht: maar Uriah bleef op al mijne 
verzekeringen zeer Koetsappig an twoordenTtOchja, jonge heer Copper- 
field, ik denk het toch wel waarlijk," en »Och waarlijk, jonge heer 
Copperfield, ik denk het toch wel zeker!" en dergelijke. Toen hij ein- 
delijk gereed was om heen te gaan, vroeg hij mij ol ik er niet tegen had, 
dat hij het licht maar uitdeed, en toen ik » neen" antwoordde, deed hij 
het dadelijk uit. Nadat hij mij de hand had gegeven — in^et donkerwas 
het alaof ik een visch aanvatte — opende hij de straatdeur een weinigje, 
sloop naar buiten, trok ze wedei dicht en liet mij staan om op den tast 
mijn weg door het huis te zoeken, hetgeen mij tamelijk veel moeite en 
een val over zijn stoel kostte. Dit was de aanleidende oorzaak geloof ik, 
dat ik den halven nacht van hem droomde, onder anderen, dat luj met het 
huis van baas Feggotty op zeeroof was uitgevaren, met eene zwarte vl^ 
aan den mast, waarop Tidd's Fraktijk stond te lezen, onder welken dm* 
velachtigen standaard hij mij en kleine Emily naar de Spaansche Zee 
voerde om ons te verdrinkcn. 

tt Toen ik des anderen daags naar school ging, kwam ik mijne verlegen- 
heid wat beter te boven, en den daaropvolgenden dag veel beter, en zoo 
sleet zij langzameihand weg, tot ik in minder dan veertien dagen onder 
mijne nieuwe makkers gehed thuis en wettevreden was. Ik was onhandig 



pLB 



IK BXGIN MKT ERNST TE LEERBM. I9S 

fCDocg in bet sjwlen en achterlijk genoeg in het leeren; maardege- 
*oonte, hoopte ik, sou mij in hct cerate opzicht verbeteren, en bard 
verkm in het tweede. Ik ging dus hard aan bet werk, eoowel in het spel 
als in crnst, en verwietf grooten lof. En na zeer korten tijd werd dat levea 
bij Uurdstone en Grinby mij zoo vreemd, dat ik er nauvclijks meer aan 

Eloofde, terwijl mijn tegenwoordig leven mij zoo gewoon werd, dat ik 
t reeds langen tijd schcen gevoerd le hebben. 

Doctor Strong's scbool was uitmuntend; bet onderscheid tusschen 
^U en die van mijnheer Creakle was zoo groot als het onderscheid tus- 
^^iiea gocd en kwaad. Alles was deftig en welvoeglijk ingericht, volgens 
«n weldoordacht stelsel; alias strckte om den leerlingen gevoel van eer 
^ goede trouw in te boezemen, en bun te docn gevoelen. dat men zich 
Op bun bczit van deze eigenachappen verliet, zoolang zij zich dit niet 
onwardig toonden — en dit deed wondcren, Wij gevoelden alien, dat 
*ij deel hadden aan alles wat de scbool bctrof, en mede haar goeden 
'^m hielpen handbaven. Vandaar warden wij er spoedig met warmte 
uq gehecht — ik ten minste was dit, en in mijn tijd beb ik geen jongea 
gekend, die bet niet was — en leerden met gewilligheid en met verlangen 
Om onie scbool tot eer te lijn. Buiten schooltijd konden wij frisch op 
?pelen en hadden ivij veel vrijheid; maar ook dan, gelijk ik mij wel her- 
fflner, werden wij in de stad algemeen geprezen, en zelden deden wij 
door ons voorkomen of onze manieren den naam van doctor Strong en 
"jne leerlingen eenige schande aan. 

Ecnige der oudste leerlingen waren bij den doctor in buis en in den 
kost, en door hen vemam ik. uit de tweede hand eenige bijzonderheden 
*^ des doctors gcscbiedenis — hoe bij nog geen jaar gelfden met de 
<dioone jonge dame was getrouwd, die ik in zijne studeerkamer had ge- 
^, en die hij gebeel uit liefde had genomen, daar zij geen pennmg 
Ixiat en een troep arme bloedverwanteu had, die (zoo zeiden onze 
^Bapen) het er op toelegden om den' doctor uit huis en hof te verdrijven. 
Ook, hoe het peinzend voorkom'^n des doctors daaraan was toe te 
Klirijven, dat hij aitijd bezig was met naar Grieksche wortels te zoeken; 
''''geen ik, in mijne onnoozelheid en onkunde, voor eeoe overdrevene 
^binische liefhebberij des doctors bield, vooral daar hij onder het gaan 
•Itiid naar den grond keek — totdat ik begreep, dat het wortels van 
foorden waren, bestemd voor een nieuw woordenboek, dat hij wtlde 
I'fginnen. Adams, de eerste jongen van de school, die veel aanleg voor 
^ matbesis toonde, had, naar mij geiegd werd, «ne berekening 
E«naakt van den tijd dien de doctor, volgens lijn plan en den voet 
*»arop hij vorderde, tot het voltooien van dit woordenboek zou noodig 
'wbbm. Wij begrepen, dat bet in zesdenhonderd negen en veertig jaren 
8^daan zou kunnen zijn, van des doctors laatsten, of twee en zestigstea 
veijaardag, af te rekenen. 

Doch de doctor zelf was de afgod der geheele school ; en de school 
W al zeer slecht samengesteld moeten zijn, als hij dit niet geweest ware, 
want, hij was de goedhartigste mensch op de wereld en had eene een- 
■oodige argeloosl^id over zich, die zelb de steenen harten der vazen op 



196 DAVID COPPBRFIELD. 

den mirar had moeten treffen. Als hij op het vooq>lein he 
wandelde, waar de kraaien en kauwen met schalkachtig g 
iioppen naar hem keken, alsof zij wel ipristen hoeveel meer 
reldsche zaken bedreven waren dan hij,' en een of ander vag 
dicht genoeg bij zijne krakende schoenen kon konien om h 
enkelen volan van een verhaal vol jammer te doen luistc 
vagebond voor de twee volgende dagen bniten nood. Dit wa 
wel bekend, dat de meesters en grootste jongens zich mo^ 
die stroopers den pas af te snijden, en uit de vensters sproi 
van het voorplein te jagen, eer zij den doctor hunne tegen^ 
konden doen bemerken ; hetgeen somtijds op weinige voetstap 
van hem gelukkig werd verricht, zonder dat hij, die maar 
voortkuieren, iets van de zaak gewaar werd. Buiten zijn eig 
bied en door niemand beschermd, was hij als een sdiaap vo< 
ders. Hij zou zelfe de slopkousen van zijne beenen hebben g 
ze weg te geven. £r liep zel& een vertelseltje onder ons r 
niet, en heb nooit geweten, in hoeverre het gegrond was, m; 
zoovele jaren lang aan geloofd, dat ik mij volkomen van 
overtuigd houd) dat hij eeps des winters op een kouden d 
zijne slopkousen aan eene bedelaarster wegschonk, die in < 
weinig gebabbel verwekte door van deur tot deur een kind 1 
in die kleedingstukken gewikkeld, welke in de nabijheid c 
door iedereen herkend moesten worden. De legende voeg< 
de eenige die ze niet herkende de doctor zelf was, die to 
hand voor de deur van een winkelje, dat geen besten naa 
waar zulk^ dingen voor jenever werden ingeruild, ten toon h 
dan eens daarbij bleef staan en ze goedkeurend betaste, all 
&tsoen iets nieuws zag, hetwelk hij beter vond dan dat, 
gewoon was. 

Het was aardig den doctor met zijne bevallige jonge vi 
Hij had eene vaderlijke welwillende manier om zijne teec 
haar aan den dag te leggeB,die op zich zelve reeds scheen a; 
welk een goed man hij was. Ik zag hen dikwijb in den tu 
waar de perziken hingen, en somtijds kgn ik hen in de stud 
de zijkamer van naderbij waamemen. Z^ scheen zeer bezor 
doctor te zijn en veel van hem te houden, schoon ik nooit < 
veel belang in het woordenboek stelde, waaraan de doctor 
omslachtige brokken in zijne zakken en den bol van zijn 
droeg, en haar doorgaans onder het wandden scheen te ver) 

Ik zag mevrouw Strong veel, zoowel omdat zij op den och 
aan den doctor werd voorgesteld behagen in mij gekr^en 
derhand zeer vriendelijk voor mij was en belan^emngvooi 
als omdat zij veel van Agnes hield en dikwijls bij ons aan hui 
bestond eene zonderlinge gedwongenheid tusschen haar 1 
Wickfield (voor wien zij bang scheen te zijn, naar mij dacli 
aftleet ^s zij des avonds Jcwam, was nj altijd huiverig o 
hem naar huis telatenb»enge&enlieplievermetmijheen. 



DB OUDE OEHIRAAL, I97 

, ^ wij vToolijk cncT bet kerkplein liepen, en niemand d&cbten te ontr 
I moeten, kwamen wij mijnhccr Jack Msldon tegen, die altijd verwonderd 
L vu ons te lien. 

I Merrouw Strong's mama was eene dame, waarmede ik mij zeer ver-' 

l mukte. Zij heette mevrouw Markleham, roaar wij jongens plachten haar 

jL dc Onde Generaal te noemen, omdat zij eoo goed kon manoeuvreerea 

01 100 behendig de gehccic legcrmacht barer bloedverwanten tegen den 

<loclor wist aan te voeren. Zij was een klein vrouwtje, met scberpe oogjes, 

^ all zij gekleed was, ^ne onverandcTlijkc muts placht te dragen, 

«rsieid met eenige kunstbloemen en twee kunstkapcllctjes, die boven 

^ UoemcD moesten zweven. Er bestond onder ons eene bijgeloovige 

■Kening, dat die muts uit Frankrijk was gekomen, en alleen door die 

tchruidere natie vervaardigd kon zijii ; maar al wat ik er met zekerheid 

fv weet ia, dal zij, waar mevrouw Markleham zich des avoads vertoonde, - 

SI iisgdijks te voorscbijn kwam; dat zij naar vriendschappeHjke bijeen- 

bmsten in een Indiaansch mandje werd medegeilragen ', dat de kapel- 

Injes de gaaf hadden van gedurjg te trillen, en dat zij ten huize van 

^woT Strong veeleer den aard van honigzoekende bijtjes hadden. 

It had eens eene gimstige gelegenbeid om den Oudcn Generaal — ik 
■loop dat men in bet gebruik dier benaraing niets oneerbiedigs zal zoe- 
*ta — waar te nemen, op een avond, die nog door iets anders, dat ik 
*ctlulen zal, gedenkwaardig voot mij werd. Het was op den avond toen 
^ bij den doctor een partijtje werd gegeven,bij gelegenbeid dat mijnhccr 
JackMaldon, als kadetof iets van dien aard, naarlndiezouvertrekken: 
*iiit mijnheer Wickfield bad die zaak eindelijk in orde gebracht. Toe- 
»al% was bel Ce gelijk des doctors verjaardag.Wij badden vacantie ge- 
Wi en bem des morgens presentjes gegeven ; de eerste jongen had eene 
*anspraak gedaan, en wij badden hoeiee geroepen tot wij schor waren 
^ hem de tranen in de oogen stonden. En nu des avonds gingen mijn- 
Ifcer Wickfield, Agnes en ik bij hem theedrinken. 

Mijnheer Jack Maldon was er reeds voor ons. Mevrouw Strong zat in 
^t wit met kersroode linten gekleed op de piano te spelen toen wij bin- 
Denkwamen, en hij stond over haar heengebogen om de bladen om te 
weren. Het beldere wit en rood barer kleur was niet zoo bloeiend en 
Dbemachtig als gewoonlijk, dacht mij, toen zij zich omkeerde ; maar zij 
«g er tocb zeer lief, allerliefst uit. 

>Ik heb nog vergetcn, doctor," zeide mama, toen wij zaten, >u met 
^len dag mijn compliment te makcn — hoewel het, geUjk ge wel den- 
ien kunt, in mijn geval geheel iets anders dan een enkcl compliment is. 
Laal ik u mogen wenscben, dat gij den dag nog dikwijls moogt vicrea*' — 
•Jl( dank u wel, mevrouw," antwoordde de doctor. - »Nog zeer, zeer, 
«st dikwijls, en beel, heel gelukkig," hervatte de Oude Generaal. » Niet 
»Jleen voor u zelven, maar 00k voor Annie, en John Maldon en vele 
andere menschen. Het komt mij voor alsofhet pas gisteren was, John, 
^^ gij nog een kleine jongen waart, een boofd kleiner dan jonge heer 
Copperfieldj en ik u achter de bessenboompjes in den tuin met Annie 
wijer en vnjstertje zag spelen." — >Maar lieve mama," zeide mevrouw 



198 DAVID COPP£RFIELD. 





Strong, t denk nu niet meer daaraan." — » Wees toch niet dwaas, Annie, ^^^ 
hervatte hare moeder. » Als gij nu nog over zulke dingen moet rood wok:^— 
den, nu gij eene oude getrouwde vrouw zijt, wanneer moetgijerdaiKS 
niet meer van rood worden ?" — » Oud ?" riep Jack Maldon uit. » Annie ^ 
Wei kom aan !" — tja, John," antwoordde de Generaal. »Oud alsgey 
trouwde vrouw. Hoewel niet oud van jaren — want wanneer hebt gij mi/ 
ooit hooren zeggen, of wie heeft mij ooit hooren zeggen, dat een meisjc- 
van twintig oud van jaren was ! — uwe nicht is de vrouw van den doctor^ 
en als zoodanig is zij wat ik gezegd heb. Het is een ^eluk voor u, JobD^ 
dat uwe nicht de vrouw van den doctor is. Gij hebt m hem een vcnno^ 
gend en welwillend vriend gevonden, die nog welwillender voor u ^ 
zijn, durf ik wel voorspellen, als gij dat maar verdient. Ik heb geene va-^" 
sche schaamte. Ik ontzie mij nooit om rondborstig te bekennen^ dat ^,. 
sommige leden van onze familie zijn die een vriend noodig hebben. ^\ 
zelf waart een daarvan, voordat de invloed van uwe nicht u een vrief^ 
bezorgde." 

De doctor wuifde in zijne goedhartigheid met dehand, alsofhijc^^^ 
lichtwilde tellen en mijnheer Jack Maldon verdere herinneringen besp"^ 
ren. Doch mevrouw Markleham verruilde haar stoel met een, die via 
naast den doctor stond, en haar waaier op zijne mouw leggende, zeide zi 

»Neen, waarJijk, lieve doctor, gij moet mij verschoonen als ik eeni^^ 
zins hierover uitwijd, omdat ik het zoo diep gevoel. Ik mag het wel een 
monomanie van mij noemen, zoo is het mij altijd voor den geest. Gij zij 
een ware zegen voor ons — eene ware weldaad." — tOchkom, gek 
heid !" zeide de doctor. — »Neen, neen, ik vraag u wel verschooning,' 
hervatte de Oude Generaal. »Nu er niemand bij is, behalve onze oude^ 
vertrouwde vriend, mijnheer Wickfield, kan ik mij het zwijgen niet laten 
opleggen. Ik zal de rechten eener schoonmoeder laten gelden,alsgij zoo- 
doen wilt, en u bekijven. Ik ben altijd rondborstig en oprecht Wat ik 
ztg is, wat ik reeds zeide, toen gij mij zoo verbaasd deedt staan — het 
heugt u nog wel hoe verbaasd ik was — door om Annie te komen vra- 
gen. Niet dat cr in dat vragen zelf zoo veelvreemds was — het zou be- 
lachelijk zijn dat te willen zeggen — maar omdat gij haar vader hadt ge- 
kend, en haar ook hadt gekend, van een kind van zes maanden af, en ik 
dus nooit zoo iets van u had verwacht, of eigenlijk nooit gedacht had dat 
ge nog eens zoudt trouwen — dat is het eenvoudig maar, weet ge !" — » Ja: 
wel, ja wel," antwoordde de doctor vriendelijk. »Denk nu maar niet 
daarom !" — » Maar ik denk er toch om," zeide de Oude Generaal, haar 
waaier op zijne lippen leggende. tik denk er dikwijls om, en ik spreek 
er van, opdat men mij zou tegenspreken als ik het verkeerd heb. Welnu 
dan ! Toen sprak ik met Annie en vertelde haar wat er gebeurd was. Ik 
zeide : tLiefje, daar is doctor Strong zoo waarlijk hier geweest, en heeft 
eene heel mooie verklaring gedaan en u ten huwelijk gevraagd." Heb ik 
dat toen in het minste aangedrongen f Neen ! Ik zeide : »Nu, Annie, moet 
ge mij de waarheid zeggen. Is uw hart nog vrijf" tMama," zeide zij^ 
schreiende, >ik ben nog zoo heel jong" — en dat was de waarheid — 
*en ik weet haast niet of ik wel een hart heb." »Dan, kindlief," zeide ik^ 



EKN VMyAARPARTUnK BU DBN DOCTOR. I99 

>kunt gij er op aan, dat het nog vrij is. In alien gevalle, liefje." zeide ik, 
xloctor Strong is in eene zeerbcwogene gemoedsstemming,enmoei 
ttn autwoord hebben. Wij kuDnen hem niet in zijne tegenwoordige 
Planning laten." »Mama,"zeide Annie, nog schreiende,izouhij zonder 
■°ij ongelukkig zijn ? Als hij dat wezen zou, dan heb ik zooveel achting 
v<Kir hem, dat ik hem maar denk te nemen." Zoo was het dan afgespro- 
^. En toen en niet vroeger zeide ik tegen Annie : i Annie, doctor Strong 
ul niet alleen uw echtgenoot zijn, maar hij zal ook uw overleden vader 
repttscDteeren, hij zal het hoofd van onze familie representeeren, hij zal 
de wijsheid en het aanzien, en ik mag wel zeggen de middelen onzer 
'uiilie representeeren, en zal, kortom, eene weldaad voor ons zijn." Ik 
gebmikte dat woord toen, en ik heb het nu vandaag weder gebruikt. Ab 
u mij op iets kan beroemen, is het daarop, dat ik mij zelve altijd gelijk 
bKjt" 

De dochter was onder deze redevoering zeer stil blijven zitten, met 
'>tte oogen op den grond gevestigd;haarneef stood dichtbijhaar, en 
^k msgclijks voor zich op den grond. Zij zeide nu zeer zacht en met 
Moe bevende stem : 

(Mama, ik hoop dat ge nu gedaan hebt?" — iNeen,lieve Annie," 
»nt»oorddc de Oude Generaal, »ik heb nog niet geheel gedaan. Uaar 

ei het mij vraagt, liefste, moet ik antwoorckn, dat ik nog niet gedaan 
.'b. De heb er over te klagen, dat gij eenigszios onnatuurlijk voor uwe 
^ene familie zijt; en daar het niet baat bij U te klagen, meen ik bij uw 
"■an te moeten klagen. Mijn beste doctor, zie nu dat onnoozelevrouwtje 
'WUeensaan." 

. Toen de doctor zijn vriendelijk gezicht, met een glimlach vol ecnvou- 
J^heid en zachtaardigheid, naar haar toekeerde, liet zij haar hoofd nog 
'^er han^en, Ik lette er op, dat mijnheer Wickfield liaar strak aanzag. 

»Toen ik laatst eens tegen dat ondeugende dingetje zeide," vervolgde 
^t moeder,haar hoofd schuddende en haar schertsend met haar waaier 
''''eigende, * dat er in de familie eene omstandigheid was, die zij u wel 
'^■is mocht zeggen — ik geloof inderdaad, dat zij verplicht was ze u te 
5^gen — zeide zij, dat daarvan te spreken hetzelfde was als eene gunst 
^ vragen, en dat zij, daar gij al te edelmoedi^ waart, en zijnooittetskon 
**a^en, of zij kreeg het altijd terstond, dit met wilde doen." — lAnnie, 
""Relieve," zeide de doctor. » Dat was verkeerd. Het beroofde mij van een 
K^oegen." — iBijna dezelfde woorden, die ik toen tegen haar zeide !'* 
^^p hare moeder uit, »Nu waarlijk,alsik weder eens iets weet dat zij U 
*^1 zeggen zou, als zij die reden niet had, en dan niet wil heb ik giooten 
"J^ beste doctor, om het u zelf te zeggen." — »Het zal mij verheugen, 
??? gij dat doet," antwoorddc de doctor. — »Zal het toch f" — »Zeker- 
•iJk,"' — iWelnu, dan zal ik het ook doen !" zeide de Oude Generaal. 
*Clatis afgesproken!" En nu, naar ik vermoed, haar oogmerk here ikt 
'^^bbende, tikte zij den doctor eenige malen met haar waaier op de hand 
(.■Ke zij eerst gekust had) en keerde in zegepraal naar haar eigene plaats 
teiug. 

Daar er nu nog meer gezelschap kwam, waaronder ook de twee mees- 



aoo DAVID COPPKRFIELD. 



ters en Adams waren, werd het gesprek algemeen ; en natuurlijk liep het 
over mijnheer Jack Maldon en zijne reis, en het land waar hij naar toe 
ging, en zijne plannen en vooruitzichten. Hij zou dien avond na het 
souper met eene postsjees naar Gravesend vertrekken, waar het schip, 
waarmede hij de reis zou doen^ lag^ en als hij niet met verlofofvoor zijne 
gezondheid naar huis kwam, ik weet niet hoevele jaren wegbliiven. Ik 
herinner mij nog, dat men het algemeen eens werd, dat Indie een erg 
belasterd land was, en niets had om over te klagen, behalve een tijger of 
twee, en een beetje hitte op het warmste van den dag. Wat mij betreft, ik 
beschouwde mijnheer Jack Maldon als een modemen Sindbad,enstelde 
mij hem reeds voor, als den boezemvriend van die Oostersche Rajah's, 
die onder een verhemelte eene gekrulde gouden pijp zitten te rookeo, 
van eene mijl lengte, als men ze maar rechtuit kon leggen. 

Mevrouw Strong was eene zeer bevallige zangeres, gelijk ik wist, daar 
ik haar dikwijls alleen had hooren zingen. Doch hetzij zij bang was om 
voor andere menschen te zingen, of dat er iets aan hare stem haperde, 
zeker was het, dat zij nu geheel niet zingen kon. Zij beproefde eens eep 
duet met haar neef Maldon, maar kon niet eens beginnen ; en toen zi) 
naderhand alleen wilde zingen, begon zij wei zeer lief, maar stierf hare 
stem op eens weg en bleef zij zeer verlegen zitten, met haar hoofd over 
de toetsen der piano gebogen. De goede doctor zeide dat zij zenuwachtig 
was, en stelde, om haar verademing te geven, een allegaartje met de 
kaart voor, waarvan hij zooveel wist als van de kunst van bazuinblazen. 
Doch ik merkte op, dat de Oude Generaal hem terstond in hare hoede 
nam, om met haar in compagnie te spelen, en hem, om haar onder- 
richt te beginnen, al het zilver dat hij in zijn zak had aan haar liet 
overjeven. 

Wij hadden een vroolijk spelletje, dat niet minder vroolijk werd door 
de vergissingen, welke de doctor, in weerwil van de waakzaamheid en 
tot groot ongenoegen der kapelle^es, in ontelbare meni^ beging. Me- 
vrouw Strong had bedankt om mede te spelen, dewijl zij zich niet zeer 
wel ^evoelde, en haar neef Maldon had zich verontschuldigd omdat hij 
nog lets te pakken had. Toen hij dit echter gedaan had, kwam hij terug, 
en zaten zij te zamen op de sofa te praten. Van tijd tot tijd kwam zij over 
des doctors schouder in zijne kaart kijken, en zeide hem wat hij spelen 
moest. Zij was zeer bleek als zij zich zoo over hem heenboog, en ik 
meende, dat haar vinger beefdeals zij naar dekaarten wees; maar de 
doctor was zeer in zijn schik met hare oplettendheid, en merkte het niet 
op, al was het zoo. 

Onder het souper waren wij zoo vroolijk niet meer. ledereen scheen 
te gevoelen, dat zulk eene scheiding iets drukkends had, en dat dit hoe 
langer hoe drukkender werd naarmate zij nader kwam. Mijnheer Jack 
Maldon deed zijn best om spraakzaam te zijn, maar was niet op zijn ge- 
mak en maakte de zaak nog erger. De oude Generaal, die gedurig van 
voorvalletjes uit mijnheer Jack Maldon's jeugd wilde praten, deed, naar 
het mij voorkwam, er ook niet veel goeds aan. 

De doctor evenwel, die zeker dachl dat hij iedereen gelukkig maakte, 



^ 



VERTRSK VAN M9NHBER JACK MALDON. aoi 

weltevredei^ en vermoedde niet anders of wij alien vennaakten ons 
nitmuntend. 

> Annie, metieve," zeide hij, op zijn horloge kijkende enzijn glas vol 

^chenkende, >het is voor uw neef Jack al over zijn tijd, en wij moeten 

hem niet ophouden, omdat tijd en getij — die hier beide in de zaak be- 

trokken zijn — naar niemand wachten. Mijnheer Jack Maldon, gij hebt 

eene verre reis en een vreemd land voor a ; maar vele menschen hebben 

die aUebei voor zich gehad, en nog velen zullen ze voor zich hebben^ 

zoolang de wereld staat De winden, die gij gaat tarten, hebben duizen 

den bij duizenden naar him fortuin ^evoerd, en dui^nden bij duizenden 

fclukkig teruggebracht/' — >Het is ietsaandoenlijks," zeide mevrouw 

Markleham — >hoe men het ook beschonwen mag, het is iets aandoen- 

Hjks — een knap jonkmaa, die men van kind af heeft gekend, naar het 

^dere eind van de wereld te zien gaan, waar hij alien, die hij kent, moet 

missen, en niet weet wat hij voor zich heeft. Een jonkman, die zooveel 

opoffeit,^' hierbij zag zij den doctor aan, > verdient wel, dat hij bestendig 

ondersteund en voortgeholpen wordt.'' — >De tijd zal snel voor u om- 

gaan, mijnheer Jack Maldon, vervolgde de doctor, >en dat zal hij voor 

ons alien. Sommigen van ons kunnen, volgens den gewonen loop der 

natnur, er bezwaarlijk op rekenen u bij uwe tenigkomst nog te begroeten. 

Het beste is er maar op te hopen, en dat doe ik dus ook. Ik zal u niet met 

^oeden raad vermoeien. Gij hebt lang een goed voorbeeld voor u gehad 

m uw nichtje Annie. Volg hare deugden na zooveel gij maar kunt 

Mevrouw Markleham waaide zich en schudde haar hoofd. 

> Vaarwel, mijnheer Jack," zeide de doctor opstaande^ waarop wij alkn 
opstonden. >Eene voorspoedige reis, eene even voorspoedige loopbaan 
en eene gelukkige tenigkomst." 

Wij djronken alien dien toast en gaven alien mijnheer Jack Maldon de 
hand, die vervolgens haasdg afscheid nam van de dames welke daar wa- 
ren en naar de deur snelde, waar hij, terwijl hij in het rijtuig stapte door 
een geweldig salvo van kreten werd begroet, door onze jongens losge- 
brand, die tot dat einde op het grasperk waren bijeen^ekomen, Naar hen 
toeloopende om hunne gelederen te versterken, was ik zeer dicht bij de 
postsjees toen deze heenreed, en behield een levendigen indruk, dat ik 
te midden van het stof en rumoer, mijnheer Jack Maldon met een ont- 
roerd gezicht en iets roods in de hand had zien voorbijrijden. 

Na nog een salvo voor den doctor, en nog een voor des doctors vrouw, 
gingen de jongens uiteen, en ging ik weder in huis, waar ik de gasten 
alien om den doctor vond staan, er over pratende hoe mijnheer Jack 
Maldon was heengegaan, en hoe hij zich gehouden had, en wat hij ge- 
voeld moest hebben, en zoo al meer. Te midden van deze gezegden riep 
mevrouw Markleham mt : > Waar is Annie ?" 

Er was geene Annie, en toen zij haar riepen, gafgeene Annie aiit- 
woord. Maar toen alien in een troep de kamer uitstormden, om te zien 
wat er te doen was, vonden wij haar in het voorhuis op den grond liggen. 
Ecrst heerschte er eene groote ontsteltenis, tot men bevond, dat zij in 
eene flauwte lag, en die flauwte voor de gewone opwekkende middelen 



20a DAVm COPPKRFIELD. 



zwichtte^ toen de doctor, die haar hoofd op zijne knie had gen 
hare krullen met zijne hand op zijde streek, en in het rond ziende, 
> Arme Anni^ ! Zij is zoo trouw en zoo teerhartig ! Het is het afeche 
haar ouden speelmakker en vriend — haar liefsten neef — dat hi 
gedaan heeft. Het is wel jammer ! Het spijt mij zeer !" 

Toen zij hare oogen opende, en zag waar zij was en dat wij all 
haar heen stonden, kwam zij eenigszins geholpen, overeind, en k 
terwijl zij dit deed^ haar hoofd om^ om het op des doctors schom 
leggen — of om haar gezicht verbergen; dit weet ik niet. Wij { 
naar de zijkamer, om haar met den doctor en hare moeder alleec 
ten; maar zij zeide^ dat zij nu beter was dan zij sedert den ochter 
geweest, en liever bij ons wilde gebracht worden, en dusbracht me 
binnen, nog zeer bleek en zwa^, naar mij dacht, en plaatste hi 
de sota. 

»Lieve Annie," zeide hare moeder, terwijl zij iets aan hare k 
verschikte, >zie eens! Daar hebt gij een strik verloren. Wil men zo< 
zijn om eens naar een lint te zoeken — een rood lint ?" 

Het was de strik, dien zij voor de borst had gehad. Wij zochtei 
er naar — ik zelf zocht overal, dat weet ik zeker — maar niemaii 
hem vinden. 

>Heugt het u nog waar gij hem het laatst gehad hebt, Annie?' 
hare moeder. 

Ik verwonderde mij hoe ik kon gedacht hebben, dat zij bleek was. 
anders dan gloeiend rood, toen zij antwoordde, dat zij meende he 
korte poos geleden nog gehad te hebben, maar dat het niet de i 
waard was er naar te zoeken. 

Evenwel werd er nog weder naar gezocht, maar zonder hem te v 
Zij verzocht dringend dat er niet meer naar gezocht mocht w 
maar tochbleef men er nog, bij poozen, naar zoeken, tot zij weder 
wel was en het gezelschap vertrok. 

Wij wandelden langzaam weder naarhuis, mijnheer Wickfield, 
en ik — Agnes en ik waren opgetogen over den maneschijn, mi 
Wickfield hief zijne oogen bijna niet van den grond op. Toen \ 
delijk onze eigene deur bereikten, ontdekte A^es, dat zij hare r 
had laten liggen. Verheugd haar een geringen dienst te kunnen be^ 
Hep ik terug om ze te halen. 

Ik ging naar de kamer waar wij gesoupeerd hadden en waar de r 
was blijven h'ggen. Het was daar nu donker; maar dewijl de de 
schencfit vertrek en des doctors studeerkamer, waar licht brj 
openstond, ging ik daarbinnen, om te zeggen wat ik kwam doen e 
kaars te halen. 

De doctor zat in zijn leuningstoel bij den haard, en zijne jei 
vrouw op een laag bankje aan zijne voeten. De doctor was, met e< 
genoegden glimlach, aan het voorlezen van eene of andere geschi 
opheldering of theoretische bespiegeling uit dat eindelooze wo 
boek, en zij zag naar hem op. Maar met zulk een gezichtje, als ik ; 
nooit heb gezien. Het was zoo uitmuntend schoon gevormd, het w 




Hn TOORXOHBN VAN HKVROUW STRONG OP ZKKEREH AVOND, 30} 

doodsbleek, hct stond zoo strak en te gelijk zoo verstrooid, het was zoo 
vol van zekeren woesten schrik, alsof zij in een droom verkeerde, en 
door jets akeligs, ik weet niet wat, werd benauwd — zoo moest ecne 
tlupvandelarcs er uitzien. Hare oogen stonden wijd open, en har« 
brmae haren hingen in twee weligc lokken over hare schouders en haar 
•itkleedje, dat door het gcmis van den verlorcn strik ceDigsiinswas 
ifgnakl. Moe duidelijk ik mij ook haar bhk herinner, kan ik toch niet 
KggCQ wat hi) uitdnikte. Ik kan zelf niet zcggen wat hij nu voor mij uit- 
^t, nu hij voor mijn zooveel rijper oordeel weder oprijst. Boetvaar- 
^heid, vemedering, schaamte, trots, liefde en vertrouwen — dat allet 
lie ik, en daarbij nog dien schrik voor ik weet niet wat. 

TocD ik binnenkwam en zeide wat ik verlangde, was het alsof zij ont- 
*ukte. Ik stoorde den doctor insgelijks, want toen ik tenigkwam, om 
it kuTs, die ik medegenomen had, weder op de tafel te zetten, streelde 
l>ij haar op zijne vaderlijke manicr over het hoofd, en zeide, dat hij een 
onbannhartigc suffer was om zich door haai te laten verlokkenom voort 
le lean, en dat zij naar bed moest gaan. 

Doch zij vroeg hem, sne! sprekende en op een dringcnden toon, om 
luar te laten blijven — om haar zich zekcr te latcn gevoelen (ik hoorde 
"^ met afgebrokene woorden zoo icts preveien^ dat zij dien avond in. 
^JQ vertrouwen was. En toen zij zich weder naar hem toekeerde, nadat 
^J even naar mij had omgekeken terwijl ik de kamer uitging, zag ik haar 
we gcvouwene handen op zijne knie leggen, en met hetzelfde gezicht, 
l^Ur eenigszins geruster, naar hem opzien, terwijl hij weder begoa 
'eleicn. 

Dit maakte een diepen indruk op mij, en ik herinnerde het mij nog 
'^ naderband gelijk ik gelegenheid zal Kebben om te verhalen wanneer 
*etijdkomt. 



lEMAND TERUGGEVONDEN. 

Het is mij niet ingevallen om, sedcrt ik weggeloopen was, van Peg- 
^.'tf melding te maken ; maar natuurlijk schreef ik haar een langen brief 
'"JQa zoodra ik te D o v e r gehuisvest was, en nog een langeren brief, 
*^ballebijzonderhedenomstandig werden verhaald, toen mijne tanle 
^0 formed onder hare bescherming had genomen. Toen ik bij doctor 
Strong geko men was, schreefik weder, en beschreef haar mijn gelukki- 
i^ toestand en mijne gunstige vooruitzichten, Ik had van het geld, dat 
5"jnheer Dick mij gegcven had, nooit meer vermaak kunnen hebben, 
''*'i door het te besteden om Peggotly met den laatsten brief, over de 
post, een gouden halven guinje terug te xenden, en zoo mijne schuld bij 
"^ af tedoen; in wclken brief, en nietvroeger, ikook vandcnjongen 
""tt het ezelwagentje melding maakte. 

Op deze brieven antwoordde Peggotty met evenveel spoed, zoo niet 
^en beknopt, als een kanloorklerk had kunnen doen. Zij putte al harff 




«ggiaj5ila«dlit ort (die M*er met de pen niet groot w«s> in eene pogiw 
om mij te beachrijrai w«i aj bij het verslag mijner rcis had gevoda. 
Vier bladztjdeii toI a^brokote iiitToq)ingeii en volzinDen, die geen 
VKlcr dot tuddm dim eene vlek, warm ontoereikend om baargemoed' 
te TCrikhten. Doch de vlekken hadden voor mij meer nitdndtkmg dan 
bet 6uiste opMci ; want rij bewezen mij, dat Peggotty over het papio- 
tntd ntem sclniea, en wat kon ik meer verltngen r 

Ik begreep, londer reel moeite, dat zij nog maar niet gUDstig over 
mjae tante kon denkoi. Zij was te lang tegen haar bevoorooideeld ge- 
veest, om dit zoo spoedig te doen. Men kon iemand nooit kenned 
•chrecf aij; maar te denken, datjnfirouwBetsej'zoogeheelandergion 
aJD dan waarvoor men haar gehouden had, was een mirakel — loo 
dnikte lij acfa ait. Blijkbaar was lij nog bang voor juSrouw Betsey, mat 
aq venocht maar zeer schroomTalUg om haar hare dankbare groetenn 
tt doen ; en bUjkbaar was lij ook ba^ roor mij, en achtte zij het waar- 
•chijnlijk dat ik spoedig weder zou wegloopen; indien ik kon afgaan op 
de berhaalde wenken, die lij mij gaf, dat ik altijd de diligence vracht 
naar Yarmouth kon krijgeo, als u er maar om vrocg. 

Zij gaf mij een bcricht dat mij zeer tro^ namelijk; dateraanonzeonde 
ironiBg eene verkooping van meabelen had plaats gehad, en dat mijo- 
faeer Mordstone en lijne zustcr vertrokken waren, en het huis gesloten 
was, en te hnnr oftc koop stond. De Heme! weet, dat ik er geen belang^ 
bijhaddatiijdaarbleven; roeardegedachte, dat detieveoude voning 
^hecl verlaten was, dat het onkniid nu in den ttiin zou groeien, en de 
a^nUene bladeien op de paden zouden blijven liggen, smartte mij 
toch. Ik verbeddde mij hoe de winttrwind er om heen zou hnilen, hoe 
<te koude r^en tegen de vensteiruiten zou kletteren, hoe de raaan een 
^KWkachlig schijnscl op de muren der ledige kamers lou weqjen en hare 
ecniaamheid don ganschen nacht bewaken. Ik dacht opnieuw aan het 
graf op het kerkhof, onder den boom, en het was mij alsof het huis nu 
ook dood, oi allcs wat a^n mijn vader en mijne moeder herinnerde, ver- 
dweikenwas. 

Er stond geen ander nicuws in Peggotty's bneven. Barkis was een lut- 
montcnd man, zeide zij. hoewel nog een beetje deun ; maar alle menschen 
hadden hnnne gcbreken, en zij had er ook genoeg (hoewel ik waarlijk 
niet wist welke die waren) ; en hij zond zijn greet, en myn slaapkamertje 
was altijd voor mij klaar. Baas P«^otty was wel, en Ham was wel, en 
mffrou* Gummidge was maar zoo wat, en klcine Emily wilde mij geen 
kos Koden. maar zeide, dat Peggotty dit mocht doen, als zij wildc. 

M dcze berichten dcelde ik getrouw aan mijne tante mcde, aUeen de 
molding van kleine Emily voor mij zelven houdendc, daar ik onwiUekeu- 
iix gev^lde, dat zij dit meisje niet zeer gencgen zou zijn. Terwijl .k bij 
Kr Strong nog eenigsdns vreemd was, deed zij ver^chcidenc u,t- 
Sf& naar Canter bury om mij te bezoeken, en kwato altijd op onge- 
W^ uren. met oogmerk om mij te ve^assen, denk ik. Maar daar zij 
S^ dat ik nuttig bezig was, een goeden naam droeg, en «maUe 
£S« hoorde datikgoedevorderingen maakte, staakte z.j weldr deze 



DS MAN DIE BEZOEREN BRENGT AAN MIJNE TANTE. 205 



^^czoeken. Ik zag haar des zaterdags, om de drie of vier weken, als ik naar 
Bover ging om getrakteerd te worden ; en ik zag mijnheer Dick des 
^oensdags, om de andere week, wanneer hij des middags met de dili- 
l^ce overkwam, om tot den voigenden ochtend te blijven. 

Bij deze gelegenheid ^g mijnheer Dick nooit op reis zonder eene 
^cderen schrijfcassette, die een voorraad van schrijfbehoeften en de Me- 
^orie bevatte, ten opzichte van welk document hij in het hoofd had ge- 
i^en, dat de tijd nu begon te dringen, en hij werkelijk moest maken er 
iiiede klaar te komen. 

Mijnheer Dick was een groot liefhebber van koek. Om zijnebezoeken 
des te aangenamer te ms^en, had mijne tante last gegeven om een kre- 
diet voor hem te openen in een koekbakkerswinkel, doch met deze be- 
Perking^ dat hem niet meer dan voor een schelling op een dag mocht 
&&]everd worden. Dit, en dat al zijne rekeningetjes in de herberg waar hij 
^ep aan mijne tante moesten gezonden worden, eer zij betaald werden, 
deed mij vermoeden, dat hij alleen verlof had, om met zijn geld te ram- 
i^ekn, maar niet om het te verteren. Bij nader onderzoek bevond ik dat 
dit zoo was, of dat er ten minste eene overeenkomst tusschen hem en 
i^ijne tante bestond, dat hij haar van al zijne uitgaven rekening zou doen. 
^^^sur hij er niet aan dacht om haar te bedrie^en en haar altijd gaame 
Senoegen gaf^ werd hij aldns weerhouden van zich aan verkwisting over 
^ geven. In dit opzicht, zoowel als in alle andere mogelijke opzichten, 
'^as mijnheer Dick overtuigd, dat mijne tante de verstandigste en be- 
]^onderenswaardigste van alle vrouwen was ; gelijk hij mij dikwijls zeer 
^ het geheim en sQtijd fluisterend zeide. 

^Trotwood," zeide mijnheer Dick op een woensdag, nadat hij mij 

^'^der dit vertrouwen had bewezcn, met een zeer geheimzinnig gezicht ; 

* ^e is toch die man, die zich bij ons huis schuilhoudt en haar bang 

'^^aakt ?" Mijne tante bang maakt, mijnheer f " — Mijnheer Dick knikte. 

f^4^ dacht dat niets haar kon bang maken," zeide hij, >want zij is — ** 

*^i^ fluisterde hij zachtjes >spreek er niet van — de verstandigste en be- 

JU'^Onderenswaardigste van alle vrouwen." Dit gezegd hebbende schoof 

'^ij achteniit,om te zien welk een indruk deze ontdekking op mij maakte. 

\t>e eerste maal dat hij kwam," zeide hij, » was — laat ecns zien — zes- 

'^^nhonderd negen en veertig was de datum van koning Karel'sonthoof- 

diiig. Ik meen, dat gij zestieiSionderd negen en veertig hebt gezegd ?" — 

^5, mijnheer." — >Ik weet niet hoe dat wezen kan," zeide mijnheer 

^^, erg verbijsterd zijn hooid schuddende. >Ik geloof niet dat ik nog 

^^ oud beo." — > Was het in dat jaar dat de man zich vertoonde, mijn- 

<^^er ?" vToeg ik. — 9,lt begrijp waarlijk niet hoe het in dat jaar kan ge- 

^^^est zip, Trotwood,"^eide mijnheer Dick. >Hebt ge dien datum in de 

^^sdiiedenis . gevonden ?" — > Ja, mijnheer." — >£n ik denk, dat de ge- 

^tbiedenis noait Uegt, niet waar ?" zeide mijnheer Dick, met een zweempje 

^^ hoop. — » Wei neen, nujnheer I" antwoordde ik, zeer stellig. Ik was 

^ jon|; oiaig^oos, en dacht toen nog zoo. — >Ikkanhetniet vatteo,'^ 

<Qde mipheer Dick, zijn hoo£d schuddende. > £r is ei;gens iets veikeerd. 

Evenwel, het was kort na die vergissingomdat gemaaluitkoningKurera 




ao6 DAVID COPPERFIBLD. 

hoofd in het mijne te stoppen, dat die man voor het eerst laram. Ik ging 
tnct juffrouw TVotwood wandelcn, na de thee, toen het juist donker be- 
gonte wordcn, endaarwashij, vlakbij onshuis." — >Ook aan het wan- 
delcn?" vroeg ik. — lAan t^t wandelenP" herhaalde mijaheer Dick. 
tLaateeDszien. Daar moet ik mij eens op bedeaken. Ne-en. Hij was niet 
eon het waodeien." 

Ik vroeg, als de kortste manier om ei achter te komen, wat hij dan deed. 

t Wei, hij was er in het seheel niet," leide mijnheer Dick, i voordat hij 
ons achterop kwam en fluisterde. Toen keek z^ om en vicl flauw, en Uc 
bleef staan en keek hem aan, en toen ging hij heen ; maar dat hij sedert 
daar is blijven schuilen (onder den gTondofergens)datishct ronder- 
lingste," — lis hij sedert daar blijven schuilen f" vroeg ik. — »WeI 
Keker," antwoordde mijnheer Dick, emstig knikkende. *En Diet weer 
voor den dag gekomen, voor gisteravond ! Gisteravond waren wij weder 
aan het wandelen, en toen kwam hij weder achter ons aan ; ik herkende 
hem wel." — »En deed hij mijne tante weder schrikken?" — »Beefde 
over haar geheele lijf," antwoordde mijnheer Dick, die aandoeniog na- 
bootsende, zoodat zijne tanden klapperden. > Hield zich'aan het hek vast 
Schreeuwde. Maar, Trotwood, kom eens hier,"mijdichtbijhemtrek- 
kende, om zeer zacht te kunnen fluisteren. »Waarom zou zij hem in den 
maneschijn geld hebben gegeven, jongen?" —r iMisschicn washijeen 
bedelaar." 

Mijnheer Dick schudde zijn hoofd, als om die gedachte geheel en al 
te verweipen ; en nadat hij vcrscheidene maleo en op den toon der std- 
ligste zekcrheid, had gezegd: >Geen bedelaar, geen bedelaar, geen be- 
delaar, jonge heer," verhaalde hij mij verder, dat hij naderhand, laat in 
den avond, uit zijn venster had gezien, dat mijne tante buJten het hek van 
den tuin, in den maneschijn, dien man geld gaf, en hij toen wegsloop — ' 
weder in den grond kroop, gelijk hij waarschijnlijk achtte — en zichniet 
meer liet zien; terwijl mijne tante haastig en heimelijk naar huis terug- 
kwam, en dien morgen nog geheel anders was geweest dan gewoonlijk, 
he^een mijnheer Dick zeer verontrustte. 

Bij het begin van dit verhaal geloofde ik in het minste niet, dat deie 
onbekende iets anders was dan eene hersenschim van mijnheer Dick, op 
dezelfde lijn te stellen met den ongelukkigen vorst, die hem zooveel last 
veroorzaakte ; raaar na eenig bedenken begon ik de vraag in overweging 
te nemen, of er misschien tot tweemaal toeeenepogingofbedreiging 
was gedaan om den armen mijnheer Dick zelf aan de beschermingmijner 
tante te onttrekkeo, en of mijne tante, van wie ik uit haar eigen mond 
wist hoe goed zij over hem dacht, zich misschien had laten bewegen om 
voor zijne rust en welvaart een af koop te betalen. Daar ik reeds zeer aao 
mijnheer Dick gehecht was, en zijn weliijn raij ter harte ging, bevestigde 
mijne viees mij in die onderstelling; en langen tijd kwam zijn woensdag 
bijna nooit terug, of ik was bezorgd dat ik hem met volgens gewoonte op 
de diligence zou zien zitten. Daar zat hij echter altijd, met zijn grijs hoofd, 
Uchende en vergenoegd ; en nooit had hij iets meer te vertellen van den 
man, die mijne tante kon bang maken. 



POPITLARITKIT VAN UIJHHEER DICK. 907 

Deie woensdagen waren de gelukkigste dagen van mijnheer Dick's 
hvcD, en lang niet de mimt gelukkige van het mijne. Weldra was hij met 
ilde jongens vandescbootbekendjenschooD hij nooit een wcrkEaam 
*Md«I aan eenig spel nam, behalve aan het vliegeren, hechtte hij even- 
'tel gewicht aan on« uitspanningen als iemand van ons. Hoc dikwijla 
1Kb ik hem niet met een gezicht vol onuitsprekelijkc belang^elling naar 
tfa wijdstrijd met knikkers of priktollcn zien staan turen, zoodat hij op 
tinlissende oogenblikken nautrelijks ademhaaldej Hoe dikwijls heb ik 
liRD bij het krijger^ spelen op eene kleine hoogte zien staan, dooi zijn 
gquich den geheelen troep aansporende om bun best te doen, en zijn 
hoed boven zijn grijs hoofd zwaaiende, zonder om het boofd van koning 
^el en wat daarmede in verband stond te denken ! Hoe menig zomer- 
tnir, dat voor hem slechts eenige zalige minuten was, heb ik hem bij het 
balslaan zien doorbrengen ! Hoe menigen winterdag heb ik hem met een 
blauwen neus in de sneeuw en den oostenwind zien staan terwijl hij naar 
de JDDgens keek, die de lange glijbaan afgierden, en met vemikking in 
Ejne woUen handschoenen klapte ! 

Hij werd de beveling van alien, en zijneschranderbeidin kleinigheden 
ging alle verwachting te boven, Hij kon sinaasappelen tot figtiren snij- 
<kD, waarvan niemand onzer ooit een denkbeeld had gehad, Hij kon een 
schidtje maken vanal wat maar bout was, van een vleeschpcnaf engroo- 
l^. Hij kon kootbeentjes tot scbaakstukken vervormen, Romeinscbe 
vigens van oude kaarten fabriceeren; wielen met spaken van garen- 
Uossen en vogelkooitjes van oud ijzerdraad maken. Maar het sterkste 
"u hij misschien in het behandelen van bindgaren en stroo, waarmede 
*ij alien overtuigd waren dat hij alles kon doen wat menschenhanden 
maar doen konden. 

De roem van mijnheer Dick bleef niet lang tot ons beperkt. Na eenige 
Tocnsdagen vroeg doctor Strong mij zelf naar hem, en ik zeide hem alles 
*at mijne tante mij gezegd had: he^een den doctor zooveel belang- 
stel!inginboezemde,dathij verzocht bij zijn yolgend bezoek aan hem ge- 
presenteerd te worden, Ik vcrrichtte deze plechtigheid : en daar de 
doctor mijnheer Dick verzocht om, als hij mij niet aan net diligence- 
kantoor mocht vinden, maar naar de school te komen, en daarteblijven 
*ichten tot ons ochlendwerk was afgeloopcn, werd het spoedig eene 

Ecvoontc dat mijnheer Dick ons kwam opzoeken, en als wij watlaataan 
« werk bleven, betgeen des woensdags dikwijls gcbeurdc, over het 
Toorplein bleef kuieren, om zoo naar mij te wachten. Hier maakte hij 
kenim met de schoone jonge vrouw des doctors (nu altijd bleeker dan 
^rheen; zeldzamer door mij, of iemand anders denk ik,gezien; en niet 
^der schoon) en werd zoo langzamerhand gemeenzamer, tot hij ein- 
delijk in de school kwam, en daar bleef wachten. Hij zai altijd in een 
^tonder hoekje, op een bijionder bankje, dat naar hem »Dick" ge- 
•"oeind werd. Daar zat hij dan, met zijn grijs hoofd voorovergebogen, 
Mndachtig te luisteren naar wat er omging, met diepen eerbied voor de 
Xtleerdheid, die hij nooit in staat was gcweesl le verwerven. 
I^nielfden eerbied koesterde mijnheer IMck voor den doctor, wiea 



308 DAVID COPPERPIEU). 

Iiij voor den schrandersten eo diepstdenkenden wijsgeer bidd, dicn d? 
wereld ooit gekend had. Het duurde lang voordat roijnheer Dick hem 
ooit anders dan blootshoofds aansprak; en zetfs toen hq en de doctor 
gehcel vrienden waren geworden en uren lang met elkander wandeldm, 
langs die zijde van het voorplein, die bij ods onderden naam vandc 
doctors- wandeting bekend was, nam mijnheer Dick nog tusschenbeide 
rijn hoed a^ om zijne achting voor wijsheid en wetenschap te toonen. 
Hoe het ooit zoo kwam, dat de doctor onder dit wandelen brokken uh 
het vermaarde woordenboek begonvoor telezen, heb iknooitgeweten; 
misschien dacht hij in het eerst, dat het evengocd was als voor zich zelvcs 
te lezen. Evenwel, ook dit werdeenegewoonte;enmi}nhecTDick,die 
met een glans van trotsche blijdschap op zijn gezicht naar dit vooricun 
Inisterde, geloofde van ganscher harte, dat het Grieksche woordenboek 
het heerliJKste boek van de wereld was. 

Als ik denk hoe zij voor die scboolvensters op en neer wandelden — 
de doctor lezende met Eijn vergenoegden gUmlach, nu en dan met lija 
papier wuivende of defUg met jijn hoofd knikkende ; en mijnheer Dick 
luisterende, door belanzstelling geboeid, terwijl zijne dwalende gedach- 
tCD, op de vleugelen dier vreemde woorden, de hemel wcet waar nur 
toe vlogen — denk tk, dat het een schouwspel was, dat zoo stil als het 
was, onder de genoeglijkste behoordc, die ik ooit gezien heb. Het is mij 
alsof zij daar voor eeuwig hadden kunnen heen en weder wandelen, en 
dit, op eene of andere wijs, de wereld tot voordeel zou zijn geweest — 
alsof duizend dingen, waarover zij gerucht maakt, niet half zoo goed 
voor haar of voor mij waren. 

Agnes was ookspoedigeenevriendin van mijnheer Dick; en daar luj 
dikwijls bij ons aan huis kwam, maakte hij ook kennis met Uriah. De 
vriendschap tusschen hem en mij nam ged'jrig toe, en kwam op dexen 
wonderlijken voet, dat terwijl mijnheer Dick 20o het heette als mijn 
voogd naar mij kwam zien, hij mij toch altijd raadpleegde over elke 
kleine twijfeling die bij hem opkwam en zich altijd naar mijn raadgcdroeg^ 
daar hij niet idleen groote achting voor mijne aangeborene schnmdei* 
held koesterde, maar ook begreep, dat ik veel daarvan van mijne tante 
had ge£rfd. 

Op een donderdagochtend, toen ik mijnheer Dick van zijn logement 
naar het diligencc-kantoor wilde brengen en vervolgena naar school 
gaan (want wij hadden voor het ontbijt een uur school), ontmoette ik op 
straat Uriah, en herinnerde deze mij aan mijne belofte ora bij hem en 
zijne moeder thee te komen drinken, er al wringend bijvoegende: >Maar 
ik had niet gedacht, dat gij die zoudt houden, jonge beer Copperfield, 
omdat wij zoo heel nederig zijn." 

Ik had het waarlijk nog niet met mij zelven kttrmen eens worden, of ik 
van Uriah hield of een afachuw van hem had ; en ik twijfeldc nog daai- 
aan, terwijl ik hem op straat in het gezi^t stond te kijken. Moarikge- 
voehle mij er werkdijk door beleedigd dat hij mij voot trotsch hield, en 
sdde, dat ik maar wachtte tot ik gevraagd werd, 

*0, ab het anden niet is, jonge heer Copperfidd, z«de Uriah, *en. 



KISS SEZOEK BU DE FAMILIK HEEP. 209 

als het wezenlijk onse oederigheid niet is, die n teni^houdt, wilt ge dan 
yan avond komen i Maar als het onze nederigheid is. hoop ik dat gij u 
niet ODtzien zult ora het maar teseggenJoDgeheerCopperfield, want 
wij weten wel wat we zijn." 

Ik zcide, dat ik er mijnheer Wickfield over zou spreken, en als hij het 
goedvond, waaiaan ik niet twijfelde, met genoegen zou komen. Zoo zeidc 
^ des avonds om zes our, daar het een der avondcn was waarop het 
kantoor vroeg gesloten werd, dat ik gereed was om medc te gaan 

tMoeder zal er waarhjk trotsch op wezen," zeide hij toen wij te zameo 
lieengingen. > Of wel, zij zou er trotsch op zijn, als trotschheid geene zonde 
was, jonge heer Copperfield." — tEn tochhebt gij van morgen geen be- 
twaar gemaakt om mij voor trotsch te houden, ' antwoordde ik, — i O 
Heere neen, jonge heer Copperfield," zeide Uriah hierop. lO, geloof 
mij toch, neen. Die gcdachte is niet bij niij opgekomen. Ik zou u geheel 
niet voor trotsch hebben gehouden, al hadt gij ons te nederig geacht, 
Omdat wij zoo heel nederig zijn." — • Hebt gij binnen kort nog vecl in 
de rcchten gestudeerdf" zeide ik, omopeen ander onderwerp te ko- 
men, — »0, jonge heer Copperfield," zeide hij, met een blik vol 
bescheidenc zelfverloochening, >mijn lezen kan haast geen studeeren 
genoemd worden. Ik heb maar nu en dan des avonds een paar uurtjcs 
■Oft mijnheer Tidd gesleten." — »Nog al moeieUjk, denltik?" zeide 
ii. — » Voor mi] is hij soratijds moeielijk," antwoordde hij, iMaarwathij 
voor iemand van talent lou zijn, weet ik niet." 

Na onder het voortwandelen wat met twee viogers zijner becnderige 
ttchterhand op zijnc kin le hebben getrommeld, vervolgde hij : 

>Er zijn uildrukkingen, begrijpt ge, jonge heer Copperfield — Latijn- 
Khe woorden en spreekwijzen, — in mijnheer Tidd, die voor een lezcr 
Wn nederige kundigheden nogal bczwaar hebben," — iZoudt gij gaame 
Latijn willen leeren ?" zeide ik bereidwiJlig. i Ik wit u met vermaak les 
geven, zoover ik zelf gevorderd ben." ^ 1 0, ik dank u wel, jonge heer 
Copperfield," antwoordde hij, zijn hoofd schuddendc. »Hetis welvrien- 
delijk van u om mij dat te presenteeren, maar ik ben veel te nederig om 
htt aan te nemen." — »Dat is maar malligheid, Uriah." -^ > Neen, waar- 
Kjk gij moet mij verschoonen, jonge heer Copperfield. Ik ben u zeer ver- 
Plicht, en ik zou het heel gaame doen, dat verzeker ik u, maar ik ben 
*«1 le nederig. Er zijn menschen genoeg, die mij in mijn nederigen staat 
Vl zouden willen vcrtreden, al geef ik hun geen aanstoot door een ^c- 
wde te worden, Geleerdheid voegt mij niet. Iemand als ik moct met 
'^g willen klimmen. Als hij in de wereld wil vooruilkomen moet hij 
"wlerig blijven, jonge heer Copperfield." 

Ik zag nooit zijn mond zoo breed, of de plooien in zijne wangen zoo 
™*p. als toen hij deze gevoelens ontboezemde ; terwiji hij al dien tijd zijn 
■"•ofd schudde, en zich wrong van bescheidenheid. 

»Ik geloof, dat gij het mis hebt," zeide ik. »Ik geloof zeker, dat er ver- 
^eidene dingen zijn waarin ik u wel les zou kunnen geven, als gij ze 
Pwne zoudt leeren," — i O, daaraan twijfel ik niet, jonge heer Coppcr- 
*1<1," antwoordde hij, »in het minste niet, Maar daar gij zelf niet nederig 

Mvm COFFERFntLO. — I li 



210 DAVID COPPERFIELD. 



zijt, kunt gij misschien niet wel over hen oordeelen, die h< 
mijne meerderen geen aanstoot geven met mijne kundighec 
u wel. Ik ben veel te nederig. Hier is mijne nederige wonin| 
Copperfield." 

Wij.traden eene lage, ouderwetsche kamer binnen, waar i 
de straat inkwam^ en vonden daar juffrouw Heep, die het ev 
Uriah was, maar klein van gestalte. Zij ontving mij met de c 
righeid, en verzocht mij verschooning, dat zij haar zoon 
daarbij aanmerkende, dat zij, zoo germg als zij waren, toch 
lijk gevoel hadden, hetgeen zij hoopten, dat niemand kwalijl 
De kamer was zeer fatsoenUjk, half zitkamer half keuken, m; 
pleizierig. Het theegoed stond op de tafel, en de ketel koc 
vuur. £r stond eene latafel, met een opslaand blad als ec 
waaraan Uriah des avonds kon lezen of schrijven. Daar 
blauwe zak, die papieren scheen te braken. Daar stond ei 
Uriah's boeken, met mijnheer Tidd aan het hoofd. Daar w 
kastje, en daar stonden de gewone meubelen. Ik herinner 
iets in het bijzonder er kaal of armoedig uitzag, maar wel, di 
zulks deed. 

Misschien behoorde het tot juffrouw Heep's nederigheid 
weduwenrouw droeg. Ondanks den tijd, die er sedert mijn 
overlijden was verloopen, droeg zij nog den weduwenrouw. '. 
hare muts eenigszins van den regel afweek ; maar anders wa^ 
zwaar in den rouw als in het begin van haar rouwtijd. 

>Dit is een dag om in gedachtenis te houden, mijn Urial 
frouw Heep onder het theezetten, »nu jonge heer Copperi 
bezoek brengt." — > Ik heb al gezegd, dat ge zoo denken 
der," zeide Uriah hierop. — »Als ik om iets had kunnen wc 
vader bij ons gebleven was," hervatte juflfrouw Heep, »zou 
zijn om dezen avond met ons gezelschap te kunnen kennis n 

Ik werd verlegen met deze complimenten ; maar het streel 
dat ik als zulk een geeerd gast werd ontvangen, en ik vond jui 
zeer innemend. 

»Mijn Uriah," zeide juffrouw Heep, theeft al lang hier 
jonge heer. Hij vreesde wel eenigszins, dat onze nederigheid 
letten^ en dat deed ik ook. Nederig zijn wij, nederig zijn wij 
nedeng zuUen wij altijd blijven." — »Ik geloof toch zeker, d 
reden hebt om dat te zijn, juffrouw," zeide ik,» of gij moet 
kiezen." — »Ik dank u wel, jonge heer," Het juffrouw Heep 
gen. » Wij kennen onzen stand, en zijn daarin dankbaar." 
)^ Ik bevond, dat juffrouw Heep langzamerhand dichter bij n 
langzamerhand tegenover mij kwam, en zij mij eerbiedig be< 
het keurigste, dat er op de tafel stond. Er was, wel is waar, nie 
keurigs ; maar ik nam den wil voor de daad, en vond hen zee 
Weldra begonnen zij over tantes te praten, en toen vertelc 
mijne ; en over vaders en moeders, en toen vertelde ik van (3 
toen begon juflfrouw Heep over stief^aders te praten, en b 



ZU HOOREN MIJ UIT. 211 



-den mijne te vertellen — maar ik bedacht mij, omdat mijne tante mij ge- 
taden had daarover te zwijgen. Een onnoozel jong kurkje zou echter 
even weinig tegen een paar kurkentrekkers, of een onnoozel jong kiesje 
tegen een paar tandmeesters bestand wezen, als ik tegen Uriah en juf- 
frouw Heep. Zij deden met mij wat zij maar wilden, en pompten mij din- . 
^en, die ik nooit had willen vertellen, zoo zeker en gemakkelijk uit, dat 
& nog bloos als ik er aan denk ; vooral daar ik het mij, met mijne jeug- 
^ge rondborstigheid, tot eer rekende dat ik zoo vertrouwelijk was, en 
meende dat ik ook mijne twee achtenswaardig vrienden zeer vereerde. 

Zij hielden veel van elkander ; dit was zeker. Ik denk dat dit, als iets 
Qatuurlijks, zekeren indruk op mij maakte ; maar de behendigheid, waar- 
mede de een wist op te vangen wat de ander zeide, was iets kunstmatigs, 
waartegen ik nog minder bestand was. Toen er niets meer over mij zelven 
^t mij te halen was, (want ovet «iijn leven bij Murdstone en Grinby, en 
mijne reis, was ik stom) begonnen zij over mijnheer Wickfield en Agnes. 
Uriah wierp juifrouw Heep den bal toe, juflfrouw Heep ving hem en wierp 
hem naar Uriah terug, Uriah speelde er een beetje mede en rond hem 
^n weder naar juflfrouw Heep, en zoo lieten zij hem rondvliegen, tot ik 
Diet meer wist wie hem eigenlijk had en geheel verbijsterd was. De bal 
2clf werd ook telkens verwisseld. Nu was het mijnheer Wickfield, dan 
Agnes ; nu was het edele karakter van mijnheer Wickfield, dan mijne 
^genomenheid met Agnes : nu de groote zaken en inkomsten van mijn- 
heer Wickfield, dan ons huiselijk samenzijn na den maaltijd ; dan weder 
hoeveel wijn mijnheer Wickfield dronk, de reden waarom hij dit deed, 
^ hoe jammer het was, dat hij zooveel dronk ; nu het een, dan het ander, 
^n weder alles te gelijk ; en al dien tijd liet ik, zonder dat ik veel scheen 
^ spreken of iets anders te doen dan hen een weinigje aanmoedigen, uit 
^ees dat hunne nederigheid en de eer van mijn gezelschap hen geheel 
^den overstelpen, mij gedurig het een of ander ontglippen, dat ik mij 
^iet moest laten ontglippen, en zag ik de uitwerking daarvan aan het 
knipoogen van Uriah's neusgaten. 

, Ik begon reeds slecht op mijn gemak te geraken en te wenschen, dat 
^t bczoek maar wel aan een eind was, toen eene gedaante, die de straat 
^* en de deur voorbijkwam — welke openstond om wat lucht in de kamer 
^ laten, daar het voor den tijd van het jaar warm weder was — terug- 
keerde, binnenkeek en binnenstapte, luidkeels uitroepende: tCopper- 
^Idilshetmogelijk!" 

Het was mijnheer Micawber ! Het was mijnheer Micawber, met zijn 
^Ofgnet, en zijn rotting, en zijn halsboord, en zijne welgemanierdheid^ 
^ den gullen galm in zijne stem, geheel compleet. 

*Mijn beste Copperfield!" zeide mijnheer Micawber, mij zijne hand 
^^>e3tekende, »dit is waarlijk eene ontmoeting, die wel geschikt is om het 
S^jnoed te vervullen met een gevoel der onzekerheid en onstandvastig* 
^d van alle menschelijke — om kort te gaan, dit is eene buitengewone 
^tmoeting. Terwijl ik langs de straat ga, en loop te denken over de waar- 
*^hijnlijkheid, dat zich iets zal opdoen (waarop ik tegenwoordig vrij veel 
hoop heb), vind ik, dat zich een jong, maar hooggeacht vriend opdoet, 



213 DAVID COPPKRFIELD. 

dien ik in het gewichtigste tijdperk van mijn leven, ik mag wel zeggen b 
de crisis van mijn aanzijn^ heb leeren kennen. Copperfield^ beste jongeo^ 
hoe gaat het u ?" 

Ik kan niet zeggen — ik k a n waarlijk niet zeggen — dat ik blij was 
inijnheer Micawber d a a r te zien, maar ik was toch blij dat ik hem zag. 
gaf hem hartelijk de hand en vroeg hoe mevrouw Micawber veer. 

tWel verplicht," zeide mijnheer Micawber, met de hand wuivendc, 
gelijk vanouds, terwijl hij zijne kin in zijn hemdsboordje schikte. >Zijis 
tamelijk weivarend. De tweelingen putten niet ianger hun voedsel uitde i 
bronnen der natuur — om kort ,te'. gaan," zeide hij, in een zijner uitbar- 
stingen van vertro,uwen, »zij zijn gespeend — en mevrouw Micawber i^ 
tegenwoordig mijne reisgezellin. Zij zalerzichinverblijden,Copperfiel(li 
dat zij hare kennis kan vemieuwen met iemand, die zich in alle opzichten 
een waardig priester aan het altaar der vriendschap heeft getoond." 

Ik zeide, dat het mij ook verheug;en zou haar te zien. 

»Ge zijt wel goed," zeide mijnheer Micawber. Daarop glimlachte hi), 
zette nog eens zijne kin te recht en keek om zich been. »Ik ontdek mijn 
vriend Copperfield," hervatte hij met hoffelijken zwier, en zonder iemand 
in het bijzonder aan te spreken, >niet in eenzaamheid, maar als deelge- 
noot van een gezelligen maaltijd in gezelschap met eene dame in wedtt- 
wenrouw, en van iemand, die waarschijnlijk het kroost is, dat — om kort 
te gaan," zeide hij, met nog eene uitbarsting van vertrouwen, »haar zooo* 
Ik zal het voor eene eer houden gepresenteerd te worden." 

Ik kon^ onder deze omstandigheden, niet minder doen dan mijnhe^ 
Micawber met Uriah Heep en zijne moeder in kennis brengen, en dee^ 
dit dus ook. Terwijl zij zich voor hem vemederden, nam mijnheer lA^' 
cawber een stoel en wuifde op zijne hoffelijkste manier met de hand. 

»Ieder vriend van mijn vriend Copperfield," zeide hij, > heeft aaO' 
spraak op mijne vriendschap." - tWij zijn veel te nederig, mijnheer/ 
zeide juffrouw Heep, >mijn zoon en ik, om vrienden van jonge heer Cop* 
perfield te zijn. Hij is zoo goed geweest om bij ons thee te komen drin- 
ken. en wij zijn hem dankbaar voor zijn gezelschap, en u ook, mijnheer 
voor uwe oplettendheid." — » Mevrouw," antwoordde mijnheer Micaw- 
ber met eene buiging, »gij zijt zeer verplichtend. En wat doet gij hiei 
Copperfield ? Nog in den wijnhandel ?" 

Ik was zeer verlangend om mijnheer Micawber maar daar vandaan te 
krijgen, en antwoordde met mijn hoed in de hand, en zonder twijfel met 
een hoogrood gezicht, dat ik bij doctor Strong op school was. 

> Op school ?" zeide mijnheer Micawber, zijne wenkbrauwen optrek- 
kende. »Het doet mij buitengemeen veelgenoegen ditte hooren. Hoewel 
een geest gelijk die van mijn vriend Copperfield," daarop keerde hij 
zich naar Uriah en juffrouw Heep, i die beschaving niet meer noodig 
heeft, welke hij zonder zijne kennis van menschen en zaken zou verei- 
schen, is die geest echter een vruchtbare grond, waarin alles welig ont- 
kiemt — om kort te gaan," zeide mijnheer Micawber, wederom met eene 
uitbarsting van vertrouwen, i hij is in staat om het ver in de classieken 
te brengen.'' 




bi 



ANDIRMAAL ONTMOET IK MUNH1C£R EN BCEVROUW MICAWBER. 31 J- 

Uriah wreef zijne dorre handen langzaam over elkander en wrong zijn 

bovenlijf op eene akelige manier, om zijne instemming met deze lof- 
; apnak op mij uit te drukken. 

iZollen wij nu mevroaw Micawber gaan bezoeken, mijnheer ?'' zeide 

ik, om hem maar weg te krijgen. — > Als gij haar die eer wilt bewijzen, 
Copperfieldf" antwoordde hij opstaande. ilk maak geen bezwaar om 

(en aanhoore van onze vrienden hier te zeggen, dat ik een man ben, die 

eenige jaren lang tegen den drang van financieele ongelegenheden heeft 

moeten kampen." Ik wist wel, dat hij zeker iets van dien aard zou zeg- 

gsQ] altijd roemde hij op zijne ongelegenheden. iSomtijds hebikmij 

boven mijne ongelegenheden verheven. Somtijds hebben mijne ongele- 

.genheden — om kort te gaan, mij omvergeworpen. Erzijntijdengeweest 

wanneer ik ze op allerlei manieren wist af te pareeren ; er zijn tijden 

feweest wanneer zij mij te sterk waren, en ik er voor zwichtte, en met de 

woorden van Cato tegen mevrouw Micawber zeide: > Plato, gij redeneert 

weL Het is nu gedaan. Ik kan niet langer vechten/' Maar nooit in mijn 

levcn,*' vervolgde hij, »heb ik grooter genot gekend, dan toen ik mijne 

smarten (indien ik ongelegenheden, die voomamelijk uit sommatien van 

procureurs en acceptation op twee en vier maanden ontsproten, met dat 

woord mag aanduiden) in den boezem van mijn vriend Copperfield 

mocht uitstorten. " 

Mijnheer Micawber besloot deze guile bekentenis met te zeggen: 
t Mijnheer Heep, goedenavond I Mevrouw Heep, uw dienaar !" en staple 
toen, met zijne zwierigste bonding, met mij naar buiten, onder het neu- 
lien van een deuntje en tamelijk veel geweld met zijne schoenen op de 
straatsteenen makende. 

Het was in eene kleine herberg waar mijnheer Micawber zijn intrek had 
fcnomen, en hij had daar een bekrompen Ifamertje, dat van de alge- 
meene kamer was afgeschoten en sterk naar tabak rook. Ik denk, dat 
het boven de keuken was, dewijl er door de reten in den vloer een warme^ 
tettige lucht scheen op te komen, en de muren klam waren aangeslagen. 
Ik weet zeker, dat het dicht bij het buffet was, door den reuk der sterken 
drank en het rinkelen van glazen. Daar, op eene kleine sofa gelegen, 
ooder eene schilderij van een renpaard^ met haar hoofd dicht bij het 
nrar, en terwijl hare voeten dreigden een mosterdpotje van een stom- 
meknecht af te schoppen, die aan het andere eind der kamer stond, 
rooden wij mevrouw Micawber, tot welke mijnheer Micawber, die het 
<er5t binnentrad, zeide : > Melieve, mag ik zoo vrij zijn om een scholier 
van doctor Strong bij u te introduceeren ?" 

Ik moet hier terloops aanmerken dat mijnheer Micawber, hoewel hij 
met mijn ouderdom en stand evenzeer in de war was als ooit, altijd als 
iets zeer fatsoenlijks, onthield^ dat ik bij doctor Strong op school was. 

Mevrouw Micawber was verbaasd, maar toch zeer blijde mij te zien.. 
Ik was ook blijde, dat ik haar zag, en na eene hartelijke begroeting van 
veerskanten, zette ik mij naast haar op de sofa. 

iBeste," zeide mijnheer Micawber, tals gij Copperfield eens wilt ver- 
tellen wat onze tegenwoordige positie isy dat hij zonder twi){e\ gaani<& ziS. 




SI4 DAVm COPPCRPIRLD. 

willen weteo, zal ik ondertusschen de courant gaan inkijlien 
of zich onder de advertentien iets opdoel." — »Ik dacht, dai 
mouth waart,mevTouw," zeide ik tot mcvrouw Micawbcr, ' 
heengegaan. — > Ja, mijn lieve Copperfield," antwoorddezij, > 
naar Plymouth gcgaan." — lOmbij dehand te wezen," 
ik haoT. — ijuist zoo," zeide mevrouw Micawber. lOmbi 
wczen. Maar om de waarheid te zeggen, men wil aan het 
geene talenten hebben. De plaatselijke invloed mijner familic 
ontoereikend om voor een man vao mijnheer Micawber'i 
hcden eene aanstelliug bij dat vak te bekomen. Men wilde ) 
man van mijnheer Micaber's bekwaamheden hebben. Hij z 
in het oog doen loopen hoeveel aan anderen ontbrak. E^ I 
vervolgde'mevrouw Micawber, iwil ik het niet voor u bewin 
beste Coppcrfield, dat, toen die tak van mijne famllie, die te 
gevestigd is, zag dat mijnhecT Micawber ook mij, kleine Wil 
zusje, en de tweelingen had medegebracht, men hem niet 
voering ontving, die ik hadmogen verwachten, daai hij zoo t 
nit de gevangenis was veriest. Om de waarheid te zeggen," — 
zij hare stem dalen — imaar dit bhjft tusschen ons — onz 
was koeL" ^»Waailijk!"zeideik.^»]a!"zeidemevrou» 
>Het is wel smaitelijk^jonge heerCopperfield het menschdom 
oogpunt te moeten aanschouwen, maar onze onivangst was 
Daaraan is niet te twijfelen. Om de waarheid te zeggen, die U 
familie, die te Plymouth gevestigd is begon personeel teg 
Micawber te worden, eer wij daar nog eene week geweest wa 
Ik zeide, en dacht ook, dat zij zich behoorden te schamen 
iMaar het was toch zoo," hervatte mevrouw Micawber 
onder zulke omstandigheden, een man van mijnheer Mican 
hartig karakter does? Duidelijk schoot hem niets andcrs 01 
dien tak der familic het geld te leenen voor de tenigreis, en 
kosten mocht, naar L on den terug te keeren." — iDuszijtg 
teruggekomen, mevrouw ?" zeide ik. — » Wij zijn alien weei 
men," antwoordde mevrouw Micawber. iSedert heb ik de an 
mijner famiJie geraadpleegd over demaatregelen, die mijnhet 
nu best 20U kunnen nemen — want ikblijfbeweren,datb 
ander bij de hand moet nemen, jonge heer Copperiield," zei< 
Micawber op een redeneeTenden toon. >Het is duidelijk, t 
houden van zes personen, eene dienstbode nog daarbuiten ( 
van den wind kan leven." — "Zeker niet, mevrouw," zeid< 
meening dier andere takken mijner familie," vervolgde mevr 
ber, > is, dat mijnheer Micawber ontniddellljk zijne aandacht ' 
moet vesdgen.". — » Waarop, mevrouw?" — »0p desteen' 
woordde zij. >0p den kolenhandel. Mijnheer Micawber k< 
doen van onderzoek, op de gedachte, dat er voor iemand vai 
ten een goed voonntzicht zou bestaan in den handel met k 
Medway. Toen was klaarblijkelijk, gelijk mijnheer Micawbei 
zeide^ de eerste stap, dieergenomen moest worden, de Medwi 



•^ 



I BIJ DK MICAWBERS ETEN, 215 



xie n. Wij zijn die dan ook komen zien. Ik teg • wij, jonge heer Copper- 
field, want ik zai," zeide mevrouw Micawber met aandoening, i mtjnheer 
ilicawber nooit verlaten." 

Ik gafprevelend mijiie bewODdering en goedkeuring te kennen. 
iWij zijn de Medway komen zien," hervatte mevrouw Micawber. 
>Mijn gevoelen over den kolenhandel op die rivier is, dat hij misschien 
ook talenten, maar zekerlijk kapitaal vereischt. Talenten heeft mijnheer 
Micawber ; kapitaal heeft hij niet. Wij hebben, denk ik, het ^ootste g&- 
d«!te van de Medway gezien ; en dat is de meening, waartoe ik gekomen 
ben. Daar wij hier loo dichtbij waren, was mijnheer Micawber van ge- 
voelen, dat het roekeloos zou zijn als wij niet meteen de domkerk gingen 
nen, Vooreeret, omdat zij wel de moeite waard is en wij ze nog nooit ge- 
, am hadden ; en ten tweede om de waarschijnlijkheid, dat zich in eene 
I stad met eene domkerk wel lets zou opdoen. Wij zijn hier," vervolgde 
mevrouw Micawber, »nu drie dagen geweest, Er heeil zich tot nog toe 
nieia opgedaan, en het zal u we! niet zoovecl verwondereo, jonge heer 
Copperfield, als het een vreemdeling zou doen, als gij vemcemt, dat wij 
tegrawoordig naar eene remise uit Londenwachten, om onze financi- 
Kle verplichtingen in dit hotel te voldoen. Tot aan de aankomst van die 
remise," zeide mevrouw Micawber met diep gevoel, iben ik vanmijn 
litiis(ikbedoelonzekamersinPcntonville),vanmijnzoontjeendoch- 
Iwije en mijne onnoozele tweelingen verbannen." 

Ik gevoelde het diepste medelijden met mijnheer en mevrouw Micaw- 
Ki in deze dringende omstandigheden, en zeide dit ook tegen mijnheer 
Micawber, die nu terugkwam, er bijvoegende, dat ik maar wenschte geld 
gnioeg te hebben, om hun de noodige som te leenen. Mijnheer Micaw- 
t^rs antwoord verried de onnist van zijn gemoed. Hij zeide, terwijl hij 
"lii de hand drukte: iCopperfield, gij zijt een waarvriend; maar als het 
tgste komtj is niemand zonder vriend, zoolang hij nog een scheerkistje 
h«ft." Bij dit akelige gezegde sloeg mevrouw Micawber hare armen om 
ajn hals en smeekte hem om tebedaren. Hij schreide ; maarbijna onmid- 
deUijk herstelde hij zich in zooverre, dat hij kon schellen en een warmen 
lierpodding met gamalen tegen den volgenden ochtend tot ontbijt be- 
stellen. 

Toen ik afecheid van hen nam, drongen beiden mij zoodantg om voor 
htiD vertrek bij hen te komen eten, dat ik dit niet kon afslaan. Maar daar 
ik wist, dat ik des anderen daags niet kon komen, dewijl ik dan des 
avonds veel werk zou hebben, sprak mijnheer Micawber af, dat hij in 
<!en loop van den ochtend bij doctor Strong naar mij zou komen vragen 
(daar hij een voor^evoel had, dat de remise met de volgende post zou 
amkomen) om te zien of overmorgen mij beter schikte. Ik wcrd dus den 
volgenden ochtend uit de school geroepen, en vond mijnheer Micawber 
bde spreekkamer, om mij tezeggen, dathetdineropdenvoorgestelden 
tijd zou plaats hebben. Toen ik hem vroeg of de remise gekomen was, 
dnikte hij mij de hand en ging been. 

Toen ik ien zelfden avond uit het venster stond te kijken, verwon- 
derde het mij, en maakte het mij eenigszins ongerust, dat ik mijnheer 



2l6 DAVID COPPKRFIELD. 



Micawber en Uriah Heep arm in arm zag voorbijkomen ; Uriah vol 
nederig gevoel voor de eer, die hem bewezen werd, en mijnheer Micaw- 
ber innig vergenoegd, dat hij Uriah als het ware onder zijne bescherming 
kon nemen. Maar nog meer verwonderde het mij, toen ik den volgenden 
dag op den bepaalden tijd, namelijk tegen vier uur, naar het herbergje 
ging, uit hetgeen mijnheer Micawber zeide te moeten opmakea, dat hij 
met Uriah naar huis was gegaan, en bij jufTrouw Heep brandewijn met 
water had zitten drinken. 

ȣn ik zal u eens wat zeggen, mijn beste Copperfield," zeide mijnheer 
Micawber, »uw vriend Heep is een jong kerel, die procureur-generaal 
zou kunnen worden. Als ik dat jonge mensch had gekend in den tijd 
toen mijne ongelegenheden tot eene crisis kwamen, kan ik niets anders 
zeggen, of ik geloof, dat men mijne schuldeischers veel handelbaarder 
zou gemaakthebben dan zij nu geweest zijn.'' 

Ik begreep niet wel hoe dit mogelijk was, daar mijnheer Micawber 
hen nu toch niets had betaald ; maar ik wilde er niet gaame naar vragen, 
Evenmin wilde ik gaame zeggen, dat ik hoopte dat hij bij Uriah niet al 
te spraakzaam was geweest, of vragen of zij veel over mij hadden ge- 
sproken. Ik was bang om mijnheer Micawber*s gevoel te kwetsen, of in 
alien gevalle dat van mevrouw Micawber, daar zij zoo bijzonder teer- 
hartig was; maar ik was er toch ongerust over en dacht er naderhand 
nog dikwijls aan. 

Mijnheer Micawber was buitengemeen vrooiijk. Nog nooithadikhem 
zulk een pleizierig gezelschap gevonden. De punch deed zijn gezicht 
eindelijk blinken, alsof het geheel vemieuwd was. Hij sprak op blijgees- 
tig sentimenteelen toon over de stad, en bracht een toast op haar welzijn 
uit, waarbij hij aanmerkte, dat mevrouw Micawber en hij het daar zeer 
naar hun zin hadden gehad, en dat zij nooit de aangename uren zouden 
vergcten, die zij te Canterbury hadden gesleten. Naderhand stelde hij 
mijne gezondheid in ; en hij, mevrouw Micawber en ik liepen den ge- 
heelen tijd oazer vriendschappelijke betrekking nog eens door^ waarbij 
wij al het verkochte goed nog eens verkochten. Toen stelde ik de ge- 
zondheid van mevrouw Micawber in, of zeide ten minste met beschei- 
denheid : » Als gij het mij vergunnen wilt, mevrouw Micawber, zal ik nu 
het genoegen hebben om uwe gezondheid te drinken." Daarophield 
mijnheer Micawber eene lofrede op mevrouw Micawber's karakter, en 
zeide, dat zij altijd zijne leidsvrouw en vriendin was geweest, en dat hij 
mij zou aanbevelen, als het voor mij tijd om te trouwen werd, om ook 
zulk eene vrouw te trouwen, als er nog zulk eene vrouw te vinden was. 

Naarmate de punch verdween, werd mijnheer Micawber nog vriend- 
schappelijker en vroolijker, en daar mevrouw Micawber ook eenigszins 
opgewonden werd, zongen wij »Auld Lang Syne" vandenSchot- 
schen dichter Burns tot afscheidslied, waarbij wij, toen dit zoo te pas 
kwam, elkander om de tafel de hand gaven, terwijl wij bij den slotregel, 
waarvan wij niets verstonden, werkelijk aangedaan werden. 

Kortom, ik heb nooit iemand zoo vrooiijk en luchtig gezien als mijn- 
heer Micawber dien avond tot op het laatste oogenblik was, toen ik van 



ZtJ ZQN NOG GEHEKL DEZELPDBN. 21] 

I \kem en zijne beminnelijke vrouw een hartelijk afscheid nam. Ik was er 
1 dm Tolstrekt niet op voorbeieid om den volgeDden ochtend ten zeven 
A tire den volgenden brief van hem te ootvangen, die van half den in den 
M avond gedateerd was, een kwartier uurs nadat ik hem verlaten had : 

-I iDierbarejongc vriend! 

iDe teerling ia geworpen — alles is voorbij. Het knagen der zorg met 
een akehg masker van vroolijkheid verbergende, heb ik u dezen avond 
luetondoricht, dat er geene hoop op eene remise overblijftl Onderdeze 
omstandtgbeden, vemederend om te verduren, vemederend om te be- 
schonwen en vemederend om te verhalen, heb ik de financieelc vcrplich- 
tin^, welke ik in dit logement had aangegaan, gekweten dooreene accep- 
tBbc van mijne eigene hand, betaalbaar veerden dagen na dato aan mijne 
woning. Fen ton ville, London. Waimeer die acceptade vervalt,zal 
lij niet gehonoreerd worden. Het gevolg is mijn verderf, De donderslag 
dieigt, en de boom moct vallen. 

• Ljut de rampzalige, die u nu toespreekt,mijn waardeCopperfield, 
ow levcn lang eene waarschuwende vuurbaak voor u zijn. Hij schrijft u 
met die bedoeling, en in die hoop. Indien hij kon denken, dat hij nog 
notdg zou zijn, zou er mogelijk nog een straaltje daglicht doordringen in 
den troosteloozen kerker van zijn volgend aanzijn — hoewd het tegen- 
woordig (om er het minste van te zeggen) zeer twijfclachdgis, of dat aao- 
zijn nog lang zal duren. 

>Dit is de laatste brief^ mijn waarde Copperfield, dien gij ooitont- 
vangen zult 

a Van den doodarmen Balling 

> Wilkens Micawber." 

De inhoud van dezen tiartvcrscheurenden brief deed mij zoodanig 
ontstellen, dat ik teistond naar het herbergje liep, met voomemen om 
na daar naar doctor Strong te gaan, en te beproeven of ik mijnheer 
Micawber met een woord van troost kon opbeuren. Doch halverwege 
daarheen ontmoette ik de diligence naar L o nd e n met mijnheer en me- 
TToaw Micawber achteiop; mijnheer Micawber een toonbeeld van sdl 
genoegen, terwtjl hij glimtachend naar het gekeuvel van mevrouw Mi- 
cawber luisterde, uit een papieren zakje noten at, en de hals ecner flesch 
ait zijn borstzak kwam kijken. Daar zij mij niet zagen, hield ik het, allea 
m aanmerking genomen , voor best om hen ook maar niet te zien. Ik 
■loeg dus, met een groot pak van het hart, eene zijstraat in, die de naaste 
weg naar school was, en vond het over het geheel eene verademing, dat 
zij vcrtrokkcn waren ; hoewel ik toch veel van hen bleef houden. 



DAVID COPPERTIILD. 



I TERUGZICHT. 



Mijne schooldagen! Het stille voortglijdcn van mijn aanzijn — inijiw 
onzichtbare, onmerkbare vorderingen op de baan des levens — van de 
kindsheid totaan de jongelingschaplLaatmij bedenken, terwijlikopdat 
stroomende beekje terugzie, thanseene droge,itietbladereiioveigroeide 
bedding, of er langs zijn loop eenige kenteekenen Eijn te vinden, wau- 
door ik mtj kan herinneren boe het vioeide. 

Een oogenblik, en ik ben op mijne i>laatsindedomkerk, waarwij 
elkcQ zondagmorgen gezamenhjk heengingen, nadat wij cent totdat 
oogmerk in de school warea bijeengekomen. De aardachdge reuk, dc 
stille lucht, het gevoel dat de wereld buitengesloten is, het galmen van 
het orgel door de wil en zwart gewel/de galerijen en zijgangen, zijn vleu- 
gelen, die mij terugvoeren en mij in een half slapenden, half w^enden 
drooni boven die dagen zwcvende houden. 

Ik ben niet de laagste van de school. Ik ben in eenige maandenver- 
scheidene jongens vooruit gekotnen. Maai de eerste jongen is toch voor 
mij een ontzaglijk wezen, veraf op eene duizelingwekkende boogte ge- 
plaatst, die voor mij onbereikbaar is. Agnes zegt > Neen,"nuiar ik zeg > Ja," 
CD leg baar, dat zij zich weinig verbeeldt welke schatten van kennis dat 
wonderbare wezen bemachtigd heefl, wiens plaats zij denkt dat zelfs ik, 
zwakke aanvanger, door den tijd kan bereiken. Hi) is mijn bijzondeie 
vriend en openbaie beschermer niet, gelijk Steerforth was, maar ik draa^ 
hem toch eene eerbiedige achting toe, Ik verwonder mij vooral wathij 
wezen zal, als hij van doctor Strong vertrekt, en wat het menschdom lal 
doen om eenige plaats in de maatschappij tegen hem te verdedigcn. 

Maar wie is het, die mij daar stoorl r Het is jonge juf&ouw Shepherd, 
op wie ik verliefd ben, 

Jonge jufTrouw Shepherd is een kostjuffertje in hetinsdtuut derju&ou- 
wen Nettingall. Ik aanbid jonge jufTrouw Shepherd. Zij is een klein meisjo, 
met een spensertje, een rond gezichtje en krullend vlasblond haar. I>e 
juffer^es derjuffrouwen Nettingall komen ook in de domkerk. Ik kan 
niet in mijn boek zien, want ik moet naar jonge juSrouw Shepherd ki}, 
ken. Als het koor zingt, hoor ik haar. In de gebeden vroeg ik in mijne 
gedacbten haar naam in — ik zet haar onder de leden van het konink- 
Ujke huis. Thuis, op mijne eigene kamer, ben ik somtijdsgenoodzaakt om 
ineenevervoering vanliefdeuitteroepen: »0, Miss Shepherd!" 

Een tijdlang blijf ik twijfelachtig aan hare gezindhetd te mijwaarts, 
maar eindelijk is het noodlot ons gunsdg, en ontmoeten wij elkander in 
de dansschool. Ik krijg jonge juffrouw Shepherd tot danseres. Ik raak 
haar bandscboen aan, en voel eene trilling de rechtermouw van mijn 
buisje opioopen en door mijne haren uitkomen. Ik zeg jonge juffrouw 
Shepherd niets teeders, maar wij verstaan elkander toch. Zij en ik leven 
slechts om vereenigd te worden. 

Waarom geef ik jonge juffiouw Shepherd heimelijk twaalf Brazilie- 



MUI^ EERSTE LIEFDE. 219, 



TU>teii present, zou ik denken ? zij zijn geene zinnebeelden van genegen« 
\)eid) zij zijn moeielijk tot een pakje van eenigszins regelmatig fatsoen te 
taakea) zij zijn lastig om te kraken, zelfs tusschen eene kamerdeur, en 
als zij gekraakt zijn smaken zij olieachtig ; en toch gevoel ik, dat zij voor 
jOQge jufirouw Shepherd een welgepast geschenk zijn. Ook zachte anijs* 
beschtiitjes vereer ik aan jonge juffrouw Shepherd, en sinaasappelen on« 
tdbaar. £ens geef ik juffrouw Shepherd in het hoedenkamertje een kus. 
verrukkin^ I Hoe groot zijn des anderen daags mijne zielesniart en 
verontiYsi^digii^g bij het hooren van een gerucht, datdejuffrouwen Net- 
tingall jonge juffrouw Shepherd in het dwangplankje hebben gezet omdat 
zij hare teenen binnenwaarts keerde. 

Daar jonge juffrouw Shepherd de eenige gedachte en droom van mijn 
leven is, hoe konit het, dat ik ooit met haar breek ? Ik kan het niet be- 
grijpen. £n toch ontstaat er eene verkoeling tusschen haar en mij. £r 
iomt mij een gefluister ter oore : jonge juffrouw Shepherd zou gezegd 
Ivbben, dat zij wel wenschte dat ik haar zoo niet aankeek, en bekend 
hebben, dat zij jonge heer Jones boven mij verkoos — Jones, een jongen 
van geene de minste verdiensten! De kloof tusschen mij en jonge juf- 
frouw Shepherd wordt breeder. Eindelijk ontmoet ik eens de juffertjea 
yfn het instituut op de wandeling. Jonge juffrouw Shepherd trekt een ge- 
2icht onder het voorbijgaan en lacht tegen haar makkertje. Alles is 
'^oorbij. De trouw van een leven — een leven schijnt het te zijn, maar 
dat doet er niet toe — is het einde. Jonge juffrouw Shepherd komt 
<^t meer in de kerkgebeden, en het komnklijke huis kent haar niet 
iJieer. 

Ik ben hooger op de school, en niemand stoort mijne rust. Ik ben nu 
S^heel niet bel^efd meer voor de juffertjes van het instituut, en zou op 
S^n er van verlieven, al waren er twintigmaal meer, en al waren zij twin- 
tigmaal zoo schoon. Ik vind de dansschool een vervelend ding, en ver- 
^onder mij waarom de meisjes niet alleen kunnen dansen en ons met 
"Vrede laten. Ik word sterk in het maken van Latijnsche verzen, en ver- 
^nim het rijgen van mijne laarzen. Doctor Strong spreekt openlijk van 
^j als van een veel belovend jeugdig geleerde. Mijnheer Dick isbuiten 
zidi zelven van blijdschap, en mijne tante zendt mij met de volgende 
post een guinje. 

De schim van een jongen slager rijst op, gelijk de verschijning van 
^D gewapend hoofd in Macbeth. Wie is die jonge slager? Hij is de schrik 
der jcugd van Canterbury, Er heerscht een duister geloof, dat het 
'^dervet, waarmede hij zijne haren zalft, hem bovennatuurlijke krach- 
^ geeft, en dat hij een volwassen man kan staan. Hij heeft een breed 
K^zichtj een hals als een stier, ruwe roode wangen, een woest gemoed en 
*^e schendige tong. Het voornaamste gebruik, dat hij van zijne tong 
P^kt, is om op de jonge heeren uan doctor Strong te smalen. Hij zegt in 
^ het openbaar dat, aJs zij wat lusten, hij het hun zal geven. Hij noemt 
^ onder hen (mij zelven daarbij), die hij wel met 66ne hand^ en de andere 
^P zijn rug gebonden, zou kunnen af kloppen. Hij wacht de kleinste jon- 
K^ op, om hunne onbeschermde hoofden te beuken, en schreeuwt mij 



93Q DAVID COPPXRFIELD. 

Op de openbare straat hoonend ea uitdagend na. Om deze voldoende 
redenen besluit ik met den slager te vechten. 

Het is een zomeravond, in eene groene diepte, bij den hoek van eea 
muur. Ik wacht den slager rolgens afspraak af. Ik word door eene keur- 
bende uit onze joogens vergeteld; de stager door twee andeie stagers, 
een jong herbergier en cen schoorstecnveger. De toebcreidselen lijn ge- 
maakt, en de slager en tk slaan tegen elkander over. In een oogenblik 
doet de slager tien duizend vonkcn uit mijn linker wenkbraiiw schieteo. 
In nog cen oogenblik weet ikniet meer waar de muuris, of waarik zeU 
ben, of waar iemand is. Ik weet nauwelijks wie ik zelf ben en wie de sla- 
ger is, £O0 verward en door elkander gesliagerd zijn wij, terwijl wij over 
het veitrapte gras wentelen. Somtijds zie ik den slager, bebloed mo&r vol 
zelfvertrouwen ; somtijds zie ik niets en zit op de knie van mijn seconde 
te hijgcn ; somtijds vlieg ik als dol op den slager aan, en sla mijne knok- 
kels tegen zijn gezicht aan bloed, zonder dat dit hem eenigszins schijnt 
te deren. Eindelijk ontwaak ik, heel verwonderlijk in het hoofd, als uit 
een duizeligen slaap, en zie den slager heengaac, door de twee iuidere 
slagers, den schoorsteenveger en den herbergier gefeliciteerd, en terwip 
hij al voortgaande zijn rok aantrekt ; waaruit ik met recht opmaak, dat 
de lege aan zijn kant isgebleven. 

Ik word in een jammertijken toestand naar buis gebracht ; men legt 
mij rauw vieesch op de oogen, wrijft mij met azijn en brandewijn, en er 
komt eene groote, witte, sopperige plek op mijnc bovenlip, die onmatig 
opzwelt. Drie of vier dagen lang zie ik er zeer leelijk uit en blijf thuis, met 
ten groen schermpje boven mijne oogen; en ik zou mij zeer vervelen, 
indien Agnes geene zuster voor mij was, mij niet beklaagdc, en voor 
mij las, en den tijd snel en genoeglijk deed omgaan. Agnes bezit altijd 
mijn volkomen vertrouwen; ik vertel haar alles van den slager en de 
grieven waarmede hij mij overladen heeft; en zij denkt,datik nietanders 
doen kon dan met den slager vechten, hoewel ixj er van beefl en huivert, 
dat ik met hem gevocbten heb. 

De tijd is onbemerkt omgegaan, want in de dagen, die nu gekomen 
zijn, is Adams niet meer de eerste van de school, en dit is hij ook in lang 
met meer geweest. Adams heeft de school reeds zoo lang verlaten, dat 
er, toen hij eens terugkomt om doctor Strong een bezoek te brengen, 
niet vclen meer zijn, behalve ik, die hem kennen. Adams zal binnen kort 
advocaat warden en eene pruik dragen. Ik ben verwonderd dat ik hem 
veel stiller en bedaarder vind dan ik gedacht had, en lang niet zoo deflig 
van voorkomen, Ook heeft hij de wereld nog niet in repen roer gebracht ; 
want zij loopt (zoover ik kan vernemen) omtrent eveneens voort aisof hij 
er nooit was ingekomen. 

Eene ledige ruimte, door welke de krijgshelden der poezie en der ce- 
schiedenis optrekken, in statige benden, waaraan geeneinde schijnt te 
komen — en wat volgt dan f I k ben nu de eerste van de school ; en zie 
op de reeks van jongens beneden mij neer, met zekere goedgunstige be- 
langstelling in diegenen onder hen, die mij herinnercn welk een jongen 
ik zelf was, toen ik pas daar kwam. Dat klcine kereltje schijnt mij niet 



DC BEN WEDRR VIRLIKFD. 331 

meer toe te bchooren ; ik denk aan hem als aan iets, dat ik op den levena- 
weg heb achtergelaten — als lets, dat ik veeleer voarbijgekomen, dan 
lelf geweest ben — bijna denk ik aan hem als aan iemand anders. 

£n bet kleine meisje, dat ik op d!en eersten dag bij mijnhcer Wick&eld 
lag, waar is zij P bi^elijks verdweneu. In hare plaats tweeft nu cene vol- 
komene gelijkenis van dat portret, geenkinderlijke gelijkenis meer, door 
hct huis^ en Agnes — mijne lieve zu^^ter, gelijk ik haar in mijne gedachten 
Doem, mijne raadgeeister en vriendin, de goede engel van alien, die bin- 
nen den kringvan haar kalmen, wetdadigen, zelfverloocheneadeninvloed 
komen — is gebeel een volwassen meisje, 

Welke andiere veranderingen hebben er nog met mij plaats gehad, 
behalve die in mijne lengte en uitzicht, en de kundigheden die ik onder- 
tnsschen heb opgezaraeld i Ik draag een goud horloge en ketting, een 
ring aan mijn pink, en een rok met lange panden, en ik verbruik veel 
berenvet — hetgeen, met den ring samengenomen, een slecht teeken is. 
Ben ik weder verliefd f Ja, Ik aan bid de oudste juffrouw Larkins. 

De oudste jufTrouw Larkins is geen klein meisje meer. Zij heelt de ge- 
stalte cener rijzige volwassene vrouw, met eere donkere kleur en zwaJrte 
oogen. De oudste jtiffrotiw Larkins is geen piepjong dingetje meer ; want 
dejongste juffrouw Larkins is dat nieteens meer, en de oudste moetdrie 
of vier jaren ouder zijn. Misschien kan de oudste jufTrouw Larkins onge- 
Tcer dertig wezen. Mijn hartstocht vocr haar gaat alle perken te 
birit<T). 

De oudste juffrouw Larkins heefl kennis met ofhcieren. Dit is iets ge- 
duchts om te dragen. Ik zie hen haar op straat aanspreken. Ik zie hen de 
straat overstappen om haar te ontmoeten, wanneer haar hoed (zij heeft 
in hoeden een zwierigen smaak) naast den hoed barer zuster in de verte 
aankomt. Zij lacht en praat, en dit schijnt haar wel te bevallen. Ik slijt 
een grool gedeelte van mijn vrijen tijd met op en neer te wandelen om 
haar te ontmoeten. Als ik eens op een dag voor haar buigen kan (ik ken 
haar genoeg om voor haar te buigen, daar tk mijnheer Larkins ken) ben 
ik beter tevieden. Ik verdien wel eene buiging nu en dan, Voor de woe- 
dendezielesmarten die ik lijd op den avond van hetbal, dattergelegen- 
heid der wedrennen wordt gegeven, en waar ikweet, dat juffrouw Larkins 
met of6cieren za! dansen, mag ik wel eenige vergoeding hebben, als er 
nog rechtvaardigheid in de wereld is. 

Mijn hartstocht beneemt mij den eetlust en doet mij bestendig mijne 
zijden das dragen. Ik vind geene verademing dan door mijne beste klee- 
Ten aan te trekken en mijne laarzennog eens en nog eens te laten poetsen. 
Ban schijn ik de oudste juffrouw Larkins meer waardig te zijn. AUes, 
dat haar toebehoort of met haar in betrekktng staat, is kostbaar in mijne 
oogen. Mijnheer Larkins (een brommig oud heer. met eene onderkin en 
een van zijne oogen onbeweeglijk in zijn hoofd) is voor mij een leer ge- 
wichtig persoon. Als ik zijne dochter nergens kan vinden, ga ik ergens 
hten waar ik kans heb om hem le ontmoeten. Te zeggen : » Hoe vaart 
B*. mijnheer Larkins? Zijn de jonge dames en de geheele familie nog 
wel t" komt mij zoo onvoorzichtig voor, dat ik er bij bloos. 



Ik denk gedurig over mijn ouderdom. Zeg dat ik zeventicn bCD,» 
dat leventien vecl te jong is voor deoudste juffrouw Larkins — waaron 
datP ik zal haast in em omraezien een en twintig zijn. Ik waodelde 
avonds gcregeld voor hct huis van mijnheer Larkins op en neer, hoere 
het mij door het hart snijdt, als ik de officieren tie binnengaan, of hen 
boven op de voorkamer hoor, waar de oudstejaffrouwLarkmsopde 
harp speelt. Ik wandel lelfs bij drieofviergelegenheden,opeenesrf- 
fcnde, droomerige manier, om het huis rond, nadat de faroilie te bed is, 
poog de slaapkaraer der oudste juffrouw Larkins te raden (waarvoor ik, 
curf ik nu wel zeggen, die van den ouden heer houd), wensch dat er «n 
brand mocht uitbarsten, dat de verzamelde menigte ont^et tnocht blijv^ 
Btaan, en dat ik dan met eene ladder door alles mocht heenbreken, <^ 
tegen haar venster opzetten, haar in mijne armen redden, tenigkeerw 
om iets dat zij had laten liggen, en in de vlamraen omkonien. Wa" 
doorgaans is mijne liefde geheel belangeloos, en denk ik, dat ik tevred" 
20U ziJD met voor juflrouw Larkins nit te blinken en dan te slerven. 

Doorgaans, maar niet altijd. Somtijds rijzen erschoone droombeeld^ 
voor mij op. Wanneer ik mij kleed (eene bezigheid van twee uren) vo* 
«engroot bal,dat bijdcLarkins'en zalgegeven worden (drie weken \at 
door mijte gemoet gezien) streelen de fraaistc tafereelen mijne verbe* 
-ding. Ik verbeeld mij hoe ik raoed vat om juffrouw Larkins eene liefde 
verklaring te doen. Ik verbeeld mij hoe zij haar hoofd op mijn schoudi 
laat zinken en zegt : > 0, mijnheer Copperfield, kan ik mijne ooren geloi 
ven !" Ik verbeeld mij, hoe mijnheer Larkins mij den volgendcn moi^e 
komt opzoeken en zegt: »Mijn beste Copperfield, mijne dochter hee 
mij alles gezegd. Jeugd is geen bezwaar. Hier is twintig duizend pom 
Wees gelukkig!" Ik verbeeld mij, hoe mijne tantezich laat vermurwe 
en onszegent; en hoe mijnheer Dick en docterStrongdehuwelijkspled 
tigheid bijwonen. Ik ben een verstandige jongen, geloof ik — geloof i 
in het terugzicht, meen ik — en bescheiden, ait weet ik zeker; maar zc 
gaat het toch. 

Ik begeef mij naar het tooverpaleis, vol licht, gekout, muziek, bloemt 
•en oificieren (zie ik tot mijne spijt) en vind daar de oudste juffrouw La 
kins, in den vollen glans van al dat schoon. Zij is in het blauw gekleei 
met blauwe bloempjes in het haar - — vergeet-mij-nietjes — alsofzijve 
£cel-mij-nietjes behocfde te dragen ! Het is de ccrste partij van grool 
menschen, waarop ik ooit genoodigd ben, en ik gevoel mij niet recht o 
mijngemak; want ik schijn bij niemand te behooren, en niemand schiji 
mij iets te zeggen te hebben, behalve mijnheer Larkins, die mij nat 
mijne schoolmakkers vraagl, hetgeen hij niet behoefde te doea^ daar i 
niet gekomen ben om beleedigd te worden. Maar nadat ik eenigen tij 
bij de deur ben blijven staan, en mijne oogen op de godin van mijn hx 
heb vergast, nadert zij mij — zij, de oudste juffrouw Larkins ! — e 
Traagt mij vriendelijk of ik dans. 

Ik stotter, met eene buiging: ■ Met u, juffrouw Larkins." — >Metni 
mand andcrs?" zegt juffrouw Larkins. — »Ik zou geen lust hebbe 
om met iemand andcrs tc dansen." 



OP HEX BAL. 233 



Joffrouw Larkins lacht en bloost (of ik denk dat zij bloost) en zegt: 
'Den tweeden dans na dezen zal ik gaarne met u doen." 
Detijdkomt. 

>Het is eene wals, geloof ik,** merkt juffrouw Larkens twijfelend aan, 
toeo ik mij aanmeldde. 9 Waist gij ? Zoo niet ? dan heeft kapitein Bailey — " 

Maar ik wals wel (ik wals zelfe gelukkig tamelijk wel) en ik leid juf- 
^oaw Larkins op. Ik ontvoer haar zonder mededoogen aan de zijde van 
l^apitein Bailey. Het is rampzalig, daaraan twijfel ik niet; maar wat gaat 
het mij aan ? Ik ben ook wel rampzalig geweest. Ik wals met de oudste 
JQ&ouw Larkins ! Ik weet niet waar, tusschen wie of hoelang. Ik weet 
alleen^ dat ik in de ruimte rondzweef, met een blauwen engel in den arm, 
in een staat van zalige bedwelming, tot ik mij met haar in een kamertje 
alleen bevind, waar wij op eene sofa zitten te rnsten. Zij prijst eene bloem 
(eene rozeroode camelia japonica, die mij eene haJve kroon heeft 
^ekost) in mijn knoopsgat. Ik geef ze haar en zeg : 

>Ik vraag er een onwaardeerbaren prijs voor, juffrouw Larkins." — 
*Ei! Wat dan ?" antwoordt zij. — »£ene bloem van u, om dien schat 
tebewaren gelijk een gierigaard zijn goud bewaart." — iGij zijt een 
jongen die durft," zegt juffrouw Larkins. iDaar," 

Zij geeft mij de bloem, niet onvriendelijk; en ik breng ze aan mijne 
lippen en steek ze daama voor de borst. Juffrouw Larkins steekt lachende 
we hand door mijn arm, en zegt: i Breng mij nu weder naar kapitein 
Bailey." 

Dc ben nog verdiept in de herinnering van dat verrukkelijk onderhoud 
€n die wals, wanneer zij weder naar mij toekomt, met een vrij leelijk 
oudachtig heer, die den geheelen avond whist heett zitten spelen, aan 
<fcn arm, en zegt : • 

»0, hier is mijn dappere vriend! Mijnheer Chestle verlangt kennis met 
Qtemaken, mijnheer Copperfield." 

Ik begrijp terstond dat hij een huisvriend is en ben zeer vereerd. 

>Ik moet uw smaak prijzen, mijnheer," zegt mijnheer Chestle. >Hij 
s^ekt u tot eer. Gij zult wel niet veel belang in hop stelleh, maar ik kweek 
(Ke tamelijk in het groot; en als gij ooit lust hebt om eens in onze streek 
te komen — de streek van Ashford — en ons gedoe te zien, zullen 
wij u gaarne zoo lang logeeren als het u belieft." 

Ik dank mijnheer Chestle met warmte en geef hem de hand. Ik meen 
ifi een gelukkigen droom te verkeeren. Ik wals nog eens met de oudste 
ju&ouw Larkins — zij zegt, dat ik zoo goed wals. Ik ga in eene onuit- 
^kelijk zalige stemming naar huis, en wals in mijne verbeelding den 
geheelen nacht lang, met mijn arm om het blauwe middeltje mijner 
Seve godin. Nog eenige dagen later blijf ik in een verrukkelijk gemijmer 
^erzonken; maar ik zie haar niet, noch op straat, noch aan huis, als ik 
<iaar aanga, en word maar ten halve over die teleurstelling getroost door 
^Keilige pand, de verwelkte bloem. 

>Trotwood," zegt Agnes eens na den maaltijd. » Wie denkt gij wel dat 
<*" morgen gaat trouwen ? lemand, met wie gij veel ophebt." — 9 (^j 
toch niet, zou ik denken, Agnes?" — » Ik niet!" zegt zij vroolijk opkij- 



224 DAVID COPPERFIELD. 



kende van de muziek, die zij kopieert Hoort gij hem wel papa? — D^ 
oudste juftouw Larkins.'' — iMet — met kapitein Bailey?" Ik hebmaar 
juist kracht genoeg om dit te vragen. — »Neen, met geen kapitein. Met 
mijnheer Chestle, een hopkweeker." 

Ik ben een paar weken lang schrikkelijk neerslachtig. Ik leg mijn ring 
af, draag mqne slechtste kleeren, gebruik geen berenvet en jammer 1:3 
dikwijls over de verwelkte bloem der gewezene jufFrouw Larkins. Daar 1 1 
mij na verloop van dien tijd dat soort van leven eenigszins verveelt, en 
de slager mij opnieuw heeft getergd, gooi ik de bloem weg, ga met den 
slager naar buiten en behaal eene roemrijke zegepraal. 

Dit en het hememen van mijn ring, met een matig gebruik van bereB' 
vet, zijn de laatste merkpalen, die ik nu van mijne vordering tot ^^ 
zeventien jaren kan onderscheiden. * 



XIX. 

IK ZIE OM MIJ HEEN EN DOE BENE ONTDEKKINO. 

Ik weet niet recht of het mij innerlijk verheugde of speet, toen miji^ 



schooldagen ten einde liepen en het tijd werd om doctor Strong te vt^ ^ 
laten. Ik was daar hoogst gelukkig geweest : ik was zeer aan den docto^-^ 
gehecht, en bekleedde in die kleine werela eene eervoUe, uitstekend^^ 
plaats. Om deze redenen speet het mij te moeten vertrekken ; maar oi 
andere redenen, die onbepaald genoeg waren, was ik blijde. Nevelach- 
tige denkbeelden van nu een jongmensch en mijn eigen meestertezullen 
worden, van het gewicht, dat aan een jongmensch, die zijn eigen meester 
was, gehecht werd, van de wonderbare dingen, die dat heerlijke wezen 
zou zien en doen, en den verbazenden indruk dien het niet missen kon 
in de samenleving te maken, verlokten mij. Zooveel kracht hadden deze 
hersenschimmige denkbeelden over mijn jeugdig gemoed, dat ik, naar 
ik er nu over denk, de school schijn verlaten te hebben zonder dat leed- 
wezen te gevoelen, dat men wel voor natuurlijk had mogen houden. Het 
afscheid daarvan heeft geen zulken indruk bij mij nagelaten, als andere 
scheidingen gedaan hebben. Ik poog mij vruchteloos te herinneren wat 
ik toen gevoelde en wat er bij plaats had ; maar het is mij niet als iets ge- 
wichtigs in het geheugen gebleven. Ik denk, dat het nieuwe vooniitzidit 
mij verbijsterde. Ik weet wel, dat mijne jeugdige ervaring toen weinig of 
niets meer baatte ; en dat het leven meer naar een groot tooversprookje, 
dat ik nu zou beginnen te lezen, dan naar iets anders geleek. 

Mijne tante en ik hadden menig emstig gesprek over het beroep, 
waaraan ik mij zou toewijden. Een jaar lang of nog langer had ik reeds 
mijn best gedaan om een antwoord te vinden op hare dikwijls herhaalde 
vraag, wat ik gaame zou willen worden. Maar ik kon niet ontdekken dat 
er iets was, waarvoor ik eene bijzondere neiging had. Als ik door eene 
ingeving bedreven in stuurmanskunst en alles wat daarbij behoort had 
kunnen worden, het bevel over een eskader van snelzeilende schepea 



MQNE SCMOOLJAREN ZQH VOORBIJ. 22$ 

had kunnen aacvaarden, ca daarraede eene zegepralende ontdekkings- 
reii om de wereld doen, geloof ik dat dit mij uitrountend zou hebben 
bevallen. Maar dewijl ik met door zulk een mirakel geholpen werd, was 
hei mijn verlangen mij op een of ander vak toe te leggen, dat niet al te 
Tcel van hare beurs vergde, en daarin, wat het ook wczen mocht, mijn 
plicht te doen. 

Mijnheer Dick had onze beraadslagingen, met een ernstig peinzend en 
m verstandig gezicht, geregeld bijgewoond, maar nooit eenige mee- 
ning geuit, behalve eens. toen hij (ik weet niet hoe hem dit in het hoofd 
kwam) plotseling voorstelde, dat ik een koperslager zou worden, Mijne 
tale nam dit voorstel zoo ongunstig op, dat hij nooit een ander waagde, 
itau er zich naderhand toe beperkte om waakzaam te zitten wachten 
■at lij aou voorslaan, en zijr. geld te laten raramelen. 

•Trot, ik zai u eens wat zeggen, mijn jongen," zeide mijne tante, op 
Mnochtendinden Kersttijd nadat ik van school was gekomen, »daar 
dit mocielijke punt nog onbeslist is gebleven, en wij,alswijheteenigszins 
lunoen mljden, ons niet in onze keus moelen vergissen, geloofik dat wij 
bettr zouden doen, als wij dienog wat uitslelden. Ondertusschen moet 
gij Qw best doen om de zaak uit een nieuw oogpunt, en niet als een 
sdiooljongen, te bcschouwen."^»Datzalik, tante." — iHetismijin- 
gewllen," vervolgde mijne tante, • dat het u nuttig zou kunnen zijn, als 
gij wat verandering hadt en eens zaagt wat er zoo al in de wereld omgaat. 
Dal zou u helpen oro het met u zelven eens te worden, en met meer koel- 
beid te oordeelen. Als gij eens een reisje gingt doen. Als gij bij voorbeeld 
nog eens die streek gingt opzoeken waar gij vroeger gewoond hebt, en 
«ns kijken hoe die wonderlijke vrouw het maakt, met dien heidenschen 
Eaara," zeide raijneCante, haarneuswrijvende, want zij kon het Peggotty 
Oooit geheel vergeven, dat zij zoo heette. — tJ5at zou ik vooral gaame 
wijlen, tante." — iWel zoo, dat komt gelukkig uit," zeide mijne tante, 
'wani ik zou het ook gaarne willen. Maar het is ook redelijk en natuur- 
lijk, dat gij het gaarne wilt ; en ik houd mij overtuigd, Trot, dat al wat gij 
doet altijd redelijk en natuurlijk zal zijn." — »Dat hoop ik, tante." — 
»Uwe zusitr, Betsey Trotwood," hervatle mijne tante, > zou zulk een re- 
delijk en natuurlijk melsje geweest zijn als er ooit een geleefd heeft Gij 
lult u barer waardig maken, niet waar i"' — > Ik hoop, dat ik mij u w e t 
waardig zal maken, ^nte. Dat zal mij genoeg zijn." — > Het is gelukkig, 
dat dat arme lieve kind, uwe moeder, niet zoo lang geleefd heeft," zeide 
mijne tante, mij goedkeurend aanziende, »of zij zou legenwoordig zoo 
grootsch op haar zoon zijn geweest, dat haar onnoozel hoofdje geheel op 
hoi zou zijn geraakt, ais het nog meer op hoi kon raken." (Mijne tante 
verontschuldigde altijd haar eigen zwak voor mij, door het op deze ma- 
nier op mijne moeder over te brengen). » Och Trolwood, hoe doet ge mij 
altijd aan haar denken!" — tMet genoegen, hoop ik, tante." — » Hij 
gelijkt zoo op haar, Dick," zeide mijne tante met nadruk, • hij gelijkt zoo 
op haar, zooals zij dien avond was, eer zij begon te kniezen — waarlijk, 
hij gelijkt zoo sprekend op haar, als hij mij maar uit zijne twee oogen kan 
aanEieol" — iDoethij waarUjk f" zeide mijnheer Dick. — >£n hij gelijkt 



2 26 DAVID COPPERFIELD. 



op David ook," zeide mijne tante beslissend. — * Hij gelijkt bijzonder veel 
op David!" liet mijnheer Dick hierop volgen. — >Maarwatik wilde 
dat gij wierdt, Trot," hervatte mijne tante, likmeennietlichamelijk, 
maar zedelijk ; lichamelijk zijt gij w^l genoeg — is, een ferme kerel. Een 
knappe, ferme kerel, die een eigen wil heeft.Gij moet beradenheid krijgen," 
zeide mijne tante, haar hoofd schuddende en ha:re vuist dicht knijpende, 
len vastheid. Gij moet karakter krijgen, Trot — vastheid van karakter, 
zoodat gij u door niets of niemand tot iets laat bewegen, behalve om 
goede redenen. Zoo wilde ik dat gij wierdt. Zoo hadden uw vader en 
uwe moeder kunnen zijn, en dat zou gelukkig voor hen geweest zijn, dat 
weet de Hemel." 

Ik gaf mijne hoop te kennen om eens te worden watzij zeide. 

lOm u in het klein op u zelven te leeren vertrouwen en voor u zelven 
handelen," zeide mijne tante, izal ik u alleen op dattoertje uitzenden. Ik 
had er aan gedacht om mijnheer Dick met u mede te laten gaan ; maar 
nu ik mij nog eens beraden heb, zal ik hem liever hier houden om op 
mijlte passen." 

Mijnheer Dick keek voor een cogenblik eenigszins te leur gesteld, 
totdat de eer om op de bewonderenswaardigste vrouw der wereld te 
moeten passen, zijn gezicht weder deed ophelderen. 

iBuitendien," zeide mijne tante, lis de Memorie er nog..." — lOja 
zeker," zeide mijnheer Dick haasdg. ilk meen die ook dadelijk af te ma- 
ken, Trotwood. — Zij moet nu waarlijk afgemaakt worden. En dan zal 
ik ze inzenden, weet ge — en dan — " zeide mijnheer Dick, na zich lang 
bedacht te hebben, i zal er een leventjc komen." 

Het plan mijner tante werd kort daarop ten uitvoer gebracht. Ik werd 
van eene goede beurs met ^eld en een valies voorzien, en met teedere 
bezorgdheid op mijn tocht mtgezonden. Bij het afecheid gaf mijne tante 
mij nog wat goeden raad en vele kussen en zeide dat zij, daar het haar 
oogmerk was, dat ik wat in de wereld zou rondkijken en een weinigje 
leeren nadenken, mij zou aanbevelen om, hetzij wegnaar Suffolk of 
van daar terugkomende, eenige dagen teLonden te blijven,als het 
mij daar beviel. Kortom, ik had verlof om drie weken of eene maand 
lang te doen wat mij beliefde, en mijne vrijheid werd aan geene andere 
voorwaarden gebonden dan het bovengemelde rondkijken en nadenken, 
en eene belofte om driemaal in de week te schrijven en een getrouw 
verslag van mijn wedervaren te geven. 

Ik ging eerst naar Canterbury, om van Agnes en mijnheer Wick- 
field (in wiens huis ik mijne kamer nog niet ontruimd had) en ook van 
den goeden doctor afscheid te nemen. Agnes was zeer blijde, dat zij mij 
zag, en zeide mij, dat het huis niet meer hetzelfde was geweest sedert ik 
vertrokken was. 

[ »Ik ben waarlijk ook dezelfde niet meer als ik weg ben," zeide ik. 
iHet is mij alsof ik mijne rechterhand mis, als ik u mis. Schoon dat niet 
veel gezegd is, want mijne rechterhand heeft geen hoofd en geen hart, 
ledereen die u kent, Agnes, vraagt u om raad en laat zich door u lei- 
den." — 1 ledereen die mij kent, bederft mij, geloof ik," antwoordde zij 



iqjNK TETROUWKLUKHEID MET ACNKS. 237 

met een gUmlacb. — * Keen, dat niet ; want ^j lijt niet ah lemand anders. 
Gij rijt 100 goed en zoo lief van humeur. Gij hebt lulk een zacht karak- 
ter, en gij hebt altijd gelijk." — » Gij praat," zeide Agnes in een schert- 
send lacben uitbarstende, terwijl zij bleef zitten werken, lalsof ik de 
gewean jtiffrouw Larkios was." — tNcen, dat is niet moot, mijn ver- 
trauwen te misbniikcn," antwoordde ik, blozende bij deze herinncring 
aan mijne blauwe zielsvoogdes. >M&ar ik zal u toch blijven vertrouwen. 
Mats. Dat kan ik mij nooit ontwennen. Als ik in ongelegenheden kom, 
ofverliefd word, zal ik het u altijd vertellen, als gij het maar wilt hebben — 
wife als ik eens in ernst verliefd word," — • Wei, gij zijt het immers altijd 
in erast geweest !" zeide Agoes weder lachende. — > O, dat was als een 
kind of een schooljongen," zeide ik, op mijne beurt lachende, maar niet 
londer eenige beschaamdheid. > Het wordt nu een andeie tijd, en ik ge- 
lool^ dat ik vroeger of later eens in een schrikkelijk emstigen staat zal 
liJD. Ik rerwonder mij maar, dat gij zelve nog niet cmstig verliefd zijt, 
Agnes." 
Agnes lachte weder en schudde haar hoofd. 

>0, ik weet wel dat gij het niet zijt," vervolgde ik, iwant als het zoo 
geweest was, zoudt gij het mij wel gezegd hebben. Of ten mitiste" — 
want ik zag een flauwen bios op hare wangen — ■ hadt ^j het mij wel 
laten ontdekken. Maai ik ken niemand, die waardig isu hefte hebben, 
Agnes. Er moet iemand van edeler karakter en veel meer innerlijke 
waarde, dan ik nog ooit gezien heb, opstaan, eer ik mijne toestemmmg 
geef. Ik zal voortaan een wakend oog op alle aanbidders houden, en van 
den gelukkige zal ik zeer veel eischen, dat verzeker ik u." 

Zoo ver waren wij voor^cgaan in die vertrouwelijke mengeling van 
scherts en emst, die zoo natuurlijk ontstaan was nit den gemeenzamcn 
omgang, begonnen toen wij beiden nog kinderen waren. Maar nu sloeg 
AgQCs eensklaps hare oogen naar de mijne op, en op eengeheel anderen 
toon sprekende, zeide zij : 

1 Trotwood, er is iets, dat ik u meet vragen, en misschien lal ik in 
langen tijd geene gelegenheid meer hebben om het u te vragen — en het 
is iets, dat ik aao niemand anders zou willen vragen, geloof ik. Hebt gij 
niet bij papa langzamerhand eene verandering opgemerkt?" 

Ik haddieopgemerktenerdikwijlsaangedacht ofzij ditookgcdaan 
had. Ik moet dit nu door mijn uitzicht getoond hebben; want dadelijk 
werden hare oogen neergeslagen, en ik za^ tranen daarin. 

»Zeg mij toch wat gij er van vindt," zeide zij zacht. — >Mijduakt — ■ 
ik zal maar ronduit spreken, Agnes, daar ik toch zoovee! van hem 
boud?" — »Ja," zeide zij. — »Ik geloof, dat hijzichgcengoeddoet door 
die gewoonte, die sedcrt ik hier ben gekomen hoe langer hoe sterker is 
geworden. Hij is dikwijls zeer zenuwachtig — of het moet verbeelding 
van mij zijn." — »Het is geene verbeelding," zeide Agnes, haar hoofd 
schuddendc. — » Zijne hand beeft, zijne spraak is niet dtiidelijk en zijne 
oogen staan wild. Ik heb ook opgemerkt, dat hij dan, en wel als hij het 
meest van streek is, bijna zeker voor zaken wordt geroepen." — > Door 
Uriah," zeide Agnes. — • Ja, en het gevoel dat hij er ongcschikt voor is. 



228 DAVID COPPERFIELD. 

dat hij ze niet begrepen heeft, of dat hij tegen wil en dank zijn toesta 
heeft laten blijken, maakt hem dan zoo onrustig^ dat hij den volgeDd 
dag nog erger is, en des anderen daags alweder erger^ en zoo begint 1 
te vervallen en den moed te verliezen. Gij moet u niet angstig maJn 
over hetgeen ik zeg, Agnes, maar in zulk eene stemming zag ik he 
laatst op een avond zijn hoofd op zijn lessenaar laten zakken en schreu 
als een kind." 

Zij legde mij, terwijl ik nog sprak, zacht de hand op den mond, enec 
oogenblik later was zij bij haar vader, die juist de kamer inkwam, e 
leunde liefkoozend op zijn schouder. De uitdrukking van haar sezichtjj 
terwijl beiden naar mij zagen, trof mij diep. In haar aandoenlijken bli 
lag zulk eene teederheid voor hem, zulk eene dankbaarheid voor zijn 
liefde en zorg, zulk eene dringende bede aan mij om hem, zelfs in mijn 
geheimste gedachten, met verschooning te behandelen, en geene hard 
opvatting voet te geven; zij was te gelijk zoo trotsch op hem en zoo ©c 
delijdend bedroefd over hem, en zoo vol vertrouwen dat ik dit insgelijk 
zou zijn, dat zij niets had kunnen zeggen om het mij duidelijkertemakei 
wat zij meende of mij dieper te ontroeren. 

Wij zouden bij den doctor theedrinken. Wij gingen op den gewonei 
tijd naar zijne woning, en om den haard in de studeerkamer vonden wi 
den doctor, zijne jeugdige vrouw en hare moeder. De doctor, die aai 
mijne reis evenveel gewichthechttealsofiknaar China ging, ontvinj 
mij als een hooggeacht gast en liet nog een blok hout op het vuur leg 
gen, om het gezicht van zijn oudsten leerling nog eens in de vlam^ 
zien gloeien. 

tik zal niet veel nieuwe gezichten in plaats van Trotwood meer t}^ 
Wickfield," zeide de doctor, zijne handen warmende. » Ik word lU*^ 
begin naar mijn gemak te verlangen. Ik zal over nog zes maande^ 
mijne jongelui vaarwel zeggen en stilletjes gaan leven." — t Dat heb^ 
tien jaren lang al telkens gezegd, doctor," antwoordde mijnheer \V^ 
field. — t Maar nu meen ik het," zeide de doctor hierop. > Mijn ee^ 
meester zal mij opvolgen — ik meen het nu eindelijk in ernst — en ^ 
zult gij binnen kort een contract tusschen ons moeten maken, om C 
zoo vast te binden alsof wij een paar schelmen waren." — >En om op 
passen, dat gij niet gefopt wordt, niet waar?" zeide mijnheer Wickfiel 
1 gelijk ge zeker gedaan zoudt worden in een contract, dat ge zelf moc 
willen maken. Welnu, ik ben klaar. Men heeft in mijn vak wel eens o 
aangenamer taak te doen." — >Dan zal ik aan niets meer te denk< 
hebben," zeide de doctor met een glimlach, » dan aan mijn woordenboe 
en dit andere contract-gevalletje — Annie." 

Toen mijnheer Wickfield naar mevrouw Strong omkeek, die bij ( 
tafel naast Agnes zat, scheen zij zijn blik met zulk eene ongewoi 
schroomvalligneid te vermijden, dat het was alsof hem daardooriets 
gedachten werd gebracht, dat zijne aandacht bijzonder op haar vestigd 

> Er is eene post uit Indie aangekomen, naar ik zie," zeide hij, i 
eene korte poos van stilte. — >Ja," antwoordde de doctor, »met brieve 
van mijnheer Jack Maldon." — »Ei?" — »Die arme, goede Jack!" zeic 






DE OUDE GENERAIL IN FUNCTIE. 



229 



mevrouw Markleham, haar hoofd schuddende. »Dat schrikkelijke kli- 
maat! — het is, heeft men mij gezegd, alsofmen onder een brandglas 
op een zandhoop leefde ! Hij zag er sterk uit, maar hij was toch niet 
sierk. Het was zijn groot hart, mijn lieve doctor, niet zijn gestel, dat hem 
zoo manhaftig maakte. Annie, kindlief, gij zult u zeker 00k wel herin- 
ncren, dat uw neef nooit sterk was — niet wat men »robuust" zou kun- 
nen noemen, weet ge," zeide mevrouw Markleham met nadruk, en keek 
daarbij ons alien in het rond aan, »al van den tijd af toen mijne dochter 
en hij nog kinderen waren, en den ganschen dag arm in arm met elkan- 
<Ier liepen kuieren." 
Annie, aldus aangesproken, gaf geen antwoord. 
>Moet ik uit uw zeggen opmaken, dat mijnheer Maldon ziek is, me- 
vrouw?" vroeg mijnheer Wickfield. — »Ziek!" antwoordde de Qude 
Geoeraal. > WeU mijn goedeheer, hij is alles wat iemand maar zijn kan." — 
Bchalve gezond ?" zeide mijnheer Wickfield. — » Ja waarlijk, behalve 
gezond !" zeide de Oude Generaal. » Hij heeft zeker al meer dan eens 
een schrikkelijken zonnesteek gehad^ en de moeraskoorts en alles wat 
men maar bedenken kan. En wat zijne lever betreft," voegde de Oude 
Oencraal er met treurige berusting bij, »die moest hij natuurlijk al bij 
zijn vertrek verloren geven." - >Schrijft hij dat alles zoo ?" vroeg mijn- 
heer Wickfield — »Schrijven ? Mijn goede heer," antwoordde mevrouw 
Bifarkleham, haar hoofd en haar waaier schuddende, »gij moet mijn 
armen Jack Maldon weinig kennen om dat te vragen. Schrij ven ? Hij niet. 
Hij zou zich liever door vier paarden in stukken laten trekken." — » Maar 
ouma!''' zeide mevrouw Strong. — » Annie, kindlief,"liet hare moeder 
hierop volgen, >voor eens en voor altijd moet ik u waarlijk verzoeken 
om u er buiten te houden als ik spreek, of het moest wezen om te beves- 
tigcn wat ik zeg. Gij weet evengoed al ik, dat uw neef Maldon zich liever 
door vier wilde paarden — maar waarom zou ik het bij vier laten — door 
acht, of zestien, of twee en dertig wilde paarden in stukken zou laten 
trekken, dan zich te beklagen over iets, dat de doctor voor hem gedaan 
heeft." — > Wickfield gedaan heeft," Het de doctor hierop volgen, terwijl 
hij zijne kin wreef en zijn raadsman berouwvol aanzag. »0f eigenlijk wij 
beiden voor hem gedaan hebben. Ik heb zelf gezegd, hier of buitens- 
Umds." — »£n ik heb buitenslands gezegd," yoegde mijnheer Wickfield 
er emstig bij. » Het is door mijn bedrijf, dat hij buitenslands gezonden is. 
Dat komt voor mijne verantwoording." — » Och, wat verantwoording !" 
zeide de Oude Generaal. » Alles is om bestwil gedaan, mijn lieve mijnheer 
Wickfield ; alles is om bestwil en uit vriendschap gedaan, dat weten wij 
weL Maar als de goede jongen daar niet leven kan, kan hij daar toch 
irict leven. En als hij daar niet leven kan, zal hij liever sterven dan den 
doctor eenig ongenoegen aandoen. Ik ken hem," zeide de Oude Gene- 
raal, zich waaiende, met zekere kalme profetische zielesmart, » en ik weet, 
dat hij daar liever zal sterven dan den doctor een ongenoegen aan- 
doen." — iKom, kom, mevrouw," zeide de doctor opgeruimd, »het on- 
.genoegen om in te zien, dat ik mis heb gehad, is zoo groot niet. Ik kan 
wel iets anders voor hem bedenken. Als mijnheer Jack Maldon om zijne 




230 DAVID COPPKRFIBLD, 

gezondheid tenigkomt, moet hij niet weer naar Iadievertrekken,en 
moeten wij bcproevcn hier eene betere betrekking voor hem te vinden."* 

Mevrouw Markleham werd door deze grootmoedige belofte — die lij, 
gelijk ik niet eens behoef te zeggen, geheel Diet had verwacht of uitge> 
lokt — zoodanig getrofTen, dat sij den doctor niet andeis kon zeggeo, 
dan dat zlj hem daarin herkende, en verscheidene malen eene manoeuvre 
met haar waaier maakte, waarbij zij eerst de beentjes kuste en hem er 
mede op de hand tikte-DaamabeknoTdezij hare dochter Annie in het 
vriendelijke, omdat deze niet meer blijdschap toonde, dat haar oude i 
^peelmaltker om harentwil met zoovcelgoedheden werd overladen; en 
verder onderhield zij ons met eenige bijzonderheden van andcrever- ! 
dienstclijke ledcn barer familie, die hct wcnschclijk was op hunne ver- | 
dienstelijke beenen te helpen, 

Al dien tijd sprak hare dochter Annie geen woord en sloeghare ooge» 
niet ecns op. Al dien tijd hield mijnheer WickAeld zijn blik op haar ge- 
vestigd, gelijk zii daar naast zijne eigene dochter zat Het kwam mij voor, 
dat hij er volstrekt niet aan dacht dat iemand op hem lette, maar zoo- 
opmerkzaam op haar was, en zoodanig in zijne eigene gedachten over 
haar was verdiept, dat hij zich om niets anders bekommerde. Hij vroeg 
nti of mijnheer Maldon over zich zelven had geschreven en aan wien l^ 
dit had gedaan. 

iWel hier," zeide mevrouw Markleham, een brief boven dcs doctors 
hoofd van den schoorsteenmantel nemende, >de goedejongcnschTijft 
aan den doctor zelf — waar staat het ? O ! 1 Hct spijt mij u te moeten bc- 
richten, dat mijne gezondheid zeer achteruitgaat, en datikvreesgenood- 
zaakt te zullen tijn om voor een tijd naar huis tenig te komen, ab mijne 
eenige hoop op herstel." Dat is vrij duidelijk, arme jongen ! Zijne eenige 
hoop op herstel ! Maar Annie's brief is nog duidelijker. Annie laat mi; 
dien brief nog eens licn." — »Nu niet, mama," zeide zij, zacht smee- 
kende. — > Maar lieve, gij kimt in sommige opzichten al zeer belachelijk 
zijn," antwoordde hare moeder, len mtsschien zeer onnatuurlijk voor 
uwe familie. Wij zouden, geloofik,nooit iets van dien brief gehoordheb- 
ben, als ik er zelve niet naar gevraagd had. Noemt gij dat vertrouwen in 
doctor Strong, kindlief ? Het vcrbaast mij. Gij moest beter weten." 

De brief werd met weeizin te voorschijn gehaald ; en toen ik hem aao 
de oude mevrouw overga/, zag ik hoe de OBwilligc band, waaniit ik hem 
aannam, becfde. 

iLaat nu eenszien, waar het staat," zeide mevrouw Markleham, haar 
leesglas voor haar oog boudende. »De geheugenis van oude d^cn, mijne 
dierbaarste Annie," en zoo voort — daar staat het niet. >Degoedhartige 
oude proctor" — wie is dat? Wei mijn hemel, Annie, hoe onduidelijk 
kan uw neef Maldon toch schrijven, en hoe dom ben ik. » Doctor," na- 
tuurlijk. Goedhartig, dat is hij waarlijk wel." Hier hield zij op, om nog 
eens haar waaier tc kussen en er den doctor mede te dreigen, die ons met 
stille tevredenheid zat aan te kijken. iNu heb ik het gevonden. »Gii zult 
u wel niet verwonderen, Annie," — neen zekerlijk, daar zij wel wist, dat 
hij nooit cigenlijk sterk was geweest. Wat heb ik daar zoo even gezegd ? — 



^L 



VKRHOUDING VAN MIJNHEER WICKFIELD TOT MEVROUW STRONG. 23 1 



>dat ik in dit verwijderde land zooveel heb uitgestaan, dat ik besloten 
lneb om het, hoe het ook gaan mag, te verlaten ; met een ziekenverlof als 
ik kan, of door geheel mijn ontslag te nemen, als ik geen verlof kan be- 
komen. Wat ik luer geleden heb en nog lijd, is ondraaglijk." En zonder 
de berddvaardigheid van dien besten der menschen," zeide mevrouw 
Markleham, gelijk te voren naar den doctor telegrapheerende onder het 
opvouwen van den brief^ »zou het mij onverdraaglijk wezeneraante 
dcnken." 

Mijnheer Wickfield sprak geen woord, hoewel de oude dame hem 
aanzag alsof zij eenige aanmerkingen over dit bericht van hem verwachtte, 
maar bewaarde een stroef stilzwijgen, en hield zijne oogen op den grond 
gevestigd. Nog lang nadat dit onderwerp afgehandeld was en terwijl 
andere dingen ons bezig hielden, bleef hij zoo zitten, slechts zelden zijne 
oogen opslaande , dan alleen om ze met peinzend samengetrokkene 
wenkbrauwen op den doctor, of op zijne vrouw, of op beiden te vestigen. 
De doctor was een groot liefhebber van muziek. Agnes zongmeteene 
welluidende stem en veel uitdrukking, en mevrouw Strong insgelijks. Zij 
2ongen met elkander en speelden duetten, en wij hadden geheel een con- 
cert in het klein. Ik merkte echter twee dingen op : vooreerst, dat, hoe- 
wel Annie spoedig hare bedaardheid hemam en weder werd gelijk ge- 
woonlijk, er toch eene kloof tusschen haar en mijnheer Wickfield bleef 
bestaan, die hen geheel van elkander scheidde; ten tweede, dat mijnheer 
Wickfield geen behagen scheen te hebben in de gemeenzaamheid tus- 
schen haar en Agnes, maar die integendeel met ongerustheid scheen 
gade te slaan. En nu, moet ik bekennen, begon de herinnering van wat 
i op den avond toen mijnheer Maldon vertrok, had gezien, weder voor 
het eerst bij mij op te komen, en eene beteekenis aan te nemen, waaraan 
ik nog nooit had gedacht. De onschuldige schoonheid van haargezichtje 
was voor mij zoo onschuldig niet meer als zij geweest was. Ik wantrouwde 
de natuurlijke aanvalligheid barer manieren ; en als ik Agnes naast haar 
zag zitten, en dacht hoe goed en oprecht deze was, begon ik te vermoe- 
den, dat deze twee niet als vriendinnen bij elkander behoorden. 

Beiden gevoelden zich echter in die vriendschap zoo gelukkig en waren 
zoo opgeruimd, dat zij den avond alseen enkeluur dedenomvliegen. 
Aan het slot daarvan had er nog iets plaats, dat ik mij wel herinner. Zij 
namen afscheid van elkander en Agnes wilde haar omhelzen en kussen, 
toen mijnheer Wickfield, als bij toeval, tusschen de twee in stapte eu 
Agnes snel medetrok. Toen zag ik, alsof de geheele tusschentijd was uit- 
gewischt, en ik n6g op den avond van het vertrek voor de kamerdeur 
stond, de uitdrukking van dien avond op het gezicht van mevrouw 
Strong, dat naar het zijne was opgeheven. 

Ik kan niet zeggen welk een indruk dit op mij maakte, of hoe onmo- 
gelijk het mij was om haar, als ik naderhand aan haar dacht, van dien 
blik af te zonderen en mij haar gezichtje weder in zijne onschuldige be- 
koorlijkheid voor te stellen. Het vervolgde mij toen ik naar huis ging 
als een spooksel. Het was alsof, toen ik het huis des doctors verliet, eene 
donkere wolk dreigend daarboven bleef hangen. De eerbied, dien ik 



232 DAVID COPPERFIBLD. 



voor zijne grijze haren koesterde^ ging gepaard met medelijdend beklag 
over zijn blind vertrouwen op hen, die hem verrieden^ en gramschap 
tegen hen, die hem beleedigden. De dreigende schaduw eener groote 
ramp, eener groote schande, die nog geene bepaalde gedaante had, vid 
als eene vuile vlek op de plaats waar ik als knaap had geleerd en ge- 
speeld, en deed haar een gniwelijk onrecht aan. Ik kon niet meer met 
genoegen aan de deftige oude breedgebladerde aloes, die honderd jaren 
achteren in zich zelven opgesloten bleven, aan het nette efifene grasperk, 
aan de steenen vazen, aan de doctors-wandeling en aan de plechtige 
klanken der kerkklok, die over dat alles heen zweefden, denken« Het 
was alsof het stille heiUgdom mijner jongensjaren voor mijne oogen ver- 
woest en geplunderd was, en de vrede en eer van dat verbUjf in den wind 
gestrooid waren. 

Doch met den ochtend kwam het afecheid van het oude huis, dat 
Agnes met haar invloed had vervuld, en dit gaf mijn geest genoeg bezig- 
hod. Ik zou daar, zonder twijfel, spoedig terugkomen; en zouwel — 
misschien dikwijls — weder in mijne oude kamer slapen; maar dedagen 
toen ik daar woonde waren toch voorbij, de oude tijd was verdwenen. 
Toen ik mijne boeken en kleeren oppakte, dienognaar Dover moesten 
gezonden worden, was mijn gemoed zwaarder dan ik Uriah Heep 
wilde laten zien, die zoo gedienstig was om mij te helpen, dat ik ergden- 
kend geloofde, dat hij met mijn vertrek zeer in zijn schik was. 

Het gelukte mij echter bij het afscheid van Agnes en haar vader eene 
tamelijke vertooning van manhaftigheid te maken, en zoo zette ik mij 
op den bok der diligence naar L o n d en. Toen ik de stad doorging was 
ik zoo vermurwd en vergevensgezind, dat ik haast lust kreeg om tegen 
mijn ouden vijand den slager te knikken en hem vijf schellingentoete 
werpen om te verdrinken. Maar hij keek zoo barsch en kwaad, terwijlhij 
in den winkel het groote blok stond af te schrappen, en het verlies van 
een voortand, dien ik hem had uitgeslagen, verfraaide hem zoo wemig, 
dat ik het best achtte hem maar niet aan te spreken. 

Mijne grootste zorg, toen wij eens op weg waren, dat herinner ik mij 
nog wel, was mij bij den koetsier zoo oud mogelijk voor te doen, en met 
eene zeer ^ove stem te spreken. Dit laatste viel mij zeer lastig, maar ik 
hield er mij toch bij , dewijl ik begreep, dat men hieraan hoorde of 
iemand volwassen was. 

>Rijdt pj door, mijnheer?" zeide de koetsier. — >Ja, William," ant- 
woordde ik met goedgunstige vriendelijkheid (ik kende hem). >Ik moet 
naar Londen, en naderh^d naar Suffolk. — >Omtejagen, mijn- 
heer ?" zeide de koetsier. 

Ik wist zoo goed als hij, dat men in dien tijd van het jaar evengocd 
daarheen kon gaan om walvisschen te vangen; maar ik nam het toch als 
een compliment op. 

>Ik weet nog niet," zeide ik, mij houdende alof ik er over dacht, »of 
ik eens zal gaan schieten of niet." — » Het wild wordt heel schuw, hoor 
ik," hervatte William. — »Zoo hoor ik 00k," zeide ik. — » Zijt ge uit 
Suffolk vandaan, mijnheer? vroeg William. — » Ja," antwooidde ik 



•■ 



IK TKRLAAT CAHTlSfiURY. 933 

met zekere deftigheid. >Suffolk is mijn graafschap." — iMenheeft 
mij wel vetteld, dat de appelkoeken daar heerlijk zijn," zeide Wtllkm.' 

Ik wist daar niet van, maar achtte het noodig den roem van mijn 
graa&chap te handhaven, en te toonen dat die mij wel bekend was. Ik 
knikte dus alsof ik zeggen wilde: *Dat zou ik gelooven!" — >Snde 
blesso," zeide William. > Dat zijn paarden I Een SufFolksche bles, als hij 
goed is, is zijn gewicht aan gond waard. Hebtgij ooitzelf Sufiblksche 
blessen gefoltt, mijnheer P" — » Ne — en antwoordde ik, » Dat juist niet."— 
De heer die daar achter mij zit," hervattc William, >heeft ze bij troepen 
gefokL" 

De heer, van wjen hij spak, was een heer, die allerleelijkst scheel sag 
CD eene ver vooniitslckende kin had. Hij droeg een hoogen, witten hoed 
met een smallen, platten rand, en de pijpen zijner bruingele broek waren 
I uo den buitenkant bijna van zijne laarzen tot aan zijne heupen met 
I boopjes bedekt Hij stak zijne kin over den schonder des koetsiers, zoo 
<Udit bij mij, dat zijn adem mij in den nek blies, en toen ik omkeek, 
tunrde hij, met het oog dat niet scheel zag, naar de vooipaardcn, op eene 
[Qamer, die den paardenkenner scheen aan te duiden. 

■ Hebt ge niet?" zeide William. — »Of ik wathebf'vroegdeheer 
achter mij. — » Suffolksche blessen opgefokt bij heele troepen ?" — iD^ 
*ouikooknogaldcnken,"antwoorddcdegevraagde. >£risgeensoort 
"an paarden, die ik niet gefokt heb, en gcen soort van honden ook. 
^onden en paarden zijn voor sommige menscben eene liefhebberij. 
V^or mij zijn zij eten en drinken — woning, en vrotiw en kinderen — 
lezen, schrijven en rekencn — snuif^ tabak en slaap." — iDitisgeen 
Soort van man om achter een koetsier te zien zitten, niet waar r" bromde 
AVilliam mij in het oor, terwijl hij zich cens verschikte. 

Ik vatte dit gezegde op ah de aanduiding van een wensch, dat ik hem 
luijne plaats zou geven, en bood hem die dus blozend aan. 

» Wel ja, als gij er niet tegen hebt, mijnheer," zeide William, igeloof 
ik, dat het beter zou zijn." 

Ik heb dit altijd voor den eersten tuimel gehouden, dien ik in mijn 
leven deed. Toen ik aan het diligencekantoor eene plaats bestelde, had 
ik lop den bok" achter mijn naam laten schrijven en den boekhouder 
^ene halve kroon gegevcn. Ik wasmeteenebijzonderejas enbouffante 
'Uitgedost, opzettelijk gekozen om die verhevene plaats tot eer te strek- 
ken, had mij niet weinig daarop verhoovaordigd, en gedacht, dat ik de 
fjiligence wezenlijk tot cct strekte. En hier, reeds op het eerstc station, 
verd ik verdrongen door een verloopcn schelen kerel, die geenc andere 
verdiensten bezat dan dat hij naar den stal rook en in staat was om, meer 
al'; eene vlieg dan als een mensch, terwijl de paarden in gelop waren, 
o/er mij heen te stappen! 

Zeker wantrouwen in mij zelven, dat mij bij kleine geiegenheden dik- 
wijls is bijgebleven, wanneer ik het zeer welhadkunnenmissen, werd 
door dit geringe voorval op de diligence van Canterbury naar 
Londen voorzeker niet in zijn groeigestuit. Het was vruchteloos, dat 
ik mij met eene grove spraak poogde te verdedigen. Ik sprak zoo lang 
DAvm cofpufuld. — I. \^* 



234 DAVID COPPERFIELD. 



de reis duorde diep uit de borst, maar begreep toch, dat ik geheel in de 
schaduw geplaatsl en nog schrikkelijk jong iras. 

Het was echter vreemd en belangrijk, daar welopgevoed, welgekleed 
en met geld genoeg in den zak achter vier paarden te zitten, en naar de 
plaatsen te kijken, waar ik op mijne ongelukkige reis had geslapen. Met 
al de in het oog loopende kenteekenen langs den weg hadden mijne g^ 
dachten overvloedig bezigheid. Toen ik neerzag op de landloopers, die 
wij voorbijreden, en die gezichten, wier uitdrukking ik mij nog wel 
herinnerde, naar mij opkeken, was het mij alsof de zwarte hand des 
ketellappers mij weder bij de borst van mijn hemd pakte. Toen wij 
C h a 1 1 a m doordraafden en ik met een zwenk het steegje zag, waar de 
oude dronkaard woonde, die mijn buisje had gekocht, rekte ik mijn hals 
uit om de plek te onderscheiden, waar ik in den zonneschijn en de scha- 
duw naar mijn geld had zitten wachten. Toen wij eindelijk dicht bij 
L o n d e n en het werkelijke Salem House voorbijreden, waar mijnheer 
Creakle mij zijne zware hand zoo geducht had laten voelen^ had ik wel 
alles willen geven wat ik bezat, voor een weinig verlof om af te stappen, 
hem af te ranselen en al de jongens, als zooveel opgekooide musschen 
vogels, vrij te laten. 

Wij reden naar het Gouden Kruis bij CharingCross, toen eenc 
beschimmelde soort van herberg in eene benauwde buurt. De knecht 
liet mij in de kofhekamer, en een kamermeisje bracht mij naar mijn 
slaapkamertje, dat gelijk eene muffe huurkoets rook en zoo vroolijk was 
als een grafkelder. Ik behield nog eene pijnlijke bewustheid van mijne 
jeugd, want niemand had eenig ontzag voor mij ; het kamermeisje was 
volkomen onverschillig voor mijne gedachten over wat het ook wezen 
mocht, en de knecht was familiaar en wilde mijne onervarenheid met zijn 
raad te hulp komen. 

» Wat zoudt ge wel willen eten ?" zeide de knecht op een vertrouwelijk 
gemeenzamen toon. »Jonge heeren houden doorgaans veel van kippen: 
gij moest een hoentje nemen." 

Ik zeide ^em, zoo deftig als ik kon, dat ik geen trek had in een hoentje. 

9 Niet ?" zeide de knecht, > Jonge heeren zijn het rund- en schapevleesch 
doorgaans zat; gij moest eene kal&karbonade nemen." 

Ik bewilligde in dit voorstel, alleen omdat ik niets anders wist te be- 
denken. 

» Zijt ge wel op aardappelen gesteld ?'' zeide de knecht, met een indrin- 
gend glimlachje en zijn hoofd op zijde. » Jonge heeren hebben doorgaans 
al te veel aardappelen gegeten." 

Ik beval hem met mijne grofste stem om eene kalfskarbonade, met 
aardappelen en alles wat daarbij behoorde, tebestellen, en aan het buffet 
te gaan vragen of er ook brieven waren voor mijnheer Trot wood Cop- 
per^eld — die ik wel wist, dat er niet waren en niet konden zijn ; maar ik 
vond het mannelijk ze te verwachten. 

Hij kwam spoedig terug met de boodschap dat er geen waren (waar- 
over ik zeer verwonderd was) en begon de tafel voor mij te dekken. Ter- 
wijl hij hiermede bezig was, vroeg hij mij wat ik bij mijn diner wilde ge- 



IK GA NAAR DE KOMEDIE. 235 




i>raiken; en toen ik antwoordde : ȣene halve pint sherry," achtte hij 
^et, vTces ik, eene gunstige gelegenheid om die maat wijns bij elkander 
pe brengen uit de verschaalde kliekjes, die in eenige karaffen waren over- 
ebleven. Ik ben van deze meening, omdat ik hem, terwijl ik de courant 
achter een laag beschot, waar zijn bijzonder apartement was, druk 
zig zag met uit een aantal van die flesschen iets bij elkander te gieten, 
^elijk een apotheker, die een drankje klaarmaakt. Toen de wijn kwam 
^ond ik dien ook flauw ; en zeker waren er meer Engelsche kruimels in 
dan men in een vreemden wijn in eenigszins zuiveren staat kon verwach- 
ten ; maar ik was bedeesd genoeg den wijn maar op te drinken en er niets 
van te zeggen. 

Daar ik in eene genoeglijke stemming was gekomen (waaruit ik op- 
maak, dat de eerste trappen van vergiftiging niet altijd onaangenaam 
»3n), besloot ik naar de komedie te gaan. Het was Covent Garden The- 
atre, dat ik verkoos ; en daar zag ik, achter in een lege gezeten, Julius 
t ^ Cesar en de nieuwe pantomime. Al die edele Romeinen levend voor mij 
^1 ^ bebben en voor mijn vermaak te zien komen en gaan, in plaats van 
door hen met zooveel werk geplaagd te worden, als op school, was reeds 
icts nieuws en streelends. Maar de samengepaarde natuurlijkheid en on- 
iiatuurlijkheid der geheele vertooning, de invloed der 'poezie, van het 
"^^l ^^^ ^^ muziek, het publiek en de even vlugge als verbazende verande- 
nngen der schitterende decoraties, dit alles wat zoo verbijsterend en 
opende mij zulk een onbegrensden hemel van genot, dat het mij, toen ik 
om twaalf ure in den nacht op straat kwam, was alsof ik uit de wolken 
was p;evallen, waar ik eeuwen lang een geheel romanesk leven had geleid, 
om m eene joelende, plassende, modderige, ellendige wereld, vol kam- 
pende paraplu's en tegen elkander botsende huurkoetsen, neer te komen. 
Ik was eene andere deur uitgegaan en bleef eene poos op straat staan, 
Alsof ik werkelijk een vreemdeling op aarde was : maar het ongenadige 
stooten en dringen, dat ik gewaar werd, riep mij spoedig weder tot be- 
zinning en deed mij den weg naar mijn logement terugvinden, waar ik, 
na een souper van oesters met porter gebrmkt te hebben, tot over 66nen 
in de koffiekamer in het vuur bleef zitten staren, terwijl al de heerlijkhe- 
den, die ik gezien had, mij voor den geest zweefden. 

Ik was zoo vol van het tooneel en van het verledene — want het too- 
neel was als het ware een doorschijnend chassinet,"waardoor ik geheel 
mijn vroeger leven zag voorbijgaan — dat ik niet weet wanneer de ge- 
daante van een welgemaakt jonkman, gekleed met eene smaakvoUe 
achteloosheid, die ik mij wel scheen te moeten herinneren, een werkelijk 
voorwerp voor mij werd. Maar ik herinner mij, dat ik zijne tegenwoor- 
digheid gewaar werd, zonder op zijn binnenkomen te hebben gelet — en 
dat ik toch nog peinzend bij het vuur bleef zitten. 
r Eindelijk stond ik op om naar bed te gaan, tot groot genoegen van 
den slaperigen knecht, die de kramp in zijne beenen scheen te hebben, 
I en ze, in zijn hokje gezeten, nu wreef, dan er op klopte, dan ze weder op 
allerlei wijzen uitrekte, verboog en verwrong. Naar de deur gaande kwam 
ik den persoon voorbij, die het laatst was binnengekomen^ en zagheva 




:l!"ri(9l| 



236 

nu dnidelij^k. Ik keerde mij dadelijk om, kwara tenig enzaghemJ 
eens aan. Hij kende mij niet, maar ik herkende hem terstond. 

Op een anderen tijd zou ik misschien niet genoeg zelfver 
tcgenwoordigheid van geest gehad hebbcn om hem aan tc sj 
tot des anderen daags hebbcn uitgesteld en hem zoo weder v 
hebben. Maar in mijne gemoedsstemming van dat oogcnblik, nog 0|; 
wonden dooTmijn schouwburgbezoek, dacht ikhemEooveeldaoScicI 
dig te zijn voor de bescherming, die hij mij vroeger had verleend 
welde mijne oude liefde voor hem zoo frisch en krachtig in mijne bo 
op, dat ik, met een kloppend hart, terstond naar hem toe ging, e 

iSteeiforthjSpteektge mij niet eens aan?" 

Hij zag mij aan — evenals hij somtijds placht te doen — maaiQ[ii| 
niet, dat hij mij herkende, 

1 Gij kent mij niet mecr, vrees ik," zeide ik, — 1 MiJD bemel !'' 
eenskiaps uit ■ Het is klcine Copperheld," 

Ik vatte hem bij beidc handen, enkon ze maar niet loslaten.Alsikinj 
niet geschaamdhadcnookgevrecsd, dat hethemzoiimishagen,hidi)> 
hem schreicnd om den hals kunnen vallen, 

»Nooit, nooit, nooit ben ik zoo blij gcwcest, mijn beste Steedbilk 
Zoo ben ik vemikt, dat ik u nog eens weeTzie." — 1 Ik ben 00k blij, ^ 
ik u eens zie," zeide hij, hartelijk mijne handen dnikkende. tKom uo, 
Copperfield, oude jongen, wees maar niet zoo aangedaan I" En tocb 
zag hij met genoegen, dacht mij, hoe mijne blijdschap over dete out' 
moedng mij deed ontroeren. 

Ik veegde de tranen weg, die ik met inspanning van al mijne vastix- 
radenheid niet had kunnen bedwingen, en deed mijn best om te lacbeDj 
en toen zetten wij ons naast elkander neer. 

»Maar zeg mij nu, hoe komt gij hicri"' zeide Steerforth, mij op den 
schouder kloppende. — »Ik ben vandaag met de diligence van Canttf 
bury gekomen. Ik ben door eene tante in die streek van het land op^ 
nomen, en pas van eene kostschool thuis gekomen, Maar hoe komtg^i 
hier, Sleerforth f " — » Wei, ik studeer te O x fo r d, zooals men dat noemt, 
antwoordde hij, 1 dat is te zeggen, ik ga mij daar op gere^elde tijdenrtf' 
velen — en ik ben nu op reis naar mijne moeder, Gij ziet er dronimeli 
aardig uit, Copperfield. Juist gelijk gij placht te doen, nu ik u nog eeff 
aanzie. Volstrekt niet veranderd." — ilk kende u terstond," zeide ik 
>maar gij zijt ook gemakkelijker te onthouden." 

Hij lachte terwijl hij zijne viogers door zijne knillende lokken haaldi 
en zeide schertsende : 

>Ja, ik ga eene taak van ouderHefde vervullen. Mijne moeder wool 
een eind buiten de stad; en daar de Wegener beestiguitzien, en bet b 
ons in huis eentoning genoeg is,ben ik van avond hier gebleven, in plaa 
van door te reizen. Ik ben nog geen zes uren in de stad geweest, en u 
lang heb ik ook in de komedie zitten dutten en broraroen," — >Ik b( 
ook naar de komedie geweest," zeide ik. >In Covent Garden. Hoe het 
lijk en prachtig is alles daar, Steerforth I " 

Steerforth begon hartelijk te lachen. 



UIJN HOOGGBSCUATTB OUDE SCHOOLS AUER A AD. tH 

> Ii£jn lief joDg Davidje," zeide hij, mij wedrr op den fchoudcr kUrjf 
pcnde. 1 Wat zijt ge toch no^ groen. Het gras op het veld, bij dm Ame- 
raad, is niet Mssi^er dan gij zijt. Ik ben ook naar Covent (iardcn ge- 
weest, en ik heb noOit iets ellendigers gezien. — Holla, gij daar I" 

Dit was tot den knccht gericht, die ons herkenningstooneel in de verte 

uer oplettend had gadegcslagen en bu met gedienatigen eerbied naderdc. 

■ Waar hebt gij mijn vriend, mijnheer Copperfield gelaten ?" seide 

Steeiforth. — » Wat blieftu, mijnheer?" — » Waai slaapt hij f Zijn nom. 

merf Gij weet wel wat ik meen," zeide Steerforth. — lO, mijnheer," 

iddc de knecht, vcrontschuldigend. iMijnheer Copperfield heeft tegen* 

I *t>ordignommervicren veertig, miinheer,"^ — >En watduivelmoetdiu 

t bedmden," hetvatte Steerforth, > dat gij mijnheer Copperfield boves ceo 

stal in cenc lolderkamer stopt?"^iO, mijnheer," antwoordde <le 

bwcht, teer nederig vcrontschuldigend, »wij dachlen niet. dat mijobecr 

Copperfield daarop ton zien, Wij kunnen mijnheer Copperfield I***: *w 

K^wtig geven, nujnheer, aU dat beter zou zijn. Naait u, mijnhtirT." 

>Ztker zou dat beter zijn," zeide Steerforth. >£n laat het datkMijc i^ 

bniten." 

, De knecht ging terstond been om deze verwisseling van IwfuQu ■• v«- 

lotgen. Steerforth, die het zeer comiscb vond, dat men iiii.i it -uvtuttiv 

'iw f n veertig had gestopt, begon weder te lachen, klopie «-. ^^i^, .^mw 

Op den ichouder, en noodigde mij om den vol^enden luuf^ v» -l^n 

UK met hem te ontbijtcn — eene invitade, die ik me^ UAira -^ *— s 

tfotKhheid en blijdschap aannam. Daar het nu tameliik W- kb mmim* 

*ij onie blakers en gingen naar boven, vaar wij vvu< t-jir -^kw ^n^t 

*TKQdschappelijke hartelijkheid a&cheid namen, vl u wf -<>^v»f 

^uatT veel beter dan de oude vond, daar zij ^h^^: ^un '>/ ■><«*« 

ffn Icdikant had omtrcnt zoo groot ab een klew 'aAf^-^^ f^, ,.^ 

Khen kussens genoeg voor les personen, viel ik sfA-vi,. ^■^j.y/.j, ^ 

•lap, en droomde van het oude Rome, Steertjni,^ v "j^/,^,.,^ 

tot(b: de vroege ochtcnd-diligences, die romnwriTbt v y^^ .*<**/> 4 

■kredcD, mij van den donder en de goden dedeti qivmu^ 

XX. 

STKBRFORTH THVJt. 

Toen het kamermeisje t^en acht ure am «i^ -^^ /^'ry- «< « i 
zeide, dat mijn scheerwater buiten XoivL -^vs^j-, ^ j ,„ .-. ■ , '.^ 
ik dit nog niet noodig had, en blooxV i « ^^_ ,^ ,_^ ■^^-.w^,.-',^ 
dat zij ook lachte, toen zij het leide, kw^ioc «, •/ ^.^j^t wy^.j,<y i* 7— 
klcec^ engaf mij, toen ik naar ban<t>n. ^^t^ « , -j-.i!^ ,^1', 1^ 
opdetr^voorbijkwam,hetvoOTkoMi«c viti.vti 1- -,*sx '*^^- < >»r 
ftgevoelde zoo diep, hoeved )ob,^ j, «, „ ,^ ^, ^^. l^-^^i 
had, dat ik er eene poos lane met v>. !;,« i«i««^. -^ _,, .v;^.,. .35= 
bcsduunendc omstandighcoen ^i^/fn ■> kj^, ^^^^^ ^ ^ ^^^- 
ilaar iin""" > «m aan bet «crt *irt»(; », ^ „ ,'^'" ;J^a^ 



t 



238 DAVID COPPERFIELD. 



kijken naar koning Karel te paard^ die er^ door een drom van huurkoet-S^ 
sen omringd, in den motregen en den donkerbruinen mist, alles behalirep- 
koninklijk uitzag, tot ik door den knecht werd onderricht, dat die heer n 
naar mij wachtte. 1^ 

Het was niet in de koffiezaal , dat ik Steerforth naar mij vond wachten, I ^' 
maar in eene fraaie afzonderlijke kamer, met roode ^ordijnen en eeo ^ 
Turksch tapijt, waar het vuur helder brandde, en een mtmuntend warm p 
ontbijt op eene zindelijk gedekte tafel was gereed gezet; terwijl zicheciy fr 
vroolijk miniatuurtje van kamer, vuur, ontbijt, Steerforth en alles in het • ^^ 
ronde spiegeltje boven de buffettafel vertoonde. In het eerst was ik »* 
eenigszins bedeesd, daar Steerforth zoo rustig, zoo elegant, zoo in alle P 
opzichten (ouderdom ingesloten) boven mij verheven was ; maar zijne F> 
ongedwongene, hoewel eenigszins patronizeerende vriendelijkheid bracht K 
dit spoedig te recht, en maakte dat ik mij geheel thuis gevoelde. Ik koD ^ 
de verandering, die hij in het Gk)uden Kruis had teweeggebracht, niet p 
genoeg bewonderen ; en niet ophouden den benauwden verlaten to^ p 
stand, waarin ikmij daar gisteren had bevonden, met de gemakken ^ 1^^ 
aangenaamheden van dezen morgen te v^gelijken. Wat de femiliariteit Ij^ 
van den knecht betrof, deze was verdwenen alsof zij nooit had bestaan. r ^ 
Hij bediende ons, om zoo te zeggen, in zak en asch. , F^^ 

iNu Copperfield," zeide Steerforth, toen wij alleen waren, »zouik W-^ 
gaame eens hooren wat gij tegenwoordig uitvoert en waar gij heengwW I 
en zoo al meer. Ik wil alles van u weten : want het is mij waarHjk alsof g^ V 
mijn eigendom waart." t 

Met een ^loed van blijdschap, dat hij nog zooveel belang in mij steld^ 9 
verhaalde ik hem, hoemijne tante hettochtje, waaropikuitwas,h^ t 
voorgeslagen, en waarheen het ging. .. m 

»Daar ge dus geen haast hebt," zeide Steerforth, >moest ge met lO*) 1 
naar huis Somen, te H i g h g a t e, en een dag of twee blij ven. Mijne mo^' ^ 
der zal u bevallen — zij is een beetje ijdel op mij en wat langdradig al^ 
zij over mij spreekt, maar dat kunt gij haar wel vergeven — en zij tsf^ 
met u in haar schik zijn/' — »Ik zou gaame daarvan zoo zeker wdlei^ 
zijn, als het vriendelijk van u is zoo te zeggen," antwoordde ik glim^ 
lachend. — >0," zeide Steerforth, >ieder, (Se veel van mij houdt, heeft 
eene aanspraak op haar, die zeker erkend wordt." — >Dan denk ik wel^ 
dat ik een gunsteling van haar zal worden/' zeide ik. » Goed I" ant- 
woordde Steerforth. »Kom daarvan dan maar de proefnemen. Nu zullen 
wij een paar uren uitgaan om het een en ander te gaan kijken — het is 
een genot om iemand, die nog zoo versch is als gij, de wonderen van 
L o n d e n te laten zien — en dan zullen wij met de diligence naar 
Highgate rijden." 

Ik kon nauwelijks gelooven, dat ik niet in een droom verkeerde en 
weder in nommer vier en veertig zou ontwaken^ om het eenzame tafeltje 
in de koffiezaal en den familiaren knecht te vinden. Nadat ik aan mijne 
tante had geschreven en haar medegedeeld hoe gelukkig ik mijn ouden 
bewonderden schoolmakker had ontmoet, en dat ik zijne uitnoodiging 
had aangenomen, reden wij in eene huurkoets uit, zagen een panorama 



WU GAAH NAAR HIGHCATE. 



339 



en eenige andere merkwaardigheden, en kuierden eens door het museum 
rand, waar ik niet kon nalaten op te merken, hoereel Sleerforth van eene 
eindelooze verscheidenheid van dingen wist, en hoe weinig hij die kennia 
scheen te tellen. 

>Gij zult een hoogen graad aan de academic halen, Steeiforth," zeide 
ik, »ais gij dat niet al gedaan hebt, en men zal goede rcden hebben om 
trotsch op u te lijn." — »Ik een ^raad halen!" riep Steerforth 
nit. »Ik niet, mijn lieve Groen — gij hebt er toch niet tegen, dat 
ik Groentje tegen u zeg?" — »Niet het minst," antwoordde ik, — . 
•Dat is een goede jongen ! Nu dan, mijn beste Groen," zeide Steerforth 
lachende. >ik heb geen het minste verlangcn of voomemen om op die 
manier uit te munten. Ik heb voor mijn oogmerk at genoeg geleerd. Ik 
vind, dat ik er al zwaar genoeg aan te dragen heb." — »Maardeeer..." 
wilde ik beginnen. — »0, gij romaneske Groen!" leide Steerforth, nog 
hartelijker lachende. iWat zal ik mij afwerken om te maken, dat een 
troep botterikken mij aangapen en de handen opsteken I Laten zij dat 
voor iemand anders doen. Ik gun hem die eer," 

Ik waa bcEchaamd dat ik mij zoodanig had vergist, en stapte gaarne 
van het onderwerp af. Gelukkig was dit niet moeielijk, want Steerforth 
^n met eene hem geheel eigenaardige vlugheid en onverschilligheid 
van het eene onderwerp tot het andere ovcrgaan. 

In het logement teruggekomen, gebruikten wij een tweede ontbijt; en 
de korfe winterdag verhep zoo sncl, dat het leeds donker begon te wor- 
den, toen de diligence met ons voor een oudhuis te Highgateop den 
lop van den heuvel stilhield. Eene dame, die niet jong meer was, hoewel 
«>k nog niet ver in jaren gevorderd, met eene trotsche houding en fraaie 
tiekken, stond aan de deur toen wij afetapten, noemde Steerforth > Mijn 
b^^ste James," en sloot hem in hare armen. Aan deze dame presenteerde 
)iij mij als zijne moeder, en zij beetle mij statig welkom. 

Het was een ouderwetsch voomaam huis, zeer stil en geregeld. Uit de 
KDSters mijner kamer zag ik geheel Londen in de verCe voor mij 
li^gen, als eene groote nevelwolk, waardoor hier en daar eenige Uchtjea 
Mkerden. Ik had, terwijl ik mij verkleedde, maar even tijd om op het 
deftige huisraad te letten, en de in lijsien gezette teekenlappen (waart 
schijniijk door Steerforth'a moeder, toen zij nog een meisje was, ver* 
vaardigd) en eenige n^et pastel geteekende portretten van dames met 
keurslijven en gepoeierd haar te bezichtigen, die aan de wanden ver- 
schenen en verdwenen naarmate het pas aangelegde vuur ontvlamde, 
toen ik aan het diner weid geroepen. 

Er was in de eetiaal nog eene dame, klein van gestalte, donker, en 
nkt inoemend van uitzicht, mnycJftt^j^.v an schoonbeid miideeld, 
die mijne aandacht trok: mTss.- - - . . ,-. ,.Yf,ggr ,,t . 

misschien onidat zij wezenlijk il*', ; 1 /w 

enacherpe zwarte oogen, wastn.TK'--"'- :■ ■ .i'! ■ ■ :i ■'1 ';■■■. ■■.-h^ 
was een oud litteeken — een naad moest ik het veeleer noei 
het was niet wankleurigc^^l^^oorjaren^i 
^e eens over hu 



840 DAVID COPPERFIELD. 



tafel heen bijna niet zichtbaar meer was, behalve geheel omhoog en aan 
hare bovenlip, waarvan het den vorm had veranderd. Ik begreep bij mij 
zelven, dat zij omtrent dertig jaren oud was en wel wenschte te trouwen. 
Zij was eenigszins in verval geraakt — gelijk een huis — door zoo lang 
te koop te staan ; maar was toch, gelijk ik reeds zeide, lang niet van 
schoonheid misdeeld. Hare magerheid scheen het gevolg te zijn van 
een verterend vuur in haar binnenste, dat door hare holle oogen een 
uitweg vond. 

Zij werd als juflfrouw Dartle gepresenteerd, en beiden, Steerforth en 
fcijne moeder, noemden haar Rosa. Ik hoorde dat zij daar in huis woonde, 
en sedert lang juffrouw van gezelschap bij mevrouw Steerforth was. Het 
kwam mij voor, dat zij iets^ dat zij wilde zeggen, nooit ronduit zeide, 
maar altijd verbloemd of met bedekte wenken, en dat zij door deze ge- 
woonte hare woorden veel meer indruk wist te doen maken, Bij voor- 
beeld, toen mevrouw Steerforth, meer uit scherts dan in emst, zeide, 
te vreezen dat haar zoon aan de academietamelijklosleefde,viel juf- 
frouw Dartle er aldus op in : 

>Zoo! Waarlijk? Gij weet wel hoe onnoozel ik ben, en dat ik alleen 
maar vraag om beter te leeren; maar is dat dan niet altijd zoo? Ikdacht, 
dat het leven aan He academie altijd — he?*' — >Hetacademie-leven 
is eene voorbereiding tot een zeer emstig beroep^ als ge dat meent, 
Rosa," antwoordde mevrouw Steerforth, eenigszins koeL — » O, ja ! Dat 
is waar,'' hervatte juffrouw Dartle. »Maar is het toch niet? Ik wil maar 
te recht gewezen worden als ik het verkeerd heb — is het niet eigen- 
lijk?" — lEigenlijk wat?" zeide mevrouw Steerforth. — »0! Gij denkt 
dat het niet zoo is!" hervatte juffrouw Dartle. >Wel, het doet mij veel 
genoegen dat te hooren. Nu weet ik wat ik doen moet. Dat wint men er 
door als men iets maar vraagt. Ik zal er nu nooit meer naar luisteren als 
men van de losbandigheid en zoo al meer van dat leven wil spreken." — 
f Daar zult gij gelijk aan hebben," zeide mevrouw Steerforth hierop. >De 
academische ^ouvemeur van mijn zoon is een gemoedelijk man; en als 
Ik mijn zoon met zoo volkomen kon vertrouwen, zou ik mij toch op hem 
verlaten." — »Zoudt ge?" zeide juffrouw Dartle» »Is hij zoo gemoe- 
delijk?" Oprecht gemoedelijk?" — »Ja, daarvan ben ik overtuigd," 
antwoordde mevrouw Steerforth. — »Hoe pleizierig!" riep juffrouw 
Dartle uit. >Welk eene gerustheid! Oprecht gemoedelijk? Dan zal hij 
niet — maar natuurlijk kan hij dat niet, als hij oprecht gemoedelijk is. 
Wel, ik zal nu altijd een goeden dunk van hem hebben. Gij kunt u niet 
verbeelden hoe hij in mijne schatting gerezen is, nu ik zeker weet, dat 
hij oprecht gemoedelijk is." 

Hare eigene begrippen van iets, en hare bedenkingen tegen iets waar- 
mede zij met instemde, werden door juffrouw Dartle op dezelfde manier 
aangeduid: somtijds — dit kon ik mij niet ontveinzen — met veel kracht 
en nadruk, hoewel in tegenspraak zelfe van Steerforth. Een voorbeeld 
daarvan bood zich nog voor het eind van het diner aan. Toen mevrouw 
Steerforth met mij sprak over mijn voomemen om naar Suffolk te 
gaan, zeide ik, zoo maar in het wilde, hoe blijde ik zou zijn als Steerforth 



JUFFROUW DARTLE. t4t 

met mij wilde meegaan ; en legde hem verder uit, dat ik mijne oude op- 
passter en het huisgezin van baas Pcggotty ging bezoeken, terwiji ik bem 
den visscher herinnerde, dien hij eens op school had gezien. 

»0, die boutige vent," zeide Steerforth. »Hij had ook een zoonbij 
rich, niet waarf"^ — iNceo. Dat was zijn necf,"antwoorddeik, »inaar 
dien hij toch als zoon tot zich heef^ genomen. Hij heeft ook een heelaar- 
dig nichlje, dat hij als dochter heed aangenomen. Kortom, zijn huis, (of 
liever zijne schuit, want hij woont in eene scbuit, maar toch hoog en 
dioog op het land) is vol menschen, die voorwerpen van zijne goedheid 
en edelmoedigheid zijn. Het zou een pleizier voor u wezen, dat huis- 
houdoi eens te zicn." — »Zouhetf" zeide Steerforth hierop.»Nuja,ik 
denk het ook wel. Ik moet eens zien wat er aan te doen is. Het zou wel 
een leisje waard zijn — om niet van het verraaak van een reisje met u te 
spreken, Groentje — om zulk soott van menschen eens bij elkander te 
lien en onder hen te wezen." 

De hoop op een nieuw vennaak deed mijn hart opspringen. Doch het 
was met betrekking op den toon, waarmede hij van > zulk soort van men- 
schen" had gesprokcn, dat juffrouw Dartle, wier schilterende oogen ons 
hadden bespied, er nu op inviel. 

lO, maar waarlijkf Zegmij toch. Zijn zij wezenlijk?" zeide zij. — »0f 
zijwatzijnPEnwie wat zijn?" zeide Steerforth. — > Zulk soort van men- 
schen. — Zijn zij werkelijk maar redeloos vee en aatdkluiten, en wezcns 
van een andeten rang ? Dat zou ik zoo gaarne eens weten." — » Wel, er 
is een tamelijk groote afstand tusschen hen en ons," zeide Steerforth, 
met onverschilligheid. iMen kan van hen niet verwachlen, dat zij zoo 
fijngevoelig zuUen zijn als wij. Hunne kieschheid wordt niet zeer licht be- 
leedigd of gekwetst. Zij zijn verbazend deugdzaam, wil ik wel zeggen — 
sommige lieden beweren dit tenrainste^en ik wil henwaarlijk niet tegen- 
spreken — maar zeer edeldenkend zijn zij zeker niet, en zij mogen er 
ook wel dankbaar voor zijn dat hun gemoed, evenals hunne grove huid, 
niet licht gekwetst wordt." — » Waarli|k,"zeide juffrouw Dartle. » Wet, ik 
weet niet, dat ik ooit beter in mijn schik ben geweest dan nu ik dit hoor, 
Het is zulk een troost ! Het is eene gerustheid te weten, dat zij, al moeten 
zij ook lijden, het toch niet voelen. Somtijds heb ik mij over zulk soort 
van menschen werkelijk ongerust gemaakt, maar nu zal ik geheel niet 
meer om hen denken. Men leeft toch maar om te leeren. Ik iwijfelde, dit 
moet ik bekennen ; maar nu is mijn twijfel opgehelderd. Eerst wist ik het 
niet, maar nu weet ik het ; en dat bewijst hoe goed het is als men maar 
vraagt — niet waar i" 

Ik geloofde, dat Steerforth uit scherts zoo had gesproken, of om juf- 
frouw Dartle uit te lokken ; en ik dacht, dat hij, toen zij was heengegaan 
en wij allecn bij het vuur waren blijven zitten, mij dit zou zeggen, Doch 
hij vroeg mij slechts wat ik van haar vond. 

» Zij is heel schrander — niet waar t" zeide ik, — iSchrander ! Zij houdt 
alle dingen tegen een slijpsteen," antwoordde Steerforth, lenslijptze 
scherp, zooals zij al jaren lang haar eigen gezicht en figuur heefl scherp 
geslepcn. Zij heeft zich zelve met gedurig slijpen versleten. Zij is nu aai) 




fe4' DAVID COPFERFIELD. 



ftlle kanten scheip." — » Welk een opmerkelijk litteeken heeft rij daar op ' 
hare lip f" eeide ik. 

Steeiforth's gezicht betrok, en hi] bedacht zich een oogenblik. 

>WeI om de waarheid te zeggen," antwoordde hij, >dathebikg^ 
daan." — tBijongelukp" — >Neen. Neen, ik wasnogeenkleinejongen, 
en zij maakte mij kwaad, en ik gooide naar haar met een hamer. Een 
Zachtzinnig engeltje moct ik toen geweest zijn." 

Het spect mij zeer, dat ik zulk een pijnlijk onderwerp had aangeroerd, 
maai dit baattc nu nict mecr. 

»Zij heeft dat teekcn sedcrt gedragcn, gelijk ge ziet," hervatte SteO' 
forth, »en zal het dragen tot aan haar graf, ah zij ooit in een graf rust— 
schoon ik haast niet kan gelooven, dat zij ooit ergens nisten zal. Zij *« 
het moederlooze kind van eensoort necf vanroijnvadcr. Hijstierf.MljM 
moeder, die toen weduwe was, nam haar hicr om haar gezelschap K 
houden. Zij heeft een paar duizend pond van haar zelve, en spaart aen 
interest, om dien jaarhjks bij het kapitaat te voegen. Daar hebt ge dege- 
schiedenis van juffrouw Rosa Dartle." — »En ik twijfel niet of zij heeftf 
Koo lief als een breeder ?" leide ik. — »Hm !" antwoordde Stcerforth,!" 
het vuurkijkende, lerzijn breeders, die men niet heel liefheeft, en soffl- 
mige liefde — maar schenk nog eens in, Copperficld. Wij zullen oph^ 
gras des velds drinken, als een compliment voor u, en op de leti^ if 
dalen, die niet arbeiden of spinoen, als een compliment voor mij — waaT" 
over ik mij we! mag schamen." De sombere glimlach, die zich ovcriijoc 
trekken had verspreid, hclderde weder op, toen hij dit op vroohjkcn tooO 
zeide, en hij was nu even rondborstig en mnemend als anders. 

Toen wij thee gingen drinken, kon ik niet nalaten met pijnlijke belang' 
SteUing naar het litteeken te zien. Het duurde niet tang of ik bespenrdef 
dat dit het gevoeligste gedeelte van haaj gezicht was, en dat, als uj vei^ 
bleekte, dit litteeken het eerst verkleurde en eene doffe loodkleurige 
strecp werd, die zich al vcrder en verder uitstrekte, gelijk een met on- 
zichtbaren inkt gezet teeken, dat voor het vuur wordt gehouden. Er ont 
stond eene kleine woordenwisseling tusschenhaarenStecrforth overeat 
worp bij het triktrakspel — waarbij ik voor een oogenblik dacht dat lij 
woedend zou worden ; en toen zag ik dat teeken te vooischijn komen 
gelijk het oude geschrift op den muur. 

Het verwonderde mij niet toen ik zaghoeveel werk mevrouw Steerfortb 
Van haar zoon maakte. Zij scheen over niets anders te kunneo spreken of 
denken. Zij liet mij een portretje van bem zien als een klein kind, in een 
medMllon, met een lokje van zijn haar uit denzelfden tijd, en een ander 
portretje gelijk hij geweest was toen ik hem pas leerdekennen, en op hare 
borst drocg zij zijn portrct gelijk hij nu was. Al de brieven, die hij haar 
ooit geschreven had, bewaarde zij in een kastje dicht bij haar gewonen 
stoel naast den haard ; en zij zou mij eenige daarvan hebben voorgelezen, 
en ik had ze ook zeer gaamc willen hooren, indien hij er niet tusschoi 
gekomen wasen haar met gocde woorden van dac gedachte hadafgebracht 

>Het was bij mijnheer Creakle, zegt mijn zoon mij, dat gij het eerste 
kennis hebt gemaakt," zeide mevrouw Steerforth, toen zij en ik aan eene 




^ 



MOSDERLIJKE TROTSCHHEID. 243 



)■ 



el zaten te praten, terwijl haar zoon en jufTrouwDartle aan eeneandere 
triktrak speelden. »Ik herinner mij ook wel, dat hij toen sprak van een 
kameraad, jonger dan hij, die hem bijzonder beviel ; maar uw naam, ge- 
lijk ge wel denken kunt, is mij niet in het geheugen gebleven," — iHij is 
mdien tijd zccr welwiUend en grootmoedig voor mij geweest, dat verze- 
ker ik u, mevrouw/' zeide ik, »en ik had zulk eene hulp welnoodig. Zon- 
<kr hem zou men mij geheel vertrapt hebben/' — >Hij is altijd edel en 
^ootmoedig/' zeide mevrouw Steerforth met trotschheid. 

Ik stemde dit van ganscher harte toe, dat weet de Hemel. Zij wist dit 
ook wel ; want hare statigheid was voor mij reeds verminderd, behalve 
tanneer zij tot lof van hem sprak; dan was hare bonding trotsch. 

»Het was over het geheel geene geschikte school voor mijn zoon/* 

««de zij, > verre van daar ; maar er moesten toch bijzondere omstandig- 

beden in aanmerking worden genomen, van nog meer gewicht dan die 

^CQs. De hoogvliegende geest van mijn zoon maakte het verkieselijk hem 

i^ iemand te plaatsen, die zijne meerderheid in dat opzicht gevoelde en 

^ wel daaraan wilde onderschikken ; en daar vonden wij zoo iemand." 

Ik i^st dit wel, daar ik den kerel kende. En toch verachtte ik hem niet 

meer, maar vond het eene eigenschap van hem, die zijne ondeugden 

tenigszins bedekte — indien men het iemand als eene deugd kon toere- 

kenen, dat hij een wezen, zoo onweerstaanbaar als Steerforth, niet had 

wcerstaan. 

»De buitengemeene bekwaamheden van mijn zoon werden daar door 

een gevoel van vrijwilligen wedijver en trotsche zelfbewustheid uit^e- 

k)kt," vervolgde de verblinde moeder. >Hij zou, tegen alle bedwang m, 

omhoog zijn gekomen ; maar daar was hij de koning van alles, en uit fier- 

faeid besloot hij zich zijn rang waardig te maken. Dat lag in zijn karakter." 

Ik stemde met hart en ziel toe, dat dit in zijn karakter lag. 

tZoo vatte dus mijn zoon, uit vrijen wil en zonder eenigen dwang, 

-een ijver op, waardoor hij altijd, als hij maar verkiest, alle mededingers 

achter zich kan laten," vervolgde zij. iMijn zoon zegt mij^ mijnheer 

Copperfield, dat gij altijd zeer aan hem gehecht waart, en dat gij u giste- 

rea, bij uwe ontmoeting, met tranen in de oogen aan hem hebt bekend 

.g^maakt Het zou geafTecteerd van mij zijn, als ik veinsde mij er over te 

Tcrwonderen, dat mijn zoon zulke aandoeningen inboezemt ; maar ik 

^an toch niet onverschillijB^ wezen voor iemand, die zijne verdiensten zoo 

zeer gevoelt, en het is mij een ^oot genoegen u hier te zien, terwijl ik u 

kan verzekeren, dat hij eene bmtengemeene vriendschap voor u koestert, 

;en gij u op zijne bescherming kunt verlaten." 

Ju&ouw Dartle speelde triktak met evenveel vuur en drift als zij alle 
andere dingen deed Als ik haar het eerst bij het bord had zien zitten, 
zou ik mij verbeeld hebben, dat bij dit tijdverdrijf, en niets anders in de 
wereld, hare gestalte zoo mager en hare oogen zoo groot waren geworden. 
liaar ik zou mij zeer vergissen als haar een woord van het gesprek ont- 
joapte, of haar een blik van mij ontging, terwijl ik met opgetogenheid zat 
tc luisteren en, door mevrouw Steerforth's vertrouwen vereerd, mij ouder 
^voelde dan ik sedert mijn vertrek van Canterbury nog had gedaan. 



244 DAVID COPPERFIELD. I 

Toen de avond tamelijk ver om was en er een blad met glazen en ka- 
raffen werd binnengebracht, beloofde Steerforth mij, bij het vuur geze* 
ten, dat hij er eens erastig over zou denken om met mij naar buiten te 
gaan. Er was geen haast, zeide hij ; over eene week zouhetnogevengoed 
zijn; en zijne moeder was gastvrij genoeg om hetzelfde te zeggen.Onder 
het praten noemde hij mij meer dan eens Groen en Groentje, en bracht 
daardoor juffrouw Dartle weder in de wapens. I| 

»Eilieve, mijnheer Gopperfield," zeide zij, »is dat eenbijnaam? En* 
waarom geeft hij u dien ^ Is het — is het omdat hij u voor jong en on- • 
noozel houdt ? Ik ben zoo dom in die dingen/' 

Ik bloosde, toen ik antwoordde te gelooven dat het zoo was. 

»0! " zeide juffrouw Dartle. » Nu ben ik blij dat ik het weet. Ik vroeg i 
maar om inlichting, en ik ben blij dat ik het weet. Hij houdt u voor jong i 
en onnoozel, en dus zijt gij zijn vriend. Wei, dat is heel aardig !" ' i 

Kort daarop ging zij naar bed, en mevrouw Steerforth verwijderde i 
zich inse^elijks. Steerforth en ik gingen, nadat wij nog een half uurtje j 
waren blijven zitten, onder een praatje over Traddles en al de anderen i 
op het oude Salem House, te zamen naar boven. Steerforth's kamer was I 
naast de mijne, en ik ging binnen om ze eens te zien. Zij was een model I 
van weelde en gemak, vol leuningstoelen, kussens en voetbankjes, door I 
zijne moeder eigenhandig geborduurd; waar niets ontbrak dateenigs- I 
zins in zulk een vertrek kon behooren. Eindelijk zagen ook hare fraaie I 
trekken haar lieveling uit een aan den wand hangend portret aan, alsof |l 
zij het zelfs van eenig belang rekende, dat haar af beeldsel hem in zijn I 
slaap bewaakte. I 

Ik vond het vuur in mijne kamer nog helder branden, en de gordij- I 
nen voor de vensters en om het bed dichtgeschoven, zoodat het er I 
behagelijk uitzag. Ik zette mij in een leuningstoel voor den haard, om ] 
over mijn geluk te denken, en had mij eenigen tijd met de bespiegeling ' 
daarvan verlustigd, toen ik opmerkte, dat een afbeeldsel van juffrouw 
Dartle mij boven den schoorsteen mantel scherp in het oog hield. 

Hetwaseenesprekendegelijkenis, en dus natuurlijk eenigszins schrik- 
aanjagend. De schilder had het litteeken weggelaten, maar ik voegde 
het er bij ; en daar was het, nu verschijnende, dan weder verdwijnende ; 
nu tot de bovenlip beperkt, gelijk ik het onder het diner had gezien, dan 
de geheele lengte der wond aanduidende, die de hamer haar had toege- 
bracht, gelijk ik het gezien had als zij zich driftig maakte. 

Ik vroeg gemelijk bij mij zelven, waarom men haar niet ergens elders 
had kunnen bergen in plaats van bij mij. Om van haar af te komen, ont- 
kleedde ik mij snel, deed mijn licht uit en stapte in bed. Maar toen ik in 
slaap viel, kon ik nog niet vergeten, dat zij daar was en met hare oogen 
scheen te zeggen : >Is het toch waarlijk? Ik wilde het maar weten." En 
toen ik in den nacht wakker werd, herinnerde ik mij, dat ik in mijne 
droomen allerlei soort van menschen onrustig had gevraagd, of het 
waarlijk zoo was of niet — zonder zelf te weten wat ik meende. 

EINDE VAN HET EERSTE DEEL. 



• 



Aj 



CHARLES DICKENS 



. A 



EEDE DEEL. 




SW/™M,H.A.M.ROELKm^ . 




i-p ■'■■•* \ 




H 

X 
o 

i 

90 



N 



4^ 




9 



DAVID 



COPPERFIELD 



CHARLES DICKENS 



TWEEDE DEEL 



SCHIEDAM 

H. A. M. ROELANTS 

1881 



DAVID COPPERFIELD. 






XXL 

KLEINS EMILY. 

Er was een knecht in huis, een man die, naar ik hoorde, op de aca- 
demie in dienst van Steerforth was gekomen, gewoonlijk overal met 
hem medeging, en in zijn voorkomen een model van fatsoenlijkheid was. 
Be geloofde, dat er in zijn stand nooit iemand is geweest, die er fatsoen- 
lijker uitzag. Hij was zeer stilzwijgend, had een onhoorbaar zachten 
gang en zeer bedaarde manieren, was onderdanig, oplettend, altijd bij 
de hand als men hem noodig had, en nooit in den weg als men hem niet 
noodi^ had; maar datgene, waardoor hij vooral aanspraak op onder- 
scheidmg maakte, was zijne fatsoenlijkheid. Hij had geen beweeglijk 

fezicht, een eenigszins stijven nek, een rond, glad hoofd, waarom de 
orte haren als geplakt zaten, eene zachte manier van spreken, met eene 
bijzondere gewoonte om de letter s zoo duidelijk te fluisteren, dat hij die 
veel meer scheen te gebruiken dan iemand anders; maar elke eigenaar- 
digheid die hij had^ maakte hij tot iets fatsoenlijks. Als zijn neus het 
onderste boven had gestaan, zou hij dit tot iets fatsoenlijks gemaakt 
hebben. Hij omringde zich met een atmospheer van fatsoenlijkheid, en 
wandelde in volkomene veiligheid daarmede rond. Het zou bijna onmo- 
gelijk zijn geweest hem van iets kwaad te verdenken, zoo door en door 
fetsoenlijk was hij. Niemand had er aan kunnen denken om hem in livrei 
te steken; daartoe was hij veel te fatsoenlijk. Als men eenig vemederend 
tQ werk van hem had willen vergen, zou men het gevoel van een allerfat- 
soenlijkst man op eene baldadige wijze gekwetst hebben. En hiervan 
^ waren de vrouwelijke dienstboden in huis zoo onwillekeurig bewust, dat 
^ zij zulk werk altijd zelve verrichtten, doorgaans terwijl hij bij het vuur 
^ in de bediendenkamer de courant zat te lezen. 

^ Ik zag nooit iemand, die zoo ongezellig was. Maar door deze eigenschap, 
O evenals door alle andere, die hij bezat, scheen hij slechts des te fatsoen- 
^ lijker te worden. Zelfs de omstandigheid, dat niemand zijn doopnaam 

DAVm COPFSRFISLD. — IL \ 



DAVID COPPERFIELD. 



wist, scheen een deel van zijne fatsoenlijkheid uit te maken. Men kon 
geenerlei bezwaar hebben tegen zijn familienaam Littimer, waaronder 
hij bekend was. Peter mocht gehangen of Tom gedeporteerd zijn, maar 
Littimer was de fatsoenlijkheid zelve. 

Het was, denk ik, een gevolg van het eerbiedwekkende der fatsoenlijk- 
heid in het afgetrokkene beschouwd, dat ik mij in het bijzijn van dezen 
man bijzonder jong gevoelde. Hoe oud hij zelf was kon ik niet raden — en 
dit strekte hem wederom op dezelfde wijs tot eer; want in de kalmte 
zijner fatsoenlijkheid kon hij evengoed vijftig als dertig jaren tellen. 

Littimer was des morgens, eer ik nog op was, in mijne kamer, om mij 
dat verwijtende scheerwater te brengen en mijne kleederen gereed te leg- 
gen. Toen ik de gordijnen openschoof en uit het bed keek, zag ik hem, 
in eene evenmatige temperatuur van fatsoenlijkheid, (waarop de oosten- 
wind en het Januari-weder geen invloed hadden, zoodat zijn adem in de 
koude lucht niet eens zichtbaar was) mijne laarzen rechts en links in de 
eerste dans positie zetten, en eenige stofjes van mijn rok blazen, ter- 
wijl hij dien neerlegde, zoo behoedzaam alsof het een pas geboren 
kindje was. 

Ik wenschte hem goedenmorgen en vroeg hoe laat het was. Hij haalde 
een allerfatsoenlijkst horloge uit zijn zak, liet het deksel (want het 
was een horloge van dat soort als men doorgaans op de jacht ge- 
bruikt) openspringen, maar zorgde met zijn duim dat het zulks niet te 
ver deed, keek naar de wijzerplaat alsof hij eene orakelgevende oester 
raadgleegde, liet het weder dichtknippen, en zeide, dat het met mijn 
welnemen half negen was. 

»Mijnheer Sleerforth zal gaarne willen weten hoe gij gerust hebt, 
mijnheer." — > Wei verplicht," zeide ik. » Zeer wel. Is mijnheer Steerforth 
geheel wel ?" — > Wel verplicht, mijnheer. Mijnheer Steerforth is redelijk 
wel." Nog een van zijne eigenaardigheden — nooit gebruikte hij super- 
latieven. Altijd hield hij den koelen, kalmen middelweg. »Is er nog lets, 
dat ik de eer kan hebben voor u te doen, mijnheer f De klok zal te negen 
ure luiden; de familie ontbijt om half tien." — »Niets; wel bedankt." — 
>Ik dank m, mijnheer, met uw welnemen;" en daarmede, en met eene 
kleine hoofdbuiging, toen hij het bed voorbijging, als om verschooning 
te verzoeken dat hij mij berispte, ging hij heen en slootdedeurzoo zacht 
alsof ik juist in een zoeten slaap was gevallen, waarvan mijn leven 
afhing. 

Elken morgen hielden wij dit gesprek; nooit iets minder en nooit iets 
meer, en telkens — hoe ver ik ook den vorigen avond door Steerforth's 
vriendelijkheid, mevrouw Steerforth *s vertrouwen of juffrouw Dartle's 
spraakzaamheid boven mij zelven verheven en tot rijper jaren bevorderd 
mocht zijn — werd ik in de tegenwoordigheid van dezen allerfatsoen- 
lijksten man, gelijk een onzer mindere dichters zingt, » wederom een 
jongen." 

Hij bezorgde ons paarden, en Steerforth, diealleskende, gafmijles 
in het rijden Hij verschafte ons fleuretten, en Steerforth gafmijles in 
het schermen — handschoenen, en ik begon, onder denzelfden meester 



^p ^^^^H^ ^^1 ^ 



tK SLtrr EENK AANGBNAUB WEZK BC STEERFORTH. 



vorderingen in het bolcsen te maken. Ik schaamde mij er volstrckt niet 
over, dat Steerforth mij in deze kunsten een nieuweling vond, maar ik 
kon het niet uitslaan mijne onbedrevenheid voor den tktsoenlijken Litti* 
mer te vertoonen. Ik had geene reden om te denken, dat Littimer zulke 
kuosten lelf verstond ; hij gafiiiijnooit,zetfs niet door een trillenzijner 
&tsoeDtijke oogleden, reden om dit te veimoeden ; maar als hij er bij 
was, wanneer wi] ons oefenden, gevoelde ik mij toch altijd zeer verlegen 
en onhandig. 

Ik wcid over dezen man bijzonder uit, omdat hij op dien tijd een bij- 
zonderen indmk op mij maakte, enook om hetgeener later plaats had. 

De week verUep op de aangcnaamsCe wijs. Zij verliep snel, gelijk men 
ivel denken kan, voor iemand zoo vemikt als ik ; en toch gaf zij mij zoo- 
vele gelcgenheden dm Steerforth beter te leeren kennen, en hem in dui- 
zend opzichten meer te bewonderen, dat ik, toen zij ten einde was, veel 
langer bij hem scheen te zijn geweest De losse manier die hij had om 
mij als speeltuig te behandelen, was mij aangenamer dan eenige andere 
behandeling kon geweest zijn. Zij herinnerde mij aan onzen ouden om- 
l^ng; zij scheen eene natuuriijke voortzetting daarvan te zijn ; zij be- 
wees mij, dat hij niet veranderdwas;zij onthief mij van alleonnist, die 
ik had kunnen gevoclen, als ik mijne verdiensten met de zijne vergeleek 
en mijne aanspraak op zijne vriendschap met een gelijken maatstaf mat ; 
bovenal zij had icts gemccnzaams, ongedwongens en vertrouwelijks, 
dal hij bij niemand anders bczigde. Gelijk hij mij op school andere dan 
alle anderen had behandeld, zoo geloofde ik ook met blijdschap, dat hij 
mij nil anders behandelde dan eenig ander vriend dien hij had. Ik ge- 
loofde, dat ik hem nauwer aan het hart lag dan eenig ander vriend, en 
mijn hart klopte Van warme gehechtheid aan hem. 

Hij had besloten om met mij naar buiten te gaan, en de dag kwam 
om tt vcrtrekken. Hij had eerst getwijfeld of hij Littimer al of niet zou 
medenemen, maar besloot hem thuis te laten. De fatsoenlijke man, tevre- 
den met zijn lot, wat het ook wezen mocht, schtkte onze raltezen zoo 
zorgvuldig in het wagentje, dat ons naarLondcn zoubrengcn, alsof 
zij de schokken van eeuwen zouden moeten verduren, en nam mijne 
bescheiden aangebodene gift met volkomene gemoedsnist aan. 

Wij namen van mevrouw Steerforth en juffrouw Dartle afscheid, met 
vele dankbetuigingen van mijne zijde en veel hartelijke vriendelijkheid 
van die der teedere moeder. Het taatste, dat ik zag, was Littimer's onbe- 
neveld cog, waarin ik mij verbeeldde de stille overtuiging te leten, dat 
ik nog zeer jong was. 

Wat ik gevoelde toen ik, in zulke gunstige veranderde orastandighe- 
den^ naar de oude gemeenzaam bekcnde plaatsen tenigkeerde, zal ik 
niet pogen te beachrijven. Wij reisden met de postdiligence. Ik was, dit 
herinner ik mij nog, zoo bezorgd voorde eer van Yarmouth, dat toen 
wij door de donkere straten naar de herberg reden, en Steerforth zeide, 
dat het, zooveel hij zien kon, voor zulk een afgelegcn nest een wonder- 
Ujk aardig stadjc was, ik zeer in mijn schik was met dit gezegdc. Wij gin- 
.gen bij onze aankomst naar bed (ik zag een paar morsige schoenen en 



DAVm COPPERFIELD. 



slopkousen voor de deur van mijne oude kamer in de Dolfijn, toen wij (9 
voorbijgingen) en ontbeten den volgeniden ochtend zeer laat. Steerfortr 
die bijzonder vroolijk was, had reeds, voordat ik op was, langshet strati 
gewandeld, en, naar hij zeide, reeds met de helft van de visschers uit h^ 
stadje kennb gemaakt Bovendien had hij in de verte iets gezien, dat zm 
ker het huis van baas Peggotty moesl wezen, waar de rook uit de 
schoorsteen kwam, en had veel lust gehad, zeide hij mij, om er been t 
gaan en te zweren, dat hij mijn persoon was, maar zoo gegroeid, da 
niemand hem herkende. 

tWanneer denkt ge mij daarheen tebrengen, Groentje P' zeide hij 
>Ik ben tot uwe beschikking. Bepaal het maar gelijk ge wilt*' — » Wei 
ik had gedacht, dat van avond een goede tijd zou zijn, Steerforth, als zi 
alien om het vuur zitten. Ik zou het u gaame op het aardigst willen latei 
zien ; het is zulk eene zonderlinge woning.'' — »Zoo zij het dan," ant 
woordde Steerforth. » Van avond." — »Ik zal hen niet laten waarschu 
wen dat wij hier zijn, weetge," zeide ik, opgetogen. Wij moeten hen ver 
rassen." — iNatuurlijk," antwoordde Steerforth. »Het zou geene aardi^ 
heid zijn als wij hen niet verrasten. Wij moeten die natuurmenschen u 
hun natuurlijksten toestand zien." — » Al zijn zij zulk soort van menschei 
als gij eens gezegd hebt," Het ik hierop volgen. > Wat ! Heugt u mijn< 
schermutseling met Rosa nog," riep hij uit, met een Snellen blik. »Di< 
drommelsche feeks. Ik ben half bang voor haar. Zij is een soort vai 
kwelduivel voor mij. Maar spreken wij niet meer van haar. Wat gaat gi 
nu doen ? Uwe oude oppasster opzoeken, zou ik denken ?" — > Ja," ant 
woordde ik. »ik moet vooral eerst Peggotty zien." — » Welnu ," hervatt 
Steerforth, op zijnhorloge kijkende, »als ik u dan een paar uren aai 
haar overlaat om over u te huilen, is dat lang genoeg ?" 

Ik antwoordde lachend, dat wij het, naar ik dacht, in dien tijd we 
konden afdoen, maar dat hij ook moest komen ; want hij zou bevinden 
dat zijn roem hem was vooruitgegaan en dat hij bijna een even gewichti| 
persoon was als ik. 

»Ik wil overal komen waar gij wik," zeide Steerforth, >en alles doei 
wat gij wilt. Zeg mij maar waar ik moet wezen, en over twee uren zal il 
mij aanmelden, juist in zulk een staat als ge maar verkiest, sentimentee 
ofcomisch." 

Ik gaf hem uitvoerige inlichtingen om de woning van mijnheer Barkis 
vrachtrijder op Blunderstoneen andere plaatsen, te vinden, en me 
deze afspraak ging ik alleen uit. De lucht was scherp en prikkelend ; d< 
grond was droog; de zee was woelig en helder; de zon verspreidde eei 
overvloed vail licht, zoo al niet veel warmte, en alles was frisch en leven 
dig. Ik zelf was zoo frisch en levendig, zoo verheugd dat ik weder daai 
was, dat ik de menschen op straat had kunnen aanhouden, om hun dc 
hand te drukken. 

De straten kwamen mij natuurlijk smal en kort voor. De straten, di< 
wij niet anders dan als kinderen gezien hebben, doen dit altijd, geloof ik 
als wij er weder in terugkomen. Maar ik had er niets van vergeten ei 
vond niets veranderd, tot ik aan den winkel van mijnheer Omer kwam. 



e 



VBRAMDERINGEN IN YARMOUTR. 



Oaar stond nu •Omer en Joram," waari0mer"pl3chttestaai), maar 
voor het overige was het opschrift gebleven gelijk het was. 

Mijne voetstappeo schenen zich zoo natuurlijk naar de deur van den 
winkel te richtcn, toen ik van den overkant dcr straat deze woorden las, 
dat ik overstaptc en binnenkeek. Achter in den winkel stond cene be- 
vaJligc vrouw, die een kind op haar arm liet springen, terwijl cen andcr 
Mch aan haar voorachoot vasthield. Ik had geene moeite om Minnie of 
Minnie's kinderen te herkenncn, De glasdeur der achterkamer stond niet 
^pen, maar in den werkwinkel over de plaats kon ik loch flauw het oudc 
"ijsje hooren hameren, alsof het nooit had opgehouden. 

»l3 mijnheer Omer thuis ?" zeide ik, binnenkomende. »Ik zou hem 
Saarae een oogenblik spreken, als hij er is." — »0 ja, mijnheer, hij is 
thuis," antwoordde Minnie, > met dit weer is het uitgaan niet goed voor 
*' j w borst. Jo, roep uwe grootvader ecns." 

De kleine, die haar voorschoot vasthield, zette zulk cene geduchte 
^cel op, dat de klank hem zelven verlegen maakte, en hij zijn gezichtje 
*chteT haar rok verschool, betgeen zij met moederlijke bewondering 
^anzag. Ik hoorde een groot gehijg en geblaas naar ons toekomen, en 
wcldra stood mijnheer Oraer, nog korler van adem dan voorheen, maar 
•^•et reel verouderd, voor mij. 

iDienaaj, mijnheer," zeide mijnheer Omer. iWaarmec kanikudie- 
^cn, mijnheer?" — iGij kunt mij de handgeven, mijnheer Omer, als het 
^ belieft," zeide ik, de mijne uitstekcnde. iGij zijt eens zcer goed en 
Tiendelijk voor mij geweest, toen ik vrees, dat ik niettoondeudaarvoor 
** houden." — lEi, hebik dat gedaan?" antwoordde deoude man. iDat 
^or ik met pleizier, maar ik kan mij niet herinneren wanneer. Weet ge 
^el zeker, dat ik het was ?" — * Zeer zeker." — t Ik denk, dat miju ge- 
"Cugen even kott wordt als mijn adem," hervatte mijnheer Omer, mij 
Wnkijkende en zijn hoofd schuddende, > want ik herken u geheel niet" — 
»We« ge niet meer, dat ge naar de diligence zijt gekoraen om mij af te 
Weii,endatik toenhier onlbetenheb, en wij tezamen naar Blunder- 
stone zijn gereden : gij, en ik, en juffrouw Joram, en mijnheer Joram 
ook, die toen haar man nog niet was ?" — »Wel, HeerindenHemel!" 
riep mijnheer Omer uit, nadat zijne verrassing hem ecne hocstbui had 
berokkcnd, >zegt gij zoo! Minnie, kindlief, weet gij het nog wel ? Och 
Heere, ja — de ovcrlcdene was eene dame, geloofik?" — ^ » Mijne moe- 
der," antwoordde ik, — »Ja -~ wel — zeker," zeide mijnheer Omer, 
mijn vest met zijn voorvinger aanrakende, ten dan was er ook nog een 
kindje. Er waren twee overledenen. Het kleine lijkje werd bij het andere 
gekisL Ja wel, dat was daar te Btundersto ne. Och Heere I Enhochcbt 
gij het al dien tijd gemaakt?" 

Zeer wel ; ik bedankte hem en hoopte, dat het met hem ook zoo ge- 
weest was. 

»Och, ik heb niet te klagen, weet ge," antwoordde mijnheer Omer. 
>Ik vind dat mijn adem kort wordt, maar die wordt zelden langer ats 
iemand ouder wordt. Ik schik er mij maac in en blijl er vrooUjk bij. Dat 
is het beste, niet waar ?" 



DAVID COPPSRFIELD. 



Mijnheer Omer ging door zijn lachen weder aan het hoesten, maar in 
deze ylaag werd hij door zijne dochter bijgestaan., die nu dicht bij ons 
stond en haar kleinste kind op de toonbank liet springen. 

»Och Heere !'* zeide mijnheer Omer. > fa, wel zeker ! Twee overlede- 
nen ! Juist op dat toertje zoudt gij het gelooven — werd de dag be- 
paald, dat mijne Minnie met Joram zou trouwen. >Noem dan toch maar 
een dag, mijnheer,' zeide Joram. »Ja, doe dat, vader," zeide Minnie. En 
nu is hij in de affaire gekomen. En zie eens hier. Het jongste." 

Minnie laehte en streek hare haren glad, toen haar vader een zijner 
dikke vingers in het handje van het kind stak, dat zij op de toonbank 
liet springen. 

»Twee overledenen, ja well" zeide mijnheer Omer, met zijn hoofd 
knikkende, als om zijn geheugen te hulp te komen. » Juist! En Joram is 
op het oogenblik weer bezig aan een kistje met zilveren spijkertjes : nog 
twee duim kleiner dan deze maat.'' (De maat van het springende kind op 
de toonbank). iWilt ge niet iets gebruiken ?" 

Ik bedankte hem. 

iLaat eens zien," hervatte mijnheer Omer. tDe vrouw van Barkis den 
voerman — de zuster van Peggotty, den visscher — zij had ook iets met 
uwe familie uitstaan ? Zij was immers daar in dienst ?" 

Dat ik dit bevestigend beantwoordde gaf hem groot genoegen. 

»Ik geloof, dat mijn adem weder langer zal gaan worden, nu mijn ge* 
heugen dat alzoo doet," zeide mijnheer Omer. > Wel mijnheer, wij heb- 
ben hier een meisje van hare familie in de leer gekregen, dat heel veel 
smaak voor het modevak heeft — ik verzeker u, ik geloof, dat er geene 
hertogin in En gel and is, die daarin bij haar kan halen." — »Kleine 
Emily toch niet?" zeide ik onwillekeurig. — »Zij heet Emily," ant- 
woordde mijnheer Omer, * en zij is klein ook. Maar gij moogt mij geloo- 
ven, zij heeft zulk een gezichtje, dat de helft van al de vrouwen van de 
stad razend op haar zijn," — Hoe kunt ge zoo praten, vader?" riep. 
Minnie uit. — >Kindlief," zeide mijnheer Omer, mij een wenk met de 
oogen gevende, * ik zeg niet dat gij het zijt; maar ik zeg^ dat de helft van 
al de vrouwen in Yarmouth — ja, en van vijf mijlen in het rond — 
razend op dat meisje zijn." — »Dan hadt zij ook maar in haareigen 
stand moeten blijven, vader," zeide Minnie, » en ze geene reden moeten 
geven om over haar te praten, dan konden zij het niet gedaan hebben. '' — 

> Konden het niet gedaan hebben, kindlief !" zeide mijnheer Omer hierop. 

> Konden het niet gedaan hebben ! Weet gij zoo weinig van de wereld? 
Wat is er, dat eene vrouw niet zou kunnen doen, en niet zou willen doen 
ook — vooral als het b»j het mooi van anderen te pas komt ?" 

Ik dacht werkelijk, dat het met mijnheer Omer gedaan was, toen hij 
deze lasterlijke spotternij had uitgestooten. Hij hoestte zoodanig, en zijn 
adem ontsnapte zoo hardnekkig al zijne pogingen om hem te herkrijgen^ 
dat ik niet anders dacht of ik zou zijn hoofd achter de toonbank zien 
neerduiken, en zijne korte zwarte beentjes met de vale strikjes aan de 
knie6n, in de laatste stuiptrekkingen spartelende, zien bovenkonien» 
Eindelijk echter werd hij beter, hoewel hij nog erg bleef hijgcn en zoo 



EEM BLIK OP KLEINE EMILY, 7 

afgcmat was, dat hij op het kantoorstoel^e, dat voorden lessenaarstond, 
mocst gaan zitten. 

> Gij moet begrijpen," zeide hij, zijn hoofd afvegendeen tusschenbeide 
met mocite ademhalende, >zij tieeft zich hier niet veel met kanieiaadjes 
opgehoudeDj en nooit kennisjes of vricDdinnetjes willen opzoeken, om 
van geen vnjers te spreken, Daardoor kwam er een boosaardig praatje 
in omloop, dat Emily eene dame wildc worden. Nu ben ik van gedachten, 
dat dit voornamelijk daardoor in omloop kwam, omdat zij op school 
somtijds zeide, dat zij, ais zij eene dame was, dit en dat voor haar oom 
ion doen — begrijpt ge wel? — en hem dit en datmooiskoopen." — t Ik 
verzeker u, mijnheer Omcr,'' antwoordde ik met vuur, » zij heeft dat al 
tegen mij gezegd toen wij beiden nog kinderen waren." 

Mijnheer Omer knikte en wreef zijne kin. »Ja wel," zeide hij. »En dan 
kon zij van heel weinig geld, begrijpt ge wel, zich beter kleeden dan an- 
dercn van veel geld konden doen, en dat gafonaangeDaamheden. Daar- 
enboven was zij cenigsiins wat men grillig zou kunnen noemen — ik wil 
wel zeggen, wat ik zelf griliig zou noemen — wist zelve nict rccht wat zij 
wilde — ■ een beetje vcrwend — en kon zich in het eerst niet wel naar an- 
deren scbikken. Meer is er immers nooit van haar gezegd, Minnie i" — 
iNeen, vader," antwoordde juffrouw Joram. "Dat is het crgste, geloof 
ik." ^ iToen zij dus eene conditiekreeg," zeide mijnheer Omer, torn 
eene lastigeoude dame gez els chap te houden, konden die tweenietgoed 
met elkander te recht en bleef zij daar niet lang. Eindelljk kwam zij hier 
voor drie jaren in de leer. Haast zijn er twee van om, en zij is zulk een 
goed meisje geweest als erooit een was. Zooveel waardalszesandere! 
Is zij tegenwoordig niet zooveel waard als zes andere, Minnie ?" — > ja, 
vader," antwoordde Minnie. * Zeg nooit, dat i k kwaad van haar heb ge- 
sproken." — >Heel goed," zeide mijnheer Omer, > Recht zoo. En zoo, 
jonge heer," vervolgde hij, radat hij noa; een poosje zijne kin had gewre- 
ven, lopdat ge mij niet voor langdradig zoowel als kortademig zoudt 
houden, geloof ik, dat ik daarvan heb uitgepraat" 

Daar zij zacht gesproken hadden, toen het gesprek over Emily liep, 
twijfeldc ik niet of dcze was dichtbij. Toen ik nu vroeg of dit niet zoo 
was, knikte mijnheer Omer van ja, en wees naar de deur der achterkamer. 
Mijne haastige vraag of ili eens mocht binnenkijken, werd met een vrij , 
verlof beantwoord, en toen ik door de ruiten keek zag ik haar aan haar 
wcrk zitten. Ik zag haar, een allerschoonst schepseltje. zich met de helder 
blauwe oogen, die in mijn kinderlijk hart hadden gestraald, lachende 
naar een ander kind van Minnie keeren, dat bij haar speelde, met eigen- 
zinnigheid genoeg in haar vroolijk gezichtje, om datgene watik zoo even 
gehoord had te bevestigen, lerwijl ook nog veel van hare oude grillige 
schuwheid daarin school ; maar zonder iets in haar lieflallig uitzicht, dan 
wat haar voor deugd en geluk moesC bestemmen, en bewees dat zij nog 
deugdzaam en gelukkig was. 

Het wijsje aan den overkant van de plaats, dat nooit schcen tehebben 
Opgehouden — helaas, het was er een dat werkelijk nooit ophoudt — 
werd ondertusschen zachtjes voortgehamerd. 



8 DAVID COPPERFIELD. 



>Zoudt ge niet willen binnengdan en haar aanspreken ?" zeide mijn- 
heer Omer. »Ga maar binnen en spreek met haar, mijnheer. Doealsof 
gij thuis waart" 

Ik was te bedeesd om dit te doen. Ik was bevreesd om haar verlegen 
te maken^ en niet minder bevreesd om zelf verlegen te worden; maar ik 
vemam naar het uur wanneer zij des avonds heenging, om den tijd van 
ons bezoek daamaar te schikken; en van mijnheer Omer, zijne bevallige 
dochter en hare kinderen afscheid nemende, begaf ik mij naar mijne 
Ueve oude Peggotty. 

Daar was zij, in de met tegels bevloerde keuken, aan haar pot bezig. 
Zoodra ik aan de deur klopte, deed zij open en vroeg wat mij beliefde. 
Ik zag haar met een glimlach aan, maar zij beantwoordde dien niet met 
een glimlach. Ik had nooit opgehouden aan haar te schrijven, maar het 
moest nu zeven jaren geleden zijn, dat wij elkander hadden gezien. 

>Is mijnheer Barkis thuis, jufFrouw?" zeide ik, mijn best doende om 
met eene grove stem en op een ruwen toon te spreken. — » Hij is wel 
thuis, mijnheer," antwoordde Peggotty, tmaar hij heeft erg de rheuma- 
tiek en ligt in bed." — i Rijdt hij tegenwoordig niet meer naar Blun- 
ders tone? vroeg ik. — »Als hij beter is zal hij weer," antwoordde 
zij. — »Komt g ij daar nog wel ooit, juffrouw Barkis ?" 

Zij zag mij meer oplettend aan, en ik merkte op, dat zij eene snelle 
beweging met hare handen maakte, alsof zij die wilde samenslaan. 

»Omdat ik u iels wilde vragen over een buitentje daar, dat — hoeheet 
het ook weer? — Kraaienho^" zeide ik. 

Zij deed een stap achteruit, en stak met zekeren schrik hare handen 
uit, als oro mij van haar af te houden. 

» Peggotty I" riep ik haar toe. — » Mijn beste jongen I Mijn lieveling !'* 
riep zij, en wij barstten beiden in tranen uit en waren in elkanders armen 
gesloten. 

Welke buitensporigheden zij beging; hoe zij beurtelings lachte en 
schreide; hoe trotsch en hoe blijde zij was, en hoe bedroefd dat zij, wier 
trots en vreugde ik had kunnen zijn, mij nooit in hare teedere armen kon 
sluiten — heb ik het hart niet om te verhalen. Geen twijfel of het ook 
jongensachtig van mij was hare aandoeningen te beantwoorden, kwelde 
mij. Nooit in geheel mijn leven, durf ik wel zeggen, heb ik — zelfe bij 
haar — meer onbedwongen gelachen en geschreid dan ik dien ochtend 
deed. 

1 Wat zal Barkis blij zijn !*' zeide Peggotty, hare oogen met haar voor- 
schoot afvegende. >Dat zal hem meer goeddoen dan potten vol van 
zijn smeerseltje. Mag ik het hem gaan zeggen, dat gij hier zijt ? Wilt gij 
eens boven naar hem gaan zien, beste jongen ?" 

Het spreekt van zelf, dat ik dit gaame wilde. Maar Peggotty kon niet 
zoo gemakkelijk de kamer uitkomen als zij gedacht had, want zoo dik- 
wijls als zij aan de deur kwam en daar naar mij omkeek, kwam zij terug 
om mij nog eens lachend en schreiend om den hals te vallen. Eindelijk 
ging ik, om de zaak gemakkelijker te maken, met haar naar boven; en 
nadat ik buiten even had gewacht, terwijl zij Barkis met een enkel 



Hum WILKOMST BU BARKIS. 9 

woord op mijnelcomst voorbereiilde, trad ik voorhet bed van den lijder. 
Uij ontving mij met ware vemikking. Htj was te rhtumatisch ora mij 

de hand te geven, maar verzocht mij, dat ik den kwast zijner slaapmuts 
zdh schudden, hetgeen ik dan ook deed. Toen ik mij naast ziJD bed had 
geiet, icide hij, dat het hem machtig veel goed deed, en hij itch ver- 
oeddde, dat hij mij weder naar Blunderstone reed. Terwijl hij daar 
met zijn gezicht omhoog in bed lag, zoo dicht toegedekt, dat hij — gelijk 
CCQ gebeeldhonwd engeltje — geheel en al gezicht scheen te zijn, maakte 
hij eene allerwonderlijkste vertooning, 

•Welke naam was hct ook, mijnheer, dicn ik in dc kar opschreef ?" 
nide Barkis, met ccn stroef rheumatisch glimlachje. ^ ija, mijnheer 
Barkis, daarover hcbben wij wel mcer gesproken, nlet waarf" — »Ik 
ben lan^ voor haar klaar geweest, en heb kmg naar haar eewacht, niet 
*«r, inijnheerf" zeide Barkis weder, — iLang genoeg, leideik. — 
'En ik heb er geen berouw van," hervatte Barkis. » Heugt u nog wel wat 
p mij eens gezegd hebt, dat zij al de appeltaarten maakte en alles 
kooktef" — » Ja, heel wel," antwoordde ili. — » En dat was zoo waar," 
«t(ie Barkis, • als lets weien kan. Het was zoo waar," vervolgde hij, met 
lijne slaapmuts knikkende, hetgeen het eenige middel was waardoor hij 
zijn gezegdc nadnik kon geven, >als dat wij belasting betalen. En niets 
HI) meer waar zijn dan dat" 

Barkis zag mij aan, als verwachttehijmijnc toestemmingtotditresul- 
taat lijncr bcd-bespiegelingen, en ik gaf hem die ook. 

• Niets kan meer waar zijn dan dat," herhaalde Barkis: liemand, die 
100 ann is als ik, begint dat te gevoclen als hij daar zoo ligt. Ik ben arm, 
niiJDheer, heel arm." — »Het spijt mij wel, dat ik dit hoor, mijnheer 
Barkis." — » Heel arm, waarJijk heel arm," herhaalde Barkis. 

Hier kwam zijne rechterhand langzaam onder het dek vaiidaan en 
greep, onzeker tastende, een stok, die met een touwtje los aan de lijde 
van het ledikant was vastgebonden, Nadat hij met dczen stok eenigen 
tijd in het rond had gescharreld, terwijl zijn gezicht eenc verscheidenhcid 
lan benauwde uitdrukkingen aannam, stiet hij er mede tegen een kofFer, 
waarvan het eene einde al dien tijd duidelijk voor mij zichtbaar was ge- 
weest, Toen werd zijn gezicht genister, 

• Oudc kleercn," zeide Barkis. — » Zoo!" zeide ik. — tikmochtwel 
lijden, dat het geld was, mijnheer," hervatte Barkis. — » Ik ook wel, ' 
waarlijk," zeide ik. — iMaarhet i s toch geen geld," zeide Barkis, zijne 
oogen zoo wijd openzettende als hij maar kon. 

Ik antwoordde, dat ik mij hiervan wel verzekerd hield, en nu zeide 
Barkis, zijne oogen, met meer zachtheid in hun blik, naar zijne vrouw 
keerende : 

-»Zij isdeknapsteenbestevanallevTOUwen,dieC.P. Barkb. Alden 
lot, dien iemand haar geven kan, verdien t zij rijkelijk, en nog meer ! Beste, 
gij moet maken, dat gij van middag een goed maal hebt; wat lekkerste 
eten en ook te drinken — zult ge f" 

Ik wilde tegen dczen noodeloozen omslag om mij te onlhalen pro- 
testeeren, maar zag, dat Peggotty, die aan den anderen kant van het 



lO DAVID COPPERPIELD* 



bed stond, vurig verlangde dat ik dit niet zou doen; en ik zweeg das. 

ilk heb nog een beetje geld hier of daar bij mij, beste^" zeide Barkis; 
»maar ik ben wat moe. Als gij en mijnheer David mij een klein dutje 
wilt laten doen, zal ik probeeren of ik het vinden kan, als ik wakker 
word." 

Wij gingen, volgens dit verzoek, de kamer uit Toen wij buiten de 
deur waren, onderrichtte Peggotty mij\ dat Barkis, die nu nog > wat 
deuner" was dan hij placht, altijd dezelfde list te baat nam eer hij uit 
zijn schat een enkel stuk geld te voorschijn haalde ; en dat hij de ergste 
pijnen leed om alleen uit zijn bed te kruipen en hetuitdienongelukkigen 
koffer te nemen. Werkelijk hoorden wij hem weldra gesmoord maar 
allerakeligst kreunen, daar zijne eksterachtige manoeuvre hem door alle 
leden martelde ; maar terwijl Peggotty's oogen vol tranen van medelij- 
den stonden, zeide zij toch, dat deze opwelling van edelmoedigheid zijn 
hart goed zou doen, en het best was hem zijn gang maar te laten gaan^ 
Zoo bleef hij dus aan het kreunen, tot hij weder in bed was gekomen — 
ik twijfel niet, of hij leed zooveel als een martelaar; en toen riep hij ons 
binnen, en hield zich alsof hij zoo pas uit een verkwikkelijk slaapje was 
ontwaakt en een guinje onder zijn kussen vandaan haalde. Zijne zelfvol- 
doening, dat hij ons zoo geliikkig had misleid en het ondoordringbare 
geheim van den koffer bewaard, scheen hem al zijne pijn te vergoeden. 

Ik waarschuwde Peggotty, dat ik Steerforth verwachtte, en het duurde 
niet lang of hij kwam. Ik ben overtuigd, dat zij er geen onderscheid tus- 
schen wist te maken, of hij een weldoener van haar zelveofeengoed 
vriend van mij was geweest, en dat zij hem in beide gevallen met even- 
veel dankbaarheid en hartelijkheid zou hebben ontvangen. Doch zijne 
ongedwongene vroolijkheid en geestigheid, zijne vriendelijke manieren, 
zijn welbesneden gezicht, zijne natuurlijke gaaf om zich naar iedereen te 
schikken, en wanneer hij dit verkoos terstond de zwakste zijde vaa 
iemands hart te overmeesteren, hadden haar binnen vijf minuten geheel 
voor hem ingenomen. De manier waarop hij met mij omging zou alleen 
reeds haar hart hebben gewonnen. Maar door dit alles te zamen geno- 
men, geloof ik waarlijk dat zij, eer hij dien avond heenging, met eene 
soort van aanbidding naar hem opzag. 

Hij bleef met mij daar eten — als ik gewillig zeide^ zou ik niet half aan- 
duiden met hoeveel vroolijke bereidvaardigheid. Hij ging naar Barkis 
zien, en het was alsof hij licht en lucht in de kamer bracht, en deze op- 
helderde en verfrischte als ware hij het g^ezonde weer zelf. Hij maakte 
geen gerucht, spande zich niet in, scheen met te weten, dat hij iets deed ; 
maar alles ging hem met eene onbeschrijfelijke gemakkelijkheid af, — 
alsof het onmogelijk was iets anders of iets beters te doen — die zoo na- 
tuurlijk, streelend en innemend was, dat het mij zelfs nu nog aandoet als 
ik er aan denk. 

Wij maakten ons vroolijk in het voorkamertje, waar het Martelaars^ 
boek, sedert mijn tijd onbeduimeld, weder als vanouds op den lessenaar 
werd gelegd, en ik weder de akelige prenten omsloeg, en mij herinnerde 
welke aandoeningen zij vroeger bij mij hadden opgewekt, zonder die 



I IK WANDKL MET STEXRFORTU KAAK DI OUDE SCHUIT. I| 

tchter wederom te gevoelen. Toen Peggotty sprak van wat zij mijns 
kamer nocmde, en dat die nog altijd voor mij klaar was, en lij booptc^ 
d»t ik er dien nacht zou slapen, begreep Steerforlh, eer ik hem nog twij. 
fclend kon aanzien, het geheele geval. 

• Welnatuurlijk," zeide hij. • Gij moet hier slapen, zooUng wij blijven, 
en ik slaap in het logemeat." — • Maar u zoo ver mee te nemen," ant- 
woordde ik, len u dan alleen te laten, zou niet zeer vriendschappelijli 
ichijnen, Stecrforth." — » Wei in 's Hemels naam, waar behoort gij nor 
tuurlijk thuis!" zeide hij daarop. iWatkomtheter daarbij opaan, hoQ 
brt schijnen zou I" £n zoo was de zaak in eens afgedaan. 

Hij behield al ziine innemende eigenschappen ten einde toe, t»t wij^ 
tegen acht ure, heengingen om de woning van baas Peggotty op te zoe. 
ken. Zij schitterden zelfs hoe langer hoe helderdet naarmate de uren ver- 
liepen ; want zclfs toen dacht ik, en nu twijfel ik er niet aan, dat de be- 
vusiheid hoe gelukkig hij in zijn oogmerk om iedereen te behagea 
B^agde, zijne geestvermogens eene nieuwe fijnhcid mededeelde, en heni 
('i^ hoe vlug zij ook reeds waren, nog gemakkelijker maakte. Indieo 
lertiand mij toen gezegd had, dat dit alles slechts een schitterend spel 
'u, in een oogenblik van opgewondenheid gespeeld, om die opgewon- 
deniieid lucht te geven, om zijne zucht tot uitblinken gedachteloos te be- 
Tredigen, en onverschillig iets te winncn, dat geene waarde voor hem. 
W en hij een oogenblik later weder zou wegwerpen — indien iemand, 
*8 ik, mij dien avond zulk eene logen had wiilen opdringen, weet ik 
*aarlijk niet hoe ik die zou hebbeo opgenomen of mijne verontwaardi- 
Sing daarover uitgelaten. 

Waarschijnlijk alleen dooreene versterking, ware dit mogelijk geweest, 
^>n het Tomaneske gevoel van trouw en vriendschap, waarmede ik naast 
hem. over het donkete winterachtige strand, naar de oude schuit stapte; 
terwijl de wind zelfs nog droeviger om ons huilde, dan hij op dien avond 
W gehuild en gezucht j toen ik voor het eerst de deur van baas Peggotty 
binnentrad. 

iHelzict er hier wocstuit, niet waar, Steerforth?"^>Akelig^enoeg 
zoo in de duistemis," zeide hij, *en de zee bruit alsof zij hongengnaar 
ons was. Is dat de schuit, waar ik daarginder dat lichtzief" — >Dat is 
lij," antwoordde ik. — »Dan is zij dezelfde, die ik van morgen gezien 
heb," hervatte hij. >Ik ben er, denkelijk door een instinct, recht op afge- 

Toen wij het licht naderden, spraken wij niet me er, maar gin gen zacht- 
jea naar de deur. Ik sloeg mijne hand aan de ktink, fluisterde Steerforth. 
toe om dicht bij mij te blijven, en trad binnen. 

Toen wij nog buiten stonden hadden wij stemmen gehoord, en op het 
oogenblik dat wij binnentraden hoorden wij iemand m de handen klap- 
pen; welk laatste geluid ik nu tot mijne verwondering zag, dat van ae 
gewoonlijk zoo neerslachtigejufTrouw Gummidge afkomstig was. Doch 
juftrouw Gummidge was de eenige niet, die buitengemeen opgewonden 
scheen te zijn. Baas Peggotty, wiens gezicht van innig ^enoegen blonk 
en die uit alle macht lachte, hit.ld zijne ruige armen wijd open, als om 



t2 DAVm COPPERFIELD* 



kleine Emily daarin te vangen ; Ham, wiens gezicht eene mengeling van 
bewondering, vemikking en zekere lummelachd^e bedeesdheid tdt- 
drukte, die hem zeer goed stond, hield kleine Emily bij de hand, alsof 
hij haar aan baas Peggotty presenteerde ; kleine Emily zelve, blozend en 
bloode, maar toch vergenoegd omdat baas Peggotly zoo vergenoegd 
was, gelijk hare heldere oogen aanduidden, werddooronsbinnenkomen 
gestuit (want zij zag ons het eerst) in de beweging om zich van Ham af 
te keeren en zich in baas Peggotty's armen te werpen. Bij den eersten 
blik, dien wij op hen wierpen, op het oogenblik dat wij uit den donkeren 
kouden nacht de warme lichte kamer binnentraden, was dit de manier 
waarop wij hen alien bezig vonden, terwijl jufFrouw Gummidge op den 
achtergrond stond en in hare handen klapte alsof zij van haar verstand 
was geraakt. 

Deze kleine schilderij werd door ons binnenkomen zoo plotseling uit- 
gewischt, dat men er aan had kunnen twijfelenof zij welooitbestaanhad. 
Ik stond in het midden der verbaasde familie, vlak voor baas Peggotty, 
en reikte hem mijne hand toe, toen Ham schreeuwde: ijonge heer 
David ! Het is jonge heer David !" 

In een oogenblik waren wij onder elkander aan het handen geven, en 
aan het vragen hoe wij het maakten, en aan het zeggen hoe blij wij waren, 
dat wij elkander weerzagen, en spraken alien te gelijk. Baas Peggotty 
was zoo vereerd en verheugd ons bij hem te zien, dat hij niet wist wat te 
zeggen of te doen, maar mij gedurig opnieuw de hand gaf, en dan weder 
Steerforth, en dan weder mij, en dan weder zijne ruige harenovergeheel 
zijn hoofd door elkander wreef, en lachte, met zulk eene uitgelatenheid 
-en opgetogenheid, dat het een lust was hem te zien. 

» Wei, dat gij twee heeren — twee volwassene heeren — nu juist van 
avond bovenal hier onder mijn dak moest komen," zeide baas Peggotty 
eindelijk, idat is iets zooals nog nooit iemand gebeurd is, geloofikwaar- 
lijk ! Emily, mijn hartje, kom hier ! Kom hier, kleine heks ! Daar is die 
vriend van jonge heer David, liefje! Daar is die heer, van wien ge welge- 
hoord hebt, Emily. Daar komt hij u nu met jongen heer David opzoeken, 
op den schoonsten avond, dien uw oom ooit in zijn leven gehad heeft of 
X)oit hebben zal — hoezee !" 

Nadat hij in ddn adem, en met buitengemeene drift en aandoening, 
deze rede had ontboezemd^ nam baas Peggotty het gezichtje zijnernicht 
tusschen zijne beide groote handen, kuste haar wel twaalf malen, legde 
haar hoofdje met teederen hoogmoed en innige liefde tegen zijne breede 
borst, en streelde het zoo zacht alsof hij de hand eener dame had gehad. 
Toen liet hij haar los ; en terwijl zij naar het kamertje liep, waar ik placht 
te slapen, keek hij naar ons om, gloeiend en buiten adem van verrukking. 

» Als gij twee heeren — die nu volwassene heeren zijt, en zulke hee- 
ren," begon baas Peggotty. — » Dat zijn zij, dat zijn zij !" riep Ham. 
>Wel gezegd! Dat zijn zij ook ! Jonge heer David, jongen — volwassen 
heeren — dat zijn zij ook." — » Als gij twee heeren, volwassen heeren," 
hervatte baas Peggotty, > mij nog met zoudt kunnen excuseeren, dat ik 
200 uitgelaten ben, als gij hoort wat er van de zaak is, dan zal ik u excuus 



TEN HUIZE VAN BAAS PEGGOTTY. 13 



verzoeken, Emily, mijn liefje ! — Zij weet wel, dat ik het zal vertellen," 
hier barstte zijne vreugde weder uit, »en daarom is zij weggeloopen. WUt 
gij eens even naar haar gaan kijkeD, moedertje i*' 
Juffrouw Gummidge knikte en verdween. 

I Als dit niet de schoonste avond van mijn leven is," zeide baas Peg-^ 
gotty, zich tusschen ons bij het vuur zettende, »dan mag ik een kreefl 
wezen — een gekookte kreeft zelfe — meer kan ik niet zeggen. Diekleine 
Emily, mijnheer," vervolgde hij zacht tot Steerforth, |>haar, die ge zoo 
even zoo rood hebt zien worden — '* 

Steerforth knikte slechts, maar met zooveel vriendelijke belangstelling 
en deelneming in het gevoel van baas Peggotty, dat deze hem ant* 
woordde alsof hij gesproken had. 

I Zekerlijk," zeide baas Peggotty. i Dat is zij, en zoo is zij. Wei bedankt 
mijnheer.'* 

Ham knikte mij verscheidene malen toe, alsof hij hetzelfde had wil- 
len zeggen. 

I Die kleine Emily van ons," zeide baas Peggotty, lis hier in ons huis 
geweest wat ik denk (ik ben een ongeleerd man, maar dat geloof ik 
toch), dat niemand anders dan zulk een schepseltje met zulke heldere 
oogjes in een huis wezen km. Zij is mijn kind niet; ik heb er nooit een 
gehad; maar ik had haar toch niet liever kunnen hebben. Gij begrijpt 
wel I Dat had ik niet kunnen doen." — i Dat begrijp ik heel goed," zeide 
Steerforth. — iDat weet ik ook wel mijnheer," antwoordde baas Peg- 
gotty, >en nog eens bedank ik u. Jonge heer David, hem kan het nog 
heugen wat zij eens was; en gij kunt zelf oordeelen wat zij nu is; maar 
geen van beiden kunt gij recht weten wat zij voor mijn hart vol liefde 
geweest is en wezen zal. Ik ben ruw, mijnheer," vervolgde baas Peggotty, 
»ik ben zoo ruw als een zeeegel; maar niemand, of het moest misschien 
eene vrouw zijn, kan weten, denk ik, wat onze kleine Emily voor mij is. 
En tusschen ons," hier liet hij zijne stem nog lager dalen, i d i e vrouw 
heet geene vrouw Gummidge, hoewel zij een schat van goede eigen- 
schappen heeft." 

Baas Peggotty streek weder met beide handen zijne haren op, als eene 
voorbereiding voor hetgeen hij nog te zeggen had, zette toen eene hand 
op elke knie en vervolgde : 

lEr was zeker iemand, die onze Emily gekend had, van dien tijd af 
toen haar vader verdronken is ; die haar gedurig had gezien ; eerst als 
een kind, toen als een jong meisje, en toen als eene volwassene jonge 
dochter. Voor het oog was hij niet veel bijzonders ; zoo wat mijn eigen 
fatsoen — ruw — tamelijk veel van den zeebonk over zich — maar over 
het geheel een brave soort van jongen, met zijn hart op de rechte plaats.*' 
Ik dacht, dat ik Ham nog nooit zoo had zien grinniken als hij nu 
deed, terwijl hij ons aankeek. 

> Wat moet nu die goede pikbroek gaan doen," zeide baas Peggotty, 
met een glans van vergenoegdheid op zijn gezicht; niets anders dan dat 
hij dat hart van hem aan onze kleine Emily gaatverliezen. Hij loopthaar 
overal na, maakt zich zelven tot zoogoed als haar knecht, verliest groot- 



DAVID COPPKRFIELD. 



^ndeels zijn smaak in het eten^ en zoo doet hij mij door den tijd b^ 
pen waar het hem hapert. Nu moest ik zelf wel wenschen, zietge,dit 
onze kleine Emily goed getrouwd was. Ik moest vooral wenschen, hair 
verbonden te zien aan een braaf man, die recht had om haar te bescber- 
tnen. Ik weet niet hoelang ik nog zal leven, of hoe gauw ik kan sterven; 
maar ik weet wel, als ik eens op een nacht hier op de zee van Yar* 
mouth door eene windvlaag werd omgesmeten, endelichtenvande 
stad voor de laatste maal over de branding zagschijnen/,dieik niet te 
boven kon komen, dat ik dan met een geruster hart naar beneden zofl 
zinken, als ik kon denken : > £r is daar aan land een man, zoo trouwals 
Btaal voor mijne kleine Emily, die ik hoop, dat God zal zegenen, en nw- 
mand kan mijne Emily kwaa^ doen, zoolang die man maar leeft" 

Met een gezicht vol eenvoudigheid en emst zwaaide baas Peggotty 
zijn rechterarm, alsof hij daarmede voor het laatst naar de lichten van 
Yarmouth wuifde, en na toen een knikje met Ham gewisseld te hebbeD) 
wiens oog het zijne opving, vervolgde hij weder : 

t Wel ! Ik raad hem om met Erailly te spreken. Hij is groot genocg, 
toaar nog bedeesder dan een kleine jongen, en hij durft niet. I k spreclt 
dus. tWat!" zeide Emily. >Ham! Ham, dien ik zoovele jaren gekeod 
heb en van wien ik zooveel houd ! Och, oom, hem kan ik nooit neroeO' 
Hij is zulk een goede jongen !'* Ik geef haar een kus en zeg niet mec!^ 
dan: iMijn liefje, gij doet wel, dat gij ronduit spreekt. Gijmoetzelv^ 
kiezen; ge zijt zoo vrij als een vogeltje.*' Toen ging ik naar hem toe en 
£eide: ilk wenschte, dat het zoo had kunnen zijn, maar het kan niet 
Maar gij kunt allebei blijven zooals ge waart, en wat ik u zeg is : wees 
voor haar zooals ge zijt geweest en houd u als een man." Hij gaf mij de 
hand en zeide: »Dat zal ik." En dat heeft hij ook gedaan — eerlijken 
mannelijk — twee jaren lang, en wij waren hier inhuisjuisteveneens 
Voor elkander als te voren." 

Baas Peggotty's gezicht, dat gedurende zijn verhaal allerlei verander- 
ingen had ondergaan, hemam nu de vorige uitdrukking van zegepralende 
blijdschap, terwijl hij zijne eene hand op mijne knie en de andere op die 
van Steerforth legde, (nadat hij ze beide vooraf had natgemaakt om dit 
gebaar meer nadruk te geven) en verdeelde de volgende redevoering 
tusschen ons : 

* Geheel op eens, op een avond — en dat moest van avond wezen — 
komt kleine Emily van haar werk, en hij met haar mee ! Daar steekt zoo- 
zooveel niet in, zult ge wel zeggen. Neen, omdat hij na den donker, en 
Dok voor den donker, altijd als een broeder op haar past. Maar die pik- 
broek heeft haar nu bij de hand en roept mij vroolijk toe: iZie eens hier! 
Dit zal mijn vrouwtje zijn!" En zij zegt,half stout en half bedeesd, en 
half lachend en half schreiend : »Ja, oom ! Als gij het wilt." (» Als ik het 
wilde !" riep baas Peggotty uit, zijn hoofd been en weder zwaaiende om 
aan te duiden hoe comisch hij dien inval vond. i Alsof ik ooit iets anders 
Eou willenl") »Ik ben nu bedaarder," zeide zij, i en heb er beter over 
gedacht, en ik zal zulk een goed vrouwtje voor hem zijn als ik maar kan. 
Want hij is een lieve goede jongen !" En toen begint juffrouw Gummidge 



k 



STEERFORTH DO£T HEX WOORD. I5 

in hare handen te klappen als in de komedie, en toen komt gij binnen. 
Daar ! Nu is de moord er uit," zeide baas Peggotty. i Gij komt binnen. 
Dat is hier zoo even voorgevallen, en daar staat de man, die haar zal 
tronwen, zoodra haar leertijd maar om is." 

Ham wankelde, gelijk hij wel doen mocht, van den stomp, dien baas 
Peggotty hem, in zijne onbegrensde blijdschap, als een bHjk van ver- 
trouwen en vriendschap toedeelde ; maar daar hij zich geroepen achtte 
om ook iets tot ons te zeggen, bracht hij met veel moeite haperend uit : 

Zij was niet grooter dan gij zelf, jonge heer David — toen gij pas hier 
kwaamt — toen ik al dacht wat zij wezen zou als zij groot was. Ik heb 
hair zien opgroeien — heeren — als eene bloem. Ik zou mijn leven voor 
haar laten — jonge heer David. — O, gewillig en met blijdschap ! Zij is 
mccr voor mij — mijne heeren — dan — zij is alles voor mij wat ik ooit 
venschen kan, en meer dan ik ooit — dan ik ooit kon zeggen. Ik — ik 
heb haar trouw en hartelijk lief. Er is geen edelman in het geheele land — 
en ook niet met een schip op zee — die zijne dame liever kan hebben dan 
ik haar heb^ al is er menig gemeen man — die beter zou kunnen zeg- 
gen — wat hij meende." 

Ik vond het roerend zulk een forsche kerel als Ham nu was, te zien 
beven door de kracht van datgene wat hij voor het bevallige schepseltje, 
dat zijn hart gewonnen had, gevoelde. Ik vond het eenvoudige vertrou- 
wen, dat baas Peggotty en hij ons bewezen, op zich zelfietsroerends. 
Het geheele gevalroerde mij. In hoeverre mijne aandoeningen ook aan 
de herinneringen mijner kindsheid waren toe te schrijven, weet ik niet. 
Of ik daar gekomen was met zekere verbeelding, datikkl^ine Emily nog 
zou moeten liefhebben, weet ik niet. Ik weet, dat dit alles mij met blijd- 
schap vervulde ; maar in het eerst met eene onbeschrijfelijk weemoedige 
blijdschap, die door eene kleinigheid in smart zou zijn overgegaan. 

Indien het dus mijne taak was geweest de snaar, die thansbij hen alien 
triide, met bekwaamheid in dezelfde stemming te houden, zou mij dit 
zeer zeer slecht gelukt zijn. Maar deze taak kwam aan Steeribrth, en hij 
deed dit met zooveel behendigheid, dat wij in weinige minuten alien zoo 
nistig en vroolijk waren als maar mogelijk was. 

• Mijnheer Peggotty," zeide hij, igij zijt een door en door goed man, 
en gij Terdient altijd zoo vergenoegd te zijn als ge van avond zijt. Mijne 
band daarop ! Ham, ik wensch u geluk, jongen. Ook mijne hand daarop ! 
Groen^, stook het vuur wat aan, en laat het helder vlammen ! En mijn- 
heer Peggotty, als gij uw lief nichtje niet bewegen kunt om terug te ko- 
men, terwijl ik deze plaats in den hoek voor haar ledig laat — zalik 
Heengaan. Ik zou voor al de schatten van I n d i € op zulk een avond 
g^tae ledige plaats in den kring om uw haard willen veroorzaken — 
vooral zulk eene ledige plaats niet." 

Zoo ging dus baas Pegggotty naar mijn gewezen kamertje om kleine 
Emily te halea. In het eerst wilde Emily niet komen, en toen ging Ham. 
Weldra brachten zij haar mede naar den haard, zeer verlegen en schuw. 
Maar spoedig werd zij geruster, toen zij bevond hoe vriendelijk en be- 
beieefii SteeHforth haar toesprak; hoe behendig hij alles vermeed wat 



1 6 DAVID COPPERFIELD. 



hare verlegenheid kon vergrooten; hoe hij met baas Peggotty over 
booten, schepen, de zee en het visschen praatte; hoe hij mij herinnerde 
aan den tijd toen hij baas Peggotty od Salem House had gezien ; hoe hij 
met de schuit en alles wat daartoe benoorde was ingenomen ; hoe los eo 
gemakkelijk hij zoo voortging, tot hij ons langzamerhand in een toover- 
kring had gebracht en wij alien zonder eenige achterhoudendheid zaten 
te praten. 

Emily sprak dien geheelen avond wel weinig, maar zij keek toe en 
luisterde, en haar gezich^ werd levendig, en zij was bekoorlijk. Steer- 
forth vertelde eene gescluedenis van eene akelige schipbreuk (waartoe 
zijn gesprek met baas Peggotty aanleiding gaf) alsof hij alles zoo voor 
zich zag — en kleine £mily*s oogen bleven aldien tijdophemgevestigd, 
alsof zij het ook zag. Tot afwisseling vertelde hij ons een comisch avon- 
tuur van hem zelven, op zulk een vroolijken toon alsof de zaak voor hem 
even nieuw was als voor ons — en kleine Emily lachte^ tot de boot van 
hare welluidende stem weergalmde, en wij alien lachten (Stecrforth 
insgelijks)^ onweerstaanbaar medesleept door een geluid, dat zoo stree- 
lend was en zulk eene gelukkige luchthartigheid aanduidde. Hij haalde 
baas Peggotty over om zijn lijfstukje te zingen, of liever te brullen: en hij 
zelf zong een matrozenliedje zoo schoon en aandoenlijk^ dat ik mij bijna 
verbeeldde^ dat de wind^ die zacht klagend om hethuis zweefde^zich op* 
zettelijk stilhield om te luisteren. 

Wat juffrouw Gummidge betrof^ hij maakte dat slachtoffer van zwaar- 
moedigheid zoo levendig als sedert het overlijden van haar ouden (zoo 
zeide baas Peggotty mij ten minste) niemand nog had kunnen doen. Hij 
liet haar zoo weinig tijd omhare ellende te gevoelen^ dat hij des anderen 
daags zeide te meenen, dat zij betooverd moest zijn geweest 

Hij maakte echter geen monopolie van de algemeene aandacht of het 
gesprek. Toen kleine Emily meer moed kreeg en, hoewel nog bedeesd) 
voorbij den haard met mij over onze oude wandelingen lanss het strand, 
toen wij schelpen en keitjes opraapten, begon te praten, en ik haar vroef 
of zij nog wel wist hoe verliefd ik op haar placht te zijn, en toen wij bei- 
den lachten en rood werden, bij het herdenken aan die dagen, die ons 
DU als een droom voorkwamen, was hij stil en oplettend, en sloeg ons 
peinzend gade. Zij zat toen, en den geheelen avond, op het oude bankje, 
m haar vroeger hoekje, bij het vuur — Ham naast haar, waar ik pladit 
te zitten. Ik kon mij niet overuigen of het door hare vroegere zucht tot 
plagen was, of uit maagdelijke schaamte voor ons, dat zij dicht bij den 
muur bleef, zoo ver mogelijk van hem af ; maar ik lette er toch op, dat zij 
dit den geheelen avond deed. 

Gelijk ik mij wel herinner, was het bijna middemacht toen wij afecheid 
namen. Tot avondmaal hadden wij beschuit en gedroogde visch gehad, 
en Steerforth had eene voile flesch met HoUandsche jenever uit zijn zak 
gehaald,die wij mannen (ik mag nu zonder blozen »wij mannen" zeggen) 
hadden geledigd. Wij scheidden in voile vroolijkheid ; en toen zij alien op 
elkaar gedrongen bij de deur stonden, om ons zoo ver zij konden op 
onzen weg te Uchten, zag ik de zachte blauwe oogen van kleine Emily^ 







HOB WU DEM IVD TE YARUOUTH DOORBRENGEN. I7 

dk flchter Ham stood, ons Dakijken, en hoorde ik hare lievc stem oas 
narocpen om voorzichtig te uJD waar wij gingen. 

»Een allerlicfet mooi ineisje I" zeide Steerforth, mij bij den arm ne- 
mende. >Nu. Het is een aarcUg huisje, en eeo aardig gezelschap, en het 
geeft ecn gehecl nieuw gevoel onder zulke menschen te komen." — »En 
hoe gelukkig ook," antwoordde ik, >dat wij juist gekomen zijn om hiume 
blijdschap over dat aaostaande huwehjk te zien. Ik heb nog nooit men- 
scben zoo vergenocgd gczieo. Hoe vcmikkelijk om zoo iets bij te wo- 
ncn, en tot deelgenooten van hunne onschutdige blijdschap gemaakt te 
worden, zooals wij geweest zijn," — iMaarhet is tocheen tamelijkbotte 
joDgen voor dat meisje, niet waar f " leide Steerforth. f**h-H 

Hij was zoo harteUjk met hem en met hen alien geweest, dat ik bij dit 
koude, geheel onverwachte antwoord een schok g^evoelde. Maar toen 
ik mij naar hem omkecrde en iets lachends in zijne oogen zag, ant- 
woordde ik : 

>0 Steerforth! Gij moogt vrij met zulke arme lieden den gek stcken, 
Gij moogt vrij met jufirouw Dartle schermutselen, of uw gevoel voor mij 
willen vfrbergen, maar ik weet wei beter. Als ik zic hoe volkomen gij 
hec verstaat, hoe hartelijk gij in ecn geluk gelijk dat van dien eenvoudi- 
gen visscher kunt declnemcn, en hoe inschikkelijk gij voor eene tiefde 
als die van miineoudeoppasaterkiintzijn,danwectikwel,datde vreugde 
en de smart van zulke menschen, dat alles wat hun aandoet, u niet oo- 
verschillig kan zijn. En daarom bewondcr ik U nog twintigmaal meer, en 
houd ik nog twintigmstal mcer van u." 

Hijbleefstaan, zagmij strakaan en zeide:>Groentje, ikgeloofdatgij 
bet erastig meent, en goed zijt. Ik wenschte, dat wij dat allemaal waren !" 
Een oogenblik later zong hij vrooUjk het liedje van baas Feggotty, terwijl 
wij met snelle schreden naar Y a r m u t h stapten. 



OUDI TOOHEKLSH tS NIBUWE |hKNSCHEH. 

Steerforth en ik bleven langer dan vecrtien dagen daar vertoeven. Wij 
waren vecl bij elkander, dit behoef ik niet te zeggen ; maar somtijds wa- 
ren we toch eenige nren achtereen van elkander ai. Hij was gaame o^ zee, 
en ik niet ; en als hij met baas Peggotty uitvoer, hetgeen een zijner he&te 
vermaken was, bleef ik doorgaans aan land. Dat ik in PeggotQ''s logeer- 
kamertje stiep, legde mij onder een bedwang, waarvan hij vrij wasj want 
daar ik wist hoe druk ztj het den geheelen ds^ had met Barkis op te passen, 
irilde ik des avonds met gaame laat uitblijven ; terwijl Steerforth, die in 
de herberg logeerde, niets anders beboefde te raadplegen dan zijn eigen 
t>elieven. Zoo kwam het dat ik er alleen van hoorde, hoe hij in het 
Gewillige Hart, de herberg die baas P^gotty gewoonlijk bezocht, de 
Tisscbeis, als ik reeds in bed was, trakteerde, en in visscherskleeren ge- 
wikkeld, bij maneschijn geheele nachten op zee bkefendesmorgens 
DAvm coPFxaniLD. — n. % 



iS DAVID COPPERFIELD. 

met den vloed terugkwann. Thans echter wist ik reeds, datzijoenuU- 
looze mborst en woelige geest zich even gaame door mwen arbeid cd in 
guur weder lucht matncten, als door andereinspanningen, dienogieu 
nieuws en vrecmds voor iiem hadden, en dus vcrwondcrde ik mij del 
langer over lets dat hij deed, 

£ene andere oorzaak , die ons somtijds van elkander verwijderde, 
was, dat ik er natuurlijk belang iasteldeom naarBIunderstonetc 
gaan en al de gemeenzame tooneelen mijner kindsheid te bezoeken; ter- 
wij) Steerforth, nadat hij eens daar geweest was, even natuurl^k niet v«\ 
lust had om er weder tekomen. Vandaardatwij op drie of vier dagen, 
die ik niij nog herinner, na vroeg ontbeten tc hebben, ieder onzes w«gs 
gingen, en elkaoder eerst laat, bij den maaltijd, wederzagen. Ik kon vol- 
strekt niet gissen hoe hij dien tusschentijd besteedde, behalve datikin 
het algemeen wist, dat hij in de stad zeer bemind was, en twmtig midd^ 
len had om zich te vermaken, waar een andcr er misschien niet «n ion 
ge von den hebben. 

Wat mij betreft, mijne bezigheid op mijne eenzame pelgrimstochteo 
bestond daarin, dat iit mij onder he* voortgaan elken voetstap van den 
ouden weg herinnerde, en alle oude plekjes wederom bezocht, hetgeen 
ik nooit moede werd. Ik zocht ze alle weder op, gelijk mijn geheugen 
dikwijls had gedaan, cd bleef er lang bij toeven, gelijk, toen ik nog jon- 
ger en ver weg was, mijne gedachten er zoo dikwijls bij hadden vcrtoefd. 
Het grafheuveltje onder den boom, waar mijne beide ouders lagen — 
waarheen ik, toen het nog maar alleen het graf van mijn vader was, loo 
dikwijls met eene zonderlinge aandoening van medelijden haduitgeziea, 
en waarbij ik zoo droevig had gestaan, toen het geopend werd om mijne 
lieve moeder en haar wichtje te ontvangen — bij dat grafheuvelq'e, dat 
Peggotty's trouwe zorg sedert zoo zorgvuldig schoon gehoudenen tot 
een tuintje gemaakt had, bleef ik uren lang rondwandelen. Het lag een 
weinig van het pad door het kerkhof af, in een stil hoekje, niet lOO ver 
evenwel, of ik kon de namen op den steen lezen, terwijl ik been en weder 
wandelde, lelkens schrikkende als de kerkklok de uren sloeg, want zij 
klonk mij als eene geestenstem in de ooren. Mijne overdenkingen liepen 
in zulke uren altijd de rol door, die ik in de wereld zou spelen, en wat ik 
doen zou om mij te onderscheiden. Mijne weergalmende voetstappen 
paarden zich nooit aan een anderen loop van gedachten, maar hidden 
deze trouw bij, alsof ik naar huis was gekomen om aan de zijd* eener 
levende moeder mijne luchtkasteelen te bouwen. 

In en om mijn ouderlijk huis merkte ik groote veTanderingen op. Dc 
verplukte kraaiennesten, zoo lang door de kraaien verlaton, waren ver- 
dwenen, en deboomen waren zoodaniggesnoeidengcknot, dat zij hunnc 
vormen, die ik mij nog zoo wel herinnerde, geheel hadden verloren. De 
tuin was verwilderd, en de vensters van het huis waren voor de helft ge- 
sloien. Het werd nu slechts door een ongeiukkig krankzinnig heer en de 
menschen, die hem moesten oppassen, bewoond. Hij zat altijd voor mijn 
venstertje naar het kerkhof nit te kijken ; en ik verwonderde mij ol zijne 
zwervende gedachten ooit met dezelfde beelden speelden, die de mi^e 



k 



IK BEZOEK MIJNE GBBOORTEPLAATS. 1 9 

plachten tc vervuUen, als ik op een blozenden ochtendstond, in mijn 
liachtgoed, uit dat zelfde venstertje keek, en de schapen in het licht der 
opgaande zon gerust zag grazen. 

Onze oude buren, mijnheer en mevrouw Grayper, waren naar Z u i d- 
Amerika vertrokkeo, en de regen had een weg door het dak van hun 
ledig hais gevonden en de buitenmuren met vlekken doen uitslaan. Mijn- 
heer Chiliip was weder getrouwd , met eene lange, grof gebeende en 
scherp geneusde vrouw, en zij hadden een nietig kindje, met een zwaar 
hoofdje, dat het niet kon ophouden, en twee flauw starende oogjes, waar- 
mcde het altijd verwonderd scheen te vragen waarom het toch geboren 
was. 

Het was met eene zonderlinge mengeling van smart en genot, dat ik 
zoo cm mijne geboorteplaats omdwaalde, tot de roode winterzon mij 
berinnerde, dat het tijd was om den tenigtocht aan te nemen. Maar als 
ik die plaats achter mij had, en vooral als ik metSteerforthbijeen helder 
vlammend vuur genoeglijk aan tafel zat, was het eene streelende gedachte, 
dat ik daar geweest was. Dit was het ook, schoon weemoediger, als ik des 
avonds naar mijn zindelijk kamertje ging, en terwijl ik de biaden van het 
krokodillen-boek omsloeg (dat daar altijd op een tafeltje lag) mij met 
een dankbaar hart herinnerde hoe gelukkig ik toch was, dat ik zulk een 
vriend had als Steerforth; en zulk eene vriendin als Peggotty,en zulk eene 
plaats vervangster voor al wat ik verloren had als mijne brave^ edelden- 
kendetante. 

Mijn naaste weg naar Yarmo uth, als ik van deze lange wandelingen 
tenigkwam, liep zoodanig, dat ik mij een eind moest laten overvaren. Ik 
liet mij dan op de vlakte tusschen de stad en de zee aan land zetten, die 
ik recht kon overgaan en daardoor een grooten omweg langs den rijweg 
oitwinnen. Daar baas Peggotty's huis op die woeste vlakte stond, en geene 
honderd schreden van mijn weg af lag, ging ik, als ik voorbijkwam, daar 
altijd eens aan. Bijna altijd vond ik Steerforth daar op mij wachten, en 
stapten wij te zamen door de scherpe lucht en den opkomenden avond- 
nevel op de fiikkerende lichten der stad aan. 

Op een donkeren avond, toen ik later kwam dan gewoonlijk — want 
ik had^ daar wij mi spoedig louden vertrekken. Blunder stone dien 
dag mijn afscheidsbezoek gebracht — vond ik hem bij baas Peggotty 
aan huis alleen en peinzend bij het vuur zitten. Hij was zoodanig in zijne 
overdenkingen verdiept, dat hij mijne nadering volstrekt niet opmerkte 
IXt had ook gemakkelijk het geval kunnen zijn, al was hij minder afge- 
trokken geweest, want buiten op het zand maakten mijne voetstappen 
geen gerucht j maar zelfe mijn binnenkomen was niet vermogend om hem 
uit zijn gemijmer te wekken. Ik stond vlak bij hem en zag hem aan: en 
nog bled* hij daar met een betrokken gezicht en in zijn gepeins verdiept 
titten, 

Toen ik mijne band op zijn schouder legde, schrikte hij zoodanig, dat 
hij mij ook deed schrikken. 

iGij komt noij voor de oogen," zeide hij, bijna gramstorig, lalsof gij 
-een dreigend spook waart.'' — »Ik moest mij wel op eeneofand^e 



nianier te kenncD geven/' antwoordde ik. > Heb ik u nit de sterren nair I 
omlaag geroepen?" — iNecn," antwoordde hij, ineen." — >0f daa ff 
ergens vandaa.n omhoog?" zeide ik, mij naast hem zettende. — ilkkeek I 
naar de schilderijcn in het vuur," antwoordde hij. — iMaar dan bedcrft f 
gij ze voor mij," zeide ik, daar hij het vuur snel met een brandcnd eiod ; 
hout orowoelde, en er een zwerm van roode vonken uit deed opgasi, 
die bulderend en dwarrelend den schoorsteen op- en de lucht invlo- 
gen. — tGijzoudt ze tochniet gezien hebben," antwoordde hij. »Ikhet> ' 
een hekel aan dien vervelenden tijd, tusscheo licht en donker. Wfttkooit 
ge laat! Waar zijt ge toch geweestf" — ilk heb voor delaatstemul 
mijne gewone wandeling gedaan," zeide ik, len er afscheid van geno- ' 
men." — I En ik heb," hervatte Steerforth, in de kamer rondkijkendt, I 
>hier zitten denken, dat al de menschen, die wij op den avondtoenvi) 
kwamen zoo vergenoegd hebben gevonden, nu — zoo verlaten als dttt 
wooing eruitziet — weloveralverstrooid, ofdoodkondcnzijn, of toll 
weet niet wat voor ongeluk gekomen. O David, gave God, dat ik in die 
twintig jaren van mijn leven een verstandig vader gehad had I" — rMip 
beste Steerforth, wat scheelt u?" — » Ik wensch metal mijn hart, dat* 
eenebetereleiding had gehad !"riep hij uit ilk wensch metal mijnhaitr 
dat ik mij zelven beter kon leiden !" 

Zijn toon was zoo hartstochtelijk en zwaarmoedig te gelijk, dat ik vef 
baasd stond. Ik had het niet mogelijk geacht, dat hij in zulk eene stem' 
ming kon geraken ; ik herkende hem gehee) niet meer. 

»Het zou beler wezen iemand te zijn als die anne Peggotty, of zijn 
lummel van een neef," zeide hij, tcrwijl hij opstond, en in eene nceralach- 
tige bonding tegen den schoorsteen mantel bleef staan leiinen, met zijn 
gezicht naar het vuur, > dan te zijn wat ik ben, nog twintigmaal rijker en 
nog twintigmaal verstandiger, en zulk eene kwelling voor mij zelven te 
'wezen, als ik het laatste half uur in deze duivelsche schuit gewecst ben." 

Ik was zoodanig verbaasd over deze verandcring in hem, dat ik in het 
terst niets anders kon doen dan hem slechts stilzwijgend aanzien, terwijl 
hij met het hoofd op de hand leunde en somber in het vuur stond te sta- 
ren. Eindelijkbadikbem, volemstengevoel, ommijtochtezeggenwat 
er gebeurd was om hem in zulk eene ongewone stemming te brengen, 
en mij ten minste in zijne bezwaren te laten deelen, zoo ik al niet hopen 
kon hem raad te geven . Eer ik nog had uitgesproken begon hij te lachen — 
eerst gemelijk, maar weldra vroolijker. 

>Och, het is niets, Groentje 1 Niemendal !" antwoordde hij. >Ik heb u 
indeherberg tel.onden al gezegd, daliksomtijdseenlasdggezelscbap- 
voor mij zelven ben. Ik ben nu zoo even eene nacbtmenie voor mij zel- 
ven geweest — moet er eene gehad hebben, denk ik. Als ik somtijds loo 
dof ben, komen mij bakersprookjes in het geheugen, zonder dat ik le 
herken voor wat zij zijn. Jk geloof, dat ik mij zelven voor den ondeugen- 
den jongen heb gehouden »die niets ontzag" en eindelijk door de leeu- 
wen werd opgegeten — dat roaar eene verhevene uitdnikking is om te 
zeggen, dat hij voor de haaien raakte. Ik heb, zooalsoudewijven zeggen, 
eene gril over het geheele lijf gekregcn. Ik ben bang voor mij zelven ge- 



^ 



IK VIND STEERFORTH ONBEGRUPELIJK. 21 



wden." — I Anders zijt ge voor niets bang, denk ik,"zeide ik daarop, — 
Misschien niet ; en toch kan er nog wel genoeg wezen, waarvoor ik bang 
JOM moeten zijn/' antwoordde hij. tMaar het is nu voorbij ; en het zal 
nij niet spoedig weder overkomen, David ; maar ik zeg u nog eena, mijn 
goede jongen, dat het gelukkig voor mij, en voor nog meer dan mij, zou 
njn geweest, als ik een verstandig en standvastig vader had gehad." 

Zijn gezicht had altijd veel uitdrukking, maar nooit zag ik het zoo vol 
somberen emst, als toen hij dit, nog altijd in het vuur starende, zeide. 

tWeg daarmee!" zeide hij, eene beweging met zijne hand makende 
4dsof hij iets lichts in de lucht opgooide. 1 1 Nu dat voorbij is, ben ik weer 
«en man,'' gelijk Macbeth zegt. En nu gaan wij eten I Als ik niet (ook al 
gelijk Macbeth) het feest bewonderenswaardig in de war gebracht heb, 
Crocntje." — >Maar waar zijn zij allemaal? Dat benieuwt mij toch," 
icide ik. — iDe hemel mag het weten," antwoordde hij. iToen ik eene 
poos op het strand naar u had staan wachten, kuierde ik hierheen en vopd 
jlles ledig. Dat bracht mij aan het denken, en zoo zat ik nog te denken 
toeagemij vondt" 

De komst van juffrouw Gummidge met eene mand verschafte ons op- 
faeldering hoe het kwam, dat het huis ledig was geweest Zij was uitgegaan 
om iets, dat nog noodig was, te halen, tegen dat baas Peggotty met den 
vbed terugkwam, en had ondertusschen de deur opengelaten, daar Ham 
en kleine Emily, die een vroegen avond had, misschien terwijl zij uit was 
tfauis zouden komen. Nadat Steerforth juffrouw Gummidge door een 
bchtigen groet en eene schertsende omhelzing bijzonder had opgevroo- 
lijkt, nam hij mij bij den arm en trok mij haastig mede. 

Hij was zelf niet minder opgevrooUjkt dan juffrouw Gummidge, en 
bleef onderweg levendig aan het praten. 

t£n zoo," zeide hij schertsend, izeggen wij morgen dit boekaniers- 
Icven vaarwel, niet waar ?" — » Zoo hebben wij afgesproken," antwoordde 
ik; >en wij hebben ook al plaatsen op de diligence genomen, zooals ge 
wcet." — >Ja, er is nu niet meer aan te doen, zou ik denken," hervatte 
Steerforth. ilk had haast vergeten, dat er nog iets anders in de wereld te 
doen is dan hier op zee te dobberen. Ik wenschte wel, dat er niets anders 
iras." — » Zoolang het nieuwtje er van duurde," zeide ik lachende. — 
•Waarschijnlijk genoeg," antwoordde hij, i hoewel die aanmerking, voor 
mik een beminnelijk onnoozel wezen als mijn jonge vriend, tamelijk 
tarcastisch klinkt. Nu, ik wii bekennen, dat ik wispelturig ben, David. 
Dat weet ik wel, maar zoolang het ijzer heet is, kan ik het toch krachtig 
tmeden. Ik zou al tamelijk wel een examen als loods in deze wateren 
cunnen afleggen, denk ik." — » Baas Peggotty zegt, dat gij een mirakel zijt," 
intwoordde ik. — »Een zeemirakel, he ?" zeide Steerforth lachende. — 
Waarlijk, dat doet hij, en gij weet zelf wel, dat hij de waarheid spreekt; 
rant gij weet ook zelf wel hoe vurig gij zijt in alles wat gij begint, en hoe 
;emakkelijk gij u iets eigen maakt. En daarom verwondert het mij te 
Qeer van u, Steerforth, dat gij er tevreden mee zijt om uwe buitengewone 
ermogens op zulk eene ongeregelde manier te gebruiken." — iTevre- 
len ?" antwoordde hij vroolijk. ilk ben nooit met iets tevreden, behalve 



i 



2 2 DAVID COPPERFIELD. 



met nwe onnoozelheid, mijn welmeenend Groentje. Wat on^eregeldbdd 
betreft, ik heb nooit de kiinst gdeerd om mij op een van die raderen te 
binden^ waarop de Ixion's van dezen tijd om en om draaien. Om datte 
leeret ben ik op geene gocde school geweest, ennu kan het mij nietmecr 
schelen. — Gij weet wel, dat ik hier een schcepje hebgekocht ?" — » Wclk 
een zonderling wezen zijt ge toch, Steerforth !" riep ik uit en bleef stil- 
staan — want dit was de eerste maal, dat ik er vanhoorde. »GezuIt 
immers misschien nooit weder lust hebben om hier terug te komen!''-' 
>Dat weet ik nog niet," antwoordde hij. »Ik heb zin in het plaatsjege- 
kregen. In alien gevalle," mij snel voorttrekkende, lik heb een schcepje 
gekocht dat te koop was — een klipper zegt baas Peggotty, en dat is het 
ook — en baas Peggotty zal het bevaren als ik niet hier ben." — >Na 
begrijp ik u, Steerforth!*' zeide ik, opgetogen. iGij houdt u alsofgijbet 
voor u zelven hadt gekocht, maar gij hebt het werkelijk gedaan omhcm 
eene weldaad te bewijzen. Ik had dit wel terstond kunnen denken, daar 
ik u zoo goed ken. Mijn goede, beste Steerforth, hoe kan ik u zeggenwat 
ik van uwe edelmoedigheid denk?" — iKom, kom!" zeide hij,roo^ 
wordende. Hoe minder gij zegt, des te beter." — i Wist ik het niet ^ 
riep ik uit. iHeb ik het niet gezegd, dat geene vreugde of smart, gectJ^ 
aandoening hoegenaamd van zulke eenvoudige harten u onverschilli^ 
kon zijn ?" — i Wel ja," antwoordde hij, idat alles hebt ge mijalgezcgi^' 
Laat het daarbij maar blijven. Wij hebben genoeg gezegd." 

Bevreesd om hem te zullen verstoren als ik nog langer bij dit onder^ 
werp bleef, terwijl hij er zich zoo luchtig van afmaakte, vervolgde ik her 
slechts in mijne gedachten, terwijl wij nog harder dan te voren door- 
stapten. 

»Het moet nieuw opgetuigd worden," zeide Steerforth, i en ik zal Lit- 
timer hier laten om daarvoor te zorgen, en het mij te laten weten als het 
geheel klaar is. Heb ik u al gezegd, dat Littimer hier gekomen is ?'* — 
» Neen." — > O ja, hij is van morgen hier gekomen met een brief van mijne 
moeder." 

Toen onze blikken elkander ontmoetten, merkte ik op, dat hij bleek 
was, tot zijne lippen toe, hoewel hij mij zeer strak aanzag. Ik vreesde, dat 
een geschil tusschen hem en zijne moeder aanleiding had gegeven tot de 
gemoedsstemming, waarin ik hem bij den eenzamen haard had geTon- 
den, en gaf hem dit bewimpeld te kennen. 

t O neen," zeide hij, zijn hoofd schuddende en met een korten lach. 
»Niets van dien aard! Ja. Hij is hier gekomen, die knecht van mij.** — 
»Nog altijd dezelfde?" zeide ik. — i Nog altijddezelfde," antwoordde 
Steerforth. >Zoo koud en stil als de Noordpool. Hij zal er voor zorgen, 
dat het scheepje een nieuwen naam krijgt. Het heet nu de Stormzwaluw. 
Wat kan baas Peggotty eene stormzwaluw schelen! Ik zal het laten her* 
doopen." — iWelken naam krijgt het dan?" vroegik. — iDeKleine 
Emily." 

Daar hij mij strak bleef aankijken, vatte ik dit op als eene herinnering^ 
dat hij niet voor zijne goedhartigheid geprezen wilde worden. Ik koa 
niet nalaten op mijn gezicht te laten zien hoe ik daarmede inge'^onic'^ 



EMILY WORDT DOOR EENE SCHADUW GEVOLGD. 23 

"was, maar ik zeide weinig, en hij nam zijn gewonen glimlach weder aan, 
en het scheen eene geruslstelling voor hem te wezen, dat ik niet verder 
sprak. 

»Maar zie !" zeide hij in de verte turende, >daar komt de echte kleine 
Emily aan ! En die jongen bij haar ! Bij mijne ziel, hij is een trouw ridder. 
Hij verlaat haar nooit.** 

Ham was toen een scheepstimmerman, daar zijn natuuurlijke aanleg 
voor dat beroep zich zoover ontwikkeld had, dat hij een bekwaam werk- 
man was geworden. Hij was in zijn werkpak, en zag er grof genoeg uit, 
maar toch ook manhaftig ; wel geschikt cm het teedere meisje dat naast 
hem ging^ tot bescKerming te strekken. Hij had zells in zijn gezicht eene 
rondborstigheid, eene eerlijkheid, iets waarmede hij duidelijk liet blijken 
hoc trotsch hij op haar was en hoe lief hij haar had, dat voor mij zoo goed 
als de edelste schoonheid was. Ik dacht, terwijl zij naar ons toe kwamen, 
dat zij zelfs in dit opzicht wel gepaard waren. 

Zij trok hare hand schroomvallig uit zijn arm, toen wij bleven stilstaan 
om hen aan te spreken, en bloosde toen zij die aan Steerforth en mij gaf, 
Toen zij, nadat wij eenige woorden gewisseld hadden, voortgingen, 
legde zij hare band niet weder op zijn arm maar bleef nog beschroomd 
en gedwongen naar het scheen, alleen naast hem gaan. Ik vond dat alles 
zcer lief en aardig, en Steerforlh scheen het eveneens te vinden, terwijl 
wij hen nakeken en zij in het licht der nog jonge maan verdwencn. 

Eensklaps kwam ons — deze twee blijkbaar volgende — eene jonge 

vrouw voorbij, welker nadering wij niet hadden opgemerkt, maar wier 

gezicht, waarvan ik eene flauwe herinnering meende te hebben, ik in het 

voorbijgaan zag. Zij was licht gekleed en haar voorkomen duidde onbe- 

schaamdheid, ongezondheid, zucht tot zwierigen opschik en armoede 

aan; maar dat alles scheen zij voor het oogenblik aan den wind, die er 

wbei, over te laten en aan-niets te denken dan om hen na te gaan. Even- 

als de donkere vlakte hunne gedaante in zich had verzwolgen, zoodat 

er tusschen ons en de zee en de wolken niets meer overbleef dan die 

vlakte zelve, zoo verdween ook hare gedaante, nog niet nader bij hen 

dan te voren. 

9 Dat is eene zwarte schaduw om dat meisje te volgen," zeide Steer- 
forth, terwijl hij bleef staan. iWat moet dat beteekenen ?" 

Hij sprak met eene zachte stem, die mij bijna vreemd in de ooren klonk. 
tZij zal van hen willen bedelen denk ik," antwoordde ik. — >Eene 
bedelaarster zou niets vreemds wezen," hervatte Steerfort, > maar vreemd 
is het, dat die bedelaarster juist van avond deze gedaante aanneemt." — 
> Waarom ?" vroeg ik. — i Ik weet waarlijk geene betere reden," ant- 
woordde hij, na eene poos van stilzwijgen, >dan dat ik toen zij voorbij- 
kwam juist aan iets dergelijks dacht. Waar duivel zou zij vandaan zijn 
gekomen?" — lUit de schaduw van dezen muur, denk ik," zeide ik]toen 
wij aan den weg kwamen, die aan den eenen kant een muur had. — » Zij 
is weg!" antwoordde hij over zijn schouder heenkijkende, »en alle 
kwaad mag met haar medegaan. Laten wij nu maken, dat wij aan het 
cten komen." 



24 DAVID COPPERFIELD. 



Maar hij keek toch nogmaals en nogmaals om naar de glinsterende 
streep der zee in de verte, en sprak, zoolang onze korte wandeling nog 
duurde, nog verscheidene malen met afgebrokene uitdrukingen over 
dit voorval, en scheen het eerst te vergeten toen wij, in het schijnsel van 
vuur en kaarslicht, warm en vroolijk aan tafel zaten. 

Litdmer was daar en maakte zijn gewonen indnik op mij. Toen ik 
hem zeide, te hopen dat mevrouw Steerforth en juflfrouw Dartle nog w6l 
voeren, antwoordde hij op een eerbiedigen (en natuurlijk zeer fisitsoen- 
lijken) toon, dat zij tamelijk wel waren, dat hij bedankte, en dat zij haar 
compliment lieten doen. Dit was alles, en toch scheen hij, zoo duidelijk als 
iemand dit doen kon, tegen mij te zeggen: iGij zijt nog heel jong, mijn* 
heer; buitengemeen jong." 

Wij hadden bijna gedaan met eten, toen hij uit een hoek, waar hij ons, 
of liever mij, gelijk ik wel gevoelde, had staan te bewaken, een paar 
stappen naar de tafel deed en tot zijn meester zeide: 

»Neem mij niet kwalijk, mijnheer. Juflfrouw Mowcher is hier." — 
• Wie?" riep Steerforth zeer verwonderd uit. — > Juflfrouw Mowcher, 
mijnheer." — iMaar wat in de wereld doet zij hier ?" zeide Steerforth. — 
»Het schijnt, dat zij hier vandaan afkomstig is, mijnheer, dat zij alle 
jaren eens voor hare zaken hier komt. Ik ben haar van middag op straat 
tegengekomen, mijnheer, en zij wenschte te weten of zij de eer mocht 
hebben om u na het diner op te wachten, mijnheer." — iKent gij de 
Reuzin, van welke gesproken wordt Groentje ?" vroeg Steerforth. 

Ik was genoodzaakt te bekennen — ik schaamde mij zeer, mij zel^ in 
dit opzicht voor Littimer bloot te geven — dat juflfrouw Mowcher en ik 
geheel onbekend waren. 

» Uan moet gij haar leeren kennen," zeide Steerforth, » want zij is een 
van de zeven wonderen der wereld. Als juflfrouw Mowcher komt, laat 
haar dan maar binnen." 

Ik werd eenigszins nieuwsgierig naar die dame, vooral daar Steerforth 
als ik van haar sprak telkens in lachen uitbarste, en stellig weigerde 
eenige vraag, waarvan zij het onderwerp was, te beantwoorden. Ik bleef 
derhalve in een staat van tamelijk ongeduldige verwachting zitten, tot 
de tafel omtrent een half uur was afgenomen en wij met otis glas wijn bij 
het vuur zaten, als wanneer de deur geopend werd, en Littimer, wiens 
gewone kalmte in het minst niet verstoord was, zeide : 

^ Juflfrouw Mowcher." 

Ik keek naar de opene deur en zag niets. Ik bleef naar de deur kijken, 
denkende, dat het vrij lang duurde eer juflfrouw Mowcher zichvertoonde; 
toen er, tot mijne onbeschrijfelijke verbazing, om de sofa, die tusschen 
mij, en de deur stond, een dik dwergje kwam aanwaggelen, van omtrent 
veertig of vijf en veertig jaren, met een groot hoofd, een breed gezicht, 
een paar schelmsche grauwe oogjes, en zulke korte armpjes, dat zij, om 
haar vinger schalkachtig tegen haar stompneus te kunnen leggen, toen 
zij Steerforth toelachte, genoodzaakt was om dien vinger halverwege te 
gemoet te komen, en haar neus daartegen aan te leggen. Hare kin, met 
eene zoogenaamde onderkin voorzien, was zoo vet, dat zij de linten van 



I 



Hljira KKNinSMAKIHG MET JUPPROUW HOWCHER. 25 

^Uarhoofd met strikken en al geheel verzwolg. Een hah had zq niet, een 
tniddel had zij niet, beenen had zij niet, ten minste niet die waardig 
yri *aren om er melding van te maken; want hoewel zij boven de plaats 
ia wiM haar middel had moeten lijn van meer dan gewone grootte was, 
en gelijk de menschen doorgaans doen, beneden in ecn paar vocten 
Wlliep, was zij zoo kort, dat zij bij een stoel van gewone grootte stond 
alsof het eene tafel was, en een zak die zij droeg, op de zilting liet msten. 
Deze dame, in een zcer lossen, gemakkelijken trant gekleed, bleef, nadat 
n; haar neus en voorvinger, gelijk ik zeide, met moeite tot elkander had 
gebracht, noodzakelijk met het hoofd eenigszins op zijde staan, kneep 
<en van hare scherpe oogjes dicht, waarbij zij een buitengemeen slim 
gf zicht zette, en nadat zij Stcerforth zoo eene poos had toegelonkt, barstte 
lij in een stroom van woorden uit. 

• Zoo, mijn bloempjcl" begon zij schertsende. en schudde daarbij 
*i»ar reusachtig hoofd. • Daar zijt ge dus , he f O gij ondeugen'de jongcn, 
gf moest u schamen; watdoet gezoo vervanhuisfGijhebtzeker wat 
kvaads in den zin, dat weet ik wel. Ja, ge zijt een lief kind, Steerforth, en 
ik 00k, niet waar t Ha, ha, ha ! Ge zoudt nu wel honderd pond tegen vijf 
g**ed hebben, dat ge mij hicr niet zien loudt, niet waar ? Och heere 
mijn tijd, ik ben overal. Ik ben hier en daar, en waar niet at tocct, even 
als de halve kroon, die een goochelaar in een daraes-zakdoek knoopt. 
Vjn lakdoeken gesproken — en van dames gesprokcn — welk een trooat 
'ijt gij toch, mijn brave jongcn, voor uwe goede moeder — over een 
van mijne schouders, meen ik, maar ik zeg niet over welken schouder ik 
meen." 

Op dit punt harer redevoering, strikte jufTrouw Mowchcr haar hoed 
los, wierp de linten naar achtcren, en zette zich hijgende op een voet- 
bankje voor het vuur — waarbij zij een soort van zomerhuisje maakte 
van de tafel, die zijn mahoriehouten dak boven haar hoofd uitspreidde, 
»0 mijne sterren en andere dingen!"vervo!gde zij, eene hand op ieder 
van hare knietjes zettende, en mij met een looienblikaanziende. >Ik 
word al te gezet, dat is maar niet anders, Steerforth. Als ik eene trap ben 
opgckomen, heb ik zooveel moeite om mijn adem te halen, alsof ik een 
emmcr water moest optrekken. Als ge mij uit een bovenvenster zaagt 
kijken, zoudt gedenken, dat ik eene knappevrouw was, zoudtge niet?" — 

• Dat zouikaltijddenken, waar iku 00k zag,''antwoordde Steerforth. — 

• Loop heen, gij ondeugd!" riep het dwergachtige schepseltje uit, en 
sloeg naar hem met den zakdoek, waarmede zij haar gezicht afveegde, 

• en wees maar zoo inpertinent niet! Maar ikgcefu mijn woord van eer, 
dat ikverleden week bij Lady Mithers ben geweest — dat iseene vrouw! 
"Wat draagt zij hare jaren goed! En Mithers zelf kwam in de kamer,waar 
ik op haar wachtte — dat is een man! Wat draagt hij zijne jaren goed! 
cn zijne pruik 00k, want die heeft hij al tien jaren lang gehad, en hij 
maakte zooveel complimenten, dat ik dacht dat ik aan de schel zou moe- 
ten trekken. Ha, ha, ha ! Hij is een aardige kerel, maar beginselen heeft hij 
liiet." ~ 1 Wat moest ge voor Lady Mithers doen ?" vroeg Steerforth. — 
>Dat zou klappen zijn, jongetje hef," antwoordde zij, wederom tegen 



36 DAVID COPPBRFIKLD. 

haar neus tikhendc, een wonderlijkgczichtzcttendeenmethareoogen 
knippende, alsof lij een met bovenDamurlijke wetenschap begaafd la- 
boutertje was. iBekoninier u daarover maar niet! Gij zoudt wel willen 
weten ofikhaieharenhctuitvallen moetbeletten, ofzekleuren, of hare 
btankheid ophelderen, of hare wenkbrauwen bijhelpen, iiietwaar?£n 
dat zult gij ook eens weten, mijn lieveling — als ik het u zeg. Maar weet 
ge wel hoe mijn overgrootvader heette f ^ • Ncen," zeide Steerforth. — 
»Hij heette Walker, mijn lieve jongen," liet juffrouw Mowchcr hicrop 
volgen, >eD was van eeoe oude facoilie van Walkers afkomstig, van wie- 
ik al de Hookeylanden heb geerfd." 

Ik had nooit iets gezien, dat met juffrouw Mowcher's lonk was te ver- 
gelijken, behalve juffrouw Mowcher's koelbloedigheid. Zij had ook eene 
zonderlinge manier om, wanneer zij luisterde naar iets, dat tegen haar 
gezegd werd, of naar een antwoord wachtte, haarhoofdloerendopzijde 
te houden en haar eene oog op te draaien, evenals eene ekster doet. Ik 
was geheel in verbazing verzonken, en zat haar aan te staren, zonder,. 
naar ik vrees, eenigszins om de wetten der beleefdheid te denken. 

Zij had nu een stoel naar zich toe getrokken, en was druk bezig met 
uit haar zak (naar zij bij elken greep haai kort armpje tot aan den schon- 
der instak) een aanCal fleschjes, sponsen, kammen, borstels, stukjesflanel, 
krultangen en andere instnimenten te halen, die zij op de zittinguitstalde. 
Eensklaps staakte zij deze bezigheid, en zich naar Sleerfonh keerende, 
zeide zij, tot mijne groote verlegenheid : 

>Wie is uw vriend f" — »MiJDheer Copperfield,"antwoordde Steer- 
forth. »Hij wenscht u teleerenhennen." — tWelnu, dat zalhijdanook. 
Ik dacht ook al, dat hij mij aankeek alsof hij dat wenschte," antwoordde 
juffrouw Mowcher, en kwam, met haar zak in de hand, al lachende naar 
mij toe waggelen. > Een gezichtje als eene perzik," zeide zij, en ging op 
hare teenen staan, om mij, zoo zittende, in dewangteknijpen. iWaailiJE 
vertokkend ! Ik houd bijzonder veel van perziken. Zecr verheugd met u 
kennis te maken, mijnheer Copperfield." 

Ik zeide, dat het genoegen wederkeerig was, en ik mij geluk wenschte 
met de eer van met haar bekend te worden. 

iWel mijn tijd, wat zijn wij beleefd!"riep juffrouw Mowcher uit, en 
deed eene ongerijmde poging om haar groot gczicht met haar kindarlijle 
handje te bedekken. » Maar wat eene wereld vol lak en laric is het todi, 
nietwaarf" 

Dit werd op een vertrouwelijken toon tot ons beiden gericht, toeD 
het bandj? het gezicht weder bloot liet, en zich wederom met arm en al 
in den zak begroef. 

»Wat meenl ge daarmee, juffrouw Mowcher?" zeide Steerforth.— 
>Ha, ha, ha! Wat zljn wij toch een aardig troepje lorrendraaiers, niet 
waar, mijn lief kind i" antwoordde het nietige vrouwtje, terwijl zij, met 
h.iar hoofd op zijde en het eene oog in de ludit, in haar zak tastte. >N«- 
gelknipseltjes van den Russischen prinsl Prins van het verwarde Alpba- 
beth noem ik hem, want in zijn naam staan al de letters, en dat holder- 
de bolder door elkander." — iDeKusdsche prins is dus een klant van 



k 



DIEPZINNIGHEID VAN JUFFROUW MOWCHER. 27 



u ?** zeide Steerforth. — >Dat zou ik denken, mijn lievertje," antwoordde 
jufiBrouw Mowcher. »Ik houdt zijne nagels voor hem in orde. Tweemaal 
in de week. Vingers en teenen !" — »Hij betaalt goed, zou ik hopen ?'* 
zeide Steerforth. — »Hij betaalt zooals hij spreekt, mijn kind — dat wil 
zeggen grof," antwoordde juffrouw Mowcher. >De prinsislangnietkaal, 
Dat zoudt ge zelf wel zeggen, als ge zijne knevels maar zaagt. Rood van 
natuur, zwart door de kimst." — t Door uwekimst,natuurlijk?" zeide 
Steerforth. 

Jufifrouw Mowcher gaf knipoogend hare toestemming te kennen, 
»Moest mij laten komen. Kon het niet laten. Hetklimaatbedierfzijn 
kkursel ; het was inRusland heel goed, maar hier hielp het niet. Nooit 
in uw leven hebt ge zulk een roestigen prins gezien als hij toen was. Pre- 
dcs als oud ijzer." — iIs het daarom, dat ge hem zoo even een lorren-^ 
draaier hebt genoemd?" vroeg Steerforth. — >0, ge zijt toch een slim- 
mertje, niet waar ?" antwoordde juffrouw Mowcher, geweldig haar hoofd 
schuddende. >Ik zeide welk een troep lorrendraaiers wij over het alge- 
meen waren, en om dat te bewijzen, liet ik u de nagelknipsels van den 
prins zien. De nagels van den prins helpen mij in fatsoenlijke familien 
meer voort dan al mijne talenten bij elkander. Ik heb ze altijd bij mij, 
Zij zijn de beste recommandatie. Als jufifrouw Mowcher de nagels van 
een prins knipt, moet ze wel in de groote wereld zijn. Ik geef ze aan jonge 
dames present. Zij leggen ze in hare albums, geloof ik. Ha, ha, ha! Het 
geheele maatschappelijke stelsel (zooals men het noemt als men redevoe* 
ringen in het Parlement houdt) is een stelsel van prinselijke nagels !" 
wide het dwergachtige vrouwtje, terwijl zij hare korte armpjes over elk- 
ander poogde te slaan en met haar groot hoofd knikte. 

Steerforth lachte hartelijk, en ik lachte insgelijks. Juffrouw Mowchep 
bleef al dien tijd haar hoofd schudden (dat zij sterk op zijde hield), en 
met haar eene oog in de lucht kijken, en met het andere wenken. 

»Maar kom, kom," zeide zij, op hare knietjes kloppende en opstaande^ 
)zoo voer ik niets uit Kom aan, Steerforth, laten wij de poolgewesten 
eens inspecteeren, en er een af komen van maken. 

Daarop koos zij een paar van hare instrumentjes en een fieschje uit, en 
TTocg (tot mijne verwondering) of de tafel sterk genoeg was. Toen Steer- 
forth dit met ja beantwoordde, schoof zij een stoel daarbij, en om den 
bijstand mijner hand verzoekende, klom zij tamelijk vlug boven op de 
tafel, als op een tooneel. 

>Als gij een van beiden mijne enkels gezien hebt," zeide zij, toen zij 
Teilig omhoog was, »zeg het dan maar. Dan ga ik naar huis, en maak 
mij van kant ** — » Ik niet," zeide Steerforth. — > Ik ook niet," zeide ik. — ' 
» Weinu," riep juffrouw Mowcher uit, >dan zal ik maar blijven leven. En 
no, eendje, eendje, eendje, kom bij juffrouw Bond en laat u slachten !" 

Dit was eene tot Steerforth gerichte oproeping om zich onder hare 
handen te plaatsen; en deze zette zich dus, met zijn rug naar de tafel en 
zijn lachend gezicht naar mij toe, op een stoel en liet zijn hoofd door 
haar bezichtigen, blijkbaar met geen ander oogmerk dan voor de grap« 
Jnf^ouw Mowcher zoo over hem been gebogen naar zijne welige bniine 



a8 DAVID COPPERFIBLD. 



krullen te zien staan turen, door een reusachtig vergrootglas, dat zij mt 
haar zak had gehaald, was waarlijk een verbazend schouwspel. 

iGe zijt een aardige jongen/' zeide jufTrouw Mowcher, na eeoe korte 
bezichtiging. i Als ik er niet was, zoudt ge binnen een jaar bovenop g^ 
heel kaal wezen. Wacht maar eene halve minuut, mijn jonge vriend, en 
wij zullen u een sausje geven, dat uwe kmllen voor tien jaren zal 
bewaren." 

Daarmede goot zij lets uit het fleschfe op een stukje flanel, en de 
kracht van dit praeparaat wederom aan een borsteltje medegedeeld 
hebbende, begon zij daarmede de Iq-uin vanSteerforthshoofdte wrijven, 
met eene drukte zoo groot als ik ooit iemand had zien maken, en onder- 
tusschen ^edurig pratende. 

tDaar is Charley Pyegrave, de zoon van den hertog," zeide zij. tGi| 
kent Charley toch wel? zich om hem heenbuigende, om hem in het 
gezicht te zien. — lEen beetje," antwoordde Steerforth, — tDat iscca 
man ! Welk een bakkebaard ! Wat Charley's beenen betreft, als zij maar 
gepaard waren (dat ze niet zijn) zouden ze alle beenen kunnen tartet^* 
Zoudt ge kunnen gelooven, dat hij probeerde het buiten mij te doen ^ 
en dat wel in de Lijfgarde ?" — > Gek !" zeide Steerforth. — • Het lijkt ^ 






wel naar. Maar gek of niet, hij probeerde het," antwoordde juflOroU'^^ 
Mowcher. >Wat doet hij? Hij gaat naar een parfumeurs-winkel en ii^^^ 
een fleschje Madagascar Liquid koopen." — iDoet Charley dat?" zeid<^^ 
Steerforth. — »Dat doet Charley. Maar zij hebben daar geen Mada' 
gascar Liquid." — > Wat is dat ? lets om te drinken ?" vroeg Steerforth. 
• Om te drinken t*" antwoordde juffrouw Mowcher, en staakte hare bezig- 
heid om hem een tikje op de wang te geven. tOm zijne eigene knevels 
mee te onderhouden, weet ge. Er was eene vrouw in den winkel — eene 
bejaarde vrouw — een echte draak — die het nog nooit had hoorennoe- 
men. »Neem mij niet kwalijk, mijnheer," zeide de Draak tegen Charley, 
» het is toch geen — geen rouge, niet waar ?" > Rouge !" zeide Charley. 
•Dat men voor fatsoenlijke ooren nooit hoort noemen ! Gijdenkttoch 
niet, dat ik rouge noodig heb ?" >Neem mij niet kwalijk, mijnheer," zeide 
de Draak, »er wordt ons onder zooveel namen naar gevraagd, datik 
dacht of het dat soms wezen kon." » Dat, mijn kind," vervolgde juffrouw 
Mowcher, al dien tijd druk voortwrijvende, •isalwedereen voorbeeld 
van die aardige lorrendraaierij, waarvan ik sprak. Ik doe er ook wel eens 
wat in — misschien veel — misschien een beetje — oppassen is de bood- 
schap — genoeg gezegd!" •Waarin meent ge? In het rouge?" zeide 
Steerforth. — •Tel dit en dat bij elkander, mijn lieve leerling," ant- 
woordde de voorzichtige juffrouw Mowcher, »reken het uit volgens den 
regel van geheimen in alle beroepen, en de uitkomst zal het verlangde 
antwoord zijn. Ik tJt%^ dat ik zelferookwel een beetje in doe. Zekere 
douairi^re noemt het lippenzalf. E^ne andere noemt het handschoenen. 
Bene andere noemt het een neigetje. Eene andere noemt het een waaier. 
Ik noem het wat zij het noemen. Ik bezorg het haar, maar wij houden 
ons zoo goed voor elkander, en zetten er zulke gezichten bij, dat zij er 
even gauw aan zouden denken om het ten aanzien van een geheel salon 



KLUCHTIGHEID VAN JXJFFROUW MOWCHER. 29 

op te leggen, als voor mij. £n als ik ze bedien, ze^gen zij somtijds — er 
mee opgelegd — dik en wel: — >Hoe zie ik er mt, juffrouw Mowcher ? 
Ben ik niet wat bleek ?" Ha, ha, ha ! Is dat niet aardig, mijn jonge 
vriend?" 

Nooit in mijn leven zag ik iets, dat met jufifrouw Mowcher te vergelij^ 
ken was, gelijk zij daar op de tafel stond^ terwijl zij zich met die aardig- 
heid vermaakte, met alien ij ver Steerforth's hoofd wreef en ondertusschen 
mij daaroverheen toelonkte. 

>Maar naar zulke dingen is hier niet veel vraa^," zeide zij. »Pat doet 
mij gauw weer heengaan. Ik heb, zoolang ik hier ben, nog geen mooi 
meisje gezien. Jemmy." — >Niet?" zeide Steerforth. — iZelfe niet in de 
verte," antwoordde juffrouw Mowcher. — > Wij zouden er haar wel eene 
dichtbij kunnen laten zien," zeide Steerforth, zijne oogen naar de mijne 
richtende. tNiet waar, Groentje ?" — ija, waarlijk," antwoordde ik. — 
t A — ha ?" riep het dwergje uit, mij scherp in het gezicht kijkende en zich 
toen overbuigende pm dat van Steerforth te zien. > Hm, hm ?*' 

De eerste uifroeping klonk als eene vraag tot ons beiden, de tweede 
als eene andere vraag alleen tot Steerforth gericht. Zij scheen op geen 
van beiden antwoord te vinden, maar ging voort met wrijven, met haar 
hoofd op zijde en het eene oog opgedraaid, alsof zij in de lucht naar ant- 
woord zocht, en vast vertrouwde dat het daar spoedig zou verschijnen, 

>Eene zuster van u, mijnheer Copperfield?" riep zij kort daarop en 
nog eveneens uitkijkende. >Ja, niet waar?" — > Neen, zeide Steerforth, 
eer ik kon antwoorden. Geheel niet. Integendeel, mijnheer Copperfield 
placht — als ik mij niet zeer vergis — een aanbidder van haar tezijn,"— 

t Wat, is hij dat dan nu niet meer ?" hervatte juffrouw Mowcher. >Is hij 
wispelturig? O, foei? Heeft hij alle bloempjes maar gekust, totdat 
Polly zijn hartstocht beantwoordde, zooals het liedje zegt r Heet zij niet 
Polly?" 

De zonderlinge drift, waarmede zij mij deze vraag deed, en haar uit- 
vorschende blik verrasten mij zoodanig, dat ik voor een oogenblik 
geheel van mijn stuk geraakte. 

»Neen, juffrouw Mowcher," antwoordde ik. iZij heet Emily." — 
tAha?" riep zij weder evenals te voren. >Hm?" Wat ben iktocheen 
ratel ! Ben ik niet kluchtig, mijnheer Copperfield ?" 

Haar blik en toon duidden iets aan, dat mij in verband tot het onder- 
werp van ons gesprek niet behaagde. Ik zeide dus, op een emstiger toon 
dan nos iemand van ons had gebezigd : 

9 Zij is even deugdzaam afe bevallig. Zij is met een zeer braaf en harer 
waardig man van haar eigen stand geengageerd. Ik acht haar evenzeer 
om haar verstand en oordeel, als ik hare schoonheid bewonder." — 
tWel gezegd!" riep Steerforth uit. tHoor, hoor,hoor!Nu, m^nbeste 
Groen, zal ik de nieuwsgierigheid van deze kleine Fatima maar eens 
uitdooven, door haar zooveel te zeggen, dat zij naar niets meer behoeft te 
raden. Zij is tegenwoordig in de leer, juffrouw Mowcher, of aanhet werk, 
of hoe men het noemen wil, bij Omer en Toram, mode-winkeliers en zoo 
voort, alhier woonachtig. Let ge wel op r Omer en Joram. Het engage* 



go DAVID COPPEKFIELD. 

ment, waarvao mijn vriend gesproken heeft, is aangegaan met haar 
beef; doopnaam Ham; van, Peggotty; beroep, scheepstimnierinaii; 
insgelijks alhier woooachtig. Zij woont bijeenbloedverwant^doopnaaiD, 
onbekend; van, Peggotty; beroep, zeeman en vtsscher; almede alliier 
woonachtig. Zij is hct aardigste en innemendste tooverheksje van de 
wereld. Ik bewonder haar — ewenals mijn vriend doet — buitengemeen. 
Ala hct niet den schijn kon hebben, dat ik haar aanstaande wilde ver- 
achten, hetgeen ik weet dat mijn vriend niet zou bevallen, zou ik er 
bijvoegen, dat het m ij voorkorat dat zij zich zelve weggooit ; dat ik over- 
tuigd ben, dat zij veel beter partij zou kunnen doen, en dat ik zweer, dat 
sij geborcn is om eene dame te worden." 

Juffrouw Mowcher bleef zoblang hij sprak, hetgeen hij zeer langzaam 
en duidelijk deed, met haarhoofdopzijdeenheteeneoognaarboveu 
Staan luisteien, alsof zij naar dat antwoord uttkeek. Toen hij ophield, 
werd zij in ecn oogenblik wcder levendig, en babbeldemet verbazeode 
vlugheid voort. 

tZoo, zoo? Is dat nu alles ?" riep zij uit, terwijl zij, met een rusteloos 
Bchaartje, dat aan alle kanten om zijn hoofd heen flikkerde, zijne bakke- 
baarden afknipte. » Heel goed, heel goed ! Het is eene heele vertelling. 
Het eind er van moesl wezen : > en toen leefden zij noglang en gelukkig;" 
moest het niet ? Ha 1 Hoe gaat ook dat pandspelletje? De naaro van mijn 
liefje begint met eene £, omdat zij zoo eenvoudig is, en dan korot er, ^ 
loof ik, van opwachten en uitgaan en schaken in. Ha, ha, ha. Ben ik met 
kluchtig, mijnheer Coppcrfieldf" 

Mij steeds met buitengemeene slimheid aanziende, vervolgde nj zon- 
der op antwoord te wachten of zelfs adem te halen : 

) Daar ! Als er ooit een deugniet keurig was opgeknild, dan zijt gij bet, 
Steerforth. Als ik 66n boUetje in de wereld ken, dan ken ik het uwe. 
Hoort ge wel wat ik zeg, miin liever^e? Ik ken het door en door." En 
daarbij keek zij hem strak in net gezicht. »Nukuntgij ophoepelen, jon- 
gclje (zooals wij aan het Hofzeggen), en als mijnheer Copperfield den 
stoel wil nemen, zai ik hem ook helpen." — » Wat zegt ge, Grocntie f" 
zeide Steerforth, lachend opstaande. » Will gij ulatcnembelliseercn?" — 
» Wel bedankt, juffrouw Mowcher, van avond niet." ~- > Zeg niet neen," 
hernam het vrouwtje, mij met den blik van ecn kenner opnemehde. iDe 
wenkbrauwen een beetje langcr?" — »Wel bedankt." antwoordde ik. 
»Opeenander tijd." — >Laatzc een stroolje breed mcer naar deslapen 
brengen," zeide juffrouw Mowcher; idat kunnen wij in veertien dagen 
doen." — > Neen, ik dank u. Vooreerst niet." — » Niet f Laten wij dan 
eene teekening maken voor een paarnette bakkebaarden. K.om aan!" 

Ik kon niet nalaten te blozen toen ik dit afwees, want zij had mij ou m 
mijn zwak gctast Doch ziende dat ik voor het tegenwoordige niet gene- 

Sen was om mij door de hulp barer kunst te laten verftaaicn, en bestasd 
leef tegen het verlokkelijke van het fleschje, dat zij, om hare overre* 
dingskracht te versterkcn, voor haar eene oog omhoog hield, zeide juf- 
frouw Mowcher, dat wij dan toch binnenkort zouden beginnen, en ver- 
tocht daarop den steun mijnet hand om van hare verhevene standplaats 



OORDEKL VAN STEERFORTH OVER JUFFROUW MOWCHER. 3 1 

af te klimmen. Aldus geholpen, wipte zij zeer vlug naar beneden en be- 
^on hare onderkin in haar hoed te binden. 

»De rekening," zeide Steerforth, >is...." — >Vijf scheUingen," ant- 
woordde juffrouw Mowcher, >en schandekoop, mijn jongetje. Ben ik niet 
kluchtig, mijnheer Copperfield ?" 

Ik antwoordde uit beleefdheid: >Geheel niet ;" maar dacht het toch 
^el, toen ik zag hoe zij de twee halve kronen opgooide, ving, in haar zak 
liet glijden en een klinkenden slag daarop gaf. 

>Dat is de geldkist," zeide juffrouw Mowcher, die nu weder bij den 

-steel stond en alles wat zij te voren uit haar grooten zak had gehaald 

"weder daarin stopte. > Heb ik nu al mijne dingen ? Het schijnt van ja. Ik 

^Ide niet graag naar den langen Ned Beadwood gelijken, toen hij naar 

de kerk ging om te trouwen, zooals hij zegt, en de bruid vergat. Ha, ha, 

ha! een ondeugend schelmpje, die Ned, maar comisch ! Nu weet ik wel, 

<lat ik u beiden het hart zal breken, maar ik moet u toch verlaten. Gij 

moct al uwe standvastigheid maar verzamelen, en uw best doen om het 

te dragcn.Dag, mijnheer Copperfield ! Pas maar op dat gij geen ongeluk 

krijgt, jonge heer Steerforth ! Wat heb ik gebabbeld. Dat is uwe schuld, gij 

twee deugnieten. Maar ik vergeef het u. >Bob swore" (Bob vloekte) — 

^oals de Engelschman zeide voor » B o n s o i r,"toen hij pas Fransch leerde 

^ vond dat het zoo veel van Engelsch had. >Bobswore, lieve jongens !" 

Met haar zak aan den arm en nog altijd voortratelende, waggelde zij 

^^aar de deur, waar zij staan bleef om ons nog te vragen of zij ons niet 

«ene krul van heur haar moest laten. >Ben ik niet kluchtig ?'* voegde zij 

€r, als eene opheldering van dit aanbod, bij, en ging toen, met haar vin- 

i^T aan haar neus, de kamer uit. 

Steerforth lachte zoodanig, dat ik niet kon nalaten mede te lachen, 

hoewel ik niet denk, dat ik het zonder die opwekking zou gedaan heb- 

^5^. Toen wij uitgelachen hadden, hetgeen eerst na verloop van eenigen 

tijd het geval was, vertelde hij mij, dat juflfrouw Mowcher eene uitgebreide 

Wandizie had, en allerlei menschen op allerlei wijzen ten dienste stond. 

Sommigen vermaakten zich slechts met hare zonderlingheden, zeide hij : 

maar zij was zoo slim en zulk eene scherpe opmerkster als hij iemana 

kcnde, en haar doorzicht reikte veel verder dan hare armpjes. Hij zeide 

^U i^og, dat het de waarheid was, dat zij hier en daar en overal kwam, 

gt\\}k zij gezegd had ; want dat zij gedurig uitstapjes in de provincien 

deed, en overal klanten scheen te vinden en iedereen te kennen. Ik vroeg 

hem naar haar karakter, of zij niet eenigszins boosaardig was, of dat zij 

integendeel welmeenend was en liever goed dan kwaad zou stichten ; 

maar daar het mij, nadat ik een paar malen had beproefd, niet gelukte 

xijne aandacht op deze vragen te vestigen, zag ik daarvan af. Daarente- 

gen vertelde hij mij veel van hare bekwaamheid en hare winsten ; en dat 

zij zeer behendig koppen kon zetten, als ik ooit hare diensten in dit op> 

xicht mocht behoeven. 

Zij was dien avond het voomame onderwerp van ons gesprek ; en toen 
wij afscheid namen^ riep Steerforth mij, toen ik reeds op de trap was, 
nog over de leuning na: iBob swore!*' 



3* DAVID COPPERFIELD, 

Toen ik aan het huis van Barkis kwam,verwonderdehetmij,<lattk 
Ham daar voor de deur op en neer vond stappen, en nog meer toea ik va& 
hem hoorde, dat Emily binnen nas. Natuurlijk vroeg ik waaiom hijdaar 
dan ook niet was, in plaats van allcen op straat te kuieren. 

1 Wei, ziet ge, jonge heer David," antwoordde hij aarzelend, ■ Emily it 
daar met iemand aan hetspreken." ~>Ik zouge<iachthebben,"zeide 
ik glimUchcnd, idatdit voorueenereden zou wezen om er ook te zijn, 
Ham."^ — iWel, jonge heer David, over helgeheeliou het dat ookzijn,"" 
antwoordde hij, * maar luister eens, jonge heer David," daarmede lietb^ 
zijne stem dalen en nam een zeer ernstigen toon aan. iHet is een meisje, 
mijnheer — een meisje, dat Emily voorheen gekend heeft, en dat zij nu 
niet meer behoort le kennen." 

Toen ik dit hoorde, ging er voor mij een licht op over de gedaanie, 
die ik hen eenige uren geleden had zien volgen. 

1 Hct is een arme wurm, jonge beer David," zeide Ham, >die doorde 
gansche stad met voeten wordtgetrapt. Straat open straat af.Erligt op 
het kerkhof iiiets onder den grond, waarvoor de menschen meer zoudeiv 
gruwen. — >Heb ik haar van avond misschien op het strand geneo. 
Ham, nadat wij u gezien hadden f" — » Die ons in het oog hield i" zeide 
Ham. >Dat is wel waarschijnlijk, jonge heer David, Niet dat ik toen wist 
dat zij daar was, mijnheer, maar omdat zij kort daarop onder Emily's 
venstertje kwam, toen zij daar licht zag, en fluisterde: iEmily,Emil/i 
heb toch om Cbristus' wil een vrouwenhart voor mij. Ik ben eens gewees* 
wat gij zijt!"Datwarenemstigewoordenoraaantehooren, jonge hee* 
David." — »Dat waren zij wel, Ham. En wat deed Emily toen?" — ■ 
• Emily zeide: iMarlha, zijt gij dat? 0, Martha, kunt gij dat wezeol" — ■ 
want zij hadden meoigen dag te zamen bij mijnheer Omerzittcnwer' 
ken." — iNuherinnerik mij haar!" riep ik uit,aaneen dertofemcisjeS 
denkende, die ik daar gezien had toen ik er voor het eerst kwam. iNu 
herinner ik mij haar zeer wel."^iMarthaEndell,"zeide Ham. »Twee 
ofdrie jarcn ouder dan Emily, maar die met haar hecftschoolgegaan." — 
ilk heb nooit haar naam gehoord," zeide ik. ilk had u niet in de rede 
willen vallen." -— i Wat dat aangaat, jonge heer David," hervatte Ham, 
lalles is zoogoed als op eens gezegd met die woorden: i Emily, Emily, 
heb toch om Christus' wit een vrouwenhart voor mij. Ik ben eensgeweest 
wat gij zijt." Zij wilde Emily spreken ^ maar Emily kon haar daar niet 
spreken, want haar oom was thuis, en hij zou niet willen — neen, jonge 
heer David," zeide Ham met grooten emst, >zoo menschlievendenteer- 
hartig als hij is, hij zou die twee niet bij elkander kunnen zien, voor al de 
schatten, die ooit in zee zijn verzonken." 

Ik gevoelde hoewaar dit was. Ik begreep het dadelijk, evengoed 
als Ham. 

* Zoo schrijft Emily met potlood op een stukje papier," vcrvolgde hi), 
>en geeft het haar uithetvensteromhethiertebTengen.>Laatdat aan 
mijne tante, juflrouw Barkis, zien," zegt zij, >en zij zal u, ter liefde van 
mij, bij haar vuur laten zitten, tot mijn oom uit is en ik kan komen." Na- 
derhand vertelt zij mij wat ik u vertel, jonge heer David, en vraagt mi) 



DE SCHADUW TREEDT TE VOORSCHUN. 33 

IrOm haar te brengen. Wat kan ik doen ? Zij moest zulk eene niet meer ken- 
* -nen, maar ik kan haar niets weigeren, als ik tranen in hare oogen zie." 
Hij stak zijne hand in de borst van zijn niige buis en haalde zeer be- 
lioedzaam een fraai beursje daaniit. 

>En al kon ik het haar weigeren toen zij tranen in de oogen had, jonge 
beer David," hervatte Ham, thoe kon ik het haar weigeren toen ze mij 
dit voor haar te dragen gaf — daar ik wel wist waarom zij het medenam ? 
Zoo mooi als het is I" zeide Ham, het beursje peinzend bekijkende. iMet 
znlk een beetje geld er in ! Die lieve Emily !" 

Toen hij het beursje weder weggestoken had, dnikte ik hem met 
warmte de hand — want dit voldeed mijn hart meer dan iets te zeggen — 
en wij wandelden nog een paar minuten lang siilzwijgend op en neer. 
Toen werd de deur geopend. Peggotty verscheen en wenkte Ham om 
binnen te komen. Zelfs toen zou ik het vertrek gemeden hebben waar zij 
alien waren. indien dit niet de nette met tegels bevloerde keuken was 
geweest, waarvan ik reeds meermalen melding heb gemaakt. Dewijl 
men terstond van de straat daarin kwam, stond ik onder hen, eer ik be- 
dacht had waarik zou komen. 

Het meisje — hetzelfde dat ik op het strand had gezien — zat dicht 
bij het vuur op den grond, met haar eenen arm op een stoel. Uit hare 
houding maakte ik op, dat Emily pas van dien stoel was opgestaan en 
betbezwaardehoofdmisschien op haar schoothadgelegen. Van haar ge- 
zicht,waaroverhareharen been hingen, alsof zij die zelve had losgehaald, 
zag ik weinig ; maar ik kon toch zien, dat zij nog jong was en eene fijne 
blanke kleur had — Peggotty had geschreid — kleine Emily insgelijks. 
Toen wij pas binnenkwamen werd er geen woord gesproken ; en de klok 
bij de rechtbank scheen in de stilte veel harder dan gewoonlijk te tikken. 
Emily sprak het eerst 

•Martha," zeide zij tot Ham, >wilde naar Londen gaan," — 
'Waarom naar Londen?" vroeg Ham. 

Hij stond tusschen de twee in, en zag naar het neergezegene meisje, 
Qiet eene uitdrukkin^, die ik mij altijd duidelijk heb herinnerd: 
het was eene mengelmg van medelijden met de ongelukkige en van 
jaloersche bezorgdheid, dat zij met haar, die hij zoo liefhad in eenige 
gemeenschap zou komen. Beiden spraken alsof zij ziek was: met eene 
zachte, geamoorde stem, die duidelijk hoorbaar was, hoe wel zij bijna 
niet harder dan iiuisterend klonk. 

>Beter daar dan hier," zeide eene derde stem overluid — die van 
Martha, hoewel deze zich niet bewoog. tNiemand kent mij daar. Hier 
kentmij iedereen." — > Wat zal zij daar doen?" vroeg Ham. 

Zij beurde haar hoofd op, en za^ met een donkeren blik naar hem om : 
toen legde zij het weder neer, en slmgerde haar rechterarm om haar hals y 
gelijk eene vrouw, die de koorts had, of erge pijn aan eene wond leed^ 
zich zou wringen. 

»Zij zal haar best doen," zeide kleine Emily. tGij weet niet wat zij ons 
gezegd heeft. Weet hij — weten zij het wel, tante ?" 
Peggotty schudde medelijdend haar hoofd. 

DAVro COPPERFIELD — II. X 



34 DAVID COPPERFIELD. 



»Ik zal mijn best doen," zeide Martha, »als ge mij maar hier vandun 

elpt. Ik kan het niet slechter maken dan ik hier gedaan heb. MisschieD 

al ik het beter maken. O/' vervolgde zij huiverend, thelp mij maarmt 

die straten vandaan, waar de geheele stad mij van een ^d af gekeod 

heeft!/ 

Toen Emily hare hand voor Ham ophield, zag ik hem haar een 
linnen zakje overgeven. Zij nam het aan, alsof zij dacht dat het haar 
beursje was, en deed een paar stappen voorwaarts ; maar hare vergissing 
bemerkende, kwam zij naar hem terug en liet het hem. 

>Het is alles van u, Emily/' kon ik hem hooren zeggen. »Ik heb niets 
in de wereld, dat niet van u is, liefje. Het is mij tot niets nut, behalve 
voor u." 

Er kwamen opnieuw tranen in hare oogen; maar zij keerdezichom 
en ging naar Martha. Wat zij haar gaf weet ik niet. Ik zag haar over haar 
heen bukken en geld in hare borst steken. Zij fltiisterde iets en vroegof 
dat genoeg was. »Meer dan genoeg," antwoordde zij, vatte hare hand en 
kuste die. 

Toen stond Martha op, trok haar doek om zich heen, en haar gezicht 
daarmede bedekkende, ging zij, luid schreiende, langzaam naar dedear. 
Eer zij die uitging bleef zij een oogenblik staan, aUof zij nog iets wilde 
zeggen of terugkeeren ; maar er kwam geen woord over hare lippen.Ik 
hoorde achter haar doek slechts hetzelfde zachte, klagende, kermende | 
geluid; en zoo ging zij heen. 

Toen de deur gesloten was, zag kleine Emily ons alle drie haastigaam 
hield toen hare handen voor haar gezicht en begon te snikken. 

»Doe dat toch niet, Emily !" zeide Ham, haar zacht op den schoud^^ 
kloppende. • Doe dat toch niet ! Gij behoeft zoo niet te schreien, lie^e !''-^^ 
tO, Ham !" riep zij uit, nog jammerlijk snikkende, lik benzulkeengoe^^ 
meisje niet als ik wezen moest ! Ik weet wel, dat ik zulk een dankbaar har^ 
niet heb, somtijds, als ik hebbeu moest !" — • Ja, ja, dat hebt gij wel j ik^ 
ben er zeker van," zeide Ham. — > Neen, neen, neen," riep kleme Emily, 
snikkende en haar hoofd schuddende. ilk ben zulk een goed meisje niet, 
als ik wezen moest. Lang niet, lang niet !" 

En nog schreide zij, alsof haar het hart zou breken. 

»Ik verg teveel van uwe liefde, dat weetikwel,"sniktezij. »Ikben 
dikwijls stuursch en nukkig voor u ; en ik moest geheel anders wezen. 
Gij zijt nooit zoo voor mij. Waarom ben ik ooit zoo voor u, ik, die alleen 
denken moest hoe ik dankbaar kon zijn en u gelukkig maken !'' — »Dat 
doet gij altijd, liefje,'' zeide Ham. >Ik ben al gelukkig, als ik u maar zie. 
Ik ben al gelukkig, den geheelen dag lang, als ik maar aan u denk." — 
» Ach, dat is niet genoeg," riep zij uit. iDat is omdat gij goed zijt, niet 
omdat ik het ben. O mijn beste, het zou misschien beter voor u geweest 
zijn, als gij in iemand anders zin had gekregen — in een meisje, dat de- 
gelijker was en u meer verdiende, dat zich geheel aan u hechtte, en nooit 
ijdel en wispelturig zooals ik." — iMijn arm teer hartje!" zeide Ham 
zacht. » Die Martha heeft haar geheel van haar stuk gebracht." — tOch, 
tante," snikte Emily, > kom toch hier en laat ik mijn hoofd bij u laten 







UTTIUER BLUFT ACHTBR. 35 

rustcn. O, ik ben van avond zoo on^steld, tante. O, ilc ben lang zoo 
goed Diet als ik wezen moest. Dat weet ik wel." 

Peggotty was haastig naar den stoet bij het vuur gegaan. Emily sloeg 
hare armen om haar hals, en zag baar, bij haar neergeknield, ernstig in 
de oogen. 

»Och, tante, doe tochuw best ommijtc helpen I Beste Ham, doe toch 
uw best om mij te helpen. Mijnhcer David, om die oude dagen, bid ik u, 
doe toch uw best om mij te helpen. Ik wilde een beter meisje worden 
dan ik nu ben. Ik wilde honderdmaal dankbaarder zijn, dan ik nil ben. 
Ik wilde het mccr ^evoelen, welk een zegen het is de vrouw van cen braaf 
en goed man te zijn en een vreedzaam leven te leiden. O mij, o mij ! O 
mijn hart, mijn hart !" 

Na die beden en jammerklachten, welker angst en smart half de vrouw 
half het kind kenteekenden (gelijk hare manieren over het geheeldeden, 
en waardoor zij, naar ik dacht, haar natuurlijker stondcn en beter bij 
hare schoonheid pasten, dan audere manieren konden gedaan hebben) 
liet rij haar hoofd tegen de borst mijner oude oppasster zinken, en bleef 
stil schreien, terwijl Peggotty haar suste alsof zij een kind gcweest ware. 

Langzamcrhand werd zij kalmer, en toen brachten wij haar verder tot 
bedarcn, nu door bemoedigeude toespiaak, dan door wat met haar te 
Echertsen, tot zij haar hootd begon op te beuren en met ons te spreken. 
Zoo gingen wij voort, tot zij in staat was om te glimlachen, en toen om 
te tachen, en toen om, half beschaamd, overeind te komenj terwijl Peg- 
gotty hare weggezwierde kruUen opstreek, hare oogen afdroogde en haar 
geheel weder opknapte, opdat haar 00m, als zij thuis kwam, zich niet 
zou venvondcren waarom zijne lieveiing geschreid had. 

Ik zag haar dien avond iets doen, dat ik haar voorheen nog nooit had 
zien doen. Ik zag haar haar verkoren echtgenoot een schuldeloozen kus 
op de wang geven, en zich dicht aan zijne forsche gestalte drukken, alsof 
die haar beste steun was. Toen zij te zamen heengingen, in den flauwen 
maneschijn, en ik hen nazag, en hun heengaan, in mijne gedachten, met 
dat van Martha vergeleck, zag ik dat zij zijn arm met beide handen vast- 
hield en nog dicht bij hem bleef. 



IK KIKS EBK BEROEP. 

Toen ik des moreens ontwaakte , dacht ik nog veel aan kleine Emily, 
en hoe ontroerd ztj den vorigen avond was geweest, nadat Martha was 
heengegaan. Ik gevoelde, dat ik inheiligvertrouwentotdekennis van 
die huiselijkc aangelegenheden was gekomen en getuige van die zwak- 
heid en teederheid was geweest, en dat het verkecrd zou zijn aan iemand, 
zelfe aan Steerforth, iets daarvan mede te deelen, Ik kon over niemand 
zachter denken, dan over het bevallige meisje, dat eens mijn speelkame- 
raadje was geweest, en dat ik toen, gelijk ik altijd overtuigd ben geweest 
en tot den dag van mijn dood oveituigd zal zijn, innig liefhad. Voor 



36 DAVm COPPERFIELD. 



iemands ooren — zelfs voor die van Steerforth — te herhalen, w. 
toen haar hart bij toe val voor mij openlag, niet had kunnen terughoB 
gevoelde ik dat eene ruwheid zou zijn, die mijner onwaardig was, ^ 
evenzeer het licbt onzer reine kindsheid, dat ik altijd om haar hoofd zag 
stralen, onwaardig. Ik besloot daarom het in mijn hart te bewaren, ea 
daar verleende het haar beeld eene nieuwe bekoorlijkheid. 

Terwijl wij aan het ontbijt zaten, werdmij een brief van mijne tantc 
gebracht. Daar deze zaken behelsde, waarover ik dacht dat Steerforth 
mij zoo goed als iemand zou kunnen raadgeven, en waarover ik hem 
bovenal gaame wilde raadplegen, besloot ik hem op onze terugreis tot 
een onderwerp van gesprek te maken. Voor het tegenwoordige hadden 
wij het druk genoeg met van al onze vrienden afscheid te nemen. Barkis 
behoorde onder diegenen van hen, wie ons vertrek het meeste speet: en 
ik geloof, dat hij zelfs zijn koffer nog eens geopend en nog een gtunje 
gcofferd zou hebben, als hij ons daardoor nog acht en veertig uren te 
Yarmouth had kunnen houden. Peggotty en hare familie waren alien 
bedroefd over ons vertrek. Het geheele huis van Omer en Joram liep uit 
om ons vaarwel te zeggen ; en toen onze valiezen naar de diligence moes- 
ten gebracht worden, boden zich Steerforth zooveel zeelieden als viij- 
willigers aan, dat ik geloof, dat wij, al hadden wij de bagage van een 
regiment bij ons gehad, bezwaarlijk ^ebrek aan kruiers zouden gehad 
hebben om ze te dragen. Kortom, wij vertrokken tot spijt en metde 
bewondering van alle belanghebbenden, en lieten een aantal menschen 
achter, die ons veel liever daar hadden gehouden. 

iBlijft ge nog lang hier, Littiraer ?" zeide ik, toen hij stond te wachten 
om de diligence te zien afrijden. — > Neen, mijnheer," antwoordde hij, 
idenkelijk niet heel lang." ~ >Dat kan hij eigenlijkzelf nog niet zeg- 
gen," merkte Steerforth onverschillig aan. iHij weet wat hij te doen 
heeft en zal daarvoor zorgen." — iDat zal hij zeker, denk ik," zeide ik 
daarop. 

Littimer raakte zijn hoed aan om mij voor mijne goede meening te 
bedanken, en ik gevoelde mij ongeveer achtjarenoud. Hij raakte zijn 
hoed nog eens aan, om ons goede reis te wenschen ; en wij lieten hem 
op de straatsteenen staan, zoo deftig en geheimzinnig als eenige piramide 
in Egypte. 

Eene poos lang spraken wij niet veel, daar Steerforth buitengemeen 
stil was, en ik genoeg te doen had met bij mij zelven te denken, wanneer 
ik die bekende plaatsen weder zou terugzien, en welke uieuwe veran- 
deringen mij of haar in den tusschentijd zouden overkomen. Eindelijk 
trok Steerforth mij bij den arm, en in een oo^enlik vroolijk en spraak- 
zaam wordende, gelijk hij alles wat hij wilde m een oogenblik worden 
kon, zeide hij : 

»Zoek uwe stem toch eens op, David. Wat nu van dien brief, waarvan 
ge onder het ontbijt hebt gesproken?'* — tO!" zeide ik, den brief uit 
mijn zak halende. >Hij is van mijne tante." — >En wat zegt zij, dat over- 
weging vereischt ?" — »Wel, zij herinnert mij, Steerforth," zeide ik, tdat 
ik eigenlijk op reis ben gegaan opdat ik wat om mij heen zou zien en 



HOE STKERFORTH OVgR HET PROCTORSCHAP DBNKT. 37 

nadenken." — »Dat gij natuurlijk dan ook gedaan hebt." — ilkkan 
J waarlijk niet zeggcii, dat ik dat zoo bijzonder heb gedaan. Om u de 
waarheid te bekennen, ik vrecs dat ik het vergeten had." — » Wd, zie 
dan om u been en haal uw verzuim dus in," zeide Steerforth. >Zie 
Tcchtsaf^ en gij ziet een vlak land, met tamelijk veel moeras; zie linksaf, 
en gij zict hetzelfde; sie vooruit, en gij vindt geen verschil; zie achterom, 
en daar is het ook nog too." 

Ik lachte en antwoordde, dat ik in het geheele landschap geen ge- 
schikt berocp voor naij vond ; hetgeen misschien aan de plaiheid daarvan 
was toe te schrijven. 

»Wat zegt onze tante van de zaak?" vroeg Steerforth, meteenblik 
naar den brief, dien ik in de hand had. » Werpt zij iets op?" — >Ja wel/' 
antwoordde ik. • Zij vraa^ mi) hier of ik ook lust zou hebben om proctor 
te worden. Wat denkt gij daarvan?" — »Wel, ik weet het niet," ant- 
woordde Steerforth koeltjes. > Mij dunkt, gij zoudt dat al evengoed kun- 
nen doen als iets anders." 

Ik kon niet nalaten er weder om te lachen, dat hij alle beroepen zoo 
gcheel met elkander gelijk steldc, en zeide hem dit. 

iWat is een protor, Steerforth?" vroeg ik. — »Wel," antwoordde 
Steerforth, »hij is een soort van monnik-praktizijn. Hij is bij zekere vcr- 
mtifte hoven, die in Doctors' Commons zitting houden - — in een droo- 
merigen hock bij St. Paul's kerkhof — wat een solliciteur bij de gewone 
hcxcchtshoven is. Hij is een ambtenaar, die volgens den gercgelden loop 
der natuur al voor tweehonderd jaren moest ztju uitgestorven. Ik zal u 
best beduiden wat hij is, door u te zeggen wat Doctors' Commons is. Het 
is een afgelegen ptekje, waar zij het zoogenaamde geestelijke recht ad- 
ministreeren, en allerlei soort van kunstjes maken met oude, vergetene 
gedrochlen van parlemcntsakten, waarvan de wercld voor drie vierdcn 
niets weet, en het andere.vierde denkt, dat zij in de dagen der Edwards 
als versteeningen uit den grond zijn opgegraven. Het is een plekje. dat 
een oud monopolie heefl van processen over testamenten en huwclijks- 
zaken, en van geschillen tusschen schepen en booten." — i Gij steekt er 
immers den gek mee, Steerforth?" riep ik uit. » Gij wilt toch niet zeggen, ' 
dat cr cenig verband bestaat tusschen zaken van het zeewezen en de 
kerkf'^iDat doe ik ook niet, lievejongeo," antwoordde hij. »Ikwil 
raaar zeggen, dat zij door hetzelfde troepje menschen, daar in dat Doc- 
tors' Commons, worden behandeld en uitgcwezen. Gij moet daar ecns 
naar toe gaan, en dan zult gij ze met de zeetermen in Young's woorden- 
boek hooren haspelen, omdat, bij voorbeeld, de Nancy de Sarah Jane 
overzeild heeft, of baas Peggotty en de yisschers van Y arm ou th in eene 
stormvlaag met een kabel en anker naar een Oostindievaarder, die in 
nood was, zijn gevaren. En dan moet gij er op een anderen dag naar toe 
gaan, dan zult gij ze de getuigen zien verhooren in de zaak van een gees- 
telijke, die zich aan wangedrag heeft schuldig gemaakt; en gij zult vin- 
den, dat de rechter in het proces over zeezaken advocaat in de zaak van 
den geestelijke is, of andcrsom. Zij zijn evenals looneelspelers ; nu is 
iemand een rechter, en dan weder geen rechter ; nu is hij het een en dan 



38 DAVID COPPKRFIELD. 



het ander, en nu alweder lets anders, en telkens weer wat anders ; maar 
het is altijd eene heel pleizierige en voordeeligeliefhebberij-comedie^ 
die voor een buitengemeen uitgelezen publiek wordt gespeeld/' — > Maar 
advocaten en proctors zijn toch niet een en hetzelfde ?'* zeide ik eenigs- 
zins verbijsterd. tZijn zij wel ?" — tNeen," antwoordde Steerforth, tde 
advocaten zijn gestudeerder — lieden, die aan de academic den graad 
van doctor hebben gehaald — hetgeen eigenlijk de reden is, datikcr 
iets van weet. De proctors gebruiken de advocaten. AUebei krijgen nj 
een heel aardig honorarium, en door^aans zijn zij zeer vriendschappelijk 
met elkander. Over het geheel zou ik u raden om eens goed over Doc- 
tors' Commons te denken, David. Zij houden zich daar voor bijzonder 
fetsoenlijk, kan ik u zeggen, als gij daarop gesteld zijt.'' 

Ik nam in aanmerking, dat Steerforth de zaak opzettelijk zeer luchdg 
behandelde, en die zelve overwegende^ en daarbij aan de deftigheid cd 
oudheid denkende, welke dat 1 droomenge hoekje bij St. Paul's kerkhoP 
voor mij had, kwam de voorslag mijner tante mij niet onaannemelijk 
voor ; vooral daar zij dien aan mijne vnje keus overliet, en niet schroomde 
mij te zeggen, dat de zaak haar was ingevallen, toen zij onlangs haar 
eigen proctor in Doctor's Commons bezocht, ten einde haar testament 
in mijn voordeel te laten veranderen. 

9 Dat is in alien gevalle een lofTelijk opzet van uwe tante," zeide Steer- 
forth, toen ik er van sprak, ten waarbij zij alle aanmoediging verdient 
Groentje, ik zou u raden 'eens goed over Doctors'Commons te denken.*^ 

Ik nam mij 00k voor om dit te doen ; en vertelde Steerforth daarolS 
dat mijne tante (gelijk ik uit haar brief gezien had) mij te L o n d e n \tt' 
wachtte, en voor eene week kamers had gehuurd in eene soort van g^ 
sloten hotel, waar eene steenen trap was en een gemakkelijk luik om o^^ 
het dak te komen ; daar mijne tante zich vast overtuigd hield, dat iede^ 
huis in L o n d e n elken nacht gevaar liep om af te branden. 

Wij legden het o verige van onze reis zeer genoeglijk af, nu en dan weder 
over Doctors' Commons pratende en ons de nog ver verwijderde dagen 
voorstellende wanneer ik daar proctor zou zijn, hetgeen Steerforth op 
zoo velerlei wijzen in een comisch daglicht wist te plaatsen, dat wij er 
beiden vroolijk door werden. Toen wij het eind van onzen tocht bereik- 
ten, ging hij naar huis, met belofte om mij overmorgen te komen bezoe- 
ken; en ik reed naar Lincoln's Inn Fields, waar ik mijne tante nog 
op vond. Zij zat mij met een souper te wachten. 

Al had ik sedert ons afscheid eene reis om de wereld gedaan, dan kon- 
den wij toch bezwaarlijk meer verheugd zijn geweest elkander weder te 
zien. Mijne tante schreide zelfs toen zij mij omhelsde ; en toen zich hou- 
dende alsof zij lachte, zeide zij dat, als mijne goede moeder nog geleefd 
had, zij niet twijfelde of dat onnoozele schepseltje zou er tranen bij heb- 
ben gelaten. 

•En dus hebt gij mijnheer Dick thuis gelaten, tante ?" zeide ik. • Wely 
dat spijt mij. Ha, Janet, hoe gaat het ?" 

Toen Janet neeg en hoopte dat ik nog wel voer, bespeurde ik, dat het 
gezicht mijner tante aanmerkelijk langer werd. 



MIJNB TANTS IN DK STAD. 39 



>Het spijt mij ook wel,'' zeide mijne tante, haar neus wrijvende. »Zoo- 
lang ik hier ben, Trot, is mijn gemoed niet genist geweest." 
£er ik vragen kon waarom, zeide zij het mij. 

»Ik ben overtuigd," zeide mijne tante, en legde met zwaarmoedige 
standvastigheid hare hand op de tafel, » dat Dick geen karakter heeft om 
ezels weg te houden. »Ik ben overtuigd, dat het hem daartoe aan volhar- 
ding ontbreekt Ik had Janet thuis moeten laten, in plaats van hem, en 
dan zou mijn gemoed misschien gerust zijn geweest. Als er ooit een ezel 
over mijn grasveld Hep," zeide mijne tante met nadruk, dan was het 
dezen middag om vier uren. Ik kreeg eene koude rilling van het hoofd 
tot de voeten, en ik weet zeker, dat het een ezel was !" 

Ik poogde haar in dit opzicht te troosten, maar zij verwierp alle troost. 
9 Het was een ezel," zeide mijne tante, >en het was die met den ge- 
knotten staart, waarop de moordenaarszuster reed, toen zij bij mij aan 
huis kwam." Dit was sedert de eenige naam geweest, dien mijne tante 
juffirouw Murdstone ooit wilde geven. »Als er een ezel te Dover is, 
wiensonbeschaamdheidmij zwaarder te dra^en valt dan van een ander," 
zeide mijne tante, op de tafel slaande^ »dan is het dat beest." 

Janet waagde de aanmerking, dat mijne tante zich misschien noodeloos 
ontrtistte, en zij meende, dat de bedoelde ezel tegenwoordig gebezigd 
werd om zand en aarde te dragen, zoodat hij niet wel ^ebruikt kon wor- 
den om het grasperk te schenden. Maar mijne tante wilde niets daarvan 
hocren. 

Het souper werd opgezet, lekker en heet, hoewel de kamers mijner 
tante zeer hoog waren — of zij die zoo gekozen had om des te meer stee- 
nen trappenvoor haar geld te hebben, of om des te dichter bij het luikin 
het dak te zijn, weet ik niet — en bestond uit een gebraden hoentje, een 
biefetuk en groenten, waaraan ik niimschoots eer bewees, en dat ik alles 
nitmuntend vond. Doch mijne tante had hare eigene gedachten over 
Londensche levensmiddelen, en at maar weinig. 

»]k denk wel, dat die ongelukkige kip in een kelder geboren en groot 
gebracht is," zeide mijne tante, » en nooitlucht heeft gescheptbehalve 
op een koetsenveer. Niets is hier echt, naar mijne ^edachten^behalve het 
vuil." — »Denkt ge dan niet, dat de kip misschien van bmten kan zijn 
gekomen, tante?" opperde ik. — iZekerlijk niet," antwoordde mijne 
tante. »Geen Londensch winkelier zou er pleizier in hebben om lets te 
verkoopen, dat werkelijk was waarvoor hij het uitgafl" 

Ik waagde het niet deze meening tegen te spreken, maar at met smaak, 
en zij zag mij dit met groot genoegen doen. Toen de tafel afgenomen 
was, hielp Janet mijne tante hare haren in orde brengen, hare nachtmuts 
opzetten, die zwieriger van fatsoen was dan gewoonlijk (»ingeval van 
brand," zeide mijne tante), en hare japon over hare knieen tenigslaan, 
hetgeen hare gewone toebereidselen waren om zich te warmen eer zij 
naar bed ging. Toen maakte ik, volgens zekere vaste regelen, waarvan 
nooit eenige aiwijking, hoe gering ook, kon worden toegelaten, een glas 
heeten witten wijn met water en een sneedje geroosterd brood, aan lange 
smalle reepjes gesneden, voor haar gereed. Dit gedaan zijnde liet men 



40 DAVID COPPERFIELD. 



ons alleen om verder den avond te slijten, terwijl mijne tante, die i. 
over mij gezeten haar wijn met water dronk, en hare reepjes broo< 
voor een daarin weekte, eer zij ze opat, mij onder de strooken h 
nachtmuts welwillend aankeek. 

»Wel, Trot," begon zij, »wat denkt gij van dat proctor-worden 
hebt gij er geheel nog niet over gedacht ?" — »Ik heb er veel over 
dacht, lieve tante, en er ook met Steerforth over gepraat. Ik heb er v 
zin in. Het bevalt mij buitengemeen." — »Kom aan !" zeide mijne tai 
»Dat is pleizierig !" — »Ik heb maar 66n bezwaar, tante." — >En wa 
dat, Trot?'* — » Wei, ik wilde u vragen, tante, daar dit, naar ik hoor, ' 
gesloten vak schijnt te zijn, of het niet veel zou kosten om er mij ii 
doen opnemenf" — »Uw diploma," antwoordde mijne tante, >zali 
duizend pond kostenj" — >Nu, lieve tante," zeide ik, mijn stoeldic 
terbij schuivende, >is mijn gemoed in dit opzicht niet gerust Dat is eene 
groote som gelds. Gij hebt veel aan mijne opvoedingbesteed, en zijt in 
alle opzichten altijd zoo mild voor mij geweest, als het maar mogelijk 
was te zijn. Gij zijt de edelmoedigheid zelve geweest. Er zijn zeker nog 
vele manieren, waarop ik bijna zonder uitschot een beroep zou kunnen 
leeren, en toch met goede hoop beginnen om door inspanning en vol- 
harding vooruit te komen. Zijt ge wel zeker of het niet beter zou zijn het 
op dien voet te beproeven ? Zijt ge wel zeker, dat ge zooveel geld kunt 
missen, en dat het welgedaan is het daaraan te besteden ? Ik wi^ u, mijne 
tweede moeder, alleen maar vragen om dat te bedenken. Zijt ge er wd 
zeker van ?" 

Mijne tante at eerst het stukjejbrood op waarmede zij toen bezig was, 
terwijl zij mij ondertusschen vlak in het gezicht keek, zette toen haarglas 
op den schoorsteenmantel| vouwde hare handen over haar opgeslagen 
rok, en antwoordde als volgt : 

» Trot, mijn kind, als ik eenig doel in het leven heb, is het om te zorgen, 
dat gij een goed, een verstandig en gelukkig mensch wordt. Daarop ben 
ik gesteld — en Dick insgelijks. Ik zou wel willen, dat sommige men- 
schen, die ik ken, Dicl^eens daarover hoorden spreken. Zijne schrandcr- 
heid is verwonderlijk. Maar niemand kent de geestvermogens van dien 
man, behalve ik." 

Zij hield even op om mijne hand tusschen beide de hare te nemen en 
vervolgde : 

»Het is nutteloos, Trot, het verledene in het geheugen te roepen, of 
het moest eenigen invloed op het tegenwoordige hebben. Misschien had 
ik raeer vriendschap met uw armen vader kunnen houden. Misschien 
had ik meer vriendschap met dat arme kind, uwe moeder, kunnen hoU- 
den, zelfs nadat uwe zuster, Betsey Trotwood, mij te leur gesteld had. 
Toen ^j bij mij kwaamt, een kleine weglooper, overal vuil en bestoft, 
dacht ik misschien daarom. Van dien tijd af tot nu toe, Trot, zijt ge mij 
altijd tot eer geweest, mijn trots en mijne blijdschap. Ik heb niemand, 
die eenige aanspraak op mijn goed kan maken ; ten minste" — tot mijne 
verwondering haperde zij hier en werdverlegen — >neen,ik heb nie- 
mand anders, die billijk aanspraak op mijn goed kan maken — en gij 







HBT GEHBIM MIJNER XANTE. 



qt mijn aangenomen kind. Wees maar een lief hcbbend kind voor inij ia 
liJD ouderdom, en heb geduld met mijne luimen en grilten ; en gij zult 
rooT eene oude vrouw, wier beste levenstijd niet zoo gelukkig was als hij 
"felkon geweest zijn, meer doen dan die oude vrouw ooit voor u gedaan 
3eeft." 

Dit was de eerste maal, dat ik mijne tante iets van hare vroegere ge- 
Khiedenis hoorde zeggen. Er was iets grootmoedigs in de kalmte, waar- 
xede lij dit nu deed en er weder van a&tapte, die haar, zoo iets dit had 
cunnen doen, nog hooger in mijoe achting en genegenheid zou hebben 
loen rijzeD. 

» Altes is nu tusschen ons afgesproken en begrepen, Trot," zcide mijne 
ante, lenwij behoeven niet meer hieroverte spreken. Geefnuj een kus, 
31 wij zullen morgen na het ontbijt naar Commons gaan." 

Wij hadden eer wij naar bed gingen nog lang bij het vuur zitten pra- 
en. Ik sUep in eene kamer op dezelfde verdieping als die mijoer tante, 
m mijne nachtrust was niet ongestoord, daar zij, zoo dikwijlshet gerucht 
fan huurkoetsen of karren, die naar de raarkt reden, haar ontrustte, aan 
nijne dcur klopte en vroeg : »0f ik de brandspuiten niet hoorde rijden?" 
3och tegen den ochtend sliep zij beter, en liet zij mij dit ook doen. 

Tegen den middag begaven wij ons op weg naar het kantoor van de 
leercn Spenlow en Jorkins in Doctor's Commons. Mijne tante, die ten 
taniien van L o n d e n nog geloofde, dat ieder man, dien zij zag, een zak- 
kearoUer was, gaf mij hare beurs tc bewaren, waarin zij, behalve wat 
diver, tien guinjes had. 

Wij bleven voor den speelgoedwinkel in Fleet-Street stilstaan,om 
de reuzen der St-Dunstanskerk op de klokken te zien slaan — wij hadden 
ODzen tijd van heengaan zoodanig genonien, dat wij hen juist om twaalf 
Vie daarbij moesten betrappen — en wandelden toen verder naar L u d- 
gate Hill en St. Paul's kerkhof. Wij hadden juist de eerstgenoemde 
pSek bereikt, toen ik bevond dat mijne tante hare schreden op eens ver- 
aelde en zeer verschrikt keek, Te gelijk merkte ik op, dat een slecht ge- 
Ueed man met een brutaal gezicht, die even te voren, toen hij ons 
^rbijging, was blijven staan om ons aan te kijken, ons nu zoo dicht 
>chterop kwaro, dat hij haar een duw gaf, 

_ »Trot ! mijn beste Trot !" Eeide mijne tante, angstig fluisterend en mij 
in den arm knijpende. i Ik weet niet wat ik doen zal." ~ » Schrik maar 
"jet," zeide ik. "Er is niets om bang voor te zijn. Ga maar een winkel 
wnnen, dan zal ik dien kerel wel gauw wegjagen." — »Neen, neen, 
kind," antwoordde zij. iSpreek, om de geheele wereld, niet tegen hem. 
t)ubidiku;datgela3tiku." — »Goede hemel, tante?" zeide ik. iHijis 
Bttar een onbeschaamde bedelaar, anders niet." — » Gij weet niet wat 
Wj is,"" antwoordde mijne tante. )Gij weet niet wie hij is. Gij weet niet 
»at gij zegt." 

Wij waren ondertusschen in een tedigegang blijven staan,en hij was 
Ook blijven staan. 

> Zie hem niet aan," zeide mijne tante, toen ik met driltige verontwaar- 
diging mijn hoofd omkeerde, > maar haal mij eene koets, beste jongen, 



42 DAVID COPPERFIELD. 



en wacht naar mij op St. Paul's kerkhof." — »Naaruwachten?"her- 
haalde ik. — »Ja," antwoordde mijne tante. »Ik moet alleen gaan. Ik 
moet met hem medegaan/' — »Met hem, tante ? Met dien man ?" — >Ik 
ben wel bij mijne zinnen/' antwoordde zij, »en ik zegudit^ikmoet. 
Haal mij eene koets.'' 

Hoe verbaasd ik ook wezen mocht, begreep ik toch dat ik niet weige- 
ren mocht zulk een stellig bevel te gehoorzamen. Ik liep eenige voetstap- 
pen ver en riep eene huurkoets aan, die ledig voorbijkwam. Bijna eer ik 
de trede kon neerslaan, sprong mijne tante er in, ik weet niet hoe, en die 
man volgde. Zij wenkte met de hand dat ik zou heengaan, zoo ernstig, 
dat ik, hoe verbluft ik ook wezen mocht, mij terstond van hen afkeerde. 
Terwijl ik dit deed, hoorde ik haar tegen den koetsier zeggen: »Rijd 
maar voort ! Recht vooruit maar !" en weldra reed de koets mij voorbij, 
tegen de hoogte op. 

Wat mijnheer Dick mij gezegd had, en ik toen voor eene inbeelding 
van hem had gehouden, kwam mij nu voor den geest. Ik kon er niet aan 
twijfelen, of deze persoon was dezelfde van wien hij zulk eene geheim- 
zinnige melding had gemaakt, schoon ik mij volstrekt niet kon verbeel- 
den van welken aard zijne macht over mijne tante kon wezen. Nadat ik een 
half uur ophetkerkhof had staan bekoelen, zag ik de koets terugkomen. 

De koetsier hield bij mij op, en mijne tante zat er alleen in. Zij was nog 
niet genoeg van hare ontroering bekomen om terstond het bezoek te 
kunnen afleggen, waartoe wij waren uitgegaan. Zij verzocht mij om in de 
koets te komen en den koetsier te zeggen om nog eene poos op en neer 
te rijden. Verder zeide zij niets, behalve : >Mijn lief kind, vraag mij nooit 
wat het was, en spreek er niet van," totdat zij hare bedaardheid geheel 
had herkregen, wanneer zij mij zeide, dat zij nuweder bij zich zelve was 
en wij konden afstappen. Toen zij mij hare beurs gaf om den koetsier te 
betalen, bevond ik, dat al de guinjes weg waren en zij alleen het zil vergeld 
had overgehouden. 

Wij naderden Doctors' Commons door eene kleine lage poort.Eerwij 
vele schreden ver de straat achter die poort waren opgegaan, scheen het 
gerucht der stad als door tooverij weg te smelten, alsof het zeer ver weg 
was. Eenige stille pleintjes en smalle doorgangen brachten ons aan het 
met een lantarenvenster verlichte kantoor van Spenlow en Jorkins ; en 
in het portaal van dezen tempel, voor alle pelgrims toegankelijk, 
zonder de ceremonie van aankloppen, waren drie of vier klerken als 
kopiisten aan het werk. Een van deze, een klein uitgedroogd manneke, 
dat alleen zat en eene stijve bruine pruik droeg, die er uitzag alsof zij van 
koek gemaak was, stond op om mijne tante te ontvangen en ons in de 
kamer van mijnheer Spenlow te laten. 

> Mijnheer Spenlow is in het Hof, mejuflfrouw," zeide het uit^droogde 
manneke, > want het is zittingdag; maar het is vlak hierbij, en ik zal hem 
dadelijk laten roepen." 

Daar wij alleen gelaten werden en dus vrij in het rond konden zien, 
terwijl mijnheer Spenlow geroepen werd, maakte ik van deze gelegen- 
heid gebruik. De meubelen in de kamer waren ouderwetsch en zeer 







DB ONVBRZETnLIJKE JORKlflS. 4J 

bcstofl; het groene baai op deschrijAafelhadallekleurverloren. Een 
unUl bundeltjeii papieren lagen daarop, ieder met een opschrifV. Som- 
mige waren Allegation, sommige (tot tnijne verwoodenng) Libellen, 
sommige bcboorden in het Consistoriale Hof^ sommige in bet Arches- 
Hof, sommige in het Hof van Prerogatieven, sommige in het Admirali- 
teits-Hof, sommige in het Hof vanGedelegeerden; hetgeen mij aanleiding 
gaf om mij te vcrwonderen, hoeveel Hoven er over het geheel wel eou- 
den Eijn, en hoe langco tijd ik noodig zou hebben om dat alles te 
begrijpen. Bovendien waren er eenige ontzaglijke geschrevene boekcB 
vol getuigenverhooreti, in sterke banden en bij stapels sameogebonden, 
eeD stapel voor elke zaak, alsof elke zaak een geschiedenis in den of 
twintig deelen was. Dit alles zag er, naar mij dacht, tamelijk kostbaar uit, 
en gaf mij eene aangename voorstelling van het proctors beroep. Ik 
liet met toenemend welgevallen mijne oogen over|deze en vele dergelijke 
voorwerpen rondgaan, toen wij haasdgc voetstappen in de voorkamer 
hoorden, en mijnheer Spenlow, in een xwarten labbaard met wit bont 
bezet, driftig binnentrad, en al binnenkomende zijn hoed a&iam. 

Hij was een kort heeitje, metlichthaai, onberispelijkelaarzenende 
allerfijnste van alle witte dassen en halsboordjes. Zijne kleeren waren 
seer dicht en stijf toegeknoopt, en hij moet zich veel moeite met zijne 
bakkebaarden hebben gegeven, die allerkeurigst gekruld waren. Zijn 
gouden horloge ketting was zoo zwaar, dat er een inval bij mij opkwam, 
dat hij wel een gespierden gouden arm had mogen hebben, gelijk men 
boven de deur van een ^oudslager ziet, om dien ketting uit te trekken- 
Bij was zoo net en zoo stijf, dat tSj zich nauwelijks kon buigen ; en toen 
hij, na zich op zijn stoel te hebben gezet, naar eenige papieren op zijn 
lessenaar wilde kijken, was hij genooozaakt om met geheel zijn lijf, evea- 
als Punch doet, voorover te zwaaien. 

Ik was reeds door mijne tante gepresenteerd en met vriendelijke 
beleefdheid ontvangen. Nu zeide bij : 

>En dus, mijnheer Copperfield,denktgij in onsberoeptetreden? Ik 
heb mejuffrouw Trotwood toevallig gezegd, toen ik laatst het genoegen 
had van haar te spreken" — wederom een zwaai met geheel zijn lij^ 
evenals Punch — >dat hier eene plaats vacant was. Mejuffrouw Trot- 
wood was toen zoo goed om te zeggen, dat zij een neef had, die hare 
bijzondere zorg genoot en wien zij een fatsoenlijk beroep wenschte te 
bezorgen. Dien neef, geloof ik, heb ik nu het genoegen om" — wederom 
zag ik Punch. 

Ik boog insgelijks en zcide, dat mijne tante mij gezegd had, dat er 
zulk eene gelegenheid bestond, en dat ik geloofde er veel smaak in te 
zullen hebben. Dat ik mijn best zou doen om er smaak in te krijgen, ea 
dat ik het voorstel dadelijk had aangenomen. Dat ik echter niet vast kon 
beloven er smaak in te zullen krijgen, eer ik er iels meer van wist. Dat 
ik, hoewel het weinig anders dan eene formaliteit was, toch vermeende, 
dat ik gelegenheid zou hebben om te beproeven hoe het mij bevicl, eer 
ik er mij onherroepelijk toe verbond. 

»0 wel zeker, wel zeker," zeide mijnheer Spenlow. iWij bewilligen 



44 DAVID COPPERFIELD. 



aan dit kantoor altijd eene maand tot proef. Ik zelf zou gaarne twee 
maanden voorstellen — of drie — oi zelfs een onbepaalden tijd — maar 
ik heb een compagnon — mijnheer Jorkins." — »£n de premie, mijn- 
heer," hervatte ik, »is duizend pond." — »De premie, het zegelrecht 
daaronder begrepen, is duizend pond," zeide mijnheer Spenlow. >Gelijk 
ik mejufFrouw Totwood reeds heb gezegd, word ik door geene baatzucht 
gedreven; weinig menschen minder geloof ik; maar mijnheer Jorkins 
heefl zijne begrippen dienaangaande, en ik moet de begrippen van mijn- 
heer Jorkins eenigszins ontzien. Mijnheer Jorkins, kortom, vindt duizend 
pond te weinig." — »Ik zou haast denken, mijnheer," hervatte ik, altijd 
verlangend om mijne tante te sparen, > dat het hier geene gewoonte is, 
als een geagre^erd klerk zich buitengemeen bruikbaar toonde en zich 
▼olmaakt meester van zijn vak maakte" — ik kon niet nalaten te blozen, 
dit geleek zoozeer naar eigen lof — » dat het dan toch geene gewoonte is 
om hem in de laatste jaren van zijn tijd een..." 

Mijnheer Spenlow lichtte met groote moeite zijn hoofd ver genoeg uit 
zijne das op om het te schudden, en antwoprdde, mijne laatste woorden 
voorkomende, die >salaris te geven" zouden geweest zijn : 

» Neen. Ik wil niet zeggen hoe ik zelf over dat punt zou denken, mijn- 
heer Copperfield, als ik niet gebonden was; maar mijnheer Jorkins is in 
dat opzicht onverzettelijk." 

Ik werd werkelijk bang voor dien vreeselijken Jorkins. Maar ik bevond 
naderhand, dat hij een zeer zachtzinnig man was, logvangestel,dieniets 
anders in de zaken te doen had, dan zich op den achtergrond tehoudes^ 
en zich gedurig als den onbarmhartigsten en hardnekkigsten van aUe 
menschen te laten voorstellen. Als een klerk eene verhooging van salaris 
verlangde, wilde mijnheer Jorkins er niet van hooren. Als een client wat 
draalde met het betalen zijner rekening van kosten^ wilde mijnheer Jor- 
kins zonder uitstel betaling hebben ; en hoe smartelijk zulke dingen ook 
voor het gevoel van mijnheer Spenlow mochten zijn (en altijd waren), 
mijnheer Jorkins had geene genade. Het hart en de hand van den engel- 
achtigen Spenlow zouden altijd open zijn geweest, als die duivelachtige 
Jorkins het niet had belet. Toen ik ouder werd, meen ik er ondervinding 
van gehad te hebben, dat er nog andere kantoren zijn, die hunne zaken 
op den voet van Spenlow en Jorkins behandelen. 

Het werd afgesproken, dat ik, zoodra ik maar verkoos, mijne proef- 
maand zou begmnen, en dat mijne tante niet zoo langin de stad behoefde 
te blijven of na verloop van dien tijd terugkomen, daar het contract, 
waarvan ik het onderwerp was, haar gemakkelijk ter teekening aan huis 
kon worden gezonden. Toen wij zpo ver gekomen waren, bood mijnheer 
Spenlow mij aan om mij dadelijk eens naar het Hof te brengen en mij 
te laten kijken hoe het er uitzag. Daar ik dit gaarne genoec wilde weten, 
gingen wij met dat oogmerk heen, mijne tante achterlatende, die zich, 
zeide zij, daar niet wilde wagen, en, geloof ik, alle gerechtshoven voor 
een soort van buskruitmolens hield, die ieder oogenblik in de lucht kon- 
den vliegen. 

Mijnheer Spenlow bracht mij over een pleintje, met deftige huizen 



n 



i^ 



MYNHEER SPENLOW BRSNGT MU IN HEX HOF. 45 



t, die ik uit de doctorale namen aan de deuren begreep, dat de offi- 

eele woonplaatsen der geleerdcadvocaten waren, waarvan Steerforth 

ij gesproken had ; en verder naar een groot, somber vertrek^ dat, naar 

Ij dacht, veel van eene kapel had, aan de linkerhand. Het boveneinde 

zer zaal was van het overige door een hek afgezonderd, en daar, aan 

ide zijden van eene verhevenheid, die het fatsoen van een hoefijzer 

d, zaten op gemakkelijke ouderwetsche kussenstoelen eenige heeren 

It roode tabbaarden en grijze pruiken, die ik bevond dat de bovenge- 

slde doctors waren. Over een lessenaartje^ naar den lessen aar van een 

^^^eckstoel gelijkend, in het midden van het hoefijzer, been kijkende, zat 

fe^Mi oud heer, dien ik, als ik hem in een vogelhuis had gezien, zeker voor 

^^n uil zou hebben gehouden, maar die, naar ik vemam, de presidee- 

^^^^nde rechter was. In de ruimte, binnen het hoefijzer, lager dan dit, na- 

"Jaelijk bijna gelijk met den vloer, waren eenige andere heeren van mijn- 

^^!^«cr Spenlow's rang en, evenals hij, in zwarte tabbaarden met wit bont 

. Sekleed, die aan eene lange, groene tafel zaten. Hunne dassen waren 

: 5^er het algemeen stijf, naar mij dacht, en hunne blikken trotsch; maar 

^ het laatste opzicht begreep ik weldra dat ik hun onrecht had gedaan, 

^ant toen twee of drie van hen moesten opstaan en eene vraag van den 

* ^lesideerenden machthebber beantwoorden, heb ik nooit menschen ge- 

? ^, die schaapachtiger keken. Het publiek, vertegenwoordigd door een 

t jongen met eene bouSante om, en een kaal fatsoenlijk man, die heimelijk 

i beschtdtkruimels uit zijne rokzakken at, stond zich bij eene kachel in het 

f midden van het Hof te warmen. De kwijnende stilte in de zaal werd alleen 

f door het snorren van die kachel en de stem van een der doctors gestoord, 

die langzaam door eene geheele bibliotheek van bewijsstukken kuierde, 

en nu en dan stilhield om zich in een herbergje aan den weg met wat 

redeneeren te verpoozen. Over het geheel heb ik nergens anders in geheel 

mijn leven zulk een droomerig en dodderig familie-partijtjebijgewoond: 

en ik begreep, dat het voor een jon^ensch zoogoed als een kalmeerend 

middeltje moest wezen met deze lieden in betrekking te komen — be- 

baive misschien als client. 

Zecr weltevreden over het droomerige van dat afgelegen plekje, onder- 
Tjchtte ik mijnheer Spenlow, dat ik voor het oogenblik genoeg had ge- 
zien, en begaven wij ons weder naar mijne tante, met welke ik weldra 
hcenging. Toen ik bij Spenlow en Jorkins de voorkamer doorkwam, ge- 
Yoelde ik mij weder zeer jong, daar de klerken elkander met hunne peh- 
ncn aanstieten om naar mij te wijzen. 
Wij bereikten Lincoln 'sInnFields zonder eenig nieuw avontuur, 
^ behalve dat wij een ongelukkigen ezel voor een groenlenkarretje ont- 
t nioetten, die bij mijne tante pijnlijke herinneringen opwekte. Wij hadden, 
veilig in ons logement gezeten, nog een lang gesprek over mijne voor- 
> uitzichten, en daar ik wist, dat zij verlangend was om naar huis te komen, 
I en met de akeligheden van brand, het vervalschte eten en de zakkenrol- 
I iers, te Londen geen half uur op haar gemak kon zijn, drong ik haar om 
zich over mij niet ongerust te maken, maar mij maar voor mij zelven te 
laten zorgen. 



46 DAVID COPPERFIBLD. 



»Ik ben niet, nu morgen, eene week lang hier geweest, beste jongea, 
zonder ook daarom te denken," antwoordde zij. ȣr zijn in de Adelphi 
gemeubileerde kamers te huur, Trot, die ik geloof dat juist goed voor n 
moeten zijn." 

Met deze korte inleiding, haalde zij eene advertentie uit haar zak, 
zorgvuldig uit eene courant geknipt^ inhoudende, dat er in Bucking- 
h a m-S t r e e t in de Adelphi bijzonder welgelegene gemeubileerde kamers 
te huur waren, zoogoed als eeneafzonderlijkefatsoenlijke woning, inzon- 
derheidgeschikt vooreen jong heer, aan een der gerechtshoven of elders 
werkzaam. Dadelijk te betrekken, conditiesbillijk, en ook desnoods voor 
slechts eene maand te bekomen. 

» Wei tante, dat is juist de zaak," zeide ik, blozende van genoegen bij 
het mogelijke vooruitzicht om deftig op kamers te wonen. — > Kom dan," 
zeide mijne tante, terstond den hoed weder opzettende dien zij pas had 
afgezet. > Wij zullen er maar eens naar gaan kijken." 

Wij gingen. Volgens de advertentie moesten wij ons aan het huis zclf 
bij jufFrouw Crupp vervoegen, en wij schelden aan het onderhuis, waar 
wij meenden dat juffrouw Crupp te bevragen zou zijn. Het was niet voor- 
dat wij drie- of viermaaal gescheld hadden, dat wij jufFrouw Crupp kon- 
den bewegen om ons te woord te staan ; maar eindelijk verscheen zij toch, 
eene zwaarlijvige dame, wier flanellen onderrojt met een rand onder hare 
nankingsche japon uitkwam. 

iLaten wij die kamers van u eens zien, als h/st u belieft, juffrouw," 
zeide mijne tante. — > Voor dezen heer ?" zeide juffrouw Crupp, in haar 
zak naar hare sleutels zoekende. — > Ja, voor mijn neef," zeide mijne 
tante. — >En ik geloof, dat zij voor hem juist allcrliefst zullen zijn," 
merkte juffrouw Crupp aan. 

Wij gingen dus naar boven, 

De kamers waren geheel boven in huis — eene groote aanbeveling bij 
mijne tante, daar men dus spoedig op het dak kon komen — en beston- 
den uit een half donker portaaltje, waar men bijna niets kon zien, een 
stikdonker provisiekamertje, waar men geheel niets kon zien, eene zit- 
kamer en eene slaapkamer. De meubelen waren oud, maar voor mij toch 
goed genoeg ; en zeker, uit de vcnsters zag men de rivier. 

Daar de kamers mij uitmuntend bevielen, gingen mijne tante en juf- 
frouw Crupp naar het provisiekamertje om over de condities te spreken, 
terwijl ik in de zitkamer opdesofableefwachten,hetnauwelijksmogelijk 
achtende, dat ik zulk eene deftige woning zou krijgen. Na een duel van 
cenigen duur kwamen zij terug, en ik zag, tot mijne blijdschap, zoowel 
aan het gezicht van juffrouw Crupp als aan dat mijner tante, dat de zaak 
geschikt was. 

»Is dit hetzelfde meublement van den laatsten bewoner ?" vroeg mijne 
tante. — >Ja, juffrouw," antwoordde juffrouw Crupp. — »Waarishij 
naar toe gegaan ?" vroeg mijne tante. 

Hier werd juffrouw Crupp door een lasligen hoest overvallen, waar- 
onder zij met groote moeite uitbracht : » Hij is hier ziek geworden, juf- 
frouw, en — hoe! hoe! hoe! och Heere! — en gestorven." — >Zoo! 



o 



Wljm KAHKRS. 47 



Waaraan is hij gestorven?" vroeg mijne tante. — *Wel,juffrouw, aaa 
bet diinken," antwoordde juffrouw Crupp in vertrauwen, tenhetroo- 
ken." — iRooken^Gij meeotdeschoorsteenen tochtiiet?"zeidemijiie 
taote. — iNeeD, jufiirouw," aDtwoordde juffrouw Cnipp. — »Dat is in 
alien gevalle nieC aanstekelijk, Trot," merkte mijne tante, zich naar mij 
keerende daarop aan. — >Neen, zeker niet," zeide ik. 

Kortom, mijne tante, ziende hoe ik met de kamers was ingenomen, 
oaai ze voor eene maand, met een jaar optie als die djd om was.Juffrauw 
Cnipp zou tafel- en beddegoed bezorgen, en voor mij koken; voor al 
het ovcrigc was reeds gezorgd; en juffrouw Cmpp zeide uitdrukkelijk, 
dat zij altijd een hart voor mij zou hebben alsof ik liaar zoon was. Ik zou 
twee dagen later mijne woning betrekken, en juf&otiw Crupp dankte, 
naar zij zeide, den Memel, dat zij iemand gevonden had voor wien zi] 
kon zoi]geD. 

Terwijl wij naar ons logement gingen, onderrichtte mijne tante mij, 
dat zij vast booptc en geloofde, dat het leven, hetwelk ik nu kou kiijgen, 
mij vastheid en zclfvertrouwcn zou geven, hetgeen alles was wat mij nog 
ontbrak. Zij herhaalde dit des anderen daags nog verscheidene malen, 
terwijl wij schikkiogen maakten om mijne klecren en boeken van mijn- 
heer Wickfield tc latcn koracn, waarovcr ik, alsmedc over mijne geheele 
rds, een langen brief aan Agnes schreef, dicn mijne tante medenara, daar 
tij des anderen daags zou vcrtrekken. Om niet te lang over deze bijzon- 
derbeden uit te weiden, moet ik er nog maar bijvoegea, dat zij rijkelijk 
lorgde voor alles wat ik in mijne proefmaand kon noodig hebben ; dat 
Steerforth, tot mijne groote teleurstelling en de hare insgelijks, zich voor 
haar vertrek niet liet zien, dat ik haar veilig met de diligence naar Dover 
zag wegrijden, zich streelende met de gedachte hoe de esels nu weder 
zouden wordenweggejaagd, en met Janet naast haar; enhoeik, toen de 
diligence uit het gezicht was, mijne schreden naar de Adelphi richtte, 
mijmerend over de oude dagen toen ik daar door de onderaardsche 
bogen placht te dwalen, en de gelukkige veranderingen, die mij zoo 
faoog boven den grond hadden doen komen. 



XXIV. 

HIJNB EER5TB fitJITB^^SPORlGHEID. 

Het was iets heerlijks eenig eigenaar te zijn van dat verbevene kasteel, 
«n als ik mijne buitendeur gesloten had een gevoel te hebben gelijk 
Robinson Crusoe, wanneer hij zijne verschansing was binncngegaan en 
rijne ladder achter zich opgetrokken had. Het was iets heerlijks door de 
stad te wandelen, met mijn huissleutel in mijn zak, en te weten, dat ik 
iedereen kon vragen om met mij naar huis te gaan, en er zeker van te 
zijn, dat hij nieraand ongelegen zou komen, als hij mij zelven maar niet 
ongelegen kwam. Het was lets heerlijks mij zelven in- en uit te laten, en 
te komen en te gaan, zonder iemand iets te zeggen of te vragen, en om 




48 DAVID COPPERFIELD. 



jufTrouw Crupp te schellen, en haar als ik haar noodig had — en als zij 
genegen was om te komen — hijgende uit de diepten der aarde te docn 
oprijzen. Dat alles, zeg ik, was iets heerlijks; maar ik moet ook zeggen, 
dat er tijden waren, wanneer het allerakeligst was. 

Heerlijk was het des morgens, vooral op een fraaien ochtend.Bij dag- 
licht was het een zeer frisch en vrij leven; nog vrijer en frisscher bij 
zonneschijn. Maar als de dag afnam, scheen dat leven ook te gaan kwij- 
nen. Ik weet niet hoe het kwam, maar bij kaarslicht zag het er zeldoi 
goed uit. Ik miste dan iemand om mee te praten. Ik miste Agnes dan. In 
de plaats dier vriendelijke bewaarster van mijn vcrtrouwen, vond ik eene 
akelige ledigheid. De afstand tusschen mij en juffrouw Cnipp kwam mij 
zeer groot voor. Ik dacht aan mijn voorganger, die van drmken en roc- 
ken was gestorven; en ik had wel kunnen wenschen, dat hij maar zoo 
goed was geweest van te blijven leven en mij niet met zijn overlijden te 
hinderen. 

Na twee dagen en nachten was het mij alsof ik reeds een jaar daar ge- 
woond had, en toch was ik nog geen uur ouder, maar werd even erg als 
ooit door mijne eigene jeugdigheid geplaagd. 

Daar Steerforth nog niet verscheen, hetgeen mij deed vreezen dat bij 
ziek moest zijn, ging ik op den derden dag vroeg uit de Commons been 
en stapte naar Hihgate. Mevrouw Steerforth was zeer blijde mij te 
zien, en zeide, dat bij met een zijner Oxfordsche vrienden was uitgegaan, 
om een ander te gaan bezoeken, die bij S t. A 1 b a n s woonde, maar dat 
zij hem des anderen daags terug verwachtte. Ik hield zooveel van hem, 
dat ik werkelijk jaloersch werd op zijne Oxfordsche vrienden. 

Daar zij mij drong om te blijven dineeren^ bleef ik, en ik geloof, dat 
wij den geheelen dag over niets praatten dan over hem. Ik zeide haar 
hoeveel de menschen te Yarmouth van hem hielden^ en hoe aange- 
naam bij zich in gezelschap had gemaakt. Juffrouw Dartle was vol ver- 
bloemde wenken en geheimzinnige vragen, maar stelde toch veelbelang 
in alles wat wij gedaan hadden, en zeide zoo dikwijls: > Was het toch 
waarlijk ?" en zoo al meer, dat zij mij alles afperste wat zij verlangde te 
weten. Haar voorkomen was volmaakt eveneens als ik haar beschreven 
heb, toen ik haar voor de eerste maal zag; maar de omgang dezer twee 
dames was zoo aangenaam en mij zoo weinig vreemd, dat ik mij een 
weinigje op haar verliefd voelde worden. Verscheidene malcn in den 
loop van dien avond, en vooral toen ik alleen naar huis ging, kon ik niet 
nalaten te denken, welk een verrukkelijk gezelschap zij in Bucking- 
ham-Street zouzijn. 

Ik zat des morgens bij mijn broodje met koffie, eer ik naar de Commons 
ging — en ik mag bier wel aanmerken, dat het verwonderlijk was hoe- 
veel koffie juflfrouw Crupp gebruikte en hoe slap die toch was — toen 
Steerforth zelf, tot mijne onbeschrijfelijke blijdschap binnentrad. 

»Mijn beste Steerforth," riep ik uit, »ik begon te denken, d^tiku 
nooit zou weerzien." — >Ik werd den anderen ochtend na dat ik thuis 
was gekomen met geweld weggesleept. Wel, Groentje, welk een aardig 
oud-vrijers-leven hebt ge hier !" 



IK BKSLUrr OH EEM DINER TE GETXH. 49 

Ik liet hem, met niet weinig trota, mijoe geheele woning zien, het pro 
▼ifiiekiunertje niet uitgezonrlerd, en hij prees alles ten hoogste. 

■ Dc ul u eens wat zeggen, oudc jongen," voegde hij erbij. *Ik zal 
ttij faier bij u inkwartieren als ik in de stad ben, zookng tot gc mi) 
WcgjaagL" 

Dit was yernikkelijk ora tc hooren. Ik zeide, dat hij, als hij daarop 
mchtte, tot den jongsten dag zou moeten wachten. 

iMaai gij moet zeker nog ontbijten," zeide ik, met mijne hand aan de 
Bchelkoord. >Ik zal jufirouw Cnipp wat versche koftie voor u laten zetten, 
en spek voor u bakken In een kookmachinetje dat ik hier heb." — 
>Neen, neen 1" zeide Steerfbrth. 9Schel maar nietl Ik kan niet Ik moet 
bij een van die snaken gaan ontbijten, die in het Piazza- Hotel, in Co- 
Tent Garden, logeert." - — »Maar gij zult toch bij mij komen elen f" 
zddeik. — lOp mijn woord, ik kan niet. Niets zou ik liever willen, maar 
ik m o e t bij die twee snaken blijven. Wij gaan alte drie morgenochtend 
weder w^." — Breng ze dan hier mede ten eten," antwoorddeik. iDenkt 
ge, dat ze zouden mllen komen?" — >0, dat zouden zij zeker," zeide 
Steerforth, imaar wij zouden u ongelegenheid aandoen. Kom liever met 
onsei^iens dineeren." 

Hierin wilde ik volstrekt niet bewilligen, want nu viel het mij ioj dat 
ik toch waarlijk wel een partijtje mocht geven om mij'ne woning m te 
wijden, en dat ik daartoe nooit beter gele^enheid kon krijgen. Ik was 
DOg veel trotscher op mijne kamers, nu hij ze zoo had geprezen, en 
brandde van verUngen om te toonen hoe ik daar gehecl heer en mcester 
was. Ik drong hem dus in naam zijncr twee vrienden eene stiltc belofte 
a^ en wij bepaaldcn zes ure als het uur van het diner. 

Toen hij been was, schelde ik juftouw Cnipp en maaktc haar bekend 
net tnijn dolzinnig voomemen. Juffrouw Cnipp zeide, vooreerst, dat het 
nstOUrKjk niet van haar te vergen was om aan tafel te dienen, maar dat 
^ «en handig jongmensch wist, dien zij wel dacht daartoe te kunncD 
overfaalen en die daarvoor niet meer dan vijf schellingen zou verlangen, 
terWrlt het in mijne beleefdheid zou staan wat ik hem meer wilde geven. 
Ik wide, dat wij hem zeker moesten aaimemen. Vervolgens zeide jumrouw 
Cilipp, dat uj niet wel op twee plaatsen te gelijk kon zijn (hetgeen ik leer 
In^^ gezegd vond) en dat eene ikleine meid" met eene nachtkaars in 
Het j^oviai&amertie gezet, om daar zonder ophouden borden tewu- 
gcfaen, oMiit^aar zou wezen. Ik vroeg hoeveel de onkosten van znlk eene 
KliAH! meid zouden bedragen^ en ju&ouw Cnipp antwoordde, dat acht- 
tieB«WiTerB, oaar lij dacht, mij niet zou verrij^^n of verarmcn. Ik zeide, 
dat ik dit ook getoofde, en zoo wasdatofgesproken. Daarop zeide juf- 
tMiW Grtii^ : iMnoog het diner." 

H^ WW WQ moOTaardig voorbeeld van gebrek aan overleg bij den 
mUi -^ ittSrtmw O^pp'b keukenhaard had ingericht, dat er volstrdct 
fiM WttdeH op gereedgemaakt kon woiden dan oaselapjes en gestooMe 
J M^M H H au a. >mn MD visdtketel bctrof; zeide jnffrouwCrupp — wBde 
lk«mt*a» naarde nmatE komen k^mf Zq kon niet billijkerffinken. 
TintL Ik'tt maai atabflaar komen kijkcef Daar ik toch niet vedwijcer 



50 DAVID COPPSRFIELD. 



zou zijn geweest, al h a d ik er naar gekeken, bedankte ik daarvoor,e& 
zeide : »Laat de visch maar blijven." Maar juffrouw Crupp zeide. datik 
dit niet zoo zeggen moest ; het was in den oestertijd, en waarom dieniet? 
Zoo was d a t afgesproken. Daarop zeide juffrouw Crupp, dat wat adj tan 
aanraden dit was : £en paar gebraden hoentjes, warm — van den kok; 
cen schotel gestoofd rundvleesch, met groenten — van den kok ; twee 
dingetjes om te flankeeren, zooals bij voorbeeldeenpasteitjeeneenscho- 
teltje nieren — van den kok; een taart en (als ik daarvan hield) ecDe 
gelei — van den kok. Dit, zeide juf&ouw Crupp, zou haar tijd laten om 
al hare attentie aan de aardappelen te geven, en de kaas en de selderij 
zoo voor te dienen, als zij wel wenschen zou dat het altijd gedaan werd 

Ik volgde den raad van jufFrouw Crupp en deed zelf de bestelling bij 
den kok. Naderhand het Strand langs wandelende en voor het venster 
van een vleeschwinkel eene harde, geplekte zellistandigheid ziende, die 
naar marmer geleek, maar volgens een briefje daarop »Mock Turde^'' 
(zoogenaamde schilpadsoep) was, ging ik binnen en kocht eene schijf 
daarvan, welke, gelijk ik later meende te begrijpen, voor vijftien perso- 
nen genoeg zou z^n geweest. Na eenig bezwaar aanvaardde jufifrouw 
Crupp de taak om dit praeparaat op te warmen, maar bij het vloeibaar 
worden kromp het zoodanig, dat wij het voor vier wel wat weinig vonden. 

Deze toebereidselen gelukkig voltooid hebbende, kocht ik op de 
markt van Covent Garden een dessertje en deed bij een slijter in die 
buurt eene tamelijk ruime bestelling van wijn. Toen ik in den namiddag 
thuis kwam en de flesschen in het provisiekamertje in een vierkant op 
den grond zag staan, vondik ze zooveel (schoon er twee te weinig waren, 
waarover juffrouw Crupp zeer verdrietig was), dat ik er werkelijk van 
schrikte. 

Een van Steerforth's vrienden heette Gramger, en de andere Markham. 
Beiden waren zeer vroolijke en levendige jongens ; Grainger was ouder 
dan Steerforth, terwijl Markham er jeugdiger uitzag en niet ouder dan 
twintig scheen. Ik merkte op, dat de laatste altijd in het onbepaalde van 
zich zelven sprak, als »iemand," en zelden of nooit den eersten persoon 
enkelvoudig gebruikte. 

K » lemand zou het hier zeer naar zijn zin hebben, mijnheer Copperfield," 
zeide Markham, zich zelven bedoelende. — >De stand is niet kwaad,^ 
zeide ik, »en de kamers zijn inderdaad gemakkelijk.'' — »Ik hoop, dat 
ge beiden een goeden eetlust hebt medegebracht?" zeide Steerfoith. — 
>Op mijn woord," liet Markham hierop volgen, »Londen schijnt 
iemands eetlust op te scherpen. lemand heeft hier dengeheelendaghon- 
gcr. lemand eet hier zosder ophouden." 

In het eerst eenigszins verlegen, en mij veeltejonggevoelendeom 
zelf aan het hoofd mijner tafel te zitten, liet ik, toen het diner gereed was, 
Steerforth daar plaats nemen, en zette mij tegenover hem. Alles was zeer 
goed ; wij spaarden den wijn niet ; en Steerforth deed zoo schitterend zijn 
best om de zaak goed aan den gang te houden, dat er geen oogenbuk 
van verpoozing in onze feestvreugde kwam. Ik zelf was onder denmaal- 
tijd niet zoo geestig en spraakzaam als ik wel had kunnen wenschen^ 



IK DRINK TB VEZL. jl 

-want loiJD stoel stond vlak over de deur, en mijne aandadit werd ver- ' 
strooid door de opmerking, dat bet handige jonge mensch zeer dtkwijb 
de kamcr uitging, en dat dait terstond daarna zijne schaduw op den muur 
Tan het portaal dcbtbaar werd, met eene flesch voor den mond. De 
kleine meid veroorzaakte mij ook eenige onrust, niet zoozeer doordat zij 
verzuimde de borden te wasschen als wel door ze te breken. Want daar 
zij wat nieuwsgierig van aard was, en daardoor niet (gelijk haar stellig 
was belast) in het provisiekamertje kon blijven, kwam zij telkens bij de 
deur naar ons kijken, en veibeeldde eich dan telkens, dat zij betiapt 
werd; in wclke verbeelding zij verscheidene malen over de bomen been 
wcgliep (waannede zij den grond zoigvuldig geplaveid had) en eene 
groote vcTwoesting aanrichtte. 

Dit waien echtei kleine onaangenaamheden en gemakkelijk vergeten, 
tocn dc tafel afgenotnen en het dessert opgezetwas^opwelktijdsge- 
wricht in het fecst ik de ontdekking deed, dat het handige jonge mensch 
sprakeloos was geworden. Hem heimelijk last gevende ora jufirouw Crupp 
gezelschap te gaan houden en de kleine meid insgelijks naar de kelder- 
verdieping mede te nemen, gaf ik mij geheel aan de vreugde over. 

Ik begon met bijzondcr opgemimd en luchthartig te zijn ; allerlei half- 
vergeten dmgen, gescbikt om over tepraten, kwamen raij te gelijk voor 
den geest en maakten mij buitengewoon spraakzaam. Iklachtehartelijfc 
om mijne eigcne aardigheden en die vanaldeanderenjriepSteerforthtot 
de orde omdat hij de flesch niet liet rondgaan ; maakte verscheidene af- 
spraken om naar Oxford tekomen; verklaardedatikvoornemenswas, 
tot opzeggens toe, wekelijks ztilk ccn diner te geven; en was dot genoeg 
om mt Grainger's doos zoovecl snuif in mijn neiis te stoppen, dat ik naar 
het provisiekamcTtie moest gaan, omdaar tienminutenlanguitteniezen. 
Ikgingal verder met de flesch alsneller te laten rondgaan, en gedurig 
met een kurketrckker op te springen, om nieuwe flesschen open tc trek- 
ken, eer dit nog noodig was. Ik stelae Steerforth's gezondheid in, zeide 
dat hij mijn dierhaarste viiend, de beschermer mijner kindsheid, de met- 
gezel mijner jongelingsjaren was. Ik zeide, dat het mij vemikte zijne ge- 
zondheid in te stellen. Ik zeide, dat ik hem meer verplicht was dan ik 
ooit kon vergelden, en dat ik hem hooger achting toedroeg dan ik oott 
kon uitdnikken. Ik besloot met te zeggen:*IkgeefuSteerforthlGod 
tegen hemi Hoera!" Wij gaven hem driemaal diie eerekreten, en nog 
een, en nog een goede tot besluit. Ik brak mijn glas toen ik de tafcl rond- 
gmg om hem de hand te geven, en zeide (in twee woorden) i Steerforth, 
ge-zijt-de- poolstar- van-geheel-mijn-aanzij n." 

Ik gmg al verder, door eensklaps op te merken, dat er iemand midden 
in een liedje was. Markham was de ganger, en hij zong : >Weg met grillen 
en met zorgen." Toen hij gedaan had, zeide hij, datbij>demei3Jes" 
witde instellen. Ik nam dat kwalijk en kon het niet toelaten. Dat was 
geene fatsoenlijke manier om dien toast in te stellen, en ik zou nooit ver- 
oorloven, dat die toast in mijn huisandersgedronken werd dan als »de 
dames 1" Ik kieeg hooge woorden met hem, vooral, denk ik, omdat ik 
sag, dat Steerforth en Grainger om mij — of om hem — of om ons beideo. 



jl DAVID COPPERFIKLD. 



lachten. Hij zdde, dat iemand zich de wet niet moest laten steUen 
2eide, dat iemand dat wel moest. Hij zeide, dat iemand dan niet be] 
digd moest worden. Ik zeide, dat hij daarin gelijk bad — nooit cfth 
mijn dak, waar de huisgodengederdwerdenende wettendergastv 
beid boven alles gingen. Hij zeide, dat iemand zijn fetsoen niet te kort 
deed do6r te bekennen, dat ik een weergascbe goede jongen wis. Jk 
stelde dadelijk z^'tie gezondheid in. 

£r zat iemand te rooken. Wij zaten alien te rooken. Ik rookte ins^li^ 
en poogde eene opkomende neiging om mijne grillen te bedwmgen. 
Steerforth had eene redevoering gehouden, waarvan ik bet onderwerp 
was, en die mij bijna tot tranen geroerd had. Ik betuigde mijn dank, en 
boopte, dat bet aanwezige gezelschap ook morgen en overmorgen b^ 
mij zon dineeren — telkens om vijf ure, om een langen avond elkan- 
ders omgang te kmmen genieten. Ik gevoelde mij geroepen omnogeaii^ 
gezondheid in te stellen. Ik wilde hen die mijner tante laten drmken. 
Jttffrouw Betsey Trotwood, de beste barer sekse ! 

Iemand stond uit bet venster mijner slaapkamer te leunen, verfrischte 
zijn voorboofd tegen den koelen steen van bet kozijn, en voelde den 
#ind op zijn gezicht Dat was ik zelf. Ik sprak mij zelven aan met den 
naam van >Copperfield" en zeide : > Waarom bebt gij geprobeerd te roo- 
ken ? Gij wist toch wel, dat ge bet niet kondt ?" Toeri stond iemand m^ 
ficbemerende oogen zijn gezicht in een spiegel te bekijken. Ook dat was ik« 
tn den spiegel zag ik zeer bleek ; mijne oogen stonden wezenloos : en mijH 
haar — alleen mijn haar, anders niet — zag er uit alsof bet dronken was. 

Iemand zeide tegen mij : » Laten wij nu naar de komedie gaan, Cop-^ 
perfield !" Ik bad geene slaapkamer meer voor mij, maar w^derom de 
rmkelende tafel, met glazen bedekt ; de lamp ; Grainger aan mijoe recb- 
terband, Markbam aan mijne linker en Steerforth tegen mij over zitten — 
alien in een mist en in de verte. De komedie ? Wel zeker. Juist van pas. 
Kom maar voort ! Maar zij moesten bet mij niet kwalijk nemen, als ik iKt 
laatst de kamer a%ing en de lamp uitdraaide — in geval van brands 

Door bet verbijsterende der duistemis kon ik de dem* niet vinden. Ik 
slond daamaar te tasten tusscben de venstergordijnen, toen Steerfoi^ 
mij bij den arm nam en lacbend naar buiten bracbt. Wij gingen acbter 
^Uumder de trap a£ Bijna onderaan viel er iemand en rolde verder ntfai^ 
beneden. Iemand zeide, dat bet Copperfield was. Ik werd boos over dsit 
Vidscbe gerucbt, tot ik, bevindende dat ik in de gang op mijn raging^ 
bi9gon te denken, dat er wel grond voor kon zijn. 

Een zeer mistime avond met groote kringen om de lantarens o|) dtnuitt 
Eyn^rddndoidehjk Van gtsproken dat bet vocbtig was. I k bidd het f^T 
vitezond. StdM>rth stoAe mij onder een lantarenpaalitl^ ea asette ttijli 
boed in fiLtsoen, dien iemand opeenealierzoliderliiifi^tettanierei^eM 
^mdakh haalde, want ik had hem te vofeniliet opKraad. IMro|> ztidt 
Steeifortli c »Nh zijt sn klaar^ met waar, Ctopperfidid r* eaf ik<iHt#6brd<tet 
»Dat zoit Jk ttendcen.^' 

Ete nudi,^ b een bokje zat niet eene opeindgidaiGffeii^dtlivailS^ 
keUc door dei^ nust mt^nibn van kmand geld (ails, vitftgotttlilto 



WIJ 6AAN NAAR DE KOMSDIE. 5^ 



/de heeien was voor wie betaald werd, en scheen eenigszins te twijfelen 
^gelijk ik mij herinnerde naar het zweempje dat ik van hem zag) of hij 
het geld voor mij zou aannemen of niet. Kort daarop waren wij geheel 
omboog in eene zeer heete tooneelzaal^ en keken naar omlaag in eene 
groote ruimte, het parterre, waar het mij voorkwam te rooken, zoo oq- 
•<luidelijk waren de menschen, die ze vervulden. £r was ook een groQt 
tooneel, dat ik, na de straten, zeer efifen en zindelijk vond, en daar war^ 
menschen op, die over het een of ander praatten, maar lang niet verstaa^- 
baar. £r waren heldere lichten in overvloed, en er was muziek, en er 
'waren dames beneden in de loges, en ik weet niet wat al meer. Het scheen 
mij toe, dat het geheele gebouw wilde leeren zwemmen, zoo wonderlijk 
dwarrelde het als ik het poogde te doen stilstaan. 

Op iemands voorstel besloten wij naar beneden te gaan, naar de logps 
van den eersten rang, waar de dames waren. Een heer, die geheel in het 
zwart op eene sofa lag, met een tooneelkijker voor de oogen, zweefde 
mij voorbij, en ook mijn eigen portret, ten voeten uit, in een spiegfd. 
Daarop werd ik in een van die loges gelaten, en hoorde dat ik, toen (k 
ging zitten, het een of ander zeide, en dat de menschen om mij been 
9 stilte !" riepen, en zag dat de dames met verontwaardigde blikken na^ 
mij omkeken, en — wat ? ja ! — dat Agnes daar op de bank voor mij z^t, 
met eene dame en een heer naast haar, die ik niet kende. Ik zie nog ha^ 
^ezichtje, beter, mag ik wel zeggen, dan ik het toen zag, met de onver- 
getelijke uitdrukking van spijt en verwondering, waarmede zij zich i^^r 
mij omkeerde. 

» Agnes !" zdde ik met eene dikke tong. » Wel heb ik ooit ! Agnes !"-^ 
$Stil toch!" antwoordde zij, ik kon maaarnietbegrijpenwaarom. tQij 
stoort de menschen hier. Zie hever naar het tooneel." 

Ik poogde^ op haar bevel, er mijne oogen op te vestigen en iets te hpo- 
ren van wat aaar omging, maar vruchteloos. Weldra keek ik weder n^uu: 
haar om, en zag haar in een hoek wegschuiven en hare gehandschoen4e 
hand tegen haar voorhoofd drukken. 

> Agnes!" zeide ik. »Ge zijt, vrees ik, niet wel." — » Ja, ja. Let ma^r 
niet op mij, Trotwood," antwoordde zij. >Maar Imster. Gaat ge gauw 
weder been ?" — »0f ik gauw weer heenga ?" — > Ja." 

Ik had eene domme gedachte om te antwoorden, dat ik wilde wachten 
om haar naar huis te brengen. Ik geloof, dat ik dit ook zeide zoo goed 
ik kon ; want nadat zij mij eene poos had aangezien, scheen zij mij te be- 
^jpen, en antwoordde zacht : 

^Ik weet wel dat ge doen zult wat ik u vraag, als ik zeg, dat ik het heel 
' mf$da meen. Ga nu been, Trotwood, om mijnentwil, en vraag uwe 
y^nSen om u naar huis te brengen." 

;^ij had mij voor het oogenblik zooveel tot bezinning doen komen. dat 
ikn schoon ik boos op haar was, mij toch schaamde, ea met ee^:^ ]k;iort 
' ^ena" (hetwelk »Goedennacht" ncioest beteekenen) opstond en been- 
ging. Zij volgden, en ik stapte op eens uit de loge in n^i|ne slaapkan^er, 
w^ar alleen Steerforth bij mij was, die mij hielp om mij U)t te k^eeden, f n 
waar ik hem beurtelings vertelde, dat Agnes mij^e ^i^tpr w^, le^li^em 



54 DAVm COPPSRFIELD. 



bezwoer om den kurketrekker te halen, dat ik nog eene flesch wijnkoB 
opentrekken. 

Hoe iemand, die in mijn bed lag, dit alles zoo verward mogelijkden 
geheelen nacht weder over zeide en over deed — terwijl bet bednar 
eene golvende zee geleek, die nooit stil was ! Hoe ik, toen die iemand 
langzamerhand in mij zelven overgin^, een brandenden dorst begonte 
krijgen, met een gevoel alsof mijne eigene huid eene harde plank was, 
mijne tong de bodem van een ledigen ketel, door langen dienst gebar- 
sten en over een vuur van smeulende kolen hangende, mijne handpalmen 
gloeiende metalen platen, die geen ijs kon verkoelen ! 

Maar de zielsangst, de wroeging, de schaamte, die ik gevoelde, toen 
ik den volgenden dag weder tot bewustheid kwam ! Mijne ontzetting,dat 
ik duizend misstappen zou begaan hebben, die ik vergeten had, en die 
door niets geboet konden worden — mijne herinnering van dien onnit- 
wischbaren blik, waarmede Agnes mij had aangezien — de martelende 
onmogelijkheid, waarin ik mij bevond, om haar iets van mij telaten 
weten, daar ik, stommerik die ik was, niet wist hoe zij in Londen kwam, 
of waar zij logeerde — mijne walging van het eezicht der kamerwaarhet 
feest gevierd was — mijn kloppend hoofd — de tabakslucht, het gezicht 
der glazen, de onmogelijkheid om uit te gaan, of zelfs maar op te staanf 
O, welk een dag was dat ! 

O, welk een avond, toen ik bij mijn vuur zat, met eene kom lamsbotdl- 
lon, met oogen vet bezaaid, en dadit dat ik den weg van mijn vooigan- 
ger ging^en zijne akelige geschiedenis zoowel als zijne kamers zou erven, 
en half tot het besluit l^am om met een postrijtuig naar D o v e r te vlie- 
gen^ en alles te bekennen ! Welk een avond, toen juffrouw Crupp, die de 
bouillonkom kwam weghalen, een enkel niertje op een bord liet den, als 
het geheele overschot van het feestmaal van gisteren, en ik mij werkelijl^ 
genegen gevoelde om aan hare nankingsche borst te vallen, en metbar- 
telijke boetvaardigheid te zeggen : »0, juffrouw Crupp, juffi-ouw Crupj) 
laat de kliekjes maar blijven ! Ik ben zoo ellendig !" Maar zel6 toen twij- 
felde ik er aan, of jufirouw Crupp eigenlijk wel eene soort van vrouw was 
om geheel te vertrouwen. 



XXV. 

GOEDE EN KWADE ENGELEN. 

Des ochtends na dien jammerlijken dag van hoofdpijn,misselijkheid 
en berouw, stapte ik mijne deur uit, op eene zonderlinge manier in de 
war met den datum van mijn diner, alsof een troep Titan's een reusach- 
tigen hefboom hadden genomen en den dag van eergisteren eenige 
maanden hadden achteruitgeduwd, toen ik een boodschaplooper, met 
een brief in de hand, de trap zag opkomen. Hij nam de zaak toen zeer 
op zijn gemak op ; maar zoodra £aj mij boven aan de trap naar hem zag 
kijken, zette hij het in een loop, en kwam hijgend bij mij, alsof hij zic£ 
doodaf had geloonen. 



DC GXVOKL ZSER VKEL BEROITW, 55 

>Mijnheer T. Copperfield," zeide hij, met zijn rottinkje tegen zijn hoed 
tikkende. 

Ik kon mij nauwelijks als dien persoon te kenDeogeveo, zoo ontroerde 
ik van de gedachte, die als ecne overtuiging bij mlj oprees, dat die brief 
Tan Agnes kwam. Ik zeide hem echter, dat ik mijoheer T. Copperfield 
was, en hij geloofde bet, en gaf mij den brief, waarop hij zeide antwoord 
te moetcn hebben. Ik sloot hem buiten op het portaal om naar het ant- 
woord te wachtcn ; en ging weder naar raijne kamer, zoo zenuwachtig, 
dat ik eeist den brief op de tafel moest necrleggen en mij een weinigje 
met den buitenkant gemeenzaam makcn, eer iktothetbesluitkonko- 
men om hem te openen. 

Toen ik hem opende, bevond ik, dat het een zecr vricndelijk brief jc 
was, waarin van mijn toestand in de tooncelzaal volstrekt gcene melding 
werd gemaakt. Al wat het behelsde was: iMijn beste Trotwood. Ik lo- 
geer ten huize van papa's zaakwaamemer, mijnheer Waterbrook, in 
Ely-Place, Holborn. Wiltgemijeenskomenbezoeken, op welken 
tijd ge maar verkiest te bepalen ? Altijd liefhcbbend de uwe, Agnes." 

Ik had zoolang werk om een antwoord eenigszms naar mijn genoegen 
te schrijven, dat ik niet weet wat de boodachaplooper moet gedacht heb- 
ben, of het moet geweest zijn dat ik nog leerde schrijven. Ik moet ten 
minste een half dozijn antwoorden hebben geschreven. Ik begon er een : 
>Hoe kan ik ooit ho^en, mijne dierbare Agnes, den stuitenden indruk 
nit uw gehei^n te wisscben" — ' daar beviel het mij niet en toen ver- 
scheurde ik het. Ik begon een ander : > Shakespeare heeft aangemerkt, 
lieve Agnesj hoe vreemd het is, dat iemacd een vijand in zijn mond 
steekt," — dit herinnerde mij aan Markham en het kwam niet verder. Ik be- 
proefdc zclfe een versjc, Ik begon een briefje in r^els van zes lettergrepen; 
maar dit vond ik toch ecne dwaasbeid. Na verscheidcne ziUke vrichte- 
looze proe&emingen schreef ik : iMijne waarde Agnes. Aan uw briefje 
herken ik u geheel, en wat zou ik er van kunnen zeggen, dat hooger lof 
zonzijn^Ik zalom vierure komen, Liefhebbend envoi berouw,T.C." 
Met dezen zendbrief (dien ik, zoodra hij uit mijne handen was, wel 
weder had willen tenigroepen) ging de boodschaplooper eindelijk been. 

Als die dag voor eenig ander ambtenaar in Doctors' Commons half 
zoo gedncht was als voor mij, geloof ik waarlijk, dat hij daardooreenigs- 
boete deed voor zijn aandeel m die oude verrotte geestelijke kaas. Hoe- 
wel ik tegen half viei van het kantoor ging, en reeds eenige minuten 
later bij de plaats mijner bestemming stond te loeren, was het een vol 
kwaitier over den bepaalden tijd, dien ik de klok der St.-Andreaskerk 
in Holborn bad booren slaan, eer ik moed genoeg kon verzamelen, 
— ^j mijnheer Waterbrook aan de huisschel m den linkerdeurpost te 



De beroepszaken van mijnheer Waterbrook werden beneden in hnis 
bebandeld, de bezoeken (die hij veel ontving) werden boven afgewacht 
Men liet mij in een firaai, maar eenigszinsbekrompen salon, en daar zat 
Agnes een beursje te knoopen. 

Zij zag er zoo Uef en kabn uit, en heri]uierde|inij zoodanig aan mijne 



56 DAVID COPPKRFIBLD. 



luchtige frissche schooldagen te C a n t e r b u r y, en welk eoi bcanev^ 
rookerige, botte ellendeling ik een paar avonden geleden geweestvifV 
dat ik mij, dewijl er niemand anders in de kamer was, aan aujn seUrer* 
vijt en gevoel van schaamte overgaf en — kortom, mij zeer gek aaqstdd^ 
Ik kan niet ontkennen, dat ik tranen stortte. Tot op dit oogenblik h^ki 
onzek^r of dit over het geheel het verstandigste was dat ik doen kon^ of 
het belachelijkste. 

» Als het iemand anders dan gij geweest was, Agnes," seide ik,qp 
hooid beschaamd omkeerende, »zou ik er niet half zooveelomgcvoi* 
Maar dat gij het waart, die mij zoo moest zien! Ik zou haast wenicheo, 
dat ik voor dien tijd gestorven was." 

Zij legde hare hand — die hand raakte mij aan gelijk gecne an^ere 
ooit deed — voor een oogenblik op mijn arm ; en ik gevoelde mij spo 
gettoost en bemoedigd, dat ik niet nalaten kon ze aan mijne lippeate 
brengen en dankbaar te kussen. 

»(^ zitten," zeide Agnes opgeruimd. » Wees niet verdrietig,Trotw<)o4. 
Als ge mij niet gerust kunt vertrouwen, wien zult ge het dan doen?^ -^ 
>0 Agnes," zeide ik. »Gij zijt mijn ^oede engel!" 

Zij glimlachte, eoiigszins treung naar mij dacht, en schudde haar 
hoofd. 

»}a, Agnes, mijn goede engel ! Altijd mijn ^oede engel !" — Als ik d^t 
waarlijk was, Trotwood," antwoorde zij, »is er een ding, waarop ik 
voond mijn hart zou stellen." 

Ik zag haar vragend aan, doch reeds met een voorgevoel van biisp 
mealing. 

>Om u te waarschuwen," zeide Agnes, met een vasten blik, >voor 
uw kwaden engel." — >Lieve Agnes," begon ik, »als g^ Steerforth 
meent..." — »Dat doe ik, Trotwood," antwoordde zij. — >Dan, Agnes^ 
doet gij hem groot onrecht aan. Hij mijn, of iemands, kwade engel! Hi] 
iets anders voor mij dan tea gids, een steun, een vriend ! Lieve AgDes, is 
het nu niet onbilUjk van u, geheel anders dan gij gewoonlijk doet^beia 
te beoordeelen naar wat gij eergisteren avond van mij gezien hebt r" ^^ 
>Ik beoordeel hem niet naar wat ik eergisteravond van u geziien heb^* ' 
antwoordde zij kalm. — tWaamaar dan?" — »Naar vele dingen — 
beuzeUfigen op zich zelven, maar die mij geene beuzelingen meer vokht- 
kotmen, ids ik ze bij elkander bi^ig. Ik berordeelhem gedeehdijk, Trot- 
wood, naar wat gij mij van hem gezegd hebt, en naar nw kaiakler «i 
den iavtoed dien hij op H heeft." 

£r viasinliare zachte stem altijd ijHs^dat eeoe snaar in mijo bL»B«Q0le 
acheen te roeren, welke opdienklankaUeeatrilde.Dies^iBpiiras^ltiii 
harti^^ on emsUg, naar tvaatoeer zij zoobartelijk ai esrastig mas 9i\sm^ 
was er eene beving in, die mij geheel overmeesterde. Ik zat haar Jiup^ 
Itaren terwijl zij hare oogen aeev8lo!egiiaajrhaarwerk;betwa8atf9ffl: 
nog naar haar tiusterdtz/en Stefnrfortb, in wttimH vanal mne geheiBiht- 
heid aan hem, kwam m minder ^ehitt^reiid voor. 

>Het is wel onbescheiden van mij," z^de A^pes, wed^^cn opmnfl^ 
»die 000 a%0zoaderd be)) gideefd^ en ooq wcjfiig van de weield jum 




\ 



AGNES DOET MIJ SENS VERTOUWELUKE MEDEDEELING. 57 

veten, om zoo ernstig raad te willen geven, of zelfs.omzulkeenebe- 
paalde meening te durven hebben. Maar ik weet hoe ik daartoe kom, 
Trotwood — hoe het komt uit de trouwe geheugenis, dat wij te zamen 
zijn opgegroeid, en de trouwe belangstelling in alles wat u aangaat. Dat 
is het wat roij zoo stout maakt. Ik ben overtuigd, dat ik gelijk heb met 
i^at ik zeg. Ik ben er volkomen zeker van. Het is mij alsof het iemand 
anders was, die tot u sprak, en niet ik, als ik u waarschuw, dat gij een 
^evaarlijk vriend hebt gekregen." 

Wederom zag ik haar aan, wederom luisterde ik nog naar haar nadat 
zij reeds zweeg en wederom werd zijn beeld, hoewel het nog in mijn hart 
Ueef vaststaan, verdonkerd. 

ilk ben niet onredelijk genoeg om te verwachten/' zeide Agnes, na 
•eene poos haar gewonen toon hememende, >dat gij eengevoelen, dat 
-eene overtuiging bij u is ^eworden, op eens zult of kunt veranderen^ 
vooral geen gevoelen, dat m uw vertrouwelijk karakter is geworteld. Gij 
behoort dat zel& niet haastig te doen. Ik vraag alleen maar, Trotwood, 
als gij ooit aan mij denkt — ik meen," vervolgde zij met een zacht glim- 
lachje, want ik wilde haar in de rede vallen, en zij wist wel waarom — 
»zoo dikwijls als gij aan mij denkt, dat ^j dan ook denken zult aan wat 
ik u gezegd heb. Vergeeft ge mij nu dit alles?" — ilkzaluvergeven, 
Agnes," antwoordde ik, »als gij Steerforth eens recht laat weder- 
varen en zooveel van hem houdt als ik doe." — »Niet eerder?" zeide 
^Vgnes. 

Ik zag een wolkje over haar gelaat zweven toen ik zoo van hem sprak, 
maar zij beantwoordde toch mijn glimlach, en wij waren wederom even 
Oii^edwongen en vertrouwelijk als vanouds. 

lEn wanneer, Agnes," zeide ik, »zult ge mij dien avond vergeven?" — 
» Als ik er weder aan denk," zeide Agnes. 

Zij had zoo van de zaak willen afstappen, maar ik was er te vol van 
om dit toe te laten, en hield niet op eer ik haar verhaald had hoe het 
'ksvftm, dat ik mij zoo had ten toon gesteld, en welke reeks van toevallige 
omstandigheden mij eindelijk in den schouwburg had gebracht. Het was 
€<^Qe groote verademing voor mij dit te doen en uit te weiden over de 
y^rpUchting, die ik aan Steerforth had, omdat hij zorg voor mij had ge- 
dragen, toen ik buiten staat was om op mij zelven te passen. 

iCvij moet niet vergeten," zeide Agnes, bedaardelijk tot iets anders 
DVfrgaande zoodra ik zweeg, »dat gij het mij altijd moet vertellen, niet 
<pUi96n wanneer gij m ongelegenheden komt, maar ook wanneer gij ver- 
Uefd wordt. Wie fa juffrouw Larkms opgevolgd, Trotwood f" — »Nie- 
.imod, Agnes.'* — » Toch wel iemand, Trotwood," zeide Agnes, lachende 
en haar vinger ophoudende. — »Neen, Agnes, op mijn woord. £r fa 
^fekisr wd eene dame, bij mevrouw Steerforth aan huis, die heel schrander 
• 18 <B9 met wie ik gaame praat — juffrouw Dartle — maar ik aanbid haar 
laiigniet." 

Agues lachte wederom over hare eigene scherpzinni^heid, en zeide 
fifiii d^t zij, als ik haar mijn vertrouwen bleef geven, register van mijue 
-yeidii^beden zou houden, met ieders datum, duur en afloop, evenals de 



58 DAVID COPPERFIELD. 

«» 

tafel van konisgeii en koninginnen in de geschiedenis van Engelani miktt 
Toenvro^zijmijofik Uriah had gezien. miMtc 

lUriahHeep?" zeide ik. >Neen. IshijhierinLonden?" — iHijkofflt 1'^ 
alle dag beneden aan het kantoor," antwoordde Agnes. >Hij is eene wi^di 
week vroeger dan ik in Londen geweest. Ik vrees om onaangenaiot ptsk 
za^en, Trotwood." — >Om iets dat u ongenist maakt, Agnes, zieil^ 1^^ - 
Wat kan dat wezcn ?" W ^ ^ 

Agnes legde haar werk ter zijde, en antwoordde, terwijl zij harehiBr P^ 
den over e&ander vouwde en mij met hare schoone zachte oogenpoD' 
zendaanzag: 

ilk geloof, dat hij in compagnieschap met papa zal komen." — >Watr 
Uriah r Die lage, gemeene kerel zou hetmetzijnkruipenzooverbiei^ 
gen ?" riep ik met verontwaardiguig uit. » Hebt gij dat d^ niet a^eradent 
Agnes ? Bedenk welk eene betrekking dat waarschijnlijk zal wezen.O$ 
moet rondtiit spreken. Gij moet uw vader zulk een dwazen stap nietbtef^ 
doen. Gij moet dat verhinderen, Agnes, terwijl het nog tijd is." 

Mij nog steeds aanziende, schudde Agnes haar hoofd terwijl ik sprsl^ 
met een glimlach over mijne drift, en antwoordde toen : 

»Ons laatste gesprek over papa zal u nog wel heugen ? Het was nk^ 
lang daama — niet langer dan twee of drie dagen — dat hij mij voorhrf 
eerst iets te kennen gaf van wat ik u nu zeg. Het was akelig hem te zien 
worstelen tusschen zijn verlangen om het mij te doen voorkomenals iets, 
dat hij uit eigen verkiezing deed, en zijn onvermogen om mij te verbe^ 
gen, dat hij er toe gedwongen werd. Ik was heel bedroefd." — iGedwon^ 
gen, Agnes ! Wie dwingt hem dan ?" — » Uriah," antwoordde zij, na een 
oogenblik aarzelens, »heeft zich bij papa onmisbaar gemaakt Hij bslim 
en oplettend. Hij heeft papa's zwakheden afgeloerd, er hem in voor^;e- 
holpen en er partij van getrokken, totdat — om alles wat ik meen in 66sk 
woord te zeggen, Trotwood — tot papa bang voor hem is.'' 

Er was nog meer dat zij had kminen zeggen, en nog meer dat zij wist, 
of vermoedde, dit zag ik dtiidelijk. Ik kon haar nietbedroeven door haar 
te vragen wat het was, want ik begreep wel, dat zij het om haar vader te 
sparen voor mij verzweeg. Het had lang geduurd eer het hiertoe geko- 
men was, begreep ik ; ja, ik kon bij het minste nadenken niet nalaten te 
begrijpen, dat het zeer lang gedum-d moest hebben. Ik zweeg. 

>Zijn vermogen op papa,'' zeide Agnes, >is zeer groot. Hij spreektvan 
nederigheid en dankbaarheid — misschien oprecht, ik wil het hopen — 
maar werkelijk heeft hij macht over hem, en ik vrees, dat hij onbannhar- 
tig gebruik maakt van zijne macht." 

Ik zeide, dat hij een hond was, hetgeen op het oogenblik eene groote 
voldoening voor mij was. 

>0p dien tijd waarvan ik spreek, toen papa er mij voor het eerst van 
sprak," vervolgde Agnes, >had hij papa gezegd, dat hij zou heengaan; 
dat het hem zeer speet te moeten vertrekken, maar dat Inj beter voonnt- 
zichten had. Papa was toen zeer neerslachtig en zoo vol zorgen en be- 
kommering als gij of ik hem nog ooit gezien hebben ; maar die uitw^ 
van eene compagnieschap scheen hem verademing te geven, hoewd hij 




k 



IK TRACHT AGNES TE TROOSTEN. 59 

cr rich te gelijk over scheen te ergeren en te schamen." — »En hoe hebt 
gij dat toen opgenomen, Agnes r" — »Ik heb gedaan, Trotwood," anU 
woordde zij\ »wat ik hoop dat welgedaan was. Daar ik mij overtuigd ge- 
voelde, dat het voor papa's gemoedsrust noodzakelijk was tot die opoSe- 
ring te komen, drong ik hem om ze maar te doen. Ik zeide, dat het den 
last van zijn leven zou verlichten — ik hoop, dat het zoo zijn zal ! — en 
dat het mij meer gelegenheid zou geven om hem gezelschap te houden, 
Trotwood," riep Agnes uit, en hield hare handen voor haar gezicht, 
terwijl de tranen over hare wangen rolden, »het is mij bijna alsofik papa's 
vijandin was ^eweest, in plaats van zijn liefhebbend kind. Want ik weet 
wel hoe zijne hefde en zorg voor mij hem heeft doen veranderen. Ik weet 
hoe hij den kring zijner belangstelHng en zijne plichten heeft ingekrom- 
pen, om zijn gemoed uitsluitend met mij bezig te houden. Ik weet van 
hoeveel dingen hij om mijnentwil heeft afgezien, en hoe angstige gedach- 
ten over mij zijn leven verdonkerd, en zijne zielskracht verzwakt hebben, 
door zijn geest altijd met hetzelfde denkbeeld te vervullen. Als ik dat ooit 
wteder te recht kon brengen ! Als ik zijne genezing kon bewerken, gelijl( 
ik onschuldig de oorzaak van zijne kwaal ben geweest !" 

Ik had Agnes nog nooit zien schreien. Ik had tranen in hare oogen ge* 
lien ab ik nieuwe prijzen van de school medebracht, en ook toen wij da 
laatste maal over haar vader spraken, en ik had haar vriendelijk gezichtje 
zien omkeeren toen wij afscheid van elkander namen ; maar ik had haar 
nog nooit zoo bedroefd gezien. Dit ontroerde mij zoodanig, dat ik niets 
anders doen kon dan op eene onnoozele, verlegene manier zeggenj 
lOch, Agnes, schrei toch niet. Doe dat toch niet, lieve zuster !" 

Doch Agnes was in karakter en geestkracht te ver bo ven mij verheven, 
gelijk ik nu wel weet^ wat ik toen ookweten of niet weten mocht, om mijn 
aandrang lang noodig te hebben. Die schoone kalmte van uitzicht, welke 
haar in mijne herinnering zoozeer van alle andere menschen doet ver- 
schillen, kwam terug, alsof er een wolkje voor eene heldere Incht was 
voorbijgedrev en. 

> Wij zullen waarschijnlijk niet lang meer alleen blijven," zeide Agnes, 
>Laat ik dus nog, terwijl ik er gelegenheid toe heb, u emstig verzoeken, 
Trotwood, om Uriah vriendehjk te behandel^n. Stoot hem niet terug» 
Toon uw ongenoegen niet (gelijk ik denk, dat gij wel zoudt willen doen) 
over datgene, wat u in hem niet bevalt Misschien verdient hij dat niet, 
want wij weten geen wezenlijk kwaad van hem. In alien gevalle, denl( 
eerst om papa en mij !" 

Agnes had geen tijd om meer te zeggen, want de kamerdeur werd ge- 

opend, en mevrouw Waterbrook, die eene dame van grooten omvang 

was — of een kleed van grooten omvang droeg, dit weet ik niet rech^ 

want ik wist kleed en dame niet wel te onderscheiden — kwam binnen- 

strijken. Ik had eene flauwe herinnering, dat ik haar in den schouwburg 

had gezien, als ware het in eene bleeke tooverlantaren geweest ; maar zij 

scheen mij wel te herkennen, en nog te vermbeden dat ik beschonken was. 

Daar zij echter lan^zamerhand bevond dat ik nuchteren (hoop ik) 

een zeer bescheiden jong heer was, werd mevrouw Waterbrookveel 



6o DAvm cOpperfield. 



vriendelijker voor mij, en vroeg eerst, of ik veel in de parken wandekkj 
en ten tweede, of ik veel op partijen kwam. Toen ik beide deze viag^ 
ondLennend beantwoordde, kwam het mij voor, dat ik wederom dmt 
in hare goede meening, maar zij hield dit met beleefdheid voor mij t» 
borgen, en noodigde mij tegen 'sanderen daags ter maaltijd.IkDtt 
deze tiitnoodiging aan en vervolgens afscheid ; bij het heengaan vroeg ik 
nog naar Uriah in het kantoor, en daar ik hem afwezig vond, liet ik es 
kaartje. 

Toen ik des anderen daags ter maaltijd kwam^ en zoodra de voordev 
geopend werd in een naar schapevleesch nukend dampbad stortte, 
giste ik reeds, dat ik niet de eenige gast zou zijn; want ik herkende dtt 
vermomden boodschaplooper, die tothulpvandenhuisknechtwasgi^ 
nomen, en onder aan de trap wachtte om mij aan tedienen. Toen li^ 
vertrouwelijk naar mijn naam vroeg, keek hij, zoo goed hij kon, alsoCbQ 
mij nog nooit gezien had ; maar ik kende hem wel, en hij kende mij ook 
wel. Het geweten maakte ons beiden tot lafaards. 

Ik vond mijnheer Waterbrook een heer van middelbare jaren, metetf^ 
korten hals, en breede boordjes, endienogmaareenzwartenneusbl- 
hoefde te hebben om het portret van een mophond te wezen. Hij zridc 
mij, dat het hem verheugde met mij kennis te maken, en toen ik nuJDC 
huide aan mevrouw Waterbrook had bewezen, presenteerde luj mij, mci 
veel plechtigheid, aan eene zeer geduchte dame, in het zwart fluweel en 
een grooten zwart fluweelen hoed, die ik mij herinner dat wel eene nauve 
bloedverwante van Hamlet scheen te wezen — zijne tante bij voorbedd. 

Mevrouw Henry Spiker heette deze dame, en haar echtgenoot was 
daar ook ; een man, zoo koud, dat hij, in plaats van grijs te wezen, met 
rijm besprenkeld scheen te zijn. Men toonde zeer veel ontzag en onder- 
danigheid voor mijnheer en mevrouw Spiker ; hetgeen A|rnes mij i^de 
dat (karom was, dewijl mijnheer Spiker soUiciteur was van lets of iemaad, 
van wien of wat is mij ontschoten, dat van verre met de Tresorie in ver- 
band stond. 

Ik vond ook Uriah Heep onder het gezelschap, geheel in het zwart 
en in diepe nederigheid. Hij zeide mij, toen hij mij de hand gaf, dat hij cr 
eene eer instelde, door mij te worden opgemerkt, en dat hij zich vopr 
die goedgunstigheid mij waarlijk verplicht gevoelde. Ik had wel kunnfn 
wenschen, dat hij mij minder verplicht was seweest, want uit dankhatr- 
heid bleef hij den geheelen avond om mij heen dwalen, en wanneer ik 
een woord met Agnes wisselde, stond hij ook zeker, met zijne schaduw- 
looze oogen en zijn lijkachtig gezicht, ate een spook achter ons en naar 
ons te kijken. 

£r waren nog andere gasten, die alien, gelijk mij inviel, voor deze ge- 
legenheid, evenals de wijn, in ijs schenen te zijn gezet. Doch er was 
iemand, die reeds voordat hij binnenkwam mijne aandacht trok, dew^l 
ik hem als mijnheer Traddles hoorde aandienea. Ik vloo^ met mijn gecst 
naar Salem House terug. Kon het, dacht ik, Tommy zijn, die altijd gr- 
taamten placht te teekenen! 

Ik zag metbuitengenieenebelangstellingna|urmijnheerTraddle8uit.Hij 



:l 



k 



SEN ANDER OUD SCHOOLMAKKER. 6f 

WAS een jonkman met een zeer stemmig, stil en bedaard voorkomen, een 
oomiich hoofd met haar, en oogen die tamelijk wijd openstonden ^ en hi| 
; gcraakte zoo spoedig in een donkeren hoek, dat ik ^nige moeite had 
om hem te vinden. Eindelijk kreeg ik hem goed in het oog, en 6f mijn 
gudcht moest mij bedriegen, of het was de oude rampzalige Tommy. 

Ik ging naar mijnheer Waterbrook en zeide, dat ik het genoegeo 
neen(fe te hebben van een ouden schoolkameraad te zien. 

>Waarlijk ?" zeide mijnheer Waterbrook verrast. »Gij zijt toch te jong 

om met mijnheer Henry S^iker op school te zijn geweest ?" — >0, hem 

mccn ik niet,"antwoordde ik.>Ik meen dien heer,die Traddlesheet"— 

iZoo! Ja wel! Dat is mogelijk/' zeide mijn gastheer ; met zeer vermin- 

deide belangstellin^. — > Als het werkelijk dezelfde persoon is," hervatte 

ik, naar hem omkijkende, >was het op eene school, die Salem House 

htttte, waar wij te gelijk waren ; en hij was een uitmuntende jongen." — 

lO ja, Tradles is een goed mensch," antwoordde mijn gastheer, met eeii 

ibaw toestemmend Imikje. i Traddles is een heel goed mensch." — »Het 

B eene zonderlinge toevalligheid," zeide ik. — >Dat is het wd," ant« 

woordde mijn gasdieer, »inderdaad eene toevaUigheid dat Traddles hier 

is, want hij is pas van morgen gevraagd, toen er eene plaats aan tafel 

iedig kwam, omdat de broeder van mevrouw Henry Spiker ongesteld 

was geworden. Een hoogst &tsoenlijk man, mevrouw Henry Spiker*8 

broeder, mijnheer Copperfield." 

Ik prevelde eene toestemming, die veel gevoel te kennen gaf, als men 
m aanmerking neemt dat ik niets van hem wist, en vroeg vervolgens wat 
■ijnheer Traddles van beroep was. 

»Tyad(fles," antwoordde mijnheer Waterbrook, » is een jongmensch, 
die voor de balie studeert. Ja, hij is een heel goed mensch — heeft geen 
CDkel vijand, behalve zich zelven." — lis hij dan zijn eigen vijand ?'- 
wide ik, dit met spijt hoorende. — > Wel," antwoordde mijnheer Water- 
brook, een klein mondje zettende en met zijn horlogeketting spelende, 
op eene manier die aanduidde dat hij een man in goeden doen was, »ik 
ton haast zeggen, dat hij een van die menschen is, die zich zelven in het 
Ijdit staan. Ja, ik zou haast zeggen dat hij, bij voorbeeld, nooit vijfhon- 
fad pond rijk zal worden. Traddles is mij door een collega gerecom* 
tandeerd. O ja, ja* Hij heeft zeker talent om iets te stellen en duidelijk 
OB geiegdd in sdirift te brengen. Ik kan hem ook nu en dan wel iets to 
dbtn geiTen ; iets — voor hem nog al van belang. O ja, ja." 

Het irok mijne aandacbt*op welk eenebuitengemeen tevredene,deftig 
gmoeglijke manier mijnheef Waterbrook telkens dat woordje > ja" uit* 
ffOSku HeC had een verbaaenden rijkdom van tntdrukking. Het gaf vol* 
komen het denkbeeld aan van iemalid, die, om niet te z^fgen met een nl* 
«(RB lepeL) dan toch]mct<eiit s t o rmladdergeboren was, en deeenehoogta 
dei leveos na de anddl« lud bekfomnen, tot hij thans van den top otf 
vestingwerken, met het oog van een wijsgeer en patroon, op de liediBfritt 
tkkfcpgnyenvMtfXMg. 

Ik stood nog hierdvernateditoSDtil, toen wljaantafdwerdeBgcntk|pte 
l^Hheo' Waterbfwk ^JflsrdoseffljMBdeflslanteiiaarbcflKtea IGiJMMat 



62 DAVID COPPERFIELD. 



Henry Spiker nam mevrouw Waterbrook. Agnes, die ik gaamealfa» r^ 
genomen hebben, werd aan een onnoozelen hals met een botten gtimlad if t ^ 
en kromme beenen gegeven. Uriah, Traddles en ik, als de jongstcnwE 1*^ i 
het gezelschap, gingen het laatst, zooals wij konden. Ik was niet zoo vtr- 1^ ^ 
drietig over het verlies van Agnes als ik anders wel zou geweestnja, W^^ 
daar het mij gelegenheid gaf om mij op de trap aan Traddles te kenns F*^ 
tegeven, die mij met vurige blijdschap begroette, terwijl Uriah zookmi- W^ 
perig en indringend zijn genoegen uitdrukte (door zich op zijne gewotf W^ 
a&chuwelijke manier te wringen), dat ik hem gaame over deleoniBS 1^^ 
had willen smijten. ^ E?t 

Traddles en ik waren aan tafel van elkander afgezonderd, daarw^ P- 
aan twee vergelegene hoeken werden geplaatst, hij in den gloed eeDtf F- ^ 
dame in rood fluweel, ik in de sombere schaduw van Hamlet's tante. W^ 
Het diner duurde zeer lang, en het gesprek Hep over de aristocratic en W^ 
goede afkomst. ::;! ^ W^ 

Het kwam verscheidene malen bij mij op, dat wij ons beter onderhott* W~, 
den zouden hebben, als wij niet zoo uiterst keurig en fatsoenlijk waren gc* F. 
weest. Wij waren zoo fatsoenlijk en keurig, dat wij daardoor een lec^ V^ 
beperkten kring hadden. Onder het gezelschap waren zekere mijnhetf 1^ 
en mevrouw Gulpidge, die uit de tweede hand iets met de rechtzakcB 1^ 
der Bank te doen hadden (dit had ten minstemijnheer Gulpidge); ci^ l^ 
door die Bank en de Tresorie werden wij zoo stijf als een hofcirkd ka^ P 
wezen. Om het nog beter te maken, had Hamlet's tante de familekwaal ^ 
van alleenspraken te willen houden, en liet ons over ieder onderverp) F 
dat ter sprake kwam, eene lange, verwarde uitweiding hooren. DiC 1 
onderwerpen waren zeker weinig genoeg; maar daar wij altijd weder op f 
adel en afkomst terugkwamen, had zij zulk een uitgestrekt veldvoor { 
afgetrokkene bespiegelingen voor zich als haar neef zelf. I 

Bloed was het woord, dat voor afkomst gebruikt werd en zoo kreeg 1 
ons gesprek zulk eene bloedige kleur, dat wij wel een gezelschap van ' 
menscheneters hadden kunnen zijn. 

>Ik moet bekennen, dat ik eveneens denk als mevrouw Waterbrook," 
zeide mijnheer Waterbrook, met zijn vol geschonken glas voor zijn oog* 
> Andere dingen laat ik gelden voor wat zij zijn, maar ik houd het met 
Bloed." — »0, er is niets," merkte Hamlet's tante aan, >dat iemand 
zooveel satisfactie geeft. £r is niets, dat zoo iemands ideaal kan wezen 
van — van al die soort van dingen over het geheel. Er zijn laagdenkende 
wezens (niet velen, wil ik liefst gelooven, maar er zijn er toch) die Uever 
doen wat ik voor afgoden knielen noem. Wezenlijke afgoden. Voor ver- 
diensten, verstand en zoo al meer. Maar dat zijn onzichtbare eigenschap- 
pen. Bloed integendeel. Als men Bloed in een neus ziet, kent men het 
ook. Wij ontmoeten het in eene kin, en dan zeggen wij : > Daar b het! 
Dat is bloed ! Het is eene tastbare daadzaak. Wij kunnen er op wijzen. 
Het laat geen twijfel toe." 

De onnoozele hals met kromme beenen, die Agnes naar beneden had 
geleid, kwam, naar mij dacht, nog duidelijker voor de zaak uit. 
^ »Och, weet ge, wat weerga," zeide deze heer, met een onwijzen glim* 



BLOBDIG GIBABBBL. 63 

iRch langs de tafel rondziende. iBloedkUDnenwenietmissen, datweet 
ge wel, Wij moeten Bloed hebben, weet ge wel. Sommige jpngelieden, 
weet ge wel, mogen, wat opvoeding en gedrag betreft, misschien een 
bee^e beneden hun stand blijven, en zich zelven en andere menschen 
op verschillendc manieren in de pekel helpen — eo zoo al meer — maar 
wat weeiga^ bet is toch vemikkelijk tedenken, dat zij Bloed hebben. Ik 
zelf zou altijd liever door een man, die Bloed heefl;, bet ondeiste boven 
gesmeten, dan door een man zonder Bloed opgeraapt willen worden." 

Dit gezegde, dat de geheele zaak in een notedop pakte, gaf algemeen 
genoegen en bracbt dczen zeer in aanzien^totdatde dames zich verwij- 
derden. Daama mcrkte ik op, dat mijnheer Gulptdge en mijnheer Henry 
Spiker, die tot nog toe zeer stroef geweest waren, in een defensief ver- 
bond tegen ons, den gemeenen vijand traden, en over de tafel been een 
geheimzinnig gesprek met elkander hidden, dat ons gebeel uit het veld 
moest slaan. 

> Die zaak van eerste hypotheek voor vier duizend vijfhonderd pond 
faeeft den loop niet genomen, dien men verwacht had," zeide mijnheer 
Ontpidge. — iMeent gij de D's van A F" zeide mijnheer Spiker. — »I>e 
C'b van B," antwoordde mijnheer Gulpidge. 

Mijnheer Spiker trok zijne wenkbrauwen op en keek zeer benepen. 

>Toen de vraag te beide kwam voor lord — ik behoef hem niet te 
OOemeOj" zeide mijnheer Gulpidge, zich bedenkende. — ilkbegrijpu 
wel," zeide mijnheer Spiker. »N." — Mijnheer Gulpidge knikte somber; 
>>voor hem kwam, was zijn antwoord: iGeld of geen ontslag."" — 
> Wat zegt ge daar !" riep mijnheer Spiker uit. — iGeld, of geen ontslag," 
herhaalde mijnheer Gulpidge op vasten toon. >De tweede geinteres- 
seerde — gij begnjpt mij wel f" — » K," zeide mijnheer Spiker, met een 
donkeren blik. — » K weigerde toen ook te teekenen. Men heeft hem nog 
opsettelijk te Newmarket gaan opzoeken, maar bij weigerde bet 
ronduit." 

Mijnheer Spiker zat als versteend van belangstelllng. 

iDaarbij is de zaak tot nog toe gebleven," zeide mijnbeer Gulpidge, 
acbopzijn stocl achteroverwerpende. »Onze vriend Watcrbrookzalhct 
mij wet verontschuldigen als ik mij van verdere verklarii^ onthoud, 
daar het om zuike gewichtige belangen te doen is." 

Mijnbeer Waterbrook was reeds in zijn schik, naar het mij voorkwam, 
dat er maar zulke belangen en zulke namen aan zijne tafel besproken 
werden, al was het dan ook op eene bedekte manier, Hij zette een gezicht 
vol sombere schranderheid (scboon ik overtuigd ben, dat hij niet meer 
van de zaak begreep dan ik) en gaf zijne hoogste goedkeuiing te kennen 
over de voorzichtigheid, die men in acht genomen had. Mijnheer Spiker 
TCrlangde natuurlijk, na het ontvangen van zulk een vertrouwen, zijn 
vriend insgelijks met een blijk van vertrouwen te begunstigen ; de voor- 
a^aande samenspraak werd dus door eene andere gevolgd, waarbij mijn- 
)mT Golpit^ aan de bettrt kwam om verrast te zijn, en deze door nog 
eene andere, waarbij het weder mijnheer Spiker's beurt werd, en zoo u 
verder, beuit om beurt. Als dien tijd zaten wij onkundigen toe tt Vaaftftv 



DAVID COPPBRFIELD. 



ren, versuft door het geduchte der belangen waarover het gesprek telkens 
llep, en zag onie gasttieer ons met tro tsche zeUvoldoening aan, als slacht- 
ofl^rs eener heilzame ontzettmg en verbaiing. 

Ik was waarlijk zeer blijde toen ik boven bij Agnes kwam, in een hoekjc 
met haar kon zitten praten, en Traddles aan haar presenteeien, die be- 
deesd, maar innemend, en nog dezelide goedhartige jongen van voor- 
been was. Daar hij vroeg moest heengaan, omdat hij den volgenden mor- 
gen voor eene maand uit de stad ging, kon ik niet zoo veel met hem praten 
als ik wel gewenscht had ; maar wij wisselden onze adressen nit, en be- 
loofden ons zelven het genoegen eener latere ontmoeting als hij weder 
terug was. Hij hootde met veel belangstelling dat ik Steerfbrth kende, 
en sprak over dezen met zooveel warmte, dat ik hem Agnes liet zeggen 
wat hij van hem dacht Maar Agnes zagondcrtusschenmijslechtsaan, 
en scbudde even haar hoofd toen ik alleen op haar lette. 

Daar zij zich niet ondermenschenbevond^bijwelkeikgeloofdedat 
lij recht thuis kon zijn^ verheugde het mij bijna te hooren, dat zij over 
weinige dazen zou vertrekken, hoezeer het mij ook speet zoo spoedig 
weder van haar te moeten scheiden. Dit deed mij blijven tot het geheete 
gezebchap was afgctrokken. Met haar te spreken en haar te hooren dn- 
gen, was voor mij zulk eene streelende berinnering aan mijn gehikkig 
kven in het defHge oude huis, dat zij zoodanig verhelderd kad, dat ik daar 
wel den halven nacht had willen blijven ; maar daar ik niet wel langcr 
blijven kon, tocn de groote lichten van mijnheer Waterbrook's tafe^e- 
zebchap alien uitgcsnoten waren, nam ik met tegenzin a6chdd. Ik 
gevoelde toen, meer dan ooit, dat zij mijn gocdeengelwasjenindien 
% aan haar lief gezichtje en haar kalmen glimlach dacht, alsof beide mif 
van znlk een verheven wezcn, als ecn engel is, hadden aangeblonkenf 
zoo hoop ik dat ik daaraan gecn kwaad deed. 

Ik heb gezegd, dat het geheele gczelschap vcrtrokken was: maar ik 
had Uriah moeten nitzonderen, dien ik niet onder dat woord begrih), 
en die nooit had opgehonden om ons been te dwalen. Hij was dicht a^- 
ter mij toen ik de trap afging. Hij was dicht naast mij, toen ik de Stiaat 
opstapte, en schoof langzaam zijne lange beendeiige vingcrsindenog 
langere vingera zijner groote handschoenen. 

Het was niet lut verlangen naar Uriah's gezelschap, maar omdat ik mij 
het verzoek herinnerde dat Agnes mij gedaan had, dat ik hem vioeg at 
hij mcde naar miine kamers wtlde gaan en daar koffiedrinkeo. 

>0, waarlijkj jonge beer Coppetfield," antwoordde hij — >neem m^ 
niet kwalijk, m ij n h e e r Copperiield, maar het andere komt mij zoo vU 
self uit den mond — ik heb niet gaatne, dat gij n zdven eenigen dwang 
zondt aandoen om zulk een nederig penoon als ik ben bij n urn hois te 
vragen." — <Er komt geen dwang bij tepas," leide ik. * Wilt ge mee- 
gasn ?" — 1 Ik zou heel gaame," antwoordde Uriah, zT|n lidunun wrifi- 
gende. — >Welna, kom dan maar meCi^zeide ik. 

Ik kon het niet lateneenigszinskort met hem leEijn,m*u-faijKheea 
er 1^ op te letten. Wij gingen den naasten ww, zondcr ondentcg ved 
Ve vpreken, en hij was zoo nederig beschaamd ovtr rijoe vethavende 



URIAH HBEP IS UIJM CAST. 65 

handschoenen, dat bij nog bezig was met te aan te trekken, en zeJh nog 
niets met dat werk gevorderd scheen te zijn, toen wij mijne wooing 
bereikten. 

Ik hielp hem de donkere trap op, om te veThoeden dat hij ergeas zijn 
boofd sdet, en waarlijk, ztjne koude, klamme hand had zoodanig het 
aanvoelen van een kikvorsch, dat ik in grbote verzoeking kwam om ze 
I0S te laten en we^ te loopen. Agnes en de gastvrijheid bchielden echter 
de overhand, en ik bracht hem aan mijn haard. Toen ik licht aanstak, 
viel hij in eene ootmoedigc verrukking over de kamer, die hem geopen- 
baard werd; en toen ik de koffie warmde in een zeer eenvoudig tinnen 
kanneljc, waarin juffrouw Cmpp ze geliefde te zetten (voornamelijk, ge- 
loof ik, omdat het volstrekt met daartoe bestemd, maar eigenlijk een 
kannetje voor scheerwater was, en omdat er een gepatenteerde tocstel, 
die veel geld gekost had, inbet provisiekamertje stond te beschimmelen), 
legde hij zulk eene aandoening aan den dag, dat ik hem het heete vocht 
gaarne in het gezicht had willen smijten. 

»0 waarlijk, jonge heer Copperfield — mijnheer Copperfield wil ik 
leggen," zeide Uriah, idat gij mij zoo bedient is iets dat ik nooit had 
kunnen verwachten! Maar op allerlei manieren gebeiiren mij zooveel 
dingen, dat ik in mijn nederigen stand nooit had kunnen verwachten, 
dat het waarlijk zegeningen op mijn hoofd schijnt le regenen. Gij toll 
zeker al wel iets gcnoord hebben van zekere verandering in mijne voor- 
uitzichten, jonge beer Copperfield? — mijnheer Copperfield moestik 
zeggen." 

Terwijl hij daar op mijne sofa zat, met zijne lange knieen onder zijn 
kopje kofhe opgetrokk en, zijn hoed en zijne handschoenen dichtbijhem 
op den grond, zachtjes met zijn lepeltje roerende, met zijne schaduw- 
looze roode oogen, waarvan de haar^es afgezengd schenen, naar mij 
gekeerd zonder naar mij te zien, terwijl de leelijke inkepingcn zijner 
neusgaten, waarvan ik vioeger heb gesproken, met zijne ademhaling al 
in- en uitgingen, en eene slangachtige kronkeling geheel zijn lichaam, 
van zijne kin tot aan zijne laarzen, doortiep, werd ik het met mij zelvcn 
volkomen eens, dat ik een diepen a&chuw van hem had. Ik was er slecbt 
mede in mijn schik, dat ik hem tot gast had, want ik was toen nog jong, 
en ongcwoon om te ontveinzen wat ik zoo krachtig gevoelde. 

»Gij zult zeker a] wel iets gehoord hebben van zekere verandering in 
mijne vooniitzichten, jonge heer Copperfield? — mijnheer Copperfield 
moestik zeggen," merkte Uriah aan, — ija, zoo iets," zeide ik, — »Ha, 
ik dacht wel, datjuffrouw Ag^es er van weten zoul" antwoordde hij zeer 
koelbloedig. »Ik ben blij nu ik merk, dat juffrouw Agnes er van wect. Ik 
ben u wel dankbaar, jonge — mijnheer Copperfield.'' 

Ik had hem mijn laarzenknecht wel naar het hoofd willen gooien (dat 
ding lag juist op het haardkleedje gereed), omdat ik mij door hem had 
laten verlokkcn iets van Agnes le ontdekken, hoe oabeduidend het ook 
wezen mocht Maar ik dronk slechts mijn kopje koffiie uit. 

iWelkeenprofeetblijkt gij dan tochgeweestte zijn, mijnheer Copper- 
field," vervolgde Uriah, »Ja waarlijk, welk een profeet blijkt ge nu toch 

DAVID COPPERFIELD — II. - ^ 



66 DAVID COPPERFIE^D. 



i— >1 



geweest te zijn ! Heugt het u wel, hoe ge mij eens gezegd hebt,datikii 

schien nog als compagnon bij mijnheer Wickfield in de zaak zoakoi 

en dat het eens misschien Wickfield en Heep zou worden ! U zalhctaj^E. b^^ 

achien niet heugen ; maar als iemand nederig is, jonge heer Cop] 

dan bewaart hij zulke dingen als schatten !" — Ik herinner mij nog wd^fef obvo* 

ik er van sprak," zeide ik. iSchoon ik het toen zeker niet voorhdlibei u 1 

waarschijnlijk hield." — >0, wie zou het voor waarschijnlijk bebi»ik* zc 

gehouden, mijnheer Copperfield!" antwoordde Uriah met vervociinAl'' «iti 

»Ik kan u verzekeren, dat ik dat zelf niet deed. Het heugt mij nog ■•d! Het 

mijn eigen mond gezegd te hebben, dat ik vecl te nederig was. Daanoc^tsi. ai: 

hield ik mij zelven ook, wezenlijk en waarlijk.'' 

Toen ik naar hem omzag, zat hij, met dien alsuithoutgesneden 
naar het vuur te kijken. 

»Maar de nederigste menschen, jonge heer Copperfield," hervattc 
weldra, >kunnen werktuigen tot iets goeds wezen. Ik verheug mij in 
gedachte, dat ik voor mijnheer Wickfield een werktuig tot ietsgoedsbafcc pla 
geweest, en dat nog verder kan wezen. O, welk een braaf manislJ»f mai 
mijnheer Copperfield; maar hoe onvoorzichtig is hij geweest" — >H<^iA«.iJ ^ 
spijt mij wel dat te hooren," zeide ik, en kon niet nailaten er eeni 
stekelig bij te voegen: >om meer dan eene reden." — >Ja stellig, ffjl^ 
wel gelijk, mijnheer Copperfield," antwoordde Uriah. »0m meerW 
eene reden. Bovenal om jufFrouw Agnes! Gij hebt zeker geen gehcug^J^^^ 
meer van uwe eigene welsprekende uitdrukkingen, jonge heer Copp<^' 
field; maar mij heugt het nog wel hoe ik u eens hoorde zeggen, ^ 
iedereen haar moest bewonderen, en hoe ik u voor dat zeggen bedanktc* Wj^ 
Gij hebt dat zeker vergeten, jonge heer Copperfield." — >Neen," tcidc ^^^ 
ik droog. — >0 hoe blij ben ik, dat gij het nog weet!"riep Uriah ait 
» Als ik bedenk dat gij de eerste moest wezen om de vonkendereerzucht 
in mijne nederige borst te doen gloeien, en dat gij dat niet vergeten hebt 
O! Zoudt ge mij niet kwalijk nemen, als ik om nog een kopje ko&e 
verzocht?" 

Er was iets in den nadruk, dien hij op dat gloeien van vonken legde, 
en iets in den blik, dien hij daarbij naar mij richtte, dat mij deed schnk- 
ken alsof ik hem werkelijk door innerlijk vuur had zien gloeien. Door 
zijn verzoek, op een geheel anderen toon uitgesproken, weder tot bezin- 
ning gebracht, bediende ik hem uit het scheerkannetje; maar ik deed 
zulks met een onvaste hand, eene plotselinge bewustheid dat ik met 
tegen hem was opgewassen, en een verbijsterden, wantrouwigen angst 
voor wat hij verder zou zeggen, die ik wel gevoelde dat zijne opmerk- 
zaamheid niet konden ontsnappen. 

Hij zeide geheel niets. Hij roerde zijne koffie om, nam er een proef jc 
van, betastte zijne kin met zijne kille hand, keek naar het vuur, keek in 
de kamer rond, keek mij met een grijnzenden glimlach aan, wrong en 
kronkelde zich met kruipende onderdanigheid, roerde en proefde dan 
weder, maar liet het vemieuwen van het gesprek voor mij over. 

>Dus is dan mijnheer Wickfield," zeide ikeindelijk, »diealleenkan 
opwegen tegen vijf honderd zooals gij — of ik" (ik had, al was het om 



« 



9 



URIAH STRBEFT ER NAAR AGNES TE VERKRIJGEH. 67 



mijn leveii te doen gewecst, niet kannennalatendelaatste wooidenals 
met ecD schok van ellcander te scheiden), >ODVoorzichdggeweest,met 
waar, mijnheer Heepf" ^- »0 waarlijk, zeer onvoorzichtigJoQge heer 
Copperfield," antwoordde Uriah, met eeae bescheidene verzuchting. 
lErgonvoorzictitig. Maar ik hadgaame, datgemij Uriah bleeftnoemen, 
ab het u bheft. Dat klinkt nog zooais in oudentijd." — >Welnu dan, 
Uriah," zeide ik, den naam met moeite uitbrengende. — >Ik danku 
wel," antwuorde hij met innigheid. »Ik danku wel,jongcheer Copper- 
field ! Het b alsof ik oude windjes hoor waaien of oude klokken hoor 
luiden, als ik u Uriah hoor zeggen.Neemmijnietkwalijk; maar waar- 
overwaren wij ook aan het spreken?" — »Over mijnheer Wickfield," 
herinnerde ik hem. — »0 ja, waarlijk," zeide Uriah. »Ja, ecne groote 
ODVoorzichdgheid, jonge heer Copperfield. Het is iets waarvan ik tegcn 
niemand zou willen reppeD dan tegen a. En zelfs bij u kan ik het maar 
even aanroeren, en meer nieL Als in dit laatste jaar temand anders in 
mijne plaats was geweest, zou hij nu mijnheer Wickfield (en o, welk een 
braaf man is hij toch, jonge heer Copperfield) onder aijn duim gehad 
hebbcn. On-der-zijn-duim," zeide Unah zeerlangzaam, terwijlhijzijne 
barbaarsche hand over mijne tafel uitstrekte en z)]n duim daarop dnikte, 
zoodat de tafel en de gehecle kamer er van trildcn. 

Al had ik hem met zijn paardepoot op mijnhecrWickfield's hoofd moeten 
zieQ staan, geloof ik toch, dat ik hem bijna niet erger had kunnen haten. 

lOch Heere ja, jonge heer Copperfield," vervolgde hij met eene zachte 
stem, die opmerkelijk afstak bij het gebaar met zijn duim, welke harde 
drukking hij volstrekt niet verminderde, »daaraan is niet te twijfelen. Er 
zou schade en schande van zijn gekomen — ik weet niet wat al. Mijnheer 
Wickfield weet dat ook wel. Ik ben het nederige werktuig om hem nede- 
rig te dienen, en hij verheft mij tot eene hoogte, die ik bezwaarlijk had 
kunnen hopen te bereiken. Hoe dankbaar moet ik wezen !" Met zijn ge- 
zichtnaarnii;toegekeerd, maar zonder mij aan tezien, nam hij zijn krom- 
men duim van de plek waarhijdiengeplanthad^enschrapteerlangzaam 
en peinzend zijne holle kaak mede, alsof hij zich schoor. 

Ik herinner mij nog wel, hoe mijn hart van verontwaarding klopte, 
terwiji ik aan zijn tistig gezicht, door het welgepaste roode licht van het 
vuur beschenen, zag, dat hij zich tot iets anders gereedmaakte. 

> Jonge heer Copperfield," begon hij. > Maar ik houd u te !aat op." — 
• Gij houdt mij geheel niet op. Ik ga doorgaans laat naar bed." — »Ik 
dank U wel, jonge heer Copperfield. Ik ben, sedert ge mijheteerstplacht 
toe te spreken, uit mijn nederigen staatopgeklommen, datis waarjmaar 
ik ben toch nog nederig. Ik hoop, dat ik nooit anders dan nederig zal 
wezen. Gij zult er mijne nederigheid niet om verdenken, als ik u iets in 
vertrouwen mededeel, niet waar, jonge heer Copperfield ?" — »0 neen," 
antwoordde ik met inspanning. — jflc dank u wel !" Hij haalde zijn zak- 
doek uit, en begon er zijne handpalmen mede af te vegen. »JufFrouw 
A^es, jonge heer Copperfield...."^ » Wel, Uriah?" — »0, hoepleizie- 
rig, zoo vanzelfUriahgeDoemdteworden!"riephijuit,eogaf zicheen 
schok, ab een visch die eene stuip krijgt. >Gij vondt van avond, dat zij 



68 DATID COPPSRFIELD. 

er allerschoDDst uitza^, niet waar, jon^ heer Copperfield i" — * Dc vond, 
dat zij er van avond uitzag ^lijk zij altijd doet ; in alle opzichten verhevea 
boven alien die haar omnngcn," antwoordde it — lO, ikdankuwelf 
Het is zoo waar !"riephijuit. "Ik dank uweljdatgij'datzegt." — »Dat 
behoeft niet," zcide ik met stijvc statigheid. » Gij hebt geene redcn om 
mij te bedanken." — »Wel dat, jonge heer Copperfield," antwoordde 
Uriah, »is juist het geheimpje, dat ik zoo vrij wilde zijn om u in vertrou- 
wen mede te deelcn. Zoo ncdcrig als ik ben," hij wrecf zijne handen nog 
harder, en keek beurtelings daamaar en naar het vuur, izoo nederig a& 
mijne moeder is, en zoo laag als ons aitu maaj eerlijk dak altijd geweest 
is, heeft het beeld van jufirouw Agnes (ik wU u mijn geheim wel toever- 
trouwcQ, jonge heer Copperfield, want mijn gemoed is altijd voor uopen 
geweest, van het eerste oogenblik af toen Sl het genoegen had om u in 
een hittenwagentje te zien) sedeit jaren in mijn hart gestaan.O, jonge 
heer Copperfield, met welk eene reine liefde bemin ik den grond, waarop 
mijne Agies treedt !" 

Ik geloof, dat ik het dolzinnige denkbeeld had om den gloeienden 
pook uit het vuur te nemen en er hem mede te doorsteken. Ik wierp het 
met een schok van mij af, gelijk een kogel uit een geweer wordt gescho- 
toi ; maar het beeld van Agnes, door maar eene enkele gedad^te vaa 
dat roodharige dier gehoond, bleef mij voor den geest staan toen ik hem 
aanzag, gelijk hij daar zat, verdraaid en verwibngen, alsof zijne lage ziel 
liJD lichaam de kramp deed krijgen, en deed mij duizelig worden. Hij 
scheen voor mijne oogen te zwellen en te groeicn^ de kamer schcen met 
echo's van zijne stem vervuld te zijn, en ik had een vreemd gevoel (het- 
welk misschicn niemand gehccl vreemd is), dat dit alles vroegernog eena, 
een onbepaalden tijd geleden, gebeuid was, en dat ik reeds wist wat hij 
Vervolgens zou zeggen, 

De tijdige opmerking der bewustheid van macht, die zijn gezicht te 
kennen gaf, droeg meer bij om mij het verzoek van Agnes in voile kracht 
voor het geheugen te brengen, dan eenige inspanning, die ikhad kunnea 
doen. Ik vroeg hem, met meerschijn vanbedaardheid dan ik eene minuut 
vroeger mogelijk had kunnen achten, of hij zijne gevoelens aan Agnes 
had kenbaar gemaakt. 

»0 neeo, jonge heer Copperfield," antwoordde hij, >o Heere, neen! 
Aan niemand anders dan aan u. Gij ziet wel, ik begin pas uit mijn l^en 
stand op te rijzen. Ik vestig er veel hoop op, dat zij zal opmerken hoe 
nuttig ik haar vader ben (want ik vertrouw, dat ik hem waarlijk zeer nut- 
tig zal wezen, jonge heer Copperfield) en hoe ik den wcg voor hem effen 
en hem op een goeden weg houd. Zij is zoo aan haar vader gehecht, 
jonge heer Copperfield (o, hoe beminnelijk is dat in eene dochter), dat ik 
denk, dat zij mij wel eens om zijnentwil genegen zal worden." 

Ik doorzag de diepte van het geheele plan van den schurk, en begreep 
ook wel waarom hij het bloot legde. 

>Als gij zoo goed wilt zijn om mijn geheim te bewaren, jonge heer 
Copperfield," vervolgde hij, ten mij over net algemeen niet tegen te wer- 
keo, zaJ ik dat voor eene bijzondere gunst achten. Gij zoudt zeker geene 



itriah's slaap. 69 

onaangenaamheden willen veroorzaken. Ik weet wel welk een welme«- 
aead hart gij hebt ; maar daar ge niij alleec in tniJD nederigen staat hebt 
^ekend (in mijn nederigsten, moet ik zeggen, want ik ben nog zeernede- 
Tig), zoudt ge mij, zonder het te willen of te weten, eenigszins bij mijne 
Agnes kunnen tegenwerken. Ik noem haar de mijne, ziet ge, jonge heer 
Copperfield. Eriseenliedjedatzegt: iKronenzouikwelverzaken, om 
de miJDe baar te maken," en dat hoop ik ook eens te doeo," 

Dierbarc Agnes ! Zooveel te liefderijk en goed voor ieder wien ik be- 
denken kon, zou het mogelijk zijn, dat zij bestemd was om de vrouw van 
zttlk era ellendeting te worden ! 

»Er is vooreerst gecn haast, jonge hcer Copperfield," vervolgde Uriah, 
Op zijn lijmerigen toon, toen ik bem, met die gedachte voot den geest, 
zat aan te slaren. >MiJDe Agnes isnogheel jong,en moederenik zullen 
ons nog omhoog moeten werken, en veel nieuwe schikkingen maken, 
eer het juist gele^en zou komen. Zoo zal ik tijd hebben om haar langEa- 
merhand met mijne hoop gemeenzaam te maken, naarmate de gelegen* 
heid zicb aanbiedt. 0,ik ben u zooveel verplicht voor ditvertrouwelijk 
osderhoud. O, het is zulk eene gerastheid, als gij u niet verbeelden kunt, 
nn ik weet, dat gij onze omstandigheden begrijpt, en mij zeker niet zult 
te^enwerken, omdat gij geene onaangenaamheden in de familie zoudt 
willen veroorzaken." 

Hij nam de hand, die ik hem niet durfde onthouden, en nadat bij ze 
■een klammen druk had gegeven, keek hij op zijn kleurloos horloge. 

>0 HeereT'zeidehij, ihetisalovereenen. Deoogenblikkenontglip 
pen iemand zoo in die oude vertrouwehjkheid, jonge heer Copperbeld, 
dat het al haast half twee is geworden." 

Ik antwoordde, dat ik het voor nog later had gehouden. Niet dat ik 
■dit werkehjk dacht, maar omdat ik haast niet wist wat te zeggen. 

»Goede hemel," zeide hij, zicb bedenkende. »Het huis waariklogeer — 
■een soort van gesloten hotel, jonge beer Copperfield, bij New River 
Head — za\ al wel twee uren naar bed zijn." — » Het spijt mij," ant- 
woordde ik, »er is hier maar een bed, en dat.,.." — O, spreek loch niet 
•van bedden, jonge heer Copperfield," riep hij met vervoering uit, en trok 
zijn eene been omhoog. *Maar zoudt gij cr iets tegen hebben als ik voor 
tet vuur gin^ liggen ? — » Als het daartoe moet komen," zeide ik, > neero 
dan liever mijn bed, dan zal ik wel voor het vuur gaan liggen." 

Zijne afwijzing van dit aanbod was, in zijne ovennaat van verrassing 
en nederigheid, bijna schcl genoeg om tot de ooren van juffrouw Crupp 
door te dringen, die toen, denk ik, in een afgelegen vertrek, oratrent ge- 
lijk met het laag-water-peil, lag te slapen, gesust door het tikken eener 
onverbeterlijke ktok, waarop zij zich altijd beriep als wij een klein ver- 
schil over den tijd hadden, en die nooit minder dan drie kwartier achter 
was, en altijd des morgens precies was gelijk gezet. Daar geene redenen, 
■die ik in mijn versuften toestand kon aanvoeren, eenigen invloed op zijne 
bescheidenheid hadden, om hem tot het aannemen mijner slaapkamer 
te bewegen, was ik genoodzaakt om de beste schikkingen, die mij moge- 
lijk waren, te nemen, om hem voor het vuur te laten rusten. De matras 



70 DAVID COPPERFIELD. 



der sofa (die voor zijnelanguitgerektegestalteveeltekortwas),dektis- 
sens daarvan, eene deken, een tafelkleed, een schoon ontbijtservet en 
eene jas strekten hem tot bed en dek, waarvoor hij meer dan dankbaar 
was. Na hem eene slaapmuts geleend te hebben^ die hij terstond opzette 
en waarmede hij er zoo afschuwelijk uitzag^ dai ik er naderhand nooit 
meer een heb gebruikt^ liet ik hem aan zijne rust over. 

Ik zal dien nacht nooit vergeten. Nooit zal ik vergeten hoe ik woelde en 
wentelde ; hoe ik mij afmatte met over Agnes en dat schepsel te denken ; 
hoe ik overlegde wat ik kon doen en wat ik moest doen ; hoe ik tot geen 
ander besluit kon komen dan dat het voor hare gemoedsrust 't best was, 
niets te doen en wat ik gehoord had voor mij zelven te houden. Als ik 
voor eenige oogenblikken sliep, rezen de beelden van Agnes met hare 
teedere oo^en, en van haar vader, die haar liefdevol aanzag^ gelijk ik 
hem zoo dikwijls had zien doen, voor mij op, zagen smeekend naar mij 
om, en vervulden mij met een onbestemden angst. Als ik wakker werd, 
benauwde mij de herinnering, dat Uriah in de naaste kamer lag te slapen 
als eene wakende nachtmerrie, en werd ik door eene half bijgeloovige 
vrees gekweld, alsof ik een soort van allergemeensten duivel bij mij te 
slapen had. 

Bovendien kwam de pook in mijne dommelige gedachten en wilde er 
maar niet uit. Tusschen slapen en waken dacht ik, dat hij nog gloeiend 
was en dat ik dien uit het vuur genomen en hem door het lijf gestoken 
had. Eindelijk werd dit denkbeeld mij zoo kwellend, schoon ik wel wist 
dat er niets van aan was, dat ik naar de andere kamer sloop, om naar 
hem te kijken. Daar zag ik hem op zijn rug liggen, met zijne beenen uit- 
gestoken, ik weet niet hoe ver, met rochelingen in zijne keel, verstoppin- 
gen in zijn neus, en een mond gapende als een oven. Hij was in die wer- 
kelijkheid nog zooveel leelijker dan in mijne ontstelde verbeelding, dat 
ik naderhand juist van afschuw naar hem toegetrokken werd, en nietna- 
laten kon, om het half uur of zoo, nog eens naar hem te gaan kijken. £n 
nos: scheen de lange, lange nacht even drukkend en hopeloos als ooit te 
blijven, en de donkere lucht geen dag te beloven. 

Toen ik hem des morgens vroeg naar beneden zag gaan (want, den 
Hemel zij dank, hij wilde niet blijven ontbijten) was het mij alsof in zijn 
persoon de nacht zelve heen^ng. Toen ik uitging, gaf ik juffrouw Crupp^ 
met bijzondere zorgvuldigheid last om de ramen open te laten, ten einde 
mijne zitkamer te luchten en van zijne tegenwoordigheid te zuiveren. 



XXVI. 

IK VERLIES MUNE VRIJHEID. 

Ik zag Uriah Heep niet meer, tot op den dag toen Agnes de stad ver- 
liet. Ik ging naar het diligence-kantoor om afscheid van haar te nemea 
en haar te zien vertrekken ; en daar was hij, die metdezelfdegelegenheid 
naar Canterbury terugkeerde. Hij gaf mij eenig genoegen zijne lange 



MIJNE ONRUST 0V8R AGNES. 7I 

braine jas, met de korle taille en de hooge schoudcrs, in gezelschapeeoer 
paraplu gelijk eene kleine tent, boven op het kantje van de achterbsnk 
te zien zittea, terwijl Agnes naruurlijk binnen in zat ; maar wat ik uitstond 
bij mijne pogingen om hem viiendelijk te behandelen, tervijl Agnes toe- 
zag, verdiende misschien die kleine belooning wel. Bij het portier der 
(Ultgence, evenals onder het tafelgezelschap, zwecfde hij, gelijk een gier, 
om ons Keen, enslokte ieder woord op, datik tot Agnes of Agnes tot 
mij sprak. 

In dc ongenistheid, waarin zijne tnededeeling bij mijn haard mij had 
gestort, bad ik veel over de woorden gedacht, welke Agnes, over de 
aanstaande compagnieschap sprekende, had gebezigd : >Ik heb gedaan 
wat ik hoop dat welgcdaan was. Daar ik mij overtiiigd gevoelde, dat het 
voor papa's gemoedsrusc noodzakelijk was tot die opoffering te komen, 
droDg ik hem om ze maar te docn." Een jammerlijk voorgevoel, datzij 
voor hetzelfde gcvoel zou zwichten, en ook daardoor ondersteund zoti 
worden, welk offer haarook om zijnentwiImochtgevergdworden,bad 
mij sedert gedurig benauwd. Ik wist hoe lief zij hem had. Ik wist tot welke 
opofferingen zij in staat was, Ik wist uit haar eigen mond, dat zij zich 
zelve als de onschuldige oorzaak zijner dwalingen beschotiwde en 
dacht dat zij eene groote schuld aan hem had , die zij vurig verlangde te 
betalen. Het troostte mij nict te zien, hoe groot het verschil was tu^chen 
baai en dien verfoeielijken roodkop met zijne paarschbniine jas, want ik 
gevoelde dat, bij de zelfverloochening barer reine ziel en dc l^e baat- 
zucht del zijne, juist in dat verschil haai grootst gevaar gelegen was. Dit 
alles wist hij zonder twijfel insgelijks, en had hij met zijne doorslepcnheid 
wel overwogen. 

Echter was ik zoo zeker, dat bet vooruitzicht op zulk eene opofTenng 
in de veite het geluk van Agnes moest verwoesten, en was door hare 
manieren zoozeer overtuigd, dat zij het nog niet ontwaarde en het nog 
geene schaduw op haar had laten vallen — dat ik haar even gaamc we- 
zenlijk had willen benadeelen als haar eenige waarschuwing geven van 
wat haar boven het hoofd hing. Zoo kwam het dat wij zonder ophelde- 
ring scheidden, Zij wuifde mij glimlachcnd uit het portier een vaarwel 
toe, terwijl haar booze geest zich bovenop zat te wringen, alsof hij haar 
reeds in zijne klatiwen had en daarin triomfeerdc. 

Ik kon dien laatsten afscheidsbUk in langen tijd niet te boven komen. 
Toen Agnes mij schreef om mij hare goede overkomst te berichten, was 
ik nog even ellendig als toen ik haar zag heengaan. Wanneer ik aan het 
peinzen geraakte, kwam dit onderwerp mij altijd voor den geest, en werd 
mijne onnist nog veel grooter. Er verliep bijna geen nacht, dat ik er niet 
van droomde. Het werd een deel van mijn leven, even onafecheidbaar 
van mij zelven als mijn eigen hoofd. 

Ik had ruim den tijd om mij met mijne ongemstheid te kwellen ; want 
Steerforth was teOxford, gelijk hij mij schreef, en als ik nietnaarde 
Commons was, was ik zeer veel allecn. Ik geloof, dat ik in dien tijd een 
geheimen achterdocht tegen Steerforth had. Ik schreef op zijn brief een 
nartelijk antwoord, maar ik geloof, dat ik over het geheel blijde was dat 



\ 

t 

72 DAVID COPPBRPIELD.; 



hij toen juist niet naar L o n d e n kon komen/De waarheid was, naar ik 
meen, dat de invloed van Agnes mij toen beheerschte, zonder door het 
zien van hem verzwakt te worden; en dat die invloed des te krachtiger 
werkte, omdat zij zooveel aandeel in mijne gedachten en belangstel- 
linghad. 

Ondertusschen gleden dagen en weken voorbij. Ik was bij Spenlow en 
Jorkins voor vast op het kantoor. Ik had negentig pond 's jaars (behalve 
mijne kamerhuur en wat daarmede in verband stond) van mijne tante. 
Mijne kamers waren voor een jaar vast gehuurd; en schoon ik ze des 
avonds nog vervelend en de avonden lang vond, kon ik daar toch met 
gelijkmoedige neerslachtigheid blijven zitten koffiedrinken, die ik, als ik 
terugdenk, in dat tijdperk van mijn leven bij den emmer schijn te hebben 
gedronken. Omstreeks dezen tijd deed ik 00k drie ontdekkingen ; voor- 
eerst dat jufifrouw Crupp schrikkelijk veel uitstond aan eene zonderlinge 
kwaal, door haar > winden" genoemd, welke doorgaans met eene rood- 
heid V9n den neus vergezeld ging en gedurig met peperment bestreden 
moest worden; ten tweede, dat iets bijzonders in de temperatuur van het 
provisiekamertje de brandewijnflesschen deed springen; ten derde, dat 
ik alleen in de wereld was, en het mij een genot was die omstandigheid 
in fragmenten van Engelsche gedichten op te teekenen. 

Op den dag toen mijn contract gesloten werd, had er geene feestvie- 
ring plaats, behalve dat ik voor de klerken boterhammen en sheny op het 
kantoor liet komen, en des avonds alleen naar de komedie ging. Ik ging 
>Menschenhaat en Berouw" zien, als een soort van Doctors' Commons- 
achtig stuk, en was zoo schrikkelijk aangedaan, dat ik, toen ik thuis 
kwam,mij zelven in den spiegelbijnanietmeerkende. Mijnheer Spenlow 
merkte bij deze gelegenheid, toen wij de zaak afdeden, aan, dat hij mij 
gaame aan zijn huis teNorwood zoude willen zien, om het aanknoopen 
onzer betrekking te vieren, indien zijn huishouden niet eenigszins in de 
war was geweest door de verwachte terugkomst zijner dochter, die naar 
Parijs was geweest om hare opvoeding te voltooien. Maar hij gafmij 
tevens kennis, dat hij, wanneer zij thuis was, het genoegen hoopte te heb- 
ben om mij eens te gast te zien. Ik wist, dat hij een weduwnaar met ^ne 
dochter was, en zeide dus, dat ik mij zeer verplicht achtte. 

Mijnheer Spenlow deed zijn woord gestand. Eene week of twee later, 
herinnerde hij mij aan deze a&praak, en zeide, dat het hem zeer zou ver- 
heugen, als ik hem het genoegen wilde doen om aanstaande zaterdag te 
komen en tot maandag te blijven. Natuurlijk zeide ik, dat ik hem dat 
genoegen zou doen. Hij zou mij met zijn phaeton medenemen en weder 
terugbrengen. 

Toen de dag kwam, was zelfs mijn reiszak een voorwerp van eerbied 
voor de gesalarieerde klerken, voor wie het huis te Norwood een 
ongenaakbaar geheim bevatte. Een van hen onderrichtte mij, dat hij ge- 
hoord had, dat mijnheer Spenlow over tafel niets dan zilver en porselein 
gebruikte; en een ander gafmij te kennen, dat de champagne daar even 
ruim werd geschonken, als men anders gewoon is tafelbier te doen. De 
oude klerk met de pruik, die mijnheer TifFey heette, was verscheidene 



LOPSPRAAK OP doctors' COHUOHS. 73 

malen ia zijn kven wegens zaken aan huis geweest, en telkens tot in de 
zijkamer, waar Ae familie ontbeet, doorgedrongen. Hij beschreef deze 
aU sen allerprachtigst vertrek, en zeide, dat hij daar bramen Oostmdi- 
schen sherry had gedronken, zoo heerlijk, dat iemand er van moest 
knipoogen. 

Wij hadden dien dag eene uitgestelde zaak in het Consistorie — over 
het excommuniceeren van een bakker, die zich tegen eene in de kerke- 
kamer gearresteerde taks voor straatmaken had verzet — en daar de 
overgelegde bewijsstukken voor en tegen, volgens eene berekening, die 
ikmaJaktc^juisttweemaalzoolangwarenalsde Robinson Crusoe, was het 
tamdijk laat op den dag eer wij gedaan haddco. Wij kregen hem echter 
voor zea weken ge^communiceerd en in kosten zonder einde verwezen; 
en toen gingen de proctor van den bakker, en de rechters en de advo- 
caten aan bcide kanten (die alien naune bloedverwanten van elkander 
warcn) tc zamen uit de stad, en reden mijnhecr Speulow en ik in den 
phaeton heen. 

De phaeton was een zeer fraai rijtuig ; en de paarden bogen hun hals 
eti tilden hunne pooten op, atsof zij wisten dat zij tot Doctors* Commons 
bcfaoorden. In alles wat vertooning maken betrof, heerschte er in de 
Commons vrij vecl wcdijvcr, en men hield er toen keurige equipages op 
na; hoewcl ik altijd gedacht heb, en alcijd denken zal, dat in mijn tijd het 
grootste punt van wedijver de stij^el was, waarvan ik geloof dat onder 
oe proctors zooveel werd gedragen, als het een mensch maar mogelijk- 
is te dragen. 

Wij waren onderweg zeer genoeglijk met elkander, en mijnheer Spen* 
low gaf mtj eenige wenken ten opzichte van mijn vak. Hij zeide, dat 
het het fatsoenlijkste vak van de wereld was, en vooral niet met dat van 
Bollicitetu* moest verward worden; daar het eigentijk geheel iets anders 
was, oneindie meer exclusief, minder machinaal, en veel voordeeliger. 
Wij namen de zaken in de Commons veel gemakkelijker op, dan zij 
ei^ens anders konden opgenomen worden, merkte hij aan, en dit zon- 
derde ons, als eene geprivilegieerde klasse van alle andere uit. Hij zeide, 
dat het wel onmogelijk was de onaangename waarheid te verbloemen, dat 
wij voornamelijk door solliciteiirs werden gebruikt, maar gaf mij te ver- 
staan, dal deze toch een lager menschensoort waren, waarop alle proc- 
tors van eenig aanzien uit de hoogte neerzagen. 

Ik vToeg mijnheer Spenlow, wat hij voor de beste soort van zaken in 
ons beroep hield. Hij antwoorddc, dat een gocd proces over een betwist 
testament, waarin een onbezwaard landgoedje van dertig of veertig 
duizend pond betrokken was, misschien het beste van alles mochtheeten. 
In zulk een proces, zeide hij, waren er niet alleen op elken trap der pro- 
cedure zeer aardige winstjes met pleiten te doen, en bergen van bewijzen 
met verhooren en tegen -verhooren bijeen te brengen (om er niet van te 
spreken, dat men eerst bij de gedelegeerden en dan bij de lords kon 
appelleeren) ; maar daar men tamelijk zeker was, dat de kosten eindelijk 
mt den boedel zouden komen, ging men er van beide zijden lustig en 
levendig aan, en stoorde men zich ook niet aan onkosten, Daama.X^^cii^ 



74 DAVID COPPEttFlELD. 

hij in eene algeraeene lo&praak op de Commons uit te weiden. Wat 
vooial in de Commons bewonderd moest worden, zeide hi], wasdat alles. 
Eoo beknopt was. Nergens op de wereld was iets gemakkelijker en tftn- 
diger ingericht. Het was een voorbeeld van eenvoudigheid. Men kon 
alles in een notedop pakken. Bij voorbeeld : Men bracht een proces over- 
echtscheiding, of over restitutie, voor het Consistorie. Heel goed. Men 
liet het eerst in het Consistorie afloopen. Men maakte er een stil alle- 
gaar^e van, onder een familiekring, en speelde dat op zijn geraak uit. 
Voorondersteld men was met het Consistorie niet tevreden, wat deed 
men dan f Wei, dan ging men naar de Arches. Wat was de Arches? Het- 
zelfde Hof, in dezelfde zaal, met dezelfdebalie,en dezelfde praktinjns, 
maar met een anderen rechter; want daar kon de rechter in het Consis- 
torie elken zittingdag als advocaat komen pleiten. Wei, men speelde 
sijn allegaartje wederom uit. Nog was men niet tevreden. Heel goed. 
Wat deed men danP Wei, dan ging men naar de gedekgeerdcn. Wat 
waren de gedelegeerden f Wei, de geestelijke gedelegeerden waren de 
advocaten eonder zaak, die bij het allegaartje hadden toegekekcn terwijl 
het in de twee Hoven gespeeld werd, en de kaarten hadden lien ver- 
schieten, geven en uitspelen, en met al de spelers er overhadden gepraat 
en nu versch, als rechters, aankwamen, om de zaak tot ieders genoegen 
te Echikken. Ontevredene menschen mogen over de misbruiken in de 
Commons, en het nepotisme in de Commons, en de noodzakehjkheid 
van eene hervorraing der Commons praten, zeide mijnheer Spenlow 
»er plechtig, tot besluit; maar toen de prijs van het schepel tarwe het 
hoogst was geweest, hadden de Commons het meest te doen gehad', en 
ienoand mocht genist de hand op het hart leggen en tot de geheele wereld 
zeggen: iRaakaande Commons en bet land valt!" 

Ik luisterde met aandacht naar dit alles, en hoewel ik zeggen raoet, dat 
ik twijfelde of het land wel zooveel aan de Commons verplicht was als 
mijnbeer Spenlow bewecrde, onderwierp ik mij uit eerbied aan zijn ge- 
voclen. Dat van den priJs van een schepel tarwe, gevoelde ik, in mijne 
bcscheidenheid, dat mijne krachten te boven ging en de zaak in eens- 
afdeed. Ik ben, tot op dit oogenblik, nog nooit over dat schepel tarwe 
been gekomen. Het heeft mij, geheel mijn leven door, bij alle soorten 
van onderwerpen opnieuw den mond gesnoerd. Ik weet eigenlijk niet 
wat het er mede te maken heeft, of welk recht het heeft mij bij eene od- 
eindige verscheidenheid van gelegenheden te doen verstommen; maar 
wanneer ik mijn ouden vriend het schepel er bij de haren zie bijslepen 
(gelijk, naar ik heb opgemerkL, altijd gebeurt}, geef ik de zaak als 
verloren op. 

Dit is eene uitweiding. I k was de man niet om aan de Commons te 
raken en het land te doen vallen. Ik gaf door mijn stilzwijgen mijne on- 
derdanige toestemming te kennen in alles wat ik van mijn meerdere in 
jaren en kunde had gehoord; en verderpraattcn wijover»Menschen- 
baat en Berouw," het drama en de twee paardcn, tot wij het tuinhek 
van mijnheer Spenlow bereikten. 

Er behoorde een fraaie tuin bij het huis, en hoewel dit het beste jaar- 



ft 



IK WORD VERUEFD OP BORA. 75 

getijde niet was om een tuin te zien, werd deze too keurig onderhovden, 
dat ik er over vernikt was, Er was een heerlijk grasperk, er waren boora- 
groepen, en er waren op fraaie gciichtspunten aaogelegde wandelpaden, 
die ik in het donker nog juist kon onderscheiden, metlatwcrk overwelfd, 
waartegen, ah het groeilijd was, heesters en bloemen opgroeiden. iHier 
zal juffrouw Spenlow in hare eenzaamheid wandelen !" dacht ik. 

Wij kwamen aan het huis, dat vroolijk verlicht was, en in een voorhtlis, 
waar allerlei soorten van hoeden, petten, jassen, mantels, handschoenen, 
zweepen en wandelstokken hingen, lagen en stonden. > Waar is juffrouw 
Dora?" aeide mijnheer Spenlow tot den knecht. — iDora!" dacht ik. 
> Welk een heerhjk mooie naam !" 

Wij stapten eene kamer naastaan binnen (ik geloof, dat het dezclfde 
zijkamer was, die door den bruinen Oostindischen sherry gedenkwaardig 
was geworden), en ik hoorde eene stem zeggen : »Mijnheer Copperfield, 
mijne dochter Dora, en hare confidentieele vriendin 1" Dit was londer 
twijfel mijnheer Spenlow's stem ; maar ik wist niet wiens stem hel was en 
bet kon mij ook niet schelen. Het was in een oogenblik gedaan met mij. 
Mijn noodlot was vervuld. Ik was overwonnen, ik was een gevangene, 
een slaaf geworden ; ik had mijne vrijheid voor altijd verloren. Ik was 
smoorlijk op Dora Spenlow verliefd. 

Zij was meer dan een menschelijk wezen voor mij. Zij was eene fee, 
eene sylphidc. Ik weet niet wat lij was — zij was al wat niemand ooit ge- 
zien had, en alles waamaar iemand ooit had gesmacht. Ik werd in een 
oogwenk in een afgrond van liefde verjwolgen. Ik kon niet op den rand 
blijven toeven, ik kon niet naar omlaag zien ofachteromzien; ik was 
verloren, eerikbesef had om een woord tot haar lespreken. 

>Ik,"zeideeene stem, dieik mij nog wel herinnerde, nadat ik gebogen 
en iets gepreveld had, > heb mijnheer Copperfield wcl meer gezien." 

Het was Dora niet, die sprak. Neen, de con tid^itieele vriendin, juffrouw 
Murdstone ! 

Ik geloof niet, dat ik erg verbaasd was. Zooveel ik er over oordeelen 
kan, was ik niet meer vatbaar voor verbazing. Er was in de geheel stoffe- 
lijke wereldnietsnoemenswaardigs,behalveDoraSpenlow,omiichover 
te verbazen. Ik zeide: »Hoe vaart ge, juffrouw Murdstone? Nog wel, 
hoop ik." Zij antwoordde : » Zeer wel." Toen zeide ik ; » Hoe vaart mijn- 
heer Murdstone ?" Zij antwoordde : » Verplicht, mijn breeder is ook wel." 

Mijnheer Spenlow, die, naar ik denk,verwonderd was, dat wij elkan- 
der kenden, voegde er nil een woordje tusschen, 

»Het verheugt mij, Copperfield," zeide hij, »dat gij en juffrouw Murd- 
stone reeda met elkander bekend zijt." — »Mijnheer Copperfield en ik," 
z«ide juffrouw Murdstone met barsche kalmte. zijn betrekkingen. Voor- 
■ been zijn wij eenigsztns met elkander bekend geweest. Dat was in lijne 
kindeijaren. Omstandigheden hebben ons sedert verwijderd. Ik zou hem 
sedert niet meer gekend hebben," 

Ik antwoordde, datik haar overal zou herkend hebben, hetgeen maar 
al te waar was. 

» Mejufirouw Murdstone heeft de goadheid gehad," herval.t«'KwstfaR.«t 



76 DAVID COPPBRFIBLD. 

Spenlow, >oin den post, ab ik bet eoo mag uitdniklen, van mijne doch> 
ter Dora's coDfidentieele vricndin te aaDvaarden. Daar mijne dochter 
Dora, ongelukki^^ geene moeder mecrheefi, heeft juffrouw Murdstone 
de vriendelijkheid gefaad om haai gezellin en beschermster te worden." 

Er vloog mij eene gedachtedoorhcthoofd, datjufTrouwMurdstone, 
gelijk het zakwerktuigje dat men een levensbeschermer (life-preserver) 
noemt, meer geschikt was om er kwaad dan goed mede te doen. Maar 
dewiji ik voor atle dingen behalve Dora slechts eene vluchtige gedachte 
everhad, zag ik terstond weder naar haar, en meende aan haar aardig 
onvergenoegd gezichtje te kunnen zien^ dat zij niet zeer genegen wasom 
bijzonder confidentieel met hare gezellin er. beschermster te wezen, toen 
uch eene schel liet hooren, welke mijnheer Spenlow mij zeide^ dat het 
eente sein voor het diner was, en mij dus deed heengaan om mtj te ver- 
kleeden. 

Het denkbeeld om zich in dien staat van verliefdheid te verkleeden, 
of iets anders te doen dat eenige inspanning vorderde, was een weinigje 
al tc zot. Ik kon slechts voor mijn vuur gaan zitten, op het sleuteltje van 
mijn reiszak bijtcn, en aan de betooverende, kinderlijke Dora, met hare 
heldcre OOgen, denken. Welk ccn figuurtje had zij, en welk een gezichtje, 
en welke sicrlijke, ongemaakte, betooverende maniertjes! 

De schel wcrd zoo spoedig voor de tweede maal geluid, dat ik mijn 
toilet maar aQachtte, inplaats van het met zooveelzorgvuldigheidte ma- 
ken als ik onder deze omstandigheden wcl kon gewenscht hebben, en 
naar beneden ging, Er was nog meer gezelschap. Dora stond met een oud 
heer met een grijs hoofd te praten. Zoo giijs als hij was — en een over- 
grootvader ook nog, want dit zeide hij zelf — - wasik razend jaloersch 
op hem. 

In welk eene gemoedsstemming was ik ! Ik was op iedereen jaloersch. 
Ik kon de gedachte niet verdragen, dat iemand mijnheer Spenlow beter 
kende dan ik. Het was eene marteling voor mij hen van voorvallen te 
hooren spreken die ik niet had bijgewoond. Toen een zeer beminnens- 
waardig persoon, met een blinkend kaal hoofd, mij over de lafel been 
vroeg, of dit de eerste maal was dat ik den tuin zag, had ik hem wcl alles 
willen doen wat maar baibaarsch en wraakzuchtig was. 

Ik herinner mij niet meer wie erwas, behalve Dora. Ik kan mij volstrekt 
niet verbeelden wat wij te eten kregen, behalve Dora. Ik ben van ge- 
dachte, dat ik mijn maaltijd geheel en al met Dora deed, en een half do- 
zijn borden onaangerocrd liet wcgnemcn. Ik lat naast haar. Zij had een 
allervermkkelijkst stemmetje, een allervroolijkst lachtje, de aardigste en 
betooverendste maniertjes over zich, die ooit een verdooldjongeling in 
hopelooze slavernij brachlen. Zij was over het geheel eenigszins een mi- 
niatuurtje. Zooveel te kostbaardcr, dacht ik. 

Toen zij met juffrouw Murdstone de kamer uitging (er waren geene 
andere dames onder het gezelschap) verzonk ik in een gemijmer, alleen 
gestoord door de gruwelijke vrees, dat juffrouw Murdstone bij haar 
kwaad van mij zou spreken. De bem inn ens w aardig persoon met het 
blinkende hoofd deed mij eene lange vertelling, die ik geloof dat over 



IK HKB RKN ONDERHOUD MET JUFFROUW MURDSTONB. 77 



ovenieren liep. Ik hoorde hem, naar ik meen, verscheidene malen 
tuinman" zeggen. Ik scheen hem de grootste aandacht te verlee- 
DQaar ik zwierf ondertusschen met Dora in een hof van Eden rond. 
ne vrees, dat er bij het voorwerp mijner hartstochtelijke genegen- 
Hfraad van mij gesproken was, werd^ toen wij naar het salon gingen, 
het stroeve en stijve gezicht van juffrouw Murdstone verlevendigd. 
ik werd op eene onverwachte manier daarvan ontheven. 
ivid Copperfield," zeide juffrouw Murdstone, mij wenkende om ter 
if naar een venster te komen, >een woordje." 
rad juffrouw Murdstone alleen onder de oogen. 
avid Copperfield," zeide zij, >ikbehoefnietoverfamilie-omstan- 
den uit te weiden. Zij zijn geen uitlokkend onderwerp." — > Verre 
aar, juffrouw," antwoordde ik. — » Verre van daar," herhaalde juf- 
Murdstone toestemmend. >Ik verlan^ de geheugenis van vroegere 
illen, of van vroegere beleedigingen, met op te rakelen. Ik heb belee- 
;en ontvangen van iemand — eene vrouw, spijt het mij voor de eer 
r sekse te moeten zeggen — die niet zonder verachting en afechuw 
imen is ; en daarom wilde ik haar liever niet noemen." 
nrerd wel inwendig zeer warm, maar zeide slechts, dat het gewis 
zou zijn, ab het juffrouw Murdstone beliefde haar n i e t te noemen. 
1 haar, voegde ik er bij, niet op eene oneerbiedige wijs hooren noe- 
Konder op een zeer stelligen toon mijn gevoelen tekennen tegevea. 
rouw Murdstone sloot hare oogen, en boog met zekere minachting 
loofd ; toen langzaam hare oogen weder openende, hervatte zij : 
ivid Copperfield, ik zal het niet pogen te verbloemen, datik in uwe 
leid eene ongunstige meening van u had opgevat. Dit kan eene 
erde meening zijn geweest, of gij kunt opgehouden hebben ze te 
nen. Dit b nu de vraag niet tusschen ons. Ik behoor tot eene fami- 
^ geloof ik, eenigszins door vastheid uitmunt, en ik ben geen speel- 
n omstandigheden of veranderingen. Ik mag mijne meening van u 
n, en gij moogt uwe meening van mij hebben/' 
yoog nu op mijne beurt het hoofd. 

aar het is niet noodig," vervolgde juffrouw Murdstone, > dat deze 
ngen hier in botsing komen. Onder de bestaande omstandigheden 
t in alle opzichten goed zijn dat dit niet gebeure. Daar een samen- 
^an omstandigheden ons weder bij elkander heeft ^ebracht, en dit 
ij andere gelegenheden nogmaals kan doen, wilde ik zeggen : latem 
cander hier als onverschillige bekenden ontmoeten. Familie-aange- 
leden ziju eene voldoende reden, dat wij alleen op dien voet met 
ler omgaan, en het b volstrekt niet noodig dat wij elkander het 
werp van aanmerkin^en maken. Vindt gij dit goed ?" — » Juffrouw 
itone/' antwoordde ik, >ik ben van gedachte, dat gij en mijnheer 
(tone mij zeer barbaarsch en mijne moeder zeer hard behandeld 
Ik zal altijd zoo denken, zoo lang ik leef. Maar ik stem volkomem 
wat gij daar voorstelt." 

rouw Murdstone sloot nog eens hare oogen en boog haar hoofd. 
a met de toppen barer koude stijve vingers even den rug mijner 



78 DAVID COPPERFIELD. 

hand aanrakende, ging zij heen, en verschikte ondcf het heengaan dc 
kettinkjes om haar pols en haar hals, die nog dezelfde, en in denzeifden 
Etaat schenen te zijn, als toen ik haar het laatst gezien had. Zij herinnei- 
den mij, aan jufirouw Murdstone's karakter denkende, aan de kettingen 
en boeicn boven dc deur eener gcvangenis', zoodat zij alle beschouwen 
van buiten konden doen begrijpen wat er van binnen te verwachten was. 

AUes wat ik van het overige van den avond weet is, dat ik de keizerin 
van mijn hart betooverende romances in de Fransche taal hoorde zingeo, 
waarvan de doorgaande inhoud was, dat men, wat er ook gebetiren 
mocht, altijd behoorde te dansen, Tra la la, tra la lal waarbi; zij zichzelve 
accompa^eerde op een hemelsch instrument, dat naar een guitaar ge- 
leek. Dat ik in eene zalige ijlhoofdigheid verzonken was. Dat ik voor alle 
ververschingen bedankte. Dat mijne ziel vooral eene afschuw had van 
Punch, Dat zij, toen juffrouw Murdstone haar in bewaring nam en heen- 
voerde, mij met een glimlach haat verrukkelijk handje gaf. Dat ik mij 
zelven bij toeval in een spiegel zag en keek alsof ik mal en siif was. Dat 
ik in eene allerweemoedigste stemming naar bed ging, en in eene crisb 
van flauwe razeraij opstond. 

Het was een fraaie ochtend en nog vroeg. Ikdachtdus,datikeens 
naar buiten wilde gian en die met latwerk overwelfde paden doorwan- 
delen, en mijn hartstocht bevredigen door mij daar haar beeld vcor den 
geest te halen. Toen ik in het voorhuis kwam, vond ik daar haar hondje, 
datjip genoemd werd — ■ als eene verkorting van Gipsy. Ik naderde hem 
met teedere vriendelijkheid, want ik had zelfs hem reeds lief; maar hij 
liet mij al zijne tanden zien, kroop onder een stoel, opzettelijk om te 
brommen, en wilde niet van de minste gemeenzaamheid wetcn, 

De tuin was koel en eenzaam. Ik wandelde rond, mij verwonderende 
hoe gelukkig ik mij wel zou gevoelen, als ik ooit met dat dierbare we> 
zentjegeengageerd mocht worden. Wat trouwen, fortuin en dat alles be> 
trof, hieromtrent was ik, geloof ik, toen even onnoozel en onverschitlig, 
als toen ik op kleine Emily verliefd was. Haar >Dora" te mogen noemen, 
aan haar te schrijven, haar te mogen liefhebben en aanbidden, reden te 
hebben om te getooven, dat zij nog aan mij dacht als zij bij andere men- 
Bchen was, kwam mij het toppunt van meoschelijke eerzucht voor — ik 
weet zeker, dat dit het toppunt van de mijne was. Ik twijfel er volstrekt 
niet aan of ik was een malle sentimenteele kwast ; maar in dat alles was 
toch eene reinheid van hart, die mij, schoon ik er nu om mag lacben, 
toch verhindert om er met eigenlijke minachting aan te denken. 

Ik had nog niet lang gewandeld, toen ik een hoek omsloeg en haar 
ontmoette. Ik tintel nog van het hoofd tot de voeten en mijne pen beeft 
in mijne vingers, als mijn geheugen weder dien hoek omslaat. 

» Gij — zijt — vrocg buiten, juffrouw Spenlow," zcide Jk. — • Het is zoo 
vervelend in huis," antwoordde zij, >en die juffrouw Murdstone heeft 
zuike zotte grillen ! Zij kan er zoo mal over praten. dat de dag wat gelucbt 
moet hebben eer ik buiten kom, Geluchl I" zij lachte hier, zoo welluidend 
als ik ooit iets gehoord heb. >0p een zondagochtend, als ik geen piano 
(peel, moet ik toch iets doen. Ik zeide dus papa gisteravond dat ik naar 



HEX HOMDJE VAN DORA. 79 

buiten mo est Bovendien, het is de hdderste tijd van den dag. VJndt 
gedatooknict?" 

Ik waagde eene sioute vlucht, en zeide (niet zonder stotteren) dal het 
nu zecT helder voor mij was, schoon het geen mmuut geleden zeer don- 
ker voor mij was geweest. 

>Meent gii een compliment," zeide Dora, lofdat het weerinderdaad 
veranderdisr" 

Ik stotterde nog erger dan te voren, toen ik antwoordde, dat ik geen 
compliment, maar de zuiverc waarbeid had bedoetd, hoewel ik niet wist 
dat er ecnige vcrandering in het weder had plaats gehad. Het was in den 
toestand van mijn eigen gevoel, voegde ik er bedeesd bij, om de opbd- 
dering nog duidelijker te maken. 

Ik had nooit zulke knillen gezien — hoe kon ik ook, want er waren 
nooit zulke krullen geweest — ab zij schudde om haar blozen te verber- 
gen. Wathetstroohoedje met blauw lint betrof, dat op die knillen stond, 
als ik het maar in mijne kamer inBuckingham-Street had kunnen 
ophangen, welk eene onwaardeerbare bezitting zou het geweest zijn ! 

»Ge lijt zoo pas van Parijs teniggekomen f" zeide ik. — »Ja,"ant- 
woordde zij, »Zijt gij daarwel geweest?" — >Ncen." — >0, dan hoop 
ikdatgijergauwnaar toezult gaan. Wat zalhet udaaibevallen!" 

Sporen van diepe zielesmart vertoonden zich op mijn gelaat, Dat zij 
hopen zou, datikheenging,datzijhetinogelijkzouachten,datlkkon 
heengaan, was ondraaglijk, Ik verachtteParijs; ik verachtteFrank- 
rijk. Ik zeide dat ik, ooderdebestaandeomstandigheden, Engeland 
voor niets ter wereld zou willen verlaten. Niets zou mij daartoe bewegen. 
Kortom, zij schudde hare krullen weder, toen haar hondjekwamaan- 
loopen om ons uit den nood te helpen. 

Hij was doodelijk jaloersch op mij, en bleefaanhoudendtegen mij 
blaffen. Zij nam hem in hare armen op — o mijn hemel ! — en streelde 
hem, maar hij bleef toch nog blaffen. Hij wilde mij hem niet laten aanra- 
keti, toen ik dit beproefde ; en toen sloeg zij hem. Hij deed mijn lijden 
nog ontzaglijk toenemen, toen ik zag welke tikjes zij hem tot straf op zijo 
stompen neus gaf, terwijl hij knipoogde, en hare hand likte, en nog bij 
zich zelve bromde, als een contrabas in miniatuur. Eindelijk hield hij 
zich stil — wel mocht h^ dat, met hare raollige kin op zijn kop ! — en wij 
gingen verder om naar eene oranjerie te kijken. 

»Ge zijt niet heel familiaar met juffrouw Murdstone, zijt ge wel?" zeide 
Dora. » Mijn lievertje !" 

De twee laatste wootden waren tot den hond gericht. O, waren zij het 
maar tot mij gcFeest. 

»Ncen," aatwoordde ik. iLang niet." — »Zij is zulk een vervelcnd 
schcpsel," zeide Dora met een pruilend lipje. • Ik kan niet begrijpen hoe 
papa er toe gekomen is, om zulk een lastig portret tot gezelsdiap voor 
mij te kiezen. Wie heeft eene beschermster noodig! Ik weet wel zeker, 
dat ik er geen noodig heb, Jip kan mij veel beter beschermen dan juf- 
frouw Murdstone, Kunt gij niet, lieve Jip f " 

Hij knipoogde maar traag, toen zij zijn ronden kop kustc. 



So DAVID COPFERFIKLD. 

> Pa^ noemt haar mijne confideodeele vriendin, maar dat is zij niet — ■ 
lang met, lang niet, niet waar, Jip i Wij zullen lulke luiorrige schepsels 
niet tot otue confidentes maken, Jip en ik. Wij meenen onte confidences 
te maken aan wie wij willen, en zelven onze vrieridinnen uit te zoeken, tn 
plaats van ze voor ons te lalen opzoeken — doen wij niet, Jip ?" 

Jip maakte tot antwoord een genoegtijk geluid, eenigszins gelijkende 
naar dat van een theeketel, die begint te zingen. Wat mij betrof, ieder 
woord was een hoop nieuwe boeien, die boven de laatste werden vast- 
geklonken. 

>Het is wel hard, omdat wij geene goede, lieve mama hebben, dat wij 
daarom zulk een atuursch, akelig oud portret als die juffrouw Murdstone 
aldjd om ons been moeten hebben — niet waar, Jip? Maarstooruer 
maar niet aan, Jip. Wij zullen toch niet conRdentieel wezen, en wij zullen 
het ons zoo pleizierig maken als wij maar kunnen, in spijt van hiaar, en 
wij zullen haar plagen en niet beklagen — zullen we niet, Jipf " 

Als dit nog langer had geduurd, geloofik, dat ik in het kiezelgruis op 
mijne knie^n had moeten zinken, met de waarschijnlijkheid voor de 
oogen om er het vel af te schaven en boveudien de deur uitg^ooid te 
worden. Maar gclukkig was de oranjerie niet ver, en brachten deze 
woorden er ons vtak bij. 

Zij bevatte eene gcheele tentoonstelling van de fraaiste geraniums. 
Wij wandelden daar langs heen, terwijl Dora dikwijls bleef stilstaan om 
deze of die te bewonderen, en ik dan bleef stilstaan om detelfde te be- 
wonderen, en Dora dan, op eene kinderlijkc manier, haar hondjt ophield 
om aan de bloemen te niiken; en als wij niet alle drie in het land der 
fceen waren, was ik er toch zeker in. De reuk van een geraniumblad 
treft mij nil nog met eene half comiache half ernstlge veiwondering over 
de verandering, die er dan in een oogenblik ovei mij komt; en dan zie 
ik een stroohoedje met blauw lint, en eene menigte kniUen, en een zwart 
hondje in twee tengerc armen omhoog gehouden, tegen een wal v