(navigation image)
Home American Libraries | Canadian Libraries | Universal Library | Community Texts | Project Gutenberg | Children's Library | Biodiversity Heritage Library | Additional Collections
Search: Advanced Search
Anonymous User (login or join us)
Upload
See other formats

Full text of "De Acharniërs"

This is a digital copy of a book that was preserved for generations on library shelves bef ore it was carefully scanned by Google as part of a project 
to make the world's books discoverable online. 

It has survived long enough for the copyright to expire and the book to enter the public domain. A public domain book is one that was never subject 
to copyright or whose legal copyright term has expired. Whether a book is in the public domain may vary country to country. Public domain books 
are our gateways to the past, representing a wealth of history, culture and knowledge that 's often difficult to discover. 

Marks, notations and other marginalia present in the original volume will appear in this file - a reminder of this book's long journey from the 
publisher to a library and finally to you. 

Usage guidelines 

Google is proud to partner with libraries to digitize public domain materials and make them widely accessible. Public domain books belong to the 
public and we are merely their custodians. Nevertheless, this work is expensive, so in order to keep providing this resource, we have taken steps to 
prevent abuse by commercial parties, including placing technical restrictions on automated querying. 

We also ask that you: 

+ Make non-commercial use of the files We designed Google Book Search for use by individuals, and we request that you use these files for 
personal, non-commercial purposes. 

+ Refrainfrom automated querying Do not send automated queries of any sort to Google's system: If you are conducting research on machine 
translation, optical character recognition or other areas where access to a large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the 
use of public domain materials for these purposes and may be able to help. 

+ Maintain attribution The Google "watermark" you see on each file is essential for informing people about this project and helping them find 
additional materials through Google Book Search. Please do not remove it. 

+ Keep it legal Whatever your use, remember that you are responsible for ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just 
because we believe a book is in the public domain for users in the United States, that the work is also in the public domain for users in other 
countries. Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we can't offer guidance on whether any specific use of 
any specific book is allowed. Please do not assume that a book's appearance in Google Book Search means it can be used in any manner 
any where in the world. Copyright infringement liability can be quite severe. 

About Google Book Search 

Google's mission is to organize the world's Information and to make it universally accessible and useful. Google Book Search helps readers 
discover the world's books while helping authors and publishers reach new audiences. You can search through the full text of this book on the web 



at |http : //books . google . com/ 




Over dit boek 

Dit is een digitale kopie van een boek dat al generaties lang op bibliotheekplanken heeft gestaan, maar nu zorgvuldig is gescand door Google. Dat 
doen we omdat we alle boeken ter wereld online beschikbaar willen maken. 

Dit boek is zo oud dat het auteursrecht erop is verlopen, zodat het boek nu deel uitmaakt van het publieke domein. Een boek dat tot het publieke 
domein behoort, is een boek dat nooit onder het auteursrecht is gevallen, of waarvan de wettelijke auteur srechttermijn is verlopen. Het kan per land 
verschillen of een boek tot het publieke domein behoort. Boeken in het publieke domein zijn een stem uit het verleden. Ze vormen een bron van 
geschiedenis, cultuur en kennis die anders moeilijk te verkrijgen zou zijn. 

Aantekeningen, opmerkingen en andere kanttekeningen die in het origineel stonden, worden weergegeven in dit bestand, als herinnering aan de 
lange reis die het boek heeft gemaakt van uitgever naar bibliotheek, en uiteindelijk naar u. 

Richtlijnen voor gebruik 

Google werkt samen met bibliotheken om materiaal uit het publieke domein te digitaliseren, zodat het voor iedereen beschikbaar wordt. Boeken 
uit het publieke domein behoren toe aan het publiek; wij bewaren ze alleen. Dit is echter een kostbaar proces. Om deze dienst te kunnen blijven 
leveren, hebben we maatregelen genomen om misbruik door commerciële partijen te voorkomen, zoals het plaatsen van technische beperkingen op 
automatisch zoeken. 

Verder vragen we u het volgende: 

+ Gebruik de bestanden alleen voor niet-commerciële doeleinden We hebben Zoeken naar boeken met Google ontworpen voor gebruik door 
individuen. We vragen u deze bestanden alleen te gebruiken voor persoonlijke en niet-commerciële doeleinden. 

+ Voer geen geautomatiseerde zoekopdrachten uit Stuur geen geautomatiseerde zoekopdrachten naar het systeem van Google. Als u onderzoek 
doet naar computervertalingen, optische tekenherkenning of andere wetenschapsgebieden waarbij u toegang nodig heeft tot grote hoeveelhe- 
den tekst, kunt u contact met ons opnemen. We raden u aan hiervoor materiaal uit het publieke domein te gebruiken, en kunnen u misschien 
hiermee van dienst zijn. 

+ Laat de eigendomsverklaring staan Het "watermerk" van Google dat u onder aan elk bestand ziet, dient om mensen informatie over het 
project te geven, en ze te helpen extra materiaal te vinden met Zoeken naar boeken met Google. Verwijder dit watermerk niet. 

+ Houd u aan de wet Wat u ook doet, houd er rekening mee dat u er zelf verantwoordelijk voor bent dat alles wat u doet legaal is. U kunt er 
niet van uitgaan dat wanneer een werk beschikbaar lijkt te zijn voor het publieke domein in de Verenigde Staten, het ook publiek domein is 
voor gebruikers in andere landen. Of er nog auteursrecht op een boek rust, verschilt per land. We kunnen u niet vertellen wat u in uw geval 
met een bepaald boek mag doen. Neem niet zomaar aan dat u een boek overal ter wereld op allerlei manieren kunt gebruiken, wanneer het 
eenmaal in Zoeken naar boeken met Google staat. De wettelijke aansprakelijkheid voor auteursrechten is behoorlijk streng. 

Informatie over Zoeken naar boeken met Google 

Het doel van Google is om alle informatie wereldwijd toegankelijk en bruikbaar te maken. Zoeken naar boeken met Google helpt lezers boeken uit 
allerlei landen te ontdekken, en helpt auteurs en ui tgevers om een nieuw leespubliek te bereiken. U kunt de volledige tekst van dit boek doorzoeken 



op het web via http: //books .google . com 



&9 



$ 



S 



G&j\ 0^3 sk.9 



Mimil^llllllMIlllllilllllK 



FROM 

THE LIBRARY 

OF 

JOHN WILLIAMS 

WHITE 



i 




A GIFT TO 

HARVARD COLLEGE 

LIBRARY 



:-[i[iiiiii-;-liillllii-; 



d 



n 



u 



/ar/tf' 



DE ACHARNIËRS 

BLIJSPEL VAN 

ARISTOPHANES. 



4^i^ 



BUJSPELEN m ARISTÖPHANES 



MET INLEIDING EN AANTEEKENINGEN VOORZIEÏÏ 



Dr. J. VAJT LEEUWEN Jr. 



EERSTE STUK. 
DE AGHABNIËBS. 



LEIDEN. - E. J. BRILL. 
1885. 



i 



O^iio* ^3a/ 



AUGUST \, 1@t9 
rBOWlHELfBKARYOF 
JUHn^lh-tlAAS WHITE 



f 



I 

COBETO 

SACRUM. 



Tot het bewerken van deze uitgave vond ik aanleiding 
in het plan, door de firma E. J. Brill opgevat, om een 
reeks van schooluitgaven der klassieken met verklarende 
noten b:géén te brengen. Intusschen heb ik niet uitsluitend 
op de behoeften van gymnasiasten het oog gehad. Een in- 
derdaad beknopten en toch nuttigen commentaar op Aris- 
tophanes te leveren acht ik niet wel doenlgk, daar tal van 
politieke, historische, letterkundige bgzonderheden ophel- 
dering vereischen , die niet met een enkel woord kan worden 
gegeven , terwgl ook op grammatikaal gebied vrg wat valt 
op te merken. Daar dus de aanteekeningen in elk geval het 
bestek eener eigenlgke schooluitgave dreigden te overschrg- 
den, heb ik gemeend wèl te doen door er tevens een en 
ander in op te nemen dat eerst b^ aankomende of meerge- 
vorderde literatoren op belangstelling kan rekenen. Om die 
reden heb ik ook het stuk in zgn geheel gegeven , ofschoon 
sommige passages bg de gemeenschappelgke lektuur wel 
doorgaans zullen worden overgeslagen. 

Overigens heb ik niet slechts uittreksels der meeningen 
van anderen geleverd, maar vaak mgn eigen weg gezocht; 
het zg mg vergund als voorbeelden op de aanteekeningen 
bg VS. 6, 524 , 572, 593, 653 te wgzen. Aan mgn vriend 
Dr. J. J. Hartman dank ik verscheidene nuttige wenken en 
de aanwgzing van een paar interessante plaatsen. 



De tusscLeu den tekat ingevoegde aanduidingen betreffende 
persoon 8 wissel en tooneelschikking , waarby ik meer dan 
eens, bgTp va, 330, van de gewone opvatting ben afgewe- 
ken, zullen naar ik vertrouw niet onwelkom zgn- Natunr- 
Igk maken zij slechts op waarschijnlijkheid aanspraak; ik 
meen echter dat z^ inderdaad kunnen bijdragen tot recht 
begrip van hetgeen er geschiedt. Men zie bijv, het boven 
VS, 594 gedrukte. De onlanga door Zielinski (Gliederung 
der altattischen KomÖdie p. 54—63) met groot zelfver- 
trouwen voorgedragen stelling, dat vs. 594 — 619 slechts 
vnlsel ia ein in de plaats ia gedrongen van een verloren ge- 
raakten wedstrijd in anapaestische tetrameters tusscheu La* 
machos en Dit aiopolis, schijnt mij niet slechts onjuist maar 
ook onnoodig, daar de samenhang niets te wenschen over- 
laat, mits men tuesehen de regels in leze hoe Dikaiopolis 
eerst in knielende houding deemoed veinst en daarua eens- 
klaps opspringt, «^n maskerade-pak afwerpt en den ont- 
hutsten Lamachos doet terugdeinzen. 

Gel^k uit den titel blykt^ stel ik mij voor, nog eenige 
stukken van Aristophanes , op dezelfde w^ze bewerkt j in 
het licht te zenden, en houd mij inmiddels voor aan- en 
opmerkingen aanbevolen. 

Leiden, September 1885. v. L. 



INLEIDING. 



I. 

Zes jaren had de krgg reeds gewoed, de lang voorspelde krgg 
op leven en dood, die bestemd scheen de beste krachten van 
Hellas te verteren, en die van den aanvang af gevoerd was met 
een verbittering, als ware de ondergang van een der beide par- 
tgen de eenig denkbare oplossing der veete. 't Was dan ook meer 
dan een verschil van staatkundige inzichten, wat hier met het 
zwaard in de hand moest worden beslecht; meer dan een samen- 
botsing van tegenstrgdige handelsbelangen of eerzuchtsdroomen. 
Dit alles werkte mede, ongetwijfeld, het gaf de aanleiding en 
deed het vuur ontbranden; maar wat de aanvankelijk onbedui- 
dende vlam aanblies tot een laaien brand waarin de beschaving 
van eeuwen dreigde te worden vernietigd; wat haar een onuit- 
puttelijken voorraad van brandstoffen toevoerde , het was de ras- 
senhaat, en, daarmede verbonden , de worsteling tusschen ver- 
leden en toekomst, tusschen vrgheid en gezag, tusschen het 
streven naar onbelemmerde ontwikkeling en den eisch tot onder- 
werping aan de inzettingen der vaderen. 

Vandaar dan ook het zonderlinge schouwspel dat deze strijd 
om het bestaan aanbiedt. Niet twee volken, geen twee legers of 
vlooten staan hier tegenover elkaar, neen evenveel staten als er 
in den oorlog betrokken zijn, evenveel tweegevechten worden er 
geleverd ; in elke stad , 't zg groot of klein , op elk eiland van 
den archipel, in Sicilië en Epirus zoowel als aan de Thracische 
en Klein- Aziatische kusten, werken dezelfde twee geestes-stroo- 

mingen tegen elkander in, die in het staatsbestuur van Sparta 

1 



2 



en dat van Athene liaar krachtigste vertegenwoordigers vinden, 
maar die inderdaad zoowel in Lakedaimon ab in Attika zich beide 
op onmiskenbare wijze ui ten. En dat er meer op ]tet spel stond 
dan een tijdelijk belang , gewichtig slechts voor de regeeringen der 
beide kampende partijen , blijkt wel bet beat biernit , dat nieuwere 
gesehiedsch rij vers zich, bij het teeken en van personen en toestan- 
den uit den peiopoaneaischen oorlog, plegen te laten leiden door 
bon eigen overtuiging op staatkundig en godsdienstig gebied, en 
dat een onpartgdige beoordeeliog der tijdgenoot en van Perikles 
en Alkibiades nog beden even bezwaarlijk i% als eeilijds voor de 
in bet woeden der partijschappen opgegroeide Atheners zelve. 

Keen, veel bezwaarlijker. Immers wij knnnen slechts oordeelen 
volgens de mededeelingen van anderen ontvangen^ en loopen 
dientengevolge groot gevaar door eenzijdige berichtgevers te wor- 
den van 't spoor geleid. De geschiedenis van den dag te boek 
atelien was in die ]ang "vervlogen dagen geen beroep, zooals 
tegenwoordig; geen gelegenheid voor onbemiddelden om zich een 
bestaan te verzekeren , maar een voorname uitspanning van ver- 
mogenden, een edel tijdverdryf voor de zonen der aanzienlijken, 
als zy zich van krijgsbedrijf of staatszorgen wenschten te ver- 
poozeni En ïij schreven niet voor aUen , allerminst voor het volk , 
maar bij hunne schilderingen dachten zij in de eerste plaats aan 
een uitgelegen gezelschap van geestverwanten , mannen van smaak 
en ontwikkeling, die, evenals zij zelve, in de scholen der rhe- 
toren geleerd hadden zeggingskracht en keroachtige stijlwendin- 
gen te waardeeren; die gevoel bezaten voor een fijne j pittige, 
welsprekende schilder ing , opgesierd met al de middelen die het 
nog pas geschapen Attische proza aanbood, desnoods onder opoffe- 
ring van enkele ï wellicht niet onbelangrijke, omstandigheden en 
feiten, die den beoogden indruk zouden hebben verzwakt, en 
bovendien immers bekend mochten worden geacht in den be- 
schaafden kring, voor wien het beackreven blad bestemd was 
en buiten welken de nog in zijne kindsheid verkeerende boek- 
handel het schaars of niet zou verspreiden* 

Zoo komt het , dat onze zegslieden nagenoeg uitsluitend heboo- 
ren tot de partjj die in Athene sints jaren het onderspit had 
gedolven, en die er dus, met zeer verklaarbare zelfverblinding , 



«Al 



onwillekeurig toe moest geraken, van een omwenteling in aristo- 
kratischen geest niet alleen hernieuwde machtsverheffing voor 
zichzelve maar ook de redding van den staat te hopen. Ook de 
grootste onder hen allen , Thukydides , kon zich aan die algemeen 
menschel^jke invloeden niet onttrekken, hoe ernstig hij ook gesti^eefd 
moge hebben naar nauwkeurige kennis en onpartijdige beschr^ving 
van personen en feiten. Ook hij heeft krachtig gehaat en krachtig 
liefgehad, en blind moet diegeen wezen die niet op elkebladzgde 
van zgn werk de genegenheid des schrgvers voor de behoudende 
partij, waartoe hg door afkomst en geloof behoorde, ziet door- 
schemeren tusschen de regels. 

Van een tweede bron voor onze kennis van de Atheensche 
demokratie geldt het hierboven opgemerkte in nog veel hooger 
mate, namelyk van de kunstwerken der Comici, in de eerste 
plaats dus van de komedie's van Aristophanes, — slechts weinige 
helaas! — die in haar geheel tot ons zgn gekomen. Ook Aristo- 
phanes was een kind van zgn tijd, en door zgn dichterlijken 
aanleg meer dan anderen voor indrukken vatbaar, meer dan koele 
staatslieden of ernstige wijsgeeren voorbeschikt om door zgn ge- 
voel verder te worden medegesleept dan het verstand kon bil- 
leken. Voor de denkbeelden van Perikles miste hij het rechte 
besef. In Kleon, dien Gambetta der oudheid, zag hij niet den 
volksleider die wist wat hg wilde en zich door geen verlokking^) 
of bedreiging van zgn weg liet afbrengen, maar in de eerste 
plaats trof hem zijn gebrek aan fijne manieren; en de machtige 
welsprekendheid, die de menigte elektriseerde en medesleepte, 
wekte bg hem hoogstens een glimlach van geringschatting, wan- 
neer de redenaar zgn stem niet genoeg beheerschte of zich bjj 
zijn driftige gebaren weinig bekommerde om de wetten der 
schoonheidsleer. Dat de oorlog, dien hg om zich heen zag woe- 
den, een onvermgdelijk gevolg was van Athene's ontwikkeling, 



1) Dat Kleon niet voor omkooping toegankelijk was en de plaatsen van 
Aristophanes waar het tegendeel staat (Ridd. 438, 8S2, 932) als scherts zijn 
op te vatten, heeft Muller Strübing (Aristoph. u. die hist. Kritik pag. 859 — 378) 
bewezen. 



m 



-^ 



i>tafc*U 



besefte b^ niet, of 't liet liem koad; hij had deehts o ogen voor 
de tooneelen ttae weedom die hij dagelijke moest aanschouwen. 
De bloem van Athene's burgerij zag hi} wegmaaien door de sikkel 
van den worgengel, die daar in de hoofdstad was^ versehenen om- 
een godsgericht te houden onder de saamgepakte menigte , en elk 
offer dat de pest vergde was in zijn oog een nieuwe beschuldi- 
ging tegen ben die den krijg gewild hadden. Attika's landouwen 
zag hi| verwoeat en voor vele jaren met onvrucbtbaarfeeid gesïa^ 
gen, en 't was hem of in eiken bijlslag der boomenvellende 
Peloponnesiërs de vermaning weerklonk : pstaakt den atryd , wordt 
weder broeders"* Hij was nog jong *) , en dichter geboren ; voor 
ïijn levendige fantaisie ontrolde zich vaak een liefelijk tafereel der 
toekomst, wanneer de lansen tot steunsels in den wijngaard zou- 
den dienen en de zwaarden tot sikkels zouden worden versmeed ^); 



1) Het eenige wat omtTest zija leeft^d vaststaat ïi^ dat bi] reeda in 427 
en nog in 388 stukken tecft latea opvoeren, dua veerlïg jaar lang. Wolk, 530 
zegt Mj van ziehzelf dat kij vóêr de opvoEring der Ridder» (in 4g4) geen toonvel- 
stukken op zijn eigen naam kad kunnen of mogen geven {wxp^évüQ ykp i^r' ^ 
xo^K ê^^v wé f4<n fÊKêlv). Dit wordt veelal 2^0 opgevat, dat hij €ï vroeger te 
jong voor was. Hoc ond hy dan in tiet jaar 434 zijn zon, tlijft echter on- 
zekcTj want vas een wettelijke bepaling omtrent den leeftyd der tonneel- 
dickters k niets bekend; Aiscliyloa, Sophoklea, Ëoripidea begonnen hun dichter- 
loophaan v66t hun dertigste jaar; Eupolis wm zeventien jaar ond toen zijn 
eerste atak werd geapedd, Klenander ookj Actiphanes twintig, en Aristo- 
phane» zelf acht het Kidd. 5lS^61fi noodig zich te verontschuldigen 
•dat hy nïet reeds lang een koor op Jtijn eigen unam heeft gevraagd", en geeÜ 
ala reden niet zgn jeugd maar zijn enervarenheici op (ook 542), DasT hy 
intuaschen ook later, toen noch zijn leeftijd moch zijn geWek aan ervaring meer 
een beletsel kon wezea, herhaaldelijk stukken op naam van anderen heeüt laten 
opvoeren, ia het waarschijnlijk dat hy eigenlijk door een ander lïezwair, ivat 
hij zelf niet noemen wil, daartoe werd gebracht. Onwillekeurig denkt men dan 
aan de mededeel ing dat hij hescliuldigd is gcwurden geen At keende h 
biirger te zijn, en dat hy op Aigiaa bedttingen had; zie Ach. 662 volg. en 
het daarbij aan get eek en de. — Slechts van zeer enkele stukken weten wij zeker 
dat Ariatophanes ze Eelf liet opvoeren, nameiyk van de Riddere en wellicht ook 
van den tweeden PI utoö (in het jaar 888) . Van de overige wordt of het tegen- 
deel verzekerd ht in de korte uittreksels, die wij van de opvoeringBoorkonden 
bezitten, over dit punt gezwegen. 

2) Yred. 1200, 1263. 



en hg zou geen dichter, geen idealist zgn geweest, als hg aan 
de verwezenlgking van zgn droombeelden had gewanhoopt. Maar 
dan ook met alle kracht die in hem was diegenen bestreden , die 
het veranderen van dat beeld in werkelijkheid voorshands onmo- 
gelgk maakten. Gebrandmerkt als verraders degenen die krijg 
predikten tot den einde; den geesel der satyre gezwaaid tegen 
die gednchte tegenstanders, voor wie niets van hetgeen de vade- 
ren hadden verordineerd meer heilig en bindend scheen te wezen. 
Zorgvuldig bespied waar hun wapenrusting wellicht een voege 
openliet, en daarheen de pijlen van spot en ironie afgezonden 
met nooit missende hand. En als zg overstelpt door grievende 
wonden machteloos temederlagen , of zich voor een wijle hadden 
teruggetrokken van de kampplaats, dan aan de groote menigte, 
die zich straks nog vergaapte aan hun klinkende woorden, haar 
eigen beeld getoond als in een tooverspiegel , het vale sombere 
beeld van het worstelend en ladend Athene, en daarnevens een 
ander beeld, gekleurd met de liefelyke tinten van het morgenrood 
dat een beteren dag voorspelt, een beeld van nieuwe vrederust 
en vredelust, van herboren welvaart en hersteld geluk, wanneer 
de heuvelen van Attika weder zullen prijken met welig groen, en 
de dorpen opnieuw weerklinken zullen van oogstlied en feestgezang. 

Dat van schilderingen, uit dergelijke zienswijze en gemoedstoe- 
stand geboren, alles eer kan worden verwacht dan objectieve 
waarheid, is zóó duidelijk, dat men zich verbazen moet hoe zoo- 
velen dit over het hoofd hebben gezien, en de uit- of invallen 
van den Gomicus als even zoovele feiten in het geschiedverhaal van 
den peloponnesischen oorlog hebben ingelgfd. Die miskenning van 
satyre en humor in 't algemeen en de Attische komedie in 't 
bijzonder dagteekent reeds uit de dagen der Alexandrijnsche ge- 
leerdheid, en heeffc ook later tot de zonderlingste vergissingen 
aanleiding gegeven. Zoo is bijvoorbeeld het verhaal dat in de 
Achamiërs door Dikaiopolis wordt opgedischt omtrent de oorza- 
ken van den krgg ^) , ofschoon tastbaar ongerijmd , ofschoon in 
een verband voorkomende waar een mededeeling van ware feiten 



1) Zie 524 — 529, en het daar aangeteekende. 



6 



geheel misplaatst zou ziju^ tücli daor lateren zonder blikken of 
blozen als de werkelijke aanJeitüng tot den kamp tasscbtin Sparta 
en Atiiene opgegeven ^). En ala de dichter , ten einde zonder aan- 
stoot zijn eigen lof te kannen verkondigen ^ zich opzettelijk aan de 
potsierlijkste overdrijving schuldig maakt; — ala hij aan het pu- 
bliek mededeelt dat de koning van Perzië reeds heeft onderzocht 
welke cler beide strijdende partijen door den kotneclieschr ijver 
Aristophanes het vinnigst wordt gekapitteld» daar de weifelende 
ki-ggskans zich ongetwijfeld naar die zijde zal neigen ^), — dan 
behoeft hij wel bij het publiek waarvoor hij werkt geen misver- 
stand te vreezen , maar heeft daarbij niet gerekend op de stomp- 
zinnigheid van latere lezers; immers in het » leven van Aristo- 
phanes" vinden w^ deze aardigheid^ als een nuchter historisch 
feit terug ^), 

Maar al kan van onpartijdigheid bij Anstophanes zelfs geen 
sprake zijn; al aou het ongerijmd wezen, zijn tooneelstukken als 
een geschiedbron in de gewone bet eekenis van het woord te be- 
schouwen; al is integendeel een mededeeling van die zijde door- 
gaaiis als een bewijs te beschouwen dat het verhaalde feit zich 
zoo niet heeft toegedragen, dat de aan de kaak gestelde pergoon 
zoo niet heeft gehandeld of gesproken, — toeb bezitten wij voor 
de kennis van zijn tijd geen kostel^ker dokumenten, mits ver- 
standig gebruikt, dan diezelfde komedie^s, fonkelend van luim 
en vernuft. Daarover toch ligt een waas uitgespreid van fris(*.h- 



1) Bijif. SchoL Vred. 603: ótirfxv eJxov of MtyxpstQ ^px^o* ysvMoif to€ 

2) Zie 649. 

3) oLVw yéyovsv ^ $^ju*r toü TrüHfreü 'sv5o^p;, aq xat irapk Hi^ssui ^^ififCjtv, 
Hmi rèv (Beea-iXsix Tleps^éüv 'srvvMvêtfSxi Tra f é'Trarip&t^ ^Itf 6 nütff^^^oTotóq. 

Evenscoo ia de inhoud der Tïiesmophon'azaaai in tiet .* leven van Eiiripides" 
overgegnfln als één der on-difi betreffende *iea beroemden tra^^cuBs ?JyoüTt èl 
Kóii ïfr^ at/ ywülKiC ëtk tovi; ^péyovq , o^i; ÉTrafst tlq csvtcs^ Bik rSv wöt^fidTfuv , 

wpSro)! jttèv Stk rkq MovTxq, "éTTSira è^ ^s^ama-afiévüv fjt^^xin utifTk^ tmaë^ 
lpii)t. #Ed daar aeïiijnt wel Wftt van aan te z\jii/' voegt de geleerde lE^ensbe- 
ichiijver er bij , -.althans in de Melanip|]e zegt k^ dat de vrouwen 1>eier zya 
«dan de mannen'*. 



beid, van leven, dat aan deftige historieroUen yreemd pleegt te 
zijn; zg treffen den lezer gelijk zij eertgds den hoorder troffen, 
want zij zijn berekend alleen voor bet beden, zonder te vragen 
naar bet oordeel van den nazaat, tot wien de gescbied versober 
zicb bg voorkeur pleegt te ricbten. Zg werken onmiddelyk als 
bet gesproken woord, en kunnen nog beden den lezer medesie- 
pen en aan zijn omgeving ontvoeren , tot bij zicb verplaatst waant 
te midden van bet Parijs der oudbeid. 



n. 

De Acharniërs zijn opgevoerd op bet Lenaia- feest (19—^5 
Gamelion) van bet derde jaar der 88ste Olympiade ^) , dat wil 
zeggen in bet begin van Februari 425 v. C. 

Twee jaren te voren bad de dicbter een eerste proeve van xijv. 
talent aan 't 'publiek aangeboden , en niet zonder goed gevolg ; 
immers zijn tooneelstuk de AxiTccXijg (Kermisgasten) , wnariii 
bij de moderne opvoeding bad belacbelgk gemaakt , verwierf den 
tweeden prijs. Het volgende jaar reeds waagde bij zicb aan een 
politiek stuk , de Bc^lBvXavto i^ dat op de groote Dion jsla 
(Maart 426) werd opgevoerd en insgelijks den tweeden prij$ be- 
baalde, maar den dicbter onaangenaambeden berokkende, zoo 
't scbjjnt tengevolge van een aanklacbt wegens laster, door 
Kleon tegen bem ingediend ^). Tbans , in bet zesde jaar van den 
oorlog, beeft bij een meer onscbuldig onderwerp gekozen, dat 
bezwaarlijk tot recbtsingang tegen de vertooners zal kunnen aan- 
leiding geven: de zegeningen des vredes. Hij maakt ons getuigen 
van feestelijke optocbten en liederen, goede sier en uitbundige 
scberts. dO boe daartoe weder te geraken I" moet de watertan- 
dende toescbouwer zicb zucbtend afvragen, wien jubelzangen en 



ff 



1) Zie 266, 890, 504. 

2) Uit 877 volgg. en 602 yolgg. schijlit dit met zekerheid te blijkea. Zie 
ook V8. 6 eu Wesp. 1284 volgg. 



4 



8 

zorgelooae Treugde vreemd z^n geworden , en die in lang geen 
andere haxen en paKngen gezien heeft dan daar voor sïijn o ogen 
op het tooneel worden geroosterd. En het antwoord klinkt hem 
tegen: dat ia dood eenvoudig: doet als de verstandige Dikaio- 
pohs ; sluit ook gij vrede met die veel belasterde Lakedaim oni^s , 
die niets liever wenschen dan — natuurlijk togen eenige op- 
offeringen uwerzijds — de goede verstandhouding tossehen Spart a 
en Athene hersteld te zien. Sluit vrede, dan vliegen ook u , 
gelijk den braven boer daar op het tooneel, de vogels als ge- 
braden in den mond; naar den drommel met alte volksmenners 
en onrus tkweekers ; laten zij gaan vechten iu *t barbai'enland , als 
zij zoo verlangend zijn bloed te ïien; de oorlogsgod behoort bij 
de woeste Tbraciërs tehnis, maar in Attika zij Bakchos als voor- 
heen onze schutspatroon , hij wiens feest , bet feest van den jongen 
schoimenden most, wy heden nanr der vaadxen wijze vieren met 
gezang en jokkemij. 

En de dichter had zich niet misrekend aangaande den indruk 
dien ^ip- werk maken zoUi Deze iantastische schildering, gekruid 
door al de bniteösporigheden van een weelderig vernuft, dat in 
jeugdigen overmoed naar geen waarschijnlijkheid of betanielijkheid 
vraagt, en door een guUea aan stekel ij ken laeb ook den ernstigsten 
rechter ontwapent, sleepte het opgetogen pnbliek mede^ de eer&te 
prijs werd door de Acharniërs behaald; een zegepraal te 
grooter, omdat de beide mededingers Kratinoa en Eupolis waren, 
beide sterren van de eerste grootte aan den dicbterbemel dier 
dagen, ?an dien dag af was Aristophanes een beroemd man. 

Strikt genomen was de overwinning niet aan hem -zelf toege- 
feend. Immers, evenals de beide vorige stukken, had hij ook dit 
niet op zijn eigen naam gegeven, Kallistratos, een onbekende 
grootheid *) , had er het vaderschap over aanvaard en speelde er 
de hoofdrol in. Deze was dus ook natutirlijk degeen wien EXeon 
vervolgde naar aanleiding der Babyloniërs, en die bekroond 
werd voor de Acharniërs, Intusscben, al weten wij met welke 



1) Hij acMJQt echter niet olleea aktem maar ook autear geweest te s^jïi^ 
althamB Amtuphanes daidt hem Webjï* 1018 ais wtmtr^C aan- 



9 

redenen Aristophanes tot die letterkundige fictie noopten ^) , zoo- 
veel mogen wij zeker achten , dat niemand daardoor op een dwaal- 
spoor werd gebracht^ en dat, al werd de klimopkrans ook door 
de kunstrechters op de slapen van den goeden Kallistratos gedrukt , 
iedere toehoorder in gedachten daarmede het voorhoofd van den 
genialen dichter-zelf omvlochten zag. 

Vrede is het niet geworden tengevolge van de opvoering der 
Achamiërs, en evenmin is Kleon er door gestooten geworden vaa 
zijn voetstuk; eer zal een kinderhand het stoomwiel tot staan 
brengen door in te grijpen in de spaken, dan een ronde dichte r- 
vloek den gang der geschiedenis zal vermogen te stuiten. Muar 
zoo er waarheid is in de spreuk, dat welsprekendheid een gave 
is des harten en niet des verstands, dan zal zeker de wonderbare 
bekoring waarmee deze tastbaar onmogelijke , ongerijmde , kwalijk 
samenhangende, met zichzelf telkens in tegenspraak gerakende 
fabel, — deze niet zelden duistere en zeer dikwijls verregaand 
stuitende zeggingswijze op ons moderne lezers werkt , in de eerste 
plaats wel daaraan zijn toe te schreven, dat achter al die grillig 
dooréénwarrende beelden de gloed van een eerlijke overtuiging 
doorschemert; dat wij steeds, ook waar ernst en eerbaarheid met 
voeten getreden worden, het kloppen gewaar worden van een 
fijngevoelig menschenhart, en dat wij aan den klank van den 
lach kunnen hooren hoe daar een traan parelde in het oog van 
den onverbeterlijken spotter ^). Niet hier op aarde is het deel der 



1) Zie aanteekening op bladz. 4. 

2) Voortreffelijk is de scherts van Aristophanes gekarakteriseerd door Muller 
Strübing Aristoph. p. 114: »Dat alles is slechts dkn te verontschuldigen , sle^lits 
#dèn te verdragen, — maar d^n ook meer dan dat, dein zelfs vermakelijk ^ 
//Wanneer het voortspruit uit naieve uitgelatenheid, uit onbevangen overacbnf- 
if menden levenslust; — wanneer dichter en toehoorders ronddartelen op den- 
«zelfden bodem van onschuldige ja schaamtelooze natuurlijkheid, in een lusihot' 
«waar nog geen vQgebladeren groeien ; slechts dan wanneer het luchthartigij gpcl 
«des vernufts nóch tot zedelijke nóch tot wulpsche overwegingen den tijd Itvüt; 
«wanneer de vrolijke humor, evenals hij zegevierend de klove overbrugt dlc 
«menschen en vogels, menschen en goden vaneenscheidt , zoo ook de eugts 
«perken van betamel^kheid en fatsoen, waarbinnen het arme menschenlevcn 
*zich schroomvallig pleegt te beschutten, voor een pooze met lachende ver- 



10 



dichters ï het kAn slechts %gen in een hoopvol schemerende verre 
toekomst ^ waar alle scherpe lijnen en tegenstellingen der werke- 
lijkheid in een zacht waas versmelten en worden afgerond ; daarom 
zijn pogingen hunnerzijda , om. verandering te brengen in het 
heden, met- den vloek der onvinchtbaarbeid geslagen. Hun rest 
elechts te Magen of te toornen, te weenen ofte lachen. Maar 
op hun rij k"besn aard speeltuig wordt elke kreet dea harten tot 
een wellni denden klank; hnn machtelooze gramschap tegen de 
domme werkelijkheid geeft hnn nieuwe ki'achten, hun vruchte- 
looze strijd tégen het bestaande schenkt nieuwe vlucht aan hun 
dichtvermogen , en het schoonst zijn die gewrochten die met 
hnn harfcebloed zgn geschreven. Aristophanes heeft zichzelf gege* 
ven in zijn werken; en daarom zal ook dit tooneelstuk lezers 
blijven vmden en medesleepen zoolang smaak en gevoel nog niet 
z|jn uitgestorven. 



m. 

Wie te Athene van den stadsw^ of de Akropolis zijn blikken 
noordwaarts richtte , zag , op den achtergrond van het aan afwis- 
selende groepen rijkö panorama, dat zich voor zgn oog ontrolde^ 
de kruin van den Parnes, de natuurlijke grens van Attika, 
Ook van uit bet Atheensch theater was die — ongeveer vier uur 
gaans verwijderde — bergrng zichtbaar , welks hoogste, oostelyke 



Mjnetelhöid omvèrm^t, en ona, al ia het ook maar voor een oogwetik en pit 
«de TCTtB, EPü blik laat bImh in die wereld Mwaar vergund ia w&t behttajg:!'*. 

«Dan echter j ala dit allcfl in overmoödigen luim, roet kimstennars-Uefdo en 
«Ëoader nevfüibcdoeliDgeD , loat^r ea uiislnitead *vaor de graj/* beh&adeld 
•wordt, dttu Kal ook de liedendtiJigscTie lezer, indien ïiy ten mioate geen preat- 
«Bohe p<]daai is, aangegrepen en mÊegesleept door de stemming dee dii^hters, 
vKonder erg eil ronder veel nadenken, al lachend*! met hem meJegaan door dik 
ff en dun; want op het lachen komt het aan; wie dAt uiet kau, moet Ariat^o- 
«phanes maar niet lazen"* 



11 

kam, daar waar zij de tetrapolis-vlakfce van het overige deel van 
Attika afscheidt, den naam van Phellens draagt. 

Tnsschen die bergen en de stad lag, besproeid door den Ee- 
phisos, een der vruchtbaarste vlakten van Attika; en in het 
midden daarvan, op twee nnri) afstands van Athene, het vlek 
Acharnai, de sleutel tot het binnenste des lands. Daar toch 
liepen de drie hoofdwegen samen, die van uit het buitenland 
voerden, namelijk de van den Isthmos komende handelsweg over 
Eleusis en de twee wegen uit Boiotië door de passen v»n 
Dekeleia en Phyle. Beide laatstgenoemde stadjes waren van 
uit Athene nog schemerachtig zichtbaar aaa den horizon ^) , beide 
bestemd om in de geschiedenis van den Peloponnesischen krrjg een 
groote vermaardheid te krijgen. Tusschen beide in, insgelijks aan 
den voet van den Pames, was Leipsydrion gelegen, waar de 
Alkmaioniden hun ondergang hadden gevonden in den strijd tegen 
den tyran Hippias ^). 

Green wonder dan ook, dat wy Acharnai herhaaldelijk vermeld 
zien als basis voor krijgsondememingen. Toen de dertig in 403 
tegen Thrasybulos uittrokken , sloegen zij er hun kamp op ^) ; en 
toen de Peloponnesiërs voor de eerste maal Attika's velden kwa- 
men vernielen, in 431, vatte hun aanvoerder, koning Archidam os 
van Sparta, te Acharnai post, en strekte vandaar zijn plunder^ 
tochten uit over den geheelen omtrek 5). 

Op de Atheensche wallen kon men duidelijk het vijandelijk 
legerkamp aanschouwen ^) , en met de oogen den arbeid volgen 
der Peloponnesiërs, die zich verbaasden over de straffelooeheid 
waarmede zij hun verwoestingswerk mochten uitoefenen, tot 
schier onder den rook der stad, en, daardoor aangemoedigd, het 
volgend jaar hun taak hervatten en over een grooter terrein 
uitstrekten, veertig dagen lang''). In 428 verschenen zy ten 
derden male *). B^ den vierden inval in 427 onder KleoKieiies 



1) Zestig stadiën, Thuk. II 21. 

2) Van Dekeleia wordt het door Thuk. VII 19 bepaaldelijk gezegd; het 
spreekt trouwens vanzelf. 

3) Herod. V 62. 4) Diodor. XIV 82. 5) Thuk. II 19—2:1. 
6) Thuk. II 21. 7) Thuk. II 57. 8) Thuk. III 1. 



12 



bleef niets meer overeind; wat tot düsv^erre aan 't verderf ont- 
snapt of sedert weder opgesehoten waa, word ïiu met wEtarlijk 
düivelsehe zorgvuldigheid uitgeroeid, als wilde de aanvoerder 
bewijzen dat nieuwe bezems scboon vegen *). Het volgende jaar 
deden herbaalde aardbevingen hen gelnkkig terngkeeren toen zg 
reeds weder voor de Ist hm os- passen stonden (April 426) *). 

Wie beseft niet hoe do kleine grondbezitters te moede moesten 
wezen , die , in Athene opgesloten met hun gezin en tilbare have 5 
van beweging en bezigheid verstoken , zich in hun hoedanigheid 
van muurwacbterhi gedwongen zagen tot de rol van lijdel^ke toe- 
schouwers bij bet ver woestings werk ; die den arbeid hunner voor- 
zaten, het loon van hun eigen noeste vlijt, met bijlen en bmad- 
raketten voor hun oogen aagen vernietigeE, Immers de bewonena 
van Attika waren landlieden in merg en been ^) ; hun geheele 
hart hing aan dien grond j waaruit zij uiet alleen hun onderhoud 
trokken, maar waarnit zij immers zelve eenmaal waren voortge- 
komen. De gouden cicade, waarmede de speld In hun hoofdhaar 
versierd was, strekte bun tot zichtbare herinnering aan hun oor- 
sprong uit Attika's bodem *) 1 en bun welvaart bestond juist in 



1) Thttk. III S6. — Dukeida bkBf vülgÊiis Hwo^. IX 73 gespaard. 

2) Thqk. lil 87 en S9. Deae aardachokken , waarop vs, 510 wordt gemspeeld , 
waren de voorboden van een geweldige mtbarfiting der Aitnat die niet lang na 
de nitvoeriüg dev Aeliarniöra Keeft plaata gegrepen, Thak. 111 116; ongetwij- 
feld ^ün Ama ook gedurende den winter wel scknddingea geToeld. 

3) Terecht zegt de alaaf in het Ijegin der Ridders (éO) van zijn meester 
Btnnosi v^v yép l^rt ^e^-jrór^^ ^ypotjco^ èpyi^v {èpyij oaderwetach voor 
n&igmff). En fr. 344 worden de zegn Dingen dea vredea aldna opgeflomd : è 
fiSipe i4éSfi$ , rMvrm Tnkvr^ sv r^è" 'i¥t, | ülastv (jl^v Iv i^y^^ td E/tav ev r^ 

Aewikfijy uhvfiévift;^ \ 'é^^t^ èl j^pija-^izi a-Tnn^iOiq r? jou hsx^sü^, \ aal /ttif S"é- 

wmAov Xstfit '7rjtpxvafjLüiTiZTi(}. Keiisclietfiend is ook Phiiemon 71» Zie verder 
Thiïk. II 14^17, Plut. ThemiBt. 11*. 

4) Ridd. 1331, Wolk. 984, ThTïk. I fl. De eicade, die in de kindsheid der 
uatnurkan'Q geacht werd uit het atof der aarde geljorca te worden en van daaw 
ie leven, was een pasaend minnebeeld voor hen die irick, in tegenstelling met 
de van elders gekomen Ooriëre^ als autochthonen beschouwden. 



k_ 



13 

de vooi-tbrengselen van dien niet weligen maar toch voor liefde- 
volle zorg geenszins ondankbaren bodem. Mocht de korenbouw al 
beperkt zgn tot wat gerst ^) , hoogstens voor eigen gebruik toe- 
reikend, en de wijnoogst geen produkt opleveren dat zich kon 
meten met de fijne soorten op den vulkanischen bodem der 
eilanden geteeld ^) , olijven en vijgen daarentegen wiessen er rg- 
kelyk op. Mochten de eik- en beukenwouden van den Pames al 
geen bruikbaar scheepstimmerhout opleveren ^) , zij schonken toch 
een bestaan aan talrijke houthakkers en kolenbranders, die met 
hun houtskolen op ezels ^), of, indien hun vermogen^ die weel<:le 
niet toeliet, op den rug geladen^), dagelijks de hoofdstad vfin 
brandstof kwamen voorzien ®). Zij leefden te midden hunner hulp- 
bronnen, onuitputtel^k zoolang de milde natuur bij haar arbeid 
werd vrijgelaten of geleid, — maar voor lange jaren, wellicht 
voor altgd vernietigd, zoodra 's vijands vuur en staal hun aan- 
plantingen kwam verstoren. 

Zoo was in Achamai een krachtig en welvarend boerenras op- 
gegroeid, een ras met knoken van ijzer en spieren van staal; e^n 
ras van onvermoeide hardloopers en onverwonnen worstelaars ^) ; 
een ras van opgeruimde bergbewoners, onder wier heiligdommen 



1) Den gerstbouw in Achamai venneldt Athen. VI 236 c, vgl. 234 f. Het 
bezit van »land in Aoharnai" noemt Lucianos Ikaromenipp. 18 een voorrecht. 

2) De attische wijn is slechts petii vin; beroemd daarentegen is de Attiaclie 
az^n, bepaaldelijk die uit den demos Sphettos (oostelijk v. d. Hymettos^ 
vgl. Ar. Flut. 720). Dat ook de Achamiërs hun eigen azijn maakten bl^kt, 
voor zoover het niet vanzelf spreekt — immers welke wijnkweeker doet dut 
niet? — uit Acham. 36. 

3) Het scheepstimmerhout moet in Attika steeds uit het buitenland worden 
aangevoerd; zie bijv. Thuk. IV 108, Demosth. 17 p. 219. 

4) De Acharnische ezels genoten een soort spreekwoordelijke vermaardheid 
(Hesych. i. v,). 

6) Acham. 213. 

6) Een ezelvracht brandhout gold in de dagen van Demosthenes (42 p. 1041) 
twee drachmen. 

7) Tot hen behoorde die Timodemos die kort na den Perzischen oorlog te 
Nemea zegevierde, — een tijdgenoot dus van den korjphaios uit ons stuk 
(vs. 215), — en in wiens geslacht het overwinnen bij wedspelen als een aan- 
geboren gave was, Pindar. Nem. 2. 



14 



niet minder dan twee plaatselijke i variëteiten*' van den w^ngod 
voorkomen, namelijk Dtony&os de Zanger (f^^sKwépt^êvog) en üio- 
nysos de Klimopgod (lafTtro^) , ü omdat te Acbarnai de eerste 
klimop was ontloken'' ^). 

By het begin van den krgg stelden zij een belangrijk contin- 
gent tot bel door Periklea opgeroepen leger ^) ^ en onder de van 
heinde en verre binnen Athene saamgestroomde landsbevoLking 
was bet eigenaardig tjpe der Acbarnische kolenbranders zóó tal- 
rijk vertegenwoordigd en zéé m 't oog vallend, dat een redenaar, 
als bij in later dagen veroianend spreekt over de rampen aan 
een oorlog verbonden, nitroept: smogen wg nooit weder de ko- 
ï>lenbraiiders nit het gebergte met vroow en kind, met pak en 
'Ézak naar At bene zien komen om daar van onkrnid te leven*' % — 
Tolgens de berichten van reizigers is nog tegenwoordig de kolen- 
brander^" (waarvan Pollax YII 1Ü9 en 110 de verschillende be- 
drijfs uitdrukkingen heeft byeengezameld, grootendeels aan ons 
stuk ontleend) in die streken in vollen gang. 

Üe diehtar kon dns, om het boeren-heimwee te belichamen, 
geen geschikter persoonlijkheid hebben uitgezocht dan een dier 
rappe bergbewoners, die thans, tot lediggang gedoemd, met de 
Terveling op *t gelaat r ondelen terden door de straten van stad 
en haven, of op post stonden te droomen aan de bastions van 
den ringmuur *) ; elk met een protest tegen den krijgstoeatand in 



1) Paosan. I 31. 

2) Brwdmsendf zegt de text vim Thokydidca (Il 20), een ongerijmd cgfer^ 
omdat dit bijna ecü vierdedeel yaq tet geheel e veldlègcr zon. Egn, en eea be- 
volking Tan minstens 50,000 zielan xou ondarstelien; wellicht is met Miilleï* 
Strübing dri^hmiderd te lezen (T in plaats Tan r). — In da Lyaiatrata zijn ket 
ook da Acharnifiche vrouwen waiirop b\j de samenzw&ering in de eerate plaats 
is gerekend (Lys. 62). 

ïï) Op 478.' 

4) Volgens Thukydides werden er, behalTü liet vajdl^er van 13000 hoplU 
ten, nog 16000 man land&torm (jong«i dan 20 of ouder dan 50 jaar) gebezigd 
ter verdediging van de forten in Attilta en de stadawallcn {ei Iv rol^ i^poi/phtq 
en oi Trap" 'éirak^iv^ Il 13, tic onk VII 28), Tot de laatste behoort Dikaïo- 
pol ia blykena 1^, Hij ia namelijk de vijftig voorbij , daar kij ala yêpwv (397) of 
w^éiT^vq (12SS) wordt toegesproken en een volwbB^en doeMer heeft {24é). 



15 

duidelijke trekken geschreven op de stugge, verbleekte tronie, 
elk met een nauw weerhouden kreet om vrede op de nijdig 
saamgeperste lippen; een kreet dien zelfs de welsprekendheid 
van Perikles niet steeds had vermogen te smoren ^), — een kreet 
die slechts dèn voorgoed verstomde als de sints 427 opnieuw 
uitgebarsten pest^), die haar offers bg voorkeur onder de aleciht 
gehuisveste^) en slecht gevoede^) aankomelingen koos^), den aan 
zijn omgeving ontrukten dorpeling tot zwijgen bracht. 

Doch ook de tegenovergestelde richting, de krijgspartij, mo^t 
haar woordvoerder hebben op het tooneel. Daartoe kiest de dichter 
Lamachos. Waarom juist hem? Als antwoord kan men op bem 
toepassen wat Herodotos zegt aangaande den Troizeniër te on, 
die in 480 de twijfelachtige eer genoot door de Perzen aan de 
goden der zee te worden geofferd wegens z^'n schoonheid , i^maar 
denkelijk*' voegt de verhaler er goedmoedig aan toe, DdenkeJijk 
]Dheeft hij het ook wel voor een goed deel aan zijn naam te 
2>danken gehad'* ^). — De naam Lamachos is als geknipt voor 
den verpersoonlijkten lakonenhater en oorlogsvriend '^). Zoo er 



1) Thuk. II 21 o/ 'A;gapvjf« otófzevoi frapk <r(pfa-tv ahroi^ ovk e^Mx^^rrijv ftolpmf 
sïvaci ^AÖijvxtcaVy é^ othr&v ii y^ sréfivsro, ivi^yov rijv 'é^o$ov (tegen de plim- 
derende troepen van Archidamos in 431) fjLd^ttrrot. — Cap. 59 fisTk rifv hv- 
répotv lo-j3oAjfv réSv ns^o^ovvvjo'iuv oi ^Aéyiveuot^ ^q J/ re yij xvréSv IriT/^jfTff 
rd Mrspov x»i ^ vóo-oq ifetKeiro üfiot nut 6 feó^zfio^, vi^^o/cavro rkq yvÉUpz^ 
xdt rbv fzh lïsptK^éx sv alricje, eïxov enz. Daarom werd Perikles dan ook 
beboet (cap. 65). 

2) Thuk. III 87. Deze tweede uitbarsting der ziekte dnurde minstciis i!«n 
jaar, ongeveer van Nov. 427 tot December 426, en was dus nu paa weder 
aan 't afnemen. 

8) *In barakken en kippenhokken en vlieringkamerijes" volgens Ar. EidJ. 
792 volg. 

4) V\jgen zijn thans een versnapering der ryken geworden (Wesp. 291); de 
olijven z\jn zoo duur dat men de lampolie bij druppels meet (Wolk. 57, Wesp. 
249, Plato Com. 190). Vergeiyk de verzuchtingen van Dikaiopolis 84 — 3tt» 

5) Thuk. II 52. 

6) Herod. VII 180 r^x^ '^^ ^^ ^ "^^^ ovvóiietTo^ e^u^poiro. 

7) Zoo wordt ook Vred. 804 van den dag des, vredes gezegd: ^fjtépx ydt? 
s^é^etfi^fsv {^èe fita-o^^fjLuxoQy en houdt Lamachos 473 het tevoorsdi\jiï' 
trekken van het beeld der vredesgodin tegen: 3 A^ijmx\ 4J/xf7$ sfiTroiiifv 
Hadyjiievoq. | ou$h $sófJLe6\ Mpu^e, rij^ ö-ij^ (Mopfióvoq, Zie ook Vred. ISOS. 



16 

niömand in Athene geweest was die ^Yeclitersbaaa" heette, de 
dichher had er een moeten verzinnen ; thans was er door de gunst 
der muzen inderdaad zulk eeu man, en niet maar de eerste da 
befite, neen iemand die z^n naam eer aandeed, een krijgsman 
met hart en ziel ^ die leefde vao zijn zwaard *) ^ en die reeds 
gelegenheid moet hebben gehad als lochaag, wellicht ook als 
taxiarch^), a^n moed en bekwaamheid in het veld te bewijzen, 
althans een jaar later zien wij hem als strateeg^}, wat bij tydens 
dö opvoering der Aebamiërs nog niet was (blijkens 1073), I>e 
gewichtige rol die hij in het eerste, voorspoedige tijdperk van de 
groote Sicilisebe expeditie heeft gespeeld, is welbekend, alseek 
zijn heldendood voor Syrakuse ^). 

De overige personen, die in ons blijspel optreden, vereisehen 
evenmin als de naief-eenvondige ïntrigue een uitvoerige bespre^ 
^gi ^Ö worden het heat uit de lezing gekend. Liever dan brj 
elk hunner even stil te staan, of een dor geraamte van het stuk 
te geven , dat slechts de zwakheden (of ^ zoo men wil , de dichter- 
lijke vrijheden) der samenstelling zou in 't licht kunnen stellen, 
willen wij ons tot slot kortelijk afvragen hoe de politieke en 
krijgs-toestand was tydens de opvoering der Aeharniërs. 



rv. 

Tot dogverre was de oorlog lïiet ongeveer gelyke kansen ge- 
voerd* Waren de Attische akkers verdorven, de kusten van de 



1) LamacïioB waa M arm öat h^j ab atratee^ eicb schoenen en Inïjgsrok ojy 
kosten der oorlogaltaa moest aan^hafeti, voigena de (bistoriaclie P) overleg criiig 
lïij Plat, MoTsl. p. 822 en Nik, 15 j ih ook Alk. 21. In ons etuk Iaat by dcli 
naar den armeiidoki^r br^ingen om irerbondea te wafdon. 

2) Op B73. 

3) Tbok IV 75. 

4) Themn, 841 en Kikv. 1039 wordt 4jn nagedacbtenia door den diübter 
ge«erd ala die van een held waarop de ataat trotaclï bebooit te weien. 



17 

Peloponnesos hadden niet minder te lijden gehad. Terwgl de La- 
koniërs in 430 de oostkust van den Saronischen zeeboezem met 
hun landleger verheerden , deden de landingsti'oepen der vloot van 
Perikles aan de westzijde van die golf alles in vlammen opgaan ^), 
En de ongelukkige Megariërs, wier gebied reeds eeuwenlang een 
twistappel was voor hunne overmachtige naburen, moesten de 
wraakzucht der Atheners met volle kracht ondervinden^). 

In het verre noorden had Perikles b^ den aanvang van deu 
krijg zich een bondgenoot verzekerd in Sitalkes, den machtigen 
vorst der Odrysiërs, die door zijn huwelijk met een vrouw uit 
het Ionische Abdéra in den kring van de politieke verwikkelin- 
gen der Grieksche staten was getrokken , en zich door zyn zwager 
Nymphodoros liet leiden. Beeds één jaar later had hij gelegenheid 
zijn goede gezindheid jegens de Atheners te bewijzen. Een ge- 
zantschap namelijk uit Lakedaimon, dat naar Perzië trok, naia 
den weg door zijn land, deels in de hoop de vriendschap of on- 
zijdigheid van den Thrakischen vorst te kunnen koopen, deel^ 
om den door Atheensche schepen versperden weg ter zee te ver- 
mijden. De ongelukkige afgezanten werden op verzoek van het 
aan het hof van Sitalkes aanwezige Atheensche gezantschap in 
hechtenis genomen en aan hunne vijanden uitgeleverd; deze zonden 
hen naar Athene, waar zij ter dood werden gebracht, als weer- 
wraak voor de moorden door de Lakedaimoniërs gepleegd op 
Atheensche kooplieden. De zoon van Sitalkes, de jeugdige Sa- 
dokos, wien het Atheensche burgerrecht was verleend gewor- 
den, nam een werkzaam aandeel aan deze daad 3). 



1) Thuk. II 56. Vgl. ook Vred. 626 volg. Over 't geheel waren de Athe- 
ners Intnsschen voorspoediger dan hun tegenpartij. Potidaia was ingenomen « 
Aigina door Attische kolonisten hezet. Megara gehlokkeerd. Lesbos onderwor- 
pen , en op Korkyra had de demokratische partij haar zege gevierd in stroom«u 
bloeds. Tegenover dit alles stond alleen de val van het heldhaftige Flataia. 

2) In het psephisma betreffende de Megariërs, dat een der hoofdaanleidi iï- 
gen van den krijg was, stond (Pint. Perikl. 30) tovq $è a-rpoeTij'yovQ, ^txv 
ofivvuo'i rhv ^arptKbv HpKOV , Wofivuvoti Ürt xat $t^ divèt feStv 'éroQ h^ rijv He- 
yetptx^v hfi^oc^oVtri. Blijkens Thnk. II 31 en IV 66 vonden die invallcu 
werkelijk geregeld plaats tot het jaar 424 toe. Vgl Ach. 761 — 763. 

3) Thuk. II 67, Herod. VII 187. 



18 



Of Sitalkea de aanvankelyk toegezegde ruitery en peltasten *) 
ooit gezonden heeft, blrjkt niet; ra aar wel zien wy hem in 429 
den krijg ondernemen tegen Perdikkas, den alnwen koning van 
Makedonië, die liinderpaal voor de uitbreiding van den Atheen- 
scben invloed in CbaJkidikë. Een reusachtig leger werd door den 
Trakischen vorst op de been gebracht, uit de talrijke wilde 
stammen van het Ehodupe- en Haimos-gebei*gte; uit de Tribal* 
liërs en Geten van de schier onbekende Istroë-vlakte ; uit de 
vrije, door hoop op buit aangelokte Paionièxs aan de bronnen 
van Strymon en Axioa, — honderd vijftigduizend man te zamen, 
voor een derde deel ruiterij ^). Geheel Hellas ontroerde voor de 
toebereidselen van den bar bar en vorst , voor die steeds aanzwellende 
lawine van wüdeu uit het land dat gerekend werd den kriJgSRod 
tot bijzonderen scbutspatroon te hebben *) , het land van kustroof 
en vubtrecht en woeste drinkgelagen. Doch de onderneming liep 
op weinig of niets uit, daar de Atheuers den grootendeels op 
hun aanstoken ondernomen tocht niet steunden met huu vloot ^ 
maar zich bepaalden tot het zenden van nieuwe gezanten en een 
generaal zouder troepen (Hagnon), Volgens Thukydides was dit 
het gevolg van een meer dan naief misverstand ^) , vermoedelyk 
echter waren zij zelve bevreesd geworden voor bun nieuwen 
bondgenoot, en wilden niet medewerken om hem tot opper- 
machtig gebieder van Noord- Griekenland te maken: — de leer- 
lingen deinsden terug voor den geest dien de kortelings gestorven 
meester Perikles bad opgeroepen ^). 

In hoeverre de goede verhouding tusschen het Odrysisehe hof 
aan den Hebros en de Atbeenscbe demokratie door dit umisver- 



1) Thnk, II 29. 2) Thuk. 11 96—98. 

3) Herod. V 7; Soph. An% Ö70; Eur. Hek. 1091. 

4) Tkak. II 10 h *de Atheacra ilaobtea dat Sitalkcs zich san de afspraak 
wel niet houdeü zou". Zulk een kiadera*^htige vergiÈSÏn^ was 'm Athene niEt w^l 
mogelijk » daar immpra geheel HflUas volgens Thukydidea sidderda voor de 
krijg&toerusting^ïn van de OcJi^-siër^, teTw|l da Atheuers tcter dan iemand an- 
ders op de hoogte konden worden gehoaden door hunne gezanten, — Van etsn 
andere, tijnu even zonderlinge ïerjdsaing, die tot de nederlaag bij Delion aan- 
leiding gafj wordt Thnk. IV 89 meldïag gematikt, 

5) Dit ïs de meening van Müiler Strübing en anderen* 



19 

stand" heeft geleden, kunnen wij niet beslissen; dat er geen 
open breuk is gevolgd blijkt uit ons stuk. 

Nog geen twee jaar na de opvoering der Achamiërs nam de heer- 
l^kheid van Sitalkes en Sadokos een plotseling einde. Weinig dagen 
na de nederlaag der Atheners bij Delion , in November 424 , sneu- 
velde Sitalkes op een tocht tegen de Triballiërs , en werd opgevolgd 
door zijn neef Seuthes ^); van Sadokos, den aangewezen troonop- 
volger, vernemen wg niets meer ; misschien ligt dus achter de korte 
mededeeling van Thukydides een bloedige hof-intrigue verscholen. 
Met Seuthes, die de zuster van Perdikkas tot vrouw had gekre- 
gen, kwam de Dorische invloed op den Odrysischen troon, en 
gelijktijdig verscheen Brasidas in de Thrakische kuststreek , om de 
macht der Atheners aldaar te fnuiken. Het Thrakische rijk, dat 
Griekenland een oogenblik had doen beven, verviel weder tot 
onbeduidendheid , en loste zich weldra op in twistende en elkander 
beroovende stammen ; zoo leeren wg het kennen uit het Vlle boek 
van Xenophon's Anabasis^). Doch als in ons stuk een troep hon- 
gerlijders ten tooneele wordt gebracht, en vol spot van dat ge- 
spuis wordt verzekerd : »dat zijn nu de Odomantiërs , de dapperste 
stam van Thrakië ; zij staan gereed geheel Boiotië te verheeren", — 
dan hooren w^ duidelijk in dien scherts den nagalm van de angst , 
vijf jaar te voren door die woeste, met sabel en werpspies en 
klein schild (fjf^ix^tpxj ^iArj^, iKovTtov) gewapende barbaren 
gewekt^), en de vrees dat het mislukte krijgsplan te gelegener 
tijd mocht worden hervat. 



1) Thuk. IV 101. 2) Zie bepaaldeUjk Anab. VII 2 $ 82. 

3) Vgl. Ly8. 563 0p^J srs Atj^v veim xxKÓvrtov , &a'vsp 6 Ttipséq. De Odo- 
mantiërs wonen blijkens Herod. VII 112 en Thuk. II 101 aan den lin- 
keroever van den Strymon, dicht b\j Drabeskos, waar veertig jaar geleden een 
leger van vele dnizende Atheensche burgers in den strijd tegen de Thrakische 
stammen was vernietigd geworden (Thuk. I 100, IV 102). Zij bebooren tot de 
vrije Thrakiërs; van hun westelijke stamgenooten in het Rhodope-gebergte, 
de &p&Ksq fjtctxctipo(pópoi, verzekert Thukydides uitdrukkelijk dat z\j de strijd- 
baarste manschappen waren van geheel Thrakië (II 96 en 98). Met 1300 dier 
bloedgierige (jLetxottpo<pópot , voor een drachme daags in soldy genomen, deed in 
418 de Atheensche strateeg Diitrephes een plundertocht in Boiotië, waarby de stad 
Mykalessos letterlijk werd uitgemoord (Thuk. VII 27, 29, 30). Zie ook Thuk. V 6. 



20 



Was dus in het noorden de toestand sints gemimen t|}d yrgwet 
onTersnderd gebleven, in bet westen badden gedurende den 
afgeloopen zomer en herfst gewichtige kr^gsgebenrtenissen plaats 
gegrepen* Een eskader van dertig schepen onder Demostbenes an 
Pro kies ^) was langs de Pelopannesos naar Lenkaa gestevend ^ 
en vandaar lait bad Demostbenes zich in de bergen van Aitolië 
gewaagd, doch waa bij Aigition geheel verslagen geworden^ 
boofdzakelyk tengevolge van zijne onbekendheid met bet kloven- 
r^ke en dicht begroeide terrein; Prokles met 120 bopliten be* 
hoorden onder de gesneuvelden, Kog vóór den winter echter wist 
Demogtbenes te Naupaktos een uien we macht te verzamelen, 
grootendeels uit Akarnanische hulpbenden bestaande, en bier* 
mede bracht by aan een Peloponneaiscb leger, dat gem e e Dseb ap- 
pelijk met de Ambrakiërs een tocht tegen Argos AmpHlochikoB 
bad ondernomen, in de nabijheid dier stad (bij Olpai) een vol- 
komen nederlaag toe , weldra door een tweeden veldslag gevolgd , 
waarin de aanrukkende re serve^t roepen der Ambrakiëra veiTast en 
vernietigd werden. Zoo was de ongelukkig begonnen tocht met 
een glansrijke zegepraal geëindigd , en Demostbenes kon de Atheen- 
Bcbe tempels sieren met driehonderd panopliën, hem ala persoonlijk 
aandeel bij de verdeeling van den k rijgsbuit toegekend. 

Dat Lamachos zich op dezen tocht als lochaag had onder- 
sebeiden , is een waarschijnlijke gissing van Muller Strübing , die 
terecht ^) wijst op de groote rol die de ^.écpot en A^%ü/ {herg- 
rugg&n en hinderlagen) èn bij bet onheil in Aitohë èn bij de 
dubbele overwinning in Akarnanië hadden gespeeld 3), Neemt men 
dit vermoeden over, dan begrijpt men waarom Lamachos 575 
wordt toegesproken als ^pGcg rmv xé<pm k&I Tm AÓx^v (wat 
tevens kan beteek enen: beid der helmbossen en comjiagnieên) , 
eu waarom hij 601 gerekend wordt onder de op de vlucht gegane 
jongetjes [hxh^p^KÓTêt;)» 

Omstreeks de opvoering der Acbamiërs ^erd besloten naar 



I) Thük. lil 91 Tolgg. 2) Amtoph. pagf. 500 voïgg. 

S) Thak. 111 Ö8 § J, 107 § 3» 112 f G. 



21 

Sioilië, waar sints anderhalf jaar een Atheensch eskader onder 
Lach es de steden Leontinoi en Kamarina tegen Syraknse onder- 
steunde ^) , een nieuwe vloot van veertig schepen te zenden, ten einde 
den krijg met kracht door te zetten. Ter vervanging van Laches, 
wien men van omkoopbaai-heid verdacht, werd Pythodoros nog 
gedurende den winter derwaarts gezonden ^) , om tegen de lente 
door de rest der schepen onder Sophokles en Eorymedon te 
worden gevolgd, nadat deze eerst op Korkyra de aristok raten , 
die zich in de bergen van dat eiland hadden genesteld ^) , zouden 
hebben ten onder gebracht *). Als de dichter 604 Dikaiopolis van 
de Chaoniërs laat spreken, wordt op die Korkjreische troe- 
belen gezinspeeld, terwijl de vermelding van Kamarina en 
O e la 606 insgelijks in het medegedeelde haar verklaring vincit; 
vermoedelijk is ook C har es 604 spottende naamverdraaiing 
voor Laches. Hoe de tocht van Eurymedon en Sophokles tot 
de bezetting van Pylos leidde, is bekend genoeg; doch dit valt 
buiten den kring van feiten die wy hier in 't licht hebben te 
stellen. 

Nog dient volledigheidshalve te worden aangestipt, dat Nikias 
in den afgeloopen zomer met zestig schepen het Dori^h geminde 
Melos getuchtigd, en daarna een landing had gedaan tn het ge- 
bied van Tanagra , ondersteund door het Atheenache veldleger, 
dat dit jaar door geen inval der Peloponnesiërs in zijne bewe- 
gingen werd belemmerd. De Tanagraeërs en de ter hulp gesnelde 
Thebanen leden een nederlaag, doch zoo 't schijnt vau weinig 
beteekenis ^). 

In hoeverre eindelijk Aristophanes op onlangs voorgevallen 
feiten doelt als hij een uit Susa teruggekeerd gezantschap ten 
tooneele voert, is ons. volkomen onbekend ®). Met zekerheid blijkt 
intusschen uit de parodieerende voorstelling van den comicua , dat 
er inderdaad van uit Athene (evenals van uit Sparta, vs. 647) 
pogingen werden of waren aangewend om een verbood aan te 



1) Thuk. III 86. Zie ook op 636. 

2) Thuk. III 116, Arist. Wesp. 886. 895 volgg. 

3) Thuk. III 86. 4) Thuk. IV 46—48. 6) Thnk. lil ÖI. 
6) Onwaarschijnlijke gissingen bg Muller Str. pag. 703 — 706, 



m 



22 



gaan met het Perzische hof, waar de dood van den afgeleefden 
Artaxerxes elk oogenblik was te Toomen , - — hi| stierf in den 
loop van dit jaar, — en het sein dreigde te zuilen geven tot 
paleis-intrigue^ en tot ernstige woelingen in Klem-Azië. Het vol- 
gende najaar werd inderdaad een Pei-zische afgezant, evenals 
Pseadart abas, naar Athene gevoerd, namelijk Artaphre- 
nes, die eigenlijk naai" Sparta was gezonden, maar onderweg 
door de Athejiers opgevangen en voor hun belangen gewoimen 
werd *). Be beide namen hebben zooveel overeenkomst dat men 
zich genoopt gevoelt aan samenhang te de» ken ^). 



1) Th uk, ÏV 50. 

2} Een hoogst opmerkemise overeenkotnBt met het tooaGel» waarin Pseudar- 
taT>afi üptreedt, heeft de volgeodu anekdote hy Poljainös III 59: ^-npinpdritQ, h 

jSfljpPafi/iitrr/- wTT/jftr/ev ol rdc ^p^^i^rar KOf^-iXovTsq ■ ^^eJc ^^ •jrpovjrit^éiifiev 

trtav. — Indien deze list terecht aan Iphikratca wordt toegeaehxeven, dan 
h zij Datuai-Iijk jonger dan Arigtophaneg. (Hartman). 



API2TOOANOT2 

AXAPNH2. 

TA TOY JPAMAT02 nPOSWIA. 

AIKAIOnOAIZ. 

KHPTH (V8. 43, 1000, 1071). 

AM<I>I0EO2. 

IIPESBEIS 'Aêfjvalav Tt»p» ^(x.frü.im yJKOvrn;, 

^ETAAPTABAS. 

©EHPOS. 

X0P02 AXAPNEflN. 

OTFATHP AtKatOTTÓM^ot;. 

OEPAnaN (êvpapóg) EvpiTTÜou, 

ETPiniAHS. 

AAMAXOZ. 

MErAPETS. 

KOPA, êvyarips tov Msyapiuq* 

ZTKO<I>ANTHZ x. 

BOIHTOS. 

NIKAPXOS, (TUJCoCpivTtig /3'. 

©EPAnnN Aoifzizo» (vs. 959, 1174). 

rEHPros. 

nAPANTM<I)OS. 
ArrEAOZ (V8. 1085). 

Zwijgende personen: Pry tanen. Burgers. Twee Eanuchen, 
Een bende Odomantiërs. Slaven en slavinnen. Vrouw van Di- 
kaiopolis. Thebaansche muziekanten. Een bmttlvoerster. Twee 
hetairen. 



I 
I 




i 



24 



Be eerste tooueelspeler EaLListratoé beeft de rol Tan Di- 
kaiopolis te verTullen. 

De tweede die van Gezant, Theoros, Enripidea, 
LamachoS; MegariëFi Boiotiër, Landman. 

Be derde die van Amphitheos, Bochter, beide 
Sykophanten, Bienaar van EuripideB en La^ 
macboSj Paranymph en Bode. 

Voor de over schietende bijrollen yan den H e r a u t , P a e u- 
d a r t a b a 3 en de beide Meisjes zgn. nog twee 
extra-spelerg noodlgi 

Het stuk speelt deels op de Pnyx te Athene , deels te Acbamai 
voor de landhoeve van Dikaiopolis , deels voor het buis van Euri- 
pide» in Athene. Namelijk; 

de prologos (vs. 1^203) op de Pnjx te Athene; 
bet overige van het stnk te Acharnaif 
doch een tuBsehenbedr^f (vs. 393 — 480) voor het bais van 
Enripides te Athene. 

Grednrende den gang' van het stuk schgnt er een aanmerkelijke 
tijd te verioopen. Immers terwijl vs. 237 volgg. de 1 a n d e 1 ij k e 
B i o n y 3 i a gevierd worden , hetgeen in de maand Poseideoa 
plaats vond, wordt vs. 504 — trouwens in een a part tusscheu 
akteur eu publiek — melding gemaakt van de L e u a i a , d, w, z. 
bet feest waarop de komedie werkelijk is opgevoerd , in de maand 
Gramelion ; en tegen het eind van het stuk voorden de A n t h e- 
a t e r i a gevierd , en zrjn wg dus weder een maand verder , 
namelijk op den la^*»^ van de naar dat feest benoemde maand 
Anthesterion. 

Be bedoeling van den dichter kan intnsechen niet zijn, dat wg 
inderdaad bet derde bedryf één, en het laatste twee maanden 
later stellen dan het begin; dit zon door niets in de samenstel- 
ling van het stuk gemotiveerd, en met de vaste gewoonte der 
Griekgche tooneel dichters volkomen in strijd we'^en. Men moet 
dus óf aannemen dat de toehoorder geaebt wordt gedurende de 
opvoering den kalender vei^eten te zijn, óf — waartoe wel me«r 



25 

aanleidingen z^n ^) — dat ook in de Acharniërs , evenals in de 
Wolken en andere stukken van Aristophanes , twee bewer- 
kingen dooréén tot ons zijn gekomen. 



1) Twee inleidingen op het i)hallikon (vgl. vs. 242 en 243 met 3B3 en 259), 
twee klachten over Kleon (377 en 502), twee Lamachos-JiL-èue», waarvan de 
eerste zich noode in het verhand voegt en vs. 963 vergeten achijnt; tivec 
scènes met kooplieden, beide door tusschenkomst van een a^kophant geatoard; 
twee (zoatelooze) scènes met vrede-hegeerige medehargers^ twefj oav«ï-eciiig- 
bare verwondingen van Lamachos in het bode- verhaal. Hierbij komen nog ver' 
scheiden verzen die tweemaal gelezen worden (177 en 203; 201 volg* en 2B0, 
269; 884 en 436; 6-38— 625 en 720—722), of in dubbelt! redaktie schijücn 
overgeleverd te zyn (95 en 96; 326 en 327; 402 en 408; B74 en 1181; 57Ö 
en 558, 598; 656 en 658; 905 en 9?8; 995 en 997), en h mmndeihcló. de 
herhaling van sommige aardigheden (808 en 858; 826 en Ü17) e^n verdacht 
teeken. Eindelijk z^ op het chronologisch bezwaar gewe^^D, dat in de aaD- 
teekening op vs. 1077 is besproken, en op de tegenstrijdige plaats-aan dm dingen 
die in vs. 267 en vs. 729, 900, 1087 worden gevonden. 



YnOOE^I^, 



êKHh^^ix i^ifTTi^KEv ^Aêiijfi^ü-iv èv T(ji $d£ff ^^ j KöL$^ y^v TröXê" 

Tou Sé 5j^ Tivogj ^AfjL^dèüu KixküVfihoUj ^wit^x^évou xatr' 
TrpoiripxovTm ^léKüvreg iv x^f^^ ^x^^o^n * K(») jtiéxi rstvr» 

Eóptwiiifv ahsl wraixi^hv (XTöAijy. xat) ffroKttrêiti; roT^ T^?si(pcu 
pAxófAaift 'STiiipcpiil rhu ixiivou xéyov^ dók sixcLplro^q jeatö^ïfW- 
(ttfj^ö^ lÏBpiKKkug %€p) TQV p^e^i^ptKüu i^ïf$/(rjtt«Tfl?. wü^po^m- 
êhrütv 5i Tivssv if aèrm iw) r^ loKflv (Tuvuf^opiTv rclg sro- 
Aëfjblot^j iÏTi^ iTTtCp^pofiÊVQjv , mJTC&fiivav S) sTipojv êq tA 
üxxiA xuToü êip-^icérog , k7ri(pxv£ïq Aol^ci-x^^ êcpuIBflv ws^pxra^L 

AiHStiéiroMp x»l Trpii tquü êexrAg im?<,éy£Tm TTip) t?? tqu 

Hixf êAurh elp^vijv ri pth wpêToy MfyccptKiq rtg 'Jtm^lo^ muruu 
hsG-KsuüurpLé^s^ fjf ;K0ip/5i« (pépatv iv trxxxip TTp^frifist wmpxyl- 
Vêrat • fABTx TOyrov ék BctüiTm 'snpoq iyx^^^^^ ^f ^«ï ^nKvro- 
SfléïTüJy ipvlS&iy yivov dvizTiêif4£vüg etg tjjv xyopiv. oJg in-i^e^- 
vivT&u Tii/m <ruicG(p&vrm iTvkK<x(3év Ti¥^ i^ xurèv i AtK^ié^oktg 



l) Vuig* x«T^f%df/s, Corr. Blaydes. 



27 

SK Tav ^Aêtivcóv TTxpctil^ua-t , xx) 7rpoa-ióvT<av ^) ccvr^ 'TTKeióvoav 
xa) ^sofAivcov fAsra^ovvxt rav (TTroviSiv , K»6v7r6pvi(J>»v6Ï, Trapot- 

XOÏJVTOg 5f CtifT^ Axfjt^ix^^ y ^^^ ivSffTiJKvlctg Tijg TOfV Xocóv 

sopTtjg , TOVTOV fj(,6V &yy6Xoq Trxpx tuv fTTpKT^yav iJKuv xsXsvsi 

i^S^ÓVTX (A6T» TOÓV OTT^GOV TOtq sU^OKxg Tfjpsjv ' TOV 3^ AtXXló- 
TfOXtV TTXpk TOV AtOVV(J-OV TOV ïêpéoog Tiq JCaKÜV IïtI i^lTTVÖV 

ïpX^TXt. xxi (/0iT bxlyov o (/iv TpxvfiXTlxg kcc) kxk^^ èws^k- 
xiTTcov hTTavijKsi, i 51 Atxató'TroXig isisiirvmu^^ ^m fid* hixl- 
p»g iv»\vcov, 

TO 51 ipcifA» TOÓV €V (TCpSipX TTSTTOlftf^^^^V , XCc) EX TTCtVThc 
TpÓTTOV TilV eïpijViJV 7rp0X»X0V(A6V0V, 

è'iiiix^^ ^^i Eödïivöu*) ipxovTQ^ iv Ajivoiioic 
5/A KxKXttrTpiT ov* xx) TrpuTog ^v. iêvrepog Kpx- 
Tlvoq XsifAX^o fiivo ig' oö aii^ovT ix.(. Tpircq ^v^ttO" 
Xig 'SovfA}jvlxig. 



1) Vuig. Tpoo-Oiyóvruv. 

2) Vuig. EvdvfjtévovQ. Vid. Dindorf. Schol. Aristoph. III p. 415. 



DE ACHAElSflERS. 



PROLOGOS. 

(V8. 1—203). 



(Het töotïeel stelt de Pnyx voor. Het is omstreeks döu middag. 
Op een der steeoen zitplaatsen op den voorgrond is Dikaio- 
polis gezeten*) 

EERSTE TOONEEL. 

Dika^iopolis alleen, 

AIKAIOnOAI^, 

irSiy ^43* ^ y^ Th KÉatp }iij<ppiijfê^y fSwv, 



rèv évij.èv BatcE7i/ Wolk, 1^69; zie ook 
Bidd. 1010, KikT. 43. -^ Hamer. E 493 
èéne 51 4iitévaQ*'EKTopiÉfAvhq, en $ 185 

2. ^^ik] klén, oolE Wolk. 1013. 
Dichtedyk woord, bij Aiachylofl en So- 

EhokleB voel, bij Eurïfjide& niet ia ge- 
ruik. Homer. steedB ii^xió^ (wciliebt 
% ^fludc te flchrijvea ; B 380 ^nz.y ^- 
TtTTxpec ÏB bedorven. 

3 4'^fif4^Kos-i6ydpyafnx'] verbinding 
van het knmische i'^^f^axóa^t^i (ge- 
Tormd ala èiscKÓa-iüt fjaz > en yéfiyapx 
m^itjiff, Eu pol. 28Ü 3ipdf4.£7v &eark^ 
if^a^/üïJMö'/öüï (ook bij Aleiia herbaal- 



el elijk); Arïatomenea 1 ïv^av ykp ^fj.7v 
Ifrriv sL^è^^v yépyapm. Alkaioscom. 1@ 
(parodie ojj Eur. Or. 8CÖ) d^ifl 5' «y^ySev 
yé^y(^p^ ^^ipêxmv Kvx^ï>i. Vergdyk 
xxpxoiif^iv Hom, T 157, bij dé comid 
yixpyaifiêtv , Amtoph. fr. 327, Kratinoa 
290 mvèpm éfifs^av wBtm yetfy&ffet 

4. t[ Jjffféïfï?] Het hiaat na x/ h ia 
de comedïc (niet in de tragedie) ge- 
oorloofd , vgl. 5ön , 959 efl^ 

— x^ipn^^vo^] dichterlp voor z^pé. 
Bij Ar. alleen hier. 

6, eU] voor &, vgl. Thesm. 835 'iv Tf 



NB. pe drie tra^ici en ArlBtoplmnas tya naiir de Po^tae Scsnici ïan Dindarf 1819 gwA- 
tee^ra, de oyorig^ Mïuioi naar de Fniffmmia CamkarHttt vaii Koek, L IttóO, U. I&e4, 



29 



S/«j TOVTO Toupyov i^tov yxp 'EAAiS/. 
i\X* wivviiêiiv srspov au rpaycfiiiKèv ^ 
OTS 5h i^X^^^ Trpotr'SoKuv rov A/V%üAöv, 
o 3' ivsÏTrev' j^6Ï<r»y\ Z Sioyut, rov xopiv^'* 
Tras TOVT* ï(rsi(ré [aov ioKsYg rJjiv Kapüav; 
iXK* STspov 'Üjffêijv ^ j}v/x' èyr) Mócrxcp ^ori 
As^lêiog "shij^.ê' ^(TÓfj^svog fioiariov. 



10 



goed teruggeüen, ook Ridd. 1148. Voor 
Kleon vgl. 877 en 502. Waarop hier 
eigenlijk gedoeld wordt is onbekend; 
volg. schol. fFxpk réSv v>ia-turé3v *é^oc^s 
yrévre réiXoivrec 6 KAéotv, 7vot ^rsta-ifi 
rovQ ^A$>ivecfovq xov^fa-on eturo^q t^q 
g}a-(pop&Q. ctta-$ó(JLSvot iè o/ i^r^elq oivr- 
sAsyov Kcu UTT^ryia-ecv oturóv. ftéftvy^rcu 
eeóvofJLTOQ. Zooveel schijnt mjj echter 
zeker, dat het hier bedoelde tooneel 
voorkwam in een of andere onlangs 
opgevoerde komedie, waarin Kleon 
werd belachel^k gemaakt; immers ook 
b\j de volgende redenen tot vreugd of 
ergernis is niet van staatkundige ge- 
beurtenissen maar van openbare ver- 
makel^kheden sprake. Voor deze op- 
vatting pleit }$cbv VS. 6 en etZ vs. 9. 
Reeds Greg. Corinth. (in Rhet. Gr. 
Walz. VII 1345) vat de plaats zoo 
op: %«/ps/v oZv 'é(pti l^Tt ó KAeotv sïo'- 
viX^^ oeffoctrovfievoq xctpot réSv a-r pot- 
riurSiv TrévTS r^^otvra (lees rdc Tcecpk 
T&v v^a- lur&v ^évrs t., zie schol, 
hierboven), d. w. z. in het hier be- 
doelde stuk werd Kleon door de ridders 
gedwofigen de vijf talenten terug te 
geven waarmee de eilandbewoners hem 
voor hun belangen hadden gewonnen. 
Daar het verder onwaarsch\jnlijk is dat 
Ar. een tooneelstuk van een anderen 
dichter zal prijzen, en uit de tegen- 
stelling r^rsQ VS. 15 schijnt te volgen 
dat hier op een vertooning van het 
vorig jaar wordt gezinspeeld, zoo ver- 
moed ik dat de v\jf talenten-scène in 
de Babylonioi voorkwam, en de oor- 
zaak was van Kleons klacht wegens las- 
ter. — Vyf talenten voor een zware 
som ook Wolk. 758, 774, Vred. 171. 



8. 2é|/ov yctp 'EAA4J/] Uit de Tele- 
phos van Enripides (fr. 718). De per- 
soon met wiens waardigheid iets al of 
niet strookt komt in den dativus (com- 
modi), ook vs. 205, Ridd. 616, Wolk. 
475, Vog. 548; de waarde iu den 
genitivus fpretii); beide verbonden bijv, 
Vied. 918, Plut. 877. 

9. rpayipètKÓv] tragisch in dubbe- 
len zin. 

10. Aischylos is reeds dertig jnnr 
dood; ^Ad*ivec7ot dè roa-oOrov viyoTTifTav 
AJö-%t;Aov, «5 li/ii^/o'eta-êett fierk M- 
vetTov otlfToG, Tov ^ov?\.6fievov évaS^- 
$^a-x6iv rdc Ata-x^^ov %rfpov ^etfz^dvsiv 
(leven van Aisch.), suntque eo madtf 
multi eoronati volgens Quinctilianus X 
1 $ 66. Terecht roept hij dus in de oo* 
derwereld (Arist. Kikv. 868) uit: -rtnija 
werken z|jn niet mèt m^ gestorven '* 
Hij had ze trouwens /ropgedragen aan 
den tijd" (Athen. VII 347 e), als aaQ 
een billyker scheidsrechter dan partij- 
dige tydgenooten. 

11. ^ nl. de Kvipv^. Over den slechten 
tragicus Theognis vgl. 140. 

— sta-^ygiv opvoereti, eta-tévcti (vh, 14) 
optreden. 

12. rïfv Kup^iuv] hart voor vtao^^ 
ook Thuk. II 49. Evenzoo in h^ikii- 
daagsche volksuitdrukkingen: mijnkari 
draait er van om, mal au coeur, ec&Bu- 
rant, enz 

14. ^otéjTtov] nl. vófiov. Sophoklcs 
fr. 858 Kr«v rtq }k^ifi rov ^cmriov 
vófiov. Overigens wordt een woordspe- 
ling gemaakt met de beide eigen nnmcn 
Móa-xoQ en ^oturtOQ: na het kalf een 
rund. — Moschos en Dexitheos 
z\jn van elders onbekend. 



% 



4 



30 



15 



20 



SS 



ore 3ij wxpéicu\pê Xc&Jpig iw) rèv Spêtüv, 
^AX' üif^iTréTTOT* i^ Sr cv èyü puTrtüf^xt 

éq VUV , owér^ QÜtï^q KUplöLq ixxAJjir/^^ 
ouV ci wpurdvitq ïjjcpuffiv, «AA' izücpiixw 



16. Cliairis fluitspeler. Vog. 8&3 

TflUTf Jl£^ A/' hyül TTOkhk 5^ Kflt? ^fiv" 

lè^v I o£/xar kó^xk' éÏBov £fiwe<poft^£tüt- 
fiivöv- Dez& ^'g^muilbaDEie raaf" (over 
wien tnen ook Acbarn. 866 eo Vred. 
961 TBrgcUjkea l;anj beproefde zijn ge- 
luk ook ÏQ het eitherapel, muar was 
daarin al niet ?oor«poRtlipr, blijkens 
het oordeel tij Pburekratua fr, 6: i^ép' 
"ï^ïöj, xiddi/ifia^ac t/^C KémirTüii ijsver o ; | 
— ê Tltt^iüu MiAff^.— /lieri ^J M^Atfrat 
t/j; I — - 'éx^ èT^sf^\ kyT^^s^ Xselpti;. DL- 
kaiopolïB heaft zieh dan ook doodver- 
veéldf toen deze pralmuziekant t'^ruLpé- 
HV'^S'it l'jff rh *éphov" De vofiöc iSfÖ^os 
(Ridd. 1279) vrerd op de cither be- 
geleid en ia uit het verfvaal, van Afiou 
(Herod. ï 24) hek end, Overigena he- 
tcekent 'è^hc^ letterlijk slt^il: woord- 
speling TOet xï/tttêïV bukkan. 

18k üxö üQiiist^ rkq h^p^q] in plaats 
van Vflrd hv^nm, r^v Kaph'av of zoo ielB ; 
de aanïief van den zin , waaria l| 'érov 
I^Bj fv'srrofj.mi voor 5f ^ ataa i , geeft 
aanleiding tot deze zonde rlïoge w«n> 
dingt — HOVi& hog , 2^iqt, Ook Lys. 470, 
Kiky. 71 S. 

19. Kvpijf iKKAifs-Zae] ^er»g&lde ^ 
pas£e vergad^rifig ^ ■ — dos lang van 
tevoren bekend » ^- gelijk er ia elke pr^- 
taniB vier gehouden vrerden, derhalve 
T«ertig 'sjaars. Bnitcngowonc volks- 
Te rgade ringen beden trvyKhnroi. 

%1. Da markt is op de vooimiddag- 



uren bet drukflt bezocbt; tou daar 
ayapk TTT^néavtTM (Xeiiopton) of ay^p^q 
TTh^^ép^ (Herod. VII 223) ^ de tijd 
kort voor twaaiven. 

22. Van de agora leidde een straat 
naar de pnjit, Kort voordat een voLks- 
vergaderibg geopend zon worden, wer- 
den de overige toegangen der agora 
door de politie atge^ct, on de op de 
markt verzamelde metiigte door cenïge 
politiedienaars , die een gemeriied toow 
vasthielden , in de nobting van de pnyi 
opgedreven. Dit avontivnrlyk middel om 
de belangstelling in ataataxaken bij de 
borgerij te verlevendigen wordt ook 
Bkkles. 378 vermeld, 

23. irpuréiiSiQl de commiaaie van da- 
ge lijkaeh beat D (ir. Üit de 600 raads- 
leden nam beurtelings elk der tien 
]»bylai de gewone besïighedön waar ge- 
durende T^jï^ deel van het jaar (pryta- 
neia genaamd), en waa daartoe dageJykB 
vergaderd in den Tb o los; dit ambta- 
lokaal lag, evenals !iet Bulenterion 
(de groote raad^^aal) aan de markt. 

— èüjptav] te laaf; teg. Iv Upat feiv 
ïi*^yWj te^t^woordig mjn Wesp. 242, 089, 
Vred, 122, Ekkl. 395, — Vgl. 393. 

24. «rrioövröj/] dringm ook 42 en 
844, Lyfl. 330, Piot 330. 

25^ 'K■^} TTpSirnv |tJAöy] op de voorsta 
ry, zie Wesp, 90. Hier van steencn 
dtplaatscn (Eidd. 783). -- Constructie 
gelijk Tcleklid. 1 TSiv Jl wAaiïoi/VTwv 
ènTTtXoi4.é¥mv Trepi Ttjv yvMuv ^v xAa- 
^^Tél;, Alei. 41 hrmu^x ^spt rifV 



m 



31 



ccêpot KXTXppèovTsg ' slpijvij y oicag 

6(TT0Ll TTpOTlfjLUff^ OÜév, S) TTÓKI^ TTÓKI^, 

iyoo S' ois) TrpdjTia-Tog sU eKKXvj^ixv 
voffTuv KiêvifjLXi' x^t' èTTsiiav a f^óvog, 
ö-Tfï/cü, Jcéx^ivci, a-KOphvufj(,<zt y Trép^ofAxi^ 
dTTopa , ypicpu^ 7rocpxTlxXo{Jt,xi^ Xoyl^ofixty 
ci7ro(3xi7rcov ig tov iypèv^ elpiivpjg êpuv , 

og oiisTréTTOT sTttsv ,,ivêpxKxg Trplca^^^ 
ovx' i^og y oifK sKoLtov t ov3' ijiiei ^^Trplaj^^ 
iAA' xitTig sCpsps TrivTX xè Trplcov aTTijv, 
VVV ovv irexvug ijxa Trxpsa-Ksvxtj-pLévog 
(3oScv y VTTOKpovstv ^ Xoiiopslv Tcug pvjTopxg y 
èxv Tig xXXo 'TTXviV Trsp) slpvivvig Xiyif^. 

(De Prytanen komen op de Pnyx. Gerichtsdienaars, volk. De achter- 
grond vult zich). 

^AA' 0/ 'jrpvTxvstg yxp ovrot) fieffttf^fiptvoi. 40 

ovK Yiyopsvov ; toüt' izelv oxjyk ÏXeyov • 
èg TViv Trposhplxv Trxg xvijp uarTl^êTxu 



30 



35 



êseopelv ^Q ^évxQ. 

30. o'KophvéSfji.ui'] zich uitrekken^ ook 
Wesp. 642, Kikv. 922. 

83. (TTvyéov fih Ua-rv] parodie; 
a-rvyslv behoort tot den tragedie- 
stgl (vgl. 472, evenzoo o-rvygpo$lI91, 
1207; in een lied staat o-rwyeXv Thes- 
moph. 1144). 

84. Adijn demos zei de nooit tot 
mij /f koop" en wist niet van «koop", 
d. w. z. zoolang ik daar woonde koorde 
ik nooit (van mijn huisgenooten) het 
verzoek om dit of dat te koopen, om- 
dat mijn eigen grond al het noodige 
opleverde voor dagelijksch gebruik. Zie 
Inleiding bl. 12, 3. 

36. Trptuv'] Letterlijk er kwam geen 
zaag (of zager. Wesp. 694) hij te pas; 
kier echter wordt Trpfuv gebezigd als 
kon het beteekenen een ^Tcpiai" roeper, 
vgl. TTurspf^stv Wesp. 652 (lievemoe- 
deren), TruTTTr/^eiv Wesp. 609, xap^ct- 
fiP^itv Thesm. 617 enz. Een dergelijke 
woordspeling staat Yred. 453 vitiiv $* 



iyuQèc yévoir"' tij Trottoliv, i^. \ — 
'dips^s To T et /e IV, ^AA' lüi (lóvov 
^éye. Over het kwantiteitsverschil der 
iota (TTpïoD—TTpïcov) op 726. 

38. vTToxpovetv'] in de rede vallen, 
zie Ekkles. 256, 588, 596. 

41. ohü viyópsvov;'] zei ik V niet? ; 
ook Plut 102, fragm. 284. Het ver- 
ouderde xyopsveiv is in deze vaste 
uitdrukking en in r/$ xyopstjstv 
^ov^erut (45, Thesm. 379, Ekkl. 130) 
behouden gebleven. Evenzoo 'éTroQ in 
éQ 'éToq Sf7r€7v, öéP^u in vjv ösbQ 
Qé/^p (Vred. 1187, Plut. 347, 405, 
1188; zie ook Vred. 939, Kikv. 533), 
A^iov in Aoiov xut Hfistvov sïvm, 
tf"vv in a-iiv ési^, o-i/v ro7(; Q6o7q, Ag*<) 
in uKovere Ae^ (vs. 1000), o^jft in 
o\iri %a/p&>v (vs. 563) enz. 

— Toür^ f xé7v' ovyèi ^Aeyov] daar heht 
gij 't nu; Lys. 240, Vred. 64; roör' 
BKsivo ook 820, Vred 289, Vog 364, 
Kikv. 1341. Zie voorts Wolk. 1052, 
Vred. 516, Kikv. 318, Amphis 9; H^ 
8Ke7voQ Ridd. 1331, Wolk. 1167. 



u 



32 



TWEEDE TOONEEL 

Düaiopolis, Heraut, Amphitheoe. 
KHPTH, 

AM4ÏI0EO2: 

(Komt ijlicgt aaDgeloopen f en aüelt naat liet gpr€6l£geBtoelt@). 

i^iff Tig fiSTf; 

KHPT3- 

, , AMO^ieEOS. 

KHPTi. 
AMOI0EOE. 

KHPTH. 

cux móposwo^i 
AM(M@EOZ, 

iAX* MdvxTQg. S yap 'Afi(piê$ög A4fjLijTpüg ^y 



M. De vergadering wordt Tooraf ge- 
reinigd door liet omdragen vaD cea pas 
geslacht apeenvarketi , Wülks bloed wordt 
Tondgeaprenkeld ; da daarmede belaste 
dietiaar heet wepts-r/ap^o^. Bij de ver- 
gadering speleEde TTouwou dient hij ge- 
brek aaQ beter eea kat ala ofFerdicT:; 
Ekki, 138 é ^êpurrlsÉ^px^^ii ^spapépêiv 

45. Ampbitbeoa^ spotnaam voor 
HermogËDCB, den iioon v^ati Ilippo- 
nikoa eh broeder van Kalliai, wier 
gealaoht van Triptolemos, den lieveling 
van DcmetcT, lieette af te stiiinnieD 
(Xen. Heil. VI 3 5 Ü)- Déze Hermo- 
genee beweerde van de goden raededee- 
lingen omtretit de toekoroat te ontvan- 
gen door middel van voorteekena eQ 
droomgericliten (Xen Sjmp. 3 $ 14 eo 
4 § 48 )j maar was niettemin een arm© 
tobbert ^Piat. Kratyl 384 c, Xen Mem 
Il 10) Z^n familie is voorts met La- 



kedaimon b(j zonder be\rriend, daar de 
leden van dat geslacht van oudsher 
•jrpó^ê^ot van Sparta en daa ala H ware 
sïf^voTrotcI waren (Kallias hij Xen. 
Heli. li.) biindelijk msig Hermogcnea 
de geestelijke zoon van Sokratea h tie- 
ten ^ en kau dus de moeder van Sokra- 
tea, Phainareté, ayno grootmoeder 
worden genoemd, wier beroep van ^xaja 
^ vroed vTOQw), waarop Sokratea zoogaaroe 
placht te ïinsjieïen (Plat, Theaït 148 e» 
Ar, Wolk. 137), haar bovendien aU 
voorbeschikt heeft om den ^nit Hermea 
(Maia'i zoon) gvhorcjie*"' onder hare 
aMammelingen te tellen. (MiiU. Strti- 
hing. Ariat p. 697). 

Ucze .* Kien er en vredeatirrhtcr vau 
Gods genade" komt nn op het laatste 
ODgenbilk aansnellen, door een inge- 
ving besdeld. 

47. Daar de eerste aiyllabe van èéi- 
visn-^q ook b^ de comici (ala b|j Hum, 



33 



xa) TpiTTTO^ifAou' TOÓTov 5è Ke^sèg ylyvsrai" 

i? ijg AuKÏyoq iyivsr* iK tgvtov S* iyu 
ièivocTÓq s](A * sfAo) y i7réTp€\lj(Xv ol êeo) 
ffTTOvi»? 'jTOi^tTOti Trpog Axnéixifj^ovioug fAÓvep. 
«AA' iêdvxTog av ^ avipsg , iCpóh* ovk Ïx^' 
OU y»p 5/3oW/v ol ^rpvrcivsig. 
KHPTH. 

oi ro^órxt. 
AM<I>I0EO2. 
Z TpiTrré^êfis k») KfAfl, wspié^isffêé fis; 
(Wordt door de wacht van het spreekgestoelte verwgderd). 
AIKAIOnOAIZ. 
uvipeg Trpurivsiq^ xitKsTrs rijv èxK^ticrlxv, 
riv ivip* i'TriyovTsg f o^rig vifjCïv ï^deXs 
ffTTOvixg 7roi}j(yat k») KpsfAx^ai Tig iffTrIiccg. 

KHPTH. 
Kiêijtro ^ly». 



50 



55 



en de trag.) lang is (zie 53), zondigt 
de maat van dit vers tegen den regel 
dat niet meer dan twee lettergrepen 
achtereen van ictas beroofd mogen z\|n 
(— - x-» ó v^ v/ \-' — ). Waarwhjjnlijk moet 
voor ^AfjL^fQsoq een andere eigennaam 
gelezen worden. 

52. a-7rov$itq Trotïio-ett'] evenals heit?i- 
A^|«< , een vrede tot stand brengen als 
bemiddelaar (68. 131, Vred. 212); 
a-7rov$^Q TTotija-üia'Qett , evenals $tec^?M' 
y^vott , vrede sluiten als partij (268, Yog. 
1699, Lys. 164, 961, 1006, Thesm. 
1161). 

54. Dat een spreker op handtaste- 
l\jke wijze tot de orde wordt geroepen 
door de wacht, is een zeer gewoon ver- 
schijnsel in de volksvergadering. Flato 
Protag. 319 c: Kr«v a-vK/^sy&tiev stq 

TJjy lxxAifO'/«v skv . . . Tiq . . . It<- 

%É/p^ xuro7q a-vfi^ov^s^etv 'èv exstvot 
f^if diovrect ^miiovpylv slvett, kScv tt^vv 
xa^èq 5 xat 'tf^ovvio^ tuci ré3v yevvafuv^ 
ov$év Tt fi&^.^ov aTTO^éxovrat, ^AA3s 
Harctyg^.éao't xai öopv^oVa-tv, 'éu^ Uv ^ 



KXTOéQopV^VlQltQ If Ot TO^ÓTOU XVTOV 

^e^Kva-caa-tv [ij s^^puvrect] xs^evóvruv 
T&v yrpvT^veuv. — Zie ook Ridd. 665 
x^ö' cIaxov aifrbv oi vpvrécvetQ ;go/ 
ro^órott , Ekkles. 268 ^v «•' oi ro^órou 
Ü^iKCtfo-tVy en ibid. 143. 

Be ro^ÓTüu, aanvankelijk 300, later 
600, thans 1200 in getal (Aischin. 2, 
174), eertijds op de markt, nu 
op den Areopagos gekaserneerd, vor- 
men de stads-politie. Zij zijn slaven 
en meerendeels van barbaarschen oor- 
sprong, gelijk wel bl^kt uit den naam 
Zxt/dds/, waaronder z\j dikwijls worden 
aangeduid. Vandaar kUnkt de benaming 
rol^rifc b\j de Atheners als een belee- 
diging; zie 704, 707. 711, Soph. Ai. 
1120, Ear, raz. Herakl. 169. 

In de Thesmophoriaznsai speelt een 
Sxt/di/c een groote rol; vgl. ook Ly- 
sistr. 433, 461. 

58. Kpefi^a-eu ritq &0-Ti$ecq\ op 279. 

b9. ijloc rov 'At^AAa; eyu fiiv oif] 
evenzoo 101, Ridd. 14, 1041, Wolk. 
732, Vred. 16. Vog.^ 263, 489. Zeer 
dikwijls ook (^k A/' lyèit fcèv oV. 
3 



34 



AIKAIOnOAIZ, 

KHPTH. 
AIKAÏOnOAIS, 

KHPTH. 

(De Gezaïit, met talrgt^ ptaclitig gekleed, gevolg. Reclit& op). 
AlKAIonOAlS. 



62. TTofatA ercnjtoo 109, 157. 761, 
Ridd. 32, 162, WoUe. 367. 1337. Vog. 
1^33. 1346, Lj3 730, 922, 117S, 
Theamopti. 30, 874, Kikv. BS9, Plüt. 
1046, Sühibi njet hut lidwoord er Toor^ 
rie 418, 963, Wolk. 1233. 1270. 

63. TOiQ raê^t] De panw, uit Indïë 
afkoTüfitig, is e^rmt in de ge caiiw bij 
de GTieken bekend gewordea. Aaovaö- 
kcUjk slechts op Samos als heilige vogel 
ia den tempel Tan Hera gekweekt en 
vereerd, werd ^ij in den tijd van Pb- 
rikles — waaracliynlijk na afloop van 
den Samiscben oorlog iti 440 — naar 
Athene overgebrapht en daar als een 
vrondcr aangestaard Een van Perikles* 
vrienden, Fyrilatnpea. kweekte de 
prachtige dieren in zijn volière, en vol- 
gen a een atadspraatje (Plat. Ferikl. 13) 
placht Periklea vraoweharten te ver- 
overen door het geschenk van een der 
vogel» uit die fokkerij — inderdaad een 
vorstelijke gAve, daar het paat langen 
tp op [tienjdaizend draehmen werd 
gewliat (Antiphon hij AeL Nat. An. V 
21), De zoon van Pyrilampe*, de 
#ichoone" Jleraos (Weap. 98) zette 
de winstgevende kweek erij Jiijna vadera 
voort* en liet eens per maand zijne 
vogels door de belangMellende menigte 
hezïchtigen (Antiphon hij Athcnaens 
397 c, d) Schier een eeuw lang bleef 
de paaw een tegen buitensporige prij- 



zea betaalde zeldzaamheid; by Aleiie 
123 jsegt iemand: *^al won ik laijn geld 
aan ha7,emelk en pauwen besteden , dan 
Eon ik nog mijn gehatten niet kannen 
opmaken .*' Later echter werden zij *ïoo 
ïiÜedaagscb ala kwartels" (Antiphanea 
205, AtïieD. 654 e). 

Dat het perzisehe gezantscbap levende 
panwen hij «ch zou hebben, of klee- 
derön zon dragen met pauweveeren of 
afbeeldingen van paewen versierd, is 
niet aan te nemen, teminder daar de 
pauw geen pcrzïsehe vogel ia. Veel- 
eer is r^arSi iiier — pronkers , hltifiiTÈi 
StrattïB 27 ^DAAaïv ^Xvéptkiv jcat rxë^ 
êivTd^tut, Vermoedelijk wordt cc!iter op 
Py r i 1 a m p e 9 gezinspeeld; althans deze 
is gezant in Perj^ië geweest (Plat. 
Charm. 158 a), ca zijn zoon Demoa 
kreeg later een gouden btiker van den 
grooten koning ten geachenko (Lysiaa 
19, 25). 

De M vü het midden van ts^U^ (Try- 
phon hy Athen, 397 e) vervangt een 
gutturaal-klank; indiscK pA'^f, waan'an 
de Phoeniciërs tukkè maakten (1 Kon. 
10. 22), 

64. Tfli? o';giï^TP5] genitivna van 
ergernis of verbazing (siteeds met het 
lidwoord). Ook 67. 87» 770, Ridl 144 
350, Wolk. 153. 364, 818, Wcap. 161, 
Vred. 238, Vog. 61. 2^3, 1131. Ekkl. 
737, Plat. 389 enz. 



35 



DERDE TOONEEL. 

Dikaiopolis, Heraut, Gezant. 

nPESBTS. 

fiifföhu (pipovTxg ióo lp»X(^^^ ^9^ ^f^ipaq^ 
iir' EuSvfiivovg &pxovroq. 

AIKAIOnOAIS. 

olfAOt rm ip»x(^av. 
nPESBTS. 
KoCi ïjjr' iTpvxi(AS(rix TTxpx Kav^Tptov 
TTBilov oiotirXctvovvTsg ê<rx}jv>jf4,ivot <f 

i0' ctpflXfAX^aV fAX^êxKCÓg KXTXKslfASVOl ^ 

AIKAIOnOAir. 

a-0óipx Tcip' iffcp^ófAijy iyh 

'TTOtpOt TViV l7r»>iiV èv CPopUT^ KXTXKelfACVOg. 

nPE2BT2. 

ê^ vxxlvav sKircofAXTCov kx) xP^^^^^ 
&Kpxrov olvov iiiiv. 



65 



70 



76 



67. Eatllymenes was twaalf jaar 
geleden archont (01. 85, 4 = 437/6). 
Gelijk alles in dit verhaal, is ook de 
tijdsduur van het gezantschap belache- 
lijk overdreven ; eén bijzondere politieke 
toespeling moet men in de vermelding 
van dit jaar niet zoeken. 

68. De groote heirweg van E p h e s o s 
tot Susa wordt door Herodotos V 62 
mitvoerig beschreven. Zijn mededeelin- 
gen omtrent deze è^h^ j9ao-/Aif/if begint 
hg aldus: ffrot^fioi rs vetvrotx^ sto-t 

$tk otKSOfiéviiQ re tj ó^^q ^"Tret^-ot kou 
ao'^et^.éoQ. De rustplaatsen aan 't einde 
van eiken dagmarsch (ongeveer vijf uur 
^aans), waar rijkel^k het noodige voor- 
handen was voor menschen en dieren, 
zijn uit Xenophon's Anabasis welbekend. 
In de vlakte van den Kays- 
tros, d. w. z- de streek tnsschen Ëphe- 
S06 en Sardes, kon het terrein wel 
allerminst eenzaam of lastig heeten; 



terwyi ook bij den aanvang der reis 
van afmatting nog geen sprake kon 
zijn. (Men verwarre deze vlakte niet 
met het Xenoph. Anab. I 2 $ 11 ge- 
noemde KctVa-rpov vs$/ov, een stad 
in Phrygië). 

70. Vgl. Theopompos Com. 64 e^fvoizsv 

lAsrk TOtfJToe | KOiretKsifzsvoi fiet^ot- 

KurotT^, STt rptK^tv/tp I T6^eti4é3voq 
oïfJLU^ovreQ ^AAi^Ao/^ /i^cAif. 

72. '^T«A|/v] Inl. bladz. 14, 4. 

— cpopvT^] stroo, ook 927. Vgl. Vred. 
347 9roAA^ yip ivsTX^H'^v xpiiyiietr^ 
re Koci a-r t ^i$ oiq. Chionides 1 ,xoA- 
A0Ö5 lyl^^ct Kov xotrk o-è vsxvfoti; \ 
^povpoVvTXQ irexvéSQ k&v a-A fiaitt 
KOtfjLonfjLévov^ (jT^fix^ stroowlsch) 

76. Z Kpoivetk 9r^A/$]. De oudste be- 
naming der bewoners van Attika zou 
Kpavxot geweest zijn (Herod. V III 44, 
Aisch. Eumen. 1011). B^ Aristophanes 
worden zij ook Vog. 123 en L^^s. 480 
zoo genoemd. 



36 



AIKAIOnOAlE. 

nPESBTX. 

AlKAlOnOAIS, 
^ptf£U 5i XmKO^irrM te xajj KmrawéyQVCtq, 
nPEZBTZ. 

80 ïrsi Tird'PT^ S' h (3^^iKic^g ^kêofiev * 

AIKAIOnOAIE. 

ïTflVöv 5è rhv ^püfKTüv XP^^^^ f üfcfjjyatj'f y ; 
nPEXBTS. 

Ik Kpi^ivüV jSoD?. 

AIKAlOnOAlS, 

X«) T/? flS* ffiSffÖT* 



79. AAfJCaCTTlf^] = wi^VÜ^^ HSiTÓSTTV- 

yaiv. F^miii. ^.micéirT^ia 539 en 537,, 
Pherekrates 149; vertaïa ^/xtKé^etv 
Ridd. 167, Theamoph. 57. 

80. De ms p lucht iDderddfijd in drie 
maaDden in plaats v&n drie jaren 
gedaan t» wordBQ,H€rod. V 63 |j( Zitp^/uv 

ftvóvta KötMófAiysi (de oreronda Ko- 
BiDgstjarclit te Suaa) TevTawéa-fd* a^i 

SI nat ixXTov frra^ta stt^ ^f^£p^ exao-Tu 

iv*i'*fK0S'r«, — Bij Ljsias 30, 2 wordt 
Yftn d(jii t;^ö7/ia/ij(*«Tft/c Nlkomachoa 
Terhaald dat hij olvti rsTTd^mv foivé^v 

80, Herod I 133: op huu verjaar- 
dag oi €vSócff40VEQ auTBv ^ü€v Kóti SVttdv 

WfTfï xi A£TT3s rai^ w^Q^éTwy {hij 
Astiphaa&B \1% m aiiapa«filie<ïfie di- 
metri overgebf ackt) . 



ïn liet Kp//3d(vflv (ijzert!n pot^ Wesp. 
1153) placht men broodjes te \A' 
\m (UB3, Plüt 765, fr 17S). Een 
^{jvq xpi^oivlrif^ klonk da» den Athe- 
nera als on)Eiiinige oveirdryving, cvenala 
een /3ov; aT^v^psKt^fAevoQ^ die Kikv, 
506 vermeld wordt, terwyl toch gewoon- 
lijk geen runderen msar yisckjca 
{Ack 070) bóvca het kol en vuur ge- 
roosterd werden en vandaar den naam 
droegeö van eTr^vépüüifBe^, 

Ala spreekwoord gebruikte men jfiJf- 
$tit^ rpdTfë^Si {pemüi sppurÉtittê Hor, 
Od, 1 38, 1) Iwi T^v iTQhvreK^v KSéï 
d^pêv (Diogenian, VI 37). Overigens 
wordt ïiier en in de volgg. verzen 
ongetwijfeld de door Herodotos ge- 
geven heBeli rijving van Perüiaehe zeden 
en gebrniken geparodieerd (vgL op 
524), Êea eurien» menu van de per- 
zisehe koningitafel ia te vinden b^ 
Poljaiüos ly 3, 32. 

87* TëM mJuz^ovsvfidTm] op 64. 



87 



nPEZBTS. 

Kx) vx) fix At* ipviv TpiTrxitnov K^savófAou 
TTxpitfiicev ^fiTv ivofix S' ^v xvt^ (piva^. 

AIKAIOnOAIS. 

TXVT* xp' l06uiKi^ss (Fv, Swö ipxxfixg cpipav. 

nPESBTS. 

KX) VVV &yOVT€^ iJKOfA€V "^SvlxpTX^XV , 

rh (3x7i^iag o^èxXfióv. 

2^IKAIOnOAIS. 

sKKÓyi/sU ys 
KÓpx^ TTXTX^x^ tÓv ye (rhv tov 'jcphfisaq. 

KHPTH. 
i fixviXiuq i(pdx>kfióq. 



90 



88. Kleonymos, een hoofdzakelijk 
uit Aristophanes bekende demokraat 
<Ridd. 958), wordt Wesp. 592 aange- 
duid als è fiéyat^ odroi; ko^mkuwizoq 
^0-T/^«To/3Aff$,in welke schimpscheut de 
drie eigenschappen , die Aristophanes in 
hem pleegt te bespotten , z\jn logheid, 
lafheid en laagheid, zgn saam- 
gevat. Vog. 1473 volgg. wordt hij alle- 
gorisch geschilderd als een zonderling 
exotisch gewas: 'éa-rt ykp ^év$pov ts- 
■^ux^Q 'éKTOTTÓv Tl, Kap$/ot^ iiTTCürépu , 

A«5 Jè ^5/Aóv KOti fiéyoi. \ roüro roü 
f^h '^poQ &€i ^^ecvTikvst Ksti o'VKOcpetv- 
T«7, I roG $ï %f</u^vo5 t^A^v rk^ êtc- 
^/$ecQ ^v^KoppoBi. Zie verder Ach. 844, 
Ridd. 1294, 1372, Wolk. 353, 400. 
674—680, Wesp. 19—27, 822, Vred. 
446, 678—678, 1295—1301, Vog. 289. 

89. De vogel phenax (toespeling 
op den beroemden vogel van het oos- 
ten, den phoenix) behoort in het 
vaderland van den KOfjLTo^éiKvQoQ (589) 
en den iTTac^sKTpuuv (Vred. 1177, 
Vog. 800. Kikv. 932. 937) te huis. 
— (pévëc^ bedrieger Ridd. 634, Kikv. 
909, cpevccK^stv Vred. 1087, Kikv. 921, 
Plut. 271, 280, (psvëcKt(rfjLo^ Ridd. 633. 

90. raGr'' Hpet] niet obiect bij ^Bvet- 
xf^etVy maar adverbiale uitdrukking: 
daarom dus, daarvan dut komt het; 
Ridd. 125, Wolk. 819, 335, 853, 394, 



525, Vred. 414, 617 enz. Slechts bij 
uitzondering staat ^ik er voor: itk 
TctÜr' Jkpot Vog. 486 (P). 

— s<p6v^Kt^SQ] het imperfectum na 
'dpoi staat met een praesens gel^k; 
bijv. Ridd. 382, Wesp. 664, 1299, Vred. 
832. Vog. 19, Ekkl. 764. Zie ook op 767. 

92. rèv fiota-t^^éuQ è(p6oi^fióv] È.eroè.. 
I 114 héroe^B . . .TOV $é ito6 rivx 
ecvTÓSv ècpBa^f^iv ^aa-t^soi; sïveci. Xen. 
Kyrop. VIII 2 $ 10 Tot/5 ^cca-t/iéuQ 
xet^ovfzévovi; è^éx^iMOv^ HOt rk ^xvi- 
A€«c ^fot. Aischyl. Pers. 980 rèv 
ffhv TTiTTOv 'KÓLvr' è^dot^fzóv. Uit het 
laatste voorbeeld blijkt dat er geen 
sprake is van een familiaire of ko- 
mische betiteling. Het komische ligt 
alleen daarin dat Aristophanes de oos- 
tersche beeldspraak zichtbaar laat voor- 
stellen door een masker dat grooten- 
deels door een reuzen-oog wordt inge- 
nomeo, een gelaat dat louter oog is. 

93. Vog. 1610 hdtv $i toDq 'ópvti 

rhv KÓpetKot kou tov A/«, | Ó KÓpec^, 
xetpeK^èiv rovTtopKoGvroq ^dptjc, ] 
'rpoo'TTTÓfJievoQ tKKÓ^fei rhv è<p$ae/,fAOV 
6évuv. De verwensching 1$ KÓpoixeiQ'kent 
ieder. Thesm. 868 ontvangt Mnesilo- 
chos-Uelena op zijne weemoedige klacht 
nrf oZv 'én ^SS ;" ten antwoord *t^v 
xopéixuv 'Kovi^ptcfL ^^ omdat de kraaien 
geen oortje waard zijn. 



38 



(Fseadartabaa, zot uitgedost, met twee Eanuclieii. Kecbtaop)* 
AIKAlOnOAIS. 

VIERDE TOONEEU 

PikaiopaliB, Heraut^ Gexaiit, Fneudart abas, later 
AmpkitlieoB^ 

^ETAAPTABAS. 

nPESBTE. 

AlKAIOnOAIS. 

nPESBTS. 

^ETAAPTABAE. 



Ö5. y«ï?$flfp*eTDy ^hiwn^ moet een 
tiiiroep zijn: ff ij keM e^n métriti^m 
PQ&rkammf Du zb worde iiitueBcht?ti 
dooi' a-p^ï dfÉww ingeleid, wat slechts 
aim een yraag of een bevel kan 
worden voorgeToegd. De te^ct ia dua 
bedorven; vs. öa — 97 ïijn met wel te 
bêgrypcQ^ wellicbt zijn twee ftdaklies 
hier dooneeiigcmcngd. 

Met ^}\êw€tv er uitsi&n sU tjf fmar 
worden allerlei aöcueativi van subst an- 
ti va of oïjzydige adiectiva verbonden in 
de taal der comïci; Èv(j£,^poi^éyo'\i (^Ei4), 

lafiflf (Wesp, 4B6), ^kut^ (Wesp. 643, 
EnpoLgSS), Tt^i.^)f <Weqj, 847), »fAfV- 
Tff»/ (Weap. 900), ex^fv (Vred. 1184), 
ïrwpp/a;'*'' (Vog, 1169), sÏKt'av (Vog. 
1Ö71), Ip^^É? {Kiltv. 562), Ip/^ayflv 



(Kilc^. 602), óiFérptfifix (Ekkles. 292), 
^'Apïf (Pint. 338), fii&vmév ri asil rpar- 
yt^hrJv (Piut. 424). — vi&^^xpiir§^ 
dichte riyv adiectivnm; bij Ar, ook 
Ridd. 5ö7. 

100. Aristophanea Ij^at harharen &f 
kliuk>lRrea onzin spreken, zooala hier 
en Vag. 1615, of Gmltsch met ouge- 
rijmde woord dtgantren: vs. 104, Vog. 
Iti78, Thesm. 1083 volgg. — Wie 
de klanken zonder heteckenis van tb. 
100 uit het Perzisch traeht te ver- 
lïlaren (Ribbcek p, 201 volgg.) wü 
cam rahöfw inmniré; merkwaar dig ib 
vooral de uitlegging daar ter plaatae 
van x°^V¥é7rp6iHTs gegeven: mW^^xr' = 
prokta èermmd-'* 

101, ^ enü.J ïsio Ê9, 

10é« Slotwoorden van een brief vui 



39 



AIKAIOnOAIS. 

olfMi KaKoixlfiaVj aq (ra^ag. 105 

nPEZBTS. 

t/ ovv Ai^f/; 
AIKAIOnOAIS. 

iï Trpo^ioKaai xP^^lo^ ^^ '^^^ I2ap(3ipuv. 
nPESBTS. 

AIKAIOnOAlS. 

«AA' &7ri6'* fyoj ii (3at7»viu toutov izóvog. UO 

(Dreigend, met opgeheven stok, tot Pseudartabas:] 
ciye ivi (tv (ppxaov if^^ói ^a^ug , ^pbg Tovrov), 
tvx [AVI as ^ixj^a fiifJi^fA» axphxviMV 

(Pseud. schudt van neen.) 
a^Kug &p' i^XTTXTUUii' v^b tuv vpécISscov; 

(Pseud. schudt van ja.) 
lAAïjwxrfi/ y iirévsü^syy ivipsg , ovroff), 116 



den grooten koning bij Aischines 3, 
288 hyoD vfitv %pt/o-/oy olt $ua-a * fzii fie 
otlrtirBy oh ykp Ajfif/fo-öf. — Voor ;t«t/- 
vÓTrpuKT* zie op 635. 

107. Vgl. Xen. Heil. I 6 §7: K«A- 
?uKpecr^aq tlfeev &^}^iUT&rov^ eïvxtroin; 

^évsKSc êtpyvpiov. 

108. i^févif perzische maat, van el- 
ders niet bekend; volgens Aristoteles 
in de schol, zou zij 46 medimnoi heb- 
ben bevat. Over den gond-iijkdom aan 
het perzische hof vergelijke men Herod. 
V 49: (te Susa) ^a<ri/,6v^ re fjiéyxQ 
^/ccirav %oté€ron xeet r&v ^pj/jtd^rwv 
o/ óiia-eivpot evóaCrx eia-f, i^óvrsQ ^è 
r«i/TJfv Tïjv T^A/v 6xpa-éovrsQ ij^if r^ 
Att TT^ovrov 'TFÉpi gpi^sre (toespeling 
op Hom. $ 74). 

109. 9ro/«c] zie 62. 

110. Thesm. 626 ^^tjAÖ'- lyo) yccp 
^ecffdvtSi retÓT^v Koi^éoQ. 



111. Trph^ Tot/row] bij mijn stok bier, 

112. ^^izfza Txp^teevtKbv] in gf:lijkea 
zin ^ot/vstv èi (potviKtS&T^Q Vgl. 
Vred. 1172 volgg.: óeola-tv ïx^P^^ t^- 
y»pxov 9rpotf'/3A65r«v, | rpsi^ Aö'^jdu; 
'éxovrx KOti (Poivik/^^ 5|5Tatv ^avv^ | 

vixovy I Ifv $é TTOV $éi^ jti^^ffl-fl" 'dx^^Tut 
T^v (potvtKt$ac, I TtiviKxCr^ avro^ j^i- 

^etTTTOtt ^éifJLfJLOl KV^tX^JVtKOV, \ K^CTa 

^svyei TpéüTOQy Saa-Trsp ^ovU^ Anra- 
Aexrpvwv | roi/^ /ió^ov^ jf/wv" ky^ 
y 'éa"niKct MvoTTCü/zsvoQ. Sardisrhe par» 
pergewaden worden ook vermeld Wesp. 
1139, en bti Plalo com. 2(18: itSr év 
K^ivott^ eM^xvrÓTOTiv kcu ^rpüi^o^^t 
CTop<pvpo^é'7rrotQ \ k&v (^otviKht aap^i^- 

KCii9-lV XOi/ZtjO-Ó/ZSVOt KXTXKeiUTMt. 

116. Koi/K '^tf-ö' Htuq olfx 'éffftv'] Vog, 5t3 
xot/x ïtf'ö' Httu^ ovx 'iffrtv Ivt&vT 'ópvffl;. 
Zie ook Wolk. 1307, Wesp. 2Ö0, Vred. 
188, Thesm. 847, Kikv. 640, Pint, 871- 



40 



Zm) T&TV fjttiV £VVQÓX0tV TÓV %T€pOV TÖÜTOVÏ 

KHPT5. 

125 Ij tJ 7rpuTa,v£7oy, 

(Gezant met P8eudai1;abaH en geleide rechts af,) 

AIKAIOnOAIS* 
AMOIBEOZ. 



118. KleiitbcDi^E en zijii viicnd 
Stralon zyn een pnar jen^dige, ver- 
wijfde modcgekkcQ , walè£C èyévfiGi (fr. 
S61). Ook KiM. 1374 worden zy ge- 
zamenlyk b^pQt ^egena liitü gl&dde 
gezichten. Thcamoph. 235 Boadt Eari- 
pideB aan Mnesiloflioa, wicn hij gflad- 
geichoreD heeft, een Bpiegel voor met 
de vraag ^^^ s-sayróv;, waarop Mne- 
arloï^boa antwotirdt: üit fAk Ai' èhhk 
KAfifl-flivtf, In het vervolg v^an Jat stuk 
tTÊcdt Kleiatlienes zelf op^ als vTonw 
verkleed (i57l), en spreekt de overige 
TTOüwea aldus aan (57 4)5 (f/Aaj; yy- 

yviÖfli; (de ook 5S2 volg ). Wolk. 355 
;»gt Sokratee dat de Wolken zieh tn 
de gerlaante van vionwen aan het 
pnhliek vertoon en omdat zij zoaévea 
Kleiathunes hebbeïi f^ezien (zie voort» 
Vog. 8;il, Lya. 10y2, Ktkv. 48, 67. 422, 
Kratiuo» 195). Het ia fkg alechts een 
grap^ wan neer Dlkuiopolis aan déicen 
opvallend haarioazen |]«r3üon vraagt. 



hoe hij het wagen durft zieh met zulk 
een sappeurshaaTd ?oor cunnch uit te 
geven. De perBoon die Kleistbenea voor- 
stelt heeft inderdaad een gezicht even glad 
als dat van den werkelykeu Kletathenea. 
119 Parodie op de door Euripidea 
(fr^ S&2) gebezigde uitdrukking è ^Mp- 

den zin van fel^ vermetel vgl Weap* 
9ie, Thesmoph, 735, Plut. 4lö, Am- 
pliis 33 enz, 

120. Parodie op een tpütvcra van 
Arobilnoboa <fr, 89): xöiijv^f l\ è 

126. Ridd. 167 h ^iurave/^ lm- 
KdiTii, als toppunt vau zaligheid. 2ie 
verder liidd. ö35, TOÖ, 766, Uf)4. 

• — ^'yx^v^l even7.oo Aiachiuea 2, 38 

rstjTtfl, Eur. Bnkch. 246 t&ut eux^ 

126. i^rpseyyetjof^^mi} dntUfi, ook 
Wolk. 131; verwant aan hel home- 
rische s^rp&éy&ir^m (O 612, ƒ* 361)* 

127. Xïit v&ni is onvertaalb&ari de 



41 



AIKAIOnOAIS. 

(AmphitheoB links af). 
KHPT3. 

Trpofflra Biapog o vxpx ^itxXxov^. 

VIJFDE TOONEEL. 

Dikaiopolis, Heraut, Theoros. 



180 



eEUPOS. 



iil. 



AIKAIOnOAIS. 

êTSpOQ iXxt^OOV OVTOg itTKlipVTTêTXl, 

©EXIPOS. 

Xpivov fih ovK tfiaiy xv èv 0p^;c^ V^Ai/i' — 

AIKAIOnOAIS. 
fjt^x A/' ovK XV ^ 61 fjt^tcréóv ys fJkif e^epsQ 7rö?^vv. 

eEXlPOS. 
e] fiii xxTivi\jJê ;^/öw rifv Bp^Kijv oXijv , 
xx) Tovg TTOTXfiovg ÏTnj^^ — 

AIKAIOnOAIS. 

VTT* xirh Th xpivov^ 
ot' ivêxSÏ Bkoyviq fiyoovi^sTO. 



18& 



140 



zin is echter daidelijk: m't is daar maar 
visehje spring »»"; vgl. Eapol. &. 265. 

130. rotVToeo'i . . . $poix(^Q] Na ovtoti 
wordt het lidwoord door Ar. niet zel- 
den weggelaten; men kan dan het pro- 
nomen door ziedaar vertalen. Zie 187, 
585, 960. 1049, Ridd. 1177. 1181, 
Wesp. 262, 1182, Kikv. 170, (Ekkles. 
70), Plut. 227. Hetzelfde geldt van 
6$/ 908, Lys. 1072, Ekkl. 27, fi$s 
836, 810, 985, Ridd. 1166. In 418 en 
454 is het ontbreken van het lidwoord 
uit nabootsing van den tragischen stijl 
te verklaren. 

132. tASt/c (= 2éAo%05, 2éxo/r<c) 
^apk rd 'JTBKéi^eiv (aor. pass. TrXoi&iivcit 



Aisch. Prometh. 897) tS écvBpt Kark 
Tïfv xotrijv (schol.). Hfrt majc. 6 ts- 
?,^rvif; Soph. Phil. 677. 

134. Theoros, een volgeling van 
Kleon (Wesp. 1220, 123üj, wordt Wolk. 
400 een meineedige genoemd gelijk Kleo- 
nymos, wien een wrekende bliksemstraal 
behoorde te treffen (zie ook Wesp. 418); 
Wesp. 42 en 600 heet liij ^n laag- 
hartige vleier. 

— Over Sitalkes zie Inleiding 
bladz. 17—19. 

140. De tragedie-voorstelling i {^r* 
leden jaar?) door Theogiiia jjegcv^EH , 
waarb\j Dikaiopolis zioli koo jammerlyk 
verveeld bad (11), heeft Jiaar versta* 



J 



42 



©EflPOS. 



Tflttdea invloed tot zelfs in ''t verre 
noordea doen gevoelen; vgL Thesm. 170 

^0jë7. Zda wordt ook Vog. 935 tot cetï 
frigidus pöëtü geiegd: ¥;gf tijv o-TröAi^ÉSflC 
tTfiÉvTftfc ^^ /i*^* }iyüv ëotcslq duinr it ak- 
ker ^ daar h^hè gij een jnsntül: g^ (ijkt 
wel èevrün^. Over den zoon van Atïb- 
tophnnea, Araroa, wordt later door 
Aleiia 179 eveüzoD geoordeeld* kou y^p 

143.^ VgL Kïdd. 733 en 1341 ^ 

144. De gewoonte om op deuxea en 
muren den nasm van dc(n) gelief tl e te 
sebTijven wordt ootc Wesp. 99 hertlarïit, 
Wttflr dö verstokte Ifefliebljer van recht- 
ipreken lieachreven wordt: xisi vi^ A/' 
}^v il^ yé wsv yËypêi(^f4,évoy | vBv Uv- 

Trafiéypa^^s TrAvttriov «Kij/tió^ ksAo^/* 
Dergelijke opeckriften konien öïet ïel- 
den op vazen voor; bijv. O. L Gr. B41 
innEOS 1 KAAOS I APISTO i MEAEr I 
AOKEI. Lucian. disL m^r. 4, 3 s ifuf f. . . 

xpö^ T^ A*?ri/Aöi' MMéXiTTst. ^iiMl 'Ep- 

T»v" Zie ook Pint. Moral. 900 «?. 

145. ^ r E^i'dc] Sadokoa, M. bl. 
17. 3. 

146. De vermelding df^r Apaturia 
vindt hoofdzakelijk hoar verklaring In 



den naam van dut feest, die aaa 
asrafT^v niet Blecbta herinnerde maar 
daarmede ook samenbïüg volgens de 
legende: Tt^Af^q; h *A&H^s£iCt^ ^po* 

kv ftt^opiofi;. :H<£i'Ö<?5 51 Bcfiwra^ 3rjÉ|>É- 
KjeA^VtfT^ï Tav "AÖijvoj/ftJi^ ^aa-iMx 0i^- 

n^pfXAtr^ivoy raC NïfAfiwg, v^'^s^^'f *ƒ■' 

Tpscy^v^ Tovrê<7Ttv aiyrlff ^eAiiiVJïV, 
Êvij^^ivö^. ï<|^Tr i?ïv è$ixs7v abr^v M- 
Ts^pv i/HOtfTa:- ó 55 liTf^r'r poplij. ^ ^^ 
wxio-xi; XTTOtiTetvÉi abrév (schol,). D^® 
vo Ik a- etymologie ia intti&schen onjoiat. 
Be Apataritt» welker naam van ff«' 
{afjLcc) en wan^p h gevormd , dns = 
éfio'TrzTÓptZi zijn het ond-iouische hoofd- 
feest der phfatriën in de mnund Pja- 
nepsion. Uat het daarbij aan vrolijke 
maaltijden niet ontbrak, blijkt reed» 
uit den öaam vaa den eÉf&ten der dne 
dagen waaruit het bestond: 1 5cfiT/*j 
2 éy^fipv^tq, 3 üovpE^n q-^ ^^ 
voorts Theem. EB 8. Op den derden 
dag — en dat ia een tweede aanleidijig 
voor Ar. om Sadokoa, deii nienw- 
bakken burger, met dit feeat in 
verband te brüDgcn — werd do aan- 
gifte gedaan van de in den loop de» 
jaars geLoren wettige kiaderen. 

150, fcfa-ov Th xp^fdrSt] ti^at een.J, 
door een gen, gevolgd ook Eidd- 1319» 
Wolk 2, Kikv. 1278, en zofider geni- 



48 



AIKAIOnOAIZ. 

Siv sliFotq ivTxvt) 0'u, iFXiiv 7UV vapyivav. 

0EnPO2. 
K») VVV OTTsp fixx^[JLéT»rov BpfKav Uvoq 
l7refi\p€v Cffitv. 

AIKAIOnOAIS. 
TOVTO fiiv y Sïjf (TOtCpiq. 
KHPTH. 
oï Bp^KBq hê ievp', ovg Bicopog fiyotyev. 166 

(Een zwerm Thrakiërs in nationale kleeding en bewapening, maar 
gekarikaturiseerd). 

AIKAIOnOAIS. 
töüt) t/ hri TO xxKÓv; 

GEXIPOS. 

'O^OfldvTUV (FTpOCTÓQ. 

AIKAIOnOAIS. 

volav 'Oiofixvrav; eÏTri fiot , tovt) tI Jiv; 
Tlq t5v 'OiofJLcivTCüV rh viog xTroTsêplaKsv; 

©EXIPOS. 
Toiroiq iAv riq Ho ^pxxf^»^ fAt<r6hv S/S$, 



tivufl Vred. 1192; evenzoo <5c xaAov 
TÖ xp^f^ l'ys- 83, fr. 57. Ook zonder 
uitroep : r/ ;tpff/u« 7rd<rxetQ Wolk. 816, 
r/ XP^H"^ TTSTOvdsv Wesp. 266, K?ié7rrov 
rb XP^V-^ rMpó^ Wesp. 983, fjLictpèv 
TÖ XP^H-^ Vred. 38, A/^rapöv ro XP^f^^ 

TÏJc TTÓ^SUQ Vog. 826, ««"XlfT/XÖV tó 

%/>ïf|Ufl{ Lys. 1085, f^^7« XP^l^^ "^^C 
sfjL7F/$0Q Lys. 1081, |us7« XP^t^^ yty^v- 
rm Teleklides 1. (Vgl. verder vs 837). 
Ook bg Herodotos is de omschrijving 
door XP^H-oc niet zeldzaam (1 36 v^q 
XP^iict fiéy», III 109, 180, IV 81, 
VI 43, VII 188). Zelfe Sophokles zegt 
van den Kalydonischen ever (fr. 357) 
avli; fzéyta-rov XP^H-^ ^^' Oivéu^ yvoti^ 

— ^é^pvoTFSQ een soort sprinkhanen; 
Vog. 185 /iJö-r' lép^sr* &vQpw7roov lihv 
léa-^ep 'X'xpvÓTFuv, zie ook Wesp. 1311, 
Vog. 588. Volg. de schol, hetzelfde dier 
dat ook irré^ot^oQ genoemd wordt 
(Aristot. Hist. Anim. V 29 en 30). 



156. TOVTi rf sa-rt tö kcucóv'] wafs 
dat voor een zoodje? — Evenzoo Wesp, 
1136, Vred. 181, Vog. 1086, 1207, 
(1213, Thesm. 1080, 1085), zio onk 
infra 767. De Odomantiërs(Inl. bl. 10, 3) 
worden zoo vies mogel\jk voorgestel J 
In een lang fragment van Hermippoa 
(63) ait de Phormophoroi , een stuk 
dat in dezen tijd is opgevoerd (deukc-^ 
lijk op de groote Dionysia van dit jüar 
of het volgende), regeert Dionysos op 
de wijde zee, en voert allerlei Ituig 
ontbeerde of schaarsch geworden ge- 
nietingen aan; onder andere (vs, 7) 
KOLt itoLph T.iT&Kx.ov yl/oapcev AeeKsSxt- 

157. 5ro/«v] zie 62. 
— t/ 5|fv] op 767. 

158. öpTov vijgeblad, veel tot ifl- 
wikkelen gebezigd (op 1101). Vandaar 
Ivre^ptSiffQxt (-^o-ddt^P) ing^akt zijn L> a. 
663, en hier ci7ro$ptè^etv ontbloot^. 

159. $^0 ^pxxH'^Q] Een soldij vau 



i 



44 



160 xo(^r»irBKritfQ¥Tót^i Tijv homrlm Shnv. 

AIïCAIOnOAIZ. 

(De Thrakië'rs plunderen z^a knapzak). 

AIKAÏOnOAIS. 

T^url wsptêi^êê* cl wfVTxv£iq wx<rx^^'^^ f^^ 

iiêiTijfjList io'Ti XXI pxmq 0éj3?*^xê fis, 

KHPTH. 
rovq Bpütxm dTTiévüiij TTotpsJv^Ci S' sU h^v' 

(Allen af, uitgezonderd Dikaiopolis). 



twee dranhmen daags ïoq het dub- 
bele zijn van hetgeen zij redelijker- 
TqjKe konden yofdereD. Zie IqL tl. 19, 3 
eu op 572 

162. é Èfcii/fr^^ AÊcu^Jpurs pro toto» 
hot afibe«]53volk. Van dii drie echnios 
boven elkaar gfiplaatste afdeelingen der 
roeiers op du triëfön draagt de bo- 
vÊoflte, die het zwaarste werk heeft te 
verritsht^n en zoo noodig ah laudiiiga- 
troepen dienst moet doen, den naam 
van &pjfv7r#ij de tweede afdeeling heet 
^vy7Tm^ de derde ^stK^^lrat^ Yg{. 
lÜkv. 1074. 

164i. Dik heeft een boa knoflook bij 
ïicli, even tevoren ter markt gekocht 
voor zijn geaÏD, Dat ztju gehede voor- 
raad voor eigen gebruik tydeiia de ver- 
gadering (vgl. Ekkl. 306) bestemd zou 



zyn gBweeit, i» ojmaunemelijk wegens 
174 

166, l^%epühfFii,êv&t^'\ met toespeliag 
op de gewoonte om kemphanen 
met knoflook te voederen, waardoor zij 
krijgalnatïger worden, naar men meende: 
Xen. Syraip. 4, 9 'htot tq^^ èksxTfivé- 
v^^ <T)copo^/<rs£VT(i; s-vi^^éhKüUSTt , Ridd. 
494 W afiBtvoir Sr riv lirxofQ^ii^nho^ 
fiéx^^ Vantïaar overdrachtelijk Bidd. 
946 liT^opóhü-a^ (JL$ ffij è$ht mij a^m- 
gt^kiUt j in gelyke beteekeaÏB infra £26 

172 ^h ^i'ifv] oaderwetaclie mtdrnk- 
king voor Ëiq rfi'rifw » ont^nnorffea ^^He- 
fij-öh. Harpokr, Schol.) Hesiod. Erg. 410 
f*^ I' éevajSd^Mtr^at 'éq r' a^ftê^ Ij; r* 
'évvii{pi. Kkkl. 7&G Mfi^si, x^raÖïf <?"£'«> 



45 



ZE8DE TOONEEL. 

Dikaiopolis, Amphitheos, buiten adem links opkomende, 
met drie w^nkruiken. 

AIKAIOnOAir. 

ot[j(,oi r^A^^i fjLUTTCoThv ocrov iTraXetr», 

iX}C iK AxKeiaclfjt^ovog yccp 'Af^t^Cplêeog HL 176 

X^'^P% 'AfiCptdss. 

AM<i>ieEor. 

(iiiTTü) ye 'jrph ctv hru rpixcov' 
isï yip (A€ (peiyovT^ sKCpvysïv ^Ax^pviccg. 

AIKAIOnOAIS. 
t/ y hnv; 

AMweEor. 

iyu fASv ievpó (rot wov^aq ^ipcav 



174. iiVTTWTÓv] » Wat had ik van 
die knoflook een massa iivrrotrÓQ kun- 
nen maken,'' Zoo heet een mengsel van 
knoflook, kaas enz.; Bidd. 771 twra- 
KvijffMijv BV f^VTTur^ iJLsrdt Tt/poö, 
zie verder op 761. — Evenzoo zegt 
Kikv. 134 Dionysos, ?rien wordt aan- 
geraden van een toren te springen: 
"dank je wel; dan i^ro^éa-eeii*^ &v ly- 
xt<p^/.ou êp/a $yo," d. w. z. hersens 
genoeg voor twee hoofdkazen (zie op 
1101). 

176. fiijTOi ye] als je blieft nog niet , 
daar hei ik nog geen tijd voor (vgl. 
832). Evenals hier, staat fii^Tea ye el- 
liptisch Ridd. 960, 1100, Wolk. 196, 
267. Voor het gebruik van ye in af- 
gekorte zinnen zie 827. 

— rpéxuv'] ongeveer ^ &v6irx^ (ri) 
571, maar niet, zooals dit, uitsluitend 
b\j imperativi. Zie 828 cvKocpuvrvia'stQ 
rpéxuv. Wolk. 780 iTray^ec/fitiv, IIM, 
xéi^strov, Vred. 259 dheiQ, Kikv. 198 
TeptQpé^eiy Flut. 1103 èxwéAe/ rpéxuv^ 
Vog. 991 XP^^f*^^°7^^^*Q hxrpéx^V' 
Vertaal dns; laat mij eerst eens gauw 
gaan stilstaan, 

177. ^sóyovr'' Ix^vysiv] Hom. E 81. 
^é?^TSpov )^c ^s^yav 'JFpo^vyifi kockov ifè 



Ta^aift, Herod. V 95 xMq fih ^sv'- 
yuv BK^svyei, Enr. Phoin. 1216 $y 
f^^ ys (^evyuv la^vyifiQ •jeph^ eetéépa. 
Plato Hipp. mai. 292 a eitv fzii hx^vyu 
(Pséyuv atróv. Zie ook Wolk. 167, 
Wesp. 579. Men kan deze, voor ons 
taalgevoel zonderlinge, tautologie ver- 
klaren uit de in het Grieksch (vooral 
het oudere) zoo vèr strekkende ge- 
woonte van redupliceeren, waarbij 
niet zelden de geheele stam her- 
haald wordt (Trafi^ec/vM y fioipfixfpu t 
Kxpxccipu enz.), om de uitdrukking te 
versterken, vaak ook in den vorm van 
een obiect van den inhoud {voaelv vóa-ov 
enz.) ; zie 298 en 303. — Overigens sluit 
dit vers, dat nagenoeg letterlijk vs. 203 
wederkeert, zich niet goed aan bij het- 
geen onmiddelijk voorafgaat. 

178. Het woord a"X'ov$acf leent zich 
bgzonder tot de woordspeling die aan 
het gans^he nu volgende tooneel ten 
gnmdslag ligt. Letterlyk beteekenthet 
plengofer, d. w. z. de (onvermengde) 
w\in die bij het sluiten van een ver- 
drag door de beide partijen wordt ver- 
goten; zie de leerzame plaats bij Ho- 
meros r 295 volgg. : ¥o7vov 5' sk xpjf- 



46 



180 



185 



drsp ifi^Q viq^ fj^x pn^Scü vopt dx^ ' ? ^$ ^ i^^dps^vivst • 

^^üv^ac^ 0ipstq ^ Tüji^ dfi.7rihitiv Ter/x^iiff^ivQv ;^^ 
K^^ Tobg rpi0mv3cg ^uuekéyovTO Tm kiéüay, 
iyh V t0ëuyov* oJ V üiüiKCv ^èfiii^v, 
AlKAIOnOAIS. 

AM'^IÖEOS. 

ïymyê (piff4.t , rpU ys t^vt) y$épi^TsL^. 



¥e£rci hot 'é^Aoi^ j é-TTTÓrspot 'jt fors pst 
ujT^p HfiKi^ TTfffi^'^eixv ^ j w^é ^ip^ lyxé- 

VantJaar echter wordt ffwovSal, inrév- 
ie^Qxi ook VÈ.TL fi^i verdrag zelf ge- 
^ezij^d. Amphïtheoi nu breDgt drie 
proeQea-o-^evSffi/ (vertaling is onmoge- 
Igk) ter kéüKe medfl^een ^an rijf jaar, 
één van tien, eëa van dertig jaar, 
iichtbaar voorgesteld door drie krui- 
keu] evenzoo wordt van dB vred^^ditL 
Vrei!e 6ti& gfixegd: k^^ovc-^ i^^tj-tv al- 
TOfidrii f£eTx rkv HuA^ | ffsrövJwv 

é7rox£t^nTüVij^ii)fOLi rpl^ hv r^iofAijff/^ 
(x/s-Tjf Ach. 1086) Dat de waarde 
vsn wyn j evenals die van verdragen , 
*t[igt met het aantal jaren, maakt de 
wnoFdapeling des te pantiger. Niet aU 
een kruik maar &h een schoon e 
jongE vrouw wordeo de i^Trovóat 
Tpi^ÉKövToéTthi voorgesteld Ei dd, 1388 
(evenaliS eldcra bij Ar Eipnvyf^'OTTütf^^ 
0Êwp/ff, Ejso-^f /flf),^^Voor d e r t i g jaar 
wae ook bij den vrede vas Periklea in 
445 het verdrag tüsschen Lakedaimon 
en Athene aangegaan. Voor v ij f t i g 
ja«r werd in 421 de vrede van Nikiaa 
ön do ar na het bondgenootschap tüsachen 
béide staten gesloten, voor honderd 
jaar liet verbood tusjschen Athene en 
Argos in 420. Een d ertigjnrig ver- 
drag beiitt»ad ook tusschen S[jarta en 



Argofl alnts 460 (Thtik. V 14), en een 
nieciw verdrag voor v ij f t i g jaar werd 
tusacïien die heïde staten aangegaan in 
41S (Th uk V 7&). 

laO, iTffvtvoQ letterlijk pan ^t&eneii' 
liOtii, VS ad aar fi^fiiff ^ fel, wegens het 
knetteren van dit hout onder hei bran- 
den; Kikv. 859 5-y ^' shBtj^ U^7e§p 
fFplvo^ I^Tfpjjffdfj^ ^oê4 ff ij ms^i da- 
édijk e&nr Itïvën iik ctfra kn-apptind Hke- 
hbk. lü gelijken zin als hier, staat 
rpmifo; Wesp. 877 tö Ktmt ff-Tpv^vèv 

KXI WphiMQV §$ö(, on ÏT/HvéJlfC W^p. 

383 éfj^woü^h ttoi reit ^ftvé^sf ^v^ov 
18L uTspéf4ov£ii] onimi^z^mm i Wesp, 

— f4.^^xê£üvofj,d;^iiii} zia G97 volg, 
Ridd. 781, 1334, Wolk. 086, ^Yesp 
711, en voorïil de aardige besckr living 
der •JÉTi^Hjxf^ 'ArriKor^ in het epirrhema 
der Wespen 1071—1090. 

— <Fipsvidf4vtvoi] pan ahom-Zi^ut, Kra~ 
tinos 301 Tpüws^eti Tpi^n^Ku^ a-ipiv- 

182. Nagenoeg gelijk Inidend Rïdd, 
670 ol 3' || ivè^ ffTÓfi^TOQ èiTavTÊ^ 
avsHpatyov^ \ vi/vï ^sf'i ir'jr&v^^v; 

183. Vred. 303 noemt het koor de 
Vredesgodiü r^ir flf^w Te&a-ëv fjisyli^T^'f 
H^ï ^thsLfiwB^^Tér^M, Zie ook Vred, 
628 volg en infra 512. 

184. T^M A/Stóïf] evenzoo 805. Vrcd- 
772, 062, HOS, 1136. Zie ook op 
350 

]87. rat/rï] ïde 130. 



47 



AIKAIOnOAIS. 

AM4»ie£02:. 
tI loT/y; 

AIKAIOnOAIS. 

AM4»ieE02* 

(Fv 3' AxKa 7»(fI) rotq hiciTsig yivtrxi A^jSfiSv. 

AIKAIOnOAIS. 

H^oviTt %&vi:^ iiXTpi^ijg Tav ^vfAfiix^ov. 
AMWeEOS. 

iAA* OtUT»ll TOt CrOl TpiXKOVTOÓTtieg 
KCtTCC yijV Ti KCt) 6iX»TT»V. 

AIKAIOnOAIS. 

& Atovócrtx^ 
auTai fih i^ovff' i[j(,fipo7l»q rcai viKTxpoq^ 
Ko) fJLti iviTvipeïv (titI* vifiBpoóv Tptav, 



190 



195 



189. ouK ipéffKova-fv f**] Dit ft' ia 
als een geëlideerd fJLOt te beschonwen, 
eyenzoo Ridd. 359, Wesp, 776, 1389, 
Thesm. 406, Plut. 358, f*' dy^fra/ 
Vo2. 86, Ënr. Med. 57, Iph. Aul.491; 
itpiirxeiv regeert by Ar. eyenzeer als 
bij andere schrijvers den dativns: Ridd. 
1311, Wesp. 818, Vred. 1148,Ekkle8. 
710. Uitzondering alleen Kikv. 103 
c-i $i reeÜT^ ipéa-KSt (lees vdï t. &.T). 
Men vergelijke de elisie van ^//^eo^ (590, 
1117, Ridd. 998 enz); ook de krasis 
van Toi is een verwant verschijnsel. In 
het epos wordt fco*, voi^ rof, rot 
dikwijls geëlideerd. 

190. 'ó^ovct TrfrTiiQ] ze smaakt naar 
de kurk; tevens met toespeling opteer 
en pik als scheepsbenoodigdheden. 

191. <rv $' ^AAi] dan ten minste, 
ook 1033, Wolk. 1364, 1869, Vred. 
660, Lys. 904, Antiphanes 163. Even- 
zoo iAAik V0V nu tenminste Vog. 1598, 
Thesm. 288, en ^AA^-alléén Thesm. 
424, 449. 



193. hotrptpiiQ tGv |.] een ophouden 
der bondgenooten. £2en vrede voor zoo 
korten tijd zon op onze bondgenooten, 
die nn tot onze hulp gereed staan, den 
indrak maken alsof w^j hen aan de 
praat wilden honden. 

197. In de oproeping tot een onder- 
neming werd geregeld bevolen i^'i^ovrdr^ 
^Ketv virV ^tnp&v rpt&v" (Vred. 312), 
leeftocht voor drie dagen; zie bijv. 
Thnkyd. I 48, Eubulos 20. Zoo heeft 
ook Wesp. 243 Kleon aan de jury-leden 
opgedragen ev Vipcf, i/xc/v 'éxovratQ ^fis- 
phv èpyfjv rpiQv ^ovifp^v. Overi- 
gens moet de tekst hier geleden heb- 
ben, daar de infinitivns B^Firi^pBiv in 
de lucht zweeft en de beteekenis van 
dat verbum niet met den samenhang 
strookt. Daarom is de door Reiake voor- 
gestelde omzetting van 197 en 198 on- 
voldoende en dos minder waarschijnl^k. 

198. Iv r^ ffTÓfiMTi }iéyovat] evenzoo 
b\j Homeros èv è(pQx^.fJLo7a-tv óp&a-doct (A 
587 enz.), oVetfft Tróivrsq Hkovov (M 442). 



48 



X^ip^^^ XfAfticüi/ ïTtJAAi Töuq 'Az^pvi^g* 

AM*I0EOE. 

{Dibaiopolis gaat /;iJD hak binnen, AtnphitheoB glinga reclita af.) 



Het tooneel ^eïaüdert, en verbeeldt den atrtmtweg voor Aq bofsted» 
van üikaiopolis in Acharnai. Nevens die woning liet huin van 
LamaeboB* 



PARODOS VAN HET KOOB. 

(vfi, 204—340). 
N ^2ang). 

ZEVENDE TOONEEL. 

(Het Koor, bestaande alt vi ere at win tig gi-ysaardsj komt in beftige 
opscbudding de orcbestra rechts binnen j zij dragen steenen in han 
gewaden bji zichj, 

Strophe, 

KOPT<PAIOZ. 

SOS rêsP êici^opm'j éTrdi^Tav- t^ wéxn yètp £^tüv 



• — Uê^eft;] Onjaiat is i]v achrijfwtj^e 
êsMiq, De oadcrwetacht! vüjm SeAw is 
wèl bij de tragiti in gélrtnlv, maar ïiiet 
bij Arifltfiphanes; de e Imi tchter, aa 
een kliator, door ai>b?nJHïsia worden 
onderdrukt gelijk bier: i^yejizoo BIB^ 
365, Wolk. 801, Wi-p. iö3. Bïl, 
Ljfi. 473, Kikv, MAiJ. l töR, Ekkl 
1017. Over de vaste f > i mu l e ij^ 
df5; öIa^ï op 41- la parodie van 
den t r B g e d i e-B t II 1 etLiLil ö/Abu Ach, 
42B, Vog,407 en 929, Th i^^moph. 412 en 
90B. Eidd. 713, waar dvw regel wordt 
Oïertredcii, lyè S' Ija^vcv axT3£yeA£i y^ 
S^ov öiAftf, ia weJIïcht te U^zen lyè i" 
t^ffQV Ui Aai y^ sKelv^u HSST^yêA^. {^^7^- 
1216 is stellig corrupt). 

2Q1. Duar lyA! lé gctju xin geeft, 



en Dikaiopolis niet n a a r b i n n e n 
maar nasr het land mQnt gaan 
om de landelijke DiojijBia te gaan Tie- 
ren (2Ö7), ter?? ijl eindelijk de herhaliög 
T0UQ 'Axi^fvéa^ 300 en 203 alieen din 
geen stijifotit ie, ak die ^ei^e rerzen 
oTimïddel^k op elkaar yolgeo» &cbijnen 
201 en 202 o verblijf sela te ayn vaa mn 
andere redaktic (zij keeren 260 en 269 
ïiagenoeg letterlijk weder). Overigen» 
heeft ook 20tJ eea verdaclite overeen- 
komst met 177* 

204. wctq] by een imperativut ook 
Vredn 301 Btupo ^^5 X^P'* ?r^o^^/iW5, 
Vog. 1186 x^P^* êtbfo 5rS5 VTFnpÉTifi^ 
Weap. 432 £ïAA« xa^ iTrta-rpe^e. Zh 
ook 238 volg, l^og. 1190, 1100. 

206. «JiovJ met dat. ook 8. 



mm 



sa 



49 



^vAA^/3f7y rhv avipx rovrov, &hhi yt,oi fA^viitroiTS, 
si Tig óïy oTTOt TSTpaTTTXi yij^ o Txq (FTTOvHq ^épuv, 

EEN KOORLID. 
iK7ci^B\jy\ olx^'^oii cppovioc. oïfAOi Tix»q ruv hav Tav sfAav. 
owK XV èic* ifjt^yjg ys veÓTi^Tog, 2t' iy« (pipav avipxKcov ^oprlov 
^jcoXotiêovv O^i^AAqt? rpixcoyy He ^otó^ag otv o 
fTTTOv'ho^ópoq oxtToq V7t' ifioïj tóts hcaicófA€vog 
è^i^vysv ot55' &v èx»(ppSiq ctv iTre^^l^xro. 
Antistrophe. 

KOPT^AIOS. 

VVV 5', êTTSliij (FTSppèv j55); Toiff^èv XVTliCVlll(4,lOV 

K») T^A^/^ AaxpxTsliill rh arKs^og (3otpóv£T»i, 



210 



215 



220 



206. fiiivv<roere] tot het publiek ge- 
richt; zie Vred. 20 vfzéov $é y' // tiq 
oT(J' sfioi KarstTTÓireu. 

211. Stramme koorleden, die elkan- 
der troosten door herinneringen uit hun 
jeugd, ook Wesp. 231 en 1060. Zie 
voorts Plut. 257 volg. 

215. <Px^?,ooq] goomaar, zie Ridd. 404, 
509, 1293, Wesp. 656, 1012, Vog. 961. 
Lys. 566, Thesm. 710, Ekkl. 666. 

— Phayllos uit Kroton , iv^p rp/^ 
7tvótov/KtiQ (nJ. tweemaal TrevróiQ^^ov en 
eens ffrétihv Paus. X 9, 1), hielp als 
bevelhebber over eene triere de zege 
bij Salamis bevechten (Herod. VIII 47). 
Te Delphoi stond z\jn beeld als wijge- 
schenk. Deze held uit het t^dvak der 
marathon-kampers gold voor een onge- 
evenaarden springer en looper. Zoo ver- 
haalt Philokleon Wesp. 3206 als een 
sterk stuk uit zijn jeugd: \iTB rdv 
^pofzéoe 0^i/AAov ït)v ^ovTratQ 'én | eï- 
Aov $t^Kuv . . . ^ot$opfoeQ ^ii<potv $vo7v 
(woordspeling met de dubbele betee- 
kenis van sAs7v en $iuK6tv, evenals 
Ach. 699—701). De scholia deelen dit 
epigram op hem mede: t/vt' sti ttsv- 

TVIKOVTOt TÓ^OCQ Tn^^^OS O^ÜAAO^, | 

^(ffKSVo'Sv J' «jMsróv 9r€vr' ^TFoKetTeo- 
IJ,évuv. Genoemde cijfers kunnen echter 
niet ernstig gemeend, althans niet his- 
torisch juist zijn: een sprong van vijf- 
envijftig voet behoort tot het gebied 
der legende — of der komedie. Een 



andere t^dgenoot der koorleden, de 
Plataeër Euchidas, zou. (volgens Plu- 
tarchos Aristid. 20) na den slag bij 
Plataia duizend stadiën op één dag 
hebben afgelegd 1 Overigens vergelijke 
men met onze plaats het epigram ter 
eere van een èAvjx^/öv/xjfc bij Aristot. 
Rhetor. I 7, 32: vpóa-és /Jth ifjup" 
iifzota-tv 'éxcov rpotx^'iecv 2éö'/AA«v | *%Ö0C 
gg *'Apyot/s g/g Tgyéoev "écpspov. 

220. De scholia vertellen van een 
archont Lakratides uit den perzischen 
oorlog, in wiens ambtsjaar het z<5ó koud 
was dat sedert alles wat stram of ver- 
kleumd was Atfxp«r/$0t/ werd genoemd. 
Dit sprookje ziet er uit als barre on- 
zin, en heeft in ieder geval met de 
plaats van Aristophanes niets te ma- 
ken. De spreker noemt eenvoudig den 
naam van een zijner makkers, en de 
vraag is alleen hoe die makker geheeten 
heeft. De vorm der hss. AceKpxTt$\i 
zondigt tegen het metrum, de door 
Bentley voorgestelde wijziging AaKpot- 
T8(i\l tegen de etymologie, daar een 
patronymicum op -s^tfQ een naam op 
-xAifS of -8^Q onderstelt, en van Aa- 
en KpdcTOQ slechts AcsKp^niQ kan ko- 
men. Denkemk heeft Arist. hier, evenals 
609 en 612, aan de leden van het koor 
namen toegedicht in overeenstemming 
met hun beroep; ik gis dus dat de 
jichtige oud-athleet AapKtiiiQ heet (van 
X^pKOQ 833), maar zie geen kans het 



50 



225 



330 



2S5 



240 



jtdïjSi Tip yipüvr^q cvtül^ mcpu^m 'Axa.pvim" 
EEN KOORLID. 

olert %otp èp^ov iroKëfjLüq /^^aSo^i? a^u^iroLi rm if^^v xcspl^it ' 

KOPT^AIOZ. 

it^i ^iüüK£iv y%y ^po yifi; , ^W ^v ibpaê^ •ttotc ' 

(aiKAionoAii: 

achtBr de at^hermen). 

êU(p}^pL£7T£ , SV0V}f/,£ÏT£. 

KOPT^AIOE. 
üSroi; ^èrés i^riv tv t^^roupf^iv* aKhk iêïfpö 7tk^ 



vers op oTertuigeöde wy^e te herstel- 
len, 

231. l-j^^ffVHÏK milfX€h^i$ ook Ridd, 
1313. Wolk. 14S6, We«p, 721, 1007. 
Ljaifitr. 27L 

231. Uit de maat der tegeuBtrophe 
liljykt dat hier ecö woord h uitgeval- 
lea, wellicht ^^viaftoQ (Blayde^V 

234, Bxk^i^mh] deze maam is al- 
ken gekozen met töeapeling op /3«A- 
Ae^w, maar klitikt tevens als verspre- 
king voor IlflfAAijvaj^ï, naar t/-^ ^«ifei! 
(MH rib» dtmtos Falienti. Eve&zoo Doetnt 
Hik. jricli 406 eeu AcwA/Sijf met toe- 
speling oj) den deinos XeAA^T^ffi, en 



worden Bldd. 7D en Ekkl 302 ^e 
kwaai-benttiningeQ KAuTr/^ai eri ^Axpx- 
S$^iriQi vermeld in piaalfl van Kp^ï-jrilstt 
Ba 'A%s^iS©ü(riflc , met Kinapeling op 
KhéwTstiF en axf>^^- (üat in Pallene 
eertijds Peiaïstratoa door de volkspartu 
wiva veralagen geworden ^ gelijk de scho* 
Ha herinneren, doet dus bier oiets ter 
KEike). 

237. sbi^yffisTTe} famU Jmgm^\ nok 
Vred, 434. Wesp. 868 ^l^n^ltt f^èv 
TpÜTdc ^vv ówapxeTüiy Vog, 959 eiL 
Thesm. 295 svip^fifx 'éa-rw, Rtdd. 1316» 
Wolk, 263. Vred. 06 £v<piff4Ét)/ %iJif.enz. 

2aS. 5r^5] op 204. 



-^ 



51 



EERSTE EPEISODION. 

(V8. 241—625). 

ACHTSTE TOONEEL. 

(Dikaiopolis treedt, met een ofifórvat (z^p») i^i de handen, zgn 
woning uit, aan het hoofd van een feestel^ken optocht, gevormd 
door zgn vrouw, zgn dochter, en slaven. Het koor houdt 
zich ter zgde in de orchestra). 

Dikaiopolis, Dochter van Dikaiopolis. 

AIKAIOnOAIS. 

svCPvifAeÏTe f êiCpvKiBÏTS. 
^potra êg tJ Trpóorisv i/.tyov ^ xxvij^ópog' 
ó Bxvólccg Tèv (pxXXhv ipdèv (TT^orxTa, 
xa^rMov ro kxvovv , So ivyxTep j 7v* i7rxp^a(A$ix. 

©TFATHP. 
S> f^ijrspj iviiog iêvpo rijv hvijpvoriVy 246 

Tv' ÏTVOg XXTXX^^ TOU^XTijpog TOUTOuL 

AIKAIOnOAIS. 

K») [Jf^v K»KÓv y' l(Fr\ — « Atóvvore ié^TroT», 

wifixl^oiVTX Ko) ióorxvTX (iSTX Tuv oIkstuv 

iyxyslv rux^po^? ^i k»t^ iypovg AtovtiffiXj 250 

(rrpxTixg êiTrxXXxysvTX' reeg orTrov'iccg Si fj^oi 

KX^QÓg ^VVSVSyKBÏV ri^ TpiXKOVTOUTt^Xg, 

xy\ tt ióyxTsp, OTrag to xxvouv xx^ii xx^ag 

243. ^«AAov] ^t^Aov e'^/fiiiKgQ^ ï%ov 1141) maar ook veldtocht zooals hier 

Iv TA) inpt^ a-Kvrivov uUotov s^ii^rii- (voorts 1148, Ridd. 587, Wesp. 854, 

fiévov (schol.V 567, Lys. 100, 692, Thesm. 828, 1169), 

245. grviipva-tv] brij-schepper ^ van dus = fl-Tparg/a, wat bij hem niet voor- 
'irvog (Ridd. 1171, Vog. 78, Lys. 1060, komt. Volgens schol. Thesm. 828 ge- 
Kikv. 62, 506, Ekkl. 845) en ipvstv broikte ook Eupolis ffrpartói in beide 
(Wolk. 272), waarvan ook ipéreetvce beteekenissen. Insgelijks a-rpctrthq =s 
(Ridd. 1091), i/)<//3«AAos (Ridd. 1094), a-rpxrs/»^ op een inscriptie van 880 
&pva-Ttxog (Wesp. 865); eveuzoo ge- v. C, C. I. A. II 176. 

vormd zyn ^ufzi^pva-fQ jus-schepper, 258. 2éy' ifTw^] met fut. ook Ridd. 

oïviipva'K; (1067) toiJn-scAepper. 1011, Wolk. 489, Ekkl. 82, 149. Zonder 

246. sPMTi^p een koek, ook Ridd. Uyg Ach. 966, Wolk. 257, Vog. 1494. 
1182. — Koe^fj KotXéSg] evenzoo Vred. 1830, 

261. <rrp»Ti£ by Arist. niet slechts Ekkl. 730; Ridd. 189 xaxk xuk&i;, 
leger (Ach. 81, 149, Vred. 747, Lys. Wolk. 664 x^xdc xaKÜi;. 



52 



«rei/ jctjfSlv ^rrcug ffSeïi/ ^ iTt^t'Sav SpSpog §- 
wpó^xwt j x^v rS^Xif} 0u}^xtT£fT$xt c(pétpx 
fi^ T/? ?*x$év u-üu TTspirpéy^ rx ^pua-ix* 

üJ Uo^yêlx f ü-(p^v S' IffTlv êpSo^ iKxéö^ 
iyib y xKüMu6m ^a-Of^xi rh {pxkhtuév ' 

(Zatig)* 



25 é. duju^pfr^i'ciÉ^^Q'v] ^'jK/iciKfjfav KixÏ 
sAsvéépiov {schol,). VgU op 95. 

356. De weuseb .rmuge mijn dochtar 
een goed howelijk doen^' ia liier, eyendb 
Theara* 3SÖJ^ op komi3cli*riiwe wijze uit- 
gedrukt. De vergel^jkïiig met een kat 
of wezel oolc PI ut. 693 ; voor sKwoiii^ 
(TÉTSii ^aAa^ vorgel^ke men Vred. 708 
h rol^ èyp&7i^ txut^ (nL rff 'O^w^aif) 

258. TSpiTpdy^'] af knabbelen AVesp. 
672 j ov^erdrachtelijk , gdijlc bierj ook 
Wesp. 596. Vgl. 'TTo^peM&iv Ridd. 1026. 

— xa xpu^ist] gouden ^alssiêraden.. 
Vog. 670 'és-^v $' éx^i TQv xP^^^^r 
UtTTctp %sLpUvG^. Hom. B 872 iJc «öti 
%pua-fli' l^;g«jv TTÓ^iëftévS^ 'iev ^óre xovpif. 
Ear. Hek. 15i i^otvts-^ofiévysv sVfAart 
w^fUvov $K 5;/JüïrcJ<f)rfpit/ Bii^^^ umtrij.^ 
lUhm^xiiyËt. Zie ook Tbeam. 894. 

2ÖI. De pheilika zijn van dori- 
sclien oorsprong j evenals de komedifl 
zelf e» die uit dergelijke grappen ont- 
staan is (Ariatot. Poet. 4). Aan de ujt- 
gcltttcn.door dana begeleide, at! hert 8- 
ii ede ren, die bij optoehten , hoofd- 
zakelijk by feestvieringen ter eere van 
Bfikehos, werden gesEongen, werdeft 
langisamertiand knnstelooze, geimpro- 
iriaeerde vooTatelliugen in geaprek- 
vonn verbonden 1 bijv. sfuf^^lré Ttq ev 



èTfupxv enz. De vertoonerft heetten m 
Lakoiiië ^stxifAiKTctf , in Tbebe MeAt^v- 
Txl, elders xifTOKé^S^^ot (wat evon^ 
zeer improfisator'a achjjnt ie be- 
teekenen), in Sikyon droegen zij den 
naam van ^at?.?^oipópof, Yan een 
dergelijkcn phalliachen optocht geeit 
Ath«naio9, aan wkn oüït het voor- 
pande ontleend is, de volgende be- 
schrijving {XIV p. 622); «OBgeiïiaa- 
j^kerd, maar met dichte kransen van 
* klimop en rioolen op het hoofd, en 
*met pelsen ora, komen de feeatvieren- 
«den het theater binnen, onder ïiet 
^zingen der regels : s-ot Büéx^e Té¥èe 
-fioOs-av ayhai^Of^ev^ \ éwkovv ^uü^dv 
*%eöSfT^s xlé?.iü fJ.é?.Éi , I astivky , évrMfh 

"BévÊVTOV^ oV Tt TCctti TrépO^ I KÉXP^^~ 

i^vav ^Ba7trtv^ bAA' dxi^psÉrc)/ \ K^rép- 
rf%ö|(*fv rh [/jiivoy. Daarna komen zij 
vo^j de toeacbonwers af en beginnen hen 
*te bespotten.'' Van de landelijke t)io- 
nysifl vormen de phalloa-optocbtea het 
flgndsdii'nstige'' gedeelte, echter nanw 
verbonden met teugellooze fieherts. 

266. VgL Vred. &B6 (koor van knd- 
lieden, nadat de Vrede is terugge- 
vonden) ^ '^ohivii To7( StxaiDi^ Hmï 
yëpapyoiq iifjispa^ | ^^fcfvd^ ir' Uav ^jaflff' 



53 



(Fwovixq 7roi^7i(4,ivoe; êfAOivr^ , TrpxyfiaTcov rs kou 

7ro^^$ yip iarê' ijhov, co ^x^yjg ^xXijg, 

K^iTTTOVffxu svpóvS* uptKiiv u^vfCpópov ^ 

Tviv ^rpufioicipov &p^TTav ix rov ^fAAia^, 

^«A9^ ^xXrig^ 

soiêev slpiivvig poCpii^ei rpw^Xiov* 



271 



2n 



re a-VK&Qt ïèQ sypD e^órsvov ISovvsurs- 
poQ, I ia-TTcka-xtr^oct QvfjLhQ i^fuv ha-rt 
ToAAoo-r^ XP^vifi. Zie ook Vred. 596 
Yolgg. en infra 996 volgg. 

269. Nagenoeg gelijklaidend wordt 
Yred. 292 gezegd: vüv la-r tv v^fjCiv 
Siv$pgQ '^EAAifvs^ jmeAov, I aTee^.Xotysia't 
TTfioèyfJcdrav re kcci fietx^iv \ e^e?iK^q-oet 
rijv TTxa-iv E/pjfvïjv (p/Xtjv. Voor ^p^y- 
fietroi in den zin van last {TTpóiy/jLceree 
'is%«/v, 'TTOcpéxstv^ TTpceyfi^rcuv &7ruXXoC' 
yVimi) zie verder 757, Vred. 191, 852, 
1297, 1345, Vog. 128, 931, Pint. 20, 
102, 652 enz. 

270. iJLxx^v xat Aeifx^x^^l ^S\' ^^ 
Té^tjc Kxi KjXruyé^oc. 606, en Inl. 
bl. 15, 7. 

271. 9röAA^ yéip lo-fl' ^J/ov] zie de 
schildering van een gezelligen voor- 
jaarsavond Vred. 114)0 volgg. 

272. Uit de op 261 aangehaalde 
plaats van Athenaios zien w|j dat be- 
trapte en gestrafte ooftdieven 
een geliefkoosd onderwerp voor de 
volkskomedie waren. (Vgl. ook Wesp. 
449). 

— (Sp/xifv] bloeiend, ook Plat. 968, 
fr. 40; gebruikelijker is èpeiio^. 

273. Strymodoros een boeren- 
naam , zonder bijbedoeling gekozen ; ook 
Wesp. 233, Lys. 269. 

— De Phelleus (ook Wolk. 71 
vermeld) is het oostel^k deel van den 
Parnes (Inl. bl.11). Oorspronkelijk is het 
geen eigennaam , maar beteekent schrale 
hoogweide; rit ^erpu^tf xoct etiyi^oret 
X»p(ot ^sAA/d^c èx^Aovv (Harpokr. 



i. V.; ongeveer hetzelfde bg Steph. B72., 
Soidas, Schol. Ar. Vgl. Leake Dcimen 
pag. 7, 17; Ruhnken. ad Timaeani p* 
269). 

275. yfyeepree druwepitten Vred. 6B4, 
Met de toepassing, die hier ^an r^en 
term uit den wijnbouw gemaakt wordt , 
vergeiyke men Vred. 1888 rpvyyitrofiev 
ttvrviv. 

277. Kikv. 297 roept Dionysos in 
doodsangst tot z\jn — in het tbeeitür 
aanwezigen — priester: /«p«0, h^^é- 
Xee^óv fjL\ /v' £ a-ot ^v^iTFÓrvi^. 

— lx xpa/T^Aïfc] na mo roeJt t& 
Aebèen uitgeslapen, evenzoo Wesp. 11^55^ 
Aleiis 9; vandaar KpetiTrotX&v haoTpijn 
hebben, Plut. 298, Alexis 286 kx^h 
vTréTTtveQy elru vvvt KpoctTx^^, Een 
feeststoet wordt Kikv. 217 KpaiTrsthé- 
KUfjLOQ genoemd. 

278. Vgl. Ridd. 904 eyoH yép ipi^fiï 
(Fot TUpé^etv, I £ ASfjxe, fjL*i$h fp^vrj 
fjLta-éoO rp6^?^iov (o^ija-oct. 

279. . Ëvenzoo 58 a-Tovik^ ■^roi^a-i^t 
Kxt Kpefi&a-ai r^c &o-7rf$ocg. Ziii aok 
689 en Vred. 336, 488, 662. — 4>t^^- 
Aoc von^ 667, Wesp. 227, vandaar hier 
collectief gebezigd, dus Iv r^ ^fi>4Aar 
in den rook, in den schoorsteen. Vog. 
485 wordt werkelyk een «wapeariis- 
ting" in den schoorsteen gehangen; dexe 
is daar dan ook volkomen op huar 
plaats, want z\j bestaat uiteen b ra ad- 
spit en een pan. Als bewaaqsbQts 
voor gereedschappen is de schoor- 
steen, waar het hout droog blijft en 
geen gevaar loopt door insekten t& 



54 



NEGENDE TOONEEL. 

(ff et koor git op Dikaiopplia toe en werpt hem met aieenen, Allen 
Tluchten naar bmnen behalve DikaiopoliB). 

Eoorf DikaiopoUi. 

XOPOE, 

2S0 cvTög xvréq fVr^v, curoq» 

^éhKi $dh\i (SxKhi iSiKAA*, 

OU ^xkEtg f OU ^^KsTg; 

Strophe (ys. 284—301). 

AIKAIOnOAIS, 

'M pi te hê tg , Töfr) tI i^Ti ; rhv x^*^?^^ a-uvrpt^pSTê* 



worden aangetast, algemeen lekend uit 
Hesiüd. Efg, 45 al^ik ke ^3é)^iov (jlIv 
vw^lt Kacïrvov JcaTafl^Tö, bd 629 Tnfèd- 

o'Xcf^üi^ geparodïflerd door Ar. Vog. 

711 KSlï WI^MMOV tÓT£ )/Ü^VK?4?bi ipfd^Si 

Hfi^fiéTocvTt icaS$üSeiu. Dach fmai ge- 
polyde wapi^ncD zijn m den rook, 
waar zg spciedig genoeg zoüdeu aan- 
Blaau, niet op him plaats ^ daarom 
moet Tolcmaehoa Od. r 7, ah verkla- 
ring v^aarom liy de wapenen uit de 
aaal heeft verwijderi^, tot de minnaars 
zeggen: fx k^tt-vov K£CTééifx'\ eTsi bukst* 

HiTTcst^ Ha-a-Dv ^rt/fo; 'tksr^ ii/T^if. Wie 
diiB op 2ijn glanzend gchild» z^n fon- 
kelende flpeer trolach was, liedekte ïe 
veeleer met een wollen of lederen fou- 
draal {Tay^ót^ 'ékvT^o)f, zie 574 en 
1120), dan m onbeachermd ïn den 
TO€twalm te han^cen. Zoo kr\jfjt dtis 
S7Ö ongeveer de bet^ekcnisf wijn Achild 
(^ttn ik oaH deft mtd*roüst ^ en liet zon 
verkeerd z^n daarnit de gevolgtrekking 
te maken, dat de Grieken hun schil- 
den plachten te rooken als hammi^^n 
of bokking». In gelijken zin xong het 
Voor in de Ere cht heus Tan Euripidea 



(fr, 370) «e^^Öw ^ó^v f^m ^hav afi^' 
irMkSiv èp^x^^^'^ (Plat, Nik. 9). 

SSL In de Rheeoa van Eiinpidei 
roe|ïen de koorleden, dio de moorde- 
naars yan Ehe&os Icoraen toeken 676 
^é?^.hs PaAAÊ ^iAAe f3iAAf, éetvt 
ïüvi* Tfti £^l' ii^ïfpi en 685 watT^ 'j^sus 
w3i7e n-S^. Dat de dichter van de 
Ithesoa de plaats van Aristopbanea zon 
heijben nagebootst (Ribbcck) i& meer 
dan onwaarBchynlïjk; eer zon ik hel om* 
gekeerde gelooven. Vermoedelijk echter 
19 de overeenkomst slechts toerallïg.— 
Volkomen {leaelfJe vraag doet zich f'oor 
bij Vog. 213j vergeleken met Enr, He- 
len. 1111. 

284. Een x^'^P^ {p°^ metgroeoten, 
meest ]]€nl vruchten) lichoort onder ée 
eenvoudigste offers, en pleegt vooral te 
dienen b|| de inwijding van beelden of 
altaren. Plat, 1197 txq xvr^ai^ aiTfi 

K£^xA^^ ^ép£. Vred. 9^3 TdjEÏr»?^ (liet 
beeld der Vredeagodin) %tT/raj« l^pv^ 
Tiflv, waarop het koor nit roept: x^- 

— en dan wordt besloten liever een 
schaap te offeren. Een pei/rpaE en een 
HSÈVOÜv heljben ook de belde aanëtaaude 
steden stichters bij dch Vog. 43 : Jtitvööf 



^^ 



t? 



55 

X0P02. 

ori (iiv ovv xxTx^etio'Ofisv , oo fAtapa KS^a^ij, 285 

AIKAIOnOAIS. 

X0P02. 

tovt' ipcor^g; ivxhx^vTog eï kx) /33fAt;pJ^, 

« TrpoiÓT» Tijg TTccrptiot;, oomg yi(jt,odv fióvog 290 

(TTTêtorcifievog êïr» ivv»(T»i Trpog If^' hi (ixiTTSiv. 

AIKAIOnOAIS. 
ivr) 5' &v iffTTet^ifiijv £kov7»t'* ^AA' iKOvtrxre, 

X0P02. 
ffov y iMV70i(iev ; iwoXsl • Kotri (fb ;|^öSo'ö^f v ToTg Xldotq, 296 

AIKAIOnOAIS. 
(ifihotfiag , 7rp)v av y* ^xotio-jf t' • «AA' civiax^^i\ ayxtol, 

X0P02. 
ovK ivx^xi^ofJi^oLi' (ivils xiya (loi (rb XÓyov* 
dg fi€f4,l(n^Kci ore K>,icovog Ir/ fJt,oiXXov ^ ov i- 300 

yw Têfia roïcriv t^TTSv^i KaTTÓf4,XTX. 

K0PT<I>AI02. 
(Tou 5' iyu Xóyoug XsyovTog OVK xKoóffOfAXt f^xKpovg j 
2(TTtg ioTTrehcü AxKoxrtv , ixhx Ttficopija'OfAXL 

AIKAIOnOAIS. 
uyaioi , Tobg fiiv Acixuvxg êxTToiccv èoLtrxTS^ 805 

rSiv ^ èfioóv ffTTOviuv iKOvtrxT' s'i xxXag hTTSKrcifiijv, 

K0PT<I>AI02. 
vwg 5' It' &v KxXQg, AxKooanv sl^sp hireifru y' Si'jrx^ 

^' 'éxovTs Kat ;^«/rp«v x«^ fivpp/vag \ jaar na de Acharniërs op z\jn eigen naam 

7F^,oivufjL8éec enz. . heeft laten opvoeren. — Harrvfixret 

286. iiiufk K$^Xyi] Demosth. 21 pag. scAoenzolen (Wesp. 1160), met toespe- 

652: Kcct rxÜTU ^é^syev ^ fjLtetp^ tuct ling op hei bedrijf van Kleon als le- 

ivxtSij ^ ecVrii Ke<poc/.ili. Reeda Homeros: derhandelaar, waaraan Aristopha- 

^/Aif Ks^oc^^ (0 281). nes tal van spottende opmerkingen en 

292. Vgl. Wesp. 415: Siyecêot, ró schimpscheuten heeft ontleend. Evenzoo 

Trp&yiJL* iKOÓa-xT\ ^AAo; fJLii KSKp^yerg. zegt de Paphlagonische slaaf (Kleon) 

298. xéyuv /.óyovQ praatjes maken, liidd. 768: «als ik u niet liefheb o 

evenzoo 803, Wesp. 1320 j Eur. Med. Demos, dan ixöAo/jttijv Koti ^lecrepia-- 

322 /ttjf ^óyov^ Asyg, | &^ retVr* &s^*iv KecrocT/jLtjésfijV re AixaJya." Het 

Upoeps. — Zie op 177. werkwoord tcurróstv lappen wordt (over- 

301. De dichter deelt hier mede , dat drachtelijk) Ridd. 814 gebruikt, 

h^ bezig is aan een stuk tegen Kleon 307. tt^c ^' '^t' &v] evenzoo Vog. 829 

gericht, nL de Kidders, die hg een tt&q oZv )^r' Üv ysvotr^ Uv sVtxktoq 



56 



oïV èyh xoü TQvq Adxüiv^g , olg i^^av i'^xëifiêêXf 
KOPT^AIOZ. 

AIKAlOnOAIE. 

KOPTOAIOZ, 

AlKAIOnOAIZ. 



wéhfil I ffn-of en^,, als naljoötsiug raü 
Eur. Hiket 447 ïri0c oUsf eV sèv yê- 

808. tjd/s iynKv^^t^Tst ^a£pa(^i£<TfaQ 

Xstp^v. fi^óyoiv [ilvj olov J^* *épKOi/^ 
lêpyüiv èl^$tk r^iv kv ^m^cl^ fii/a-iwy. 

rëv ie^iüSv yfyvovTai, xat ^'OfXJife^ 
(0 341) ^i^i Se^im J^' ^'^ré^tép.^v''* 
(schol.). Terecht citeert het ficholion 
Tcrder Eur- Androtn. 445 (opgevoerd 
omBtreelcs het Ï3e^n van den kryg) 
waaT ttBB do gramechap ovm Sparta's 
WTcsedhcid en trouweloosheid enn dick- 
terlijke uitdrükkiüg wordt gegeven: ^ 

iliiviëv üvfitHre^, fj.ifx^vQppó>^Gf itMK^v^ 

A^5«K Zie ook Lya, 628 (koor van k- 
koüenhatera) t av^fnéü-iw AxHtf^vut^y^^ \ 

els-t TTttTTQV 5t J&V ^ ^t fl'^ W$fi At^Jf^ «*jtf " 

VJ^Tf . - — I)e Pdoponiicaicrg hadden zioh 
vooral gehaat en veracht gemaakt door- 
hun wreedheid jegens Attïsche koop- 
lieden, die zij zoaüer genade vermoord* 



den als £ij hen in handg'n kregen 
(Thak. 11 67), en door hun troawe- 
looshei^ jpgena de Heloten (Thak, 1 138), 
waarvan iij een jaar ïia de opvoering 
der Acharmëra weder een stuitend Mijk 
gaven (Tkufc IV 80, Plut. Lyknrg. JiS). 
Terecht zegt Plntarehos Agea. 37 ; A«- 

a-TXVTSt 3fxsÉiov ^AAff xA^v St TijV 
ZwdfiTtfv ai^^Sfv viï/A/fpütfiv. — Zie 
overigens op 510. 

314. Dit vers is onain j waarachijal^^k 
schuilt de fout in ^üAA% ik vermoed 
dat [laarvoor §f^r* u ie leze». 

S15. ijSïf] dai w HU ioc/i om tMre- 
lüursvA in toorden. Dit gehruik van jpj^sf 
komt vooral bi) Herodotos veel voor, 
II 14S, VIII 105, lOfi enz. 

318. In de Telephos van Euripidea 
(fr, 700) sprak een der helden (Tele- 
phos ïdf? of Menelaos?): 'Ayi/tif^vflv, 

Aöt TJtc ^C rpéx^hov Epü^^AfTv Ifthv, \ 
ffiy4iroftai limné y" ayrawslv Ï%W¥. 

— EÖfAifj-w] op 19S. 

— De daetyluB tj^v KE^faiAifv ia een 
fout tegen het metrum; veiacMllende 
veranderingen zijn voorgesteld: Tnv 
^Ë^ïfv Brnnck, tof hxpvyy' Elmdey, 



57 
KOPT^AIOS. 

fiij OU KXTa^»h6tv rov &vip» tovtov ig (pomKli»; 320 

AIKAIOnOAIS. 
ohv ctv fj^iXocg Tig vfJtJv d\j(JL»Xai^ iTri^sfrev. 
OVK iKOUffèoró'j ovK iicov(T€(rê' srehv ^ Zx^P^^^^^l 

KOPT^AIOS. 
owK &K0\j7Ó{A6(r6x i^rx, 

AIKAIOnOAIS. 

isivi T&pX TTslffOfACtL 

K0PT<I>AI02. 

ug reivij^uv Mi vuvL 

AIKAIOnOAIS. 

K0PT<I>AI02. 

i^oXolfA^iV , tjv cixovffco. 825 

AIKAIOnOAIS. 

ivTaTTOKTsva yctp uizwv tuv Cpl?^uv robg ^/At^töv^* 
dog ïxoa y' Vfji^av ifjt^iipoug , ovg dvoorCpd^a Xx^iv. 

(Snelt het huis binnen). 

r»fv <r(^ccyviv Geel, r^v^ 'éxfnv syoif ^éyuv Wesp. 8, 184, 836, Vog. 898, Ekkl. 876. 

Dindorf, ^ivd' K^-' ïtv ^éyea xéyetv 828. $8tvi rUpoc Tsfo'OfjLeci] dan hen 

Meineke, enz., — geen is overtuigend, ik verloren ^ ook Kikv. 253 Zie verder 

319. elTTs fiot-] tot meerderen ook 328, Vog. 1226, Lys. 1098, Ekkl. 650. 
801, Wesp. 403, Vred. 883, Vog. 366. 327. Volkomen dezelfde wending 

320. iivi ov] Men zegt ^nf^oiiott iiv^...^ neemt de handeling Thesm. 690 volgg. 
en ov ^el^ofJCMt fiij oi/..., bijv./Soph. Ook daar weet degeen, wiens leven 
Ai. 727 ^g OVK &px8<T0t I rd fiv^ ov belaagd wordt door het koor, zich van 
xérpota-i v&g xaroe^xvQstQ ddn/s7v. Hier, een "gijzelaar" meester te maken, na- 
waar het hoofdverbnm geen negatie* meiijk een zak wijns, evenals hier een 
voor zich heeft, is toch /^eif ov gebe- mand vol kolen. Dit is parodie op 
zigd, omdat r/ (p6t$óf4€a-Qet = fi>i (pst- tragedie-töoneelen , bepaaldelijk op een 
SufisQu is. Zoo ook na r/ (jLsX/^oiJLgv scène uit de Telephos van Ëuripides. 
Eur. Med. 1242, na r/ sfJLToSwv Xen. Telephos, die als bedelaar vermomd 
Anab. III 1 § 18. in de legerplaats der Grieken is door- 

— ^a/vstv e^ ^otvtxf^u] zie 112. Vred. gedrongen , rukt den kleinen Orestes 

303 r&%em &7FotXXotyévrsi kou koucSSv uit de wieg, en dreigt hem tedooden, 

^otvtKiKÜv. indien z\jne wond niet, overeenkomstig 

821. s^é^so'sv] Eur. Hekab. 683 de orakelspreuk, genezen wordt door 
hfvóv rt frififJL» Upietfit^ott^ Wét^sa-tv. hem die haar toebracht, nl. Achilles; 

822. It86v\ loerkeïijkf eigenlijk^ steeds deze verstrekt hem dan wat roest , af- 
in vragen; zie 609, Ridd. 32, 783, geschraapt van zijne wonder-lans de 
1246, 1392, Wolk. 36, 98, 820, 1502, Pelias, en de daaroit bereide zalf her- 



58 



KOPT*AIOEp 

AlKAIOnOAIZ, 

(naar buiten komende met een gevulde kolenmand en een uitge- 
togen zwiiard.) 

êl^opLai 3' ufi^^èv rix' Oimq iuSpdiCGiu n jtïJ^éT^i. 
KOPTOAIOi;. 

Antistrophe (vb. 335—346), 

AIKAIOnOAlZ. 

SS 6 d; d^oKTevZ f xixpxx^' • «V^ 7^P ^^^ aKoétrQfjixt. 

XOPOS. 

AlKAIOnOAIS. 

XOP02. 

%ss,i(jLèytQy avrhv ort r^ rpdTn:}) a-outTx} (pihüq " 



geeft aan Telapliöfl de gezoti31iöid. Vêt- 
moedelijk z\jïi dfi tmgiacli geklcarde 
verzen Thesm, 693 Tolgg. letterlijk aan 
deze fioène oaileend? «AA' ivS^S' gr? 

In de Orestes van Emripiiles ^ die in- 
tuiacheïj ?»& later dagteekeaing is dan 
dft Acbarniëra^, komt eeu soortgelijke 
wending voor: Oreates en Pyladea ma- 
ken £ich daar van Hdena en Her- 
mione nieesteTi en dreigen haar te 
rermoordeb zoo liun geen 1ijfa]>ehcmd 
wordt gewaarborgd fOr, 129B volgg), 
(In de HchoUa etaat bij vergiiBing, dat 
Acbarn. 827 een parodie op de Tele- 
pboa ?an A i a c b y 1 o s zou wezen). 

338. sM fj^ot'] zie 319. 

33 S. éo] bangt at van ttn f erz we- 



gen (?eho/ maar ffermt, r^ke» er maar 
Ofi; evfiïizoo Woik. 30a, Lys, 32, 499. 
Vgl. de elUptiscbe uitdrukking öu ^^ 
geirolgd door aiibiiinct, aor. : ^ij behoef l 
niel U wetzen (te denken) di^t. 

Van dit Tera af tot 348 ^\jn de rollen 
eenaklapa omgedraaid: — Dikaiopolis 
dreigend , sebier onverbiddelijk \ bet koor 
ameekend. Ook metriack z^n clcse 
verzen de tegenstelliaff van 284—301. 

336. T^vSf] zie 130, 

338. Z^ nu mijnmtwe^e atteg wat 
gij vdU, ja gdi/s da£ de LairmdaimQ* 
nier uw hoez&mprieijd m Het woord 
TrSy ia door my ingevoegd, overigena 
keb ik den tekst van de^e verzen, 
waarop allerlei proeven zyn genomen^ 
onveranderd gelaten; -rf 'rpÓTtti} kan ech- 
ter nieÉ jnïst zyiL 



59 



AIKAIOnOAIS. 

Tobg Xliovg vvv fia x^f^^K^ TrpuTOV è^spivxre. 

XOPOZ. 
owTOil (rot xocfix)^ KOb) frb koltüov ^ri^iv rh ^Icpog, 

AIKAIOnOAIS. 
^AA' OTTug fjtii iv ToTg Tpl^atriv i^xMijVTal ttov Xléoi. 

X0P02. 
6K(Ti(Têi7TXi X^f^^K' oifX h^^ creiéfASVOV ; 
a^^i' fiii [i^oi 7rpó0x(Tiv y ^AA^ Kxrdiov rh fii^og* 
aq öSf ye (rsKrriq Sifi» rg (rrpo^ïft ylyvsrxt, 
(Dikaiopolis zet de mand neer en legt z^n zwaard af.) 

AIKAIOnOAIS. 

ifiiXXer &p» wxvrcoq ivilivetv rijg ^oijg , 
ixiyov t' iyriêxvov &vdp»Keg Tlxpvyiiioi y 
Kx) TxvTX hx rijv xtottIxv TOJV iyiflQTOÓV. 
V7ri Tov iiowg 51 rvig fAxpi^^ijg fioi (rvx^viv 
5 ^Jipjcog èveTiXvjfrev avTTsp or^jTrlx, 
ieivèv yxp ovrag êf^^XKlxv weCpuxivxi 
riv 6v(4,hv xvipoóv cóvre (3ciX}^6iu xx) (3oxv 



345 



360 



341. llep^votre] Wesp. 993 4)g/)' 
g^sp^a-u. — TT&Q ikp^ ytyuvfa-fjLeéa ; Laat 
ik nu de stembus leegsiorten. — Wat 
is de uitslag der stemming? 

346. m-] nl. 6 rpt^uv. 

847. IA wist wel dat gij eindelijk 
eens tot zwijgen zoudt komen. De aan- 
hef 'é(d.i^/.ov 'dpot (ipcc), door een inf 
fat. gevolgd, is als *t ware een zucht 
van tevredenheid, dat men eindelijk zyn 
doel heeft bereikt. Wolk. 1301 'é(^sx?^óv 
«•' Hcpx Ktv*ia-stv lyu y Wesp. 460 5p' 

XPÓvtfi , Kikv. 268 (^/ttsAAov 'époc '^raöa-giv 
ToQ^ vfjL&g rov KÓei^. 

— 9r4vTft>5] in elk geval, ongetwij- 
feld, veel met een futurum verbonden; 
Wesp. 603 'éfi'TTXtia-o Asywv tt^vtcdq 
y&p rot TTocva-st vore. Zie verder Ach. 
9B6, Ridd. 232, 799, Wolk. 1352, Kikv. 
263, Ekkl. 704. 

— ivyja-stv r<^i /3oifc] vgl. Vred. 318 
tl /ttjf T(f5 /Soifc êivvitrtrg. 

360. iJtó toÖ Uov(i\ ook 581, Ridd. 



231. Vred. 983, Vog. 87, Ekkl. 1062, 
Plut. 693. 

— ö-t/%vj^v r^c fietpix^^ genitivus 
partitivns; evenzoo Wesp. 199 7ro?<?<oi>g 
rGv A/dwv, Vred. 167 toAAijv tjJc yifc, 
225 ^(Tovti r&v a/Öwv, 1196 xoAAat r&v 
/^xytfiuv , Plut. 694 ^röAAifv riJc iS^piiQ , 
1051 ^a-XQ r&v pvr/$uv. Ook zonder 
regeerend adiectivum komt deze geni- 
tivus dikw^ls voor, zie 184. 

351. De kolenmand zweet roet van 
benauwdheid, evenals een inktvisch, 
een aan de kasten der middell. zee 
niet zeldzaam en als voedsel (1040) 
hoog geschat weekdier, dat naar zijn 
vermogen, om in angst het water om 
zich heen donker te kleuren (Anti- 
phanes 26) in Boiotië èTirêori/^x heet 
(zie op 871). — Ivt/ASv rtvt geliik 
KxrxrtX&v rtvoQ (Vog. 1054, 1117, 
Kikv. 366, Ekkles. 830). 

352. èfjL^xKfxv] wrang, epitheton van 
wijn, gevormd als Moa-fiix^ (Kikv. 
1150, Plut. 807), HX7cv(x(i (Wesp. 151), 



60- 



3S5 



860 



805 



Stropte (TS. 359-^365). 

XOPOX. 

ri oh oi Kiyeig èiri^n^ov fffvfyx^v &upa^' 
S Ti woTt ^ ^xh>,i£f Th ^kyo^ ToW £%£*?; 
wivu ykp èpt^é yê TréOoq o Ti (ppüv^Jg tx^t, 
KOPT(ï>AIOZ. 

(Dikaiopülis gaat si^n huis binnen; ter&tond aaama terug met eeti 
hakblok, dat hij op den voorgrond plaatst). 

AlKAIOnOAIS- 

xpuiK€t fj^i Tèv Ai' OUÜ hx^TTtiè^OiM^t ^ 



ffa^pfit^ enz.; Kie ook Vrcd. Tl 2. — 

354. Yétov Ïs-()J 4jipov] hier gebeatgd 
ÏTi il e o ziD van een vrijmoedig ouer en 
y?tdtT böapreken der zcmk. Eigenlijlc oen 
"kenmerk vnn goede wijnaoorten, die 
%m vol van smaaV üTfn dat zij .half om 
half met water aangelengd, toch een 
krachtig mmgscl leveren; vgl Plat, 
1133. kratinoa 184, Arehippoa S, Strat- 
tia 22, Alcxis 58, 230, 344, Aristophon 
14. Ge mee olijk werd nog mctr dan de 
helft vrater in het mengvat güdaaii: 
75^/^ KratinoB 183. fiO^/^ zelfa Aleiia 
226, Anaiilas 23j de gewone men- 
ging ia a water op % wijn; zie Eidd. 

1187 'éxS «^' ^^f'tV KEKpÜB^ibffli' T p ^'SE 

j(i«/ Jyfi, waarop de ondo Deraoa 
verrukt nitronpti w^ ^^t; fti ZeC, «a? 
rk Tpia. ^Jtpftiv KJïAöfc- Zulk een wyn 
heet xoAv^idpö^ ; en in oahootaing daar- 
van spreekt Plat, 853 een wanhopige 
sykophant van Kyn iaijuay ^o?.u^4poq. 
355. UsAovTo^^ op 198. 



niet fraai nitgednikt; de voor de liand 
liggende veraadering TTfp? Aöjk. (door 
Meineke opgenomen j jïïS ook de var. 
lect. op 712) iB echter niet waar- 
eehynlijk^ Dikaiopolis epreeki voor, 
niüt over de Lakedaimnniers» 

35y. Het dückmiache metrum 
behoort eigenlek in de tragedie 
tehaia; bij Ar. komt het zeldzaam voor, 
nl Ach. 358—363 ^ 385—090, 489 
^91, 494-^9*3, 566—571, en Vog. 
427—430, 11S8— 1194, 1262-1268; 
Toorts als parodie op tragedie-atijl Wolk, 
1163 volg., Wesp, 730 - 744, Plut, 
637, 639 vol«^, en nog enkele malen 
ean dochmiache dimeter tuaaehen an- 
dere maten m. 

360. Vgl. Lp. 96^ Aeye J^ra to 

anö. Uou öiflïcdti] evenzoo "Wesp, 1170 

367. ruw&vTOTQ tautUlui, Eidd. 
1220, Wolk. 392, 87S, Theam. 745, 
Kikv. 139. 



iiia >i' 



61 



?^€^C0 i* ÖTTSp AoiXsiottflOvluV & f4,01 iOKêï, 

(Het volgende tot zichzelf:) 
Kcthoi moiK» TToKXi' rov^ Ts ykp rpÓTrovg 370 

Tovg Toóv iypolxtav oJix x^lp^vrag trCpéüpx 
èiv Tiq auTobg evXoy^ k») Tijv ttÓXiv 
&vi)p iXxi^av Kx) Vkxi» x&hxx * 
KivTxvêx ?^ciyicivovor' X'TTBfA'jroXifAevoi * 
TÖóv T* oiZ yspóvToov oTSx Tx^ ^pvx^^ on atB 

oiihh (ixi'jrov7iv iXXo tA^i/ \pri(pcp ixjcêïv. 

Ö5ÖT^^ t' if^XWTOV vwh KAfOöVO^ XTTxêov 

STrlorTXfiai iix tvjv Tripvori aaficpilxv. 

ifre^xvffxg yip yü ig rh ^ovKsvTviptov 

hsfixXXe xxi ^psvivj Kxrsy^caTTt^é fjt,ov ^eó 

)ciKux^ol3óp€i KXirXvvev , oóorr ixlyov tcxvxj 



374. i9rgjX9roAan«svo/] verkocht = ver- 
raden ; Vred. 633 ro'j rpÓTTov ttuXov- 
fJLivo^ rdv uvrbv óvk sfJiMecvev. Ook 
zeer gebruikelijk in den stijl der tra- 
gici; bijv. Sopb. Ant. 1036 s^tjuvó- 
?ktffieet K&KTS^óprta-iJLect 9r^A«^ en 1063 
diq fifj sfi'^o/^ija-uv (a-Qi r^v If&^v <ppéva. 
Zie ook Aiscb. Cboëph. 132, 915. 

377. In dit en de volgende verzen, 
tot 382, spreekt de akteur Kallistra- 
tos, boiten het stak om, in zgn eigen 
persoon tot bet publiek. Over de feiten 
waarop hier gedoeld wordt vergelyke 
men 502 volgg. en Inl. bl. 7, 2. Volgens 
de scholia bespotte Aristophanes in de 
Babylonioi t^q xAifpwr^c teut x^^P°- 
TovtfracQ ipX^^ ^ KAiwv^ , en Kleon , 
hierover verontwaardigd, eyp&^eiro etv- 
rdv i$tKfoc<i sÏQ tovq TO/iirocg, diQ etq 

V^plV roü $^fJLOV TOÜTO TreTTOtifKÓrOQ. 

Vgl. *Xen. Kep. Ath. 2, 18 KWfzifihlv 
Keet KUxéS^ ^.éystv rhv B>ifz,ov ouk hiSSa-tv. 
Daar deze aanklacht tegen Kallistratos 
(den verantwoordelijken persoon) tame- 
lijk vaag was, zoodat er geen bepaalde 
wet op kon worden toegepast, viel z\j 
onder de jurisdictie van den raad en 
niet van de een of andere rechtbank. 

381. De KvKP^o^ópoQ is een bergstroom 
in Attika. Met deze in het voorjaar 
onstuimig voortjagende beek vergelijkt 
Aristophanes Kleon's welsprekendheid 



gaarne. Ridd. 137 wordt hij gcachil- 
derd als SpTag, KSKp^KTutq, XukAs- 
^ópou ^uvijv ï%«v, en Weïip. i034 
(= Vred. 757) wordt van lieiü gezegcl 
^ajvfjv sïxsv x^P^^P^Q 'ó^isdpov tstokv/ol^. 
Zoo ook fr. 539 i^f^tiv 5' eyoD tqv KusrAe- 
^ópov KocTtévoit. Van een toQürddnairoom 
wordt x^P^^P^ ook Pherekrati-a 51 ge- 
zegd: K&v jxèv a-iooTTéS reiperstt k^I ïtv/- 
yercti, \ koc/ (^^a-i utI a-iuTrêt^^ kkv Ij? 
y' aTTOKptééS (? Koek cixoitK^), \ 'difiot 
rci?iUQ" ^yfo-fv »x^P^^P^ Kcer^h^hv^tvr 
En in de Pytine van Kratinoa (tr. ISC) 
riep iemand vol bewondering over den 
woordenrijkdom des dichtere! : ˣvd^ 
*'AtoAAov, rS5\f sttSiv riov ffu/^irüfv. j 
KOtvotxo^o't TTifyoct, $eo$SK^fovvov rè 
ffrófiec^ j 'lA/ö-ó^ Iv rifi ^^pvyi- Tt iüv 
ii'TCOUl' 'én., \ tl /ttïf yhp Iwi^éfru th; 
ocvroV ró aróptM \ SéTXVTOC rxürx **- 
retK?^6<Tet To/jjjE*«o-/v.Vgl.ook Kikv.1006. 
— '^tAvvsv] hier overdrachtelijk ^ dt 
ooren wasschen, het jak uUvtgmi; fr. 
21 ovK ocïa-x^voOiJLXt rbv TttpiX^^ töw- 
Tov) I 9rAt/vft>v Htfoco-iv Üa-x ^uvoi^" ntuTM 
Kotxéi, Diokles 2 ttAvvsi re rk xduei 
rcSv KotKéSv viiJL&Qy Menander (ïr. üöm. 
IV p. 254) rèv Trarépee wtr trh rat/^ 
re a-oi)Q iyoi} 9rAt/v^, Demosth^n. 39 p. 
097 »h?^vi^ovi ^l vXvvoViJLev, Kxi é r^^ 
Arfya» Kpxriia-XQ 'dcpj^et. Evenzqö tAüvêi' 
TTOtslv Plut. 1061. 



62 



385 



mu 



(Tot het koor:) 

êy<7KêyitratrÊxl f^' oJov achter 3t,Tüv^ 
Autifltroptie (va. S8&— 392), 
XOPOS. 

(TKQToiai^vTrvKyÓTptxi Tiv^ ^Ai^Qt; xüvïïv. 
KOPTOAIOZ. 

é^ ÉTX^i^jv xykv üUTüq Qiè^ 3^£eT*/, 
(Dikaiopolia gaat naar den achtergrond van het tooneeh) 



Het tooneel Terandert gedurende de beide volgende versregels, en 
atelt üp den achtergrond de ^vonlng van EuripideB te Athene voor, 



'S'SS ^tst^ki^ ^uptT^v èfffjtk^ htvèt^ jci- 

384 Het woordje /^' geeft geeii 21 a, 
en 11 Et geheele vera keert 486 weder. 
Wellicht ie das de meeüidg van Valckc- 
naer (ad E;ir, Hipp. 1039). dat het op 
de «erate plaaU gedelgd moet worden , 
juist ; iü dat geval blijft echter na 383 
een lacune vflQ een of meer regeU. De 
fit^l herinnert aan de tragedie; denltelijk 
kwam het ver& dus lu de 1'ekphoa van 
Enripidea voor; ohv bij t\en aiiperlativus 
wordt door de comici niet gel rui kt* 

389. Hieronyraoa^ volgens de 
achoLia (op deze plaalë en Wolk. 349) 
een gezwollen dithyramhe- en tragedie - 
dichter, wordt ook Wolk. 349 wegctia 
zijn &J te geoialen haartooi lïeapot: 
*&l9 de Wolken zoo"'n lansharigco r ui- 
lege o kerel xien als den zoon van Xe- 
^nophantoa, dan nemen zij om hem ie 
whespotten de gedaante van Keiitaurea 
•aan.^' Voorta wordt hy (of een naam^ 
genoot) EkVl. 201 vermeld ala een 
domoor. Over de H a d e s - k a p , die 
den drager onzichtbaar maakt, Tiie men 
Hom. £844^ ahrkf 'AÖifvtj | '3Cv' "Af*- 



Mei deze op het hoofd werd Persoua 
afgebeeld in den siryd tegen de &or- 
goaen (Hea* Sent. 227), ea Hermea 
droeg haar in de gigantomachia vol- 
geus ApnUodor, I 6, 2. Het ^e^aipe- 
(hle PGfbum ^xoToistTVTrvKvóépt^ iatoe- 
apeling op deu hoogdravend en stijl van 
Hieronymosj gdyk ook de vonn "'Aï^o? 
aan de taal van het dagelijkaeh leven 
vreemd \b; vermoedelijk had dus Uie- 
ronymoe s^elf de "AïSeg jtvit^ (met een 
of ander brommend epitheton) bezoo" 
gen^ VgL Wolk. 3 BS ff-ippsÈyiècv^xs^p- 
yoKOfi^Tas — ook een woord tot be- 
spotting der ditbjrambe-diohtera ge- 
vormd. 

391. SïsyphoB, reedfl door Uo- 
moroa (Z 15S) xéjihs-Toq ci^S^óiv ge-^ 
noemd, de eluwe bedrieger die den 
Dood zelf wist te misieideu , geldt als de 
type van doorlrajiie list, evenals onder 
het volgende hcldengeslacht O d 7 a- 
sena, die volgens de vinding van later 
dichters de nfttüurlljke ^oou van Sisy- 
phoa 20 u z^D (zie byv. Soph, Philokt* 
C24 volg,), 

393. s-x^T^iV] ifoor^üwends verhinde- 
njtgf; by behoor end verbum ïr«jj?rrü^«* 
Ekkl. 1027, Plut. 904. 



63 



TIENDE TOONEEL. 

Dikaiopolis, Deurwachter. 

AIKAIOnOAIS. 

oipa hriv &p» f4,01 Kxprepxv ^vx^^ X»^6Ïv ^ 
Kxl (4,01 (Sxitcrri' ètrTÏv aq EvptTrlii^v. 
TTXÏ %aA. 

©TPnPOS. 
rlq ovTog; 

AIKAIOnOAIS. 

h'Bov Icrr' Evptwliyjg; 
0TPnPO2. 
oifK iviov lï/Söv T* è(rTh , el yudfAtiv l%£/^. 

AIKAIOnOAIS. 
wug ïvSöv, flr' ovK li/Soi/; 

0TPIIPO2. 

iptac;^ u yipou, 
o vovg (ih i^oi ^vXXiycav sttóXKix 
OVK Iviov, ccvrèg ^ hlov civx^üviv ttoisT 



895 



893. lipoc s<rrtv] het is tijd; fr. 78 

T^iVy Vog. 639 Kat /ujfv /xi Af ovx* 
vva-rd^stv 7' ïr< | iipoe ea-rtv vifjuv ov$i 
fjLe/^^oviKt&v y Wesp. 846 4aa' sk roó- 
r«v üpot Ttv^ a-ot t^^reiv xaeivijv g9r/- 
, votav. Zie verder Wesp. 648, Vog. 714, 
Thesm. 1189, 1227. Ekkl. 30, 285, 352, 
1163 en op 23. 

394. ^oe^ta-Tsu] evenzoo 480 ifiTro- 
psvréoc. Plat. 1085 crvveKTroré^ lffr( 
coi Koct TJfv rpóyee. Wolk. 727 ou 
fzocP^QxKto'Té^ ^AA^ TspiKa^vTTTéoc , Lys. 
122 i^SKTex ,411 TT/^eva-réa , 450 tjrrif- 
TSXy Kikv. 1180 iKovffrécc. 

895. De deurwachter van Euri- 
pides draagt, stellig tegen de bedoeling 
van den dichter, in de hss. den naam van 
Kephisophon. Deze laatste , de jeug- 
dige tooneelspeler en — zoo 't heette — 
de medewerker van £aripides(Kikv. 944, 
1408, 1452, fr. 231b), was natuurlyk 
niet belast met de nederige taak van 
QvpapÓQy en zon geen Jo0Aoc(4Ol) ge- 
noemd knnnen worden. — Juist de 



allerlaagst geplaatste persoon uit 
het huishouden van den tragicus wordt 
hier sprekende ingevoerd, om het on- 
gerijmd-deftige van zijn woordenkeus 
des te sterker te doen uitkomen. Even- 
zoo vindt Thesm. 39 volgg. de dichter 
A g a t h o n z^n evenbeeld in zijn die- 
naar. 

396. Parodie op Bur. Alkest. 621, 
waar Admetos op de vraag naar het 
welzijn van zijne echtgenoote ontwij- 
kend ten antwoord geeft: Ïa-t/v ts 
Kovxér^ 'éa-rtVy i?iyvv€t $é /jls. Vgl. 
ook Plat. Com. 166 dir^p ou A«%fli>v 
dfjcuQ ÏA«%«c, Jfv voGv "éxvi' 

398. Merkwaardig goed stemt met 
dit vers Eurip. Ion 251 overeen: dUot 
5è Tov voOv 'ia-xov lvö4J' oZa-éi vsp. 
Zie ook Ridd. 1119 ó voVq U <rov 
TTOcpèv iToJ»fjit«7. — De I^^AA/ds van 
Euripides worden ook Vred. 532 en 
Kikv. 942 bespot, evenals zijn (tifi^- 
rtoc infra 444. 

399. civa^^Siiv] met zijn heenen in de 
hicAt, evenals 410 en Plut. 1123; met 



64 



400 rpi&y^V&ty, 

AIKAIOnOAIS. 

üê* Q ^OuXöq öUTm^) WQ^Pm ^J^CUplvETXt, 

©Tpnpos. 

.(Gaat naar binnen en werpt de deur achter eich diclit). 
AIKAIOnOAlS- 

(Klopt luidej. 

ELFDE TOONEEL. 

DikaiopüTiB, Eu ri pi dos. 

(ETPiniAHS 

ackter de schermen). 

AÏKAIOnOAIS. 



de ncvenïjetöekenii c^ ^)u gemak ^ j?öw- 

401. Kikv. 949 jsegt Euripislci van 
xiclixelf : «AA" ^Aeyfiv ïj ywi^ ri fioi % ^ 

;g^ s-flf^aii^öC ;^tf 7^3 Ds ^v, onder de 

ïïpB^¥. — Zie voorts op 450. 

402. «AA' É^^-twfl] dezelfde elliptiecbe 
tiitdrakking vindt men 956, Lya. 144, 
Ëar. Hek. 84». 

404, Etcüzoo Wolk, 80 ^ith^rw/^^ , 
(ljfiSiTa-/3i:oy, — T^ ^ Tf^Tsp \ en Wolk. 

406, Dikaiopoljs de A c b u r n i ë r 
raeldt zich aan als XafA/Jj^c. ^ r ^ ^ tf- 
&^cf7E, ten einde hjj Euripidea, die 



Toor x^Ao? een bijioïider gevoelig hart 
Itczit, té licbter gehoor te verkrijgen. 
Overigens is de üttam gekomen met bet 
oog oji een werkelijk bestaanden demoa, 
de X^AAfT^^iKf; waar die demoa gelegen 
mag liebtcn (Leake Demen ^jftg, 50) 
doet bier nielfl ter zhke. Dat man vet* 
keerd doet, ó XoAA^/Sif^ te schrijven (de 
ha^, geven XoAA/ötj^), blijkt uit 234 en 
de ^eide aldaar aaugcbaalde plaatsen 
(Ridd. 79, Ekklea. 36^). Niet de af- 
leiding vnn x^^°^ 1 ^éhkeiv, «AeTT- 
TE/v, ^XP^^ ^^^^ *^^ dicbter aan bet 
vemurt vau den toehoorder over, maar 
tie t o e p a 9 s T n g der veTzonnen 3WI- 
men op inderdaad gflbruïkelijke demo- 
tika. Daarom ia ook Ridd. 55 (met C. 
F. Hcrmnnn) iv 'Kvêht^ ie scrbr^Ten in 
plaats van eu ni^A^. 



65 



(ETPiniAHS.) 

(De bovenverdieping van het huis wordt geopend; een rustbank, 
waarop Euripides achteloos ligt uitgestrekt, wordt door een 
slaaf naar buiten gerold. Hy is omgeven van boeken en allerlei 
oude pluige, en is zelf armelijk geldeed). 

AIKAIOnOAIS. 

Eöp/^/Sj^. 410 

ETPiniAHS. 
t/ ?ii\»K»^; 

AIKAIOnOAIS. 



oirap 

409. Het tKx^KXiifiM biedt hier aan 
Euripides een welkome gelegenheid om 
zich met rustbank en al naarbaiten te 
laten rollen, zonder z^n gemakkeUjke 
bonding en zijn arbeid te laten varen. 
Op dezelfde wijze wordt Ag at bon 
Thesm. 96 ten tooneele gevoerd, en 
verlaat bet 265 langs dienzelfden weg, 
evenals Earipides straks 479. 

De boogdravend-philosophischedicbt- 
trant van Euripides wordt zichtbaar 
voorgesteld door zijne in de lucbt zwe- 
vende sopha, evenals Sokrates Wolk. 
218 by zijn wQsgeerige bespiegelingen 
een Kp8fiA$pes gebruikt, waarin hij iepo- 
ficcTtl KXt fFtpt^povii rdv ^\^ov (225).. 
Aristophanes pleegt Sokrates en Euri- 
pides over een kam te scheren, zie 
Kikv. 1491—1496. 

410. XéKöaioti] dichterlijk perfectnm 
(Hom. X 141, tl 85; Hesiod. Erg. 207; 
Eur. Hipp. 65, Hekab. 678, 1110). 
Zie op 589. — Ook verder spreekt 
Euripides in tragedie-stijL 

411. ovK Irdc] geen toonder dat, 
niet zonder reden, verwant aan bet 
Hom. adiectivum Ferua-to^ vruchteloos. 
De uitdrukking staat verder 418, Vog. 
915, Tbesm. 921, Ekkl. 246, Plut. 
404, 1166, fr. 116, Philetairos5( = 8), 
Anaxilas 80, Flat. Folit. III 414 e en 
VIII 668 a. 



— Euripides had minstens drie 
manke helden ten tooneele gebracht ; i^L 
Telephos, wien de speer vaa Ach.il- 
leus in den voet had gewond (opg&voerd 
in het jaar 438, tegelijk met do Al- 
kestis), Bellerophon,die vaa dca 
Pegasos ter aarde was getuimeld (ïle 
427), en Philoktetes, wien een 
slangebeet verkreupeld had (opgevoerd 
anno 481, tegeljjk met de Medeiü). 
Vandaar wordt Euripides Kikv. 840 
door Aischylos onder meer liefeUjkbt!- 
den ook als ;ij«Aotoi^c betiteld. — 
Van den Bellerophon levert Aristo- 
phanes in het begin van de Vrede 
een vermakelijke parodie ; Trjgnioa , op 
z^n reuzen-mestkever gezeten, ondfir- 
neemt daar de luchtvaart naar hut 
verblijf der goden, die aan BeUérapkoit 
op zijn Pegasos zoo slecht waa bekomeu; 
hem wordt dan ook als laorl^t^ wtiar- 
schuwing bg bet opstijgen nog toege- 
roepen (146): 8Ke7vo rfjpsi^ {j.^ fr^fuc- 
XstQ xetresppv^i \ hvrgV$sv, tÏTx x^^^Q 
&v EvpiTÜy I Aóyov 'JFUp&^xr^i; xj£t 
Tpocfytfi$/et yévifi. 

412. Ook belden in bedelaars- 
plunje liet Euripides b^zonder fj^aartie 
optreden {rov^ fiesa-tXevovTCEC péKtèf^- 

^hotvT* sïvect Kikv. 106S)j weshaWe 
Aischylos Kikv. 841 hem de T«re€read« 



4U 






««*•«• («S f2* m3m- 









r 






"'» »«rj -W *,ƒ;,'■'''« i*'if; Pjbol! 



ta^ 



67 

AIKAIOnOAIS. 
ovx Ohicog ijVj iAA' ?t' iêXiarépov. 420 

ETPiniAHS. 

AIKAIOnOAIS. 

oif ^otvtKog , öv , 
«AA' STspog viv ^olvtKog iéXidiTspot;. 

ETPiniAHS. 
TTol^t; TToi* ivvip Aax/Sflj^ xlrsÏTai Tri^ho^v; 
aAA' JJ ^iXoKTViTov Tcc rov tttcoxov ^iyei^ ; 

AIKAIOnOAI2. 
oDx, ^AA^ toÓtov TToXv TToXv irraxt^TipQU* 4Si 

ETPiniAHS. 

«AA* ^ TCL ivOTTTtV^ HKSIQ TTS'TrKüJfJLXTX 

& Be^Xspo^óvTifg €1% o xoaXog ovtos-I; 

AIKAIOnOAIJ. 
ov Bs^^epoCpivTijg' iXKx xxKsfvog (aIv ^v 
%«Aè^, TrpofTxiTcóv , (rTü)f4,v^og f ismg Kiy^Wm 

ETPiniAHS. 
olV &vlp»i Mvfrh Tij^sCpov. 480 

AIKAIOnOAIS. 

1/^/, Tii?i€CpöV* 
TOVTOV iog ivTifioXu ^i (jloi rot ^irip'y^va* 

ETPiniAHS. 
« 9rflj7, iig xvrc^ TtjXiCpov p»KufAOtT£t* 
KsÏTCct 3' ivcQÖev Tuv BustTTslcov pXKm ^ 
fi€TCc^v T«v 'Ivovg, 
(De slaaf brengt het gevraagde aan Earipidea), 

}iov tccvt) A«j3£* 
(Werpt hem een ouden bedelaarsmantel vol gaten toe), 

AIKAIOnOAIS. 

(den mantel tegen het licht houdende:) 

426. dfiA«/5] niet IdlAc/c (of 'êé^stQ) T^^8(pov schenen ktterlijlc in de Te- 

on^dat Earipides in tragedie-stijl lephos van Ear U zijn voorgekomen 

spreekt; zie op 198. (Eur. fr. 703); Nanck actt dat zt^lU 

429. ö-Tft»/!*t/Aoc] zie 579. zeker. 

430. De woorden oT^' 'Mpat Mva-bv 435. Een dergelijke woard&peUiig ala 



r 



66 



iel ydp f4>s T^ê^m ti? %Qpt^ pn^iv ff^xxpéy * 

iiUTit ik êivjXTQV , fjy X^K^^ Ai(f Cü , (pip£h 

ETPiniAHS, 



poi'^ra-^^q geeft. Egd eerste voorbeeld 
daarvan b de reeds genoemde Tele- 
p h oe, die als landlooper vermomd in het 
Acliaisclie legeTkamp doordrong , '^rai^^ 
afii^i^Aiitrrpx oruf.&aTo^ Aee^aiv i^^Kif j 
èpar^pm rvx^t; (Eiir. fr. 698 j zie op 
327) i van dezen zallen wy aanstonds 
meer hooren* Verder de inagelijkB reeds 
Termelde Belleropkon, door den 
Pega&os in het eiyk geworpen, h|| de 
goden gi^haat en tot zwarte melan- 
oholie verrallen (Hom. Z 20B, Eiir. fr. 
287). Ën nok do derde „hinkebcBn'" 
Pkiloktetea werktö óp het Mede- 
lijden Taa den toeschouwer niet nVleen 
door ïijn gewonden voet maar ook door 
^\jn armzalige kleeding i la Eobinson 
CroflOë: TÓ T£ fkp eïl&i ütÖ ri?^ 
vé^^ti ^o^£p$v ff TE s-TüXii a^&itg' lflp«? 
difp/uv xa?,ij'7rTev<Ttv aèvróy , legt Odja- 
seas in den aanhef (volgens het uit- 
treksel in proKa dat Die ChrjeoatomoB 
6Ö van dit stnk geeft). Oineua leidde 
een levenaeinde als Koniog Lear; P koi- 
Dix werd door zijn eigen vader geblind 
(sage als die van Bellerophnn en Hip- 
polTtoSj gedeeltelijk in aanslolting aan 
Hom. l 448 volgg.), e» kwam aU 
arme verstooteling hij Fclcïis aan, 
waar hij bat gezicht terug ontving 
door Cbeiron'fl wonderkunat. ïhye- 
ates kwann in de Kresaai (tegel^k met 
de TelephoH in 48S opgevoerd) ala bal- 
ling op Krela aan het hof van koning 
Katreoa, en speelde natonrlijk ook een 
hoofdrol in de naar hem benoemde 
tragedie ThjcsteSj waarin ïtïfn eigen 
kinderen hoja door Atroaa ter spijze 



werden opgediseht {de Soph, Am^t? pag, 
167, 175 aqq.), In O, waanzinnig en 
moordenarfisae ^ stortte zieh met haar 
zoon in de golven^ haar doodsbleek 
gelaat dient Wesp» 1414 ora de "Tleer- 
maistroniti" van Chairephon (Vog. 1296) 
mede te vergelijken. 

De lijst van helden-vagehonden ia 
biermede nog lang niet gesloten. On* 
getwijfeld zou Aristophanee, indien hij 
gekund hadp ook den tohipbreukelisg 
Menelaos uit de Helena vermeld 
hebben, die in de Theamophoriazusai 
(871 volgg,) zoo iMsfiwebkeod wordt 
geparodieerd, eü van wien Euripidea 
zelf (Helen* 561) getuigt dat hij ffre- 
Aifif 'éiJLop^gv éfJ-ip^ ^ëfjL" 'éx^i (zie ook 
Helen. 1085 en 1220). Dejïe tragedie 
ia echter eerst ïu het jaar il 2 opge- 
voerd. Van ongeveer dienzelfden tgd 
moet ook de Elektra zgn, waarin 
de heldin verecbijnt mei Tctvafik KÓf^it 
xett TTsw^aïv Tpóx^l (Elektr. 184, zie 
ook 304); en de Orestee^ waarin 
Agaaiemnon"'B zoon met verwilderd haar 
en Bchuimenden mond wordt voorge- 
steld (Or. 219), is in 408 ten loo- 
neele gebracht. ~ Gelgk Earipides feier 
in bedclaarsgewaad , 200 verschijnt A g a- 
thon The^m. 136 in een verwijfd 
koatanm, en geeft daarvoor (148) ala 
reden opi hyoi Sè nfv fe-fiifÖ' Hfjus 7^fl&/*ïf 
^6p^. 

415. TflET] uU dat oude drama, dat 
hij tick wel levendig herinnert, maar 
waarvan hij ongel nkkig den naam ver- 
geten is, 

418. rk ^€ttL Tfé%%\ op 63, 

^ éiri op 130. 



67 

i AIKAIOnOAIS. 

ovK Ohicog ijVj iAA' €t' dêXtcorépou. 420 

\ ETPiniAHZ. 

Tct Tov TU$AoD ^olviKog; 
^ AIKAIOnOAIS. 

\ «AA' STspog Jjv ^olvtKog iiXidiTepög. 

' ETPiniAHS. 

j TTolo^g TToi* xvvip X»Kli»q xhsÏTCit TréTTKC^V] 

I «AA' ? ^i^OKTijTOu ra tou tttcoxou Aiy^i^; 

J AIKAIOnOAIZ. 

[ oDx, ^AA^ TOVTOV TTOKV TTOXX) WTW^/ö-T^pÖU. 4ÊI 

; ETPiniAHZ. 

«AA* ^ Ta ivorwtv^ Hksiq irs'TrXifJLCCT» 

j AIKAIOnOAIJ. 

OV "RsXXspoCpivTViq' iXKx xiKsfvog fj(,h 5v 
%«Ai^, TrpofTxiTuv , <rTa)f4,v\og f ieivbg ?ki^itVm 

ETPiniAHS. 
oïy hipXf Mvffov Tij^sCpov, 4m 

AIKAIOnOAIS. 

va), Tii^sCpov' 
TOVTOV iig ivTifioXu tri f^ot Ta ^irap^ixv^, 

ETPiniAHS. 
« 9ra7, iig »vt^ Tj^A^cpou p»Kufj(.»T»' 
KsÏTCci V avcQÖev tuv BvstTTslau pctKuv^ 
fi€T»^v Tcöv 'Ivovg, 
(De slaaf brengt het gevraagde aan Euripides). 

liob rauT) A«/3i. 
(Werpt hem een ouden bedelaarsmantel vol gaten toe), 

{ AIKAIOnOAIS. 

(den mantel tegen het licht houdende:) 
w Zev itÓTTT» xa) kktÓitt» 7ravT»xV* *S5 

426. êé^st^'] niet eêé^stQ (of 'd^As/c) TijAs4>ov schijnen lettBrlijk in de Tc- 

on^dat Euripides in tragedi e-styl lephos van Êar. te zijn voori^kDmea 

spreekt; zie op 198. (Ear. fr. 703); Naack acht dat aselfs 

429. ö-Tft»/!*t/Aoc] zie 579. zeker. 

430. De woorden oT^' 'tüv^pec Mva-ov 435. Een dergelyke wOOTdËpeüng ah 



^ 



^ 



68 



{Trekt het gewaad aan), 

ETPiniAHS, 

(Werpt bem [den hoed toe). 

AIKAIOnOAIS- 

ii <Fo) fjttlv e/ïjj T;jAe(p^ y, ., siyè <ppovQ. 



hier met ^itf^mfc komt Vog. 91 B voor: 
tot fiËn dichtËr djc zicïizclf ta ziju 
kunstbroeders den titel van *> f^rOvtré^y 
hpé7r09T€i èrp^f&C' heeft gegeven j zegt 
PeithetairoB: ö&« ero^ èrpiipov «o* to 
AfMpiOY 'éx^i^ (namelijk irfttpóq ■^ 
WG^vTfijfTo^ opgevat). Voorts zij vcsr- 
wezen naar PIni. 716^ waar de ala&f 
Kan on verhaalt wat hij al zoo gezien 
heeft Btk toS Tf^t0üi¥hv* ÓTcèeq yk^ 

tlX^V OVK è^^yXQ fis TOV A/** 

436. Wordt ook 884 gelezen. 

440, Dit en het volgende ver» zijn 
Eigen woorden van Tolephos bij Enri- 
pides (fr. 6U9) volgena do strhol.j het 
serite li intnasohen in Btrijd met den re- 
gel dat de tragici ïn den vyfiien voet geen 
spondeus toelaten ^vorrad nit een eind- 
lettergreep en een ^anvangttletier greep 
(de 200gen, pattëa porsoniarta) Aristo- 
pbanes moet dus het oorapronkelijlc ceni» 
genaato gewijzigd hebben; vgl up 593. 

443, Döt het Icoor der stukken van 
Eür]"[ïïdea veelal met de handeling wei- 
nig of niets heeft te raakeii, ïelfa d^n 
niet wanneer men verwachten zon dat 
het zon pogen in te grijpen in den gang 
der gcheurtsnisgen (byv. in de Me- 
deiu)j wordt aaogedinid door da woor- 
den iihi^ku^ 'jfapê^réusti; zij moeUtmr 



MJBiüÈan ah J&ris goedbUyed, ArietoteL 
poet. 18 T^s^ ;tfcïpöv ïvae èe7 tï^röAffj^ÊTy 

cShQli j Ki£t iTVVCCyüivI^SffécCt , fJLiï £So"T£p 

EÈp/jr/ï^ i^A' i^iTTFSp Zo<pifKM7 (bijv* 
in de Ai as, de iatigone, de 
P h 1 1 o k t e t E a). Horat. Art. poet. 
19a iiciorü parte$ cA^rm ojtomm^ite 
piriie ( ^lefmdMt neu qmé medio^ m' 
isTcmat acius \ qitod non jtrc^nÉo eos- 
duceU ét ^aercat apta. 

444. fntiéTm] vgL Ridd. 316, Wolk 
U% Vrede GÖ4; hierhnvcn 308 wer- 
dea zij lxi5AA/d£ genaamd* 

— (rxi}ia?.iira} wQr dsn gek hündsn^ 
ook Vrede 549. 

'145. Wellicht is dit een citaat , an- 
ders een wfelseUikte nabootsing der 
Kcgswijze van Earipide», van wiens sttjl 
apitavondige wendingen , puntige tegen- 
stellingen, woordspelingen, naam-dui- 
dingen onafscheidelijk üju. Evenals daar 
straks de dorpelwachter met 'évSev—ouK 
^hSov goochelde^ zoo speelt Dn de meester 
zelf met TVKvóq dieH: êcArattd&r en 
M-irróc ijl: fjn, welke heide adieetiva 
letterltik opgevat elkander tegenap reken 
maar ia ovcrdrachte^jkcD Kïn aamen- 
stemmenH 

446. In liet stok Tan Ëarlpides wex- 



69 



€v y* oïov 5Xj^ p}jfAXTlav èfJLirlfA7rKxfj(,»i. 

ETPiniAHZ. 

rovTi Kxfioav xirsXh Xxtvcov (TT»d/zuv. 
(Werpt hem den staf toe). 

AIKAIOnOAIS. 

iroKXoóv ieófAevog (rxevxpltaV vvv iij ysvov 
yA/V^po?, 7rpo(7»iTÜv, KiTrxpoóv. Eifpiwiiij , 

ETPiniAHZ. 
AIKAIOnOAIS. 



den deze woorden door Telephol zelf 
(als bedelaar) gesproken: U (o Aga- 
memnonP) ga het wel, doch Telèphos. . . 
ontvang zijn loon. Van dergel\jke ge- 
vatheid vindt men Soph. Philokt. 
824 en 529 duidelijke voorbeelden. De 
rol van Telepbos bood aan Euripides 
mime gelegenheid tot het aanbrengen 
van vernuftige wendingen; vandaar 
wordt Wolk. 922 de Mysiër Telèphos 
genoemd als type van een advokaat 
voor kwade zaken. 

430. ^ èuiiï] vgl. 480, 483. 485, 488, 
Ridd. 1194. Parodie op Medeia''8 woor- 
den, als zij, terugbevende voor zich- 
zelve en vergeefs worstelend tegen den 
storm harer hartstochten, haar ziel 
toespreekt als ware het een persoon 
buiten, tegenover haar (Bur. Med. 
1056 volgg.): fA¥i SiJTX dvfjtè, fzif a-v 

rA}iOtv^(pei(Tut réxvuv \ enel /iteö' vifiQv 
^éovTSQ sb^pocvoCo'/ O'S. Zie ook Hek. 
736, waar de heldin tot zichzelve zegt : 
Ji/«'Tjfv', eficevri^v yïtp y.éyu Asyova-x 
o-è, I 'Exé^ff, ri ^pAtru', — Reeds Ho- 
meros maakt in het bekende rgxAaö/ 
^vi Kpx^iyi {v 18) van deze wending 
gebruik. 

— Het herhaalde ^ó^im, ^ófiotQ, 
Bufzérm 450, 456, 460, 479 is een 



zinspeling op het zonderlinge zwak van 
Euripides voor dit woord, dat inder- 
daad bij hem ieder oogenblikvoorlcnmt, 
inzonderheid aan het eind der Tcrzcn. 
Evenzoo wordt zijn karakteristiek f^ voor- 
liefde voor het adiectivum a-o<póq (byv. 
Med. 299—305) belachelyk gemaakt 
Thesm. 1130, Kikv. 1413, 14^4; zie 
ook hierboven 401. 

453. a"7rvpf$tov'] een korfje tiit tcenen 
vlechtwerk, dat voor lantaarn gediend 
heeft en daarbij is stuk gebraad. Blij- 
kens 469 moet het den bedekar tot 
knapzak dienen; ook de yóhtQ^ 1097, 
waarmede Lamachos zich voorliet al- 
vorens op marsch te gaan, is een 
a-TTvptéSh^ yr^éyfzoe (schol.) ; zie aldfiar. 
Dat de Telèphos van Euripides wer- 
kelijk een knapzak b^' zich had, blijkt 
voor zoover noodig uit Wolk, 922 T4- 

Tpuyav. 

454. roOr] op 130. 

— T/.éKou(i] volgens de schol, it dit 
vers parodie op een regel uit de To- 
lephos: t/ $\ & r^Aft^, ffv rSih wtf- 
&e<rQa( fis Afic; vgl. Vred. BSfi (ook 
in tragedie-stijl, blijkbaar parodie) Airi- 
TTTva-" ex^poS ^wrbQ Ï%Ö/o"tov tAfxo^. 

455. De strekking van dit vcra is, 
dat de tragische helden, om ontroering 



i 



70 



ém 



ETPiniAHS. 

{Werpt hem het korQe fcoe). 
AIKAIOnOAIZ. 

ETPimAHS. 

iwEXSé PVV ^Qi^ 

AlKAIOnOAlS. 

KüTuXl^xtcy rè XilKQi; diroKëKpöufihov, 
ETPiniAHS. 

(Werpt kern het kruikje toe), 
AIKAIOnOAIS. 

(ter sjjde:) 

(luide:) 
xKk\ è ykUKtir^T* Eöplirllif, rour) f^évov ^ 

ETPiniAHZ. 



en écht medegevoel op te wekken^ 
evenmin behoefte hebben aan groente- 
kor^GS GQ bedolaara-msiDtels, aU Di- 
k&iopo[ig op dit oogeDblik. 

457. De moeder van Enripides wordt 
by Amtophanes herbaaldelijk vermeW 
ah g T o e ö t e - k o o ji V r o u w ï zie 
478, Ridd. IS, Theam. 387, 4B6, 910, 
Kikv. 840, Ö47. Welke kern Tan waar- 
heid er eigenlijk in dïc toespelingen 
ligt, ia niet zeker; in elk geval be> 
hooren zij met eenigi] behoedzaamheid 
te worden opgesvat Dit T^rf sobljnt te 
blijken dat de vrouw nu dood is* 

4B9, De drinkèekef van den bedelnar 
Telephoa ia in overeenatemming met 
fijn verdere uitrniting. 

461. Naar de meeniug van Aristo- 
pbanen droeg Euripidea^ de apoitel van 



bet koBmopoliüsme , d oor zïj n poëzi e 
veel bij tot ontwrichting der aloude 
overtuij^ingeQ en instellingen op maat- 
achappelijk en godsdienstig gebied, Oe 
verklaring der schol. oI/k éïfr^x ^vag 

iiVisttet^ Tou^ Üsmré^ is dae veel te 
^wak. Men vertale: gij taeet m&t ^ötf- 
ve^l kwaad ff ij sêicht. 

463. Ém poije met e&n sponsje &r 
iUt gelijk Telepïiqs by zicb had tot 
reiniging van zijn gewood boen. 

464. Enripides, die gewoon is bij 
lyn redekonstige en wijageerige haar- 
klövcrijen rh {ilyivTSL ^SLpatMwttv tiJ^ 
rpcüyMl^Jt^S réxv^^ (Kikv. 1495), houdt 
niets over ala mea hem den n i t w e n- 
digen tooi zijner treurspelen afhan- 
dig maakt; ^o onk 470. 



71 



oi'TreXds txvt^vi Xa^dv. 465 

(Werpt hem het potje toe). 

AIKAIOnOAIZ. 

Kxirot t/ ipitroo'^ iel yxp svèg y ou fM>i tvxohv 
i7róXoiiX\ &icov(rov , « yXvKÓrxr' EvpiTriiii • 
tovt) \xfim iTTstfAi Kov Trpócretfi' in' 
èg rh (TTruplhov \(TXvi f^oi cpvKXéï» iig, 
ETPiniAHS. 

i7F0X€Ïq [Jl\ Mofi O'Ot. ^pOVÜ (JLOl TX ipifAXTX, 470 

(Werpt hem een arm vol groente toe). 

AIKAIOnOAIS. 
iAA' ovKir\ «AA' iirstfAi. Kx) yip slfjt,' &y»v 
iX^^P^^i ö^ ^okSóv fz,€ xotpccvovq (TTvyelv. 
ol/zoi KXKoixl/zav , ug i7róXoo?i\ êyrsXxêifAijv 
iv ^yrip iffTi 7FXVTX fioi rx TrpxyfixTx, 
EifptTrlhov u yXvKÓrxTOv kx) cplXrxroVj 475 

KXKKTT XTTOXolfZilV , êï t/ O"' xhli(TXlfl' lu ^ 

TT^ijv sv fióvov , tout) fióvGV , tovt) fAÓvov , 
(TKXviiicx f4,ot iig^ /zijrpódsv i sisy f^évog» 



465. Evenzoo Vos. 948 I^TB^êg rov- 
Tovi Xa^uv. — iTTspx^f^^t. 

— rat/Tjfv/] nl. tjjv %«/Tp«y. 

469 ïo'xv^ ^t/AAc7«] verlepte groente' 
afval; zie Flut. 543, waar tot het deel 
der armen o. a. wordt gerekend o't- 
rsia-óeti itvrt fih 'dprtav \ fiM^^x^S 
TTÓp&ovQy ivrt Jè f^d^fiQ ^t/AAs7' 

471. Hier en in het volgende ver8 
worden weder woorden van Eur. aan- 
gehaald; vermoedelijk zijn zg door Te- 
lephos gesproken, met wiens per- 
soonlijkheid Bik. zich gaandeweg (zie 
447) vereenzelvigt, sints z\|n «profeten- 
manter* op hem is «neergedaald" Dat 
zij aan de Oinens zonden ontleend 
z\jn (schoL) is minder waarsch^jnl^k. 

476. Constractie als Ridd. 694, Vred. 
1072. 

478. a-K^vètTtos] een of andere in 
H wild groeiende schermplant, kervel 
of p^pkmid of zoo iets: een echt 



hongersnoo d- voedsel , bljjkens een 
fragment uit Andokides b^ Saidas i. v. 
0'}c^vd/|] A^%«y«, OU rk ex x^feiav ^ 
a^Ak roe uuTOfz^ruQ ^vófzevx , üq <^a-iv 
^Av$oKi$ttq' "fiif ykp 'f^oifiév ^rore xA- 
A/y lx tQv èpéuv Toi/^ iv&p»KevrkQ 
ificovroti Koci Tpó^XTOt Kotï ^oCq kocï rkQ 
df4^^»Q SÏQ ro hia-rv, KXt yvv»i» xett 
'^peo'fivrépovQ UvBpaq xotl Ipy&r»^ 
s^OTT^t^ofAévovQ' fM^^è tüypt» A^^tfyds 
Koit a-Kiiv^iKot^ 'én ^^yotfisv** (vgl. Inl. 
bl. 14, 8). Haee est quam Aristopha- 
nes Éuripidi poetae obicit ioculariter, 
matrem eius ue olus quidem legiHmiim 
venditasse, sed scandicem Plin. H. Nat. 
XXII 38. — Ridd. 18 vormt Ar. hier- 
van, ook al weer met toespeling op 
Enr. en zijne moeder, het werkwoord 
$tee9')ucv$tKf(raei^ verkervelen in plaats 
van verkervem 

— fittrpóésv $8$8yfiévoQ] tragedie- 
sttjl (zie Aisch. Choëph. 750 bV Igs- 
$p8il/u fAtirpóêsv BthyiJtévff), waardoor 



72 



ETPiniAHE. 
(De ruatbank wordt Daar binnen gerold en het Buia geeloteE}* 



Onmiddelijk Mema, gedurende liet voordragen van vs, 480^-483, 
verjmdert het tooneel weder in de boerderij van Dikaiopolis. 



TWAALFDE TOONEEL. 

Dikaiopolis, Koor. 

AIKAlonOAIS. 

480 w ^ü^\ &VÉU ü'^c^v^ixog ifATTöpeuri^. 

(Gedurende bet volgende komt Dikaiopolis al weifelend en telkens 
stil staan de naar den voorgrond terngj, 

TÓKp^^^öv^ Utj xépv^fTQV. oL^üLiim x&plisc^, 
(Legt zgn hoofd op het blok). 



het ^otte reraoek des te zotter klinkt; 
evenaoo 480. 

480. êfiifropetiTêsÊ] xie 394. 

aiei gij M nitgangspunt van danwed^ 
loop, d. w, K< de plek waar gy u Moet 
pkatsen om den Jcyèv (^92, 481) aan 
te vangen. DaRrmede wordt het /nzk- 
èh^ l>edoEid , waar been Dikaiopolia zich 
sclioDTvoetiïQd begeeft; eveneens wordt 
i3aA^/5 oyerdracbtelyk gebezigd Ridd, 
1159, We^p. 548. 

484. oi/H $li'] ga dau toch! — - Met 
KaraTTJafv Eu^jjr/lifv vergelyke men 447 
en 470* 

480. Dat de ttetp^fa wordt ftüti- 
gêipoord baar b o o f d op het Mok te 
leggen , ia geen onwillekeurige maar pen 
opzettelijke stijlfout» om de by 450 



beaproken wending nog b^kcbel^ker t« 
makea. 

48H. Uyccfixt x^ph's}^'] Hefkaozende 
toespraak j zooals men een kiud of huis- 
dier prijst: ^goiïd /iartj&\ «beste idel*\ 
Constructie evenala Vog. 1746. Eeu 
dorgelyk tooaeel ala het nu voIg«ntltJ, 
waarbij DikaiopoliB aiju boofii op bet 
blok hoadt, of althans, pedorenda het 
pleidooi (496-^656), daarnevtsus blijft 
staau* vindt men in de Weapen , waar 
de oude Fhilokkon, alvoreas met srtjn 
zoon een twistgesprek aan te gaan over 
de waardo van het bdi^ten-ambt , een 
zwaard vordert (Ê2^) om zich te tloor- 
boren nis htj overwonnen TOocht wor» 
den; met dat getrokken lemmer in de 
hand.bl^ft h^ dan staan tot 714. 

491. athpoH] Hom. X 057 ? yi/p 



73 



XOPOS. 

(ZangJ. 

t/ ipi(r€ig; t/ (Pii(T€tg; iAA* Mt vvv 
ivxl(rx^vTog cov trtiijpovg r dvijp, 
Sa-Tig TrapccfTX^y t^ TriXei tov aux^vx 
&7ra(n fji,i\?^€tg sïq xiystv txvxvtIx. 
iviip OU rpiizsi to 7rpxyf4,\ sï» vvv ^ 
êTTeiiiiTrsp xvToq aipsJ, Xiys. 

AIKAIOnOAIS. 
(Rijst op, en blijft bg het blok staan). 

(AVj fJLOt (pêovii^ijT\ & vip eg o] êsdfASVot , 
€Ï Trrax^^ ^^ l^f/r' èv 'Aê^vxloig Xiystv 
fi,ikXoo TTsp) rijg 'TróXecog ^ rpvyaiiocv voiav. 
rh y»p Hkxiov olie xx) rpvyc/filx. 
èyu ^B Xi^a ietvx f^iv , ükoli» Si. 
ov yip fis VVV ys iioc^xXsl Kxiav on 
^ivuv TrxpóvTuv tviv ^óXiv Kccxag Xiya. 
uöro) yxp hfASV Kiir) Atjvcclcfi ê(rr' iyoov ^ 



490 



495 



StHJ 



ffo( yt fftèfjpso^ sv ^psffi êvfzÓQy Eur. 
Med. 1279 r^A«/y', é(; Hp' fi<r&u xé- 
rpoQ If a-f^ospoQ. Zie ook Lysias X 20, 
Aisohines III 166. 

496. De echte Telephoa ving zijn 
rede aldus aan (ook door Alezis 62 

feparodieerd) : jitjf f^ot ^doviio'^r^, 'dv- 
PS^ 'EAAlfvwV ÜKpOty I et TTTUX^Q &v 

t«tAjjx' Iv ea'6?io7a'ty y.éysiv. 

499. rpt/yijijj/avjsxwft^j/avjhier we- 
gens den aan rpuycji^fu herinnerenden 
klank gekozen ; Tpvytfi$of is een andere 
naam voor Konfit^Wi (886, Wesp. 650, 
1537), en rpvy&v is het staande werk- 
woord voor den toijnoogst. 

600. rd ^iKcttov-] ygl. 561, 645, 655, 
661: toespeling op de aanklacht i^i- 
xietti tU 'TovQ ToA/r«^,het vorig jaar 
tegen den dichter ingehracht (op 377) ; 
ook de naam Dikaiopolis is ver- 
moedelijk gekozen naar aanleiding van 
die bescholdiging. 

502. Zie 377 volgg. 

503. Op de groote Dionysia, 
waarhy de Bahylonioi opgevoerd wa- 
ren, werden de ^ópot door de bond- 



genooten ingeleverd en placht dna in 
Athene een groote menigte hnitenUn- 
ders tegenwoordig te zijn. Zh Vree. 47 
(groote Dionysia van 421)» waar c«n 
loniër onder het publiek, dot een der 
in de stad gekomen |^y0/, sprekende 
wordt ingevoerd : xSt' eslr^ y' avi^p | 
^lavtKÓQ r/c 4^0'/ TecpesKa&iffAÉvoq- \ 

a-sTXê." 

504 ubrot] onder (>iM;evemsooTIiesm. 
472. Ook voor het volgende ii tk ver- 
gelijking met die plaats van belang, 
omdat daar de als vrouw vermomde 
Mnesilochos, evenals hier il<^. quaü- 
bedelaar Dikaiopolis, zijn pleidooi he- 
gini met een soort van captatio èfno' 
voUntiae, hierin bestaande, dat bij 
verklaart de part^, die h\j wil gaan 
verontschaldigen , zelf even&ocr te ver- 
foeien als zijne toehoorders Dit dat 
overeenkomstige geval blijkt duidelijk^ 
dat Dikaiopolis evenmin ak Mneaüo- 
chos in ernst spreekt, maar dat 
integendeel Aristophanes , door het kie- 
zen van zoo vreesel^k bloedgienge ult^ 



f 



74 



50fi 



SlO 



615 



dkK* itrystêv o^uroi vuv ye TrêpiBTrrt^izêuoi, 

<T€i<Tag ^TrafTiv if^^dhüi r^ï olKt^q * 

>;^«v yip iv^peq j — öy%l tïjv iré?^m Ai?<w * 



drakMngen, de lakoneD vreters z^ner 
dagen wil belachelijk makea, en aan 
de tOEhaordérs deo eind-indrok wil 
g«ven #de Lakedaimomërfi zijn toch 
eigËnl^k zoo heel kwaad nog niet." — 
De bedoelde verzen (Tlieam, 460 volgg,) 
luiden aldu^; rö fiiv ë ywxtKsg o|u- 
êvfieïHxt fl'4^eljj* | Evpiwi^^, Tfft^ÜT^ 

9^^ lirtt^£7y Ti!\f %<jA)|v^ | KStvrif yxp 
'éfyüi'y\ oUriü^ èvaffLijv tüïv rétc/sii'^ ^ | 

fiat, [ È^juwc 5' ^y êLhhn}^SLi<rt %/iif jöuvüfi 
lAöycry | ahrsu yép èrfiev ^ tcobèëfjri' 
Ijcijiapflj Kêy^u. I ri roför' ^aüo-iK* 
Ike/upv jtlTiMitie^a ; euï, Zie ook het 
llot dier pleitrede, aangehaald op 65Ö. 

507. w€pis7m^iiévot] uiÊffeuJ^nd, van 
k^f ontdaan. Een dergelijke beeldspraak 
ook Weflts, 678, waar het ^NuitvitagseF' 
der burgerij a-éf:p^^ wordt genoemd. 

B08. ^;i;vpjE] zemelen (in deze butce* 
kenis öok by Hippokrates, de Mulle r- 
StTuMng Arist. p. 61B--fllB) üe zïn 
ran 507 volg. ia dns: nit althana zijn 
wij hier koren zonder kaf er onder; 
want wat de ia den scbtiüwburg aan- 
wezige mEtoiken betreft, die ^^d 66k 
woJ geen burgers, maar zy behoorcn 
toeh hy de atedElingen; zij zijn ak 't 
ware de ïsmeleii vaa het graan , tlie 
tot het vormen van goetï en voedzaam 
brood ook het hnnao bijbrengen. — 
Zeer ten onrecMe is dit vers door 



Valckenaer en Geel in verdenking ge- 
ls racht. 

Si O. 01/ jr/ TsfycepM èÉl{\ deze bena- 
ming kiest Dikaiopolis, om daarmede 
Poeeidon ala \ ware tot een fipeeiaal 
lakonische godheid ta at em pelen : Hk 
icmichte d^t hun iHgen gmihmdi die 
\\m in het afgetoopea voorjaar reed? 
bet doen van een inval op ons gflbied 
belet heeft (Inl. hl. 12, %), hen meutr 
voi/r" ffoed bedroef ondsr ket puin kunn^ 
imningen *' Tevens is er nog een byzon- 
dera aanleiding tot het vermelden van 
Tainaron , namelijk bet t atv a ^tGw 
Ry e ^^ waaraan do Spartanen zelf 
de noodlottige aardbeving van het jaar 
466 toeschreven (Thuk. 1 128) Zie 
voorts 308, en vgl. Lysistr 11 cl? volggj 
sIt' dü A^amvs^^ Trpè^ yap Cf^xi^ Tfi- 

piK/^EiSx^ W&T^ I é ASCKCÜV 'AÖl^^flj/flöV 

^XP°^ £1/ ipeiViK^i^ f trrp^rik\/ frfufff^ 

K//iitófy Umv 'éö-m'T$ tjJv Aceae^stfiJLovx, \ 

&13> ui TTspóvTw^ h Myif] ook Vog, 
30, Enr. Rhea. 149. 

Bib. olx^ '^^^ TTÓAfV^ wegens de 
aanklacht van het vorig jaar (zie 377. 
60a, 631, 663) vindt Dikaiopnlia-Kftl- 



75 



irifJL» K») TTCcpxtnifi» kx) Trxpd^svx^ n 
i(Tvxo(pc6VT€t Msyxpéoiv Tx xkxvhicix' 
K€Ï TTOv ffiKVOv tioiev fj Xxycpitov 
3 ;k^'P^5/öv 3 (ncipóhov j} xivipovg aXxg ^ 
TxuT^ Jjv MeyxptKX KXTtiirpxT xv6^[j(,apóv. 

KX) TXVTX flSV iil (TfllKpX KXTriXÓiiptX , 

TTÓpv^v ii Z,tfixiêxv UvTsg Msyxpxle 



520 



listratos het zaak , daarop ironisch maar 
toch nadrukkelijk te w^zen. 

516. \irt ohxt] zie 4. 

517. 'JFapccH€itofifiévet] = roO ^rovttpoC 
KÓfifJLuroti (Plut. 862, 957), of zooals 
het aanstonds heet,'?rocp^crtifzoc, niet van 
den goeden stengel; daartegenover staan 
de èpééSQ KOTrévre^ Hcci KeKU^uvte'fisvot , 
zooals zij genoemd worden in de uit- 
voerige vergelijking tusschen burgers en 
munten Kikv. 718 — 733. 

519. Na den afval van Megaris in 
het jaar 446 werd de handelsge- 
meenschap tusschen dat landje en 
Attika verbroken. Kwamen er nu Me- 
gariërs in Athene, dan werd er onder 
hunne %Ad;v/0-x/« naar smokkelwaren 
gesnuffeld; en wat bijgeval in hun ge- 
waad werd gevonden, werd meteen ver- 
beurd verklaard. Dat met ^Adsv/o-x/dt een 
uitvoer-artikel der Megariërs 
zou bedoeld wezen, gelgk Elmsley op 
grond van Vred. 1002 en Xenoph. Mem. 
11 7 § 6 beweert, is onaannemelijk^ 
hoe toch sluit zich dan het ven'olg 
daarby aan? Om diezelfde reden kan ook 
Hamaker's gissing KOivfa-Ktae (Mnemos. 
1853 p. 18) niet juist zijn : een smok- 
kelaar komt niet met een henselmand 
aan den arm de stad binnen. — Later, 
in het jaar 432, werden de Megariërs 
zelve vogelvrij verklaard door het 
psephisma van Charinos, waarop 530 
volgg. wordt gedoeld. 

521. x^^^po^^ H^otö] grof keuken- 
zout , ook Wesp. 738. Tegenovergesteld 
MTTot &^8Q fjn tafehout fr. 206. Met 
de hier gegeven lijst van Megarische 
koopwaren vergelijke men 760 — 764 en 
op 1006. 



524. Het hier volgende, veel be- 
sproken verhaal omtrent de aanleidin- 
gen tot den peloponnesischen oorlog (vgl. 
Inl. bi. 5 en 6) is een parodie op 
den aanhef van het geschied- 
verhaal van Herodotos. Aan 
een historische kern er van valt niet 
te denken. Dikaiopolis laat aan den 
krijg tusschen Sparta en Athene een 
soortgelijke r«eks van wederzijdsche be- 
leedigingen voorafgaan als volgens He- 
rodotos de bloedige veete had ingeleid 
tusschen Azië en Europa, die in den 
Trojaanschea kryg voor 't eerst en in 
de tochten van Dareios en Xerzes ten 
tweeden male tot uitbarsting was ge- 
komen. Deze meer epische dan histo- 
rische voorstelling van den gang der 
wereldgebeurtenissen brengt Aristopha- 
nes als H ware in het komisch dialekt 
over. De rol, die de vorstinnen lo, 
Europa, Medeia, Helenab^j 
Herodotos (1 1 — 5) spelen , wordt hier 
vervuld door drie deernen van losse 
zeden ; A s p a s i a wordt genoemd om- 
dat deze, de ^n beschaafde en veel 
besproken echtgenoote van Perikles 
irden Olympiër", de eenige persoon in 
Athene was die iets geleek op een 
princes; en dat hare twee geroofde 
slavinnen fFÓpvut genoemd worden, sluit 
natuurlijk niet in dat z\j zelve een 
soort van koppelaresse-rol had gespeeld 
b\j de schaking dier juffertjes (zie Cobet 
Prosopogr. Xenoph. p. 80). Het is dus 
niet eens aan te nemen, dat aan dit 
dwaze verhaal een of ander stadspraatje 
ten grondslag ligt (gelijk zelfs de skep- 
tische Müller-Strübing Aristoph. p. 575 
gelooft); de dichter heeft het geheel 



i 



76 



626 



G30 



ir/ön véf^QVi; oiu-Trsp trxJA^öf ysypxfiyi^èvQt^q , 



vGr^anneii , qil zIJtië toelioordfirs daclitËn 
^r niet uaOj het fila emat of haken 
ernfit op te vatten. In nuchter proza 
ZQu de zin de^e ïdjn: iiff oorlog is heê 
tiêvêï^ ma éili^ri<?i nwtAbed^id&nd^ kih- 
belarijen j evenals immers ^ vüïgens de 
morëiellmff fs» Herodoios, ook de haai 
fu^schen Helkneti en Fer^mt sdpi oor- 
spTcmg vindt in d&n roof van een paar 
vrouw/jef die teel zoo tMtien. Een an- 
dere reden van den krijg wordt V red, 
606 vermeld , even tasthaur on- 
ge r ij m d , gelijk Arl&tophatieB zelf ah 
't ware zegt ïMd. 017. (ïoeh wordt 
ook deïe dooi Plutareho» PerSkL 31 
en 33 voor goede munt aangenomen, 
en de Heroii. maKgn. 6 niet Tcrent- 
waardlging weerlegd ) Plaatflen uit bet 
eerste hoek vru lleroHetofl worden ook 
S6 en 108 gepaTodieerd. 

525. f^rtéuiroKéTTSÉ^ot'] komische uit- 
drukking; over den xrfTra|3oc Terge- 
lykfi men Vred. 1344. 

526. Têïpv^iy'yüttJrévüi^ = ÉO-xopo^^a^- 
fiêvot 3 ak ten minste de he we ring der 
scholïa, dat ipva-iy^ de hüitenl;aftt tier 
knoflook 18, geloof verdient. Zie 166, 

527. 'AffTar/ag] geregeörd door avT- 
£|éxAe^£By, V(ïL Ridd. 1149, We»p. 1369. 

520. AXiHOiffTpiüi-J^ op 79. 
530, Over den spotnaam * Olympiër'' 
oordeelt Plutarehos Per. 39 aldiiB:«*/ 

ëxefvHv Trp&iT&jvufj.tmy $v toütü touIv 
Kat èft/avTOi;^ xstMTFËfi rè Tair és^v 



631. Zeer fraai is de onweerstaan- 
hare overredingsgavc van Perikles cïoox 
Eiipolis 94 geschilderd in de hc roem de 
regeU: A, Hp^T/ffToc ö^tüc eyiver' iv- 

L^iTTift dyaéoï §püfi^^; ] htt ^éxa 'jraii^v 

;^£/AEriV^ I üI/t41^ ÉK^Ast^ xxt ftévo^ 

td7; sexfoiüiiéuoii^. 

^ De ware aanleiding tot den at ren- 
gen maatregel tegen Megara was de 
moord, gepleegd op den AtheenBühen 
heratit Antliemokntoa, die kwam kla- 
gen over het hehoowen van tien aan 
Demcter en Kore gewyd stuk grcnS* 
land {VUi. Perikl 30, Paus I 36, 8, 
Isaioa bij Harpokr, i. v. ^Avhfiéxpp- 
To{} Hierna yp^(pet ip^^*'^^'^ *^^' 

T^^ ^ Ar Ttx^ii Mfyjfplwi' r ^xvérta f jf- 
{jLtoCtr^xf TOv^ Jè a-Tp2TïfyDÈs, bVav 

'^Ti nat 3ïi5 èvk TT^v 'éro^ 5^5 T^y Me- 
yapiK^v sfj.(3ix?,{fvin ■ Ta^^v3tt 3' 'Avét- 
fjiéxpirüv wapk Tk^ 0pfiJj5-/aü4 ttvX^Ct 
eti vüv AiTTvkov ovoi^-é^o^T^i (PI ut IL)- 
B3S Van de toevallige overeenatem- 
mïng tusschen een lïfkeQd liedje en den 
inhoqd van liet f^r^y^piKBv 4^4<^i'Tfia. 
maakt de dichter gebroik om dit laatatts 
in een bespottelijk daglieht te stejlen. 
Dat liedje (skoUon op god Plutos) luidde: 
ié^sKév fl-\^Ti/iJiAi JTAöÉïre, j fii^rsy^ 
/ti^fx' h èxKcÉTffip I jtüfr" Iv etftoivifi ipat- 
vSfjEiev, I *AAa Tdfirxpév xr vafeiv | 
xi%i^ffvr«, Sik a-i yètp TAifr' | ïft' 



77 



êvrevhv ol MéyötpiJ^, ore S>if sttbIvcüv /S^Sj/v, 

fj^sraffTpxCpei^ to hcc, rotq XotiK»(TTpla,q* 
KOOK ^êé?^fi€u vifjLslq isofiivuv voT^Kxkk;. 
xxvTsvêev ii^i] ftirotyog Jju rav do'Triicov. 

ipSl Tig' „ÖÖ ;^p5v"' ^AAOf t/ XP^^ êlTTOtTê. 

0ép\ el AaiceiccifAOvlav Tig ètrvXavvccv VKck^si 



635 



540 



êv &v$puToiQ kukA. Ook Ridd. 609 wordt 
op dat Yolksdenntje gezinspeeld, en Wesp. 
22 wordt tot bespotting yan Kleonymos 
(op 88) dit raadsel opgegeven : rirocvT^y 
Iv 7g t' 4«-i/3«Agv Kotv ovpcev^ | xiv 

635. Thuk. I 67 o/ Jè AuKS^ottfióviot 
7rpoa'TocpocKce^éa'aevT6Q réov ^vfifjtdxuv 
xcti ii t/q Tl 2éAAo 'écpvi viètK^a-êxt Ssr' 
'AÖjfVflj/(WV, %v?i?iOyov o'CpSiv xvróSv ^otvj- 
a-avrsQ rbv steoêórx, /iéystv eKs^svov. 
Hcci ÜA^ot T« 'TTxptóvreQ lyK?<vniotret 
ewotoÜvro uq ^tuea-rot, wti Meyxpijq^ 
JjfAoOvTfc (jL^v KOti ÏTBpot ovK èA.fyac 
it^opot, fz^^ta-ra $^ ^ifisvcov rs iip- 
yga-Soci réSv ev r^ 'AQijvoc/cov dipxv ^ 
rif 5 'Att/x^c xyopScq vctph rkq o-ttovS^q, 
Het naar Athene gezonden gezantschap 
der Lakedaimoniërs (ibid. 139) eischte 
daarop vooreerst afstand van Potidaia 
en Aidna, xai fz^Mvr^ ys fr^vruv 
Kce* ivSni^órcerx vpoÓAeyov rè 9rs pt 
Meyupéwv ^i^cpta-f^x Ket^sKoQtri 
fivi üv yevéo'Qat ^róAsfAov^ Iv ^ 
iip^ro otvroi)<i fjcvj XP^^^^ '''O'i ^ifiéo't 
to7q Iv Tfi 'Aö»fv«/«v dipxv 1^*1^^ "^ 
^ArrtKiji iyopSi. ol $"* ''A^^vetlot oÜre 

Ti?iAU VTFJiKOVOV oVt8 TÖ ^lfl<^tff fJL» 

KOiQ^pouv , STTtKoe/iOÜvrsq è^spyxa-fatv 
MsyetpeVa-t riJc yiJc riJc IspStq xeti r^q 
&opi<rrov{lf) xoti av$penró$uv vfro^ox^v 

537. fiBTXTTpoKpefij] mocht vjorden 
omgedraaid^ d. w. z. met de blinde kant 
buiten, en de beschrevene naar den 
maar gekeerd. Platarchos Perikl. 30 
verhaalt (in aansluiting aan Thnk. 11.) 
dat de gezanten der Spartanen, na veel 
over en weer praten, zich tevreden 



verklaarden indien slechts het besluit 
tegen de Megariërs werd opgeheven. 
Toen nu Ferikles hierop antwoordde 
«dat zou in strijd zijn met de wef', 
zou een hunner, een grappenmaker, 
gezegd hebben: «als gij het dan niet 
kunt opheffen, draai het dan 
6m" (ö-ö l\ jtAjf Kctêé?iiiiQ, ^AA^ a-rpé- 
^ov ilvoi ro 'WtvdKiov oh yAp so'ri 
vóftoQ 6 roüro Ka^ówv). — Aristo- 
phanes bezigt hier dus, bij w\jze van 
aTTpaa-èÓKiiTov , een historische en bij 
z\jn toehoorders natuurlijk welbekende 
aardigheid. Dat de Peloponnesiërs voor 
zöö-iets telkens en telkens weer 
moeite kwamen doen, klinkt dubbel 
zot. (Hartman). 

839. Vgl. Vred. 608: (mpixAHif?) 
l|«^Ae|s rifv T^A^v* I hfA^ee^v ff^tv- 
Qiipx fiiKpov MsyxptKoV ^ij<pia'^ro(; | 
s%€<pv<rij<rev roaoÜTOV ^róAsfzov üvrs r^ 

KdTTV^ I TT^VTXQ "EAAlfVdf^ ^XKpÜffOtl ^ 

rovQ t' 8Ksi roÓQ t' hvê»$s. \ «&c J' 
Utfoc^ tö frp&roy Ï^KOva'^ laf^^^jjö-gv l^/t4- 
TTfiAoc I Hoct 7r/dö$ 9rAtiyetq vtf* èpy^g 
&vrs?i^ixTta'sv vl6tp , j oI/kst' ?v ov$e7Q 
6 'x-acóa-wv, ij$e (nl. de Vrede) ^' ^^- 
vf^sro. 

640. Woordel^k aan de Telephos ont- 
leend; 643 insgelijks (schol.). 

641. <pépe] sds tusschenwerpsel staat 
èf b\j den 1. persoon subinnct. aor. kom 
laai ik (vooral ^ép" 'f$a), 6f als inlei- 
ding tot een vraag, gelijk hier; even- 
zoo 898, Wolk. 218, 769, Thesmoph. 
261, 768. 788, Plut. 94, 181 enz. 

— lö-wAgöö-av] op een schip aangc' 
voerd, toevalligerwijze in Lakonië be- 
land. Het werkwoord ea-^rP^gtv wordt 



78 



€45 



fifiO 



5Ë5 



jcm KapTx> fAévrStv euiéi^i; Kü^êeiKKers 
&opój3:>u ^TpxTtüiT^v ^ wep\ Tptnpikpxou (Boïjg , 

ü-xopé^ujVj khotm^ Kpo^lAvmv h hKréöiq ^ 
unC^xvc^Vf rpixi^&^v^ ctvKyiTpilm , vir&irlmv^ 

TuXm ^p^Cpüóyrm j B^KctijLmv rp^-frovpLivcov , 
muKm «éAf yfl-Twv , viyhép^v , trvpiyfj^ikTQv. 

(Legt ziJQ hoofd weder op het blok). 



dilcTqjls ala passivTim v^an sa-aysiv ^e- 
l>Bzigd ; rk isr7rXéc]/r» = de inmer, 

542. ^ifVöÈc] door muüdfi van ip cÉ* 
fl- i c oüftbn^Tt^en ; zie op 819. 

— Dê Serïphiërs zijn spreekwoor- 
delijk i?ooi* d€ alieroQlieduidedd&te onder 
dfi ate^ea der AthesDache f^ytnmnchie. 
Plato Puilt. T rJ29 e ro tqÜ Bs^j^httq- 

^A&sivatoQ (Cic de Scnect. 3, PI ut. 
Tkemist 18). ,Men kan wel zkïi'% aei 
Kratinos in zijn tooncelatulc rh Seri- 
phiérs^ H^dflt kier Dertijds Perscus met 
het hoofd der Gorgo ia gekomen f het 
gausche ei laad ü oog altijd lonter on- 
vjTichthare steen.*' 

B4B. ^riehoiidërd schepen, een op- 
zettelijk zeer overdreven eyfer. Dit is 
hei matimnm der geheele zeemacht m 
het hl oei tijd perk van Athene* volgena 
Th uk 11 la wareo er zooveel aan- 
wezig Ijy den aanvang van den krgg» 
waarvan er blijkens Jll 17 hoogst en & 
tweehonderd en vijftig tegelijk in dienst 
werden gesteld; zie ook Demosth. 14 



p. 181. Nóoii werd echter voor ién 
enkele ondememjii; de ganeehe vloot 
gebezigd; het grootste aantal oorlogsohe- 
pen dat tegelijk ;ïce koos was t onrï e rd; 
daarmede ging Periklefl in 430 naar 
Epïdanroa en Nikiaa in 415 naar Sicilië 
(Thuk. VI 31): zie ook Ridd, 1303, 

&47. wah?i3tèiKV] Falki^-beelden op 
den achtersteven der schepen. 

548, In de o-Toi «A0^rd7rwA(5, door 
Perikles gebouwd ia den PeiraienSjZijn 
ook de voor de vloot bestemde graan* 
magaKiJDen vaa den staat. De^ stoa 
wordt ook EkkL 68 fi vermeld. 

551, t^ij^j'Sa^v] hetzelfde als a^v^m 
êurdijiei, zie Ridd. 60ii {vergeleken met 
666) en EkkL 56. 

B53. ÖdsAa^iiEfv] gaUn om de roei- 
spsfiiïH döör U Jlf^jfew»; zie Vred 12&2. 

564 viyhé.f(t^)i\ mhnll& fimfg^lAid^m 
ïooder bepaalden toon of Ijeteekenis 
(Pberekrat. 145, Eapol 1 10^ Pbrjnich. 
69) ; de ^vhm xefievis-Taj daarentegen 
dienen om de maat bij ket roeien aan 
te geven. 

B5& f/Ti 2evJ zie 4. 

BËÜ. Na het deftig klinkende dtaat 
nit de Telephoa van Earipidea ^rbv 
Sè T^Af^ay OüK o)6fiMir^st\\ ketgeen 



79 



KOPT^AIOS. 

ixvidsQ^ aTrlrpiTTTs kou fjuotpuTare \ 

\7i») (TVKO^ivTVIQ êl Tig ijv , wvé/S/o-^^;] 

HFEMnN TOT HMIXOPIOT B. 
uil rbv Iloffêtiu , kx) xiyêi y xvsp Xéyei 

HkUIX TTXVTX KOilih XÖTUV xl^etiisTXi. 
K0PT0AI02. 

élr' €1 ^UxtX, TOVTOV êlTTêïV XlfTX XP*!^ 9 

«AA' oSti x^h^^ TxvTx ro?iizii(T6t xiysiv. 
HFEMnN TOT HMIXOPIOT B. 

ouTog (TV Toï êeïg; oö fisvéïg; dg si ésvslq 
rhv ivipx TOVTOV^ xirèg xpöii(r€i txx»* 
(De twee halfkoren geraken in strjjd. Mimische dans). 
HMIXOPION A. 
(Zang). 
\a KxyLXX'i ^ (S^éTrcov xvTpxTTxg , 
fiovid^tTOv , S) yopyoXÓcpx , cpxvdig , 
ia Axfixx*f « 9t?i\ d <J)v?iiTx • 
eh^s Tig'\ hri rx^ixpx^^ 5 (TTpxTviylg i} 



660 



666 



hier beteekent: «hoe kunt g^ den Pe- 
loponnesiërs envel duiden wat gjg zelf 
onder soortgelijke omstandigheden öök 
gedaan zoudt hebben?*', klinkt het meer 
dan gemeenzame slotwoord «jelui lykt 
wel niet w^s'* dubbel dwaas. (Dat die 
woorden niet van Euripides z^n. blijkt 
ten overvloede uit de op 440 bespro- 
ken vorming van den vijfden voet). — 
Groote overeenkomst met deze peroratie 
heeft het, evenzeer aan de Telephos 
(Eur. fr. 712) ontleende, einde der rede 
van Mnesiloehos Thesm. 617 volgg : 

fjctl^ov If $ ai p^x»iA8V-y 

663. iAA' oVrt %«/pft)v] dat zal hem 
rouwen; zie op 41. Evenzoo Wesp. 
186, Kikv 848, (Flut. 64), Soph. 
Oid. Tyr. 868, Philokt. 1299, Eur. Or. 
1698 enz. 

664. otroq o-è wo7 öeT^;] evenzoo 
Wesp. 864, Thesm. 224; zie ook Ekkl. 



708 %oi QetQ odroQi Bidd. 240, Thesm. 
689, Plut. 439. 

666. ^^sfFuv &(rrp»irk(ï] zie op 96. 

667. yopyoAó^oc] met fiere» (yopyÓQ) 
helmbos; epitheton van Athene Ridd. 
1181. 

668. 5 <pvAérac] vgl. Vog. 868. La- 
machos behoort derhalve tot dezelfde 
phyle als de Achamiërs, nl. de Oi- 
n e T s. Vroeger meende men , oji^^rond 
van een opschrift uit dezen t^d (Boeckh 
Staatsh II p. 27, 28), dat Lamachos 
tot den demos Kephale en dus tot de 
phyle Akamantis zou behooren; 
het is echter later gebleken dat die 
inscriptie verkeerd was gelezen ; er staat 
niet ö-Tp]aT«yo7c AaJi^xoU^ K«^«- 
Afdsv maar Ts/o'<]a/ Tsia-ifjuixo Kg^- 
A2d£v (O. 1. A. I 180-183, Ditten- 
berger Delect. n®. 36, 28). 

569. Dit vers is corrupt overgele- 
verd, biykens de maat; hoogstwaar- 
schijnlek moeten 668 en 669 iam- 
bische trimetri z^n, = 492 en 493. 



80 

D £ RT I E N D El.T O O N £ £ L. 

{Lamaclios snelt a|jn Tvoning uït in volle wapenrusting j een groot 
achüd^ waarop Tiet Medusa-hooFd , aan den arm; op het hoofd 
een helm met drievoudigen vederboa. Voorts met zwaard en speer 
gewapend). 

Dikaiopolis, Koor, Lamachoa. 
AAMAXOE. 

rk Töpyév* è^iiyêtpsv è% töD iTiky^üLToq\ 



571. ii'öffff^:] wordt dikw^jla aan («n 
Termaning toegevoegd, zi© Ridd. 71, 
Wolk. 181, Wesp. 398, 847, 1158,1162, 
1210, Lys. 4^8, Thpsmoph. 255, KiJc¥. 
1171, Ekklea. 10B8, Flut, 229. 349, 
648, ©74; vaak met rt er aeliter : Ridd. 
11&, Wolk 506, 635, 1353, Wesp. 30, 
202, Vred. 275, 872, Ljsistr 920, 
Wij : gauiö (waf). Vgl r^l;gwv 176. 
Be omgekeerde constructie ïa zeldzaam : 
icvv^OrTs TTSTÓfievx Vog. 241. 

— ^ tx^fi^t /4fVö5] vgl. Ridd. 388, 
Wolk. 1047, Kikir. é69. Ekkl. 260. 

673 Welko waardigheid bekleedt 
Lamachoa op het oogeahlik in de wer- 
kelijkheid en dus ouk op het tooaeelP 
Zeker niet die Taa strateeg; zie 
op &93. Volgens MüUer-Strubing is 
h^ lochaag. Ik meen dat hIJ deo 
rang van t a x i a r e h o a hezit. Dat 
maak ik op uit Vred 1172 (aange- 
haald op ll@)i waar bepaaldelijk eco 
drie-dubbele ploim, gelijk L^*^ 
machos (965, 1109) op zijn helm heeft, 
ah kcnteeken van eeo taiiarch wordt 
vermeld: ^^üt^jtv f^gSpev t a,^ix p ^o v 
^föff^Aé^ftiv, I r p^l ^ A 00^5 t- 

Zie verder Vrad. 444 (Vog, 353, 
Thesm, 833). 

Ook de 602 vermelde drie draeh- 
men zj^u. te koogé gage voor eeo lo> 
ehaag, maiir te weinig aLa bés^ldiging 



Toor een etrateeg. De vaste verhouding 
iSi dat de lochaag het dnbbelo en de 
strateeg het vierdubbele van een ge- 
meen aold^t ontvangt; en daar w^ nn 
een drachme daags ia d^eo tgd her- 
haaldelijk vermeld vinden als aoldlj voor 
de troepen (InL hl 19, 3j va. 159, 
Thak VI 8 en 31, VTII 39, Xen. Heil. 
15$ 4), vloeit daaruit voort dat een 
lochaag er twee en een atrateeg vier 
ontving^ dan h drie drachmen een 
midden -gage ^ overeeosteTOWiende met 
dea toaaeheit lochaag en strateeg inüg- 
gsnden militairen mug. 

Eindelijk pleit voor mijn opvatting , 
dat 509 van een taxiarehos g e s p r o* 
ken wordt, waartoe aoders geen bij- 
zondere aanleidLOg zou bestaan; men 
vertak flleehta de woorden ^frt Tt^ 

toi^rch Gr in dt nühijhéd ma^ ^ijn 
(eï T/5=£^ffTi^; de tegenwerpingen van 
Elmaley, dia er la dat geval ^AAo5 hij 
verlaogen zon, acht ik ongegrond),— De 
tien taxiarchen hebben eik een der tien 
phylsi of TfiÊ|f4;, waarin het voetvolk 
verdeeld isj ouder hou hevcleo. Hier- 
ïBede strookt dus goed vs. 1074, vol- 
gens hetwelk liamachos het konunando 
heeft over meer dan ^én loohoa. 

574. Over de Gergo op het achihl 
van Lamaehoa zie men 582, 964, 109&, 
1181, Vred. 474, 561. Vgl. ook Ly». 



81 



AIKAIOnOAIS. 

w AifAOt^^ ijpag tuv xé^av x.»\ Tm A^;^a;i/. 676 

K0PT0AI02. 
Si Ai(A»^y ov y ip ovroq &vê pa^og 9r^A«/ 
&7r»(T»v ij[jLav ri^v ^ó?^tv kako ppoêsT; 

AAMAX02. 
ovTog (TV , TO^fJt,^g 'jttoüxU oov, Keynv rotès ; 
AIKAIOnOAIS. 
(Steeds geknield, met geyeinsden deemoed. Zoo ook het volgende). 

ê} WTCOX^^ OOV sItTÓv Tl XaCTTCOflV^JifAilV, 

AAMAX02. 

t/ 5' eÏTrotg ^f/^ig; oix ipeTg; B80 

AIKAIOnOAIS. 

oifK oJy ÏTt ' 

V7rh Tolj iiovg yxp Tav oirT^av \XiyyiSt, 

«AA* ivTifioXa ö**, ctTripsyKe (ji»ov rijfv (JLOpfiévx. 



560 (na den dood van Lamachos, dos 
niet op hem toepasselijk) i^rav iö-^r/S' 
'l;g«v HOU Topyóvet tiq, x5t' oiv^rut 
KopaK/vot/Q. 

— a-^yfjLotTOi] foudraal van icollen 
stof (van (T^rru pakken) ; Eur. Andr. 
617 Jtt^AA/ö-Ttf re^x^ ^' ^^ Mt?^o'ia-t a-&y- 
fjLoccriv. Vandaar Wesp. 1142 Hop^xov 
a-^yfjLct van een buitengewoon dik en 
warm overkleed. Over het bewaren der 
schilden in een fondraal zie op 279. 
De ten strijde zich toerustende soldaat 
neemt dat omhulsel er natuurlek af; 
zie 1120 (waar het 'é?i.vrpov genoemd 
wordt) en Xen. Anab. 1 2 $ 16. 

575. O Lamachos^ held der ^ócpoi 
(1 heuvels, 2 helmbossen) en A^%o< 
(1 hinderlagen, 2 compagnieën) ; Inleid, 
bl. 20. Vgl. 1074: Ttf^iwc P^et^óvrx 
rov^ Aóxov^ Kotï roi/^ A^^ot/^, Vred. 
395 i( Tl Tlsta-év^pov ^$s?<vrTSt rod^ 
Aó(pov^ Keu rk<i è^püf, en 561 >!fjté5v 
rovQ Aó^vg ^«As tuet racf Topyóvec^i 
zie ook Kikv. 925. — Een woordspeling 
met de dubbele beteekenis van A^^oc 
komt ook Vog. 291—293 voor. 

576. ob y^p-] ook 827, Ridd. 1392, 



Wesp. 836, 1299, Kikv. 25, Soph. 
Ai. 1320. 

577. HocKoppo$e7'] dit werkwoord be- 
hoort tot den tragedie-st\jl, evenzoo 
Thesm.' 896. Ongetwijfeld is dus ook deze 
zin aan de Telephos ontleend. 

578. Wegens de overgroote overeen- 
komst met 558 en 593 houdt Valcke- 
naer dit vers voor ingeschoven; ik zou 
er veeleer een bewys voor tweevoudige 
redactie in zien. 

579. icrrafJLvAdfjLiiv] babbelen, Ridd. 
1376, Vred. 995, Thesmoph. 1078, 
Kikv. 1071; vgl. (rrónivKfict Kikv. 92 
en (rrufzvAo^ hierboven 429. 

581. VTd roV $éovQ] zie 350. 

— ïAtyytSi'] duizelen, ook 1218. Vgl. 
a-KOTo$tvtctv 1219. — De uitgang -t&v 
is zeer gebruikelijk b\j verba die be- 
teekenen lijden aan een of andere kwaal ^ 
bijv. ^ovMfit&Vy vxvrixv, è<pQxAfii&v, 
mBi&v^ v^puTTi&v aan geemohonger, zee- 
ziekte y oogziekte y graveel, waterstucht 
lijden enz. Zie ook o-z^t/AA/S^vRidd. 61. 

582. Tïfv fiopiióvet] ook Vred. 474 
wordt het gorgoneion op het schild 
van Lamachos aldus betiteld. De fiop^iu 



ïtoó. 



82 

AAMAXOS, 

(legt iE^jn schild af). 



AIKAIOnOAlE. 

AAMAXOS, 

(keert het om). 

AIKAIOnOAlS. 

(pipë VVV a'?rh tcü xpdvovq f£üt rh Trrêpiv. 
AAMAX02, 
ËSS Tüwr) wriküv trou 

AIKAIOnOAIS. 
T-ïJ? KfCpijÉA^? VVV fjLüu Ka^üd , 

AAMAXOS* 

irrtMy yép icrtv — 

AlKAIOnOAIE. 

AAMAXOS. 



h een ^epock om kinderen tnee naar 
bed te jagen'*; ïie tijv. Theokrit. 15, 
40: Qtfx é^éS TV , TSKVQV fi&pfié f ^dxvêt 
"tTTwoql A\b tusscheDwerpael gelip^igd 
Ridd 693: «^t fj>iïv 6 na^XOryév QVT^a^t 

fjLs. iJ.opf4.è^ Tcö épéiTüu^l Vandaar jtiop^ 
fi,okvTT§^^at hangtnukt^ Vog. 1345. 
Kratüa 8, fj^&p^Qht/KSÏ^ vogelmr»chfik^ 
kers TbesiDoph. 417, fr, Ü7 pö 187, 
én in geleken dn t^ofifioptm^i'd Kikr^ 

584. T^ ^rrf^^y] rfie» vlem^el. La- 
macliofi plöTct er t^» treer (ttt/Aov) uit 
CQ reikt hem diie toe. Zie op 1082. 

585 TöPTj] zie 130, 

685. Vgl Wolk. y06: fltl^ff? TüVTi 

Kév*t». Kf&tinofl 251 ^üv (SltAu'^/^/iX 



fl-" !?;gf^^ I ^Tfpèv Tdtjc^ö^fi ''''* *'^* ^'' 
jffÉvtj'v etffyK^Tikf. Eorst nn bt^pijjpt La^ 
machos dat zijn arhild ondtirstbaven 
gfilegd nioe^t worden om Tour ^x^tf 
te dienen^ en dat I>ikaio|»oll9 de veder 
gevröagd beeft niet uit bewort deren de 
nïfinwBgieriglit^id maar om zq in tijik 
keel te »tÉ^ken — 1^1 el een bor at- 
fa a rn a b wonit op soortgelijke wgso 
Vrpd. 1226 volgg. de apot gfidrevea. 

588 l^amHchos wil zeggen i ^t/Aov 
yép èffT* ^rpovQov (zie llOB), dovik 
DïkaiopoÜR valt hem in de rede. 

539, KOfj.wojh.éxvBo^'^ ^ fJ-STk ttifj.<n-eit 
AoJtéfv fichoL* zeer juist . gelyk hM werk* 
woord xsfiTTQ^^elv kikv 961 bewijst. 
V*?rgeUjk 89. — Den otiden üoriatuE 
'é?iXKov JicAreetiwtin gebruikt Anstopba- 
ne6 Lj8. ööö. Kik? y?, Pint. 39 



83 



AIKAIOnOAIZ. 

,fjLviiix(iaq , & AxfJLXXS ' 
OU yocp %»T \ffxüv êtTTtv' el 5' Itrxvph^ eï, 
t/ fi' ovK i7r€\pè?^^ffxg ; evovXo^ yxp el, 

AAMAX02. 
txvt) xiyeiq cv rov <TTpxT^*yov WTcoxi^ oiv; 
AIKAIOnOAIS* 
(Rgst plptseÜDg uit z^jn deemoedige houding oyereind, werpt zijn 
armoedige plunje af, en stelt zich dreigend tegenover Lamachoa. 
Deze deinst ontroerd en angstig terug.) 

iya yap elfAi tttohxo^'^ 

AAMAX02. 

^AA^ tU yxp fT; 
AIKAIOnOAIS. 

OffTtg; TTOKlrug XP^^'^^^j ^^ ffTrov^ccpxi^'l^ $ 536 



(parodie?); ook het praesens ^^o-km 
Ach. 1046. Ridd 1018, futuram A«- 
Kvia-ofAXt Vred. 881, 384, zie ook 382; 
eindelgk Btoc^.ecK^a-uo'oc Wolk. 410 (van 
één barsten). Het perfectum Xshi^nu 
(?J?iêcMc) komt slechts b(j de Epici en 
Tragici voor, en das ook in parodie 
van den tragischen stijl, zie 410. 

591. Dit en het volgende vers is on- 
verstaanbaar; ov Kur^ la-x^v beteekent 
niet met geroeid^ Aisch Prom. 212. 

503. Dit vers is in tragischen stijl ge- 
schreven en waarschijnlijk inhooldzaak 
aan de Telephos van Enripides ont- 
leend (de tragicus kon bijv. schrijven: 
(TV rhv a-Tpaerttyèv ttojx^^ ^v ^éyst^ 
r^ie-y) Men wachte zich a-rpocniyÓQ 
hier door strateeg te vertalen; het be- 
teekent eenvoudig legerhoofd (zie Soph. 
Antig. 8, Philokt. 264, Éur Androm. 
696, Phoiniss. 1371, Hiket. 102 enz), 
en is dus de deftige benaming waar- 
onder Lamachos zijn waardigheid als 
officier (taxiarchos, zie op 672) aan- 
duidt in tragedie-stijl. Daar hy een paar 
maanden later werkelijk tot strateeg 
is benoemd, en dus nu reeds door de 
openbare meening als zoodanig werd 
gedoodverwd, moet het tweeduidige 
woord rrpeirtiyóf uit zijn mond een 



bijzonder komischen indruk y[) de toe- 
hoorders gemaakt hebben, 

In het hier opgemerkte lifft de wfter- 
legging der door MüllerStriib\u|r Arist. 

L498 volgg. aan dit vers vaatgeknoopte 
^houwingen, ten gunste vEin zijn be- 
wering dat de strategen -verkii^^ingeii in 
den winter vielen. Ware Lamachos, 
gelijk deze geleerde meent, even v66t 
de opvoering der Achamiërs tot stra- 
teeg benoemd geworden, fu wji^^ naar 
aanleiding van die beDOümiiig vera 
693 — 619 door Aristophanea op \ 
laatste oogenblik in het reed^ gc:re{;d 
liggende en ingestudeerde tooneelituk 
ingelascht, dan moest ver» 1073 aan 
het publiek als onzin klinken; ter- 
wijl dan ook Lamachos & e^ r e t met 
de zichtbare teekenen der atrategfin* 
waardigheid en daarna Rh eciuoiidig 
lochaag (of taxiarch) zou z^n tvpgtikumen, 
zoodat de tegenstrijdigheid onmof^elijk 
onopgemerkt kon blijven Bovendien 
vonden de verkiezingen waarscbynlijk 
eerst in Mei ^einde Mnnycbion) plaata, 
zie Gilbert Beitrage p. 7. 

596. a-^ovèeepx^^o] ^ gewone naam 
voor candidatus is ö-wov5iïp%/«g Xen. 
Symp. 1 § 4, a"7Fov^otpx^^^ ^^^^ ^^' 
ambt dingen. — Vgl. op G09. 



84 



ÊOO 



605 



AAMAXOZ, 

AIKAIOnOAIE, 

KüKKuyè^ ys rpèlq, 
TSiX^T^ ouv lyk 0'SêAuTTOfjLEvog ia-wfitrdfA'fjv j 
5pm TüKichq fjLÏy ^vtpmq tv rtzïq rot^^triv ^ 
vóxvixq 5', cTo? ffu Itaiiipc&xérix? f 
Tchg fih fiVï Bp^^iiq ^tfTêo(popQU)fTm^ rpslq ^pc&xp^itg ^ 
Tiost^êvoCp^iVi^iroyq , TLjLvot/p'yi^TrG^pxl^^^ ' 
sripouq ^è Tra pa Xmp^rt^ robq S' iv Xxotr^v^ 
V^py^Tüêectépöv^ , AiOi^êt»koc^évaq , 
Tovq y êv Kaf^xph^ xdy TiA^ tciv KiXTXyé^i^, 

AAMAXOE. 

iz^ipoTüv^ê'^iTixv ydp. 



601. èixè£SfiütéTXi(\ Iml. bl. 00. 
Kikv. 1014 noemt Aischylos zija eigen 
ty dgen ooien t ïu tegenEiteUiiiiEr met het 
nu Iflrcnd gea lacht, ysvvcclov];, xxi t£- 

603. Welke perse n en hicT en 606 
genoemd of onder verdiehte namen ftan- 
geduid worden j h oübckend. De gfa- 
iiïjgon van MüUer-Strübïng (Arist. p. 
5&9 volgg.) en GiJbert (Bei trage p. 167 
yolgg.) ncht ik onaanïietnelijk, en do 
acholia doen er eenvoodig een slag naar. 
Zeker is het intnsscsben . dat er werke- 
lijke, ülgümoen bfikende Alhen^rs wor- 
den bedoeld (hoe Muller en Ribbcck 
dat twijfelajohtig of zelfs ouwaaracbijn- 
l^k kunneu vindon, Ijegrijp ïk niet). 

604. De C h ao n ie rs worden al- 
lereerst vermeld wegens bun &titi x&w- 
xejv herinnerendfin naam ^ evenals Ridd. 
78; doch er ligt ook een liiBtoriBche 
toespeling in 5 2ie Inl. bl, ^1, - — Wie 
C h & r e s h weten wij niet ; ü^n naam 
moet aan %st^^^m berin neren , maar on- 
getwijfeld is desïe * Jan -plezier^"* toch ook 
e€n gesehiedkundig persoea, Zon Xép^Tt 
niet Terdraaiiug vqor Aa^gj^r* (Inl. 



bl. 21) zijn? Wesp. 836 wordt die- 
zelfde naam in AijSifc vcranSerd, 

605. dio/ifiaAsfrfvase] snoevers , po^- 
senmaJter^. In den demo-^ Dlom{?ia,met 
Xynosarges de noordoostelijke voorstad 
van Athene, was een Fermaard heilig- 
ilom van Herakles , waar een vaat ge- 
zelschap van zestig §ma-wTat vrolijke 
feeaten [] lacht te vieren; vgL Kikv. 
650: kipfiévTiTót I éwé^^ 'HpéK?,.siai rév 
Ai^fi^ht^ ylyvsTOii. Dit tafelgcnoot- 
achap verkroeg een ïoo groote bekend- 
heid wegens den geestigen luim die daar 
heerschte en de vermakelijke invallca 
die er ten beste werden gegeven , dat 
Philippos van Makedoïiië een verza- 
meling van hunne gra^vpen li&t byi^n- 
brengen (Ath, XIV^p. Ölé d, e m TI 
p. 2ÖOa> 

606. Voor de vermelding van Ka- 
rn a r i n a zie InL hl. 21. Tot het noe- 
men vnn G e 1 a is gesn andere aan-^ 
leiding dan dat deze sieilisehe stad een 
aan ysAzv herinnerenden naam heeft ^ 
vgl. fr. 718 y?r3 toü ■jiAwro^ 1^ 
TsAixv d^f^^fjLxi, Met Te Aa kat Kar«- 
yéAoL kan men fiot^^v xAi A^fiéx^^ 
270 vergelijken. 



85 



AIKAIOnOAIZ. 

cchiov ii t/ 

(tot de leden van het vijandige halfkoor:) 

viivi 7rs7rpiff(3êVKCig (rb iroKioq oiv; iv), 
ivév6V(Te' KociTOi y è(rT) cd^pav Kipyirvjq. 
tI i\^Av6piKVKKog KSvCpopliyiq tj lipivilvi^ \ 
sïiiv Tig viJLOóv TciK^aTxy^ Jj robg Xoióvxg; 
oS (p»(nv. iXTC è Kotffvpxg ko) Acifixz^^ f 

oU VTt' ipdvOV T6 KX) XP^^^ 7rpcJ3}jV TTOTS, 

uffTTêp xvóviTTTpov ÈKxiovTeq IdiripxG ^ 
&7rxvT€g ,,i^lffTa^^ Trxp^vouv o/ $/Aö/. 



610 



615 



609. STsbvl zie 822. 

— Map/AaJjf] deze en de hier vol- 
gende eigennamen zijn gekozen met het 
oog op het kolenbranders-bedrijf. Ari- 
stophanes pleegt aan zijn personen ken- 
schetsende namen te geven (vgl. op 220 
en 600). Omgekeerd gebruikt hij wer- 
kelijk bestaande eigennamen gaarne in 
hun letterlijke beteekenis; zie vs. 595 
volgg. ; evenzoo A m n n i a s Ridd. 570, 
Nikobulos Ridd. 615, Antileon 
Ridd. 1044, Phanos Ridd. 1256, 
Philoxenos Wesp. 84, D i o p e i- 
t h e s Wesp. 380, Drakontides 
Wesp. 438, Lysimache Vred. 992, 
Lys. 554, Aristokrates Vog. 125, 
Nausimache, Aristomache, 
Stratonike, Eubule Thesm. 
804—808, Prokrustes Bkkl. 1021. 

610. ivt] als deze lezing juist is, 
zal men moeten vertalen : k ^ k , ziet 
ge wel; een dergelijk tusschenwerpsel 
is echter van elders onbekend (wel 
staat Plut. 75 Ijv). Ik denk dat Aristo- 
phanes schreef 9roA<dc ^v 9ri A«i, daar 
de zin anders b\j ^v in de lucht bl\jft 
hangen; waarschijnlijk heeft dus Blaydes 
terecht vermoed dat in evif een tus- 
Bchengevoegd ivavsvst schuilt en dat 
het oorspronkeiyke woord daardoor is 
verdrongen. 

614. Koisyra, de gade van Alk- 



meon, geldt als type van een trotsche 
en prachtlievende vrouw; zie Wolk. 48 
en 800. — Welke jonge man uit het 
geslacht der Alkmeoniden hier als de 
nazaat van Koisyra wordt aangeduid, 
is niet zeker. Alkibiades, aan 
wien men in de eerste plaats zou den- 
ken, kan niet wel bedoeld z\in, daar 
deze volstrekt niet onder geldeiyke be- 
zwaren gebukt ging. Veel minder kan 
de dichter het oog hebben op M e- 
gakles, gelijk de scholia beweren 
(waarschijnlijk verlokt door Wolk. 46, 
70, 124, 815); deze toch, de moeders- 
vader van Alkibiades en oom van Pe- 
rikles, was natuurlijk veel te oud om 
hier met overmoedige jongelieden te 
zamen te worden genoemd. Müller- 
Strübing Arist. p. 623 meent dat op 
Hippokrates wotdt gezinspeeld, 
den zoon van Ariphron en broederszooa 
van Perikles; hij was dit jaar en de 
beide volgende strateeg en is b^ Delion 
gesneuveld. 

615. epévov"] zie 1210 volg. met de 
aant. 

616. i^óvtTrpov] waschwater; het 
bekken heet i^ovtTm^pi evenzoo wo- 
$otvi7rTi^p — vo^^viTTpov t AoOrpov — 
^oérptovi fr. 290 fuijrs ^roidvt^rrpov 
êvpoc^^ iKXtirs fiv^re ?\,ovrpiov. 

617. «J/o-Tft»] berg u. 



84 



600 



605 



Q-ü 3* 1^ Sroy Tip o iréXêpLoq (j^iT^apvlï^Q, 

AAMAXOS. 
iX^tpcriynTav yip pLi ~ 

AlKAIOnOAIZ. 

KiKJcuyég ys TpêJg, 

Tflv? fi>h fVï Bpi^xifi; fjLiaêo0üpQvvTstg rpsTi? ip^xf^^^ ^ 
T t^nifAs vü<p X i vIttttg y^f Uxvü vpy t tt ttc&px l^^ ^ * 
hipöug Tê TCLpx XdpnTtj Tohg S' h Xxé^riVj 

Toug ^' h lixptxph^ ndu Têk^ xiv Kxr^yix^, 

AAMAX02, 

èx^ipOTOv^é}j(yav yótp. 



601, hxh^p»KériK^'\ TnL bl. 20, 
KikT* 1014 noemt Aischylos zijn eigen 
tijdgenoot«n 1 in tegenstelling ra et het 
nu ieT^ad j^tsa lacht ^ yswaUv^ xxt ts- 

O 03* Tpf7; ^fiaxiJ'^^'] op 572, 
603. Welke peiaonen hier en 605 
genoemd ot' onder verdichte namen aan- 
geduid worden, Ï9 onbekend, He gis- 
singcti vaa Müller-Strübing (Arist. p, 
529 volgg.) en (xilbert (fieitrage p. 167 
Tolgg ) aebt ik cmaannemelijk , en de 
scholia doen er eenvondig een slag naar. 
Zeker is het intusschen , dat er werke- 
l^ke, algctncen bekende AthenerH wor- 
den bedoeld (ïioe Muller eti Ribbeck 
dat twjjfelaclitïg of zelfi onwaar^hijn- 
lijk kuïmea vinden, begrijp ik niet). 

60é, De Cbaoniërs worden al- 
lo reerat verraeïd wegens hoTi aan x^^' 
xsi^ berinnerenden naam , cTcnah Eidd, 
IBi doch er ligt ook een biatoTi^hc 
toeapeiing in; Kie InL bl. 31. — Wie 
Chares ia weteiï wij niet; zijn naam 
taoei iitan 5£;öfpijva;/ herinneren ^ lïïaar on- 
getwijfeld ia deze * Jan -[plezier'" tocb ook 
een gesobiedkundig persoon. Zou xépffri 
niet Terdraaiing voor Ai^ijTj (InL 



bL 21) zijn? Weap. S3fi wordt die^ 
zelfde naam in Ai^Sv? veranderd. 

s^imakers. In den de mos Dioiaeia,mÊt 
Kynoaarges de noordoostelijke voorstad 
van Athene, wa« een vermaard heilig- 
dom van Hcraklca j tsfaar een vaat ge- 
zelaobap van zestig ^i^s^S^rmt vrolgke 
feeaten placht te vieren; vgL Kikv* 
650: &^^éyTtu-st ] ê^TÓ^^ 'Hp^sxAf^iS txv 
AtoiJLiiüi^ y /y verse t. Dit tafelgenoof- 
sehap verkreeg een zoo groot* bekend- 
heid wegenB ilen geeatigen laim die daar 
heersehte en do vermakelijke invallea 
die er ten beate wefden gegeven» dat 
Philippoa van Makedonië eeo veria- 
meling van hunne grappen Het by^n» 
hrengen (Ath. XIV, p. 614 d, e en VI 
p, 260 a). 

606, Voor de vermelding van K a* 
m a r i n a zie Inl hi 21. Tot bet noe- 
men van & e 1 a ia geen andere aan- 
leiding dan dat deze aicilis^ihe atad een 
aan ysXB^f herinnerenden naam heeft; 
vgL fr. 71S ut5 tijC yÉA^ro^ «e 
Té^xv è^pt^ofjLxt. Het TeA^ xxï K«ra- 
yé?sx kaïi men f£i)£X^'^ ^^f* A«fiij;f«v 
270 vergelijken* 



85 



AIKAIOnOAIZ. 

CchtOV ?£ Ti 

(tot de leden van het vijandige halfkoor:) 

tiiii TTêirpifffSevKxg (rv TToXm oiv ; iv), 
iviv£Uff€' K^iroi y' io-r) a-d^pav Kxpyxrvi^. 
t/ ^\^AvèpixvKKoc; KSvCpopli^g ^ Upivti^^ ; 
êïiév Tig vfAuv riKJiciTav' j} rovg Xxóv»g\ 
oS (pxtriv, ^AA* o Kotffópxg ko) Aifixx^^ » 
oh vtt' ipivov ts tcx) xP^^^ Trpcpijv ttots^ 
u^vsp i'jróviTTTpov èKxéovTeg hTripxg, 
&7rxvT€g j^i^la-Tu" vup^vouv oi 0l?^oi. 



«iö 



QIB 



609. Irgov] zie 822. 

— Mccpi^A$vi] deze en de hier vol- 
gende eigennamen zijn gekozen met het 
oog op het kolenbranders-bedr^f. Ari- 
Btophanes pleegt aan zijn personen ken- 
schetsende namen te geven (vgl. op 220 
en 500). Omgekeerd gebruikt hij wer- 
kel^k bestaande eigennamen gaarne in 
hun letterlijke beteekenis; zie vs. 595 
volgg. ; evenzoo A m n n i a s Ridd. 570, 
Nikobnlos Ridd. 615, Antileon 
Ridd. 1044, Phanos Ridd. 1256, 
Philoxenos Wesp. 84, D i o p e i- 
t h e s Wesp. 380, Drakontldes 
Wesp. 438, Lysimache Vred. 992, 
Lys. 554, Aristokrates Vog. 125, 
Nansimache, Aristomache, 
Stratonike, Enbnle Thesm. 
804— 808, Prokrustes Ekkl. 1021. 

610. hvt] al» deze lezing juist is, 
zal men moeten vertalen : k \) k, ziet 
ge wel; een dergelijk tusschenwerpsel 
is echter van elders onbekend (wel 
staat Plut. 76 ^v). Ik denk dat Aristo- 
phanes schreef ToMbQ 2>v 'r^Auty daar 
de zin anders b\j &v in de lucht bl^ft 
hangen; waarschijnlijk heeft dus Blaydes 
terecht vermoed dat in svij een tus- 
Bchengevoegd ^vocvséei schuilt en dat 
het oorspronkeiyke woord daardoor is 
verdrongen. 

614. K o i 8 y r a, de gade van Alk- 



meon, geldt als type van een trotsehc 
en prachtlievende vrouw; zie Wolk. 43 
en 800. — Welke jonge man uit bnt 
geslacht der Alkmeoniden hier ah Je 
nazaat van Koisyra wordt aangeduid, 
is niet zeker. Alkibiades, aan 
wien men in de eerste plaats zou ckn- 
ken, kan niet wel bedoeld z\jnj daar 
deze volstrekt niet onder geldelij kc be- 
zwaren gebukt ging. Veel minder k&n 
de dichter het oog hebben op M e- 
gakles, gelijk de scholia beweren 
(waarschijnlijk verlokt door Wolk. 46 , 
70, 124, 815); deze toch, de moed era- 
vader van Alkibiades en oom van Pe- 
rikles, was natuurlijk veel te oud om 
hier met overmoedige jongeliedüa it 
zamen te worden genoemd. Mulkr- 
Strübing Arist. p. 523 meent dat op 
Hippokrates wordt gezinspeclil , 
den zoon van Ariphron enbroeders^uuQ 
van Perikles; hij was dit jaar eii de 
beide volgende strateeg en is b^ De Li on 
gesneuveld. 

615. spdvov] zie 1210 volg. met de 
aant. 

616. &7r6vt7rrpov] roaschvHtieri het 
bekken heet ^Tov/rrifp; evenzoo ttq- 
^ocvtVT^p — 9ro$^vt7rrpoVt AoCt^ov — 
Aoórptov; fr. 290 fi>irs ^ro^^vti^rfov 

617. ilhTu'\ berg m. 



86 



fl^O 



G25 



^T ^vitCX^Td; 



AAMAXOE, 

si ^n^önpscrU , rmTot 

AltCAIOnOAÏi;. 

AAMAXOZ. 
AIKAIOnOAlS. 

(Beiden af, elk naar z^jn woning*) 



PABABASIS VAN HET KOOR, 

(73. 626—718). 

KOPTOAIOS, 
Komination* 
^vijfp v^jfi^ rotni héyoitTiy ^ ««1 t^v SjJ/ifif ps^inxTTslên 
%'spï Tm ffTTOJ^im. éixk* Or'jrühóvTti; roti; d^xwahrctg ÈTrlo^f^iy, 
(Het koor maa>t een Kwemk beweging^ waardoor liet naar het pu- 
bliek gewend komt te fltaan). 

Parabasis. 
è^ CU ys Xüpüïtrtv èiPi^T^Ksy rptt^itcoH o S^SacrxatAö? ïJ/aöv, 



618. Wellicht parodïe ; het vers heeft 
althaD9 acD ^eni^zins tragische kleur. 
Sopli. Philokt986 ^ Anfiiffiz x^^^ 

523. Vgl 730— 72S. 

6Bö. Evennb kier, verklaart het koor 
aich ook Weap. ?ïJ6 en Vog. EiO a?er- 
ttiigd. 

637. èvMvTi^'] de koorlede a leggen 
dus kan mantels en itokkcD af. Zie 
Weip. 408, Vred. 729. Lja. 615. 663, 
6B6, Thtfsm. 6B6. 

C28. é hMiTHx^ü^'j ofïieiëei K a 1- 



1 i s t r a t o 8 (Ink hL 8); doch ëe be- 
doeling h 4 dat het pabliek deïe: woor- 
dea ca al het volgende 0[s A r i & t o* 
|) h a o e s xal Èoepaaseu ; gelijk ook 301 
door het koor namens den dichter ecu 
belofte fa gedaan, dïe niet door den 
k waai -dichter Kallktratos manr door 
Aristo[]haned 7.elf ket volgende jmr ia 
vervuld gev^orden. 

629 TTpo^ To Uotr^ov ^F&pm^^vm ia 
de etaande uitdrukking voor het tus- 
scheriLedryf in <le kümetiie, dat geheel 
buiten üe handeling staat en wmarbij 
da dicbter-zelf , of namena hem de koor- 



87 



a^ Kcofia^eï t^v 7réXivyiiA,m k») tov ^yjfjLOV kx6u (Spijst , 
ccTrojcphscSaci isJrai vuv) ^rpog ''Aêvivxiovg fjt>€TX0ou^oug. 
Cp}i(r)v S' eïvxi 7roX>^av dyxiuv alrtog vfiïv o TTOtyiTijg ^ 
Txv7oc(; vfixc ^€viKÓï(Ti xóyon; fiij Xlxv i^xwxToifréoti , 
livfV !ji€(Têxt êcoTrevofiévoug fAVj^ sïvxt ;^ö5vvö5röA/T«^. 

TTpÓTSpOV S' VfAXg XTTO TOJV TrÓKeOOV OÏ ITphfistq è^XTTXTUVTeg 
TrpOOTOV fjiïv lO(TT60XVOVg iKX?^OVV ' aXTTSti'^ TOVTÓ Tig eJTTOt, 



630 



635 



leider, zich rechtstreeks tot het publiek 
wendt. Vgl. Kidd. 508, Vred. 735, 
Thesm. 785. 

— èe^tó^] kna-p, bruikbaar, Ridd. 228, 
Wolk. 428, Wesp. 1265, 1315, Vred. 
190, Kikv. 1370. 

630. Van de ruxv^ov^ix en fisrx- 
^ov^fa der Atheners levert het tweede 
proces van Perikles (Thuk. II 59 volgg.) 
een sprekend voorbeeld op , insgelijks het 
ras herroepen vonnis over de Mityle- 
naeërs (Thnk. III 36 — 50). Terecht zegt 
Isokrates 15, 19 t^ ^ó^et Tro^^dxiq yar- 
efieAtia-e r&v xp/o'scov róov (ast^ èpy^Q 
jceet fx,ti f^sr" gAey^ov yevofiéywv, 

631. Tjfv 9r^A/v] op 516. 

683. ^9roxp/v6ö-fl«/J zich veranttooor- 
den, zie Wesp. 951, Thesm. 186. Eupol. 
219 èToxpivoVizoct 9rpd$ t^ xocrvtyo- 
povfjtsvec. 

633. Vgl. Wesp. 1017 &hxsi(rQoti 
yAp (p^a-tv 'TTpórspOQ 9r^AA' ecurovQ si 
TrsTrotijKWQ. 

636. %«t/vo9roA/T«e] evenals 104 %«t;^ 
vÓTrpcüiCTO^, afgeleid van Ksx^vévect (ygl. 
KSKpocyet — Kpuvyvi) , dus in beteekenis 
gelijk staande met Ke%ify«/ft;v 9r^A/$ 
Ridd. 1263. Men kan de samenstelling 
fitHpoTeo/iir^z (Ridd. 817) vergelijken, 
alsook iiot^pottrifFohir^Q Kikv. 1014. — 
Het adiectivum %tf{/vo^ komt Vog. 819 
voor (in de beteekenis van wijdgapend, 
bluferig) ; zie ook %ai/v«ö-/$ Wolk. 876 
bombast (van het verbum %«vvoi/v Eur. 
Androm. 931). 

686. Onder de hier bedoelde ^«2^9^^^ 
is in de eerste plaats aan Gorgias 
te denken, den beroemden sophist en 
rhctor, die namens z^n vaderstad Leon- 
tinoi in het jaar 427 naar Athene was 



afgevaardigd aan het hoofd van een ge- 
zantschap, en , grootendeels door zijn in- 
drukwekkende persoonlijkheid en zijn wel- 
bespraaktheid , bewerkt had dat Athene 
zich in de Siciliaansche aangelegenheden 
was gaan mengen. (Inl. bl. 21, 1). Tij- 
dens zyn verbl\jf te Athene sleepte hij 
de jongelingschap mede door zgne voor- 
drachten; Plat. Hipp. mai. 282brop- 
yiecQ ó Aeovt7voQ a'o(pia'TiiQ $sVpo ^Z- 

K8r0 dlJlZOa-^Ot dUo^SV 'KpSO'^SVOiV ^ diQ 

iKOcvwrocroQ &v Asovrfvwv rk xoiv^ 
'Tcpéirruv, Koti 'év re rl!t $^fji.tfi 'éBo^sv 
'tüptaru st7re7v wei t$i^e7rt$st^stQ votov- 
fASvog Mti o'vvoiv roig véotq %p)ff«dtr« 
9PoAA« eïpyxa-cero Ik rüia-^t rif 5 'pró^ewQ. 
Thukydides, Isokrates, Aga- 
thon worden genoemd onder degenen 
op wier letterkundige vorming hij groo- 
ten invloed heeft uitgeoefend; en z\jn 
onderricht geven bracht hem zoo be- 
langrijke sommen op dat hij een mas- 
sief (? vgl. Isokr. 15, 155 sq.) gouden 
standbeeld van zichzelf te Delphoi op- 
stelde als wijgeschenk. 

637. io(rrs<p^vovQ] Dit adiectivum is, 
evenals A/T(xpè$639, door den beroemden 
dithyrambos van Pindaros voor Athene 
typisch geworden; vgl. Ridd. 1329, Wolk. 
800, Eur. Alk. 452, Troad. 800, Iphig. 
Taur. 1180. Van dat gezang, waarvoor 
den dichter door de Thebanen een zware 
boete opgelegd werd, die hem echter door 
de Atheners dubbel werd vergoed (Isokr. 
15, 166, *Aischin. Epist. 4), is ons 
alleen de aanhef bekend (fr. 54): & 
reet Kifretpeti KOtt ïoa-ré^eevoi xai &o^t- 
fJLOt I "EAA^^o^ 'épsta-fjLoty K?<e{Voti 'A^óé- 
vect, $»tfzóvtov vro^fsêpov. Zie verder 
Nem. 4, 18, Isthm. 2, 20. OokPyth. 7 



88 

fl ié Tt^ vfictg üwoé&jTTsvtrxq Kiwxpkq ^istkè^etsv ^A^^vctq^ 
T«yra 'KQui^o^q '^oKKm èyo^^m cchio^ uf^li^ ^iyév^^ni^t , 



heeft PindaroB AthcoB met imi rul-wek- 
kende woorden verheürkjltt. — Kranaen 
van Tiooltjcs zijn zeer gebruikelijk; ^ie 
op 261. Een landbewouer pleegt in zijn 
tuin tvn violen-bed te kweeken 
Yred, 677. Ook bij «kn cÉvJeju^ ge- 
naAmdtan volksdans worden 4] vernield 
(AthenXIV 629 c)t ^üB fict rh fó^se-, -jföu 

Tftndaar noodt Piud&roa in een ander 
fragment f6&) de Oljropiërs aldus teo 
Teidana: '/Jer' 1^ ;goföv, ^Ö?ti/fiwiot^ \ 
'é^t re HAurkv wéfAwiTë x^9^^ è$&K j 

ÖHS. Op iiê êeenen loop&fi , 1^' sn^iav 
{^aütTéhoi^^ ©f lvó%m'j) pa^i^etv^ sprcfik- 
wijze ^ ^ea* kQog& èoni zet (en „ door 
Sopboklee Ai, \'È%% aldus in diehtrr^ 
taal o^ergebüaebt: ^ wqv rpst^^iQ av 

xéw^ iéitpa^v éSotwópst^^ en hier 
door Ariatopbanea oji koinische wijze 
nagebootat. (Zie verder Eurïp, Elektü, 
840 'évv^a^ êT^ ^povq a-réq^ Ion 1166 
Iv J^ U^fQiTt (Sitï ÏTÖ3-/, waar echter 
van overdrachtelijk gebruik geen 
Iprake is), 

639. M'Ki^pk^] op 687. Herod. Vin 
77 baalt een spreuk (van Bakia P) mn * 
waarin van de troepen van Xenc3 ge- 
zogd wordt* ehwiSt f4.miVQf4révifi AtTHtph^ 



640. Wanneer door den indicativus 
met 'xv wordt aangeduid dat ieta p t a e h t 
ti5 geschieden (scooals bijv. Pi ut, &8S 
Tolgg), kan daarmede, gelijk hier^ e«n 
voorwaarde verbonden worden in den 
optativus, door f? (dV^tï) inge- 
leid. EvÊUEoo pint. 1139: K&t fi^¥ 
ÓT^re Ti (TXÉvdjiitov rfld èsff'VÓTCtv | 
u^é Aüi\ iyè r' S.v XavMvstv 
I ff e /ö 1/ V af/. Men verwarre deze 
Gonstrnctie niet met binnen zooala 1S6. 
waarbij de voorwaarde steeds in den 
indicativuB komt te ataan. 

z&nd edmf ki^t sardines loarert. Aan 
dessen j^berts ligt een juiste opmerkiog 
ten grondslag: Ai-rrmpé^ beteekent oïgen- 
Igk vet-ffiüfts^t f/lmmend^ bijv, Vog,536; 
vandaar krijgt het* evenals mtidia, ée 
overdraehtclijke beteekcnid van i&elpa- 
rendj fraai (tegen&t. s^liX|l^p6^^ ^^X~ 
jtim) ; zie Ridd. 5156, eii op 671. — 
wEpiawTËtv evenzoo PI ut. 590. 

643. éq 5'if/i.i,] fr oe mj b^simtrd 
ioard^n; nl in de Babylonioi. 

647. Bij den aanvang van den oorlog 
maakten de LakedaiMoniërs jckh gereed 
een gcj^antschap tot den koning te zcn> 
den (Th uk, 11 7} ; ook in de volgende 
jaren ]fijn er ongetw|feld onderhande- 
lingen tusscLen 8parta en Suaa gevoerd 
(ygl InL bL 21). — Dat de disjhter 
hier niet ia er nat spreekt j behoeft 
voor hedeudaagache lezers wel geen be- 
toog; zio intnascben Tnl. bL 6, B, 



slrct Sè TOUTOv rèv TTOftjTitv Trorépouq sIttoi kxxcc 'jroKXi' 
TOVTOVg yip Icpjf Toug civêp(i7roü(; tto^v fiehrlouq rs yfvio-tf' »v 

Jciv T^ TTO^éflCp TO^b VlKViiTSlV , TOVTOV ^VfA^OVXOV ïxOVTXq. 

iia Tccvi^ vfix^ AaKeixifzévioi t^v eipvivviv TrpoKx/^ovvTxt , 
xx) rijv Alyivxv xTrxiTovffiv' kx) T^g vvitrov fih iKêhiig 

OU (PpOVtI^OV(t\ XXK^ 7vX TOVTOV TOV TTOlIjTViV xCpéXCüVTXt. 
^AA' V/ZSÏg TOt fJLVI TTOT^ X^ïjê' ' U^ Ka/ZCpillVêt TX iIxXlX , 

[Cpffffh y v(Jt,x(; TToAAi h^x^êtv xyx6\ oitTT^ svixtfiovxg shxi ,] 



650 



655 



653. Het dorische Aigina , sints 457 
aan de Atheners schatplichtig (Thnk. 

I 108), was in het eerste jaar vanden 
pelop. oorlog door hen in hezit geno- 
men, de bevolking verjaagd en de grond 
onder attische burgers (kleruchoi) ver- 
deeld geworden , zoo het heette tot straf 
dat zij door hun stoken den krijg ten 
deele veroorzaakt hadden (Thok. II 27). 
Toen Athene's macht gebroken was, 
bracht Lysander dan ook voor alle din- 
gen de Aigineten terug (Xen. Heil. 

II 2 §9). 

Dat Aristophanes (niet Kallistratos , 
zie op 628) met Aigina in verband 
stond, bl^kt uit deze woorden duide- 
lijk, doch niet hoe. Onwaarschijnlijk 
is hetgeen een oude grammaticns (Theo- 
genes, schol. Plat. Apol. p. 19 c) blij- 
kens de scholia beweerde: ^Jq ^v réSv 
ev tJ vifivcii xAtfpovx^o'évTuv (in het 
jaar 431). Dit is onaannemelijk, — 
niet wegens de jeugd van Aristo- 
phanes, gelijk men heeft gezegd, im- 
mers hoe oud hij b\j het begin van 
den krijg was weten w^ niet (Inl. bl. 4, 
1), — maar omdat dan de teruggave 
van Aigina voor hem juist het sein zou 
moeten wezen om naar Athene terug 
te keeren. Ik vermoed dat de dichter 
op dat eiland familiebezittin- 
gen had, maar dat 6f h\jzelf 6f zijn 
vader te Athene het burgerrecht had 
verkregen; dit laatste is intusschen be- 
streden geworden, daar hem (waar- 
schQnltjk na de opvoering der Ridders) 
een ypx^ii ^eviuQ is aangedaan gewor- 
den op aanstoken van Kleon. Vermoe- 



del^k slaat dan ook op hem Ëupolis 
357 : ^ rt TTOtHvrsq rovQ | € v o w $ 
jLtèv Agy^TS TTOivirk^ a-ocpovQy \ l/v $é 
riQ róSv gvÖ4J' xvroO fzufBi 'èv ;ij67pov 
<PpovóSv I e-rtriêijrcci r^ •roiija-siy vivv 
$V)C87 KotxéÜQ (Ppove7vy en was ook Te- 
Icklides 43 (meestal op Perikles be- 
trokken) tegen hem gericht: 11$'' ut^ 
AtytvijQ v^(rov %«pf7 Joö/ijvoc ¥%«v tö 
Trpóo'üi'rov. Hy zou dus van de oud- 
dorische eilands-bevolking a&tammen, 
waardoor zijn sympathie voor de La- 
kedaimoniërs en zijn afkeer van de 
Atheensche demokraten gevoegelijk wor- 
den verklaard. De naam Aristophanes 
was op Aigina inderdaad inheemsch, 
bl^kens Pindaros Nem. 3, opgesteld 
ter eere van Aristokleides den zoon 
van Aristophanes uit Aigina. 

Naar ik meen, staat met de be- 
twistbaarheid zijner burgerrechten het 
zonderlinge feit in verband, dat hij 
voortdurend z^n stukken aan anderen 
ter opvoering a&tond, zoodat z^n mede- 
dingers hem vergeleken met een Ar- 
kadisch huursoldaat (Plat. 
com. 99; $t^ wfv/av Suidas i. v. 'Ap- 
K^$eci fztfjtovfisvof en Eustath. 302: 
lees h^ |«v/«v) of, iets eervoller, 
met Herakles (Plat. com. 100, 
Aristonymos 4, Ameipsias 28, Sanny- 
rio 5), die zich altijd aftobben voorden 
roem van anderen. (VgUInl. bl. 4, 1). 

656. De dichter kan niet geschreven 
hebben: cptfo-tv éfji&Q ^oAA^ $t$^^siv 
diyecQ^ . . .rk ^é^rto'Ta dt$da'xuv. Ver- 
moedelQk is 656 een overblijfsel uit een 
andere bewerking. 



90 



670 



Pnigos of makron/ 

rh y iif êu ju^t' êfJLCu zat) rh iixotiöv 
^vfi>f£.s£.xov ïiFrat, KOU f^ii TTüê' éxè 

TTSpl T^V wiKiV diTf cétTTTip êKsTvoq 

htkog jc^ï Ki»KiStTx^uy&iv. 
XOPOS. 
Ode of fltrophe. 

ehv f| xvép^Kösv TTptvlvcav 0é^mhQq é¥nXmr\ spEhZ^pLsvGi; 
ol ii Bxtrixv évc^Kvxêófri ?^iir»p^f4,7rux& ^ 



653. Hc^rép^m} letterlijk dfe^ïkefi, 
mei mthf v^rzadi^tn^ cvenala h«t sim- 
plei (Eidd. 0ti enz); vandaar over- 
drachtelijk d& sfroopkuyasi hani^^rên^ 
hoaii^ om dem mond amsarsn. 

6ö9. Deze alot-dimetri xijn nagenoeg 
onveranderd aan Euripidea (fr. 910) 
ontleend I ^po^ T«i?Ö' b Ti j^pty jcaji fr^- 
A«^iëa"Ö« I x^t TT^v Iflr' l^o^ tsktxa- 
vis-iv* I rè yè^p §^ fier kf4.Qv tsxt to 

'W&^^ é?iê3 Hxxk 7pJ<ra'brv. 

— wpè^ TüÜTSij by een i m p e r a- 
tivns gevoegd, duidt aan dat de 
spreker voor geen gevolgen meer te- 
rngdeinat, dat k'^ over alles Jieen ia. 
Zaai hij dan uu maar..*. Zie Wolk. 
1433, We^p. 1386. Êkkl. 851, Aiach. 
Prom. 903, 1043, Soph, IL Ö7l, UIS, 
131*% Eur. 5fcd. 1368, Phoin. 531, 
Xea. KjTop. IV 2 f 26 enx. {Cobet. 
Kot. Lect. 2T1)- 

661* ro eV] tTügïsche mtdrnkking : 
Aisch. Agam. U9, H9, Sopb- Phil, 
1140, Eur. Haz. Hflrakt. 694. 



afaa 2j 10 rl h^aaiov 'ixovreg a-u/tt- 
fi^XO^ £v/K&rv jud:;^é)'f£fv0j^ 

662. uv /uff 7ffd' ^Aft^j ^ tJt ^&s^ 
gêvaar daé ik Mij ooit ais ^^» smt^erU^ 
Je^mti de ^fad (op 515) s^tl gedfftffm^ 
somh kij. — Het pleehtig klinkende 
woord h^i.K&tx^'xvywv , van ouderwetaolie 
vormi ng (ge I ijk K^pi va g , A^fjLaxo c )j, en 
aan het einde van deo pELroimiakosTiiet 
vollen nadruk geplaatst , maakt een 
recht dwazen indrnk door de BehrlUti 
tegenatelling tuu^ehen vorm en betee- 
keuïa. Hesjch. Aa] M tov f^^ydAQv 
Jfüti toi/ ?\i&¥ BTaa-asTB. 

667. s|ii\|/d!A4ïf] zie 279. 

66 Ö. oi^piü^^ t/unstiffj epitheton van 
den wind, hier toegepast op tï e blaas- 
balg, ^t^f^(SBB, Kikv :i60. EkkL.842). 

670. £Trc£v^piXHi$sq] &t£k*Ji^rdij^s i ook 
Wesp. 1137. Het bijlehoorcnde verhnm 

1&46. Ivikv, 606 ï de op 86. 

611. ©ajf'iïv] n].UKfiijv, een bekend 
soort visch-aaos {-^Mayonnaiae"), nol; 
y Kralin. ft vermeld. Acistoph. fr. 3^6 



91 



iypOlKÓTSpOV y 

éq èfih X»fiou<rx rh ^Yifiirviy, 676 

Epirrhema. 
oi yipovTsg 01 'TTxXotm fisfj(,^ó(A€(r6x tjJ ttó^si, 
oif yap i^lag èKslvav av ivxvfi»x^^^f^^^ 
yyj po (Soukou fjf.€(rd^ vCp^ CffiSiv, oiXXoc istvx Triax^f^^^' 
otTivsq yépouTotg ciu^pocg ifJL^xKÓvrsQ êq ypxCpxg 
ÖTrh ve»vl(TKav ixTS KXTxys^oiffêxt piiTÓpcov y 680 

ovih ivT»q ixxx KuCpovg kx) 'jrxpe^^vXvifAévovq ^ 
oïq ïloffêihSóv iff^xKeiiq i(TTiv j} (SxKTijplx' 
TOvdopvKovTse; 31 yyipc^ rqS Kidcp TrpofféfTTXfisv , 
oifx ip^VTsg ov^sv eï fiii Tijg ilxrig r^v vjXvyijv» 
5 is, vexvlxv exvT^ aTrovicia'xg ^vvviyopeïv ^ 685 



rptx^^v ^ve^^êti. Zie ook Wesp. 
328—331 en 1615. Het adiectivnm 
XiTOtpéilJLTrv^ met glanzigcn haarband is 
door Pindaros Nem. 7, 22 van de godin 
Mnemosyne gebezigd, als samenvatting 
van de homerische uitdrakkingen Kiiect^ 
xpi^Stfzvcc (« 334) en fjtoVa-eet xP^^^t^- 
TTVKtf; (Hymn. 6, 12, Hes Theog. 916), 
Xpva-éi/jLTvxe^ ^Slpcet (Hymn. 6, 5). 
De 'tifiTV^ is een metalen voorhoofds- 
hand, en wordt ook aan het hoofdstel 
der paarden vermeld (E 358, 363, 720, 
882). Hier past Aristophanes dat 
hoogdichterl^ke epitheton op de sar- 
dine-saus toe, bij wijze van vervolg 
op ztjne schertsende opmerking van 640, 
dat het Pindarische ^êiFupÓQ een beter 
epitheton voor een sardine è Vhuile is 
dan voor een stad. 

675. êtypoixÓTtpo)/] deftige, epische 
vorming voor êtypotKov, De comparatief- 
uitgang moet worden verklaard evenals 
in &y pÓTspo^, hpéa-repoQ, d^Waépvi 
en dergelijke bij Homeros (zie Taai- 
eigen d. hom. ged. § 11 aanm. 6). 

676. lASfK^ótisff^a t5 'jFÓhet] In de 
Wolken vangt het epirrhema evenzoo 
aan, 575 : S a-o(^&ruroi èsotrxiy $gVpo rbv 
voCv Trpóa'a'xtTS , | ^^êtoifjUvett yitp Cf/jv 
f^fi^ófitc^^ svccvrtov.Zie ook Wesp. 1016. 

681. 7Fetp8%'^vh'mAévov(^ waar het ge* 



luid uit is : iJLSTSvi^vsKrott ^Td ré3v yhoiv- 
a-i^uv réSv ev to7q cthhot^ (schol.). Men 
zie de beschrijving die Aristophanes 
Bidd. 531 volgg. van z^jn bejaarden 
mededinger Kratinos geeft: vt/v? J' 
vyLsiq ctvrhv épQvre^ 'reepoi^.iipoüvr^ ovk 
s^selrSy I eKviTTTOvcSiv rüv vi^Krpwv 
KOU ToG róvov ovKér" evóvroQ | réSv ö' 
épiiovtüv ^tccxoca-KOva-éSv ' ^AA^ yépuv 
cüv 'Ksptéppet. Daar wordt overigens de 
beeldspraak aan een lier ontleend, 
hier aan een fluit. 

682. De oude mannetjes moeten hun 
vertrouwen stellen in een stok, als 
in een soort van Poseidon &a-(^&XstoQ 
(hier letterlek opgevat : degeen die het 
uitglijden verhindert; zie bijv. Wesp. 
1324 o'^otPiPiófjcsvoQ TTpoffépx^feet daar 
komt hij aanwaggelen), 

688. TovSopv^ovTSQ^ knorrig m(ya^t&- 
len, brommen, ook Wesp. 614, Kikv. 
747. 

— TiSl A/ö^] = T^ ^ijfiMTt; evenzoo 
Vred. 680. Bkkl. 87. Hierop berust de 
woordspeling Thesm. 629; zie ook Ridd. 
956. 

684. fi^vyffv] verduistering; vandaar 
het verbum IfriiKuyAl^stv beschaduwen 
(Thuk. VI 36, Plat. Lys. 207 b; Ruhnk. 
ad Tim. 117). 

685. ó $ï] namelijk de beambte (ypetii- 



92 



Antode of antifitrophe* 
rxuTüs^ wm axèrst. , yèpoyr* èwükhmi ^ -jroA/Sy &.vtpsi ^ 



fiiitr$ó^ o! éjroyf{iif4.fJ.^r$vQ t Kikv. 1084) 
die dB vervolging tegen des ouden man 
instelt wegens uehtËrstallige gelden. 

hetift ^e^orgd dat de b 1 a a t a - a d v o- 
k a at in dit procÈa, de ^vv^yopo^ (715) 
eea jonjc tnan is, een zijner tijdgenOD- 
ten eii vrienden, tm^yopoc lieetdegeen 
die namens den staat de aanklacht 
doet. Vgl. voor dit en de volgende ver- 
zen^ Wesp. 6Ü1 volgg. : xvrè^ èè ^éf£i 
TQ iFvvviyQfitteJov , 1^3% ^ïjv , «^v lierrspo^ 

'jfAJ)]. I KCCt KOtVÜlVÓlV TOFli' èpX^^'^^^ 

«rl^j^ Ttvi Téöv (4§é' iscvToC , \ ^V Tiq 
Ti ^iSt^ tMv ^£t/yévTCtiv T ^vitéévTS rC 
wfiayfJLJt Ji/^ 'évTS \ èff7row^iiiii£Tov' x^é\ 
&t^ '7rpUv^\ é ii,ïv 'i/^KSt , ó è^ atvTsvé- 
èufxsv, Aïvdokid. é, 33 rBv viwi' stt ^*a- 
Tpt(^xt avK sv To7^ yv^vaa-toi^ iiAA* 

syrsii f£Ïy oi '^fST^urs^iSi j, ^y^^^^yü^ovij-t 

y üi VSittTEpOt , 'JTXfSièslyfJ^Ti ro^Ttfi 

(nl. AUdbiadea) ^(tüifjLevoi^ 

686. De welbeapr&akte jonge ^labte- 
naar, g^tetind door zijn even woorden- 
rijke» vriend den at aataaank lager, richt 
een welen derho oden anelvnur van klin* 
keode volzin aeu op zijn overblufte Ie- 
ge&party. Met 1^ réxQ^ 'Jraciêt verge- 
Ijykc men eq rd^^q ypdipeiv snt^lscArij' 
imt (teg. ^c KéhKQq ypa^Eiv ^cAmm- 

hitrdsi rtjden.. 

6S7. s-KmvèdAii&fev rolgeuB de aclloL 
= (ÓTTT pov (van §é^Efv\ ü. w, 7. het 
peanetjfl dat een opgézetti! vogelknip of 
mnifenval openhoudt , 

388 r Tièitivov^ OMde jial; Fhiloaides IQ 



vvvt 3è Kp^voy umi Tt^ütvoG ^arjrfw/- 
3r37rxo; v^vé^ttrrm. Ar. Wolk, 938 '\ 
ühx^ ^ili^f^^ ToÖTov KpévQi^ Uv. Zift 
ook Wolk. SUS. 998, IO7O, Wesp. 1480, 
Pint. 581. Üe aüge van Tithoooe, den 
aehüoöcn trojaanachen prina (hroedfcr 
van Priamo3)j die door Eoa geroofd 
werd Bü op baar verzoek doorneus met 
onsterfelykheid werd begiftigd, maar die 
helaafi daaiblj niet de gave der eeuwigft 
j e LI g d bad eatvaogen , wordt Uymn, 
Vener. 218—340 verhaald, 

— fl-^jffi^TTftjkf] het cigenlyke werk- 
woord voor dartele jonge honden^ 
Vred. 641 toÜtüv ïa^TTsp Kvvtèi^ htrwm- 
pérr^rs. Hetzelfde beeld gebruikt So* 
krates Mj Flato Polit. VU h^^hi ni 
^tpfüKtiTKat , Hrav tq wpStTov AdiyfitfV 
y^éif^vTBLt^ é^ Tee^tëtM s£vro7i x«T4t- 
XP^vTxty acsi fi^ ^vTiKoyfav ;^p»/^f- 
v&t^ Kxi (Hfj.o^f£$itut T01/5 l|gAégr'^öif- 

föfTff ëa-WÉp ifKti^KiX rüj li?\.Kitv re 
Kfltï o-'jrapdTTWif tcSi Kéytfi Toiiq ttAij- 
ff-Uv msL VgL ook Wesp, 704 volg. 

— rmpdrT£tv en kukxv ook Ridd, 
gal, 692, Vred. 3^0, 6&4 verbonden. 

689. fi^iTTXpv^ei] smskh'H; h^ kan 
niet uit zijn woorden komen ^ zoodlt syii 
tijd èm is eer hij zieh behoorlijk ïieeft 
kunnen verdedigen, 

690. A^I^EfJ suikkm^ 

693 '^$pt ahê^vèpatv] para pro toto. 
De wdUrU^&per (een trecihtervormig vat 
met enge opeaing van onderen) volgeuB 
welken de tijd voor aanklacht en ver- 
dediging werd toegemeten, is een ott- 
misbaar meubel ter gereehtszaal. Zoo 



93 



»vip^ oiyxdh ivT» Mctpxóuvi Trsp) tviv tJA/v; 

VVV S' vtt' dvipcüv TTOvyjpuv ffCpó^poi huKÓfzeóoCj k^tx 

Trpog Ti^s t/ ivTêpeï Moip\}jlxg ; 

Antepirrhema. 
T^ yip eïxhg xv^px KuCpov, yjxlxov 0öVJCüS/5)f v , 
i^oXi<r$xi ^\j[A,TrXXKivTx Tij XKuêuv êp^ifil^ , 



695 



700 



?0K 



wordt van Philokleon Wesp. 93 gezegd 
ó voüt; xérerxi rifv vvktcc Tspt rijv 
xAÉi^t/^pav. Zie ook Wesp. 857 en de 
allegorische beschryving van het syko- 
phanten-ras Vog. 1694 volgg. Ook een 
bron op de Akropolis draagt den naam 
van Klepsydra (Lys. 918) ; daarop wordt 
Vog. 1.1. gezinspeeld. 

697. Vgl. 181. 

699. Met de woordspeling in dit en 
de beide volgende verzen , op de dub- 
bele beteekenis van $tuK€tv en ^/pg?v 
{dxfffxottetï) berustende, vgl. Wesp.1206, 
op 215 aangehaald. 

701. irpho] bovendien , ook 1229, Ridd. 
401, 578, Wesp. 1420, Vred. 19, Lys. 
628. 1288, Kikv. 415, 611, Plut. 1001. 

702. Marpsias, Gr\jpvogel 
(van fz^pTTTstv), waarschijnlijk een ver- 
zonnen naam. Volgens Müller-Strübing 
(Arist. p. 326 volgg.) zou Ktesias 
(839) bedoeld z^jn. 

703. riSl y^p sixoq] evenzoo Thesm. 
889. Wolk. 886 rovrt ripxP*! ''^ta'rsvstv ; 
Plut. 48 T^ roüro xpivstQ-^ 

— De oude Tbukydides, die 
b^ zjjn proces plotseling a^^TAifKro^ 
Tic yvéiiovi en dus in het spreken 
verhinderd werd, wordt ook Wesp. 947 
vermeld. Overigens schijnt het een on- 
bekend burger te zijn ; althans de wijze 
waarop over hem wordt gesproken , als 
over een onvermogend oud stumpertje 
uit de volksklasse, is niet wel veree- 
nigbaar met de onderstelling dat Tbu- 
kydides de zoon van Melesias, de be- 



kende aristokraat en politieke tcgcQBtan- 
der van Perikles, zou worden beiloeld, 

704. De Sxt/fl^v lpif/it/«,spreelr woor- 
delijk voor een w o e s t ij n, wordt hier 
vermeld met toespeling op den jongen 
staatsadvokaat Euathlos, die Thu- 
kydides had doen veroordeel en tot de 
hierboven bedoelde boete. Deze Euathlos 
gold nl. — terecht of ten onrechte — voor 
een half-bloed, dus een niet-burgor , 
een ^^pficcpoQ^een Sxwóifceen to^óthq. 
/«Komt het te pas" vraagt het koor -dat 
//Zoo*n grijze Marathons- held -ils Thu- 
/.kydides, die eenmaal de dicht o peen - 
//gepakte benden der barbaren als een 
«/kudde vee voor zich heenjoeg, nu op 
«zijn ouden dag gevaar loopt lu het 
«barre Skythië eenzaam te verüügcluk- 
z^ken?" (De bij Hesychios gege\' en ver- 
klaring van ZxvdéSv ip^iix = plot- 
selinge machteloosheid aclit 
ik onjuist). Over de gedachten -verbin- 
ding ^éip^ccpOQ — Mmq — TöJdTif ï ^- 
^KvQiiQ zie op 54. 

Euathlos wordt ook Wesp. E92 ver- 
meld, en fr. 362 'éa-ri rtq vovnfo^yifiiv 
TO^ÓTiiQ %vvviyopo(i\ <Cto7q yépüvfTiv^^ 
Üa"jFsp Ebotê^.oQ Tecp^ vfuv rol!; v/oj;, 
Hij was een leerling van Protagortua, 
en als eerste proeve vanzijnrhetoriselie 
bekwaamheid leverde hij, volg;ena bui 
bekende (ook wel aan de namen Kottxt 
en Tisias geknoopte) verhaal, het be- 
wijs aan zijn leermeester niets ach ui dïi^ 
te zijn (A. Geil. V 10). 

705. De vermelding van K e p h i- 



96 



^fA$i^T£ ^oTTètf mUxv, 3i( X supnrè ?r^. 

IvOPA. 
SfSS %ê7rpa<Fè&i ^ 'jrewpaiFÖau 

MErAPETZ. 

iyèyyct Ki&^ré^ (pxfAi. rh S' öutw^ aJi^oy^ 
óg ufié Kx wptxiTQj 0xv£pxv ^dt/^kï^; 
^AA' fiTT/ j/i^p ^0^ ^eyaptxé tu; y^o^xmi, 

(Opent een zak, dien h^ op den acliotider lieeft meegebracht), 
740 ^eptêitrêê rd^h rkq QwXkq Tm ^öip/wy. 



hn met 267 volgg., waar in dqiaelijkc 
Woorden gezegd wordt dat wij te Ac h ar - 
nflï ziju. Ik zie niet haedie tegeostry- 
digheid anders dan uit een dabbe ie be- 
werking der komedie kaa worden ver- 
Maajd Een dichterlijke vrijheid kan het 
müeilijk heeten, omdat duarioe gaen 
aanleiding is; men Ferwacbt juist 
dat Dikaiopoiis^ nu bij eenmaal ia te- 
ruggekeerd op zijn boeve waarnaar bij 
200 verlangde, daar ook blij ven ^al, 
om {Jaar de zegeningen des vredea te 
genieten. 

730. rèv ipi%gif] al. A/at, Meaander BS 
(AOipTvpofAiSit Tüv ^fMov^ m Kpérmv A& 

732. ëf^^itrs} vgl Kidd. 149, Wesp. 
1341. ^ 

— ^«JSöjy] ook 8^5, vaor jtiaf^v 
(van 14Att«}^ du3 = fjuk^sty lo bet 
plat-donaeb beantwoordt 53 dikwyls 
aan Attische ^^ tw x^i^^^^^ 734 
ipavraSao^dti 823. 7^ï^/4vii^|ötf«/ Lv& 
82, iTQTéUst Lya. 306, 

73 S. rèv ya^Tf^df] voor tov vcty ■ 
Msteri ton mei open mae^ ; ïUM, 12^7 
Ti aif hixsifivwfc, A^fi\ éTTérepéq £tm 

yatTTspm. De regelmatige confltructie 



liidd. in 14 ^leauf Jif VVV nai -rpóirsx^ 
rèv voGv èfiül. Zk verder "Wolk. 575, 
Weap lOU, Vog. Ü88. 

737, tpdsifepiy ^afjLtav] sclmdc tfoor 
d^ fmnd; Lysistr. 260 yvi/mlx^^^ S; 

In de uzelf den /Jo als hier staat ^^f^m 
Vrcd, 1226, Pliit. 1124, AntipbaacB 267 

TSii^ I rh wpoÏK èiTQ^stveiv h^rt ^yepk 
f;j^/df. Plato Hipparch. p, 226 e xiph^ 
héyst^ hxvTlo^ r^ ^^fjList^ — 'éyanyë. 
Zie ook Aleïis 5Ö, Lyaiaa $2 § 21, 35, 
29; isokraf. 3 f 50, Xenopk. de Vectig. 
4 J 5- Oikon. 1 S 7^ Comment. 11 a 
^ 3 en 7, 11 7 J 9^ Kyrop, Il 2^13, 
UI 1 M6. 

7HS^ Een fisy^pixit fiijx^vis h een 
platte of ruwe boert, ia te^natelUng 
van èa-TEta^ Joci urèafti. Aon Ari- 
stophanea werd ef?n paar jaar later door 
Eupolis (fr. 244) verweten dat een grap 
van hem (weliicht juist deze Megariër- 
5cfene) een ff«^/i/yt' xirshyii; nai ^s- 
yxpiKèy waa; daarop xinspciende laat 
Ar Weap, 56 een akteur tot het pu- 
bliek zeggea: m waarde i&êhoonhts. 



97 

iwpxr»^ TSipxffsTffde rig XtfMÜ KaKag. 

4aa' AfiCplöêffSe Kx) rotSi Tx ^v^X^^j 

KviVêiTev h rhv (riiocov ay hfixlvsTS, 745 

OTcag ïi ypuXi^eÏTi kx) Kottere 

(Beide meisjes, als biggen verkleed, kruipen raggelinga in den ^ak, 
waar alleen de snuiten en voorpooten uitsteken). 

iyiav Si Kxpu^u AiKXiÓTro^iv oiccf. 
AiKXiÓTTOXig ^ Jl Xifiq Tplxffêxi Z^^pl^i 

(Dikaiopolis komt naar buiten)* 

ZESTIENDE TOONEEL. 

Megariër, de beide Meisjes, Dikaiopolis. 

AIKAIOnOAIS. 

t/; xviip Meyxpixóg; 750 

MEFAPETS. 

iyopx(TÓvVTiq tKOfisg. 
AIKAIOnOAIS. 

MEFAPETZ. 

hXTêtVXflsg is) TTOTTh Tup. 

AIKAIOnOAIS. 
^AA' ^Sv TOt vil riv A/', ijv _xu/,hg Tcxp^. 



^ttiet spannen f maar aan den anderen 
mkant hehoeft gij toch ook niet te 
1, vreezen dat wij u op straatuien zullen 
„onthalen"', — /itif Jèv Tcap* vhjl&v tf^oo-^o- 

HsyeepóQsv Kgx^sf^fJtévov". 

743. T&Q ^tfzoV] Dorisch, ó P^ifiÓQ 
Attisch. 

744. Uit Pherekrates 102 schijnt te 
blijken dat deze grap reeds meer was 
vertoond: w$ ow%/ rowr/ fvyxo^ eirs- 

747. Bij de inwjjding in de Eleasi- 
nische mysteriën (in de maand Boëdro- 
mion) werd een speenvarken als offer 
gebracht; Vred. 374 èc %o<p/<5/^v /l6o/ 
VVV $tiveta-ov rpelt; $pccxf^<^Q' \ ^f' y^P 
liu\^^vivcti fjLS Tptv Tsivtjttévxt. Kikv. 337 
treft den slaaf Xanthias bij de feestvie- 
ring der ingewgden in Elysion vooral de 



gear van gebraden varkansvkcach: a 
'TFÓrvtx 7ro?^VTtfZiire Aif /xi^rpo^ «tfpi^ , | w^r 
il$v (jcot Tcpoa-éTFveva-s ;^ö^pf/a)ï x^üïSt^, 

749. A^c] ook 766, 772, 776, 788, 
814; evenzoo Aéo Lys. 981, 1LT4; Mêfis^ 
Lys. 1162; AïfTff Lys. 1105 i ?.^^ is 
Dorisch voor gfleAe/v : bij Epidiarmoi b.v. 
komt het veel voor. Da tragici gebrui- 
ken den vorm A^$ enkele malen. 

751. ètccTTStvxfJtsci] Het toppqnt vaü 
boeren-gelak is, ^rpöc t3 ttvp Ztotwi- 
vovTOiQ Kxt svuxovfjiévsvii (Plat. Po- 
lit. IV 420 e) een winteravonil onder 
gezelligen kout door te brengen met du 
zijnen {cum /amulis opernm sülafië Hor. 
Od. III 17, 16). Zie Vred. 1131 ^/so^ 
'Kvp ^léXKuv enz., en do ïiardige anhil- 
deriog ibid. 1140. De Me^aTiËrs du 
zitten aan den haiselijken haard maar 
altyd door te... verkongercii. 




756 



750 * 



98 



MEFAPETS. 

AIKAIOnOAIS. 

MEFAPETS. 

ei ^dvi 
AÏKAIOnOAIS, 
Tl 3' ^AAO Mi^iXpQj; ^wq O WtT^q mmi 

MEFAPETS, 
Wi&p* épCi 7rókuTif4.^T0i; ^Tfp Töi éeül. 

AIKAIOnOAIX. 
^A^? üu\f (pépei^; 

MEFAPETX. 



AIKAIOnOAlZ, 



753. S&e g€tat hei u overüfensi* — 

ZöG JSOO. 

757. w^eeyfiérm] op 269. 

— a-« fiév J = rha /t*tjv ; Attisch ri 
fin^ij^i ftKi wasrt wai^rom nieifZ\G 
poIe 784, SchoL Hom, A ïïU Sa-a-a] 

Aiyov, rè & ^/iS^a^ «at? ra s'flf Heyx- 
pm^v ^ifAd^n' t5 Tisfa. ^ Deze verklaring 
is in hoofdzaak juï^t] ÜcVo-a of d^rr^ 
staat ^oor êi-^ict — x-Tjei). 

7B8, ^dtfï] hier = ^és-ov. Bidd. 480 

7B@. ^cAur/j^i^Tff^^] gewoóülijt, even- 
als hoog^mchüt^ ÏD overdraehte- 
l y k e n ^ltï gebeïigd , l^epaaldplijk van 
de goden, ïie B07, Eidd. 1390, Wolk. 
269, Wesp. 1001, puz. Slechts bij uit- 
Eouderïng staat het in sdju 1 e 1 1 e r- 
1 Ij k e beteckenia ^ t/jui^^ , ko^t^&^r ^ 
h^jv. fr 344 (Inl. bl 12, 3) ttöT^ut/- 

760. De Atheners hielden sints het 



jaar 427 Kisaia, de haven vaa Megaffl|. 
van uit het eilatK^je Min on geblokkeerd 
(Thiik. 111 Ël), zoodat het ongelukkige 
ataatje, elat van de land7ryde telkens 
dooT verwoestende invallen der AthetierB 
werd geteisterd ], na ook geen toevoer 
van levenamïddeien ter ;:ee kon verkrg- 
gen en i&\ïfi van s^\jn eigen zout- 
groeven was afgcaneden 

7fil* Uien en knoiook werden in 
Megaris oveivloedig geteeld, zoodftt 
zelfs de Meysupéüiv ^éKpva gpreekwoor- 
deïp waren (Zenotv V 8) v&or kro- 
kodillen-tranen (vergelijk Vred. 249, 
2fi3. Kikv. 654). Ook de naam K r o- 
m 7 o n (een deel van het oade Mega- 
ris, Striibo VJII p. 380, IX p. 390, 
later bij Korinthe getrokken) wyst op 
overoode aankweeking van 3€pó^J.vst uien 
(reeds hij HomeroB vermeld A ÖSÖ eu 
T 283). Vrede ^6 h dan ook knof- 
look het symbool zelf waaronder Mc* 
ga ra wordt voorgesteld. Daar wordt 




99 

MEFAPETS. 

vol» axópoV ; ófiig ruv ie), 
okk' i^^iXviTS rag ipap»loi fiiisg ^ 
viaffxxi Tccg iyXt6»q i^opvff<r6Ts. 

AIKAIOnOAIS. 
r/ ix) 0ip€tg; 

MEFAPETS. 
Xolpovg iyévyx fiuo'TiKcig, 
AIKAIOnOAIZ. 
K»XSig xiysiq' ivlisi^ov. 766 

MEFAPETS. 

ivreivov^ aï Xijq' ag 7r»x^'^^ ^^^ KxXi. 
(Reikt hem één der > biggen" toe). 
AIKAIOnOAlZ. 
tovt) tI Jjv tJ Trpxyfix ; 

MEFAPETS. 

XoTpog vx) A/ö5. 
AIKAIOnOAIZ. 
t/ Xiysig o"ü; woixTrvi xolpog ?ïé; 
MEFAPET2. 

fieyxpiici, 
ti ov xoTpig hê' 53'; 

AIKAIOnOAIS. 
y oifK ï(j(^oiyB (pxivsTxt. 

namelijk een soort «hutspot", ftVTTw- pó$ov xs^aAïfv to7$ erj/ifTO/ö'/ 5/- 

TÓQ (zie 174), door den Krijgsgod ge- $a)a-tv. \ « — fjtk A/', aAAi T«p' Et'^a- 

reedgemaakt , bestaande uit prei, p($ov kccvtoq rpsiQ 'i^yAtQxQ (leré- 

knoflook, kaas, honig. Bij Treii^oc. 

wijze van prei (Trpóiaov) wordt nu de 767. rovrt r/ ?v ró TTpScyfjut] wat 

Lakonische stad Prasiai in het is dat voor gekheid ?'Ei^tïiZQoYSkv.^^^ 

reuzen-mortier van Polemos geworpen, en fr. 178; rovr) t/ 5Jv ook 157, Wesp, 

als knoflook Megara, in plaats van 183, 1509, Vog. 1030, 1495, Lys. 445, 

kaas Sicilië, en eindelijk Attika Kikv. 39, 438, Plut. 1097. Het im- 

als honig. perfectum wordt vooral veel gebruikt in 

— 'KÓÏx] zie 62. verbinding met 'dpx ; zie op 90. In gelijke 

762. \iiiK ia-^^hijre] zie Inl. bl. 17, 2. beteekenis staat het praesens, zie 156. 

763. 2éyA/fl«5] knoflook'knollen ; waar- — %o'Poc] Gedurende het overige van 

schijnlijk hetzelfde woord als het lat. dit tooneel worden voortdurend woord- 

allium. Wesp. 679 oh^€^^ ov$è (ra o- spelingen gemaakt naar aanleiding van 



100 
MEFAPETE. 

oë CpfltTi riv^s xol^ov eïpLsy, èKKk fj^AV^ 

ctl ^»} è^rt^ DVToq xclpQ^ 'EA^^vfiïv vrfjw^. 
AlKAIOnOAIS. 

MEFAPETS. 

Ifii 7«. TV ié viv ê1f£Bucct rhog Soxfl-f; 

AIKAIOnOAÏS* 

MEFAPETE. 

0év€t 2if Tu rfie%^^?, %oiplov* 

wihtif TV èiroi^B vsc) tcv 'Epf^m oltcahg. 



de ^ allbel e ]>«teelceiiïa van x^^P^^ ^^- 
1 èlfff % pudmid^ mulkhna (Thcatn. 
289, B38, 540, Ekkl. 734). 

770. flSo-fljï] Tn pluats van bet At- 
tiscbe df^ixd^i is la bet Dorisch en 
AeoHsch de oudere vorm êaéofixt ia 
gebraikj tq&U bij Homeros te binden 
{ê^éoj^i). — Singularis imperat, $^^ai 
Theokrit. 1, 149; 3, 12 j 4, 60; 10,41; 
15, 65. 

— T^i aTTitTTf^^'j zie 64* 

77^- WÉ^t^óa-éat wedd^H, zie 111 B, 
fiidd. 791, Wülk. 644, Reeds bij Ho^ 
roeros "^ 485 ^^u^i vuw, ïj T/üVo^of 
wEpiè&ifjtrcêx ^e Kê^ijTo^^ ea 4^ 7B eyatv 

— öFAe^ lüjitfTflti, ook 1099^ zou f 
met U^m (Vred 1169, PI ut. 2 BS) ^t- 
Arifuf, tritum cmn mie i^i/tnum Plïiï^ 
H. N. Bi, 89; ibid. 31/41 comiitur 
stiam ml od&rïbm addiüs. In het Do- 
Hsch zegt men (a/) ^Afc ö'üfi^r/ïf^ 

774. j^ i o k 1 e Sj MegaTiscbn beroa, 
wiew ter eer e een jaarfeest gevierd werd 
met een k u B-wed$tr|Jd, Theokrit. 12, 



30; al^( oi TTspï tÓi^I^qv éa^fJeq ^iaipi 
wpvrat I Hoüpot %ptdf4^ivovirs ^ihv^fHATO^ 

}kK^Qt ^é^^s-ècti^ \ Ë^ ^é K£ IFpO^^d^^ 

77Sh dlfjLfva^i] voor «T/aew zondigt teufen 
het dialekt, Ken overtuigende verbete- 
ring ia niet te gevea. (Abrens sJf^sv ei% , 
Hamaker ^7^4^»^ t^ÜTiwGi ê^éKÉt^ : — het 
eerate is raat, het tweede onnietriacb , 
daar eoa trimeter niet met een anapaes- 
tis^h woord mag eindigen tcjizïj daaraan 
een raonoaylla^on voorafgaat). 

778- ov ^^fijfföaj = q6 A^CiïepcTB. 
praes. vau ^jpïfv ^ xpft^^^- 

— è èTTo^atjfievó^ wordt als seböld- 
woord gebezigd , doorgaans ia et xéKt<rTM 
er voor, zooala hïer^ zie 024, Vred. 2, 
Vog. 1467, Ekkl. 1052, Pkt. 4B6, tU; 
enkele malea (vÊrmoedelijk t. g v. rer- 
flchrijvrng) met xntKS^ti, nL 8fi&, 962, 
Tbesm, 879, Ekkl 1076. In gebjköB 
7Aa viadt mea alfim^éfit^oq Wesp, 1033 
= Vred, 756. 



101 



KOPH. 

xo? Kot. 7S0 

MErAPETS. 

AIKAIOnOAIS. 

VVV yB XÓipoq (pxlveTcti^ 
irap iKTpaCpeU ys Kiiaêog hrcu. 
MEFAPETS. 

^ivr' hm^ 

O'dCP'' Ml , TTOTTaV flATêp' 6lXCtff9liff€Tai, 

AIKAIOnOAIS. 
«AA* ovx) itj(nfAÓg hriv ctvTijyl, 
MEFAPETZ. 

ai fiiv; 
Tf y ovx) êtjfrtfióg hTi ; 785 

AIKAIOnOAIZ, 

KépKOV OVK ix^L 

MEFAPETZ. 
vix yip hnv' ihXx ^eX(p»KOV(iiv» 
6^61 fAeydXxv ts kx) 'ttcixsïxv nvipvdpiv, 
ix?^ ccï rpdCpsiv A0^, &h toi x^^P^^ K^hi* 
(Biedt hem de andere big aan). 
AIKAIOnOAIS. 
éq ^vyyivitg 5 x^^P^^ ovTog êxripcp, 

MEFAPETZ. 
SfiofAxrplx yip hri kvik tcovtov TrxTpo?, 7 90 

al Kcc 5è ^»x^v^V Kxvxxvoiavê^ rpix^^t 
K»XM<rrog hrxi x^'^po^ *A(pp6ilrcf êvsiVu 

AIKAIOnOAIZ. 
^AA' oix^ x^^P^^ rotcppóiiTTfi 6\j€T»i. 

MEFAPET2. 
ov X^^PO^ 'ACP/9ö3/t^; /ctJvf yx ixifióvav. 



786. xspxov o wx ï%6/] het •offerdier" ri ^' &'KOt?ièt tut) 'éymfix %^7poi. 

dus niet r é ^.s t ov. 

786. Aristophanes grammaticus bij 

verafscliawt Aphrodite het zwyn. 



is dus niet Té/,stov. Kratinos 3 <^ljLto/ fzïvV^ n^ït èé?,^a- 

786. Aristophanes grammaticus bij ks^, %o7po/ $i rota-tv Séaad/ï ^ '^ 

Athen. IX p. 376 a : r^v Ü a-vGv ri 793. Wegens den moord v^sx Adonis 
ftèv ij J»f a-VfjtTTSTrii'yórot 9 é A^»ks i. 



i 



102 



AÏKAIOnOAIZ. 

MErAPETZ. 
AIKAlOnOAIZ. 

MEFAPETZ. 

wévê^ cc xm tii^q, 
800 miirhq W ipórif. 

AIKAIOnOAÏS. 

KOPA» 
AïKAIOnOATS. 

KOPA. 
AlKATOnOAIE. 

KOPA. 
AlKAIOnOAlZ. 

{Een slaaf breng È een groote roand vol vügen , en zet die voor de 
biggen Beer, Desse steken er Kaar enuiten in en eten ze in eett 
oogwenk leeg.) 



7Ö6. hlshhv] Dotiflch vcKir h^shév 
9pii, Epiciiarmos bjj At hen 362 b (Lo- 
tentz Epitrh. p. 242) ?J^iire^ %iiAX£öi ^ 

800 In plaati van X^'^P^ X°^P^ moet 
WaaTScbijnlijk (met Berpk) X'^Pf^ X^PP^ 
wordeji gelezen, volgens AeUüa Diony* 
sitxn (bij EuëtatbïuB p. 1752) en Hesy- 
(MüÈ de ge'ppoiïe nitroep om varkens 
te lokken {&iek èiek). 

801. hpe^fvhvq'] érwU» WolL 13@6, 



Vred. 1138, Ekkl. 45, 606; Mer te- 
vens met toeapeliag op de andere be- 
teekeniB van l/ii/3/vflo^, ^ xlflff (KiJcv. 
545). 

— f/ïTS /nsi] zie 319. 

802» ipi^éA$m^ Ja-%i^*c] ^edroof^d^ 
maffen; ^t^aJyeti tijn een |] ij zonde r aóori 
van vijgen, iT-x^^tii gedroogdei vijgeö 
in bet algemeen. 

804. KF«/i^y«xffyj derde persoon- 

805. T'S'v iEr;^istlarvJ jEie 184 en 0|i 3S0' 



103 

ipx rpi^ovTxi; (Sa^a), 
<lïov poiii^ouff* ' co TToXvrifiijd* 'HpiK^€ig, 

MEFAPETS. 

(de laatste vgg vertoonende :) 
iA^' o3 Tl viax^ KóLTiTpxyov Txq hx^^^^ f 
J^uv yotp xötZv Tciviê fi,lav iveiKifiav, 310 

(hapt de vgg zelf op). 
AIKAIOnOAIZ. 

V'A TOV At* &(TT€ia yS TOÜ l3o<rK1jfAXTS. 

^é(rov TrplufAxl ^ot tcc %ö/p/5/öJ; Aiy5. 

MEFAPETZ. 
TÓ (Jt,h &T6pov TovTav aKopóiav rpö^aA/Sö^, 
Th y &T€povj aï A^^, xolviKO^ fióvx^ xh^v* 

AIKAIOnOAIZ. 
mvjffOfixl (FOi' freplfAsu* xötou. SIS 

MEFAPETS. 

TXVTX ilj, 

(Dikaiopolis gaat het huis binnen). 
'EppLX ifATTO^XÏe y TXV yvvxÏKX TXV ifixv 

ouTco fi xiro^ótrdxi txv t èfixvTÓv fixTipx. 
ZEVENTIENDE TOONEEL. 

(Een sykophant komt van de rechterzgde loerend op), 
w Megariër, Sykophant, later Dikaiopolia. 

2TKO<I>ANTH2. 

uvöpa^Sf TToix^óg; 

808. Tp«yfl{ö-fl^«] natuarlijk met toe- fiévov, eTrérXfi^ev avr^ ta-x^péTurcK.^ 

* ipeling op rpocysiv {^biggen uU Hon- ysAoiórxrot Jè ccvrb^ rè sVpijfj^st Trapk 

jerije"); 853 wordt hetzelfde gentile rou T«/^è$ ipfeda-otQ KCtri^xyév. 

^ ' tot een geheel andere woordspeling — rMe] zie 180. 

gebruikt (rpéiyo^). Tragasai is een 818. Terecht wyst het acholion er 

plaats in Troas, bekend door z\jn zout- op, dat de Megariër tengorolge van 

groeven. den oorlogstoestand nu gBdwongcii ïa 

810. Men vergelijke met dit vers het tot aankoop van de beide voornaaoiËite 

^iQkbaar aan de ^óyot ffv^eeptriKot u i t v o e r-artikelen z^ner at reek, z\^ 

ontleende) vertellinkje by Aelianus Var. 760 — 763. 

I Hist. XIV 20: Lw/3«p/rjfc ivvjp 7rxt$ae- 815. rotVrot $vi] met pkskr. E^en- 

^ -7«yöc, TOÖ T«/^óc, "èv ?iys $tx t^q zoo Ridd. lil, Wesp. 142, 851,1008, 

^$oOt la-^Ait TTsptTVx^vro^ Kxi ^vgAo- Vred. 275. 



104 



MErAPETS, 

MEPAPETE. 

töut' Ixm', !Wj Tréktv 

rTKOOANTHS. 

MEFAPETS. 

AmatiwQhi AiKXiéTTüXtf 0mvTdl2cpLiXi. 

(Dikaiopolis snelt bet hnh uit, met een bos kiofiook en een 
maat zout by aicbj. 

. AIïCAIOnOAIZ. 

(Ziet den Bjkopbant en grgpt een zweep), 

dycpavé f4.01 , 
626 ^öu? fl-yxfl£p«i'Tjfl£f ov êupa^^ i^sip^sTe; 

ETKOïï'ANTHS. 



Bid. ^iiciv&i^ (pat/ygiv^ tpdtrs^ heet in 
de r&chtetBiil liet aanèr^ng&n Tan een 
vergTyp tegen tol- of handel swei ten enz ; 
Tgl. M%, S24, 913. VoJgdc daarop een 
veroordeelïng , dajj ontrjiig de aünk lager 
de helit der lioete ala ^elooning; gcfïit 
wonder dns dat het aanklagera- of Byl^o- 
phanteo-ljfiroep een winstgéTend baantje 
was {vgt. 72B). 

830. ^eÖT* IjcêIvd] ïïe 41. 

834. (^yopaifdfüfli] zie 73S en 968. 

83G. t/ TraSftivJ iüa^ scheelt ^ dat 

^ij ; fiTEöZóo 912, Wolk. 340, 403, 

1506, We^p, 251, Vrcd. 701, Ly& 59fi, 
Pint. 908. De hss. geven hier, gelijk 
dik wij la , btj TBrgnsiiog (lii&m voor fra- 
Üévl een onverdedigbare^ liocwel vaak 
verdedigde^ nitdrnkking ; tI waêav 
stemt overeen met het iiraeseuB t/ 
wdux^^i ^^^ jc/^t?<5ifi? «(Wesp. J, Wolk* 
70B, BI 6, Vog. 1044, Ljrs. B80)eii het 



perfect ara t/ wtTrovêa^ wat is ü oeer- 
l^üm^n (Weap B95), maar Ti' j««vöi^tff/5 
of Ti fi£fixê%jKa^ in dergelijk yerbaoid 
vfordt nooit gezegd , en dug evenmin 
Ti fiin^w (vgL è. Hermann. pruef. 
Niïlj. pag, L)p 

Dat overigens de aardigheid op ^t- 
vetv 917 wederkeert en , eenïgzins ge- 
w^zigdj ten derden male 938* h een 
der zekerste bewijsgronden voor het ver- 
moeden dat in de Aeharniëra twee be- 
werkingen doorëénloopeD. Ariatophanet 
waa waar] rik niet zoo kori van gehen- 
gen of '£06 arm aan vcm lïft , dat Mj 
tweemaal binnen de honderd regels de^ 
xelfde (niet eens bijzonder geesstige)- 
woordspeling aan i^n publiek kan heb- 
hen aaj] geboden, 

B37. oL Vflfp] zie 676. 

— ^A^ftTi' yê ^vj even^oo EkkL 1037, 
Yoor het gebruik van ye in dergelijke 



105 



AIKAIOnOAIS. 

ei fAfi êripaae <ruKo(pavTii(r€ig rpixcov* 
(Drgft den sykophant met zweepslagen weg). 
MEFAPETS. 
oïov TO Kxjciv iv r»ïq 'Aéivaiq tovt* fvu ^ 

AIKAIOnOAIS. 
êippei, MisyotplK.'' «aV jj^ ctTri^ou rx X'^^p'^^ satr 

TifA\iq , Xetfii rxvri Ta aicópoix kcc) tov^ &hDtq ^ 
K») X'^'^P^ ;rJAA'. 

MEFAPiETS. 
^aa' acfih ovK STTix^pioy. 
AIKAIOnOAIS. 
'7roXv'jrpotyf/,o7vvvi vuv ig xeCpaX^v rpiTroir^ ificL 

MEFAPETS. 
u %ö/p/J/ö5, TTSipyjffóê K&vig tov Trccrpbg 
vxUiv iep' «a) TOiv fim»Vy oct Kci Tig iti^, ssi 

(Dikaiopolis met de meisjes liet huis in, de Megariër met a^n zout 
en knoflook links af). 



EEBSTE STASIMON VAN HET KOOR 

(V8. 836— 85Ö). 
(Zang). 

X0P02. 

evicci/zovsT y' ZvêpuTrog. ovk iixov<rccg oï 7rpc0^hn 



elliptische wendingen vergelijke men 
176, Ridd. 282, Wolk. 84, 438, Kikv. 
1407, 1457, fr. 86 enz. 

828. érépcoa-s] vgl. Vog. 991 oVkovv 
érépaa-e p^pifö-|t*oAoyif o-g/c eKTpéxcov , en 
1260 oVkovv irépua-s Trsrof^évfi | kcct- 
eetêei?iua'€iQ r&v vsarépuv rivéi; 

— Tpi%«vJ zie 176. 

832. Op den wensch %«7pg „wees 
gegroefd of „vaarweV* antwoordt men 
in den regel Séxoi^ott -dank w", let- 
terlijk „ik neem het voorteeken aan. 



it^ dien goeden wensch gttkg^i. Zie bijv, 
Vog. 645 «AAa %a//)e^Töï | a^tn, — 
^sxófJtséx, Eupol. 119 x'^fP^'^^ ^^^'' 
rsQ. — $ex^f^io-êx (zi* aok jXen. Kyr. 
V 3 $ 19). De Megariër echter neemt 
den wensch niet aan ^ daar b[j Iitim 
het ;^«/p€/v //geen landsgpbriiik is'*; 
vgl. 176, Philemon 7 AtJTöÉ//Jè'vüj 5' 
Kreev riQ ^xoAovd^v Xéy^ \ HX^tf*\l^ 
uvécyx^^ oZto^ otfiw^gtv Aéyeir Daarom 
zegt Dikaiopolis: //«« f/att kome htt 
maar op mijn eigen hoofd n^^er" ttl» 



104 



MEFAPETS. 
ZTKO^ANTHZ. 

MEFAPETS. 

STKOitïANTHS. 

MEFAPETZ. 
Atx&Lié^üAi AixaféTTsMf cpxvrmof^ai, 

{Ditaiopolia snelt hei huis uit, met een bos knoflook en eomi 
maat £out b|] dch), 

AIKAIOnOAIS. 

(Ziet den sykophant en gqjpt een zweep), 
825 TOLT? ü-vKcCpdyrit^ ou êupal^' i^éip^iTê; 

2TKO*ANTHS. 



819. ^fv^'j ipBt/vsiv, 4^^K heet ia 
de fecbtët^al bet sanbnngeft Tan een 
vergrijp tegen tol- of handelswettén cna j 
Tgl &42, 8^, 912. Volgde dflMopcoi 
veroardeeÜDg, dim ontyiD^ de aankltger 
de helft der boete ak beloon ing; geen 
wonder das dftt het aanklagers- of sjko^ 
phanten -beroep een winstgevend baaBt je 
Wit (vgl. 726). 

S80. TeCr' fxfTvö] zie 41. 

S24, J^D^fty^ïju^x] sie 723 en 968. 

&26, ri wmiiiv] w^i tc^etk u dat 
ff^*..l erenioo 912, Wolk. S40, 402, 
1506. Wissp. g6l, Vre4. 701, Lys. 699. 
Pint. tM)8. De Is», ge^en hier, «elijk 
dikwqk , b| Tergiiïing jt^dtJ^v toof xm- 
S«v: een onverdedigbare^ boowel ïoak 
rerdedigde, aitdrakkiog: t/ tjiJ*^ 
^temt overeen met het praeseos r/ 
Téo'aj*!^ «ff/ ic^^lt if tWe»p. 1, Wolk* 
TOS, Sie, Vo>g. 1044, Ljt. HSO) en het 



perfectum t/ TEVevöaf^ kja^ u h oper^ 
èom&ti (Wesp 99&), maar t/ jciav^iévfi^ , 
of t/ ^fjui^K^f in dergelijk yerbani 
wordt nooit gezegd ^ en dus evenmin ] 
ri ^m (tgh G, Hermans* praeL ' 
Nnb. pag. L). 

Bat overigens de aardigheid op ^af~ , 
VÊiv 917 wederkeert en , eenig^ins gie- 
wijïigd, ten derden male 9S3, la eeir 
der lekerste bewysgronden voor het ver^ 
moeden dat in de Aeharniërs twee be^ 
werkingen dooréénloopen, Aristophaneft' 
was waarltik niet z66 kort van gchen* 
gen of to6 arm aan ïemuft, dat h^ < 
tweemaal kinnen de honderd regelt de^ ! 
zelfde (niet eens bijzonder geest^y 
woordspeling aan 2Ïjn publiek kan faeV , 
ben aangeboden, 

S27. üb y^p] zie ë7€. 

— xAittv *) f yèj evenzoö Ekkl. 1037. ' 
Voor bet gebruik van ye in deigelQkcpJ 



105 



AIKAIOnOAIZ. 

sï fiii kripuas auxo^ctvrijffet^ rpéx^^^ 
(Drgft den sykophant met zweepslagen weg). 
MEFAPETZ. 
ohv ro KctKiv iv rccïg ^Aêdvcctg tovt' &/• ^ 

AIKAIOnOAI2. 

TtfAiig , A^jSi rayr) rx aKÓpolx kx) Tovg xKst^^ , 
KOU x^^^ 7róxx\ 

MEFAPflTr. 
iXX* iftlV OVK BTTix^ipiov. 
AIKAIOnOAI2. 
TTO^vyrpxy/io^vvtj vvv ig KsCpx^ifv rpccTToir ifj^^oL 

MEFAPETZ. 
u x^^pl^'^j TTêtpij^is Tcoivig TOV VXTplq 
TTctUtv lep* «a) txv jC4«55^y, cel xi ri^ S/J^* S35 

(Dikaiopolis met de meisjes het huis in, de Megariër met zgn sout 
en knoflook links af). 



EERSTE STASIMON VAN HET KOOR, 

(v8. 886— 85Ö). 
(Zang). 

X0P02. 

€vixtfA0V€7 y* SvêpuTog. ovk IjKOv^ag oï Trpo^cctvet 



elliptische wendingen vergelijlce men 
176. Ridd. 282, Wolk. 84, 438, Kikv. 
1407, 1457, fir. 86 enz. 

828. érépwa-e] vgl. Vog. 991 oVkovv 
érépwa-s xfi^^f^^^oyi^a'stQ eKTpéxcuv , en 
1260 oVkovv érépua-s 7rsT0fx.évii | >cecr- 
utdot^ua-siQ T&v vscüTBpcov rtvdy 

— rpéxotiv] zie 176. 

832. Op den wensch %«7pe uicees 
ffegroet" of ttvaanoeï"* antwoordt men 
in den regel $éxof*oti »dank m", let- 
terlyk Ak neem het voorteeken aan. 



iiè dien goeden wenech ^éïö^^i. 2iel)ïjv* 
Vog. 646 «AAi ;^a/p£röi' ] fiéjtü^. — 
$exóf*s6oCy Enpol. 119 x^h^'^^ ^**'" 
T€(i. — $sx^t*^^^^ (^i^ °°^ Xfiu. Kjr. 
V 3 § 19). De Megariër echter ne^mt 
den wensch niet aan , cianr lij Iiem 
het %«/pg/y «geen landagcbruik ia"; 
vgl. 176, Philemon 7 /.vToi/fiévia 5* 
ÜToev TtQ UKoXovêéSv y.éyi^ \ -xx1f''\l% 
êtvéiyKiii oZto^ otfjcca^Btv Aéy^i. Daarom 
zegt Dikaiopolis: »nu thn komt het 
maar op mijn eigen hoQfd neêr^ ftl» 



106 



HOU ^uwrvx^iv tr' 'T^ipf^ohog 



ïiad lï\j een verwenacihiiig geuit. — 
h ^e^i^^nv ook Wolk. 40, Vred, lOfiS. 
Plüi Ö26, 651 r zie ook iafra 1019 = 
Wolk. 1263, Lya. 91 B. Volgens Herod. 
II 39 plegen de Egypteiaars, waaneer 
ïij een zoeno^er lirengen, den kop van 
tet offeï-dier aan Grieksehe handelaars 
te verküopen of ia den Nijl te wer- 
pen ^ na geleden te hebben dat alle 
kwa^, wat voor henzelve of land en 
itaat in aantocht moeht zijn, op dien 
kop moge nederdalen, 

een soortgelijke omachr^ving als door 
Xf^f■^J zie 150. 

639. Ktesiaa, op 702. 

S42. vTü^füiivéSv] bij het koopen m 
^«1 wsff zitten (door hooger bod). Voor 
de beteekenis der praepositie rgl, Kidd. 
1161 üjre^eiv, Ridd. 47 VT^QTswTstv ^ 
Ridd. 269 v'TSiévai^ en ons ütiderM-u- 
ren f ondtstkmipett. 

843. h%ü^6plETai] Enr. Bakch, 343 

ffioify on in letterlijken zin Raz. Hu- 
mkL 1399 aAA' *TjUiï jt^ij a-olq è^o- 
firfplas/tijii flriwAöiC* Plalo geliruikt Gorg. 
&35a en Wett, VI 775 d het parti- 
«ipinni. s^Qf^cpyvi/iJtfvo^^ minder nauw- 
kenrig door Timaeua omschreven als 
£Hf^stTTÓiir<fO^ Hmt é'3^cruiTi>ufj.$yoi: het 
werkwoord staat veelmeer gelyk met 
k^xTTif£whmi.i (vH. 847) hëso^detim , ^sr* 
mtn^migen. Vgl. Wolk. 1022 rn^'Av- 



844. uiFTtËt] zïe 24 en 43, en over 
K 1 e o n y m o s 88. 

845. 4id£v^v] jcriwa, ook Ekkl 347. 
S46. HyperboloB, hkr nogalechts 

als processen -jager aangeduid (vgl. Wolk. 
876, Wesp. 1007), ia eeo party geuoot 
van KleoQ} en behoort evenals de^e tot 
dea koopmansland; hij heïft zich ver- 
mogen verworven ïn den lamfjenhandel 
(Ridd. 739, 1315, Wolk. 1065). Een 
jaar na de Acha miers is hij strateeg 
(Ridd. 1300—1315, 1363). en nog een 
jQïir Later hiëromnemon (afgevaai- 
dtgde ter Amphikttoncn- vergadering, 
Wolk. 623). Na den dood van Kleon 
werd hij het hoofd der demokratisehe 
party, en als zoodanig het mikpunt 
Yoor de schirapsclieuten der Doraiei{ Vred. 
681, 921, 1319 ; Wolk. 55 1— 568, 6^3). 
In het jaar 417 werd hij door het a/s- 
trakisme verbannen (Cobet ad Plat eom. 
p, I43)j ak het ware bij vergissing 
(Plot. Nik. 11, Alkih. 13, Aristid.7); 
en daar hieruit gebleken was dat die 
instelling niet langer aan liet doel he> 
antwoordde (o^ yxp TotöbTSiiv eltvêx* 
'éa-Tpix^^ nCpiêii Plat* com. 187), is »y 
sedert nooit meer toegepast, lljj bogaf 
zich naar Samos, w«ar hij in 411 door 
Atheensobe ari&tokraten werd vermoord 
(Thnk. VUl 73); zijn lijk werd in 
een zak genaaid «n in xee geworpen 
(Theoporop. in ichoL Wesp. 1007). Nog 
na zLJn dood wordt h^ en zijn moeder 
door Ariëtophones gehoond; ThÊsm. 840, 
Kikv. 570. 



107 



KpxT7vo4 »v K€Kxpfisvog fioixiv fii^ fictx^lp^, 
o TTspiwév^pog 'Aprifiav, 

'jTXTpoq rpxyet,(r»lov. 



860 



849. Welke pronker en prnldichter 
Kratinos hier en 1173 bedoeld 
^ordt, is onbekend; waarschynlyk niet 
de beroemde en — althans volgens de 
overlevering -^ reeds zeer bejaarde me- 
dedinger van Aristophanes (Bergk. Rel. 
0)m. Att. 202 gelooft het wèl). 

— f4o/;i^öv] als een moechus gekapt, 

— fjLi^ fjLxxotiptjL] met een sckeermeê; 
^/TAif fJL^x^^P* schaar; van fAécxoapat 
xovpt$eQ wordt b\j Kratin S7 melding 
gemaakt, zie ook Eupol. 278 Volgens 
Hesychios t^v Myofiév^v x^ttov koV' 
fiitv fJLiSt fMcx»^p^ tKsipovTO. Pollux 
Il 29 noemt nog andere haardrachten 
op (zie ook Thesm. 888). Overigens 
vergelijke men de spotternij op het 
gladde gezicht van Kleisthenes 
120; fr. 25 Koii ^e7oQ üa-'rsp 'iyx^^^^-> 
Xpvo-oüi 'éx^v xtKivvov^. 

850. 6 TrepiTTÓviipo^ ^Apréfzcov] too^n 
Arfemon in het akelige. Volgens Epho- 
ros bij Plutarch Perikl. 27, Diodor. 
XII 28 was Artemon uit Klazomenai 
een werktuigkundige, van wiens be- 
kwaamheid Perikles part\j trok in den 
Samischen oorlog (anno 440); )^v ;^ft)Ady 
^vra Mti ^opgf<a Tpè^ rk KScrsTTsfyovra 
-r^v 'épywv vpoa-xof^t^ófAgvov hvofixH^- 
vect 7f e pt^ó p VIT ov. Deze bijnaam 
wordt hier door Aristophanes in ^re- 
ptTTÓvtipoQ veranderd Plutarchos (He- 
raklides Ponticus) voegt er intusschen 
bij, dat reeds Anakreon een spotvers 
had gemaakt op een ifieelderigen leeg- 
hoofd uit zgn t^d, met name Artemon, 
die te vadzig was om te loopen; en by 
Athen. XII p. 538 e is dat gedicht 
bewaard (fr. 21), welks aanhef aldus 
luidt: ^eevé^ $é y* Zlpvxóxifi fjtéMt \ 
6 vipKpópfiTOQ *A pr é fi, oüv. De 
spotnaam 'TFept^óp^rot; ^Aprsfjteüv is dus 
honderd jaar ouder dan Perikles, en 



de werktuigkundige van dien 
naam zal wel niet mank z\jn geweest 
noch ^tpt^óptiTOQ z\)n genoemd. Toch 
geloof ik dat Aristophanes hier op hèm 
zinspeelt en niet op den beruchten dwaas 
uit den voortijd, en dat h\j dus Kra- 
tinos «een duizendkunstenaar in de mu- 
ziek" noemt. Immers als men vertaalt 
irdie ijdele pronker**, dan sluiten de 
volgende woorden ó rax^i '<iyav rifv 
fjLova-iKiiiv er zich niet bij aan. — Kra- 
tinos wordt hier derhalve gebrandmerkt 
als een musicus uit de nieuwere school 
van Phrynis en Timotheos, naar welke 
ook Euripides zich meer en meer richtte , 
die de strenge en eenvoudige toonkunst 
van vroeger tijden (^v o/ Trocrsps^ yrocp- 
é$uKav Wolk. 968) door meer bewe- 
gelijke, zinnel^ke wijzen verving, waarbij 
o. a. niet zelden meer dan een noot op 
eenzelfde lettergreep viel. Aristophanes 
acht dat kunstenmaker^ , dsvk ro $Ǥ- 
^SKxiJLvixctvov iJLe?^07F0teiv (Kikv. 1328, 
1314, 1348); om diezelfde reden noemt 
ook Plato Com. 134 den musicus Xe- 
nokles $a)$SKetfx,fJx^voQ\ elders heeten 
de sierselen der nieuwere meliek ftt//)- 
/t^ifieoc ^rpatfro/ (Thesm. 100), iKTpéi- 
'reXot (JLvpiiviKtxi (Pherekr. 146), en 
wordt K^fiTCTBiv Tivk Mtfifniv (Wolk. 
970, Thesm. 68, Pherekr. ibid.) als 
een soort halsmisdaad besproken. Ook 
door Plato wordt aan de wijzigingen 
in den muziekalen smaak groot gewicht 
gehecht: sl^o^ ykp kohvov fzova-iKiit; 

Ktv$vvBÓovr»' ov^ee/Jtoü ykp Kivoövrxi 
fAOva-iKfi^ rpÓTTOt Üvsv' Tro^tTtKÜiv vófiuv 
rav iteyhruVi Üq ^e-t A^fzcov ml\ 
eyu (Sokrates) vsiQofuct Polit. IV 424 c. 
Zie ook Wett. III 700 d— 701a, VI 
797 a volgg. 

853. Tpetyaa-atfov'] zie 808. — Vred. 



108 






DEHDE EPEISODION. 

(va. 860—970), 
ACHTTIENDE TOONEEL. 

(Een Boiotiër, door een plaaf gevolgd, beiden zwaar bepakt met 
gevogelte en andere koopwaren. Achter hen eenige fluitspelera. 
Lïnka op). 

Boiotiër alleen, daarna Dikaiopolis. 

BOIXITOS. 

860 Tttüj *Hp^K\ng^ êüs^fAiy yx rkv rvXm XQt%êq. 



814 T^styvfi.é<rx^hQt. CalulL 59, 5 
JiisdU t0 quaedam ma ia fabnla^ gtut 
iïH feriur { valle suh alarum trtix Au* 
hitüre üaper. (Ovïd. Art. Am. 111 193^ 
Hor Epod. 12, 6; Epiat. ï e, 29) 

B54. Fbusoq^ oük ThEËm. 949 en 
Plat. G02 vermeld , beide malen üls een 
hongerlijder, is denkeH|k de k ar i k a- 
tnnr 'Schilder vajj dien naitm ; 
Aristotel. Poet. 11 2 noXv^^suTOi^ fih 

AtovÓTiü^ Si SfLofov^ YifiK^fv, Ken grap 
met het peDSeei vcrhaBLlt Aeliamïs van 
hem Var. Hist. XIV 15 ( = *Lqc. Dem. 

^iFtv hxKss^dvTsi 'TTScpé Ttvot; ypct^/sct 

TffVdxtOV èttèéifTO^ é^ TTÜpk T^5 £(£0- 

Ae^/jïf yp^il/iiVToi; T OrTroKpivccfféaii tav 

85S. "Van Ljaiatratos woTdt 
l^ebp 787 «en practical Joke verteld: 



Ê^eVruTs ■ I k3^Ö ■ E7Ajc0Ër ahrév. — ó li 

Ti' wp&C T^vt' é1^\ Ef Tl ; I xAèK- 

Tpvóvcn; li" *éipata-K€ KQt?visev %X€tv ■ | ^rat- 
^v yoüv KaTetTTSTTSiQ (t'iÏi? xxBi^^tn;y 
répyvptov^, ^ ^' b^^ '^^fAaïv. Ook RidC 
1266. Wesp. 1303, 1303, fr. 1 wordt 
hij genoemd als een grappenmaker, 

856, TriptsAovpyoQJ doir de woi gd- 
perwd. Eeo k Ie ar stof (parper), die zoo 
wordt «angehracht dat zij tot binnenin 
de vezt^ls doordringt en niet meer is WAg 
te waöbchen, heet ^€va-owoiéii{P}a.t. Polit* 
JV 429 e/ Aleiia 141, 9; zie verder 
Hnhiik, ad Tim. p. 75— 78)i vandaar 
dpreekt bijv. DeÏDarchos 2, 4 van een 
S ^ue- s^ Q i ^ wov^ p ta. De aldoa 
behnndeïde stof heet oLh^t^py^ti {éXü- 
spy4^)i *ïn een daamit vervaardigd klf!«d 
é?i^vpyif; (Rid(3. 967, == ^üi)fmi^ Ach* 

8fi0, Ti/AavJ ^ckomi€r, evenzoo 954. 



üfii 



109 

KXTióov rh T»v yxix^^* iTpi(A»q^ 'WfAsivlx, 
wfilq V, otrot &€l^»6ev xiXsira) vipx , 
ro7^ iarlvotg (pvaijTs rhv TrpooKrhv xvvég. 
(De muziekanten beginnen zeer luid en zeer yalsch te blazen). 

AIKAIOnOAIZ. 

(uit zgn woning komende). 
TTCcv' ig KÓpxKOig. ol a^ijjcsg ovx i^rh ruv Svpuv; 
'TTodev TTpo^iTTTOvO' ol KxxSg i'jroXoifAêvoi 
iTTt riiv 6ipct,y fiot Xctipi^ijg (3ofA0»v}^toi ; 

(Muziekanten ^lings af). 

BOIXITOS. 

Bsl^xêe yip CpwvcivTeg i^vTn^ê' ifiovg 



865 



861. 7A4%«v«] polei, Attisch /3Ajf- 
Xcnv Lys. 89, Vred. 712. 

862. De Boiotiër wordt gevolgd door 
eenige straatmnziekanten, flaitspelers 
die hun kunst plegen te vertoonen waar 
geofferd en feestgevierd wordt; zQ zijn 
dus als *t ware op de lucht van den 
voorraad wild en gevogelte, dien de 
handelaar b|j zich heeft, dgekomen. 
Vgl. Vred. 961 volgg.: h X«7/)/c (Ach.16) 
vfz&Q 'f$y , I TFpóo'Sta'iv ah?\,&v ^xAif- | 

7F0V0Vfx,év(f} I Tpoa-^wa-ers otlJTOV. 

863. èa-r/voto] Boiotisch voor »v^o7i , 
omdat de fluiten van herten- of ezels- 
beenderen werden gemaakt (zie Flut. 
Mor. 150 e). 

— (pva^rs] Er schgnt wel verband 
te bestaan tusschen Herod. IV 2, Ek- 
klus. 255 en deze plaats; maar welk? 
Mogelijk, ofsphoon niet waarschijnlijk is, 
dat TrpuKrhq kvvóq eenvoudig de naam 
van een volksdeuntje was (vgl. Thesm. 
1175, Plut. Mor. 138 b). 

864. votCg] als uitroep, met de be- 
teekenis v. h. medium: koud op; ook 
Ridd. 821, Wesp. 37, 1194, 1208, Vred. 
648, Vog. 1504, Kikv. 122, 269, 843, 
Ekkl. 160; vruü^ Ie HÓpotKa^ ook Vog. 
889. Slechts zelden met een partici- 
pium er achter (Ridd. 919, Wesp. 617, 



Vred. 326) of met een genitivus (Vog. 
1243, Kikv. 680); waar dat het geval 
is staat doorgaans vccVa-ai (nooit ttccvov), 
zie 1111 enz. 

865. o/ kccxóSq ^TTO^oéfASvot] op 778. 

866. X«/p/^Jfc] over Ghairis zie 
16 en op 862. De uitgang -t$svi, oor- 
spronkel^k één met -fBsoq {ii$sA<pt$oCQ 
enz.) en -/Jif c (^Arpstim enz.), dient om 
jongen van dieren aan te dui- 
den: Sieri$sviy êiii$ovt$iv^y iXoTtKt- 
$eó^^ xopuvt$evQy ^oeyt^sv^, ^eovri^evQ, 
^VKi^svt; , 'TFS^xpyi^svt; , %eA<^ov/d£yc 
enz. (zie Cob. N. L. 154). Ook -7voc 
wordt daartoe gebezigd (xop«x7vo$), welke 
uitgang doorgaans voor gentilia dient 
(^AxpocyavTtvoi , Asovt7voq , 'Epvx7voc 
enz., vooral op Sicilië en in Oroot-Grie- 
kenland, zie Steph. Byz. in v. 'Aj3«- 
xoéivov). — Men herinnere zich dat 
Ghairis met een gemuilbanden raaf 
wordt vergeleken (op 16). 

— ^ofjt^ocv^toi] komische verdraaiing 
voor |3o/t*j3t?A<o/(Wesp. 107) tailde bijen. 

867. evtxcephToii] Boiotisch = ik 
dank u (?) , zie 884. — Nu de Boiotiër 
ziet dat Dikaiopolis van de serenade 
niet gediend is, valt h\j zyn landlieden 
af, en houdt zich alsof h(j niets liever 
wenscht dan van hun gezelschap bevrijd 
te worden. 






■■.MÈiL: 



110 
AIKAIOnOAÏZ. 

BOiaxoz. 

Str* hrh iy&^ia BomroU iwh^t; , 



871* èpTd£A/;^fidiif] küftert,. Een interes- 
sante kj9t van Boïoiiscbe uitdrukkingen 
geeft Strattls 47 : Ëwv^Jff ' ow^èK xxffa: 
0ifj3afóiv iróKn;^ \ ot/Ss); ttot" ièAA\ <ti 

rpvtfvde ^' è pT X Al ^oif , /^r^^v 

^ÊA/«ïrfviti, ] Ti^y ïvflffffjttf ^' £b£0A<fv, TÖ 

ijv Tt Sf£fl«aTTWTÖF ^. 

— r^Tp^Trfpi/AA/^AJv] = èapi^mVj 
^finkhuneu (schold), armelui'skost (zie 
1116); op een beeldwerk nit Orcho- 
meaos (Kirchhoff Stud. z. gr. Alf 73) 
reikt een oiid man aan een hond een 
sprinkhaan tOR ; dat zal dan wel een 
meester zijn dk sijn middagmaal deelt 
met E\jii huisgenoot — iodian althans dat 
OFeroude heeldje jnjat \% beachreven. — 
De b and (■ laar ia met het oog op iedera 
behoeften en beu ra voorzien ; dit blijkt 
oók üit de vermeldiDg van roektin, 
vossen^ molUii^ ü§e(a, katten ^ bever a (P)^ 
0££erXt dm, ten deele aUbans^ wel nim* 
mer alg voedsel z allen zijn te koop ge- 
hoden ï maar hier voor de grap worden 
rermcldt tevens met toespiding op bet 
ongeschikte voedsel waarmee de min^ 
étfTQ man in A tb ent; Kieh thans gedu- 
rende den oorlogstijd moest geueeren* 

87 S. Kd'AA^I Afoete, rond tarwebrood, 
Thfibaansch en Thessaliaeh voedsel Ar~ 
chestratüs bij Athcn. 111112 a t^rfi^y- 



;^ïTJW, $v Kse\êoviTt ] xs7voi K^tfi^/XTtmt ^ 
ff/ y HhMi %<?v5pfy(?v öpre^H Epbippos 1 
Bproekt van '®£TTstXiz Kok}\tKü^yoq, — 
Bniotië is bet land der onversadei^ke 
eteffl en eindelooze maaltijden ; x^vci'i 
(= whsi'^) ^Iv éLftl^ umi ^yBtv fiiy^ 
èvSpiKoi^ z^egt ©en Bojotiër bij Euhulos 
12^ zoodat HerakleB, de t^roote veel- 
vraat, ook in dat npzicbt y.yn vader- 
stad eer aandoet, en zhh nergens be- 
bagelyker gevoek dan daar^ ^'aar ^ 
Tifv vü;^f ifAifv I Tijv Ö" yff^épct)/ ^§t- 
w^oüiTt {ibid. 53, zie ook 34) ► 

873. De omgeving van Tbebe wm 
éen groute moestuin; Dikaiarcbos (p, 
143 Fiihr) ndM^ö^ ^^^a, j^Aöjpk rf 

TrAfTffTa Tfiïv kn Tjf ^ËAAa^^ irdA^'iöv. 

874. Een sc^hïer gelijklnidende lijst 
van lekkernyen uit Boiotie ook Vred. 
1003 volgg , vrelke plaata ik hier ter 
Wille van 881^894 geheel aaohntilr xaji 
BüisaréSv ye i^époyrsi^ IhJv I x^^^^* 
Vï^rr«c^ ^öÉrTjï^j rpö%/Aoï^^, | uettKa^' 
wéLèitiv fiAÖfTif r^vpi^mQ, j xaï wepi ts£v- 
xajg ^fixi; d^pésvq | iïJ/BVOÖvriK.; ruiU- 
/Sde^sa-Jft* I MépE/;^'^ ■ Tf Aff , lA^uitiTïJ , 
^AAQi^ I rt'iffl*^^; 'jraAAflT^. S€^tx Mf A^i'- 
3*GV I S?Ke/if i/iTTspov §t; t^v ayQpkv^ l 

eigen treurspel Mcdeïa) [ o ^é ^xV 
h hé ^ &V SfTT Q x^ 9 ^^ ^ ^ ^ \ ^^^ 
Iv T ê vT }\Q i ^ i Ae%fiuo^/vaC*| 



SAAI 



Ifii 



111 



AIKAIOnOAIZ. 

ipvidlaq h Tifv iyopctv iXij^vóxg, 

BOinTOS. 
Kx) fictv 0ipa x^^^^j >,»yaq^ d^aTreKxg , 
(TKiXoTTxgj hxlvag, xïsXoiipag ^ TTUcTiiag^ 
iKTtiocg, ivvipiccg, iy%iAw KcoTratixg, 

AIKAIOnOAI2. 
u repTTvÓTxrov ö*ü rèfAotxog dvêpdyrotg (pipcoVj 
ióg (AOi irpotreiTTelv f el ^ipsig rkg iy;^^A£/^. 

B0inT02. 
V pi<r0êipct TTêvriiKOvrx KcoTr^iuv Kopciv^ 



880^ 



876. %f /ft^y èpvidi»^"] een vogelttorm , 
een wind die (trek-)vogel8 aanvoert uit 
het noorden. Aristot. Meteor. II 6 $ 9 
litrlc rhq %ei/^cgp/v^$ rpo'sriti; wéova-iv 
of èpvié/cct, de Mando 4 o/ $i èpviéfott 
KxXovfjLsvoi , edptvof rtvsi 'óvrsi icvBfAOi , 
^opéai sJa-t r^ yévsi. — Vgl. Ridd. 
437 &Q oZro(i i^^if KotiKfec^ ^ trvKO- 

881. Dit en het volgende vers heeft 
een tragische klear en is das vermoe- 
delijk parodie; ook verder hlijft de stijl 
en woordenkeus van den verrukten Di- 
kaiopolis hoog dichterlijk, tot 894 toe. 
De paling uit het ondiepe en moeras- 
sige Kopais-meer (waar z\j ook na nog 
in menigte wordt gevangen) behoorde 
onder de meest uitgezochte lekkernijen 
der Atheensche fijnproevers. Zoo zegt 
bij Anaxandridas 89 een Athener tot 
een Egyptenaar: rifv ïy^f At/v fzéyto'rov 
iiyei $ac(fjtovXi \ vtfieïi ^ï réav 'óyl/eov 
fzéyta-TOv frupk ttoXÓ. Zij was het bij 
uitstek fioiotische prodakt (Antiphanes 
236), en als Lysistr. 34 verwenschingen 
worden uitgestooten tegen alle Boiotiërs , 
roept Kalonike smeekend uit: fAvj ^vjrot 
TToivrxQ y', «AA' ^gAe ricQ ly^eAf/c. 
Zie ook Antiphanes 217. De Boiotiërs 
zelve beschouwden de allerdikste hunner 
palingen als te goed voor stervelingen, 
en offerden ze daarom bekranst aan de 
goden (Athen. 297 d); en Eubulos 64 



acht het schier heiligschennis den naam 
van zulk een bovennatuurlijk lekker 
gedierte uit te spreken: rsVrX' itfiTTS^ 
XOf^éviiQ TFcepêévov Boiur^eeQ \ Kca'rStSoQ* 
èvofjL^^siv yhp ott$oCfjtxt és^v (zie ook 
Eubul. 35 en 37). Bij Antiphanes 147 
gaat zelfs een lekkerbek zoover, de paling 
hooger te stellen dan de goden: r^ r* 
^AA« $etvov^ ^oea-t toCq AtyvTrrfovQ \ 
slveci rb vcfJt/o'at t' Méeov rüiv ^éyx*' 
Auv I ToAÖ rSiv êsSiv yécp sa-rt rt* 
(Jtioorép». In het Luilekkerland der 
Elyseesche velden, waar de rivieren 
golven van krachtige soep voortrollen 
en de gebraden lijsters zich verdringen 
voor den mond der gelukzaligen, ont- 
breken dan ook geen revr^ota-tv sy- 
xé^et» a-vyKSKa^vfzfAévx y paling met 
sneedjes biet hedeki (Pherekrat. 108). 
Hoe zulk een #kopaïsche jonkvrouw" 
(vgl. Lysistr. 702) zelfs een Helena-rol 
kon spelen tusschen twee lekkerbekken , 
verhaalt Antiphanes 48: 6 fikv Msvé- 
A6«5 exo^^éfJL^cr^ 'érti ^éxoc j roit; Tpwcrï 
$tx yvvKiKOt rvfv 'ó'^/iv HctXviv, | ^oivt- 
Kt^il^ ^è Totvpéot 5/' '^y;^cAvv. 

883. Aischylos liet in de Hoplön 
k r i s i s (fr. 175) aldus het woord 
richten tot Thetis, die met hare ge- 
zellinnen aan de zee ontsteeg: Tpéa-^stpee 
TTSvr^KOifToc Njfp^Jwv xopéav (vgl. Eur. 
Androm. 1267 ?,oe^oü<rac TSvriixovTOi 



112 



AlKAIOnOAlS. 

6S5 w (ptKrir^i o-u xm) iriAsLi woêoupcè^i} , 

(De huiBgenooten brengen het verlangde, en komen vol bewonde- 
ring rondom de paling staan), 

iAA* Itripfp' dfiir^ji'' ^t^ijSè yi/ï Ööcvwy ïtöt* 
BOiaXOE. 
AIKAlÓnOAlX. 
«AA* éï T^ ;riyAfr? rwi^^f Tüjf öSaAcwv Xiyi. 



8S4. ru75e] Aeolisöli voor ^eupo. 
Sappho 1, 5 iAAi^ rvTè" %^é\ 

886. De paling is i^së£1 het koor*' 
welkora^ omtlat ü^ op ile pUata zelve 
gebraden ea gtraks na ajQoóp der voor- 
BteHiBg dour kurifiten en akteurs ver- 
orberd ^al warden; de cliorceg ia na- 
melijk niet 2oa''n rre^k als Antiinachos 
(1155), dat hij van ^ordpapierea taar- 
ten en honten visachen zoq laten sm al- 
len op hd tooneel. Vgl. Vred. 10^3; 
kiteta vHJ ^et qft?r achter d^ tc/i^rmen 
ffoan hrtn^ün; daê IfimU dëOr ühoreeg 
mm sekeutp idÉ. (Zie ook Vog. 856, 800, 

&02, Dupüi. soa), 

887* Moryclioa^ befaamde lek- 
kerbek; de Weap. 506, (1143), Vred, 
1008, Platoü. Com. 106, 

B8S, E3-%i^ai.] de Wesp. 9S8. 

— p/T/3aJ zie 669* 

S93, Het slotwoord van DikaiopoUs 
is een Ferisakelljke toepo^in^ der woor- 
den van Admetoa tot zijn atervende gade 
BüT* Alk. 355vo]g;g.: e¥ Tiz7a-tv avraïi 



poTiTi Tot^ iTüii; '■ fA^èl ykp Èxviiiv 'ttqts j 

Vooral heeft het zwierig gevormde fv~ 
TÊTiVTksciftxi^év^^ (waarschijalyk joister 
-AfftT^ivjf^ ; M lil lier) recht komi&(?he 
kratïht. Hetzelfde wordt Vred. 10 14 
{op 678) uitgedrukt door h rsvTksts-i 
/.üx^vofjrévii \ zie verder op SSL 

■ — 'éir^sp'''] i& oiiverklaathaar. Im- 
mers waarom moeten komfoor en blaas - 
Ijalg naar liuitea worden gedragen, als 
de paling naar binnen wordt ge- 
zonden? En hoe kan DikaiopoLis^ ter* 
wyi hij ^elf buïtenbiy ft j Keggen: *breng 
haar binnen , want ik kaa m^ niet 
van haar Ëcheideïi?'* — ^ De samenhang 
vereischt ongeveer j Jtöm aati mijn b&h 
zém: Rmrtiutn raki u ^lf$ ttë dood \ 
mij niét ca^ V hart ^ — Q aal ^jdhuld 
i» liiêtejtrüotf De J{av, geeft e3ti^sp\ 
wat in 't geheel geen zin oplevert. Ik 
geloof dat Ar* schreef 's A 5' m ip t^ 
p is-T-it (iA3eftr*Êpja-TH ïü |ïlaats vaa 

«AAeK*epaMTH]. 



118 

BOIXITOS. 

IdvyX TOVTd TrivTX. 

AIKAIOnOAIS. 

tl 0opTr sTsp' hiipy tK€Ï<r' i^£ig; 
BOIXITOS. 

i T/ y' ?ö-t' *A6ivx(r\ iv BotaroTo'tv 5J fitj. 900 

AIKAIOnOAIZ. 
i^vctg &p* [&^ag vpiifiêvo^ ^»>,fipiKitq 
9 Kipxfiov. 

BOIflTOS. 
dcpóxg ij xipafAOv; ixx* M ixeJ' 

AlKAIOnOAIZ. 

oigwsp xèpxfMV iyivitrifAevog. 906 

BOIHTOS. 

^Tip Trlêxzov ihirplxg Tro^xZg 'jrXioov, 

(Een sjkophant met name Nikarchos, loerende rechta opieven&ls 
de vorige). 

AIKAIOnOAIS. 
Kx) fiijp iiï "SlKxpxo^ lp%«ras/ 0xvav. 

BOIHTOZ. 

fAiKKÓq yx fixKog oSro^. 

AIKAIOnOAI2. 

^AA' xttxv kxkóv. 

898. imya] boiotisch voor 'éyoays de Spartanen duiden met rk ^tSt de 

{Apoll. Dysk. de Pronom. 64 Bekk.). Dioskuren Kastor en Ptjl^citfukes a4iit, 

— ^^pf] zie 541. en de Atheners bedoelen mt^Ë rè üeat 

901. Sardines uit Fhaleron worden de beide godmnen Demdé&nmKordi hij 

ook Vog. 76 geroemd. hen gebruiken daarom alleen rroLiwuu 

905. rei) 6tu] beteekent in den mond dien uitroep (zie Ekkl. l&S). 
Tan een Boiotiër Amphum en ZetAoe; 908. óit'] zie 130. 

8 



114 



NEGENTIENDE TOONEEL. 

üikaiopolifl, Boiotiérj NikarcLos, Koor. 

NIKAPXOS. 

910 Tc^vr) rtvcg ra ipüprf èarli 

BOinTOS. 

NIKAPXOX. 

iyè Tohuv éii 

Boinxos, 

ipvo^wêThitTt wéksfiüv ^pc& Koi pLéx^y% 
NIKAPXOS. 

BOinTOZ. 

NIKAPXOS. 

9iS iy^ 0pdaêi <TOi Tav 'jrEpunrèTosv xipiv* 

ix Tm¥ TOhiiiicQV i\^iky€tq BpuaXXths^Q, 

AIKAIOnOAIS, 
ÏTf/T* (pahêtg S^ti» kx) épuctA^iioc ; 

NIKAPXOZ, 
aum y^p ifj^^pwsiev iv ri vêèptct^, 

AIKAlOnOAIS, 
vëciptüp 6pyx?>h!g ; cïptoi , rhj rpéw^ i 
NIKAPXOS. 
1ÏB0 hiê\i; &y èq rl^i^v dvijp Boiérwg 



B13. iPafm"] nt 819. 

~^ Ti ïraö^v] zie 826. 

914. iS/j4f/jttfvcc] = Si^i)«i^y,$v{i^. 

dlB. ÈpustKKi^x^l zie 374, 

917* Zie 826; ook 938 is te Tcrg^- 

^-iTTifra] ala inleiding op een vraag 
i^dau) uüfc Wolk. S26, 1249, Theam. 
687, Plat. 1148. 

920. Ëen n'^^ kan, gelijk reeds 



KlMskj Mg, g«ea dier (kakketl^^ 
zijn, ofschoon de soliol dat be weeren 
(welUcbt Dflar aanleïrtiog 7Hn ItVe&p, 
352); ÏKït moet een halmgewas 
Tvezen; djiarin steekt zoo'n Boïotiör 
een pit, ca laat die brand e ad ?&,& 
stapel loopea in de straaigoot. Dai 
van een heftigen wind wonlt 
gesproken, waardoor 7ulk een vlam- 
metje meteezi zoa worden uitgedooM, 



•f..^ 



115 

&\p»g otv hirifi'^êtev ig rh vsdpiov 
it' vipoppóx^f (3opixv iviTitpTli<Txq fiiyotv* 
KslTrep xi0otTO toqv vêav rh Trvp &7r»^j 
9€hOLyinvT &v iiótjg. 

AlKAIOnOAI2. 

veKxyoivT^ £v uvh ri^viq re k») êpvxXXiioqi Qgfi 

(grgpt hem beet). 
NIKAPXOZ. 
(AapripofAXi. 

AIKAIOnOAI2. 
^vXKififixv* airou rb <rró(AX* 
(De Boiotiër houdt hem den mond dicht, en beiden werpen hem 
op den grond). 

ióq (loi ^opurhuj 7i/ ctirhv êviij^a (pipuv. 
\ufTVêp Képotfiov^ ivx jxijr xaTOty^ (popotifisvog,] 
(De slaaf brengt wat stroo. 
Gedurende het nu volgende wisselgezang wordt Nikarchos netjea 
ingepakt). 

(Zang). 

Strophe. 

X0P02. 

ovrug ovag 

XV fAVI ^ipuU JCXTX^Ifl. 

AIKAIOnOAIS. 
ifio) (AsXvi^st txvt\ iTTst 
TOt xxi r^focpsï ?kXXov r/ kx) 

is opzettelyke vermeerdering der onge- 927. ^opvriv] zie 72. 

rijmdheid. De plaats is mij intasscken — De aktear die voor NikfircliGi 

niet recht daidelijk; gaarne zou men speelt wordt niet zelf ingepakt, maar 

Thuk. IV 100 er mede in verband verdwijnt 926 door een valluik noïider 

willen brengen. — Van de v$poppó» dat het publiek het bemerkt, en wordt 

wordt ook 1186 en Wesp. 127 mei- door een zwQgenden med^peleri oï 

ding gemaakt. ■ misschien een pop, vervangen. Eie tri- 

924 ivoM^fitve] zie 778. tagonist moet zoo aanstonds Ainx bode 

926. fiaprópofAoti] zie Wolk. 495, van Lamachos voorstelba. 

Wesp. 1436, Vred. 1119, Vog. 1081, 929. Veel overeenkomst met het na 

Kikv. 628. volgende tooneel heeft Flut. iJï^U— 1^t:4. 



116 



n& 



040 



U^ 



ici>,Kmq éeoTtTtv èx^pi^* 
XOPOS, 

MKAlOnOAIZ. 

Antiatrophe. 
XOPOZ. 

leasT* öIkIxv 
TOïïévV ecit -^c^QuvTit, 
AIKAlOnOAIZ. 

liTXVpiy ia-T tv f cüyM\ wr' 
OVK if xaTMysl'4 wot\ ét' 

KiXTCÓ Képst KpèflO^tTO. 

X0P02. 



KscAsÏTCÊt i/a-a; |y t^ ^Uip/ §^y^UTat tv 

(Saici). 

034. Öfo^tf'jv sjtjöpi^!^} ataat met een 
Bchetdwöord {godtt^rgeten) gelijk- Zie 
Wolk. 581, Vred. 1172, (llS6?),Lys, 
283, 071, S97, eSa, 635, Kikv. 936 
Ridd. 32 voïgg. geeft difl spreekwiiïc 
aanleiding tot eeii redpnecrin»?, den 
besten sophkt w-aardig: ttoIüv ^psrut^ 
wé y^\ MTM^M yiy^"l yh^p flfotf^ ; \ —*éymyB. 
— "Kdt^ XP^l*^vo^ TCK^^pfifi ; [ — ênt^ 
9«Tïr/v èxh^^ ^V*- o^« Ei«üVM;;DaaT 
nu dfiïT^ è;(£^piÏ5 gclaruikt wordt ah ware 
het één wüord, wordt djiflri,ran een nietiw 
inbatatttivum howix^P^^ «fgeleid, Weap, 



418 «i wéAig mx} Btü^pov ésQtü-ex^P^ót 
(ook ArcïiLppofi fr 35). Eveozoo kzA3c 
xxystêó^ — jeaAe*!ïytf&/«» Vöïïv ï;^&iv — 
vovvex'^vTta^ {l snkrat ,) , 

037. xpariff kxk^v] Zoo êpreken de 
Griflken ook van een X£J^^*4, ÖiëAojTTUf, 
^lAffff, AépvYi xscitsïv (Paroimiogr.). 

g&L, vgl. Ridd. 2S9, Wesp, 102, 671, 
687. 

044* Karayy/V^] rondigt tegen hei 
metrum, daar de a wel in het perfec- 
tum RQ ÏD den aoristna indicativi Ijiog 
h , niaar piet in de augmentloojïG Tormen 
van den aoriatus. A. Muller corrigeert 
narét^txti^ wellicht juist j alfrdan ïfjn 
deze woorden lot don Boïotiër gericht. 

04S. %£Têi KÉpx} cKik Vred. 153. 



117 



BOIXITOZ. 
XOPOZ, 

óipt^s Ko) Tovrov Xafiiiv 
TrpóaPaX?^' ovow ^ovXei 0ipav 
TFpig vxvrx vuko^xvt^v* 



^m 



AIKAIOnOAIZ. 

aHpov XoifioêV rèv KèpotfjLOv^ S Boturts, 

BOIHTOS. 
vttÓkuttts rkv tvXxv luv , 'l^fj^iivix^. 
(De slaaf neemt het ^pak'* op z^n rug). 

AIKAIOnOAIS. 

X^^oog Kotroheig avrh €V\al3ovfi£Vog. Ofitt 

vivraq fiiv oUsig oiih uyih', ^AA* iiiaq* 
Kctv TOVTO Kspiiv^g iyuv rè (popTloVj 
êöixtfioviio'sig avKO^xvTuv y* eïvsKX. 

(Boiotiër met slaaf en ingepakten sykophant links af. De koopwa^* 
ren bleven voor de woniog van Dikaiopolis liggen. 

Een Dienaar komt uit de woning van Lamachos), 
TWINTIGSTE TOONEEL. 
Dikaiopolis, Dienaar van Lamachos. 
0EPAnnN AAMAXOT. 



947. 6gp(iStv] hp/^6tv, den oogst btn- 
nenhahn, de tehoven opladen; in dit 
geval: den als breekbare waar verpak- 
ten sykophant, van wien men weinig 
of niets meer ziet en die als 't ware 
in een bos stroo is omgetooverd , op de 
schouders van den slaaf leggen. 

948. Dit en de volgende verzen z^n 
corrupt. Vooreerst is de zin niet wel 
verstaanbaar; men zou verwachten: nu 
geluk er mee, en verzuim vooral niet 
er by gelegenheid meer te komen ha- 
len. Verder heeft vs. 960 niet dezelfde 



maat als 938 ; terwQl eindelijk m etrophe 
en antistrophe de rolverdeelijig aifit 
overeenstemt. 

952. xtfx^c »T0?i0ÓfA8V0v] zie 77S. 

953. c^lpov] evenzoo 1140. 1143. 

954. rvJMv'] zie 860. 

955. x^^^i xaro/o'SiQ] eïb 2S3, 

956. vdvru^ enz.] evenicoa Vred. 
1194 T^vTMQ ykp ovllv iS(pÉAiJc *^'r' 
«vrifc 'ért, Ekkl 604 ^Aa' ^Uév rot 
Xpiia-tfjLov é(rr»t t4vt«c ccvt^. Zie ook 
op 347. 

— <iAA' Hiioiï\ zie 402. 




J 



118 



AIKAIOnOAIS, 
©EPAOflN. 

O Til 

i^ Toiti; Xéx4 c^uroi fjLerxloX^yxi rm mxXm ^ 
rpmv Ipctx^m T ixékêus K&r^y ï^x^ht/y. 
AlKAIOnOAÏZ- 

0EPAnnN. 
AlKAlOnOAIS, 



BS9. r/ ÊifT*] ïje 4. 

1146, yo|, 274, Lya. 685. 

960. ÉHf Afvf] imperfectum gcl|k 952, 
1051. 1073, Eidd. 1181 euz. Oii^e 
dietiatboden spreken e ven zoo- 

— ravTsirt] zie lïO. 

961- De CboëB zijn de middelate 
dag vm bet driedaagsch A u t h c b- 
t e r i a-feeit. De eerste droeg dea naam 
van P i l h o i g i a, de dürde dien van 
ChutToi (1076) Gelijk de Apaturia 
(146) met de kömat der Nelideu, de 
kleÏDe Myateria met die v&n llerakles, 
taa werden de Anthcsteria met de 
komst van OreatcA id Attika In ^er- 
haüd gcbraclit, era dasirnit bet eigen* 
e^ardig gebruik verklaard . dat bij de 
irieriiifi; van bet ChoÈs feest ieder ïyn 
eigen rantsoen wga bij ïicb had staan: 
'Opea-Tt^5 f^STx Tov <p9vov $iq 'Aè4^a; 
^tité^evo^^ ^v II ioprii ^tovvifov Aij^ 

X^v^tFaro rêióvSs rt Uavèlütv, x^a 

awè TcS abroë Kpa£T^fCi wfüi 'OpfiVrijc 
fZiiTt hxslveq £ÉX^GiTD xM' icvrov wf- 
ifU^ (ié¥ó^. Kat èw' littlvüv ""Atii^stiatq 



hpr^ hofAta-ê^ oi xéec (achol,; evon- 
üoo ep Kidd. §5).^ 

963. é 'xoloq oZrüti] even zoo Wolk. 
1370 Ta ^csTüÉ TxvTOL ^f^i^^Tsii lia 
verder op G2. 

Deze vraag maakt civerigena dan in- 
druk aU ware Lamacbos in bet atnk 
nogf niet genoemd, en pleit dus zeer 
vDor de gissing dat de Acbarniëra mn 
dubbele bewerkiog hebban ondergaan. 

964 Vred 241 wordt evenzao vmn 
den OorlogBgod gezegd: é Sstvdi;^ £ 
Txha£ptvo£i o Kark relv o^KfAoiy. Het 
bijv. naamw. ra^^atépivo^ {raAof Fpïvoc) 
^ehitddrsger, bij Homeroa epitheton van 
Ares (E 389 enz), staat gelijk met 
ipéps^^TTtQ (Hom. Hfmn. 1,2). 

96B Tps7Q KscTiza^H, A.] op B7B. Ty- 
deaa by Aisch. Theb* 3&4 TomSr' 

Uok de Epopa Vog. 94 draagt een 
driedubbele kuif. 

9C6 {fifx Ittf] nL fisTxdot^v. Ellipi 
aifi Wolk. 108 f cifK av pik rèv Até* 
vvT&v^ §t ^^/^^ ys fjLOi j T&^i^ipatirmjfOii^ 
od^ Tps^si Asmyépce^. Weap. 299 QUn 

Pi ut. 934 0^5" ^v el Soi^q yé fi&t \ rèv 



119 

iKK* stt) Txplx^i Tobg xé^oug Kpxixivh»* 
iv y iiroXiyxlvifi^ rovg iyopxvófiovg xx?Ji, 

(Dienaar af). 
iyoo y ifixvTu t܀ Xx^m rh 0opTtov 
heifi* vTTx) TTTepiycov Ktx^^v xoti KO^lx^y. 970 

<Dikaiopoli8 gaat zgn woning binnen, zwaar beladen met gevogalte, 
Z^n dienaren dragen de overige koopwaren naar binoQn}. 



TWEEDE STASIMON VAN HET KOOR. 

(v8. 971—999). 

(Zang). ^ 

XOPOS. 

S t r o p h e. 

eliêq Si [sTiêq S\ ttx^x vihi rh (ppivifAOv xvipx > rhv 

ifTripaoCpoy , 
oV ix^i aTrei^xfiêvog ifivoptnx %pj5/ca«t« h€fA7rs?.^v ^ 
av Tx fih iv ohlf XP^^^f^^ » *^^ 5' ^^ irpiirst x^^^P^ 

xxre^Sist», 
xvTÓfAXTX irivT* xyxêx r^ii ys Tropi^STXL 
oviiyror' hyu TlóXsfAOv oIkxV VTToié^ofixi ^ 
ouil TTxp' ifJLoi vore riv ^Ap^éhov ^fxerxi 
^vyxxTXkXtvsU , Sn Txpoivog xvMp ^^^j 
öVt/^ i;r) t«i/t' xyxd^ txovrx^ iyriKafixffxq 
s]pyx<TXTO TTXVTX xxKct*, xxviTpeTTS xx^ix^t 
xxfidx^'^^i ^^) ^po^in voïJKx irpoxxXoviAinv 



§75 



960 



967. Laat die móar ttokviseh eten, 
■€» er met zijn pluimhoed over wuiven, 
Vgl. fr. 628. 

968. itiFoX.iyaivi(i] volgens de schol. 
twitt zoeken; ik zou er echter eer de 
beteekenis snoepen in zoeken, en ben 
dus geneigd As/^e/v, A/%«v^C en U- 
gurire te vergeleken. — Welke ityo- 
petvófiot Dik. bedoelt, weten wij nit 
723 en 824. 

970. vvut TTTSp^yuv x<%aSv] citaat 
nit een of ander lied, geiyk ook de 



schol, beweeren; ware dat niet bet g^- 
val, dan zon dit vers eea verbazend 
mat slot voor een akte wesïen. — Men 
vergelijke Wolk. 339: de gezwollen 
dithyrambendichters, die de Wolk«n 
In hoogdravende bewoordiogca plegon 
te bezingen, slr^ 4vt' xutS^ xari- 
•TTtvov I xta-rpSv rsfJt^x^ ftS'ycc/.stv ayst^ 
6xv xpéot t' èpv/éstcc xtx^?.xv. 

980. rbv 'ApfJtóhov] het bekende volks- 
liedje (a-Ko^tóv) ter eere van Hnrmodics 
en Aristogeiton , zie Athen. XV p. 695. 



120 



AntistrDplie. 

Sif <ppC)f€Ï^ 

A/fltXA<aï7^ , 
990 ó; Kixxh %öi/ff"« t3 wpQïï0itoy &p' ihivéóLvê^* 

ë^TTep Q ^iypc&f£fi£vo$j ÏZ^^ a-TÉcpx^ou duêéfjLuv; 

5 T^dvu ^ipévTtQv ïü-cdg Uêvófiixxg JCtf o-ti; 

iAAié fl-é Kcc0èv tpix ^om y' g^v Itj ^po<rKüt^êïv ' 

iirm TCxpcé riy^s vix i^ca-x^^i^ truKi^sav ^ 
KOi t3 rplrov }fpt£piiü^ êi^ov ^ o yipmy èTi^ 



9S5. T^vèw'] lie ISO. 

- — ^tKOT^^toEV^ nl, üóhiKü^-i tFrisjtd- 
fC^o/psdronk (voor ^^AoTïfr-iPs , evenub 
^Aövfl-fD5, M*Aif<r/4fc enz). Lyeïftr* &03 

Zh y«rder Theopompos S2, Aleiib 5S, 
291 ï AriBioph. fr. 664 x^P^i 4*'Ao- 

986. ^lipjVx^f] d^ ataVen waar] bd ga 
de wjjuBtok opgroeit ; ook 117S, Wesp. 
1201, Vrea. 1268, Vandaar Wesp. 1291 
het spreekwoord n jC^F^Ï '^^^ ^tfiTiAov 
IJifïTiÈTjffl-ev. 

987. Het be^ld Yan g«ftoorde iafel- 
rrengde zom eigenlijk vereïschen dat 
liet van èfiTé?^»^ gesproken werd maar 

TÜD KpSCT4p6iV of ifüA/«ftrv* 

— Mea verHnds: tifxóav tqv üÏvbv 

989. AU het nog eenmaal tot wa- 
peorast komt , zeggen de reeds bejaarde 
ko«rled{!n« dan ga ik n\s een jonge 
kerel weer aan 't planteii (vgL Vred. 
666— 6 B9), aonder te y ragen of ik van 
ét ol^yen- en vijgen- en w^jn-fltckjea , 



waardoor ik m^n verwoeste boomgaar' 
den trai^bt te verhangen, wel ooit nog 
?eel Tfnehten i:al zien. 

Dit drukt de apreker uit in beeld- 
spraak, door van een ha wel ijk tu»- 
Ëchen lick en BiaU s^ te gewagen , als 
zweefde den dichter het onderwerp der 
Vrede reeds voor; ofenak Polemos 
in de Btrophe ak een dronken woeite- 
ling in bescibreven — , iaagelïjka een 
beeld dat in de Vrede beUehaamd ia 
geworden. Dialkge wordt ook Ljsistr* 
1114 verpersoonlijkt. 

Tsti^ 'ABiiifCcit; 'éypBt4'$v "Epe^ra ^pat- 
ÓTOiTov êff'TëfZfjisvüv ^ó^otq (schol,)- 

996. f^off-x^'Bisij Reeda bij Homero* 
A 105 wordt f^é^x^^ ^^^ plan te o 
gebezigd^ ea wel nla adiectivuniï i^/Sft 
lié<rx^i^t ^ityotat hij iumd A^rt fnei 

997. *!fiipk wijnstok reeda Hom. r 
69. Doch waarom wordt hier tweern sul 
van wynstokken geiproken? Ala ik wel 



121 



VIERDE EPEISODION. 

(V8. 1000—1149). 
EEN-EN-TWINTIC8TE TOONEEU 

(Een Heraut, met volk achter zich, rechts op). 

Heraut, Eoor, daarna Dikaiopolis. 

KHPTH. 
iKOÓsTs Xêci* x»T» rit ^drpix róitg x^^^ looo 

(af). 
AIKAIOnOAIZ. 

(Komt op het geroep van den heraut uit zgn woning, en geeft 
aan zijn gezin, dat zich binnenshuis bevindt, allerlei bevelen), 

r/ ipXTê; TOV KljpVKOg OÖK iKOV€r€i 

iv»fipirTBr\ i^ovTiTs , rpiTrer', i^iXKSTe lOOfi 



zie, z\)n 995 en 997 twee redacties 
van ëlnzelfden regel; anders zou de 
oude man, die drie dingen gaat op- 
sommen volgens 994, er inderdaad 
vier vermelden. Aelianns, die dese 
plaats (zeer kinderachtig) nabootst 
Epist. Rostic. 4, scfa4jnt dan ook vs. 
997 niet gelezen te hebben: iyèt yhp 
ifATTS^fSoq "ópxov lA^a-a^, eïret fJLoer- 
X^iet ervK^Buv wapce^vrsveraQ d^cePi^, 
[k»}'] iv KVKXip TTipt ri aV?nov xceré- 

1000. &Kovtrs Ae^] vaste formule, 
zie op 41; evenzoo Vred. 651, Vog. 
448, *Sus8rio 1 (zie ook Wesp. 1015, 
Vred. 298, Vog. 1275 volg., Plut. Thes. 
25). 

1002. Volgens Aelianas Var. Hist. 
II 41, 8 placht de belooning in een 
krans te bestaan; hier evenwel is 



een prijs uitgeloofd, meer overeen- 
komstig den aard van het ktm^t- 
stuk. De vlugste arinker krijgt namc^ 
lijk een zak fijnen wijn ten geschenke 
(volgens de schol, zou dat steeda ge- 
beurd zijn). Het merk wordt echter ^ 
b\) vergissing zoogenaamd — KniuUptSv 
genoemd in plaats van X7oq of KüpU- 
êfOQ of eenige andere beroemde wijn- 
soort, ten einde in het voorbijgaan den 
dikken Ktesiphon te bespotten, wieB, 
om met Persias (Sat. 1 67) te spre* 
ken, pinguiê aqualicuhts jn-qpetua scfê^ 
quipede extat. 

1006. rh Aa^^tf] nl. Kpiet. Voor ogq 
Atheensdien lekkerbek zijn de hazca 
onder de viervoeters wat deBoiotiBrhe 
palingen z\jn onder de waterbewoncri. 
Een schotel hazepeper dient 8trak8(1110) 
om Lamachos te doen watertanden, ca 



122 



(Een slaaf brengt hem de verlangde peDtQon. Dikaiopolis gaat de 
l{{8tera aansteken], 

(Zang), 

Strophe (va. 1008—1017), 

XOPOZ, 
5fiïAw ö-f rijg €0j3ou?^töt4 f 



1010 



av^p^'T^êy r}iq 7rapov(nig. 



AlKAlOnOAlS. 

i^TTcaptivAq rSj^Té; 
XOPOE. 
o7/£de/ fff at^l tööt' £u hiy&t¥, 
AIKAlOnOAIS, 

(Tot den daaf:) 

XOPOS, 
101& i^K&uff'x^ ég ptxyitpiK^g 

(Een Landman, in diepe droefheid — in de rouw? *— LinkB op). 



bewerkt in de Riilders zelfa dea oin" 
zwaai der hanMing (1192 volgg.) Zich 
met lonter haxevlefiscb ta Foeden (^^v 
tv wSö'i Aa^wpj^)» dat ware een ideaal 
wat slechts in onbereikbare verte kan 
worden gedacht (Wesp. 709). Zie Terdeï- 
Vred. 1150, 1196, 131S, EVkie». 843. 
HoDgcr dan ^sty^x staat nog slechts 
iéa. diag in de schatting van den fijn- 
tong, laamelijk vo^d-melk, èfvlBm yatha 
(Wesp. 508, Vüg. 734 en 1073). — Het 
kofltel|jke wild was intusschen slechts 
uit het baitenland te hekcmen , yooral 
oit Megara (ïio 5^0), maar ook van el- 
dcrsj bijv. uit de Bojotiscbe moestuin eu 
(jrfe 87S). Tn Attïka Kelf bad eea JQgcr 
niet veel racer kan Et een baas dan e^D 
leeuw te sebietBn; Nausikratca hij 



Athen, 39Ö f ev t^ yhp 'ATTiieji tI^ 

lOlL t/ lïjrjf] gevolgd door IxtiJ^ 
of SVdiif evenKOO Vred. 859, SB3, (916 ?): 
imi isnlf ffë dan w&i ^ggen ah. Er 
wordt A f I £ f 5 bij gcdaeht, gelijk bg 
Pberekrates lOS, %% volnlt staat: t( 

icfl^ 511^^ gij d^n wH zeggen ah gij ê^ 
ttQfdete btschrijmng ^an Lidlekk&fland 
hoort. Dezelfde elüpe ia gebruikelijk in t/ 
IïJt^ 2c V gevolgd door fl met optativtiflj 
Wolk, 154, 709. Lys. 399, tc^t tQudt 
^ij dan. wêl Müffgett. mh^ hc. f'iTrot^. 

1014. vjros'itaXsus'] oprakekn, ook 
Vred. 440 (Lys. 10^). 



123 



TWEE-EN-TWINTIC8TE TOONEEL. 

Dikaiopolis, LandmaD, Eoor. 

TEnproz. 

AlKAIOnOAIZ. 

FEnpros. 

AIKAIOnOAIS. 

Kotrx 7SXUTÓV VVV rpivov, 

TEnpros. 

S ^iXrarif ^iroyhxi *yip shi voi fAÓvcp^ iQ^o 

AIKAIOnOAIS. 

t/ ,5' iTTxSsg ; 

FEnpros. 
AmAionoAis. 

TTÓêêv; 

FEnpros. 

£7rh <I>yAiJ<? ixx^ov o] Boiurm. 
AIKAIOnOAIS. 

TEnpros. 

Ka) rxvTx fiivToi vij A/* UTrsp fi hpsCphviv loSS 



1019. X6trk (T. V. T.] ook Wolk. 1263. 
Vgl. op 838. 

1021. fiérp^erov] loemefen, vandaar 
te leen geven; fA8rps7a-êact te leen nemen. 
Theopomp. 26 ^ [abtu^oq, l) tiérpvi^ 
ffovy ïj Ttiiiiv Xee^é geef of leen of 
verkoop het mij. Hes. Erg. 349 sZ fièv 
fi€rpe7er6at 'xupk 'yefrovoQ:*sZ $* ^tfo- 

— Jc2èy] vgl. Wesp. 92, Lys. 671, 
Plut. 126. 

1022. lïTSTp/pjfv] = axukófi^v, van- 
daar Wtrpt^siviq verwensching = iiró- 
^.oto, Vog. 1630, Thesm. 657. Zie ver- 



der Wolk. 1407, Vred. 246. Vog. 96, 
Lys. 8*<8, Kikv. 1018, Bkkl 324, 
Plut. 120 enz. 

1023. Over den pas van Phyle 
zie Tnl. bladz. 11. 

1024 Vermoedelijk is de boer i i} d c 
roaw over zijn koetjes, en moet dua 
dit vers 9p dezelfde wijze worden op- 
gevat als 120. 

1026 sv w&ert fio?^trotq] voor tv 
TToia-tv uyocht^ (Pherekrat 108, 2 ; vgL 
fF&vr^ éiyM^ *éxstv vs 982); cTepzoo 
èv TrScert ^eey^otQ Wesp. 709 (zie op 
1006). — Vgl. de spreekwijze 0oAhau 



124 



AlKAIOnOAIZ. 

rEHpros, 

ilKAIOnOAlS, 
1030 iAA*, S 7fovjip\ oi Sij^üO-iétJwi^ rv^xivm, 

rEnpros. 

AIKAIOnOAIZ. 
eÖK lö^Tiu, «AAi kkMs ^pèg rebg TTitt^Aöü- 

rEHPros. 

ö^u 3' iAA^ ^0/ ^JTÉStAJtj/M^i' *'/JïJi"ï? £V» 
ig rèv Kxkxpthnüv ivtrrdKac^ov tqutövI. 
AIKAIOnOAIZ. 
lOSB üvy &v a-Tpij3iXiKly^' «AA' dwtèv oï^dj^i xqu 

rEHproz. 

(Jammerend liukB af). 



Stxn (PaTOÏTïi. Gaiaford p* 36)* nara ds 
iautt caprina; de ook Rïdd 65S. 

1030* Qli èi}(iOiTtiÓwv Tt/^J^f^Vftf] ü 

Tfoi), yaa staats wegf^ aangesteld om 
gratia hulp te vcrleenen aan dege- 
Deu die ze Iteho^yea. Zie Flato Gorg. 
514 d, St Politik. 259 Al en v«rgdijk 
h^t yerliflal omtreDt den beroemden 
ATti Dcmokedes Herod lil 131, wien 

Iïo2ivitpéTifi ^v£v TxAévTAJv. Dsaren- 
Ugen PlQt. 407 : rfc ^^t* tar^é^ i^rTi 



Vog. &g4). 



o&ïiïf ïr' ïffT* fllfi' i( Tf ;^vïf, (VgL ook 



1032. De 8tads-g«nce&hccr Pttaloa, 
ook Wesp. 1432 vermeld ^ moet atralia 
1S22 aan Lamachoe ^jn kuiiBt vertoo- 



ji^D, daar deze evenmiö een coniaU 
kan bdalea al« het hoertje uit Fbyle, 
en dos oTau den arme'' geholpen moet 
woï-déQ. — Onder roif^ UiTTdAov 
2ija ^aarscïfiijtilijk s^ljn leerlingen 
te rerstaan , vgl Ai^chin. I, 40, Vs, 1233 
ge^en de hss. €c toP IHrrdAsv &ï 
Wesp. 1433 ÉC rk UittAm^. 

1033. tfü è" iAA«] vgl lül. 

10^4 KflfAiT^t/critei/] rieiMJmen h^ 
wijze van apotbekers-fteschje» jyn wel- 
liekcDd uit het verhaal hij Xenoplu 
BeUen, 11 1^3^ Tn den hollen ateagfil 
vaa een riet gewas had reedi Prome- 
thfius het vuur nit den hemel ont- 
vreemd. De meer veTmogende heicigd^ 
geen rietb nisje» maar een aAjé^atiTTepj 
1053. 

1035, oèJ* ht ^Tft^thixiy%J ffsm 
ritfr, ffü^ji tikkepU. Soortgelyke uitdrok- 
kipgen vindt men Weip, 91, 92, &él. 



WF^ 



125 

(Zang). 
Antistrophe (vb. 1037—1046). 

X0P02. 
iviip ivijiiptjiciv rt rxU 

AIKAIOnOAIS. 

xxTcix^^ ^^ ^^^ X^f^^9 ^i AftiAi' 1040 

XOPOS. 

IjKOVVX^ ifiêiafffAXTUv; 

AIKAIOnOAIS. 

XOPOS. 

rov^ yêlrovxq xvla-yi re kx) 1ö45 

(pUV^ TOiXVTX KXVXOQV. 



AIKAIOnOAIS. 

iirrxTi txvt) kxi xxXaq ^xvil^iTS. 
(Ëen Bruidleider en een Speelnoot van de bruid, rechts op). 

DRIE-EN-TWINTIC8TE TOONEEL. 

Dikaiopolis, Bruidleider. 
nAPANTM<I>02. 
AtKXió^oXi , AiKxió^oXi. 

AIKAIOnOAIS. 

t/^ ouroffl; 
nAPANTM<I>OZ. 
IvifjL^i Tig ffoi vifA^ioq r^sfr) Kp^x 

Yred. 121, Yog. 1649, Kikv. 614, tier heeft ze hem niet geleverd^ £Oorer 
Ekkl. 284. wij weten. 

1040. Kctréx^t rd fiéKt] ook 1180. 1046. ^étncuv'] op 689. 

— X^P^^i] wortt, ook 1119 en 1047. J«vfl/^«T«] hrum bakkcft^ zie 

Wolk. 456; Ridd. 316 in gelijken zin 1106. Bij Fherekrates 108 (op S31) 

XÓphvfJLce, zie ook Ridd. 214. wordt ook gesproken van Tr^vpk &tk- 

1041. (Gebakken sepia's, geliefkoosd ^étKsi* Ws^avétvyLévK^ 9arkeasrtbb<^'n 
gerecht, zie op 861; zij worden bij de met een bruin korstje, en een l^i'uSfv 
oomici dikwijls vermeld, o. a. Ekkl. l^otvéta-fAtvov ïx^óv vermeldt f hik- 
127. — Hoe Dik. aan sepia'^s komt, mon 79. 

znllen wQ 'maar niet vragen; de Boio- 1049. raurï] zie 130» 



126 



AÜCAIOnOAIS. 
nAPANTMOOZ, 

7va ^^ ö-rpatTéuö^r*, ikxi ^tvalif p^ivciy ^ 

AIKAIOnOAlZ. 

iwi0€p* écTTÓ^spe rk npéa xa! jcaïj (aoi 5/Söyj 
10B5 i? ouK x¥ êyxéxtfMt ^u/cüv Spde;^;ptWM, 

nAPANTM^OS, 

AlKAIOnOAÏS- 

(De speelDoot fluijjtert Dikaiopolia iets in). 

tJ Siiflitt* rij? ï'U/Ct^ïïï, 3 SfFra/ fd^cu ff<póipXj 
1060 tfïTii?^ it^ öïküvpyi Tö ^iö^ Töü l^t/jctCp/av, 

(Tot ^gti slaaft) 

èrtif "ymvi i^rt rcy jro?^éfjtou t' §0x atlrlx, 

{De ela^af brengt de kruik). 
hiTix ^Sf SfSpa Tüu^DtKeiTrrpüv ^ ^ yvvxi, 
oi^ê^ èg TTOfBlrs tovto-^ tj} i^UjCt^jj 0pxirou, 



F0W Aem; Vred. 271 ^5 '>'^ . . * Tro^ify 
^vó^oiy }K$7vei;^ Pint. 863 x^A^c 
Tü/vuv Tfot^v ^TÓA^t/Tat. De omge- 
keerde cotiBtractiQ lliéd. 1180 xAAtv^ 

Vre4. 1311 f5 s^ojfTc ?^ xxi cd «jip^É- 
ffl/v. ZiÊ qok EkkK 803 iji? hxp^iryt^ 

10S4 Evenzoo Vrcd. 13^1 èwiipsp^ 
è.wé^s^'' l^ xófdHSc^ «flfd Tij 5 olxiaq. 

1054. sp^JifTTff] De pluralis Ja onvers 
klaarb^ar, «^n ua de vfuag «?tf^^ ^Ij wai 
gij doen moet? is toI^to Tnisplantst. 
Evenmin kan de lezing Tzotélrat jaist 



wezen, daar xoiET^rliit* Toor y(yy$^ixê 
geen Attiacli is. Meinuke werpt het 
vera buiten {|en t^ït, wflsrtoe gfsen 
aanleiding befitaat Ik ver moed dat er 
ve rwiagcl ÏDg Tan twee hal re regels beeft 
plaata gevoaden, en dat AriBtopbasés 
&pbreef: pTs-fl* ^4 To/if^rcii^; towJ^- 
XetTTpev ^ ^vdE/ I t/Vf^" 0^s St^ps^ 
f&ÜTo* T^ vüfi^^ ^^ik<TO¥ eaz. Weêê 
ffe wat ge dottf Houd Uio ^alM&ac^^ 
eeni even s6é hkr onder. Zoó is '£ 
genmtf. Zeg hü f^an de órmd eruip 
Voor oT ir é^ mi; tt o fif a- ov ^ie men 
Sopb Oid Tyr. B43, c venzoo oJa'ö'- 
ï ap^fl-ev Eidd. 1158, Vred, 1061. 



127 



W' 



(Tot den slaaf:) 
iiró^ipe Txg wovicig. 0ip6 riiv ohiipyjiVj 

(Bniidleider en speelnoot rechts af. Een Heraut rechte op)^ 



106ft 



VIER-EN-TWINTIC8TE TOONEEL. 

Dikaiopolis, Eoor, Heraut, daarna Lamachos, 
K0PT<I>AI02. 

uffvep T/ ieiviv iyye^av iTTslyeTXi. i(TO 

KHPTH. 
}a vivot re xa) fAix^^ ^^^ AifAXXOt. 
AAMAX02. 
(Snelt, ongewapend, uit zyn woning). 

Tig ifA0ï %«AXO^iA^p^ üflCCTX KTVTTSTl 

KHPT3. 
livxi 0-* ixiXiuov oi (Trpxrviyo) rijfiipov 
TMxiag XotfióvTct Tovg ^éxoyg k») Tobg XÓ0oug' 
xiireiT» Tvipsïv vi<pófJt,evov rkg iff(3oXcig. 1075 



Yog. 64, 80, Eur. Ton 1029, Hel 316, 
1233, Iph. Aul. 725 enz. £n voor 
roOro vgl. "Wesp. 142 t«(/t', & ié- 

1067. T^v olvfjpvo'tv] op 246. 

1069. rkQ è^pÜQ avtCTraxibQ] mei 
onheilspellend gefromt voorhoofd^ ook 
Alex. 16; Bidd. 631 (de raad) Ï^Atfx[;« 
y^'KV Kat rk iiirwjF* ivée-Traa-sv. In 
gelijken zin gebruikt men iTrae/pstv^ 
büy. Amphis 13 & ÜA^érwy, | uq ouoïv 
oMce TAifv a-Kv6pu^^^8tv fAÓvoVy \ 
üa"7rtp KOX^^^Q «/ttv^c «Tjfpx^C rkq 
è^pÜQ. Alsmede a-vv^yeiv. Plat. 756 
6<PpijQ ffvv^yov ha-xvöpuTra^óv d' cifZM, 
zie ook Wolk. 582. Schilderachtig Lys. 7 
IJtfi a-KV&pu^a^* Si réKvov, | ov yocp 

'KpéfTBi 901 rO^OTTOtt'iv T^Q è^pÜQ. — 



l 



Het tegenovergestelde is x^^^^^^ '^^ 
liér»7F0¥ Wesp. 655, of, zo du Is bet 
Bidd. 646 wordt uitgedrukt, rk T^étr* 
U7ra itacyce^tiv/e'cet, 

1071 f^^X^f ««' A^fjutxoi] ^gl Ï'ÏO, 
1072. %«Aicö^A«p«] Daar ^^aAapj 
knoppen of rozetten zijn, ter bc^kor' 
ming en tevens tot versiering op de 
wangstakken en* den voorbot^fdarand 
van den helm aangebracht, moet %cth- 
KO^^Kxpa $ufJMrac in den ^tijl der 
tragici, dien Ar. hier nabootst, l*teu* 
kenen een paleis welks deur met hro^ê-- 
zen knoppen is beslagen (Helbii^ htjm^ 
Epos 216). — Vgl. Teleklidcs ^6 r/4 
ijos Kpavyij xcct oófjuov fPipirrot^i^k 

1074. ?^6xot en ?^6^oi verboocieni 
evenals 575. 



A 



128 



xoao 



fiyyiiKê AjjiTTi^ £/*j3üfcAe7i' ^ai^Tkuq, 
(Ijlings TBrdeTf om meer orders rond te brösgen}.. 
AAMAXOZ, 

OU SfivA ptfit i^ëlvd&t fti (li^y hpra^Tixti 
AIKAIOnOAIS, 

AAMAXOE. 

AIKAIOnOAlX. 



1076, UTÖ To&c XiiïJC mxi TLvt^qv^] 
vandaug of morgeit, zie 96 L mbt de 

ft&Dt. 

1077. sf£^aM7»] f n t a r a ra. Lama- 
chos moet de paasen van P h y l c en 
D 1] k e 1 e i a gaan bezetten , om een 
lieraaraJtïa ie val van Baiotiache plun- 
deraara te keeren, waarvoor de stra- 
tegen door spioanen gewaarscbowd ïijn 
geworden. (Zte over de Boiotistïhe pas- 
sen Xen. Coram. III 5 $ SB— 38, In- 
leid, tladï. II). 

Edoch — koe komt dan de Ijoer ait 
Phyle reeds 1018 beroofd^ wien blij- 
kBDH 1023 op dienzeifdun plun- 
dertocht ïyn apan ploegattercn door 
de Boiotiëra is ontnomen ? Müu zou 
knnnen gissen dat de strategen elecbË 
of te kat ontlerrickt zijo geworden, en 
duB oa maatregelen nemen om een 
inval te vüurkomen die reeds heeft plaats 
gcvondco. Maar waarom laat de dichter 
ons dan daarnaar raden, isoodat w^ 
groot gevaar loopcn die hatelijkheïd 
aan het adrca der krygsbevelhebbers 
niet eens op te merken ? Vs. 1080 zott 
men dienaangaande tob^b minstens een 
wenk verwachten , en later bij het bodo- 
verhaal 1174 volgg^ moest toch ook 
uitkomen dat Lamachos den vijand , 
dien hij meende te gaan buiten- 
ftl uiten , feitelijk reeds binnen de 
paaaen had aangetroflen. Daar nu van 
dit alles uiets bij den dichter wordt; 



gevonden, geloof ik dat de tegenrfr^* 
digheid tnascheu 1033 en 1077 moet 
worden beschouwd aU een bewijs dat 
het tooneelatnk twee bewerkingen heeft 
ondergaan 

1079 Ook Lamachos was aan het 
feestvieren; zie 961, 

1082. Bit vers la zóó onvcritaanbaar 
dat de kinderaehtigftte verklaringen er 
Tan zijn beproefd. De sehoÜMt meent 
in den viervlengeligea Geryones een der 
sprinkhanen te herkennen , die 
Dikaiopoiis van den Boiotiër heeft ge- 
kocht {^^iiKvy^i 3è tfuT^ Ti riav ts- 
TftXTTEpvKKi^iüv U.(JLse. TflDro Afyfuv) [ 
Nieuwere nit leggers ( W ïelan d , Blaydes , 
Muller, Itibheek) nemen aan dal Di- 
kaiopolis^ met twee vJeugels der ge- 
el acb te vogels in elke hand, ïieh nit- 
dagend tegenover Lamachos plaatst ; en 
volgens Büthe wordt met den gavlengel- 
dén reus de hofhond van Dikaiopolis 
bedoeld! Zon de dichter niet geschre- 
ven hebben ^ovXëi y.éj^etr^aii ^ ï^^pvéwi 
TtTfiéwTiXf'^ zótfki ffe ruziB , )mH&- 
v^PT? Immers Lamaehos, die reeds 
1)64 met het epitheton van Ares is 
aangeduid , kan veel gevoeg lij ker een 
gigant worden genoemd dan de aUes- 
behalve itrijdlustige Uikaiopolifl (vgL 
Meineke Hist Crit. p. 352). De 7rr/Aa 
van LumaehoB — niet met de drie 
Ae<foj te verwarren — hebben 58^ 
volgg. reeda een rol gespeeld en wor* 



129 



AAMAXOZ. 



AIKAIOnOAIS. 

aïal^ tIvx T xZ fioi vpo(TTpix^i rig iyy€Km\ 
(Een Bode rechts op). 

VIJF-EN-TWINTICSTE TOONEEL. 

Dikaiopolis, Lamachos, Bode. 

ArrEAOs. 

A/x«/JtoA/. 

AIKAIOnOAIZ. 

t/ ?ö"T/v; 

ArrEAOs. 

iiFl ielvvov rotxb 

i TOV Atovvaov yip a* Upevg (JttiTct'jrtfAvermu 
ix\* iynivsi' iatTveïv kxt»xu^v€1^ vi>,ai. 
Ti y ixx» ftivT'* iffTh vxp€7K€VXfffiivx ^ 
kXTvxIj rp^Tf^^i, 7rpoffK€(px^xtXy erTpcbf^XTay 
ffTiCpxvoij [4,ipov^ TpxyiifAxd\ xï ftipvxt wipXy 
xfivXoij TThXKOvvTêg, ffij^xfAOVPTsg^ hpix, 
Spx^^Tplie^j TC6 CplXTxd^ 'ApfioiloVj KXXxl, 



108G 



1090 



den ook 1108 en 1182 weder vermeld. 
Indien niQne gissing jaist is, zou hij 
das aan weerszoden van zijn helm een 
TTTspov hebhen met twee lange struis- 
veeren er in (ge^jk men hg Guhl en 
Koner* fig. 266 d afgebeeld kan vin- 
den). — De rens Geryones had niet 
slechts drie l\jven maar werd ook met 
twee paar vleugels afgebeeld. 

1086. T^v KtvTfiv] uw korf met Ie- 
vensmiddelen, ook 1098; ter wille van 
een woordspeling 1137 Kterr/^ genoemd. 
Reeds by Homer. ^76 /E^ifnfp i' sv 
x/^rr^ èr^êei fievoFStxé* 83u3viv. Zie 
verder Ridd. 1211, 1216, Vred. 666, 
Lys. 1184, Thesmoph. 284, Pherekrat. 
52 en 122, Eupol. 76, enz. — Wesp. 
629 in eenigzins andere beteekenis {iorf 
of doos met schrijfbenoodigdhedetC^, 

— rdv %rf«] op 961. 



1087. De Dionysos-prifafpr, (die op 
de eereplaats de voorstelliog bijwoont^ 
zie Ridd. 586, en daarom Kik?. 297 
door Dionysos in z\jn aug^t wordt aan^ 
geroepen), geeft een feest m o altijd hij 
gelegenheid van de verschUleade Dio- 
nysos-feesten. 

1088. gyKÓvst] = aiFtüSfj eveniJoo 
Wesp. 240, Vog. 1324, Ekklea. 489, 
Plut. 266. 

1090. a-rpwiJLara] Er h«atond ook een 
soort 'époevot (zie op 1210) waarbij elk 
voor z\jn eigen a-Tpëftse zorgde , 
a-rpufjLecrhfiQ *épeevoQ genaamd (Hesjck. 
en Phot. i. v.). 

1092. 'hfitce] TTS/JtfA^ri^ Af^ri Sik 
a^er^fjLou xai fté^troQ ytyvéfif^x (Ath, 
XIV 646 d). 

1093. Dit vers scheut bedorven ie 
z^n. 

f 



f 



j 



130 

(IJlinga verder j om meer gasten te nooden). 
AAMAX02. 

AIKAIOnOAIS. 
1095 Xös) ykp trh f^eyik^y ê-^ëypé^üu T^y Vopyivc^, 

(Gedurende het volgende loopen de beide slaven voortdurend heen 
en weer om het gevraagde uil de woningen te halen). 
AAMAX02. 
T«r Tatj Cpip' ë^m hypo rov j^iiX/öv ifiot* 

AIKAIOnOAIS. 
wsê7 'xmlj (pip* l|0 ieupo rsjv Khnfv ifiol, 

AAMAXOE. 

AIKAIOnOAIE. 

1100 ifidi ii TëfiizH' xpapLfiuQtq ykp ixSofi^i. 

AAMAXOSp 



1095. sf^sypdi^sü] klterlijk s dai kofHt 
er aa^ da f ff IJ die nm^en-gorge alt 
vGÏdli^eken op uut schiM ^o^rt; 
met de nevenbeteekenis : gij Aeèl u 
immerji de Oürgo (en niet, ^ooala ik, 
den vrolijken god Dioayaos of zija 
prieater) ft/l patroon (^^e^riÉn^^) 
g^kGsen. Vgl. Vred. 681 (de Vredegodïü) 

Èfri j ü*^T^ TavT^fbv TrpoffTéTtjv kwey^d- 
4^xT^. Soph. Oid/ryr.411aü KpéovTo^ 
-jTpüs-TOLTQu yeypé^QfjLitu 

1096. o-jf-j/JtApeJ pak mmeaf maar 
wat daa eigenlijk? Let Selwvev moet 
nog vermeld worden ► 

1097. yvMav] éffft gmloeht^ ^orf^ 
een tTTruplStoif züoals Dikaiopolis er een 
van Euripidca lieeft afgetroggeld 453; 
Kie^ Vfed. B27 volg.: fiêv 4flv È^örffy 

TTTva-^ SX^P^^ ^»T05 'ix^i^Tov wKiiceQ 
(7rAfK0( tr»gedie-8t|il voönrAey^, ver- 
gelijk 454). 

1099. Uhm% Öt/jti/riK^] zïe 772. 



— oTfl-f] ouderwelsehe imperatief- 
vorm (aor. miittiH), ïie Hora, % lOÖ 
en 481 {dlvETs r 103, O 718, v 16^ 
fliVixiu T 17S en a 26&). Bij Ar, nog 
1101, 1122 en Kikv. 43S. 

HOI. ^pTov Tö£p/;5Di/5J Een ^0ev ït 
een v ïj g e b 1 a d, veel gebruikt óm 
een stuk vleeach op te leggea. Vandaar 
een «oort paatljtje» die in vijgeblad 
werden gekookt; bij PoUui VI 57 Ij 
het recept te vinden; een st|}fgeroerd 
mengsel van gelijke decLen vet» mclkj 
gort» jonge kaaa, hersena, eieren; üi 
een vijgeblad gewikkeld» daarna in 
Ik» uilion gekookt, en vervolgens, na 
van het blad ontdaan te zyn, gebra- 
den In kokenden hoiiig, dus een soort 
hnofdkaai. ^ Volgens Fritisehe 
ttd Kan, v«. 134 zyn hier twee recepten 
dooreen gemengd: ^- *t w best moge^ 
lijk. 

Een reed» gebraden ^y^^oQ ^pmv wordt 
Bidd. 964 vermeld, en Kikv. 134 zegt 
Dinnjaod: trh^t sou, ^mids zijn ah ik 



131 

AIKAIOnOAIS. 

KifJLoi irb iijfMv tp7oif' i^mi^a V ixsT. 

AAMAX02. 
ri Xo^êlw i^iveyKê ruv Tptuv KÓ^cov. 1109 

AIKAIOnOAIS. 
xifAo) heTciviov rav Xxycpav ii^ Kfisav, llio 

AAMAXOS. 

AIKAIOnOAIX. 

iAV ^ wpi iel^vou r^v pti/zxpKVV xariiofAXU 1112 

AAMAXOS. 
iutyKS isvpo Tu TTTspa ra itc roti xpivoyq. 1103 

AIKAIOnOAIS. 
ifio) ii Tccq 0iTTxq ye 0ip6 k») raq kIx^»9* 1104 

AAMAX02. 
KxXóv ye KoCi >,iVKh rh Tijg arpoéiou TTTspiv. ii05 

AIKAIOnOAIS. 
Kxxiv ys K»i i»y6h rh rijg (pirrijg xpiag. IIOG 

AAMAX02. 
uvópcoTTSj TCctvtrai KxrctysKay fiov ray S7r}kav, 1107 

AIKAIOnOAIZ. 
uy6pciT€j fioihii fAVi fixiiCBiv h rxg Klx^xg; 1103 

mijn hoofd te pletter viel, er zit wel die daarstraks bij het eerste signaal ge- 
voor twee thria aan hertenen in" wapend tevoorschQn sprong, nu zoiived 
Zie ook Wesp. 436. t\jd behoeft om de yerschillende onder- 
1106. ^avflv] bruin, zie 1047. deelen van zijn zorgvuldig weggelsorgcn 
1109. Ao^«7ov] ronde doos. Wolk. 761 wapenrusting bgëén te krijgen. Ook 
wordt van een ^.o<pe7ov ter bewaring hierin ligt dunkt m\j een aanwijzing 
van spiegels gesproken. dat de beide Lamachos-scènes niet tot 
— rptGv ^ó^uv] zie 966 en op 572. eenzelfde bewerking behooren 
1111. Tfixó^pureo] larven der pels- 1112. fiifict^KV^ hazepeper: ^otJJit 
mot F Ook de beide ^ócpoi, die Vrede aact 'évrepx roü Ispe/ov fAs6^ aV^ixro^ 
1214 voigg. te koop worden aangebo- VKevocl^ófAsvu, fA^Aterrx èi hou M Aa- 
den door een Ao^o-rothQ wien de vrede yuóSv, Brs ii nut 1^' óóq. ó BI 4>f^£- 
heeft te gronde gericht, blaken by xp£niq (221) -pra^uv ttai hr^ 'óvou 
nader onderzoek door kleine vijanden ^tfo-f (Hesych.). Ook bij Diphiloa I 
te zijn opgegeten: rpixoppv^rov, oh^sv vermeld; naar het schijnt geeft At hen. 
sflTTov T^ Arf^w (1222). — Overigens zal XIV 662 d er — doch onder den Daam 
de lezer allicht vragen , of de pels-mot van fiófix — een meer nauwkeurig be- 
sints het vorig verschijnen van Lama- schrQving van (een hachis van ^nge* 
chos (672) wel den t\jd heeft gehad hakt vleesch, ingewanden, bloed, azijD, 
zooveel schade aan te richten, en maakt kaas, uien, honig en verschillende toe- 
het een vreemden indruk dat de held, kruiden). 



132 



AAMAXOS. 
AIKAIOnOAlS, 

ÖUK, iKk^ fV^ Z^ ^^''^ lp/^üj££fV ^xKxu 

AAMAXOS. 

AIKAIOnOAIZ. 

AAMAXOZ. 

lemt 7r»7j Kxêikév f^st rh iépu Sfyp' l|ea (pipë* 

AÏKAlOnOAIE, 

AAMAXOS. 

1120 0^^ f "TöD iépatTQ^ d(p£hKéffUf4,&^t TOVkVTpoy» 

AIKAlOnOAlS. 

KÖt) O-U, ^XÏ^ T&ui* &¥TiXO^* 

AAMAXOS- 



1113. Bit Ten simt zich uiel recht 
aan b^ hel Torigv. Het schnnt dat 
1100—1112 ooraproakélijk toör 1103 
stonden . Ileratelt men.giïUjk hierboven 
geatïhied is, die rangarde^ dau vdgt de 
nijdige opmerking van Lamackoa f^k^rel 
spr^k niH ttfjën mif^ zeer gepast op 
de piagende woorden van DJkaiopoIia 
mkm-el kijk zoo nUt naar mijn Ujiieri\ 
terwijl dan verder DikaiopoÜH 1114 be- 
weeitj dat ïijn m&}v^f^7T$" niet tegen 
Laina<;hDS gericht was maar tegen x^n 
slaaf. (BoisBonnade cd Meincke zetten 
1109—11 IS Foor 1107i daardoüT wordt 
alechts een deet der bezwaren verhol- 
pen,) 

lilt, TëpU&^sci] ïic 772. 

1116. aK^i^si] ïiB 871. 

1119. ^^shèv] afnamen al. van het 
Tunr, roet spit ea al (zie 1131); 
c venzoo Kikv. 518. Van kei »pit 
Kffsidn hett siipéXKtiv (1005). 

— X°f^^^] ^^^ 1040. 



1130. ï^üTpüv'] hulsel {van FfAA«f, 
rïxiöi). Zie 674, waar ket tréyfiSÈ g^ 
aoemd wordt. 

1121, èvT§xo^ **T] namelijk tq& 

— Toï/Se"] nl. TDÜ o^e?.firxQi/ „ düB 
zal Dik. de X^P^*f ^^ aftrekken. 

1132. itik}^i§iX¥Tsni] driem&ti^e xUl' 
Unffi als eea sobilderaey^l, eip^üvÉXi- 
Tièsxa-i TSiC £ca-wi3c£i; (acboL). Wat er 
daar echter wordt bijgevoegd -iTf^Jiv 
Kdfi&iiri ToAfftot/vrfc" h belachelijk 
misve rstan tï ; ia d e a s t r y d sleepten 
de hoplitea of banne dienaars geen 
bonten schragen taede^ en een ver- 
moeid krijger behoeft om uit te f iiBten 
evEninin een bank voor zijn Mbüd ali 
een veldfllopltje toot aicbielf. De jöA- 
?Jf3üMT€i; zijn bestemd om het iehild 
op te zetten (niet te leggoOi xb 
1130) als het glad gepoetst mo«t 
worden» gelijk hiec 

^ cT«rg] zie 1009. 



-f^- 



r ... ife<r 



133 



AIKAIOnOAIS. 

AAMAXOS. 

^ipe iêvpo yopyóvodTov itFirüoq xvxXov. 

AIKAIOnOAIS. 

Ki[Jt,oi vhxxóuvToq Tvpévarov iè^ xókXov. ii3& 

AAMAXOS. 
TocvT* ov KXToiyaha)^ hr* êv ivipivoig TT^xrógi 
AIKAIOnOAIS. 

AAMAXOZ. 

Kotrix^^ ^^1 ^otït roilXatov. iv r$ x»hKicfi 
èvopu yipovTCi ieiXlotq ^êu^oiifASVOV» 
AIKAIOnOAIZ. 

xxiêiv xiXêiav AifAXX^^ '*'^^ Topyitrov. 
AAMAX02. 

(pipi ievpo, vxty idapxx» TToXsfAiVTvipiov. 



1123. xpt^ctvhati] nl. ÜprovQ , op 86. 
— r^$ ff/^9c] Wat moet men hierb^ 

aanvallen? Volgens de schol, yu- 
€rT pó Q. Dit is echter ongerijmd; want 
gesteld al dat een dergelijke ellips ver- 
staanbaar en verdedigbaar was , dan zon 
toch de genitief-verbinding de brood- 
f es van mijn maag moeilyk iets an- 
ders dan onzin kannen heeten. Zou de 
dichter niet geschreven hebben xix 
'f^Q 'f^^Q (nl. oIk/uq)? 

1124. yopyóvtarov] gevormd in aan* 
slaiting aan de tragische aitdrakkingen 
Xpva-óvuTOQy %aAxifv«T05, a-t$fip6vuroQ 
(Soph. Al. 847, Eur. Troad. 1136, 
Phoin. 1130); zie ook 56^. 

1126. sv ivOpMTTotQ] een soort van 
snperlatief-omschryving; eveneens s| 
MpuTFOiVy b|jv. rit f| ^vdpa>7«y Tptéy- 
liurct fFapéxovviv Plat. Theait. 170e, 
ypa^^Q r^C é| ivQpu^uv syp^^sro 
Lysias 18, 78, n<TT4A«xov hfueo'r/yovv 
ritQ f| ivdpu^uv f:hviydL% Aischin. 1, 
69. Meestal echter met 'k&% of een 
snperlativas verbonden; byy. {^&vra) 



HercPTrep *i9r* Iv éiv&puTrotQ o-o^^ Wolk. 
841, ifr&v rd iv avêpu^otQ XP^^^^^ 
Xenoph. Ages. 8, 6, 'kIvtiv rifv Iv 
èivQpoüTotQ d^ta-Tor^Tijv Andok. 1, 
67, rdv iiptvrov ev ivQpu^otQ 'óprvyss 
Plat. Lys. 211e; gel\ik de genitivna 
dtvêpuTTuv steeds (/K^A<0'r' iv6p&i7evv 
Xen, Rep. Laced. 10, 8, Plat. Wctt.I 
629 a , enz.; evenzoo x^AA<0'r« , Upta^ix , 
èpéérarUy ixpi^é^rar» , ^x^o'rd; , enz. ; 
vgl. het lat^nsche minime rerum), 

1128. In het glimmende koperen 
schild wordt het beeld van Dikaiopolis 
weerspiegeld. Lamachos zegt, waar- 
schfjnlgk met toespeling op de gewooato 
om uit oUe, geiyk ten onzent alt kof- 
fiedik, de toekomst te voorspellen ik 
gie een oud kereltje ^ dat tpoedig ge- 
noeg als deserteur voor den krijgsToad 
zal worden gedaagd. Vgl Plat 88^3 
èp& riv^ ixt roC fiijfAeiroQ xecUhv^ 
fjtevov. 

1180. xar^x'* "^^ Z^**^'] nl. roÜ tM* 
KoCvroi; (1127). VgL 1040. 

1181. Vopydaov] verzonnen num^ 



i 



134 



AlKAIOnOATS. 

AAMAXOS. 

Iv T^ië TTpig Töuf TüKifAtcüg écupii^öfi^xi. 
AIKAÏOnOAlS. 
X135 iy T^is wph^ Tobq ^up^wérxq éapii^ofAxi, 

AAMAXOE. 

AIKAIOnOAIE. 
T& iëmvop , è Tx7 1 i^j^öv ix riff *h^t/3o?- 
AAMAXOX. 

AIKAlOnOAlS. 

AAMAXOE. 

urn T^v è^wiV mfpou^ jc«ï ^SöbSj^, w «-«r, A^jS^if* 

AïKAronoAis. 

AAMAXOS. 

AlKAlOnOAlZ. 

(DikaiopoUs en slaaf rechta af^ Lamachoa en alaaf links af). 
KOPTOAIOE, 
In 5è x^h^^"^^^ ^^^ irrpxTtdtf. 

114G T^ fisv 7rlv€iv a-r^CpmvüJfr&fA^h^ ^ 

ffoi ik ptyEiv xü^\ wfQ(ptJkd7r£iv , 



met töeapcling op Topyé, de .patro- 
nesse^' (10Q5) van Lam^hoa, Zijn va- 
der hfet X^QOTJhanefl (Thukyd. VI S) 
Vgl. UGO. 

1IS3. êèfaxmj én 11 35 ^üip^^^Didstt 
woordspeling; beide woorden kebbcn al, 
een dubbele bcteekenis: /mnias ^a rotij ^ 
sic^ tmp^en *n bedrinken. Zie Weep. 
ilÖ6, Vred. 1^86. Becda by Thecpi& 



fïr" atv j'cüpifl^; f£^ Uv^px Tfè^ ^X^^^* 

1140. fl^y^ouj de 953. 

1!4^. VgL f; 14^ Kat ^v¥Sfévo^ 

1143. 'iVf ;tö/pevrfc] ffom/ü mj^ ook 
Rldd. 49S, Wolk, 510, Wcap, 1009, 
Vred. 729 enz. 



135 



TWEEDE PARABASIS VAN HET KOOR. 

(DERDE STASIMON). 

(v8. 1150—1173). 

(Zang). 

X0P02. 

S t r o p h e. 

ag fiiv ivXqi xiycp Kccxa^ i^oxivsisv i Zeug' 
Sg y ifi,6 tIv tXvkjlov» Aijvcctx ;^ö/)j^y«v i7ri>M<r* 

ov Ir* ivlioifii Tsvéliog 



HBO 



1156 



1149. rd ^c7y«] meestal als tusschen» 
Yoegsel: taat ik zeggen icou, a-propos. 
Wesp. 524, Vred. 268, 879, Vog. 648, 
Lys. 921, 926, 1168. Hier echter in 
den zin van dinges ^ je weet wel; zoo 
wordt het masculinam ó h7va veel 
gebruikt, zie Thesm. 620 volgg. — 
Overigens is 1216 en Wesp. 739 te ver- 
gelijken. 

1150. Over de reden tot ontevre- 
denheid, die Antimachos als cho- 
reeg aan liet koor heeft gegeven, zie 
op 886. De vadersnaam 'die hier wordt 
genoemd is evenals 1131 een gefin- 
geerde ; volgens de schol, efrstèij 'jrpoa-- 
éppectve rov^ a-vvofit^oüvruQ ha^Byófze- 
voQy w^ zooden zeggen de splinteraar. 
Ook Wolk. 1022 wordt op smadelijke 
w^ze over een zekeren Antimachos ge- 
sproken; of daar echter dezelfde wordt 
bedoeld blijkt niet (de schol, beweeren 
van neen), en van elders is deze «dichter*' 



of wat hij geweest mag z§n — do kit 
is corrupt — niet bekend. Stellig onjniat 
en vermoedelijk uit de lucht gt'i^repeü 
is hetgeen de schol, verder ovtrr hcBi 
vertellen: h^ÓKSt Jè ó ^AvrtfjLOix^^ dStac 
'\tvi^ia^ii.et TTSTTOtifKévxt fitj $i7v xmfi.tit- 
isiv g| èvófjLxroQ. xai efrt rovrai ^roAAo^ 
réov TTOifiréSv ov 7rpoa-)j^.êov ^ii^ófnvot 

Xopsvrcüv evsfvuv. Zie over dfi/ien on- 
zin Cobet in Plat. Gom. p. 34, 

1157. revêi^oQ] een fijne vïsch of 
ander zeedier, wellicht aan de irnTr/a 
verwant, waarmede z\j dikwijls te Ka- 
men wordt vermeld. 

1159. 7r£pet^.0Q] dichterlijk voor Trapa- 
ö«A£Étt/05; vandaar hier = fiff^uriff. 
Wegens de beteekenis die ^ ?ri^aA0; 
(nl. rptfiptiQ) als eigennaam heeft, het 
advies-jacht der Atheensche rcj;eering, 
wordt het werkwoord èKs^^tiJ gebe- 
zigd: op de reede liggen. In pluats van 



136 



1160 itcihh&r «fTflt fAihküVTog hPtjSsTv 

A n t i a t r o p h e. 
lies TOVTü f4.h auT^ nay^h fV' Xffl' %Ttpov vuKTêptvh 

1165 ^Tti^hëv ykp ö?Xi»y i^ mwmfrlotq j3dc3i?wv, 



^pzTs^ifq vcrmoBdtBergk w&ars<;hytLlijk 
tertclit Txy^vov gchötêï. Zie llidd. 92Ö 

&7^üy. E^enzoo stegt Eubuloö 76 ^q fï 
vêvsevdyyiKSv etÏ tdi? rijy^vcü» en Ni- 
koatratoa 7 oV^§t* «ïfl^c f mc^Iav ^^ 

(rxyijvüv ia de oudere vorpn, T^iyavov 
de joïigéJfe). 

Hoe ceu gehate tegenftander zicK een 
lekker hapje vo^^r dca ïicdb ziet weg* 
kapea^ wordt ook Ridd. 929 volgg. he- 
Bchreven ; zie voorts V red 1009 (op 874)- 

11 GS. ifwtat^.üv] letterlijk mst de 
Mudé koorfjj hier eenvoudig rillead, 
koud (ornaat h^ zieh io 't «weet heeft 
gerede q). Tegeoover itwinthoq en ifjFta- 
Af7w etaat 'jTvpsTÓq Aeéie kooH* ea iry- 
péTT£i,f\ vgL Wesp. 1038, IV. 315 ^iFist- 

llGT. Van den # dollen Oreete* »" die 
zich ÏD £^Ti dronkeo^hap pleegt te ver* 
maken met 'aavündfi de To^rhijgatigers 
te mishandelen en van hun o verkleed 
te heroovon , wordt ook , tieii Jaar later, 
gcapToken in die Vogels 712 1 ia de 
winteravoadeti ia het de geachikte tyd 
om 'O/ïi^Tp ^A«7v«v v^xfyetv^ Yvi^ fA^ 
ptySiv a-TüMiiiy en I4S2 volgg. (tegen* 
atrophe op de heBchrlJTing van den 
excitiflcheii «^vwonderhoom Kleoaymoe ,'^ 
zie op 88)1 tftTT* J' aZ x^P^ ^f^i 

etttTlf t£} tTKÓTiÜ TÓpptii Tii SV T^ Aï/' 



Tïjc ifrwéputq. \ TnvtKavTA 5* Quair' l^v 

r l/;gfl t Tt^ ^p ^ T^V §pDTU V V ÓKTUp 

'Opea-Tp, I yvfivè^ ^v ^Xiiyit^ vtt" «&- 
roü ^avra ram^ê^tix <la&tate regel 
corrapt). Dat hier niet vaa een krank- 
zinnige, veel minder van een werke- 
lijk e o Btraatrooïfir sprake ia, gelijk de 
schol ia be weeren, spreekt van zelf; z66 
iemand zou geen tien jaar op vrge 
voeten syn gebieven* Denkelijk b juai- 
yófitve^ "öpéiTTifif de h ij ti a a m vafl 
den een of anderen losbol , die v&n 
naehtelijk straat rumoer hield i het big ft 
intassehen ook dan nog vreemd dath^ 
na tien jaren nog altijd d e e e 1 f d ê 
aardigheid vertoonde. Dat dergeli|ke 
grappen niets ongehoords waren, hl |kt 
uit Aleïia 107 : icxt y^p Ittj xmf^ov 
<^ïrAfïa'Tfly^ stv&psvwüiiv ipeS \ TrAffJuf 
TrpüTt^v , m^ rBv «r^Aöyy rf nxfys^mv j 

voi I véxTitjp tkwavT^aou axXü^ 'jriirpa^ 
ryó^iv j éptlv "^ipt Töv (9flfAAiff/4dif ■ ov 
ykp av wflT£ I ^^ifi^TiOV awtvéyXMiflt 
fiij ipótrsti; ^rrepd. En Ath. VI 242 

TVV èï TOiSVT&iV kwi^STUV j '£ê SWt 

fiv^fiovfvet 'Af4efs>'^p/^ifC ("^4) 1^ 'O- 
Svir^s7 c^Ttü^ ■ itVfjLtli; ykp ^AAt^A^f^ éf^ 
X^svm^tT', aW aKpf^S/i enz.; ) (/($«/- 
Aer* «pd( i/FQi^ivo^ Tta/J'iüif, *ArpfÊc 
gjfAïJ^jf' I èiv ^è Kpthv^ *p^|ec* ijl' ^1 
xta^épiüv^ 'jaiTwv " 2ie ook Aelian. Var, 
Hiat IX 29, 



137 



K&TTSli* XfAXpTm j^ixoi KpxTÏvov. 



1170 



EXODOa 

(va. 1174—1234). 
ZES-EN-TWLNTIGSTE TOONEEL. 

(De Dienaar van Lamaclios komt hevig ontsteld van delinkerz^da 
op, en houdt voor het huis van Lamachos stil). 

Dienaar alleen* 

0EPAnnN. 

a ifiaeg oi x»r* oïxiv è^rê Acifiix^^i 

(dienaars komen naar buiten)» 
viap viap iv ;^üTp/3/y êepfialvsTs* 
iêóvix^ Kyipariiv irocpx^Ksvi^STS ^ 

Ipi* ohVTTitpoC, XXtA'TFXilOV TSp) TO (T^Upiv. 

dviip rirpttTXt xxpxKi iiXTrviiuv ricppov^ 

Xa) TO ffCPvpiv TTXhlvoppOV i^€KOKKta€V^ 

Kx) rïjg Ke(pot?>}ig xxTixys vsp) Xiêov Tn^uVy 



1175 



118Ö 



xx) Topyóv* i^viystpsv ix rijg itr'Tclioq. 



1173. Kratinos, de 849 ver- 
melde modepop. 

1174. Dit Dodeverhaal is geheel in 
tragischen st^l geschreven. 

1176. De dienaar roept om ewacA' 
telt, zalf, watten en pluksel. 

1178. %<xp«x/] zie 986. Ofschoon 
X^P^i dikwijls een schanspaal betee- 
kent, geloof ik dat hier , evenals buven , 
een wijngaard-staak bedoeld wordt. Het 
bericht van den dienaar schijnt nl. een 
nabootsing te z(jn der beschryving van 
Telephos' verwonding by Euripi- 
des; zie Dictys Gretens. II 3: infestus 
(Telephos) aciem invadit, atque Ju- 
gatis quos adversum ierat, cum ob- 
stinate TJlijxem int er vineas guae 
ei loco adiunctae erant insequeretur, 
praepeditus truneo vitis ruit, Jd 



ubi AcMlles procul animadvdrlif , ie- 
lum iaculatus femur sinisirum re^i 
tratufigit. 

1179. s^eKÓKKtcev] uit het lid mk^ 
ken, ontwrichten, ook Vred. C3, Lja, 
864, 448. 

1180. TJJc Ke^xX^o] eveDïDo Wesp, 
1428, Vred. 71. 

1181. Van hier af ontbreekt alle 
samenhang in het verhaal v&n dei^ bo4t}. 
Blikbaar z\jn brokstukken van twoQ 
bewerkingen hopeloos dooreen ^emuogd ; 
hoe echter lx r^c ie-yr/ioi m eenig 
verband een goeden zin heeft ktmnon 
opleveren begrijp ik niet (vgL 574). — 
Er is geen reden een of moer der hier 
volgende verzen als onecht te braod* 
merken (geiyk door Blaydes^ Memek« 
en anderen geschiedt). 



^ 



J 



130 



(IJlmga verder, otn meer gaaten te nooden), 
AAMAXOS. 

AIKAIOnOAIS, 

1095 «*i yip cü ittej^«Aij*' ê7r£p^px0üu T^v Topp'^v», 

fftiyxApf, «dei S^r^Tj'rfv t(^ ^fj^ffx^üöÈ^fTfiJ, 
(GedQreode he± volgende loopen de beide alaven voortdurend heen 
en weer om bet gevraagde uit de woningen te halen). 
AAMAXOS, 

AÏKAïOnOAIS. 

ïT*? xaJ^ (pip* ï^<i& Siupo Tifv xi^Tffv êfj^&l* 

AAMAXOS. 
£a^; iufAlrstg oJiTE f Tcm t ks^) Kpéfif^Uiit, 
AÏKAIOnOAIE. 
1100 ^iEwl ii T€fj^»x^' ^pofA^uoig ykp S^x^^i^^^- 

AAMAXOS. 
iplQV Txpix^vq ültFë SfDpOj itm ^ (rxTrpoïf, 



1096. tTMypéipav] lelËerlijk: dai koniÈ 
CT v^ft dal gij did reüzffn-ff&rgo als 
veldféek^Ti op uw schild voert ; 
raot d(ï DcvcnbetflekeDla : gij k^ht u 
immers de G&rgö (en üïet, zooals ik, 
den vrol^jkt^n god DioD^aas of zïjii 
prieater) tot pat r f} on (^r^öö-Tjirif c) 
ff^kojse^a. VgL Vred. 684 (de Vredegodin) 

^arc, Sopb. Oidn Tyr.4il el KféovTO^ 

10'(Ï6. ffif^ieA^e] j(?a4r mment mnar 
wat daa eigGniijk? het SftTrvov moet 
nog TErmeLd worden. 

1097, yvAiöif] ëen g^hü^ten koff^ 
een tr-Tropfhev zQoal» lïikaiopoJïa er een 
vaa Earipidos heeft afgetroggeld 453; 
zie Vred. 5S7 volg.: iiüv aZv ^fj.otov 
KXi yvXfou o-rpstTimriKoü -^ | — aTci- 
<j:rUfr^ Ixh^^ 0ft)rèc *i%^^^Tüv xAfKöC 
(sTAiiêöC tragedie-stijl FOor Tr?Jyfiét , ver- 
gelQk 454). 

1099. ^^; ^i^/4/rafi] £ie TTS. 



— eTtf-f] ouder wetfiche imperatief- 
vorm (aoT. miitas), zie Houl x ^^^ 
eïv 481 (£f/<rfTf r X03, O 718, v 154, 
oliréTSi T 173 en d 255). Bij Ar. nog 
1101. 1122 ea Kikv. 482. 

ilOl. Ö^Tflif tjJEjp/^of^] Een Jj^Tov ti 
een v ij g e b 1 a d, veel gebraïkt om 
een atuk rlceacb op to leggen^ Vandaar 
een soort pBstïJtjes die in vljgeblad 
vr«rdeQ gekookt ^ lij PoUoi VI 57 i* 
het recept te viudeaj esTi st\jfgerocrd 
mengsel van gelijke deelen ret » melk ^ 
gort , jonge kaatt , hersens , eiereu ; in 
een vggeblad gewikkeld, daarna ïn 
houillon gekookt, en vervolge oe^ ua 
van het blad ontdaan te ;£i}n, gebra- 
den in kokenden honig, dus e«u soort 
hooftJkaaa. — Voigeus Frityjche 
ad Ran* v». 134 ayu hier tiree recepten 
dooreen gemengd: ^— ^ \ i* beat moge- 
lyk. 

Een reeda gebraden ^m^^^ éplcv wordt 
Eidd. 9S4 vermeld, en Kikv. 134 zegt 
Bionjaoi: tf/i&t zou zottda ^ijn nk ik 



131 



AIKAIOnOAIS. 

xifiei ^b iijfieti ipTov iimiaa V iiuT» 

AAMAX02. 
t3 Xo^eTw i^ivsyKs tuv rpiuv Ké^m. nog 

AIKAIOnOAIS. 

AAMAXOZ. 

«aV j) rpix^tSpaTsq Tovq xócpovg yt,ov xctTi0»yov. im 

AIKAIOnOAIS. 
iX\' i vph islirvov T^y fJtifitapKVV Kxriiofiau mg 

AAMAX02. 
Iv£yx£ isvpo T« ^Tspa To; ix roti xpdvovg. 1103 

AIKAIOnOAIS. 
ijC^o) ii ra^ ^irrxq ys ^ips xai ritq nlx^ctg. ild4 

AAMAXOZ. 
jmsaJv ye K») AfwxJv rè rijg ^rpotiêov Trrepiv. 1195 

AIKAIOnOAIS. 
xxhiv ys Kx) ^xvéhv ri rijg (pxrrijg xpixg. hög 

AAMAXOZ. 
SvipaTTs^ Ttxyaxi KXTxy6)^a¥ fiou rSu ovXav. 1107 

AIKAIOnOAIS. 
uvöpawe^ (3otj^€t fj^ij /SAi^rf/v ig rxg xlx^xg ; iios 



mijn hoofd te pletter viel, er zit wel 
voor twee thria aan hersenen in** 
Zie ook Wesp. 436. 

1106. |«v^dv] brwn, zie 1047. 

1109. Ao4>£7oy] ronde doos. Wolk. 751 
wordt van een ^o^e7ov ter bewaring 
van spiegels gesproken. 

— rptéov Arf^wv] zie 965 en op 572. 

1111. rptxó^pwreQ] larven der pels- 
mot i* Ook de beide ^,6(pol, die Vrede 
1214 voigg. te koop worden aangebo- 
den door een ^o^oTrothq wien de vrede 
beeft te gronde gericht, blaken by 
nader onderzoek door kleine vijanden 
te zijn opgegeten: rptxcppv^rov, ou$év 
IffTov ré) ^ó^M (1222). — Overigens zal 
de lezer allicht vragen , of de pels-mot 
sints het vorig verschijnen van Lama- 
chos (572) wel den t^d heeft gehad 
zooveel schade aan te richten , en maakt 
het een vreemden indrok dat de held, 



die daarstraks bQ het eerste signaal ^c^ 
wapend tevoorschyn sprong, nn^óorccl 
t^d behoeft om de verschUlende onder- 
deelen van zijn zorgvuldig weggebor^en 
wapenrosting byéén te krygcn. Ook 
hierin ligt dunkt mij een aanwLj]i!iDg 
dat de beide Lamachos-scènes met tot 
eenzelfde bewerking behooren 

1112. ft/ft«pxt/^] hazepeper: xoiifx 
aeu 'évTspoe roV Ispsfov fisê* ottficuro^ 
e-KSVet^ófJtsvec. fA^^ia-rx H tcat h-jri J\,it- 
yuéov, Ztb lè Kui 1^* üót;. 6 ^ï ^spB- 
Kp&r%ii {2>2\) TTOi/^Mv xect st^ 'évov 
^ijo-/ (Hesych.). Ook bij DiphÜQ!» 1 
vermeld ; naar het schijnt geeft Atben, 
XIV 662 d er — doch onder den imam 
van fJLVfjut — een meer nanwkearige be- 
schrijving van (een hachis van QJDg^ 
hakt vleesch, ingewanden , bloed , azija , 
kaas, uien, honig en verschillende toe- 
kruiden). 



132 



AAMAXOS. 

AIKAIOnOAIS, 

fi/jc, «AA' iyw xè %m^ ifll^of*ê^ wihxt. 
1115 ^üéhii TTspt^éirêizt ^ K^wtrpé^pai Ascfiiix¥r 

TÓTipov ixpliêg ^hév innv ïj xlx>'iscti 

AAMAXOS, 
üf^' a^ u^pl^Siq* 

AlKAIOnOAIE. 

TX^ axpi^a^q Kplv£i TöAJ- 
AAMAXOS. 
ToJ TüUy KxêëKÓv piüi rh lépu ^süp^ Ï^öj (pips, 

MKAlOnOMZ. 

TFoT sr*r, <rv S' i(pekcjv hupó rnv z^P^h^ ^ipê* 

AAMAXOZ, 

IISQ 0ip^ i ^^^ "SêpXTQ^ èCpi'AKV^OiyLSti TCvXUTpOlf^ 

AIKAronOAIS, 
AAMAXOE. 



1113. Dit vers alnit zich niot recM 
aan bij het vorige, Het schijnt dat 
1109—1112 oorapronlcdijk vódr 1103 
stonden. Heratelt men, gelijk hierboven 
gfifichicd ia, die rangorde, dan volgt de 
nijdige opmï^rking van Lamacboe ^k^nr^l 
ipreek niet It^en mif' xeer gepaat op 
de plagende woorden van DiköiüpolÏB 
Mier til kijk i^oo niüi naar mt-tn lijsters" t 
terwijl dan verder Dikaiopolia lllébe- 
weert, dat ïyn *Sy3fftj?re" niet tegen 
Lamaehoa geriübt wsa niaar tegen ^yn 
ilaaf. (Boisaennade en Meineke metten 
110&— 1113 vóór 1107: daardoor wordt 
ilechts een deel der beswaren verhol- 
pen.) 

11 IB. 5rffi3tf*-Öötf] zie 772. 

1116. èit^i'^Q] zie 871. 

1119. è^eAiii^'} ii/nevTen nL van hei. 
Tunr, roet spit en al (ne 1121); 
cvcnKOO Kikv. 518. Van hgt tpit 
nemen heet è^é Khb iv (100&), 

— X^^^ky^ 210 1040. 



1120. ^AuT^öv] kuUel (van FfAAw. 
rJAf&r). Zie 574, waar het vAypi^ go^ 
noemd wordt. 

1121. avrêxQu ^«7] nameiyk toÖ 

— Totls] nl. Tóv è^ehfff-KüUi dan 
zal Dik. de z°P^^ ^r aftrekken. 

112£i. je<AA/jf3iïvT«g] driEmeiigs xtci^ 
ling ^ als een schildera-e^elj l{^^ éy kwi- 
TtUft^t rk^ «^TT^^öfC (schol. ), Wat er 
daar echter wordt bijgevoegd » fx**Sij? 
xa^JM^i TTofiefiovyTsg ^ Is helach^^l^k 
miË verstand; in den strijd sleepten 
de hop Li ten of hunne dienaars geen 
houten schragen mede, en een ver- 
moeid kryger "behoeft om uit te rasteii 
evenmin een ^ank voor zijn aehild als 
een veldstoeltje voor zichzelf. De k/A- 
ht^uvrs^ zijn bestemd oio het achild 
op te J5 e 1 1 e n (niet te leggen^ zie 
1130) als het glad gepoetst moei 
wordca, gelijk hier. 

— eTr^] zie 1099. 




•'^* 



w 



133 



AIKAIOnOAIZ. 

AAMAXOSv 

0ips i^upo yofiyóvGQTOv iwtioq xJxAov. 

AIKAIOnOAIS. 

XcifAO\ VX»K0yVT0q TVPÓVCQTOV Hg XUXAOl/. 112S 

AAMAX02. 

TCtVT* oö icxriysXig hr^ êv iytp&voiq vXctriq^ 

AIKAIOnOAIZ. 
rot,vT* ov TTXxxovg ïjJt' hr"* iv ivipuvotq yAüxy^; 
AAMAXOS. 

ivopu yipovTx istxixg ^sv^oiifisvov. 
AIKAIOnOAIS. 

KXisiv KsXsim Aifie^xov rov Topyivov. 
AAMAXOS. 

CpipS isvpO, VOIA^ êdpXKOi VOhê[JS0l7TllipiOV. 



1123. xpi^etvfretQ] nl. ÜprovQ , op 86. 
— tIJc gf*if c] Wat moet men hierb\) 

aanvaUen? Volgens de schol, ya- 
^T pó Q. Dit is echter ongerijmd; want 
gesteld al dat een dergelijke ellips ver- 
staanbaar en verdedigbaar was, dan zon 
toch de genitief-verbinding de brood- 
fes van mijn maag moeil^ik iets an- 
ders dan onzin kannen heeten. Zon de 
dichter niet geschreven hebben k&k 
Tifc ifi^q (nl. oIk/ocq)? 

1124. yopyóvcüTov'] gevormd in aan- 
sluiting aan de tragische uitdrukkingen 
Xpve-óvuroQ y ;^«Ax^yft;ro4 , rtStipóvuroQ 
(Soph. Ai. 847, Eur. Troad. 1136, 
Phoin. 1130); zie ook 66^. 

1126. ev ivQpuTotQ] een soort van 
Buperlatief-omschr(jving; eveneens l| 
ivipu^avy byv. rü 8| civ6pcj7ruwp£'y' 
liaree feapéxovffiv Plat. Theait. 170e, 
ypct^itQ rèiQ s| Mpufeuv lyp&^ero 
Lysias 18, 78, IIitt^Koikov IfJMa-rlyovv 
r^C s| éivöpuTTuv ifk^yiL^ Aischin. 1, 
59. Meestal echter met le^^ of een 
superlativus verbonden; bgy. {fr^vra) 



841, ^&v ro Iv éivêpuTTOt^ %pt/3-/üv 
Xenoph. Ages. 8, 6, vtcrtv r^v h 
MpcüTTOtQ oifrto'roréi'nnv Andok. 1, 
67, rdv Hpta-rov Iv éivöpuvotQ 'éprvyó^ 
Flat. Lys. 211e; gelvjk de genitivus 
MpufFuv steeds (jt^Afo'r' éivöpu'^iüv 
Xen, Rep. Laced. 10, 8, Plat. Wett. I 
629 a , enz.; evenzoo K^XAia-rec , Hpta^ci , 
èpêóreera , iKpt^évretr» , ifKtTrety enz, ; 
vgl. het lat\jn8che minime re rum). 

1128. In het glimmende koperen 
schild wordt het beeld van Dikaiopollft 
weerspiegeld. Lamachos zegt, waar* 
schyniyk met toespeling op de gewoonte 
om uit olie, gelijk ten onzent uit kof- 
fiedik, de toekomst te voorspellen: ik 
zie een oud kerelije, dat spoedig ge- 
noeg als deserteur voor den krijgsraad 
zal worden gedaagd. Vgl Pint 332 
óp& Ttv^ Itp^ roO ^^fiXTO^ xaösS^v-^ 
fzevov. 

1180. xccr^x^* '■^ fJté^,i] nl. roÜ wAff- 
KoCvroQ (1127). Vgl. 1040. 

1131. Topydo'ov] verzonnen naamj 



j 



184 



AlKAIOnOAIS* 

AAMAXOZ, 

h T^Sf ^ph^ rflvc jTöAfjtt/oy^ öapïi^öjfitafi. 
AIKAÏOnOAIS. 
lias iy T^Sf TFph Tsbg tyufiwér^q i^pii^ofimt. 

AAMAX02. 

AIKAlOnOAlZ. 

rè SersTtf^v, fS ^«r^ Sïjff(?y éx rijf Kiü-rlhg, 
AAMAXOZ. 

AIKAIOnOAlE. 

AAMAXOE. 
AIKAIOnOAIS- 

AAMAXOS. 

AlKAIOnOAlS, 

(Dikaiopolis en daaf recht» af, Lam ach o b en alaaf Linka af). 
KOPT^AIOS. 

1145 r^ j^iv 7r/ffM/ (TTê0iXVUtF^fAh(pj 



met ioespeling op ro^yw, de *-pttlro- 
ïiEBfle*' (109Ë) v»n Lamachos. Zijn va- 
der hcQt Xeaophancs (Thukyd. VI 8) 
Vgl. 1150 

113^. &éïpaKaf\ ta 1135 éap4%of^^f 
woordspeling; beide woordeu hebb&Q nl. 
een dnÈbcU ^eteekenisi ^arwöji en rwji 
xich w&pme^ ED hedriüken* Zie Weap. 
1195, Vred, 1286. Reeda bïj Tbeogüia 



dft)^i?;£df/j?^ en 8 il «Tv^^ èfioi rst fzlir 

1140. i^//föü] Eic 053. 

114g. V^l. fr 142 ïtflfï pvvév9(pt 

1143. ÏTf jfüf/fflyxf 5j ffoedfj r^M, ook 
Ridd. 40g, Wolk 510, Wesp, 1009, 
Vrcd. 7S& enE. 




135 



TWEEDE PARABASIS VAN HET EOOB. 

(DERDE STASIMON). 

(v8. 1150—1173). 

(Zang). 

XOPOZ. 

S t r o p h e. 

^AvrlfJLXxov riv WotxJiiog [tJv ^ü^ypcc0}j ^ riv tZv 

aq fih iirXqi ^éycp Kccxag i^oxheisv i Zeug' 
!g y ifj^è Tiv tXt>i(j(,ov» Avivxi» ;^ö/)j^y«v iwiKv<r' 

ihlTTVOV. 



11 50 



1155 



1149. rd h7vee] meestal als tusschen- 
Yoegsel: iaat ih zeggen wou, h-propos , 
Wesp. 524, Vred. 268, 879, Vog. 648, 
Lys. 921, 926« 1168. Hier echter in 
den zin van dinges , je weet wel; zoo 
wordt het masculinnm ó $e7vx veel 
gebruikt, zie Thesm. 620 volgg. — 
Overigens is 1316 en Wesp. 739 te ver- 
gelijken. 

1150. Over de reden tot ontevre- 
denheid , die A n t i m a c h o s als cho- 
reeg aan het koor heeft gegeven, zie 
op 886. De vadersnaam *die hier wordt 
genoemd is evenals 1131 een gefin- 
geerde; volgens de schol. e7ret$ii Trpoa-- 
éppectvs Toi)^ a-vvofJLt^oGvrecQ hiet?<ey6fi€' 
voc, w\j zooden zeggen de splinteraar. 
Ook Wolk. 1022 wordt op smadelijke 
w^ze over een zekeren Antimachos ge- 
sproken; of daar echter dezelfde wordt 
bedoeld bl\jkt niet (de schol, beweeren 
van neen), en van elders is deze «dichter*' 



of wat hij geweest mag z^n — de t^it 
is corrupt — niet bekend. Stellig opjuiat 
en vermoedelijk uit de lucht gegrt-pcn 
is hetgeen de schol, verder over hem 
vertellen: i^ÓKei II 6 ^Avrtfjcaxo^ d^tos 
lifvi^ta-fz» TTSTTOtiiKéyxt fivj $siv xw/^ty- 
is7v g| èvófjLxroQ. KCtt efTtrovrifi tto^Aoi 
réov frotfiréSv ov vpoa-ïi^Qov Xji^lfófxtvQt 
rbv %opöv Keet JifAov Ürt «roAAo^ rvv 
XopsvróSv eTTStvuv. Zie over dezen on- 
zin Cobet in Plat. Gom. p. 84. 

1157. revQtioQ] een fijne viacfi of 
ander zeedier, wellicht aan de r^'^tx 
verwant, waarmede zij dikwijls te za- 
men wordt vermeld. 

1159. fr^pet^oQ] dichterlijk voor wapx- 
Qec^^rrtoQi vandaar hier = naèurig. 
Wegens de beteekenis die ^ wa^aAa^ 
(ni. rptijptiQ) als eigennaam heeft, het 
advies-jacht der Atheensche regeeriu^, 
wordt het werkwoord èxé^^stT/ gebe- 
zigd: op de reede liggen. In plaats vkd 



J 



136 



1160 iiUlhQr x^T» fiiXMvtüg Km^ilv 

A n t i 8 1 r o p h e. 

lias vfma^km ykp é^mV i? J^^^Wöc? /9*3i^^aïv, 



terecïit rxyiivov süh^teL Zk lïïdd. 929 

^7^&if. Evenaoo zegt Eubulos 76 èq e£ 
vivavay^KSv étti toü rijy^vc^t^i en Ni- 
kofltratofl 7 üVttot^ «Zéi4 \ s^w/ixv è^r^ 

{réy^vov is de oudere vörmi, ri^yacvov 
dfl joügerE). 

Hoe «en gehate tegenstander zic]i eea 
lekker hajijo voor den nenB aiet weg- 
kapca, wordt ook Ridd. 929 rolgg. 1»- 
Bchreveö; m vcKirta Vred.l009(o|> S71). 

11G3. ^-TTiocké^vJ Icttei-Hjk me£ d^ 
koiide koorts, hier eenroDdig HLLend, 
koud (omdat hij ïdch in 't zweet heeft 
gereden). Ttigenovur ^TriistAoq en ^^la- 

féTTSiVi vgl. Wesp. lOaS, fr, 315 i^x/a- 

1167. Van den *dolknOrcstea/*die 
sdoh in zijn dronkcnacïiap pleegt te ver* 
maken met ^a avondH de voorbijgangcrB 
te mifihaadelen eu vaii hun over kleed 
te berooven, wordt ook, tien jaar later, 
geaproken in de Vogels 712: iu de 
winteravonden ii het de gcachikte tijd 
om ^Opio-T^ ^^oïivav v^ecfvetv , 7vet fiif 
pjy^y iÏTroStp, eu 1482 volgg. (tegen- 
itropbe op de beachrü^ing van den 
exütiaeheu ^wouderboom KLeonymoa," 
21 e op 88): 'itrrf ?' aZ xtitpst wpl^ 



T"ö;göJ Ti^ ^^^ r4ïv ^p^rëv vóurtip 

ToÜ 'jnivTüc TêiXtëé^m (laatste regöl 
corrupt). Dat hier niet van een krank- 
zinnige, veel miuder van een werke- 
lykcn straatroover sprake fa, gelijk de 
a^^holia be weeren, apreekt van zelf; zóó 
iemand eou geen tien jaar op vr(}e 
voeten lyn gebleven. Denkelijk ia ftar*- 
véfitva^ ^OféiTTitz de b ij n a a m van 
deu een of anderen toabol , die vtm 
naditelijk straatrnmoer hield; bet blijft 
intoBschen ook dan nog vreemd dathy 
na tien jaren Qog altijd dezeilfde 
aardigheid vertoonde. Dat dergeiijke 
grappen niets ongehoords waren, blijkt 
uit Alexis 107: KS£t y^p swl jcftf/ioif 
^ïrAfï'o"T^if% m^üi7rtii}v ópü | xAï^dgf 
wpoiFiov , ét; tvv lecïAArv t£ Kxyaêmv J 
hv&é^É ipvvóvTiöv ' |tt^ ysvatré fiOt féé' 

yóirtv \ vf/^tv Kêpi tèw ^atAAta-fjcév ^ oh 
ystp Ixv STöTf I iülfisiTiQV éTTEvéyxsufit 
fjLif ipötrcÉ^ tTTEpé. En Ath, VI %^% 

TftfV Jè TOffftTWV eTTiésTütV , Ik kwi 

X^^^V *Al>jFa7c^ wccf^ovTSQ ÏAfyov, 

^ua-a-Ej eÜTwc' ^tï/üfT^ y^i^iïAAijAouci^' 
;tAfV£É^fT\ oTS' ^ic^^|3i£ff eEï.; j é^Mi- 

KtiiëdftQv^ "létrmvJ'' Zie ook Aelian.Var. 
Hist. IX 29. 



^rfÜi 



137 



KÜTTSli* &[l»pThv i^iXOl KpXTÏVOV. 



1170 



EXODOa 

(va. 1174—1234.). 
ZES-EN-TWLNTIGSTE TOONEEL. 

(De Dienaar van Lamachos komt hevig ontsteld van de linkerz^de 
op, en houdt voor het huis van Lamachos stil). 

Dienaar alleen* 
©EPAHflN. 
S ifiasg oi kolt* oTxóv hrs Axfiix^^i 

(dienaars komen naar buiten). 



tiiap viup èv ;^üTp/3/(ji? SspfixlvsTs • 

iUvix^ Kijpuriiv vapx^Kevi^ere y 

IpC oUvirvipotf ^ocfiirxiiov Tfsp) to o'^vpiv. 

ccviip rirpaTxt %«p«x/ iixirvjiav ricppov^ 

Kx) rh aCpvphv Trx^lvoppov ê^eKÓKKtasv^ 

Kx) Tijg x€Cpx?^}ig Kxrixys frep) xlêov Tre^èóv, 

Kx) Topyóv* i^iljyetpsv sk rijg x(r7rliog. 



1175 



IISO 



1173. Kratinos, de 849 ver- 
melde modepop. 

1174. Dit Dodeverhaal is geheel in 
traglBchen 8t\jl geschreven. 

1176. De dienaar roept om gwack^ 
tels, zalf, watten tn pluksel. 

1178. x»P»*^i\ zie 986. Ofschoon 
X^P^i dikwijls een schantpaal betee- 
kent, geloof ik dat hier , evenals buven , 
een wijngaard-staak bedoeld wordt. Het 
bericht van den dienaar schijnt nl. een 
nabootsing te z^n der beschr^ving van 
Teiephos^ verwonding bij Ëaripi- 
des; zie Dictys Cretens. II 3: infestus 
(Telephus) aciem invadit, atque Ju- 
gatis quo* adversum ierat, cum ob- 
stinate JJlyxem inter vineas quae 
ei loco adiunetae erant insequeretur, 
praepedUus truneo vitte ruit. ld 



ubi Achilles procul animadveHit , U' 
lum iacülatus femur sinistrttm re§i 
transfigii. 

1179. \\tK6wu9S)r\ uit het lid ruk- 
ken ^ ontwrichten, ook Vred. 63, Lj^. 
864, 448. 

1180. tIJc xf<J>«Aifc] evenzoo Wuap* 
1428, Vred. 71. 

1181. Van hier af ontbreekt «IJa 
samenhang in het verhaal van den bode. 
Blykbaar z\jn brokstukken van twee 
bewerkingen hopeloos dooreengemeugd - 
hoe echter lx r^f io'^rfioQ in cenig 
verband een goeden zin heeft kunDcn 
opleveren begrijp ik niet (vgL 574). — 
"Ét is geen reden een of meer der hier 
volgende verzen als onecht ta brnnd- 
merken (gelQk door Blaydes, ïifi^ineko 
en anderen geschiedt). 



138 

TTph Töe7ï ^irfiXi^i htviv i^t^v^ix f^iXóg* 

ZEVEN-EN'TWINTIGSTE TOQNEEL. 

(Lamaehoa, zwaar gewond , op een draagbaar; linkB op. Kort daarna 
Dikaiopolifl tuaachea twee meiijea, een ledige bokaal zwen- 
kende, rechts op.) 

Lamaohoa, Dikaiopoli«. 
AAMAXOZ. 

IXBO éTTÓ^TXT aTTiZrCÉjj 

^TV^ipk ri^ê xpuspa ^xésx* rtkXo^q iyè^ 
hé?^Kvfj^xi iopog iiri TroMpthu ruTnlg, 
llöB SKiTvü 5"" xlaKrhv uv yivotröj 

AlKAIOnOAIZ. 

drTiXT^T dTTstraJ 

rm titMqv , èq fTKMpê^ »^' KM^évm. 
1200 ^tX^a-strév pL£ pLS^Kéxn^q & XP^^^^t 

rè irêpt7r£rxtrTèv j rè f^av^ahCtJTÓP^ 



11S6. Aan dit vera moet eeD exhor- 
tatie ad elites of iets dergelijke aijn 
Toorufgcgüaji ; ea drgeen die b^ H ov^T- 
springCQ v&u een greppel zich aan een 
pAal heeft verwond zoodat hij er bij 
Q^earatcirtte , Ivbq DÏet terstond daarna 
ia de goot yalleDj en tBveue een 
ofdeeling (v landelijke ot iHiTnende?) 
vluchtelingen tegenkomen, waarbij IilJ 
bl^kene 1192 ea 1226 door een lana- 
fitoot wofdt geveld. 



1189, i^i li Ki^Té{\ evenïooWegpi 
1360, Vog. 17l8j «ie ook EkkL e$4, 

1190. Bit en het volgende is in d«n 
traut der tragisclie kom rooi (jammer- 
klacliteti ia dea yorm van een wiBael^ 
gezang) gedicht. 

130 L. /tiöjvlff^ifiüT^v] de Tbesm. 131 
xcci &tf}\.v^piéa^i^ Hat nstTtyAmirrtff- 



139 

£ vvfA0opi rd^mvx rav ifiSv xctxuv, 
rdv ^ap x^^ vpZroq iKviTreêxa. 

AAMAXOZ. 
iii ïu rpctyfAiruv iira^vvav, I20fi 

AIKAIOnOAIZ. 
(Lamachos gewaar wordende). 

]yi Mi X^'^P^ ActfA»xlvxtov. 
AAMAX02. 
(TTvygpig iy&. 

AIKAIOnOAIS. 
(Myiphq fyé). 

AAMAXOS. 
t/ fA€ crw xuvslgi 

AIKAIOnOAIZ. 
r/ (AS o-u ixxvsig; 

AAMAX02. 

AIKAIOnOAIS. 

Tolq Xöücr) yip ng ^vfA(3o^xg sirpirTero^ 
AAMAX02, 
m ]oi Uxtiv Uativ. 

AIKAIOnOAIS. 
ixx' ovx) v^v"^ Tilifispov Ucttivta. 

1208. t/ fcf o-v xt/v«7c;] Vermakemk sk o-vfApo^^v, moest betalen. "Wie eea 

is de aanteekening Van Élmsley: «Male feest gaf liet zgn gasten natuariijk 

vertit Bronckins: Blonde eompeüoê. hon coavert niet zelf betalen; daarom 

Dicaeopolis Lamacbnm osonlator, qui yraagt Dikaiopolis kwasi-verwondürd : 

eum indignabnndos remordet." Als Dl- Heeft dan ienumd getracht op het C/toéj- 

kaiopolis liamachos ging kussen, zon feest bijdragen te innen van g^ ga^-^ 

men mogen vragen of H hem in het ten? Terecht citeert Brnnck Eubolos 

hoofd was geslagen. De eenige persoon 72: 6 fTpSSroq tCpiiiv TxK^órpm ^a- 

tot wien het woord xi/vf/v door La- tvs/v ivijp \ $iifJiortxbQ Jiv rtQ , éQ 'httte , 

machos gericht kiLn worden, is een to^q rpóvovQ. \ Hvrti; ^ S9rt $s7tvcv ïf 

zijner dienaren(vgl. Kikv. 755, 788); ^/Aov r/v' ij givov | Jut/Ja-etQy ï)re/ra 

en i^Kvetq zegt Dikaiopolis natnarl^jk a-u fi^o Kh ^ Itf p&%ar o,\ ^i/y^c 

tegen een der beide XP^^'^'* ^^^ ^^t yévoiro fiii$h dUoUv ^afiuv. Dat Tin- 

hem lastig maken (fioyepoQ iyu) uit machos schier te arm was ome^auAa- 

oyergroote genegenheid; vgl. Yog. 442. deel in een 'épeevo^ te kannen dragefi, 

1210. |t//x/9oA{f$] ongeval. Dikaiopo- is ook 615 gezegd. Een raadsel op ^er- 
lis echter yat het woord op in zgn gelijke kwade betalers geeffc Antiphan^ 
andere beteekenis, als had Lamachos 124 (bg Athen. X 448 e) ten bestip 
geklaagd dat hQ zulk een zware b^- 1218. Omtrent het hier vermei dei 
dra ge in een 'épeevoQ, een maalt^d Pai on ia-feest is niets naden bekend. 



140 

AAMAXOS. 

AIKAIOnOAIE. 

ipLöu Si y£ a-^üó tcu tsequ^ Afiipc^ fii<rot^ 
^po^Kx0£<rê\ ë (plhmu 
AAMAX02, 

ArKAIOnOAIS, 

KOU ^XÖTP/3/WW. 

AAMAXOS. 

êipcc^i fi* è^svéyKCtT h tüu n^TT^Aou 

(Wordt weggedragen, rechts af), 

AIKAIOnOAIS. 

éi; Tdhq Kpnig pC iK(pÉp€T€ ' wüv k^Tiv i (ioL^ihèuq^ 

(Voor Dik, wordt een reusachtige en foeatelijk bekranste ^ak met 
W^n neergezet door eenige stadsdienaren). 

AAMAX02, 



1216. Wwp. 1343, 

1318. UtyytB'] zie B81. 

1S32- $vp6c^é jti' k^evêynxTsl Hor 
Iesq lemaDdj die vaa buiten komt en 
Diet binnen geweekt is, verlangen naar 
boiten te woTden gebraehir' Dat kou 
goed gaan ala Lamacboa werkelijk bi n- 
n^nébuU zijn enkel in de goot- 
leiding had TerfttDÏkt. la dat soma 
de een^ redaktie geweest? 

— mxTtfAoü] 2ie 1033. 

1224. Jt^iri^] arhittoi rei potatotiae 

im hm: feHo r^v Xo^*, Sed mbindi* 

cantur eiUim indices c^rtamiftu dra,' 

, maiicif gnoriim favor&m. hió occuUê 

mM cüncilmr^ iiud^i comictts (Blajdee). 

De SÈ^j^wv ^aiTiAeuQ beeft de leiding 
van het LeDaia- f eeat^ waarop de Acbar- 
siërs tijjk opge^nerd; ait dit ten blijkt 



dat ook bij de Xés^ de feestviering door 
hem werd geregeld. Ami den rëx M' 
h&ndi te denken met Lentiog, ia ver* 
keerd; tegenover den a t a d s-g e n e ea< 
heer PittaloB wordt bier blijkbaar 
eeu andere beambte gesteld , niet 
een denkbeeldige waardigheid; 
bovendien zou de arèiter dien Xjen- 
ting op het oog heeft juist in het 
lokaal^ waar IKkaiopolk aitkomt, heb' 
ben aangezeten: waar oiiderB? 

U2b. Th ^^KÓv} xit lOOS. 

1226. Dit ea de drie volgende ver- 
een schijnen tot een andere bewerkixig 
te behooren; zij 2ijn sieehta herhaling 
van hetgeen wij reeds weten, en het 
tooneel begint daarbij als 't ware van 
voren af aan ; bovendien is de e e m- 
TOudige herhaling van n^b^iAAiZ verdacht» 



^^ 



'1 



141 



AIKAIOnOAIS. 

ipZTs rovTOv) xevép, riivsKX» ic»X)^mxoq. 
XOPOS. 

AIKAIOnOAIS. 

Kxi Trpóg y &Kp»rov iyx^^^ &[AU(rriy i^iAostp^.] 

X0P02. 
TiivsKXA vyv , 5 yevvJiix • ;t^P^' Xotfim rh ivKÓv. 1230 

AIKAIOnOAIS. 
STTSfféi VVV ^iovTsg co r^vsKK» KoihXlviKO^, 
XOPOS. 

ïovTf^ O-I x«} rdv dffjcév, 

(Dikaiopolis laadt zgn zak w^a op de schoaders, het Koor atygt 
op het tooneel, en allen stellen zich ten feestelgken optocht op 
en marcheeren zoo rechts af). 



1227. TfjvsA^ec] ook Kidd. 276, Vog. 
1765, nabootsing van den klank der 
cither-snaren, door Archilockos ge- 
bruikt als aanhef van een hymne op 
Herakles: ri^vsA^a. icetK^ivtKg z^"*?* 
livot^ 'Hp^K^ssQ. Vgl. het evenzeer zin- 
ledige épérrs Ridd. 17, ^Aoer roeper 
Kikv. 1286—1296, QperrxvsAó Plut. 
290, 296 , Ennins at tuba terrOiU w- 
nitu taratantara dixit. 

1229. Tcpóa] zie 701. 

— UfJLuo'Ttv] Van het adverbium 



ifJLvo-rf {zonder de lippen te slttiteni 
lAvetVy dus = %avJrfv, gevormd als 
i^ysv^rf) komt een nomen Hfivim^^ 
een groote beker die in één teug wordt 
geledigd, Eur. Rhes. 419, 438, KykL 
417. Ameipsias 22, Fhilyllios 6, Kal- 
limacbos (b^ Atben. X 442 f) noti > sp 
6 êpiftxfiiv fih iTeéffTvys %dcyldv ^^u- 
vrtv I oïvo^oTs7vy è^fytfi J' ifSsro x*rr- 
0't//3/i9), Hor. Od. I 86, 13 neu mulii 
Damalis meri \ JBassum threicüi tdn" 
eat amyetide. 



i 



I 



OBSERVATIONES CMTICAE. 



2. Scripsi ijffêtiv ys /3«/A, vulgo 51. Vocabulum rirrxpx 
corraptum est, aperte enim pugnat cum iis quae proxime 
sequuntur, neque audiendus est A. Muellerus, pro parvo quovis 
numero id poni de suo asseverans. Quem qui merito vitu- 
peravit Naberus (Mnemos. 1882 p. 355), minus felicem 
tarnen ipse protulit coniecturam yrifAxXay quod yix 
graecum est nisi praemittatur negatio, neque huic contextui 
aptum videtur. Equidem poetam dedisse puto: tj^êtiif yM 
(2xtx, irivu il (3xr &rT\ sed quid in fine sit addendum 
nescio. Minus probabile iam duco J\v &px, in quam con- 
iecturam propter Ban. 74 et Anecd. Bekk. p. 5 olim 
iudderam. Fortasse excidit versus; mirum certe quod non 
sic fere loquendi initium facit rusticus: ut taedet me harum 
rerum! grati vix quidquam sum perpessua ex quo rurê 
in urbem migravi^ molesta vero sexcenta. 

4. T/ PT üfrênv] Cobet. Mnemos. 1874 p. 411. 

25. icparov ^üAov] pro Trpdrov luAov Naberus Mnemos. 
1882 p. 356; quam certam esse emendationem , ostendit 
fragmentum Teleclidis quod ille attulit, nee non Alexidis 
locus in adnot exeg. a me laudatus. 

34. Immerito, si quid video, bic versus et sequentes 
improbantur et tentantur a Nabero 11. p. 357 sq. 

45. Contra Bergkium et Hamakerum (Mnemos. 1853 p. 1) 
hunc versum defendit Meineke Philolog. 1859; mire ab 
ingenio poetae et comoediae atticae aberrat id quod Bergk 
proponebat: Aictprig eins. 






144 



46. Pro ieïuaa yocula quh ivSpcQwo^', suspicor legendum 
se övK mp" èsréq\ {èvQc — x^oq). Yideatur Thesm, 541: 

dvw igitur esV^ praeco interrogat semideum illum ad rostra 
adyolantem; homo ver o fastu elatas et male sanug cum 
indignatione id negat: ^mmime rerum^ olympius Bum equi- 
dmil" — et statira igitur detrahitur desuggesto, unde yerba 
facere aolis civibna Hcitum. 

52 et 58, ïTöjjjffflÈi] Libri wom^im. 

68. TTctpk Kctu^Tptüv wB^lou^ pro -/wv -t&i¥ Dindorf, Num 
tarnen wixpii^ bic recte dicatiir dubito. 

71* Toip^] pro r^p Mebler Mnemos. 1852 p, 414. 

78, 0st^£Ty'\ pro Kdt.Tat<p3cyi7y Morellius ad Libanium p- 
317; vide Theophili comici fr. 3 apud Ath^n. X 417 a. 

79, Pro T£ Elmsleias et Cobetus Mnemos. 1857 p. 368 y^ 
requirunt; ipae qaoqne in hanc suspicionem incideram; noa 
tarnen in textum recepi , qnia in versQ praecedenti, quem 
Dicaeopolia quam maxime imitator, ts xx\ legitnr* 

80, Propter yersum sequentem scripsi iq ^ijctrtkécag 
n^ÖQfAsy. Libri ek ra 0mihit\ 

84. Vere obaervayit Elmsleins, legatnm non confabulari 
cum rustico; nee tarnen recte ille verba t^ iro^ytrikvivci} 
Dicaeopolidi continuavit. Nam roganti ^rftrsJU xpévcvi ivira 
quatitum spatium temporis ? non respondetnr unum tampons 
punctum indieando , sed aliquot dierum ^ raeusium , anno- 
rum interval !um. Itaque dicere poterat legatus vel quisqais 
loquitor : ante mensis seqxientw initium , vel : pêr tötum gm 
sequehatur memem, vel einsmodi aliquid; non potest dicere 
ipm plenilunio. Latet igitur in hoc versu vitium nondum 
correctum. 

85, Cobet MnemOB. 1874 p, 411 ^itpatriêsU nfdJv legen- 
dum censet. 

101. Libri ^wjljitixê' 3 Aiyfi, Non proba est forma |y- 
vn^an neqne alibi apud Atticos poetas obvia. Cobet. Mne- 
mos* 1874 p. 411 correxit ^uuUé\ idque in textum reeepi; 
poterat etiaiu scribere poeta ^uvilé' o n xiyn , quod pro- 
poauit anonymua in Mnemos* 1852 p, 414, 

105. W oh^ pro Ti V XV Cobet, Mnemos, 1874 p. 412, 

IIL TOUTüvij Reiake pro royrovL 



145 

115 sq. i'jrivev (T € V y ivips^j otfroff), xoöx hê^ OTrag ovk 
lö-T/v] Libri èTrivevvocv ivips^ oóroi) et slfflvj quae 
yitiosa esse inter ' omnes constat. Post Elmsleium corrigi 
solet &vipê(;, sed sic grammatica salva est, plectitar sen- 
tentia; nam unum Pseudartaban Dicaeopolis interrogat, uec 
plures igitur respondere credibile est. Qnapropter non sine 
fiducia scripsi quod vides , idqne legit grammaticus cui 
scholii ad hunc versum priorempartem debemus: »i9r^i/ft/erf** 
ih (^sra TO 'jrspixysiv rvjv KsCpcc/^riv , id est verbum :pannuif* 
Dicaeopolis didt ad spectatores conversus, 

127. Incerta huius versus est emendatio. Rav. otJSi^rör* 
Tö-;^5/ êtjpx. Vide an praestet haec lectio: rxvra SjJt' üux 
iyx^^^i (127) TOVfT^e ^êifi^eiv xoiiivx ^jtot' ï<rxsiv êiipccv; (126) 
KotTTBiT* iya SifT* iuêxi) ffTpcc^y€Óo{Axt ; «AA* IpyiffOfAai rt 
iêtvov epyov kcc) t^iy». Sic saltem infinitivus ille ^evl^ëiv 
potest explicari. Per roiitris senatores significat. Trans- 
ponendos esse versus 126 et 127, Schuetzii quoque et 
Blaydesii opinionem esse video. 

131. Etiam hoc loco, ut vs. 52 et 58, Kbri formam 
medii exhibent, cum activi requiratur: Trol^ffai pro voiwi^v, 

136. ovx tfASiy iv] pro itv Hii^av certissima est Elmsleü 
emendatio, quam cur Meinekius addubitet non perspicio. 
Bequiritur enim aoristus, requiritur verbum fAivsiv^ requi- 
ritur denique numerus singularis, nam nuUos praeter se 
ipsum legatos Theorus commemorat sed solus huc venit t>t 
de se loquitur solo. 

143. at; iAiftfo;^] iubente Dobraeo dedi; Rav. ^v ixvi^^, 

153. Nolim cum Nabero Mnemos. 1882 p. *858 OTrsp in 
orivtp mutare. Nam in locutionibus , ad quas provocat vir 
doctus, oTi'Jcsp i^ëXot; f xe^iXatov^ iuvxTirxrov et similibus 
(Cobet. V. L. 312 et Hyperid. 71), mentie supplendum est 
9r £ 1/ , quemadmodum constanter dicitur wZ^ otrri^ , ^iu 3 n* 
Itaque aut hoc loco recte dici potest wiv otittsp fixx^P^^^ 
raróv hriv eêvo^ , ferodsaimum quemque populum — quod 
nemo contendet cum de u n a tribu agatur — aut otit^p 
damnandum est. 

173. Perperam Mueller Struebing (Aristoph. p. 694) sta- 
tuit post hunc versum scenam mutari; Poeta agricolam in 
suum pagum remittere nondum potest, cum nondom 

10 



^ 



( 



146 



foedas sit facfcutn eam Peloponneaüg | gic enim ipse auae 
fabulae argameatuni pessumdaret, 

176. iCt^Tüï y£ "jTfih «v B7T^^ Libri ^ro?, Correxit Mei- 
neke, item CobeL Maemos* 1874 p. 412, 

192. Ne x*ï partieula in hoc versu inutiliter locam 
oppleret et m proxime sequenti aegre desideraretar , inter 
se permutaTi horam versuum initia. Libri enim, male ut 
iudico, exhibent; o^Q\^fTi xauroLt xpê^dsm i^ rkq Trihetg 
è^ÓTo^Tüu^ Srnnp Sf^rp/^ijc rm <TupL^ixm. Quamquam ut 
manum poetae reatitüerim Töreor. Nam obscurum manet 
vocabulum Itmrpt^n^^ pro quo aüud nomen expectea, 
quo xndicetur omnea macbinas a Peloponnesüa admotum 
iri üt urbes foederatas ab Atheniensiura symmachia ia saas 
ipsorum partea pertrahant. 

194p Tfl/ <ioi] sic DobraeuB pro vulgato ctfov^s^ , quod 
contra metrum peccat. 

198, Car Aristophani abiudicanda sit forma bisylkba 
êihêitf^ in adnot. exegetica esposni, 

256, 'Sttovc] pro ^ttop Elnisleius. 

278, poCp^ïïei] Elmaleius, libri ^a-Et^. 

282, TT^Ts ?rüf^] Bergk, vulgo TToJê ttois metro invito. 

291* hi ^KsT^fv] vnlgo €è'?rü^)^i7rêiv , quod ab hae sen- 
tentia aliennm est; signi&cat enim e minus adspicere^ 
ivtuevL Sic supra 32 scirc^hêirm^ ig rbu éypév^ EccL 726 
fw' iirö/^Af^wM*/ nm Kiy^^i fACv r^S/, Nub, 91 ^eupé vuv 
x7ré(3X€W£ y Kan. 1171 s'y S' ig rh xscxhv «W/3Af7r£. ld vero 
quod hoc loeo reqniritur , ifjiperterritiim , reetis oeulü ad^ 
spkerey simpHci verbo ^KèitEiv indicatür; e. g. Eqnit. 292 
0?,é^ov U ^* èfTKistpi^pLuxrl i vél ibid. 1239 KKèirrus)^ iinüp- 
itiïv Kxï 0hêTêiv hü&yrhv ^ Aeschin. 1 § 121 roApLifiTQV fiV rcb^ 
S/JCflt^ri? /SA^A^jt? ÉiTTsTv k Tpc^^KEt xiyêiv «kSpï G-è0povi etc. 
Quapropter versieulum » in nia^. tnrpiter interpolatum (hi 
euim exhibent f^fir^ ^uvxa-xi i^vv wphq 1^* Awc^Kiirit¥)^ ad 
coinmiinem loquendi usum refinxi, 

293. ^jtöiifiTdÈT^] Kav, euie t^str', Elmsleius öux ?öt* It\ 
pessime, nam oü'^rm dieendum erat, nou ouKêrt. Veram 
lectionem indicarit Hamakerus in MnemoSt 1853 p. 11. 

301. Libri iy^ [x^TiïJrfptw rcltnv iwjr£ÜtTi[^v ^or* ig] n^t* 
TÓfAxra^ Emblemata delever uut schol, et Elmsleius* 



147 

307. TToóg 5' It' ccv K»Xm » AdKuaiv'] Libri ttcó^ ii y av 
xaXu^ Xiyot^ iv, Elmsleius correxit tri^ coU. Ay. 829, Eur- 
Suppl. 447; Bei^kius Aiycutnv restituit. 

314. De hoc yersu conferantur qaae in adnot. exeg. ob- 
servavi. 

324. Huius versus prior pars et initimn sequentis in 
libris sunt permutata; rectum ordinem indicavit Êibbeck. 

327. Mueller et Ribbeck male intellexerunt hunc versura 
et sequentes, nee bene igitur exposuerunt quae in scena 
geruntur. Non potest Dicaeopolis, quod putant illi philo- 
logi, cLoreutarum alicui cophinum eripere, ut qui nollia 
cophinis onusti Amphitheum persecu ti fuerint; nequestricto 
ense mox mortem minitari poterit misellae isti corbi, nisi 
prius ensem sibi procuraverit. Denique delirantis foret , versu 
327 aperire suum consilium , ut versu 331 demum , omnium 
oculis in se conversis, id perpetraret. Certum igitur est, 
post versum 327 Dicaeopolin necopinato in suam do- 
mum se proripere, et mirari subit quod unquam de bae 
re potuerit dubitari. Erroris fons fuit scbolion ad 326. 

328. Uncinis quadratis inclusi emblema, partim inutik, 
partim absurdum, quo et sententia corrumpitur et metrum; 
distichis enim aut hemistichiis per totum hoc colloquium 
certatur, non trinis versiculis, 

338. VVV ^Scv] scripsi pro vvv. Elmsleius vvv) , soli metro 
consulens. 

347. Bav. ifii^^ir if &^»vT$g dvaaeUtv lioijv, caeteri 
libri 0o}jg. Dobraeus egregie correxit ipa Trdvrag ivili(T£iv 

391. Cum Meinekio praetuli lectionem iAA', quam Suidas 
exhibet, vulgatae Jt'. 

392. ovx^ ü^éTat'] Cobet., libri oiitc eïaU^srat. 

396. outc ivlov Ivlov t* hrh'] t\ quod deest in libris, adiecit 
Dindorf. Fortaisse tamen gravius vitium latet; ex Alcestidis 
loco simillimo , in adn. exeg. allato , e£Bcias , poetam dedis^e 
Mov TB xcifKir* hiov. Cobeti correctionem gvk Iviov &v hr^ 
Iviov in textum recepissem, nisi negatio minus apto loco 
sic coUocata videretur; nam non id dicere debet ianitor, 
domi esse Euripidem, sed, licet domi sit, revera tarnen 
non domi esse. Itaque ovk hiov hr* uv hhv potiuB 



1 



148 



expectares, si credibile eaaet Aristophanem tam invenuste 
yerba composuiase, 

404. Hic Tersua et seqq- in libris sic leguntur: 404 
Euff7ril>i , Eópf^i^wy , (405) tfTrmKou^Dv , §l7r£p ^èTror iXvépÓTrc^y 
rtvi. (406) AiK^wwpxt^ xx><,£T fff Xo?\kl^>tg f^iw. (407) — xM^ 
ev iTX^^n- (408) — èkX' èKKUKk^$ifT\ — éjèaA' d^uvxrav — 
iAA* Sft&iq. (409) — dh?,^ iHKyK?k^ffOf4.mr xxrxfSjcivftv 3' oi 
<fZ^^^- Q^aö manifestis gravissimiaque incoinmodis laborant. 
Primo enim dipodia ^A// ou tr^flAij extra metrum est posita ^ 
nee causa idonea afferri poteat cur id plaeuerit poetae. Deinde, 
quod gravius est, verba ^Aa' iSyvairöi^, — aAA' iVaj^ iam 
quinto verau ante lecta sunt. Deuiqiie^ idque mihi quidem 
longe videtur gravisairaum , consilium illud eccyclemate 
ntendi nou excogitatur ab Euripide yrckupL^x^^^ » *1^^ unice 
dignum est, aed auggeritur ei ab Lomine ruatico , quem 
dixeris vix scire posae qnid sit machina scenica. Prae- 
eunte igitur Dobraeo delevi yersum 408, aimul usus Bentleii 
acnta obaeryatione , bina hemisticbia 404 et 407 in unum 
eumque integrum trimetram coniuDgi posae. Sic vero, ut 
hiatüs vïtaretur, scribendmn erat Eupiwio>ss. Nunc optime 
omuia coliaerent* Ut ad speet n dignetur bomuneionem , Euri- 
pidem movet vocula illa XoïA/Sïj?, mire sibi dilecta. 

406, xatAw ét' è] libri ic^MÏ <rê. Correxit Cobetus Mnemos, 
1854 p. 287. 

— X«A/5)f^] libri XöAA/5:jf. Cur mutaverim, in adnot. 
exeg. exposui, 

446* iv fföi fi,h êUj Tii^i0i^ S' d^è 0pom] libri füSaci- 
ft^üvoli^g ^ Ttf^^scp^ V £y2^ iJ)povcj ^ quae seuau carent ^ dativas 
enim Tvské0^ non habet uude peudeat; idem valet de 
yerbis Euripideis quae comicua boe loco imitari dicitur; 
lEjeAw^ s^ütfjLi y Ti^Xêipcp 5' dyèi (ppovë (vel vö^}; Dobraeus 
xAjAaJc ix^^ ^^' t par urn pro babiliter. Praeterea svtxtyLüvoinq 
vitiosum esse argumento eat versus vicinua 457 ab eodem 
Tocabulo incipiens, Correxi quod poscit senteutia. Athe- 
naeus IV p. 186, bunc versum afferens, bu sq) ^hoiro 
ecribit; quod si in codd. Aristopbaueis legeretur, a nemine 
tentaretur, et dubitavi an id reciperem in testum; lenior 
tarnen, ni fallor^ a me medela eat adbibiia* 

487. Pro EÏircmsf^^ quod libri praebent, potius futurum, 



149 

ipovff» igitor, expectaveris; quapropter secutns sum Hama- 
kerum, Mnemos. 1853 p. 16 slwi ê' comgentem. 

504. jca^r) Aiivalcp hr* ^ydvJi sic scripsi pro verbis codi- 
cum ovtt) Aiivxlq) r' iyiv, quae arenam sine calce appellare 
licet; neque enim ^rticulo o locus est neqae copulae rf. 

512. io-T/ TcifATri^ta] Meineke, vuig. êartv ififréXix. 

534, oip»v^'\ Schneidewin pro ^irslpcfi, item in Timo- 
creontis scolio quod in adn. exeg. est allatum. 

541 sq. In bis versibus ni fallor unum êK7r},€va'3tq 
vitiosum erat , pro qno scripsi iv'xXevv »v^ nam advectum ^ 
forte fortona in Laconicae oras delatum. Quod Hamaken is 
proposuit iijffa^ Kiiêvicv }) ZsplCpiovy id ab ingenio Ari^to- 
pbanis longe abborrere mibi videtur; sic enim nibil iocosi 
vel absurdi inesset buic versui, cum tarnen requiratur beÜi 
causa non minus ludicra quam raptae istae meretriculae ot 
cucumeres proscripti. Recte enim observatur in scboliis 
«^ X^sui^av ri vpxyf^i ^j/ff^v, pro quo nimis ri- 
dicule editur bodie yuf^vd^av. 

549. Bergkius suspicatur legendum esse xücav huovfjtimu 
(conf. Av. 1183). 

556. ófjiiïv sanum est me iudice et perperam ab edito-^ 
ribus in ^f4.7v mutatur, quod quo magis urbanum eo minus 
buic scenae accommodatum; vid. adnot. exeg. 

559. TJncinis sepsi versum qui metri sententiaeque con- 
cinnitatem corrumpit. Unde tamen natus sit frustra quaero. 

569. Huius loei textum, manifesto corruptum, quaktii 
libri praebent exhibere quam incertis coniecturis vexare 
malui. Elmsleius êhs rU i^ri ra^lccpxo^ Tig yj , putans ite- 
ratum illud rig defendi posse versibus Ban. 912, Eur. He- 
cub. 1178, Orest. 1218, Soph. Tracb. 943; sed neque 
lectio quam proposuit per se placet, neque metrum docli- 
miacum boe loco restituendum erat. Nam verissime me 
iudice ab H. Schmidtio observatum est, versuum 490— 495 
et 566—571 metra respondere sibi debere, itaque versum 
568 et sequentem olim senarios fiiisse iambicos. 

580. ovx oJy ïrt'] sic scripsi cum Blaydesio pro vitiosa 
lectione ouk oïici ttco, quae significant nondum novif cum 
dicendum sit non amplius notn, oblitus sum, Alii fortaf^se 
praeferent oitK cJi' iydj quod propius etiam accedit ad 



150 



ductus litemrum quae in codd. leguntur, ParuiD placet 
BergkianaiD üix oTSx. — ^ëg; 

592. Pro cuK i^é^wA^jffa^ ingemoae Hamakerus Mnemos* 
1853 p, 27 Qu xitTEü-TTÓiijü-xc ^ küdato Theamoph- 560. Sed 
ne eic quidem intelligo quid Dicaeopolia dicat, neqoe igitur 
in textum recepi coniecturam quantum via amdentem , et 
BergMano ciwE^^ihi^^ag longe praeferendam. 

593. De hoc versu^ quem Keek quaesi Arietoph» p. 22 
obelo notavit, quid eentiam in adnot. ex^, ostendi. 

597» iJLifTêapyit\iq\ Meineke ingenioae pro i^uéapx^^K?' 
610* De hoc versu vid, adnot. exeg* 

612. Ti 3' 'ApSffdüukktic^ Reiske pro r/ imï ApdxuhXüg^ 
fiine dubio recte, nam rqqniritur noinen ad rem carbona- 
riam spectans. 

613, Jlfv] Bergk.; libri, notö errore, oJ^sv, 
616* Pro iit^iüifT€g malim èxx^ci^ ^'^• 

633. sthtog] BentleiuB, Tiilgo i^0g\ recurrit Titium versu 
1062, 

647* èg] icripsi pro Sn^ qaod nuUnm praebet senaum, 
neque ad Nub. 34 provocare debebat Elmsleius, 

650* TE ytvhd^ xv\ pro yeyivvitféoit optime A* Muellerns. 
Minus recte Blaydea et Hamaker Mnemos» 1853 p. 154 n 
yivi^^oci y nam non de rebus peractia aed de veri simi- 
libui, futuris igitur, loquitur rex, neque igitur deesse 
potest particula ay. 

651* «Av] Blaydea pro naL 

656. Cur bic versuB ia coutextu ferri non poftiit, expoani 
in adnot exeg. 

685. v$(x.vi(x.if\ Dindorf, libri vHKylo^q. 

705. Pro Kn0i^clvifit^ recte, ui fallor, Hamakerus Mne- 
ni08. 1853 p. 163 K^<pi<rot^y(.óu proposuit» 

712. ifWip£Té^Eu^ty\ libri TTBptsr, Correxit Blaydes* 

717. Versus corruptuB, cf* adnot. exeg. 

733, dicóv£Te S^, Törij^fT' if^h] Bentleius, umee Tere; 
libri daoóircv 5>f. 

743. flÉ^paiTa] Ahrens pro rk wpB-rm. 

75 7 1 £^i^^Ké^ifr$s] libri iwp&KXi^ifrSe , correxit Cobet, 
Mnemos, 1856 p, 395. 

775. ëtiiëvm Yitiosum; yid* aduoL exeg* 




151 

778. OU xP^^^^i ^^7^9^] AhrenSy praeeunte Fritzsche 
Theemoph. p. 201. Libri oi xP^^i^ ^iyiji- 

789. i xotpo^ o^'^og êaripci)] Hamaker Mnemos. 1858 p. 
171. Vulgo i Kiiffóog ctvTfiq êxTip^j qnod vitiosam esse ap- 
paret ex vs. 782. 

791. cel Kcc ièll pro iAA' &v Hamaker Mnemos. 1853 
p. 172. 

802. Scriptura hnius senarii incerta est. Rav. rpdyoig S^v 
êpel3lvêovg; xo7 xot Exeidisse sM (jloi Elotzius probavit ex 
Schol. Clem. Alexandr. IV, p. 109; sed quid pro rpiyaq 
XV sit scribendmn non • constat. Pluralem numerum iure 
poscit Muelleros; pamm tamen placet qnod ille dedit rpdj- 
is(rê\ nam aut requiritar praesens (ut ego scripsi) seni^u 
edere solitae estis (sic tamen JSéo-tf' ipe^hêotg vel (pi- 
Af7r* èpifilvtovQ potius dicendum erat), aut optativus cam 
itv (ut libri praebent metro invito) sensu edere vult is. 

804. KêKpiyxToy] rectissime Brunckius pro -r«, tertia 
enim persona requiritur. 

809. Hunc yersum M^arensi dedi cum Hirschigio ei 
Bergkio. Nam si Dicaeopolidis esset, cum interrogationis 
signo esset proferendus; sic vero significaret: nonne omnes 
caricas comederuntf quae non stupentis essent verba sed 
id quod expectari poterat cementis. Dicaeopolis autem di- 
cere deberet potius: nu m quid cunctas comederuntf id eat 
fiüv vel fjLVi xxri^xyov. 

830. iirilou ri ;^0/p/«] Elmsleius pro vulgato r^ %0/p/3/ 
iTriiov quod contra metrum peccat. 

833. Lectionem a Boissonadio aliisque commendatam , 
iroX\j'JcpxyiJLO(r6vfiq ' vvv , mihi quoque magnopere arridentem , 
non tamen ausus sum in textum recipere , quia vere Keiske 
observavit, sic deesse non posse articulum r$^; ab Aristo- 
phane certe in eiusmodi exclamationibus nunquam omittitur. 
Neque consimilis est Platonis locus Protag. 341 b , quem 
unum video afferri ad Boissonadii interpretationem tutait- 
dam, nam ibi adiectiva saltem adduntur (Sf/vif^ vi<roi/ 
et sim.) Theocritus denique quid dixerit (XV 75), id nihil 
ad nos dum in Attioo scriptore versamur. 
. 842. TTfifAxveT n] Dindorf pro 'Jc^fAxvsÏTxi. 

865. ^po^iTTTOvê^] vulgo wpoffi7rrxvê\ quem pervulgatum 



152 



codicum errorem , dudum ' a Dawesio notatüm , nimia pa- 
tienter editores tolerant, Meinekius poeticam formam appel- 
lat, praestabat vitio natam dicere, nee in ullo scriptor a 
claasico tolerandam. Praeterea pro xxam h. L et mmilibtia 
Hdxt^r' legendum videri, in adnotatione exeg, ad va, 778 
signifieaTi. 

868. Ssi0xê£] Bergkiua, vuig. 0f//ïflt^;. 

884* TLffSf] egregie Blaydesius pro r^^e quod libri ex- 
hibentp Agsentitur Cobet, Mnemos, 1874 p. 414. 

893* Quid de huius yersiculi initio cenaeam, in adnot 
exeg. exposui, 

917. kul) Spu^XKlt^Ê.] Elmsleius; libri 3i}r« Spuctxktiixc^ 
Bentleiua Sijr^i hk èpuüthht^Qq, Leotio incerta , cum praeser- 
tim recurrat bic iocus va, 826. 

919. ö?/stO(] Elmsleius pro olyLm, 

924. Libri ^nKx^olvT «v dl] y^s^ , unde FritzBcbins om- 
nibus musia iratis effecit triXayolvr'' «v. — üu v^q: indi- 
gnam sane lectiouem quae a Meinekio probaretur! Pieraoni 
correetïouem paeue certam (ad Moerin p, 266) iu testum 
recepL Oaeterum verisimile du co , ml v^êq non interpre ta- 
mentura esae — quod quis appicturus erat verbis minime 
obacuris ? - — aed ex vieino versu huc irrepsisse ; Aristo* 
pbanem enim dedisse: a^sKix^yQiyr^ m svêóg, — j3 Kixi^r^ 

927. ÉfSïJffüj^ 0épü}\ sanuiu esae non potest, quoniam non 
Dicaeopolia aed Boeotus sec om absportaturus est ayeop bantam- 

928. Spurium versum merito notavit Botbe. 

944 et 948 sqq. vitioaos e^e unde appareat , in adn. 
exeg. indieavi. 

981. Trépütvoc islvi^p ê0u] certa est Cobeti (Mnemos, 1874 
p, 414) emendatio vulgati iro^pohtnq èy^p s<pu, Vera adiectivi 
forma superest apud Suidara i. v, Trdpotuog. 

986. irt] pro èy G, Herioannus. 

994. 7rpüaki^06Tv~\ pro TrpcfT^xkslv scripai cum Reiskio ; 
item Naberua Mnemoa. 1882 p, S59, qui verisaime monet 
nibil obscoeni latitare in hoc versu et vicinis, quamquam 
id summopere probatom eunt scholiaatae. — Versum 997 
abundare censeo, et ex Aeliano id tantum non probari 
posBB in adnoti exeg, ostendl 



153 

1048. AiKatówo/itj AtK»iÓ7ro?it. -^ rlq ouro(rli\ optime Do- 
braeus; libri AtxettóiroM. — rh ourovl; rig ourovl; 

1062. otïrlx] pro i^tx restituit Blaydes; item Cobet. 
Mnemos. 1855 p. 264. Vide versum 633. 

1064. De hoc yersu qnid suspicer in adnot. exeg. exposoi. 

1072. XTviTêï] nescio an praestet KrvTrog. 

1082. In adnot. exeg. proposui Tijpvóvii Tsrpi'jcTiX€ pro 
Tulgato 'Vifi -l^cp quod nuUum sensnm praebet. 

1102. iijfAov] egregie Elmsleius pro üi ttxT quod libri 
praebent. 

1109. Cur turbatum censeam h. 1. ordinem Yersuunif in 
^dn. exeg. dixi. 
"^ 1123. Pro xx) conieci legendum esse xix, vid. adnot. exeg. 

1126. iffT* iv] scripsi pro hrtv , quod verti posse n^o; 
Tid. adnot. exeg. 

1140. Post hunc versum aliquot verba supplevi ettrans^ 
posui, Elotzio, Meinekio, MuelleroStruebing(Arist. p. 512) 
praeeuntibus. Libri dant: t^v «ö-w/S' ctlpov, x») /S^S;^ 
Jo 'jcocl Kx^av. vlCpst' fia^xta^' xetfJLépix rx icpiy[AXTX. — 
x^o\J rh isTirvov trufATCorixx Tct 7rpiyfJt,XTX. 

1151. Ingeniosam magis quam probabilem Elmsleii con- 
iecturam tov [AiKsov roóv f^sXiuv icoiviTviy nolui in textum 
recipere, quia minime persuasum est poe tam fuisse par- 
fum istum choregum, de quo nihil omnino nobis cognitum 
«st aliunde. Donec igitur verisimiliora fuerint piolata , verba 
rh (AêXiuv TronjTijv baud secus atque illud rèv ^vyypx^p^ 
pro glossemate habuerim, quod in versiculi aliquam spe- 
ciem redigere parum prosit. 

1156 sqq. Graviter corruptos esse hos versus non credo; 
neque igitur assentior Hamakero, ingeniose sane rescri* 
benti Mnemos. 1853 p. 178: ov Ir' èirllotfAi rsvêlix xxn-^ 
'iifjL^vov ^ ^ Y UTTTyifiivtf ^H^ov^x Xiirxpx r M rpx^é^ij^ 
xsifAivij M^êoi. Bergkium vero, pro rpxTri^fig corrigentem 
Txyiivov 9 rem acu tetigisse arbitror. 

1184. Si crederem nexu iungi posse divulsa haec sen- 
tentiarum membra, redperem Gobeti emendationem Mne- 
mos. 1855 p. 243 et 1874 p. 415: XsIttu (pxog tóT, 
cixir^ oiiiv eifi iyi. 

1195 sqq. Yexatissima est horum versuum scriptura. 



( 



154 



Dobraeug, eui Cobet, Mnemos. 1874 p. 415 acktipulatur , 
l^%éLVOt restituit pro lyxmêlroit^ metro et grammatica 
ducibus. In verau 1196 poeta pot era t certe scribere» 
quod dedi, ^mot^ió^üKH et <viJv> ^' ÏSe; nTfic^piévov ^ nam 
^quid exidisse constat e metro, cm reBpondere debent 
laeti qui sequuntur clamores Dicaeopolidia, Hac de causa 
TS, 1201 rè ^^vSöiAöïT^'y pro Jc^ïr/jw^i^3«AwrJv gratns 
accepi a Bergbio, Tel potius a scholiasta atque ab ipso 
adeo Aristopbane Thesm» 132, Minus firmiter persaasum 
est mihi, Bergkium verenm ei (^uf^cpspi etc. iure loco mo- 
visse et Dicaeopolidi tribuisse. Denique plane improbanda 
mibi yisa est einsdem Tiri docii suspicio de versas 1207 
exitu eum sequentia initio permutando , sic enim periret 
responaio. 

1206. Aflt/wflt^/ffïc^öi'] Meineke, Ha¥. ^tTrmhov. 

1222. ig Tüu UiTTxKcv] Vere observavit Elmsleius, mo- 
leete abnndare articulum; quamquam fateor, etiamT^,qi3od 
ille malebat, mibi sensu orbum videri. ^otatu baad in- 
dignttm dncOy quod omnibus locis quibns medici buius 
nomen reperitur, praefixnm legitnr monoeyllabam difficüe 
iatellectu {rohq^ roif^ t^); unnm rah^ fortasse potest 
explicari, ai dediacipnlis medici, qui ei in ]»rpêtM ad 
manum sunt , aceipias. 



ERRATA. 

BI. 22 aant. 2 regel 2 staat: III 69, lees III 9, 59. 

BI. 99 is op VS. 767 tweemaal Kikv. 438 geciteerd. 

BI. 106 le^e men in de aant. op ys. 843: Plato gebruikt Gorg. 526a den 
aoristas e%(aii6p%etro en Wett. enz. 

BI. 109 aant. op vs. 866 staat ci^07rsKt$svq lees i^oDTrsxthvq en 151 
lees 151. 

BI. 124 leze men in de aant. op vs. 1032 tweemaal Wesp. 1440 in pk&tü 
van 1432. 



f 



1 



TMs book 8hould be retm-nad to 
the Iiibrary on or before the last date 
stamped below. 

A flne of öve cents a day is incurred 
hy retainiiig it beyond the speeifled 
time. 

Flease return promptly. 





Ga 110.332.9 
De AchamJers. 
Widenér LIbrary 



00279S635 




3 2044 085 090