(logo)
(navigation image)
Home American Libraries | Canadian Libraries | Universal Library | Open Source Books | Project Gutenberg | Biodiversity Heritage Library | Children's Library | Additional Collections

Search: Advanced Search

Anonymous User (login or join us)Upload
See other formats

Full text of "De Nederlandsche geslachtsnamen in oorsprong, geschiedenis en beteekenis"

r^ 



cN? H?>7.30 



"Bi 




H5_ 



. 



^ 










5* 



DE NEDEULANDSCHE GESLACHTSNAMEN 



DE NEDERLANDSCHE 



GESLACHTSNAMEN 



IN OORSPRONG, GESCHIEDENIS EN BETEEKENIS 



DOOK 



JOHAN WINKLER 



GOEDKOOPE UITGAAF 



HAARLEM 
H. D. TJEENK WILLINK 



Boeck, ey soo men di wil laecken, 

Segg' dat si yet beters maecken. 

Laecken end maecken is groet verscil, 

Dye nyet en can maecken magh swigen still. 



D'aebarre traeppet plomp yn 't gnod, 
Oer 't goe kruwd hinne in sykt de Podd'. 
Dy hier uwt naet az fuwl op-syckje, 
Momme eack, mey rjuecht, by Rea-schonck lyckje. 

Gysbert Japicx. 



Wy willen gheerne 't onse om een beter gheven, 
Isser iet ghefaelt, tsy groot oft cleene. 
Maer qualick can ment elck te pass gheweven : 
Want niemant volmaeckt , dan God aeene. 

Makcs van Vaernewyck. 



May 22, 1900 
N 






C/ 









VOORBERICHT. 



In dit boekwerk bied in mynen land- en volksgenooten de vrucht 
aan van myne onderzoekingen en navorschingen op taal- en geschied- 
kundig gebied, naar den oorsprong, de geschiedenis en de betee- 
kenis der hedendaagsche nederlandsche geslachtsnamen. 

Moge dit werk met zoo veel genoegen aanveerd worden , als 
waar mede het geschreven is ! Maar dit is naueliks te denken. 
Immers byzonder veel genoegen verschafte my het opstellen van 
dit namenboek. Allerlei verrassende, ten deele ook belangryke uit- 
komsten verkreeg ik, vooral op taalkundig gebied, by myne 
navorschingen in deze zake. En dies leverde my mijn arbeid zoo 
veel genot op, dat ik hier wel mag herhalen, wat ik in 1873 
schreef by 't voleindigen van mijn Algemeen nederduitsch en friesch 
Dialection. Te weten deze woorden : de arbeid , aan mijn boek 
besteed, was my zoo aangenaam (en leerrijk)", dat, waneer 
door een of ander ongelukkig toeval mijn handschrift, terstond 
na dat ik de laatste letter er van op het papier zette, was ver- 
nietigd of verloren geraakt, ik my toch voldoende voor mijn 
werk beloond zoude gerekend hebben , door het genot dat ik er 
door gesmaakt had." 2- 4 H ' 

De Nederlanders in 't algemeen hebben tot nog toe, in weten- 
schappeliken zin , weinig aandacht aan hunne geslachtsnamen ge- 
schonken. Immers meen ik dit te mogen afleiden uit de omstan- 
digheid dat zy er zoo weinig over geschreven hebben. Alles wat 
er tot nog toe hier te lande over dit onderwerp in het licht 



VI VOORBEBICHT. 

kwam , bestaat uit eenige weinige , veelal kleine en min belang- 
ryke opstellen , verspreid in verschillende tijdschriften van deze 
eeu. Het belangrijkste daar van , wat de nederlandsche geslachtsna- 
men in 't algemeen aangaat, is zekerlik de Historische beschou- 
wing der nederlandsche eigennamen" , van Mr. L. Ph. C. van 
den Bekgh. Ook mag ik , met de noodige bescheidenheid , daartoe 
tellen de opstellen over de friesche geslachtsnamen die , voor en 
na , van myne eigene hand verschenen zijn in de tijdschriften De 
vrije Fries en De Navorscher. 

Het is te meer te verwonderen dat dit veld van taal- n ge- 
schiedkundig onderzoek in de Nederlanden zoo braak ligt, als 
men in aanmerking neemt aan den een en kant de zeer by zonder e 
en eigenaardige belangrijkheid der nederlandsche maagschapsnamen 
in taal- en geschiedkundig opzicht, en aan de andere zyde waar- 
neemt dat onze hoogduitsche stamverwanten reeds zoo veel belangrijks 
en merkweerdigs over hunne geslachtsnamen in verschillende , mees- 
tendeels wetenschappelike werken, aan het licht gebracht hebben. 

Terstond na het voltooien van mijn bovengenoemd Dialecticon 
voelde ik dan ook den lust in my ontwaken om aan dit onder- 
werp myne onderzoekingen en mijn verzamel-yver te wyden. Dat 
ik toen zoo bedroevend weinig over dit toch zoo echt volksaardig- 
nederlandsch onderwerp door nederlandsche geleerden geschreven 
vond, noopte my tot jaren lang voortgezet verzamelen van bou- 
stoffen en gegevens , eer ik daar aan denken kon , mijn onderwerp 
nader uit te werken. In der daad , gedurende verscheidene jaren 
heb ik een goed deel myner anders ledige uren besteed aan het 
samenbrengen en ordenen van alles wat ik noodig had tot het 
schryven van dit boek. Had ik dies dubbel moeite en veel arbeid, 
mijn werk is er ook zoo veel te meer mijn werk door geworden 
en gebleven. Immers had ik by het schryven van mijn reeds meer- 
malen hier vermeld Dialecticon in veler hulp en medewerking my 
te verheugen en te roemen , voor dit geslachtsnamenboek stond 
ik aleen. Maar nu is hier ook alles eigen werk. En daar by, het 
werk is zoo eigenaardig-nederlandsch als maar mogelik is. Op- 
settelik heb ik uiterst weinig of ook in het geheel geen kennis 
genomen van het gene door onze hoogduitsche stamverwanten ge- 
schreven is over hunne geslachtsnamen, die ook grootendeels zoo 



VOORBERICHT. VII 

nau aan de onzen verwant zijn. Zelfs het werk van Pott , * dat 
zeker te recht by onze oostelike buren als een standaard-werk 
over dit onderwerp beschoud wordt , en heb ik met opset nooit 
geraadpleegd. Ik heb het zelfs nooit gezien. 2 Men moge meenen 
dat deze bezorgdheid om mijn werk louter te houden en zuiver 
nederlandsch , overdreven is en slechts tot schade voor de vol- 
ledigheid van dezen arbeid kon gedyen ! Wel ! ik heb nu toch de 
voldoening een echt eigen-nederlandsch werk mynen nederlandschen 
landsgenooten , mynen frieschen volksgenooten te kunnen aanbieden. 
En hier in verblijd ik my. 

Zoo veel ik kon heb ik my in het behandelen der nederlandsche 
geslachtsnamen voor eenzydigheid willen vrywaren. Ik heb uit 
het Zuiden gelykelik als uit het Noorden, uit Vlaanderen zoo wel 
als uit Friesland, uit Holland zoo wel als uit Brabant, uit Lim- 
burg zoo wel als uit Zeeland en Gelderland de namen by eikan- 
deren gebracht. En ik heb geen enkel gewest buiten spel gelaten. 
Maar omdat ik mijn leven lang nooit ergens elders gewoond heb 
als in Friesland en Holland, zoo zijn my natuurlik de friesche en 
hollandsche namen bekender en eigener als die uit andere gewes- 
ten. Intusschen , het ontbreekt my in geen der andere oorden , 
in Belgenland zoo min als in Noord-Nederland , aan vrienden en 
bekenden die my geerne de behulpsame hand boden, door my 
adresboeken, plaatselike nieusbladen, ambtelike lijsten, enz. uit 
hunne streken te doen toekomen, als zoo vele mild fioeiende bron- 
nen ter verzameling van byzondere namen. 

Reeds een vluchtige blik in de volgende bladen doet den op- 
mrksamen lezer bespeuren dat de taal waar in dit boek geschre- 
ven is, eeniger mate afwijkt in zinbou, woordegebruik en spelling 
van de hedendaagsche hollandsche boeketaal. Zeker! Ik ben dan 
ook geen Hollander. Een Fries ben ik. Maar als zoodanig een goed 
Nederlander. Waarom zoude ik dan my zelven dwingen om myne 
gedachten , gelijk zy in friesche bewoordingen , en vooral in friesche 



1 A. F. Pott, Die Personenuamen , insbesondere die Familiennamen und ihre 
Entstehungsarten auch unter Bercksichtigung der Ortsnamen. Leipzig, 1853. 

2 Zelfs de aanhaling van Pott's werk in' de noot op bl. 22 van dit boek, heb 
ik niet uit eigen aanscbouing; zy is overgenomen uit Tavlors Words and 



Places, bl. 125. 



VIII VOOItBERICHT. 

formen , in mijn friesch brein ontstaan., kunstmatig om te zetten 
in schoolsch-hollandsche woorden en formen? Zoo doende zonde ik 
zelve mijn eigen werk bederven, mijn stijl gekunsteld, stijf, ge- 
wrongen, onnatuurlik, leelik maken. En zoo dwaas ben ik niet. 
Ook in deze zake geldt my Vryheid, blyheid." En al is dan myne 
taal niet onnoodiger wyze nieuerwetsch scboolmeesters-hollandsch , 
goed-nederlandscb , zuiver dietscb is zy zeker. Zy is louter. 
Op een enkel kunstwoord na (b. v. patronymikon , dat ik berbaalde 
malen heb moeten gebruiken ter afwisseling met bet anders al te 
vaak voorkomende woord vadersnaam) , is alles zuiver nederlandscb. 
En dat kan men van de meeste werken der bedendaagscbe Hollan- 
ders niet getuigen. Acb neen ! 

Een ingeschapen luide sprekend gevoel van eigenweerde als vrye 
Fries verbiedt my om, tegen beter weten in, de wetten te volgen 
waar mede hollandsche geleerden , zeer verdienstelike en hoog geleerde 
mannen , maar wier opvatting van taal niet de myne is , ons aller 
algemeen-nederlandsch in byzonder-hollandsche kluisters klinken. 
Toch is myne kettery niet al te bar , zoud' ik meenen. De man , die 
onbevangen oordeelen wil en die de woorden verstaat in hunnen oor- 
sprong , moet my gelijk geven als ik b. v. aleen {al en een) , waneer 
{wan en eer) , Engelland (het land der Engelen of Angelen) , enz. 
schry ve , in stede van alleen {al en leen ?) , wanneer {wan en neer ?) , 
Engeland ('t land der Engen?) zoo als het algemeene gebruik in 
Noord-Nederland eischt. Ook zal men vinden dat mijn zinbou en 
woordvoeging niet altijd en overal overeenkomen met den zinbou 
en de woordvoeging die door hollandsche schoolmeesters, in school - 
schen waan bevangen , aan onze taal tot wet is gesteld. Om een enkel 
voorbeeld te noemen : in het gebruik van het woordje dan , in 
plaats van als , na den vergelykenden trap der byvoegelike naam- 
woorden. Waar de doode regel van den schoolmeester in strijd is 
met den regel dien de levende spreektaal volgt, daar geldt voor 
my slechts de laatste. Hier en daar, waar het pas gaf en het my 
zoo vryelik behaagde , heb ik ook gebruik gemaakt van 't oude 
loochenwoordeken -en , dat wel door onze hedendaagsche taaidwinge- 
landen verworpen is , maar dat in den volksmond , vooral in onze 
zuidelike gewesten , en ook hier en daar in Holland , nog leeft , 
en dat door de beste vlaamsche schry vers nog wel gebezigd wordt ? 



V00KBERICHT. IX 

terwijl het zoo veel bevalligheid en zoetfloeiendheid aan de taal ver- 
leent. En ook daar heb ik my nog niet aan vaste regels gebonden , 
waar ik afwyke van den geijkten regel. Ik spreek en schrijf eenvoudig 
zoo als my de gedachten in mijn brein ontstaan , en juist zoo 
als op dat oogenblik mijn geest my de woorden op de tonge legt 
of uit de pen doet floeien. Al die vryheden neem ik my , naar 
eigen welbehagen , en in spijt van wien er zich aan moge ergeren. 
Dat ik eene , zy het dan ook uiterst bescheidene mate van dank 
en lof zal oogsten met dit werk, kan ik wel hopen, maar niet 
verwachten. Menig man zal , om menige redenen , in arren moede 
dit geschrijf verwerpen. Immers ondervond ik maar al te vaak 
dat vele lieden byzonder prikkelbaar en gevoelig zijn op het stuk 
van hunne namen. O ! bewijs dien ryken en verwaanden opkome- 
ling niet dat zijn geslachtsnaam van zeer nederigen en eenvoudigen 
oorsprong is ! Toon dien nieu-bakken adeling niet aan dat zijn 
maagschapsnaam , die nu in spelling een weinig anders is als de 
gelijkluidende naam van zynen burgerliken buurman , met dien 
naam oorspronkelik geheel en al eenzelvig is. Immers en zal hy 
u geen dank wyten. Maar zoo hy u al niet met hoon en smaad 
overlaadt , zal hy , in het beste geval , uit der hoogte en met 
voorname minachting op uw werk en misschien op u-zelven neder- 
zien. En dan nog , hoe vele lieden ja immers een zeer groot 
gedeelte der menschen , is aangaande zynen geslachtsnaam wat 
oorsprong en beteekenis aangaat, in krasse vooroordeelen bevan- 
gen ! Vooroordeelen , die in den regel reeds als erfdeel hunner 
voorouders hun zijn toegekomen. Tracht die vooroordeelen niet om 
verre te werpen , zoo uwe vrede u lief is. En overtuig dien lieden 
niet van hunnen ydelen waan ! Gy en zoudt daar geen eere mee 
behalen.' En dank even min. O ! ik heb dit herhaaldelik ondervonden. 
Toch stuur ik met vrooliken moed dit mijn werk de neder- 
landsche letterwereld in. 

Voor dorre geleerde betoogingen heb ik my , by de samenstelling 
er van, gewacht. Alle wezen en schijn van boekekast-geleerdheid, 
heb ik gemeden. Immers was het mijn streven dat mijn namen- 
boek (even als vroeger mijn gousprakenboek) ook leesbaar zoude 
wezen voor den eenvoudigen beschaafden man. Maar tevens heb 
ik getracht het niet geheel verwerpelik te doen zijn voor den ge- 



X VOORBERICHT. 

leerde, voor den taalkundige en den geschiedvorscher in d' eerste 
plaats. Ook zal de man, die zich met de geschiedenis en het wezen 
der beschaving van ons volk inlaat , en die geerne d' uitingen 
van ons volksleven gadeslaat , dit boek , zoo ik hope , niet zonder 
eenige voldoening ter zyde leggen. 

Dit werk en bedoelt anders niet als eene eerste poging te zijn 
op het gebied van de beoefening onzer geslachtsnamen , eenvoudig , 
sliucht end riucht. 

Moge men het , in dezen zin , welwillend aanveerden ! 

Den vriendeliken lezer een vriendelike groet van 

Haarlem JOHAN WINKLER. 

Midzomer, 1885. 



INLEIDING. 



1 . De eerste menschen , of liever zy , wier namen het eerst in 
onze geschiedboeken vermeld worden , hadden , ieder voor zich , maar 
nen enkelen naam. By alle volken der oudheid , hy Joden , Egypte- 
naars , Grieken , Romeinen , by allen , van welken stam ook , was dit 
oorspronkelik het geval. Een enkele naam werd voldoende geacht voor 
eenen enkelen persoon. Hoe ouder de namen, of beter: hoe vroe- 
ger de menschen leefden , wier namen ons bewaard gebleven zijn , 
hoe eenvoudiger hunne namen waren. Later kwamen ook samen- 
gestelde namen in gebruik , en nog later namen de menschen , de 
machtigen en voornamen het eerst, ook twee namen aan. Van die 
twee namen was echter slechts n de eigenlike naam , die uit- 
sluitend voor den persoon gold welke hem voerde. De andere naam 
was gewoonlik een patronymikon of vadersnaam , soms ook oor- 
spronkelik een by- of toenaam van den man zelven of ook wel 
van zynen vader ; in het laatste geval gold die naam dan voor al 
de kinderen van eenen en den zelfden vader. Deze tweede namen 
werden in verloop van tijd ook wel erfelik ; zy gingen niet alleen 
van den vader op den zoon , maar ook wel op de kleinzonen over , 
en op de volgende nakomelingschap. Dit was de oorsprong van de 
geslachtsnamen die eigen zijn aan al de leden van eene en de zelfde 
maagschap. Maar eigenlik gezegde geslachtsnamen , volkomen in 
den zelfden zin dien de beschaafde volken in den tegenwoordigen tijd 
aan dat woord hechten , hadden de ouden niet. Deze zaak was by 

1 



<i INLEIDING. 

hen niet, of slechts weinig door wetten geregeld. In het aannemen 
en afleggen van namen , vooral van by- en toenamen , die de plaats 
vervulden der hedendaagsche geslachtsnamen , gingen de oude volken 
zeer willekeurig te werk. En onze eigene voorouders vr 1811, 
toen de wetgeving op den burgerliken stand , en daar mede op 
de geslachtsnamen , geregeld werd , deden niet anders. 

Juist z als by de volken der oudheid , is ook de geschiedenis 
der persoonsnamen , en der daaruit ontstane geslachtsnamen by 
onze eigene voorouders , by de Germanen in 't algemeen. De oud- 
sten onzer voorouders , 't zy ze van frieschen of van saksischen 
stam waren , 't zy ze deel uitmaakten van de talryke kleine stam- 
men Batauers , Kaninefaten , Maresaten , Sicambriers , Taxan- 
driers , Morinen , Menapiers , waar van er velen later zich onder 
den naam van Franken vereenigden zy allen droegen slechts 
nen enkelen naam. En hoe ouder , hoe vroeger de namen der 
Germanen in de geschiedboeken vermeld worden , zooveel te een- 
voudiger waren de namen. Abo, Athal, Bercht, Dodo,Edo, 
Fritho, Gero, enz. waren zulke eenvoudige mansnamen. Deze 
namen waren , by honderden in getale , by de verschillende volken 
van germaanschen bloede in gebruik. Eenigen er van zijn ook tot 
op den dag van heden in gebruik gebleven ; by de Friesen vooral 
is dit met betrekkelik velen dezer namen het geval. Men noemt 
deze enkelvoudige namen wel naamstammen , wijl de latere samen- 
gestelde namen uit deze naamstammen ontstaan zijn en geformd. 
Weldra toch, by toenemende volkrijkheid, waren deze namen niet 
meer voldoende ter onderscheiding. Immers kwam het wel voor 
dat verschillende personen , leden van een en den zelfden stam , 
soms wel van eene en de zelfde maagschap, den zelfden naam 
droegen. Dit gaf verwarring; maar tevens aanleiding om nieuwe 
namen te zoeken. En men vond die , door twee namen , tot dus 
verre elk op zich zelven in gebruik , te verbinden , saam te voe- 
gen tot nen enkelen nieuwen naam. Van de enkelvoudige namen 
of naamstammen Gero en Hart b.v. maakte men Gerhart 
(Gerard, Gerrit, Geert), van Athal en Win fonnde men 
A t h a 1 w i n (A 1 e w ij n) , en T h i u d o (T i e d e) en Rik voegde 
men samen tot Thiudorik, Theodorik (Diederik, Dirk). 
De samenstelling dezer namen was aan weinige of geene taalkundige 



INLEIDING. 3 

of andere wetten gebonden , behalven aan die der welluidendheid 
en zoetvloeiendheid. Men kon in den regel de naamstammen samen 
voegen , gelijk men wilde. Zoo kon men b.v. van de naamstam- 
men Gang en Olf of Wolf zoo wel G a n g o 1 f maken als 
Wolfgang; van Hart en Gero zoowel Gerhart als Hart- 
g e r ; beide formen komen voor. Men had dus tamelik vry spel , en 
vooreerst geen gebrek aan eigennamen. Want zoo de oude enkel- 
voudige namen by honderden telden , door willekeurige samenvoeging 
van al deze naamstammen kon men honderd-duizenden van nieue 
namen formen. By duizenden zijn deze samengestelde namen ons in 
oude geschriften en oorkonden overgeleverd geworden ; by honderden 
zijn ze nog onder ons in gebruik. Men kan er duizenden vermeld 
en beschreven vinden in Frstemann's Altdeutsches Namenbuch. 

Deze namen waren natuurlik geenszins zinledige klanken. In- 
tegendeel ! zy hadden allen eene beteekenis. Oorspronkelik waren 
het allen eenvoudige woorden, aan de volksspreektaal ontleend. De 
namen werden toen nog door het volk verstaan; het waren zinryke 
namen , en als zoodanig verstond men ze. En wijl alle Germanen 
oorspronkelik eene en de zelfde stamtaal gesproken hadden hoe 
wel dan min of meer gewyzigd in uitspraak en woordenschat by 
de verschillende stammen zoo verstonden ook allen deze namen , 
en gingen die namen , zonder bezwaar , van den eenen volksstam tot 
den anderen over. Toch waren van ouds her by het eene volk meer 
deze , by het andere meer gene namen in gebruik , en kon men 
dus daar uit , met eenige zekerheid , afleiden , tot welk volk , tot 
welken stam , tot welke maagschap deze of gene persoon behoorde. 
Maar overigens hadden de namen weinig kenmerken waar uit men 
weten kon , van welk volk of welke maagschap de dragers dier 
namen deel uitmaakten. Er waren geene algemeene namen , aan 
al de leden van een enkel geslacht eigen , en waaraan men eik- 
anderen kennen en herkennen kon. In deze leemte , welke zich , by 
de toenemende volkrijkheid, vooral ook by het steeds drukker 
wordende verkeer der menschen onderling , hoe langer hoe meer 
deed gevoelen in deze leemte werd voorzien door den kinde- 
ren samengestelde namen te geven, waar de namen van vader of 
moeder, zoo deze namen, enkelvoudige naamstammen waren, of 
ook deelen van de namen der ouders , zoo dezen reeds samenge- 



4 INLEIDING. 

stelde namen voerden , in voorkwamen. Heette de vader b. v. 
Bruno en de moeder Hildigunda, dan kregen de zonen dezer 
echtgenooten wel de namen Brungar, Hildebrun, Brunolf, 
de dochters die van Brunhilda, Hildeberchta, Gund- 
truda. Deze samengestelde namen waar de namen of naamstam- 
men van vader en moeder in voorkwamen , waren eene eerste , 
zwakke poging om algemeene namen te formen , die aan alle 
leden van een gezin iets eigens gaven , waar door zy zich van 
anderen onderscheidden , en als kinderen van n paar ouders , of 
als afstammelingen van eenen enkelen stamvader , aan anderen ken- 
baar waren. Later bereikte men hierin beter doel, door ware 
patronymika te formen ; te weten , door den uitgang ing , op 
zich zelven een oude naamstam , te voegen achter den naam van 
den vader. Als b. v. de vader van eenen jongeling die Athal- 
bercht heette, den naam droeg van Athal, dan noemde deze 
jongeling zich Athalbercht Athaling, dat is Athalbercht 
zoon van Athal, ter onderscheiding van anderen die ook wel 
Athalbercht heetten, maar geen zonen van Athal waren. 
(Athalbercht Athaling, dat is in onze tegenwoordige taal 
Albert Adeling.) Sedert deze patronymika of vadersnamen 
in gebruik gekomen waren, was er eenen grooten stap voorwaarts 
gedaan , ter verkryging van geslachtsnamen. Immers niet aleen 
Athalbercht voegde dat patronymikon Athaling achter zynen 
eigenen naam , maar ook zyne broeders Athalgar (Alger), 
Athalwin (Al e wijn) en Athalhart (Allart) deden even- 
eens, wijl ze ook zonen van Athal, dus ook Athalingen 
waren. En zoo hadden zy , alle vier gebroeders , in dien gemeen- 
schappeliken vadersnaam eenen band die hen verbond , en waren 
ze ook aan geheel vreemden , als broeders , als zonen van nen 
zelfden vader kenbaar. Deze patronymika , als oorsprong van 
duizenden hedendaagsche nederlandsche geslachts- en plaatsnamen , 
zijn in de volgende bladen van dit werk uitvoeriger behandeld en 
verklaard. 

Omstreeks het jaar 1000, ook een paar eeuen vroeger en later, 
waren deze patronymika by de germaansche volksstammen in volle 
gebruik, en dienden ze wel als geslachtsnamen. Na de 10de eeu 
kwamen er ook andere namen in gebruik, ter nadere aanduiding 



INLEIDING. 5 

van personen. Dit waren soms bynamen , afgeleid van de eene of 
andere persoonlike eigenschap van de dragers dier namen , of 
ontleend aan plaatsnamen , of aan andere byzondere zaken. En het 
bleek soms , dat deze namen zoo vast verbonden waren aan de 
personen die ze droegen , dat zy ook op de zoons van die per- 
sonen overgingen , en later op de kleinzoons ; met andere woorden 
dat zy erfelik werden, en volkomen als geslachtsnamen in gebruik 
bleven. Tevens kwam er na den jare 1000 nog eene andere wyze 
om vadersnamen of patronymika te formen , in zwang ; eene andere 
wyze dan de tot dan toe gevolgde door achtervoeging van ing 
achter den vaders naam. Immers door veelvuldig gebruik, en uit- 
sluitend in dien form , was het woordje i n g in onze taal als 't 
ware versleten geraakt. Het had by liet volk zyne beteekenis ver- 
loren ; men verstond het niet meer. De namen die op ing uit- 
gingen , en die er nu eenmaal waren , bleven wel voor en na in 
gebruik, maar men formde geen nieue meer. Was er nu een jonge- 
ling die W o 1 1 h e r heette , en zijn vader droeg den naam van 
B r u n o , dan noemde hy zich nu niet meer , naar oude zede , 
Wolther Bruning, maar Wolther Bruyns soen, Wou- 
ter, de zoon van Bruin, wat overigens geheel op 't zelfde 
uitkomt. 

2. De kruistochten gaven den menschen aanleiding om hunne 
vaste , vaak afgezonderd liggende woonsteden te verlaten , en door 
andere gouen te ti-ekken , door verre landen te zwerven. Zy kwa- 
men , zoodoende , veelvuldig met andere , tot dus verre hen ge- 
heel onbekende menschen in aanraking en verkeer. Zy kregen 
hierdoor hoe langer hoe meer behoefte aan vaste by- of toenamen , 
ter onderscheiding van de gelijknamige personen , die zy in andere 
plaatsen gezeten vonden , en die dikwijls in hun gezelschap naar 
het Heilige-land trokken. Immers vroeger , op de eenzame hoeve , 
mocht n enkele naam, Hugb recht b. v. , voldoende geweest 
zijn voor nen enkelen man , vroeger , in het kleine dorp 
waar maar twee mannen waren die H u g b r e c h t heetten , mocht 
het voldoende geweest zijn, zoo men dien eenen man Hugbrecht 
Woltering noemde, naar zynen vader Wolter, en den anderen 
man Hugbrecht Bern ding, naar zynen vader B e r n d (B e r n- 



D INLEIDING. 

hart) thans, onder die duizenden kruisvaarders, onder dat 
groote getal tochtgenooten , waar mede zy gezamentlik naar 't 
Heilige-land trokken , waren er zoo velen die Hubrecht heet- 
ten ! Maar er waren slechts weinigen , soms was er ook niemand 
by de schare , die wist dat de vader van den eenen H u b e r t 
den naam had gedragen van W a 1 1 h e r , die van den anderen 
den naam van Berend; dat dus de eene Hugbercht een 
Woltrink, de andere een Bernharding was. De noodzake- 
likheid drong dus spoedig om die verschillende Hugberts van 
eikanderen te onderscheiden. En daarop wist het redzame volk 
wel raad. Den eenen die eenen rooden baard had , noemde men 
Hubert Roobaert, den anderen die byzonder lang was van 
gestalte: Hubert de Langhe. De derde praalde dikwijls met 
de scherpte van zijn zwaard: de volksgeestigheid had hem wel- 
dra, eerst spottender wyze, den toenaam Scerpsweert gegeven. 
De vierde eindelik had zich in zyne woonplaats Keulen by 't heir 
der kruisvaarders gevoegd; dies noemde men hem Hubert de 
C e u 1 e n a e r e. En die bynamen bleven in gebruik zoo lang de 
kruisvaart duurde, en ze bleven ook wel aan de personen hech- 
ten, als dezen reeds weder in eigen huis en hof waren terug ge- 
keerd , en gingen ook later wel op hunne kinderen over. 

Na de kruistochten was het vooral de opkomst en aanvankelike 
bloei der steden , met het ontstaan van den derden stand , die 
der vrye poorters of burgers, welke zeer bevorderlik was aan het 
ontstaan van by- en toenamen , eerlang ook van vaste geslachts- 
namen. In die steden vestigden zich velen van het platte land , 
die tot dus verre slechts eenen enkelen naam , hoogsten nog een 
patronymikon daarenboven gevoerd hadden. Vreemdelingen , van 
heinde en verre soms samengevloeid , of door het grillige noodlot 
her- en derwaarts verdreven , woonden eerlang als burgers naast 
eikanderen in de enge straten der opkomende steden. Daar kende 
men eikanderen niet van vroeger; daar kende men nog veel min- 
der elkanders maagschap , dus evenmin elkanders vadersnamen. 
Zoo was men genoodzaakt eikanderen nieue toenamen te geven , 
ter onderscheiding van gelijknamige personen. De poorters der steden 
oefenden veelal het eene of andere handwerk uit , of dreven de 
eene of andere koopmanschap. Niets lei dus nader voor de hand, om 



INLEIDING. / 

twee mannen die beiden Godefert heetten , maar waar van de eene 
kleermaker was en de andere in kruideryen handelde , te onder- 
scheiden als Godfried de Crudenier en Govaert Snider, 
Govert de Sceppere of Goert Schroeder, al naar mate 
snider, sceppere of schreuder in Friesland nog heden 
ten dagen skroar de gewone benaming was voor kleermaker , 
in de gouspraak der landstreek waarin de stad gelegen was. Ook 
noemde men den lieden wel naar hun handwerkstuich , of naar hunne 
koopwaar. Den Govert die kleermaker was , noemde men dus ook 
wel Govert Knipscheer, den Govert die kruidenier was, 
wel Govert Canneel of Govert Peperman. Liet de eene 
Govert echter duidelik merken , door zynen tongval , dat hy een 
Fries was , spoedig hadden zyne nieue stadgenooten hem Govert 
de Friese genoemd; en vertelde de andere dikwijls van Gent of 
van Groningen , als deze of gene plaats zyne geboorteplaats was , 
aanstonds had de volksmond hem Govaert van Ghent of God e- 
fried van Groeninghe gedoopt. Breidde de stad zich uit , nam 
het getal harer huizen voortdurend toe , dan moesten ook die huizen 
een herkenningsteeken hebben, eenen naam dragen, ter onderscheiding. 
Gevelsteenen en gevelteekens , en uithangborden , met afbeeldingen , 
spreuken en namen , voorzagen in die behoefte. En de namen der 
huizen gingen veelvuldig over op de personen die in die huizen 
woonden. Woonde de eene Govert in een huis, waar Daniel in 
den Leeuwenkuil" in den gevel stond Govert in den 
Leeuwenkuil eerlang ook enkel Govert Leeuwenkuil 
zoo noemde hem de openbare volksstem ; terwijl de andere 
Govert, aan wiens huis geschreven stond: dit es yn den Wulff", 
dien ten gevolge den naam kreeg van Govert de Wolf. 

Zeer velen van deze by- en toenamen zijn later vaste geslachts- 
namen geworden. En de oorsprong en beteekenis er van kan men 
in dit boek zoeken en vinden soort by soort. 

3. De zuidelike gewesten, Vlaanderen in de eerste plaats, 
waren in de middeleeuen den noordeliken gouen verre vooruit 
in beschaving, in volkrijkheid, in den bloei van hunnen handel 
en ny verheid; ook in talrijkheid van welvarende steden. Daar deed 
zich dus de behoefte aan by- en toenamen , eerlang ook aan vaste 



8 INLEIDING. 

geslachtsnamen veel eerdei* gelden , veel dringender gevoelen dan 
in de veel minder bevolkte en toen nog zoo afgelegene noordelike 
gouen , waar ook handel , ny verheid en verkeer veel minder tier- 
den. Van daar dat in de middeleeuen de geslachtsnamen veel eer- 
der en veel meer in gebruik waren in Vlaanderen dan in Holland , 
in Brabant dan in Friesland. In oude oorkonden uit die tyden be- 
waard gebleven , blijkt dat de ingezetenen der vlaamsche steden 
in die dagen reeds grootendeels , zoo niet allen , vaste geslachts- 
namen voerden , terwijl de Hollanders en Friesen uit die dagen , 
althans zoo ze niet van adelliken stam of anderszins aanzienlike 
lieden waren , maar eenvoudige burgers en boeren , slechts eenen 
enkelen naam droegen , hunnen doopnaam ; soms ter onderscheiding 
daarenboven nog eenen persoonliken , niet algemeen voor hunne 
verwanten geldigen by- of toenaam. Of zoo zy dezen niet hadden , 
dan kwam daar een eenvoudig patronynrikon voor in de plaats; 
b. v. Heinrik Allaertsso en. De burgers van Brugge en Gent 
hadden in de 14'le en 15'le eeu reeds voor verre weg het grootste 
gedeelte vaste geslachtsnamen. Die van Amsterdam hadden er , over 
't algemeen , nog geen in de eerste helft der zestiende eeu , en zeer 
velen , de kleine en geringe lieden , hadden er nog geen in de 
17de eeu en later. Maar in de kleine steden van de noordelikste 
gewesten was de verhouding natuurlik nog geheel anders , wat het 
voeren van vaste geslachtsnamen aangaat. Ten platten lande kwamen 
de geslachtsnamen daar eerst in de vorige eeu in gebruik. Ja , in 
vele afgelegene gewesten en gouen , vooral in Friesland , Groninger- 
land en Drente, duurde het tot in deze eeu eer alle landzaten een 
geslachtsnaam hadden. En waren daar de lieden, in 1811, by de 
instelling en wettelike regeling van den zoogenoemden burgerliken 
stand , niet genoodzaakt , ja gedwongen geworden , vaste geslachts- 
namen aan te nemen , menigeen in onze noordelikste en noordooste- 
likste gewesten zoude nog heden geenen anderen naam voeren , dan 
zynen eigenen vrnaam , met zynen vadersnaam in den tweeden 
naamval , als een patronymikon , daar achter gevoegd. 



INDEELING. 



Dit werk is verdeeld in vier hoofd-afdeelingen. Deze bevatten : 
I. De geslachtsnamen die ontleend zijn aan niansvrnamen. 
Het zijn de zoogenoemde vadersnamen of patronymika. Van 4 
tot 66. 

II. De rnaagschapsnamen van aardrijkskundigen oorsprong. Met 
andere woorden : die ontleend zijn aan de namen van volken en 
volksstammen , landen en gewesten , eilanden en gouen , steden en 
dorpen , rivieren , enz. of aan gemeene zelfstandige-naamwoorden 
welke als plaatsnamen dienst doen. Van 66 tot 108. 

III. Geeft een overzicht van al de geslachtsnamen die niet tot 
de beide vorige hoofd-afdeelingen kunnen gebracht worden. Het 
zijn de namen van allerlei oorsprong. Van 108 tot 151. 

IV. In deze afdeeling vindt men de maagschapsnamen beschoud 
uit het oogpunt van hunne aardrijkskundige verdeeling in en buiten 
Nederland; van hunnen oorsprong uit vreemde talen; van hunne 
verhouding tegen over eikanderen , enz. Van 151 tot en met 168. 

Deze vier hoofd-afdeelingen zijn elk wr in verschillende onder- 
afdeelingen gesplitst , die met de letters van het a-b-c aangeduid zijn. 
Hoofd-afdeeling I vervalt nader in 

A. De patronymika in hunnen oudsten form, op ing uit- 
gaande. Van 7 tot 32. 
B. Die vadersnamen, welke nieue taalformen vertoonen. Van 
32 tot 66. 



10 INDEELING. 

Hoofd-afdeeling II is samengesteld uit de twee onder-af deelingen 

A. Waarin de maagschap snamen behandeld worden die van 
volkenkundigen aard zijn , of wel ontleend aan by zonder e 
aardrijkskundige namen. Van 66 tot 94. En 

B. Waarin men de geslachtsnamen vermeld vindt , van 
a/^CTzee/i-aardrijkskundigen oorsprong. Van 94 tot 
108. 

Hoofd-afdeeling III vervalt in vele onder-afdeelingen. Dit zijn 
de volgenden: 

A. Geslachtsnamen , aan de namen van ambten , bedry ven , 
handwerken, enz. ontleend. Van 108 tot 124. 

B. Geslachtsnamen , ontleend aan persoonlike eigenschap- 
pen , zoowel licbamelike als geestelike. Van 124 tot 
128. 

C. Geslachtsnamen , van huisnamen , gevelteekens , uithang- 
borden, enz. afgeleid. Van 128 tot 131. 

D. Geslachtsnamen , ontleend aan de namen van dieren. Van 
131 tot 135. 

E. Geslachtsnamen, aan het plantenrijk ontleend. Van 135 
tot 137. 

F. Geslachtsnamen, aan het delfstoffenrijk ontleend. 137. 

G. Geslachtsnamen , ontleend aan het heelal , aan natuurver- 
schijnselen, jaargetyden, byzondere dagen, enz. 138. 

H. Geslachtsnamen, aan de namen van lichaamsdeelen ont- 
leend. 139. 

I. Geslachtsnamen , aan spyzen , dranken , en kleedingstukken 
ontleend. Van 140 tot 142. 

J. Geslachtsnamen , afgeleid van de namen van munten , geld- 
soorten , maten en getallen. 142 en 143. 

K. Geslachtsnamen , ontleend aan de verwantschap en de 
onderlinge betrekkingen der menschen. 144. 

L. Geslachtsnamen , ontleend aan de namen van goden en 
godinnen, kerkheiligen , godsdiensten, enz. 145. 

M. Geslachtsnamen , ontleend aan de namen van denkbeelden , 
zaken, eigenschappen, zoo goede als kwade. 146. 

N. Zonderlinge geslachtsnamen. Van 147 tot 150. 

0. Imperativische geslachtsnamen. 150. 



INDEELING. 1 1 

Hoofd-afdeeling IV is samengesteld uit de volgende onder- 
afdeelingen : 

A. De noord- en de zuid-nederlandsche geslachtsnamen. 151. 

B. De geslachtsnamen der verschillende nederlandsche ge- 
westen. Van 152 tot 156. 

C. Geslachtsnamen , die kenmerken van nederlandsche gou- 
spraken vertoonen. 156 en 157. 

D. Nederlandsche geslachtsnamen , buiten de hedendaagsche 
nederlandsche grenzen inheemsch. Van 158 tot 162. 

E. De geslachtsnamen der nederlandsche Israliten. 162 
en 163. 

F. Vreemde geslachtsnamen in Nederland. Van 164 tot 167. 

G. Latynsche en grieksehe geslachtsnamen. 167. Eindelik 
H. Een paragraaf ( 168) Tot besluit". 



GESLACHTSNAMEN, 
ONTLEEND AAN MANSVOORNAMEN. 

DIT ZIJN DE VADERSNAMEN , DE ZOOGENOEMDE PATRONYMIKA. 



4. Zoodra zich by de menschen van 't eene of andere land 
de behoefte had doen gevoelen om nog eenen toenaam te voegen by 
den eigenen naam , ter onderscheiding van gelijknamige personen , 
ontstonden die toenamen , welke afgeleid zijn van den naam des 
vaders van den betrokkenen persoon. Als er b . v. in eene en de zelfde 
plaats twee mannen woonden, die beiden Hendrik heetten, maar 
waar van de eene een zoon was van zekeren Willem, de andere 
van zekeren Frederik, dan lag er wel niets naders voor de 
hand, dan dat men den eenen Hendrik, zoon van Willem of 
Willerns-zoon, den anderen Hendrik, zoon van Frederik 
of F rede riks-zoon noemde. 

Deze zeer eenvoudige en natuurlike wyze om aan kinderen , ter 
onderlinge onderscheiding , toenamen te geven , afgeleid van de 
namen hunner vaders , is zeer algemeen onder de meeste volken der 
aarde verspreid geweest. Zy was dit reeds in vroege tyden ; de ge- 
schiedenis weet daarvan talryke voorbeelden aan te wyzen , by Jo- 
den, Persen, Grieken, enz. De bekende namen van Gr y ges Dasci- 
li, van Darius Hystaspis, Zapyrus Megabizi, Xantip- 



VADERSNAMEN IN 't ALGEMEEN. 13 

pus Periclis, Ptolemaeus Lagi, Seleucus Antiochi, enz. 
kunnen als voorbeelden dienen. Vooral by de Israliten werd, dui- 
delikheidsbalve , en meest als de naam gesebreven werd in geslachts- 
registers, de vadersnaam, als toenaam, gevoegd aebter den naam 
van iederen man. De bybelboeken geven daar van talryke voor- 
beelden aan ; o. a. het eerste hoofdstuk van 't boek Numeri. En de 
Romeinen , uit den tijd toen zy reeds aanmerkelik in beschaving 
en ontwikkelin g waren vooruit gegaan , droegen niet aleen wel 
tweederlei soort van geslachtsnamen , maar zy voerden buitendien nog 
dikwijls hun vaders naam in den tweeden naamval daar by. Zoo is 
ons een Lucius Furius Marci filius Camillus bekend, en 
een Cneius Cornelius Publici filius Scipio, en meer 
anderen. En ook nog later, zelfs tot in onzen tijd, is deze naams- 
forming by sommige volken in stand gebleven, vooral in het 
oosten. Joden en Arabieren aldaar noemen zich in dezer voege : 
Je hu da ben Halevi (Ju da, zoon van Levi, of van den pries- 
ter), Abraham ben Esra; Osman ben Omar of Osman 
i b n Omar (Osman, zoon van Omar), Achmet ben Ali, 
enz. Grieken , Bulgaren , Bosniaken en andere christelike volken , 
die tot voor korten tijd nog onder turksche heerschappy ston- 
den ; of ten deele ook nog heden staan , hebben mede dit 
oude gebruik in stand gehouden, wijl de Turken het dragen 
van vaste geslachtsnamen niet verplichtend stellen. Georgios 
Mie halopoulo s (Georg of Joris, zoon van Michiel), 
Dimitri Rafalovich (Demetrius, zoon van Rafal), 
Spiridion Danilowitz, enz. zijn namen, met den vaders- 
naam als toenaam , van mannen uit die landen. Onder de Russen 
heevscht deze gewoonte eveneens, wijl ook in Rusland de zaak dei- 
geslachtsnamen nog niet vast geregeld is; Paul, die een zoon 
is van Iwan, noemt zich Paul Iwanowitz (Paul, zoon van 
Jan, of Paulus Janszoon, of Paul Jansen), en Iwan, 
wiens vader Paul heet, noemt zich, omgekeerd, Iwan Paulo- 
witz. Maar wy kunnen ook by onze eigene germaansche stam- 
verwanten blyven. Immers tot voor weinige jaren, toen ook in de 
skandinaafsche landen het voeren van geslachtsnamen nog niet vast 
geregeld was , volgden Zweden , Noren , Denen en IJslanders even- 
eens dit gebruik , en zelfs heden is het nog veelvuldig by de 



14 VADERSNAMEN IN 't ALGEMEEN. 

Skandinaviers in zwaiig. Heet de vader Sven, de zoon Ha raid 
noemt zich Harald Svensen; draagt de vader van Axel den 
naam van Thorbrand, eerstgenoemde wordt Axel Thor- 
brandson geneeten. Zoo heette de vader van Per Thomasson, 
den zweedschen , in 1818 geborenen dichter, natuurlik Thomas, 
en wel Thomas Svensson, en zyne moeder Hanna Svens- 
dotter (Sven's dochter); toeval was het dat zyne beide groot- 
vaders, naar luid der patronymika zyner ouders , Sven heetten. En 
zelfs onder de hedendaagsche Friesen in Nederland en Duitschland , 
ofschoon dan in 't begin dezer eeu reeds het dragen van vaste ge- 
slachtsnamen onder hen aan eene vaste regeling werd onderworpen , 
is dit aloude en waardige gebruik , van gepasten kinderliken eerbied 
voor den vader getuigende , nog steeds in stand gebleven. Vooral 
ten platten lande in de friesche gewesten is dit het geval. Daar 
heeten de mannen nog steeds Frank Eabes, Sybren Hoites, 
Auke Sjoerds, en de vrouen Sytske Walles, Wybrechtje 
(ofWibrichje) Teakes, Baukje Tj aards, enz. Althans z , 
en nooit anders, worden Frank, Sybren en Auke, Sytske, 
Wybrechtje en Baukje in 't dageliksche leven genoemd, naai- 
de namen hunner vaders Eabe, Hoite en Sjoerd, Walle, 
Teak e en Tjaard. En dit niettegenstaande deze lieden vaste ge- 
slachtsnamen hebben, en b. v. als Frank Wynalda, Sybren 
Ruurda, Auke Eommertsma, en als Sytske Abbinga, 
Wybrechtje Hoitema, Baukje Heidstra in de boeken van 
den burgerliken stand ingeschreven staan. Vraagt men den Friesen 
ten platten lande , hoe deze of gene man heet , gewoonlik zal men 
u den vrnaam van dien man noemen , met zynen vadersnaam 
in den tweeden naamval, b. v. Albert Sierks. Wil men weten 
hoe de geslachtsnaam is van den eenen of den anderen , dan moet 
men niet vragen : hoe heet hy ? (Iio hjit er ?) maar : hoe schrijft hy 
zich ? (ho shriuwt er kim ?) Dan zal men u antwoorden : R e m- 
merda, Oeblema, Hattinga, enz. Zie ook 37. 

En niet aleen in het hedendaagsche, eigentlik zoo gezegde Fries- 
land , het gewest tusschen Fli en Lauers , heerscht nog deze zede ; 
zy is eveneens nog inheemsen, zy het dan ook in eenigszins min- 
dere mate , in de overige gewesten die eene zuiver- of gemengd- 
friesche bevolking hebben , vooral ook in Groningerland , Oost- 



VADEKSNAMEN IN 't ALGEMEEN. 15 

Friesland en in 't eigenlik gezegde Noord-Holland, benoorden 't 
Y. In laatstgenoemd gewest , vooral ook aan de Zaan en in Drechter- 
land en West-Friesland , is by eenige oud -ingezetene geslachten de 
oud-nederlandsche zede bewaard gebleven om zoo wel de zonen 
als de dochteren des huizes met het patronymikon in vollen form te 
noemen ; b. v. Dirk Evertszoon Fok en Maartj e Folkerts- 
dochter Dijk; Albert Leen dertszoon Vlak en Guurtje 
Wybr andsdochter Sloot. En ook in andere nederlandsche 
gewesten wordt de geijkte geslachtsnaam in 't dageliksche leven 
weinig of niet gebruikt , b. v. in sommige Saksische gouen , als 
in de graafschap Zutfen en in Twente, waar de naam van huis 
of hoeve veelal by den bewoner of eigenaar daarvan in de plaats 
treedt van den eigenen geslachtsnaam. Zie 9. 

En juist zoo als de Friesen nog heden doen , zoo gingen ook 
de oude Nederlanders in 't algemeen te werk, eer de vaste ge- 
slachtsnamen in gebruik waren gekomen. 'Ewout, die een zoon 
van H u g o was , noemde zich Ewout Huygenzoon, ter onder- 
scheiding van eenen anderen Ewout, wiens vader Rykaert 
heette , en die zich dus Ewout Rykertszoon noemde. In 't 
dageliksche leven , door 't vele gebruiken , sleet dit woord zoon 
(oudtijds soon , soen en seune) weldra af tot sen (Rykertsen, 
Evertszen), of ook tot se (Evertse, Albertse). Of ook, 
men liet het woord zoon geheel achterwege, en zette den vaders 
naam eenvoudig in den tweeden naamval (H u y g e n , R y k a e r t s) ; 
daar was dan zoon onder verstaan. 

Al deze oude formen van vadersnamen hebben aan hedendaagsche 
geslachtsnamen oorsprong gegeven. 

5. Een andere, onder de germaansche volken nog oudere form 
om van mansvrnamen , van de vrnamen of enkele namen der 
vaders , toenamen voor de kinders af te leiden , bestond hierin , 
dat men den lettergreep ing achter den oorspronkeliken mans- 
naam plaatste. Hugo, de zoon van Bar tel (Barthold), noemde 
zich Hugo Barteling, dat is: Hugo, zoon van Barthold; 
en omgekeerd, Bar tel, wiens vader Hugo heette, noemde zich 
Bar tel Hugink, Barthold, zoon van Hugo. Zoo komt van 
den man&naam Bruno, de toenaam B runing; van Nolt, een 



10 VADERSNAMEN OP ing UITGA ANDB. 

afgesleten form van den vollen naam Arnold of Aa mout, 
komt Nolting; van Albert komt Alberdingk, van Wol- 
ter komt W o 1 1 r i n g h , enz. 

Zulke toenamen , op ing eindigende , zijn later ook in grooten 
getale , tot vaste geslachtsnamen geworden. 

6. De namen (toenamen , geslachtsnamen) , die door het eene 
of het andere achtervoegsel , het zy door zoon of ing , van mans- 
vrnamen afgeleid zijn , noemt men , met een grieksch woord , 
patronymika, vadersnamen. fceeds de oude Grieken zelven ge- 
bruikten dit zelfde woord in dezen zelfden zin. Zoo droegen by 
hen b. v. Hip pias en Hipparchus, zonen van Pisistra- 
tus, den naam van: de Pisistratiden. Deze toenaam, in 't 
enkelvoud Pisistratides, was een patronymikon , even als de 
namen Bruins en Bruning, ook Bruinsma en Bruininga, 
oorspronkelik toenamen , thans geslachtsnamen , nederlandsche pa- 
tronymika zijn van den mansvrnaam Bruno, Bruin. 

De nederlandsche patronyrnika laten zich gevoegelik verdeelen 
in twee groepen ; te weten : in die , welke op ing uitgaan , en 
in die , welke op zoon (son , sen , se) eindigen , of die ook slechts 
eenen eenvoudigen tweeden-naamvals-uitgang vertoonen. 



A. DE PATRONYMIKA IN HUNNEN OUDSTEN FORM , OP TNG UITGAANDE. 

7. Reeds van overoude tyden af is in nagenoeg alle ger- 
maansche talen, de uitgang ing een der algemeenste achtervoegsels 
achter allerlei woorden geweest. En nog heden komt in alle ger- 
maansche talen dit zelfde achtervoegsel (by de Hoogduitschers 
ung) zeer algemeen voor. Het is hier de plaats niet , om , in 
taalkundigen zin , verder uit te weiden over den oorsprong en de 
beteekenis van dit achtervoegsel, noch over de verschillende for- 
men waar onder het in 't nederlandsch en in de talen onzer stam- 
verwante volken voorkomt. Die hier meer van weten wil , leze 
een opstel van L. A. Te Winkel, -Over de woorden met den uit- 
gang ing" , in A. De Jager's Archief voor Nederlandsche taal- 



VADERSNAMEN OP ing UITGAANDE. 17 

kunde (Amsterdam, 1848), dl. I. bl. 89. Hier is het voldoende 
op te merken , gelijk ook reeds hier voren geschied is , dat ing 
achter eenen mansvmaam gevoegd , dien naam tot een patro- 
nymikon maakt, welke als toenaam gebruikt wordt. En dat dit 
ing dan beteekent : zoon of nakomeling van den persoon , achter 
wiens eigennaam het geplaatst werd; b. v. Wolf er t, die een zoon 
van Benno was, noemde zich Wolfert Benning; dat is: 
Wolfert, zoon van Benno. 

Deze wyze om toenamen te formen , van den vadersnaam afge- 
leid , is reeds zeer oud. En tevens oorspronkelik germaansch. In 
den gryzen voortijd was zy eigen aan alle germaansche volks- 
stammen. Van daar dat wy zulke patronymika , op ing uitgaande , 
by alle germaansche volken , by Engelschen , Duitschers en Skan- 
dinaviers , zoo wel als by Nederlanders , nog heden als geslachts- 
namen zeer talrijk en in volle gebruik vinden. 

In de oudste oorkonden en geschriften der germaansche volken 
treffen wy van deze naamforming reeds voorbeelden aan. In den 
angelsaksischen Travellersung b. v. lezen we : 

Fin Folcvalding veold Fresna cynne" . 

Dat is: Fin, de zoon van Eolkwald, regeerde het volk der 
Eriesen. In een ander angelsaksisch geschrift wordt de zoon van 
Elisa, Elising genoemd, en draagt de zoon van zekeren God- 
vulf den toenaam van Godvulfing. In de angelsaksische Chro- 
nyk wordt de afkomst van de Eriesen Hengist en Horsa, 
de bekende aanvoerders der germaansche stammen die Brittannie 
veroverden , op de volgende wyze vermeld : 

Heore heretogan woeren tioegen gebroihra , Hengest and Horsa , 
the woeren Withgilses suna. Withgils toas Witting , Witta Wecting , 
Wecta Wodning." 

Dat is: Hunne hertogen (aanvoerders) waren twee gebroeders, 
Hengist en Horsa, die waren Wichtgilses zonen. Wicht- 
gils was de zoon van Witta, Witta de zoon van Wecta, 
Wecta de zoon van Wodan. 

Eindelik nog in de Saxon Cronicle , van 't jaar 547, lezen wy: 

Ida waes Eopping , Eoppa v:aes Esing , Esa u-aes Inguing , Ingui 
Angenwiting." 

Ook in het Oud-Hoogduitsch vinden we dezen naamform. In 

2 



18 VADERSNAMEN OP ing UITGAANDE. 

zynen Althochdeutscher Sprackschatz noemt Graff eene overgroote 
menigte zulke oud-hoogduitsche , op ing uitgaande patronymika 
op; b. v. Anninc, Bazmundinc, Hamminc, Lantinc, 
Lentinc, Husinc, Wibichinc, Puzinc, die blijkbaar ge- 
formd zijn van de oud-germaanscbe mansvrnamen Anno, Baz- 
mund, Hammi, Lanto, Lento, Huso, Wibicho (W i- 
beke, Wibe in verkleinform ; zie Wiebeking op bl. 28 en 29) , 
Pu zo. 

Bekend zijn ook nog de namen van sommige koninklike en 
adellike geslacbten onder allerlei oud-germaanscbe volken ; en 
deze namen zijn oorspronkelik zulke patronymika , zulke door het 
achtervoegsel ing van mansvrnamen geformde vadersnamen ge- 
weest. Zoo waren de Thuringen of Thuringa's een bekend 
geslacht by de West-Gothen, even als de Silingen by de Wan- 
dalen ; Tburingen en Silingen heetten zoo naar hunne stam- 
vaders Thuro en Silo. Onder de Gothen werden verder nog de 
Hastings, afstammelingen van zekeren Hasta, als een der 
edelste geslachten genoemd. Het koninklik geslacht van de Wan- 
dalen heette A r d i n g ; dat van de Avaren I r i n g , dat van de 
Warinen Billing, enz. Eindelik hebben we nog te herinneren 
aan de namen der bekende koningsgeslachten by de oude Franken , 
aan de Merovingen, de Carolingen, de Capetingen, die 
aldus waren genoemd naar hunne stamvaders Merowik of M e- 
r o u , K a r e 1 en K a p e t. 

8. Zoo als uit de laatstgenoemde voorbeelden blijkt, waren 
het ook geheele geslachten, en niet slechts aleen de zonen van 
zeker man , die deze patronymika als toenamen voerden. Maar 
oorspronkelik en cigenlik komen zulke patronymika aleen den kin- 
deren van nen enkeling toe , en kunnen ze van rechtswegen 
door zyne kleinkinderen en verdere nakomelingen niet gedragen 
worden. Gesteld een man heet A n s o , en zyne zonen heeten 
B e n n o en I m m o ; dan dragen beide die zonen het patronymikon 
Ansing, met volle recht, als toenaam: Benno Ansing en 
Immo Ansing, dat is : Benno, de zoon van A n s o , en lm- 
mo, de zoon van Anso. Benno Ansing krijgt later eenen 
zoon , dien hy B e n h a r t noemt , en Immo Ansing wordt 



VADERSNAMEN OP ing UITGAANDE. 19 

eveneens vader van eenen zoon , die door hem I m h a r t genoemd 
wordt. Nu moest , volgens d' oud-germaansche zede, die B e n h a r t , 
de zoon van B e n n o , het patronyrnikon B e n n i n g voeren , en 
niet het patronymikon A n s i n g , 't welk zijn vader B e n n o 
voerde naar den naam van zynen grootvader, den ouden Anso. 
En eveneens I m h a r t , de zoon van Immo Ansing, moest zich 
Imhart Imming noemen , naar zynen vadersnaam Immo, en 
niet Imhart Ansing. Toch gebeurde 't wel, dat kleinkinderen 
hunne toenamen niet ontleenden aan den naam van bunnen vader, 
maar aan dien van bunnen grootvader. Dit geschiedde vooral dan 
als die grootvader een aanzienlik en geerd man was, die ook 
nog lang nadat zyne eigene zonen reeds vaders, en misschien reeds 
grootvaders waren geworden, toch nog aan het hoofd der maag- 
schap staan bleef, en nog menig tiental jaren zyne waardigheid 
als stamvader van een geheel geslacht bleef handbaven. En nog 
zooveel te meer geschiedde dit als al die kinderen en kleinkinderen 
en verdere naneven by den ouden stamvader op de zelfde uitge- 
strekte state of sat , heerd of hoeve bleven wonen gelijk wel 
gebeurde of althans in de onmiddellike nabuurschap daarvan 
hunnen eigenen heerd grondvestten , zoo dat die geheele sibschap 
eerlang werd tot eenen afzonderliken volksstam , in een afzonderlik 
oord wonende. Ban bleef wel het patronymikon van den naam 
des eersten vaders afgeleid, als toenaam in gebruik voor al de 
kleinkinderen en afstammelingen van dien ouden man , ofschoon 
dat zelfde patronymikon oorspronkelik en eigenlik slechts den eigenen 
zonen van dien stamvader toekwam. En zoo bleef dit oude patrony- 
mikon wel by het gantsche geslacht van dien eenen man in gebruik , 
en werd eerlang van eenen toenaam , tot eenen vasten geslachtsnaam. 
Die oude patronymika , die als toenamen voor geheele verwant- 
schappen in gebruik waren , gingen ook wel over op de plaatsen , 
door zulke afzonderlike geslachten bewoond. Met andere woorden , 
die patronymika hechtten zich wel- aan de sat of landhoeve , die 
door den eersten stamvader , van wiens naam dat patronymikon 
afgeleid was , eerst bewoond was geworden ; en die later ook de 
vaste woonplaats , de stam sat , van al zyne nakomelingen bleef. 
Zulk eene oude stamsate werd wel , boe talryker het geslacht , 
dat er woonde , aangroeide , door aanbou van meerdere buizen , 



20 VADEltSNAMEN OP ing UITGAANDE. 

door ontginning van meer weiden en akkers daar om heen , van 
eene eenzame hoeve , gelijk het eertijds was , langzamerhand een 
gehucht. Dat gehucht breidde zich nog meer uit; er werd eene 
kerk geboud en eene school het was een dorp geworden. By 
meerdere ontwikkeling , vooral van handel en nyverheid , klom 
dat dorp in grootte en aanzien. De inwoners er van omringden 
hun dorp met muren en wallen. De vorst , in wiens gebied het 
lag, verleende stedelike rechten het dorp was eene stad ge- 
worden. Maar by al die wisselingen bleef het oude patronymikon 
gehecht aan sat , gehucht , dorp en stad , en is , als zoodanig , 
dikwijls nog heden ten dage in stand. Stellen wy een voorbeeld. 
In een der vroege middeleeuwen leefde er in het friesche land tus- 
schen Fli en Lauers een Fries, die wy Har Ie willen noemen. 
Die oude friesche, ook oud-duitsche mansnaam (Ha ril o) kwam 
oudtijds meer voor dan tegenwoordig. Nu is hy nagenoeg uitge- 
storven. In de 15de e eu treffen we hem nog in Friesland aan. 
De vader namelik van Haio Har les (dat is Haio, zoon van 
Har Ie), de uit de geschiedenis welbekende hooftling van Gewar- 
den (Jever) , heette alzoo. Onze Fries Har Ie werd door de predi- 
king en het voorbeeld van den eenen of anderen ierschen of schot- 
schen monnik, die als zendeling onder de heidensche Friesen het 
kerstengeloof verkondigde, genoopt om het ruwe jagers- en vis- 
schers- of zeerooversleven , of ook het zwervende herdersleven dat 
hy voerde , te laten varen. Hy vestigde zich hier of daar in het 
land, waar de gesteldheid van den bodem, de nabyheid van vrien- 
den en verwanten , of iets anders hem daar toe behaagde ; stellen 
wy aan den' rechter oever van het Fli. Hy boude hier eene hut 
of een huis , beboude of beweidde 't land , en bleef er wonen tot zijn 
einde. Zijn oudste zoon Sigbern (Sybren in 't hedendaagsche 
friesch) , die als toenaam het patronymikon Harlinga of Har- 
ling voerde, van den naaam zijns vaders Harlo ontleend, bleef 
in zijn vaders huis, op zijn vaders sat, wonen. En Sigbern 
Harlinga's broeders en zusters , die natuurliker wyze allen ook 
Harlinga heetten, allen ook H ar 1 in gen, dat is: kinderen van 
Har Ie waren, bleven ook in het ouderlike huis wonen; of zy 
bouden zich nieue huizen naast het oude , op het ruime ouderlike erf. 
En zoo deden na hen , Sigbern Harlinga's kinderen , en de 



VADERSNAMEN OP ing UITGAANDE. 21 

kinders en kleinkinders van zyne broeders en zusters , al die Har- 
linga's of Harlingen, ook , waardoor er eerlang een gehucht 
ontstond, ter plaatse die d' oude Harlo zich eerst tot eene vaste 
woonstede had verkoren. Die plaats, dat gehucht nu, had uit 
zich zelve geen naarn; want eer Harlo zich daar . vestigde , was 
het een onbewoond en onbenoemd oord. Maar als iemand uit de 
nabuurschap zich daar heen begeven wilde , zeide hy : ik ga to 
den Harlingen; naar de Harlingen ofHarlinga's, zoo als 
men heden ten dage spreekt. Dit to den Harlingen werd eer- 
lang, door afslyting en in 't snelle spreken: to 'w Harlingen, 
to Harlingen. En langzamerhand, na verloop van vele jaren, 
eeuen misschien , toen de nakomelingschap de oude namen niet 
meer verstond , toen de taal meer en meer verfioeide , en de woor- 
den versleten , toen zeide men niet slechts : ik ga to den Har- 
lingen, of ik woon to (den) Groningen, maar men vatte 
dit verbogene woord op alsof het in den eersten naamval stond , 
alsof die oude , verbogene form werkelik op zich zelven reeds een 
eigennaam , een plaatsnaam ware , en men zeide : dat gehucht , dat 
dorp , die stad , of wat het dan geworden was , heet Har- 
lingen, en de plaatsnaam was kant en klaar, en is nog heden 
in gebruik. En deze plaatsnaam, oorspronkelik een toenaam voor 
mensehen , gaf op zyne beurt weer oorsprong aan eenen geslachts- 
naam, aan Van Harlingen. Zoo kan de hedendaagsche plaats- 
naam Harlingen, die zonder eenigen twyfel oorspronkelik een 
patronymikon is , ontstaan zijn ; en zoo i s , ongetwijfeld , menige , 
menige plaatsnaam in alle germaansche landen , ontstaan. Want 
zulke plaatsnamen , eenvoudige zoowel als in samenstellingen , zijn 
ongemeen talrijk, overal waar maar ooit Germanen gewoond heb- 
ben , of nog wonen. 

Het is hier de plaats niet, om over deze plaatsnamen, van 
patronymika afgeleid , of daar uit bestaande , verder uit te weiden. 
Die meer van dit belangryke onderwerp wil weten, leze mijn op- 
stel Een en ander over friesche eigennamen , in De Vrije Fries , deelen 
13 en 14, en vooral ook Taylou's Words and places. 

Ook kan ik hier niet dieper doordringen in de eigenlike be- 
teekenis , in taalkundigen zin, van dit ^achtervoegsel ing: noch 
van het voorkomen er van , ook in plaatsnamen zoo wel als in 



22 VADERSNAMEN OP ing UITGAANDE. 

geslachtsnamen , by al de verschillende germaanscbe volken. Be- 
halve tot de bron , reeds eerder in dit opstel (bl. 1 6) door my ver- 
meld , moet ik den belangstellenden lezer verwyzen tot de geschrif- 
ten , hier beneden aangegeven. 1 

9. Tot omstreeks het jaar 1000 van onze tijdrekening bleef 
in de germaansche talen in het algemeen , in de friesche , frankische 
en Saksische , die de voorloopers waren van onze hedendaagsche 
nederlandsche taal , in het byzonder , de kracht bewaard , om patro- 
nymika te formen door ing achter eenen mansvrnaam te voegen. 
Na dien tijd verloor de taal onzer voorouders die kracht, en raakte 
deze naamsforming in onbruik. Men verstond de beteekenis van 
dit achtervoegsel niet meer ; men kende de weerde daar niet meer 
van. Toen kwam het gebruik in zwang , om het woord zoon achter 
den vadersnaam in den tweeden naamval , te plaatsen ; en dit ge- 
bruik verving eerlang geheel de oude zede om de patronymika 
met ing te formen. De oude patronymika evenwel , die reeds be- 
stonden , en als toenamen , 't zy dan voor enkele personen , 't 
zy voor geheele verwantschappen en geslachten reeds in gebruik 
waren , bleven voortbestaan. En zeer velen daarvan bestaan nog 
heden, als plaatsnamen en als geslachtsnamen. 

Het gebruik om patronymika met ing te formen , stierf , na 't 
jaar 1000 , ook niet overal in de nederlandsche gewesten gelijk- 
tydig uit. Het eerste geschiedde dit by de frankische en friso- 



1 Frstemann , Altdeutsches Namenbuch, dl. II. bl. 835. Frstemann, Orts- 
namen, bl. 178, 204, 245. Grimm, Geschichte d. Beutsch. Spr., bl. 775. Beut. 
Gramm., dl. II, bl. 349 352. Kemdle, Saxons in England , dl. I, bl. 56 63, 
en 445 480. Kemble, in Philolog. Proceedings , dl. IV, bl. 1 9. Guest, in 
ib. , dl. I, bl. 117. Pott, Personen-namen, bl. 169, 247, 553. Crichton , Scan- 
dinavia, dl. I, bl. 160. Zeuss, HerJcunft der Baiern , bl. xu, xxiii, xxxv. Mass- 
mann, in Dorow's Benkmdler alter Sprache und Kunst, dl. I, bl. 185 187. 
Schott, Beut. Col., bl. 211. Max Muller, Lectures on Language , 2 lr series, 
bl. 16. Latham, Ethnol. Brit., Is. bl. 241. Latham, Eng. lang., dl. I, bl. 111. 
Meyer, Ortsnamen, bl. 139. Bender, Ortsnamen, bl. 103, 104. Vilmar, Orts- 
namen, bl. 264, 265. Buttmann, Ortsnamen, bl. 2. Wright, Celt, Boman, Saron, 
bl. 438441. Edinburgh Review, dl. CXI, bl. 374376. Donai.dson, English 
Bthnography , bl. 61. Tayi.or, Words and places , bl. 124 en vervolgens. 



VADEUSNAMEN OP ing UITGAANDE. 23 

frankische volksstammen in de zuidelike en westelike gouen. By de 
Saksische en friesche stammen in het oosten en in het noorden bleef 
het langer in gebruik. By de Friesen waarschijnlik wel tot in de 
veertiende eeu. 

Reeds vroeg moeten ook saten of landhoeven , of andere bezit- 
tingen en vaste goederen , kortom plaatsen, met die oospronke- 
like patronymika, met die ingnamen genoemd zijn, gelijk op bladz. 
20 en 21 hiervoren aangegeven is. Op eene lijst van landhoeven 
in Twente, van den jare 1188, die voorkomt by Racer, Over- 
ijsselsche gedenkstukken Vil, 52 73, vinden wy onder anderen 
de namen Smedinc, Rotgerinc, Bennekinc, Wesce- 
linc, Elekinc, Ernestinc, Lenderinc, Spelemanninc, 
Temminc, als eigennamen van zulke hoeven. Dit zijn allen patro- 
nymika, ontleend aan de mansvrnamen Rotger, Benne(ke), 
Wessel, Ele(ke), Ernest, enz. En deze namen zijn zeker ge- 
dragen geweest door de eerste mannen , die deze hoeven eerst geboud 
en gesticht hebben. De patronymika, de toenamen oorspronkelik uit- 
sluitend den kinderen van deze mannen toekomende , waren dus 
in de 1 2de eeu reeds op hunne hoeven overgegaan. Het is , alsof 
men zeide: het smedink'sche erve, de wesseling'sche hoeve, 
het temming'sche heem, enz. En toen het geschiedde, dat de 
nakomelingen van dien ouden R u t g e r , van dien eersten Wessel, 
dat die Rotgerinks en die Wesselings eens allen uitgestor- 
ven waren op hunne voorouderlike erven , toen kwamen daar andere 
menschen , uit andere geslachten , op die hoeven wonen. En nu bleek 
het dat die oude patronymika , ofschoon dan eigenlik uitgestorven 
met de menschen die ze met recht hadden gedragen , toch zoo taai 
van leven waren , dat zy bleven voortbestaan als namen der land- 
hoeven zelven , al woonde nu b.v. een I m m i n k op de erve Lende- 
rink, en een W o 1 1 e r i n k op de erve E 1 e k i n k. En niet aleen 
dat , maar het oude patronymikon was sterker dan het nieue , de 
oude naam van het goed zat zoo vast in de gedachten der menschen , 
dat de naam van den nieuen bewoner of eigenaar daarvan , er voor 
wyken moest. Herbert Folkring b.v. die op de erve Sme- 
dink kwam wonen, werd weldra door zyne nieue buren Her- 
bert Smedink genoemd. En zoo is het, vooral in de Saksische 
landstreken van ons land, in een deel van Drente, in Twente, 



24 VADERSNAMEN OP ing UITGAANDE. 

in de graafschap Zutfen (even als in de aangrenzende streken van 
Westfalen) , eene vaste zede geworden en is dit eeuen en eeuen 
gebleven, dat de tydelike bewoner den naam der hoeve die hy in 
pacht of in eigendom had , als een toenaam aannam en voerde , 
in plaats van zynen eigenen oorspronkeliken toenaam , 't zy dit 
dan een patronymikon , een bynaam , of wel reeds een vaste ge- 
slachtsnaam ware. En zoo is het ook dikwijls voorgekomen , dat 
zulk een plaatsnaam niet aleen toenaam werd voor den bewoner 
van die plaats , maar dat zyne kinderen en kindskinderen , ofschoon 
die niets meer te maken hadden met die hoeve waar hun vader 
of grootvader op gewoond had , toch den naam van die hoeve , als een 
vaste geslachtsnaam behielden. Nemen wy een voorbeeld , tot meer- 
dere duidelikheid. Geert was de zoon van eenenman, die Albert 
heette, en die Albert de Jager genoemd werd, omdat zijn 
vader een bekend jager was, en deze dien toenaam de Jager 
reeds by zijn leven gedragen had. Want die oude jager , even als 
zyne voorouders voor hem, en zijn zoon Albert na hem, had 
geenen vasten geslachtsnaam , geen patronymikon. Deze lieden im- 
mers stamden af uit een geslacht dat in de middeleeuen onvry 
geweest was , en geen vaste goederen had bezeten. De oude jager 
en zijn zoon Albert waren dan ook nu geene eigenerfde boeren, 
die op hun eigen erf zaten , maar zoogenoemde keuterboeren , kot- 
saten , katers , brinkzitters , die het land dat zy behouden en waar 
van zy leefden , van eenen eigenerfden boer als in leen hadden , 
en die dezen boer daarvoor in den oogsttijd , en anderszins , als 
arbeiders moesten dienen , gelijk zulks in de Saksische gou , waar 
zy woonden , van ouds her gebruikelik was. Zy hadden dies ook 
geenen vasten geslachtsnaam , geen eigen oud patronymikon , zoo 
als de eigenerfde boeren, en hunne hoeven, wel hadden. Geert, 
de zoon van Albert, de kleinzoon van den jager, noemde zich 
dus voluit Geert Albertszoon de Jager. Hy was een spaar- 
zaam en degelik jongman , die door zynen handenarbeid en vlijt 
eene flinke som had verdiend en bespaard , zoo dat hy , toen het 
oude geslacht van eigenerfde boeren P o p p i n k uitgestorven was , 
het huis en de landeryen , die zoo vele eeuen lang aan dat ge- 
slacht in eigendom hadden behoord , koopen kon. Hy vestigde zich 
als boer op dat erve , dat naar zyne oorspronkelike eigenaars 



VADERSNAMEN OP ing UITGAANDE. 25 

steeds het erve P o p p i n k genoemd werd , naar den Saks P o p p o , 
die daar , in den ouden , ouden tijd , reeds voor d' invoering 
van het kerstendom , eerst gewoond en het land ontgonnen had. 
En wijl Geert Albertsz. de Jager nu 't erve P o p p i n k in 
eigendom bezat , wijl hy , als boer ; de opvolger was der oude 
Poppinks, zoo ging dat oude patronymikon op hem over. Zijn 
eigen toenaam de Jager raakte in onbruik en vergeten by de 
lieden. Weldra was hy slechts als Geert Poppink bekend, of- 
schoon hy eigenlik geen Poppink was , en geen recht op dien 
naam had. De zoon van Geert de Jager, die Poppink ge- 
noemd werd, heette Har men. Deze Har men kreeg, wijl hy 
een leerzame knaap was , eene geletterde opvoeding ; hy volgde 
zynen vader niet op in het voorouderlike boerenbedrijf, maar ves- 
tigde zich in eene stad , waar hy 't een of ander ambt vervulde. 
Hier deed zich de behoefte aan eenen vasten toenaam sterker ge- 
voelen dan in het ouderlike dorp, en dies nam onze Har men 
Geertsz. den toenaam Poppink in vast gebruik , en noemde zich 
Herman Poppink of Harmanus Poppingius, ofschoon 
hy op dezen ouden naam eigenlik nog minder recht had dan zijn 
vader, die dan toch in den tijd nog het erve Poppink in eigen- 
dom had bewoond. Het nageslacht van Herman Poppink be- 
hield dezen toenaam, en toen de tijd kwam, in 1811, dat men 
zich vaste geslachtsnamen kiezen moest , lieten zyne nakomelingen 
zich als Poppink inschryven. Zoo dat de naam , die zy nu reeds 
honderd jaren en langer als vaste toenaam hadden gedragen , hun 
vaste geslachtsnaam werd en tot den dag van heden bleef. 

In menige streek van ons vaderland gaat het, in zulke geval- 
len, nog heden juist zoo als het Geert de Jager, gezegd Pop- 
pink, ging. Maar met dit onderscheid , dat zulke toenamen , aan 
de namen der boerenerven ontleend , tegenwoordig slechts by- of 
toenamen blyven , en nooit als vaste geslachtsnamen gelden kun- 
nen, al worden de lieden, die ze dragen, altijd met die namen, 
en nooit anders , genoemd. 

Ook in Friesland, waar de voorouderlike adellike en vrye boe- 
renerven in den regel de oude patronymika dragen van hunne 
eerste stichters en eigenaars , b. v. Abbinga-state, Helling a- 
sat, enz. ook daar is menig hedendaagsch geslacht op de 



26 VADERSNAMEN OP ing UITGAANDE. 

zelfde wyze als in 't voorbeeld van Geert de Jager -Pop- 
pink aangegeven is, aan zynen hedendaagschen geslachtsnaam 
gekomen. Van daar ook , dat men onder de Friesen , vooral van 
den kleinen boerenstand , nog heden zoo menigvuldig geslachtsnamen 
vindt van oude , 't zy dan adellike of eigenerfde-boerengeslachten , 
die reeds voor eeuen zijn uitgestorven. Maar die oude patrony- 
mika zijn tot op den dag van heden verbonden gebleven aan de 
stam-staten en stam-saten dier geslachten, en in 1811 of ook 
eerder , heeft menige Fries , die toevallig die state of sat , soms ook 
slechts als pachter bewoonde , zich den ouden naam daarvan , die oor- 
spronkelik de naam was van een reeds voor eeuen uitgestorven oud- 
friesch geslacht , als geslachtsnaam toegeigend. En al waren ook 
die oude aanzienlike geslachten van edellieden en eigenerfde boeren 
nog niet uitgestorven , ofschoon ze dan die stam-staten en stam- 
saten niet meer in eigendom bezaten , dan kwam het toch wel 
voor dat de opvolgende eigenaar daar van , of ook maar de tyde- 
like bewoner , zich dat oude patronymikon , dat aan zyne boere- 
plaats verbonden gebleven was , als geslachtsnaam toeeigende. 

Ten gevolge van deze eigenlik wederrechtelike handelwyze , 
leven tegenwoordig in Friesland niet slechts de namen van oude 
aanzienlike geslachten , die reeds sedert eeuen uitgestorven zijn , 
nog steeds als hedendaagsche geslachtsnamen voort (b. v. Wiarda, 
Galama, Do tin ga, Offenga), maar dragen dikwijls ook 
pachters en boerenarbeiders , en de burgery in de steden , de zelfde 
namen als sommige oude adellike of aanzienlike , nog levende en 
bloeiende geslachten, waar mede zy niet verwant zijn ; b. v. Donia, 
Hania, Harinxma. Dikwijls zijn die namen in spelling en form 
een weinig veranderd van den oorsponkeliken form , die nog voor den 
naam van 't oorspronkelike geslacht in gebruik bleef; b. v. Eizen- 
ga en ook (Van) Eisenga nevens (Van) Eysinga, Kammen- 
ga nevens (Van) Cammingha, Buttinga nevens (Van) But- 
tingha, Zytsema nevens Sytsema, Fynje nevens Fin ia, enz'. 

10. De form ing, om patronymika van mansvrnamen te 
maken, is de oudste en eenvoudigste. Men kan dezen form de 
normale noemen. Hedendaagsche nederlandsche geslachtsnamen die 
dezen form vertoonen , zijn b. v. Benning, H il ver ding, Ot- 



VADERSNAMEN OP ing UITGAANDE. 27 

t i n g , patronyraika van de mansnamen B en n o (in Friesland B in n e), 
Hilwarth en Otto. Maar by sommige nederlandsche stammen, 
vooral by de Saksen in Twente en in de graafschap Zutfen (even 
als in d'aangrenzende gouen van Westfalen) wordt dit ing als 
ink uitgesproken, en dus ook zoo geschreven. Van daar de 
hedendaagsche geslachtsnamen in die streken, Bennink, Hilver- 
dink, Ottink. Elders in Nederland, vooral in West- Vlaanderen , 
spreekt men dit ink als ynk uit, met lange i, en schrijft dan 
gewoonlik ynck ; van daar de westvlaamsche patronymika G e 1- 
lynck, Cnapelynck, Hallynck, enz. Andere afwy kende 
formen waarin wy het oorspronkelike ing in hedendaagsche ge- 
slachtsnamen geschreven vinden , zijn nog ingk , ingh , inghe , inge , 
eng, ung , ong , enz. Ook komt het wel in versleten form , als ig 
en ik voor. 

By de Friesen neemt het achtervoegsel inga, als uitgang van 
patronymika , volkomen de zelfde plaats in , die ing en ink by de 
patronymika der andere Nederlanders bekleedt. Trouens , deze friesche 
uitgang inga is ook werkelik anders niet dan het ing der andere 
Germanen. Zoo komen de friesche patronymikale geslachtsnamen 
Benninga, Bollinga, Poppinga in oorsprong volkomen 
overeen met Benning en Bennink, met Bolling en Bol- 
1 y n c k , met P o p p i n g , P o p p i n g e en P o p p i n k , die in andere 
nederlandsche gewesten inheemsch zijn. Ook by de Friesen is inga 
de zuiverste en oorspronkelikste form , even als ing by d' andere 
Germanen. Maar ook by de Friezen treffen we in hunne patrony- 
mikale geslachtsnamen byformen aan , nevens dit inga ; namelik 
enga (Bottenga), ingha (Van Julsingha), unga (Hay unga) , 
enz. En tevens de versletene formen ega (Mennega), ia (Ha- 
n i a) , enz. 

Van al deze verschillende formen van patronymika wil ik hier 
eenige geslachtsnamen als voorbeelden vermelden , en nader verklaren. 

11. Patronymikale geslachtsnamen , op den oorspronkeliken 
form ing uitgaande, zijn over geheel Nederland verspreid, en 
komen ook veelvuldig in Duitschland , Skandinavie en Engeland 
voor. Reeds by de Angel-Saksen waren zulke patronymika veel- 
vuldig als toenamen van mannen in gebruik. En nog heden is 



28 VADERSNAMEN OP ing UITGAANDE. 

deze ingioxm de eenige, die in Engeland voorkomt, 't zy dan 
by geslachtsnamen (Anning, Elling, Wam ing), 't zy by 
plaatsnamen (Birmingham, Eppingf or est , Markington). 
In Nederland , al hoe talrijk deze patronymika op ing er ook als 
geslachtsnamen voorkomen , zijn ze toch niet talryker dan die , 
welke den byform ink vertoonen. 

Als voorbeelden mogen de volgende geslachtsnamen hier genoemd 
worden: Alting, Benning, Damming. 1 Zy zijn afgeleid van 
de mansnamen Alte, Benno, Dammo; beteekenen dus : zoon 
van Alto, Benne, Damme. Deze namen zijn heden ten dage 
in Nederland als mansvrnamen nagenoeg geheel buiten gebruik 
geraakt. In Friesland kan men nu en dan nog eenen man ont- 
moeten, die Alte heet; de Benno' s echter, vooral ook in den 
gewyzigden form Binne, zijn daar niet zeldzaam. Maar de naam 
Damme is geheel in onbruik gekomen. Nevens de geslachtsnamen 
Alting, Benning en Damming treft men in Nederland nog 
de volgende geslachtsnamen aan , die ook allen , als patronymika , van 
eenen dezer drie mansvrnamen ontleend zijn : A 1 1 h i n g , Alting, 
Althes en Alts; in Friesland Alta, f Aldinga, f Aldesna, 
A 1 1 e n a (deze naam kan ook eenen anderen oorsprong hebben ; zie 
46), f Altama en Van Altema. Bennink, Benninck, 
Benningh, Benninge,Bennigsen,in Friesland Benninga, 
Bennenga, Bennema, Bennen, Bennes, Bensz, Bens, 
in Engeland Benson. Dammen, Dammes, in Friesland D a ru- 
in in ga en Damsma. Volledigheidshalve voeg ik hier ook eenige 
plaatsnamen by , aan deze namen ontleend : Alting, een gehucht 
by Beilen in Drente ; A 1 1 i k o n , saamgetrokken uitAltinkhoven, 
een dorp in Zwitserland ; Bennekom, dat is oorspronkelik 
Benninkheim, dorp in Gelderland (deze plaatsnaam verschilt 
slechts in form van den naam van het oostfriesche dorp Bingum, 
dat isBinningheim); Benningbroek, dorp in Noord-Holland , 
en Benningbrough, dorp in Yorkshire , Engeland; Benne- 
broek, dorp in Kennemerland ;Benninghusum, dorp in Noord- 
Friesland ; Bennighofen, dorp by Rotenburg in Hanover;Ben- 

1 Eelking, Fokking, Groening, Harting, Huisiug, Imming, 
Janning, Kaniping, Leffring, Menning, Nolting, Onning, Pop- 
ping, Rensing, Sieberding, Teding, Uiling, Veering, Wiebeking. 



VADEUSNAMEN OP ing UITGAANDE. 29 

nington, in Hertshire , Engeland, enz. En van deze plaatsnamen 
zijn op hun beurt weer de geslachtsnamen Van Bennekom en 
Van Bingum ontleend. Eindelik nog Damsum (Damsheim, 
Dammo's woonplaats) , dorp by Esens in Oost-Friesland. 

De mansvrnamen waaraan de andere hiervoren opgenoemde 
geslachtsnamen ontleend zijn, liggen niet allen evenzeer voor de 
hand , noch zijn allen algemeen bekend. Jan, in Janning, vindt 
iedereen er terstond wel uit. En voor de Friesen, of voor andere 
Nederlanders zoo zy geschiedenis en taalkunde beoefenen , zijn ook de 
namen Fokke, Hart, Imme, Kampo, Menno of Minne, 
Onno, Poppe, Renso of Rinse, Sybert, geene onbekenden. 
Twee dezer patronymika zijn ontleend aan eenen mansvrnaam in 
verkleinform ; te weten Eelking van Eelke, Eelco, oorspron- 
kelik Ele (Edele, Athal), enWiebeking van W i b e k e , oor- 
spronkelik Wibe, Wybo. Deze namen zijn zoowel in den hoofd-, 
als in den verkleinform, nog heden in Friesland in volle gebruik. 
Dat Leffring een patronymikon is van Leffert, Lefhart, 
een naam die in Friesland en elders in de Nederlanden nog wel 
in gebruik is , en dat N o 1 1 i n g van den verkorten naamform 
N o 1 1 , voluit Arnolt, Aarnout, afgeleid is , vindt de opmerk- 
zame ook al lichtelik. Maar by de geslachtsnamen G r o e n i n g , 
Huising, Uiling en Veering zou men wel geneigd zijn 
eerder aan de gemeen-zelfstandige naamwoorden groen , huis , uil , 
veer te denken , dan aan mansvrnamen. Toch schuilen ook in 
deze patronymika wel degelik oud-germaansche , dus ook oud- 
nederlandsche namen ; namelik Grono of Gruno, Huso, Ulo 
en Faro, die men allen in Frstemann's Altdeutsches Namenbuch 
vinden kan. Gruno of Grono komt heden ten dage in de Neder- 
landen nergens meer voor , en Huso evenmin ; maar Ulo is in 
de verkleinformen Uulke, Uultje (Uilke, Ulco, Uiltje) 
en Uultsen in Friesland nog in volle gebruik als mansvrnaam, 
en Fe re (de friesche form van Faro) komt daar ook nog wel 
een enkele maal als zoodanig voor. Met Groening, Huising, 
Uiling en Veering zijn de volgende geslachts- en plaatsnamen 
van de namen Gruno, Huso, Ulo en Faro afkomstig: Groe- 
ning s, Groeninx, Groeninks, (in Duitschland ook Gr- 
ning) Gronenga, Groen inga, Groenia, Groenje. Gr o- 



30 VADERSNAMEN OP ing UITGAANDE. 

n i n g e n , de bekende stad ; Groeningen, dorp in Noord-Brabant ; 
Gr ons, sat by Burgwert in Friesland; Groonhusen, gehucbt 
by Grootkerk in Oldenburg ; Groningen, vlek in Zwaben en 
Groningen, stadje by Osebersleben in Neder-Saksen. Verder de 
geslachtsnamen Van Groningen, Van Groeninge,Grninger, 
enz. Van Huso:Huizing,Huisinghe, Husink, Olden-Hui- 
zing, in Friesland Huisinga, Huisenga, Huizinga, Hui- 
ze n g a ; verder : H u s e n , Huyssoon, Huissen, in verkleinform 
Huyskes, f Huisama en Huisma. Huisinge is een dorp 
in Groningerland , en Huysingbe een dorp in Zuid-Brabant. Van 
Ulo: Ulens, Uilsma, en in Oost-Friesland U hl en. Uilsma- 
b o r n is eene buurt by Tonnaart (Ternaard) in Friesland , Ulbargen 
een dorp by Auricb in Oost-Friesland , Ublebll een gehucht 
by Niebll in Noord-Friesland, Uhlentrup (dat is Ulendorp) 
een dorp by Beckuni in Munsterland, Uhlingen een dorp by 
Lauenburg (Cslin) in Pornrneren, en Ulgeweer (Ulingaweer) 
eene sat te Larrelt in Oost-Friesland. Van Faro, F er e: behalve 
Veering nog Fehring, Feringa en Van Feringa, Vee- 
ren, Fehres, Veere, Feerma, Ferens, Feersma,Veers- 
ma en Veersema; van eenen my niet bekenden plaatsnaam 
F e r i n g e n is de geslachtsnaam Feringer afgeleid ; eindelik nog 
Feerwert een dorp in Groningerland en Feringa-sate te 
Fisvliet in die zelfde Ommelanden. De oude mansvrnaam F er e 
kan echter ook eene samentrekking zijn van F e der, een naam 
die eveneens by de oude Germanen in zwang was, en waar van 
de oostfriesche , uitgestorvene geslachtsnaam Federinga het pa- 
tronymikon is. Van dezen vollen form Federinga zou dan 
Feringa een saamgetrokken form kunnen wezen. 

De mansnaam Tede, waar de geslachtsnaam Te ding van is 
afgeleid, is nog heden, met de byformen Tade, Teade, Tete, 
Tate, enz. in Friesland in volle gebruik. Met Te ding zijn van 
dezen ouden mansnaam nog afkomstig de volgende geslachts- en 
plaatsnamen: Tedinga, Thedinga, f Thedema en Tedema. 
Van Tedinga zijn de geslachtsnamen f The en ga en, in den 
tweeden naamval , T e e n g s weer versletene formen , even als Th erna 
van Thedema. Thedinga was de naam van een oud , aan- 
zienlik klooster by Nttermoor in Oost-Friesland , maar dat in de 



VADERSNAMEN OP ing UITGAANDE. 31 

16<le eeu opgeheven werd. De naam is nog gebleven aan een ge- 
hucht dat heden ten dage de plaats van dat klooster inneemt. De 
byzondere naamsoorsprong van dit klooster is bekend en bewaard 
gebleven. Thedinga-klooster namelik heette oorspronkelik en 
eigenlik Syna. Het werd door eenen ryken Groninger, Hate- 
brand geheeten , in 't jaar 793 reeds gesticht, en de eerste abt 
die het bestuur er over uitoefende, heette Th e da. Eene oude 
chronyk vermeldt van dezen abt Theda: (he) heft dorch syne 
vramheid (vroomheid) de gemeene lueden aen sich getagen (getogen , 
getrokken) und den armen groote handreyckinge gedaen , also dat door 
synen nakomen dat Gloster Thedinga- Monniken genoemt is worden." In 
1479 waren beide namen, Syna en Thedinga, nog in gebruik; 
want de abt Sibrant, die toen leefde, teekent zich: vghekoren 
Abbet to Tedingen , anders gheieyten Syna." 1 De naam Thedinga- 
monniken wil dus zeggen: monniken van Theda, en het patro- 
nymikon Thedinga is hier gebruikt in overdrachteliken zin , wijl 
men den monniken wel den naam van zonen of kinderen van 
den abt geeft. Hier hebben we dus een nieu bewijs dat het patro- 
nymikon , ofschoon oorspronkelik slechts den eigenen zonen van 
eenen man toekomende , ook wel door anderen , door kleinkinders , 
door verdere nakomelingen , zelfs wel door onderhoorigen (zie 45) 
gedragen werd. Ook van elders is dit genoeg bekend. Nog andere 
plaatsnamen van den mansvoornaam T e d e (Th e do) en van 't 
patronymikon T e d i n g afgeleid , zijn : Thedingweert, een land- 
goed te Kapel-Avezaath in. de Betuwe; Thedinghaus, een 
stadje aan de Weser boven Bremen; Theda fe ld, eene sat by 
Grootkerk of Hohenkirchen , zoo als dat dorp nu hoogduitsch 
heet , in Wrangerland (Oldenburger Friesland) ; Thedema- of 
Thema-burcht te Noordwolde , en Thema-heert, eene sat 
te Pieterburen , beide in Hunsingo (Groningerland) ; T e d e m a - 
state te Roden in Drente; eindelik nog Dedesdorf, oudtijds 
Thedestorpe, een vlek in 't Land Whrden (Oldenburger 
Friesland). 

Nog zy hier vermeld als eene byzonderheid , dat het patrony- 
mikon Leffring (zie bl. 28) nog oorsprong gegeven heeft aan 



1 Zie Zwitzers' Ostfriesischcs Monatsblatt , Jaargang 1882, bl. 531. 



32 VADERSNAMEN OP ingh UITGAANDE. 

den hedendaagschen plaatsnaam Lef f rynchou cke (Lef f r in k- 
hoek), een dorp by Duinkerke in Fransch-Vlaanderen. 

Dat de patronymika , op bl. 28 opgenoemd, ook reeds van zeer 
oude dagteekening zijn , kan men in Frstemann's Altdeutsches Namen- 
buch naslaan, waar we eenen Alt ing reeds in 't jaar 793 vinden, 
eenen H u s i n c ook reeds in de 8ste e eu , eenen B e n n i n g in de 
9de eeu, en eenen Imminc en Ulinc vr het jaar 11.00. 
Wibichinc (Wiebeking) en anderen zijn ons ook reeds uit 
zeer vroege tijden bekend (zie bl. 18). 

Ik heb de patronymikale geslachtsnamen van bl. 28 zoo uit- 
voerig hier besproken , en andere geslachtsnamen met plaatsnamen 
van die zelfde oorspronkelike mansvrnamen afgeleid , zoo vol- 
ledig hier vermeld , om aan te toonen hoe talrijk de geslachts- 
en plaatsnamen zijn , die van eenen en den zelfden mansvrnaam af- 
stammen , hoe al deze namen onderling verwant zijn en samenhangen , 
en hoe verre zy verspreid zijn over alle landen met eene ger- 
maansche bevolking. 

12. De oude Nederlanders schreven den uitgang ing gewoonlik 
als ingh en ook wel als inglie ; b. v. coningh , oeffeningh , verga- 
deringhe , enz. En zoo schreven zy den patronymikalen uitgang 
van geslachtsnamen ing ook wel als ingh en inghe. By sommigen 
onzer hedendaagsche patronymikale maagschapsnamen is die oude 
form nog bewaard gebleven; b. v. by Abbingh, Bussingh, 
Celingh. l Maar slechts drie hedendaagsche geslachtsnamen ken 
ik, die nog den ouden form inghe vertoonen; dit zijn Mun- 
tinghe, Huisingbe en Sinninghe. Al deze ingh en mee- 
namen zijn ook echte patronymika, van oud-germaansche mans- 
vrnamen afgeleid. W o 1 1 e r (W outer, W a 1 1 h e r) , de mans- 
vrnaam die aan den maagschapsnaam Woltringh ten grondslag 
ligt , is nog heden ten dage in alle nederlandsche gewesten , als 
zoodanig vry algemeen in gebruik. Maar Abbe, Adde, Hidde, 
Ids, Luit, Menso of Minse, Rein, Tabe en Sinne zijn 



1 Addingh, Hammingh, Herdingh, Hiddingh, Idsingh, Julsingh, 
Luytingh, Mensingh, Oostingh, Reiningh, Staringh, Stratiugh, 
Tabingh, Tulliugh, Weytingh, Woltringh. 



VADERSNAMEN OP inge UITGAANDE. 33 

tot Friesland beperkt , ofschoon daar dan geenszins zeldzaam. De 
mansvrnamen die aan de andere hiergenoemde patronymika ten 
grondslag liggen , H e r t aan Herdingh, Busse aan Bussingh, 
Weit aan Weytingh enz. , zijn eveneens allen zuiver germaansch , 
en in Frstemann's Altdeutsches Namenbuch te vinden. 

Een geenszins onverdienstelik letterkundige , die omstreeks de 
helft dezer eeu werkte , droeg den naam van D. Buddingh. Maar 
hoe verdienstelik ook op velerlei gebied , als woord-afleidkundige 
beging hy de grootste flaters; om er niet meer van te zeggen. 
Zijn werk: Verhandeling over het Westland, Leiden, 1844, kan dit 
ruimschoots getuigen. Buddingh meende ook dat zijn geslachts- 
naam eene samentrekking was van het zelf-gesmede woord boet- 
ding-lieer" of boete-rechter. Dies schreef hy zynen naam ook als 
Buddingh', om door dat afkappingsteeken het woord heer aan 
te duiden , dat , naar zyne meening , achter zynen naam weggesleten 
was. Sommigen zyner geslachtsgenooten schryven hunnen naam 
nog heden op die wyze. 1 Onnoodig hier aan te toonen dat deze 
zonderlinge meening geheel verkeerd , en de geslachtsnaam Bud- 
dingh een oud patronymikon is , van den oud-germaanschen 
mansvrnaam Budde, Butte, Botte. Buddingh is dus de 
weerga van f Buttinghe en van Bottinga, beide ook patro- 
nymika van dezen zelfden mansvrnaam, al is het dan in eenigs- 
zins anderen form. Deze laatste naam is , met Bottenga, ook 
nog een hedendaagsche nederlandsche geslachtsnaam. 

13. In vele gouspraken van het nederlandsche nederduitsch 
spreekt men nog heden de woorden , welke in onze hedendaagsche 
algemeene landstaal op ing eindigen, in den ouden form als inge 
uit; b. v. bloedinge , ivaarschouinge , bezoekinge , enz. Dit is , onder 
anderen , vooral het geval in onze noordelike en noordoostelike 
gouen , onder de friesche en friso-saksische bevolking dier gewesten. 
En waar men zulke woorden z uitspreekt, daar laat men natuur- 
lik die toonlooze e ook hooren achter den patronymikalen uitgang 



1 Zie D. Buddingh'. Het boetregt, bevattende een oudheid-, geschied- en letter- 
kundig onderzoek naar oorsprong en naambeteekenis van het geslacht Buddingh" 1 , be- 
nevens de genealogische verspreiding van dien stamboom en zijne takken. Delft , 1863. 
Zie ook Be Navorscher, XXXIV, 420. 



34 VADERSNAMEN OP inge UITGRANDE. 

der geslachtsnamen. In Drente en in de zuidelike gouen van Gro- 
ningerland komt dit meest voor. Vandaar dat men juist in die stre- 
ken dan ook zulke maagschapsnamen , op inge eindigende , meest 
aantreft. Zie hier eenigen van die namen , grootendeels van drentschen 
oorsprong en in Drente , het Oldambt en Westerwolde inheemsch : 
Alinge, Buninge, Dillinge. l Al deze namen zijn patronymika 
van oud-germaansche , ten deele nog hedendaagsch-friesche mans- 
vrnamen. In Alinge, Ebbinge, Eppinge, Hiddinge, 
Lubbing e, Uninge, Willinge herkent men gemakkelik de 
nog heden by de Friesen in volle gebruik zijnde mansvrnamen 
Ale, Ebbe, Eppe, Hidde, Lubbe, Une (Oene) en Wille 
(Wiltje, Wilke of Wilco). Maar ook by Buninge, Dil- 
linge, Hachtinge, Santinge en de anderen , is de oorspron- 
kelike mansnaam , met hulp van Pbstemann's Namenbuch , nog wel 
min of meer gemakkelik uit te vinden en aan te toonen. 

By deze drentsche geslachtsnamen formt de uitgang inge eenen over- 
gang van den algemeenen form van dit achtervoegsel ing tot den 
byzonder-frieschen form inga. Velen van deze namen komen dan ook 
als geslachtsnamen zoowel in den algemeen-nederlandschen als in den 
byzonder-drentschen en byzonder-frieschen form voor , en zijn als 
zoodanig aan verschillende geslachten eigen. Nevens de maagschaps- 
namen Buninge, Ebbinge, Eppinge, Elinge, Hiddinge, 
Santinge bestaan ook Buyning en Buininga; Ebbink en 
Ebbinga; E p ping (ook in Engeland) , Eppink en Eppinga; 
Eling, Elink, Elinga en Elenga; Hiddingh, Hiddink, 
Hiddinga en Hiddenga; Zantinga, Zantenga en Zan- 
ting. En al deze namen beteekenen het zelfde , namelik : zoon 
van B u n o , van Ebbe, van Eppe, van E 1 e , van Hidde, van 
Sant. 

Oudtijds, toen men algemeen zoo onstandvastig was in de 
spelling der woorden , heerschte ook de grootste onregelmatigheid 
in de boekstaving der eigennamen. De eene schreef den zelfden 



1 Elinge, Ebbinge, Eppinge, Hachtinge, Hiddinge, Hilbinge, 
Houwinge, Lubbinge, Lussingc, Meursinge, Santinge, Sinninge, 
Tabinge, Uninge, Waninge, Wanuiage, Willinge, Wolting e. Buiten 
Drente ook Bonn in ge, zelfs Bonningue in Franscn-V laanderen, Tem min ge, 
Soninge, Ubbinge, enz. 



VADERSNAMEN OP inge UITGAANDE. 35 

naam nu eens sus , dan weer zoo , en de andere weer geheel 
anders. Een man b. v. die in Friesland woonde , schreef zynen 
geslachtsnaam als Hesslinga, omdat hy zynen naam steeds z , 
met het volle inga er achter , door de Priesen , zyne landgenoo- 
ten, hoorde uitspreken. Zijn broeder woonde in Twente, en deze 
schreef zynen naam , om de zelfde reden , als H e s s e 1 i n k. Een 
neef van hem, die den zelfden naam droeg, woonde in West- 
Vlaanderen, en hy spelde zynen naam als Hesselynck; terwijl 
weer een andere , in Holland wonende , dien zelfden naam als 
Hesseling boekstaafde. Toch moesten al deze verschillende spel- 
wyzen een en den zelfden naam voorstellen. Want al deze vier 
mannen waren afstammelingen van eenen en den zelfden H e s s e 1. 
Verder in dit werk zal de gelegenheid zich voordoen , deze onregel- 
matigheden nader aan te toonen. 

Zoo werden oudtijds deze zelfde patronymikale geslachtsnamen 
ook 7 wel nu eens in den drentschen (friso-saksischen) , dan eens in 
den zuiver frieschen form geschreven. Vooral te Groningen, waar 
de Drenten in de onmiddellike nabuurschap zaten van d' omme- 
landsche Friesen, kwam deze verscheidenheid in spelling dikwijls 
voor. De namen van sommige oude groninger geslachten vindt 
men in oude geschriften nu eens als Folkinge, Gelkinge, 
Gockinge, Haddinge, dan weer als Folkinga, Gelkinga, 
Gockinga, Haddinga geschreven. En nog heden ten dage is men 
in Groningerland en Oost-Friesland onstandvastig in het boekstaven 
van plaatsnamen , die met zulk een patronymikon samengesteld zijn. 
De eene schrijft Appingadam, Mensingaweer, Belling a- 
wolda en Eppingaweer; de andere Appingedam, Men- 
singeweer, Bellingewolde enEppingeweer, of ook wel 
Bellingwolda en Eppingwehr. De eene schrijf wyze is goed , 
en de andere niet minder. En waarom dan zou men deze ver- 
schillende schrijfwyzen niet door eikanderen gebruiken, vryelik 
en naar eigen willekeur? By de geslachtsnamen dient men zich 
heden ten dage wel by eene enkele schrijfwyze te bepalen , om 
misverstand, en daar uit voort vloeiende verwarring te voorkomen. 
By plaatsnamen echter is dit gevaar veel minder groot , ja naue- 
liks aanwezig. 

Wijl dus te Groningen een en de zelfde geslachtsnaam oudtijds 



36 vadersnamen op ung , ong EN enk UITGAANDE. 

nu eens op drentsche en dan eens op friesche wyze geschreven 
werd , zoo is het zeer wel mogelik dat de hedendaagsche drentsche 
geslachten Buninge, Ebbinge, Elinge, Eppinge, Hid- 
dinge, Tebinge, Uninge, Waninge oorspronkelik de zelf- 
den zijn als de hedendaagsche friesche geslachten Buininga, 
Ebbinga, Eppinga, Hiddinga, Uninga of Unia, enz. 
Of ook als de geslachten Buyning, Elink, Tabingh, Wa- 
ning, die wy elders in de Nederlanden aantreffen. Ja , maar het 
is even zeer mogelik dat de drentsche Ep ping e's en de zutfensche 
Eppink's en de friesche Ep ping a's en de engelsche Epping's 
van vier verschillende stamvaders hunnen oorsprong namen , die toe- 
vallig alle vier den zelfden voornaam Eppo droegen. Want deze 
naam , die tegenwoordig nog slechts by de Friesen in zwang is , 
was oudtijds algemeen eigendom van alle germaansche stammen. 
En dit is ook van toepassing op de andere bovengenoemde patro- 
nymika , en op de mansvrnamen , waar zy van afgeleid zijn. 

14. Even als in de hoogduitsche taal de uitgang ung staat 
achter de zelfde woordstammen , die in het Engelsch , Nederlandsch , 
Deensch , enz. den uitgang ing vertoonen {opening en ffnung , bevry- 
ding en befreiung) , zoo eindigen in Duitschland ook de zelfde pa- 
tronymikale geslachtsnamen , welke in Engeland en de Nederlanden 
op ing uitgaan , soms op wig. Een paar van die geslachtsnamen , op ung 
eindigende , komen ook in de Nederlanden voor , waar zy waar- 
schijnlik uit Duitschland zijn ingevoerd geworden ; b. v. Am el ung, 
Hartung (nevens het inheemsche Harting) en Weidung. Ook 
de verlatynschte maagschapsnaam Hallungius behoort oorspron- 
kelik tot deze groep. 

Even zeldzaam komen zulke patronymikale geslachtsnamen onder 
ons voor , waar by het oorsponkelike ing of ink tot ong en enk 
veranderd is. My zijn slechts bekend Hartong (nevens Harting 
en Hartung); Wallenk (naast Wallink) en Wittenck 
(naast het uitgestorvene Wit tin ga). Ook komt deze verbasterde 
form enk nog voor in de samengestelde geslachtsnamen Gussenklo 
(welke naam ook wel ten onrechte als Gussenk'lo geboekstaafd 
wordt) en Pippenghegen. Gussenklo beteekent: eiken- 
bosch van Gussink, van den nakomeling des mans, die Gusse 



VADEESNAMEN OP ink UITGAANDE. 37 

(Gosse? Guse?) heette. En Pippenghegen beduidt: de hege 
of haag , en daar mede {pars pro toto) het omhaagde erve , van 
P i p p i n g , van den afstammeling des mans die den naam van P i p p o 
droeg. Dit woord hege , haag , vinden wy terug in den oud-saksischen 
geslachtsnaam Berghege en tevens in H e e g e r , dat is : H e g e r , 
Hager, Hager. Ook in Duitschland komt een enkele maal die 
zelfde afwyking van den oorspronkeliken form des patronymikons 
voor. Te weten in den geslachtsnaam Ehrenghaus, dat is Ehr- 
i n g h a u s , het huis der E r i n g e n. 

15. Naast den oorspronkeliken form ing , komt als uitgang 
van patronymikale geslachtsnamen eveneens den form ink voor. 
Dit ink is slechts eene andere uitspraak van ing. Anders niet. Het 
vindt zynen oorsprong in sommige gouspraken van het Neder- 
landsch , in welke deze uitgang ing in het algemeen als ink wordt 
uitgesproken. Dit is vooral het geval in de Saksische taal van 
Twente en de graafschap Zutfen. Daar komen dan ook deze op 
ink eindigende geslachtsnamen het meeste voor , en van daar zijn 
zy over de andere streken van Nederland verspreid geworden. Ten 
platten lande in Twente en de graafschap Zutfen , vooral by den 
erfgezetenen boerestand in die streken , komen deze geslachtsnamen 
buitengewoon talrijk , haast algemeen voor. Zy zijn daar ook over- 
gegaan op de landhoeven of boerenerven. Dat dit reeds in overoude 
tyden het geval was, is op bl. 23 reeds aangetoond. Ook elders 
vinden wy reeds zeer vroeg zulke ink-n&men als toenamen in ge- 
bruik; HugoRadinck b. v. leefde in 1217 te Vollenhove in 
Overijssel. l Dit patronymikon , van den oud-germaanschen mans- 
naam R a d o afgeleid , komt , als R a t i n k geschreven , reeds in 
709 voor, zooals Frstemann's Altdeutsches Namenbuch vermeldt , 
ja, als Reding, Retinc, enz. nog vroeger. In middeleeusche 
geschriften komt dit patronymikon herhaaldelik voor , en nog heden 
bestaat het als geslachtsnaam R a d i n k. 2 Over het geheel genomen 



1 Zie Driessen , Monumenta Groningana vet. aev. ined. I, pag. 17, X. 

2 Behalve E ad ink zijn van dezen zelfden oud-germaanschen marisvrnaam Ra do 
ook nog de volgende geslachtsnamen afgeleid: Rattinck, Ratinckx, Radix 5 
Reading in Engeland (?) Rahden, Raats, Raat, Raedt, Raets, Radenia 
Raadsma, Radsma en Ratsnia. En de plaatsnamen Radinghem, een dorp 



38 VADEKSNAMEN OP inh UITGAANDE. 

zijn deze patronymika van hoogen ouderdom ; in middeleeusche 
oorkonden komen zy menigvuldig voor. En, voor zooverre ze nog 
heden als geslachtsnamen in gebruik zijn , getuigen zy van den 
degeliken , behoudenden , aan het eervolle oude lofweerdig ver- 
kleefden zin van den volksstam die deze namen zoo trou bewaarde 
en in eere hield. 

Ofschoon deze mfcnamen nergens in de Nederlanden zoo talrijk 
en algemeen voorkomen als in Twente en de graafschap Zutfen , 
zoo zijn ze toch niet uitsluitend tot deze gouen bepaald. Behalve 
in Westfalen , vooral in 't eigenlike Munsterland bewesten de stad 
Munster , waar zulke namen onder den erfgezetenen boerestand naue- 
liks minder talrijk voorkomen als in onze Saksische streken , treft 
men deze patronymika ook wel in andere nederlandsche gouen 
aan , waar ze ook oorspronkelik inheemsch zijn. Dit is vooral het 
geval in eenige streken van de zuidelike Nederlanden , van Brabant 
en Vlaanderen.. Daar wordt deze uitgang inh gewoonlik inch ge- 
schreven , op oud-nederlandsche wyze. Zie hier eenigen van deze 
geslachtsnamen, zoo wel uit Noord- als uit Zuid-Nederland, en 
beide schrijfwyzen vertoonende : Arink, Beernink, Bennink. 1 
Al deze patronymikale geslachtsnamen , op twee na , zijn van oud- 
nederlandsche mansvrnamen afgeleid. By sommigen er van kan 
men deze mansnamen gemakkelik herkennen. B. v. by Dirckinck, 
van Dirck, Dieder ik. Beernink is eene samentrekking van 
Bernharding, uit den mansvrnaam Bernhart, Bernard; 
deze naam wordt nog heden onder de Saksische bevolking van ons land 
als Berend, Beern uitgesproken. Lamrinck (met Lam ring 



in Artesie (Frankrijk); Re ad ing in Berkshire (Engeland) ; Raddington inSomer- 
setshire (Engeland); Radewert, oorspronkelike naam van de dorpen Rauwert 
(of Raard) en Raard in Friesland; Raetshove (in het Waalsch Raccourt), 
stadje in het nederlandsch-sprekende gedeelte van de belgische provincie Luik; Ra- 
de gast, dorp by Bleckede (Lneburg) Hanover; Radingsdorf, dorp by Pra- 
g a r t e n in Boven-Oostenrijk , enz. 

1 Bentinck, Bollinck, Boltinck, Bontinck, Bultinck, Daeninck, 
Derinck en Derink, Deuninck, Dieperinck en Dieperink, Dirck- 
inck, Elderinck en Elderink, Essink, Goethinck, Haitinck, His- 
sink, Johanninck, Lamrinck, Reymerink, Ruytinck, Siegerink , 
Sikkink, Slabbinck, Stalinck, Teyink, enckinck, Teuninck, 
Volmerinck en Volmerink, Wiltinck en Wiltink, Wolberink. 



VADERSNAMEN OP ilk UITGAANDE. 39 

en Lamme rding) is oorspronkelik Lammerdink, Lambrech- 
ting, Landbrecbting, van Landbercht, Lambrecbt, 
Lambert, Lammert, een bekende mansvrnaam. Reyme- 
r i n k is versleten van Reinmering, van den mansvrnaam R e i - 
mer, Reinmer, Reimar, Reginmar, Raginmar. Siege- 
rink komt van den mansvrnaam Sieger, Siegber, Sigber, 
Z e g e r , dat is gezeid V i c t o r , de overwinnaar. Volmerinck 
van Folmer, Fulmar. Wolberink van Wolbert, Wol- 
brecbt, Wolfbercbt. Benne, Bonte, Haite, Sikke 
(S i c c o) , T e i e (T e y e) , waar de patronymika Benninck, Ben- 
nink, Bontinck, Haitinck, Sikkink en Teyinck van 
afgeleid zijn, worden, als mansvrnamen , in Friesland nog veel- 
vuldig gedragen. Tenckinck komt van Tenke,Tenco,Tinco, 
en dit is weer een verkleinform van T e n n o , welke mansvrnaam , 
volgens Frstemann's naamboek in de acbtste eeu voorkomt, en 
oorspronkelik slecbts een byform is van Tanno. Van dit Tanno 
is weer de friescbe geslacbtsnaam Tanninga afgeleid , die meest in 
versletenen form als Tania, Tan ja, Tanje, en zelfs verfranscbt 
als Tanj voorkomt. Even als Tenckinck, zoo zijn ook de ge- 
slacbtsnamen Evekink, Duyckinck, Ikink, Onnekink en 
Tilekink niet van mansnamen in bunnen oorspronkeliken form 
afgeleid, maar van verkleinformen [diminutiven). En wel van Eveke, 
Duike, Ike, Onneke en Tileke, in deze formen, en ook in 
de oorspronkelike formen Onno, Ide, Tijl, enz. bekende, meest 
friescbe mansvrnamen. 

De twee uitzonderingen , waar ik bier boven van sprak , zijn 
de maagscbapsnamen Jobanninck en Teuninck, die niet af- 
geleid zijn van oud-germaansche mansvrnamen, maar van eenen 
bybelscben en van eenen kerkeliken naam. Te weten van J o b a n , 
Jobannes en van Teun, Teunis,Antonius. Van Jobannes 
zijn ook nog de patronymika Jannink, Jansingb en Janninga 
ontleend, met den samengestelden naam Jobanningmeyer, die 
allen in Nederland als geslacbtsnamen voorkomen; zie ook 58. 

16. Hier volgt nog een enkel twaalftal uit dat overgroote 
aantal mi-namen, dat bepaaldelik eigen is aan de zuiver-saksiscbe 
gouen van Overijssel en Gelderland: Abbink, Eggink, Mak- 



40 VADERSNAMEN OP hik UITGAANDE. 

kink. 1 Natuurlik zijn ook deze maagschapsnamen allen afgeleid 
van oud-germaansche mansvrnamen. Onder dezen zijn Abbe, 
Egge, Makke, Melle, Eoelf (Eoelof) en Temme (Tam- 
in o) nog heden by de Friesen in gebruik. Reerinken Reering, 
dat is oorspronkelik Reerdink, Rederding, Retbarding, 
komen van den mansvrnaani Retbart, Redert; zie 48. 
Dit zelfde patronymikon komt in Groningerland onder den byzonder- 
friescben form Reeringa voor, en in de westelikste gouen van 
Westfalen onder den boogduitscben form R'rink, boewei er 
ook aan deze zijde onzer oostelike grenzen Reurink's, R- 
rink's en Rrik's (dit is een versletene form) wonen. En dit 
zelfde is bet geval met den maagschapsnaam Hpink. Rrink 
en Hpink zijn oorbeeldige grensnamen. Wilbrenninck komt 
van Wilbrant. Even zoo heeft ook de eenvoudige mansvrnaam 
B r a n t oorsprong gegeven aan het patronymikon Brennink, 
versleten van Branding, Brandink. Dit patronymikon maakt 
ook deel uit van den samengestelden geslachtsnaam Brennink- 
meyer. De maagschapsnaam Roelvink, en ook Roolvink, 
moest eigenlik met eene in plaats van met eene v geschreven 
worden. Want deze naam is anders niet als het patronymikon 
van den mansnaam Roelf, Roolf, Rol f, Roelof, Rodlof, 
Rodolf, Rudolf. Stroink eindelik komt van den mans- 
vrnaam Stro, Strodo, waarvan ook de friesche patronymika 
f Stroma, Stroosma en Strooisma afgeleid zijn; zie 168. 
Voor wy overgaan tot het behandelen van andere patronymika , 
moeten hier nog twee zonderlinge en byzondere maagschapsnamen 
vermeld worden , die eveneens tot deze Saksische mtnamen be- 
hooren. Namelik : Gyseweenink en Janweenink. De lieden 
die deze namen , welke ook in de Saksische gouen van Gelderland 
inheemsch zijn, dragen, heeten eigenlik eenvoudig Weenink; zy 
zijn oorspronkelik Weeninken. Twee broeders uit de maagscbap 
Weenink, beiden met talrijk kroost gezegend, en naast eikan- 
deren wonende, droegen de voornamen Gise (Gijs, Gijsbert, 
Gyselb recht) en Jan. Ten einde nu die talryke kinderen der 



1 Meilink. Reerink, Roelvink, Stroink, Temmink en Temmiuek. 
Voetelink, Wassink en Waszink, Wilbrenninck, Wiltink en 
Weenink. 



VADERSNAMEN OP inlc UITGAANDE. 41 

twee gebroeders van elkanderen te onderscheiden , ten einde H a r- 
bert en Bartha Weenink van den eenen broeder te onder- 
kennen van Harbert en Bartha Weenink van den anderen, 
voegde men de vrnamen der vaders by de oude patronymika , 
en noemde deze jongelieden Harbert Giseweenink en Bartje 
Janweenink. En deze onderscheidingsnamen bleven in gebruik , 
gingen ook later op de kinderen van die Har b rechts en Bart- 
je s over , en werden eindelik vaste geslachtsnamen. 

Ten slotte nog een paar meenamen , bepaaldelik uit West- Vlaande- 
ren : Cnapelinck ook Cnapelynck (en, in den tweeden naamval 
Cnapelincx, Cnapelinck x), Gebberlinck, Ghellinck en 
Ghellynck, Plettinck, Slabbinck en Vlietinck. Ghel- 
linck is afgeleid van den mansvrnaam Geile, die nog heden 
in Friesland in gebruik is. Dit zelfde patronymikon komt ook 
nog voor in den samengestelden geslachtsnaam Gellinckhuy- 
sen, en in vele plaatsnamen; b. v. in Gellekom of Geil i- 
cum (Gellink-heim), een dorp in de Tielerweerd, Gelder- 
land. De geslachtsnamen Terlinck en Teirlinck zijn mogelik 
slechts het woord teerling (cubus , dobbelsteen) , in oude spelling. By 
de namen Cnap elinck, Plettinck en Vlietinck is de oor- 
spronkelike mansnaam niet zoo gemakkelik aan te toonen. Toch 
zijn het echte patronymika, en al vermelden de gewone lijsten van 
nederlandsche en friesche personennamen , van Wassenbergh, 
Leendertz en Brons geene mansnamen Knapele, Plet of 
Vliet," als men maar genoeg zoekt, vindt men die namen 
ook wel, en kan ze aantoonen. In den jare 1800 woonde er een 
man te Stramprode in Limburg, die den voornaam Vliet droeg; 
hy heette Vliet Kluizenaar 1 . F'rstemann vermeldt eenen 
oud-germaanschen mansnaam Plidulf; en in dezen samengestel- 
den naam is de enkelvoudige naamstam Plid, Vliet, waarvan 
het patronymikon Vlietinck, begrepen. 

17. In de zuidelike Nederlanden, bepaaldelik en vooral in 
West-Vlaanderen , zijn eenige geslachtsnamen inheemsch die den 
patronymikalen uitgang in den form ynck vertoonen. Deze schrijf- 



1 Ch. Creemeus, Aantecheningen over het dorp Stramproy ; Roermond, 1871 . bl. 53. 



42 VADEltSNAMEN OP ynck UITGAANDE. 

wyze der i als y berust op de uitspraak die in den tongval van 
dit gedeelte van Vlaanderen , met Zeeusch- en Fransch- Vlaanderen , 
gehoord wordt. Overigens verschillen deze yncknamen in geen 
enkel opzicht van de inch, ink- en mkamen. In den regel zijn 
het zeer oude namen , nog dagteekenende uit den tijd , toen de 
eenig goede regel gold: schrijf zoo als gy spreekt." Talrijk 
zijn deze eigenaardige oud-vlaamsche namen niet. Zie hier eenigen 
er van: Bellynck, Bullynck, Bultynck, Cnapelynck 1 . 
Het grootste deel dezer namen is gemakkelik te verklaren. Belle 
(Belke), Bulle (Boele), Halle, Kempe (Kempo, Kampo) 
en Wyte (Wite, Witte) zijn mansvrnamen die men heden 
nog in de friesche streken in gebruik heeft. Ghellynck is op 
de vorige bladz. reeds verklaard. Hebbelynck en Gyselynck 
zijn ontleend aan Hebbele en Gis el e, dat weer verkleinformen 
(Hebbelyn en Giselyn) zijn van d' oorspronkelike mansvr- 
namen Hebbe of Habbo en Gijs (Gijsbert), die nog wel als 
zoodanig by ons volk in gebruik zijn, vooral in Friesland. 

Opmerkelik is het dat deze eigenaardige westvlaamsche geslachts- 
namen in Friesland zoo hunne tegenhangers of wergaden hebben. 
Trouens , d' overeenkomst tusschen westvlaamsch en friesch is , 
ook in menig ander opzicht, merkweerdig groot. Naast den west- 
vlaamschen geslachtsnaam Bellynck hebben wy den frieschen 
maagschapsnaam Belling a. Even zoo Bullinga nevens Bul- 
lynck; Gelkinga (afgeleid van Gelke, Gelleken, de kleen- 
gedaante of verkleinform van Geile) by Gh elly nek; Hallinga 
naast Hallynck, Kempinga naast Kempynck. En nevens 
Wytynck , voor zoo verre my bekend is , toevallig wel geen Witin- 
g a , maar toch wel een Wytema en Witema, eveneens patrony- 
mikale geslachtsnamen , zy het dan ook in anderen form , met 
fHwytnyngha in het Oud-friesch , en W h i t i n g in 't Engelsch. 
Zoo als men zien kan aan dezen als voorbeeld vermelden ouden 
geslachtsnaam Hwytnyngha, die in de hedendaagsche spelling 
als Witteninga zoude geschreven worden, werd oudtijds in 
Friesland de i van den uitgang ing, in dit geval inga, ook wel 



1 Ghellynck, Gyselynck, Hallynck, Hebbelinck en Hebbelynck, 
(Hebbelynckx komt ook voor), Hellynck enHellinckx, Merghelynck, 
Kempynck, Wytynck. 



AAUDRIJKSKUNDIGE GESLACHTSNAMEN OP eng UITGAANDE. 43 

als eene y gesebreven en gesproken , even als in het hedendaagsche 
Westvlaamsch. Immers ook de hedendaagsche friesche geslachts- 
namen Beninga, Homminga, Idsinga, enz. komen in oude 
geschriften als Benyngha en Benynghe, als Hummyngha 
en Idsyngha voor. 

De behandeling dezer patronymikale geslachtsnamen op ing en 
ink uitgaande , mag niet gesloten worden , zonder dat hier nog 
kortelik gewezen worde op het oude frankisch-nederduitsche woord 
eng of enk , dat volgens Van Dale's Nieuw Woordenboek der neder- 
landsche taal beteekent: eene omheinde of afgeslotene streek wei- 
land." Zoo als te verwachten is, komt dit woord wel als plaats- 
naam , ook in samenstellingen voor. Als voorbeelden noemen wy : 
de heerlikheid den Engh en de ridderhofstad den Engh, de 
eerste in Linschoten , de tweede in Vleuten , beide gemeenten van 
het Sticht van Utrecht; de havesate Enghuizen in de geldersche 
gemeente Hummelo , het gehucht Westeneng in de geldersche 
gemeente Ede , enz. En evenzeer als plaatsnamen , zoo bestaan er 
ook enkele maagschapsnamen uit dit woord, of zijn daar mede 
samengesteld; b. v. Van Eng, Van den Engh, Westenenk, 
Buiteneng, Boeienk, G-rooteneng, enz. De vermelding en 
behandeling dezer eenvoudige en duidelike namen had eigenlik moeten 
geschieden in die afdeeling van dit werk, waar de geslachtsnamen 
van aardrijkskundigen oorsprong hunne plaats vinden, en waar 
deze eng- en m/cnamen dan ook volgens recht toebehooren. Ja, 
maar toch heb ik juist te dezer plaatse d' opmerkzaamheid op deze 
kleine groep van aardrijkskundige namen willen vestigen , omdat 
velen onzer .oude nederlandsche taalkundigen , vooral onzer tal- 
vyke (onberoepene) naam- en woord-afleidkundigen , den patrony- 
mikalen uitgang ing of ink , in plaats- en geslachtsnamen , ver- 
warren met het woordje eng of enk. De verwisseling van d' onvol- 
komene e vr n met d' onvolkomene i vr n (b. v. brengen en 
bringen) , aan vele nederlandsche gouspraken eigen , gaf hier toe 
gereede aanleiding. Toch heeft in der daad dit woord eng met 
den uitgang ing in het geheel niets te maken, al wil ook heden 
nog wel deze of gene beunhaas" op het gebied der nederlandsche 
taal , de ing- en mi-namen van d' eng- en en/c-namen afleiden , en 
al is zelfs deze meening nog steeds zeer verbreid by 't nederlandsche 



44 VADERSNAMEN IN DEN TWEEDEN NAA.MVAL. 

volk, voor zoo verre het dan over den oorsprong en de beteekenis 
der namen eens nadenkt. 

18. Eene byzondere groep van geslachtsnamen wordt geformd 
door die patronymika, welke achter den uitgang ing nog het 
aanhangsel son , sen of eene enkele s vertoonen. Die s is hier an- 
ders niet als het kenmerk van den tweeden naamval waarin het 
woord of de naam staat. Het zijn dus namen die te gelijker tijd 
de kenmerken vertoonen der oude en der nieue patronymikale for- 
men ; zie 4 , 5 en 6. In taalkundig opzicht kunnen zy ter nauer nood 
verdedigd of goedgekeurd worden. In hunnen hedendaagschen , 
dubbelen form zijn zy ongetwyfeld ontstaan in den tijd toen men 
de beteekenis van den uitgang ing niet meer kende, dien uitgang 
niet meer verstond. Dat ontstaan moet verklaard worden op deze 
wyze : een man heette Leendert en droeg den toenaam van 
Hemming, een oud patronymikon , ontleend aan den vrnaam 
van zynen stamvader He mm o. De vader, grootvader en nog menig 
oudvader van Leendert hadden allen reeds dat patronymikon 
als vaste toenaam gedragen. Door de eene of andere byzondere 
omstandigheid, misschien ter onderscheiding van andere mannen 
in de onmiddellike omgeving van Leendert Hemming, die 
eveneens Leendert heetten, werd onze man in het dageliksche 
leven door zyne buren , vrienden en verdere tijdgenooten niet by 
zynen voornaam Leendert genoemd , zoo als anders gabruikelik 
was , maar by zynen toenaam H e m m i n g. Weldra kende byna 
niemand hem anders als by den naam He mm ing, en raakte 
zijn voornaam Leendert haast geheel vergeten. Hemming's 
zoon Rutger die in den tijd leefde toen de gewoonte in zwang 
kwam om den voornaam van den vader, in den tweeden naam- 
val , met of zonder zoon daar achter , den zoon als toenaam te 
geven , Hemming's zoon Rutger noemde zich dien ten gevolge 
dan ook niet Rutger Leenderts zoon, of Rutger Leen- 
dertssen, of Rutger Leenderts, zoo als het volgens recht 
zijn moest, maar Rutger Hemming's son (zoon). Hy maakte 
zich een patronymikon als toenaam, naar de gewoonte van den 
tijd waarin hy leefde. Echter niet van zijn vaders voornaam, maar 
van het oude patronymikon dat eigenlik zijn vaders toenaam was, 



VADERSNAMEN IN DEN TWEEDEN NAAMVAL. 45 

ofschoon het in de plaats van den voornaam gebruikt werd. En 
de kinderen van Rutger Hemmingson (de twee letters s van 
Hemrnings son , in d' uitspraak niet afzonderlik te hooren , smolten 
in geschrifte al spoedig tot eene s samen) behielden hun vaders toe- 
naam ook als hunnen toenaam aan. En zoo werd in verloop van 
tijd dat Hemmingson een vaste geslachtsnaam, zoo als het nog 
heden is. In plaats van dit son of zoon er achter te voegen , nam 
men het vaderlike patronyrnikon ook wel eenvoudig in den twee- 
den naamval als toenaam aan. En zoo kwam b.v. van het oude pa- 
tronyrnikon Alink, de toenaam Alinks (voluit des Alinks 
zoon), nog heden als geslachtsnaam by ons voorkomende. Strikt ge- 
nomen wil Hemmingson zeggen : zoon van den zoon van H e m m e; 
en Alinks , zoon van den zoon van Al e. Men gevoelt dat deze naam- 
f ormen eigenlik monsters , misbaksels zijn , in strijd met het wezen 
der taal. Zy konden dan ook slechts gemaakt worden en in gebruik 
komen, toen men de oude patronymika niet meer verstond; toen 
het volk niet meer wist dat Hemming en Alink reeds zoon van 
Hem me, zoon van Al e beteekenden; toen men de kracht van 
dat ing niet meer gevoelde. 

Hemme en Ale, waar van bovengenoemde patronymika ont- 
leend zijn, komen by de hedendaagsche Friesen nog dikwijls als 
mansvrnamen voor. 

Zulke dubbelde patronymika zijn niet aleen in de Nederlanden, 
maar evenzeer in Engelland , en ook wel in Duitschland , vaste ge- 
slachtsnamen geworden. Zie hier eenigen , die nog heden als 
nederlandsche maagschapsnamen in gebruik zyn : Beerlings, 
Bennigsen (oorspronkelik Benningsson, Benning's son, 
zie bl. 28). l Deze patronymika zijn ook allen weer van mansvr- 
namen afgeleid, waar van eenigen nog in gebruik zijn: Bruno,Otto. 
Anderen komen nog in Friesland voor : Boie, Benne enz. E 1 d e r t 
is ook nog bekend. En Thiadbern, waar Tjaberings van 
afkomt , is een oud-friesche mansnaam , die voor een paar eeuen 
nog in de friesche streken tusschen Eems en Weser voorkwam. 
De overige namen kan men in Frstemann's Namenbuch nasporen. 



1 Bruinings, Boyungs, Eldringson, Ewings, G eerlings, Hey- 
mingson, Lammingsen, Meriugs, Ottings, Schellings, Sillings, 
Snellings, Stuvinghs, Tellings, Tjaberings, Tolings, "Warrings. 



46 VADEKSNAMEN IN DEN TWEEDEN NAAMVAL. 

19. Als in eenig woord eene k en eene s onmiddellik op 
elkanderen volgden , dan vervingen de oude Nederlanders , in hun 
schry ven , die twee letters meestal door eene x. Zoo schreven zy 
b. v. de woorden : des konings brug , des honinks brugge , als sconincx 
brugghe ; monniks-kleren als munnicx ghewaed. Ook by 't boekstaven 
hunner eigennamen handelden zy zoo, en schreven Feddrixma 
en Haaxbergen, welke namen wy tegenwoordig beter als Fed- 
driksma en Haaksbergen spellen. In sommige eigennamen 
bleef die x tot den dag van heden in gebruik ; b. v. in den 
frieschen geslachtsnaam B 1 i n x m a , dat is Blink-sma, en be- 
teekent : zoon van Blink e. Deze naam is weer een verkleinform 
(B 1 i n - k e) van den oorspronkeliken mansvrnaam B 1 i n , die by 
Frstemann als Blion, Bliun voorkomt. Verder in de friesche 
plaatsnamen Boxum, Waaxens, enz. Ook schreef men voor 
weinig jaren nog algemeen Boxtel, Axel, Nibbixwoud; 
thans meer Bokst el, Aksel, Nibbikswoud, zoo als 't ook 
beter is. Vooral in de zuidelike Nederlanden zit die x in menige 
eigennaam nog vast in den zadel; b.v. in Dixmude, Exaerde, 
Sint-Antelinckx, namen die men in de nieuste spelling ook als 
Dyksmuiden, Eksaarde, Sint- Antelinks boekstaaft. En zoo 
vinden wy in de zuidelike Nederlanden , vooral in Vlaanderen , 
die geslachtsnamen , welke eigenlik zijn op ink (inck , ynck) eindi- 
gende patronymika , in den tweeden naamval , meestal met eene 
x geschreven; b. v. Bollinckx, Bruyninckx, Cnape- 
lihckx, Daggelinckx, 1 enz. Ook deze patronymikale ge- 
slachtsnamen zijn natuurlik allen weer aan mansvrnamen ont- 
leend. Het zuidnederlandsche Bruyninckx verschilt slechts 
in spelling van het noordnederlandsche Bruinings, maar 
komt er in oorsprong en beteekenis volkomen mede overeen. De 
maagschapsnamen Duerinckx en Tuerlinckx stammen af van 
eenen en den zelfden mansvrnaam; namelik van Dure, Ture, 
Thuro. Deze naam was reeds by de- Gothen in gebruik im- 
mers Thuro was een gothische bevelhebber , en ook het land 
Thringen in Duitschland ontleend zynen naam van dien mans- 



1 Bierinckx, Buelinckx, Freliiickx, Hebbel ynckx, Hellinckx 
en Hellynckx, Tloninckx, Kranincx, Noniackx, Ooninckx, Pu- 
lincx, Ruytinckx, Snellinx, Suriux, Ratinckx. 



VADERSNAMEN IN DEN TWEEDEN NAAMVAL. 47 

vrnaam. T u e r 1 e , de naamsform die aan het patronymikon 
Tuerlinckx ten grondslag ligt, is oorspronkelik anders niet 
als een verkleinform (Turlyn) van Ture. Ook in Friesland tref- 
fen wy dezen ouden mansvrnaam nog aan in geslachts- en plaats- 
namen. Te weten in de geslachtsnam en Duursma, Duursema, 
During en Duurs, nevens Drigen en Von Dringsfeldt 
in Duitschland. Verder in Duurswolde, zoo als een dorp heet in 
Opsterland (Friesland) , en eene landstreek in Fivelgo (Groninger- 
land). D ring en is de naam van een dorp by Bremen. Van 
den verkleinform D u u r k e (het zelfde als T u e r 1 e , maar in 
andere gouspraak) stamt de groninger geslachtsnaam Duurkens, 
en de plaatsnaam Duurkenakker, een gehucht by Muntendam 
in Groningerland. De geslachtsnamen Cnapelinckx, Hebbe- 
lynckx, Ratinckx, of liever de mansvrnamen die er aan 
ten grondslag liggen , zijn op bl. 41 , 42 en 37 reeds besproken. Hel- 
lynckx en Hellinckx hebben hunne tegenhangers in de friesche 
patronymikale geslachtsnamen Hellinga en Hellenga. Verder 
in Hellynck, Hellink, Helling en Hellings, en in den 
samengestelden maagschapsnaam Hellinghuizer. Al deze pa- 
tronymika zijn afgeleid van den oud-germaanschen mansvrnaam 
Heil o , die in Frstemann's Namenbuch vermeld wordt , en die tevens 
oorsprong gaf aan vele andere geslachts- en plaatsnamen. Te weten aan 
Hellema en Helma, Hellen en Helles; aan Helium, een 
dorp in Fivelgo , en aan H e 1 w e r t , een gehucht by Rottum in Hun- 
sego, beide in Groningerland ; aan Hellingen, een dorp in Luxem- 
burg ; aan Hellinghen, een gehucht by Hrinnes-lez-Enghien 
in Henegou ; aan Hellinghill in Northumberlahd (Engelland) ; aan 
Hellinghausen, een dorp by Lippstadt in Westfalen, enz. In 
Snellinx en in 't eveneens voorkomende Snellings vinden we 
het patronymikon van den oud-germaanschen , in Friesland nog een 
enkele keer voorkomenden mansvrna&m Snello, Snel, die ook 
oorsprong gaf aan de geslachtsnamen Snellen en Snellens, 
en, in verkleinform, aan Sn eitjes, alle drie fcweede-naamvals- 
formen, en zoon van Snello beteekenende. Ook aan de plaatsnamen 
Snelleghem (dat is eene samentrekking van S n e 1 1 i n g-h e m , 
Snelling a-h e i m) een dorp in West-Vlaanderen , en S c h n e 1- 
1 i n g e n , een dorp by Haslach in Baden. Eenen tegenhanger van 



48 VADERSNAMEN MET EEN VOORVOEGSEL. 

den vlaamschen geslachtsnaam Surinx vinden wy in den frie- 
schen , in Groningerland inkeemschen geslachtsnaam Sur in ga. 
Verder in Shring, dat ik te Bremen vond; in het geldersche 
S u r i n k ; in 't afgesletene , te Antwerpen voorkomende Suerickx 
(dat is oorspronkelik ook Suerincks); en hoogst waarschijnlik 
ook in het nog meer versletene Sury en Sur ie. In den samen- 
gestelden geslachtsnaam Suringbroek komt dit patronymikon 
almede voor. En Sren enSuersen, namen van buitenlandschen , 
westfaalschen en noordfrieschen oorsprong, maar die ook in Neder- 
land voorkomen , zijn eveneens patronymika van den ouden , buiten 
gebruik gestelden mansvrnaam Suur, Sur e. Deze naam is 
slechts eene samentrekking van den vollen form Suder, Sud- 
h a r i , een oud-germaansche mansnaam , die blykens de heden- 
daagsche friesche geslachtsnamen Zuiderma en Zuidersma 
oudtijds ook door Friesen gedragen werd. De stamform van den 
mansnaam Sudhari (Suder, Sur e) is Sudo, die in Frste- 
mann's Namenbuch vermeld wordt , en oorsprong gaf aan de friesche 
geslachtsnamen Sudinga (in Oost-Friesland inheemsch) , Z ui- 
ding a (in Drente), Suiding, Suydema, Suidema en Z ui- 
de m a , allen patronymika. Het patronymikon van den mansnaam 
S u d h a r vind ik reeds in de middeleeuen , ook in Vlaanderen ; 
Laureins Zuerinc was een poorter van Brugge , ten jare 1320 1 . 
In eene oude oorkonde vind ik nog dat ten jare 1328 zekere 
Jan Geylincx burger was der stede Geraertsbergen in Vlaan- 
deren. Dat jaartal moet ongeveer de gemiddelde tijd voorstellen 
waarin deze zonderling geformde dubbelde patronymika eerst op- 
gekomen zijn. In de zuidelike Nederlanden mag dit ook nog wel 
eene eeu vroeger voorgekomen wezen , even als in de noordelike 
gewesten eerst een honderdtal jaren later. 

20. Eene kleine groep van geslachtsnamen wordt geformd 
door eenige oude patronymika , die vr den oorspronkeliken mans- 
vrnaam , waarvan zy afgeleid zijn , nog een voorvoegsel ver- 
toonen , bestaande uit de woorden groot of klein , oud of nieu. B. v. 
de geslachtsnamen Groot nibbeling, Kleinstarink, Oude- 



1 Zie Ad. Duclos, Reivaart, Brugge, 1882, bl. 56. 



VADERSNAMEN MET VOORVOEGSELS. 49 

wesseling, Nyemanting, ook wel, en beter, Groot-Nib- 
beling, Klein-Starink, Oude- Wesseling , Nye-Man- 
ting geschreven. Deze geslachtsnamen zijn niet onmiddellik ont- 
leend aan patronymika , die als toenamen van personen in gebruik 
waren , zoo als dit met alle andere tot hier toe vermelde patro- 
nymikale geslachtsnamen wel het geval is. Zy zijn onmiddellik ont- 
leend aan de namen van boerenerven of hoeven ; en eerst in de 
tweede plaats of middellik aan de oude patronymikale toenamen 
der geslachten welke deze erven in eigendom bezaten en bewoonden. 
Zie bl. 23. Het ontstaan dezer geslachtsnamen had op de volgende 
wyze plaats. De boer G er lof Eitinge, die zynen patronymikalen 
toenaam ontleende aan den naam van zynen voorvader Eite, en 
die , even als zyne voorouders , geslachten en geslachten vr hem , 
het erve Eitinge, zoo genoemd naar den eigenen toenaam van 
zijn geslacht , in eigendom bewoonde , die drentsche boer G e r 1 o f 
Eitinge had twee zoons. De oudste daar van erfde, naar vaste 
zede , die voorouderlike bezitting. Maar , ten einde den jongsten zoon , 
wien hy misschien eene byzondere liefde toedroeg , eenigszins schade- 
loos te stellen, nam de oude Ge r lof nog by zijn leven een deel 
van de landeryen af van het oude erve , boude daar op een huis , 
en schonk dit nieue gedeelte dien tweeden zoon. Nu waren er twee 
afzonderlike landhoeven Eitinge naast eikanderen; beiden ook 
door eenen Eitinge bewoond. Niets natuurliker dus, dan dat 
men , ter onderscheiding , het eene , het oorspronkelike erve met 
den naam Groot-Eitinge noemde , en aan het andere den naam 
Klein-Eitinge gaf. En deze namen gingen van de hoeven weer 
zeer gereedelik over op de bewoners er van , die beiden oor- 
spronkelik reeds Eitingen waren , maar nu Albert Gerlofs 
Groot-Eitinge en Meindert Gerlofs Klein-Eitinge ge- 
noemd werden. Of een andere (ditmaal een geldersch- of liever 
zutfensch-saksische boer , noemen we hem Garrit Bekkink) 
ontgon een heideveld dat aan zyne landeryen paalde. Hy boude 
daar een huis , en richtte alles tot eene nieue hoeve in , voor 
eenen zyner zonen , om de zelfde reden als boven opgegeven is. 
Natuurlik moest die nieue hoeve ook den ouden naam Bekkink 
dragen ; ze was immers , als 't ware , een uitvloeisel van het oude 
erve Bekkink, en werd ook door eenen Bekkink bewoond. 

4 



50 VADERSNA.MEN MET EEN VOORVOEGSEL. 

Maar ter onderscheiding noemde men het eene erve O u d - B e k- 
kink, het andere Nieu-Bekkink, en ook deze namen gingen 
weldra op de bezitters dier hofsteden en op hun nageslacht als 
vaste toenamen over. 

Het getal dezer eigenaardige geslachtsnamen is niet groot, en 
zy zijn slechts in de Saksische gouen van ons land , in Drente , 
Twente en de graafschap Zutfen inheemsch. In Friesland komen 
oude patronymika, met de voorvoegsels oud en nieu, groot en 
klein , en door de zelfde of soortgelyke oorzaken , als hier boven 
vermeld is, in het leven geroepen, ook wel voor als namen van 
staten en saten ,. van edelmans- of boerenerven ; b. v. Groot- 
Aysma, KI e in-D on ia, Oud-Hem m inga en Ny-Hemmin- 
g a , enz. Maar zulke plaatsnamen , met die voorvoegsels verbon- 
den , zijn daar nooit als toenamen van personen in gebruik gekomen , 
noch tot vaste geslachtsnamen geworden , zoo als in de Saksische 
gouen wel het geval geweest is. 

De volgende geslachtsnamen stellen deze groep samen : 1 d e n- 
Banning, Nyen -Banning, Ool-Bekkink. 1 De formen old 
en ny in deze namen , in plaats van oud en nieu , geven getuigenis 
van het volk van saksischen stam , waar by deze namen eerst ont- 
stonden. Ooi, by Ool-Bekkink, beeldt de eigenaardige 
uitspraak af van het woord old, zoo als dat by eenige Saksische 
stammen , aan de oostelike grenzen van ons land gezeten , gebrui- 
kelik is; zie 156. 

Al deze patronymika zijn weer van oud-germaansche mansvr- 
namen ontleend. By de namen Olde-Bronninge, Ny-Ho- 
ving, Olden-Huising zoude men misschien wel aan eene oude 
bron of put, aan een nieu hof of een oud huis denken. Toch 
schuilen ook in deze namen echte mansvrnamen. Huising van 
Huso is op bl. 29 en 30 reeds besproken. Bronninge en Ho- 
ving komen van Bronno en Hove, Houe, Haue, namen 
die in Friesland nog in gebruik zijn , en waarvan ook de friesche 
patronymikale geslachtsnamen Bronninga, HovingaenHoven- 



1 Klein-Bentinck, Olde-Bronninge, Klein -Buddiug, Klein-Bus- 
sink, Olde-Dubbelink, 01de-Eitinge,Ny-Hoving,01den-Huising, 
Nye-Manting.Groot-Nibbeling.Klein-Starink.Klein-UbbinkjOl- 
den-Waving, Olden-Wening, Klein-Hiddink, Klein-Wiecherlink. 



VADERSNAMEN MET EEN ACHTERVOEGSEL. 51 

ga ontleend zijn, met Bronnema, Bronkema, Bronsema, 
Brondsema, Brontsema en Brons, Hoving en Ho f ma. 

Opmerkelik, maar gemakkelik te verklaren is het dat men, 
naast bovengenoemde samengestelde patronymika, ook de enkel- 
voudige formen dier namen als geslachtsnamen in gebruik vindt. 
Zoo bestaan in Drente, nevens 01 den- en Nyen-Banning, 
Nye-Manting, Ny-Hoving, Ny-Huising, Olden-Wening 
en 01de n-W a v i n g de geslachtsnamen Banning, Manting, 
Hoving, Huising, Wening en Waving. Elders weer nevens 
Ool-Bekkink, Klein-Bentinck, Klein-Budding, 01de- 
Dubbelink, Klein-Starink en Klein-Ubbink de enkel- 
voudige namen Bekkink, Bentinck, Buddingh, Dubbe- 
link, Sta rink en Ubbink. 

Dubbelink, in Friesland als Dubblinga voorkomende, is 
een patronymikon , waar van de oorspronkelike mansvrnaam niet 
zoo gemakkelik aan te wyzen is. Die oorspronkelike naam is Diet- 
bolt in oud-saksischen , Thiebald of Thiebaut in oud-franki- 
schen form; voluit Theodbald. Door verzachting en afslyting is 
die naam in den loop der eeuen by het nederlandsche volk tot 
Dubbelt, Dubbel, Dobbel geworden. In Friesland komt hy 
nog heden ten dage in den form Dubbelt, als mansnaam' voor. 
Dubbelink (ook eene havesate in Tweiite draagt dien naam) is 
dus een versletene form van 't oorspronkelike Tbeodbalding. 

21. Naast deze groep van patronymikale geslachtsnamen met 
een voorvoegsel , bestaat er ook eene groep van zulke namen 
waar een aanhangsel achter gevoegd is , en wel 't een of ander 
gemeen-zelfstandig naamwoord, meestal huis of hof. Een huis of 
eene landhoeve , die soms eeuen lang door n en het zelfde ge- 
slacht in eigendom bezeten en bewoond is , neemt gereedelik den 
naam van dat geslacht als eigennaam aan, en wordt dan Mei- 
ninghuis genoemd of Rogerinkhof, naar de geslachten Mei- 
ning of Rogerink, waaraan ze toebehooren. Kwam nu dit 
Meininghuis of dit Rogerinkhof later in andere handen , 
en wel van iemand die b. v. slechts Evert Janszoon heette, 
maar die geen afzonderliken geslachtsnaam had , dan ging de oude 
naam van huis of hof wel op den nieuen eigenaar over , en werd 



52 VERLAT YNSCHTE VADERSNAMEN. 

hy weldra Evert Jansen Meininghuis of Evert Jansz. 
Bogerinkhof genoemd , welke naam dan later tot een vaste 
familienaam van zijn nageslacht werd. 

Deze patronymikale geslachtsnamen met een achtervoegsel zijn 
dus , even als die van de voorgaande groep , eigenlik plaatsnamen 
en slechts middellik aan eenen mansvrnaam ontleend , even als dezen. 

Talrijk zijn deze geslachtsnamen in de Nederlanden niet. In 
Duitschland komen zy meer voor; b. v. Ellinghaus (als Van 
Ellinckhuyzen in Nederland voorkomende), Bellingrath, 
Collinghorst. En nog veel meer inEngelland: Bolingbroke, 
Carlingford, Paddington, Elkingham. De volgenden zijn 
my in de Nederlanden voorgekomen: Barlinckhoff, Bruy- 
ninghuys, Bruininkweerd. 1 Deze namen zijn allen met ware 
patronymika samengesteld , die wel geen naderen uitleg behoeven , 
na alles wat daaromtrent reeds is medegedeeld. De byzondere schrijf- 
wyze van den naam G u s s e n k 1 o , die op redelike gronden niet 
verdedigd worden kan , dankt haar ontstaan aan den wensch om 
de lettergrepen van dezen naam wel te onderscheiden, om wel te 
doen uitkomen dat het Gussenk-lo is (Gussink-loo ware 
nog beter), en niet iets anders, b. v. Gussen-klo; wat trouens 
ook geen verstandig mensch zal meenen. Zie bl. 33. 

22. Eene kleine groep van nederlandsche geslachtsnamen om- 
vat oude vadersnamen met eenen latynschen uitgang. Van dezen 
noemen wy: Gardingius, Grevinchovius, Hachtingius. 2 
Grevinchovius is verlatynscht van Grevinkhof, een ge- 
slachtsnaam tot de voorgaande groep behoorende. Over Hachtin- 
gius zie menbl. 34; over Hallungius bl. 36 en 42. Hundlin- 
gi u s heeft den oud-germaanschen mansvrnaam Hundo, Hunt, 
H o n t tot oorsprong , en wel in verkleinform als H u n d 1 e , H o n- 
delyn. Van Hundle, Hondele zijn ook nog de geslachts- 



1 Edixhoven (Edinksho ven), Frel inghuy sen, Gussenk'lo, Hen- 
nixdael, Haslinghuis, Heusinkveld, Nunninghaven, Olminkhof, 
Poppinghuis, Renningkoff, Ridderikhof (Ridderi nkhof), Rot- 
tingkuis, Schor tinghuis, S uring broek, (zie bl. 48), Wanninkhof, 
Wellinghuy sen, "Wiggelinkhuizen , Wittinghoff , Ysevinkhuizen. 

2 Hallungius, Hundlingius, Olin'gius, Reddingius. 



FRIESCHE VADERSNAMEN OP inga UITGAANDE. 53 

namen Hondelink, Hndling en Hondela, de twee laat- 
sten in Oost-Friesland voorkomende, afgeleid. En van den mans- 
naam Hunt in zynen oorspronkeliken form : de geslachtsnamen 
Hondinga in Groningerland (Hondinga-sate is te Pieterburen 
in Hunsego), misschien ook het verlatynschte Hondius in Hol- 
land, Hunting in Friesland en Engelland, met Hun ding en 
Huntington eveneens in Engelland. En van de zeer talryke 
plaatsnamen van dezen ouden mansnaam afgeleid , noemen we slechts 
Hondeghem (Hondinga-heim), een dorp in Fransch- Vlaande- 
ren ; Hunting, een dorp in Lotharingen; Huntingdon in 
Engelland ; Hndlingen, een dorp in den Elsasz , enz. 

23. In de oude friesche taal gaan vele woorden , die in de 
andere nederlandsche talen en tongvallen , 't zij dan Saksische of 
frankische , op eene toonlooze e eindigen , of ook zonder openen 
uitgang zijn , op eene a uit. Zoo luidt ook de uitgang ing (inge , 
inh) der vadersnamen , die overigens aan alle nederlandsche gou- 
spraken , ja aan alle andere germaansche talen eigen is , in het 
Friesch als inga. En deze a is ook geheel het eenige wat de friesche 
patronymika onderscheidt van andere vadersnamen , in de andere 
nederlandsche gewesten voorkomende. Even als dezen zijn de friesche 
patronymika louter van mansvrnamen , natuurlik meest van 
friesche mansvrnamen afgeleid. Even als dezen komen ze ook 
heden ten dage voor in verschillende spellingen , en op verschil- 
lende wyzen saamgetrokken of versleten. Ook zijn de friesche va- 
dersnamen van zeer ouden oorsprong. Reeds in de 9de eeu vinden 
wy het geslacht Cammingha, nog heden bestaande, vermeld. 
Intusschen zulke patronymika zijn ongetwyfeld nog veel ouder. 

De oude friesche patronymika zijn in grooten getale als hedendaag- 
sche geslachtsnamen in leven en gebruik gebleven. Zy zijn over de 
geheele hedendaagsche provincie Friesland verspreid. Tot dat gewest 
uitsluitend beperkt , zijn zy echter geenszins. Even als de andere 
friesche op a eindigende geslachtsnamen (nieuere patronymika en 
andere formen) komen ze even zeer voor in de oud-friesche landstreken 
tusschen Lauers en Eeins en Weser, in het hedendaagsche Gro- 
ningerland en Oost-Friesland. Daar zijn deze namen van ouds her 
even zoo inheemsch en volkseigen als bewesten Lauers. In laatst- 



54 FRIESCHE VADERSNAMEN OP inga UITGAANDE. 

genoemde landstreek (het nederlandsche Friesland) zijn ze niet ge- 
lijkmatig over het geheele land verspreid. In Oostergo en Westergo 
komen zy veel talryker voor dan in de Zeven wouden. 

Hier volgen eenige oud-friesche vadersnamen , die allen den 
zuiveren ouden form op inga eindigende, vertoonen: Abbinga, 
Benninga, Bottinga 1 . Deze namen komen, met zeer vele 
anderen soortgelyken , nog heden als geslachtsnamen in de friesche 
landstreken van Nederland voor , en zijn ook allen ontleend aan 
mansvrnamen , die nog heden by de Friesen in volle gebruik 
zijn. B. v. aan Abbe, Benno (Binne) (zie bl. 28), Botte, 
Gau (meest in verkleinform als Ga uk e, Gouke voorkomende), 
Ubbo ofObbe, enz. 

Eenige friesche geslachtsnamen op inga uitgaande , stammen 
van mansvrnamen af, die geenszins zoo gemakkelik zijn aan te 
wyzen als by de bovenvermelde namen het geval is. De mansnamen 
waar de volgende vadersnamen van zijn afgeleid , komen of slechts 
in zeer versletenen form voor , of ze zijn by de Friesen in het geheel 
niet meer in gebruik. Zulke geslachtsnamen zijn b. v. Eckringa, 
Folkeringa en Folkringa, Kleveringa en Cleveringa 3 . 
Eckringa is voluit Eckhardinga, en afgeleid van den mans- 
naam Ekhart, Ekkehart, Eckart, die in Duitschland nog wel 
in gebruik is. Folkringa is oorspronkelik 7 Fuikhar dinga , 
van Fuikhar t, Folkert. Kleveringa en Cleveringa 
is saamgetrokken en versleten van Klefhardinga, het friesche 
patronymikon van den oud-germaanschen mansnaam Klefhart, 
Cleffehart, die weer eene samenstelling is van den nog oude- 
ren enkelvoudigen naam Cleffo, Cl af f o en van den naamstam 
Hart. Even als Fulkhart (Folkert) van Fulco (Folke) en 
H ar t ; Ekhart (E k k e r t) van Ekke, Ecco en Hart; Eikhar t 
(Richard, Rykaert) van R i c o of R ij k en Hart. Hoe oud die 
naam Cleffo of Claffo reeds is, kan men in F'rstemann's Namen- 



1 Dotiuga, Ebbinga, E pp inga, Fecldinga, Fokkinga. Ga uw inga, 
Hettinga, Hoitinga, Ypinga, Kemp inga, Let 1. inga, Menninga, 
Nanninga, Ockinga, Ouwinga, Poppinga, Reininga, Sibinga, Sik- 
kinga, Tamrainga, Ubbinga, Wybinga. 

2 K r u i s i n g a met K r u i z e n g a en K r o e z i n g a , M u i s c h e n g a en Mus- 
schenga, Plantinga en Plantenga, Vitringa. 



FRIESCHE VADERSNAMEN OP inga UITGAANDE. 55 

buch opzoeken. Hy was reeds by de Longobarden in gebruik. Immers 
Claffo, zoo heette de zesde, en Cleph ('t welk de zelfde naam 
is in eene andere spelling) , de elfde koning van dat oud-germaansche 
volk. Ook de beteekenis van dezen naam leert Frstemann te zoeken 
in bet oud-hoogduitsche woord klaphon , in bet oud-noordscbe woord 
Jclappa , waar bet begrip van slaan , stooten in ligt opgesloten , en 
waar ook bet woord anaklaf, dat aanval beteekent, van afge- 
leid is. Die oude woorden hebben dus eene krijgshaftige beduide- 
nis. Maar ook het hedecdaagsche woord kleven , ofscboon nu slechts 
in eene zeer gewyzigde beteekenis in gebruik , zal er wel oor- 
spronkelik mede samen hangen. Yan den mansnaam Klefhart, 
Klevert zijn niet enkel de twee bovengenoemde byzonder-friesche 
patronymika ontleend , maar ook de vadersnamen in algemeenen form 
Klever ing en Clevering, benevens het nog meer samengetrok- 
kene Cleringa en Kiering, alle vier nog hedendaagsche geslachts- 
namen. Opmerkelik is het dat al deze zes zoo na verwante ge- 
slachtsnamen in Groningerland inheemsch zijn. Zeer waarschijnlik 
stammen al deze nu verschillende geslachten van n en het zelfde 
oorspronkelike geslacht Klefhardinga af, en dus ook van n 
en den zelfden stamvader Klefhart, die dan de eerste grond- 
vester was van de sat Cleveringa-heert te Uithuizen in 
Hunsego. Het schijnt dat een tak van dit oud-friesche geslacbt , of 
misschien een enkele man er van , deelgenomen heeft aan den ge- 
meenschappeliken uittocht van Angelen , Saksen en Friesen naar 
Groot-Brittanje. Wy vinden altbans dit zelfde patronymikon , in 
den form Clavering, nog beden ten dage als de naam van een 
engelsch geslacht. Van Cleffo is de hedendaagsche geslachtsnaam 
(friesch patronymikon in nieueren form) Kleefsma ook afkom- 
stig, en van den verkleinform Kleefke de geslachtnaam Kleef- 
kens. Deze zelfde mansnaam gaf ook oorsprong aan den plaats- 
naam KI effens (dat is waarschijnlik eene samentrekking van 
Kleffingen), zoo als een gehucht heet by 't dorpke Raart in 
West-Dongeradeel by Dokkum. En weer door middel van dien 
plaatsnaam aan den naam van het in Oostergo gezetene geslacht 
Van Kleffens, waar van de voorouders, omstreeks het midden 
der vorige eeu , als landeigenaars op de sat Kleffens woonden, 
en toen dien geslachtsnaam aannamen. Nog zijn my als plaatsna- 



5 6 FRIESCHE VADERSNAMEN OP Wga EINDIGENDE. 

men , aan den mansnaam K 1 e f h a r t ontleend , bekend : Cleverns, 
een dorp in Jeverland (Oldenburger Friesland); Klieverink, 
eene havesate by Oldenzaal in Twente, en Kleverskerke, een 
dorp op 't eiland Walcheren. 

Dat de geslachtsnaam Vit r inga het patronymikon is van eenen 
mansvrnaam die niet slechts tot onkenbaarheid toe versleten en 
ingekrompen , maar die tevens verkeerd gespeld is , blijkt uit de 
letter v , waarmede deze naam begint. Die v is , als beginletter van 
eenig woord , in de friesche taal volkomen onbekend. De Friesen 
kunnen die letter op die plaats in het geheel niet uitspreken. Als 
beginletter spreken zy , en schryven dus zeer te recht ook , eene 
, waar de Hollanders en andere Nederlanders eene v noemen; 
nederlandsch vrede = friesch frede; nederl. vel = fr. fel, enz. 
Maar zoo wy Vit r inga al tot Fitringa maken , dan komen we 
geen stap nader tot oplossing van de vraag , welke mansvrnaam 
ten grondslag ligt aan dezen vadersnaam. Liever verwisselen we 
dus die onmogelike v met eene 10 , en denken dat misschien een 
geleerde man , uit dit geslacht gesproten , drie eeuen geleden , 
zynen naam Witringa tot Vitringa heeft veiiatynscht. Die 
germaansche 10 immers is geen latynsche letter , maar werd wel , 
waar men een germaansch woord dat onmogelik vertaald kon 
worden , in het Latyn wou schryven , met eene v verwisseld. En 
Witringa is, door vergelyking met Eckringa van Ekkehart 
en Folkringa van Fulkhart (zie bl. 54) te verklaren als 
Withardinga, het patronymikon van W i t h a r t , of als W i t- 
heringa (de e haast niet te laten hooren) het patronymikon van 
Wither, Witheri, oud-germaansche mansvrnamen. 

By Kruisinga, Musschenga, Plantinga zou men opper- 
vlakkig eerder denken aan eene afleiding van de gemeen-zelfstan- 
dige naamwoorden kruis, musch en plant, dan aan mansvr- 
namen. Dat echter ook deze geslachtsnamen echte patronymika 
zijn , aan mansnamen ontleend , lijdt by my geen twyfel , al kan 
ik dan die oorspronkelike mansnamen uitvinden noch aantoonen. 
Over Musschenga en Muischenga hebben de heer P. Leendertz 
Wz. en ik zelve in het tijdschrift De Navorscher , dl. XXVII , bl. 
78 en 80, en dl. XXVIII, bl. 75, het een en ander te berde 
gebracht. Om herhaling en te groote uitvoerigheid te myden , verwijs 



FRIESCHE VADERSNAMEN OP enga EINDIGENDE. 57 

ik den belangstellenden lezer dus daar heen. Dat Plantinga en 
Kruisinga ware oude vadersnamen zijn, blijkt nry uit zoo 
menige andere nederlandsche geslachtsnaam , die van den zelfden 
mansvrnaam afgeleid moet zijn. Nu er zoo vele geslachtsnamen 
(oude en nieue patronymika in allerlei formen) bestaan , waaraan 
dit zelfde Kruse en Plant ten grondslag ligt, kan het niet 
missen of dit zijn in der daad mansvrnamen geweest. Die ge- 
slachtsnamen zijn Kruizenga, slechts in spelling van Kruisinga 
verschillende , even alsKruisink enKruissink. De naam Krui- 
singa wordt in de friesche streken van ons land natuurlik als 
Krusinga uitgesproken, en in de friso-saksische en Saksische als 
Kroesinga, eigenlik Krusinga met hoogduitsche u. Van daar 
dat in Drente deze geslachtsnaam in den form Kroezinga voor- 
komt. Verder de patronymika (in nieueren form) f Cruisema 
(het huis Cruisema is by Hoogkerk in het Westerkwartier van 
Groningerland) , Kruysse en Cruyce. Behalve Plantinga, 
Plantenga en Van Plantinga zijn my nog bekend de ge- 
slachtsnamen Plantema, Planting, Planten, Plantinus 
(fPlantyn te Antwerpen), die allen van eenen mansvrnaam 
Plant moeten afstammen. 

24. Even als by sommige geslachtsnamen de patronymikale 
uitgang ink in enk veranderd is (zie bl. 36), zoo wordt ook by 
friesche patronymikale namen de uitgang inga wel als enga ge- 
schreven. Maar terwijl deze verwisseling van i in e elders zeer 
zeldzaam is , komt ze in Friesland juist dikwijls voor. In Friesland 
maken de namen die op den verbasterden form enga uitgaan , in 
getal wel de helft uit van de namen die op den oorspronkeliken 
form inga eindigen. Een ander verschil dan in spelling bestaat er 
overigens niet tusschen deze twee namengroepen. Als voorbeeld 
van zulke ra^anamen noemen wy de volgenden : B o y e n g a 
(vergelijk Boyunga op bl. 59), Bonnenga, Douwenga 1 . 
Een groot deel van deze namen is ontleend aan mansvrnamen 



1 Enuenga, Veenenga, Grimmenga, Hommeuga, Yetteiiga, Can- 
nenga, Libbenga, Minnenga, Nammenga, Offenga, Peunenga, Rui- 
denga, Stuivenga, Tovenga, AValenga. 



58 FRIESCHE VADERSNAMEN. 

die nog heden by de Friesen in volle gebruik zijn. Namelik aan 
Boie, Bonne, Douwe, Enno, Ho mme, Jette (komt meest 
in verkleinform voor als Jets e, eigenlik Jet-tse, friesch 
ts, tz = k), Libbe, Minne, Namme (ook meest in verklein- 
form als Nammele), Offe of Uffo en Wale. Veenenga 
komt , met de geslachtsnamen Veninga, f V en i a , V e e n j e , F e- 
ninga (de beste form), F en en ga, Fenega,Feening,Fening, 
Veenink, Venink, allen vadersnamen in verschillende formen , 
van eenen ouden mansvrnaam F en e, die waarschijnlik oor- 
spronkelik n is met den oud-germaanschen mansnaam Fin, in 
Frstemann's Namenbuch vermeld. Grimmenga komt van den 
mansvrnaam Grim, die tegenwoordig in Nederland als zoodanig 
uitgestorven is, maar toch oudtijds onder de germaansche volken 
in gebruik was. Grimmink en Grimminck, de Saksische for- 
men van dit patronymikon zijn ook nederlandsche geslachtsnamen , 
even als de enkelvoudige naam Grim ook. Grimmens, zoo 
heet een gehucht by Grootkerk of Hohenkirchen in Wrangerland 
(Qldenburger Friesland) ; G r i m m i n g h e is een dorp in Oost- 
Vlaanderen; Grimminghausen, een dorp by Herford in West- 
falen, en Grimsthorpe in Lincolnshire, Engelland. Rui den ga 
is denkelik eene verhollandsching van Ruud inga, en dit weer 
eene verbastering van Ruurdinga, het patronymikon van den 
frieschen mansvrnaam Ruurd (Ru wart), waarin de Friesen 
de- tweede letter r niet uitspreken. 

25. Zoo als reeds een paar malen hier boven gebleken is, 
komen sommige friesche patronymikale geslachtsnamen in de beide 
formen voor, zoowel met inga als met enga\ b. v. Bottinga 
en Bottenga, Dallinga en Dallenga, Fellinga en Fel- 
lenga, Havinga en Havenga, Kempinga en Kempenga, 
Oostinga en Oostenga. Dit is in der daad zoo veelvuldig 
het geval dat het allen schijn heeft als of telkens twee geslach- 
ten , die toevallig het zelfde patronymikon als geslachtsnaam hadden , 
by onderlinge overeenkomst , ter onderscheiding , het ne geslacht 
den nen form , het andere geslacht den anderen form zich had 
toegeigend. Het onderscheid tusschen inga en enga blijkt dan ook 



FRIESCHE VADERSNAMEN. 59 

slechts in geschrifte. By 't spreken is het niet hoorhaar, ten zy 
men het dan met opzet wil laten hooren. 

26. Andere hyformen van 't oorspronkelike inga komen hy 
de friesche geslachtsnamen weinig of niet voor. De oude schrijf- 
wyze als ingha , vroeger algemeen in gebruik , komt tegenwoordig 
nog slechts voor by drie namen. Te weten by Van Buttingha, 
Van Cammingha en VanJulsingha, die toevallig alle drie 
het voorzetsel van by zich hebben. Door hoogduitschen invloed is 
in Oost-Friesland het oorspronkelike inga een enkele maal in unga 
overgegaan; b. v. Boyunga, Hayunga, Sajunga. Maar bin- 
nen de nederlandsche grenzen heb ik dezen form niet ontmoet. 
Het friesche ingha en unga komt natuurlik geheel overeen met 
de uitgangen ingh , inge , inghe en ung by andere patronymika ; zie 
bl. 32 37. Patronymikale geslachtsnamen, in den tweeden naam- 
val (zie bl. 44) , komen onder de friesche namen niet voor. Maar 
wel zijn er eenigen , die het voorzetsel van by zich hebben. Oor- 
spronkelik behoort dit voorzetsel voor geen n e friesche geslachts- 
naam te staan. Het past er niet by. Het is eene tegenstrydigheid. 
Aleen in zooverre als men deze namen beschoud als plaatsnamen , 
als namen van staten en saten , en er dan van voor plaatst , geven 
zy eenen drageliken zin. Immers die staten en saten, die den 
patronymikalen naam dragen van het geslacht , dat er eerst in 
eigendom op gezeten was, b. v. Hottinga-state, Walling a- 
sate, Wetsinga-sate , worden in de wandeling ook wel ge- 
noemd zonder dat woord state of sat er achter , even als ook in 
Twente en de graafschap Zutfen de vrye boerenerven zulke patro- 
nymika als namen dragen; zie bl. 23. De Friesen zeggen dus ook 
wel: Ik ga naar Hottinga", of ik woon op Wallinga", of 
clou bist up Wetsinga berne (gy zijt op Wetsinga geboren) , en verstaan 
daar dan Hottinga-state, Wallinga-sate en Wetsinga-sate 
onder. En op die wyze hunnen ook de friesche geslachtsnamen met 
van er voor , ontstaan zijn , en door lieden aangenomen , die , ofschoon 
oorspronkelik geen Hottinga's of Walling a's zijnde, op de 
staten of saten dier oude geslachten woonden of gewoond hadden. 
En waar zulke patronymika met van er voor , de hedendaagsche 
namen zijn van oud-adellike friesche geslachten, b. v. Van Cam- 



60 VERSLETENE VADEESNAMEN. 

mingha, Van Eysinga, daar is dit van een by voegsel van 
lateren tijd, toen men dit voorzetsel, door hoogduitschen invloed, 
als een kenmerk van adeldom beschoude. Want oorspronkelik past 
van voor geen friescbe geslachtsnaam , ten zy dan voor eenen 
frieschen plaatsnaam (Van Kleffens, zie bl. 55). Behalve de 
bovengenoemde namen behooren tot deze groep nog de geslachts- 
namen: Van Aldringa, Van Andringa, Van Hasinga, 
Van Hettinga, Van Hottinga, Van Idsinga, Van 
Wallinga, Van Wetsinga, enz. Grootendeels komen deze na- 
men ook zonder dat overtollige van , als geslachtsnamen voor : A n- 
dringa, Hottinga, Hettinga, Idsinga. Het patronymikon 
van den nog heden by de Friesen in volle gebruik zijnden mans- 
naam E i s e vooral komt in velerlei formen als geslachtsnaam voor ; 
als Eisinga, Van Eysinga, Eisenga, Van Eisenga, 
Eizenga, Van Eizinga, Eising, Eisink en ook Eysinger; 
zie bl. 26. Buitendien bestaan nog de patronymikale maagschaps- 
namen , in nieueren form : f Eyssema, Eizema en Eisma, 
Eissen en Eises, met het verlatynschte Eyssonius. En 
de plaatsnamen Eisink, een gehucht by Haren in Groningerland ; 
Eisinghusen, een gehucht by Loppersum, en een ander by 
Nttermoor , in Oost-Friesland ; Eysinghem, een dorp in Zuid- 
Brabant ; Eisingen, een dorp by Pforzheim in Baden , enz. 

27. De patronymikale geslachtsnamen, tot hier toe vermeld, 
vertoonen allen , in hunne uitgangen , volle formen , al zijn die 
formen onderling dan ook nog zoo verschillend. Maar by eenige 
hedendaagsche geslachtsnamen , oorspronkelike patronymika , zijn die 
volle formen versleten. By namen die voor verre weg het grootste 
gedeelte , reeds zoo overoud zijn als dit by de ware patronymika 
het geval is , kan het geenszins bevreemding wekken , dat zy niet 
allen in hunne volle , oorspronkelike formen tot op onzen tijd in 
't leven gebleven zijn. Integendeel , 't is eerder byzonder , dat het 
altijd maar een zeer klein gedeelte is van het groote getal patro- 
nymikale geslachtsnamen , dat zoo in versleten staat tot ons geko- 
men is. De geslachtsnamen Heenk en Oonk b. v. , ook Bonga 
met- Van Bonga, en Sinnighe zijn zulke versletene formen. 
By Heenk en Oonk is eene d en eene i verloren gegaan , by 



VERSLETENE VADERSNAMEN. 61 

B o n g a de lettergreep nin , by Sinnighe en Sinnige eene n. 
Want deze namen zijn oorspronkelik en voluit Hedink, Odink, 
Bonninga en Sinninghe geweest. Zie hier nog eenige andere 
geslachtsnamen tot deze groep behoorende , met de volle formen 
er achter : Beddigs (Beddings); Bennigsen (Benning- 
sen zie bl. 28 en 44); Diegerick (Diegerink; de ge- 
slachtsnaam Deegerink is slechts een andere form hier van). l 
Moeieliker te verklaren zijn de geslachtsnamen Banga, Tjeenk 
en Swynga. Oppervlakkig zoude men Banga wel houden voor 
eene samentrekking van Banninga, aan den mansvrnaam 
B a n n e ontleend , die ook aan de geslachtsnamen Banning, 01- 
den- en Nyen-Banning (zie bl. 50), Bannema en Bans ten 
grondslag ligt, en even als ook Bon ga uit Bonninga is saam- 
getrokken. Dat Banga echter niet van Banninga, niet van den 
mansnaam B a n n e komt , maar van den mansnaam B a u e dat 
deze geslachtsnaam versleten is uit het oorspronkelike Bauwinga 
of beter Bauinga, blijkt uit den form Bawnga, waar onder 
deze naam voorkomt in eene oorkonde , die in de friesche taal 
opgesteld is en van 't jaar 1493 dagteekent. 2 In deze oorkonde 
wordt n en de zelfde man , die in een ander stuk van het jaar 
1489 3 Douwa Banga heet, Douwa Bawngha genoemd. Er 
komt in Friesland nog een andere eigennaam voor , waarin het oor- 
spronkelike patronymikon Bauinga tot Bang versleten is; te 
weten de naam van het dorp Bangstede, tusschen Emden en 



1 Donga (Dodinga); Enga en Engga (Enninga, Ennenga, zie bl. 
57); Fenega (Feninga, zie bl. 58); Follega (Follinga); Hillega (Hil- 
linga); Hudig (Hu tl ing); Immig (Imming, zie bl. 19 en 32); Men neg a 
(Menninga, zie bl. 54); Minnigh (Minning, slechts een andere form als 
Menninga, maar van den zelfden mansnaam afgeleid); Radix (Ra diks, Ra- 
dinks, Radink, zie bl. 37); Ridderikhof (Ridderinkhof, zie $ 22); 
Schallig (Schalling); Suerickx (Surinkx, Surinks, zie bl. 48); Taank 
(Tadink); Weddik (Weddink) en "Willige (Willinge). Laatstgenoemde 
naam komt ook in Drente als geslachtsnaam voor, en is met Willink, Wilma, 
Willes, Willen en 't engelsche Wilson afgeleid van den ouden mansvrnaam 
Wille, die in Friesland nog voorkomt, vooral in de verkleinformen Wilko 
(Wilco) en Wiltje. 

2 Zie Oorkonden der Geschiedenis van het St. Anthony-Gasthuis te Leeuwarden 
I, bl. 133. 3 Ibid. dl. I, bl. 112. 



62 VERSLETENE VADEHSNAMEN. 

Aurich gelegen. Dit dorp heet oorspronkelik Bauingastede, de 
stede, de woonplaats der Bauinga's, der Bauingen of Bavingen, 
der zonen en afstammelingen van den man die B au e of Ba vo heette. 
Op eene oude landkaart van Oost-Friesland , van Ubbo Emmius , 
uit het laatst der 16de e eu, staat dit dorp nog als B ave stede of 
Bauestede vermeld. Dat de nog hedendaags by de Friesen in 
volle gebruik zijnde mansnaam B au e (Bauw e) in het middeleeusche 
monnikenlatyn als Bavo werd geboekstaafd, is bekend. De heilige 
Baue is als St. Bavo de patroon van de steden Aardenburg, 
Gent en Haarlem. En deze zelfde mansnaam heeft nog aan zeer 
vele andere geslachtsnamen oorsprong gegeven, om niet te spreken 
van de talryke plaatsnamen die er van afgeleid zijn. Die geslachts- 
namen zijn: f Bavinga, f Bauwenga, \ Bavema, Bauma, 
B a u w e s , allen in Friesland ; Bange, saamgetrokken van B a u- 
inge, als Banga van Bauinga; Bavink, in Engelland als 
Baving voorkomende, Bauwen, Bauwens, Baafs, Baefs, 
Baafse, en het verlatynschte Bavius. 

De geslachtsnaam Tjeenk is moeielik te verklaren. Ik waag 
dien aangaande de volgende gissing. Zoo die gissing juist is, dan 
is Tjeenk niet slechts een zeer oud patronymikon , maar ook een 
zeer byzonder, als vertoonende zoowel friesche als Saksische for- 
men. Tjeenk is dan naar myne meening, eene samentrekking 
van Tjedink, en dit weer een door klankwyziging veranderde form 
van Tjadink, Tjading, Thiading, Thiadinga, het friesche 
patronymikon van den oud-frieschen mansnaam Thiad, die door 
de Friesen als Tjaad, Tjade wordt uitgesproken, en, onder 
dien form , nog wel als mansnaam by hen in gebruik is. Deze naam 
Tjaad, Tjade moet niet verward worden met den eveneens nog 
zeer gebruikeliken frieschen mansnaam Tjaard (ook wel Tjeerd), 
die door de Friesen ook zonder r , als Tjaad wordt uitgesproken , 
maar oorspronkelik een andere naam is , eene samentrekking van 
den samengestelden mansvrnaam Tj adert, Thiadhart. Van 
dezen eerstgenoemden mansnaam Tjade is ook de geslachts- 
naam Tjaden (een tweede-naamvalsform) afgeleid. Die byzondere 
samenvoeging van een' frieschen voornaam en een' saksischen patro- 
nymikalen form in n en den zelfden geslachtsnaam , weet ik anders 
niet te verklaren dan door aan te nemen dat een Fries , die het patro- 



VERSLETENE VADEUSNAMEN. 63 

nymikon Thiadinga, Tjadinga als toenaam voerde , zich buiten 
zijn vaderland onder eene Saksische bevolking vestigde , waar zijn 
naam , door den invloed van het Saksische taaieigen zyner nieue 
landgenooten , al spoedig de kenmerkende a als uitgang verloor 
en de Saksische klankwyziging aannam, dus eerst Tjading, dan 
Tjading, dan Tjeding werd, allengs ook nog meer den sak- 
sischen form als Tjedink vertoonde, om eindelik tot Tjeenk 
te verslyten. Dit gaat alles zeer geleidelik, en druischt, zoo ver 
ik weet, tegen geene taalwetten in. Maar dit alles is. gissing. Die 
't beter weet mag het zeggen ! 

De geslachtsnaam Swynga is eene samentrekking van Swy- 
n i n g a , het patronymikon van den frieschen mansvrnaam S w y n , 
Swine. Men verwondere zich niet over dezen naam, noch denke 
dat de oude Friesen hunne zonen zwyn , varken, noemden. Swine 
is de byzonder-friesche uitspraak van den oud-germaanschen 
mansnaam Swind, Suint, welke naam vlugheid beduidt. Ons 
hedendaagsch woord gezwind stamt met dien naam van den zelfden 
wortel af. Even als Swyn, Swin, voor Swind, zoo zeggen 
de Friesen ook win voor wind, fine voor vinden, Hinljippen, voor 
Hindeloopen , enz. 

De geslachtsnamen Hoynck en Hoyng behooren ook tot de 
versletene patronymika ; althans zoo men deze namen met y schrijft. 
De eerstgenoemde behoort dan in de groep der y/icfcnamen, die 
op bl. 42 besproken is, en heeft eene i verloren. Immers is de 
oorspronkelike mansnaam waar hy van afgeleid is, Hoi, Hoi e, 
en moet de naam dus voluit Hoiynck geschreven worden. 

Boekstaaft men den naam echter op hollandsche wyze met de 
byzonder-hollandsche letter ij, oorspronkelik i i, dan is de naam 
als Ho ij nek, Hoiinck (Hoi-ink) volkomen. De patronymika 
Hoying en Hooying, Hooyenga en Hoyenga, alle vier 
als geslachtsnamen voorkomende , zijn oorspronkelik met Hoynck 
geheel de zelfde namen. Hoynck wordt dikwijls als ne letter- 
greep uitgesproken , alsof oy , oi een tweeklank ware. En zoo doet 
men ook by de patronymikale geslachtsnamen Stro ink, Sc h ai nk 
en Spaink. Dit is verkeerd. Die namen zijn uit twee letter- 
grepen samengesteld: Hoi-ink, Stro-ink, Scha-ink, Spa- 
ink; zy dienen ook zoo te worden uitgesproken. Dat men by dit 



64 VERSLETENE DKENTSCHE VADERSNAMEN. 

Hoi en Stro (zie ook bl. 40) niet aan de woorden hooi en stroo te 
denken hebbe , kan men in 168 nalezen. Ook spa van Spaink 
komt niet van bet woord spa , spade , maar van den mansvrnaam 
Spade, die in Frstemann's Namenbuch als Spatto vermeld is. 
Over Skade , de mansvrnaam die aan Scbaink ten grondslag 
ligt, zie men 28. 

Of de friescbe geslachtsnaam Sonnega ook tot de versletene 
vadersnamen behoort , meen ik te moeten betwyfelen. Het zoude 
kunnen zijn, dat Sonnega oorspronkelik en voluit Sonninga 
ware , even als Hillega en Mennega (zie bl. 61) oorspron- 
kelik en voluit Hillinga en Menninga zijn. Te meer nog, wijl 
Sonningba de naam van een thans uitgestorven friesch geslacht 
geweest is. Toch wil ik hier liever denken aan den naam van het 
dorp Sonnega, in Stellingwerf (Friesland) , waaruit het geslacht 
Sonnega wellicht afkomstig is. Dit ga als uitgang van friesche 
plaatsnamen verwarre men niet met den lettergreep ga van den 
frieschen patronymikalen uitgang inga. Het eerstgenoemde ga is 
eigenlik in het Friesch gea en beteekent dorp; Sonnega = Son- 
nedorp (Sonneghem = Sonning-heim is een dorp in Vlaan- 
deren); St. Nicolaasga = St. Nicolaas' dorp ; Oudega = 
O u d d o r p , enz. 

Ten bewyze van den ouderdom dezer verbasterde , versletene 
patronymika , tevens als bewijs dat zy werkelik uit de volle for- 
men ontstaan zijn , zy hier nog vermeld dat de oudst bekende 
der friesche vadersnamen , nog heden de geslachtsnaam (V a n) 
Cammingha, reeds in oorkonden van de 13de eeu als Canga, 
Kan ga werd geschreven. ] Terwijl in een geschrift van het jaar 
1495 een der leden van dit overoude, ja alleroudste friesche ge- 
slacht zynen naam als Kamga boekstaaft ". 

% 28. Even als de Drenten hunnen eigenen forin van pa- 
tronymika als geslachtsnamen hebben (zie 13), zoo hebben zy 
ook eenen eigenaardigen form van versletene vadersnamen , die 
slechts in hun land inheemsch is. De geslachtsnamen H a a n g e , 



1 Eekhoff, Geschiedkundige Beschrijving van Lecuicarden , dl. 1, bl. 40. 

3 Oorkonden der Geschied, van het St. Ant.-Gasih. te Leeuwarden, dl. I, bl. 141. 



VEUSLEENE DRENTSCHE VADERSNAMEN. 65 

Luinge (men spreekt natuurlik Luunge, ook wel Luunje), 
Schaange, Smeenge, Steenge en Hofsteenge vertoonen 
dien by zonderen form. Haange is eene samentrekking van den 
vollen form Haninge, het patronymikon van den ouden mans- 
vrnaam ano, die by Frstemann vermeld wordt , en die aan 
den engelschen geslachtsnaam Haning, en aan de friesche ge- 
slachtsnamen Hanema en Hania eveneens ten grondslag ligt. 
Van dezen mansnaam in verkleinform zijn ook de geslachtsnamen 
Haantjes, Haentjens, die in alle Nederlanden talrijk verspreide 
patronymika, afkomstig. Luinge is samengetrokken van Lu- 
ding e , het patronymikon van den ouden mansvf naam L u d e , 
Lode, Hlude, Hlode, Chlodo. Het drentsche Ludinge en 
Luinge is volkomen het zelfde als het friesche f Ludinga en 
f Lunia zie 29. Luinge en Lunia worden dan ook 
beiden wel als Luainje uitgesproken. Oudtijds bestond in Gro- 
ningerland een geslacht f Lu inga; deze naam staat in form 
midden tusschen het friesche Ludinga en het drentsche Luinge 
in. Verhollandscht tot Luidinga is dit overoude patronymikon 
nog een hedendaagsche geslachtsnaam , even als L u d i n g en L u- 
dink. Schaange is voluit Schadinge, van den frieschen 
mansnaam Seat o. De geslachtsnaam Schaink (Skadink) is de 
twentsche tegenhanger van den drentschen naam Schaange. 
Smeenge is Smedinge; over dezen naam zal in 31 gehan- 
deld worden. Steenge is voluit Stedinge, dat, evenals de 
friesche geslachtsnamen Stada, Stadema, Stades, Stedma 
en Stedes, en de plaatsnaam Stedum (Steda-heim, woon- 
plaats van Stede), dorp in Fivelgo , van den mansnaam Stede, 
Stade, by Frstemann als Stad voorkomende, ontleend is. Of 
zoo men deze afleiding niet wil gelden laten , mag men ook aan- 
nemen dat de geslachtsnaam Steenge ontleend zy aan den naam 
van het aan Drente palende stelling werfsch-friesche gehucht Ste- 
ginga of Steggenga, by 't dorp Oosterwolde , welke naam in 
de friso-saksische gouspi*aak van Stellingwerf en Drente ook Steenga 
of Steenge wordt genoemd. De oorsprong van den geslachts- 
naam Hofsteenge is my duister. Dat hy zoude aangenomen zijn 
door iemand die niet als zijne buren op een klein erfjen , maar 
op eene aanzienlijke hofstede woonde", gelijk Leendertz (Navor- 

5 



66 VERSLETENE FE1ESCHE VADEKSNAMEN. 

scher , dl. XXVIII , bl. 620) meent, is mogelik, maar komt my 
toch niet waarschijnlik voor. Liever wil ik hier aan een patrony- 
mikon blyven denken. Het is dus twyfelachtig , of- de beide laatst- 
genoemde namen Steenge en Hofsteenge wel tot deze groep 
van geslachtsnamen moeten gerekend worden , en of zy misschien 
niet tot de geslachtsnamen , aan plaatsnamen ontleend , behooren. 

29. De Friesen hebben in hunne taal veel eigenaardigs, veel 
byzonders. Dit blijkt ook uit hunne eigennamen. Onder hunne 
geslachtsnamen zijn vooral die welke op ia eindigen , zeer byzon- 
der. Deze hebben zulk een vreemd voorkomen, Sin ia b. v. , 
Runia en Tania, dat niet-Friesen deze namen bezwaarlik als 
oorspronkelik nederlandsche geslachtsnamen gelden laten. En toch 
zijn ook dit goed germaansche , echt friesche namen. Want het 
zijn samengetrokkene , verfloeide , versletene formen van de patro- 
nymika , op inga eindigende. Zoo is Bothnia oorspronkelik en 
voluit Bothinga, Bottinga; Sinia is eigenlik S i n i n g a ; 
Tania is Tanninga, enz. 

Deze zonderlinge afslyting van inga tot ia , van S i n i n g a tot 
Sinia, vond hare eerste aanleiding zekerlik in de byzondere , 
zachte uitspraak der friesche g. Eene eigenaardige uitspraak die nog 
zoo veel te flauer wordt , wanneer eene n de g voorafgaat , en daar 
door de letterverbinding ng geboren wordt , die eigenlik als eene 
byzondere , op zich zelve staande letter aan te merken is , zoo 
als in den patronymikalen uitgang inga het geval is. Vele woor- 
den, die in andere germaansche talen met eene g beginnen, heb- 
ben in de friesche taal tot eerste letter eene j. Zoo is het neder- 
landsche woord geven , hoogduitsch geben , engelsch to give , deensch 
give , zweedsch gifva , in het Friesch jaen , Oud-friesch jeva ; zoo is 
het nederlandsche gave, gift, in het Friesch jef the ; het nederl. gister , 
hoogduitsch gestern , is in 't Fr. jister of jiister , en 't nederl. garen , 
hoogd. garn , in 't Fr. jern (men spreekt uit als jen) ; in beide laatst- 
genoemde woorden overeenstemmende met het Engelsch , dat de g 
ook tot j verzacht heeft , in yesterday en yam. In den hedendaag- 
schen naam van het dorp Dongjum by Franeker, oudtijds Do- 
dinga-heim of de woonplaats der Dodinga's, der Dodin- 
gen, der nakomelingschap van Dodo ofDoede heeft , in 



VERSLETENE FRIESCHE VADERSNAMEN. 67 

de schrijftaal , de oorspronkelike g van het patronymikon D o d i n g a 
eene j naast zich gekregen. In de spreektaal echter is de g vol- 
komen door j vervangen, want de Friesen spreken dezen dorps- 
naani als Donjum, Doinjum of Dnjam uit; de juiste uit- 
spraak is met nederlandsche klanken moeielik af te heelden. Even 
zoo is het met den naam van het dorp Dedgum (Deddingum, 
Deddinga-heim, van den mansnaam D e d d o) , die steeds als 
Dedjum uitgesproken wordt; en met den dorpsnaam Pingjum 
(Pingia-heim, Pinninga-heim, van den mansnaam P i n n e , 
Penne), dien de Friesen als Peinjum, zelfs als Peium uit- 
spreken. De hedendaagsche dorpsnaam Anjum schreef men oudtijds 
voluit, als Aninghem (Aninga-heim). Het duidelikste voor- 
beeld om den overgang van inga tot ia , van S i n i n g a tot S i n i a 
aan te toonen , levert het woord penning (a) op , dat in het Friesch 
als penje , peinje (pennia) uitgesproken wordt , en in het Engelsch 
tot penny versleten is. Daarentegen heeft dit zelfde volle en oor- 
spronkelike woord penning in het hedendaagsche Hoogduitsch eene n 
verloren , en is tot pfennig versleten , even als b. v. de geslachts- 
naam Hu ding tot Hudig (zie hl. 61). 

Maar bewyzen te over , dat de friesche g wel als j wordt uit- 
gesproken. Passen wy deze uitspraak nu ook op de g van inga toe , 
dan luidt b. v. Sin in ga als Sin in ja. En neemt men dan hier 
by in aanmerking dat de volle nadruk by deze patronymika op 
den eersten lettergreep valt , en dat de laatste lettergreep slechts 
eenen halven klemtoon heeft, terwijl de middelste toonloos is, dan 
is de overgang van Sin in ja tot Sin ia waarlik niet groot. In- 
tegendeel , zeer gemakkelik , geleidelik en als van zelven floeiende. 
En even zoo leidde 't oorspronkelike Bottinga, door d' uit- 
spraak Bottinja tot Botnia of Bothnia, en Tanninga, 
door Tanninja, tot Tania. 

Dat overigens werkelik en in der daad de geslachtsnamen op 
ia eindigende , ontstaan zijn uit die welke op inga uitgaan , blijkt 
ook hieruit, dat de naam van 't oude geslacht f Gratinga, 
Grsetinga of Grettinga (alle drie spellingen komen voor), dat 
op de nog bestaande Grettinga-state te Almenum (Barradeel , 
Friesland) gezeten was , en waarvan de buurt Gratinga- of 
Grettinga-buren, by Harlingen , haren naam ontleend heeft, 



68 VEBSLETENE FRIESCUE VADERSNAMEN. 

in oude oorkonden zoo wel Gratinga als Gretnia genoemd 
wordt. En even zoo wisselen by n en het zelfde geslacht de namen 
Hottinga en Hotnia, Uninga en Unia, Wyninga en 
Wyngia en Wynia eikanderen af, in oude geschriften. En even- 
eens blijkt dit ook hieruit, dat het geslacht Burmania in eene 
oorkonde van den jare 1300 , l als Burmanninga vermeld wordt. 2 
In de middeleeuen , toen de friesche taal hare volle formen 
op a en ia (mula = mond , biwaria = bewaren) nog behouden 
had , en men die uitgangen nog duidelik , onderscheidenlik uit- 
sprak , toen spraken de Friesen die samengetrokkene namen S i n i a 
(- <--' -) , enz , ook juist zo uit , als zy ze schreven , en zo , als 
wy ze nu nog schryven. Maar sedert is de friesche taal verloopen , 
en heeft hare volle formen verloren. Sedert de 16de e eu spreekt 
men niet meer mula, maar mule (mle , met hoogduitsche u, ten 
naaste by als nederlandsch moele dus) ; en niet meer biwaria , maar 
biwaije. En juist zo is ook de uitspraak der geslachtsnamen , die 
op ia eindigen , veranderd en verloopen. Men spreekt tegenwoordig 
niet meer voluit Sinia, maar Siinje (Sinje, Synje, - ^- -) ; 
niet meer Tania, maar Tanje; niet meer Runia, maarRnje 
(ongeveer R o en je) en Rnje. Heden ten dage is dit de alge- 
meene en gewone uitspraak dezer namen by de Friesen ; en dat 
deze zelfde uitspraak ook reeds in vorige eeuen bestond , blijkt 



1 Van Rijn. Oudheden en gestichten van Friesland, dl. I, bl. 262. 

2 Dat men oudtijds , zoo wel in Friesland als elders in de Nederlanden , zeer 
onnaukeurig , zeer onstandvastig was in de spelling der eigennamen , is overvloedig 
bekend. Om een enkel voorbeeld te noemen, zoo vind ik den geslachtsnaam Bur- 
mania op de volgende wyzen geschreven: in eene oorkonde van 't jaar 1433, als 
Burnianningha; in eene andere van 1425: Uur ma na (als een eenvoudige 
tweede-naam valsforra op a, van den inansnaam Burman); van 1502: Buyr- 
mangye; van 1507: Bwrmanghie; in een ander stuk van 1507: Bur- 
mannie; van 1520: Burmannia; van 1524: Van Buurmanya; van 1546: 
a Bourmannia en van Bourmannia in 't zelfde geschrift; van 1558: van 
Burmanya; van 1562: van Bourmania; van 1563: van Burmannia; 
van 1574: van Bormannia; van 1580 en '81: Burmania; van 1582: van 
Buermannia. Alle deze stukken kan men vinden in de Oorkonden der ge- 
schiedenis van het Sint- Anthony- Gasthuis te Leeuwarden. Rienk Burmania nog, 
die in 1482 Olderman te Leeuwarden was, schreef zynen naam: Burmanghia. 
En een geestelike der Roomsch-katholyke kerk, die in 1876 te 's Hertogenbosch 
woonde, heet Burmanje, naar de hedendaagsch friesche uitspraak. 



VERSLETENE FRIESCHE VADERSNAMEN. 69 

uit menige oude oorkonde. Zoo vind ik , al weer in 't Oorkonden- 
boek van 't leeuwarder St. Anthonij- Gasthuis , in een stuk van den j are 
1542, den geslachtsnaam Donia geschreven als Donye, en in 
een stuk van het jaar 1562, als Doenye. Hania staat in het 
laatstgenoemde stuk als Hanye gespeld. Wyngia, in eene oor- 
konde van 1558, als Wyngie. f Ringia, in 1566, als Ryn- 
gie; f Fernia, in 1595, als Fernij. Unia eindelik , in een 
geschrift van 1547 ] , als Oenye. 

Toch begint deze oude , maar niet oudste uitspraak , die in d' 
eigenaardige uitspraak der friesche taal in 't algemeen gegrond- 
vest is , heden ten dage , in den mond van sommige Friesen weer 
te wyken voor de uitspraak naar de letter. Hollandsche onder- 
wyzers vooral , die , met de friesche taal volkomen onbekend 
dwaas genoeg ! den mond van friesche kinders gewelddadig naar 
hunne hollandsche uitspraak dwingen , zijn hiervan de oorzaak. En 
zoo hoort men tegenwoordig de namen Sinia, Tania, Kunia 
wel weer juist z uitspreken als zy geschreven worden. Maar de 
meeste Friesen, sliucht end riucht , blyven voor en na Siinje, 
Tanje, Rnj e uitspreken. 

Tot een ander , tegenovergesteld uiterste zijn die lieden ver- 
vallen , welke deze geslachtsnamen op ia , het eerst z geschreven 
hebben , als men ze uitspreekt ; die dus niet slechts F i i n j e spraken , 
zoo als het trouens ook goed was en is, maar die ook Fynje 
schreven. Ten gevolge van deze slordige , in de vorige eeu meest 
opgekomene schrijfwyze , vertoon en sommige oud-friesche patrony- 
mika op ia , als hedendaagsche geslachtsnamen dien leeliken schrijf- 
form op ja en je eindigende. Rynja, Synje, Bruinje, Veenje, 
in plaats van Rinia, Sinia, Br unia, Fenia. En Fynje, 
verbasterd van Fin ia, is in Holland nog weer meer verbasterd 
in spelling en uitspraak beide; te weten als Fijnje, gesproken 
Feinje!! Een gruwelike wanklank in de fijn-gevoelige ooren der 
Friesen ! Maar dwazer nog als deze verbastering is van het friesche 
Fininga = Finia tot een hollandsch Fijnje = Feinje. 
ergerliker nog heeft men gehandeld door van den geslachtsnaam 
Tania, Tanje den schijnbaar-franschen naam Tanj te maken. 



1 Zie Eekhoff, Geschudk. Beschrijving tan Leivuardtv . cl]. I, bl. 376. 



7-0 VERSLETENE FRIESCHE VADERSNAMEN. 

Pieter Tania of Tanje, te Bolswart geboren in 1706, was 
een beroemd plaatsnyder (graveur). Hy vestigde zicb in Holland , 
en droeg daar den naam van Tanj! Wat een domheid, en wat 
een kleingeestige elendigheid, om z de Franseben na te apen! 
Zie 165. 

Door bunnen versletenen toestand getuigen de patronymikale 
geslacbtsnamen die op ia eindigen , van boogen ouderdom. En zeer 
oud zijn zy in der daad. De Bothnia's, de Burmania's, de 
Donia's, de Unia's bebooren tot de oudste friesebe geslachten, 
of liever en beter gezeid : bunne namen bebooren tot de eersten , 
tot de oudsten , die in de friesebe geschiedenis genoemd worden. 

In den tegenwoordigen tijd komen geslachtsnamen op ia, ja en 
je eindigende , als oorspronkelik inheemsche namen nog slechts in 
Friesland , en wel meest tusschen Fli en Lauers , dat is in de 
nederlandsche provincie Friesland voor. In de middeleeuen echter 
waren deze versletene patronymika ook wel in andere friesche ge- 
westen in gebruik ; b. v. f M o r m a n n i a , tusschen Lauers en 
Eems (Groningerland) ; f Boycmonia, Onnia of On ja, f Ton- 
g i a , tusschen Eems en Weser (Oost-Friesland) , enz. Ja , ook by 
de Friesen aan de Weser , by de Rustringer- , Ostringer- , Wran- 
ger- en Stedinger-Friesen waren ze in zwang. En nog heden ten 
dage treft men onder hunne afstammelingen , de Friesen in Jever- 
land , Butjadingerland (Oldenburg) , enz. geslachtsnamen aan als 
Dorrie, Hamje, Hemmie en Hemje, Hennye, Hobbie, 
ook, in den tweeden naamval als Bunnnies en Bunjes (tevens 
ook de volle form Bunnings) en Jellies. Het lijdt geen twyfel 
dat deze namen slechts verbasteringen zijn van de volle formen 
Dorria of Dor r inga, Ham m ia of Hamminga, enz. En 
in der daad komen deze volle formen Hamminga, Hemminga 
en Jellinga nog in het nederlandsche Friesland heden ten dage 
als maagschapsnamen voor. Even als Hammingh, Hamming 
en Ham mink, Hemming en Hem mink, Dor ring, Hen- 
ning en Hobbing in andere nederlandsche gewesten. En allen 
zijn dit echte patronymika van oud-germaansche , ten deele nog 
hedendaagsch-friesche mansvrnamen afgeleid. 

Ook in plaatsnamen vindt men in de oud-friesche gouen aan 
de Weser deze oud-friesche patronymika in versletenen form terug ; 



VERSLETENE FRIESCHE VADERSNAMEN. 71 

b. v. in Jelliestede, dat is: Jellia -stede, de stede of woon- 
plaats der Jellinga's, der Jellingen, der afstammelingen van 
zekeren ouden Fries Jelle. Eene sat by 't dorp Grootkerk 
(Hohenkirchen) in Wrangerland (Oldenburg) heet alzoo. 

Van de vele oud-friesche patronymika op ia eindigende , zijn de 
volgenden nog als hedendaagsche geslachtsnamen in leven. De 
oorspronkelike , volle formen der patronymika , die ook grootendeels , 
zoo niet allen , eveneens nog als friesche geslachtsnamen bestaan , 
zijn er by gevoegd tot vergelyking : Bothnia (Bottinga); Bru- 
nia en Bruinje (Bruininga); Burmania, Van Burma- 
nia en Burmanje (B ur manning a) 1 enz. Al deze patrony- 
mika zijn ook weer van oud-germaansche mansvrnamen ontleend , 
waarvan eenigen nog heden by de Friesen als zoodanig in gebruik 
zijn; b. v. Botho of Botte, Bruno of Bruin, Dodo of 
Doede, Sine, enz. Over Groenia, Groeninga, afgeleid van 
G r u n o , zie men bl. 29. Over Tania, Tanninga, van T a n n o , 
bl. 39. Over Venia en Veenje, Feninga, van Fene, bl. 57 
en 61. En over Hania, Hanje, Haninga, bl. 65. 

Friso, Frise, Frese, Friese, in verkleinform ook als 
Frieske en Vrieske, is een oud-germaansche mansvrnaam , 
die ook thans nog wel in gebruik is, hoe wel zeldzaam, en dan 
nog meest in Friesland. Frstemann vermeldt hem reeds in zijn 
Altdeutsches Namenbuch en Wassenbergh en Leendertz eveneens 
in hunne lijsten van friesche en nederlandsche personennamen. Be- 
halve Frisia zijn van dezen mansvrnaam nog de volgende pa- 
tronymikale geslachtsnamen ontleend: Friesenga, Vriesinga, 
Vriesenga, f Friesinga, Fresing, Friesema, Frie- 
zema, f Friesma, Vriesema, Frezema, Fresema, Fre- 
sena, Friesen, Friese en Vriese; verder nog Friso, en 
misschien ook , althans in sommige gevallen , Vries en Frese, 



1 Don ia, (Dodinga); Venia, Veenje (Feninga); Finia, Fynia, 
Fynja, Fynje (Fiuinga); Vissia (Vissinga, Fissinga); Frisia (Fri- 
singa, Friesinga); Groenia en Groenje (Groeninga); Hania, Hanja, 
Van Hanja,Hainja, Hanje, Hainje(Haninga);Huia(Huninga);Inia 
(Ininga); Lelia (Lelinga); Rinia en Rynja (Rininga); Runia (Runin- 
ga); Sinia, Synja (Sininga); Sminia, Van Sminia (Smidinga); Tynje 
(Tininga); Tania, Tanja en Tanje (Taninga of Tanninga). 



72 VERSLETENE FRTESCHE VADERSNAMEN. 

benevens het verlatynschte Fresenius, dat oorspronkelik het 
patronymikon Fresen is. 

Sinia en Synja zijn voluit Sininga, en dit is het patro- 
nymikon van den mansvrnaam Sine, welke, in dien form en 
ook als Siene en Syno nog heden in Friesland in gebruik is. 
Waarschijnlik vertegenwoordigt deze naam Sine de byzonder- 
friesche uitspraak van den oud-germaanschen , door Frstemann 
vermelden mansnaam Sind. Aangaande deze byzonder-friesche uit- 
spraak van dergelyke woorden en namen vergelyke men bl. 63. De 
friesche mansvrnaam Sine, welke dan ook zynen oorsprong 
zy, ligt nog ten grondslag aan de geslachtsnamen Syna, Sie- 
nema, Sienes, Synen en Zijnen, allen patronymika in ver- 
schillende tweede-naamvalsformen , en allen nog heden ten dage 
voorkomende. De laatstgenoemde geslachtsnaam is slechts eene ver- 
hollandsching van den oorspronkelik zuiver-frieschen form Synen. 
Ook de plaatsnaam S y n s , een gehucht by Hartwert in Wonse- 
radeel (Friesland), is van den mansnaam Sine afgeleid. En waar- 
schijnlik is dit ook het geval met den naam van het dorp Syng- 
hem (Sining-hem? Sininga-heim), in Oost-Vlaanderen ge- 
legen. Over den hoogst merkwaardigen geslachtsnaam Sminia 
zal in 31 nader worden gehandeld. 

Buiten Friesland , in Holland en andere nederlandsche gewesten 
komen eenige geslachtsnamen voor , die ik anders niet weet te 
verklaren dan door aan te nemen dat het zulke versletene patro- 
nymika zijn. Zy zijn dan zekerlik eigen aan oorspronkelik-friesche 
geslachten , die hun vaderland met der woon verlaten hebben. Deze 
namen zijn Balje, Havie, Pierie, Schaalje en Schaly, 
Schoonie, Surie en Sury, Thierie, enz. Zoo als men ziet , 
vertoonen deze namen ook de volle kenmerken der geheel versle- 
tene friesche ia- en ie- en yenamen. Balje zal dan zijn B a 1 1 i a , 
B a 1 1 i n g a , het patronymikon van den oud-germaanschen mans- 
vrnaam Ballo, Balie, die tevens oorsprong gaf aan de ge- 
slachtsnamen \ Ballama en f Ballema, Balma, Balsma 
en Bals, en aan de plaatsnamen Ballum, een dorp op 't eiland 
Ameland , en Ballingham, in Hereford , Engelland. De in spel- 
ling dwaselik verfranschte geslachtsnaam Balj (een tegenhanger 
van den op bl. 69 en 70 vermelden maagechapsnaam Tanj) is oor- 



VERSLETENE FRIESCHE VADERSNAMEN. 73 

spronkelik eveneens dit patronymikon Balj e, Ballia, Balling a. 
Havie komt ook nog in Friesland in den onversletenen form Ha- 
vinga voor. Pi er ie acht ik oorspronkelik te zijn Pieringa, 
het patronymikon van den mansvrnaam Pier, die in Friesland 
en ook wel in de zuidelike gewesten in gebruik is als eene samen- 
trekking vau Pieter of Petrus, en die tevens oorsprong gaf 
aan de geslachtsnamen Piersma en Piers in Friesland , aan A u- 
piers (zie 61 en 156) in Brabant, en aan Pierson elders 
voorkomende. Surie en Sury zijn op bl. 48 reeds verklaard. 
Schoonie is eene verbastering van Schonia of Schoninga; 
deze laatste volle form komt nog als geslachtsnaam in de friesche 
gewesten voor. De mansvrnaam die aan dit patronymikon ten 
grondslag ligt, is de oud-germaansche naam Schone, Skauni, 
die door Frstemann vermeld wordt. In den tegenwoordigen tijd 
komt deze naam, althans in de Nederlanden, nog slechts in den 
vroueliken form, als Schoontje, voor. Ook oudtijds schijnt deze 
naam niet zeer verbreid geweest te zijn. My zijn althans, behalve 
Schoninga en Schoonie, geene andere hedendaagsche geslachts- 
namen voorgekomen, die tot dezen mansnaam terug gebracht kun- 
nen worden , dan Schningh, oorspronkelik een westfaalsche 
geslachtsnaam , maar die ook in Holland ingevoerd is , en den 
vlaamschen geslachtsnaam Schoentjens. Of de naam van het 
oud-friesche geslacht Schunia (in beter friesche spelling Sku- 
nia), voluit Skuninga, ook van Schone, Skauni moet af- 
geleid worden , wil ik niet met zekerheid beweren. Deze geslachts- 
naam is als zoodanig onder de hedendaagsche Friesen uitgestor- 
ven. Maar hy leeft toch nog in den naam van het gehucht Sku- 
nia-bren, by Mirns in Gaasterland. Men verhollandscht dezen 
naam ook wel tot Schuinjebuurt. 

Schaalje is Schalia (Skalia), Schalinga (S kaling a), 
het patronymikon van den oud-germaanschen , door Frstemann 
vermelden mansvrnaam Seal, die vroeger in Friesland als S k e 1 e 
(Schele) in gebruik was, gelijk uit de naamlijsten van Brons 
en Leendertz blijkt. In den geslachtsnaam Schaallema (Scha- 
lema, ofSkalama ware beter spelling) vinden we dezen ouden 
mansvrnaam terug. Misschien ook in Schalekamp. En zekerlik 
in Scheeling s. 



74 VERSLETENE FRANKISCHE VADERSNAMEN. 

30. In de zuidelike Nederlanden en vooral ook in noordelik 
en oostelik Frankrijk, maar ook wel in de andere nederlandsche 
gewesten, en tevens in andere germaansche laaden (Engelland en 
Duitschland) , komen geslachtsnamen voor, in grooter of kleiner 
aantal , die dit gemeenschappelike vertoonen , dat zy op y uit- 
gaan. Maar ook overigens vertoonen deze namen veel gelijkfor- 
niigheid , zoodat men ze tot eene groep kan samenvoegen. Die 
gelijkforniigheid blijkt vooral uit de omstandigheid dat men deze 
uitgang y slechts in ing (ink , inga , ynck) behoeft om te zetten , 
om ware patronymika , echt-germaansche vadersnamen van oud- 
duitsche mansvrnamen afgeleid, te verkrygen. Naar myne mee- 
ning zijn deze zmamen dan ook anders niet als versletene ware 
patronymika , en wel van byzonder-frankischen form , even als de 
ia en 7'enamen versletene patronymika van byzonder-frieschen form 
zijn. Door den frankischen oorsprong dezer namen kan het voor- 
komen er van hooftsakelik in de zuidelike Nederlanden , gereedelik 
verklaard worden. Wijl een goed deel des algeheelen nederland- 
schen volks van frankischen oorsprong is , zoo moeten de ?/namen 
wel degelik tot de nederlandsche geslachtsnamen gerekend worden. 
Zie hier eenigen van deze namen tot voorbeeld. De patronymikale 
geslachtsnamen waar mede zy overeenkomen , heb ik er achter- 
gevoegd. Bonny (Bonnink, Bonninga in Friesland , B o n- 
ning in Engeland); Borry (f Bornia = Borringa in Fries- 
land) 1 . Deze byzondere overeenstemming in aanmerking genomen , 



1 Corty (Korting, Kortenga, van Kort, C o r d , eene bekende samen- 
trekking van Koen raad, Conrad, Konert); D o n n y (Donga = Dodinga, 
van Dodo, Doe de; of van den mansvrnaam Donne, die aan den geslachtsnaam 
Dons oorsprong gaf, en aan den naam van Donningen, een dorp by Clerf in 
Luxemburg); Emmer y (E mme ring, van Emmert, Embart); Ferry 
(f Fer nia = Ferringa', van Ferre, ook Fere, zie bl. 30); Grvy (Gre- 
vinge, Grevingh, t Grevinga, zie bl. 76, ook Gr e vincho vi us, zie 
bl. 52); Gerry (Gerring, van Gerre, Gei'; ook de geslachtsnamen Gersma 
en Gersonius komen hier van); Hardy (Harding, Harting, Herdingh, 
van Hart); Henny (Henning, Hennye in Noordwest-Duilschland ; zie bl. 70, 
van Henne); Hovy (Hoving, Hovinge, Hovingh, Hovinga, zie bl. 50, 
van Hove, Houe); Rembry, (Remberdink, Remmerding, voluit Rem- 
berchtiug, van Rembert, Rembrccht, Rembercht, Renbercht, Re- 
ginbercht); Remy (Remminga); "Warny (Warninck); Werry en (balf- 
hoogduitsch) Wehry (Wering, Weringa); Schaly (Schalinga), zie bl. 73. 



VADEUSNAMEN VAN BEROEPEN EN BEDRYVEN. 75 

komt de stelling my niet te gewaagd voor , dat ook deze ge- 
slachtsnamen tot de versletene patronymika behooren , al hoe 
vreemd , hoe ongermaansch hun voorkomen thans ook zy. Trouens , 
de sprong van 't oorspronkelike Borring tot Borry is niet 
grooter dan van Borringa tot Bornia, dan van Bruninga 
tot Bruinje. Het voorkomen dezer namen in het romaansehe 
Frankrijk laat zich zeer gereedelik verklaren door aan te nemen 
dat de geslachtsnamen op y verbasteringen zijn van de volle pa- 
tronymika die als toenamen gedragen werden door de germaan- 
sche Franken , Burgundiers , enz. welke een deel van het heden- 
daagsche Frankrijk bevolkt hebben , en er zelfs hunne namen nog 
aan lieten (Frankrijk , Bourgondie). In allen gevalle , al vertoonen 
deze namen nu een vreemd , een romaansch voorkomen , zy zijn 
toch zuiver germaansch van oorsprong. 

31. Tot besluit van deze verhandeling over de oude patro- 
nymika, dient hier nog eene kleine groep van zeer byzondere ge- 
slachtsnamen vermeld te worden. Deze namen , op ing , ink , inga 
eindigende, zijn, wat hun form aangaat, echte patronymika. Maar 
zy onderscheiden zich hier in van alle andere patronymika , dat 
zy niet van mansvrnamen afgeleid zijn , maar van woorden , die 
een beroep of bedrijf of ambt aanduiden ; b. v. Jager ink, Mees- 
tringa, Vogeding, van de woorden jager, meester en voged , 
.voogd , en dus zoon van den jager , nakomeling van den meester , 
van den voogd beteekenen. Het ontstaan dezer namen is ge- 
makkelik te verklaren door aan te nemen dat oudtijds deze of 
gene man, door zyne omgeving en tijdgenooten, in het dageliksche 
leven , niet by zynen naam genoemd werd , maar by den naam 
van het bedrijf dat hy uitoefende , of van het ambt dat hy be- 
kleedde. Deze zaak is niet vreemd, en geschiedt nog dageliks, en 
is ook de oorsprong van al de hedendaagsche geslachtsnamen , als 
Jager, de Meester, Voogt, die op zich zelven een ambt of 
beroep aanduiden. Maar in deze byzondere gevallen hadden de be- 
roepsnamen zoo volkomen de plaats der eigennamen ingenomen , 
dat die eigennamen geheel vergeten en in onbruik geraakt waren, 
zoo dat de zonen dezer mannen hunne patronymika niet ontleen- 
den aan hun vaders vrnamen , zoo als de regel was , maar aan 



76 VADERSNAMEN VAN BEROEPEN EN BEDRYVEN. 

hun vaders toenamen. In dit geval, aan de namen van het beroep 
door hunne vaders uitgeoefend. Dat de naam van eenig beroep z 
volkomen den eigennaam van den persoon die dat beroep ver- 
vulde , verdrong , als noodig was om er voor de zonen patrony- 
mika van te formen, was zeker slechts by uitzondering het geval. 
Van daar ook dat zulke oneigenlike patronymika als geslachts- 
namen weinig voorkomen. My zijn de volgenden bekend: Becke- 
ringh en Beckering, van beoker , hacker , bakker ; Borchgre- 
vink, van borchgreve , burggraaf; Grevinge, Greving, Gree- 
vingh, fGrevinga, van greve , graaf. 1 Dezen laatsten geslachts- 
naam zou men ook nog van eenen mansvrnaam kunnen afleiden , 
naar dien Grawo in Frstemann's Altdeutsches Namenbuch als zooda- 
nig vermeld wordt. Behalve de patronymika Grevinge, enz. , bo- 
vengenoemd , zijn van dezen zelfden naam nog ontleend de geslachts- 
namen Graafsma, Gr even en Greeven, met Grevincho- 
vius (zie bl. 52 en 74); waarschijnlik ook nog 'S Graauwen; 
zie 64. In overeenstemming met den geslachtsnaam Borchgre- 
vink, waar by aan eenen oorsprong van borchgreve, burggraaf of 
slotvoogd , niet getwyfeld worden kan , zoude ik by Greving, enz. 
liever aan het woord graaf, dan aan den mansnaam Grawo 
denken. Grutterink is van grutter en Maaldrink van maal- 
der , maler, mulder of molenaar. De friesche geslachtsnaam Mees- 
tringa, van meester, kwam oudtijds ook in eenen anderen, meer 
saksischen form voor: zekere Johan Meisterinck toch woonde 
in den jare 1640 te Groningen. 2 Neirinckx en Neyrinckx 
en Neirynck zijn vlaamsche geslachtsnamen, waarschijnlik ont- 
leend aan het woord neier , neyer , naeyer , naaier , dat in Vlaanderen 
gebruikt wordt voor hethollandsche woord kleermaker. Van daar ook de 
vlaamsche geslachtsnaam DeNaeyer. Rigterinkis van richter , 
rechter; Ridderink, van ridder; Schildering en Schippe- 
ring van schilder en schipper; Scholting, Schulting, Schol- 



1 Maaldrink, M eest r inga, Meyering, Meyerink, Meyeringh, 
Neirinckx, Neyriuckx, Neirynck, Ridderink, Rigterink, Schil- 
dering en Schilde rink, Schipper ing, Scholting, Schulting, Schol- 
tink, Schultink, Smeding, Smedink, Smedinga, Vissering, V i - 
schering, Vogeding, Weeveringh en Weverink. 

2 Zie DrentJusche Volksalmanak voor 't jaar 1842, Koevorden, bl. 159. 



VADERSNAMEN VAN BEROEPEN EN BEDRYVEN. 77 

tink, Schulting zijn afgeleid van het woord scholte, schulte, schout. 
Dit woord was oudtijds ook wel als mansvrnaam in gebruik, 
zoo dat bovengenoemde geslachtsnamen ook wel kunnen worden 
beschoud als echte , oorbeeldige vadersnamen. Schelte , beter skelta , 
is de friesche form van het Saksische scholte , schulte , van het frankische 
schout; en Schelte is tevens nog heden een friesche mansvr- 
naam , in volle gebruik. De friesche patronymikale geslachtsnamen 
Scheltinga en Van Scheltinga, met het saxo-friesche Schul- 
ting a in Groningerland , en waarschijnlik ook met Schuitinga 
en Schuttinga, zijn tegenhangers van Scholting , Schulting, 
enz. 1 Weeveringh en Weverink zijn afgeleid van het woord 
wever. 

Smeding, Smedink en Smedinga zijn patronymikale formen 
van het woord smid , en beteekenen dus : zoon van den smid. De i 
van het nederlandsche woord smid gaat , by samenstellingen en in den 
meervoudsform , in eene e over : smedery , smeden. Zoo is ook het 
patronymikon van smid Smeding en niet Smidding. Het 
woord smid op zich zelven luidt trouens ook in menige vlaamsche 
en brabantsche gouspraak als smet; van daar de geslachtsnamen 
De Smedt en De Smet in de zuidelike Nederlanden. Afgaande 
op de verbazende talrijkheid der geslachtsnamen Smid, Smit, 
Smits, De Smedt, Smets, Schmitt, Schmidt, Schmitz, 
Smith, Smithson, enz. by Nederlanders , Duitschers en En- 
. gelschen , zijn smeden zeker van alle handwerkslieden het menig- 
vuldigst naar hun bedrijf genoemd geworden. En was dit oudtijds reeds 
het geval , ook nog heden spreekt men zulk eenen man veelal als 
smid aan , en wordt hy , vooral in dorpen en kleine steden , steeds 
z genoemd, zoodat menigeen die dageliks met den smid om- 
gaat, 's mans eigen naam niet kent. Van daar dat ook het woord 
smid, smith zelf by de oude Germanen wel als een mansvrnaam 
gebruikt werd. In Frstemann's Altdeutsches Namenbuch vinden wy 
eenen man vermeld die in de 9de eeu leefde, en Smid o heette. 
Talrijk zijn de patronymikale geslachtsnamen, die van het woord 



1 Over het woord skelta , schulte , scholte , schojd , en over de eveneens luidende 
mansvrnarnen , met. de geslachtsnamen daarvan afgeleid, zie men mijn onstel: 
sSchelte, Scholte, Schulte, Schout, Schuit", in Be Navorscher, 
Dl. XXX11, bl. 386. 



78 VADERSNAMEN VAN BEROEPEN EN BEDRYVEN. 

smid , of van den mansvrnaam S m i d o geformd zijn. In alle formen 
komen ze voor. Behalve de volledige formen Smeding en Smedin- 
ga, bestaan er de geslachtsnamen Schmeding enSchmedding, 
die beiden aan hoogduitschen inflcted deze byzondere schrijfwyze dan- 
ken. Ook Schmeink, waar de d uitgesleten is; zoo spreekt men 
in Holland het werkwoord smeden ook als smeen (sme-je) uit. Eindelik 
ook Smeengh, nog meer samengetrokken. Even als in de friesche 
taal het werkwoord smeten bestaat tegenover het nederlandsche 
werkwoord smeden , zoo bestaat in Friesland ook de geslachtsnaam 
Smeyenga, nevens het oorspronkelike Smeding a. Uit dezen 
vollen form vernoeid en samengetrokken zijn de friesche geslachts- 
namen f Sm en ga en Smynga, op de wyze als in 27 is 
vermeld , en Sminia en Van Sminia, op de manier als in 
29 medegedeeld is. De Saksische namen Smeenk en Smink, 
even als de naam Smeengh, zijn uit de volle formen Smedink 
en Smidink samengetrokken; en Smeenks is een tweede-naam- 
valsform daar van; zie 18. Het woord of de naam smid, smede 
is in verkleinform smedeke ; van daar de geslachtsnaam Smee- 
king, die uit Smedeking, het patronymikon van Smedeke 
is samengetrokken. Pseudo-patronymika , eveneens hedendaagsche ge- 
slachtsnamen , van smede zijn nog : Smeda, Schmeda en Sme- 
dema, drie friesche formen, benevens Smedes en Schmedes. 
Al deze geslachtsnamen zijn in de noordelike en oostelike gewesten 
van Nederland inheemsen; tevens in de aangrenzende noord-wes- 
telike gouen van Duitsehland. Ook de geslachtsnaam Goldschme- 
ding, van hoogduitschen oorsprong , komt in Nederland (te Am- 
sterdam) voor. Hy is afgeleid van het woord goldschmid, goudsmit, 
en strekt nog tot een byzonder bewijs dat smid wel degelik het 
woord is, waar van het patronymikon Smeding is ontleend. 

Dat zulke vadersnamen , van beroepsnamen geformd , zeer oud 
zijn, blijkt uit de op bl. 23 vermelde oorkonde van 1188, waarin 
de twentsche erven Smedinc en Spelemanninc worden op- 
genoemd. Is het patronymikon Smedinc, van smid, tot in on- 
zen tijd talrijk en veelvuldig bestaan gebleven , de vadersnaam 
Spelemanninc, van speleman, speelman (muzikant in nieuer- 
wetsch hollandsch) , schijnt uitgestorven te zijn. Een geslachts- 
naam Speelmannink is my althans nooit voorgekomen. 



VADERSNAMEN IN NIETJE TAA.LFORMEN. 79 

Of de patrcmymikale geslachtsnamen Boer in k, Boering, 
(met Buerinck, Buringh, Buringa en Buiringa, en 
Burring in Engelland) , ook tot deze groep behooren , moet ik 
in het midden laten. Zy kunnen immers zoo wel tot den mans- 
vrnaam Bure, Burre, Boere worden terug gebracht , als 
tot het woord boer , als naam van een bedrijf. 

Over deze geslachtsnamen in patronymikalen form , en van be- 
roepsnamen afgeleid, heb ik ook het een en ander medegedeeld in 
een opstel Eenige nederlandsche geslachtsnamen , voorkomende in het 
tijdschrift De Navorscher , dl. XXIX, bl. 207. 



B. DE PATRONYMIKA, DIE NIEUE TAALFORMEN VERTOONEN. 

32. Behalve de oude, op ing, enz. eindigende vadersnamen, 
hiervoren vermeld , bestaan er ook vele patronymikale geslachts- 
namen, die nieuere taalformen vertoonen. Zy onderscheiden zich 
hierin van de oude patronymika , dat zy niet het aanhangsel ing 
(inh , inga) achter den mansnaam dragen , maar achter dien naam 
de gewone , nog heden in de nederlandsche schrijf- en spreektaal 
in gebruik zijnde tweede-naamvalsformen , op s en en , vertoonen. 
Buitendien hebben velen van deze nieuere vadersnamen nog het 
, woord zoon , meestal verkort als son , sen , soms ook tot eene enkele 
s of z versleten, achter zich. Dit geldt voor de algemeen-neder- 
landsche patronymika als maagschapsnamen die van nieueren oor- 
sprong zijn. Maar de Friesen hebben buitendien nog vele geslachts- 
namen , die eveneens patronymika zijn , in tweede-naamvalsformen 
van de oud-friesche taal. Deze gaan op eene enkele a , op ma en 
na , op sma , sema , sna , sena uit. Bruining, Bruinink, Brui- 
ning a b. v. zijn oude patronymika ; Bruins, Brunen, Bruin- 
sen, Bruna, Bruinema, Bruinsma zijn nieue vadersnamen, 
en allen te samen , met vele andere geslachtsnamen (Brunings, 
Brunia, f Brunsema, Bruininkweerd, Van Bruynin- 
gen) zyn van en en den zelfden mansvrnaam Bruno ontleend. 
Even als de oude vadersnamen zijn ook de nieue patronymika 
afgeleid van de namen van vaders , en door de zonen dier mannen 



80 VADERSNAMEN IN NIEUE TAALFOKMEN. 

als toenamen , ter onderscheiding , gedragen. In den beginne natuurlik 
uitsluitend door de zonen. Later kregen deze vadersnamen een meer 
vasten aard , eene meer algemeene strekking. Niet enkel de zonen , 
ook de kleinzonen en verdere nakomelingen van den man , wiens 
eigen vrnaam tot het formen van een nieu patronymikon ge- 
bruikt was , bedienden zich daarvan als van eenen vasten toenaam , 
eerlang ook als van eenen vasten geslachtsnaam. En niet slechts 
de zonen , ook de dochters noemden zich oudtijds evenzeer naar 
den naam van haren vader. Heette een man Albert, zijn zoon 
Hendrik noemde zich Hendrik Albertszoon, zyne dochter 
Brechta werd Brechtje Albertsdochter genoemd. De toe- 
naam, het patronymikon Albertszoon, spoedig door het vele 
gebruik tot Albertsen versleten , of tot A 1 b e r t s ingekort , 
kwam als een vaste toenaam , weldra als een vaste geslachtsnaam 
voor de kinderen en verdere nakomelingen van Hendrik Al- 
bertszoon in gebruik, en bleef tot op onzen tijd in het leven. 
Maar de toenaam van Brecht Albertsdochter verdween toen 
deze vrou zelve stierf, ook al had zy zonen en dochteren. Deze 
immers noemden zich weer naar hunnen vader , niet naar hunne 
moeder. 

De nieue patronymika zijn de oude vadersnamen opgevolgd. Zy 
zijn van lateren tijd. In de laatste middeleeuen , van de elfde eeu 
tot de vijftiende, verloor de taal, die, in zoo verschillende for- 
men door het volk tusschen Schelde en Eems gesproken werd , 
de macht , de kracht , de eigenschap om , door achtervoeging van 
ing , ink , inga , van mansvrnamen patronymika te formen. De 
beteekenis van dit aanhangsel ging voor het volk verloren. Men ver- 
stond niet meer wat zulke namen als Huging, Ernestink, 
Homminga eigenlik beduidden. En zoo maakte men zulke toe- 
namen dan ook niet meer, en raakten ze geheel in onbruik. 
Overal in de Nederlanden geschiedde dit niet gelijktydig. Hier 
gebeurde 't eerder , daar later. In de zuidelike Nederlanden wel 
het eerst ; later in Holland en Gelderland ; het laatst in Friesland. 
Ook verdwenen de echte patronymika in eenige bepaalde landstreek 
niet plotseling uit het gebruik. Sedert de eerste nieue patronymika 
opkwamen , en tot dat de laatste oude vadersnamen in den leven- 
den volksmond nog geformd werden , verliep er allicht eene eeu, 



VADERSNAMEN OP ZOOn , SOen , SOIie UITGAANDE. 81 

Behalve de nieue patronymika , die vaste geslachtsnamen zijn 
geworden , zijn deze naamsformen ook buitendien nog by 't neder- 
landsche volk tot op dezen tijd in gebruik gebleven , in hunnen 
oorspronkeliken zin. Jan Smit b.v. , die een zoon is van Hen- 
drik Smit, noemt zich nog wel, ter onderscheiding van anderen , 
die even zoo heeten , Jan Hendriksz. Smit, of Jan Smit 
Hendrikszoon. Maar sedert de zestiende eeu is dit gebruik 
toch langzamerhand by 't nederlandsche volk verminderd , en thans , 
met uitzondering van de friesche gouen , nergens meer algemeen 
in zwang. Hier hebben wy ons verder slechts bezig te houden , 
met die hedendaagsche nederlandsche geslachtsnamen, welke die 
nieuere patronymikale formen vertoonen. 

33. De oudste , tevens de volledigste form van nieue patro- 
nymika bestaat uit eenen mansvrnaam in den tweeden naamval , 
met het woord zoon daar achter. My zijn slechts een paar heden- 
daagsche geslachtsnamen bekend , die dezen volledigen form in de 
hedendaags geldige spelling vertoonen. Het zijn Egbertszoon 
en Jacobszoon. Buitendien eindigt de geslachtsnaam Moe- 
de r z o o n eveneens in dezen form. Toch behoort deze naam niet 
tot de patronymika, wijl het eerste lid er van (moeder) geen 
mansvrnaam is. In 60 zal deze byzondere naam nader be- 
sproken worden. 

, Dat het woord zoon in vorige eeuen niet aldus , maar als zone , 
zoone , sone , soone , soen , soon gespeld werd , is bekend. Van daar 
dat eenige hedendaagsche geslachtsnamen nog die oude formen en 
spelwyzen vertoonen. En die namen bewyzen daar door dat zy 
van oude , gedeeltelik zeer oude dagteekening zijn , terwijl de twee 
of drie bovengenoemden op zoon uitgaande , juist door dien nieuen 
form aantoonen , dat hun oorsprong in het laatst der voorgaande 
of in het begin dezer eeu te vinden is. Zie hier eenigen van die 
hedendaagsche maagschapsnamen , welke het woord zoon nog in 
zulke oude spellingen vertoonen: Baertsoen, van den mansvr- 
naam Baart, Barend, Bernard, Bernhart; Bette- 
sone (over den mansnaam Bette zie men 59); Boecksoone 
en Boucksoone. De mansvrnaam Boek, Boeke, die aan 
laatstgenoemden geslachtsnaam ten grondslag ligt, is waarschijnlik 

6 



82 vadersnamen op sone , soen , son uitgaande. 

de oud-germaansche , in Frstemann's Namenbuch vermelde naam 
Bucco, die als Bokke (waar van de geslachtsnamen Bok- 
kes, Bokkema, Bokma, Bockma, Boksma) nog heden by 
de Friesen in volle gebruik is. In den form Boek, Boeke 
vinden wy dezen mansnaam terug in de geslachtsnamen B o e c k x 
in Vlaanderen , Boekema, f Boekma en Boeken in Fries- 
land, allen ook patronymikale formen. Bucing en Boeing 
kwamen reeds als echte patronymika by de Angel-Saksen 1 voor. 
Dat de geslachtsnamen Beukinga, Beukema en Beuckens 
ook van dezen zelfden mansvrnaam afgeleid zijn , komt my zeer 
waarschijnlik voor. 

Claeissone komt van Claei, Claeis, 't welk de, in West- 
Vlaanderen volkseigene verkorting van Nicolaas is. Deze ge- 
slachtsnaam is dus de zelfde als KI a assen in Holland, KI a se ma 
in Friesland , Clausson in Neder-Duitschland , Nicholson in 
Engelland. Florizoone, van F 1 o r i s , heeft eene s verloren , 
even als Florison, een andere form van dezen zelfden geslachts- 
naam. Huyssoone en Huyssoon, van denmansnaam Huso(zie 
bl. 29 en 30). Jansone en Janssone, van Jan, zijn duidelik 
genoeg. Liefs oons en Lievesoons stammen van den mans- 
vrnaam Lieven, Lieve, Liwijn, Lie f w i n. Deze twee laatste 
geslachtsnamen zijn nog byzonder , wijl ze nog eens , ten tweeden 
male dus , door de achtergevoegde s , in den tweeden naamval 
geplaatst zijn. Letterlik beteekenen deze namen dus : zoon van den 
zoon van Lieven. - Mabesoone weet ik niet te verklaren, 
even min als Tierssoone en Tryssesoone. Moyersoen 
is een andere , oudere form van het hier boven reeds genoemde 
Moederzoon. Verheyllesone eindelik is een byzonder 
metronymikon en wordt in 60 nader besproken. 

Het woord zoon , soon is achter eenige geslachtsnamen ook tot 
son ingekort. By de Engelschen en Skandinaviers is juist dit de form 
waar onder deze patronymikale maagschapsnamen , en dat wel zeer 
veelvuldig , voorkomen. Johnson, Thomson aan den westeliken , 
Erikson, Bjrnson aan den oosteliken oever van de Noordzee. 
Ook in noordelik Duitschland komt deze form geenszins zeldzaam 



1 Zie Tayi.oh, Wprds and Places, bl. 492 en 499. 



VADERSNAMEN OP SOU EN SOUTie UITGAANDE. 83 

voor. In Nederland is hy oorspronkelik zeldzamer. En dan nog 
zijn velen dier namen uit Noord-Duitschland naar de Nederlanden 
overgekomen. Een echt nederlandsch karakter vertoonen ze des 
niet te min. Zie hier eenigen van die namen :Derkson,Hanson, 
Jan ss on met Jansoh en Johansson, 1 enz. De meesten van 
deze namen eischen weinig nadere toelichting. Derk, de oorspron- 
kelike naam waar Derkson van is afgeleid , is de Saksische 
(geldersche en overysselsche) form van Dirk, Durk,Diederik, 
Theodorik. Pier (waar van P i e r s o n) is eene , vooral in 
Friesland en Vlaanderen volkseigene verkorting van Pi et er, 
Petrus. Over Hemmingson zie men bl. 44. In dezen naam 
is een valsch en een echt patronymikon op eikanderen gestapeld. 
Letterlik beteekent deze naam : zoon van den zoon van H e m m o. 
Eerst toen men het patronymikon Hem m ing niet meer verstond, 
kon men er toe komen om er nog een son achter te voegen. De mans- 
vrnaam Tammo, Tamme, nog heden by de Friesen in volle 
gebruik , ligt aan den geslachtsnaam T a m s o n ten grondslag , even 
als aan Tamminga, Tammes, Tamming enz. Over den oor- 
spronkeliken mansnaam die aan den geslachtsnaam Muysson ten 
grondslag ligt, zie men het tijdschrift De Navorscher dl. XXVI, 
bl. 561, en dl. XXVII, bl. 78 en 80. Neeteson is waarschijnlik 
ontleend aan den oud-germaanschen mansnaam N a t o , die in Fr- 
stemann's Namenbuch vermeld staat. Van dezen zelfden mansnaam , 
die ook als Natto voorkomt, zijn ook de geslachtsnamen Net- 
tin g a , f Nettema, Nettes en Netten, met Nettekoven 
ontleend. Deze laatste naam is eigenlik een plaatsnaam , en samen- 
getrokken uit den volledigen form Nettinkhoven. Een gehucht 
by Bonn in de Duitsche Bijnprovincie heet alzoo. 

Deze geslachtsnaam Neeteson komt te Antwerpen voor onder 
den afwykenden form Neettesonne, en dezen zelfden vreemden 
form vertoonen ook de geslachtsnamen Heylesonne, Leene- 
sonne, Meiresonne. 

Patronymikale maagschapsnamen op son eindigende , komen ook 
veelvuldig onder duitsche Israliten als geslachtsnamen voor. En 



1 Muysson, Hemmingson, Neeteson, Nicolson, Pier son, Robert- 
son, Sanderson, Stevenson, Tamson, "Waleson, Wouterson. 



84 VADERSNAMEN OP ZOU EN Zeune UITGAANDE. 

met deze lieden zijn eenigen van die namen in de Nederlanden gekomen ; 
b. v. Abrahamson, Davidson, Benjaminson, Levison 
met Levisson, Salomonson, enz. Eenige namen op sohn uit- 
gaande , zijn natuurlik ook van boogduitsche inkomelingen afkom- 
stig ; b. v. Bebrensobn, Elsensohn, Levyssobn en Leef- 
sobn. Ook zijn de namen dezer kleine groep booftsakelik , zoo 
niet uitsluitend, aan isralitiscbe geslacbten eigen. 

Door bollandscbe misspelling is de oorspronkelike uitgang son 
by eenige nederlandsche geslacbtsnamen tot zon geworden. Deze 
dwaze spelling vinden wy in de namen Gerbenzon, Gosenzon, 
Hanzon, Harmenzon, Janszon, enz. G e r b e n , de naam die 
aan Gerbenzon ten grondslag ligt, is een friescbe mansvoor- 
naam , nog beden in volle gebruik. Deze naam gaf ook oorsprong 
aan de geslacbtsnamen Gerbens enGerbensma. Gosenzon 
beteekent : zoon van G o s e n , van Gosewyn of Godeswyn, 
Godswin. Van dezen zelfden scboonen naam (Gods win immers 
beteekent Gods vriend) zijn ook de veelvuldig voorkomende geslacbts- 
namen Gozens, Gosens, Goossen, Goossens afgeleid. 
Eenen zeer zonderlingen , pruikerig-geleerden form vertoont ook 
de geslacbtsnaam Brouckxon, die in Vlaanderen inbeemsch is, 
en in eenvoudig nederlandscbe spelling als Broekson dient ge- 
sebreven te worden. Nevens dit Brouckxon komen in de vlaam- 
sebe gewesten nog de geslacbtsnamen Brouckx, Broecx en 
B r o e c k x voor , even als in de friescbe gouen Broekema, 
Broeksma, Broeksema en Broekens, allen (zoon) van 
Broek, Broeke (Bruco) beteekenende. Dat dit Broeke een 
oude mansvrnaam is, blijkt ontegenzeggelik uit de bovenstaande 
patronymikale geslacbtsnamen. Hy is my eebter in oude gesebriften 
nooit voorgekomen ; en evenmin vond ik bem vermeld in de be- 
kende naamlijsten. 

In het grootste deel der nederlandsche gouspraken luidt bet woord 
zoon als zeun , seun of seune. Een paar bedendaagsebe geslacbtsnamen 
vertoonen dien byzonderen form. Dit zijn Goudezeune en Gou- 
deseune, Janseune en Janszeune, enLyseseune. De 
mansvrnaam Goude, die aan Goudeseune oorsprong gaf, 
boud ik voor den zelfden naam als G o u e , die , meestal in den 
verkleinform Gouke, nog heden by de Friesen in volle gebruik 



VADEKSNAMEN OP Sel EN Zen UITGAANDE. 85 

is. De friesche geslachtsnamen Gouma, Goukema en Goukes 
zijn daarvan afgeleid. En waarschijnlik ook de friesche dorpsnamen 
Dola-G-outum , meestal enkel Goutum genoemd, en Scharne- 
Goutum. De geslachtsnaam Gouwe (Gouwen? een tweede- 
naamval van Goue?), in Holland voorkomende, zal hier ook wel 
mede samenhangen. Over Lyse, de stamnaam van Ly se se un e, 
zie men nader 59. 

34. By het grootste deel der nederlandsche nieue patronymika is 
het oorspronkelike achtervoegsel zoon , soon nog meer versleten en ver- 
basterd , dan in bovengenoemde voorbeelden aangegeven is. Namelik 
tot zen , sen , se en zelfs tot eene enkele z of enkele s. De geslachts- 
namen die deze versletene formen vertoonen , zijn veel talryker 
dan die welke op de vollere formen son , zon , soone , enz. uitgaan. 

Zie hier eenige geslachtsnamen , waar het oorspronkelike soon 
of zoon tot sen of zen is verbasterd : Freerkszen, Harmszen, 
Janszen, Janssen, Janzen en Jansen, Klaassen en 
Klaaszen, Lambrechtsen, Meinertsen, Pietersen, Wil- 
lemsen. Freerk, van Freerkszen, is de oud-nederlandsche 
verkorting van Frederik, die tegenwoordig in Holland door den 
hoogduitschen form Frits verdrongen is, maar in Friesland nog 
dikwijls voorkomt. 

By eenigen van bovenstaande namen is de tweede-naamvalsform 
op s , tusschen den oorspronkeliken mansvrnaam en het achter- 
voegsel sen of zen behouden gebleven , terwijl die s in andere 
namen niet meer geschreven wordt. By Harmszen en Jans- 
sen (Harm-s-zen, Jan-s-sen) komt zy voor; by Jansen 
(Jan-se n) en Pietersen (Pieter-sen) is ze verdwenen. Wijl 
deze s onmiddellik voorafgaat aan de s of z waarmee de letter- 
greep sen , zen begint , zoo versmelten deze beide sisklanken in eikan- 
deren , en raakt een er van gemakkelik in het schryven verloren , 
omdat men hem in het spreken niet afzonderlik kan onderscheiden. 

By een paar geslachtsnamen valt juist het tegenovergestelde op 
te merken. Daar is niet slechts de s van den tweeden naamval 
behouden gebleven, maar die tweede naamval van den mansvr- 
naam vertoont nog den volledigsten form op es, die sedert eeuen 
reeds uit de nederlandsche schrijftaal verdwenen is. En daarachter 



86 vadersnamen op essen EN sens UITGAANDE. 

volgt dan nog het tot sen versletene woord zoon. Die namen zijn 
Gerdessen en Hugessen. Ge rd (Gert, saamgetrokken van 
Gerhart), in ouden tweeden-naam valsform G er des, met sen , 
zoon daarachter , maakt Gerdessen. Even zoo Hugo, Huge, 
in tweeden-naamval Huges, met sen er achter: Hugessen. Uit 
deze samenstelling blijkt ook dat men de stemsate of klemtoon 
by 't uitspreken dezer namen niet op den tweeden lettergreep 
moet laten rusten , zoo als dikwijls geschiedt. De geest onzer taal 
eischt dat de volle klemtoon op den eersten lettergreep valle. 

De Vlamingen en Brabanders zetten van ouds allerlei reeds be- 
staande toenamen en geslachtsnamen in den tweeden naamval. Zy 
maakten er patronymika van voor de zoons van de mannen , die 
reeds zulke toenamen droegen. Ook by zulke eigenaardige namen 
welke niet in eenen tweeden-naamval gedacht kunnen worden , of 
waar de genitivus geheel overbodig was , of rechtstreeks tegen 
den geest der taal indruischte , deden zy toch zoo. Op bl. 46 is 
reeds op deze eigenaardige naamsforming gewezen ; verder op in 
dit werk zal men ook nog meer voorbeelden daarvan vinden. En 
zoo komen er , hooftsakelik in de zuidelike Nederlanden , geslachts- 
namen voor , waar nog eene geheel overtollige s , als uitgang van 
eenen tweeden naamval , gevoegd is achter een nieuformig patro- 
nymikon , achter eenen naam die reeds in den tweeden naamval 
staat. Door die opeenhooping van genitiven wordt den geest onzer 
taal geweld aan gedaan. Zulke namen konden dan ook slechts daar 
ontstaan , waar de geest der taal zoo weinig gekend werd , zoo 
weinig gevoeld , dat men niet eens meer den reeds bestaanden 
tweeden naamval in de patronymikale namen erkende , dat men 
die naamsformen niet meer verstond. Adriaenssens, Aerts- 
sens,.Bastiaenssens, Claeissens, Claessens, Chris- 
tiaenssens, Dierckxsens en Dierckxsens, Janssens, 
Thijssens zijn voorbeelden van zulke dubbele vadersnamen, die 
onder de zuid-nederlandsche geslachtsnamen geenszins zeldzaam 
voorkomen. Janssens b. v. beteekent: zoon van den zoon van 
Jan. Zulke namen zijn ware monsters, echte wanformen. Dierckx- 
sens is ook buitendien nog een monster van wanspelling. 

My zijn nog een paar geslachtsnamen bekend , die ook tot deze 
groep behooren , maar die nog zonderlinger verbastering vertoonen , 



VADERSNAMEN OF SinS EN se UITGAANDE. 87 

wijl het aanhangsel sen tot sin geworden is. Bruinssins en 
Lainpsins zijn deze namen. Bruinssins beteekent: zoon van 
den zoon van Bruno. Lampsins komt van den mansvrnaam 
L am p e , die weinig of nooit meer in gebruik is , maar die in de lijs- 
ten van nederlandscbe vrnamen van Wassenbergh enLEENDEUTznog 
voorkomt, en ook, als Lamp o, in Frstemann's Namenbuch ver- 
meld staat. Met Lampsins zijn ook de geslachtsnamen L a m p i n g , 
Lampsma, Lampen, benevens Lampson in Engelland, van 
dezen ouden mansnaam afgeleid. 

35. Eenvoudiger in hun samenstelling zijn de geslachtsnamen 
waar het reeds verbasterde achtervoegsel sen ook nog de n verloren 
heeft en se geworden is. Hollanders en Zeeuen in d' eerste plaats, 
maar ook wel Vlamingen en Brabanders , later geerne , in hunne 
dageliksche spi eektaai, de slot-n achter de woorden weg 't is 
genoeg bekend. Zoo is in hun mond , b. v. van 't oorspronkelike 
Michielszoon, Michielszen, weldra Michielsze of Mi- 
chielse geworden. En wijl ze zoo spraken, schreven ze ook alzoo. 
En toen deze losse toenamen eerlang vaste geslachtsnamen werden, 
bleef die eigenaardige schrijfwyze wel behouden. Dat dit aanhangsel 
se achter sommige geslachtsnamen in der daad eene verbastering, 
eene inkorting is van sen , zoon , blijkt ook uit het voorkomen 
dezer namen meest in Holland en Zeeland , waar juist deze by- 
zondere uitspraak heerscht. In de noordelike en oostelike Neder- 
landen , onder de friesche en Saksische bevolking dier gewesten , 
waar men de slot-w achter de woorden juist zoo vol en duidelik, 
als met nadruk hooren laat, zijn deze namen oorspronkelik niet 
inheemsen. Van daar dat mansvrnamen , die bepaaldelik in de 
friesche en Saksische streken van ons land in zwang zijn of waren, 
ook niet als wortelnamen van deze geslachtsnamen voorkomen. 
Maar integendeel zijn dat juist zulke mansnamen als bepaaldelik 
in Holland en Zeeland gebruikelik zijn. Met ne uitzondering 
Jarig se, een geslachtsnaam die aan den frieschen mansvrnaam 
Jarich ontleend is. Toch komt deze geslachtsnaam in Holland 
voor , en niet in Friesland ; hy zal ook wel in Holland ontstaan zijn , 
als toenaam voor de zonen van eenen in Holland wonenden Fries J a- 
rich. Echt friesche tegenhangers van dezen geslachtsnaam J a r i g s e 



88 VADERSNAMEN OP Se UITGAANDE. 

zijn de geslachtsnamen f JarigaenJarichsma met J a r i g s m a. 
De in Holland voorkomende geslachtsnaam Japikse heeft ook 
half en half een friesch voorkomen, in zoo verre Jap ik heden 
ten dage een meest friesche verbastering is van den naam J a c o b , 
en men by dezen naam als van zelven aan den naam van den 
grooten frieschen dichter G-ysbert Japicx denkt. Maar oudtijds 
kwam ook in Holland en andere nederlandsche gewesten de naam 
Jacob in den form Jap ik en Jap piek voor, even zeer als nu 
nog in Friesland. Zoo vermeld nog het gildeboek van het Sint-Sebas- 
tiaans-Handboogschuttersgilde te Inghelmunster in West- Vlaande- 
ren, zekeren Joos Jap piek, op denjare 1716. De friesche weerga 
van den naam Japikse is de geslachtsnaam Jacobsma, en 
een andere tegenhanger daarvan is de geslachtsnaam 'S Jacob. 

Hier volgen nog eenige geslachtsnamen , patronymika op se : 
Aarnoutse, Adriaanse, Baafse, Faasse *. Deze namen 
eischen weinig verklaring. De mansnaam Ba af, die aan den ge- 
slachtsnaam Baafse ten grondslag ligt, is eene verhollandsching 
van het latynsche Bavo, en deze naam is oorspronkelik weer 
het friesche Baue (zie bl. 62). In den verkleinform Baafje komt 
deze naam ook nog in Holland en elders als vrouenaam voor. 
Faasse komt van Faas, eene verkorting van Bonifacius. 
Van dit zelfde Faas zijn nog afgeleid de geslachtsnamen Fasinga 
en Fazinga en Faasma; terwijl het patronymikon Faasse 
nog in allerlei formen , als Faassen, Vaassen, Fasen, Vaesen, 
Faessen, Fase, zelfs Va se, als geslachtsnaam voorkomt. Lie- 
ven, waarvan Lievense, is de oud-nederlandsche afkorting van 
den vollen oud-germaanschen naam Liefwin, die, als geslachts- 
naam , ook in den verbasterden form van L i w ij n voorkomt ; zie 
ook bl. 82. 

Vooral in Zeeland zijn de nieue patronymika op se eindigende , als 
geslachtsnamen inheemsen. Opmerkelik is het dat er onder deze 
zeeusche namen eenigen zijn , die afstammen van mansvrnamen , 



1 Hubregtse, Jansse en Janse, Jooste, Jorisse, Karelse eu Ca- 
relse, Leende r l s e , Lievense, Matlhysse, Pieterse, Theunisse, 
Robberse (van Robber, Robbert of Robert, Rodbert, Hrodbercht). 



VADERSNAMEN OP se EN SZ UITGAANDE. 89 

welke tamelik ongewoon , of in Nederland weinig meer in gebruik 
zijn. B. v. Aalbregse, Alewijnse, Boudewijnse. l 

De geslachtsnaam Cruyce, ofschoon in zulk eene afwykende 
spelling voorkomende , behoort ook tot deze namen ep se , wijl 
hy eigenlik als Kruisse (Kruissen, Kruis' zoon) moest ge- 
schreven worden. Hy komt dan werkelik ook in den form Kruysse 
als geslachtsnaam voor. Over den mansnaam waarvan dit patronymi- 
kon is afgeleid , zie men bl. 57. Waarschijnlik vertoonen de geslachts- 
namen Kroese en Kroeze slechts eenen anderen form van dezen 
zelfden naam. Intusschen kan aan laatstgenoemde namen ook een ander 
woord ten grondslag liggen. Te weten: kroes, krullend; zie 126. 
Waarschijnlik is de geslachtsnaam Boxirce ook anders niet dan 
zulk eene zonderling verkeerde , daarenboven nog half vreemde 
(fransche ou in plaats van nederlandsche oe) spelling van Boerse, 
(Boerssen, Boers- zoon) een patronymikon , even als Boeren, 
Boers en Boersma, van den mansvrnaam Boere; zie bl. 79. 

36. In sommige geslachtsnamen is het woord zoon, soon nog 
meer verkort , dan tot zen , sen of se ; het is samengekrompen tot 
eene enkele z, die men daarenboven slechts in geschriften ziet, 
maar in de uitspraak niet hoort. Deze geslachtsnamen , die oorspron- 
kelik grootendeels , zoo niet allen , in Noord-Nederland inheemsen zijn, 
danken hun ontstaan aan de gewoonte van velen , vooral oudtijds en 
in de eigenlik-hollandsche gewesten , om hunnen vadersnaam , in den 
tweeden-naamval en met die z er achter, ter onderscheiding, te 
voegen tusschen hunnen eigenen vrnaam en hunnen geslachts- 
naam , of achter hunnen geslachtsnaam. Indien b. v. in de zelfde 
plaats twee mannen wonen , die beiden Jan De Boer heeten , 
maar de een is een zoon van Willem De Boer, en de vader 
van den anderen heette Hendrik dan noemt de eerste zich 
Jan Willemsz. De Boer, en de andere Jan Hendriks z. 
De Boer, of Jan De Boer Willemsz. en Jan De Boer 
Hendriks z. , voluit: Jan Willems-zoon De Boer en Jan 
De Boer Hend riks-zoon. Om de omslachtigheid in het noe- 
men van die volle namen te myden , liet men ook weldra den eigen- 



1 Constantse, Davidse, Ferdinandusse, Gideonse, Gilyamse, 
Jobse, Jonasse, W i 1 1 e b o o r d s e. 



90 VAUERSNAMEN OP SZ UITGAANDE. 

liken geslachtsnaam (De Boer) weg, en sprak men slechts van 
Jan Willemsz. en Jan Hendriks z. , welke toenamen eerlang 
volkomen de plaats van den oorspronkeliken geslachtsnaam inna- 
men. Heden ten dage, nu de zaak der geslachtsnamen vast gere- 
geld is, kunnen zulke vadersnamen niet meer in vaste geslachts- 
namen overgaan. Maar het gebruik, om zulke toenamen , ter onder- 
scheiding , te voeren , is nog hier en daar in zwang , niet het 
minst ook by de burgers , kooplieden en boeren in de kleine 
steden en dorpen van Noord-Holland, als overblijfsel van eene 
goede oud-nederlandsche zede. 

Zie hier eenige geslachtsnamen , die tot deze groep behooren : 
Baltensz, Barendsz, Bruynsz. 1 Grootendeels zijn ze van 
welbekende mansvrnamen ontleend. Balt, (Bold, Bout) en 
Hilbert (Hildb recht), de wortels van Baltensz en Hil- 
bertsz, zijn wel weinig in gebruik, maar toch zeer goede oud- 
nederlandsche mansvrnamen. En even zoo is het met den wortel 
van Duivensz, met den mansvrnaam Duif, die nog zeld- 
zamer voorkomt , en die , als zoodanig , niet gevonden wordt in 
de naamlijsten van Wassenbergh, Brons en Leendertz. Dat hy 
toch in gebruik was oudtijds , kan bewezen worden. In een stuk 
van den jare 1582, voorkomende in de Oorkonden der geschiedenis 
van het Sint- Anthonij- Gasthuis te Leeuwarden", dl. II, bl. 720, wor- 
den vermeld : die erffgenaemen van Duyff Jelles in Sintte Jacob- 
straet" te Leeuwarden. Hier is Duyff, Duif 's mans vrnaam; 
Jelles, patronyrnikon' van den nog in volle gebruik zijnden frieschen 
mansnaam Jelle, de toenaam van Duif. Waarschijnlik hangt deze 
oiide mansnaam samen met den oud-germaanschen mansnaam D u b i , 
die in Frstemann's Namenbuch voorkomt. Even als Duyvensz 
stammen ook de geslachtsnamen Duyfs en Duyvis van den 
mansnaam Duif af, met Duifjes en Duyfjes, in verkleinform. 
Waarschijnlik ook het enkele Duif, ofschoon deze naam ook kan 
ontleend zijn aan den naam van den bekenden vogel, misschien 
als huisnaam , of van een uithangbord afkomstig. Of de neder- 
landsche plaatsnamen Duiven, Duivenee, Duivendyke, 



1 Duyvensz, Evertsz, Hilbertsz, Klaasesz, Koensz, Laurensz, 
Wouter bz. 



FRIESCHE VADERSNAMEN OP SZ UITGAANDE. 91 

Duivendrecht, Duivenvoorde, en de namen van de dorpen 
Duveneck by Hoya in Hanover , Duvenstedt by Hamburg , 
en Dverodt by Sieg in de Rijnprovincie , ook aan dezen mans- 
vrnaam ontleend zijn , moet ik in bet midden laten , maar komt 
my tocb wel waarschijnlik voor. 

Een groot gedeelte van de geslacbtsnamen op sz uitgaande , zijn 
niet van algemeen-nederlandscbe , maar van byzonder-friescbe mans- 
vrnamen geformd. Zy komen dan ook meest in Friesland voor. 
Zie bier eenigen daarvan: Agesz, Edesz, Gelfsz. 1 Ag e, 
Ede (Edo), Gelf of Gerlif, Halbe, Ige (Ygo), Lolke (ver- 
kleinform van Lolle), Meine, Melle, Nanne, Oeble (Oe- 
bele (Ubolyn) verkleinform van Oebe, Ubo), Ome (komt 
vooral in Groningerland en Oost-Friesland in den verkleinform als 
Oomke, Omke, Umke, Umco voor van daar de geslachts- 
naam Oomken s), Poppe, Rinse, Ruurd, Rouke, Sebe 
(is vooral aan de Eems in gebruik van daar de oorspronkelik 
oostfriescbe geslachtsnamen , friesche patronymika , Seba, Seeba 
en te Amsterdam verbollandscht Zeeba), Sibble, Sibe of Sybo, 
Sikke of Sicco dat zijn allen mansvrnamen in onze friesche 
gewesten nog in volle gebruik. 

De geslachtsnaam A m e s z is het patronymikon van den ouden , 
by Fbstemann als Arno, by Leendertz als A m e vermelden 
mansvrnaam , waarvan ook de geslachtsnaam f Amama een 
friesch patronymikon is. Bensz komt van Benne (zie bl. 28) 
en Lelsz van Lelie, Lello, een friesche mansvrnaam, die 
wel zelden voorkomt , maar toch zoo wel door Frstemann , als 
door Wassenbergh , Leendertz en Brons in hunne lijsten is op- 
genomen , en die ook oorsprong gaf aan den naam van het dorp 
Lellens in Fivelgo (Groningen), met L e 11 in gen, een dorp in 
Luxemburg , en Lelm (Lella-heim), een dorp by Knigslutter 
in Brunswijk. 

Eenige geslachtsnamen zijn my nog bekend, die, door verkeerde 
schrijfwyze , slechts eene enkele z achter den oorspronkeliken mans- 
vrnaam vertoonen, en waar van de s, het kenmerk van den 



1 Halbesz.Igesz, Lolkesz, Meinesz, Mellesz, Nannesz.Oeblesz, 
Oomsz, Poppesz, Rinsesz, Ruurdsz, Roukesz, Seebesz, Sibblesz, 
Sybesz, Sickesz. 



92 VADERSNAMEN OP ENKELE Z UITGAANDE. 

tweeden naamval verloren gegaan is. Dat zijn Arentz, Baart z, 
Baerentz, Clootz, 1 van de mansvrnamen Arend, Barend 
en L e e n d e r t , die welbekend , en Baart, Kloot, Feite, 
Loot en Reit, die minder bekend zijn. Baart, Baert, ook 
Beert, is eene verbastering van Barend, Bernart; zie bl. 81. 
De mansnaam Kloot is my, als zoodanig, nooit in Nederland 
voorgekomen. Dat hy echter moet bestaan hebben , getuigen , ne- 
vens Clootz, nog de geslachtsnamen Cloots, Kloots, Kloot- 
sema, ook Clootens, Cloetens en Cluytens; misschien ook, 
in versletenen form , Kloos en Klosma, allen nieue patrony- 
mika. Eveneens de oude vadersnamen Clotinck en Cloetingh, 
en den naam van het dorp Kloetinge, by ter Goes in Zeeland. 
Kan deze mansnaam Kloot samenhangen met den oud-germaan- 
schen naam , in frankischen form , Chlodio? De nederlandsche 
form die aan dezen ouden naam beantwoordt, is anders Lode, 
Lude, Luit e. Deze naam Lode, Lote geeft de verklaring 
van den geslachtsnaam Lootz, met Loots dit kan ook een 
beroepsnaam zijn, loods , Looten, Loten, Lot inga en 
Lootsma. Feite en Beit, van Feitz, Feits, Feytama, 
Feitema, Feites, en van R e i t z , Reitinga, Reidinga, 
Reiding, Reidsma en Reits, zijn nog in volle gebruik als 
friesche mansvrnamen. 

37. Eene zeer talryke groep van geslachtsnamen wordt door 
die vadersnamen geformd , by welken het achtervoegsel zoon , ook 
in zyne verschillende afgesletene formen , volkomen verloren is 
gegaan , zoo dat slechts een mansvrnaam in den tweeden naam- 
val is overgebleven. Zulke zeer eenvoudige namen zijn b. v. Bar- 
tels, Bastiaans, Comme rs 2 . Het grootste deel dezer namen 
eischt geenen naderen uitleg. Commer, Kommer is een oud- 
nederlandsche mansvrnaam die nog heden , vooral ten platten 
lande in Zuid-Holland wel voorkomt. Koert en Coenders zijn 



1 Feitz, Leendertz. Lootz, Reitz. 

2 Dirks, Eg b erts, Engelberts, Folk erts, Gerberts, Ge r rits met 
Geerts, Gheeraerdts en Geeraerts, Hendriks en Heins, Hnberts, 
Koerts en Coenders, Koops, Lodewijks, Roelofs, Rutgers, Sybouts 
en Sibolts, Stoffels, Wouters. 



VADERSNAMEN IN EENVOUDIGEN TWEEDEN-NAAMVAL. 93 

beide ontleend aan samengetrokkene formen van den mansnaam 
Koen raad; zie bl. 74. Koop, de wortelnaam van Koops en 
C o o p s , is eene verbastering van J a c o b , vooral in de friso- 
saksische streken van Drente en Overijssel in gebruik, en die 
ook aan de geslachtsnamen Kop inga, Copinga en Koopsma 
oorsprong gaf. Sibout of Sibolt, voluit Sgbolt, Sgbalt, 
is een scboone , volle oud-germaansche mansvrnaam , die in Fries- 
land en Groningen nog in gebruik is onder den form Sibout 
meest in Friesland, als Sibolt meer in Groningerland. En zoo 
komen ook de geslachtsnamen Sybouts in bet eerste, Sibolts 
in bet laatstgenoemde gewest voor. 

Onder deze groep van geslacbtsnamen komen er ook velen voor, 
die aan scboone , volle oud-germaansche mansnamen onleend zijn. 
Mansvrnamen die thans in Nederland weinig of niet meer in gebruik 
zijn , tenzy dan in onze noordelike en noord-oostelike gewesten , 
onder de friescbe en Saksische bevolking dier gouen , maar die in 
de middeleeuen algemeen eigendom waren van alle germaansche 
volken. Deze patronymika moeten reeds vroeg, vr 1600, tot 
vaste toenamen zijn geworden , en bleven later ook als vaste ge- 
slachtsnamen in gebruik , terwijl de oorspronkelike namen , waar 
zy van afstammen , by het nederlandsche volk als mansvrnamen 
uitstierven. Zy getuigen nu nog van oude tyden , toen het ger- 
maansche taal-bewustzijn by ons volk nog levendig was. Zulke 
namen zijn : Arkenbouts, Bloemarts, Ganglof s. 1 De mans- 
naam Arkenbout is nog als Archimbald in Engelland in 
gebruik. Bloemaart, Bloemhart, Bluomhart, een oude, 
schoone naam , al wordt hy in geen der my bekende lijsten van 
nederlandsche namen vermeld , is in Friesland altbans nog niet 
geheel uitgestorven. Petrus Bloemer ts (dat is Bloemerts- 
zoon) Prins, geboren te Dwingeloo, was van 1784 1828 predi- 
kant te Diever , in Drente. Van dezen zelfden naam stammen nog 
de geslachtsnamen Van Bloemer sma (Bloem ersma-sate 
is te Niekerk in het Wester-kwartier van Groningerland) , en Bl o m- 



1 Gerolts, Gerrebrands, Godschalks (en Gosschalk in enkelen 
form) , Helmers, Herrewijns, Hildebrands, Remmers, Roelants, 
Yolkmaars, Wigbolts (en in versletenen form Wiebolts) Wyemars en 
Wiemcrs, Willebrands. 



94 VADERSNAMEN VAN OUD-GERMAANSCHE MANSVOORNAMEN. 

merde, beiden patronymika ; buitendien nog Blomhert, Blom- 
maert, Bloemert, Blommert, Bloemer, en in Duitschland 
Blumhart. Bloemhart is een samengestelde naam , van Bloem 
en Hart, even als Evert, Everhar t van Ever en Hart; 
Rykert, Richard, van Rijk en Hart, enz. De enkele wortel 
van dezen naam Bloem was oudtijds ook als mansnaam in ge- 
bruik. Dit getuigen de hedendaagscbe geslachtsnamen B 1 o e m i n g , 
Bloemink in Twente , B 1 u m i n k in Duitschland , Blooming- 
t o n in Engelland , allen oude vadersnamen. Buitendien nog 
Bloema, Bloemsma, Blomsma, Bloems en Bloemen, 
Blommen, Blomme, allen nieue patronymika. Misschien ook 
het enkelvoudige Bloem, met Blom. Ik vermeld al deze geslachts- 
namen hier zoo opzettelik , omdat Wassenbergh, Leendertz en 
Brons de mansnamen Bloem en Bloemhart niet in hunne lijsten 
opgenomen hebben , en Frstemann slechts den stamnaam (Blom) 
vermeldt. Toch blijkt uit al deze geslachtsnamen dat deze mans- 
vrnamen hier oudtijds niet zoo zeldzaam kunnen geweest zijn. 

De mansnamen die aan de overige hier genoemde patronymika 
ten grondslag liggen , hebben grootendeels ook nog aan andere 
hedendaagsche geslachtsnamen het aanzijn gegeven. Gerolt (G er- 
holt, Gerout) b. v. aan f Gerrolluma, fGerroltsma, 
f Van Gerolsma, f Gralda, f Graalda, f Grolda, 
t Groldama, Greults, Gerelts, Gehrels, Gerrelts, 
Gerlsma, Geerlsma. In den verbasterden form G r e u 1 1 is 
deze naam onder de Friesen nog als mansvrnaam in volle ge- 
bruik. Van Heimer (Helimar) komt fHelmersma,Helme- 
r i n g en Heiraar. Van Remmer (Reginmar) komt R e m- 
mersma, Remmersna, Remmers. Van W i g m a r , als Wie- 
mer by de Friesen nog in dageliksch gebruik , behalve Wyemars 
en Wiemers nog Wieme rink. 

In Friesland in d' eerste plaats, maar ook onder de oorspron- 
kelik friesche bevolking onzer andere noordelikste gewesten , is 
het oude gebruik om den vadersnaam in den tweeden naamval te 
plaatsen tusschen den eigenen vrnaam en den eigenen geslachts- 
naam nog in zwang gebleven tot op dezen dag. Nog in de vorige 
eeu beerschte dit gebruik daar algemeen. In deze eeu stierf het er 
in de steden eenigszins uit; thans is het er hooftsakelik tot het 



PRIESCHE VADERSNAMEN IN EENVODIGEN TWEEDEN-NAAMVAL. 95 

platte land bepaald, en ook daar neemt het reeds af. Ofschoon 
deze tusschengevoegde vadersnamen (Sibr en Tjeerds Veldstra 
b. v. en Auke Sjoerds Sikkema) geene wettelike namen zijn, 
ofschoon de mannen die in het dageliksche leven zoo genoemd wor- 
den , in de boeken van den burgerliken stand slechts als S y b r e n 
Veldstra en Auke Sikkema vermeld staan., zoo hechten de 
Friesen aan deze patronymikale tusschennamen toch zoo veel weerde , 
dat zy volkomen de plaats innemen der eigenlike geslachtsnamen. 
Menigeen is in den kring zyner dageliksche omgeving slechts als 
Sibr en Tjeerds of Auke Sjoerds bekend; en lieden, die 
dageliks met die mannen omgaan , weten soms in het geheel niet 
dat hunne geslachtsnamen Veldstra en Sikkema zijn. Zie ook 
bl. 14. In vorige eeuen , tot in het begin van de tegenwoordige, 
was dit gebruik nog veel meer in zwang , wijl de meeste Friesen 
uit de lagere standen toen geene geslachtsnamen hadden , en ande- 
ren hunne geslachtsnamen volkomen verwaarloosden. En dit is de 
oorzaak dat zoo velen van die toenamen , van die patronymika , 
van die friesche mansnamen in den tweeden naamval, in 1811 
als geslachtsnamen aangenomen werden. Het getal dezer namen is 
zeer groot in alle noordelike gouen van Nederland. Slechts een 
twaalftal dier namen moge hier eene plaats vinden , als voorbeel- 
den; Boeles, Bokkes, Binkes. * De wortels dezer geslachts- 
namen Boele, Ealse, Renger, enz. zijn allen als mansvr- 
namen onder de Friesen in volle gebruik , en hebben buitendien 
nog aan menig anderen geslachtsnaam het aanzijn gegeven. Om ons 
tot drie er van te bepalen : Boelema, Boelma en Boelsma, 
Boelen, Boele, Boels, Boelens, Van Boelens, Bulens, 
Boelsen en Boelings, ook nog, van verkleinformen dezes 
naams: Boeltjes, Boeltjens en Boelken. Van Fedde ko- 
men Feddinga, Feddema, Fedden en Feddens. Van 
Rink e, verkleinform van Rinne, Renno, komen Rinkema, 
Rinken en Rinkens, f Rinnema, Renninghoff, Ren- 
ning in Engelland , Renkema en Renken, Ren tj erna, Rin- 
tjema, en Rintjes. 



1 Doedes, Douwes, E al zes, Fe d des, Renger s, Rink es, Sier ds, 
Sjerps, Sipkes. 



VADERSNAMEN OP X UITGAANDE. 

38. De oude Nederlanders schreven veelal eene x in plaats 
van eene hs; zy spelden de woorden bliksem, fluks , hoekske als 
blixem , flux , hoecxlcen. Nog veel meer boekstaafden zy hunne eigen- 
namen alzoo , en die oude spelling vinden wy nog in sommige heden- 
daagsche geslachtsnamen terug. In 19 zijn reeds eenigen van die 
namen (op incx uitgaande) behandeld. Hier dienen eenige maagschaps- 
namen , in nieuen patronymikalen form , welke die vreemde letter be- 
houden hebben , vermeld te worden. Het zijn mansvrnamen die op 
zich zelven eene Je tot eindletter hebben; b. v. Hendrik, Dirk. 
Sommigen dezer geslachtsnamen hebben die k nog vr de x be- 
houden ; by anderen is die letter volkomen in de x versmolten. 
Als voorbeelden noemen we: Bakx, Bax, Boeckx. 1 Bakke, 
waar van Bakx en Bax tweede naamvallen zijn, is een oud-ger- 
maansche mansvrnaam die in Frstemann's Namenbuch als Bacco 
vermeld wordt, en waar de geslachtsnamen Baksma, Bakkes 
en Bakken, en , middellik , Bakhuizen en Van Bakkum 
ook van afkomstig zijn. Boeckx is op bl. 81 en 82 bespro- 
ken. Derx is Derks, van Derk, de Saksische form van Dirk; 
zie bl. 83. Farx is Farks, van Farke, een verkleinform van 
den ouden mansnaam Farre, Fare, Faro, die door Frste- 
mann en Leendertz vermeld wordt. De friesche patronymika Fa- 
ringa en f Farnia zijn van dezen mansnaam afgeleid, met de 
engelsche Farringdon en Farrington; en misschien ook wel 
Vaartjes, van den verkleinform. Hake, Haco is de oud-ne- 
derlandsche mansnaam , zoowel door Frstemann als door Leen- 
dertz in hunne naamlijsten opgenomen , waar de geslachtsnaam 
Haex (Haeks) van afgeleid is , met Haakma, Haaksma en 
H a a x m a deze laatste geslachtsnaam ook weer met x in plaats 
van ks geschreven. Marx eindelik is de tweede-naamval van den 
mansnaam Marco, Marke, Mark (niet te verwarren met Mar- 
co, Mare, verkortingen van den bybelschen naam Marcus) een 
oud-germaansche naam , ook in samenstellingen (Mar kwart, Mark- 
olf) voorkomende. In den form Marks komt dit zelfde patro- 
nymikon ook als geslachtsnaam voor, terwijl de mansnaam Mark, 



1 Derx, Farx, Franx, F r e d r i x , Haex, H e n d r i c k x , H e n d e r y k x , 
Marx. 



ZAANSCHE VADERSNAMEN OP is UITGAANDE. 97 

Merk nog aan eenige andere geslachtsnamen oorsprong gaf, b. v. 
aan Markens, Merks, Merkens, enz. 

Nog dient hier , wegens zyne byzondere , geheel verouderde spel- 
ling vermeld te worden de geslachtsnaam Wincqz. In eenvou- 
diger spelling is deze naam Winks, een tweede-naamval van den 
mansnaam W i n k e , die weer een verkleinform is van den oud- 
nederlandschen mansvrnaam Winne, Wyne ofWin,Wyn,'t 
welk vriend beteekent in de oud-germaansche talen. Vele oude en 
volle mansnamen zijn met dit woord win of wyn samengesteld ; 
b. v. Alewijn (Adelwin), Boudewijn (Boldwin, Bol- 
duin), Liefwijn (zie bl. 82 en 88), Harrewijn, Oortwijn, 
enz. Als Winne en Wyne, Wynke en Winke zijn deze namen 
nog heden by de Friesen in gebruik. Zy hebben oorsprong gege- 
ven aan de geslachtsnamen Winsma, Wynsma, Wyninga, 
Win ia (zie 29), Wynen, Wijnne, Wijnkes en Wien- 
ken. Misschien ook aan Windsma; zie bl. 63. 

39. Aan den Zaankant komen eenige geslachtsnamen voor, 
die hierin afwyken van andere patronymika, dat ze niet op es of 
eene enkele s, maar op is eindigen; b. v. Avis, Du y vis. Uit- 
sluitend aan de Zaan eigen zijn deze namen niet. Ze zijn ook wel 
elders in Noord-Holland ten platten lande inheeinsch (Galis, Ta- 
rn i s z) , en komen eveneens , maar zeldzaam , in andere neder- 
landsche gewesten voor (Jonxis, Tan is). De oorsprong van den 
afwykenden form dezer vadersnamen is te zoeken in de gewoonte , 
welke sommige nederlandsche schryvers in vorige eeuen hadden , 
om den tweeden naamval van mansvrnamen aldus te spellen. 
Eene gewoonte die in taalkundig opzicht wel verkeerd was , maar 
waar de eigenaardige uitspraak der volkstaal in sommige land- 
streken aanleiding toe gaf gelijk zulks ook nog heden het ge- 
val is. Vooral by de Friesen heerscht deze uitspraak , en de 
spelwyze is in plaats van es achter mansnamen vinden we dan ook 
nog meest in oude friesche geschriften. In de Oorkonden der ge- 
schiedenis uan het Sint-Anthony-Gasthuis te Leeuwarden' 1 kan men 
van deze spelling vele voorbeelden aanwyzen. In een geschrift van 
het jaar 1455, in dien bundel voorkomende (dl. 1 bl. 22), vinden 
we iemand als Hemka Reenkys zoen vermeld ; dat is H e m k a , 



98 ZAANSCHE VADER.SNAMEN OP is UITGAANDE. 

Reenkes zoon. In een ander geschrift aldaar dl. I , bl. 28 , 
van den jare 1457 komt Jarich Joenkis zoen voor; dat is: 
Jarich Joenkes zoon. En deze zelfde man heet in eene an- 
dere oorkonde van dat zelfde jaar dl. I , bl. 30 slecht 
weg Jarich Joenkis. Dan staan nog in deze oorkonden ver- 
meld : Bauke Sickis in plaats van S i c k e s , zoon van 
Sikke *, Hiilgond Siiurd Buiickis wiif Hille- 
gonda, de vrou van Sjoerd Buikes (zoon) 2 , Jan 
Nannis 3 , Jan Mennis 4 , Trin Jeppis 5 , en in een register 
van het jaar 1511 , waar in de burgery de stad Dokkum met name 
wordt vermeld, Take Sap is. 6 

Merkweerdig is het, dat de geslachtsnamen op is en isz heden 
ten dage juist niet meer in 't eigenlike Friesland voorkomen , 
maar meest in Noord-Holland. Trouens , de Noord-Hollanders zijn 
oorspronkelik Friesen , en de friesche eigenaardigheden bleven juist 
aan de Zaan het langst bewaard , tot in deze eeu. 

De geslachtsnamen op is en isz, my bekend, zijn de volgenden: 
Alvis, Ar isz, Avis. 7 Het grootste gedeelte van de mansvrna- 
men , die aan deze patronymika ten grondslag liggen , zijn bepaaldelik 
friesche namen , of althans by de Friesen meest in gebruik. Ook 
uit deze byzonderheid blijkt de friesche oorsprong dezer geslachts- 
namen. De mansnaam Ave wordt door Leendertz vermeld. In 
verkleinform , als Aafje of Aafke is hy over geheel Noord- 
Holland en Friesland nog heden als vrouen-vrnaam in volle 
gebruik. Over den naam Duif, waarvan Du y vis een nieue 
vadersnaam is, zie men bl. 90; over F en e, de stamnaam van 
Veenis, bl. 58. Jonxis komt van Jonke, Joenke, een oud- 
friesche mansvrnaam , die tevens aan de geslachtsnamen J o n k s, 
en fJoenkema oorsprong gaf, en zekerlik n is met den 



1 Dl. I, bl. 36 van 't jaar 1462. 

2 Dl. I, bl. 240 van 't jaar 1530. 

3 Dl. I, bl. 313 van 't jaar 1542. 

4 Dl. 1, bl. 316 van 't jaar 1542. 

5 Dl. I, bl. 319 van 't jaar 1542. 

6 Register van den aanbreng van 1511. Dl. 1, bl. 169. 

"i Do mis, Du y vis, Galis. Heinis, Jonxis, Mienis, Stam mis, Stee- 
nis, Tamisz, Tanis, Veenis, Warris. 



VADERSNAMEN OP issen EN en UITGAANDE. 99 

frieschen mansvrnaam Jonge. Zoo dat ook de geslachtsnamen 
Jongema, Jongma, Jongsma, Jonges, Jonks enz. met 
Jonxis uit den zelfden wortel voortspruiten. Gal e, tegenwoordig 
in Friesland ook als G e a 1 e voorkomende , is een friesche mans- 
vrnaam , waarvan, met Galis, nog de geslachtsnamen Galama 
en Galema, Galen en Gales, en, van den verkleinform , 
Gaaljema afgeleid zijn. 

Niet enkel eenvoudige patronymika , die slechts tweede naam- 
valsformen zijn , zooals de hovengenoemden , vertoonen den uitgang 
is in plaats van es , ook in eenige met sen (zoon) samengestelde 
vadersnamen komt deze byzondere form voor. Het zijn de ge- 
slachtsnamen Alberdissen (Alberdes zoon, Alberts zoon), 
Breunissen (van B r u n o ? of van Bronno?), Doinissen (als 
tegenhanger van Domis en Dommisse, dat de n verloren 
heeft, (van den ouden mansnaam Domme; zie 45). Deze namen 
behooren dus eigenlik tot die welke in 34 zijn vermeld , en 
staan in de zelfde verhouding tot de eenvoudige patronymika op 
is, als b. v. Bruin ssins tot Bruinssens, Gerdessen tot 
Gerdes. 

40. De ryke nederlandsche taal kent twee verschillende wyzen 
om tweede naamvallen van mansvrnainen te formen afgezien 
nog van de byzonder-friesche wyzen. Te weten op s en op en : 
Dirks huis en Dirken huis. In de middeleeuen waren beide 
formen naast eikanderen in gebruik ; ja , in vele nederlandsche gouen 
zal de laatste form wel de meest gebruikelike geweest zijn. Dit 
is tegenwoordig niet meer zoo. De schrijftaal heeft langzamerhand 
den form op en verworpen , en dien op s behouden. Hede ten dage 
is de genitivus op en geheel uit de schrijftaal verdwenen , en dien 
ten gevolge ook byna geheel uit de spreektaal. Slechts in enkele 
nederlandsche gouspraken bleef die oude , goede en welluidende 
form tot op dezen dag in gebruik. Onder anderen in het zooge- 
noemde Strand-hollandsch , in de volkstaal der hollandsche visschers- 
dorpen aan de Noordzee , Zandvoort , Noordwijk , Katwijk , Sche- 
veningen , enz. Daar spreekt men nog van Dirken weegen , Gijsen 
skoit , Louen seun en Krijnen dochter , waar de schrijf- en spreektaal dei- 
stedelingen slechts Dirks wagen, Gijsbrechts schuit of Gijs zn schuit, 



100 VADERSNAMEN OP en UITGAANDE. 

Laurens' zoon of Lou zn zoon en Krijns dochter of de dochter van 
Quirinus kent. 

Natuurlik fornide men oudtijds de nieuformige patronymika , die 
oorspronkelik anders niet zijn dan eenvoudige tweede-naamvals for- 
men, even zoo opera. Zulke namen en toenamen als MartenHuyghen 
soon, Govert Thysen zone, G e r 1 o f Bruynen zoon en 
Harm Foppen seun kan men in oude oorkonden zeer talrijk 
vinden. Het woord zoon sleet in het dageliksch gebruik ook al spoe- 
dig achter die toenamen weg , en zoo bleven slechts over : Mar- 
ten Huyghen, Govert Thysen of Thyssen (z geschre- 
ven om den scherpen klank der 5 af te beelden , om te verhoeden 
dat men Thyzen zou lezen), Gerlof Bruynen, Herman 
Foppen, enz. Zelfs al hadden de oude Nederlanders reeds eenen 
vasten geslachtsnaam , dan plaatsten zy nog ten overvloede hunnen 
vadersnaam in dien byzonderen tweeden-naamval , achter hunnen 
eigenen doopnaam. Laurens, de zoon van Joost Baeck, een 
aanzienk Amsterdammer uit de zeventiende eeu , schreef zynen 
naam als Laurens Joost en Baeck. En zyne tijdgenooten deden 
vast allen zoo. Zulke patronymika zijn ook in grooten getale als 
vaste geslachtsnamen tot op den dag van heden in stand gebleven. 
Toch is hun aantal niet zoo groot als dat der vadersnamen op s. 
Dat komt omdat reeds sedert de 16^ eeu de schrijftaal den form op s 
begunstigde boven dien op en, en de meesten dezer toenamen van 
na dien tijd dagteekenen. Ook zal menigeen , die een zoon was 
b. v. van Dirk, en die door zyne tijdgenooten steeds (Jan) 
Dirken genoemd werd, toch dien toenaam, als hy hem schryven 
moest , wel als Dirks of Dirksz hebben nergesteld , wijl de 
mode dat eischte. 

Zie hier eenigen van die geslachtsnamen op en , waar by de 
opmerking nog gemaakt moet worden , dat ze in alle nederlandsche 
gouen inheemsch zijn , maar meest by Friesen , Hollanders en 
Vlamingen : minder of slechts zeldzaam by Gelderschen en Bra- 
banders. Alderden, Barten, Fransen 1 . Het grootste deel 
dezer namen is van bekende mansvmamen afgeleid, sommigen in 



1 Gyssen en Giezen, luygen, Joosten, Jo rissen en Gorissen, 
Keessen, Kersten en Carsten, Luyken, Nolten, Onnen, Oort- 
gysen, Otten, Rijdeen, Thijssen, Wynen. 



VADERSNAMEN OP en UTGAANDE. 101 

oud-hollandsche afkortingen: Bart, Frans, Gijs, Huig, (H ugo), 
Joris en Goris (oud-nederlandsche formen van den kerkeliken 
mansnaam Georgius, George), Joost, Kerst (Kerstiaan, 
Christiaan), Luik (Lucas), Nolt(Arnold), Onno, Otto, 
Rijk, Thijs (Mattheus). Kees is de gewone nederlandsche 
verbastering (kosename) van den mansnaam Cornelis. De patro- 
nymika Keessen, Krelissen, Nelissen, Knelisse en Cor- 
nelissen stammen allen van dezen zelfden mansnaam af. Over den 
mansnaam Wyn, waarvan Wynen en Wijnne zie men bl. 97. 
Aan den geslachtsnaam Alderden ligt de volle oud-nederland- 
sche mansnaam Aid er t, in Friesland meest All er t, ook All art, 
voluit Adelhart, ten grondslag. De geslachtsnamen Aid r inga 
en Van Aldringa, Aldrink, Alderding, Aaldrink, 
Alders, Alderts, Aldertsma, Allertsma en Allersma, 
Alers, Alerding, Alring, met Aldring en Aldrington 
in Engelland , zijn allen van dezen schoonen naam afgeleid. Zoo 
mede de plaatsnamen Aldrington in Sussex , Engelland; Al dr i n- 
ga-burcht te Bedum in Hunsego, Groningerland ; Audrehem, 
dat is Alderda-heim, Adelharta-heim, woonplaats van 
Aldert, in Artesie, Frankrijk; Aldersbach by Vilshofen in 
Beieren; Allersma-heert te Godlinse in Fivelgo , Groninger- 
land; en Alerdink, eene havesate by Heino in Salland , Overijssel. 
De geslachtsnaam Alderden komt te Aalsmeer voor. Opmer- 
kelik is het dat in dit overoude hollandsche dorp zoo vele eigen- 
aardige oud-hollandsche geslachtsnamen , van volle , oud-germaan- 
sche mansnamen afgeleid , voorkomen. Trouens , Aalsmeer , dat 
eeuen lang , zoo lang de Haarlemer-meer nog meer was , een 
afgelegen dorp bleef , heeft eene eigenaardige bevolking , waaronder 
Oud-Doopsgezinden en Oud-Roomschen , die tot in deze eeu aan 
hunne oud-hollandsche , eenvoudige zeden getrou bleven , en zich 
door allerlei eigenaardigheden in kleeding , levenswyze , enz. van 
de andere hollandsche dorpelingen bleven onderscheiden. Behalve 
Alderden bestaan te Aalsmeer nog de soortgelyke geslachts- 
namen Lubberden (van Lubbert, Ludbert, Ludbrecht), 
Syberden (van Sybert, Sigbrecht), Jooren (van Jore) 
enz. Deze laatste naam is ook een oud-nederlandsche mansnaam , 
die door Wassenbergh , Leendertz en Brons in hunne lijsten 



102 VADERSNAMEN OP en UITGAANDE. 

wordt vernield, en die ook aan de geslachtsnamen Joors (aan de 
Zaan) en J o r i n k (in Twente) , en aan den plaatsnaam J o r u m 
(Jora-heim, woonplaats van J o r e) , zooals eene state heet te 
Kubaart in Friesland, oorsprong gaf. De geslachtsnaam Kommer- 
den (zie bl. 92) behoort ook tot deze kleine by zondere groep, 
benevens Blommerde (van Bloemhart, zie bl. 93 en 94) en 
Eemmerde (van Remmer, Reginmar , zie bl. 94); de twee 
laatste namen in versletenen form, zonder slot-w; zie de volgende . 
By alle geslachtsnamen , patronymika op en , is de oorspronkelike 
mansvrnaam niet zo duidelik aan te toonen als by de boven- 
genoemden het geval is. Velen zijn van by zonder friesche mans- 
vrnamen afgeleid , en komen dies den niet-frieschen Nederlander 
vaak onverstaanbaar voor. Anderen zijn van oude, niet meer gebruike- 
like namen ontleend. Zie hier eenigen van zulke geslachtsnamen : Bin- 
ken, Blanken en Blenken, Coelen 1 . De friesche mans- 
vrnamen Binke, verkleinform van Binne, Benno(ziebl. 28), 
Foppe (waarvan ook de geslachtsnamen F o pp e ma, Fopma, 
Foppes, Foppens), Hedde (waarvan Heddinga,Heddema, 
Heddes, en Heddingin Engelland) , Heer e of Her o , Luit , 
(in verkleinform Luutzen) Makke, Okke ofOcco, Poppe, 
RenseofRensoofRinse,Sine (ziebl. 72), TemmeofTammo, 
Uneke of Unico, ook Oenke, Oentsen, alles verkleinformen 
van Uno, Oene; Warre en Wobbe, in verkleinform W o b k e , 
Wopke, Wopco die allen weer aan zeer talryke geslachts- 
namen oorsprong gaven , zijn de wortels van velen der genoemde 
patronymika. Blank, Blanco, waarvan Blanken en Blen- 
ken, even als Blanksma en Blanks,is een oud-germaansche , 
door Frstemann vermelde mansvrnaam. De geslachtsnamen 
Coelen, Koelinga, Coelingh, Colinck en Koelinck, 
met Koolsma en Coolsma, Coolen en Coole, met C o 1 e s 
in Engelland (Coleshill heet eene stad in Warwickshire , Engelland ; 
en K o o 1 s k a m p is een dorp in West-Vlaanderen) ; met Kooltjes, 
van den verkleinform , misschien ook met KoolenCool, wyzen dui- 



1 Foppen, Hedden, Heeren, Hubben, Luyten, Makken, Okken, 
Pollen, Poppen, Rensen, Synen en Zynen, Snellen, Themmen, 
Uniken, "Warren en Wobben. 



VADERSNAMEN OP en UITGAANDE. 103 

delik op eenen raansvrnaam Koele ofKole, al is my die naam 
nergens op zich zelven ontmoet. Hubben (de naam komt te Duin- 
kerke voor) is een patronymikon van den oud-frieschen en ook 
oud-engelschen mansvrnaam Hubbe, Hobbe, en bewijst al 
weer de byzondere verwantschap van Vlamingen , Friesen en Engel- 
schen. De vrnaam Hobbe is in Friesland nog in volle gebruik, en 
gaf oorsprong aan de geslachtsnamen Hobbing, Hobbema, 
Hobma, Hobbes en Hobbie (zie bl. 70) alle in friesche gouen ; 
Hobbes en Hobson komen ook in Engelland voor. Aan den 
geslachtsnaam Pollen, zoo mede aan Pollema en Polsma 
met Polsius in Friesland, Polling in Drente, aan Pols en 
Pollsen, waarschijnlik ook aan Pol (in Friesland), en aan de 
plaatsnamen Polleben, dorp by Eisleben in Saksen; Polling, 
dorp by Weilheim in Beieren ; Pollhorn by Rendsburg in Holstein , 
moet een mansvrnaam Pol of Polle ten grondslag liggen 
al kan ik dien naam niet met bewyzen staven. Deze naam zal wel 
n zijn met de friesche mansnamen Pelle en Palle, waarvan 
Pelsma, Pels, Pellens enmiddellik VanPellecom, met Pal ma, 
Palsmaen Pais. Het patronymikon Snellen eindelik, is af- 
geleid van den oud-hollandschen mansnaam Snel, door Leendeetz 
en Brons vermeld, en welke naam, volgens Frstemann , als S n e 1 1 o , 
ook aan andere germaansche volksstammen eigen was; zie bl. 47. 
De geslachtsnamen Snellensen Snellings, met Snel tj es in 
den verkleinform , misschien ook met het enkele Snel, en de 
plaatsnamen Snelleghem (Snellinga-heim), dorp in West- 
Vlaanderen , Schnellingen, dorp by Hasslach in Baden en 
Schnelsen, dorp by Pinneberg in Holstein , stammen allen ook 
af van S n e 1 1 o , dat is gezeid : de snelle : de vlugge. 

By eenige geslachtsnamen , patronymika op en , is de mansvr- 
naam die er aan ten grondslag ligt , over 't algemeen z weinig 
bekend , dat men die namen voor alles eerder zoude houden , dan 
juist voor wat zy zijn. Immers zullen de meeste menschen , zoo 
zy deze zaak niet opzettelik onderzocht hebben , eer geneigd zijn 
in de geslachtsnamen Dyken, Roozen, Staelen, Sterren, 
Struyken, Veenen, Veeren, Vinken en Vossen meer- 
voudsformen te zien van de woorden , dijk , roos , staal , ster , struik , 
enz. dan tweede-naamvalsformen van mansvrnamen. En toch zijn 



104 VADEUSNAMEN OP ' en UITGAANDE. 

zy dit laatste in der daad. Over de namen Fene en F e r e , waar van 
Veenen en Veeren, kan men bl. 58 en bl. 30 naslaan. Dik e, 
waar Dy ken van komt, met Dykama, Dykema, Dikema, 
Dijkma, Dijksma, Diekes, Dykens en D ij k s e n , ook met 
Diekenga en Dikena in Oost-Friesland, en met f D icing 
dat reeds een stamnaam was onder de oude Engelscben , is een 
mansvrnaam , in Friesland nog in gebruik , en oorspronkelik eene 
samentrekking van Dideke, dat weer een verkleinform is van 
D i d e. E o o z e n , met E o o s e n , misscbien ook met E o s e en 
Eoos, stamt van den oud-nederlandscben , door Leendebtz ver- 
melden mansnaam Eoos, die ook door Fustemann als oud-ger- 
maanscb wordt aangegeven. Van dezen mansnaam stammen vele 
geslachtsnamen , die over alle Nederlanden verspreid zijn , en die 
het dus byna zeker maken, dat de mansvrnaam Eoos oudtijds 
bier te lande geenszins zeldzaam moet geweest zijn. Het zijn Eo- 
singa, Eosema, Eozema, Eoosma, Eozenga in onze 
friesche gouen , E s i n g in Oost-Friesland , Eoosens, Eooses 
en Eeusens in Vlaanderen; en van de verkleinformen : Eoosjen 
in Friesland, Eoosjes en Eoskes in Holland en Brabant, 
Eskens in Oost-Friesland. 

Het zou waarlik te omslachtig worden , zoo ik hier alle ver- 
wante formen van de mansnamen , die aan de overige bovenge- 
noemde geslachtsnamen ten grondslag liggen , en alle geslachtnamen 
die er nog verder van afgeleid zijn , uitvoerig wilde aanduiden. Het 
zy dus genoeg hier nog te melden dat StaleofStalle, Sterre 
o Stre of Star, Struuk, Finke (verkleinform van Finne) 
en Fosse allen goede oud-nederlandsche mansvrnamen zijn, die 
allen uit oude oorkonden en andere geschriften kunnen bewezen 
worden , en allen aan talryke geslachts- en plaatsnamen oorsprong 
gaven. 

Over de beteekenis van de veelvuldig voorkomende geslachts- 
namen Franken en Sassen, met Franke en Sasse in ver- 
sletenen form , die ook tot- deze groep behooren , kan men 69 
nazien. Maar een paar regels moeten nog gewijd worden aan den 
uitleg der geslachtsnamen Tboden, Tholen, Tj aden en Uden, 
die , in onze friesche gewesten inheemsen zijnde , menigen niet- 
Fries wel als onverstaanbaar mogen voorkomen, ten zy men Th o- 



AFGESLETENE VADEUSNAMEN OP e UITGAANDE. 105 

len misschien wel voor den naam van het hekende zeeusche stadje 
zou willen houden. Wat in dit geval niet juist is. Want deze 
namen alle vier zijn patronymika op en , en afgeleid van de oud- 
friesche mansvrnamen Thode of Tode, Thole of Tole, 
Thiad of Thiado, (door de Friesen als Tjaad uitgesproken, 
zie bl. 62) en Udo, Oede; deze laatste naam komt meest in ver- 
kleinform voor als Udeke (IJ die o), Oedke, in middeleeusch 
friesch O e d t s e (k = ts) , tegenwoordig meest Oetse, Oetzen 
en Oeds gespeld. Van Thole hebben wy nog de geslachtsnamen 
Tholema, Tholing, Tolings, Tolens en missebien ook 
Tool. Van Thiado, Tjaad kwamen in de middeleeuen nog de 
maagschapsnamen Thiadama en Tyadana,de eerste, in West- , de 
tweede in Oost-Friesland inheemsch. En Udo, Oeds beeft oorsprong 
gegeven aan Oedsma en Oetsma, Oetzes en Oetzen, Udin- 
ga, Udema, Udens en Udink. Deze zelfde naam was oudtijds 
ook in Holland als mansvrnaam in gebruik, onder den verklein- 
form Oetje, Oetjen, dat men op oud-hollandsche wyze ook 
wel O e tg en schreef, en in Brabant als Oetken; van daar de 
geslachtsnamen Oetjes, Oetjen en Oetgens en Oetken s. Te 
Amsterdam is een Oetgenspad, en Oetingen (patronymikon 
van Udo, in den derden naamval) , is de naam van een dorp in 
Zuid-Brabant. 

41. De Hollanders en sommige andere Nederlanders spreken de 
slot-ra achter de woorden niet uit; in 35 is dit reeds aangetoond. 
Deze verkeerde uitspraak werd door hen ook wel in geschrifte afge- 
beeld , en dit is de oorsprong der patronymikale geslachtsnamen die 
op eene toonlooze e eindigen. Zulke geslachtsnamen zijn anders niet 
als nieue vadersnamen op en uitgaande , die hunne laatste letter 
verloren hebben. Velen er van komen dan ook nog in beide for- 
men voor; voluit (Huigen), en afgesleten (Huig e). Oorspron- 
kelik komen deze afgesletene namen , die in de zelfde verhouding 
staan tot de volle naamsformen op en , als de namen op se (P i e t e r s e) 
staan tot de namen op sen (P i e t e r s e n) , oorspronkelik komen 
zy slechts voor in die gewesten van Nederland , waar dit weglaten 
der slot-n tot de volkseigene uitspraak der taal behoort. Als voor- 
beelden van zulke geslachtsnamen vermelden wy: Bane enBaane, 



106 AFGESLETENE VADERSNAMEN OP e UITGAANDE. 

Boone, Faasse, Huighe, Koene en Kuene, Koppe. 
Louwe, Nolte en Steen e. Over Faasse en Nol te (Faas- 
sen en Nol ten) zie men bl. 88 en bl. 101. Huige en Huigbe 
komen van Hu go; zie bl. 100. Koene (Koenen komt ook 
voor) is het versletene .patronymikon van Koen, de gewone ver- 
korting van Koenraad; dit Koen (K u n o) kan echter ook als 
naamstam op zich zelven gedacht worden. Kuene (en K u e n e n , 
dat ook voorkomt , benevens Khnen, Khne en Khn op 
hoogduitsche wyze gespeld) is de brabantsche uitspraak en spel- 
wyze van dezen zelfden naam. Koppe en Koppen komen van 
Kop, een der talryke volkseigene verkortingen van J a c o b ; zie 
bl. 93; zoo ook Louwe van Lou, eene hollandsche verkorting 
van Laurens. Bane en Baane, Boone en Steene, met 
de volle formen Banen, Boonen, Steenen en Steinen, 
stammen alle drie van oud-germaansche mansvrnamen af, die 
echter ook alle drie als zoo danig niet meer in gebruik zijn , uitge- 
nomen in Friesland en de skandinavische landen. Dat deze mans- 
namen oudtijds in Holland zoowel als in Vlaanderen , in Brabant 
zoo wel als in de nederduitsche gewesten van Noord-Duitschland 
in gebruik waren , blijkt onwersprekelik (of men dit anders ook al 
niet en wiste) uit deze patronymika , en uit vele andere verwante 
geslachtsnamen, die over al deze gewesten verspreid zijn. Bane 
is tegenwoordig in het nederlandsche Friesland als mansvrnaam 
ook zeldzaam , maar in Noord-Friesland nog zeer algemeen in ge- 
bruik. Behalve Bane, Baane en Banen, zijn van dezen mans- 
vrnaam nog afgeleid de geslachtsnamen Banema, Baansma, 
Baning, Banens, Bahnsen, en Bahntje in verkleinform. 
De oud-germaansche mansvrnaam Bono, Bone is tegenwoordig 
in Friesland ook zeldzaam. Leendertz heeft hem nog in zyne naam- 
lijst als Boontje, in den verkleinform. De geslachtsnamen Bon ing 
(in Engelland) , Bon inga (in Groningerland) , Bning (in Duitsch- 
land) , Boonsma (in Friesland), met Boontjes in verklein- 
form , zijn er van afgeleid. En even zoo de plaatsnamen B o n i n g- 
hall, in Salopshire , Engelland ; Boningue, zoo als een dorp 
heet in Artesie (Frankrijk) ; Boneburg, een gehucht by Greet- 
syl in Oost-Friesland. 

De mansnaam Steen, ook S t e i n , S t i e n en in Skandinavie 



VADERSNAMEN OP eilS UITGAANDE. 107 

Sten, is geenszins zoo zeldzaam als Ban e en Bon e. In Fries- 
land en Noord-Duitschland komt hy nog voor; in Skandinavien 
nog veelvuldig. Oudtijds was hy. over alle Nederlanden verspreid ; 
in Holland was dit nog in de zeventiende eeu het geval. Talryk 
zijn de geslachtsnamen , van dezen mansnaam afgeleid om van 
de plaatsnamen nog niet eens te gewagen. My zijn bekend: -j-Ste- 
ninga, Steen erna, Steensma,Stiensma, Steens, Stiens, 
Steins, Steensen en Steenis; zie hl. 98. 

42. In de nederlandsche taal is de tweede-naam valsform op 
en minstens even oud als die op s , zoo hy niet ouder is. Maai- 
de form op en is uitgestorven , terwijl die op s behouden bleef ; 
zie bl. 99. Er kwam dus eens een tijd, in 't eene gewest eerder, 
in 't andere later, dat het volk dien form op en niet meer ver- 
stond; dat het de beteeekenis niet meer kende van patronymika 
of toenamen als Huigen en Joosten. En zoodra dit het geval 
was, zoo dra men in deze namen slechts eenen klank hoorde 
en niets meer , toen was ook het tijdstip gekomen dat men zulke 
namen op nieu in den tweeden naamval plaatste. Ditmaal echter 
in den nieuen , op s uitgaanden form. Kwam b. v. in zekere plaats 
een man wonen die Pieter Joosten heette, dan noemde het 
volk weldra den zoon van dien man gesteld de jongen heette 
Klaas niet Klaas Pieterszoon of Klaas Pieters, zoo als 
d'oude zede vorderde, maar Klaas Joostenszoon of Klaas 
Joosten s. En dit Joostens, ofschoon het eigenlik een onzin- 
nige naam is , waarin twee genitiven op eikanderen gestapeld zijn , 
bleef in gebruik , ook tegenwoordig nog , als vaste geslachtsnaam. 
Deze groep van dubbelde nieue patronymika maakt dus de weerga 
uit van de geslachtsnamen op ings, inkx, die in 18 en 19 
besproken zijn. Zy zijn in taalkundig opzicht even onredelik. 

De geslachtsnamen op ens zijn over alle Nederlanden verspreid; 
het meeste komen ze voor in de noordelike gewesten , vooral in 
Groningerland. Elders zijn ze nergens talrijk. Zie hier eenigen van 
die namen: Bertens, Dierkens, Eppens. * Behalve de al- 

1 Feickens, Fockens, Foekens, Heykens, Huigens, Leeuwens, 
Meddens, Onnen9, Rykens, Roukens, Tjabbens, Tiddens, Ton-, 
kens, TJbbens en Uilken s. 



108 VADERSNAMEN OP ens UITGAANDE. 

gemeen ned erlandsche mansvrnamen Bert, D i e r k (Dirk, van 
Diederik saamgetrokken) ,Hugo en Rijk, van Bertens, Dier- 
kens, Huigens en Rykens, zijn de wortels van deze geslachts- 
namen allen friesche mansvrnamen , die ook nagenoeg allen , 
Eppe, F e i k e , Fokke, Foeke, Heike, Leeue of meest 
Lieue (Lieuwe), Onno, Rouke, Tidde, Tjabbe (Tjebbe), 
Tonco, Ubbo, Uilke (zie bl. 29 en 30) nog heden by de 
Friesen in volle gebruik zijn. Al deze mansnamen hebben buiten- 
dien aan talryke andere geslachtsnamen oorsprong gegeven ; van 
elk wil ik hier slechts en vermelden: Eppinga (E p ping in 
Engelland Epping - f or e st, een bekend engelsch woud), 
Feikema, Fockema, Foekema, Heikema, Leeuwinga, 
Onnes, Rykema, Roukema, Tjabben, Tiddinga, Ton- 
nema, Ubbinga en Uilke ma. 

Deze geslachtsnamen op ens zijn wel te onderscheiden van som- 
mige namen die dezen zelfden uitgang vertoonen , zooals Mart ens 
en Feltens, maar die eenvoudige tweede-naamvalsformen zijn op 
s , en dus tot de groep behooren die in 37 behandeld is. De 
mansvrnamen , waar deze geslachtsnamen aan ontleend zijn , gaan 
op zich zelven reeds uit op en. Marten en Feiten zijn oud- 
nederlandsche formen van de volle kerkelike namen Martinus en 
Valentinus. 

En evenmin moeten de geslachtsnamen op ens verwisseld worden 
met anderen die ook den uitgang ens vertoonen , maar die toch 
tot de groep der eenvoudige genitiven op s behooren. Zy zijn af- 
geleid van mansvrnamen in verkleinform. De verkleinformen 
(ken en tjeri) worden in de zuidelike gewesten gewoonlik met 
eene n daarachter, in de noordelike zonder die n (als ke en tje) 
geschreven. Deze groep van geslachtsnamen is dan ook vooral 
in Vlaanderen en Brabant inheemsch , terwijl de namen met 
dubbelden genitivus , en en s , ens , meer in het noorden t'huis 
behooren. Voorbeelden van zulke namen zijn: Ar ekens, Bol- 
lekens, Boomken s. l Dit zijn allen namen van zuid-neder- 
landsche geslachten , en allen van oude mansvrnamen in ver- 



1 Haefkeus, Haenljens, Kannekens, Lollekens, Luydjens, Min 
tjens, Schelle k ens en Schel tj ens, Seuntjens, V enne k ens. 



VADFRSNAMEN IN VERKLEINFORM OP eilS EN es UITGAANDE. 109 

kleinform op en (Ar eken, Schelt jen) afgeleid. In de noordelike 
Nederlanden daarentegen vinden wy geslachtsnamen als Bant j es, 
Brantjes, Buyskes, 1 ontleend aan verkleinformen op tje en 
ke , zonder slot-n. 

Enkelen van deze namen wil ik nader verklaren. Arekens is 
het patronymikon van Ar eken, dat weer een verkleinform is 
van den oud-germaanschen , by Frstemann vermelden mansvr- 
naam Are. Deze naam gaf ook oorsprong aan de geslachtsnamen 
Ar erna in Friesland en Arink te Zwolle; zoo mede aan eenige 
plaatsnamen , b. v. aan A r i n g z e 1 e , dorp by Kales {Calais) in Frank- 
rijk ; dat is : de zele , de zale , de zaal , de halle , het groote huis 
der nakomelingen van den man die Are heette. Arekens echter 
zou ook kunnen komen van Areken, Aarnken, verkleinform 
van Aarn, Arn, samentrekking van den vollen ouden mansnaam 
Arend. Arnken komt ook als geslachtsnaam voor. Kannekens 
komt van Kanneke, Kanne, een naam die oudtijds als mans- 
vrnaam in gebruik moet geweest zijn by de germaansche stammen , 
al is hy my op zich zelven nooit voorgekomen. Dit blijkt toch 
uit de geslachtsnamen Kanninga en Cannenga; Cankena 
(eveneens een patronymikon , en wel van den verkleinform) in 
Oost-Friesland; Canning en Cannington in Engelland. En uit 
de plaatsnamen Cantrup (d. i. Kandorp), dorp by Bassum in 
Hanover; Kanning, dorp by Ernsthofen in Beneden-Oostenrijk; 
Caneghem (Kaning-hei m), dorp in West- Vlaanderen ; C a n um 
(Kanna-heim) en Canhusen, dorpen in Oost-Friesland, enz. 
Seuntjens komt met Zoontj es, Soenens,Soons, Zoons, 
Sons, verlatynscht als S o n i u s , met Snnichsen (van den ver- 
kleinform Snnicke, Sonneke) en met Zonsma, Sonsma, 
Sonnema, f Sonningha, misschien ook met S o n n e g a (zie 
bl. 64) en met vele plaatsnamen, als Sonnega, dorp in Fries- 
land; Snnenwerf, gehucht by Okholm in Noord-Friesland; 
Sonneghem, dorp in Oost-Vlaanderen ; Sonsbeek, dorp by 
Gelder in de Rijnprovincie allen van den oud-germaanschen, 



3 Giltjes, Loosjes, Maatjes, Onnekes, Rinkes, Solkes, Waal- 
kes, Zoontjes en "Wulmkes, dat is de mansvoornaam Wilhelm, samen- 
getrokken lot Willem, in verbasterde uitspraak Wullem, in scnrijfwvze verkort 
tot Wnlm, in verkleinform Wulmke, in den tweeden naamval Wulmkes. 



110 VADERSNAMEN IN VERKLEINFOR.M OP gens UITGAANDE. 

hier en daar in de Nederlanden nog voorkomenden mansnaam 
Sonne, Sone, Snne. Hier te Haarlem woont nog iemand die 
dezen ouden vrnaam in den verhollandschten form Zone draagt. 
Maatjes is een patronymikon van Maatje, en dit is een ver- 
kleinform van den ouden mansvrnaam Mate, door Frste- 
mann als Mat o vermeld, en die ook aan de geslachtsnamen Maats, 
Maetens in Vlaanderen , M a t e n a (een oud-oostfriesche tweede- 
naamvalsform) in Drente enz. oorsprong -gaf. Over Bollekens 
zie men bl. 27, over Schellekens en Scheltjens, twee 
formen van en en den zelfden naam, bl. 77; over Venne- 
kens, van Venneken, Venne, Fenne, Fene, bl. 58 en 98; 
over Bantjes van Bantje, Banne, bl. 51, enz. Brantjes 
is van Brant, een welbekende mansnaam , en Haantje, Lolke, 
Mintje, Onneke (Onno), Rinke (Rinne), Solke (Solco), 
Waalke zijn friesche mansvrnamen , nog heden in volle gebruik. 

Oudtijds schreef deze en gene , hier en daar , het aanhangsel 
lee , ken of tje , tjen , dat den verkleinform uitmaakt , wel als gen. 
Woorden als huysgen , kintgen , poerlgen voor het hedendaagsche huisje , 
kindje , poortje treft men menigvuldig in oud-nederlandsche ge- 
schriften aan. In sommige nederlandsche gewesten, Groningerland , 
Drente , Overijssel , en tevens te Dordrecht en elders in 't over- 
maassche Holland , laat de volkspraak deze g (gie) , ook wel eh 
{chie , chien) , in verkleinwoorden nog heden hooren. Te Dordt , op 
Beierland , enz. spreekt men van borregie , poregie voor bordje , 
poortje , te Zwolle van lammechie , in Drente van lammechien voor 
lammetje, enz. Natuurlik maakte men de verkleinformen van eigen- 
namen ook op deze wyze , en schreef die namen met g , gen. Namen 
als Barentgen, Marytgen treft men zeer dikwijls in oud- 
nederlandsche geschriften aan , gelijk men nog heden in onze noord- 
oostelike gewesten namen als Alechien, Alechina; Lubbe- 
gien, Lubbechina (oorspronkelik Lubbrechtje, Lubbrecht, 
Ludbrechta, Hludberchta), enz. aantreft. Als de namen 
van groningerlandsche , drentsche en oostfriesche koffen en tjalken 
en schuiten krijgt men in Holland zulke namen onder d' oogen. 

Deze oude form is in eenige geslachtsnamen tot den dag van 
beden bewaard gebleven. B. v. in Bontgens, Fortgens, 
Heyntgens en Heintges, Lutgens, Seipgens, Wint- 



FRIESCHE VADERSNAMEN IN NIEUE FORMEN. 111 

gens, allen patronymika van verkleinformen van oud-nederland- 
sche mansvrnamen. Bontgens (Bontjes komt ook voor) is 
van Bonne; zie bl. 57 en 58. Heyntgens komt van Hein- 
tje, van Hein, Hendrik. Lutgens, met Lutjens, komt 
van den verkleinform des ouden mansnaams Lute, Lude, Lode, 
Hlude, Hlode, die in Friesland nog als Luut, Luit, in ver- 
kleinform Luutzen, Luitsen, in volle gebruik is. Over Wint- 
gens van Wintje, Winne, Win, zie men bl. 97. Deze kleine 
groep van geslachtsnamen is meest eigen aan de zuidwestelike gewesten 
van Nederland , en komt evenzeer voor in de streken van Duitsch- 
land , daaraan grenzende , dus in de Rijnprovincie , vooral aan den 
linker oever , rondom Aken , enz. Daar ook op zicb zelven , en 
zonder patronymikalen form , als Brsgen (B r s g e n s in Ne- 
derland), Prtgen, Rndgen, Wirtgen (Wiertjens in 
Nederland) , enz. 

43. De Friesen , in bun taal en zeden zoo eigenaardig en by- 
zonder, hebben ook hunne eigene formen van nieue patronymika 
als geslachtsnamen , even als zy ook hunne eigene formen van oude 
patronymikale geslachtsnamen hebben; zie 23. Zy hebben deze 
eigene nieue patronymika, die hunnen oorsprong vinden in de wetten 
en regels der oud-friesche taal, boven en behalven al de andere 
algemeen-nederlandsche formen van nieue patronymika, die ook 
allen onder hen in geslachtsnamen voorkomen, gelijk in de vorige 
bladzyden herhaaldelik aangetoond is. 

De byzonder friesche formen van nieue patronymika komen in 
alle oorspronkelik friesche gouen van noordelik Nederland zeer 
veelvuldig als geslachtsnamen voor. Behalven in noordelik Noord- 
Holland welke uitzondering by de oude patronymika eveneens 
plaats heeft. Daarentegen zijn deze byzonder-friesche maagschaps- 
namen in de friesche landen van noordelik Duitschland weinig 
minder algemeen als in onze gewesten tusschen Fli , Lauers en Eems. 

By deze geslachtsnamen kan men drie hoofdgroepen onderschei- 
den ; te weten : 

1. Namen die op eene enkele a eindigen (G-er b rand a). 

2. Namen die op ma uitgaan (Abbema). De namen op na 
(Uk e na) formen hier van eene bygroep. 



112 FRIESCHE VADERSNAMEN OP ENKELE a UITGAANDE. 

3. Namen, waar van de laatste lettergreep sma is (Geertsma). 
Hiervan formen de namen op sema (G e e r t s e m a) , op sna (S n e 1- 
g e r s n a) en sena (Sierksena) bygroepen. 

44. In de oud-friesche taal wordt de tweede naamval van 
sommige woorden , vooral van die welke op eene opene lettergreep 
uitgaan , geformd door achtervoeging van eene a , of door verwis- 
seling der toonlooze e , op het einde van eenig woord , met a. B. v. 
het woord campa, gevecht, wordt of liever blijft in den tweeden 
naamval campa, van het gevecht; tunge , tong, wordt in den geni- 
tivus tunga , van de tonge ; en are , oor , wordt ara , van 't oor. 
By eigennamen vooral was deze tweede-naamvalsforming byzonder 
in zwang, en bleef dat ook nog toen, in de 16 :1 e en 17de eeu, 
die forming op a by gemeene zelfstandige naamwoorden reeds lan- 
geren of korteren tijd , in de verschillende gouspraken der friesche 
taal , uitgestorven was en in onbruik geraakt. De voorbeelden hier 
van zijn maar voor het grypen in d' oorkonden die in d'oude 
friesche taal opgesteld zijn , b. v. in het Register van den aanbreng 
van 't jaar 1511 en in de Oorkonden van 'f St. Anthonij- Gasthuis 
te Leeuwarden. In 't eerstgenoemde werk b. v. vinden wy eenen 
man genoemd Jarich Focka zoen, dat is: Jarich Fokke' s 
zoon, of Jarich Fokkes, zoo als men heden ten dage spreekt 
en schrijft. Dit Focka is hier niet een vaste toenaam, veel min 
een vaste geslachtsnaam , die van vader op zoon overgaat , maar 
eenvoudig een patronymikon , eenvoudig de naam van den vader 
van dezen Jarich, in den tweeden naamval. En zoo is het ook 
met de volgende namen en met zeer vele anderen , die allen in 
bovengenoemde boeken voorkomen. In het Register b. v. Hette 
Feycka zoen, Renick Homma zoen, Pier Roucka zoen, 
Go ss e Goffa zoen, enz.; in 't Oorkondenboek, in eene oorkonde 
van den jare 1436: i>om Buwa ende Beyka beda ivilla" , dat is: om 
de wille van het verzoek (bede of gebed) van Boue en Beike. 

Deze friesche patronymika waren natuurlik oorspronkelik strikt 
persoonlik , even als de andere patronymikale formen op ing , 
op s , op en , enz. Maar even als dezen gingen zy , door verloop 
van tijd , en sedert men van de eigenlike beteekenis dezer toe- 
namen niet zoo duidelik meer bewust was , langzamerhand ook op 



FRIESCHE VADERSNAMEN OP ENKELE a UITGAANDE. 113 

de zonen en op de verdere nakomelingen over van den man , van 
wiens naam ze waren afgeleid ; zy werden vaste toenamen , latex- 
vaste geslachtsnamen. Zoo komt het patronymikon H o m m a , ge- 
lijk Eenick Homma zoen bovengenoemd droeg naar den naam 
zijns vaders H o m m e , nog heden in Friesland als geslachtsnaam 
voor. Zoo ook Hommes, dat eveneens een patronymikon is van 
den zelfden frieschen mansvrnaam , maar in meneren form ; en 
al mede Homminga en Hommema, welke namen ook al het 
zelfde beteekenen. 

De geslachtsnamen op eene enkele a uitgaande , behooren , met 
die op inga eindigende, tot de oudste formen van friesche patro- 
nymika. Van daar dat juist deze namen in kleiner aantal onder 
ons voorkomen , als zulks met de andere formen van friesche ge- 
slachtsnamen het geval is. Vele geslachten die zulke oude , een- 
voudige namen dragen (Aytta, Hermana , Martena, Folkerda), 
zijn reeds sedert langen of korten tijd uitgestorven , en wy ken- 
nen nu hunne namen slechts uit geschiedboeken , oorkonden en 
opschriften. Zoo zijn ook de oudste munten de zeldzaamsten. Daarby 
zijn deze geslachtsnamen dikwijls versleten , samengetrokken uit 
hunne volle , oorspronkelike formen ; of ook afgeleid van mans- 
en plaatsnamen die tegenwoordig onder de Friesen niet meer be- 
kend of in gebruik zijn. Daardoor zijn ze vaak moeielik om te 
verklaren. Weer eveneens als de oudste munten die 't meeste ver- 
sleten zijn , en die in hunne opschriften soms personen- en plaats- 
namen vermelden, welke men heden ten dage niet meer kent. 

In 91, 101 en 102 worden de hedendaagsche friesche ge- 
slachtsnamen vermeld, die door achtervoeging van eene a, van 
plaatsnamen geformd zijn. Hier hebben wy ons slechts bezig te 
houden met die geslachtsnamen, welke op de zelfde wyze van 
mansvrnamen afgeleid zijn. Zie hier eenigen daar van als voorbeeld : 
Alberda, Algra, A n d 1 a. * De oorsprong der namen A 1 b e r d a 
(met Albarda), Bernarda, Bruna, Menalda, Reinalda 
(met Reenalda, Ren al da, en zelfs verbasterd Ringnalda en 



1 Bernarda, Bruna, Geldra, Gosliga, Hameka, Hoga, Idsarda, 
Jilderda, Jorna, Yska, Menalda, Popta, Reinalda, Rembada, Re- 
verda, Ripperda, Runrda, Sjoerdn, Tjaarda, Wiavda, Wynalda, 
Albada, Bloema, Hora, Mei na, Rommerda. 

8 



114 FRIESCHE VADERSNAMEN OP ENKELE Cl UITGAANDE. 

Ringenalda) en Wynalda, van de mansvrnamen Albert, 
Bernard, Bruno, Menald (M e i n o u t , Meginhold, M e - 
ginhalt), Reinald (Reinout, Reginald, Raginholt) en 
Wynald (Win o ut, Win halt), ligt voor de hand; te meer wijl 
deze vrnamen nog in gebruik of althans genoeg bekend zijn. 
Andla en Andela, G-osliga (met Van Gosliga, Goslin- 
ga en Van Goslinga), Idsarda (met Idzarda enldserda), 
Jilderda, Ruurda, Sjoerda, Tjaarda en Tja r da zijn 
patronymika van de mansvrnamen Andle, Goslig (Goslich, 
Gosling), Idsart of Idsert (Edsart), Jildert, Ruurd, 
Sjoerd en Tjaard, die allen by de Friesen nog in volle gebruik 
zijn. Hameka, met Hamm e ka, komt van HamekeofHamke, 
een verkleinform van den oud-germaanschen , by Frstemann ver- 
melden naam H a m o , die als H a m m e by de Friesen in gebruik 
is, en ook aan de geslachtsnamen Hamminga, Hamming, 
Hamm in gh, Hammink, f Hammama, Ham je (zie bl. 70) 
en Hammes met Hamkema oorsprong gaf. Algraen Algera 
zijn tweede-naamvallen van den oud-germaanschen, in Friesland als 
Alger nog gebruikeliken mansvrnaam Algar, Adelger, Athal- 
g a r , van welken naam ook de geslachtsnaam Algersma is afgeleid. 
Popta met Van Popta en Pupts zijn afgeleid van den mans- 
vrnaam P o p t , door Brons als een byzonder friesche vermeld , en 
die als een byform van den algemeen bekenden mansnaam Pop, 
Poppe (Popk.e) te beschouen is. Rembada is een versleten 
form van Rem bal da, overeenkomstig de friesche uitspraak (kald, 
koud = ka 1 cl; wralcl , wereld = wrdc); en Rembald (Regin- 
balt, Reinbout) is een volle, oude mansvrnaam. De mans- 
vrnaam R i p p e r t , die aan de geslachtsnamen Ripperda en 
Rypperda ten grondslag ligt, was vroeger algemeen in de 
Nederlanden in gebruik. In de 17 de eeu was hy in Holland geenszins 
zeldzaam. Ook thans is hy, hier en daar, nog niet volkomen uit- 
gestorven. Over Tjaard zie men bl. 62. 

Sjoerda en Sjoorda zijn vadersnamen van den mansnaam 
Sjoerd, in Friesland een der algemeenste vrnamen. De oorspron- 
kelike form van dezen naam is S i g u r d (S g - r d) , en dit is de 
by zondere oud-noorsche en oud-friesche form van het hoogduitsche 
Siegfried, een naam die oudtijds in Holland en elders in de 



FRIESCHE VADERSNAMEN OP ENKELE rt UITGAANDE. 115 

Nederlanden als Slgfert, Sifert, Sivert, Syvert, Seifert 
S i e u e r t werd uitgesproken , en waar de geslachtsnamen Sieuertz 
Siewertsz, Siewertsen, Sieverts, Cijffers nog van af- 
komstig zijn. De zachte friesche g van den oud-frieschen form dezes 
naams Sig ur d , verfloeide tusschen twee klinkers al spoedig tot eene 
j: Sigurd, Si-j-urd, Sjrd, in hollandsche spelling Sjoerd. 
De duitsche Friesen aan Eems , Weser, Elve en Eider spellen dezen 
naam nog heden als Siud, Siut, zonder r , wijl zy , en ook de 
nederlandsche Eriesen , in hunne uitspraak van dezen naam de r 
niet hooren laten (Sjoe'd). In vorige eeuen , toen de aanzienliken , 
vooral de geleerden onder de Friesen hunne namen verlatynschten , 
toen zy van Hette maakten Hector, van Tjaard Tarqui- 
nius, van Tjibbe Tiberius, toen verformden zy Sjoerd tot 
het barbaarsche Suffridus, een mansvrnaam die nog heden 
onder de Friesen in gebruik is: Nevens Sjoerda en Sjoorda 
zijn van den mansnaam Sjoerd nog afgeleid de geslachtsnamen 
Sjoerdinga, Sjoerd erna, Sjoerdsma (in oude oorkonden 
als Siurdisma geschreven), Sjoerds (deze naam heeft in Hol- 
land , volgens de hollandsche uitspraak , de d verloren en is tot 
Sjoers geworden), Siurtz, Siutz, Sjuds , enz. De drie laatsten 
in Oost- Friesland. Sjoerda-staten eindelik zijn er te Kollum , 
Oenkerk en Lioessens, allen in Friesland. 

De mansvrnaam S j a a r d , ook in Friesland in volle gebruik , en 
die aan de geslachtsnamen S j a a r d a , S j a r d a en f S j a a r d e m a 
ten grondslag ligt , moet met Sjoerd niet verward worden. S j a ar d 
immers is eene verkorting, volgens de friesche uitspraak , van Sig- 
hart, Si-j-(h)art, Si -j aart, Sjaart. De beteekenis van dezen 
naam is zegaart of overwinnaar ; hy komt dus overeen met den 
meer gebruikeliken latynschen naam Victor. Als geslachtsnaam 
komt deze naam in den form Si eg art voor, waarvan S eg aar 
en Siggaar, in Holland inheemsch , zekerlik verbasterde formen 
zijn. Want aan het woord cigaar is by de verklaring dezer namen 
niet te denken. 

Wiard is een oud-friesche mansvrnaam, onder de Friesen nog in 
volle gebruik , evenals Wierd, Wiert, Weert, en, met dezen , 
eene samentrekking van den vollen naam W g h a r t (W i - j - (h) ar t). 
Van dezen naam zijn ontleend de geslachtsnamen Wi a r d a, die over 



116 FRIESCHE VADERSNAMEN OP ENKELE Cl UITGAANDE. 

geheel Friesland tusschen Fli en Weser veelvuldig verspreid is, Van 
Wyarda, Wearda, Wierda, Weerda, Wiards, Wierts, 
Wiertz, Weerds, Weerts, Wiertsema, Wiertzema, 
Wierdsma, Wierdema, enz. In sommige friesche gouspraken 
luidt de naam Wiard als Weiert; vandaar de geslachtsnamen 
Wyerda en "Weyerda. De naam van het oud-friesche dorp 
Wiarden in Wrangerland (Oldenburger Friesland) , die eveneens 
van den mansnaam Wiard is afgeleid, wordt in de wandeling 
ook als Weierden, Weieren, Wei'rn uitgesproken. 

Den mansvrnaam die aan de geslachtsnamen Jorna en Jurna 
ten grondslag ligt , zoomede aan f Jornsma en misschien ook 
aan J r n i n g , zal de niet-friesche lezer niet gemakkelik herkennen. 
Het is J o r n , en deze naam vertoont de friesche uitspraak van den 
oud-germaanschen mansnaam Eburwin, die als Eberwein in 
Duitschland , en als E v e r w ij n in Nederland nog wel als mansnaam 
in gebruik is. Eburwin of Evorwin, Ivor(w)in, I(v)orin 
J o r i n , J o r n. In den naam van het friesche dorp J o r w e r t 
(waarvan de maagschapsnaam Jorwerda zie 91), en in 
den nog gebruikeliken frieschen mansvrnaam Jorrit (waarvan 
de patronymikale geslachtsnamen Jorritsma en Ju r rits ma), 
treffen wy deze zelfde byzondere uitspraak aan. Immers de friesche 
mansvrnaam Jorrit is de zelfde naam als Eberhart, Everhart, 
Everaart in andere germaansche talen. Jorrit is eigenlik voluit 
J o r h a r t , volkomen zoo als Gr e r r i t eigenlik voluit G e r h a r t 
is. In middeleeusche oorkonden en zelfs nog wel in geschriften 
van lateren tijd staat de hedendaagsche friesche dorpsnaam Jor- 
w e r t als E v e r w e r t of ook Everwirth geboekstaafd. De Angel- 
Saksen en de hedendaagsche Engelschen , zoo na aan de Friesen 
verwant, hadden en hebben deze zelfde uitspraak. Den hedendaagschen 
naam toch van de engelsche stad Y o r k , in het Latyn Eboracum, 
schreven de oude Engelschen Eurewic (Evrewic), 1 de Angel- 
Saksen E f o r v i c , dat is I (v) o r (r) ie of York. De friesche plaats- 
naam Jorwert en de engelsche plaatsnaam York moeten dus 
eigenlik in goed-nederlandsch geschreven worden Everwert en 
Ever wijk. Werkelik schreven dan ook de oude Nederlanders 



1 Taylor, Words and Places, bl. 381, 



FRIESCHE VADERSNAMEN OP ma UITGAANDE. 117 

aldus; Kiliaan b. v. heeft: Eberwijck of Jork." En de friesche 
patronymikale geslachtsnamen Jorna en Jorritsma zijn letterlik 
de zelfde namen als de zeeusche geslachtsnaam Everwijnse 
(zie bl. 8 9) , als E v e r ij n s z dat ik elders vond , en als E v e r a a r t s , 
Eberhardi, Eberhardts, enz. 

Aangaande het verschil tusschen Jorna en Jurna, Jorritsma 
en Jurritsma, op eene byzonder-friesche uitspraak berustende, 
zie men 78, by de namen Van Borkum en Van Burkom. 

45. De friesche patronymikale geslachtsnamen op ma eindi- 
gende , hebben eenen zeer byzonderen oorsprong. Zy bestaan , in 
bunnen oorspronkeliken form, uit twee deelen: uit den een of 
anderen mansvrnaam in den tweeden naamval , en uit het achter- 
voechsel ma; b. v. 6 e r c a m a , bestaat uit G e r c a , een oud-friesche 
tweede-naamvalsform (zie bl. 112) van den nog heden ten dage onder 
de Friesen in volle gebruik zijnden mansvrnaam Gerke (een 
verkleinform van den ouden naamstam Ger, Gero), en uit ma. 
En dit achtervoechsel ma beteekent eenvoudig man. Dus G e r c a m a 
is letterlik man (zoon, hoorige) van Gerke of van den kleinen 
Gero; Lycklama is man van L y k 1 e , een heden ten dage nog 
in volle gebruik zijnde friesche mansvrnaam , en dit is weer een 
geheel verknoeide vleinaamvan den kerkeliken mansnaam Nicolaus. 
Zoo geven ook de Friesen in het dageliksche leven den naam van 
Likelsgea of St. Liklesgea aan bet dorp St. Nicolaasga 
{ga of gea is dorp in het Friesch) in Doniawarstal. Zie bl. 64. 

Het woord man of ma , de laatste lettergreep der friesche pa- 
tronymikale geslachtsnamen die op ma eindigen , heeft in dit 
geval in 't algemeen de beteekenis zoowel van zoon als van kleinzoon 
en nakomeling, ook van neef, broeders of zusters zoon, of van 
jongere broeder , en dan nog van hoorige , volgeling , dienstman. Men 
stelle zich eenen ouden stamvader voor , een man nog in de volle 
kracht des levens , ofschoon hy reeds verscheidene volwassene kin- 
deren heeft , en eene geheele school van kleinkinderen. Zyne zonen 
wonen met hunne vrouen en kinderen by hem op de zelfde stamsate , 
op de zelfde landhoeve. En ook eene groote schare hoorigen , 
dienstmannen , knechten en maagden wonen, ten deele met hunne 
gezinnen , op het heem of in de onmiddellike nabyheid der sat. 



118 FRIBSCHE VADERSNAMEN OP ma UITGAANDE. 

De oude G e r c o , een echte Stand-Fries , is het hoofd van dit groote 
gezin , welks leden door een zelfde belang verbonden en gebonden 
zijn. Hy is als een aartsvader, als een kleine koning over dezen stam 
van volk, over dezen clan, die soms wel uit honderd personen 
bestaat. Al die lieden noemen zich naar den ouden vader , naar 
aller hoofd en broodheer. Naar zynen naam noemen zy zich Ger- 
cama of Gercamannen, mannen van Gerke. 

Het woord man vinden wy in het Oud-friesch gewoonlik als 
mon , soms ook als man , en als men of mena in het meervoud , ook 
als mona in den tweeden naamval van het meervoud. Dat het ook 
wel , door afslyting der slot- als ma luidde , leert ons het woordje 
men , dat in 't Oud-friesch als ma , later ook als me voorkomt , 
en nog heden wel in dien form door de Friesen in hunne spreek- 
taal gebruikt wordt; b. v. me scoene sizzel men zou zeggen! Dit 
woordje men (ma, me) is anders niet als het woord man in 
meervoudsform. En dat ook de hedendaagsche Friesen het aldus 
opvatten en gebruiken , blijkt uit den meervoudsform , dien zy aan 
het werkwoord geven , dat door men beheerscht wordt ; ma scoene 
sizze , en niet ma scoe sizze , op de wyze der Hollanders , die het werk- 
woord dat door hun woordje men beheerscht wordt, in het enkel- 
voud nemen , en zeggen : men zou zeggen , en niet men zouden zeggen. 

Maar genoeg ! Het achtervoechsel ma achter vele friesche patro- 
nymikale geslachtsnamen is werkelik het woord man in het meer- 
voud. En dit blijkt onwersprekelik uit de oude formen waarin 
deze namen in oude oorkonden voorkomen. Zoo komt de naam 
Frouwama, eigen aan een geslacht van friesche edelingen , in 
Hunsego gezeten, in oorkonden der 13de en 14de eeu voor als 
Frouwamona. (Over de beteekenis van dezen naam zie men 
60). Verder Bolsma als Bolesmona, Sierksma als Siri- 
kesmona, Brongersma als Brungersmona, enz. By ver- 
loop van tijd ging deze volle form mona ook , door verfloeiing der 
klanken , in mena over. Zoo brengt eene oude oorkonde ons den 
naam der Luidera-mena in Garreweer (Fivelgo). Luid er a- 
mena, dat is letterlik : de L u i d e r a -mannen , de mannen van 
Luider, een verloopene oud-germaansche mansvrnaam , die 
in zynen vollen oudsten form Lutheri (Luther, Lothar, 
C h 1 o t a r) is. Deze oorspronkelike beteekenis der geslachtsnamen 



FEIESCHE VADERSNAMEN OP ma UITGAANDE. 119 

op mona , mena , ma eindigende , was den middeleeuschen Friesen , 
in de 13de en 14de eeu, nog ten vollen bewust. Sicco Siccama 
b. v. toen ten tyde levende , wist zeer wel dat zijn geslachtsnaam 
oudtijds voluit Siccamona geweest was, dat hy dus de Sicco 
of S i k k e was der S i c c a -mannen , der mannen van Sicco, zynen 
ouden stamvader, wiens naam by ook nog als doopnaam droeg. 
In middeleeuscbe friescbe oorkonden en in middeleeuscbe chrony- 
ken , als deze geschriften in de latynsche taal opgesteld zijn , vindt 
men deze geslachtsnamen ook verlatynscht , waaruit dan blijkt dat 
de vertaler zeer wel de beteek enis kende van het achtervoechsel 
mona , mena , ma. Zoo vind ik in de Gedenkschriften der Abdy 
Maringaarde door M. W. Wybuands uitgegeven, op 't jaar 1224, 
de Blondera-viri genoemd , en in de aanteekening in dat werk , 
op bl. 152, de Sembranda-viri, de Ummegga-viri (Um- 
in i n g a -mannen) ,de Wibrenda-viri en de Herwarda-viri, 
als vermeld wordende in de Vita Frethrici en in andere levens van 
oud-friesche geesteliken en heilige mannen. Verder vinden wy nog 
in oude oorkonden , dat in de 1 3<le eeu te Uithuizen (Groninger- 
land) de Aybadamani(Aybada-mannen, mannen van A y b a d , 
Adelbald) wonen , even als in het naburige Warfum deDincinga- 
manni, de Obeka-manni en de Onninga-manni, en dat 
er te Oldesyl eene area Ay lba dis-man nor um was. Zoo ook 
heerschten in de middeleeuen in oost-friesche gouen de Beninga- 
mannen, even als tu-sschen Fli en Lauers de Ludigmannen 
(Ludinga-mannen), de Fortemannen en Jellamannen 
aanzienlike geslachten waren. * (Jellaman, nog heden als geslachts- 
naam J e 1 1 e m a bestaande , is man van Jelle, en Jelle is een 
nog hedendaags zeer gebruikelike friesche mansvrnaam). 

Slechts weinige hedendaagsche friesche geslachtsnamen op ma 
eindigende , vertoonen nog den mansvrnaam , die er aan ten 



1 Ik mag hier niet achter wege laten te wyzen op eene verklaring van den uit- 
gang ma achter friesche patronymikale geslachtsnamen, voorkomende in mijn geschrift 
Hen en ander over friesche eigennamen , en die aanmerkelik afwijkt van de verklaring 
die ik hier aangaande deze namen geef. Nadere onderzoekingen , ten gevolge van het 
vinden en gebruiken van vele bronnen in oude geschriften en oorkonden , die my 
vroeger onbekend waren gebleven, of ook ontoegankelik waren, hebben mijn oordeel 
in deze zake thans volkomen gewyzigd. Ik herroep dus by dezen, wat ik in boven- 
genoemd opstel ter verklaring der jwa-namen heb geschreven. 



120 FRIESCHE VADERSNAMEN OP ma UITGAANDE. 

grondslag ligt, in den vollen oud-frieschen tweeden-naarnvalsform 
op a (zie bl. 1 1 2). Dit zijn b. v. Dykama (zie bl. 104) , D o n a m a , 
Dorama, Ekama, Galama, Gercama, Gratama, Lyck- 
lama, namen die juist door deze volle oud-friesche formen hun- 
nen hoogen ouderdom staven. Van sommigen dezer geslachtsnamen 
komen heden ten dage ook de versletene formen voor , als maag- 
schapsnamen , aan andere geslachten eigen. Zoo bestaan de namen 
Ekema en Eekma naast Ekama; Galema naast Galama; 
Gerkema naast Gercama. De mansvrnamen die aan deze 
geslachtsnamen ten grondslag liggen , zijn grootendeels nog heden 
als zoodanig by de Friesen in volle gebruik. Als voorbeeld noemen 
wy den naamstam van den geslachtsnaam Ekama, den mansvr- 
naam E k e , ook als E c o voorkomende. Dit E k e , E c o is anders 
niet als eene verfloeiing , een versletene form , vooral ook als 
vleinaam of kosename in gebruik , van den eveneens nog gebrui- 
keliken mansvrnaam Eelke of Eelco. De vrouelike form van 
E elke is Eelkje, en de Friesinnen die dezen naam dragen, wor- 
den, by wyz van vleinaam, gewoonlik ook Eeke (Eke) en, weer 
verkleind , E e k j e genoemd. Nevens den meer frieschen en saksischen 
form Eelke is ook de meer hollandsche form E eitje als mans- 
vrnaam in gebruik. De groote friesche dichter Eeltje Hiddes 
Halbertsma b. v. heette alzoo. Eelke en Eeltje nu zijn ver- 
kleinformen van El e, El o, ook in dezen form als mansvrnaam 
by de Friesen in gebruik. En El e is eene samentrekking van 
Edele, een naam die in haren oudsten form als Adel, Athal 
onder onze vroegste voorouders niet zeldzaam was , en die in der 
daad de edele (man) , de adellike beteekent. Zoo dat de hedendaagsche 
nederlandsche geslachtsnamen Ekama met Ekema, Ecoma en 
Eekma, Eelkinga, Eelking, Eelkema, Eelkes, Eeltjes, 
Edeling, Adeling, en het uitgestorvene Adelen, allen patro- 
nymikale formen, eenvoudig beteekenen: zoon van Athal. 

Zeer talrijk zijn de geslachtsnamen op ma eindigende , en waai- 
de oud-friesche tweede-naamvalsform op a van den mansvrnaam , 
die aan den geslachtsnaam ten grondslag ligt , in eene toonlooze e 
is overgegaan; b. v. Ekema, nevens Ekama. Zie hier eenigen 
van die namen als voorbeeld : Attema, Aukema, Balkema, 1 



1 Pennen) a, Beintema, Bronnema, Dekema, Epema, Eplcema, 



FRIESCHE VADERSNAMEN OP ma UITGAANDE. 121 

enz. De mansvrnamen , in deze geslachtsnamen besloten , zijn 
allen oud-germaansche namen , en grootendeels nog heden ten dage 
by de Friesen in gebruik. De mansvrnamen Benno en Otto 
zijn by de meeste germaansche volkeren , by de Duitschers in de 
eerste plaats, nog heden in volle gebruik. Zy hebben oorsprong 
gegeven aan de friesche geslachtsnamen Bennema en Ottema. 
Ook de mansvrnaam Klaas, die ten grondslag ligt aan den ge- 
slachtsnaam Klasema, is bekend genoeg. Klasema en Lyckl am a 
(zie bl. 117) zijn dus twee geslachtsnamen die, met Klaas s en, 
Claessens, Claeissone', Klaaysen, Klazes, Klasinga, 
Klasing, Clausing, Nicolai en vele anderen , volkomen het 
zelfde beteeken. Atte, Auke, Beint, Epke, F e ik e, enz., 
de namen die aan de andere ma-namen ten grondslag liggen , zijn 
als mansvrnamen by de Friesen nog in volle gebruik. 

Als de mansvrnaam die besloten is in eenig patronymikon op 
ma eindigende , niet op eenen klinker uitgaat , maar op eenen me- 
deklinker , dan is er gewoonlik , om de wille der welluidendheid , 
eene e gevoegd tusschen dien mansvrnaam en het achtervoechsel 
ma. By Beintema, Gjaltema en Klasema, afgeleid van 
Beint, Gjalt en Klaas, is dit het geval. Een paar andere voor- 
beelden van dezen form zijn nog de geslachtsnamen Frankema 
en Joostema, van de mansvrnamen Frank en Joost. 

De friesche mansvrnamen die in onze oudste oorkonden veelal 
met eene a op 't einde werden geschreven (Humma ofHomma, 
Hetta, Saka, tegenwoordig Homme, Hette, Sake), werden 
oudtijds , gelijk ook heden nog , even zeer wel met eene o als 
sluitletter geboekstaafd; b. v. Eelke = Eelco, Otte = Otto, 
Rinse = Renso, Harke = Hare o. De o is in deze namen 
van jongere dagteekening dan de a, en waarschijnlik door duitschen 
infloed in gebruik gekomen , toen in de dageliksche spreektaal de 
oorspronkelike a tot eene toonlooze e verfloeide. Deze o is althans 
reeds van ouds her , even als nog heden , meer by de Oost-Friesen 
en Groningerlanders in gebruik achter hunne friesche mansvr- 



Feikema, Gaikema, Gjaltema, Haitsema, Hobbema, Ykema en (Van) 
kema, Yntema, Klasema, Lieuwema, Mellema, Ottema, Piekema 5 
Ritsema, Sipkema, Tietema, Uilkema, Wierdema. 



122 FRIESCHE VADERSNAMEN OP na UITGAANDE. 

namen, dan by de westerlauersche Friesen. In deze eeu vooral 
heeft de schrijfwyze met o weer meer veld gewonnen, en komt 
ook by de westerlauersche Friesen meer en meer in gebruik. Het 
schijnt dat men deze spelling en uitspraak voor fraaier houdt dan 
die met de toonlooze e. En zy is dit ook in der daad. En dat 

men ook in vorige eeuen die o reeds voor weo.uiAenci.er, vooral 
ook voor deftiger hield dan de toonlooze e , bewyzen de zeventiende- 
eeusche herformde predikanten uit het geslacht Albertema, 
waarvan eenigen hun ambt in Friesland (te Leeuwarden , Groningen 
en Emden) vervuld hebben , en die hunnen geslachtsnaam tot 
Alb-erthoma verfraaiden. AlbertAlbertema (dat is : A 1 b e r t 
Albertszoon) schreef zynen naam, als dominus: Albertus 
Alberthoma. Een echt-pruikerige naamsform ! 

By eenige ma-namen is die o tot op den dag van heden in 
stand gebleven; b. v. by Deroma, Ecoma, Heeroma, Van 
Heioma, Ta coma en Takoma, enz. 

Yelen van deze ma-namen komen ook in eenen verkorten , als 
het ware in eenen samengekrompenen form voor. Zoo bestaat er 
nevens Ekema met Ekama en Ecoma ook de geslachtsnaam 
Eekma; naast Abbema, Bokkema, Bottema, Eik e ma 
en Hobbema komen ook Abma, Bokma, Botma, Eickma 
en Hobma voor. Het is duidelik dat al deze namen oorspronkelik 
geen verschil opleveren , dat zy allen den zelfden oorsprong hebben 
en het zelfde beteekenen. Namelik man of zoon van Ek e (zie bl. 120) , 
Abbe, Bokke, Botte, Eike en Hobbe, allen nog beden 
gebruikelike mansvoornamen. 

46. Nevens de ma-namen komen in de friescbe gewesten ook 
eenige geslachtsnamen voor die op na uitgaan. Ook dit zijn oud- 
friesche vadersnamen , en zy leveren met de ma-namen slechts een 
uiterst gering verschil op. Naar veler meening is er tusschen deze 
twee namengroepen geen ander verschil dan dat het welk door 
het verschil in tongval tusschen de Friesen bewesten Lauers en 
beoosten Eems veroorzaakt wordt. En in der daad kan men op- 
merken dat de na-namen in Oost- of Duitsch-Friesland volkomen 
de ma-namen in West- of Nederlandsen-Friesland vertegenwoordigen 
en dekken. Zoo vindt men in Oost-Friesland van ouds her de 



FRIESCHE VADERSNAMEN OP na UITGAANDE. 123 

geslachtsnamen Attena, Habbena, Sydsena, Ottena enz. 
nevens Attema, Habbema, Sytsema en Ott erna in Friesland 
tusscben Fli en Lauers. 

Den oorsprong , in taalkundigen zin , dezer wei-namen , die ook in 
het nederlandsche Friesland niet ontbreken , kan ik niet met zeker- 
heid aangeven. De uitgang na kan evenzeer als ma , eene versly- 
ting zijn van den vollen oud-frieschen patronymikalen uitgang 
mona (zie bl. 117). Zoo kan de oostfriesche geslachtsnaam Frou- 
wana zoo wel uit den ouden vollen form Frouwa-mona ont- 
staan zijn , als de groningsch-friesche naam Frouwama. Het heden- 
daagsche verschil tusschen m en n kan dan zynen oorsprong hebben 
in een oorspronkelik gering verschil in uitspraak, volgens tongval 
of plaatsing van den klemtoon , by Oost- en West-Friesen. Maar 
de uitgang na kan even zeer beschoud worden als een oud-friesche 
tweede-naamvalsform , die de zelfde is als de oud-nederlandsche 
tweede-naamvalsform op en , welke in 40 besproken is. De om- 
standigheid dat deze oud-friesche wa-form in geschriften uit de 
15de en 16de eeu dikwijls vervangen wordt door den nederlandschen 
tweeden-naamvalsform op en , legt veel gewicht in de schaal ten 
voordeele van deze zienswyze. Immers is juist de 15de e n 16de eeu 
de tijd dat het zuivere Oud-friesch uitsterft, en door de friso- 
frankische en friso-saksische mengelspraken van Holland en noord- 
westelik Duitschland vervangen wordt. In dien tijd van overgang 
vinden wy den naam van eenen en den zelfden man nu eens op 
oud-friesche wyze als Ayolt Wibena, dan weer op oud-neder- 
landsche wyze als Ayolt Wyben geschreven. De beteekenis van 
deze beide naamformen is de zelfde. Het is duidelik Ayolt, (zoon) 
van Wibe of Wybo. Een ander man uit dien tijd vinden wy 
nu eens als Thiark Jellena, dan eens als Tjarck Jellen ver- 
meld. En een derde nu eens als Sibad Atsena, dan eens als 
Sybolt Atzen. De laatste hooftling van het dorp Berum , in 
de eerste helft der 15de eeu levende, wordt in oude oorkonden 
nu eens Marten Sitzena, dan weer Martinus Sytzen ge- 
noemd. En zoo wisselt ook de naam van den bekenden krijchsveer- 
digen hooftling van Leer af als Fokke Uken enFocke Ukena. 
En geen wonder! In die dagen verstonden en gebruikten de Friesen 
nog hunne aloude taal in hare volle , zuivere formen. Maar zy be- 



124 FRIESCHE VADERSNAMEN OP na EINDIGENDE. 

gonnen toen ook al meer en meer de nederduitsche taal, door den 
infloed hunner Saksische en frankische buren in Neder-Duitschland 
en Nederland , te gebruiken ; vooral in hunne geschriften. Voor de 
15de en 16de eeusche Friesen was het even duidelik of zy Mart en 
S y t s e n a zeiden en schreven ,of MertenSytsema ofMaerten 
Sitzen of Sytzen. Alle deze formen immers beteekenen het 
zelfde. Te weten: Mar ten, zoon van Sytse, ofMartenSytses, 
zoo als men heden ten dage in het nederlandsche Friesland spreekt 
en schrijft. Deze omstandigheid is dan ook oorzaak dat nog heden 
ten dage alle drie of vier deze tweede-naamvalsformen als samen- 
stellend deel van friesche geslachtsnamen voorkomen; b. v. Epena, 
Epen, Epema en Epesz, van den frieschen mansvrnaam 
E p e afgeleid , en allen (zoon) van E p o beteekenende. 

Komen de ma-namen meest in de oostfriesche gewesten voor , ja 
moet men ze als eigenaardig oostfriesche namen beschouen, zy 
ontbreken toch ook niet in het nederlandsche Friesland. En die 
welke in de nederlandsch-friesche gewesten voorkomen zijn daar 
ook niet uit Oost- Friesland ingevoerd , althans niet allen , maar 
oorspronkelik aldaar inheemsch. En even als Groningerland door 
zyne ligging tusscben de oost- en de westfriesche gouen , als eene 
verbinding daar tusschen beschoud moet worden , zoo komen de 
na-namen ook in de groninger-friesche Ommelanden meer voor dan 
in het land tusschen Fli en Lauers. Het aantal echter der wa- 
namen staat in de nederlandsch-friesche gewesten in geen verge- 
lyking met dat der ma-namen. Zoo talrijk de laatsten zijn , zoo 
zeldzaam zijn de eersten. My zijn geene andere bekend dan Alten a, 
Bultena, Domna, 1 enz. En deze geslachtsnamen zijn allen van 
oud-friesche mansvrnamen afgeleid. Domna b. v. van Domme 
of Do me, een mansnaam die in de lijsten van Leendertz nog 
vermeld wordt, en eveneens in Frstemann's Namenbuch. De ge- 
slachtsnamen Dommisse (zie bl. 99) en f Doma zijn ook patro- 
nymika van dezen zelfden vrnaam. Doma-sate is nog de 
naam eener landhoeve te Anjum in Dongeradeel (Friesland). Heden 
ten dage wordt de vrnaam Domme door niemand in Friesland 



1 Enlena, Epena, Falkena, rankena, Imckna, Yntena, Matena 
(zie bl. 110), Sy tena , Ubbena, Uk e na, Wibena, Wymna. 



FRIESCHE VADERSNAMEN OP na EINDIGENDE. 125 

meer gedragen. Welke vader ook zoude eenen naam met zulk eene 
beteekenis aan zynen zoon geven? Maar die ongunstige beteekenis 
is slechts schijnbaar. De vrnaam Domme ofDome heeft niets 
uit te staan met het byvoegelike naamwoord dom , maar is oor- 
spronkelik ons woord doem (nog in verdoemen over) , Oud-hoogduitsch 
tuom , Oud-noorsch torn , en judicium , oordeel , beteekenende. Zie 
Frstemann's Namenbuch op den naam Dom. 

De namen Bultena en Altena dienen hier nog afsonderlik 
besproken te worden. De eerstgenoemde naam wordt gedragen 
door een geslacht van vrye friesche boeren , dat gezeten is in de 
buurschap De Bult by Bellingawolde in Groningerland. En het 
heeft den schijn alsof deze geslachtsnaam geformd ware naar aan- 
leiding van den plaatsnaam , zoo als trouens vaak geschied is. 
Intusschen meen ik wel te mogen beweren dat hier slechts eene 
toevallige overeenkomst aanwezig is , en dat Bultena wel degelik 
een echt oud-friesch patronymikon is , afgeleid van den mansvrnaam 
Bult. Deze oude naam is , met B u 1 1 e t , een byform van den 
mansvrnaam Bulle, Bolle, Boele, Bole, en schijnt, den- 
kelik wel om zyne min-gunstige by-beteekenis , oudtijds weinig in 
gebruik geweest te zijn. Tegenwoordig is hy volkomen buiten 
gebruik gesteld. Maar dat hy vroeger wel degelik in gebruik ge- 
weest is , blijkt onwersprekelik uit de geslachtsnamen Bultemaen 
Bultsma in Friesland, en Bultynck in Vlaanderen. Zoo mede 
uit den naam van het gehucht Bultinge by Runen in Drente , 
en misschien ook uit dien van het gehucht Bulthusenby Jemgum 
in Reiderland (Oost-Friesland). 

Al te, de mansvrnaam waar de geslachtsnaam Altena aan 
is ontleend , is reeds op bl. 28 besproken geworden. En in zoo 
verre als A 1 1 e een oude mansvrnaam is , kan er ook geen 
twyfel bestaan aan den patronymikalen oorsprong van den geslachts- 
naam Altena. Maar omdat deze naam toevalliger wyze ook kan 
opgevat worden als drie nederlandsche woorden , als al te na, zoo 
is het volksvernuft er mede gaan spelen , even als ook geschiedt 
met den oostfrieschen patronymikalen geslachtsnaam Denkna, 
waar van men vertelt dat het oorspronkelik een bevel zoude zijn 
om na te denken; denk na! Niet te min is Denkna eenvoudig 
een patronymikon van den oud-germaanschen mansvrnaam Denk e 



126 FRIESCHE VADERSNAMEN OP sma UITGAANDE. 

Dank, Tanc, die nog deel uitmaakt van de samengestelde 
mansvrnamen Danklef, Dankwart (Tanquart) en Dank- 
ret (Tancred). En zoo heeft men ook dien naam Altena gegeven 
aan huizen en plaatsen, die al te na by iets anders stonden of 
lagen , vooral ook aan herbergen , die even buiten de poorten 
eener stad, dus al te na daar by stonden. Volgens de volksover- 
levering is dit ook de oorsprong van den naam der stad A 1 1 o n a , 
even buiten de poorten van Hamburg gelegen. En waarom zoude 
dit niet het geval wezen? Maar zeker is het dat de herberg aan 
de Streek, even buiten Dokkum, Altena heet, omdat zy zoo na 
by de poort der stad gelegen is. En dit is ook het geval met het 
gehucht Altena by Idsegahuizen , met het voormalige blokhuis 
Altena vlak tegenover Deventer , met het voormalige kasteel 
Altena vlak buiten de Schoolpoort te Delft; met Altona, on- 
middellik by de stad Gewarden (Je ver) , met Altona by Seng warden 
in Jeverland, met Altona by Tettens in Wrangerland , enz. 
deze drie laatste plaatsen in de friesche gouen van Oldenburg. En 
zoo is dan ook de naam van menig geslacht Altena in Holland 
en in andere niet-friesche gewesten van Nederland inheemsen , 
van eenen dezer plaatsnamen afgeleid, en heeft niets te maken 
met het friesche patronymikon Altena. 

47. Strikt genomen formen de friesche patronymikale geslachts- 
namen die op sma of sema , sna of sena eindigen , en die ik hier 
thans nader bespreken wil, geen afzonderlilce groep van geslachts- 
namen. Eigenlik maken zy slechts eene onder-afdeeling uit van de 
ma- en wa-namen. Want oorspronlcelik behoort de s van sma en sna 
niet tot dit achtervoechsel , maar by den stam van den geslachts- 
naam , by den mansvrnaam die aan den geslachtsnaam ten grond- 
slag ligt. Het dan overblyvende ma (erna) en na (ena) is volstrekt niets 
anders als het achtervoechsel ma en na , dat in de vorige blad- 
zyden behandeld is. De maagschapsnamen Halbertsma en Geert- 
s e m a b. v. bestaan niet uit de lettergrepen Halbert en sma , 
Geert en sema, zoo als gewoonlik aangenomen wordt; maar uit 
Halberts en ma , uit Geertse (omzetting van Geertes) en ma. En die 5 , 
ingeschoven tusschen den stam van den geslachtsnaam of den oor- 
spronkeliken mansvrnaam , en het achtervoechsel ma , is werkelik 



FRIESCHE VADERSNAMEN OP sma UITGAANDE. 127 

niets meer of minder dan de s, waarmede in de nederduitsche en 
in de nieue friesche mengelspi'aken (friso-frankisch en friso-saksisch) 
den tweeden-naamval geformd wordt. Halbertsma wil dus een- 
voudig zeggen : de ma of man , dat is : de zoon of de volgeling 
van H a 1 b e r t , van den stamvader die H a 1 b e r t heet ; dus 
Halberts man. En Geertsema is Geertes man , de zoon van Geert. 
Uit een taalkundig oogpunt beschoud , zijn deze namen niet onbe- 
rispelik van form ; zy vertoonen zoowel oud-friescbe taalformen 
(de uitgang ma) , als Saksische of frankische (de s in den tweeden- 
naamval). Het patronymikon op ma van de mansvrnamen Hal- 
brecht en Gerhart zoude in zuiver oud-frieschen form H a 1 b e r- 
tama en Gertama moeten zijn. De sma- (en sema-) namen 
konden dan ook eerst ontstaan in eenen tijd , toen het gevoel voor 
taalzuiverbeid reeds sterk afnam by het friesche volk in 't algemeen , 
en by sommige stammen daarvan , vooral by die welke tusschen 
Lauers en Eems woonden (de hedendaagsche Groningerlanders) , in 
het byzonder. In eenen tijd toen reeds hier en daar in de aloude 
friesche taal vreemde formen uit de friso-saksische gouspraken van 
Neder-Duitschland , uit de friso-frankische tongvallen van Holland 
werden opgenomen. De s?raa-namen zijn dan ook van jongere dag- 
teekening als de friesche patronymikale namen die op enkele a, 
op inga, ma en na uitgaan. In de 13de eeu mogen er reeds hier 
en daar enkelen van deze sma-namen voor den dag gekomen zijn 
dat waren dan ook de allereersten. De anderen zijn allen van lateren 
tijd. En zeer velen, zoo niet de meesten, dagteekenen eerst uit 
de vorige eeu , en zelfs uit het begin van dit loopende jaarhonderd. 
Een der oudste sma-namen , my bekend , is die van het geslacht 
der Bolesmona dat in de 13de eeu te Stedum in Fivelgo 
(Groningerland) gezeten was. Bolesmona, Boles mona , dat is : 
de Boles mannen , de mannen van Bole, en Bole (Bolle, 
Boele, Buil e, zie bl. 95) is een oud-friesche mansvrnaam. 
De oorspronkelike naam Bolesmona treedt later als Boles ma 
en B o 1 s m a voor den dag , en bestaat in laatstgenoemden form 
nog als een hedendaagsche geslachtsnaam. Zoo vindt men in oude 
oorkonden ook de Sirikesmona en de Brungersmona ver- 
meld als friesche geslachten. Die namen , mannen of zonen van 
Si rik, Sierk en van Brungar, Bronger beteekenende , 



128 FRIESCHE VADERSNAMEN OP Sma UITGAANDE. 

komen nog heden onder de Friesen als de geslachtsnamen Sierk- 
sma en Brongersma voor. . 

De opmerkzame navorscher heeft by het doorsnuffelen van oude 
friesche oorkonden en chroniken overvloedig gelegenheid om den 
langzamen overgang van oud-friesche patronymika, als B o 1 e s m o n a, 
tot de hedendaagsche friesche geslachtsnamen op sma eindigende , 
waar te nemen. Zoo vind ik b. v. in eene oorkonde van den jare 
1432 1 den hedendaagschen geslachtsnaam Sjuksma als Siukisma 
geschreven. (Aangaande dit byzonder-friesche is in plaats van es , 
als tweede-naamvalsform achter mansvrnamen , vergelyke men 
de hedendaagsche maagschapsnamen die op is uitgaan , en die in 39 
behandeld zijn). De man die in dat stuk Benka Siukisma 
genoemd wordt , komt in eene oorkonde van 1436 2 voor als 
Beenka Siukesma, en in eene andere van 1442 3 als Beenko 
S y u x m a. Heden ten dage wordt deze naam , een patronymikon 
van den nog heden voorkomenden frieschen mansvrnaam Si uk 
(Sjoek), als Sjuksma gespeld. Hier hebben wy nu drie verschil- 
lende formen van eenen en den zelfden naam in een klein bestek 
by eikanderen duidelik het ontstaan van het achtervoechsel 
sma uit esma en isma aantoonende. Tevens als voorbeeld van de 
onnaukeurigheid en onstandvastigheid onzer voorouders wat het 
spellen hunner namen betreft. In mijn geschrift Een en ander over 
friesche eigennamen kan men nog meer dergelyke voorbeelden vinden. 

48. De sma-namen zijn zeer talrijk , en hooftsakelik in Friesland 
tusschen Fli en Lauers inheemsen. In Groningerland zijn zy betrek- 
kelik zeldzaam , en in Oost-Friesland is dit nog meer het geval. 
In die landstreken worden zy door de sema-namen vervangen. De 
s?rca-namen zijn grootendeels echte vadersnamen ; dit zijn de ware , 
de oudste, de oorspronkelike sma-naraen. Anderen, allen in de 
vorige en in het begin van deze eeu ontstaan , zijn geformd door 
den uitgang sma te voegen achter de namen van ambten en be- 
dryven , of achter allerlei andere woorden. Deze zullen in 64 
en ook nog hier en daar elders in dit werk worden behandeld. 



1 Zie Oorkonden der geschiedenis van het Sint- Anthonij -Gasthuis te Leeuwarden . 
bl. 5. 2 ibid. bl. 9. 3 Ibid. bl. 13. 



FRIESCHE VADEB.SNAMEN OP smet UITGAANDE. 129 

Van het groote getal oorbeeldige sma-namen wil ik hier slechts 
een klein getal vermelden. En dat is voldoende, omdat zy in den 
regel gemakkelik te verklaren zijn. Zie hier eenigen: Albertsma, 
Arendsma, Barendsma, 1 enz. Van dezen namen zijn 
Albertsma, Are ndsma, Bar end s ma, Brandsma, Engel- 
sma, Meindertsma met de verwante formen Meinderdsma, 
Meindersma, Mindertsma en Mindersma, Pietersma 
met Petersma, enz. afgeleid van mansvrnamen , van Albert, 
Arend, Barend, Brand, Engel, Folkert, Gerbert, 
Hendrik, Jan, Lammert, Meindert (Meinart, Megin- 
hart), Pieter en Peter, Siger of Zeger, die algemeen in 
Nederland gangbaar zijn. Maar de byzonder-friesche mansvrnamen 
Dure (zie bl. 46 en 47), Gelder, Hoite, Jorrit (zie bl. 116), 
Nammen, Riemer (Redmar), Sierd (Siard, Sighart), 
Steen, Tjalle, Tjebbe, Tiemer (Thiadmar), Wiger en 
W i e r d (W iard, Wghart) liggen ten grondslag aan Duursma, 
Geldersma, Hoitsma, enz. Nevens Arendsma komen ook 
nog de verwante , versletene of eenigszins gewyzigde formen A a r t- 
sma en Arensma (oudtijds ook f Aarnsma) voor; nevens 
Brandsma nog Brantsma en Bransma; verder Folkersma 
en Volkersma nevens Folkertsma; Lammersma nevens 
Lammertsma; Siersma en Wiersma nevens Sierdsma en 
Wierdsma (oudtijds ook fSyardsmaen |Wyardsma);Wie- 
ge'rsma, Wygersma en Wigge rsma nevens Wigersma, 
enz. (Dit alles wordt hier slechts vermeld om ook eene enkele 
maal in dit werk den rijkdom der friesche naamsformen aan te 
toonen.) De mansvrnaam Gelder, waar Geldersma van afge- 
leid is, vindt men ook in den geslachtsnaam Geldra; over Sierd 
zie men bl. 115; en over Steen bl. 106. Tiemer, de mansvr- 
naam die aan de geslachtsnamen Tiemersma en Tymersma ten 
grondslag ligt , is eene samentrekking van den vollen , oorspronkeliken 
form Thiadmar, een schoone oud-friesche naam. 'Van dezen zelfden 



1 Duursma, Engelsma, Folkertsma, Geldersma, Gerbertsma, 
Hendriksma, Hoitsma, Jansma, Jorritsma, Lammertsma, Mein- 
dertsma, Nammensma, Pietersma, Riemersma, Sierdsma, Siger- 
sma, Steensma, Tjalsma, Tjebbesma, Tiemersma, Wigersma, 
Wierdsma. 



130 FRIESCHE VADERSNAMEN OP Sma UITGAANDE. 

naam stammen ook de geslachtsnamen fTiadmersna,Tiedmers, 
en misschien ook Diemer en Diemers met Dethmers (van 
Dietmar, den nederduitschen form) af. En verder de plaatsnamen 
Tjamsweer (samengetrokken uit Tiadmerswere, zoo als het 
in middeleeusche oorkonden heet) , een dorp in Fivelgo by Appin- 
gadam ; Tiedmerswarfe, een gehucht by den dorpe Tettens 
in Wrangerland (Oldenburger-Priesland) ; Tjummarum, een dorp 
in Barradeel, Friesland, welke naam oudtijds als Tiedmarum 
(dat is, Tiedmare-heim, Thiadmara-heim, Thiadmars 
woonplaats) geschreven werd ; Timertsma-state te Idaart , enz. 
Een byzondere friesche geslachtsnaam is Leefsma, die door 
een isralitisch geslacht in Friesland gedragen wordt, en geformd 
is van den hebreeuschen mansvrnaam L e v i. Deze naam is van 
zeer jonge dagteekening , van den jare 1811, en in navolging der 
zuiver-friesehe sma-namen opgemaakt. Dat men van L e v i en sma 
niet L e vis ma gemaakt heeft, is niet vreemd. De form Levisma 
druischt toch tegen den geest der friesche spraak in ; terwijl de 
form Leefsma, in dat opzicht, onberispelik is, vooral zoo men 
de niet te scherp uitspreekt , maar ongeveer L e e v s m a zeit. 
Buitendien wordt de vrnaam L e v i by de Joden , in het dage- 
liksche leven , wel verkort als Leev, Leef uitgesproken , en , 
vooral ook in Duitschland , als L v , L w , en zelfs als L b. 
Onze nederlandsche form Leip (ten onrechte wel als smaadnaam 
gebruikt) is daarvan nog eene verdere verbastering. Die verkorte 
form Leef maakt ook deel uit van den nederlandsch-isralitischen 
geslachtsnaam Leefmans. Leefsma is de friesche wederga van 
de geslachtsnamen Levyssohn en De Levie (de == van), die 
beiden ook in Nederland voorkomen. Eene zeer zonderlinge samen- 
stelling vertoont deze naam. Hebreeusch en Oud-friesch in n 
woord vereenigd 1 Toch is eene dergelyke samenvoeging minder 
zeldzaam als men wel denken zoude. In vele friesche geslachts- 
namen komt zy voor. Te weten: in de geslachtsnamen afgeleid 
van den eenen of anderen bybelschen of kerkeliken mansvrnaam, 
die van hebreeuschen , griekschen , latynschen of anderen oorsprong 
is; b. v., om ons by de sma-namen te bepalen: Abel sma, 
Jacobsma, Simonsma (met Siemonsma, Symensma, 
Siemensma). Maar deze namen komen ons minder vreemd voor, 



FUIESCHE VADERSNAMEN OP Smet UITGAANDE. 131 

omdat Abel, Jacob en Simon mansvrnamen zijn die ook 
door Christelike Germanen worden gedragen, terwijl Levi tot de 
Israliten beperkt is. 1 

Sommige s??ia-namen , reeds eeuen oud , zijn in zeer yersletenen 
toestand tot ons gekomen , zoo dat de oorspronkelike mans vr- 
naam , die aanleiding gaf tot het formen van het patronymikon , 



1 Namen als Kopinga, Klaassen, Andriessen, Tomson, enz. zijn 
eigenlik even zonderling samengesteld als Leefsma. Immers ook hier is een vreemde , 
een hebreeusche naam (Jacob), twee andere bybelsche namen (Andries, An- 
dreas en Tom, Thomas), en een kerkelike naam (Klaas, Nicolaus), allen 
dus van vreemden oorsprong , verbonden met de germaansche patronymikale uitgan- 
gen inga en sen , son (zoon). Zie hier eenigen van die by zondere nederlandsche ge- 
slachtsnamen , aan bybelsche en kerkelike mansvrnamen ontleend , en eigenlik even 
zonderling van samenstelling, wegens de dietsche en friesche aanhangsels. 

Van den bybelschen mansvmaam Petrus zijn afgeleid de nederlandsche geslachts- 
namen Pietringa (Peterynck vond ik in West-Vlaanderen, als een naam uit de vorige 
eeu), Pietersma, Pietsma, Piersma, Petersma, Pietema, Pietersen, 
Pieterse, Pvttersen, Pi^ers, Piers, Pieren, Pierson, Peterson, Pee- 
ters, Peters, Petersen, Petri, Pietjes. 

Van Nicolaus: Klazinga, Klasinga, Klasenga, Klasema, Klasing, 
Clausing, Klaassen, Claeysseune, Claessens, Klaasen, Klasesz, Nicol- 
zon, Nicolai, Lykles, Lyklema, Lycklama (zie 45). 

Van Andras: Andriessma, Andriessen, Andreessen, Andriesse, An- 
ders, Andersen, ADdrese, Drewes, Dreevsen. 

Van Jacob: Kopinga, Copinga, Coops, Koops, Koopsma, Kops, Kop- 
pen, Koppe, Jacobs, Jacobson, Jacobi, Japikse, Jaapies. 

Van Martinus: Martens, Maartensz, Meertens, Mertens, f Mar- 
tena, Martini. 

Van Thomas: Thomassma, Thomassen, Tomsen, Toms, Tomson. 

Van Paulus: Paulusma, Paulsen, Pauwels, Pauwelse, Paulen, 
Pauli, De Pauly. 

Van Caspar: Caspersma, Kaspers, Caspari. 

Van Christophorns: Stoffelsma, Stoffels, Stoffers, Christoff els , 
Stuff er s. 

Van Christianus: Christiaenssens, Christiaanse, Kerstsma, Kest- 
ma, Kastma, Karsten, Carsten, Corst, Cors, Corstiaans, Kersting, 
Christ, Carstensen, Kersten. 

Van Mattheus: Matthyssen, Thyssen, Theys, Tysma, Tiesma, 
Thysma, Tiesema, Tiessema, Thyssens, Matthes, Mathiessen, Matthaei. 

Van Bonifacius: Fazinga, Faasma, Faassen, Fasen, Vaasen, Vase. 

De zeer talryke nederlandsche geslachtsnamen, die hunnen oorsprong aan den 
bvbelschen mansnaam Johannes ontleenen, vindt men in 58 opgenoemd. 



132 FRIESCHE VADERSNAMEN OP sma UITGAANDE. 

naueliks meer te herkennen is. Een voorbeeld daar van is de ge- 
slachtsnaam Van Reesema. Als men een oudere form waaronder 
deze naam ook voorkomt , niet kent , zoude men al licht meenen 
dat Reesema een patronymikon op ma (en niet op sma) ware 
van den oud-germaanschen mansnaam Rese, die in de naamlijst 
van Brons voorkomt , en waar o. a. ook de geslachtsnaam R e e s i n k 
van afgeleid is. Maar Reesema werd in de vorige eeunog Reer- 
s e m a geschreven , dat eene samentrekking is van Redersma. 
Reer, Reder, Redert is een oud-nederlandsche mansvrnaam 
die in zynen vollen oudsten form Redart, Redhartis. In de 
15de eeu vertoonde deze geslachtsnaam nog zynen vollen form als 
Redartsma. Toen was RedartRedartsma deken van Oldehove 
te Leeuwarden. 1 In oude geschriften van lateren tijd (16e en 17e eeu) 
komt deze naam ook als Redertsma, Redersma en Reeder- 
sma voor. Rethardisna is een zeer oude oostfriesche form 
van dit patronymikon , die later in Oost-Friesland ook tot R e e r s n a 
verloopen is , even als Redartsma tot Reersema en Reesema. 
Van dezen zelfden ouden mansnaam zijn nog afgeleid de geslachts- 
namen Reterink, Reerink, Reering, Reurink, Rrink, 
Rorik, Rrdts, Rierink, Reurts, enz. En tevens de plaats- 
namen Rederstall, een dorp in Ditmarschen ;Redertshausen, 
een dorp by Friedbergen in Ober-Beieren; Reringhausen, een 
dorp by Olpe in Westfalen ; R e e r s u m (dat isRethardesheim) 
een dorp by Norden in Oost-Friesland , enz. 

Bergsma, Brugsma, Hamersma en Wakkersma zijn 
geslachtsnamen wier oorsprong men ook eer in de woorden berg, 
brug , hamer en wakker zoude zoeken , dan in mansvrnamen. Het 
geslacht Bergsma voert zelfs een varken , friesch baerch , barg , 
als sprekend wapen. In Kjlliaan's Woordenboek komt dit woord 
nog voor als Bergh , Bargh. Maialis , poreus exsectus sive castratus. 
Ger. Bargh: Ang. Barroive" En toch ligt aan dezen geslachtsnaam , 
zoo mede aan Bargsma, en aan de drie andere bovengenoemde 
namen een mansvrnaam ten grondslag. Berg of Barg is eene 
verkorting van den oud-germaanschen mansnaam Bercht,Barcht, 
Brecht, Bracht; ook in samenstellingen (Adelbrecht of 



1 Oorkonden der geschiedenis van het Sint-Anthony-Gasthuis te Leeuwarden , bl. 
82 en 91. 



FRIESCHE VADERSNAMEN OP STHCl UITGAANDE. 133 

Albert, Harbrecht of Herbert) zeer algemeen. Andere ge- 
slachtsnamen van dezen zelfden mansnaam ontleend , zijn:Bergema, 
Bergen, Bergs en Bargen; misschien ook Bergman, Berg- 
mans, Barcbmans. Bergsma en Bargsma, naverwante 
formen van den zelfden oorsprong , staan volkomen in de zelde ver- 
houding tot eikanderen als Albregt en Albracht, Hermans 
en Harms, Gerritsen en Gar ritzen, enz. die ook als ge- 
slachtsnamen voorkomen. 

Brugsma is een versletene vadersnaam van den mansvr- 
naam Brucht, die, ook als Brugt, zelfs als Brug geschreven, 
nog heden in Friesland in volle gebruik is. Ook kwam hy oudtijds 
onder alle andere germaansche volken , ook in samengestelde formen 
voor, als Bruchtert of Burgert (Burghart, Borchart) 
enz. Met Brugsma komen nog de geslachtsnamen Brug ma, 
Bruggema, Bruchtink, Bruggink, Bruchts en Brugs, 
waarschijnlik ook B u r g a , en de plaatsnaam B u r c h s u m (B u r c h's 
heim, Bruchts woonplaats), een dorp op het noordfriesche 
eiland Fhr, van den mansvrnaam Burcht. 

De geslachtsnamen Hamersma en Hammersma, met Ham- 
ringa, Hameringa, f Hammerga en Hammers, en de 
plaatsnaam Hammerum (Hammara-heim), dorp in Jutland 
by Ringkibing , hebben met het bekende werktuich niets te maken , 
maar stammen van den oud-germaanschen , door Frstemann ook ver- 
melden mansvrnaam amar (Ha mr, Hammer) af. Men boude 
echter in 't oog dat deze oud-germaansche mansnaam wel degelik 
oorspronkelik het zelfde woord is als hamer. De hamer was oudtijds 
ook een wapen , een oorlochstuich (men denke aan Thor's hamer) , 
en de Germanen gaven geerne hunnen kinderen de namen van 
hunne wapens: Ger, Geer (Gerhart, Gerolf) = speer; 
Bronno = schild, harnas; B rant (Hildubrant, Hadubrant 
Adelbrant) = zwaard , enz. 

Wakkersma eindelik , met Wakkersen misschien Wakker, 
en met menige plaatsnaam in germaansche landen , stamt van den 
ouden mansvrnaam W a k k e r , by Frstemann als V a c a r , W a c- 
char, voorkomende. 

49. Tusschen de geslachtsnamen die op sma en die op sema 



134 FRIESCHE VADERSNAMEN OP sema UITGAANDE. 

eindigen , bestaat geen ander verschil dan in uitspraak. Sma komt 
als uitgang in den regel in Friesland bewesten Lauers voor, sema 
in Groningerland en ook in Oost-Friesland; b. v. Geertsma in 
d' eene , G-eertsema ind' andere gou. En zoo is 't ook met 
Bonsma en Bonsema, met Boersma en Boersema, Byl- 
sma en Bylsema, Duursma en Duursema, Hansma en 
Hansema, enz. De oorzaak van dit kleine verschil berust enkel 
en aleen op 't onderscheid in tongval tusschen de Friesen beoosten 
en bewesten Lauers. De Friesen in 't algemeen maakten van hunne 
mansvrnamen , sedert zy den oud-frieschen form van den genitivus 
op a niet meer gebruikten , den tweeden-naamval op is of es. Van 
den mansvrnaam Geert b. v. maakten zy in den tweeden-naamval 
Geertis of Geertes. Kwam daar nu het oude woord ma achter 
ter forming van een patronymikon , dan ontstond alzoo de geslachts- 
naam Geertisma of Geertesma. In oude friesche oorkonden , 
vooral uit de 14de en 15de eeu , vinden wy vele patronymikale 
geslachtsnamen in dezen form; Aylufsisma (later Alofsma), 
Juwisma (Jouwsma), Jarichisma (Jarichsma), Siukes- 
ma (Sjoeksma), Siwrdesma (Sjoerdsma), enz. By de 
Friesen bewesten Lauers krompen deze volle formen gedurende de 
16de en 17de eeu in. Zy verloren hunne toonlooze i of e, en werden 
Alofsma, Sjoerdsma, Geertsma, als boven aangeduid is. 
Maar by de oosterlauersche Friesen, dat zijn de hedendaagsche Gronin- 
gerlanders en Oost-Friesen , die in hunnen tongval breeder zijn dan 
hunne westelike buren , en gerekter spreken , bleef die toonlooze e 
in deze oude patronymika bewaard. Maar omdat in der daad de 
volle formen Jeltisma, Geertesma zelfs voor eene groninger- 
landsche tonge op den duur te zwaarwichtig , te ongemakkelik 
om uit te spreken zijn, zoo verliepen deze namen van Jeltesma 
tot Jeltsema, van Geertesma tot Geertsema; by zeer ge- 
bruikelike letterkeer sprak men es als se uit. De oorspronkelike 
formen Geertesma en Hoekesma werden dus by de wester- 
lauersche Friesen samengetrokken tot Geertsma en Hoeksma, 
by de oosterlauersche tot Geertsema en Hoeksema. En een 
ander onderscheid bestaat er tusschen deze twee naamformen , 
tusschen deze twee patronymikale uitgangen niet. 

Eenige weinige sma-namen , allen in Friesland tusschen Fli en 



GRONINGSCH-FUIESCHE VADERSNAMEN OP Sema UITGAANDE. 135 

Lauers inheemsch, hebben deze samentrekking van isma of esma 
tot sma niet ondergaan, maar hunnen ouden vollen f orm behouden. 
Dat zijn b. v. Agesma, Aukesma, Minnesma, Pebesma, 
S i b e s m a met Siebesma en Sybesma, afgeleid van de nog 
heden gebruikelike friesche mansvrnamen Age, Auke, Minne 
of Menno, Pebe ofPibo en Sibe. Hadden deze namen , die 
door hunnen ouden form aanduiden dat zy van oude dagteekening 
zijn , de gewone samentrekking ondergaan , dan zouden zy nu A a g- 
sma, Auksma, Minsma, Peepsma en Sypsma luiden. 

De volgende geslachtsnamen , allen in Groningerland inheemsch , 
mogen als voorbeelden der sema-namen gelden : Ausema, B a n- 
sema, Brondsema 1 . Deze namen zijn allen patronymika van 
oud-germaansche , grootendeels bepaaldelik oud-friesche mansvr- 
namen. Maar van Ilpsema is de oorsprong my duister. Frans- 
se ma is van Frans afgeleid, dat weer eene verkorting is van 
den kerkeliken naam Franciscus. Echter is deze kerkelike naam 
oorspronkelik toch een germaansche; de mansvrnaam Frank 
ligt er aan ten grondslag. Ro elf sema is duidelik genoeg, en 
stamt met Roelfzema en het westerlauersche Roelofsma af van 
den bekenden mansnaam Roelf, Roelof, Rudolf. Op bl. 92 is 
Klootsema reeds verklaard. Ausema komt van den frieschen 
mansvrnaam Au e, die hedendaags meest in verkleinform als 
Auke in gebruik is, en die in zyne onverkleinde gedaante 
tevens aan de geslachtsnamen f Auwema en Auwen oorsprong 
gaf. B a n s e m a komt met de maagschapsnamen Banning, 01- 
den-Banning, Nyen-Banning en Bans van den ouden 
mansvrnaam Banno. Brondsema en Brontsema, met 
Bruntink, Brunten en Brunt, stammen af van Bront of 
B r u n t , een mansvrnaam die of eene samentrekking is van den 
samengestelden naam Bronnert, Brunnart, Brunhart, of eene 
uitbreiding , door zeer gewone aanhanging eener t , van den naamstam 
Bron, Bronno, beide oud-germaansche mansvrnamen. Van 
dezen laatsten naam , die in Friesland nog in gebruik is (my is 
een man bekend , te Emden geboren , te Leeuwarden wonende , 



1 Franssema, Hoolsema, Ilpsema, Jeltsema, Klootsema, Luurtse 
ma, Roelfsema, Tietsema, Weitsema. 



136 GRONINGSCH-FRIESCHE VADERSNAMEN OP Zema UITGAANDE. 

althans van 1850 1870, die Bronno Brons heet), stammen 
de geslachtsnamen Bronninga, Bronnema, Bronsema en 
Brons, welke laatste naam veelvuldig voorkomt in alle gouen 
tusschen Fli en Eems en verder oostelik. De maagschapsnaam 
Bronkema eindelik is een patronymikon van Bronke, Brun- 
nico, dat is Bronno in verkleinform. Jelte, Tieteen 
Weit e, waarvan Jeltsema, Tietsema en Weitsema, zijn 
in onze noordelike gewesten , voor zoo verre de ingezetene bevol- 
king daar van frieschen stam is, in volle gebruik als mansvr- 
namen. Luurtsema eindelik en Luursema zijn met de ge- 
slachtsnamen Luurts, Luurs, Luirs, Lhrs en Luyrink 
afgeleid van twee verschillende , maar na-verwante oud-germaansche 
mansvrnamen. Te weten: van Luithart, Ludehart en van 
Luiter, Luther, Lothar of Liudheri, waar L u u r t en 
Luur afgesletene en samengetrokkene formen van zijn. In de 
formen Luurd, Luyert, Luyer komen deze namen nog eene 
enkele maal in de friesche , vooral friso-saksische gewesten als 
mansvrnamen voor. De maagschapsnamen Luurtsema en Luur- 
sema zijn nu slechts in Groningerland inheemsch , maar hadden 
oudtijds hunne tegenhangers in de namen der nu uitgestorvene ge- 
slachten Luyrtsma in Friesland bewesten Lauers, Lyursna 
in Friesland beoosten Eems. 

Door infloed der hollandsche uitspraak en spelwyze , die steeds 
de s als beginletter van woord of lettergreep , vr eenen klinker , 
door de z vervangt, is by eenigen van de sma-namen die uitgang 
in zema veranderd. Geslachtsnamen , die deze verkeerde , onfriesche 
spelwyze vertoonen , zijn : G e r z e m a (de goede form G e r s e m a 
komt ook voor), Hoekzema (nevens Hoeksema), Eoelfzema 
(naast Roelfsema), Rinzema, Schultzema, Wiertzema 
en Z e t z e m a. En by sommige sraa-namen , waar de mansvr- 
naam , die er aan ten grondslag ligt , op k eindigt , is de s van 
sma met die k tot eene x versmolten. Deze verouderde spelling , 
op bl. 46 ook besproken, treffen wy aan in de namen Blinxma 
(zie bl. 46), Boxma, Haaxma (zie Ha ex op bl. 96), 
Harinxma en Van Harinxma (de zuivere form Haringsma 
komt ook voor) , Looxma, Sixma (Siksma en zelfs S i x s m a 
bestaan ook) , enz. 



00STFRIESCHE VADERSNAMEN OP sena UITGAANDE. 1.37 

Eenige geslachtsnamen zijn slechts sema-namen in schijn , maar 
behooren in der daad tot de ma-namen (zie 45). Het zijn die 
namen, waar by de mansvrnaam , die er aan ten grondslag ligt, 
reeds op zich zelven op se eindigt ; b. v. Reitse, Haitse, Sytse, 
Ritse, waar de geslachtsnamen Haitsema, Reitsema, Ritsema 
enSytsema van afgeleid zijn. Deze geslachtsnamen vervallen dus niet 
in H a i t en sema , maar in Haitse en ma, Reitse en ma, enz. 
Haitse, Reitse, Ritse en Sytse zijn nog heden in Friesland 
als mansvrnamen in volle gebruik , en de patronymikale geslachts- 
namen daarvan afgeleid , komen in het westerlauersche Friesland 
ook in samengetrokkenen form , als Haitsma, Reitsma, Rit- 
sma en Sytsma voor. 

De geslachtsnamen die op sna en sena eindigen (f Edzardsna, 
f Sierksena), staan volkomen in de zelfde verhouding tot die 
welke op na uitgaan (zie 46) , als de sma en seraa-namen staan 
tot die welke ma tot uitgang hebben. Deze sna- en sea-namen 
komen slechts in Oost- Friesland voor ; niet in de friesche gewesten 
die tegenwoordig deel uitmaken van de Nederlanden. Wy hebben 
er ons in dit werk dus niet verder mede op te houden. Het is 
voldoende er op gewezen te hebben, ter wille der volledigheid. 
Die er meer van weten wil , even als van de andere byzonder- 
friesche geslachtsnamen in 't algemeen , leze myne studin over 
friesche eigennamen in De vrije Fries, deelen XIII en XIV. 

50. Onder de oorbeeldig-friesche patronymikale geslachtsnamen , 
zoowel van ouden als van nieuen form , zijn er eenigen die het 
voorzetsel van voor zich hebben. In zoo verre als al deze namen 
vadersnamen zijn , of daar voor gelden , past dit van volstrekt 
niet vr deze namen. Van past slechts vr plaatsnamen. By de 
samenstelling van deze friesche namen met van er voor is soms 
domme en dwaze navolging in het spel geweest van het gebruik 
dat by andere Nederlanders , en vooral by Duitschers , wel in zwang 
was en nog is , om de geslachtsnamen , als 't ware , te adelliken , door 
er van of von voor te zetten. 1 Die zoo deden , hebben niet bedacht 



1 Ten einde geen nederlandsche geslachten misschien te krenken , worde hier als 
voorheeld slechts de duitsch-friesche geslachtsnaam Von Ompteda vermeld. De 
naam waarvan dit patronymikon is afgeleid, is, in zynen oudsten, oorspronkeliksten 



138 FRIESCHE VADERSNAMEN MET VCin ER VOOR. 

dat de oude friesche geslachtsnamen (Burmania, Cammingha, 
Harinxma) uit en op zich zelven reeds tuigen van het edelste 
"bloed onder alle germaansche volken het hloed der vrye Frie- 
sen, die geen en vreemden tooi noodig hebben om hunnen aiouden 
edeldom te staven. Maar waar van zulk eene dwaze naapery geene 
sprake kan zijn , daar moeten deze vadersnamen beschoud worden 
als dienstdoende plaatsnamen. De staten en saten, stinsen en heer- 
den toch der Friesen , de sloten der edelingen . de landhoeven of 
hoereplaatsen der vrye, eigenerfde boeren (Einierden, Erfegsen), 
dragen in den regel als eigennamen de patronymika der eerste, 
oorspronkelike stichters en bezitters; b. v. Abbinga-state, 
Aggema-state, Allinga-sate, Elgera-sate, Cleverin- 
ga-heert, Ompteda-hurcht, enz. In het dageliksche leven 
laat men de woorden state en sat wel achterwege , als men van 
deze plaatsen spreekt , en zeit eenvoudig: ik woon op Abbinga" , 
en ik kom van All inga". Neemt men nu aan, dat de friesche 
geslachtsnamen met van er voor, oorspronkelik zulke plaatsnamen 
geweest zijn, dat b. v. VanBaarda en Van Bloemersma 



form Ummo, Omme, en in dien form, ook verkleind als Omke, en als Umo, 
Ome, Oomke, nog in Friesland in gebruik. Van daar de geslachtsnamen Om- 
menga, Omenga, Oomkens, Omen. Ooms, Oomsz, Ummen en Umken. 
Vele friesche mansvrnamen worden in Friesland door willekeurige achtervoeging 
eener t verformd; van Haio maakt men Haite, van Ubo, Oebe maakt men 
Oebt, Oept, Upt, en zoo ook van Ummo, Omme is Umt, Omt geworden. 
Men ging zelfs verder, en hing er nog eene t achter; zoo kwam van Haite de 
form Haitet; van Oept, Upt maakte men Uptet, van Umt, Omt werd Urn- 
tet, Omtet. Nu neemt in den mond der Nederlanders de m geerne eene p of b 
achter zich; Middenleek werd Medemlik en Medemblik; Emuden werd 
Emden, Embden. Zoo ook werd Umtet en Omtet tot Umptet en Omptet. 
Deze naam door achtervoeging der oud-friesche a in den tweeden naamval geplaatst, 
geeft het patronymikon Ompteda (niet Ompteta; zoo komt van Albert en Hil- 
wert, ofschoon deze namen beiden op t eindigen, Alberda en Alberdingk, 
Hilverdink, enz. met eene d). Dit oud-friesche geslacht Ompteda, oorspronkelik 
gezeten op 't Zand in Fivelgo, waar de Ompteda-bnrcht is, is zeer verspreid in de 
friesche gouen aan beide oevers der Eems. De afstammelingen er van schryven hunnen 
naam op verschillende wyzen, als Ompteda, Von Ompteda, Umpteda, Omta, 
Umta, en formen dien ten gevolge nu vijf verschillende maagschappen. Een soort- 
gelyke naam is de geslachtsnaam Impteda, die tegenwoordig, door letterkeer, in 
den verbasterden form Impeta voorkomt, en een patronymikon is van den mans- 
naam Imptet, Imtet, Irate, Imt, Immo. 



FRIESCHE VADERSNAMEN MET van ER VOOR. 139 

eigenlik in de plaats staan voor Van Baarda-state en Van 
Bloemersma-sate dan ligt er nog eenen redeliken zin in 
deze namen ; maar ook slechts in dat geval. Anders zijn namen als 
Van Hottinga en Van Buma in het Eriesch even dwaas , als 
b. v. Van Jansen en Van Pietersen in het Hollandsen wezen 
zouden , alsVonSchiller,VonSchumacher,VonSchweit- 
zer in het Hoogduitsch zijn. Zie ook 26. 

Het is wel voorgekomen dat de huurboer of pachter van eene 
als landhoeve ingerichte adellike state , die den naam droeg van 
haar eerste stichters en bewoners (nemen we b. v. Olferda-state), 
dien aiouden naam met van er voor, als Van Olferda voor zich 
en de zynen als eenen vasten geslachtsnaam aannam , ofschoon de 
oorspronkelike bezitters van die state , tevens de eenigen welke op 
dien naam recht hadden , nog leefden , ofschoon het oude geslacht 
Olferda nog bestond en bloeide. De boer, in zyne onnoozelheid , 
vatte dezen naam eenvoudig als een plaatsnaam op. Hy noemde 
zich Van Olferda (-stat e), omdat hy op Olferda (-stat e) 
woonde. Hier hebben wy dus het omgekeerde van het gene elders 
wel voorkomt: de form van den naam zonder van, is hier de 
oudste en oorspronkelikste , de eenige echte , soms de eenige adel- 
like. Terwijl de form met van eenvoudig een willekeurig aangenomen 
geslachtsnaam is. Maar ook omgekeerd zijn dikwijls juist de namen 
der oudste , adellike geslachten by de Friesen met dit van voorzien, ter- 
wijl de namen der burgerliken dat voorvoechsel missen. Als dit nu by 
overigens oorbeeldig friesche geslachtsnamen voorkomt , dan is dit van 
een byvoechsel van lateren tijd , dan is het een toevoechsel tot den 
naam, uit de 16de f 17de eeu , uit den tijd van het verval der 
friesche taal dagteekenende. En dan komt die zelfde naam, in de 
oudste oorkonden, in zynen oudsten form voor, zonder van, 't 
welk er ook niet by behoort. Van Cammingha, Van Both- 
nia, Van Burmania zijn in de middeleeuen slechts als Cam- 
mingha, Bothnia, Burmania bekend. 

Zie hier eenige voorbeelden van friesche geslachtsnamen met het 
voorvoechsel van: Van Goslinga en Van Gosliga, Van 
Haga, Van Eysinga, Van Hettinga, Van Hanja, Van 
Abbema, Van Reesema (zie bl. 132), Van Itsma. Tevens 
bestaan ook de formen zonder van: Goslinga met Gosliga; 



140 FRIESCHE VADERSNAMEN IN VERSCHILLENDE SPELLINGEN. 

H a g a met Ter Haagha 1 ;EisingaenEizenga; Hettinga 
en Hettenga, Hania en Hanje; Abbema en Abma; Iet- 
sma en Ytsma. 

Het overgroote getal friesche geslachtsnamen wordt nog ver- 
meerderd door de verschillende wyzen waarop zy geschreven worden. 
Deze verschillende formen van namen zijn ook weer eigen aan 
verschillende geslachten. Elders in de nederlandsche gewesten komt 
dit ook wel voor (Kranendonk b. v. en Cranendoncq, 
Derx en Derks), maar nergens zoo veelvuldig als in Friesland. 
Dat de oude Nederlanders in 't algemeen zeer onstandvastig waren 
en zeer onnaukeurig in de wyze waarop zy hunne namen schreven , 
is bekend. En zoo gebeurde 't wel dat de eene broer zynen naam 
geheel anders spelde als de andere. By meer verwyderde bloed- 
verwanten was dit dikwijls in nog sterkere mate het geval. En 
zoo liet soms de eene , in 1811, zynen naam op deze wyze , de 
andere den zelfden naam weer in anderen form in de boeken van 
den burgeliken stand schryven en vaststellen. Ook schijnt het wel 
voorgekomen te zijn dat de hoofden van sommige geslachten , die 
den zelfden patronymikalen geslachtsnaam voerden , ofschoon zy 
niet verwant waren, in 1811 overeenkwamen om hunne namen 
voortaan op verschillende , aan de uitspraak niets afdoende wyzen 
te schryven, ter meerdere onderscheiding; Kamminga b. v. 
en Kammenga, Raadersma en Radersma, Attama en 
A 1 1 e m a. 

Ook gebeurde 't wel dat deze of gene friesche edeling zynen ge- 
slachtsnaam en daar mede zijn adeldomsbewijs z weinig op prijs 
stelde , vrywillig z verwaarloosde , dat in den loop der tyden 
zoo wel geslachtsnaam als adeldomsbrieven te loor gingen. Sommige 
afstammelingen toch der oude, middeleeusche friesche edelen, tot 
beter en reiner inzicht van de menschelike weerde en bestemming 
gekomen door de hooge vlucht , die ontwikkeling , beschaving en 
ware veredeling van den menscheliken geest in den loop der tyden 
namen , smeten eerlang dien ganschen verouderden , verschimmel- 



1 Ter Haagha met Van Terwisscha en Van Terwisga {tor wiska is Oud- 
friesch voor ter weide, zur Wies e , Platduitsch tor Wische, op of aan de weide) zijn 
de eenigste friesche geslachtsnamen, die dit voorvoechsel ter, dat elders algemeen 
is, by zich hebben. Zie 98. 



VAEUSNAMEN MET S ALS VOORVOECHSEL. 141 

den en vermolmden middeleeuschen ridderrommel van zich. Zy 
herschiepen hunne staten tot saten , hunne sloten en stinsen tot 
landhoeven , en werden van edellui boeren , vrye eigenerfde friesche 
boeren , in den besten zin van dit woord , en zonder zich te ver- 
boeren , of in beschaving en ontwikkeling achter uit te gaan. Deze 
edele boeren verloren hunne aloude geslachtsnamen volkomen. 
Sommigen van hunne nakomelingen , die zelfs de heugenis verloren 
hadden aan den adeldom en aan den geslachtsnaam van hunne 
voorouders, namen in 1811 nieue , door hen zelven geformde ge- 
slachtsnamen aan. Anderen herinnerden zich nog de geslachtsnamen 
die hunne voorvaders gevoerd hadden , en zy namen die , maar hun- 
nen adeldom daarom nog niet, in 1811 op nieu aan. En dit is ook 
eene van de vele redenen , waarom in Friesland sommige adellike 
en burgerlike geslachten de zelfde namen voeren, en ook waarom 
in Friesland de geslachtsnamen in zoo verschillende spellingen voor- 
komen ; b. v. Scheltinga enVanScheltinga,VanEysinga 
en Van Eisenga (zie bl. 26 en 60), Yan Harinxma en 
Haringsma, Van Heemstra en Heemstra, Van Cam- 
mingha, KammingaenCammenga, AylvaenAleva,Bu- 
walda en Buwolda, Wolda, Walda,Wouda,Walta, enz. 

51. Eene kleine groep van nederlandsche geslachtnamen bestaat 

uit vadersnamen welke geformd zijn van mansvrnamen met het 

bepalende lidwoord , eveneens in verbogenen form , daar voor. In 

de Nederlanden even min als in Engelland en Noord-Duitschland , 

is men niet gewoon om het bepalende lidwoord voor eenen mansnaam 

te plaatsen. Men spreekt hier niet van de Jan, de Piet en de 

Klaas," zooals men in Opper-Duitschland wel doet: der Wilhelm, 

der Joseph, die Maria," enz. Toch schijnt deze spreekwyze 

oudtijds hier en daar in Nederland, vooral in Brabant, wel in 

gebruik geweest te zijn. Anders toch konden wy daar nu geen 

patronymikale geslachtsnamen ontmoeten, alsSwolfs,Smertens, 

dat is: desWolfs (zoon), des Mertens(zoon), enz. Want het 

verbogene lidwoord des (tweede-naamval van de) is by deze namen 

tot s ('s) versleten, en aan den eersten letter van den oorspron- 

keliken mansnaam gehecht. Die afslyting komt nog veelvuldig voor ; 

b. v. 'sHeeren goedheid; 's prinsen beleid; 's mans berou; voluit: des 



142 VADERSNAMEN MET S ALS V00BV0ECHSEL. 

Heeren goedheid, of de goedheid van den Heer; het beleid van den 
prins; het berou van den man. Zoo ook Swolfs, 'sWolfs, des 
Wolfs zoon, of de zoon van den man die Wolf heet. 

Behalven Swolfs en Smertens zijn my van deze soort van 
geslachtsnamen nog bekend: Smaassen, Spiers, Stielen, 
Stieltjes, Stiemens, Stillemans, enz. Smaassen, dat 
ook als Smasen, Smaasse, Smaessen, Smaesse, en zelfs 
in Neder-Rijnland tot Schmasen verhoogduitscht voorkomt, is 
'S Maassen, des Maassen, des Maassen zoon, de zoon 
van Maas. En Maas is eene, vooral in Zuid-Nederland gang- 
bare verkorting van den bybelschen mansnaam Thomas. Spe- 
ters en Spiers, met de verwante en versletene formen Speers, 
Spies, Spees, Speessen, is 's Piers, des Piers zoon, 
de zoon van Pier, Peer, Pieter, Petrus. Stillemans 
komt op deze wyze van den oud-nederlandschen mansvrnaam 
Tilleman, Tilman, Tielman, die ook in deze drie formen , 
enalsTilmans, Tielmansals geslachtsnaam voorkomt. Stie- 
len en Stieltjes komen eveneens van Tiel en Tieltje, dat 
is: Tyl, Tilo, welke naam als T ij 1 , en , in verkleinform , als 
Tilkin ook als geslachtsnaam voorkomt. Dus beteekent Stieltjes: 
zoon van den kleinen Tyl. Stiemens eindelik staat in de 
plaats van 'S Tiemens, des Tiemens zoon; en Tiemen, 
Tymen, Tieman, Timan (niet te verwisselen met den griek- 
schen mansnaam Tim on) is een oud-nederlandsche mansnaam, 
die in Friesland en hier en daar in Holland nog heden in volle 
gebruik is. Van dezen mansnaam, die oorspronkelik Tiedman, 
Tiudman is, stammen ook de geslachtsnamen Tydeman, Tide- 
man, Tiedeman, Tyman, Tieman, Tiemans en Tiemensaf. 

De oud-germaansche naam Godfried, vernederlandscbt tot 
G-ode fert, Godevaert, Govert, Govaert (waarvan de ge- 
slachtsnamen Govaerts, Goevaert en Govert z) is de naam 
waar aan de geslachtsnaam Schoevaerts ontleend is. Deze zelfde 
naam komt ook als Schovaers, Schoovaert en Schoevaart 
voor. Schoevaerts is eene wanspelling voor Sgoevaerts, 
'S Goevaerts, dat is: des Goevaerts zoon, de zoon van 
Goevaert of Godfried. Wijl overigens de letterverbinding sg 
in het begin van een woord of lettergreep in de nederlandscbe taal 



VADERSNAMEN MET S ALS VOORVOECHSEL. 143 

niet voorkomt , zoo kwam men er toe om Sgoevaerts als Schoe- 
vaerts te schryven, te meer wijl volgens den byzonder-holland- 
schen tongval de sch als sg wordt uitgesproken. Deze zelfde ver- 
vanging van sg door sch komt ook voor in den vlaamschen geslachts- 
naam Keerschieter, die oorspronkelik Keersgieter was , het 
bedrijf aanduidende van den man die keersen giet , die gegotene 
kaarsen maakt. (Eene andere zonderlinge verbastering van dezen 
zelfden naam Keersgieter, die werkelik ook in dezen zuiver 
geschrevenen form voorkomt, vindt men vermeld in 165). Zoo 
zag ik den naam der stad 's Gravenhage en dien van het dorp 
's Gravezande wel geschreven als Schravenhage en Schra- 
vezande, en de geslachtsnaam 'S Grauwen komt ook als 
Schrauwen voor; zie 64. In den geslachtsnaam Schoevers 
vinden wy 't oorspronkelike Schoevaerts, 's Goevaerts nog 
meer verbasterd. 

Deze geslachtsnamen met voorgevoegde s , afgesleten uit des , 
zijn oorspronkelik in de brabantsche en limburgsche gouen van 
Nederland inheemsen. 

Daar is nog een nederlandsche geslachtsnaam die tot deze groep 
schijnt te behooren , maar waar de s van des niet saamgesmolten 
is met de eerste letter van den mansnaam ; dit is de geslachtsnaam 
'S Jacob. Vreemd is het ook dat de naam Jacob zelve hier 
niet verbogen is. Ware het 'S Jacobs, de oorsprong van dezen 
naam zoude aan geen twyfel onderhevig zijn. Nu echter ben ik niet 
zeker; te meer niet, wijl het geslacht dat dezen naam draagt, 
naar ik meen , niet van nederlandschen oorsprong is. Deze s , van 
des versleten , ons Nederlanders overigens zoo wel bekend uit som- 
mige plaatsnamen ('s Gravenhage, 's Hertogenbosch, 's 
Heerenberg), maakt ook nog deel uit van een paar andere 
geslachtsnamen , die in 64 te vinden zijn. 

52. Eene byzondere ondergroep van de patronymikale maag- 
schapsnamen met voorgevoegde s , formen die geslachtsnamen welke 
met ser en tser beginnen. (Serroelofs, Tserstevens). Deze 
namen bestaan uit eenen mansvrnaam , met het woord her , (h)er , 
lieer daarvoor , en tevens met het bepalende lidwoord , in den 
tweeden-naamval verbogen. Serroelofs b. v. is: Sherroelofs, 



144 VADERSNAMEN MET Ser ALS V00BV0ECHSEL. 

's Her Roelofs, des heeren Roelofs, de zoon van den 
heer Eoelof. Of liever nog: de zoon van Heer Roelof; 
immers het woord her , heer , is in deze namen niet mede ver- 
bogen geworden, wijl het met den eigenliken mansvrnaam zoo 
vast versmolten was, dat beide woorden slechts als n enkele 
naam golden (Heer-Roelof), en ook als n enkele naam 
verbogen werden (des Heer-Roelofs, en niet: des heeren 
Roelofs). De h van her is weggesleten, door den infloed der 
scherpe s die voorafgaat, en die de /t, in de uitspraak, nagenoeg 
stom maakt. En dit nog zoo veel te meer, als deze namen slechts 
in de vlaamsche gewesten voorkomen, hooftsakelik in West- Vlaan- 
deren , waar de volkseigene uitspraak de h als beginletter van 
woord of lettergreep , toch uiterst weinig , veelal in het geheel niet , 
hooren laat. 

De geslachtsnamen met ser beginnende , zijn allen van hoogen 
ouderdom. Grootendeels komen zy reeds in de middeleeuen voor. 
Zy deden toen echter nog gewoonlik slechts dienst als eenvou- 
dige vadersnamen , als toenamen die maar voor eenen enkelen per- 
soon golden; geenszins als eigenlike geslachtsnamen. Zoo vind ik 
in eene oude vlaamsche oorkonde , welke afgedrukt is in de An- 
nales du Comit fiamand de France , Duinkerke, 1853, bl. 244, 
zekeren Karstiaen ser Boidekins soene vermeld , als sche- 
pen van de stad Damme, in 1286. Karstiaen ser Boidekins 
soene, dat is: Karstiaan, (eene verdietsching van den mans- 
vrnaam h r i s t i a n u s) de zoon van heer Boidekin, Bodekyn, 
verkleinform van den ouden mansvrnaam Bode,Bodo,Botho, 
Bote. Onder laatstgenoemden form is deze naam nog heden in 
Friesland in volle gebruik. De geslachtsnamen Botinga,Botenga, 
Bootsma, Botes, Boten, Boots, enz. zijn er van geformd. 

Zie hier eenige geslachtsnamen van deze groep : Serarents, 
(Serarens, Serraris). 1 De mansnamen die aan het grootste 
deel dezer vadersnamen ten grondslag liggen , Arent, Bruno, 



1 Serbruyns, Serclaes, Serdobbels, Sergeys, Sergeys9eti9, Sergey- 
sels, Serjacobs, Serlippens, Serneels , Serniclaes, Seroyen, Serpie- 
ters, Serreyns, Serruys, Sersanders, Sersimoens, Serstaas, Ser- 
stevens, Servranckx, Serweytens, Serwouters. 



VLAAMSCHE VADERSNAMEN MET Ser ALS VOORVOECHSEL. 145 

Jacob, Lip (Philippus), Neel (Cornelis), Pieter, Rein 
(R e g i n o , Ragin), Sander (Alexander), Simoen (oud- 
vlaamsche forni van Sim on), Staas (Eustatius), Steven, 
Vrank (beter Frank) (zie bl. 135) en Wouter zijn algemeen 
bekend. Serdobbels is, gelijk bet eveneens voorkomende enkele 
Dobbels, van den mansvrnaam Dobbel, Dubbel, Dub- 
bel d, die een verbasterde form is van den vollen naam Dib- 
bolt, Dietbold, Thiebout, Tbiudbald; zie bl. 51. Serdy- 
e n , ook nog meer samengetrokken als Sroyen voorkomende , 
beteekent : zoon van beer Oye, dat is eene verfloeiing van Ode, 
O d o , U d o , een oud-germaansche mansnaam , die aan zeer vele 
geslachtsnamen en plaatsnamen ten grondslag ligt. De oorsprong 
der geslachtsnamen Sergeys, Sergeyssens en Sergeysels 
is waarschijnlik de mansvrnaam G e y s , G ij s , Gis, Gisil. Die 
van den geslachtsnaam Serruis, welke naam ook als Serruys, 
Seruis en Serruus voorkomt, is nog minder zeker. Ruisch 
is wel een oud-nederlandsche mansvrnaam, die in de 14de, 15de en 
16de eeu te Amsterdam in gebruik was. l Maar dat Serruis van 
dezen naam zoude ontleend zijn , betwyfel ik op grond dat juist 
de West-Vlamingen , by wie deze geslachtsnaam inheemsen is , de 
sch op 't einde der woorden wel degelik en duidelik uitspreken , 
even als de Friesen ook doen. Ruisch kon in hunnen mond dus 
moeielik tot Ruis (Serruis) versleten zijn , al is dit in de hollandsche 
spreektaal een zeer gewoon geval. Ware de geslachtsnaam Ser- 
ruis c h , dan zoude ik op deze afleiding niets hebben aan te merken. 
Thans wil ik liever denken aan den oud-germaanschen mansvrnaam 
Huso, Huis, die in den vlaamschen mond de h verloren heeft 
Ser(h)uis. Over dezen naam Huso zie men bl. 29. Buitendien 
blijft de mogelikheid bestaan dat de naam Serruis in het geheel 
geen vadersnaam is , maar eenvoudig het woord seruis of loodwit. 
Dit woord , een bastert van het fransche woord cruse , werd in myne 
jeugd te Leeuwarden steeds gebruikt om de verfstof loodwit aan 
te duiden ; en dit is nog heden in de zuidelike gewesten het geval. 
In dit geval kan Serruis als naam van eenen schilder of van eenen 
koopman in verfstoffen in gebruik zijn gekomen. Weiten, de 
mansnaam waar Serweytens van afgeleid is, komt nog heden 



1 Be Navorsclier, dl. XXVIII, bladz. 28. 

10 



146 VLAAMSCHE VADERSNAMEN MET tser ALS V00RV0ECHSEL. 

wei in "Vlaanderen voor , even als in den form Weite, Weit 
in Friesland. Het is een oud-germaansche vrnaam , waarvan 
ook nog de geslachtsnamen Weytingh (zie bl. 32) , Weit e ma, 
Weitsema (zie bl. 135), Weits en Weitz afgeleid zijn, met 
de plaatsnamen Weyteghem, een dorp in Oost- Vlaanderen en 
Weitingen, een dorp by Horb in Wrtemberg. 

Een paar van deze geslachtsnamen hebben de s op 't einde ver- 
loren , en komen nu als Serdobbel en Serwouter voor. Zoo 
ook Serbrock, van den mansvrnaam B r o k k e afgeleid , die 
oudtijds zekerlik in de Nederlanden in gebruik geweest is , ofschoon 
hy my nooit voorkwam. Maar behalven uit den geslachtsnaam 
Serbrock blijkt my overtuigend dat een mansvrnaam Brokke 
of Brok eertijds moet bestaan hebben, uit de geslachtsnamen 
Brockema en Broksma, Brox en Broks, zoo mede uit de 
plaatsnamen B r o x e e 1 e (dat is Brok's zele, Broks zaal of 
halle), een dorp in Fransch-Vlaanderen , en Brockum (Brokke- 
h e i m) , een dorp by Lemfrde in Hanover. 

Enkelen van deze geslachtsnamen hebben nog eene t vr de s 
van ser gevoegd. Het zijn Tserclaes, Tserstevens en Tser- 
vrancx, alle drie in de zuidelike Nederlanden inheemsch. Deze 
voorgevoegde letter t is niet het voorzetsel te, en even min het 
lidwoord het , by verkorting , zoo als zy schynen te meenen , die 
deze namen als 'T Serclaes of T' Serclaes, 'T Ser stevens 
en T' Servrancx schry ven , gelijk veelal geschiedt. Neen maar 
deze t is anders niet als eene verscherpte uitspraak der oorspron- 
kelike d van des. Toen by versnelde uitspraak, en langdurig ge- 
bruik , de e uit dit verbogene lidwoord verdween , en de d der- 
halven onmiddellik voor de s kwam te staan, moest deze letter 
noodzakelik tot t verscherpt worden. Tser en tseren, in plaats van 
des heren, komt by schryvers uit de middeleeuen meermalen voor; 
b. v. Lekenspiegel II, 1, 70: 

Men weet dat ter waerheden , 
Dat Maria , na ende vore , 
Quam van tser Davids ore. n 

En nog aldaar III, 16, 134 (hs. H) : 

Omme te hebbene tseren hulde." 1 



1 De Navorscher, deel XXVIII, bladz. 2S. 



VADERSNAMEN MET her ALS VOORVOECHSEL. 147 

Dat overigens dit voorvoechsel ser by patronymikale geslachts- 
namen wel degelik eene samentrekking is van 's her , des heeren , 
blijkt ook uit sommige zeeuscbe plaatsnamen , waar dit zelfde ser 
als sir voorkomt. De namen toch van de gehuchten Si r helsdorp 
by Kloetinge op Zuid-Beveland , en van Sirpoppekerke by 
West-Kappelle op Walcheren, zijn oorspronkelik 's Heer-El s- 
dorp en 's Heer-Pop pen -kerke. 

Met dezen form sir in bovengenoemde zeeusche plaatsnamen , 
stemt nog overeen de geslachtsnaam Sirjacobs. Daarnevens komen 
ook de geslachtsnamen Sirejacobs en Sirej acob voor. De man , 
die deze namen eerst z heeft geschreven , schijnt het voorvoechsel 
sir , ser aangezien te hebben voor den ouden franschen titel sire , 
messire. De oud-vlaamsche naam Sirjacobs is ook verfranscht 
tot Sirjacques en Sirjacq, en komt in die beide formen nog 
heden als geslachtsnaam in de zuidelike Nederlanden voor. 

53. Al deze geslachtsnamen met het voorgevoegde ser in de 
verschillende formen , zijn oorspronkelik in Vlaanderen en Brabant 
inheemsen. Maar er zijn my toch ook eenige geslachtsnamen uit 
de noordelike gewesten bekend , die eveneens vadersnamen zijn met 
met het woord heer of her samengesteld, en die de tegenhangers 
uitmaken van die zuidnederlandsche namen. Het zijn fHeriwesma, 
f Herjuwsma en f Heer -Alma uit onze friesche gewesten, 
en Hereygens en Herreilers, elders in de Nederlanden 
inheemsch. Bovendien nog Herrijgers en Herroelen, die ik 
in de zuidelike gewesten vond. 

De geslachten die de drie eerstgenoemde namen gevoerd hebben , 
zijn uitgestorven. Maar hunne namen zijn in de friesche geschie- 
denis bewaard, en worden daar op verschillende wyzen gespeld: 
Heerjousma b. v. en Heer y we sin a; ook Her-Alma. Het 
zijn patronymika van Heer-Jou, Heer -Ivo en Heer-Alle. 
Jou, J u w , meest in verkleinform als J o u k e voorkomende , I w e 
of Ivo en Alle zijn nog heden als mansvrnamen in Friesland 
in volle gebruik. 

De friesche geschiedboeken , en de volksoverlevering tevens , ver- 
melden nog den naam van zekeren Heer -Ivo. Van dezen echter 
stamt het geslacht Heriwesma niet af. Heer Ivo Johannis 



148 VADERSNAMEN MET van ALS V00RV0ECHSEL. 

was de laatste roomsche priester van de kerk van Oldehove te 
Leeuwarden. Hy overleefde langen tijd den ommekeer in het ker- 
kelike, die in Friesland in de 16de eeu plaats greep. Hy bleef 
aan de roomsche kerk getrou, en woonde te Leeuwarden in de 
Groote-Kerkstraat , op den hoek van het straatje dat naar den 
Boterhoek voert. Hy was zeer bekend en zeer bemind by de bur- 
gery der friesche hoofdstad. Het volk maakte zelfs een rijmke op 
zynen naam: Her lef Heth it folk lief", zeiden de Leeuwarders 
van dezen weerdigen man. Zijn naam is te Leeuwarden nog in 
dageliksch gebruik. Immers het straatje naast zijn huis draagt nog 
naar hem den naam van 's Her-Ive-straatje. Er staat wel 
op het naambordje aan het hoekhuis Hero-Ivo-straatje, als 
of de naam van zekeren Her o Ivo afkomstig ware (Her o is 
een friesche mansnaam) ; en zoo is ook de geijkte spelling die het 
gemeentebestuur van Leeuwarden volgt. Maar het volk blijft voor 
en na, en zeer te recht, spreken van Serivestraatsje, met 
voorgevoegde s. Ook al een bewijs dat het voorvoechsel ser in de 
geslachtsnamen op bl. 144 genoemd, werkelik eene samentrekking 
is van 's her, des heeren. 

De patronymika Hereygens, Herrijgers, Her roeien en 
Her reiiers beteekenen : zoon van Heer-Eige, zoon van Heer- 
E o e 1 (Roelof) en zoon van Heer Eiler. De mansvrnaam E i g e 
of Eigen is de oud-germaansche , door Ersemann vermelde naam 
Eigen, Agino, A g i n. En R ij g e r , beter Reiger (zie ook 1 34), 
is waarscbijnlik de verloopene form van den vollen oud-germaanschen 
mansvrnaam Reingar, Regingar, Ragingar. De naam 
Eiler is ook bekend , en eveneens in Nederland wel in gebruik. 
De volle , oude form daarvan is Agilheri, Eilher, en de enkel- 
voudige geslachtsnaam Eiler s is er mede van afgeleid. 

54. De nieuste , de jongste wyze om van mansvrnamen 
patronymika te maken, bestaat in het voorvoegen van het voor- 
zetsel van , waarby dan de mansnaam zelve onverbogen blijft. Zulke 
geslachtsnamen komen slechts in kleinen getale in de Nederlanden voor. 
My zijn geene andere bekend dan : Van Alewijn, Van Ditmar, 
Van Frank, Van Walraven en Van Marselis, die geen 
van allen naderen uitleg vereischen. 



VADERSNAMEN IN GRIEKSCHEN EN LATYNSCHEN FORM. 149 

Deze wyze om vadersnamen te maken , is nog in zwang by sommige 
spaansch- en portugeesch-isralitische geslachten in Nederland. Ben- 
jamin b. v. die een zoon is van Aron Mendes Chumaceiro, 
noemt zicb Benjamin van Aron Mendes Chumaceiro; 
Aron, die een zoon is van Josef Vaz Dias, noemt zich Aron 
van Josef Vaz Dias, en Esther de dochter van Jacob 
Lopes Quiros wordt genoemd: Esther van Jacob Lopes 
Quiros. Deze patronymika zijn natuurlik slechts toenamen, die geene 
geijkte weerde hebben, even min als de gewone patronymika Jan 
De Groot Corneliszoon b. v. of Sjoerd Aukes De Yries, 
die by ons eigen volk , als tusschengevoegde toenamen gebruikelik zijn. 

55. Dat de on de Nederlanders geerne hunne namen verlatynsch- 
ten en vergriekschten , is bekend genoeg. Herhaalde malen wordt 
er in dit werk op gewezen. Ook hunne vadersnamen moesten in 
dit lot deelen , en velen van deze vertaalde namen komen nu nog 
onder ons als geslachtsnamen voor. Men volgde tweederlei wyze 
om de vadersnamen om te zetten. Te weten : men maakte er regel- 
rechte latynsche of grieksche tweede naamvallen van , zoo goed of 
zoo kwaad als de dikwijls oorspronkelik germaansche naam zich 
daar toe leende (Hermanides, Conradi). Of wel, men hing 
eenvoudig eenen latynschen uitgang achter het patronymikon dat 
men overigens zynen germaanschen form liet behouden ; b. v. Red- 
dingius, Jansenius: dat is ius achter de patronymikale namen 
Redding en Jansen gevoegd. 

Het getal der geslachtsnamen die bestaan uit den eenen of anderen 
mansvrnaam in eenen griekschen tweeden-naamvalsform , is kleiner 
dan het getal der namen met latynsche formen. Trouens de kennis 
der latynsche taal is in Nederland dan ook steeds algemeen er verspreid 
geweest dan die der grieksche. Voorbeelden van zulke geslachtsnamen 
in den griekschen patronymikalen form zijn: Antonides, Her- 
manides en Harmanides, Jacobides, Michalides, Ni- 
colaides, Paulides en Simonides, allen van bekende mans- 
namen, van Antonius, Herman, Jacob, Michiel,Nicolaas, 
Paulus enz. afgeleid. Andere maagschapsnamen, eveneens in den 
griekschen form , zijn van byzonder-friesche mansvrnamen afgeleid , 
en zijn dan ook oorspronkelik in Friesland inheemsch. Het zijn : Gat- 



150 VADEItSNAMEN IN GBIEKSCHEN EN LATYNSCHEN FOB.M. 

sonides, Hajonides, Mensonides, Nolledes, Oneides en 
Ynsonides, afgeleid van de nog algemeen in gebruik zijnde frie- 
sche mansvrnamen Gatse,Haio,Menso,Nolle,Oene(Uno) 
en T n s e. De geslachtsnaam Hilarides,in Friesland voorkomende , 
is wel een grieksche tweede-naamvalsform van den latynschen 
mansvrnaam Hilarius, die op zich zelven ook als geslachts- 
naam aldaar inheemsch is. En dit Hilarius is op zijn beurt weer 
eene verlatynsching van den frieschen mansvrnaam Hil e, Hy Ie , 
H i 1 1 e , ook in verkleinform als Hylke, Hylco, en voor vrouen 
als Hylkje, Hielkje (Hike in de wandeling) en Hiltje 
(Hikke), veelvuldig in gebruik. Van dezen naam stammen ook 
de geslachtsnamen Hielema, Hylen, Hieltjes, Hylkema, 
Hielkema,VanHylckama,Hielkes,Hillinga,Hillenga, 
Hillega (zie bl. 61), Hillema, Hilma, Hillingh, Hilles, 
Hillen en Hillenius, Hillens en Hillekens af, met vele 
plaatsnamen. Misschien ook Hiel; zie 139. 

Door een zonderling misverstand is het grieksche patronymikon 
Hajonides in eenige friesche geslachten 'als enkelvoudige mans- 
vrnaam in gebruik , waar toe het niet past. Men zie dien- 
aangaande De Navorsclier , dl. XXXII, bl. 481. 

56. De geslachtsnamen die bestaan uit den latynschen twee- 
den-naamvalsform van eenigen mansvrnaam , vervallen , even als 
de grieksche in de vorige afdeeling genoemd , in twee groepen ; 
naar mate de oorspronkelike mansnaam een algemeen-nederlandsche 
is (van welken oorsprong dan ook) , of een byzonder-friesche. Tot 
de eerste groep behooren de geslachtsnamen Adriani, Alberti, 
A n d r e se 1 , allen aan welbekende mansvrnamen ontleend. W i n o 1 d , 
Wynald, Wynout,de naam die aan den geslachtsnaam W i n o 1 d i 
ten grondslag ligt , moge tegenwoordig al weinig in gebruik zijn , het 
is niettemin een volle , oud-germaansche naam , die oudtijds in de 
Nederlanden geenszins zeldzaam was, en waarvan ook de geslachts- 
namen Wynalda en Wynolds, met den plaatsnaam W i n a 1- 



1 Arnoldi, Augustini, Braiidi, Conradi, Eberhardi, Gysberti, 
Hilbrandi, Jacobi, Martini, Matthaei, Meinardi, Michalis, Ni- 
colai, Peti, Rudolphi, Simonis, Wilbelmy, Winoldi. 



VADERSNAMEN IN LATYNSCHEN FORM. 151 

dum (Winalda-heim, woonplaats vau Winald, Wynout), 
een dorp in Barradeel, Friesland, afkomstig zijn. Zoo stamt de 
geslachtsnaam Allebrandi ook van eenen oud-germaanschen mans- 
vrnaam af , te weten van Albrand, Adelbrant, een naam dien 
wy terugvinden in de geslachtsnamen Albranda en Albrandsen 
in fAilbrandesna (zie bl. 137), in Friesland voorkomende , en in 
de plaatsnamen Albrandeweer (verkeerdelik meestal 01b ra n- 
d e we er geschreven), een gehucht by Birdaart in Friesland; Al- 
brandswaard, in het Land van Putten , Zuid-Holland ; en A 1- 
bringsweer (voluit Albrandingsweer), ook Albrands- 
wehr, een gehucht by Emden. 

Maar Allebrandi is een italiaansche naam!", zal men my 
toevoegen. De geslachtsnaam Allebrandi is in Itali, te Rome, 
inheemsch! " Toegegeven. Maar hy is evenzeer in de Neder- 
landen inheemsen. En de oorspronkelike naam waar deze geslachts- 
naam van is afgeleid , is zonder twyfel van germaanschen , dus 
ook van nederlandschen oorsprong. Zoo zijn ook Garibaldi en 
Giraldi italiaansche geslachtsnamen, in eenen romaanschen of 
latynschen form. Maar de mansvrnamen die er aan ten grond- 
slag liggen, zijn goed germaansch: Garbald, Gerbout, en Ge- 
rald, Gerhold, Gerout. 

De geslachtsnaam Gualtherie behoort ook tot deze groep , 
maar wijkt er eenigszins van af, door de ie op het einde. Dit is 
eene wanspelling. Eene enkele i zoude niet slechts voldoende ge- 
weest zijn, maar ware tevens de eenig goede schrijfwyze. Gual- 
therus, de mansvrnaam , waarvan dit patronymikon is afge- 
leid , is een would-be-\a,tynsehe form van den germaanschen mans- 
vrnaam Walther, Wolter, Wouter, die in het Fransch 
als Gauthier luidt. 

Het gebruik om de mansvrnamen , en dien ten gevolge de 
vadersnamen eveneens , te verlatynschen , was oudtijds vooral in 
Friesland byzonder in zwang. Van daar dat er nog heden in de 
Nederlanden , en in d' eerste plaats in Friesland , nog al veel ge- 
slachtsnamen voorkomen , die latynsche tweede-naamvallen zijn van 
byzonder-friesche mansvrnamen , of althans van zulke namen , 
gelijk Wybrand, Sybrand, Ysbrand, Wigbold, Wiard, 
Gerbrand, die oorspronkelik wel algemeen-germaansch eigendom 



152 FRIESCHE VADERSNAMEN IN LATYNSCHEN FORM. 

zijn , maar die , elders buiten gebruik geraakt , in Friesland bet 
burgerrecht bebouden bebben. Zie bier eenigen van deze geslachts- 
namen : Gerbrandy, Idsardi (van Idsard, Idsert), Y p e y 
(van I p e , Y p e , verlatynscbt tot Ipeus), Ysbrandi (van 
Ysbrand). 1 

De geslacbtsnaam A e n e se boud ik voor een patronymikon , 
in latynscben form , van A e n e a , oorspronkelik A n e , in goed- 
friescb. Yan welken mansnaam ook de geslachtsnamen Aninga, 
Anema, en, in verkleinform , Aantjes, met de plaatsnamen 
Anjum (oudtijds, en voluit, Aninga-hem, heim of woon- 
plaats der Aningen, der nakomelingen van Ane), een dorp in 
Dongeradeel (Friesland) ; A n e w i e 1 , een meerke by Goingaryp 
(Friesland) , enz. afkomstig zijn. 

Odolphi eindelik is afgeleid van Odolphus, Odolf, Olof, 
Olaf, in oud-frieschen form Alef, een oud-germaansche mans- 
vrnaam , die oudtijds by alle noordelik wonende germaansche 
volken (Friesen , Angel-Saksen , Skandinaviers) veelvuldig in gebruik 
was. In de friesche gewesten van Nedei'land zijn nog de volgende 
geslachtsnamen inheemsch , die allen afgeleid zijn van dezen zelfden 
mansvrnaam : f Aylva en Aleva (beide namen zijn slechts 
verschillende spelwyzen , eene oudere en eene nieuere , van een en 
den zelfden patronymikalen form), f Aylufsisma en j- Alof- 
sma, fAylufsisna, Alefs, Alofs, Alofsen, Aalfs, Al- 
vis (zie bl. 98), Alfs, Oleffs en Olfen. Buitendien nog Aal- 
vink (samengetrokken uit Alofink) in onze Saksische gouen , een 
tegenhanger van Roel vink, op bl. 40 behandeld. 

57. Aan het slot dezer afdeeling van vergriekschte en ver- 
latynscbte vadersnamen, moet hier nog eene kleine groep van maag- 
schapsnamen genoemd worden , welke bestaat uit volle , in zich 
zelve onveranderd geblevene patronymika , maar waar willekeurig 
de latynsche uitgang ius achter gevoegd is. Het zijn kwaad-latyn- 



1 R u a r d i (van R u a r d [Ruwaert], R u n r d) , S y b r a n d i (van S y b v a n d , 
Sigbrant), Taconis (van Taco), Tjallingii (van Tjallingius, Tjal- 
ling), Wiardi (van Wiard zie bl. 115), Wybrandi (van Wybrand, 
W i g b r a n t) , W i g b o 1 d y (van "W i g b o 1 d) , W i g e r i (van W i g e r u s , W i g e r , 
Wiglier). 



VAUERSNAMEN IN VERLATYNSCHTEN FORM. 153 

sche namen , want die zws-steert kan van oorspronkelik nederland- 
sche namen en woorden geen latynsche maken. Waren de geslachts- 
namen op bl. 150 vermeld, uit een taalkundig oogpunt nog eenigs- 
zins te verdedigen , de namen , hier beneden genoemd , zijn ware 
monsters , en geven in mismaaktheid niets toe aan de namen in 
22 besproken. Die zulke namen eerst bedacht hebben en zich toe- 
geigend , hebben daar mede een bewijs gegeven dat hun gevoel 
voor taaizuiverheid weinig ontwikkeld was , en hun smaak verbas- 
terd, al schreef de mode van hunnen tijd deze misformingen dan 
ook voor. Talrijk komen zulke namen niet meer onder ons voor , 
al zijn ze dan ook juist niet zeldzaam. Zie hier eenigen er van : 
Arntzenius, Bolsius, Borgesius. 1 Om de oorspronkelike 
formen van deze namen te vinden, behoeft men dien uitgang ius 
er slechts achter weg te nemen. De formen Arntzen, Bols, 
Borg es, enz. die men dan verkrijgt, zijn allen zuiver-neder- 
landsche vadersnamen. Arntzen, Bols, Hajen en Hayen, 
Heins en Heyns, Hillen (ook versleten als Hille), Jansen, 
Jansson, Matthes, Metten, Nolten, Tielen (en het ver- 
sletene Tiele), Straten, komen ook allen nog in hunne onver- 
basterde formen als neder landsche geslachtsnamen voor. Arntzen 
is Arnt-zen, Arnts-zen, Arnts-zoon, de zoon van A r n t , 
Arent; Eysson en Jansson, zoon van Eyse, Eise, een nog 
in volle gebruik zijnde friesche mansvrnaam , en zoon van Jan. 
Borg (Burg, Brug, Brucht, zie bl. 133); Haio; Hein 
(Hendrik); Hille (zie bl. 150); Jan; Matthes (Mattheus); 
Nolt (Arnold) en Tiel, Tyl, (zie bl. 142) zijn de mans- 
vrnamen , die aan deze vadersnamen ten grondslag liggen. Bol, 
Bolle, door Frstemann als Bollo vermeld, is een oud-ger- 
maansche mansvrnaam die, behalven aan Bols, Bolsius, nog 
oorsprong gaf aan eene geheele reeks van maagschapsnamen; te 
weten, aan Bo 11 inga, Bolling, Bollinck, Bollinckx, 
Bolma, Bols, Bolls, Bollen, Bollens, Bolle, Bol. Ver- 
der aan Bolks, Bolkens, Bollekens, Boltjes, die uit ver- 
kleinformen zijn ontstaan, en, in Engelland , aan Bollington. 



1 Eyssonius, Hajeuius, Heynsius, Hillenius, Jansenius, Jans- 
sonius, Matthesius, Mettenius, Nolthenius, Stratenus, Tieleuius. 



154 TALRIJKHEID DER VADERSNAMEN IN HET ALGEMEEN. 

Mette is de oud-germaansche mansvrnaam, in de naamlijst van 
Brons als een friesche vermeld , die aan de geslachtsnamen Met- 
ten en Mettenius ten grondslag ligt. By Frstemann komt 
deze zelfde naam als Matto voor. Talrijk zijn de nederlandsche 
maagschapsnamen die aan dezen naam ontleend zijn. Zie hier eeni- 
gen er van: f Mettinga, Mettens, Mets en Metz (kan in 
sommige gevallen ook de naam der lotharingsche hoofdstad zijn) , 
Metting, Mettjes., f Metsema, Metzen en Metskes 
de vier laatsten van verkleinformen afkomstig. Straten en St ra- 
ten us, met Straatsma, Stratingh en Straatjes, zijn 
patronymikale maagschapsnamen , waar de oud-germaansche , door 
Frstemann aangetoonde mansvrnaam Strato aan ten grondslag 
ligt. In de lijsten van Wassenbergh vindt men dezen naam , Strate, 
als een friesche vermeld. De naam van het noordbrabantsche dorp 
Stratum zal er ook wel van afgeleid zijn (Strate-heim, 
woonplaats van Strato), en dien ten gevolge dan ook , middellik , 
de geslachtsnaam Van Stratum. 

58. Vadersnamen in 't algemeen , maar vooral ook de patro- 
nymika die nieuere taalformen vertoonen , zijn onder de nederlandsche 
maagschapsnamen uit der mate talrijk vertegenwoordigd. Er bestaat 
geene enkele groep van nederlandsche geslachtsnamen , die , ook 
maar halver wege , zulk eene ryke verscheidenheid zoude kunnen 
aantoonen. In der daad , aan het getal en aan de verscheidenheid 
dezer namen , zoo wel wat de verschillende formen en spellingen 
der patronymikale uitgangen betreft , als wat aangaat het aantal en 
en de onderscheidene formen , spelwyzen , afkortingen , samentrek- 
kingen , afslytingen , verkleinformen en byformen der mansvr- 
namen , die er aan ten grondslag liggen , is haast geen einde. Hier 
en daar in dit werk heb ik , waar het te pas kwam , reeds een 
en ander maal een gedeelte van die verschillende formen van pa- 
tronymika uit een en den zelfden mansnaam ontstaan , aangetoond. 
Maar in den regel was dit nog de helft niet of geen vierde ge- 
deelte van de geslachtsnamen die er bestaan , en die ik zoude heb- 
ben kunnen aanwyzen. Ik heb my , om verschillende redenen , zeer 
moeten beperken. Als een enkel voorbeeld echter van dien rijkdom 
van verscheidenheden en formen by de patronymikale geslachts- 



VADERSNAMEN VAN DEN NAAM JohanneS ONTLEEND. 155 

namen , van eenen enkelen mansvrnaam afstammende , wil ik 
hier die geslachtsnamen vermelden welke van den naam J o h a n- 
nes afgeleid zijn. 

De naam van den apostel Johannes, tevens die van Johannes 
den Dooper, is by de Christenen van alle landen en van alle 
tyden steeds zeer bemind geweest, en steeds in volle gebruik ge- 
houden als mansdoopnaam. Hy was dit reeds in oude tyden hy is 
dit nog heden. Johannes is een der meest en algemeenst ver- 
spreide namen. Vooral ook in Nederland. By de verschillende 
volken komt deze naam in verschillende formen voor , min of meer 
verbasterd van den oorspronkeliken form , al naar de taal des 
volks het zus of zoo eischte. Zoo hebben de Engelschen hun John, 
de Skandinaviers hun Jon en Jens, de Duitschers hun J o b a n n 
en Hans, de Franschen hun Jean, de Spanjaarden hun Juan, 
d' Italianen hun Giovanni, de Russen hun I v a n , Polen , Czechen 
en andere Slaven hun Jan, Janko; de Nederlanders eindelik 
hun Johannes, Joannes (vooral in de roomsch-katholyke ge- 
westen), Joan (meer in vorige eeuen , vooral in de 17de) ( Jo- 
han, in den laatsten tijd veel in gebruik gekomen, ook door hoog- 
duitschen infloed , J a n (overal in Nederland zeer algemeen) , H a n s 
(meest in Friesland en de andere noordoostelike Nederlanden) , 
Janke, Jancko (als verkleinform in Friesland verouderd) , J e n t j e 
(ook in Friesland , en in het geslacht Wybrandi weer verlatynscht 
tot G e n t i u s voorkomende) , Jannes, Jannis,Jans, Hannes, 
Jennis, Jens, Jenniske, enz. enz. om van de vrouelike 
formen Johanna, Janna, Jansje, Jenneke, enz. nog niet te 
gewagen. En van al deze formen aan eenen en den zelfden mansvr- 
naam ontleend , zijn weer allerlei patronymika , in allerlei formen 
en in allerlei spellingen afkomstig, die als geslachtsnamen in 
gebruik zijn. Zie hier een lijstje van die , welke my voorgekomen 
zijn, enkel in de Nederlanden: Johannesma dit is de eenige 
onder al die geslachtsnamen , welke den mansnaam nog in den vol- 
len , oorspronkeliken , onversletenen form heeft , Johansson, 
Johansing, Johanninck. l Enkelen van deze namen zijn my 

1 Johannink, Johanningmeyer, Johans, Janninga, Janninge, 
Janning,Jaiinink,Janzing,Janssonius,Jansenius,Janszeime,Jan- 
sone, Janseune, Janson, Janneson, Jantzon, Janssen, Janssens, 



156 VADERSNAMEN VAN DEN NAAM JohanneS ONTLEEND. 

slechts zelden voorgekomen , en worden , voor zoo veel my bekend 
is, slechts door eene enkele maagschap gedragen. Maar anderen 
zijn geenszins zeldzaam, en velen (al de Jansen's, met al de 
verscheidenheden in spelling) zijn zeer talrijk en zeer algemeen , 
in alle nederlandsche gewesten verspreid. En verre daar buiten, 
in westelik Duitschland, over die geheele landstreek tot Breinen 
en Hamburg , Osnabrck en Munster , Keulen en Aken , evenzeer. 
Langs den geheelen Beneden-Rijn , van Keulen tot onze grenzen , 
komen de Jansen's, in allerlei afwykende spellingen, veelvuldig 
voor. In Oost-Friesland is Jansen een der algemeenste namen. 
En Steackerjan vermeld in zijn werk Die Jeverlandischen Per nonen- 
namen , bl. 34 , dat in Jeverland (de omstreken van de stad Ge- 
warden of Jever in noord-westelik Oldenburg eene oud-friesche 
gou) op de 23,000 inwoners er 1723 zijn die Jansen, Janssen 
of Janszen heeten ! Die verhouding is nog veel grooter dan 
ergens in de Nederlanden voorkomt, en wel mede een bewijs hoe 
verre de nederduitscbe form Jan van den mansnaam Johannes 
over geheel den noordwesteliken hoek van Germanie (de Neder- 
landen daarby begrepen) verspreid is. 

59. Al de geslachtsnamen, van 7 af in dit werk behandeld 



Jansse, Jansen, Jansens, Janse, Jans in verfranschten form , eve.n 
dwaas als Tanj op LI. 69 vermeld; zie ook 165. Janszen, Jansze, Jan- 
zen, Janze, Jansz, Jans, Jannen, Janne, Jannesse, Janesse, Jan- 
nessen, Jannisse, Jantz, Jantzen, Jansma, Jansema, Jenning, 
Jennings, Jenninck, Jentink, Jens, Jensson, (misschien ook Jenny, 
zie 30), Jensen, Jensma, Jensema, Jentsema (dit is een oud-frieselie 
verkleinform Jentse, Jen-tse of Jen-ke, Jenke, in 't HollandscL Jannetje, 
friesch ts = k), Jentzema, t Janthiama en fJantiema (eveneens ond- 
friesche verkleinformen) , Jantjes, Jennen, Jenniskens, Jennissen, Jen- 
nessen, Jeenenga, (fJenia, zie 29), Jeens (de form Jeen komt in 
Friesland nog als mansvrnaam voor), Jent j erna, Jone, Joons, Hannes, 
Hanson, Hanssen, Hanssens, Hannessen, Hansen, Hanseus, Hanse, 
Hansma, Hanse ma, Hensen, Henss, Henssens, Hensken s. Dan nog 
de geslachtsnamen, wier oorsprong van den mansnaam Johannes in versletenen en 
verkorten form, of van de oud-germaansche mansnamen Hanno, Henno, in ver- 
kleinform Hanke (Hancko) en Henke (Hencko), aan twyfel onderhevig is: 
Hanning, Hannema, f Hankema, H anken, Hankes, Henning, Heu- 
nye, Henny, Hens (zie $ 30), Henk erna, Henk es, enz. enz. 



MOEDERSNAMEN IN HET ALGEMEEN. 157 

en vermeld , zijn patronymika , vadersnamen. Eene kleine groep 
van geslachtsnamen staat in eene byzondere tegenstelling tot deze 
groote afdeeling. Die kleine en merkweerdige groep wordt geforrnd 
door de metronymika , de moeder sn&men.. Dat zijn namen die vol- 
komen op de zelfde verschillende wyzen als dit by de patronymika 
is aangegeven , afgeleid zijn van de vrnamen der moeders van 
de personen , die eerst met deze namen genoemd werden. De stam 
of wortel, die aan de metronymika ten grondslag ligt, is dus 
een vrouenvrnaam. 

Ieder kind heeft een vader , zoowel als eene moeder. Ja maar 
de vader is niet altijd bekend. En waar de vader onbekend is , 
kan zijn naam ook niet dienen om er een patronymikon van te 
maken , als toenaam voor zijn kind. Dus was men , in die geval- 
len , wel genoodzaakt , zoo men het kind niet zonder toenaam wilde 
laten , om met den vrnaam van de moeder te handelen , zoo 
als men anders met dien des vaders zoude doen. Dit is wel als 
de hoofdoorzaak van het ontstaan der metronymika aan te merken. 
In De No,vorscher, dl. XXVIII, schreef ik, op bl. 74, over 
metronymika handelende, het volgende: D'oorsprong van zulke 
geslachtsnamen van vrouenamen afgeleid , is volstrekt niet verre 
t> te zoeken. Integendeel , hy leit voor de hand , en 't is eerder te 
verwonderen , dat die metronymika niet meer in Friesland voor- 
komen. Ongetwyfeld zou dit het geval wezen , ware 't niet dat 
er schande in deze namen opgesloten lach voor d' eerste dragers 
daarvan. Immers men geeft nog heden ten platten lande in Fries- 
land zulke namen uit spot en hoon aan laffe mannen , die ver- 
achtelik genoech zijn om onder d'overheersching van hun vrouen 
te leven. Meer dan n voorbeeld is my persoonlik daar van 
bekend. Zoo wordt iemand die volgens recht Seerp Tjallings 
heeten moest, naar z'n vader Tjalling, in 't dageliksch leven 
door z'n dorpsgenooten Seerp Grietjes genoemd, omdat-i 
onder den plak zucht van Griet, z'n boos wijf. Vond zulk een 
naam soms zoo veel by val , dat de sukkel Seerp Grietjes of 
Jan Trijntjes zich dezen smaad goedschiks of kwaadschiks 
moest welgevallen en aanleunen laten, dan ging zoo'n naam soms 
ook op z'n kinders en kleinkinders over , voor wie d'oorspronke- 
like beteekenis verloren ging , of hun hoe langer hoe minder ergerde , 



158 MOEDERSNAMEN IN HET ALGEMEEN. 

tot dat de spotnaam op 't lest werkelik geslachtsnaam werd." 
De heer P. Leendertz Wz. antwoordde hierop , in De Navorscher , 
dl. XXVIII, bl. 80: De heer Winkler meent, dat wij hen die 
familienamen dragen aan vrouwennamen ontleend, Maaikes, 
Pietjens en dergelijke, als levende gedenkteekenen van pantof- 
felregeering moeten beschouwen. Mij dunkt er is wel eene andere 
verklaring voor te vinden. Stel eens, Grietje is in het dorp 
gewonnen en geboren, en dus bij oud en jong bekend, maar 
Tjalling, haar man, van buiten ingekomen; of vader Tj all ing 
is kort na de geboorte van zijn kind gestorven, maar moeder 
G rietje is blijven voortleven. Is het in beide die gevallen wel 
vreemd, dat men den zoon niet naar den vader maar naar de 
moeder, niet Seerp Tjallings, maar Seerp Grietjes heet? 
In Waterland is het my meermalen voorgekomen, dat men die 
kinderen naar de moeder, niet naar den vader noemde : men sprak 
b. v. van Klaas van Niesje, Aart van Naatje." 

Behalven in Waterland is deze wyze om mannen te noemen met 
den naam hunner moeder , ook nog elders ten platten lande , vooral 
ook op de eilanden , meest waar de bevolking friesch is , nog in 
gebruik. Zoo vond ik op 't eiland Ameland iemand genoemd : 
Betse-Rinse-Piet, dat is : P i e t e r , zoon van Rins (Rins, 
Rinske is een bekende friesche vrouenaam) , dochter van Betje 
(zie Friesche Volksalmanak , jaargang 1842, bl. 176). En op 't eiland 
Marken een Symen van Neele-Kee'n-Pieters-Dirk, dat 
is Symen (oorspronkelik S g m a n , niet S i m o n) , zoon van D ir k , 
zoon van Pieter, zoon van Kee (Cornelis), zoon van Neeltj e 
(Cornelia); zie De Taalgids, dl. IV, bl. 206. 

Ook elders onder de friesche eilandbewoners heerscht nog de zon- 
derlinge , maar gemoedelike zede , om de namen van het voorge- 
slacht in het dageliksche leven nog te hechten aan die der kin- 
deren. En ook om den knapen den naam van hunne moeder , en 
niet dien van hunnen vader , als toenaam te geven. Het noord- 
friesche eiland Sylt leverde my een voorbeeld van het eerstge- 
noemde gebruik , en het oostfriesche eiland Borkum van het tweede. 
Zoo vind ik in de belangryke geschriften van den bekenden sylter 
Stand-Fries C. P. Hansen, eene sylter vrou vermeld die in 1746 
leefde , en Merret Lorens Peter sen Hahn genoemd werd. 



MOEDERSNAMEN IN HET ALGEMEEN. 159 

Dat is : M e r r e t , de dochter van L o r e n s , die een zoon was van 
Peter Hahn. Eene andere sylter Friesin , in 1766 levende , heette 
Moiken Manne Jens Eben, dat is : M o i k e n , de dochter van 
Manne, de zoon van Jens, de zoon van Eb e. Deze vrou torschte 
dus nog den naam van haren overgrootvader. Dit zonderlinge ge- 
bruik vindt zynen oorsprong in d'omstandigheid dat de bevolking 
op de friesche eilanden veelal en veelvuldig onderling verwant is , 
en daar by gering in aantal. Zoo komen de zelfde namen dikwijls 
voor by neven en nichten , die in kleine dorpkes en gehuchten 
samen wonen , als naaste buren. En daarom is ook eene naukeu- 
rige onderscheiding van deze personen , door toevoechsels by hunne 
namen , noodzakelik. 

In het Ostfriesisches Monatsblatt , VIII , bl. 200 (Emden , 1880) 
vinden wy in een schoon gedicht Erinnerungen an Borkum , de 
volgende regels : 

Wuchsen die Kinder heran, so war es besonder s die Mutter, 
Welche den Knaben zu zgeln , das Mddchen zu leiten bcstimmt war , 
Wdhrend der Mann abwesend , oft lange, durchkreuzte die Meere. 
Drum auch hatten die Mtter zu schaffen und galten zuerst auch. 
Wunderbar tvar's also nicht , wenn der Mann nach dem Weibe genannt ward : 
Tryntje's Joh anti und Geertrud's Klaas sind binnengekommen ," 
Hrte man haufig dort sagen , und meistens fehlte das s" noch , 
So dass der Name der Frau oft des Mannes Vorname dann wurde: 
Tryntj e Johann" hiess der Mann und Geertrude K 1 a a s" hies der and re. 
Das gab nicht selten den Namenerforschern gewaltig zu denken. 

Verder nog schrijft Leendertz , ter boven aangehaalder plaatse : 
Laat ik er met een enkel woord bijvoegen dat dit noemen van 
kinderen naar de moeder, al vrij oud is. Om een paar voorbeel- 
den te geven: Hughe Fs. vheilsoeten (d. i. Hughe filius 
verHeilsoeten; Hugo, zoon van vrou Heilsoete) komt 
verscheidene malen voor in de rekening der stad Hulst van 1326 , 
door onzen geachten medewerker, den heer F. Caland uitgege- 
ven ; en van eenen ouden dichter Clays ver B rechten sone 
gewaagt Maerlant, Spiegel historiael. IV. 1, 29 vs. 75." 

Ik kan hier nog by voegen den naam van Johannes Swane- 
kens, die in 1342 cureet was van der Aa-kerke te Groningen. 1 



Groninger Volksalmanak, 1838, bl. 142. 



160 MOEDERSNAMEN. 

Swane, in verkleinform Swaneke, is een oud-nederlandsche 
vrouenaam, die als Swaantje, Zwaantje nog heden wel in 
gebruik is , vooral in de friesche gewesten. 

Eene andere oorzaak die het formen van moedersnamen ten ge- 
volge had , vermeldt van den Bergh. 2 Hy gewaagt namelik van 
metronymika, die geformd werden wanneer de moeder van edeler 
geboorte dan de vader was. Zoo in een Zeeusch charter van 1290 
bij K. , Pierre fils Agheten, Heine filz Zuanekin, 
Hallinc ver Lieven zone, Jeans fils Dame Natalie." 
Dit is : P i e t e r , zoon van Aaght (Agatha); Heine, zoon van 
Zuanekin, Swanekyn, Swaneke, Zwaantje (zie hier 
boven); Hallink, zoon van vrouw Lieve. Uit dezen naam blijkt 
dat de geslachtsnaam Liefsoons, op bladz. 82 genoemd, ook 
een metronymikon zijn kan , zoo wel als een patronymikon , wijl 
Lieve een vrouenaam was , even als Lieven een mansnaam. 

Ontwyfelbaar echte metronymika komen heden ten dage nog 
slechts weinig als geslachtsnamen voor. De reden hiervan is uit 
het bovenstaande gemakkelik af te leiden. My zijn , in de eerste 
plaats, als zoodanig bekend: Aagtjes, Agneessens, Grie- 
tens, Grietjens, Maayen, Maaikes, Magdaleens, Try- 
nes, Trienekens, Truyens en Willemijns. En in de tweede 
plaats :Veraechtens,Yreven,Vergrietens,Vertruyen, 
Verheyllesone, Verjans, Ver jutten en Vernaleken. 

A agtj es is: de zoon van Aagtj e, ook als Aagj en , Aagj e , 
eene zeer gebruikelike verkorting van den kerkeliken vrouenaam 
Agatha. Agneessens beteekent : zoon van Agnees, Ag- 
nes, een bekende kerkelike vrouenaam. Maayen en Maaikes, 
met Maeyen, Maayens, Maeyens, die my ook zijn voor- 
gekomen, komen van de vrouenamen Maai en Maaike (Maey, 
M a e y k e n) , en dit zijn , met M a r y en Maryke (M a r y t j e , M a- 
r y k e n , M a r y t g e n) , oud-nederlandsche verkortingen , afslytingen 
of hoe men ze noemen wil (zoogenoemde koseformen) van den vollen 
bybelschen vrouenaam Maria. Gr iet en s en Grietjens, 
Magdaleens en Willemijns, van Griete, Grietje, verkorting 



2 Historische be&chouwing der nederlandsche eigennamen, in De Jageh's Taalkundig 
Magazijn, dl. IV, bl. 317. 



TWYFELACHTIGE MOEDERSNAMEN. 161 

van Margaretha, van Magdalena en Wilhelmina, zijn 
duidelik genoeg. Trynes en Trynekens met Trines en 
Trienekens, die my ook zijn voorgekomen, zijn afgeleid van 
Trijn, Trijntje, Tryneke, verkortingen van den vollen ker- 
keliken vrouenaam Catharina. En Truyens komt van Trui, 
eene volkseigene afkorting van Geert ruida, Gertrudis, een 
volle oud-germaansche vrouenaam. In vorige eeuen wemelden de 
nederlandsche steden en dorpen van Maeykens en Trynekens. 
Thans zijn de Maaikes tot Friesland hooftsakelik beperkt, of- 
schoon men er in Holland ook nog wel aantreft , vooral ten platten 
lande in afgelegene gouen , als noordelik Noord-Holland en het 
Over-Maassche in Zuid-Holland. Trijntjes vindt men nog overal 
in Noord-Nederland, vooral ten platten lande; Grietjes en 
Truitjes nog meer, ook in de steden. De namen Agatha, 
Agnes, Margaretha, Maria, Magdalena, Catharina 
en Geert ruida zijn echte vrouenamen; zy hebben ook geene 
mannelike tegenhangers. De geslachtsnamen die daar van zijn afge- 
leid, zijn dus ontwyfelbaar ware metronymika. 

Iets anders is het met de geslachtsnamen Aafjes, Betjes, 
Duyfjes, Elskens, Leent j es en Pietjens. Naar myne 
meening zijn dit ook metronymika. Maar ontwyfelbaar zeker is het 
toch niet, dat zy tot de moedersnamen behooren. Aafke of Aafje 
is wel een vrouenaam , nog heden in Friesland en Noord-Holland 
in volle gebruik. Duifje, Duveke is een oud-nederlandsche 
vrouenaam die nog eene enkele maal voorkomt. Leentje (Mag- 
dalena of Helen a) en Pietje (Petronella) zijn alomme 
in Nederland als vrouenamen bekend , maar het zijn tevens ver- 
kleinformen van mansnamen , van Ave (waar van de geslachtsnaam 
Avis, zie bl. 98), van Duif (waarvan Duivis, zie bl. 90), van 
Leen, Leende rt; en van Piet, Pieter, Petrus. In menige 
streek van ons vaderland worden de mansvrnamen veelvuldig in 
verkleinform gebruikt, vooral in Friesland. De verkleinform die 
men aan de namen van kleine kinderen geeft (Jantje, Pietje, 
Heintje), blijft wel in gebruik, ook als dat kind een volwassen 
man , of zelfs vader geworden is. En zoo kunnen de geslachtsnamen 
Aafjes, Betjes, Elskens, Leen tj es, enz. even goed patro- 
nymika zijn als metronymika. 

11 



162 TWYFELACHTIGE MOEDERSNAMEN. 

Maar Betjes en Elskens ook?" zal allicht gevraagd worden. 
Betje en Elsje, beide verkortingen {koseformeri) van den vol- 
len bybelschen vrouenaam Elisabeth, zijn toch stellig vroue- 
namen!" Niet altijd. Bet je kan ook een verkleinforrn wezen, 
voor eenen man in gebruik , van den oud-germaanschen , ond-frieschen 
mansvrnaam Bette. Deze naam Bette levert met den mansvr- 
naam Botte, die in Friesland nog in volle gebruik is , slechts 
een gering verschil op in tongval , in uitspraak ; anders niet. 
Bette en Botte zijn oorspronkelik twee verschillende formen van 
nen en den zelfden mansvrnaam ; de e en de o zijn wisselletters 
in de verschillende tongvallen der friesche taal. Zoo wisselen de 
mansvrnamen Jelle en Jolle, Jelmer en Jolmer, Heimer 
en Holmer, Werp en Worp, Melle en Molle, Jette en 
J o 1 1 e , en do woorden therp en tlwrp (in Kollumerland) , del en dol , 
(visch-) net en not , gers en gors (te Molkwerum) , bern en bom of 
ben en bon (te Hindeloopen en ter Schelling) , enz. In den verklein- 
forrn B e t s e (eigenlik Bettse, Bet-tse = Betke, friesch 
ts = k) komt de mansnaam Bette nog eene enkele maal in den 
tegnwoordigen tijd in Friesland voor. De geslachtsnamen Betting, 
Bettink, Bettenga, Betten, Bettens, Betz en Bets zijn 
er van afgeleid. Zoo ook de plaatsnamen Betteweer, een ver- 
dronken dorp in den Dollart (Oost- Friesland) ; Bettenwarfen, 
een gehucht by Seeriem in Harlingerland ; Bettingburen, een 
gehucht by Berne in Stedingerland (Oldenburger Friesland) , enz. 

Elskens kan zoo wel een metronymikon zijn van den vrouenaam 
Elske, Elsje (Elisabeth) of van den vroueliken form van E 1 s e , 
als een patronymikon van den oud-germaanschen , door Frstemann 
vermelden mansnaam Alis, Eliso, die in den form Else, Elso, 
nog heden in Friesland in gebruik is, en dan ook in de naam- 
lijsten van Wassenbergh en Leendertz gevonden wordt. Van dezen 
mansvrnaam Else zijn nog afgeleid de geslachtsnamen Eising 
en Elzing, Elsinga, Elsenga, Elzinga, Elzenga en 
Eisen, met de plaatsnamen Elswert, een gehucht by Kantens; 
Elsinghusen, een gehucht by Flachtwedde , beide in Gro- 
ningerland; Elseghem (Elsinga-heim), dorp in Oost- Vlaan- 
deren ; Elsom (Elsa-heim), eene plaats in het Land van Antwer- 
pen ; Eising, gehucht by Cham in den beierschen Ober-Pfalz , enz. 



TWYFELACHTIGE MOEDERSNAMEN. 163 

Leenesonne (zie bl. 83) en Lyseseune (zie bl. 84) zijn 
ook twee geslachtsnamen , waar van bet twyfelacbtig is , of men 
ze tot de vaders- of tot de moedersnamen moet rekenen. L e e n e- 
son.ne kan zoo wel de zoon van Leen (Magdalena, Helen a), 
als van Leen (Leendert, Leonhard, Leeuwenhart) be- 
teekenen. En Lyseseune is naar myne meening wel: zoon van 
Lyse, L ijsje, Lize (Elisabetb) maar deze naam kan tocb 
ook evenzeer afgeleid zijn van den oud-germaanscben mansvrnaam 
Lis, door Frstemann vermeld. Als Lisse en Lise komt deze 
naam in Friesland nog wel eene enkele maal als mansnaam voor , 
en wordt dan ook in de lijsten van Leendertz en Brons gevonden. 
In sommige friesche geslachten (vooral te Leeuwarden b. v. 
Hosbach, Harmenzon, Heeringa), waar deze mansnaam 
Lise gebruikelik is, heeft men er Eliza, Elisa van gemaakt, 
volgens den naam van den isralitischen profeet ; als om aan te 
toonen dat Lise niet een vrouenaam is, maar wel degelik een 
mansnaam. Overigens heeft het oud-germaansche Lis, Lise met 
de oud-hebreeusche namen Elisa en Elias natuurlik niets te 
maken. Van dezen naam zijn nog de geslacbtsnamen Liezinga 
en Lyzenga, echt friescbe patronymika , afgeleid ; eveneens L y- 
s e n. En tevens de plaatsnamen Liesbttel, dorp by Itzehoe in 
Holstein ; Liessem (Lise-heim), dorp by Bonn aan den Rijn ; 
Li e sin g, welbekend dorp by Weenen in Oostenrijk, enz. 

De metronymikale geslachtsnamen Van Gertruyden, Van 
Lysebeth en Van Lysebetten vertoonen weer eenen anderen 
form , en zijn de vrouelike tegenhangers van de geslachtsnamen 
Van Frank, Van Ale wijn , enz., op bl. 148 vermeld. Wat hunnen 
oorsprong betreft , zijn ze duidelik. De eerstgenoemde naam is in 
de zuidelike Nederlanden geenszins zeldzaam , en komt ook onder 
de formen Van Geertruyden, Van Geertruyen en zelfs 
versleten als Van G e e t r u y e n voor. 

Enkele vrouenamen op zich zelven, zonder eenig voor- of ach- 
tervoechsel , komen slechts weinig als geslachtsnamen voor. Zy zijn 
er dan ook weinig geschikt toe. Hoe men er toe mag gekomen 
zijn , zulke namen als geslachtsnamen aan te nemen , is my ook 
niet duidelik. Sommigen er van zullen wel als metronymika in 
gebruik zijn gekomen ; anderen danken wellicht hun ontstaan aan 



164 MOEDERSNAMEN MET ver ALS V00B.V0ECHSEL. 

spotterny. My zijn slechts bekend: Cathelijn (Cathelyne, 
Catheline is een oud-nederlandsche , vooral in de zuidelike ge- 
westen gebruikelike form van Catharina), Henriette, Leys- 
beth (Elisabetb), Naatje (de gewone bollandsche verkorting 
en verkleinform van Anna of Wilhelm ina, of van eenigen 
anderen op na eindigenden vrouenaam), Sa lom, Sophie, Suzan- 
ne, Susanna, Susan en Soesa n. Over den oorsprong van dezen 
laatstgenoemden bybelschen vrouenaam , ook als geslachtsnaam , 
vindt men iets in De Navorscher , dl. XXXIII, bl. 282. Eindelik 
is my nog de geslachtsnaam X a n t i p p e voorgekomen ; en zoo 
n naam als maagschapsnaam ongeschikt is , dan is het zeker deze. 

60. Ver is eene, in het middeleeusche Nederlandsch zeer ge- 
bruikelike , en in middeleeusche geschriften veelvuldig voorkomende 
verkorting of verslyting van het woord vrou ; vooral dan , als de 
eigennaam van die vrou er op volgt: Ver-Brechte, Ver-Heyl- 
soete , zoo als blijkt uit de voorbeelden op bl. 159 en 160 aangehaald. 
Eene aanzienlike vrou, te Damme ten jare 1286 wonende, wordt 
in eene oorkonde van dat jaar , vermeld in de Annales du Comit 
Jlamand de France , 1853, bl. 245, genoemd: Ver Gheile van 
den Dauw e. Dit zelfde woordje ver maakt nog deel uit van 
eenige hedendaagsche geslachtsnamen , Veraechtens, Vreven, 
Vertruyen, Vergrietens, Verheyllesone, Verjans , Ver- 
jutten en Vernaleken. Deze namen formen eene aardige tegen- 
stelling met die geslachtsnamen , welke met her samengesteld , en 
in 52 en 53 beschreven zijn. 

Veraechtens, met den volleren form Veraechtenszeune 
en met den afgesletenen form Veraechten, die beiden ook als 
geslachtsnamen voorkomen, beteekent: Vrou-Aachten-zoon, 
de zoon van Vrou- Aagt, van de vrou die Agatha heet. Vreven, 
en Vreeven, want ook alzoo misspeld komt deze geslachtsnaam 
voor , is eene samentrekking van Vereven, Ver -Even, V e r- 
Even-zoon, Vrou-Eva's zoon, de zoon van vrou Eva, een 
naam , volgens den bybel , eigenlik op alle menschen toepasselik. 
Vertruyen is: zoon van Vrou-Truye, van de vrou die Trui, 
Truda (Gertruda) heet. Vergrietens is: zoon van Vrou- 
Gr ie te, Ma r ga r et ha. Verheyllesone is: zoon van 



MOEDERSNAMEN MET ver ALS VOORVOECHSEL. 165 

Vrou-Heyle, van de vrou die Heile heet. (Heil e, in verklein- 
forni ook Heilke en Heil t je) is een oud-nederlandsche vrouenaam , 
nog lieden ten dage in Friesland in volle gebruik. Verjans en 
Verjutten beiden beteekenen : zoon van Vrou-Johanna. 
Immers Jans, Jansje is nog beden in Nederland veelvuldig als 
zoogenoemde koseform van Jobanna in gebruik. In de middel- 
eeuen ecbter verkortte en verknoeide men den naam Jobanna 
in bet dagelikscbe leven tot Jutte. 

Vernaleken eindelik is: der Vern-Aleken sone,de zoon 
der vrouen (der vroue) Aleke, de zoon van de vrou die Aleke 
beet. En A 1 e k e (A a 1 1 j e) is een verkleinform van A 1 e , welke naam 
weer eene samentrekking , inkorting , verfloeiing is van A (d e) 1 a , 
Adela, Atbala, (ook Edele, gelijk de moeder beette van den 
vlaamscben graaf Karel de Goede; zy was eene docbter van 
koning Knut van Denemarken.) Een volle en schoone oud-neder- 
landsche , ook algemeen oud-germaanscbe vrouenaam. In nianneliken 
form is hy op bl. 120 vermeld. Deze edele naam wordt tegen- 
woordig nog slecbts in den franseben form A d 1 e de eere waardig 
geaebt om door bollandscbe dames" gedragen te worden, ofseboon 
by in de formen Aaltje en Aal tien nog steeds voor en na in 
de friesebe en saksisebe gouen van Nederland in gebruik bleef, en 
ofschoon nog menige edele Friesin , menige Saksische vroue , die 
zich geenszins haren germaanschen volksaard schamen , met eere 
dien aiouden , zinryken naam blyven dragen. 

In de middeleeuen treffen wy de metronymika met ver er voor 
dikwijls aan. Om nog een enkel voorbeeld te voegen by die op 
bl. 160 vermeld, noem ik Bouden filius Verheyl zoeten , 
schepen van de stad Sluis in Vlaanderen , in 1345. Zie bet tijdschrift 
De oude Tijd, jaargang 1869, bl. 114. 

De friesebe taal kent de letter v niet als beginletter van eenig 
woord. Van daar dat bet nederlandscbe woord vrou in het Friesch 
als frou luidt en geschreven wordt, ook overeenkomstig het hoog- 
duitsebe frau. En zoo komt ook in bet rniddeleeusche Friesch de 
versletene form fer voor , in plaats van ver , als elders in de Neder- 
landen. Dit fer treffen wy aan in den oud-frieschen geslachtsnaam 
f Ferhildema (Fer-Hildema, Fer-Hil da-ma, man (zoon) 
van F e r-H i 1 d a , van vrou H i 1 d e) , een echt metronymikon . 



166 ECHTE EN TWYFELACHTIGE MOEDERSNAMEN. 

Het geslacht dat dezen naam voerde , is uitgestorven ; maar de 
geslachtsnaam Hildema (zonder het voorvoechsel f er) komt nog 
in Friesland voor. En ook deze geslachtsnaam schijnt my toe een 
waar metronymikon te wezen , naar dien d' oud-germaansche naam 
Hildis, Hilda, ook in hare samenstellingen Berchthildis, 
Machthildis (Mathilde), Hlothildis, Chlothildis (Clo- 
tilde), byna zonder uitzondering een vrouelike is. Ook nog heden 
ten dage is deze naam, in den form Hiltje, Hilletje, Hilke, 
Hilleke (Hillechien) slechts als vrouenvrnaam in gebruik 
hooftsakelik by de Friesinnen, althans by vrouen van frieschen 
stam, ook in Holland ten platten lande. 

In den vlaamschen geslachtsnaam Veranneman treffen wy dit 
ver = vrou ook aan. Toch kan men dezen naam eigenlik niet tot de echte 
metronymika, tot de moedersnaraen rekenen. Veranneman toch 
beteek ent niet de zoon van Yrou-Anna, maar de man, dat is: 
de hoorige , de volgeling, de dienstmcm dier vroue. Zie 45. 

Als een aanhangsel tot de metronymika moeten hier nog de 
geslachtsnamen Moederzoon, Meyskens, Nonnekens, 
VrouwesenWyvekens vermeld worden. M oederzoon, welke 
naam ook in de oude spellingen en gedeeltelik versletene formen 
Moyersoen enMoeyersoon voorkomt , en zelfs weer in tweeden 
naamval als Moyersons, spreekt duidelik genoeg voor zich zelven. 
Het is eigenlik slechts eene nederlandsche vertaling van het woord 
metronymikon , even als de mannelike tegenhanger van dezen naam , 
de geslachtsnaam Vaarzon en Vaarson (vaders-zoon) als eene 
nederlandsche overzetting van het woord patronymilcon kan beschoud 
worden. Een Jan Vaderszoon wordt vermeld in Van Lennep en 
Ter Gouw's Uithangteekens , bl. 404. Meyskens, de zoon van een 
meysken , een meisje , eene ongetroude vrou , is ook duidelik genoeg. 
Maar Nonnekens en Nonkes behoeft men geenszins onvoor- 
weerdelik te beschouen als beteekenende : zoon van een nonneke , 
van eene non, als tegenhanger dus van de geslachtsnamen Mun- 
niks, Munnicks, Munnickx , M unks , Munckx, Muy nckx 
en Munniksma, die zoon van eenen monnik beduiden. Neen 
maar Nonnekens en Nonkes kunnen zeer goed afgeleid zijn 
van den oud-germaanschen , door Frstemann vermelden rnans- 
vrnaam Nunno, Nonno, Nonne, Nunne, Nune, Non o. 



TWYFELACHTIGE MOEDERSNAMEN. 167 

Deze naam komt, ook in verlatynschten form als Nonus, nog 
eene enkele maal in Friesland als mansnaam voor , en is dan ook 
in de bekende lijsten van friesche vrnamen opgenomen. De oud- 
friesche patronymikale geslachtsnamen f Nonninga, versleten 
tot f Nonia (zie 29), en f Noneka van den verkleinform 
N o n e k e (even als Nonnekens en Nonkes), zijn er van afgeleid. 
Het oud-friesche patronymikon Nuninga komt nog heden in Gro- 
ningerland voor , in spelling tot Nuinenga verhollandscht. Eindelik 
nog Noninckx en Noeninckx, Nninghoffen Nunning- 
haven (zie bl. 52). De Nonia-sate is te Tonnaart (dat is Ter- 
naard) in Dongeradeel (Friesland), en Nnningen is een dorp 
by Fallirjgborstel in Hanover. 

De geslachtsnamen Vrouwesen Vrouwe (afgesletene form van 
Vrouwen) moet men niet beschouen als tweede-naamvallen van 
het woord vrou. Althans niet onvoorweerdelik. Het kunnen zeer 
wel goede patronymika zijn , tweede-naamvallen in twee verschillende 
formen, van den ouden mansvrnaam Frau, Vrou. Het woord 
vrou heeft in der daad oudtijds in de germaansche talen eene 
mannelike beteekenis gehad ; in het Grothisch beteekent het woord 
frauja heer. Van heer {dommus) werd het heerinne of vrou {domino) ; 
later vrou (femina). De friesche dienstmaagd spreekt hare meesteresse 
nog heden aan als frou {domina). Dat Fraw, Frau, Fro een oud- 
germaansche mansvrnaam is , kan men in Frstemann's Namenbuch 
vinden. En dat deze naam oudtijds ook in Nederland als zoodanig in 
gebruik was , bewyzen de geslachtsnamen Vrouwes en Vrouwe, 
met f Froukana, fiFrouwama en f Fraukema (van den 
verkleinform Frauke), en Fr o ma, een nog bestaande oud-friesche 
geslachtsnaam uit het Westerkwartier van Groningerland , waar wy 
nog te Lutkegast een Froma-heert, en te Niehove eene Fro- 
ma-sate vinden. 

Wyvekens is, wat zyne afleiding aangaat , ook een twyfel- 
achtige geslachtsnaam. Deze naam kan zoo wel zynen oorsprong 
gevonden hebben in het woord wijf, in verkleinform wyveke , wij 'f ke , 
wijfie (dus een tegenhanger formende van den geslachtsnaam Man- 
nekens), als wel in den oud-nederlandschen vrouenaam Wyveke, 
verkleinform van Wiva, Wive, Wyf, een naam die oudtijds 
geenszins zeldzaam door nederlandsche vrouen gedragen is. Vol- 



168 TWYFELACHTIGE MOEDERSNAMEN. 

gens Leendertz's naamlijst ook nog na den jare 1500. In den bast- 
aardform Wivina komt deze naam nog heden in Zeeusch- Vlaan- 
deren voor. Elders ook als W y v a , en in Fransch-Vlaanderen nog 
in den ouden form Wyfken. Maar hoe dan ook Wyvekens is 
zoowel in 't eene als in 't andere geval een metronymikale geslachtsnaam. 

De maagschapsnaam Der Weduwe behoort ook tot deze afdee- 
ling. De beteekenenis er van , zoon eener weduwe , is duidelik ge- 
noeg. De meervoudsform , waaronder deze naam ook voorkomt , 
Der Weduwen, dankt zijn ontstaan zeker aan eene misspelling. 
Een ander geslacht nog spelt dezen zynen naam als D e r Weduwe 
eenigszins verfranscht. 

Zoo eenvoudig en duidelik de naam Der Weduwe te verkla- 
ren is , zoo moeielik is het my de eigenlike , oorspronkelike be- 
teekenis van den geslachtsnaam Der Kinderen aan te toonen. 
Ik vermeld dezen naam, die ook als Van der Kinderen en Der 
Kinder beide min zuivere formen voorkomt , dan ook slechts 
hier ter plaatse , wijl ik hem eenigszins , wegens zynen form , als 
een tegenhanger van den vorigen naam , Der Weduwe, be- 
schou. Iemand kan de zoon zijn van eenen man, die 'T Kint ge- 
noemd wordt of die zoo heet; immers deze geslachtsnaam bestaat. 
En zoo die zoon dan van dien toenaam zijns vaders een patronymikon , 
voor zijn gebruik , wilde maken , dan zou hy zich Jan of Piet Des 
Kinds moeten noemen. Maar de bestaande geslachtsnaam is duidelik 
een meervoudsform: Der Kinderen. Aan een patronymikon valt 
hier dus niet te denken. Dat kinderen gezamenlik , na den dood hun- 
ner ouders , in 't ouderlik huis blyven wonen , en daar 't ouderlik be- 
drijf b. v. eene boerdery , met eikanderen , zonder te huwen , blyven 
voortzetten , komt wel voor. Men noemt hen dan , met eikanderen , 
de kinderen , ook al zijn het langzamerhand bejaarde lieden gewor- 
den. Men zegt : ik ga naar de kinderen. En de boereknecht die in dat 
huisgezin dient , zegt : ik woon by de kinderen. Heet die knecht 
Pi e ter, en is er in zyne nabuurschap nog een andere boere- 
knecht die eveneens P i e t e r heet , dan onderscheiden de buren 
den eerstgenoemden van zynen naamgenoot, door hem Pieter 
der kinderen te heeten. En die toenaam kan een vaste ge- 
slachtsnaam geworden zijn. Dit is de eenige verklaring , die ik 
geven kan van dezen zeer byzonderen naam. 



SAMENGESTELDE VADEB.SNAMEN. 169 

Een andere naam , die rny eveneens raadselachtig is , maar die 
weer bepaald een metronymikaal voorkomen heeft , is W i t v r o u- 
wen. De afgesletene formen Witvrouwe, Witvrouw en 
Wittevrouw komen ook voor. Moeten wy by deze wittevrou" 
aan eene non, eene witte nunne denken? In dat geval wil ik dezen 
naam ook liefst niet als een ware moedersnaam beschouen , maar , 
even als Der Kinderen, Veranneman, enz. , als de toenaam 
van eenen dienaar, eenen hoorige of iets dergelijks. Zonderling 
genoeg zijn de namen Der Weduwe, Der Kinderen en Wit- 
vr ouwen, met hunne verscheidenheden, geenszins zeldzaam, 
hooftsakelik in de zuidelike gewesten, en behooren daar aan ver- 
schillende , onderling niet verwante geslachten. 

61. Eene kleine groep van byzondere geslachtsnamen dient 
hier nog vermeld te worden. Deze groep bestaat in den regel uit 
goed geformde vadersnamen ; maar de mansnamen , die er aan ten 
grondslag liggen , zijn dubbel. Zy bestaan uit twee verschillende , 
saamgevoegde namen (Woutermaartens); of uit eenen en- 
kelen naam met het eene of andere woord daar voor , als eene na- 
dere bepaling (Jongejans), of daar achter (Janbroers). Soms 
ook staan deze dubbele namen niet in den tweeden naamval, zijn 
dus in taalkundig opzicht eigenlik geene patronymika, maar een- 
voudig namen op zich zelven (KIe in jan, Langejan, Lang- 
claus, Koppejan). Wijl echter zulke namen tevens ook wel in 
eenen tweeden-naamvalsform als geslachtsnamen voorkomen (KI e in- 
jan s), zoo kan de mogelikheid aangenomen worden dat zy oor- 
spronkelik wel patronymika geweest zijn, maar later door afsly- 
ting van dien tweeden-naamvalsform , het kenmerk daar van ver- 
loren hebben. In allen gevalle zijn ze z na verwant aan de pa- 
tronymika die deze groep samenstellen , dat ik hen van dezen niet 
heb willen scheiden , maar hen gelijktydig daar mede hier vermelde. 

De volgende maagschapsnamen dan formen , met eenige anderen 
nog , deze byzondere groep. 

Aertgeerts, de zoon van A e r t-Gr eert, van A r end-Ge r- 
aart. Hansates, de zoon van Hans-A te. Hans is de 
algemeen bekende inkrimping van Johannes, en Ate is een 
friesche mansvrnaam , nog heden onder de Friesen in volle ge- 



170 DUBBELE VADERSNA.MEN. 

bruik. De geslachtsnamen Ates, Aats en Aten met At in ga 
en A t e m a en f A a t s in a , en de plaatsnamen Ateburen, een 
gehucht by Hieslum in Wonseradeel (Friesland) , en Atens (A tin- 
gen), een dorp in Bufjadingerland (Oldenburger Friesland) , danken 
hun ontstaan eveneens aan den mansnaam At e. 

Coppejans en Coppieters, de zoon van Jacob-Jan of 
Jacob-Johannes, en die van Jacob-Pieter of Jacob- 
Petrus. Dat Cop, Coppe, Kop oud-nederlandsche afkortingen , 
versletene formen zijn van den bybelschen mansnaam J a c o b , blijkt 
o. a. uit eene oorkonde van den jare 1466 , waar iemand in ver- 
meld wordt als: Coppe offt Jacop Meluszoen." 1 Maar 
ook nog later vindt men in oude geschriften nog menigmaal den 
mansvrnaam Kop. De geslachtsnamen Kops, Cops, Koppen, 
Koppes, Cop pens, en zekerlik ook wel het verlatynschte K o p- 
p i u s zijn er van afgeleid. Koopmeiners is de zoon van 
Koop-Meiner, van Jacob-Meinert ofJacob-Meinhart. 
Want even als Kop, zoo is ook Koop, met Jaap, KobenenKo- 
bus, ook niet Jap ik en Jappe, en misschien met Jakkei e, 
eene volkseigene verbastering van den mansnaam J a c o b. In som- 
mige streken van Nederland , vooral by de friso- Saksische bevol- 
king van noord elik Overijssel , van Drente en Groningerland , is 
Koop als een byzondere mansvrnaam nog in volle gebruik. De 
maagschapsnamen Kopinga en Co p inga, Koop sma, Koops, 
Coops en Kopen zijn er van afgeleid. Het patronymikon 
Cop ing, de weerga van de friesche vadersnamen Kopinga en 
Copinga, kwam reeds onder de Angel-Saksen voor, even als 
Coppingsyke mg een plaatsnaam is in Lincolnshire , Engelland. 
(Zie bl. 131). 

Jansegers is de zoon van Jan-Seger, van Johannes- 
Segher. Seger is een oud-nederlandsche mansnaam, in Friesland 
ook als Sieger, Siger, in Holland als Zeger nog heden voor- 
komende. Van dezen schoonen oud-germaanschen naam (zie bl. 115) 
zijn onze geslachtsnamen Siegerink,Sigersma en Sieger sma, 
Siegers, Seger s en Zegers, met f Sigera afgeleid, en de 
plaatsnamen Siger swolde, zoo als een dorp in Opsterland en een 



1 Oorkonden der Geschiedenis van het Shd-Aidhonij-Gasthuis te Leeuwarden, tl. 46. 



DUBBELE EN SAMENGESTELDE VADERSNAMEN. 171 

gehucht by Garyp , beide in Friesland , heeten ; verder Zegersca- 
pel, een dorp in Fransch- Vlaanderen ; Siegersleben, een dorp 
by Neu-Haldensleben in de pruissische provincie Saksen , enz. 

Kortjanse is: de zoon van Kort-Jan, van Koenraad- 
Johannes. Want Kort, met Koort, Koord, Koert, Koen, 
zijn nederlandsche volkseigene verkortingen van den vollen oud- 
germaanschen mansvrnaam Koenraad. Behalven Koenraads 
en Conradi zijn nog zeer vele andere nederlandsche geslachts- 
namen van dezen mansnaam afgeleid. Zie hier eenigen daar van : 
Koerts, Coerts, Koertssma, Koordes, Kordes, C o r - 
des, Kortenga, Korting, Corty (zie bl. 74), Corting, 
Korten, Corten, Koens, Koenen, Coenen, Koene, Kun- 
dersma, Kuindersma, Kuinders. In de brabantsche streken 
ook Kuenen, Kuene, K u n e , wijl de Brabanders de tiveeklank 
oe als ue uitspreken (groen = gruen) enz. Zie bl. 106. Het is echter ook 
mogelik dat de geslachtsnaam Kortjanse een patronymikon zy van 
Kort-Jan, als een bynaam , in den zin van den korten Jan." 

De maagschapsnamen Janclaes en Pieterhans eischen geene 
nadere verklaring. Perclaes is: Peter -Klaas; Per, Peer, 
Peerken is in de brabantsche gouen de volkseigene vleiform van 
Petrus. Woutermaartens eindelik en Wautermaer- 
t e n s (deze twee slechts in spelling verschillende formen vervangen 
eikanderen in Noord- en Zuid-Nederland, en behooren oorspronke- 
lik ongetwyfeld aan eene en de zelfde maagschap) zijn ook duide- 
lik genoeg. 

De volgende geslachtsnamen zijn samengesteld uit mansvrnamen 
met het eene of andere woord daar vr gevoegd , als eene nadere 
aanduiding. Zy zijn oorspronkelik bynamen geweest , ontleend aan de 
eene of andere byzonderheid die eigen was aan den eenen of anderen , 
met name genoemden man. B. v. Langewouters beteekent zoon 
van den langen Wouter; Langejanis duidelik genoeg. Ook J o n- 
gejan en Jongejans; Oudejan, Ouwejan en Oudejans, 
met 1 j a n s , in versletenen saksischen f orm ; J o n g e n e e 1 , Jonge- 
nelen, Jongeneelen, Ouwen e el en Oldeneel (Neel is 
eene verkorting van Cornelis 1 ); Jongepier en Aupiers 



1 Toevallig is Oldeneel ook de naam van eene buurt schap by Zwolle. Wat 
die naam als plaatsnaam beteekent , weel ik niet. Maar bet is waarscbijulik dut 



172 SAMENGESTELDE VADERSNAMEN. 

(Pier is eene vlaamsche. en friesche verkorting van P i e t e r , 
Petrus; Aupiers beteekent : zoon van den ouden Pi et er, in 
brabantsche gouspraak : van den o u e n Pier, van den A u - P i e r.) 
Verder Roodhans en Roothans, dat is : de roode Hans. Ecbter 
komt Roothaan ook voor als geslachtsnaam (zie 132) , en Root- 
hans zoude daarvan ook een verbasterd patronymikon kunnen 
wezen. Toch acht ik dit min waarschijnlik. Jongkees (Kees is 
de bekende volkseigene verkorting van Co melis), Kleynhens 
en Cleynhens (Hens, Hans, Johannes), Ouweleen (Leen 
als verkorting van Leendert), Sterkendries, Langen- 
dries en Langhendries (Dries als verkorting van A n d r i e s) , 
eischen geen van allen naderen uitleg. Schoonhein; de schoone 
Hein of Hendrik? Deze naam zoude ook eene verdietsching 
kunnen wezen van den hoogduitschen maagschapsnaam Schnhain, 
die geheel iets anders beteekent. Schoonejans en Neve- 
jans, (zoon) van Neef- Jan, zijn duidelik , en worden vooral 
in de zuidelike Nederlanden door verschillende geslachten gedragen , 
en verschillend gespeld tevens. Nevens de gewone spellingen toch , 
boven vermeld, treft men ook Schonejans, Schoonjans, 
Schonians en bet half verfranschte Schoonans aan, met Ne- 
vejan en Neveyans. Een tegenhanger van Schonians, wat de 
spelling aangaat, is de maagschapsnaam Grotrian, die nevens 
Groter jan voorkomt', en daarmede oorspronkelik n is, even 
als met Grotjohan, Groot jan en Grootjans. Grotri- 
an, Groterjan, Grotjohan en Grotjohann zijn eigenlik 
nedersaksische (zoogenoemd platduitscbe) formen , en uit onze noord- 
oostelike grensgouen afkomstig , even als de tegenhangers van deze 
namen, Ltjohan, dat is: de kleine Johan, en Lthen- 
n i n g , de kleine Henning; Henning is het patronymikon van 
Henne, Hanne, Johannes. De nederlandsche naam Groot- 
jan vindt ook in Nederland zyne weerga in den oorspronkelik 
hoogduitschen geslachtsnaam Groshans en in den oorspronkelik 
franschen maagschapsnaam Grosjean, even als Klein jan in 
Petitjean; in Engelland komt Littlejohn als geslachtsnaam 

de eene of andere van de verschillende maagschappen , die den naam Oldeneel 
dragen, dien naam aan dat gehucht ontleenen, terwijl by anderen de oorspronkelike 
beteekenis Oude Cornelis" kan zijn. 



SAMENGESTELDE VAJDEKSNAMEN. 173 

voor. Wilde rjans is zeker wel (zoon) van den wilden Jan, 
en doet door die r ook aan hoogduitschen infloed denken ; ter- 
wijl Heetjans nry tamelik duister is. Moet by dezen naam. aan 
het byvoegelike naamwoord heet = warm gedacht worden ? of aan 
heeth , heede , heide ? Bruggetijs, ook al een nederlandsche 
maagschapsnaam, is waarschijnlik Tij s (Matthijs, Mattheus) 
die aan eene brug woont, of anderszins iets met eene brug te 
doen had , zoo dat hy dien naam als bynaam verwierf. Kroese- 
klaas is de Jcroese, de kroes- of hrulhurige Klaas ofNicolaas. 
Het is opmerkelik dat sommige leden van het geslacht dat dezen 
naam draagt , het byzondere kenmerk van hunnen voorzaat , wien 
eerst dezen naam als bynaam gegeven werd, nog in sterke 
mate vertoonen. Poggenklaas is minder duidelik , maar zal 
oorspronkelik ook wel een bynaam zyn ; in sommige nederlandsche 
gouspraken heet eene padde pogge; zie 133. Appeljan is 
oorspronkelik ongetwyfeld een bynaam geweest van eenen Jan 
die appelen verkocht of op andere wyze iets met die vrucht te 
doen had. Timmerhans en Timme rjans zyn hoochst waar- 
schijnlik afkomstig van eenen Hans en eenen Jan, die timmer- 
lieden waren , en dies Timmer -Hans en Timmer-Jan wer- 
den genoemd. Schip perheyn is oorspronkelik de bynaam van 
eenen schipper die Hein, Hendrik heette. In de zuidelike Neder-- 
landen, waar deze naam als Schipperein voorkomt, heeft hy, 
volgens den vlaamschen tongval , de h verloren. 

Quahannens eindelik , ook als Quatannens, Quattan- 

nens en Quathannens voorkomende, is eveneens een zuid- 

nederlandsche geslachtsnaam , zoo als de byzondere en ouderwetsche 

spelling wel aanduidt , en beteekent : de zoon van Qua-Hannes 

of van Quaet-Hanne, van den kwaden Jo hannes. Deze naam 

is oorspronkelik zonder twyfel een bynaam geweest van eenen man 

die Hannes of Hanne (Johannes) heette , en die wegens zyne 

minder loffelike eigenschappen de kwade Hannes, Qua-Hannes 

genoemd werd. Uit Vlaanderen zijn my nog een paar voorbeelden 

bekend , uit den ouden tijd , van zulke met kwaad samengestelde 

geslachtsnamen, tevens ook van zulk eenen bynaam. Een Piet er e 

Quaclaeys (Pieter, de zoon van den kwaden Klaas) woonde 

in 1500 te Berthen in (Fransch)-Vlaanderen. (Zie de Annales du 



174 SAMENGESTELDE VADERSNAMEN. 

comit fiamand de France , 1853, bl. 236. En de vrou die in 
1520 weerdinne was in den Engel", eene herberg aan de 
zuidzyde van de Groote-Markt te lp eren , heette Elisabeth 
Quaedjonck. Duidde deze hare geslachtsnaam reeds aan dat een 
harer voorvaders , wien dezen naam eerst als bynaam gegeven was , 
kwaadaardig van inborst was geweest, Elizabeth droeg dien 
naam te recht , want ook zy was wijd en zijd berucht als een 
boos wijf. Daar van wisten de reizigers en de bezoekers van hare 
herberg me te praten ; vooral zy die door eenen schralen buidel 
genoodzaakt waren weinig vertering te maken. Zy had dan ook 
van hare omgeving den bynaam Qua-Bette ontfangen. Ook 
keizer Kar el V, de volksaardige Vlaming, die eens, als een een- 
voudig reiziger vermomd , in haar huis kwam om te beproeven of 
het gerucht waarheid sprak , moest haren boozen aard maar al te 
zeer leeren kennen. Tot haar straf veranderde de keizer den naam 
van hare herberg. Hy liet de Engel" wegnemen, en de Beer" 
daar voor in de plaats stellen ter gedachtenis hoe Elisabeth 
de menschen niet als een engel, maar als eene berin placht te 
bejegenen." 1 En nog heden staat de herberg de Beer" te Iperen 
aan de Markt. 

By de volgende geslachtsnamen is het bygevoegde woord niet 
voor , maar achter den oorspronkeliken mansnaam geplaatst : Dirk- 
zwager (een tegenhanger vanNevejan) en Dirkmaat, Jan- 
maat en Pietermaat. Maat is een volksaardig woord dat in 
de eerste plaats iemand beteekent die met eenen anderen de zelfde 
betrekking vervult , maar in de tweede plaats ook wel goede-vriend be- 
duidt; goede-maats , goede-maatjes met iemand wezen, is eene uit- 
drukking uit de dageliksche volksspreektaal. Het woord is vooral 
by ons zeevolk in gebruik bootsmansmaat, verkort tot boots- 
maat ; koksmaat , timmermansmaat. By de Engelschen heet zelfs de 
stuurman mate ; bedoeld is : de mate van den schipper of kapitein. 
En Janmaat is de algemeene naam voor den nederlandschen zeeman. 
De maagschapsnamen Janbaas en Janknegt behoeven geen 
uitleg. Leentvaar is een gemoedelike naam voor Vader-Leen- 



1 Zie het toeblaadje {feuilteton) van het nieusblad Volksblad. Enschede. Jaar- 
gang 1882, n. 48, onder den titel Kwade Belle door M. J. "Wuyster. 



OUD-GERMAANSCHE MANSVRNAMEN ALS GESLACHTSNAMEN. 175 

d e r t , even als Keeso m voor Oom -Kees (Cornelis). Deze 
laatste naam is in noordelik Noord-Holland inheemsen, waar de friesche 
uitspraak om voor oom oudtijds gelding had , even als nog heden be- 
oosten Fli. Janbroers is : de zoon van Bror-Jan, van broeder 
Jan. Maar deze laatste naam kan men ook als het patronymikon 
van eenen dubbelen mansnaam beschouen , zoo als Woutermaar- 
t e n s is. Immers Broer is een mansvrnaam , die voornamelik 
in Friesland nog heden in volle gebruik is , die Frstemann reeds 
als Brothar vermeldt, en die oorsprong gaf aan de volgende 
geslachtsnamen : Broers,Broeren,Broersma,Broersema, 
Broderssen, Broders, Broren, Breuren,Breure, Br- 
ren, Brorks, Br o r ken, Br'rkens (van den verkleinform 
Br'rke), enz. 

62. Als aanhangsel tot al de vadersnamen in de voorgaande 
afdeelingen behandeld , moge hier nog eene byzondere groep van 
geslachtsnamen vermeld worden , welke bestaat uit oude , ten deele 
zeer oude , ten deele ook verouderde , maar volle en schoone oud- 
germaansche , dus ook oud-nederlandsche mansvrnamen , op zich 
zelven. Zy staan meestendeels niet in den tweeden naamval , en zijn 
dus ook geene echte patronymika. Toch zijn zy ten naasten aan de va- 
dersnamen verwant, en staan in de plaats daarvan. Immers men 
kan wel met zekerheid aannemen dat deze hedendaagsche geslachts- 
namen in vorige eeuen door de stamvaders dier geslachten als 
eenvoudige vrnamen , als eenige namen , zijn gedragen geworden ; 
en dat zy , geheel zoo als patronymika , op de kinderen en het 
verdere nageslacht van die mannen , eerst als toenamen , ter onder- 
scheiding , zijn overgegaan. Deze geslachtsnamen zijn belangrijk en 
merkweerdig ; want zy toonen ons nog de volle , schoone , volks- 
eigene namen die onze voorouders droegen. Die edele namen vol 
zin en leven! Ook herinneren zy ons aan menig roemvol feit uit 
de geschiedenis van ons voorgeslacht, bedreven door mannen die 
deze zelfde namen droegen. Of zy brengen ons de gestalten te 
binnen die eene rol vervullen in onze oude volksoverleveringen. 
Zy spreken ons van de roemryke dagen der Gothen , Friesen , Sak- 
sen , Franken , uit den tijd toen het kerstendom met de namen 
van zynen stoet van bybelsche personen en kerk-heiligen , nog niet 



176 OUD-GERMAANSCHE MANSVRNAMEN ALS GESLACHTSNAMEN. 

begonnen was de roemruchtige , schoone , volkseigene namen van 
onze eigene voorouders te verdryven. 

Zie hier eenigen van deze oude namen , die nu als maagschaps- 
namen dienst doen , en waarvan er velen bepaaldelik in onze friesche 
en vlaamsche gouen inheemsch zijn: Alewijn(Adelwyn,Adel- 
win, At hal win = edele vriend). Allewaert (Alwart, 
Athalwart, waar van, in versletenen form , ook de geslachts- 
namen Alverdink en f Alvaarsma afkomstig zijn). Beere- 
woud (Berwalt, Barwold, Bar wout, waarvan ook de plaats- 
naam Barwoutswaarder, eene gemeente in Zuid-Holland, is 
afgeleid). Blomhert en Blommaert (zie bl. 93 en 94). Burg- 
hardt en Borchart, ook , by letterkeer , Brochard, een 
volle , oud-germaansche mansnaam , waarvan ook de maagschaps- 
namen Borgrink, Burgerding, Burgers, Borcherts af- 
stammen. Dit mar; van dezen mansnaam zijn ook nog afgeleid 
de geslachtsnamen Detmering, Detmers en Dethmers, met 
Van Ditmar (zie bl. 130 en 148). Eerebout (Erbalt). Ein- 
hout (Eginhold of Aginald). Elewaut en Ellewaut, 
en in samengetrokkenen form El out (met den plaatsnaam Elle- 
woutsdijk, dien de Zeeuen als Ellou'sdike" uitspreken, een 
dorp op Zuid-Beveland). Gheerbrant. Gillebaert en Grille- 
bert. Ghiselin (Gyselyn, een verkleinform van G i s e , G ij s , 
Gisil; zie bl. 145; van dezen verkorten naam komen ook de 
patronymikale maagschapsnamen Giezing, Gyssen en Gie- 
zen). Gisolf. H aanraadt (dat is oorspronkelik Hagenrad). 
H a r r e w ij n en H e r r e w ij n (oorspronkelik Herwin, Hari- 
win). Herrebaut, Heerbout en Herreboud t (Harib ald). 
He rr eb randt. H il legeer (Hildger, Hildigar); ook ver- 
loopen tot den mansvrnaam H i 1 g e r , die weer oorsprong gaf 
aan de patronymikale geslachtsnamen Hilgerink en Hille- 
gers. Hillewaert (Hildiward, Hildoard), ook verloopen 
tot den mansvrnaam Hilwert, waar de patronymikale maag- 
schapsnamen Hilwerda en Hilverda, Hilwerts en Hil- 
wers, Hilverding, Hilverdink en Hilverink van afge- 
leid zijn, met de plaatsnamen Hilversum (Hilwarthisheim, 
Hilwart's woonplaats), een vlek in het Gooiland; Hilwarts- 
h a u s e n , dorp by Einbeck in Hanover , enz. Holleb rand 



OUD-GERMAANSCHE MANSVRNAMEN ALS GESLACHTSNAMEN. 177 

(oorspronkelik Huldbrant; een Hulbrand Sickazen, dat 
is: Holbrand, de zoon van Sicko. of Sikkes zoon, wordt 
vernield in eene oorkonde van 1465. : ) Isenbaert en Yse- 
baert (Isanbercht, later in Holland en Friesland ook Ys- 
brecbt, waar van de plaatsnaam Ysbrecbtum, dat is: Ys- 
brecbta-heim, dorp by Sneek in Friesland). Merwart. Oort- 
wijn (Ortwin is wel bekend uit de Gudrun-sage). Meilof (oor- 
spronkelik en voluit Meginolf, Maginvulf, Meinwolf, 
Meinolf, by letterkeer Meinlo f en eindelik Meilof). Door 
misverstand , wijl men dacbt dat voor dit of eene h was verloren 
gegaan , beeft men dezen versletenen form M e i 1 o f weer veran- 
derd in Meilbof, 't welk ook als maagscbapsnaam voorkomt. 
Oswold en Osewoudt (Oswald, Ansowald). Rooryck 
(oorspronkelik Roderyk, Rodrik, Hrodrik, als Roderich 
in Duitschland, als Rodrigo in Spanje (uit den Gothen-tijd ?) 
nog voorkomende). Ryckewaert (Ricwart), komt ook voor 
in de geslacbsnamen fRickwardsma en Riquards. Snelle- 
brand. Tbiebaut en Tbiebout (Tbiudabald, Theudo- 
bald, Tbeobald, Dietbout, Dibbold, Dubbeld, zie bl. 
51 en 145). Volbout (Folcbald), in Friesland Folcbald, 
Folbad, waar van de geslacbtsnamen Volbeding (Folcbalding) 
en Yolbeda (Folcbalda). Vrambout en Vroombout 
(Frombald, Frumold). 

Deze namen zijn , als mansvrnamen , beden ten dage , nage- 
noeg zonder eenige uitzondering, by de Nederlanders buiten ge- 
bruik geraakt. Tot deze groep van geslacbtsnamen bebooren ecbter 
ook eenige namen die als mansvrnamen onder ons volk nog niet 
volkomen uitgestorven zijn , al komen zy dan ook zeldzaam voor. 
Hiertoe kunnen gerekend worden de geslacbtsnamen : A d e 1 b e r t , 
Albracbt, Albrecbt, Albregt, als Albert nog in volle 
gebruik. Baudewijn, Boudewijn enBoldewijn, ook ver- 
franscbt als Bauduin (Baldwin). Everwijn (Eburwin, zie 
bl. 116). Godscbalk, Gosscbalk (Godescalc, Godesknecbt, 
Gods dienaar). Hillebrand en Hildebrandt. Bertram 
(Bercbtraven). Dittlof en Ditloff (Tbiudolf, Diedolf, 
Detelf, Dietlof, Detlef) waarvan de geslacbtsnamen D i 1 1 o f s , 



1 Oor/ronden der Geschied, van het St.-Anthomj-Ga.sth. te Leeuwarden, dl. Hl. 39. 

12 



178 OUD-GERMAANSCHE MANSVRNAMEN ALS GESLACHTSNAMEN. 

Detelfs, Detlefsen en Detheleven. Leopold (Luit- 
pold, Liutbald). Librecht (Liudbrecht) , verbasterd als 
Liebert, Libbert en Lubbert nog in volle gebruik ; en waar- 
van de geslachtsnamen Liebersnia, Lybering, Libbers, 
Lubberts, Lubbersen Lubberden (zie bl. 101). Walraven 
en Walraf. Wibaut (W igbald),alsWibolt nog in de friesche 
gewesten in gebruik, waarvan de geslacbtsnamen f Wibalda, 
f Wibolda, f Wyboltsma, Wigboldy, Wiebols en de 
plaatsnaam Wybelsum (Wigb oldes-heim) , dorp by Emden 
in Oost-Friesland. Wil mar, met de patronymikale geslacbtsnamen 
Wilmerink, Wilmering, Wilmers. Wolfgang. Udo. 
Wybo en Wibo. Deze laatste naam komt als geslachtsnaam in 
Vlaanderen geenszins zeldzaam voor. Als raansvrnaam , ook onder 
de formen Wybe en Wiebe, is hy in Friesland nog algemeen 
in gebruik. De geslachtsnamen Wybinga, Wybenga, W y- 
bema, Wiebes, Wiben, ook in verkleinform Wiebeking, 
patronymikon van W i b e k e , zij n er van afgeleid. 

Weer andere geslacbtsnamen tot deze groep behoorende , ver- 
toonen zeer oude formen en spellingen van mansvrnamen , die 
in hunne hedendaagsche formen en spelwyzen by ons volk nog 
in volle gebruik zijn. Voorbeelden van zulke namen zijn : B e e r- 
n a e r t , tegenwoordig Bernard, Barend, Berend, Baart, 
Beert, en de zeer talryke geslachtsnamen daar van afgeleid. 
Ever ar d, Eberhardt, tegenwoordig Evert, ook als patrony- 
mikale geslachtsnamen Ever a arts, Everaedts, Eberhardi, 
met E v e r d a (zie 44) , Everts, Evertsz,Evertszen,Ever- 
sma, Evers, enz. Gheeraert (G er hard), tegenwoordig Ge- 
rard, Gerrit, Ga r rit, Geert, waarvan Gerards,Gerrits, 
Gerritsen, Garritzen, Geerts, Geertsema en Geert- 
sma, enz. Hughebaert en Huygebaert (Hugibercht), 
tegenwoordig Hubrecht, Huibert, waarvan H u i b e r t s , 
Hubrechts, Hubregtse, Hubers, Huiversma, enz. 
Meynhardt (Meginhart), tegenwoordig Meindert (zie bl. 
129). Volkwaert (Fulcwart), tegenwoordig Folkert, Vol- 
kert (welke versletene form echter eveneens uit Fulchart ont- 
staan is), en waarvan de geslachtsnamen Folkerts, Folkert- 
sma (zie bl. 129) en Volquardsen. 



BYBELSCHE MANSNAMEN ALS GESLACHTSNAMEN. 179 

Ten slotte mogen hier nog eenige geslachtsnamen genoemd worden , 
eveneens van zulke volle oud-germaansche mansvrnamen geformd , 
maar die in den tweeden naamval staan , dus echte patronymika 
zijn, en eigenlik in 37 behoorden vermeld te worden. Het zijn: 
Ganglofs (Gangulf, Gangwol f, dat is geheel de zelfde naam , 
maar omgekeerd, als Wolfgang). Gerrebrands (Gerbrand 
is in Friesland nog wel als mansvrnaam in gebruik) ; G e r r e- 
brandt, weer in eenen anderen forin , is ook een geslachts- 
naam , even als de patronymika Gerbrands in algemeen-neder- 
landschen ,Gerbrandain frieschen, Gerbrandyin verlatynschten 
form. Gevaerts, en in versletenen form Gevers; de volle, 
oorspronkelike form G eb hard komt ook als geslachtsnaam voor. 
Eeinouts (Reginhald) met Reinalda (zie bl. 113).Roelants 
(Hrodlant) , met Roland s. Sybouts enSibolts(Sigbald), 
met Sybeda (oudtijds in minder versletene formen als f Sybalda 
enfSybada voorkomende) , f S i b e t s in a , S y b o 1 1 s , S i e b o 1 d s , 
Sieboldts, en met de plaatsnamen Sebaldaburen, dorp in 
het Wester- kwartier , en Siboldaweer, eene sat te Godlinse 
in Fivelgo , beiden in Groningerland ; Sibada-state te Oosterend 
in Hennaarderadeel (Friesland) ; Sibetsburg, gehucht by Ni-Ende 
in Jeverland , en Sibetshus, gehucht by Jever , beiden in het 
Oldenburger Friesland. Volkmaars (Fulcmar), versleten tot 
Folmer, Volmer, en nog voorkomende in de geslachtnamen 
Vllmar, Folmers en Volmers, Volmerinck en Vol- 
me rink, enz. 

63. Enkelvoudige mansvrnamen, aan den bybel ontleend, 
komen ook als geslachtsnamen voor. Het grootste deel dezer namen 
bestaat oorspronkelik uit de namen van personen die in de boeken 
van het oude testament voorkomen. Zy worden meest door onze 
joodsche laadgenooten gedragen. Als zoodanig vermeld ik de ge- 
slachtsnamen Absalon, Baruch, Boas, David en Davyt. x 



. l Eleazar en Eliazar, Elias, Esau, Ezechil (en Ezechils), Jehu, 
Jeremias, Jesse, Joel, Jonas, Isacq, Juda en Levy (zie bl. 130), Laban, 
Manasse, Nabal (en No pol? eene andere uitspraak van dezen naam?), Nathan, 
Ruben (en als patronymikon Rubens), Salomon en Soloiuon, Samul, enz. 



180 BYBELSCHE MANSNAMEN ALS GESLACHTSNAMEN. 

Aan namen uit het nieue testament ontleend , zijn de geslachts- 
namen Ananias, Bartholomeus, J enz. Deze namen worden ook 
wel door oorspronkelik nederlandsche , door germaansche , kerstelike 
geslachten gevoerd. En wijl deze namen ten deele ook veelvuldig 
onder ons als mansvrnamen in gehruik zijn , zoo komen zy ook 
als vadersnamen voor , en wel tevens in allerlei afgesletene formen. 
Als voorbeelden voer ik slechts de geslachtsnamen aan die van 
een paar dezer namen, van Lucas en Stephanus, afkomstig 
zijn. Van Lucas komen: Lucassen, Luiks, Luickx, 
Luycks, Luiks, Luiken, Lu y eken, Luike ( Lken, ook 
Loeks, dat verkeerdelik op hollandsche wyze geboekstaafd is, 
Lukenga, Luikenga, Luiking a. En van Stephanus, in 
het dageliksche leven Steven en Steffen, komen: Stephani 
Steveninck, Stevensz, Steffens, Steffensma, enz. Ver- 
der nog de geslachtsnamen Isral (ook Isral s), Tobias, 
Danil (ook Daniels), Emmanul, Gabril en Eaphal, 
die eveneens aan den bybel ontleend zijn. 

Nevens deze bybelsche mansnamen hebben ook de namen van 
Heiligen der Eoomsche kerk veelvuldig oorsprong gegeven aan 
nederlandsche geslachtsnamen. Deze namen van Kerk-heiligen zijn 
niet minder dan die van bybelsche personen by ons volk als vr- 
namen in gebruik geraakt. Reeds aanvankelik by d'invoering des 
kerstendoms was dit het geval. En velen daarvan zijn onder ons 
nog in dageliksch gebruik. Natuurlik hebben deze namen aan zeer 
vele patronymikale geslachtsnamen oorsprong gegeven. En even 
natuurlik moesten deze namen , die grootendeels uit vreemde talen , 
van vreemde volken genomen zijn , in den mond van ons neder- 
landsche volk vele verkortingen en verbasteringen en omzettingen 
lyden , eer zy werkelik volkseigendom konden worden. Dien ten 
gevolge zijn de geslachtsnamen , aan zulke namen van Kerk-heili- 
gen ontleend, heden ten dage dikwijls moeielik te herkennen en 
te duiden. Vooral als die oorspronkelike namen tegenwoordig by 
ons volk slechts zelden meer als mansvrnamen in gebruik zijn. 
Wie herkent b. v. in de geslachtsnamen Fazinga en Faas ma 



1 Clephas, Lazarus, Marcus en Markus, Mattheus eu Matthaei (zie 
1)1. 150), Nicodem, Stephanus, Thomas, enz. 



NAMEN VAN HEILIGEN ALS GESLACHTSNAMEN. 181 

(oudtijds ook Phaesma geboekstaafd), in Fasen en Vaasse 
zoo terstond den kerkeliken mansvrnaam Bonifacius, verkort 
tot Faas? Of in Bleesing(fBlesingha),BlesenenBlesma 
den naam Blasius, die oudtijds door het nederlandsche volk als 
Blees gesproken werd? Of in Kop inga, Jacob? in Tiesma, 
Mattheus, Matthias,Thijs? in Kastma en Kassen, Chris- 
stianus, Karstiaan, Karst? in Centen, Vincentius? in 
Ceelen, Marcelis? 

Verstrooid door dit geheele werk zal men zeer vele geslachts- 
namen aantreffen die op bovengenoemde wyze aan kerkelike namen 
ontleend zijn. Hier mogen aleen sommigen van die geslachtsnamen 
vermeld worden , welke slechts bestaan uit de namen van Kerk- 
heiligen , in weinig verbasterden of onverbasterden form , en dat 
wel van zulke namen, die tegenwoordig weinig als mansvr- 
namen by het nederlandsche volk in gebruik zijn. B. v. Augus- 
tinus (Augustini komt ook voor), Bonefaes, Clement, 
Dominicus, l enz. 

Eindelik komen onder de nederlandsche geslachtsnamen nog 
eenige weinigen voor , die de namen zijn van oude Grieken en 
Romeinen; b. v. Caesar en Cezar, Milo, Plato, Scipio, 
FelixenJulius. De beide laatstgenoemden zijn minder vreemd, 
wijl ze ook als mansvrnamen onder ons in gebruik zijn. 

64. Aan het einde van deze verhandeling over patronymikale 
geslachtsnamen , moeten hier nog twee groote groepen van geslachts- 
namen , als aanhangsels dezer hoofdafdeeling , vermeld worden. 

Wat hunnen form betreft , zijn deze namen wel patronymika ; 
immers staan zy allen in den tweeden naamval. Maar wat hunnen aard 



1 Germanus, Gratiaen, Gregorius met Gregory en Gregoor, Jero- 
nimus, Jgnatius, Julianus, Krispyn, Pancras, Quiryn, Rochus 
(met Rochusz en Rochussen), Servatius en Ze r vaas, Severien (met 
Severijns, Severijnse), Silvester, Urbanus en Uurbanus, Vincent 
en Valeutyn. De geslachtsnaam Ki liaan kan tweederlei oorsprong hebben; hy 
kan de naam zijn van den heiligen Kilianns, en hy kan ook een latynsche form 
zijn om aan te duiden, dat de drager van dezen uaam een Kieler is, iemand ge- 
boortig van, of t'huis behoorende in de stad Kiel in Holstein, of in de Kiel, 
een buurt by 't Hoogezand in Groninger land. 



182 ONEIGENLIKE VADEESNAMEN. 

aangaat , wat de oorsprong en eigenlike beteekenis betreft der woor- 
den , die aan deze geslachtsnamen ten grondslag liggen , kan men ze 
tot de eigenlike patronymika , in den naukeurigen zin van dit woord , 
niet rekenen. Ik noem ze dus oneigenlike vadersnamen , quasi-patrony- 
mika. Zy zijn volkomen op de zelfde wyze ontstaan als de werkelike 
patronymika. Maar de stam of wortel dezer geslachtsnamen is niet een 
mansvrnaam , zoo als eigenlik de conditio sine qua non der vaders- 
namen is , maar een ander woord. Dit woord kan een ambt , een 
bedrijf, een beroep aanduiden, of ook het kan ieder ander woord 
zijn , b. v. een dierenaam , een huisnaam , een bynaam , een by- 
voegelik naamwoord , een aardrijkskundige naam , of wat dan ook ; 
als het maar als een by- of toenaam voor een man in gebruik 
geweest is. De quasi-patronymikale geslachtsnamen, waarvan de 
wortel een naam van eenig beroep is (Timmermans, Scholten, 
S molenaars) formen de eerste groep ; de anderen (Kieviets, 
Sleutels, Sterckx, Asselbergs) maken de tweede groep uit. 

De oorsprong der geslachtsnamen van de eerste groep ligt voor 
de hand. Menig man wordt meer genoemd met het woord dat 
het ambt , beroep of bedrijf aanduidt , 't welk hy bekleedt of uitoefent , 
dan met zynen eigennaam. En vroeger was dit nog meer het ge- 
val. Dat dus E u t g e r , die een zoon was van eenen man , welke , 
in overeenstemming met zijn handwerk, steeds Smit genoemd 
werd dat deze jongeling door zyne tijd- en plaatsgenooten ge- 
meenlik Rutger Smits, Rutger Smit's zoon, Rutger 
de zoon van den smid werd geheeten , is duidelik. Even zoo was 
het gegaan met Lieven Vendrickx, de zoon van eenen man 
die vaandeldrager was en daarom eenvoudig Vendrik genoemd 
werd. Even zoo ging het ook met de kinderen van den eenigsten 
molenaar of mulder in zeker dorp , een man die dus nooit by 
zynen eigenen naam , maar steeds eenvoudig Mulder werd ge- 
noemd. Immers die kinderen noemde men Warner Smulders, 
GerlofSmolders, Reinout Smolenaers, d. i. des mulders , 
des molders , des molenaars zoon al naar de gouspraak dier lieden 
het eischte. 

Byna al deze beroepsnamen , in den tweeden naamval , als heden- 
daagsche geslachtsnamen voorkomende , zijn , wat hunnen oorsprong 
of hunne afleiding , hunne beteekenis betreft , duidelik genoeg. Ik 



0NEIGENL1KE VADERSNAMEN AAN BEROEPSNAMEN ONTLEEND. 183 

kan dus volstaan met eenigen daarvan , als voorbeelden , hier op 
te sommen. Bakkers, Barbiers, Cassiers, Capiteyns, 
Cruyniers, G-outsmits. 1 De geslachtsnaam Bierstekers 
(het enkele Biersteker komt ook voor , even als Beerstecher, 
van platduitschen oorsprong) is afgeleid van het bedrijf van iemand 
die bier vertapt, die vaten bier aansteekt. Ketelbueters is een 
brabantsche form voor ketelboeters , d. i. de zoon van den Jcetelboeter of 
ketellapper. Wat een man uitvoert die latynhouwer is , waarvan de 
geslachtsnaam Latynhouwer s, beken ik niet te weten. 

Hebben wy hier voren gezien dat , in taalkundigen zin , ver- 
schillende wyzen van tweede naamvalsforming te pas komen by de 
patronymikale geslachtsnamen , dit zelfde is ook het geval by de 
geslachtsnamen aan beroepsnamen ontleend. Want behalven den 
tweeden naamvalsform op s , in bovenstaande geslachtsnamen voor- 
komende , bestaan er ook zulke maagschapsnamen die den tweeden 
naamvalsform op en vertoonen, of dien met het tot s verkorte lidwoord 
des vr zich hebben. Zulke namen zijn: Prinsen (en Pr in een) 
met den versletenen form Pr in se, die ook als P r i n c e geschreven 
wordt ; G r e v e n , de zoon van den greve , den graaf ; Schouten 
met Schoute, Scholten met Scholte, Schuiten met 
S c h u 1 1 e , alles de zoon van den scholte of van den schout betee- 
kenende , 't zy men aan dit schulte en scholte de Saksische (geldersche en 
overijsselsche) beteekeais hecht van erfgezetene , aanzienlike boer , of 
de oud-hollandsche van hoofd der policie. Schoutheten,Schout- 
heete, Schouteden, Schouteeten, Scholtedes, Schau t- 
teete, Schouteten is oorspronkelik de zelfde naam , afgeleid 
van den vollen form Schoutheet, Schultet, Schuldheiss. 



1 Jagers, Jaege r s, Jae g her a en J e g e r s , Houtzagers, Keersmaekers 
en, in wanspelling, Kerssemakers (kaarsemaker) ; Klerckx en Clerckx, 
Kosters, Costers en Custers, Kramers, Kremers en Creemers; Kui- 
pers, Kuypers, Cuypers, Kupers, Kppers en het verlatynschte Cuperi ; 
Koopinaus, Coopmans, met de versletene formen Coomans en Comans; 
Lantmeeters, Leydeckers, Meesters, Messeraaeckers, Rovers, 
Olieslagers, Pelsmaekers, Schoenmakers, Schoemaekers en het zuid - 
nederlandsche Schoesetters; Schrynemaekers, van het verouderde schrijn, 
kast als meubelstuk (in Friesland heeten de kastmakers nog schrijnwerkers); Snep- 
vangers {snep = snip), Snyders, Snieders en Snyers, Teegelbacker s 3 
Waersegers, {waarzegger), Weevers, enz. 



184 ONEIGENLIKE VADERSNAMEN AAN BEROEPSNAMEN ONTLEEND. 

In latynschen form komt deze geslachtsnaam als Scultetus voor. 
Dat Schoute, Sc hult e, Scholte echter ook een mansvr- 
naam zijn kan, vindt men op bl. 77 vermeld. Boeren en Boere, 
Pasten re, enz. zijn ook nog geslachtsnamen die men tot deze 
afdeeling kan brengen. By Prinsen, Greven, enz. behoeft men 
niet aan den zoon van eenen werkeliken prins of graaf te denken , 
even min als by Keizers, Conincks, Coninx, 'S Hertogen, 
enz. aan den zoon van eenen werkeliken keizer , koning of hertog. 
Ofschoon de mogelikheid bestaan blijft , dat deze namen wel eens 
in hunne eigenlike beteekenis bedoeld zijn , zoo zal toch in den 
regel dit woord keizer , honing , enz. wel als een bynaam voor den 
eenen of anderen burgerman gegolden hebben; zie 119. Bit 
zelfde is ook het geval met zulke namen als Pasteure, Paaps, 
Papen en P a p e (met Spapen en f Paping a), Bisschops, 
Proostens, Priesters, Munnicks, Munniksma enz. Niet 
dat ik wil beweren dat geestelike heeren geen zoons hadden. O ! 
dit kwam in de middeleeuen volstrekt niet zeldzaam voor ; de 
geschiedenis toont dat veelvuldig aan. Maar de woorden pasteur 
of pastoor, paap, monnik, enz. werdon ook wel om d'een of an- 
dere reden , als bynamen gedragen door mannen die deze ambten 
geenszins bekleedden. Bottemanne (Bottemannen, de zoon 
van den botteman , van den botvisscher of botverkooper of botboer , 
gelijk men in Holland zeit?) is ook een byzondere naam tot deze 
afdeeling behoorende. 

Geslachtsnamen , van beroepsnamen ontleend , met eene voor- 
gevoegde s (des in den tweeden naamval geplaatst, op de wyze 
als in 51 en 52 vermeld is) zijn de volgenden: 'S Hertogen 
en 'S Hertoghen, ook samengetrokken tot Sertogen, de zoon 
van den hertog ; S m e y e r s , de zoon van den meier ; S m e y s- 
t e r s , van den mei/ster of meester ; Smessemaeckers van 
den messemaker; Smoutmaeckers van den moutmaker. 
De geslachtsnaam Moltmaker komt ook voor , als tegenhanger 
van Smoutmaeckers. Laatstgenoemde naam echter kan ook 
even goed zoon van den smoutmaker beteekenen (smout, Schmalz 
= gesmolten vet). Smeuninx, de zoon van den monnik; 
Smulders, Smeulde rs, Smolders, Smolenaars, Smoo- 
lenaers; dezen zijn duidelik genoeg. Snaeyers, de zoon van 



ONEIGENLIKE VADEKSNAMEN. 185 

den naaier , zoo als men in vlaamsche gewesten den kleermaker 
wel noemt (zie bl. 76); Spapen, Spaepen, Spaapen, zoon 
van den paap , eene oude benaming voor een geestelik beer in 't 
algemeen. Sr oevers, zoon van den roover ? Het enkele E o ever s , 
nevens Rovers en De Roever, De Rover komt ook voor. 
Sweerts, zoon van den weert, den waard, den kastelein. Deze 
naam moet wel onderscheiden worden van Weert s (zie bl. 115) 
en van S w e e r s , bet patronymikon van den mansvrnaam S w e e r , 
Sweder, Switber. Deze oud-germaansche mansvrnaam be- 
scboude men ook wel verkeerdelik als eene verkorting van den 
naam Abasveros. En diensvolgens doopte men, in den pruike- 
tijd, de kinderen die naar bun grootvader of oom of peet, Sweer 
moesten heeten, wel met dien pracbtigen (?) bybelscben naam. Ein- 
delik nog Swevers, de zoon van den wever, en 'S Heer en, 
de zoon van den heer. 

De maagscbapsnamen S au wen, de zoon van den auwen , volgens 
brabantscbe uitspraak in plaats van: de zoon van den ouden (man). 
Slangen en Slanghen, des langen (mans zoon), en Swalens 
des Walens (zoon) , de zoon van den Waal , misschien ook Swildens, 
Zwildens en Swillens (des wilden mans zoon ?) ofschoon deze 
namen dan niet van beroeps- of waardigheidsnamen afgeleid zijn , 
moeten hier , om hunnen form , ook vermeld worden. 

In de spelwyze van de geslachtsnamen 'S Graeuwen en 'S 
Graauwen is, even als in die van 'SHeeren, 'S Hertogen, 
'S Jongers, de s met het afkappingsteeken ('S), als versleten 
overblijfsel van 't oorspronkelike Des , bewaard gebleven. By de 
andere namen , die eveneens met dit des zijn samengesteld , wordt 
meestal die versletene form 'S onmiddellik , als gewone S, aan het 
hoofdwoord verbonden, en schrijft men, ten onrechte, Smulders 
Swolf s, enz. Zie ook Sgraeuwen, SgraauwenenSgrauen. 
Volgens de byzonder-hollandsche uitspraak luidt de letterverbinding 
sgr volkomen z als schr. Eerstgenoemde letterverbinding is even 
zoo ongewoon voor het lezend oog, als de laatstgenoemde gewoon is 
in de nederlandsche taal. Van daar dat eene maagschap , welke 
oorspronkelik dezen geslachtsnaam 'S Gr au en droeg, haren naam 
thans als Schr au en spelt. De oorspronkelike beteekenis gaat 
door deze verkeerde spelwyze geheel verloren. By nog een paar 



186 ONEIGENLIKE VADERSNAMEN. 

andere geslachtsnamen is de oorspronkelike 'S G of Sg ook in 
Sch overgegaan. Te weten, by Schravemade (oorspronkelik 
's-Gravemade, des graven made, het hooi- of maailand van 
den graaf), by Van Schravesande en Van Schraven dij k, 
die aan de plaatsnamen 's-Gravesande en 's-Gra ven dijk ont- 
leend zijn. En tevens by Schoevaerts; zie bl. 142. Zoo kan 
men te Amsterdam wel op uithangbordjes lezen: y>Hier stuurt men 
de wast op ScliravelancT\ waar de wasch , het ivaschgoed , en het 
gooische dorp 's-Graveland bedoeld worden. 

'S Graeuwen, enz. beteekent: des graauiven {zoon), de zoon 
van den grauen , van den grau- of grijsharigen man. Het onver- 
bogene De Grauw, De Graeuwe, Den GraeuweenDe 
Gr a au we komt ook als maagschapsnaam voor, zoo wel als De 
Grijs, De Gryze, Den Gryzen; zie 126. 'S Graeuwen, 
vooral 'S Grauen zoude echter ook kunnen beduiden: des grauen , 
des graven (zoon), de zoon van den graaf. Zie bl. 76. 1 

Even als er slechts zeer weinig patronymikale maagschapsnamen 
zijn, die den nieusten tweeden-naamval sform vertoonen , te weten 
dien met het voorzetsel van (zie bl. 148) , zoo zijn er ook slechts een 
paar van de oneigenlike vadersnamen , die in deze afdeeling behan- 
deld worden , welke dit zelfde kenmerk aanbieden. Het zijn de 
geslachtsnamen Van den Boer en Van Koster; dat is (de 
zoon) van den boer , en (de zoon) van den koster ; of , in dit by- 
zondere geval, misschien ook: (de zoon) van Koster, van den 
man die den beroepsnaam koster reeds als eigennaam voerde. 

Ook onder de byzonder-friesche maagschapsnamen treffen wy 
eenigen van deze , aan beroepsnamen ontleende quasi-patronymikale 
formen aan. Dit zijn de geslachtsnamen Graafsma, Jager sma, 
Koksma, Kuip er sma en Bidder sma, en deze namen, de 
zoon van den graaf, van den jager, van den kok, enz. beteeke- 
nende , zijn duidelik genoeg. Bykersma is afgeleid van het friesche 
woord byker , ook ymker (zie 153), het welk een man beteekent, 
die , om voordeelswille , byen of ymen , immen , houdt ; de zoon van 
den byenhouder dus. Pabersma is een merkweerdige naam, wijl 



1 Zie ook mijn opstel: Brabanlsche en Jlaamsche geslachtsnamen, in De Navorscher 
dl. XXV1TI. bl. 22, 191, 358. 



ONEIGENLIKE VADERSNAMEN AAN TOENAMEN ONTLEEND. .187 

in dezen naam Latyn en Oud-friesch vereenigd zijn. Fab er toch , als 
geslachtsnaam ook afsonderlik veelvuldig voorkomende , is het latyn- 
sche woord voor smid (men vergelyke hier den naam Leefsma op 
bl. 130). Tur k s m a , de zoon van den turk , zekerlik van eenen man , 
die om de eene of andere reden den bynaam droeg van de turk, is 
een tegenhanger van Swalens (zie bl. 185) en van Vlaemynckx, 
Sassen, Frankema (zie 69), enz. Munniksma, ook tot 
deze onder-afdeeling behoorende, is op bl. 166 en 184 reeds ver- 
meld. Boersma en Boersema kunnen zoon van den boer betee- 
kenen, en dus friesche tegenhangers zijn van den antwerpschen 
maagschapsnaam Van den Boer. Toch zou ik by dit patrony- 
mikon eerder aan eene afleiding van den mansnaam Boer, Bure 
denken. Van dezen mansvrnaam zijn ook de geslachtsnamen 
Boerema, Boerma, Boering, Buursma, Bui r sin a, 
Buursema, Buirsema, Bui ring, misschien ook Burema, 
Buurma, Bui r erna en Buirma ontleend; zie bl. 79. 

Men vergelyke deze groep van geslachtsnamen met die welke in 
108121 behandeld zijn. 

65. De tweede groep van quasi -patronymikale geslachtsnamen 

op bl. 182 aangeduid, bestaat uit allerlei namen en woorden in 

den tweeden naamval. Het getal dezer eenigszins onregelmatig ge- 

formde namen is niet gering. Vooral in de zuidelike Nederlanden 

zijn zy algemeen veel meer dan in het Noorden. De woorden 

en namen die aan deze geslachtsnamen ten grondslag liggen , loopen 

wat hunnen aard en oorsprong betreft, wijd uiteen. De eenigste 

overeenstemming die er tusschen deze geslachtsnamen onderling 

bestaat , is deze : dat zy allen in den tweeden naamval , op s , staan ; 

en dat de woorden en namen die er aan ten grondslag liggen , 

oorspronkelik als by- of toenamen van bepaalde personen gegolden 

hebben, of ook reeds op zich zelven geslachtsnamen geweest zijn. 

Iemand b. v. die bekend was om zyne veerdigheid in het zwemmen , 

kreeg allicht den bynaam van Snoek"; een ander die gewoonlik 

snel liep, dien van Kieviet". De bynaam van eenen derde was 

Meulendijk" omdat hy aan den Molendijk, aan of op eenen dijk 

by eenen molen woonde ; die van eenen vierde was R o - L e e u w", 

omdat hy in een huis woonde, waar De roode leeuw'" in den 



188 ONEIGENLIKE VADEUSNAMEN AAN TOENAMEN ONTLEEND. 

gevel stond. Die by- of toenamen van de vaders , dikwijls de 
eenigste namen waaronder zy by hunne tijd- en plaatsgenooten 
bekend waren , gingen dan soms op hunne zoons over. Jan Snoeks, 
Piet Kieviets, Klaas Meulendijks, Hein Rooleeuws, 
zoo werden deze jongelieden genoemd , by verkorting , in plaats 
van Jan Snoeks zoon, Hein Ro-Leeuws zoon of Jan, 
de zoon van Snoek, Hein, de zoon van Ro-Leeuw, gelijk 
bedoeld en verstaan werd. En had een vader reeds eenen vasten 
toenaam of geslachtsnaam , waar by hy , te recht , ook steeds ge- 
noemd werd , dan nog ging die naam wel , niet rechtstreeks en op 
zich zelven , zoo als de regel was en nog steeds is ', op den zoon 
over , maar middellik , door er weer een schijnbaar patronymikon 
van te maken , door dien naam in den tweeden naamval te plaatsen. 
Asselbergh b. v. en Bruylant zijn geslachtsnamen die, reeds 
van ouds , de eerste aan een geslacht te Antwerpen , de andere 
aan eene maagschap te Brussel eigen zijn. Maar nevens deze na- 
men komen in beide steden ook de geslachtsnamen Asselbergs, 
en Bruylants en Bruylandts voor. Deze laatste namen moet 
men beschouen als patronymika van de eersten. Zy zijn ontstaan 
door dat men den zoon van iemand , die den vasten geslachtsnaam 
Asselberg of Bruylant droeg, b. v. Karel Asselbergs 
noemde , of Perdinand Bruylants, dat is Karel, Assel- 
bergh's zoon, Karel, de zoon van Asselbergh, enz. 

Van het groote getal dezer minder belangryke geslachtsnamen 
kunnen hier slechts enkelen genoemd worden. Zy vereischen geenen 
naderen uitleg. Min belangrijk zijn deze namen , in zoo verre , als 
zy slechts tweede naamvalsformen zijn van woorden of namen , die 
overigens op zich zelven genomen , belangrijk genoeg kunnen wezen. 
Zie hier eenige voorbeelden: Boogaerts, Brabants en Hol- 
lants, Couwenberghs 1 . Het grootste deel dezer namen, zoo 
niet allen, komt ook op zich zelven voor Boogaert, Bra- 
bant, Couwenbergh, gelijk de aard dezer zake meebrengt. 



1 Hoefnagels en Houfnaeghels, Hombrouckx, Haseldonckx, Kerck- 
hoffs, Kievits, Koevoets, Quaeyliaegs, Rijsheuvels, Roosbroeckx, 
Snoeks en Snoucks, Spitaels, Steenackers, Sterckx, Stroobant 
Roeyackers, Vingerhoets , Vloeberghs, Welvaarts. 



II. 

GESLACHTSNAMEN , 
VAN AARDRIJKSKUNDIGEN OORSPRONG. 



A. GESLACHTSNAMEN VAN VOLKENKUNDIGEN AARD. EN DIE AAN 
BYZONDERE AARDRIJKSKUNDIGE NAMEN ONTLEEND ZIJN. 

66. Iemand verliet zijn vaderland, waar hy steeds gewoond 
had, en vestigde zich in een ander land; namelik in het onze. 
Hier was hy dus vreemdeling , en die vreemdelingschap was het 
juist , welke hyzonder de opmerkzaamheid trok van de lieden in 
zyne nieue omgeving. Zeer natuurlik dus dat men dien vreemdeling , 
in zyne nieue woonplaats , al spoedig ging noemen met zynen 
volksnaam , met den naam van het volk waar toe hy oorspronkelik 
behoorde. En dit zoo veel te eerder nog , naar mate die vreemdeling 
eenen eigenen naam had , het zy dan vr- of geslachtsnaam , 
die aan zyne nieue buren , land- of plaatsgenooten onbekend was , 
of die hun rnoeielik viel om uit te spreken , en dus ook om te 
onthouden. Eerlang dan was de man in zyne nieue woonplaats 
niet anders bekend, dan onder den naam van De Waal, Span- 
jaard, Den Engelschman, of van eenen soortgelyken , al 
naar dat hy een Waal , een Spanjaard , een Engelschman of iets 
anders was. En onder zulken naam werd onze vreemdeling al 
spoedig zoo algemeen bekend , dat die oorspronkelike bynaam hem 
werkelik als een vaste toenaam eigen bleef, dat die zelfde naam 



190 AARDRIJKSKUNDIGE GESLACHTSNAMEN. 

by verloop van tijd, een ware geslachtsnaam werd voor hem, 
zoowel als voor zyne kinderen en nakomelingen na hem. En dit 
nog zoo veel te gereeder , als in deze en soortgelyke namen , ofschoon 
het dan oorspronkelik bynamen zijn , voor den drager niets ont- 
eerends ligt. In tegendeel ! Men kan zelfs aannemen dat menig 
vreemdeling het niet ongeerne hoorde , als hy met zynen volksnaam 
genoemd werd, wijl dit voor hem eene dageliksche, eene gestadige 
herinnering was aan zijn vaderland , dat hy misschien noode verlaten 
had , en waaraan hy zich , zijn leven lang , in liefde en trou 
verbonden bleef gevoelen. 

Eeeds van ouds hebben zich in de Nederlanden steeds vele 
vreemdelingen met der woon gevestigd. Om tweederlei redenen. 
Te weten : om den bloeienden handel die in deze gewesten gedreven 
werd , om den met recht gevoerden naam van welvaart en rijkdom , 
die menig jongman uit de aangrenzende minder bevoordeelde landen , 
vol hoop hier heen deed komen, gelijk dit trouens nog heden 
steeds plaats vindt. En dan ook om de vryheid van geweten die 
sedert de kerkherforming hier meer dan in andere landen van het 
beschaafde Europa heerschte , vooral voor Calvinisten uit andere 
protestantsche landen verdreven, en voor andere Herformden ook, 
uit roomsche landen verjaagd. En zoo is het zeer natuurlik dat 
de namen van volken juist in de Nederlanden zoo veelvuldig als 
geslachtsnamen voorkomen. 

67. De volgende geslachtsnamen, aan namen van volken ont- 
leend , heb ik in de Nederlanden gevonden. 

Duitse her en Den Duits of Denduits met Duytsche 
en Den Duytsen, ook op hoogduitsche wyze als Deutscher 
en Deutschmann geschreven. Deze namen , weinig in getal , zijn 
buitendien nog zeldzaam. Dit moet wel eenige verwondering baren , 
als men bedenkt dat het , van alle vreemdelingen , juist Duitschers 
zijn , die zich het allertalrijkst in de Nederlanden gevestigd hebben. 
Maar de Nederlanders hadden gewoonlik weinig reden om dien volks- 
naam te geven aan de Duitschei'S , die onder hen kwamen wonen. 
Ten eersten , omdat de namen dezer Duitschers , zoo wel hunne 
vr- als geslachtsnamen , weinig van de onzen afwyken , in den 
regel daar mede nau Verwant zijn , en dus voor ons volk ver- 



GESLACHTSNAMEN AAN NAMEN- VAN VOLKEN ONTLEEND. 191 

staanbaar en gemakkelik te onthouden en te gebruiken. Ten tweeden , 
omdat, men , zoo al niet in Holland en Vlaanderen , dan toch in 
onze oostelike gewesten , de Duitschers eigenlik weinig als vreemde- 
lingen beschoude, vooral niet als zy uit de aangrenzende westelike 
streken van Duitschland , uit Westfalen en Neder-Bijnland kwamen , 
gelijk meestal het geval was. Oost-Friesen , Bentheimers , enz. 
beschoude men in he.t geheel niet als Duitschers. Het gevoel van 
stamverwantschap tusschen d' oostelike Nederlanders en de westelike 
Duitschers sprak dan ook, tot diep in deze eeu nog, veel te luid 
om in Duitschers zulke vreemdelingen te zien als b. v. in Franschen 
of Polen. Men noemde ook de eigene nederlandsche taal , 't zy dan 
geldersch of brabantsch of hollandsch , algemeen , en zeer te recht , 
nog nederduitsch , zelfs wel duitsch slechtweg. Ja , in Holland zelf 
deed men dit nog wel in de 17 Ie en 18de eeu. 

Wij spreken immers altemaal, 
Oprechte, zuiv're duitsche taal." 

gelijk Langendijk in een zyner blyspelen eenen Hollander laat 
zeggen. En Hugo de Groot spreekt ook van zyne duytsche moe- 
dertale ," ofschoon hy een echte Hollander was, en van Delft ge- 
boortig. Zoo noemde de nederlandsche volksmond den Hoog-duitschers 
dan veelal Bovenlanders , in tegenstelling van den eigenen naam 
Nederlanders, als om twee onderdeelen van eenen en den zelfden 
volksstam aan te duiden. En deze benaming is by ons volk heden 
nog wel in gebruik. Eindelik nog is de verdeeldheid der Duitschers , 
in verschillende volksstammen , die , vroeger meer dan thans , daar 
te boven ook nog staatkundig verdeeld waren , oorzaak dat de 
algemeene naam Duitsche r weinig als maagschapsnaam by ons 
volk voorkomt. In plaats daar van hebben wy de geslachtsnamen 
De Swaef en De Swaaf, met Swaap en Zwaap. Deze twee 
laatste namen zijn slechts kwade verdietschingen van den hoog- 
duitschen naam Schwab, die ook in Nederland voorkomt. Slechts 
de twee eerste namen zijn goed-nederlandsch. Verder De Hes, 
Hes en Hesse; Veling en Velinger met West faal en 
Westphal. De form Vel ing (beter ware F el ing) is de eenige 
zuiver-nederlandsche van de vier laatstvermelde namen. Nog heden 
noemt men in onze friesche en friso-saksische gewesten eenen 



192 GESLACHTSNAMEN AAN NAMEN VAN VOLKEN ONTLEEND. 

inboorling van Westfalen met dezen naam. De 1'orm Velinger, 
die ook wel gebruikt wordt om eenen (West-)Faling" aan te 
duiden, is minder oorspronkelik. Westfaal is verhollandscht van 
den boogduitschen form W e s t p b a 1 , die nog , uit den pruike- 
tijd, eene pli in plaats van vertoont Munster la n der is iemand 
uit Munsterland, dat is de westelikste westfaalscbe gou die zicb 
langs onze grenzen uitstrekt. Saks, Sax, Sacbs en Sacbse; 
de oude , goed-nederlandscbe , meest oud-hollandsche form van 
dezen volksnaam , Sas, is my als maagscbapsnaam nooit voorge- 
komen. Verder De Beyer, Beyer, Beyerman, Bayer en 
Bayermann. Beyerman kan echter ook beteekenen : iemand 
die beiert , dat is : de torenklokken op eene byzondere wyze luidt 
of doet klinken. Frank, met de (boogduitscbe) verkleinformen 
F r a n k e 1 , F r e n k e 1 , iemand uit Franken of Frankenland , eene 
landstreek in Duitscbland, in noordelik Beieren. Ecbter is Frank, 
met Franke, ook een mansvrnaam en by ons volk, vooral by 
de Friesen, niet zeldzaam in gebruik. De maagscbapsnaam Frank 
kan dus in sommige gevallen oorspronkelik ook wel eenvoudig die 
mansnaam zijn ; zie 69. 

Of de maagscbapsnamen Duyts, Duits, Duitscb, ook in 
boogduitscbe spelling als D e u t z bier te lande voorkomende , ook 
te dezer plaatste vermeld dienen te worden , moet ik in bet midden 
laten. Het kunnen ook patronymika zijn (vooral de twee eerstver- 
melden) van eenen ouden mansvrnaam Duut, Duyt, Duit, 
Teut, Teut o. Of wel , Duyts, enz. is eenvoudig de in spelling 
verdietscbte naam van het stadje Deutz aan den Rijn, tegenover 
Keulen. Misschien is de nederlandsche maagschapsaaani L alle- 
man eene verdietscbing van het fransche L' Allemand; anders 
althans is my deze naam onverklaarbaar. In dat geval dient hy te 
dezer plaatse vermeld te worden. Hy is dan zeker over en uit 
Frankrijk tot ons gekomen. 

Als men den maagschapsnaam Stadlander beschout als aan- 
duidende een man die in Stadland t' huis behoort , van daar 
herkomstig is , dan behoort hy zeker op deze plaats te worden 
genoemd. Immers het Stadland is eene oud-friescbe gou in noord- 
westelik Duitscbland , aan den oever der Weser , beneden Bremen. 

In de vorige eeu echter , spelende met de beteekenis der woorden 



GESLACHTSNAMEN AAN NAMEN VAN VOLKEN ONTLEEND. 193 

stad en land, gaf men dezen naam Stadlander wel aan huizen, 
buitentjes, optrekjes, herbergen of uitspanningsplaatsen , die wel 
op het land , ten platten lande , gelegen waren , maar toch in de 
nabyheid eener stad. Tot in deze eeu was er nog eene uitspannings- 
plaats , de Stadlander met name , in de nabyheid van Amsterdam. 
En zoo kan de maagschapsnaain Stadlander ook eenvoudig aan 
zulk eenen huis- of plaatsnaam ontleend zijn. Maar in jaargang 
1846 van den Groninger Volksalmanak vindt men op bl. 146 nog 
eenen anderen oorsprong vermeld van dezen geslachtsnaam. Daar is 
er sprake van eene maagschap, die, vroeger in de stad" (d. i. 
Groningen) wonende, in lateren tijd naar het land" verhuisde, 
en om deze reden dien naam Stadlander zoude aangenomen hebben. 

Engelsman, Den Engelsman, Engelschman, Den 
Engelse, Engelander en Britt. Ook deze maagschapsnamen 
komen zeldzaam voor in de Nederlanden. Trouens, in vergelyking 
met andere volken, met Duitschers en Franschen vooral, hebben 
er zich ook nooit veel Engelschen blyvend onder ons neergezet. 
Immers vryheid van geweten , met welvaart door handel en scheep- 
vaart veroorzaakt , door welke begeerlike zaken zoo vele vreem- 
delingen bewogen werden zich in de Nederlanden te vestigen 
dat hadden de Engelschen in hun eigen land ook, zoo wel als wy. 

Schot, Schott, Schotsman en ook als patronymikon , in 
den tweeden-naamval, Schotsmans. De overeenkomst, in de 
17de en 18de eeu, tusschen de schotsche kerk en de noord-neder- 
landsche , beiden van streng calvinistische richting , was oorzaak 
dat er in die eeuen tusschen Schotten en Nederlanders nog al 
talryke betrekkingen bestonden , en dat menige Schot onder ons 
kwam wonen. Van daar bovengenoemde namen , en van daar ook 
de betrekkelike menigvuldigheid van byzonder-schotsche geslachts- 
namen (Mac-Donald, Mackenzie, Mackay) in de Neder- 
landen; zie 164. Maar de roomschgezinde Ieren hadden veel 
minder , of ook in het geheel geene aanleiding om naar de Neder- 
landen te trekken. En zoo is een maagschapsnaam Ier" of De 
Ier" my dan ook nooit onder ons volk voorgekomen. 

Skandinaviers in 't algemeen , maar vooral Noren en Denen , 
hebben steeds met de Nederlanders talryke betrekkingen , door 
handel en zeevaart in het leven geroepen , onderhouden. Er hebben 

13 



194 GESLACHTSNAMEN AAN DE NAMEN VAN VOLKEN ONTLEEND. 

zich steeds veel Noren en Denen in Nederland gevestigd (meer 
dan men in 't algemeen wel denkt) ; en zulks geschiedt nog da- 
geliks. Van daar de geslachtsnamen Zweed en Sweed, Noor- 
man, Norman, Noorlander, Deen, Den Dene en Jut. 
Toch zijn deze namen in geenen deele zoo talrijk als men wel 
zoude moeten denken, de vele Skandinaviers , die zich onder ons 
hebben neergezet , in aanmerking genomen. Dit vindt zyne oorzaak 
in d' omstandigheid dat de maagschapsnamen , hooftsakelik patro- 
nymika in algeineen-germaansche formen , welke deze vreemdelingen 
dragen , in den regel weinig verschillen van onze eigene nederland- 
sche geslachtsnamen , en dus door ons volk gemakkelik worden uitge- 
sproken en onthouden. Ook is my een geval bekend dat een Deen 
die in Holland zich met der woon neerzette , zynen deenschen naam 
in het Hollandsch vertaalde, gelijk in 104 nader vermeld is. 
Maar de maagschapsnaam Jut behoort geenszins tot de zeldzaam 
voorkomenden. Toch is Jutland maar een klein land en zijn er 
weinig Jutten. Maar de Noord-Friesen , vooral die van de eilanden 
en halligen , die in de 17 de en 18de eeu als bekwame en vertroude , 
dies zeer begeerde zeelui veelvuldig dienden op onze koopvaardy- 
en visschersvloot , gelijk ook nog wel heden ten dage , waren toen 
in Noord-Nederland veelal bekend onder den naam van Jutten , 
en stonden, onder dien volksnaam, op de monsterrol vermeld. 
Echter komt deze volksnaam hun geenszins toe , naardien de Noord- 
Friesen echte Friesen zijn , zoo goed als de beste Stand-Friesen 
in Oost- of West-Friesland. Maar hun land werd vroeger gedeel- 
telik tot Jutland gerekend ; en zoo ontstond die verkeerde benaming. 
In West- Vlaanderen is de maagscbapsnaam Daenekindt in- 
heemsen. Het komt my niet onwaarschijnlik voor dat deze naam 
moet worden verklaard als het kind (de zoon) van den Deen , van 
den man die een Deen was. Als eene zeer byzondere soort van 
patronymikon zoude deze naam dan moeten worden geduid , en 
een tegenhanger dan zijn van den waren vadersnaam Daeninck, 
ook Daeninckx, die ook als maagschapsnaam in Vlaanderen 
inheemsch is. Het schijnt in der daad, dat na de invallen der 
skandinaafsche Vikingen , eenige Denen achter gebleven zijn in 
het toen reeds bloeiende Vlaanderen. In de 16de eeu vinden wy 
te Brugge den geslachtsnaam Den Dene. Ook de geslachtsnamen 



GESLACHTSNAMEN AAN DE NAMEN VAN VOLKEN ONTLEEND. 195 

D a a n e , D a e n e , Danen, met het hoogduitsche Daehne, zoude 
men eveneens hier toe kunnen brengen. Intusschen vermeldt Fr- 
stemann in zijn Altdeutsches Namenbuch eenen oud-germaanschen 
mansvrnaam Dan o (toch ook in de beteekenis van den volks- 
naam Deen). Het is dus evenzeer mogelik dat deze vlaamsche 
patronymika aan dien mansnaam hunnen oorsprong danken. 

De maagschapsnamen Zwitser, Zwitzer, De Zwitser, ook 
in tweeden naamvalsform Zwitzers, met Switsar, Zweitzer 
en Schweitzer, vereischen geene nadere verklaring. 

Gaan wy thans tot de geslachtsnamen over die aan de namen 
van romaansche volken ontleend zijn , dan noemen wy in de eerste 
plaats de namen: 

Franschman, Fransman, Frantzmann (zekerlik over 
Duitschland tot ons gekomen), met Francois, Le Francois 
en Gallois, en den weer uit het Fransch in nederlandsche spelling 
verbasterden form Franswa. Francois kan zoo wel oorspron- 
kelik de bekende mansnaam zijn, als de volksnaam. Franco, in 
vreemden form, en De Franc wil ik hier liever als verscheiden- 
heden van Franschman rekenen , dan ze tot Frank (uit 
Frankenland; zie bl. 192) te brengen. 

Normand duidt iemand aan uit het fransche gewest Nor- 
mandye, en Picard iemand uit Picardye. Deze laatste naam 
komt ook nog al talrijk voor onder de formen Piccardt, Pic- 
caerdt, Pikaar en Pickhardt, ten bewyze (of men het an- 
ders ook al niet en wiste) dat oudtijds inwoners van Picardye zich 
veelvuldig in de Nederlanden hebben gevestigd. En dit is ook in 
der daad het geval, vooral in Vlaanderen en Brabant. Trouens, de 
Picardirs zijn de naaste buren van de fransche Vlamingen ; en 
de picardische gouspraak is met menig oud-nederlandsch woord 
nog heden vermengd. 

Talrijk zijn ook in de Nederlanden de geslachtsnamen De Waal, 
De Wael, De Waele, Waal, De Walsche, ook in hoog- 
duitschen form Wahle. Maar talrijk ook hebben de Walen , vooral 
uit Luik en omstreken , de zoogenoemde Luiker- Walen , zich onder 
ons neergezet , vooral als regenschermkooplui , stroohoedenvlechters , 
oudtijds ook als rarekijk- en tooverlanteernvertooners, enz. My 
heugt nog uit myne prille jeugd , hoe een Waal , met eene toover- 



196 GESLACHTSNAMEN AAN NAMEN VAN VOLKEN ONTLEEND. 

lanteern op zynen rug , 's avonds door de straten van myne vaderstad 
Leeuwarden liep te schreeuen: tbverlantern ! frai, curieus en moi!" 
En andere Walen liepen toen nog , langzaam stappende , en met eenen 
grooten blikken trommel op den rug , door steden en dorpen , 
hunne waar , die in fyne manufacturen , vooral shawls en kanten 
bestond, onder het geschreeu van doek-madras /" ventende. Van 
die lieden hebben velen zich blyvend onder ons gevestigd ; zie 
164. 

De namen Spanjaard, Spanjaerdt en Sp anjer (ook in 
de fransche en hoogduitsche formen Espagniol en Spanier by 
ons voorkomende), 'Portegies, Italiaander, Lombard, 
Lombaerdt en Wallach vereischen weinig nadere verklaring. 
In de nederlandsche volkstaal gebruikt men gewoonlik den forrn 
Italiaander , overeenkomende met het hoogduitsche Italmner , voor 
het meer boeksche Italiaan. En Portegies, in plaats van Portugees , 
was oudtijds de gewone volksuitspraak van dit woord , die ook 
thans nog van onze zeelui , vooral van die van frieschen stam , ge- 
hoord wordt. De geslachtsnamen Lombard, De Lombaerde, 
De Lombaert duiden iemand aan uit Lombardye ; terwijl 
Wallach iemand uit Wallachye beduidt. Deze laatste naam komt 
ook als Wallich en Walch voor. Hoe zonderling het schyne , 
moet ik hier den geslachtsnaam Bloch vermelden, als oorspron- 
kelik geheel het zelfde woord zijnde als Wallach. Namelik, in 
zoo verre de geslachtsnaam Bloch door duitsch-isralitische ge- 
slachten gedragen wordt. Immers het woord Wallach = Wallachyer 
wordt in de joodsch-duitsche mengeltaal die in geheel oostelik 
Europa onder de daar zoo talryke Israliten in gebruik is , als 
bloch uitgesproken ; walch , wolch , wloch , bloch , de overgang is ge- 
leidelik. Ook de Saksen in Zevenburgen noemen den Wallachyer 
of Rumenier : Bloch. Een volksrijmke by dat volk in gebruik , begint 
alzoo : Der Onger , Bloch uch der ZigiC dat is : De Hongaar , Wallach 
en de Zigeuner 1 . In Wallachye wonen zeer vele Israliten, en 
velen van hen hebben hun land verlaten , steeds westwaarts trek- 
kende naar Duitschland en Nederland. Zoo hebben zy den naam 



1 Zie Josep Haltbich , Sachsischer Volkswitz Overdruk uit een tijdschrift 
bl. 6. 



GESLACHTSNAMEN AAN NAMEN VAN VOLKEN ONTLEEND. 197 

van hunnen landaard Wallach en Bloch naar die landen 
gebracht , en komen deze woorden nu hier als geslachtsnamen voor. 
De geslachtsnamen B 1 o g en Blok, voor zoo verre ze door Israliten 
worden gedragen, behooren ook hier toe. Blog is eene misspel- 
ling van Bloch, en Blok is eene vernederduitsching daarvan , 
in overeenstemming met woorden als ich , Jluch , machen , enz. , in 
het Nederduitsch ik, vloek, maken; dies ook Bloch = Blok. 

Nederlandsche geslachtsnamen , die oorspronkelik namen zijn van 
Slavische of andere volken , zijn nog de volgenden : 

Rus en Rusman met Moscoviter, Pool en Polak, ook 
Pohl en Polack. Joden , uit Polen verdreven , of door de welvaart 
van ons vaderland aangelokt , hebben zich sedert de zeventiende 
eeu , in aanmerkeliken getale , in de Nederlanden gevestigd. Van 
daar dat de naam Polak hier zoo veelvuldig door isralitische 
geslachten gedragen wordt. In Friesland echter is my ook een 
christelik geslacht , niet van joodsche afkomst , van dien naam bekend. 
Of Poolman (met Pohlmann) ook hier toe behoort, schijnt my 
minst genomen twyfelachtig. Deze naam beschou ik liever als een 
hoogduitsche form van het nederduitsche Poelman afgeleid van 
poel , moeras. By den Rus behoort ook nog de man wiens landaard 
wordt aangeduid door den geslachtsnaam Courlander. De ge- 
slachtsnamen B o s n a k , iemand uit Bosni, G-riek en DeGrieck, 
en Slowack, iemand uit Slavonie , eischen geenn naderen uitleg. 

De naam Oostinjer zal waarschijnlik wel eerst gedragen zijn 
door iemand die langen tijd in Oost-Indie gewoond had niet 
door eenen Javaan, Maleier of anderen Oostindier. De namen De 
Jode, De Joode, De JeudeenDeJude moeten hier ter 
plaatse ook genoemd worden , benevens Turk, Turcq, De Turck, 
en Den Turck, en Moor, De Moor met Mohr. Dat 
deze laatste namen eerst gevoerd zijn door lieden die werkelik 
Turken en Mooren waren , welke zich in de Nederlanden vestigden , 
schijnt my niet aannemelik , ofschoon het niet onmogelik is. Maar 
liever wil ik aannemen dat deze namen aan uithangborden of huis- 
namen ontleend zijn. Huizen , die d e T u rk" of d e Moor" heetten , 
of uithangborden , vooral by tabakshandelaars, waar de rookende 
Turk" of de rookende Moor" op stonden afgebeeld, waren er 
oudtijds in alle nederlandsche steden. En zy zijn er nog wel. Of de 



198 GESLACHTSNAMEN AAN NAMEN VAN VOLKEN ONTLEEND. 

namen Moorman en Mohrmann hier ook behooren, betwy- 
fel ik. Wel noemde men oudtijds eenen Moor ook wel een Moorman 
(de statenvertaling des bybels levert daarvan een voorbeeld op. 1 
Toch komt het my waarschijnliker voor dat Moorman eenvou- 
dig moerman of veenman beteekent , iemand in de moeren , moe- 
rassen of venen wonende , of van daar afkomstig. Zulke moeren 
noemt men langs onze oostelike grenzen mooren ; men herinnere 
zich ook de oostfriesche dorpsnamen Stapelmoor, Breiner- 
moor, Neermoor, enz. , en Moormer land, eene veenryke 
gou in dat gewest. De namen Moerman en Veenman komen 
ook als nederlandsche geslachtsnamen voor. 

Van de namen van oude , verdwenene volken , natuurlik niet 
rechtstreeks afkomstig, zijn de geslachtsnamen Romein, Romeyn 
en R o m ij n , met den hoogduitschen form Romer, en waarschijn- 
lik ook Romer en Romar en Batavier. Romein zal oor- 
spronkelik wel meest een huisnaam of een uithangteeken geweest zijn. 
Romer, Romer en Romar kunnen ook afslytingen zijn van 
den oud-germaanschen mansvrnaam Rodmar, Rodmer, die nog 
heden in Friesland in gebruik is. En ook evenzeer kunnen zy de by- 
zondere naam van een drinkglas wezen , als romer nog heden in Fries- 
land in volle gebruik. 

Eindelik , als aanhangsel van deze groep van geslachtsnamen , 
moeten hier nog vermeld worden de geslachtsnamen Oosterling, 
Oosterlynck en Den Oosterlingh, met Westerlinck en 
De Westelinck, en misschien ook met Westerman en O s- 
termann. 

Zonderling genoeg komt de naam van ons eigen volk hier te 
lande in hoogduitschen form als geslachtsnaam voor ; te weten als 
Nieder lande r. Maar hoogst waarschrjnlik heeft men hier niet 
te denken aan eenen Nederlander in onzen zin. De naam zal wel 
afgeleid zijn van eene der vele duitsche landstreken die het Nieder- 
lanoV genoemd worden, in tegenstelling met eene naburige berg- 
streek of -Dberland." 

In Vlaanderen komt de geslachtsnaam Stragier voor, die almede 
in deze afdeeling vermeld moet worden. Deze naam beteekent vreem- 



1 Zie De Handelingen der Apostelen, hoofdstuk VIII vers 27- 



GESLACHTSNAMEN AAN NAMEN VAN VOLKEN ONTLEEND. 199 

deling. Stragier is een oud-vlaamsch bastaardwoord , dat met 
het fransche tranger en bet engelscbe stranger den zelfden oor- 
sprong beeft. l De weerga van dezen naam vreemdeling" is de 
geslachtsnaam Landsaat, ook in misspelling als Landzaad voor- 
komende. 

68. Maar niet slecbts van de namen van vreemde volken zijn 
er nederlandscbe geslachtsnamen afgeleid ; ook de namen van inlandsche 
volksstammen en volksafdeelingen komen wel als zoodanig voor. 
Onder dezen treffen wy in de eerste plaats den geslachtsnaam 
De Vries aan , met De Fries, De Vriese, De Friese, 
Friese, Frese, De Vreeze, Vriesman, Vrieseman, 
Freseman en Vrieslander. De naam De Vries komt in de 
meeste nederlandsche gewesten talrijk voor ; het is in der daad een 
der algemeenste nederlandsche geslachtsnamen. Aanleiding hier toe 
heeft gegeven de omstandigheid , dat de Friesen , hoewel in den 
regel sterk aan hun vaderland gehecht , toch veelvuldig in andere 
nederlandsche gewesten zich met der woon gevestigd hebben. Fries- 
land was voor de Nederlanden steeds eene inild vloeiende litdeborn n 
eene ware vagina gentium". En ht is dit nog heden. En daar komt 
nog by de omstandigheid dat de Friesen hunne eigenaardigheden 
in hunne eigene uitspraak , kleeding , zeden , enz. steeds behouden , 
ook al wonen zy jaren en jaren in den vreemde , zoodat men hen 
steeds gemakkelik als Friesen onderkent. Zonderling echter is het 
dat juist in de friesche gewesten zelven , en niet het minst in de 
hedendaagsche nederlandsche provincie Friesland, die naam De 
Vries zoo byzonder veel voorkomt. Zoo lang immers een Fries 
in Friesland woont, bestaat er geene reden om hem door dien 
toenaam byzonder van anderen te onderscheiden. Stammen de lieden 
die in Friesland wonen en De Vrie s heeten , dan allen af van voor- 
vaders , die zich vroeger in Holland of ergens elders buiten Friesland 
vestigden , en daar dien naam van hunne omgeving ontvingen ? Die 
later weer naar hun oud vaderland terug keerden , en toen dien 
naam , ofschoon hy hier onder hunne eigene volksgenooten geen 
de minste reden van bestaan meer had , toch als een vaste geglacbts- 



1 Zie Edw. Gaii,liabd, Glossaire flamand, op het woord stragier. 



200 GESLACHTSNAMEN AAN NAMEN VAN VOLKEN ONTLEEND. 

naam behielden? Het schijnt vreemd. Toch kan ik het anders niet 
verklaren. Ook onder de nederlandsche Joden komt deze geslachtsnaam 
geenszins zeldzaam voor ; werkelik zoo veelvuldig , dat er eene by- 
zondere reden voor bestaan moet. Nu is het wel waar dat de friesche 
volksaard zeer sterk spreekt , z sterk dat ook de Joden in 
Friesland zich aan den infloed daarvan niet kunnen onttrekken 
dat ook zy door spraak , kleeding en andere zaken als bepaaldelik 
friesche Joden zich onderscheiden van de Israliten in andere 
nederlandsche gewesten. Maar of dit voldoende is om den oorsprong 
van al die geslachtsnamen De Vries, by dikwijls in het geheel niet 
verwante israelitische geslachten voorkomende , te verklaren , moet 
ik in het midden laten. De naam D e V r i e s schijnt werkelik byzonder 
in den smaak gevallen te zijn by sommige lieden, die zich in 
het begin dezer eeu eenen geslachtsnaam kiezen moesten , zoo dat 
eenigen dezen naam maar aannamen , zonder daar byzondere reden 
voor te hebben , of zonder juist van frieschen oorsprong te zijn. 
My althans verhaalde een geloofweerdig man , dat zijn grootvader 
in 1811 dien naam De Vries maar had aangenomen om dat hy toch 
eenen maagschapsnaam hebben moest, en de eene naam, naar zyne mee- 
ning , zoo goed was als de andere , en deze naam hem nu juist , zonder 
byzondere reden , behaagde. Een joodsch geslacht voert dezen naam 
zelfs in den zonderlingen form Vrieslander. Ook onder de Oost- 
Friesen is de naam De Vries geenszins zeldzaam, terwijl hy ook 
als Friese en Fr e se in Duitschland , als Frison te Antwerpen 
voorkomt. In de zuidelike Nederlanden , bepaaldelik in West- Vlaan- 
deren komt de geslachtsnaam De Vriese, De Vries almede 
tamelik veelvuldig voor. Geleerden zijn van oordeel , dat een deel 
van het vlaamsche volk , langs de zeekust gezeten en in de lage 
landen daaraan palende , van frieschen oorsprong zy. En zy verklaren 
op deze wyze het voorkomen van dezen maagschapsnaam onder 
de hedendaagsche Vlamingen. Er is veel , dat sterk voor deze 
zienswyze pleit. 1 

De geslachtsnamen Drent en Drenth, Geldersman en Gel- 
derlander, zekerlikook Gelder man enhetpatronymikale Gelder- 



1 Zie mijn opstel Land , volk en taal in West- Vlaanderen , in Be Tijdspiegel , 
1884., bl. 1. 



GESLACHTSNAMEN AAN NAMEN VAN VOLKEN ONTLEEND. 201 

mans; verder Hollander, De Hollander, DenHollander, 
D'Holl ander, Zeeuw, De Zeeuw, De Seeuw, Zeelander 
en Zlander (sic) , Vlaming, Vlamingh, Vlaemynck, De 
Vlaming, De Vlamingh, De Vlaemingh, Fleminck, 
Vlemynck, De Vleminck, (ook in den tweeden naamval en 
als patronymika Fleminckx, Vlemynckx, Vleminck s); 
dan nog De Brabander, Brabander, Brabanter en De 
Brabandere eischen geene nadere verklaring, evenmin als T went 
(iemand uit Twente), Bilkert, het friesche woord voor iemand 
afkomstig uit de grieteny het Bilt in Friesland , Gooyer en 
Goyjer (iemand uit het Gooiland), en De Kempenaer, Kem- 
penaar, Kempeneer, De Kempenaire, De Kempeneir, 
Kempenaers. Kempenaars en Kempeneers, de naam d~r 
bewoners van de Kempen , eene landstreek in oostelik Brabant. 
Van onze eilandbewoners zijn de namen Schellinger, Vlie- 
lander, Tesselaar, Schokker en Bevelander afkomstig. 
Ook Juister, van 't oostfriesche eiland Juist. 

69. Wellicht behooren sommige patronymika, als geslachts- 
namen voorkomende, b. v. Friesinga, Sassink, Frankema, 
Beyerinck en Beyering, Swavink, Daeninck (zie bl. 
194), ook tot deze groep van namen, aan de namen van volken 
ontleend. Maar wijl de namen Fries, Saks, Frank, Beier, 
Swaaf, Dan o, die aan deze geslachtsnamen ten grondslag lig- 
gen , zoo wel mansvoornamen zijn als volksnamen , zoo is het 
twyfelachtig of men hier met het eene te doen heeft of met het 
andere. Deze geslachtsnamen komen vooral onder de Friesen voor. 
Behalven de bovengenoemden , die ook onder de formen Fr e sin ga, 
Friesenga, Vriesinga, Vriesenga, Fresing (met latyn- 
schen uitgang Fresenius), en Sassinga met Sassing voor- 
komen, zijn my nog de volgenden bekend, die allen van gelyken 
oorsprong zijn: Frisia (saamgetrokken uit Frising a), Frezema, 
Friesema, Vriesema, Friesma, Fresena (zie 46); 
Frankena, Franckena, Francken, Franken (Vrancken 
komt ook voor), Frenken; Saxema, Sassema, Sasma, 
Sassen; Daenen, enz. Zooals op vele voorgaande bladzyden 
kan worden nageslagen , beteekenen deze namen allen : afstamme- 



202 GESLACHTSNAMEN VAN AARDRIJKSKUNDIGEN OORSPRONG. 

ling of zoon van eenen Fries , eenen Saks , eenen Frank , eenen 
Beier , eenen Swaaf , eenen Deen , of van mannen die eenen dezer 
namen (Friso, Sax o, Frank), als vrnaam droegen. 

Eenige geslachtsnamen wil ik hier nog vermelden , die wel niet 
rechtstreeks tot bovenstaande namengroepen behooren , maar die 
toch beschoud kunnen worden , een toevoechsel tot die groepen uit 
te maken. In de eerste plaats behoort dan tot deze namen de geslachts- 
naam Provinciael, waar ik den geslachtsnaam Van Hoofd- 
stadt aan den eenen kant, en de maagschapsnamen Steeman en 
Stheeman aan den anderen kant tegen over stel. Zoo ook, als 
tegenhangers, de namen Van der Stad en Van Dorp, die al 
mede den zelfden zin hebben. Eindelik nog de geslachtsnaam 
Eilander. Nadere verklaring eischen dezen namen niet. Het zijn. 
als 't ware , ook algemeene aardrijkskundige namen (zie 94) , 
wijl men niet weten kan uit welke provincie , uit welke hoofd- 
stad , uit welke stad en welk dorp , of van welk eiland de eerste 
dragers dier namen afkomstig waren. 

70. Even als de namen van landen en gouen , zoo zijn ook van 
de namen van steden en dorpen geslachtsnamen gemaakt , en wel 
juist op de zelfde wyze als boven vermeld is in 66. Het ligt in den 
aard der zaak dat zulke namen meest van nederlandsche stads- 
en dorpsnamen ontleend zijn , naar dien de namen der buiten- 
landsche plaatsen aan onze spraakmakende gemeente , die deze 
namen het eerst in gebruik nam , meestal weinig bekend waren. 
Of iemand uit Darmstad of uit Kassei in de Nederlanden kwam 
wonen , was voor ons volk zoo tamelik het zelfde. Dat volk immers 
zag in dien man geen Darmsteder of Kasselaar , maar in 't alge- 
meen eenen Duitscher , of hoogstens eenen Hes. Men noemde hem 
dus naar zynen volksnaam , en niet naar den naam zyner geboor- 
testad. Maar iets anders was het, of iemand uit de eene neder- 
landsche plaats in de andere ging wonen ; als b. v. iemand uit 
Zwolle en iemand uit Leiden beiden zich te Amsterdam vestigden. 
Want de Amsterdammers merkten natuurlik wel degelik onder- 
scheid tusschen den man uit Zwolle en dien uit Leiden. En dies 
noemden zy wel degelik den eenen Zwolsman, den anderen 



GESLACHTSNAMEN VAN AARDRIJKSKUNDIGEN OORSPRONG. 203 

Leyenaar, welke toe- of bynamen later vaste geslachtsnamen 
geworden zijn , en als zoodanig nog onder ons bestaan. 

Toch vinden wy nog wel eenige geslachtsnamen , die aan de 
namen van buitenlandsche plaatsen, op de wyze der volksnamen 
ontleend zijn. Maar , voor zoo verre dit oorspronkelik nederlandsche 
geslachtsnamen zijn , en niet uit Duitschland tot ons overgekomen , 
zoo zijn zy toch meest afkomstig van de namen van steden , niet 
verre van onze grenzen gelegen , en die by ons volk , reeds van 
ouds her , genoegzaam bekend waren , b. v. Guliker en De 
Guliker, Munster man, Oldenburger, * enz., van de 
steden Gulik, Munster en Oldenburg. De volgende ge- 
slachtsnamen zijn nog ontleend aan de namen van verder afgele- 
gene , of minder bekende plaatsen: Altorfer (van Altorf, eene 
stad in Zwitserland), Augsburger (van Augsburg, stad in 
Zwaben , Beieren) , Berliner, Binger (van B i n g e n , stad in 
Rijn-Pruissen) , enz. 2 Deze soort van namen is in Duitschland veel 
talryker dan in Nederland , en vooral ook onder de duitsche Joden 
in zwang. Van daar dat zy ook in de Nederlanden veelal voor- 
komen by isralitische geslachten , uit Duitschland herkomstig. En 
tevens dat sommigen , door de wyze waarop zy geschreven worden , 
nog duidelik hunnen hoogduitschen oorsprong vertoonen ; b. v. 
Darmstadter. 

De geslachtsnamen die niet van vreemde , maar van nederland- 
sche plaatsnamen , op deze wyze geformd zijn , behooren geenszins 
tot de meest voorkomenden. Immers worden in Nederland de namen 



1 Brem er en B reemer, De Keulenaar, De Ceuleneer,DeCeuleneir 
en Ceulenaere, Clever, Hamburger, Luykenaar, Reeser en Sante- 
nair e. Beide laatstgenoemde namen, waarvan San ten ai re (in Vlaanderen voor- 
komende) in verfransclite spelling, zijn afkomstig van rijnlandsche stedekes, naby 
de nederlandsche grens gelegen, van Rees namelik en van Xanten. 

2 Bregentzer (van Bregentz, stad in Oostenrijk), Dannenfelser (van 
Dannenfels, dorp in den Beierschen Palts, by Kirchbeim-Bolauden), Darm- 
stadter (van Darmstad in Hessen), Eltzbacher (van Eltzbach, dorp by 
Bischofsheiin in Beieren) , K i r b e r g e r (van K i r b e r g , vlek in Nassau , by Wies- 
baden) , Mans vel der, (van Mannsfeld, si ad in de pruissische provincie Saksen) , 
Oppenheimer (van Oppenheim, stadje in Rijn-Hessen) , P r a g e r (van Praag 
l a Bohemen) , "Worm se r (van "Worms in den Rijn-Palts), Venetianer (van 
Veneti in Itali) , enz. 



204 GESLACHTSNAMEN VAN AARDRIJKSKUNDIGEN OORSPRONG. 

van inlandsche plaatsen veel meer tot geslachtsnamen gemaakt door 
voorvoeging van het woordje van. Behalven Zwolsman en Leye- 
naar, hier boven reeds genoemd, zijn my nog bekend: Brug- 
geling (een ingezetene van de vlaamsche hoofdstad Brugge), 
Oostburger (van het stedeke Oostburg in Zeeusch- Vlaan- 
deren) l , enz. De geslachtsnamen Op zoomer, OpzomerenOpso- 
m e r behooren aan verschillende , nog al talryke geslachten , zoowel 
in Noord- als in Zuid-Nederland inheemsch. Met den geslachtsnaam 
Bergopzomer 8 zijn zy afgeleid van den naam der brabantsche 
stede Bergen-op-Zoom. Mijn eigen naam Win kier behoort 
ook hier genoemd te worden , als zijnde , volgens maagschaps-over- 
levering , ontleend aan den naam van het dorp Winkel by Medem- 
blik in West-Friesland. De naam W i n k 1 e r , ook Winckler, 
Winkeler, Winklaar, Winkelaar en Wynkeleer, is vry 
algemeen ; onder beide eerstgenoemde formen vooral ook in Duitsch- 
land. Dat komt omdat er ook zoo veel dorpen en gehuchten zijn 
die Winkel heeten. In Duitschland liggen er wel honderd. Ook 



- 1 Abcouwev (van Abcoude, voluit Abekenwoude, maar in volksuitspraak 
Apkou dorp by Amsterdam); Alpheuaar (van Al f en, dorp in Rijnland, of 
ook in Noord-Brabant) ; Berkouwer (van Berkou, zoo als de volksuitspraak is 
van Berk wonde, een dorp in Zuid-Holland); Blesker (een friesche form; van 
De Blesse, eeu dorp ia Friesland op de overijsselsche grens); Brusselaar, 
Brusselaere en zelfs Bruysselaere, met de patronymika Brusselaers, 
Brusseleers en Brusseleirs (van de slad Brussel); Dordregter en 
Dortsman; Hagenaar (eeu inwoner van 's Gravenkage) ; Huyser en 
H u i z e r (van Huizen, het gooisclie dorp , of van H u y s s e n , het geldersche 
stadje); De Hulster, D' Hulster en Den Hnlster, misschien ook De 
Hilster (van de stad Hulst in Vlaanderen); Yperman (van de stad I peren 
in Vlaanderen); Kuindersman (van het vlek de Kuinder in Overijssel); 
Grolman (van Groeulo of Grol in Gelderland); Lekkerkerker (van het 
dorp Lek k erker k in Zuid-Holland); Lemmer sman (van het vlek de Lem- 
mer in Friesland); Lummel aar (van het durp Lummel in Belgisch-Lim- 
burg) ; Mechelaire (van de stad Mechelen in Brabant); Meppelder (van 
de stad Me pp el, in de wandeling Mep pelt genoemd, in Drente); Oost- 
woud er (van het dorp Oostwoude in Noord-Holland); O t tol ander (van het 
dorp Ottoland in Zuid-Holland); Pekelde r (van het vlek de Pekel-A in 
Groningerland , in de wandeling enkel de Pekel genoemd); Schager (van het 
vlek Schagen in West-Friesland); oolenaar (van de stad ter Tolen in 
Zeeland) , enz. 

2 Deze naam wordt vermeld in T. D. Wiarda , Ueber Deutsche Namen, bl. 126. 



FRIESCHE GESLACHTSNAMEN VAN AARDRIJKSK. OORSPRONG. 205 

in Vlaanderen vinden wy dezen dorpsnaam als W y n k e 1 ; van 
daar ook de vlaamsche form van dezen geslachtsnaam W y n k e- 
leer, met De Winkelair, De Winckeleer, en zelfs half 
verfranscht als De Winquelair en misschien ook Vinqueleir. 
Eindelik nog dient de geslachtsnaam Suringar hier vermeld te 
worden. Men meent dat deze naam die door dat ar op 't einde 
in plaats van het meer gewone er wel wat vreemd schijnt , ont- 
leend zy aan den naam van het friesche dorp Surich (of Zurig 
en Zurich), en dus Suricher zoude beteekenen. Deze meening 
krijcht nagenoeg zekerheid als men weet dat oudtijds het byvoe- 
gelike naamwoord aan den plaatsnaam Surich ontleend , werkelik 
suring luidde. In het Register van den Aanbreng van 1511 , dl. 
III, lees ik op bl. 320, in eene oorkonde van denjare 1546 noch 
een pondemate op Suringer meden gelegen'' . En die zonderlinge uitgang 
ar in plaats van er , is ook niet zonder voorbeeld. Nevens den ge- 
slachtsnaam S wits er toch hebben wy ook S wit sar (zie bl. 195); 
nevens Romer ook Romar (zie bl. 198). 

71. Met het boven besprokene achter voechsel er of aar, dat 
in de nederlandsche taal dienst doet om van plaatsnamen eerst 
byvoegelike naamwoorden , daarna ook weer zelfstandige naam- 
woorden en eindelik geslachtsnamen te formen , stemt volkomen 
overeen het achtervoechsel stra in het Priesch. Dit stra is Oud- 
friesch, en luidt in het hedendaagsche Friesch ster; b. v. friesch: 
de boarnster tr = de toren van het dorp (Olde-jBo or n ; L e ra- 
ster land, het land van de Lemmer, naam der grieteny waar 
van dat friesche vlek de hoofdplaats is. Oud-friesch: Tiettzerck- 
stera dela, heden ten dage Tietjerksteradeel, de naam 
der grieteny die naar het dorp Tietjerk genoemd is; Kiestra 
sil, tegenwoordig Keester zijl, de sluis by het slot Kie of 
K e e , enz. 

In Friesland komen zeer vele geslachtsnamen voor die op dit 
achtervoechsel stra eindigen. Te dezer plaatse willen wy slechts die 
genen vermelden van deze sfra-namen , welke van plaatsnamen zijn 
afgeleid. Zy formen de wergaden van de boven besprokene alge- 
meen-nederlandsche geslachtsnamen op er of aar uitgaande. Balk- 
s t r a (van het vlek Balk); Riedstra en Riestra (van het 



206 VERLATYNSCHTE GESLACHTSNAMEN VAN AARDRIJKSK. OORSPRONG. 

dorp Kied); Speerstra (van het gehucht S p e e r s , ook wel 
Speersterhuizen, oudtijds Speerstrahusen genoemd, by 
't dorp Deersum) , enz. 1 

71. De oude Nederlanders, vooral in de 16de en 17de eeu , 
waren liefhebbers om hunne namen te verlatynschen. By de be- 
handeling der geslachtsnamen van mansvrnamen geformd, heb ik 
daar reeds op gewezen (zie 22 en 55 58); ik zal er verder in dit 
werk, in 167, ook nog nader op te rug komen. Ook met hunne 
geslachtsnamen, van plaatsnamen ontleend, handelden onze voor- 
ouders zoo. Zy vertaalden die namen rechtstreeks in het Latyn ; 
of als dit niet wel ging , dan hingen zy er maar eenen latynschen 
steert aan. Jacob Harmenszoon van Oudewater (hy was 
van het zuidhollandsche stadje Oudewater geboortig) b. v. ver- 
taalde zynen naam in Jacob as Arminius Veteraquinas. Maar 
zekere Hendrik, in het drentsche dorp B e i 1 e n geboren , en die in 
1602 predikant was te Bloksyl , wist zich niet anders te helpen 
dan dat hy eenen latynschen uitgang achter den naam van zyne 

1 B e e r s t r a , van het dorp B e e r s . moet dus eigenlik Beersstra zijn ; 
Beetstra, van het dorp Beets; Boonstra en Boornstra, van het dorp 
Olde-Boorn, door de Friesen in de wandeling Boarn, Boon genoemd; 
Broekstra, van het dorp Broek; Budstra, van het gehucht de Bird, ge- 
woonlik volgens de friesche uitspraak de Bud genoemd, by Grou (deze geslachtsnaam 
komt dan ook te Grou voor); Dragstra, van het vlek Drachten; Gaastra 
(eigenlik Gaaststra), van het dorp Gaast; Groustra en G rouwstra, van 
bet dorp Grou; Heegstra, van het dorp Heeg; Ylstra (eigenlik Ylststra), 
van het stadje Ylst; Joustra en Jouwstra, van het vlek de Joure; K iel- 
stra en Kylstra, van het gehucht de Kiel by 't Hoogezand in Groningerland ; 
Knypstra en Kniepstra, van het dorp de Kny pe of Nieu-Brongerga ; Kootstra, 
van het dorp Koten; Lemstra, van het vlek de Lemmer; Nestra (Ncsstra 
ware beter geboekstaafd) , van een der drie dorpen Nes, die er in Friesland ge- 
legen zijn; Sneekstra, van de stad Sn eek; Steenstra en Stienstra, van 
het dorp Stiens; Teernstra, van het dorp Teems; Teunstra. van het 
dorp Tirns, in friesche uitspraak Tnns of Teuns genoemd; Troelstra, van 
het dorp Ter Oele, in de wandeling tot T roe Ie samengetrokken; Tznmstra, 
van het dorp Tzum of Tjum; Wierstra, van het dorp Wier, of van eenig 
ander wier , welk woord , nevens therji , in bet Friesch eene hoochte of heuvel be- 
teekent ; W y n s t r a , van het dorp W y n s of van de buurt W y n s by Ooster- 
eud allen friesche plaatsen. En nog velen meer, die men vinden kan in mijn 
>verk Een en ander over friesche eigennamen. 



VERLATYNSCHTE GESLACHTSNAMEN VAN AARDRIJKSK. OORSPRONG. 207 

geboorteplaats hing. Hij noemde zich Henricus Beylanus 
zoo doende had zijn naam toch eenen latynschen, naar de meening 
dier dagen eenen geleerden klant. En dien naam dragen zyne 
nakomelingen nog heden als geslachtsnaam. Verder in dit wei'k 
zal nader op dit onderwerp terug gekomen worden. Hier zy slechts 
vermeld dat er onder ons nog eenige andere geslachtsnamen be- 
staan, die van plaatsnamen verlatynscht zijn. B. v. Acronius, 
Neomagus, Roldanus, van de plaatsnamen Akkrnm, een 
dorp in Friesland, van de stad Nymegen, en van Rolde, een 
dorp in Drente. T Zekere Ruurd, van Akkrum geboortig, 
een herformd predikant in de 16 (1 e eeu , verlatynschte zynen naam 
in Ruardus Acronius. 2 Hy was de stamvader van het nog 
bestaande friesche geslacht van dien naam. 

72. In plaats van met de namen van volken en volksstammen, 
of met namen geformd uit de namen van landen en gouen , steden 
en dorpen , heeft men oudtijds in de Nederlanden vreemdelingen 
ook wel genoemd naar de enkele namen van de landen en gouen , 
steden en dorpen , waaruit zy afkomstig waren , zonder die namen 
door voor- of achtervoechsels te veranderen of te wyzigen. Zulke 
namen zijn later ook vaste geslachtsnamen geworden , en komen 



1 Alstorphius, van Als dor f, zoo als wel drie dorpen in Rijn-Praissen 
heeten, een by Aken, een by Trier, een by Coblentz. Essenius; de plaatsnaam 
Essen is in Nederland eigen aau drie gehuchten, by Bameveld in Gelderland, 
by Diepenveen in Overijssel , by Haren in Groningerland ; en in Dnitschland aan 
wel vijf verschillende plaatsen. Fledderus, van het drentsche dorp de V led der; 
Gronovius, van het westfaalsche stadje Gr on au, aan onze tvventsche grenzen 
gelegen; Hempenius, van het dorp Hempens by Leeuwarden; Noordanus, 
van de stad Nor den in Oost-Friesland; Pari sis, van Ta rijs; Schotanus, 
van het dorp (Olde- en Nye-) Schoot, in Friesland; Sevecotius, van eene 
plaatsnaam ZevenkotenofSevecote in Vlaanderen? Staphor stius, van het 
dorp Staphorst in Overijssel; Stavorinus, van de stad Staveren in Fries- 
land: Tilanus, van de stad Ti el in Gelderland; Swalmius, van het dorp 
Swalmen by Roermond in Limburg (zie Nav. : XXXIII, 294); Buranus, van 
het stadje Buren in Gelderland; Verdenius, van de stad Ver den in Hanover; 
Werumeus, van een der in de friesche gewesten talryke dorpen die Wierum 
of Werum heeten ; Winsemius, van het friesche dorp Winsum; Colonius, 
van de stad Keulen, enz. 

2 Zie Navorschcr, dl. XXVI, bl. 351 en 362. 



208 GESLACHTSNAMEN VAN AARDRIJKSKUNDIGEN OORSPRONG. 

nog onder ons voor; b. v. Itali, Bourgonje, Vlaanderen, 
Belgrado, Jerusalem, Hinlopen. Even als de geslachts- 
namen die de vorige groep formen , komen ook deze enkelvoudige 
namen betrekkelik zeldzaam voor. Althans veel minder dan de 
geslachtsnamen met het voorvoechsel van. Eenigen zijn nog al 
by zonder , of eischen eenige verklaring. America en Oostindi 
zijn waarschijnlik eerst gedi-agen door lieden die eenigen tijd , 
korter of langer , in Amerika en in Oost-Indi hadden ge- 
woond , maar die toch oorsj)ronkelik Nederlanders waren. Spits- 
bergen is de naam van een onbewoond eiland in de IJszee. 
In de 17<le eeu plachten de nederlandsche walvischvaarders daal- 
de zomermaanden te vertoeven om hun vischspek tot traan te 
koken. Hunne nederzetting aldaar droeg den naam van Smeren- 
burg. Misschien is de geslachtsnaam Spitsbergen (die ook , volgens 
den hollandschen tongval , als Spisbergen voorkomt) wel recht- 
streeks aan den naam ontleend van een huis, 't welk men ge- 
noemd had naar dat oudtijds by ons zoo bekende eiland. Zuid- 
strand is de naam van een noordfriesch eiland, dat reeds vroeg 
in de middeleeuen in de Noordzee verdronken is. Weinig meer dan 
de naam is er nog van bekend. Of de geslachtsnaam Zuidstrand 
dus zijn ontstaan aan den naam van dat eiland heeft ontleend , is 
minstens hoogst twyfelachtig. Misschien is deze geslachtsnaam 
slechts ontstaan als een tegenhanger van den maagschapsnaam Noord- 
strand. Dit is oorspronkelik de naam van een ander eiland in 
Noord-Friesland. Op dit eiland Noordstrand is sedert de 1 7de eeu 
eene volkplanting gevestigd van uitgewekene hollandsche boeren , 
die den Oud-roomschen , zoogenoemd Jansenistischen godsdienst 
belyden , en nog heden in het kerkelike verbonden zijn met hunne 
geloofsgenooten in de Nederlanden , van waar zy ook hunne gees- 
teliken bekomen. Door deze omstandigheid is het voorkomen van 
dezen geslachtsnaam onder ons te verklaren. 

De maagschapsnaam Beeuwzier is oorspronkelik een engelsche 
plaatsnaam , maar in verdietschten en dan nog verbasterden , mis- 
spelden form. De kaap Beachy-head aan de zuidkust van 
Engelland, wel bekend by allen die het Engelsche-kanaal bevaren, 
draacht van ouds reeds by onze zeelieden den naam van Breve- 
sier, B e e v s i e r of Beeuwzier, en dit is eene verbastering 



GESLACHTSNAMEN VAN AARDRIJKSKUNDIGEN OORSPRONG. 209 

van Pevensey, de n.am van het plaatsje dat naby de kaap ligt. l 
Nederlandsche geslachtsnamen die oorspronkelik de namen zijn 
van vreemde landen , gouen en eilanden , zijn , behalven de boven- 
genoemden, nog: Beyeren, Holstein en het misspelde Hol- 
stijn, Maltha, enz. 2 Inlandsche landstreken vinden wy genoemd 
in de maagschapsnamen Brabant (met den patronymikalen form 
Brabants), Betuwe, Gaasterland (in Friesland) , Gelder- 
land, Holland (met de patronymikale formen Hollands en 
Hollandts), Maaskant, Stellingwerf en Stelling w er ff 
(in Friesland), Vlaanderen en Vlieland. En den geslachtsnaam 
Zeekant mag men hier ook wel toe rekenen, even als Juist, 
aan het oostfriesche eiland van dien naam ontleend. Eindelik nog 
Nederland. 

Als nederlandsche maagschapsnamen die oorspronkelik de namen 
van vreemde plaatsen zijn , noem ik hier , behalven Belgrado en 
Jerusalem, nog : Ba mouw (Barnow, dorp in Pommeren) , 
B a k e w e 1 (in Engelland) ,Bethlehem en Betlem,Bourdeau, 
enz. 3 De oud-nederlandsche form van den naam waaronder by onze 



1 Zoo geven onze zeelieden , in het Engelsche-kanaal zoo wel bevaren , aan liet 
Nau tusschen Dover en Kales (Calais), aan de vooruitstekende landpunt van 
Dungeness, waar de ligplaats is onzer loodskotters, en aan den Start-point der 
Engelschen, nog de oud-nederlandsche namen van de Hoofden", de Singels" 
en Goudstaart." 

2 Elzas, Nassau, Navaere (Navarre), Nenmark (eene gou van het pruis- 
sische gewest Brandenburg), Noorweegen, Oostenrijk, Padmos en Patmos, 
Piemont, Pommeren, Pruissen, Sauerland (eene gou van Westfalen), 
Spanje, Tirol eu Tyrol, Toscanie, Waldeck, Wetterau (eene hessische 
gou), enz. Ook nog Portugaels, dat als een patronymikon in den tweeden 
naamval staat. 

3 Brand enbnrgh en Brandenburg, Calisch met Kalisch, Kalis eu 
Calis (stad in Polen), Clermont, Cracau, Dublin, Edenburg, Fernara- 
bucq, Kantelberg (dit is de oud-nederlandsche form van den naam der stad 
Canterbury in Engelland), Konijn (Conin, stad in Polen; zie ook bl. 210), 
Lankester, Libau (stad in Koerlaud), Lion (?), Lissa (stad in Polen) , London 
en Londen, Madras, Marseille, Mesritz en Meseritz (stad in Polen), 
Murcia, Orleans, Parijs, Presburg, Riga, Robaeys (deze naam, in Vlaan- 
deren voorkomende, vertocnt den byzonder-vlaamschen form van den naam der stad 
Roubaix, oorspronkelik Roodebeke, in Frausch-Vlaanderen), Romen eu Roo- 
men, Rouaan en Rowaan, Toledo, Yersailles, "Wyborgh en "Wyburg 
(stad in Finland). 

14 



210 GESLACHTSNAMEN VAN AARDRIJKSKUNDIGEN OORSPRONG. 

voorouders de stad D a n z i g aan de Oostzee bekend was , luidde 
Danswijck," en Danswijck komt nog heden als geslachtsnaam 
onder ons voor. Ik ben niet zeker of ik de geslachtsnamen R o- 
meny en Rum menie ook tot deze groep moet bi'engen. Wellicht 
zijn deze namen , die oorspronkelik wel n zullen geweest zijn , en 
nu slechts in spelling verschillen, ontleend aan den naam van het stadje 
Romney in Engelland , naby de Singels (Dungeness , zie de noot op bl. 
209) , aan het Nau van Kales gelegen. Dit oord wordt door neder- 
landsche zeelui steeds druk bezocht. Misschien ook is R o m e n y 
eenvoudig de naam van romenye , zekere soort van spaanschen wijn , 
die in de middeleeuen by onze voorouders veel gedronken werd. 

Merkweerdig is het dat er onder deze namen nog al velen voor- 
komen die oorspronkelik de namen van poolscTie steden zijn. Deze 
namen worden hooftsakelik gedragen door isralitische geslachten , 
welke uit die steden afkomstig zijn, en die, toen zy zich in ons va- 
derland vestigden , die stedenaraen als geslachtsnamen hebben aan- 
veerd. De naam K o n ij n , door een isralitisch geslacht gedragen , 
heb ik ook hiertoe gerekend. De mogelikheid bestaat echter dat 
deze naam ook eenvoudig aan het bekende dier konijn ontleend 
zy. Waar die zelfde naam , ook als C o n ij n voorkomende , door 
een oorspronkelik-nederlandsch geslacht gedragen wordt, gelijk het 
geval is , neem ik dezen laatstgenoemden oorsprong ook liever aan. 
Maar by de Joden is het konijn een dier , 't welk door hunne gods- 
dienstige wet hun verboden is te eten , zoo wel als het zwijn. Dus 
is het niet waarschijnlik dat een Jood zich zoude genoemd hebben 
naar een , voor hem onrein dier. Toch draagt een isralitisch ge- 
slacht den naam Haas, niettegenstaande in de joodsche spijswetten 
ook de haas , zoowel als het konijn en het zwijn , tot de onreine 
dieren wordt geteld. 

Dat reeds in de 17de e eu , en ongetwyfeld nog veel vroeger, 
zulke namen van vreemde plaatsen , eerst als by- of toenamen , 
later als vaste geslachtsnamen in gebruik waren, leert ons Cornelis 
HendricxzCompostel, die in 1644 een der schepenen was van 
Hoorn. Deze naam Compostelis oorspronkelik de naam van de stad 
Sint-Jacob van Compostella of Santiago de Compo- 
stella, in Spanje; eene stad, die oudtijds door Nederlanders zeer 
veelvuldig in bedevaart bezocht werd. Die spaansche plaatsnaam 



GESLACHTSN. AAN DE NAMEN VAN UITL. PLAATSEN ONTLEEND. 211 

Santiago de Cornpo stella is, hoe vreemd het schyne, eene 
verbastering van het latynsche Sanctus Jacobus Ap o s t o 1 u s. * 
En dat die spaansche verbastering Compostella in Nederland op 
hare beurt niet slechts tot Com postel, maar ook nog verder werd 
ingekort , zien wy in het tijdschrift De Navorscher , waar (deel XXXII , 
bl. 247) een zestiende-eeusche Nederlander, namens Jacob van 
Compostelle of Stelle" vermeld wordt. Wie zou in dezen een- 
voudigen nederlandschen geslachtsnaam Stelle den spaanschen 
naam Compostella en het latynsche woord apostolus vermoeden ? 

73. Wijl er steeds zeer vele Duitschers in de Nederlanden 
zich gevestigd hebben , zoo ligt het voor de hand dat ook zeer 
vele duitsche plaatsnamen hier als geslachtsnamen moeten voor- 
komen. En dit is in der daad het geval. Zulke geslachtsnamen zijn 
zoo talrijk , dat ik hier slechts enkelen daar van opnoemen kan ; A n- 
spach, Bamberg (Ansbach, ook even vaak Anspach ge- 
schreven , en Bamberg zijn steden in Frankenland , Beieren) ; Ber- 
lijn en Berlin; Byleveld, Bylefeldt, Bielevelt. Laatst- 
genoemde naam , op verschillende wyzen geschreven , komt zoo 
veelvuldig voor, omdat de westfaalsche stad Bielefeld, waar 
hy aan ontleend is , oudtijds eenen drukken handel in lijnwaad 
met de Nederlanden dreef. Uit die reden vonden vele ingezetenen 
dier stede aanleiding zich onder ons te vestigen. Verder Br e si au 
en Br e si ou, Darmstadt, Dortmund en Dortmond, 2 enz. 
Dit zijn allen namen van groote of van welbekende steden in 

1 Yonge, Christian Names, dl. I, bl. 54. 

2 Dresden, Dusseldorf en Dusseldorp, Frankfort, Halberstadt, 
Hamburg, Hanou (Hanau is eene stad in Hessen, waarvan d' inwoners veelvuldig 
in verbinding stonden met Nederlanders , en waar ook nog in deze eeu eene nederlandsche 
herformde gemeente gevestigd was), Heilbron, Keulen, Lobensteyn,Luneburg, 
Maagdenburg, Manheim, Metz (deze dikwijls voorkomende geslachtsnaam, 
en die door verschillende maagschappen gedragen wordt, kan ook een patronymikon 
zijn, en wel een tweede naamval van den ouden mansvruaam Met, Mette; zie 
bl. 154. Vooral waar hy als Mets geschreven wordt, zal dit het geval zijn). Dan 
Minden (komt ook, volgens de hollandsche uitspraak, als Minde voor); Neu- 
renberg (en misschien is Ncur den burg hiervan wel eene verbastering); Re- 
genspurg (nog in de oude zuidduitsche spelling, met p in plaats van b), Selle 
en Z e 1 1 e (Celle , stad in Hanover) , Andemagt, (dat is Andernach aan den 
Rijn; zie 156), Slees wijk, Spandaw (Spandau, Spandow, stad in Bran- 



212 GESLACHTSN. AAN DE NAMEN VAN UITL. PLAATSEN ONTLEEND. 

Duitschland. Maar in grooter aantal nog komen , als nederlandsche 
geslachtsnamen , de namen van kleine en minder bekende plaatsen 
voor , die in westelik Duitschland , ten deele ook niet verre van 
onze grenzen gelegen zijn. Uit die plaatsen immers was en is het 
grootste deel afkomstig van de Duitschers die zich in Nederland 
vestigen. Zie hier eenigen van die namen: Achenbach (dorp by 
Siegen in Westfalen) , Ahaus (stadje in Westfalen , naby onze 
geldersche grenzen), Au rik (stad in Oost-Friesland). 1 In hunne 
spelling zijn deze soort van geslachtsnamen vaak gewyzigd naar de 
nederlandsche boekstaving ; b. v. Boer lage en Buurlage, Geel- 
kerken, Gilhuys, Meurs, in de plaats van Burlage, Gei- 



denburg , Pruissen) ; S p e y e (de hoogduitsche form van den naam der stad S p i e r s , 
in den Pfalz) ; Straatsburg, Weymar, Wolffenbuttel en Zerbst, eene 
stad in Aiibalt. 

1 Ben raadt (dorp in de Rijnlanden by Dusseldorp) , Berssenbrugge (dorp 
in Hanover by Osnabriick), Burlage, Boerlage, Buurlage (Burlage is een 
dorp in Oost-Friesland) , Brandligt (dorp in de graafschap Bentheim), Dorn- 
seiffen (dorp by Siegen in "Westfalen), Emmelkamp (dit is de nederduitsche 
naam van het dorp Emblicheim, in de graafschap Bentheim, aan onze drentsehe 
grens by Koevorden gelegen); Geelkerken, nederduitsche form van den naam 
van het stadje Geilen kir ch en, in de Rijn-provincie, naby onze limburgsche 
grenzen gelegen , G e s c h e r (dorp in Westfalen naby onze twentsche grens) , 
Gilhuys, nederlandsche form van den naam van het stedeke Gildehaus, in de 
graafschap Bentheim. naby onze twentsche grens gelegen, Holtrop (dorp in Oost- 
Friesland); Iburg (vlek in Westfalen, by Osnabriick), Kleinenboich (dorp in 
de Rijn-provincie, by Gladbach) , Kiev e (stad in de Rijn-provincie, naby onze 
geldersche grens), Kloppenburg (stadje, in Oldenburg), Kniphnisen (in Jever- 
land, Oldenburg), Kranenburg en Cranenborg (stedeke in de Rijn-provincie, 
naby onze geldersche grens), Meurs (Mors, stadje in de Rijn-provincie, by Keulen), 
Noordhoorn (Nordhorn, stadje in de graafschap Benthem, aan onze twentsche 
grens), N orden en Noorden (stad in Oost-Friesland), Pruim (verhollandscht van 
Prm, een stadje bezuiden Aken iD de Rijn-provincie) , Steinvoort, Steinfort en 
Steinfoorte (Steinfurth, stadje in Westfalen), TekelenburgenTecklenborg 
(stadje by Munster in Westfalen), Tin holt (gehucht by Emlenkamp zie hier 
boven), Viersen en Vierssen, Wagtendonk en Wassenbergh (alle drie 
stadjes in de Riju-provincie, aan onze limburgsche grens), Weener en Witmond 
met Witmondt (twee oostfriesche stadjes), Wit lage (dorp by Osnabriick), 
Wittmarschen (Wytmarschen of Wietmarschen, de naam van een oud 
en beroemd klooster, thaus van een klein gehucht in de graafschap Benthem, by 
Noordhooru aan onze twentsche grens), enz. 



GESLACHTSN. AAN DE NAMEN VAN U1TL. PLAATSEN ONTLEEND. |213 

lenkirchen, Gildehaus en Mors, zoo als de hoogduitsche 
rechtschryving eischt. 

Ten slotte mogen hier nog enkele nederlandsche geslachtsnamen 
eene plaats vinden , die ontleend zijn aan de namen van kleine en 
minder bekende steden en dorpen , verderop in Duitschland gelegen. 
Dit zijn: Bischoffsheim (dorp in Eijn-Hessen) , Breiden- 
bach, ook in hollandsche misspelling als Brijdenbach, en ver- 
dietscht als Breedenbeek (dorp in Hessen aan de Lahn) , Gr r- 
litz (stad in het koninkrijk Saksen), Kaub (stadje aan den Rijn 
in Nassau), Markelbach en Merkelbach, ook in misspelling 
als Markelbach (dorp in Nassau), Oppenheim (stadje in 
Rijn-Hessen) , O s c h a t z (stad in het koninkrijk Saksen) , Steven- 
hagen (dit is de nederduitsche form, ook wel samengetrokken en 
verbasterd tot Stemhagen, van den hoogduitschen naam van het 
stadje Stavenhagen in Mecklenburg) , Trarbach (stadje in de 
Rijn-provincie , aan de Moesel) , Wertheim (stad aan de Main in 
Baden) , enz. 

De geslachtsnaam Sarlouis is ontleend aan den naam van het 
stadje Sarlouis ofSaarluis, in Lotharingen. Ook als Sar luis 
en S e r 1 u i , en zelfs geheel verbasterd als Scharlewie komt deze 
zelfde geslachtsnaam in Nederland voor. Of de geslachtsnaam 
Charlouis ook aan dezen zelfden plaatsnaam ontleend zy , waag 
ik niet te beslissen , maar komt my zeer waarschijnlik voor. Mis- 
schien echter is hy ook afkomstig , evenak de geslachtsnamen Sj aar- 
louis, Sjaarloos en Saarloos, van den naam van het over- 
maassche dorp Charlois, in Zuid-Holland. Al deze geslachtsnamen 
zijn in spelling en uitspraak zoo verbasterd , dat men ze kwalik 
meer van eikanderen onderscheiden kan , veel min met zekerheid 
hunnen oorsprong kan aangeven. 

Hernals is de naam van een dorp in Oostenrijk, by Weenen. 
Deze naam heeft waarschijnlik wel oorsprong gegeven aan de ge- 
slachtsnamen Hernalsteen, Brnalsteen en Ernaelsteen, 
die in de zuidelike Nederlanden voorkomen , en die ik anders niet 
weet te verklaren. Misschien ligt er by dit dorp wel een burcht, 
die den naam van Hernals-stein voert , en hunnen van dien 
naam nog nader de bovengenoemde geslachtsnamen ontleend zijn. 
De omstandigheid dat de zuidelike Njdsrlandn in de 17^e en 



214 GESLACHTSNAMEN AAN INLANDSCHE PLAATSNAMEN ONTLEEND. 

18de eeu onder oostenrijksche heerschappy stonden , waardoor er 
wel oostenrijksche beambten in die gewesten werden aangesteld , 
die hunne oostenrijksche namen daar invoerden , geeft aan bovenge- 
noemde vooronderstelling te meer grond. Volgens de eigenaardige 
vlaamsche uitspraak is de oorspronkelike letter h in Ernalsteen 
verloren gegaan , en toont Ernaelsteen nog grooter verbaste- 
ring , volgens de zuid-nederlandsche spelling. 

De geslachtsnaam Nederkoom, te Haarlem niet zeldzaam , 
zal wel eene verdietsching zijn , in spelling en uitspraak , van den 
naam van het dorp Niederkorn of Nieder-Korn (daar is 
ook een Ober-Korn), in Luxemburg. 

De geslachtsnamen Emmerik en Emrik eindelik, zijn hoogst 
waarschijnlik wel afgeleid van den naam der stad Emmerik in 
de Rijn-provincie , naby onze geldersche grens. Emmerik, Emme- 
r i c h is echter eveneens een oud-germaansche mansvrnaam , en 
deze mansnaam kan dus ook de oorsprong der genoemde geslachts- 
namen zijn. Aan het patronymikon Emmeriks, ook als geslachts- 
naam voorkomende , ligt hy zonder twyfel ten grondslag. 

74. Wat nu de geslachtsnamen betreft, die oorspronkelik de 
namen zijn van nederlandsche steden en dorpen , vlekken en ge- 
huchten , dezen zijn , uit den aard der zake , z talrijk , dat er 
geen denken aan is , hier ook slechts een honderdste gedeelte van 
al die namen op te noemen. Slechts eenige weinigen , opzettelik 
uit alle verschillende nederlandsche gewesten genomen , kunnen 
hier vermeld worden : Dokkum, Dronrijp, Hinlopen. * Dit 
zijn allen namen van welbekende plaatsen. Maar ook vele maag- 



1 Hoogezancl, Muntendara, Dwingeloo, Hoogeveen, Vollenhove, 
Kampen (kan ook een patronymikon zijn), Steenwijk, Appeldoorn, Barne- 
veld, Eibergen, Amerongen, Montfoort, Akersloot, Medemblik, 
Wydenes, Goudriaan, Pijnacker, Baarland, Cats, Middelburg, 
Zirkzee (eene wanspelling van Zieriksee) , Eindhoven en Entboven, Oost er- 
wijk, Steenbergen, Broekhuizen en Broekhuyse, Beverloo, Valken- 
burg, Calmpthout, Hoogstraten en Hoogstraeten, Moll, Aarschot, 
Loven en Leuven, Oudenaarde, Ronse, Kortrijk, Meeuen, Blanken- 
berg, Belle, Peene, Linzeele, enz. Dit laatste (Lynsele, Lijnsele, Lein- 
sele), is de oud-nederlandsche naam van het oud-vlaamsche dorp iu Fransen- Vlaan- 
deren, dat thans den verfranschten naam van L in cel les" draagt. 



GESLACHTSNAMEN AAN INLANDSCHE PLAATSNAMEN ONTLEEND. 215 

schapsnamen zijn ontleend aan de namen van kleine gehuchten , 
die weinig bekend zijn buiten hunnen naasten omtrek. De verklaring 
van die namen ligt dus niet z voor de hand. Zulke maag- 
schapsnamen zijn: Bakhuizen (een zeer klein dorpke , eigenlik 
slechts een gehucht , in Gaasterland , Friesland) , Reen (gehucht 
by Lutke-Wierum , Friesland), Tjallewal (gehucht by Schagen, 
West-Friesland) , Knossens en Cnossens (gehucht , of eigenlik 
slechts eene enkele sat in de zoogenoemde Sneeker-Vijfga , Fries- 
land) , Bobeldijk (gehucht by Berkhout , Noord-Holland) , D e 1 f- 
gaauw en Delfgou (gehucht by de stad Delft), Harscamp 
(een landgoed by 't geldersche dorp Ede), Onsenoort (gehucht 
by Heusden in Noord-Brabant) , enz. Wie zoude ook niet in de 
maagschapsnamen Stroobos en Valom veel eerder iets anders 
zoeken dan juist plaatsnamen? En toch zijn zy oorspronkelik wel 
degelik de namen van de gehuchten Stroobos in Achtkarspelen , 
en Valom in Dantumadeel , beiden in Friesland. Zelfs aan de namen 
van enkele huizen , buitenverblijven , bekende herbergen , enz. zijn 
maagschapsnamen ontleend; b. v. Slangenburg, landgoed by 
Deutinchem in Gelderland , Spannenburg, naam van eene her- 
berg naby de stad Sloten in Friesland , aan den Lemster-straat- 
weg; Luchtenveld, eveneens de naam van eene herberg in 
Friesland , by het dorp Jorwerd ; Spaarenberg, de naam van 
eene buitenplaats by Haarlem ; Rustenburg, de naam van vele 
onderscheidene buitenplaatsen en herbergen , overal in de Nederlan- 
den verspreid , enz. De geslachtsnamen Hoogerbeets en Hoger- 
beets, die geenszins zeldzaam zijn, en aan verschillende, onderling niet 
verwante geslachten behooren , dienen hier ook vermeld te worden. 
De bekende Rombout Hoogerbeets voerde dezen zynen toe- 
naam naar eene hofstede van dien naam in of by het dorp Beets 
in West-Friesland by Hoorn gelegen , welke hofstede , naar alle waar- 
schijnlikheid, op eene eenigszins verhevene plaats zich bevond. Zijn 
bloedverwant , de minder bekende dichter Johan Beets, ont- 
leende weer zynen toenaam aan dien van het dorp zelven , waai- 
de hofstede gelegen was, die denkelik van ouds eigen was aan 
de maagschap, waar Rombout en Johan deel van uitmaakten. l 



1 Zie De Navorsclier , dl. XXVIT1, bl. 88. 



216 GESLACHTSNAMEN AAN INLANDSCHE PLAATSNAMEN ONTLEEND. 

Nog heden, 't is genoeg bekend, komt de maagschapsnaam Be ets 
in Holland voor. En ook in Friesland , waar hy wel aan den naam 
van het friesche dorp B e e t s , in Opsterland , zal ontleend zijn. De ge- 
slachtsnaam Gonggrijp is eigenlik de naam van het dorpke G o i n- 
g a r y p , in Donia warstal (Friesland) , in verbasterden form. Maar 
Deutekom, als maagschapsnaam voorkomende, kan naueliks als 
een verbasterde form van den plaatsnaam Deutinchem (stadje 
in Gelderland) beschoud worden, naardien Deutekom" werkelik 
de algemeen gebruikelike uitspraak van dezen naam voorstelt. De 
geslachtsnaam N i e r o p (even als Van N i e r o p) , ook nog meer 
samengetrokken als N i e r p voorkomende , is eigenlik de naam van 
het noord-hollandsche dorp Niedorp, in de volksspreektaal 
Nierop" of zelfs Nierp" genoemd, even als het volk in 
Holland ook Barop", Apkou" (Abcoude), Berkou" en 
Boref" zegt en gedeeltelik ook wel schrijft, in stede van de 
volle namen der dorpen Ransdorp, Abekenwoude, Berk- 
woude en Bodegraven. Den maagschapsnaam Tra (Tra komt 
ook voor, met Van Traa) ziet men zynen oorsprong van den 
plaatsnaam Ter- Aa ook niet op het eerste gezicht aan. Ter- Aa 
of Nieuwer-ter-Aa voluit, is een dorpke in het gewest van 
Utrecht. De maagschap , die dezen naam draagt , voert tevens den 
geslachtsnaam Kranen (Tra Kranen"). Voegt men deze twee 
namen samen, gelijk veelal by misverstand gebeurt, als Trakra- 
nen, dan schijnt de beteekenis nog duisterder. l De naam van 
het dorp Stol wijk, by Gouda gelegen, wordt in de wandeling 
tot Stolk" samengetrokken, en komt ook in dien versletenen 
form S t o 1 k als geslachtsnaam voor. De geslachtsnamen Grol 
en G r o 1 1 zijn eveneens samentrekkingen , volgens het alledaagsche 
spraakgebruik , van den naam dien het geldersche stedeke Groenloo 
in den volksmond draagt. 1 d e n z e e 1 , als maagschapsnaam voor- 
komende, vertoont de dageliksche volksuitspraak van Oldenzaal, 



1 Eene zonderlinge, den oore beleedigende en de tonge vermoeiende samenstelling 
van geslachtsnamen, eigen aan een enkel persoon, is Van Taack Trakranen 
(Van Taack Tra Kranen). Zoo deze naam ook nog eens tot eenen enkelen monster- 
naam samenvloeide, gelijk Tra Kranen reeds tot n naam geworden is! Van- 
taacktrakran en ! 



GESLACHTSNAMEN AAN 1NLANDSCHE PLAATSNAMEN ONTLEEND. 217 

het stadje in Twente. De geslachtsnaam Bellingwout moet be- 
schoud worden als eene omzetting in byzonder-hollandsch van den 
naam des dorps Bellingawolde in Groningerland. Maar de 
maagschapsnamen Wilde rvank en Wilde rvanck zijn niet 
ontleend aan den naam van het vlek Wilde rvank in Gronin- 
gerland. Het omgekeerde is waar ! Immers hier is het de plaatsnaam 
die aan den geslachtsnaam ontleend is. Het vlek draagt zynen naam 
naar dien van den stichter dier plaats , in de eerste helft der zeven- 
tiende eeu, naar Adriaan Greerts Wildervanck of Wild- 
vang, een toenaam, die te kennen geeft iemand die wild vangt"; 
die dus, met Wildschut" , jager beteek ent. 

Holierook en Olierook zijn nederlandsche]maagschapsnamen , 
die zekerlik door niemand zoo terstond zullen worden beschoud 
als afgeleid te zijn van plaatsnamen , ten zy dan van eenen engel- 
schen naam H o 1 y r o c k" , gelijk men eens heeft willen beweren , en 
tegenover my heeft staande gehouden. De oorsprong van deze 
zonderlinge namen is als volgt : Van ouds lag , niet verre van 
Schiedam , het huis van een adellik geslacht , en dat huis droeg 
den verstaanbaren , duideliken , zuiver nederlandschen naam van 
Hooglede (H oog-Led e). Maar deze naam werd door het volk 
al spoedig verbasterd en verkort. Natuurlik sleet de laatste lettergreep 
er spoedig af, en de g werd, op oud-nederlandsche wyze , zoo 
zacht mogelik uitgesproken, dat deze letter weldra in eene j (o i , y) 
verfioeide, eerlang ook geheel uit het oorspronkelike woord sleet. 
Eene andere eigenaardigheid , de byzonder-hollandsche uitspraak 
van menige e als i (ee als ie , been = bieri) , deed mede haren 
infloed op den naam Hooglede gelden. Met dat gevolg dat 
Hooglede in den mond des volks nog slechts voorkwam als 
Hooilee, Holee, Holy of Holi. De Schiedammers echter, 
als zoo vele andere Nederlanders, laten de h geerne achterwege 
in hunne uitspraak , zoo dat Holy nog meer inkromp en 1 i 
werd. De weg die van ouds uit Schiedam voerde naar het huis Hoog- 
lede, de Hooglederweg dus, is dan ook te Schiedam nog 
slechts bekend als de 01ieweg". Immers , de zoo erg mishandelde 
naam 1 i kon door het volk niet meer verstaan worden ; zoo 
dacht men dan aan het woord olie , en de schiedamsche vOlieweg" 
had nu eenen verstaanbaren naam. Ook in hedendaagsche maag- 



218 GESLACHTSN. AAN BYZONDERE NEDERL. PLAATSN. ONTLEEND. 

schapsnamen vinden wy deze min of meer versletene formen terug ; 
namelik in Van Hoylede en in Van Holy. 

Zeker oord in de nabyheid van het huis Hooglede werd, om 
de eene of andere reden , die tot onze zaak niet afdoet , de H o o g- 
lederhoek genoemd, en de polder, daar bestaande, is nog heden 
bekend onder den naam van Hooglederhoeksche polder. 
Maar even als 't oorspronkelike Hooglede tot Holy was ver- 
basterd , zoo maakte het volk van Hoogleder hoek ook H o 1 y e r- 
hoek, Holirhoek, en dien ten gevolge ziet men den naam 
van den polder dan ook wel als Holirkoeksche polder" 
geschreven ; b.' v. in Witkamp's Aardrijkskundig Woordenboek. De 
schielaadsche in- en omwonenden van Hoogleder hoek of Ho- 
lirhoek kapten, naar schielandsche gewoonte , in hunne uitspraak 
die h weer weg, en maakten van dezen plaatsnaam : 'olir'oek, 
Olieroek. Met dezen form Olieroek weet het volk nu wr 
geen weg. Het maakt er dus Olierook van. Daarin is ook nog 
wel geenen duideliken zin opgesloten , maar olie en rook zijn toch 
twee woorden die het volk kent , en daarmede is men dan te vreden 
gesteld. Zoo zijn de maagschapsnamen Olierook en Holier ook 
waarvan de laatste ten minste nog de beginletter h bewaard heeft , ont- 
staan uit den plaatsnaam Hoogleder hoek, en daarvan verbasterd. 

7 5 . De geslachtsnamen Duinkerken en Hazeb roek moeten 
hier ook genoemd worden , zoowel als Belle, Peeneen Linzeele, 
op bl. 214 vermeld. Want al behooren de steden, wier namen 
oorsprong gaven aan deze geslachtsnamen , thans (nog) tot Frankrijk , 
zy zijn toch oorspronkelik echt vlaamsch , zuiver nederlandsch , 
gelijk hunne namen duidelik uit wy zen , en gelijk de volkstaal dezer 
plaatsen dan ook nog steeds is. Het schijnt dat vooral uit de stad 
Hazeb roek vele ingezetenen, zoo voor als na, in andere plaatsen, 
zoo wel van Noord- als van Zuid-Nederland, zich met der woon hebben 
gevestigd. Immers komt de maagschapsnaam , aan dezen stadsnaam 
ontleend , dikwijls en veelvuldig onder ons voor , en wel onder 
allerlei formen , als : Hazebroek, Hasebroeck, Haesebroeck, 
Haesebroek, Haesebrouck, (met Van Hazebroek), enz. 
en behoort aan verscheidene , onderling niet verwante geslachten. 
De geslachtsnaam Hautryve (met Van Houtryve) is ontleend 



GESLACHTSN. AAN BYZ0NDEB.E NEDEEL. PLAATSN. ONTLEEND. 219 

aan den naam van het westvlaamsche dorp Hautryve. Deze 
naam is van romaanschen oorsprong : alta ripa , haute rive , hooge 
oever , namelik van de Schelde , waaraan dit dorp gelegen is. Toch 
zijn de hewoners van dit dorp vlaamsch-sprekende Vlamingen. 
De maagschapsnamen Doornik, Luik en Luyk zijn afkomstig 
van de namen der bekende steden in het waalsche gedeelte van 
Belgi. Slecht voor zoo verre deze namen zuiver neder] andsch zijn , 
behooren zy hier vermeld te worden. 

76. Ten slotte mogen hier nog eenige zeer byzondere namen 
vermeld worden, die tot deze groep behooren. Het zijn de geslachts- 
namen Remmerswaal, Aalbertsberg, Blydenstein, 
Diepenhorst, Tetrode en Rodenburg. De dorpen B 1 o e- 
mendaal en Overveen, by Haarlem , droegen in de middeleeuen 
de namen Aalbertsberg en Tetrode; het stadje Aarden- 
burg in Vlaanderen heette oorspronkelik Rodenburg; Diepen- 
horst is de oude naam van het dorp Ouddorp op 't eiland 
Goeree; en een klooster van Benedictyner monniken, dat in de middel- 
eeuen na by 't dorp Runen in Drente lag, maar reeds in de 16deeeu 
opgeheven werd , droeg den naam van B 1 i d e s t at {de blyde stede) , ter 
blider steden , ter blider steen , later Blidensteen enBlijdenstein. 
Deze naam ging ook over op het dorp , dat rondom dit klooster 
ontstond , maar dat thans den naam van Runerwolde draagt. 1 
Deze zes oude plaatsnamen behooren in de middeleeuen t' huis , 
en zijn thans nog slechts aan geschiedkundigen bekend. De heden- 
daagsche geslachten die deze namen dragen , vertoonen juist in die 
middeleeusche namen, die sedert de 16<le eeu en vroeger reeds als 
plaatsnamen verdwenen zijn , het bewijs van hunne oudheid. Nevens 
Rodenburg bestaat ook Roodenburch en Roodenburg als 
geslachtsnaam, en nevens Tetrode nog Tetroode, Tetterode 
en Tettero, by verschillende geslachten. Hieruit zoude men wel 
kunnen afleiden , dat het hedendaagsche dorp Overveen in de 
middeleeuen geen onaanzienlike plaats moet geweest zijn. Van 
Aardenburg is het bekend dat dit thans zoo stille, kleine 
stedeke in de middeleeuen eene groote en bloeiende kavenplaats, 
was. Over den naam Remmerswaal zie men S 88. 



1 BrentscJie Volksalmanak, jaargang 1839, bl. 29 en jaargang 1840, bl. 143, 



220 GESLACHTSN. AAN DE NAMEN VAN WYKEN EN STUATEN ONTLEEND. 

Nog al byzonder is ook de geslachtsnaam Waterloo, die 
natuurlik ontleend is aan den naam van het dorp Waterloo in 
Zuid-Brabant , waar in 1815 de bekende veldslag plaats vond. 
Later dan 1811 kan de geslachtsnaam Waterloo moeielik ontstaan 
zijn. Hy dagteekent dus nog uit den tijd vr den slag, toen 
Waterloo nog , als een klein afgelegen dorpke zeer weinig bekend 
was. Merkweerdig dat de naam van dit eertijds zoo onbeduidende 
plaatske juist een geslachtsnaam worden moest ! 

De geslachtsnaam Deurloo is ook zeer byzonder. Dit is de 
naam van het zeegat aan den mond van den Hont of Wester-Schelde 
in de Noordzee (zie 104). 

77. De bewoners van verschillende wyken of buurten in 
groote steden zijn eikanderen veelal zoo vreemd, als anders de 
bewoners van twee kleine steden of dorpen onderling zijn. Zoo 
konden de geslachtsnamen Oudschans, Kattenburg en 
Buitenkant, te Amsterdam voorkomende , ontstaan. Zy zijn ont- 
leend aan de namen van drie welbekende oud-amsterdamsche buurten, 
waar de eerste dragers dier namen zekerlik gewoond hadden , 
gewonnen, geboren en getogen" waren, eer zy in andere amster- 
damsche wyken kwamen wonen , waar deze namen als toenamen , 
als kenmerk van herkomst" hun gegeven werden. De geslachtsnaam 
Van Cattenburch echter heeft eenen anderen oorsprong, is 
van eenen anderen plaatsnaam ontleend. In zeer vele nederlandsche 
steden is er eene Peperstraat; het is gewoonlik de straat 
waar in de middeleeuen de kooplieden in speceryen, die crudenier en" 
hunnen handel dreven en hunne winkels hadden. De maagschaps- 
namen Peperstraete en Van Peperstraete zijn ontleend 
aan dezen straatnaam , zekerlik op de zelfde wyze als boven be- 
schreven is aangaande de namen Oudschans, enz. Tot deze 
zelfde groep van geslachtsnamen behooren verder nog Austraete 
(brabantsch voor Oudestraat"; deze naam is dan ook in 
Zuid-Brabant inheemsch) ; Billestraete, Binnekade, Dam- 
steeg, Die penstraten, Groenestege, Hoog e weg en 
Hoogewegen, Hoogenst raten, Kampsteeg en Kam- 
steeg, Mommersteeg,Muntstege,Nieuwesteeg, Kerk- 
buurt, Vierstraete, Weststrate, Zeestraten, Scheld- 



AAttDRIJKSK. GESLACHTSN. MET VCtn ALS VOORVOECHSEL. 221 

strate en Schelstraete, enz. Deze laatste straatnaam komt als 
maagschapsnaam ook voor in de formen Ver schelstraete en Ver- 
scheldstraete, dat is: Van der Scheldestrate, van de 
Scheldestraat. Hy moet dus oorspronkelik zijn uit de eene of andere 
plaats aan de rivier de Schelde gelegen. In der daad zijn deze 
vier geslachtsnamen dan ook eigen aan vlaamsche maagschappen. 
De geslachtsnaam Vreeburg doet thans wel denken aan het 
bekende marktplein in de stad Utrecht. Maar deze naam kan even- 
zeer onmiddellik ontleend zijn aan den naam van het oude kasteel 
dat in den spaanschen tijd verwoest werd, en waaraan ook het he- 
dendaagsche plein zynen naam te danken heeft. Immers daar ter 
plaatse stond die oude burcht. 

78. De grootste groep van nederlandsche geslachtsnamen, of 
liever die groep welke het grootste aantal namen omvat, is zonder 
twyfel de groep die uit namen bestaat , welke [met het voorvoechsel 
van zijn samengesteld. In der daad , zulke namen komen uit der 
mate veelvuldig voor by het nederlandsche volk. Die van-namen 
zijn byna zonder uitzondering van aardrijkskundigen oorsprong , 
en men kan ze onderscheiden in byzondere en algemeene. De by- 
zondere aardrijkskundige van-namen bestaan uit de namen van 
landen , gouen , eilanden , steden , dorpen en gehuchten (buiten- 
landsche natuurlik even zeer als binnenlandsche) , allen met het 
voorvoechsel van er voor ; b. v. Van Engeland, Van Wie- 
ringen, Van Deventer, Van Keulen. De algemeene aard- 
rijkskundige van-namen bestaan uit gemeene zelfstandige naamwoor- 
den die eene algemeene aardrijkskundige beteekenis hebben {berg, 
dijk, heide), maar die als byzondere aardrijkskundige namen dienst 
doen; eveneens met van er voor, en zoo wel met als zonder een 
lidwoord. B. v. Van Dijk, Van Sluis, Van den Berg, 
Van der Heide. 

De byzondere talrijkheid dezer ran-namen , voor zoo verre zy 
aan de namen van uitheemsche landen en plaatsen ontleend zijn , 
strekt ten bewyze van de talrijkheid der vreemdelingen , die zich 
onder ons hebben neergezet. En voor zoo verre zy afkomstig zijn 
van de namen van inheemsche gouen en plaatsen , kan men daar- 



222 Faft-NAMEN AAN VREEMDE AARDRIJKSK.. NAMEN ONTLEEND. 

uit afleiden de veelvuldigheid waar mede de Nederlanders , binnen 
hunne eigene landpalen , hunne woonplaatsen verwisseld hebben. 

79. De niaagschapsnamen met van samengesteld, en aan de 
namen van vreemde landen ontleend , zijn , uit den aard der zake , 
het minst talrijk. Zie hier die, welke my bekend zijn : Van Beyeren, 
Van Bohme, Van Bourgondien en Van Bourgonje. * 
In de zuidelike Nederlanden komen de geslachtsnamen Van Inge- 
landt en Van Inghelant voor, als tegenhangers van den 
noord-nederlandschen geslachtsnaam Van Engeland; Inglant" 
toch, of Inghelandt" is eene oud-nederlandsche spelwyze van 
't woord Engelland, eene spelwyze die overeenstemt met de vlaam- 
sche en friesche volksuitspraak. Twyfelachtig zijn my de ge- 
slachtsnamen Van Cornewal en Carnewal. Zijn zy ontleend 
aan den naam van de engelsche gou Cornwallis? Een Fransch- 
man , A d r i e n geheeten , verliet in de laatste helft der zeventiende 
eeu zyne woonplaats , de stad Rochelle , en vestigde zich in Neder- 
land. Hier noemde hy zich Adrien de Cha rente, naar het 
gewest Charente, waar in zyne geboorteplaats Rochelle ligt. 
Later verdietschte hy dien aangenomenen franschen toenaam tot Van 
Charante, en in dezen form wordt die naam nog heden door 
zyne nakomelingen als geslachtsnaam gedragen. 2 

Werd op bl. 193 de opmerking gemaakt dat de volksnaam Ier 
niet als geslachtsnaam schijnt voor te komen , hier kan toch op den 
naam Van Ierland gewezen worden. 

Het oostfriesche eiland Borkum , het eerste oostwaarts in de reeks 
der friesche eilanden die niet tot Nederland behooren , kan ter nauer 
nood voor een vreemd eiland gelden. Niet slechts omdat de Bor- 
kumers echte Friesen zijn , maar vooral ook omdat zy door zoo vele 
banden aan de Nederlanden en de nederlandsche koopvaardy- en 
visschersvloot gehecht zijn. 3 Immers nog tot voor weinige jaren 



1 Van Engeland, Van Hessen, Van Holstein, Van Ierland, Van 
Itali, Van Kent (graafschap in Engelland), Van Liefland, Van Nassau, 
Van Oostenr ijck, Van Polen, Van Pommeren, Van Pruissen, Van 
Savoyeu, Van Saxen, Van Spanje, Van Zweeden en Van Swedeu. 

2 Be Navorscher, dl. XXXIII, bl. 41. 

3 Zie myne opstellen ^Friesland over de grenzen" , in het tijdschrift Be Tijdspiegel, 



FfiWl-NAMEN AAN NEDERL. AARDRIJKSK. NAMEN ONTLEEND. 223 

was dit wel het geval ; in de eerste helft van deze eeu en in 
vorige eeuen , tydens den bloei van den nederlandschen handel en 
van de visschery , natuurlik nog veel meer. Aan den naam van 
dit, in menig opzicht zoo hoochst merkweerdige eiland zijn de ge- 
slachtsnamen Van Borkum, Van Burkom en Van Burkum 
ontleend, met het enkele Borkum en waarschijnlik ook met Van 
B u u r k o m. Deze geslachtsnamen komen geenszins zeldzaam voor, en 
behooren- aan verschillende , onderling niet verwante geslachten. Ook 
al een bewijs voor de talrijkheid der betrekkingen die er steeds 
tusschen dat eiland en de Nederlanden bestonden. De form Van 
Burkom en Van Burkum is volgens de friesche uitspraak; 
naukeuriger nog zou de spelling Brkum" zijn, gelijk d'Oost- 
Friesen zelven ook spreken. Zoo luidt de geslachtsnaam Van 
Gorkum in den mond der oude Leeuwarders ook als Van 
Qnrkum" ; de plaatsnaam Workurn als Wurhum" , het woord vork 
als ;&" , enz. 

De bovengenoemde geslachtsnamen zijn weinig in getal ; maar 
die welke ontleend zijn aan de namen van nederlandsclie gouen , 
landstreken , eilanden , zijn even min talrijk. My zijn , als tot 
deze afdeeling behoorende , slechts bekend de geslachtsnamen Van 
Braband, Van Friesland, Van Holland, Van Drenth, 
(misschien ook Van Kempen), Van Marken, Van Proost- 
dy (zoo heet eene kleine landstreek in de provincie Utrecht, ge- 
meente Abkoude) , Van Schouwen, Van Urk, Van Veluwe, 
Van Vlaanderen, Van Waas, Van Walcheren en Van 
Walchren, Van Wie ringen en Van Wieringhen, en 
Van Zeeland. 

De geslachtsnaam Van Graefschepe dient hier ook vermeld. 
Dit is eigenlik een algemeene aardrijkskundige naam , wijl niet 
blijkt welk graafschap bedoeld is. De oude graafschappen Zutfen 
en Benthem dragen beiden by de in- en omgezetenen den naam 
van de Graafschap" als by uitnemendheid. Waarschijnlik is 
bovengenoemde geslachtsnaam aan eene dezer twee graafschappen 
ontleend. 



jaargang 1882, en s>Eemge lizon der heden aangaande de hl eed er dr acid der Frieiinnen" , 

in het tijdschrift Be vrije Fries, dl. XV. 



224 Fan-N amen aan vreemde plaatsnamen ontleend. 

80. Geslachtsnamen samengesteld uit de namen van uit- 
heemsche steden en dorpen , met het voorvoechsel van daar voor , 
zijn uit den aard der zake talryker dan die aan de namen 
van landen en gouen ontleend. Zie hier eenigen van die namen: 
Van Basel, Van Bremen, Van Costenoble 1 (het enkel- 
voudige Costenohle komt ook voor) , enz. Costenoble , Coste- 
noblen, Constenoblen is de forin waarin de naam der stad C onstan- 
tin op el in oude, middeleeusche vlaamsche oorkonden geschre- 
ven staat. De geslachtsnaam Van Costenoble komt dan ook 
in Vlaanderen voor , en wel in het hedendaagsche Fransch- Vlaan- 
deren. Oogensckijnlik is deze naam reeds zeer oud. Hy dagteekent 
wellicht nog uit den tijd der kruistochten, toen vooral ook 
Vlamingen naar de hoofdstad van het turksche rijk kwamen. Im- 
mers ook juist onder de Vlamingen waren , van alle nederlandsche 
stammen , het eerst geslachtsnamen in gebruik. De geslachtsnaam 
Van Bethlehem zal wel uit eenen huisnaam geformd zijn. Want 
dat hy rechtstreeks aan den naam der bekende plaats in Palestina 
zoude ontleend zijn , door een voormalig ingezetene dier stede , schijnt 
my minder aannemelik, ofschoon het mogelik blijft. Leinsele, 
een dorp in Fransch-Vlaanderen en waarvan de geslachtsnaam 
Van Leynseele ontstaan is, kan naueliks als een vreemde 
plaatsnaam gelden, (zie bl. 218). 

De geslachtsnaam (Van den Berg) Van Saparoea is ook 
een zeer byzondere. Hy is, zoo verre ik weet, d' eenigste in Ne- 
derland , die ontleend is aan den naam eener plaats in Indi. Zie 



1 Van Dantzig, Van Dresden, Van Edenburg, Van Gosselaar (zoo 
deze naam alihan3 eene verbastering is van Goslar, eene stad in den Hartz), Van 
Hamburg, Van Havre, Van Hoey, Van K oppenhagen, Van Leipsig 
en Van Leipzig, Van Lissa (stad m Polen zie bl. 210), Van London, 
Van Luik en Van Luyk, Van Lnnenbnrg. Van Mausfeld en Van 
Mans velt (Mannsfeld, stadje in de pruissische provincie Saksen, by Merseburg) , 
Van Memel, Van Mess el (dorp in Hessen, by Larmsladt) , Van Milaan, Van 
Namen en Van Naamen, (Namen is eene vvaalsche, dus voor Nederlanders eene 
vreemde stad, even als. Luik en Hoei), A'an Napels, Van Oldenburg en 
Van Oldenborgli, Van Parijs, Van Praag, Van Rensburg, Van Ryssele, 
Van Robaeys (lloubaix, stad in Frankrijk zie bl. 209), Van Rowaen 
(Rouaan, stad in Frankrijk zie bl. 209), Van Straatsburg, Van Tonderen, 
Van Tonningen, Van Toulon, Van Veneti, Van Weenen, enz. Mis- 
schien ook Van Oven en Van Ovc, van den naam der hongaarsche stad Of en? 



. Fem-NAMEN AAN VREEMDE PLAATSNAMEN ONTLEEND. 225 

hier den oorsprong van dezen naam , volgens het tijdschrift De 
Navorscher, deel XXX, bl. 322. 

Saparoea is een welbekend eiland in den Molukschen arehi- 
pel en behoort tot de Nederlandsch-indische bezittingen. Daar 
ter plaatse was in der tijd resident J. R. van den Berg, die 
bij een oproer of amokpartij , in Mei 1817, rnet zijne geheele 
familie (zijne echtgenoot Johanna Christina Umbgrove en drie 
kinderen), is vermoord, uitgenomen een kindje, het oudste zoon- 
tje, toen vijf jaar oud, dat door zijne min is gered, doch niet 
dan nadat het een krisslag had ontvangen, waardoor het eene 
oor door midden is gespleten. Later is het door de ijverige pogingen 
van den kapitein ter zee Q. M. E. Ver Huell , die zich in de 
baai van Saparoea bevond en onderrigt was dat het kind nog 
leefde , gelukt dat het hem werd uitgeleverd. 

Dit geredde kind is sedert naar Nederland overgevoerd , hier 
te lande opgevoed, thans (1880) een persoon tusschen de 60 en 
70 jaren, een der voornaamste inwoners van Velp bij Arnhem, 
en sedert verscheidene jaren wethouder der gemeente Rheden. 

Vroeger teekende de bedoelde persoon zich steeds J. L. van 
den berg, doch aangezien er vele familin van dien naam zijn, 
en dit vaak tot verwarring aanleiding gaf, vroeg hij voor een 
drietal jaren verlof, bij zijnen familienaam te mogen voegen van 
Saparoea, hetwelk bij koninklijk besluit is toegestaan, en 
sedert dien tijd voert de familie, waarvan hij thans het waardige 
hoofd is , den geslachtsnaam van den Berg van Saparoea. 

Omtrent bovenbedoelde moordgeschiedenis te Saparoea kan 
men nadere bijzonderheden vinden in: Merkwaardige gebeurtenissen 
uit de N ederlandsche Geschiedenis (te Amsterdam uitgegeven) , alwaar 
in eene noot een verhaal daarvan voorkomt." 

81. Duitschers hebben steeds het grootste gedeelte uitgemaakt 
van al de vreemdelingen , die in de Nederlanden een nieu vader- 
land zochten en vonden. En onder dezen waren het natuurlik weer 
meest lieden uit de aan Nederland grenzende streken van Duitsch- 
land , uit de pruissiscbe Rijnprovincie , uit Westfalen met de graaf- 
schap Benthem en het Nederstift van Munster (Arenberg , Meppen) , 
en Oost-Friesland. Dien ten gevolge is het getal geslachtsnamen 

15 



226 FfiMl-NAMBN AAN NEDE1UUJNSCHE PLAATSNAMEN ONTLEEND. 

ontleend aan de namen van plaatsen in die gewesten gelegen, dan 
ook nog al aanzienlik. Zie hier eenigen van die namen , enkel van 
nedervijnlandsche plaatsen: Van. Aken, Van Aaken en Van 
Ake, Van Calcar, Van Kleef en Van Cleeff, Van 
Cranenburgh met Van Kranenburg en Van Cranen- 
b o r g l , enz. 

Niet aleen dat vele Neder-Rijnlanders zich om voordeelswille in 
de Nederlanden neergezet hebben , velen deden dit ook om redenen 
van godsdienstigen aard. Immers nadat de kerkherforming aan den 
duitschen Beneden-Rijn al spoedig grooten opgang gemaakt had , 
en zeer velen aldaar in de 16<le eeu de kerk van Rome verlaten 
hadden, werden later, in de 17 de en ook nog in de 18de e eu, 
door de wereldlike en geestelike vorsten dier streken , de Protes- 
tanten vervolgd en verdreven. Vooral ook de Doopsgezinden of 
Mennoniten , die geen onaanzienlik deel schynen geformd te heb- 
ben van die Herformden , badden veelvuldige vervolging te dulden. 
Ofschoon enkele doopsgezinde gemeenten aldaar, onder anderen te 
Krefeld , Kleef en Emmerik zich nog tot in deze eeu , gedeeltelik 
nog tot heden toe konden staande houden in naue aansluiting aan 
de nederlandsche Doopsgezinden , zoo waren toch vele leden dier 
gemeenten genoodzaakt hun land te verlaten. En waarheen zouden zy 
gereeder uitwyken dan naar de naburige noordelike Nederlanden, waar 
de herformde kerk heerschte , en waar men die verdrevenen, die 
veelal welgestelde , neringdoende en ny vere burgers waren , geerne 
eene gastvrye ontfangst bereidde ! Deze zaak is d'oorzaak dat zoo 
menig doopsgezind geslacht ons heden ten dage in zynen geslachts- 
naam nog zyne afkomst uit Neder-Rijnland vertoont , dat juist 
zulke geslachtsnamen aan nederrijnsche plaatsnamen ontleend , veel- 



1 Van Crefelcl, Van Dorsten, Van Duiken, Van Duren en Van 
Dnuren, Van Dusseldorp, Van Emmerik, Van Erkelens, Van Eupen, 
Van Gangelt, Van Gelder, Van Gochen Van G ogh, Van Griethuizen 
en Van Gr iethuy scn, Van G ui ik en V an Guy lik, Van Hee ringen, Van 
Keeken, Van Kempen, Van Ketwich, Van Keulen en Van Colen, Van 
Kleef, Van Lennep, Van Meurs, Van Orsoy , Van Itees.VanRijnberk, 
Van Santen, Van Schermbeek, Van Siutfyt, Van Sonsbee'k en Van 
Sonsbeeck, Van Stralen, Van Straelen en Van Straalen, Van Suchte- 
len, Van Trier, Van Viersen en Van Vierssen, Van Wesel, Van 
Weczel eu Van "Wezel, enz. 



Ffln-N AM EN AAN NBDEREIJNSCHB PLAATSNAMEN ONTLEEND. 227 

vuldig onder onze doopsgezinde landgenooten voorkomen. Zie hier 
eenigen daar van : Van Calcar, Van Gelder, Van Goch, 
Van Gulik, Van Cleeff, Van Meurs, Van Eees, enz. 
Ook Van Bracht (tegenwoordig nog als Van B r a g t voorko- 
mende) , zoo als de schryver heette van het zoogenoemde Menniste 
Martelaarsboek" 1 ' , dat is : Het bloedigh toonvel der doopsgezinde en were- 
loose Christenen. Bracht is de naam van een dorp by 't stadje 
Kempen. 

En ook evenzeer als Mennoniten , werden ook Israliten wel uit 
nederrijnsche plaatsen verdreven , en zochten in de Nederlanden 
een vrediger verblijf. Of anderszins, toen handel en ny verheid, 
dus ook bloei en welvaart in de 17de eeu vooral uit vele neder- 
rijnsche plaatsen weken , ook al ten gevolge van den uittocht der 
neringdoende Herformden naar de Nederlanden , toen trokken ook 
de Joden uit, om hier een neringryker oord te vinden. En zoo 
is het gekomen dat wy zulke namen als Van Kleef en Van 
Cleef, Van Gelder, Van Goch, Van Cre veld, Van Wezel 
(met Emrik, Kalker, zie 73), enz. by verschillende Isra- 
litische geslachten in Nederland aantreffen. Maar ook buitendien 
nog schijnt het dat vele ingezetenen der stadjes Xanten, Calcar, 
Goch naar Nederland gingen wonen. Immers de geslachtsnamen 
Van Santen, Van Sant, Van Zanten, Van Zante, Van 
Calcar, Van Kalker, Van Kalkert, Van Kalkeren (ook 
het enkele Kalker), Van Goch, Van Gogh, Van Gog, enz. 
in allerlei verschillende spellingen , komen zeer veelvuldig voor. Zy 
worden in talrijkheid echter nog verre overtroffen door voormalige in- 
gezetenen van het stadje Gelder, wier nakroost met de geslachts- 
namen Van Gelder, Van Gelderen, Van Geld re, Van 
Geldern, Van Gelde re, Van Ghelder buitengewoon talrijk 
is onder ons. De geslachtsnamen De Gelder, De Gueldre, De 
Ghelder en De G h e 1 d e r e , in de beide laatste formen vooral 
ook in Vlaanderen voorkomende , houd ik voor verfranschte formen 
van Van Gelder, te meer wijl ik reden heb te vermoeden dat 
het noordnederlandsche geslacht De Gelder uit Vlaanderen in 
Holland is komen wonen , terwijl het westvlaamsche geslacht D e 
Gheldere nog het oude wapen van Gel re als geslachtswapen 
voert. Maar de friesche geslachtsnamen Gelder da, Gel dra en 



228 FttTl-NAMEN AAN WES<rAALSCHE PLAATSNAMEN ONTLEEND. 

Geldersma, evenmin als Gelders, elders in de Nederlanden 
inheemsen, hebben niets te maken met den plaatsnaam Gelder 
of Ge Ir e. Deze namen zijn ontleend aan den oud-germaanschen 
mansvrnaam Gelder, Gelther. 

82. Minder talrijk dan de geslachtsnamen aan plaatsnamen 
in Neder-Rynland ontleend , zijn onder ons die maagschapsnamen 
welke samengesteld zijn uit eenen westfaalschen plaatsnaam en 
het voorzetsel van. En toch hebben Westfalingen volstrekt niet 
in kleiner aantal dan Neder-Rijnlanders zich in de Nederlanden 
neergezet. Als slachters en bakkers , als bierhuishouders , vooral 
ook als handelaars in kleedingstoffen , met hunne talryke knechts, 
kellners , kantoor- en winkelbedienden en reizigers , zijn de zonen 
van de Rothe Erde" rykelik onder ons vertegenwoordigd. 
Maar deze Felingen" (zie bl. 191) kwamen meest allen in lateren 
tijd hier wonen dan de Neder-Rijnlanders. Zy kwamen toch in 
den regel om den broode , niet om gewetensvryheid. Immers be- 
hooren zy grootendeels tot de roomsche kerk. Zy kwamen meest 
in de vorige en vooral ook in deze tegenwoordige eeu hunne 
scharen stroomen ons nog steeds toe ; en zy brachten dies hunne 
geslachtsnamen reeds kant en klaar mede. Zoodat ons volk geene' 
reden had om hen te noemen naar hunne plaatsen van herkomst 
ook al ware dit na den jare 1811 nog mogelik geweest. 

Eene uitzondering maken d' inwoners van de graafschap Benthem , 
welke landstreek tot Westfalen gerekend wordt. Dezen zijn hooft- 
sakelik Herformden , en de nederlandsche taal was tot diep in 
deze eeu hunne kerktaal , ja , is dat by sommige gemeenten , even 
als in Oost-Friesland , nog heden. Van daar dat er steeds veel 
betrekking over en weer tusschen deze landstreek en onze Neder- 
landen bestond , 't welk ook al mede aanleiding gaf (met den grooten 
hollandschen magneet, welvaart en rijkdom, handel en nering) om 
Bentheimers, in onze noordelikste gewesten als Graafschappers" 
bekend , hier heen te doen trekken. Over de oorbeeldig neder- 
landsche geslachtsnamen dier Bentheimers zal verder in dit werk 
gehande] d worden; zie 159. 

Zie hier eenige nederlandsche geslachtsnamen aan westfaalsche 
plaatsnamen ontleend. De veelvuldig voorkomende naam Van 



Fa-NAMEN AAN WESTFAALSCHE PLAATSNAMEN ONTLEEND. 229 

Munster moet in d' eerste plaats genoemd worden. En dan Van 
Bekkum (stadje by Munster) , Van Byleveld (Bielefeld, 
zie bl. 211), enz. 1 En aan bentheimer plaatsnamen ontleend zijn 
dezen : in d' eerste plaats de talrijk voorkomende namen V a n B e n t- 
heim, Van Benthem, Van Ben tem, Van Bentum; verder 
Van Noothoorn (Noordhoorn, Nordhorn, stadje aan onze 
twentsche grens), Van Veldhuizen met Van Velthuyse 
(Velthuizen, Velthusen, thans ook Velthausen genoemd , 
dorp in die landstreek) , enz. 1 

83. De Oost-Friesen zijn, wat de talrijkheid van hun volk 
betreft , veel geringer dan de Westfalingen en de Neder-Bijnlanders. 
Niettemin is het getal der Oost-Friesen , die zich voor en na in 
de Nederlanden gevestigd hebben, niet geringer dan het getal van 
onze andere oostelike buren. Vooral ook in onze noordelike gewes- 
ten , onder hunne stamgenooten , hebben zich de Oost-Friesen steeds 
in grooten getale neergezet. De omstandigheid dat de Oost-Friesen 
zich steeds , tot diep in deze eeu , tot de Nederlanders in 't algemeen , 
tot hunne volksgenooten bewesten Eems en Lauers in het byzonder 
voelden aangetrokken , veel meer dan tot Duitschers dat ook 
' de st-Friesen met de Nederlanders in volkstaal , zeden , bronnen 



1 Van Bilde r beek (Bi lier beek, stadje niet ver van onze geldevsche grenzen), 
Van Brethorst (dorp by Minden), Van Dortmond, Van Koetsveld (Coesfeld , 
stadje by onze gelderscbe grens), Van Lingen, Van Loon en Van Lon (Lolin, 
Stadt-Lohn, stadje aan onze gelderscbe grens. Deze naam kan ecbter ook van bet 
belgisch-limburgscbe stadje Loon of Looz komen), Van Minden en Van 
Minde, Van Ogtrop (Ocbtrup, stadje aan onze twentsche grens), Van 
Osenbruggen, Van Ossenbruggen en Van Ossenbrugge (dit is de neder- 
landscbe form van den hoogduitschen naam der stad Osnabrck. Oudtijds was 
in Friesland ossenbrugsch linnen zeer bekend), Van Asbeck (gekucht by Ahaus), 
Van Hassbergen (dorp by Osnabrck), Van Riemslo (dorp tusscheu Osna- 
brck en Herford), Van Ledden (gehucht by Ahaus), Van Vrede en Van 
Vreeden (Vreden, stadje aan de geldersche grens), Van Zoost (Soest, stad 
in "Westfalen ; deze naam wordt als Soost, Zoost uitgesproken, ook door de Hoog- 
duitschers) , en z. 

2 Van Nieuwenhuis (Nieu wenhuis, Nienhuis, Nienhaus, Neuen- 
haus, een benthemsch stadje aan de drentsche grens), Van E m melen kamp (zie 
bl. 212), Van Wittmarschen (Witmarschen. Wietmersohen, zie bl. 212), 
Van Wilsum en Van Ulsen, dorpen in die landstreek), enz. 



230 Fatt-NAMEN AAN OOSTFKIESCHE PLAATSNAMEN ONTLEEND. 

van bestaan , godsdienst , enz. ten nausten verbonden zijn , droeg 
veel daar toe by. En ook boden de bloeiende nederlandsche ge- 
westen den Oost-Friesen meer uitzicht op welvaart aan dan hun 
eigen land deed , vooral ook meer dan de duitsebe landstreken 
aebter hun gewest gelegen. 

Uit deze talrijkheid van Oost-Friesen in de Nederlanden , zoude 
men mogen besluiten dat geslacbtsnamen uit oostfriesche plaats- 
namen met bet voorvoecbsel van samengesteld , ook talrijk onder 
ons zouden moeten voorkomen. Dit is echter het geval niet. Zulke 
namen zijn er wel , maar geenszins in die mate als men uit het 
bovenvermelde zoude mogen afleiden. Dat komt omdat de Oost-Friesen 
de zelfde friesche vrnamen dragen als de nederlandsche Friesen 
en als allen die in de Nederlanden van frieschen stam zijn. En omdat 
de Oost-Friesen van ouds ook juist de zelfde oud-friesebe wyze volgden 
om van hunne vrnamen patronymika te formen , die dan later 
tot vaste geslachtsnamen werden , even als dit hier , bewesten Eems , 
het geval was en is. Zoo hadden dus de nederlandsche Friesen , de 
Groningerlanders , enz. geene redenen om aan de Oost-Friesen die 
zich onder hen vestigden , nieue namen , afgeleid van de plaatsen 
hunner herkomst, te geven. Immers droegen die Oost-Friesen reeds 
soortgelyke , of ook geheel gelyke , ten deele ook volkomen de 
zelfde namen , patronymika en andere geslachtsnamen , als de 
nederlandsche Friesen. Zoo treft men ook thans nog in onze noord- 
oostelike gewesten en in de noordwestelike streken van Duitschland , 
voor zoo verre er oost en west van de Eems Friesen wonen , of 
lieden van frieschen stam , geheel de zelfde geslachtsnamen aan. 
Op deze gelijkheid van geslachtsnamen in Oost-Friesland en in 
de Nederlanden in 't algemeen, in het nederlandsche Friesland in 
het by zonder, zal ik verder int dit werk nog gelegenheid hebben 
nader te rug te komen. Zie 160. 

Nederlandsche geslachtsnamen , met van er voor , aan oostfriesche 
plaatsnamen ontleend , zijn de volgenden. In de eerste plaats moet 
hier de geslachtsnaam Van Emden genoemd worden, die, met 
Van Embden, Van Emde, Van Embde (en het eenvoudige 
Emden, Emde), enz. nog al talrijk en algemeen onder ons 
voorkomt ; ook onder onze isra'litische medeburgers. Emden trouens 
is ook niet slechts de voornaamste en volkrijkste der oostfriesche 



Fim-NAMEN AAN OOSTFRIESCHE PLAATSNAMEN ONTLEEND. 231 

steden , maar de bewoners van die aloude Eemsstad hebben ook 
steeds de nauste betrekkingen met de Nederlanden onderhouden. 
Verder Van Aurich en Van Au riek, Van Bingum, Van 
Borssum, enz. 1 

Het schijnt dat vooral ook Israliten uit Oost-Friesland zich 
in de Nederlanden hebben gevestigd. Imrners treffen wy onder 
hen , behalven Van Emden, ook de geslachtsnamen V a n Gr e u n s , 
Van Leer en van Nor den aan. Geuns is de nederlandsche 
form van den naam van het oostfriesche stedeke Gr d e n s of 
Neustadt-Gdens, welke naam door d' Oost-Friesen zelven 
ook als G'ns of Geuns uitgesproken wordt. Hier behoort 
de geslachtsnaam Van Goens (oe = = eu) ook genoemd 
worden , die even eens aan dit oostfriesche stadje ontleend is. De 
bekende Gouverneur-Generaal van Nerlandsch Indi , B-yklof Van 
Goens was dan ook een Oost-Fries, even als zijn ambtsvoorgan- 
ger Gustaaf Willem Van Imhoff , en , zoo als Akends zeit : 
entweder im Gdenschen oder zu Leer geboren." l En dat het juist 
eene doopsgezinde en eene isralitische maagschap is, die beiden 
den geslachtsnaam Van Geuns dragen, is ook niet zonder be- 
teekenis. Het stadje Geuns toch was oudtijds eene byzondere 
stede , waar lieden van allerlei godsdienst en kerk mochten wonen 
en vryek hunne geloofsplechtigheden verrichten. Iets wat in andere 
oostfriesche plaatsen ('t en zy dan Emden) niet, of althans niet 
in die mate geoorloofd was. 

84. Na al deze namen aan buitenlands'che plaatsnamen ontleend , 
zijn thans de geslachtsnamen , geformd met het voorzetsel van , uit 
de namen van nederlandsche steden , dorpen en gehuchten , noord 
en zuid , aan de beurt om hier besproken te worden. Byzonder- 
heden leveren deze geslachtsnamen weinig op. Ook eischen zy , 
uit den aard der zake, voor den nederlandschen lezer geenen 



1 Van Doorniim, Van Geuns en Yan Goens, Van Jennelt, Van Je- 
veren, Van Hinte, Van Leer, Van Lengen, Van Norden en Van 
Noorden, Van Varelen, enz. Jever en Varel behooren slechts in volken- 
kundigen zin tot Oost-Friesland, maar in staatkundigen zin tot Oldenburg. 

2 Fr. Arends, Erdbeschreibtmg des Frslentlmms Ostfriesland. Emden, 1824. 
bl. 207. 



232 Frttt-NAMEN AAN NEDERLANDSCHE PLAATSNAMEN ONTLEEND. 

naderen uitleg. Zulke namen toch als Van Groningen, Van 
Vlissingen, Van Gent. Van Leuven zijn voor iedereen 
duidelik . en gemakkelik verklaarbaar. Wijl ik in dit werk van 
alle groepen en soorten van geslachtsnamen die ik bespreek , voor- 
beelden heb aangevoerd , wil ik ook hier eenigen van die namen 
opnoemen , ofschoon het eigenlik onnoodig is , want ieder een kent 
ze voldoende. Van Dokkum, Van Oosterzee, Va'n 
Leens, l enz. 

85. Het aantal dezer geslachtsnamen, in de Nederlanden in- 
heemsen , is verbazend groot. Geformd van plaatsnamen uit alle 
gewesten , treft men ze in al onze provincin menigvuldig aan. 
Toch is de verspreiding dezer namen over alle deelen des lands 
geenszins gelijkmatig. Zeldzaam zijn zy nergens ; maar in de noor- 
delike en oostelike gewesten komen ze betrekkelik weinig voor. 
Hoe zuideliker van Friesland en Groningen en noordelik Noord- 
Holland men komt , hoe talryker men ze ontmoet. Het grootste 
deel is te vinden in de middelste streken der Nederlanden , in 
westelik en zuidelik Gelderland, in het Sticht van Utrecht, zui- 
delik Noord-Holland, Zuid-Holland en Noord-Brabant. Het aller- 
meeste in getal treft men deze namen aan in de groote holland- 
sche steden , daar by te Utrecht , Arnhem , enz ; vooral ook te 
Rotterdam. Nog zuideliker , in Zeeland , de beide Vlaanderen , Ant- 
werpen , Zuid-Brabant , Limburg , treden ze weer meer op den 
achtergrond , ofschoon zy in deze gouen toch nog veel talryker 
zijn dan in Friesland , Groningen , Drente , noordelik Noord-Hol- 
land , Overijssel , noordelik en oostelik Gelderland. In 't algemeen 
kan men zeggen dat zy onder de frankische bevolking meer voor- 



1 Van Haren, Van Assen, Van Coeverden, Van Kampen, Van 
Deventer, Van Zutphen, Van Tiel, Van Loenen, Van IJsselstein, 
Van Egmond, Van Haarlem, Van Levclen, Van Alphen, Van E y n d- 
hoven, Van Breda, Van Broekhuizen, Van Weert, Van Tholen, 
Van Hulst, Van Turnhout, Van Lie>r, Van Deynze, Van Beveren, 
Van Aalst, Van Brussel. Van Heyst , Van Hou try ve, Van Hautry ve, 
Van Autryve, Van Outrive (aangaande deze vier laatste namen zie men bl. 218) , 
Van Vi ve, Van I peren, Va nHonschoten, Van Suypeene(Zuid-Peene, 
dorp in Vransch-Vlaanderen) , Van Uxem, daf zijn allen welbekende namen aan 
welbekende nederlandsche plaatsen ontleend. 



Ffln-NAMEN AAN NEDEULANDSCHE PLAATSNAMEN ONTLEEND. 233 

komen dan onder de friesche en Saksische. In de noordelikste zoo- 
wel als in de zuidelikste gewesten treden de vadersnamen meer 
op den voorgrond. In Friesland daarenboven worden zy nog ver- 
vangen door sommige geslachtsnamen op a uitgaande en die van 
plaatsnamen geformd zijn. En daar en in Noord-Holland benoorden 
't T ook door de plaatsnamen op zich zelven , zonder eenig voor- 
of achtervoechsel ; b. v. Dokkum, Deinum, Wydenes, 
Medemblik. 

De plaatsnamen van alk nederlandsche landstreken hebben niet 
in de zelfde mate bygedragen tot het formen van de geslachts- 
namen hier omschreven. Die welke van plaatsnamen uit de noordelike 
gewesten van ons land geformd zijn , komen niet zoo veelvuldig 
voor als die welke samengesteld zijn met plaatsnamen uit de mid- 
delste gedeelten van Nederland. Velen vooral zijn ontleend aan de 
talryke noordbrabantsche plaatsnamen. Die in eene onzer groote 
hollandsche steden woont, neme eens eene uitvoerige landkaart 
van Noord-Brabant voor zich , en zie eens hoe velen van de plaats- 
namen daar op voorkemende , oorsprong gegeven hebben aan ge- 
slachtsnamen van personen uit zyne omgeving, of die hy anders- 
zins by name kent. 

Uit der mate talrijk zijn in de noordelike Nederlanden de ge- 
slachtsnamen Van Staveren en Van Hinlopen, met H i n- 
lopen, Hinlopen, Hinloope, enz. verspreid. Zoo talrijk dat 
het getal dergenen die deze geslachtsnamen dragen ongetwyfeld 
veel grooter is dan het getal der inwoners van die friesche stadjes. 
De reden hier van ligt voor de hand. Staveren en Hindeloopen 
zijn in vorige eeuen bloeiende , nering- en volkryke steden ge- 
weest. Vooral Staveren , d' aloude friesche hoofdstad , was in de 
middeleeuen eene belangryke handelsstad, vol volk en rijkdom. 
Maar toen de handel zich van daar verplaatste , vooral naar Enk- 
huizen en Amsterdam , welke steden aan den ondergang van Sta- 
veren al mede hunne opkomst te danken hebben , en toen de 
welvaart uit den frieschen Zuidhoek verliep , toen verlieten ook 
vele inwoners die plaatsen en vestigden zich elders , waar zy al licht 
van anderen den toenaam : Van Staveren of Van Hinlopen, 
enz. kregen , en die toenamen als geslachtsnamen behielden. 
Zeer talrijk zijn in Holland en elders in de noordelike gewesten 



234 Fa/l-NAMEN AAN ZUID-NEDEltL. PLAATSNAMEN ONTLEEND. 

ook de geslachten die de namen Van Son en Van Zon, Van 
Os, Van Oss en Van Osch voeren. Zekerlik wonen er daar meer 
lieden die Van Son of Van Zon heeten , dan het geheele dorp 
Son inwoners telt. Wat de reden is dat zoo vele ingezetenen uit 
die noord-brabantsche plaatsjes hunne geboorteplaats verlaten en 
zich elders gevestigd hebben , is my niet bekend. 

De geslachtsnamen Van Belkum, in Friesland voorkomende, 
en Be Ik om, zijn ontleend aan den naam van het dorp Berli- 
k u m in Friesland , welke naam door de friesche stedelingen als 
Belkum" wordt uitgesproken, terwijl hy in de eigenlike friesche 
taal Berltsum" (spreek uit: Beltsum) luidt. Maar de ge- 
slachtsnaam Van Berlekom is aan den naam van het noord- 
brabantsche dorp Berlikum ontleend. 

86. Het is bekend dat vooral in de 16 de eeu zeer vele nyvere 
burgers uit Vlaanderen en andere zuid-nederlandsche gewesten , 
ten deele om geloofsvervolging te ontgaan , ten deele ook aangelokt 
door den bloei en de welvaart der noordelike , van het spaansche 
juk bevryde streken , zich in grooten getale alhier , vooral in het 
eigenlike Holland , hebben neergezet. Vele antwerpsche en brugsche 
kooplieden trokken naar Amsterdam , vele kunstenaars (schilders) en 
nyveren (spinners , wevers), naar Haarlem en Leiden. Dien ten gevolge 
treffen wy nog heden in het Noorden zoo vele geslachtsnamen aan , 
die afgeleid zijn van plaatsnamen in het Zuiden. B. v. Van 
Aerschot, Van Beveren, Van Bree. 1 En de talrijkheid 



1 Van Bergen-Henegouwen, Van Brussel, Van Brugge (veelal Van 
Bruggen gespeld, en daardoor twyfelachtig) , Van Da mme, Van Deynse, 
Van Diest, Van Evere, Van Gaveren (met De Gavere in franschen 
form) , Van Geel en Van Glieel, Van Gent, Van Genei en Van Ghent, 
Van Haerlebeke, Van Halmael, Van Hantryve (zie bl. 218), Van 
Heyst, Van Herzele, Van Herentbals, Van Hoboken, Van Iperen, 
Van Kanegom en Van Caneghem, Van Lier (n noordnederlandsch ge- 
slacht Van Lier is niet afkomstig van de zuidnederlandsche stad Lier, maar 
van de oostfriesche stad Leer, welke naam vroeger ook wel Lier" werd geschre- 
ven men spreekt Leier"), Van Leuven en Van Loven, Van Lommei, 
Van Lookereu, Van Meenen, Van Moll, Van Moorsele, Van Oti- 
cbem, Van Peer, Van Pelt, Van Petegem, Van Popering, Van Rec- 
kem, Van Sicbem, Van Slype (Verslype, dat is Van der Slype, komt 
nog in Vlaandereu zelve voor), Van Somerghcm, Van Sottcgbem, Van 



FcWl-NAMEN AAN ZUID-NEDER.L. PLAATSNAMEN ONTLEEND. 235 

dezer geslachtsnamen staat nog in geen de minste verhouding tot de 
duizenden van Zuid-Nederlanders die zich in het Noorden hebben 
neergezet, omdat het grootste deel dezer Vlamingen en Brabanders 
reeds vaste geslachtsnamen had, vr zy zich hier vestigden. 
Voor zoo verre het protestantsche , vooral ook doopsgezinde ge- 
slachten zijn , die deze geslachtsnamen , aan zuid-D ederlandsehe 
plaatsnamen ontleend , voeren , dagteekent het verblijf dezer maag- 
schappen in de noordelike gewesten reeds uit het laatst der 16de en 
het begin der 17de eeu. Men herinnere zich hier de afsonderlike 
gemeenten van Vlaamsche Mennisten,'* cq tot in het laatst van 
de vorige eeu in vele noord-nederlandsche steden bestaan bleven. Ook 
de Vlamingstraat te Haarlem, waarschijnlik ook wel die in andere 
hollandsche steden (den Haag ? Delft ? Leiden ?) , draagt haren naam 
naar de Vlamingen , die zich aldaar met der woon vestigden. Dat 
er echter ook reeds vr de kerkherforming Vlamingen in Holland 
waren komen wonen, blijkt b. v. uit de Informatie up den staet 
van Hollant" , bl. 281, waar wy reeds in 1514 eenen Jan Van 
Bever en" vinden als inwoner van het dorp Sassenheim , by Leiden. 

De maagschapsnaam VanBergen-Henegouwen is zeer nau- 
keurig van form , en moet geenszins als een dubbelde naam bescboud 
worden. Immers draagt Bergen (Mons), de hoofdstad van de 
Henegou, dezen toenaam ter onderscheiding van zoo menige 
andere bekende plaats die eveneens Bergen heet ; b. v. van 
St. Winox-Bergen in Vlaanderen, Bergen-op-Zoom in 
Brabant, Bergen in Kennemerland , Bergen in Noorwegen, enz. 

Geslachtsnamen ontleend aan plaatsnamen uit het fyansche ge- 
deelte van Vlaanderen komen ook geenszins zeldzaam in Noord- 
Nederland voor. Zie hier eenigen : Van Belle, Van Greve- 
lingenjVanDuynkerken, 1 met het enkele Duinkerken, enz. 

87. Omgekeerd komen er in Zuid-Nederland geslachtsnamen 



Staden en Van Staa, Van Stockum, Van Tienen, Van Tongeren, 
Van Turenhout, Van Tuerenhont en Van Tuerenout, VanVive, 
Van Waerschoot, Van Weiteren, Van Zantvliet, enz. 

1 Van Hazebroek (met Hasebroek, enz., zie bl. 218), Van Honscho- 
ten, Van Mardijck, Van Suypeene, Van Peene en Van Peen, Van. 
Stapele, Van Uxera, Va'n W y noxbergen, enz. 



286 Fan-NAMEN AAN nooud-nederl. plaatsnamen ontleend. 

voor, die ontleend zijn aan plaatsnamen uit de noordelike gewesten. 
Maar dezen zijn daar toch niet zoo talrijk als hunne tegenhangers 
in het Noorden zijn , wijl er zich nooit zooveel Noorderlingen in 
het Zuiden gevestigd hehben, als omgekeerd. De volgende namen, 
die deze groep formen , zijn my bekend: Van Biervliet, Van 
Delft, Van Dieren. 2 De namen Van Tilborgh echter, Van 
Biervliet en Van Yzendijk mogen hier eigenlik niet gelden. 
Immers de noordbrabantsche stad Tilburg en de stadjes Biervliet 
en Yzendijk in Zeeusch-Vlaanderen , behooren slechts in staat- 
kundigen , geenszins in geschiedkundigen en volkenkundigen zin 
tot Noord-Nederland. 

88. Natuurlik zijn er onder de maagschapsnamen , tot deze 
groep (plaatsnamen met van er voor) behoorende , ook eenigen 
waarvan de oorsprong in sommige opzichten duister is , of naderen 
uitleg noodig heeft. Sommigen dezer namen toch zijn ontleend aan 
de namen van kleine , weinig bekende plaatskes , gehuchten , enkele 
huizen , enz. Ook zijn er die verbasterde naamformen vertoonen , 
waar door de oorspronkelike naam van de plaats , die aan zulken 
geslachtsnaam oorsprong gaf, haast onkenbaar geworden is. Of 
eindelik , de plaats zelve , wier naam nog in eenen maagschaps- 
naam voort leeft , is reeds van den aardbodem verdwenen. Als 
voorbeelden kunnen in de eerste plaats gelden de geslachtsnamen 
Van Akendam, Van Houweninge met Van Houwenin- 
gen, Van Munnikreede met Van Munnekrede, DeRom- 
merswaele met Remmerswaal, enz. Voor weinige jaren lag 
nog even benoorden de stad Haarlem , vlak voor de Nieue- of 
Kennemerpoort aldaar , een gehucht onder het kennemerlandsche 
dorp Schoten behoorende , en dat den naam van Akendam droeg. 
De geslachtsnaam Van Akendam is er aan ontleend. Thans is , 



1 Van Driel, De Dwingelo (merkweerdiger wyze komt deze naam in ver- 
fanschten form voor), Vrn Gennip, Van Gestel, Van Groeningen, Van 
Heemskerk e, Van Cuyck.Van Lieshout, Van Moock, Van Oir schot, 
Van Ommeren, Van Os, D'Overschie (ook in franschen form), Van 
Puyfelick (Pufflik, dorp in Gelderland, in het Maas- en Waalsche), Van 
Rijswijck, Van Ruynen, Va n S chijndel, Van Son, Van Strat um , Van 
Tilborgh, Van V e 1 s e n , V a u Z n y 1 e n , enz. 



FtWl-NAMEN AAN BYZONDERE PLAATSNAMEN ONTLEEND. 237 

door uitbreiding der stad Haarlem , en door verandering der grens- 
scheiding tusschen de gemeenten Haarlem en Schoten , dat gehucht 
geheel verdwenen. De haarlemsche straat die den naam van Schoter- 
weg draagt, met het Frans-Hals-plein en de Frans-Hals-straat , 
nemen volkomen de plaats in van het oude Akendam. Houwe- 
ningen was de naam van een der zuidhollandsche dorpen, die by 
den tweeden Sint-Elisabeth's vloed, ten j are 1421, overstroomd 
werden , en sedert verdronken gebleven zijn ter plaatse waar thans 
de Biesbosch is. Munnikreede was in de middeleeuen een 
vlaamsch stedeken , gelegen by Damme tusschen Brugge en Sluis. 
Het is thans volkomen verdwenen. 1 En Rommerswaele, 
ook Roemerswaal en Reymerswael, was eene zeeusche stad 
aan den noordeliken wal van het eiland Zuid-Beveland gelegen , 
maar in de 17<e een langzamerhand geheel verzwolgen door de 
ongebreidelde stroomen der Ooster-Schelde. De geslachtsnamen 
nog heden in wezen , houden de herinnering aan deze oude plaatsen 
levendig. De Rommmerswaele (de naam is eigen aan een 
zuidnederlandsch geslacht) is een verfranschte form. Zie 165. 

Yan Bakkenes. Deze geslachtsnaam is ontleend aan den naam 
van het dorp Baken es, dat in de middeleeuen benoorden de 
stad Haarlem lag , aan het Spaarne , maar dat reeds in d' eerste 
helft der 14<3e eeu tot Haarlem is binnengevest. De oude dorps- 
kerk van Bakenes, nog onder den naam van Bakenesserkerk 
bekend en in gebruik , staat nog heden ten dage binnen de Spaarne- 
stad , en de Bakenessergracht , d' oude grensscheiding tusschen 
dorp en stad , is daar nog aanwezig. Het volk te Haarlem spreekt 
nog steeds Bakkenes" in plaats van Bakenes, en deze volks- 
uitspraak beeldt de geslachtsnaam ook af. 

Eenige geslachtsnamen zijn ook byzonder , omdat zy ontleend zijn 
aan de namen van middeleeusche sloten of kasteelen , die voor het 
grootste gedeelte geheel verdwenen zijn , of nog slechts als min 
of meer belangryke bouvallen bestaan. Zijn de dragers dezer namen 
in der daad nog afstammelingen van de oude edellieden , die deze 
sloten of burchten gesticht hebben en bewoond, dan vervalt de 



1 Zie een opstel over Munnikreede , van H. Q,. Janssen, in liet jaarboekje Cad- 
sandria, voor 1854, te Schoondyke in Zceusch- Vlaanderen uitgegeven. 



238 FilW-NAMEN AAN BYZONDEH.15 PLAATSNAMEN ONTLEENT). 

byzonderheid. Maar dit komt betrekkelik zelden voor. Meestal zijn 
liet onadellike verwantschappen , die deze oude namen voeren , 
omdat een hunner voorouders , die eerst dien naam als een toenaam 
aannam , toevallig op de eene of andere wyze , als hoorige of 
dienstman of pachter , aan dat oude huis verbonden was , of misschien 
ook slechts op het grondgebied daar van geboren was. Wy willen 
slechts een paar van deze geslachtsnamen vermelden ; Van Brede- 
rode en Van Teylingen. 

Indien de hedendaagsche dragers van den naam Van Br ede rode 
in der daad afstammelingen zijn der aloude graven van Brederode , 
gelijk wel beweerd wordt , zoo is deze geslachtsnaam zeker minder 
byzonder , dan waneer hy enkel ontleend is aan den naam Brede- 
rode, als plaatsnaam , als naam van het stamslot van dat oude 
geslacht van hollandsche edelingen. Dat kasteel, sedert de 15de e eu 
in verval , ligt reeds sedert de 16de eeu als een schilderachtige bouval 
in het schoonste oord van Haarlems heerlike omstreken. Het ge- 
slacht Van Brederode is dan ook te Haarlem gezeten. Het 
woord Brederode wordt in den haarlemschen tongval als Breroo 
uitgesproken : van daar dat een ander haarlemsch geslacht den 
naam Van B r e r o draagt. Tegenhangers van den naam Van 
Brederode zijn de geslachtsnamen Van Teylingen en Van 
Hoogteilingen, die eveneens door burgerlike geslachten in 
Holland gevoerd worden , en afgeleid zijn van het oud-adellike 
slot Teylingen, dat sedert eeuen reeds in puin ligt by het 
dorp Sassenheim tusschen Haarlem en Leiden. 

89. Een byzondere geslachtnaam is ook nog Van Bredael 
(het enkelvoudige Bredael komt ook voor) , die te Antwerpen nog 
al veelvuldig voorkomt. Bredael was in vroegere tyden, hier 
en daar in de Nederlanden, de volksuitspraak van den naam der 
stad Breda. Een huis op de Roozegracht te Amsterdam, in de 
laatste helft der 17<le eeu, heette: -Het schip van Breda"; zeker 
in herinnering aan het turfscbip van Breda , waarmede Prins 
Maurits by verrassing het kasteel van Breda -innam. Een feit uit 
de vaderlandsche geschiedenis , by ons volk zoo wel bekend. De 
doodgraver van de Westerkerk te Amsterdam , die den naam van 
dit huis eens in zijn graf boek scbryven moest , sehreef echter: 



Fct9l-NAMEN AAN BYZONDECE PLAATSNAMEN ONTLEEND. 239 

'i schip van BredaeV (eigenlik schreef de man, die al zeer slecht 
ter penne was: sep van BredaeV). 1 Die byzondere uitspraak 
van dezen brabantschen plaatsnaam was dus oudtijds ook te Am- 
sterdam in zwang. 

De geslachtsnaam Van Wensveen is ontleend aan den naam 
van het zuidhollandsche dorp Waddinksveen, welke naam in 
de volkstaal aldus wordt uitgesproken. Van Beusekom, Van 
Blarcom, Van Deutekom, afgeleid ' van de plaatsnamen 
Beusichem, dorp in Gelderland, Blaricum, dorp in het 
Gooiland, Deutichem of Doetinchem, stadje in Gelderland, 
kunnen naueliks voor verbasteringen gelden , omdat de volks- 
mond deze plaatsnamen gemeenlik alzoo uitspreekt. En dit is even- 
eens het geval met de geslachtsnamen Van Bruyssel, Van 
Bruysselen en Van Bruyssele, Van Beem en Van 
Tertholen, die ontleend zijn aan de namen van de stad Brussel, 
van het dorp Bedum in Groningerland , en van het stadje Tolen 
in Zeeland. Deze namen luiden in de wandeling Bruessele (by de 
Zuid-Nederlanders), Beem en Ter Tolen. By dezen laatsten 
naam , even als by Ter Goes, Ter Gou en misschien ook Ter 
Mei, in plaats van Goes, Gouda en Ameide, heeft de volks- 
mond den vollen oorspronkeliken naam behouden. De geslachtsnaam 
Van ter Tholen of Van der Tholen komt ook in samen- 
getrokkenen form voor, als Ver tholen. 

90. In vorige tyden , in de 16de en 17de eeu vooral, toen 
de geleerden hunne namen verlatynschten , heeft men het voor- 
zetsel van by de geslachtsnamen die daar mede waren samengesteld , 
ook in ab of a omgezet, en op die wyze getracht deze namen 
althans eenigszins een geleerd voorkomen te geven. Overeenkomstig 
de regelen der latijnsche taal gaf men het voorzetsel van door ab 
terug , als het daarna volgende woord met eene klinklettr begon 
( A b Utrecht), en door a waar dit niet het geval was (A B r a k e 1). 
Ook voor eene h zette men ab , om dat men deze letter althans 
als half stom beschoude (Ab Huisen). Men schreef deze a veelal 



1 Zie N. de Roever , Nadere bizonderheden betreffende Jan Theunisz. Blanckerhoff , 
voorkomende in het tijdschrift Oud-Holland. Amsterdam, 1882, jaarg. I, bl. 89. 



240 VERLATYNdCHTE POft-NAMEN. 

met een teekentje, als a, en doet dit nog wel. Waarom is my 
niet recht duidelik; goed Latyn is het niet. 

Onder de nederlandsche geleerden van de 16de en 17<le eeu en 
ook nog onder hunne nakomelingen in de 18de eeu, treft men 
menigvuldig zulke geslachtsnamen met ab en a aan. Zie hier eenigen 
van die namen , die voor zoo verre my bekend is , thans uitge- 
storven zijn: f -A-b And r inga, f A Besten, f A Biler, 
fABolswert,en (men schreef die a gewoonlik klein) faLaxten, 
f a Vullen, f a Mark, f a b Oostbroek, enz. Die oude 
geleerden sprongen soms nog al wonderlik om met deze geslachts- 
namen , die eigenlik en oorspronkelik slechts toenamen voor hen 
waren , naar de plaatsen hunner geboorte. Johannes Gerhardi 
a Besten, by voorbeeld, predikant te Dokkum in 1620, en 
die dezen toenaam waarsckijnlik droeg naar zynen vader , die dan 
in het westfaalsche dorp Beesten, by Osnabrck , l zal geboren 
zijn, schreef zich ook wel a Groninga, wijl hy een Groninger 
van geboorte was. En Johannes Fokkes, die te Holwert , een 
dorp in Friesland , geboren was , verlatynschte en vergriekschte zynen 
naam , sedert hy hoogleeraar was te Franeker (in het midden dei- 
zeventiende eeu), tot Johannes Phocylides ab Holwarda. 
Deze man overdreef de zaak buiten dien ook nog. Had hy zich 
nog maar eenvoudig ab Holwert genoemd, hy hadde althans 
niet dwazer gehandeld dan zoo velen zyner tijd- en ambtgenooten. 
Maar hy maakte van den enkelvoudigen naam zyner geboorteplaats 
ook nog eenen oud-frieschen genitivus : ab Holwarda is Latyn en 
Oud-Friesch te gelijk eene zonderlinge verbinding ! en betee- 
kent van van Holwert!" Dit is eene dubbele dwaasheid. 

Slechts zeer weinigen van deze namen zijn tot op onze tegen- 
woordige dagen in het leven gebleven. My zijn slechts de volgenden 
bekend : A B rakel, (Lycklama) a Nyeholt, A Ster in ga 
(Lemke),ATellinghuis,(Tbomassen)aThuessink(Van 
der Hoop), en Ab Utrecht (Dresselhuys). 

91. In Friesland komen eenige geslachtsnamen voor, die ware 



1 In hoogduitschen forni , als V o n B e e s t e u , komt een geslachtsnaam , van dezen 
dorpsnaam ontleend , nog tegenwoordig in de Nederlanden voor ; zoo ook Van Bes- 
ten (te Antwerpen), en elders nog de zuive nederlandsche form Van Beesten. 



FRIESCHE GESLACHTSNAMEN AAN PLAATSNAMEN ONTLEEND. 241 

tegenhangers zijn van de namen die uit het voorzetsel van en eenen 
plaatsnaam zijn samengesteld. Het zijn als 't ware vertalingen van 
zulke namen in het Oud-Friesch. In het Oud-Friesch namelik wordt 
eenig zelfstandig naamwoord door achtervoeging van de letter a 
in den tweeden naamval geplaatst. Zie 44. Zoo ook zet men 
friesche plaatsnamen door achtervoeging van eene a in den tweeden 
naamval ; maakt dus van den plaatsnaam J e 1 1 u m den geslachts- 
naam J e 1 1 u m a , dat V a n J e 1 1 u m" heteekent. Ofschoon deze oud- 
friesche taalform, in de volkstaal reeds in de middeleeuen uitstierf, bleef 
men toch nog lange daar na op deze wyze geslachtsnamen maken. 
Zie hier een voorbeeld. Wytse Foppes was , in d' eerste helft 
der 18 d e eeu, een eenvoudig man, woonachtig in het friesche dorp 
Dongjuin , dat by Franeker ligt. Hy had geenen eigenen geslachts- 
naam. Immers zijn toenaam Foppes was anders niet als de 
naam van zynen vader F o p p e , in den tweeden naamval ; dus een 
patronymikon. Zoo lang Wytse Foppes te Dongjum woonde, 
was deze eenvoudige naam hem voldoende. Maar toen hy later 
zich te Leeuwarden als rekenmeester en instrumentmaker vestigde , 
had hy eenen afsonderliken geslachtsnaam noodig , ter onderscheiding 
van anderen , die ook deze algemeene namen Wytse Foppes 
droegen. Ware onze man een Hollander of andere Nederlander ge- 
weest, wis hadde hy zich Van D o ngj um" genoemd. Nu echter, 
als Fries , bezigde hy , zeer gepast , ook eenen frieschen taalform ; 
hy smeedde zich den geslachtsnaam Dongjurua, dat Van Dong- 
jum beteekent. 

Eeeds in 44 van dit werk heb ik uitvoeriger over dezen 
form van friesche geslachtsnamen gesproken ; ik kom er ook later 
op terug. Zie 101. 

Talrijk zijn deze namen in Friesland juist niet , vooral niet in 
vergelyking met de geslachtsnamen die uit eenen plaatsnaam met 
het voorzetsel van samengesteld zijn , en ook met die friesche ge- 
slachtsnamen , welke eveneens geformd zijn door achtervoeging van 
die oud-friesche a, maar dan achter eenen mansvrnaam. Zie Een 
en ander over friesche eigennamen , in De Vrye Fries , dl. XIII. 

De volgende geslachtsnamen , tot deze byzondere groep behoo- 
rende , zijn my bekend : Anjema, ArumajBaardajBuruma, 1 



1 Deinuma en Deinema, van liet dorp Deinum; Doklcuma, vandestad 

1G 



242 PRIESCHE GESLACHTSNAMEN AAN PLAATSNAMEN ONTLEEND. 

van de namen der dorpen Anjum, Arum, Baard en Buruin, 
alle vier in Friesland tusschen Fli en Lauers , in de hedendaag- 
sche provincie Friesland gelegen. Maar er komen , meest in Gro- 
ningerland , ook geslachtsnamen voor , die op deze oudfriesche 
wyze afgeleid zijn van groningerlandsche plaatsnamen; b. v. Bes- 
werda, van het gehucht Beswert by Esinge; Bieruma, van 
het dorp Bierum in Fivelgo ; Enuma, van Enum, eene huurt 
tusschen Loppersum en het Zand. 1 Dit zijn zeker zeer oude ge- 
slachtsnamen die nog dagteekenen uit den tijd toen men ook nog 
in deze landstreek, in 't oude Friesland tusschen Lauers en Eems, 
de friesche taal sprak. Dus minstens uit de 16de e eu. Eindelik 
moet hier nog genoemd worden de geslachtsnaam Smilda, die 
op oudfriesche wyze geformd is uit den naam van het drentsche 
dorp de Smilde. 

92. By den rijkdom van onzen vaderlandschen bodem aan 
stroomen en rivieren , enz. is het natuurlik dat er ook vele ge- 
slachtsnamen van ons volk ontleend zijn aan de namen van zulke 
wateren. Deze geslachtsnamen zijn in den regel uit zich zelven 
duidelik genoeg , en eischen weinig nadere verklaring. Eene eerste 
plaats onder de namen der kleine rivierkes in Nederland , neemt 
de naam A of A a in. Deze naam die eenvoudig water , stroomend 
water beteekent , is aan vele rivierkes eigen ; b. v. aan de A a by 
Breda; de Aa by 's Hertogenbosch ; de Aa by Gendringen in 



Dokkura; Dongjuma, van liet dorp ongjum; Ferwerda, en het versletene 
Ferweda, van Let dorp Ferwert; Holwercla, van het dorp Holwert; Jel- 
luma, van het dorp Jellum; Jorwerda, van het dorp Jorwert; Kluurdn , 
van het gehucht Kluurd, hy Kimswert; Memerda, van het gehucht Me me rt, 
by AViusum ; Mi ede ma, van het dorp Miedura; Rau w er da, van het dorp Rau- 
wer t; Salverda, van het gehucht Salwert by Franeker; Si e sw er da en Zies- 
werdn, van het gehucht Sieswert of Sydswertby Hichtum; "Weidema, van 
het dorp "VVeidnm; "Wurdema. van het dorp Wird urn (de naam van deze plnnts 
wordt door de Friesen als Wurdum of Wuddum uitgesproken), enz. 

1 II el \v er da, van het gehucht Helwert hy Rottum in Fivelgo; Leta, van 
de Letc, een gehucht by Belliugawolde ; Lula, van de Luie, een gehucht bv 
't TToogczand ; Wed da, vnn het dorp "Wedde, en nog velen meer, zoo wel friesche 
als grojiingsche , die in mijn werk Bm en ander otter friesche eigennamen ," in 
De vrije Fries, dl. XI11, zijn aangegeven. 



GESLACHTSNAMEN AAN RIVIEENAMEN ONTLEEND. 243 

Gelderland; de Aa, het bovenpand van den Angstel, in de pro- 
vincie Utrecht; de Almelosche Aa in Twente; de Mussel-A 
en de Pekel-A in Groningerland , enz. In overeenstemming met 
het veelvuldig voorkomen van dezen riviernaam A , komt ook de 
daarvan afgeleide geslachtsnaam Van der Aa geenszins zeldzaam 
voor. Andere geslachtsnamen, aan riviernamen ontleend , zijn nog: 
Van der Aar; de Aar is een stroom die by Alfen uit den 
Rijn naar de Drecht by Nieuveen vloeit. Van Amstel; deze 
naam komt in Holland , vooral in Amstelland en Kennemerland 
algemeen voor. Van Berkel; de Berkel is een rivierke dat 
te Zutfen in den IJssel valt ; maar deze geslachtsnaam kan even- 
eens aan het zuidhollandsche dorp Berkel ontleend zijn. Van 
der Does en Verdoes; de Does is een stroom by Leiden. 1 



1 Van der Dassen, Van der Uusse, Verdussen; de Dusse is een 
stroomke iu Noord-Brabant , in het Land van Altena. Van der Eem en Over- 
een); de Eem is het rivierke waar Amersfoort aan ligt. Van der E e m s , de 
rivier tusschen Groningerland en Oost-Friesland. Van der Giessen, Van de 
Giesse, Vergiesse; de Giessen is een stroom in Znid-Holland , die by Gies- 
sendam in de Merwede valt. Van Heule, Verheule, Verheul; de Heule 
is eene beek in West-V laanderen ; het woord heule, heul heeft evenwel ook de alge- 
meene beteekenis van waterloop, water-affloeiing. Van IJssel, Van den IJssel, 
Verysel, in wanspelling ook Van den Eyssel. Van der Lei, Verley, 
Verleye, By de Lei; de Leie is eene rivier in "W est- Vlaanderen ; maar het 
woord leie heeft ook de algemeene beteekenis van waterleiding, en komt, b. v. in 
Friesland, ook als plaatsnaam voor. Van der Lek en Van der Leek. Van 
der Linde en Van der Linden, ook Verlinde, Verlind; de Linde is 
een rivierke in Friesland ; deze geslachtsnaam kan echter ook afkomstig zijn van 
den boom die linde heet; zie 135. Van Maas, Van Maese, Van Maze, 
Van der Maas, Van der Maesen, Van dev Maze, Ver maas, V er ma es, 
Vermaese. Van de Mandele, Van der Mandele, Van de Mandeleu, 
Van de Handel; Vermandele, Vermandel, ook door de zeer gewone vei'- 
wisseliug van l en r, Van der Mandere, Verinandere, Vermander; de 
Mandele of de Man del bek e is een rivierke in West-Vlaanderen. Van de 
Merwe, Van de Merwede en Van der Merve. Van de Niers; de Niers 
is een rivierke in Limburg. Van Rijn, Van Khijn, Van den Rhijn, in wan- 
spelling ook Van Reyn. Van de Roer; de Roer is eene rivier in Limburg, 
die by Roermond in de Maas vloeit. Van de Rotte, ontleend aan het zelfde 
riviertje waar ook Rotterdam zynen naam naar draagt. Van der Schelde, Van 
der Schelden, Verschelde en V er scheld en. Van Schie. Van der Swalm 
en Van der Zwalm; de Swalm is een rivierke in Limburg. Maar een ander 
rivierke in Oost-V laanderen , by het dorp Strypen , draagt ook den naam van de 



244 GESLACHTSNAMEN AAN K.IVIERNAMEN ONTLEEND. 

De geslachtsnaam Van Overschelde moge hier ook vermeld 
worden , al is deze naam niet rechtstreeks aan den riviernaam Schelde 
ontleend. Immers Overschelde is de naam van eene landstreek 
over, aan den anderen kant van de Schelde gelegen, even als 
het Overmaassche over de Maas ligt. Zoo mede de maag- 
schapsnaam O v e r e e m , van het rivierke de E e m by Amersfoort 
afgeleid. 

Ook namen van buitenlandsche stroomen en rivieren zijn in 
Nederland tot geslachtsnamen geworden; b. v. Van der Hever, 
Van der Lip met Van der Lippe en Van Wezer. De 
Weser is bekend genoeg. De Hever is een stroom in Noord- 
Friesland (westkust van Sleeswijk) , vr de stad Husum , tusschen 
het eiland Noordstrand en den vasten wal. En de Lippe is een 
bekende zijdrivier van den Rijn, in Duitschland. Omdat de Roer 
(Ru.hr) en de Aar (Ah r) beiden ook namen van bekende zijd- 
rivieren van den Rijn in Duitschland zijn , zoo wel als namen 
van nederlandsche rivieren , zoo zoude men de op bl. 243 genoemde 
geslachtsnamen Van de Roer en Van der Aar ook evenzeer 
kunnen rekenen tot de geslachtsnamen aan de namen van buiten- 
landsche rivieren ontleend. 

De maagschapsnaam Jordaan doet aan de bekende rivier in 
Palestina denken. Toch geloof ik niet dat deze naam van dien 
riviernaam afkomstig is. Mogelik is het dat de oorsprong van 
dezen naam te zoeken zy in den naam van die byzondere wijk 
der stad Amsterdam, welke den naam van de Jordaan" draagt. 
Maar het komt my aannemeliker voor te stellen dat de geslachts- 
naam Jordaan, met de patronymika daarvan , Jordaans en 



Zwalm; naar dit rivierke draagt een geslacht Van der Zwalmen zynen naam. 
Eene hofstede, ter Z wal me genoemd en aldaar gelegen, behoorde oudtijds aan den 
stamvader vau dit geslacht; eene nfsonderlike tak van het geslacht Van der Zwalmen 
heeft zynen naam verlatynscht tot S wa 1 m i u s (zie Navorscher XXXIII , bl. 467). Van 
der Vecht, Van der Vegt en Van der Vegte. Van 't V lie; het Fli is de 
stroom voor Harlingen, die tusschen I liland en ter Schelling in de Noordzee valt. 
Van de Waal en Verwaal. Van de Werken; de Werke is eene oude, thans 
meest verloopene rivier in Noord -Brabant by Werkendam. Van de Worm en 
Van der AVorm; de Worm is een rivierke in Limburg. Van Zoom; de 
Zoom is het rivierke in Brabant, waar de stad Bergen (op Zoom) aan gelegen is. 



FRIESCHE GESLACHTSNAMEN AAN UIVIERNAMEN ONTLEEND. 245 

Jordaens, zynen oorsprong dankt aan den oud-nederlandschen 
mansvrnaani Jorden, die ook in latynschen form als Jor- 
d a n u s , en weer verkort als J o r d a a n voorkomt. De geslachts- 
namen Jordensz en Jordens zijn eveneens aan dezen mansnaam 
ontleend. 

98. Een byzonder-friesche form voor deze aan riviernamen 
ontleende geslachtsnamen ontbreekt ook al niet. Als zoodanig zijn 
my bekend de geslachtsnamen Eemstra, Rynstra (met den 
onzinnigen form Van Rynstra) en Scheenstra, afgeleid van 
de namen der rivier de E e m s , van het stroomke de Eyn 
(L e m s t e r-R y n) , dat uit het Tjeukemeer komende , by de Lemmer 
in de Zuiderzee floeit, en van het rivierke de Scheene, in 
West-Stellingwerf , alle drie in Friesland. Men zoude den geslachts- 
naam Diepstra hier ook toe kunnen rekenen, omdat diep" 1 , 
in de noordelike gewesten een algemeene naam is voor stroomende 
waters; het Dokkumerdiep b. v. , het Damsterdiep, het 
Reitdiep, enz. Zoo ook Deelstra. En tevens de geslachts- 
namen Boornstra en Boonstra, naar de rivier de Boorn 
(B o a r n , gewoonlik als Boan, Boon uitgesproken) ; E e s t r a 
en Iestra, naar de (Dokkumer-) Ee, volgens friesche uit- 
spraak I e (dit woord is de friesche weerga van het algemeen neder- 
landsche A of Aa zie bl. 242); Flietstra en Vlietstra, 
naar het woord pet of vliet , in Friesland , als elders , aan eenige 
wateren eigen; Groustra en Grouwstra, enz. Maar het is 
eigenaardiger deze geslachtsnamen afkomstig te rekenen van de 
namen der plaatsen die aan deze stroomen liggen, en die daar 
mede den zelfden naam dragen. Te weten: van het dorp Olde- 
boorn, in de wandeling enkel Boorn (Boan) genoemd; van 
het dorp E e of Ie, in Dongeradeel; van het Vliet, zoo als eene 
voorstad heet van Leeuwarden , en eene van Franeker ; van het 
dorp Gr ou, enz. Zie bl. 206. 



246 GESLACHTSN. AAN ALGEMEEN! AAKDRIJKSK. NAMEN ONTLEEND. 

B. GESLACHTSNAMEN , ONTLEEND AAN ALGEMEENE 
AARDRIJKSKUNDIGE NAMEN. 

94. Woorden die ter aanduiding dienen van algerneene formen 
welke de aardbodem uit nature vertoont (b. v. berg , bosch, meer), 
en ook woorden die de wyzigingen aanduiden, welke de band 
des menseben kunstmatig op onzen aardbodem beeft aangebracht 
(b. v. terp , gracht , dam) , noem ik algerneene aardrijkskundige namen. 
Ter onderscheiding van de byzondere aardrijkskundige namen, de 
eigennamen van landen , gouen en eilanden , van rivieren en andere 
waters , steden en dorpen , beb ik dezen algemeenen naam gekozen , 
omdat de bovengenoemde woorden en bonderden anderen , overal 
in ons land gelden waar gelyke formen van den aardbodem , of 
gelyke kunstgewrochten gevonden worden , terwijl de byzondere 
namen in den regel slechts eene enkele maal voorkomen. 

Zeer talrijk zijn de geslachtsnamen die aan deze algerneene 
aardrijkskundige namen ontleend zijn. Het zy dan dat zulke namen 
uit niets anders bestaan als uit die enkele woorden (b. v. de 
maagsebapsnamen Dijk, Dam, Berg, Duin) het zy dat zy 
nog met lidwoorden (De Bergh, 'T Feit, De Vyver), met 
voorzetsels (Van Dam, Van Duin, Op Meer (Opmeer), 
Voor Duin (V o o r d u i n) , of met voorzetsels en lidwoorden 
beiden (Van den Berg, By de Weg, Ter (dat is: te der) 
Me ui en) zijn samengesteld. En niet aleen dat de geslachten, die 
deze algerneene en eenvoudige namen dragen , veelal talrijk in 
leden zijn , maar ook verre weg het grootste gedeelte dezer namen 
zijn , elk voor zich , weer aan talryke , onderling niet verwante 
geslachten eigen. Hoevele maagschappen , by voorbeeld , zijn er 
niet , die de namen Van den Berg, Van den Bosch, Van 
Dam, Van Dijk voeren ? Te recht moet men zulke namen 
algerneene aardrijkskundige geslachtsnamen noemen. 

Uit den aard der zaak is de oorsprong en beteekenis dezer ge- 
slachtsnamen duidelik. Ieder een verstaat ze. Ik zal hier dan ook 
slechts betrekkelik weinig bladzyden aan de behandeling dezer zoo 
talryke namengroep kunnen wyden , en slechts een klein getal 
van die namen, als voorbeelden, vermelden. Byzondere of merk- 
weerdige namen komen er slechts zeldzaam onder voor. 



GESLACHTSN. AAN ALGEMEENE AARDItIJKSK. NAMEN ONTLEEND. 247 

De eenvoudigste geslachtsnamen van deze afdeeling zijn die , 
welke slechts uit een enkel algemeen aardrijkskundig woord , zonder 
eenig by voechsel , bestaan ; b. v. Akker en Acker, Baan, 
Beek. 1 Daarop volgen de algemeene aardrijkskundige namen met 
een lidwoord er voor. Dat zijn b. v. De Baan, De Bergh, De 
Brink e, 2 enz. Winkel, in den naam De Winkel, meen ik 
hier in de beteekenis van hoek te moeten duiden, zie ook bl. 204. 
Sas, in den naam 'T Sas (het sas), is het vlaamsche en zeeusche 
woord voor het algemeen-nederlandsche woord sluis; in de plaats- 
namen Sas- van-Gent, Sas- van-Goes, Stryensas komt 
het eveneens voor. Geest, in De Geest en De Gheest, be- 
teekent een hooge zandgrond , en is in onze noordelike gewesten , 
even als in noordwestelik Duitschland , ook in den form gast nog 
in volle gebruik. In de geslachtsnamen Van der Geest en Ter 
Gast komt dit woord nog voor, even als in Dor re ge est, 
Suydgeest, Brondgeest, Geestman, enz. Ook in de plaats- 
namen Oegstgeest, Uitgeest, Groot e- en Lutje-Gast, 
Addinga-Gast, enz. 

Vervolgens komen d'algemeene aardrijkskundige namen , met het 
enkele voorzetsel van er voor. Deze geslachtsnamen zijn veel 
talryker dan die welke de beide laatstgenoemde soorten uitmaken. 
Als voorbeelden kunnen dienen: Van Acker en Van Acker e, 
Van Dal e en Van Daele, Van Dam, 3 enz. Lede en het 
versletene lee in de namen Van Lede en Van Lee beteekent, 
even als lei in de namen Van der Lei, Verleyen en By de 
Lei, eene (ge)lede , (ge)leide , eene leiding , eene waterleiding. Uit som- 
mige plaatsnamen, waar dit woord in voorkomt, blijkt deze be- 



1 Berg, Briuk, Dam, Dijk, Duin, Haven, Hoek eu Houck, Hoff, 
Huis, Kolk, Laan, Oort, Poel, Sluis, Strand, Veen, Veld, Zee. 

2 'T Pelt (het veld), De Geest en De Gheest, Deu Duyn, De Hoogt, 
De Hoek, De Hoorn, De Poel, 'T Sas, De Wal en De Walle, De 
Weide, De Winkel, De Zee. 

3 Van Dijk en Van Dijck, Van Duin en Van Duyn. Van Ho eek, 
Van Hee, Van Houtte, Van Hove, Van Lee en Van Lede, Van Nes te , 
A'an Ooi, Vau Ooy, Van Oye en Van Oyen, Van Oordten VanOorde, 
Van Rood met Vau Rooy, Vau Rooyeu, Van Raay en Van ltaey, Van 
Veen, Van Vliet, Vau Wijk eu Van Wijek. 



248 GESLACHTSN. AAN ALGEMEENE AAUMJKSK. NAMEN ONTLEEND. 

teekenis nog; b. v. uit den naam van 't aanzienlike gehucht De 
L e i e , onder de gemeenten Het Bilt , Leeuwarderadeel en Ferwerde- 
radeel in Friesland behoorende , en dat in der daad aan eene leie , eene 
waterleiding gelegen is. Rode of rade , in plaatsnamen ook als rood 
en raad, raed , roth , rath geschreven en in versletene formen als rooi, 
ray , raey en ray , beteekent eene opene plaats in een bosch , waar 
de boomen gerood, gerooid, uitgeroep zijn. Behalven in Van Rood, 
Van 't Rood, Van Rooy, Van Rooy.en, Van Raey, enz. 
komt dit oude woord ook voor in de geslachtsnamen Winderoode, 
Hopperaadt, enz. en in vele plaatsnamen , vooral in de zuide- 
like Nederlanden (om van Ditschland niet te spreken) als St. 
Oedenrode, Schelde rode, 'sHertogenrade, in de volks- 
taal Harkenroth en He r ken r aai (waarvan de geslachtsnamen 
f Harkenroth en H er ckenrath) , in het Hoogduitsch Her- 
zogenrath, in het Fransch Rode-le-Duc, samengefloeid tot 
Rolduc. Ooi eindelik in Van Ooi, Van Oye en Van O yen 
is eene verfloeiing van het oud-nederlandsche woord ode, dat eene 
woeste , onbeboude , niet ontgonnene plaats beduidt , ook samenhangt 
met het hoogduitsche woord oede , woest , eenzaam , en in vele 
plaatsnamen voorkomt: Amersode (Ammerzoden, Amersooi), 
St-Josse-te n-Ode, gewoonlik verkeerd St-Jo ss e-ten-No ode 
geschreven , enz. l Zijl eindelik , in Van Zijl, Van Z ij 1 1 , Van 
Sijll , Van der Zij 1 en V er zij 1 , Verzeyl,is een verhollandschte 
form van het friesche woord sU , sluis , en komt in vele friesche 
plaatsnamen voor: Blokzijl, Tacozijl, Delfzijl, Greetsyl, 
Hilgenriedersyl, enz. En in den frieschen geslachtsnaam Zylstra. 
In talrijkheid worden de geslachtsnamen met enkel van er voor 
nog verre overtroffen door die algemeene aardrijkskundige namen, 
welke by dit voorzetsel ook nog een lidwoord vr zich hebben. 
Dit voorzetsel gaat natuurlik het lidwoord vooraf, als Van den, 
Van de en Van der ('t welk een zeer goede , maar verouderde 
form is van het verbogene vrouelike lidwoord) en Van het, dat 
meestal in samentrekking als Van 't voorkomt. Voorbeelden van 
zulke geslachtsnamen zijn: Van den Acker, Van der Baan, 



1 Zie mijn opstel: Amerzode , in Be Navorscher, dl. XXXIII, bl. 128. 



GESLACHTSN. AAN ALGBMEENE AARDK.IJKSK. NAMEN ONTLEEND. 249 

Van der Beek, Van der Beeck, Van der Bek, Van 
der Becke, 1 enz. 

Verder nog : Van den Broek, Vanden Broeke, Van den 
Broecke, Van den Brouke; broek (broolc , broich , bruch) be- 
teekent een laag gelegen, moerassig, door water gebroken veld. 
Het woord broek komt in vele geslachtsnamen , Beerenbroek, 
Suringbroek, Biesbrouck, Muelenbroock , Mecklen- 
broick, Waelbroeck, en in zeer vele plaatsnamen voor. Zie 
ook 141. 

Van den Bilcke en Van den Bulcke; Mik of bidlc is een 
vlaamscli woord dat een byzonder weiland beteekent, door eene 
heining , haag of sloot omgeven en afgesloten. De ossebilk is in 
Vlaanderen , ten platten lande , wel bekend. In den geslachtsnaam 
Van Keersbilck, ook op vlaamsche wyze geschreven als Van 
Keirsbilek voorkomende, treft men dit woord ook aan. 

Van de Bregge en Van der Breggen is het zelfde als 
Van de Brug. Bregge is de friesche form van dit woord , en 



1 Van den Bosch, Yan den Bossche, Van den Bussche en "Van den 
Bos. Yan den Berg, Van den Bergh, Van den Berge., Van den 
Berghe, Van den Berghen, Van de Brug, Van den Burg en Vanden 
Borg, Van 't Einde, Van 't Ende, VandenEnde, Van denEynde, 
Van der Geest (zie bl. 247), Van der Gracht, Yan der Graft en Van 
der Grift dat zijn drie verschillende formen van n en het zelfde woord. Verder 
Van der Hage en Van der Haeghen, Van der Heide, Van der Hei- 
den, Van der Heyde, Van der Heyden, ook Van der Heeden (vergelijk 
Van Hee op bl. 247), en zelfs Vanderey den, op zuidnederlandsche wyze, alles 
aan eikanderen geschreven, en dat, volgens de vlaamsche uitspraak, de h verloren 
heeft. Van den Hoek, Van der Hoeven en Van der Houven, Van 
't Hoff en Van den Hove, Van der Hout, Van der Kamp, Van dei- 
Laan, Van der Kolk en Van der Kulk, Van der Kuylen, Van dei- 
Meere, Van der Meire en Van der Meer, Van den Oever, Van 't 
Padje, Van der Poel, Van de Put, Van de Putte, Van 't Rood, (zie 
bl. 248), Van der Sluis, Van der Vaart, Van der Veen, Van der 
Feen, Van der Ven, Van der Venne, Van der Vinne, allen verschillende 
formen van een en het zelfde woord, maar dat in de verschillende nederlandsche 
gewesten eene eenigszins verschillende beteekenis heeft. Eindelik nog Van dei- 
Veer, Van de Velde en Van der Velden, Van de Voorde, Van de 
Voordt en Van der Voort, Van der Weg en Van de Weghe, Van dei- 
Weide, Van de Woestyne, Van de Woesteyne en Van de Wae-tine, 
Van der Wou de en Van Lei- Zee. 



250 GESLACHTSN. AAN ALGEMEENE AARDRIJKSK. NAMEN ONTLEEND. 

in de friesche gouen nog in volle gebruik , ook wel ten platten 
lande in Holland. Ter B r e g g e (dat is : by de brug) is eene buurt 
aan de Rotte , by Hillegersberg in Zuid-Holland. Ook in den maag- 
scbapsnaam Breggernan komt deze form voor. 

Van den Dries. Driesch of dries is een zuidnederlandsch 
woord, dat in verschillende gewesten eene eenigszins verschillende 
beteekenis heeft. Meestal beduidt het een met gras begroeid stuk 
land, waar op boomen staan en waar het vee zynen vryen loop 
heeft. Zie De Bo, Westvlaamsch Idioticon, op het woord dries. Men 
vergel yke ook den geslachtsnaam Optendrees, in 96. 

Van den Horn en Van den Hoorn; hom , hoorn (herna , 
horna, herne , home) is het friesche woord voor hoek, en, in die 
beteekenis, in Friesland nog in volle gebruik. Het komt ook in 
de geslachtsnamen Dijkshoorn en Dijkshoorn, en Drog- 
h o r n voor , als mede in zeer vele plaatsnamen , ook buiten Friesland. 

Van' der Horst. Een horst is een klein, dicht begroeid bosch; 
de groote en ruwe nesten der roofvogels noemt men ook wel horst. 
Dit woord komt in vele plaatsnamen voor , en niet minder in 
geslachtsnamen, als: Horstman, Rouwenhorst, Quell- 
horst, Selhorst, Borghorst, Ter Reehorst, enz. 

Van der Koogh en Van der Koog met Van der Kaag. 
Koog , kaag , keeg zijn allen verschillende formen van een en het 
zelfde oud-nederlandsche , meest oud-friesche woord , dat polder 
beteekent, en als plaatsnaam niet zeldzaam is (Koog op Tessel,- 
Koog aan de Zaan , de Kaag by Leiden) , ook in Noord-Fries- 
land (G-otteskoog, Ockholmer-Koog, Langenhorner- 
K o o g). K e e g s t r a is de friesche tegenhanger van Van der Koog. 

Van de Kreke is een zeeusche geslachtsnaam , en kreke , kreek 
is een zeeusch woord, het welk een binnenlandsch water betee- 
kent , als een vliet of wetering , en dat vroeger in den regel met 
de opene zee in verbinding stond. 

Van der Made. Eene made is een grasveld, dat gemaad, ge- 
maaid wordt, ten behoeve der hooioogst. In de geslachtsnamen 
Vermade en Schoonmade komt dit woord ook voor , en 
tevens in sommige plaatsnamen (H oogmade, Winkel made). 

Van der Meersch, in vlaamsche spelling Van der Meirsch, 
in versletenen form Vermeersch, V e r m e i r s o h en zelfs V e r- 



GESLACHTSN. AAN ALGEMEENE AARDEIJKSK. NAMEN OM'LEEND. 251 

meesch. Een vlaainsch woord is dit meersch , en het beteekent : 
het vruchtbare veld dat zich, meestal als weiland, langs de oevers 
van heken en rivieren uitstrekt. 'T is het zelfde woord als mersch 
en marsch , dat meer in de noordelike gewesten in gebruik is , en 
aldaar geldt als tegenstelling van geest, gast (zie bl. 247). Ook in 
de noordelike , bepaaldelik friesche Nederlanden beteekent marsch 
de vruchtbare landstreek , meestal uit kleigrond bestaande , aan 
de oevers der zee en der riviermonden. In de maagschapsnamen 
Van der Marsch, Ter Marsch en Overmars treffen wy 
dit zelfde woord aan. 

Van de Pitte. De vlaamsche en zeeusche form van het woord 
put is pit of pitte. In den geslachtsnaam Wullepit komt deze 
form ook voor. 

Van 't Verlaat, Van 't Zet en Van de? Zwet zijn maag- 
schapsnamen die aan de friesche , of in Friesland althans meest 
gehruikelike woorden verlaat (dubbele sluis) , zet of beter set (veer , 
overzee over een water) , en zwette, swette (grensscheiding) ontleend zijn. 
In den geslachtsnaam Zwetheul komt dit laatste woord ook 
voor. Deze naam "beteekent: grenssloot, en is tevens als plaats- 
naam (in de zuidhollandsche gemeente Vryenban) in gebruik. Het 
woord heul , heule , waarvan de maagschapsnamen Van der Heul 
en Verheul, misschien ook Ver hu el afkomen, heeft in de 
gouspraken van sommige nederlandsche gewesten de beteekenis 
van eene smalle sloot tot afvoer van water dienende ; in de steden 
ook wel die van een open riooltje tot afvoer van spoel- en keuken - 
water. In andere gewesten , zuidelik Zuid-Holland en Zeeland , be- 
teekent 'het .een klein brucbje of vonder, dat over zulk eene sloot 
of waterloop voert. 

Van der Wielen en Van de Wiele, met Van de Wiel 
en het ontaalkundige Van den Wielen. Een wiel is een klein 
meerke , in den regel het overblijfsel van eene overstrooming , 
meestal gelegen achter dat gedeelte van den dijk waar de dijkbreuk 
heeft plaats gehad , en waar das het water gewield , in eene kolk 
gedraaid heeft. De leeuwarder maagschap Van der Wielen 
draagt haren naam bepaaldelik naar de meerkes de Groote en de 
Kleine Wielen , in Tietjerksteradeel , beoosten de friesche hoofdstad. 
In het oude Antwerpen gaf men aan eenige straat waardoor een 



252 GESLACHTSN. AAN ALGEMEENE AABDUIJKSK. NAMEN ONTLEEND. 

water floeide, en die men in Holland ?>gracht" noemt, den naam 
van rui; b. v. de Suiker rui. In den vlaamschen maagschaps- 
naam Blockkery meen ik dit woord terug te vinden , al is 
deze zelfde naam onder den form Blockerye aan een ander 
vlaamsch geslacht , en onder den form Van de Blocquery aan 
eene in Holland gezetene maagschap eigen. 

95. Deze geslachtsnamen, samengesteld uit een algemeen aard- 
rijkskundig woord met een lidwoord en het voorzetsel Van, zijn 
buitengewoon talrijk , en formen met eikanderen eene der meest 
kenmerkende groepen van nederlandsche namen. In alle neder - 
landsche gewesten zijn zy inheemsen ; in de meesten komen zy 
veelvuldig voor. Dit is vooral het geval in Holland , Vlaanderen 
en Brabant. 

Het voorzetsel van en het verbogene lidwoord der zijn dikwijls 
in de maagschapsnamen samengefioeid tot een enkel woordje ver. 
Vermeer by voorbeeld, en Versluys zijn samengetrokken uit 
Van der Meer en Van derSluys. Ook deze groep van geslachts- 
namen is zeer talrijk. Die namen zijn vooral in onze zuidelike gewesten 
inheemsch , en daar het meeste verspreid. Hoe noordeliker in de 
Nederlanden , in hoe kleiner aantal deze namen optreden. In de 
friesche gewesten ontbreken ze. Die , welke men daar aantreft , 
zjjn er niet oorspronkelik inheemsch. Als voorbeelden van deze , 
op zich zelven meestal onbelangryke namen mogen hier genoemd 
worden : Verbaan, Verbeek met Verbeeck, Verbeke en 
Verbeken, Verbrugge met Verbruggen, Verbrugghe 
en Verbrugghen, 1 enz. Zoo als de aard dezer zake meebrengt , 
komen de volle formen dezer namen , met van der , in den regel 



1 Verburg, Verburgh, Verbnrgt en Verborg, Vercauteren (cauter, 
kouter is eeu zuidnederlandsch woord, en beteekent eene groote uitgestrektheid aan- 
nliggende boulandeu of akkers), Vercruysse, Vercruyssen, Verkruysen, 
Verdonck, Ver go te, Verha.ge, Verhagen, Verhaege, Ver- 
ba e g h c , Verhaeghen, Ver have, Verheyden, Verheyen en 
Verhey, Verhoeven en Ver hou ven, Verkerk, Verleyen (zie 
bl.' 243) , Vermeer, Ver mee re, Vermeire, Ver mee ren, Vermei- 
ren, ook, half duitsch Vermehr. Verder V er meer se h (zie bl. 250), Vermeu- 
len, Verschuur en Versch neren, Versluys, Versteeg, Ver- 
stege, Versteegh, Versteghe en Verstegen, Verstraeleen 



GESLACHTSNAMEN MET VERSCHILLENDE VOORZETSELS. 258 

nevens de versletene , niet ver , voor. B. v. Verbaan naast Van 
der Baan, Verkerckhoven nevens Van der Kerkhove, 
Verschelde naast Van der Schelden, enz. 

96, Het voorzetsel van is geenszins het eenichste , dat als voor- 
voechsel dient, by geslachtsnamen aan algenieene aardrijkskundige 
namen ontleend. Ook andere voorzetsels treden in dezen rol op , en , 
even als van , ook met of zonder lidwoord er by. Maar het getal 
dezer aldus samengestelde geslachtsnamen is uit der mate gering , 
vergeleken by het zeer groote aantal namen die van by zich hebben. 

Die voorzetsels zijn : aan , by , onder , over , te , uit , enz. Zie hier 
eenige voorbeelden van geslachtsnamen , . die daar mede samenge- 
steld zijn. 

Met aan : Aan de Kerk, Aan de Brugh ,Aan den Boom 
en A en den Boom. Het voorzetsel aan wordt in de meeste noord- 
nederlandsche , vooral hollandsche tongvallen , als an uitgesproken. 
In dien form komt het voor in den geslachtsnaam An de Weg. 

Met by.- By de Beek, By de Kerk, By de Kerke, By 
de Lei, By den Dijk, By de Weg; en in Bey der Wellen, 
dat van hoogduitschen oorsprong is. B y m h o 1 1 behoort ook hier toe ; 
want deze naam is eene samentrekking van Bi 'm Holt, Bi dein 
Holte , by het hout , anders gezeid : by het bosch. Nog meer sa- 
mengetrokken en versleten , als B i m o 1 1 , is het ook de naam van 
een gehucht aan onze twentsche grenzen , by het bentheimsche 
dorp Veldhuizen. 

Een tegenhanger van Bymholtis de geslachtsnaam B ieder- 
la ck (Bi der Lack , by de lak of lek). Lack of lak (het woord is 
ook eigen aan eenige nederduitsche plaatsnamen, b. v. aan Kurs- 
lack, een dorp aan de lve by Hamburg) , laqk of lak , laak , 
leek of lek is de naam die aan eenig water , meest aan eenen 
rivierarm toekomt. Het woord hangt samen met onze woorden 
lekken en leken , en wordt gegeven aan een water , dat , by geringe 
beginselen , als 't ware lekkende , uit eenen grooteren waterstroom 



Verst vaeten, Vervelde en Vervelden, Vervenne (zie BI. 249) , 
V e r v 1 i e t , V e r v 1 o e t , Vervoor t en V e r v o o r d e , Veiwei en V e r- 
w e y , Verwerft, V e r z e 1 e. 



254 GESLACHTSNAMEN MET VERSCHILLENDE VOORZETSELS. 

voortfloeit. In onzen riviernaam De Lek, in den groningerland- 
schen dorpsnaam De Leek, in den naam Medemblik of Me- 
nie lik, zoo als ons volk spreekt, oudtijds Middenleek of Me- 
demelaea, vinden wy dit woord terug. Bie der Lack, een 
nederduitsche , zoogenoemd platduitsche taalform , is, in taalkundig- 
opzicht , een naam als Bymholt, Btefr, Lutkebhl, 
Schttelndreier, enz. Deze zijn niet hollandsch , kunnen ter 
nauer nood nederlandsch heeten , maar 'nederduitsch zijn zy zonder 
tegenspraak. De rnaagschapsnaam Ter Laak is de zuiver-neder- 
landsche tegenhanger van Biederlack. 

Met buiten: Buytendijck, Buitendijk, Buitenweer d. 
Met binnm . Binnendijck, Binneweg. 
Met op: Op den Akker, Op de Beeck, Op den Bosch, 
Op 't Broek, Op de Camp, Op de Coul (coul , dat is lim- 
burgsche gouspraak voor kuil) , O p p e d ij k (versleten van Op den 
dijk), Op 't Einde ; Opteynde en Op den Ende, Op de 
Hoek, Op den Ho ff en Op den Hoof, Op den Kelder, 
Op de Kluis, Op 't Land, Op de Ley (zie bl. 243), Op 
de M a c k s (een naam die my duister van beteekenis is) , Op de 
Weerd en Op de Woerd. De maagschapsnaam Op den O o r t 
komt ook , door verharding der cl in eene t , wegens de vooraf- 
gaande p , als O p t e n o o r t voor ; ook als O p p e n o o r t h , by ge- 
heele wegsly ting der d van het lidwoord, even als in O p p e d ij k. Bui- 
tendien nog, geheel by misverstand en verbastering, als Op ten 
Noort. Het woord vort of oord beteekent in deze namen een 
meestal lang gestrekt eilandje in .eene rivier, anders gezeid een 
weert of waard, dat oorspronkelik , met woerd en wierde en wier , 
wel een en het zelfde Voord als oort zal wezen. De nederlandsche 
maagschapsnamen Op den Oort, Optenoort en Oppenoor th 
vinden hunne tegenhangers in de hoogduitsche geslachtsnamen A u f 
'n Orte en Aufmorth (eene t samentrekking van Auf'm Orth, 
Auf dem Orth) en in Aus 'm Weerth, welke namen alle 
drie van den Boven-Bijn in de Nederlanden zijn afgezakt. De hoog- 
duitsche en de nederduitsche formen komen vereenigd voor in den 
byzonderen , aan een nederlandsch geslacht eigenen maagschaps- 
naam Oppenoorth genaamd Auffmorth (zie Haarlemsche 
Courant van 20 Juni 1884). Dat overigens deze geslachtsnaam 



GESLACHTSNAMEN MET VERSCHILLENDE VOOEZETSELS. 255 

reeds oud is, bewijst Harman opten O r t , burger der stad Leeu- 
warden, ten jare 1511 (zie Register van den Aanbreng, dl. I, 
bl. 35). 

De zelfde verharding van d tot t , die in Optenoort voor- 
komt , vindt men ook in de geslachtsnamen Optenberg, (oor- 
spronkelik Op den Berg) en O p t e n d r e e s , (dat is : Op den 
Drees, Op den Dries. Aangaande dit woord drees of dries, 
zie men bl. 250). 

De geslachtsnaam Op den Zieke schijnt wel vreemd. Maar 
deze zonderlingheid verdwijnt . als men weet dat er in sommige 
hollandsche steden (Haarlem , 's Gravenhage) eene buurt is , die 
van ouds her het Zieken of het Zieke heet. Te Haarlem was 
die buurt in d' onmiddellike nabyheid van het Stads-Armen- en 
Ziekenhuis , een gesticht dat in vorige eeuen byzonderlik gediend . 
heeft om er de melaatschen of leprozen , volgens middeleeusche 
spreekwyze de zieken als by uitnemendheid , te verplegen. Van 
daar de naam dier buurt , alsof men zeide : ten zielcen . of by de zieken. 
Die buurt is in de laatstverloopene jaren door aanbou zeer ver- 
anderd , en draagt nu den naam van Schootersingel , Kennemer- 
straat , enz. Van oude Haarlemers echter kan men nog hooren : 
ik woon op het Zieken." Dit is in nog ouderen form gezeid : 
Op den Zieke. 

De maagschapsnaam Opstelfcen behoort eigenlik, naar rayne 
meening , hier ter plaatse niet. Wel is hy samengesteld met het 
voorzetsel op , maar stelten schijnt my geen algemeen aardrijkskundig 
woord toe. Waarschijnlik is deze naam oorspronkelik wel een 
bynaam (voor iemand met lange beenen ?) Anders weet ik hem 
niet te verklaren. Ook is my de geslachtsnaam Opscholten 
niet duidelik. 

Met onder .- Onderwater, Onder den Boom, Onder eyck, 
Onder de Linde, Onder de Wijngaard. 

Met voor: Voor den Haak (het hoogduitsche Vor der Hak e 
komt ook in Nederland voor , zoo mede het half-hoogduitsche Vol- 
der Wullbecke), Voor 't Bosch, Voor 'tHekke, Voor- 
hoeve, Voor der Meulen. 

Met achter: Achterberg, Agter den Bosch en Achter n- 
b u s c h , Agterkamp, A g t e r e e k , dat is : achter den eik. 



256 GESLACHTSNAMEN MET VERSCHILLENDE VOORZETSELS. 

Met over : Over akker, Overbeek, Overdijk, Overdulve 
(dulve is een zeeusch woord voor sloot , gedolven waterloop , of 
delf in het Oud-nederlandsch) ; Overdiep (groningerlandsch deip 
of diep voor waterstroom, zie bl. 245) ; O v e r e e m (zie bl. 244) ; O v e r- 
gaauw (over het rivierke de Gouwe, by Gouda)? Verder Over 
de Linde (rivierke in Friesland ? of lindeboom ?); Overkamp, 
Overputte, Over 't Veld, Overvoorde, Over 't Zet 
(zie bl. 251). 

Met met: Mettepenningen (zie 142 en 168); Met den 
Ancxt. Deze laatste zonderlinge maagschapsnaam , in de zuidelike 
Nederlanden inheemsch , en door zyne byzondere spelling van hoogen 
ouderdom getuigende , valt moeielik te verklaren. Beteekent hy : 
met den angst? en is hy dus wellicht oorspronkelik anders niet 
als de bynaam voor eenen angstigen , vreesachtigen , bangen man? Zie 
148. Beide deze namen, met het voorvoechsel met samengesteld, 
behooren eigenlik in andere afdeelingen van dit boek vermeld te 
worden. Immers tot de algemeene aardrijkskundige namen kunnen 
zy niet gerekend worden. 

Met in ; I n c o u 1 (in kuil , in den kuil , volgens limburgsehe 
spelwyze en uitspraak; men treft dezen zelfden forni ook aan in 
den maagschapsnaam Op de Coul, en, meer verhollandscht , in 
Leemkoel. Verder I n t h o f (beter In : t H o f geschreven); Inden 
Klef (dit klef zal hier wel het zelfde woord zijn als kleef, kleve , 
Hief , klif, en beteekent dan : helling van eenen heuvel , eene hellende 
vlakte), In 1 Veld, In de Wey, In den Berken. 

Met uit: Uit de Broeck en Uyttenbroeck (zie bl. 249); 
Uyttendaele,Uitterdijk,Uytterhaegen en Uitenhage, 
Uit den Hoef v Uytterhoeven en Uyterhouve, Uytten- 
bogaerdt, Uitenbosch, Uitendaal, Uitte r scho o t , 
Uytenhoudt,Uiterweer. Ook U y t e reist en U y 1 1 e reist, 
in welke namen het woord eist de beteekenis heeft van ehenbosch , 
even als in de maagschapsnamen Van der Eist en Vereist, 
en in menige plaatsnaam in verschillende nederlandsche gewesten. 
Door den infloed der t van uit is in bovenstaande namen de d van 
het lidwoord geheel verloren gegaan , of tot eene t verhard ; b. v. 
Uitenbosch in plaats van Uit den Bosch, Uitterschoot 
in stede van Uit der Schoot. Slecht by een paar dezer namen , 



GESLACHTSNAMEN MET HET VOOUZETSEL uit, Wit, ld. 257 

by Uyt de Broeck en Uit den Hoef is de volle, oorspron- 
kelike form bewaard gebleven. 

Het woordje uit luidt nog heden in het grootste deel der neder- 
landsche gouspraken, even als oudtijds algemeen , als uut (ut); van daal- 
de byzondere form van den geslachtsnaam Uut het Hooghuis. 
Dit is een nog al zonderlinge , onregelmatige naam , wegens den 
nieuerwetschen form van het woord huis , dat , in overeenstemming 
met uut, hier huus had moeten wezen. Ook in den maagschapsnaam 
Utenhove vinden wy dit ut , uut , in plaats van uit. Utenhove 
is de oude form van dezen naam , die ook met van er voor , als 
Van Utenhove voorkomt. In taalkundigen zin , een onjuiste form. 
De nieuere form , Uyttenhoven, komt ook als geslachtsnaam 
voor. Utermhlen is een maagschapsnaam, die, blijkens de oh, 
van platduitschen oorsprong is; en Utermark waarschijnlik ook. 

In de middeleeuen werd het woordje uit , uyt , uut gewoonlik 
als wt geschreven , omdat de w oorspronkelik anders niet en is als eene 
dubbele u (uu , vv , w) ; in het Engelsch en in het Friesch heet deze 
letter dan ook nog z. Mijn vader, geboren in 1796, in zyne 
jeugd te Leeuwarden ter schole gaande , leerde aldaar die letter , 
in het Nederlandsch , nog dubbeld-ou of ook dobbeld-ou (met den 
klank van het woord rouio) noemen; en omstreeks 1815 werd in 
het zeeusche stadje ter Goes der jeugd nog geleerd de v als uve , 
de w als dubbeld-uve te noemen. In vijf hedendaagsche nederlandsche 
geslachtsnamen komt die overoude schrijfwyze van uit als wt nog 
voor. Dat zijn Wtteneng (uit den eng; eng, ing, enghe is groen- 
land, grasland, weide; zie bl. 43); Wtte waal, Van Wttberghe, 
Wtenweerde met WtenweerdenenWtterwulghe. Widge 
is de vlaamsche form van het woord wilg , zekere boomsoort. Dus 
is wtterivulghe , wt de?- wulghe , uit de wilg , waarschijnlik oorspron- 
kelik wel de toenaam van eenen man , wiens huis tusschen wilgen 
verscholen stond. Deze vijf of zes maagschapsnamen brengen , door 
hunne overoude schrijfwyze , het bewijs hunner eerweerdige oud- 
heid mede. Nevens Wttewaal en Wtte r wulghe bestaan ook 
nog de nieuere formen Uyttewaal, Uytewaal en Utter- 
wulghe als hedendaagsche geslachtsnamen. Voor lieden die de 
oude schrijfwyze van uit als wt niet en kennen , nog ook de ware 
uitspraak dezer namen van anderen hebben gehoord , levert deze 

17 



258 GESLACHTSNAMEN MET VOORZETSELS IN FRANKISCHEN FOllM. 

uitspraak moeielikheden op. Velen weten niet wat zy daar van 
maken zullen. Zy denken dan dat liet eene schrijffout is , dat er eene 
letter, b. v. eene i uitgevallen is, tusschen de iv en de t weg, 
en spreken Wttewaal dan als Wittewaal uit. Deze uitspraak 
kan men dikwijls van oningewyden hooren. En deze geheel ver- 
keerde uitspraak is zelfs wel in de schrijftaal overgegaan. Nevens 
Wtterwulghe en Utterwulghe is er ook een tak van dit 
aloude zuidnederlandsche geslacht, dat zynen naam als Witter- 
wulghe schrijft. Het komt my waarschijnlik voor dat de ge- 
slachtsnaam Wittenrood zijn ontstaan ook aan zulk een mis- 
verstand en misspelling heeft te wyten , en dat hy oorspronkelik 
Wttenrood, Wtenrode (uit den rode zie bl. 248) geweest zy . 

97. In het belangryke werk van jos. habets , De Wederdoopers 
te Maastricht (Roermonde , 1877), wordt op bl. 213 de naam ge- 
noemd van eenen limburgschen Wederdooper , die in d' eerste helft 
der 16de eeu leefde. Die naam staat daar vermeld als Am o ld 
in gen Esschenbroek. En deze by- of toenaam in gen Essclien- 
broeh heeft klaarblykelik de beteekenis van : in den Esschenbroek , 
en duidt dus aan dat deze Arnold in eene plaats woonde, die 
den naam droeg van de Esschenbroek. En in der daad vinden 
wy nog heden in deze landstreek , naby 't stedeke Erkelentz , dat 
tegenwoordig tot Pruissen behoort, en niet verre van onze lim- 
burgsche grenzen by Roermond , een dorpke dat den naam E s s c h e n- 
bruch draagt, en waar onze Arnold de Wederdooper hoogst 
waarschijnlik t'huis behoorde of woonde. Alzoo Arnold in den 
Esschenbroek werd die man te recht genoemd. Ja ! maar 
in die oude oorkonde , door habets vermeld , staat : in gen Esschen- 
broek." Is dat gen dan eene drukfout voor den? 

Greenszins! In gen Esschenbroek" is geschreven zooals in 
die gouen tusschen Rijn en Mase gesproken wordt. In de verschil- 
lende nederfrankische tongvallen van deze landstreken (Limburg , 
het oude Overkwartier van Gelderland , het Land van Valkenburg , 
van Gulik en van Kleef, vooral ook te Aken en in d 1 omstreken 
van die stad , en verder aan den Beneden-Rijn , te Bonn , Keulen , 
Dusseldorp) wordt de n , als sluitletter van eenig woord of letter- 
greep , veelal met den neusklank , als zoogenoemde nasaal-n , dus 



GESLACHTSNAMEN MET VOORZETSELS IN FRANKISCHEN FORM. 259 

ongeveer als ng uitgesproken 1 . Zoo luiden b. v. de woorden: geeft 
hem eenen ring aan de hand, en schoenen aan de voeten," in de 
dageliksche spreektaal van de stad Aken : geft hem 'n reng angen 
hank, en schong angen puute.' n Hier staat dus angen in de plaats 
van ang de{n) , aan de. Zoo luidt ook het woordje onder te Sittard 
steeds als onger ; oorspronkelik ongder , maar de d is daar uit ge- 
sleten. En zoo sleet ook die d uit angen {ang den), in bovenver- 
melden akenschen volzin , en uit ing en {ing den) in bovengenoem- 
den oud-limburgschen naam. Over 't algemeen slijt de d, in alle 
nederlandsche tongvallen , zeer licht weg , en vooral ook na zoo'n 
dreunenden neusklank. En zoo is dus werkelik th gen Esschen- 
broeck" eene verkeerde spelwyze voor ing{d)en, in den Esschenbroek. 

Nog in eene andere oud-limburgsche oorkonde, van den jare 
1447 , die vermeld wordt in jos. habets' werk Het vrijdorp Neerit- 
ter , bl. 6 en vervolgens , lees ik : Onser Heeren lieerligheyt uit onsen 

dorpe (gaat) al die syder straet langs voert te Winckel 

neven 't feldt op gen Q u a e c k m e e r , die eyne syde Toeren-heerlyck- 
heyt , die andere syde Ittereheerlyckheyt ; soo voirt op gen D o u s S e n- 
bergh" enz. Op gen staat hier voor. op den. 

Aldus geven deze oude oorkonden ons eenen sleutel in de hand 
ter verklaring van sommige geslachtsnamen , in Nederland voor- 
komende, en die my tot dus verre duister wai-en en onverklaar- 
baar. En wis velen met my , voor zoo verre zy geene Limburgers 
zijn. Deze geslachtsnamen zijn: Aengeveld, Angemeer, Aan- 
ge v o o r t {aang {d)e Voorde) , Aangevaren (de beteekenis van 
dezen naam , te Stramprode in Limburg inheemsch , is my niet 
duidelik) , Angenent {ang{d)en Ent) 1 ', enz. Ingenbroich is: 
in den broich ; en broich is de form die tusschen Rijn en Maas 

1 Oudtijds was deze zonderlinge uitspraak der n als ng ook in sommige hol- 
landsche en andere noordnederlandsche tongvallen zeer algemeen. Onder anderen 
in dien van Amstelland. Men zie hierover maar eens na lioe Gerbraisd Adriaensen 
Bredero zyne zestiende-eeusche amstellandscke boertjes spreken laat. Ook nog 
heden lioort men dezen zelfden neusklank der n in den tongval van het dorp Soest 
by Amersfoort, en elders in Eem- en Gooiland. 

2 Angenroen (ang [d]en ro-en, aan den roden, aan de rode, zie hl. 248 en 
258), Ingenhleek (ing [d]en bleek), Ingebos, Ingendael, Ingenhaag, 
Ingenhols fj/ols, hoUs , holtz, holt, hout), Ingenhoof, Ingenhor st, Ingen- 
lath, Ingenegeren, Ingenohl, Ingeveld, O pg en haaf f e (zie 104). 



260 GESLACHTSNAMEN MET HET VOORZETSEL te. 

geldt voor broek, broolc , bruch , moeras, zie bl. 249. Behalven 
in de geslachtsnamen Mecklenbroick en Hucklenbroick 
komt dit zelfde woord ook voor in menigen plaatsnaam in die 
streken: Gre venbr oich, Hackenbroich, Kleinenbroich. 
Zoo ligt er in den geslachtsnaam Ingenbroich tweemaal het 
bewijs opgesloten dat hy tusschen Rijn en Maas t'huis behoort. 
Ingenhousz is: in den huize ; housz of Jwas (huis) is eene byzon- 
der-limburgsche spelling en uitspraak , even als coul voor kuil 
zie bl. 254 en 256). Door hollandschen infloed komt deze naam 
ook voor als Ingenhoes gespeld. Ingenluyff is: in den luif 
of luifel , zoo als oudtijds aan de gevels der huizen aangebracht 
was. De limburgsche form luif , in plaats van den hollandschen form 
luifel , die eigenlik een verkleinform is , is ook eigen aan de friesche 
taal. Luif is zonder twyfel ook een oudere en betere form van 
dit woord dan luifel ; hy stemt volkomen overeen met het vlaamsche 
love , het hoogduitsche Laube 1 . In den maagschapsnaam Opgen- 
haaffe, op den haaffe , op den haf e, op den have, op den hove , 
treffen wy nog den ouden form opgen aan , in bovengenoemde 
oorkonden aanwezig. 

98. Behalven het zoo algemeen voorkomende van, is er geen 
voorzetsel dat in ruimere mate deel uitmaakt van geslachtsnamen 
dan het voorzetsel te , in verschillende formen , als toe , tot , tlwe , 
en in verschillende samenstellingen , als ten en ter , thor , torn , enz. 
Toch bedraagt het getal dezer namen zeker nog geen duizendste 
deel van het getal der namen die met van samengesteld zijn. Deze 
te-namen kan men beschouen als antwoord gevende op de vraag 
die men eenen vreemdeling doet: waar woont Gy?" In tegenstel- 
ling met het antwoord op de vraag: waar komt Gy van daan?" 
als oorsprong der van-namen. Maar de namen van bekende, groote 
plaatsen , 't zy dan van steden of dorpen (landen , gouen , eilanden 
natuurlik nog veel minder) , komen niet of zelden achter deze 
te-namen voor. Het zijn in den regel namen van enkele landhoeven 
of van adellike huizen , ook algemeene aardrijkskundige namen , die 



1 Zie mijn opstel: Geslachtsnamen mei inyen en angen beginnende, in De Na- 
vorscher , dl. XXIX , bl. 33. 



GESLACHTSNAMEN MET HET VOORZETSEL te. 261 

achter 'het voorvoechsel te volgen; b. v. Te Boekhorst, Te 
Lintum, Ten Brink, Ter Horst. Meestal is het de naam 
van een byzonder huis of van eene byzondere hoeve , die door 
den bewoner van dat huis of die hoeve, 't zy hy dan eigenaar 
of slechts bewoner , huurder of pachter daar van is , als toenaam 
aangenomen werd , ter onderscheiding , en die later vaste geslachts- 
naam werd. De boer Geert b. v. , die in 1684 als eigenaar zat 
op het groote en aanzienlike scholten-erve Lintum, by Winters- 
wijk, wordt in eene oorkonde van die dagen Geert te Lintum 
genoemd. Die toenaam bestaat nog heden ten dage als vaste ge- 
slachtsnaam. 1 

Verre weg het grootste gedeelte der geslachtsnamen met het 
voorzetsel te samengesteld , is oorspronkelik inheemsen in de Sak- 
sische gouen van ons land , bepaaldelik van Overijssel en Gelder- 
land. Zie hier eenigen van die namen als voorbeelden : Te Boek- 
horst, Te Braake, Te Genipt, 2 enz. Brake zal hier wel een 
byzondere (oud-saksische ?) form zijn van het woord broek (zie bl. 
249). Het zelfde woord komt voor in de geslachtsnamen Ter 
Brake en Ten Brake (het geslacht van dit woord schijnt aan 
twyfel onderhevig te zijn); misschien ook in Br aakenburg en 
Brakenhof f. By de Zuid-Nederlanders komen allerlei namen in 
samengetrokkenen form voor , vooral ook als er eene h by in het 
spel is; zoo is de geslachtsnaam Te Hollebeeke in die streken 
tot Thollebeeke geworden. 

Het voorzetsel te werd oudtijds ook wel als tJie geschreven. Van 
daar de geslachtsnaam The Pass, gewoonlik als T h e p a s ge- 
schreven , die nevens Te Pass voorkomt. In den maagschapsnaam 
Theepas meen ik dit zelfde voorzetsel the of te te moeten her- 
kennen , dat door misbegrip vast onkenbaar geworden is. Maar 



1 Zia Craandijk en Schipperus, Wandelingen door Nederland. Supplement. 

2 Te Kloeze (kloese is de Saksische form van het hollandsche kluis; het adellike 
huis De Kloese is by Lochem ; de geslachtsnaam Van der Kloes komt ook 
voor). Verder Te Lintelo, Te Lintum, Te Nuil, Te Pass, Te Riele, Te 
Roller, Te Cock, Te Strote (saksische form van straat, ook voorkomende 
in de geslachtsnamen In der Strotk en Strootman). Ban nog Te Veltrup, 
Te Walle, Te Water, Te Welscher, Te Winkel, Te Gussinklo (zie 
bl. 36), Te Wechel, Te Hennepe, enz. 



262 GESLACHTSNAMEN MET HET VOOKZETSEL thoe SAMENGESTELD. 

in den geslachtsnaam Tho Pass is de oudste form bewaard ge- 
bleven. Een ander geslacht voert dezen zelfden naam in den form 
T h o p a s , waar by een oningewyde lichtelik aan zekeren edelsteen , 
topaas, kan denken. Pas is een algemeen aardrijkskundig woord, 
dat in sommige oorden van Gelderland gebruikelik is in de betee- 
kenis van boschje , vooral van eene kleine groep boomen , by eik- 
anderen in een open veld staande. Als men dit weet zijn de ge- 
slachtsnamen Berken pas en Wilgenpas duidelik van beteekenis. 
Zoo ook Uilenpas {pias waar uilen nestelen) en Berenpas, pas 
waar beren , bessen , te plukken zijn. Men zal hier wel aan de beren 
van den brummel- of braamstruik te denken hebben. Braam is de 
hollandsche , brommel , brummel de friesche en Saksische form van den 
naam van deze bekende plant. Beide naamformen vind men terug 
in de geslachtsnamen Braamcamp en Brummelkamp met 
Brommelcamp. De geslachtsnaam Weerpas is my niet dui- 
delik, al vind ik er dit woordje pas in. Maar de naam Pasnxan 
zal wel oorspronkelik een toenaam geweest zijn voor eenen man 
wiens huis by of in zulk eene pas stond. 

Het hedendaagsch-algemeen-nederlandsche voorzetsel te luidt in 
onze friesche en friso- Saksische gouspraken als to , en werd oudtijds 
als tho en ook als thoe gesebreven. Dit thoe maakt nog deel uit van 
enkele oud-nederlandsche geslachtsnamen , en komt ook voor als 
vertaling van het hoogduitsche voorzetsel zu, welks plaats het 
volkomen inneemt. Immers de duitsche baron Georg Wolf- 
gang Zu Schwarzenberg und Ho henlans berg schreef 
zynen naam als Thoe Schwarzenberg en Hohenlans- 
berg, sedert hy , in het laatst der zestiende eeu met de friesche 
jonkvrou Doed Holdinga gehuwd, zich voor vast in Friesland 
met der woon vestigde. En zyne nakomelingen schryven hunnen 
naam nog heden aldus. Het adellike friesche geslacht Harinxma 
was in twee takken verdeeld , waarvan de eene tak te Sneek woonde 
en de andere te Sloten. De leden van die twee takken onderscheid- 
den zich diensvolgens als (Van) Harinxma thoe Sneek en 
(Van) Harinxma thoe Slooten. Laatstgenoemde tak van dit 
aloude geslacht , en zynen naam in dezen ouden forrn , bloeit nog 
heden in het friesche vaderland. Een tak van de friesche maag- 
schap (Van) B e y m a bezat en bewoonde oudty ds de Kingma- 



GESLACHTSN. MET DE VOORZETSELS toe EN ten SAMENGESTELD. 263 

state te Sweins in Franekeradeel. Dies voerde het ter onder- 
scheiding, achter zynen geslachtsnaam den toenaam thoe King- 
m a. By de hedendaagsche leden van dit geslacht is Van Beyma 
thoe Kingma nog de vaste naam. 

Deze oude form van het voorzetsel te, zonder h als toe geschre- 
ven, komt nog voor in de maagschapsnamen Toe Bosch, Toe 
Brugge, Toe Laer, Toe Poel, Toe Rippel en Toe 
R e p p e 1 (deze twee laatste namen zullen oorspronkelik wel een 
en de zelfde geweest zijn) , Toe Set (dat is : bij de overhaal ; zie 
bl. 251), en Toe Water. Laatstgenoemde naam in de wergade 
van den hier boven vermelden naam Te Water. Omdat men heden 
ten dage veelal onkundig is van de beteekenis, van de weerde van 
dit oude voorzetsel toe, zoo schrijft men de geslachtsnamen die er 
mede samengesteld zijn , gewoonlik als een enkel woord : Toebosch, 
Toereppel, Toepoel, enz. 

Op bl. 252 is aangetoond dat het voorzetsel van wel met het 
verbogene vrouelike lidwoord der samengesmolten is tot het voor- 
voechsel ver. Dit is ook het geval met het voorzetsel te en het 
lidwoord. In dit geval zoo wel met het verbogene mannelike lidwoord 
den , als met het verbogene vrouelike lidwoord der. En deze samen- 
floeiing van te en den , van te en der is zelfs regel ; regel zonder 
uitzondering. Immers te den en te der komen als voorvoechsels by 
geslachtsnamen niet voor. Maar de samengefloeide formen ten en 
ter wel. En geenszins zeldzaam ook. Even als de maagschapsnamen 
die door het enkele voorzetsel te voorafgegaan worden , zoo zijn 
ook de geslachtsnamen die met ten en ter samengesteld zijn , meest 
allen oorspronkelik inheemsch in de Saksische gewesten van Neder- 
land. Tevens ook in de aangrenzende Saksische gewesten van 
Duitschland (Bentheim , Munsterland). Zie hier eenigen opgenoemd 
van de namen die deze groep formen : 

Met ten: Ten Brink, Ten Broecke, Ten Geuzendam, 
Ten Grootenhuysen 1 , enz. 



1 Ten Heuvel, Ten Hove, Ten Cate en Ten Kute, Ten Kley (klei, 
kleigrond; Van der Klei en Verklei met KI cis tra komen ook voor), Ten 
Oever, Ten Raa {rade, rode, zie bl. 248, 258 en 259), Ten Sythoff en Ten 
Siethoff (het enkele Sijthof komt ook voor), Ten Wolde, Ten Zeldam. 



264 GESLACHTSNAMEN MET DE V0011V0ECHSELS ter , tllOV , tOVl. 

Met ter: Ter Hazeborg, Ter Horst (zie bl. 250), Ter 
Haar, l enz. 

Even als tlioe nevens toe, zoo komen ook eene enkele maal tlien 
en ther nevens ten en ter voor. Dit is het geval in de geslachts- 
namen Then Berge (naast Ten Berge) en Ther Busch, dat 
volgens deze schrijfwyze zeker een zeer oude naam is. 

De oude friesche en friso-saksische formen tho , (hoe, to , toe 
komen ook met het lidwoord samengetrokken als thor en tliom , 
tor en torn voor. Zulke namen zijn zoo wel aan deze als aan gene 
zyde van onze oostelike grensen oorspronkelik inheemsch. Men 
behoeft ze , wegens hun eenigermate platduitsch voorkomen , toch 
volstrekt niet allen over de grensen te wyzen , al zijn zy juist niet 
oorbeeldig hollandsch , en al staat het van sommigen , b. v. van den 
geslachtsnaam Thorbecke vast, dat zy over de grensen tot ons 
gekomen zijn. Slechts in kleinen getale komen deze namen by ons 
voor. My zijn bekend: Tombal (torn Bal), Tombeyl, Tom- 
bergh, Tombrink, Tombr ock , Thomputte en Tomputte. 
Tong ronde is To'n Gronde , to den gronde , aan , by of in den 
grond of het dal , en is de weerga van de friesche geslachts- 
namen Grondstra en Grunstra (zie 103.) Thorbecke is 
tho^r Becke , to'r Beche , to der Beche , to der Beke , by de beek of 
ter Beke. Deze naam is dus een tegenhanger aan den eenen kant 
van het hoogduitsche Zumbach, aan den anderen van den hol- 
landschen geslachtsnaam By de Beek, met den frieschen Beek- 
stra. 2 Verder nog : TorWeele(Torweele) nevens TerWeele 
{weele = wiele , tviel? zie bl. 251), en Thor Westen. 

De oude Nederlanders gebruikten tot in deze eeu , in plaats 
van te, dit zelfde voorzetsel ook wel in den form tot. Te en tot, 
dat is oorspronkelik een en het zelfde woord. Nog omstreeks het 
midden dezer eeu schreef men in Friesland wel op naambordjes 



1 Ter Gouw, Ter Loo, Ter Marsch, Ter Pelkwijk, Ter Schure, 
Ter Spill, Ter Stege, Ter Velde, Ter Weeme (weme, wedeme, wedem, 
ook widem , widom is het oud-saksische woord voor het huis van den geest elike, 
voor de pastory dus. Als zoodanig is dit oude woord in onze noordoostelike gouen nog 
heden wel in gebruik; de geslachtsnamen Van Weemen en We ernst ra zijn er 
ook van afgeleid). Eindelik nog Ter Weer. 

2 Zie Be Navorscher , dl. XXIX, bl. 36. 



GESLACHTSN. MET DE VOORVOECHSELS tot EN ten SAMENGESTELD. 265 

tot in plaats van te. B. v. Abe Elsinga , Schoenmaker tot Weerga", 
een bordje dat voor de kraam van eenen de markten afreizenden 
schoenmaker hing. En nu nog krijg ik wel brieven uit Vlaan- 
deren aan myne t'huisrichting (een goed nederlandsch , in Vlaan- 
deren gebruikelik woord voor ons bastertwoord adres) : t>tot Haerlem.' n 
De oorsprong en de beteekenis der geslachtsnamen met dit tot 
samengesteld , blijkt hieruit voldoende. Die namen komen slechts 
in klein aantal voor. Zy zijn meest aan adellike geslachten eigen ; 
hoewel niet uitsluitend. De naam die dan achter tot volgt , is ge- 
woonlik de naam van een slot of ander huis , waarin het geslacht 
erfelik gezeten is. (Schuller) tot Peursum, (Hugenpoth) 
tot den Beerenclauw, (De Geer) tot Oudegein, (Van 
Bevervoorden) tot Oldemeule, (Van Son) tot Gellicum , 
(Hora Siccama) tot de Harkstede, en anderen , kunnen tot 
voorbeelden dienen. 

Enkele geslachtsnamen zijn zelfs met meer dan n voorzetsel 
samengesteld; b. v. Van in 't Veld (meestal Vanintveld ge- 
schreven) , Van over 't Veld, Van Utenhove, Van op 
Bergh, Van op den Bosch, Van Wttberghe. Het ontstaan 
dezer namen is slechts te verklaren als men aanneemt , dat I n- 
't-V e 1 d , O p-B e r g h , O p-d e n-B o s c h reeds in deze samenge- 
stelde formen als plaatsnamen in gebruik waren , eer men er , door 
van er voor te voegen , geslachtsnamen van maakte. 

Er zijn ook eenige geslachtsnamen, die slechts uit een by woord 
bestaan , met een voorzetsel {van) daar voor : Van Boven, Van 
Beneden, Van Onder, Van Achter, eischen geen verklaring. 
De geslachtsnamen Achterop en Voorby behooren hier ook 
toe. En een enkele geslachtsnaam bestaat zelfs uit twee voorzetsels 
en een by woord daar tusschen ; zonder hoofdwoord , 't zy dan een 
byzondere of een algemeene aardrijkskundige naam. Toch heeft 
deze naam eenen goeden zin. Het is de naam V a n Gr i n d e r-a c h t e r. 

99. De geslachtsnamen Ten Kate en Ten Cate, hier 
bovengenoemd , die geenszins zeldzaam en aan verschillende ge- 
slachten eigen zijn , geven my aanleiding te dezer plaatse eene 
kleine , byzondere groep van maagschapsnamen te bespreken. Die 
groep bevat de namen welke met dit woord leate zijn samengesteld. 



266 GESLACHTSN. MET HET WOORD Jcate , keet, kot SAMENGESTELD. 

Kate of kaat is een nedersaksisch woord , dat hut of kleine , geringe 
boerewoning beteekent. Dit woord kate is oorspronkelik n en 
bet zelfde woord als keet en kot , die beiden in andere nederlandsche 
gouen in tamelik gelyke beteekenis in gebruik zijn. Van dit woord 
keet is de geslachtsnaam Houtekeet afgeleid, die in de zuidelike 
Nederlanden 'menigvuldig voorkomt , ook onder de formen H a u- 
tekeet, Autekeet, Hautekiet en Houtekiet. Terwijl 
van kot de geslachtsnamen Oldenkot, Wal kot en Damkot 
geformd zijn; zie ook Sevecotius op bl. 207. Verder Van 
Cooth, Koot, enz. De Saksische form kate schijnt uitsluitend aan 
Twente eigen te zijn. Daar zijn de geslachtsnamen , met dit woord 
samengesteld , ook hooftsakelik , zoo niet uitsluitend , inheemsch. 
Behalven Ten Cate en Ten Kate noem ik hier , als voor- 
beelden van deze kate-namen : Barnecaten, Ten Bruggen- 
cate, Ten Doornkaat, Getkate, Haverkate, Losecaat 
(met den byform Loosekoot, die ook als maagscbapsnaam voor- 
komt) , Van Molecaten, Mokkelenkate, Stekate, W a 1- 
kate (met den bovenvermelden byform Walkot) en Wyve- 
kate. Waar de lettergreep die aan het woord kate voorafgaat, 
op eene s eindigt, daar zijn die naast .eikanderen komende s en k, sk, tot 
sch verbasterd. Deze letterverbinding sk tocb , aan onze verschillende 
friesche gouspraken en aan de noordsche talen zoo eigen , is vol- 
komen vreemd aan de Saksische en frankische tongvallen der neder- 
landsche taal, welke daar voor in de plaats sch hebben. En dien 
ten gevolge is de hedendaagsche sckrijfwyze ontstaan der geslachts- 
namen Ten Doesschate en Ten Wytschate, uit de oor- 
spronkelike formen Ten Do es-kat e en Ten Wyts-kate. Zoo 
ook de plaatsnamen Colmschate, oorspronkelik Colms-kate, 
dorp in Salland (Overijssel) , en Wytschate, oorspronkelik Wyts- 
kate, dorp in West- Vlaanderen. Zie mijn opstel Wytschaete, 
in het brugsche tijdschrift Bond den Heerd , jaargang 1884, bl. 1. 
Dat kate en kot oorspronkelik slechts twee verschillende scbrijf- 
wyzen zijn van een en het zelfde woord (men herinnere zich de 
zware , naar o zweemende uitspraak der Saksische a) , blijkt ook 
uit de geslachtsnamen Walkot en Walkotten, Haverkotte 
en Havekotte, die nevens Haverkate en Walkate voor- 
komen. In het aan Twente grenzende deel van Munsterland komt 



OESLACHTSNA.MEN MET ONTAALKUNDIGE VOORVOECHSELS. 267 

deze geslachtsnaam Haverkate of Haverkotte ook voor. 
Maar hy is daar in spelling eenigszins verkoogduitscht , tot H a b e r- 
k o 1 1 e. Iemand uit dit geslacht vestigde zich in de vorige eeu 
te Leeuwarden met der woon. De Friesen verstonden natuurlik 
dien saksischen naamform niet , en maakte er , voor het gemak in 
d' uitspraak, maar Habekotte van. Toen er in de laatste tien- 
tallen jaren der vorige eeu zoo'n fransche wind over de meeste landen 
van Europa woei , toen alles eenen franschen zwaai en eenen vreemden 
draai moest hebben , schoeide de toenmalige drager van den naam 
Haberkotte, die reeds tot Habekotte versleten was, zynen 
naam ook op de fransche leest. Te weten: hy liet den vollen 
nadruk vallen op de laatste e van zynen naam , die uit den aard 
der tale toonloos is, en maakte er, in uitspraak, Habekotte 
van. En toen in 1811 ook deze verfranschte oud-saksische naam 
in de boeken van den burgerliken stand onder eenen vasten form 
moest worden ingeschreven , geschiedde dit onder den nog meer 
franschachtigen form Habecotee. Onder dien form komt hy nog 
heden te Leeuwarden voor. Zoo de geschiedenis van deze verma- 
kelik dwaze naamsverbastering my niet toevallig bekend geweest 
ware , dan hadde ik den geslachtsnaam Habecotee ook zeker onder 
149 , by d' on verklaarbare namen gerangschikt. 

100. In den regel stemt, by de geslachtsnamen die met een 
voorzetsel en een lidwoord samengesteld zijn , het geslacht van het 
lidwoord , door een voorzetsel beheerscht , overeen met het geslacht 
van het woord dat er op volgt. Van den Berg b. v. en Ten 
Berge, omdat het woord berg inannelik is. En Yan de Werf en 
Van der Wal en Ter Stege, omdat de woorden werf, wal 
en steeg van het vrouelike geslacht zijn. Maar altijd is dit niet het 
geval. Ook al omdat het geslacht hetwelk de woorden in de volks- 
spreektaal hebben, niet steeds overeenstemt met het geslacht dat 
in de geijkte boeketaal aan die zelfde woorden toegekend wordt. 
Zoo heeft het woord ival in de volksspraak het vrouelike geslacht, 
ofschoon het volgens de hedendaagsche woordenboeken der neder- 
landsche taal mannelik is. Van daar de form van den geslachtsnaam 
Van der Wal, en niet Van den Wal, zooals het volgens de 
taalregels zijn moest. En naar myne meening heeft de volksmond 



268 ALGEMEENE AARDRIJKSK. GESLACHTSN. IN FRIESCHEN FOJIM. 

hier al weer gelijk, en niet de schoolmeester. Immers het woord wal 
komt in sommigen onzer gouspraken als walle voor. De geslachtsnamen 
De Walle en Van der Walle stemmen hier ook mede over- 
een. Het woord hoek heeft in de volkstaal der stad Leeuwarden 
het vrouelike geslacht (hoeke). Van daar de geslachtsnaam Van 
der Hoek, te Leeuwarden voorkomende; en niet Van den Hoek. 
De zelfde naam wordt ook wel , door de eene maagschap in den 
vroueliken , door de andere in den manneliken form gevoerd. Zoo 
is het woord burcht, ook borcht, burg, borg, mannelik , volgens de 
regels onzer taal; en de geslachtsnamen Van den Burg en Van 
den Borg stemmen daar mede overeen. Ja, maar de geslachts- 
namen Van de Burg, Van der Burgh, Van der Borgh, 
Verhorg, Ter Burg en Ter Hazehorg zijn met dien regel 
in strijd. En de naam van het geldersche stadje Ter Borch is 
dit eveneens. Die zelfde onstandvastigheid merken wy op in de 
geslachtsnamen Ten Brake, Ter Brake en Te Braake en in 
menigen anderen naam. Zie 157. 

101. Ofschoon de geslachtsnamen die geformd zijn uit alge- 
meene aardrijkskundige namen met van , of met van en een lidwoord 
daar voor , in Friesland geenszins ontbreken , en alhoewel ook zulke 
namen met andere voorzetsels samengesteld , daar wel voorkomen , 
zoo hebben toch alle geslachtsnamen , in de laatstvermelde afdee- 
lingen opgesomd , hunne tegenhangers in twee groepen van byzonder- 
friesche maagschapsnamen. Deze groepen bestaan uit geslachts- 
namen , geformd uit algemeene aardrijkskundige namen , 't zy dan 
uit de algemeen-nederlandsche , 't zy uit de byzonder-friesche taal 
ontleend , maar die , in plaats van door voorzetsels en lidwoorden 
te worden voorafgegaan , als aanhangsel achter zich hebben eene 
enkele a of den lettergreep stra. Deze enkele a en dit aanhangsel 
stra zijn reeds eerder in dit werk besproken geworden. De a, een 
oud-friesche tweede-naamvalsform , dient ook tot het formen van 
de eenvoudigste soorten van friesche vadersnamen , gelijk in 44 
vermeld is , en van geslachtsnamen aan byzondere plaatsnamen ont- 
leend , zoo als in 91 behandeld is. En stra als middel om van 
byzondere plaatsnamen friesche geslachtsnamen te maken, is in 
71 en 93 nader aangeduid en uitgelegd. Naar die drie afdee- 



ALGEMEEN!? AAUDKIJKSK. GESLACHTSN. IE ERIESCHEN FORM. 269 

lingen kan ik dus hier den lezer , die den oorsprong , de eigenlike 
beteekenis van de achtervoechsels a en stra wil kennen , verwyzen. 
De geslachtsnamen , ontstaan door achtervoeging van eene enkele 
a achter een algemeen-aardrijkskundig woord, zijn niet zeer 
talrijk, en komen uitsluitend in onze friesche gouen beoosten Fli 
voor. Het zijn de friesche tegenhangers , in alle opzichten , van 
de algemeen-nederlandsche geslachtsnamen , die met het enkele van 
samengesteld zijn. De geslachtsnaam B er ga b. v. beteekent in letter- 
like vertaling: Van Berg. De maagfchapsnaam Bosscha (Van 
Bosch) vertoont eene verhollandschte Echrijfwyze. Deze zelfde naam 
komt als Boska en Buska, nog in zuiver oud-friesche spelling , in 
de friesche gouen beoosten Eems voor. Dan nog Burga, Heida, 
P o r t a (van porte , poort) , enz. Voor da en Voer da komen van 
het oude woord forth , ford , voorde , doorwaadbare plaats in eenig 
water. De geslachtsnaam Muda komt van het oude woord mude, 
dat nog als muide , muiden in zoo menigen nederlandschen plaatsnaam 
(Muiden, IJ sselmuiden.Emuiden of Emden,Tmuiden, 
Am e muiden), en als mouth in zoo menigen engelschen plaats- 
naam (Yarmouth, Plymouth, Portsmouth) voorkomt, en 
mond , riviermond , beteekent. H a g a , ook in den versletenen form 
Hage, en tevens als Ter Haag ha en Van Haga voorkomende, 
van het woord haag? Morra en Moora zijn afgeleid van het 
woord morre , moor , moer , moeras. Morra, Sormorra, enz. zijn 
ook friesche plaatsnamen. De maagschapsnaam Werda komt van 
het woord werd, ward , als samenstellend deel van friesche plaats- 
namen zoo welbekend: Leeuwarden, Bolsward, Fe r werd, 
Hol werd, enz. De geslachtsnaam Opwyrda (Op Wyrda ware 
beter spelling, Op Wierda nog beter) is Wier da, van het 
friesche woord wierde in den plaatsnaam Holwier de (Fi- 
velgo) , en het voorzetsel op. 

Swaga, verhollandscht tot Zwaga, komt ook in versletene 
formen als Swage en Zwage voor. Deze geslachtsnaam is afge- 
leid van het friesche woord sweach, dat veeweide beteekent l , en 
veelvuldig in friesche plaatsnamen voorkomt , en wel in den ver- 
hollandschten form zwaag. Een dorp by Hoorn in West-Friesland 



1 Be Navorscher, deel XXXIII, bl. 278. 



270 ALGEMEENE AARDRIJKSK. GESLACHTSN. IN FRIESCHEN FORM. 

heet enkel Zwaag. Ook vindt men daar een gehucht Zwaagdijk. 
In Friesland tusschen Fli en Lauers liggen de dorpen en gehuch- 
ten Beetsterzwaag, Snikzwaag, Kollum er- Zwaag, enz. 
In het Oldambt : Scheemderzwaag en Eekster zwaag; in 
Oost-Friesland , by het dorp Veenhusen , het gehucht S w o o g 
(volgens de oostfriesche zware uitspraak der volkomene a byna 
als o) of Schwoog, nog meer verhoogduitscht. En vele andere 
plaatsnamen in alle friesche en ook friso-saksische gouen van Ne- 
derland en Duitschland. In geslachtsnamen komt dit woord even- 
eens veelvuldig voor; b. v. in Zwaagstra, Swaagstra en 
Van der Zwaag, in Friesland; Ter Zweege in Drente; 
Zwaagman en Zweegman. Zoo mede in het westfaalsche 
Schweigmann, dat ook in Nederland ingeburgerd is. 

Het oud-friesche woord wald, walt is het zelfde woord als het 
Saksische wold en het algemeen-nederlandsche woud. Van al deze 
vier formen waarin dit algemeen-aardrijkskundige woord in Neder- 
land voorkomt , zijn er friesche geslachtsnamen , door achtervoeging 
eener enkele a, afgeleid; namelik Walda, Walta, Wol da en 
Wouda. Buwalda en Buwolda komen van eenen frieschen 
plaatsnaam Buwald, Buwold, Buwoud (Bouwe-wald?), 
die oudtijds bestaan moet hebben. Steentilla eindelik beteekent: 
van de steenen brug. Tille toch, ook voorkomende in de plaats- 
namen Kingmatille en Enuraatil, het eerste eene buurt in 
Franekeradeel , het tweede een dorp in het Westerkwartier van 
Groningerland , is een friesch woord dat kleine brug" beteekent. 

102. Sommigen van bovengenoemde geslachtsnamen, te weten 
Berga, Bosscha, Burga, Heida, Wolta zoude men ook 
kunnen beschouen als patronymika , als namen aan mansvrnamen 
ontleend , en niet als namen van algemeen-aardrijkskundige woor- 
den afgeleid. Berg, Boske, Burg, Heit, Wolt immers ko- 
men ook wel als friesche mansvrnamen voor , en zijn , ten deele , 
als afslytingen te betrachten van volle , algemeen-germaansche 
mansvrnamen. Aangaande den mansvrnaam Berg kan men 
bl. 132 nazien. Het woord of de naam die aan den geslachtsnaam 
Bosscha, Buska ten grondslag ligt, kan zijn de mansvrnaam 
Boske, Buske, een verkleinforin van den oud-germaanschen mans- 



ALGEMEENE AARPRIJKSK. GESLACHTEN. IN FRIESCHEN FORM. 271 

vrnaam Bos, Boso. Deze naam, ook in verkleinform als B o- 
sico, dat is Boske, wordt in Frstemann's Altdeutsches Namen- 
buch vermeld , en is nog in Friesland in gebruik ; een man die 
Bose Eelzes Kingma heet, woonde in 1882 te Dokkum. Ge- 
slachts- en plaatsnamen van dezen mansnaam afgeleid zijn in Neder- 
land niet zeldzaam. Van den oorspronkeliken form Boso, Bos, 
hebben wy de geslachtsnamen Bosma, Bossing, Bossinga, 
Bosingh, Bossen, Bosse, Bos, ook Busma, Bussink, 
Bussing, Bussen en waarschijnlik Buisinga,Busink,Buy- 
sing, Buisma, Buyssens, Buisen, Buyse, Buys, Beu- 
sink, Boesema, met de plaatsnamen B o s u m , dorp in Fries- 
land; Beusichem, gezegd Beusekom, oudtijds Bosinchem, 
dat is: Bosinga-heim, de woonplaats der B o s i n g e n of af- 
stammelingen van Boso; het is een dorp in Gelderland. Verder 
Bosseghem, en Boeseghem, dorpen in Oost- en in Fransch- 
VLaanderen, eveneens voluit Bossinga-heim ; Bussum, dorp 
in het Gooi (Holland) ; B s u m , vlek in Ditmarschen ; Bussen- 
h u u s , sat by Hamswerum in Oost-Friesland , enz. Van den ver- 
kleinform Boske, Buske komen de geslachtsnamen B o s k m a , 
Boschma, Boschga, by samentrekking uit Boskinga (men 
vergete niet dat de Friesen sch als sk uitspreken) B o s k e n en 
misschien Bosch; verder Busken, Buschen, Busehkens, 
Buschgens, ook Beseken en Buyskes. 

Burg, als mansvrnaam , is eene verslyting van Burgt, 
Burcht, Brucht; zie bl. 133. Heit, Heite, Heide is een 
oud-friesche mansvrnaam , die als H a i d o , H e i d o by Frste- 
mann vermeld staat , en die in den verkleinform Heitse, Haitse 
(beter schrijf wyze ware Heittse, Haittse, dat is : H e i t k e , 
Haitke; friesch ts = Je) nog in Friesland in volle gebruik is. Van 
dezen mansnaam bestaan in Nederland nog de patronymika , als 
geslachtsnamen: Haytema, Haytsma, Haytsema, Haitsma, 
Haaitsma, Haitzema, Haites, Haaites, Haiting en 
Haitinck, Heidinga, Heitinga, Heitingh, Heidema, 
Heites, Heits, Heitsma en Heitsema, en eenige plaats- 
namen. De mansvrnaam Wal te eindelik , als oud-germaansche 
mansnaam onder den form W o 1 d o door Frstemann vermeld , is 
in Friesland nog heden in volle gebruik, gelijk ook Wassen bergh, 



272 ALGEMEENE AARDRIJKSK. GESLACHTSN. OP Stra UITGAANDE. 

Leendertz en Brons getuigen. Deze naam kan ook aan de geslachts- 
namen Walta, Walda, Wolda enWoudaten grondslag lig- 
gen, even zeer als dit ontwyfelbaar het geval is by de geslachts- 
namen f Waltinga, Woldinga, Woltin ge en Woldinge, 
Woltema, Walts, Wolts, Woltjes, enz. 

103. Als voorbeelden van friesche geslachtsnamen op stra 
eindigende , en aan algemeen-aardrijkskundige namen ontleend 
(tegenhangers dus der namen in 7 1 vermel'd) , noem ik hiel- 
de volgenden: Bergstra, Bogtstra (van bocht of kromming 
in straat of weg), Broekstra (van broek, moeras; zie bl. 249), 
Danistra, 1 enz. By velen dezer geslachtsnamen zijn de algemeen- 
aardrijkskundige woorden die er aan ten grondslag liggen , aan 
de byzonder-friesche , niet aan d' algemeen-nederlandsche taal ont- 
leend. Dit is het geval by Bartstra, van barte , het friesche woord 
voor vonder of vondel, een paar samengevoegde planken die tydelik 
over eene sloot liggen om als brug te dienen ook een houten stoep 
of opstap aan en over het water. Dit woord wordt door de Friesen 
nagenoeg zonder r uitgesproken: van daar de geslachtsnaam Bat stra. 
Het friesche woord voor oever , waterkant , is bird (men spreekt 
uit bud) ; de geslachtsnaam Budstra (Birdstra ware beter ge- 
schreven) is er aan ontleend ; zoo mede de plaatsnamen de Bud 
of d e Bird, een gehucht by 't dorp Grou ,Tjallebird,Lunia- 
bird, twee dorpen in Eangwirden , alle drie in Friesland , enz. 
Dit friesche woord wordt ook wel verhollandscht tot bert. Men 
schrijft bovengenoemde friesche dorpsnamen ook wel als Tjalle- 
bert, Luinjebert, en het maakt in dezen form deel uit van de 
dorpsnamen Middelbert, Lettelbert, die in de oud-friesche 
Ommelanden van Groningen voorkomen. De naam van het dorp 



1 Dykstra, Endstra, ook tot Enstra venleten (van end, einde); Vaart- 
stra, ook tot Vaatstra versleten, omdat de Friesen de r van het woord feart, 
vaart niet laten hooren ; Veld stra, ook versleten tot V e Is tra; Geest ra (Geest- 
stra ware beter schrijf vvyze) van geest, gast, zandgrond (zie bl. 247); Heidstra 
en Heitstra, Kampstra, Kamstra en Camstra. Verder Poelstra, Poort- 
stra, Zandstra en San d stra, ook versleten tot Sanstra, omdat de Friesen in 
het woord sand , zand, de d niet uitspreken. Verder Schanstra (Schansstra, 
van schans, ware beter), Strandstra, Toorn stra, van toorn, toren, enz. 



ALGEMEENE AARDRIJKSK. GESLACHTSN. IN FRIESCHEN FORM. 273 

de Beerta, in het groninger Oldambt, is ook al niet anders als 
dit oud-friesche woord voor waterkant of oever , en de groninger- 
friesche geslachtsnamen Beerta en Beerda zijn er aan ontleend. 
Aangaande dit woord bird leze men een opstel van myne hand 
Friesche plaatsnamen' " , in het Tijdschrift van het Nederlandsch 
aardrijkskundig Genootschap , Nomina Geographica neerlandica dl. 
I, bl. 76. 

Een gegraven , gedolven vaarwater draagt in Friesland den oud- 
frieschen naam van deel; het Langde el, het Scro etsma-deel 
by verkorting 't Skroet genoemd, het Naudeel (nau = eng) 
zijn welbekende vaarwaters in Friesland. De geslachtsnaam Deelstra 
(zie bl. 245) is van dit woord afgeleid. In den byzonderen tongval 
der friesche taal die in den zuidwesthoek van Friesland inheemsch 
is (meest in Hemelumer Oldefert en Noordwolde) , en dien men het 
Zuidhoeksch-friesch noemt, wordt dit woord deel als dol, dolte uit- 
gesproken; b. v. de Dolte, eene gracht in de stad Workum. Van 
dezen byzonderen form is de geslachtsnaam D o 1 s t r a afgeleid. Deze 
woorden deel en dol {te) heeft men wel , en zeer te recht , verhol- 
landscht tot delf. Zoo schrijft men den naam van een dorp in Scho- 
terland dat in het Friesch Dolstrahusen heet, in geijkt boeke- 
hollandsch als Delfstrahuizen. Aan dezen verhollandschten form 
is de geslachtsnaam Delfstra ontleend. 

Heem , in Friesland hiem , is het zelfde woord als het hoogduitsche 
heim en het engelsche liome. Als hiem , hieminge beteekent het tegen- 
woordig in Friesland het erf, of de werf rondom een huis, vooral 
boerehuis. De geslachtsnamen Hiemstra, Heemstra, Van 
Heemstra zijn van dit woord afgeleid, even als H o oghiemstra 
en het half-verhollandscbte Hooghiemster. Hom , hem , ver- 
hollandscht tot hoorn , zijn de friesche woorden voor hoek. De 
geslachtsnamen Hornstra, Hoornstra en Hens tra (in plaats 
van Hernstra, omdat de Friesen in deze woorden de r niet uit- 
spreken) zijn er van afkomstig. Hoekstra en Hoeckstra 
behooren ook hier toe. Over het woord keeg , waarvan de geslachts- 
naam Keegstra (misschien ook , by verbastering , Keekstra en 
Kikstra), zie men bl. 250. Pyp , pip, is het friesche woord 
voor eene boochformig geboude steenen brug. Van daar de geslachts- 
naam Pypstra. De geslachtsnaam Polstra komt, even als Van 

18 



274 ALGEMEENE AARDRIJKSK. GESLACHTSN. IN FRIESCHEN F0RM. 

der Pol en Van de Poll, van het friesche woord polle , klein 
eilandje. Een rak, zoo noemt men in Friesland dat gedeelte van 
eenig vaarwater , dat zich in n zelfde richting uitstrekt. De ge- 
slachtsnaam Rak s tra is aan dit woord ontleend. En ook de 
naam van het gehucht Franekerraksend (het einde van het 
Franekerrak) Dy de stad Franeker (waar onkundigen wel Fra- 
n e k er-a c c e n t van maken) ; tevens de namen van de amsterdamsche 
buurten Damrak en Rokin (het rak in). Over de woorden 
set en sil, waar de geslachtsnamen Zetstra en Zylstra aan ont- 
leend zijn, zie men bl. 251 en 248. Slot , burg , stins zijn woorden 
van vry wel de zelfde beteekenis. Zy gaven oorsprong aan de 
geslachtsnamen Slotstra, Burgstra en Stinstra(St in ss tra 
ware naukeuriger schrijfwyze). Van de Kasteele, Van den 
Casteele, Van Kasteel met Van den Burg, enz. zijn de 
tegenhangers van deze friesche namen , in andere nederlandsche 
gewesten. Een boerehuis , meestal tot eene kleine sat behoorende , 
waar de schuur , de stalling van het vee en het woonhuis van 
den boer allen onder n groot dak vereenigd zijn waar dus dat 
groote dak als eene stulp of stolp die drie verschillende onderdeelen 
van een boerehuis overstelpt , heet in Friesland eene stjelp , ver- 
hollandscht tot stelp , en in Noord-Holland eene stolp. Het algemeen- 
nederlandsche woord stulp , geringe boerehut , is van den zelfden 
oorsprong. Deze woorden liggen aan de geslachtsnamen Stelp stra, 
versleten tot Stelstra, en Stuipstra, en aan het hollandsche 
Van der Stolpe ten grondslag. De woorden terp en wier hebben 
in het hedendaagsche friesche spraakgebruik al zoo tamebk de 
zelfde beteekenis. Beide woorden , waarvan de geslachtsnamen 
Terpstra en Wierstra zijn afgeleid (zoo mede Opwyrda, 
zie bl. 269), komen in friesche plaatsnamen voor. Slappeterp, 
Greonterp, Ureterp, Allingawier, Offingawier , Pop- 
pingawier zijn namen van friesche dorpen ; en Hoogterp, 
Kleiterp, Westerterp, Laasterp, Luitsmaterp, met 
Heldewier, Noordewier en Rollingswier zijn friesche 
geslachtsnamen. Een andere form van het woord ivier is weer , 
dat slechts in uitspraak een weinig afwijkt , en meer beoosten Lauers 
en beoosten Eems , in plaatsnamen voorkomt ; b. v. in M e n s i li- 
ga we er, Tjamsweer, Marien weer, Abbingweer, allen 



ALGEMEENE AARDRIJKSK. GESLACHTSN. IN FRIESCHEN FORM. 275 

dorpen in Groningerland en Oost-Friesland. L a n g w e e r en de W o n- 
s e r-w eren zijn echter plaatsnamen ui-t bet westerlauersche Friesland. 
De geslachtsnamen Weerstra (juist in de Wonser-weren in- 
heernsch , en ongetwyfeld afgeleid van den naam van dat gehucht 
by 't friesche dorp Wons) en Walsweer danken aan dit woord 
weer hun ontstaan. Het woord kerk is in het Friesch tsjerke, waar 
van de plaatsnamen (in eenigszins verbollandschten form) T i e- 
tjerk,Tjerkwerd,Tjerkgaast, enz. allen dorpen in Friesland. 
De geslachtsnamen Tjerkstra en het half-verhollandschte Kerk- 
stra zijn er van afgeleid. Ten slotte zy hier nog vermeld de 
geslachtsnaam Waldstra van het friesche woord wald , bosch of 
woud. Half-verhollandscht komt deze naam ook als Woudstra 
en Houtstra voor. 

Velen van deze sra-namen in Friesland hebben in de andere 
nederlandsche gewesten hunne tegenhangers in geslachtsnamen die 
met het voorzetsel van en een lidwoord zijn samengesteld. De 
aard der zake brengt dit mede. Zoo komt het friesche Baanstra 
overeen met het algemeen-nederlandsche Van der Baan en met 
Verbaan; Boomstra met Van den Boom; Kooistra met 
Van der Kooi (van het woord kooi, eendekooi) ; Laanstra 
met Van derLaan;Landstra met Vander Land; Meerstra 
met Van der Meer en Vermeire (hollandsch en vlaamsch) ; 
Wals tra met Van der Wal; Wykstra met Van der Wijk. 
Al dezen namen komen , over en weer , in beteekenis volkomen 
met elkanderen overeen. 

104. De algemeene aardrijkskundige namen , die aan de geslachts- 
namen ten grondslag liggen , welke in de laatstvermelde afdeelin- 
gen zijn genoemd , zijn allen eenvoudig. Zij bestaan slechts uit het 
eenvoudige woord op zich zelven. Maar al die namen komen ook 
in samengestelden form voor , met nog een woord daar by tot nadere 
bepaling; b. v. watermeulen , in .den geslachtsnaam Verwater- 
m e u 1 e n , nevens het eenvoudige woord meuten of molen , ia Van 
der Molen, Vermeulen, enz. Zulke samengestelde namen komen 
zoowel op zich zelven voor , als met een voorzetsel , of met voor- 
zetsel en lidwoord beiden. Zie hier eenigen van die namen met 
voorzetsels en lidwoorden: Van den Aardweg met Van den 



276 SAMENGESTELDE ALGEMEENE AARDBJJKSK. GESLACHTSNAMEN. 

Eertweg, Van den Ertwegh en Van den Eirtweg, allen 
slechts verschillende sehrijfwyzen van eenen en den zelfden naarn 
(zie 151); Van Bloppoel, waarschijnlik eene verbastering van 
Blokpoel, welke naam ook aldus op zich zei ven voorkomt ; de eene 
form zoo wel als de andere is in Zuid-Nederland inheemsch. Verder 
Verborghstad, Van den Braambussche , Van den Brand- 
hof, Van der Heymeulen, Verdaasdonk, Verdyssel- 
donk, Van Droogenbroeck,Van de Groorbergh. x En ook 
Van de Cleemputte. Dit woord Meemput is slechts een andere 
form van leemput , een put of kuil of poel waar men leem uitgraaft , zoo- 
als vooral in de zuidelike gewesten van Nederland gevonden worden. 
Talrijk zijn de geslachtsnamen die aan deze leemputten ontleend 
zijn ; b. v. behalven Van de Cleemputte nog Van Cleemput 
en Van Cleemputten, Cleemput, Leemput, Van de 
Leemput, Van de Leemputte, Van Leempoel, Leem- 
poel (ook als oneigenlike vadersnaam Leem p oei s), Van de Lee m- 
cule, Leemkuhl, Leemcoul in Limburg (zie bl. 256), ook 
verhollandscht tot Leemkoel, enz. Opmerkelik is het dat het 
grootste gedeelte dezer samengestelde , wel ietwat zwaarwichtige 
geslachtsnamen in de zuidelike gewesten t' huis behoort. 

Verder zijn nog samengesteld met het woord veld de geslachts- 
namen : Booneveld, Daverveldt, Hengeveld, Heukens- 
feldt, Langeveld, Schooneveld, Roseveldt, Sonne- 
velt en Zonneveld, Maarleveld. 

Met land : Baeckelandt, Dorland, Hartland, Hoog- 
land en Laagland, Veenland, Weiland en Weitland. 
W i e 1 a n d echter , ook als geslachtsnaam voorkomende , is oor- 
spronkelik een oud-germaansche mansvrnaam , die als zoodanig 
nog niet geheel onder ons buiten gebruik geraakt is. 



1 Van den Herreweghen,Van der Hou gst ra eten, Van Hoonacker, 
Van Horshoven, Van Issacker, Van der Mensbrugge met Van der 
Meynsb ruggen en het eenvoudige M ij n s b r u g h e n , V a n de Meulebroucke, 
Van der Noordaa, Van Quekelberghe, Van Sche vicba ven, Van 
Schilfgaarde met het eenvoudige Schilfgaar de. Van den Sigtenhorst 
met het eenvoudige Sigtenhorst, Van der Slagmolen, Van den Diep. 
straten, Van den Weyenberg met het eenvoudige W e y e n b e r g , V e r z ij 1- 
berg, Van de Rovaart, Van den Crommenacker, Van de V e e r d o n k > 
Van den Santheuvel, Van den Huygevoort, Van de Siebkamp. 



ALGEMEENE AARDRIJKSKUNDIGE GESLACHTSNAMEN. 277 

Met akker: Boonacker, Loerakker, Schoonakker , Wijl- 
acker, Rooyakker, Paanakker. 

Met made : Schoonmade,(Van) Venckernay, Dolkemade, 
Schraveiaade (zie 186 en 143). 

Met huis: Langenhuyzen, Goedhuis, Leemhuis, Steen- 
huyze, Jonger huis, Rodenhuis enRoodhuyzen,Welk- 
huysen, Wilkeshuis, Wyckhuyse, Jelgerhuis, Nor- 
berhuis. Deze laatste naam komt ook in verbasterden en samen- 
getrokkenen form als de geslachtsnaam Norbruis voor. Zoo wordt 
ook de geslachtsnaam Jelgerhuis (oorspronkelik en voluit J e 1- 
gera-huus) te Leeuwarden in de dageliksche spreektaal tot J e 1 1 e- 
gruis, Jellegruus verbasterd en samengetrokken. De geslachts- 
naam Nieuwenhuis dient hier ook vermeld. Deze naam komt, 
in verschillende formen en spellingen (N y h u i s , Niehuis, N y e n- 
huis), veelvuldig voor , en zal in de meeste gevallen wel aan 
het benthemsche stadje Nieuwenhuis, Nienhuis, Nienhaus, 
tegenwoordig Neuenhaus, tusschen onze drentsche en twentsche 
grenzen gelegen , zynen oorsprong danken. Immers van ouds her 
zijn er steeds, jaar op jaar, jongelieden uit alle standen, zoowel 
mannelike als vrouelike , uit dit stadje naar Holland en Fries- 
land getrokken, om daar werk en brood te zoeken en te vinden. 
By een, meest in Holland gezeten geslacht Nieuwenhuis heeft 
deze naam echter eenen byzonderen oorsprong. In de vorige eeu 
vestigde zich een Deen , Jacob Nyegaard geheeten , in Holland 
met der woon , en wel te Alkmaar. Het hollandsche volk maakte 
zich dezen , voor zynen mond eenigszins vreemden naam weldra 
beter van pas, door er, als in letterspel , nydkjaard" (iemand 
van nydigen aard) van te maken. Deze verbastering van zynen naam 
mishaagde onzen Deen. Om dus te voorkomen dat deze verbasterde 
naam weldra volle gelding , als het ware burgerrecht zoude erlan- 
gen, zette hy het deensche Nyegaard in het hollandsche Nieu- 
wenhuis om. Zyne afstammelingen voeren dezen naam nog heden. l 
Althuis en Althuysen zijn geslachtsnamen die ook verla- 
tynscht als Althusius en Althuysius voorkomen, en deze 



1 Zie Levensbericht van Mr. C. J. Nieuwenhuis , in de Levensberichten, der afge- 
storvene medeleden van de Maatschappij dvr nedcrlandsche letterkunde. Leiden , 1882. 



278 ALGEMEENE AARDRIJKSKUNDIGE GESLACHTSNAMEN. 

latynsche formen zijn weer in omgekeerden zin half en half terug 
verloopen in het Nederlandsch , tot Althuizes. In de zelfde ver- 
houding staan ook de geslachtsnamen Heshuysen en Heshusius 
tot eikanderen. De algemeen-aardrijkskundige namen veld en huis 
komen beiden voor in den geslachtsnaam Huis-in- 't- Veld. 

Met hof: Aldershof, Ameshoff, Attenhoven, Balken- 
hoven, Bomhoff, Eekhoff, Eeckhoff en Eekhof, Kou- 
wenhoven, Kruythoff, Noordhof, Nyhoff, Bauwen- 
hoff, Sijthoff, Spaenhoven, Uuldershof, Uvenhoven, 
en het verlatynschte Lindenhovius. Hof, hove, have zijn oor- 
spronkelik de zelfde woorden, in verschillenden form en uitspraak. 
Zoo zijn b. v. de namen der oostfriesche dorpen Marienhave 
en Engerhave, tegenwoordig ook wel als Marienhaf e en 
Engerhafe, zelfs wel door misverstand als Marienhafen en 
Marienhaven geschreven , geenszins van het woord haven afgeleid , 
maar integendeel van have , hove , hof. Zoo zijn ook de geslachtsnamen 
Ten Have, Van 't Haaf, Van der Have en Verhave 
met Opgenhaaffe (zie bl. 259 en 260), Van Schevichaven, 
Manhave en Nunninghaven, misschien ook met Seynhaeve 
en Seynaeve, mijns inziens, samengesteld met have, hof, en 
niet met haven [portus). Dat have in der daad wel hove is , blijkt 
ook uit de geslachtsnamen Van Bokhoven, Van Bochove, 
Verboeckhoven, Verboeckhaven en Verbockhaven, 
die nevens eikanderen , vooral in de zuidelike Nederlanden voor- 
komen , en oorspronkelik allen wel van eenen en den zelfden stam , 
van een en het zelfde algemeen-aardrijkskundige woord (bok- of 
boekhof, beukenhof) zullen ontleend zijn. Zoo vind ik ook in 1649 
iemand die den geslachtsnaam Van Schevinckhoven voert ; * 
zeer waarschijnlik is dit de zelfde geslachtsnaam die tegenwoordig 
als Van Schevichaven voorkomt. 

Daarentegen meen ik in de geslachtsnamen Van de Haven, 
Noorderhaven en Oosterhaven het woord haven portus) 
te moeten erkennen. Noorderhaven komt, als weerga van 
Norbruis uit Norberhuis, ook in samengetrokkenen en ver- 
basterden form als N o o r d r a v e n voor. 



Zie Be NavorscJier, jaargang XXXIII, bl. 245. 



ALGEMEENE AARDRIJKSKUNDIGE GESLACHTSNAMEN. 279 

Opnierkelik is het, onder de talryke Iwf namen , den form hoff, 
met twee letters , zoo veelvuldig aan te treffen. 

Met oever : Van Goudoever, Kortenoever, met Ten 
Oever e, Ten Oever en Van den Oever. 

Met berg : Asselbergh (Asselbergs is hiervan een oneigen - 
like vadersnaam ; zie bl. 188) , Bloemberg en Bloembergen, 
Cauwenbergh, Engelenberg, Hazenberg, Kleyberg, 
Knynenberg, Loosbergh, Halsbergbe, Maekelberg, 
Mij sb erg, Schenk enberg. Opmerkelik is het dat er in ons 
vlakke Nederland zoo byzonder veel namen voorkomen die met 
het woord berg zijn samengesteld. Zoo is ook de geslachtsnaam 
Van den Berg een der algemeenste, overal voorkomende namen. 
Trouens , eene verheffing van den bodem , weinige ellen hoog , 
wordt door het nederlandsche volk reeds met den naam berg, zoo 
niet hooge-berg vereerd. De dalen zijn in onze geslachtsnamen on- 
eindig veel geringer in aantal. 

Met dal : behalven Van D a 1 e en Van D a e 1 e , nog Eiken- 
dal, Lovendaal, Boter dael en Botterdaele (ook Van 
Boterdael en Butterdael) en, als weerga van dezen naam , 
Boterberg (beide te Brussel). Verder Diependaele, Can- 
daele, Hennixdael (Hennink's dal; zie bl. 52), Hinder- 
dael, Hiebendaal, Leeuwendaal, Groenendaal. 

Met duin : Noorduyn,Rijsduin, Westerduin, Vr eden- 
duin, Zuiderduin. 

Met beek : Camelbeek, Geysbeek, Heymbeeck, Ysen- 
beek, Legebeke, Noordbeek en Noorbeek, Schaever- 
beke, Swaanebeek en Zwanenbeek, Siegenbeek, Wol- 
te rb e ek. In de oostelikste (saksische) gouen van ons land, in Twente 
en den gelderschen Achterhoek , wordt het woord beek als bek , bekke 
uitgesproken. Van daar plaatsnamen als de Bekkematte, buurt 
by Eibergen ; Bekveld, buurt by Hengelo (O) ; de Rammel- 
bekke of Rammelbeek, enz. in die gouen. En van daar ook 
geslachtsnamen als S c h i e r b e c k (het verhollandschte Schierbeek 
komt ook voor), Thor Becke of Thorbecke (zie bl. 264), 
Uhlenbeck, Bekhuis nevens Beekhuis, Visbeck nevens 
Visbeek, Vor der Wullbecke (zie bl. 255), enz. De uit- 
spraak van het woord beek als bek {beek) of bekke strekt zich ook 



280 ALGEMEENE AARDRIJKSKUNDIGE GESLACHTSNAMEN. 

over geheel Westfalen en andere aangrenzende duitsche landen uit , 
en geslachtsnamen op beek eindigende, komen ook daar menigvul- 
dig voor. Velen van de thans als nederlandsche namen geldende maag- 
schapsnamen met beek samengesteld , zullen dan ook wel over onze 
oostelike grenzen tot ons gekomen zijn. Geenszins zeldzaam zijn 
ook in Nederland de hoogduitsche geslachtsnamen die op bach ein- 
digen. Deze namen , als vreemden , kunnen eigenlik in dit werk 
niet in aanmerking komen. Maar toch dient hier vermeld te wor- 
den dat enkelen dezer bach-namen in schrijfwyze verhollandscht 
zijn , en nu op bagh of op bag uitgaan. Zulke namen zijn : B r e y- 
denbagh, Avenbag, Kolbag, Die ven bag (verhollandsching 
van Tief enbach?) , enz. Andere oorspronkelik hoogduitsche bach- 
namen zijn geheel vertaald geworden in het Nederlandsch ; b. v. 
Breidenbach tot Breedenbeek; Kalsbach tot Kalsbeek; 
Stolzenbach tot Stoutenbeek, enz. 

Een groot gedeelte van Nederland heeft geene beken , maar zoo- 
veel te meer slooten. Toch zijn de maagschapsnamen met het woord 
beek samengesteld, talrijk in vergelyking met die welke van het 
woord sloot afgeleid zijn. Behalven Van der Sloot zijn my slechts 
bekend: Donkersloot en Helsloot (tegenhangers? zie 168), 
Ouwersloot, Galesloot, Korsloot, Wykersloot met 
De Wykerslooth in half-franschen , dus onzinnigen form , enz. 

Grachten en vlieten zijn in Nederland al niet minder talrijk dan 
slooten. Toch zijn ook de maagschapsnamen , aan deze woorden ont- 
leend , zeldzaam. Ik ken slechts Van der Gracht en Van der 
Graft, Berghgracht (eene min of meer zonderlinge samen- 
stelling), Steengracht en Coenegracht. Deze laatste naam 
komt ook als oneigenlike vadersnaam, als Coenegrachts voor; 
en dan ook nog te Hoegaarde (Hougaerde) in Zuid-Brabant , op de 
grenzen van ons taalgebied , door misverstand en in verbasterden 
form , als C o e n e g r a s. Verder Godvliet, Polvliet met P o 1- 
fliet en Pollefliet, Schyvliet en Sheevliet met Van 
Vliet, Van der Vliet en Ver vliet. 

Water en a of aa (het oud-nederlandsche woord voor water) , 
broek , poel , moer of moor (moeras) , meer , vaart en diep zijn allen 
algemeene aardrijkskundige woorden , die men , in aanmerking ge- 
nomen de gesteldheid van een zeer groot deel des nederlandschen 



ALGEMEENE AARDRIJKSKUNDIGE GESLACHTSNAMEN. 281 

bodems , met reden in groot aantal als samenstellend deel van 
nederlandsche geslachtsnamen zoude kunnen verwachten. Toch ko- 
men zy zoo byzonder talrijk niet voor. Zie hier eenigen van die 
namen: Blankwater, Borrewater en Bornwater, Hoek- 
water, Leegwater, Meulewater, Slagwater met Van 
de Water en Van de Wateren. Minderaa, Wykeraa 
en Van Wiekeraa, Van der Aa en Van der Ouderaa 
met Van der Auweraa. Beerenbroek, Biesbrouck, 
Eysbroek, Hagebrouck, Meulebrouck met Muelen- 
broock (in Duitschland is Mhlenbruch een tam elik algemeen e 
maagschapsnaam) , Slimbrouck, Surenbroek, Rubroek, met 
Van den Broek, Van de Broecke, Ten Broek, Ten Broeke, 
Broekstra, Broekman, misschien ook Broeker en Brooker, 
Brookman en zelfs Brauckmann, met Ten Brake, Braak- 
man, enz. Verder Van der Poel en Poelstra, Toe Poel 
(zie bl. 263), Poelman en Poelmans, misschien ook Spoel- 
(ders 's poelders, des poelderszoon, ziebl. 184) , en Poolman, met 
Abspoel, Zwanepoel, Evenepoel, Polspoel, Rikmens- 
poel, Vogelpoel (met Van Vogelpoel) en de neder-(plat-) 
duitsche weerga van dezen naam Vagelpohl, enz. Deze neder- 
(plat-)duitsche form van het nederlandsche woord poel, te weten 
pool of pohl , komt ook voor , nevens Vagelpohl, in de maag- 
schapsnamen Cleypool, Weddepohl en Poolman met P o h 1- 
man; zie bl. 197. Dan Van der Moere met Van der Moeren 
Vermoure, Moerman en Moorman (zie bl. 198). Eindelik 
Van der Meer met Belkmeer, Noordermeer, Benne- 
meer, Leyermeer, Schoffelmeer enZuidmeer;Van der 
Vaart met Heyvaert, Poldervaart en Zuidervaart. Wat 
de maagschapsnaam Heyvaert aangaat, zoo heb ik wel eens 
hooren beweren dat deze naam van engelschen oorsprong, en 
eigenlik H a y w a r d was. Ook de geslachtsnaam Engelvaart 
durf ik naueliks tot de namen rekenen , die met het algemeen- 
aardrijkskundige woord vaart samengesteld zijn. Wel is er werkelik 
in Friesland , by het Heerenveen , eene vaart die de Engelen- 
vaart heet, maar deze aardrijkskundige naam is ontleend aan 
den geslachtsnaam Van Engelen, en de maagschapsnaam E n- 
gelvaart heeft er dus niets mede te maken. De Zuid-Nederlan- 



282 ALGEMEENE AARDRIJKSKUNDIGE GESLACHTSNAMEN. 

ders zeggen, zeer te recht, Godevaart voor Godfried, Go- 
vert; zoo kan ook Engelvaart een zuid-nederlandsche form 
wezen van den oud-germaanschenmansvrnaain Engelfried. Dezen 
byzonderen zuid-nederlandschen form vinden wy terug in de vlaam- 
sche dorpsnamen Godveerdeghem en Hemelveerdeghern, 
heim of "woonplaats der Godveerdingen en der Hemelveer- 
dingen, dat is : der nakomelingen van Godveerd, Godevaert, 
Godfried en van Hemelveerd, Emelveert, Emelvaert, 
Amelfert. 1 Van het groningsch-friescke woord die]) voor vaar- 
water (zie bl. 245) is de maagsckapsnaam Westerdiep ontleend. 
Waar water is , daar zijn ook dyken , dammen , sluisen , bruggen , 
veren en voorden. Deze algemeen-aardrijkskundige woorden vinden 
wy in de maagschapsnamen Van Dijk, zeer talrijk , en Dykstra, 
eveneens. Verder in Ackersdijk, Bazendijk, Bilderdijk, 
Burgersdijk,Craandijk,Hofdijk,Hordijk,Soutendijk, 
Wesseldijk, enz. Ook in Dijkman en Dijkman s. Deze met 
dijk samengestelde namen komen hooftsakelik , zoo niet uitsluitend , 
in Noord-Nederland voor , en zijn daar geenszins zeldzaam. Of de 
maagschapsnaam K e r dij k ook tot deze namen , met het woord 
dijk samengesteld , behoort , meen ik te mogen betwyfelen , al kan 
ik hem ook anders niet verklaren. Dcm-namen zijn Van Dam, 
zeer algemeen , 't welk in ons damrijk land geen wonder is ; V e r- 
dam, Bekedam, Bondam, Duindam, Hoogen dam, Nieu- 
wen dam (kan ook een byzondere aardrijkskundige naam zijn, 
ontleend aan den naam van het dorp Nieuwendam in Noord- 
Holland aan het Y ; zie ook 156) en N y d a m , Ryersdam, 
Soutendam, Stouwdam. Beversluis met Van der 
Sluis en Versluys, misschien ook met Sluizer. Van 't 
Sas is de zeeusch-vlaamsche , Van Z ij 1 (en Z y 1 s t r a) de friesche 
tegenhanger van Van der Sluis. Het woord brug vinden wy 
in de maagschapsnamen Van de Brug, Van der Brug, Van 
der Breggen, Van Bruggen, Brugman, Brugge man, 
Brugmans, in Barenbrugh, Koebrugge, L e e m b rug- 
gen, Meulenbrugge, Mij nsb rughen (zie bl. 276), Nig- 
gebrugge, enz. Laatstgenoemde naam zal wel over onze oos- 



Be Navorscher, dl. XXVI, bl. 360 en 363. 



ALGEMBENE AARDRIJKSKUNDIGE GESLACHTSNAMEN. 283 

tergrenzen tot ons gekomen . zijn , en dan nieue brug beteekenen , 
naardien het woord nieu in sommige westfaalsche tongvallen , 
o. a. rondom Osnabrck, uit welke oorden er steeds zoo velen 
naar Nederland kwamen afzakken, als nigge wordt uitgesproken. 
In de maagschapsnamen Van der Veer en Verveer, De 
Veirman, Veerman, Altveer, Cijfveer(?) en Westveer 
vinden wy 't woord veer; misschien ook in De Veer. Maar deze 
laatste naam is my twyfelachtig ook al om het afwykende ge- 
slacht , dat , blykens het lidwoord , in dezen naam het anders on- 
zydige woord veer heeft. De Veer zoude ook kunnen zijn het 
woord veer, veder, vogelver , en dan oorspronkelik als huisnaam. 
Te Amsterdam toch staat nog op den Nieuwendijk een huis, dat de 
oude Veer" heet, en waarin van ouds een beddewinkel (van veeren 
bedden) was; en te Rotterdam komt nog de geslachtsnaam Veder 
voor. Het kan ook zijn eene verkorting van het oud-friesche 
woord feder, vader. Te Hindeloopen spreken de kinderen hunnen 
vader nog aan als f eer; en de maagschapsnaam Vader is niet 
zeldzaam; in de vlaamsche gewesten komt hy ook in samengetrok- 
ken form , als De Vaere voor. Het woord voort, voorde, plaats 
waar men door het water waadt, komt voor in de maagschaps- 
namen Van der Voort, Van der Voorde, Vervoort, Ver- 
voorde, Vervoerde, Voorda, Voerda, Voortman, B a 1- 
foort, Blankevoort, Langevoort, Markvoort, Gant- 
voort, Poelvoorde, V r edevoo rt, Wagenvoorde en Ten 
Bengevoort (ten Benninge-voorde?). 

Oort en weert , weide , veen en heide , bosch en loo , hout en woud , 
roode , rnarsch en geest , donk en horst formen eene andere groep 
van algemeen-aardrijkskundige namen , die grootendeels talrijk 
voorkomen in allerlei geslachtsnamen. Zie hier eenige voorbeelden : 
Van Oort en Van Oorde, Op den Oort (zie bl. 254), 
Bredenoort, Hagoort, Kraayenoord, Schilperoort; 
Van de Weert, Blyweert, Duyvewaerdt en Flikweert; 
Lagerwey en Klaverweyden met Van der Weide, Van 
de Wey, Verwei, Verwey, enz. Van den Bosch, Van 
den Bussche en Van den Bos met Boschman,Buschman, 
Bosman, misschien ook met Bosscher, Busscher, Bosker 
en Busker, en Bosgra, volgens het friesche taaieigen; Bys- 



284 ALGEMEENE AARDRIJKSKUNDIGE GESLACHTSNAMEN. 

t er bos, Doorenbosch, Doornbosch en Doorenbos, 
Hulsebos, Strybos, Veenenbos, Wylgenbosch. Oprner- 
kelik , dat by bet grootste gedeelte dezer namen het woord 
bosch zyne ch verloren beeft. Een loo is een eikenboscb , of 
naukeuriger gezeid : een oord met jong eikenbout bezet , een 
akkermaalsboscb , waar men dunne eikenstammetjes kweekt, als 
hakhout, vooral om de bast er van als looistof te gebruiken. Hangen 
onze woorden loo en looien niet samen? Wy vinden dit oud-ger- 
maansche woord , dat ook in nederlandsche plaatsnamen zoo veel- 
vuldig voorkomt (Almeloo, Beverloo, Eekloo dat is 
tweemaal het zelfde gezeid , Groenloo), terug in de geslachts- 
namen Van de Loo, Loman met L o o m a n en den hoogduit- 
schen form L o h m a n n (alle drie vry algemeen) , Apperloo, 
Boschloo, Biddeloo met B i d 1 o o en misschien ook met P i 1 1 o , 
en de versletene formen BeelooenBeelo; verder in Donkerloo, 
Oostrloo,Tinckloo,Venverloo,Wesseloo,Zelderloo. 
De byzondere maagschapsnaam Deurloo (zie bl. 220) behoort hier 
ook genoemd te worden. Het eikenbosch dat aleer dien naam ge- 
dragen heeft , ligt nu verdronken in den mond der Hont of Wes- 
terschelde , in de Noordzee. De naam echter , een zeer oneigenlike 
voor eenen riviermond (dies zeit men ook wel de Kassen"), 
is tot op den dag van heden aan die plaats gehecht gebleven. De 
geslachtsnaam Anslo (f?) is ook byzonder, en behoort by deze 
algemeen-aardrijkskundige namen eigenlik niet. C. Honigh in zyne 
Eeisschetsen uit Noorwegen (De Gids, jaargang 1884, bl. 228) ver- 
meldt het volgende : C 1 a e s Claessen, de grootvader van den 
zeventiende-eeuwschen dichter Eeyer Anslo, en stichter van 
het Ansloos-hofje in de Egelantiersstraat, was in 1555 in Oslo 
geboren. Zyne nakomelingen voerden den uit Oslo verbasterden 
geslachtsnaam Anslo o." Oslo is de naam van eene oud-noor- 
sche stad, in den jare 1624 verbrand en niet weer herboud. In 
plaats daarvan werd de tegenwoordige hoofdstad van Noorwegen , 
Christiania , gesticht. 

Over de beteekenis van het woord rode of rade zie men bl. 248. 
Behalven de namen , daar ter plaatse opgenoemd , zijn met dit 
woord nog samengesteld de maagscbapsnamen Van Roo, Van 
E ode, Van de Raadt, Breedenraedt, Bruynseraede 



ALGEMEENE AARDRIJKSKUNDIGE GESLACHTSNAMEN. 285 

Hoogenraad, Stramrood, Schreveraey (dat beduidt : des 
graven rade) , Tavenraat, Weustenraadt, Mallinckrodt. 

Hout en woud in frankischen , holt en wold in saksischen form 
zijn woorden van eene en de zelfde beteekenis , ook van eenen en 
den zelfden oorsprong. Behalven in talryke plaatsnamen , en in de 
eenvoudige maagschapsnamen Van Hout, Van Haute, Van 
't Hout, Van Holte, Van den Haute, Van Houte, Van 
Houtte, Van Hautte, Op 't Holt, Houtstra, Van Woude, 
Van 't Wout, Van der Woude, Van der Wouw, Ver- 
wonde, Verwou, Verwolde, Van de Wolde, Woud- 
stra, Woldstra, Houtman, Wouman, enz. vinden wy deze 
woorden in de meer samengestelde geslachtsnamen Boekhout, 
Boekhold, Bouckout, Bouckhaut, enz., Frankenhout, 
Halver hout, Langhout, Mansholt, Eekhout en ver- 
wante formen (zie 135), Moerenhout, Schelf hout (de zelfde 
naam komt in de zuidelike Nederlanden voor als Schelfaut), 
Spitholt, Suyderhoud, Vastenhout en Vastenoudt, 
Wechterholt, Wentholt en Witholt. Deze namen , met 
hout, holt_ samengesteld , zijn byzonder talrijk in allerlei formen en 
schrijfwyzen. En dit is ook met de woud- en wold-namen het geval : 
BruinwoldenBruynewold,Duysterwout,Dunnewold, 
Swartwold, en vooral ook Groenewold, dat met Groene- 
woud, Groenewoldt en zelfs met het half en heel hoogduitsche 
Groenewald en Grnewald, vry algemeen is. 

Geest en Gast (zie bl. 247) , komen voor in Van der Geest, 
Ter Gast, Geestman, Gastman, Van der Gaast, Geestra 
en Gaastra, Brondgeest, Houckgeest, Wittegeest, 
Zuidgeest. Marsch of mersch en meersch in Van der Marsch, 
Ter Marsch, Wittemarsch, misschien ook in Marsman en 
Mersman. Verder in Ver meersch, Overmars, enz. 

Het woord heide treft men in de maagschapsnamen Van der 
Heide, Vande r Hei, VanHei, VanHeed.VanHee, Verhey, 
Oosthey, enz. Het woord donk in Donck, Van Donck, Van 
der Donk en Verdonck,Daesdonck,Haseldonck,Kils- 
donck, Lindonk, Meynendonk, Kranendonk en Cra- 
nendoncq, Stipdonck en Surendonk. Deze geslachtsnamen 
met donk samengesteld, en eveneens de plaatsnamen op donk eindi- 



286 ALGEMEENE AARDRIJKSKUNDIGE GESLACHTSNAMEN. 

gende , komen meest in de zuidelike Nederlanden voor. Horst 
(zie bl. 250) vindt men in Van der Horst, Ter Horst, 
Ingenhorst en Horstman. Verder in Binkhorst, Bronk- 
horst, Methorst, Quellhorst, Riedhorst, Rouwen- 
horst, Selhorst, Snaakhorst. 

Eindelik nog eenige veen-na,men : Van der Veen en Van der 
Feen, Peenstra en Veenstra komen zeer talrijk voor , hooft- 
sakelik in de noordoostelike Nederlanden , waar veel venen zijn. 
Verder: Glimmerveen, Nederveen, Noortveen, Oost- 
veen, Roggeveen, Sureveen, en Roveen, Zwarteveen 
en Witte veen. Men onderscheid in de veenstreken, naar mate 
van den byzonderen aart van het veen , roodveen , witveen en zwartveen. 
Van daar deze maagschapsnamen. 

105. Eene laatste groep van algemeen-aardrijkskundige woorden 
omvat de benamingen van zulke zaken welke meer bepaald aan 
de werkzaamheid van den mensch hun ontstaan danken ; als : burg , 
zeele , hoek, werf, brink, kamp, laan en baan en weg, kuil en put, 
wijk, tuin en gaarde. Ook al deze woorden komen veelvuldig in 
samengestelde en enkelvoudige algemeen-aardrijkskundige geslachts- 
namen voor. Enkelen van dat groote aantal dienen hier vermeld 
te worden. 

Met burg en borg (oorspronkelik burcht , borcht , slot , kasteel) 
zijn samengesteld behalve Van den Burg, enz.: Budden- 
borg, Meerburg, Moolenburgh, Tpenburg, Schot- 
borgh, Siedenburg, Smallenburg, Spierenburg, Ste- 
kelenburg, Ster ken burg en Starkenborg, Witsen- 
bo rg, Water borg, Wekenborg,Meyborg, Pannenborg. 
In navolging van de namen der middeleeusche burchten , gaven 
ook vele zeventiende- en achttiende-eeusche Nederlanders , vooral 
Hollanders , zulke burg-namen aan hunne landgoederen en buiten- 
plaatsen. En ook zulke nieue burg-namen zijn wel als geslachts- 
namen in gebruik gekomen. In den regel was het niet de heer , 
de eigenaar van zulk een landgoed , die den naam daarvan als 
geslachtsnaam aannam , maar de rentmeester of de tuinbaas of 
een pachter , als zy er jaren lang gewoond badden , en als 't ware 
met zulk een landgoed vereenzelvigd waren geworden. Men kent 



ALGEMEENE AARDRIJKSKUNDIGE GESLACHTSNAMEN. 287 

zulke nieuerwetsche burgn&wen wel aan hunnen soms gewrongenen , 
ook burgerliken form ; b. v. Eendenburg, Paddenburg, Ru s- 
tenburg, Uilenburg, Vaartburg, Waayenborg, enz. 
allen bedendaagscbe geslachtsnamen. 

De namen der middeleeusche burchten en sloten eindigden 
dikwijls op stein of steen , het zy om aan te duiden dat het vaste 
huizen waren van steen geboud (stinsen , stenhusen) , of dat ze op 
eenen steen of rots waren gegrondvest. Het eerste was meest het 
geval in de Nederlanden , waar de woningen der poorters in de 
steden en vooral ook der boeren ten platten lande , in de middel- 
eeuen doorgaans van hout waren , met riet of stroo gedekt. Het 
andere kwam uit den aard der zake meer in hooger gelegene 
landstreken aan en over onze oostelike en zuidelikc grenzen voor. 
Later werden zulke stemnamen , even als de burgnamen , ook dik- 
wijls aan burgerlike landgoederen en buitenplaatsen gegeven , en 
die namen zijn ook al tot hedendaagsche geslachtsnamen geworden. 
B. v. Boekestein (ook Boekestijn komt voor, in wanspel- 
ling zie 157); Druyvesteyn, Oudsteyn, Peesteen (?), 
Quakkelsteyn, Sypesteyn, Weeks te en met Wegsteen en 
Weeksteen, enz. Yerder Hoekstein en de hoogduitsche weerga 
daarvan , Ekstein en Eckstein, die te Antwerpen nog eens 
in spelling veranderd als E x s t e e n voorkomt ; buitendien nog 
Van der Steen, Steenstra, Stienstra, enz. De friesche 
maagschapsnaam Hoogstins dient hier ook vermeld. 

By sommige oud-germaansche volksstammen , onder anderen 
by de Saksen , voor een deel onze voorouders , werd de groote 
woning van eenen hoofdman of ander aanzienlik persoon sale of sele 
genoemd. Dit woord, oorspronkelik na verwant met het woord hal, 
halle , eene opene , door zuilen geschraagde woning beteekenende , 
gelijk die oud-germaansche selen veelal waren , bestaat nog in ons 
woord zaal. En tevens , vooral ook in den form zele , zeel , maakt 
het deel uit van vele nederlandsche plaatsnamen : Oldenzaal 
b. v. stad in Twente, en Oudezeele, dorp in Pransch- Vlaan- 
deren ; beide namen leveren slechts een verschil op in tongval. Verder 
in Scherpenzeel, zoo heeten twee nederlandsche dorpen, een in 
Friesland , en een in Gelderland op de Feluwe ; Loenderzeel, 
Bissezeele, enz. In geslachtsnamen is dit woord tamelik zeldzaam. 



288 ALGEMEENE AARDRIJKSKUNDIGE GESLACHTSNAMEN. 

My zijn bekend: Bruynzeel, Immerzeel, Ipperseel, Ne- 
venzeel; en waarschijnlik ook Wittezaele. Buiten dien nog 
Verzele. 

Stede , stee , woonstede , vinden wy in de geslachtsnamen Borg- 
stede, Alsteede, Damst, Duynstee, Haagstee, Hoog- 
st e ede (het weinig afwykende Hoogstad komt ook voor ; dit 
is waarschijnlik een byzondere plaatsnaam , afgeleid van H o c h- 
stadt, een plaatsnaam die' veelvuldig in Duitschland voorkomt). 
Verder Kolstee, Maalsteed (ook half hoogduitsch geschreven 
als Mahlstede), Volsteedt, enz. Wijk, een woord van 
verschillende beteekenissen , komt voor in D a m w ij k , Frieswijk, 
Haelewijck, Klapwijk, Kromwijk, Sandwijk, Swaans- 
wijk, Vaerewijck, Woudwijk, enz. 

Met hoek samengesteld zijn de geslachtsnamen : Kalishoek, 
Noordhoek, Kurpershoek, Leegenhouck, Molhoek, 
Smitshoek, Spieringshoek , Oosthoek, Stegerhoek- 
Hom en hoorn is het zelfde als hoek. Dit oude woord , van frieschen 
oorsprong (zie bl. 250), vinden wy in de geslachtsnamen: Barg- 
hoorn, Dijkxhoorn, Droghorn, Spilthoorn, Ooster- 
hoorn, Wolthoorn, enz. Een ander woord voor lioek is winkel , 
waarvan ons woord winkelhaak; zie ook bl. 204. Winkel is het 
tegenovergestelde van hom ; het eerste woord beteekent een binnen- , 
het andere een buitenhoek. Het woord winkel komt voor in de ge- 
slachtsnamen Baerwinckel, Boswinkel, Cramwinckel, 
G-leenewinkel , Hooghwinkel, Kattewinkel, Hane- 
winkel, Hasewinkel, Nieuwinckel, Ronas winckel ; 
buitendien in Van de Wynckel. In den geslachtsnaam Vet te- 
winkel schijnt het woord winkel my toe de nieuere beteekenis 
te hebben van een gedeelte van een huis, een voorhuis, waar 
koopwaren uitgestald zijn en verkocht worden. Een winkel , waar 
vet , boter , olie , spek en dergelike dingen te koop zijn , noemt 
men wel een vettewinkel. Den man , die zulk eenen vettewinkel houdt , 
noemt men te Middelburg , en elders in Zeeland en Vlaanderen , 
met het zonderling geformde bastertwoord vettewarier , van vette waar 
afgeleid. De maagschapsnaam Rooswinkel zal wel oorspronkelik 
de naam zijn van het dorp Eoswinkel in Drente. 

Werf , brink , kamp , laan , baan , einde , weg , kuil en put , tuin 



ALGEMEENE AARDRIJKSKUNDIGE GESLACHTSNAMEN. 289 

en gaarde zijn algemeene aardrijkskundige woorden , die geenen 
naderen uitleg eischen, en die in talryke geslachtsnamen voor- 
komen. Zie hier eenige voorbeelden daarvan: 

Met werf zijn samengesteld: Van der Werf, Van de Werve, 
Bergwerf, Disselwerf, Hoogewerf, Lagewerff. 

Met brink: Van den Brink, Van de Brinke, Ten Brink, 
Brinkman (deze naam is, als Brinkmann, ook dikwijls uit 
Westfalen , waar hy zeer algemeen is, tot ons overgekomen) , Dam- 
brink, Hurrelbrink, Kraayenbrink, Kottelbrink, 
Kruisselbrink, Sandbrink, Speekenbrink, Veen- 
brink, Westenbrink. Ook Stornebrink en Strnebrink, 
dat in Friesland, in uitspraak op friesche wyze verbasterd en op 
hollandsche wyze geschreven, als Steunebrink voorkomt. 

Met kamp . Van der Kamp, Kampstra, Belekamp, Els- 
kamp, Feltkamp en Veldkamp, Hasekamp, Haver- 
kamp, Peperkamp, Reuvekamp, ook op hoogduitsche wyze 
als Rvekamp geschreven, Schalekamp, Steenkamp, 
Westerkamp, Witkamp. 

Met laan: Van der Laan, Laanstra, Batelaan, Felper- 
laan, Yperlaan, Langelaan, Zuiderlaan. 

Met baan.- Van der Baan, Baanstra, Oosterbaan, Schie- 
baan, Westerbaan, Zuiderbaan. 

Met einde of ende: Van der Ende, Van 't Einde, Endstra, 
Balkenende, Zuiderend. Van den Hende, in Vlaande- 
ren inheemsch , behoort waarschijnlik ook wel hier , als eene , in 
Vlaanderen niet ongewone wanspelling van Van den Ende. . 

Met ioeg: Van der Weg, Wegstra, en Weistra (weg = wei 
in het Friesch), Breedeweg, Groenewegen, Harweg en Har- 
wegen, Heirwegh, Herrewegh, Heerwegh, Hoogewee- 
gen, Hoornweg, Korteweg, Kleiweg, Schuerwegh. 
Met kuil: Van der Kuylen en Verkuilen, Koelstra, 
Ter Kuile, en half-hoogduitsch Ter Kuhlen; verder Leeuwen- 
kuyl, Steenkuyl, Wolfskuyl, Voskuyl en Voskuil. De 
laatstgenoemde naam is geenszins zeldzaam, en aan verschillende ge- 
slachten eigen. Ook als Voskuilen komt hy voor. Hy is onge- 
twyfeld aan een wezenlik vossehol ontleend, even als de maagschaps- 
naam Wolfskuyl aan een wolvehol. Maar om het ontstaan van den 

19 



290 ALGEMEENE AARDRIJKSKUNDIGE GESLACHTSNAMEN. 

geslachtsnaam Leeuwenkuyl te verklaren , heeft men aan eenen 
oneigenliken oorsprong van dezen naam te denken. En wel aan eenen 
huisnaam , aan eenen gevelsteen, die Danil in den leeuwenkuil" 
voorstelde. De huisnaam is dan hier op den bewoner van het huis 
overgegaan, gelijk oudtijds geenszins zeldzaam geschiedde. Zie 128 
en vervolgens. Reeds in 1578 was er te Amsterdam een huis, de 
kuil der Leeuwen" geheeten; de bewoner van dat huis werd 
genoemd Simon Pietersz. in den kuyl der Leeuwen 1 . Over 
sommige namen , die met coul , een andere form van het woord kuil 
zijn samengesteld, zie men bl. 256. 

Met put : Pitst ra, Helleput te, Nechelput, Verseput 
(dat is een put van versch , zoet water , in tegenstelling van brak of 
zout water) , Waelput, Wullepit. Over put en pit , en over een 
paar geslachtsnamen, met dit woord samengesteld, zie men bl. 251. 

Met tuin: Tuinstra, Houttuyn (de maagschapsnaam Tuin- 
hout komt ook voor; als tegenhanger? zie 168), Vlastuin, 
Elsentuin, Blomtuin. Het woord houttuin beteekent eene om- 
tuinde of omheinde plaats , waar timmerhout bewaard wordt. Aan 
de buitenhelling van den ouden Haarlemmer-dijk te Amsterdam lagen 
oudtijds zulke houttuinen. Van daar dat de buurt, die later daar 
ter plaatse ontstond, nog heden den naam draagt van t>de Haar- 
lemmer Houttuinen." 

Met gaarde: Diergaarde, Roosegaarde, Schilfgaarde , 
Ooigaar dt. Zoude deze laatste naam geene verbastering zijn van 
den hoogduitschen naam Oelgarten, dat oorspronkelik een oud- 
duitsche naam is voor den O ly f berg, anders gezeid Gethse- 
mane, of wel Hofken van Oliveten, gelijk de Vlamingen 
zeggen. Ook Vergaerde, samengetrokken uit Van der Gaerde, 
komt voor. In den geslachtsnaam M e r g a e r t meen ik eenen versle- 
tenen oud-germaanschen mansvrnaam (Mar kwart, Me r kart, 
Merwart?) te vinden. 

De maagschapsnaam Noordziek, die aan oningewyden, welke 
zynen oorsprong niet en kennen , al zeer zonderling moet toeschynen , 
behoort mede tot de namen van algemeene aardrijkskundige betee- 
kenis. Eigenlik behoort deze naam tot de nederlandsche namen 



1 Van Lennep en Ter Gouw, Uithangteekens , dl. I, bl. 48. 



ALGEMEENE AARDRIJKSKUNDIGE GESLACHTSNAMEN. 291 

niet. Hy is slechts eene verdietsching van den oorspronkelik hoog- 
duitschen naam Nordsieg of Nordsieck, die onder deze beide 
formen nog in Duitschland voorkomt. Het woord steg of siech in 
dezen naam , en in eenige andere geslachts- en plaatsnamen voor- 
komende , is een zoogenoemd algemeen aardrijkskundig woord ; het 
beteekent : een laag , vochtig oord. x Ook eenige andere maagschaps- 
namen , thans in Nederland inheemsch , maar die ongetwyfeld van 
hoogduitschen oorsprong zijn , ofschoon sommigen min of meer 
verdietscht zijn in spelwyze , zijn met dit woord samengesteld. 
B. v. Bohnensieg, Braakensiek, Bommelsiek, Brum- 
melsiek, Erdtsieck, Heidsieck, Steinziek, Uhlman- 
sieck en Wellensiek met Siekman, Siegman en Ziekman. 
Middellik behoort de geslachtsnaam Hagenzieker ook tot deze 
kleine en byzondere groep. Hy is namelik afgeleid van eenen hoogduit- 
schen plaatsnaam Hagensieck; van deze plaats was de man die 
eerst den naam Hagenzieker voerde, zeker herkomstig ; zie 70. 

106. Daar zijn nog vele andere algemeene aardrijkskundige 
woorden , die als geslachtsnamen dienst doen. De byzondersten 
daarvan hier ook slechts te melden , zoude reeds te veel ruimte 
eischen. Die namen te verklaren , ware ook overbodig ; zy zijn in 
den regel duidelik genoeg. Als voorbeelden kunnen gelden de 
maagschapsnamen Kal koven en Tiggeloove (misspelling van 
Ticheloven), Zeedijk, Hooyschuur, Hogetoorn, Schut- 
stal, Koestal, Schapenstal en Schaaphok, Hofstede 
en Hofstee, Hoogeboezem. Boezem heet het binnenwater van 
een waterschap of polder-district; van daar ook de geslachts- 
naam Van den Boezem. Verder Voorspuy, Binnekolk 
en Stouwdam (een dam in stroomend water gelegd om het 
water op te stuwen of te stouen , in het Hoogduitsch ook stau ge- 
noemd) , ook namen aan de water-aangelegenheden van onzen bodem 
ontleend. Dan nog Noordhoek, Bloemhof, Lusthoff, Ap- 
pelhof, Blomtuin, Wijnberg, Vla sv el d, Boomgaard, 
Wijngaard, Kerkhof. Vooral de drie laatste namen komen menig- 



1 Feuckte Niederung ;" zie, O. Preuss, Die Lippisclien Familiennamen , in het 
Jahrbuch des Yereins fr niederdeutsche Sprachforschung , jaargang IX, bl. 15. 



292 ALGEMEENS AARDUIJKSKUNDIGE GESLACHTSNAMEN. 

vuldig en onder allerlei formen voor; als: Kerckhof, Kerck- 
hoff, Van den Kerkhove, Van de Kerckove (dit is een 
vlaamsche form, zonder h); Van den Wijngaerde, Van den 
Wingert, Onder de Wijngaard, enz. Maar de formen waar- 
onder het eenvoudige woord Boomgaard als maagschapsnaam voor 
den dag komt, zijn byzonder groot in aantal. Zie hier slechts eenigen 
daar van, als een tweede voorbeeld ('t eerste staat op bl. 155 en 
156), van den formenrijkdom onzer sprake: Boomgaard, Boom- 
gaerd, Boomgaert, Boomgaerdt, Boogaert, Bogaert, 
Bogaerdt, Bogert, Bongert, Boomgert, Van den Boom- 
gaard, Van de Boomgaard, Van den Bogaert, Uytten- 
bogaerdt, Ten Bogaerde, enz. Ook als oneigenlike vaders- 
namen komen deze namen voor: Bogaerds, Bogaerts, Bo- 
gaertz, Bogerts, Bongarts, zelfs Bungartz, en verla- 
tynscht tot Bogardus. De formen Bongert en Bonger 
echter, met Bonger ts en Bonger s, kunnen ook afkomstig zijn 
van het oud-nederlandsche woord bonger' , 't welk een speelman 
beduidt , die op eene bonge of blaas , 't zy dan onder de gedaante 
van doedelzak of van rommelpot, 't zy onder die van boerhalvezeve 
(tamboeryn) muzyk (?) maakt. 

Eene algemeene aanmerking , geldig voor deze gebeele afdeeling 
van maagschapsnamen uit algemeene aardrijkskundige woorden ge- 
nomen, en waar op ik in het byzonder nadruk leg, dient hier nog 
vermeld te worden. Onder al de geslachtsnamen , in de laatste 
opgenoemd , zullen er ongetwyfeld wel eenigen zijn , die , hoe- 
wel zij uit algemeene aardrijkskundige woorden samengesteld zijn , 
toch in werkelikheid de namen zijn van bijzondere plaatsen , 't zy 
dan in Nederland, 't zy daar buiten. Namen van groote dorpen of 
steden zullen dit wel niet wezen , maar namen van kleine dorpkes , 
van gehucbten en buurten , landhoeven , enkele huizen , enz. kun- 
nen zeer wel hier onder voorkomen. AVie kent al die namen? In 
dat geval echter behooren zulke namen dan niet in deze afdeeling, 
by d' algemeene plaatsnamen, maar integendeel by de maagschaps- 
namen aan bijzondere aardrijkskundige namen ontleend , en die in 
72 78 reeds zijn opgenoemd. Heb ik dus hier eene enkele maal 
gedwaald, de vriendelike lezer zy dan zoo goed my om deze zake 
te willen verontschuldigen. 



ALGEMEENE AAUDRIJKSK. GESLACHTSN. OP man UITGAANDE. 293 

107. Er is nog eene kleine groep van inaagschapsnamen , die 
eveneens tot de namen van algemeenen aardrijkskundigen aard moeten 
worden gerekend. Velen daar van zijn reeds, verstrooid onder de 
reeds behandelde groepen , in dit werk ter loops vermeld. Deze 
namen gaan op man uit, of, in patronymikalen form, op mans. 
Een man die by eene brug of by eene sluis, aan of op een en dijk, 
in een bosch, op eenen heuvel of berg woonde, kreeg al licht, naar- 
die byzondere woonplaats, den bynaam van Bruggeman, Sluis- 
man, Dijkman, Boschman., Heuvelman, Bergman, enz. 
En deze toenamen, aan de woonplaats, in aardrijkskundigen zin 
ontleend, zijn veelvuldig tot vaste geslachtsnamen geworden, en 
als zoodanig tot op onze dagen eigen gebleven aan de afstam- 
melingen van de mannen, wien ze eerst gegeven waren. Als voor- 
beelden van zulke geslachtsnamen noemen wy Beekman met 
Beeckman, Beek mans en Beeckmans, Bergman met 
Berghman, Bergmans, Berchmans, en misschien door eene 
in de nederlandsche gousp raken zeer gewone verwisseling van er 
met ar, Bargman (zie bl. 133) en van g of gh met ch, Barch- 
mans. Verder Brinkman en Brinckman, 1 enz. Heiman kan 
als eene samentrekking van Heideman en Heidtman gelden. 
Waar deze naam echter , ook als Heyman, Heimans en H e y- 
mans, zelfs in wanspelling als Hij man, aan isralitische geslach- 
ten eigen is, daar houd ik hem voor den mansvrnaam Heiman, 
die by de nederlandsche Joden , als zoodanig , in gebruik is. Nevens 



1 Brugman, Bruggeman, Brugmans en Bruggemans, Daalman, 
Dijkman en Dijkrnans, Duinman, Geestman en Gastmans. Geest en 
(jast zijn benamingen van hooge zandgronden, in tegenstelling met marsck, maarsc/i, 
meersc/t, dat lage kleigrond, aan zee of rivier gelegen , beteekent; vandaar Mar se li- 
man, Maarsman, Meerseman, Mersmans, De Meersseman (echter 
kan Marsman enz. ook marskramer beteekenen). Verder Heideman, Heuvel- 
man en Heuvelmans, Kolkman, Moerman, Moorman (zie bl. 197 en 
198), Poelman, Plasman, Poortman, Slootmans, Polderman, Sluis- 
man en Zijlnian met Zijlmans {sluis en zijl is het zelfde; zie bl. 248), 
Straatman en Stegeman, Veldman met Veltman, Feldman en Pelt- 
man, Veenman en Veenemans, Wegman, Weideman en Weydeman 
(Weiman en Weyman kan hiervan eene samentrekking zijn, maar ook evenzeer 
jager beteekenen; zie bl. 298), Woldman en Woltman (in onze Saksische gou- 
spraken staat wold voor 't algemeen-nederlandsche woud = bosch), Sandman, enz. 



294 ALGEMEENE AAR.DRIJKSK. GESLACHTSN. OP man UITGAANDE. 

Boschman en Woltman behoort ook Loman, dat ook als 
Looman, Lomans, enz. en zeer veelvuldig ook in kalf of keel 
koogduitschen form als Lomann, Lokman, Lokmann voor- 
komt, vermeld te worden. Immers beteekent ket oud-germaansche 
woord loo , loh , leag , waarmede zoo vele plaatsnamen samengesteld 
zijn , oorspronkelik eikenbosch (zie bl. 284). Van daar ook Lomeyer 
en Lomulier, dat is: de boer en de molenaar die by ket eiken- 
bosck wonen. En naast Straatman en Straetman met Straat- 
mans en Straetmans meen ik nog Strootman te moeten 
vermelden , als een byform van dezen naam , die in eene byzondere 
(saksiscke) uitspraak zyne oorzaak vindt. Zoo komt ook in de 
nederduitscke gouen langs onze grenzen , te Bentkeim , de geslackts- 
naam In der Strotk (in de straat, in der Strass) voor. En 
in onze geldersek-saksische gouen zijn de geslacktsnamen Te Strote 
en Ter Stroot (zie bl. 261) inkeemsck. De maagsckapsnaam 
Enkelstrotk bekoort ongetwyfeld ook tot deze byzondere straat- 
namen. Enhelstroot , Enkelstraat, (in Friesland: Inhelde rige) zoo 
noemt men eene straat of eenen weg die sleckts langs den eenen kant 
met kuizen bezet is. 

Hoogduitscke formen , soms ook weer kalf verdietsckt , van al deze 
man-namen komen ook zeer veelvuldig in de Nederlanden voor; 
b. v. Brinkmann en Brinckmann, Mokrman, Mokrmann, 
Waldman en Waltmann, enz. 

Eenigen van de bovenvermelde namen , als Bruggeman, 
Zijlman, Sluisman, Poortman, kunnen ook even zeer als 
beroepsnamen worden geduid, en dus by 118 worden gevoegd. 



III. 

GESLACHTSNAMEN 
VAN ALLERLEI OORSPRONG. 



108. In deze af deeling zullen alle geslachtsnamen besproken 
worden , die niet van mansvrnamen afgeleid , en niet van aardrijks- 
kundigen oorsprong zijn ; alle soorten van geslachtsnamen dus die 
niet in de beide voorgaande afdeelingen vermeld werden. Zy formen 
met eikanderen een zeer bont samenstel , wijl zy van zoo zeer 
verschillenden oorsprong zijn. 



A. GESLACHTSNAMEN AAN DE NAMEN VAN AMBTEN, BEDRYVEN, 
HANDWERKEN, ENZ. ONTLEEND. 

Sedert de opkomst der steden in de Nederlanden, sedert de 
opkomst tevens van den zoogenoemden derden stand, dien der 
burgers of poorters, kwamen ook de verschillende handwerken in 
bloei en eere. Handwerkslieden van allerlei soort , kooplieden die 
met allerlei verschillende waren handel dreven , zy die fynere 
kunsten uitoefenden en daar mede een bestaan vonden , vereenigden 
zich in gilden. Deze gilden hadden hunne eigene wetten. En die 
wetten , welke naar den strengen geest der middeleeuen , geenszins 
mild te noemen waren , zorgden er vooral voor dat slechts bekwame 



296 GESLACHTSNAMEN AAN AMBTEN EN BEDRYVEN ONTLEEND. 

werklieden , of slechts zy die bewijs konden leveren hun bedrijf 
of nering of handel uit der mate wel te verstaan , in die gilden 
werden opgenomen. Daarenboven moest men een eerlijk man zijn , 
wel te naam en faam bekend , zoo men als gildebroeder zoude 
worden aangenomen. Het was dus voor den burger eene eere , 
broeder van dit of dat gilde te zijn , of door de hoofdlieden dier ver- 
eenigingen als meester in het eene of andere bedrijf te zijn erkend. 
Men voegde dan ook geerne den naam van zijn handwerk of bedrijf 
achter den eigenen persoonsnaam , het zy dan achter den enkelen 
vrnaam, of achter vr- en vadersnaam beiden; b. v. Claes 
Laeckenwever, of Claes Egbertse Laeckenwever; Sy- 
moen de Backer of Simon Henrickszoon de Backer. 
En in navolging van deze meesters-handwerkers of ambachtslieden, 
voegden geringere lieden, die het een of ander schameler bedrijf 
uitoefenden , en die niet in een gilde vereenigd waren , den naam 
van dat bedrijf ook wel achter hunnen eigennaam; b. v. Pierkin 
d' Houtsaegher, Kaerle Ketelboeter. Dat de mannen 
die aanzienlike ambten , het zy in het wereldlike of in het gees- 
telike bekleedden , of die wetenschappelike betrekkingen vervulden , 
nog meer dan de handwerkslieden en anderen de namen van hunne 
ambten en waardigheden achter hunne persoonsnamen voerden , ligt 
voor de hand : HillebrantDrossaert,Seger Lievenszoon 
de Landtheer, Ryklof Proest (Proost), meester A e r t 
Doctoor, enz. zijn zulke namen. 

Al deze namen gingen later wel op de zonen en kleinzonen van 
de mannen die ze eerst gevoerd hadden, als vaste geslachtsnamen 
over, ook al oefenden dezen het voorvaderlik bedrijf, dat tot 
het dragen van die namen aanleiding gegeven had , niet meer uit. 
En zoo zijn honderden van die namen tot op onzen tijd als vaste 
geslachtsnamen in volle gebruik gebleven. 

Het voeren van zulke namen , eerst als toenamen slechts voor 
eenen enkeling geldig , later ook als geslachtsnamen , klimt reeds 
tot vroeg in de middeleeuen op. In der daad , deze namen behooren , 
met de patronymika en de aardrijkskundige namen , tot de oudsten 
die in gebruik zijn gekomen. Ziet men de naamlijsten in van de 
poorters van deze of gene nederlandsche stad , in middeleeusche 
oorkonden ons bewaard, zoo zal men daar onder altijd zeer velen 



GESLACHTSNAMEN AAN AMBTEN EN BEDRYVEN ONTLEEND. 297 

vinden , die toenamen , soms ook reeds ware geslachtsnamen dragen , 
aan de namen van handwerk, bedrijf of ambt ontleend. Deze zaak 
is overvloedig bekend aan allen die de geschiedenis der laatste 
middeleeuen beoefenen of kennen. En ook is het ontstaan van zulke 
namen , en het voorkomen er van als hedendaagsche geslachts- 
namen zoo eenvoudig en geleidelik te verklaren , dat het wel 
geheel onnoodig is , voorbeelden uit middeleeusche geschriften dien- 
aangaande, hier te vermelden. 

109. Onder de zeer talryke hedendaagsche geslachtsnamen aan 
menschelike bedryven ontleend , zijn er velen die slechts uit het 
eenvoudige woord , dat eenig bedrijf of ambt aanduidt , bestaan ; 
b. v. Bakker, Bleeker, Boekbinder, 1 enz. Anderen hebben 
het lidwoord er voor behouden; b. v. De Bakker, De t Been- 
houwer, De Bisschop, 2 enz. Dit lidwoord wordt ook wel 
als den in plaats van de geschreven; b. v. Den Boer, Den 
Abt, Den Heyer, Den Herder. Opmerkelik is het dat de 
namen zonder lidwoord meer in de noordelike, en die met lidwoord 
meer in de zuidelike gewesten voorkomen. Die , welke het lidwoord 
den hebben , zijn uitsluitend tot de zuidelike Nederlanden , tot Vlaan- 
deren en Brabant met Zeeland en het overmaassche Zuid-Holland 
beperkt. 

Vele rnaagschapsnarnen aan bedrijfsnamen ontleend , staan , als 
patronymika , in den tweeden naamval ; b. v. Bakkers, 
Brouwers, Kuipers, Schoenmakers. In 64 vindt men 
reeds een aantal dezer namen opgesomd en nader besproken. Zy 
eischen hier geene nadere toelichting. 

Over het algemeen genomen, komen de geslachtsnamen aan 
bedrijfsnamen ontleend , in grooter aantal voor in de zuidelike , dan 
in de noordelike gewesten. Is de oorzaak hiervan te zoeken in de 
omstandigheid , dat reeds van ouds her de ny verheid , het handwerk 



1 Blikslager, Brouwer, Herder, Kapper, Kramer, Koopman, 
Molenaar, Paar de kop er, Schoenmaker, Timmerman, Smid, Sny- 
der, Visscher, Voerman, Zeehandelaar, Zwaar de maker. 

2 De Bleeker, De Brouwer, De Coopman, De Koning, De Kleer- 
maker, De Looyer, De Land meter, De Munter, De Jager. De 
Visscher. 



298 GESLACHTSNAMEN AAN DE JACHT ONTLEEND. 

en de kunst , meer in Zuid-Nederland bloeiden dan in het Noorden ? 
Dat reeds in de middeleeuen deze zaken in het zuiden eene groote 
mate van bloei hadden bereikt, toen zy in de noordelike gewesten 
nog grootendeels sluimerden? Zulks komt my zeer waarschynelik 
voor. En dat velen dier zuid-nederlandsche maagschapsnamen , 
door de byzondere spelling waarin zy nu nog voorkomen , blyken 
geven van hoogen ouderdom , pleit , dunkt my , ook nog ten 
voordeele dezer opvatting. Zie hier eenigen van die byzondere zuid- 
nederlandsche namen : De Cupere, D'Huyvettere (dat is de 
leiiooier) , Harnisfeger, Raeymaecker {raey = raderen), 
De Saedelaer, De Scheemaeker, Schrynemaeckers, 
Selversmet, Swertvagher, Teegelbeckers,DeWaepen- 
aert, De Wannemaeker, enz. 

110. De eerste menschen waren jagers en visschers. Later 
werden hunne nazaten herders, en nog later landbouers. Maar het 
uitoefenen van handel en van handwerken kwam eerst nog veel 
later in zwang. Het is dus billik dat men , by 't uitvoerig be- 
handelen der geslachtsnamen aan menschelike bedryven ontleend , 
beginne met de namen van deze oudste bedryven. 

Allereerst vermelden wy dan de geslachtsnamen Jager en De 
Jager, die nog al algemeen voorkomen. Een oud-nederlandsch 
woord voor jager is weiman; zoo ook noemde men de jacht wel 
het weispel. Nog hier en daar aan oude herbergen ten platten 
lande hangt de Weiman" uit, in plaats van De Jager"; 
b. v. te Santpoort in Kennemerland. Weiman komt ook als maag- 
schapsnaam voor , even als W ey m an , en in misspelling W ij m a n. 
Een ander oud woord voor jager is wildschut , overeenkomende met 
het hoogduitsche Schtz , Wildschtz. De Wildschut" hangt 
nog, in stede van de Jager", uit aan een huis te Amster- 
dam, by de Munt. Als geslachtsnaam is Wildschut ook 
niet zeldzaam. Een andere maagschapsnaam met dit woord schut 
samengesteld, is Busschut, iemand beteekenende die schiet met 
eene bus of bos , het oud-nederlandsche woord voor schietgeweer , 
en dat overeenkomt met het hoogduitsche Bchse , waarvoor men 
in nieu-nederlandsch buks zegt. Reeds in 1511 vinden wy eenen 
burger van Leeuwarden, die den toenaam Busschut draagt. 



GESLACHTSNAMEN AAN DE VISSCHERY ONTLEEND. 299 

Een andere form van dezen zelfden naam is Bosschieter, als 
geslachtsnaam voorkomende. De maagschapsnamen Hazejager, 
Hoendervanger en Snepvangers behooren tot de jager- 
namen, zoo mede Vogelvanger, Vinkelaar, Finkeler en 
misschien het half verfranschte Vinqueleir (zie bl. 205), en 
Flapper. De drie voorlaatste namen komen overeen met het 
hoogduitsche woord Finkier , vinkevanger ; terwijl in Friesland 
iemand die met een jlapnet allerlei moeras- en veldgevogelte vangt , 
zoo als daar zeer gebruikelik is, een flapper wordt genoemd. De 
geslachtsnaam Flapper is dan ook in Friesland inheemscb. De 
maagschapsnamen Mollevanger en Kraaivanger met Craey- 
vanger zijn zeker meer namen voor wegvangers van schadelik 
gedierte, dan voor eigenlike jagers. De Valckenier en Valke- 
nier, met De Valckenaer, Valkenaar, Valckenaar en 
Valckenaere behooren ook tot de jagernamen, even als Voge- 
laar, De Voghelaer, De Vogheleir en, in patronymikalen 
form, Veugelaers. Eindelik dient hier nog vermeld de maag- 
schapsnaam De Strooper. 

In ons waterrijk en aan zee gelegen Nederland overtreffen de 
visschers den jagers in aantal. En zoo zijn ook de geslachtsnamen 
Visscher met De Visscher, Visser, De Visser, De 
Visschere, De Vischere, Visker, Fisker en Vissers 
algemeener dan Jager en De Jager. Vooral in de friesche ge- 
westen is deze algemeene bedrijfsnaam aan vele verschillende geslachten 
als maagschapsnaam eigen. Byzondere visschers vinden wy onder de 
geslachtsnamen weinig vertegenwoordigd. My zijn geene andere 
bekend dan Varkevisser, Botvanger, Botschuyver en 
Schelvisvanger. Waarschijlik behooren Botman en Bot- 
temanne (zie bl. 184) ook tot de visschersnamen. Eene byzon- 
dere wyze om bot te vangen , is in sommige oorden van ons 
vaderland gebruikelik , vooral op de slikkerige gronden buitendijks , 
in onze wadden , riviermonden en zeegaten. De visscherman schuift 
over die gevaarlike gronden met eene vlakke slede, de botsle, in 
het Friesch kraite genoemd. Aan deze eigenaardige visschery is 
de maagschapsnaam Botschuyver ontleend. Een varkenvisscher 
is natuurlik niet een man die varkens , zwynen , vischt ; maar 
iemand die bruinvisschen of zoogenoemde tuimelaars vangt. Deze 



300 GESLACHTSNAMEN AAN HET HERDEUSBEDRIJE ONTLEEND. 

vischvorniige zoogdieren , die in grooten getale aan onze kusten 
en in onze wyde stroommondingen voorkomen , werden in vorige 
eeuen veel gevangen, en dienden onzen voorouders tot een wel- 
kom voedsel. Men noemde die dieren wel zeevarhens of meer- 
zivynen. Nog heden zegt onze zeeman , als hy bruinvisschen en 
tuimelaars, volgens de gewoonte van die dieren in groote scharen 
vereenigd, al tuimelende en buitelende ziet voortzwemmen: : kijk! 
de boer met z'n varkens!" De Franschen noemen den tuime- 
laar ook marsouin. Dit is eene verwaalsching van het friesche 
woord mar-swiin , meer-zwijn. En naar deze zeevarkens draagt de 
varkenvisscher (Varkevisser) zynen naam. Visman is ook 
nog een visschersnaam , die door een geslacht van visscherlin op 
het eiland Tessel , als maagschapsnaam gevoerd wordt. Eindelik 
is nog de geslachtsnaam Commandeur aan de visschery ont- 
leend. Immers commandeur' " was de titel van den hoofdman op 
eenen groenlandsvaarder", die oudtijds, en nog in d' eerste helft 
van deze eeu, de walvischvangst in de IJszee bedreef. 

Aan het veehoeders- en veehoudersbedrijf danken de geslachts- 
namen Herder, De Herder, De Harder, Den Herder 
hunnen oorsprong. Zoo ook Schaper dat is schaapherder; 
en Scheper met het patronymikale Schepers. Immers noemt 
men in onze Saksische gewesten den schaapherder scheper. Het 
woord schaper of scheper is de nederlandsche weerga van het 
hoogduitsche woord Schafer. Volgens onze geslachtsnamen zijn de 
hoogduitsche schaapherders (geslachtsnamen Schafer, Schaf- 
fer, Scheffer, Schafers) talryker onder ons dan de neder- 
landsche schapers en schepers. Een tegenhanger van den schaper 
is, in taalkundig opzicht, de geiter , de geitehoeder. In de formen 
De Geyter en De Geetere komt dit oude woord nog als 
maagschapsnaam voor. Veeman, Schaepman met Schaapman 
en Koeman met Koemans en Coeymans, benevens DeSchaep- 
meester en De Schaepdryver zijn eveneens namen aan het 
veehoudersbedrijf ontleend. Ook voeg ik hier nog by de maag- 
schapsnamen Kal verboer en Bargeboer. Een abargeboer'' is 
een varkensboer; r>baerch, barcJi" geldt tegenwoordig in Friesland 
als een woord voor varken in het algemeen. Oorspronkelik echter 
beteekent het slechts een gelubde beer of gesneden mannelik zwijn. 



GESLACHTSNAMEN AAN HET LANDBOUERSBEDKIJF ONTLEEND. 301 

Ook in menige andere gou van Nederland wordt zulk een dier berg 
genoemd. Zie blad. 132. Het woord geld of gild heeft , by dieren , ook 
de beteekenis van onvruchtbaar. Van daar het werkwoord gilden , een 
dier onvruchtbaar maken of lubben. En een gilder is iemand die van 
deze zaak zijn bedrijf maakt. In De Navorscher , dl. XXXII, bl. 338 
vind ik de volgende aanteekening : In Noord-Brabant onderscheidt 
men bergen van gilden. Berg is een gewezen beer; gild een ge- 
wezen zeug, niet waar? Ik heb in die provincie eene familie 
>Gilders gekend, waarvan de mannelijke leden zich voorname- 
lijk onledig hielden met het verkoopen van te mesten varkens 
en wat er toe behoort." Dien ten gevolge dient de geslachtsnaam 
Gild er s ook in deze afdeeling vermeld te worden. En eindelik 
mag de maagschapsnaam Melk man ook nog wel tot de' veehou- 
dersnamen geteld worden, even als De Kaesmaeker en De 
Caesemaeker met Waaiboer, Waiboer, Soepboer en 
Molkenboe r. Den uitleg van deze namen vindt men op de twee 
volgende bladzyden. 

Aan het landboubedrijf , zoo veel ryker aan byzondere onder- 
deelen dan het veehoudersbedrijf , zijn ook meer geslachtsnamen ont- 
leend als aan de veehoudery. Behalven al de boeren (De Boer) en 
meyers (Meyer) mogen hier eerst genoemd worden de geslachts- 
namen Landman, Bouwman en Bouman met Bouwknecht, 
De Zaayer, Zaayer en De Saeyere, Boonzajer, De 
Maeyer,Hooyer,Hooiman, Stroman, Akker man, Acker- 
mans, Havermans, Gerstman, Rogmans, en vele derge- 
lyken. Tuinman, Hovenier en Hofman (met Hof f man, 
Hofmans, Hoffmann, enz.), Bloemist met Gardenier 
en G er denier behooren hier ook toe. Eindelik nog Pachter en 
De Pachter. 

In vorige eeuen , tot in het begin van dit loopende jaarhonderd 
werden de boeren veelal hiislieden n genoemd; huysman, husman , 
vooral in Holland en Friesland. Van daar de geslachtsnamen Huis- 
man, Huysman, Huysmans, Huesman, enz. 

De geslachtsnamen Boer, De Boer, Den Boer zijn uit dei- 
mate talrijk , voornamelik in de noordelike gewesten , en in de 
friesche gouen wel het meest. Boers en Boeren met Boer e, 
(misschien ook de verfranschte (?) formen Boursse en Bource?), 



302 GESLACHTSNAMEN AAN HET B0EEEBEDRIJF ONTLEEND. 

als oneigenlike vadersnamen , komen ook voor. En de namen Boer- 
man (met Buhrman) en Boer mans reken ik hier ook toe , even 
als, in sommige gevallen, de friesche geslachtsnamen Boer erna, 
Boerma, Boersma, Boerse ma. Boe ring kan een patro- 
nymikon zijn van de soort die in 31 is vermeld. Echter kan in 
deze laatstgenoemde friesche namen ook de oude mansvrnaam 
Boere, Bure, Bore schuilen; zie bl. 79 en 187. In verklein- 
form komt het woord boer ook al als geslachtsnaam voor ; in Fries- 
land als Boerke, in Holland als Boertje. 

Talrijk zijn ook de samengestelde geslachtsnamen die men van 
het woord boer heeft geformd , door er het eene of andere woord , 
als tot nadere aanduiding, hy te voegen; h. v. Veenboer, Hey- 
b o e r (heideboer) , Hooiboer, Strooboer, Bravenboer, 
Rijckeboer, Turfboer, Biesboer, Wortelboer en Wor- 
teleboer, Jongeboer, Polderboe r, Mooyboer, enz. Allen 
namen, die geene nadere verklaring noodig hebben. Waaiboer, 
met Waiboer, Molkenboer en Soepboer zijn naverwante 
namen. Molken is een oud-nederlandsch woord (Kiliaan vermeldt 
het als byzonder-geldersch) voor zuivel in het algemeen. Als zoodanig 
zou de Molkenboer by den Veeman en den Melkman, op 
bl. 301 genoemd moeten zijn. Zoo ook de Waaibo er en de So e p- 
boer, wier aamen men in 140 nader verklaard vindt. , 

Iemand die nieu op eene boerenhoeve komt wonen, of iemand 
die eene nieu geboude en nieu ingerichte boereplaats betrekt , noemt 
het volk, althans in Friesland nog heden, de nieuboer , de nyboer. 
Aan die benaming danken de geslachtsnamen Nieuwboe r, Nieu- 
weboer, Nyboer en ook Niebuhr hun ontstaan. Gr o o te- 
boer en Lutjeboer formen elkanders weerga; lutje , lutke , over- 
eenkomende met het friesche woord lts , het engelsche little , enz. 
is friso-saksisch voor klein, en nog in onze noordoostelike gouen 
en de nordwestelikste van Duitschland in gebruik. By den naam 
van menige plaats in onze friesche gewesten gelegen, komt het 
nog voor ; b. v. Lutje-Broek in noordelik Noord-Holland , Lutke- 
Wierum in Friesland, Lutje-Gast in Groningerland , Lutje- 
Wolde in Oost-Friesland , enz. Sommige boerderyen zijn in oude 
tyden het byzonder eigendom van kloosters geweest, en anderen 
zijn wel opgericht ter plaatse waar vroeger een klooster stond. 



GESLACHTSNAMEN AAN HET BOEREBEDRIJF ONTLEEND. 303 

Zulke boerderyen dragen dan nog heden wel den naam van de 
Kleosterhoeve" of de Kloosterplaats," en de boer die 
er woont, wordt nog wel de Kloosterboer" genoemd. Deze 
toenaam is ook een vaste geslachtsnaam geworden : Klooster- 
boer. En deze naam werd als zoodanig in 1844 nog gevoerd door 
den boer die op de Kloosterplaats woonde te Heiligerlee in het 
Oldambt, ter plaatse waar vroeger een klooster van Norbertyner 
nonnen stond, tevens de plaats waar in 1568 onze voorouders 
eene roemryke overwinning behaalden op den spaanschen dwinge- 
land. De geslachtsnaam Ledeboer is zoowel in de Nederlanden 
als in Duitschland (als L e d e b u r en zelfs Von Ledebur), eigen 
aan verschillende geslachten. Dezen naam weet ik niet met zeker- 
heid te verklaren. De maagschaps-o verlevering en het volksver- 
haal geeft er dezen uitleg van. Een ryke vader , die onder anderen 
ook vele boerderyen bezat , door pachters bewoond , verdeelde op 
zijn sterfbed zyne nalatenschap onder zyne zonen , en gaf tevens 
aan ieder hunner eene aanwyzing welk gedeelte van het bestuur 
over de boerderyen hy in het vervolg in het byzonder vervullen 
moest. Zoo zeide die vader ook tot eenen zyner zonen : lede 
Du den Buren! leid Gy de boeren! (de man sprak nederduitsch). 
En dit bevel was oorzaak dat die zoon in het vervolg den toe- 
naam kreeg van Ledebur of Ledeboer. Volgens deze overle- 
vering zou Ledeboer eigenlik Boere-leider" beteekenen. Vilmar 
in zijn Deutsches Namenbiichlein (Frankfurt a/M. 1863) , bl. 22 , schrijft : 
Ledebur (Bauer auf der Lede, d. i. Heide)" Deze afleiding 
kan ik niet aannemen. Holsboer kan ik anders niet verklaren 
als door aan te nemen dat deze naam eene nederlandsche ver- 
bastering zy van eenen hoogduitschen naam Holzbauer, die in 
der daad voorkomt. In de middeleeuen richtte men op uitgestrekte 
landgoederen wel groote , van kelders en zolders wel voorziene , 
ook dikwijls met wallen en torens versterkte en bevestigde gebouen 
op , om daarin het graan en andere landelike voortbrengselen 
veilig te kunnen bewaren. Zulke bergplaatsen droegen den naam 
van i>het Sjn/cker' , een bastaardwoord van het latynsche spicarium. 
Dit woord spijker" komt nog heden wel als plaatsnaam voor; b. v. 
het geldersch Spyker, by Arnhem, en het dorp Spyker in 
Fransch- Vlaanderen , by Duinkerke. Ook maakt het , naar myne 



304 GESLACHTSNAMEN MET meier SAMENGESTELD. 

meening , deel uit van den geslachtsnaam Spykerboer. Deze 
naam zal oorspronkelik dus de toenaam geweest zijn van eenen 
boer , die in , of naby zulk een spijker woonde , of er het opzicht 
over had. Ook plaatsnamen maken wel deel uit van geslachtsnamen 
met boer samengesteld. Velserboer en Beemsterboer namelik 
zijn afgeleid van de plaatsnamen V els en, een^dorp, en de Be ern- 
st e r , een polder , beiden in- Noord-Holland. DeWildeBoer is 
van ouds, o. a. te Haarlem en Amsterdam, een huisnaam, een gevel- 
teeken geweest; daarvan is de geslachtsnaam Wild eb oer ontleend. 
Blaauboer, Witteb oer ' en Dubbelboer zijn my moeielik 
te verklaren. < Met Meereboer, Ongerboer, Pinksterboer, 
Segboer en Traanboer weet ik in het geheel geen weg. De 
maagschapsnaam Hatenboerzal wel tot de aardrijkskundige namen 
behooren, en ontleend zijn aan den naam van het. gehucht Hate- 
boer, by Roermond. 

De meier-namen formen de weerga van de hoer-namen. Immers 
het woord meier, al heeft het ook verschillende andere beteeke- 
nissen , moet, waar het op zich zei ven of als samenstellend deel, 
geslachtsnamen uitmaakt, wel opgevat worden als pachter, boer. 
In dien zin is het nog heden ten dage in eenige nederlandsche 
gewesten in gebruik ; b. v. in Groningerland , even als ook in de 
aangrenzende duitsche gouen , vooral van Westfalen , meer byzonder 
van Munsterland. En juist uit Munsterland, dat reeds van ouds 
her steeds zoo velen zyner zonen naar de Nederlanden zendt, zijn 
ons de meesten dezer meiernamen toegekomen. Behalven de enkel- 
voudige namen Meyer, Meier en De Meier met De Meyere in 
zuid-nederlandschen form , die geenszins zeldzaam zijn , is het getal der 
geslachtsnamen met meier (in verschillende spellingen met ei en ey) 
samengesteld, zeer groot. Zie hier een twaalftal uit die honderden: 
Bichelmeier, Br edemeier, Brenninckmeier, Bode- 
meier, G-raveineyer, Kolkmeyer, Krusemeyer, Lan- 
gemeier, Leidelmeier, Lindemeyer, Tielkemeyer, 
Winkelmeyer. Van velen dezer namen, zoo mede van Broek- 
meier, Poolmeyer, Bruggemeyer, Johanning meyer, 
Rootmeyer, enz. is de oorsprong gemakkelik na te gaan en 
de beteekenis te verklaren. Nieuwmeyer, met Ny meyer, 
Neumeier, Numeyer,Niemeier, is de tegenhanger van 



GESLACHTSNAMEN MET meier SAMENGESTELD. 305 

Nieuwboer, Nyboer, enz. op bl. 302 besproken, en heeft 
met dien naam den zelfden oorsprong- Zoo ook Grootmeyer 
en Greutemeyer met Grooteboer; Luttikmeyer met 
Lutjeboer; Kloostermeier met Kloosterboer, enz. Een 
groot aantal dezer meier-namen vindt men opgenoemd in De Navor- 
scher, deel XIX, bl. 44 en 204. 

Een paar byzondere meier-namen mogen hier nog nader verklaard 
worden. In De Navrscier , dl. XXIX, bl. 30, schreef ik: Dezen 
zomer (1878) in zekere landstreek van 't noordelike Westfalen 
vertoevende , noemde een ingezetene van die streek my verschillende 
meier-namen op , terwijl hy my de meieryen of landhoeven , waar 
die namen aan verbonden zijn , aanwees : dort wohnt der Brugge- 
m e i e r , dort der N i e r m e i e r , da der Obermeier, hier der 
Erlenmeier, enz. Ten slotte nog: und da wohnt der Dreck- 
m e i e r. By dezen laatsten naam , die ook in Nederland als ge- 
slachtsnaarn voorkomt, moest ik glimlachen, wijl ik dacht dat 
hy zoo juist paste aan eenen westfaalschen boer, die gewoonlik 
zoo morsig is en vuil, als wy ons dat hier te lande gelukkig 
haast niet voorstellen kunnen. Mijn lachen bemerkende, voegde 
mijn geleider my toe : Gy lacht wel om dien Dreckmeier? 
> Dat is oorspronkelik niet Dreckmeier maar Dre e- eek-meier. 
Zie maar ! daar staan ook dree eeken (westfaalsch-nederduitsch voor 
drie eiken) by 'thuis! En zoo was het in der daad. In die drie 
eeuen-oude eiken is de oorsprong van den naam Dreckmeier 
te vinden." 

Wien het vreemd moge schynen dat dree-eelc tot dreck , drek , 
en niet tot dreek samengetrokken zy, dien maak ik opmerkzaam 
dat ook in andere nederduitsche gouspraken en tongvallen deze 
zelfde verbastering van den tweeklank ei of ee tot onvolkomene e 
(e/c) voorkomt, en wel in dit zelfde woord. Zoo heet de eikenboom 
te Leeuwarden , even als in Westfalen : eek ; men spreekt te Leeuwarden 
van ee&enhout , eekene planken , 'ji eekenhoutene kiste. Wat in Holland 
een runmolen heet, noemt men te Leeuwarden een eekmln. En 
als een Leeuwarder ergens komt waar eikenhout in voorraad ligt 
of verwerkt wordt, dan zeit hy wel: *it ruukt hier eekerich." Toch 
heet de eikel, de vrucht van den eek, te Leeuwarden niet eekel , 
zoo als het zijn moest in overeenstemming met het hollandsche 

20 



306 GESLACHTSNAMEN MET meier SAMENGESTELD. 

eikel en het hoogduitsche eichel , maar ekhel. Ekkelspek , spek van 
zwynen die niet eikels gemest zijn , houdt men er voor het beste ; 
en aan klierachtige kinderen geeft men daar ekkelkoffi te drinken. 
Deze naam van de vrucht heeft men er ook weer terug gebracht 
op den eek of eikenboom zelven ; van daar de geslachtsnaam E k k e 1- 
b o o m , te Leeuwarden. Tegenhangers van den naam Dreckmeier, 
van de westfaalsche dree eeken , zijn de geslachtsnaam Vijf-eek en 
(die zekerlik zynen oorsprong dankt aan vijf eiken die by 't huis 
van den man stonden , welke eerst dezen toenaam droeg) , de 
plaatsnaam Seveneecke, zoo als een dorp heet in Oost- Vlaan- 
deren, en de engelsche geslachtsnaam Sevenoake. 

Uit den geslachtsnaam W e d e m e y e r (ook komt Wehdemeier 
voor) is eene m verloren gegaan , in het schryven. In het spreken 
immers maakt het geen onderscheid of men Wedemeier dan 
wel Wedemmeyer zegge. De wedemmeier is de boer die op de 
hoeve woont welke tot de wedeme behoort, of die op de wedem 
zelve woont , zoo deze eene boerehoeve is. Wedeme , wedem , ook 
versleten tot weme , is de oude naam (oud-saksisch en oud-friesch 
withum , dat is : wijddom , het gewyde) dien men hier en daar in 
de friesche en Saksische gewesten van Nederland en Duitschland 
nog geeft aan de pastory, aan het huis dat tot de kerk of aan 
de kerkelike gemeente behoort, en tot woning van den geestelike 
dient. De wedemhoeve wordt tegenwoordig in het nederlandsche 
Friesland ook wel f>de pastory-plaats' 1 genoemd. De weeme zelve is 
hier en daar ook wel eene boerdery , die dan door eenen pachter 
of meier, de wedemmeier, wordt bemeierd. Van die pachtpenningen , 
of anderszins uit de opbrengst der boerdery leeft dan de gees- 
telike. Zoo was het oudtijds in vele dorpen van de noordoostelike 
Nederlanden en van noordwestelik Duitschland , en zoo is het 
daar nog wel. Ook in de friesche geslachtsnamen Wy nis tra en 
Weemstra (dat is gelyk aan Van der Weeme zie bl. 264), 
vind ik dit oude woord terug. 

111. De tegenhanger van den landman is de zeeman; de 
schipper is de weerga van den boer, zooals de jager is van den 
visscher. In ons waterrijk, langs zee zich uitstrekkend vaderland 
zijn er natuurliker wyze vele zeelieden en schippers , en de woorden 



GESLACHTSNAMEN AAN DE SCHIPPEftY ONTLEEND. 307 

die hun . stand en bedrijf aanduiden , vinden wy in de geslachts- 
namen terug. Zie hier eenigen van die geslachtsnamen , die geene 
verklaring eischen. In d' eerste plaats Zeeman , en dan Schipper 
met het patronymikale Schippers. Verder het patronymikale Zee- 
vaarders, met Schipman, Koffeman , Buisman en Buys- 
man met Buismans (de schipper van eene haringts), Stuurman, 
Schieman, Bootsman en Bootsgezel, Matroos en Schui- 
tevoer d e r. Of de maagschapsnaam Kapitein, met K a p t e y n 
en Capiteyn, van eenen zeeman of van eenen krijchsman, die 
ja beiden dezen titel voeren , afkomstig zy , moet ik hier in 
het midden laten. De geslachtsnamen De Eeeder, Loots en 
Tonneboeyer zijn ook al aan het zeemansbedrijf ontleend. En 
eveneens Kaper. De geslachtsnaam Schuiteboe r, of liever het 
bedrijf waaraan deze naam ontleend is , formt als het ware eenen 
overgang van den schipper tot den boer. In Friesland wordt de 
man die binnenlands vracht vaart , gewoonlik met een klein vaartuich 
turf uit de venen of zand uit -de wouden'' naar de steden voert, 
en van daar stratendrek of andere meststof terug brengt naar 
heiden en venen, skuteboer" genoemd. Dit woord vinden wy terug 
in den geslachtsnaam Schuiteboer,inde friesche gouen inheemsen. 
Ook de maagschapsnamen Veerman en DeVeirman behooren in 
deze afdeeling. En naar myne meening is dit ook het geval met 
den geslachtsnaam Schuttevaer. Immers meen ik dezen naam te 
moeten houden voor eene verbastering van het oud-nederlandsche 
woord Scutevarer, schuitevaarder , of, in het Friesch skutefarjer. 
Dit woord komt herhaalde malen voor als toenaam van burgers 
der stad Leeuwarden, in het begin der 16<le eeu. Immers vinden 
wy in het Register van den Aanbreng van 1511, dl. I, onder de 
leeuwarder burgery opgenoemd eenen Claes Scuteferger (bl. 
4), Hilcke Scutefergier (bl. 5), Upke Scutefergier 
(bl. 13), Jetthie Scutefergier (bl. 13), Herman Scute- 
ferger (bl. 27), enz. In der daad merkweerdig is het dat de 
geslachtsnaam Schuttevaer eigen is aan eenen man die zich 
aan het hoofd stelde der binnenschippers of sclmitevaarders (skute- 
farjers) , en met hen eene vereeniging stichtte tot heil der binnen- 
scheepvaart , welke vereeniging ook zynen naam draagt. 



508 GESLACHTSNAMEN AAN AMBACHTEN ONTLEEND. 

112. Van de geslachtsnamen die aan het bedrijf der hand- 
werkslieden ontleend zijn , zal ik er hier slechts eenige weinigen 
kunnen opnoemen van het overgroote aantal dat er bestaat, en 
zoo menigvuldig voorkomt in alle nederlandsche gewesten. 

De timmerlieden mogen de ry openen , met de maagschapsnamen 
Timmerman, Temmerman, De Timmerman, De Tem- 
merman, en als patronymikon Timmermans. Het hoogduitsche 
Zimmermann en het fransche Carpentier zijn als geslachts- 
namen in Nederland ook niet byzonder zeldzaam. 

Nevens de eigenlike timmerlieden behooren ook de kastemakers 
of schrijnwerkers , de scheep stimmerlieden , de wagenmakers , en 
eenige anderen tot dit gilde. Aan hunne bedryven zijn de vol- 
gende geslachtsnamen ontleend : Schrynemaeckers en Schry- 
ner, Kistemaker, Kistemaecker en Kistemaeckers, 
Schuitemaker en Schuitmaker, Scheepmaker, Mas- 
tenmaker, Breeuwer en Breeuwers. Het bedrijf der wagen- 
makers vooral beeft aan vele geslachtsnamen oorsprong gegeven. 
Vooreerst aan Wagenaar met de byformen Wagenaer, De 
Wagenaere, Wagenaere, De Wageneire, Wegenaar, 
Wegener, en de meer hoogduitsche formen Wagner en Wegner. 
Dan aan De Waegemaecker en Swagemakers (zie bl. 184) 
en aan Stelmaker; want z wordt in onze noordoostelike ge- 
westen de wagenmaker genoemd, even als in het Hoogduitsch 
Stellmacher. Ploegmakers en De Baeremaecker behoo- 
ren er ook toe , even als Molenmaker, Wielmaker, Rade- 
maker, Raeymaeckers, De Raeymaker, enz. ; en Lees- 
temaker kan men er ook toe brengen. Ten slotte nog Drayer, 
De Saegher, misschien ook Zaagmans, en Houtzager, 
Houtzagers, Houtsaegher, Holtsager, enz. De kuipers 
kan men ook nog tot de timmerlui rekenen. Van bun bedrijf 
bebben wy de geslachtsnamen Kuiper, Kuyper, De Cuyper, 
De Cuypere, De Cup ere, Cuyper, de verlatynschte formen 
Cup e rus en Couperus, met de oneigenlike vadersnamen K ui- 
per s, Kuyper s,Cuypers,Kp pers, Cuperi, Coupe ri, enz. 

Zeer talrijk zijn ook de namen der smeden onder de geslachts- 
namen vertegenwoordigd. Vooreerst het eenvoudige woord smid , 
in allerlei formen, als Smid, Sm*it, Smitt, Smidt, Smet. 



GESLACHTSNAMEN AAN AMBACHTEN ONTLEEND. 309 

Srnedt, De Smet, De Smedt, ook in patronymikalen form: Smits, 
Smidts, Sm e des, Smidtz, en in hoogduitsche en engelsche 
formen: Schmidt, Smith, enz. En dan de samengestelde namen 
Ankersmit,Kopersmit,Walsmit,Hoefsmit,Beylsmit 
en Beilschmidt, Koelensmid, met de hoogduitsche Guth- 
schmidt en Kleinschmit, en in verkleinform Smid je. Ook 
Slotemaker. Den naam Broeksmit weet ik niet te verklaren , 
ten zy men hem als eene schertsende benaming voor klermacer 
wou opvatten gelijk iemand , die dezen naam droeg , my ver- 
zekerde dat het geval is. Men zoude ook kunnen denken aan eenen 
smid, die in eene der talryke , het Broek" (het moeras) genoemde 
streken woonde. De wapensmeden behooren ook tot het smids- 
gilde ; aan hun bedrijf zijn de namen Zwaardemaker, Busse- 
maker en Bosgieter (bus , bos is de oud-nederlandsche form 
die met het hoogduitsche bchs overeenstemt, en in eenigen onzer 
gewesten nog in gebruike is ; in Holland zegt men buks , dat zonder 
verandering van de Hoogduitschers is overgenomen ; zie ook bl. 
298). Verder De Mesmaecker (met de patronymikale formen 
M e s s e m a e c k e r s en S m e s s e m a e c k e r s , zie bl. 1 84) , Swert- 
vagher en Harnisf eger. Zilversmit en Selversmet, 
Gouds mit en Goldsmit behooren al mede hier toe. En dan 
nog Silvergieter, Blikslager (misschien ook Blik man), 
Ketelaer en De Ketelaere, met Ketellapper,Ketelbue- 
ters en Panneboeter. Zoo mede Tingieter, Potgieter, 
Kannegieter, men den hoogduitschen form Kannengiesser , enz. 
Nu mogen de steenarbeiders volgen: Steenhouwer, Metse- 
laar, Metzlar, Smetsers (des metsers [metselaars] zoon) , en 
Muirker (zie 153); ook Opperman en Kalkman. En dan 
nog de namen van die handwerkslui welke almede by den huisbou 
te pas komen : Dekker, Decker, DeDecker, De Dekker e, 
Den Dekker, met de patronymikale formen Dekkers en Decker s 
en den samengestelden form Laeyendecker, en met Leydekkers 
als patronymikon. Mogelik behoort de geslachtsnaam Quadekker 
(de kwade dekker?) ook tot deze dekker -na,men. Dan nog Verwer 
en De Verwer in algemeen-nederlandschen , en V a r w e r met 
De Varver in gouspraaksform. Ook behooren hier toe de maag- 
schapsnamen Glazemaker met Glas er (dat zekerlik wel van 



310 GESLACHTSNAMEN AAN AMBACHTEN ONTLEEND. 

hoogduitschen oorsprong is) , en G-laasker met Glasker, zoo als 
men in onze noordoostelikste gewesten den glazemaker noemt. Zekeren 
Sybren Glaesker vinden wy reeds in den jare 1511 als burger 
der stede Dokkum. l 

De handwerkslieden die ons spyze en drank bereiden , zijn de 
bakkers, de koks, de slachters, de brouers, enz. Aan bun bedrijf 
zijn talryke geslachtsnamen ontleend, die ook grootendeels veel- 
vuldig voorkomen , en aan vele verschillende maagschappen eigen 
zijn. B. v. Bakker, Backer, De Bakker, De Backer, in 
verlatynschten form B akker us, en als patronymikon Bakkers. 
Sommige oude Nederlanders zeiden ook baken en baker met opene a , in 
plaats van het hedendaagsche bakken en bakker. Zoo deden ook de 
oude Friesen , die den bakker batser (ba-tser ; ts = k) noemden ; de 
zeventiende-eeusche Gysbebt Japicx schrijft baetsir. Het Engelsch 
heeft nog heden ten dage dit woord als baker. Die oud-nederlandsche 
form leeft nog in de geslachtsnamen Baker, De Baker en De 
Baecker, met Baekers als patronymikon. Men heeft by deze 
namen , die klaarblykelik van oude dagteekening zijn , natuurlik 
geenszins te denken aan het hedendaagsch-hollandsche woord baker 
(de Friesen zeggen naukeuriger baekster) voor kraamwaarster , friesch : 
kreamwarster of krearnheinster. De geslachtsnamen Bekker, Becker, 
De Becker en Beckers komen ook menigvuldig onder ons 
voor. Zy beteekenen bakker, en zijn van hoogduitschen oorsprong. 
Byzondere bakkers worden nog aangeduid door de geslachtsnamen 
Bollebakker ( bolle wordt in Friesland gezeid voor wittebrood) , 
Bonebakker, Koekebakker en Wafelbakker. 

De maagschapsnamen De Koker en De Kokere houd ik voor 
gelijkbeduidend met Kok, Koek, Cock, De Kok, De Koek, 
enz. die nog al talrijk voorkomen. Ook is de hoogduitsche form 
van dezen naam, Koch, geenszins zeldzaam onder ons. Intusschen , 
alle geslachtsnamen Koek zijn niet aan het koksbedrijf ontleend. 
Een myner voorouders , de schoonvader van mynen overgrootvader , 
heette Nicolas Coq. Hy was een Franschman , en, omdat hy 
een Protestant was , by de herroeping van het Edict van Nantes , 
door den franschen koning Lodewijk XIV uit zijn land en eigen- 



1 Zie Register van den Aanbreng, dl. I. bl. 174. 



GESLACHTSNAMEN AAN AMBACHTEN ONTLEEND. 311 

dom verdreven. Hy zette zich , als fransche uitwy keling , in de 
Nederlanden neer , en zyne zonen reeds verdietschten hunnen naam , 
niet volgens de beteekenis, tot Haan, zoo als het toch zijn moest , 
maar in spelwyze. Zy maakten er namelik Koek van. Deze zelfde 
naam bestaat nog heden in de namen der maagschappen Koek 
Beylanus en Koek Winkler. x 

Het bedrijf van den slachter heeft de volgende maagschapsnamen 
doen ontstaan : Slager en Slagter, Vleeschhouwer (zie 
bl. 320), Beenhouwer en Beenhakker. De namen VI e es- 
man (met den hoogduitschen , ook hier te lande voorkomenden 
form Fleischmann) en Spekman zijn hier zeker ook toe te 
rekenen. Misschien ook de anders wel wat zonderlinge namen Van 
der Spek en Van der Ham. 

De Nederlanders zijn van ouds her liefhebbers geweest van eene 
goede teuge biers," en het getal bierbrouers was in vorige eeuen 
onder de nederlandsche burgery steeds zeer aanzienlik. Geen won- 
der dan ook dat de geslachtsnamen Brouwer, Brouer, De 
Brouwer , De Brau wer en De Br auwere zoo veelvuldig onder 
ons voorkomen. Verlatynscht als Brouerius en in patronymikalen 
form als Brouwers, komt deze naam ook voor. Hoppenbrou- 
wer met Hoppenbrouwers behooren eveneens tot dit gilde. 
Eene byzondere soort van bier, reeds in de middeleeuen bekend, 
gelijk nog heden in sommige streken van de Nederlanden , b. v. 
in Limburg, draagt den naam van kuit, htyt, koit. Van daar 
de geslachtsnaam Kuytenbrouwer. De moutmaker (geslachts- 
namen Moltmaker en Smoutmaeckers met voorgevoegde 
s, zie bl. 184) behoort ook tot het brouersgild. De bierhande- 
laar draagt den byzonderen naam van biersteker, en deze naam is 
als Biersteker, Bierstekers en (half saksisch, half hoog- 
duitsch) Beer steeher tot geslachtsnaam geworden. Bierman 
behoort hier ook by. 

113. Aan het bedrijf der handwerkslieden die voor onze kleeding 
zorgen, zijn de volgende namen ontleend: Kleermaker, De 
Kleermaeker, De Cleermaeker, Kleersnyder, Snyder, 



1 Zie De Navorscher, dl. XXXII, bl. 85, 3C1 , 362, 551. 



312 GESLACHTSNAMEN AAN AMBACHTEN ONTLEEND. 

Snyders en Snieder met Snieders; ook de hoogduitsche 
Schneider is niet zeldzaam. De fransche Tailleur komt ook 
voor, zoo wel als de engelsche Taylor. Waarschijnlik was de ge- 
slachtsnaam Teyler, in de vorige eeu te Haarlem voorkomende , wel 
eene halve verdietsching van Taylor. De geslachtsnamen DeNaeyer, 
De Nayer, De Naeyere, Den Na e y er, enz. die meest in 
de vlaamsche gewesten inheemsen zijn , beteekenen ook kleermaker. 
Men vergelyke ook den geslachtsnaam Neyrinckx, op bl. 76 
besproken. Kiliaan heeft nog i>naeyer = sartor." Een andere in 
Vlaanderen inheemsche geslachtsnaam, en die eveneens kleermaker 
beduidt, is De Schepper, De Schepper e. In oude vlaamsche 
geschriften komt het woord schepper' in dezen zin nog voor; men 
zie Edw. Gailliard's Glossaire flamand, op het woord t>scepper = 
tailleur'. Ook als geslachtsnaam is dit woord reeds van oude dag- 
teekening; Martin die Sceppere was in 1286 schepen van de 
vlaamsche stad Damme (zie Annales du comit jlamand de France. Duin- 
kerke , 1853, bl. 224). In de friesche en Saksische gewesten van Ne- 
derland en Duitschland had men oudtijds nog eene andere benaming 
voor den kleermaker. Men noemde hem skrodare , schroder , schrder , 
schreuder , schrader. Nog heden is het woord skroar , uit het oude 
skrodare saamgetrokken , in Friesland in volle gebruik om den 
kleermaker zoo wel als zyne vrouelike kunstgenoote , de naaister , 
aan te duiden. Hier en daar in de Saksische gewesten wordt de 
kleermaker ook nog wel schreur , schrr genoemd. Skrodar , skroar, 
schrder , schreur beteekent letterlik : snyder. Het oud-friesche werk- 
woord skroda , oud-vlaamsch schrooden , thans schrooien , is snyden , 
afsnyden. Den franschen koning Eilips die een geldsnoeier was, 
noemen de oud-vlaamsche geschiedschryvers Filips de munteschroodere 
of munteschrooier. l Talrijk zijn de nederlandsohe geslachtsnamen , 
die hunnen oorsprong aan dat oude shrodan , schrooden ontleenen ; 
b. v. Schreuder, dat zeer veel voorkomt , Schreur, Schrader, 
Schroor, als oneigenlike vadersnaam Schreuders en Schreurs, 
zoo mede het hoogduitschformige Schrder of Sch roeder. De 
samengestelde naam Kamp schreur beteekent: dorpsklermaker. 



1 Men zie aangaaude dit belangryke woord De Bo's Wesivlaamsch Idioticon en 
Guido Gezelle's Loquela , jaargang 1883, bl. 14. 



GESLACHTSNAMEN AAN AMBACHTEN ONTLEEND. 313 

*Kamp" (de Kempen, la Campine, la Campagne, Cham- 
pagne) of het veld" in tegenstelling van de stad." Tot besluit 
van al deze klermakersnamen , dient hier nog de latynsche form 
Sartorius (van sartor) , die ook als nederlandsche geslachtsnaam 
voorkomt , vermeld te worden. 

In de middeleeuen , en eer de kunst van kousenbreiden (die van 
betrekkelik jonge dagteekening is) uitgevonden was , sneed en naaide 
men de kousen van leer of laken of andere stof, even als andere 
kleederen. En de kousemakers formden toen eene byzondere af- 
deeling van het klermakersgilde. Aan bun bedrijf zijn ontleend 
de geslachtsnamen Kousmaker, Kousemaker, De Kause- 
maeker, De Coussemaeker, De Coussemaecker, De 
Causmaek'er; zoo ook Cousseschepper. 

Dan volgt de pelsmaker, wiens bedrijf, dat oudtijds veel meer 
werd uitgeoefend als heden , aan de geslachtsnamen Pelsmaeker, 
Pelser, Pelster oorsprong gaf. Het woord pelser is een oud- 
friesche form voor het woord pelsmaker of pelswerlcer , zoo als men 
nu veelal zegt. Eenen Jelke Pelser vind ik reeds opgenoemd 
onder de burgery der stede Leeuwarden, ten jare 1511. 1 Te 
Groningen is er nog eene Pelser straat ' (ook wel Pel st er- 
straat genoemd) ; en eveneens te Emden. De fransche en hoog- 
duitsche formen van dit woord , Pelletier en Peltzer, Pelzer 
komen onder ons ook als geslachtsnamen voor. De laatste naam 
in schrijfwyze weer verdietscht , als P e 1 1 s e r. 

Hoedemaker en De Hoedemaker komen , vreemd genoeg , 
slechts zeldzaam als geslachtsnamen voor. En nog zeldzamer is D e C ap- 
maker. De schoenmakers daarentegen zijn zeer talrijk vertegenwoor- 
digd, als Schoemaeker, Schoemaker, Schoenmaker, Schoe- 
makers, Schomaker, enz. Ook de hoogduitsche formen Schuh- 
macher, enz. zijn geenszins zeldzaam in Nederland. In het Latyn 
heet de schoenmaker sutor. Dit latynsche woord is in de germaansche 
talen overgegaan ; b. v. in het Oud-Engelsch als sooter en in het 
Oud-Duitsch als suter. Men zeide ook schuh-suter ; het hedendaagsch 
hoogduitsche woord schuster is daar van eene samentrekking. De 
oude Nederlanders , vooral in de vlaamsche gewesten , verbasterden 



1 Register van den Aanbreng in 1511 > dl, I , bl. 4, 



314 GESLACHTSNAMEN AAN AMBACHTEN ONTLEEND. 

het latynsche sutor eveneens tot suter , en zetten er dan ook wel 
hun woord schoe , schoen , nog voor. Ook verbasterden zy dit suter 
nog wel verder tot sutter , zelfs tot sitter en setter. Van daar de 
meest in Vlaanderen en Brabant inheemsche geslachtsnamen D e 
Sutter, De Suttere, De Zutter, De Zuttere , De Sittere, 
De Sitter, DeZetter,Schoesitter,Schoesetters, enz. 
By den schoenmaker behoort nog de man , wiens handwerk wordt 
aangeduid door den geslachtsnaam Klompmaker. 

114. Geen bedrijf dat meer aanleiding heeft gegeven tot het 
ontstaan van maagschapsnamen , dan dat van den molenaar. En 
de omstandigheid dat juist dit bedrijf in de verschillende gou- 
spraken van Nederland, en naar de onderscheidene tongvallen der 
Nederlanders , zoo verschillend genoemd wordt , is oorzaak dat 
hier te lande de namen van allen die naar den molen heeten, zoo 
veel verscheidenheid aanbieden. Zie hier, in hoofdzaak, die namen 
opgenoemd: Molenaar, Molenaer, Moolenaar. 1 In samen- 
stellingen komt de naam Mulder of Muller ook geenszins zeldzaam 
voor; b. v. Bergmuller, Kruysmulder, Lindemulder, 
Kortmuller, Soetmulder, Wijsmulier (zoude dit niet 
oorspro nkelik een hoogduitsche Weissmller zijn?), Water- 
mulder, Windemuller, Zuidmulder, enz. Het grootste 
deel dezer namen eischt geene nadere verklaring. De oliemolen , 
waar men olie uit zaad slaat , draagt hier en daar , byzonderlik 
in de zuidelike gewesten , den naam van slagmolen. Van dit woord 
zijn de maagschapsnamen Slag mulder, Slachmulder, Slag- 



1 De Molenaar, De Molenaer, Meulenaar, De Meulenaar, DeMeu- 
leuaere, DeMeuleneere, De Meuleneir, Mnll er, Mulder, De Mulder, 
De Muylder, De Muyldere, De Meulder (ook half -verf ranseht als De 
Meuldre), De Molder, enz. Muller en Mller geven door hunne spelling 
hunnen hoogduitschen oorsprong te kennen. De geslachtsnaam De Meulemeester 
(ook in hoogduitschen form als Mhlemeister voorkomende) hehoort ook tot 
de molenaars. Zoo mede Me ui man en het patronymikale Meulmans met het 
hoogduitsche Mhlmann. Ten slotte nog Van der Molen, Van der Meulen, 
Van der Muelen, Van de Molen, Vermeulen, Vermeule, Termeulen, 
Verwatermolen, Van der Slagmolen, Van der Heymolen, Van Dro- 
mole (d. i. Van de Roode-molen), Frankemolen, Homulle, Kate- 
molen (leate , zie 99^ en het verbasterde Kattemulle, enz. 



GESLACHTSNAMEN AAN AMBACHTEN ONTLEEND. 315 

muylder,Slachniuylder,Slaghmulder,Slagmuelder 
Slagmolder, met het patronymikale Slachmuylders en met 
Van derSlagmolen ontleend. De geslachtsnamen Olislager, 
Olislaeger, Dolislager (waar misverstand het afgekorte lid- 
woord met het zelfstandige naamwoord heeft doen samensmelten) , 
en Oliemulier hebben de zelfde beteekenis. De grutters behooren 
ook tot het molen aarsgilde. Aan hun bedrijf zijn de geslachtsnamen 
Grutter, Gruyter, De Grutter, De G-ruyter, De Gr ut er, 
enz. ontleend ; met Gorter, De Gorter en Gortmaker. De 
G ruiters zijn meest in de zuidelike gewesten inheemsch, en de 
Gorters in de noordelike. In de friesche gouen wordt de grutter in 
den regel gorter of gortmaker genoemd ; zie ook 160. Een molen waar 
garst of ander graan, ontbolsterd , gepeld wordt , heet in Friesland 
een pelmolen. En den pelmolenaar noemt men er wel , in den 
dagelikschen omgang, en by verkorting: pel', b. v. BaasPieter 
Pel." Dit is de oorsprong van den in Friesland inheemschen ge- 
slachtsnaam Pel. 

Het bedrijf van den pottebakker (de man heet , meen ik, tegenwoor- 
dig fabrikant in aardewerk") gaf oorsprong aan de geslachtsnamen 
Pottebakker, Pannebakker, Panbakker, Potter, De Potter, 
De Pottere, en , als patronymikon Potters. PotjerenPanjer 
zijn in Groningerland inheemsch, en volgens het friso-saksische 
taaieigen geformd ; zie 153. Des steenbakkersbedrijf vindt men 
in de maagschapsnamen Tichelaar, Tigchelaar, Tiggelaar 
en Steenbakker. De hoogduitsche form van dezen naam , Ziegler 
en Ziegeler is mede niet zeldzaam hier te lande, en komt ook, 
half-verdietscht , als Ziegelaar voor. Zoo de geslachtsnamen 
Bicker en Bikker aan den steenbikker zijn ontleend (en ik 
zoude niet weten wat zy anders kunnen beteekenen), dan worden 
zy gevoegelikst te dezer plaatse vermeld. De tegelbakker behoort 
ook tot dit gilde; in den patronymikalen geslachtsnaam Teegel- 
beckers vindt men zijn kunstmatig handwerk genoemd. De looier 
draagt , vooral in de zuidelike gewesten , nog wel den oud-neder- 
landschen naam van huidevetter. In vele vlaamsche steden vindt men 
nog eene Hnyvettersstraet of een Huidevettersplaats. 
Aan dit woord danken de maagschapsnamen Huyvetter, D'Hui- 
vetter, D'Huyvettere en D'Huvettere, in Vlaanderen 



316 GESLACHTSNAMEN AAN AMBACHTEN ONTLEEND. 

inheemsen , hunnen oorsprong. In Holland is deze naam , door 
samensmelting der d van het lidwoord aan het hoofdwoord , en 
door uitslyting der k, tot Duyvetter geworden. De hollandsche 
geslachtsnaam De Looyer is de wergade van den vlaamschen 
Huyvetter. De kaarsemakers vinden wy weer meest in de zui- 
delike gewesten, onder de maagschapsnamen Keersemaeker, 
De Keersmaeker, De Kersmaeker, Kersemakers, Keers- 
maekers, Keersgieter, enz. Ook de geslachtsnamen aan het 
zadelmakersbedrijf ontleend , zijn meest in Zuid-Nederland inheemsch. 
De zadelmaker draagt daar ook wel den naam van zadelaar, over- 
eenkomstig den hoogduitschen form sattler. En van dezen byzon- 
deren form zijn de maagschapsnamen De Sadelaer, De Sade- 
leer, De Saedeleer, De Zadeleer en het half verfranschte 
De Sadelaire met het patronymikale Saelmaekers afgeleid. 
Andere werklieden in leder zijn nog vertegenwoordigd door de 
geslachtsnamen DeLeersnyder met De Leersnydere, R i e m- 
snyder, Teschemaker (tasschenmaker) en DeScheemae- 
ker. De naam Touwslager eischt geene verklaring , maar Lijn- 
slager, Seeldrayers, Reepmaker wel. Dit zijn oude, 
byzondere benamingen voor den touslager. Eene andere oude naam 
van dien handwerksman is Reepslager; van daar nog de Reep- 
slagersbaan (Reepschlagersbahn), eene straat te Hamburg 
in St. Pauli. Een ree]) is een plat gevlochten tou. Ten slotte moeten 
in deze groep nog vermeld worden de geslachtsnamen Wever en 
De Wever, met het patronymikale Wevers en het hoogduitsche 
Weber dat vry algemeen is; Zeilmaker en Zeylemaker, 
met de latynsche formen Velius en Carbasius; Wol- 
kammer, Boender maker, Verwer, Mandemaker en 
Korfker (zie 153), De Wannemaeker, Stoelwinder, 
Tabaks pinder, Zeper, enz. Waarschijnlik behooren de namen 
Oorver en Korver ook te dezer plaatse , als beteekenende 
korfniaker. Het woord zeepzieder is in het Oud-Priesch sleper (sjiper) , 
. weer verhollandscht tot zeper. Nog heden wordt deze geslachtsnaam 
(Zeper) door eenen zeepzieder te Leeuwarden gevoerd , gelijk reeds 
door zyne voorvaderen , van ouder tot voorouder eveneens geschiedde. 
De fynere kunsten zijn vertegenwoordigd in de maagschapsnamen 
Beeldsmyder, Schilder, Houtsnyder en Holtsnyder, 



GESLACHTSNAMEN AAN ALLERLEI BEDRYVEN ONTLEEND. 317 

De Munter, Graveur, Drukker en Drucker, Schryver 
en Schriever, De Schryver, Landmeter, De Landme- 
ter, en, als patronymikon Landmeeters; verder San ge r en 
De Zanger, Muzykant, Speelman (de oud-nederlandsche be- 
naming van den muzikant) , Trompetter, Bonger (zie bl. 292) , 
Pyper en de hoogduitsche formen Pfeiffer, Pheiffer, Fei- 
fer, en de daarvan verbasterde formen De Feif er , De Vijver , enz. 

115. Een groot aantal andere bedryven en kostwinningen zijn 
er nog , die men tot de eigenlike handwerken of ambachten niet 
rekenen kan , en evenmin tot den handel. Ook de namen van zulke 
bedryven zijn tot geslachtsnamen geworden voor de nakomelingen 
der mannen , welke die kostwinningen in hunnen tijd uitoefenden , 
en daar naar toenamen verkregen. Zie hier eenigen van deze maag- 
schapsnamen : De Waard en De Weerdt met Casteleyn, 
Kastelein en Hospes; Tapper, Wijnschenk en Bier- 
schenk. De geslachtsnaam Kruger behoort hier ook; hy is van 
hoogduitschen oorsprong en beduidt: kroeg- of tappery-houder. 
Bleeker, De Bleeker en De Bleeckere, De Mangelaere, 
en misschien ook W a s m a n , behooren by eikanderen. Verder 
Barbier en Barbiers, Scheerder, Pruikemaker en Kap- 
per; ook Uitdrager, Colenbrander en Lotery- 
man. Vrouen , die waarzeggen (kaartleggen , handkyken , komdik- 
kyken) zijn er nog in alle nederlandsche steden. Oudtijds oefenden 
ook wel mannen dat bedrijf uit ; voor een vijf-en-twintig-tal jaren 
heb ik er nog eenen gekend te 's-Gravenkage. Aan dat bedrijf 
zijn de maagschapsnamen Waersegger en Waersegers ont- 
leend. De geslachtsnamen De Gidts en Lijdsman (Leidsman?), 
Tolk, Voerman, Beisiger, Reiser en Reizer, De Bo, 
De Boo, De Boodt, Bode en Boode behooren ook by eik- 
anderen. Denkelik ook Minnnebo {Minnebode? de dietsche weerga 
van den franschen Postillon cfamour ?) en Slotboo (de bode van 
het slot, van het kasteel?). 

Tollenaar en Tollner doen denken aan den tijd toen de 
steden nog tol eischten van den invoer en uitvoer van allerlei 
waren , en de tollenaars aan de poorten gezeten , dien tol moesten 
innen. Het hoogduitsche Z 1 1 n e r komt ook by ons voor , en ik houd 



318 GESLACHTSNAMEN AAN ALLERLEI BEDRYVEN ONTLEEND. 

de geslachtsnamen Tuilenaar, Tullener en Tullner, met de 
patronymikale formen daarvan, Tulleners, Tulners, voor 
halve verdietschingen van dien naam. De Roover is ook een by- 
zondere naam , van duidelike beteekenis. Dat de geslachtsnamen 
Rovers en Roovers echter als vadersnamen van het woord 
roover te beschouen zouden zijn , wil ik geenszins beweren. Ter 
verklaring van dezen naam denk ik liever aan den oud-germaan- 
schen mansvrnaam Hrodfrid, Rodfried. Even als het patro- 
nymikon Govers van den mansvrnaam Govert komt en deze 
naam weer eene verslyting is van den vollen form Godfried, zoo 
komt ook Rovers van Rovert, Rodfried. De oud-germaansche 
naam Hrodfrid, Rodfried is in Frstemann's Altdeutsches 
Namenbuch te vinden , ook in den afgesletenen form R o f r e d ; van 
Rofred tot Rovert is slechts n stap, niet meer als een zeer 
gewone letterkeer. Zeer byzonder , en tevens duidelik , is ook 
de geslachtsnaam Ziekenop passer. 

Tot de lagere standen der maatschappy afdalende , vinden wy 
de geslachtsnamen Keetbaas, Den Heyer, Werkman, Sjou- 
werman, Daggelder, Pakkedrager, Lastdrager, Bier- 
drager, Drager, Kruyeren Bezorger, Karreman (en , in 
limburgschen form , als patronymikon Kerremans), Poerstamper 
(poederstamper , waarschijnlik een werkman in eenen kruitmolen , of 
een apothekersknecht), Vischschraper enz. aan het werk dier klasse 
ontleend. Dan volgen nog de geslachtsnamen Baggerman, Mod- 
derman en Aschman. De geslachtsnamen Asman en Asmans 
acht ik niet afkomstig van het bedrijf des mans die asch aan de 
huizen in ontvangst neemt. In Asman, enz. zie ik liever, met 
Frstemann , volgens diens Altdeutsches Namenbuch , een oud-ger- 
maansche mansvrnaam , de zelfde waar aan ook de naam van 
het stadje Assmannshausen aan den Rijn zynen oorsprong 
dankt. De hedendaagsche Hollanders doen het niet meer , maar de 
oude Nederlanders in het algemeen onderscheidden wel degelik zeer 
scherp in hunne uitspraak tusschen asch en as. De hedendaagsche 
Friesen en Vlamingen doen het nog. 

De bedelaar staat op den laagsten trap der samenleving. Aan 
het woord schooien , nog eene verscherpte uitdrukking voor bedelen , 
zal wel de geslachtsnaam Schoyer ontleend zijn. Zonderling dat 



GESLACHTSNAMEN AAN DEN HANDEL ONTLEEND. 319 

iemand daar ooit vrede me kon hebben , vrywillig zulk eenen 
geslacbtsnaam aan te nemen of te dragen. 

Ten slotte moet ik bier nog , als zeer zonderling , vermelden den 
geslacbtsnaam Kussendrager; en niet minder is dit de ge- 
slacbtsnaam Tafelkruier, waar ik geenen redeliken oorsprong 
voor vinden kan. Hoendervoogt en Pluimgraaf, Keuken- 
meester en Keukenscbryver mogen ook wel tot de zonderlinge 
geslacbtsnamen van deze groep gerekend worden, al zijn ze juist 
niet onverklaarbaar. 

116. Maagscbapsnamen , aan bet bedrijf der kooplieden ontleend , 
zijn de volgenden. In de eerste plaats bet eenvoudige Koopman, 
Coopman, De Coopman; als vadersnamen Koopmans en 
Coopmans. Oudtijds zeide men wel, by uitslyting der letter p, 
cooman in plaats van koopman , en nog meer verbasterd , coomen , gelijk 
men ook van coomeny sprak in plaats van hoopmanny of koopmanschap. 
Uit.de geslacbtsnamen De Cooman, Coomen, Koomen en Ko- 
men blijkt nog deze oude verbastering. De boogduitscbe en franscbe 
formen Kaufmann en Mareband ontbreken natuurlik ook niet 
onder onze geslachtsnamen. Verder behooren nog tot deze groep 
de maagscbapsnamen Handelaar, Zeehandelaar, Makelaar 
en Kramer met al de byformen van laatstgenoemden naam : 
Kraamer, Cramer, Kremer, Cremer, Cremers en Cree- 
mers, en het verlatynschte Cramerus. Merseman en De 
Mersseman duiden eenen marskramer aan ; misschien ook 
Marsman; zie eebter bl. 293. Kruidenier, De Crudeniere 
en , in patronymikalen form Cruyniers zijn duidelik van beteekenis ; 
zoo ook Beddekoper, Boter kooper, Blommekoper, 
Houtkooper, Huidekoper en Huydecoper, Kleere- 
koper, Paardekooper, Ossekooper, Stofkoper (dit is 
zekerlik een verkooper van kleedingstoffen) ,Vellekoper, Viscb- 
kooper en Viskoper, enz. Een byzondere tegenhanger van 
Paardekooper is de zekerlik reeds zeer oude patronymikale 
maagschapsnaam Hengstmangers. Immers matiger of menger, 
met de byformen monger en minger , is een oud-nederlandsch , ook 
oud-friesch en oud-engelsch woord voor koopman , slyter ; men zie 
't woordenboek van Kiliaan , op bet woord: -Mangher. Mengher , 



320 GESLACHTSNAMEN IN ALLEHLEI SPELLING. 

vetus. Permutator , commutator mercium , negotiator appelmangher , 
vleeschmanyher " enz. In het begin van deze eeu was dit woord 
onder den form menger of ininger nog in de friesche taal in ge- 
bruik; zie Wassenbergh , Taalkundige Bijdragen, I, bl. 12. Een 
Hengstmanger is dus anders niet als een paardekoopman. Ook leeft 
dit oude woord nog in de eenvoudige maagschapsnamen Manger 
en Menger. 

117. Het aantal der bovenstaande geslachtsnamen, van 108 
af vermeld , en van nog honderden anderen soortgelyken , wordt 
nog aanmerkelik vermeerderd door de verschillende wyzen waarop 
deze namen gespeld worden. Oude spelwyzen en boekstavingen 
volgens de eene of andere gewestelike uitspraak, ook slordige 
spellingen door afkortingen en afslytingen der oorspronkelike woor- 
den , misspellingen en wanspellingen , alle dergelyke zaken komen 
by deze geslachtsnamen , zoowel als by anderen , voor. Menig voor- 
beeld hier van is op de voorgaande bladzyden reeds vermeld , zoo 
als alle spellingen en formen , waarin de eenvoudige woorden smid 
en molenaar als maagschapsnamen , op bl. 308 en 314 voorkomen. De 
woorden vleeschhouwer en rademaker (wielmaker , wagenmaker) , waar- 
aan vele geslachtsnamen , vooral in de zuidelike gewesten , ontleend 
zijn , kunnen nog tot voorbeeld dienen van de groote verscheiden- 
heid waarin deze woorden , als geslachtsnamen , gespeld worden. 
Zie hier die welke my zijn voorgekomen. Daar zullen er echter 
nog wel meer zijn. Vleeschhouwer, Vleeshouwer, Vleys- 
houwer, Vleeschouwer, Vleeschauwer, De Vlees- 
houwer, De Vleeschouwer, De Vleeschauwer, De 
Vleesaver, De Vlee schouder , De Vleeschoudere, De 
Vleschoudere; eindelik nog het hoogduitsche Fleischhauer. 
Dan Rademaker, Raedemaeker, Raedemaecker, R a- 
dermecker, Ramaeker, Raymaecker, De Raedemaec- 
ker, De Raedemaeker, De Raeymaker, De Raymaeker, 
De Reymaeker, en als patronymika Rade makers, Raede- 
maeckers, Raedemaeker s, Ramaeckers, Raemaekers, 
Raeymaekers, Raaymaakers, Raymaeker s, het hoog- 
duitsche Rademacher, enz. in haast oneindige afwisseling, en 
allen aan verschillende maagschappen eigen. 



GESLACHTSNAMEN MET man SAMENGESTELD. 321 

118. De vele geslachtsnamen op man uitgaande, die in 
ons land bestaan, hebben meerendeels hun oorsprong te danken 
aan het vroeger door een der voorouders uitgeoefend bedrijf." 
Zoo zegt J. Soutendam in zijn , voor oudheidkundigen zoo belangrijk 
geschrift Een wandeling langs Delfts straten en grachten in 1600 , bl. 
86. En zoo is het in der daad. In dat werk worden dan ook de 
namen opgenoemd van eenige bedryven , of liever de toenamen 
van eenige neringdoende burgers van het oude Delft, allen op 
man uitgaande , en welke toenamen tegenwoordig nog als geslachts- 
namen onder ons in gebruik zijn. Onder deze ?mn-namen zijn er 
eenigen , die thans niet meer in dien form in het hedendaagsche 
nederlandsch voorkomen , al zijn ze nog als geslachtsnamen bewaard 
en in gebruik gebleven. By voorbeeld speekman voor varkensslachter ; 
coohnan voor groenteboer of warmoezier ; brandewijnman , dunne- 
biersman , enz. Als voorbeelden van zulke hedendaagsche geslachts- 
namen , op man uitgaande , en aan het eene of andere bedrijf of 
handel ontleend, kunnen gelden: Wijnman en Bierman, 
Spekman en Mostertman, Zoutman, 1 enz. Velen van deze 
namen zijn tegenwoordig niet meer in gebruik om het eene of andere 
bedrijf aan te duiden ; maar met anderen is dit nog steeds het 
geval. En laatstbedoelde namen vinden wy vertegenwoordigd in 
de geslachtsnamen Koopman, Speelman, Tuinman, 2 enz. 
Eene andere groep van deze jncm-namen is niet ontleend aan het 
eene of andere maatschappelike bedrijf, maar aan de by zondere 
woonplaats van hem, die eerst met zulken naam genoemd werd. 
Deze man-namen behooren dus eigentlik niet in deze afdeeling ; zy 
zijn dan trouens ook reeds op bl. 293 vermeld en behandeld. 

Nevens deze eenvoudige mara-namen staan de patronymika daar- 



1 Groenman en "Fruitman, Appelman, Auguvkiesman en Kom- 
kommer man, Kalk man en Steenman, Hooi man en Stroman, Melk man, 
Blik man en Yzerman, Lakenman en Pelsman, Vlas man en Heunip- 
man, Matteman en Doozeman, Brilleman, Mosselman en Oesterman, 
Suiker man, Mosterman, Vlees man en Spekman, "Wafel man, Vis man 
en Botman. 

2 Zeeman, Timmerman, Landman en Veldman (ook Feit man en 
Veltman), Bouman en Weiman, Huisman (zie bl. 301) en Schuurman, 
Veeman, Koeman met Cocyman, Srhaepmau met Schaapman, Voer- 
man, Veerman, A s c h m a u , Modderman en Bagger man. 

21 



322 GESLACHTSNAMEN MET mans SAMENGESTELD. 

van , die ook eene niet kleine groep van nederlandsclie geslachts- 
namen forrnen. Het zijn allen eenvoudige nederlandsche tweede- 
naamvallen , en gaan dus allen op 5 , op mans uit. Velen van deze 
patronymikale ma/i-namen zijn slechts herhalingen van de hier 
voor reeds genoemde eenvoudige namen; b. v. Biermans, Ap- 
pelmans, Mosselmans, 1 enz. Anderen zijn my slechts in 
hunnen patronymikalen form voorgekomen ; als : K e r r e m a n s , d. i. 
(zoon) van den karreman, Haver mans, Slotmans, Co ster- 
man s, enz. Onder deze mans-namen , waarvan er velen eigen zijn aan 
de zuidelike , bepaaldelik aan de brabantsche gewesten , zijn er niet 
weinigen , waarvan my de beteekenis min of meer duister is. Als 
zoodanigen noem ik: Wittemans, Geloudemans, Mortel- 
ma n s , 2 enz. Beersmans en Breugelmans, beiden in Brabant 
inheemsch, acht ik afgeleid te zijn van BeersmanenBreugelman, 
in de beteekenis van : een man van of uit Beers, of van of uit 
Breugel. -Beers en Breugel beide zijn namen van brabantsche 
dorpen, in de antwerpsche en noord-b rabantsche Kempen. Deze 
beide namen zouden dus tegenhangers zijn van de geslachtsnamen 
Lemmersman en Kuindersman, op bl. 204 vermeld. Tie- 
lemans met Tielmans, en Tillemans met Tilmans zijn 
eenvoudig patronymika van den oudtijds in de Nederlanden niet 
zeldzamen , en ook thans nog niet volkomen buiten gebruik zijnden 
oud-germaanschen mansvrnaam Tilman, Tielman. Verder 
Hoosemans, van hoseman , de man die hosen , hozen = kousen 
maakte of verkocht ? En Goemans, Koumans en Coumans 
met Wakker mans, van Goeman (ook in dezen form voor- 
komende) , Kouman en Wakker man, eigentlik bynamen? oor- 
spronkelik de goede , de koude , de wakkere man ? 

119. Zijn al de bovenstaande geslachtsnamen, van 108 af, 
zekerlik eerst gedragen geworden door lieden die werkelik de 



1 H u y s m a u s , S c h u u r in a n s , Coeymans, Ac k er mans, Timmermans, 
Yzermans, Boter mans, Knechtmans. 

2 Crnysmans, tegenover 't onverbogene Kruseman (de man met kruis, Jcruus , 
kroes haar? zie den geslachtsnaam Kruis haar), Vorsselmans, Helle mans, 
Nelemans, Pal stermans, Hurtmans, Oerlemans, Stockmans, Mos- 
ma u s , H e z e m a ii s. 



GESLACHTSNAMEN AAN WEEUDIGHEDEN ONTLEEND. 323 

handwerken en bedryven uitoefenden , welke door die geslachts- 
namen worden aangeduid , dit is gewis niet het geval by die 
geslachtsnamen welke ontleend zijn aan de namen van weerdig- 
heden , ambten en bedieningen , zoo wel wereldlike als geestelike. 
Althans niet wat de namen der hooge weerdigheden betreft. De 
geslachtsnamen Keizer, Koning, Hertog, Prins, Paus, 
Bisschop, enz. komen veelvuldig onder ons voor. Niemand zal 
echter willen beweren dat de voorvaders van al die Keizers, 
Koningen, Hertogen, Prinsen, Pausen, Bisschoppen" 
in der daad de weerdigheden hebben bekleed , die door hunne 
namen worden aangeduid. En niettegenstaande de voorvaders van hen, 
die de geslachtsnamen Bakker, Smid, De Boer, De Jager 
dragen , ongetwyfeld wel degelik bakkers , smeden , boeren , jagers 
geweest zijn. Die geslachtsnamen Keizer, Koning, Bisschop, 
enz. zijn zekerlik eerst slechts toenamen of bynamen geweest van 
mannen , die om de eene of andere reden door hunne tijd- en 
plaatsgenooten zoo werden genoemd. In de meeste gevallen zal 
zulk een bynaam wel afgeleid zijn van de opschriften of afbeel- 
dingen op gevelsteenen en uithangborden, dus van de namen van 
huizen. Huisnamen , gevelsteenen en uithangborden als : de K e y s e r 
van Bomen", de Koningh van Enghelant", de Bis- 
schop van Munster", enz. kwamen oudtijds veelvuldig voorin 
alle nederlandsche plaatsen. Van Lennep en Ter Gouw vermelden 
er velen in hun werk De Uithangteekens. Die namen waren wel 
wat te lang in het dageliksche gebruik. Men kortte ze dus wel 
in, en sprak enkel van de. Keizer", de Koning", de 
Bisschop"; b. v. ik woon in de Keizer", of naast de 
Koning", ik ga naar de Bisschop." En zeer geleidelik gingen 
deze verkorte huisnamen wel over op de lieden welke in die huizen 
woonden. Leenaert Heyndricks-zoon b. v. die in het huis 
De Keyser van Duytschlandt woonde, noemde men al 
spoedig niet meer Leenaert Heyndricksz, maar Leen in 
de Keyser." Maar ook deze benaming was op den duur voor 
den gemakzoekenden volksmond nog te omslachtig, en eerlang 
werd het Leen de Keyser. En deze toenaam de Keyser" 
ging ook na den dood van Leenaert Heyndricksz wel op 
zynen zoon Heyndrick Leenaertsz over , vooral als deze 



324 GESLACHTSNAMEN AAN WEERDIGHEDEN ONTLEEND. 

ook in het vaderlike huis deKeyser" bleef wonen , en hy werd 
in verloop van tijd een vaste geslachtsnaam voor al de nakome- 
lingen van den ouden Leendert. Ook kan het wel zijn voor- 
gekomen dat deze of gene heerschzuchtige , die reeds als knaap 
steeds aanvoerder en eerste wilde zijn by het spel met zyne makkers , 
die later ook als jongeling en man dien trek van zyne inborst 
niet verloochende , maar soms nog te strker deed uitkomen , dat 
zulk een knaap reeds het koninkje" werd genoemd, of by het noord- 
nederlandsche volk in de dagen van ons gemeenebest , het prinsje" ; 
dat die bynaam als Koning" of >P rins" ook aan den vol- 
wassen man bleef hechten , en voor diens nageslacht een vaste 
geslachtsnaam werd. En nog menige andere redenen zoude men 
kunnen bedenken die aanleiding verschaften tot het geven of tot 
het aannemen van dergelyke bynamen. 

Dit geldt echter aleen voor de namen van hooge weerdigheden 
of van zeer aanzienlike ambten. Voor die van lageren rang (ridder , 
drossaart , hopman , vaandrig , koster) bestaat natuurlik geen enkele 
reden waarom men niet zoude aannemen dat de voorvader van den 
hedendaagschen drager van dien naam werkelik die betrekking 
vervuld heeft , welke door den geslachtsnaam wordt aangeduid. 

Hier volgt eene opsomming van de geslachtsnamen aan de 
namen van allerlei weerdigheden , ambten , bedieningen , betrekkin- 
gen en poten ontleend , die my zijn voorgekomen hoog en laag , 
aanzienlik en gering , geestelik en wereldlik , van den keizer tot 
den slaaf, van den paus tot den koster. 

Keizer, De Keizer, Keyser en De Keyser; het hoog- 
duitsche Kaiser komt ook voor. Koning, De Koning, 
Coninck, Keuning, De Ceuninck, De Ceunynck, De 
Cueninck,Connincken het hoogduitsche Knig. Hertog, 
De Hertog, Den Hertog, De Hertoghe, Hartog, Har- 
toch, Hartogh, De Hartog, Den Hartogh, met het hoog- 
duitsche Herzog en het fransche Le Duc. Graaf, Graaff, 
Graeff, De Graaf, De Graaff, De Grave, De Graeve, 
Greve, De Gr e e f , De Greeve, De Greve, en het fransche 
Le Comte. Misschien ook De Groof? Dan nog Vorst en het 
verlatynschte Vorstius. Zeer talrijk komen deze geslachtsnamen 
ook voor als patronymika .- Keizers, Konings, Conincks, 



GESLACHTSNAMEN AAN WEERDIGHEDEN ONTLEEND. 325 

Coninckx, Ceunynckx, Connyncks, Cuenyncx, Her- 
togs, Hartogs, 'S Hertogen, Graven. Graeven, Gre- 
ven, Grefen, enz. De maagschapsnamen Hoogvorst en 
D' Hoogvorst meen ik tot deze groep van namen niet te moeten 
brengen. Ik vermoed in dezen naam veel eer eenen aardrijkskun- 
digen oorsprong. Vorst, voorst, forst, foorst , foreest is een oud- 
nederlandsch bastaardwoord , in de beteekenis van woud , bosch. Dus 
Hoogvorst is het hooge woud. 

Nu volgt Ceur vorst, Prins, De Prins, De Prince (als 
patronyinikon Prinsen, Prinssen, Prins se, zelfs Pr in c e) , 
Markgraaf, De Landgraaf, Burggraaf, Burghgraef, 
De Borchgrave eja Borggreve,metBorchgrevink als pa- 
tronymikon (zie bl. 76). Baron, Edelman, Edeling, Adeling 
(zie bl. 120). Jonkheer, Jonker, De Jonckheere, De Jonker, 
Joncheere, Jonckheere en Jonkers;Ridder, De Ridder, 
in Vlaanderen, volgens de vlaamsche uitspraak, De Ruddere en 
De Rudder. De Bontridder behoort zeker ook hier by? 
wat dat voor een ridder is, weet ik niet. Stadhouder, 
Stedehouder en Stehouwer, Landsheer, Landtsheer, 
Landsheere, De Landtsheer, De Lantsheere, Leen- 
heer en Ambachtsheer met Ambagtsheer. Hierop volgt 
de eenvoudige heer , als Heer, De Heer, DheereenD'Heere. 
Dit woord heer zal wel te verstaan zijn in de aloude feodale be- 
teekenis , niet in de nieuerwetsche beduidenis , waarin ieder man 
die een hoed draagt en heele schoenen , als heer geldt. De patronymika 
Heer es en Heeren meen ik echter niet van den titel heer , 
maar van den frieschen mansvrnaam Hero ofHere, Heer e, 
Heerke, te moeten afleiden, even als de patronymikale geslachts- 
namen Heringa, Heering, Herema, Hee r ma, Heerke ns, 
enz. ook. Met het bezittelike voornaamwoord er vr , eigenlik in 
den vocativus , komt het woord heer ook als geslachtsnaam voor. Te 
weten als Mijnheer, Menheer en Menheer e. 

Nevens de heeren , en gelijk met dezen in rang , staan in de friesohe 
gouen de welgeboren mannen' 1 , de eigenerfden of erfgezetenen, deeiu- 
ierden of erfesgen , de vrye boeren , die op hunne eigene saten zitten. 
Van hunnen aiouden titel welboren" (ivolberne is in het Friesch nog 
heden gebruikelik) of welgeboren ," is de geslachtsnaam Welboren 



326 GESLACHTSNAMEN AAN AMBTEN ONTLEEND. 

afkomstig. In de Informatie up den stoet van Hollant ende Fries- 
lant, worden, op bl. 25, die vrye friesche mannen van den 
dorpe Velsen in Kennemerland afsonderlik vermeld als Die wel- 
geboren luyden van Velzen' 1 , en als zoodanig wel degelik onder- 
scheiden van f>Die huysluyden van Velzen." Deze laatsten zijn de on- 
vrye boeren , de pacbters , de huurboeren met de arbeiders , de keu- 
terboeren of de brinkzitters , gelijk men ze in onze saksiscbe gouen 
noemt. Hugo de Groot, in zyne Inleiding tot de Hollandsclie Rechts- 
geleerdheit" , bl. 22b , schrijft : 't Schijnt dat wel-gebooren mannen van 
ouds zijn geweest die van aver tot aver van vrye ende eerlicke 
luyden waeren gekomen." Vermoedelik was de man die het eerst 
den naam van Velserboer (zie bl. 304) droeg of aannam, wel 
een dezer welboren" mannen van Velsen. Het schijnt althans dat 
hy prijs stelde op het voeren van dien naam , als iets byzonders. 

De geslachtsnaam Hooggeboren, een tegenhanger van Wei- 
boren, komt my voor oorspronkelik een bynaam geweest te zijn , 
in scherts gegeven , en ironice bedoeld. 

Nu komen wy tot de regeerings-ambtenaren : Groeverneur, 
Senator, Burgemeester met den byform Burgemeestre, 
Balju en Bailyu, Droste, Drost (misschien ook welTroste), 
Drossaart, Schoutheet, Schoutheete, De Schout- 
heet, De Schoutheete, De Schautheete, De Schau t- 
eete, Schauteeten en Schautett en (de twee laatste namen 
zijn patronymika, in wanspelling) , Schout, Scholte,Schulte 
met den hoogduitschen form S c h u 1 z e , enz. Over deze namen 
Schout, Scholte, enz. die evenzeer oorspronkelik mansvrnamen 
kunnen zijn, zie men bl. 77 en 184. De geslachtsnamen Commis- 
saris, Klerk, Schryver en Schriever zullen wy ook maar 
rekenen tot die welke ontleend zijn aan regeerings-ambten. De naam 
Klerk en De Klerk, ook als patronymikon Klerks, is zeer 
algemeen, en komt in allerlei spellingen voor. Zie hier slechts 
eenigen van die byformen : KIe rek, Clerck, Clercq, De 
Clercq, De KIe rek, Clercks, Clerqx, Clerckx, enz. 

De geslachtsnamen Regter, Richter (ook als patronymika R i g- 

ters en Richters), Raadsheer, Boe rr ie h te ren Boer rigter 

met Dorprechter, Procureur, Advokaat en Advookaat, 

met het oud-nederlandsche Taal man, Deurwaerder en De 



GESLACHTSNAMEN AAN AMBTEN ONTLEEND. 327 

Deurwaerder, Diender, De Beule en De Beul vertegen- 
woordigen de rechterlike macht , even als Doctor, Dokter, Do c- 
t e r met het patrony mikon Docters, Arts en De Stadbader 
den geneeskundigen dienst. De laatste naam is zekerlik van zeer 
oude dagteekening. Hy stamt toch af uit den tijd toen men bad- 
stoven , openbare baden had in de nederlandsche steden , gelijk in 
de laatste middeleeuen het geval was. Deze inrichtingen stonden 
onder het bestuur van eenen , door de stedelike regeering aange- 
stelden bader of stovenhouder , den stadsbader. Deze man oefende tevens 
een gedeelte der geneeskunde uit ; b. v. het aderlaten , het koppen- 
zetten , en dergelyke geringe zaken , gelijk ook de barbiers deden. 
In sommige streken van Duitschland , vooral in het Zuiden , draagt 
nog heden de wondarts (chirurgyn) den naam van Bader'. 

Aan het leeraarsambt zijn de geslachtsnamen Bector en School- 
meester (ook als patronymikon Schoolmeesters) en Onder- 
wyzer ontleend. De geslachtsnamen Meester, De Meester 
en Meesters met Mesters voeg ik ook hier by. Andere meesters 
worden nog vertegenwoordigd door de geslachtsnamen Bouw- 
meester, Den Boumeester, Boermeester, Hofmees- 
ter, Dijckmeester, Bentmeester en Bentmeesters, 
Waagmeester, De Meulemeester en eindelik Keuken- 
meester. Onder de burgery der stad Leeuwarden van den jare 
1511 wordt reeds een Oeswalt Koeckenmester genoemd. 1 
De keukenmeester behoorde zeker wel tot eene hofhouding , even 
als de keukenschry ver , wiens post ook als geslachtsnaam (Keuken- 
schryver) voorkomt. Tot zulk eene hofhouding behooren nog 
andere bedieningen , die door de geslachtsnamen Hoveling, 
Kamerling, Camerlinck, Camerlynk en Camerlingh 
(als patronymikon Kemerlinckx), en Schenk worden aange- 
duid. Schenk is eene oude benaming voor schenker"; men ver- 
gelyke hier de namen Wijnschenk en Bierschenk, reeds op 
bl. 317 vermeld. De naam van dit ambt komt ook in verlatynschten 
form, als Schenkius, als geslachtsnaam voor. 

De onvryen , de hoorigen , by de germaansche volken , vroeg in 
de middeleeuen en vr dien tijd, werden door hunne heeren wel 



1 Zie Register van den Aanbreng van 1511 , bl. 14. 



328 GESLACHTSNAMEN AAN RANGEN EN STANDEN ONTLEEND. 

vrygemaakt , vrygegeven , vrjgelaten , van verplichte dienstbaarheid 
ontslagen. Zy kregen dan den naam van laten; niet waar? Aan dit 
woord zijn de geslachtsnamen DeLaatenDe Laet ontleend, die vooral 
in de zuidelike gewesten inheemsch zijn. Zekerlik waren het vooral 
deze laten", die by de opkomst en bevestiging der steden, den 
kern formden der burgery , der vrye poorters. De benaming van 
dezen zoogenoemden derden stand vinden wy terug in de geslachts- 
namen De Poortere en DePoorter, Borger, De Borger, 
De Borgher, Burger, De Burger, Den Burger, Bur- 
german, enz. Dat de patronymika Borghers, Burghers en 
Burgers van dit woord burger zouden afgeleid zijn, is niet geheel 
zeker. De oud-germaansche mansvrnaam Bor chart , Borgert, 
Burkhard, Burgert kan ook daar aan ten grondslag liggen ; 
zie bl. 176. 

De burgery in de steden , voor zoo verre zy tot de handwerks- 
lieden en neringdoenden behoorde, was in gilden verdeeld. Aan 
het hoofd van elk gild stonden de gildemeesters ; de verdere 
leden van elk gilde bestonden uit meesters of bazen , gezellen en 
leerlingen. Al deze benamingen komen nog als geslachtsnamen voor ; 
te weten: Gildemeester , Baas, Gezelle, Geselle, Gheselle, 
Ghezelle, De Gheselle (als patronymikon in den tweeden- 
naamval Gesellen en Gezellen), en Leerling. De veenbaas , 
die aan het hoofd der veenarbeiders staat, en wiens naam ook 
als geslachtsnaam (Veenbaas) voorkomt, behoort meer tot de 
boeren dan tot de burgers. De knechten , behulpzaam by allerlei 
bedrijf, staan een trap lager dan de gezellen der ambachten. Hun 
stand vinden wy vertegenwoordigd in de geslachtsnamen Knegt, 
Knecht en De Knegt, ook in Bouwknecht, Wagenknecht 
en Stalknecht. Hier toe behoort ook de geslachtsnaam Koet sier 
en Coetsier. Ook K o etser, dat my eene halve verdietsching 
schijnt van het hoogduitsche Kutscher. De beteekenis van den naam 
Leenknecht is my niet duidelik. Misschien is het wel een gemeen- 
zame form van Leendert de knecht, Leen-knecht, op de wyze 
als de geslachtsnamen Janknegt,Leentvaar, enz. die op bl. 174 
zijn vermeld. Beneden den knecht staat de slaaf; ook dit woord 
is tot een geslachtsnaam, Slaaf f, geworden. Zonderling genoeg 
komt deze naam juist onder de vrye Priesen , te Leeuwarden 



GESLACHTSNAMEN AAN DEN KRIJCHSMANSSTAND ONTLEEND. 329 

voor. Dat deze naam nog zoude dagteekenen uit den tijd toen de 
Germanen werkelik slaven hielden , acht ik geheel onwaarschijnlik. 
Zou Slaaf f hier ook een volksnaam zijn? Eenen Slavonier be- 
teekenen ? Of eene halve verdietsching van eenen hoogduitschen 
geslachtsnaam Sc hl af? Deze naam is my wel nooit voorgekomen. 
Toch kan hy zeer wel bestaan , gelijk ook het nederlandsche woord 
slaap een geslachtsnaam formt ; zie 146. 

Uit het heir der krijchslieden , uit de verschillende rangen die 
daar in voorkomen , is ook menige nederlandsche geslachtsnaam 
genomen , van den hoogsten rang tot den laagsten. Als zoodanig 
zijn my de volgenden bekend: vooreerst de geslachtsnamen Krijgs- 
man (met Kriegsman), en Ruiter, Ruyter, De Ruiter, 
De Ruyter, De Ruytter, enz. een krijchsman te peerd be- 
teekenende. Deze namen zijn van algemeenen aard. Daarna staat 
als de hoogste in rang Veldheer; vervolgens Maarschalk, 
De Maerschalk, ook verbasterd als De Maeschalck en De 
Maesschalck voorkomende. Verder Overste, Majoor, Kapi- 
tein (zie bl. 307) , Hoofdman, Hooftman en Hopman (een 
nederlandsch bastaardwoord van het hoogduitsche T>Hauptmanri\ 
tydens ons gemeenebest by het leger in gebruik), Ritmeester, 
Sergeant, Korporaal en Corporaal, Vaandrager, Vaan- 
drig, V e n d r i k , en als patronymikon Vendrickx, Soldaat, 
Musquetier, DeSchutter, De Handschutter (handboog- 
schutter, in tegenstelling van den voetboogschutter), en Schild- 
wagt. Aan de zeemacht in het byzonder zijn de geslachtsnamen 
Admiraal, Konstabel en Bottelier ontleend. Dan komen 
nog Trompetter, Tamboer en Pyper, met het patrony- 
mikon P y p e r s. De hoogduitsche form van laatstgenoemden naam , 
die echter eene meer algemeene beteekenis heeft, Pfeiffer, komt 
in verschillende formen en spellingen (zie bl. 317) ook geenszins 
zeldzaam in de Nederlanden voor. Geen wonder ! hoe menig boven- 
landsche toonkunstenaar is niet reeds onze g-enzen overschreden ! 
Gyzelaars komen meest in oorlogstyden voor , al is dit niet uit- 
sluitend het geval, en al worden ze niet altijd uit den krijchs- 
mansstand genomen. Toch meen ik de geslachtsnamen , aan dien 
maatschappeliken toestand ontleend , hier te moeten vermelden. Het 
zijn De Gyselaar, en, als patronymikon, Ghiseleers. 



330 GESLACHTSNAMEN AAN KERKELIKE AMBTEN ONTLEEND. 

120. Byna alle kerkelike weerdigheden , ambten en bedie- 
ningen zijn ook onder de geslachtsnamen vertegenwoordigd. Hier 
volgen die , welke my bekend zijn. Roonischen en Protestanten 
door eikanderen - ik kan ze niet schiften. 

Van algemeene beteekenis zijn vooreerst de geslachtsnamen 
Kerckheer, De Kerckheer en De Paap, ook Paap, 
Pape en De Paepe, met de patronymika Paaps, Spapen, 
Spaapen en het versletene Spaape. Aangaande de forming van 
laatstgenoemde namen zie men bl. 184 en 185. Wat de beteekenis 
eigenlik is van den geslachtsnaam DeBoelpaep, die hier ook schijnt 
te behooren, is my niet duidelik; 't en zy men hier by aan het 
oud-nederlandsche woord boel te denken hebbe (?). In aanmerking 
nemende , dat in dit geval aan het dragen van dezen naam schande 
zoude verbonden zijn, valt dit naueliks aan te nemen. Maar Lang- 
p a e p , een lange geestelike , is zoo veel te duideliker. De 
volgende namen zijn allen duidelik : Paus, en misschien ook 
Pous. (Neemt men in aanmerking dat P a u , P a u w in gemeenzame 
dageliksche spreektaal ook wel in gebruik is als afkorting van 
den mansvrnaam Paulus, zoo is het zeer wel mogelik dat 
deze geslachtsnaam Paus, althans in sommige gevallen, een pa- 
tronymikon zy van dien mansnaam Pau; b. v. KarelPauszoon 
ofKarelPausz,d. i. Karelde zoon van Pau of Paulus). Verder 
Cardinaal, Bisschop, De Bisschop en DenBisschop met 
het verbasterde Busschop en het hoogduitsche Bischoff. Dan 
Priester en De Priester, Pastoor en, als patronymika pas- 
toors en Pasteurs met Pasteuren en Pasteur e. Proost 
en De Proost, De Deken en Den Deken, Domin, Abt 
en Den Abt, Prior, Pater en De Pater, Monnik, 
Munnik, Munk, Monk, De Monnik, De Munnik, De 
Munnick, De Meuninck, De Munck en De Muynck, 
met de patronymika Munniks, Munninckx, Meunynckx, 
Munnyncks, Smeunincks en Munniksma; zie bl. 166. Ein- 
delik JeswietenCarmeliet. Omdat een monnik door de Roomsch- 
Catholyken als broeder" wordt aangesproken, en men ook van 
hem spreekt als van den broeder" of b. v. als broeder Benedic- 
tus", zoo houd ik het daar voor dat in de geslachtsnamen De 
Broeder en Den Broeder ook zeer wel een monnik schuilen 



GESLACHTSNAMEN AAN KERKELIKE AMBTEN ONTLEEND. 331 

kan. Cluysenaer, Cluysenaar, Heeremiet en Pelgrim, 
ook Pelgrum en Pellegrom, met het hoogduitsche P i 1 g e r , 
en de patronymika Pelgrims en Pylgroms. Het woord pelgrim , 
in den frieschen form Pylgrom , is in Friesland ook nog heden als 
mansvrnaam (Pylgrom) in gebruik. En dus kunnen deze pa- 
tronymika ook zeer wel aan dien mansvrnaam ontleend zijn , en 
niet aan het woord pelgrim. Aan den joodschen eeredienst ont- 
leend, is my enkel de geslachtsnaam Eabbie bekend. 

Tot de geslachtsnamen van lagere kerkelike bedieningen af- 
komstig , reken ik de namen : Kerkmeester, Koster, Ooster, 
De Koster, De Coster, De Custer, De Costere, De 
Keuster, De Ceuster, met het verlatynschte Costerus en 
de patronymika Kosters, Custers, Ceusters, ook als Cus- 
todis in goed Latyn overgezet. Verder Voorzanger met het 
hoogduitsche Vorsanger, en Orgelist. 

Als aanhangsel tot deze kerkelike namen reken ik nog de ge- 
slachtsnamen Apostel, Profeet en De Maertelaere metDe 
Maerteleire (martelaar). Zoo ook Den Heyligen. Waar- 
schijnlik zijn deze namen van huisnamen afkomstig. Te Amsterdam 
toch was in deze eeu de Profeet" nog de naam van een huis 
althans van eene handelszaak. 

121. De vrouen die oudtijds eenig handwerk, nering of 
bedrijf, als kost winning uitoefenden, kregen ook wel, even als 
de mannen , den naam van haar bedrijf als een toenaam gevoegd 
by haren eigenen vrnaam. Onder de burgery der stad Leeuwarden , 
van den jare 1511, vind ik opgenoemd: Alijt Weefster. 
HilckNa aister,GheertFroedmoer,SackDekennaister; 
onder die van Dokkum : Ken Proedmoer, Aecht Baeckster, 
enz. 1 Toch is my geen enkel geval bekend dat de toenaam aan 
zulk een vrouelik bedrijf ontleend , tot een geslachtsnaam geworden 
is. Troueus dit is geenszins vreemd. Immers de zoon van Alijt 
Weefster (ook al had deze Alijt misschien geen man) kon zich 
toch niet wel naar het handwerk zyner moeder noemen. Hy kon 
zich b. v. niet Willem Weefster heeten. In dezen naam zoude 
eene tegenstrydigheid opgesloten zijn. 



1 Register van den Aanbreng van 1511, dl. 1, bl. 3 en bl, 168. 



382 GESLACHTSNAMEN AAN VROUELIKE TITELS ONTLEEND. 

Toch komt de geslachtsnaam Sangster voor, een naam die, 
naar myne meening , geene andere beteekenis kan hebben dan die 
van het meer nieuerwetsche woord zangeres. Is deze naam dan 
eerst door eenen man gedragen , die de zoon van eene zangeres 
was , van eene vrou , die algemeen onder dien naam b. v. van 
>Grhese Sangster" bekend was? Dit is byna niet aan te nemen. 
Eerder zonde ik geneigd zijn te gelooven dat deze naam Sang stel- 
eene halve verdietsching ware van het engelsche woord , misschien 
ook wel van den engelschen geslachtsnaam Song ster. Een woord 
dat , ten spijt van zynen vroueliken form , toch eene mannelike 
beteekenis , dien van zanger heeft. Even zoo is het met het 
engelsche woord ivebster ; ook dit woord vertoont eenen vroue- 
liken form , en beteekent , volgens het engelsche spraakgebruik , 
toch wever, niet weefster. De geslachtsnaam Webster, van engel- 
schen oorsprong , komt ook in de Nederlanden voor. 

Iets anders is het met de geslachtsnamen Beghyn, De Nonne 
en Quanonne. Dezen zijn zonder twyfel van echt-nederlandschen 
oorsprong, en duiden, eveneens twyfelloos, iemand van de vroue- 
like kunne aan. Hoe deze benamingen ooit als geslachtsnamen 
in gebruik gekomen zijn, verklaar ik niet te kunnen bevroeden. 
De Begijn" en e Non" kunnen nog namen van huizen ge- 
weest zijn , (d e N o n" althans wordt als huisnaam door Van Lennep 
en Ter Gouw vermeld) , en als zoodanig overgegaan op de bewoners 
dier huizen. Maar Quanonne, de kwade non! Zeker is wel geen 
naam ongeschikter om eerst als by- of toenaam , later als geslachts- 
naam door eenen man te worden gedragen. 

122. Even als met zoo vele andere geslachtsnamen het geval 
is , zoo zijn er ook eenige geslachtsnamen aan weerdigheden , 
ambten , bedryven en handwerken ontleend , in het Latyn omge- 
zet geworden. Zie 167 en bl. 150. Zoo is b. v. de geslachts- 
naam Bakker tot Pistorius geworden , Ku iper tot Vitor enz. 

Zie hier eene lijst van die namen: Sartorius, dat is: kleer- 
maker, van het latynsche woord sartor; Sutorius, de schoen- 
maker , van het latynsche woord sutor ; F a b e r , de smid, ook nog meer 
tverscliurkeli 1 ' 1 als Fabricius en Fabritius voorkomende, en in 
patrony mikalen for m al s F a b r i , F a b r y en F a b e r i , dat is : S m i d s , 



GESLACHTSN. , AAN BEDRYVEN ONTLEEND , IN LATYNSCHEN FORM. 333 

des smids zoon. Rusticus en Agricola, de boer of de land- 
man ; T e x t o r , wever ;Carbasius en Velius, zeilmaker ; Cantor, 
de zanger; Mechanicus, de werktuigkundige. Dezen laatsten 
naam koud ik voor jonger dan de 17<le eeu. Waarschijnlik is hy 
eerst in het laatst van de vorige of in het begin van deze eeu in 
zwang gekomen. Pistorius is niet de eenigste vreemde form , 
waarin de naam Bakker is omgezet geworden. Immers Syds 
Buwes Bakker, die in 1633 predikant was te Dokkum , schreef 
zynen naam als S. D. Artopaeus. Maar deze naam schijnt 
weer met dien man verdwenen te zijn ; als hedendaagsche geslachts- 
naam is hy my nooit voorgekomen. De geslachtsnaam N a u t a , 
met het ontaalkundige Van Nauta, in Friesland aan verschil- 
lende geslachten eigen , kan beschoud worden als eene verlatyn- 
sching van den naam Schipper. Immers het woord schipper is 
in het Latyn nauta. Ook neem ik geerne aan , dat dit met som- 
migen van deze namen Nauta in der daad het geval is. Maar deze 
naam kan ook even zeer een eigenaardig friesch patronymikon zijn 
(zie 44) van den oud-germaanschen mansvrnaam Nauto, 
Na ut e, die in Frstemann's Namenbuch voorkomt, en waarvan 
ook de geslachtsnaam Nauts een vadersnaam is. 

In den tijd toen het verlatynschen der geslachtsnamen in gebruik 

was , gebeurde het ook wel dat men die namen niet in zuiver 

Latyn vertaalde , maar dat men slechts eenen latynschen uitgang , 

us of ius , voegde achter den nederlandschen naam. Zeker dwaas 

genoeg ! Eenigen van die namen , aldus van eenen latynschen steert 

voorzien , zijn tot den dag van heden als geslachtsnamen in wezen 

gebleven.' Sommigen daar van zijn in dit werk reeds genoemd.- 

Bakkerus, Brouerius, Costerus, Cramerus, Cuperus. 

Anderen zijn nog: Scrinerius, van schryner, schrijnwerker of 

kastmaker. In het Nederlandsch , en wel in bepaald hollandschen 

form , als Schrijnder, komt dit woord ook als maagschapsnaam 

voor. Verder Vorstius, Schenkius (zie bl. 327), Stamp e- 

rius (Stamper, Poerstamper, zie bl. 318), Schipperus, 

enz. Ook schijnt de geslachtsnaam Smedicus my toe eene quasi- 

verlatynsching te zijn van het woord smid. 

Titels en weerdigheden komen , als maagschapsnamen , ook al 
in het Latyn voor. By de namen Doctor, Prior, Rector, 



334 GESLACHTSNAMEN AAN ALLERLEI GEREEDSCHAP ONTLEEND. 

Senator, in 119 reeds vermeld, noem ik hier nog Prae- 
torius en Sindikus. Misschien behoort de maagschapsnaam 
Factor ook tot deze groep. 

De geslachtsnamen Estor, Proctor en Toxopeus hebben 
ook een latynsch voorkomen. Maar ik kan die namen niet verklaren ; 
ik weet niet wat zy beteekenen , en hun oorsprong is my vol- 
komen duister. 

123. Tot besluit van al deze maagschapsnamen, aan ambten 
en bedryven ontleend , dienen bier nog eenige namen te worden 
vermeld , die oorspronkelik half uit scherts , half uit spot , als 
bynamen gegeven zijn aan handwerkslieden , en die aan het gereed- 
schap door die lieden by hun werk meest gebruikt , ontleend zijn. 
Tot deze namen reken ik b. v. Knip scheer en Vinger hoed, 
oorspronkelik bynamen voor eenen kleermaker; Knieriem, de 
spotnaam voor den schoenmaker (in myne jeugd, te Leeuwarden, 
noemde men iederen schoenmaker wel schertsender wyze : B a a s 
Knieriem," of Baas Pikkedraad"). Verder Hoefnagel, 
de bynaam van den hoefsmid ; Hamer, de bynaam van den tim- 
merman , enz. Deze namen komen geenszins zeldzaam , en in allerlei 
formen voor ; b. v. als Knyrim en Knie rum, Vinger hoedt, 
door uitslyting der h als Vinger oedt, ook als patronymikon 
Vingerhoets; Hoefnagel, ook als patronymikon Hoefna- 
gels, in Vlaanderen als Houvenaghel en Houvenaeghel, 
in hoogduitschen form als Hufnagel, enz. 

Dikwijls ook is het voorvoechsel van der of van den geplaatst 
vr de namen van allerlei handwerksgereedschap , en heeft men 
op die wyze allerlei tamelik onzinnige maagschapsnamen zich ge- 
formd. De slachter noemde zich of werd genoemd Van der Bijl, 
de kleermaker Van der Naald, de schoenmaker Van der Els 
of Van der Leest, de timmerman Van den Hamer, Van 
der Zaag of Van der Schaaf, enz. De Priesen volgden weer 
hunne eigene wyze om zich , in scherts , zulke geslachtsnamen te 
formen. De bleeker in Friesland noemde zich O s i n g a , de slachter 
B y 1 s m a , de schoenmaker E 1 s i n g a , de glazemaker Glasstra, 
de timmerman Latsma, de schipper Scheepstra, enz. Al die 
namen bestaan thans nog als geijkte maagschapsnamen , en houden 



GESLACHTSNAMEN AAN PERSOONLIKE EIGENSCHAPPEN ONTLEEND. 835 

de herinnering aan het voorvaderlike bedrijf levendig. Sommigen 
van deze namen bestonden reeds , vr men ze in scherts aan hand- 
werkslieden gaf. Zy waren reeds het eigendom van oude bestaande 
geslachten , en hadden eenen geheel anderen oorsprong , dan het 
volk daarin meende te vinden. Met de namen Van der Els (zie 
bl. 256 en 135), O sin ga, Elsinga (zie bl. 162) is dit o. a. 
het geval. Men zie aangaande deze en soortgelyke namen ook 129. 



B. GESLACHTSNAMEN AAN PERSOONLIKE EIGENSCHAPPEN ONTLEEND. 

124. Dat aan dezen of genen persoon, die de opmerkzaam- 
heid van anderen trekt door de eene of andere byzondere eigen- 
schap van zijn lichaam of van zynen geest , eenen bynaam gegeven 
wordt naar aanleiding van die eigenschap , is eene zeer alledaag- 
sche zaak, die nog heden veelvuldig onder ons voorkomt. Iedereen 
kent wel personen in zyne omgeving welke in het dageliksche leven 
bynamen dragen als: de lange," de dikke," de manke," als 
zy lang of dik zijn van lichaamsbou , of wel kreupel zijn of 
als de goeie," de vrek," scherp" als ze byzonder goedaardig, 
uit der mate gierig , of zoogenoemd scherp , vinnig , bits zijn van 
inborst. In beschaafde kringen vermijdt men te recht het gebruik 
van zulke bynamen , die in den regel , ook al zijn ze van onschul- 
digen aard of al vermelden zy soms wel eene loffelike eigenschap 
toch onaangenaam, zoo niet hatelik klinken in d' ooren van den 
persoon die zulken bynaam zich hoort toevoegen. Maar in min 
beschaafde kringen , en in de laagste standen der maatschappy is 
men geenszins achterhoudend met zulke bynamen. Men spreekt 
de personen, aan wie ze gegeven zijn , daar wel rechtstreeks mede 
aan, of noemt hen wel met die namen, ook in hun byzijn. De 
rooie ," de lamme," de bult," mankpoot" zijn zulke liefelike 
namen die in onze achterbuurten soms zoo algemeen in gebruik 
zijn , dat menigeen nooit anders wordt genoemd door de lieden zyner 
dageliksche omgeving. Zoo dat op het laatst menigeen geenen anderen 
naam meer kent van de personen die alzoo genoemd worden 



336 GESLACHTSNAMEN AAN PERSOONLIKE EIGENSCHAPPEN ONTLEEND. 

en de personen wien het aangat die bynarnen zich dan ook maar 
goedschiks-kwaadschiks aanleunen laten. 

Oudtijds was men ook in beschaafde kringen en in de hoogere 
standen der samenleving veel minder kiesch wat het geven en 
gebruiken van zulke bynamen betreft. In middeleeusche oorkonden 
en ook nog wel in geschriften van lateren tijd, van de 16de en 
17de eeu, worden de personen die daarin genoemd worden, dik- 
wijls , ter meerdere duidelikheid of uit gewoonte , met hunnen 
bynaam vermeld. En deze personen zelven schynen da?r dan niets 
op tegen gehad te hebben. Zulke namen als Harm Gerloffs- 
soen gezegd Witkop" GovertClaessen, dien men noemt 
Crombeen" Egbert Wilminck genoemt de Stercke" 
komen dikwijls voor in oude geschriften. Een burger der vlaamsche 
stad Hondschote, ten jare 1568, wordt in eene oorkonde van dien 
tijd genoemd: Jehan Scrobbe, alias Cromhals"; 1 een burger 
der stad Alkmaar, ten jare 1514, heette Willem Roothooft" 
en zekere Dirrick Coevoet" was in dat zelfde jaar schepen 
der stede Gorinchem. 2 De naam eener vrouelike ingezetene van 
Leeuwarden, ten jare 1511, was Gr ij thie Onbeleefd" , 3 en 
die van eenen burger van Sluis in Vlaanderen, in het jaar 1526, 
Ryckaert de Gryse." 4 En om nog een paar voorbeelden by 
te brengen , kan ik niet beter doen dan de woorden aan te halen 
van J. ter Gouw , voorkomende in diens werk Amsterdamsche 
kleinigheden Amsterdam, 1864 bl. 58: Daar klonken wel 
wat raarder namen in den ouden tijd. Blader de historin , de 
oude registers , brieven en keuren maar eens door. Hier treedt u 
een Luitenant Lee poog tegen, en daar de makelaar Lau- 
rens het houten aangezigt. Hier ontmoet gij een deftig 
poorter , dien ge als Jonge Jan Doet er niet toe hoort 
aanspreken; elders is het de eerzame Dirk Dirksz, die, om 
hen van een anderen dubbelen Dirk te onderscheiden , den sier- 
lijken toenaam draagt: Zoon van bezeten L ijsje!" Ten jare 



1 Louis de Baecker, Les Flamands de France Gent, 1851 bl. 185. 

" Informatie up den staet, faculteit et/de gelegen/ieit der steden ende dorpen 

van Hottant ende Vrieslant bl. 118 en 402 . 

3 Register van den Aanbreng van 1511 bl. 13. 

* De Oude Tijd, jaargang 1870, bl. 114. 



GESLACHTSNAMEN AAN PERSOONLIKE EIGENSCHAPPEN ONTLEEND. 337 

1600 waren er te Delft burgers die rnet hunne by- en spotnamen 
in oorkonden en registers vernield staan ; by voorbeeld Mr. Jan 
S m e e r-d e-borst en Frans M o n t-v a n-d e-h e 1 (zie Soutendam , 
Een wandeling langs Delfts straten in 1600). Ja, zelfs vorsten en 
koningen moesten zich , in de middeleeuen , het dragen van zulke 
bynamen , aan allerlei persoonlike byzonderheden ontleend , laten 
welgevallen. Men denke aan namen als Floris de Vette, 
Kar el de Kale, Pepyn de Korte, Karel de Eenvou- 
dige, Govert met den Bult, Zwarte Margriet, enz. 

Dat het geven van zulke bynamen reeds van zeer oude dag- 
teekening is , daar van kan menige naam , die onder de volken 
der oudheid in gebruik was, getuigen; X en are hu s Metretes, 
de dronkaard ; Phocion Chrestus, de goede ; Pittacus 
Soropada, breedvoet; Marcus Curius Dentatus, de ge- 
tande, door byzondere tanden gekenmerkte, enz. Dergelyke namen 
heeft de geschiedenis ons veelvuldig overgeleverd. En dat zulke 
bynamen ook reeds vroeg by onze eigene voorouders in zwang 
waren, leeren ons de oudste oorkonden. Uit de ll de , 12<le en 13de 
eeu kennen wy eenen Frank de roode (ten jare 1050), Grisel- 
brecht de zwarte (1225), Ekbrecht de kale (1162), 1 
eenen Willem Eenoog, Eeiner de kleine, 2 enz. En dat 
deze persoonlike bynamen , door op de kinders van de mannen 
die eerst met deze bynamen genoemd werden , over te gaan , 
langzamerhand ook geslachtsnamen konden worden, daar van zien 
wy ook in oude oorkonden menig voorbeeld. Onder velen: Re in ska 
langhe Symens dochter ," eene leeuwarder vrou ten jare 1534. 3 

De algemeenheid dezer bynamen in aanmerking genomen , kan 
het niet anders of velen van deze namen moeten van de vaders , 
wien ze eerst gegeven waren , op de zoons zijn overgegaan ; en van 
de zoons weer op de kleinzoons, tot dat het langzamerhand vaste 
toenamen geworden waren die alle leden van een zelfde geslacht droe- 
gen , tot dat zy eindelik geheel als vaste geslachtsnamen beschoud 
en in gebruik genomen werden. En deze zaak heeft zich in der 



1 Van den Bergh, Eistor: Beschouwing der nederl. Eigennamen. BI. 3] 6. 

2 Louis de Baecker, Les Flamands de France. BI. 372. 

3 Oorkonden van het Ut. Anthonij -Gasthuis te Leeuioarden. BI. 265. 

22 



338 GESLACHTSNAMEN AAN PERSOONLIKE EIGENSCHAPPEN ONTLEEND. 

daad zeer veelvuldig aldus toegedragen. De talryke geslachtnamen , 
heden ten dage nog bestaande , en die van ouds eerst als zulke 
persoonlike bynamen , aan byzondere persoonlike eigenschappen 
ontleend , ontstaan zijn , strekken ten bewyze daarvan. Merkweer- 
dig is het , dat menig persoon nog de zelfde kenteekens vertoont , die 
by zynen voorvader aanleiding gegeven hebben tot het in gebruik ko- 
men van diens bynaam , welke nu heden ten dage zijn geslachtsnaam 
is. Menig man , die den geslachtsnaam De Rooi voert, om maar een 
voorbeeld te noemen , heeft rood haar ; en een ander die K r o e s e 
heet , heeft eenen gekroesden haardos. Verschillende voorbeelden 
van dergelyke overeenstemmingen zijn my bekend. Zy hunnen , ja , 
louter op toeval berusten. Maar zy kunnen tevens zeer gemakkelik 
verklaard worden door d' omstandigheid , dat zulke lichamelike 
kenmerken dikwijls , ja in den regel , van vader op zoon en kleinzoon , 
door eene lange reeks van nakomelingen heen , overerven. Zie 
op bl. 173, den naam Kroeseklaas. 

125. De geslachtsnamen aan persoonlike eigenschappen ontleend, 
en die geenszins zeldzaam voorkomen , ook over alle nederlandsche 
gewesten verspreid zijn , kan men gevoegelik verdeelen in zulken 
die hun ontstaan danken aan lichamelike eigenschappen , en in die 
welke ontleend zijn aan byzonderheden van den inborst , het gees- 
tesleven der menschen. Als voorbeelden van eerstgenoemde soort 
kunnen gelden: De Groot, De Witte, Schelu waert, Bree- 
baart; van laatstgenoemde : DeCoene,Sorgeloos,DeVroe. 
Gebreken , en ook byzonderheden die als schoonheden of volkomenhe- 
den gelden (Scheele en Slingervoet tegenover Schoonooghe 
en Zwaanshals), ook goede en kwade eigenschappen (De Brave 
en W e 1 g e m o e d tegenover De Quay en De S o t) komen gelykelik 
voor. Eene andere verdeeling zoude men kunnen maken al naar- 
mate deze geslachtsnamen eenvoudig uit byvoegelike naamwoorden 
bestaan , met of zonder een lidwoord (Schele, De Lange), 
dan wel of het zelfstandige naamwoorden zijn (Caluwaert, De 
Blindeman). Maar ik wil liever deze onderscheidingen achterwege 
laten , en hier al de namen welke , als tot deze groep behoorende , my 
bekend zijn , in geleidelike volgorde opsommen. De geslachtsnamen 
van lichamelike eigenschappen der menschen afgeleid, mogen de 



GESLACHTSN. AAN ALGEMEENE LICHAMELIKE EIGENSCH. ONTLEEND. 339 

ry openen; om te beginnen die welke van algemeenen aard zijn. 

De Groote, De Groot, De Groodt, Grote, Groot. 
De Reus en Eeuse behooren hier ook toe. In tegenoverstelling 
van deze namen bestaan : De Kleine, De Cleine, De Cleyne, 
De Cleene, De Klein, De Cleyn, De Cleen, Kleine, 
Clene, Klein, Cleyn. Ik heb hier de woorden klein en hleen 
door eikanderen genomen. De form hleen is tegenwoordig nagenoeg 
volkomen buiten gebruik geraakt in de algemeene nederlandsche 
taal; althans in de byzonder-hollandsche schrijf- en boeketaal. 
En waar deze oude form nog voorkomt , wordt hy als volkomen 
gelijkbeduidend met klein gebruikt. Intusschen is er wel degelik 
onderscheid tusschen klein en Meen. Het eerste woord is het latynsche 
parvus ; het tweede het latynsche minutus. Onze voorouders , ook 
in Holland, voor zoo verre zy naukeurig en kiesch waren op 
hunne taal , onderscheidden wel naukeurig tusschen klein en Meen. 
De Vlamingen doen het nog heden wel , en de Priesen , die er 
twee verschillende woorden voor hebben , te weten Hts = klein 
= parvus , en klien = Meen = minutus , eveneens. Toch raakt 
tegenwoordig het woordje klien in Friesland en Meen in Vlaan- 
deren zeer in verval, door den infloed van het taalverarmende 
Hollandsch, dat deze fyne onderscheiding niet meer kent. 

De Lange, De Lang, De Langh, Lange, Lang en De 
Corte, De Kort, D'e Cort, De Curte, Kort. Ook D' Hooghe, 
De Hoogh, De Hoog, Hoog en Laag. 

De Vette met Veth, Dik en Den Dubbelden (een zeer 
dikke man , zoo dik als twee , als een dubbelde man) , met Mae- 
gherman, Magherman, Mager man, Mager. Ook Schrale 
en Schraal. 

Den Breejen, De Breejen, Breed en Br eet, met Sm al e 
en Smal. 

Den Oudsten, De Oude, De Olde, Den Ouden, Den 
Oude, Den Ouwen, Dauwe (D'Auwe, brabantsch , ook 
als patronymika Dauwen en S au wen, zie bl. 185), Doude 
(D' Oude), Den Olden, Oud en Out (Oldeman en Oude- 
mans reken ik ook hier toe), met De Jonge, De Jonghe, De 
Jong, De Jongh, De long, Jonge en Jong. De geslachts- 
namen De Jonge, enz. zijn zeer algemeen en komen zeer veelvul- 



3'40 GESLACHTSN. AAN ALGEMEENS LICHAMELIKE EIGENSCH. ONTLEEND. 

dig voor. Menige zoon droeg den zelfden naam als zijn vader. Ten 
einde hem nu van zynen vader te onderscheiden lag er dus niets 
naders voor de hand, dan eenvoudig het byvoechsel de Jonge" of 
de Jong" achter zynen naam te plaatsen, terwijl de vader dan nog 
ten overvloede wel door het toevoechsel de Oude" achter zynen 
naam onderscheiden werd. Deze oorspronkelik slechts persoonlike 
toenamen gingen wel op de zoons der aldus benoemde mannen 
over , en zijn in groot aantal tot geslachtsnamen geworden. 

Al de hier boven in deze opgenoemde namen behooren tot de 
algemeenst voorkomenden. Weinig plaatsen , vooral in de noordelike 
gewesten, waar deze namen niet voorkomen. Vooral De Groot, 
Klein, De Lang en De Jong zijn uit der mate talrijk. 

Andere persoonlike eigenschappen van algemeen-lichameliken 
aard worden nog vertegenwoordigd door de geslachtsnamen De 
Sterke, De Staercke, Sterk, Sterck, Stark; Struis, 
S t r u y s en misschien ook De Stuers, aangenomen dat deze naam 
eigenlik een letterkeer zy van De Strue,De Struys (struisch, 
in de beteekenis >an kloek en krachtig van lichaamsbou , is een woord 
dat vooral in de zuidelike Nederlanden in gebruik is). Dat de ge- 
slachtsnamen De Ronde, De Ronden en Rond hier ook be- 
hooren genoemd te worden , in de beteekenis van rond , dik , wel- 
gedaan van lichaamsform , acht ik zeer waarschijnlik. Komt nog 
een zware , grove lichaamsbou by die ronde , welgedane formen , 
dan ontstaat die gedaante , welke men wel vierkant (een vierkante 
kerel) noemt. De geslachtsnaam Vierkant is allicht oorspronkelik 
een bynaam geweest voor iemand die zulken lichaamsform ver- 
toonde. Maar met den geslachtsnaam Eyrond weet ik geen weg; 
als eene lichamelike eigenschap van eenig mensch althans kan ik 
hem niet verklaren. 

Verder behooren tot deze groep nog de namen De Schoone, 
De Schoonen, Schoone, Schone, Schoon, met Schoon- 
hoefd, Schoonheere, Schoonman en Schoonejongen. 
Verder De Fraeye, De Mooi, Mooyen Mooi, met M o o y e- 
kind, alsmede het verbasterd hoogduitsche Hupscher (Hb- 
scher). De afleiding van de geslachtsnamen Schone, Schoone 
en Schoon van het byvoegelike naamwoord schoon, fraai, 
mooi, is intusschen niet volkomen zeker, hoewel daar aan by De 



6ESLACHTSN. AAN ALGEMEENE LICHAMELIKE EIGENSCH. ONTLEEND. 341 

Schoone (wegens het lidwoord) , Schoon heere, enz. geen 
twyfel bestaat. Schoone toch is ook een oud-germaansche mans- 
vrnaarn , die zoo wel op zich zelven als in samenstellingen 
(Skoniburga, Skonehildis, Sconrat, Scon olf) voorkwam , 
gelijk men in Fjistemann's Altdeutsches Namenbuch op den naam- 
stam Skauni = de schoone, vinden kan. Zie ook de geslachts- 
namen Schoninga, Schoonie en Schoen tjens op bl. 73 
vermeld. 

De geslachtsnamen De Recht en D e R e g t , in tegenoverstelling 
met De Crom, Crom en Krom en met Den Bult, moeten 
hier nog genoemd worden. Zoo ook Stotteraar. 

Eindelik zijn nog de geslachtsnamen Blanckaert, Blank- 
aard, Blanquaert, Blanker t, De Blancke, Blancke 
en Blank aan eene algemeen-lichamelike eigenschap ontleend , aan 
eene by zonder blanke huidkleur. Dat echter de geslachtsnamen 
Blanks, Blanken en Blenken (dit laatste is slechts eene ge- 
wyzigde uitspraak) patronymika zouden zijn van' den bynaam blank 
(van huid), is geenszins zeker. Men vergelyke hetgeen op bl. 102 
aangaande de namen Blanken en Blanksma vermeld is. 

De geslachtsnamen Blondeel en De Blonde hebben vry wel 
de zelfde beduidenis als De Blancke. Immers gaan blondheid 
van haar en blankheid van huid gemeenlik samen. Maar als tegen- 
hangers van deze geslachtsnamen beschou ik de geslachtsnamen 
Donker en Doncker, met het patronymikon Donkers. 

By sommige menschen , lydende aan hartgebreken , vertoont de 
huid duidelik eene blaue , blau-achtig graue kleur. Ook is dit wel 
het geval na het gebruik van sommige geneesmiddelen. Waarschijnlik 
zijn de geslachtsnamen De Blaauwe, De Blaeuwe en Blauwaert 
oorspronkelik bynamen geweest van lieden , aan wier huid deze 
byzondere kleur eigen was. Ik kan my althans die namen anders 
niet verklaren. De naam Blauwaert is geformd als grijsaard , als 
Caluwaert, Scheluwaert (zie bl. 344 en 345) enz. Blauwert zou 
men in het Hollandsch zeggen. De naam is vlaamsch , en in Vlaande- 
ren inheemsch. Dat de geslachtsnamen Blaauw,Blaeu,Blaau, 
Blau en Blauw eveneens aan deze byzonderheid hun ontstaan 
te danken hebben , schijnt my minst genomen zeer twyfelachtig. 
Deze namen hunnen ook eenvoudig bestaan uit den oud-germaan- 



342 GESLACHTSN. AAN BYZONDERE LICHAMELIKE EIGENSCH. ONTLEEND. 

schen mansvrnaam Blau. Dat deze naam oudtijds bestaan heeft , 
en bepaaldelik in Friesland in gebruik was (al vermeldt Frstemann's 
Altdeutsches Namenbuch slechts eenen vrouena&m Blawa, en geenen 
manneliken form daar van) blijkt my uit den frieschen patronymikalen 
geslachtsnaam Blauma. Ook is my een geval bekend , dat een 
blauverwer , in de vorige eeu levende , het woord B 1 a a u w als 
geslachtsnaam aannam , in zinspeling op zijn beroep. Zoo handelde 
in dien tijd ook een friesche blauverwer, die zich Blauwstra 
noemde. In myne jeugd heb ik te Leeuwarden nog eenen blau- 
verwer, Blauwstra geheeten, gekend. 

Dat de geslachtsnamen De Groen en Groen ook tot deze 
groep gerekend moeten worden , durf ik niet beweren. Onmogelik 
is het niet , naardien werkelik een duidelik groenachtig-gele huid- 
kleur by sommige menschen , als een verschijnsel van leverziekte , 
wel gezien wordt. Maar deze huidkleur is toch altijd slechts ty de- 
lik , en duurt niet lang genoeg om aanleiding te kunnen geven 
tot eenen bynaam. Daarenboven de naam Groen is geenszins 
zeldzaam , en aan vele , onderling niet verwante geslachten eigen. 
Zoo veel te raadselachtiger is my het ontstaan van dezen naam. 
Kan er de oud-germaansche mansvrnaam Gruno (zie 29) in 
schuilen? Ei ja toch! 

126. Deze laatste namen voeren ons geleidelik van de algemeen- 
lichamelike tot de byzonder-liehamelike eigenschappen over. Te 
weten tot die geslachtsnamen , welke ontleend zijn aan de byzondere 
eigenaardigheden van het eene of andere byzondere lichaamsdeel. 
Nemen wy in d' eerste plaats die van het haar. De verschillende 
kleuren van het menschelike haar hebben oorsprong gegeven aan 
de geslachtsnamen 

De Witte, De Witt, De Wit, De With, Witte en Wit 
met De Zwarte, De Swarte, De Zwart, De Swart, De 
Swert, Zwart en Swart, en met de patronymika Swarts, 
Zwarts, Swartz, enz. Verder D e R o o d e , DeRooy,DeRooi, 
De Roo, Rood, De Bruine, De Bruin, De B rune, Bruin, 
Bruyn, De Gryze, De Gryse, De Grysen, De Grijs, 
Grijs, De Graauwe, De Graeuwe, De Graauw, De 
Graeu en De Schier e en Schier e. De twee laatste namen, 



GESLACHTSN. AA.N BYZONDERE LICHAMELIKE EIGENSCH. ONTLEEND. 343 

van frieschen oorsprong , zijn ontleend aan het friesche woord skir , 
dat grijs of grau beteekent, en in Friesland nog in volle gebruik 
is. Over de patronymika van den naam De Gr a au we, Graauw 
afgeleid, zie men bl. 185. De geslachtsnamen De Bonte, De 
Bont, Bonte en Bont reken ik ook hier toe. Immers lieden 
met bont haar , b. v. donker , met hier en daar een lichter ge- 
kleurde lok of vlok, zijn geenszins zeldzaam. Verder nog Wit te- 
bol en Wittebolle, Withaar en Witkop, Roobol en 
Roothooft, Swartbol en Swarthoofd. De geslachtsnaam 
Gryspeerdt, in Vlaanderen inheemsch , behoort ook tot deze 
groep, hoe vreemd het schyne. Gryspeerdt toch is eene ver- 
bastering van Grysperre, zoo als deze zelfde naam nog wel 
in oude stukken geschreven staat. By de gewone vlaamsche uit- 
spraak is het onderscheid tusschen Gryspeerdt en Grysperre 
ook minder groot dan het in geschrifte schijnt. y>Grys perre" is 
letterlik grijs hoofd, gryze kop; sperre" is een oud-vlaamsch woord 
voor hoofd of kop. Het leeft nog in de volksspreektaal , in som- 
mige uitdrukkingen; b. v. te perre staan" = op het hoofd staan, 
met de beenen in de lucht, als de spelende knapen wel doen. 
Men kan er de vlaamsche woordeboeken op na slaan. 

Als by bovengenoemde geslachtsnamen het lidwoord staat (b. v. 
De Wit), dan valt er niet aan te twyfelen dat het by voegelike 
naamwoorden zijn, die als persoonlike bynamen in gebruik zijn 
geweest. Maar iets anders is het als die namen op zich zelven 
voorkomen (b. v. Wit, Bruin). Dan kunnen deze namen oor- 
spronkelik ook wel anders niet zijn als eenvoudige mansvrnamen. 
Immers als oud-germaansche mansvrnamen , ook by onze voor- 
ouders in gebruik, komen Wit of Witte, Root, Brune en 
Grise wel voor. Men vindt ze allen vermeld , ook in samenstel- 
lingen , in Frstemann's Altdeutsches Namenbuch. De vrnamen 
Witte (men denke aan Witte de With) en Bruin of Bruno 
worden heden nog wel door Nederlanders gedragen. Zeer vele ge- 
slachtsnamen, meestal patronymika, zijn van deze mansvrnamen 
afgeleid;- b. v. Wittinga, Witting (ook in Engelland, met 
Whittington), Wittenck, Wytynck in Vlaanderen, Wit- 
sen, Wits en Wittema, Roding, Roodema, Roden en 



344 GESLA.CHTSN. AA.N BYZONDEBE LICHA.MELIKE E1GENSCH. ONTLEEND. 

R h o d e n s , met Rooikens (dat is Rodeken s) in verfloeiden 
verkleinform , enz. Zie ook bl. 79. 

Nog zijn aan byzondere eigenschappen van het baar ontleend 
de geslachtsnamen Kroese en Kroeze met Kroeskop, Kruis- 
haar (kruis in dezen naam is eene verbollandscbing van bet Sak- 
sische en frankiscbe krs , kroes) , Fijnhaar en Lankhaar. Als 
tegenhanger van Kruisbaar kwam in de vorige een de geslachts- 
naam Gladhair voor. Ongetwyfeld vinden de geslachtsnamen 
Krul, Krull, Crul, Krol enCrol ook bunnen oorsprong in het 
krullende haar van hem die eerst zulken naam droeg. De Ruig, 
Ruig, Ruyg en Ruge zijn geslachtsnamen die zekerlik ook 
op eenen ruigen haartooi betrekking hebben. Gemis van baar , kaal- 
heid, heeft oorsprong gegeven aan de geslachtsnamen De Caluwe, 
Kaal, Caluwaert, verbasterd tot Callewaert, en als patro- 
nymikon Calluwaerts. Caluwe, kaluw is de oorspronkelike , 
volle , zuiver nederlandsche , meest byzonder-frankiscbe form van 
het hedendaagsch algemeen -nederlandsche, meest byzonder-friesche 
woord kaal , zuiver friesch keal. De woorden caluwe , kaluw en kaal , 
keal staan in de zelfde verhouding tot eikanderen als zwaluwe , zwa- 
luw , friesch sweal , engelsch swallow ; als het vlaamsche geluwe , en- 
gelsch yellow, hoogduitsch gelb {b = uw), hollandscb geel, friesch 
giel ; als schaduw , engelsch shadow , zuiver friesch skaed , in de 
friesche steden ook skat, hoogduitsch schatt{en). Caluwaert, letterlik 
in het Hollandscb. kalert, is geformd als grijsaard. Dat kruse , 
kroese oudtijds ook als een mans vrnaam in gebruik moet ge- 
weest zijn , wordt bewezen door de patronymikale geslachtsnamen 
die daar van afgeleid, en op bl. 57 vermeld zijn. 

Niet aan het gemis van haar , maar wel aan bet gemis van hoofd- 
deksel, heeft de geslachtsnaam Bloothoofd zynen oorsprong te 
danken. De oorsprong der geslachtsnamen Brooshooft en Kluif- 
hoofd is minder duidelik. Zou Kluifboofd niet in de plaats 
staan van Kloofhoofd? Kluiven, kluif jes toch zijn gekloofde been- 
deren. Kloofhoofd zou dan een bynaam kunnen geweest zijn 
voor iemand wiens hoofd (schedel , hersenpan) door eene zware 
verwonding , eenen sabelhou b. v. , als 't ware door midden was 
gekloofd geweest, waar van hy zijn leven lang een duidelik zicht- 
baar likteeken overgehouden had. En Brooshooft kan een by- 



GESLACHTSN. AAN BYZONDERE LICHAMELIKE EIGENSCH. ONTLEEND. 345 

naam zijn geweest voor iemand wiens schedelbeenderen , door eene 
ziekelike aandoening , byzonder broos waren , zoodat zy , ook by 
geringe aanleiding , licbtelik braken. De maagschapsnaam 
Schoon hoefd (hoefd = hoofd) dient hier ook vermeld te worden. 

By het hoofdhaar behoort de beerd. Aan byzondere hoedanig- 
heden van den beerd zijn ontleend de geslachtsnamen Br e e ba art, 
Langebaerd en Langebaard, Eobaert en Eoobaart, 
Schoonbaert en Wi tb aard, welke geen van allen naderen 
uitleg behoeven. 

Byzondere hoedanigheden der oogen gaven aanleiding tot het 
ontstaan der geslachtsnamen Bruinooge en Bruynooge (eene 
byzonderheid by ons oorspronkelik blonde , blau-oogde volk) , L i e f- 
hooghe, Schoonooghe, Spanooghe (wijd open-gespannen oogen), 
Wijdhooge en Wijdoogen. In de namen Liefhooghe en 
Wydhooge is, door misverstand , eene h vr de eerste letter 
van het woord oog, ooge , ooghe geplaatst. Deze samen zijn in 
Vlaanderen inheemsch. De Vlamingen , die de h niet uitspreken , 
zijn wel onnaukeurig ook in het schryven van die letter , en plaatsen 
haar wel waar zy niet behoort. Of de geslachtsnaam Boeken- 
oogen ook tot deze groep behoort , en wat of deze naam dan betee- 
kent, en kan ik niet zeggen. Ik en weet het niet. Maar De Scheel e 
en Schele zijn duidelik. Het zelfde beteekent Scheluwaert, een 
vlaamsche geslachtsnaam, en een oud-vlaamsch woord tevens, dat 
letterlik schelert is in het hollandsche taaieigen , even als caluwaert 
en kalert. Het vlaamsche woord scheluwe staat in de zelfde ver- 
houding tot het hollandsche scheel , het friesche skU(ich) , als caluwe 
staat tot kaal, keal, enz. zie bl. 344. De hollandsche timmerlieden 
noemen een sclieef of scheel getrokken stuk hout nog schelf, dat 
is schelve , scheluwe. De Blinde, De Blende en Blinde- 
man zijn maagschapsnamen die ook behooren tot deze groep. 

Gebreken aan het oor hebben . voor zoo verre my bekend is , 
slechts aan nen geslachtsnaam oorsprong gegeven ; aan Den 
D o o v e n namelik. Opmerkelik is het dat geen enkele geslachts- 
naam zijn ontstaan dankt aan byzondere hoedanigheden van den 
neus. Althans is er my nooit zulken naam voorgekomen. Bynamen 
die op den neus betrekking hebben , worden er toch wel genoeg 
gegeven ! Maar de neus is een zeer gevoelig punt voor de men- 



346 GESLACHTSN. AAN BYZONDEEE LICHAMELIKE EIGENSCH. ONTLEEND. 

schelike ydelheid. Bynamen die gebreken van andere lichaamsdeelen 
aanduiden , laat men zich nog des noods welgevallen. Maar niemand 
wil zynen neus hooren smalen. Immers een leelike of misformde 
neus mismaakt het geheele gelaat. Geschonden neus is geschonden 
aangezicht. Dies al werden en worden bynamen als langneus", 
wipneus", klompneus" wel gegeven, niemand laat zich zoo'n 
bynaam aanleunen ; by niemand kon hy vaste toenaam worden 
en nog veel minder geslachtsnaam. By de oude B,omeinen vinden 
wy den bynaam neus" wel als een vaste toenaam aangenomen; 
te weten by Ovidius Nas o. En ook het enkele De Neus en 
Neus is my wel als een nederlandsche geslachtsnaam voorge- 
komen; zie 139. Maar deze eenvoudige namen laten het nog 
te raden over , of men hier oorspronkelik te doen heeft met eenen 
byzonder mooien of met eenen byzonder leeliken neus. 

De mond en het gebit worden genoemd in de geslachtsnamen S u er- 
mondt, Gul de mond en Goud e mond, Hazelip,I se rentant, 
Yzerentand, IserbytenQuatant. Een zuurmond" is een mond, 
die door eenen byzonderen trek de verdrietige , ontevredene inborst 
van den persoon verraadt , wiens eigen hy is. Het volk in Holland 
zegt nog wel: zuur -smoel" ; te Leeuwarden suertoet 1 '; toei", tu" 
is mond. Guldemond of Goudemond is een bynaam voor 
een zeer welsprekend man. Deze namen zullen wel geformd zijn 
in navolging van den griekschen mansnaam Chrysostomus, 
die eveneens gouden- of guldenmond beduidt ; immers recht volks- 
aardig is deze naam by ons niet. Hazelip is een naam voor de 
bekende misforming , sply ting , der bovenlip. De namen I s e r e n- 
tant, Yzerentand, Iserbyt duiden iemand aan, die zulk een 
krachtig gebit heeft, dat hy er yzer mede zoude kunnen byten. 
Het tegenovergestelde beteekent Quatant, kwade tand, slecht 
gebit. Volgens dezen laatsten naam schijnt een slecht gebit of 
kwade tanden wel eene uitzondering , eene byzonderheid geweest 
te zijn onder onze voorouders. Anders is het nu ! De geslachts- 
namen Quatannens en Quattannens, die op bl. 173 ver- 
meld staan als vadersnamen van Quatannes, Quathannes, 
den kwaden Johannes, kan men ook beschouen als versletene 
patronymika van dezen bynaam Quatant. 

Aan de gesteldheid van den hals zijn ontleend de geslachtsnamen 



GESLACHTSN. AAN BYZONDERE LICHAMELIKE EIGENSCH. ONTLEEND. 347 

Corthals en Korthals,Cromhals, Langhals, Scheefhals 
en Schevenhals, Stijfhals en Zwaanshals, die grootendeels 
duidelik genoeg zijn. Schevenhals komt door verkeerde uit- 
spraak en misspelling ook voor als Schevenhels en Scheven- 
els. Dichters mogen eenen blanken, slanken hals by eenen 
zwaanshals vergelyken , het volk is zoo dichterlik niet in zyne 
uitdrukkingen. Vooral niet als er sprake is van bynamen , die 
buitendien in den regel meer van smalenden, dan van pryzenden 
aard zijn. Men zie er deze geheele lijst van geslachtsnamen aan 
persoonlike bynamen ontleend , maar eens op na: Schoonman, 
Schoonheere, Schoonejongen, Liefhooghe en Schoon- 
ooghe zijn de eenigste uitzonderingen op dezen regel. Hoogstens 
dat de overige namen van onverschilligen aard zijn, als de Groot, 
Langebaard, Bruinooge. Dies wil ik by de verklaring van 
den geslachtsnaam Zwaanshals liever denken aan den aardry ks- 
kundigen naam Zwaanshals (zoo als b. v. eene buurt heet aan 
de Rotte , onder Hillegersberg , by Rotterdam) , en dien men wel 
geeft aan een vraagteeken-formig verloopend vaarwater. TSwaens- 
hals was ook de naam van eene brouery te Delft in de 18de eeu. 

De geslachtsnaam Jukkenekke is oorspronkelik een bynaam 
voor iemand die met eenen voorwaarts gestrekten , eenigszins styven 
nek loopt, zooals lieden doen die eene zware vracht dragen aan 
een juk op den nek, melkboeren, groentevrouen , enz. Dulcelhal- 
sich" zegt men te Leeuwarden daar voor. 

Geelhant en Geelhand zijn geslachtsnamen die, naar het 
my toeschijnt , niet aan eene hand met in het oog loopend gele 
huidkleur ontleend zijn , maar aan een uithangbord of gevelsteen. 
Immers De Ghele Hant" was de naam van een huis op de 
Verwersgracht te Amsterdam, ten jare 1656. Dit is ook het ge- 
val met den geslachtsnaam Guldenarm. Immers een (ver)gulden 
houten arm, met het eene'of andere voorwerp in de hand, was 
oudtijds een vry algemeen gevelteeken aan de huizen in de neder- 
landsche steden. Over de gele hand en den gulden arm zie men 
Van Lennep en Ter Gouw's Uithangteekens , dl. II, bl. 170 
en 171. 

Wat de geslachtsnaam Ouwehand eigenlik beteekent , is my 
niet duidelik. Maar Hardevuust wel; dit is een middeleeusche 



348 GESLACHTSN. AAN BYZONDERE LICHAMELIKE EIGENSCH. ONTLEEND. 

bynaam , duidelik van beteekenis , en die in Zuid-Nederland nog 
als geslachtsnaam voorkomt. 

Talrijk zijn de bynamen die aan de byzondere gesteldheid van 
been en voet ontleend zijn : Blaaubeen, Crombeen, DeCro rn- 
been, Langbeen, Spillebeen, Strakbeen, Roodbeen 
zijn namen die geenen uitleg eischen, evenmin als Blaevoet 
(Blau-voet) 1 , Slingervoet, Platvoet en Plaetevoet, en 
Zwartvoet, Stutvoet is de voet aan een opgekrompen been 
(door beupziekte) , die door een stut wordt ondersteund. Ande- 
voet wordt in sommige gouspraken gezeid voor eendevoet''' '. Hy is 
dus ook een platvoet" . Ligtvoet zal oorspronkelik wel een by- 
naam geweest zijn voor iemand die licht te voet , vlug te been 
was, in loopen , springen of dansen. Holvoet en Hollevoet 
zijn de tegenhangers van platvoet ," en aldus genoemd naar den 
hoog gewelfden form van den voet , waar door de vrye holte onder 
den voet byzonder groot wordt. Witvoet, enkel naar de witte 
huidkleur van den voet , als Blaevoet en Zwartvoet? De 
uitdrukking witvoet" schijnt oudtijds eene byzondere beteekenis te 
hebben gehad. Men zegt nog: by iemand een witten voet (een 
wit voetje) hebben", en dat beduidt: byzonder in iemands gunst 
staan." Haze. voet, Haesevoet, en als patronymikon Hase- 
voets; zou dit geen bynaam zijn voor iemand van eene vrees- 
achtige inborst , snel bereid tot de vlucht ? Of voor iemand die 
zeer snel kan loopen ? Het kenmerkende van den hazevoet is ove- 
rigens, dat ook de zolen bebaard zijn. Dit byzondere kenteeken 
komt echter by menschen , zoo ver ik weet, niet voor, en heeft 
dus geen aanleiding tot eenen bynaam kunnen geven. Koe- 



1 De oude Nederlanders hadden te recht eenen tegenzin om de zelfde klinklettei' 
twee maal onmiddellik naast eikanderen te plaatsen. Daarom schreven zy strae.t en 
muer , gelijk de Vlamingen voor weinige jaren nog deden , terwijl de Hollanders 
reeds sedert anderhalve eeu straat en muur schryven. Zoo ook Blaevoet in plaats 
van Blauvoet of Blaeuvoet; immers u en v is oorspronkelik de zelfde letter. 
Hoe omslachtig ;taan daar tegenover de spelwyzen BI aan w voet volgens Siegen- 
beek , Blauwvoet volgens De Yries en Te Winkel, waar men de u of v vier 
maal naast eikanderen plaatst (immers w is twee maal v of v) en zeven of acht 
klinkers op eikanderen laat volgen! De naam van Wilhelm Blaevoet komt 
reeds voor in cenc oorkonde van den jare 1176 (Zie Louis de Baecker, Les F/a- 
mands de France, bl. 372) En nog heden bestaat deze geslachtsnaam in Ylaauderen. 



GESLACHTSN. AAN BYZONDERE LICHAMELIKE EIGENSCH. ONTLEEND. 349 

voet en Coevoet, ook als vadersnaain Koevoets, en zelfs 
Kofoed (als ik niy niet bedrieg uit Noorwegen afkomstig), is 
een geslachtsnaam die geenszins zelden voorkomt. De koevoet , het 
bekende werktuich , kwam oudtijds ook wel als uithangteek-en of 
gevelsteen , als huisnaam voor. Boven een poortje te Utrecht stond 
hy in 1867 (en misschien nog heden wel) uitgehouwen, met het 
opschrift In den Koeivoet. 1 6 9 1". 1 Maar dit uithangteeken 
behoorde toch volstrekt niet tot de meest voorkomenden, en het 
schijnt my dus wel een weinig gewaagd al die geslachtsnamen 
Koevoet van huisnamen af te leiden. Ondertusschen weet ik 
geenen anderen oorsprong van dezen naam aan te geven. Want dat 
een menschelike voet, al is hy op de eene of andere w'yze mis- 
formd, met eenen koevoet vergeleken werd, of in de volksspraak 
zoo genoemd werd , is my nooit voorgekomen. Het vierde gedeelte 
van eene geslachte koe , behalven kop , ruggestreng en ribben , 
draagt ook den naam van koevoet". Om een einde te maken 
aan al deze voeten, vermelden wy nog de geslachtsnamen Bar- 
voet, Barrevoet, Barfoed, Berrevoet, als" patronymika 
Barvoets, Bervoets, Baervoets, enz. , ontstaan als byna- 
men van lieden die men gewoonlik zonder schoeisel zag loopen. 
Dit gebeurde oudtijds zeker minder zeldzaam dan tegenwoordig, 
te oordeelen naar de talryke en veelvuldig voorkomende geslachts- 
namen , die hierop betrekking hebben. 

Slechts een enkele geslachtsnaam is my bekend die aan eene 
byzondere gesteldheid der toonen ontleend is. Te weten Steketee. 
Tee , en niet teen , of too , en niet toon , overeenkomende met het 
hoogduitsche zehe , het engelsche toe , het deensche tact , het 
zweedsche to, is het oorspronkelike woord, in het enkelvoud. De 
West- Vlamingen hebben ook hier, als in zoo menig ander geval, 
den zuiveren woordforra behouden. Zy zeggen nog heden tee , tegen- 
over het verbasterde teen of toon der Noord-Nederlanders. Zoo ook 
gebruiken de West- Vlamingen nog heden den zuiveren ouden form 
schoe , even als de Friesen skoe , de Hoogduitschers schuh , de En- 
gelschen shoe , de Zweden en Denen sko , tegenover het verbasterde 
schoen der Hollanders. Deze verkeerde hollandsche formen teen of 



1 Van Lennep en Ter Gouw, JJitlimigteehens. Dl. II, bl. 207. 



350 GESLACHTSNAMEN AAN GEESTELIKE EIGENSCHAPPEN ONTLEEND. 

toon en schoen zijn ontstaan uit de meervoudsformen teen of toon 
en schoe'n , die lichtelik in d' uitspraak tot teen of too^n en schoen 
"worden samengetrokken. De maagscliapsnaam Steketee is eenvou- 
dig steekteen, een tee {teen) die steekt dus wellicht oorspronkelik 
de bynaam van eenen man die met likdoorns bezocht was. 

Ten slotte moet hier nog de geslachtsnaam Suyckerbuyk en 
Suiker buik worden vermeld. Is dit oorspronkelik niet de by- 
naam voor eenen man die geerne suiker eet , of in meer uitge- 
breiden zin , voor eenen lekkerbek ? En dan nog vier namen afgeleid 
van eene byzondere gesteldheid van een inwendig lichaamsdeel , van 
de lever. De volksmeening houdt zich veel met de lever op, en 
schrijft daar aan allerlei byzonderheden toe. Van den man die veel 
dorst heeft en veel drinkt , zegt men dat hy eene droge lever heeft. 
Van eenen man die kort na zijn huwelik zyne vrou door den dood 
verliest , en by wien dit ongeval zich twee , drie malen herhaalt , 
zegt het volk , op geheimzinnigen toon , hy heeftf eene witte lever !" 
Ik hoorde dit nog in myne jeugd , te Leeuwarden. N Van daar de 
geslachtsnamen Droogleever en Witlever. Wat echter oor- 
sprong gaf aan de geslachtsnamen Cortlever, Kortleever en 
Ringlever en kan ik niet mededeelen , omdat ik het niet en weet. 

127. Het getal der geslachtsnamen, die oorspronkelik bynamen 
zijn aan de eene of andere byzondere eigenschap van de inborst , 
het gemoed , het zielsleven van dezen of genen persoon ontleend , 
is nog veel grooter dan het getal der geslachtsnamen in de vorige 
afdeeling behandeld. Wat de oorsprong dezer namen als bynamen 
betreft , deze is de zelfde als by de namen aan lichamelike eigen- 
schappen ontleend , aangegeven is. Die oorsprong , en de beteekenis 
dezer namen , zijn meestal duidelik genoeg. 

Uit een taalkundig oogpunt beschoud , kan men deze namen 
gevoegelik in drien verdeelen. Namelik voor zoo verre zy uit 
eenvoudige byvoegelike naamwoorden en by woorden bestaan (Dap- 
per, Zuinig, Kostelijk) of uit zulke woorden met een 
lidwoord er voor (DeGroede,DeWreede,DeSurgeloose) 
of uit een zelfstandig naamwoord , met of zonder lidwoord (Den 
Held, Zorgdrager, Goedhart). Deze verdeeling is tamelik 
willekeurig , en ik zal er my , by 't vermelden der geslachtsnamen 



GESLACHTSNAMEN AAN GEESTELIKE EIGENSCHAPPEN ONTLEEND. 351 

van deze afdeeling , dan ook niet streng aan houden. En te meer niet 
wijl de zin , de beteekenis die in deze geslachtsnamen opgesloten 
ligt , dikwijls gebiedt om verschillende namen uit de drie onder - 
afdeelingen by eikanderen te voegen en met eikanderen te ver- 
melden. 

Beginnen wy met de goede eigenschappen , dan moeten eerst 
vermeld worden de geslachtsnamen Goed, Best, Wijs, 1 enz. 
Dan komen Deftig, Droog, Streng 3 , en daarna D o m , G r a m , 
Slegt. 3 De Goede, De Reine en Reyne, De Vroede, 4 
met De Droog, De Loos en De Looze en De Slegte, De 
S n o o en S n o o y (de snoode) en De Wreede, 5 formen de na- 
men onzer tweede afdeeling. Eindelik maken de geslachtsnamen 
) 

1 Al goed, Alderbesten, Alder liesten (een versletene form van alder- 
liefsten , allerliefste) , Bemindt, Bly met De Bly en Evenbly, Brave, 
Dankbaar, Dapper, Edel, Ernstig, Frisch, Geneugelijk, Goeder- 
tier, Helder, Kloek en Cloeck, Knap en Knappe, Levendig, Netjes, 
Kostelijk, RijkenRyckaert, Rustige, Su y ver, Vrolik, Vrolijk, Vroo- 
lik en Vroolijk, Verheugd, Vlug, Vroom, Welgemoed, "Weltevreden 
en Weltevreede met Content. Nevens Welgemoed komen ook nog voor : 
Ligtermoed (licht te moede, licht- of luchthartig), Vrymoed en "Vriemoet, 
en het min of meer raadselachtige Verschgemoed. 

" Behouden (zeker oorspronkelik de bynaam van iemand die behouden bleef 
by eenig groot ongeluk , of die behouden t' huis kwam van eene gevaarlike reize ?) , 
Flauw, N u g t e r e d , Verdoold, Verloren en Verloor e met Vermist 
(deze laatsten als bynamen van vermiste, verdoolde of verlorene , maar weer te recht 
gekomene kinderen?), Weerloos, Welbedacht, Welbekend, Zagt en De 
Sagte ea Zuinig. Aangaande den naam Verloren zie men ook 157. 

3 Leep, Stout, Woest. De naam Stout kan ook opgevat worden in de 
oude beteekenis van moedig, dapper (zoo als by den bynaam van Ka rel den 
Stoute); ook kan hy eene verdietsching zijn van den hoogduitschen geslachtsnaam 
Sto.lz, die ook hier te lande voorkomt. 

4 De Goedt, De Goeje, De Goeyen, Den Goeyen, Den Besten, De 
Coene, De Kloeke. De Kuysche, De Milde, De Rijcke en Ryke, De 
Vroe en De Vroey (versletene en verfloeide formen van De Vroede), De 
Vroome en Vroome, De Wacker en De Wijs met het hoogduitsche Weis 
en het fransche Le Sage. De bynaam De Vroede is reeds van zeer oude dag- 
teekening. Immers droeg, volgens het brugsche weekblad Rond den Heerd, dl. 
VIII, bl. 106, een aanzienlik burger van de vlaamsche stad Iperen, ten jare 1127, 
den naam van Wilhelm de Vroede. 

8 Den Dullen (datis: de dolle), De Loome, Monster (dat ook oorspron- 
kelik de naam wezen kan van het dorp Monster \_Monasterium~] in het holland- 



352 GESLACHTSNAMEN AAN ALLERLEI EIGENSCHAPPEN ONTLEEND. 

Dapperheid met Vrybloed, 1 dan Goethals, De Praeter 
en De Leener, 2 en ook Ledeganck, Hooghart en Quat- 
aert 3 de namen uit van de derde afdeeling. Laatstgenoemde 
naam is eene oude spelling van kwaadaard , iemand van kwaden 
aard, van kwade geaardheid. 

Byzondere namen , tot deze groep behoorende , zijn nog : B e- 
kaeghel, Behaghel, Behaegel en Behagel, die vooral in 
de zuidelike gewesten inheemsch zijn. Behaeghel , behaghel" is eene 
oudtijds gebruikelike afkorting van behaeghelick , behagelijlc" , gelijk 

sche Westland), De Harde, De Herde en D'Harden, De Quay (oude spel- 
ling en versletene form van De Kwade), De Simpel, DeSlimme en Slimme 
(met de hoogduitschc weerga Schliramer) , De Sot, De Stante (zie Stout 
uier boven), De Sukkel eu Sukkel. Verder DeSurgeloose (het woord zorg 
wordt in uienige gouspraak als zurg , surg , surch uitgesproken , (zie bl. 223) met 
Sorgeloose en Sorgeloos, De Wilde, De Wild en De Wildt, eu eindelik 
L u y s t e r a a r. 

1 Den Held met Held, Heldt eu Helt, Goedbloed en Goetbloet 
met Goedhart, ook Jongbloed, Jongebloed, Jonckbloedt, Jonck- 
bloet en Jonkbloed; dan nog J o n k h a r t. 

2 De Praetere, De Sorgher, Sorgdrager, Helper, 'Trooster en 
Raadgever, Ligthert en Ligtbart, Prouckert en Pronk, De Sloovere 
en Sloof. Een by form van den naam R a a d g e v e r is nog de geslachtsnaam R a a d g e p , 
eene zonderlinge quasi- verdietsching van den hoogduitschen maagschapsnaam Rath- 
geb , die ook in ons land voorkomt. Dat deze naam reeds zeer oud is, bewijst d' omstan- 
digheid dat hy reeds in de middeleeuen in versletenen form voorkwam. Immers zekere 
Wouter Ratgheer (Raadgever) was ten jare 1345 schepen der slede Sluis in Vlaan- 
deren (zie De Oude Tijd , jaargaug 1870 , bl. 114.). Verder behooreu tot deze groep nog 
de namen Looper en De Looper (een oude beroepsnaam? uit den tijd toen de 
groote heeren er eeneu looper op nahielden ?) , De W andelei r , Springer en 
De Springere, Stopper, De Fluiter en Fluyter, De Telder, Hard- 
loop e r en H a r 1 1 o o p e r met Dribbelaar, Vlieger, De Vlieger en De 
V liegher e, Hoogklimmer, Zwemmer, Duyker, Duiker en Duker, 
Schuyler, De Slooper, Stoker en Roker, Blazer, Blaaser en Brom- 
mer, Waayer en Zwaayer, Swerver en Zwerver, De Smyter, Roe- 
per en De Roeper, Schrikker, Kermer, Lagcher, Weener (kan ook 
de naam zijn van het oostfiesche vlek Weener), Schreyer en in Friesland 
Schriemer (eigenlik slcriemer , dat schreier beteekent). Ten slotte nog, als patro- 
ny mikon , D r o o m e r s. 

3 Leedegang en Ledeganck (oorspronkelik zeker wel de bynaam van eeneu 
ledigganger , leglooper), Drayer (kan ook aan een handwerk, wieldraaier, ontleend 
zijn), Praalder, Sluyper, Zwendelaer, Dobbelaer, Dobbelaar, Dob- 
beleer, Dobbeleire en De Dobbelaer e met De Dobbeleer. 



GESLACHTSNAMEN AAN ALLEBLEI EIGENSCHAPPEN ONTLEEND. 353 

men oudtijds het woord Jmtelick" ook wel tot lcoster afkortte. Door 
de gewone verwisseling van (vlaamsche en zeeusche) h in g, is 
van het oorspronkelike zuid-nederlandsche Behagel in Noord- 
Nederland Be gag el geworden. Immers onder dezen zonderlingen 
form is deze naam te Hoorn als geslachtsnaam inheemsch. De ge- 
slachtsnamen Eoosenschoon en Verguit kunnen naueliks op- 
gevat worden als bynamen van mannen. Toch moeten zy dit ge- 
weest zijn. Maar de reden waarom ze gegeven werden , laat zich 
achterna moeielik gissen. By den geslachtsnaam Reukeloos 
heeft men niet te denken aan de hedendaagsche beteekenis van 
dit woord (niet riekend , zonder geur) , maar aan de oude , ver- 
ouderde beduidenis van ^roekeloos". Gouweloose kan ik niet 
verklaren; beteekent deze geslachtsnaam misschien ^goudeloos" , zon- 
der goud , de geldelooze ? Hy zoude dan de weerga zijn van den ge- 
slachtsnaam Dhaveloose, dat is D'Haveloose, De Have- 
looze, welke naam ook nog meer misschreven als Daveloose 
en Dhavelosse, aan verschillende geslachten eigen, voorkomt. 
Want ook dit woord haveloos moet niet in de hedendaags meest 
gangbare beteekenis van verwaarloosd , liederlik vuil worden opge- 
vat, maar in de oude en rechte beduidenis zonder have, zonder 
bezitting , zonder eigendom. By nog een paar andere geslachts- 
namen is , even als by Dhaveloose, het lidwoord met het by- 
voegelike naamwoord versmolten ; te weten by Doosche en Dedel. 
De naam Doosche is in West- Vlaanderen inheemsch , en heeft , 
volgens de vlaamsche uitspraak, en even als Daveloose, eene h 
verloren. Immers in oude oorkonden komt deze zelfde naam voor 
als Dhoosche, D'H o o s c h e , dat is De Hoosche, versleten 
van De Hoofs che, een naam die dus in beteekenis overeenkomt 
met den franschen geslachtsnaam Courtois, welke ook in de 
Nederlanden voorkomt. De geslachtsnaam De Heus heeft volko- 
men den zelfden oorsprong en de zelfde beteekenis als Doosche. 
Immers ^hoofse]" is in het Hoogduitscb ifisch, en ook de bra- 
bantsche en geldersche gouspraken geven aan de o van dit woord 
den gewyzigden klank: -heufscli\ Van De Heii/sche" kwam De 
Meusche" en, als hedendaagsche geslachtsnaam, De Heus. Ook het 
woord heusch als byvoegelik naamwoord en bywoord, meest in 
Holland in gebruik , is eene verbastering en afslyting van heufsch , 

?3 



354 GESLACHTSNAMEN AAN ALLERLEI EIGENSCHAPPEN ONTLEEND. 

hoofsch. Het hoogduitsche by voegelike naamwoord en by woord hbsch , 
is al mede eene verbastering van Mbisch , hbisch , hfisch , en van 
dezen hoogduitscben form hbsch is ons woord hupsch weer eene 
leelike wan-verdietsching. Het boogduitscbe woord hbsch heeft weer 
oorsprong gegeven aan den geslachtsnaam Hiibscher, in Duitsch- 
land niet zeldzaam , en in beteekenis samenstemmende met onze ge- 
slachtsnamen DeSchoone, De Fraeye, DeMooy. En deze naam 
Hbscher is in Nederland weer half verdietscht tot Hupscher. 
Zoo dat de geslachtsnamen Doosche, De Heus en Hupscher, 
hoe vreemd het schyne , den zelfden oorsprong hebben , ja de zelfde 
woorden zijn. De naam Dedel, eigen aan een oud-utrechtsch adellik 
geslacht, komt in oude oorkonden dikwijls voor als D'Edel en 
De Edel, ook wel als Den Edelen, by uitbreiding, en als 
Deel (D'Eel), by inkrimping. Ja, in ne en de zelfde oorkonde, 
van het jaar 1420, wordt zeker lid van dit geslacht, Lambert 
geheeten , afwisselend genoemd Lambert Dedel, L. d'Edel, 
L. Edelen en L. den Edelen. 1 Men vergelyke ook de geslachts- 
namen Doude en Dauwe, op bl. 339 vermeld. 

Of Grim, ook in hoogduitsche spelling als Griinm voor- 
komende , opgevat moet worden als het byvoegelike naamwoord 
grim, grimmig, dus als de weerga van den geslachtsnaam Gram, 
dan wel of deze naam oorspronkelik anders niet en is als de mans- 
vrnaam Grim, moet ik in het midden laten. De oud-germaansche 
mansnaam Grim, Grimmo is oudtijds ongetwyfeld ook by onze 
voorouders in gebruik geweest. Onze patronymikale geslachtsnamen 
Grimmenga, Grimminck en Grimmink strekken ten be- 
wyze daar van, even als de plaatsnamen Grimmingen, een 
dorp in Oost- Vlaanderen , en Grimmenes, een gedeelte van Oud- 
Amsterdam (de hedendaagsche Grimmenesse-sluis heet er nog 
naar). Verder is nog Grimmen de naam van eene buurt by 't 
dorp Grootkerk (of Hohenkirchen) in de oud-friesche gou Wran- 
gerland (Oldenburg); Grimsthorpe ligt in Lincolnshire (En gel - 
land); en Grimminghausen, zoo heeten twee westfaalsche 
dorpen, een by Herford , 't andere by Meschede gelegen. 

Even als met Grim, zoo is het ook met de geslachtsnamen 



1 De Navorscher, dl. XXXIII, bl. 234 en 236. 



GESLACHTSNAMEN AAN ALLERLEI EIGENSCHAPPEN ONTLEEND. 355 

Snel en Wakker en Wacker. Beide deze namen hunnen oor- 
spronkelik bynamen zijn, en wel de bekende byvoegelike naamwoorden 
snel en wakker. Maar bet kunnen ook evenzeer de oud-germaanscbe 
mansvrnamen Snel en Wakker zijn. Aangaande deze oude 
mansvrnamen , en de geslacbtsnamen met de plaatsnamen daar 
van afgeleid, zie men bl. 47 en bl. 133. De geslachtsnaam Dazert 
beeft de zelfde beteekenis als zot of clivaas. Het woord dwaas wordt 
in sommige nederlandscbe gouspraken , onder anderen in die van 
West- Vlaanderen (zie L. L. de Bo's Westvlaamsch Idiotikori) en van 
Holland , altbans te Haarlem nog dageliks , uitgesproken als daas. 
En dazert of dwazert {dwaas-aard) is daar van afgeleid. Eindelik 
moet nog genoemd worden de geslacbtsnaam De Nieuwe, als 
bynaam gegeven aan iemand die ergens nieu kwam wonen ; deze 
naam beeft dus den zelfden oorsprong als Nieuwboer, Nie- 
meyer, Nyman, enz. op bl. 302 en 304 vermeld. 

Ook de geslacbtsnamen Den Dievel en Den Engel met E n- 
g e 1 boud ik voor oude bynamen. Dievel is de oud-vlaamscbe form van 
bet woord duivel; Kiliaan vermeldt bet nog in dezen form. Ook 
de friescbe taal beeft in overeenkomst met bet engelscbe woord 
devil , divel voor duivel. Den Dievel is , als geslacbtsnaam , in 
Vlaanderen inbeemscb , en aldaar reeds van oude dagteekening. 
Immers vermeldt een grafschrift in de St.-Jans-kerk te Sluis in 
Vlaanderen zekeren Cornelis de Dievele, die starf in 't jaer 
1496". 1 Dat bet volk aan dezen of genen boosaardigen man den 
bynaam geeft van duivel, komt nog dageliks voor; bynamen als 
Piet den Duivel, Hein de Duvel ofDurk Divel (in Fries- 
land) kan men in onze achterbuurten wel hooren gebruiken. Maar 
in andere gevallen kan zulk een geslachtsnaam ook wel aan den 
naam van een huis, waar de Du y vel" uithing, ontleend zijn. 
In de 15 de eeuw vindt men onder de regeeringsleden" (van Am- 
sterdam) een familie Boel, en een tak daarvan voerde den toe- 
naam van Duy vel. In 1420 was Jacob Boel, gezegd Duyvel , 
Burgemeester, in 1470 Jacob Boel Claasz, gezegd Duyvel, 
Schepen, en in 1486 Coert Jacobsz. Boel, gezegd Duyvel, 
Schepen en in 1490 tevens Raad. 't Is niet te onderstellen, dat 



i Bf Navorscher, dl. XXXIII, 1)1. 113. 



356 GESLACHTSNAMEN AAN ALLERLEI EIGENSCHAPPEN ONTLEENT). 

men aan mannen, die alzoo bleken het vertrouwen hunner mede- 
burgeren te bezitten , dien leelijken toenaam zou gegeven hebben , 
of dat zij zich dien zouden hebben laten aanleunen , indien het 
niet was omdat het huis, door hen bewoond, naar het teeken dat 
er uithing, dien n.iam voerde. Ook een geslacht van dien naam 
was er in de laatste helft der volgende eeuw te Amsterdam be- 
kend en een der leden daarvan behoorde tot de Watergeuzen." 1 

De geslachtsnaam Den Engel kan aangenomen zijn als tegen- 
hanger van Den Dievel; zie 168. Of, met Engel, ook als 
bynaam voor een byzonder engelachtig man , en dan gewis in scherts 
bedoeld. Ook kan het zijn dat deze geslachtsnaam oorspronkelik 
anders niet en is als een huisnaam , aan een gevelteeken ontleend. De 
geslachtsnaam Coor engel, dien ik niet verklaren kan , moge hier 
by ook vermeld worden. Engel (zonder lidwoord) kan ook een- 
voudig de oud-nederlandsche mansvrnaam Engel zijn , die in Hol- 
land , o. a. te Katwijk , my bekend , nog wel in gebruik is . en ook 
in Friesland, als Eng el e, geenszins zeldzaam voorkomt. Van dezen 
mansnaam zijn ook de patronymikale geslachtsnamen Engels, 
Engelen en Engelsma ontleend, met Engelkens en En- 
gel k es, in verkleinform. De geslachtsnaam Van Engelen duidt 
op eenen plaatsnaam. In der daad bestaat er dan ook een dorp 
Engelen, in Noord-Brabant , by 's Hertogenbosch. 

Ten slotte dienen hier nog eenige geslachtsnamen vermeld te wor- 
den , als tot deze groep behoorende , maar die ik moeielik of on- 
mogelik verklaren kan. Zy bestaan uit eenige byvoegelike naam- 
woorden van smaak en van kleur : De Soete, Soete, Soet, 
Zoet, met Zuur, Zuur e en Bitter. Deze namen weet ik 
anders niet te duiden , dan door aan te nemen dat zy , als by- 
namen , in gebruik gekomen zijn om de byzondere gemoedsstem- 
ming, in overdrachteliken zin, by dezen of genen aan te duiden. 
Vooral met den naam De Soete schijnt my dit het geval te 
wezen, ofschoon eene andere afleiding ook kan gegeven worden. Zoo 
weet ik b. v. van twee broeders, de eene een apotheker, de andere 
een kruidenier , die door hunne stadgenooten met de bynamen 
de zoete' 1 en de bittere" werden onderscheiden. Zoo iets kan by 



1 Tan Lennep en Ter Gouw, Be Uithangteehens, dl. I. bl. 40. 



GESLACHTSNAMEN AAN ALLERLEI EIGENSCHAPPEN ONTLEEND. 357 

't ontstaan van bovengenoemde geslachtsnamen ook hebben plaats 
gehad. 

De oorsprong van sommige maagschapsnamen , afgeleid van naar- 
en huidkleur , heb ik op bl. 341 344 vermeld. Waren de namen De 
Blaeuwe, Blaauw, enz. en De Groen en Groen my reeds 
twyfelachtig wat zal ik dan maken van Blader gr oen, Hoog- 
bruin en Reynwit? Ik welken zin kunnen deze namen eerst 
in gebruik gekomen zijn om mannen aan te duiden? Ik weet het 
niet. De drie laatstgenoemde namen zijn , op zich zelven genomen , 
nog verstaanbaar. Maar de geslachtsnamen CroockewitenHulse- 
wit zijn my volkomen onverklaarbaar. Zoo schijnt ook de geslachts- 
naam Bruinzwart, die ook als B r u i n s w a r t voorkomt , tamelik 
vreemd . Maar hier helpt ons de geslachtsnaam VanBruinzwaard 
uit de onwetendheid. Immers het voorvoechsel van duidt aan dat 
wy hier met eenen plaatsnaam te doen hebben. En zoo is het 
in der daad. Deze drie geslachtsnamen zijn anders niet als ver- 
hollandschte formen van den frieschen plaatsnaam Brunswarden, 
zoo als een gehucht heet by het dorp Rodenkerk in de oud-friesche 
gou Butjadingerland (Oldenburg). De geijkte naam Brunswarden 
wordt door het friesche volk steeds als Brunswert" (natuurlik 
met hoogduitsche u) uitgesproken , even als de Friesen hunne hoofd- 
stad Leeuwarden ook Liowert noemen , het dorp Sengwarden 
Sennewert en/. De form van den geslachtsnaam Bruins wart is 
eene regelrechte verhollandsching ; maar Bruinzwart en Van 
B ruinzwaard zijn verbasterde formen. Die deze namen eerst 
alz hebben geschreven , hebben ongetwyfeld het woord Bruins-wart 
niet verstaan. Zy hebben gemeend dat het Bruin-zwart" was. De eene 
heeft daarby waarschijnlik gedacht aan zekere kleur, bruinachtig- zwari ' ; 
de andere aan een bruin zwaard. Zij hebben de s niet erkend als 
eindletter van eene lettergreep of een woord (bruins) , maar hebben die 
letter als beginletter (swart of ook staaard, zwaard) aangezien. Zoo 
kwamen zy er ook toe om die s te verwisselen met eene z, op 
hollandsche wyze. Volkomen door het zelfde misverstand wordt 
de geslachtsnaam Van Lam zweer de tegenwoordig aldus ge- 
schreven , als of hy bestond uit de woorden lam en zweerde , en 
niet Van Lamsweerde, gelijk het wezen moeste. Echter draagt 
eene nederlandsche maagschap dezen naam ook aldus in den goe- 



358 GESLACHTSNAMEN AAN HUISNAMEN ONTLEEND. 

den form. Immers is deze geslachtsnaam ontleend aan den naam 
van den polder Lamsweerde , in het Land van Hulst , Zeeuseh- 
Vlaanderen , gelegen. Deze naam Lamsweerde (Lams-weerde) 
wordt tegenwoordig wel verhollandscht tot Lamswaarde, en 
nog meer verbasterd tot Lamzwaard e. Zoo ook worden de 
plaatsnamen Ammersode (Ammers- ode), dorp in den Bom- 
melerweer d , Gelderland, en Walsoorde (Wals-o orde), de veer- 
buurt aan de Schelde by 't dorp Hontenisse in het Land van Hulst , 
heden ten dage wel als Ammer zoden en Walzoorden mis- 
formd en onverstaanbaar gemaakt. l En. dat deze verkeerde af- 
breking der lettergrepen , met de misspelling van s als z , daardoor 
veroorzaakt, reeds oud is, bewijst de naam van den balju van 
Rotterdam , Willem van Reymerzwale (dat is : Eeymers- 
wale [Reimer 's wal e], de toen nog bestaande zeeusche stad); 
welke naam alz geschreven , voorkomt in eene oorkonde van den 
jare 1514. 

De geslachtsnaam Oranje komt my voor niet te moeten wor- 
den opgevat als de kleurnaam oranje , maar als eene party -leuze , 
als een bynaam , gegeven aan eenen voorstander van de staatkundige 
partyschap der aanhangers van het huis van Oranje , in de vorige eeu. 



C. GESLACHTSNAMEN AAN HUISNAMEN ONTLEEND. 

128. Even als heden ten dage elk huis in onze steden en 
dorpen zijn nummer heeft , zoo had oudtijds elk huis zynen eigenen 
naam , waarby het bekend was , en waardoor men het onderscheiden 
konde van andere huizen. In de steden voornamelik , maar ook wel 
in de beboude buurten der groote dorpen , was elk huis voorzien 
van eenen gevelsteen , van een uithangbord of een uithangteelcen , 
waarop de naam van het huis , 't zy in beeldtenis , 't zy in letter- 
schrift , gewoonlik wel in beide formen , vermeld stond. Deze zaak 
is genoechsaam bekend. Ook zijn er nog heden in onze steden en 
dorpen zeer vele huizen overgebleven al mindert hun getal ook 



1 De Navorscher, dl. XXXIII, bl. 128. 

2 Informatie zcp den stael van Hollant, bl. 469. 



GESLACHTSNAMEN AAN HUISNAMEN ONTLEEND. 359 

dageliks die zulk eenen naam dragen , en in afbeelding of op- 
schrift aan den gevel vertoonen. Hoe algemeen die huisnamen 
waren , hoe zy aan alle mogelike dingen en zaken waren ontleend , 
hoe zy reeds vroeg , by de eerste opkomst onzer steden in de 
middeleenen , in gebruik kwamen , en hoe zy stand hielden tot in 
het begin dezer eeu dit alles kan men uitvoerig en geestig 
beschreven vinden in het te recht vermaarde werk van Van Lennep 
en Ter Gouw, De Uhangteekens. 

Het ligt voor de hand dat zulke huisnamen wel overgingen op 
de personen welke in die huizen woonden. Als b. v. in n en 
de zelfde stad, of, by groote plaatsen, in n en de zelfde buurt 
twee mannen woonden die beiden toevallig den zelfden naam droe- 
gen, die beiden Harmen of Herman Janssoon of Jansen 
heetten , maar de eene woonde in het huis de S w a e n , terwijl 
aan het huis, waar in de andere woonde, 't Fortuyn uithing, 
dan kreeg al spoedig de eerste Harni Jansze van zyne buren , 
ter onderscheiding , den naam van Harm Jansz in de Swaen, 
of Harmen van der Swan, of ook eenvoudig Herman de 
Swaen of Herm Swaan, al naar dat het viel of den menschen 
vmundgerecht" was. En de andere werd Harm Fortuyn genoemd. 
Zulke bynamen waren oudtijds zeer algemeen in gebruik, en een 
groot aantal onzer hedendaagsche geslachtsnamen dankt aan deze 
bynamen, aan huisnamen ontleend, zynen oorsprong. In oude ge- 
schriften, uit de 15<l e en 16<1<' eeu vooral, vinden wy vele per- 
sonen genoemd , die zulke bynamen dragen , en die toen meestal 
nog woonden in het huis dat hun dien bynaam bezorgde. L a u r e n s 
Jacobszoon, een man vermaard in de geschiedenis van zyne 
vaderstad Amsterdam, woonde op het Water (Damrak) in een huis 
waar deGrouden Reael" (een muntstuk) uithing. Dies noemde 
hy zich Laurens Reael; en deze bynaam ging als geslachts- 
naam op zyne kinderen en zijn verder nakroost over. De blaeue 
Hulck" (hulk is een byzonder vaartuich) was de naam van een 
huis te Enkhuizen , waar zekere Jacob Sieuwertszoon in 
woonde, welke dien ten gevolge zich Jacob Sieuwertsz Blaeuw- 
hulck noemde, en onder dien naam burgemeester van Enkhui- 
zen werd. Zulke voorbeelden kunnen by honderden aangebracht 
worden door iedereen die de geschiedenis onzer oud-nederlandsche 



360 GESLACHTSNAMEN AAN HUISNAMEN ONTLEEND. 

steden doorvorscht. Claes in de Gul de Hant, Olfert in de 
Fuyck, Jan in 't blaeuwe Paert (zekerlik de oorsprong van 
den nog hedendaags bestaanden geslachtsnaam Blaauwpaart), 
Barend Janszoon in den Engelschen Dog, Lysbet in 
den Zilveren Eeael, Goossen Jansz. Eeecalf, Claes 
Cornelis Rowagen, en nog zeer vele anderen van 16de eeu- 
sche amsterdamsche burgers, vindt men vermeld in Van Lennep 
en Ter Gouw's werk De Uithangteelcens (bl. 47 en 48) , waaruit 
ook vele voorbeelden en namen van personen uit den ouden tijd , 
verder in deze opstellen vermeld, ontleend zijn. 

129. Uit het overgroote aantal van hedendaagsche nederland- 
sche geslachtsnamen , die oorspronkelik bynamen zijn aan huis- 
namen ontleend , kunnen hier slechts weinigen van de byzonder- 
sten vermeld worden. Het zijn de volgenden : 

In de Sleutel e. Dezen geslachtsnaam, te Antwerpen inheemsch, 
zet ik bovenaan, omdat hy zeer byzonder, ja eenig in zyne soort 
is. De opschriften aan de huizen vermeldden oudtijds den naam 
van het huis gewoonlik in dezen form: In de Sleutele", In 
den Wildeman", In den Bonten Mantel," enz. Ook nog 
wel vollediger: Dit is in den grauen Hynxt", of Dit 
es in de dry Keunynghen", of nog vollediger: Dit huys 
is genaemt in die vier Heemskyere." Vooral in de mid- 
deleeuen komen zulke volledige formen voor. Later , sedert de 
17de eeu vooral, verkortte men die opschriften meestal, en schreef 
eenvoudig den naam van het huis onder de afbeelding van het 
huisteeken ; b. v. De drie Wolven, De gulden hamer, 
De Vrede, 't Lam", enz. Althans in de noordelike Nederlan- 
den was dit het geval. In de zuidelike gewesten bleef men meer 
het oude gebruik volgen, en behield den volledigen form, tot op 
dezen dag. Zoo zag ik nog in 1883 te Kortrijk een nieu opschrift: 
In den Rifleman." Nieuerwetscher kan het niet. Dit huis 
was aldus genoemd naar de engelsche scherpschutters (riflemen) , 
die in de laatste jaren Belgi bezocht hebben om me te dingen 
in de vlaamsche en brabantsche kampspelen. In vorige eeuen hing men 
dit volledige huis-opscbrift wel als bynaam achter eenen persoons- 
naam ; Hendrik Cornelisz. van Mareken in de Ro- 



GESLACHTSNAMEN AAN HUISNAMEN ONTLEEND. 361 

meulen, Kaadsheer van Amsterdam in 1547, Claes Frans- 
zoon in de drie koperen potten, mede een zestiende-eeusche 
amsterdamsche burger , en anderen , op de voorgaande bladzyde ver- 
meld , kunnen daar van ten voorbeelde strekken. Maar zulke , in het 
dageliksche gebruik zeker te omslachtige namen hebben geen stand 
gehouden. Zy zijn allen weer verdwenen , althans zoo verre ik weet , 
op dezen eenen hedendaagschen , antwerpschen geslachtsnaam na : I n 
de Sleutel e. Dezen zelfden naam vinden wy ook , als toenaam , te 
Amsterdam, in 1567: Klaes Hendrikszoon in den Sleutel. 
Hoorde men oudtijds zekeren man Wouter noemen , en vroeg 
men: welke Wouter is dat?" dan luidde het antwoord wel: 
Wouter van den Anker", Wouter van den Arend", 
Wouter van de Ploeg", of ook Wolter uut de drie 
Rapen", Wauter uyt de dry duyfkens", al na dat die 
Walther in een huis woonde, waar het Anker", den Arend", 
de Ploegh", de drie Ra e pen", de dry Duyfkens" 
of iets anders uithing. En deze namen werden al spoedig byna- 
men , later ook geslachtsnamen. Van dezen laatst genoemden form met 
het voorzetsel uit zijn er slechts zeer weinigen dezer namen als 
geslachtsnamen tot ons overgekomen ; Uut het Hooghuis, en 
misschien ook Uyttenbogaardt. Maar de bynamen samengesteld 
uit het voorzetsel van , en het lidwoord , vr den naam van het 
huis, zijn in zoo veel te grooter aantal hedendaagsche geslachts- 
namen geworden. Als zoodanigen noemen wy , in bonten regel : V a n 
der Ma en (de maan, vooral ook de halve maan," was oud- 
tijds een algemeene huisnaam) ; Van der Bijl, Van de Wijn- 
persse (in de Wynpaersse" zoo heet nog een huis te Haarlem 
in de Damstraat ; en Aecht Simonsdochter in de Wijn- 
pers was eene ingezetene van Amsterdam, ten jare 1578), Van 
der Zwaan, Van der Zwan en Van den Zwaene. (De 
Zwaan" was steeds, en is nog, een zeer algemeen huisteeken , 
vooral by herbergen en tapperyen. Swan is de friesche form van 
het woord zwaan; de oude Hollanders spraken dit "woord ook zoo 
uit. Van der Zwan en Swan zijn , als geslachtsnamen , nog heden 
in Friesland inheemsch; en Claes in de Zwan was een amster- 
damsch burger, ten jare 1481.) Verder Van der Ploeg, Van de 
V y s e 1 , waar van ook de fransche form als Du Mortier in de 



362 GESLACHTSNAMEN AAN HUISNAMEN ONTLEEND. 

Nederlanden als geslachtsnaam voorkomt; Van der Klok, Van 
der Pijl, Van der Zweep (met Van der Zwiep, volgens 
de friesche en plat-hollandsche volkstaal), Van der Zaag, Van 
der Kam, Van den Anker, Van 't Lam, Van den Arend, 
Van der Leeuw, Van der Paauw, Van der Beker, Van 
der Lely, Van der Schaaf, Van der Swaan, Van der 
Star, Van der Sterre, Van der Starre, Van dei- 
Zwaard, enz. De Spiegel" was oudtijds ook een algemeen 
voorkomende huisnaam. De bekende zestiende-eeusche Amsterdam- 
mer Jan Laurenszoon Spie g hel droeg naar dit huisteeken 
zynen naam. Ook de hedendaagsche geslachtsnamen Spiegel, Van 
de Spiegel en Van derSpieghele zijn er van afkomstig. 
Zelfs in eene latynsche vertaling komt deze geslachtsnaam nog heden 
voor. Te weten als A Speculo, in helgisch Limburg inheemsch. 

Het eenvoudigste en sprekendste teeken dat men oudtijds als 
kenmerk van eene taveerne uithing , was eene kan. De geslachts- 
namen Kan, De Kan en Van de Can zijn aan dit teeken ont- 
leend. Om dit uithangteeken nog te meer te doen spreken (en 
lokken) , versierde men deze kan ook dikwijls met eenen krans van 
groen loof , de groene kan". Dit teeken vooral was oudtijds zeer 
algemeen. Nog in deze eeu , toen de stad Leeuwarden nog in wallen 
besloten lag , droeg eene buurt , langs den wal (het bolwerk) zich 
uitstrekkende, naar zulk eene herberg waar de groene kan" 
uithing, den naam van Achter de groene kanne". Ook de 
buurt De Groen e- kan", by Utrecht, onder den dorpe Maar- 
tensdijk, heeft aan dit teeken haren naam ontleend, even als ook 
de geslachtsnaam Van de Groenekan daaraan zynen oorsprong 
dankt. Men liet ook wel de kan achterwege , en hing enkel den 
groenen krans uit. Dit laatste teeken kwam al spoedig meer in ge- 
bruik dan het oude volledige, met de kan. In de 16<le en 17de en 
18de eeu was de krans als het teeken van een wijn- of bierhuis 
zeer algemeen in de Nederlanden in gebruik. Nog heden ziet men 
het in sommige streken van Duitschland. Van dezen krans zijn de 
geslachtsnamen Crans, Krans, Van de Krans, Van der 
C r a n s afkomstig , en denkelik ook wel , als oneigenlike vaders- 
namen , Cransen en Kransen. 

De Wereld," als een wereldbol, soms ook, b. v, in myne 



GESLACHTSNAMEN AAN HUISNAMEN ONTLEEND. 363 

jeugd te Leeuwarden nog , als eene zinnebeeldige voorstelling van 
het geheele zonnestelsel afgebeeld , was oudtijds ook een huisteeken 
dat veel in gebruik was. De geslacbtsnamen Van de Waereld 
en Van Weerelt zijn er aan ontleend. De friescbe geslachtsnaam 
Wereldsrna heeft echter met dit woord wereld niets te maken. 
Het is veelmeer een patronymikon van den oud-frieschen mans- 
vrnaam Wereld, eene verbastering van den oud-germaanschen 
naam Werhald, die in Frstemann's Altdeutsches Namenbuch voor- 
komt als Wideralt, Widarolt, Vidarolt, en die ook aan 
den hoogduitschen , maar ook in de Nederlanden voorkomenden 
geslachtsnaam Wiederhold oorsprong gaf. Toch is het in het 
begin dezer eeu voorgekomen dat een friesche zeeman , die mis- 
schien reeds de wereld rond gereisd" had , genoodzaakt zich eenen 
geslachtsnaam te kiezen , dezen reeds bestaanden naam Wereldsrna 
maar aannam , in zinspeling op zyne tochten. l Van Lennep en 
Ter Gouw vermelden: 2 Vr 1636 stond er" (aan een huis op de 
Heerengracht te Amsterdam) de Werelt in den gevel: het huis 
was gebouwd door Jan van Aldewerelt, die dat uithangteeken 
zal gekozen hebben met zinspeling op zijn naam." Hier hebben 
wy dus de omgekeerde verhouding : het huis genoemd naar den 
geslachtsnaam van den bewoner. Een paar soortgelyke voorbeelden , 
uit Leeuwarden, heb ik in De Navorscher , dl. XXVIII bl. 73 ver- 
meld. De naam van Jan van Aldewerelt, boven vermeld, 
brengt my er toe om ook met een paar woorden dezen geslachts- 
naam te bespreken. In verschillende formen komt deze naam voor ; 
als: Van Aldewerelt, Aldewereld, Alderwerelt, Alle- 
werelt, Alleweireld, Alleweireldt, aan verschillende ge- 
slachten eigen. Ik vermoed dat deze namen afkomstig zijn van een 
huis, waar de oude Werelt" uithing. Denkelik, wegens den 
ftnmi ald = oud , hier of daar aan den Beneden-Eijn , in 't oude 
Overkwartier van Gelderland , in het Land van Kleef , of daar om- 
trent , waar ook nog het dorp A 1 d e k e r k (d. i. Oudekerk , als 
tegenstelling van het naburige dorp Nieukerk) ligt. Te meer 
denk ik dit , omdat deze naam ook in den saksischen form , als 



1 De Navorscher, dl. XXVIII, bl. 456. 
- Be Vithangteekens , dl. I, bl. 243. 



364 GESLACHTSNAMEN AAN HUISNAMEN ONTLEEND. 

Oldewelt voorkomt. De oude Werelt," en Die nye 
We rit" waren oudtijds als huisnamen niet zeldzaam in de neder- 
landsche steden. 

Veel talryker dan de geslachtsnamen , samengesteld uit eenen 
huisnaam , met een voorzetsel daarvoor , zijn de geslachtsnamen 
die enkel uit eenen huisnaam bestaan , zelden met , meestal zonder 
het lidwoord. En evenals de namen der huizen en de uithang- 
teekens aan alle mogelike , soms ook onmogelike zaken en dingen 
ontleend zijn , zoo treffen wy deze groote verscheidenheid ook by 
de geslachtsnamen aan, die uit deze namen en teekens ontstaan zijn. 

Zoogenoemde heraldische figuren waren vooral in de middel- 
eeuen als huisteekens veel in zwang. En niet minder de namen en 
afbeeldingen van allerlei wapentuich. Daaraan danken de volgende 
geslachtsnamen hunnen oorsprong: Moolenyzer en Meulen- 
yzer, Schilt, Silvercruys, Ruitenschild, Arenspoot, 
Beer e poot, Yogelpoot, Van der Vlugt, Kan.DeKam, 
Kroon, Helm met Groothelm, Ligthelm en Voor helm, 
Degen, Pallast, Sabel, Dolk, Priem. Lans, (Spies 
zie bl. 142), Pijl, Piek en Pieck, enz. Ook de samengestelde 
namen Lanckswirdt, Lancs weert en (in versletenen form) 
Lanszweert, en Scherp zwaard. De beide eerstgenoemde 
namen verraden door hunne spelling hunnen hoogen ouderdom. En 
ook de laatste naam , al komt hy nu in nieuerwetsche spelling voor , 
is van oude dagteekening. Immers een goudsmid te Utrecht, ten 
jare 1362, droeg reeds den naam van Elya Scerpswert. ! 

Uiterst talrijk zijn ook de namen aan allerlei gereedschap en 
handwerkstuich ontleend: Hamer en Hammer met Hoef ha- 
mer, Klaarhamer, Klinkhamer en Voorhamer; Bijl 
met Berkenbrjl,Hakbijl,Klinkenbijl,Quekebijl;Beitel, 
en Voorbeytel; Kerfyser, Kimmyzer en Schutyzer; 
Mes en Hakmes; Schaaf en Schaaff, Zaag, Spyker (zie 
ook bl. 303), Kram en Cramm, enz. De beteekenis van som- 
migen dezer namen is my niet bekend (Quekebijl, Kimmyzer). 
Hamer en Hammer kunnen zoo wel oorspronkelik mansvr- 



1 Zie Bijdragen voor de geschiedenis van het Bisdom van Haarlem Haarlem, 
1880 dl. VIII, bl. 72. 



GESLACHTSNAMEN AAN HUISNAMEN ONTLEEND. 365 

namen zijn, als huisnamen. Immers Hamer, Hamar, Hamr is 
een oud-germaansche mansvrnaam, die in Frstemann's Altdeutsches 
Namenbuch vermeld wordt. En dat deze naam oudtijds ook wel 
door onze eigene voorouders gedragen werd , bewyzen onze patro- 
nymikale geslachtsnamen Hamers, Hammers, Hameringa, 
Hamerinck, Hamer sma en Hammersma; zie ook bl. 133. 
Brouwhamer is ook een geslachtsnaam aan eenen huisnaam ont- 
leend. Nog heden is my een huis van dien naam , en dat ook de 
afbeelding van zulk een werktuich in den gevel voert , te Leeuwarden 
bekend. Maar wat is een brouhamer ? Met brouen , bierbrouen , heeft 
deze hamer niets te doen. Het woord breeuen , dat is : de naden van 
een schip dichten , heet in het Friesch brouen. En de hamer waar 
mede men brout of breeut , waarmede men het werk , het uitgeplozene 
oud-tou , tusschen de scheepsnaden drijft , is de brouhamer. De 
geslachtsnaam Brouwer, voor zoo verre deze naam in Friesland 
inheemsch is, duidt dan ook geenszins in alle gevallen eenen bier- 
brouer aan , maar is oorspronkelik soms de tegenhanger van den 
geslachtsnaam Breeuwer, aan de Zaan voorkomende. My is 
althans een geval bekend dat een friesche scheepstimmerman , een 
breeuwer, den geslachtsnaam Brouwer aannam, naar aanleiding 
van zijn bedrijf. 

Of de geslachtsnamen Nagel en De Naeghel tot de namen 
aan werktuigen ontleend , moeten geteld worden , als tegenhangers 
van S p y k e r , of dat zy als namen ontleend aan een deel van het 
menschelik lichaam moeten beschoud worden, en dus in 139 be- 
hooren , kan ik niet uitmaken. De geslachtsnaam De Niet (eene 
niet is een klein spykerke of nageltje zonder kop) kan hier ook 
toe gebracht worden. Hoefnagel, Knieriem, Vingerhoed, 
Knipscheer zijn op bl. 334 reeds besproken. Nevens Knipscbeer 
komt ook nog het enkele woord Schaar en Scheer als ge- 
slachtsnaam voor. Van der Scheer echter is geen soortgelyke 
naam als Van der Schaaf, Van der Zaag. enz. Hy is niet 
aan eenen huisnaam , althans niet aan een uithangteeken ontleend. 
Eene oude havesate , tevens een gehucht tusschen Koevorden en 
Gramsbergen , heet De Scheere. En van dezen plaatsnaam is de 
geslachtsnaam Van der Scheer, welke ook in die landstreek 
inheemsch is , ontleend. 



366 GESLACHTSNAMEN AAN HUISNAMEN ONTLEEND, 

Nevens allerlei gereedschap en handwerkstuich is oudtijds ook 
allerlei huisraad als uithangteeken aan huizen in gebruik geweest, 
en zijn dien ten gevolge vele geslachtsnamen ontstaan , uit de 
namen van zulk huishoudelik gereedschap. Zie hier eenigen daar- 
van , die geene nadere verklaring eischen : Tanghe en De 
Tanghe, De Rooster, Pot en Pott, Pan. 1 De eerste van 
deze namen kan ook anders worden geduid ; te weten als een 
tegenhanger van den geslachtsnaam Den Dievel. Immers tange" 
is een bynaam dien men in West-Vlaanderen den duivel geeft. 
En wijl juist de geslachtsnamen Tanghe en De Tanghe in 
dat gewest voorkomen , zoo is het niet onwaarschijnlik dat wy 
hier oorspronkelik met eenen persoonliken bynaam te doen hebben. 

Aan herbergen , waar gelegenheid is om peerden te stallen , hangt 
dikwijls de Roskam" uit. Daaraan is de geslachtsnaam E, o skam, 
die ook in oude spelling als R o s c a m m voorkomt , ontleend. Ander 
peerdetuich , als huisnamen , vinden wy terug in de geslachtsnamen 
Den Toom, De Haam, Breydel en Zweep. Toontuigen 
werden ook als gevelteekens gebruikt. Reeds in de 16de e eu moet 



1 Keetell, Ketel, Goteling en Gutteling, Schotel, Leepel, Mes en 
Hakmes, Emmer, Tobbe, Kuip eu "De Cuype, Ton, Ledder (de friesehe 
fovm van het woord ladder), Beezem, Bezem en Besem, Korf, Fles, Stoop 
en De Stoop, Beker en De Kroes (deze naam kan ook by Kroese, enz. 
op bl. 343 worden gevoegd), Stoel, Hooghstoel, Stoof, Stoove (oud-neder- 
landsche, nog in West-Vlaanderen in volle gebruik zijnde naam voor kac//el"), 
Keers en Kaars, De Kandelaer en De Kandeleer (in de 16'"' eeu wai er 
te Delft eene brouery die ln de Kandelaer" heette, even als iu de 15 lr eeu 
te Leuven Vhangteekens , dl. I, bl. 48 en dl. 11, bl. 210), Slot, Sleutel 
en De Greudele, Klok en De Klok, Bril en Brill. De boere-gereedschap- 
pen worden vertegenwoordigd door de geslachtsnamen De Ca me en Ploeg. Verder 
komen nog voor Cruywagen, Korswagen (is dit eene verbastering van het 
oude woord kordetvagen = kruiwagen, nog heden in Friesland, by letterkeer, 
kroodu;agen , krodc. genoemd?), Stel wagen, aan verschillende geslachten eigen, 
en het versletene Stelwag (wat beteekent dit woord eigenlik? De wagemnaker 
heet in Grouingerlnnd stelmaher" zie bl. 308), Goedewaagen, enz. Ver- 
moedelik is deze laatste naam oorspronkelik wel Gou de wagen, gouden wagen, 
't welk de West-Vlamingen als goede wagen ongeveer uitspreken. De naam is wel 
te Gouda iuheeinsch, maar kan zeer wel uit Vlaanderen afkomstig zijn. De 
Gouden wagen" was oudtijds als uithangteeken of gevelsteen veel in gebruik, 
vooral aan boere-herbergeu en afspanningen; te Leeuwarden zijn er nog heden twee 
herbergen, die zoo heeteD. 



GESLACHTSNAMEN AAN HUISNAMEN ONTLEEND. 367 

De Bas" te Amsterdam hebben uitgehangen, zoo als trouens nog 
heden te Haarlem in de Warmoesstraat het geval is. Pieter Jacobsz 
Bas en Dr. Dirk Bas, amsterdamsche burgers uit de 16de eeu 
hadden aan zulk een huisteeken hunnen naam ontleend. 1 En nog 
heden komen de geslachtsnamen Bas en De Bas voor, met 
Bazuin, Fluit, Trompetje, Viool en Hacquebart, 
Laatstgenoemde naam vertoont den ouden form en eene oude 
spelwyze van het woord hakkebord, een oud-nederlandsch toontuich, 
thans buiten gebruik. De geslachtsnaam De Keghel is zeker 
ontleend aan een huis waar eene kegelbaan gehouden werd , en dus 
De Kegel" uithing. Misschien herinneren de namen Kol ff, Kolf 
en Schaack, Schaak ook aan de spelen van dien naam. Bal 
en De Bal, Bontenbal, Dobbelsteen en Teerling, Teer- 
linck, Terlinck danken ook aan speeltuigen hunnen oorsprong. 
Roosenkrans,Rosenkrans,Rosencrantz en Paternoster 
zijn aan uithangteekens van gants anderen aard ontleend. Int 
Paternoster", zoo heette een huis te Delft, in 1600. Zie Souten- 
dam, Een wandeling langs Delfts straten en grachten, bl. 34. Den geslachts- 
naam Goudschaal reken ik ook van eenen huisnaam afkomstig. 
Pers en Pars is ontleend aan een huis waar eene pers" uithing, 
't zy dan eene wijnpers (zie Yan de Wijnpersse opbl. 361) of 
eene drukpers. De Witte Persse" hing vr 1610 uit in de 
Oudebrugsteeg by 't Water (te Amsterdam)" en later op 't Water 
bij dezelfde steeg, by den boekdrukker Dirck Pietersz, die 
naar dat symbool den toenaam Pers" aannam en zich als dichter 
en historieschryver ook Thedorus Petrejus Persius, ook 
wel, naar zijne geboorteplaats, Persius van Emden" liet 
noemen. 2 De geslachtsnaam Guldenarm, aan een huisteeken 
ontleend , is op bl. 347 reeds verklaard. Een tegenhanger van 
dezen naam is Go uden hooft. Een gouden manshoofd komt nog 
heden te Leeuwarden als huisteeken voor. En Andries Boel es- 
zoon in 't Gouden Hooft was een burger van Amsterdam 
ten jare 1567. Was zulk een manshoofd uit hout gesneden, niet 
verguld noch beschilderd , dan noemde men het huis waar dit 



1 Uithangteekens, II, 265. 
- mtlumyteekens , II, 203. 



368 GESLACHTSNAMEN AAN HUISNAMEN ONTLEEND. 

teeken aan den gevel stond: het houten Hooft", of, te Am- 
sterdam in de 16de e eu: het houten Aangezicht." In 1600 
stond te Delft een huis dat Int houten Hooft" heette. En 
in het midden der 16de eeu hing ook te Amsterdam ergens dit 
huisteeken uit. Immers vinden wy omstreeks dien tijd een amster- 
damsch burger, die Laurens 't houten Aangezicht werd 
genoemd. 1 Ook de heden ten dage nog bestaande geslachtsnamen 
Houthoofd en Toutenhoofd zijn aan dit huisteeken ontleend. 
Toutenhoofd is eene samentrekking en misspelling van 'T (H)o u- 
tenhoofd, het houten hoofd. In Zeeland is deze naam inheemsen. 
En als Houthoofd in Vlaanderen; uitgesproken Outooft." 
Aan de zeeusche gewoonte om de letter h niet uit te spreken , 
dankt deze naam zynen hedendaagschen verbijsterden form. De 
geslachtsnaam Houtekindt, in West- Vlaanderen voorkomende, 
is vermoedelik ontleend aan een huis waar het houten beeld van 
een kind, een houten kind", als huisteeken aan den gevel 
gesteld was. Hop p zak en Haverzak zijn twee geslachts- 
namen die ook aan huisnamen ontleend zijn. In den ouden tijd 
toen bier te lande ook veel hop werd verhoud , ten gebruike voor 
de talryke bierbroueryen , waren er in zeer vele steden herbergen 
waar De Hopsack" uithing, en waar brouers en boeren sa- 
menkwamen om te handelen. In de 16de eeu heette een huis te 
Amsterdam De Hoppezak", en in de 17de eeu was er een 
huis van gelyken naam te Dendermonde. In myne jeugd (1850) 
was er nog eene herberg De Hop zak" te Leeuwarden in de 
Kleine Kerkstraat. Ook is Hoppensack" nog de naam van 
eene buurt te Hamburg , en eveneens aan een huisnaam ontleend. 
De Haverzak" vinden wy, onder anderen, te Amstei'dam 
en te Wijk by Maastricht. 2 In 1690 woonde Gr er rit Claesz 
te Amsterdam aan den Singel in de Blaupot" (een pot met 
blaue verfstof?), en droeg er zynen toenaam af, die als geslachts- 
naam, Blaupot, nog heden bestaat. 3 Ook Blaukuip, het waar- 
teeken van den blauverver , komt als geslachtsnaam voor. De 
byekorf was van ouds een zeer algemeen uithangteeken , vooral 



1 Uithangteekens , II, 170. 2 Uithnngteekens , dl. II, bl. 190. 
3 mthangteekens , dl. II, bl. 238. 



GESLACHTSNAMEN AAN HUISNAMEN ONTLEEND. 369 

by koekbakkers , om den honig. Toch is my een geslachtsnaam , 
aan dat teeken ontleend , in de noordelike gewesten nooit ontmoet. 
Wel in Vlaanderen ; te weten : als B i e b u y k. Dit byzondere woord 
toch {byebuik , de West- Vlamingen zeggen biebuuk) is in West-Vlaan- 
deren in plaats van het algemeen-nederlandsche byekorf in gebruik. 1 

Eenige byzondere geslachtsnamen , wier beteekenis my niet ten 
vollen duidelik is , maar die ik by deze groep meen te moeten 
voegen, zijn: Den Bandt, Strooband, Ketelbant, Ratel- 
band en Roggeband. Is De Strooband" een huisteeken 
geweest, dan moet het oudtijds niet zeldzaam zijn voorgekomen. 
Immers de naam Strooband is aan vele verschillende geslachten 
eigen, en komt in allerlei spellingen voor : .Stro bant, Stroo- 
bant, Stroybant, Stroobandt, ook in patronymikalen form : 
Stroobants, Stroybants. 

Dat het dragen van zulke toenamen en geslachtsnamen , aan huis- 
teekens ontleend , en allerlei gereedschap en huisraad noemende , 
reeds van oude dagteekening is , bewyzen ons , onder vele anderen , 
de namen van den beroemden en vromen Thomas a Kemp is, 
zoogenoemd naar zyne geboorteplaats Kempen, maar wiens ge- 
slachtsnaam eigenlik Hamerken was. Hy leefde in de 15'le eeu. 
Verder Adam Potken, die in 1496 leeraar was in de grieksche 
taal , te Xanten. De namen dezer inwoners van nederrijnsche stad- 
jes mogen ons zeer wel als voorbeelden dienen. Immers werd die 
landstreek in de middeleeuen te recht tot Nederland gerekend 
en dragen de geslachtsnamen , aldaar inheenisch , nog heden ten 
duidelikste de nederlandsche kenmerken (zie 159), gelijk trouens 
de namen Potken en Hamer ken die ook vertoonen. Maar om 
tot de eigenlike Nederlanden ons te bepalen, zoo vinden wy in 
den jare 1357 reeds eenen Roger de Hamer e te Ingelmunster 
in West- Vlaanderen. En de naam van B r e y d e 1 werd reeds in de 
13<le eeu door een geslacht van brugsche poorters dragen, zekerlik 
ontleend aan een huis, misschien eene boerenafspanning , waar De 
Br e y del" uithing, en die misschien stond in de straat die nog 
heden, te Brugge, de Breydelstraat heet, en die niet naar 
het geslacht Br e y del zoo genoemd is. Wat de vijftiende- en zes- 



Ij. L. riE Bo, Westvlaamach Idioticon, op het woovil Biehdk. 

24 



370 GESLACHTSNAMEN AAN HUISNAMEN ONTLEEND. 

tiende-eeusche Noord-Nederlanders aangaat, dezen droegen toen 
ten tyde , zoo zy hunne toenamen ontleenden aan de namen hunner 
huisteekens , die toenamen nog voluit , met de voorzetsels en lid- 
woorden er Dy , en daar door duidelik hunnen oorsprong aanwy- 
zende. Op bl. 360 zijn daarvan reeds eenige voorbeelden genoemd. 
Zie hier nog eenige dergelyke namen van amsterdamsche ingezetenen 
uit de 15^e en 16de eeu : Claes Dirksz. in de drie Konin- 
gen," Jacob Cornelisz. in Sin t- Andr ies ," Claes in 
de Gulde Hant," Pieter Dirkszoon in 't Vlasvat," 
Willem Lubbertsz. in den Helm," 1 Pieter Laurens 
in den Haen," Simon Dirksz. uyt die Poort," Arend 
van den Anxter." 2 

Van al de huisnamen , wellicht een zeer enkele uitgezonderd , 
die , volgens het in deze afdeeling medegedeelde , aanleiding gegeven 
hebben tot het ontstaan van geslachtsnamen , zijn voorbeelden 
vermeld in het werk van Van Lennep en Ter Gouw , De Uit- 
hangteekens. 

130. De oude Nederlanders vergenoegden zich niet met de 
namen van allerlei handwerkstuich , gereedschap , huisraad , dieren , 
planten , vruchten , enz. tot hunne huisnamen en uithangteekens 
te nemen , maar zy ontleenden die ook wel aan de namen van 
zaken , van denkbeelden , en duidden dezen dan in zinnebeelden 
op hunne gevelsteenen aan. B. v. 't Geloof," de Hoop," 
de Liefde" kwamen geenszins zeldzaam voor, vooral als er 
drie gelyke huizen naast eikanderen werden geboud , even als de 
namen der vijf zintuigen wel moesten dienen by vijf huizen die 
gelijktydig naast eikanderen werden opgericht. Het Fortuin," 
De Vrede," De Dood," enz. allen, en nog velen meer, 
in het meergemelde boek der Uithangteekens te vinden , zijn even- 
eens zulke huisnamen. En ook aan deze soort van huisnamen dan- 
ken eenige hedendaagsche nederlandsche geslachtsnamen hunnen 
oorsprong. Zie hier eenigen daarvan : De Deugd, De Dood, 
Dood, Fortuin, Fortuyn en 't Fortuin ( 't Fortuin" 
was steeds een veel begeerd uithangteeken men dacht aan nomen 



1 Vitlianyteekens , dl. I, bl. 47 en 48. " Uitfmngteehens , dl. I, bl. 39. 



GESLACHTSNAMEN AAN HISNAMEN ONTLEEND. 371 

et omen van daar ook dat dit woord als geslachtsnaam veel- 
vuldig voorkomt). Verder Den Handel, De Hoop, D'Hoop 
en samengesmolten als Doop, De Liefde, Trouw en De 
Trouw, Vrede, Vreede, De Vrede en De Vree, Wel- 
vaart, ook als patronymikon Welvaerts, Zeevaart, enz. 
Zelfs de hemel, de hel en het vagevuur, met het paradys en der- 
gelyke zaken , kwamen als huisnamen voor , gelijk men by Van 
Lennep en Ter Gouw nalezen kan. En ook aan zulke huisnamen 
zijn maagschapsnamen ontleend; als Paradies en Paradis, 
Helleput (en misschien ook Nechelput Neckerput, Nikker- 
put ?) , Van de Helle, Hemelrijk, Van Hemel r ij ck, 
Van den Hemel, Van den Hemele, Van Hemelen, enz. 

Eenige geslachtsnamen, die hier nog moeten worden genoemd 
als besluit van deze groep , zijn niet aan eenig gevelteeken ont- 
leend , maar wel aan de byzondere gesteldheid van den gevel 
of van een ander deel des huizes. Naar den byzonder fraaien gevel 
dien het huis vertoonde, waar hy in wooride, heeft iemand in den 
ouden tijd zynen toenaam verkregen. Die toenaam is op 's mans 
kinderen overgegaan , en een vaste geslachtsnaam geworden , die 
als zoodanig nog heden voorkomt ; te weten : Schonegevel. En 
zoo ook de maagschapsnaam Gladdegevel. Een zeer oud huis, 
De gladde Gevel" genoemd, staat nog heden in deniabuurt, 
zoogenoemd by den Ossekop ," op den hoek van de Oude Oos- 
terstraat , te Leeuwarden. De gevel van dit zonderbaar bonte huis 
is geheel opgezet met glimmend-gladde , verglaasde , groene en 
gele tegeltjes , om en om gezet , als de ruiten vaD een dambord. 
Van daar de naam van het huis. Maar of de geslachtsnaam Glad- 
degevel nu juist aan dit huis te Leeuwarden ontleend is, kan 
ik niet met zekerheid zeggen. 

De maagschapsnaam Van Kimmenaede is een byzondere form 
en verbastering tevens van het woord kemenade. Dit oud-neder- 
landsche basterdwoord , thans uit onze taal geheel verdwenen , be- 
teekent eigenlik stookplaats of vuurheerd , schoorsteen in een ver- 
trek," en is met het fransche woord chemine en de italiaansche 
woorden cammino en camminata van den zelfden oorsprong. Maar in 
de middeleeuen had het woord kemenade hier te lande , even als in 
Duitschland, de byzondere beteekenis van vrou e vertrek ," de ka- 



372 GESLACHTSNAMEN AAN DIERENAMEN ONTLEEND. 

nier of de zaal waar eene stookplaats was , en waar de vrouen des 
huizes gewoonlik samen zaten en hun verblijf hielden. Een deel 
voor het geheel genomen , ging de naam die oorspronkelik den 
steenen vuurheerd toekwam , en die later op het geheele vrouevertrek 
was toegepast geworden , ook over op het geheele huis of slot , 
waarin zulk eene kernenade gevonden werd , en is dien ten gevolge 
nog wel aan een enkel huis als plaatsnaam gehecht gebleven. Van 
daar de geslachtsnaam Van Kimmenaede. 

Aan byzondere kenmerken van huizen zijn, naar myne meening 
ook de geslachtsnamen Pilaar, Poort, Trap, Venster en 
Portael ontleend. Laatstgenoemde naam komt ook als patrony- 
mikon Portaels voor. Aan byzonder kenmerkende ge- 
deelten van eenig huis , acht ik dat de volgende maagschapsnamen 
hun ontstaan danken : Hooghkamer, Van de Kamer, Zaal, 
Keuken en Poestkoke, Kelder, Op den Kelder en Stall. 
Een steenen kruis, naby of aan een huis opgericht, gelijk wel voor- 
komt in streken , waar de inwoners den roomschen eeredienst vol- 
gen , heeft zekerlik oorsprong gegeven aan den geslachtsnaam S t e e- 
necruys, die dan ook in de zuidelike Nederlanden inheemsch is. 



D. GESLACHTSNAMEN AAN NAMEN VAN DIEREN ONTLEEND. 

131. Zeer groot is het aantal van geslachtsnamen, die eigenlik 
de namen zijn van verschillende dieren; b. v. De Leeuw, Cal- 
koen, Kikkert, Den Braasem, Spin, Mossel, enz. Verre 
weg het grootste deel dezer namen is oorspronkelik aan kuisnamen 
ontleend. Afbeeldingen van dieren toch , en hunne namen als op- 
schriften , waren oudtijds zeer algemeen als huisteekons en huis- 
namen op gevelsteenen en uithangborden te zien , en algemeen in 
gebruik. Byna al de maagschapsnamen , aan diernamen ontleend , 
en in de volgende bladzyden vermeld , kwamen oudtijds , en komen 
gedeeltelik ook heden nog als huisnamen voor , gelijk men in 
Van Lennep en Ter Gouw's Uithangteekens nalezen kan. In dat 
werk staan ook vele voorbeelden vermeld van personen die zulk 
eenen diernaam , wijl het hun huisnaam was , als toenaam kregen 



GESLACHTSNAMEN AAN DIERENAMEN ONTLEEND. 373 

of namen , en later als geslachtsnaam behielden. B. v. op hl. 36 , 
deel T: Reeds in de eerste helft der 14de eeuw schijnt er te 
Delft een aanzienlijk huis geweest te zijn, waar de Mol uithing, 
en naar 't welk het geslacht Mol zijn naam voerde." Verder wor- 
den op bl. 47 aldaar vermeld: Claes in de Cat", Fredrik 
Sieuwertszoon in den Haen", Jan in 't blaeuwe Paert", 
Barend Janszoon in den engelschen Dog", als denamen 
van 16de eeusche amsterdamsche burgers. En op de volgende blad- 
zyde nog de namen Floris Jan Claesz. Otter", Goossen 
Jansz. Reecalf", Reynier Paeu", Thomas Willemsz. 
Bontekoe", Jacob Huyg Pietersz. Haring", enz. allen 
ook aanzienlike Amsterdammers uit dien tijd. Andere dierenamen, 
die als toenamen en geslachtsnamen reeds van oude dagteekening 
zijn, vinden wy ook elders evenzeer; b. v. Huge Spierinck", 
schepen van de stad Heusden , Jan de Beer" in het dorp Oud- 
Heusden, Jan de Wolf" in het dorp Eethen (Noord-Brabant) , 
Heindrick Blieck", pastoor van het dorp Capelle (op de I Jssel 
in Zuid-Holland), Gr er rit Mol", gaermeester" te Bleskens- 
graaf (Zuid-Holland), enz. allen ten jare 1514. 1 In de 14de eeu 
treffen wy onder de burgery van Leiden reeds eenen Jan Vos" 
aan 2 , en Jan de Katere" met Geraerd Dhond onder de 
burgers van de stad Sluis in Vlaanderen. 3 Het oudste voorbeeld 
van eenen diernaam als geslachtsnaam , my bekend , is de naam 
van Casen de Haen e", een burger van de vlaamsche stad 
Ipern , ten jare 1127. 4 

Ofschoon de geslachtsnamen aan diernamen ontleend , wel voor 
verre weg het grootste gedeelte oorspronkelik huisnamen geweest 
zijn , zoo is dit toch geenszins met allen het geval. Allerlei oor- 
zaken hebben wel ten gevolge gehad dat deze en gene man eenen 
diernaam als geslachtsnaam kreeg. Menigeen die de eene of andere 
diersoort verkocht , of anderszins in zijn bedrijf daar mede te doen 



1 Informatie up den staet van Hollant , bl. 427, 437, 442, 488, 545. 

2 J. P. Blok, Eene hollandsche stad in de middeleeuwen 's Gravenhage , 
1883 bl. 60. 

3 J. H. van Dale, Hel Sluische St. Kathelyne gde, in De oude Tijd, jaargang 
1870, bl. 114. 

' ll07id den Heerd, dl. VIII, bl. 106. 



374 GESLACHTSNAMEN AAN DIEREN AMEN ONTLEEND. 

had , werd door anderen met den naam van zulke dieren , als toenaam , 
genoemd. Hendrik Harrewijnsz b. v. , die paling ving en ver- 
kocht, kreeg al spoedig den bynaam van Hein Paling, en dien by- 
naam bleef hy behouden , en ging als toenaam op zyne kinderen , als 
vaste geslachtsnaam op zyne verdere nakomelingen over. 1 Het be- 
ruchte rotterdamsche wijf Kaat Mossel, die in de staatkundige be- 
roerten van de laatste helft der voorgaande eeu hare rol speelde , 
had eenen anderen geslachtsnaam. Het grootste deel der Rotter- 
dammers evenwel wist , dat wijf aangaande , anders niet dan dat 
zy Kaat heette , en dat zy keurster was van de schelpvisch op 
de rotterdamsche vischmarkt. Daarom noemden zy haar Kaat 
Mossel, en z was zy bekend. 2 Een ander weer kreeg een 
diernaam tot bynaam , wegens de eene of andere byzondere eigen- 
aardigheid van zijn persoon , 't zy dan naar het lichaam of naar 
den geest. Een man b. v. , bekend wegens zijn byzonder scherp 
gezicht, werd wel Jan Valk genoemd. Een ander, zeer vlug te 
been , wel Klaas Kieviet. Eenen derden , vreesachtig van aard 
en by 't minste gevaar op de vlucht gaande , noemde men spot- 
tender wyze Hein de Haas, enz. Dan nog zijn vele geslachts- 
namen , schijnbaar uit diernamen bestaande , eenvoudig mansvr- 
namen , en als zoodanig , als geslachtsnamen in gebruik gekomen 
of verformd. Valk, Duif, Bot (Botte), Haring, enz. zijn 
allen oud-nederlandscke mansvrnamen , gelijk in 134 nader 
wordt verklaard. Eindelik nog , hoe zulke namen ook uit mis- 
verstand kunnen ontstaan zijn , daar van is my een zonderling 
geval bekend , het welk ook reeds in De Navorscher , dl. XXVII , 
bl. 387 door my is medegedeeld. In het midden der vorige eeu 
kwam een eenvoudig man , die geen geslachtsnaam had , gelijk de 
meeste Friesen uit den geringen stand in die dagen uit het 
dorp Beers in Friesland , 3 te Leeuwarden wonen. Laat ons dien 
man, welke vr dien tijd altijd te Beers had gewoond, maar 



1 De Navorscher, dl. XXVII, bl. 80. 2 Be Navorscher, dl. XXVII, bl. 398. 

3 In Noord-Brabant ligt ook een dorp dat Beers beet (in het land van Knik); 
in Over-IJssel (Ambt Ommen) ligt een gebucbt Beerse, en in bet Land van Ant- 
werpen, by Turnhout, nog een dorp Beers. Naar dit laatste dorp draagt zekerlik 
het antwerpsche geslacht Van Beers, waar de dichter Jan van Beers toe be- 
hoort, zynen naam. Misschien ook Beers mans; zie bl. 322. 



GESLACHTSNAMEN AAN UIERENAMEN ONTLEEND. 375 

E a b e noemen , of Eabe Sytses, met zynen vadersnaam , als 
patronymikon , daar by. Te Leeuwarden moest onze man nu wel 
een geslachtsnaam voeren , ter onderscheiding van anderen , die 
misschien ook Eabe Sytses heetten. En dus noemde hy zich 
maar (of anderen noemden hem z 't is het zelfde) Eabe Sytses 
B e e r s , naar zyne plaats van herkomst. E. S. Beers nu had 
eenen zoon , die vry wat uit het friesche laag sloeg , die graag 
den Hollander uithing , en dien de naam Beers wat al te plat 
in d' ooren klonk. Hy noemde zich alzoo graag Baars dat 
klonk hollandscher , dus voornamer , volgens zijn dom begrip. 
Beers is immers ook maar het friesche woord voor het holland- 
sche baars! En in 1811, toen deze dwaas eenen vasten geslachts- 
naam in de boeken van den burgerliken stand moet laten inschryven , 
gaf hy werkelik zynen naam aan als Baars. En zoo heeten natuur- 
lik zyne nakomelingen nog heden. Men oordeele of deze geslachts- 
naam Baars oorspronkelik met den naam van den visch iets te 
maken heeft ! De geslachtsnaam Baars is aan menig nederlandsch 
geslacht eigen, om van Den Baars niet te spreken. Het grootste 
deel van deze namen zal wel aan huisnamen of uithangteekens ont- 
leend zijn. Dezen immers, de Baars" of de dry Beerskens" 
of de gekroonde Baars", waren oudtijds in ons vischrijk 
vaderland volstrekt niet zeldzaam. Eene andere zonderlinge wyze 
waarop iemand eenen diernaam tot maagschapsnaam verkreeg , 
wordt in 148 vermeld. 

De geslachtsnamen , aan diernamen ontleend , komen in vier ver- 
schillende formen voor. Eerst als de enkele namen op zich zelven : 
Wolf, Kieviet, Kikkert, Schol, Spin. Dan met een lid- 
woord er voor: De Leeuw, 'T Hoen, De Puyt, De Haay, 
De Bye. Ten derden met een lidwoord en een voorzetsel: Van 
der Paerdt, Van den Arend, Van der Steur, Van dei- 
Krab. Eindelik in den tweeden-naamval, als oneigenlike vadersnamen : 
Kieviets,Koekoeks, Spie rings, Vliegen. Onder de namen 
van deze eerste afdeeling schuilen er velen die oorspronkelik mans- 
vrnamen zijn. Die van de derde afdeeling, welke ook geenszins 
in grooten getale voorkomen , stammen ongetwyfeld van huisnamen 
en gevelteekens af. Afsonderlik zullen de namen van deze vier 
afdeelingen hier niet besproken worden. Om de willu der duide- 



376 GESLACHTSNAMEN AAN DIERENAMEN ONTLEEND. 

likheid toch is dit niet noodig. Maar in eene natuurlike volgorde 
zullen de diernamen , als geslachtsnamen , hier worden behandeld. 
Wy beginnen echter met den leeu , op de wyze der Ouden , die 
in hem den koning der dieren zagen. En niet met den aap , zoo 
als de hedendaagsche dierkundige wetenschap eischt. 

Leeuw, De Leeuw, Leeuwen, Leeuw e. De geslachts- 
naam De L e u , in Vlaanderen inheemsch , is niet van den 
leeu afkomstig , maar , zonderling genoeg , van den wolf. Want 
deze naam is eene halve verdietsching van den waalschen maag- 
schapsnaam Le Leu; d. i. Le Leup, Le Loup, De Wolf. 
(Zie 165.) Aangaande de namen Leeuwen en Leeuwe, die 
ik als patronymika , als tweede-naamvalsformen van eenen nians- 
vrnaam beschou , zie men 134. De geslachtsnaam Van der 
Leeuw is ongetwyfeld aan eenen huisnaam , aan een gevelteeken 
De Leeuw" ontleend. Aangaande de taalkundige fout in dezen 
naam aanwezig, zie men 157. Ook komt de maagschapsnaam 
Leeuwin voor; zie 163. De geslachtsnaam Van Leeuwen 
is afgeleid van het geldersche dorp Leeuwen, tusschen Maas 
en Waal gelegen , of van de limburgsche buurt Leeuwen, by 
den dorpe Maas-Niel. De oud-nederlandsche naam van den leeu , 
waar hy als wapenteeken voorkomt, is Liebaert, in Vlaanderen 
ook wel Klauwaert. De eerstgenoemde bynaam leeft nog in 
de maagschapsnamen Liebaert en Lybaert, en deze namen 
zijn zekerlik ontleend aan een wapenschild, dat den liebaert" 
vertoonde , en als huisteeken aan eenen gevel pronkte. 

Waarschijnlik is de geslachtsnaam Luypaert eene verbaste- 
ring van Liebaert. In allen gevalle zal deze naam ook wel aan 
een wapenschild op eenen gevelsteen ontleend zijn. 

Kat, Cat, De Kat, De Kadt, De Cat, Cath en Katje. 
Ook Kats, Cats, Catz? zie 134. Huizen, die de Kat" 
heetten , waren er oudtijds zeer velen. Een huis te Leeuwarden , 
over de Brol" , pronkt nog met het zeer fraai in hout gesne- 
dene en vergulde afbeeldsel van eene kat. In dat huis woonde in 
het midden der 16'te eeu de apotheker Jan Huyberts, die zich 
naar dat huisteeken Jan Huyberts Cathuis noemde. Hy 
formde zich dus wel eenen geslachtsnaam naar zynen huisnaam , 
maar deed dit op eene andere wyze als gewoonlik geschiedde. 



GESLACHTSNAMEN AAN DIERENAMEN ONTLEEND. 377 

Zyne zonen , waar onder er een hoogleeraar was te Leuven , ver- 
latijnschten dien naam weer, en maakten er Cathius van, en 
ook C a t z i u s. Ook waren er onder 's mans nakomelingen die hunnen 
geslachtsnaam enkel Cath schreven, en die dus het meest gewone 
gebruik volgden. 1 Een Jan Claesz. Kat was burgemeester van 
Amsterdam, in 1579. By de kat behoort de kater, en ook 
hy kwam oudtijds als huisteeken voor. De geslachtsnamen Kater 
en De Kater zijn er aan ontleend. Toch kan deze naam ook iets 
geheel anders beteekenen; zie 134. 

Beer, De Beer, Den Beer, misschien ook, als patrony- 
mikon, Beers; zie echter bl. 375. Wolf, Wulf, De 
Wolf, De Wulf en Van der Wolf. Over de patronymika 
Swolfs en Wolfs zie men bl. 142. Het jong van den wolf, 
en ook wel dat van andere roofdieren , heet welp ; en ook deze 
naam komt als geslachtsnaam, Welp, voor. Vos, Voss, 
De Vos, en verlatynscht Vossius. Hond, De Hond, De 
Hondt, D'Hondt, Dhont, in verkleinform Hondekyn, ver- 
latynscht tot Hondius. Ook de naam van den manneliken hond 
komt als geslachtsnaam voor: De Heu. Rassen van honden zijn 
vertegenwoordigd door de geslachtsnamen Brack en Brak, 2 Ha- 
zewind en Hazewindt. Deze laatste naam komt ook nog voor 
als Hazewindus, met eenen latynschen steert opgepronkt. De 
geslachtsnaam Vliegendehond is ongetwyfeld aan een uithang- 
bord ontleend. My is zulk een gevelteeken wel nooit voorgekomen , 
maar in Van Lennep en Ter Gouw's werk over dit onderwerp , 
vinden wy wel een vliegend hert, een vliegend kalf, een vliegend 
paard, een vliegende vos en zelfs een vliegend varhen als uithang- 
bord vermeld. Dit laatste zonderlinge teeken hing te Amsterdam 
uit nog in deze eeu. In 1590 woonde in zulk een huis te 
Amsterdam: Jacob Jansen Benning in 't Vliegende Var- 
ken, 3 die er zynen toenaam af droeg. Waarom dan ook geen 
t> vliegende hond" als huisnaam. , nu deze geslachtsnaam, bestaat? 



1 W. Eekhoff, Geschiedkundige beschrijving van Leeuwarden, dl. II, bl. 419. 

2 In den witten Brack", was in 1600 de naam van een huis te Delft. 
Zie Soutendam, Een wandeling langs Delfts straten en grachten; bl. 18. 

3 Van Lennep en Ter Gouw, Uithangtsekens , dl. I, bl. 48. 



378 GESLACHTSNAMEN AAN DIEEEN AMEN ONTLEEND. 

By den geslachtsnaam Muyshond, ook als M u y s h o n d t , en 
versleten als Musont en Mussont en zelfs als Musson voorko- 
mende , heeft men aan geen byzonder soort van hond te denken. In de 
middeleeuen noemde men de kat wel muyshond , en nog heden 
draagt in sommige streken van Vlaanderen , in de volkstaal , de wezel 
wel dezen naam. 1 De geslachtsnaam Muysson schijnt slechts eene 
gewyzigde spelling van Musson, te meer wijl deze naam, ter 
plaatse waar hy inheemsen is (Heille , in Zeeusch-Vlaanderen) , wer- 
kelik als Mu-sson wordt uitgesproken. Het kan dit dan ook 
zeer wel zijn. Maar ook evenzeer kan het , even als M u u s s e s , 
een patronymikon zijn van den oud-nederlandschen mansvrnaam 
Muus, Muys, die nog heden hier en daar in gebruik is , b. v. op het 
eiland Marken. Deze naam schijnt eene verkorting en verbastering te 
wezen van den vollen bybelschen mansnaam Bartholomeus. 2 

By de wezel behoort de bunsing , de otter en ook de das. En 
aan de namen dezer dieren zijn de geslachtsnamen Mud (het 
friesche woord voor bunsing ; zie 152), Otter en Das waar- 
schijnlik ontleend. 

Mol, Moll, De Mol. Een huis dat de Mol heette, schijnt 
reeds in de eerste helft der 14<le e eu te Delft te hebben bestaan , 
en aan een geslacht zynen naam te hebben gegeven. De naam 
van een stadje in de antwerpsche Kempen is ook Moll, en van 
die p]aats kan het eene of het andere van de talryke geslachten 
die dezen naam voeren , ook wel den zynen ontleend hebben. 

Muis, Muys, Muus en Muysken; De Ratte en De 
Rotte; Konijn en Conijn zie bl. 210; Haas, De Haas 
en D'Haese, met den verkleinform Haasken, met Coolhaas 
en Koolhaas en met Kenniphaas (kennip is het zelfde als 
hennep). De haas is een liefhebber van kool , en in koolvelden wel 
te vinden. De naam koolhaas is dus te verklaren , en kwam oud- 
tijds ook meermalen als huisnaam voor. Maar Kenniphaas? Eet 
de haas misschien ook geerne het groene kruid van de hennepplant ? 

Aap. Op uithangborden was de aap oudtijds niet zeldzaam. Te 
Haarlem heb ik nog eene tappery gekend: bet oude Aapje", 



* Be Navorte&er, dl. XXVJT , bl. 78. 

2 Be NavQrscher, XXVII, bl. 411, 412, 413, 



GESLACHTSNAMEN AAN DIEREN AMEN ONTLEEND. 379 

by de Kleine Houtpoort. Thans heet dat huis natuurlik D e P o o r t 
van Kleef", en is een vcaf." Te Brugge heet nog heden eene 
herberg: In den gouden Aap." 

Eob, Bruinvis, Tuimelaar en Tuymelaar (dat is een 
andere naam voor den bruinvisch of den boer met zijn varkens", 
zie bl. 300), Dolfijn (als huisnaam oudtijds geenszins zeldzaam), 
Walvis. Vervolgens Oliphant. Het varken is niet vertegen- 
woordigd, ofschoon het als uithangbord niet zeldzaam was. Maar 
wie zoude ook vrywillig zwijn" of varken" willen heeten? Aap" 
is al slim genoeg ! Dus betwyfel ik ook of de geslachtsnaam 
Schram wel te dezer plaatse moet vermeld worden, al is het 
woord schram , ook bloedschram , in sommige gouspraken , o. a. in 
de hollandsche te Haarlem , in gebruik om zeker soort van varken 
aan te duiden. Liever wil ik den geslachtsnaam Schram afleiden 
van het woord schram in de beteekenis van likteeken. Denkelik 
is iemand eerst zoo genoemd , die aan een of ander schramformig 
likteeken, misschien in zijn gelaat, byzonder kenbaar was. Over 
de namen Bergsma en Bargsma (berg, barg = varken), zie 
men bl. 132. 

Het woord peerd is my , op zich zelven , nooit als geslachtsnaam 
voorgekomen. Wel Van der Paar dt, duidelik een huisnaam van oor- 
sprong. Verder Hengst, H i n g s t , H i n x t , D e n H e n g s t , Ros, De 
Ruyne, Schimmel en Kedde {keelde , in Noord-Holland ket , is het 
friesche woord voor het hollandsche hit). Of de geslachtsnamen Ket 
en Ket jen ook tot deze peerdenamen moeten gerekend worden, 
kan ik niet beslissen. Het kan ook zeer wel zijn dat deze beide 
laatste namen oorspronkelik de oud-friesche mansvrnaam Kette 
(Katte, Ket e) zijn, die nog vermeld wordt in de naamlijst van 
Brons, 1 en waarvan de geslachtsnamen Kettema en Ketting, 
gelijk ook Keta, vadersnamen zijn. Over den mansnaam Kat, Ket 
zie men verder 134. De geslachtsnamen Maliepaart en 
Molenpage reken ik ook tot de peerdenamen , maar G r y s- 
peerdt, op bl. 343 verklaard , behooi-t daar niet toe. Den maag- 
schap snaam Eyspaart wist ik langen tijd niet te verklaren. Aan 
eene verbastering en wanspelling van den oud-nederlandschen mans.- 



1 Bernh. Brons Jr, Friesche Namen. bl. 56. 



380 GESLACHTSNAMEN AAN DIERENAMEN ONTLEEND. 

naam Isbercht, Y s b recht, ook alslsanperht,lsanperath 
by Fkstemann vermeld, te denken, kwam my te gewaagd voor, 
al was deze oorsprong niet onmogelik. Later echter vond ik dat 
in het West-Vlaamsch eene byzondere soort van ijsslede den naam 
draagt van IJspaard", IJspeerd." Men zie de Bo's West- 
vlaamsch Idioticon op het woord vijspeerd" De geslachtsnaam 
Eyspaart behoort dus eigenlik niet tot de namen aan diernamen 
ontleend, maar veel meer op bl. 366 te zijn vermeld. Malie- 
paart zal wel het zelfde zijn als het oud-vlaamsche woord male 
peerd, dat verklaard wordt als: Cheval Mcdet , VEquus sarcinarius 
dont parle Carpentier, Suppl. Duc. v Maletus; Mallier , dit 
encore Carpentier au t. IV ; Ie Cheval pnrte-malle , qui portait la 
Pera viatoria, la malle de voyage. Kiltaan 1'appelle MaelhengsV l 
Page is de naam waarmede men in de friso-saksische gouspraken 
van noordoostelik Nederland, een oud afgeleefd peerd bestempelt. 
Ook in noordwestelik Duitschland is dit woord inheemsen. Van 
daar de hoogduitsche geslachtsnaam Pagenstecher (peerde- 
slachter , peerdevilder , roodschilder) , die ook in de Nederlanden 
voorkomt. Molen page beteekent dus een oud molenpeerd een 
naam die misschien wel oorspronkelik als spotnaam gegeven is. 

Koe, De Koe en Bontekoe. De bontekoe" is als uit- 
hangbord aan dorpsherbergen niet zeldzaam. Thomas Willemsz. 
Bontekoe, een amsterdamsch burger van den j are 1578 2 droeg 
waarschijnlik daar zynen naam af. En zeker was dit het geval 
met Willem Ysbrantsz. Bontekoe, de bekende oud-hol- 
landsche Oostinje-vaarder. Stier en De Buil komen ook voor , 
maar een geslachtsnaam aan het woord (en algemeene uithang- 
teeken) deOs, de deenscheOs," enz. niet. Daarop was nooit 
iemand gesteld. De talrijk voorkomende geslachtsnamen Van Os, 
Van Oss, Van Osch zijn ontleend aan het vlek O s in Noord-Bra- 
bant. Eindeliknog Hokkeling, Kalf, Calf , Kalff en 'TCalf. 
Schaap, Schaep, De Schaap, Ram, De Ram, Hamel, 
Lam, Het Lam en 'T Lam, Ooilam en Oylarn. Jong- 
schaep komt ook voor ; in scherts genomen voor Lam? Edel- 
schaap is my onduidelik. 

1 Edw. Gailliard , Glossaire Jlanand Brugge, 1882 lil. 191. 
" Van Lennep en Ter Gouw, Uithawjleekens , dl. 1, bl. 48. 



GESLACHTSNAMEN AAN DIERENAMEN ONTLEEND. 381 

Bok, Bock, De Bok, De Bock, De Buck, Buck, Steen- 
bok. Verder 'T Hert, 'T Hart, Hert en Vliegenth art. 
Laatstgenoemde naam , de tegenhanger van Vliegendehond 
(zie bl. 377), is natuurlik weer aan eenen buisnaam ontleend. Als 
zoodanig komt 't Vliegend Hert voor te Naarden en bet 
vliegbenden Hert te Gent. 1 Ree, Rhee, De Ree en 
Reek al f. Deze laatste naam is van oude dagteekeekening. Immers 
Goossen Jansz. Reecalf was in 1535 burgemeester van Am- 
sterdam. De maagschapsnaam Van Rhee is natuurlik afgeleid van 
eenen plaatsnaam , en wel van het gehucht R e e by den dorpe 
Vries in Drente. Eindelik nog de geslachtsnaam Eland en Elandt, 
waarin ook nog een mansvrnaam schuilen kan. 

Voor wy met de vogelnamen beginnen , moeten hier nog vermeld 
worden de geslachtsnamen Wildebeest en Eenhoorn, die ik 
beiden ook van huisnamen afkomstig reken. Een gevelteeken 't 
Wilde beest" is my wel nooit voorgekomen. Maar daarom kan 
bet toch zeer wel bestaan hebben. De Eenhoorn" echter kwam 
oudtijds dikwijls als huisnaam voor. 2 Aan de fabelachtige dieren , 
waar van de Ouden bazelden , en die ook als gevelteekens voor- 
kwamen, is nog de maagschapsnaam Zeek at ontleend. Zie 148. 

132. De geslachtsnamen Vogel, Stoor vogel, Vette- 
vogel, Witvogel en Zier vogel moeten, als algemeene namen, 
vr de byzondere vogelnamen genoemd worden. Nevens Vogel 
komen ook Veugel, Voghel, De Vogel, De Voghel, De 
Veughele en De Veugle als geslachtsnamen voor. Zoo ook als 
oneigenlike vadersnamen Vogels en Voghel s. Stoorvogel 
beteekent : groote vogel. Het oud-germaansche woord stor , stur = 
groot komt in de Nederlanden nog slechts voor als stoer, struisch, 
stuur sch , in drie gewyzigde beteekenissen. In de skandinaafsche talen 
heeft stor de oude beduidenis behouden. Stoor staat eigenlik tegen- 
over kleen , als groot staat tegenover klein. Stoor en Heen hebben eene 
zeer stellige , eene zeer zekere beteeknis groot en klein eene 
betrekkelike. Zie bl. 339. 



1 Zie Uhangteekens , dl. II, bl. 15, 328. 

2 Zie Uithamjteelcens , dl. II, bl. 315, 369, 371. 



382 GESLACHTSNAMEN AAN DIERENAMEN ONTLEEND. 

Openen wy de reeks van byzondere vogelnamen weer met den 
vogel die van ouds als koning der vogelen" geacht werd, niet 
den arend. Arend, Den Arend en Van den Arend zijn ge- 
slachtsnamen die geenszins zeldzaam voorkomen. Trouens , de arend, 
wiens beeld op zoo vele wapenschilden prijkt, was oudtijds ook 
als buisnaam en gevelteeken zeer algemeen. Een oude naam van 
den arend , vooral in de wapenkunde gebruikelik , is adelaar. De 
naam Adelaar, ook in hoogduitschen form als A d 1 e r , komt 
nog als maagschapsnaam onder ons voor. In myne jeugd woonde er 
te Leeuwarden een man die Adelaar heette , in een huis waar een 
adelaar , fraai in hout gesneden, boven de voordeur stond. Ik weet niet 
wie in dit geval ouder was , de geslachtsnaam of de buisnaam. Andere 
namen van roofvogels zijn de geslachtsnamen Valk, Valck, De 
Valk, De Valck, De Valke; Havik, Buizerd, Sperwer, 
Wikel en Blauwikel. De twee laatsten vertegenwoordigen de 
friesche namen van den toren valk (Tinnunculus alaudarius) en van 
den blauen kiekendief (Circus cyaneus); zie 152. Verder nog De 
Gier met Uil, Uyl en Den Uil. Dan volgen Raaf, De Raaf, 
De Raeve, Kraai, Kraay, Kray, Craey, Craeye en De 
Kraai, met De Roek, De Rouck, De Gaai, Ex ter, Den 
E x t e r , en , als patronymikon A x t e r s. Verder Koekoek en 
Koekkoek met Cockuyt enCocquyt. Deze beide laatste namen 
komen meest in de vlaamsche gewesten voor. Zy vertoonen niet 
slechts eene verouderde spelwyze , maar tevens eenen byzonder- 
vlaamschen en byzonder-frieschen form van dit woord. Zie De Bo , 
Westvlaamsch Idioticon op het woord koekoek, koekuit. De jeugd in 
Friesland zingt nog een rijmke , dat begint alzoo : Koekuut! de 
broek uut!' 1 '' , enz. Specht, Papegaay, Ijsvogel., Vink, 
Vinck, Vyncke, Vinke, De Vyncke en Van der Vink, 
Geelvink en Rietvin k. Maar Roelvink en Aalvink (zie 
bl. 40 en 152) zijn geen vogelnamen. Putter, Sijs, Van der 
S ij s. Behoort laatstgenoemde naam wel hier ? Of is hy slechts 
eene verbastering van den naam Van der Chijs, dien ik overi- 
gens ook niet verklaren kan. Spreeuw, Musch, Mosch met 
het nedersaksische Lnink en het hoogduitsche Sperling. Leeuw- 
rik en Lerk, Mees, De Mee ze en Koolmees, Meerlaer, 
De Mae rel en De Meerleere en De Lyster. Reeds vroeg tref- 



GESLACHTSNAMEN AAN DIERENAMEN ONTLEEND. 383 

fen wy den laatsten naam als bynaam aan (wegens byzondere veerdig- 
heid in het zingen ?): Atte Mockama, alias L ij s t e r , een boer 
te Ferwert in 1511. 1 Nachtegaal, Nachtegaele, De 
Nagtegaal en Nachtergaal. Zwaluw, Swalue, Swaalf, 
Swalf , en de friesche formen van dezen naam , Zwaai en Swaal. 
Duif, Duyf, De Duve en Duyvejonck. Deze laatste naam 
weet ik anders niet te verklaren , als door hem hier te plaatsen. 
De mannelike duif of doffert heet in Vlaanderen Duiver", daar 
komen ook de geslachtsnamen Duyver en Den Duyver voor. 
Hoen en 'T Hoen. De Haan is zeer algemeen. Geen wonder; 
als uithangteeken of huisnaam komt de Haan" en 't Haantje" 
zoo dikwijls voor ! Als geslachtsnaam vinden wy den naam van 
den haan nog in deze formen: Haan, Den Haan, Den Haene 
en D'Hane. Buitendien nog de samengestelde namen Roothaan 
(huisnaam De roode haan?),Mouthaan (een haan die mout eet ?) 
en Stoerhaan. Laatstgenoemde naam beteekent groote haan (zie 
bl. 381 op Stoorvogel), en komt ook als Stuurhaan voor. 
Tot de hoendernamen behooren verder nog: Hen, Kip, De Kip, 
Capoen en Capuen (dit laatste is de brabantsche form van 
dezen naam) , Kuiken en Hinnekint. Deze laatste naam acht ik 
te zijn eene , schertsender wyze gegevene of aangenomene omzetting 
van den geslachtsnaam Kuiken, een tegenhanger van Duyve- 
jonck, bovengenoemd, en van Jongschaep op bl. 380 vermeld. 
Veldhoen, Fezant, De Qua r tel en Quartel met A u e r- 
haan (laatstgenoemde naam zekerlik van hoogduitschen oorsprong) 
zijn aan de wilde vertegenwoordigers van het hoendergeslacht ont- 
leend. Kalkoen en Calkoen met Pauw, Pauw, Paeu, De 
Paauw, De Paeuw en De Pauwe zijn ook als geslachtsnamen 
geenszins zeldzaam. 

Struis kan zoo wel den vogel Struis beteekenen , als het 
byvoegelike naamwoord struisch; zie bl. 340. Als huisnaam was 
De vogel Struys" oudtijds niet zeldzaam. 2 De Crane, zoo 
genoemd naar de kraan of den kraanvogel, oudtijds ook als gevel- 
teeken bekend. Een allerbelangrijkste bydrage over dit woord en 



1 Register van den Aanbreng van 1511, dl. III, bl. 60- 

2 Uithangieekens, dl. II, bl. 353. 



384 GESLACHTSNAMEN AAN DIEKENAMEN ONTLEEND. 

dezen naam , ook als geslachtsnaam , van de hand des vlaamschen 
taalgeleerden Guido Gezelle kan men vinden in het tijdschrift 
Loquela jaargang 1883 , bl. 25. Plevier, Kievit, Kieviet, 
en als vadersnaam Kieviet s. Reiger en D'Heygere. Hey- 
gere is de oud-vlaamsche naam van den reiger. Kwak, Quack 
en De Quack 1 ; De Lepeleer,. De Lepelaere, De Lepeleir 
en De Lepeleire; Ooyevaar, Ojevaar, met de oude for- 
men van dit woord Ovaere, Odevaere en Ottevaere, alsmede 
met den saksischen , ook hoogduitschen en engelschen form Stork. 
Verder S n i p p e met S ti n d , beter stint , de friesche naam van eenen 
strandvogel, Tringa (zie 152). Spriet en Schriek dat zijn twee 
namen van een en den zelfden vogel (Crex pratensis). Koet, Zwaan, 
Swaan, Swaen, De Swaen, De Zwaan met Van der 
Zwaan en de friesche formen Swan en Van der Zwan, al- 
gemeen voorkomende , en afgeleid van het huisteeken de Zwaan 
en 't Zwaantje, dat veelvuldig in gebruik was en nog is. 
Gans en De Gans zijn daarentegen zeldzaam, en de eend" 
ontbreekt geheel. Taling echter bestaat, en schijnt oorspronkelik 
als bynaam , aan eenen wildkoopman gegeven te zijn. Rotgans 
en Slobbe zijn de namen van byzondere soorten van gansen en 
eenden. Pellekaan en Pillekaan zijn oorspronkelik zeker huis- 
namen. Eindelik nog Meeuw en Malefijt, Malefeyt en Mae 1- 
feyt. De drie laatstgenoemde namen zijn die van eenen kleinen 
zeevogel , van de zoogenoemde Stormz\v&\uw (Thalassidromapelagica). 
In der daad draagt deze vogel by de nederlandsche zeelieden den 
naam van malefijt of malefeit , een woord van romaanschen oorsprong , 
en waarschijnlik van de Portugeezen overgenomen. Wijl echter de 
stormzwaluw door onze zeelieden slechts in de ruime wereldzee- 
wordt ontmoet , en niet dan hoogst zeldzaam , na hevige stormen , 
een enkele maal aan het nederlandsche strand gezien wordt , waar 
zy by het volk nagenoeg onbekend is, en wijl daarentegen de 
naam Malefijt, Malefeyt als geslachtsnaam niet zoo byzonder 
zeldzaam is , maar in Vlaanderen zoo wel als in Holland voorkomt 
(zie 151), zoo komt my de afleiding van dezen geslachtsnaam 

1 In de Quack" was in 1600 de naam van een huis te Delft. Zie Souten- 
dam, Een wandeling langs Delfts straten en grachten, bl. 18. De kwak, ecne 
soort van reiger, werd hier in de middelceuen als vvildbraad gegeten. 



GESLACHTSNAMEN AAN DIERENAMEN ONTLEEND. 385 

van den vogelnaam wel eenigszins gewaagd voor. Liever wil ik 
hem houden voor eene verbastering van den franschen geslachts- 
naam Malfait, voor de weerga dus van den franschen naam 
Bienfait, die ook in Nederland als geslachtsnaam voorkomt.- 1 

133. Aan de namen van amphibin en dergelyke dieren zijn 
slechts weinig geslachtsnamen ontleend. Eigenlik geen andere als 
die van den kikvorsch en de padde. Deze namen zijn: Kikker 
en Kikkert in Holland, en Puit, Puydt, De Puydt, Den 
Puydt in Zeeland en Vlaanderen inheemsch. Puit of Puut toch is het 
zeeusche en vlaamsche woord voor het hollandsche kikkert. Verder 
de geslachtsnaam P o g g e , die padde beduidt. Dat dier toch draagt 
in onze friso-saksische gouspraken dezen naam , welke ook voor- 
komt in den geslachtsnaam Poggenbeek. Slangen en Slan- 
ghen (op bl. 185 reeds verklaard) behooren niet tot deze afdeeling , 
ofschoon het wel den schijn heeft. Maar de geslachtsnamen Grif- 
fioen en Draak, De Draak, De Draek, Den Draeck, 
Den Draak dienen hier vermeld, omdat de fabelachtige dieren 
griffioen en draak als amphibin worden voorgesteld. Immers aan 
deze wanschepsels uit de verbeelding der Ouden hebben wy hier te 
denken, en niet aan het fladderend hagedisje uit de tropische ge- 
westen van Azi, dat trouens ook tot deze familie behoort. De 
draak" en De griffioen" kwamen oudtijds niet zelden als 
huisnamen en gevelteekens voor. 

De algemeene naam van de orde der visschen , vertegenwoordigd 
door de geslachtsnamen Vis,Visch, De Vis en DeVisch, moge 
hier weer den byzonderen vischnamen voorafgaan. DeHaay, Steur, 
-De Steur en Van der Steur, Rog, Paling, Maeckereel, 
Schol, Bot, Both, De Both en Botvis, misschien ook B o t j e 
zie bl. 398. Verder Cabeljaeu, Cabeljau,Cabilliauw en 
Cabliauw,Baekeljau,Schelvisch, Haring, Den Harynck, 
Den.Haerynck, Groenheering, Smelt, Spiering (ook als 
patronymikon Spiering s) enSpierlynck, Meyvis (dat is elft , 
ho ogduitsch Maifisch) , Zalm en Salm,De Blieck, Den Braasem, 
Zeelt, Goudvis, Voorn en Ver voorn (d. i. Vander Voorn), 



1 Zie Be Nnvorscher , dl. XXV11, bl. 78, 340, 453 en 505. 

25 



386 GESLACHTSNAMEN AAN DIEREN AMEN ONTLEEND. 

Pos en De Posch, Baars, Beers en Den Baars, ook (in 
het Friesch) in verkleinform Beerske; Snoek, Snouck en De 
Snouck. Volgens De Navorscher , dl. XXXII, bl. 573 behoort 
tot de geslachtsnamen aan vischnamen ontleend , ook de geslachts- 
naam Gr o b i u s , daar dit uit Itali stammend , doch sedert de 
16de eeuw in Nederland aanwezig geslacht den zijnen ontleend 
heeft aan de, voornamelijk in de Tyrrheensche zee aanwezige 
beenige visschen van dien naam; hetgeen ook blijkt uit hun 
wapen." Gobius echter is de latynsche naam van den grondel {Gobius 
niyer) , een bekend vischje , aan de nederlandsche zeekusten ook 
voorkomende. Rhijnvis (rijnvisch) is de oud-nederlandsche naam 
van eene byzondere soort van visch , die ik niet nader kan aan- 
duiden. In Edw. Gailliard's Glossaire flamand Brugge, 1882 
vind ik: Rynvissclie , sorte de poisson de mer." En daar blijkt 
ook dat de geslachtsnaam Rynvisch reeds in de middeleeuen te 
Brugge voorkwam. Aangaande dezen byzonderen naam , die in Neder- 
land (door misverstand) ook als mansvrnaam in gebruik is 
(R h ij n v i s F e i t h) , zie men ook De Navorscher , dl. XXXIII , bl. 36. 
De geslachtsnamen Bakvis, Stokvis, Pannevis, Pekelharing 
enz. zijn eigenlik namen van spyzen , van visch bereid , en worden 
dus beter in 140 vermeld. 

Ten slotte kunnen als geslachtsnamen , ontleend aan de namen 
van insekten , schaal- en weekdieren , nog vermeld worden : Kever, 
Watertor, De Bie, De Bye en Van der By, Hommel, 
De Mot, Mug, Rups, De Vlieg, Vlieghe en Vliegen. 
Het komt my waarschijnlik voor dat in den laatstgenoemden naam 
een persoonsnaam schuilt , dat hy dus een patronymikon is. Oud- 
tijds hingen te Amsterdam aan zeker huis de Vijf Vliegen" 
uit, en de bewoner van dat huis droeg daar af den naam van 
Jan Vijf-Vliegen. 1 Een geslachtsnaam, die in Limburg voor- 
namelik inheemsen is , en daar aan verschillende geslachten eigen , 
is Quaetvliegh (de kwade vlieg). Deze zelfde naam komt in 
verschillende vormen voor, als Quaedtvlieg, Quadvliegh, 
Quatfleigh, enz. Wat de oorsprong van dezen zonderlingen 
naam is en weet ik niet. Omdat de vlieg oudtijds als een kenteeken 



1 Van Lenkep en Ter Gouw, UWumgteekens , dl. I, bl. 47. 



GESLACHTSNAMEN AAN DIERENAMEN ONTLEEND. 387 

van den duivel gold, van den kwade", zoo gis ik dat de naam 
Quaetvliegh in eenig verband met den naam van den duivel 
staat , en als zoodanig tot een geslachtsnaam geworden is. De ge- 
slachtsnamen PotvliegheenSchauvliegh met Schauvliege, 
die eveneens in de zuidelike gewesten , vooral ook in Limburg 
voorkomen , zijn my evenmin duidelik , wat hun oorsprong betreft. 

Verder komen nog voor de geslachtsnamen De Vloo, Mier, 
Spin, Kreeft, Kreefft, Krab, Krabbe, Crabbe en Van 
der Krab, Geirnaert en Garnaat, het eerste de vlaamsche , 
het tweede de friesche naam van het bekende schaaldiertje dat men 
in Holland garnaal noemt. Eindelik nog Oester en Mossel. 
Willok of Wullok is de vlaamsche naam voor zekere soort van zeeslak 
{Buccinum undatum) , die langs onze Noordzee-stranden en zeegaten 
veel gegeten wordt, en daar, by Zeeuen, Hollanders en Friesen 
onder verschillende namen , als alikruuk , kreukel , ulk , wulk , eine- 
koon , enz. bekend is. De vlaamsche naam van dit weekdier komt 
in Vlaanderen als geslachtsnaam voor. Namelik als Willock en 
Willocq; ook als patronymikon : Willocks, Willox, Wil- 
lock x , enz. 

Als de laatsten der geslachtsnamen aan diernamen ontleend , 
moeten nog vermeld worden : Worm, Wurm en Lintwurm. 
De geslachtsnaam Van der Worm, van anderen oorsprong , is 
reeds op bl. 244 verklaard. By den geslachtsnaam Lintwurm 
denke men niet aan het bekende ingewandsdier. De naam Lint- 
wurm is afgeleid van den ouden naam, waaronder de draak of 
eenig ander fabelachtig ondier in sagen en maren optreedt. Tegen- 
woordig spreekt en schrijft men van den Heiligen George met 
den draak;" oudtijds echter van St-Joris met den lintwurm." 
Eene afbeelding daarvan kwam in vorige eeuen niet zelden als 
gevelteeken voor. Van daar hoogst waarschijnlik dezen , in den 
tegenwoordigen tijd zoo zonderling luidenden naam. 

Als geslachtsnamen , ontleend aan woorden die byzondere voort- 
brengselen uit het dierenrijk aanduiden , noem ik hier nog : Koe- 
hoorn, Honig, en Parel, met Perel, Paerl, Paerel, en 
het patronymikale Parels. 

134. Sommige namen van dieren komen ook als mansvrnamen 



388 GESLACHTSNAMEN , SCHIJNBAAR AAN UIERENAMEN ONTLEEND. 

voor. Zulken zijn : Beer, Bero (in Bernhart, Barend, Berend), 
Ever (in Everhart, Evert), Leeuw, Lieue (in Leonhart, 
Leeuwenhart,Leendert),Wolf(inWolfhart,Wolfert), 
Arend, Swano, enz. En deze mansnarnen zijn werkelik , wat 
hun oorsprong aangaat, de zelfden als deze diernamen. En andere 
diernamen komen toevalliger ivyze overeen , volkomen of ten naasten 
by , met mansvrnamen , zoo wel met mansvrnamen in hunnen 
oorspronkeliken form , als met verkorte en misformde namen. Voor- 
beelden hiervan zijn de mansnarnen Hase, Bokke, Duif, Valk, 
Botte, Reiger, enz. die met de dierenamen haas , bok , duif, valk , 
bot , reiger overeenstemmen , ofschoon zy eenen anderen oorsprong 
hebben. Muis, Mees, Meeuwe, Haring, Vinke, enz. komen 
ook als mansvrnamen voor , en stemmen tevens overeen met de dier- 
namen muis , mees , meeuw , haring , vink. Deze mansnarnen vertoonen 
echter niet hunnen vollen, oorspronkeliken form. Immers Muis, 
ook M u y s of M u u s , is eene verbastering en verkorting van den 
bybelschen mansnaam Bartholomeus ; en Meeuwe of Meeuwis 
is dit ook (even als Teeuwis van Mattheus), zoo mede Mees. 
Dit wordt duidelik aangetoond en bewezen in De Navorscher , dl. 
XXVII, bl. 411, 412, 413. De mansvrnaam Haring is eigenlik 
het patronymikon van den oud-germaanschen , nu nog in Friesland 
in volle gebruik zijnden mansnaam Har o, Her e. En Vinke, 
Vink is een verkleinform (Vin-ke = Vin-tje) van den mans- 
vrnaam Finne. 

Het ligt dus voor de hand dat niet alle geslachtsnamen , in de 
vorige paragrafen opgesomd , van de diem&men zijn afgeleid. Inte- 
gendeel daar kunnen er ook onder wezen , die eenvoudig uit 
mansvrnamen bestaan. Staat by eenigen geslachtsnaam het lidwoord 
vr den diernaam (De Leeuw, Het Lam, Den Arend, De 
Bye, Den Baars), dan is er geen twyfel aan of oorspronkelik 
ligt hier de diernaam ten grondslag. En even zeker mag aange- 
nomen worden dat de geslachtsnaam met eenen diernaam samenge- 
steld , oorspronkelik aan eenen buisnaam ontleend is , als een lid- 
woord en een voorzetsel den diernaam voorafgegaan; b. v. Van 
der Paardt, Van den Arend, Van der By, Van der 
Steur. Maar als de diernaam op zich zelven voorkomt (Arend, 
Leeuw, Wolf, Zwaan, Bot) dan kunnen ook zeer wel mans- 



GESLACHTSNAMEN , SCHIJNBAAR AAN DIERENAMEN ONTLEEND. 389 

voornamen aan deze geslachtsnamen ten grondslag liggen. Terwijl 
ik de oorsprong van zulke geslachtsnamen uit mansvrnamen voor 
vry zeker acht , als zy in verbogenen form voorkomen. By zulke 
geslachtsnamen als Leeuwen, Wolfs, Otters, Duyfjes, 
Harings, Bots, enz. is weinig twyfel aan hunnen oorsprong uit 
mansvrnamen. By Arendsma, Haringsma, Botjes, Haan- 
tjes, enz. geheel geen. Geslachtsnamen , die als patronymika in 
den tweeden-naamval staan, en zonder eenigen twyfel van dier- 
namen zijn afgeleid , komen slechts in zeer gering aantal voor ; 
b. v. Koekoeks, Kievits,. Willockx, en eenige anderen. 
Alle andere patronymika zijn hoogst waarschijnlik , byna zeker, 
aan mansvrnamen ontleend. 

Dat buitendien nog geheel andere oorzaken aanleiding gegeven 
hebben tot het aannemen van geslachtsnamen , welke schijnbaar 
aan de namen van dieren zn ontleend , vindt men , wat de namen 
Zeekats, Baars en Kater aangaat , vermeld en bewezen in 
148, en op bl. 375 en 390 van dit werk. 

Veel byzonders en belangrijks aangaande dit onderwerp staat te 
lezen in eenige opstellen , die door den taalgeleerden P. Leen- 
dertz. Wz. en door my zelven , onder de namen i>De mansnaam 
Muus," en Diernamen als geslachtsnamen" zijn geschreven, en op- 
genomen in het tijdschrift De Navorscher , deelen XXVI , XXVII 
en XXVIII. 

Hier volgen eenige geslachtsnamen , schijnbaar cfr'ernamen , maar 
die ik, met meer of minder waarscbijnlikheid , tot de geslachts- 
namen , aan mansvrnamen ontleend , meen te moeten brengen. 

Lew of Lewon is een oud-germaansche , in Frstemann's 
Altdeutsches Namenbuch voorkomende naamstam , die] zoo wel op zich 
zelven voorkwam , als in samenstellingen. Deze naam beteekent 
leeu. Als L e e u w e , ook wel Leuwe, Leuve, Lewe was deze 
zelfde naam oudtijds ook in Holland in gebruik; en als Lieuwe, 
Lieue (de leeu heet in het Friesch lieu) komt hy nog heden geens- 
zins zeldzaam in Friesland voor. Lewe, Leeuwens, Leeuwes, 
Leuwen en Leeven zijn de geslachtsnamen aan den] naamstam 
L e e u w e ontleend. Zoo mede het friesche patronymikon Leeuwinga, 
dat als geslachtsnaam in de friso-saksische streken van Drente in- 
heemsen is. Aan den frieseken mansvoornaam Lieue, Lieuwe zijn 



89 GESLACHTSNAMEN , SCHIJNBAAR AAN DIERENAMEN ONTLEEND. 

de friesche geslachtsnamen Lieuwema, Lieuwma enLieuwes 
ontleend ; en ook Lieuwkes aan den verkleinform L i e u k e. 
Catto, Katte, Kat is een oud-germaansche mansvrnaam , die 
ook in samenstellingen, als Catuald (Katwalt) en Catumer 
(Katmar) voorkomt , en door Frstemann in zijn Altdeutsches Namen- 
buch tot drie verschillende naamstammen , Chad, GadenHath, ge- 
bracht wordt. Een enkele der talryke geslachtsnamen Kat en Cat, 
en, in den tweeden naamval als patronymikon , Kats, Cats en 
C a t z , zal zeker wel van dezen ouden mansvrnaam afstammen. 
Zekerlik is dit het geval met de friesche patronymikale geslachts- 
namen Katsma en Katma, en met menigen plaatsnaam. Waar- 
schijnlik behoort het patronymikon C se d i n g , dat by de Angel- 
Saksen voorkwam , ook wel tot dezen mansnaam. Buitendien kan 
de geslachtsnaam Cats, Katz, behalven een tweede-naamvalsform 
van den diernaam , of van den mansvrnaam , ook nog de plaats- 
naam Kats of Cats zijn, zoo als een dorp heet op het zeeusche 
eiland Noord-Beveland. By de zeeusche maagschap Cats althans 
meen ik dat dit zekerlik het geval is. 

De geslachtsnaam Kater en De Kater kan ook een geheel 
anderen oorsprong hebben , als van het woord dat de mannelike 
kat aanduidt. Een kater toch is iemand die in eene kate (keet of kot 
zie bl. 266) woont. Het woord kater , als de benaming van 
eenen geringen boer , of van eenen boeren-arbeider , die in eene 
hut of kate op het erf van den eigenerfden boer woont , is in 
sommige Saksische streken van ons land en van Duitschland in 
gebruik. Even als keuter (in Friesland zeit men wel keuterboerk) , 
kotter , kaatsitter , kotsitter , katsate , kotsaat , colsath , enz. , woorden 
die allen van den zelfden oorsprong zijn , en allen het zelfde betee- 
kenen. Naar myne meening ligt dit woord kater ten grondslag 
van menigen geslachtsnaam Kater en De Kater. De geslachts- 
naam Keuter, in eene friso-saksische gou van Overijssel inheemsch 
(Bloksyl) , is ongetwyfeld aan het woord ktte , kate , hut , ontleend. 
Kotter ware wis eene betere spelling voor dezen naam , die daarom 
toch geenszins van hoogduitschen , maar van zuiver nederlandschen , 
ofschoon dan ook al niet hollandscben , oorsprong is. 

Bare ofBaro is nevens Barre of Barro een oud-germaansche 
die nog heden in Friesland in gebruik is. De 



GESLACHTSNAMEN , SCHIJNBAAR AAN DIERENAMEN ONTLEEND. 391 

geslachtsnaam Baars kan een patronymikon zijn van dezen 
naam, zoo als Baarsma dit zonder twyfel is. Andere geslachts- 
namen aan dezen zelfden mansnaam ontleend , zijn nog B a r m a 
(met Barring in Engelland, en Barry in Frankrijk, als een 
versleten patronymikon der oorspronkelik germaansche Franken ? 
zie 30.) Verder B a r k e m a , een oud-friesche tweede-naamvalsform 
van den verkleinform B a r k e , die tevens aan de engelsche ge- 
slachtsnamen Barks, Barkes en Barkins oorsprong gaf. B a r- 
r a h u i s , een gehucht hy Wirdum ; B a r r u m , een gehucht by 
Tjum (beide in Friesland); Barwert, een gehucht by Oldehove 
in Groningerland ;Barkwert, een gehucht by Kubaart in Friesland , 
misschien ook Barchem, een gehucht by Laren in Gelderland, 
zijn plaatsnamen die van deze mansnamen afstammen , en gemak - 
kelik verklaard kunnen worden. 

Dat F o ss e, Fos oudtijds ook als mansvrnaam in gebruik 
moet zijn geweest (al is het dat deze naam dan zekerlik slechts een 
verbasterde zal geweest zijn) , blijkt duidelik uit de geslachts- 
namen Vossema (oudtijds als Fossema geschreven), Vosma, 
Fossen, Vossen, Vosse, allen patronymikale namen van eenen 
mansvrnaam Fos. Ook blijkt dit uit menigen plaatsnaam. De 
geslachtsnaam Vos kan dus evenzeer oorspronkelik deze mans- 
vrnaam zijn , als de diernaam. 

Aangaande den oud-germaanschen mansvrnaam Hundo, Hond, 
die aanleiding kan gegeven hebben tot het aannemen der geslachts- 
namen Hond, Hondt, Hondius, enz. zie men bl. 52. 

M o 11 e is een friesche mansvrnaam , nog heden in volle gebruik. 
Het is oorspronkelik de zelfde naam , in andere uitspraak , als M e 1 1 e ; 
zie bl. 162. Van dezen mansnaam M o 1 1 e kan de geslachtsnaam Mol, 
Mo 11 ook worden afgeleid. Maar de geslachtsnamen Mo 11 erna, 
Mollen, Molling en Mollink zijn er zonder twyfel van af- 
komstig. Zoo ook Mollekens, een patronymikon van den ver- 
kleinform M o 1 1 e k e. Als plaatsnamen , waar aan deze naam al 
mede ten grondslag ligt, vermelden wy nog: Molla-state, te 
Eakmaryp ; Molmaburen, een gehucht by Lutke-Wierum ; 
M o 1 s e r t (dat is samengetrokken van Molswert), eene buurt 
by Franeker , alle drie in Friesland. Verder Molhem, een dorp 
in Zuid-Brabant ; Mollincourt in Isle-de-France (Frankrijk)- 



392 GESLACHTSNAMEN , SCHIJNBAAR. AAN IEttENAMEN ONTLEEND. 

Mollenkotten, gehucht by Hagen in Westfalen ; en M o 1 1 i n g , 
een gehucht by Bruneck (Enneberg) in Tirol. 

De niansnaam Muus, nog heden als zoodanig in Noord-Holland 
voorkomende, is eene verkorting en verbastering van Bartholo- 
meus zie bl. 378 en 396. De geslachtsnamen Muis, Muys, 
M u i s k e n kunnen dus even zeer aan dezen mansvrnaam ontleend 
zijn , als aan den diernaam. De geslachtsnamen Muus se en 
Muusses zijn ongetwyfeld vadersnamen van dezen mansnaam; 
waarschijnlik ook Muysson. 

H a s o is een oud-germaansche mansvrnaam , en als zoodanig in 
Frstemann's Altdeutsch.es Namenbuch vermeld. Dat deze naam ook 
oudtijds by onze voorouders in gebruik geweest is, bewyzen de 
geslachtsnamen Van Hasinga, Haasma, Haesen, Hazes, 
Hasens, misschien ook Haasse en Hase, benevens menige 
plaatsnaam, die allen er van zijn afgeleid. Van den verkleinform 
Haasje is de geslachtsnaam Haasjes geformd. Wijl de mans- 
vrnaam Haso, Hase door my nog niet in oude nederlandsche 
oorkonden is gevonden (ofschoon aan het bestaan er van geen twyfel 
is), en daarentegen de verkleinform Haasje wel als vrouenaam 
kan bewezen worden (Haesje Claes in 't Paradys b. v. , de 
vrome vrou , die in de 16de eeu het Burgerweeshuis te Amsterdam 
stichtte), zoo kan de geslachtsnaam Haasjes ook wel een metro- 
nymikon zijn (zie 59), en geen patronymikon. In allen gevalle 
is het duidelik dat de geslachtsnaam Haas niet noodzakelik aan 
den diernaam behoeft ontleend te zijn. 

Dat de geslachtsnaam Kon ij n ook oorspronkelik een plaatsnaam kan 
wezen, even zeer als een diernaam, is reeds op bl. 210 aangetoond. 

De namen der oude Priesen Hengist en Horsa (twee 
peerdenamen) bewyzen dat de geslachtsnamen H e n g s t , Hinxt 
en E o s (letterkeer van Hors of O r s) ook zeer wel oorspronkelik 
mansnamen kunnen zijn , even wel als huisnamen of diernamen. 

Ram, Ramo is een oud-germaansche mansvrnaam , gelijk door 
menigen plaatsnaam (Ram mingen of Ramegnies, een dorp in 
de Henegou ; Rammingen, een dorp by Ulm in Wrtemberg ; 
Ramminghausen, een gehucht by Syke in Hoya , Hanover) 
bewezen wordt. Van den verkleinform R a m k e is de friesche pa- 
tronymikale geslachtsnaam Ramkema geformd. 



GESLACHTSNAMEN , SCHIJNBAAR AAN UIERENAMEN ONTLEEND. 393 

Lamme is een friesche mansvrnaam , die oudtijds, meer dan 
tegenwoordig, in gebruik was. Sedert de hollandsche gouspraak in 
Friesland meer en meer bekend en gesproken werd , is deze naam 
buiten gebruik geraakt , wegens de min gunstige beteekenis die het 
woord lam (friesch laem met gerekte , opene a) , althans voor eenen 
mansvrnaam , in het Hollandsch heeft. In de naamlijsten van 
Wassenbergh , Leendertz en Brons , meermalen in dit werk aange- 
haald, wordt de mansnaam Lamme nog vermeld. In vroueliken 
form , als een enkel verkleinwoord (L amke) , en als een dubbel ver- 
kleinwoord (Lamkj e) , komt deze naam in Friesland nog meer voor 
als in den manneliken form. Ook in den friso-saksischen form 
Lammechien, in Groningerland en Drente. De mansnaam Lemme , 
mede in Friesland voorkomende , en oudtijds ook in andere neder- 
landsche gewesten in gebruik , is oorspronkelik de zelfde naam als 
Lamme, en levert daarmede slechts een klein verschil in tongval op. 
In de brabantsche en vlaamscbe gewesten is Lam en L e m nog 
heden in gebruik als eene verkorting van den vollen naam Wil- 
helm, Willehalm, Willem. Deze mansvrnaam kan , evenzeer 
als de diernaam lam , aanleiding hebben gegeven tot den geslachtsnaam 
Lam. Buitendien zijn de geslachtsnamen Lamminga en Lam- 
menga, Lamming en Lamsma, Lams, Lammens, met 
Lemmens, Lems en Lemson, en de verkleinformen Lamme- 
kes, Lemkes en Lemke, zekerlik van dezen mansnaam afgeleid. 

Bocco, Bucco is een oud-germaansche , in Frstemann's Alt- 
deutsches Namenbuch vermelde mansvrnaam, die als Bokke nog 
heden ten dage in Friesland in volle gebruik is. De geslachts- 
naam Bok zal zekerlik wel , in menig geval , ontleend zijn aan 
dezen ouden mansnaam. Hy gaf buitendien oorsprong aan vele 
andere geslachtsnamen en plaatsnamen. Als geslachtsnamen, van 
den mansnaam Bokke afgeleid , vermeld ik hier : Bokkenga, 
Boeking en Buckinx, alle drie oude patronyrnika. Ook de 
engelsche plaats- en geslachtsnaam Buckingham behoort hier 
toe. Verder Bokkema, Bokma, Bockma, Van Bokma, 
Boksma, Boxma, Bokkens en Bokkes, ook allen tweede- 
naamvalsformen. Het getal der plaatsnamen aan den mansnaam 
Bokke ontleend, in alle germaansche landen voorkomende, is 
nog veel grooter dan dat der geslachtsnamen. Hier kunnen slechts 



394 GESLACHTSNAMEN , SCHIJNBAAR AAN DIEUENAMEN ONTLEEND. 

de nederlandschen vermeld worden: Bokkum, gehucht by 't dorp 
Akkrum , en Boksum, dorp in Menaldumadeel , beide in Fries- 
land ; Nibbikswoud, een dorp in noordelik Noord-Holland; 
(deze naam is een e verbastering en samentrekking van Nieu- 
'Bokswoude; Oud-Bokswoude is het dorp Hauwert , mede 
in het westerfliesche Friesland). Waarschijnlik ook nog Boksb er- 
gen, eene havesate by Olst in Overijssel. Buitendien zijn nog de 
geslachtsnamen Van Bockom en Van Oldenboccum aan 
plaatsnamen ontleend , die op hunne beurt weer van den mansnaam 
Bokke afgeleid zijn. Plaatsen die Bockum en Bochum heeten , 
liggen er wel vier in Duitschland. 

Een bekende oud-nederlandsche mansnaam , nog heden in volle 
gebruik, is Arend, by samentrekking Aart. De geslachtsnaam 
Ar end kan evenzeer oorspronkelik deze mansnaam zijn, als de diernaam. 
Vele andere geslachtsnamen zijn eveneens aan dezen naam ontleend. Dit 
zijn:Arends,Arendsen,Arentzen, Arents, Arendsma, 
Arensma, fAarnsma, Arentsma,Serarents (zie bl. 144) , 
Aartsma, Aarts, Aerts, en misschien ook Arens, Ah reus, 
Arning, het verlatynschte Arntzenius (van Arntzen, Ar end- 
se n), Aarsen, in verkleinform Arnken en Arenkens, enz. 

De naam van den roofvogel valk diende den ouden Germanen 
almede als mansvrnaam. Als Falacho, Falco wordt hy vermeld 
in Frstemann's Altdeutsches Namenbuch. Frstemann hecht even- 
wel eene andere beteekenis aan dezen naam. Tot in de 17de e eu 
bleef deze naam in Holland in gebruik. In 1628 voerden twee 
burgers van Amsterdam dien naam; de eene heette Jan Valcksz 
(dat is Jan, zoon van Valk), en de andere Valk Theunisz. l 
Ook in den jare 1471 woonde er te Schoonhoven zekere Valk 
Merten sz. 2 Maar in Friesland is deze zelfde naam , door de Friesen 
te recht F a 1 k e geschreven , tot op den dag van heden in gebruik 
gebleven. Hoochst waarschijnlik is menige geslachtsnaam Valk 
of Va lek oorspronkelik deze mansvrnaam, en geenszins in 
alle gevallen de diernaam. Maar zonder twyfel zijn de geslachts- 
namen Falkema en Valkema, Falkena en Falckena, 
Falks, Valks, Falcksz, Valksz aan dezen mansnaam ont- 



1 Wagenaau, Amsterdam, IV, LI. 401. 2 De Navorscher , dl. IV, bl. 129. 



GESLACHTSNAMEN , SCHIJNBAAR AAN DIERENAMEN ONTLEEND. 395 

leend. Zoo mede de plaatsnaam Falkum of Falkum-burcht, 
by Bellingaweer in Hunsego (Groningerland). Misschien ook Valk- 
oog, een dorp in het westerfliesche Friesland. 

Een andere roofvogel is de havik , en ook zijn naam moest oudtijds 
als mansvrnaam dienen. Die voornaam kan dus, zoo wel als de vogel- 
naam zelve , aanleiding gegeven hebben tot het ontstaan van den 
geslachtsnaam Havik. In 1572 vinden wy te Leiden eenen man 
die Meus Haviksz. (dat is Meus, de zoon van Havik) ge- 
noemd wordt door den geschiedschryver Boe , en die door Hooft vol- 
uit Bartholomeus Haavixzoon wordt geheeten. 1 De vogel 
havik heet in het Friesch hauk , en in het Engelsch eveneens hawk. 
Van daar de friesche geslachtsnaam Haukema en de engelsche 
H a w k i n s. Ook H a u c k e kwam my als nederlandsche geslachts- 
naam voor. 

Hraban, R a b o in hoogduitschen , Hravan, Raven, Rave, 
Raaf in nederduitschen form , is een oud-germaansche mansvr- 
naam, die waarschijnlik aan den geslachtsnaam Raaf zynen oor- 
sprong heeft gegeven. Buitendien zijn de geslachtsnamen Ravinga 
en Raven aan dezen mansnaam ontleend. 

Hoe zonderling het klinke , ook Crai, Kray of Kraai moet 
ik voor eenen oud-germaanschen mansvrnaam houden , al is het 
dat die naam my tot nog toe nergens voorgekomen is. Maar uit 
de geslachtsnamen Kraaima enCraien, vooral ook uit de oude 
patronymikale geslachtsnamen Kraayinga en Kraayenga in 
Friesland, en Craying in Engelland , zoo mede uit de plaats- 
namen Kraaienwerf, eeD verdronken gehucht op het eiland 
Marken ; Kraaienisse, een polder op het eiland Over-Flakee ; 
en Craywyk, een dorp by Grevelingen in Fransch- Vlaanderen , 
meen ik met zekerheid tot het bestaan van den mansvrnaam 
Kr ai te mogen besluiten. 

Een friesche mansvrnaam (al is hy weinig in gebruik , hy 
wordt toch in de naamlijsten van Wassenbergh en Leendertz aan- 
getroffen) is Finke. En deze naam kan aanleiding hebben gegeven 
tot het ontstaan der geslachtsnamen Vink, Vynck, enz. Van 
dezen mansnaam , die een verkleinform is van den frieschen mans- 



1 De Navorscher, dl. XXVII, bl. 412. 



396 GESLACHTSNAMEN , SCHIJNBAAR. AAN DIERENAMEN ONTLEEND. 

vrnaam Finne, Fin, (Fin-ke = Fin-tje), die als een oud- 
gennaansehe mansnaam ook door Festemann vermeld wordt , 
van den mansnaam Finke hebben wy buitendien de geslachts- 
namen Finken en Vinken en in versletenen form Vink e; be- 
nevens vele plaatsnamen. En aan den oorspronkeliken mansnaam 
Fin zijn ontleend de geslachtsnamen Vinnema, het uitgestorvene 
Fingia (dat is Finninga) in Friesland, en Finning in 
Engelland. 

De geslachtsnamen Musschenga en Muischengain Gro- 
ningerland , en Muskens in Limburg en Gelderland inheemsch , 
schynen van eenen mansvrnaam Mus ofMusk (Muske = 
Mus-ke?) afgeleid te zijn. Deze twyfelachtige mansnaam, die 
buitendien ook nog in den naam van het hanoversche dorp Ms- 
s i n g e n , by Bodenteich in het Lneburgsche schijnt voor te ko- 
men , kan ook aan de geslachtsnamen Musch en M o s c h ten 
grondslag liggen. Over dezen naam staat nog het een en ander , 
van de hand des geleerden Leendertz en van my zelven geschre- 
ven , in De Navorscher , dl. XXVI en XXVII , bl. 361 , 561 en 78 , 80. 

Over den mansvrnaam Mees, eene verbastering en verkor- 
ting van den bybelschen naam B a r t h o 1 o m e u s , en waarvan de 
geslachtsnaam Mees kan afgeleid zijn, zie men eenige byzonder- 
heden in De Navorscher, dl. XXVII, bl. 412. Ook de geslachts- 
naam Meeuw behoeft niet nootsakelik de vogelnaam te zijn , 
maar kan eene verkorting wezen van M e e u w i s , een hollandsche 
mansvrnaam die eveneens eene verbastering is van Bartholo- 
meus. Een patronymikon van dezen mansvrnaam bestaat als 
geslachtsnaam in den form Meeuwse. De geslachtsnamen Meeu- 
wen echter en Van Meeuwen acht ik ontleend te zijn aan 
den plaatsnaam Meeuwen, zoo als een dorp heet in Noord- 
Brabant. 

Duif is een oud-friesche mansvrnaam, die oudtijds ook wel, 
als Duive, in Holland in gebruik was {Navorscher, dl. XXVII, 
bl. 408). In eene oorkonde, ten jare 1582 te Leeuwarden geschre- 
ven, vind ik vermeld: Die erffgenaemen van DuyffJelles in 
Sintte Jacobstraet". Van dezen mansvrnaam kunnen de geslachts- 
namen Duif en Duyf ontleend zijn, zoo wel als van den vogel- 
naam. De patronymikale geslachtsnamen Duyfs en D ui vis. (zie 



GESLACHTSNAMEN , SCHIJNBAAR AAN DIERENAMEN ONTLEEND. 397 

98), en, in verkleinform Duyfjes, zijn zonder twyfel van den 
raansnaam afgeleid. 

Hano is een oud-germaansche, by Frstemann vermelde mans- 
vrnaana , die als Hane nog in onze friesene gewesten in gebruik 
is, alhoewel zeldzaam. In verkleinform, als Haantje, komt by 
meer voor. Talrijk zijn de geslacbts- en plaatsnamen van dezen 
mansnaam geformd , en naar myne meening kan ook menige geslachts- 
naam Haan daaraan zynen oorsprong te danken hebben. Met de 
patronymika Haans en Haenen, Haantjes en Haentjens 
is dit zonder twyfel het geval. Andere geslachtsnamen , waar aan 
de mansnaam Hano ten grondslag ligt, zijn nog de versletene 
patronymika Hania, Hanja, Hanje, Hainja, Hainje en 
Van Hanja (zie 29). De volle patronymikale form Haning 
is nog in Engelland als geslachtsnaam inheemsch. Ook Hanema 
is nog een friesche geslachtsnaam , die zoon van Hano beduidt. 

Volkomen zoo als Hano is ook H e n n o een oud-germaansche , 
in Frstemann's Namenbuch vermelde mansvrnaam , die in den 
form H e n n e , en in verkleinform als H e n k e nog by het friesche 
volk in volle gebruik is. De geslachtsnaam Hen kan er aan ont- 
leend zijn. Zonder twyfel is dit het geval met Hen n ing (dit 
patronymikon deed en doet ook wel eens dienst als mansvrnaam) , 
waar Hennye en Henny versletene formen van zijn (zie 30). 
Verder met Hens, met den samengestelden naam Hennixdael 
(dat is Henninks-daal) , met Henkema en met Henkes; 
zie bl. 156. Als plaatsnamen mogen hier vermeld worden: Hen- 
naart (dat is Hennawert, de wert of weerd van Henno) 
een dorp in Friesland; Henshuizen en Henswoude, gehuch- 
ten by Akkrum , Friesland ; Hensbroek, dorp by Hoorn in 
West-Friesland; Henningen, dorp by Salzwedel in Pruissisch- 
Saksen; Hennighausen, gehucht by Meschede in Westfalen ; 
Hennstedt, dorp in Ditmarschen , enz. 

Eene zeer gebruikelike verkorting van den bybelschen mans- 
naam Paulus is Pau. De geslachtsnamen Paeu, Pauw, enz. 
kunnen zoo wel deze verkorte mansnaam zijn , als de vogelnaam. 
En ook kunnen Paus, Paeus, Pous patronymika daarvan we- 
zen , even wel als ontleend te zijn aan het ambt van het hoofd der 
roomsch-katholike kerk. 



398 GESLACHTSNAMEN , SCHIJNBAAR AAN DIERENAMEN ONTLEEND. 

In Friesland komt nog eene enkele maal als mansvrnaam 
voor: Reiger. In de lijsten van friesche namen van Wassen- 
bergh , Leendertz en Brons wordt hy vermeld. Ook is de friesche 
geslachtsnaam Reigersma er van afgeleid. De geslachtsnaam 
Reiger kan ook zeer wel aan dezen mansnaam zijn ontstaan te 
danken hehben. De volle form waaronder de oude germaansche 
volken dezen mansnaam in gebruik hadden, is Ragingar, in 
Frstemann's Namenbuch te vinden. Ragingar werd Raingar, 
R e i n g e r en eindelik Reiger. 

Swaan, Swano, Suano is al mede een oud-germaansche 
door Prstemann aangewezen mansvrnaam. In vroueliken form, 
als Zwaantje, komt deze naam nog heden geenszins zeldzaam 
voor. Vooral in de friesche gewesten is hy inheemsch. De geslachts- 
naam Zwaan, Swaan, Swaen kan zeer wel oorspronkelik deze 
mansnaam zijn. Hy is althans niet onvoorweerdelik de vogelnaam. 
Swaans, Swaens, Zwanes, Zwanen, Swaenen, ook in 
verkleinform Zwaantjes enSwanekens, zijn patronymikale 
geslachtsnamen van dezen mansnaam ontleend. De twee laatstge- 
noemden kunnen, wijl Zwaantje, Swaneke als vrouenaam in 
gebruik is, ook metronymika zijn; zie bl. 159. De friesche ge- 
slachtsnamen Swama en Zwama, die ik anders niet te verkla- 
ren weet, houd ik voor afgesletene formen van Swaanma, 
Swanama, anders gezeid : Swaans zoon. 

De geslachtsnaam Bot, Both kan zoo wel de vischnaam wezen, 
als de oud-germaansche , nog heden by de Friesen in volle gebruik 
zijnde mansvrnaam Botto. Botte, als vrouenaam Botje. 
Talrijk zijn de geslachtsnamen en plaatsnamen , waar aan deze mans- 
naam ten grondslag ligt; b. v. Bottinga en Bottenga, de 
volle oude patronymika, en Botnia met Van Bothnia, de 
versletene formen daarvan; zie bl. 66. Verder Bottema, Bot- 
ma, Bottens, Bots en Bottes, en in verkleinform Botje, 
Botke, Botjes, meest allen in de friesche gewesten inheemsch. 
Bottingen is een dorp by Emmendingen in Baden; Bot- 
tum ligt by Frstenau in Hanover; Bottorf by Berssenbrgge 
in Hanover ; Bottens is een gehucht by Pakens in Jeverland 
(Oldenburger Friesland), en Botniahusen is een gehucht by 
Franeker. 



GESLACHTSNAMEN , SCHIJNBAAR AAN DIERENAMEN ONTLEEND. 899 

Haring is nog heden ten dage in de friesche gewesten als 
mansvrnaarn in volle gebruik , en was het oudtijds ook in Holland. 
By dezen mansnaam moet aan eenen vischnaain geenszins gedacht 
worden. En my dunkt ook menige geslachtsnaam Haring, Hae- 
rynck, enz. vindt in dezen mansnaam zynen oorsprong. Haring 
als mansnaam is oorspronkelik een oneigenlik gebruikte vaders- 
naam van den ouden mansnaam Hare, Haro, die in Frstemann's 
Namenbuch als Hari voorkomt, en nog heden by de Friesen in 
gebruik is. Van Haring hebben wy de geslachtsnamen H a r i n g s , 
Haringsma, Harinxma en Van Harinxma, en de plaats- 
namen Haringhuizen en Haringkarspel, dorpen in het wes- 
telikste Friesland of noordelik Noord-Holland , en Haringhusum, 
een gehucht by het dorp Fisvliet iD het Westerkwartier van Gronin- 
gerland. In Oost-Friesland is de geslachtsnaam Haringsna reeds 
uitgestorven. Talrijk zijn ook de geslachtsnamen die onmiddellik aan 
den mansnaam Haro, den naamstam van Haring, zijn ontleend. 
Als zulken noemen wy Haringa, Harema, Haarsma, Haer- 
sma, Van Haersma en Haren; ook in verkleinform H a a r k e n. 

Even als de naam van den visch haring in de meeste nederland- 
sche tongvallen als hering uitgesproken wordt, zoo komt nevens den 
mansnaam Haro ook de form Her o voor. En deze laatste form is 
ook in Friesland het meeste in gebruik , veelal als H e r e of H e r o , 
in misspelling He er e, en zelfs, door de eigenaardige friesche 
klankbreking, als Hjerre, dat men ook wel Her re schrijft. In 
verkleinform als Heertje en Heerke en Herke, H;rco en 
H a r c o komt deze naam eveneens voor , en is nog in volle gebruik. 
Behalven de patronymikale geslachtsnamen Hering, Herink,He- 
rynck, enz. die men ook voor den vischnaam kan houden , zijn er 
nog zeer vele andere geslachtsnamen van dezen mansnaam afgeleid 
om van de plaatsnamen niet te spreken. Zie hier eenigen van die ge- 
slachtsnamen : Herincks, Heerinckx, Heringa, Heeringa, 
Herenga, Heerema en Heerma, Heer se ma en Heersma, 
Heer es en Heer en, Heerke ma, Heerkes, Heerkens, 
Heertjes, Herrema, Herres, Herking, Herkes, Her- 
ken s. Als tegenhangers van de laatstgenoemde namen, en daar- 
mede slechts een klein verschil in uitspraak opleverende , terwijlzy 
van den zelfden oorsprong zijn, noemen wy hier nog de geslachtsnamen 



400 GESLACHTSNAMEN , SCHIJNBAAR AAN DIEftENAMEN ONTLEEND. 

Harringa, Harsma, Harren en Harrens, Hark erna, 
Harkink, Harken, Harkens, Harkes, Harksen, Har- 
tjes en Hartjens; ook Hartsinck, Hartsing, Hartsema 
en het versletene Harssema, van den oud-frieschen verkleinform 
Har-tse = Har-ke, Harco, de kleine Harro. 

De zelfde verhouding als tusschen Haro en Hero, haring en 
kering , bestaat ook tusschen de vischnamen baars en heers , tusschen 
de mansvoornamen Bar o en Bero. Van deze oud-germaansche , 
by de Friesen nog in volle gebruik zijnde mansvoornamen kunnen 
de geslachtsnamen Baars en Beers ook patronymika zijn, in 
den form van eenen tweeden naamval. Van Baro, Barro en van 
de verkleinformen Barke en Barle (Barlyn) zijn buitendien nog 
vele geslachtsnamen afgeleid, die op bl. 391 vermeld zijn. Die, 
welke van Bero, Berre, Berke, enz. afkomstig zijn , vindt 
men in 136 opgegeven. Eindelik is nog de plaatsnaam Beers, 
aan drie dorpen eigen , in Friesland , in Noord-Brabant en in de 
antwerpsche Kempen , oorzaak geweest van het ontstaan van 
geslachtsnamen Beers en Van Beers, misschien ook Beers- 
man en Beersmans. 



E. GESLACHTSNAMEN AAN HET PLANTENRIJK ONTLEEND. 

135. Is het getal der geslachtsnamen, die in der daad of 
schijnbaar ontleend zijn aan de namen van dieren reeds zeer aan- 
zienlik , de geslachtsnamen afgeleid van de namen van planten en 
van gedeelten daarvan, in 't algemeen van voorwerpen uit het 
plantenrijk afkomstig , zijn nog veel meer in aantal. 

De oorzaken die iemand er toe kunnen gebracht hebben om 
eenen plantenaam als geslachtsnaam aan te nemen , zijn velerlei. 
Menigeen draagt zulk eenen naam , wijl het huis van eenen zyner 
voorouders byzonder kenbaar was door den eenen of anderen boom , 
die er by stond. Men noemde zulk een huis dan wel : het huis 
onder de linde" , of by de eiken" 1 , of by den peereboom ". En zulke 
huisnamen gingen weer over op de bewoners van die huizen , die 
men b. v. Aarnout onder de linde", of Bartold by de 



GESLACLITSNAJ1EN AAN HET PLANTENRIJK ONTLEEND. 101 

eiken", of Hubert van den peereboo m" noemde; of ouk 
by verkorting: Arnold de Linde", of Berthout van de 
Eiken", ofHubrechtPe er e boom." Ook droeg in de neder- 
landscbe steden van onds menig huis de afbeelding of den naam 
van eenen boom, van eene plant, of gedeelte daarvan (bloem of 
vrucht) , in den gevel. In het werk De Uithangteekens van Van 
Lennep en Ter Gouw kan men daarvan eenige voorbeelden vinden. 
En zulke huisnamen gingen eveneens wel over op de lieden , welke 
die huizen bewoonden, en werden, by verloop van tyden , van 
toenamen tot vaste geslachtsnamen. Als voorbeelden noemen wy : d e 
Karsseboom en de Sparreboom, beide te Leeuwarden als 
huisnamen voorkomende. Verder de Roos, de Lelie, de Koorn- 
bloem, de Appel en de Oranjeappel, de Druivetros, 
de drie Rapen, het Klaverblad, enz. Andere lieden weer 
kregen eenen bynaam , die later een vaste geslachtsnaam werd , 
omdat zy sommige voorwerpen uit het plantenrijk afkomstig, ver- 
kochten. H e i n , de worteleboer , werd al spoedig Hein Wortel ge- 
noemd , B a r t e 1 , die in granen en zaden handelde , noemde men 
BartelCoolsaetofBartholdRogge, Pieter,de krui- 
denier , kreeg den bynaam van P i e r P e p e r. En L e v i , die spaan- 
sche fruiten", gelijk onze voorouders zeiden, ventte, heette eerlang 
Levi Citroen, terwijl men Krijn, het gooische boertje, die in 
het najaar zyne lange witte rapen ter markt bracht , slechts kende 
als Krijn Lang er aap. En al die bynamen zijn niet slechts aan 
de personen , aan wie men ze eerst gegeven had , bly ven hechten , 
maar ook aan hunne kinderen en hun nageslacht. Zy bestaan 
tegenwoordig nog als vaste geslachtsnamen. 

Om de geslachtsnamen , uit het plantenrijk ontleend , nader aan 
te toonen en te verklaren , beginnen wy met de boomen , en ver- 
melden dus eerst de geslachtsnamen Boom, De Boom, Ten 
Boom en Onder den Boom. Omdat Boom ook de naam is van 
een dorp tusschen Antwerpen en Mechelen, wil ik den geslachts- 
naam Van Boom liefst verklaren als van dei.en plaatsnaam afge- 
leid. 7ioo;?mamen , die geen naderen uitleg eischen, zijn nog: Ap- 
pelboom, Kersenboom en Carsseboom, Lindeboom, No- 
teboom en Neuteboom, Palmboom , Peereboom , Roze- 
boom en Rooseboom, Denneboom, Sparreboom en 

26 



402 GESLACHTSNAMEN AAN HET PLANTENRIJK ONTLEEND. 

Mastboom (zoo noemt men wel, vooral in Brabant , alle recht op 
gaande en kegeldragende boomen van daar ook het Mastbosch 
by Breda en elders). Dan nog Vygeboom, Vlierboom, enz. 
De naam van den eikenboom is my , zonderling genoeg , in dezen 
thans meest gebruikeliken form nimmer als geslachtsnaam voor- 
gekomen. Het schijnt dat het nederlandsche volk dezen boom oud- 
tijds jmeest genoemd heeft naar den naam zyner vruchten , de eikels. 
Zoo laten zich de geslachtsnamen Eykelboom en Eikelen- 
boom verklaren. In den tongval der friesche steden draagt de 
eikel den naam van ekkel: zoo spreekt men te Leeuwarden van 
ekkelkoffi (fijn gestampte gebrande eikels) , van ekkelspek (het spek 
van varkens , die met eikels gemest zijn) , enz. Zie bl. 305. En van daar 
ook de geslachtsnaam Ekkelboom, te Leeuwarden inheemsch. De 
oud-hollandsche naam van den eikel is aker. De Akerboom" kwam 
oudtijds in Holland niet zeldzaam als huisnaam voor, in afbeel- 
ding op eenen gevelsteen. In 1868 was er nog zoo een te zien 
in de St.-Nicolaas-straat te Amsterdam ; l misschien ook heden 
nog. En de oude rederykerskamer te Vlaardingen heette De Aker- 
boom. De geslachtsnamen Akerboom en Akerenboom blyven 
de gedachtenis aan dezen eigen oud-hollandschen naam bewaren. De 
geslachtsnaam Zevenboom vertoont de oud-nederlandsche naam van 
den boom , dien men ook sevenboom , savenboom , savelboom noemt , 
dien de geleerden Juniperus Sabina noemen , en die oudtijds by 
het volk zoo welbekend was. Den geslachtsnaam S 1 ij b o o m houd 
ik voor eene verbas^ering van Sleeboom , het welk de naam is 
van den Prunus spiaosa , dien men ook Sleedoorn noemt. Te meer 
wijl de sleen , vruchten van dezen boom , in Groningerland sleien 
worden genoemd. In den geslachtsnaam Slebos vindt men ook 
den naam van deze wilde 'pruimesoort terug; slebos, verbastering 
van sleebosch , een nederlandsche form van den hoogduitschen ge- 
slachtsnaam Schleebusch, die ook in de Nederlanden voorkomt. 
Wijl echter Schlebusch ook de naam is van een dorp tusschen 
Dusseldorp en Keulen gelegen , zoo kan de maagschapsnaam S 1 e- 
b o s ook tot de namen- van byzonder aardrijkskundigen oorsprong 
worden gerekend; zie bl. 212. Toch is, am Eade , de dorpsnaam 



1 Zie Van Lennep en Ter Gouw, Uithangteekens , dl. II, bl. 378. 



GESLACHTSNAMEN AAN HET PLANTENRIJK ONTLEEND^ 403 

Schlebusch ook weer ontleend aan den naam van den sleeboom. 
De teeboom , waaraan de geslachtsnaam Tee'boom zyneD oorsprong 
verschuldigd is , zal oorspronkelik wel op het uithangbord van 
eenen theehandelaar gepraald hebhen. Een oud-nederlandsche naam 
van dennen , sparren en andere kegeldragende boomen is kienboom. 
Kilianus heeft Kien-boom, kien-hout, pinus , teda." In verslete- 
nen form vinden wy dezen ouden naam terug in den geslachtsnaam 
Kieb oom. 

Enkele geslachtsnamen bestaan ook uit den naam van eenen 
boom op zich zelven , zonder het woord boom daar achter. Dit zijn 
Hagedoorn en Haeghedoorn, Hulst, De Hulst en D' 
Hulst. Verder De Linde (kan ook de riviernaam zijn, zie bl. 248) 
en De Lynde, Louwerier en Lourier (hollandsche uitspraak 
van laurier) , Palm en Popelier. 

Sommige boomachtige gewassen , van geringe grootte en stevig- 
heid , noemt men stok" in plaats van vboom' 1 ; b. v. wijnstok" 
en wozestok". De geslachtsnamen Rosenstok en Wijnstok zijn 
oorspronkelik deze woorden. 

Een zeer oude germaansche naam voor boom is het woord thriu , 
tere , tra of dro , al naar de verschillende taaistammen eischen. Dit 
woord , dat onder anderen nog in de engelsche taal leeft als tree , 
en in de skandinaafsche als trad en tree , boom , was oudtijds ook 
eigen aan de nederlandsche taaistammen. Enkele plaatsnamen en 
geslachtsnamen hebben dit oude woord bewaard. Men vindt het 
nog in de namen Apeldoorn (oud-saksisch Apoldro, ap- 
pelboom), Appeltern, een geldersch dorp tusschen Maas en 
Waal , en A p p e 1 1 e r r e , een dorp in Oost- Vlaanderen , by Sot- 
teghem. l In sommige gouspraken is dit zelfde oud-germaansche 
woord nog tot den huidigen dag in leven gebleven. In Limburg 
b. v. draagt de mispelboom den naam van mispelteer , de vlierboom 
heet daar holenteer, overeenkomende met het hoogduitsche woord 
Holunder {der = boom); en de jeneverstruik wachelteer , hoogduitsch 
Wacholder , enz. Oudtijds noemde men in sommige zuid-nederland- 
sche gouspraken den appelboom dan ook appelteer, appelteir , ap- 



1 Zie mijn opstel: Naamsoorsproru/ van Jpeldoorn , in Be Navorscher , til. XXV 
bl. 559. 



404 GESLACHTSNAMEN AAN HET PLANTENBJJK ONTLEEND. 

peilere, overeenkomende met het engelsche appletree., en den note- 
boom tintelteer , neuteltere. In sommige geslachtsnamen , die eveneens 
meest in de zuidelike Nederlanden inheemsch zijn , komen deze 
oude boomnamen nog heden ten dage voor. Zulke namen zijn 
Mispelter, Mispeltier en, als patronyinikon , M i s p e 1 1 e r s. 
En Notelteirs, dat my ook slechts in den tweeden naamval als 
vadersnaam voorgekomen is. De geslachtsnamen Hagedoorn, 
Haghedoorn, enz. en Doornbosch, Dorenbos, Hoogen- 
doorn enz. behooren eigenlik ook tot deze afdeeling. 

Een ander woord om boomen , in het byzonder vruchtboomen 
aan te duiden , en dat eveneens in de zuidelike Nederlanden het 
meeste in gebruik is , bestaat uit de lettergreep laar {lare , laere , 
leer, lere). Zoo spreekt men in die gewesten nog heden ten dage 
van eenen appelaar , voor appelboom ; van eenen kerselaar , mispe- 
laar , neutelaar, enz. voor kerseboom, mispelboom en noteboom. 
Ook deze eigenaardige boomnamen vinden wy onder de neder- 
landsche geslachtsnamen vertegenwoordigd. Als zoodanig zijn my 
bekend de namen Appelaar, Perelaer, DeHaeseleer, D'Ha- 
s e 1 a e r een D'Haseleire (haselaar = haselnoteboom) , K e r s s e- 
laers, Kriekelaer, Mispelaere en Mespelaere, Neu- 
telaers, Rozelaar, De Rozelaar, Roseleer en Roose- 
leer. Deze namen zijn , zoo als de aard der zake medebrengt , 
hooftsakelik in de zuidelike Nederlanden inheemsch. 

Is de beteekenis van de tot nu toe vermelde geslachtsnamen , 
aan boonm&men ontleend , geenszins duister , met alle geslachtsna- 
men , die tot deze groep behooren , en is dit niet het geval. Zoo weet 
ik b. v. de geslachtsnamen Huyboom, Toortelboom enRaec- 
kelboom niet te verklaren; en Gljenboom evenmin. Ook 
Boerenboom, Boerboom en Bourboom zijn my zoo min 
duidelik als Slotboom en Soeteboom. De geslachtsnamen Graan- 
b o o m en Meelboom kan ik my slechts voorstellen , als uit 
spotterny ontstaan. Bosboom kan eene misspelling zijn van boscli- 
boom , woudboom. Maar evenzeer kan deze naam geduid worden 
als bosboom , boksboom , buksboom , hoogduitsch Buxbaum , de soms 
boomachtige , welbekende heester , die in de nederlandsche volks- 
taal veelal den naam van palm draagt {Buxus sempervirens). In de 
geslachtsnamen Kwekkeboom en Quekeboom schuilt een oud 



GESLACHTSNAMEN AAN HET PLANTENltIJK ONTLEEND. 405 

woord kioekke , hoelce , kwik , dat leven beteekent , en dat ook 
nog voorkomt in het woord ktvikborn, levende bron, springbron. 
Van daar ook de geslachtsnaam Quekkeboorne (zie 165). 
Kwekkeboom en Quekeboom zijn dus, met den geslachts- 
naam Groeneboom, de tegenhangers van de geslachtsnamen D o r- 
r e boom en Dorrenboom. Hoogeboom, Holleboom, 
Dikboom en Oldenboom (oude boom , in saksischen form) 
eischen geenen naderen uitleg. De geslachtsnaam Heyligenboom 
zal wel ontleend zijn aan eenen boom , waaraan het beeld van eenen 
Heilige was bevestigd , gelijk zulks wel voorkomt in landen , waar 
de roomsche godsdienst de heerschende is. Het zoude echter ook 
kunnen zijn dat deze .naam van veel oudere' dagteekening ware , 
en nog uit den tijd stamde toen onze voorouders, nog voor de 
invoering van het kerstendom , sommige boomen als heilig ver- 
eerden. Ook nog na hunnen overgang tot het kerstendom bleven 
de oude Nederlanders, soms nog eeuen lang, zulke boomen als 
heilige boomen beschouen en noemen. Lichtelik kon iemand , naby 
zulken boom wonende , daaraan zynen toenaam ontleenen. De ge- 
slachtsnaam Meiboom en Meyboom kan, ja, hagedoorn of 
meidoorn beteekenen. Liever echter wil ik dezen naam duiden als 
ontleend aan den bekenden meiboom", die in vele germaansche 
gouen in den meitijd , gewoonlik te Pinkster , voor de huizen werd 
opgericht , versierd , enz. en waar om heen men danste en andere 
feestelikheden bedreef. Waar zulk een meiboom , misschien een 
byzonder hooge of schoone , langer dan gewoonlik staan bleef , mis- 
schien wel standvastig zyne plaats behield , daar kon dit geval 
gemakkelik aanleiding geven dat iemand , voor wiens huis die mei- 
boom was opgericht, daaraan zynen toenaam ontleende. De 
beteekenis van den naam Bierboom is my niet duidelik. Zoude 
het oorspronkelik beerboom , hefboom , draagboom , dus een werk- 
tuich zijn ? 

Nevens deze ioomnamen komen er ook eenige geslachtsnamen 
voor , die met het woord hout zijn samengesteld , en die met 
de ioomnamen veelal na verwant zijn. Zie hier eenigen van die 
namen: Ebbenhout, Eekhout, Beukenhout, van bekende 
houtsoorten afgeleid. Verder Langhout, en, in saksischen form 
L a n k h o 1 1 , W i t h o 1 1 , Kromhout en C r o m h o u t , D r ij f- 



406 GESLACHTSNAMEN AAN HET PLANTENRIJK ONTLEEND. 

hout, Dorhout, enz. De naam Eekhout, in het hedendaag- 
sche geijkte Nederlandsen eikenhout," komt in verschillende for- 
men voor ; als Eechout, Eekholt, Eeckhout, Eckholt, 
Eekhaut, ook in hoogduitschen form als Eicholtz, enz. Verder 
nog Van den Eeckhoutte, Van den Eeckhautte en Van 
den Eechaute. De geslachtsnaam Beukenh out komt ook voor 
als Buekenhaut en Buekenhoudt, in brabantschen form ; als 
Boekhold en Boekholt, in saksischen form ; als Bouchout 
en Bouckhout, in vlaamschen form ; verder nog als Boekhout, 
Bucholtz, enz. Schelfhout komt in Brabant ook als Schelf- 
aut en Schel fhautte voor. Burgerhoudt en Tuinhout 
behooren mede tot deze groep. Eveneens Van 't Lindenhout 
en Roegholt. Deze laatste naam vertoont den saksischen form 
voor ruig hout", dat is te zeggen: een ruw, ruig begroeid bosch. 
De geslachtsnamen Eekhof, Eekhoff, Eeckhoff, Ekhof 
en Eekhoff, allen een hof van eeken" of eikenboomen aan- 
duidende , Beukenhof, Berckhof en Berckenhof, Appel- 
hof, ook Lindenhovius in verlatynschten form, enz. mogen 
almede by deze groep eene plaats vinden. Men vergelyke verder 
bl. 278. 

Eene byzondere groep van geslachtsnamen omvat nog zulke namen 
die samengesteld zijn uit de namen van eenen boom , met een voor- 
zetsel , meestal ook met het lidwoord en een voorzetsel daarvoor , 
b. v. Van Eik, Van Haegedoren, Van der Linde, Ver- 
b u e c k e n , enz. Deze namen danken hun ontstaan ongetwyfeld 
aan den eenen of anderen byzonderen , door grootte of iets anders 
kenbaren of zeldzamen boom , welke naby het huis stond van 
den man , die eerst van dien boom zynen toenaam ontleende. 
Tot deze groep van namen behooren nog Van den Peere- 
boom en Van den Peireboom, Van den Kieboom (zie 
bl. 403), Van der Eiken, Van der Eyken, Van den 
Eyken, Van Eik, VanEyk, Van Eick, Van Eek, Van 
Eecke, Van Ek, Van Eek, Vereecke, Vereecken, enz. 
Verder ook de maagschapsnamen Vijf-Eiken, met Van Vijf- 
eyken en het kwalik gespelde Veyfeyken, van eene plaats 
afgeleid, waar vijf eikenboomen stonden. Deze namen zijn tegen- 
hangers van den geslachtsnaam die naar drie eiken heet; te weten 



GESLACHTSNAMEN AAN HET PLANTENR1JK ONTLEEND. 407 

van Dreckmeyer; zie bl. 305. Eindelik nog de maagschaps- 
naam Agtereek, dat is: Achter den eikenboom. Onder deze 
ez&namen kunnen ook plaatsnamen schuilen , naar dien plaatsnamen 
als Eik, Eecke, Eycken, enz. niet zeldzaam zijn; deze zijn 
dan oorspronkelik eveneens aan den eik (als boom) ontleend. Ek in 
Van Ek en Van Eek kan ook plaatsnaam zijn, in de beteekenis 
van hoek." Verder Van der Wilgen, Van de Willigen, 
Van der Willigen, Verwilgken en Utterwulghe (zie bl. 
257); Van der Flier, Van der Els, Van der Eist, 
Vereist, Vanden Eisen en Van den Elzen met Ver el zen. 
Verbueken, met Verbuecken, is een brabantsche form 
voor Ver- of Van der Beuken. Nevens Van der Linde (dat 
ook aan den riviernaam kan zijn ontleend , zie bl. 243) nog Van der 
Linden, Verlinde en Verlinden, en Verlindt met Ver- 
lint. Dan nog In den Berken, In den Berke, Van Espen, 
Verolme {olm is de zuid-nederlandsche naam van den yp) , V a n 
de Peppel {peppel of pappel of popel is de nederlandsche volksnaam 
van den populier). Van de Wijngaert met Van de Wingert, 
enz. is op bl. 292 reeds vermeld. De geslachtsnaam aan den abeel 
of witten peppel ontleend, is vooral in de zuidelike Nederlanden 
',eer algemeen, en komt in vele formen voor, als Van den 
Abeele, Van den Abeelen, Van den Abbeele, enz. 
Zelfs , door overgang van de b in eene m by verkeerde uitspraak , 
als Van den Ameele. Aan sommigen dezer namen zal ook wel 
de naam van het gehucht Abeele op het eiland Walcheren , 
tusschen Middelburg en Vlissingen , ten grondslag liggen. Den ge- 
slachtsnaam Van der Palm eindelik zoude ik liefst verklaren 
als afgeleid van eenen huisnaam , van den naam van een huis , 
waar een palm (boom) als uithangbord uithing of als gevelteeken 
was aangebracht. De palmboom in natura komt toch niet in Neder- 
land voor; wel vinden wy De Palm" als huisnaam. 

Als aanhangsel tot deze groote groep van geslachtsnamen aan 
boomen , hout , bosch en woud ontleend , mogen hier nog ver- 
meld worden de m.eer algemeene geslachtsnamen Van den Bosch, 
Van den Bussche, Van 't Wout, Van der Woude, Van 
de Woude, Van 't Hout, Van Houte, Van Houtte, Ten 
Houte, Op 't Holt, Bymholt (zie bl. 258) , Van d en B o o m , 



408 GESLACHTSNAMEN AAN HET PLANTENRIJK ONTLEEND. 

Verboom, Van de Loo, Van der Eist, Ther Bosch' 
Wouda, Wolda, Walda, Bosscha, Boschman, Woud man' 
Loraan, enz. die grooten deels reeds elders in dit werk vermeld zijn. 

136. Zijn de geslachtsnamen aan de namen van boomen ont- 
leend reeds talrijk, niet minder is dit het geval met die maag- 
schapsnamen welke bestaan uit de namen van gewassen van klei- 
neren omvang dan boomen en struiken , en die men onder den 
naam van planten en kruiden samenvat. Tot deze groep breng ik 
tevens die geslachtsnamen welke ontleend zijn aan de namen van 
deelen van planten , van bloemen en vruchten , en van andere voort- 
brengselen uit het plantenrijk. 

In de eerste plaats dan vermeld ik hier als geslachtsnamen ont- 
leend aan de namen van geheele planten : B y v o e t , ook in pa- 
tronymikalen forra als Byvoets voorkomende; Hoppe, Thrjm' 
Braam en Bra em , Br em , Roosemarijn, Boek weit , Klaver 
en De Klaver, Coorevitse (zie 151), Vlas, Dop heide, Bies 
en Biese, Quakernaat, Gras, Graan enDeGraan, Tarwe 
enTaerwe, Rogge, G eerste, Haver, Spelt en Koor n. De 
geslachtsnaam Heederik vertegenwoordigt den naam van den hederik 
of krodde (Sinapis arvensis), een welbekend onkruid. Wijl echter Hede- 
rik, Had ar ik ook een oud-germaansche mansvrnaam is , zoo als 
men in Frstemann's Altdeutsches Namenbuch kan vinden , zoo komt 
het my aannemeliker voor te stellen dat de geslachtsnaam Heederik, 
in Duitschland als Hederich voorkomende, aan dezen mansnaam 
ontleend j.y. De maagschapsnamen Oudegerst en Olt rogge 
moeten ook tot de graannamen worden gerekend, even als Terve- 
coren, Somercoren, Haver kom , enz. Mos en Schimmel 
zijn twee geslachtsnamen die ik hier ook tot de plantenamen 
reken , ofschoon laatstgenoemde naam evenzeer beschoud kan wor- 
den als ontleend aan den naam van een byzonder soort van peerd. 
En omdat de peerdenaam Schimmel" wel als uithangbord en als 
huisnaam voorkomt, zoo acht ik het zelfs hoochst waarschijnlik 
dat de geslachtsnaam Schimmel daar aan ontleend zy, en niet 
aan den naam van het schimmelplantje. Ten slotte behoort in deze 
groop noch eene plaats aan de 'geslachtsnamen Kruid, Kruyt 
(hier kan ook buskruit bedoeld zijn) en Onkruid. 



GESLACHTSNAMEN AAN HET PLANTENRIJK ONTLEEND. 409 

Als geslachtsnamen bestaande uit woorden die gedeelten van 
boomen en planten aanduiden, noem ik bier: Wortel, Stam, 
Tak, De Bast, Blad (met KIe eb 1 ad, klaverblad), Blom, 
Bloem, De Bloem, Blomste el, Vrugt, De Vrugt, Fruit, 
Bes, Pit en Kern. 

In de maagscbapsnamen Blom en Bloem, die dikwijls voor- 
komen , zoo als ook de hoogduitsche formen van dezen naam , 
B 1 u m en B 1 u m e , als geslachtsnamen in de Nederlanden niet 
zeldzaam zijn, kan oorspronkelik zoo wel een mansvrnaam schuilen 
als het woord bloem. Immers Blom, Bluomais een oud-germaansche 
mansvrnaam , die oudtijds ook in de Nederlanden als zoodanig 
in gebruik moet geweest zijn. Want zeer vele heden daagsche ne- 
derlandsche (en ook hoogduitsche en engelsche) geslachtsnamen 
zijn van dezen mansnaam afgeleid. Zie bl. 93 en 94. 

De maagschapsnamen Stam, Bloem, Vrugt, enz. boven- 
vermeld , zijn aan algemeene woorden ontleend. Meer byzonder zijn 
de geslachtsnamen , van de namen van byzondere bloemen en vruch- 
ten afgeleid. Als zoodanig noem ik hier in de eerste plaats de 
geslachtsnamen De Roos, Roos, Roose, Ros, Roze, met 
Witteroos en Meyroos. Verder Lelie, De Lelie, Lely 
en Van der Lelie; deze laatste naam is hoochst waarschynlik 
ontleend aan eenen huisnaam of aan een uithangbord de Lelie." 
Vervolgens Tulp, Boterbloem, Distelbloem,Vlasbloem 
en Vlasblom, Korenblom, Heyblom. De geslachtsnamen 
Goublomme en Gaublomme (beide formen zijn inbeemsch in 
West- Vlaanderen) acht ik oorspronkelik den naam te zijn van den 
van ouds bekenden goudsbloem (Calendula officinalis) onzer hoven. 
De geslachtsnaam Blauwblomme eischt geene byzondere ver- 
klaring , al is het dan dat hier wellicht aan de overdrachtelike 
beteekenis van dit woord (blaue bloemlees , in de volkstaal eene ver- 
golikende uitdrukking voor leugens die blaue Blume der Ro- 
mantik") moet gedacht worden. Kleinbloesem is een geslachts- 
naam van meer algemeen en aard. 

De maagschapsnamen Mispelblom en G-elderblom zijn wel- 
licht hier minder op hunne plaats als op bl. 364, by de geslachtsnamen 
aan de wapenkunde , of in 128, by de namen aan huisteekens in 
't algemeen ontleend. De bloesem van den mispel, de mispelblom" 



410 GESLACHTSNAMEN AAN HET PLANTENEIJK ONTLEEND. 

was afgebeed op het oude wapenschild van Gelre , en werd dien 
ten gevolge wel de geldersche bloem'' en de geldersche roos" of 
Rous van Gelre 1 '' genoemd. Van Lennep en Ter Gouw zeggen er 
van, in hunne Uitliangteekens\ dl. I, bl. 398: Te Ar-nhem , 
te Utrecht, te Gorkurn hangt nog aan logementen de Gel der sche 
Blom uit , die vroeger vry algemeen was , als zijnde de Mispel- 
bloem , uit het oude wapen van Gelre , die men nog in de wapens 
van Lochem en van Deutinchem terug vindt." 

Dat de geslachtsnaam Roos, Rooze, Ros, enz. in alle ge- 
vallen oorspronkelik de naam is van de bekende bloem , wil ik 
geenszins beweren. Immers Ros, Ros is een oud-germaansche 
mansvrnaam , die als zoodanig in F'rstemann's Altdeutsches Na- 
menbuch vermeld wordt. En dat deze naam , bepaaldelik als mans- 
vrnaam ook wel in Nederland, zelfs nog sedert den jare 1500, 
voorkwam , vermeldt Leendeutz in zyne Naamlijst {Navorscher XXII 
bl. 612). Overigens, de vrouelike en de verklein-form van dezen 
naam, Rosa, Roosje, is als vrouenaam by ons nog wel in 
gebruik. Nevens de eenvoudige formen Roos, Rooze, Ros, 
enz. bewyzen nog vele andere nederlandsche geslachtsnamen , die 
men op bl. 104 vermeld vindt, dat Roos, als mansvrnaam, 
oudtijds geenszins zeldzaam by ons volk moet geweest zijn. 

Even min zeldzaam als aan de namen van verschillende bloemen , 
zijn aan de byzondere namen van vruchten en zaden geslachts- 
namen ontleend. Nevens het algemeene Vrugt, Bes en Noot 
met Neut en De Neut, komen als vruchtnamen voor, de ge- 
slachtsnamen: Appel, Den Appel en Houtappel (ook in 
hoogduitschen form Holzapfel; de houtappel is de vrucht van 
den wilden appelboom). Citroen. Pruim (zie echter bl. 212), 
Olijf f, Vijgh, Druyff en Rozijn, Meloen, De Amandel, 
Eykel, Pijnappel, Kokernoot, Haasnoot, Corstanje 
en Carstanjen. Eenigen dezer namen (Citroen, Rozijn, 
Kokernoot, Corstanje) zijn zeker wel eerst gedragen gewor- 
den door kooplieden die in deze vruchten handelden. 

Wat namen van zaden aangaat , kunnen hier , nevens de geslachts- 
namen Bloemzaad en Tuinzaad met Quasaet en Quae- 
saet (kwaad zaad, zaad van onkruid), die van algemeene betee- 
kenis zijn, nog genoemd worden de geslachtsnamen Koolsaet en 



GESLACHTSNAMEN AAN HET PLANTENRIJK ONTLEEND. 411 

Coolsaet, Lijnzaad en Kennipzaad. Zonderlinger wyze heeft 
het woord raapzaad (denkelik wel eerst als geslachtsnaam gedragen 
door kooplieden die in raapzaad handelden , of door boeren die het 
verhouden) aan vele geslachtsnamen oorsprong gegeven , in vele 
onderscheidene formen , al naar verschil van taal en tongval , en 
van spel wyze. Te weten aan de namen Raepsaet, Rupzaad, 
Ruebsaet, Rupsaat, Rhsaam, Ribsaam, Ripsam, Rip- 
saam en Riepsame. 

De geslachtsnamen Peperkorn en Kokkelkoorn behooren 
ook tot de zaadnamen ; en eigenlik eveneens Haverkorn, Terve- 
coren, enz. op bl. 408 reeds vermeld. 

Speceryen , keukengroenten en andere voortbrengselen uit het 
plantenrijk, die eene rol spelen in het dageliksche leven der men- 
schen , hebben hunne namen ook moeten leenen tot het formen 
van geslachtsnamen. Als van zulken oorsprong vermeld ik hier de 
geslachtsnamen Peper, Kaneel, CaneelenCanneel, Sucaet, 
Comijn, Komijn en Comeyn, Annijs, Salie, Dille en Ker- 
vel, Koffy, Coffy, Thee, Tabak, Toeback en zelfs Tob- 
back. Verder Zoethout (met het hoogduitsche Sssholz), 
Siepel, Juyn {sipel is de friesche , juyn of juun (ajuin) de zeeusche 
naam van de uie) , Juynboll, Pep er wortel, Radijs, Lange- 
raap en De Pee. Ook dienen hier nog de maagschapsnamen 
Balsem, Pik en Hars te worden vermeld , als afkomstig van 
namen van voortbrengselen uit het plantenrijk. 



F. GESLACHTSNAMEN AAN HET DELFSTOFFENRIJK ONTLEEND. 

137. Ofschoon niet geheel ontbrekende, zoo komen toch ge- 
slachtsnamen , ontleend aan het rjjk der delfstoffen , in veel geringer 
aantal voor dan de namen aan het dieren- en plantenrijk ontleend. 
Dat de namen van metalen , gesteenten en dergelyke stoffen minder 
geschikt zijn voor huisnamen (omdat men ze moeielik afbeelden kan) 
is zeker' wel eene hoofdreden van het kleine getal geslachtsnamen 
dat hierop betrekking heeft. 

Nemen wy in d 1 eerste plaats de namen van metalen , dan vinden 



412 GESLACHTSNAMEN AAN HET OELFSTOFFENKIJK ONTLEEND. 

wy als zoodanig de geslachtsnamen Goud en Zilver, met Gold, 
Silver en Zuiver, volgens de volksuitspraak in vele streken. 
Verder Koper, Yzer, Lood en Loot. Als byzondere toestan- 
den van het yzer aanduidende, bestaan de geslachtsnamen Staal, 
Koudstaal,Coudyser,CoudyzerenCaudyzer met H a rd- 
yzer. Koper draat en Yzerdraad (met het hoogduitsche 
Eisendrath) behooren eveneens tot deze groep. Ook de geslachts- 
namen Van Koperen en Van Yzeren breng ik er toe , om- 
dat ik deze namen anders niet en weet te duiden. 

In de tweede plaats vinden wy eenige namen van gesteenten , 
aardsoorten, enz. dienst doen als maagschapsnamen. Het zijn: Mar- 
melstein ; Bruynsteen, Granaat, Saphier en Diamant. 
De drie laatstgenoemde namen zijn , naar myne meening , oorspron- 
kelik bynamen geweest van kooplieden die met zulke edelgesteenten 
handel dreven. Intusschen, De rouwe Diamant" komt ook als 
huisnaam voor te Amsterdam , 1 en kan aan den geslachtsnaam 
Diamant ten grondslag liggen. By het israe'litische geslacht dat 
den naam van T h o p a s draagt , zal de oorsprong van dezen naam 
ook wel te vinden zijn in den handel in edelgesteenten (topazen). In 
tegenstelling met dezen zelfden naam , aan eene oorspronkelik neder- 
landsche maagschap eigen , en die eenen geheel anderen oorsprong 
heeft , zoo als op bl. 262 vermeld is. De maagschapsnaam Agaat heeft 
aan eene zeer byzondere oorzaak zijn ontstaan te danken. Men heeft 
dezen naam gegeven aan eenen vondeling , omdat dit kind , toen 
het gevonden werd , een agaatsteentje , zekerlik als een herken- 
ningsteeken , aan een bandje om den hals had. 2 De geslachtsnamen 
Pee steen, Wecksteen en Weeksteen, waar van de oor- 
sprong my niet ten vollen duidelik is , behooren ook nog tot deze 
groep. Maar W ets te in is aan eenen huisnaam ontleend. Immers het 
huis De Wetsteen" is nog te Amsterdam bekend in de Jonge- 
Roelensteeg , oorspronkelik echter in de Kalverstraat. De beroemde 
boekdrukker Hendrik Wetstein bewoonde dit huis (in de Kal- 
verstraat) op het einde der 17de eeu. 8 Of de hedendaagsche maag- 



1 Van Lennep eu Ter Gouw, De Vitltangteekens , dl. 11, bl. 389. 

2 E. Lauhii.i.ab , Familienamen, in het jdschrit't De oude Huisvriend, jaar- 
gang 1882. 

3 Van I-ennep eu Tbr Gouw, UU/iaiu/leekeus , dl. 11, bl. 42. 



GESLACHTSNAMEN ONTLEEND AAN HET HEELAL, ENZ. 413 

schap Wetstein echter de zelfde is als die van den beroemden 
boekdrukker, betwyfel ik. Hoekstein en Hoeksteen, met 
Eckstein in hoogduitschen form , en met Exsteen, kunnen ook 
tot deze groep gebracht worden. Verder Smalt, Gips, Krijt, 
Roodzant, Schulpzand en Stuivesand met Stuyvesant. 
Naardien echter het Roode zand" de naam is van eene buurt 
te Rotterdam, zoo blijft het de vraag of de geslachtsnaam Rood- 
zant niet veeleer had bekoord vermeld te zijn by de namen aan 
straatnamen ontleend, op bl. 220. Ten slotte nog de oude maag- 
schapsnamen Moerenclaey en Moerentorf (moer, moeras; 
claey, klei; torf, turf) met Kuindertorf (turf uit de Kuinder, 
een vlek op de grenzen van Friesland en Overijssel , waar oudtijds 
veel turf uitgevoerd werd). 



C. GESLACHTSNAMEN, ONTLEEND AAN HET HEELAL, AAN NATUUR- 
VERSCHIJNSELEN, JAARGETYDEN, BYZONDERE DAGEN, ENZ. 

138. Zon, maan en sterren zijn van ouds her zeer menig- 
vuldig als huisnamen , uithangteekens , enz. gebezigd, en het ligt 
dus voor de hand om de geslachtsnamen Zon. S o n ; Maan, Maen, 
De Maan, De Maen en Van der Maen, Ster, Sterre, 
Star, Stern, Van der Star n Van der Starre te ver- 
klaren als ontleend aan zulke huisnamen. Dit zal dan in den regel 
ook wel de oorsprong van deze en soortgelyke namen geweest 
zijn. Zoo mede van Morgenster, Sevenster en Sevenstern. 
Tot verklaring van den oorsprong van laatstgenoemden naam be- 
hoeft men dus niet een romantisch verhaaltje op te disschen , gelijk 
in de geschiedenis van Klaasje Zevenster het geval is. Im- 
mers kwam oudtijds de Zevenster" zeer veelvuldig als uithang- 
teeken voor. En nog heden is dit wel het geval , o. a. aan de herberg 
in het gehucht Snakkerburen by Leeuwarden. Moeieliker valt de 
verklaring van den oorsprong der geslachtsnamen Zonligt en 
Maneschijn, die ook in hoogduitschen form als Sons tr al en 
Sonnenschein in de Nederlanden voorkomen. De maagschaps- 
namen Avontroodt en Schemering zijn als de tegenhangers 



414 GESLACHTSNAMEN ONTLEEND AAN HET HEELAL, ENZ. 

van Zonligt en Maneschijn, en, wat hunnen oorsprong be- 
treft , rny even onverklaarbaar. Trouens , by het grootste gedeelte 
der volgende geslachtsnamen is dit eveneens het geval. Te weten 
by: Lugt en De Lugt, De Wind en De Windt, Storm, 
Storme en Sturrn 1 , enz. De maagschapsnamen Regenboog 
en Regenbogen komen niet zeldzaam voor, en zijn aan ver- 
schillende geslachten eigen. De Regenboog" kwam oudtijds wel 
als huisnaam voor. Zoo is althans deze naam gemakkelik te ver- 
klaren. Den naam Regenbogen meen ik niet als een meervouds- 
forrn te moeten beschouen. My dunkt het is oorspronkelik Regen- 
boge geweest, volgens den frieschen en saksischen form van dit 
woord {boge , bage). Door onverstand, meenende in boge eenen , op 
hollandsche wyze uitgesprokenen meervoudsform te hooren , heeft 
men er , in het scbry ven , eene n achter gevoegd. De geslachts- 
naam Renneboog vertoont eenen samengetrokkenen form, even 
als ook in het Friesch, West-Vlaamsch en Engelsch het woord 
regen als rein en rain voorkomt. De maagschapsnaam Vonk is, 
ook in den form Vonck, veelvuldig over vele nederlandsche ge- 
westen verspreid. Ook in patronymikalen form, als Vonks en 
V o n c k x komt deze naam voor. Wat de oorzaak is van deze alge- 
meenheid by eenen naam die uit een woord bestaat , dat op zich 
zelven al zeer weinig voor eenen geslachtsnaam geigend is , ver- 
klaar ik niet te weten. 

De laatste namen van het lijstje in de noot beneden aan deze 
bladzyde vermeld , voeren ons geleidelik tot die geslachtsnamen , 
welke bestaan uit de namen van jaargetyden , maanden , dagen , 
enz. Hoe men er toe mag gekomen zijn , zulke weinig geigende 
woorden tot maagschapsnamen aan te nemen , is my een raadsel , 
ten zy men aanneme dat in die namen oud-germaansche mans- 
vmamen schuilen. Als voorbeelden noem ik hier de geslachts- 



1 Donekerwolcke, Slagregen, Slof regen. Hagel, Hagelslag en 
Haegelsteen, De Donder en Den Donder niet Donders in patronymika- 
len form, Blits en Rlitz, De Mist, De. R ij m , Grondijs en Koudijs. De 
Dauw en DenDauw, M o o i w e e r , Springvloed en S p r i n g v 1 o e t , V u u r , 
Vlam en De Vlam, De Rook en De Roock, Vonk en het hoogduitsclie 
Funk e, Van den Ochtend en Van den Avondt, Avoiits en Savendts, 
en ten slotte Middernacht. 



GESLACHTSNAMEN ONTLEEND AAN HET HEELAL, ENZ. 415 

namen Lente, Zomer en Somer, Herfst en Winter, met 
De Winter en De Wynter. Laatstgenoemde naam is al zeer 
oud. Immers reeds ten jare 1127 leefde er in de vlaamsche stad 
Iperen een aanzienlik man die Boudewyn de Wy n ter e heette. l 
De geslachtsnaam Lente kan oorspronkelik ook de naam zijn van 
het gehucht Lenthe, onder Dalfsen en Heino in Salland, waar 
de maagschapsnaam Van Lenthe zonder twyfel ook aan ontleend 
is. Wil men deze jaargetyde-namen als geslachtsnamen uit oud- 
germaansche mansvrnamen duiden dan vinden wy vooreerst 
als zoodanig den naam Lente. Deze mansnaam moet alsdan be- 
schoud worden als een andere form of uitspraak van den mans- 
vrnaam Lante, Lanto, Lando, die, ook in samenstellingen 
geenszins zeldzaam is. Brons vermeldt in zyne Friesische Namen 
Lente als een vrouenaam. De patronymika Lentink, in Neder- 
land als geslachtsnaam , en L e n t i n g , in Beieren , by Ingolstadt , 
als dorpsnaam voorkomende , wyzen ook duidelik eenen mansvr- 
naam Lente aan. Dit doet ook de patronymikale nederlandsche 
geslachtsnaam Lentelink, die geformd is van den verkleinform 
Lentele (Lentelyn). 

Suomar, Sumar, Somar, Somer is een oud-germaansche 
mansvrnaam , ook door Fhstemann vermeld. De hedendaagsche 
geslachtsnaam Somer, Zomer kan zeer wel oorspronkelik deze 
mansnaam zijn. By de patronymikale formen Somers en Some- 
ring, die ook als geslachtsnamen geenszins zeldzaam voorkomen, 
houd ik dit voor byna zeker. 

Wint ar vind ik als een oud-germaansche mansvrnaam in Fr- 
stemann's Namenbuch vermeld. Wintar en Sumar (Winter 
en Zomer), deze namen droegen ten jare 858, twee broeders 
(Altd. Namenbuch, bl. 1126). Maar ook als samentrekking van den 
samengestelden oud-germaanschen mansvrnaam Winidhari, 
Winithar, Winthare, Winthere, komt deze naam voor. 
De geslachtsnamen Winters en Winterink zijn vadersnamen 
van dezen ouden mansvrnaam. 

Namen van maanden zijn my voorgekomen als de geslachtsnamen 
Meert, April, De Mey en Julij. Zonder twyfel zijn de namen 



1 Zie Rond den Eeerd, jaargang VIII, bl. 106. 



416 GESLACHTSN. AAN DE NAMEN VAN MAANDEN EN DAGEN ONTLEEND. 

April en De Mey ia der daad aan de namen der maanden ont- 
leend. In Julij kan een vadersnaam schuilen. Namelik een latynsche 
genitivus van den mansvoornaam Julius. Terwijl Meert eene 
verkorting kan zijn van den kerkeliken mansvoornaam Mart inus, 
die in sommige nederlandsche gouspraken tot Me er ten geworden is. 
Daarvan komt ook de patronymikale geslachtsnaam Meerten s. 
In Koele mey schuilt mede de naam van de maand Mei. 

Namen van dagen der week komen ook als geslachtsnamen voor. 
Te weten Zondag, Sondag, Sundag, Sontag en Sonntag 
met Vrydag, Vridagh, Van Fridagh, het hoogduitsche 
Freitag en in patronymikalen form Vrydaghs. Deze geslachts- 
namen zijn geenszins zeldzaam. Daarentegen kwamen Maandag 
en Maendagh, Dinsdag met Dingsdag en Saterdag my 
slechts eene enkele maal voor. Eenen Woensdag" en eenen Don- 
derdag" echter heb ik nooit ontmoet. Of het toeval hierby in 
het spel is , dan wel of werkelik de laatstgenoemde namen niet 
bestaan en wat de oorzaak mag wezen van dit zoo ongelijkmatige 
voorkomen , is my niet bekend. 

Als geslachtsnamen ontleend aan de namen van byzondere da- 
gen, dienen hier nog vermeld: Nieuwjaar, met het hoog- 
duitsche Neujahr en het patronymikale Nieuwejaers. Dry- 
koningen; deze naam kan ook zeer wel ontleend zijn aan eenen 
huisnaam. Immers was D e drie Koningen" oudtijds geen 
zeldzaam gevelteeken , zoo als men in Van Lennev en Ter Gouw's 
Uithangteekeas (dl. II, bl. 70) nalezen mag. Verder Vastavond 
en als oneigenlike vadersnaam Vastenavondts; dan nog P a s c h e n 
en Pinkster met Van Paesschen en Van Pinxteren. De 
twee laatstgenoemde namen zijn my niet recht duidelik. Als meer 
algemeene namen van dagen noem ik de geslachtsnamen Vierdag 
en Heylidy. Dezen laatsten naam houd ik voor eene halve ver- 
dietsching van Halliday, oorspronkelik een engelsche naam (?) , 
die ook in Nederland voorkomt. Verder Mesdag, Mesdagh, 
Mes d ach, een oorspronkelik vlaamsche naam, en misdag , dag 
waarop in de Roomsche kerk de mis gehouden wordt, beteeke- 
nende. Uit Vlaanderen is deze naam ook naar Noord-Nederland 
gekomen. Een geslacht van dezen naam , thans in de noordelike 
gewesten inheemsch , heeft een van daarby genomen , en heet nu 



GESLACHTSN. AAN DE NAMEN VAN LICHAAMSDEELEN ONTLEEND. 417 

Van Mesdag; een even zonderlinge, tegen den aard onzer tale 
strydende form als Van Paesschen enVanPinxteren. De 
volksuitspraak neemt geerne eene t achter sommige letters (zie 
156). Zoodoende komt de naam Mesdag ook voor als Mest- 
dagh en Mestdach,en is, in dezen form die eenen zonderlingen 
zin geeft , aan sommige geslachten eigen. 

Als aanhangsel tot deze groep mogen nog de geslachtsnamen 
Nieuwentij t en Ouendag, Tijd gaat (zie 148), De Zaey- 
tijdt, Duurentijdt en Ontijd vermeld worden. 



H. GESLACHTSNAMEN AAN DE NAMEN VAN LICHAAMSDEELEN ONTLEEND. 

139. De enkele, eenvoudige namen van menschelike lichaams- 
deelen komen ook als geslachtsnamen voor. Ik vermeld deze 
namen hier in eene afzonderlike groep , als aanhangsel van de 
andere namen die rechtstreeks ontleend zijn aan voorwerpen en 
zaken uit de natuur. Ik had aan deze maagschapsnamen , aan de 
namen van lichaamsdeelen ontleend, ook gevoegelik eene plaats 
kunnen geven by die geslachtsnamen , welke hun ontstaan danken 
aan byzondere lichamelike eigenschappen der menschen ; 124 
126. Immers velen van de onderwerpelike geslachtsnamen zijn eerst 
als bynamen in gebruik geweest voor personen , by welke het 
eene of andere lichaamsdeel , wegens misforming , byzondere grootte , 
of eenige andere oorzaak , in het byzonder de opmerkzaamheid van 
andere lieden trok. Zoo krijgt b. v. iemand, die de opmerkzaam- 
heid van anderen opwekt door eenen zeer grooten , of krommen , 
of rooden neus, al lichtelik den bynaam van Neus". En dat 
zulke bynamen langzamerhand vaste toenamen geworden zijn , en 
eindelik vaste geslachtsnamen , daarvan zijn in dit werk reeds vele 
voorbeelden opgenoemd. My is iemand bekend, wiens gebit, door 
byzonder groote snytanden in de bovenkaak , en door eene korte 
bovenlip , sterk in het oog loopt. Deze man draagt daar eenen 
bynaam af, te weten dien van (zeggen wy maar Teak e) Tosk. 
Immers hy woont in Friesland ; en tosk (tusk) is het friesche 
woord voor tand. Dat zulk een bynaam oudtijds in der daad een 

27 



418 GESLACHTSN. AAN DE NAMEN VAN LICHAAMSDEELEN ONTLEEND. 

vaste geslachtsnaam is geworden , wordt door het voorkomen , 
heden ten dage, van de geslachtsnamen Tand in Holland, Tosch 
in Friesland , en Z a h n in Duitschland (ook van daar in Neder- 
land overgebracht) bewezen. Karl Strackerjan verhaalt in zijn werk 
Die Jeverlandiscken Personennamen , bl. 39, van eenen boerenarbei- 
der , die bekam einmal beim Maken von seinem Nebenmann mit der 
Sense in der Wade , plattdeutsch K e t , eine Wunde , an weieher 
er lange zu leiden hatte. Bald hiess er in seiner Umgebung nur Beh- 
rend Ket", und als er starb , erbte sein Sohn den Namen. Trotz 
> Widerspruch und Klagen bei der Bekorde , zum Theil auch wohl eben 
ydeswegen, blieb fr ihn der Name Gerd Ket" und sein Hauscken 
hiess die K e t e r " (kuitery , in het Hollandsch). Sickerlick ware 
daraus ein Famienname geworden , wenn Kircken- und Erdbuck noch 
eine solche Schpfung des Volksmundes auf genommen katten." Intus- 
schen komt in Nederland werkelik Kuit en Kuyt als geslachts- 
naam voor ; terwijl te Rotterdam eene brug den naam draagt van 
Jan-Kuiten-brug, ten bewyze dat ook daar een man geweest 
is die Jan Kuit heette of aldus genoemd werd. 

Als voorbeelden van geslachtsnamen ontleend aan de namen van 
byzondere lichaamsdeelen , noem ik hier: Hooft en 'T Hooft, 
met Hoeuft, Heuft en het versletene Heuff, die ' ik niet 
anders kan verklaren dan als eene byzondere uitspraak van het 
woord hooft of hoofd in de eene of andere byzondere gouspraak. In den 
geslachtsnaam Bleyenheuft komt deze spelwyze ook voor; 'en 
eene andere in Schoonhoefd (zie bl. 345). Moet eerstgenoemde 
geslachtsnaam verklaard worden als vlooden ioofd" ? Beduidt deze 
naam niet hoofd of kop van lood , die als uithangteeken diende ? 
en is dus een tegenhanger van de geslachtsnamen Goudenhooft 
en Houthoofd (zie bl. 367 en 368)? Verder D'Oore, in Vlaan- 
deren voorkomende. De Vlamingen spreken nog zeer te recht en taal- 
kundig zuiver de oore , voor het noord-nederlandsche ket oor. Zoo 
spreken zy ook de ooge , voor het hollandsche ket oog, en dien ten 
gevolge meen ik den vlaamschen geslachtsnaam D o g h e te moeten 
verklaren als D'Oghe, D'Ooghe, De Ooghe, het oog. Mis- 
schien echter schuilt in dit D o g h e ook de bekende geslachtsnaam 
De Hooge, De Hoog, op vlaamsche wyze uitgesproken en ge- 
schreven, als D"Oge, De Hoge, De Hooge. Nevens D'Oore 



GESLACHTSN. AAN DE NAMEN VAN LICHAAMSDEELEN ONTLEEND. 419 

in Vlaanderen komt in Holland de geslachtsnaam Oor voor, en 
zelfs het fransche O r e i 1 1 e. Verder De Neus, Neus, Kaake- 
been, Mond (en Bek; zie echter bl. 279), Tand, De Tandt, 
Kies, Baert, Den Hals, Borst, De Borst, Buyck,Maagh, 
Lever, Blaas, 'T Hart, Pols, Vuist, De Vuyst, Duim, 
D u y m en zelfs Van Duym, Pinck, Been (en Poot), Kuit 
en Kuyt, Scheen, Voet en Hiel, Nagel en De Naeghel 
(zie bl. 365). Eindelik nog Vel en Schor nagel (scheurnagel ? 
de man die kenbaar was aan eenen gescheurden nagel). 

By deze namen zullen er wel enkelen zijn , die eenen anderen 
oorsprong hebben , en die slechts toevallig de namen van lichaams- 
deelen vertoonen. Zoo kari in Baert een oud-nederlandsche mans- 
vrnaam schuilen (Baert, Beert, Barend, Berend, Ber- 
nard, Bernhart), de zelfde mansvrnaam die ook aan de pa- 
tronymikale geslachtsnamen Baarts en Baerts ten grondslag 
ligt. Blaas komt voor als eene verkorting van den kerkeliken 
mansvrnaam Blasius (zie bl. 181), en zoo kan dus de geslachts- 
naam Blaas zeer gevoegelik gehouden worden als zynen oorsprong 
te ontleenen aan genoemden mansnaam. Po 11 e is een friesche 
mansvrnaam , en de geslachtsnaam Pols kan zeer wel een tweede 
naamval , een patronymikale form daar van zijn. Wel is de friesche 
mansvrnaam P o 1 1 e of Pol als zoodanig weinig in gebruik ; 
maar hy ligt toch aan verschillende geslachtsnamen ten grondslag. 
Te weten aan Pollema, Polsma, Po Hing, Pollen, Po 11- 
sen, enz.; allen vadersnamen. En ook aan het verlatynschte Pol- 
1 i u s. In den geslachtsnaam Been kan de friesche mansvrnaam 
Bene schuilen , de oud-germaansche naam B e n o , welke ook 
oorsprong gaf aan de patronymikale geslachtsnamen Benin ga, 
Beenenga, Beening, Beens, Beenen, Benes, Benen, 
enz. Hile (Hyle) eindelik is nog een friesche mansvrnaam, 
die tegenwoordig meest in verkleinform , als Hylke en Hyltje 
voorkomt. De geslachtsnaam Hiel kan zeer wel oorspronkelik 
deze mansnaam zijn. Aan de geslachtsnamen Hylen, Hieltjes, 
Hielkes (zie bl. 150) heeft hy tevens oorsprong gegeven. 



420 GESLACHTSNAMEN AAN DE NAMEN VAN SPYZEN ONTLEEND. 

I. GESLACHTSNAMEN, AAN DE NAMEN VAN SPYZEN, DRANKEN EN 
KLEEDINGSTUKKEN ONTLEEND. 

140. Spijs en drank en kleeding zijn zaken die eene groote 
rol spelen in het dageliksche leven der menschen. Het is dan ook 
niet vreemd dat de namen daar van wel voorkomen als geslachts- 
namen. Iemand toch, die byzonder graag deze of gene spyze of 
drank at of dronk , die daar voor bekend was by zyne omgeving , 
kreeg al licht , uit spot , zulk eenen naam als bynaam. En deze 
bynamen gingen als gebruikelike toenamen , later als vaste geslachts- 
namen wel op de kinderen en nakomelingen dier mannen over. 
En even zoo ging het met de namen van kleedingstukken. Iemand 
die bekend was wegens het dragen van 't eene of andere byzon- 
dere , ongemeene, of sterk in het oog vallende kleedingstuk , kreeg al 
licht den naam daar van als bynaam. Ook kwamen de afbeeldin- 
gen en namen van spyzen en dranken en kleedingstukken wel als 
gevelteekens en huisnamen voor. Zoo kan ook langs dien weg 
menige dergelyke geslachtsnaam in gebruik gekomen zijn. 

By de opsomming der geslachtsnamen aan de namen van spyzen 
ontleend, mogen wy wel beginnen met den staf des levens", 
met het brood. Broodnamen zijn Wittebroodt, Soetbrood, 
Schoonbrood, Platbroodt. Eerstgenoemde naam is al oud ; 
immers Jan Wytbroot was reeds in 1511 een burger der stad 
Leeuwarden. l Ook in Engelland komt de geslachtsnaam Whit- 
bread voor, terwijl het fransche Blanpain in Nederland my 
voorgekomen is. Verder Teirbroodt, dat is het brood waar 
men van teert, het dageliksche brood om van te leven. De ge- 
slachtsnaam Droogenbroodt is een tegenhanger van den maag- 
schapsnaam Boter enbrood, welke naam ook in den form 
Botterbrodt voorkomt, en van Kaasenbrood. De laatstge- 
noemde geslachtsnaam komt ook , half verfranscht , als De Casem- 
b r o o t voor. Te Monster in het Westland ziet men , aan eene 
herberg, nog Kaas en brood" als uithangbord. 2 

Tot het bereiden van brood is koorn noodig ; en ook zuurdeeg. 



1 Register van den Aanbreng van 1511, dl. I, bl. 15. 

- Van Lennep en Ter Gouw, Vithangteekens , dl. II, bl. 227. 



GESLACHTSNAMEN AAN DE NAMEN VAN SPYZEN ONTLEEND. 421 

Deze woorden zijn ook tot geslachtsnamen geworden ; namelik als 
Broodkoren, Broodcoren, Brotcorne, en zelfs in ver- 
sletenen form en als vadersnaam B r o c o r e n s. En als Zuur- 
deeg (met den hoogduitschen form Sauerteig). 

Als aanhangsel tot deze brooclnamen vermelden wy nog de ge- 
slachtsnamen Beschuydt en Wermenbol (warme bol) met 
Krentebol. Bene bol is een bolvormig fijn gebak; in Friesland 
noemt men nog alle wittebrood bolle'. Deze o/namen , waartoe 
misschien ook Wittebol (zie bl. 343) behoort, voeren geleidelik 
tot de koeka&men , die vertegenwoordigd worden in de eerste plaats 
door de eenvoudige geslachtsnamen Koek en Coucke, in Hol- 
land en Vlaanderen, en dan door Wittekoek, Krentekoek 
en Pannekoek, Pankoek, Pannekoucke, enz. De vorm 
Pantekoek komt ook voor. Wijl my nooit , in geen enkele 
gouspraak , de uitspraak pantekoek voorgekomen is , in plaats 
van pannekoek of pankoeke , zoo weet ik het voorkomen van dezen 
eenigszins zonderlingen naam niet te verklaren. 

Zuivelspyzen waren van ouds her by de Nederlanders zeer be- 
mind en werden dageliks genuttigd. Vooral in het veeryke Holl'nd 
en Friesland. De namen van zulke spyzen vindt men in de ge- 
slachtsnamen Heetebry, Witte wronghel, Ouboter, Dol- 
leboter, Kaas en Caes, Hooikaas en Ooykaas, enz. Als 
men melk by middel van eenig stremsel , gewoonlik van leb , 
stremt, dan schift zy zich in de vaste, kaasachtige stoffen, wron- 
gel genoemd , en in de vloeibare bestanddeelen , de wei of hui , in 
de friesche gewesten woei of wai genoemd. (Van daar de noord- 
hollandsche geslachtsnaam Waaiboer). Die wrongel was vroeger 
als verkwikkende en verkoelende spyze zeer bemind. Te Groningen , 
buiten de Heerenpoort , is het Wrongelhuus nog bekend , waar men 
zich aan wrongel vergasten kan. Ook buiten Hamburg werd my 
nog , in eene boereherberg , wrongel voorgezet. De oude Vlamin- 
gen , in de middeleeuen , schynen ook groote liefhebbers van zui- 
velspyzen geweest te zijn ; althans de vlaamsche boeren , de zoo- 
genoemde vlaamsche kerelen", die oorspronkelik Friesen en Saksen 
waren. Immers luidt het referein van een middeleeusch vlaamsch 
volkslied, een spotlied op die keerlen": 



422 GESLACHTSNAMEN AAN DE NAMEN VAN SPYZEN ONTLEEND. 

Wronghele ende wey , 

y>Broot ende caes, 

Dat heit hi al den dacht" 

En werkelik is ook thans nog de geslachtsnaam Wittewron- 
g h e 1 met Wittevrnghel en Wittevrongel in Vlaande- 
ren inheemsch. De jniste beteekenis en oorsprong van den zonder- 
lingen naam Dolleboter is my onbekend. Ooykaas houde ik 
voor eenen versletenen, ouden form van Hooikaas. 

In de middeleeuen was karnemelk en wei de dageliksche drank 
van den geringen man , als hy geen bier bekostigen kon ; vooral 
ook van vrouen en kinderen. Het was het drinken of het zuipen, 
het suypen, gelijk men toen zich uitdrukte en schreef, als by 
uitnemendheid. Van daar dat in de friesche taal karnemelk nog 
heden spe (spreek ongeveer als soepe uit) heet. In de friesche 
steden , waar , b. v. te Leeuwarden en te Sneek , d e S u u p- 
jnerk", in deze eeu soms verhollandscht tot Zuipmarkt", nog 
bestaat , zegt men suup. Elders in de noordelike gewesten , b. v. te 
Groningen , is eene zuivelspyze als diksoepen bekend ; en ook in Bra- 
bant , b. v. te Breda , kent men zuipen als zuivelspijs. De geslachts- 
namen Karmelk, Soetewey en Vetsuypen, met den pa- 
tronymikalen form Vetsuypens, leggen nog getuigenis af van 
het zuiveldrinken onzer voorouders. 

Vleesch- en vischspyzen zijn my slechts voorgekomen in de ge- 
slachtsnamen Potharst, Spek, Ham, Spekham, Worst en 
De Worst, Pannevis, Pekelharing en Stokvis. Denaam 
Potharst komt menigvuldig voor , ook in de versletene formen 
Pothast en Potthast. Potharst bestaat uit vuistdikke stukken 
rundvleesch , van de harst (ruggestreng) , met gort en rapen of 
wortelen samengesmoord. In Holland noemt men dit herfst-gerecht 
hutspot. Sedert de opkomst der eerdappelen in de Nederlanden, is 
(jammer genoeg !) de potharst van de tafel der burgery verdwenen ; 
toch is hy hier en daar in onze noordelike en oostelike gewesten nog 
bekend en in gebruik. Kiliaan heeft Pot-harst , Sax. Fris. Sicamb. j. 
hutspot. Caro iussulenta." Schelharst" is de naam van een ander 
stuk vleesch. Ook dit woord komt als geslachtsnaam voor , maar 
dan in verbasterden form , door de vage uitspraak der r , byzonder 
der ar, by de Saksische Nederlanders. Te weten als Schelhaas. 



GESLACHTSNAMEN AAN DE NAMEN VAN SPTZEN ONTLEEND. 423 

Nevens den geslachtsnaam Spek komt ook Van der Spek voor , 
en Van den Ham naast het enkele Ham. De Ham", vooral 
De Westfaalsche Ham" was oudtijds als huisnaam niet zeld- 
zaam , en staat nog heden te Haarlem in den Anegang. Daarenboven 
heeft het woord ham nog eene algemeen-aardrijkskundige beteeke- 
nis, en formt als zoodanig aardrijkskundige namen. Vele dorpen 
en buurten in de verschillende nederlandsche gewesten dragen den 
naam van Ham en Den Ham, ook in samenstellingen (Dr o ge- 
ham, Blankenham, IJsselham). De geslachtsnaam Van den 
Ham zal dus waarschijnlik , even als Ten Ham en Hamstra, 
afgeleid zijn van dit algemeen-aardrijkskundige woord. 

Namen van spyzen en gerechten , uit het plantenrijk herkomstig , 
ontmoeten wy in de geslachtsnamen Kooien Cool, Buiskool, 
Boerkool, Warmoes, Koolmoes, Witteboon, Gort, 
Gortworst en Potjegort. Nevens den naam Witteboon 
komt ook Bon e wit voor; beide deze namen zijn aan isralitische 
maagschappen eigen. Is de naam Witteboon misschien door een 
spelend vernuft aangenomen als een ommekeer, een tegenhanger 
van den reeds bestaanden naam Bon e wit? En is deze laatste naam 
misschien weer eene verbastering van den eveneens voorkomenden 
maagschapsnaam Bonewitz, die van slavischen oorsprong is? Zie 
164. In Kool en Cool kan ook de oud-germaansche , door 
F'rstemann vermelde mansvrnaam Colo schuilen. Zie bl. 102. 
Nevens Boerkool komt ook de geslachtsnaam Boerkoel voor. 
Deze laatste naam schijnt my toe niet eene verbastering te zijn van 
den eerstgenoemden , maar veeleer te behooren tot de koel- (kuil) 
namen, op bl. 256 en 289 opgenoemd. 

Om al deze namen van spyzen en gerechten te besluiten , moet 
hier nog de geslachtsnaam B r a s p o t vermeld worden , die {brassen 
= smullen) de kroon op alle voorgaanden zet. En dan , als 
toegift, noemen wy hier nog de geslachtsnamen Mostert, Olie, 
Oly en Honig. Vooral de laatste naam is geenszins zeldzaam, 
en komt in allerlei formen en spelwyzen voor , als H o n i n g h , 
Honing, Honigh, Hooning en Heuninck. 

Van de spyzen tot de dranken overgaande , vinden wy dat bier 
en wijn , ook in samenstellingen , almede hun aandeel hebben moeten 
leveren tot het formen van geslachtsnamen. Die woorden komen 



424 GESLACHTSNAMEN AAN DE NAMEN VAN DRANKEN ONTLEEND. 

voor in de geslachtsnamen Bier, Wijn en De Wijn. Vervolgens 
in Zuurbier (de hoogduitsche form Sauerbier komt ook in 
Nederland voor) en Soetbeer, hetwelk een platduitsche form is. 
Beer , in plaats van bier , komt ook in den geslachtsnaam Beer- 
stecher , zie bl. 183 en 311, voor. Verder nog Scherpbier, Dun- 
bier en Dunnebier en Coelenbier met Coelembier. Een 
by zondere soort van bier dat oudtijds te Groningen gebrouen werd , 
droeg den naam van Kluun , verhollandscht tot Kluin. Van daar 
dat het vrachtschip van Groningen op Leeuwarden , het welk oud- 
tijds geheele ladingen van dat veelbegeerde bier bewesten Lauers 
bracht, in laatstgenoemde stad nog steeds den naam draagt van 
kluunskip" , kluinschip. En van daar dat het pijnlike voeteuvel 
(podagra) , dat men zich op den hals , of beter in den voet haalt door 
onmatig bierdrinken , in het Eriesch den naam draagt van kluun- 
skonk" 1 . Kluun en Kluin zijn twee geslachtsnamen , in de noorde- 
likste gewesten inheemsch. 

Nevens Zuurbier treffen wy den geslachtsnaam Soerewyn 
aan, een friesche en Saksische form van zwewijn" . En als de 
weerga van Coelenbier de geslachtsnaam Koelewijn. Andere 
formen van laatstgenoemden naam vertoonen nog de geslachtsnamen 
Koldewyn en Kollewyn. 3 Maar de geslachtsnamen Colde- 
wey, Kollewei en Kohlwei verwarre men er niet mede. Dezen 
immers hebben eenen gants anderen oorspong en beteekenis ; het 
zijn plaatsnamen. Aan verschillende gehuchten in de friescbe streken 
van Oldenburg , in de gemeenten Ferwert of Fedderwarden , Berne , 
Grootkerk of Hohenkirchen , is deze plaatsnaam eigen. De geslachten 
die thans in de Nederlanden deze namen voeren , zullen oorspron- 
kelik in genoemde gehuchten gezeten geweest zijn. Als de naam 
van eene byzondere soort van wijn, die oudtijds door de Neder- 



1 Zie mijn opstel Bier en Bierdrinkers in Friesland, voorkomende in de Friesche 
Volksalmanak voor het jaar 1884 Leeuwarden, 1884. 

2 Dat de wijn koel ware, gold oudtijds als eene byzonder gewenschte eigenschap , 
gelijk uit vele volkseigene oude geschriften , enz. blijkt. Zoo luidt ook eene strofe 
in het schoone oud-nederlandsche volkslied vau Oostland: 

Daei' stillen wi avont end? morgen 
Noch drincke.n den coelen wiin." 



GESLACHTSN. AAN DE NAMEN VAN KLEEDINGSTUKKEN ONTLEEND. 425 

landers gedronken werd , komt de geslachtsnaam R o m e n y voor ; 
en Rummenie, dat slechts eene andere schrijf wyze is van het 
zelfde woord. Men vergelyke hier echter bl. 210. 

Ten slotte noem ik hier nog de geslachtsnamen Koekenbier 
en Bierenbroodspot. De eerste toont ons een oorbeeldig 
boerenonthaal. De laatste is de naam van het dageliksche morgen- 
en avondgerecht onzer voorouders. Roggenbrood , vooral ook roggen- 
tweebak , in dunbier gebrokkeld en te zamen verwarmd , dat was 
de bier-en-broodspot", die oudtijds zoo hoog in achting stond, dat 
hy wel op gevelsteenen en als huisnaam voorkwam , en dat hy 
zelfs , vermoedelik langs dien weg , geslachtsnaam geworden is. 

141. Als geslachtsnamen, die oorspronkelik de namen zijn 
van kleedingstukken , noemen wy in de eerste plaats Jas (met 
Van der Jas), Buis en Buys, Broek, Hoos, Das, Man- 
tel, Schorteldoek en Borstlap. De oorspronkelike beteeke- 
nis der drie laatstgenoemde namen als kleedingstukken, is buiten 
twyfel. Niet alzoo is het met de anderen. Jas immers is ook als 
verkorting van den mansvrnaam Jasper in gebruik. In Buis 
en Buys kan ook een mansvrnaam schuilen, en wel de zelfde 
die voorkomt in de patronymikale maagschapsnamen B u y s i n g , 
Bsink, Bussing, Bussink, Buissink,Buisinga,Buis- 
ma, Busma, Buyssens, Buyse, Buizen, Buyze, enz.; 
in verkleinform als Buyskes, Busken en Buska (zie echter 
bl. 270). Namelik de oud-germaansche mansnaam Buso , door F'r- 
stemann vermeld. Broek kan men ook rekenen tot de namen van 
algemeen-aardrijkskundigen oorsprong (zie bl. 281), even als men Das 
tot de diernamen kan tellen. De beteekenis van het woord hoos , als 
kleedingstuk , zweeft tusschen die van onze hedendaagsche woorden 
broek en kous. In het hedendaagsche Friesch heeft hoas de beteekenis 
van kous. Maar in Holland had in de middeleeuen hoos de beduidenis 
van een kleedingstuk , dat bestond uit broek en kousen aan n 
stuk , gelijk men in die tyden droeg. Buitendien zoude men den 
geslachtsnaam Hoos nog kunnen voegen by die welke in 138 
vermeld zijn , omdat hoos ook de naam is van een natuurverschijnsel. 

Als ontleend aan de namen van byzondere soorten van kleeding- 
stukken noemen wy nog de maagschapsnamen Ru y gr o k en Ruif- 



426 GESLACHTSN. AAN DE NAMEN VAN KLEEDINGSTUKKEN ONTLEEND. 

rok, Ruigrok en Ruyfrok, allen het zelfde beteekenende. 
Immers ruig, ruif, ruw zijn niet aleen woorden van de zelfde be- 
duidenis , maar ook van den zelfden oorsprong. Ook zijn deze namen 
al van oude dagteekening. Volgens het tijdschrift De oude Tijd, 
jaargang 1869 , bl. 206 , komt reeds in eene oorkonde van den 
jare 1435 zekere Jan Ruychrock voor. "Verder L anger ok 
en Langerock, Zwarterok, Blontrock en Schoonrok, 
Wit jas, Bontemantel, enz. Oudtijds was De Bontemantel" 
een huisnaam die meermaals voorkwam ; volgens Van Lennep en 
Ter Gouw onder anderen te Amsterdam, Antwerpen en Delft. Als 
geslachtsnaam komt Bontemantel, waarschijnlik aan eenen huis- 
naam ontleend, reeds in het begin der jaren 1500 voor. Een der 
eerste ontginners van het Bilt in Friesland droeg dezen naam. En 
deze naam is daar weer gegeven aan het huis door dien man ge- 
boud en bewoond , en als huisnaam , daar tot op den huidigen 
dag in wezen gebleven. In dit geval heeft dus eerst een huis den 
naam gegeven aan eenen man, en later is die naam weer van 
den man op een huis overgegaan. 

In sommige nedeidandsche gouspraken , vooral in die van onze 
noordoostelike gewesten , draagt een mansbroek den naam van 
bohse. Of de zonderlinge geslachtsnaam Vixseboxse, dien ik anders 
niet en weet te verklaren , met dat woord in verband staat ? En dus 
fiksche broek beduidt? In dit geval zou deze naam zoo zonderling 
wezen , dat ik dit naueliks aannemen durf. Trouens , aan zeer zonder- 
linge namen hebben wy geen gebrek. 147 en vervolgens leert 
dat voldoende. Daar zijn er nog wel zonderlinger vermeld dan 
Vixseboxse, ook al neemt men bovengenoemden oorsprong aan. 
De geslachtsnaam Kousbroek, die in Vlaanderen in den byzon- 
deren form Van Causbrouck voorkomt , doet aan de middel- 
eousche hozen , op de vorige bladzyde vermeld , denken. Of aan de ge- 
slachtsnamen Blaauwbroek, Bruynbroeck, Wittebrouck 
enRybroek de naam van het kleedingstuk ten grondslag ligt , of 
wel het algemeen-aardrijkskundige woord broek = moeras, is moeielik 
uit te maken. Ik houd het laatste voor het waarschijnlikste. In 
Van Swartenbrouck is dit zekerlik het geval. Maar in den 
als patronymikon voorkomenden geslachtsnaam Swartenbrouckx 
is het weer twyfelachtig. Ook is de oorsprong en eigenlike be- 



GESLACHTSN. AAN DE NAMEN VAN KLEEDINGSTUKKEN ONTLEEND. 427 

teekenis van den maagschapsnaam Geuzebroek, waar aan toch 
hoochst waarschijnlik wel een plaatsnaam ten grondslag ligt , my 
onbekend gebleven. 

Als geslachtsnamen ontleend aan de woorden die hoofddeksels 
en voetbekleedsels aanduiden, vermeld ik hier: Hoed, Hoet en 
Hoedt met D'Hoedt, Den Hoed en Den Hoedt. In Ten 
Hoet schijnt een plaatsnaam te schuilen , dien ik echter niet 
aanwyzen kan. Verder Geelhoed en Zwarthoed, met 
de hoogduitsche namen G r n h u t en Schnhuth, die ook in 
de Nederlanden voorkomen. Ook Pet, Muts en Dubbeldemuts. 
Dan Laars en Leers, Schoen en Schoe. Deze laatste naam 
vertoont den oorspronkeliken , zuiveren , eenvoudigen form van het 
woord. De maagschapsnaam Schoegje vertoont den byzonderen 
verkleinform (in plaats van schoentje ") , welke in Friesland zoo 
wel als in het Overmaassche by Dordrecht, der volksspreektaal 
eigen is. Van der Laars zal oorspronkelik wel de bynaam ge- 
weest zijn van eenen leersemaker , even als Van der Jas die 
van eenen kleermaker. Maar deze geslachtsnamen kunnen ook aan 
huisnamen ontleend zijn. Immers gevelteekens als D e Rood e 
Leers" ofDe Rylaers" kwamen oudtijds niet zeldzaam voor. 
Ook behooren hier nog vermeld te worden de maagschapsnamen 
Klomp, Trip (eene muil met houtene zool) en Schaats. 

Gedeelten van kleedingstukken leenden hunne namen aan de 
geslachtsnamen Knoop en Cnoop (die ook in patronymikalen 
form als Knoops en Cnoops voorkomen) , Roksnoer en 
Mouw. Raadselachtig is my de geslachtsnaam Der louw, wegens 
dat voorvoechsel der; een oud lidwoord? of het verbogene vroue- 
like lidwoord ? By de vier Jcnoopn&men zal men wel liefst te denken 
hebben aan den mansvrnaam Knoop of Cnoop, die oudtijds 
wel in de Nederlanden voorkwam. (Zie De Navorscher , XXII , bl. 
566 en 574). Ten slotte komen de namen van kleedingstoffen nog 
voor in de geslachtsnamen Bommezijn, Chits, Flanel, Ka- 
toen, Scharlaecken, Vijfschaft en Witdoeck. Vijf- 
schaft {Fiifskaft) is de friesche en friso-saksische naam van zekere 
wollen stof die oudtijds door de landlieden in onze noordoostelike 
gewesten geweven werd. Zy heette alzoo naar hare byzondere wyze 
van samenstelling. De geslachtsnaam Vijfschaft is dan ook in 



428 GESLACHTSNAMEN AAN DE NAMEN VAN MUNTEN ONTLEEND. 

Drente inheemsen , waar ook nog fiifskaft gedragen wordt. Waar- 
schijnlik zijn al deze namen oorspronkelik bynamen geweest van lieden 
die in zulke stoffen handel dreven. De naam Witdoeck is aan 
verschillende geslachten in de zuidelike gewesten eigen. Hy komt 
daar ook in de spelling Wittouck voor , en tevens in de patro- 
nymikale formen Witdouckx en Wittoucx. 



J. GESLACHTSNAMEN, AFGELEID VAN DE NAMEN VAN MUNTEN, 
GELDSOORTEN, MATEN EN GETALLEN. 

142. De geslachtsnamen die geformd zijn uit de namen van 
munten en geldsoorten , maten en getallen , hebben gewis ook , 
althans ten deele , hun ontstaan te danken aan gevelteekens en 
huisnamen. Voor een ander deel ook aan bynamen , die uit de eene 
of andere oorzaak, welke nu niet meer na te speuren is, oudtijds 
dezen of genen man gegeven waren. Dat eene oud-amsterdamsche 
maagschap, uit de 16de eeu , haren naam Reael ontleende aan D e 
gouden Reael" (een muntstuk uit dien tijd), zoo als het huis 
heette aan het Damrak te Amsterdam, waar Laurens Jacobs z. 
de stamvader van dit geslacht woonde is bekend. En zoo zal 
het ook wel gegaan zijn met andere geslachten , die tegenwoordig 
den naam van een muntstuk of iets dergelijks , als naam voeren. 

Om met de kleinste munten te beginnen , vermelden wy eerst 
de geslachtsnamen Penning en Penninck, en, nog geringer, 
Kleinpenning. Gering is ook de beteekenis van den naam 
Schimmelpenninck, al wordt hy door een aanzienlik geslacht 
gedragen. Een penning echter , die men zoo lang in eenen spaar- 
pot bewaard had , dat hy er beschimmeld uitkwam , was by onze 
zuinige voorouders, als een bewijs van spaarzaamheid, in hooge 
weerde. In den form Schimmelpenning is deze geslachtsnaam 
almede by ons inheemsch. Ook de hoogduitsche form van dezen 
naam komt in Nederland voor, als de geslachtsnaam Schimmel- 
pfennig; buitendien ook nog versleten als Schim melpf eng. 
Minder in achting was de kwade , dat is de valsc/w penning , die 
nog in den geslachtsnaam Qua penninck leeft. Zulk een kwade 



GESLACHTSNAMEN AAN DE NAMEN VAN MUNTEN ONTLEEND. 429 

penning werd oudtijds in den winkel waar hy aangeboden of 
ontdekt werd , met eenen spyker doorgeslagen en aan de toonbank 
of den toogdiscb bevestigd. In de vorige eeu was dit nog in Friesland 
in gebruik , en dat men het ook in Vlaanderen deed , bewijst dit 
vlaamscbe rijmke , dat tevens den oorsprong van den geslachtsnaam 
Quapenninck buiten twyfel stelt : 

aSlaet al wat kwapennink is 
nSlaet kwapennink aen den disch! 
Dat van Biiigge tot aen Gent 
Heer Kwapennink sta bekend 1 
Als dat hy kwapennink is! 
Slaet kwapennink aen den disch!" 

De speelpenning had geen eigenlike weerde. Hy was dan ook in 
den handel niet gangbaar , en vertegenwoordigde slechts eene in- 
gebeelde weerde als hy by eenig spel diende , op de wyze der 
hedendaagsche beenen vischjes , die men in kwaad fransch wel 
fiches belieft te noemen. Duitsche speelpenningen , met den stempel 
Spielmarhe' 1 '' er op, waren in myne jeugd te Leeuwarden nog in 
gebruik. In den geslachtsnaam Speelpenning is dit woord be- 
waard gebleven. De braspenning was in den ouden tijd een muntje , 
waar men, in die goedkoope dagen, voor brassen " , smullen kon. 
Z althans verklaart de volksmond dezen naam , by de overle- 
vering van den metselaar die aan St.-Jans-kerk in 's Hertogenbosch 
arbeidde , en die den pot met groene-erwten-soep , welke zyne 
vrou hem als zijn middagmaal bracht , verachtelik omschopte , 
terwijl hy uitriep : 

/s dat eten voor eenen man. 

*Die daags eenen braspenning verdienen kan?" 

De geslachtsnaam Braspenning (zie ook Braspot op bl. 423) 
komt nog heden ten dage voor. Meer als in al deze enkele pen- 
ningen leit er opgesloten in den geslachtsnaam Tweepenninck, 
die ook in patronymikalen form , als Tweepenninckx voorkomt. 
Voor wy tot de namen van andere munten overgaan , dient 
hier nog vermeld , dat men in den geslachtsnaam Penning en 
Penninck niet onvoorweerdelik den muntnaam zien moet. Im- 
mers kan deze naam evenzeer een oud patronymikon zijn van 



430 GESLACHTSNAMEN AAN DE NAMEN VAN MUNTEN ONTLEEND. 

eenen oud-germaanschen mansvrnaam Penne (Pinne), dien ik 
wel niet afsonderlik , en als zoodanig , in eenig oud geschrift aan- 
toonen kan, maar die toch zekerlik in gebruik geweest is. Dit 
blijkt zonder eenigen billiken twyfel uit de geslachtsnamen Pen- 
ninga en Pennenga, die in Friesland inheemsen zijn. Alsmede 
waarschijnlik uit Pens, en uit Penninckx in Vlaanderen, uit 
Penning in Engelland voorkomende, en uit Penninkhof. 
Verder uit den westfaalschen geslachtsnaam (Von) Pinning, 
uit den naam van het uitgestorvene oud-friesche geslacht Ping ia 
(dat is eene samentrekking van Pinning a), en misschien ook uit 
den groningerlandschen geslachtsnaam Pynema, en uit Pi ene- 
ma nn. In de plaatsnamen Pennington in Hantshire (Engel- 
land); Pennigbttel, een dorp by Osterholz in Hanover; Pen- 
nigsehl, een dorp in Hoya (Hanover); Pingjum, dat is Pin- 
gia-hum, Pingia-heim, Pinninga-heim, woonplaats der 
Pinninga's, der Pinningen, der afstammelingen van Pinne, 
zoo als een dorp heet in Friesland (Wonseradeel) ; en in Pin- 
ning, een dorp by Landau in den Beierschen Palts, komt deze 
oude mansnaam Penne, Pinne eveneens voor. 

Van de penningen tot de duiten en centen overgaande, vinden 
wy de geslachtsnamen Drieduiten, Duit en Duitgenius, 
met Deutgenius, Cent en Centen. Deutgenius houd 
ik voor eene verlatynsching van D e u t g e n , en dit is eene oude 
spelwyze van het woord duitje. Men zie bl. 110, en Van Len- 
nep en Ter Gouw, De Uithangteekens , dl. II, bl. 193, waar wy 
lezen van een brabantsch muntje, dat de waarde had van een 
kwart groot oft deutgen (duitje)". Deutgen is ook als geslachts- 
naam bekend. De geslachtsnaam Cent echter en heeft oorspronkelik 
met den naam onzer hedendaagsche pasmunt niet te maken , maar 
is eene volkseigene verkorting van den kerkeliken mansvrnaam 
Vincent (Vincentius). En Centen is daarvan een patrony- 
mikon , op de wyze als in 40 vermeld is. De volle vadersnaam 
Vincenten komt ook als geslachtsnaam voor. 

De Stuiver'' kwam 'eeds in de 15de eeu als uithangteeken voor. 
Reeds in het midden dier eeu had dit huisteeken zynen naam 
gegeven aan eenen burgemeester van Amsterdam, Hendrik Dirksz. 
Stuyver. En omstreeks eene eeu later was zekere G-er rit 



GESLACHTSNAMEN AAN DE NAMEN VAN MUNTEN ONTLEEND. 431 

Stuiver burgemeester van Haarlem. 1 Nog heden komen de ge- 
slachtsnamen Stuiver en De Stuyver voor, alsmede Kr o on- 
stuiver, dat zeker de naam is van eene byzondere soort van 
stuiver, in stempel of muntslag verschillende van den gewonen. 

De stooter is geen eigenlike munt; het is de volksnaam voor 
eene gelds weerde van 12 1 / 2 cent. Dit woord formt den geslachts- 
naam Stooter, die ook als patronymikon , Stooters, voor- 
komt. Verder zijn nog de geslachtsnamen Daalder, Gulden 
en D u c a e t muntnamen die geen naderen uitleg eischen , evenmin 
als Duyzenddaalders. Maar deze laatste naam is eigenlik een 
basterdvloek, en staat in de plaats van duizend donders!' 1 '' Het 
schijnt dat de man die eerst den zonderlingen naam Duyzend- 
daalders voerde, dezen basterdvloek zoo dikwijls in den mond 
genomen heeft , dat hy er eenen bynaam van kreeg. Schild of schilt", 
stilt", was de naam van zekere oude munt, en dit woord be- 
staat nog in den geslachtsnaam Vijftigschild, die ook door 
afslyting zyne laatste letter verloren heeft , en als V ij f t i g- 
schil voorkomt. Misschien ook in den enkelvoudigen geslachts- 
naam Schilt; zie bl. 364. In de middeleeuen berekende men 
de kleine munten, de penningen, ook by het gewicht. Van daar 
nog de geldsweerden die men noemt een pond sterling", in Engel- 
land, een pond vlaamsch," in sommige nederlandsche gewesten 
(Zeeland) nog in gebruik, enz. Deze ponden gelds vindt men nog 
terug in do geslachtsnamen Tweepondt, Driepont en Drye- 
pondt, Tienpont, Thienpondt en Thienpont. De geslachts- 
namen Vijfstuk, Vijffstuk en Grootstuk met het door ver- 
basterde uitspraak misspelde Grautstuk, meen ik ook tot de 
muntnamen te moeten brengen. Misschien ook Gr evenstuk, 
met welken naam men een vgravenstuk" , eene grafelike munt kan 
hebben aangeduid. 

Algemeene geldnamen zijn nog Kleingeld, Nievergeld en 
Offergeld met Offergelten den versletenen form Offergel. 
Nievergeld, misspeld voor Nieuwergeld, is Nieuwgeld, 
nieu geld ; even als Niervaart = Nieuwervaart; Nieuwe r- 
Amstel, in de uitspraak ook dikwijls Nieveramstel, enz. 



1 Van Lennep en Ter Gouw, Uithangteekens , dl. II, bl. 192. 



432 GESLACHTSNAMEN AAN MATEN EN GETALLEN ONTLEEND. 

Eindelik zoude men de geslachtsnamen Smytegeld, Grijpten- 
duit (zie 150), ook Met de Penningen en Mettepennin- 
gen, ook nog tot de geldnamen kunnen brengen. 

143. Slechts weinige geslachtsnamen zijn oorspronkelik de 
namen van maten. De oorspong van het grootste deel dezer namen is 
zekerlik wel in huisnamen te vinden. Zoo was er voor weinige 
jaren nog te Haarlem een huis dat De Ho ut maat" in den gevel 
voerde. En als eene woordspeling met het bevel: houdt maat!" 
stond er op dien gevelsteen in geestig rijm : 

Want het is een wijs man 
Die de maet houden kan.'''' 

Deze aardige gevelsteen is door Van Lennep en Ter Gouw 
onvermeld gelaten. Daarom heb ik aan zyne beschryving hier een 
plaatske ingeruimd. Geslachtsnamen , tot deze groep behoorende , 
zijn Mudde, Schepel, Zoutmaat en Havermaet. Het hoog- 
duitsche Biermasz is my ook in Nederland voorgekomen. Verder 
nog Goedmaat en Vierendeel met den patronymikalen form 
Vierendeel s. De beteekenis van den naam Goedmaat is niet 
zeker. Hy zoude ook kunnen beduiden : goede maat , in de betee- 
kenis van goede vriend , en dus een weerga zijn van den geslachts- 
naam Goedvriend; zie 144. 

Zonderling genoeg , en , wat hun oorsprong betreft , voor my vry 
duister , zijn die geslachtsnamen , welke uit de namen van getallen 
bestaan. Daarvan zijn de volgenden my bekend: Drie, Zeven, 
Dertien (ook in patronymikalen form Dertien s), Zestiene, 
Achttien en Agtien, Sestig, Honderd en Duizend, 
met den hoogduitschen form T a u s e n d , die almede hier te lande 
voorkomt. De geslachtsnaam Drie zoude ook zeer wel oorspron- 
kelik de naam kunnen zijn van het gehucht Drie, by Ermeloo 
op de Veluwe. De geslachtsnaam Van Drie is zonder twyfel aan 
dien plaatsnaam ontleend. Zoo ook dankt de geslachtsnaam Van 
A g t zynen oorsprong niet aan het getal acht , maar aan het 
dorp Acht, in de noord-brabantsche Kempen gelegen. De geslachts- 
naam Zeven eindelik zoude oorspronkelik ook een oud-germaan- 
sche mansvrnaam kunnen zijn, de zelfde als de naamstam Sew, 



GESLACHTSN. ONTLEEND AAN DE VERWANTSCHAP DER MENSCHEN. 433 

door Frstemann vermeld , en die ook oorsprong gaf aan de pa- 
tronymikale geslachtsnamen SevensmaenZevensmain Friesland, 
en Sevens in Vlaanderen. 



K. GESLACHTSNAMEN ONTLEEND AAN DE VERWANTSCHAP EN DE 
ONDERLINGE BETREKKINGEN DER MENSCHEN. 

144. Het is reeds van ouds her in gebruik geweest om twee 
personen , die den zelfden naam droegen , van eikanderen te onder- 
scheiden door eenen bynaam , ontleend aan de byzondere betrek- 
king of verwantschap waar in die personen tot eikanderen , of ook 
tot anderen stonden. Had een vader b. v. , die Karel Van Dijk 
heette, zynen zoon ook Karel genoemd, dan kreeg die vader 
eerlang, als zijn zoon volwassen werd, ter onderscheiding den 
bynaam van de Vader ; Karel Van Dijk De Vader noemde 
men hem ter onderscheiding van den jongen Karel Van Dijk. 
Of ook , als oom en neef den zelfden naam droegen , dan gaf men 
aan laatstgenoemden wel den bynaam van de Neef. Andere soort- 
gelyke benamingen , als Vondeling, Bastaard, Voogd, 
Jongeling, Grijsaard, Vriend, Buurman, enz. aan de 
betrekkingen of verhoudingen der menschen onderling ontleend , wer- 
den almede als bynamen gegeven. Velen van die bynamen zijn van 
den vader op den zoon overgegaan , zijn vaste toenamen gebleven , 
en eindelik vaste geslachtsnamen geworden. Deze byzondere ge- 
slachtsnamen formen eene eigene groep. De volgende namen breng 
ik daar toe : 

Vader, by zeer gebruikelike samentrekking De V a JTr en De 
Vaere, als patronymikon ook Vaders. Waarschijnlik beteekent 
de reeds in de 15de e eu voorkomende geslachtsnaam De Veer 
oorspronkelik even eens de Vader. Immers is veer , feer voor vaar , 
f aar , vader , f ader , father , oud-friesch ook fether , eene oude noord- 
hollandsch-friesche uitspraak. Nog heden ten dage luidt het woord 
vader in den byzonderen frieschen tongval der stede Hindeloopen 
als feer. Verder Kind, met 'T Kint en 'T Kindt, De Kyndt 
en Jongkind met Jongkindt. De maagschapsnamen Veef kind 

28 



434 GESLACHTSN. ONTLEEND AAN DE VERWANTSCHAP DER MENSCHEN. 

en Vollekindt behooren zekerlik ook tot deze groep. Ik kan 
ze niet verklaren. Over Daenekindt zie men bl. 194. De ge- 
slachtsnaam Der Kinderen is op bl. 168 reeds besproken, en 
De Jong, De Oude, enz. met de talryke verscheidenheden van 
die namen welke in zekeren zin ook tot deze groep kunnen gebracht 
worden, zijn op bl. 339 reeds vermeld. De geslachtsnamen Den 
Oudsten en De Jongste, met Jongste, als in het byzonder 
de verhouding van broeders onderling aanduidende , dienen hier 
ter plaatse niet onvermeld gelaten te worden. Ook Jongezoon 
en 'T J o n c k moeten hier vermeld , benevens den byzonderen 
patronymikalen form 'S Jongers, dat is: des jongers , des jongers 
(zoon), de zoon van den jongeren (broeder); zie bl. 185. Andere 
broedem&men zijn nog Broeder, Den Broeder, Ooibroer 
(een versletene Saksische form , oo broer , ooi' broeder , old broeder , 
oude broeder; zie op bl. 50 den naam Ool-Bekkink). Verder 
Stilleb roer en Bestebroer, en in verkleinform , tevens met 
de klankwyziging {umlaut) , in de frankische en Saksische tongvallen 
gebruikelik , Bestebreurtje. De patronymikale geslachtsnamen 
Broers, Broeren, Broere, Broer sma en Broersema 
meen ik niet van het woord broeder te moeten afleiden , maar van 
den mansvrnaam Broer (zie bl. 175). Zoo ook komt het my aan- 
nemeliker voor om de geslachtsnamen Oome, Oomen, Ooms, 
Oomsz, Omenga, met de verkleinformen daarvan O h m k e n en 
Oomkens, allen patronymikale formen , niet af te leiden van het 
woord oom , maar van den mansvrnaam Ome, die nog heden wel 
eene enkele maal in onze friesche en Saksische gewesten voorkomt , 
en die een byform is van Omme, Ommo, Unimo, Umo, allen 
oud-germaansche mans vrnamen. Zie bl. 138. 

De maagschapsnamen Peetoom echter , D e P e e t. en De P e t e x 
laten geen twyfel over aan hunne oorspronkelike beteekenis. Als 
weerga van deze namen bestaat er in Vlaanderen de geslachtsnaam 
De Vadder e. * Vadder' is in het Oud- Vlaamsen het zelfde wat men 
thans peter , gevader, godvader noemt (zie Gido G-ezelle's tijdschrift 
Loquela, jaargang III, 1883, bl. 11). En even duidelik wat hun 
oorsprong en beteekenis aangaat , zijn ook de maagschapsnamen D e 
Neve, Den Neef, Neef, die ook in de zuidelike Nederlanden 
half verfranscht voorkomen als Deneve en Denve. Verder 



GESLACHTSN. ONTLEEND AAN DE VERWANTSCHAP DER MENSCHEN. 435 

de verldeinform van dit woord, als patroriyrnikon , Neefjes, en 
eindelik de oud-fransche form daar van , die ook in de Nederlanden 
als geslachtsnaam voorkomt , N e p v e u. Of de geslachtsnaam S w a- 
german ook tot deze groep behoort , in de beteekenis van zwager = 
aangehuwde verwant , bepaaldelik geen bloedverwant , is niet zeker. 
Swagerman zoude ook kunnen beteekenen : een man van de 
Swaag, een inwoner van een der dorpen die de Zwaag heeten. 
Zie bl. 269 en 270. Iedereen verstaat ook de geslachtsnamen De 
Wees, De Weze, met het gewestelik-hollandsche Weesie (zie 
156), en met de half-verfranschte formen , die in de zuidelike 
Nederlanden voorkomen: Dewez en De Vze. Ook Van Wees 
en Van der Wees, namen die van eenen byzonderen of algemeen- 
aardrijkskundigen naam Wees schynen afkomstig te zijn, maar diemy 
onduidelik blyven. Verder De Moerloose en, in eenigszins ver- 
basterden form De Morloose, dat is : de moederlooze. Een halve 
wees is ook het kind dat na zijns vaders dood geboren wordt. Zulk 
een kind noemden de Romeinen een vpostumus" of postuma ," al 
naar dat dit kind een knaapje was of een meiske. De maagschaps- 
naam Postumus is zekerlik oorspronkelik gegeven aan zulk eenen 
nageborenen knaap. Maar met den geslachtsnaam Posthuma acht ik 
dit niet het geval ; dat men een nageboren meiske Postuma 
noemde , is zeer wel mogelik , maar die naam kon toch later niet 
op hare zonen overgaan ! De maagschapsnaam Posthuma is in 
Friesland inheemsch. Zoude hy niet een versierde, quasi-latynsche 
form zijn van den eveneens aan een friesch geslacht eigenen naam 
P o s t m a ? Ook Postmus komt in Friesland voor , nevens Pos- 
thumus. Verder nog Postema en Postsma. Waarschijnlik is 
er verwarring onder al deze namen, door onverstand ontstaan en 
door verwisseling en verbastering van Oud-Priesch en Latyn, by 
toevallige overeenkomst in form en klank. Hoe het zy , ik kan 
geenen uitweg vinden uit den doolhof van deze geslachtsnamen. 
By den wees behoort zijn voogd , en dit woord treffen wy aan 
in de geslachtsnamen Voogt, De Voogt, De Vooght, in 
hoogduitschen form als V o g t voorkomende , en ook als V o i g t , 
het welk eveneens eene hoogduitsche spelwyze vertoont, maar in 
den verouderden form die ook nog gebruikelik is in de benaming 
van het Voigtland, eene gou in het koninkrijk Saksen. Dui- 



436 GESLACHT3N. ONTLEEND A. D. ONDERL. BETREKKING DERMENSCHEN. 

delik is ook de maagschapsnaam Vondeling. En de namen Vin- 
devogel, Vindevoghel met het patronymikale Vindevogels 
hebben de zelfde beteekenis. De drie laatstgenoemde namen komen 
in de zuidelike Nederlanden voor, en het woord i>vindevogeV heeft 
ook juist in de volksspreektaal der vlaamsche en brabantsche ge- 
westen de beteekenis van iets dat gevonden wordt in het algemeen. 
Ook behoort tot deze groep van namen de geslachtsnaam Vinde- 
1 i n c k x (waarvan Windelincx een uit misverstand ontstane 
verbastering schijnt te zijn) , die mede in de zuidelike gewesten 
t' huis behoort. Het is een patronymikale form van het woord 
vindelink ," vindeling, vondeling. Zonderling genoeg, beeft men 
in den maagschapsnaam Van de Vondel, die nog heden ten 
dage in de zuidelike Nederlanden , waar hy trouens oorspronkelik 
inheemsch is , ook nog als Van Vondelen, Van den Vondel, 
Van der Vondelen en Vervondel voorkomt, eene toespeling 
meenen te vinden op het woord vondeling. Zoo hadden de Regenten 
van het Aalmoeseniershuis te Amsterdam , in de laatste jaren der 
17<le eeu wel eens de aardigheid om vondelingen doopen te laten 
met den naam Joost of J o o s t j e , al naar gelang dat het kind 
een jongen was of een meiske. Zy deden dit in toespeling op den 
naam van onzen grooten dichter Joost Van den Vondel. In- 
tusschen heeft deze geslachtsnaam , in de verschillende fornien 
waarin hy voorkomt , niets met de woorden vinden en vondeling 
te maken. Immers het woord vondel heeft in deze woorden de be- 
teekenis van een klein , smal brugje , meestal uit eene enkele plank 
bestaande , die in een voetpad over eene sloot ligt. Men zegt ook 
vonder en zelfs wel vlonder. De maagschapsnamen Van de Von- 
del, enz. behooren dus by die welke van algemeen-aardrijkskun- 
digen aard zijn , en in 105 vermeld werden. 

Men is wel verlegen , welke geslachtsnamen men aan vondelingen 
geven zal , en komt er dan wel toe om namen te ontleenen aan 
byzondere zaken die by het vinden van het kind aan den dag 
kwamen , of daar mede in verband stonden. Een voorbeeld daar 
van is op bl. 412 reeds vermeld. Een ander voorbeeld is my 
bekend , waar men aan den vondeling den naam van de straat , 
waar hy gevonden was , als geslachtsnaam gaf. Een derde voor- 
beeld vind ik in het volgende bericht , voorkomende in het brv.- 



GESLACHTSN. ONTLEEND A. D. ONDEEL. BETREKKING DER MENSCHEN. 437 

sche nieusblad Burgerwelzijn ," in het nummer van 21 Mei 1884: 
Zondagnacht , rond 12 ure, heeft de genaamde A. V. E. te Zuid- 
schote, een pas geboren kind gevonden, dat in een pander ver- 
borgen was. Den maandag namiddag is het gedoopt , en het kreeg 
de namen van Renilde Marie van Pander." Zuid-Schote 
is een dorp in West- Vlaanderen , en een i>pander' of spaander" 
is, in de westvlaamsche gouspraak, een korf of mand. 

De maagschapsnamen B a s t e r d , met het half-verdietschte , oor- 
spronkelik fransche Battaerd (bdtard) , en Banckaert met 
B a n k e r t geven getuigenis dat zy oorspronkelik toenamen geweest 
zijn voor kinderen van zoogenoemde onechte geboorte. Immers dat 
is de beteekenis dier namen. 

De betrekkingen der menschen onderling, van maatschappeliken 
aard, hebben ook aanleiding gegeven tot het ontstaan van geslachts- 
namen. Als zoodanig vermeld ik hier de namen: Vriend, Vrind, 
De Vriendt en De Vrient, Goedvriend enCortvriendt, 
De Macker en misschien ook Slaap. Immers is slaap (bepaaldelik 
sleep , slep of sliep in de westfriesche taal) het woord dat oudtijds 
in Noord-Holland en Friesland in gebruik was voor vriend , namelik 
waar het de byzondere vriendschap tusschen twee jongelingen gold. 
Op onze westfriesche eilanden (Wieringen , Ameland) is dit woord 
nog in die beteekenis bekend. (Zie mijn Algemeen Nederduitseh en 
Friesch Dialecticon, dl. I, bl. 485 en dl. II bl. 30). Verder De 
Gast, Buur, Buurman, en Nabuur s als patronj^mikon. In 
onze oostelike gewesten (de gi-aafschap Zutfen , Overijssel , Drente) 
is naber het woord dat voor het hollandsche en friesche buurman , 
brman , voor het vlaamsche gebuer in gebruik is. Dit is de Saksische 
form waaronder dit woord optreedt, en die overeenkomt met het 
hoogduitsche nachbar en het engelsche neighbour. De Schotten zeg- 
gen , meer in overeenstemming met de Saksische Nederlanders , 
neebor. Onder dezen form komt dit woord voor in de gedichten 
van Burns , die in den schotschen tongval van het Saksisch zijn 
opgesteld. Dit oude woord naber komt ook als maagschapsnaam 
voor (Naber), de weerga van den geslachtsnaam Buurman. 
Zoo zijn ook de geslachtsnamen Nieubuur en Niebuur tegen- 
hangers van Ninaber en Nienaber, en met dezen van de zelfde 
beteekenis ; te weten : nieue buurman. Deze buurn&men vinden in 



438 GESLACHTSN. ONTLEEND A. D. ONDERL. BETREKKING DER MENSCHEN. 

de zuidelike Nederlanden hunne tegenhangers in de geslachtsnamen 
Goetgebuer en Quagebuer (goede en kwade buurman) , die 
in verschillende spelwyzen en formen voorkomen, als Go et ge- 
buur, Goetghebuer, Goetghebeur, Goegebuer, G o e- 
gebeur, ook als Goedegebure in Zeeland ; en Quaghebuer. 
Vooral de eerstgenoemde naam is tamelik algemeen in Vlaanderen 
en Brabant. De goede buren zijn talryker dan de kwaden. 

Eenige geslachtsnamen , die byzondere leeftyden en toestanden 
der menschen vertegenwoorden , mogen almede by deze groep eene 
plaats vinden. Het zijn Drieling en Vierling, die op eene 
gemeenschappelike geboorte , by drien en vieren te gelijk , betrek- 
king hebben. Verder Knaap, Cnaap en Knape, met den patro- 
nymikalen form K n a a p e n , en , als verkleinwoord met de fran- 
kische klankwyz,iging , Kneepkens; dat is: de zoon van den 
kleinen knaap. Het woord knaap in deze namen kan ook de oude 
beteekenis van schildknaap , in de middeleeuen gewoonlik enkel cnape , 
hebben. In dit geval behooren deze namen eerder by die , welke 
op bl. 325 vermeld zijn. Verder Jongen en Meisje met M e i s k e , 
Jongeling, Jongeling, Jonkman, De Maegdt en Maag- 
del ij n. Zonderlinge namen voor mannen moet men Meisje, 
Maagdelijn, enz. noemen. Maagdelijn en De Maegdt ech- 
ter , vooral de laatstgenoemde naam , kunnen ook aan eenen huis- 
naam ontleend zijn. Huizen immers die de Maagd van Gent, 
de Dortse Maagt, de Zeeusche Maeght, enz. heetten , 
kwamen oudtijds in de nederlandsche steden wel voor. En ook nog 
heden wel; b. v. De Zeeuwsche Maegd te Gent. By deze 
namen behoort ook de geslachtsnaam Peynt. Immers het woord 
feint, veint heeft nog heden ten dage zoowel in Friesland als in 
Zeeland en Vlaanderen de beteekenis van krachtvolle jongeling , 
jonge man ; niet volkomen in overeenstemming met de beduidenis 
die de Hollanders aan hun woord vent hechten. Ten slotte nog 
Vryer, Fryer en De Vryer, Bruidegom en Bruigom, 
Ouwerling en Grijsaard en het half-verfranschte G r i s a r. 
Het woord ouderling {ouwerling , auerlynk) heeft in de zuidelike Neder- 
landen niet de protestantsch-kerkelike beteekenis die het in de 
noordelike gewesten heeft , maar beduidt eenvoudig : oude man , in 
tegenoverstelling met jongeling. 



GESLACHTSN. ONTLEEND AAN DE NAMEN VAN GODEN EN GODINNEN. 439 

De geslachtsnamen Mensch en Man, Mann, De Man, 
'T Mannetje en Mannekens breng ik, als aanhangsel, mede 
tot deze groep. Ook De Kei rel en De Keyrel (in oud-vlaamsche 
spelling). In dezen naam heeft het woord kerel zeker niet de heden- 
daagsch-hollandsche beteekenis , maar veeleer de oud-vlaamsche , te 
weten , die van een vrye landman in het Brugsche Vrye (West- Vlaan- 
deren) ; zie bl. 421. Aangaande Vrouw es, Der Weduwe, enz. 
is op bl. 167 en 168 reeds het een en ander medegedeeld. 



Z. GESLACHTSNAMEN, ONTLEEND AAN DE NAMEN VAN GODEN 
EN GODINNEN, KERKHEILIGEN , GODSDIENSTEN, ENZ. 

145. Hoe zonderling en onpassend het eigenlik ook zy, by 
het nederlandsche volk komen eenige geslachtsnamen voor, welke 
aan de oude grieksche en romeinsche godenleer ontleend zijn. 
Sommigen dezer namen zijn oudtijds wel als huisnamen voorge- 
komen , en dit kan hun ontstaan als geslachtsnamen verklaren. 
Ook haalden vooral de Hollanders in de zeventiende eeu overal 
waar het maar te pas of ook niet te pas kwam , die goden en 
godinnen by. Dit kan ook aanleiding gegeven hebben , zulke namen 
als bynamen te geven ; welke bynamen dan later tot vaste geslachts- 
namen werden. Zie hier die, welke my zijn voorgekomen : Venus, 
Flora, Mars, Apol (vooral by nederlandsche dichters eene zeer 
gebruikelike verkorting van Apollo), Cupido en Cupedo, Pol- 
lux, Hercules, Janus, Bachus, met Baghus en Baggus 
in hollandsche wanspelling , en Paris. Op sommigen dezer namen 
valt iets af te dingen wat hunnen oorsprong als namen van goden 
en godinnen betreft. Venus kan eene , uit scherts ontstane misspel- 
ling zijn van den patronymikalen geslachtsnaam Venes ofVenis, 
afgeleid van den ouden mansvrnaam Vene of Fene (zie bl. 
58). Tusschen Venus, V e en es'z en Ven is is in de uitspraak 
het verschil nau hoorbaar. En Mars kan eveneens een vaders- 
naam zijn van den oud-germaanschen mansvrnaam Marro, 
Marre, Mar, welke naam tevens ten grondslag strekt aan de 
patronymikale geslachtsnamen Mar ra, Marringa, Marrenga 



440 GESLACHTSN. ONTLEEND AAN DE NAMEN VAN GODEN EN GODINNEN. 

en Marring, in Friesland, Groningerland en Drente inheemsen. 
En aan de plaatsnamen Marrum, een dorp in Friesland , en 
Marwert, zooals twee saten heeten , de eene by 't dorp Lollum , 
de andere by 't dorp Wirdum , beide in Friesland. Janus is eene 
zeer gebruikelike verkorting van den mansvrnaam Adrianus, 
en tevens eene verlatynsching van Jan, en beide kan dit ont- 
staan gegeven hebben aan den geslachtsnaam Janus. Bachus 
kan zeer wel eene oude spelling zijn van den geslachtsnaam Bakhuis, 
die heden ten dage ook in deze nieuerwetsche spelling voorkomt. 
En dit gevoelen krijgt zoo veel te meer waarschijnlikheid als wy 
zien dat deze zelfde naam (ook de zelfde verwantschap?) oudtijds ook 
als Backus en Backhues geschreven werd. 1 In den geslachts- 
naam Paris eindelik kan ook even zeer de naam der stad P a r ij s 
schuilen. Ik acht dit zelfs waarschijnlik ; zie bl. 209. 

Fortuna of het Fortuin was oudtijds een zeer algemeen 
voorkomend huisteeken en huisnaam. Geen wonder dat dien ten 
gevolge de geslachtsnaam Fortuin, Fortuyn, 'T Fortuin 
ook nog heden ten dage geenszins zeldzaam is. De voor eenen 
man zeker nog al zonderlinge geslachtsnaam De Amazoon, 
misschien ook wel aan eenen huisnaam ontleend, behoort mede 
tot deze groep. En dan nog de maagschapsnamen Godinne en 
Godin, zeker zeer zonderlinge namen. Hoe zijn ze ontstaan? En 
hoe te verklaren? Het wapenschild van het geslacht Godin schijnt 
een zoogenoemd sprekend wapen te zijn, en geeft dan eene ver- 
klaring van dezen naam, die my zeer gezocht voorkomt. Volgens 
dat wapen zoude die naam eigenlik God-in" zijn. Immers vertoont 
het op een blau veld eenen gouden kelk (waarin de hostie?). Zie 
De Navorscher , dl. XXXIV, bl. 483. Op eene landkaart uit de 
vorige eeu staat een huis Godin aangeteekend , by het dorp de 
Bilt aan den weg van Utrecht naar Amersfoort. 

Het voorkomen van geslachtsnamen aan de namen van kerk- 
heiligen ontleend , ligt meer voor de hand om te verklaren dan dat 
der namen van goden en godinnen. Immers waren de namen van de 
volksaardigste heiligen der roomsche kerk oudtijds zeer algemeen 
als huisnamen en gevelteekens in gebruik. En zoo kan het ons 



1 Be Navorscher, dl. XXIII, bl. 272. 



GESLACHTSN. VAN DE NAMEN VAN HEILIGEN EN GODSDIENSTEN. 441 

slechts verwonderen , dat zulke geslachtsnamen zoo weinig voor- 
komen. My zijn slechts bekend de geslachtsnamen Sin t-Ni col aas, 
St-Martin en St-Joris. Sinjorgo acht ik eene verbastering 
van italiaanschen oorsprong, even als Sintobijn en Sintobin 
van franschen oorsprong zijn ; te weten: St-Aubin. Notterdam 
en Noterdaem, al hoe nederlandsch deze eerstgenoemde ge- 
slachtsnaam er ook uit moge zien , zijn slechts verdietschingen 
van het fransche Ntre-dame" , en dus tegenhangers van de 
goed-nederlandscbe , vooral in de zuidelike gewesten inheemsche 
geslachtsnamen Lievevrouw en Lievrouw. In de geslachts- 
namen Van Sintjans en Van Sin tfyt zie ik eerder plaats- 
namen , wegens het voorvoechsel ?>em. Immers plaatsen die S t - J a n 
heeten , komen er wel voor (Sint-Jan by Iperen , Sint-Jan- 
in-Eremo, Sint-Jan-Geest, allen in Vlaanderen en Brabant) ; 
en Sint-Fyt is een stadje in Rijn-Pruissen , bezuiden Aken. 

Een paar benamingen van godsdiensten zijn ook als geslachts- 
namen in gebruik gekomen. Op welke wijze? dat is lichtelik na 
te gaan. Van twee personen, die beiden den zelfden naam droegen, 
Egbert Swedersz. b. v. , maar waarvan de eene tot het luthersche , 
de andere tot het doopsgezinde kerkgenootschap behoorde , werd de 
eerste , ter onderscheiding , in het dageliksche leven Luteraan ge- 
noemd, de laatste Mennist. (Egbert Sweers Luteraan, en 
Eibrecht Swiersz. Mennist) , en die bynamen zijn op hunne kin- 
deren overgegaan , en vaste geslachtsnamen geworden. My zijn slechts 
voorgekomen, de reeds genoemde Luteraan en Mennist, 
met den af wy kenden form Menist. Verder Rooms en Christen, 
met Kristen en Christen s. In de drie laatstgenoemde ge- 
slachtsnamen kan echter ook zeer wel de mansvrnaam Chris- 
t i a a n schuilen , die by verkorting gewoonlik als C h r i s t voor- 
komt. Deze drie geslachtsnamen zouden daar van dan vadersnamen 
kunnen wezen. Ook komt een geslachtsnaam Luthers voor. Deze 
echter kan zeer wel een vadersnaam zijn van den oud-germaanschen 
mansvrnaam Luther, Luthar, Lothar, Chl othar. Ik acht 
dit waarschijnliker dan dat die geslachtsnaam als benaming van 
eenen belyder van den lutherschen godsdienst moet opgevat worden. 
De maagschapsnaam Do o per, oudtijds als een soort bynaam wel 
gegeven aan de belyders en vooral aan de eerste voorstanders van 



GESLACHTSN. ONTLEEND AAN DE NAMEN VAN PAETYSCHAPPEN. 

den godsdienst der Wederdoopers en Doopsgezinden , mag hier 
ook een plaatste vinden. De geslachtsnamen DeJode,DeJeude, 
enz. als meer een volksnaam vertegenwoordigende dan een gods- 
dienstnaam, heb ik reeds op bl. 197 vermeld. 

Ten slotte dienen tot deze groep nog gebracht te worden twee 
namen , die niet zoo zeer als namen van godsdiensten moeten 
beschoud worden , dan wel als namen van party schappen. Ik bedoel 
de geslachtsnamen Geus, De Geus met De Gheus en Paap, 
De Paap, DePaepe, enz. Zoo als bekend is dienen deze be- 
namingen den belyders van den roomschen en van den protes- 
tantschen godsdienst over en weer als partynamen, ja als scheld- 
namen. Maar omdat het woord paap , pape in de middeleeuen 
ook in 't algemeen voor eenen geestelike der Roomsch-Katholyke 
kerk in gebruik was , zonder dat er eene min gunstige beteekenis 
aan werd verbonden , zoo kan dit woord , ook in die beteekenis , 
aanleiding gegeven hebben tot het ontstaan van genoemde geslachts- 
namen. En zoo zijn dan ook deze geslachtsnamen , met de patro- 
nymikale formen daar van , reeds in eene andere groep opgenomen 
geworden, en op bl. 330 vermeld. 



M. GESLACHTSNAMEN ONTLEEND AAN DE NAMEN VAN DENKBEELDEN 
ZAKEN, EIGENSCHAPPEN, ENZ. 

146. De geslachtsnamen , welke de groep samenstellen , die 
ik thans behandelen wil, hebben over 't algemeen een nog al 
zonderling voorkomen , en behooren ook geenszins tot de meest 
gebruikeliken. Integendeel , zy behooren in den regel slechts aan eene 
maagschap , en hier door klinken zy meestal nog ongewoner ons in d' 
ooren. Het zijn namen van denkbeelden , eigenschappen , hoedanig- 
heden , in 't algemeen van onlichamelike zaken , die als geslachts- 
namen dienst doen. Hoe oudtijds deze en gene man er toe gekomen 
is , zulk eenen zonderlingen naam als geslachtsnaam aan te nemen 
of zich door anderen te laten geven , kan nu moeielik meer wor- 
den nagegaan en uitgemaakt. Velen van deze namen zijn denkelik 
oorspronkelik wel bynamen geweest , die meestal uit scherts gegeven 



443 

GESLACHTSN. ONTLEEND AAN DE NAMEN VAN DENKBEELDEN , ENZ. 4 

werden. De oorsprong van eenigen echter kan men ook tot kuis- 
namen en gevelteekens terug voeren; deze zijn op bl. 371 reeds 
besproken , maar , om de wille der volledigheid , dienen ze ook hier 
nog vermeld te worden. 

Ten einde deze namen te beter te kunnen overzien , heb ik ze 
in drie ondergroepen verdeeld. Te weten in geslachtsnamen die eenen 
goeden zin hebben , in die welke eenen kwaden of althans min gun- 
stigen zin hebben, en in zulken die eene zaak of eigenschap van 
meer onverschilligen aard aanduiden. Eene scherpe scheiding laat 
deze verdeeling uit den aard der zaak niet toe. 

Vooraf echter mogen eenige geslachtsnamen hier eene plaats 
vinden , die allen op heid eindigen , en als oorbeelden der namen 
van deze geheele groep gelden kunnen. Het zijn: Liefheid en 
Schoonheid met S cho onheydt en Schoonh e yt, Jonkheid 
en Luchtigheid, Hoogheid en Overheid, Vryheid en 
Redelijkheid. Het schijnt dat in Duitschland dergelyke namen 
ook voorkomen. Althans heb ik in Nederland den hoogduitschen 
geslachtsnaam Weisheit ontmoet. In sommigen van bovenstaande 
namen , in Schoonheid, Hoogheid en Overheid, kan ook 
het woord heide schuilen. In dat geval zouden zy behooren tot de 
aardrijkskundige namen. Dit is te meer waarschijnlik omdat my nevens 
Hoogheid en Overheid ook de geslachtsnamen Hooger- 
heide en Overheide(OverHeide) bekend zijn. Hoogerheide 
is de naam van een dorp in Noord-Brabant , by Bergen-op-Zoom. 

Tot de geslachtsnamen, aan de namen van goede zaken ont- 
leend , reken ik de volgenden. Om met het beste te beginnen , 
De Liefde (zie ook bl. 371); verder Minne en Goeminne. 
Minne zoude ook zeer wel oorspronkelik anders niet kunnen zijn als 
de friesche mansvrnaam Minne, die ook als Minno, Menno, 
by de Friesen nog heden ten dage in volle gebruik is. Aan vele 
andere geslachtsnamen , meestal vadersnamen , heeft deze zelfde oud- 
germaansche mansvrnaam nog oorsprong gegeven. B. v. aan 
Minnenga en Minning met het half versletene Minnigh; 
Minnema, Minnesma, Minnes, Minnens en Minnen, 
Menninga, Mennenga, het versletene Men neg a, Menninck, 
Menningh, Mennes, Mens en Mennen. Eindelik van de 
verkleinformen Menke en Minke nog de geslachtsnamen Men* 



444 GESLACHTSN. ONTLEEND AAN DE NAMEN VAN DENKBEELDEN , ENZ. 

kema, VanMenkemaenMenken met Menko,Menke,Min- 
kema en Minks. By De Liefde voegt De Trouw en Trouw, 
De Hoop met D'H o o p en het verbasterde Doop (zie ook bl. 418), 
De Vrede met De Vree, het half-verfranschte De V r en 
V r e e d e , enz. , allen nog heden bestaande geslachtsnamen. Verder 
De Deugd, Geluk (met de fransche en hoogduitsche formen 
Bonheur en Glck),Goetgeluk, Vreugde en DeVreught, 
Vermaak, Pleizier en Plaizier, Genot, Heil, Volle- 
wens (volle wensch) , Lust met Hartelust, Welvaert, enz. 
Deze laatste naam kan eene verdietsching zijn van den hoogduit- 
schen form Wohlfahrt, die my ook in de Nederlanden voorge- 
komen is. Is dit het geval, dan zoude de geslachtsnaam Wel- 
vaert eene plaats moeten hebben by de geslachtsnamen , die oor- 
spronkelik oud-germaansche mansvrnamen zijn, en die ik in 62 
besproken heb. Immers volgens de hoogduitsche woord-uitleg- 
gers is de naam Wohlfahrt anders niet als eene verbastering 
van den oud-germaanschen mansvrnaam Wolfhart, die ook 
nog in den verbasterden form Wolf er t in de Nederlanden in gebruik 
is. En als Olfert byzonder in Friesland, waar ook de daarvan 
afgeleide patronymikale geslachtsnamen Olferts en Olfertsma 
voorkomen. En dat werkelik in den nederlandschen geslachts- 
naam Welvaert het hoogduitsche Wohlfahrt = Wolfhart 
schuilt , kx'ijgt door het voorkomen van den patronymikalen form 
van dezen naam, Welvaerts dus: zoon van Wolfhart, 
Welf hart zoo veel te meer waarschijnlikheid. 

Een paar geslachtsnamen tot deze groep behoorende , gaan op 
leven uit. Te weten Blyleeven, Goeleven, Langleven, 
Zachtleven en Saftleeven. De twee laatstgenoemde namen 
zijn slechts verschillende formen van den zelfden naam. De betee- 
kenis dezer namen is duidelik. Als de weerga van den naam 
Langleven vinde ook de naam Kortlven hier eene plaats, 
ofschoon een kort leven dan ook juist niet tot de goede , de be- 
geerlike zaken behoort. 

Ten slotte brengen wy nog tot deze ondergroep de geslachts- 
namen Aandacht, Gunst, Voorrecht, Lof, 1 enz. Nevens 



1 Roem, Luister, Moed met Vrymoed en Vriemoet, Rust, Gewin* 
Troost, Kracht en Kraft met Kral'ft, Vernuft, Kuust en Duizend. 



GESLACHTSN. ONTLEEND AAN DE NAMEN VAN DENKBEELDEN , ENZ. 445 

den geslachtsnaam K e n d i s komt ook nog Verkennis voor , een 
naam dien ik niet weet te verklaren; (Verkennis = Van 
der Kennis?) Denkelik is dit kennis de een of andere ver- 
basterde ? aardrijkskundige naam. 

De tegenhangers van deze namen , allen aan goede zaken ont- 
leend , zijn de maagschapsnamen die uit woorden bestaan , waar 
mede slechte , onaangename , onbegeerlike zaken worden aangeduid. 
Zy formen eene kleinere groep dan de namen in de voorgaande 
opgenoemd. Hun oorsprong is gewoonlik even duister als dit 
by genen het geval is, ja, nog duisterder. Immers kan ik my 
moeielik voorstellen wat iemand mag bewogen hebben , zulk een 
woord van onaangename beteekenis tot geslachtsnaam te kiezen. Of , 
zoo het oorspronkelik bynamen zijn , door anderen gegeven , dan 
is het my nog raadselachtig hoe iemand er in heeft kunnen be- 
rusten , dat zulk een bynaam zijn vaste geslachtsnaam werd. De 
volgende maagschapsnamen, tot deze groep behoorende, zijn my 
bekend : Blaam, Gewelt, De Honghere en Dorst (met 
Grootendorst en Kleinendorst - 1 ) enz. De geslachtsnaam 
Verraed is misschien niet het woord verraad," maar veeleer 
eene samentrekking van Van der Raad, dat is van de rade, 
van de rode zie bl. 248. Nevens den maagschapsnaam 
Twist komt ook Van Twist voor. De form van laatstge- 
noemden naam duidt aan dat hy van eenen plaatsnaam is ont- 
leend. In der daad bestaat er dan ook een dorp Twist by Arol- 
sen in Waldeck, en twee anderen, de He se per en de Riihler 
Twist of Twiste in Hanover aan onze drentsche grenzen. De 
geslachtsnaam Twist kan dus ook zeer wel oorspronkelik een 
plaatsnaam zijn. De maagschapsnaam Mikmak zal wel aan de 
dageliksche volksspreektaal ontleend zijn. Daarin toch heeft het 
woord mikmak" de beteekenis van oneenigheid , twist, ruzie. 
Eene derde onderafdeeling van deze byzondere groep van ge- 



kunst (oorspronkelik zeker een bynaam voor eenen duizendkunstenaar) , Kennis 
en Goedraad. 

1 Hoon en De Hoon, Hoogmoed, Kommer, List, Moedwil, 
Noodt en De Nood, Ongena met Ongenaed, Ongenaeden, Ongenae 
en Onghena, Onrust, Schade, Sorg en Cleynsorgh, Schuld, De 
Spot, Twist, Verraed en Vrees. 



446 GESLACHTSN. ONTLEEND AAN DE NAMEN VAN DENKBEELDEN , ENZ. 

slachtsnamen omvat zulke namen die uit woorden bestaan , welke 
zaken van meer onverschilligen aard , niet bepaaldelik goeden of 
slechten, aanduiden. Hier toe breng ik de volgenden: Abuys, 
Dienst, De Geest (zie bl. 247), enz. 1 Den maagschapsnaam 
De M a e r e , met De Mare en Demaar, houd ik oorspronkelik 
voor het woord mare , in de beteekenis van tyding , bericht. Het 
voorkomen van de geslachtsnamen Goemaere (goede tyding) en 
Boussemaere (booze, kwade tyding), versterkt dit vermoeden. 
Deze drie geslachtsnamen zijn in de zuidelike Nederlanden , in 
Vlaanderen en Zuid-Brabant inheemsch; dit verklaart de zonder- 
linge spelling waarin zy voorkomen , en die hen haast onkenbaar 
maakt. Het zoude echter ook kunnen zijn dat in den naam Goe- 
maere een mansvrnaam school. Immers de naam van St-Gum- 
m a r u s , een Heilige der Roomsche kerk , patroon der stad Lier , 
komt in het Vlaamsen wel voor als S t-G o e m a a r. Onder den form 
G omarus is deze naam in de noordelike gewesten als maagschaps- 
naam inheemsch. De oud-hollandsche form van dezen kerkeliken 
naam is G o m m e r. In dezen form werd hy wel in vorige eeuen 
door Noord-Nederlanders gedragen, en Gommers met Gom- 
m e r s e , patronymikale formen daar van , komen nog heden als ge- 
slachtsnamen in de noordelike gewesten voor. Sellschap en 
Sellschop zijn oud-hollandsche formen van het woord gezelschap, 
meer overeenkomende met den frieschen form selskip. Den niet 
zeldzamen geslachtsnaam Vogelzang, met Vogelsang, Vogel- 
sangh,Voghelsangh, enz. als tegenhanger van Vogelgezang, 
wil ik liever verklaren als oorspronkelik een der talryke plaats- 
namen Vogelzang, Fogelsang, enz. zijnde, die in de ver- 
schillende nederlandsche gewesten vooi'komen. 

Ten slotte noem ik hier nog drie geslachtsnamen die uit woorden 
bestaan, welke lichamelike ongemakken aanduiden. Te weten De 
Hoest, Kramp en De Snick. Denkelik zijn deze namen oor- 



1 Geselschap met Sellschap en Sellschop, Godsdeel en Aelmoes, 
Den Handel, Post en De Post, Haest en De Haast, Krediet en Con- 
tant, Koopmanschap, Lotery, Musyck en Vogelgezang, Politiek, 
Praal en Pronk, Koestapcl, Slaap (zie bl. 328 en 437) en Sluymer, Sie- 
raad, Oorlof en Paspoort , Schim en Spook, Scheepvaart en Zee- 
vaert.Vijlbrief (veilbrief?), De Wet, Wonder, met het hoogduitsche Wunder. 



ZONDERLINGE GESLACHTSNAMEN. 447 

spronkelik wel gegeven als bynainen aan personen , welke bezocht 
waren met zulke kwalen. Wyl snikke , snik echter een friesch woord 
is voor zeker vaartuich , zoo kan de geslachtsnaam De S n i c k 
ook die beteekenis hebben , en dus overeenkomen met de geslachts- 
namen Cogg.e, Buis en Buys, Sloep, De Ko ff, Brik, 
Schuit en Schuyt, Hulk enHulck,Boot, enz. Tot deze 
scheepsnamen behoort ook de maagschapsnaam De Prouw, eene 
verdietsching van het maleische woord -prahoe\, dat een byzonder 
vaartuich beteekent. 



TV. ZONDERLINGE GESLACHTSNAMEN. 

147. Een groot getal nederlandsche geslachtsnamen vertoont 
een zonderling voorkomen , of heeft eene zonderlinge beteekenis. 
Die namen passen eigenlik in geene der tot hier toe in dit werk 
behandelde groepen. Ik heb al die namen dus , al vertoonen ze , 
over het geheel genomen , onderling ook weinig of geen samenhang , 
met eikanderen in eene byzondere groep samengebracht, onder 
den naam van Zonderlinge geslachtsnamen." Toelichtingen van 
algemeenen aard kunnen, uit den aard der zake, by deze groep 
niet gemaakt worden. De namen , welke deze groep formen , zijn 
onderling zoo verschillend van aard , dat zy slechts ieder afson- 
derlik , of in kleine ondergroepen , kunnen verklaard worden. 

Als eene algemeene verdeeling , en ten einde nog eenigszins 
een gemakkeliker overzicht te verkrygen , heb ik deze groote ge- 
heele groep onderscheiden: a. in zonderlinge namen, waarvan de 
beteekenis duidelik is; b. in zulke namen, die, ofschoon ze uit 
duidelik nederlandsche woorden bestaan , toch geen redeliken zin 
vertoonen ; c. in namen , die my ten eenen male onverklaarbaar 
zijn. Geen dezer drie ondergroepen echter is scherp omschreven ; 
er bestaan geslachtsnamen , die zoowel tot de eene , als tot de 
andere dezer onderafdeelingen kunnen gebracht worden. 

a. De zonderlinge namen, waarvan de beteekenis duidelik is, 
of die althans verstaanbaar zijn en verklaard kunnen worden , formen , 
wat hun getal aangaat, verre weg de grootste ondergroep. Velen 
dezer namen zijn oorspronkelik bynamen , die , uit scherts en uit 



448 ZONDERLINGE GESLACHTSNAMEN. 

spot , uit allerlei , soms onbeteekenende aanleidingen , aan dezen 
en genen man gegeven zijn. 

Zie hier, in bonte opsomming, de namen die ik tot deze onder- 
afdeeling brenge : 

Zondervan en Sondervan. Vele nederlandsche geslachtsna- 
men bestaan uit eenen plaatsnaam met het voorzetsel van daarvoor , 
gelijk van 78 tot 90 aangetoond is. Die namen komen by 
ons volk z talrijk en algemeen voor, dat niet slechts vreemde- 
lingen aan zulke namen den Nederlander herkennen , maar dat 
zelfs , in de nederlandsche volksspreektaal , vooral in de noordelike 
gewesten, in het dageliksche leven een geslachtsnaam een raw" 
genoemd wordt. Hoe is je van?" in plaats van Hoe is uw geslachts- 
naam ?" die spreekwyze kan men algemeen by het noord-ne- 
derlandsche volk hooren gebruiken. Deze byzondere beteekenis van 
dit woord heeft aanleiding gegeven dat deze of gene , die geen 
geslachtsnaam , geen van had , en die er toch een wilde of moest 
(in 1811) aannemen, zich Zondervan, Sondervan, dat is: 
zonder geslachtsnaam" noemde. 

Misverstand schijnt aanleiding gegeven te hebben tot het ont- 
staan van den geslachtsnaam Van 't Zelfde. Twee mannen, mis- 
schien broeders of bloedverwanten , en die beiden reeds den zelfden 
geslachtsnaam voerden , of ook die , nog steeds geenen vasten ge- 
slachtsnaam dragende, overeengekomen waren zich onder eenen en den 
zelfden naam te laten inschryven in de registers van den burgerliken 
stand, kwamen gelijktydig by den ambtenaar, daarmede belast. 
De eerste man gaf zynen naam op , en de ambtenaar schreef dien in 
de registers. -En hoe heet Gy?" vroeg hy daarop aan den tweeden. 
Van 't zei/der' luidde diens antwoord, waarmede hy te kennen 
wilde geven: ik wil onder den zelfden naam als mijn broeder of 
vriend hier, wiens naam Gy zoo even hebt ingevuld, ingeschreven 
worden." Maar de ambtenaar begreep dit antwoord verkeerd , dacht 
dat die tweede man den geslachtsnaam Van 't Zelfde droeg of 
dragen wilde , en schreef hem alzoo in. Toen dit misverstand later 
uitkwam , berustte de man , wien het aanging , daar in. Hy nam 
genoegen in dien zonderlingen naam , en zyne nakomelingen dra- 
gen hem nog heden. Waarschijnlik is de maagschapsnaam Dito 
ook op deze wyze ontstaan , en naar men zegt , is dit ook het 



ZONDERLINGE GESLACHTSNAMEN. 449 

geval geweest met den geslachtsnaam Van Eenennaam. Te 
weten: ook als antwoord op de vraag: Hoe keet GyV Van 
nen naam!" luidde dat antwoord, 't welk ook verkeerd begrepen 
werd ; van nen naam , van den zelfden naam ben ik , als de 
man , wiens naam zoo pas door U ingeschreven is." lic heb 
echter eene bedenking tegen de waarheid van dit verhaal , het 
welk my gedaan is door iemand die zelve dezen naam droeg. Zou 
dit Van Eenennaam niet eene verbastering zijn van den ge- 
slachtsnaam Van Eenanie? En dan ontstaan by wyze van poging 
om een en verstaanbaren zin te leggen in eenen naam dien men 
niet meer verstond? Deze geslachtsnaam Van Eename, die ook 
als Van Eenaeme voorkomt, is afgeleid van den plaatsnaam 
Eename, zoo als een dorp heet, by Audenaarden in Oost-Vlaan- 
deren gelegen. In de zuidelike Nederlanden is deze maagschaps- 
naam dan ook inheemsch. 

Voor den ambtenaar van den burgerliken stand, in 1811, is 
ook de oorsprong te vinden van den geslachtsnaam Zoekende. 
Wie zijt Gy?" vroeg die ambtenaar aan den man, die by hem 
kwam , om zich , onder eenen geslachtsnaam , in de registers van 
den burgerliken stand te laten inschryven. De ambtenaar bedoelde 
met die vraag: Hoe is uw naam?'''' of Welken naam neemt Gy 
aan? De man antwoordde: Ik ben zoekende!" en wilde daar mede 
te kennen geven: Ik heb nog geen vasten geslachtsnaam; ik ben 
nog niet besloten welken naam ik zal aanveerden; ik ben nog zoe- 
kende !" De ambtenaar echter begreep of hy deed dit althans 
zoo voorkomen dat de man zynen geslachtsnaam opgaf als 
Zoekende. Hy schreef dezen dwazen naam dus in zyne registers , 
en de naam bestaat nog heden. 

Vele menschen hebben het eene of andere stopwoord , dat zy veel- 
vuldig in hunne reden te pas, ook dikwijls te onpas brengen. Is 
dit laatste het geval , dan worden die stop woordjes hun wel door 
anderen als bynamen gegeven. Zoo iets is waarschijnlik de oorsprong 
geweest der geslachtsnamen Evenwel, Justement, Eveleens, 
Zoovele, Aldus, Hoezoo, Perexempel, Sijnjewel, enz. 
Deze laatste naam , in Fivelgo (Groningerland) voorkomende , is 
eigenlik de vraag zie-je-wel? (als stopwoord niet zeldzaam in ge- 
bruik) in den groningseben volkstongval. Wijl in de waalsche ge- 

29 



450 .ZONDERLINGE GESLACHTSNAMEN. 

westen van Belgi de waalsche maagschapsnaam ouzeau voor- 
komt , zoo is mogeliker wyze de naam H o e z o o slechts eene ver- 
dietschte spelwyze daar van. Hoezee, Godhelp en Godthelp, 
Regtdoorzee, Ietswaard, Lukwel ('t lukt = het gelukt wel) , 
hebben waarschrjnlik ook eenen dergelyken oorsprong, en Nooit- 
gedagt eveneens. Toch kunnen zulke namen ook op andere wy zen 
ontstaan zijn. My is een eerzaam burger bekend in eene der friesche 
steden; noemen wy hem Harmen De Vries. Hy is eigenaar van 
een huis , dat in den gevel , in eenen steen uitgebeiteld , den naam 
draagt van Nooit gedacht." Dien ten gevolge, ook om hem 
te onderscheiden van anderen , die den zelfden geslachtsnaam dragen 
als hy, wordt deze Harmen de Vries in het dageliksche leven 
gewoonlik Harmen Nooitgedacht genoemd. In dezen bynaam 
steekt niets onteerends. Dies wordt onze man onbeschroomd zoo 
genoemd , en , zoo veel my bekend is , heeft hy zelve daar niet 
op tegen. Leefden wy nu nog honderd jaren vroeger, hoe licht 
zou deze bynaam niet een vaste geslachtsnaam worden? Misschien 
heeft zulk eene omstandigheid ook aanleiding gegeven tot het ont- 
staan van den geslachtsnaam Nooitgedagt en van anderen. 

Een man die veel in zijn huis was , en weinig daar buiten , kreeg 
al licht den bynaam van (Jan) T'huis. En dit kan de oorsprong 
geweest zijn van den geslachtsnaam T'huis, die in Uitenthuis 
(uit-en-te-huis) , en in Zeldenthuis met Seldenthuis zyne tegen- 
hangers heeft. Even als laatstgenoemde naam , zoo zijn ook geformd de 
geslachtsnamen Zeldenrust enSeldenrijk. Een tegenhanger van 
Zeldenrust is nog de geslachtsnaam B u i t e n r u s t. De beteekenis 
van den naam Seldenrijk, die in Nederland ook voorkomt in den 
hoog-duitschen (zuid-duitschen of zwitserschen) form Seltenrych, 
is duidelik. Ja , maar 't is geenszins zeker dat deze naam oorspron- 
kelik in der daad zelden rijk" beteekent. Volgens hoogduitsche 
taalgeleerden beteekent deze naam , die reeds zeer oud is , en in 
Duitschland reeds betrekkelik vroeg in de middeleeuen voorkwam , 
in het Oud-Hoogduitsch : rijk aan zaligheden." Immers is Sael- 
denrich de oudste form waaronder deze naam voorkomt. Toen 
het volk in lateren tijd dezen ouden naam niet meer verstond , 
maakte het er Seltenrich, Seltenreich van, by wyze van 
poging om er weer eenen verstaanbaren zin in te leggen. Onze 



ZONDERLINGE GESLACHTSNAMEN. 451 

nederlandsche geslachtsnaam Seldenrijk kan zeer wel eene ver- 
dietsching zijn van den hoogduitschen form Seltenreich, S a el- 
de nrich. Hoe lichtelik het volk toch dwaalt in zyne duiding van 
namen , kan het volgende voorval bewyzen. In myne jeugd woonde 
te Leeuwarden een oude Duitscher , die Morgenschweisz 
heette. Die naam was oorspronkelik waarschijnlik wel een bynaam 
geweest , gegeven aan iemand die reeds des morgens vroeg zich 
in het zweet arbeidde. Maar z vatte de leeuwarder jeugd dien 
naam niet op , en kon dat ook niet , omdat zy geen Hoogduitsch 
verstond. Toch wist ze er een mou aan te passen , en riep den 
man, die appels en noten en ander ooft langs de straten ventte, 
na: 's morgens wijs en 's avonds gek!" 

Naaktgeboren en Nieniantsverdriet zijn geslachtsnamen 
waarvan de beteekenis voor niemand een raadsel is. Ofschoon er 
niets af te dingen valt op de waarheid die in den eerstgenoemden 
naam opgesloten ligt, zoo schijnt het toch alsof sommige leden' 
van het nog al talryke , in Zuid-Holland gezetene geslacht , dat 
dezen naam draagt, weinig behagen vinden in het voeren daar 
van. Immers zy laten in het schryven van hunnen naam die lettergreep 
naakt" weg, als of zy dat naakt geboren zijn niet met alle 
menschen op de wereld gemeen hadden. Heet een man b. v. Jan 
Naaktgeboren, dan schrijft hy zynen naam wel : J. N. Geboren. 
Ik zal hier maar niet zeggen , hoe ik over zulk eene handelwyze 
denk. Ware er schande gelegen in dien onschuldigen naam , of 
oneerbaarheid , dan zoude men deze naams-besnydenis nog kunnen 
vergoliken. Maar slechts een ziekelik jufferachtig gemoed kan , dunkt 
my, ergernis of aanstoot vinden in den naam Naaktgeboren. 
De geslachtsnamen Fynebuik en Soetekou houd ik oor- 
spronkelik voor bynamen aan lekkerbekken en smullebrors gege- 
ven. Iemand die gaarne allerlei zoetigheden eet , krijgt nog heden te 
Leeuwarden lichtelik den bynaam van soetekou,' 1 '' een woord van zoet" 
en kauen" (kauwen) geformd. Suyckerbuyk en Suiker buik 
zijn denkelik oorspronkelik ook wel bynamen geweest voor men- 
schen , die graag suiker' proefden. Ook deze naam heeft zooveel 
ergernis gegeven aan eenen drager er van , dat hy niet rustte voor 
hy de laatste twee derde gedeelten van zynen geslachtsnaam er 
achter weg mocht nemen , en er een (fransch-schynend) de vr 



452 ZONDERLINGE GESLACHTSNAMEN. 

mocht zetten , en alzoo dien naam volkomen onkenbaar had ge- 
maakt. Immers leest men eene aankondiging in het amsterdamsche 
nieusblad, het Algemeen Handelsblad van den 28sten September 
1883, gedagteekend uit 's Gravenhage van den vorigen dag, en 
onderteekend door Mr. G. Belinfante, advocaat en procureur, 
het volgende : 

Ter voldoening aan Artikel 64 van het Burgerlijk Wetboek 
"wordt bekend gemaakt, dat door den Heer Guillaurne Suyc- 
kerbuyk, wonende te Amsterdam, aan den Koning vergunning 
is gevraagd om zijn geslachtsnaam in dien van De Suyck te 
mogen veranderen , zoodat genoemde Heer en al diens wettige 
nakomelingen , in het vervolg De Suyck zullen heeten." 

Wie zal nu , zoo hy het bovenstaande niet weet , in het vervolg 
in dien geslachtsnaam De Suyck, half Fransch en half Oud-Neder- 
landsch , den ouden naam Suyckerbuyk kunnen terugvinden, 
en den oorsprong van dit De Suyck bevroeden? 

De geslachtsnaam Nederhoed is misschien oorspronkelik de 
bynaam geweest van een zeer beleefd man , even als Trouborst 
{borst heeft hier immers de oud-nederlandsche beteekenis van eenen 
flinken, jongen man?j die van eenen trouen , eerliken kerel, en 
Waterdrinker die van iemand welke zeer matig leefde, althans 
in zynen drank zich tot water bepaalde. Woordhouder, Geld- 
maker en Geldtelder, Liefhebber (van wat?), Sorg dra- 
ger, Zonderland, met Landeloosals tegenhanger , en B r o o d- 
winner zijn ook duidelik genoeg wat hunne beteekenis aangaat. 
Ook deze namen houde ik voor oude bynamen. Als tegenhanger 
van den geslachtsnaam Broodwinner, in Friesland inheemsch , 
komt in de vlaamsche gewesten de geslachtsnaam Winnebroot 
voor , die natuurlik de zelfde beteekenis heeft , en die , by mis- 
spelling en onverstand, in Fransch-Vlaanderen als Winibroot 
geschreven wordt. Juist zoo geformd als deze naam Winnebroot 
is ook de geslachtsnaam Winnepenninck, die in beteekenis 
eveneens duidelik is. Ook als vadersnaam komt deze naam in de 
zuidelike Nederlanden voor; te weten als Winnepenninckx 
en zelfs als Winnenpenninckx. De maagschapsnaam Rook- 
m aak er is misschien oorspronkelik wel de bynaam geweest van 
iemand die aan het tabaksrooken verslaafd was even als Platte- 



ZONDERLINGE GESLACHTSNAMEN. 453 

borze en Plateborse (beide formen komen voor) die van iemand 
welke aan het euvel leed van gewoonlik eene platte , geldelooze 
beurs te hebben. Voordewind was oorspronkelik wel een bynaam 
van iemand wien het voor den ivind ging in het leven ; anders 
gezeid : die voorspoedig was. En Te Peerdt van iemand die veel 
te peerd reed of anderszins een ruiter was , in tegenoverstelling van 
eenen anderen , misschien gelijknamigen man , die niet te peerd 
kon ryden , maar die te voet moest gaan , en daarom den bynaam 
van Te Voet kreeg. Te Voet immers, zoowel als Te Peerdt, 
komt nog heden als geslachtsnaam voor. Hondendorst (met 
het geheel onverstaanbare Honderdors, een verbasterde form ?) 
en Zonderkop, ook Breesnee (breede snede ? broods ?) , C 1 e e n- 
werk, Blaauwendraat, Fijn-van-Draad, Potje wijd, 
Wijnoogst en Wijnstrooi, Helleganger en Alleme- 
k i n d e r s zijn geslachtsnamen , die , al zijn ze niet onverstaanbaar , 
toch door my niet, wat hunnen oorsprong betreft, kunnen ver- 
klaard worden. De maagschapsnamen Goedkoop en Duurkoop 
zullen oorspronkelik wel als bynamen eigen geweest zijn aan koop- 
lieden , die hunne waren , de eene om weinig , de andere om veel 
geld verkochten. Wonderlike geslachtsnamen zijn ook Bierhaal- 
der en Windwaayer, en niet minder zonderling zijn Hameet- 
man en Hameeteman (ham eet de man?), die in het over- 
maassche Holland inheemsch en daar geenszins zeldzaam zijn. In 
die zelfde streken , o. a. te Dordrecht , komt ook de geslachts- 
naam Hameter voor, en tevens (als tegenhanger ?) Spekmyder 
(iemand die spek mijdt, die geen spek eet). In der daad dwaze 
namen! Dwaas zijn ook de maagschapsnamen Stoutintwoud, 
Vroegindewey en Schietekatte. Deze twee eerste namen 
zullen oorspronkelik wel schertsender wyze gegevene bynamen ge- 
weest zijn voor eenen dapperen jager en voor eenen veeboer , die 
gewoon was reeds vroeg in den ochtend zyne bezigheden in de 
weide te verrichten. De naam Schietekatte (schiet de kat) is 
in Zeeland en Vlaanderen inheemsch , en komt daar in verschillende 
formen voor, die aan verschillende geslachten eigen zijn. Te weten : 
als Schiettekatte, Schiettecatte, Schietecatte, Schie- 
tekat, Schiekatte. Deze naam is al zeer oud. Reeds ten j are 



454 ZONDERLINGE GESLACHTSNAMEN. 

1342 droeg een burger van de vlaamsche stad Oudenaarde, Lode- 
wyc Scitcatte, dezen naam. 1 

148. De lijst der zonderlinge geslachtsnamen is lang; wy 
hebben haar nog niet ten halven behandeld. 

Sparen en verkwisten zijn by vele lieden altijd twee byzondere 
eigenschappen geweest, die aan anderen gewoonlik sterk in 't oog 
liepen of ergernis wekten , en dus ruimschoots aanleiding gaven tot 
het in gebruik stellen van bynamen. Eenigen van zulke bynamen 
zijn tot op den dag van heden in stand gebleven als geslachtsnamen. 
Zie hier enkelen daarvan : Quistecoren, Kwistewijn, Kwist- 
hout en Quistwater, tegenhangers van Spaergaren met 
Spaargaren en Spaargaare, Spaarkogel, Spaerewijn, 
Sperlaeck