Skip to main content

Full text of "De Opkomst van het Nederlandsch gezag in Oost-Indië"

See other formats


Google 



This is a digital copy of a book that was prcscrvod for gcncrations on library shclvcs bcforc it was carcfully scannod by Google as part of a project 

to make the world's books discoverablc onlinc. 

It has survived long enough for the copyright to cxpirc and the book to enter the public domain. A public domain book is one that was never subject 

to copyright or whose legal copyright term has expired. Whether a book is in the public domain may vary country to country. Public domain books 

are our gateways to the past, representing a wealth of history, culture and knowledge that's often difficult to discover. 

Marks, notations and other marginalia present in the original volume will appear in this file - a reminder of this book's long journey from the 

publisher to a library and fmally to you. 

Usage guidelines 

Google is proud to partner with libraries to digitize public domain materials and make them widely accessible. Public domain books belong to the 
public and we are merely their custodians. Nevertheless, this work is expensive, so in order to keep providing this resource, we have taken steps to 
prevent abuse by commercial parties, including placing lechnical restrictions on automated querying. 
We also ask that you: 

+ Make non-commercial use of the files We designed Google Book Search for use by individuals, and we request that you use these files for 
personal, non-commercial purposes. 

+ Refrainfivm automated querying Do nol send aulomated queries of any sort to Google's system: If you are conducting research on machine 
translation, optical character recognition or other areas where access to a laige amount of text is helpful, please contact us. We encourage the 
use of public domain materials for these purposes and may be able to help. 

+ Maintain attributionTht GoogXt "watermark" you see on each file is essential for informingpeopleabout this project and helping them find 
additional materials through Google Book Search. Please do not remove it. 

+ Keep it legal Whatever your use, remember that you are responsible for ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just 
because we believe a book is in the public domain for users in the United States, that the work is also in the public domain for users in other 
countiies. Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we can'l offer guidance on whether any specific use of 
any specific book is allowed. Please do not assume that a book's appearance in Google Book Search means it can be used in any manner 
anywhere in the world. Copyright infringement liabili^ can be quite severe. 

About Google Book Search 

Google's mission is to organize the world's information and to make it universally accessible and useful. Google Book Search helps readers 
discover the world's books while helping authors and publishers reach new audiences. You can search through the full icxi of this book on the web 

at |http: //books. google .com/l 



Google 



Dit is ccn digitale kopie van een boek dat al generaties lang op bibliothcckpl anken heeft gestaan, maar nu zorgvuldig is gescand door Google. Dat 

doen we omdat we alle boeken ter wereld online beschikbaar willen maken. 

Dit boek is na oud dat het auteursrecht erop is verlopen, zodat het boek nu deel uitmaakt van het publieke domein. Een boek dat tot het publieke 

domein behoort, is een boek dat nooit onder het auteursrecht is gevallen, of waarvan de wettelijke auteursrecht termijn is verlopen. Het kan per land 

verschillen of een boek tot het publieke domein behoort. Boeken in het publieke domein zijn een stem uit het verleden. Ze vormen een bron van 

geschiedenis, cultuur en kennis die anders moeilijk te verkrijgen zou zijn. 

Aantekeningen, opmerkingen en andere kanttekeningen die in het origineel stonden, worden weergegeven in dit bestand, als herinnering aan de 

lange reis die het boek heeft gemaakt van uitgever naar bibliotheek, en uiteindelijk naar u. 

Richtlijnen voor gebruik 

Google werkt samen met bibliotheken om materiaal uit het publieke domein te digitaliseren, zodat het voor iedereen beschikbaar wordt. Boeken 
uit het publieke domein behoren toe aan het publiek; wij bewaren ze alleen. Dit is echter een kostbaar proces. Om deze dienst te kunnen blijven 
leveren, hebben we maatregelen genomen om misbruik door commerciële partijen te voorkomen, zoals het plaatsen van technische beperkingen op 
automaüsch zoeken. 
Verder vragen we u het volgende: 

+ Gebruik de bestanden alleen voor niet-commerciële doeleinden We hebben Zoeken naar boeken met Google ontworpen voor gebruik door 
individuen. We vragen u deze bestanden alleen te gebruiken voor persoonlijke en niet -commerciële doeleinden. 

+ Voer geen geautomatiseerde zoekopdrachten uit Stuur geen geautomatiseerde zoekopdrachten naar het systeem van Google. Als u onderzoek 
doet naar computervertalingen, optische tekenherkenning of andere wetenschapsgebieden waarbij u toegang nodig heeft tot grote hoeveelhe- 
den tekst, kunt u contact met ons opnemen. We raden u aan hiervoor materiaal uit het publieke domein te gebruiken, en kunnen u misschien 
hiermee van dienst zijn. 

+ Laat de eigendomsverklaring staan Het "watermerk" van Google dat u onder aan elk bestand ziet, dient om mensen informatie over het 
project te geven, en ze te helpen extra materiaal te vinden met Zoeken naar boeken met Google. Verwijder dit watermerk niet. 

+ Houd u aan de wet Wat u ook doet, houd er rekening mee dat u er zelf verantwoordelijk voor bent dat alles wat u doet legaal is. U kunt er 
niet van uitgaan dat wanneer een werk beschikbaar lijkt te zijn voor het publieke domein in de Verenigde Staten, het ook publiek domein is 
voor gebniikers in andere landen. Of er nog auteursrecht op een boek mst, verschilt per land. We kunnen u niet vertellen wat u in uw geval 
met een bepaald boek mag doen. Neem niet zomaar aan dat u een boek overal ter wereld op allerlei manieren kunt gebruiken, wanneer het 
eenmaal in Zoeken naar boeken met Google staat. De wettelijke aansprakelijkheid voor auteursrechten is behoorlijk streng. 

Informatie over Zoeken naar boeken met Google 

Het doel van Google is om alle informaüe wereldwijd toegankelijk en bruikbaar te maken. Zoeken naar boeken met Google helpt lezers boeken uit 
allerlei landen te ontdekken, en helpt auteurs en ui tgevers om een nieuw leespubliek te bereiken. U kunt de volledige tekst van dit boek doorzoeken 

op het web via |http: //books .google .coml 



\ 



DS 
UW 

ff 

hl . j 



DE OPKOMST 



VAN HKT 



NEDERLANDSen GEZAG 



IN 



OOSÏ-INDIE. 



VERZAMELING VAN ONUITGEGEVEN STUKKEN UIT HET OUD-KOLONIAAL 

ARCHIEF. 

UITGEGEVEN EN BEWERKT 

DOOR 

Jhb. Mb. J. e. J. de Jonge, 

Adjtmet-BijhS'Arehwaris, 



VIERDU DUEL. 





's GEAVJKNHAGE , 






AMSTZBDAU , 




MARTINÜS NIJHOFF. 

• 






FREDERIK MULLER. 


•v' 


'» s- 


MDCCC 


LXIX. 





DE OPKOMST 



VAN UET 



NEDERLANDSen GEZAG 



OVER 



JAVA. 



VERZAMELING VAN ONUITGEGEVEN STUKKEN UIT HET OUD KOLONIAAL 

ARCHIEF^. 



UITGEGEVEN EN BEWERKT 



DOOR ^ 



Jhb. Me. J. K. J. de Jonge, 

Adjunct'IUjkt' Archivaris, 



EERSTE DEEL. 



S GRAVENHAGE*, 1 AMSTERDAM 

MARTINÜS NIJHOFF. | FEBDBKIK MULLER. 

MüCCCLXIX. 



PS 

éfl 



f 



VOORREDE. 



Bij de uitgave der eerste reeks van stukken uit bet oud-kolo- 
niaal archief, bepaalde ik mij tot die oorkonden, welke betrek- 
king hebben tot het 'tijdvak, dat besloten ligt, tusscfaen het 
ontstaan van de groote vaart in Nederland en de instelling van 
het Gouverneur-Generaalschap in Indie, (1595 — 1610). 

In dit eerste gedeelte was ik genoodzaakt den Nederland- 
schen zeeman en handelaar, overal te volgen, omdat in dien 
tijd, het Nederlandsch gezag zich nog nergens in Indie be- 
paald had nedergezet. In de voorrede van het eerste deel, gaf 
ik mijn voornemen te kennen, om, als dat tijdvak^zou zijn 
afgewerkt, bij voorkeur over te gaan, tot het leveren van die 
gedenkstukken, waardoor de geschiedenis van het Nederlandsch 
gezag in de afzonderlijke gewesten van den Indischen Archipel 
wordt toegelicht. Volgt men een anderen weg, wil men bij de 
groote uitbreiding, welke Neérland's gezag en betrekkingen allengs 
verkregen, voortgaan met de stukken uit het oud-koloniaal 

» 

Archief, alléén in tijdrekenkundige orde, achter elkander in het 
licht te geven, onverschillig op welk gebied van Indie zij be- 
trekking hebben, dan ontstaat er door de verscheidenheid der 
feiten en toestanden in de verschillende, somtijds ver van elkander 



394429 



VI 

verwijderde landstreken, eene onduidelijkheid, ja, zelfs eene 
verwarring, waardoor ten laatste, zoowel van den bewerker als 
van den lezer de blik beneveld en aan beiden een helder over- 
zigt over elk afeonderlijk geheel, ontnomen zou worden. 

De advokaat der Oost-Indische Compagnie, P. van Dam , heeft 
dit reeds in 1693 zeer juist ingezien, toen hij op last der Heeren 
XVII een overzigt van het bestuur, de bezittingen en de han- 
delsbetrekkingen der Compagnie zamenstelde en daarbij ook de 
methode van afzonderlijke behandeling der verschillende ge- 
westen volgde. Ook Valentijn , in zijn « Oud-en-Nieuw Oost- 
Indie » heeft begrepen , dat het hem niet mogelijk zou zijn , de be- 
schrijving of de geschiedenis van Indie anders te behandelen, 
dan verdeeld in beschrijvingen en geschiedverhalen betreffende 
de afzonderlijke gewesten. 

Ik gaf dan ook, reeds in de voorrede voor het eerste deel 
van dit werk, eene voorloop! ge volgorde aan, waarin ik de 
gedenkstukken betrekkelijk de geschiedenis van Neérlands gezag 
in Indie, hoopte te zullen uitgeven 

Ik behield mij echter toen reeds de vrijheid voor, van in 
die volgorde wijziging te brengen. Van dat voorbehoud heb 
ik gebruik gemaakt; ik stelde de geschiedenis der Nederlanders 
in de Molukken voorloopig ter zijde en verkoos in de eerste 
plaats de geschiedenis van het Nederlandsch gezag over Java, 
in behandeling te nemen. 

De reden van die wijziging is deze: welligt is er van niet 
één gewest van Indie de geschiedenis zóó toegelicht, als van 
den Archipel der Molukken. Vooreerst bezitten wij in Valen- 
tijn's werk eene hoofdbron voor de kennis van die eilanden- 
groep; de helft bijna van dat uitgebreide werk is aan dit gedeelte 
van Indie gewijd, en Valentijn heeft in den regel geput uit 



VII 



goede bronnen 9 onder anderen uit een belangrijk handschrift 
van den ouderen Rumphius, dat hij echter zorgvuldig verzwijgt. 

In later tijd verscheen het belangrijk verslag van de Heeren 
van de Graaiï en Meyland ^ en behalve deze mededeelingen 
over den Archipel der Molukken in het algemeen, bestaat er 
nog eene uitgebreide literatuur over sommige eilanden van die 
groep in het bijzonder. 

Daarentegen is de geschiedenis van de vestiging en uitbreiding 
van ons gezag op Java, door Valentijn gebrekkig geleverd. Ge- 
schiedschrijvers van lateren tijd, met uitzondering van sommigen , 
die zich tot monographiën bepaalden, waren óf niet in de ge- 
legenheid om de oorspronkelijke bronnen voor de geschiedenis van 
Neérlands gezag over Java te raadplegen , óf indien zij daartoe 
al de gelegenheid hadden, lieten zij die bronnen ongebruikt 
liggen. Wanneer men nu daarbij in overweging neemt, dat 
Java ongetwijfeld, voor ons, Nederlanders, de meest belangrijke 
bezitting in Indie is, zeker veel meer dan de Molukken, althans 
op dit oogenblik, dan geloof ik, dat ik mij als verantwoord en 
geregtvaardigd mag beschouwen, indien ik met wijziging van 
eene vroeger aangegeven volgorde, in de eerste plaals overga 
tot de uitgave van stukken, welke betrekking hebben tot de 
opkomst en de uitbreiding van Neérland^s gezag over Java. 

Het veld is groot, de arbeid moeijelijk, ik vang dan ook aan 
met de bede om een welwillend oordeel, indien het blijken 
mogt, dat mijn moed grooter was dan mijne krachten. 

Dit deel sluit zich aan, aan het derde deel der eerste volg- 
reeks; het begint met het jaar 1610 en brengt ons tot 1623* 
Het bevat uitsluitend stukken, betreffende de geschiedenis der 



1 Tijdschrift van N. Indie , 1866. I , Seq. 



VIII 



Nederlanders op Java. Die gedeelten der stukken en brieven , 
welke op andere onderwerpen betrekking hebben of van minder 
belang waren, zijn dus uitgelaten; de lezer wordt telkens door 
het plaatsen van eenige punten daarop opmerkzaam gemaakt. 

In het tweede deel van dit werk waagde ik het, eene schets 
te leveren van Java's oudere geschiedenis, vóór de komst der 
Nederlanders. Door gemis aan kennis der Javaansche taal, was 
ik, bij de zamenstelling dier schets, verpligt mij op de ge- 
gevens van anderen te verlaten; toch stelde ik toen reeds weinig 
vertrouwen in vele geschiedverhalen, omdat ik daarbij telkens 
opgaven ontmoette, welke blijkbaar den toets eener gezonde 
kritiek niet konden doorstaan. Sedert is bij mij de overtuiging 
meer en meer gerijpt, dat Java^s oude geschiedenis nog te 
weinig bekend, nog te veel opgevuld is, met tegenstrijdige 
berigten, om er reeds nu een behoorlijk geheel van te kunnen 
zamenstellen. Ik begin dan ook een iger mate berouw te gevoelen, 
dat ik mij tot het leveren van zoodimige schets heb laten ver- 
leiden, al heb ik mij daarbij ook in den regel, van stellige 
uitspraken onthouden. Er moet nog veel meer .licht over 
Java's oildere geschiedenis opgaan, veel meer bronnen moeten 
nog aan den dag worden gehragt. « 

Onlangs leverde de heer J. Hageman Jcz., daartoe eene zeer 
belangrijke bijdrage, in zijne geschiedenis der Soenda-landen 
uit oude Soendasche landhistorien geput. Het is alleen te be- 
treuren, dat de heer H. de oorkonden zelven, met de vertaling 
daarnevens, en opgave van herkomst en tijd, waarin zij ver- 
moedelijk zijn vervaardigd, niet mededeelt. De Soendasche be- 
rigten schijnen op vele gewigtige punten in tegenspraak te 
zijn met de berigten van Javaansch-Mahomedaanschen oorsprong, 
welke vroeger door den heer Hageman zijn gebruikt. Doch 



IX 



ook de Soendasche berigten, voorzooverre zij betrekking hebben 
op feiten, voorgevallen tijdens de Nederlanders op Java waren, 
worden weder door de stukken van het oud-koloniaal Archief 
niet altijd en in allen deele bevestigd. 

Het hoofddoel van ons werk is, de geschiedenis der Nederlan- 
ders op Java^ uit de archieven toe te lichten; toch zal men 
somtijds ook belangrijke mededeelingen over de geschiedenis, de 
inrigting van het bestuur, den toestand van het land en het 
volk van Java, vóór of tijdens de komst der Nederlanders, 
daarin aantreffen. Die geschiedenis^ dat bestuur en dien toe- 
stand te leeren kennen, schijnt nog niet geheel overbodig. 
Nog zeer kort geleden ^ werd ons in eene geschiedenis van het 
cultuurstelsel, een tafereel van den Javaanschen Staat, vóór de 
opkomst van het Nederlandsch gezag, opgehangen, waarin de 
Javaan werd voorgesteld, alsof hij onder zijne eigene vorsten 
leefde in een gelukstaat door Rousseau gedroomd of door Ar- 
kadische herders genoten; ja zelfs, de inrigting van het oude 
Javaansche staatsbestuur werd er eene geadelde demokratie 
genoemd. 

Indien men daarentegen in de oorspronkelijke stukken, ver 
. haald vindt, hoe ter bevrediging van de heerscbzucht van ééa 
man, oorlogen werden gevoerd, die hongersnood, ziekte en 
dood over de bevolking verspreidden; hoe de geheele mannelijke 
bevolking, jaarlijks als slaven naar het leger en ten strijde werd 
gesleept of opgejaagd; hoe een désa-hoofd, om een gering ver- 
zuim van transportdienst, zonder vorm van proces, door een 
regent bijna dood geslagen werd; hoe in 1628, zooals men in 
een volgend deel vernemen zal, de Panembahan van Mataram, 
744 zijner onderdanen liet krissen, omdat zij de overwinning 
in den strijd niet hadden bevochten; terwijl duizenden op een 



INHOUD. 



Eerste Hoovdstük Bli. I 

Tweede Hoopdstuk » LVH 

Oebde Hooidstvk g XCIV 

ViebdÈ Hoofdstuk • » CXIV 

ONUITGEGEVEN STUKKEN. 

I. De KommandenT Hendrik Broawer aan de Bewindhebbers der 

Ver. O.-I. Comp. te Amsterdam, 27 Junlj 1612 . . . . # 1 
II. Be opperkoopman Peeter Seegers aan de Bewindhebbers te 

Amsterdam, 5 Dec. 1612 » 5 

ni. De gg. F. Both aan de Bewindh. (HH. XYII), 1 JamiarQ 1614. ' 7 
lY. J. Fz. Coen, boekh.-gen. , direct.-generl. , aan de Bewindh. 

(HH. XVII), 1 Januarj 1614 • 12 

V. De gg. F. Both aan de Bewindh. (HH. XVII), 1 November 1614. « 16 

VI. Dezelfde aan dezelfden, 10 Nov. 1614 . . « 17 

VIL De direct.-gen. J. Fz.'Coen aan de Bewindh. (HH. XVII), 

10 Nov. 1614 -r 20 

VIII. De direct.-gen. J. Fz. Coen aan de Bewindh. (Kamer Delft), 

27 Dec. 1614 * 24 

IX. Dezelfde aan de Bewindh. (HH. XVII), 3 Maart 1615 .. « 27 
X. De opperkoopman A. Sonr\j aan de Bewindh. (Kamer Am- 
sterdam) , 22 Oct. 1615 » 28 

XI. De dii^ect.-gen. J. Fz. Coen aan de Bewind. (XVII), 22 Oct. 1615. # 32 

XII. Dezelfde aan dezelfden , (HH. XVII) , 25 Dec. 1615 ...» 36 

XIII. Dezelfde aan dezelfden, 5 JannarQ 1616 » 37 

XIV. Dezelfde aan dezelfden , 31 Maart 1616 » 39 

XV. Dezelfde aan dezelfden, 10 Oct. 1616 .» 41 

XVI. Instructie voor G. F. Druyff, gaande als afgezant naar den 

Fanembahan van Mataram, 9 Nor. 1616 » 54 

XVII. Bemonstrantie van Balth. van Eyndhoven van de ghelpgentheyt 
van den Mattaramschen Keyser van Java , ende van de n^tie 
dié tot Japara sonde cAnnen gedaen worden, A^ 1615 . . • 57 



XVIII. De direct.-gen. J. Pz. Coen aan de Bewiadh. (HH. XVII), 

22 Aug. 1617 Blz. 62 

XIX. Dezelfde aan dezelfden, 10 Sept. 1617 « 65 

XX. Dezelfde aan dezelfden , 18 Dec. 1617 » 67 

XIX. Dezelfde aan dezelfden , 10 Januarij 1618 » 72 

« 

XXII. Dezelfde aan dezelfden , 11 Maart 1618 • 74 

XXIII. Dezelfde aan de Bewindh. ter Kamer Amsterdam, 24 Junij 1618. » 81 

XXIV. Pieter de Carpentier, raad van Indie, aan de Bewindh. ter 

Kamer Amsterdam, 24 Janij 1618 \ » 86 

XXV. Verbaal, gehouden door Comelis van Masegck, 'als afgezant 
van den f^^. Laurens Reael, namens de Ver. O.-Ind. Comp. 
aan den Panembahan van Mataram, 22 Jnnij>-22 JnHj 1618. » 88 

XXVI. Balihazar van Eijndhoven, Gom. van Maseljck c. s. , aan den 

direct.-gen. Coen, 16 Aug. 1618 • 96 

XXVII. De benoemde gg. J. Pz. Coen en de raden van Indie P. de 
Carpentier, Ar. Maertensz. , Willem Jansz. en Pieter Dirckz. 
aan de Bewindhebbers. (HH. XVII) , 29 Sept. 1618 . . . -r 97 

XXVIII. De ben. gg. J. Pz. Coen en de raden van Indie , P. de Car- 
pentier, Fr. van der Meer en Pieter Dirckz. aan de Bewind- 
hebbers. (HH. XVII), 12 Nov. 1618 ..,.....• 108 
XXIX. De ben. gg. J. Pz. Coen en de raden van Indie, P. de Car- 
pentier en P. Dircksz. aan de Bewindh. (HH. XVII), 14 

Januarfl 1619 . , 112 

XXX. De ben. gg. J. Pz. Coen aan Pieter van den Broeck, 3 Ja- 

nnarij, 1619 # 136 

XXXI. Jonmael van die bélegeringe van 't fordt Jacatra, 1619 . . u 138 

XXXII. Eenige brieven van Pieter van den Broeck, door hem, terwijl 
hij gevangen was bij de Javanen, aan de overheden van het 

fort Jakatra geschreven , JannarQ 1619 • 156 

XXXIII. De gg. J. Pz. Coen aan de Bewindhebbers. (HH. XVII) , 

6 Ang. 1619 • 161 

XXXIV. Dezelfde aan dezelfden , 7 en 15 Oct. 1619 • 185 

XXXV. 6g. J. Pz. Coen en Rade van Indie aan de Bewindhebbers. 

(HH. XVII) , 22 Januarfi 1620 " 191 

XXXVI. Gg. J. Pz. Coen en Rade van Indie aan de Bewindhebbers. 

(HH. XVII) , 11 Mei 1620 • • r 202 

XXXVII. Gg. J. Pz. Coen en Rade van Indie aan de Bewindh. (HH. 

Xyil) , 31 Julij , 1620 « 207 

XXXVIII. Gg. J. Pz. Coen en Rade van India aan de Bewindh. (HH. 

XVII), 26 Oct. 1620 " 213 

XXXIX. De Eerste Statuten van Batavia ' 221 



XV 

XL. Gg. J. Pz. Coen en Rade van Indie aan de Bewindhebbers. 

XVII), 8 Jannary 1621 Blz. ^49 

XLI. 6g. J. Pz. Coen en Rade van Indie aan de Bewindh. (HH. 

XVII), 16 Nov. 1621 • 253 

XLII. 6g. J. Pz. Co&a. en Rade van Indie aan de Bewindh. (HH. 

XVII), 26 Maart 1622 -r 260 

XLIII. Gg. J. Pz. Coen en Rade van Indie aan de Bewindh. (HH. 

XVII), 6 Sept. 1622 -r 262 

XLIV. De afgetreden gg. J. Pz. Coen aan de Bewindh. (ter Kamer 

Amsterdam), St. Hdena, 20 Julij 1623 « 269 

XLV. Verbaal, gehouden door dr. de Haen, als afgezant van den 
gg. J. Pz. Coen, namens de Ver. O. Ind. Comp. aan den 
Panembahan van Mataram , Junfj — Sept. 1622 ,....» 284 



I • 



ERRATA. 

Bladz. XXV regel 2 noot, rtaai: annals, leet: annuals. 

» XXY éf S f m honor. , » honour. 

» XXIX # 1 « ' annab, » annoAls. 

» XLIV » 4 bovBD, * uitgevaardigd die, lees: uitgevaardigd, die. 

// 3 (onmtgeg. stukken) regel 2, noot, ttaati Fassareoan, fe«f : Passaroean. 

« 96 » „ » 9, f^otf^: opperkoopman, 2ftf«: onderkoopman. 

" 112 « * '/ 7, » 13 Januarij , » 14 Januar^. 

137 « » «^ 3, » 19 January , » 14 Januarij. 

" 192 • » « 1 > '^ Dese , » Deze. 

f 207 * # • 10, # in, » is. 

«^ 222 * «r 10, # resolnitie, <r resolutie. 

" 284 » » «11, noot. Haai: Apostel van den Islam, 

leet: voorwerp van vereering. 

«^ 311 " m « 1, noot, Haai: Pas^nta, Ues: Pasanta- 



^ 



EERSTE HOOFDSTUK. 



Acht jaren waren er sedert de oprigting der Algemeene Ver- 
eenigde Oost-Indische Compagnie verstreken en de Nederlanders 
hadden zich in dat tijdsverloop niet meer bepaald tot het drijven 
van een vreedzamen handel in Indie, zij hadden er sedert ook 
aan Spanjaarden, Portugezen en hunne aanhangers « alle oHentie ^' 
aangedaan 9 zij hadden er sterkten opgeworpen , landvoogden , 
krijgso versten en volk van oorlog geplaatst, zij hadden zich 
gevestigd op de oostkust van Vóór-Indie en op vele verspreide 
punten van den Archipel, naar China en 3a\yan hadden zij 
schepen uitgezonden, tegen Malakka gestreden, buit behaald, 
den vijand in de Molukken en zelfs in deu Philippynschen 
Archipel bestookt , op Ternate en Amboina voorloopig den zetel 
van hun bestuur nedergeslagen , ijverig gezocht naar eene ge- 
schikte verzamelplaats voor hunnen handel en hunne schepen, 
Banda t^delijk bedwongen, vele verbonden en contracten, vooral 
in den laatsten tijd, met Indische Vorsten en volken gesloten. 
Eindelijk was, na lange en netelige onderhandelingen, in 1609 
het twaalfjarig bestand tusschen de Vrije Vereenigde Nederlanden 
en den Koning van Spanje geteekend. Wel waren bij dat trak- 
taat de havens des Konings van Spanje buiten Europa, voor 
Nederland niet ontsloten ; maar de vrije vaart op de kusten 
en havens van alle andere landen buiten Europa, had de Re- 
publiek als een onbetwistbaar regt voor zich geëischt en ver- 
IV. I 



i 



11 

kregen; terwijl ook in Indie de wapenstilstand één jaar na het 
teekenen van het traktaat, moest aanvangen. 

Indien dus de Koning van Spanje het bestand getrouw wilde 
naleven , dan bleef er geen voorwendsel meer overig om de 
Indische vaart aan de Nederlandsche Compagnie te betwisten; 
maar de voorwaarden van het traktaat waren onzeker en in 
dubbelzinnige woorden gesteld, de weerzin des Ronings van 
Spanje tegen eene toelating der Nederlanders in fndie was te 
algemeen bekend, om nu reeds voor de toekomst op eene sta- 
king der vijandelijkheden, ook buiten Europa, vast te kunnen 
rekenen. 

Daarenboven had de ongunstige wending der gebeurtenissen 
en het wanbestuur van telkens elkander 'afwisselende bevelheb- 
bers , reeds sedert eenigen tijd de behoefte doen gevoelen aan 
meer kracht en éénheid in het bestuur in Indie. Het algemeen 
bewind der OosNindische Compagnie, gevoerd door de Kamer 
der Zeventien, had om die redenen, in overleg met de Staten- 
Generaal, een algemeenen raad van indie en daarboven de 
hooge waardigheid van Gouverneur -Generaal in het leven ge- 
roepen. Deze gewigtige betrekking werd voor de eerste maal 
opgedragen, aan Pieter Both van Amersfoort, die op den 30®^ 
Januarij 1610 het vaderland verliet met eene vloot van acht schepen, 
aan boord waarvan niet alleen zeelieden; maar ook bezettings- 
troepen, predikanten, handwerkslieden, huisgezinnen, vrouwen 
en kinderen, tot het stichten van volkplantingen, zich bevonden. 

Na een rampspoedigen overtogt van meer dan tien maanden 
trad Pieter Both op den 19®** December 1610 te Bantam, op 
het eiland Java aan land ^. Het was het eerste werk van den 
opperland voogd om, overeenkomstig de voorschriften zijner 
instructie, den Raad van Indie zamen te stellen en dien zitting 
te doen nemen. 

De eerste Baad van Indie bestond uit vijf leden, den Gou- 



Vergel. Opkomst van het NederL gezag in Oost-Indie. Deel ITI, bladz. 135. 



III 

vernecir Generaal Pieter Both, den directeur van het Bantam- 
sche kantoor, Jacques L^Hermite, die echter spoedig naar 
Nederland terugkeerde, de opper-kooplieden Steven Doenssen , 
Mateo Coteels en Abraham Theunemans. 

Uit deze leden werden Coteels tot boekhouder-generaal en 
president van het kantoor te Bantam en Abrah. Theunemans 
tot fiskaal-generaal verkozen K 

Onder zeer ongunstige omstandigheden moest Pieter Both 
zijne moeijelijke taak aanvaarden. 

Reeds dadelijk bij zijne aankomst in Indie vernam hij, dat 
de Spanjaarden en Portugezen zich ten eenemale ongezind be- 
toonden om het twaalfjarig bestand te erkennen. Integendeel, 
aangevoerd door een ondernemenden landvoogd, don Juan da 
Silva en bekend geworden met den achteruitgang van de zaken 
der Nederlanders, die door twist en tweedragt, door tegenspoeden 
van allerlei aard, vooral in den Archipel der Molukken zeer 
verzwakt waren, verlangden zij in die oogenbiikken niets vuriger 
dan den kriyg in Indie voort te zetten. 

De Gouverneur der Molukken, Paulus van Caerden, was 
andermaal in handen des vijands gevallen , de aanslagen der 
Nederlandsche scheepsbevelhebbers tegen Malakka en hunne 
pogingen, om in de nabijheid van dien belangrijken hoofdzetel 
der Portugezen, een vast punt voor de Nederl. Compagnie te 
verkrijgen, waren verijdeld. Bovendien vond Both den handel 
te Bantam door tolverhoogingen en allerlei kwellingen belem- 
merd, door achteloosheid verwaarloosd en bijna alle kantoren 
der Compagnie besmet met ontrouw of onzedelijkheid van 
oneerlijke of loszinnige dienaren, die den naam der Nederlan- 
ders in minachting hadden gebragt. Hij had alzoo niet alleen 
den buiténlandschen vijand, hij had vooral misbruiken en oneer- 
lijkheden van landgenooten te bestrijden. In de eerste plaats 
scheen de tegenwoordigheid van den algemeenen opperlandvoogd 



Resol. GG. en Raden, 20 en 28 December 1610, 12 Januari) 1611. 



IV 



noodzakelijk in den Archipel der specerijen. Pieter Both ver- 
trok dan ook reeds op den 19*^ Januarij 1611 derwaarts; doch 
vooraf bezocht hij op zijne reis naar die gewesten den regent 
van Jakatra, «alsoo noodig was, dat de Gouverneur-Generaal 
« zelf zoude spreken met den Koning , om van hem te verwerven 
«hetgeen ons noodig dacht ^^ ^. Both verlangde persoonlijk een 
onderhoud te hebben met den regent, «om te zien of men 
«boven het contract door L'Hermite, op den ^^/j. November 
«1610 met den Vorst van Jakatra gesloten, zou kunnen ver- 
ft krijgen vrijheid, tot het maken van een bekwaam fort tot 
«onzer verzekering, omdat zonder zoodanige sterkte vele zwa- 
«righeden in deze zake gelegen waren'' *. 

Het gelukte aan Both niet, die vergunning van den regent 
te verkrijgen, in tegendeel deze drong er sterk op aan, dat het 
contract door hem met THermite gesloten, in dien zin mogt 
worden gewijzigd, dat de verleende vrijdom van tol voor levens- 
middelen, zou worden ingetrokken. 

De Gouverneur-Generaal was genoodzaakt, ten einde den re- 
gent in eene goede stemming te houden, dit verzoek toe te 
staan en de inhoud van het nog onlangs gesloten contract werd 
gewijzigd en vastgesteld, zooals dit reeds door ons is medege- 
deeld. ^ Maar door deze inschikkelijkheid verwierf Both de 
vrijheid, om eene meer gunstig gelegen plaats, dan. door den 
regent was aangewezen, voor de stichting eener Nederlandsche 
faktorij te Jakatra te kiezen. 

Hij gelastte dat men er een klein huis zou bouwen, stelde 
er voorloopig slechts een posthouder, in de hoop van later, 
na zijne terugkomst uit de Molukken, de vergunning te zullen 
verwerven tot het aanleggen van eene versterkte plaats. Kort 



> Besol. GG. en Baden, 28 Dee. 1610. 

* Resol. GG. en R. , 1 Janaarij 1611. Vergel. Opkomst. Deel III , blz. 352. 

' Opkomst van het Nederl. gezag in Oost-Indie, Deel III, blz. 352, Resol GG. 
en R., 28 Januarij 1611. 



daarop vertrok Both naar Atnboina, alwaar hq den 11^ Fe- 
bruarij 1611 aankwam. Op dit eiland plaatste hg het grootste 
getal der gehuwde lieden, welke hij tot het stichten eener 
volkplanting, uit Europa had medegebragt. Aan die huisgezin- 
nen gaf hij vrijheid om handel op de omliggende eilanden 
te drijven in eetwaren en katoenen kleederen. Deze was de 
eerste poging, welke door de Nederlandsche Oost-Ind. Compag- 
nie is aangewend, om volkplantingen in Indie te stichten. ^ 

Van Amboina begaf Pieter Both zich naar Banda, alwaar hij 
op Lonthor tegen Selamme vijandelijkheden pleegde, om den 
moord, op den admiraal Pieter Willemsz. Verhoef f gepleegd, 
te wreken. Hij bleef verder geruimen tijd in onderhandeling 
met de Bandanezen; inmiddels deed hij op Neira het fort Nas- 
sau herstellen en Belgica opbouwen, tot dat hij eindelijk op 
den 20 Augustus 1611 er in slaagde, om eene nieuwe overeen- 
komst met de Bandanezen te sluiten , waarvan de hoofdvoorwaarde 
was, dat zij gedurende vijfjaren, tegen vastgestelde prijzen, hunne 
producten uitsluitend aan de Nederlandsche Ver. Oost-Ind. Comp. 
zouden leveren. Niettegenstaande deze overeenkomst, ging de 
bevolking van de Banda-eilanden , vooral die van de eilanden 
Ay en Run, voort, met het heimelijk verkoopen van specerijen 
aan Engelschen en Javanen. ^ 

Nu weixl door den Opperlandvoogd ook aan Ternate,een be- 
zoek gebragt, alwaar zijn eerste werk was, de naleving van 
het t'waalQarig bestand van den Spaanschen Gouverneur op 
Gamma-Lama te vorderen. Deze bevelhebber weigerde evenwel 
het bestand als geldig te erkennen, onder voorwendsel dat hij 
van den Koning, zijnen meester, er geen kennis van gekregen 
had. 2iOO bleef dan ook in deze gewesten de oorlog tusschen 
de Spanjaarden en de Nederlanders voortduren. 



• Resol. 66., 11 Febr. en 11 Aflaart 1611. 

- Vergel. over Banda, o. a. Opkomst van het Nederl. gezag in Oost-Indie. Dl 
UI, bladz. 315 en 322. 



VI 

Achtervolgens bezocht du Both de eilanden Batsjian en Mats- 
jian en hield hij zich gedurende het jaar 1612 hoofdzakelijk 
bezig, met het aanleggen of herstellen van forten en met het 
verbeteren of te keer gaan van bestaande misbruiken. 

In den aanvang van het volgende jaar 1613 ontving hij ver- 
sterking in schepen, volk en krijgs voorraad, door de aankomst 
uit Nederland, van den kommandeur A.dr. Martensz. Block. 
Hierdoor werd de Gouverneur-Generaal in staat gesteld om een 
aanslag op het eiland Tidore te wagen, het fort Marieko stor- 
menderhand in te nemen, te verbranden en er eene nieuwe 
Nederlandsche versterking te stichten. Nu werd nogmaals Banda 
door hem bezocht, alwaar op nieuw, onlusten waren uitgebro- 
ken, van daar ging hij over Amboina terug naar de Mol ukken, 
om de kansen van den oorlog tegen den vijand nog eenmaal te 
wagen. Een tweede aanslag werd op Tidore gedaan en het oude 
kasteel der Spanjaarden door de Nederlandsche matrozen en sol- 
daten, ondersteund door Japansche krijgslieden, ^ kloekmoedig 
veroverd, waarna Saboego en Sokkanore zich mede onderwierpen. 
De behaalde voordeelen werden echter niet voortgezet, omdat 
er verwarring onder het Nederlandsche zeevolk bij den aanval 
op de stad Tidore ontstond. ^ 

De tijdingen, welke de kommandeur Block uit Bantam had 



' Deze Japansche soldaten werden in dit gevecht voor de eerstemaal door de Neder- 
landers in het vuur gebragt. Z^j betoonden zich dappere loqjgslieden te z^n ; maar waren 
moe^jel^k onder krijgstucht te houden. Zij waren ten getale van 70, door Hendrik 
Brouwer in 1612, in dienst der O.-Ind. Comp., uit Japan aangebragt. 

* Bij Valentyn en in de overige gedrukte berigten, vindt men de verrigtingen van 
Pieter Both in den oostel\jken Archipel, zeer onvolledig vermeld. Geen berigt wordt 
er gevonden van den op Banda, voor vijfjaren, gesloten wapenstüstand , noch van de 
verovering van Marieko en Tidore. Daarentegen doet Valentyn opgave van een con- 
tract met Matsjian en met Temate gesloten, welke overeenkomsten ik op het Rijks- 
archief niet aantrof. De oorspronkelijke bronnen voor de kennis der verrigtingen van 
Pieter Both zijn hoofdzakelijk: Resol. G6. en Raden van Indie van 28, 30 Maart, 
11 April, 25 Mei, 5, 22 Junij 1611. Brief van Steven Doenssen, dd. Banda 16 
Maart 1612 ; Memorie ofte annotatie van de princip. poincten , die bij den GG. en bij 
alle andere Commiesen in dienste der O.-I. C. in haar brieven worden aangeroert, (in 
Deel VI. der eerste reizen, mnscrpt R. A) van 31 Maart 1612—20 Jum 1612 en 
missive GG. Both. 1 Januar\| 1613. 



VII 



medegebragt , hadden intusschen den Gouverneur-Generaal over- 
tuigd, dat zijne tegenwoordigheid aldaar noodzakelijk wat», want 
te Bantam gelijk elders vereischte het gedrag der dienaren van 
de Compagnie een naauwlettend onderzoek en toezigt. Met het doel 
om zoodanig onderzoek over alle kantoren der Compagnie uit 
te strekken, werd Hans de Haze tot visitateur-generaal aange- 
steld, terwijl Both zelf op den 3^^ Augustus 1613 naar de kus- 
ten van Java vertrok. Vooraf benoemde hij D^ Laurens Reael 
tot vice-gouverneur en belastte hij dezen met het bestuur over 
de Molukken, Amboina en Banda. Op den 14^^ September 
kwam Both ter reede van (Trissee, op de oostkust van Java, al- 
waar de Compagnie reeds sedert 1602 een huis of laktorij be- 
zat, waarover toen door den opperkoopman Andiïes Soury het 
beheer gevoerd werd. In het vorige jaar 1612 was de komman- 
deur Hendrik Brouwer met het schip de Roode Leeuw met 
pijlen, voor deze plaats geweest en had er het land vol Por- 
tugezen gevonden, om er foelie en muskaatnooten te koopen 
van de Javanen , die deze specerijen , niettegenstaande de 
contracten der Bandanezen inet de Compagnie, heimelijk uit 
Banda aanvoerden. Het monopoliestelsel, dat de Nederl. Oost- 
Ind. Comp. door middel van uitsluitende leveringscontracten, in 
navolging der Portugezen, in Indie toepaste en zocht te hand- 
haven , kwam toen reeds in botsing met den , sedert vele jaren 
bestaanden, handel tusschen Java en de specerij-eilanden. Hen- 
drik Brouwer als vertegenwoordiger van dat stelsel der Comp. gaf 
aan den Koning van Soerabaija zijn ongenoegen te kennen , over 
den verboden handel in specerijen, tusschen Banda en Java en 
geraakte dien ten gevolge in eene vrij gespannen verhouding 
wet dezen Javaanschen vorst. Welligt, om later mededinging tegen- 
over Soerabaija en Grissée in het leven te roepen, bezocht Brou- 
wer toen ook de stad Japara, welke onder het gebied van den 
Panenibahan van Mataram gelegen was. Hij vond te Japara groote 
begeerte naar eene Nederlandsche faktorij; doch hoewel hij de 
belangrijke voordeelen , welke voor de Compagnie uit den rijsthandel 



vin 



te Japara waren te behalen had ingezien, ontbrak hem toen de 
tijd om zich langer aldaar op te houden en moest hij zijnen 
togt verder vervolgen. * 

Toen nu in 1613 de Gouverneur Generaal Both voor Grissée 
aankwam, vond hij het Nederlandsche kantoor aldaar en de 
stad zelve verwoest door het leger van den Panembahan van 
Mataram , die ook het nabij gelegen Joortan had vernield. Sedert 
was de Panembahan, weder landwaarts teruggeweken , omdat 
in zijn leger eene algemeene sterfte was uitgebroken , welke kort 
daarna ook den magtigen Javaanschen vorst niet spaarde en waar- 
door de kroon van Mataram verviel aan een kind van zeven 
of acht jaren. * Terwijl Both voor Grissée lag, kwam er van 
verschillende kanten berigt, dat de Panembahan van Mataram 
gaarne in betrekking met de Nederlanders zou treden. De re- 
genten der stranddistrikten trachtten als om strijd den Gouver- 
neur-Generaal in hun land te lokken en boden hem woning en 
verblijf in hunne gewesten aan. Both gaf de voorkeur aan Ja- 
para, eene plaats, welke sedert jaren reeds de zetel was van 
een levendigen handel en waar overvloed van rijst, voor weinig 
geld, te verkrijgen was. Het eerste Nederlandsche kantoor in 
deze stad, werd door Both onder de leiding van den opper- 



' Zie liier achter den brief van den kommandenr H. Brouwer aan de Bewindlieb- 
bers dd. 27 Jm^j 1612; n». I der gedr. stukken. 

> De Panembahan van Mataram had, sedert 1610 reeds, z\jne aanslagen tegen Gris- 

sée en Joortan voorbereid. De Vorst, die hier als in 1613 overleden vermdd wordt, 

was , volgens den heer Hageman , genaamd Mfts-Djolang , zoon van den bekenden 

Senupati. Volgens dienzelfden schrijver zou de opvolger van M&s-Djolang, geweest 

zijn Martopoero , onder regentschap van zijn broeder Baden-Mfts Rangsang. Deze 

laatste zon zQn mindeijarigen broeder nit de regering hebben gedrongen en zelf het 

bewind hebben gevoerd onder den naam van Agoeng. Dit berigt komt vrg wel overeen , 

met de mededeelingen , welke .men in de hierachter gedmkte brieven aantreft (n'. III 

en IV). Het kind, waarvan in die brieven gesproken wordt, zou dan Martopoero 

zijn geweest ; doch het moet reeds in 1614 of 1615 van den troon z\jn gestoot en ; 

want in die jaren troffen de Nederlanders , als Panembahan , een vorst aan van 

ongeveer 23 jaren ond. Vergel. ook het tijdschrift van Nederl. Ind. 1849 blz. 212 

De schrijver in dat tydschrift, schoot echter onbekend te zign geweest met de gebenr- 

tenissen op Java, onder de regering van Mfts-Djolang. Valenten en RafiSes zijn, 

voor dit gedeelte van Java's geschiedenis, weder in het gebed niet op de hoogte. 



IX 

koopman Lambert Dirckz. Haga gesteld, wiens werkkring hooM- 
zakelijk zijn zou, rijsl te verzamelen voor de bevolking en de 
garnizoenen der specerij-eilanden. Both zette nu op den 3^^ 
October 1613 de reis naar Bantam voort. 

De belangen der Oost*Indische Compagnie in deze hoofdplaats 
van westelijk Java, waren inmiddels zeer t)enadeeld, zoowel 
door misbruiken, als door nalatigheid, eerst van L^Hermite en 
na het vertrek van dezen , van zijn opvolger Mateo Coteels. 

De rijksbestierder, die zich, met ter zijdestelling van den Ko- 
ning, bijna geheel van het bestuur had meester gemaakt, belem- 
merde meer nog dan vroeger, door willekeurige daden, den 
handel der Nederlanders. 

De loge der Gomp. te Bantam was, waarschijnlijk op last 
van den rijksbestierder, verbrand, eenige Hollanders waren ver- 
moord, bet lijk van Coteels, die inmiddels gestorven was, was 
door de Javanen opgegraven, verminkt en onteerd, de weder- 
opbouw eener loge werd vertraagd, omdat de vergunning daar- 
toe niet, dan onder bezwarende voorwaarden , verkregen kon 
worden. De grootste schade had de Comp. echter geleden, 
door eigen dienaren. 

Voor alles , moest er dus te Bantam orde in de zaken worden 
gehragt; want déér was de plaats, waar de retourladingen voor 
het vaderland werden bijéén gehragt en afgezonden, waar de 
algemeene boeken werden gehouden, van waar de specerij- 
eilanden van geld , koopwaren , wapenen en voedingsmiddelen 
werden voorzien. Al die groote belangen waren verwaarloosd, 
of oneerlijk behandeld. Pieter Both bewees dan ook aan de 
Compagnie eenen zeer gewigtigen dienst, toen hij tot hooid van 
het Bantamsche kantoor een man verkoos, die binnen weinige 
jaren al hetgeen verloren was weder terug zou winnen, rijke 
ladingen naar Nederland zou zenden, de Mol ukken geregeld 
van het noodige voorzien , de verwarde boekhouding herstellen 
en met de meeste naauwkeurigheid zou bijhouden. 

Die man was. Jan Pietersz. Coen van Hoorn, dien de Gou- 



X 



vemeur-Generaal aanstelde tot boekhouder-generaal en directeur 
van de kantoren Bantam en Jakatra , en van wien bij bij her- 
haling getuigde, «dat hij was een eerlijk en godvreezend jong- 
«man^ zeer modest van leven, zedig en van goeder aert, geen 
«dronckaert, niet hoovaerdig, zeer bekwaaip in den Raad, in 
<■ het stuk van de koopmanschap en het boekhouden zich wel 
ff verstaende.'^ De deugden welke Both aan Goen toeschreef 
waren in die dagen, in Indie meer dan ergens elders op prijs 
te stellen; want dronkenschap, onzedelijkheid, oneerlijkheid, 
onbekwaamheid en begeerte naar een weelderig leven, waren 
kwalen en gebreken , waarmede een groot aantal der Europeanen , 
die destijds naar Indie kwamen, waren besmet. 

Niet minder dan te Bantam was de tegenwoordigheid van den 
Gouverneur-Generaal te Jakatra noodig, want ook déér, was 
gedurende zijne afwezigheid slecht bestuurd. De fiskaal Theu- 
nemans, een lid van den Raad van Indie, die door Both uit 
de Molukken naar Bantam was gezonden en door Jacques 
L'Hermite tot opperhoofd van de Nederlandsche fektorij te Ja- 
katra was aangesteld, had den regent van Jakatra afkeerig van 
de Nederlanders gemaakt, door hem slecht te - bejegenen , de 
inlanders te slaan , zich hoovaardig en losbandig te gedragen , 
de vrouwen van aanzienlijke Javanen oneerbaar aan te tasten 
en meer andere onbehoorlijke daden te plegen. « Voorwaar ,'' 
schrijft de Gouverneur-Generaal Both dan ook in die dagen 
aan het opperbestuur in Nederland, «voorwaar, mijne heeren, 
ff het is niet alleen schandelijk, maar ook horribel en abomi- 
« nabel, dat van uwe dienaars in deze landen, op verscheiden 
«plaatsen passeert!'' 

De kommandeur Hendrik Brouwer was reeds in het vorige 
jaar 1612 vóór de komst van Both, te Jakatra geweest eu had 
toen eene nog meer geschikte plaats voor de vestiging van een 
Nederlandsch kantoor van den regent verkregen. De nu inge- 
ruimde grond lag nog nader aan de zee, juist bij de monding 
van de rivier Tji-Liwong, met de rivier aan de westzijde en het 



XI 

strand aan de noordzijde. Het opperhoofd Theunemans , had daar , 
tegen het bevel van den Gouverneur-Generaal , een groot huis ge- 
bouwd y maar zóó slecht ingerigt, dat het in 1614 reeds begon te ver- 
zakken. Both vond den regent van Jakatra , in eene veel minder gun- 
stige stemming jegens de Nederlanders dan vroeger. De regent 
begon nu te spreken van inkomende en uitgaande regten te 
willen heffen en verbood den aanbouw van een tweeden gëdong 
of groot pakhuis. Both wendde alles aan, wat in zijn vermogen 
was, om hem weder tot de goede gezindheid van vroeger terug 
te brengen, en hoewel dit schijnbaar ook gelukte, bleef bet 
toch twijfelachtig of de regent wel ooit zijne toestemming tot 
het bouwen van een kasteel in zijn land, verleenen zou. 

De plaats waar het algemeene rendez-vous, het middenpunt 
van het bestuur en den handel der Compagnie in Indie zou 
gevestigd worden, hetzij te Bantam, hetzij te Jakatra of op 
één der omliggende eilanden , dan wel in of bij de straat van 
Malakka, was in die dagen een nog zoo weinig opgelost vraag- 
stuk, zoowel bij het opperbestuur in Nederland als bij de in- 
vloedrijkste ambtenaren in Indie, dat de Gouverneur-Generaal 
Both , dan ook voorloopig niet harder bij den regent van Ja- 
katra op verlof tot den aanbouw van een kasteel aandrong, 
hoewel hij met allerlei beweegredenen hem zocht te bewijzen, 
dat eetie versterkte plaats voor de Nederlanders nuttig en voor 
hem zalven voordeelig zijn zou. Inmiddels verzuimde Both niet , 
gevolg te geven aan de uitnoodiging van den Panembahan van 
Mataram tot het aanknoopen van betrekkingen met de Neder* 
landers. 

Op den 9^ April 1614 zond de Gouverneur-Generaal, den 
kommandeur Gaspar van Zurck naar Japara, om van die plaats 
als gezant van de Staten-Generaal en de Oost-Indische Comp. 
der Vereenigde Nederlanden naar den Panembahan te reizen. 
Na een togt van zes dagen ontmoette van Zurck den magtigen 
gebieder van Java. 

De Panembahan, een krachtig jong man van ongeveer 23 



XII 



jaren, ontying met vele eerbewijzen, dit eerste gezantschap 
der Nederlanders, en voegde niet zonder fierheid deze woorden 
aan van Zurck toe : « Hij wilde gaarne in verbond met den ( 
» Prins van Holland treden; doch hij was een Prins en soldaat, 
«geen koopman, zooals alle andere Koningen en Prinsen 
(cvan Java, hij liet iedereen vrij en ongehinderd in zijn land 
«wonen, zonder dat men tollen behoefde te betalen, de Hol- 
«landers mogten zelfs te Japara voor zich een klein kasteel of 
« stèenen huis bouwen , opdat zij zich zouden kunnen verdedigen 
«tegen hunne vijanden. lek wete wel"" zeide hij eindelijk, «dat 
«gijl. niet komt om het land van Java te veroveren, Grissee 
«en Jortan hebbe ik gewonnen, ik ga nu Soerabaija veroveren , 
«en ik zal, zoo de Generaal het begeert, hem Jortan schenken. 
« Tegen die van Bantam heh ik geen oorlog, maer doen zij 
«ü overlast, doet daarover wrake, 40 goraps of galeyen wil ik 
«ü tot assistentie geven!" * 

De vrije uitvoer van rijst uit Japara en toebereidselen tot 
het opbouwen eener steenen loge aldaar, waren voor de Ne- 
derlanders aanvankelijk de gunstige gevolgen van dit gezantschap. 
Weldra bleek het echter, dat eene vestiging op het grondgebied 
van den Panenibahan, bij de uitvoering niet zoo gemakkelijk 
zou zijn , als men na de schoonkl in kende beloften van den 
magtigen Vorst, had mogen verwachten. 

Slechts weinige maanden later liep de diensttijd van den 
Gouverneur- Generaal Both ten einde. Op den 5®** November 1614 
kwam de nieuwbenoemde opper-landvoogd Gerard Reijnst, te 



' Dit eerste gezantschap in 1614 , was tot hiertoe geheel onbekend ; men zie 
daarover hierachter N». Y en N". XVI der gedrukte stukken. De koopman 
Balthazar van Eijndhoven schjjnt ook deel te hehhen uitgemaakt van dit gezantschap 
en stelde in het volgende jaar 1615 een geschrift op , getiteld : Remonstrantie van 
de ghelegentheyt van den Mataramschen Keyser , enz. , welk stuk gedrukt is onder 
N*^. XVII hierachter. — Ook Graspar van Zurck moet een dagverhaal van z|jn ge- 
zantschap vervaardigd hebhen ; doch dit stuk is op het Kgks- Archief niet meer te 
vinden. Op z^ne terugreis stierf van Zurck aan den rooden loop. 



Xllt 

Bantam aan, die reeds den volgenden dag zijne hooge betrek- 
king aanvaardde. Het berigtschrift, waarmede Gerard Reijnst 
voorzien was, verschilde slechts in weinige artikelen van dat, 
waarmede Pieter Both in Indie was aangekomen. ^ In het 
eerste artikel werd voorgeschreven , den Raad van Indie op 
nieuw zamen te stellen en daarin vooreerst den onder-admiraal 
Steven van der Hagen en den kommandeur Gaspar van Zurck 
zitting te doen nemen. Deze laatste was inmiddels overleden 
en nu werd bij resolutie van 13 November 1614, de Raad van 
Indie zamengesteld uit de navolgende leden : Steven van der 
Hageo, Steven Doenssen, Jasper Jansz en Cornelis D'Edel als 
fiskaal generaal, terwijl Jan Pietersz. Coen benoemd werd tot 
directeur-generaal van alle de kantoren in Indie en tot president 
van de kantoren te Bantam en Jakatra en hem , in die hoedanig- 
heid , zitting in den Raad van Indie werd gegeven. 

De in 1609 ingestelde raad van bestuur over geheel Indie, 
had tot nog toe weinig nut opgeleverd en zou ook nu nog 
onder den tweeden Gouverneur-Generaal Reynst niet die voor- 
deelen aanbrengen, welke men er van verwacht had. De voor- 
naamste redenen van deze minder gelukkige uitkomst, waren; in 
de eerste plaats het klein getal van voor die betrekking geschikte 
personen , dat toen in Indie gevonden werd , en ten tweede , dat 
de Gouverneur-Generaal en zijne Radeu te veel over geheel Indie 
waren verspreid, omdat er nog geen vaste hoofdzetel der Hooge 
Regering gevonden was. Merkwaardig is het oordeel, dat Jan 
Pietersz. Coen over den toestand en de inrigting van het be^ 
stuur in Indie bij den aanvang van het jaar 1614, aan de Be- 
windhebbers in Nederland mededeelde : « Alzoo ,'^ schreef hij , 
«de Gouverneur-Generaal in het nemen van besluiten en in de 
«regering vaq den algemeenen Indischen staat, door gebrek 
«aan personen, geen coUegie van den Indischen Raad geheel 



' l)e inatmctie van 6. ReiJDst ontbreekt in de verzameling Instractien, ordon- 
nantiea, enz., door m'^. P. Myer uitgegeven. Dat stak berust in handschrift op hei 
K^ks-Mchief. 



XIV 



«en voltallig bij zich houden kan, zooals het behoorde en het 
«doel, de bestemming en de orders van de heeren Majores ge- 
« weest is ; zoo is hij genoodzaakt en gedwongen geworden , om 
«daarin te volgen den voet en de maniere, die tot nu toe in 
«trein is geweest , dat is, van alles en in allen gevallen, te 
«delibereren en te disponeren, zooals hij, Gouverneur-Generaal 
«goed en meest raadzaam achtte, met advies en stem van alle 
«zoodanige personen, die dan op dat oogenblik bij hem tegen- 
«woordig waren, betzij dat zij waren gouverneurs, kapiteinen, 
«kooplieden of schippers, welke dan zonder onderscheid in den 
« raad compareerden. Zonder onderscheid , zeg ik , zijn voor 
«dezen, die personen tot brede-raden gesteld en zijn zij nu 
«weder als raden gecompareerd, en dan alle zoodanige, als de 
ft Gouverneur- Generaal bij de hand had. Of daaronder dan 
« geen onbekwamen en incapablen compareerden , is kennelijk. 
« Het gemeene spreekwoord zegt daarvan : daar vele raden zijn , 
«is veel raads; maar geen of weinig uitkomst; la pluraliié des 
«voix, emporte souvent la plus sainel Gedurende den tijd, 
«waarin de Nederlanders van deze Indische vaart hebben ge- 
« bruik gemaakt zijn de raden, met welker stemme de staat 
«geregeerd is, kapiteinen, kooplieden en schippers geweest, die 
«allen van eenen bijzonderen aard of bijzondere vocatie zijnde, 
« dien ten gevolge tegen elkander partij en vijand waren. Die 
« vijandschap en haat is door dagelijksch en lang verkeer veel 
ft grooter dan de vijandschap , die men artisans of menschen van 
«een bijzonder beroep uit de natuur elkander ziet toedragen. 
«Zij schieten ook altijd niet, langs verschillende wegen naar 
« één doel ; maar elk heeft dikwijls volgens zijnen bijzonderen 
«aard, zijne natuur of complexie, een bijzonder wit voor oogen, 
« doch altijd onder pretext van het gemeene beste ; daarnaar zij 

«ook door bijzondere wegen trachtende zijn Wat 

« inconvenienten , de partijschappen van voorgemelde drie per- 
«sonen, de schippers, de kooplieden en kapiteinen, de onwe- 
tttendbeid, de nijd, haat en hunne bijzondere of contrarie af- 



XV 

«fectie onder den gemeenen welstand medebrengen, bevinden 
«wij dagelijks en gevoelt de staat wel. De dependentie en den 
«eisch van deze zake te verhalen zou te lang zijn. Dezeincon- 
ttvenienten zullen, zoo ik meen, verholpen worden , zoodra de 
«leden van het collegie, bestaande uit den persoon van den 
«Gouverneur-Generaal en de Raden van Indié geheel voltallig 
«bij elkander zullen kunnen blijven , en dan worde er in 
«dezen Baad gevonden; kennis van koophandel, navigatie, reg- 
«ten, krijgshandel en voornamelijk kennis van staat, en tegelijk 
« een vroom gemoed. De raadspersonen moeten ook niet comp- 
« tabel zijn en hetgeen door dit collegie is besloten en vastge- 
«steld. hebben de schippers, kapiteins en kooplieden te execu- 
« teren. Wil men van deze laatsten den raad inwinnen , of hun 
«mede voldoening geven, men vorme uit hun midden een con- 
«sultatieven raad; maar men beroepe hen niet om te delibereren 
«of te determineren." ^ 

Sedert de benoeming van een algemeen directeur over alle 
de kantoren in Indie, kwam er meer éénheid en zamenwerking 
in den handel en de invloed van dien hooggeplaatsten dienaar 
der Compagnie, zou zich sterker en spoediger , vooral ook in 
de winsten en baten der Compagnie in het moederland hebben 
doen gevoelen, indien bij over meer middelen de vrije beschik- 
king hadde gehad en zijne raadgevingen beter waren opgevolgd; 
kapitaal vooral ontbrak er in Indie. Tegelijk met of kort na de 
komst van den Gouverneur-Generaal Re\jnst waren er wel een 
elftal schepen uit Nederland in Indie aangekomen; maar geld 
hadden de Bewindhebbers daarin , bijna niet overgezonden. 
Even onbeschroomd als Coen zijn oordeel over het bestuur in 
Indie had medegedeeld, ontwikkelde hij nu zijn gevoelen over 
de handelingen van het opperbestuur in Nederland. «Waartoe 
«strekt het/' schreef hij aan de Bewindhebbers, ^ «dat de 



* J: Pz. Coen aan de Bewindhebbera, (Hoeren XVII), dd. Bantam 1 JanDarij 1614. 

' J. Pz. Coen aan de Bewindhebbers, (Kamer Delft), Bantam 27 Dec. 1614. 
N*>. VIII der bierachter gedmkte stokken. 



Tw^^r-*'-!'-r -*' :>Tn' ^ • ^T^. 



XVI 

«eerste Gouverneur-Generaal ongewapend en de tweede generaal I 
«zonder geld wordt uitgezonden; door ondervinding moesten de 
«Heeren het weten, dat in Indie de handel gedreven en gehand- 
«haafid moet worden onder beschutting en faveur van uwe 
« eigene wapenen , en dat de wapenen gevoerd moeten worden 
«door de voordeelen, die wij genieten door den handel, zoodat 
«de handel niet zonder den oorlog, noch de oorlog zonder den 
«handel kan blijven bestaan. Het zal UEd. gelieven, zich er 
« niet over te belgen , maar wij weten niet waarmede wij de 
«Heeren zullen verontschuldigen, vermits de fouten al te groot 1 
«en te menigvuldig zijn; hier geschieden dan ook we'.nig abui- 
« zen , of men zal bevinden , als men de zaken dieper inziet , 
«dat UEd. daarvan de oorzaak zijn.'' 

Zoodra de Gouverneur-Generaal Reijnst, de teugels van het 
bewind in handen had genomen, zocht hij, tot uitvoering der 
instructie 9 welke hem door de Bewindhebbers was verstrekt, 
de regering van Bantam er toe te brengen om de nieuw 
ingevoerde hoogc tolregten, weder af te schaffen en tevens 
de oude goede verstandhouding tusschen den rijksbestierder en 
de Nederlanders te herstellen. ^ Het mogt hem echter niet 
gelukken zijn doel te bereiken, en bij zijn kort daaropvolgend 
vertrek naar de specerij-eilanden moest hij de uitvoering van 
die taak verder opdragen aan den president der kantoren Bantam 
en Jakatra, Jan Pietersz. Goen. 

Die taak was inmiddels hoe langer, hoe moeijelijker geworden. 

De Pangéran rijksbestierder van Bantam verlangde wel de 
Nederlanders en alle andere Europeanen, in zijne koopstad als 
handelaars toe te laten en te behouden, uit hunnen handel, 



> Artikel 22 z^ner Instroctie sclireef aai) den 6G. Reynst voor: »óe Coninck 
van Bantam of die voor hem gonvemeren maken het te grof met tollen en impo- 
sitien, voornamentlyk moeten op de Moluksche en andere inlands varende schepen 
geen tollen te Bantam worden gedoogd ; dit zou niet alleen schadeiyk , maar ook 
schandelijk voor ons zijn en kwade gevolgen opwekken b\j andere Indische Vorsten ; 
echter moeten wij met die van Bantam, voor ons uiterlijk althans, de beste vrienden 
blijven." 



•• • . • V * 



XVII 

zoowel regtstreeks door tolheffing, als zijdelings door geschenken 
groote voordeelen te trekken; evenzoo zag hij gaarne, dat Ne- 
derlanders en Ëngelschen zich binnen Bantam kwamen vestigen ; 
maar hij wilde niet toestaan, dat door Europeanen sterke stee- 
neo huizen binnen Bantam werden gebouwd, omdat hij, en 
te regt^ ten allen tijde meester over die vreemdelingen, die hij 
mistrouwde, wilde blijven. Hij verloor echter uit het oog dat 
ook de westerlingen uit begeerte naar winst zoo verre hunne 
togten tot binnen zijne stad hadden uitgestrekt, en dat hij in 
bet einde den handel door hooge toltarieven en belemmeringen 
uit zijn rijk verdrijven zou. De Nederlanders van hunnen kant, 
wilden en konden zich op den duur niet aan de heffing van 
buitensporige tolregten onderwerpen, hun belang en de strenge 
bevelen uit Nederland schreven hun voor, grooten uit-, in- en 
doorvoer met lage tarieven^ te verkrijgen. Evenmin konden zij 
zich met woningen vergenoegen, waarin zij zelven, zoowel als 
hunne goederen on'. eilig waren of waarin de koopwaren door 
vocht of ongedierte werden aangetast. Uit dien strijd van be- 
langen ontstond eene voortdurende en steeds klimmende span- 
ning tusschen den Pangéran rijksbestierder aan de ééne , én 
den directeur van den Nederïandschen handel te Bantam, aan 
de andere zijde. De Pangéran eischte hooge regten en groote 
geschenken, begunstigde nu eens, belemmerde dan weder, den 
bandel der Nederlanders, naarmate grillen van Oostersche wille- 
keur, inblazingen van hebzuchtige raadslieden, opwellingen van 
moed of indrukken van vreesachtigheid zijn gemoed beheerschten. 
Maar te midden van dit weefsel van hebzucht en sluwheid van 
den Javaanschen diplomaat, liep toch ook als een gouden draad, 
de edele zucht om den voorvaderlijken grond en de gemeente 
der belijders van den Islam ^ onafhankelijk, vrij en zuiver te 
bewaren, tegenover westersche indringers. 

De wederpartij was de directeur van den handel der Neder- 
landsche Oost-Indische Compagnie, Jan Pietersz. Coen, een 
man^ die, hoewel hij naauwelijks 27 jaren telde, de opbruis- 
IV. n 



xvm 

schingen van ongeduld over telkens terugkeerende belemmerin- 
gen, in zijn gemoed langen tijd wist te bedwingen ^ die , begaafd 
met eene onbuigzame wilskracbt, den hem opgedragen last nooit 
uit het oog verloor^ die van ambtspligt eene gewetenszaak maakte 
en boven dien ambtspligt aan niets den voorrang toekende, die 
niet inspanning van alle krachten van ligchaam en geest, met 
verwaarloozing van eigen voordeel of belang, somtijds zelfe met 
miskenning van meer verbeven pligten, geheel en uitsluitend 
zich toewijdde aan de belangen, welke door zijne meesters hem 
waren toevertrouwd. 

Dat de voortdurende wrijving tusschen twee zoodanige grond- 
stoffen, eindelijk tot ontbranding zou leiden , was onvermijdelijk. 
De staatkunde van Coen tegenover den bekwamen en listigen 
rijksbestierder , bestond aanvankelijk in niets anders, dan in 
het doen overhellen van den evenaar, beurtelings dan eens naar 
Bantam, dan weder naar de zijde van Jakatra. Wanneer hij 
bemerkte, dat noch zachte, noch harde middelen iets op den 
rijksbestierder vermogten, dan wendde Coen zich naar Jakatra, 
breidde daar de bewaarplaatsen van d^n handel uit en vermeer- 
derde er het aantal Nederlanders, om later als de Bantammer 
door naijver en afgunst tegen Jakatra tot grooter toegevendheid 
scheen opgewekt, weder naar Bantam te keeren. In het einde 
evenwel, als de tolregten steeds hooger, de belemmeringen in 
den handel meer ondragelijk werden en de rijksbestierder zich 
van Nederlanders en Engelschen bediende, om beide mededin- 
gende Europesche natiën, met en door elkander te kwellen, 
kwam Coen tot het besluit, dat alleen maatregelen van geweld 
den Pangëran konden bedwingen. Maar nu ontbraken hein 
de hulpmiddelen om zijn besluit te handhaven. De Bantamsche 
rijksbestierder zag aan zijne tegenpartij de kans af, voorkwam 
hem en vond daartoe hulp en steun bij de Engelschen en 
Coen moest op zijne beurt zelf voor het geweld bukken, omdat 
bet opperbestuur in Nederland hem zonder middelen, in Indie 
verlaten liet staan. 



XIX 

Voor Nederland scheen nu het spel verloren; maar terwijl 
de rijksbestierder door al te groote en ingewikkelde sluwheid 
en Javaansche diplomatie in eigen strikken verward geraakte, 
sprong Coen weldra , als een stalen veer , in vorigen stand terug. 
Nu werd het zwaard van Brennus in de schaal geworpen en 
sloeg de evenaar, die jaren lang dobberende gehangen had, over 
naar de zijde van Nederland. De uitkomst was: de vestiging 
van het Nederlandsch gezag op Java. 

Nadat de Gouverneur-Generaal Reijnst, zijne pogingen om 
Bantam tot verlaging van tolregten en beter gezindheid te be- 
wegen had zien mislukken en hij de volvoering van die taak 
verder aan Coen had opgedragen, was hij in den loop van de 
maand December 1614, met een deel zijner vloot naar Banda 
vertrokken, ten einde de eilanden Ay en Run te bezetten. Op 
zijne reis derwaarts bezocht hij de kantoren der Compagnie te 
Jakatra en Japara. 

De nog onaanzienlijke faktory der Nederlanders te Jakatra, 
diende slechts tot het vertimmeren van sommige schepen en het 
tolvrij in- en uitladen van kleederen uit Koromandel. Toch 
was daardoor reeds, de naijver en verbittering van Bantam 
jegens het leenroerige Jakatra, in hooge mate opgewekt. De 
Bewindhebbers hadden wel, in hunne brieven aan het bestuur 
in Indie, voorgeschreven, dat men de vriendschap met Bantam 
moest aankweeken en onderhouden, tevens met voorzigtigheid 
den handel te Jakatra voortzetten en eene plaats zoeken voor 
een vrij, algemeen rendez-vous i; maar zulk eene lastgeving 
was gemakkelijker in Nederland op . het papier te stellen , dan 
in Indie uit te voeren. Coen schreef dan ook met zijne gewone 
ongedwongen vrijmoedigheid daarover aan zijne meesters terug: 
«aan Bantam hooge tollen te weigeren , elders, te Jakatra, vrijen 
handel te zoeken; maar tevens vriendschap met Bantam te on- 
derhouden zijn contrarierende maximen!" 



» Resol. der HH. XVII , Maart 1614 , art. 11. 



XX 

Ook de regent van Jakatra begon, sedert hij den handel in 
zijne stad zag bloeijen en bij den Gouverneur- Generaal Both 
toegevendheid gevonden had, hoogere eischen te stellen en 
nieuwe tolregten van de levensmiddelen te vorderen. De Gou- 
verneur-Generaal Beijnst wist echter met dezen regent, wien 
het vooral om geld te doen was , eene overeenkomst te ti^fifen , 
waarbij hij zijne aanspraken op tolheffing van arak , rijst , boonen 
en visch , liet varen , tegen eene vaste jaarlijksche afkoopsom van 
800 Bealen; terwijl de handel en de uitvoer van alle andere 
koopwaren, even als voorheen vrij bleef , met uitzondering van 
het sandelhout en de S|^cerijen, welke aan een regt van 5Vo 
onderworpen werden. * 

Weinig verandering kvvam er overigens , gedurende dit jaar , 
in de stelling der Nederlanders te Jakatra. De regent alleen 
geraakte meer en meer in eene vijandelijke verstandhouding met 
Bantam^ omdat nu niet alleen de Nederlandei's, maar ook de 
Engelschen zich te Jakatra hadden gevestigd. De Engelschen , die 
overal waar de Nederlanders de baan gebroken hadden, zich 
achter dezen vertoonden, hadden nu ook met den regent eene 
voordeel ige overeenkomst gesloten , waarbij voor hen het toltarief 
.tot 34 7o werd verlaagd, terwijl zij S| 7o ^® Bantam moesten 
betalen. Zij vestigden zich tevens in eene iaktory, nabij Jaka- 
tra, aan de westzijde van de rivier Tji-Liwong, tegenover de 
linkerzijde van de Nederlandsche Ëiktory. ^ 

Na Jakatra te hebben bezocht begaf Beijnst zich naar Japara , 
waar hij de beloften van den Panembahan nog bijna geheel 
onvervuld en den aanbouw eener steenen loge vertraagd vond. ^ 
Hier verliet Beijnst Java^s kusten en zeilde hij over Amboina 



* Men vindt deze overeenkomst in het werk van den Hr. v. der Chijs , » De 
Nederlanders te Jakatra," b^lage III en III*, bladz. 206—208 en ook in het 
copieboek der contracten op het Rfjks-archief , DL I. 

« Calendar of State papers, Colonial series, East-Indies, etc., 1613— 1616 , edited 
by Noeü Sainsbury, esq. London, 1862, preface, page LIX en No. 739. Door dit 
berigt vervalt ook geheel , hetgeen de Heer van der Chljs , 11. «egt op bladz. 22. 

* Vergelijk hier achter no. X, der gedr. stnkken. 



XXI 

naar Banda, ten einde er, volgens den bepaalden last der Be- 
windhebbers , zich meester te maken van poeloAy. 

Op den 14^^ Mei 1615 deed hij op dit eiland eene landing, 
veroverde er twee versterkingen; doch voor eene derde, tegen de 
krijgsmagt, waarover hij beschikken kon, bestand, stiet hij het 
hoofd. Toen keerde hij naar Amboina terug en begaf zich van 
daar naar Ternate, qlwaar hij in den raad van Indie gewigtige 
besluiten nam, over de vestiging van volkplanters en vrijhande- 
laars op Amboina, over het burgerlijk bestuur en de uitoefening 
van het regt, de handhaving van het monopoliestelsel , inzon- 
derheid over de middelen om vreemde Aziaten en Europeanen 
buiten den archipel der specerijen te weren en eindelijk , over de 
gedragslijn, welke er tegenover de Bandanezen, die altijd voort- 
gingen met zich aan de gesloten overeenkomsten te onttrekken^ 
moest gevolgd worden. * 

Hoewel de aanslag van den GG. Reijnst op poelo-Ay was mis- 
lukt, was de togt daarheen toch niet geheel vruchteloos geweest 
omdat daardoor op dat tijdstip ten minste, de ondernemingen, 
de koophandel en de woelingen der Engelschen waren verstoord. 
In dit gedeelte van den Indiscben archipel begon de spanning 
tusschen de mededingende handelscompagnien der Engelschen 
en Nederlanders hoe langer hoe sterker te worden. De Nederl. 
Comp. had met de inlandsche bevolking, van die eilanden, 
welke de in Europa, toen veel meer dan. nu, begeerde spece- 
rijen opleverden , overeenkomsten gesloten , waarbij deze zich 



^ Beftol. 66. en Bade v. Indie, dd. 13, 14 Mei 1615 over den aanslag op poelo- 
Ay; waaruit blijkt dat Valentyn, Bed IV, bladz. 267, onnaaawkeorig is; verder 
resoL 66. en R. 28 Mei, 6 en 10 Jnltj 1615. In deze resolntien treft men allerzon- 
derlingfte staathmshoudkundige begrippen aan, b\jy.: van de vreemde Aziaten, als Ma- 
leijen, Javanen en Makassaren wordt in resol. 10 Jol^ gezegd, dat zg tot den handel 
ia de speoer^ -eilanden vooral worden uitgelokt, door de realen, het geld waarmede de 
Nederl. Comp. hare soldaten, hare koopwaren en alles betaalde. Met geweld de Azia- 
ten nit den archipel te draven, durven GG. en B. niet te onderstaan ; maar zg besloiten 
eenvoodig om niets meer in geld, alles in kleederen, rgst en andere ruilmiddelen te be- 
talen, het geld werd uit de oircnlatie gehouden. Het dadelijk gevolg van dit besluit 
was: een militair oproer, een meer verwijderd gevolg: geheele ondergang van den 
handel in den archipel der specerijen. 



XXII 

verbonden had, om alle specerijen, voor langer of korter 
tijd, tegen vastgestelde prijzen uitsluitend aan de Compagnie te 
zullen leveren. Het sluiten van zoodanige overeenkomsten was bij 
inlandsche vorsten en bij de Portugezen reeds lang in zwang ge- 
weest en is een, in den handel, niet ongewoon gebruik. Doch 
door de toenemende mededinging en daarop gevolgde stijging 
der prijzen van de specerijen, zoowel als der levensmiddelen , werden 
de voorwaarden waaronder de Nederl. Gomp. deze contracten 
gesloten of opgedrongen had, aan de inlandsche bevolking te 
zwaar, en toen deze zich daaraan wilde onttrekken werd dit 
monopoliestelsel door de Nederl. Comp. met zóó groote gestreng- 
heid gehandhaafd , dat het langzamerhand als een uitgebreid net 
over den archipel werd toegehaald, waarin de inlander vreesde 
te zullen verstikken. Telkens op nieuw, trachtte de bevolking 
zich van die banden te ontslaan en telkens op nieuw ook , vond 
zij bij hare pogingen daartoe hulp, steun en aanmoediging bij 
de Engelschen, die, als mededingers van de Nederlanders, zich 
evenzeer van den specerijhandel op de Banda-eilanden in het 
oosten en in Europa, in het westen, meester wilden maken en 
die als middel daartoe, voor dit bijzondere geval, gaarne deleer 
van den vrijen handel predikten en aan de uitsluitende contracten 
tusschen Bandanezen en Nederlanders verbindende kracht ont- 
zeiden. 

Even als de bevolking der specerij -eilanden , bij de aankomst 
der Nederlanders, van dezen redding had verwacht uit de sla- 
vernij, waarin zij door de Portugezen was gebragt, hoopte zij 
nu weder door de Engelschen van de Nederlanders te worden 
verlost. Zie, zeide eens een hoogbejaard Orang-Kiai der Banda- 
^nezen, met de hand naar de forten der Nederlanders wijzende, 
tot den Engelschen kapitein George Gockayne, van wien hij beter 
gedachte had dan van de Hollanders, omdat hij den Engelsch- 
man nog niet kende, zie, dat maakt dat de oude lieden weenen 
en de kinderen wenschen , dat zij niet geboren waren , Allah had 
ons een land gegeven; maar nu heeft Allah de Hollanders 



XXIII 

gezonden, die ons beoorlogen en ons land ons willen ontnemen , 
opdat zij ons een plage Gods zouden zijn! Waar zóó de akker 
bereid was» viel het niet zwaar, het zaad van den opstand te 
zaarjen, en de Engelschen zaaiden den wind; maar beiden, 
Bandanezen en Engelschen, maaiden in het einde den storm. 

Strijd en mededinging, geweldpleging en verzet ontvonkten op 
de specerij-eilanden, waaruit eindelijk een openbare oorlog tus- 
schen Engelschen en Nederlanders op de kusten en stranden van 
Java, zou ontvlammen. 

Wij hebben reeds vroeger vermeld hoe, sedert de eerste lijden 
van de vaart op Indie, kenmerken van vijandige mededinging 
tusschen Engelschen en Nederlanders zich hadden vertoond; ^ 
inaar toen bij charter van Koning Jakobus, in het jaar 1609 
de regten, privilegiën en het kapitaal der Engelsche kooplieden 
zoodanig waren uitgebreid, dat zij, met uitsluiting van alle 
anderen , in Engeland het regt van de vaart en den handel op 
Indie hadden verkregen, traden zij met grooter kracht in Indie 
op en werden zij ook door de Nederlandsche Compagnie, als 
meer gevaarlijke mededingers aangemerkt. Vooral sedert 1614, 
toen de Engelschen eene Êiktorij te Makasser hadden gestichten 
van daar met de Bandanezen en Amboinezen in bet geheim be- 
trekkingen hadden aangeknoopt, intrigues tegen de Nederlanders 
hadden gesponnen, haat en afkeer tegen dezen onder de bevol- 
king van Banda levendig bielden, kreeg de mededinging der 
Engelschen een gevaarlijk en vijandig karakter. In het voorjaar 
van 1614 bezocht zeker Engelsch scheepskapitein , Richaixl 
Weldynge, de Banda*eilanden en sprak met de bevolking over 
hulp en ondersteuning, die hij hun in zekere omstandigheden, 
zou kunnen verleenen. 

Intusschen vernamen de Engelschen, dat de inwoners van Loehoe, 
Combello en Lissidy onder het gebied van Amboina, een grooten 
voorraad kruidnagelen voor hen zouden achterhouden en aan de 



Opkomst van het Nederl. goz. in Indie, Dl. III, bladz. 95 tot 108. 



XXIV 

Nederlanders onttrekken. ^ Op den 2^^° Januari) 1615 werd 
nu door den president en raad der Engelsche loge te Bantam 
besloten eene expeditie naar de specerij-eilanden uit te rusten. 
De groote drijver van deze onderneming was de president John 
Jourdain^ vroeger opperkoopman der Engelschen te Makasser; 
doch nu hun president te Bantam. In den voorzomer van 1615 
werd dit plan ten uitvoer gelegd door de kapiteins en opper- 
kooplieden^ George Ball en George Cockayne, die den bepaalden 
last kregen, om eerst Makassar en daarna al die plaatsen in de 
Mol ukken te bezoeken, waar zij specerijen verkrijgen konden, 
er zoo mogelijk faktorijen te stichten, ook al stond de bevol- 
king dier plaatsen met de Nederlanders in contract. Poelo-Ay 
en Banda-Neira werden door hen bezocht; maar hunne onder- 
neming werd gestuit door den Gouverneur-Generaal Beijnst. Van 
de eene havenplaats tot de andere door de Nederlanders gedreven , 
hadden de Engelschen eindelijk op Combello, eene kleine ver- 
sterkte plaats op Ceram, onder Amboina, waarvan de bevolking reeds 
sedert geruimen tijd in geheime verstandhouding met hen had ge- 
staan , zich gevestigd en daar de vlag geheschen. Maar ook hier ont- 
vingen zij van den GG. Reijnst den last , om onmiddelijk te ver- 
trekken, op grond dat deze sterkte aan de Nederl. Gomp. 
behoorde. Ball en Gockayne moesten voor de overmagt wijken; 
doch de Nederl. opperlandvoogd had niet kunnen beletten, dat 
er inmiddels twee schepen der Engelschen met muskaatnooten 
en andere specerijen geladen, naar Bantam waren teruggekeerd. 
Bij die gelegenheid had een koopman van het Britsche schip , 
the Concord, Sophony Gozucke genaamd, een Rus van geboorte, 
heimelijk betrekkingen met de inwoners van poelo-Ay aange- 
knoopt en een der voornaamste Orang-kiai van de Bandanezen, 
met zich in zijn schip naar Bantam gevoerd, om ak gezant der 
bevolking van Banda met den president en raad der Engelschen 



* Vergd. het contract van Capitan-Hitoe en de Orang-kiai^s en onderzaten van 
Loehoe, Lissid^* en Combello, ca. met de Nederl. Oost-Ind. Comp. in: Opkomst 
Nederl. gez. in Oost-Ind. Dl. III, bladz. 31.7. 



XXV 

aldaar te onderhandeleQ , over een wederzijds verbond tot bevrij- 
ding van Banda, van het juk der Nederlandsche Compagnie. ^ 

Korten tijd na deze gebeurtenissen keerde de GG. Reijnst 
naar Bantam terug. Van daar zond hij eenige schepen naar 
de straat van Malakka, om gesteld te worden onder de vlag 
van den admiraal Steven van der Hagen , die zich vroeger reeds 
daarheen had begeven en die nu door deze versterking in staat 
werd gesteld^ om onder het vuur der vijandelijke batterijen, 
Da een hevig gevecht in de haven van Malakka, de Spaansche 
galjoenen te vernielen. Zonder zelf nog het groote gewigt 
zijner overwinning te beseden , verijdelde de admiraal van der 
Hagen daardoor, eenen door den Gouverneur der Philippijnen > 
Juan da Silva, wel beraamden aanslag op Bantam. ^ 

Een ander gedeelte van de voor Bantam verzamelde scheeps- 
iiiagt, zond Reijnst naar de specerij-eilanden terug, want nog- 
maals waren er gezanten der Bandanezen heimelijk bij de En- 
gelschen te Bantam aangekomen, en was de tijding vernomen, 
dat de bevolking van poelo-Ay op nieuw tegen de Nederlanders 
in opstand en dit eiland, dat als de sleutel van de Banda-groep 
werd aangemerkt, bijna geheel in handen der Engelschen was 
geraakt. Onverwijld vaardigde Reijnst eenige schepen derwaarts 
af en zond hij aan den Gouverneur der Molukken , d^ Laurens 
Reael, het bevel om andermaal een aanslag tegen poelo-Ay te 
doen ondernemen. ^ 

De GG. Reijnst had inmiddels ook zijne zorgen gewijd aan 
de belangen der Compagnie op de oostkust van Java. Voor 
dat hij nog de Molukken had verlaten, had hij in de maand 
Mei 1615 den Raad van Indie, Steven Doenssen, den kom- 



^ Cakudar of state-papers, Colonial series, East-Iadies, 1513 — 1616, n^*. 716, 
724, 746, 862, 888, 904, 1004, 1006, 1022, 1023, 1072, 1078. Bruce, Annals 
of the honor. East. Ind. Comp. vol I, year 1615. Resol. GG. en B. 28 Mei en 
Jnnij, Jalij, passim. 1615. 

* Brief van St. v. der Hagen aan de Bewindhebbers, dd. 10 Maart 1616. Het 
gevecht werd geleverd in de eerste dagen van December 1615. 

' Resol. 6G, en raden, 11 en 20 Oct. 1615. 



XXVI 

mandeur Hendrik Brouwer en den opperkoopruan Abraham van 
den Broeck aan boord van het schip de Sterre naar Grissée en 
Japara gezonden, mei last om de onlangs gesloten vriendschap 
met den Panembahan van Mataram te bevestigen, zoo mogelijk 
eene nieuwe en betere overeenkomst met dien vorst te sluiten 
en met bevel aan Steven Doenssen in het bijzonder, om het 
Nederlandsche kantoor te Grissée op te breken, naar Japara te 
verplaatsen, aldaar de beraamde versterking te bouwen en er 
zelf als opperhoofd te blijven. ^ Op den 7^^ Julij 1615 waren 
deze afgevaardigden te Japara aangekomen; doch zij vonden er 
de schoone beloften van den Panembahan niet vervuld en nog 
slechts zeer weinig Ix>uwmaterialen verzameld. 

De oorlog op oostelijk Java had meer nog dan vroeger, uit* 
breiding gekregen. De vorsten van Soerabaija, Passaroean 
Toeban, Wirosobo, Djepan op Java, Arosbaija en Soemenap 
op Madnra hadden te zamen een verdedigend verbond tegen 
den Panembahan van Mataram gesloten. 

De regent van Kendal, één der krijgsbevelhebbers van den 
Panembahan , stond aan het hoofd van 20,000 man in de om- 
streken van eene plaats, welke Gliamat genoemd wordt. ^ 
Tot dien veldoverste wendden zich de Nederlandsche gezanten, 
ten einde door zijne tusschenkomst tot den Panembahan van 
Mataram te worden toegelaten. Zij hoopten langs dien weg 
den hun opgedragen last te volvoeren, een nieuw o^ntract, dat 
meer zekerheid zou opleveren, dan dat de kommandeur van 
Zurck had gesloten, te maken en uitvoering te verkrijgen van 
de afgelegde beloften. De regent van Kendal vergunde hun 
echter niet, tot den Panembahan, die met zijn leger te velde 
voor Wirosobo lag, door te dringen. Integendeel eischte 
hij nu betaling voor de beloofde steenen en het hout en ver- 
zocht vier stukken geschut, als een geschenk voor den Panem- 



Besol. GG. on raden, 19 Mei 1615. 

Vermoedelijk eene plaats tusschen Demak en Japara , zie hierachter , bladz. 95. 



XXVII 

bahan. Twee dagen later kwam de regent zelf te Japara en 
bepaalde, dat de Nederlandscfae loge kleiner moest worden 
gemaakt dan de oorspronkelijke aanleg uitwees. De betaling 
der bouwstoffen wilde hij wel kwijtschelden; doch hij volhardde 
in zijn eisch van vier stukken geschut. De Nederlanders hadden 
niet meer dan twee kanonnen beschikbaar en die' lieten zij te 
Japara voorloopig in bewaring. De zending van Doenssen, 
Brouwer en van den Broeck, was dus niet geslaagd en in het 
volgende Jaar moest het Nederlandsche opperhoofd, bij gebrek 
aan steen en werkvolk, zich vergenoegen met eenige woningen 
en pakhuizen van hout en bamboes op te slaan. De handel in 
rijst slaagde echter beter; in, minder dan vijf maanden tijds, 
werden er 800 * lasten rijst van Japara verscheept. Maar de 
eischen van den Panembahan of van zijne regenten werden er 
tevens hooger en onder voorwendsel dat er geen tolregten te 
Japara werden geheven, vroeg men meer geschut, diamanten 
en goud. In hoeverre deze vorderingen regtstreeks van den 
vorst van Mataram, of van zijne regenten tot eigen bate, 
voortkwamen, wisten de Nederlandsche kooplieden niet te be- 
palen. Het belang van den rijsthandel te Japara was intusschen 
groot en het opperbestuur in Nederland was zelfs gedurende 
eenigen tijd er toe geneigd, om dadr het algemeen rendez-vous 
te stichten. Ook de vorst van Cheribon, waarschijnlijk naijverig 
op de handelsvoordeelen zijner naburen^ bood omstreeks dezen 
tijd zijn land, als verblijfplaats aan de Nederlanders aan. ^ 

Intusschen waren de dagen van den opperlandvoogd geteld. 
Lijdende aan den bloedgang bevond hij zich te Jakatra, toen 
het schip de Witte Beer te Bantam aankwam. Het bragt 
ongunstige berigten uit Nederland en de tijding dat de zoon 
van den Gouverneur-Generaal Beijnst, aan boord van dat vaar- 
tuig nabij straat Sunda was overleden en « naar bet schijnt heeft 
«hem zoozeer bezwaard de overlijdipghe van zijn zoon, en de 



Zie hierachter N*. VIII , X en XI der gedrukte stukken. 



XXVIII 

«kwade tijdingen, dat de Edele Heer Generaal Reijnst op den 
« 7^ December tot Jakatra in den Heere gerust is." * 

De betrekkingen tusschen den rijksbestierder van Bantam en 
den direqjteur van den handel der Nederl. Compagnie waren gedu- 
rende al dien tijd bij voortduring gespannen gebleven. Een oogenblik 
scheen het, alsof er eenige toenadering tusschen de twee partijen 
komen zou, toen het berigt vernomen werd, dat de Gouverneur 
der Philippijnen , Don Juan da Silva, met eene vloot, Manila 
had verlaten, om, na zich in straat Malakka met een eskader ] 
van Portugesche galjoenen te hebben vereenigd, een aanval op 
Bantam en de Nederlanders op Java te wagen. Gelijktijdig liep 
het gerucht, dat ook de Paneipbahan van Mataram, die met 
Malakka verstandhouding hield, zijne wapenen naar het westen 
van Java wenden zou Maar toen weldra het berigt kwam, 
dat het Portugeesch eskader voor Malakka, door den admiraal 
van der Hagen was vernield en da Silva's plannen daardoor 
waren verijdeld, dat de geruchten van des Panembahan's toeleg 
ongegrond waren, begon Bantam's rijksbestierder weder den 
hoogen toon van vroeger te voeren en nieuwe verhoogde tol- 
regten te eischen. Halstarrig weigerde Coen zich aan nieuwe 
tollen te onderwerpen ; maar gaf in den loop der onderhande- 
lingen, aan de Bantamsche regering zijdelings den wenk, dat 
het Nederlandsch bestuur niet ongeneigd zou zijn, tot het aan- 
nemen van een verhoogd en meer uitgebreid toltarief, indien 
Bantam er zich toe wilde verbinden, om aan de Nederlandsche 
Compagnie den handel toe te kennen, met uitsluiting van alle 
andere Europeanen; doch de rijksbestierder wachtte zich wel 
van aan dien wenk opmerkzaamheid te schenken. 

Het gewigtig ambt van opperlandvoogd was inmiddels in 
andere handen overgegaan. Na den dood van Reijnst, waren 
de leden van den raad van Indie te veel verspreid om te zamen 
vergaderd tot de keuze van een nieuwen Gouverneur-Generaal, 



Brief van J. Pz. Coen aan de Bewindh., 25 Dec. 1615. 



^' ^'-IW« 



xxtx 

zooals dit bij art. 34 der instructie van den overleden landvoogd 

■ 

was voorgeschreven 9 te kunnen overgaan. Het duurde alzoo 
tot den 19 .Jnlij 1616 eer de raad van Indie^ in voldoende 
getale vereenigd was, wanneer bij meerderheid van stemmen 
de gouverneur der Molukken, Dr. Laarens Reael, tot algemeen 
gouverneur gekozen werd. Onder zeer netelige omstandigheden 
aanvaardde Reael zijne betrekking. De grootste nioeijelijkhedeil , 
waarmede hij gedurende zijn bestuur te kampen had en die 
hem iïx, het einde ook ten val hebben gebragt, waren de onder- 
nemingen en aanslagen der Engelschen op de specerij-eilanden 
eo de opstanden en oorlogen, welke in die gewesten van den 
archipel daaruit voortsproten. De laatste bevelen, welke Reael, 
terwijl hij nog gouverneur der Molukken was, van den Gou- 
verneur-Generaal Reijnst had ontvangen, schreven hem voor, 
om in allerijl eene expeditie uit te zenden tegen poelo-Ay, dat 
weder in opstand en bijna geheel in de magt der Engelschen 
was. geraakt. Dit bevel had Reael slechts ten deele uitgevoerd , 
omdat hij zich door valsche berigten had laten misleiden en 
uit vrees voor een aanslag van den Spaanschen Gouverneur 
der Philippijnen , het meerendeel zijner schepen bij zich in de 
wateren van Ternate gehouden had. 

In de maand Januarij 1616 waren weder vier Engelsche 
schepen en een jagt onder bevel van den kapitein Gastleton van 
Bantam vertrokken om Banda, Amboina, Hitoe, Loehoe en 
Combello te bezoeken. 

Op de reé van poelo-Ay had Gastleton van de bevelhebbers 
van het Nederlandsche schip Amsterdam , de vergunning weten 
te verkrijgen tot het beladen van zijn jagt met muskaatnoten, 
waartegen hij zich verbooden had om geen hulp of bijstand 
aan de bevolking van dat eiland, die in opstand was, te .zullen 
verlèenen ^ ; hoewel hij bijna op datzelfde oogenblik een gezant- 



' Bruce, Amuds of the Hon. Sast Ind. Comp. Vol. I, 161G— 1617, bladz. 188 
etc.. — Calendar of state papers , N°. 1101 , 1616. March i| , 1102 en 1104. 



XXX 

schap der Bandanezen^ dat bij de Engelschen te Bantam was 
geweest y daar aan land zette. 

Intusschen was ook de Nederlandsche kommandeur, Jan 
Dirckz. Lam, van Bantam naar Banda gezonden om op die 
eilanden den opstand te dempen en de ondernemingen der En- 
gelschen te verijdelen. Deze wist den Engelschen kapitein 
Gastleton met zijne vier schepen te verwijderen en op den 5/6 
April 1616 tastte nu Lam, poelo-Ay aan. Gelukkiger dan de 
Gouverneur-Generaal Reijnst, veroverde hij dit eiland geheel en 
stichtte er het fort Revengie. Hierop sloot hij op den 3 Mei 
den vrede met de Bandanezen, aan wie hij bij contract^ hoogere 
prijzen voor hunne specerijen toestond. 

De Ëngelsche kapitein Gastleton had, nadat hij de Banda- 
eilanden verlaten had, zijn koers door de Mol ukken vervolgd en 
bezocht achtervolgens Amboina, Ternate, Matsjian en eindelijk 
ook Tidore, waar hij wapenen en krijgsbehoeften aan de Span- 
jaarden en inlanders tegen specerijen inruilde. 

Niettegenstaande deze handelwijze bepaald in strijd was met 
de pligten van onzijdigen tegenover oorlogvoerende mogendheden, 
had Reael, die intusschen kennis bad gekregen van onderhan- 
delingen, welke in Europa tusschen de regeringen van Enge- 
land en de Nederlanden over de belangen der Oost-Indische 
Compagnien werden gevoerd, «gemerct de consequentien en ten 
ft reguarde van de alliance tusschen de Groone van Engeland 
« en H. Ho Mo.'' daartegen geen openbaar geweld durven plegen , 
zooals de gebiedende last der Bewindhebbers hem dat voorschreef. 
De voorzigtige Reael hoopte het onweder, dat tusschen Neder- 
landers en Engelschen dreigde los te barsten, door zachte mid- 
delen te doen overdrijven; doch hij slaagde op die wijze er 
toch niet in, om eene botsing te voorkomen. Weinige maanden 
na het vertrek van den kommandeur Lam uit Banda, was 
poelo-Ay op nieuw in opstand gekomen, verscheiden Neder- 
landers waren er dood geslagen en zelfs op Amboina waren 
onlusten uitgebroken. De Engelschen hadden gevolg gegeven 



XXXi 

aan de verbindtenis , welke zij met de bevolking der Banda- 
eilanden badden gesloten. Zij warea wederom met eenige 
scbepen in die wateren aangekomen en hadden de bevolking 
van poelo-Run en Ay, in hun verzet gesteund. De inlandsche 
hoofilen en gemeenten, door strenge handhaving van het mono- 
polie der specerijen en niet minder door het wanbestuur van 
een liederlijken HoUandschen kapitein, van het Nederlandsch 
gezag afkeerig gemaakt, hadden de souvereiniteit over hunne 
eilanden aan de kroon van Groot-Brittanie overgedragen. 

De Engelscben hadden nu van poelo-Run bezit genomen, er 
de vlag geheschen, batterijen opgeworpen en toen op 13 Ja- 
nuarij 1617 de advokaat-fiskaal Dedel met twee Nederlandsche 
schepen en een jagt zich op de kust van poelo-Run vertoonde, 
werd hem door den Engelscben bevelhebber gelast om binnen 
4 glazen, die wateren te verlaten, poelo-Ay mede aan het En- 
gelsche bestuur over te leveren, onder bedreiging, dat, ingeval 
hij weigeren mogt, het Ëngelsche geschut uit de batterijen en 
schepen hem met geweld verjagen zou. Dedel had daarop hulp 
in Amboina gezocht en eerst na lang oponthoud, door storm 
veroorzaakt, had hij met den admiraal en raad van Indie, 
Steven van der Hagen , zich tegen de Engelscben kunnen ver- 
dedigen. Op den 12 Februarij werd nu het Ëngelsche schip, 
the Swan , vijandelijk aangetast en vermeesterd , en eenige weken 
later ook het tweede Ëngelsche schip, the Deiènce, door de 
Nederlanders in beslag genomen. 

D^. Reael werd nu wel door den loop der gebeurtenissen ge- 
noodzaakt tot krachtige middelen over te gaan; maar nu weder 
ontbraken hem voldoende strijdkrachten, omdat hij ter kwader 
ure een eskader onder den kommandeur Lam naar de Philip- 
pijnen had uitgezonden. Om niet geheel ongehoorzaam te zijn 
aan de bevelen van bet opperbestuur in Nederland en het ver- 
lies van geheel Banda voor de Ciompagnie te verhoeden, begaf 
hij zich persoonlijk over Amboina naar Banda; maar moest de 
Engelscben op poelo-Run, ongemoeid laten. Hij meende dat er 



XXXll 

nog zooveel kwaad niet uit die vestiging der Engelschen zou 
voortspruiten, indien men slechts zorg droeg, dat de aanvoer 
van levensmiddelen en specerijen naar poelo-Run wierd afgesne- 
den. Met dat doel liet hij Nederlandsche schepen kruissen en 
trachtte hij met de Bandanezen weder in vrede te geraken. 

Hoe weinig kracht hij ook tegenover de Engelschen in die 
oogenhlikken ontwikkelde, toch schreef hij nog vreesachtig naar 
Nederland, « dat, hetgeen aldaar reeds voorgevallen was een vyer 
« zou ontsteken , dat sonder twyfel een grooten brant met sich 
« trecken sal, want aen onse syde, patientia laesa fit furor en sy (de 
a Engelschen) sullen des machtich synde, ook geen camp geven ". 
Reeds half uitgehongerd door den opstand, lieten de Bandane- 
zen zich gemakkelijk door Reael tot vrede brengen, een vrede, 
dien zij plegtig beloofden te zullen eerbiedigen ; doch waarvan 
Reael schreef: « dat het te wenschen ware, dat hij zoo ligt te 
«onderhouden als te maken ware, want de Bandanezen beloven 
» dingen, die hel hun niet mogelijk is na te komen^\ ^ 

De vreedzame, gematigde, regtsgeleerde Reael, gaf dan ook 
den last aan de opperhoofden op Banda «om niet lichtveerde- 
« lyck op elcke contraventie van particuliere artyckelen , den oor- 
« loghe wederomme aen te nemen ; maer te trachten sooveel 
K vruchten als 't mogelyck sal sijn van dat lant te trecken ^\ 
Zulk eene handelwijze viel in het geheel niet in den geest der 
Bewindhebbers, die na jaren lang de geldkrachten der Com^ 
pagnie te hebben uitgeput, om van het monopolie der specerijen 
meester te worden, dat monopolie nu op punt zagen, van hun 
door de Engelschen te worden ontrukt. Reeds in 1615 hadden 
zij, met angstige gejaagdheid aan den directeur-generaal van den 
handel in Indie, de onmenschelijke en onverstandige vermaning 
gezonden , « dat men iets groots tegen den vijand moest uitrig- 



» Resol. GO. en R. 25 Junij 1616. Brief v. J, Pz. Coen, dd. 1 Oct. 1616, 
n®. XV, hierachter. Brief van den G6. Reael aan de Bewindh. dd. Banda 11 Mei 
1617. Missive van Com. Dedel, dd. Neira 10 Mei 1617. Resol. Banda, 13 Jan.— 23 
Md 1617. Calendar of state papers, enz. n». 1101, 1102, 1104. 



XXXIIl 

ft ten, de Bandanezen vermeesteren , de principalen uit doen 
ft roeijen en verjagen en het land liever met heidenen weder 
ft doen peupleren y al zou men aldaar eenige hoornen doen uit- 
« roeijen en den voors. lande desert maken P' ^ 

De reeks van tegenspoeden en moeijelijkheden , waarmede de 
Gouverneur-Generaal te kampen had, was nog niet ten einde; 
weldra vernam hij de tijding, dat de onderneming door hem 
onder bevel van den kommandeur Lam tegen de Spanjaarden 
aangelegd, mislukt en het Nederlaudsche eskader nabij de baai 
van Manila deels door de Spanjaarden vernield, deels verstrooid 
was. * 

Reael had zich als oppérlandvoogd nog niet op Java vertoond , 
hij besloot dus met de eerste moesson zich daarheen te begeven , 
hetgeen te meer noodig was, omdat hij met den directeur- 
generaal van den handel, Jan Pietersz. Coen, over vele hoofd- 
punten van regeringsbeleid in gevoelen verschilde, waardoor er 
telkens wrijving tusschen deze twee hoofden van bestuur ont- 
stond. Beraadslaging over die punten in den vollen raad van 
Indie, ten einde tot eene oplossing te geraken, scheen dus nood- 
zakelijk. Omstreeks de maand September 1617 verliet Reael de 
Molukken en kwam hij op den 18 September voor Japara aan. 

* Uitgaand biieflioek der HH. XVII, 30 April 1615. AaoBcbryying aan Jan* 
Pietersz. Coen. 

* Deze zeeslag tusschen Jan Dirckz. Lam en de Spanjaarden, voor de baai van 
Muula op 28 October 1616 geleverd, was esn der bloedigste en hevigste gevechten, 
wdke er nog in die gewesten waren voorgevallen. Het schip van den kommaDdeur Lam, 
werd tosschen twee Spaansche ga^oenen gekneld en in den grond geschoten; doch de 
kommandeur en 47 z^ner scheepslieden werden weder uit zee opgevischt en gered. 
Het schip ter Yere zonk, brandende en vechtende; de schipper van den Aeolus , zekere 
Job Gomelisz. van Zierikzee, die met Spilbergen de reis om den aardbol had medege- 
maakt, stak, naar men destijds berigtte, toen h^ het niet langer houden kon, den 
brand in z^n eigen kmid en slingerde met zich in de lucht , twee vijandelijke schepen , 
die aan hem vastgeklemd lagen; ongeveer 250 Nederlanders sneuvelden in dit gevecht ; 
maar ook de vijand was na het einde van den strijd zoo magteloos, dat twee dagen 
later een Spaansch ga^oen weerloos in handen der Nederlanders viel; terwijl meest 
&Ue overige Spaansche schepen, deels ten gevolge van lekken en grondschoten , deels 
door een opkomeoden storm, geheel verloren gingen. Men treft het verhaal van dezen 
Kbeepsstr^d, in geen enkel gedrukt werk aan; maar wel in twee brieven van Coen, 
^ 22 Ang. en 18 December 1617, handschrift R. Arch. 

IV. III 



XXXIV 

Reeds in het vorige jaar 1616, was op last van Beael, de opper- 
koopman 9 Gerrit Frederiksz. Druijff, als gezant der Nederland- 
sche Compagnie naar den Panembahan gezonden^ De koop- 
man DruijfT had in last gekregen , te trachten naar een 
persoonlijk onderhoud met den Panembahan, omdat de ver- 
gunning tot het bouwen van een steenen fort en het vrij 
uitvoeren van rijst, vroeger aan den opperkoopmau van Zurck 
verleend, door tegenwerking der regenten van den Panembahan , 
zoo men ineende, niet tot uitvoering kwam» De vrije uitvoer 
van rijst was wel niet verboden; maar toch reeds meermalen 
belemmerd en de toegezegde bouwmaterialen waren nooit vol- 
doende geleverd. De opperkoopmau Druijff moest verder de 
vriendschapsbetrekkingen tusschen de Oost-Ind. Gomp. en den 
Panembahan, naauwer toehalen en de aandacht van dien vorst 
op Bantam vestigen, hem voorspiegelen den roem, die hij be- 
halen zou, indien ook Westelijk- Java onder zijn gebied gebragt 
wierd en tot bereiking van zulk een doel hem zijdelings een 
verbond met de Nederlanders voorslaan, onder voorwaarde, dat 
Bantam als vrije verblijf]ilaats aan de Nederlanders zou ten deel 
vallen. ^ Dit derde gezantschap aan den Panembahan, had 
echter aan de verwachting niet beantwoord. « S'. Druijff*' zoo 
gaf Bea^l verslag van deze zending aan de Bewindhebbers, « is 
ft naar ons contentement niet ontvangen; ick achtte dat de oude 
« Gouverneur, die met hem naar den Koning is geweest, hem 
«blind gehouden heeft om syn personnage te spelen, wederom 
« werden er twee metalen halve kartouwen geëischt". ^ 

Nu, in September 1617, vond Beael den rijsthandel te Japara 
in vrij goeden stand , maar het bouwen eener sterkte of van een 
steenen huis werd nog steeds belemmerd. Hij gelastte nu, dat er 
dadelijk een steenen gêdong of pakhuis zou worden opgerigt. 
De vriendschap van den Sjah-bandar zocht hij door geschenken 



> Zie hierachter n*. XVI der gedrukte stukken. 

> Missive Read aan de HU. XVII, dd. Bantam, 10 November 1617, 



XXXV 

te winnen en verleende aan de Javanen vrijheid om onder 
zekere voorwaarden handel te drijven op eenige plaatsen van 
Amboina en Banda, «mits zij, alvorens eenige handelinghe te 
ff doen y onder de Nederl. forten zouden ankeren en zich aldaar 
« reguleren naar de orders» aan de respective Gouverneurs van 
« de plaatsen gelaten en naar de contracten 'tusschen de Neder- 
«landsche Ck)mp. en de inwoners gemaakt^'. ^ 

Na dit kort bezoek aan Java^s oostkust, begaf Reael zich in de 
eerste dagen van October (1617) naar Bantam. Hier vond hij 
de verhouding zoowel tot de Engelscben als tot den rijksbe- 
stierder van Bantam , meer dan ooit gespannen ; terwijl de regent 
van Jakatra zich meer en meer teruggetrokken hield. 

Hoewel er reeds sedert 1611 tusschen de beide regeringen van 
Groot-Brittanie en de Nederlanden , in Europa werd onderhan«- 
deld over de middelen, om de Engelsche en Nederlandsche Oost- 
lod. Comp. in eene meer vreedzame betrekking tot elkander te 
brengen, waren te Bantam de twisten tusschen Nederlanders en 
Engelschen tot ongekende hoogte gerezen. De haat der Britten 
was vooral tegen Jan Pietersz. Goen gerigt, voor wien, zooals 
zij in hunne ruwe taal zeiden , de hoogste galg van Oud-Engeland 
Dog niet hoog genoeg was. 

Reeds sedert 1616 vielen er telkens straatgevechten binnen 
Bantam voor; maar kort na de komst van Reael te Bantam en 
terwijl hij voor weinige dagen naar Jakatra gegaan was, ont- 
stond er een oploop, zoo hevig als er nog geen had plaats 
gehad. Er waren eenige Spaansche en Portugeesche gevangenen 
aan de Nederlanders ontloopen en dezen hadden in de schepen 
der Engelschen eene veilige schuilplaats gevonden. Toen een 
Nederlandsch opperkoopman , die overloopers terug vroeg, werd 
hij met schimp en smaadwoorden door de Engelsche overheid 
ontvangen en hem de uitlevering geweigerd. Het was daarbij 
gebleven; maar eenige weken later, had zich één dier Spaansche 

> Seaol. GO. ea R. 18 Sept. 1617. 



XXXVl 

gevangenen te Bantam op straat vertoond en was hij door de 
Nederlanders opgepakt en in een pakhuis gesloten. Zoodra dit 
bekend werd , liepen de Engelschen te wapen en deden , vereenigd 
met inlanders in hunnen dienst, een aanval op de Hollandsche 
loge, plunderden een pakhuis, sloegen eenige Nederlanders en 
Japansche soldaten' dood , terwijl er nog meer gekwetst werden. 
Ook aan de zijde der Engelschen, die overigens in dit gevecht 
de overhand behielden, bleven er eenigen op de plaats liggen. 

De haat en opgewondenheid der Engelschen waren ten top 
gestegen, sedert zij vernomen hadden, dat twee hunner schepen 
nabij Banda waren genomen en de inbezitneming van poelo-Run 
daardoor zonder vrucht voor hen blijven zou. Zoodra de Gou- 
verneur-Generaal en de raad van Indie, die toen juist metCoen 
voor eenige dagen te Jakatra vereenigd waren , de tijding hadden 
vernomen van den geweldigen aanval der Engelschen op de 
Nederlandsche loge te Bantam, werd er eene talrijke scheeps- 
magt voor Bantam verzameld, om de Engelschen daarmede in 
ontzag te houden en van den Koning en rijksbestierder van 
Bantam werd regt geëischt over dit geweld op de Nederlanders 
gepleegd. Nu trad het Nederlandsch-Indisch bestuur ook met 
krachtiger maatregelen tegen den indrang der Engelsciieb op. 
Bij plakkaat werd bekend gemaakt; dat de vaart op' Banda, 
Amboina en de Molukken voor de Engelschen zou zijn gesloten , 
op grond, dat de Nederl. Oost-Ind. Comp. zich den alleen han- 
del in die gewesten had verworven en dat bij overtreding 'van 
dit plakkaat, de Engelschen met geweld zouden geweerd wor- 
den. Bovendien besloot de raad van Indie, dat de Gouverneur- 
Generaal met eene voldoende scheepsmagt naar de Molukken 
zou terug keeren, om de hand aan de uitvoering van dat plak> 
kaat te houden. De groote drijver van die besluiten was weder 
Jan Pietersz. Coen, wiens meening op die van den Gouverneur- 
Generaal in den raad van Indie had gezegevierd. « Het kan 
a aldus niet bestaan ^' , schreef Coen aan bet opperbestuur in 
Nederland, «kunnen wij geen vrienden (met de Engelschen) 



XXXVII 

azijn, laait ons dan den oorlog afkondigen; want het istescban- 
ft delijk en te moorddadig, dat wij elkander vermoorden endoen 
a vermoorden , zonder dat er regt over gedaan werd. Het is al 
« lang geleden , dat de Engelschen mij zelven den dood gezwo- 
tt ren hebben , nu zijn er weder vier van de onzen, die de Gom- 
«pagnie 10 è 15 jaren trouw hebben gediead, dood gebleven^ 
ft en drie Japanners , die het leven der overige Nederlanders 
ft hebben gered". ^ 

Weinig minder gespannen dan de verhouding tot de Engel- 
schen had Reael de betrekkingen tusschen de Nederlanders en 
den rijksbestierder van Bantam gevonden, hoewel naar den 
aard van den Javaan, die vijandschap zich niet i66 door uiter- 
lijke kenmerken vertoonde. 

Sedert de laatste maanden van 1616 had Ck)en weder met 
groote moeijelijkheden in den handel te kampen gehad. De 
rijksbestierder bad tot zijn meest vertrouwden raadsman geko- 
zen, zekeren Linco, een tot den islam bekeerden Chinees, en 
nu had Coen te strijden tegen de zaamgespannen toeleg van 
een slimmen Javaan en een listigen Chinees. Wanneer Coen 
peper kocht, deels k contant, deels met betaling in voorschot; 
rnaar onder beding van levering op tijd , dan joegen de Chinezen 
onderling de prijzen van de peper op, met het geld, dat zij 
reeds van de Nederl. Comp. hadden ontvangen en als dan de 
tijd van levering gekomen was, dan weigerden zij den peper te 
leveren^ onder voorwendsel dat de prijzen te hoog waren gestegen. 
Indien Coen dan regt bij den rijksbestierder vroeg tegen de 
Chinezen, omdat zij in gebreke waren van levering op bedon- 
gen tijd en prijs, dan kwam hij teregt bij Linco en hij kon 
geen regt krijgen en dit gebeurde gewoonlijk op een oogenblik, 
dat er een schip, half vol geladen, bijna gereed om te vertrek- 
ken, op het overige der lading lag te wachten en Coen dus 



> Resol. G6. en R. 5, 9 en 18 Dec. 1617. Brief van Coen aan de Bewindlieb- 
bers, 18 Dec. 1617, N». XX, hierachter. Dagverhaal van Bantam, 19 Julij, 6 Sept. 
en 22 Nov. 1617. 



xxxvni 

om peper verlegen was. Nog weder eene andere streek was, dat 
de rijksbestierder , door zijne Chinezen en andere tusschen perso- 
nen , want zelf scheen hij nooit in de zaken betrokken, al de 
peper in de bovenlanden liet opkoopen. Nog gebeurde het 
ook^ dat Chinezen, die geld of peper aan de Comp. schuldig 
waren, vermoedelijk met hun eigen goedvinden, op last van 
den rijksbestierder, onder allerlei voorwendsels werden opge- 
pakt en vastgezet. Die Chinezen beweerden dan, schijnbaar 
te regt, dat zij door force majeure belet werden te betalen 
of peper te leveren; terwijl bovendien nog somtijds het wegen 
van de peper door den Sjah-bandar, plotseling werd gestaakt. 
Lang hield Coen zich bedaard; maar werd toch door al 
die belemmeringen, in het einde zóó ongeduldig, dat hij ten 
laatste op eigen gezag, en zeer zeker onregtmatig, eenige Chi- 
neesche schuldeischers liet aanhouden en onder het eiland Babi 
Chineesche jonken , waarvan de lading geconsigneerd was. op 
Chineesche handelaars te Bantam, in beslag liet nemen. Hieruit 
ontstonden nu weder nieuwe moeijelijkheden , en zelfs brak er 
kort na de inbeslagneming dier jonken een brand uit, rondom 
de loge der Nederlanders, welke door Coen aan moedwil op 
last van den rijksbestierder gepleegd, werd toegeschreven. Wer- 
kelijk kreeg Coen kort daarna berigt, dat er in het geheim een 
aanslag tegen de opperhoofden en de loge der Nederlanders te 
Bantam was beraamd. Reael doorzag al die streken en aan- 
slagen van den rijksbestierder en der Chinezen niet, hij ineende 
dat er voor de wisselingen in den prijs van de peper, meer 
natuurlijke oorzaken moesten gezocht worden en wilden tegen 
inlanders en Engelschen liefst «soete middelen** gebruiken. Hij 
moest niettemin zelf regts weigering en eene zeer hooghartige 
behandeling van de zijde des rijksbestierders te Bantam onder- 
vinden. Door meer kennis van personen en toestanden te 
Bantam en door zijnen meer doortastenden aard van zelf daartoe 
geleid^ was Coen. tot de meening gebragt en zocht hij die mee- 
ning zoowel bij den Gouverneur-Generaal , als bij bet opperbe- 



XXXIX 

staur in Nederland ingang te doen vinden, dat de Nederl. Oost- 
Ind. Gomp. niet langer de vriendschap van Bantam moest 
afbedelen en den rijksbèstierder aldaar sparen; maar dat men 
6f het kantoor te Bantam moest opbreken en zich elders ves- 
tigen , of met gezag en kracht van wapenen optreden ; « want dat er« 
«niets goeds te bekomen zou zyn, tenzij Bantam, zoowel als 
«Temate, Amboina, Banda en alle andere mooren daartoe 
«worden gedrongen/^ ^ 

De staatkunde, welke het Nederlandsch bestuur in Indie, 
tegenover Bantam volgen zou, stond in naauw verband met 
het groote, altijd nog onopgeloste vraagstuk: de keuze van een 
algemeen . middenpunt van handel en gezag voor de Nederl. 
Oost-Ind. Compagnie in Indie. 

Opmerkelijk is het de onvastheid in meeningen, de besluite- 
loosheid, de slingeringen na te gaan, welke er bij het opper- 
bestuur in Nederland zoowel, ajs bij de voornaamste hoofden 
van het bestuur in Indie over dit gewigtig punt nog altijd be- 
stonden. Üe een sprak van Djohor of eenige andere plaats in 
straat Malakka, de ander stond Banka voor, weder een derde 
zocht die plaats op één der eilanden vóór of in straat Sunda, 
ieder had een eigen stelsel en aan het geven van hoogwijze 
raadgevingen of aan beroep op eigen ervaring en bevinding, 
ontbrak het natuurlijk niet. Indien de Oost- Indische Compagnie , 
die toen reeds zoowel in Nederland als in Indie krank was, 
reeds toen ware gestorven, zij ware zeker niet overleden door 
gemis, misschien wel door een te groot getal van medicijn meesters. 
Gelukkig stond er weldra aan het hoofd der zaken in Indie, 
een geweldig heelmeester, die op eigen gezag het mes in de 
wonde stak, vóór het te laat was. Toch, niettegenstaande de 
krachtige invloed, welke door Jan Pietersz. Coen op den loop 
der gebeurtenissen is uitgeoefend, gevoelt men zich tot de be- 
kentenis gedrongen , dat de vestiging van het Nederlandsch ge- 
zag op Java, minder door de vrije keuze der Nederlanders, dan 
————— ^ 

' Zie No. XV, XYIII en XIX der gedrukte stukken, hierachter. 



XL 



wel door een merkwaardig zamentreffen van feiten; door den 
drang der omstandigheden is veroorzaakt. Het was alsof de 
Nederlandsche natie op één der schoonste en meest bevolkte 
eilanden van den archipel, op Java, tot de vervulling eener 
taak, tot bevrijding uit de banden van Oostersche willekeur en 
dwingelandij, tot verlichting en beschaving eener verdrukte be- 
volking werd geroepen en voorbeschikt. Zij zou welligt tot het 
bewustzijn dier hoogere roeping zijn opgeklommen, zij zou 
welligt tot de belijdenis zijn gebragt : « na vuur en stormwind 
«zweefide ook soms mij, schoon geen Elia, de Heer voorbij;" 
indien stoffelijke belangen haar niet hadden verblind, indien 
zij niet, juist toen, door hare leiders op het dwaalspoor ware 
gebragt van kwaadaardige twisten over de leer der Kerk en het 
gezag in den Staat. 

In de berigtschriften voor de opperlandvoogden Both en Reijnst 
zoowel, als in dat, van het jaar 1617 voor Goen, door het 
opperbestuur in Nederland opgesteld, bespeurt men telkens 
dezelfde onzekerheid omtrent de keuze eener plaats tot midden - 
punt van den handel en het bestuur der Compagnie in Indie. 
Ook Coen beschouwde deze zaak langen tijd uit verschillende 
oogpunten en naarmate hem de eene of andere zijde van het- 
vraagstuk meer of minder helder voor den geest stond , weifelde 
ook hij in zijne beslissing. 

De hoofdpunten, welke Coen gedurende dien tijd van beraad 
in het oog hield, waren: vooreerst, dat de tegenwerking van 
Bantam moest worden gebroken , maar tevens ook dat hij Bantam 
niet mogt inruimen aan de mededingende Engelschen. In den 
aanvang van het jaar 1616, trachtte Coen zich wel onafhankelijk 
van Bantam te maken, door peperhandel met Djambi te 
drijven; ^ maar het besluit scheen toch bij hem gerijpt, 

> B\j het aaDknoopen van handelsbetrekkmgen met en het vestigen van een Nederlandsch 
kantoor te Djambi, reikten de inzigten van Coen verder; hij wenschte zich tevens 
met andere vorsten op de oostkust van Samatra in betrekking te stellen, inzonderheid 
met den vorst van Palembang, van ouds een vijand van Bantam. Op den 10 Oct. 
1616 scnreef Coen aan den opperkoopman te Djambi , Sonry , o. a. het navolgende : 



dat nog slechts twee plaatsen in den archipel voor de stichting 
van een algemeen rendez-vous in aanmerking konden komen, 
Bantam namelijk of eene plaats daaromtrent , op Westelijk-Java 
en Malakka. 

Met het oog op den Ghineeschen handel en de overleveringen 
van den Archipel, scheen Malakka boven andere plaatsen de 
voorkeur te verdienen; maar het zou veel krachtsinspanning 
vereischen om die stad te veroveren. Verliet men in dien tus- 
schentijd Bantam , dan liet men de baan vrij aan de Engelschen , 
die van daar met al hunne magt, den peperhandel zouden 
drijven en hunne ondernemingen op de specerij-eilanden voort- 
zetten. Om die redenen was Goen van oordeel ^ dat het vooreerst 
nog de beste weg zou zijn, indien men de stichting van een 
voorlqopig rendez-vous aanving te Bantam, en indien dan de 
Engelschen langzamerhand buiten Bantam konden gesloten of 
gedrongen worden, dan ((kunnen wij ons,^^ zoo schreef hij , 
«ons daarmede vooreerst vergenoegen, intusschen alle onze 
« magt naar Malakka zenden , om die plaats te vermeesteren en 
«daar sedia te planten; maar zoolang wij de Engelschen niet 
«uit Bantam kunnen doen sluiten, is het geraden, in Bantam 
«zelve een goed fort te bouwen, Gode d' uitkomst te bevelen; 
«want Bantam is ligt te veroveren en heeft dat lot aan ons 
«wel verdient" ^ 

Op het einde van ditzelfde jaar 1616 behandelde Goen dit 
belangrijke onderwerp nader, in zijne brieven aan de Bewind- 
hebbers en toen weder scheen hij meer tot het kiezen van 
Malakka als algemeen rendez-vous over te hellen. «Malakka," 
zoo schreef hij op ïl December, «moet met alle magt worden 

• (U) sal oock gelieven ter gelegener tyt , eene redelycke vereeringe aen den Coninck 
«van Pallimban te senden , met daockbaerheyt van syne vrientelycke aenbiedinge, 

• presenterende d'onse met alle cortoysie wederömme , nyt sich selven aenroerende , 
» sonder andren te nomineren , off oock gesint sonde wesen , met ons in aUiantie en 

• verbintenisse te treeden, tegens onse en hare vyanden, ja, soo U eens iemant van 
«des Conincx volck compt te spreecken; vraecht haer eens boertende, off hunnen 

• Coninck, wel Coninck van Bantham sonde willen wesen." ' ^ 

> Coen aan de Bewindhebbers, 5 Januarg, 31 Maart, 1616. 



XUI 

«aangetast, opdat de zaken in geen meerder disordre, de negotie 
• niet in verachtering en de Compagnie niet in meerder vijanden 
a worde gebragt." ^ 

Hij bleef wel bij zijn gevoelen , dat Bantam eene meer ge- 
schikte havenplaats was voor de schepen, die uit Nederland 
door straat Sunda kwamen en naar de Molukken bunnen koers 
namen; doch indien men er zorg voor droeg, dat de schepen 
in een geschikt jaargetijde uit het vaderland vertrokken, kon- 
den zij met de raoesson even goed over Malakka naar de 
specerij-eilanden geraken. Het groote voordeel, dat eene ver- 
overing van Malakka en het vestigen aldaar van het Neder- 
landsche gezag zou opleveren , was dat daardoor de Portugeesche 
Diagt, die zich uitstrekte van Goa tot Macao, in twee deelen 
zou worden gebroken, de kleedenhandd op de oostkust van 
Vöór-Indie en de peperhandel op de oostkust van Sumatra in 
handen der Nederlanders zoudai komen. Bantam zou alleen dan 
vervallen in banden der Engelschen, indien de Bewindhebbers 
zich zwak betoonden , niet indien zij kracht en moed genoeg 
hadden om te bevelen, dat men, des noods met hulp van Pa- 
lembang, Bantam met geweld zou dwingen, om de Engelschen 
en andere mededingende Europeanen buiten den handel te 
sluiten. 

Op het einde van het jaar 1616, was Goen dus nog van 
oordeel, dat het middenpunt van Neérlands handel en gezag in 
Indie te Malakka moest worden gezocht. Opmerkelijk is het nu , 
waar te nemen, hoe hij ten slotte tot een geheel ander besluit 
is gekomen en hoe Neérlands gezag op Java is gevestigd, door 
een zamenloop van allerlei, schijnbaar minder gewigtige ge- 
beurtenissen. Langzamerhand was de weinig belangrijke faktorij 
der Nederlanders te Jakatra aangegroeid. Eerst in 1616, toen 
er vrees bestond voor een aanval der Spanjaarden en Portugezen 
onder da Silva op Bantam, had Goen meer volk en veel kost- 
bare waren van Bantam naar Jakatra overgebragt. 

1 Coen aan de Bewindhebbers, 10 Ootober en tl I>ecember 1616. 



XUII 

Rondom de fektorij was eene heining geslagen en door eene 
gift van 200 realen had men van den regent verlof verkregen , 
tot het bouwen van eenen steenen gêdong of pakhuis, met 
bovenwoning en gaanderij , zoodat het geheel eenigzins ge- 
schikt was om er zich des noods in te verdedigen. ^ Op 
het einde van 1616 en in den aanvang van 1617 kreeg 
de faktorij ten gevolge van de twisten met de Engelschen en 
met den rijksbestierder nog weder op nieuw u^breiding. Ein- 
delijk op den 8*" December 1617 besloot de Gouverneur-Generaal 
Reael in rade van Indie, toen hij op het punt stond van naar 
de Mol ukken terug te keeren , dat, om te voldoen aan de herhaalde 
en dringende aanschrijvingen van hetopperbestuur in Nederland, 
de hoek van Ontong-Java, nabij de Versche-rivier zou ge- 
kozen worden tot plaats van een te stichten rendez-vous. De 
uitvoering van dat besluit werd aan Goen opgedragen aan wien , 
tevens de vrijheid gelaten werd, om, zoo hij dat beter achtte, 
daartoe eene andere plaats te kiezen, mits zij «zonder hostiliteit^^ 
van den regent van Jakatra verkregen wierd. 

Doch een nieuw en onverwacht voorval maakte, ondanks de 
besluiten van Reael op 8 December genomen, dat op nieuw 
het aantal der Nederlanders en de stapel hunner koopman- 
schappen, binnen de steenen en omheinde loge te Jakatra ver- 
sterkt en het gewigt dier fektorij bevorderd werd. 

Er was in de jaren 1615 en 1616 te St. Malo in Frankrijk 
eene fransche Oost-Indische Compagnie opgerigt en deze had 
twee schepen naar Indie gezonden, die voor een groot gedeelte 
met Nederlanders waren bemand. Gerard Leroy, Lodewijk 
Heyntsze, Jan Banninck Goeckebacker , Jan Jansz. Moll en zoo 
ik durf vermoeden, ook Lemaire, allen oude bekenden en tegen- 
standers der Nederlandsche Compagnie, hadden in die onderne- 
ming de hand gestoken. Omstreeks het einde van 1617 kwamen 
deze twee fransche schepen, de St. Michel en de St. Louis, ge- 

' De overeenkomst daarover met den regent van Jakatra vindt men in het con- 
tractenboek, R^ks-arch. U, l m gedrukt bij v. der Chijs 11., bladz. 19 en bgl. IV. 



XLIV 

naamd, na een zwerfitogt door de Indische zee, langs Malakka 
en de oostkust van Sumatra, voor de noordwestelijke kust van 
Java aan. Sedert 1606 bestonden er plakkaten door de Staten- 
Generaal der Ver. Nederlanden uitgevaardigd die nog onlangs in 
1616 waren vernieuwd, waarbij het aan Nederlandsche schepelingen 
verboden was, in vreemden dienst naar Oost-Indie te varen. 
De fransche bevelhebber van de St Michel, was op reis over- 
leden en nu was een Nederlander, Hans de Decker genaamd, 
tot aanvoerder der expeditie aangesteld. Hans de Decker en de 
overige Nederlanders in franschen dienst, waren deels door Reael , 
deels door Goen op gezag der plakkaten van de Staten-Generaal 
uit de fransche schepen geligt en in arrest gebragt. Reeds was 
Hans de Decker aan boord van een Nederlandsch retourschip 
gebragt, om naar Nederland te worden vervoerd, toen hij, met 
hulp der Engelschen , daaruit weder wist te ontvlugten en behen- 
dig zich te verbergen in het hof van den Bantamschen rijksbe- 
stierder. Hij ^leef daar eenige dagen verborgen, eer Goen te 
weten kwam waar hij gebleven was. Zoodra Goen echter de 
schuilplaats ontdekt had, liet hij den vlugteling aan den rijks- 
bestierder terug vragen , « op ^t vriendelijkst vertoonende , welke 
u plakkaten er, van de Ho. Mo. HH. Staten-Generaal waren uit- 
gevaardigd ". 

Intusschen meende Goen voldoende bewijzen in handen te 
hebben gekregen , dat de fransche schepen , in de Indische zee 
misbruik hadden gemaakt van de Nederlandsche vlag en met die 
in top , kaperij of zeeroof hadden gepleegd op koopvaardijschepen 
van Soeratte. Goen vreesde teregt, dat daaruit kwade gevolgen 
voor de Nederl. Oost-Ind. Gomp. zouden voortkomen, en nu 
deed hij voorloopig beslag leggen op het schip St. Michel, dat 
hij naar één der eilanden nabij Jakatra liet voeren en onder 
bedwang eener batterij in arrest liet bewaren. Decker van zijn 
kant, gesteund door de Engelschen^ had door aanzienlijke ge- 
schenken den rijksbestierder voor zich gewonnen en deze weigerde 
kortaf den Nederlandsch-franschen vlugteling aan Goen uit te 



XLV 

leveren, « seer spijtig daarbij seggende, dat hij alle natie acces 
«en negotie in sijn land wilde vergunnen, dat het de Nederlan- 
« ders minder te doen was, om roverijen, die de Franschen op 
« naam der Nederlanders hadden gedaan of zouden mogen doen, 
« te voorkomen ; dan wel , om voor zich alleen de negotie te 
« incorporeren ; maar dat de Nederlanders in Bantam niet zouden 
« doen , gelijk zij in de Molukken , Amboina en Banda gedaan 
« hadden. Hij wilde Decker niet loslaten , hij sorteerde niet 
ft onder de jurisdictie van de Ho. Mo. HH. Staten-Generaal '\ 
De rijksbestierder, die gevoelde dat hij ditmaal in zijn regt was 
en dat hij door de Engelschen werd ondersteund, wilde nu ook 
Coen dwingen , tot ontslag van het schip St. Michel , omdat het 
tegen het volkenregt onder de jurisdictie van Bantam was in beslag 
genomen. Om daartoe te geraken koos hij het middel, waarmede 
hij meende, dat hij de Nederlanders het best zou kunnen trefFen. 
Hij verbood hun den uitvoer van peper, ook van die, welke reeds ge- 
kocht was. Coen liet over dit verbod zijne klagten hooren bij de in- 
vloedrijkste grooten van Bantam, welke eene partij tegen den rijksbe- 
stierder vormden, en nam vooral na de aankomst van eene lading 
peper uit Djambi de houding aan, als of hij met al de Nederlanders , 
al het geld en de koopwaren der compagnie, Bantam wilde verlaten. 
Hij verzamelde eenige schepen voor de stad , liet de loge ontruimen , 
alles in de schepen laden en verzocht toen zijn afscheid van 
den rijksbestierder. Deze hield zich in den aanvang als of het 
vertrek der Nederlanders hem onverschillig was; maar toen 
hij zag dat het voorgenomen vertrek ernstig gemeend scheen^ 
werd hij met de zaak verlegen De invloed der grooten, de 
begeerte des konings zelven, de vrees voor nadeel, werkten ge- 
zamenl^k uit, dat de rijksbestierder eindelijk den twist aan 
Coen gewonnen gaf en op nieuw den uitvoer van peper en het 
rustig verblijf te Bantam, aan de Nederlanders veroorloofde. De 
vrede scheen nu* weder, een tijd lang, tusschen de twee partijen 
gesloten; doch de rijksbestierder kon kwalijk verdragen, dat hij 
voor Coen had moeten buigen en door zijne invloed en door 



XL VI 

bemoeijingen van zijne Ghinesche raadslieden volgde er voor de 
Nederlanders een geheele stilstand van handel , tengevolge van 
allerlei nieuwe streken van Chinezen, die intusschen veel peper 
opkochten. Maar Coen liet zijne tegenstanders niet met rust; 
eerst vroeg hij van den rijksbestierder, dat deze hem in de ge- 
legenhad zou stellen van vrij als koopman met koopman te 
handelen, en dat de rijksbestierder hem hulp en regt verlee- 
nen zou tegen de « guiterijen » der Chinezen. Toen die hulp 
hem niet werd verleend en hij de zamenspanning der Chinezen 
onder leiding van den rijksbestierder zag voortduren , liet hij door 
die zamenspanning en de regtsweigering zich tot eene daad van 
onverdedigbare willekeur en misbruik van magt vervoeren. Hij 
gebood op eigen gezag, in de stad van den Bantamschen koning 
zelve, aan de inlandsche schippers, dat zij geen peper van de 
Chinezen zouden koopen, vóór dat de Nederlanders van die spe- 
cerij waren voorzien, onder bedreiging, dat, in geval zij zich 
aan dat verbod niet wilden storen , zij zich in zee, voor schade 
hadden te wachten. 

Intusschen was het fransche schip St. Michel door de geheele 
bemanning, ook door de franschen verlaten en werd het eenige 
maanden later door Coen verbeurd verklaard en in dienst der 
Nederl. Oost. Ind. Comp. gebruikt. Het tweede schip de St. 
Louis keerde in 1618, met kleine lading en met een half 
Fransche, half inlandsche bemanning naar St. Malo terug. Van 
den vlugteling Hans de Decker, vernam Coen niets meer, hij 
was vermoedelijk in het geheim op een Ëngelsch schip naar 
Europa vertrokken. ^ 

Gedurende deze twist, welke de hevigste was, van allen die 



* Zie hierachter n°. XXII. Uit het arrest van den St. Michel z^jn later vele 
moeijeUjkheden tusschen de Nederl. en Fransche roering ontstaan , die eindelijk zijn 
opgelost, door het sloiten van eene acte van accoord, op den 20 October 1623 tusschen 
den Franschen gezant te 'sGravenhage en gevobnagtigden van de Staten-Generaal. 
De Oost Ind. Comp. verbond zich daarbij tot eene schadevergoeding aan de Comp. van 
St. Malo, van 550,000 Livres. Het dgenlgke doel, het verijdelen der fransche onder- 
neming was intoBseben bereikt. 



XLTU 



er nog tusschen Goeo en den vijksbestterder waren gerazen, 
liad de faktorij t^ Jakatra goede diensten gedaan en had men 
meer nog dan vroeger, bet gewigt dier nederzetting geleerd 
op prijs te stellen, £r waren daar nu reeds twee hoofcL- 
gebouwen, Nassau en Mauritius genaamd, binnen een pag- 
ger aan de rivier gelegen. Meer dan drie honderd perso- 
nen vonden aldaar reeds hun verblijf, behalve de bemanning 
van a^' en aankomende schepen en de verpleegden in een 
ziekenhuis. Op den 10^ Julij 1618 besloot Goen en zijn 
raad, om nu ook in de loge te Jakatra een klein garnizoen 
van 24 soldaten te leggen , a gemerckt deze plaatse ons aireede 
« voor een provisioneel rendez-vous gediend heeft en dienende 
«is.» Het wantrouwen van Goen tegen de Engelschen schijnt 
ook veel tot dit laatste besluit te hebben bijgedragen. Zoowel 
te Bantam als te Jakatra , waren eenigen tijd de Ëngelscbe loges 
niet alleen de veilige wijkplaatsen van ieder, die aan de magt 
of het gezag der Nederlanders wilde ontloopen, zij waren ook 
de werf kantoren , waar Nederlandsche soldaten, matrozen en 
dienaren van minderen rang door hooge handgelden en schoone 
beloften werden geronseld. Zeker Ëngelsch opperkoopman, George 
Ball werd als de groote drijver van. dat werk aangezien, terwijl 
een ander Engelschman, Nicholas Uflelet, opperhoofd der Ëngel- 
scbe loge te Jakatra^ als den aanlegger werd beschouwd van 
eene zamenzweripg onder de inlanders, welke ten doel had, 
Goen en al de Nederlanders te vermoorden en de loge te Ja- 
katra af te loopen. Goen liet dan ook een plakkaat afkondigen, 
waarbij het aan de Nederlanders .en aan allen, in dienst der 
Nederl. Gompagnie, verboden werd binnen de huizen der En- 
gelschen te gaan of met Engelschen in Ghineesche speel- en 
drinkkitt^n te zamen te komen. 

Inmiddels had Goen , ten einde uitvoering te geven aan het 
besluit van den opperlandyoogd Reael, van den 10^^ December 
1617^ aan den regent van Jakatra, onder aanbieding eener aan- 
z^ieqiyke som gelds^ verlof verzocht tot bet stichten op zijn 



XLVIII 



grondgebied van een voorloopig rendez-vous. Sedert dat aanbod 
en die vraag waren gedaan, had de regent zich veel meer dan 
vroeger teruggetrokken; maar Goen had toch nog veel hoop 
behouden, dat hij langs den weg van onderhandeling, die zaak 
tot een goed einde brengen zou; het was eene zaak die slechts 
tijd en geld vereischte, of zoo als Goen zich uitdrukte, azif 
« stond tusschen het loven en bieden. » Hij had er echter sedert 
niet aoo hard meer op aangedrongen; want de verstandhouding 
met den rijksbestierder van Bantam had na dien tijd weder 
eene, veel meer gunstige, wending genomen. In den loop van 
het jaar 1618 was er tusschen de Engelschen en den rijksbe- 
stierder, naar het scheen, groote tweedragt ontstaan en de Pan- 
gératn gaf blijken van zich naauwer dan ooit te voren aan de 
Nederl. Gomp. te willen aansluiten. Er bestond zelfe uitzigt, dat 
er met den rijksbestierder eindelijk een goed en voordeelig con- 
tract zou worden gesloten^ waarbij billijke toltarieven zouden 
worden vastgesteld en zelfs de Engelschen uit den handel zouden 
worden gesloten. De raad van Indie , Arend Maertensz. was met 
de onderhandeling over zulk een verbond te Bantam belast en 
er werden reeds geschenken met den koning en den rijksbe- 
bestierder van Bantam gewisseld. De vriendschapsbetuigingen 
schenen zoo goed gemeend, dat men, zooals Goen schreef, «bij* 
« kans den duyvel daarmee bedrogen zou hebben , » toen plotse- 
ling en snel achter elkander, gewigtige gebeurtenissen op Java 
plaats grepen, waaruit Goen meende duidelijk te kunen afleiden, 
dat er tusschen de voornaamste vorsten en regenten van Java 
eene zamenzwering was gesmeed, ten einde de stichting van 
een algemeen rendez-vous der Nederlanders op Java , door een 
algemeenen moord te voorkomen. 

Op den 19*" Augustus 1618 ontving Goen, geheel onverwacht, 
de tijding, dat op 8 Augustus het Nederlandsche kantoor te 
Japara door den regent aldaar, op last van den Panembahan van 
Mataram, was afgeloopen , de goederen geroofd , drie. Neder- 
landers gedood, anderen gekwetst en de overigen, als gevan- 



xhix 

genen naar het land van den Panembahan waren vervoerd. ^ 
Deze tijding kwam des te meer onverwacht, omdat Coen in 
deo waan verkeerde , dat de Nederlanders in de beste verstand 
houding waren met den Panembahan, op wien hij reeds het 
oog geslagen had, om zoo noodig, Bantam in bedwang te hou- 
den. Nog nooit had de Panembahan dan ook , eenig vijandelijk 
voornemen getoond, wel hadden de Nederlanders sedert eenigen 
tijd geen rijst meer te Japara kunnen verkrijgen; maar vijand- 
schap hadden zij niet vermoed. De Gouverneur-Generaal Reaei 
had op zijn terugtogt naar de Molukken, in de maand Junij, 
den koopman Comelis van Maseyck met geschenken naar den 
Panembahan gezonden om weder vrijen uitvoer van rijst te 
verkrijgen en die afgevaardigde had, *zoo hij meende, naat* 
wensch zijn last volbragt; hij was tot nabij Karta gekomen, 
had déér wel den Panembahan zelf hiet gesproken; maar toch 
een zijner hoogste staatsdienaren, die hem welwillend had beje- 
gend en hem verlof tot aankoop en uitvoer van rijst had ver- 
leend. ^ Doch naauwelijks was Maseyck te Japara teruggekeerd 
of het werd duidelijk, dat de vriendschapsbetuigingen te Rarta 
ontvangen, geveinsd waren geweest; want de loge te Japara 
werd afgeloopen. Coen kreeg. dit berigt op den 19" Augustus 
en den volgenden dag , den 20"" Augustus , scheen er nu ook 
eene verraderlijke aanslag op de loge te Jakatra te zijn gesmeed , 
die echter door het beleid en de tegenwoordigheid van geest 
van Coen en de Garpentier werd verijdeld. Er was dadelijk 
reeds, nadat de Nederlanders zich te Jakatra hadden gevestigd, 
groote nagver tusschen Bantam en Jakatra ontstaan, die zóó 
hoog dreigde te loopen, dat er bijna oorlog tusschen den leen- 
heer te Bantam en zijn leenman te Jakatra uit was ontstaan; 
doch in den loop van het jaar 1617 was die verstandhouding 
geheel veranderd; er waren zelfs zeer vriendschappelijke be 



' Zie n^ XXVI hierachter. 

* Zie het yerhaal van dit gesantschap onder d^. XXV 

IV. IV 



trekkingeD tusschen Bantam en Jakatra aangeknoopt. Goen had 
verzuimd een waakzaam oog op die betrekkingen te houden. De 
regent van Jakatra had een bezoek aan den koning van Bantam 
gebragt en hommage aan zijn leenheer gedaan,' de leenheer van 
zijn kant had zijn leenman met een tegenbezoek vereerd. Nu, 
in 1618, was de Bantamsche prins, pangéran Gabang, die 
lang in vijandschap met zijn broeder den rijksbestierder had ge- 
leefd; maar nu ook weder met dezen was verzoend , sedert eenigen 
tijd met 300 volgelingen nabij Jakatra gelegerd, op het eiland 
Poetri, zooals het heette, om te visschen en te jagen in de 
warande van den regent. Coen was al sedert eenigen tijd zeer 
dringend door dien pangéran tot een bezoek op dat eiland uit- 
genoodigd, waarschijnlijk met de geheime bedoeling, zooals Goen 
echter eerst later begreep , om daardoor opspraak onder de ge- 
meente te veroorzaken. Er liep namelijk onder de bevolking van 
Jakatra een gerucht , dat de Nederlanders het eindelijk eens waren 
geworden met den rijksbestierder van Bantam en dat deze twee 
verbonden partijen nu den regent van Jakatra uit zijne waar- 
digheid ontzetten en voor hem in de plaats, den pangéran 
Gabang tot regent van Jakatra wilden verheffen. Nog kort te 
voren zou zulk een gerucht geen ingang hebben gevonden; maar 
sedert er inderdaad toenadering tusscheu den rijksbestierder en 
Goen scheen te bestaan, kreeg het een schijn van waarheid. 
Dit praatje was uit Bantam overgewaaid en rondgestrooid; de 
Engelschen hadden niet verzuimd het op te sieren en te bevestigen. 
De bevolking van Jakatra was , juist zooals men te Bantam 
verlangde, onrustig geworden en had vol wantrouwen tegen de 
Nederlanders zich gewapend, de vrouwen en kinderen vlugtten 
reeds naar het bovenland. Hoewel er viermalen reeds een aan- 
slag tegen zijn leven was ontdekt, bragt Goen niettemin op den 
20 Augustus het verlangde bezoek aan den pangéran Gabang. 
Hij bemerkte wel bij die gelegenheid eene . vreemde gemoeds- 
stemming bij dien inlandschen prins, doch hij bevroedde daarvan 
niet de ware reden. Toen Goen naar de HoUandsche loge 



LI 



.terugkeerde vond hij de geheele mannelijke bevolking van Jakatra 
gewapend op de been. Terstond na het bezoek van Coen viras 
pangéran Gabang naar den regent van Jakatra gegaan en had hij 
den geheelen dag in den dalam doorgebragt. Des avond laat, 
als bet reeds donker was en Coen gereed stond met de bezetting 
der loge bet avondgebed te houden, meldde zich de pangéran 
Gabang, van meer dan SOO man vergezeld aan de poort van 
de Nederlandsche pagger aan, om, zoo als hij zeide, een bezoek 
aan Coen te brengen. Nu kreeg Coen argwaan; om tijd te 
winnen liet hij eerst met het avondgebed yoortgaan en gelastte 
hij intusschen den opperkoopman , de Carpentier , dat hij den 
pangéran met een zoet praatje aan de pocxrt zou ophouden en 
de gaanderij of omloop, welke in den vorm van een torentje 
rondom een der gebouwen liep en waaruit men het geheele erf 
der loge kon bestrijken , door een vijftigtal soldaten met gela- 
den geweren en brandende lonten zou doen bezetten. Nadat de 
pangéran Gabang nu was binnengelaten en hij de voorzorgsmaat- 
regelen, welke er gedomen waren, had bemerkt, vertrok hij 
weder a met een even soo vriendelyck gelaet als hy gecomen 
was». Coen was overtuigd, dat er tusschen den aanslag te Ja- 
para en het voorgenomen , doch verijdelde verraad van den 
pangéran Gabang, verband moest gezocht worden. Nadat hij 
nader berigten had ingewonnen , twijfelde hij er niet meer aan , 
ttdat,» zoo als hij schreef, «bij de coningen van Bantam en 
«Jacatra met toestemming van den Mattaram en alle andere om- 
«liggende grooten is voorgenomen geweest, omme het bouwen 
«van een generaal rendez-vous met een generale moort en he- 
it beroovinge van alles te prevenieren v. 

Dat de pangéran Gabang in overleg m^t den rijksbestierder 
van Bantam, dit voornemen gehad heeft, mag, nu men de ver- 
schillende berigten daarover kent, als vrij zeker worden aange- 
nomen en het verdient de opmerkzaamheid, dat op den avond 
van denzelfden dag, waarop de aanslag verijdeld werd, het ge- 
rucht binnen Bantam algemeen was verspreid, dat Coen met 



LIt 

alle Nederlanders verinoord en de loge te Jakatra vernield was« 
Maar of de ongelukkige regent van Jakaira aan die moorddadige 
zamenzwering een werkzaam deel heeft gehad, zooals Goen voor 
zeker hield, mag op goede gronden worden betwijfeld. Die 
vorst had, wel is waar, van den aanslag kennis gehad; maar 
had die evenmin als sommige zijner groolen, goedgekeurd; doch 
hij was te oud, te afhankelijk en te klein moedig om er zich 
tegen te verzetten. Hij had in de zaak geen andere rol gespeeld 
dan die van een Piiatus, die zijne handen in onschuld wiesch 
en voor het overige de gebeurtenissen in haren loop liet drijven. 
Hij wekte echter het kwaad vermoeden van Goen tegen zich 
zei ven op , door op onhandige wijze, ongevraagd zich te komen 
verontschuldigen. ^ Dat Goen zich overigens vergist kan hebben , 
toen hij verband zag tusschen den aanslag te Japara en dien te 
Jakatra is -mogelijk; doch niet waarschijnlijk. De Nederlanders 
te Japara zullen wel eenige aanleiding tot den moord hebben ge- 
geven; maar die aanleiding strekte waarschijnlijk slechts tot een 
gewenscht voorwendsel; want overal langs de kust van Java , was 
er op dat oogenblik vrees en onrust onder de vorsten en gropten 
ontstaan , sedert Goen , op last van Reael , aan den regent 
van Jakatra verlof had gevraagd tot het stichten van eene ver- 
sterking op zijn grondgebied. Van het eene einde tot het andere 
waren destijds de vorsten en regenten in onbegrijpelijk korten 
tijd onderrigt van alles, wat er met de Nederlanders omgingen 
zij waren vol vrees, dat de westersche indringers zich in forten 
en kasteelen op Java zouden nestelen en dan weldra even als 
in de Molukken, zich als overheerschers zouden gedragen. Die 
vrees getuigt meer van scherpzinnigheid, dan van kortzigtigheid 
bij de Javaansche vorsten, en het is hoogstwaarschijnlijk dat 



> Verklarmg van P. de Carpentier en Cr. van RaembuTgh, en relaas en depositie 
van Dr. de Haan, van diacoorsen van den Sjabandaar en ten hove gehoord en van 
een priester vernomen, dd. 31 Ang. en 12 November 1618, muscript. Rijks-archief. 
Zie verder gedrukte stokken hierachter, n^. XXVII. 



LUI 

zij gezamenlijk eene poging waagden om die gebeurtenis te voor- 
komen. 

De Panembahan van Mataram heeft later, in 162!2, zijn aandeel 
in de zamenzwering wel ontkend, den moord te Japara voorge- 
steld als een op zich zelf staand feit, uitgelokt door het gedrag 
van één der Nederlandsche kooplieden ; maar toen hij die ontkente- 
nis deed, was volvoerd, hetgeen hij in 1618 nog hoopte te verijdelen; 
Jakatra was veroverd, Batavia gesticht en de Nederlanders had- 
den vasten* voet op Java gekregen. In de jaren 1628 en 1629 
leverde de Panembahan daarentegen , door Batavia aan te tasten 
en te belegeren, het bewijs, dat ook hij het Nederlandsch gezag 
van Java begeerde te verwijderen. Coen beoordeelde dus, zoo 
ik meen , met juistheid den stand der zaken , toen hij de over- 
tuiging uitsprak, « dat de koningen en grooten van Java, onderling 
«verbonden, in 1618, gezocht hebben, door een generaale 
« moord het bouwen van een generael rendez-vous te prevenieren.* 

De stelling waarin Coen zich geplaatst zag, was intusschen 
zeer hagchelijk, «sittende met de vijantschap van alle de werelt 
«op den hals, de vijanden meer dan duizend tegen één sterk 
« zijnde. » 

De bewindhebbers in Nederland hadden van het Indisch be- 
stuur verlangd, dat het jaarlijks rijke retourladingen zou over- 
zenden , dat het de M olukken , Amboina en Banda bezet zou 
houden , dat het uit dien Archipel , de Engelschen en alle andere 
vreemdelingen weren zou, dat het de Spanjaarden in Manila 
zou opzoeken en aantasten, dat het handelsbetrekkingen in China 
zou aanknoopen en den handel in geheel Indie van plaats tot 
plaats zou onderhouden, dat het eene vloot naar Arabie en 
Soeratte zou. zenden, dat het den vijand alom alle mogelijke 
afbreuk zou doen , dat het eindelijk , de plaats zou kiezen voor 
een generaal rendez-vous en óéAr een versterkt middenpunt van 
Neérlands handel en gezag zou stichten; maar de middelen 
waarmede al die wijdstrekkende hevelen moesten ten uitvoer 
worden gelegd, zond het opperbestuur uit Nederland niet. Geld, 



LIV 

kruid 9 wapenen, manschappen, schepen, alles ontbrak in Indie, 
of was althans in zoo geringe hoeveelheid voorhanden , dat het 
Indische bestuur zich overal even zwak gevoelde. Goen, te mid- 
den van verraad, vijanden en geveinsde vrienden gezeten, had 
niet meer dan 370 man en een weinig kruid tot zijne beschik- 
king. Hulp van Europeanen had hij niet te verwachten, integcD- 
deel, de Engelschen aasden op zijn val en waren in *t geheim 
de bondgenooten der Javanen; de opperlandvoogd Beael was 
met de beste schepen naar Banda gezeild en kon hem niet bij- 
springen. Een ander zou alligt de belangen van een opperbestuur, 
dat alles verlangde, maar weinig verschafte en zijne dienaren 
verlaten , door vijanden omringd , liet staan , voor eigen veilig* 
beid hebben prijs gegeven , of ten minste ontmoedigd zijn ge- 
worden; maar Goen liet zich noch versaagd noch ontmoedigd 
maken. Juist de algemeene aanval, het gevaar, dat hem van 
alle kanten omringt, brengt hem tot het besluit van te volvoeren , 
wat bij in gewone omstandigheden niet gewaagd zou hebben te 
ondernemen. Het eerste dat hij doet, en dit kenmerkt den 
ambtenaar, is niet zich zei ven of zijne manschappen , maar de 
kassen van de Gompagnie in veiligheid op de schepen brengen. 
Daarna heeft hij voor korten tijd het voornemen om met al de 
goederen, de dienaren en de schepen der Gompagnie naar het 
eiland Onrust de wijk te nemen; maar dat voornemen laat hij 
spoedig varen. 

Hij roept zijn raad bijeen, komt met dezen tot het besluit, 
dat' in den toestand waarin men zich bevindt over regt en rede- 
nen niet meer getwist kan worden , dat indien men niet wil ver- 
trekken, noch zich zonder wederstand wil laten vermoorden, de 
Nederlahdscbe loge te Jakatra, zonder verder verlof aan den 
regent te vragen, in zoodanigen staat van tegenweer moet wor^ 
den gebragt, dat men er zich tegen binnen- en buitenlandsche 
vijanden in staande kan houden. Terstond na dit besluit brengt 
Goen bezetting aan wal, werft matrozen, die op punt waren 
van naar het vaderland terug te keeren, weder aan, bouwt bol- 



LV 

werken^ werpt batterijen op, plant geschut, en neemt eindelijk 
op den 22 October 1618, het, voor de toekomst van Neérlands 
gezag over Java, gewigtig besluit, «een volkomen fort te vol* 
trecken"; ^ Nu reeds wanhoopt hi| niet meer aan de toekomst, 
hem staat, als ware hij een ziener, die toekomst reeds belder 
voor oogen, hij tracht iets van zijn vertrouwen, van zijn geloof, 
mede te deelen aan zijne nalatige meesters; « desespereert niet ^\ 
zoo schreef hij aan de Bewindhebbers , « ontsiet uwe vijanden 
niet, daer is ter wereld niets, dat ons kan hinderen noch dee- 
ren ; want Godt met ons is , trekt de voorgaande misslagen niet 
in consequentie, daar kan in Indie wat groots verricht worden !^^ 

De rijksbestierder van Bantam en de regent van Jakatra 
waren geheel uit het veld geslagen door de wending, welke de 
zaken genomen hadden. Telkens werd Goen bij den regent ont- 
boden ; maar de raad wantrouwde die vriendelijke uitiioodi^ingen 
en besloot, dat Goen zich niet meer in den dalam begeven zou. 
De regent liet nu vragen waarom de Hollanders hem mistrouw- 
den, zij zouden zich toch geheel verlaten op de bescherming, 
die hij hun had toegezegd. Maar Goen liet zich op nieuw ver- 
ontschuldigen en antwoordde, dat hij als opperhoofd zich op 
alle toevallen en ongelukken moest voorbereiden en dat, indien 
de Hollanders, door eigen onbedachtzaamheid, vermoord mogten 
worden, hij, regent, de dooden niet meer zou kunnen helpen. 

De ongelukkige vorst, die het werktuig was in de handen 
der Bantamsche regering, kwam eindelijk zelf binnen de ver- 
sterking der Nederlanders, bezigtigde alles, scheen niets af te 
keuren , dan alleen een steenen bolwerk of kat , welke Goen 
tusschen de twee hoofdgebouwen der loge had doen oprichten 
en waaruit eene batterij de stad Jakatra bestreek. Op eigen 
veiligheid bedacht begon nu ook de regent van zijn kant zijn 
dalam te versterken en de stad met een muur te omringen. 
Schijnbaar bleef echter de verstandhouding tus^'cben Goen en 



> Resol. Coen en zgn raad, Jakatra, dd.. 31 Augustus, 22 en 28 October 1618, 
en n<». XXVII hiei^hter. 



LVI 

den regent vriendschappelijk, de versterking van Jakatra moest 
dienen, zoo vertelde de regent, tegen den Panembahan van ]V£a- 
taram, indien deze naar het westen van Java mogt overkomen. 
Goen ging rustig met zijne werken voort en bragt de woningen 
der ambachtslieden , het ziekenhuis en andere bergplaatsen over, 
naar bet eiland Onrust. Hiertegen verhief nu weder de regering 
van Bantam hare stem en beweerde, dat het eiland Onrast 
tot haar gebied behoorde. Zij liet tevens bedreigingen tegen 
den benarden regent van Jakatra hooren, aan wien zij ver- 
weet, dat hij de voltooijing van de Nederlandsche sterkte niet 
belette. Een Verbod aan allen, Chinezen en Javanen, van niet 
meer voor de Nederlanders te arbeiden volgde nu spoedig, waar- 
door Goen in het afwerken van het fort zeer werd belemmerd. 
Toch wac Goen, op den 12 November 1618 reeds in staat, om 
aan de titstvmdhebbers Vd schrijven , dat « het volk en de goede- 
« ren van de Gomp. tegen alle geweld reeds genoegzaam ver- 
ft zekerd waren in het fort , dat hij maakte , en hiermede zal de 
ff weg zijn gebaand, om tot eene volkomen kolonie te geraken, 
ft Die van Jakatra zullen daardoor ook gedrongen worden tot 
ft vrede, want zoo zij iets anders onderstonden , wij zouden onze 
ft plaatse welhaast zooveel vergrooten , dat gijl. in Indie geen an- 
M der generaal rendez-vous zoudt behoeven ^\ ^ 

Weinige weken later onderstonden niettemin Ëngelschen , 
Bantammers en Jakatranen iets anders, dan den vrede te bewa- 
ren; maar welhaast zou dan ook, hoewel niet dan na een hag- 
cbelijken strijd, de krachtige hand van Jan Pietersz. Goen, uit 
de kleine sterkte, de algemeene hoofdplaats van Neêrlands gezag 
en handel in Indie doen verrijzen. 

Te midden van al de zorgen en gevaren, waarin hij gedu- 
rende de laatste maanden had verkeerd, ontving Goen de tijding, 
dat de Gouverneur-Generaal, Laurens Reael, was teruggeroepen 
en bij zelf, met het gewigtig ambt van algemeen opperlandvoogd , 
door het opperbestuur was bekleed. 

' Zie n'. XXVIII der hierachter gedmkte skikken. 



HOOFDSTUK IL 



Den Gouverneur-Generaal Reael, die, hoewel hij door zijn 
krachtigen en meer voortvarenden Directeur-Generaal eenigermate 
op den achtergrond geschoven is, toch altijd nog de teugels van 
het bestuur in Indie voerde, hebben wij verlaten op het oogen- 
blik, dat* hij naar de Molukken terug keerde, om dddr zijns 
ondanks, de Engelschen te gaan bestrijden. De berigten over 
hetgeen hij in die gewesten heeft verrigt zijn schaars ; doch zoo- 
veel intusschen blijkt er uit, dat hij ddér evenzeer als Coen op 
Java, met allerlei moeijelijkheden had te kampen, die hem te 
zwaarder vielen, naarmate hij uit zijnen aard, meer tot vrede, 
rust en zachte maatregelen geneigd was. Bij zijne aankomst in 
den lirchipel der Molukken, vernam Reael, dat zelfs op het tot 
nu toe zoo getrouwe Ternate, eene zamenzwering tegen de 
Nederlanders, te naauwemood nog vóór de uitbarsting , was ont- 
dekt; dat op x4mboina voortdurend gisting onder de bevolking 
heerschte , dat Loehoe en Gombello , waar zich de Engelsche in- 
vloed het meest deed gevoelen, zelfe in openbaar verzet waren 
gekomen. Op Banda-Neira was het grootste gedeelte der bezet- 
ting door ziekten weggemaaid; op Lonthor brak op nieuw de 
opstand uil. Pogingen, aangewend tot demping dier oproerige 
beweging, waren mislukt. Niettegenstaande te Bantam, bij 
plakkaat het verbod was uitgevaardigd, dat met de specerij- 
eilanden geen handel mogt worden gedreven, waren de Engel- 



LVIII 



schen wederom met twee schepen, de Salomo en de Attendanoe 
in de wateren van Banda verschenen, om den handel met de 
nieuwe Engelsche vestiging op poelo-Run te onderhouden en om 
levensmiddelen en krijgsvoorraad aan de Bandanezen te verschaf- 
fen. Doch ook deze twee Engelsche schepen waran door de 
Nederlanders in beslag genomen. 

Naauwelijks was Reael van Banda en Amboina, op zijne ge- 
wone verblijfplaats Ternate teruggekeerd en had hij daar een 
aanvang gemaakt met' de uitrusting van een smaldeel, dat hij^ 
onder bevel van den kommandeur Adam Westerwolt, naar de 
Philippijnsche eilanden zenden wilde, toen hij de tijding kreeg, 
dat hij door het opperbestuur in Nederland was teruggeroepen 
en de Directeur-Generaal , Jan Pietersz. Coen , in zijne plaats tot 
opperlandvoogd was benoemd. 

Drie maanden nadat Reael tot het gewigtig ambt van Gouver- 
neur-Generaal verkolen was, bad hij aan de Bewindhebbers ter 
kamer van XVII een brief gerigt, ^ waarin bij zich beklaagd 
had ; « dat dit nu reeds de tweede reyse was, dat hij in eene 
a bediening gesteld werd, welke hem niet alleen lastig, maar 
« ook uytermate kostbaar viel , zonder voor de eene of de andere 
« bediening een duyt verbetering van gagie te ontvangen. Hi| 
« vroeg dan ook om zijne verlossing, met des te meer vrijmoe- 
« digheid, omdat er, zoowel in Nederland als in Indie, genoeg 
« menschen te vinden waren, die voor de hooge betrekking van 
M Gouverneur-Generaal geschikt waren '\ Onder die geschikte 
personen had Reael gewezen op Steven van der Hagen , op Haas 
de Haze, den advokaat Dedel en in de eerste plaats op Jan 
Pietersz. Coen, «een persoon van groeten oordeel, neerstich en 
a cloeckmoedig , die ter plaetse leydt , daer de standt van geheel 
« Indie , hem te huis komt ^, Men mag het niettemin in twij- 
fel trekken of de bedoeling van Reael geweest is, dat de be- 
windhebbers zijn verzoek om ontslag, wel zoo geheel ernstig 



Reael aan de HH. XVII, dd. 22 Sept. 1616, uit Malego op Ternate. 



LIX 

zouden opvatten; want aan het einde van zijn brief had hij er 
bij gevoegd: a UEd. gelieve ons oock te gedencken, als veesende 
«een mensche, die van natuyre veranderlijk zijn, want hoewel 
« ik tegenwoordig vastelijck besloten ben , mijn tijd geëxpireerd 
«zijnde, naer het vaderland te vertrecken, zck> zon mij nochtans 
a tijd ende gelegentheid en principalijdL goede verdiensten in het 
«land kunnen houden ^\ 

De vergadering der Zeventien sloeg echter op het slot van 
Reaels brief geen acht; maar greep, naar het schijnt, met beide 
handen, het verzoek om ontslag aan. Zij schreef hem op den 
31 October 1617 terug, eene missive, die wel aanving met de 
woorden : « Eersame , Lieve besundere ; '* maar waarin hem 
verder beleefd; doch vrij droog werd medegedeeld, dat zijn brief 
dd. 22 Sept. 1616 aan de bewindhebbers «wel was behandigd 
«en dat zij daerop na rijpe deliberatie verstaen en goedgevon- 
« den hadden , jn zijne versochte ontslaginge te consenteren/^ 

De kamer van XVII benoemde ter zelfiier tijd, in plaats van 
Reael, den directeur-generaal Jan Pietersz. Goen tot opperland- 
voogd en zij scheen zóó bezorgd, dat Reael, de beleefüe inklee- 
ding van zijn ontslag te veel naar de letter zou opvatten, dat 
zij, in eene geheime missive aan Goen, hare bedoeling duidelijk 
maakte en schreef, dat: «zoo zij den GG. had geconsenteerd 
« om naer huis te mogen overkomen , daarvan de' meeninge niet 
«en is, dat het in des voors. Reaels keuze en optie soude staen 
« om aldaer nog te mogen blijven en sijn verbonden tijd uit te die- 
«nen; maer begeeren wel expresselijck en belasten U diensyolgens 
«nogmaels bij desen , dat gij den voors. Reael, al waer 't, dat 
«hij nog verder in onsen dienst versochte te continueren, met 

9 

« d'eerste schepen sult overseijnden , sonder eenichsins te gedoo- 
« gen , dat hij aldaer langer soude blijven om vele pregnante 
«redenen en consideratien , ons daertoe moverende, die wij niet 
«geraden vinden, hierbij te voegen."' ^ 



* Uitg. miMivoa der UH. XVII , aan Coen , dd. 25 Oct. 1617. 



LX 

De oorzaak van de ontevredenheid der bewindhebbers over 
het bestuur van Reael moet vooreerst gessocht worden in redenen , 
welke met de partijschappen van die dagen in verband stonden. 
Reael toch, was de zwager en kweekeling van Arminius en de 
gunsteling van Oldenbarneveldt geweest; maar de hoofdoorzaak 
was de toegevende y zwakke en kleinmoedige houding, welke 
Reael tegenover de Engelschen had aangenomen. Toen in 1616 
de kapitein Samuel Gastleton met vier Engelsche schepen den 
handel in specerijen op de eilanden der Molukken gedreven had , 
de havens der Spanjaarden en van hunne bondgenooten niet 
alleen had bezocht; maar zelfe wapenen en kruid aan de vijan- 
den van de republiek en van de Compagnie der Vereeuigde 
Nederlanden had verkocht , had Reael dit bijna lijdelijk aan- 
gezien. Heftige verbolgenheid hadden de bewindhebbers reeds 
over die handelwijze aan den Gouverneur-Generaal en den Raad 
van Indie betoond; «wat beteekent het/* hadden zij afgevraagd, 
«dat gijl. de Engelschen voor Tidore hebt toegelaten en hun 
ahet provianderen der Spanjaarden, het halen van nagelen dddr 
a hebt geaccordeerd ; is het politieke consideratie , vreeze voor 
« tweedragt tusschen de kroon van Engeland en de Heeren Staten- 
« Generaal of subtiele arguatien, waarmede gij elkander zoekt 
«wijs te maken, dat men de Engelschen niet onder des vijands 
«forten zou mojgen aantasten en hunlieden beletten, met onsen 
« vijandt te handelen en denselven secours te doen ? . . . . Het is 
«immers den extraordinaris goeden man gespeeld, waerdoorwij 
«beduchten, dat de Gomp. meer schade zal lijden, als door 
.«eenige resolutie, die oyt aldaer genomen mach sijn en meerder 
«als Cl. vorige diensten sullen kunnen recompenseren.** ^ 

De geheele persoonlijkheid van Laurens Reael kon niet in 
den smaak vallen van hen , die toen het opperbestuur der Oost- 
Indische Gom|>agnie in handen hadden. De grondslag waarop 
de Oost-Indische Compagnie rustte, was monopolie, monopolie 
voor de vaart uit Europa naar Indie , monopolie voor den specerij- 

' Missive. Bewindh. aan 6G. en Raden v. Indie, 12 April 1617. 



\ 



X 



LXI 

handel in Indie. Om dat monopolie te handhaven , moesten alle 
mededingers , hetzij Engelschen of andere Europeanen , hetzij 
Boeginezen , Javanen of andere inlanders worden geweerd. Wilde 
uien dat doel bereiken , dan moest men krachtige middelen 
daartoe ook niet ontzien. Maar nu beschouwde Reael het belet- 
ten van den koophandel aan Javanen , Boeginezen en anderQ in- 
landers als onregtmatig en als schadelijk voor de belangen der 
Compagnie. Die zienswijze strekt niet alleen tot eer van zijn 
karakter 9 maar ook tot bewijs van zijn scherpzinnig oordeel, 
ia dit' opzigt stond de meer zachtmoedige Arminiaan , Reael , 
op een veel hooger zedelijk en staatkundig standpunt dan de 
scherphoekige Gomaristen, de bewindhebbers, zijne meesters, 
dan Jan Pietersz. Coen, zijn opvolger, die, om het monopolie 
der Compagnie te bewaren y zelfs voor eene geheele ontvolking 
der Banda-eilanden niet zijn teruggedeinst en eigen naam en 
dien der Nederlandsche natie , in dft gedeelte van den Archipel , 
met eene schier onuitwischbare bloedvlek hebben beklad. 

Als men nu echter Reael verder volgt in zijne handelingen 
en nagaat hoe zwak hij zijne eigene overtuiging handhaafde , hoe 
hij handelde, zwak ter linker- en zwak ter regterzijde, dan 
verliest hij het hooge standpunt, dat hij gekozen had; dan zien 
wij hem middelen aanwenden om het doel, dat hij misprijst, 
te bereiken; maar juist omdat hij gevoelt, dat hij tegen zijne 
overtuiging . handelt , wendt hij die middelen ten halve aan , 
hinkt hij op twee gedachten. Door hongersnood dwingt Reael 
de bevolking der Banda-eilanden tot bet bezweren van uitslui- 
tende contracten, waarvan hij zelf de eerste, zegt, dat er in 
beloofd wordt, wat niet gehouden kan worden, en als hij dan 
tot handhaving dier bezworen contracten geroepen wordt, dan 
deinst hij terug voor krachtige maatregelen. 

De staatkunde is zelden het werk der heiligen, wel het aller- 
minst de staatkunde van krijgvoerende en veroverende koop- 
lieden; maar waarom dan zulke meesters gediend, waarom geen 
ontslag gevraagd, niet op grond, zooals hij deed, van te karige 



/ 



/ 



/ 



ig, maar omdat bij niet langer zijne overtuiging wil 
in. Indien men desniettemin Reael tot handelingen 
ziet overgaan, die den toets van het regt, naar zijn oordeel, niet 
konden doorstaan, verdient hij dan niet met de vraag te worden 
ontvangen: «Que diable! allais-tu faire dans oette* galère^^p 
De houding, welke Reael bovendien tegenover de j^ngelschen 
aannam, men moet het met de bewindhebbers erkennen, rustte 
geheel op «eene 'dwaling. De verpligtingen van onzijdigen 
tegenover oorlogvoerende mogendheden, werden door de Engel- 
schen ten eenemale miskend en geschonden, als zij hulp en 
bijstand leverden aan de vijanden van de Nederl. Compagnie 
en van den Nederlandschen Staat, of als zij de Bandanezen en 
andere bewoners der Molukken tot opstand tegen de Nederlan- 
ders aanhitsten en hun daartoe de wapens verschaften. Nu kon 
Reael, die bovenal een regtsgeleerde was en er behagen in 
schiep, om in zijn raad fan Indie, de zaken uit allerlei oog- 
punten te beschouwen , wel een tal van staatsregtelijke vraag- 
punten opwerpen; maar daarmede kon hij bezwaarlijk het regt 
en het gezag der Compagnie handhaven, en indien de Oost-Ind. 
Comp. vele zoodanige ambtenaren had gehad ^ dan zou het niet 
lang hebben geduurd, of alle Nederlanders waren uit Üost-Indie 
verdreven. 

Tegenovei' de Engelsche mededingers had Coen, het in die 
dagen juiste, eenig mogelijke standpunt gekozen; want de Britten 
hadden geen ander of beter doel en stelsel , dan de Nederlanders. 
Ook zij wilden , voor zich zelven , den specerij*handel veroveren , 
zij begeerden niets anders, dan in plaats van een Nederlandsch , 
een Engelsch monopolie in het leven te roepen; hun ont- 
braken slechts die middelen , die ondersteuning van hunne eigene 
regering, veelal ook die bekwaamheid^ welke de Nederlanders 
destijds bezaten, om met geweld den alléenhandel en de heer- 
schappij in Indie, te verwerven en te handhaven tegenover den 

• 

inlander . en tegenover alle overige Europeanen. Door Jan 
Pietersz. Coen is dat plan der Engelschen verijdeld, door hem 



Lxni 

is bet gezag ea de handel van Nederland in Indie tegen de 
aanslagen der Engelscben mannelijk verdedigd. Opmerkelijk 
is daarvan de bekentenis, al komt die bekentenis wat laat, van 
een Engelscbman, geen vriend der Nederlanders , van Sir Jobn 
Grawfurd , als hij schrijft : « had tbey (de Engelscben) themselves 
«been succesful, withont a doubt, tbey would have treated him 
«(Goen) and bis countrymen in the same manner." ^ 

De Gouverneur-Generaal Goen kreeg dan ook bij zijne be- 
Doeming op nieuw dringende bevelen van bet opperbestuur , om 
alle vreemden uit den specerij-archipel, te verwijderen, den toe- 
voer van wa{)enen en levensmiddelen aan de Spanjaarden en 
Portugezen, hunne adherenten en bondgenooten te beletten en 
het opkoopen van specerijen van de vijanden der Nederlandsche 
Gompagnie, zoowel als van hare vrienden, waarmede zij uit- 
sluitende contracten had gemaakt, krachtdadig tegen te gaan. 
Coen was de met juistheid gekozen man, om zoodanige voor- 
schriften ten uitvoer -te leggen. Met het zwaard zonder genade 
vervolgde hij de Engelscben van stap tot stap, verlamde in het 
einde al hunne bewegingen in den archipel, zonder zich veel 
te bekommeren over de moeijelijkheden , welke daaruit konden 
voortspruiten en die hij door de diplomatie in Europa, zoo 
goed of zoo kwaad als dat gaan wilde , liet ontwarren. 

De vergadering der Zeventien Bewindhebbers, had reeds op 
den 22 Augustus van het jaar 1617 eene nieuwe ordonnantie 
en instructie voor Jan Pietersz. Coen, als Gouverneur-Generaal, 
ontworpen ; doch dit stuk was eerst in November daaropvol- 
gende, door de Staten-Generaal en prins Maurits bekrachtigd. . 

In de maand Junij van 1618 kreeg Coen kennis van zijne 
benoeming; maar hy besloot den titel van directeur-generaal te 
blijven voeren, tot dat Reael, die op Ternate was, zijne betrek- 

' Sir John Crawford, A descriptive dictioiiary of ihe Indiaa Islands, in voce 
Coen. De Eng. Comp. was bezield met dienzelfden geest van nitsluiting, gebruikte 
tegen eigen laadgenooten en alle andere interlopers dezelfde middelen als de Nedérl. 
Comp. ; dit blijkt telkens uit de brieven en besluiten der Ëngelsehen ; zie Calendar of 
state papers, colonial series, 1513 — 1616, passim, en hierachter Uadz. 133. 



LXIV 

king zou hebben nedergelegd , «opdat het niet sch\jnen zou, alsof 
«er twee hoofden in Indie waren». ^ 

Behalve de algemeene instructie voor Gouverneur-Generaal en 
raden hadden de bewindhebbers nog een grooten bundel tnemo- 
rien en voorschriften , betreffende het bestuur, den handel en 
andere gewigtige onderwerpen aan Goen toegezonden. 

Omtrent het bestuur in Indie gaven de Bewindhebbers, bi| 
gesloten brieven bevel , dat , in geval Jan Pietersz. Goen vóór of 
tijdens hij de betrekking van Gouverneur-Generaal bekleedde, 
mogt overlijden , Steven van der Hagen in de eerste plaats en 
na dezen , Hans de Haze hem in de opperlandvoogdij zou op- 
volgen. Na de verkiezing van Reael wilden de Bewindhebbers 
naar het schijnt , vooreerst de keuze van een Gouverneur-Generaal 
niet meer aan den raad van Indie overlaten. De raad van Indie 
zelf, moest worden hervormd en tot een getal van negen leden 
worden versterkt, waarvan dé eerste raad een bekwaam koop- 
man, de tweede een ervaren zeeman, de derde een beproefd 
krijgsoverste , de vierde een schrander regisgeleerde zijn moest. 
De vijf overige plaatsen moesten worden vervuld, door den 
directeur-generaal van alle de kantonsn in Indie en door de 
vice-gouverneurs der Molukken, van de kantoren op de kust 
van Koromandel, van Amboina en Banda. 

De vier eerste leden van het coUegie moesten voortdurend 
den Gouverneur-Generaal vergezellen en met hem in rade be- 
raadslagen en besluiten. Een hoogst gewigtig vraagstuk van 
die dagen, waarover de bewindhebbers voorschriften aan hunnen 
nieuwen Gouverneur-Generaal te geven hadden , was de keuze van 
den hoofdzetel van ^s Compagnies handel en bestuur, het alge- 
meene reüdez-vous. Wij hebben reeds opgemerkt, hoeveel wei- 
feling en besluiteloosheid over dit punt, bij het opperbestuur be- 
stond. Onder de Bewindhebbers waren er wel eenigen, die meer 



^ Het damde tot Maart 1619, eer Go«a den titel van Goaveneor-Geaeraal 
aamiain. 



LXV 

bepaald het oog hadden gevestigd op Johor , Banka^ poelo 
Sebessie, nabij de kust der Lampongs, vooral de uithoek On 
tODg Java, tusschen Bantam en Jakatra, was in aanmerking ge- 
komen; maar de stichting van een algemeen rende/.-vous op een 
sterk bevolkt eiland, oordeelden de bewindhebbers «eene zaak 
van grooten bedencken en peryckel». Zij durfden zelfs in de 
algemeene instructie voor Gouverneur Generaal en raden geen 
bepaalde plaats aanwijzen, zij stelden in dat stuk slechts eenige 
voorwaarden, waarop bij die keuze gelet moest worden. Die 
voorwaarden bestonden hoo&lzakelijk daarin, dat de plaats eene 
goede reede voor aankomende en vertrekkende schepen moest 
aanbieden, zonder dat zij aan den loop der moessons was onder- 
worpen; dat zij goed gelegen moest zijn voor de vaart en den 
handel der Chinezen; dat er versch water, hout en andere be- 
noodigdbeden voor de schepen te verkiijgen waren; inzonderheid 
moest de plaats zóó gekozen worden, dat men door die keuze 
niet in oorlog met Bantam geraakte, opdat de Engelschen zich 
niet van den handel aldaar zouden meester maken. Mededinging 
van vreemden was ook nu vveder hel schrikbeeld der bewind- 
liebbers, bij wie de moedige gedachte van Coen niet oprees, 
om door kracht Bantammers en Engelschen in vrede te houden. 
De stad Bantam beschouwden de bewmdhebbers nog altijd als 
den meest géschikten zetel van het Nederlandsch-Indische bestuur; 
«hoewel wij U'* zoo schreven zij aan Coen, «evenmin als 
«vorige Gouverneurs aan eenige bepaalde plaats kunnen, noch 
«willen binden, zoo meenen wtj toch, dat uw persoon ons 
«nergens beter dienst kan doen, dan in Bantam of daaromtrent 
«en dat alle andere plaatsen, beter dan deze, door brieven of 
«speciale gecommitteerden bij uwe directie bestuurd kunnen 
«worden/^' ^• 

Toen al deze voorschriften en beschouwingen van het opper- 
bestuar aan Coen ter hand kwamen, was door den loop der 
gebeurtenissen, de keuze van een algemeen rendez-vous, feitelijk 

« De HH. XVII aan Coen , 26 Oct. 1617. 

IV. V 



LXVI 

reeds beslist en was er te Jakatra reeds een Nederlandsch fort 
en voorloopig rendez-vous aangelegd. 

Was er weifeling en besluiteloosheid bij de bewindhebbers 
omtrent de beantwoording van de vraag: wéér bet niiddenpunt 
van Neérland^s gezag en handel in Indie moest worden geves- 
tigd, zeer stellig waren daarentegen de bevelen, welke zij aan 
Goen gaven omtrent de gedragslijn , welke hij volgen moest tegen- 
over de Engelschen, die toen weder in Europa op nieuw bezig waren , 
met het uitrusten van eene vloot naar Indie. Den handel der 
Engelschen moest hij bovenal tegengaan en hun beletten « voet 
aan land'^ te krijgen op één der eilanden van den specerij- 
archipel. Van Amboina, vooral van Banda en poelo-Run, moest 
hij zich geheel meester maken en de «peuplatie^^ dier weinig 
bevolkte landen, door Chinezen en « vrijluijden *^ werd hem 
krachtig aanbevolen. Dit laatste voorschrift stond in verband 
met reeds lang bestaande, maar nog altijd met veel weifeling 
uitgevoerde plannen, om in navolging der Portugezen, een 
Europeesch element, eene soort van Nederiandsche volkplanting 
in Oost-Indie in het leven te roepen. Het denkbeeld om kolo- 
niën, gevormd door Nederlandsche zeelieden, soldaten en han- 
delaars, in Indie te planten, was bijna te gelijkertijd, als de 
algemeene Oost-Indische Compagnie ontstaan. Het zenden van 
huisgezinnen, hetzij naar het eiland Mauritius, 'hetzij naar 
Amboina, was reeds in de jaren 1604, 1606 en 1609 bij her- 
haling een punt van beraadslaging geweest in de vergadering 
der Zeventien. Eindelijk had men in 1609, in Nederland be- 
sloten tot de uitzending naar Indie, van een vijf en twintigtal 
kolonisten met vrouwen en kinderen. In het jaar 1611 plaatste 
de Gouverneur-Generaal Both die huisgezinnen , voor het grootste 
gedeelte op het eiland Amboina en vergunde aan deze volk- 
planters het drijven van een beperkten handel. In 1611 werd 
de uitzending van huisgezinnen op nieuw door de bewindheb- 
bers in overweging genomen en in 1613 door hen besloten , 
dat de Gouverneur- Generaal in rade^ de bevoegdheid hebben 



txvit 

zou van aan getrouwde lieden , die hunnen diensttijd bij de 
Compagnie behoorlijk hadden volbragt, toe te staan het drijven 
van handel voor eigen rekening, in zekere bepaalde koopwaren 
binnen de grenzen van den oostelijken Archipel. Op deze wijze 
dachten de bewindhebbers het vraagstuk in Indie te kunnen^ 
oplossen , van een handel te doen ontstaan ^ die vrij zou zijn ; 
maar tevens «gelimiteerd/* De naam wijst reeds genoegzaam 
aan, wat daarvan te verwachten zou zijn. Zooals uit de be- 
palingen van de ordonnantie en instructie voor den Gouverneur- 
Generaal e^ de Raden van Indie , dd. 22 Aug. 1617, blijkt, 
verstond het opperbestuur onder vrijen gelimiteerden handel ^ 
een handel, welke door dienaren van de Compagnie, na afloop 
van hunnen verbonden tijd, in den Archipel der specerijen, 
voor < eigen rekening zou worden gedreven,* uitsluitend in rijst ^ 
sagoe, olie, hout, zout, vee en katoenen kleedjes-, mits dit 
laatste artikel dan nog door de Compagnie hun geleverd wierd. 
Deze zoogenaamde vrijburgers werden bovendien aan vele an- 
dere bepalingen onderworpen. Zij waren verpligt hunne vaste 
woonplaats te kiezen binnen Maleyo op Ternate of in de 
vallei achter het kasteel van Amboina, of op aangewezen plaat- 
sen op de eilanden Neyra, Ay of daaromtrent. Zij mogten 
geen huwelijk aangaan met inlandsche vrouwen, zonder ver- 
gunning van de plaatselijke overheid der Compagnie en dan 
nog alleen, indien die vrouwen te gelijker tijd tot het christendom 
overgingen. Zij mogten hunne slaven aan onchristenen niet 
verkoopen; in tijden van nood en van oorlog moesten zij in 
dienst der Compagnie, te water of te land, ten strijde trekken; 
zij waren natuurlijk onderworpen aan de civiele en criminele 
justitie van het Nederl. Indische bestuur of van bijzondere 
regters daartoe door de Compagnie aangesteld. Den handel op 
de vaste kust van Azië , op Japan , de Philippijnsche eilanden , 
Java, Bomeo, Celebes en alle daaromtrent gelegen plaatsen was 
hun streng verboden. Daarentegen had de Gouverneur-Generaal 
in rade de bevoegdheid, van aan gehuwde vrijhandelaars «uit 



txvni 

ff deeling te doen van eenige kokosboomen , als ook van eenig 
« gedeelte in de geconquesteerde landen , onj die ten hunnen 
« behoeve te cultiveren , te bebouwen en vruchten daarvan te 
« genieten." ^ 

Het denkbeeld om zoodanige volkplantingen van vrijBurgers 
te stichten , heeft zich meer uitgebreid ontwikkeld , nadat Banda 
veroverd en Batavia gesticht was; van dien tijd af was dit één 
der meest geliefdkoosde plannen van Goen , dat hij door Chi- 
nezen, slaven en Nederlandsche huisgezinnen hoopte te verwe- 
zenlijken ; doch waarin hij door het opperbestuur in Neder- 
land slechts flaauw werd ondersteund ^. 

Doch wij mogen niet langer stilstaan bij de voorschriften, 
welke Goen bij zijne benoeming tot Gouverneur-Generaal, van 
het opperbestuur ontving; wij moeten terug keeren tot het ver- 
haal der gebeurtenissen op Java, alwaar de oorlog tusschen de 
Nederlanders aan de ééne zijde en de Javanen en Ëngelschen 
aan de andere, was uitgebroken. Ten einde aanleiding en oor- 
zaak van dien oorlog te begrijpen, moeten wij vooraf voor een 
oogenblik onze aandacht wijden aan de betrekking, waarin de 
Nederlandsche en Engelsche, Gompagnien destijds tot elkander 
stonden. 

De Engelsche Oost-Indische Gompagnie had zich reeds in 1611 
tot den koning Jakobus gewend, met klagten en bezwaarschrif- 
ten, over de tegenwerking en de mededinging, welke hare 
scheepsoverhedeo en handelaars , met name de kapiteins M iddleton 
en Keeling, van de Nederlanders in den archipel der Molukken 
en van Banda, hadden ondervonden. Het mag betwijfeld wor- 
den of de Engelsche Gompagnie toen reeds geldige redenen voor 
die klagten kon aanvoeren , vooral indien men zich herinnert 



^ Men raadplege over de eerste koloniBatie-plannen : o. a. Resol. HH. XYII» 
Sept. 1604, Febr. 1606, Sept. 1609, 18 Aug. 1612, Febr. 1613. Eesol. Gouv.Gea. 
en Rade t. Indie. 11 Febr. en 11 Maart 1611 , 5 Jiu4j en 16 Julij 1615. Algem. 
Ordonn. en Instr. voor 6G. en R. 22 Ang. 1617, art. 56 sq. Opkomst van het 
Ned. gez. in Indie. Deel III, bladz. 390. 

* Zie hierover verder. Hoofdstak I\' hierachter, in fine. 



LXIX 



de dubbelzinnige rol, welke die Fingelsche scheepsbevelhebbers 
op Banda badden gespeeld ^ vóór en na den moord door de 
Bandanezen op den Nederlandschen admiraal VerhoefiF gepleegd. ^ 
De kracbt der eerste bezwaarschiften der Engelschen wordt nog 
meer ontzenuwd, wanneer men in die geschriften de grofste on- 
waarheden aantreft. Het meest onbeschaamde verdichtsel daarin 
was zeker wel de bewering, dat de Nederlanders alléén door 
hulp van Engelsche stuurlieden, den weg naar Indie hadden 
gevonden. 

Koning Jakobus liet niettemin die bezwaarschriften ,.door zijnen 
gezant te ^sHage, Sir Ralph Winwood, aan de Staten- Generaal 
overbrengen. ^ De Nederlandsche regering verzocht aan den 
Engelschen gezant, dat hij de bezwaren der Engelsche Oost- 
Indische Compagnie meer door bijzonderheden en feiten zou 
staven; doch Winwood antwoordde hierop aanvankelijk, dat de 
koning, zijn meester, niet aandrong op schadevergoeding; maar 
hem slechts gelast had, om eene vriendelijke bejegening eneene 
a vrije traflEque '^ , voor zijne onderdanen in Indie van de Staten- 
Generaal te verzoeken. Het antwoord op deze nota, werd nu 
evenzeer in zeer algemeene uitdrukkingen gesteld. De algemeene 
Staten verwezen den Engelschen gezant naar het monopolie bij 
octrooi aan de Nederlandsche Compagnie verleend , als bescherm- 
middel voor de Indische vaart, tegen vijanden en mededingende 
vrienden, zij bragten daarbij in herinneringhet bloed, dat er ver- 
goten was en de groote kosten, welke de Nederlanders zich 
hadden getroost, om forten en vaste plaatsen in de Mol ukken 
tegenover Spanjaard en Portugees, voor zich zei ven te verkrijgen. 
De onjuiste voorstelling van zaken door de Engelsche Compag- 
nie, bleef daarbg evenmin zonder wederlegging. Er werden 
bovendien nog vele stukken aan de Engelsche regering overge- 



* Zie: Opkomst tw het Nederl. gezag in Oost-Indie, Deel III, bladz. 59, 94, 
108 en hierboyen blz. XXIII. 

* Calendar of State-papers, Colonial series, n9. 591. Resol. St. Generl. , 1 
Febr. 1612. 



LXX 



legd, waarin de opkomst en ontwikkeling van de Nederlandsehe 
vaart op Indie en de regten, welke de Nederlandsehe Compag- 
nie daarop meende te hebben , werden uitéén gezet. Sir Winwood 
schreef daarbij aan zijnen koning, dat er in Nederland vele lie- 
den gevonden werden, die van gevoelen waren, dat het beste 
middel om de Spanjaarden en Portugezen te overmeesteren , zou 
bestaan in eene vereeniging der Engelsche en Nederlandsehe 
krachten in Indie. ^ Toen echter noch koning Jacobus, noch 
de Engelsche Compagnie genoegen nam met deze ophelderin- 
gen en vertoogen besloten de beide compagnien , na overleg met de 
regeringen wederzijds, tot het doen bijeenkomen in conferentie van 
gecomitteerden der twee partijen. Nadat de Engelsche Compagnie 
zich ongenegen had getoond om den eersten stap te doen, vaar- 
digde de Nederlandsehe Compagnie hare gemagtigden naar Engeland 
af. Tot die zending werden verkozen de heeren Pauw , Boreel , 
Meerman en de advokaat-fiskaal van Holland, Hugo Grotius. 
Deze vertrokken in de maand Maart 1615, voorzien van brieven 
van credentie en voorschrijven van de Staten-Generaal en in- 
structien van de bewindhebbers, naar London, alwaar zij op 
den 6^^ April gehoor bij den koning verkregen en de conferen- 
tien met de afgevaardigden der Engelsche Compagnie op den 
l^dea ^pril een aanvang namen. De hoofdpersoon in deze bijeen- 
komsten, was van de zijde der Nederlanders, de advokaat-fiskaal 
Hugo de Groot, wiens naauwe betrekking tot de Oost-Indische 
Compagnie ook hier weder helder aan den dag komt. Van 
zijne hand bezit het Rijks-archief een verbaal dezer zending, 
waarin hij telkens als de pen- en woordvoerder voor de belan- 
gen der Nederlandsehe Oost-Indische Compagnie optreedt. De 
instructien der Nederlandsehe gecommitteerden schreven hun 
voor, om » vooreerst ^ aan den koning, de Engelsche Oost-Ind. 
Comp. en andere luyden, daer 't van noode sal sijn'", te doen 



> Resol. Staten Oenerl. 2 Febr. 15 Maart 1612. Depèche-boek , ËngeLand 1602- 
1614 , bladz. 540 seq. Calendar of state papers. Col. jseries 606. 



LXXI 



een verbaal, van de wijze waarop, de Oost-Indische vaart in 
Nederland was ontstaan, hoe deze, vreedzaam was aangevangen; 
maar allengs door de aanvallen der Portugezen en Spanjaarden 
was ontaard in een handel, gesteund en gehandhaafd door de 
wapenen; hoe de Nederlanders op dien weg voortgaande tot be- 
veiliging van zich zelven en tot bescherming van hunne vrien- 
den en bondgenooten in Indie, sterkten en fbrtressen op de Span- 
jaarden en Portugezen hadden moeten veroveren , nieuwe sterkten 
daarbij moeten opbouwen, en nu alleen met de wapenen den 
handel konden handhaven tegenover de Spanjaarden en Portu- 
gezen, die zoodra zij geen vijandelijke Europesche magt tegen- 
over zich zouden zien, dadelijk door geweld den handel met 
andere Europeanen aan de inboorlingen, zouden beletten. Maar 
deze wijze van handel drijven had aan de Nederlanders veel 
geld en bloed gekost en kostte dat nog dagelijks meer. 

Tusschen die strijdende partijen waren nu de Engelschen in 
Indie verschenen , om een zoogenaamden yreedzamen handel te 
drijven, waarmede zij niet alleen de vruchten wilden plukken 
van den arbeid en de moeite der Nederlanders ; maar waarbij zij 
ook tevens groote schade en groot onregt aan de Nederlanders 
deden, door ammunitie van oorlog aan Spanjaarden , Tidorezen 
en Bandanezen te verkoopen. 

De Nederlandsche Oost Ind. Comp. had zich geen beter advo- 
kaat kunnen kiezen dan Hugo Grotius, om deze sustenu, welke 
hij gedeeltelijk reeds tegenover de Spanjaarden in zijnen commen- 
tarius de jure praedae bad bepleit, nu tegenover de Engelschen 
te verdedigen. Hij deed dit dan ook met kracht en liet niet 
na , de Engelschen er op te wijzen , als op het « principaelste 
poinct», dat indien een deel der vruchten van de specerij-eilan- 
den aan de Nederlanders niogt worden onttrokken, zoodat zij 
de kosten voor uitrusting van schepen, voor garnizoenen, vestin- 
gen en krijg voeren daaruit niet meer konden bestrijden, de 
Molukken weldra weder in handen der Spanjaarden zouden ver- 
vallen, die niet zouden nalaten de Engelschen, zoowel als de 



LXXII 

Nederlanders en elke andere Europesche natie niet alleen uit die 
zeeën , maar uit geheel Indie met kracht te verjagen ; terwijl 
daarentegen de Portugezen door de Nederlanders in de Moluk- 
ken bezig gehouden , den vrijen handel in Indie aan de Engel- 
schen niet konden beletten. Doch hoe krachtig de yertoogen van 
Grotius ook mogen geweest zijn, hij slaagde er niet in^ de En- 
gelschen te overtuigen , zoodat de overige punten van de instructie 
der Nederlandsche afgevaardigden, bijna geheel buiten behande- 
ling bleven; en toch, in die punten lag de oplossing der be- 
staande geschillen besloten. Het was daarbij aan de Nederlandsche 
gecommitteerden voorgeschreven, om van de Engelschen te ver- 
krijgen , dat zij de Nederlandsche compagnie «onverlet en on- 
«gehinderd hare negotie en handel inge zouden laten doen in 
«Amboina, Ternate, Banda en de eilanden, waar de Nederlan- 
«ders uitsluitende contracten hadden, tot dat men een goeden 
« voet en order met gemeen advies op dien handel zou hebben 
«gesteld en dat men elkander niet zou turberen dddr, waar de 
« eene of de andere partij forteressen , gebied of uitsluitende 
« contracten had. » 

De Nederlandsche afgevaardigden moesten verder trachten van de 
Engelsche een bepaald voorstel te vernemen, en indien dezen mogten 
begeeren met eenig kapitaal in gemeenschap te komen met de Neder- 
landsche Comp. , moest men hen « wel scherpelijk onderstaan , op 
wat voet, wat manier en met welk kapitaal,» zij dat verlangden. 

Doch zooverre kwam de onderhandeling niet; na lange en 
somtijds bittere gesprekken en verwijten tusschen Grotius en den 
Engelschen bewindhebber Parkins , kwamen beide partijen tot 
het besluit, dat de tijd nog niet was gekomen, om tot eene ge- 
schreven overeenkomst over te gaan. Koning Jacobus bepaalde nu 
dat de onderhandelingen moesten worden uitgesteld, tot een later 
te sluiten traktaat. In de tweede helft van Mei 1613 kwamen de 
Nederlandsche afgevaardigden onverrigter zake in Holland terug. ^ 

> Resol. Staten-Generl. 16 Maart, 31 Mei 1613. Resol. Kamer v. XVII, zitting 
Febr. 1613. Calender of State papers. Col. 641, 642, 643, 645 Verbaal (minuai) 
van Hugo de Groot, met b\jlHgen. (Mannscpt. R. A.) 



LXXIII 

Gedurende bet geheele jaar 1613 en het daaropvolgende jaar 
1614 bleef niettemin de zaak op het tapijt en vooral te Londen 
werd er tusschen den Koning en den Nederlaudschen gezant , Noël 
de Garon bij herbaHng over onderhandeld; doch de Engelsche 
compagnie werkte de oplossing der bestaande moeijelijkheden 
tegen. ^ 

Bij Koning Jakobus, vooral, maar ook bij Oldenbarneveldt 
en andere invloedrijke staatslieden van Nederland, bestond de 
ernstige begeerte om reeds nu bij den aanvang, op vredelievende 
wijze de geschillen bij te leggen. Zij plaatsten zich op eed 
hooger standpunt dan de bewindhebbers van de Engelsche en 
de Nederlandsche Compagnie. Zij lieten daarom ook hun blik 
in ruimer kring rondgaan. Zij voorzagen, dat uit de twisten, 
die er gerezen waren, en uit de afgunst, die van weerszijde 
heerschte, in het einde welligt eene vredebreuk tusschen de 
twee natiën zou kunnen ontstaan , natiën , die niet alleen 
door traktaten, maar vooral ook door éénheid van godsdienstige 
begrippen naauw aan elkander waren verbonden , die geroepen 
schenen om te zamen vereenigd, eene zeer stellige staatkunde 
in Europa te vertegenwoordigen. De Nederlandt^che en Engel- 
si be staatslieden zijn er dan ook, eenige jai^n later na veel 
moeite in geslaagd, eene minnelijke schikking tussdien de beide 
Compagnien op het papier te brengen ; maar hunne pogingen 
bleken al spoedig ijdel te zijn geweest; want het gelukte hun 
niet de belangen der beide natiën , in de vaart en den handel op 
Oost-Indie door een onverbreekbaren band of algeheele vereen i- 
ging te zamen te verbinden. 

Indien de wijsheid der staatslieden toen had gezegevierd over 
de meer beperkte inzigten van het eigenbelang der bewindheb- 
bers, dan zeker zou Neérlands gezag in Indie op geheel andere 
wijze zich hebben ontwikkeld , dan zouden welligt de lotgevallen 
van de Republiek der Vereenigde Nederlanden een geheel an- 
deren loop genomen hebben, dan zou vermoedelijk de verstand- 

> Caleiidar of State papers, oolonial, 1614, n». 678. 



LXXIV 

houding met Groot-Brittanie onder Cromwell, zeer verschillend 
zijn geweest van die, waarin later de Republieken van Engeland 
en Nederland tot elkander hebben gestaan; want handelsnaijver 
tegen Nederland was de grondtrek van GromwelPs politiek en 
die politiek was geheel in overeenstemming met de denkbeelden 
van die middenklasse in Engeland, welke na de omwenteling het 
hof en den adel had vervangen. Maar tegenover de ruimere inzigten 
der staatslieden, die voor het algemeen belang moesten waken, 
stonden de meer bekrompen en zelfzuchtige begrippen der be- 
windhebbers van beide Gompagnien, die minder het gemeene 
beste, dan wel het voordeel hunner handelmaatschappijen moesten 
behartigen. Nu moge men, en te regt, die zelfzucht afkeuren; 
toch blijft de vraag over, of de meer bekrompen inzigten der 
bewindhebbers van dé Oost-Indische Gompagnie in Nederland 
en de dieper doordringende blik van Jan Pietersz. Goen in 
Indie, dien onverzoenlijken vijand der Britten, niet juist Neer- 
lands gezag en handel in Indie, misschien wel de Republiek 
zelve hebben gered van het gevaar, van op te gaan in de sterk 
sprekende, tot overheerschen geneigde nationaliteit van den eer- 
lang zich verhefienden Engelschen bondgenoot. Was in later tijd 
de Witt's staatkunde, toen hij eene te naauwe vereeniging met 
de Ëngelsche Republiek ontweek, op grooter schaal niet dezelfde, 
als die der bewindhebbers; heeft niet de staatkunde van een 
Willem III, door eene zoodanig naauwe vereeniging met Enge- 
land, er niet toe bijgedragen, dat Nederland door Brittanie is 
overvleugeld P 

De koloniale staatkunde, ja de geheele buitenlandsche staat- 
kunde van Nederland tegenover Engeland, heeft gedui^nde de 
jaren 1611 tot 1619, op een gevaarlijk keerpunt zich bewogen, 
en daarom wekt het des te meer verwondering, dat bij geen 
onzer geschiedschrijvers volledige of juiste berigten worden aan- 
getroffen, over de hoogst gewigtige onderhandelingen, welke in 
die jaren over het koloniale vraagstuk met Engeland zijn gevoerd. 

De ijver der diplomatie , vooral de invloed des Ronings van 



LXXV 

Groot-Brittanie , die ook uit een protestantsch-kerkelijk oogpunt 
eene naauwe vereeniging van Engelsche en Nederlandsche be- 
langen in Indie begeerde , bragt eindelijk te weeg , dat de be- 
windhebbers der Engelscbe Oost-Indische Compagnie hunnen 
lijdelijken tegenstand opgaven , en er , hoewel met grooten weer- 
zin , in toestemden om nogmaals eene vredelievende oplossing 
te beproeven en hunne commissarissen daartoe naar Holland af 
te vaardigen. Het Britsche gezantschap bestond vooreerst uit den 
Engelschen ambassadeur te ^s Hage , Sir Henri Wotton , en verder 
uit de kooplieden Clement Edmonds , Robert Middleton en Mau- 
rice AbotL Het was de wil van Koning Jacobus, dat zij niet 
alleen de zaken der Oost- Indische Compagnie, maar ook de 
bestaande geschillen over de Noordsche-visscherij zoo mogelijk 
tot eene goede en vredelievende oplossing zouden brengen; maar 
in werkelijkheid kwamen de commissarissen zonder opregte be- 
geerte om hunnen last te .volvoeren. Van de zijde der Staten- 
Generaal en van de Nederlandsche Oost-Indische Compagnie wa- 
ren als gecommitteerden aangewezen de heeren Dirk Bas, Albert 
Joachimi, Hugo de Groot, Jacob van Os, Dirk Gerritz. Meer- 
noan , Albert Frausz. Sonck , terwijl v. Oldenbarneveldt bij her- 
haling zich in de onderhandelingen mengde. De Engelsche 
afgevaardigden kwamen op den 18 Januarij 1615 te Rotterdam 
aan, werden er reeds dadelijk, behalve door den regerenden 
burgemeester, door den pensionaris Hugo Grotius ontvangen 
en naar 'sGravenhage geleid. Weinige dagen daarna kregen de 
Engelschen gehoor bij de Staten -Generaal en hadden ook spoedig 
een langdurig onderhoud met Oldenbarneveldt , die bij herhaling 
aan de Engelschen te kennen gaf, dat Oost-Indie even groote 
schatten hun zou opleveren, als West-lndie aan Spanje ge- 
geven had, indien zij zich maar wilden vereenigen met de 
Nederlanders, tot het met kracht en nadruk voeren van krijg 
tegen Spanjaard en Portugees in Indie. Hiermede • wilde Olden- 
barneveldt de onderhandeling brengen op een terrein, dat hij 
voor de Nederlandsche belangen heilzaam achtte; want bleef er 



LXXVI 

naast de Nederlandsche Compagnie, die met het voeren vaneen 
zwaren oorlog was belast , eene andere natie vreedzaam in Indie 
handel drijven, dan, zoo vreesde Oldenbarneveldt en die vrees 
bestond reeds bij het sluiten van het twaalfjarig bestand, zouden 
de Nederlanders de mededinging op den duur moeijelijk kunnen 
volhouden. De Nederlandsche commissarissen drongen telkens 
op dit zeUde punt aan: aanvallende krijg der beide compagnien 
tegen Spanje en uitsluiting van ieder mededinger, die 'zich dan 
nog mogt vertoonen. Maar de behandeling van dit punt wilden 
de Engelschen juist ontwijken en toen zij er eindelijk op moesten 
antwoorden, toen verklaarde zij ronduit, dat hunne lasigeving 
zóöver niet strekte. De Engelschen bragten daarom de onder- 
handeling, welke alleen schriftelijk gevoerd werd, liever op het 
terrein van het natuur- en volkenregt, waaruit zij afleidden dat 
vrije handel overal, in alle zeeën en landen een natuurlijk regt 
is voor alle volken en dat mitsdien, de archipel der specerijen 
voor de Engelsche Compagnie, even wijd moest openstaan als 
voor de Nederlanders. 

De stelling in het afgetrokken, was waar, maar onbeschaamd 
was het voorzeker, dat de Britten die stelling voorop plaatsten, 
op den zei f den tijd, waarop zij voor de Noordsche visscherij het 
tegendeel volhielden en de leer van het mare c/au^m eeirst door 
William Welwood en kort daania door Selden lieten verkondi- 
gen. Hugo Grotius, die ook weder in deze onderhandeling de 
voorname penvoerder was , moet zich in niet geringe verlegenheid 
hebben gevoeld, hoe hij die stelling zou weerspreken, bijna juist 
op hetzel'de oogenblik, waarop bij in het belang der noordsche 
visscherijen , zijn mare liberum zamenstelde. 

De tegenspraak der Nederlandsche Compagnie bewoog zich 
dan ook bij voorkeur, op meer practisch terrein. Zij voerde aan 
dat de openstelling der Mol ukken , noch redelijk, noch regt- 
matig, noch mogelijk was. Niet redelijk , omdat de Britten dan 
de vruchten en voordeelen zouden genieten , van iets waarvan 
de Nederlanders tot nog toe alleen « de overgroote costen , schaden 



LXXVIÏ 

d ende peryckelen hadden gedragen ; » niet regtmatig , orndat , 
indien de Engelscheu vrij in de Molukken wierden toegelaten , 
de contracten, waarbij de inlanders zich tot den uitsl uitenden 
verkoop der specerijen aan de Nederl. Compagnie hadden ver- 
bonden, zouden vervallen, welke contracten de Nederlandsche 
Compagnie tilulo aneroso, had verkregen. Het volkenregt kon 
aan de Engelschen geen regt geven om koopwaren te koopen , 
welke door de Nederlanders voor de toekomst op bezwarenden 
titel reeds waren gekocht en waarvan de levering zich op vaste 
tijden herhaalde. De openstelling der Molukken eindelijk was 
niet mogelijk^ zonder dat daaruit de geheele ondergang van den 
Engelschen en den Nederlandschen handel en de herstelling van 
het Spaansch-Portugeesch gezag, zou voortvloeijen. 

Deze argumenten werden nu verder op allerlei wijze in remon- 
strantien , contraremonstrantien , memorien en andere geschreven 
pleidooijen gedurende drie maanden behandeld en mishandeld. 
Deze wijze van onderhandeling leverde, zooals de Nederlandsche 
bewindhebbers teregt zeiden , niets op dan » frivole en blaauwe 
«redenen ende ijdele cavilatien.» Üe Nederlanders bleven bij 
hunne voorwaarden, dat geen vereeniging, op welke wijze ook, 
denkbaar was, zonder vereeniging van kapitaal, van monopolie 
en van strijdkrachten, waarmede gezamentlijk de aanvallende 
oorlog tegen Spanje in Indie zou gevoerd worden; de Engel- 
schen daarentegen wilden niet wieken van destelling, dat de han- 
del vrij is, in alle gewesten. In nel^inde boden de Britsche 
commissarissen een vijftal punten aan, ab grondslag, waarop 
zij in het vervolg zouden kunnen onderhandelelf. Die punten 
kwamen hierop neder, dat: 1^. «de eenige en ware band van 
«vriendschap en eenigheid behoort te bestaan in een wederkee- 
«rig vriendelijk traktement en onthaal in alle plaatsen; (dus 
«ook in de Molukken.) 

2®. in mutueele bescherming en assistentie tegen iedereen, 
«die de verbonden partijen of hare vrienden, wesende in gesel- 
« schap, sal bespringen; v 



LXXVIII 

«3^. in het bereiden van den weg tot den handel met de 
«Chinezen of met eenig ander volk^ dat weigeren mogt met 
«eene van beide partijen te handelen; 

« 4^. in het versterken , tot verzekering van den gemeenen 
R handel, van zulke plaatsen , als de twee compagnien , bekwaam 
ft zullen achten , en waar de koning van Spanje niet is in actuele 
» possessie; 

«5®. tot handhaving van het gemeenebeste in de Molukken, 
«moet aldaar eene gelijke belasting op de vruchten worden ge- 
ffSteldy te betalen door ieder , die daar specerijen koopenkomt.» 

De aanneming van deze artikelen door de Nederlandsche Oost- 
Indische Compagnie zoü niet alleen eene omverwerping van 
haar geheele stelsel zijn geweest ; maar ook vrede met Spanje of 
verdrijving door Spanje en alzoo ondergang van het Nederlandsch 
gezag in Indie na zich hebben gesleept. 

De Engelsche commissarissen keerden dan ook nu weder, in 
den aanvang van 16159 zonder iets verrigt te hebben, naar 
Londen terug ^. Zij hadden echter eenig nut uit de onderhan- 
deling voor zich weten te trekken , zij hadden onder voorwendsel 
van over eene kapitaalsvereeniging ernstig te beraadslagen, zich 
uit de boeken der Nederlandsche Oost->Indische Compagnie op- 
gaven doen voorleggen en zij waren op die wijze veel beter dan 
vroeger met het beheer en de geldelijke krachten , ook met de 
gebreken en kwetsbare plaatsen van de Nederderlandsche mede- 
dingster bekend geworden. 

Maar ook de Nederlandsche bewindhebbers hadden kans ge- 
zien van zich te doen onderrigten, omtrent de plannen der En- 
gelsche Compagnie, die te midden der onderhandeling, aan hare 
dienaren in fndie, den last gezonden had, om onverwijld op 
Amboina zich te vestigen, in Banda zich van poelo-Run meester 



*■ Ziet Depêche boek, Engeland, 1602 — 1614 passim. Uitgaand Brief boek .van de 
Kamer der XVII, 30 ..pril en 30 November 1615. Verbaal en b\jl. der confereutien 
met de Engelschen in 1615, manuscript, R. A. Calendar of state papers, Colonial 
n*». 870, 874, 893, 894, 896, 901, 905, 911, 943, 947, 961, 976, 976, 977. 



LXXIX 

te maken en de goede verstandhouding en de handelsbetrek- 
kingen met de Bandanezen verder aan te kweeken. 

De strenge bevelen , welke de Nederlandsche Compagnie, daar- 
tegen naar Indie afvaardigde, beletten wel gedeeltelijk de uit- 
voering van deze plannen der Engelschen; maar de botsing, 
welke daardoor in Indie ontstond, was des te heviger. Wij 
hebben hierboven reeds verhaald, hoe in 1616 de kapitein 
Samuel Gastleton met vier schepen in den archipel der Molukken 
verscheen, wat hij daar verrigtte en hoe hij in den aanvang 
met zachtmoedigheid door Reael werd bejegend; hoe de Engel- 
schen niettemin in verbond met de Bandanezen tegen de Neder- 
landers waren getreden; hoe zij in het volgende jaar 1617 
poelo Run hadden bezet en de Nederlanders van daar verjaagd; 
hoe de Engelsche schepen in de wateren van Banda nu ook 
door de Nederlanders waren in beslag genomen en de vaart en 
handel op Banda aan de Britten was verboden en na over- 
treding van dit verbod, nogmaals Engelsche vaartuigen waren 
aangetast; hoe eindelijk de lang verkropte haat tusschen de twee 
mededingende natiën was losgebroken en straatgevechten binnen 
Bantam y aanslagen en beleedigingen van allerlei aard, overal in 
Indie, hadden plaats gehad. ^ 

Nog waren inmiddels de staatslieden in Europa niet ontnioe- 
digd. Hoe luider de klagten zich lieten hooren over de gebeur- 
tenissen in Indie, met des te meer ijsver zochten koning Jakobus 
en de* Staten-Generaal de middelen op te sporen, om langs 
vredelievenden weg, tot eene vereeniging der twee vijandige 
handelsligchamen te geraken. Juist meenden zij meer dan ooit te 
voren tot hun einddoel te zijn genaderd , juist waren in den loop van 
1618 de slepende onderhandelingen hervat en in December van 
dat jaar op nieuw een talrijk gezantschap van kundige en ge* 
matigde mannen uit Nederland naar Londen gestevend, die er 
dan ook weldra in slagen zouden, om doqr staatsmanskünst 



Zie hierboven Hoofdstak I, bladz. XXIII, XXIX, XXXY. 



LXXX 

eene schikking tusschen de beide Gompagnien tot stand te^ bren- 
gen, toen inmiddels de mannen der bewegingspartij in Indie, 
door feiten hunne meening verklaarden , dat de gerezen twisten 
niet in de conferentie-zaal met de pen; maar op het terrein met 
het zwaard moesten worden uitgemaakt. 

Het kapitaal der Engelsche Compagnie was intusschen in 
1617 door nieuwe inschrijvingen aanzienlijk vermeerderd. Krach- 
tige uitrustingen waren uit deze kapitaalsvermeerdering voort- 
gevloeid en \n de maand November '1618 bevond zich eene vrij 
talrijke scheepsmagt der Engelschen voor Bantam. Op den 
8^ December werd deze nog versterkt door de aankomst van 
vijf nieuwe schepen uit Europa , onder bevel van Thomas Dale 
en William Parker. Hierdoor klom de vloot der Engelschen 
tot een getal van vijftien bodems. 

De Britten , die reeds sedert lang onverholen hadden te kennen 
gegeven , dat zij slechts op nieuwe schepen uit Europa wachtten , 
om met alle magt naar de Molukken te gaan, begonnen nu 
snoevende te dreigen : n zij zouden nu die « Dutchmen » de les 
«eens lezen, niet alleen uit Amboina, Banda en de Molukken; 
ft maar uit geheel Indie zouden zij hen verjagen , en dien Generaal 
«Coen, die hun zoo veel kwaads gedaan had, zouden zij, het 
ft mogt kosten wat het wilde, dood of levend in handen krijgen; 
ft met dat doel waren nu de laatste schepen opzettelijk naar Indie 
ft gezonden ! " 

De Nederlanders hebben later beweerd, dat Thomas Dale 
inderdaad van Koning Jacobus commissie had ontvangen om de 
Nederlanders aan te tasten en uit Indie te verdrijven ; doch die 
bewering was minder juist. Koning Jacobus zocht integendeel 
door alle mogelijke middelen den vrede tusschen de twee 
compagnien te stichten; doch de wijste der dwaze koningen had 
de commissie voor Dale en Parker in zulke woorden opgesteld, 
dat de Engelsche Compagnie en hare vlootvoogden zeer ge- 
makkelijk den zin dier commissie konden verdraaijen en daaruit 
de gevolgtrekking maken, dat zij niet alleen voortaan tot zelf- 



LXXXt 



verdediging, maar ook tot schadeverhaling voor vroeger reeds 
geleden verliezen waren gemagtigd ^ De Ëngelscben bepaalden 
zich dan ook niet tot bedreigingen. Naauwlijks zes dagen na de 
aankomst van Dale voor Bantam, maakten zij op den 14*" De- 
cember, balf door verrassing, half door geweld, zich meester 
van het Nederlandsche schip, de Zwarte Leeuw, dat rijk ge- 
laden van Patahi terugkeerde en bij poelo Pandjang op lager 
wal vervallen was. Twee andere schepen, de Oude Zon, dat 
met eene lading, meer dan een half millioen waardig, uit 
Japan aankwam en de Engel , dat naar Soeratte op weg was , 
ontsnapten ter naauwernood aan hetzelfde lot. Onmiddelijk, 
nadat Coen in het midden van den nacht van het nemen van 
den Zwarten Leeuw was onderrigt, zond hij van Jakatra een 
ijlbode naar den Engelschen bevelhebber , om naar de reden van 



^ Men vindt de commissie door Jakobus aan Sir Thom. Dale en W^illiam Parker 
gegeven, bij Rijmer; Foedera enz. Tom VII pars III, 1618, 9 Jan. folio 40; al- 
waar men leest: And for as mach as at thiB present, we are in amity witli all Cliris- 
tian princes, and are unwilling, that any oor subjects sbould give occasion of breacb 
or hinderannce thereof towards any our confederates , freindes or allies ; and because we 
are not ignorant of the emulation and envie, which doeth accompany the discoverie of 
countries and trades , and of the quarrells and contentions , which many tymes faU out 
between the snbjeetes of divers princes, when they meete the one with the other, in 
forreyne and remote conntries, in prosecuting the course of their discoveries , and being 
desirous that our subjectes should forbeare to move or hegyn any quarrells or con- 
tentions, upon the subjectes of any our confederates freindes or allies, either in their 
goiag forth, or retorneing firom any of their voyages; we therefore doe hereby 
straictly charge and commaunde you, the said sir Thomas Dale, knighte and all other 
ander your Goveroement, that neither in your voyage outwarde or homewarde, or 
in any conntrye, Island, Forte or place, where you shall abide or come during the 
tyme of yonr being abroade out of our kingdomes or Dominions, where you meete 
with any the subjectes of the king of Spayn or of any other our confederates, freindes 
or of any other nation or people , you doe not attempte or goe about, to set upon take 
or turprite their persons, shippes, vessels, goodes, or merchandise, or offer any in- 
jnry or discurtesy unto them, except you shall be, by them first there imto provo- 
ked or driven, either in the jtist defence, of your owne persons, shippes, goodes 
or merchandise; by any their disturbance or hinderaunce whatsoever in your quiet 
course of trade or for recompence and recoverie of the persons, shippes etc. of any 
of your subjects t?uU are or have heen alreadye in or neare the East Indies, or for 
o»y other just cauie of your defence or recompence of losses tusteined; In which 
cases, soe excepted, if you attempte surprise and take the persons, shippes etc. . • 

. • you shall not for any «ich acte be in daunger 

or snbjecte to the perill and p«ialties of our Lawes, etc. 

IV. 71 



LXXXII 

dit vijandelijk feit te vernemen, wat hij verder van plan was 
en of hij ook nog, het genomen schip in denzelfden staat wilde 
teruggeven. Met moeite ontving Coen slechts een mondeling en 
beleedigend antwoord. Oen bode werd schamper door Thomas 
Dale toegebeten ; hij had met opzet het schip genomen , hij had 
met opzet post gevat in straat Sunda, om alle gaande en ko- 
mende schepen der Nederlanders aan te tasten en weldra zou 
men hem voor Jakatra zien verschijnen, met zijne geheele magt, 
om er de Hollanders te verslaan en den Generaal Goen, dood 
of levend , op te pakken ! 

Nog nooit was Goen zoo ruw behandeld, maar nimmer ook 
was het opkomend Nederlandsch gezag in Indie, in hagchelijker 
staat gebragl. De vijanden daagden op van alle kanten en Coen 
zat bijna zonder verdedigingsmiddelen. De slag, dien hij in de 
Mol ukken , had verwacht viel nu plotseling hier op Java 's kusten. 
Coen had zijne beste krachten ingespannen om Banda, Amboina 
en de Mol ukken , waar de Nederlandsche Oost-Indische Com- 
pagnie haren hoofdzetel, hare meeste forten, hare sterkste gar- 
nizoenen, hare grootste handelsbelangen had, waar de markl 
voor den inkoop der specerijen en voor den verkoop der Koro- 
mandelsche kleeden was, tegen de aanslagen der Engelschen te 
beschermen. 

Nog zeer korten tijd geleden had hij schepen , matrozen , sol- 
daten en krijgsvoorraad derwaarts gezonden, zoodat hij op dit 
oogenblik slechts zeven schepen, onder zijn bereik had en van 
die zeven waren er twee volladen met kostbare koopmansgoede- 
ren en lagen er vijf afgetakeld, gekrengd of ontwapend aan het 
eiland Onrust. 

Naarmate de nood klom, toonden ook de Javanen duidelijker 
hunne vijandige voornemens. 

Sedert de maand November, nadat de Nederlanders hunne ver- 
sterkingen te Jakatra hadden aangelegd, was «de handeling 
«daar», zooals Goen schrijft, «zoo wonderlyck vreemd toege- 
«gaen, als men ter wereld zoude kunnen bedenken». Goen had 



LXXXIII 

alles in het werk gesteld om den regent stil en rustig te hou- 
den, hij had hem zelfs op zijn verzoek , om de kosten van de 
versterking zijner stad te dekken, 1000 realen ter leen en boven- 
dien nog 200 realen tot een geschenk gegeven. Coen wist zeer 
goed, dat hij op die wijze de verdedigingswerken betaalde, die 
tegen hem zelven werden opgeworpen; maar hij hoopte daar- 
mede den regent nog een tijd lang tot vriend te houden en 
«daarna met meerder regt», zoo luidde het besluit, «te beter 
« tot zijn desseyn te geraken. » ^ 

Maar de regent van zijn kant, speelde hetzelfde spel en de 
Javaan van hooge geboorte , is in den regel veel fijner geslepen 
diplomaat, dan de westerling. Hij wist aan Coen te beduiden, 
dat indien de Ëngelschen den aanval mogten beginnen, hij dan 
met zijn volk, dadelijk een groot bolwerk voor de Nederlanders 
zou opwerpen. Hoewel nu Coen niet veel geloof hechtte aan 
die belofte, diende zij toch tot voorwendsel om alle hulp van 
Javanen aan de Nederlanders te onthouden. De verschansing 
van het Nederlandsche fort vorderde daardoor weinig, de regent 
van Jakatra daarentegen, kwam met zijne bedekte werken al 
nader en nader, zuidwaarts van de Nederlandsche loge, vóór en 
in de stad Jakatra, links, aan de overzijde van de kali Tji- 
Liwong. 

Op den 22^*®^ December zag Coen zich eindelijk «als in een 
«couwe met diversche batterijen of bolwercken omringd, de 
« rivier met palen bezet en op de plaats der Engelsche loge eene 
» gedekte batterij opgeworpen ». * 

Den dag daaropvolgende, Zondag den 23"*®^ December, bij 
het aanbreken van den dag, waren nu ook al de Javanen, die 
rondom den pagger der Hollandsche loge woonden, verdwenen. 
Zooveel wist Coen van den aard der inlanders wel, dat dit een 
teeken was dat er iets bijzonders gebeuren zou. Weldra kreeg 
Coen dan ook door zijne spijen berigt, dat er voor den volgen- 



» Resol. van Dir.-Gen. (G.-G.) Coen en Raden te Jakatra, 20 Nov. 1618. 



LXXXIV 

den nacht een onverwachte aanval op de Hollanders met 7000 
man werd voorbereid. 

Hij zag nu de hand opgeheven tot slaan. Als ervaren bevel- 
hebber begreep hij, dat nu het oogenblik gekomen was, om te 
beslissen of hij van de plaats zou wijken , dan wel of hij den 
eersten sfag zou geven. De keuze legde hij aan zijn raad voor, 
die met hem besloot: den eersten slag te slaan, ruimte te ma- 
ken en vooral de batterij te vernielen, welke in de JEngelsche 
loge, aan de westzijde, op den linker flank der Nederlanders 
was aangelegd en waaruit, bij het eerste vuur, de Hollandsche 
verschansing tegen den grond zou zijn geschoten. Het besluit 
weid dadelijk uitgevoerd. Coen liet de overgave van de batterij 
opeischen van de Engelschen , die hem een half ontwijkend , 
half weigerend antwoord gaven. Onmiddelijk staken de Neder- 
landers nu de rivier over, de aanval werd gedaan, de batterij 
en loge der Engelschen stormenderhand ingenomen , vernield , 
verbrand. Een tweede bolwerk, meer zeewaarts, ook aan de 
westzijde van de rivier, bleef echter door verzuim en in de 
verwarring van rook en brand onaangetast. Te gelijkertijd werd 
aan de zuidzijde, tusschen het Hollandsche fort en de stad Ja- 
katra , eveneens ruim baan gemaakt. De oorlog was uitge- 
broken. 

Den volgenden dag opende de regent van Jakatra , wiens 
geschut door Engelsche konstabels bediend werd, een hevig 
kanonvuur; om dit tot zwijgen te brengen moest Coen een 
groot gedeelte van het weinige kruid, dat hij bezat, verschieten. 
Op den derden ^ag deden de Nederlanders een nieuwen aanval 
op het overgebleven bolwerk aan de westzijde van de rivier; 
maar ook deze poging mislukte. Hierdoor bleef voor Coen de 
gemeenschap met de ree gesloten. De rijksbestierder en de Ko- 
ning van Bantam hielden zich intusschen schijnbaar onzijdig , 
zij speelden zelfs den goeden man tegen de Hollanders ; maar 
in het geheim was Bantam de stookplaats, waar het vuur te 
Jakatra was aangestoken. De ongelukkige regent van Jakatra zou 



LXXXV 

uit zichzelven nooit den moed of den lust gehad hebben , om 
den hagcbelijken kamp tegen de Nederlanders te wagen. Hij zou 
integendeel veeleer een middel hebben willen vinden, om hen 
in zijn land te houden, zoo daaruit slechts groote geldelijke 
voordeden voor hem waren voortgekomen. In den grond der 
zaak moest het hem onverschillig zijn , of hij onder het juk van 
Bantam stond, of in afhankelijkheid van de Nederlanders leefde. 
De vrees alleen, dat de Nederlanders eenmaal weder Jakatra 
zouden verlaten en hij daarna aan de wraak der overige Javaan- 
sche vorsten en vooral van Bantam, zou worden prijs gegeven, 
had hem doen wijken voor den aandrang van zijn Suzerein, 
den Koning van Bantam; want sedert Coen eene versterking 
nabij Jakatra had aangelegd, had de Koning van Bantam, méér 
dan ooit te voren, zijn leenman gedrongen tot het aantasten 
der Nederlanders. De rijksbestierder van Bantam, die, uit een 
Javaansch oogpunt beschouwd, een bekwaam, scherpziend, ge- 
slepen en krachtig staatsman was, vreesde dat Jakatra in de 
handen van Coen , eenmaal , zooals de Koning van Gheribon 
reeds voorspeld had, een tweede Malakka zou worden. Hij hoopte 
bovendien, dat de Hollanders, als zij door de vereenigde krachten 
der Jakatranen en Engelschen genoeg zouden zijn vernederd en 
verzwakt , in meer deemoedige houding naar Bantam zouden 
terugkeeren, oin daar, even als vroeger, tot groot voordeel van 
^sKonings schatkist, een rustigen en vreedzamen handel te drij- 
ven. Hij hoopte vooral, dat in de troebelen van den krijg , Coen , 
dien hij vreesde en haatte, wel uit den weg zou zijn te ruimen. 
Doch hierin vergiste zich de Bantamsche rijksbestierder; Coen 
liet zich noch deemoedig maken, noch wegruimen. 

Op den 29*''' December, vijf dagen na den mislukten aanval 
op het westerbolwerk , was Coen met zijn raad in overleg, op 
welke wijze men een nieuwen aanval zou beginnen , toen de 
tijding kwam, dat de Engelsche vloot van Bantam was vertrok- 
ken , met het doel om de Nederlanders te Jakatra aan te 
tasten , het fort te vernielen en daarna terstond door te zeilen 



LXXXVI 

naar de Molukken , om ook van daar met alle magt de Neder- 
landers te verdrijven. De Nederlandsche schepen, welke onttakeld 
voor Onrust hadden gelegen, kwamen gelukkig juist op dien 
zelfden dag, weer opgemaakt, gewapend en bemand, voor de 
ree te Jakatra aan. 

Zeer vroeg in den morgen van den 30**®^ December riep 
Coen nu de leden van den raad bijeen en deelde hun mede : 
« dat bij zeer kwalijk kon gelooven dat de Engelschen zóó boos 
A zouden zijn , dat zij te eenemale de Nederlanders zouden zoe- 
ft ken te verslaan ; doch dat het niet genoeg zou wezen , de 
« plaats door ijdele dreijgementen en glorieusen roem van de 
« Engelschen in wanorde te verlaten , zonder vijand gezien , of 
« slag noch schot verwacht te hebben '\ Hij stelde dus aan den 
raad voor, om eerst met hulp van de schepen het bolwerk aan 
den mond van de kali Tji-Liwong te vernielen, ten einde eene 
vrije vérbinding tusschen het fort en de schepen te verkrijgen , 
daarop de kostbaarste koopmanschappen aan boord te brengen , 
en dan slagvaardig de Engelschen af te wachten. Dit plan werd 
goedgekeurd en aan de scheepsbevelhebbers meegedeeld , die kort 
daarna reeds bezig waren met de sloepen uit te zetten voorden 
aanval op het bolwerk; toen op eens aan den hoek van On tong- 
Ja va , elf Ëngelsche schepen in het gezigt verschenen. Nu 
werden alle beraamde plannen gestaakt, alarm en gereedmaken 
tot gevecht, het overal! op de schepen gekommandeerd , in ^t 
fort de raad op nieuw bijéén geroepen. Inmiddels was het avond 
geworden, veel tijd van beraad bleef er niet over. Het kort 
besluit werd genomen, dat er nu niets anders kon gedaan wor- 
den , dan met de zeven Nederlandsche schepen , de elf Ëngelsche 
bodems te gemoet te gaan en « te onderstaan , wat zij zullen 
« willen en durven doen , en hen ten beste met geweld te 
« wederstaan ". 

Het font Jakatra werd toevertrouwd aan Pieter van den 
Broeck, als bevelhebber, een man op wien Coen meende zich 
te kunnen verlaten. Van den Broeck toch was eerst sedert zes 



LXXXVII 



weken teruggekeerd van een togt, waarop hij de stoutmoedigheid 
zoover had gedreven , van na schipbreuk te hebben geleden op 
de kust van Cambaija , aan 't hooid van ruim honderd man, 
dwars door Dekhan , over gebergten , door bosschen , wildernissen 
en vijandelijke volksstammen, met het zwaard in de vuist, zich 
een weg te banen van Soeratte tot Mazulipatnam. De opper- 
koopman Pieter van Baaij, zou als raad. Jan Jansz. van Gorkum, 
die in Nederland lang den krijg had meegemaakt, zou als kapi- 
tein , den bevelhebber van den Broeck ter zijde staan. 

Coen zou met Pieter de Garpentier, Pieter Dircksz en Jacques 
Lefèbvre aan boord gaan van het schip de Oude Zon en van 
daar de admiraalsvlag hijsschen. Des nachts ging nu Coen te 
scheep en in den vroegen morgen van den laatsten dag desjaars 
1618 liep hij, met zijne zeven schepen, den overmagtigen vijand 
te gemoet. 

Tegen den middag kwamen de Engelschen af, zetten het 
boven wind en buiten schot. Een trompetter der Engelschen 
nadert nu in een bootje, de Hollandsche vloot en eischt die 
op. Coen laat antwoorden, dat als de Engelschen het schip de 
Zwarte Leeuw niet terug gaven ^ zoo als zij het genomen hadden , 
hij zich met geweld zou « revengeren ". 

Den volgenden dag, den 1"^^ Januarij 1619, zag Coen de 
Bergerboot, een Hollandsch schip, dat van Jambi terugkeerde, 
achter de Engelschen opzeilen^ zoodat ook dit vaartuig onver- 
mijdelijk den vijand in den mond moest loopen. Om dit nieuwe 
verlies te voorkomen , liep Coen dwars op den vijand in , om 
boven wind te komen. Dien geheelen dag en des morgens van 
den volgenden werd deze zelfde scheepsbe weging voortgezet, tot 
dat eindelijk tegen 10 ure, de beide vloten bij elkander kwamen 
en de Engelschen het vuur openden. Coen beantwoordde dit 
terstond «in voegen, dat de schepen van wedersijden niet wey- 
«nich geraect zijn, en daer is van onse zijde met een seer 
« groote courage niet weynich gevochten. » Drie uren lang 
duurde de strijd ; « de couragie van 't volck was uytermate 



Lxxxvni 

« groot. » De Engelschen wilden echter niet tot enteren komen , 
zoodat door het voortdurend schieten, de Nederlandsche schepen 
een derde deel van hunnen kleinen voorraad kruid verschoten 
en dus bij eene hervatting van het gevecht de kans op een 
goeden uilslag was verminderd. De Bergerboot was intusschen 
aan de Engelschen ontkomen en had zich bij de schepen van 
Goen gevoegd, alleen eene bemande en gewapende sloep van de 
Bergerboot was in handen der Engelschen gevallen. 

Goen gaf nu bevel , om met alle schepen digt langs de kust 
te zeilen en *s nachts bij één der vele eilanden te ankeren. Nu 
werd er raad gehouden. De meeningen liepen uit één, er 
werden nog genoeg stemmen gehoord, die zich voor een her- 
nieuwden aanval op de Engelschen verklaarden; maar toen het 
bleek, dat er geen kruid genoeg meer was, m soo sach eick ander 
aen en was goet raet dier." Den volgenden morgen had de En- 
gelsche vloot op nieuw versterking uit Bantam gekregen, zoodat 
zij nu 14 bodems telde. Weder werd de breéde-raad door Goen 
belegd en daarin overwogen, dat «zoo men er al in slaagde de 
aEngelsche schepen van zich af te houden en de zaken ten 
«beste liepen, het kruid na 3 of 4 dagen geheel verschoten 
«zou zijn; dat de Nederlandsche schepen dan in wanorde zouden 
« moeten vlugten , zonder orde te kunnen stellen op de zaken , 
«dat de lading der schepen te kostbaar was om die roekeloos 
«tegen de ledige rompen des vijands te wagen; dat, indien 
«daarentegen de Engelschen de overhand hielden, de geheele 
«resterende magt der Generale Oost-Indische Gomp. hier en 
«daar verstrooid in Indie zijnde, insgelijks in handea der En- 
« gelschen zou vallen , zoodat eene generale nederlage van alle 
«de Gompagnie^s zaken in Indie daaruit volgen zou; dat men 
«met de schepen geen verdere hulp aan het fort Jakatra zou 
« kunnen verleenen , dat het alzoo niet goed te keuren zou 
«zijn, om tegen het behoud van het fort, den geheelen Staat 
«van Indie te hasarderen.'' Eindelijk werd op grond van deze 
overwegingen, met eenparige stemmen besloten «de Engelsche 



LXXXIX 

«vloot niet meer af te wachten, maar zonder voor Jakatra te 
« ankeren , oostwaarts regt door naar Amboina te loopen , ten 
«einde daar de Nederlandsche magt bijéén te verzamelen en 
«dan zoo spoedig mogelijk terug te keeren." * 

Door dit besluit toonden Coen en zijne raden, dat zij niet 
alleen beleidvolle bevelhebbers, maar ook schrandere stoutmoe- 
dige staatslieden waren. Tegen de inspraak van hun gemoed, 
op het gevaar af van beschuldigd te worden, dat zij hunne 
landgenooten en de goederen der Compagnie op Java schande- 
lijk en lafhartig verlieten, wisten zij, hetgeen zoo moeijelijk is, 
van twee gewigtige belangen het gewigtigste te onderkennen. 
Zij wisten zich te verheffen boven feiten en toestanden, die zij 
onmiddelijk in hunne nabijheid voor oogen hadden en hun het 
uitzigt in de toekomst konden belemmeren. Zij begrepen dat zij 
het tegen de Ëngelschen en Javanen op dat oogenblik toch niet 
konden uithouden, dat als zij geslagen werden, niet alleen het 
fort te Jakatra verloren zou zijn , maar ook de Molukken , al- 
waar destijds toch nog de hoofdzetel van Compagnie^s magt 
was, onverdedigd zouden openvallen voor de Ëngelschen, dat 
de Nederlandsche schepen , welke in het aanstaande voorjaar uit 
het moederland verwacht werden , of welke overal in den Ar- 
chipel verstrooid waren, overgegeven zouden zijn aan de genade 
der Britsche kruissers. 

Het behoort tot de kenmerken van een groot man, dat hij 
niet alleen zelfvertrouwen bezit; maar ook dat hij, welke ook 
de omstandigheden zijn, waarin hij geplaatst wordt, zijn ver- 
trouwen op de toekomst niet verliest. Reeds éénmal had Coen 
aan zijne meesters in Nederland geschreven, m deses pereer t niet;" 
aan dat woord bleef hij nu zelf getrouw, toen hij besloot het 
fort te Jakatra en de Nederlanders op Java tijdelijk op te offe- 
ren , weg te zeilen naar Amboina , ddar de geheele Neder- 
landsche scheepsmagt bijeen te trekken, om met verjongde 



Resolutie , genomen in het schip * de Oude Sonne " , 3 Januarij 1619. 



xc 

krachten terug te keeren , Engelschen en Javanen op het lijf te 
vallen, hun het gewigt van zijn ijzeren arm te doen gevoelen 
en langs dien omweg , de verloren stelling op Java te herwinnen 
Eén oogenblik weifelde hij nog. Het was den volgenden morgen , 
den 4®" Januarij , toen hij tot op de hoogte van Ontong-Krawang 
gevorderd, aan den westelijken gezigteinder , duidelijk alle de 
Engelsche schepen, voor het Nederlandsche fort te Jakatra, ge- 
schaard zag liggen , als zoo vele groote roofi'isschen , die met 
de snebben uit zee lagen te azen op de van alle zijden benarde 
verschansing. Toen werd hij, «sich seer beswaerd vindende 
«soo onvoorsiens te vertrecken", bijna aan het wankelen ge- 
bragt. Nog éénmaal werd alles overwogen en gezocht of er 
niet één ander middel te vinden was, om het fort te helpen; 
maar men stuitte altijd op dezelfde bezwaren. In 't einde be- 
hielden de koele rede en het wijs beleid de overhand op de 
inblazingen en de slingeringen van het bezwaard gemoed. Coen 
en zijn raad volharden bij het eens genomen besluit en met de 
oogen naar het fort gerigt en 't hart van opgekropten spijt 
vervuld, worden nu de ankers geligt, de zeilen gespannen en 
de togt naar 't oosten voortgezet. ^ 

Coen had intusschen de bezetting van het fort te Jakatra 
niet onkundig gelaten van hetgeen er voorgevallen en besloten 
was op de vloot. Doof middel van een klein vaartuig wist hij 
aan den bevelhebber van den Broeck een brief te doen toekomen , 
waarin hij dezen den uitslag van het zeegevecht met de Engel- 
schen verhaalde en waarin hij hem mededeelde, hoe hij, door 
gebrek aan kruid ^ tot zijn leedwezen genoodzaakt was «om 
« innewaerts naer Ainboyna te seylen , om alle des Comp^. macht 
«bijeen te versameien en datelyck weer herwaerts te keeren. 
« Van den Broeck moest dat besluit ten beste nemen , aen 't ge- 
« meyne volck ten goede uitleggen . en het goede couragie geven , 



» llesol. , Vrijdag 4 Jan. 1619 , op de Oude Sonne , digt op de droogte van den 
hoek Carawangh, omtrent 3 k 4 mijlen beoosten Jakatra. 



XCI 



f<want wij beloven ü," zoo schreef Coen, «by desen metten 
« aldereersten weer te keeren," Met nadruk gelastte Coen aan 
van den Broeck en den raad van het fort : « de plaetse soo 
«lange het eenichsints doenlijk is te houden, betracht Uw eere 
adaerin; en zoo 't geviel dat Gij de plaetse niet houden kunt,- 
<( maakt dan accoord met de Engelschen of met den Koning 
a van Jacatra , doch wij achten , dat het beste zijn zal , zoo gij 
«de plaats in dat onverhoopt geval, aan de Engelschen over- 
« geeft. Weest wel op Cwe hoede", dit was Coen's laatste 
woord, «dat gij niet met eenige onderhandelinge verraden 
« wordt " ! 

Aan den opperkoopman Lefèbvre werd nu nog de gevaarlijke 
last gegeven, om met een ligt, snelzeilend fregat vóór en in straat 
Sunda te kruissen, ten einde de aankomende Nederlandsche 
schepen te waarschuwen, dat de oorlog in deze gewesten was 
uitgebroken. 

Dit was alles, wat Coen op dat oogenblik, voor de belangen 
der Oost-Indische Compagnie op en nabij Java doen kon. Hij 
zeilde nu voort tot poelo-Mandalika , waar hij ankerde. Hier 
liet hij eenige schepen van zich gaan, om te Joortan, op Bima 
en Solor levensmiddelen te koopen, die aan de vloot ontbraken. 
Het schip Delft vaardigde hij van hier af, door straat Bali, 
achter Java om, naar het moederland, ten einde zoo spoedig 
mogelijk de bewindhebbers met den zorgelijken staat der Com- 
pagnie in Indie bekend te maken. Belangrijk is de brief, welke 
Coen daartoe aan het opperbestuur in Nederland schreef. Hij 
gaf daarin een volledig verslag van hetgeen er sedert November 
was voorgevallen en ontlastte zijn gemoed van den te lang ver- 
kropten spijt, door aan zijne meesters en betaalsheereii met 
heldhaftige openhartigheid, de bitterste verwijten toe te voegen* 
«Ziet toch wat er verzuimd is," zoo schreef hij, « dat UEd. geen 

schepen meer gezonden hebben «Lange voor dezen 

« hebben wij U. E. geadviseert , zoo de Heeren jaarlijks geen groote 
«vloot schepen met menigte van volk zonden, dat het immer zoo 



XGII 



ogroote zwarigheid causeren zoude ^ als voor dezen het gebrek 
« van 't geld. Dat U E. gelieve jaarlijks eene groote vloot schepen 
«te zenden 9 menigte van volk, eene groote som gelds en allerlei 
tl uootelykheden daarbij , met belofte , dat wij jaarlyks daartegen 
«destemeer retouren zenden zouden. Een getal van 2& schepen 
«met 10 jagten hebben wij jaarlyks geëischt en confirmeren 
«voors. verzoek bij dezen andermaal, U E. biddende zulks niet 
«na te laten; want de Comp. zal daaraan grooten dienst en 
«voordeel geschieden. Ja, al ware het, dat de Heeren 100 sche- 
« pen op één jaar zonden , wy zouden ze met groot voordeel 
« van de Generale Comp. zeer wel weten te gebruiken. Der- 
ft halve laat U niet abuseren, en bedriegt U zelven niet!. 

«om de lasten af te leggen hebben de kleinmoedigen de onkos- 
«ten ontsien, waardoor de geheele staat van de Generale Comp. 
«alsnu in duisend perykelen is en als de Almogende 't schoon 
« ten beste schikt , zullen de retouren dit jaar wel 20 k 50 ton- 
« nen gouds minder beloopen , dan anders gedaan zouden heb- 
«ben, en God geve dat het toekomende jaar niet erger worde! 

« Men heeft ons ten allerhoogste gerecommandeerd, ergens een 
«generale Rendez-vous te begrijpen, zonder de behoorlycke mid- 
« delen daartoe te beschikken , desniettegenstaande hebben wy tot 
«Jakatra, door Gods genade, een fort gekregen; maar wat heeft 
»het nu te beduiden? Het is te bezorgen, dat alles door gebrek 
«aan goede secoursen, weder verloren zal gaan, ja, dat nog be- 
ft klagelijker is, dat de plaats door gebrek aan kruid tot onze 
«wederkomst niet gehouden kan worden! 

«Wat nu aangaat, dat wy geen plaats met voordeel kunnen 
«houden, in een staat van oorlog, in zulk een land vol volk 
«als Java, hierop antwoord ik, dat de Portugezen en Spanjaar- 
«den getuigen, wat een weinig Christenen tegen veel honderd 

» duizenden Indianen kunnen doen Zijn wij minder 

«dan zijlieden? Ik beken wel dat het begin van den 

« oorlog . geen geld in Uw Ed. kas zoude brengen en dat met 
« kleine magt geen plaats begrepen kan worden ; maar zonder 



xcnt 

«oorlog zult gij nergens ter wereld tot goeden vrede geraken. 
«De natuur leert ^ dat de oorlog vrede baart , en die niet zaait 
«zal ook niet maaijen. Ziel eens wat 11 u door karigheid , die 
« het gebrek aan kruid veroorzaakt heeft , verloren wordt. De 
«arme staat, daar wij ons nu in bevinden, helpt mij getuigen, 
«dat zelfs de honden ons zouden eeten, ik wil daarmee zeg- 
«gen, al wat leeft, en dat met regt en goede redenen. Zoo wij 
«geen groote magt bekomen om iedereen het hoofd te mogen 

«bieden en binnen de behoorlijke limietpalen te doen blijven 

aAls Uw Ed. beleid zoo groot en nobel worde ^ als dat behoort 
«en de Generale Compagnie zeer wel vermag , wie zal de Ver- 
« eenigde Nederlanden alsdan niet eeren^ om gerust en welig onder 
nhaar vleugelen te schuilen, zweven ende leven j wie zal haar 
» tegenstaan? Om verslagen te worden of in miserie te leven? 

nik zweer u bij den Alderhoochslen , dat de Generale Com- 
npagnie geen vijanden heeft, die haar meer hinder en schade 
t^doen, dan de onwetendheid ende onbedacht heid , houdt het mij 
nten beste y die onder U Ed, regneert ende verstandigen over- 
« stemt! » ^ 

Hiermede had Goen nu zijn laatsten pligt volbragt; zijn bezwaard 
gemoed had hij verligt, hij had de waarheid aan zijne meesters 
gezegd. Hij zeilde nu voort naar Amboina. 



' Brief van Coen en z^jne Baden aan de Bewindhebbers der Generl. Oost. Tnd.Comp. ter 
Kamer tot Amsterdam, per schip Belff. dd. 14 Januarij 1619. Zie hierachter, n». XXIX. 



HOOFDSTUK I». 



Wij zijn nu genaderd tot het verhaal eener gebeurtenis, welke 
sedert twee honderd en vijftig jaren, in onze geschiedboeken 
vermeld staat, als de « roemrijke verdediging van Jakatra,» eene 
verdediging, waarin de Nederlandsche bevelhebber Pieter van 
den Broeck, als een Romeinsch held, met « on bezweken moed 
en trouw,» zooals van Kampen zegt, het behoud van zijn leven 
zou hebben achtergesteld aan het behoud der belegerde vesting. 

Niet dan schoorvoetend en met tegenzin breekt men de be- 
trekking af met oude bekenden en moeijelijk valt het, oude 
vooróordeelen te laten varen. Het licht, dat op eens van onder 
bestoven en oude papieren uitschiet, pijnigt somtijds de oogen, 
vooral indien het de glans eener oude glorie van ons, Nederlanders, 
als eene optische illusie doet verdwijnen. En toch het valt niet 
meer te loochenen; wel verre dat de Nederlanders te Jakatra 
«met onbezweken moed en trouw» zich hebben verdedigd, zijn 
zij daarentegen, zonder dringende noodzakelijkheid, niet eens, 
maar driemalen voor den vijand bezweken en is het fort Jakatra 
voor Nederland behouden, door een zamenloop van omstandig- 
heden, welke even merkwaardig is als die, waardoor de stich- 
ting van het fort is veroorzaakt. De heldendaad van van den 
Broeck is slechts eene schepping van dichterlijke fantasie ge- 
weest en van de belegering blijft ons ten slotte niet veel meer 
te zeggen, dan hetgeen Coen er van schreef: «hoe schandelijk 



xcv 

«het daer is loegegaan^, sal in desen vervolgens verhaelt worden.» 
Korten tijd nadat de Engelsche admiraal Thomas Dale met 
zijne schepen voor Bantam was aangekomen, sldot hij heimelijk 
een aanvallend verbond tegen de Nederlanders, met den Koning 
van Bantam. De juiste dagteekening van dit contract is nog 
niet bekend; doch het moet waarschijnlijk omstreeks den 15^ 
of 25"**° December 1618 zijn geteekend. De inhoud daarvan 
was hoofdzakelijk, dat de Engelschen, tegen betaling van 1500 
Realen in eens en 700 Realen jaarlijks, vergunning tot het 
drijven van handel en een stuk gronds in eigendom, om 
daarop binnen Bantam eene nieuwe loge te bouwen, verkregen. 
De Engelschen waren tot hiertoe in hunnen handel en in 
het bouwen eener nieuwe faktorij, telkens en onder allerlei 
voorwendsels door den Rijksbestierder belemmerd. Voorts zouden 
alle voortbrengselen van Bantam vrij van regten zijn, met uit- 
zondering van de peper, waarvan 5 ®/q, en de specerijen, waar- 
van 3 ^Iq regt zou worden geheven. De Koning van Bantam 
zou geen traktaat over vrede, oorlog of koophandel met de 
Nederlanders sluiten, noch dulden, dat de Nederlanders in eenige 
haven van zijn gebied zouden wonen of versterkingen oprigten , 
zonder toestemming der Engelschen. De Koning van Bantam 
zou zijne krijgsmagt met die der Engelschen vereenigen, om te 
zamen het Nederlandsche fort te Jakatra te vermeesteren. Na 
de verovering zou die sterkte ter beschikking komen van 
Bantam en de Nederlandsche bezetting in handen der Engelschen 
worden geleverd *. Na het sluiten van dit 'contract rukten 
eenige duizenden gewapende Bantammers naar Jakatra op , ter- 
wijl ook de Engelsche admiraal met zijne vloot derwaarts 
stevende, den Gouverneur-Generaal Coen nabij de reede van 



* Annuals of the Honourable E. Indiau Comp. by John Bruce,Load. 1810. vol. I. 
1618 — 1619, bladz. 208 seq. Het boek van Bnice is echter vrij oppervlakkig be- 
werkt , dientengevolge blijkt daardt noch de jniste dagteekening , noch* de volledige 
inbond van dit contract. De Calendar of state papers, (Colonial) gaat ongelukkig 
niet verder , dan het jaar 1616 , zoodat ik voor dezen tijd dit hoogst belangrijk werk 
niet meer kon raadplegen. 



XCVI 

Jakatra ontmoette en bem déir slag leverde. Toen Coen na 
dit gevecht met zijne . scheepsmagt naar Amboina was geweken, 
schaarde admiraal Dale zich met zijne vloot voor het belegerde 
fbrt der Nederlanders. 

Gedurende de eerste veertien dagen ging alles binnen het fort 
behoorlijk toe , de bevelhebber van den Broeck liet met alle man 
de opgeworpen verschansingen in beteren staat van tegen weer 
brengen; terwijl van tijd tot tijd een schot met den vijand 
werd gewisseld. Van weerszijden echter werd de krijg slap 
gevoerd. De Engelschen verauimden, met onverklaarbare on- 
achtzaamheid en onbedrevenheid , van de nu nog gunstige ge- 
legenheid gebruik te maken , om de nog naauwelijks gedekte ver- 
schansing der Nederlanders door een hevigen aanloop onverwijld 
en stormenderhand in te nemen, of door een krachtig kanon- 
vuur tot de overgave te dwingen. Deze toestand van gewapende 
werkeloosheid duurde voort tot den 14^*^ Januartj, toen op toe- 
vallige wijze een in het Javaansch geschreven briefje binnen 
het fort gebragt werd, waarin de regent van Jakatra zijne be- 
geerte tot vrede te kennen gaf. Hieruit ontspon zich eene on- 
derhandeling tusschen den doctor de Haen en zekeren Joseph 
de Nattelaer, als gemagtigden van de Nederlandsche opperhoofden 
en den regent van Jakatra, welke reeds op den 19®° Januarij 
het sluiten van een contract ten gevolge had. Bij deze overeen- 
komst verbonden zich de Nederlanders tot het geven van 5000 
realen in geld en 1000 realen in Koromandelsche kleeden aan 
den regent, waartegen deze beloofde, dat hij voortaan de con- 
tracten tusschen hem en de Gou verneure- Generaal Both en Reijnst 
gesloten, zou blijven eerbiedigen. Het Nederlandsche fort, dat 
de regent teregt aanmerkte, als in strijd met die contracten in 
zijn land te zijn gesticht, zou niettemin tot aan de terugkomst 
van den Gouverneur-Generaal Coen mogen blijven in slatu-quo, 
zeik gaf de regent vergunning , dat de Engelsche loge en de 
inlandsche kampong niet dan op een grooteren afstand van de 
Nederlandsche verschansing, dan vroeger, zou mogen worden op- 



XCVll 

gebouwd. Hiermede zou de vrede en de vriendschap, even als 
weleer tusschen de Hollanders en Jakatra weder zijn hersteld. 
Nu was, zoo meende men in het fort, de burcht ontzet; om de 
magt of den invloed der Engelschen schijnt men zich niet meer 
bekommerd te hebben ; het geld werd zonder eenig" voorbehoud 
in eens aan den regent uitbetaald en Pieter van den Broeck was 
onnadenkend en roekeloos genoeg , om de wijze raadgeving 
waarmede Goen zijn laatsten brief besloot : « weest wel op uwe 
hoede , dat gij met vriendelijke onderhandeling niet verraden 
wordt» in den wind te slaan. 

Hij leende het oor aan de dringende uitnoodigingen van den 
regent en met goedkeuring van den raad van het fort, begaf hij 
zich met een gevolg van zeven personen, op den 22^ Januarij 
naar den dalam van den regent. De predikant Hulsebos, meer 
dan de anderen indachtig aan het voorschrift, dat men wel 
opregt als de duiven; maar toch ook voorzigtig als de slangen 
zijri moet, was de eenige, die tot dit besluit weigerde mede te 
werken. Zoodra waren van den Broeck en zijne medgezellen 
niet in het hof van den regent gekomen , of zij werden dadelijk 
aangetast, ter aarde in het slijk geworpen, gestooten, geslagen, 
de kleederen hun van het lijf gescheurd, het geschenk voor 
den regent hun ontrukt en eindelijk sterk vastgebonden in eene 
gevangenis gesmeten. Een bottelier, dien men met geld voor in- 
koopen op de pasar had gelokt, werd evenzoo beroofd en met 
een touw om de beenen geslagen, door slijk en modder naar 
den dalam gesleept. Toen de tijding van dit verraad binnen het 
fort was aangebragt, was goede raad duur en de verslagenheid 
algemeen. De poorten van den pagger werden terstond weder 
gesloten, het werken aan de versterking, dat men gestaakt had, 
in allerijl weer opgevat; terwijl de opperkoopman Pieter van 
Baeij nu optrad als bevelhebber, in plaats van van den Broeck. 
Ook de Javanen en Engelschen van hunne zijde, trokken op 
nieuw met alle kracht aan het werk en wierpen aan drie zijden 
van het fort nieuwe batterijen op. De regent van Jakatra liet 
IV. VII 



XCVIIt 

ia dien tusschentijd , door middel van Pieter van den Broeck, 
onder vele bedreigingen tot de Nederlanders de vraag rigten: 
«of zij nu oorlog dan wel peys verlangden.» In dezen eersten 
brief toonde van den Broeck zich nog moedig en trouw; «wat 
« ons aenstaende is , kunt gijl. wel dencken , » zoo schreef hij en 
doelende op den eisch van den regent voegde bij er bij : « begint 
gijl. met bet eerste?» Maar bet duurde niet lang of de moed 
van van den Broeck was reeds gebroken. Naauwlijks twee dagen 
na bet eerste schrijven ondersteunde van den Broeck reeds 
een eisch van den vader des regents, den Pangéran Padjajaran, 
dat de Nederlanders 10,000 realen , kruid, lood en twee stukken 
gescimt als losprijs voor de gevangenen zouden geven. Kort 
daarop, vermoedelijk nog denzelfden dag, schreef vanden Broeck 
met nieuwen aandrang aan den krijgsraad binnen bet fort: 
«het is de uiterste begeerte des Konings, zoo gij vrede met 
«hem en onze verlossing verlangt; dat gij dan de steenen kat, 
«aan het oude huis opgetrokken, zult afbreken, en zoo gijl. 
«wilt vertrekken zal hij U een Engelse^ schip bestellen en U 
«vrijlaten te vertrekken waar gij wilt; maar zoo gij dat niet 
« begeert, zal hij met de magt der Engelschen U daartoe dwin- 
«gen. Schrijft hem dadelijk antwoord!» ^ 

Nog weder een dag later, den 26'''* Januarij, toen de raad 
van het fort nog zoo dadelijk niet tot een besluit geraken kon, 
vooral omdat men de voorstellen van den vader des regents, 
als niet door den regent zelven gedaan , te veel mistrouwde , 
sloeg van den Broeck meer den toon aan van een smeekeling, 
dan van een kloekmoedig soldaat. « Ik kan niet nalaten U 
«dezen te schrijven,» zoo sprak hij nu, «alsoo ik voorseker niet 
«geloofd had, dat er zoo steenen harten in die menschen zouden 
«wezen, .men vond met elkander wel goed, dat ik hierheen 
«zou gaan; maar nu ik hier in eene ellendige gevangenis zit, 
« waar ik alle uur den dood verwacht , zoo er maar één Javaan 



^ Copie van missiven van diverse plaetsen aen den raet van 't fort Jaccatra ge^ 
jBonden, 30 Dec. 1618. — 7 Mei 1619. Mna. B. A. 



XCI# 

«gekwetst wordt, nu had ik ten minste gehoopt, dat de vrien- 
ftden iets voor mijne verlossing zouden hebben aangeboden. 
«Eergisteren zijn de Engelschen met den Koning overeengeko- 
«men, dat zij met al hun geweld aan land mogeii^ komen , 
«tegenover ui. en dat zij alleen trachten zullen U met schieten 
«af te matten en als zij U tot het uiterste zullen bevochten 
«hebben, dat zij met God de voorste niet zullen doen, dan zal 

«de Koning de helft van ^t volk en ^t goed hebben en de 
«Engelschen de andere helft.» ^ 

Geheel hopeloos schijnt van den Broeck zijn toestand toch 
Dog niet te hebben ingezien; want hij eindigt zijn brief met 
het verzoek , dat men hem wat opium , een paar hemden en ... . 
wat drop, zou toezenden en met de aanbeveling dat zijn jongen 
zijn goed toch bij elkander zou houden , want dat hij tegen 
geen schade kon ! 

Toen eindelijk van Raeij aan van den Broeck had doen vra- 
gen , wat hij persoonlijk zou aanraden, schreef hij terug, «uw 
«verzoek om advies is niet redelijk, want ik als gevangen 
«man zou wel alles willen geven wat er in de loge is; maar ik 
«bid u doet aanbod op den eisch van 10000 Realen en twee 
«stukken geschut. Laat weten wat gijl. van zins ztjt en onder- 
«teekent, dat gij zult vertrekken, zoodra de president Coen 
«terugkomt. Op een klein verlies moet gij nu niet zien, de 
n Engelschen beloven anders ^et 40 stukken geschut u plat te 
«schieten.» 

De krijgsraad in het ibrt was na het ontvangen der brieven 
van van den Broeck herhaaldelijk bijéén geweest ; doch hield zich 
vooreerst aan het contract, dat nog weinige dagen te voren op 
den 19*®^ Januarij met den regent gesloten was. Men schreef 
dus aan van den Broeck, dat het verwondering gaf, dat de 
regent op nieuw vriendschap en vrede van de Nederlanders 
eisch te, daar de herstelde vrede door hen niet was verbroken, 



Copiebrief van v. d. Broeck, 26 Januarij 1619. 



dat hij de meening van den raad over het afbreken der verster- 
king reeds lang kende, dat hem meermalen door den Gouver- 
neur-Generaal Coen het verlaten van Jakatra was aangeboden ; 
maar dat dit aanbod telkens door hem was afgeslagen, dat er 
nu veel zwarigheid aan verbonden was, dat het aannemen van 
een Engelsch vaartuig niet veel meer zou zijn , dan overgaan van 
den eenen vijand naar den anderen en dat men dus besloten 
had om met Gods hulp, de uitkomst van een aanval der Engel- 
schen af te wachten. ^ Dezelfde standvastigheid toonden de be* 
velhebber van Baeij en zijn krijgsraad ook nog op den 27**^ Ja- 
nuarij , maar na dien dag bezweken zij , zoo als uit de resolutien 
blijkt 9 voor de bedreigingen der Engelschen en voor de beden 
en verwijten van van den Broeck. 

Dat angst een kwade raadgever is , blijkt uit de brieven welke 
van den Broeck nu op den 27"'*^ en 28'*®° Januarij naar het fort 
s^ond, en waarin hij den krijgsraad allerlei kwade bedoelingen ten 
laste legde. « Het is u », zoo schreef hij , a genoeg bekend , dat ik 
ft door uw besluit herwaarts ben gegaan , omdat gij wel begrepen 
ft hebt, dat ik niet zou weigeren , uit vrees dat ik heden of mor- 
« gen zou moeten hooren : die blpode hond had vrees , om op des 
aKonings verzoek bij hem te verschijnen? Nu; dat is nu te laat! 
«nu zit ik hier, tot groote verheuging van mijne vrienden ge- 
ft vangen , waar kwalijk uitkomst van te verwachten is ! Ik heb 
«altijd goed vertrouwen in UI. oehad, in mijnen nood bemerk 
«ik dat nu anders, het meeste, dat mij verdriet, is, dat met 
«mijne boeijen gelagchen en den spot gedreven wordt. Ik had 
«nooit gedacht, dat zulke schandalen en zulk verdriet van invi- 
« dieuse personen mij zou overkomen ! v ^ 

Later op den dag van den 28"^, kwam er nog een brief in 
het fort, maar nu niet alleen door van den Broeck; maar ook 
door zijn medegevangene, doctor de Haen onderteekend. Hierin 



> Resolutie genomen in het fort Jakatra, dd. 26 Jannarij 1619. 
* Brief van yan den Broeck, dd. 28 JanuarQ 1619, in: copien van Missien aen 
den raet van 't fort Jacatra gesonden. Mnscript. R. A. 



CT 



raadden zij uitdrukkelijk aan, om de onderhandeling met den 
pangéran Padjajaran op te vatten, omdat nu ook de Koning 
van Bantam zic)i in de zaak begon te mengen en de Toemenggoeng 
der Bantamsche troepen er heimelijk de hand ^ in had. De regent 
van Jakatra zou door deze twee wel tot de goedkeuring eener 
nieuwe overeenkomst zijn te brengen. «Dit,» zoo schreven van 
den Broeck en de Haen, «dient op alle manieren bij de hnnd 
« te worden genomen , want de Engelschen alle dagen geweldig 
«met giften en gaven bij den Coninck aanhouden om het fort 
«met gewelt van geschut onder den voet te schieten en beloven 
«hem de helft van 't geld en plunderagie, lek twijfel niet, soo 
«de heeren een redelijken penning booden ofte soude alles ten 

«beste en proffijt van de Compagnie wesen de 

«heeren sullen den Pangerang Padjajaran zijn meening wel ver- 
« staan , te weten dat UI. al te zamen U verbinden zult met eene 
« onderteekening , van met de eerste schepen te vertrekken, met 
« al de koopmanschap en 't geen u zal gelieven ; ten anderen 
«zooveel geld als de heeren zullen geraden vinden tot ons 

«rantsoen »^ 

De Engelschen en Jakatranen waren in dien tusschentijd 
met hunne batterijen gereed, de oude batterij bij de Engelsche 
loge aan de overzijde der Tji-Liwong, welke door Coen ver- 
nield was, hadden zij weder opgebouwd en daarop de Engelsche 
vlag en ongeveer 40 stukken zvraar geschut uit de Engelsche 
schepen geplant. Over de rivier hadden zij bovendien eene brug 
gelegd, zoodat van die zijde de toegang tot het Nederlandscbe 
fort open lag. De bevelhebber van Raeij had dit alles stil zijn 
gang laten gaan , zonder een uitval te wagen of één schot te 
doen, uit bezorgdheid voor het lot der gevangenen. Naarmate 
de Engelschen zich krachtiger gevoelden, naar die mate werden 
zij ook meer begeerig om den aanval te beginnen. De regent 
van Jakatra weifelde echter nog. De invloed van Bantam hield 



^ Brief Van P. van den Broeck en Henrikus de Haen, dd. 28 January 1619. Zie 
hierachter, bladz. 157. 



CII 



den storm tegen. De slimme rijksbestierder van Bantam door- 
zag zeer wel, dat indien de Ëngelscben het fort in handen kre- 
gen, Jakatra slechts van meester zou veranderen en dit was 
zijne bedoeling niet , hij wilde niet dat er eene versterkte plaats 
van Europeanen , zoo minr van Ëngelscben als van Nederlanders 
te Jakatra zou bestaan. Hij wenscbte zich wel van de Ëngel- 
scben te bedienen , doch slechts tot op zekere hoogte en hij 
doorgrondde waarschijnlijk toen reeds, dat de Ëngelscben daarom 
alleen zich zooveel meer aan den regent van Jakatra aansloten , 
om later des te beter de bepalingen van het contract, dat zij 
met Bantam hadden gemaakt te kunnen ontduiken. Daarentegen 
poogden de Ëngelscben, waarschijnlijk om de geheime bedoelin- 
gen der Bantam mers te verijdelen , bet beleg spoedig tot een 
einde te brengen en bet fort in hunne handen te krijgen. Ter- 
wijl zij aan den eenen kant den regent van Jakatra ophitsten 
door zijne geldgierigheid te prikkelen, openden zij regtstreeks 
eene onderhandeling met de Nederlandsche bevelhebbers in het 
fort. Eerst schoten zij pijlen met brieven daaraan gehecht 
over de wallen; maar toen daarop geen antwoord kwam, zond 
de Engelsche admiraal Thomas Dale op den 29"^ Januarij 
eindelijk een ofBcieelen brief, waarin hij de overgave van het 
fort eischte, met aanbieding van lijfsbehoud voor de bezetting. 
Thomas Dale drong op de overgave aan onder den schoonen 
glimp, dat hij medelijden met de Nederlanders had, dat hij het 
bloedvergieten wilde voorkomen en dat het dan toch altijd ver- 
kieselijker was in handen van C bistenen zich over te leveren, 
dan aan Javanen , Mooren en Mahumetisten ! Terwijl de krijgs- 
raad in bet fort over deze aanbiedingen nog raadpleegde, kwa- 
men er kort achtereen weder twee brieven van van den Broeck. 
In den eersten meldde bij, dat de regent van Jakatra drin*- 
gend antwoord verlangde op de vraag: of de Nederlanders SOOO 
realen tot losprijs der gevangenen en tot schadevergoeding wil- 
den betalen en of zij nog een wapenstilstand begeerden tot 
aan de terugkomst van de schepen. Van den Broeck eindigde 



cm 

dezen brief met eene raadgeving : a UI. hoorde wel te accorderen " , 
en met eene bede om zich en zijne medegevangenen tegen weer- 
wraak te vrijwaren : « zoo de oorlog weder voortgaat, verdraagt 
«toch 18 è 20 schoten uit de stad, eer UI. weeromme schiet '\ ^ 

De krijgsraad besloot nu den stilstand van wapenen aan te 
nemen en eene som van 2000 Realen als losprijs aan te bieden. 
De regent verbolgen over dit, naar zijne meening, te gering 
aanbod en aangevuurd door de Engelschen, liet nu een veel 
hooger eisch door van den Broeck, aan de Nederlanders voor- 
schrijven. Hij verlangde dadelijk antwoord, of men het fort en 
het goed wilde overgeven, de bezetting zich in zijne handen 
wilde toevertrouwen, dan wel vrij naar Bantam vertrekken. Hij 
begeerde op staanda voet antwoord, want bij het minste verwijl 
zou hij met geweld het fort doen innemen en niemand in het 
leven laten 1 Van den Broeck voegde daarbij « hier dient na geen 
«lang uitstel op, want gij hebt hem al lang genoeg met praet- 
«jens bezig gehouden"! ^ 

Nog was op dezen laatsteo eisch geen beslissing van den 
breeden raad gevallen, toen nabij de zuidelijke punt van het 
fort, aan de zijde van de stad zich eene menigte van volk vertoonde 
en de Nederlandsche gevangenen stijfgebonden, met een koord 
om den hals op de wal of batterij van Jakatra werden gebragt. 

Nu zou, volgens al de verhalen, welke van deze gebeurtenis 
bestaan, het heldenfeit van van den Broeck hebben plaats gehad. 

In twee journalen, welke gedurende het beleg van het fort 
gehouden zijn en nog in handschrift op het Rijks-archief ge- 
vonden worden, treft men de beschrijving dezer gebeurtenis 
aan , zoo als zij zich werkelijk heeft toegedragen. In eene zaak 
als deze, waar het geldt, bet behoud of het verlies van den 
roem, waarmede Van den Broeck ruim twee eeuwen lang be- 
kend is gebleven , zal ik het woord laten aan de oorspronkelijke 
en gelijktijdige stukken* 

^ Zie hierachter, bladz. 160, brief 5 (4). 
> Zie hieracliter, bladz. 160, brief 4 (5). 



OIV 



In het eerste journaal leest men : « doen sondt de Coninck ^' 
(de regent van Jakatra) « Dirck lemmings wel vast gebonden , 
« met een koort om syn hals op die muer en riep tegen die 
« x:apiteyn ofte wy het fort opgeven willen , in 's Gonincx ban- 
ft den of in den Engelschéh generaels handen , behoudende het 
ft leven, wy mosten hem stracx bescheyt seggen, soo wij het 
ft fort niet opgeven willen , dan soude die Coninck daer strack op 
ft schieten en stormen , dan soude daer geen genaede wesen , hy 
ft soudet al vermoorden laeten, jonck en out, niet één kint het 
ft leven behouden! doen seyde de capiteyn, ^ dat hy den Coninck 
ft flus bescheyt senden soude, hoedat wy van sin waeren; doen 
ft ginck Dirck Jemming weder naer den Coninck toe en doen 
tl quam de H\ commandeur Pieier van den Broecky wel vast ge- 
« bonden op haere muer en riep tegen S". Raey^ dal wy met den 
« Engelschen Generael in accoort treden souden en bedinghen soo 
ft veel tooy als ghy crygen cont; dat wy.het fort 'niet houden en 
« souden; dal sy den brief lezen souden, dien de H\ Generael op hel 
ü jongst aen lant gesonden hadde, doen hy wech seylde en sy 
ft hebben my in haer bateryen geleyt, dat ick die bateryen sien 
ft soude , hoe fray dat se gemaect waren en hoeveel schut in haere 
ft bateryen leggen, en de leeren en andere reetschap leyt al daer 
tl om te stormen! Doen gaf S'. Raeij den heer commandeur voor 
ft antwoort, dat sy doende waren , om een brief aen den Engel- 
« schen generael te schry ven ; doen ginck de H^ commandeur 
ft soo ghebonden weer naar den Coninck toe ". ^ 

Nu het tweede journaal; daarin wordt nog minder gewigt 
aan deze gebeurtenis gehecht; men leest er: « dt? Coninck over 
dit geringhe bieden t'onvreden .synde, heeft terstont het fort, 

volck en goet op en in syn handen geeyst of soo de persoonen 

— ^— — — — — — — . , 

* Met den kapitein wordt bedoeld, of de bevelhebber Pieter van Raeij of de 
kapiteiii Jan van Gorkum. 

;» Joumael van die bdegeringe van 't fort Jacatra, 1619, van 4 Januarfl— 11 
Mei. Zie bierachter gedrukte stukken , No. XXXI , onder dagt. 29 January. Een 
bijna gelijkluidend verslag van deze gebeurtenis geeft Coen in zijn brief, dd. 5 Aug. 
lol9 ; doch Coen was geen ooggetuige. • 



cv 

hun niet in 8yn handen vertrouden, wilde haer syn praue 
verleenen, om naar Bantam te vertrecken en soo niet; het fort 
soude commen bestorremen en ^t zelfde inghenomen hebbende 
niemant by 't leven behouden, en dit geschiede tot 2 a 
5 malen toe, door P^ van den Broueke ende den doctoor de 
Haeny die al ghehonden aen de punt van de stadt gebracht en 
^ alsoo over te roepen bevolen voert, tot welck voornemen de Engels- 
seny de Javanen gheduerich aenhisten'\ ^ 

Het eenvoudig verhaal, dat ons in deze twee journalen ge- 
daan wordt, bewijst, dunkt mij, volledig, dat het roemrijk 
heldenfeit van van den Broeck, zooals ons dit onveranderlijk in 
geschied- en kinderboeken werd opgedischt tot de Êibelen en 
verzinsels moet gei'ekend worden. Van den Broeck is even als zijne 
medegevangenen, gebonden op de batterij gebragt, heeft vandaar 
geroepen, hetgeen Engelschen en Javanen hem gelastten; maar 
wel verre van aan de bezetting moed in te spreken, heeft hij 
haar door zijne woorden, den moed ontnomen en tot overgave 
aan de Engelschen overgehaald. 

Van den Broeck, het bleek reeds uit de brieven, welke hij, 
met angstige haast, den een na den ander in het fort zond, 
was de man ni^t, om zooveel zielskracht aan den dag te leggen. 
Nu tegenspoed en rampen hem troffen, verliet hem de moed 
en in 1619 toonde hij zich reeds, zooals hij, vele jaren 
later in 1640 bij de belegering van Malakka, door het Indische 
bestuur werd beoordeeld, «een slecht krijgsman, die zijn kapi- 
<c tein al zuchtende volgt en wiens propoosten procederen uit 
« een gedecourageert gemoet of loszinnige hersetlen ". ^ 

* Journael, gehouden in de belegeringe, in 't fort Jacatra, van 23 Dec. 1618 — 
1 Febr. 1619. Zie hierachter, bladz. 143. 

* Brief van Gonvem. Gener. en Raden aan den Commandeur Adr. Anthonisz. , 
dd. 30 October 1640, uitgegeven door den heer Leupe, in: Stukken betrekkelijk het 
beleg en de verovering van Malakka in 1640—41 , in de berigten van het Uistor. 
genootschap te Utrecht, 2de Serie, 2 Dl. 1 st. , bladz. 65. 

De eerste, die aan den heldenmoed van Pieter v. den Broeck getwijfeld heeft, was 
M'. J. A. van der Ch^s, in zijn verdienstelijk werk #de Nederlanders te Jacatra." 
Amsterdam, bij Fred. Muller, 1860, bladz. 98. Die schrijver kon echter door 



CVI 

De bedreigingeD der Engelsclien en Jakatranen , eerst in 
brieven aan de bevelhebbers van het fort, daarna mondeling op 
de wallen ten aanhooren van de geheele bezetting door van den 
Broeck overgebragt , misten hare uitwerking niet. Na eene korte 
onderhandeling^ werd op den 51*^ Janaarij de versterking aan 
de Engelschen en den regent van Jakatra bij verdrag overge- 
geven. De hoofdvoorwaarden van dit verdrag waren : dat bet 
fort met de geheele bezetting en christent)evolking, met het 
geschut en den krijgsvoorraad aan den Engelschen admiraal 
Dale, het geld, de koopmansgoederen en de juweelen daaren- 
tegen aan den regent van Jakatra zouden geleverd worden. De 
gevangenen van weerszijden zouden losgelaten, het fort één dag 
na het teekenen der capitulatie verlaten worden. De bezetting, 
de christenbevolking met de Japansche soldaten zouden op een 
vaartuig, door de Kngelschen voor 2000 Realen aan de Neder- 
landers te leveren , vrij en onbelemmerd naar de kust van 
Koromandel mogen vertrekken. 

gemis aan de oorspionkel^ke bewijzen , de zaak niet tot klaarlidd brengen. Hoe 
kwam, mag men viagen, de fabel in de wereld? wie was de eerste, die de mdo- 
dramatiscbe voorstelling van van den Broeck*s gewaanden heldenmoed vervaardigd 
heeft? Vermoedelijk niemand anders dan van den Broeck zelf, die, in een boelge ge- 
titeld: « Korte Uistoriael ende Jonmaelsche Aenteyckeninghen van al 't gheen merck- 
waerdich voorgevallen is, in de langdnerighe reysen, enz. enz. door Pieter van den 
Broecke. Haerlem by Hans Passchiers van Wesbusch, 1634,» op bladz* 112 het 
volgende schreef: «den 29 ditto (i. e. JanuarQ 1619) presenteerden die van 't fort 200O 
» Realen voor mijn verlossinghe , daer den Koninck niet na hooren wilde ende strenghe- 
irUjcker gebonden heeft ende sondt mij soo met twee Engelsen op dewalle, rechtover 

* de catte om 't fort op te eysschen Hierop staende streDgel^ck gebonden ea 

»de strop om den hals, gaf ons volck moet ende coaragie, in plaets van overgheven 

V te «roepen » Van deze zinsnede maakte zich een poëet meester , die zijn Pe- 

gasns besteeg en vooraan in het boelge van van den Broeck, deze dreanende zangen 
plaatste : 

»S^ knoopen om 8\jn hals een vreselike strop. 

En stellen hem voor 't fort, dat sQ het gaven op .- 

De dood ontset hem niet , h\j roept met grootse woorden : 

Hond uwe sterkte vast^ laet mij alleen vermoorden, 

6h\j siet haer vals bedrog en spiegelt a aen m\j , 

Off anders raekter geen, noch ick, noch niemand vr^.* 

De prozaïsche en vervelende canoellarist Roosset heeft ergens in één z\jner werken 
zich den nitval veroorloofd: «La poésie est la mère dn mensonge. « Ditmaal zeker 
waa de poëz^ eene vmcbtbsre moeder, zg baarde een tali^k kroost van nascfai^vera. 



CVII 



Na de overgave geraakten in het fort, naar bet schijnt, de 
reeds slap hangende breidels van de krygstucht voor eene wijle 
geheel los. Kisten en koffers, pakken en balen van den generaal 
Coen en andere afwezigen werden opgebroken en losgesneden , 
niet alleen door den gemeenen soldaat , ipaar vooral door hoogere 
en lagere opperhoofden, ten einde, zoo het heette, de geheime 
papieren op te zoeken en te vernietigen. Van die gelegenheid 
werd een ruim gebruik gemaakt, niet om den eigenaar te be- 
stelen, maar slechts om, zooals men voorgaf, den buitzieken 
vijand ten minste nog iets te onttrekken. 

Soldaat en. kapitein liepen nu rond, getooid met zijden en 
kostbare stoffen , ieder , die zijn kans schoon zag , zocht er iets 
van te halen ; maar die zorgelooze vreugde duurde niet lang. 
Want reeds den volgenden dag , op den 1"" Februarij , liet de 
Ëngelsche admiraal weten , dat hij niet in staat was om zijn 
woord te houden. De Koning van Bantam was tegen het ver- 
drag in verzet gekomen. Deze eischte, waarschijnlijk uit kracht 
van het aanvallend verbond, dat de Engelschen by den aanvang 
der vijandelijkheden met hem hadden gesloten , dat bet Neder- 
landsche fort niet in handen der Engelschen of Jakatranen; 
maar in zijne handen zou worden geleverd. De sjahbandaar 
van Bantam, die met eenige d{^izenden krijgslieden aanwezig was, 
vorderde namens zijn vorst, den kommandant van den Broeck 
en de overige Nederlandsche gevangenen op, dreigde met een 
aanslag op de Ëngelsche loge te Bantam en liet zijne soldaten 
post vatten aan den mond van de Tji-Liwpng, zoodat de gemeen- 
schap tusschen de Ëngelsche batteryen en de Ëngelsche schepen 
was afgesneden. De spanning tusschen de Engelschen en de 
Bantammers werd nu zoo groot, dat Thomas Dale zich op zijne 
beurt belegerd en verraden achtte en hij ter naauwernood in 
een bootje naar zijn schip vertrekken kon. De regent van Ja- 
katra leverde nu ook de Nederlandsche gevangenen aan den 
sjahbandaar der Bantammers over, die hen terstond van hunne 
boegen deed ontslaan en naar Bantam opzond. Toen van den 



CVIII 



Broeck ontwaarde , dat het dreigende gevaar ivas afgedreven , 
kreeg hij weder iets van zijne vorige geestkracht terug en schreef 
hij nog vóór zijn vertrek naar Bantam , aan den krijgsraad in 
het fort, een brief, waarin hij berigtte, dat hij naar Bantam 
werd vervoerd om daar met den Koning een goeden bitjara te 
houden. De Pangéran , zoo schreef hij , had inmiddels aan de 
Engelschen, zoowel als aan de Javanen geboden, dat zij de vijan- 
delijkheden tegen de Nederlanders zouden staken; de Engelschen 
hadden nu geen magt meer, men moest dus, in afwachting 
van hetgeen er verder volgen zou, met niemand in accoord tre- 
den; maar toch voortdurend tegen verraad op zijne hoede blijven. 

De toestand voor en om het fort was geheel veranderd. Zelfs 
geraakten de Engelschen en Bantammers nu bijna handgemeen, 
omdat de Javanen het geschut niet weder door de Engelschen 
naar hunne schepen, wilden laten terugvoeren. De verhouding 
tusschen de verschillende partijen werd nu zoo vreemd, dat 
zelfs de Nederlandsche bevelhebber van Baeij, de behulpzame 
hand bood aan de Engelschen, ingeval zij door de Javanen 
niogten worden aangetast. Deze weekhartige goedaardigheid 
weerhield de Engelschen intusschen niet van allerlei pogingen 
in het werk te stellen, om, zoowel door onderhandeling met 
de bevelhebbers, als door voordeeiige aanbiedingen aan het volk, 
zich het Nederlandsche fort in handen te doen spelen. 

Hierdoor ontstond wel , voor een korten tijd, muiterij onder 
de bezetting en bevolking; doch de krijgsraad bleef gelukkig 
hardnekkig de overgave weigeren, op grond dat de Engelschen 
de magt niet meer hadden , om het gesloten verdrag na te komen 
en de Nederlanders tegen de Javanen te beschermen. 

Die bescherming kon de Koning van Bantam nu alleen ver- 
leenen en daarom werd er met des te meer ijver met hem on- 
derhandeld. Deze eischte overgave van het fort in zijne handen , 
om het te doen slechten en daarenboven nog de helft der koop- 
manschappen en het grof geschut. De bezetting zou met krijgseer 
naar Bantam of elders mogen gaan, of ingescheept, toeven op 



Bantam's reede tot aan de terugkomst der Nederlandsche schepen. 
Na langdurige beraadslaging van den raad, in breeden getale 
opgeroepen, werd er eindelijk op den 9®** Februarij, al weder op 
raad van van den Broeck^ die nu aan een verdrag met Bantam 
boven een met de Engelschen de voorkeur gaf, voor de derde 
male tot eene overgave besloten. De breede-raad verlangde 
echter vooraf nog eenige wijzigingen , in de voorwaarden van 
het verdrag. Niet de helft, maar slechts een vierde gedeelte 
van ^s Compagnies goederen, niet al het geschut ^ maar slechts 
de helft daarvan, bood men den Koning aan. De Koning van 
Bantam zou zooveel schepen bestellen als noodig waren, voor 
bezetting en bevolking, om daarmede te kunnen wegzeilen waar- 
heen men verlangde; hij zou bovendien een vrijgeleide of vrijpas 
bezorgen van de Engelschen, opdat de Nederlanders door dezen 
niet op zee wierden aangetast. 

Terwijl deze nieuwe aanbiedingen naar Bantam werden over- 
gebragt, scheen men in het fort vervuld met vreugde^ omdat 
men er het leven had afgebragt, en van de toekomst hoopte 
men het beste. Dat de Koning van Bantam de voorwaarden 
zou aannemen, werd niet betwijfeld. Nu bragt men zich te 
binnen^ de vaderlandsche zeden en gebruiken en ook hier op 
Java^s strand zou een dank- en biddag worden gehouden, om 
te danken voor den goeden keer , dien de zaken genomen hadden , 
om te bidden, dat verder alles ten beste mogt ailoopen. Dat 
men zich driemaal flaauwhartig had overgegeven , scheen men 
in 't fort niet meer te gedenken; maar men dacht er ook 
aan meer zaken niet; want als de dank- en biddag was afge- 
loopen, herhaalde predikatien waren gehouden en het avond- 
gebed was gedaan, toen kwamen de kannen en kroesen op 
tafel en ging men aan het banket teeren , en als het later in den 
nacht geworden was en de minderen in rang, van tafel waren 
opgerezen, toen duurde voor bevelhebbers en anderen, wier 
pligt het bovenal ware geweest der overigen tot voorbeeld te 
strekken, het banket nog voort. De koppige Spaansche wijn 



werd met volle teugen geschonken en gedronken » half bloed 
portugeesche vrouwen, schoon van leden en los van zeden ^ 
werden op het feestmaal gehaald en nu werden er tafereelen in 
werkelijkheid geleverd, zooals een Brouwer of Teniers, een 
Ostade of Jan Steen er ons zoo velen op doek of paneel hebben 
afgebeeld; « maer dat de Dominé over dach gepreect hadde, 
«dat was haer al vergeten, sy hadden al te veel te doen, met 
«die schone vrouwen, men dochtte niet meer om Godt aen te 
« bidden om een goede uytcompste te crygen. » ^ 

In dienzelfden nacht werd er buiten het fort in de donkere 
kampong van Jakatra een ander drama afgespeeld; eene geheele 
omwenteling greep daar plaats. De ongelukkige regent, zoolang 
het gewillig werktuig van den rijksbestierder van Bantam, had 
nu zijne taak volbragt, geen diensten had men meer van hem 
te wachten, integendeel, hij had in den laatsten tijd voor eigen 
rekening en voordeel met de Nederlanders onderhandeld en met 
de Engelschen geheuld; dat werktuig moest nu worden ver- 
broken. In den nacht van den 2®*^ Februarij, werd dan ook op 
last des Ronings, van Bantam de regent van Jakatra uit zijn leen- 
manschap ontzet , uit zijn huis en goed gestooten , naar het gebergte 
gedreven en het rijk van Jakatra in dat van Bantam ingelijfd. 
De Engelsche admiraal , die nu wel begreep dat er voor hem 
ge^n voordeel te Jakatra meer was te halen , verzeilde met 
zijne schepen naar Bantam , waar hij zijn geld en zijne koop- 
mansgoederen niet meer veilig achtte. De rijksbestierder van 
Bantam stelde nu pogingen in het werk , om den Engelschen 
vlootvoogd tot de belofte over te halen, dat hij de Nederlanders 
bij hun vertrek uit Jakatra niet meer vijandelijk zou aantasten; 
doch toen Thomas Dale tot die belofte niet te brengen was, 
was ook de Pangéran te hooghartig om een brief van vrijgeleide 



* Joumael vaa de belegeringhe , enz., 14, 15 ea 16 Febr. 1619. Zie hier- 
achter bladz. 149. 

Als men dit journaal verder doorleest , zal men zien , dat soortgelijke feesten nader ' 
band meermalen nog gedurende de belegering van het fort gevierd z\jn. 



■ 

aan den Engelschman te vragen. Nu werd [de tijding naar het 
fort te Jakatra gebragt, dat de Koning van Bantam geen vrij- 
geleide van de Engelschen leveren kon , dat hij niettemin de 
overgave van het fort verlangde. Indien slechts de batterijen 
en bolwerken wierden geslecht en het geschut wierd overgele- 
verd, mogt de Nederlandsche bezetting te Jakatra blijven wonen 
tot aan de terugkomst der schepen. 

De Bantamsche krijgslieden onder het bevel van den Sjahban- 
daar en den Toemenggoeng zouden de Nederlanders beschermen. 
Maar bijna gelijktijdig werd aan den bevelhebber van Raeij in 
het geheim medegedeeld, dat de Engelschen op nieuw in goede 
verstandhouding zochten te komen niet den Koning van Bantam, 
ten einde zoo mogelijk met elkander vereenigd, zich van het fort 
meester te maken. ^. De breede raad van het fort begon nu 
eindelijk toch tot het besef te geraken , dat er nergens en bij 
niemand veiligheid en bescherming te vinden was , dat geen 
waarborg voor lijfsbehoud b^ vijanden of geveinsde vrienden 
moest worden gezocht , maar in eigen kracht en moed. Op den 
27"^ Febrüarij werd er eindelijk in den breeden raad eens een 
mannelijk besluit genomen , om « de plaatse tegen de heydense 
a Javaenen te behouden, door sukke middelen als God verleend 
«t had of nog verleenen mogte , soo lange het in vermogen was ». 

Nu toog men ook weder aan het werk, de wallen en ver- 
schansingen , werden met aarde aangevuld, de plaats nog weder 
in beteren staat van tegenweer gebragt. De rondom het fort 
door de vijanden aangelegde liatterijen, werden bijna zonder 
tegenstand te ontmoeten , achtervolgens vernield en verbrand. 
Dat de fortuin aan lafhartigen den rug toekeert, maardestout- 
moedigen te hulp komt, werd ook nu weder bevestigd. Feitelijk 
hield de oorlog nu op. Slechts tegen over kleinmoedigen had- 
den Javanen en Engelschen eene dreigende houding aangenomen. 



^ Brieven uit Bantam, dd. 17 en 32 Febr. 1619, van Hendr. Janssen, Pieter 
van den Bioeek, c. s. 



cxtt 

Er werd nog wel eene levendige briefwisseling tusscben Bantam 
en het fort te Jakatra onderhouden , maar in het veld 
verscheen geen vijand meer. De inlandsche bevolking keerde 
zelfs terag en hield dagelijks pdsar bij het fort, waarop de be- 
zetting door inlandsche oppassers, allerlei levensmiddelen en ver- 
verschingen liet opkoopen. Bij de bevelhebbers won de over- 
tuiging veld, dat de vesting nu geen aanval meer te vreezen 
had. Zij wilde zich nu ook tooijen met den eere titel van grond- 
leggers van het Nederlandsche Rendez-vous in Indie. Op den 
l^dea jyfaart riep kapitein van Raeij met groote plegtigheid de 
bevolking bijeen en de bezetting in de wapenen , om onder het 
hijsschen der vlaggen, het luiden der klokken en het drinken 
van den eerewijn, het fort Jakatra met den naam van Batavia 
te doopen. De vier bolwerken verkregen de hamen van Holland 
Westvriesland, Zeeland en Gelderland. De zorgeloosheid, die 
voor een korten tijd geweken was, uit vrees voor eigen lijfebe- 
houd, kreeg nu ook weer de overhand en in het fort werd 
vrolijk en overdadig huis gehouden, het eene feest volgde op 
het andere, «er werd gegasteerd, verschoncken e« verteert». 
Nog bijna twee maanden lang bleef die toestand voortduren. 
Het meeste gevaar liepen in dien tusschentijd van den Broeck 
en de overige Nederlanders , bijna honderd in getal , die nog te 
Bantam gevangen' zaten; maar ook dezen bleven gespaard, hetzij 
uit genade van den Bantamschen vorst, hetzij uit vrees voor 
den geduchten Jan Pietersz. Coen , wiens terugkomst uit de 
Molukken toch nog altijd gevreesd werd. Eindelijk had die 
terugkomst plaats. Op den 10^^*^ Mei 1619 kwam onverwacht 
eene sloep de Tji-Liwong oproeijen, de raden van Indie, Pieter 
de Garpentier en Andries Sourij, stapten er uit aan land, zij 
waren vooruitgezonden op het schip Geylon, om aan de bezetting 
het naderend ontzet te boodschappen. Weinige dagen later kwam 
Goen zelf met eene vloot van 16 schepen op de reede voor 
Jakatra. Nu was het fort werkelijk ontzet en voor Nederland be- 
houden ; maar nu brak ook het uur der wedervergelding aan, zoowel 



GXIII 

voor de yijanden als voor de ontrouwe dienaren van de Neder- 
landsche Oost-Indische Compagnie. ^ Op den 30"^ Mei 1619 stelde 
zich Jan Pietersz. Coen, met het rapier in de vuist, aan het hoofd van 
duizend welberaden mannen , die onder het geschal der trompetten 
en met vliegende vaandels over bolwerken , door staketsels én 
ipalissaden heen de stad Jakatra binnenstormden en de Javaansche 
bezetting, meer dan drie duizend man sterk, als bladeren voor 
den stormwind voor zich uit deden stuiven. De stad werd in de 
asch gelegd, dalam noch mesdjid werden gespaard en toen de 
avond viel, had Jakatra opgehouden te bestaan. 

Den volgenden dag liet de rustelooze Goen den vlugtenden vijand 
nazetten, die nergens voor den aanloop der Nederlanders stand 
hield. Toch was dien dag een deel der afgezonden bende een 
oogenblik in gevaar van in eene hinderlaag geheel verslagen te 
worden ; maar in het einde hielden de Nederlanders overal het veld. 
«In deeser voege,» zoo schreef Goen op een toon van regtmatige 
zelfvoldoening aan de bewindhebbers in Nederland, «in deeser 
«voege hebben wij die van Bantam uit Jakatra verslagen, voet 
«en dominie in het land van Java bekomen. De eere en repu- 
«tatie van de Nederlandsche natie zal hierdoor zeer vermeerde- 
aren, nu zal elkeen zoeken onzen vriend te zijn! Het 'fondament 
« van zoolang gewenscht rendez-vous is nu gelegd , een goed 
«deel van het vruchtbaarste landschap en van de vischrijkste 
«zee van Indie is nu uwe! Ziet en considereert toch wat eene 
«goede courage vermag!» ^ 



aenteDÜe van 66. m raad van het fort Jakatra, dd. 9 JalQ 1619 (welke 
laad bestond uit: J, P* Coen, L. Read, Steveu van der Hagen, P. de Carpenüer, 
W. Jansz., A. Sonrij , f. v. der Meer, P. Dircksz., Th. C. Vleyshouwers , secret.) 
werdtti P. van Baejy , (toen reeds overleden) J. Jsz v. 6orcum, A. J. Hulsebos en 
R Harmansz , wegens de overgave van het fort gedeporteerd van hunne offitie , on- 
Wcwaam verklaard om meer in diergelijke vergaderinge (breede-raden) gebruikt te 
Woiden en weder gesteld in de bediening , waarvoor sg waren nitgevaien en voorts , 
onder zekere voorwaarden, veroordeeld tot restitutie van hetgeen geroofil, geplunderd 
of weggeschonken mogt zQn , gedurende het bd^. 
* Qo hioaehter» Uadx. 179. ' 

IV Vin 



HOOFDSTUK IV. 



Er bleven ook na de verovering van Jakatra, voor Goen nog 
vijanden te bestrijden over. Zonder uitstel zond hij aan denRoning 
van Bantam bet berigt van de verwoesting van Jakatra en hg 
voegde er bij , dat bij het voornemen bad om weldra met zijne 
vloot voor Bantam te verschijnen , en dat bij het ontslag der 
gevangen Nederlanders verlangde «om questie te voorkomen.» 
Als een donderslag werd die tijding te Bantam vernomen. AUer 
gemoederen waren ontzet en de vrees klom , naarmate bet uit- 
eengejaagde krijgsvolk uit Jakatra binnen Bantam kwam vlugten. 
Men dacht niet anders of Bantam ging hetzelfde lot als Jakatra 
te gemoet; De geheele bevolking werd aan bet werk gesteld om 
de stad te versterken^ de krijgslieden werden te wapen geroepen. 
De rijksbestierder alleen behield , te midden van de algemeene 
verslagenheid, eene waardige houding. «Zoo als die te Jakatra, » 
zeide bij^ «zullen wij niet doorloopen en zoo wij door geweld 
«en overmagt gedwongen worden tot het verlaten van onze 
«stad, dan zullen wij al de peperranken doen vellen en ver- 
ft nielen. « 

Reeds op den 6"^ Junij verscheen Jan Pietersz* Goen voor 
Bantam, hij had echter het voornemen niet om ook deze stad 
in te nemen of te verwoesten ^ «die vrucht was,» zooals bij 
zich uitdrukte, «nog niet rijp.» Hij hield zich rustig, maar de 
werkeloosheid van de dreigende scheepsmagt der Nederlanders ver- 
meerderde nog den angst binnen Bantam. Twee dagen na zijne 



cxv 

aankomst stelde Goen den eisch , dat de gevangenen binnen vier 
en twintig uren moesten zijn losgelaten, of dat hij in het werk 
zon stellen 9 wat hij in zijnen raad besloten had. De Nederlandsche 
gevangenen verwachtten nu niets anders dan den dood; maar 
vóór nog het bepaalde uur verstreken was, leverde de rijksbe- 
stierder hen vrij aan boord van de Nederlandsche schepen. 

De regering van Bantam betoonde zich nu qpk zeer vrede- 
lievend , zij sprak van vrede en vriendschap, van hervatting van 
den handel en van de oude betrekkingen; maar toen Goen 
dientengevolge eene poging liet aanwenden om den peperhandel 
weder aan te vangen , toen bleek het , dat de rijksbestierder 
zijne maatregelen genomen had om de hervatting der handels- 
betrekkingen te belemmeren. 

Goen bleef nog tot den 21"" Junij met zijne schepen voor 
Bantam liggen, altijd in. de hoop dat het wantrouwen wijken 
zou en de peperhandel weder vrij, zooals de rijksbestierder be- 
looM had, zou kunnen gedreven worden. Toen echter de 
Nederlandsche loge bij voortduring met Javaansche krijgslieden 
bleef bezet en ieder Nederlander binnen de stad, streng bewaakt 
vrerd, keerde hij naar Jakatra terug. Hij liet drie zijner schepen 
op de reede van Bantam achter, deels om de Nederlandsche 
kooplieden te beschermen, deels om het oog te houden op de 
£ngelschen, wier verblijf men niet kende. Vóór zijn vertrek 
lieten Goen en zijn raad, op grond van zeer zonderlinge rede- 
neringen, eerst de Ghinezen uitnoodigen om naar Jakatra te 
komen , daarna hun aanzeggen , dat zij vóór hunnen terugkeer 
naar Ghina eenigen hunner landgenooten te Jakatra moesten 
achterlaten , om dddr tegen goed loon arbeid te verrigten. Aan 
de bevelhebbers en kooplieden der Ghinesche jonken werd mede- 
gedeeld , dat indien de peperhandel bij voortduring aan de 
Nederlanders te Bantam bleef ontzegd , in zee de peper uit 
hunne jonken tegen billijke betaling door de Nederlanders zou 
worden geligt ^. 

1 Rflsol. 66. en R. 18 Juq^ 1619. 



CXVI 

Toen weinige dagen , nadat Goen van Bantam was vertrok- 
ken, de rijksbestierder zich nog vijandiger tegen de Nederlan- 
ders betoonde en dezen den handel geheel belette , besloten 
Gouverneur-Generaal en raden, tot eene blokkade van Bantam 
over te gaan i. Het geld en de goederen werden uit de Neder- 
landsche loge gehaald en op de schepen gebragt, slechts een 
vijftal matrozen bleef achter, het uit- en in varen van de haven 
werd belet en alle met lading aankomende en vertrekkende vaar- 
tuigen werden gelost. De regering van Bantam beschouwde van 
dat oogenblik af teregt, zich als in oorlog met de Nederlanders. 

Goen had met deze blokkade een tweeledig doel op het oog, 
vooreerst wilde hij daardoor den handel van Bantam naar Ja- 
katra doen verloopen , en ten tweede moest hem dit een middel 
zijn om zich van peper, die hij te Bantam niet meer krijgen 
kon , te voorzien. Wij zullen later de gelegenheid hebben om 
op te merken 9 dat de nu ingevoerde staatkunde, van aan Bantam 
den handel af te snijden , met het doel om dien naar Batavia 
te verleggen, mét meer of minder klem, naar mate de om- 
standigheden het vereischten, tot in het jaar 1659, bijna onaf- 
gebroken is gehandhaafd. Onverzoenbare haat vervulde dan ook 
het hart van den Bantamschen rijksbestierder tegen Goen, dien 
hij als den grooten drijver beschouwde van alles, wat er in de 
laatste jaren op Java door de Nederlanders was verrigt. Op den 
l?"" October 1619 werd Goen bijna het slagtoffer van dien 
haat, toen drie afgezonden moordenaars hem het leven wilden 
benemen, maar die, hoewel zij zich alleen met Goen in de ge- 
hoorzaal bevonden, hun misdrijf niet durfden volvoeren^ omdat 
zij onder den vreesselijken blik van hun heldhaftigen vijand 
terugkropen. 

Met de Engelschen had Jan Pietersz. Goen nog eene open- 
staande rekening. Die te vereffenen, was zonder twijfel een 
zijner vurigste wenschen ; maar zoodra de terugkomst van Goen 



Rssol 6G. en R. 30 Jony 1619. 



CXVII 

met zestien schepen uit de Molukken, te Bantam was vernomen^ 
had de Engelsche admiraal de ankers doen ligten en was hij 
met zijne vloot , straat Sunda uit, westwaarts de Indische zee 
ingezeild, zonder dat men met zekerheid wist, waar hij geble- 
ven was. 

Onder de eerste Nederlanders die te weten kwamen, waar de 
Engelsche vloot te vinden zou zijn, behoorde schipper Gr. Cor- 
nelisz. ^t Hert, bevelhebber van het schip de Orënjeboom. Deze 
kwam, met meer andere schepen, omstreeks dezen tijd, uit 
Nederland in den Archipel aan en ontmoette, op ongeveer hon- 
derd mijlen aüstand van Sumatra^s westkust, een van de Engelsche 
schepen, welke voor Goen waren weggevlugt. Schipper *t Hert 
onbekend met het uitbreken van den oorlog in Indie, tusschen 
de Nederlanders en de Engelschen , ging zonder kwaad vermoeden 
met eenigen van zijn volk bij den Engelschman aan boord en 
in de kajuit. Terwijl men hem daar met geveinsde vriende- 
lijkheid onthaalde, werden op het dek de HoUandsche schepe- 
lingen door de Engelschen gegrepen; doch dezen lieten zich niet 
zonder tegenstand gevangen nemen, twee matrozen zelfs sprongen 
over boord. Schipper 't Hert verneemt het gerucht van deze 
worsteling, rukt zich los uit de handen der Engelschen, die nu 
ook hem wilden grijpen; doch hij vindt de kajuitsdeur met eene 
ketting gesloten, hij maakt onverwacht eene wending, springt 
op de galerij en roept van dddr aan de bemanning van de 
Oranjeboom, die zeer nabij het Engelsche schip lag: «Zij zou- 
«den al het geschut vooruit brengen en langs de geheele zij 
«aan de Engelschen de volle laag geven!» De Britsché bevel- 
hebber, die vermoedelijk zoodanige ontknooping niet verwacht 
had en geen smaak schijnt gehad te hebben om eene volle laag 
van zóó nabij uit de trompen , op zijne zijde te ontvangen , zond 
in allerijl den wakkeren HoUandschen schipper naar zijn eigen 
boord terug en liet hem zijn weg vervolgen. 

Terwijl Goen nog met zijne scheepsmagt voor Bantam lag, 
was in den raad de vraag behandeld, of men de Engelschen 



CXVIII 

ook zou gaan opzoeken en slag leveren; doch na bedaarde over- 
weging had men besloten het oor niet te leenen aan de inbla- 
zingen van de wraakzucht, ten koste van meer gewigtige be- 
langen. De Nederlandsche scheepsmagt wilde men , in de eerste 
plaats y dienstbaar maken aan de bescherming van de belangen 
der Compagnie op de kust van Java, en tot bevordering van 
den handel op onderscheidene kantoren in Indie, die noodzakelijk 
van kapitaal en koopmansgoederen moesten worden voorzien. ^ 
Om dit besluit ten uitvoer te leggen werden drie schepen naar 
Patane, in de golf van Siam, zes schepen naar de peperhavens 
van Sumatra afgevaardigd. De behartiging van het handelsbelang 
weerhield echter den Gouverneur-Generaal en zijnen raad niet, 
om aan de bevelhebbers dier beide smaldeelen, tevens den last 
te geven, dat telkens wanneer zij Engelsche schepen mogten 
ontmoeten en de kans schoon zien tot schadeverhaling, zij dien 
vijand mogten aantasten. 

Ook hierin weder begunstigden de omstandigheden het beleid 
van het Nederlandsch-Indische bestuur. 

De drie schepen, welke naar Patane waren afgezonden, 
troffen daar twee Engelsche bodems op de reede aan. Na een 
bloedig gevecht, dat ruim drie glazen duurde en waarin 39 
Engelschen en 10 Nederlanders sneuvelden, werden de twee 
Engelsche schepen, met 45 stukken gewapend, door de Neder- 
landers genomen. Een der felste tegenstanders van de Neder- 
landsche Compagnie, die de groote drijver was geweest van 
den krijg, John Jordain, kapitein en opperkoopman der Engel- 
schen, liet in dezen scheepsstrijd het leven. 

Het tweede Nederlandsche smaldeel, dat onder bevel van den 
kommandeur en raad van Indie, Willem Jansz, naar de west- 
kust van Sumatra was gestevend, behaalde, weinig tijds later, 
nog meer voordeel. Op de hoogte van Tikoe ontmoette dit 
smaldeel, den 11*^ October IGIS, vier Engelsche schepen; er 



BeioL GG. en B. , 18 Jnng 1619. 



GXIX 

werd terstond tot enteren besloten. Na een allerhevigsten strijd, 
boord tegen boord geleverd, moesten de Engelschen ook hier 
weder voor de overmagt bukken. Een der Britsche schepen^ 
de Dragon, geraakt in brand, de bemanning springt over in 
het Hollandische schip Haarlem, doch wordt terug, binnen eigen 
boord gejaagd, om eerst den brand te blusschen. Voor de avond 
gevallen was, waren alle vier de Engelsche schepen genomen. 
Ook in dit gevecht weder, sneuvelde de Engelsche bevelhebber, 
met nog 50 andere schepelingen. ^ 

Alsoo waren de Britten , die weinige maanden geleden , nog 
snoevende hadden gedreigd, dat zij die Dutchmen wel uit Indie 
zouden jagen , nu op punt van zei ven door den ijzeren arm van 
Jan Pietersz. Goen uit den Archipel te worden gezet. Nog was 
Goen, de man zonder genade of weifeling, niet voldaan; nog 
wilde bij het jus talionis verder op de Engelschen toepassen, 
nog beraamde hij een nieuwen grooten kruistogt, om hen van 
de kusten van Sumatrar en Koromandel te drijven; nog vulde 
hij zijne brieven met klagten over Engelschen vooral, maar ook 
over Franschen, Denen en alle andere mededingers, die een 
vreedzamen en onkostbaren handel kwamen drijven, terwijl de 
Nederlandsche Oost-Indische Compagnie met de oorlogskosten 
bleef belast en wier indringen hij met te meer geweld wilde kee- 
ren, omdat hij hen allen beschouwde als heimelijk ondersteund 
door het goud des Konings van Spanje, opgehitst door Isaac 
Lemaire, «dien algemeenen v^anfif » zooals hij dezen noemde, toen 
te midden der vijandelijkheden , op den 27"^ Maart 1620 de 
onverwachte en ongewenschte tijding kwam, dat de Nederland- 
sche Compagnie in Europa met die der Engelschen in verbond 
was getreden. In den loop des jaars 1618 waren de afgebroken 
onderhandelingen tusschen de bewindhebbers der Engelsche en 
Nederlandsche Oost-Indische Compagnie, onder bemiddeUng der 
diplomatie weder hervat. In de maand December van dat jaar 



Zie bienditer brief van Coen , dd. 22 Jannar^ 1620. 



cxx 

was een talrijk gezantschap , uit afgevaardigden der Staten-Gene- 
raal en der Oost-Indische Compagnie bestaande^ uit Nederland 
naar Londen gestevend. Op den 20*^ December 1618 had het 
Nederlandsche gezantschap gehoor bij Koning Jakobus. Eerst 
hielden de gezanten der Staten-Generaal eene aanspraak ^ daarna 
deden de commissarissen der Nederl. Oost.-Ind. Gomp. in eene' 
langgerekte rede, een voorstel tot vereeniging der handelsvoor- 
deelen en verdedigingskosten in Indie voor beide de compagnien. 
Bij aeze eerste zamenkomst reeds bleek het, dat de stemming des 
koningSy sedert 1613 ten nadeele der Nederlanders was gev^ijzigd. 
De bewindhebbers der Engelsche compagnie, die sedert lang 
naar middelen hadden gezocht, om den Koning zijne gematigde , 
zijne onverschillige houding, zooals zij meenden , te doen verlaten , 
hadden hem aangebragt, dat Nederlandsche kooplieden in Indie 
zich met minachting over hem hadden uitgelaten en ge- 
zegd, «zij gaven niet meer om den Engelschen Koning; want 
« de Oude St. Joris was kindsch geworden ! » Hiermede had 
men de bekende ijdelheid van dien monarch geprikkeld en de 
houding, welke hij jegens het Nederlandsch gezantschap aannam 
was koel en afgemeten. Het was dan ook eerst op den 24"^*^ 
Januarij 1619^ dat de commissarissen van de zijde des konings 
waren benoemd en de onderhandelingen een aanvang namen. 

Reeds dadelijk weigerden de Engelschen over eenig ander punt 
in beraadslaging te treden, vóór dat de Nederlanders voldoening 
hadden gegeven van beleedigingen , feitelijk of met woorden aan 
de Engelschen aangedaan. Die grieven moesten eerst uit den 
weg worden geruimd. Maar nu kwamen ook de Nederlanders 
van hunne zijde liiet « doleantien » en toen men van beide zijden 
de memorien van grieven elkander had overgereikt, scheen het 
niet te overzien, hoelang de wederkeerige verwijten nog zouden 
worden gerekt. Door de bemiddeling der gezanten werd niette- 
min dit voorafgaand vraagstuk, vroeger tot eene beslissing gebragt 
dan men aanvankelijk had kunnen verwachten. 

Het eerste artikel werd reeds op den 9**^ Februarij vastgesteld, 



GXXI 



nadat de Nederlandscbe gezanten alle verlangde voldoening voor 
beleedigingen jegens den koning mondeling hadden gegeven. Bij 
dit eerste punt werd vastgesteld, dat van beide zijden alle grieven 
zouden worden vergeven en vergeten , alle gevangenen zouden 
worden ontslagen ed alle genomen schepen en goederen zouden 
worden teruggegeven. 

Hierop gingen de beide partijen over, tot het behandelen van 
de vraag, of en zoo ja, op welke wijze de beide Gompagnien 
zouden vereenigd worden. Commissarissen van weerszijden waren 
het spoedig daaromtrent eens, dat, om tot eene vereeniging te 
geraken 9 men eerst beider kapitaal, waarover men opdatoogen- 
blik te beschikken had, moest kennen. 

De Nederlandscbe en de Engelsche commissarissen legden nu 
aan elkander over een staat van hun kapitaal. De Nederl. 
Oost-Indisché Compagnie gaf als haar werkelijk, op dat oogen- 
blik bestaand kapitaal op, negentien milhoen, vijfmaal honderd 
duizend gulden, over verschillende posten verdeeld; de Engel- 
schen daarentegen een kapitaal van vier en twintig millioen 
vijf ipaal honderd duizend gulden. Een koopman geeft altijd 
ongaarne de hoegrootheid op van zijn kapitaal, hij zal het al 
ligt grooter doen voorkomen dan het werkelijk is, hoeveel te 
meer mogt men dit* hier niet verwachten, waar van de hoe- 
grootheid van het kapitaal, de hoegrootheid van het aandeel in 
de retouren afhankelijk zou zijn. 

Men mag dus betwijfelen of wel ééne der twee partijen eene 
geheel juiste opgaaf heeft gedaan; doch de Engelschen schijnen 
het wel wat erg grof te hebben gemaakt, vooral bij hunne be* 
rekening van de kapitaals waarde van de laatst uitgeruste sche- 
pen, tén minste, toen d& Nederlandscbe commissarissen hun de 
kosten eener uitrusting hadden voorgerekend, erkenden zij ein- 
delijk al lagchende , dat de Engelsche schepen wel wat erg duur 
waren en dat het tijd werd, dat daar orde in wierd gebragt. 
Het debat over deze opgaven, was intusschen eene zaak van 
zeer teederen aard; want hoe iRCourtois» men zich ook uit- 



GXXII 

drukte, kwam het toch altijd daarop neder, dat men over en 
weder elkander van onware opgaven moest overtuigen. Nadat 
de commissarissen dan ook meermalen over dit punt bijéén waren 
gekomen 9 eindigde deze beraadslaging met een twist, «men viel 
avan het eene propoost in het andere, met herde woorden 
«van beide zijden'', zoodat de gezanten als bemiddelaars tusschen- 
beiden moesten komen en het oorspronkelijke plan eener kapi- 
taalsvereeniging der beide Gompagnien, in het einde werd prijs 
gegeven. 

Een niet minder teeder punt kwam nu in behandeling, na« 
meiijk de vrijheid en gelijkheid van handel in Indie. 

De Nederlanders verstonden daaronder, vrijheid en gelijkheid 
voor beide partijen in Indie, uitgenomen voor. die plaatsen, 
waar de Oost-Indische Compagnie uitsluitende contracten met 
de inlandscbe vorsten of de inlandsche bevolking had gesloten 
en inzonderheid in den Archipel der specerijen. 

De Engelsche bewindhebbers daarentegen begeerden, dat beide 
partijen gelijke regten overal in Indie zouden hebben. Zij wer- 
den in hunne eischen gesteund door koning Jakobus, die voor 
zijne onderdanen de helft der handels-produkten overal in Indie 
verlangde. Hij voegde er zelfs bij, dat, indien de Hollanders 
oorlog wilden, zij dat slechts hadden te verklaren, hoewel hij 
het beter oordeelde, indien zij tot een vergelijk toetraden. 

De bijeenkomsten der commissarissen van de Nederlandsche 
en Engelsche Compagnie hielden nu ook op, zij leidden slechts 
tot hoogloopende twisten. De gezanten der Staten-Generaal 
namen van dat oogenblik af, de zaak in handen en onderhan- 
delden met de commissarissen van den Koning van Groot-Brit- 
tanie. Toen deze twee partijen het zoover gebragt hadden, als 
het hun mogelijk scheen, onderwierpen zij een concept-overeen- 
komst aan de gevolmagtigden der beide Compagnien, maar ook 
nu weder leed het ontwerp bij dezen schipbreuk. 

De Engelsche Compagnie verlangde de helft van de pepelr, 
welke in Indie zou gekocht worden, zij weigerde bij te dragen 



X 



v 






N 



\ 



\ 



iD de onkosten van onderhoud der sterkten in de Molukken, 
maar eischte het regt van in den archipel der specerijen voor 'n, 

zich zelve y forten te bouwen. De Nederlandsche bewindhebbers 
weigerden dit. Het bezit van één of meer forten in de Molukken 
was een hoofdpunt, dat de Engelsche Compagnie niet wilde 
loslaten en de Nederlandsche niet wilde toegeven. In de hevig- 
heid waarmede de beide partijen over dit punt toen hebben 
getwist en in de dilatoire. oplossing, welke er toen aan is ge- 
geven, moet de oorsprong en tot op zekere hoogte ook de 
verklaring worden gezocht, der gebeurtenissen, welke weinige 
jaren later, in 1623 op Amboina zijn voorgevallen en sedert 
bekend zijn gebleven onder den naam van «Ambonschen moord.» 
De onbevredigde begeerte naar zoodanige sterkte in de Molukken 
is welligt voor de Engelschen toen een prikkel geworden , om 
door zamenz wering en list zich op Amboina te verwerven, het- 
geen zij bij traktaat niet hadden kunnen verkrijgen. 

De kennis daarentegen, welke de Nederlanders van dien, 
sedert jaren bij de Engelschen bestaanden toeleg, droegen en 
de ondervinding, die zij voortdurend opdeden van de listige 
pogingen der Engelschen om de bevolking der Molukken, ja 
zelis de Nederlandsche soldaten en matrozen op te ruijen en 
tot zich te trekken ^ , hebben alligt tot de bloedige ontknooping 
op Amboina medegewerkt en de Nêderlsgidsche ambtenaren tot 
meer wantrouwen, meer haastige regtspleging en wreeder straf- 
oefening verleid, dan waartoe zij onder gewone omstandigheden 
zouden zijn overgegaan. 

Toen de gezanten van de Staten Generaal bemerkt hadden, 
dat noch de Engelsche, noch de Nederlandsche Oost-Indische 
Compagnie, met het ontwerp- verdrag genoegen nam, waren 
ook zij reeds op het punt van de onderhandeling op te geven. 
Zij bleven nog alleen in Engeland om over andere punten, den 
invoer van nijverheidsvoortbrengselen en de noordsche visscherij 



> Zie o. a. hierachter hladz. 211 , 265 , 267 en 268. 



^CXXIV 



betreffende, met de Engelsche regering te beraadslagen, toen 
koning Jakobas, die nu weder meer tot eene schikking scheen 
geneigd, een zoogenaamd «expediënt» voorsloeg, dat hierin zou 
bestaan, dat de Gompagnien zich verdragen zouden op die pun- 
ten, welke zij beiden goedkeurden en dat er inmiddels een 
artikel in het traktaat zou worden ontworpen, waarbij bepaald 
zou worden, dat de forteressen zouden blijven in handen der 
bezitters en de vraag of de Engelschen in den specerij-archipel 
sterkten zouden aanbouwen voor 2 of 3 jaren, in «surcheance» 
zou blijven. 

Over dezen voorslag werden nu weder langdurige beraadsla- 
gingen gehouden, totdat men het eindelijk zoover eens v^erd, 
dat in de eerste dagen van Julij, de gemagtigden der Nederland- 
sche Oost-Ind. Comp. weder naar Engeland overkwamen en er 
op den 7/17 Julij 1619 een traktaat tot stand kwam, waarbij 
hoofdzakelijk het navolgende werd vastgesteld. 

Het eerste artikel was vroeger reeds goedgekeurd en regelde de 
zoogenaamde satisfactie. ^ 

Het tweede bepaalde, dat de beide compagnien en alle hare 
hoogere en mindere officieren en ambtenaren voortaan met elkan- 
der zouden leven en « converseeren » als getrouwe vrienden , na- 
buren en geallieerden. 

In het derde artikel leest men : « De handel en traffiek zal vrij 
en open wesen in de Oost-Indien, zoo voor de Comp. van 
Engeland als voor die der Ver. Provintien , zoodat ieder van deze 
Compagnien, voor zijne eigene en afzonderlijke rekening zoo- 
danig fonds of kapitaal zal kunnen gebruiken als haar goeddunkt.» 

Zamen voeging van kapitaal was dus door dit artikel, voor goed 
ter zijde gesteld. 

In de volgende artikelen werden nu voornamelijk de handels- 
belangen geregeld. Gezamenlijk zouden beide partijen pogingen 
in het werk stellen om de hooge tollen en de geschenken aan 



' Zie boyea bladz. GXXI. 



cxxv 

Indische vorsten te doen verminderen ; met gemeen overleg wa- 
den de inkoopsprijzen in Indie tot eene redelijke hoogte worden 
teruggebragt en de verkoopprijzen in Europa geregeld worden. 
Deskundigen van beide zijden zouden de prijzen van de peper 
op Java te zamen regelen, inkoopen en gelijk verdeelen tusschen 
de twee compagnien. De Engelsche compagnie zou vrij te Pal- 
iacatte, waar de Nederlanders eene sterkte en een uitsluitend 
contract hadden^ mogen handelen , mits zij de helft droeg in de 
kosten van het fort en van het garnizoen. ^ 

Het achtste artikel regelde het zoo lang betwiste punt van den 
handel op de specerij-eilanden. Op de eilanden der Molukken^ 
op Bauda en Amboina, zou de handel met «gemeen advies «^ op 
zoodanige wijze worden geregeld , dat de Gomp. van Engeland 
het genot zou hebben van het 1/3 deel van den geheelen han- 
del, zoowel in den aanvoer en den verkoop der handelswaren 
op die' eilanden , als van de vruchten en waren , welke die eilan- 
den opleverden. De beide andere deelen zouden blijven ter be- 
schikking van de Nederlandsche Oost-Indische Compagnie. De 
ambtens^ren en handelaren van beide partijen zouden deze vruch- 
ten inkoopen tegen vastgestelde prijzen , de deelen of contin- 
genten van beide partijen regelen en aanwijzen , en daarom 
woonplaatsen hebben binnen- of toegang hebben tot de forten 
en pakhuizen van de beide partijen. ^ 

Bij de artikelen 10 tot 16 werd bepaald, dat er, omdat 
de handel in zoover verwijderde gewesten moest worden ver- 
dedigd, een raad van defensie in Indie zou worden opgerigt, 
die uit acht leden, vier van elke partij zou bestaan, onder het 
voorzitterschap beurtelings van een Nederlander of van een 
Engelschman. Eene vloot van defensie, twintig schepen sterk, 
zou ter beschikking van dien raad gehouden worden. 

De raad van defensie zou gebied hebben over de «gemeene 
defensie ter zee» en zou de schepen over de verschillende plaat- 

* Art. 4—8. 

* Art. 8 en 9. 



CXXVI 

sen in ladie, op zoodanige wijze verdeelen, als zij dat noodig en 
nuttig zou oordeelen ; bovendien zou zij ook vaststellen de tollen 
en iinpositien y welke voor het onderhoud der forten en garni- 
zoenen noodig zouden zijn. 

Het groote twistpunt werd in de artikelen 23 , 24 en 25 niet 
opgelost 9 maar voor de toekomst ter zijde gesteld. Daarin leest 
men: «De sterkten, zoowel van de eene als de andere partij , 
zullen blijven in handen der tegenwoordige bezitters, en aan- 
gezien er quaestie geweest is, betreflende den aanbouw van 
eenige nieuwe forteressen, welke de Engelsche Compagnie noo- 
dig geoordeeld heeft, voor de zekerheid van haar volk en 
hare goederen , zoo is er overeengekomen , dat deze quaestie 
zal opgeschort blijven (demeurera en surchéance) gedurende den 
tijd van twee of drie jaren, opdat dit vraagstuk zal worden 
hervat, nadat men te zamen behoorlijk zal hebben onderzocht , 
hoeveel en op welke plaatsen er sterkten noodig zullen zijn, en 
de zaak op zulk een voet zal worden bijgelegd, dat zij moge 
strekken tot tevredenheid van beide partijen. Doch de forten, 
welke in de Molukken of elders in Indie, door het beleid of de 
magt van beide partijen te zamen zouden verkregen worden, 
zouden ook door beide partijen worden bezet, bewaard en 
onderhouden. 

Bovendien zou door beide partijen alle moeite worden aange- 
wend, om den vrijen handel in China te verwerven, en geen 
van beide partijen zou pogingen in het werk mogen stellen, om 
de eene de andere, hetzij door sterkten, hetzij door contracten, 
uit eenige deelen van Indie uit te sluiten. Eindelijk zou dit 
tractaat, waarvan niemand, dan de tegenwoordige deelhebbers in 
de beide Compagnien, genot zou hebben, gedurende twintig jaren 
van kracht zijn. 

Het was op deze wijze, dat in Europa de diplomatie had ge- 
meend den vrede te moeten stichten, tusschen de twee mededin- 
gende handelsligchamen. Zij had echter voorbijgezien , dat het 
door beide Compagnien aangenomen monopoliestelsel , dat overigens 



CXXVII 

gehed overeenkomstig de denkbeelden van dien tijd was^ een 
onoverwinnelijk beletsel bleef voor eene welgemeende en duur- 
zame vereeniging, zij had geen rekening gemaakt met de ver- 
bittering en de nationale haat^ welke tusschen de Nederlanders 
en de Engelschen, door al hetgeen tusschen hen was voorgeval- 
len, tot zulk eene hoogte in Indie was gestegen , dat de diplo- 
matie wel tractaten in Europa kon teekenen, maar de harten 
en de gemoederen niet in Indie kon vereenigen. 

Het Nederlandsch-Indisch bestuur daarenboven , achtte de getrof- 
fen overeenkomst voor de Compagnie hoogst nadeelig en met groo- 
cen weerzin werd de tijding er van , door Coen op den 27"^ Maart 
1620 vernomen. « Grooten dank zijn de Engelschen U ver- 
« schuldigd'\ zoo schreef Coen aan de Bewindhebbers op den 
11^^ Mei 1620, «want zij hadden zich zelven, regt uit Indie 
s geholpen en gij hebt hen er nu weder midden in gezet. Indien 
« zij het goed en opregt meenen, dan zal het wel wezen, maar 
«indien zij weder kwaad willen dan is het te duchten, dat gij 
« U zei ven het serpent in eigen boezem hebt geplaatst. Ik erken, 
A het raakt den knecht niet , wat de meester doet en ik weet 
m hoe groot belang de Staat der Yereenigde Provintien heeft bij 
m de vriendschap en het bondgenootschap met de kroon van 
«Engeland; maar toch, onder verbetering, thans zijt gij te 
« haastig geweest en ik kan niet wel begrijpen , waarom de En- 
a gelschen een derde deel der specerijen uit de Molukken moeten 
m verkrijgen; want zij kunnen geen aanspraak maken op é&i 
« zandeken van het strand der Molukken, van Amboina of van 
« Banda. Hebben zij iets dëdr te pretenderen, waarom slaan 
«zg er de Spanjaarden niet uit Tidore of Temate*^? 

Ondanks de geringe ingenomenheid waarmede Coen de tijding 
van het gesloten traktaat ontving, onderwierp hij zich aan de 
bevelen , welke hem uit Europa werden gegeven , hij toonde 
^at men noemt : a bonne mine a mauvais jeu. » Er werd dade- 
lijk door hem een Nederlandsch en een Engelsch vaartuig naar 
de ku$t van Sumatra afgevaiirdigd om de Engelsche vloot op te 



CXXVIII 

zoeken. Weldra werd deze, elf schepen sterk , nabij straat Sunda, 
waar zij niet veel goeds tegen de HoUandsche schepen in den 
zin had, gevonden. Coen zeilde den Ëngelschen admiraal. Martin 
Pring te gemoet en hield met hem, op den 19 April 1620, 
eene vriendschappelijke bijeenkomst. De beide opperbevelhebbers 
kwamen overeen, dat zij, zoodra de ofGcieele ratificatien zouden 
zijn aangekomen , de vrede tusschen de Nederlandsche en En- 
gelsche Compagnien, in de verschillende deelen van Indie zouden 
doen afkondigen , inmiddels bij voorbaat het traktaat voor beide 
partijen als van kracht beschouwen en daaraan uitvoering geven. 
Reeds op den 24^ April werd de raad van defensie zamenge- 
steld uit vier Engelsche leden: Martin Pring, Thomas Brokedone^ 
August Spalding en George Musschamps en vier Nederlanders: 
Jan Pietersz. Coen, Pieter de Garpentier, Jacob Dedel en Mar- 
tinus Sonck. Met goedvinden van den Gouverneur-Generaal Coen 
en de Nederlandsche leden van den raad van defensie, zonden de 
Ëngelschen nu ook eenigen hunner als afgevaardigden aan den Pan- 
géran van Bantam , ten einde hem mede te deelen , dat de vrede 
tusschen de Nederlanders en de Ëngelschen was hersteld en om 
hem aan te bieden, eveneens in dien vrede te worden begrepen* 

Doch de Ëngelschen konden bij den vorst van Bantam geen 
gehoor verkrijgen , hij weigerde elk voorstel tot schikking. De 
raad van defensie besloot nu, vooreerst geen aanbiedingen meer 
aan Bantam te doen; doch de stad door de verbonden scheeps- 
magt naauwer in te sluiten. Lag dit geheel in de bedoeling van 
Coen, die Jakatra wilde groot maken .ten koste van Bantam, 
voor de Ëngelschen was dit eene groote teleurstelling en voor 
het Nederlandsche gezag een feit, gewigtig in zijne gevolgen. 

De Ëngelschen hadden het voornemen gehad, om, met het 
oog op de artikelen 23, 24 en 2S van het gesloten traktaat, 
zich nabij Bantam te vestigen en dédr voor zich een soortgelijk 
versterkt rendez-vous te bouwen , als de Nederlanders te Jakatra 
hadden g^dcht. Zij werden nu echter genoodzaakt met en 
naast de Nederlanders te Jakatra ' hunne woning te kiezen. 



GXXIX 

Spoedig bleek het reeds , dat zoo al het huwelijk gesloten was 
tusschen de Engelsche en Nederlandscbe Compagnien , die twee 
partijeo toof zaoienwoning weinig geschikt waren. «Het iseene 
A superbe natie, )i schreef Coen reeds op den 11*" Mei 1620 ^ 
«die veel pretendeert en wij zijn geenszins Tan meening andere 
«authoriteit, dan die de Hooge Mogende Heeren Staten-Generaal, 
«Zijne Princelijke Excellentie en UEd. bewindhebberen ons ge- 
«geven hebben, in het land van Jakatra te gedoogen. » 

Eenige weken , nadat de Engelschen zich .te Jakatra gevestigd 
hadden, ontstond er reeds aanleiding tot wederzijdsch misnoegen. 
De Engelschen konden het niet verdragen, dat zij te Jakatra, 
onder de heerschappij en het regt van het Nederlandscbe gezag 
moesten wonen. Terwijl Goen druk bezig was met het aanleggen 
van een nieuw fort en het doen bouwen eener nieuwe stad, konden 
de Engelschen zoo dadelijk geen plaats voor eene woning vinden, 
die overeenkwam met hunne keuze. Zij wilden zich daarom 
weder vestigen in hunne oude loge en steenen batterij op de west- 
zijde der Tji-Liwong , aan den mond van de rivier. De Gouver- 
neur-Generaal Goen en de raad van Indie echter weigerden hun 
dit, op grond, dat dit bolwerk nog zóó sterk was, dat het de 
kracht van geschut zou kunnen weerstaan en dat daaruit dus 
weder een tweede kasteel en nieuwe moeijelijkheden zouden kun- 
nen ontstaan, omdat hij die ddér gevestigd was, voor een goed 
deel meester was van het uit- en inkomen van de rivier. Goen 
bad volkomen regt tot die weigering, want het land stond krach- 
tens het regt van verovering, onder de souvereiniteit der Staten- ' 
Generaal en was in het bezit der Nederlandscbe Oost-Indische Gom- 
pagnie. De Engelschen erkenden dat regt, door vooraf vergunning 
om zich daar te plaatsen aan het Nederlandsch-Indisch bestuur 
te vragen; doch dit belette hun niet om zich hevig over de 
weigering te beklagen. Zij waren niettemin verpligt zich te 
schikken naar den wil van den Nederlandschen Gouverneur- 
Generaal en in de oude stad zich te vestigen. Maar. ook nu 
weder dreigden er moeijelijkheden te ontstaan, omdat zij hunne 
. ly. IX 



GXXX 

woning eenigermate inrigtten als eene versterkte plaats en daarin 
een garnizoen yan 30 soldaten plaatsten , zoodat zij den schijn 
aannamen alsof zij te zamen met de Nederlanders , bezetting bin- 
nen Jakatra mogten houden. Ditmaal deed de Gouverneur- 
Generaal Goen alsof hij de bezetting niet opmerkte. Maar weldra 
gaf miskenning van het Nqjderlandsch gezag nieuwe aanleiding 
tot botsing. Nadat reeds meermalen Engelscbe soldaten en ma- 
trozen de Ghinezen en inlanders hadden beleedigd en zich oneer- 
biedig tegen de Nederlandsche ambtenaren hadden gedragen, liet 
eindelijk een Engelscbe bottelier, op eigen gezag, een Chinee- 
schen koopman binnen de Engelscbe loge geesselen. De Engelsch- 
man werd hierover voor de door Coen ingestelde « regtsluyden 
van bet fort» gedaagd; maar bij wraakte zijne regters, op grond, 
dat hij geen anderen regter erkende dan zijn eigen . president. 
De ft regtsluydeu » benoemd door de vertegenwoordigers van den 
Souverein, in casu door Gouverneur-Generaal en raden, veroor- 
deelden niettemin den Engelschen bottelier tot geesseling en de 
Gouverneur-Generaal Goen liet het vonnis uitvoeren. De presi- 
dent en de raad van de Engelscbe loge beklaagden zich hierover 
zeer heftig, onder anderen zeggende, dat de Majesteit van Enge- 
land en van de Engelscbe natie daardoor groote scbande was 
aangedaan. Het rustige antwoord daarop van Coen luidde: 
«Door de misdaad is onze hoogste overigbeid verkort; hij mogt 
«geen anderen regter, dan die van de Hoog Mogende Heeren de 
« Staten-Generaal in het land gedoogen. » 

De Engelschen bleven intusschen voortgaan met telkens en 
niet alleen te Jakatra , maar op verschillende plaatsen in Indie het 
gezag der Nederlandsche overheden te miskennen , aan uitgevaar- 
digde plakkaten , zelfs aan een zeer matig toltarief door den 
Gouverneur-Generaal in Rade, te Jakatra ingevoerd, weigerden 
zij zicb te onderwerpen. Als men nu daarbij nog leest, hoe er 
allerlei moeijelijkheden werden opgeworpen over de zoogenaamde 
satisfactie of wederzijdsche schadevergoeding, in artikel 1 van 
het traktaat vastgesteld, dan verwondert men zich niet, als 



GXXXI 

men ongeduld en wrevel in de brieven van Goen bespeurt, en 
daarin het berigt leest: dat hij eindelijk gedwongen was om 
« met hooge woorden , herder uyt te vaeren dan syn aert mede- 
ffbragt, aen de Engelschen aanseggende, dat hy begeerde, dat 
«elk ofBcier in zijnen rang, door hen zou worden erkend, en 
«dat hij regt en justitie tegen iedereen zonder onderscheid zou 
«administreren. Stond het haer niet aen, mochten vertrekken 
«en gaen daer van daen quamen. » Jan Pietersz. Goen han- 
delde uit volle overtuiging, dat hij alleen op die wijze het 
Nederlandsch gezag zou kunnen handhaven en redden uit het 
gevaar van door de Engelschen uit Indie te worden gedrongen. 
«Waeren zij meester,» zoo schreef hij op 31 Julij 1620 aan de 
bewindhebbers , » de Nederlanders souden welhaest uyt Indien 
«wesen, maer de Heere sy lofF die het anders versien heeft. 
ttT^ is voorwaer eene onverdraechelycke natie, U Ed. zy ten 
« alderhoochste gerecommandeert in ^t minste geen deel van des 
«compagnie^s recht, lant, forten of plaetsen aen d^Engelssen toe 
«te staen, veel min dat daer garnisoen houden, eenige stercte 
«ofte forten bouwen, want soo d^Engelssen daertoe comen , sal 
«d'Indische staet van de Generale Gompagnie der Vereenichde 
«Nederlanden niet lange bestaen en *t volck malckanderen ver- 
« moorden. De Ghinezen waerschouwen ons mede, de beginse- 
ftlen tegen te staen, seggende: dat anders de goetrondige een- 
«vout van de Nederlanders, tegen d'arge trouweloosheyt van 
« d'Ëngelsen niet bestaen can. » 

De ongelukkige gebeurtenissen, welke weinig tijds daarna in 
Amboina tusschen de Nederlanders en de Engelschen zijn voor- 
gevallen, hebben maar al te veel deze zwaarmoedige voorspel- 
ling van Goen bevestigd. ^ 

De telkens terugkeerende en tijdroovende woordenwisselingen 



I 



I 



» Men vergelflke verder, over de gespannen verhouding tusschen Engebchen en 
Nederlanders hierachter de brieven, dd. 31 JulS 1620, 26 Octoher 1620,8 Januaifl , 
16 Novemhie 1621, 21 Januarij, 26 Maart, 6 Sept. 1622, en 1 Febr. 1628. 



Gxxxn 

« 

en moeijelijkheden met de Engelschen, eene levendige briefwisse- 
ling met het moederland en de verschillende Nederlandsche kan^ 
toren in Indie , de uitzending van schepen , kapitalen en handels- 
waren, de beslommeringen van den koophandel en al die, veelal 
gewigtige zaken, maar dikwijls ook kleine persoonlijke bijzon- 
derheden , waarmede het algemeen bestuur in Indie destijds was 
belast, verhinderden Coen en den raad van Indie niet, om krach- 
tig en met groote voortvarendheid de hand te slaan aan de in- 
rigting van het nieuw verworven gebied. Alles moest daar uit 
niets in het leven geroepen worden. 

Vooreerst werd ter bepaling van de uitgestrektheid van Neer- 
lands Souvereiniteit en van de jurisdictie, de grenzen van het 
nu Nederlandsche rijk van Jakatra vastgesteld. Gouverneur- 
Generaal en raden, bepaalden omtrent dit punt, op den 29"^ 
Maart 1620, dat het rijk van Jakatra zich uitstrekken zou, «aan 
ft de oostzijde tot aan de grenzen van Gheribon, aan de west- 
ft zijde tot aan de grenzen van Bantam , aan de zuidzijde land- 
«waarts in over het geheele land tot aan de zuidelijke zee en 
«noordwaarts te water, over de zee en alle eilanden omtrent 
« Jakatrk liggende. » ^ Het bestuur in Indie voorkwam hierin de 
bedoeUngen en bevelen van het opperbestuur in Nederland, 
waarvan weldra eene aanschrijving in Indie werd ontvangen, 
«omme de plaetse van Jakatra te vervatten tot eenen generalen 
ft rendez*vous , waertoe wy alsnu sonder hinder ofte uytstel sni- 
ft len connen procederen, als synde deselve plaetse en het land 
ftdaeromtrent gelegen, geconquesteert ende gewonnen in eene 
«goede, oprechte en wel gefbndeerde oorloghe, die wy nootsaec- 
«kelyk tot onse defentie hebben moeten aannemen ende soo 
ftuytgevallen is, met Gods hulpe, dat de vyanden verjaecht synde, 
ftwy 't selve landt met eenen goeden tytel mogen besitten in 
«vollen eygendom, gelyck als de voorgaende Coninck offte 
«yemant anders, die hy tot overhoofft sonde mogen hebben 



« Zie hierachter de eerste statuten vaa Batavia, no. XXXIX der gedr. stuhken. 



GXXXIII 

«erkend, ^t selve beseten beeft, sal U E. daerom weldoen ende 

«Yoortvaeren met bet geprojecteerde desseing zonder 

«daerin iemand als superieur te erkennen, als de Doorluchtige 
«Hooge Moogende Heeren Staten-Generael der Ver. vrije Neder- 

a landen, Uwe E. booge Overicbeyt ende sal Uwe E. de 

« limiten ende 't gebiedt van betselve fort soo verde extenderen , 
«als tot meeste verseeckertbeyt ende naer gelegen tbeyt van saec- 
aken ende tot meesten dienste van de Gomp. zult bevinden te 
a bebooren. » 

Het doel der verovering van Jakatra, was ook reeds door 
den Gouverneur-Generaal in Bade van Indie, omscbreven in 
het eerste statuut; ten einde aldaar te bouwen «een royael'fbrt, 
«dienende als generaal rendez-vous, tot verzekering tegen bet 
«geweld van alle vijanden en geveinsde vrienden, van de mid- 
« delen der Compagnie, tot bestuur van den handel in alle 
«kwartieren van Indie, de plaatse en bet land te bevolken met 
«eene goede gemeente en aldaar eene stad te bouwen.» 

In eene maatschappij, zamen gesteld als die te Jakatra, moest 
het de eerste zorg van bet bestuur zijn, om regtswezen en 
regterlijke instellingen in bet leven te roepen. Behalve de 
«ordinaris commissarissen en regtsluyden van ^t fort en den 
advokaat-fiskaal , » ^ hoofdzakelijk voor de regtspraak over en 
tusschen de soldaten en dienaren der Compagnie, stelde het 
Indische bestuur ook een Bailluw aan en rigtte bet een col- 
legie van schepenen op, om als wethouders de justitie te «ad- 
ministreren 9 buiten bet fort , inzonderheid onder de burgeren. 
Dit collegie bestond uit B leden, benevens den kapitein-Chinees 
als 6^ lid , in gemengde zaken , waarin Chinezen betrokken waren. 
De regtscompetentie van deze ambtenaren en regterlijke collegien 
werd omschreven ^ en de manier van procederen voorloopig 
geregeld. Aan die collegien en aan de stad werd een wapen 

^ By resol. van 10 Sept. 1626, van 66. in Rade, werd aan deze Inyden van 
den geregte van liet casteel , de titel gegeven van Baet van Justitie. 

* Zie hierachter de statnten N<». XXXIX, b, e, d. 



GXXXIV 

gegeven ^^ het notariaat werd in bet leven geroepen, de uit- 
gifte van grond of van vruchtboomen in leen- of erfpacht , de 
wijze van vervreemden en bezwaren dier onroerende goederen 
en regten, aan verordeningen onderworpen ^; de oprigting van 
eene schutterij voorbereid, de geregelde uitoefening van den 
openbaren eeredienst, ook in de Maleische taal en de kerkorde- 
ning geregeld '; de indrang van oostersche zeden onder de 
Christenen en de ontwikkeling van westersche onzedelijkheid, 
niet alleen op godsdienstige , maar ook op maatschappelijke 
gronden tegengegaan, door plakkaten tegen concubinaat en 
overspel *; voorzieningen werden genomen, tot beveiliging van 
houthosschen , vruchten tuinen; een toltarief werd ingevoerd en 
een Europeeschen sjah-bandaar benoemd ^; eene belasting ge- 
heven van de herbergen, de dranken en de spelen der Chine- 
zen; aan de vreemdelingen, voor hun verblijf te Batavia een 
matig hoofd- en passengeld opgelegd en een drost over de bui- 
tenburgers aangesteld. Alle deze bepalingen en verordeningen 
werden door Coen en den raad van Indie, binnen den tijd van 
eenige maanden, ontworpen, overwogen, vastgesteld, uitgevaar- 
digd en in werking gebragt, zoodat op het einde van 1620 het 
Nederlandsch gezag naar vaste regels, kon worden uitgeoefend 
en eene welgeordende maatschappij in het leven was geroepen, 
ddér , waar weinig tijds te voren , noch inlandsch , noch Euro- 
peesch bestuur te vinden was. Naar welk beschreven regt er 
civiel en crimineel regt zou worden gesproken, schijnt het 
Indische bestuur eerst te hebben beslist, nadat het daaromtrent 
bepaalde voorschriften van het opperbestuur in Nederland had 
ontvangen. Maar ook over dit punt hield weldra alle onzeker- 
heid op, toen op 4 Maart 1621, de Kamer van Zeventien, aan 
Gouverneur-Generaal en raden voorschreef: «om de rechten en 
«wetten» (in het rijk van Jakatra) «te doen observeeren, die 



* Zie hierachter N». XXXIX , d. « No. XXXIX , e. » Deel I der resolntie 
of acte-boeken van den kerkeraad. Handschrift B. A. ^ XXXIX, 1 en q. 
• XXXIX , k. 



oxxxv 

«hier in HoUant geobserveert werden, achter volgende de poli- 
«tique ordonnantie van den V Aprilis 1580, de verclaringe 
«van de Heeren Staten van HoIIant op de ordonnantie van de 
«successie van den 13<^ Martii 1594, het placcaet op 't stuck 
«Tan de successio ab intestato den 1^ Decemb. 1599, ende 
«daer deselve ordonnantien en placcaten niet en disponeeren, 
«sult gebruicken ende volgen de gemeene civile rechten, sooals 
« die hier te lande worden gepractiseert , waernae de rechters haer 
«sullen hebben preciselyck te reguleren. Soo 't geviel, dat by 
«placcaet ofte ordonnantie aldaer, tot welstant van de regeringh 
«iets mochte geordonneert worden, waervan by de politicque 
«ordonnantie, verdaringhe ende placcaet als boven,by de Heeren 
« Staten van Hollandt doen emaneren , niet en is gestatueert , 
«soo sal U E. ende raden van Indien, daerinne mede volgen 
«sooveel als mogelyck is, de intentie van 't voors. placcaet en 
«de ordonnantie off andersints de practicque van de civile Ro- 
«mainsche wetten; maer in saken die geen recht en stellen 
«tusschen twee particulieren ende alleen dienen tot vermeerde- 
«ring, verbetering en order van de stadt en de burgerye, als 
«oock tot benefitie van de trafficque, daerinne sullen U Ed. 
« disponneren , sooals meest dienstich wesen sal. 

« De bancq van schepenen in de stadt Batavia, sal in de ad- 
«ministratie van de justitie precisselyck volgen d'ordonnantie 
«van de Heeren Staten van Hollandl van den 1 Aprillis A^. 
«1580, disponnerende op 't stuck van de justitie binnen den 

«stede ende ten platte lande van Holland, ende 

«indien hem iemant by vonnisse van schepenen vint beswaert, 
«die sal daervan vermogen te provoceren, als naer rechten (in 
«absentie van den Gouverneur-Generael ende raden van Indien) 
«aen den gouverneur van de stadt en casteel ende syne raden, 
«die by uiterste ressort, by absentie als voren, met advys van 
«den advocaet-fiscael , daervan gehouden sullen wesen, kennis 
«te nemen en achtervolgende d'ordonnantie ende instructie ge- 
«maect by de Heeren Staten van HoUant op de bevoordering 



CXXXYt 

ccyan de justitie in dene saken, denselven applicerende, daer 
«sy nae gelegentbeyt van saeckeh (onaengesien de quandteit 
«van de somme in questie) geapliceert can worden.» ^ 

Gewoon als Jan Pietersz. Goen was, om niet alleen het zwaard 
der geregtigheid 9 maar ook het zwaard des oorlogs te voeren, 
zorgde hij gelijktijdig voor de bescherming van den jeugdigen 
staat, tegen het geweld van een buitenlandschen vijand. 

Reeds sedert den aanvang van het jaar (1620) was hij bezig 
met het bouwen van een nieuw fort. Het oude fort, dat in 
1618 slechts met overhaasting was opgeworpen en gedurende 
de belegering met de hulpmiddelen, die men toen voorhanden 
had, in allerijl was voltooid, bleek geheel onvoldoende te zijn, 
het was te klein, te bouwvallige te slecht geplaatst. Goen liet 
een nieuw kasteel bouwen , wel negenmaal grooter , dan het 
oude, iets meer oostwaarts en met het noordelijk front meer 
zeewaarts in geplaatst. Daarachter ontwierp hij de nieuwe stad 
voor de vrijburgers en het Chineesche kwartier. In December 
1620 waren reeds aan de landzijde twee punten of bastions vol- 
tooid en met geschut gewapend, waaraan de namen van Robijn 
en Diamant gegeven werden. Aan de zeezijde was echter niet 
meer dan een gordijn en steenen huis opgetrokken ^ omdat door 
gebrek aan steen, kalk en geschikt werkhout, de opbouw geen 
gelijken tred kon houden met de voortvarendheid van Goea. 

De handel van het nieuwe Nederlandsche rendez-vous nam 
reeds in dit eerste jaar van zijne stichting een aanvang. De in- 
en uitgaande regten leverden reeds in de drie laatste maanden 
van dit jaar, eene som op van 7566 realen en toonden iedere 
maand vooruitgang aan. Nadat het toltarief 23 maanden in werking 
was geweest, had men reeds eene ontvang van 224,880 gulden. 
De toevoer van rijst en andere levensmiddelen was overvloedig. 
Ghineesche jonken van Sumatra, Eambodja, Ghina, die vroeger 
op de havens van Java gevaren hadden, kwamen nu naar 



Uitgaand brief boek der HH. XYII , 1620—1626 incl. dd. 4 Maart 1621. 



GXXXVII 

Jakatra. De Engelschen^ hoewel zij thans onze bondgenooten 
heetten 9 trachtten wel de vaart der Chinezen te belemmeren; 
maar Goen was de man niet om dit rustig te laten voortgaan 
ên hij noopte de Chinezen ^ deels door dwangmiddelen , deels 
door hen tegen de Engelschen en Javanen te beschermen, tot 
het bezoeken van de haven van Jakatra. Diep was dan ook 
overal in den Archipel de indruk , welke de stichting van den 
nieuwen Nederlandschen Staat op Java maakte. «Alle de Co- 
«ningen van dese landen^» schreef Coen ^, « weten soowel, wat 
«aan het planten van onse colonie tot Jacatra gelegen is en 
«wat er op volgen mag, als de kloekste en verresienste staats- 
«man van Europa." 

De nieuw aangelegde stad kreeg nu ook weldra , krachtens 
de aanschrijving van de vergadering der Zeventien, dd. 4 Maart 
1621, den naam van Batavia ^. 

Goen was echter nog verre van tevreden met de uitkomsten, 
die hij reeds verkregen had , zijne plannen waren grootscher. 
Batavia moest, volgens zijne denkbeelden, worden de stapel- 
plaats van geheel Indie en eene digtbevolkte Nederlandsche volk* 
planting. Om dat tweeledig doel te bereiken verlangde hij groote 
sommen geld en volkplanters uit Nederland. — Bittere klagten 
zond Goen onophoudelijk aan het opperbestuur in Nederland 
over de kleine uitzendingen van geld, ten gevolge waarvan de 
handel in Indie kwijnende bleef. « Laat U niet door anderen 
«overvleugelen^ laat het octrooi, dat de Staten-Generaal U ten 
«beste der Yereefiigde Nederlanden gegeven hebben, niet tot 



> 8 Jannartj. 1621 

* Camphüijs en in navolging van dezen, de schrijyer eener biographie van Coen 
in TijdscliTift van Nederl. Indie, 1844, geven als dagteekening van de aanscliryving 
der l)ewindliebbers , 12 April 1621, op. Deze dagteekening is onjuist, de aanscliryving 
is van 4 Maart 1621, en daarin leest men: »Ende alsoo wij bemercken, datdenaem 
«van de rendez-vous noch opengelaten is, tot onser dispositie, soo hebben wij in 
«conformite van lange voorgaende resolutien, (31 Oct. 1617,* toen er nog sprake was 

• van eene vreedzame vestiging op Ontong-Java) goetgevonden en andermael geresol- 

* veert TJEd. aen te schrijven, dat de stat en casteel, gebouwtin 't conincr^cke Jacatra 
'genoemd sal worden Batavia.» 



CXXXVIIl 

«dissolutie van de Compagnie eD onherstelbare schade van den 
<r Staat gedijen»; zoo luidde de .waarschuwende stem van Indiërs 
opperlandvoogd 9 die meer nog dan de bewindhebbers boven de 
dwalingen van het mercantilisme was verheven i. Het stelsel van 
Goen drukte hij in deze weinige woorden uit: «de inlandsche 
« lasten van Indie moeten door inlandschen handel worden gewon- 
anen,» en daarmede bedoelde hij, dat fafet kapitaal uit Nederland 
gezonden, zóó groot moest zijn, dat men daarmede den handel met 
Japan , China , Siam , Borneo , Sumatra , Sofala en Vóór-Indie 
zou kunnen drijven en met dien handel dan zooveel winnen' 
dat met de overwinsten van dezen handel in Indie, de onkosten 
der retourladingen konden gedekt worden, zoodat de opbrengst 
van deze laatsten in Europa, zuiver kapitaal en winst aan de 
Compagnie terug zou geven. Van zoodanigen uitgebreiden han- 
del moest Batavia eenmaal het brandpunt worden, en daartoe 
eischte hij, niet de uitzending van kleine sommen, als 80,000 
of 120,000 Realen, waarmede de bewindhebbers hem voorzagen , 
maar van vier a vijf millioen en meer zoo het mogelijk ware. 
Niet minder krachtige doch met even weinig goed gevolg, drong 
Coen jaren lang bij de bewindhebbers aan, op de uitzending 
van volkplanters. Na de stichting van Batavia, waagde hij het 
nogmaals, om het opperbestuur in Nederland tot zijn gevoelen 
over te halen, hoewel reeds in 1620 zijne brieven in een toon 
van ontmoediging zijn geschreven. « Dewijl UEd. » zoo schreef 
hij to^n , ft dus lange verzuimd hebben , en met geen redenen 
«te bewegen zijn, om koloniën te planten, ter plaatse waar de 
ft allerrijkste vruchten van de wereld wassen, de landen gezond, 
ft vruchtbaar en uw eigendom zijn , hoe zou men dan kunnen 
ft gelooven , dat gij door goede redenen tot zulk een plan bewo- 
« gen kunt worden». Koloniën aan de Kaap de Goede Hoop, 



* Een sterk bewijs, hoe men destjcLB reeds in Nederland den uitvoer van gdd 

met juistheid beoordeelde, vond ik o. a. daarin, dat er in Zeeland geld gemunt werd 

(realen), voor de Engelsche Comp. en zonder eenige belemmering naar Ingeland weid 
uitgevoerd. 



GXXXIX 

op Banda, Amboina en te Batavia te stichten, achtte hij het 

a rechte middel om de Comp^. van de groote jaarlijksche exces- 
a sive onkosten te ontlasten en haar (de Gomp.) van die landen 

« te verzekeren en des niettegenstaande zijt gijl. daartoe niet te 
«bewegen. Jaccatra laat hem zoo aanzien, dat het (zoo aan 
«den eisch behoorlijk wierd voldaan) eerlang Malakka en Goa 
«zou voorbij streven, maar hier vooral moet eene treffelijke 
«kolonie worden geplant; velen onzer zijn daartoe genegen» 
«waren hier slechts vrouwen, de stapel van den Indischen ban- 
« del ware uwe , Bantam heeft dien verloren , Malakka zou mede 
«te niet loopen en Goa zou van de tering zoo verzwakken , dat 
«het tegen zijne vijanden niet meer bestand zou zijn. Hierover 
« bevelen wij UEd. aan , om niet alleen een fort en eene kolo- 
« nie aan de Kaap de Goede Hoop te planten , maar inzonder- 
« heid te Jakatra, Amboina en Banda, mannen, vrouwen en 
«kinderen moeten met dat doel expresselijk gezonden worden, 
« want met ongeregelde lieden kan dit niet wel gedaan worden , 
«laat die maar hun geld verteren en gebruikt hen, daartoe zij 
«van God geordineert zijn, wie kan den ekster het hippelen 
« verbieden ? even kwalijk kan de menschelijke natuur worden 
« veranderd. Gelooft toch niet dat de Nederlandsche staat daar- 
« door zou benadeeld worden , aan volk ontbreekt het in Neder- 
« land niet. Laat het aan de Compagnie of aan het. land een 
«groot stuk gelds kosten, het zal honderd voud weder inkomen'^ ^ 
Zonder ophouden kwamen Gouverneur-G/eneraal en rade van 
Indie in hunne brieven aan het opperbestuur in Nederland terug 
op deze vraag, om Nederlandsche volkplanters. Toen Coen in 
1623 eindelijk op zijne terugreis was naar Nederland , zonder dat 
door de bewindhebbers meer kapitaal of volkplanters naar Indie 
waren gezonden, wijzigde bij, door de omstandigheden daartoe 
gedwongen, in zooverre zijne denkbeelden, dat hij het als moge- 
lijk stelde, om zonder uitzending van geld uit Nederland, Indie 
door Indie zelf te voeden en te onderhouden; maar zijne denk- 
' GG. en raden aan HH. XVII dd. 26 Oct. 1620. 



GXt 

beelden over de noodzakelijkheid van Nederlandsche volkplanters 
liet hij niet los; integendeel hechtte hij er meer dan ooit waarde 
aan. « In den tijd van omtrent negen of tien jaren *\ schreef 
hij in Tunlj 1623 , « zijn in Indie aan onkosten verteerd /Q^SSö.Sll 
ft en al de retouren in dien tijd beliepen slechts / 9,388.004. Al 
« deze onkosten zouden kunnen gespaard worden en {iet geld 
« aan retouren worden besteed , zonder dat men geld naar Indie 
ft behoefde te zenden. Zoover heb ik niet kunnen komen ; maar 
ft ik heb den staat der Gomp"^. in Indie alzoo gelaten , dat de 
ft zaken zoover gebragt kunnen worden , dat er jaarlijks SO ton- 
« nen gouds aan retouren zouden kunnen besteed worden , zonder 
ft uitzending van geld uit Nederland. Om gevoegelijk tot voors* 
ft effekt te komen is vooreerst niet anders noodig, dan eene goede 
ft en zuinige huishouding , goede regel in den handel en een 
tt goed getal van allerlei volk, mannen, vrouwen, jongens en 
ft dochters uit Nederland. Inzonderheid eenige weinige (zoo *t 
ft niet veel mag wezen) goede aanzienlijke huisgezinnen en eene 
ft groote menigte slaven en slavinnen , om Batavia , Amboina en 
ft Banda te bevolken '\ 

Bij de beoordeeling der kolonisatie-plannen van Goen , moet 
men zich intusschen wachten, van hem te willen afzonderen 
buiten den gedachtenkring der verlichte mannen van zijn tijd. 
Hij had denkbeelden , waarvan sommigen zijn tijd vooruit waren ; 
maar geheel daarbuiten stond hij niet. Men zou ook dwalen, 
indien men uit zijne brieven de gevolgtrekking maakte, dat hij 
het voornemen had van, in dien zin Ëuropesche volkplantingen 
te stichten , dat daarin de Europeaan zelf als arbeider ia de 
tropische gewesten zou optreden. Zijne plannen waren van een 
geheel anderen aard. Hij verlangde in de eerste plaats, en 
daarin was hij verre vooruit aan de monopolie begrippen van 
zijn tijd, handels-kolonien te stichten. Geheiel duidelijk was het 
denkbeeld bij Goen zei ven nog niet ontwikkeld; toch straalt 
het in zijne brieven en adviesen dooc, hoe de overtuiging bij 
hem rijpte, dat wel de vaart en de handel tusschen Nederland en 



Batavia een monopolie der Oost-Ind. Comp. moest blijven; maai^ 
dat de handel in Indie zelve, tusschen Vóór-Indie, Achter-Indie 
en den Archipel , in kleederen en allerlei waren, behalve in 
specerijen, langzamerhand moest worden vrijgegeven aan vrij- 
burgers of kolonisten en dat de Comp. dien handel allengs 
moest laten varen. Batavia moest dan, naar zijne meening als 
een emporiam, als algemeen middenpant de verzamelplaats van 
dien handel worden, alwaar de schepen der Comp. ten allen 
tijde retourlading voor het moederland zouden vinden. 

Naast en in verband met zoodanige handelskolonie, wilde 
Goen ook nog eene landbou w-kolonie in het leven roepen, 
waarin slavenmagten onder bestuur en leiding van Nederlanders, 
den veldarbeid en den veeteelt zouden beoefenen. 

Goen ontwikkelde deze denkbeelden uitvoerig in een betoog 
aan de bewindhebbers, en liet niet na duidelijk te doen uit- 
komen, dat de Nederlandsche huisgezinnen, moesten dienen 
«tot pilaren en voorgangers en de overige Nederlanders, om 
«de slaven te regeren, te besturen en wel te gebruiken tot 
«den landbouw, den aanplant van allerlei vruchten, tot aan- 
« teeling van vee, tot de visscherij, tot allerlei handwerken.» 

Wanneer Goen ten strijde trok ontwikkelde zich bij hem de 
krijgsmans geest van een in het veld grijs geworden generaal , som- 
tijds zelfe gaf hij blijken van de wreedheid van een in den krijg 
verharden soldenier; toch zou men een onregtvaardig oordeel 
over hem vellen, indien men daaruit afleidde, dat hij lust had 
m wilde verovering, integendeel, hij wendde het zwaard slechts 
aan, als middel en beschouwde den oorlog als een noodzakelijk 
kwaad. Dat hij de voorkeur gaf aan vreedzame overheerscbing, 
bewijzen de merkwaardige woorden van zijn betoog: «In den 
« tegenwoordigen toestand der Gompagnie, is het ongelijk beter 
«en veel meer noodig, dat veel schepen met jonge dochters en 
« eerlijke vrouwen, dan vol soldaten naar Indi^ gezonden worden.» ^ 



* 2m het vertoog rm Coen, hierachter onder N». XLIV. 



CXLit 

^ Op het einde des jaars 1620, was de nieuwe Nederlandscbe 
staat op Java door de rustelooze en voortvarende werkzaamheid 
van het Indische bestuur in zooverre aan de regelmatige werking 
van wetten, verordeningen en regtspraak onderworpen en het 
gezag aldaar reeds zoodanig gevestigd, dat de Gouverneur-Generaal 
Coen nu ook met meer vrijheid zijne zorgen wijden kon aan de 
belangen der Compagnie in den archipel der specerijen. Oorlog, 
twist, weerspannigheid en opstand hadden te lang reeds in dat 
gedeelte van Indie geheerscht, waaraan , indien men het voor 
Nederland wilde behouden , thans meer dan ooit een einde moest 
komen, opdat het wankelend gezag der Compagnie voor goed 
en altijd dddr mogt worden gevestigd , vóór dat de Engelschen , 
gebruik makeixde van de gunstige bepalingen van het traktaat 
van 1619, zich in die gewesten nestelden of zich tusschen het 
Nederlandscbe gezag en de inlanders inschoven. Coen wenschte 
in eigen persoon de leiding van die groote onderneming op zich 
te nemen en stelde daarom een Hoogenraad te Batavia aan , 
welke gedurende zijne afwezigheid het bestuur der zaken in 
handen zou hebben ^. Qij vertrok zelf op den 13 Januari] 1621 
met eene vloot van 1 2 schepen , bemand met 1 500 koppen , naar 
Amboina en van daar naar Banda. De uitslag dezer onderneming is 
bekend, de eilanden Lonthor, Neira en poelo-Ay waren weldra 
geheel en voor altijd aan de magt en het gezag der Nederl. Oost* 
Ind. Comp. onderworpen. Met onverbiddelijke gestrengheid legde 
Coen de wreede bevelen van het opperbestuur in Nederland op 
de Bandanezen ten uitvoer. Geheel Banda werd deels door het 
zwaard, deels door gedwongen verhuizing ontvolkt. Dientenge- 
volge werd er op de Banda-eilanden een toestand in het leven 
geroepen, geheel verschillende van dien, welke in een zeer groot 
gedeelte van den Indischen Archipel gevonden wordt. Het po- 

ff 

lynesische begrip, volgens hetwelk het staatkundig geheel als 
algemeenheid den grond in bezit heeft, moest plaats maken voor 



Besol. 66. en Baden 4 Jannar^ 1621. 



CXLlIt 

het begrip van persoonlijk grondbezit Het bekende stelsel van 
perkeniers is daaruit voortgesproten, waarvan de gevolgen even 
treurig en onvoordeelig waren, als de oorsprong er van wreed 
en onmenschelijk is geweest; want verzwegen mag het niet 
worden; te dier tijde is Neérlands naam in die gewesten met 
bloed besmet, dat moeijelijk ooit zal kunnen worden uitge- 
wischt ^. 

Het verhaal dier krijgsverrigtingen valt gelukkig buiten de 
grenzen van het onderzoek, dat ons op dit oogenblik bezig houdt. 
De afwezigheid van Goen geeft ons gelegenheid om onze aan- 
dacht thans te vestigen op de betrekkingen, waarin destijds de 
Nederlandsche Compagnie tot de vorsten van oostelijk Java en 
meer bijzonder tot den Panembahan van Mataram stond. 

Wij hebben hierboven reeds vermeld, hoe schier gelijktijdig 
met den mislukten aanslag van den Bantamschen Pangéran Ga- 
bang op de Nederlandsche loge te Jakatra, in de maand October 
des jaars 1618, ook bet kantoor der Oost-Indische Gompagnie 
te Japara was afgeloopen, eenige Nederlanders aldaar waren ge- 
dood of gekwetst en de overigen gevangen naar het hof van 
den vorst van Mataram waren gesleept. Zoodra Goen dezen 
aanslag had vernomen, had hij den kommandeur Adr. Martensz. 
Block met 4 schepen naar Japara gezonden. Deze scheepsbevel- 
hebber had> toen hij gezien had, dat langs den vredelievenden 
weg van onderhandelen de gevangenen niet los waren te krij- 
gen, op den 8*^ November 1618 eene landing gedaan, een 
versterkt gedeelte van Japara aangetast en dat , benevens vele 



1 Niettemin moet bj de beoordeeUng dezer gebeortenis, evenalB van elk ander 
feit , de regel in acbt worden genomen : » qn*il faut jnger les ÜEdts d'après lenrs dates »i 
dat onderdrukking van opstanden, altijd bloedig is, bij?, laatstelijk nog, in EngeLsch- 
Indie en vooral mag men niet uit het oog verliezen, dat Goen op bevel z^ner meesters 
handelde en dat hij in dit geval inzonderheid zijn ambtspligt, z\j het dan ook, met 
miskenning van meer verheven pligten, ten uitvoer legde. Hij schijnt het gevoelen 
van Grotins in zijn comment: de Jnre praedae. Gap. VII, folio 81, (Hag. Gomit. 
1868) toegedaan te z^n geweest: quod si sna sponte atqae auctoritate fedsset^Jn 
crimen effnsi hnmani sangninis inddisaet. Itaqne unde pnnitor si feberit iiyussos , 
nde ponietor d non feoent jossiu. 



prauwen en andere Javaansche vaartuigen op de reede, verbrand. 
De Pangéran van Demak bood, dadelijk na deze tuchtiging ^ 
zijne bemiddeling tot herstel van den vrede aan; doch de kom- 
mandeur Block had geen tijd om den uitslag eener langzame 
Javaansche onderhandeling af te wachten , hij moest in allerijl 
voort naar Makassar, alwaar eveneens, te gelijkertijd, de Neder- 
landsche loge was aangetast en een gedeelte van de bezetting 
vermoord. De overgeblevenen dddr hadden ook regt op hulpen 
bescherming. Intusschen scheen de veiligheid op Japara in zoo- 
verre teruggekeerd, dat er weder eenige weinige Nederlanders 
konden achtergelaten worden tot het opkoopen van rijst. 

Toen Goen uit de Mol ukken tot ontzet van Jakatra terugkeerde 
en op den 23^*^ Mei 1619 nabij Japara met zijne vloot was 
aangekomen, waren de gevangenen nog "niet vrijgegeven en was 
er volstrekt geen herstel van de beleediging, welke de Neder- 
landers hadden ondergaan, gevolgd. Hij oordeelde het daarom 
noodig, dat eene tweede . tuchtiging aan Japara wierd gegeven 
en liet daarom die stad andermaal aantasten en voor een groot 
gedeelte verbranden. 

Het mag betwijfeld worden of de Gouverneur-Generaal Goen 
door deze tweede strafoefening toe te passen , zich staatkundig 
tegen over den Panembahan gedroeg. De oorzaken toch van 
den aanslag op de Nederlandsche loge te Japara, waren niet 
geheel en met juistheid bekend. De begeerte van den pangéran 
van Japara naar het geschut, het geld en de koopmansgoederen 
der Nederlanders en de vrees der Javanen , voor eene versterkte en 
gewapende vestiging der Nederlanders te Jakatra, zullen daarvan 
wel, voor een groot deel, de beweegredeoen zijn geweest; 
maar vermoedelijk was het toch gedeeltelijk ook eene wraakoefe- 
ning geweest op somniigen der Nederlanders, die zich onbehoor- 
lijk jegens de vrouwen van Javaansche hoofden hadden gedragen 
en zich op onbetamelijken toon over den Panembahan hadden 
uitgelaten. De magtige vorst, die over een groot deel van Oos- 
telijk en Midden** Ja va heerschte, werd bovendien weinig gedeerd, 



CXLV 

door het verbranden van eene kustplaats als Japara. Meer hin- 
derde het echter den Panembahan, dat Coen sedert den aanvang 
van 1619, betrekkingen met den koning van Soerabaija, zijnen erf- 
vijand had aangeknoopt, aan wrien de opperkoopman Wouter Hen- 
ten, met eeneu brief en een paar stukken geschut als geschenk 
was afgezonden. De Panembahan trachtte aanvankelijk den 
Gouverneur- Generaal weder tot vrede en verbond met hem te 
brengen , door den uitvoer van rijst te verbieden , door hem 
schrik aan te jagen en het gerucht te verspreiden , dat weldra 
een ontzettend groot leger van Javanen voor Batavia zich zou 
vertoonen. Zelfs trachtte hij, door den pangéran van Japara, de 
Nederlanders te Grissée onder het gebied van Soerabaija te doen 
aantasten; doch die aanslag werd door een Nederlandsch schip 
verijdeld en Coen liet zich door bedreigingen of losse geruchten 
niet vervaard maken. Nu wendde de Panembahan het over een 
anderen boeg en nog was het jaar 1619 niet ten einde, of er 
vertoonden zich ken teekenen van eene meer vredelievende ge- 
zindheid bij den Javaanschen vorst. Hij was echter te hoovaar- 
dig en achtte zich te ver boven den Nederlandschen Gouverneur- 
Generaal verheven, om zich te willen vernederen tot het doen 
der eerste schi^ede. Zijdelings liet hij evenwel blijken geven van 
zijne geneigdheid tot vrede, door middel van den Pangéran van 
Kendal, die een brief naar Batavia zond, waarin hij bcrigtte, 
dat de Panembahan , de Nederlandsche gevangenen , noch dooden 
noch voor geld wilde loslaten , maar hun zonder losprijs de 
vrijheid zou schenken, indien zich een Nederlandsch gezantschap 
aan het hof te Karta aanmeldde. 

De Gouverneur-Generaal en Raden zonden daarop een tolk 
met brieven en vereeringen aan den Pangéran van Kendal, die 
op zeer beleefde en hoofeche wijze aan het Indische bestuur op 
nieuw den raad liet geven, van een gezantschap aan den Pa- 
nembahan af te vaardigen; doch Coen wilde vooralsnog dien 
raad niet opvolgen. De Panembahan verlangde, zonder dat 
verlangen ^onb^imp^U Xe willen uitspceken , d^ b^X Hed6i;kn4- 
IV. # ^ 



i 



cxtvi 

8che bestuur, sedert het zich te Batavia op Java had gevestigd, 
hem zou erkennen als opper-vorst, aan wien het verpligt was, 
jaarlijks een gezantschap te zenden, dat de hofreize zou doen, 
om hem hulde te bewijzen. Dit werd nog duidelijker^ toen 
door eenige Nederlanders een brief van den Panembahan aan 
den Capitan-Moor te Malakka gerigt, was onderschept, waarin 
de Javaansche vorst aan den Gouverneur van Malakka zeer 
behendig te verstaan gaf, dat hem veel zwarigheid te wachten 
stond van de Nederlanders, die het vervoer van rijst van Java 
naar Malakka beletten, vooral sedert zij zich te Jakatra hadden 
gevestigd en zich alzoo tot onderzaten van het rijk van Mataram 
hadden gemaakt, hij beval daarom zijn broeder, den kapitein 
van Malakka, zeer aan, daar wel op te letten. 

Moeijelijk had de Javaansche diplomaat in meer beleefile ter- 
men, den Portugees kunnen uitnoodigen, tot het bestrijden en 
verjagen, van de nieuwe en ongenoodigde onderzaten van het 
rijk van Mataram. 

De begeerte naar vrede bij den Panembahan werd niettemin 
boe langer hoe meer duidelijk; nog in den loop van het jaar 
1620 zond hij zonder losprijs zes Nederlandsche gevangenen 
terug, en hiervan zal wel de voornaamste oorzaak zijn geweest, 
dat Nederlandsche schepen, welke zich voortdurend in de straat 
van Palembang ophielden, den uitvoer van rijst naar Malakka 
verhinderden, terwijl de tegenwoordigheid van eenige Neder- 
landsche jagten voor Grissée de ondernemingen van het leger 
van Mataram tegen die stad en de omliggende landstreek, be* 
lemmerden. Want nog altijd duurde de bloedige krijg van den 
Panembahan tegen den Koning van Soerabaija en de overige 
verbonden vorsten van Oostelijk-Java en van Madura, voort 
Talrijke legers werden er sedert jaren op de been gehouden, 
duizende menschenlevens werden er opgeofferd, geheele land- 
streken verwoest, of door gebrek aan arbeidzame handen on- 
vruchtbaar en verlaten, met ieder gunstig moesson, werden 
nieuwe krijgstogten ondernomen, veldslagen geleverd; doch 



cxLvn 

zonder dat tot nog toe eene beslissende uitkomst voor eene der 
partijen was verkregen , hoewel eindelijk Soerabaija en zijne bond- 
genooten, door het verlies van Toeban in 162t en eene her- 
haalde vernieling van Grissée en Joortan in 1622, met ondergang 
werden bedreigd. Nog weder een nieuwen krijg liet de vorst 
van Mataram sedert 1621 ondernemen tegen Sukkadana, op het 
eiland Borneo, welke stad, omdat zij cijnsbaar was aan Soera- 
baija , door den pangéran van Eendal , werd verwoest en waarvan 
de Koningin met alle hare rijksieraden en kleinodiën^ gevangen 
naar Java werd overgebragt. Bij die gelegenheid geraakte ook 
de Nederlandsche iaktorij te Sukkadana in brand, verdwenen 
de koopmansgoederen, gelden en edelgesteenten der Compagnie 
en vlugtte de bezetting landwaarts in. 

Intusschen was de Gouverneur-Generaal Coen van zijnen togt 
naar Amboina en Banda als overwinnaar te Batavia teruggekeerd, 
en volhardde hij in zijne * afwachtende houding jegens den Pa- 
nembahan, toen op den 15 Junij 1622, gezanten van den 
Toemenggong van Tegal, namens den vorst van Mataram, zich 
bij Coen aanmeldden en hem in het geheim opening gaven van 
vijandelijke aanslagen, welke de Panembahan beraamde tegen 
Bantam, omdat de Koning van Bantam, de landstreek van 
Rrawang met de geheele bevolking aan zijn rijk had gehecht, 
hoewel dit gebied reeds door de voorzaten van den Mataram 
vvas veroverd. Hij wilde die landstreek thans heroveren en den 
Bantamschen Koning kastijden, en stelde nu aan den Neder» 
landschen Gouverneur- Generaal voor, om weder vrede met hem 
te maken en te zamen verbonden , Bantam te veroveren. Hij 
wenschte over deze gewigtige en geheime zaak met den Gou- 
verneur-Generaal in persoon te spreken in zijne eigene hoofd- 
stad, of zoo die voorslag eenig wantrouwen mogt inboezemen, 
dat dan een Nederlandsch gezantschap naar Karta mogt over- 
komen. Coen deelde deze vreemde en onverwachte voorstellen 
aan den Raad van Indie en aan de Engelsche leden van den 
Raad van Defensie mede. 



CXLVIII 

Het Indisch bestuur, nadat het overwogen had, dat het toch 
wel noodig zou zijn , iets meer te vernemen omtrent de plannen 
van den Panembahan en van den toestand van zijn rijk, dat 
bij die gelegenheid ook berigten zouden kunnen worden inge- 
wonnen omtrent de goederen en diamanten van Sukkadana , 
besloot gehoor te geven aan de uitnoodiging van den Mataram- 
schen vorst en hem een gezantschap toe te zenden. 

Daartoe werden gekozen Dr. de Haen, P. van der Eist en 
M. Wilschut, die met dat doel op den 24 Junij 1622 Batavia 
verlieten. Eerst op den II Augustus kwam dit gezantschap in 
de hoofdstad van Mataram, Karta, aan en werd het met groote 
plegtigheid door den Pangéran Ing-Ngaldg& Panembahan ont- 
vangen. 

Dr. de Haen bood den vorst, namens den Gouverneur-Generaal 
en de raden van Indie, brieven en geschenken aan, waarvoor 
de Panembahan zijnen dank betuigde en verklaarde, dat alles 
wat in zijn land was, ter beschikking stond van den Generaal. 
Hij betreurde de vijandelijkheden, welke te Japara waren voor- 
gevallen; doch de oorzaak daarvan was, dat de Nederlandsche 
Êiktoor de misdaad had bedreven, van de vrouwen van anderen 
aan te tasten. Als zoo iets weder mogt gebeuren , zou hij voortaan 
de schuldigen doen gevangen nemen en gebonden ter strafoefe- 
ning overleveren aan den Generaal der Nederlanders; de Generaal 
mogt hetzelfde doen met misdadige Javanen, zijne onderzaten. 
Hij wilde thans echter die vijandelijkheden stellen, als vergeten 
en vergeven. De Nederlandsche Generaal zou in het geheele ge- 
bied van Mataram, zoowel aan het zeestrand als in het binnen- 
land , vriendschap genieten , Batavia zou hij , Panembahan , in 
rust en vrede laten. De Nederlandsche Generaal moest niet 
versagen voor Bantam en indien hij zich niet magtig genoeg 
gevoelde om die stad in bedwang te houden, zou de Panembahan 
zelf met zijne legers te hulp komen. 

Gewikkeld in eerbiedige vormen , luidde daarop het hoog- 
artige antwoord van Dr. de Haen, de Generaal der Nederlan- 



GXLIX 

ders wil Bantam niet aanvallend aantasten^ ware hij dat van 
meening geweest, hij had het reeds acht of tien jaren geleden 
kunnen doen. 

De Panembahan die zeer goed onderrigt schijnt te zijn ge- 
weest van de bedreigingen van Bantam en de behoeften van 
den Nederlandschen handel, antwoordde hierop zeer 6jn en 
schijnbaar goedaardig; vreest de Generaal welligt, dat de Ban* 
tarasche vorst de perperranken , ingeval van oorlog, zal vernielen , 
hij zij daarover niet bekommerd, op mijn bevel zal door mijne 
bevolking de peper op nieuw worden geplant, en verlangt hij 
rijst of andere eetwaren , de Generaal zende daarvoor naar Tegal , 
Rendal , Demak of Japara , even vrij alsof hij naar Batavia zond. 
Bantam onderhoudt betrekkingen met Soerabaija, maar welhaast 
zal ik Soerabaija veroverd hebben en dan keer ik mijne wapenen 
tegen Bantam en het geschut van dien Ronifig zal wel tot 
zwijgen gebragt worden, indien de Nederlandsche schepen maar 
aan den zeekant gaan liggen. 

De Panembahan verzocht verder, dat er altijd een Nederlandsch 
gemagtigde aan zijn hof mogt blijven , om door middel van 
dezen, betrekkingen met de Nederlanders te onderhouden. Zijn 
hof, anders voor iedereen gesloten , zou openstaan voor de 
Nederlanders; alle vijandelijkheden waren nu vergeven en ver- 
geten, de Nederlandsche Generaal was nu zijn vriend, hij zou 
hem vrij en ongestoord te Batavia laten wonen , en terwijl hij 
dit zeide, overhandigde hij aan Dr. de Haen zijn eigen kris als 
een geschenk voor den Gouverneur-Generaal Coen, op hoffelijken 
toon er bij voegende: dit heeft zeker niet de waarde van hetgeen 
de Generaal mij heeft toegezonden; maar het is het dierbaarste, 
dat een Javaan aan iemand schenken kan. ^ 

Hiermede liep deze ambassade ten einde, de vrede scheen 
weder tusschen hét rijk van Mataram en het Nederlandsch-Indisch 



* Men zie hierachter onder n9. XLV der gedmkte stokken het, nit looyele ver- 
sehOleBde oogpunten, helangr^ke yerhaal van dit geEantschap. 



CL 

bestuur gesloten; doch Goen en zijn opvolger de Carpentier 
bleven niettemin met argwaan, de beraamde plannen van den 
Panembahan tegen het westen van Java afwachten. Zij vreesden y 
en de gebeurtenissen van weinige jaren later hebben hunne vrees 
geregtvaardigd^ dat de vorst van Mataram onder voorwendsel 
van zich tegen Bantam uit te rusten, in het geheim aanslagen 
tegen Batavia smeedde. 

Intusschen scheen het, als of de onderhandelingen met den 
Panembahan van Mataram, ook bij de regering van Bantam de 
begeerte tot vrede hadden opgewekt, ten minste de GG. Goen 
ontving langs allerlei omwegen uitnoodiging tot het zenden van 
afgevaardigden naar Bantam , ten einde over het herstel van den 
vrede te beraadslagen. 

Goen gaf, hoewel schoorvoetend, eindelijk daaraan gehoor; 
maar op dit diplomatiek terrein moest hij weldra ondervinden 
dat de rijksbestierder van Bantam in geslepenheid hem verre 
overtrof, en zijn tegenstander mogt ditmaal althans de voldoe^ 
ning smaken van aan den gehaten Goen, de nederlaag te hebben 
berokkend. 

De Pangéran rijksbestierder had met geen ander doel de on- 
derhandeling uitgelokt, dan om te weten te komen, hoeverre 
de goede verstandhouding tusschen het Nederlandsche bestuur 
en den Panembahan van Mataram was gevorderd, en toen hij 
uit de gesprekken, welke op de aanbieding van vrede waren 
gevolgd, genoegzaam bemerkt had, dat het bondgenootschap 
tusschen Batavia en Mataram nog niet zóó verre was gevorderd, 
dat het voor Bantam gevaarlijk zijn kon, brak hij plotseling de 
aangeknoopte onderhandeling weder af en weigerde hij aan 
eenig aanbod gehoor te geven, zoolang Batavia door de Neder- 
landers niet weder afgebroken en verlaten zou zijn. 

De zorgen van den Gouverneur-Generaal Goen en van den 
raad van Indie, hadden zich in dien tusschentijd niet bepaald 
tot de bevestiging van den jeugdigen Nederlandschen staat op 
Java, De werkkring van het Nederl. Ind. bestuur omvatte ge- 



CLt 

heel Indiërs gebied en handel. In de maand October van het 
jaar 1621 was in vereeniging roet de Engelschen eene vloot van 
elf schepen, onder bevel van Jacob Dedel als admiraal en Humphrey 
Fitz-Herbert als vice-admiraai naar de kusten van Malabar ge- 
zonden, in het volgende jaar 1622, waren zestien schepen onder 
den kommandeur Corn. Beijersz. naar de kusten van China ge- 
stevend, met het doel om, zoo mogelijk, de stad Macao te 
vermeesteren en den Chinëeschen handel der Portugezen in han- 
den der Kederlanders te doen vallen , of, indien dit niet gelukte, 
eene versterkte plaats op een der Piscadores voor de Compagnie 
te stichten. Nog vijf andere schepen werden naar Manila afge- 
vaardigd, terwijl alle die uitrustingen Coen en zijnen raad niet 
verhinderden om, te dierzelfder tijd, hunne aandacht te wijden 
aan de inrigting van het bestuur, de herbevolking en het pro- 
ductief maken van de Banda-eilanden , aan het onderhouden van 
den peperhandel op de kust van Sumatra , aan het invoeren van 
bezuinigingen, door de kantoren te Atsjin, Patane, Sangora, in 
Siam en Kambodja gevestigd, in te trekken en te doen vervan- 
gen door geregelde uitzending van schepen. 

Nog meer vruchten zou het rusteloos streven van het NederL 
Indisch bestuur onder de krachtige leiding van Coen hebben 
opgeleverd, indien het niet belemmerd ware geworden, deels 
door de Engelschen, die, hoewel onze bondgenooten , niet op- 
hielden allerlei moeijelijkheden , vooral in de Molukken, in het 
leven te roepen; deels ook door de onbekwaamheid en de ligt- 
zinnigheid van de eigen dienaren der Compagnie, die « d'eenen 
« tijd de orders van het Ind. bestuur nalieten en d^anderen tijd , 
«sonder discretie, meer deden dan hun bevolen was^*. 

Er waren nu meer dan tien jaren verstreken, sedert Jan 
Pietersz. Coen het vaderland had verlaten en reeds in de maand 
Mei 1620 had hij zijn verlangen, om in 1622 naar Nederland 
terug te keeren, aan het opperbestuur te kennen gegeven. De 
bewindhebbers hadden wel door een vleijenden brief en voor- 
deelige aanbiedingen getradit, hem van zijn voornemen af te 



CLIt 

brengen; doch bet verlof tot terugkeer, indien bij in zijnen 
wenscb volhardde, hadden zij aan Goen niet durven onthouden. 
Om die reden hadden zij hun vertrouwen in zijn persoon, op 
nieuw betoond en hem commissie gezonden tot het verkiezen 
in Rade van Indie, van een provisionelen opvolger. ^ 

Met moeite maakte Goen zich los van de leiding en de ver- 
zorging van den Nederlandschen staat in Indie, dat kind zijner 
schepping. Eindelijk toch, op den 2^ Januarij des jaars 1623 ^ 
werd door hem de Raad van Indie belegd en in die vergadering, 
met schier eenparige stemmen, de directeur-generaal Pieter de 
Garpentier, tot zijnen opvolger verkozen. 

Naauwkeurig en zorgvol beschreef Goen nu nog, in een ad- 
vies ^ aan hem, die hem vervangen zou, den toestand en de 
behoeften van Neérlands belangen in Indie. 

Op den 2^^*^ Februarij ondernam eindelijk Jan Pietersz. Goen 
de terugreis naar Nederland. 

Toen in den tijd van PortugaPs grootheid AfFonso d*Albo- 
querque, de merkwaardige aanvoerder der Portugezen overleden 
was, brak overal in Indie, de vlam des opstands tegen Portu- 
gaPs gezag weder uit. 

Het was alsof het Indische bestuur van de afwezigheid van 
Jan Pietersz. Goen even nootlottige gevolgen verwachtte; « want 
« ongetwijfelt"", zoo schreef het, «sullen wij, naar het vertrek 
« van d'£d. Heer Generaal , van alle kanten aangevochten wor- 
«den, alzoo ^t schijnt, dat zij maar met alle man wachten op 
«zijn vertrek". * Nederig maar onversaagd, voegde echter de 
Gouverneur-Generaal, de Garpentier, deze woorden daarbij: * 
<c hoewel wij ons nergens met soodanige kloeckheyd , subliem 



* Particuliere Missive en Commissie der Heeren XYII, dd. 4 Maart 1621. 

* Dit advies is gedrukt in de Kronijk van het Histor. genootschap te Utrecht « 
9de deel, jaargang 1853; vergelQk verder hierachter n». XLIV der gedr. stukken. 

* GrG. de Garpentier en de raden van Indie, Willem Jansz. en Jacqnes Specx aan 
de HH. XYII dd. 1 Fehr. 1623. 

« 'GQt. 4è Oupwiier, ^aizonderl. Bussive ^m HH. J^YII, jd. 1 fébr. 162§. 



CLIII 

«verstand, doorsichtichheyd en andere goede gaven meer, als 
«onzen predecesseur begaafd vinden, sullen wij eereshalven de 
«zake bij der hand nemen en de hoogheid en het respect der 
«Hoog Mogende Heeren, de Staten-Generaal , van Zijne PrinseL 
«Excellentie en den welstand en het regt der Oost-Ind. Gom- 
«pagnie in Indie handhaven ""! 



I. Db KOMMAIfDETTB HsïrDBIK BbOFWEB AAN DE BEWIin>HBBBEBS 

DEB VeB. o. I. COMP. TE AmSTEBDAM. 

Voor Bantam ; op het schip de Boode Leeuw 
met pijlen, 27 Junij 1612 K 
MynhQeren, 

Aleer van Jacatra tseyl gingen hebben daer een claere baen oft 
gebaende wech gelaeten in tgeene daer te doene was, de possessie 
van de plaatse nemende daar ons huys gesteld sal werden, (mits 
eenige vereeringen doende, die naer uiterste vermogen besnoyt heb- 
ben) op de bequaemste plaetse van de geheele rivier, vooraen intin- 
comen yegen over de stadt, hebbende aen de westzyde de rivier 
ende aen de noordtzyde de zeestrant; de Coninek wilde zeer noode 
van de plaetse scheyden, insonderheyt, omdat hy daer geordineert 
hadde te woonen seker overgecomen edelman van Bantam, die ten 
deele de wacht op de incompste van de rivier was houdende; doch 
vermoede de hoope van syns lants verbet^ringhe neffens ons hert 
aenstaen, hem daertoe aldermeest gepersuadeert sal hebben, als 
M. Ë. HH. breeder sullen connen sien by de resolutie daerop genomen, 
die in 't vervolch van myn joumael, dat neffens dese mede seynde 
geregistreert staet f. 1 „ 2. 3. waeraen wy gedraege. De nemingen 
van deselfde possessie is aireede' wel te passé gecomen, om de 
goederen van Coromandel uyt den Hasewint en van Japan uyt den 



^ Headrik Brouwer was op dea 20 December 1610 ab kommaadear van drie schepen 
uit Nederland naar Indie gezeild en bezocht op zijne reis naar de Molukken, in 
^ maanden October en November 1611 , de kusthavens van Java. In het volgende 
JAar 1612, keerde Brouwer weder te Bantam terug om daar met eene lading voor 
Japan te worden bevracht. Hetgeen dus in het eerste gedeelte van dezen brief over 
gebeurtenissen op Java verhaald wordt, betreft hetgeen aldaar in het vorige jaar, 1611, 
is voorgevallen ; in het laatste gedeelte beschrijft Brouwer zijne verrigtingen m 1612. 

IV. 1 






Brack aldaer te lossen; gemerkt de Coninek van Bantam geen goet 
op tlant will laten brengen , sonder daervan synen tol te hebben, dat 
al te qnaeden inbrencq sonde syn geweest, en staet te vermoeden 
denselfden allenskens sal comen te bespeuren, dat met syne selt- 
saeme procednyren niemant schadelycker is, als syn eygen lant en 
welvaeren. 

Oock hebbe in ons drie schepen noch tot Grece ^ ingenomen 34 
grove beesten, als ossen ^ koeyen ende bullen, met omtrent 120 boe- 
ken ende 50 lasten nytgenomen schonen witten rys 

Wy sonden gaeme meer vee ende andere provisie mede genomen 
hebben (uit Grissee naar de Molukken) doch door den oorloge van 
den Mataram yegens den Coninek van Soribaya was het lant soo 
geruyneert, dattet te verwonderen was; waer door niet meer hebben 
connen beconunen 

Wy hebben ook den Coninek van Soribaya, voor Grece met ons drie 
schepen gecomen synde , op de vaart syner joncken naer Banda mon- 
delinge ende schriftelycken geinsinueert, meenden daarmede 

een goede ende seer dienstige saecke gedaen te hebben, alsoo de vaert 
der Javaenen, onderdaenen deeses Conincks, de Bandanezensoostyft, 
dat naer der Nederlanderen fort niet veel en vraegen, insonderheyt 
als in Banda geen sloupen ofte jachten syn, die deselve Javaenen, 
in haer vaert hinderlycken mogen wesen, want op Puloway^ Lontor, 
Wayer ende andere plaetsen in Banda aenloopen, daer met alle vlyt 
en yl haer joncken op 't drooch haelen ende wanneer vertrecken 
nemen sooveel foulie ende nooten wech als begeyren, datt t'enemael 
in der Portuguesen handen compt, twelck U E. Heeren all te groo- 
ten interest veroorsaeckt 

De Coninek stoorde zich daerdoor seer en bejegende ons seer on- 
beleefdelycken en alsoo't selfide om tyt te winnen by nachte ge- 
schiedde ^ landwaerts inne wel seven mylen van de scheepen, daer 
oock diversche Bandanesen by sullen syn geweest, ook verscheydene 
van hun toegedaene ende een Engelschen verloochenden boefT, meenen 
dattet niet sonder peryckel en geschiede ^ insonderheyt door dien 't 



Grissee, residentie Soerabi^ja. 



selffde soo heftich dreven^ doch het werde alsoo goet gevonden en 
by ons werde verstaen dattet eens ende voor all in snlcker voegen 
diende byderhant genomen te worden. De Coninck versocht selfii 
emstelycken datt men hem een stuck geschut souden geven, 't welk 
hem geweygert werde, ons op den Heer Grouvemeur Gnal. excuserende , 
evenwel syn van daer niet gescheyden, sonder hem geschenken te 
geven. De Gouvemeur-Gnal. voomoempt heeft ons geordineert datt men 
hem van 't Japanse cargasoen, een yseren gotelinge vereeren souden, 
op ons wedercompste aldaer. De weygeringe van't stuck geschut 
neffens de insinuatie verachterden vry watt veel, tgeene wy daer te 
berechten hadden als alles by 't joumael broeder is te siene; doch 
naar alle gepleechde naersticheyt syn noch ten lesten claer geraeckt , 
vertreckende van daer den S^ November 1611 ^ 

Den oden Junio (1612) syn wy voor de tweede reyse weder te 
Grece gecomen, daer ons comptoir in goeden doen bevonden; doch 
het lant vol portugezen ende synder omtrent 80 ofte 100 personen 
sterck, hebbende desen jare daer omtrent de 30,000 croonen capi- 
tael gebracht, alles op den trèck van foly, nooten ende nagelen, 
die de Javanen steelsgewyse van onse plaetsen weeten wech te 
voeren, ja dat meer is, hebben selver in Grecesche joncken by de 
thien duysent croonen naar Banda gesonden, datt onlydelycken is 
ende syn hier niet uyt te cryghen, dan met gewelt, overmits den 
Coninck en syn onderdaenen daarby goet proufl^ genieten, daer 
moet metten eersten anders in voorsien werden. 

Den Coninck van Soribaya hebben 'het stuck (geschut) vereert 
datt den Heer Gouv' Generael ons geordineert heeft hem schencken 
souden, hebben daarbij een brief int portugees in den naeme van 
den Heer Gouverneur Gen. voomoempt gevoecht, omt selve met 
meerder ontsach ende eere aan den Coninck te laeten brengen tot 
spyt der portuguesen, insonderheyt dewyl deesen Coninck naer 
Malacka om een stuck gesonden hadde, van waer tot antwoorde 
creech, datt daerop naer Goa souden schryven, soo datt hierdoor 
des Conincx genegentheyt t'onswaerts te meer sullen trecken, in 



ï In dezen brief vermeldt Broüwer o. a. nog dat de oppeirkoojman Soury te 
Grissee en de aasistent Cornelis Maseyck te Passareoan gevestigd bleven, voor den op- 
koop van garens. 



denselfden briefi maeckten weder mencie op de vaert syner joncken 
naer Banda ende datt de Heer Gonvem' Onal. op hem begeyrde, 
achtinge sonde nemen op de insinnatie, die hem gedaen is om alle 
redenen van claegen voor te comen, als Mijneheeren broeder sul- 
len connen sien by deselve in de resolncie tot Grece genomen, int 
jonmael gestelt a. f. 77. Een Gonvemenr Caracsadana (?) ontfingh 
het stack met een wondere blytschap en seyde tselvige den Coninck 
nyttermate aangenaem sonde wesen, belovende dat aen ons volck 
ende comptoir alle behoyrlycke tractement en gunste gestaadich 
doen toonen en bewysen sullen, dan tsyn beloftenissen van mooren, 
nochthans wanneer dit volck continueren in de vaert naer Banda, 
twelcke sy oock niet laten sullen connen, overmits hun meest 
met de zeevaart geneeren, soo sal der een scheuringhe moeten 
volgen I dat sy ook selver vreesen, evenwel soo lange elders geen 
comptoir en hebben om provisie van rys te mogen doen, soudet 
UE. saecken ende stant quaelycken comen; doch ick hebbe daer- 
iegen alhier ende elders een gewenschte saecke vernomen, ende is, 
dat die van Japara seer begeyrich syn om een comptoir van ons 
volck in haer lant te hebben, doende daertoe seer eerlycke presen- 
tatien in een briefken, die aen den coopman tot Orece geschreven 
hebben, daer naerder op geleth dient, want men naar yders zeggen 
den rys daer beter coop gestaadich can becoomen als tot Grece ofte 
Hacassar; vernamen mede dat men daer met groote schepen soo 
naer aen lant mocht leggen als tot Bantam, oock dat de Conninek 
aldaer onder den Groeten 'Keyser ofte Mattaram van Java stont, 
waerover om selver de gelegentheyt wat beter aen te mereken ende 
om de saecken dan tot Bantam te helpen voorderen ende raaden, 
vonden met den scheepsraet geraeden, daer aen te lopen. 

Den thienden desers, des avonts syn daer ten ancker gecomen 
voor een plaetse Coutot genaempt ^ en vonden er tusschen de 15 en 
20 jonken op de reede leggen van verscheyden quartieren, soo 
Malayen, Javanen, Clingen, Gusaratten als andere vreemdelingen, 
die daer comen om rys te coopen, ende aan lant com^de vemaemen 
den Coninck vertrocken was, naer den Mattaram landewaerts inne, 
welcke Mattaram met een leger van }50,000 mannen naer Soribaya 



1 Ik heb niét brnnen uitmaken, Welke deze plaati geweest i». 



over 8 dagen sonde syn vertrocken, soo dattet daer weder heel 
schrap sal staën. — Wy bevonden de plaetse seer wel gelegen, 
insonderheyt overmits de beqnaemheyt van de rivier, die door de 
stadt loopt, daermen met schnyten ende boots in ende nyt mach 
comen tot syn wiUe, overmits int incomen met laech water meer als 
vier voeten waeter heeft ende men leyt met de boots om te lossen ot 
te laaden soo dicht aen de merckt aen lant als oft bynaer jegen 
een steyger laegen, twelck in Java niet veelen heeft. De reode is 
oock tamelycken, overmits tnssen twee eylanden, die voor de 
stadt leggen, omtrent een vierendeel myls tzee, goede steckgront 
is, op vyff vademen, ende een gotelings schoot van de stadt 
is het drie vademen diep; den rys is er tot beteren prys te 
becomen, dan op eenighe plaetse van Java ende sonde het last 
nu hebben connen becomen voor 12 ofte 14 Realen van 8 ende 
datt in goede parthye', de lyftogt is er oock beter coop als 
elders, daer tot noch toe geweest hebbe, als: 20 hoenders voor 
een R. van 8, vier boeken mede voor gelycke ende een grof beest 
voor 6 R. V. 8 andere provande naer.advenant, daer is oock visch 
in abondantie; de Chynesen waeren der van Jortan ende Bantam 
veel gecomen, claegende daer te seer geschat en geschooren wier- 
den, ende alhier werden beter getrackteert, soodat het toecomende 
jaer op dees plaetse uyt China sterck met joncken meenen te comen 
ende syn van opinie dat de meeste Chynesen van Bantam ende 

Jortan hun alhier sullen transporteren 

lek achte dattet niet ongeraden soudé wesen gemerckt,desaecken 
van Banda, datt men het comptoir tot Grece opbraecke ende weder 
alhier een ander plante, dewijl Grece voor groote schepen sonder- 
linge ongelegen is. lek hebbe dees saecke tot Bantam aen den 
president Matheo Coteels in den breeden raetschriftelycken vertoont, 
neffens eenige andere poincten meer, daer my hoochnoodich dochte 
op geresolveert diende te werden. 



II. De oppebkoopman Peeteb See^ebs aan de bewindhebsebs 

TE AmSTEBDAM. 

Bantam, 5 Decemb. 1612. 

Gemerckt den handel ende verseeckeringhe van 

Orienten en omliggende eylanden, den meestendeel bestaet in vier 



6 

ponten, sonder dewelcke U. E. nimmermeer snit comen, tot het 
wit, dat van 't geünieerde België soo seer gewenscht wordt, soosal 
U. E. verhaelen de middelen waerinne 't voorige is gelegen. 

1. In den eersten, als U. E. adviseert, staet te weten: Vooral 
moet besorcht worden; wij alleen in de Molucos, Ambona, ende 
Banda t'francko ende libere besit hebben, wesende tselve als de 
rechte hant van U. E. orientische machten. 

2. Ten tweeden, aengesien de negotien door versekeringe van 
U. E. macht ende staedt is gelegen, ende den handel van de clee- 
den op de cnste van Coromandel , diewelcke den meestendeel in de 
Mollncos, Ambona, Banda ende Bantam worden verkocht met seer 
treffelycke profijten, soo is te verstaen, dat de cnste van Coromandel 
den slinckeu arm is van de Molaccos ende omliggende eylanden, 
gemerckt sonder de doecken van daer comende, de negotie doot is 
in de Molucos ende sonder avance de forten niet connen onderhouden. 

3. Belangende de custen van Johor ofte de stadt Bantam in Java, 
op een van die plaetsen, moesten dan oock eenen rendes-vous ge- 
stipuleert worden, met goede besettinge van soldaten, omme de 
coopmanschappen (uit) China ende Custe, in tfort te bewaren ende 
defenderen, anderssins brandt ende oorloochsche proceduyren onder- 
worpen synde , ende soo lange sulcx , met residentie van eenen raedt 
van Indien in getrouwe persoenen bestaande (die de particuliere 
eergiericheyt ende recommendo, boven d|experientie ende getrouwen 
dienst der compie niet en prefereren) (niet) geschiet, syt versekert 
wy uyt Orienten sullen geraecken, want het en is hier met een 
cleyntken niet te doen, daer moet volck syn, my voorder aen de 
rapporten der commisen refererende. 

4. Ten vierden, als vooren verhaelt, datter getrouwe persoenen, 
insonderheyt, die in eenige qualité gesonden worden, en geen 
andere , werden gesonden , als die daer voor bekent syn 

De Logie in Bantam is oock op 20 Aug. 1612 in brandt geraekt, 
hebbende over 8 è. 9 maenden te vooren de Gouverneur van Bantam 
alhier, den steenen geyvel van 't dack afl^ tot op de solderingh ^an 
de caemer doen afbreecken, seggende dat het te casteelachtig was, 
ende de Coninck selver sulcken huys niet en heeft; nu is dit van't 
dack aff tot op de soldering van de caemer met riet wederomme 



toegemaekt, ende door buspoeder op de deyne mart by de loghie 
in brandt geraeckt, synde de wint recht op de loghie . . • . • 
hebbe noyt soo schrikkelycken brandt gesien; synde den heere preses 
Mateo Coteels, aen aensicht, handen ende voeten yerbrant geweest 
daervan by de dry weken pladt gelegen heeft, in somma syn groote 
ongelncken; desen brandt is recht gesticht door den Gouverneur, 
hebbende oock ses man van de logie doen vermoorden, die wy met 
200 caxies sonden naer Jacatra, seer moordadelick, wy weten wie 
't gedaen hebben, den Goninek zeyt, daeraff niet te weten ende soo 
wy't eer vemaemen als hy, sonden 't hem te cennen geven, heb- 
bende willen weten, wie 't ons geseyt heeft dwelck om redenen 
niet geraden is. 

Alle dit qnaet sprayt uyt, datter tsedert vertreck van den Heere 
Gouvemenr Gnall, naer de Molncos geen schenckagien gedaen en 
zijn van alle de schepen tot op dato, synde dese mooren vanaerdt, 
(dat) oude schenckagien willen onderbonden hebben, ende niet con- 
sidereren , ofte de groote schenckagien te vooren nyt groote verove- 
ringen wel hebben connen geschieden, door de craecken voor desen; 
tsy dat se met goet ofte qnaet fondement gedaen syn ofte niet, willen ' 
dat eens begost is, onderbonden hebben, alst haer maer profiyt is. 
Ten anderen het bonwen van Jacatra is hem seer tediens ende 
meest canse, omme de neyringhe, die hy vreest hem ontrocken te 
worden, seggende men hem eerst behoorde te vraeghen, eer men 
soo dichte by, een ander comptoyr plantede. 

lek segge het is necessarelycken , dat men met den aldereersten 
een rendes-vons ofte casteel in Indien heeft, want als wel te mereken 
(is), soo is door den Trèves d'intentie van den Spaenschen raedt, 
ons nyt Orienten te crygen y * • 

lek segge. Weerde Heeren, laet ordre geven, omme een rendes- 
voos te stellen, tsy op Poelo Condor, Johor ofte elders, daer men 
't hier best sal vinden en bequaemste 



in. De GouvEBiTBTJB Geitebaal P. Both aan de Bewindhebbebeit 

BEB eElTBBALE O. L COMP. (HeEBEIT XYII). 

Bantam, 1 Jannary 1614. 
(Na in dezen brief te hebben verhaald, hetgeen hij in den Ar- 



8 

chipel der specerij-eilanden had verrigt, gaat P. Both voort met 
mede te deelen den stand van zaken op Java.) 

Door de compste van Adriaen Block Mertenss. commandeur , in 

« 

de Molnques, hebben wy met droef heyt verstaen het tirannelyck 
procederen van den Pangeran tot Bantam, diewelcke niet alleen 
ons stenen hnys met gewelt heeft doen affbreecken, maer oock doen 
verbranden, gelyk wy voor seecker honden, met eene inestimable 
schade, oock dat Coteels van U. E. my medegegeven voor Raedt 
van Indien, van my gelaten tot Baiitam als directeur enboeckhotider 
generael over alle de comptoiren, geheel onbequaem was tot solcken 
staet, slap in de regeringhe, genegen totten dranck 

Wy arriveerden opten (14 Septembris, 1613) voor Grissik,alwaer 
ick committeerde eenigen van de mijnen aen landt te gaen , die my 
rapporteerden dat de Groote Mataram 14 dagen voor onse compste 
de stadt van Gressik hadde ingenomen en verbrant ende mnyren 
geraseert, alsmede onse loge, doch met weynich schade, alsoo de 
onsen te vooren gevlucht waren in Sorbaya. De Mataram heeft 
mede ingenomen de stadt van Jortan en geraseert en door de groote 
sterfte, die hy onder syn volck creech is weder vertrocken. 

Aldaer qnam by ons ten ancker het schip Patani, waerop was 
onse vrundt Capiteyn Appolonius Schotte, comende van Solor, ende 
vandaer opten 20^ ditto te samen tseyl gegaen naer Japara en 
daer geseth opten 22^, Deze plaetse compt den Mattaram. 

Voor desen noch synde in de Molnqnes worde my gerapporteert 
van eenen Jnan Pedro Italiano, geboren van Venetien, diewelcke 
vajx den Mataram belast was, dat hy my aendienen sonde, de grote 
genegentheyt, die hy was hebbende omme mette hoUanders in alli> 
antie te treden, daeromme ick gecommitteert hebbe Cap. Appolonius 
Schotte en Jan Pietersz. Coen, om aen de Heeren myn compste te 
verwittigen, die haer thoonden seer vriendelyck en favorable en ons 
datelyck verversinge in abondantie aen boort sonden, onder alles 
eenen os, soo veth en schoon en soo goet van smaeck alswaer sein 
Hollant geweyt geweest. De Heeren quamen datel. aen boort d'een 
voor en d'ander naer met my spreken, verclarende dat de Mataram 
haer belast hadde , dat indien Hollanders aenquamen, alle eer en 



•« 



faveur souden bewysen, versoeckende dat wy daer wilden een hnys 
maecken, d'een voor d'ander ons presenterende een plaetse. Daerop 
wy resolneerden gene te kiesen anders, als de Mataram ons ordineren 
soude; daer waren oock Chinesen en Maleyen, die mede alle devoir 
deden, dat wy daer een huys maken sonden. Wy vonden goet ten 
respecte van dien, aldaer te laten Sr. Lambert Direkz. Haga, met 
een assistent tot dien eynde medegenomen van Grece, tamelyck 
ervaren in de tale , een bootsman met een christen swerte jongen 
en by hem 2600 realen van 8, met expressen last den Mattaram 
wel te spreken en syn meyninge te hooren, sonder iets te accor- 
deren, totdat hem anders geordonneert soude werden, dan alleen 
een provisie rys op te copen, die daer seer schoon en in abondantie 
is. Wy cochten aldaer provisie voor onse schepen, het last omtrent 
16 realen van S^ 

Den S^^ ditto (Oct) syn wy te samen geseylt met het schip 
Patany naer Bantam 

Alhier tot Bantam worden wy van den Pangeran, Gouverneur 
van dese plaetse, genouchsaem usurpateur van de Crone, seer 
qnalycken getracteert met woorden en wercken. Hy heeft ons huys 
als ü Ed. voor desen heeft verstaen, openbaerlyck met gewelt doen 
afbreecken en secretelyck aen brant doen steecken, dat wy voor 
seecker houden. Coteels is naer syn doodt opgegraven en verre van 
syn plaets gevoert, alwaer hy namaels gevonden is geweest armen 
en beenen aen stucken gehouwen. lek bekenne wel dat de super- 
biteyt van de onsen daertoe veel oorsaeck gegeven heeft 

Het opbouwen van H grote huys tot Jacatra heeft daer geen goet 
toe gedaen, sy hebben op Jacatra een seer groot huys gemaact, seer 
inordentlyck, sonder goet fondament, lanck 50 treden en 18 wyt, 
te licht van muren en te topswaer, alsoo dat men voor oogen siet, 
dat balcken, solder en dack, alles begint te sacken, wg hebben 
begost sommige plaetsen te onderstutten. 

lek hadde voor myn vertreck hierna de MoUuques, de plaets voor 
een ander plaetse (lees huis?) gecosen. Is seer bequaam en wel ge- 
legen, alleen belast, dat men de plaets soude afsteecken en in 't 
midden by provisie een cleyn huys maecken en myn compste ver- 
wachten, omme aldaer een goet casteel te maken, dan die raedt 
van Bantam, alsmede THermite syn op die plaetse geweest en 



10 

ThetmemanB commiBBie gegeven , dit tegenwoordige hnys te maken, 
dat naer myn oordeel geen thien jaren sal oonnen staen ende is 
hoecx en wints geseth* Soo men van den Coninck conde becomen 
daer een casteel te maken , sonde (het hnis) in pertye moeten afge- 
broken werden. Sy hebben voordesen den Coninck gepresenteert 
1800 realen van 8 om een mnyr om 't hnys te maken, dat geheel 
onnoodich is. lek heb voordesen wel een gehele maendt tot Jacatra 
geweest en verscheyden reysen metten Coninck gecommnniceert hem 
aendienende, dattet voor den standt van onsen Prins hoochnoodich 
is, in dese contreyen een casteel te hebben, ten respecte wy tegen- 
woordich in openbaren oorloch syn metten Spaiyaert en Portugees 
en dat op verscheyden plaetsen onse loges syn verbrant en van den 
vyant overvallen en dat het mede een verseeckertheyt sonde wesen 
voor synen staet en gemeente. 

Waerop hy my voor antwoort heeft gegeven, alsmede door den 
sabandaer laten aendienen, dat hy voordesen daertoe wel genegen 
is geweest en noch is , maer gemerct en gesien de quade proceduren van 
Theunemans, een dronckaert synde, den Coninck verscheyden reysen 
zeer qnalyck heeft bejegent alsmede anderen, eenige Javanen ge- 
slagen dat het bloet haer by de ooren afliep, een Chinees geslagen 
en in de boeyen geseth, onder den blanwen hemel in hette en 
coude, dat gene Chinezen hem mochten comen spreken noch teeeten 
brengen, noch geen quitesel ofte matgen boven syn hooft tegens de 
regen of son mochte hebben; dat oock sommigen van de onsen op- 
waerts varende in de rivier van de principalen haer vrouwen on- 
behoorlyck hadden aengetast en syn wil daermede wilden doen. 
I)an op dese en andere dachten van den Coninck tegens Theune- 
mans gedaen, worde geresolneert hem van daer te lichten, waer 
tegen Theunemans seer schandelicke en onbehoorlicke sinistre mid- 
delen heeft gebruyct om tselve te beletten, voorwaer seer bedroeftelyc 
voor my en schadelyck voor üEd; 

lek hebbe derhalve voor mgn vertreck uit de Moluques, met ad- 
vys van den advocaat, den Eersamen Hans de Hase, raedt van Indien, 
directeur over alle de comptoiren van de Moluques , daerenboven ge- 
maeckt Visitateur-Generael van alle de comptoiren van ÜEd. in 
Indien, gene uitgesondert om die te visiteren, corrigeren en justitie 
te administreren, dat seer hooch noodig was, gelyck U E. nu is 



11 

schiyv^ndey diewelcke, mette eerste gelegentheyt met een schip zal 
gaan van comptoir tot comptoir om alles te redresseren. 

Voorwaer mynheeren ! 't en is niet alleen schandelyck, maar oock 
horribel en abominabel , dat van uwe dienaers in dese landen op 
yerscheyden plaetsen passeert, alsoo U E. sal gelieven te oversien, 
diversche informatien, attestatien en bekentenissen van den onsen 
alhier gepleecht. 

Sooveel aengaet dat gepasseert is tot Jacatra, hebbe den Coninek 
sooveel alst mogelyck is geweest, contentement gedaen en heeft goei 
gehoor om een casteel te maekeriy dan twijfel hetzelve niet te menen. 

Met desen pangeran tot Bantam hebben onlancx gesproken en s^n 
pols getast, om een eylandt van hem te copen en daerop een cas- 
teel te maken tot conservatie van onse personen en goederen, alsoe 
wy metten Spanjaert en Portugees in openbaren oorloch waren, gafif 
voor antwoord, wat wij met alle de casteden in Indien wilden doen; 
dat de Fortngesen voor desen sulcx mede hadden versoght en dattet 
voor Javanen odieox was, casteden in haer landt te hebben, waerop 
hem respondeerde, dat wy eenige forten van onsen vyanden mette 
wapenen hadden genomen, en andere gemaekt opt versoek van de 
Coningen, in de Moluques, tot haerl. defentie, waerop hy repliceerde; 
dat wy ook een fort hadden op Banda, waerop hem antwoorde, dat 
sulcx de waerheyt was, en wel met recht, door dien de Bandanezen 
voor desen niet alleen de goederen hadden gestolen, maer ook de 
onsen zeer schanddick vermoert en van ons noch een admirad met 
wel 40 personen , waaromme niet alleen ons vry stond daer casteden 
te maken, maer haerL te trakteren, gelyck sy onsl. gedaen hebben. 

De Prins van Hollandt die heeft den machtigen Coninek van Span- 
gien naer een Moedigen oorlogh van 40 jaren gedwongen met hem 
t'accorderen totsynen groeten voordeel, sal oock wel connen straffen 
diegene, die syn volck in dese landen beroven en vermoorden. . . • 

Wy hebben uyt de Moluques met ons gebracht den Commandeur 
Jan Pietersz. Coen, van Hoorn, omme te becleeden de plaetse van 
Coteels, alsoo wy seecker wisten de impotentie van't verstandt van' 
Ooteels ende swackheyt des lichaems en nu hier gestelt als direc- 
teur over beyde dese comptoiren. Bantam en Jacatra, boeckhouder- 
generael van alle de comptoiren, een persoon seer modest van leven, 



12 

zedich, van goeder aert, geen dronckaert, niet hoovaerdich, inraedt 
zeer bequaem, int stnck van de coopmanscliap en boeckhonden hem 
wel verstaende. Voor desen gewoont in Rome zes of zeven jaren by 
Sr. Jostus Piscatore van Ondénaerden, van mg welbekendt. lek ver- 
hope U £d. van desen zeer wel gedient zult wesen. Ik hebbe desen 
Coen voors. toegeleyt voor de sware lasten en onos y die hy op zyn 
hals sal hebben, hondert en vyftich guldens ter maent. 



IV. Jan Pietebsz. Coen, Boekhoudeb-Oenebaal , Dibecteub- 
Gekebaal van de kantoben te Bantam en Jakatba, 

AAN DE BeWINDHEBBEBS DEB GeN. O. L COMP. i 

(Hebben XVn.) * 

Bantam 1 Jannary 1614. 

Tot Bantam comende saeghen, verstonden en vernamen, hoe de 
huysinghe met seer costelycke goederen verbrandt ende eenighe per- 
soenen vermoert waeren, hetwelcke ons seer deerde ende grootelycx 
verdroott, wandt de Comp® aldaer zeer grootte schade haddegheleden; 
maer myn Heeren ick verseeckere ü E. dat myn nog lastiger viele, 
tgene hoorde, vernam en sach; (soude daarvan verlede jaer all iets 
geschreven hebben, hadde ick de mynnen d'Engelschen toevertrouwd.) 
Ick beclaechde de Comp. van harten en dat omdat sy niet beter 
worde gedient, waerlyck de Comp. is oock alttemet soo caerich int 
aennemen van haere principalen, dat daer dickmael verstandighe 
ende goede lieden achterblyven, want een cloeck en verstandich 
eerlick mensch aen gheen Indien gebonden is, en ter weerelt geen 
middel ontbreekt, daermede segghen will, drynght haer den noott, 
den noott en dryngt haer juist naar Indien niet, seyt men, si) zullen 
daer gaen om eere, gelyck men siet, dat na eerlycke ampten, altyt 
^veel loops is, ick segge wat eere, wordt daer toch bQ gegheven; 
faveur? ja! Hiermede besluite: dat de Heeren oock na haer geit 



1 Vertrokken uit Nederland voor de tweede maal, op den 12 Mei 1612, als kom- 
mandeor over twee schepen en te Bantam aangekomen, op den 9 Februari 1613. 



13 

worden gedient. Om op d'eene syde een te spaeren verliest men 
wel dnysent op d'andere. T'is jammer dat alsnlcken treffelycken 
staet; op soodanige pylaren moet staen en het schip met alsnlcke 
onbevaeren lieden , in een pericnloos vaerwatèr met storm en onweer , 
moet seylen. De Heeren snllen wel verstaen hebben, wat schade 
hier geleden is, en hoeve ele versnympt is 

Ik ben tott tweemael toe by den Pangoran Gonvem. geweest, 
omme kennisse van saecken te nemen, maer vemaemen niet dan 
een grooten trots ende quaet contentement over d'onsen. My verwon- 
dert seer, dat voor dezen, hierinne niet voorsien was, alsoo by de 
Commandeurs, Doctor Reael, Brouwer, Steven Doenssen; JanDircksz. 
Lam, ende Block Maertensz. genoech was bespeurt, nae wy verston- 
den ende 't gene wy vernamen niets nienws was. 

Alsoo den President ons in den raet voordroech, dat de Coninck 
van Jacratra seer heftelyck over Abraham Thennemans, aldaar resi- 
derende geclaecht hadde, soo resolveerden wy, naedat van 

de saecken wel geinformeert waeren, denselve behoudens eere 

van daer te lichten, om't misnoeghen van den Coninck wech te 
I nemen 

Wy , den 22«>^ febmary (1613) van hier naer Jacrata seylende, heb- 
ben dese resolutie, om dien te executeren medegenomen. Dese acte 
voorgedraghen hebbende, mosten een seltsame onredelQcke moyte 
hooren, alsoo hy hem daertegen stelde, nemende van zyn volck 
verscheyde ongerechtige attestatien, denselven tegen ons assisterende. 
Maer wat erger was, hy nam tot den Coninck en de Sabandaer syn 
toevlucht • . . , . 

Op desen tyt was hier (te Jacatra een schoon groot huys opge- 
trocken, maer noch onder geen steenen dack, ende een ander pack- 
huys begost; dan den Coninck hadde den voortganck van 't werck 
verhoeden en omme tselvighe toe te staen, soo begeerde hy, dat 
wy hem souden loven te geven, voor elck schip dat hier soude 
comen uyt Hollandt, van Jappan ende van de custe van Coromandel 
vier ellen laecken, een picol, dat is 120 fè boscruyt oftedewaardye, 
mede dat wy hem een partije cleeden (sonder te willen segghcn hoe^ 
veele) een seeckeren prys beter coop sonde geven, dan de Chineesen 
die van ons coopen, waertoe wy niet costen resolveren, derhalve 



t4 

seyde hy , laet dan het werck mede staen, tot de coémpste van den 
Heer GenL Hierby mosten 't oock laten berusten , hy pretendeerde 
mede toll van den arack ende rgs. Alsoo verstonden datter gecon- 
tracteert ende ghehandelt werde om eenen steenen mnere, rontsomme 
de hnysinghe te maecken en bemerkten, dat dit een bedorven werck 
ende geit int water gesmeeten sonde wesen, soo syn hier tegen ge- 
weest en hebben dit met redenen ontraden ende tselvighe den presi- 
dent mett missive affgeraden, hoewell meer, dan hooch noodich is 
dat wy hier omtrent een sterkte behoorden te procnreren ende conste 
qni conste op te maeken, om een rende-vous ende hoofdplaetse te 
vercrygen, daer deze overtreffelijke cargesoenen bewaert ende hnys- 
gesinnen geplant mogen worden, opdat wy niet langer k la naercy 
van tronwlooze mooren en staen, want hierinne gheheel anders ghe- 
handelt most werden, ende haer desseyn niet en dochte ende eerst 
oock met aller diligentie behoorde omme te soecken, off hierom- 
trent geen beter plaetse en waere Naedat wy hiermede 4 

daeghen besich zyn geweest soo syn ady, primo Martii van 

Jacatra vertrocken, omme onse reyse naer Amboyna ende de Molucos 
te vervorderen 

(J. Pz. Coen vertoefde van 19 Maart tot den 3den Augustus 1613 
in den Molukschen archipel en vertrok toen met den Gouverneur- 
Generaal Pieter Both naar Bantam. Op zyne reis derwaarts be- 
reikte hy den 14den Sept. 1613 Grissee, over welke plaats hy het 
navolgende mededeelt.) 

Den 14 Sept. (1613) arriveerden ten ancker omtrent Grissi, ver- 
stonden ende bevonden, alsdat den Mattaram over JL4 daghen Grissi 
ende Jortan hadde genomen, de mueren geraseert en de plaets ver- 
brant; doch sonder andere merckelycken schade, want d'inwoonderen 
mett haere goederen, al gevlucht waeren de coopman Andryes Soury 
was met UE. goederen in Sorabaya gevlucht, soodat de Comp. al- 
daer geen andere schade, dan omtrent 500 realen van achten aen 
grove waren geleden hebbe. Van hier scheydende, hebben den 
coers nae Japara geseth, op hetgene van dese plaetse door de schepen 
Gtelderlant en Oranje hadden verstaen, wy syn den 22 tot Japara 
op de reede ten ancker geraekt, ende dat daer de jurisdictie van de 



IS 

coninghen van Japara ende Coutis ^ (die beyde onder den Mataram staen,) 
aen den anderen paelen , vernamen dese Coninghen beyden van den Mat- 
taram last hadden, ons in haer landt te locken ende woninghe te 
gunnen; daeromme ons elck voor (den) ander aansochten om danek by 
den Mattaram te begaen, sy waeren oock beyde wonder jaeloers op het 
bespreek dat wy met yder van hen hielden, verstonden mede wt 
den mondt van eenen (ronvemenr , van een seer groote stad , Ken- 
dael geheeten, alsdat de Mattaram iets sonders met ons voor hadde, 
dat ons mede seer wel sonde dienen, wandt dese Mattaram staetna 
de heersehappye van gans Java ende wort van. alle de Goningen 
seer ontsien, daermede metten tydt, wel een groott voordeel sonden 
oonnen doen. 

In dese contraye, na wy hebben verstaen, te weten Contis, Japara, 
Damma ^ valt den meesten rys, van dese gansehe Indische contrayen 
sy wort van hier over gans Java en oock op Malacca, Amboyna, 
Banda en ommentom in zeer groote meynichte vervoert, wandt is 
een seer schoon en vrachtbaer landt, mede van andere lyfitochten, 
den rys cochten wy nn è 15, 16 realen van achten, de coyang 
ofte last ende dat seer schoone witte rys, naer wy verstaen sal ze 
wel om 12 en minder te becomen syn '; by provisie is by den 
Heer Generael, LambertDircxs Hagen, oppercoopman , alhier gelaten 
met cappitael van 2500 realen van achten, omme wat rys op te 
coopen, ende metter tydt te onderstaen, wat hier snllen connen en 
mogen doen. Na onsen vertreck is den voors. (doen regerenden) 
Mattaram, naerdat hy Jortan en Orissi hadde ingenomen, overleden, 
latende een soone achter van omtrent 7, 8 jaren , daerenboven seec- 
kere van synen bloede, die nae de Crone staen, welcke wel yet 
mens conde veroorsaecken. 

Den 29 Sept^' van hyer geseylt 



^ Koedoet. 

^ Demak. 

^ De pTyzen van de rijst waren toen zeer verschillend in den Arcliipel ; te Jakatra 
gold de koyang 40 & 50 Realen , te Japara 12 è 16 en in de Molukken tot 100 a 
120 Realen de koyang. 



16 

V. Db GouvBBir. Obkebaal Pibtbb Both aak db Bbwind- 

HBBBBBS DBB GbK. OoST. IkD. CoMP. (HbBBBIT XVII.) 

f 

Bantam, 10 November 1614. 

Opten 9 April hebben wy van hier afgevaerdigt den Heer Com- 
mandeur Gaspar van Snrek, met de sloep Cleyn Enckhnyzen naer 
Japara als ambassadeur, omme van daer te gaen na den groten 
Hattaram, met eenige cleyne presenten, welcke ambassade hy seer 
eerlyck ende magnifiquement geexploicteert heeft, en van den Mat- 
taram seer heerlyckontfangen en onthaelt is geweest, gedefray eert met 
alle syn saicte; ter plaetse daer de Mattaram syn residentie hout. 
Is ses dagen reysens te landtwaerts in, gelegen van Japara, alwaer 
noyt eenige witten gesien geweest syn, die gemeente, vrouwen en 
kinderen waren verwondert en vervaert, witten te sien. De voors. 
Commandeur van Surek is derwaerts gedeputeert omme den Mat- 
taram uyten name van onseh Prins te salueren en aliantie met hem 
te maecken. Van deze salutatie ende versoeck was de Mattaram 
met zynen raedt boven mate verblyt, allegere^de dat hy over langen 
tydt grote begeerte gehadt hadde Hollanders te sien, ten aensien 
harer macht, cloeckmoedicheyt ende vromicheyt, daerby replicerende 
off de Commandeur tselffde van herten meende, tgene hy seyde, 
daerby adderende dat hy was een Prince en soldaet, geen coopman 
als alle andere Coningen en Princen van Java, dat hy een yeder 
in syn landt vry en ongemolesteert liet wonen, sonder tollen ofte 
eenige exactien te betalen; daerby presenterende, dat wy tot Japara 
een casteel mochten maecken, oft ten minste een huys van calck 
en steen, daer wy ons conden voor 2 of 3 dagen in defenderen , 
tegens syneen alle onse vyanden, die ons sonden willen beschadigen ; 
want hy ons in den voors. tydt met grote macht soude secoureren, 
presenterende daerenboven door de jsyne, ons steen en calck te 
leveren en sooveel volck totten arbeyt als daertoe nodich soude syn. 
Hiervan heeft de Commandeur een joumael gemaeckt waer inne hy 
in 't largo narreert tgeetie hem op die voyage gepasseert is , twelck 
hier neffens gaet, waeraen my refereren ^. De voors. Commandetir 



1 Dit journaal ia op liet Rijks- ArcHef niet aanwezig* 



17 

van Snrck is in 't wederkeren van den Mataram sieck geworden en 
daertoe flux de ventre gecregen en alsoo opten 30»» Juny tot 
Japara seer christel. in den Heere gemst en aldaer eerlycken 
begraven. 

Opten 24 Aprill enz 

Opten 6^^ deser (i. e. Nov. 1614) maendt, gecomen zynde met 
een fregat van Jacatra en door contrarie winden en stromen Bantam 
gepasseert en geseth leggende, hoorden wy schieten, waerdoor wy 
ons verseeckerden eenige schepen nyt het vaderlandt oft Engelandt 
gecomen mosten zyn; derwaerts mynen secretaris met een pranken 
gesonden, die ons dien nacht daeraen, de blyde tydinge bracht van 
't salvo axrivement van den Heer Gouverneur Generael Gefrit Reynst 
met zyne drie gi'oote schepen, wiens compste alhier my van herte 
verblyt heeft. 

Opten 6®^ ditto gecomen synde op de rede voor Bantam dedehem 
door de twee Gouverneurs van Amboyna en Banda ^ en mynen Se- 
cretaris nyt onsen name salueren ende wellecom heten ; 

dese salutatie gedaen, voer ik met myn Comp^ naer landt, alwaer 
onlancx daemaer mede volchde de voors. Heer Gouverneur Generael 
Reynst met syne suicte ende hem met de myne tot voor de poorte 
gerescontreert ende malcanderen geaccoleert en den voors. voormiddach 
gepasseert met discoureren en naer den maeltydt hem affgevoirdert 
zyne commissie van de Hoochgemelde Heeren Staten ende Zyn Prin- 
cel. Extie. alsmede d'ordre van myn Ed. Heeren, die welcke ick 
door mynen secretaris overluyt dede lesen. Sulcx gedaen synde 
hebbe hem naer behooren als Gouverneur Generael gesalueert en 
gewenst een geluckige godtsalige Regeeringe 



VI. Db GotTTEElTBTTB-GEirEBAAL PiBTEB BOTH AAN DB BbWIND- 
HBBBEBS DEB GbNEB. O. I. CoMP. (HbBBEN XVH.) 

Bantam , 10 Nov^^ 1614. 

Desen alleen sal dienen om ü Ed. te verwittigen den staet en 
standt van Bantam en Jacatra. 

* Jasper Jansz. oud-gouvera»'. van Amboina en Steven Boensz. van Groenendyck , 
ond-gouvem'. van Banda. 

IV. 2 



18 

Den Pangoran van Bantham, oom van den jongen Coninck, is 
even superbe, tiraniseert een yder in 't generale , soowel over syn 
eygen natie, als over alle vreemdelingen, hy regeert alleen absolnyt 
sonder ymandt van andere Heeren te erkennen^ alleen by hem heb- 
bende, dry ofte vier geschoren Chinezen met eenige Clingen, die hem 
alles advoyeren, wat hy seyl en tot tollen en d'achies (accynsen?) 
verwecken, lek heb verscheyden reysen met hem gebitsiaert en ver- 
scheyden propoosten met hem gehadt, soo van 't affbreken van 't 
huys, als mede den brandt daerop gevolcht, hy excuseert hem seer, 
seggende dat de superbe proceduren van Couteels daervan de oor- 
saeck syn geweest, blyft niettemin obstinaet ons te permitteren 
een ander huys te maecken, naer behooren. Hy heeft ons eens toe- 
gelaten een huys te maecken van vyflalff vadem hooch, de muyren 
op een seeckere dicte, derhalven metten Chinesen gehandelt om hout, 
calck en steen, als mede het opbouwen van 't huys geaccordeert, 
waertoe een goede partye gelts geavancheert is geweest, nu steen, 
hout en calck by der hant hebbende, heeft ons laeten weten het huys 
nyet hoger te laeten maecken als dry vadem sonder solder, aen elck 
eynde van 't huys een venster, waermede wy in geender manieren 
gedient souden syn, hem niettemin beleefdelyk daerop geantwoort, 
dat hy wilde regart nemen, dat wy dit tegenwoordige jaer 1614 al- 
leen gecoeht hebben van de Chinezen alle haer porcelèyn en meest 
alle andere waeren en daertoe geen plaetse en hebben om d'selve te 
bergen en door faulte van een huys en geen schepen hier hebbende, 
veroorsaeckt souden syn, om te eviteren den brandt, de goederen aen 
de Chinezen te laeten, mede dat hy soude overleggen, dat wy eoo- 
pen alle de goederen van de Chinezen, een groote en bequame plaets 
behoorden te hebben om die te bergen, het schynt dat hy ons vreest, 
daeromme niet toe en laet, dat wy een groot huys mogen maecken. 
Een seeckeren tyt geleden is hy gecomen met syn suite in onse loge, 
worde hem gepresenteert mynen stoel om op te sitten, die hy alvo- 
rens van onderen besach en betaste off daer eenich cruyt hadde mo- 
gen onder leggen 

Corts daemae gecomen synde van Jacatra, dede myn aendienen 

off ick met hem ter see wilde gaen spelen 

alsoo dat ick met hem in see ben gegaen, by hem hebbende de ge- 
heele macht van Bantam. In see synde heeft my gevraecht den 



19 

staet en standt van Nederlandt 

hierop hebbe hem met alle beleeftheyt geantwoort 

hierop repliceerde den Pangoran, dat de Engelsman hem aengedient 
hadde, dat wy seerovers waeren ende daeromme overal sochten Cas- 
teelen en sterke plaetsen te maecken * 

Den Coninek van Jacatra, die is ons seer vrindelyck en toegedaen^ 
maer moeten hem onderhouden , gelyck men eene cortesaene doet y 
met schenkagien en flatteren, evenwel is myn gevoelen dat hy syn 
beloften van 't contract niet en sal honden. 

Dese twee heeren syn seer verwondert geweest van onsen ambas- 
sade gesonden aen den Mattaram, die ons in recompense van een 
schoon vergulden degen met eenige andere properheyt, gesonden 
h^eft een krisse, een spiets en een schoon paert met syn toebe- 
hooren 

Van alhier ^ eenige fortressen te maecken hebbe den Coninek noyt 
daervan aengesprocken , noch den Coninek my, maer wel heeft hy 
begeren te sien, alle de portretten van de casteden, die wy tegen- 
woordich in Indien hebben, dese plaetse is mede geheel onbequaem, 
alwaert dattet ons den Coninek wilde toelaeten, overmits groote on- 
diepten tusschen de reede en dese plaetse , met laech water en isser 
geen voet water, de boots moeten dickwils op 't sandt naer 't hooch 
waeter leggen wactóen en met een hol waeter t'onderste boven wer- 
den gesmeten, met groote schade en peryckel van volck. 

De eylandekens hieromtrent gelegen, syn schoon en fray en hebben 
goede reede, maer geen versch water, Soo is by ons goetgevonden 
te besichtigen een eylandt gelegen 30 k 40 mylen van Bantam na 
de straet van Sunda, groot en schoon, onbewoont van volck, hebben- 
de versch water waeromme secretelyck 

gedeputeert hebbe den Gouvem' van Amboyna, Jasper Janss. omme 

de plaetse te besichtigen en ons daervan rapport 

te doen, enz • 



Jakatra? 



20 

VIL De Dibecteub-Gekebaal Jan Pietebsz. Goek aait de 
Bewikdhebbebs deb Gen. O. I. Comp. (Hebben XVII.) 

Bantam, 10 Nov^« 1614. 



„Wat nu desen Pangoran Gonyemenr ende den stant van Bantam 
aengaet, nadat wy in 't eerst metten Ed. Heer Gouvemeur-Generael 
arriveerden, heeft denzelven zich over Cotteels seer beclaecht, mede 
dat hem seer leet was t' ongeluck aldaer geleden ende dat sulcx 
nyet door hem en is geschiet ende alsoo alhier seer qaalyck van 
hnysen waren versien, gelyck alsnoch syn, soo werde den Ed. heer 
Gnl. over de tweede ende derde handt dagelycx geporret ende seer 
instantelycken gepersaadeert, dat wederomme een nienw hnys sonden 
bouwen. Hetselve is lange gerefoseert op alsnlcken excnse, dat nyet 
geraden en ware wederomme een nyew hnys te bouwen ende groote 
oncosten te doen, dewyle den Pangoran de voorige hnyzen, sel& 
hadde doen afbreeken^ gelyck mede dat alhier van den peper nyet 
alleene eenen al te onreedelycken tol moesten betalen, maer dat den 
Pangoran daerenboven van alle andere waren, die voor desen geen 
tol hadden betaelt ende op eene andere plaetse wel conden lossen 
zonder yets te geven, noch eenen tol begeerde ;^gaven haer oock te 
kennen, dat op de custe van Malabar grooter abondantie van peper 
is dan hier, gelyck selfs wel conden considereren, ende veel coopluyden 
alhier bekent was, want ten is geen 20 jaren, dat dese plaetse zijn 
frequenteerende ende van hier geen peper worde gehaelt ende noch- 
tans en heeft noeyt geene in onse landen ontbrocken, item dat den 
Coninck aldaer, namentlyck den Sammoryn van Calecut ons grootelycx 
hadde gebeden ende veele aangeboden, dat aldaer souden comen 
resideeren ende een casteel bouwen; den Pangoran ende veele anderen 
betoonden hierover droevich te syn, maer alsoe van persuaderen ende 
aenporren tot bouwen met veele schoone woorden nyet op en hielden, 
is eyntlyck twoort gegeven, dat wederomme souden bouwen en hebben 
daertoe provisie gedaen, ende mette timmerluyden ende metselaers 
gecontracteerd Den Pangoran sulcx verstaende, heeft hem wederomme 
geretireert ende dat, na onsen oordeele, om dagelycx van ons met 
groote schenkagie gebeden en vereert te worden, want alsoo wy 



21 

gecontrakteert hadden om een hnys van 4| è, 5 vadem hooch te 
timmeren, opdat de zydewaren en cleeden boven bequamelycker souden 

mogen berghen^ soo 

heeft ons dito Pangoran aengeseyt, doen wy het werck souden be- 
ginnen en versochten ons soude aenwysen, waer hy het huys be- 
geerde gemaeckt te hebben, van wat lengde, wytte en hooehde dat 
wy souden bouwen, soo lanck ende breet als selfe begeerden, maer 

niet hooger dan de Chineesche huyskens 

Na ick verstae sage de Gouverneur ons ende d'Engelsen liever 
van hier, eer hy boven den solder een steenen muur met vensters 
daarinne soude toestaen, want beelt hem uyt diffidentie inne, dat 
snlcx een casteel sy en daermede den meester soude maeeken. 

T en is geen wonder, dat wij , d'Engelschen ende Chinesen van 
desen Pangoran-Gouvemeur, soo seer worden gequelt, dewyle hy 
den rechten Ooninck selfs, veele adel, zyne domestiques ende ge- 
meente noch lastiger is, in maniere dat een yder over denselven 
beclaecht, den Coninck, die tegenwoordelyck al dry kinderen heeft, 
hout hy gelyck een kind en geeft denselven tot zyn hoflGsonderhout 
van der Croonen incompsten, 100,000 Caixes daechs, dat is ontrent 
4 ^ 5 B. van achten en alsoo hem daermede qualycken can generen, 
soo moeten zyne vrouwen dagelycx cleetiens schilderen, dewelcke 
dan doet vercoopen, tot voorder assistentie van tgene noodich heeft, 
hy en is nyet alleen soo carich tegen den Coninck; maer oock met 
zyne 3 gebroeders, den adel ende domestiques. 

Om eene forteresse te maeeken tot verseekeringe van UEd. goederen , 
hooftcapitael ende eenen generalen rendez-vous en is na onsen oor- 
deele onder correctie, geen bequamer plaetse, dan eene van degene 
die ontrent dese straet Sunda zyn gelegen, tzy dan in de straet 
binnen ofte buyten, my dunct dat se (de- eilanden in straat Sunda) 
Jhoor te prefereeren syn, de Chinesen wilden wel, dat al eene hadden, 
sy zeggen ons welhaest souden volgen ende bycomen 

Jaccatra aengaende, voor desen hebben geseyt wat huysen aldaer 
gebout syn, den Coninck heeft van den arack, rys,'boonen ende 
anderen vivres, diverse reysen eenen tol geyscht; doch hem met 
eenighe vereeringhe ende schoone woorden laten uytsteUen, maer en 



22 

sal daervan nyet dessisteren, alsoo 't desen Coninck nyet dan om 
geit te doen is^ het valt seer moeyelyck eenige goederen alhier te 
laden ende lossen ^ door de droochte vant incomen der riviere, hoewel 
van binnen veel schoonder, dieper ende breeder dan die van Bantam 
is. Dit jaer zyn alle de schepen aen d'eylanden van Jaccattra ver- 
dubbelt ofle versien, onder pretext, dat voor soo een sterfte vreesden 
als d'Engelsen aen Palo Panjang gebeurde. Daer is tusschen den 
Coninck van Bantam ende Jaccattra onsenthalven een seer grooten 
jalousie ende alsoo, na hier seggen, die van Jaccatra feudatarie van 
desen is, soo is den Coninck van Jaccattra, uyt den naem van desen 
jongen Coninck alhier ontboden, omme zoo zy lieten verlnyden met 
persoonele rescontre, de vrientschap te renouveren ende wech te 
nemen 't misnoegen dat door quaetwillige geesten tusschen hen wort 
gestroeyt. Dito Coninck liet eerst verlnyden, dat hy wilde gaen; 
maer heeft hem daemae geexcuseert, ick achte soo hy wist dat den 
jongen Coninck hem selfs van herten ontbode, dat dito majesteit van 
Jaccattra wel sonde gaen, omme hem aen de regeeringhe te helpen; 
maer alsoo vreest dat het is een gemaeckt werck van den Pangoran 
Gouv»^. om hem in handen te crygen, soo en sal dito Maj. van 
Jaccattra sich niet lichtelyck herwaerts begeven. 

Voorderen zal ü E. verstaen hebben als dat door den E. H' Gnl. 
Bot by provisie tot Japara een nieuw comptoir gestabilieert sy, ende 
is voorder van Zyn Ed. de Commandeur van Surck Z'. na den Mat- 
taran in ambassate gesonden, vermits verstaen hadden dat ditto Mag* 
seer na ons was wenschende, omme te sien wat hy begeerde ende 
oft aldaer mettertyt tot ü E. versekeringhe yet groots conde worden 
verricht. Alsoo desen Mattaran in 't lant zeer machtich is, na de 
heerschappye van geheel Java tracht, wort hy van de meeste Co- 
ningen seer ontsien, want dagelycx op syn vyanden is advancerende, 
ende heeft dese ambassade de Coningen van Bantam en Jacatra iiyet 
wel behaecht, doch is den Mattaram zeer aengenaem geweest ende 
syn aldaer magnifyck ónthaelt. ü E. sullen verstaen, alsdat voors. 
Mattaran voor desen ordre gegeven heeft, aen de Coningen van Ja- 
para, hy sonde, soo daer Hollanders quaemen ende volck aen lant 
begeerden te leggen, dat sy die plaetse zouden geven, sonder hun 
van in- ofte- uitgaende goederen yets te doen betalen, hierop is al- 
daer volck gelaten ende alsoo van 8urck aen den Keyser selfs ver- 



25 

sochte ofte aldaer een steenen huys mochten maecken, soo en is 
solcx nyet alleene yergant, maer geantwoort, maect een casteel^ 
ofte zoo ghy een huys begeert, hetselve soo sterek, dat ghy ü tegens 
uwe vyanden voor een aenloop daerinne cont dififenderen, tottertyt 
dat ick, (seyde de Mattaran) U mach assisteren; ick en ben geen 
coopman als die van Bantam ende Sorbaya, begeere geen tol van 
incomende noch uytgaende goederen, want hebbe genoech en my 
ontbreect nyets, wete wel dat ghylieden nyet en compt omt lant van 
Java in te nemen, Grissi en Jortan hebbe gewonnen, ick gae nu 
Sorbaya innemen ende sal alsdan aen den Generael, soo hy 't begeert 
Jortan schenken. Tegen die van Bantapi hebbe geen oorloghe, maer 
doen zy ü overlast 40 goraps ofte galeyen, wil ick ü tot assistentie 
geven, doet daerover wraecke, wat voordere particulariteyten ge- 
passeert zyn, connen de Heeren per medegaende Joumael ^ sien. 

Van Surck is enfin met den E^^yser veraccordeert, dat tot Japara 
een steenen huys sullen maecken en aldaer mogen handelen, sonder 
van in- ofte- uytgaende goederen yets te betalen, mits dat den Mat- 
taran daerentegen wederomme sullen assisteren ende syne armada te 
water rescontrerende geen hinder ofte afbreuck doen. Ter ordre van 
den Mattaran worden de materialen als hout, steenen ende calck 
door den Gouverneur van Kendal geprepareert ende sal door den Ed. 
h' Gnerl met eerste gelegentheit derwaerts een ervaren persoone 
worden gesonden, met ordre hoe ende wat sullen bouwen. De legers 
van den Mattaran ende den Coninck van Sorbaya, syn in September 
verleden aen den anderen geweest, men seyt datter van den Matta- 
ran 40,000 ende van Sorbaya 10,000 man gebleven zyn, hetwelck, 
seggen alhier, voor den Coninck van Sorbaya een groote nederlaghe 
is ende voor den Mattaran nyet magh maecken, alsoo te populeux 
van volck is, in voegen dat nyet en twyfielen, ofte sal meester wor- 
den ende noch voorder attenteren; — voors. Mattaran hout zyn resi- 
dentie ontrent 5 It 6 dagen reysens van Japara int lant, alwaer di- 
verse groote populeuse steden zyn ende 't lant uytnement abondant 
van rys ende andere vivres is, alle de rys, die over de geheele cust 
van Java naer Mallacca, Jhoor, Amboina ende Banda wert vervoert 
wort meestal van hier geladen; den alderbesten rys can hier voor 



^ Dit journaal is op het Rijks- Archief niet aanwezig. 



24 

ontrent 10 R. van achten werden gecocht, ende alsoo nyet en twy- 
felen ofte sullen tot Japara sooveel rys, boonen ende andre vivres 
connen becomen, als over alle de schepen van noode hebben ende 
inde Molucqnes can worden vertiert, soo is by den £d. h^ GenrL ende 
raet gearresteert, dat voortaen in Macassar noch Orissi geen vivres 
meer snllen worden gecocht, alsoo aldaer wel een cent dierder syn 
ende dese plaetsen seer ongelegen syn 



Vni. De Diebctbtte-6bio5eaal Jan PiBTBasz, Cobn aan de 
BBWiirnHBBBBBS DBB Obst. O. I. CoMP. (Kakbb Dblft.) 

Bantam, 27 december 1614. 

Dese twee medegaende, daervan den inhont confirmeren, syn copyen 
van onse laetsten aen ÜEd. geschreven ende gesonden p' 't Jacht 
d'adviso 't Hardt genaempt, van hier gedepescheert den 10*«»* Nov^ 
nadat eyntelyken d'Ed. Gk)uv. Generael Genit Reynst gearriveert was, 
met de schepen Amsterdam, Mauritius en Hollandia 

Na UE« voorgaende schryven, soo scheen het dat met de compste 
van d'Ed. H'. Gnl. Reynst, Indien van alles volcomelycken versien 
sonde worden, men heeft daema oock soo zeere gehaeckt, als een 
visch na 't water, vermits extraordinaire vlooten ende schepen oft 
groóte persoonages, na de werelt gemeynelyck extraordina^. geprovi- 
deert ende versien worden, maer UEd. doet recht contrarie ende 
in voegen, dat alle gelyck wy, hun in hare meyninge bedrogen sullen 
vinden! Myn heeren alhoewel, na natuurlycken swackheyt (het) Uwe 
dienaren verdrietich valt, dat door UE. manquement de saken nyet 
wel en gaen ende de Gompie alsulcken dienst nyet mogen doen als 
wel wenschen, soo ist nochtans voor hun een cleene saecke, dat 
door ÜE. met missiven ende woorden gepayt worden, maer de 
schade, die de generale Compagnie geschiet, is uitermate ende onge- 
looflyck groot, per experientie behoorden de Heeren wel bekent te 



25 

wesen, dat in Indien de handel gedreven ende gemainteneert moet 
worden onder beschuttinge ende faveur van Ü eygene wapenen ende 
dat de wapenen gevoert moeten werden, van de profijten , die met den 
handel syn genietende, invoege dat de handel sonder d'oorloge noeh 
d'oorloge sonder den handel nyet gemainteneert connen worden. Nu 
dit aldus synde, waertoe tendeert dan, dat d'eerste Qouvemeur- 
Generael d'Ed. Heer Pieter Bot, ongewapent ende UWEd. 2» gene- 
rael, d'Ed. H'. Geerart Reynst, sonder geit wort uytgesonden, men 
sonde byeans se^en (onder UE. correctie geseyt) dat met alsulcken 
doene, na de generale Nederlantsche mijne getracht wort, gelyck 
dese redenen geen goede connen hinderen, also sal 't UE. gelieven 
hun dit nyet te belgen, want wy alhier nyet en weten, waer mede 
de Heeren excuseren sullen, vermits de faulte al te groot ende me- 
nichvuldich zyn, hier geschieden oock weynig abuysen off men sal 
bevinden, als de saecken diep ingesien worden UE. daervan oor- 
saecke syn. Het schynt eenen droom te wesen, dat men met soo 
geweldige heerlycke schepen als zyn de schepen Amsterdam, Mau- 
ritius ende Hollandia, nyet meer capitael dan 48 m. realen na Indien 
en sent, noch geen andere provisie voor de forten ende schepen, 
dan sy hebben gebracht, daer men tot afladinghe van een jacht, 
eenige goede retouren schepende, wel 48 m. R. van doen heeft In 
plaetse dat d'Ed. H'. Gnl. Reynst dese schepen, die nu per costi gaen 
een weynich soude seconderen, soo is byeans van noode geweest, dat se 
syn Ed. sel^ van verscheyde nootelyckheden versagen. Myn Heeren, 
indien UE. hun voor lieten staen, dat in Indien een groot capitael 
waren hebbende, soo segge daerop, dat daertegen geconsidereert 
mosten hebben, watter jaerlycx behoeft, tot soo een rycken retour 
als ontbiedende syn, tot betalinge der soldaten ende foumiment van 
soo een overtreffelycke inlantschen handel als hier voornemen te doen , 
maer noch nyet gèdaen hebben; behalvens foumiment van wat noo- 
dich is tot soo groote rycke retouren als de heeren jaerlycx begeeren, 
behoorde het capitael in Indien omtrent 700,000 R. stercker te wesen 

dan 't nu off oyt geweest is 

Van den Gouvemeur van Eendal, die door den Mattaram off Eey- 
zer van Java gelast is, de materialen voor ons tot het bouwen van 
een huys in Japara te prepareren, hebben wy schryven ontfan- 
gen, als dat 500 duizend stuxs steen gereet hadde, ende dieshalve 



een man souden zenden omme de timmeragie te beginnen. De Gou- 
vem'. is daer beneffens vier stneken gesehut te eoop eyschende; van 
d'Ëd. Hr. Gouv. Gnrl. Reynst ende raet is den E. Steven Doenssen 
gecommitteert ende gelast omme derrewaerts te gaen ende 't werck 
in Japara te beginnen, daerop den Pangoran alhier nyet weynich 

jelours en is 

Den Pangoran Gouvem>^ van Bantam vernomen hebbende dat een 
jaer lanck persisteerden, geen sóó een huys te willen bouwen als hy 
begeerde y soo is eyntelycken by hem ende den zynen gedestermi- 
neert, datse ons na onsen vertooch souden laten bouwen; maer alsoo 
wy bemereken haer inbeelden , dat van ons niet versekert zyn ende 
wat groots voor hebben, soo lange wy niet en timmeren ende daer- 
enboven considereeren, dat nootsakelycken met den eersten eenen 
generalen rendez-vous gemaeckt dient, ende voor ons ter werelt geen 
beter gelegentheyt en weten, dan een van dese omliggende contreyen, 
soo is by d'Ed. Hr. Gnl. Reynst, den Gnl. Bott ende raet goetge- 
vonden, dat het bouwen van een groot huys souden laten varen ende 
eerst procureeren afslach van d'onredelycken swaren toU, die voor 
d'uytvoeringhe van den peper betalen moeten. D'Ed. Hr. Gnl. Reynst 
heeft van ü Ed. wegen, desen afelach van den Pangoran versocht. 
Ditto Pangoran, wilde daer nyet na hooren; maer liet hem voor- 
staen met de vei^nninghe van 't huys noch meer te willen bedin- 
gen, hiertegen hebben oock laten luyden dat nyet gesint en syn te 
bouwen voor afslach van toll becomen hebben, ende na verstaen, 
soo en zyn nyet geheel zonder hope, vermits den Pangoran vrywat 
perplex is, ende alhier soo eenen tol met geen recht can susiineren, 
zynde alle de werelt hierover verwondert ; conden wy hier met d'En- 
gelschen accorderen off een jaer den coop van de peper ophouden, 
als het een groot gewas is, ick en twyffele nyet off zoude vermin- 
dert worden, off met den prys wel zooveel winnen, als den tol be- 
draecht. ü E. behoorden hierinne te versien, want het is waerlyck 
voor onse natie al te schandelyck en voor de Compaignie te scha- 
delyck 



27 

m 

IX. De Dibboteur Genebaal Jan Pietebsz. Cobit aan de 
Bewindhebbebs dbb Gen. O. I. Comp. (Hebbbit XVII.) 

Bantam, 3 Maart 1615. 

Emtfeste, enz 

Per de schepen T'Hart, Banda, de Geünieerde Provintien, Gelder- 
lant ende Delft, op dato den lO»^ November ende 27 December, 
hebben geschreven wat occnrerende was, hopen dat UE. alles wel 
geworden sal zyn, twelcke geeme sullen hooren, ende alsoo tegen- 
woordieh dese occasie voorcomen is, omme ons p. missive aen UE. 
te verthoonen, soo en hebben nyet willen naerlaten Pieter Willemsen, 
den nederlantsen oppercommis van d'Engelse Compaignie • • • • 
met desen te belasten 

Op den 246» february syn hier gearri veert drye Engelse schepen, 
met den Cap» David Middelton, synde van Engelant geseylt in Juny 
passato, in compaignie van seven schepen, daer van d'andre vier na 
Snratte geloopen syn, hebben van haer verstaen, dat ontrent 50 off 
60 mylen bewesten 't lant van Java een schip van Enckhuysen by 
hen geweest is ende soo voor als naer by U E. acht schepen her- 
waerts aen gedepescheert zyn. Soo iGrodt geeft, datse hier intyts 
mogen arriveren ende medebrengen hetgene ontboden hebben, sal 
der Generale Comp. seer goeden dienst geschieden. Vyff joncken 
syn hier van China gearriveert, medebrengende ontrent 300 Picol 
fyne rouwe zyde, eeri goede partye fyne porceleynen, syde lakenen, 
benzuyn, suycker ende alle andere Chinese waren, hier en tegen 
zyn wy ende d'Engelsen voor desen soo beroyt geweest, dat nyets 
altoos costen doen. Maer dewyle nu voors. drye Engelse schepen 
aireede gearriveert syn, geven wy de heeren te bedencken wie de 
beste cans heeft, nu den handel in beteren stant gebracht hebben, 
dan oyt geweest is; is te beduchten dat met groeten verdriet sullen 
moeten aensien, dat d'Engelsen doorgaen met de vrucht van onsen 
arbeyt, op UE. costen gedaen, ende dat alles wederom te niet gaet. 
Hetgene op voorraet hadden gecocht, sullen wel becomen ende voor- 
der van de rest voor dees tyt nyet breeder spreken, alsoo voor desen 
genoech geseyt hebben, watter te seggen is 

Het groote oude huys tot Bantam ongebruyckelyck off ondienstich 
zynde, omme goede waren te moghen berghen, hebben wy sedert 



28 

het vertreck van den Onl. Bott geheel ontleedet gehadt ende weder 
op nieuws alsoo doen vennaecken ende versien^ dat ick hope daer- 
mede zeer wel gerieft ende gedient sullen zyn, d'Engelsen zyn van 
meyninge om op nieus te timmeren, maer hebben noch nyet begost. 
Wat donder ende blixem van desen Pangoran Gouyemeur hebben 
moeten hooren omme dat over eenige dagen waren yersoeckende, dat 
hem geliefde een weynich te patienteren met hetgene voor tol yan 
den gescheepten peper alsdan was resterende, sal ü E. yan yoors. 
Pieter Willems connen hooren. 

Verders hebben geresolyeert gehadt , het yertreck yan 't schip Rot- 
terdam tot op dato den lO'' february in surseantie te houden, ende 
den tyt yerloopen wesende, zyn wy soo omme ditto schip innewaerts 
te zenden, als om andere saecken, die U E. met eerste gelegentheyt 
yememen sullen tot Jacattra geweest. 



X. Db Oppebkoopman Andbies Souby aak de Bewikdhebbebs 
DEB Geneb. Oost Ind. Gomp. (Kameb Amstebdak.) 

Bantam, ^ 22 October 1615. 

Wy hadden vermeynt grooter partyen (garens) te 

hebben, doch d'oorloge alhier (op Java) heeft sulcx belet, alsmede 
den incoop yan dien soude augmenteeren, dat ter contrarie affiieemt 
en yergaet, door de continueelycke oorloghe, die in dese quartieren 
syn, tusschen den Mataram en den Ooninck yan Sorbay als ommeleg- 
ghende. Staet te beduchten, soo ditto Mataram continueert alsoo hy 
nu eenighe 4 jaeren gedaen heeft, die arme yolcken soo uitmergelen 
sal, dat zy ten laesten genootsaeckt sullen zyn te comen met gewelt, 
daer sy te vooren met alle aanbiedingh van vruntschap niet hebben 
willen naer luysteren, waervan de tyt leeren sal. Alle de omme- 
leggende Coninghen alhier, als van Sorbay e, Passeruan, Tuban, 
Japan, Yerosaba, Arosbaya, Sougenap, ^ ende anderen hebben een 

^ Hoewel gedagteekend tdt Bantam , sch^nt de brief geschreyen te zijn te of toot 
Grissée. 

* Japan of Cjepan heet tegenwoordig Modjo-Kerto, Verosaba is vermoedelijk Wi- 
rosobo, Sougenap is waarschijnlijk Soemanap, dat even als Arosbaya op Madnra is 



99 

verbont 't samen gemaeckt, in de welcke d'een den andere alle 
hnlpe en assistentie beloven teghens den Mataram, alsmede een 
legher te formeren omme dit jaer een defensiven oorlogh te voeren , 
snlcx naercommende snllen den Mataram wercx genoucb geven, maer 
soo ick bevinde, verloopt den meesten tyd met bitschare ofte raeden 
ende den minste met daden, is te bedachte alles als een roock ver- 
gaen ofte verdvmie saL 

By den Ed. Hr. Oenerael Reynst wert goetgevonden 't jacht de 
Aeolns en Chalonpe Cleen Middelborch alhier (te Grissée?) te seynden, 
en syn op 8 December passado bayten de ree van Qresse wel gear- 
riveert, omme alle joncqnen comende uit Malaccca aen te haelen, 
bevindende Portngesen ofte hare goederen te lichten, alsoo dat op 
12 of 14 December passado bayten legghende aengehaelt werden 4 
javaensche joncqnen, alwaer de portagese goederen werden nyt 
gelicht 

Alsoo jaerlycx van hier veel joncqnen op Malacca vaeren ende dat 
meest voor rekeninghe van de Portngesen, alwaer se groote costen 
doen in 't hnere van deselve, soo ist dat se dickwils haer joncqae 

selffii hebben , welcke in 't aytloopen een 

plaets passeeren moeten, genaemt Arosbaye, geleghen op 't eilant 
van Madnre, alwaer een Goninck regheert, die haer dootviant schynt 
te wesen (segt na onse vrunt te willen syn.) Dese Coninck ver- 
nomen hebbende, dat ditto portngesen alhier 2 joncken hadden ge- 
laden met foly en nooten, legghende |ieylreet omme met den eersten 
naer Malacca te vertrecken, heeft daerop doen wachten 3 galleyen 
en 5 groote pranwen (welke eene der 2 jonken hebben vermeesterd.) 
Op 23 febraario passado een ander accident de portngesen alhier 
overcomen 

De Coninghen van Taban en Arosbaye in oorlogh synde met den 
Coninck van Benjermasse ^ omme sekere pretentie, die van Tnban 
daer is pretendeerende en den tyt in febraario synde dat de joncqae 
uyt Benjermasse alhier comen, hebben daerop doen wachten met 3 
galleyen, ist gebeort dat een Portagese joncqae willende naer Timor 

door ditto 3 galleyen aen- 

gerant (en genomen) is 



BanjenuMsmg op Borneo. 



50 

Naer H schryven van dese (regelen) die vermeynt hadde met een 
joncque naer Bantam te seynden, is op 7 July paasado alhier wel 
gearriveert het jacht de Sterre neffens de Heeren Commandeurs 
Steven Doenssen en Hendrick Brouwer met ordre van den heer Gene- 
rael Reynst om 't comptoir van Grese te lichten omme reede \T E. 
beter bekent als hier te stellen is, en syn op 20 derselver van daer 
vertrocken 24 derselver syn tot Ja- 
para wel gearriveert in Comp. van 't schip Middelborch, dat ontrent 
10 mylen van 'Japara by ons geraeckte , comende uyt de Molucques 

aldaer hebben gelaten voor 

Commys den E. Steven Doenssen om dito plaets te becleeden, de 
huysinge vindende in soberen staet ende alsoo ons van den Mataram 
was toegeseyt, steen, hout en volck fot bouwing van eene looge 
vyftich vadem in 't viercant, wert goetgevonden dat neffens den E. 
Steven Doenssen en Abraham van den Broucq ons soude vervorderen 
naer een plaets genaempt Cliamat, omtrent 7 mylen van Japara om- 
me den Gouverneur van Candael, genaemt Queay Sondana aen te 
spreecken en te vernemen met wat middelen wy by den Mataram 
souden connen geraecken, volghens d'instructie en ordre by den heer 
Generael tot dien fyne mede gegeven en by den Mataran comende 
een contract op nieuw te passeeren, alsoo het gemaeckte by den 
Commandeur van Surck zeer weynich verseckertheyt en min steunsel 
heeft, als mede eenighe poincten grootelycx tot naedeelvan de Comp. 
syn streckende. By den Gouvem' voors. comende hem aengedient tot 
wat intentie aldaer gecomen waren, antwoorde vooreerst presentelyck 
niet doendelyck en was by ditto Mattaram te comen, alsoo hy per- 
soonlyck in 't legher voor Veresaba (een plaets gelegen ontrent 6 
mylen van Sorbaye) was; doch soo iets begheerde te tracteeren, dat 
hy Gouverneur ditto Mataram raport soude doen, waerop hem gere- 
pliceert, dat mede van weghen den E. H^ Generael een stuc geschuts 
met syn toebehooren hadden, omme aen Syn Majesteyt te vereeren 
en te hervatten, tgeene by de voergaende gecommitteerden waa naer- 
gebleven, namentlyck een vast contract met den Mataram te pas 
seeren, want volcomen ordre tot 't selffde hadden; waerop ons ant- 
woordde, alsvoore nu niet doenelyck en was. In andre propoosten 
comende; wert hem onder andere geseyt dat niet weynich verwon- 
dert én waeren, dat de steen tot het huys soo langsaem voortquam, 



51 

als mede dat noch weymch aparentie tot 't selfde saghen, heeft hem 
geexcuseert op de presente oorloghe, doch seyde de steen met den 
eerste sonde beschicken, vraghende voorder hoeveel tot de bouwinghe 
noodich sonden hebben, wert geantwoort vyftien hondert duysent 
steénen, waerop antwoorde, soo groote partye qualyck te cryghen 
sonde syn, vermits d'oorloghe voors. doch sonde alle vliet voorwen- 
den, omme ditto te beschicken, vorders vraechde hoeveel voor thon- 
dert steen sonde willen geven, (wy verwondert, want wiste niet beter 
als boven, dat die omme niet sonde becomen) doen vernamen dat met 
Javaenen gescheept waeren, nyettegenstaende wert hem gevraecht, 
hoeveel voor 't hondert eyste, seyde ses dnysent cassen, synde on- 
trent 14 stnyvers, seyden geen last hadden om die te coopen en soo 
het hem beliefde tot Japara te comen, sonde vorder in de saecke 
handelen, tgene ons toeseyde en beloofde binnen 2 daghen aldaer 
te comen, ende syn naer veel reede ter weder syde van hem ver- 
trocken, hem latende in een legher van ontrent 20 dnysent man, 3 
mylen verder als Cliamat. 

••'-?• 

27 ditto is den voors. Gtonvemenr in de looge gecomen, alwaer in 

handelinge getreeden syn, dat van sins waren een huys te bonwen 
van 50 vadem int viercant, daertoe van doen sonde hebben de bo- 
vengemelde steen en spreeckende op de betalinghe van de steen, seyde 
nu dat den Mataram voor die ofte (voor de) plaets, gheen ghelt ofte clee- 
den begheerde, maer wel vier stncken geschnts voor desen geeyst, ver- 
sonckende dat men hem die wilde vereeren, waerop naer verscheyde 
discoursen eyndelyck geantwoort is , dat men de plaets cleender sonde 
maken, te weten van ontrent 25 vadem int viercant, gemerckt de 
steen soo qnalycken by een te cryghen sonde wezen, versonckende 
die op het spoedichlycxste te beschicken ende dat tot beghin alhier 
Sonde laten het voore verhaelde stncq geschnts ; doch was weygerich 
hetselffde stncq alleen te aenvaerden en met veel omstandichheden 
versocht hier 2 stncq aen lant sonde laten, ende deselffde niet lee- 
veren, voor dat goet contentement weghe den steen beqnam, soo 
wert hetselffde geresolveert en alsoo 2 stncke gelaten met syn toe- 

behooren 

Op 3 ang" van Japara vertrocken en alhier tot Bantam op 7 der- 
selver gearriveert. 



32 



XI. De Dibeoteub Genebaal Jan Pietebsz. Coen aan de 
Bewindhebbebs deb Oenebale Oost-Ind. Comp. 

(Heeben xvn.) 

Bantam, 22 october 1615. 

Emtfeste, enz 

Dewyl ÜE. soo emstelyck zyt recommanderende, dat trachten sou- 
den alle natiën in den handel te prevenieren ende rycke retoeren 
overzenden, hebben daerop het beste gedaen, ende is op soo goeden 
voet geweest, dat de heeren daarvan volcomen effect zonden hebben 
genoten, hadden wy capitael becomen, ende indien d'Ed. heer Gnl. 
met syne schepen off eenich van alle d'andere daemaer, op haer be- 
hoorlycke tyt, nyt het Patria geseylt ende hier met beter capitael 
te syner tyt gearriveert waren. 

Verleden jaer syn hier ontrent 130,000 sacken peper gevallen, wy 
hadden toen ter tyt geen geit. Maer hebben nochtans met cleeden 
alles alsoo beset gehadt, dat d'Engelsen haer cleeden behielden, ende 
haer schepen nyet en zonden hebben connen laden, soo wy in Oc- 
tober passato eenich contant becomen hadden. Mael* alsoo 't ons 
miste hebben de luyden gepersuadeert, dat met d'Engelsen op dach 
zouden handelen, om van haer contant, d'eerste leveringhe op onsen 
schuit te becomen, gelyck oock geschiet is, en de Heeren ongetwyf- 
felt wel sullen hebben verstaen hoe sonder geit ontrent 50,000 sacken 
peper scheepten,, eer d'Engelsen, die geit genoech hadden, één schip 
conden laden. 

Met de Chinesen hebben verleden jaer mede zooveel gedaen , dat 
dit jaer ontrent 300 picol fyne witte rouwe zyde ende andere Chinese 
waren, meer dan voor desen, gebrocht hebben 

lek versekere üE. hadden wy twee ja drye maenden na het arri- 
vement van de joncken ende Engelse schepen geit becomen, dat 
d'Engelsen weynich of geen rouwe zyde gecregen zouden hebben, te 
meer hun oock geen contant overschoot. Hoe het toecomende jaer 
sal gaen, sullen mettertyt vernemen maer mogen wel versekert 
wesen, dat indien met den eersten geen goet capitael becomen^ dat 
nyet alleen den Chinesen handel ^ die in fieerlycker staet gebrocht 



53 

hebben j dan oyt voor desen geweest is, maer oock de geheels Indische 
vegotie voor de Comp. te nyet gaen sal 

Wy hebben met aandacht gesien, d'emstige recommandatie die 
U Ë. doet, dat met den Coninck ende grooten van Bantam goede 
correspondentie ende vrientschap zonden onderbonden, om hare 
gunste te capteren, ende ondertnsschen versekeringe te soecken, 
welcke contrarierende maximen syn; te meer d'onredelickheyt van 
den Pangoran soo groot is, dat met goetheyt nyet voldoen connen, 
soo onsen plicht voldoen, ü E. goederen salveren en des Compies wel- 
stant bevoorderen snllen, schoon semblant connen wel betoonen; maer 
Jacattra nyet frequenteren en jalousie tosschen dese twee Ooningen 
weeren, noch oock na geen ander nytvlncht off rendez-vons trachten 
sonder haet of wangonst van desen Pangoran op ons te laden, dewyle 
zyne welstant daeraen dependeert. Onmie met de minste commotie 
ende een stille trom den Pangoran tot redenen te brengen off allenskens 
syn quaet tractement t'ontvlieden ende peper te soecken, hebben wy 

met de joncke van eenen Simsnan 

een goede partye cleeden ende den coopman Abraham Sterck met 
drye andere Dnytsen na Jamby gesonden, vermits verstae aldaer soo 
groote menichte van peper als in Bantam te becomen is. Den Pan- 
goran hadde Simsnan licentie gegeven, maer soo haest verstont, dat 
daermede Hollanders waren gegaen , wel wetende waertoe snlcx ten- 
deerde beeft hy ditto Simsnan datelycke in een hondenkott, daer 
d'allennisdadichste geset worden , aen hals en beenen doen slny- 
ten, ende syn hnys, daer wy een goede partye goederen inne heb- 
ben, met wyven en kinderen aengeslagen « • • 

lek en sal geen nieuwe dachten doen, want daermede nyet wete 
te voorderen, ende de Heeren lange kennelyck is, hoe qualyck van 
desen Pangoran Oouvnr. getracteert worden 

Soo goetgevonden conde worden, als onsen stant siQcx lydet, met 
antoriteyt reparatie te eysschen, ick en twyffele niet off den jongen 
Coninck ende meest geheel Bantam sonde U E. te hulpe comen; ja 
late my voorstaen, dat hier na haecken; den rechten Coninck om 
Coninck te mogen worden ende den Adel als gemeynte omme der 
tirannye ontslagen te worden. Den Pangoran Gouvr. vreest daervoor 
soozeer, dat al ons doen ten quaetsten interpreteert en nacht noch 
dach nyet rusten can, meenende dat al de schepen hier versamelt 

rv. 3 



34 

« 

irorden (gelyck d'Engelflen hem aengeseyt ende uytgestroyt hebben) 
omme hem gewelt aen te doen ende ons te revengeren. 

Tnsschen Bantam ende Jaccattra is alsnloken differentie dat appa- 
rent is, daernyt den oorloch wel sonde mogen sprnyten K In Ban- 
tam is tnsschen den Pangoran Oouvn% den jongen Coninck ende an- 
dere hoofden, mede soo cleene lieffde, groote jalousie ende dissiden- 
tie , dat eerlange wat vreempts daernyt sal groyen ende alsoo hier 
en boven veisekert ben dat des Pangorans affectie t'onswaert nyet 
gebetert is, eensdeels om 't zenden na Jamby, ten anderen omdat 
van noots wegen Jaccatra dièkwils zyn fifequenteerende, ten derden 
omdat den tol van den peper voorleden jaer gescheept ten vollen 
nyet betaelt en hebbe, ende ten vierde omdat ons zelven soo gehol- 
pen hebben y in saecken daer haest vereyschte, nadat hy ons recht 
geweygert hadde, dat voors. pangoran selfs genootsaect is geworden 
ons reeht te doen, ende hy noch nyemant anders, met recht se^en 
conneni datter yets van ons misdaen zy • . . 

Belangende Jaccattra, aldaer is Arack genoech te becomen, maer 
het gebreeckt aen vaten en potten 

Qp den tol, welcke den Coninck van Jaccattra van Arack, rys, 
boonen ende visch pretendeerende was, is d'E. Heer Gnl. Reynst 
met hem verdragen, dat jaerlycx acht hondert realen betalen sullen. 
Öodt geve dat hiermede roste mogen hebben. 

By d'Ed. Hr. Oenerael ende Raet was voorgenomen tot Japara een 
steenen huys te bonwen, maer alsoo de steen nyet gereet en is 
en ons 't geit gebreeckt, moet snlcx vertrocken worden, doch adbte 
evenwel nyet geraden, datter groote costelyd^e timmeragie gedaen 

worde lek achte dat op geen plaetse van 

geheel Orienten soo groeten menichte van rys tot soo goeden pryse 
als hier te becomen is, t. w. de Goyang off 3200 ü van 5 & 10 
Realen, welcke ontrent voor desen op andere plaetse 20 ende 40 
Realen de Goyang gecost heeft 

De Mataram die over dese landen domineert ende na 

de monarchie van Java tracht, is tegens den Coninck van Snrbaya 
ende andere omliggende Coningen d'oorloge continuerende, daer door 



» Vergel . v. der Chys, de Nederl. te Jakatra, bladz. 13, noot 2. 



3S 

de lajdea in Japara ende omliggende plaatsen byoans als op een 
schop zitten; want de Mattaram aen de zeecant geen stercte heeft. 
Hy is seer machtich te lande, heeft ooek heerlycke middelen off ma- 
terialen om schoone galeyen te doen maeeken; maer zeelnyden ge- 
breecken hem. Het ware een gewenste saeeke, zoo den oorloge die 
desen Mataram in 1'oosten voert na 't westen, te weten na Bantam 
gediy^rteert oost worden , soo zoude ÜE. , achte iek , een heerly<^e 
vaste plaetse en in beteren stant connen gemecken. Den Paagoran 
van Bantam, zoo myn geseyt wort, en vreest geen Portugezen of 
Spangnaerden, Hollanders noch Engelsen, maer alleen den Mattaram, 
voor desen can nyemant vluchten, zeyt hy, maer voor d'andren, 
hebben 't geheela geberehte tot onsen voldoen, sy en connen ons 
met de schepen nyet volgen. 

By d'Ëd. Hr. Generael ende Raet is gearresteert dat men de 
comptoiren van Grissé, Macassar ende Bouton zoude lichten . • • 

T' Comptoir Grissé is dienvolgende gelicht en zyn d'onsen met 
een stillen trom van daer vertrocken. 

Eenige maenden te vooren syn 2 mamien van de logie, aen 't 
geberehte buyten Grissé daer der Mahometisten paus is woonende, 
als honden doot geslagen, zonder datter yets op gevolcht zy, den 
Ooninck hielt hem hieromme geheel gestoort, maer wie sal den paus 
m den ban doen 

Tot Jaccatra hebben d'Engelsen nu mede residentie genomen, de 
OoimLek heeft haer een plaetse aen d'andre syde van de reviere, 
recht tegen d'oose over, van eender groote vergunt ^ 

Desen gaet per 't jacht den groenen Leeuw, hetwelck d'Ed. Hr. 
Generael als jacht d'advyes expresselyck per costy is sendende, eens 
deels opdat de Heeren t'eerder den staet van Indien cont sonde syn, 
omme hun daemaer te moghen reguleeren, maer het is ten anderrn, 
voomemelyck om gelty volck ende alle nootlyekheden te procureren^ 
want hyer nifei bestaen connen j soo UE. ons daervan niet versiet^ etc. 



1 Vergel. y. der Ghys, bladz. 22. De heer v. d. Chys deelt aldaar, door gemis aan 
brgnnen, minder jm»te opgaven mede, omtrent de yeitigiiig der EngeiUchen te Jakatra 



36 

•Xn. De DlBBCTSITB-OEinBBAAL JaK PlBTBBSZ. CO£ir AAK BE 
BeWDTDHEBBEBS BEB OEinSBALB OosT-Iin>. GOKP. 

(Hbebek xvn.) 

Bantam I 26 December 1615. 

T'sedert het vertreck van 't jacht den Groenen Leeuw met den 
onsen van 22 en 27 October 11. (daervan by desen copie gaet) syn 
hier na groot en verdrietigh verlangen op den 2 dezer gelnckich 
(Oodt vy gelooft) wel gearriveert de schepen t' wapen van Amaterdam, 
Vliaaingen, Walcheren, den Engel van Delfft en 't jacht den Witt^i 
Beer, alaoock van de Cnste van Ooromandel het schip der Ooes. Sy 
hebben alle een miserable voyage gehadt, gelyck de heeren p. 
nevensgaende missiven van de Gomisen snllen vernemen. Op 't schip 
VUssingen zyn door gebreck van water 163 mannen overleden en 
djaeronder den Commandeur Wonterssen • 

Met voorgemelde schepen hebben wy van ü £• drie missiven ont- 
fangen, gedatteert den 21, 28 November en 3 December (1614?) en 
seer geeme verstaen het behouden arrivement van de schepen den 
Swarten Leeuw en der Veer, de volg^de vloote hadden almede in 
salvo verhoopt, maer hebben Godt betert mei droeffheyt verstaen hoe 
de schepen Banda en de Geünieerde Provintien aen 't eylant Hau- 
ritius verongelukt syn, wat peryckel Delft en Gelderlant geleden heb- 
ben, en hoe Delft met het jach^'en den Oranjeboom, u]^ Gelderlant 
innegenomen hebbende sooveel hy laden cost, naer Ffttria geseylt 

syn, Godt heeft, dunckt my, de Generale Gomp. 

straffop straffe willen geven, om de geheele mine natuerlyckeneyse 
te verhoeden, hetwelck geschieden sal als UE. haren devoir aldaer 
en wy hare dienaren den onsen alhier ^ beter dan voor desen sullen 
waernemen en voldoen. Anders en is niet mogelyck, dat haren staet 
gemainteneert soude connen worden of de Heere most sulcx wonder* 
baerlyck sonder middelen doen 

D'Instructie en emste recommandatie die U E. om rfake retonren 
is doende , als oock dat jaerlyx 70 è 80 duizend sacken peper over 
souden senden, gelyck mede het verhael dat de Heeren geen één 
scheepsladinge aen peper overgecregen hebben, en d'Engelsen wel 
vier schepen, augmenteert onsen verdriet, UE. en souden door Godes 



57 

genade geen peper , noch lycke retouren gebroocken hebben, soo /Le 
Heeren ca^tael en contanten gesonden hadden. 

Is het niet een janunerlieké saecke, dat wy die soo treffelycken 
Comp. syn dienende en belast worden om aff te laden alle de heer- 
lycke groote schepen, die de Heeren syn hebbende, sóó schaers 
worden gehouden, en in alsnlcke miserie hebben moeten sitten, dat 
qualick de cost eosten becomen, voorwaer ick en can niet bedenc- 
ken, wat reeckeninge de Heeren maecken, noch wat manier van 
doen het is, 800 emstelyok lycke retouren te eyschen, sonder ci^i- 
tael te senden, is UE« oogmerck dat men se alleen van den vyant 
soude halen, waertoe dienen dan alle de forten die in Indien hou* 
dende syn? 

Ontrent acht dagen voor de oompste van den witten Beer alhieri 
18 op 't selve schip overleden de soone van d'Ed. H'. Oenrl. Beynst, 
Syn . Ed. was te dien tyde tot Jaccatra aen den roeden loop indis- 
poost^ ende na het schynt heeft hem soo seere beswaert d'overly- 
diDghe van Cfyn soon, de quade tydinge van 't eylant Mauritius, als 
sobren stant, daerinne door UB. manckement syn sittende, dat d'Ed, 
Hr. OenerL soo de schepen den 2^^ deser tot Bantam amveerden, 
den 7^^ naeie^olgende tot Jaccatra in den Heere genist is 

Ende alsoo de radeii^van Indien verdeelt «fn^ en heeft datelyck 
vdgens UE. ordre en instructie geen snccesseur off nieuwen OenrL 
geë&igeert eonnen worden, maer sal snlcx geschieden ten weder- 
compi^ van de E. Heeren Verhagen, Jaspar Janssen en d'Edel, van 
de Straet Hallaeca, hetwelck ontrent 1| maent naer desen geschie- 
den aal 



XIIL Ds DlBEGTETTB OsmBBAAX JaK PlETBBSe. COSK AAIT DS 

Bbwhtdhebbsbs deb Genebale Oost-Ikd. Cohp. 

(Hbbbek xvn.) 

Bantam, 5 January 1616. 

. . . .t 

De Heeren dagen dat van de forten ezcessive last hebben en 
d'Engelsen groote retouren becomen, voorwaer UE. clachte, myn 
heeren, betuygen U faulte veel grooter te syn, dan al de gebreecken 
die hun dienaren alhier begaen, off oock opgdeyt eonnen worden. 



38 

hoewel nochtans bekennen moeten dat d'onse alhier veel te groot 
syn, hadde U E. geit gesonden, meest alle de retonren die d'En- 
gelsen gecregen hebben waren UE. met de genade Godts geworden. 

De stabiliatie van eenen rendez-vous is een van de prindpaelste 
oorsaeeken, waeromme na Jambi gesonden hebben, vermits hieron- 
trent geen plaetse geoccnpeert can worden, dan met onwille van die 
van Baütam. De eygentlycke plaetse dient vercosen te worden, na 
den eysch van 't geene daermede voor hebben, te weten soo men 
dissegneert een collonie te planten, rendez-vous off een hooftplaetse 
te stabilieren, den stapel van de peper en Chinesen handel aldaer 
te trekken, dient sulcx binnen de straet niet te geschieden; wil men 
den Chinesen handel nalaten en voor deselve een ander plaetse on- 
trent het vaste lant van Jhoor, de cnste van Gochin-China, China 
off Manilla begrypen, soo sonde het in de straete wel eonnen ge- 
schieden ; den peperhandel mede separerende souden ons p'. avontuur 
wel eonnen behelpen ontrent de vlacke hoec^ off inbocht van Sumatra. 
Wy verwachten dagelicx retour en bescheet van Jambi soo haest 
eenige bescheet becomen , sullen hiervan breeder handelen en soo haest 
een jacht daertoe gebruycken mogen, alle omlopende plaetsen laten 
visiteren, opdat met fondament spreecken mtgen. De stabiliatie van 
een rendez-vous off hooftplaetse is een van de nootlyekste saken 
welcke vooreerst wel byderhant diende genomen te worden. . • . 

Het different tusschen Bantam en Jaccatra is noch niet geslist, 
maer een tyt lanck stil geweest en nu weder toenemende, soo ick 
my niet bedriege, mogen de Heeren wel verseeckert wesen, dat het 
niet dan om ons te doen is , dese lieden en syn in alles niet slecht , 
(eenvoudig?) gelyck de Heeren trachten een verseeckerde plaetse te 
ocGupeeren, omme op geen genade van Indiaense princen te leven, 
maer hun van haer gewelt te ontslaen, even alsoo is desen Pan- 
goran practiseerende omme ons in toom en dwang te houden, en 
hem van ons te verseeckeren, want ons niet geeme van hier hadde 
ende des Comp' madit nogtans ontsiet. 41 

Den brieff van Syn Excelli® hebben wy desen Coninck gegeven 
met het metalen stucxken en twee vergulde roers daerby, hy geliet 
hem 't selve seer aengenaam was en is Syn Excell^^ daervaa hooche- 
lyck bedanckende . 



39 
XIY. Db DiBBOTBTJB-GEinsEAAL Jan Pdstbbbz. Gobk AAir BJS 

BbWÜTDHBHBEBS DEB OBKBBAIiB OoST tETD. GOHP. 

(Hbbbeit xvn.) 

Bantam; 31 Maart 1616. 

By den Raet in consideratie geleyt synde, wat tot verkiesinge van 
eenen nieuwen Oonvem'. Gnl. ten beste van de Gn^« Gomp. gedaen 
off gelaten diende ^ is gearresteert en d'electie uytgestelt tot dat de 
Heeren by d'H'. Gn'. Reael, de Commandenrs Doenss en Lam ala 
meerderen deelen van de vlootte gecomen snllen wesen, opdat suIcjl 
met meerder voorsichticheyt, aensienlykheyt ende authoriteyt ge- 
schiede, de Heeré geve dat alles ten besten van de Grf« Gomp. 
gedye. 

Het different, onder welcken pretext het scheen den haet en jalousie 
tnsschen Bantam en Jaccatra haer geopenbaert soude hebben, is ge- 
slyst en dat vermits den Goninck van Jaccatra van syne pretentien 
afstant gedaen heeft, dan nu isser weder een aan ander pott te viere, 
daerdoor eerlange voor seecker houde den oorloch voortgaen sall^ 
tenzy dat alles door den Mattaram nedergeleyt worde. Wy hebben 
van Japara tydinge van dato den 1 feb. passato, als dat dito Mattaram 
in eenen veltslach alle* syne partyen, de Goninghen in t'Oosten van 
Java gelegen, nedergeleyt soude hebben; soo sulcx waer is, wort 
voor seecker gehouden, dat alsdan met alle syn macht herwaerts 
sal comen, omme dese quartieren mede t'onder te brengen. Godt 
geve sulcx voortgaen mach, want ick achte alsdan beter conditie 
souden becomen, soo ick my nyet en abuseere ^ 

Na het schryven van 't voorgaende, is alhier van Jambi gearri- 
veert het Engelsch jagt, welck d'onsen aldaer gelaten hebben . • 

nadat de Halve Maen van Jamby is vertrokken, 

seggen d'Engelsen datter wederom vier fregatten van Malacca (waren) 
geweest. • • • 

Wy hebben geseyt dese contreye d'allergelegenste tot een rendez- 
vous en generale bestieringe te syn; maer dat na onsen oordeele 
geen plaetse can worden geoccupeert off sullen met die van Bantam 



' Vergeüijk bienu^ter, de instnictie voor den Opperkoopman Druyff, gezant aan den 
Mataiam, onder n». XVI der gedrukte stukken. 



40 

in contentie geraecken, doch als de negotie tot Jamby in treyn sal 
wesen, dat ons aldaer souden connen behelpen en de contentie niet 
en behoeven jte ontsien. Hier en tegen sullen de Heeren veradver- 
teert wesen, dat voorgemelde tydinge van den Mataram continueert 
en soo haest den Mataram in 't oosten gedaen sal hebben ^ sal hy 
voorseecker Bantam besoecken, herwaerts comende, sal Jaccatra sich 
den Mataram onderwerpen^ Bantam meen ick sal meest op ons sien. 
Tusschen den jongen Coninck en desen Pangoran Gouvem'. vermeer- 
dert den haet, ontsach en dissidentie. De Pangoran heeft veel geit 
vergadert, maer wort syn gouvernement voor sulcx gehouden, dat de 
negotie alhier en haren staet peryckel loopt. Waerómme wy na Japara 
en Jamby gegaen syn, connen sy seer wel begrypen, en om alle 
inconvenienten voor te comen, schynt het, ja wort voor seecker ge- 
houden, dat met ons in conferentie sullen willen treden, omme ons 
misnoegen wech te nemen en U£. met redelycke conditien te pagen, 
de negotie hier te houden tot accressement van haren staet. Wie 
het voorslach doen sal, of wat voorleggen sullen en wete niet, het 
soude wel haest connen geschieden, maer alsoo dat volck na haren 
melancoliquen aert, haer saecken tot opt uiterste laten comen, soude 
het noch wel een k twee jaren connen aenloopen eer hun volcome- 
lyck ontdecken en in conferentie treden. Derhalve gelieve tJE. met- 
ten eersten ordre te geven, wat in voorgemelde saecken gelieven 
gedaen, gelaten of gehandelt te hebben, alsoo sulcx van seer grooten 
consideratie eu gewichte syn houdende. Namentlyck oflF selfe een 
plaetse begeeren begreepen te hebben, off hun met redelycke con- 
ditie gelieven te genoegen, en wat de conditien syn, welcke ÜE. ten 
naesten gevalt, item soo de Mattaram hem herwaerts went, off ons 
neutrael sullen houden of party e kiesen, wel te verstaen soo de 
keuze behouden mogen, tensy de wint ons in 't seyle wayt, off 
genootsaeckt worden, soo en sullen in dese na myn opinie niet fina- 
lyck resolveren, voor en aleer hierop van ü E. bescheet beoomen; 
doch wat de nieuwe Generaal, welcke noch verkoosen sal worden 
en den raet gelieven te doen en weete niet. D'Engelsen achte ick 
gelyck sy overal doen, dat op ons sullen sien en van der Javanen 
syde, niet dan voor byloopers gehouden worden. 



41 



XV. De Dibecteitb Generaal Jan Pibtebsz. Cobk aak de 

Bewikdhebbbbb bbb Gen. O. L Comp. (Heebbk XVU) i. 

* 

Bantam, 10 October 1616. 

Eiiiitfegte, enz 

Met de schepen den Groenen Leeuw, Witten Beer, Manritius, 
Rotterdam ende den Dolphyn (welck wg hopen door Godes genade 
costi wel snllen wesen gearriveert) hebben niet alleen ü. E. voor- 
gaende missiven beantwoort, maer oock geadvyseert haeren staet 
ende stant van Indien, 't gene passerende was, wat ordre gestelt 

« 

hadden ende voorder gedissegneert wierde te doen. 

Tsedert sgn hier op den 30^ April passato, Gode sy lofi met ge- 
sont volck, wel gearriveert de schepen den S warton Leenw, Berger- 
boot ende GaUiasse, daermede ontfismgen hebben U. E. missiven van 
dato 6 ende 30 April, primo, 6 ende 18 Mayo 1615, gelyck mede 
drie andre aen d'Ed. Heer G«nerael Be3mst, zaliger, van dato 30 
April, primo ende 6 May desselviger jaers. Den 27*^ Angnsto passato 
is hier (Godt loff) mede seer gelncMgh ende spoedich wel gearri- 
veert 't jacht 't Hart, waermede van U. E. drie andere missiven 
hebben ont&ngen, gedatteert nltimo No\«mber 1615, 4 Febmary 
ende 5 Martins 1616, gelyck mede drie andere van gelycke dato 
aen voorn. Generael Beynst zal^ Wat tsedert onse voorgaende schre- 
ven toe gedragen is ende op alle voorgemelde missiven ten antwoorde 
occoreert, snllen U. E. voor sooveele in ons is, mits desen missiven 
verhalen, opdat d' Ed. Heeren haere saecken alsoo werden beleyt, 
dat ten gemeene beste alles goets daerwtt gedye. 

.Vooreerst sullen cortelyck overloopen hoe wonderbaerlyck verhin- 
dert syn geworden den voorfganck van twee seer groote contra aen- 
slagen, soo van ons tegen den vyant, als van den vyant tegen ofts, 
sonder dat d'eene iets van den anderen was bewust Den Almo- 
genden Godt heeft des vyants aenslach (welck waerlyoken wel belayt 
en groot geweest is) verhinderd ende U; E. van een seer groote 
schade beboet; door d'Engelse syn in meerder peryckêl dan van de 



1 Hoewel deze brief lioo£izakemk het verhaal bevat van gebeurtenissen op Banda 
en Podo-Ay, moest ik dien in dit werk over Neerl. gezag op Java opnemen, omdat 
de hoofilaanleiding tot den oorlog met de Engelschen op Java jnist in die gebeurtenissen 
gelegen was. 



42 

macht des vyants selve geweest, ende alle des vyants macht waere 
oock geheelyck verslagen geworden, soo ons ditto Engelse niet ver- 
hindert hadden, gelyck de Heeren per nevensgaende missiven ende 
volgende redenen connen vernemen. Den vyant na ick hespenre aen 
d'intree van syn aenslach ende practycke in de Mollncqnes door de 
Tidoresen gebmyckt, heeft voor gehadt in dese quartieren syn per- 
sonagie te spoelen, terwyle alle onse macht in de Mollaoques sou- 
den amnseeren, want Don Joan de Silva is ontrent 4 Febmary 
passato wt Manilla geseylt met alle de Spaensche macht, bestaende 
na ons de MaUeyers raporteerden in 25 seylen, daeronder 10 sche- 
pen ende 7 galleyen nommineerden, maer na de seeckerste advysen 
over Jambi becomen in 4 seer groote galjoenen ende 4 a 5 g^eyen 
ende fusten. In plaetse vaa na de Mollneqnes souden seylen, daer 
sylieden van d'onsen sooveel jaren gewacht syn, is ditto vloote na 
Pulo Timaon geloopen ende in Sincapura geariveert; weynich dagen 
nadat den Admirael Verhagen met onse vloote van daer vertrocken 
was. Hier meenden sy de Portngiese macht bg de haere te voegen, 
maer alsoo vernamen deselve van d'onsen verslagen was, heeft Don 
Jnan de Silva, advyse na Goa om nieuw secours gesonden, ende 
terwglèn na antwoorde wvren wachtende, is d' Silva cranck gewor- 
den ende in Mayo passato in Mallacca overleden, ende nadat van 
Goa weder antwoort gecomen was, gelyck mede tgdinge dat den 
Vice Roy een armada de Bema souden seiiden, is voors. vloote na* 
ons Soury over Jambi adviseert, wederom na Manilla gekeert, heb- 
bende 500 soldaten in Mallacca gelaten ende haer disseyn na het 
schynt voor dees tyt geschort. Dat terwyle den vyandt met dese 
aenslach besich was, de haren in de Mollucques door de Tidoresen 
gesocht hebben onse macht aldaer te trecken ende amuseeren, connen 
de Heeren aen nevensgaende missiven van d'Heer Gouverneur Beael 
vernemen. Syn Ed. verhaelt seer breet hoe de Tidoresen ende Tema- 
tanennietsynne toelatinge voor eenige miaenden (nadat lange met den 
andren gehandelt hadden) stilstaat van wapenen hebben beslooten, ende 
dat de Tidoresen met syn £d. daema mede hebben gehandelt, veyn- 
sende soo wonderlycke goede affectie t'onswaerts, gelyck off anders 
niet en sochten dan haer, soo haest onse macht aldaer soude wesen, 
met onser hulpe vant Spaensch jock te ontlasten, maer even gelyck 
dese practycque van langerhandt hadden begost, alsoo hebben sy haer 



45 

wederomme geretire^ enêe de handelinge allenskens verlaten, doen 
de Fartagiesse nederlage van Mallacoa vernamen ende alle onse 
scheepen aldaer arriveerden, sonder dat haere practycke hij d'onsen 
g^aerokt zQn, dan hdewel het bnyten propoost is, soo en can noch- 
tans niet naerlaten hierinne te voegen hoe ick van opinie ben dat 
recht contrarie 't voorslach der Tidoresen veeleer gepractiseert wort 
hoe sy haer best van ons sonden mogen ontlasten, niet dat de dpan- 
giaerden meerder lieffde toegedragen wort, maer vermits onse groote 
apparente macht meerder ontsien; metter fyt snlien de waerheyt 
vernemen. Interim geHeve ü E. op soo een importante saedce als 
dit is, serienselyck te letten. 

Omme wederomme' a propositie te oomen, te rememoreren hoe 
ons dessejn mede verhindert is geworden, ende in wat peryckel 
door d'Engelse zyn geweest, als oock hoe sylieden ons de volcomen 
victorie hebben benomen, gelieve U E. te gedencken hoe voor desen 
verhaelt hebbe, gearresteert te zyn dat d'Ed.HeerGeneraelReynst'z'. 
met alle de macht wt de MoUncqnes herwarts sonde comen , omme 
de macht aldaer niet langer infhictaens te consnmeeren, maer iet 
groots voor te nemen, sonder alsdoen nochtans eyntlycken wat ge- 
determineert te syn, maer soo voors. Meere Reynst zaliger hier 
arrireerde, de nienwe vloote niet voort en qnam, ons geit gebrack 
ende d'Engelse daerenboven dissegneerden met 4 scheepen na Am- 
boyna ende Banda te gaen, wierden genootsaect ons desseyn te ver- 
anderen endé vooral Amboyna ende Banda voor de Compagnie te 
verseeckeren ende d'Engelse te prevenieren, doch evenWel wierde 
door enckele schiokinge Godts, tegen d'opinie van veelen geresolveert 
dat men eenige schepen na Mallacca ende Sincapnra sonden senden, 
mits d&t aldaer niet langer dan ontrent 15 Febmario sonden vertoe- 
ven, opdat in allen gevalle Amboyna ende Banda sonden mogen be- 
seylen off per avontore de nienwe schepen niet en arriveerden. Door 
dese schepen syn de Portagiese gaUioenen verslagen gelyck ü E. 
voor desen hebben geadvyseert ende heeft den vyant syn desseyn 
daerdoor geschort. 

Wat schade de gemelde Compagnie door d'Engelsen geleden cost 
hebben, soe aUe de geheele macht datelQcken om haer ondercmypinge 
te verhoeden weder t^ngge naer Amboyna ende Banda waere ge- 
sonden, can lichtelyck begrepen worden^ want ten besten genomen 



44 

dat de vyaat op ons in Bantam noch Jaooatra, Amboyna noch Banda, 
niet en hadde connen doen, terwyle de macht in de IfollncqueB 
amnseerden, boo sonden sy verbindt connen hebben, dat dit jaer 
niet een schip naer patria sonden connen senden , doch d' Almogende 
heeft het dusverde versien, daervan Symie Goddelgcke Ibjesteit 
hoochlycker geloofft zy. 

Van hoe groeten voordeel de gemelde compagnie door d'Engekien 
geprevenieert syn geworden, is mede kennelyck want ingevaUe d'Ed. 
Heer Oen', zaliger ende de voomeemste macht na MaOacca waere 
g^aen ende hnn aldaer een tyt hadden ontbonden , gelyck gedisse* 
gneert wierde, sy sonden niet alleene de Spaensebe vloote met Gk>des 
bnlpe mede hebben connen verslaen, maer oock mogen vcpiieesteren 
het silver schip ende 't gallioen van eonvoy wdck mede cort na het 
vertrek van den Admirael Verhagen voor Mallacca ariveerden, 
alwaer noch leggende syn om int eerst vant aenstaende monson na 
Goa te seylen. in Mallacca gaet spraecke, alsdat zy lieden een fort 
off rednyi op isla das Naos snllen maecken, gaet snlcx voort sullen 
sy een goet retrayt voor haer schepen hebben ende sonde ons tsel- 
vige tans of morgen wel hinderlyck connen syn. 

Sanderen daechs met het vertreck van den Dolphyn, qnam hier 
de loopende tydinge hoe voors. Spaensebe vloote in Sincapnra geari* 
veert was ende voor seecker herwarts comen sonde; den thienden 
dach daema, wesende den 10*. April wierde snlcx geoonfiimeert ende 
opdat hetselve geloove sonden geven, sont ons den Goninck van 
Jhoor een originele missive (daervan by desen eogje gaet) door 
voors. de Silva aen ditto Goninck geschreven ende versochte Syne 
lüjesteyt dat daerop emstlyck sonden letten ende ten besten goede 
ordre stellen; hadden wy hier schepen gehadt, sonden wat heerlicx 
hebben connen wtrichten. 

Ende alsoo ten voors. lyde, doen van de compste der Spangiaerden 
advyse bequamen, het westolycke mousson verloopen was ende wy 
van jachten gantsch onversien waeren, soo ea conden naer de Mol- 
Incqnes geen advyse senden, doch naderhant destineerden 't jacht 
G. HoUandia by zuyen Java derwarts; sy £fyn tot op 13^ graden 
znyder breete geweest, maer alsoo niet dan oostelycke winden ris- 
contreerden ende soo hollen see, dat deselvige niet bouwen costoui 
is de jacht met onse advysen wedergekéert. 



w 

Omme niet onvements van den vyant overvallen te worden, hebben 
wy op Jambi alsolcke ordre gestelt gehadt, dat voorgemelde tydinge 
met contrarie monsson door Sonry over Jambi van den vyandt hebben 
bec(»neny ende verwachten noch dagelicz wederom na^er bescheet. 
lyEngeben alhier residerende , gelyck mede den Paogwan van Ban- 
tam, syn voor de Spaagiaerden vry wat bevreest geweest, doch 
heeft hem soowel d'een als d'ander stille gehouden, ende syn syl. 
voorder op ons siende, alsoo d'Engelsen op dit pas, plaetse in Jac- 
eatra hebben begreepen ende aldaer residentie genome, gelyck mede 
haeren priamanse pq[»er wt het schip den Hector op d'eylaaden al* 
daer gelost, omme 't scUp aldaer te verdubbelen, laet ick my voor- 
staen sulc;p: gedaen hebben omme aldaer ond^r onse vleugelen te 
schuylen, want vermits in Jaccatra sterck van volck syn ende dis- 
segneerden de voomeemste effecten ende 't meeste volck derwarts te 
transportoen <mmie den viant aldaer te wederstaen ende ons op geen 
ontrouwe Hooren, maer naest Godt op onse eygen wapenen te verlaten. 

Per de jachten de Halve Maen, Vlissingen ende fregat Jambi, 
gelyck mede daarna per de schepen de Beigerboot ende Oalliasse 
hebbe aen Soury in Jambi mede geordonneert gehadt, dat byaldien 
de Spaensche vloot ontrent Mallacca bleve leggen ofte om de Weste 
li^n, hy alsdan by noorden Bomeo ende Oelebes, de GalUasse oft 
een jacht na de MoUucques soude senden , met alsnlcke advysen als 
van des vyants gclegentheyt ende intentie soude connen becomen, 
doch alsoo ut supra weder na Manilla zymgekeert, syn dese advysen 
mede niet voortg^aen. 

Door onse vo(n^;aende snUen de Heeren verstaen hebben op de 
proceduyren van d'Engelsen door d'Bd. Heer Oenerael Beynst z% 
ende den raet alhier gearresteert te sfyn, eer U £• Clommissie desen 
aengaende bequamen, dat men d'Engelsen met gewelt wt de MoUuc- 
ques, Anboyna ende Banda souden weeren, ende geen acces noch 
spraecke met d'lnwoonderen te houden, toe te staen, byaldien gy- 
Ueden niet naer en lieten in die quartieren koerende, andermael iets 
t^en ü E. recht ende nadeel te attenteeren, onse bontgenooten ge- 
welt o£f overlast aendoen, onse vyanden assisteerden ofte secreete 
communicatie met haer hielden. Item hoe by Syn Ed. verscheyde 
eommissien gegeven syn geweest omme dese resolutie alsoo te doen 
executeeren, gelyck mede hoe oock geresolveert was omme d'Engelso 



«6 

te prevenieren, Amboyna ende Banda Yoor de Gomfpagnie te ver- 
seeckeren, andermaal een togt op Paloway te doen omme dat eylant 
met belegeringe (ende geen TÜegend aasault) geheel te moorpcMreren. 
Item sollen de Heeren oock wel vergtaen het^ben^ hoe wy na het 
overlyden van ditto Generaèl Reynst z'. wt crachte van Syn Ed« 
eommissie voorgemelde saecken by der hand aameuy gelydc mede 
wat ordre gestelt hebben gehadt ende hoe alhier met den Raet 
resolveerden met de togt na Paloway voort te varen, waertoe als 
hooft committeerden den Commandeur Lam, wat effect de saeoke ge- 
nomen heeft y sullen corteling ovarloopen, aLsoo de Heeren de parti- 
cnlarisatie in medegaende missiven connen vernemen. 

De scheepen alle te samen soo nn , soo dan in aller y\e van hier 
vertrocken wesende, ayn in Amboyna by den anderen versamelt; 
van daer is den Commandenr Lam met de vloote na Banda geseylt, 
in Amboyna latende de scheepen Amsterdam, den Engel ende Nep- 
taynes, ende terwylen door 't qnaet weder eenige dagen genooisaect 
wierden, onder 't fort Nassonw na bequaem weder te wanten, 
arriveerden mede wt de Mollncqnes de scheepen Gheylon ende den 
Sooden Leeuw met 140 soldaten ende 446 sdelen van Giauw, weloke 
d'He^ Gouverneur Beael volgens d'ordre van d'Heer GMerael 
Reynst z^ tot assistentie van de tocht was sendende, 

Gonforme de genomen resolutie ende ordre van hier gegeven , heeft 
hem Willem Jansz, Gouverneur vant fort Henrieque met het geheele 
guaroesoen ooopmansehap^^amunitie van oorloge ende andersints int 
schip den Engel getransporteert, ditto fort verlaten ende geheel ge- 
raseert, sy syn in Amboyna by de vloote wel geamveert ende mede 
tot bet exploict op Puloway geymployeert 

Den Gommandeur Lam, interim nagoet weder verwaehtende was, 
door vocM». schip den Booden Leeuw tgdinge beeomende hoe onder 
Puloway 4 Engelse schepen geset lagen, soo is hy datelyek met 
alle de scheepen, wesende 9 int getal, nam^itlyeken Twapen van 
Amsterdam, der Veer, VUssingen, Walcheren, den Booden lieeuw, 
Oudt Zeelant, Gheylon, Hoorn, de Hoope ende chaloupe Gleyn 
Enckhuysen, na Puloway geseylt, d'Engelschen hadden daer een 
ettmael gelegen eer d'onsen bij hun quamen ende wedergebrocht 
d'Ambassaten welcke door de Bandanesen herwarts gesonden syn 
geweest I de schepen bij hun geoomen* wesende heeft vo^^melde 



49 

Conmuuidetir Lam haerlieden ten over^oede aadermael een insinuatie 
gegeven, synnen last geopenbaert ende hun aengeseyt dat van daer 
vertodLen sonden. D'Engelsen haer overheert siende, hebben haer 
laten geseggen ende syn daielyek vertroeken, latende een chalonpe 
met 10 man in ostagie tot verseeckeringe dat geen assistentie aen 
de Bandinesen hadden gedaen. 

D'Ëngelsen van daer vertroeken synde is ditto Lam op Pnloway 
gelant met 7 compagnien soldaten, 3 compagnien bootsgeseUen, elek 
van 70 coppen ende 23 Japonders, ende nadat 3 dagen besich wa- 
ren geweest <wi leger te slaen ende batteryen dicht onder 't fort 
van de Bandanesen te planten, soo syn de Bandanesen daer wt 
gevlneht voort wt haer andre fort gedreven ende overhoop in seeekre 
pranwen vant lant gevlucht ende op Pnloron geweecken, achterla- 
tende Toor soovele by d'onsen gevonden syn 16 dooden, van d'ons^ 
synder soo Toor als naer 7 doot gebleven. 

Pnloway door de- genade Oodes aldos overwonnen synde, is by 
d'onsen geresolveert h^ eylandt te besetten ende hebben daerop 
geleyt 154 witte coppen, bestaande in 2 compagnien, daerover 
Adriaen van der Dassen, als Inytenant gonvemeor van Banda ende 
Oapiteyn van Pnloway commandeert, alsoo hem in dese tocht, ge- 
lyck mede verleden jaer, hoewel het doen niet wel en gelnckte, seer 
wel gedragen heeft 

Voorder syn mede op Pnloway g^eyt om 't lant te penpleren 
ende de vruchten te winnen 446 sielen ^r den Gouvemenr Reael ' 
van Sian gelicht, 100 sielen viye lieden van S<dor, 30 mardicqners 
ende 64 gevangenen, soo Spangiaerden als Qonseratten, wesende in 
ailes 794 sielen; dit is een seer schoon eylandt, maer het facheert 
ende incommodeert de lieden seere datter op 't lant geen versch 
waeter en is, daeromme sal goet wesen dat U £. gelyck den 
biytenant gonvemenr adviseert goede partye steen ende tras met 
eenige metselaers herwarts sende omme cisternen te maken , can 't 
geschieden, gelieve de Heeren tselvige niet naer te laten, maer 
groote partye senden, want sulcx per avontore tot volgende desseyn 
noeh nodiger wesen saL 

D'andre Bandanesen de v^x)veringe van Pnloway verstaen heb- 
bende, versoehtra datelyck vreede ende is haer deselve geaocordeert 
als per neven^gaeade contract blyct; den prys van de nooten ende 



48 

foelje is hooch, te woeten 100 realen, oock is hun soo een irreli- 
gieas artyckel als voor desen de Tematanen geaccordeert, welck de 
Heeren ordonnerende syn qpt gevoeehlyckate geheel te annuleren 
ofte den deele te acoomoderen, 'twelck alsoe vervorderen sollen. 

Den Commandeur Lam heeft hem met het maeeken deser vreede 
wat verhaest, op hoope dat dit jaer noch een scheepsladinge tot 
sonlagement van d'extreme lasten becomen souden, maer ten is soo 
wel niet gelucht, want het schip Hoorn en heeft van daer niet meer 
gebracht dan 427 sockels foelie, wesende ontrent 8600 catti banda, 
ende 39400 caiti banda ongegarbuleerde nooten. Dese vreede en 
heeft na het vertreck van den Commandeur Lam met de vloote niet 
lange geduert, want alsoo die van Pnloway per contract acces op 
't lant gcaccordeert was, hebben sy de meeste Ciauwers aen haer 
getrocken ende van Puloway op Puloron gevoert 246 sielen, soo 
mannen, vrouwen als kinderen. Hier en tegen syn door d'onsen 
in 't fort Nassouw ontrent 90 sielen van Lontor aengehouden, omme 
de voors. Siauwen daertegen te lossen, maer die van Banda en 
hebben daerinne niet willen verdragen, doch die van Lontor soecken 
ende veynsen evenwel met d'onsen vreede te willen houden, omme 
haere praeuwen ende eenich secoers van vivres van Chey ende Ara 
te becomen, vermits geheel Banda onversien van vivres is, alsoo dit 
jaer aldaer niet dan 2 joncken geweest syn, doch is haer door 
d'onsen den oorloch opgeseyt ende wort daervan een seer goede uyt- 
compste verhoopt ^ 

Daer is gedissegneert een fort in calck ende steen op Puloway te 
maeeken, het schip OudtZeelant is daer gesleeten ende is het ge- 
schut, amunitie ende andersints van 't selvige te lande geleyt. Op 
Qrtattan was wederomme een logie om te handelen gemaeckt, welck 
my een seer groot abuys dunckt te syn. Nu Banda overheert is, sal 
men haer noch sopveel te* goede comen, dat men by haer, opdat 
wederomme moorderye mogen aenrechten, gaet handelen. Voorwaer 
t' is myns bedunckens luttel genoech, dat men haer aen 't casteel 
te comen, gewenne. 

U E. zy veradverteert dat d'Engelsen dit jaer weynich, ja per 
avonture geen foelie noch nooten altoos suUen overbrengen, noch en 
sal by ons toecomende jaer mede geen overvloet becomen worden, 
want van 't eylant Nera in 4 & 5 jaren (vermits de boomen ver- 



49 

leden jaer door den brant van den berch vernielt wierden) geen 
vrachten geplackt sullen worden, ende sal van Puloway mede al 
veel verlooren gaen. 

lek hoope dat d'Engelsen met dese victorie geheel wt Banda sullen 
weesen geslooten, soodat de vruchten voor U E. als nu door Godes 
genade met cleen cappitael sullen becomen, want als men de Ban- 
dineesen den toevoer van rys ende andere vivres onthoude, dat met 
de fregatten lichtelyck gedaen can worden, soo en isser voor haer 
geen ander wtcomst, da;n dat voor haere vruchten wtt onse handen 
moeten comen eeten 

Nadat alle de schepen by den anderen in de MoUuques geaxri- 
veert waren, is door den raet van Indien d'h'. Laurens Reael by 
pluraliteit van stemmen voor Gk)uvern''. Generael geëligeert, geauüio- 
riseert en aengenomen. Godt begenadige Byn Ed. met alsulcke gaven 
als tot uitvoeringe van soo groote digniteyt en last ten welstant van 
de vereenichde Nederlanden en Genrle. Comp®. van noode sy. Ult^ 
martio passato arriveerde aldaer door de Suytzee den Commandeur 
Spilbergen, met de schepen de Nieuwe Zon en Maen, den Aeolus en 
Moi^ensterre , de Jager met een verovert fregat. 

Alsnu sullen wy tot de plaetsen comen, welck op Java frequen- 
terende syn, namentl. Bantam, Jaccatrsi,, Cherebon ende Japara, daer 
van met redelyck goet fondament spreeckü^connen, voomementlyck 
van Bantam ende Jaccatra, alsoo in handelinge van gewichtige saec- 
ken, den pols deser Coninghen seer wel getast hebbe. Wat spel met 
den anderen hebben gehadt en hier al lyden moeten, soude te lanck 
om schryven wesen, daeromme sullen de voomeemste supstantie 
anotteren ende rest op d'overcomende vrienden raporteren. 

Hoe U E. macht door die van Bantam seer wertontsien, zyliedenons 
niet geeme van hier souden hebben, is ü E. voor desen geseyt , als oock 
hoe het scheen (dat) by haerlieden bespeurt wierde (dat) haeren staet 
peryckel lydt, en deselvige met de Comp. souden soeckente vêrseeckeren, 
gelyck mede dat het ten uiterste souden laten comen eer eenichsints 
van de groote tollen affstant souden doen, met U E. in verbintenisse 
treden en ons alhier beter conditie en tractement geven, dit alles confir- 
mere wederom waerachtich te syn en besluyte daerover, dat men geen 
IV. 4 



venninderinge van tollen, yerseeckeringe noch redelycke conditie 
becomen sal, tenzy dat de Heeren haer selven helpen, off alsvooren, 
dat die van Bantam daertoe genootsaect worden. 

Soo hier tydinge qnam , als dat de Spaensche armade op wech was 
om herwaerts te comen ^, gelyck mede dat de Mattaram hier comen 
wilde, scheen het (alsoo my doentertyt willens van Bantam apsen- 
teerde) even gelyck off elders verseeckeringe sochten, dat haer ont- 
decken souden; maer weder tot Bantam comende alsoo noch Spang- 
niaerden noch Mattaram Toortqnamen, hebben sy haer geheelycken 
geretireert en soo stille gehouden als off nieuwers van wisten, en 
heeft den Pangoran begost de mueren van Bantam te repareren, 
daermede alsnoch besich syn, maeckende na haer wyse, diverse groote 
bolwercken, daervan meyninge zyn jschut op te planten, theeft de 
name sulcx tegen de Spangiaerdcn geschiet, maer achte dat het 
voomementlyck onsenthalven gedaen wert. 

Venninderinge van de groote tollen hebben wy van eersten aff 
versocht en syn continueelyck daeromme solliciterende, hierentegen 
is van des Pangorans zyde wederomme veele gedaen omme nieuwen 
tol van sandelhout, oliphanstanden, iser en alle andre waren te be- 
comen, maer doen wy sulcx met beleeftheyt niet langer conden ex- 
cuseren, hebben tselve plat uit gerefuseert. Alsnu seggen sy, soo 
men affslacb van den pepertol begeert, dat dan verdragen sullen 
moeten omme van alle andere waren tol te geven. Dit hebben wy 
oock geheelyck verwori^ ende voorgeslagen, dewyl den Pangoran 
in alle manieren geit en groot gewin is soeckende en niet geeme 
affslach sonde geven, dat sy dan d'Engelsen uit den peperhandel 
excluderen, soo sullen wy oonnen resolveren, hem een groote tol te 
laten houden en oock de peper tot goeden pryse connen coopeu. 



1 op den 4 rebroarij 1616 was eene Spaansche vloot van 25 zeilen van Manila 
vertrokken, onder bevel van Don Juan da Silva, die schijnbaar het doel had van een 
aanslag op de Molnkken te willen doen; doch die heimelijk voortzeilde tot nabij 
Singapoere, alwaar da Silva meende z^'ne magt bij die der Portugezen te voegen, 
om dan te zamen Bantam en de Nederlanders aldaar aan te tasten. De nederlandsche 
admiraal Steven van der Hagen had echter in december 1615 de galjoenen der Por- 
tugezen b\j Isla de Naos vernield en dientengevolge had da Silva zQn verderen togt 
naar Bantam uitgesteld, tot dat nieuwe schepen uit Goa zouden zijn aangekomen. 
In afwachting daarvan, stierf da Silva binnen Malakka, en bleef de aanslag op Bantam 
veredeld. 



81 

want als den peper alleen in handen hadden, soo souden deselvigè 
in Eiu*opa in reputatie gehouden connen worden, daer nu ter con- 
trarie de kladde in is. Hierop is ons gevraecht, dewyle d'Ën- 
gelsen haer sulcken exclusie grootelicx souden belgen, off deseu Co- 
ninck tegen d'Engelsen wel souden connen en willen assisteren, in- 
gevalle sylieden alsdan Bantam molest vielen ende Chinese joncken 
aenhaelen wilden; daerop ten exempel hebben gegeven tgene in ge- 
lycken caso (sic) volgens contracten met den Coninck van Tomaten 
en die van Amboyna gemaeckt tegen d'Engelsen is passeerende. Soo 
wy eenige groeten om assistentie off faveur tot affelach van den 
groeten tol aenspraecken, gelieten sy haer, gelyck off noyt geweeten 
hadden, dat van ons soo onredelicken tol betaelt wierde, en ant 
woorden niettemin dat patienteren mosten, tot dat het gouvernement 
in haoden van den jongen Coninck getransporteert sy, want daer 
niemant in't lant is, zeggen sy, die den Pangoran Gouverneur daer 
van soude durven aenspreeken. 

Soodat ick alsvooren andermael segge, dat niets goets becomen 
sullen j tenzij Bantam (soowel als Tematen, Amboynesen en Banda- 
nesen en alle andre mooren) daertoe worden gedrongen, Den drang 
van de Spangiaerden syn wy selffs van hier weerende, den drang 
Tan den Mataram sal lancksaem bycomen en conde ons selffs mede 
wel hinderlyck worden, ergo moeten sulcx sell® doen en dan hoe 

eerder hoe beter want houde voor- 

seeker, gelyck mij ronduit van eenige vrieMen oock wel geseyt is, 
dat soo wy ons huys opbraecken en simpelycken van Bantam ver- 
troeken, sonder te wapenen te comen off offentie te doen, even 
gelyck off Bantam geheel wilden verwerpen en alhier geen peper 
meer wilden coopen, noch negotie doen, dat, segge ick daermede 
tot ons voornemen souden comen; ja als ons met cleenen affslach van 
tol niet wilden laten genoegen, en hart drongen, dat d'Engelsen van 
den peper excluderen sullen. Dit stuck schynt bycans d'aldervorder- 
lyckste voor de Generale Cómp te wesen, omme met 't beste ge- 
mack tot goeden stant te geraecken en de geheele Indische negotie 
te incorporeren, want my dunckt onder correctie, dat de Heeren 
als dan de MoUucques, Amboyna ende Banda deffensivelyck beset- 
tende, de Portugiesen, met eenige schepen op de custe vanMalabar 
te houden, souden connen verhinderen peper over te voeren en dat 



82 

men Halacoa bequamelyck sonde connen venneesteren ende aldaer 
de hooflplaetse ende generale rendez-vons stabilere sonder in Indie 

meerder vyanden te maeeken. 

• •« • ••••■••••••••••••••• 

Dewyl met die van Bantam niet te handelen is, tensy dat het 
ut snpra ten uitersten comt en dat het ten uitersten wachtende te 
laet sonde wesen, soo hebbe den Coninek van Jaccatra voorgeleyt, 
800 de Spaense armade comt off ons wel toestaen sal, eenige ver- 
sterckinge tot diffentie te maeeken, waerop niet veel bescheet hebben 
connen bekomen, wy syn voorder in bespreek van een casteel te 
bouwen geraeckt, niet dat van den raet daertoe last hebben, off 
dat het oock onse meninge sy; maer omme desen Coninek voorder 
te ondertasten en die van Bantam daerdoor tot redelycke handelinge 
te brengen, het schgnt naer wy verstaen, dat de Coninek geheelyck 
gesint is, omme een casteel voor een redelyck stuck gelts te ver- 
gunnen, doch alsoo hy in dit stuck eenigen ontsiet, wort de vol- 
comen uitspraeck vertrocken. Off het geraden zy hierna iet te doen 
off niet, zullen voor dees tyt niet disputeren, alleen seggen, dat 
het de Comp. niet dienen sonde, d'oncosten daervan te dragen en 
dat d'Engelsen tot verseeckeringhe haerder Indischen negotie, daer- 
onder souden schuylen. 

Den Coninek van 't Cherebon, een plaetse tusschen Jaccatra en 
Japara gelegen solliciteert mede seere, dat daer volck te resideeren 
souden senden. Het is een plaetse, daer mede te becomen is, goede 
quantiteyt rys, doch olie, boontjes, aguyn, loock en diergelycke meer 
dan tot Japara, waervan die van Malacca goetgerieff syn treckende. 
In Japara syn eenige houten en rieden huysen tot verzamelinghe 
van provisien gemaeckt, daer is goede partye steen en calck vei^a- 
dert, maer geen gebouw begost, weete oock niet wai voortganck 
sulcx nemen sal. De H'. Doenssen heeft verleden jaer over de 500 
lasten rys van hier in 5 maenden gescheept. 

By den H'. admirael Verhagen en den Raet syn aen den Mataram 
vereert twee halve cartouwen, 'tsedert hebben haer niet geschaemt 
twee andre, met seeckere diamanten en gout voor den Mattaram te 
coop te eysschen, doende daerby allegatie, hoe aldaer geen tollen 
betaelt en toch Bantam soo excessive lasten goetwillich voldoen. 
De Heeren stellen in bedencking voor, off dese plaetse tot een 



55 

rendez-vons niet beqoaem sonde wesen, waerop ten antwoorde zegge 
dat alsoo de qnartieren van Japara abondant van rys en alle lyff- 
tochten syn, dat hier eertyt den stapel van de negotie plach te 
wesen, gelyck men oock in de Portugiese historie siet, dat doen ter 
tyt geen ander Goninck noch plaetse dan Japara voomemelyck ver- 
maert waere ende alle andre plaetsen van Java tot syne devotie 
stonden. Meest alle de Jambise peper can hier getrocken worden, 
gelyck de Javaense joncken oock goede qnantiteit jaerlycx brengende 
syn, maer de Bantamsen peper en sonde niet volgen, ten waere dat 
dese Ghinesen, Engelse ende andre Enropesche natie verhindert 
wierden, tot Bantam peper te coopen. Het fort can wel gemaect 
worden, dat men 't allen tyde te water in cas van oorloge, sonde 
connen seconderen, doch twy^ele niettegenstaande de presentatie 
door den Mattaram gedaen, off ons toegestaen sonde worden, een 
fort te bonwen en sonden de monssons in dese plaetse ons seer hin- 

derlyck wesen 

Toncherende 't verkiezen en verseeckeren van eenen Generln. ren- 
dez-vons, weicke de heeren, naest de verseeckeringe van Amboyna 
ende Banda hoochelyck syn recommanderende, dat is voorwaer een 
seer important stuck, welck soo haest by der handen dient genomen 
te worden, als de Molluqnen, Amboyna. en Banda, gelyck de Hee- 

ren seggen, verseeckert snllen wesen; 

my aengaende als een lichte scheepen, sal ick UE. myn advys licht 
en veerdich verhalen. In alsnlcken staet als tegenwoordel. de Mol- 
luqnes, Amboyna en Banda syn staende, segge ick dat men in Go- 
des name, de saecke behoort by der hant te nemen, mits dat in of 
voor de Molnqnes, Amboyna en Banda sooveel scheepen en jachten 
gebonden worden, als tot verhinderinge en versekeringe van d'En- 
gelsen en Indiaense negotianten van noode zy, gelyck mede dat in 
Banda alsnlcke fregatten en cleene jachten werden gebonden, dat de 
Bandanesen genootsaeckt blyven nit onse handen te eeten .... 

waer en wat de beqnaemste plaetse tot eenen rendez-vons zy, snllen 
mede aenroeren, ontrent Bantam off Mallacca sal het moeten geschieden , 
vooren hebben wy geseyt, soo simpelyck onderstaet van Bantam te 
vertreckcn, dat ons met d'affslach van d'excessiven tol snllen soec- 
ken te payen en honden, ja soo wg vorder ende hart procederen, ons 



S4 

met een weynich afblach van tol niet laten genoegen, dat se ver- 
bindtenisse met ons sullen aengaen en d'Engelsen ezcluderen. Hier- 
over can met goede aparentie geseyt worden , best te schynen, dat 
men de saecke alhier dient te beginnen, en soo d'Engelsen dan nit- 
geslooten wierden, dat ons daermede alhier souden laten genoegen 
en alle de macht naêr Malacca senden, om dese plaetse te vermees- 
leren ende sedia aldaer te planten. 

Maer soo d'exclusie van d'Engelsen niet en volchde, noch die van 
Bantam ons genoech deden, maer hert bleven, offte dat men sonder 
Mallacca aen te sien best geraden bevindt, alhier absoluitelyck aen 
te vangen, dat men dan alhier plaetse begiype, datelyck een goet 

fort bouwe en Gode d'nytcomste beveele •. . 

dat niemant hem vreemt late duncken, ick 

de stadt Bantam hier stelle, want late my voorstaen, snlcx wel ver- 
dient hebben en dat se licht om (te) vermeesteren en te honden sy 
en ontsie my niet d'occupering aen te raden 



XVL IisrsTETJCTiB vooB DEN E. Qbeeet Fbedebickx Dbttxff, 

Oppebcoopmak vak 't schip Baittam, gabnde wegens d'Eb. 

Heeb Gottvebneub-Gbnebael en Raet van Indien in 

Ambassate naeb den Mattbam, Ketsbb van Java. 

Wegen d'Ed. H'. Gouvemenr G-enrl. sal ü E. in 't lant na den 
Mattran reysen, omme denselven persoonelyck te spreecken en by 
Syne Majt. gecomen wesende, sal ü E. hem uyt den name van d'Ed. 
H'. G^ Genrl. 't medegenomen vereeren; voorder naer vrientelycke 
congratnlatie, conferentie ca behoorl. complimenten sal ü E. d^ Maj. 
vertoonen en rememoreren, voor desen by hem en den Commandeur 
van Snrck onderlinge geaccordeert en verdragen te syn, dat wy lie- 
den in alle vriheyt tot Japara souden mogen resideren, handelen en 
sooveele rys opcoopen als van noode mochten hebben, sonder eenige 
tollen te betalen, gelyck mede dat men alsulcke steenen huisen en 
oock een fort, soo men 't begeerde, soude mogen maecken, daeroock 
met groote costen aireede verscheyden materialen versamelt hebben, 
niettegenstaende toegeseyt was Syne Majt. d'onsen daertoe assisteeren 
souden. 



BK 

Item dat op 't versoeok, welck d'onsen uit synne Majt. naeme ge- 
daen was, aen synne Majt. gesonden en vereert syn, de twee heere- 
lickste stacken, welck in geheel Indien syn hebbende, en noyt 
diergel. aen eenige potentaet gegeven is, maer alsoo onsen opper- 
coopman van de logie dese stncken aen seeckere syne Edelen heeft 
laten volgen, sonder die selfiGs aen synne Mag* te integreeren, de 
selvege regenten andermael niet alleene twee diergeL stucken, gel. , 
off aen synne Mag* geene gegeven en waren, zyn eysschende, maer 
oock onderstaen d'onsen aff te dringen verbiedende geen rys te 
mogen coopen, waerdoor soo seere geincommodeert worden, dan (dat) 
genootsaekt souden worden, snlckx continuerende, het bouwen van 
een huys niet alleen na te laten, maer oock de plaetse te begeven 
(verlaten.) — Derhalven alsoo niet en soecken dan in vrientschap 
met syne Mag* te continueren ü E. hem vrientel. gebeden wil heb- 
ben, de twee stucken wegen syn Princel. Excellentie en d'Ed. H^ 
GenrL gegeven in danck aan te vaerden en ordre te stellen, dat 
onse cooplieden in alle vryheyt alle de rys mogen opcoopen, die 
veyl is, sonder dat sulckx wederomme in eeniger maniere belet, 
verhindert off verboden worde, presenteerende sulckx met alle billicke 
redelyckheyt te verschuldigen. Ende byaldien wederomme twee 
diergel. stucken geeyscht wierden, sal U E. hem (zich) excuseeren, 
dat hy (gy) noch oock geene van alle de Gapiteynen herwerts over, 
sulckx niet vermogen toe te seggen, veel minder voldoen, dewyle 
het stucken van onsen Prince zyn, ende voorgaende door ordre van 
Syn Excelen*. als Ed. Er. Oenrl. gegeven syn geweest, dan dat U 
E. aenneempt den eysch van Syime Maj*. naer Hollant over te 
schriven en aen d'Ed. Hr. gnrL te vertoonen, gel. mede syn uiterste 
beste te doen, omme t'eflFect van Synne Maj*. begeerte te procureeren. 

Voorder sal ü E. schriflelycke vryheyt volgens belofte aen van 
Sorck gedaen, versoecken, omme alsulcken fort off steenen huisinge 
tot onser verseeckeringe tegen alle buyten vyanden te mogen bou- 
wen, 'tsy dan daar nu de logie is, op het berchgien aen d'overcant 
van de riviere off elders, daer het van d'Ed. H"". Generael goet ge- 
vonden en geordonneert mach werden, sonder daertegen soo onbe- 
hooriyek verbont te maecken gelyck van Surck in de generale ter- 
men dede, als te weeten, dat men den Mattram niets en sonde 
weigeren mogen, hetwelck te beloven in syn vermogen niet enstondt 



S6 

en dien volgende by d'Ed H'. Oenerael en raet niet geconfinneert 
noch voldaen con worden. 

Ende dewyle de Mattram d'onsen in syn schnt en beschenninge 
aldaer is nemende, sal U£. vastelyck toeseggen mogen, soo Synne 
Haj^ van synne vyanden geassalteert worde, dat reciprocelyck al- 
daer naer vermogen alle mogelycke assistentie sullen doen, belovende 
mede byaldien Syne Maj*. iewers te water een armade sondt, dat 
onse schepen haer in hunne v^oyagie geen verlett off verhinderinge 
sullen doen, maer vrientelycke faveur bewysen en oock des begee- 
rende onder 't schut van onse schepen (gelyck hy d'onsen in syn 
lant doet) sullen beschermen, sonder ons voorder te verplichten. 

Ende vermits door die van Bantam alsoo getracteert worden, dat 
t'onser ontlastinge en verseeckeringe eenich expediënt by der hant 
genomen dient te worden, sal UE. neerstelyck onderstaan, hoe 
den Mattram tegen Bantam gesint is , sien off hij niet begeerich sy 
na alle het geschut en 2 il 3 hondert duisent realen, welcke sylie- 
den versamelt en d'een en d'ander geweldelyck afgedrongen hebben, 
gelyck mede off hy niet gesint en is den oorloch derwerts te wenden, 
als oock off hy wel Conninck van Bantham en consequentelijck Heere 
van geheel Java soude begeeren te wesen, aenseggende dat die van 
Bantam hun op ons verlaten en aldaar Connick blyven en wesen 
sal, die het Oodt, met ons, sal gelieven te geven, omme ten lesten 
a proposito te comen en te vernemen hoe 't hem gevallen soude, 
soo wy met Bantam in oorloch geraeckten, off hy met ons tegen 
Bantam wel iets soude willen aennemen en de stadt en 't landt ver- 
meesterende off hy wel een vasten verbonde met ons soude willen 
aengaen omme ons de stat van Bantam tot libre residentie te geven , 
en den peperhandel aen ons te vergunnen en verbinden, mits dat 
Synne Maj^ daertegen soude genieten , sulckx metten andren verdra- 
gen mocht worden, hoorende daertegen synen eysch en ook bot 
biedende. In resolutie is gearesteert, dat UE. den Mattram en Eedelen 
vereeren sal 't gene als nu mede gevende syn, en de rariteiten die 
meer becomen sal connen, tot omtrent de somme van 3 a 400 R. 
doch soo tot Japara by den raet geraetsaem wierde geacht de somme 
te verminderen, off vermeerderen, syn wy sulckx t'haerder dispositie 
stellende. Den coopman van de Martt off iemant anders van de 
logie sal U E» mede opwaerts nemen, gelyck mede alsulcke perso* 



57 

nen meer als aldaer geraden sullen vinden tot geselschap en rede- 
lycke snitte te behooren. By aldien de reyse soolange duurde, dat 
het schip Bantam volgens onse ordre ondertusschen na Anboyna ware 
vertrokken, sal U E. tot Japara bleven omme hem mette eerste ge- 
legentheyt herwrt*. te transporteeren, doch met andere schepen ge- 
legenheyt becomende, omme naer Amboyna te mogen varen , sal 
hem mede derwerts transporteren, rapport van dese syne Ambassate 
doende, aen d'Ed. h'. Genrl. Reaal, d'admirael St. Verhagen en ra- 
den van Indien. 

Ende geduerende den tyt UE. tot Japara soude mogen wesen sal 
aldaer in den raet presideeren gelyck hem mits desen daertoe autho- 
riseerende en den oppercoopman van de Martt en alle anderen die 
't aengaen mach, mits deesen ordonneeren en bevoelen hem als 
president en hoofd te erkennen, respecteeren en obedieeren. In aller 
manieren U E. oock trachten, dat d'Engelssen in (dien't) eenichsins 
doenlyck is, van Japara excludeert worden en van daer blyven. 

Den oppercoopman van de Mertt sal U E. aenseggen dat ten naerder 
ordre niet en beginne de gedissingneerde toome te bouwen, maer dat van 
meyninghe syn soo haest het onse casse can lyden, geit te senden, 
omme eerst noch een andre groote partye calck te doen versameien. 
Godt geve u hiermede geluck en voorspoed. 

In Jaccatra, Adi 9 november 1616. 



XVII. Rbmonsteantie doob Balthazae van Etkdhovbk, 

VAN PB GHBLBGBNHETT VAN DEN MaTTABAMSCHB KeTSEB 

VAN Java, ende van de negotie die tot Japaba 
SOTTDE cttnnen ghbdaen wobden. Anno 1615. ^ 

Eerstelyck van de steden ofte plaetssen onder de juredictie van 
den Mattaramsche Keyser van Java, van steden die lantwaerts in- 
legghen, ghenaempt als volcht: Paty, Pajangh, Toereyman, Klyamat ^ 
ende noch veel andre plaetssen ende steden , die Zyn Majesteyt van 
syne vyanden verovert heeft, want aen de oostzyde van Java resteert 
anders niet als Sorbeye ende Passerwan. 



1 Dit stok is vcnnoedelyk aan den opperkoopman G. F. Druyff medegegeven tot 
zijne onderrigting, b^ zijn vertrek als gezant aan den Mataram. 



58 

Ten tweeden, van de zeeplaetsen van ditto Keyser, strecken hnn van 
Jawana tot Cerebon toe , daer tnsschen is gheleeghen Japara, Tedoenan , 
Brahem, Damma, Ersbeyen, ^ Samarang, Kandael, Tegel ende veel 
meer andre plaetssen, die wel bewaert worden met soldaten ende oock 
wel versien van slnytboomen , pallasaden als anders voor haer vyanden. 

Ten derden, de vyanden die ditto Keyser heeft syndese:Toeban, 
Lassam, Brondon, Sorbeye, Passerewan, die samen in contrackt ge- 
treden zyn om teghen den Mataramsche Keyser te oorlogen, Anno 
1615, maer te lande is hy se maehtich ghenoech, maer ter zee syn 
de Toebanders meesters. 

Ten vierden, wanneer men den Keyser belieft te spreecken soo 
moet men eerst een Gouvemenr te kennen geven van eenige voors: 
plaetse, die alsdan een recade naer den Mattaramsche Keyser sendt 
om consent te vraghen om by Zyne Majesteyt te comen, ghelyck 
wylieden voor desen gbedaen hebben. 

Ten vyffden, als men naer den Keyser wil reysen, moet men 
passen in Appril ofte Meyo ten langsten daer te trekken, want Syn 
Maj*. in Junyo te velde treckt ende dan absent is, ghelyck ick be- 
vonden hebbe, ofte in October soo is ditto Keyser met zyn heyr 
wederghecomen, ende soo ghy der later treckt als October voors: 
soo is den wech soo diep, dat men se niet gebraycken can, anders 
is hy int jaer niet te spreecken. 

Ten sesten, van den Mattaramsche Keyser regeringhe, bestaetniet 
alleen aen syn persoon, maer mede aen dees twee raedtsheeren 
ghenaempt Kalifagypan, dat den oppersten paep is, een beleeft 
man , ende aen den Gonvemenr Generael ghenaempt Kaiy Sorandanj , ' 
twelck twee oude mannen zyn, doch den Keyser met zyn raetshee- 
ren regieren met stranghicheyt , alsoo het een groot ryck is; wat 
de voors: Raden doen, bevalt den Keyser wel, alsoo hy jonck is, 
ontrent 23 jaren oudt, vreedt van ghesicht als een turck, ende aen 
haer reffere(ren) alle zynne saecken, met weten van Zyn Majesteyt, 
als ick selve bevonden hebbe. 



^ Tidoenan, Barahan, Demak, op Java, Arosbaja ligt op Madura; de in den 
aanvang van dit stuk genoemde plaatsen, Toereyman en Klyamat zijn mij onbekend. 

> Voor deze vermoedelijk verbasterde titels, heb ik vrucbteloos naar eene uitlegging 
gezocht. Kalifagypan, is waarschijnlijk een zamengetrokken woord, waarvan het eerste 
gedeelte, wel khalief beteekenen zal. Het eerste woord van den tweeden titel xal wel 
zign Kiai. , 



59 

Ten Bevende, van de incompste die de Eeyser meest heeft is 
van den rys, die in zyn landt overvloedich wast, want alle jaer 
ettelycke hondert joncken met rys gheladen worden, alsmede soudt, 
olie, suyeker, ajuyn, loock, catoene garen; daerenboven heeft Zyn 
Maj^ incompste van bnyten van de cleetjens, die de inwoonders van 
Mallacca met groote menichte halen, als oock de Maleyers die se 
van Johoor brenghen, meede van peper, rottang, was, tin ende 
meer andere goederen, die de Chineessche vnyt China brenghen als 
anders, moet den cooper die den rys vuytvoert als andre waren 
meest thien ten hondert betalen, ende den vercooper 2 a 3 percento, 
maer het eene gheeft meer als het ander, maer wylnden betalen 
nieners in Zyn Majesteyt landt gheen tollen, want ons de Eeyser 
het tselve vereert heeft, ende ons daer schrift van verleendt. 

Ten achsten , van de plaetssen , die onder de jnridictie van den Eeyser 
zyn, om profyt voor de Compagnie te doen, zyn dese: Pajangs ende 
Pati, Eoedns, Samarang,. desghelyck by den Mattaram daer veel 
cattoene garen valt, alsmeede olie, hetwelcke men sonde cnnnen be- 
comen teghen cleetjens, oock deselve teghen plancken als andre 
goederen te vermangelen, sonderlinge isser gheen meer profyt te 
doen van de waren, die hier te lande vallen, (dan) die men met 
cleeden soude cunnen becomen. 

Ten negensten, de waren die hier vallen is meest rys, boonen, 
soudt, snycker, cattoene garen, loock, ajuyn, cokusolye, als andere, 
want de Javanen als Maleyers, (ge)schoren chineessen, Guseratten 
voeren alle jaer wel 50 joncken met rys naer Mallacca, daer zy 
cleeden voor retoer brenghen, als, o. a. naer Jambie soo rys als 
soudt, oock Javaensche cleeden, ghenaempt hyjoo ende crimkram, 
suyeker, loock, ajuyn, clappesneuten, ende voor retoer. brenghen 
peper, twelck avans gheeft als de Chineessen hier comen op de 
reyse, van één, vyff. Oock gaender veel joncken naer Johoor, Pahan 
met rys, soudt, suyeker als andere cleyne waren, ende voor retoer 
brenghen cleeden, tin ende goudt, ende herwaerts comende naer. 
Japara, doen meest het eylandt Bomeo aen, daer zy de cleeden ven- 
ten, alsoo die cleeden hier niet wel getrocken zyn, brengen daervoor 
santgoudt, was, rottang, ende mattwerck; voorts gaender alle jaer 
veel joncken met rys naer Amboina, Banda ende naer Seram, daer 
sy meede goede voiagie doen, want vercoopen daer epn coyangh 



60 

ofte last rys voor 40 a 50 realen van achten , ende hier in Japara 
coopen zy se in, ten alderdiersten voor 5, 6, 7, 8 realen van achten 
twelck goet avance gheeft ende voor retoer brenghen Seramsche kie- 
kens ende met reale van achten. 

Ten thiensten, 't comptoir van Japara is de Compagnie dienstich 
ende profijtelyck, ende dient in gheenderley manieren verlaten, maer 
veel meer tselve te evectneeren, eerstelyck om deMollncqaes,Banda, 
Amboina alsmeede de schepen te versien van viveres, als rys,boonen, 
cocns olye, plancken ende andré hontwerck, loock, iguin, suycker, 
rottangh ende beestiael, als arack, want men de voors. viveres op 
gheen andre plaetssen gheleeghen, voor snlcken cleyne prys can be- 
comen als te Japara, een last rys coopt men voor 5 realen van achten 
daer men in Grece , Maccasser 20 a 22 realen van achten voor moet 
betalen, maer den witten alderbesten rys 't last van 8 tot 9 realen, 
twelck is becans als Melaensche rys, t last boonen voor 11 a 12 
realen van achten , cocnsoly, 8 flapkannen voor een reaal van achten, 
3 plancken voor een real soo lanck ende breedt als de Bantamsche 
plancken die zy aldaer voor 58 realen van 8" thondert coopen, ende 
daerenboven veel beter van hondt^ een os voor 4 a 5 realen van 
8"^, wasch van 17 tot 18 realen van achten, tpicol, rottang, 15 bossen 
een reael ende andre cleyne waren seer goeden coop, twelck al 
dienstich naer de Mollncas is. 

Ten elfsten, voorts sonde men hier cnnnen becomen groote qoan- 
titeyt van Jambeesche peper voor 3 realen van achten, tpicol suyver 

goet, te weeten 120 Amsterdamsche ponden, want ick deselve hier 

» 

alsoo inghekocht hebbe met cleeden tot 3 realen ghereeckendt, ont- 
trent 1000 picols, hadde ick capitael ghehadt, soude wel een ofte 
twee scheepsladinghe becomen hebben van 400 lasten, alsoo hier 
7 a 8 joncken vau Jambee gearriveert waren met peper ende meynde 
de Chineessen hier te verwachten die vuyt China comen, doch qna- 
men niet alsoo zy verongheluckt waren op de zee, want hier aUe 
jaer twee joncken vuyt China quamen, die den peper coopen voor 4 
realen van achten 'tpicol, soo dat den peper installich wert, ende ick 
gheen capitael hebbende, zyn vertrocken naer Grece ende andre 
plaetssen, maer hebben myn ghepresenteert den peper alle jaers te 
brengen voor 3^^ reael van 8", 't picol, waerop wel dient gheledt te 
werden, alsoo wy gheen tollen betalen, want hy soude veel beter 



61 

coop vallen als den Bantamsche peper, want men heeft anno 1615 en 
1616 den Bantamsche peper inghekocht 25 a 22 realen van 8° de 10 sac- 
ken, ende daerenboven 50 realen van achten van toll van hondert 
Backen, twelck is 50 picols, twelck veel dierder, oock slechter peper 
als den Jambeesche peper. 

Ten twaelfEkten, oock sonde men met de Chineessen connen accor- 
deeren dat zy groote qnantiteijt van rouwe zyde ende zydewaren 
brochten, als ick voor desen naer Bantam ghesonden hebbe, taffata 
de cleyne soorte, doch goet goet 9 k 10 realen de corge ende de 
andere soorten naer advenant, satynen van alderhande colenren 4 Realen 
't stnck, fluwelen van alderhande coleuren 5 a 6 Realen van achten 
't fituck ende andere soorten van Chineesche waeren tot cleyne pryse. 

Ten derthiensten , meede can men hier becomen quantiteyt van 
sandtgout, dat van Benjarmassin gebracht wort voor 17 a 18 realen 
van achten teyl, twelck is de swaerde van 2^ reaal van achten, 
hetselve in Succadane wel dienstich sonde wesen tot incoop xm 
diamanten. 

Ten veerthienste, de natiën die alhier comen trafBkeeren ende han- 
delen zijn alleen Chineessen, Maleyen, Guseratten ende Javanen, 
die van alle plaetsen hier comen om dese landtsvmchten te laden 
ende haer goederen te venten, als goudt, cleeden, rottangh, was, 
tin, peper ende matwerck, iser ende andere coopmanschappen, comende 
vuyt China. 

Ten vijjSUiiensten, oock isser gheen bequamer plaets indesMatta- 
rams zeeplaetsen van 31 revieren, die in zee loopen, als Japara om 
profijt fe doen, alsoo onse schepen daer ghevoechlyck cunnen ancke- 
ren, ende alle de vreemde joncken hier comen, aJsoo op alle de 
andre zeeplaetsen gheen reede is als Japara voors., maer de schepen 
die hier eenige ladinghe willen inneemen, moeten in dese naervol- 
gende maenden hier niet comen, want het dan in het hertjen van 
de weste mouson is, ende soo onweert, als ghebleecken is met den 
XSd: Heer Oenerael Oerredt Reynst, in de maendt van Januario, die 
hier 6 anckers lieten staen, ende de schepen diversche reysen aen 
den grondt stieten, soodat men hier moet comen int eerste van De- 
cember, ende niet gheraden is in Januwario ende Februwarie met 
groote scheepen Japara aan te doen, maar met de ooste mouson is 
langs de Javaensche custe moy weer* 



6i 

Ten sesthiensten, wanneer den Mattaramschen Keyser te velde 
treckt 800 vergadert hy ontrent 300,000 mannen, d'een jaer meer 
d'ander jaer minder, die te lande trecken, ende te water heeft Zyn 
Majesteyt onttrent. 35 galeyen ende andre groote pranwen, wel ver- 
sien van volck, maer weynich amonitie van oorloghe. 

Ten seventhiensten, om met den Mattaramsche Keyser contrackt 
te maecken van gheen Enropische natiën in zyn landt te moghen 
handelen als d'onse, twelck wy wel sonde vercryghen, alsoo hy tot 
ons seer gheneghen is, als ick selfs bevonden hebbe. 

Ten achtthiensten, t'hnys dat de Compi^ in Japara heeft is anders 
niet dan van riet ende atap, doch den Keyser heeft ons een plaets 
ghegeven 50 vadem int viercant, waer wy het begeeren, om een 
steenen hnys op te maecken met een steenen mner rontom, casteels 
ghewyse naer ons believen, daer den Oonvemenr Oenerael van den 
Mattaram, ghenaempt Key Sorandani, den steen heeft toe laten 
maacken; oock sonde hy 't hondtwerck bestellen ende ick hebbe 
20,000 steen van ontfanghen, alsoo der 800,000 steens gemaeckt is 
tot voors. hnys ende mner, ende andre gunsten als alles blyckt by 
het jonmael van myn, ghehonden van de ambassada naer den Mat- 
taramsche Keyser, A^. 1614, in de maendt van Meye begonnen. 

V. Ed: dienstwillighen dienaer, 
(geteekend) B. v. Eyndhovek. ^ 



XVIII. De DiEEOTBiTE-GBirBBAAL Jan Pietebsz. Coen aan 
DE Bbwindhebbebs deb Genebale Oost-Ind. Comp. 

• (Heeben xyn.) 

Jakatra, 22 angnstus 1617. 
Emtfeste, enz 

Nevens dese gaen copie van d'onse gesonden p'. de schepen (die 
d'Heere geleyde) t'Hart, Amsterdam, Nieuw Zéelandt en Westvries- 
landt, waervan d'inhoude confirmeren, biddende dat naer comen 



> Vennoedfilijk is B. van Eyndhoven met 6. van Zurck mede naar den Panem- 
bahan gezonden. 



65 

werde, 't gene de welstant der Generale Comp. verheyscht ende ge- 

legentheyt gedoocht 

Voordesen snllen UE. hoopen wy verstaen hebben, hoe snood het 
tot Bantam was gaende , wat monopolie metten peper gepleecht wiert 
en hoe men geen recht becomen oost, als oock wat van onser syde 
tot dien tyt daertegen gedaen was. Zeer cort naer 'tvertreck van 
Westvrieslandt wierd ons soo in peper sjÏB contant geit gelevert en 
betaelt 't complement van de 3000 sacken peper, die wy de Chine- 
sen hadden affgeheyst, tot de depesche van Westvrieslandt, onmie 
de joncken vry onbeschadicht op de reede van Bantam te laten comen , 
opdat het different door oordeel van den Pangoran met zyn eedelen 
vrientlyck sonde mogen werden beslecht. ^ De Joncq tegen voors. 
betaling gerelascheert wesende, soo hebbe ick verscheydene reysen 
aen den Pangoran doen versoecken , dat het hem sonde gelieven een 
generale vergaderinge te doen beroepen en beyde partyen te hooren 
en recht te wysen, presenterende my hetselvige te onderwepen. My 
wiert geantwoort dat het geschieden sonde, dan alsoo daerop nieten 
volchde, maer die van de Chinesche joncqne hnn dagelicx gingen 
valeren op onse debitenren, vercopende hnysen, vronwen ende kin- 
deren en afdringende wat voorhanden was soo 

ist dat hierop ter presentie van eenighe leden van de stadt, de prin- 
eipaelste van de Chinesche joncq hebbe ontboden ende hnn belast 
dat onse debitenren ongemoeyt sonden laten en weder restitueren 
tgene hon airede met gewelt sonder myn ordre hadden afgedrongen, 
op pene dat anders doende, de joncqne wederomme sonde aentasten. 
Naerdat ick omtrent 14 dagen vertoeft hadde omme voor den Pan- 

joran te compareren soo ben wederom van 

Bantam naer Jacatra gescheyden 



• 



Soo is den lOden may een groeten brant rontsom ons hnys gere- 
sen, daerdoor nyet alleen alle onse rieden hnysen verbrant syn, 
maer oock veel Javanen hnysen binnen de stadt, den brant was 
seer schrickel^k, doch heeft Oodt loff van de Comp. niet anders 
dan de rieden hnysen gheconsnmeert, alsoo lange te vooren, daer- 
tegen ten beste versien hadden. Tis seecker dat desen brant a posto 

1 Deze jonck was door Coen in beslag genomen, omdat de Chinesen, zooals h\j 
meende, hunne yerbindtenissen niet waien nagekomen. 



64 

gesticht sy, men sonde. mogen seggen, dat het door de Chinesen 
van de manhUschen joncken gedaen mach wesen, omdat hnn goede- 
ren geconfisqneert hadden; doch honden voor seker, door tgêene in 
handellnghe van saecken hehben gesien^ dat het den Pangoran selfGs 
heeft doen doen, ende dat off om ons te ondertasten, off om ons tot 
versoeck van steenen hnysen te bonwen te dringen ^ en zyn proffft 
daarmede te doen, doch tzy hoe 't is, wij hebben ons de saecke 
niet aengetrocken ende ons gebonden als off do brandt by gevalle 
toegecomen ware en datelyck weder ander rieden hnysen gemaeckt* 

Nadat tsedert den brandt een tyt lanck tot bonwen van steenen 
hnysen door toedoen van den Pangoran geport zyn geweest, en daer* 
toe niet hadden willen verstaen, hebben wy naderhandt om welstaens 
wille geresolveert, daertoe licentie te versoecken, opdat de wantronwe 
niet al te groot en wierde, doch hoe meer daerop aenstonden, dies 
te meer heeft den Pangoran hem weder geretireert ende dat nae 't 
schgnt om groote schenckagie te becomen, waerover de handelinge 
van 't bonwen weder hebben laeten vallen, wat voorder volgen wil 
sal den tyt leeren \ , 

In Jnlio passato is de Pangoran van Jacatra 10 daeghen tot 
Bantam geweest, zyn reys was ons oock vry wat suspect, daer- 
over oock henselyck gesocht hebbe hem van de reyse te diver- 
teren, dan alsoo desen Coninck hem wat swack bevindt, en daerover 
met alle de werelt geeme wel soude staan, hoeveel te meer met 
syn leenheere, heeft hy geresolveert omme jalousie wech teneemen, 
ende twistzaeyers te dooden, derwaerts te gaen, sich, soo hy seyde 
op syn goet gemoet verlaetende. Met ontrent 2000 man is hy tot 
Bantam geweest en daer soo van den jongen Coninck als van den 
Pangoran Gk)avemenr seer wel onthaelt geweest, doch claerlyck is 
gheblecken dat elckander weynich betrouden. Pangorangh Pontangh 
die mede onder Bantam sorteert en onder wiens name voor desen 
tegen den Coninck van Jacatra oorloch wierde bereit en heeft den 
Coninck van J&ccatra geen eerbiedinghe willen doen; hoewel de 
pangoran van Bantam hem sulcx tot drie malen toe belastte. 

De gemelde Coninck van Jacatra gekeert wesende, claechde hy 
my den droevig staet van Bantam; lek hebbe gesien (seyde hy) 
wat den Pangorang gouverneur gebiet, gedyt al door vreese; maer 



65 

800 der oorloch ontetaet sal d'ordre en gehoorsaemheyt gebreken; 
want daer en is geen liefde, groot geit heeft hy vei^aert. dan soo 
haest hij comt te sterven, sal 't ten qnaden gedyen, men sal teghen 
den anderen daerom twisten. Den jongen Coninckis een schoon, groot, 
volwassen man, hebbende 7 kinderen int leven en drie doot, doch 
hy heeft niet meer verstant dan een kint, wat wil't dan worden , 
d'oorloch is voorhanden; Passeman heeft de Mattaram gewonnen 
daer en resteert in 't oosten niet meer danSnrrebayaenTnban, van 
Bantam hebbe ick geen assistentie te verwachten , dit is de substan- 
tie van 't geene de Goninck onder andere discoursen mij van syn 
reyse heeft verhaelt. 

In nevensgaende missive van den heer generael ende raeden van 
Indien snUen de Heeren sien verhaelt, hoe door de invasie by d'En- 
gelsen op Ponleron in Banda gedaen, genootsaeckt sonden syn de 
verseeckeringh van een generael rendez-vons te vertrecken. Ick en 
sal dit poinct voor dees ty t niet seer aenroeren , want het aenstaende 
groot gewas, gelyck voor dese geadvyseert hebbe, moet in allen 
gevalle eerst inne wesen; doch onse becompste daervan hebbende 
sollen onse beste doen, omme met den Coninck van Jaccatra daer- 
inne te verdragen ende de saecke tot effect te brengen, alsoo UE. 
welstant daervan dependeert en gheen lang vertreck gedooght 



XIX, Db Dibbcteub-Genbeaal Jan Pietbbsz. Coek aak de 

BEWn^DHEBBBBS DBB GbBBBALB OoST-InD, CoMP. 

(Hbbbek xvn.) 

Bantam, 10 September 1617. 
Emtfeste &c. 

Ick ben van meninge ende hoope de Heeren dit jaer toe te senden 
Beven off 8 schepen met een rycke last, de Heere laetse UE. gewor- 
den; daer is om en torn soo goede ordre gestelt, dat ick hoope 
eerlange met de nagelen van Amboyna ende Molluques als noten en 
IV. 6 



folie van Banda, ontrent vier volladen schepen te becomen, behalve 
eenige peper van Bantam, waermede den prys alhier wel connen 
doen dalen, ten ey dat geraetsamer vinden den peper alhier hooch 
te doen honden, opdat het geit van d'Engelsen ende Francen niet 
verder streeke 

De Hr. Generael Reael heeft voor dese advys geeyscht, waer my 
docht de Generael behoort te resideren en waer de generale rendez- 
vons gemaeckt dient, hier op hebbe ampel geschreven en geantwoort 
dat het hieromtrent moet syn en syn £d. geraden metten eersten 
van de Molluqnes herwaerts te comen. lek hoope soo syn £d. comt, 
dat de Generale Comp. een groeten dienst geschieden sal, want de- 
wyle wy met den andren in d^allervoomeemste poincten, daerdewel- 
stant van de generale Comp. aen dependeert, gants discorderen en na 
eenen doel geheel contrarie maxime gebmycken, als te weten, d'een 
soete middelen en d'ander herde, sal' naer vrientelycke conferentie, 
en claer bewys, het best door den byeen wesenden raet gecosen en 
gebruyct connen worden, dat Godt gevel 

Alsoo den jongen Coninck, den Pangoran en alle den adel van 
Bantam hun, tusschen Jaccatra en Bantam met ontrent 200 goraps 
en prauwen waren gaen vermaecken, is den Coninck van Jaccatra 
aldaar weder by hnn gecomen en heeft haer binnen Bantam geleyde 
gedaen. Ontrent een maent naer desen, wort er geseyt, sal den jongen. 
Coninck, den Pangoran en alle den Bantamsen adel na Jaccatra varen, 
omme in de warande des Coninx aldaer te gaen jagen, soo dat het 
schynt alle de jalousie, die tussen de gemelde twee coningen was, 
te niet gedaan is, en nu groote vrienden geworden zyn, van waer 
off waeruit soo groote verandering hercompt, connen als noch niet 
seecker weten; doch is d'apparentie, dat de vreese van den Mataram 
hun alsoo doet vereenigen, waerop wel meer verandering sonde mogen 
volgen ende hoope ick, dat het ten besten van de generale Comp. 
door d' Almogende alzoo geschickt wort 



67 

XX. De Dibecteite Genebaal Jan Pietebsz. Coest aak de 
Bewikdhebbees dee Genbbale Oost-Ind. Comp. 

(Heebek XVII.) 

Bantam, 18 December 1617. 

Belangende den peperhandel; tot dat de peper alhier op 4 Realen 
de sack gedreven is en ruchtbaar geworden was, hoe wy de Chi- 
neese joncken hun peper affgecocht hadden en 't Wapen van Zeelandt 
in Jamby meest voUaden was, is ons, d'Engelsen en Fransen door 
den Pangoran en die van 't Hoff groote molestie en verhinderinge 
aengedaen. Niet dat men ons het peper coopen oyt verboden heeft, 
maer onder seeckere gesochte pretexten is ons, d'Engelsen en Fran- 
een het wegen alsoo verhindert, dat de schoonste tyt verloopende 
ende monopoliers dagelicx meer enmeerbegeerende, den peper tegen 
den andren tot 40 en 43 Realen de 10 sacken geresen sy, als 
wanneer den Pangoran en die van 't Hoff van hun guyterye affge- 
staen syn en het wegen weder liber en vry gelaten is. 

Myne Heeren, alhoewel wy 't recht ende macht in handen heb- 
ben, daermede ons lichtelyc tegen d'Engelsen souden connen valleren 
over d'insolentien, violentien en vilipendie, die ons in alle quartieren 
van Indien aendoende syn en dagelicx noch vermeerderen, dan 
dewylen het den stercksten best voecht den meesten last te dragen , 
soo ist dan oock dies te meer te patienteren (alhoewel het bykans 
onlydelyck valt) opdat onse onschult voor alle de werelt te meerder 
blycke; soodaer tans offte morgen, dat Godt gelieve te verhoeden, 
meerder ongeval, bloetstortinghe en schade uytspruyte, dan sy lieden 
over d'invasie inBandagedaen, geleden hebben. Met onse voorgaande 
is ÜE. geadvyseert hoe d'Engelsen alhier omgebracht hebben 4 
mannen van d'onsen, die sy by geval op straet sonder geweer res- 
contreerden, na seecker gevecht, dat (sy) met eenige andren van 
d'onsen gehadt hebben, daema toen 't Postpaert per costi vertrocken 
was, syn wy met alle de resteerende schepen weder na Jaccatra 
vertrocken omme alle wercken te vervordren en elck syns weechs 
te depescheren, soodat er tot Bantam weynich volckbleeff; met onse 
voorg. is ü E. mede geadvyseert hoe verscheyden gevangene Span- 



68 

jaerden en Portugeesen uit onse schepen gevlucht en by d'Engelsen 
geloopen waren, welcke den admirael Peppel plat uit geweygert 
hadde weder te geven, seggende dat het synne vrienden waren, 
ende alsoo naderhandt verstaen hadde , dat eenighe van dese aen 
landt gesien waren, hebbe aen d'onse last gelaten, dat hen, soo 
die becomen conden, apprehendeeren souden; t'is daema gebeurt 
dat de voorgemelde Spanjaerden en Portugeesen 14 stercq wesende, 
eenige van onse assistenten op straat rescontreerden, hun met seec- 
kere injurieuse woorden en 't geweer in de handt braveerden, waarop 
den oppercoopman Buissero den 22 Novemb. passato Tymen Michiels 
ondercoopman , met eenich volck gesonden heeft, omme hen te vat- 
ten, hierop syn eenighe gevlucht en hebben andren hun geweer 
getrocken en daertegen gesteld. Seeckere Engelsen dit spel aensiende 
vraechden watter te doen was, daerop d'onsen antwoorden, datse 
onse gevangenen wilden vatten. „Doet het soo ghy se becomen 
cont," repliceerde een van d'Engelsen, „wy hebben met de Span- 
jaerden niet te doen." Ons volck een van de Spanjaerden beco- 
mende, hebben sy denselven in ons peperhuys gebracht ende poorte 
geslooten, blyvende daerbinnen voornoemden ondercoopman met 9 
Nederlanders en 7 Japponders; omtrent een uyre daema syn d'En- 
gelsen met alle man, sterck wesende niet min dan 250 mannen, 
met alderley hantgeweer en piecken op onse logie gecomen, omme 
met gewelt daer in te breecken, tierende en roepende als doU be- 
seten menschen: Tymon, Tymon; doch verstaende dat den voorn. 
Thymen in 't peperhuys was, dat een viercant gesloten steenen 
huys is, syn sy met aUe man derwaerts gegaen en hebben de poorte 
met eenen groeten balck opgeloopen, voorz. Tymen met d'andre 
Nederlanders siende dat niet machtich waren hun te diffendeeren , 
syn achter uyt gevlucht en hebben hun in" een cleyn Chinees huys- 
ken verborgen, terwyle voorgemelde Japponders met hantgeweer 
seer cloeckelyck vochten ende poorte inhielden, doch alsoo veel te 
swack waren, synder drie van onse Japponders doot gebleven en 
d'andre Nederlanders hebben sy niet gevonden, in 't op en inbreecken 
van de poorte synder ook drie Engelsen gequest geworden en een 
van hun Bandanesen is door een van onse Japponders bykansdwers 
doorgehouwen. Naderhandt hebben d'Engelsen hun noch niet ge- 
fifchaemt te seggen, » soo 'voorgemelde Tymon met alle d'andre Ne- 



69 

derlanders gevonden hadden, dat sy die al 'tsamen doot gecapt 
sonden hebben. " Hierna de bottelier van onse logie , die van de 
merct qnam, door twee Spanjaerden gevat wesende, is door een 
Engelsen coopman, Grien genaemt, die in Snecadana gelegen heeft, 
van achteren de geheele mgge opgehouden; eenige bootsgesellen 
van den Tiger met seeckere andre assistenten, die (sy) sonder ge- 
weer op de strael vonden, hebben zy gevangen genomen. Dese 
tydinge tot Jacattra becomende syn datelyck eenige gecommitteerde 
na Bantham gesonden, omme van de saecke informatie te nemen 
en van d'Engelsen alsoock van den Pangoran recht te eysschen. 
Van den Pangoran en alle de werelt wort het voor een villeyn en 
horribel stuck verstaen, seggende: soo wy met Javaens recht te 
vreeden waren, dat hy daerover rechtdoen sonde , doch daer is niet op 
gevolcht, noch en sal (achte ick) niet op gedaen worden, want hy den 
vyantschap voet om d'een met d'ander te quellen , en in toom te honden. 
D'Ëngelsen hebben haer niet geschaemt het voors. stnck te ver- 
dedigen en schriftelyck staende te houden, seggende (gelyck de 
Heeren door d'acte onder couverte van den Heer Generael over- 
gaende sullen sien) dat alsoo een van hun volck door den coopman 
van den Tiger doorsteecken was, sylieden genootsaect syn geworden 
hun te diffendeeren. Hierop naerder informatie genomen wesende 
is bevonden, dat terwyle d'onse op een oort met voors. Spanjaerden 
besich wesende in een ander straet dicht by het hnys van d'Engelsen , 
twee bootsgesellen, een Nederlander en een Engelsman, beyde seer 
droncken wesende, malckanderen met vnysten sloegen, doch sy syn 
ongeschent van den andren geracet, maer alsoo een ander droncken 
Engelsman na hnys om geweer liep, syn de Japponders in dienst 
van d'Engelsen wesende met piecken en sabels op het gevecht uit- 
comende door een van him Japponders met een pieck onversiens in 
de borst geloopen en temggetredende voor haer stoep ter aarde doot 
gevallen, sonder datter eenige nederlanders omtrent geweest zijn, 
gelyck veel Javanen, Chinesen, een Fransman, en oock verscheiden 
Engelsen selfs, die in haer stoep saten, gesien hebben; doch het 
schynt, terwyle sy ons alle eenen grooten haet toedragen (en inson- 
derheyt voorgemelden Thymen Michiels, omdat hy een getrou dienaer 
van de Comp^' is en d'Engelsen in den ontfanck en afischepen van 
den peper veelfyts het voordeel afisiet,) dat de boosheyt van sommige 



70 

andere in eene onsinnicheyt gebracht heeft, wani alsoe der geroepen 
wierde Tymon! Tymon! even off hyvoors. man gedoothadde, hoewel 
naderhant gelyck vooren is geseyt, de coopman van den Tiger 
daermede accnseeren, en geen van beyde daeromtront syn geweest, 
syn sy ut snpra, met alleman gewapent op onse hnysen geloopen 
en hebben tgemelde vileyn stnek aengerecht , welcke met haer e^gen 
fauten soecken te verbloemen 

T'en is niet genoech dat den oorloch van Banda door d'Engelsen 
gevoet wort, dat die van Amboyna tegen ons opgeroeyt hebben 
gehadt, dat de Spangiaerden in de Molnques tegen ons hebben ge- 
assisteert, dat alhier op de cnste in Patane en. Siam en ten corsten 
geseyt alomme, groote insolentien plegen, op het respect welcklSyne 
Majt. van Groot Britanie en d'Engelse natie toedragen; maer sy syn 
daerenboven dagelicx hun best doende , omme met alle valsche prac- 
tycke en openbare logenen tusschen ons en dien van Bantam oorloch 
te berockenen. 

Alsoo hier seeckere tydinge gecomen is , soo die van Bantam hun 
onder den Mattaram niet en buygen , dat den oorloch welhaest op den 
hals hebben sullen, hebben d'Engelsen den Pangoran hierop oock aen- 
gedient en tot Bantam als Jaccatra en elders uytgestroyt, dat wy 
met die van Soerabaya, Palimbang te water en den Mataram te lande 
comen sullen, Godt weet wat er van is; doch by provisie doet den 
Pangoran zyn geschut op de wal tzeewaert brengen, de voordre 
calumnie en vilependie syn sonder endt. 

Voor desen hebben (wy) geadvyseert, hoe hier groot gerucht liep, 
dat er veel joncken door onse scheepen berooft geweest souden 
hebben, alsoock wat molestie ons tot Jaccatra aengedaen wierd,om 
reparatie van seeckere schade, die eenige Orang-Eays aldaer resi- 
derende, aengedaen was, naderhandt syn wy condich geworden, hoe 
de joncke van de Orang-Eays van Jaccatra dóór d'Engelsen berooft 
is geweest, gelyck mede een andre joncke van den broeder vanden 
Pangoran van Bantam, dat (sy) ons oock te last hadden geleyt. 
De broeder van den Pangoran, Gouverneur, synde genaemt Pan- 
goran Gabang, ha^de onder anderen met syn joncke tot een present 
gesonden een seeckeren quitasol, welcke alhier door eenige Engelsen 
onbedacht gebruyct synde is door hun herkent ende boosheyt ont- 
dect geworden. 



71 

Wy hebben goetgevonden vrientelyck aen d'Engelsen schriflelyck 
te versoecken, dat hnn gelieven sonden Pnlo Ron te ontruymen en 
in snlcken standt laten, als tselvige gevonden hebben en daerby ge- 
daen nienwe insinuatie en protestatie, dat van de MoUuqnes, Am- 
boyna en Banda biyven, off dat genootsaekt syn sollen, hnn ander- 
mael met gewelt te weeren , gelyck een yder van Uwe £• officieren 
in deselve acte belast wort, d'antwoordt alsook d'acte selfb gaet 
nevens dese , off onder coverte vand' Hr. Generael. 

Ende opdat niemant ignorantie protendeere, gelyck voor deese 
gebeurt is, alsoock om ons rechtveerdich doen, al de werelt te ver- 
eondigen, hebben wy goetgevonden , de gemelde acte buyten aen 
onse poorten, soo tot Bantam als tot Jaccatra in pnblicqne aen te 
slaen. Soo haest het d'Engelsen vernamen, dienden sy den Pan- 
goran van Bantam aen, dat wy hnn niet alleene de vaert op de 
MoUnccos, Amboyna en Banda verboden, maer oock de negotie op 
Bantam en alles inslocken wilden. De Pangoran heeft datelyck 
d'acte ontboden en alsoo men die niet aff con crygen, is de geheele 
poorte ten hove gebracht en heeft hy d'acte in presentie van d'En- 
gelsen wel duydelyck doen lezen; doch horende dat Bantam niet 
genoemt wierde, ja oock geen andre plaetsen dan de Mollnques, 
Amboyna en Banda, heeft hy hnn over d'onbeschaamde logenen 
heflich bestraft, seggende dat hy met de Mollnques, Amboyna noch 
Banda niet te doen en hadde, en dat het hem niet aen en ginck; 
dan seyde niettemin tegen d'onsen: doet het van de poorte, want 
ten causeert niet dan te meerder verbitteringe. Dese acte heeft 
d'Engelsen, soowell de Hooffden als de gemeene man vry wat be- 
roert en onder haer oneenicheyt gecauseert, want velen niet inne- 
waerts willen noch durven. Tis een tyt geleden, datter geseyt 
wierde, dat sy met 3 è, 4 schepen innewaerts souden varen, maer 
daer en volcht niet na en men hoort nu datse wel souden willen 
gaen, maer niet en durven, te meer dewyle hun sloepken sonder 
respect aangehaelt is ^. 



' Kort na den aanval der EDgeUchen op de Nederl. Loge te Bantam « was tus- 
sclien Bantam en Jakatra eene Eagelsche chaloupe met geweld door de Nederlanders 
gedwongen om de vlag te strijken. Nadat liet scheepje was onderzocht of daarin ook 
weggeloopen slaven van de Nederlanders, zdcli bevonden , liet de Gonvemeur- Generaal 
het aan de £ngelschen teruggeven. 



72 

T*iB my leet dat ick om d'Engelsen dus veel papier hebbe moeten 
becladden, te meer dewyle my den tyt Ie cort is^ omme U E. voor- 
gaende missiven pertinentelyck te beantwoorden gelyck geeme doen 
sonde, dan alsoo men Bantam om d'Engelsen sonde moeten mymen, 
of hier, soo leven willen, gamesoen aen landt dient te honden hebbe 
niet connen naerlaten UE. daervan te verwittigen, biddende in de 
saecke te voorsien, voorsoovele doenlyck sy, anders sullen hier noch 
meer ongelucken gebeuren, want het can aldus, niet bestaen; con- 
nen wy geen vrienden syn, laet ons d'oorloch publiceeren en laet 
ons oorloch voeren, want het te schandelyck en moorddadich is, 
dat d'een den andren sal vermoorden en doen vermoorden, tsy oock 
onder wat pretext dat het mach wesen, sonder datter eenich recht 
over gedaen worde. In sulcke conjuncture als dit zyn, lyden UE. 
aldergetroutste dienaers tmeeste peryckel. Eerst synder 4 doot ge- 
bleven, die de Comp. 10 k 15 jaren troulyck gedient hebben en nu 
drie Jappanders, die het leven van voorgemelde Nederlanders gesal- 
veert hebben, anders waren sy allen vermoert geworden. T'is al 
lange geleden dat d'Engelsen myselven den doot geswooren hebben, 
Godt wilt hun vergeven. 



XXI. De Dibegteüb Generaal Jait Pietebsz. Coen aan de 
Bbwindhebbebs deb Gen. O. I. Comp. (Heeben XVII). 

Bantam, 10 Januarij 1618. 

Emtfeste 

Belangende 't rende-vouz , het schynt dat die in de juredictie van 
Jaccatra wel soud mogen vallen, den eysch ende gelegentheyt van 
saecken d'Heer Generael ende Raet voorgestelt hebbende, is daerop 
gearesteert dat ick daermede voortvaren sal soo haest den tyt, d'oc- 
casie ende gelegentheyt van saecken sulcx gedoocht; 't geene ons 
tegenwoordich meest verhindert is 't gebreck van geit, schepen ende 
volck, als oock datter noch geen groote quantiteyt peper in voorraet 
is, doch peper can met geit vercregen worden, in voegen dat het 
aen U E. staet, soo 't Godt gelieft, dat de schepen de Goede Fortuyne 



73 

ende Zirckzee eerlange alhier behonden mogen ariveeren, sullen wy 
't beste doen. Soo de nootlycke middelen hadde , ick sonde ü E. wel- 
haest aen een beqnamen, wel gelegen rendevoaz helpen, sonder 
eenichsints de Mollucqnes , Amboina ende Banda te vercorten off in 
peryckel te stellen, provisionelyck connen wy ons genoechsaem tot 
Jaccatra behelpen ; d'ongelegentheden van Japara ende Candael hebben 
voor dese geadvyseert. 

De spraecke gaet nu sterek, dat de Mattaram haest herwarts aen 
comen sal, ja men voecht er oock by, dat wy ons met hem ende die 
van Pallinban sonden hebben verbonden, omme Bantam te ver- 
meesteren, hetwelcke by d'Engelse eerst wtgestroyt is, dat sy van 
eenige van d'onsen selffs verstaen souden hebben. Opt gene (ik) de 
Heeren, per forme van advys, desen aengaende voorstelle, sal te 
synner tyt wel gelet ende tusschen off met d'een en d'ander, niet 
dan voorsichtelyck met gemeen advys gedaen worden 

Nadat de twee France sehepen van Sint Malo een tyt lanck tot 
Atehyn gelegen hadden, hebben sy daer, voor de compste van onse 
schepen den Arendt ende de Yalck, goede partye peper becomen 
daermede geseyt wort den Admirael meest syne ladinge heeft. Van 
Atehyn syn sy door de straet van Malacca herwarts angecomen, in 
passant hebben Malacca aengedaen ende syn binnen de stadt geweest; 
de straet van Pallinban gepasseert wesendè, syn sy door de weste 
wint ende harde stroomen (alsoo de wal van Sumatra te seer schonden) 
ver beneden Bantam om d'oost vervallen ende van den anderen ge- 
racet. De Heer Generael Reael met de schepen Bantam ende Nassouw 
na Jaccatra varende , heeft den 28" passato by d'eylanden niet verde 
van de Versse rieviere van Jaccatra, gerescontreert den Vice- Admirael 
van S*. Malo, waeruit Syn Ed. met dreygementen becomen heeft de 
Nederlanders, die daerop vernamen, te weten thien persoenen; dit 
schip heeft inne , eenige cleden , indigo ende peper , maer seer weynich , 
het ander schip den Admirael is noch niet vernomen ; het moet binnen 
Jaccatra vervallen wesen, gelyck den tyt leeren sal, want beyde 
van meninge waren recht na Bantam te seylen; onse schepen leggen 
continaeelyck daerop wachtende, omme naerder visite te doen ende 
alle de Nederlanders te lichten 



74 
XXIL De Dibeoteub Gekebaal Jan Pietebsz. Goebt aait de 

BSWIITDHEBBEBS BEB GeNEBALE OoST-InD. CoMP. 

(Heebek xvn.) 

Voor Bantam, 11 Maart 1618. 

Emtfeste, enz 

Nevens dese gaet copie van onse jonckste, geschreven met de sche- 
pen 't Wapen van Zeelandt ende d'Eenhoom, waervan d'inhonde con- 
firmeren. Wy hebben U Ed. daerinne verhaelt d'aencompste vaat 
schip S. Louis van 8\ Malo ende hoe de Nederlanders daervan ge- 
licht waren. Door d'Heer Gouverneur Jasper Janz. (die met ditto sche- 
pen gegaen is), sullen de Heeren mede verstaen hebben, hoe d'Heer 
Generael Rael innewaerts varende, het schip S. Michiel ontrent Cara- 
wang ^ rescontrerende daervan de Nederlanders mede gelicht heeft; 
d'oversten van dese twee schepen overleden synde, is eenen Hans 
de Decker daerover generael gemaect ende alsoo denselven, met een 
boot aent schip Bantam voor Jaccatra leggende, gecomen was, ter- 
wyle syn schip door contrarie wint van Carawang niet opcomen cost, 
is hy daeraen gehouden. D'Heer Generael nam hem mede inne- 
waerts, dan van Carawang heeft hy ditto Hans de Decker met Jan 
Bossangyn weder terugge herwarts gesonden, met advyse dat wy 
deselve naer patria senden souden, ten ware met meer raden van 
Indien anders geraden bevonden, hebbende Decker aen de handt 
belooft dat hy na Nederlandt gesonden worden sonde. Wat Syn Ed. 
gemoveert heeft alsulcke beloften te doen ende Decker herwarts te 
senden, connen niet wel begrypen. Wy syn hierdoor in groote 
moeyten ende last geracet ende is de generale compagnie oock geen 
cleenen hinder ende nadeel geschiet, gelyck ÜE. sommierlyck ver- 
halen sullen ende de Heeren van d'overcomende vrienden breder 
connen vernemen. Jan Rossangyn, den. 17" Jannuario passato 's avonts 
met Decker voor Bantam arriveerende, soo het Wapen van Zeelandt 
ende d'Eenhoom seylreet lagen, heb ick ditto Rossangyn datelyck 
ordre gegeven voors. Decker int schip Zirckzee over te setten ; Decker 
des nachts van Rossangyn vernemende hoe hem niet geworden soude 
't gene hem van dHeer Generael toegeseyt was, is deselvige nacht 

1 Krawan^. 



7S 

vant fregat Ceylon aen een van d'Engelse schepen met syn twee 
dienaers gevlncht; d'Engelse hebben hem int hoff van den Pangoran 
van Bantam gebracht, daer verliepen wel drie dagen eer ick wiste 
waer Decker was ende soo haest snlcx vernam, hebbe na den Pan- 
goran van Bantam gesonden, opt vriendelyckste verthoonende wat 
placcaten datter van d'Hoog Mogende Heeren Staten waren wtgegaen 
ende daerover d'overleveringe van Decker versoeckende. Den Pan- 
goran heeft hem plat wt geweygert, seer spytich daerby seggende^ 
dat hy alle natie acces ende negotie in syn lant wilde vergonnen, 
dat het ons niet te doen was omme voor te comen de roverye, die 
sy op onsen name gedaen hadden off doen souden mogen, maer 
omme alleene de negotie f incorporeren , dan dat wy hier niet doen 
souden gelyck in de Mollucques, Amboyna ende Banda hadden ge- 
daen. Ons volck desen aflOscheyt eens gegeven hebbende, riep hy 
hun daema wederomme, soeckende de weygeringe met recht ende 
reden te bevestigen, doch besloot ten laesten andermael , dat hy Decker 
niet wilde overleveren, seggende dat hy onder de juredictie van de 
Hooch Mogende Heeren Staten Generael niet en sorteerde, ende alsoo 
ons geensints geraden docht de saecke hierby te laten berusten, heb- 
ben geresolveert het schip van ditto Oenerael Hans de Decker, 
S. Michiel genaemt, welck op dat pas van Jaccatra na Bantam was 
seylende in zee in arrest te nemen, omme Decker daerdoor te drm- 
gen van selflfe weder te keeren. D'ordre gegeven synde is het schip 
8. Michiel van d'onse den 23'' Jannuario niet verde van Bantam 
ontremt Tenara gerescontreert ende gearesteert, alwaer noch leggende 
is ende gehouden wort. Hoe dit den Pangoran van Bantam beviel 
ende wat vier de Francen ende Engelse, die dagelycx by Decker ten 
hove liepen gestooct hebben, connen de Heeren wel considereren, 
geen rodomontados , noch dreygementen wierden der gespaert, ende 
alsoo ick by my selven gedissegneert hadde de schepen Zirckzee 
ende de Goede Fortuyne noch aff te laden, so ben den 26" Jannuario 
van Bantham na Jaccatra vertrocken, omme te beter aen peper te 
geraecken ende onse schepen van Atchyn ende Jamby te vertoeven, 
als andersints tot Bantam ordre latende, dagelicx met opcoop van 
peper voort te varen ende dat tegen den opcoop, die by d'Engelse 
ende Francen gedaen wierde. Den Pangoran siende de saecke van 
Decker by ons soo hooch genomen wierde^ heeft hy eerstelyck met 



76 

raet van de synen geresolveert sich met de saecke niet te bemoeyen, 
maer ons metten anderen te laten geworden, doch by Decker ende 
de Francen is daema door groote schenckagie off groote belofte soo 
veele te weech gebracht, dat ditto Pangoran voorgenomen heeft ons 
met gewelt te dringen het schip S. Michiel te verlaten ende ons van 
ons recht off pretentie te doen dissisteren. Decker is verborgen ge- 
worden; sommige séyden dat hy den 13" February met d'Engelse 
schepen vertrocken, andre dat hy wel wt het hoff vertrocken was, 
maer niet seecker warwarts, doch van eenige andre Javanen ver 
stonden dat hy secretelyck int Hoff verborgen wierde; watter van 
sy sal den tyt leeren. 'T is soo verde gecomen dat toen omtrent 
10000 sacken peper ofte meer gecocht hadden ende daervan 6700 
sacken in de goede Fortuyne gescheept waren, den Pangoran Gou- 
verneur ons volck plat wt met seer grooten trots heeft doen aen- 
seggen, dat geen peper meer wegen, noch afl&chepen en sonde voor 
dat het France schip ende de Chineese joncken op de reede waren. 
Den sabandaer voechde daer oock by, wilt ghy van Bantam ver- 
trecken, gaet door ende wilt ghy oock oorlogh, sult ons wel vinden, 
alle omstanders d'onse mede groote dreygementen doende. Hierop 
hebbe clachte doen doen aen alle de grooten van Bantam, haer 
assistentie ende recht versoeckende , sy gaven alle seer goet bescheet , 
dan het slot was: als den Pangoran niet begeert, wat connen wy 
doen. D'aenspraeck van de grooten ende eedele heeft den Pangoran 
als voor dese seer verdrooten, te meer dewyle onder hun de jalousie 
ende onlust, gelyck hierna verhalen sullen, op dese tyt geheel ont- 
bloot is geworden; de Francen soo goeden protecteur gevonden heb- 
bende, hielden hun soo stille ende gerust als off haer de saecke niet 
eens aenginck ende alsoo niet vorderen conden, hoe het keerden off 
wenden, meenden onse partyen tproces gewonnen te hebben, want 
geen schoon spreecken, noch dreygementen helpen costen, d'audientie 
wierd ons volck veel tyts geweygert ende als den Pangoran waer- 
namen, soo wast: gaet daer ghy geweest zyt, laet se u licentie geven. 
Hierop geconsidereert synde, wat verlet ons aengedaen wierde ende 
de saecke ten wttersten innegesien ende wel overleyt wesende, heb- 
ben wy geenssints goet connen vinden van ons recht te dissisteren, 
ende dat om seer gewichtige redenen, te lanck om deduceren ende 
verhalen, als oock opdat andere contramineurs hun opt faveur van 



77 

f 

Bantam naer dese niet verlaten souden, ende dal die van Bantam 
haer niet voor souden laten staen, ons met den peper te connen dwin- 
gen, want de Fransman om de peper verlatende, souden daema niet 
dan te meer geplaecht worden, gelyck voor desen sonder redenen 
gedaen is, derhalven is eenstemmelyck in diverse vergaderingen 
op verscheyde tyden ende stonden by de presente raden gearesteert, 
met contra wereken voort te varen. 

lek hebbe hierover, ten corsten geseyt, van Jaccatra ordre gegeven 
dat S^ David Marien (nadat alle andre preuven gedaen souden syn, 
veel tyt verloopen was ende* geen raet meer voorhanden scheen te 
wesen) by den Pangoran Gouverneur sonde gaen, plat wt (doch met 
alle béschéydenheyt ende beclagende redenen) licentie versoeckende 
omme met. alle baggagie te mogen vertrecken, eade dat oock date- 
lyck alles van Bantam scheepen souden, jae tot de kisten vant volck 
toe, verwachtende voorder mynne compste. Den pangoran dit ver- 
soeck met alle omstandigheden hoorende, veranderde van gelaet, 
wierd heel perplecx, veranderde van propoost ende vertrock ten 
lesten sonder d'onse bescheet te geven, hem excuserende dat het 
nacht was ende syn getye (na geestelycke costuyme) lesen most, 
S'andercn daechs heeft men begost het goet van lant te scheepen, 
daerop elck het syne door Bantam was seggende. Soo ick nu van 
Jaccatra voor Bantam arriveerde was daer daechs te vooren van 
Jamby wel aangecomen het schip de Bergerboot, medebrengende 
ontrent 4000 sacken peper, waermede de burcht genoechsaem ontset 
was, alsoo de Fortuyne daermede volladen ende naer 't patria gede- 
pesscheert cost worden , dan evenwel vonden geraden met den schyn 
voort te varen, derhalve hebbe d'onse belast weder by den pango^ 
ran te gaen, hem aandienende hoe volgens ordre alles tot op den 
peper na affgescheept was, derhalven dat het hem gelieven sonde 
licentie te geven, dat onse peper gewogen ende mede affgescheept 
moch worden , ofte soo niet dat imant gelieffde te committeren omme 
die aen te nemen. Den 5 stantï hem dit aengedient, hy vraachde 
daerop seer emstlyck aen alle de presente cooplieden off het seecker 
was dat vertrecken wilden, seggende: en boert met myniet, tiseen 
saeke van grooten importantie, beclaecht u namaels niet; waerop 
weder bevesticht synde dat het seecker w&s, want als tot Bantam 
niet vryelyck mochten handelen daer niet te doen en hadden, be- 



78 

docht hy hem een tyt lanck ende antwoorde ten lesten met grooten 
bescheydenheyt (na twee sware suchtinge ende nadat hy syn boose 
raet gehoord hadde) wel, wilt ghy vertrecken, ick en begeere niet 
een ziere van het uwe, ontfangt n peper ende scheept se aff, maer 
segt niet dat ick n hiet gaen off blyven, noch oock dat ick u qnalick 
getracteert off niet bemint en hebbe, veel min dat ick andre dan u 
gunstiger geweest ben, dan soo ghy van meninge sbnt wesen te 
blyven ende meer peper te coopen , sond ick wat anders te seggen 
hebben. S'avonts quammer een bode wt het hoff, aenseggende soo 
meer peper begeerden te coopen ende onder d'andre aff te schepen 
dat daermede voort varen souden. 

U E. Mynheeren connen wel considereren hoe hart hét den pan- . 
goran valt aldus weder te hebben moeten cederen, dan 't heeft alsoo 
tot uwen besten moeten syn, ende is oock hooch noodich geweest, 
d'achtbaerheyt , het respect, d'eere en authoriteyt moet met soete 
vermenginge gemaynteneert syn off anders souden geensints connen 
bestaen, derhalven sullen de Heeren gelieven onse handelinge ten 
besten te nemen. Ick late my voorstaen, dat naer dese wel beter 
getracteert ende groote veranderinge becomen sullen, want alle de 
quellinge, die de compagnie veel jaren tot Bantam aengedaen syn, 
heeft den pangoran Gouverneur alleene met grooten trots doorgedron- 
gen. Opt advys van seeckere Chinesen die hy int hoff by hem hout 
resideren, welck de snooste fielten syn vant Chineese quartier, met 
gewelt en finesse is het, dat hy het gouvernement ende regement 
inhout. Ick hebbe UE. over lange geadvyseert, hoe datter in Bantam 
een generael misnoegen van syn regeeringe ende onder de grooten 
een groote jalousie was, willende alle den adel, dat het gouverne- 
ment den jonge Coninck overgelevert worde. Op desen tyt heeft den 
pangoran Gabang, welck de voornaemste naest den pangoran Gouver- 
neur van Bantam is, alle d'eerteeckenen affgeleyt ende nieuwers 
meer in vergaderinge willen compareren, sich als een privaet per- 
soon houdende ; hy sey t dat hy ende syn broeder den gouverneur 
out syn, dat het meer dan tyt ende reden is, dat den jongen Coninck 
syn dominie overgelevert worde, opdat hy leere eer sy sterven; den 
pangoran Gouverneur en heeft hem als nu met geen geit connen 
payen gelyck hy eertyts dickwils gedaen heeft, daerover vermoet 
wort pangoran Gabang met den jongen Coninck secreet verstant heeft | 



79 

meest alle den adel is oock op syn zyde, dan elk hout hem stille ^ 
mistrout den andere ende bl3rft apsent, den pangoran Gouvemeur 
hout het regement inne ende den jongen Coninck perplecx, met soo 
een vreese ende respect als de kinderlycke tot den vader is en d'on- 
ervarentheyt in gewichtige saecken medebrengt. Wat wtcompste de 
saecken nemen sal, wil den tyt leeren, doch sonder moorden (naert 
schynt, en sal.de qnestie tnsschen hun nyet eynden. Den pangoran 
Gouvemenr loopt groóten peryckel ende is noch meer lydende, soo 
qualick snccedeert de qnestie, die hy tegensonsaenneemt; insonder- 
heyt soo eens opbreect d'onlnst die ons gegeven wort, want synne 
partye daerinne groeyen. D'Engelsen syn in dese tyt soo veele 
stoockende als doen conden, aenradende dat men ons licentieren 
soude, presenterende wonderlycke dingen, dan ick meene dat sy ende 
wy seer wel bekent syn, alsoo gevreest wort, dat wy de Chineese 
joncken na Jaccatra voeren sonden, hoewel snlcx niet gedacht en is, 
hebben d'Engelse na ick versta haer dienst gepresenteert, omme 
deselvige waer te nemen ende hier te convoyeren, ende snlcx den 
pangoran ende Chinesen wel aenstaende, syn sy drie schepen in 
zee houdende omme op de joncken te wachten, twee daervan syn 
over twee maenden tot by Lncipara geweest, off dit hun disseynzy, 
dan off wat anders in 't sin hebben sal den tyt leeren, alhoewel zy 
hiermede veele meenen te vorderen , achte ick dat haer selflö niet 
dan onnuttelyck consumeeren, want den pangoran overlange d'een 
tot een roede van d'ander gebmyckt heeft; het blyct hier aen, dat 
weynich moet hebben gehadt omme innewaerts iets te attenteeren. 

By dese gaet de acte, daerume verclaert wort , hoe by de schepen SV 
Louis ende S. Michiel van S. Malo onder onse gewoonlycke vlagge , 
diverse Gooseratse ende Moorsche schepen aengehaelt ende genomen 
syn, gelyck oock blyct aen de cleden die hier gebracht hebben. Tot 
Atchyn wierde geseyt, datvoorHRoodemeerwell5off20scheepken8 
aengehaelt ende geplundert hebben, soo 't waer is sonde ons volck 
ende goederen daerover in Suratten wel groote moeyten mogen aen- 
gedaen worden, als oock in Arabia wederkeerendCi Wij en hebben 
de Francen hiervan noch niet aengesproocken, dan dencken het noch 
te doen, maer S^ Michiel alleene is in arrest gehouden omme Decker 
te dringen weder te keeren* Ick achte dat hun (overcomende) des 
grootelycx sullen beelagen en woad^lycke pretensiemaecken, omdat 



80 

Decker eens in handen hebben gehadt, doch alsoo hy haren generael 
was ende sylieden na de vluchtinge, Decker niet alleene erkent, 
maer syn raet en daet gevolcht hebben, gaende hem dagelicx ten 
hove van den Fangoran besoecken ende van alle nootlyckheden as- 
sisteren, soo docht ons reden genoech te hebben omme het schip 
S. Michiel daerover in arest te nemen ende honden, twelcke ver- 
hoopen U E. na hare ordre wel gevallen sal. Voor dese hebbe ge- 
advyseert hoe geseyt wierde , dat het schip S. Michiel in Atchyn syn 
meeste last becomen sonde hebben, dan naderhant hebben verstaen, 
dat daer niet meer dan drie a 400 bharen peper becomen hebben; 
tot Bantam hebben ontrent 2000 sacken gecocht ende hoe het voorder 
gaen wil sal den tyt leeren. Door off omme den voors. Decker, syn 
wy met de Francen soo belemmert geworden, dat de schepen de 
Nienwe Maen ende de Neptuines die met alderley provisie volladen 
innewaerts gesonden hebben, soo laet vertrocken syn, dat bykans 
te bedachten is off Anboyna ende Banda sullen connen beseylen off 
niet, de resterende schepen die geeme elders souden gebmycken, 
syn daerdoor tot nu toe mede geoccupeert geweest, twelck niet sonder 
groeten intrest van de Comp. geschiet. 

Myn oogemerck is geweest met dese occasie off in desen troubel, 
ontrent de Verse riviere , ^ plaetse tot een generalen rendevouz te be- 
grypen, soo het eenichsints soud willen vallen. Met den Coninckvan 
Jaccatra syn wederomme in onderhandelinge getreden ende schynt 
het, dat de saecke wel soud mogen vallen. Om geit is het hem ende 
synnen adel te doen, de saecke staet tusschen 't loven en bieden, 
't gene my meest in de weech is, is alleenlyck dat alle de schepen, 
die hier tegenwoordich hebben, elck syns weechs haest versonden 
moeten worden, omme de negotie te voldoen, soodat ick duchtedan 
sonder schepen off macht souden bly ven sitten , twelck niet wel soud 
passen ingeval imant onderstonde ons disseyn te verhinderen; doch 
alsoo het tegenwoordich evenwel den besten tyt is, dient d'oceasie 
waergenomen te worden; 't succes staet U E. met de naeste te ver* 
nemen 

Int schip Zircxzee, liggende voor Bantam, adi 11 Maert A. 1618. 



1 Yermoedémk riy. Bekasi, beoosteu Batavia. 



81 

XXin. De Direct ErE-GENERAAL Jan Pibtbrsz. Cobn aan db 
Bewindhebbers der Gen. O. I. Comp. (Kamer Amsterdam.) 

Jakatra, 24 Juny 1618. 

Erentfeste, enz 

Per 't schip de Goede Fortnyne, welcke de Heere neflfens alle 
d'andre gaende en comende schepen in salvo geleyde, sallen ÜE. 
verstaen hebben, hoe door den Pangoran van Bantam met seer groeten 
trots plat nit verboden geweest was, dat geen peper souden mogen 
ontfangen noch van landt schepen , en wat remedie daertegen gebruyct 
hebben. Insgelyx mede, hoe goet gevonden hadden voort te varen 
in allen schyne als off Bantam geheel souden hebben verlaten; wat 
daerop gevolcht is, sullen in dese summierlyck verhaelen. 

Cort naert vertreck van 't voors. schip de Goede Fortnyne, alle 
de goederen en oock meest alle het volck van Bantam gescheept 
wesende, soo hebbe alle de oppercooplieden en schippers van de 
respective schepen ten hove by den Pangoran gesonden met last, 
omme andermael licentie te versoecken en afscheyt te nemen, mits 
dat soo de Pangoran dubieus antwoorde, dat dan instantie doen sou- 
den omme een claer bescheet en sich vrient of vyant te verclaren, 
soo hy begeerde dat blyven souden, dat dan belofte van beter trac- 
tement souden eysschen, en soo hy het vertreck avoyeerde en ons 
licentieerde, dat haer dan aen d'uytstaende schulden souden houden. 
D'eerste reys naer 't hoff gaende , wierd ons volck van verde wech 
geweesen en s'anderdaech audiëntie beoomende, vonden den Pan- 
goran niet slecht; om syne vreese te bedekken en ons volck te 
abuyseren hielt hem seer fors en trots, seggende geensints eenige 
beloften van beter tractement te willen doen, het soude schynen, 
seyde hy, als off ick ongelyck en ü qualick getracteert hadde, 
uwen Cappiteyn is oorsaeck van alles, hy mach het soo maecken 
dat u noch wel qualicker tractere; wilt gy blyven, blyft, en wilt 
ghy gaen, gaet, sonder (wat daerop gerepliceert wierd) ander be- 
scheet te connen becomen. Scanderen daechs hebben hierop goet 
gevonden de schepen , de Zuyder Eendracht en den Witten Beer (die 
het schip St. Michiel in arrest waren houdende) mede voor Bantam 
te doen comen ende b66 naer de stadt te laten setten als mogelick 

was, omme onse party e te meer te verflauwen ende onse macht te meer 
IV. 6 



82 

te verstercken ende te meer aensien ende respect te maecken; doch 
interim besich waren, isser een bode uyt het hoff gecomen, aandie- 
nende hoe de jongen Coninck met alle de groeten van 't lant seer 
gestoort waren, dat den Pangoran op gisteren soo qnaden bescheet 
gegeven hadden, en dat hem belast was, sich met ons te verdragen 
en een ander goet bescheet te geven, derhalve versocht de bode* 
dat noch eens ten hove senden sonde, sulcx op een bootschap by 
haer selös gefabriceert gedaen synde, wierd ons volck van verde 
seer vrientlyck ingehaelt. De trots van den Pangoran was geheel 
gevallen en 't groote woort is daeruyt gecomen, in redenen getreden 
synde, seyde hy, soo de Capp". met den jongen Coninck, met my 
en het landt wel wilt, blyft dan en vertreckt niet, ick sal U wel 
tracteeren en oock wel met U handelen, begeert ghy peper te coopen 
vaert er mede vry voort. 

Hiermede is alle de questie voor die tyt geslecht, en hebben wy 
in diervoegen den crygh door Godts genade sonder slach off stoot 
gewonnen, te vooren mocht ons volck het hooft niet heel honden, 
en alsdoen wierd haer van elck een, soo Javanen als Ghinesen, 
schoonder semblant en meerder vrientschap getoont, dan oyt in 
Bantam gedaen is, het volck dat in 't ledige hnys noch aen landt 
was hebben daer gelaten, sonder ons te verhaesten in 't aen landt 
brengen van goet off meerder volck. Men had geem gesien, dat da- 
telyck weder peper hadden gecocht, dan olsoo snlcx geensints ge- 
raden was, hebben ons stille gebonden. 

Alsoo door dese qnestie in langen tyt geen peper gecocht hebben, 
is deselvige daerdoor, na de spraeck ginck van 48 tot op 33 (Realen) 
gedaelt, doch soo wy wederomme meenden pertye te coopen, arri- 
veerden tot Bantam een Chineese joncq, waerdoor den peper date- 
lyck weder op 43 en 45 gehouden wierde. Gort naer dese joncke 
is ontrent Bantam noch een andre gearriveert, die het na Jaccatra 
gemnnt hadde, doch door schoone beloften heeft de Pangoran van 
Bantam hem daer getrocken en hebben wy tselvige toegestaen, omme 
daema ons profyt daermede te doen. Ende alsoo voor seecker hielden, 
dat niet gelaten worden sonde, d'oude guyterye te plegen, hebben 
wy goet gevonden daertegen en voor te syn en hierover ordre ge- 
geven, dat men onderstaen sonde by gewoonlycke maniere van handel 
partye peper te coopen, tot ontrent 3 a S^ Reael de sack, gelyck 



83 

men seyde de merct te syn, eer de Chinesche joncken arriveerden 
ende soo daertoe niet comen conden dat dan des Fangorans hnlpe 
versoecken soude en dat alleene voor 4 a 5000 sacken omme te 
sien off hy ons volgens syne belofte tot redelycken prys aen peper 
helpen soude, ons volck heeft selfs geen peper connen becomen en 
des Pangorans hulpe versoeckende, wierd eerst belooft, dat men ons 
helpen soude, maer ten lesten aengeseyt dat ons niet helpen oost, 
off souden de merct moeten volgen , hierop hebben (wy) de schippers 
van de Chinesen joncken geinsinueert geen peper te coopen noch 
van Bantam te vervoeren, voor dat wy eerst ven een goede partye 
gerieft waren, op pene dat anders de peper in zee weder uyt haer 
joncken lichten souden. Dese waerschouwinge meermalen gedaen 
synde, heeft onder de Chinesen een groote beroerte gemaect en den 
Pangoran meer gespeten (gelyc men wel dencken can) dan alleonse 

voorgaende acten 

T'is te lanck om te verhalen, wat ter wedersyde geallegeert en voort- 
gebracht is, want dit spel wel vier maenden lanck geduert heeft. De 
Pangoran en heeft ons volck selffs noyt van de saecke aengesprooc- 
ken; maer hem stille gehouden, vreemde instrumenten gebruickende 
en dat door vreese soo hy de saecke hooch nam, en wy daertegen 
bleven persisteren, dat dan weder als voor desen beschaemt blyven 
soude. Ondertusschcn weet Godt hoe syn gemoet sy, dan daer is 
weynich aen gelegen, wy sullen den handel voor ÜE. haer recht 
en authoriteyt wel maynteneren. 

Hoe het schip St. Michiel van S. Malo den 23 Janu**. passato in 
arrest genomen hadde, omme den persoon van Decker te becomen, 
is TJE. met de goede Fortuyne geadvyseert 

Doen het nu gebeurde, dat goet vonden onse macht voor Bantam 
te verstercken, de Zuyder Eendracht en den Beer (die voors. schip 
in arrest waren houdende) voor Bantam te doen comen, gelyckvooren 
is geseyt, soo ist, dat gedelibereert hebbende, hoe het met St. 
Michiel souden maecken, omme ons met de minste moeyte van hem 
te verseeckeren , met den anderen geraetsaem vonden A\ schip met 
de Bergerboot aen d'eylanden van Jacatra te doen verseylen, om het 
arrest aldaer, met een batterye aen landt te continueren, terwylen 
de Bergerboot verdubbelt worden soude lot der tyt , dat van Suratte 



84 

door ons volck off Engelssen naerder bescheet becomen mochten, wat 
van haer roverye sy , wat hinder en molestie ÜEd. volck en goederen 
aldaer mocht wesen aengedaen, dewyle de tyding noch lange cost 
tardeeren en seer moeyelyck viel een schip soo lange in zee in arrest 
te houden; doch de voomaemste oorsaecke waeromme goetvonden 
voors. schip S. Michiel aan d'eylanden van Jaccatra te doen verseylen 
was, omme te betoonen dat onse couragie equivalent tegen den trots 
van den Pangoran was wassende, waermede de questie geslecht is 
en door Godts genade oock gewonnen hebben. 

lek achte dat d'aenneminge van dit schip S. Michiel UEd. mede 
moeyelyck vallen sal, dan dewyle volgens UEd. ordre genootsaect 
geworden syn, om Decker te becomen, dito schip te arresteeren, 
waerop den Fangoren oorsaeck en actie genomen hebbende om ons 
te dwingen de monopolie van den peperhandel te bevestigen, de 
retoeren te verhinderen, en ons alsoo te scheeren, dat hy ons onder 
syn bedwanck cleen en swack soude mogen houden, soo ist meer 
dan nodich geweest ÜE. recht en achtbaerheyt te maynteneren, 
want anders souden ons de honden (by maniere van spreecken) by 
kans gegeten hebben. Yerscheyden reysen ben ick met den doot 
gedreycht, dan de Heere heeft ons behoet en voorgecomen, dat d'aen- 
slagen van den Pangoran, Gouverneur van Bantam niet voortgegaen 
syn. Dese saecke scheen voor ons seer qualick geschapen te syn, 
dan de Heere heeft het ten beste versien, alsoo de retoeren behouden 
syn en d'achtbaerheyt , eere en reputatie van de Óenerale Comp® niet 
allecne in Bantam seer vermeerdert is, maer door gants Indien dies 
te meer augmenteeren sullen, soodat ick hoope en vertrouwe, al 
waert oock dat de Heeren (ten quaetsten genomen) aen de Francen 
dubbelt intrest souden moeten betalen, sulcx hier wel dubbelt en 
ryckelyck gewonnen is en noch meer gewonnen sal worden. 

Gedurend 't voorgemelde different hebben wy met die van Jaccatra 
wat famigliaerder correspondentie gehouden en wat meerder libe- 
raelheyt gebruyct, als anders wel gedaen souden hebben, soo onmie 
d'onderlinge jalousie onder die van Bantam wesende, te meer te ver- 
meerderen, als omme den wech tot de rendez-vouz te baenen. T'ac- 
cressement van Jaccatia heeft soovele al gevordert , dat de Pangoran 
Gouvemeui* van Bantam afgeschaft heeft, meest alle de nieuwe tollen, 



85 

die hy op dlncomende goederen ingevoert heeft. De tol op onse 
incomende cleeden gestelt, sonde hy mede wel willen afschaffen en 
de Generale Comp^® veel andre denchden doen, om haere affectie en 
gunste te capteeren, dan 't harte is soo groot, dat alhoewel hy seer 
wel weet en genoechsaem bevonden heeft qnade middelen gebruyct 
te hebben, sich bycans schaemt tot de rechte remedie te keeren en 
alles met goetheyt te verbeeteren; daeromme sal allenskens beteren 
en soo haest goede partye peper op voorraet snllen hebben, sullen 
hem wat meer te gemoet comen en te gevalle doen , 't en mach niet 
eer geschieden, want anders sonde de boosheyt weder hervat en 
gesterct worden. 

In desen tyt had ick gemeent de rendez-vous te vorderen, dan 
hebbe daerinne gants niet connen doen, soo door eygen manquement 
van schepen en volck, als oock omdat de Coninck van Jaccatra sich 
vrij wat geretireert heeft en dat na ick mene om te meerder eysch 
te doen en te meer geit te becomen 

Door inlantsen oorloch tusschen den Mattaram en eenige van syn 
grooten gevallen , als oock door de menichte van menschen in 't oosten 
overwonnen en in syn quartier gebracht, is daer ontrent groote dierte 

van rys gevallen waerdoor groote menichte van menschen van 

honger gestorven syn 

ül"" april passato is, tot Bantam Godt Loff wel aengecomen, son- 
der eenige landen aengedaen te hebben, het schip ter Thoolen en 
den 2^<*° Juny achter Java om door de.straet van Bima tot Japara, 

het schip de Zeewolff per voors. schepen 

hebben wel ontfangen ÜEd. aengename missiven van dato uP octob. 
18, 26 en 28 nov. 1617, waerop als nu na den tyt antwoorden 

sullen Om dan te beginnen van 

d'eere en den last van Gouverneur Generael , daermede het de Heeren 
gelieft heeft, my te vereeren en te belasten, wy dancken UEd. 
daervan hoochlycken, d' Almogende biddende ons synen genade en 
zegen te geven, dat het mach gedyen tot syns naems eere , wellstandt 
van den lande en proffyt van de generale comp. ; waervan onser syde 
niet sullen laten te doen, dat een getrou en eere trachtent Generael 
betaemt en 't gemeene beste vereyscht, gelyck tot noch toe uyt 
reyne lieffde en goeder affectie, onder voorgaende titulen gedaen 
hebbe en dat noch meer tot eere en proflFjrt van andre, dan van 



86 

my selve. Opdat het niet en schyne als offer twee hoofden waren, 
sullen by onse voorgaende name blyven en den titel van Gonvemenr 
Generael niet aennemen, dan tot dat de Heer Generl. Reael van 

syn ambt ontslagen zy 

Belangende de èontinueele residentie van een Gouvem'. Generael 
en raden van Indien, voor dese hebbe UEd. geadvyseert, dat hier 
met alle man genoech te doen sullen vinden en dat hieromtrent 
resideeren moeten om de generale bestieringhe wel te doen; daer- 
omme, hoe eer de saecken in de Moluquen, Amboyna en Banda ge- 
redresseert eonnen worden en weder herwaerts mogen keeren, dies 
te beter sal 't wesen, tsy waer wy gaen oft blyven, aen ons, hoope, 
sullen de Heeren geen feyl bevinden 



XXrV. PlETEB DB CaEPENTIBB, RaAD VAK InDIE , AAN 

DB Bewikdhebbebs deb Geneb. o. L Comp. 
(Kameb Ahstebdah.) 

Jakatra, 24 Juny 1618. 

Emtfeste, enz 

Dat de Heeren haer over de groote lasten van dit comptoir 
(Jacatra) syn beclagende en souden daer voorwaer geen ongelyck in 
hebben, soo sulex ten onnutte geschiedde, daertegen d'Ed. Hr. Ge- 
nerael, die hier den meesten tyt tegenwoordich is en wy, wien de 
sorghe mede bevolen is, goede opsicht, gelyck wy schuldich syn, 
genomen hebben. Waren de caxies op haren ouden prys , d'ongelden 

souden wel de helft minder vallen d'oncosten 

syn hier, mede door d'extraordinaris gebouwen uyttermate geexce- 
deert, dewelcke eens gedaen synde, cesseren sullen. De familie van 
dese logie is weynich min, als dryhondert persoonen sterck, die aUe 
tot coste van de Comp^ staen, daerenboven hebben hier den dage- 
lixsen toevall van alle gaende en comende schepen, dat mede niet 
weynich beswaert, behalve noch een sieckenhuys, dat hier gemaeckt 
is, een receptakel van alle crancke en desolate varentvolck, in 
somma t'is een plaetse daer de Comp geduyrende desen twist met 
Bantam, (die noch geen eynde heeft) sonderlingh alsnoch mede ge- 
dient i» geweest. 'Tware wel te wenschen dat dese groote costen 



87 

tot opboawingh van een bequamer plaetse en rendevons hadden 
mogen geemployeert worden, waeraen snlks tot noch toe ontbrocken- 
heeft, is UE, (achte ick) voor desen door d'Ed. Hr. Generael ge- 
noechsaem geadviseert, hope met Grodts hnlpe, dat eerlangh by 
d'Heeren alhier, daervan gedisponeert, een beqname plaetse hier 
ontrent geëligeert en by üEd. den nervns, waeraen üE. staet, 
achtbaerheyt en welstant in dese Indien dependeren , tytlycken daer- . 
toe geprovideert en gefoomeert sal worden, te weten: schepen , volck 
en geit, dewelcke eens naer den eysch bekomen hebbende, is met 
de hulpe Godts niet te twyfelen, of ÜE. saken sullen alhier op een 
vaste gront gebonwt en jaerlicx in recompence, de Heeren met rycke 
retoeren , gelyck tvoorlede jaer geschiet is , gesecondeert worden. 

't Schijnt met d'electie en continuatie van d'Ed. Heer Oeneraal 
Coen, den moet des boosen Pangorans van Bantam, den onver- 
draeghelycken trots van d'Engelsen, Francen en anderen (die lange 
naer syn vertreck verlanght hebben) nn heel verplettert is, want sy 
hmi voor iieten staen, soo hy eens wech en van kant ware, te beter 
hmi personagie souden connen speelen, dHeere wil hem sparen voor 
ongevall ende tot welstandt van de Generale Comp., met voorsich- 
ticheyt, goeden raet, geluck en voorspoet begaven. 

Ghisteren is hier een swart in hechtenisse geset, die sich tegen 
eenighe Japponders soude hebben laten verluyden, hoe dat den 
Pangoran van Bantam, met d'Engelsen en Francen een conspiratie 
soude gecomplotteert hebben, omme d'H\ Generael met alle de witten 
van dese logie, by surprinse om den hals te brenghen, de witten 
omgebracht synde en souden de swarte hun niet te weere stellen, 
maer houdent met de sterckste. Dit is aireede den vierden aenslach 
die ontdect is. Godtalmachtich hope ick en sal geensins geheugen, 
dat de bloethonden haere pooten int bloet der onnooselen sullen 
baden en besoedelen, gelyck ick eenighe van d'Engelsen, haerhebbe 
hooren beroemen , ick schame my dat ick dit van Christenen schrijven 
moet. Den grondt van dese sake en hebbe noch niet onderstaen, 
doordien d'Ed. H'. Generael geoccupeert is mett den witten Beer aff 
te veerdigen, middelertyt sit dese swart tot naerder ondersoeck in 
goede hechtenisse bewaert, t'is apparent dat (hg) dit uyt hemselven 
met en heeft. 
Van dage, soo d'Ed. Heer Generael in 't Chineese Quartier ten 



88 

hnyse van seker Chinees was gaen wandelen , is daermede verschenen 
den Oppercoopman van d'Engelse logie alhier , onder andere propoosten 
waarschoawde hy de Heer Gleneraei en ons^ wel toe te sien en op 
onse hoede te wesen, alsoo zeer boos en mutineus volck in onse 
logie hadden, en insonderheyt desen voors. swart (hem houdende 
als off van syne gevanckenisse niet en wist), die hy ons rade qnyt 
te maken, want badde hem sulcken woorden hooren spreken, niet 
beter dan een verrader , ja dat hy d'eerste sonde wesen om een muti- 
natie aen te rechten, soo maer volck op syn handt conde crygen. 
Dit en noch veel meer seyde d'Engelsman, al uyt syn selven sonder 
dat yemandt hem iets vraechde. Of hy dit doet, omme in de voor- 
baet te syn en syn baene claer te maken (alsoo sonder twyffel des 
swarts gevankenisse wel verstaen heeft en mogelic vreest de conspi- 
ratie aen den dach mochte comen), dat can oock wel syn, de tortnre 
sal de waarheyt aen den dach brengen 



XXV. Vbebaal gehouden dogu Cgbnblis yjln Masetok, als 

AFGEZAKT VAN" DEN GoUVBBNETTB-GeNEEAAL LaUEENS ReAEL , 
NAMENS DB VbE. OoST-InD. CoMP. , 4.AN DEN PaNBMBAHAN 

VAN Mataeam. 22 JuNT — 22 Jtjlt 1618. ^ 

Adij 22 Juny, Anno 1618, in Japara. 

Alsoo ick, Comelis van Maseyck, geordonneert ben van den Ed. 
Heer Gouvemenr-Generael Laurens Reael, wegen de Vereenichde 
Oost- Indische Compagnie, omme naer den Coninck van Mattharam in 
ambassado te gaen, soo heeft nu de gelegentheyt eerst gepresenteert 
om myne reyse te vervorderen, gelyck ick op datto van S^ B. van 
Eyndhoven, oppercoopman alhier, affgedispeseert syn, met my in 
companie gevende 2. bootsgesellen , eenen swarten jongen ende een 
malayo , met eenen dienaer , die als tolck was , somma dat wy onder 
ons, 6 sterck waren. 

Ditto, op den middagh syn wy met onse speeljacht vertrocken ende 
qnamen des avonts tot Widdong ^ alwaer wy verstonden dat den 

1 Dit gezantscliap kon geen gehoor bij den Paneinbahan verkrijgen; doch werd, 
toen het tot nabij Karta-Soera genaderd was, namens den Panembahan ontvangen door 
een der hofgrooten, Toemenggong Singo-Ranoe. 

2 Wedong, district Wedong, residentie Samarang. 



89 

edelman genaemt Quiej werga diepa * sabandar van Weddong voor- 
schreven, die my belooft hadde na de Mattharam te brengen, was 
naer Damah ^ vertrocken. 

23 ditto, des smorgens syn wy na Damh ^ vertrocken, alwaerick 
s'avonts gecomen ben ende ditto Quiej werga diepa thuys gevonden, 
by hem comende hebbe ick volgens last van S'. B. van Eynthoven, 
aen hem vers. gobar vereert, waervoor hy hem hoochgelyck bedanckt 
heeft, soo hebbe ick hem gevraacht, wanneer hy van meyninge was 
te vertrecken, antwoorde binnen 2 a 3 dagen, soodat wy genoot- 
saeckt waren soolange pacientie te hebben ; wij waren gelogeert neffeiis 
syn hoff ende heeft ons veel vrientschap ende eer bewesen. 

26 ditto, syn wy van Damh gescheyden om voorts na den Mattha- 
ram te reyse, de Javanen, soo dragers als te paerde, waren in de 
60 sterck, des avonts syn wy in een dorp gecomen, genamt Jaty * 
daer wy des snachts bleven logeren, de inwoonderen al te samen 
hebben ons veel vrientschap bewesen, schoncken ons eenen bocq, 
hoenderen ende meer andere cleenoodicheden , dit dorp light 6 mylen 
van Damah. 

27 ditto, syn wy noch int dorp voorseyt gebleven, vermits de 
dragers hier verandert worden. 

28 ditto, syn wy tsamenderhant wederom vertrocken , endeqnamen 
in een dorp genamt Sougemanick ^ twelck omtrent 2 mylen vant 
voryge ligt; hier hebben sy ons bewesen alsvoren, dese 2 dorpen 
ende noch 4 andere, die wy passeerden, stonden onder 'tgebiet van 
Quiej werga diepa voors. 

29 ditto, des smorgens syn wy wederom vertrocken ende quamen 
een ure naer den middagh in 't dorp genamt Omback ^ daer wy de 
dragers hebben verwacht , ende des 's nachts bleven logeren ; dit dorp 
ligt ontrent vant dorp voors. 6 mylen ende daer loopt een groote 
wyde reviere beneffens, die syn loop voorby Damh neempt. 

30 ditto, des smorgens, syn wy wederom voortgemarseert , maer 
verdwaelde onderwegen van den anderen, wy passeerden veel lege 
dorpen, die voor dese onder subiectie van den Coninck van Paet- 



1 Kiai Wiijo-üipo. 2 Demak. 3 Demak. 

4 !pjati, in Demak, district Singen-Kidoel. 

5 Soegimanik, in Demak, district Singen-Kidoel. 
^ Ompa, in liet zelfde district Singen-Kidoel ? 



90 

yang ^ gesorteert hebben, ende na met het veroveren van de stadt 
Paetyang heeft den Coninek van Mattharam, alle het volck wt de 
omliggende dorpen naer hem genomen, ende doet se by syn stadt 
woonen, daer sylieden gestadelyc meest steen moeten maecken, somma 
al voortrydende quamen wy in een dorp genaemt Wangalela, daer 
wy 2 paer oude getroude lieden vonden, die ons wat eten gaven, 
ende voorts den rechten wech wesen, soodat wy des achtermiddags 
ten 4 ure in een dorp genaemt Tyncker quamen ^, daer ons van de 
inwoonders veel eere ende vrientschap bewesen wierde; dit dorp ligt 
van het dorp voors. 8 mylen, wy syn des nags hier blyven logeren; 
des avonts met den donckere, synder 2 van Quiej voors. syn volck 
by ons gecomen, die hy hadde belast naer ons te soecken, ende 
brochten met een, tydinge dat Quiej sanderendaechs by ons in dit 
dorp soude comen. 

Adij primo July, syn wy noch in ditto dorp voorseyt gebleven om 
Quiej te verwachten, omtrent des smiddachs is ditto by ons gecomen, 
maer de dragers waren noch onderwegen, soodat wy noch genoot- 
saeckt waeren te blyven, want de dragers quamen eerst savonts by 
ons, overmits het een moeyelycken wegh was, geheel berghachtich. 

2 ditto, syn wy wederom vertrocken en quamen in een dorp ge- 
naemt Ampel 5, ontrent 4 mylen vant voryge, daer wy de dragers 
verwacht hebben, die te samen des avonts by ons quamen, sodatwy 
hier eenen nacht bleven logeren. 

3 ditto, des smorgens syn wy weder vooi-tgemarseert, endeqnameu 
des smiddags in een dorp genaemt Ambo * , daer wylieden de dragers 
wederom verwachten, die al te samen des avonts by ons quamen; in 
dit dorp verstonden wy dat Quiej Ouloubalang ^, daer smorgens 
door gepasseert was, maer en syn hem niet int gemoet gecomen, 
vermits dese wegh veel dubbele weghen heeft. 



1 Pa^jang, de heer Hageman, in zijne handleidiog tot de kennis der gesduedenis, 
enz. van Java, Dl. I blz. 98, maakt melding van een opstand van den regent vaa 
Padjang tegen Mataram in 1613. De ontvolking, waarvan in dit stuk gesproken 
wordt, is waarschijnlijk een gevolg van dien opstand geweest. 

S Tingkir in Salatiga, district Tengaron. Wangalda weet ik niet te bepalen, het 
schgnt niet vermeld op de kaart van Melvill. 

8 Ampel in Soerakarta, district Bojolali. 

4 Op de kaarten niet te vinden. 

5 Hoeloe-bülang, hoofdofficia, voorvechter. 



91 

4 ditto, des morgens syn wy wederom voort gereyst ende qnamen 
omtrent den middach in een dorp genaempt Doont ^ dat ontrent 5 
mylen van 't vooryge ligt, des snachts syn wy hier gebleven, ende 
Qoiej Wergadiepa heeft een van syn Quiej Loeras met eenen brieff 
naer de stadt Mattharam gesonden om aen Qujey Tommogong Syngo 
Ranonw te brengen, den inhondt van dien was luydende, wat ge- 
schencken ende hoeveel volck dat wy sterek waren. 

5 ditto, des snachts is Qniej Loera ^ voors. wederom gecomen met 
2 edellnyden wt last van den Tommogong voorseyt by ons gecomen , 
die ons belaste dat wy een dorp naerder de stadt comen souden. 

6 ditto, des smorgens syn wy met haer een dorp voorder gereden, 
ende qnamen in een dorp genaemt Taetgy ^ daer weder een anderen 
edelman wt last van ditto Tommogon was, die ons alles aflP^n'aechde 
wat wy op den Coninck van Mattahram begeerde te versoecken, 
hebben hem de meeste intentie verclaert ende naerderhant de ge- 
schencken laten sien, die hy oock al te samen by naem ende toe- 
naem dadelycken aengeteyckent heeft; dit gedaen wesende is hy 
wederom in de stadt gekeert, met hem dragende eenen van Qnjej 
Wergadiepa voornoemt, belaste ons oock in ditto dorp te vertouven 
tot naerder advys, want na syn seggen den Tommogong sulcx be- 
last hadde, soodat wy met goede devotie haer hier hebben moeten 
verwachten. 

Omtrent een nre namiddagh, is ditto edelman met een redelycke 
Bwyte volck soo te peert als te voet wederom by ons gecomen, ende 
bracht ons de tydinghe dat den Tommogong voorseyt ons ontboot, 
soodat wy dadelyck te peerde gingen en reden met ditto naer de 
stadt; onderwegen mosten wy 3 poorten passeeren, aleer wy in de 
stadt qnamen, die tsamen met wacht wel beset waren, ende onder- 
tusschen quamp er, van den Tommogong syn volck, ons noch veel 
int gemoete ryden, die ons tot in de stadt convoyeerde by eenen 
edelman genaemt Qnjej Vysantacca ^ daer wy logeerden, die oock 
onder 't gebiet van ditto Tommogong stont, heeft ons dadelyck na 
de Javaense maniere veel vrientschap ende eere bewesen, want hy 



1 Boewet, naam van verscliillende kampongs op Java. 

3 Kiai Loerah. 

3 Tjandi of Djetes, twee dorpen in Soerakarta, distr. BcgolaliP 

4 An-antaka? 



92 

seyde tegen my, dat den Tommogong hem snlcx belast hadde ende 
dat wy vrylyck souden eyschen t^at wy begeerden. 

7 ditto, des avonts heeft den Tommogong Syng aranouw * ons 
doen ontbieden met 3 edellieden, die elck een groote swyte volck 
met haer braechten, ende beval dat ick de presenten, soo aen den 
Coninck als aen hem, sonde medebrengen, want den Coninck hem 
sulcx belast hadde ende dat hy ons versoeck na syn believen soude 
accorderen, want hy in de stadt van Mattharam, als doen en laet is^ 
doen ick met dese voors. edelluyden naer Tommongong syn hoff 
gingh, waeren der wel 14 of 15 die 't licht voor ons droegen. 

By ditto comende heeft hy gevraecht, wat wy begeerden op den 
Coninck van Mattharam te versoecken, hebben hem met beleeffde- 
lycke complementen geantwoort, dat ick met dese presente van den 
Ed. Heer Generael gesonden was, om selffs aen den Coninck te pre- 
senteren, te weten eenen Japonschen sabel ende een mousquet, een 
stnck root carmosyn laken , 12 vaetiens boscruyt , een roUe wit fluweel 
ende meer andere cleynichedcn. Aen hem een stnck root laken, 
een stuck gobar, een roer ende 2 p". cayn goelongx. Aleer hy de 
geschencken geaenveert heeft, vraechde hy, wat de last van de Ed. 
Heer Gouverneur Generael was, hebbe hem geantwoort (dat de 
last is) dat wy versoecken in Japara met vrede moechten handelen, 
sonder eenige tollen te betalen, gelyck voor dese met den Heer 
Commandeur van Surck saliger gecontracteert is, ende daemeflfens 
dat wy in den tyt van 5 maenden geen rys gecocht en hadden, des 
dat Syne Ed. ons soude vergunnen, dat wy soude mogen coopen soo 
rys als anders, want de rys de princepaelste was, dat wy tot Japarra 
vonden, heeft ons geantwoort, datter geen rys en moechte vervoert 
worden , overmits in de stadt soo weyjiich rys is , dan seyde : ick wil 
ül. natie by geen joncken ofte andere gelycke, want ick weet wel 
dattet. voor u eygen eeten is, daerom sal ick ül. soo veel helpen 
als mogelycken is te doen, ende ick en begeer geen tollen van UI. 
te eysschen, noch den Coninck en begeert ook niet, dat men ül. sal 
tollen doen betalen, soodat ick Syne Ed. de presenten, die aen hem 
belast waren te presenteeren, wt naem van de Ed. Heer Generael 
vereert hebbe. 



Singo-Ranoe. 



95 

Heeft my belast dat ick den Ed. Heer Generael van synentwegen 
soude bedancken, ende dat ick soude in goede vrientschap te con- 
tinueeren. Belangende de presenten, die den Ed. Heer Gouverneur 
belast hadde selffs aen den Coninck te presenteeren en heeft niet 
connen geschieden, want desen Tommoggong Synga hadde volcomen 
last van Syn Maj*. dat hy se van synentwegen soude ontfangen ende 
den Ed. Heer Generael soude doen van synentwegen bedancken. Ick 
hadde wel gewenscht, dat ick volgens last ende ordre van den Ed. 
Heer voors. de presenten hadde aen Syne Majesteit mogen presen 
teren, dan de oorsaecke, dat ick se hem hebbe laten volgen, dat, is, 
dat hy ende den Coninck in manieren geen verscheyde goederen 
hebben, want hy in alles syn believe doet, ende ick vreesde in syn 
disgratie te comen, want waren wy in syn disgratie, soo waren wy 
genoechsamelyck in de disgratie van den Coninck, want niemant 
by den Coninck zooveel conversatie en heefft als ditto, ofte so in 
de gratie van den Coninck staet; want de Coninck laet voor hem 
een nieuwe stadt neffens de oude maecken, ende soo de spraeck 
gaet sal Syn Maj*. hem syn beliefven geven, wat stadt dat hy sal 
begeeren voor syn woonplaetse te verkiesen. Hebben Quiej Tommogong 
Syngaronno volgens syn belofte eenen brieff geeyst, hy en heeft 
selfde niet geweygert, maer selflfs dadelyck een geschreven, daerin 
hy is vermeldende dat hy niemant en sal vernoegen tollen van ons 
te pretenderen, gelyck als by den brieflF is blyckende. 

Ten tweden, hebben hem aengedient als dat den Ed. Heer Gou- 
verneur Generael van meyninge was om een aensienelycken parsoon, 
metten eersten te senden, om met den Coninck ende Syn Ed. in 
meerder vrientschap te treden; heeft gevi-aecht hoe lange het noch 
wel aenloopen soude, hebben hem geantwoort ten alderlanghsten 
2 maenden, seyde tselve hem aengenaem was ende belaste Quiej 
Werga diepa dadelycken, dat hy de dragers ende paerde soude be- 
stellen ende goede sorge dragen, datter onderwegen ons geen volck 
en soude molesteeren, maer dat hy den Capiteyn Moor wel soude 
onthalen, soodattet nu maer in believen van den Ed. Heer Generael 
staet; belangende de 2 metalen stucken voor dese aen den Coninck 
van Mattharam vereert, vraechde ick om te weten hoe lang ende 
dick, hoe grooten coegel deselfde schooten, ende hoe swaer deselffde 
van gewichte waeren, maer Quiej Tommogong voornoemt en heeft 



94 

tselfde niet geconBenteert, maer Quiej Wergadiepa belast dat,hy se 
selfs meten sonde, gelyck hy gedaen heeft ende de maete aen my 
gegeven, die noch by my is berustende. Wat belangende van 
de joncken, die men voor dese seyde door ons waren aengehaelt, 
en heeft ditto geen vermaen gemaeckt, soodat ick daer oock van 
hebbe geswegen, maer int scheyden heeft hy my gelast, dat ick den 
Ed. Heer Gouverneur Generael sonde aendienen, dat hy hem sonde 
believe 4 a 5 lange roers te sendcn, de loop van 7 a 8 span lanck, 
gouseratsse bogen ende een renosterhoren ; hebbe hem geantwoort 
datickt de Ed. Heer voors. sonde aendienen; voorts soo hebbe ick 
myn affscheyt genomen ende hy belaste Quiej Wergadiepa, dat hy 
my tot Japara toe wtgeley sonde doen, ende met Ouloubalang aen- 
dienen dat hy ons geen tollen meer en sonde a£Prorderen, ende 
voorts soo belastte hy den edelman, genaemt Quiej Vysantacca daerby 
logerende,. dat hy ons wel onthalen sonde. 

8 ditto, heeft den voors. edel 2 beesten aen my vereert, eenige 

hoenderen ende meer andere snuysterye, soodat hy ons beleeffdelyck 

« 

onthaelt heeft nae de Javansche maniere. 

9 ditto, na den middagh, syn wy wederom tot buyten de stadt 
gereden ende logeerde by den broeder van Quiej Werdagiepa voor- 
seyt, die ons oock veel vrientschap bewesen heeft. 

10 ditto, des morgens syn wy wederom vertrocken en quamen int 
dorp genaemt Taetgy daer wy desen nacht hebben gelogeert. 

11 ditto, syn wy wederom voortgetrocken ende quamen des avonts 
in een dorp genaemt Selemby ^ , daer wy des snachts logeerden, ligt 
omtrent 6 a 7 mylen van 't vorige. 

12 ditto des smorgens syn wy wederom vertrocken ende quamen 
tsavonts int dorp genaemt Tyncker, d|ier wy des snachts logeerden, 
ende werde van de inwoenders wel onthaelt, ligt vant vorige dorp 
8 mylen. 

13 ditto, des smorgens syn wy wederom vertrocken ende quamen 
op den middag in een dorp genaemt Ady pira, daer noch heel wey- 
nich volck was, wy hebben dese nacht hier moeten logeren, over- 
mits de dragers ons niet volgen en conden. 

14 ditto, des smorgens syn wy wederom voortgemarseert en qua- 



1 Sdembir in het district Bojolali. 



95 

men tsavonts in een dorp genaemt Sougemanick, maer Qniej Wer* 
gadiepa en is by ons niet gecomen^ want sylieden ons niet volgen 
en conden; dit dorp light van de vorige 8 a 9 mylen. 

15 ditto, is Quiej voors. met syn companie nademiddagh by ons 
gecomen, soodat wy dese nacht hier gelogeert hebben. 

16 ditto, des smorgens heeft ditto Quiej hier een buffel laten doe- 
den van de buffels van Tommogong Syngarauw, want hy hem sulcx 
belast hadde, des sachtermiddachs ten 4 ure syn wy wederom ver- 
trocken ende quamen des avonts in 't dorp genaemt Jaty, daer wy 
der snags logeerden. 

17 ditto, smorgens met sonneschyn syn wy wederom vertrocken 
ende quamen des-avonts tot Damh, logeerden by thuys van Quiej 
Wergadiepa, by een van syn Quiej Loeris die ons veel vrientschap 
heeft bewesen, in den tyt dat wy daer waren. 

21 ditto, smorgens syn wy van Damh vertrocken en quamen des 
avonts in de stadt van Calyn Jamatt ^ , daer wy des nachts logeerden. 

22 ditto, syn wy vertrocken en quamen voor de middagh tot Japara , 
des achtermiddachs is Quiej Wergadiepa met ons by Oulouwbalang 
gegaen ende heeft hem de tydinge ende synen last van wegen Quiej 
Tommogong verhaelt, soodat Oulouwbalang van de nieuwe tydinge 
niet weynich verslagen was, dan heeft hem metten eersten nochvry 
wat daertegen geset, soodat Quiey Wergadiepa hem gevraecht heeft 
na den Coninck van segge (sic.) ofite hem beliefde na den Coninck van 
Mattharam te gaen, ende presenteerde hem daerenboven gesellschap 
te houden. Ditto Ouloubalang en heeft Wergadiepa voors. syn gesell- 
schap niet begeert, maer dat hy begeerde in syn eenicheyt te gaen 
ofte senden, soo heeft Quiey Wergadiepa hem noch eens geseyt dat 
wy geen tollen en hoefden te betaelen, want de Coninck synen last 
is, dat hy niet en begeert dat de Hollanders tollen betaelen sullen. 
Daemae heeft ditto Ouloubalang hem laeten verluyen, dat den vry- 
brief van den Tommogong niet geschreven was, maer van Quiey 
Wergadiepa, maer dat is contrarie, want ick selffs gesien hebbe, dat 
den Tommogong voors. den brieff geschreven heeft, dan hy heeft 
ons gereconmiandeert, dat wy ons evenwel niet vyandelyck ofte op- 



1 fiij Yalentyn, op de kaart N. niet verre van de zea tussclien Demak en Japara; 
b^ Raffles, Calinjemal meer landwaarts in; bij Melvill geheel onvermeld. 



96 

stinaet tegens ditto Ooloubalang en souden toonen, waerop ick ant- 

woorde, dat wy niet anders en sochten dan met vrientscliap te 

continueren y watter meer gepasseert is, reffereere my aen S^ B. v. 

Eyndthoven, oppercoopman alhier tot Japara, die U Ed. van alles 

breder verhael sal connen doen. 

Was onderteykent, 

COEN. VAN MaSETCE. 



XXVI. Balthasab van Etndhoven, OPPEBKOOPMAN . COBK. V. 

Massycs:, oppebkoopman, gezant bij den Panembahan 

VAN Mattabam, en Jan Le pape, aan den 

DIBECTErB GENEBAAL CoEN. 

Samarang, 16 aug. 1618. 

Op ten S^ stanti, soo heeft de Gouverneur Qodja Oelanballan ^ 
myn en Comelis ontboden met een compas, om syn musquet aff 
te si....(?) en wy in syn huis comende en weder geseten zynde, 
heeft hy ons met ons vieren seer schelmachtich verraden en 
seer strenghelyck gevanghen ghenomen; ghevangen zynde, heeft 
op ons begeert dat wy hem alle het volck met Comp' goederen 
in zyn handen zouden leveren, waerin wyluyden swarigheyt maeck- 
ten, maer hebben hem de voors. goederen ghepresenteert^^ waermede 
hy niet tevreden was, maer is dadelyck van ons naer de logie ver- 
trocken en heeft deselve, alhoewel ons volck geen weer en dede, 
met geJ^relt inghenomen en dry van ons volck seer deerlyck vermoort 
en dry ghequest, ende resteerende ghevangen ghenomen en seer 
harde ghebonden, en alle onse goederen berooft en daemaer ons 
verstaen ghegeven, waerom hetselve geschiet was, omdat d' onse 
diversche joncken van dese plaetse ghenomen hebben, en dat het 
nu de vierde mael was dat de Coninck hem sulckx belast hadde, 
en soo hy hetselve niet gedaen en hadde, soude het zyn leven costen 
met wyff en kinderen, want segt hy, ons voor desen diverse male 
voor den Coninck verexcuseert heeft. 

Ady d^ ditto, heeft de gouverneur vs. ons met ons seventienmet 
alle de Comp^^^^ goederen van Japara gevoert om naer den Mattaram 



DjojoP Hodoe-bniang , oyerwinnende voorvechter P 



97 

te brengen^ latende die geqnesten met den Barbier tot Japara, alsoo 
men deselve overwech niet conde brengen 

Oodja Oelamballan^ gonvemenr, die ons seer schelmachtich verra- 
den heeft, heeft ons belooft en met eede bevesticht, dat hy sal 
maecken, dat wy van het lyff te verliesen gheen noodt sullen hebben , 
twelck Godt almachtich geve, dierhalve willen wylieden de Heeren 
gebeden hebben, datse degheenen, die onder den Maliaram sncce- 
deeren, niet en misdoen, want hy houdt ons noch gestadelyck ge- 
bonden; maer de gouverneur vs. verhoopt en meyndo vastelyck by 
den Coninck te verwerven, dat wylieden binnen de maendt los en 
liber sullen wesen, twelck ons Godt almachtich verleene. 

Actum desen 16^^ augustus, A. 1618 in Samarang, en zyt Godt 
bevolen enz 

B. V. Etwdhovbn. 

COBN. VAN MaSETCK. 

Jan Lb Pape. 



XXVn. De benoemde Gottvebnetje-Geiteeaal Jan Pibteesz. 

COEN EN DE BADEN VAN InDIE, PieTEB DE CaBPENTIEB, 

Abent Maebtensz., Willem Jansz. en Pieteb Dibgesz. 
AAN DE Bewindhebbebs deb Geneb. Oost-Ind. Comp. 

(Heeben XVII.) 

Aan boord van het schip Amsterdam, liggende omtrent 
Jakatra, 29 September 1618. 

Emtfeste wgze, enz 

Met den Witten Beer hebben ÜEd. geadvyseert, hoe hooch de 
questie met den Pangoran van Bantam geresen was en synnen trots 
overwonnen hadden en met ter Thoolen hoe, na d'uitterlycken schyn 
weder goede vrienden geworden waren, item hoeseer d'Engelschen 
haer misloopen hadden in 't nemen en berooven van een Chineese 
joncke op de reede van Bantam, waerover den Pangoran tegen d'En- 
gelsen soo seere gestoort is geworden en ons soo groeten vrientschap 
bewezen heeft en noch doet, dat men bykans den Duyvel selvemet 
sulcke listen bedriegen soudef De tragedie is soo fraye gespeelt dat 
het van dage te dage aparenter scheen, dat men d'Engelsen verdjrer 

IV. 7 M 



98 

ven en met ons een eenwich yerbondt gemaect hebben sonde ^ ende 
alhoewel de Coninek van Jaccatra de liberaele aenbiedinge van een 
plaetse tot een generael rendes-vonz vry wat geretireert hadde, syn 
niet te min met soo goede hoope gevoet geworden , dat het scheen hem 
om geit alleen te doen was , maer onder dien vrientelycke en schoonen 
schyn, hebbe sy hoope gehadt^ selff meester van ü E. geit en 
goederen te worden en de generaele rendes-vonz met een generaele 
moort te prevenieren. Lange voor deze is U E. mede geadvyseert, 
hoe d'Engelsen geconsenteert was een schoon steenen hnys te bon- 
wen, 'twerck is dicwils gestaect en syn sy over het bonwen van dat 
hnys niet Inttel geplaecht geworden , nn het hnys ten naesten by vol- 
maect is en voors. qnestie over 't beroven van de jonck ontstaen zij j 
is d'Engelsen van den Pangoran met groote dreygementen belast, 
eerstelyck, dat alsoo nn een nienw hnys hadden, haer onde hnysen 
en plaetsen verlaten en aen den Pangoran weder overleveren sonden, 
ten tweeden , dat dnbbelt weder vergoeden R. 9998| , die de Chine- 
sen van de joncke, by haer berooft, te cort comen, ten derden, dat 
van de 12 vensters , die in haer bovenhnys recht over de strate en in 
'tgesicht van ons hnys gemaeckt hebben, negen vensters weder stop- 
pen ende ten vierden, dat de oppercoopman , die daer leyt, metten 
eerste vertrecken en weder een ander in syn plaetse geleyt worde. 
Hierop is by d'Engelsen geantwoort, dat haer onde plaetsen wel ver- 
laten sonden, maer van d'andre drie poincten niet van sinne waeren 
iets te doen, waerop de pangoran haer alsoo dreycht, als off met 
gewelt aengetast en haer nienwe hnyzen geraseert worden snllen, 
daertegen by d'Engelsen veel volck aen landt geleydt en seer scharpe 
wacht gebonden wort, en hoe men haer herder dreycht te meer 
vrientschap wordt ons betoont. Dese qnestie staet als noch alsoo en 
daer is tot nn toe niet gevolcht ; af de saeck ernst zy , dan off het 
met d'Engelsen eens syn, om ons te beter te abnyseeren, snllen de 
verstandige oordeelen off sal den tyt leeren moeten. 

Wat groote vriendschap ons bewesen wierde en hoe groote ge- 
negentheyt de Pangoran Gonvemenr en de jonge Coninek betoonde 
omme met ons een eenwich verbondt te maecken ende alle Enro- 
pische natiën nyt den handel van Bantam t'exdnderen, is ü E. 
voor dese ten deele mede verhaelt , als oock hoe Pangorang Gabaog 
de. broeder van den Pangorang gonvemenr van Bantam, by oosten 



99 

Jaccatra met alle syn vronwen en kinderen op de jacht gevaren was, 
onder pretext dat hem niet wilde bemoeyen met de qnestie die tus- 
schen den Pangorang en d'Ëngelsen was. Op syn versoeck hebben 
wy hem het jacht Cleen Hollandia , tot convoy medegegeven , inte- 
rim is de Ed. Arendt Marteen tot Bantam met de beraetslaginge 
over 't contract en schoonen schyn van vruntschap seer fyn getrai- 
neert. De jonge Coninck, de Pangorang gonvemeur en andre heb- 
ben onder andre, seeckere diamanten te coop versocht, men riedt 
ons seer die te beschicken, alsoo wel ryckelyck betaelt worden sou- 
den. De saecke is bg ons in deliberatie geleyt en na consideratie, 
soo het. recht gemeent worde, dat het te meer vorderen en soo het 
guytery was , dat d'actie en 't recht daema te meer wesen soude , 
ifi goet gevonden de geeyschte diamanten te vereeren, verscheyden 
andre vereeringen synder dienvolgende oock gedaen, als de Heeren 
per reeckening sullen sien, soodat de saecke (na ons geseyt wierd) 
vastginck. 

Aen den Coninck van Jaccatra en den adel aldaer, hebben oock 
diverse extraordinaire schenkagie gedaen, omme de wech tot de 
rendez-vous te bouwen. Ten cortsten geseyt, het scheen naer 't 
seggen en doen van die van Bantam en Jaccatra, datter geen beeter 
lieden dan wy in de werelt waren, noch syn. De coninck van 
Jaccatra uytvarende heeft my dickwils syn landt en als hy comt 
te sterven, de bescherminge van syn soon bevolen. De jacht van 
Pangorang Gabang heeft wel 2 maenden geduyrt, soodat hy, syn 
provisie opwesende, verscheyde reysen by ons om eenige sackenrgs 
en wat geit tot siry pinang gesonden heeft. 

Op de vrientschap by ons aen Pangoran Gabang gedaen, is by 
degrooten van Jaccatra, (die de verraderye vertrout was) decleenen 
te bedencken gegeven, dat de Nederlanders onlangs met die van 
Bantam groote questie gehad hadden en hoe het comen mocht, dat 
se nu Pangorang Gabang , welke (immer de boosheyt selve is) soo 
groote eere en vrientschap doen, misschien sullen sy desen Coninck 
van Jaccatra verdry ven en Pangorang Gabang , coninck van Jaccatra 
maecken willen. Dese gissinge is by d'onwetende voor 't secreet n 
van de saecke geoordeelt, men heeft daerby oock gevoecht, dat 
d^ngelsen over al vastelycken aflfirmeerden, dat het alsoo seecker 
was en daerby oock voechden, dat wy tot dien eynde eenich geschut ■ 



100 

boven op ons nieuwe huys geset hadden , waerover de broeder van 
den coninck van Jaccatra met eenige andre Orangkays deiw 19 aug^ 
ons huys syn comen visiteeren, wel simpelyck vragende: ofwyPan- 
gorang Gabang ontbood hadden in ons huys te comen en dat recht 
op dat pas, als wanneer van Pangorang Gabang een boode by my 
quam, aendienende hoe Pangorang Gabang aen Pulo Putri (welck een 
cleen eylandeke is, dat ontrent een cleene myle dwers van Jac- 
catra legt) gecomen was en dat hy my aldaer geeme spreecken 
soude; waerover versocht dat ik s'andrendaechs smorgens by hem 
comen soude. Seyde voorder dat de Pangorang ons huys geeme sien 
wilde; doch dat niet. comen en soude, ten ware hem den Coninck 
van Jaccatra ontboot, en dat tot morgen avondt, aent voors. eylandt 
soude blyven le^en omme te sien off de coninck van Jaccatra hem 
soude doen roepen. Item dat hy oock niet langer vertoeven mocht, 
want alsoo de vaste over twee dagen inginck, most hy precis die 
nacht na Bantam vertrecken , om daer voort ingaen van de vaste te 
wesen. Pangorang Gabang was ontrent 300 mannen stercq. lek ben 
s'anderdaechx^ wesende den 20 augusto voor dach, by voors. eylandt 
gevaeren met het jacht Cleen HoUandia en 3 boots vergeselschapt, 
hebbende ter andere syde na den coninck van Jacatra gesonden , omme 
onse onschult te doen, over de quade geruchten die uitgestroyt en 
ons nagegeven wierden, presenteerde soo het toomken, welkalsdoen 
op het nieuwe huys gerecht wierd of iet anders hem in de wech off 
suspect was, dat ick het datelyck soude doen affsmyten; doch hy 
en heeft het geensints begeert, zeggende dat met ons werck voort 
varen soude, dat hy ons alles goets vertrouwde, dat hy wel wyser 
was dan gehoor te geven aen clapperyen van quade tongen, biddende 
oversulcx, dat wy van gelycken doen souden. Soo haest ick by den 
Pangorang Gabang aen 't eylant quam, heeft hy my na 'gewoonlycke 
complimenten aangedient: Ick gae na Jaccatra, de Coninck heeft my 
ontboden , nu sal ick uw huys gaen besien en eer de zeewint wayde 
ginck hy met sulcken vreuchde na syn praauwe, dat hem thart in 
't lyff scheen te springen, waerover ick seer verwondert synde, myn 
geselschap vraechde, wat dat mocht bedieden; aldus syn wy elck met 
de synnen (sonder datter andre notable redenen tusschen ons pas- 
seerden) na Jacatra gevaren en des middachs aldaer wel aengecomen, 
all wanneer Gabang datelyck by den Coninck van Jaccatra gevaeren is. 



101 

Onder pretext oft waerachtich waere, dat wy voor souden mogen 
hebben, Pangorang Gabang, Coninek van Jaccatra te maecken , isser 
desen dach een groote menichte van volck hier en daer met haer 
piecken byeen vergadert, veel vrouwen synder oock uyt de stadt 
met haer baggagie in't lant gevlucht, sonder dat wy van alle de 
bedenckingen, die ons voorquamen , iets seecker besluyten of ver- 
nemen costen, want wie sonde oyt gedacht hebben, dat de Coninek 
van Jaccatra, die ons altoos de grootste vruntschap van de werelt 
betoont heeft, verraden en vermoorden soude. 

Pangorang Gabang heeft de geheele dach doorgebracht met de 
visite van den Coninek van Jaccatra en syne andere vrienden, off 
weleer met haer beraetslagen van haer moordadich voornemen en 
is des avonts met donckere nacht, voor onse poorte gecomen (even 
alsoff geen andere tyl; gehadt hadde) soo wy gereet waeren om naer 
t' gebet te gaen. De compste van Gabang, te stücken tyt verstaende, 
ben ick daerover verwondert en gealtereert geworden, hebbe belast, 
dat men in der hattBte met het gebet voort vaeren en datelyck alle 
de soldaten op de galderien van 't nieuwe huys met brandende 
lonten in de wapenen stellen en daer niemant op laten en soude, 
mits dat interim Pangoran Gabang voor de poorte getreyneert wierde 
tot dat alles claer was. Dese ordre is by den oppercoopman Car- 
pentier wel bestelt en is Pangorang Gabang met den broeder van 
den Coninek van Jaccatra en veel andre Orang-Kays van Jacatra in 
't oude huys by ons gecomen, meer dan 500 mannen stercq wesende 
en daerenboven was het vanbuyten, rontsomme onse huysen mede vol 
volck; met fackels . en tertsen hebben wy Pangorang Gabang onse 
wooninghe getoont. Op de plaetse en in ons out huys hadden ons 
en ons meeste onbedacht volck, met voeten wel doot connen loopen; 
dan aisoo de voors. soldaten ontrent 40 è, 50 stercq wesende, op de 
nieuwe galderye (daer niet overvallen costen worden) in de wapenen 
stonden, syn wy en ÜEd. rycke middelen, daerdoor (naest Godt) 
behouden geworden , alsoo niet mogelyck was , dat de verraders tot 
haer desseyn geraecken costen. Want soo my en andre schoon ver- 
moert hadden, soud het haer veel meer bloet gecost hebben, sonder 
dat van de huysen meester hadden geworden , twelck mede seer wel 
geconsidereert hebben. Pangorang Gabang met syn geselschap de 
goede voorsichticheyt siende, syn met soo geveynsde vrientlyck ge- 



102 

• 

laet vertrocken, als gecomen waeren, en hebben wy Gabang oock 
een goede vereering gedaen; die selffde nacht is hy weder met de 
zynen na Bantam gekeert. 

S'anderdachs wesende den 21^ is de Coninck van Jaccatra met 
syn gewoonlycke swite op de oude manier by my in ons hnys ge- 
comen en dat expresselyck , na my geseyt is , om myn gelaet te sien. 
Daer is tusschen ons niet anders dan d'onde vrientlycke onthael ge- 
passeert; doch het nieuwe huys is hy gaen besien, en hy verhaalde 
my onder andre , dat hy gister avondt syn Orang-Kays met veel volck 
beneffens Pangorang Gabang by my gesonden hadde^ om ons te 
helpen off Gabang per avontuur iets quaets tegen ons voorgenomen 
hadde, waervan Syne Majesteyt hoochelyck bedanckte. Ten hove 
gekeert wesende, heeft hy, te weten de Coninck, den sabandaerdie 
op syn dootbedde ley t , schrifftelyck ontbooden , hoe hy by my geweest 
was en hem seer verh'ëuchde , dat geen verandering aan my had cannen 
bemercken ; maer dat even schoon als voor dese onthaelt geweest was. 

Den 24 Augusto voors. wierd my van een al^cker persoon, (die 
niet genoemt en dient) gevraecht, off ick wel wist watterommeginck, 
waerop neen geantwoort synde, seyde hy, die van Jaccatra willen 
dit huys affloopen, Quiay Fate, Quiay Aria en meest alle d'Orang- 
Kays van Jaccatra syn daertoe verdragen geweest; maer de Coninck 
Quiaij Mas Demang, groot Macka ende Sabandaer hebben 't weder- 
houden; waerop niet anders dan spottende geantwoort hebbe, dat 
geheel Jaccatra noch Bantam, niet machtich waeren snlcx te doen, 
en dat bereyt waren te verwachten allen, die daartoe lust mochten 
hebben. Doch hierop gelet, omme gehoort en pmme gesien synde, 
docht my dat dese man, 'trechte bescheet van de saecke niet en wist , 
off dat gesocht wierd ons met de voorgenoemde goede lieden op eene 
andere manier te abuseren; maer aen vele en verscheyden inditien 
hebbe voorseecker bemerct en bespeurt, dat wy den 20 Aug'. voors. 
doen Pangoran Gabang des avonis by ons was, met alle man ver- 
moort en UE. rycke middelen berooft souden hebben geworden, soo 
het d' Almogende in voors. maniere, sonder ons weete niet wonder- 
baerlyck verboet hadde. UEd. mogen Godt wel hoochelyck dancken 
en looven gelyck wy hier oock gedaen hebben en voortaen meer 
doen sullen, want soo het voortgegaen hadde, waere UEd. standt 
van Indien seer ellendich geworden. 



103 

Op dat pas waeren wy tot Jaccatra, aen landt hebbende ontrent 
f 600,000 soo in contant geit, als eenige coopmanschappen, noch 
ongelyck meer (meen ick) datter by de Javanen vermoedt wierdt. 
Na voors. opening heb ick alle het geit ende voomeempste coop- 
manschappen van landt doen schepen en over de schepen verdeylt. 
De Coninck van Jaccatra sulcx vernemende, is daer over seer per- 
plex geworden en heeft uit hem selven wonderlycke protestatie en 
seer groote ontscholdinge gedaen, sonder dat oyt beschuldigt is ge- 
weest. Hy beclaechde met tranen in d'oogen bemerckt te hebben, 
dat lek hem niet en betrouwde als voor dese: „Soude ick," seyde 
hy, „de Nederlanders quaet doen, ick heb se bemint eer die oyt 
^gesien hadde, ick hebbe voor dese myn soon en myn landt aen 
„Gnerl. Both en daema aen de tegenwoordige president gerecom- 

„mandeert, omme als een vader en momboir daerover opsicht te 

• 

„nemen, soo waerlyck als Godt leve, ick segge ü met der harte 
„en niet met den monde de waerheyt, Godt zy myn getuyge. Ge- 
„ looft my de Capp*. niet, laet ons te samen comen, ick ben bereyt 
„op nieuws de grootste eede van getrouwicheyt met hem te doen, 
„die gedaen worden connen." Dit syn d'ontschuldinge, welcke de 
Coninck van Jaccatra, uit sich selffs sonder eenige redene doet. 

Dat de saecke soo quaelick gemeent wesen soude, als ick die 
houdende ben en plat uit (gelyck vooren) segge dat die is, tot 
naerder bewys, daervan gaen nevens dese, 2 acten; ÜE. sullen, 
(meen ick van andre geen meer bescheet becomen, tenzy dat (twelck 
Godt gelieve te verhoeden) d'execulie van een andre verraderye de 
waerheyt van tvoors. naect ontdecte. 

Dien selfden nacht doen d'aenslach mislucte, isser by Pangoran 
Gabang en den Coninck van Jaccatra beslooten, dat Gabang weder 
tot Jaccatra comen soude, omme in des Conincx warande te gaen 
jaegen en ons daer te trecken, soo haest de vaste uit zy; tot dien 
eynde heeft men datelyck begost de plaetse te reynigen, dan alsoo 
bemercken deguyterye t'onser kennisse gecomen is, is die aenslach 
weder te niet. Daema heeft men begost tot Bantam uyt te geven, 
hoe de Pangorang Gouverneur, Gabang verweeten hadde, dat Ga- 
bang sochte met onse vrientschap en hulpe Coninck van Bantam te 
worden en dat daerover met den anderen wel in oorloch souden 



104 

mogen geraecken en den adel voor seecker hout, boo 't gebeurde, 
dat wy Pangorang Gabang helpen sonden; in somma om 't cort te 
maeeken, daer comt alle daegen wat nieuws, wonderlycke practyken 
en listen worden aengeleyt om ons te abuyseren en in slaep te wiegen. 

Die van Jaccatra trachten seer om my in 't landt, als voordese, 
op een speelreys te locken en die van Bantam om my daer aen 
landt te crygen. Aen 't gedekte en gelaet van seeckere persoonen, 
die met loose bootschappen verscheyde reysen by my geweest syn^ soo 
tot Jaccatra in huys als in de schepen, blyct claerlyck dat expres 
gesonden syn, om my te vermoorden , en noch moeten alsulcke ge- 
santen om ÜE. welstandt gehoor geven en vrientschap bewysen, ter 
cause van d'arme staet daerinne ons bevinden j door cleene subsidie 
die by U E. in veel jaeren gesonden; de spraecke heeft tot Bantam 
gegaen, dat ick tot Jaccatra vermoor t en onse huysen aldaer al ver- 
nielt waereny doch hoope dat ons d* Almogende wel behoudeti saL 

Aen verscheyden inditien schynt waerachtig te wesen, dat niet 
alleene by de Coningen van Bantam en jaccatta geconspireert sy, 
omme ons te vermoorden en ÜE. goederen te berooven; maer dat 
bykans alle de Coningen van Java met den anderen verdragen zyn, 
om ons t'eene mael uyt te roeyen en dat voomamelyck onmie het 
maecken van een generaele rendez-vons van haer qnartieren te 
weeren en haer alsoo te ontlasten van de groote vreese, die van 
UE. macht en welstandt hebbende syn. Myn versoeck van Ontong 
Java, heeft de Coninck van Jaccatra, dien van Bantam gecommnni- 
ceert en is daerop naer 't schynt de verraderye gebrouwen. Houden 
oock voorseecker , dat de Mattaram en de Coninck van Cheribon van 
alles goede kennisse hebben en dat de verraderye met haer wete 
en willen begost is. D'Engelssen schynen oock niet vry te wesen 
en is mede geloofflyck, dat de verraderye, welcke d'Engelssen voor 
dese tegen ons gebrouwt hadden met kennisse van de Coningen van 
Bantam en Jaccatra onderleyt is. Veel inditien souden daervan 
connen verthoonen, dan de Heere wil het d'Engelsen vergeven, het 
schynt dat zy meenen soo ons connen doen vermoorden, dat haerc 
meesters daeraen grooten dienst geschieden sonde, maer ick segge 
UE. soo wy tot Jaccatra vermoert waeren geworden, dat ick voor 
seecker houde, d'Engelssen tot Bantam en Jaccatra van gelycken 
tot loon geschiet sonde hebben, want sy alleen gehaet; maer wy 



105 

daerenboven gevreest worden • 

Hadden wy nu macht en middelen , 't waere den rechten tyt om 
(dese) plaetse tot een generael rendez-vous te begrypen en te fortifi- 
ceren ; 't is den rechten tyt segge y segge andermael .... het recht 
en de redenen wort ü E. van d' Almogende toegewesen, of ghylieden 
moet nyt Indien verftecken of toestaen, dat alhier vermoort en al 
Uwe goederen berooft worden, hadden wy de macht hier, souden 
over 't recht niet langer disputeren, maer met de saecke voortvaeren. 
Op de voors. propositie is verstaen, dat de huysen tot Jaccatra voor 
een aenloop ter diffentie suffisant syn, en dat geen macht hebben 
om 't principael te beginnen ; doch alsoo wy tegenwoordich op 
ons alderswackst syn en apparent is, dat d'Engelsen, die veel 
schepen te verwachten hebben, de sterckste sullen worden, soo 
is voor goet verstaen, ten aensien dat de schepen onse huysen 
van Jaccatra, noch de huysen van Jaccatra de schepen niet assis- 
teren connen, dat men daerover op t'eylandt daer onse schepen 
gemeenlyck verdubbelen * provisionelyck .pen sterckte opwerpen sou- 
den, dewyl aldaer in allen gevalle (Ontong Java begrypende) een 
fort off batterye gehouden moet worden , omme de schepen daeronder 
te verdubbelen en te vertimmeren; item is oock goetgevonden, dat 
men in alles, sooveel doenlycken is, simuleeren sullen, dat men de 
Coningen van Bantam geensints, noch oock geen Orang-Eays in 't 
minst beschuldigen, noch eenich quaet semblandt betoonen sal. . • 

Dit is de resolutie op voors. stanti genomen; maer ick en sie niet 
hoe die ten effecte sullen connen brengen, want behalven de schepen 

Ziericzee en Mauritius, syn hier geen andre schepen, dan 

(zes schepen) in alles op hebbende ontrent 370 mannen 

al d'andre resterende beste schepen syn 

gedestineert van de MoUuquen na Manilha te vaeren. UEd. ge- 
Keven te considereren hoe hier sittende syn, met de vyantschap 
van alle de werelt op den hals, meer dan duysent syn UEds. vy- 
anden tegen een van d'onsen stercq, evenwel gebreect ons daeromme 
de corragie niet, maer de cleene consideratie die by UEd. gebruyct 
wort, beswaert ende verdriet ons aldermeest. Overleyt eens by ü 



Blijkens eene kantteekening op dezen brief is hier het eiland Onrast bedoeld. 



106 

selven (bid ick) watter behoeft tot hetgene ÜE. desidereeren y ea obs 
bevelen, als namentlyck: jaerlicx rycke retoeren over te senden, de 
MoUuqnen, Amboyna en Banda wel beset te honden , d'Engelsen, 
Francen en alle andre vreemdelingen van daer te weeren , den 
vyandt in Manilha met een goede vloote te besoecken, de rycke 
Chinessen handel te proenreren, een treffelytke vloote na Arabien 
en Snratten te senden, een generael rendez-vous te begrypen en 
formeeren, en hierenboven d'inlantschen handel van d'een bysondere 
plaetse op d'andre waer *te nemen en den vyandt alomme alle mo- 

gelycke affbrenek te doen! 

Met onse voorgaende is UEd. geseyt, hoe tsedert Febr. passato 
geen rys in Japara te beeomen is geweest , doch datter goede ap- 
parentie was eerlang ons geriefi beeomen souden; volgens ordre van 
den Hr. Generael Reael, (op syn vertreck van Japara aldaer gelaten) 
is de ondercoopman Comelis van Maesyck na den Mattaram gereyst 
en overal wel onthaelt geweest , gelyck de Heeren per nevensgaend 
joumael connen sien ^. Hy is tot in de stadt Mattaram gecomen 
by Tommogon Syngaranölier ^y welcke doen en laten van den 
Mattaram is. Dese heeft de schenckagie ten dancke aengenomen en 
voors. ondercoopman van wegen den Mattaram bescheet en licentie 
gegeven y dat ons volck en niemant anders in Japara, soo veel rys 
souden mogen coopen en uytvoeren als selfs begeeren. De Gouver- 
neur van Japara 't bescheyt siende, seyde dat het een vals brief ken 
was, doch heeft d'onsen evenwel ongemolesteert en een weynich rys 
coopen laeten. Dan corts daema heeft hy uyt de name van den 
Mattaram, drie dagen naer 't vertreck van 't schip de Trouwe van 
daer, de logie met gewelt affgeloopen, gelyck per nevensgaende mis- 
sive van Balthasar van Eyndhoven geadvyseert wort. Drie mannen 
synder in de farie gedoot, drie gequest en 17 in 't lant geknevelt 
gevangen gevoert. Ontrent R. 20 c. in geit en goederen isser ge- 
rooft. Na de rovers en moorders seggen hebben sy daertoe groot 
gelyck gehadt, want Balthasar van Eyndhoven (na geseyt wort) heeft 
den Mattaram bg een hondt vergeleecken en den Gouverneur ende 
andere hoofden van de plaetse, seer qualick beijegent. Daer syn 
oock eenige joncken van des Matarams volck by d'Engelsen berooft ^ 

" Zie hierboven N®. XXV. 
* Singo-Ranoe. 



107 

daervan ons de schnlt toegeschreven wort^ gelyck voor dese gead^ 
viseert hebben. Nu corteling hebben eene missive ontfangen, die 
. nit den name van den Tommogon van den Mattaram geschreven was y 
waerinne my advyseerde, dat hy by den Mattaram verworven hadde , 
dat wy wel weder 5 a 6 andre persoenen in Japark om te handelen 
mochten leggen, dan* mochten sooveel quaet niet weder doen, als 
de voorgaende gedaen hadden. In voegen, dat hun (na haer seg- 
gen) noch veel te cort comt. Na onse gissinge is voors. huys om 
't geit en de goederen alleene a%eloopen, want Jacob van Mart is 
lange te voeren gedreycht en van syn vrienden gewaerschout ge- 
weest, dat sich voor diergelycken te hoeden hadde. 

Ende alsoo hetselvige (i. e. de moort te Japara) ten hoochste ge- 
revengeert en gestraft dient, off ons volck noch UE. goederen souden 
nieuwers verseeckert connen wesen, hebben wy last gegeven dat 
men eerstelyck met behendichheyt trachte eenige rys en de gevan- 
genen te becomen en daema d'autheurs, adjuteurs en executeurs ten 
alderhoochste straffen, opdat het alle trouloosë mooren, voor een 
notabel exempel dienen mach, en dat eeA ider sie, wy niet en ont- 
sien ons recht te vervolgen tegen d'aldergrootste potentaet van de 

werelt 

UEd. gelieve te gedencken dat de verraderye by dese Coningen 
tegen ons beleyt en begost is ende al is het haer nu misluct, syen 
sullen niet laten, daerinne voort te vaeren gelyck dagelycx meer en 
meer vernemen, wy syn nu wel gewaerschout dat overvallen, ver- 
moort en berooft sullen worden, soo haest het onse vyanden te 
wege brengen connen, ja alwaert (soo het niet eer connen doen) 
seven jaeren naer dese, geen deucht sal haer van dat voornemen 
houden; derhalve bidde andermael zeer«demoedelyck, dat de Heeren 
metten eersten herwaerts aen, gelieven te senden groote menichte 
van volck, menichte van schepen en een groote sonmie geit, met 
alderley nootlyckheden. Dit doende sal alles wel gelucken, soo niet, 
salt ÜEd. berouwen. 

Dispereert niet, ontsiet uwe vyanden niet, daer en is ter werelt 
niet dat ons can hinderen, noch deeren, wandt Godt met ons is, 
eu treet de voorgaende misslagen in geen consequentie, want daer 
ca» in Indien wat groots verrif ht worden. Waeraen dat het voor 
dese gefeylt heeft, hoope ÜEd. (als het haer gelieft met weynieh woor- 



108 

den) mondeling te vertoonen; de somma van alle H voorschreven isj 
dat ÜE. alle jaeren herwaerts aen^ dienen te senden sonder opfwuden, 
menichte van vokk, scfiepenj geit en alderley nootlyckheden^ waer- 
tegen dun jaerlicx rycke retoeren gesonden sullen worden , gelyck nu 
begost is. Ende hiermede enz 

Int wapen van Amsterdam , legende ontrent Jaccatra adi 29 Sep- 
tember 1618. 

ü Ed. Dienstw. 

Abbnt Maebts. J. P. Coen. 

WiLLEii Janss. P. de Cabpsntisb. 

PlETEB DiBCXSOOir. 



XXVni. De benoemde GOTTYEBNErB-GENEBAAL JaN PiETEBSZ. 

COEN EN DE BADEN YAN InDIE , PlETEB DE CaBPENTIEB^ 

FbANK YAN DEB MeEB en PlETEB DiBCKZ. AAN DE 

Bewindhebbebs DEB Geneb. Oost-Ind* Gomp. 

(Heeben XVII.) 

Jakatra, 12 NoYember 1618. 

Emfeste, enz 

Onder anderen hebben UEd. met onse voorgaande in supstantie 
geadYyseert, hoe by de coningen Yan Bantam en Jacatra met toe- 
stemming Yan den Mattaram en alle andre omleggende grooten, soo 
wy meenen en YÓor seecker houden, seer behendelyck voorgenomen 
is geweest, deese hnyse aff te loopen, ons en XJEd. Yolck te ver- 
moorden en aJle de rycke middelen van de Generale Comp. te be- 
roven, omme alsoo het bouwen van een generale rendez-vouSj daer- 
door met een generaele moori en beroovinge van alles te prevenieren.... 

Met onse vooi^aende is U E. mede geadvyseert, hoe geresolveert 
hadden op een van d'eylanden by de verse riviere een reduit te 
maecken en tot Jacatra continueelyck gamesoen van 100 koppen te 
houden. T'sedert wat naerder op de saecke gelet hebbende, dacht 
my dat onse huysen seer licht alsoo souden connen verstercken, dat 
daermede alle gewelt van buyten en binnenlandsche vijanden weder 
gestaen cost worden en dat sulcx om verscheyden gewichtige redenen 
oock behoorden te doen en niet*genoech was, dat voor een aen- 
loop suffisant genoech waren. De redenen en het recht mede 



109 

suflSsant wesende, soo hebbe d'occasie oock waergenomen en al 
soetjens met eenige slechte wercken begost, omme te sien hoe 
hem de saeeke toedragen en die van Bantam en Jacatra haer 
honden zonden. Hiermede sop verde comende, dat ons volck en die 
van Bantam en Jacatra het desseyn gewaar wierden, soo hebbe den 
22«n passato, in 't wapen van Amsterdam eene generaele vergadering 
beroepen, alles naectelyck ontdect, de saeeke wyt en breet voorge- 
stelt ende wierd daerop na consideratie van 't geene dien aengaet, 
gearresteert, dat men met het begonnen werk voortvaren en een 
volkomen fort voltrecken sonde. Op d'eerste pnnt hebben overlange 
12 stncken geschnt gestaen, twee andre punten sullen mede welhaest 
gemaect wesen. T'is aireede soo verre gebracht, dat U E. desehuy- 
zen, niet alleene voor een aenloop, gelyck voor dese geadvyseert is 
suffisant zyn, maer dat (wy) moed hebben, met Godes hnlpe, 
alle gewelt van geheel Java, van de Spangiaarden en Portngiesen, 
Engelsen , ende anderen weder te staen. 

Die van Bantam en Jacatra syn over dit werck seer beroert en 
bevreest geworden, sy hebben continneelycken haere spien uytgeson- 
den; maer geen moet gehadt ons werck te verhinderen. De Coninck 
heeft my verscheyden reysen doen bidden met myn geselschap, na 
oude costame ten hove by hem te comen; doch alsoo verscheyden 
inditien gesien syn , dat gesocht wierdt my te doen vermoorden , is 
tot diverse reyzen by den raet gearresteert, dat ick niet gaen,maer 
my ten besten excnseeren sonde en, naer dat hier over vanConincx 
wege seer groote instantie gedaen was en wy niet dan te min 
daertoe resolveren costen, is de Coninck selve met veel Orangkays 
^J Diy gecomen, en heeft het werdk rontsomme gesien, met groote 
zedicheyt vraechde hy : waeromme dit en dat waren maeckende, 
waeromme hem wantroude ende van waer dese veranderinghe quam; 
biddende hem selven en niet door anderen te kennen te geven wat 
van de saeeke was; hierop syn tusschen ons, den Coninck en syne 
Orangkays, veel redenen en wederredenen gepasseert, streckende 
van wege den Coninck , dat hem alles behoorden te vertrouwen en 
van onser syde, dat een overhooft tegen alle gevallen behoort en 
schuldig is te versien en dat wy door onse onbedachtsaemheyt ver- 
moert en onse goederen berooft wesende , de Coninck ons daema niet 
sonde connen helpen • . • j. 



110 

Dese redenen hebben sy niet connen wederleggen. De mont is 
haer daermede gestopt en het gemoet hnn oyertaycht, alsoo, datter 
noyt geseyt en is: qualick doet ghy; maer wel (nu niet beter mogen) 
dat ick mach maecken , 'tgene sel& begeete ; dan alsoo by dese natie niets 
meer dan macht en forten gehaet en gevreest wort, can U Ed. wel 
considereren , hoe sylieden te moede zijn, insonderheyt smaet dese 

Coninck seer heftich op de steenen cadt, die op den hoeck 

tosschen onse twee steenen huysen gemaeckt wordt, vermits desel- 
vige te landewaerts over de stadt domineeren sal. Ende alsoo ge- 
noodtsaeckt syn geworden, het sieckenhnys en veel andre rieden 
huysen aff te breecken, waerdoor opt eylandt voors. , by d'onse 
Onrtist genaemt weder andre rieden hnysen gemaect syn, de siecken 
en andren daer getransporteert hebben, van meeninge synde aUe 
d'ambachtslieden aldaer mede te doen woonen en ter gelegendertyt, 
aldaer een rednyt op te werpen, schynt het, dat die van Bantam, meest 
vreezen voor 't geene ick hoope, dat aldaer offeldersgebenrensall, te 
weten dat daer een colonie planten en al de negotie trecken sollen. 
Hierover heeft de Pangoran van Bantam (zich) verlnyden laten, dat 
hem dat eylandt en niet den Coninck van Jacatra toecomt. De 
Coninck van Jacatra staet oock toe , dat die van Bantam daerop ge- 
sach hebben, en is seer vrientlyck biddende, dat ick die hnysen 
weder sonde doen afbreecken, op dat hy die van Bantam de mondt 
daermede sonde mogen stoppen; waerop Syne Maj*. bidde ons een 
andre plaetse te geven , daer ons volck , de siecke en goederen be- 
qnaemlyck gebercht en gelogeert mogen worden, dat dan datelyck 
alles afbreecken sal. Met dese antwoorden syn de gesanten van Ban- 
tam oock gekeert De Javanen selfis hebben de voors. hnysen ge- 
maect en oock gehaelt alle de paelen, daermede 't fort tot Jacatra 
gemaeckt wort, maer soo haest de grooten ons desseyn vernamen, 
is haer op lyffiitraffe verboden voor ons niet meer te doen. De 
chineese timmerlieden van Bantam syn mede temgge geroepen en 
daer is op den hals verboden, dat niemant na Jacatra vaere; doch 
het is nn voor haer te laet en met ons soo verde y dat ick hoope 
wy ons wel behelpen sullen en daerover niet noodich is veel moeyten 
te doen om volck te becomen, dewyle selfs mettertyt wel comen 
sullen. Derhalve laeten Bantam en Jacatra met haar verbot gewor- 
den^ omme te beter met meerder gemack tot ons desseyn te geraec- 



111 

ken. De Coninck van Jaeatra heeft ronduit verbooden, dat geen 
Chineesen noch Javanen ons helpen souden het fort te maecken, 
doch evenwel synder s'andrendaechs eenige Chinesen te werck gecomen* 

D'Engelsen hebben hier met desen Coninck gehadt veel onderhan- 
delingen die ons veel bedenckingen geven. . Zy hebben hem een 
groff stnck geschut vereert, d'eene tyt speelden met den anderen 
de schoone personnagie en den anderen gelieten haer als off in de 
wapenen geraecken souden, hetwelck ons met expresse aengediend 
wierd, doch alsoo ons de saecke niet aen en trocken is alles weder 
als roock verdwenen. 

UEd. sullen gelieven te verstaen, dat de wercken die maeckende 

syn, meest al binnen de heining van de plaetse comen en alsoo ons 

de plaetse nu te cleen valt , sullen alle d'ambachtslieden , gelyck voo- 

ren is geseyt, op 't eylandt Onrust gehouden worden. Wy sullen 

daerby oock sien te trecken sooveel Chinese timmerlieden en andren 

ais mogelijck sy, omme daer off daemae aan't vaste landt , coUonie te 

planten , nadat de tyt mede sal brengen , in voegen dat ons interim 

voor een provisionele rendez-vous dienen sal, het fort, welck hier 

maeckende syn, ÜEd. volck en goederen sullen, daerin vertrouwen 

wy, tegen alle gewelt genoechsaem verseeckert wesen. Hiermede sal- 

de wech gebaent syn, omme tot een volcomen coUonie te geraecken. 

Wy sullen daermede oock voorcomen , dat ons verse water en andre 

nootlycke provisie niet onthou&en worde. Die van Jaeatra sullen 

daerdoor oock gedrongen wesen vrede te houden, want soo sy iet 

anders onderstonden, souden onse plaetse wel haest sooveel vergroo- 

ten, dat ÜEd. in Indien geen ander generael rendez-vouz behoeven 

souden. Als volcomelyck bemerkt wort, wat met voors. eylandt Onrust 

voor hebben suUen wy oock naeder sien, hoe haer die van Bantam 

en Jaeatra houden sullen. Alsnu is dese Coninck besich om syn 

stadt te verstercken en die rontsomme in steenen mueren te leggen, 

't heeft de naem, dat het tegen den Mataram geschiet, maer alsoo 

hen haer gemoet overtuycht, geschiedt het uit enckel vreese, datwy 

haer boos voornemen met rechtveerdige straffe straffen sullen 

In Jaeatra ad. 12 novembr. A 1618. 

ÜEd, dienstw. dd. 

Pe^itco yxn dee Mebe. j. P. COBW. 

PlETEE DiECKSOON. P. DB CaEPEI^^TIBE. 



y* « 



112 

XXIX. De BEiroEMDE GorTEBinfiiTB GEin&BAAL Jaüt Pietebsz. 

CoEN EK DE Raden yan Ikdie^ Pieteb de Cabpentieb 

EK Pieteb Dibcesz. aan de Bewindhebbebs deb 

Gen, Oost-Ind. Comp. (Heeben XVII.) 

Aan boord van het schip de Oade Zon, 
omtrent drie mglen beoosten Japara, 
13 Januarij 1619. 

Edele Erentfeste 

Met onsen jongsten in Novembr. passato per tschip Mauritius ge- 
sonden, hebben üEd. geadvyseert, watter tot dien tyt gepasseert 
was. T'sedert is hier geen cleene veranderinge geresen. Maer syn 
wy door d'Engelsen in groote swaricheyt, den handel in confasie en 
ÜEd. staet in groot peryckel gebracht, doch behouden evenwel grote 
hope dat een goede uytcompste becomen sullen, watter op volgen 
wil, sal den tydt leeren; d' Almogende come interim d'ellendigen te 
hulpe en vergeve ÜEd. haer groote onachtsaemheyt ! 

Vermits den noodt my gedrongen heeft k Timprovisto met de 
schepen innewaerts te vertrecken, hebbe alle myne schriften en 
pampieren tot Jacatra moeten laten, waerover ÜEd. geen copie van 
onsen voorgaenden connen seynden, enz 

Naer 't vertreck van tschip Mauritius hebben wy 't schip Delft 
by der handt genomen, omme tsélvige metten eerste mede af te 
veerdigen en alsoo daertoe noch eenige peper gebrack, wierde goet- 
gevonden, dat men deselvige coopen sonde, niettegenstaende 6 en 6| 
R. voor de sack mosten geven. Tot desen prys isser pertye gecoft 
en in Delft gescheept omme d'Engelsen te prevenieren ende het 
schip tytelyk aff te vaerdigen, niettegenstaende vry wat vervalscht 
was, dan alsoo het gewas cleen geweest is en van den Pangoran 
hulpe noch recht becomen costen , mosten wy patientie hebben. 

Door onse voorgaende sullen ÜEd. verstaen hebben, hoe door 
Godes genade misluct was, de groote moorderye en roverye, welcke 
die van Bantam en Jaccatra den 20^ Augusto passado op ü Ed. 
volck en goederen vermeent hadden te doen, gelyck mede hoe ver- 
scheyde andere aenslagen op ons gemaect zyn en seer groote in- 
stantie gedaen is, om my in 't Hoff by den Coninck te becomen; 
doch de Heere heeft ïny tot noch to6 voor alle haer bose aenslagen 



r 



^^Wif* 



115 

behoet. D'Engelsen en Javanen syn sedert dien tyt noyt stille ge- 
weest, hebben een seer groote familiare correspondentie gehouden, 
sonder dat oyt vernemen conden , wat onder haer passeerde. D'eene 
tydt schenen zy groote vrienden te wesen en den anderen stelden 
haer aen alsoff doodtvyanden waren geweest, ende dat all, om ons 
te abuseren. De Coninck van Jacatra is met de versterking van 
zyn stadt voortgevaren. Hy heeft verscheyden nieuwe bolwerken 
gemaeckt, waer tegens ons mede sooveel versterct hebben als (naei; 
't volck dat wy hadden) doenlyck geweest is. Van dach tot dach, 
jae van uyre tot uyre synder spien in ons huys geweest, welcke de 
Coningen* van Bantam en Jacatra gestadelyck rapporteerden, wat er 
by ons gedaen wierde. Die van Jacatra gelieten hun, dat haer wel 
beviel wat ick dede , dat het met recht en goede redenen geschiede. 
De Coninck selffs advoyeerde alles; uytgesondert de stenen catte 
die recht tegen des Conincx bolwercken gemaeckt wierde , welck hem 
seer mishaechde, doch hy en heeft hem evenwel geensints wiUen 
ontbloten, maer secretelyck verboden dat geen Chinesen noch Java- 
nen, voor ons wercken oft eenige materialen aen ons vercoopen 
souden en doen hierover clachtich vielen, antwoordde hy geensints 
alsulck verboth gegeven te hebben; maer dat het hem lieff was, dat 
d'arme lieden aen ons geit verdienden en dat vry coopen souden al 
tgene begeerden, doch interim bleeff het verboth effect sorterende, 
alsoo niemant hem dorst te laten gebruycken ende alsoo een Chinees 
by gevalle ten gehoore van seeckere Javanen , hem liet ontvallen dat 
hy voor ons geen sant dorst halen, omdat het de Coninck verboden 
hadde, wierd desen man de lippen daerover affgesneden. De Coninck 
ontboodt my datelyck hoe hy soo een quaetsprecker, die gesocht 
hadde tusschen my en hem quaestie te maecken, gestraft hadde, 
om daermede te bethoonen, hoe hy wel expresselyck begeerde, dat 
ons elck een helpen sonde. Ende omme ons te beter te abuseren 
synder seeckere lieden t'onser hulpe geaposteert, daer aen quansuys 
bleeck, dat alle d'andere uyt haer selven vertrocken waren; doch 
van de geaposteerde Chinesen, die voor ons aen d'eylanden sant 
haelden, synder twee vermoert en dat door expres bevel, houden 
wy voor seecker, van den Coninck van Jacatra, omme d'anderemet 
een stomme dreygement van onse hulpe te verdryven. Het hout en 
de steen, welck op leveringe gecocht hadden, heeft de Coninck aen- 

IV. S 



114 

geslagen onder pretext dat hetselvige tot versterckinge van z)m stadt 
van node hadde. 

De Pangoran van Bantam ons disseyn te Jacatra vernemende, 
heeft mede gesimuleert en d'onse aengeseyt, soo wy op d'eylanden 
een fort maeckten , dat hy het hem aentrecken en met gewelt be- 
letten sonde, dan dewyle snlcx tot Jacatra doen, met toestemming 
van dien Coninck, dat hy hem daermede niet bemoeyen will; doch 
ondertnsschen heeft hy op den hals verboden, dat niemant, geen 
Javanen noch Chinesen naer Jacatra varen sonden, jae dat niemant 
hem vervordere een simpele brieff aen ons te brengen. Heeft mede 
op lyfistrafte verboden, dat niemant eenich hout aen ons, maer wel 
aen de Engelsen vercoopen sonde en het hont, welck wy op leve- 
ringh gecocht hadden en in 't bos van Carawangh gehonen was, 
heeft de Pangoran van Bantam door den Pangeran van Pontangh 
op doen houden en den Coninck van Jacatra heeft hy oock belast, 
fioo er eenige Chinesen oft Javanen van Bantam tot Jacatra qnamen, 
dat hy die gebonden weder naer Bantam senden soude. De hande- 
linghe is hieï* soo wonderlyck vreemt toegegaen als men ter werelt 
soude connen bedencken. Veel redenen hebbe ick den Coninck van 
Jacatra gegeven om hem te voldoen, oock verluyden laten, dat (ik) 
bereyt was hem met geit te paeyen, en alsoo hy 1000 Realen ter 
leen versogt tot hulp van d'oncosten, die hy over de versterckinge 
van zyn stadt was doende, hem deselvige gedaen en daerenboven 
over de 200 R. vereert in teecken dat mede goetwillich betalen 
wilden de schattinge, die de Chinesen tot versterckinge van des 
Gonincx stadt opgeleyt was. Ick hebbe de Coninck mede verscheyde 
reysen ontboden, hoe hem kennelyck was, wat groote vyanden wy 
hadden en hoe nieuwers sonder versterckinge seecker mochten woo- 
nen; derhalven dat genootsaeckt waren, onse plaetse, ter defensie 
te verstercken, en soo het hem niet behaechde , dat hy het my ronduyt 
soude laten weten; ick was bereyt alles op te breecken en wilde 
liever vertrecken, dan met hem in questie ofte oorloghe treden. 
Hierop heeft hy verscheyden reysen ontboden, dat geensins ons ver- 
treek begeerde, vermits alle syn welstandt van ons hadde. 

Terwyl dese en diergelycke protestatien meer, soo van d'een als 
van d'ander syde gedaen wierden, isser een mter met verscheyden 
bolwercken aen d'een zyde van de stadt tegens onse huysen over- 



119 

staende, voltroeken geworden. In 't Ho£f is mede bedectélyck een 
werdic, schootvry voor groff geschat^ g^xiaect, gelyok öoék m alle 
de hnysen van de voomaemste Orang Oays, en dat nyt vreese (soo 
zy seyden) dat wy van de cadt in de stadt schieten zouden. Hier- 
tegen hebben wy ons beste mede wel gedaen; maer door gebreck 
van volck weynich meer verricht, dan UEd. met Manritins ^ gead- 
viseert hebben, alsdoen gedaen was, synde 'tsedert, de meeste tydt 
doorgebracht met het maecken van eenige huysen binnen 't fort, 
item om de cadt, die de eene hoeck nytgesegen was te repareren 
en omme aen de twee buytensyden noch een mner, van acht voeten 
dick, te leggen, gelyck teü deele gedaen is. 

Terwyl dus doende waren en d'Engelsen [t vier ten qnaesten stooe- 
ten, hebben sy haer in den handel stille gehouden, sonder eenige 
peper te coopén, vetluyden' latende, dat soo haest hare macht byeen 
souden hebben, alsdan met alle man naer de Moluques, Amboyna 
en Banda varen souden. Hierover niet anders van haer disseyn con- 
nende vernemen, hebben wy wederom in haeste naer Amboyna ge- 
sondmi) het schip de Trouwe met realen 32 (mille) in spetie en 
confirmatie van onse voorgaende ordre, te weten: dat men voor 
de Goinpste van d'Engelsen opcoopen soude, alle de nagelen, noten 
en folie, die voorhanden waren, ten prys, dien men best becomen 
eoste, ende (mme d'Engelsen te beter te mogen resisteren, hebben 
wy het schip de Trouwe met ontblotinghe van andere schepen tot 
hoiidert edppen gemant; neifens de-Trouw is oock vertrocken tjacht 
Nassau met ordre dat Balambuam en Bima aendoen sal, omme de 
last van rys te soecken. Het jacht Jortan, van een joncke opge^ 
maeckt, is mede naer Solor en Timor vertrocken, soodat geen andere 
schepen behielden dan 't Wapen van Amsterdam, Delft, den Engel, 
den Oouden Leeuw ende Yalck, die corts van Atchyn en Ticoe 
gekeeli ii%sw 

Het onse jonexte is UEd. , naer my recht gedenct , 't succes van 
Japara niet geadviseert; maer wel hoe de commandeur Arent Merts 
ordre gegeven hadde, revenge te tiemen. De schepen St. Michiel, 
dé Suyde^ Sendragt, de N^tnnus en Hoorn, voor Japar A leggeiidè ^ 



* Btief raa 10 Nov. 1618* 



116 

hebben d'onse den S^ November passado met 160 man een landtodit 
gedaen, het houten fortgen, dat de Mooren gemaeet hadden sonder 
rosistentie ingenomen en tselvige, gelyck mede onse loge en alle 
omstaende hnysen verbrant, ontrent 30 Javanen zyn er gebleven, 
alle de joncken van Dama en Japara syn tot thien toe met de boots 
van de schepen, soo genomen als verbrant, en omtrent 80 lasten 
verovert. Veel pranwen en cleyne joncken synder mede vernielt, 
invoegen dat die van Mataram airede meer schade geleden hebben, 
dan ons gedaen zy. De Gouverneur van Dama, die de meeste 
schade wel geleden heeft, de voors. revenge verstaende, heeft date- 
lyck aen de schepen gesonden en S3m vrientschap aengeboden, pre- 
senteerende een verdragh met den Mattaram te maecken, de reste- 
rende gevangenen te lossen en den Gouverneur van Japara, die onse 
loge afliep, te doen dooden. De woorden syn schoon, 't gevolch sal 
den tydt moeten leeren. Want onse schepen alsdoen naer het be- 
scheyt van den Mattaram niet mochten wachten, waerover naerdat 
Japara verdestrueert en verbrant was, van daer naer Macassar ver- 
trocken zyn, om de gedane moort aldaer mede te straffen. Op voors. 
tocht isser Godt Loff niet een van d'onsen gebleven, maer 22 syn 
van haer eygen cruyt in een boot seer gebrant. 

Naerdat in Japara onse loge van den Gouverneur berooft was, 
hebben wy de misdaet een tydt lanck gesimuleert en weder nieuw 
volck aen landt geleyt, om pertye rys op voordeel te becomen; 
gelyck oock geschiet is, want omtrent 200 lasten, die in 't schip 
Hoorn geladen zyn, becomen hebben, waermede ons vooreerst wel 
sullen behelpen. Yeimits de dierte die in 't landt is, compt dese 
rys alsnu op 20 R. 't last te staen. Terwyl aldus simuleerden , meen- 
den die van Japara, dat ons genoeeb onder sweep hadden en dat 
wy haer niet conden derven, waerover d'onse groote overlast en 
veel injurie aengedaen wierde. Die van Bantham en Jacatra de 
derflructie van Japara verstaende, hebben seer cm'ieuselyck na de 
saecke vernomen, en syn vry wat verslagen geworden, vresende dat 
hare misdaet thans of morgen mede alsoo gestraft worden sal, dat 
Godt geve I Te desen tyde heeft men hier in t'oosten eenige dagen 
lanck een seer groote comeet gesien, die onder de Javanen en Chi- 
nesen een grote schrick maecte en veel bedenckinge gaff. Naerdat 
Japara verbrant was, syn meest alle de Chinesen by d'onse geco- 



117 

men ende commandear Arent Mertsz heeft haer (omtrent 150 sielen 
sterck wesende) herwerts gesonden. lek hebbe voor htin van den 
Coninck van Jaccatra plaetse versocht. Sy wiert liberalyck gepre- 
senteert, dan doen hy verstont, dat ick haer onder onse jurisdictie 
begeerde te houden, was er niet een voet grond steeds ten besteen 
alsoo op 't eylandt Onrust water gebrack en geen bolwercken oosten 
maecken, hebben wy de voorsz. Chinesen geen plaetse connen 
geven , waerover Intcha Moeda met 'iyn volck , in de volgende troubel 
naer Bantam gelopen is. 

Van de negen Engelse schepen, die in 't j>er 1618 vanEngelandt 
herwerts vertrocken zyn, synder drie naer Suratte gelopen, d'andre 
ses heeft Delff aen de Caep de Bone Esperance gerescontreert. Vyff 
daervan, syn den S*" Decemb. passado, tot Bantam wel aengecomen, 
het seste, wesende haren admirael, is voor de straet Sunda op 't 
eylandt Engano gebleven, sonder datter yets van gebercht zy, om- 
trent 130 nianneii synder mede verdroncken en 30 van de wilden 
doodtgeslagen. Met de compste van dese vyff schepen, hebben 
d'Engelsen tot Bantam, daer nu 15 schepen sterck waren, niet 
weynich opgegeven , de straten van Bantam vielen haer te cleen , nu 
souden zy van ons revenge becomen. 

Delff, die tot Bantam in de ladinge lach, dreychden sy te nemen, 
uyt geheel Indien souden se ons slaen , den Generael Coen , die haer 
sooveel quaets gedaen hadde, cotiste que cousle souden sy levendich 
oft doodt hebben, jae hadden hem aireede, hieromme, seyden zy, 
waeren zy expresselyck in Indien gecomen; doch voor dien tydt 
hebben zy Delff niet gemoeyt, maer weder naer Jacatra laten keeren. 

Voor desen is üEd. geadviseert, hoe het jacht HoUandia naer 
Patany gesonden hadden met ordre, dat men ons van daer (om 
gebreck voor te comen) groote quantiteyt rys senden sonde, den 
12den Decemb. passado, is ditto jacht weder van Patany tot Jacatra 
gekeert, tydinghe brenghende hoe zy primo October met den Swerten 
Leeuw van Patany vertrocken waren en de oude Sonne seer ryck 
geladen van Jappan comende , gerescontreert hadden , en dat syluyden 
in de /strate Palembang van ditto schepen gescheyden waren. Ter- 
wyle wy de voors. schepen met devotie tot Jaccatra waren ver- 
wachtende, soo is de Swerten Leeuw den 14«i Decemb. passado 
tegens den avont omti'cnt Bantam by Poulo Panjangh vervallen. 



118 

D'Engelsen hebben dateljck een roey sloepe met eenen Adam Den- 
ton , die oude kennisse van den directeur Hendrick Janss was, aen 
boort gesonden, wonder vertellende van de groote vrientschap, die 
tnsschen haer en ons was. Denton heeft den directeur Hendrick 
Janss., die als Commandeur over de Swarte Leeuw en tjacht Gleen 
Hollandia quam, eyntelyck beweecht met zyn schuyt naer landt te 
varen; doch hy bracht voorsz. Hendrick Jansz. aen boort van den 
Engelsen Admirael en alsoo dè Swerten Leeuw dien avont op de 
rede niet cost comen, hebben zy het by Poulo Panjangh geseth. 
Hierop syn datelyck d^s nachts , vier van de beste Engelse schepen 
claer gemaect en s'anderendaechs , smorgens vroech, by den Swerten 
Leeuw gelopen y dreygende alle d'onse op te hangen, soo haer niet 
overgaven. Matroos (naer ick verstae) was seer gewUlich om tegen 
d'Engelsen te slaen, alhoewel de Swerten Leeuw niet dan een wey- 
nich quaet cmyt hadde, en het schip overladen wesende seer red- 
deloos lach, dan de coopman en de schipper (idie te laet wacker 
wierden en versuymt hadden tytelyck naer Jacatra te vertrecken,) 
geen uytcompst siende, hebben haer ten laetste met aocoori over- 
gegeven op conditie, dat sy en alle het gemene volck met haer 
bagage, liber en vry souden gaen, daer 't haer gelieffde, sonder ge- 
plundert te werden. In deser voegen is het schip den Swerten 
Leeuw sonder slach oft stoot, sond«r dat oyt geinsinueert syn ge- 
weest, van de Engelsen genomen ^ 

Terwyl den Swerten Leeuw van d'Engelsen genomen wiert, ver- 
viel d'oude Sonne (in hebbende aen zyde en geld, de waerde van 
.559,00Q guldens) halfPwegen Bantam en Jacatra en aldaer aen den 
gront geraeckende, wiert hy van onse schepen gesien, hem eenige 
booten te hulpe gesonden en aengedient, dat naer Jacatra most seylen 
gelyck hy dede, anders soude hy d'Engelsen tot Bantam mede ia 
den mont gelopen hebben ^ 

Om haren boosen moetwille te beter aen UEd. volck, schepen en 
goederen te plegen en ons te meer te ontbloten, hebben d'Engelsen 
grote naersticheyt gedaen om het volck van den Swerten Leeuw in 
haren dienst te crygen, sy presenteerden alle haer achterstaende 



1 De lading van den Zwarten Leeuw had eene waarde van 152.000 galden , be^ 
halve 100 lasten rijst, daaronder niet begrepen. 



tl9 

gagien comptant te betalen en hun dan noch voor nieuwen dienst 
dubbelde gage comptant Ie geven, hiervooren presenteerde den 
schipper van den Engelschen Admu-ael borge te wesen, men seydt 
dat eenige meyneedich geworden syn en dienst by d'Engelsen ge- 
nomen hebben, dan wy en wetent niet seecker; doch het accoort 
welck d'Engelsen met die van den Swerten Leeuw gemaect hadden, 
syn zy niet naergccomen; maer hebben het volck ter contrarie ge- 
vangen gehouden, uytgesondert elff, die vrygegeven hebben en thien 
die haer ontlopen syn. Den directeur Hendrick Janss. hebben zy 
met alle zyn bagagien, schriften en pampieren vrygelaten. Soo haest 
wy verstonden, hoe den Swerten Leeuw van d'Engelsen genomen 
was, hebbe ick datelyck een expresse met een missive naer Bantam 
gesonden, inhoudende: waeromme den Swerten Leeuw genomen had- 
den , wat haer meninge was en off haer gelieffde 'tselvige , gelyck 
dat genomen hadden, weder over te leveren, soo niet, dat anders 
gedrongen wesen souden, onse revenge wederomme met gewelt te 
halen. Hierop hebben zy schriftelyck ontboden, dat^ de perticuliere 
poincten van de myne beantwoorden souden, als verseeckert waien 
dat onse missive^ met myn gewoonlyke signature geteeckent en met 
des Comp». segel versegelt zy; niettegenstaende wel bemercten, dat 
dit een frivole uytvlucht was om ons te abuseren, soo hebbe weder- 
omme een expresse naer Bantam gesonden, geteeckent en versegelt ^ 
gelyck zyluyden versocht hadden, met attestatie daerby; doch heb- 
ben daerop geen bescheet, dan wonderlycke scheltwoorden gegeven, 
mondelingh seggende: dat zy alle onse gaende en komende schepen 
sullen nemen, die zy becomen connen, dat daerop wel expresselyck 
aen de hoeck van de straet Sunda sullen leggen wachten ende dat 
hy (seyde d'Engelse Admirael) met alle zyn schepen naer Jacatra 
varen zoude, om alle de onse te verslaen en de Generael Coen 
levendich off doodt in zyn handen te crygen. Hare passie, naer 
ick verstae, was uytermate groot en het scheen, alsoff het op my 
alleen versien hadden. 

De vilipendie en scheltwoorden, die ons aindoen en naergeven, 
sullen in de penne laten. Onse gecommitteerde is genootsaect ge- 
worden met raedt van den Pangoran van Bantam met het boot en 
volck van den Engel, aldaer in de loge te blyven om niet in handen 
van d'EngelseQ te vervallen. De Swerte Leeuw van d'Engelsen ge- 



120 

nomen wesende ende de saeeke tot Bantam ende Jacatra op een seer 
quade voeth staende, syn vry wat beducht gew^eest hoe hetmetonse 
swacke macht aenleggen souden, want alle de schepen, uytgenomen 
den Engel, reddeloos lagen, den Gouden Leeuw wert verdubbelt, 
Delff lach in de ladinge , 't Wapen lach ledich sonder volck , aen de 
Valck wiert de Gouden Leeuw overgehaelt en aen landt was men 
besich met het volck van de loge om de plaetse te verstercken, 
tegens den oorloch, die ons met gemeene handt bereyt wierde. Eerst 
hebben wy de voors. schepen een tydt lanck aen 't eylandt Onrust 
gehouden, onder het geschut, dat daer van den Gouden Leeuw ge- 
plant was en daemaer van daer voor 't fort Jacatra doen vertrecken 
opdat aen 't eylandt met branders van d'Engelsen niet beschadigt 
zouden worden en om haerl. te gemoet te lopen. 

Dat de Swerten Leeuw van d'Engelsen genomen is, heeft de Co- 
ningen van Bantam en Jacatra vry wat verheucht. lek hebbe haer 
de saeeke doen aendienen en versocht, dat haer gelieven zoude , hun 
neutrael te houden ende d'een niet meer faveur dand'ander tedoen; 
waerop geantwoort hebben , dat haer niet begeerden te moeyen met 
hetgene tusschen ons en d'Engelsen in zee passeert, maer dat haer 
landt vry begeren te houden en alsoo d'onse de hulpe van den 
Pangoran van Bantam versochten met aendieninghe dat de Swerte 
Leeuw binnen Poulo Panjangh (dat genoechsaem op de rede van 
Bantam is) genomen was, antwoordde hy, dat wy voor desen het 
schip Sti Michiel genomen hadden, soo 'tselvighe naer Bantam was 
seylende en sich daerover alsnu met de saeeke niet moeyen wilde, 
gevende genoechsaem te kennen (gelyck de coopman van Uffele ad- 
viseert) dat wel wenste, dat wy t'eenemale vernielt waren. Omme 
syn best oock daertoe te doen, heeft de Pangoran alle prauwen mede 
verboden voor d'onse niet meer aen den hoeck van de straet te 
varen, omme de nieuwe aencomende schepen voor d'Engelsen te 
waerschouwen, gelyck voors. van üffelen daertoe seeckere prauwen, 
nae 't nemen van den Swerten Leeuw gehuyrt en in zee gezonden 
hadde, soodat het ^wederom schynt alle de werelt tegen hebben, 
gelyck voor desen meermaels gebeurt is. De saeeke aldus slaende 
ist gebeurt; dat de Coninck van Jacatra, verschut genoech tegens 
ons geschut en eenige nieuwe bolwercken gemaeckt hebbende, syn 
geschut seer behendich geplant heeft, terwyle zyne gecommitteerden 



121 

besich waren, om my met hope van vrientelyck verdrach te abuseren 
en te verhinderen, dat ick op de cadt geen geschut brengen ende 
selvige niet volmaecken sonde. Het quam soo naeby, dat men ver- 
socht dat ick maer een dach, jae maer een halven dach stil sitten 
sonde, doch dit versoeck heeft my te meer doen haesten, dan even- 
wel is de tydt te cort gevallen om 't werck te volmaecken. Want 
alsoo er den 22^» December passado geruchte liep, dat wy de vol- 
gende nacht met 7000 mannen besprongen zouden worden en daertoe 
secretelyck grote assistentie van Bantam in de riviere van 'Angkey 
gecomen was , is de gemeene man gaende .geraect , aUe de Chinezen 
en Javanen omtrent onse huysen wonende syn met vrouwen, kin- 
deren en bagage gevlucht, hare huysen verlatende, gelyck vele 
abrede eeuige dagen te voren mede gedaen hadden. Sondach den 
23 Decemb. siende elck een gevlucht, de handt geheven om geslagen 
te werden en dat als in een couwe met diversche bateryen oft bol- 
wercken omringht wierden, item dat de reviere met palen beseth 
bleeft en niet geopent wierde, gelyck de Coningh noch gisteren be- 
looft hadde te doen; maer insonderhejrt dat de voorgaende nacht op 
de plaetse van d'Engelsen, dwers van ons huys , een schootvrye walle 
begost en airede een vadem hooch was, daeraen gestadelyck met 
seer groten yver door de Javanen gewrocht wiert, onder andre hierop 
overdenckende hoe de Coninck van Jacatra gepresenteert hadde, 
doen hy socht my te persuaderen, dat ick geen versterckinge sonde 
maecken; maer alles op hem laten aencomen; dat hy met syn volck 
alsser vyandt quam, in drie dagen voor ons een fort sonde maecken; 
maer datter niemant thuys en was, doen ick naer 't verlies van den 
Swerten Leeuw syn hulpe versocht en nu ter contrarie sie, dat hy 
voor d'Engelsen onse vyanden een baterye recht op onse neuse doet 
maecken, soo hebbe datelyck, hoewel onse cadt niet claer en was, 
twee stucken daerop doen rechten en den raedt vergadert, voordra- 
gende hoe yder sach, watter tegen ons geprepareert wierdt en hoe 
genoechsaem in een couwe besloten wierden, derhalven dat alsnu 
resolveren mosten om de plaetse te houden ofte verlaten en soo dat 
begeerden te houden, dat d'eerste slach 'mosten geven, ruymte 
maecken en 't werck in d'Engelse loge vooral verhindert moste wor- 
den, oft dat alles te gronde soude werden geschoten. Ende alsoo 
den Swerten Leeuw eenige dagen te voren van d'Engelsen genomen 



122 

was eude sylnyden voor dien tydt een leelycke verraderye tegens 
ons gebrouwt hadden als per overgesonden acte blyct, wert eynte- 
lyck eenstemmelyck gearresteert, dat wy de plaetse niet verlaten 
maer met gewelt tegen alle gewelt honden sonden, soolange het 
Qodt gelieve; derhalve &t by d'Ëngelsen met goede redenen ver- 
soecken sonden, haer wercken tegens ons naer te laten , off d^t ick 
daerin versien zonde en soo het niet naerlaten^ dat alles met gewelt 
sonden slechten, item dat de wint 1'onsen voirdeel waeyende, alsdan 
alle dè verlaten hnysen van Chinesen en Javanen rontsomme ons 
staende, in de brant steecken souden, eer selfGs daerdoor in noodt 
geraecken. 

D'Engelsen hiervan verwitticht wesende, antwoordden eerst, datzy 
geen wercken en maecten, maer dat het de Coninck van Jaeatra 
selfEs dede, daemaer dat tot hare defentie maecten 'tgene gemaect 
wierde en snlcx niet begeerden naer te laten. Hierover hebbe da- 
telyck de plaetse met gewelt doen aentasten en is alles vechtender 
handt ingenomen en verbrant, gelyck mede de hnysen rontomme ons 
fort staende. Van des Coninex volck isser niet weynich op ons ge- 
schoten en oock een man in de boot doodtgeschoten , toen d'onsen 
naer d'Engelsen toe voeren. Ick hadde mede gelast, dat men oock 
slechten en verbranden sonde, het bolwerck twelck op den 
hoeek van de westzyde van de riviere begost was, dan het wiert 
eensdeels versnymt en ten anderen door brant en roock verhindert. 
In dese rescontre hebben wy elff mannen verloren en 12 geqnesten 
gecregen, wat verlies dat by den vyandt zy, weten wy niet, aldus 
zyn wy, (Godt betert) noodtshalve gedrongen geworden, t'onser de- 
fensie om lyff en goederen te salveren den oorloch te beginnen, 
Godt geve ons daervan een goede uytcompste. Maendach den 24e° 
December isser van wedersyden geweldich geschoten, de Coninck 
van Jaeatra, eenige Engelse bosschieters te hulpe hebbende. Wy 
hebben dien dach het vierde part van al ons cmyt, wesende thien 
vaten, verschoten en eenige van des vyandts geschut, welck ons 
tmeeste qnaet dede, onbmyckelyek gemaect 

Den 25«» ditto, hebbe ick weder een tocht op het bolwerck van 
de westhoeck der reviere met 30 soldaten laten doen. Ons volck 
dreeff den vyandt aen 't wycken, dan vermits d'achtersten d'assaolt 
niet vervolchden, maer terugge vlooden, hebben de voorste mede 



moeten wycken. Den lujtenant met drie anderen van d'onse, synder 
gebleven en van des vyandts syde^ naer geseyt wert, omtrent 20 

persoenen 

Die van Bantam, welcke ons met hulp van d'£ngelsen al dit spel 
maeckten, jae selffs degene, die op verscheyde manieren gesocht 
hebben ons te vermoorden, hebben Abraham van Ufielen aengedient 
dat het seecker was, dat ons d'Engelsen, gelyck oock die van 
Jacatra, met geweh aentasten souden en dat het haer insonderheyt 
om myn persoon te doen was, derhalve belasten hem my tselvige 
metten eersten te adviseren, en dat iok wel op myn hoede wesen 
soude. Het sehynt, dat dese waerschonwinge gedaen hebben op 
hope dat d'executie gedaen zoude zyn, ofte dat van Uffelen geen 
gelegentheyt soude hebben, dewyle zy hem de prauwe onthielden 
(om) my tytelyck daervan te verwittigen en dat zyluyden evenwel 
de goede man daerdoor werden souden, dan de Heere heeft het 
anders voorsien. 

De tydinge vant voors. sucees tot Bantam comende, hebben de 
Engelsen niet weynich getiert en geraest, sy versocbten van den 
Pangoifan licentie om ons huys aldaer mede aff te mogen lopen en 
alsoo hy sulcx geensins wilde toestaeü, seggende dat de saecke de 
Coninek van Jacatra aenginck, antwoordden sy, dat het dan op haer 
eygen authoriteyt doen souden. Sy syn daertoe driemaels op wech 
geweest, dan hebben haer bedacht. De Pangoran heeft seven Ja- 
vanen van zyn wacht in onse loge geleyt*om d'onse (soo men 't 
noemt) voor d'Engelsen te bewaren. D'Engelsen hebben hare Japon- 
ders en Bandanesen belast d'onse overall doodt te slaen, waeryemant 
becomen connen. Hierover heeft de Pangoran ons volck doen aen- 
seggen, dat binnen 't huys souden blyven en door vreemden laten 
coopen tgene tot nootdmft aen de merct van doen hadden. In 't 
eerste wierd ons volck tot Bantam aengeseyt, datse groot peryckel 
liepen, soo ick met den Goninck van Jacati*a in oorloch geraeckte, 
dan evenwel is daerop tot Bantam niet anders gevolcht. 

Den 29<^^ Decemb'. passado was alles met d'onse noch wel en 
heeft de Pangoran belooft ons volck voor d'Engelsen te beschermen. 
Niettegenstaende hy d'onse dese deucht tot Bantam doet, isset noch- 
tans seecker dat meest alle het quaet van hem compt, dat hy den 
Goninck van Jacatra dringht en dwinght, gewelt tegens ons te ge- 



124 

bruycken en denselven in alles adsisteert, opdat ons fort van Jacatra 
geen nieuw Malacca (gelyck het de Coninck van Cheribon noemt) 
werden sonde en Bantam niet vergae , dan oft dit de reehte middel 
is sal den tjdt leeren. Ende alsoo ick achte, d'Ëngelsen mede 
wonderlycke pretentie snllen maecken op het innemen en verbranden 
van haer loge tot Jacatra, snllen UEd. veradverteert wesen, dat 
zylnyden daer niet en hadden , dan een deen steenen huysken, 
gelyck een dnyffhnys met eenige rieden hnysen, sonder datter yets 
inne was, dan oude cabels , daermede de wal oft batterye tegen ons 
begost was. Het weynige dat daer gehadt hadden, was door d'En- 
gelse coopman eenige dagen te voren gelicht en boven op de reviere 
gebracht. Haer geschnt hadden zy den Coninck van Jacatra te 
hulpe gegeven. Int voors. hnysken zyn geen Engelsen, dat wy 
weten, gebleven en alsoo dese Inyden gants geen handel tot Jacatra 
doen, schynt het voorseecker, dat daer expresselyck gehouden wer- 
den, om t'onderstaen watter onder ons passeert, om ons te verraden, 
gelyck gebleecken is. Item om ons volck te debaucheren en alle 
de werelt tegen ons op te roeyen. 

De saecken tot Bantam en Jacatra in voors. staet zynde ende 
verataende, hoe d'Engelsen met haermacht,opcomendenwech waren, 
om ons, soo verluyden lieten, t'enemale te verslaen, hebben wy den 
raedt verscheyden reysen te bedencken gegeven, wat ons in de 
tegenwoordige noodt en zwaricheyt te doen stondt en wat ten beste 
van de Generale Gompie gedaen diende. De meeste stemmen incli- 
neerden best te wesen, dat de voomeemste goederen, het geit ende 
volck (souden) schepen ende plaetse verlaten souden, omdat beducht 
waren, het cruyt geensins souden connen strecken en dat de reviere 
verleyt en (aan) 't foi-t het versche water alsoo onthouden mocht werden ; 
item de plaetse wierdt ter defentie suffisant genoech gekent; maer 
soo men die in oorloch most onderhouden, wat dienst (wiert er ge- 
seght) sonde de Comp. daermede geschieden, doch alsoo wy tot soo 
een subyte verlatinge niet wel resolveren costen en oock de gelegentheyt 
niet en hadden omme de voomaemste goederen te schepen , vermits de 
reviere gestopt was en de schepen van 't eylandt Onrust verwacht mos- 
ten werden om (het bolwerk aan) de westhoeck van de reviere te slechten 
en de mont "vry te mogen gebruycken , wierde de finale resolutie 
tot de compste van de schepen uytgestelt; doch wy en hebben de 



125 

verkiesinge vsn saecken daer naer niet mogen doen, maer de noodt 
heeft ons wet gestelt, gelijck de Heeren naer desen verstaen sullen. 
Interim de schepen verwacht wierden, .hebben wy eenige palen, 
daermede de reviere gestopt was onder des vyandts bolwerck uyt 
doen trecken en de schepen den 29^^ december vant eylandt Onrast 
voor 't fort Jacatra te rede gecomen wesende, met alsulcken haeste, 
dat acht stacken geschnt, omtrent 20 anckers en 200 swalpen aent 
voors. eylandt door cortheyt des tydts hebben laten leggen, wierd 
s'anderendaechs den 30«»» ditto by ons geresolveert (alhoewel d'En- 
gelsen van ure tot ure verwachtende waren) dat een generale tocht 
op het bolwerck van de westhoeck der reviere doen souden om de 
mont van de reviere, veyl te crygen en daer naer voorder te resol- 
veren; dan terwyl de vrienden aan boort besich waren te overleghen 
hoe d'aenslagh best in 't werck gestelt diende en uytgevoert cost 
werden, cregen wy elff Engelsche schepen in 't gesicht,waerop voors. 
resolutie steecken bleeff en goetgevonden wiert (geen andere tydt 
noch uitcompste hebbende), dat ick datelyck scheep zoude gaen en 
dat wy d' Engelsen te gemoet souden loopen verwachtende wat Godt 
gelieven soude te geven. Aldus door noodt gedrongen wesende, ben 
ick den 30^° december des nachts , in haeste scheep gevaren, hebbende 
Pieter van den Broecke als commandeur van tfort Jacatra de last 
bevolen, Jan Jansz. van Gorcum als capiteyn en Abraham Strycker 
als Luytenant, verzien synde met omtrent 250 coppen, die geweer 
connen voeren, te weten: omtrent 76 soldaten, 15 constapels en bos- 
schieters, 25 Japanders, omtrent 70 swerten en voorts 65 personen 
800 officieren, ambachtslieden, cooplieden, assistenten en anderen, 
hierboven synder noch omtrent 60 jongens a 70, 16 Ghinesen en 20 
a 30 vrouwen met eenige kinderen; invoegen datter in alles meer 
dan 400 sielen zgn, waartoe de plaetse van alle notelycke vivres 
seer wel versien is , uytgesondert cruyt. Daer waren niet meer dan 
omtrent 30 vaten, waertoe noch 10 gesonden hebbe. Daer en is 
wet, dat wy vresen d'onse noodt doen zal, dan gebreck van cruyt 
off dat de reviere door de Javanen soude mogen verleyd worden, '^ 
^Blek God verhoede. In Japans silver met eenige realen hebben wy 
daer gelaten hondert duysent realen, en aen coopmanschappen de 

waerdye van omtrent andere hondert duysent realen • 

In deser voege ben ick van Jacatra vertrocken met die meninge 



126 

(sonder eenige schriften oft pampieren mede te nemen) soo van de 
Engelsen aengeaocht wierden, dat victorie bevechten oft verslagen 
sonden werden , waerover de voirdere resolutie uytgesielt wiert op 
d'nytcompste van de reseontre met d'Engelsen. 

Ultimo december voor dagh, syn wy met onse vlote bestaende in 
seven schepen te weten: d'onde Sonne, 't wapen van Amsterdam ; 
Delff, de Gonde Leeuw, de Engel, de Valck en de Jager, van Ja- 
catra tseyl gegaan, hebben onsen Cours naer d'Engelse vlote (die 
elff schepen sterck was, daeronder den Swarten Lieeuw gerekent,) ge- 
stelt en soo nae haer geseth als met de landtwindt seylen eosten, 
Na den noene met de seewindt, syn de Eng^séh op onsafi^comen, 
en sy hebben 't boven windt buyten schoot geseth en een schuyt by 
ons gesonden , waerinne een trompetter was , die de in nederlantsche tale 
de gebeele vlote quam opeyssdien, s^gende: dat wy d'Ëngelse 
natie zeer grote schade gedaen hadden en haer volck als slaven trac- 
teerden en van honger lieten vergaan, waerover synen Admiraelhier 
expres gecomen was, om daervan revenge te nemen, en soo het niet 
og en gaven, dat hy ons met gewelt dwingen soude. Deze Heranlt 
riep oock wel luyde, soo men 't goetwillich opgaff, dat alle de gage 
van 't volck ten uyterste betaelt zoude werden en dat se vry souden 
zyn en wel getracteert werden. Hierop hebbe doen antwoorden, soo 
ons den Swerten Leeuw niet weder gegeven wert, gelyck die ge- 
nomen was, dat ons met gewelt weder revengeren zullen, waermede 
voors. trompetter gekeert is, naerdat hy eenige scheltwoorden en 
kinderlyoke redenen meer, gebruyct hadde. 

Primo January a^. 1619 , is by ons van Jambi weder gekeert , de 
roeysloupe, die den 17^<^ passado derwerts gesonden hadde, omme 
d'Engelschen te prevenieren tydinge brengende, hoe ons volck en 
d'Engelsen in Jambi aen malcander geweest zyn, dat d'Engelse 
coopman doodt gebleven was en van onser zyde den bottelier met 
een swert en alsoo d'Engelsen, die met 2 schepen voor de reviere 
van Jambi geseth lagen, de Bergerboot dreychden te nemen, was 
ditto schip den 26®° december van daer herwerts vertrocken met 
hetsdvige cargasoen en onse missiven, daer mede hem naer Jambi 
gèsoiDden hadden, alsoo geen brieven boven bestellen oost^> vermita 
d'Engelsen de drie revieren besetib hadd^ en alsoo gkler avont 
em de noortwest een z^yl gesien was en de giasinge gemaect wierd , 



127 

dat het de Bwgerboot wesen zoude ^ hebben wQ smorgens vroeeh 
onse anckers gelicht en zyn dwers op d'Ëngelse vlote gelopen, om 
boven wint te comen en de Bergerboot te salveren. Hierop hebben 
vgff van de Engelse schepen, die beneden wint lagen, haer touwen 
gecapt en yijff ankers laten staen , synde voorts by d'andere geweken. 
Desen dach hebben wy de loeff gecregen en syn ten naesten by ge- 
lopen om de Bergerboot te soecken. 

Den 2^ Jannary 'smorgens vroech, de Bergerboot door de vloote 
van d'Ëngelse 't zeewaert ziende, zyn wy voor de windt beneden 
d'Engelsen vlote derwerts gelopen en beneden haer wesende, syn 
d'Engelsen met haer elff schepen, daeronder hebbende twee admiraels 
twee vice-admiraels en twee schout-by-nachts mede op ons aff ge- 
comen, en ontrent thien nren by den anderen comende, hebben sy 
datelyck met scherp op ons geschoten en wy weder tegens haer, 
invoegen dat de schepen van wedersyden niet weynich geracet zijn, 
en daer is van onser zyde, met een seer grote conragie niet wey- 
nich gevochten. Het gevecht heeft omtrent drie nren gednyrt in 
welcken tgdt een derde part van al het cmyt, dat in onse vloot was, 
verschoten hebben. D'Engelsen te loevert wesende , hebben naer haer 
geliefde, aff- en aengehonden , maer geen lust gehadt, naer 't schQnt 
te aborderen. Wy hebben in de slach 7 man verloren en 15 ge- 
questen gecregen, alsoo eenige van d'Engelse schepen seer getreft 
zyn, menen wy dat se veel volck verloren moeten hebben, doch 
weten gants geen bescheet daarvan. 

De Bergerboot het voors. gevecht siende, is mede naer ons to6- 
gecomen en tegen den avont hebben wy hem by ons gecregen en 
alsoo d'Engelsen ontjaecht en uyt den brant gehaelt; doch de boot 
• van de Bergerboot, die met 14 man over twee dagen van 't schip 
vooruyt gesonden was, om de cust te ontdecken, hebben d'Engelsen 
met alle 't volck genomen, daemaer zyn metten anderen weder na 
de wall gelopen en hebben 's avonts onder een van de eylanden ge- 
seth, gelyck mede d'Engtglsen vlote dicht beneden wint van ons. 

Wylieden des nachts metten anderen overleggende , wat ons voir- 
der ten beste te doen stondt, vielen d'advyzen soo divers, dat men 
tot geen resolutie comen costen. 

E^ige H^n, mm sonde d'Rfigelsèft vM den dssch wecter êm- 
tasten^ dan alsoe daert^eti gewor^h wiert^ dat öHs dnajt niet ^ 



128 

modit strecken en altemael in een tocht van drie nren verschoten 
sonde werden , sach elck ander aen en was goet raedt dier, niet- 
tegenstaende Victorie bevochten hadden. lek bidde alle trouhertige 
lieffhebbers van de gemene Nederlantse welstandt, aenmerct hoe vic- 
torieus wesende , (wy het) door gebreck van cmyt verliesen mosten , siet 
doch eens, hoe d'armherticheyt van degenen, die haer d'oncosten 
ontsien en d'eqnipage op 't snynichste soecken te doen, voor een 
stuyver dat zy winnen, de geheele staet van de Generale Gomp®. 
pericliteren en veel millioenen daerdoor verliesen ! 

Den 3®^ ditto metten dach, syn d'Ëngelsen, van Bantam te hnlpe 
gecomen drie schepen, soodat nn 14 sterck zyn. lek hebbe den 
raedt wederomme vergaert en daer zyn, behalve 't gebreck van cmyt, 
verscheyden andere consideratien voorgevallen, daerover niet geraden 
bevonden wierd , d'Ëngelsen aen te soecken , te weten : d'onbequaem- 
heyt en reddeloosheyt van onse schepen, swackheyt van volck, dat 
voor dees tydt van d'Engelsen geen voirdeel conden halen en daer- 
tegen rycke geladen schepen te verliesen hadden; waerover eyntelyck 
geresolveert wiert, dat wy naer ons fort Jacatra sonden loopen en 
boven wints anckeren omme d'Engelsen aldaer te verwachten en met 
d'onsen van 't fort naerder te overleggen , wat ten beste van de Generale 
Com^e. gedaen diende. Op dese resolutie hébben onse anckers gelicht en 
syn wy binnen d'eylanden door. naer Jacatra gelopen, d'Engelsen be- 
neden wints wesende , waren voor ons onder seyl, omme , naer 't scheen , 
ons weder aen te tasten en siende , dat wy naer Jacatra liepen , bleven 
zy een tydt op deliberatie leggen, de voors. drie schepen innewachtende 
ende daemaer syn sy ons met 14 schepen , buyten d'eylanden om , seer 
cort gevolcht. Wy lieden binnen d'eylanden by de wercken comende, 
soo hebben den raedt wederomme vergaert om te sien, waer het best • 
op onse avantagie sonde setlen; doch alsoo daerop geantwoort wiert 
off het al oirbaer was te setten, syn daerby veel swaricheden in con- 
sideratie gecomen en wiert ons aengeraden dat het beter ware met de 
schepen naer Amboyna te loopen, omme onse macht byeen te versa- 
melen, dan alsnu de gehele staet te hazarderen en met het hooft 
tegen de muur te loopen, also men sonder cruyt niet vechten can, en 
soo men ons cruyt verschoot, eer de vyandt verslagen wierde, gelyck 
apparent is, geschieden zal, sonde ons misschien d'occasie om te 
vertrecken benomen werden, en alles in handen van onse vyanden 



129 

geraecken In deser voege syn van perticnliere consideratien op 
d'aenschonw van de generale staet der Comp*. geraect, waerover 
geconsidereert synde: dat ons emyt niet strecken mach, dat men 
met het hooft tegens de muyr niet behoorde te loopen, dat de vy- 
andt drie schepen stercker is dan hy gisteren was, en daerover de 
courage van ons volck viy wat gemindert is, jae t'een schip, het 
ander in noodt geraeckende wel sonde mogen begeven; dat d'En- 

gelsen haer schepen beter beseylt en be (?) zyn, dan d'onse 

en wy daerover altoos in de lye moeten leghen; dat onse rycke 
schepen tegens de lege rompen van d'Engelsen niet en behoren te 
avonturen, dat wy ons volck van 't fort Jacatra gants geen hulpe 
connen doen, en den tydt niet en hebben om haer advys van landt 
te doen halen, late staen hoe eenich volck geit en goederen (soo 
goetgevonden wierd de plaetse te verlaten) lichten souden; item dat 
het fort Jacatra van volck en alle notelyckheden wel voorsien is, 
uy tgesondert dat schaers van cruyt syn , waervan de schepen haer 
niet helpen connen; item soo nae ons vertreck (dat Godt verhoede) 
in noodt geraecten, dat niet dan te beter accoort met d'Engelsen 
off den Coninck van Jacatra, (die seer wel weten dat haer welhaest 
met een groote macht weder toecomen sullen) gemaect zal werden; 
item dat niet en behoren te pericliteren al tgene in de vloot is, 
omme te salveren, tgene tot Jacatra gelaten hebben, ende dat het 
noch veel ongeraetsamer is, de gehele Indische staet van de Ver- 
eenichde Nederlanden te pericliteren om 't fort, volck, geit ofte 
goederen tot Jacatra wesende te salveren; want so dese vlote (dat 
Godt verhoede) geslagen wiert, souden d'Engelsen overal een langen 
tydt, meester van 't velt connen blyven, d'overhandt behouden en 
alle onse resterende schepen hier en daer verstrojrt wesende mede 
verslaen, becomen oft verdry ven, daerop consequentelyck een gene- 
rale nederlage sonde moeten volgen, totdat de staet van deMagorés 
geredresseert wierd. Waerop hiertegen geworpen is , off men dan 
ons volck geit en goederen tot Jacatra wesende, soo schandelyck 
verlaten sonde, item off dan toestaen zullen dat d'Engelsen mede 
nemen en haer te meel* verstercken met, alle onse schepen, die da* 
gelicx van 't Patria, van de cust van Choromandel, van Ticco, véjx 
Jambi, en Andregiri verwachtende zyn en andere redenen meer; 
doch d'een tegens d'ander overwogen wesende, is eyntelyck gear- 

IV. 9 



1^0 

realeerti dat (wy) het niet setlen en souden, maer dat wy YO(»rtom 
d'oofit souden seylen , omme naer Amboyna te lopen. Hierop bebben 
het (met leedtwesen) van 't fort Jacatra 'tzeewaerts gewent ende 
zyn voort om d'oost geloopen, den Heer der Heeren d'onse van 
't fort, met een missive (waervan by dese een copiegaet) bevelende, 
d' Almogende Godt geve dat de plaetse tot onse wedercompste ge- 
houden mach werden. 

Voor 't fort vonden wy leggen 't fregat Ceylon, twelck aldaer 
twee dagen te voren van Succadana gecomen was, met een seer 
grote en schone pertye diisunanten, meer dan oyt voor desen van 
Succadana gecomen is; doch de quantiteyt van de diamanten wete 
niet, alsoo deselvighe met de missiven van Succadana in 't fort 
overgelevert waren en geen advys van d'onse hebben mogen ver- 
wachten, soodat ons ditto fregat Ceylon gevolcht is. 

Dese nacht syn niet verre gelopen, vermits d'oude Sonne twee- 
mael door zyn stomp (die voor een grote mast dient) geschoten 
wesende, geen seyl mocht voeren, waerover op de wal dryvende, 
genootsaect syn geworden te setten. Adi 4 January bevonden ons 
op 6 vadem dicht op een legerwal, voor den hoeck van Carauwangh , 
omtrent 3 a 4 mylen by oosten Jacatra, siende alle d'Engelse schepen 
by d'eylanden voor Jacatra leggende. Sy bleven de gehele daeh 
daer leggen en liepen s'avonts (naer wy sien costen) naer de wal 
van Jacatra; maer soo op ons affgecomen waren, soude onse gehele 
vlote groot peryckel gelopen hebben. Wy hebben grote moeyte 
gedaen om van de lagei' wal te corten en syn eyntelyck met hulpe 
van een goede windt, daer aff gecomen. Onder seyl wesende hebbe 
de resolutie op gisteren in haeste genomen, geresumeert en in deli- 
beratie geleyt, off het niet best ware, dat weder naer het fort Ja- 
catra liepen, omme ons met d'onse aldaer te beraden, de beste 
ordre te stellen en voor de reproche , die men ons soude moge nage- 
ven, dat (wy) d'onse van 't fort Jacatra soo schandelyck verlaten 
en soo niet geraden gevonden wierd met de gehele vlote weder te 
keeren, off het niet geraden sy, d'onbequaempste schepen als 't 
Wapen van Amsterdam, de Bergerboot en 'andere naer Amboyna te 
senden, en ons met de bequaempste een tydt lanck in zee te ver- 
duysteren om d'Engelsen verdeelt wesende, op syn onversienst weder 



V 



151 

aen te tasten en de schepen , die dagelicx verwachtende syn ^ op te 
soecken; doch naer consideratie van tgene voren verhaelt is en an- 
dere redenen meer; is andermael eenstemmelyck goetgevonden, dat 
op 't spoedichste met alle schepen naer Amboyna sullen loopen, 
waerover de goede windt cryghende voirder om d'oost geloopen zyn *. 

Men heeft ons ten allerhoochsten gerecommandeert iewerts een • 
generale rendez-vous te begrypen, sonder de behoirlycke middelen 
daertoe nodich te beschicken, diesniettegenstaende hebben wy tot 
Jacatra door Goodes genade, een fort gecregen; maer wat heeft het 
nu te bedieden? T'is te besorgen dat alles door gebreck van goede 
secoui'ssen weder verloren gaen sal, jae dat noch beclaechlycker is, 
dat de plaetse door gebreck aen cruyt tot onser wedercompste niet 
gehouden werden can. Heeft de Commandeur Spilbergen UEd. van 
onsentwcgen niet aengedient, watter tot een generael rendez-vous 
vereyscht wierd ende hoe men de saecke behoorde te vervolgen, 
maer te min, Godt betert, is daerop gevolcht. Men heeft het voor 
beuzelinge en onmogelycke saecken gehouden en daerover te min 
secours naer Indien gesonden. lek hebbe daerop voor desen geen 
repliek gedaen, omdat my t'onderwint (om UEd. tot grooter oncos- 
ten, nobeler en groter equipage te persuaderen) te groot scheen en 
't selve diensvolgens voor verloren moeyten was achtende; maer 
dewyle nu te hulpe hebben de grote retouren, die van ons verleden 
jaer overgesonden zyn, en nu mede vaerdich waren, alsoock den 
armen staet, daerinne alsnu bevinden, soo sal daerby in 't gros 
eenige corte redenen voegen: ons voorstel is geweest, dat jaerlycx 
van Nederlandt herwerts aen, grote menichte van volck gesonden 
most werden, insonderheyt menichte van soldaten en crychsverstan- 
dige (sonder menichte van schepen, een groote somme geit en alle 
notelyckheden naer te laten) en dat men hieromtrent plaetse moste 
begrypen en inhouden. UEd. seggen daertegen, dat de gelegentheyt 



*■ De bteede raad bepaalde verder dat Ceylon, als liet best bezeilde schip trachten 
zou post te vatten voor straat Sunda, om de aankomende Nederlandsche schepen t^en 
de £ngelschen te waarschuwen, en dat het schip Delft met zooveel lading als het 
bergen kon uit de andere schepen, in allerijl door straat Bali naar het vaderland zon 
zeilen , om t\)$ng over te brengen van den hagchelijken stsnd der zak^. 



132 

van de Comp. de lasten niet dragen can en soo znlex schoon deden, 
dat daermede niet verrichten^ noch voirderen sonden, jae dat het 
onmogelyck zy, in soo een landt vol volck, als het genoemde is, 
plaetse te mogen honden en soo die hielden, dat se de Comp. door 
den oorloch ommt wesen zonden. Hierop antwoorden, dat wy met 
d'overgesonden retouren betnycht hebben, dat jaerlycx capitael ge- 
noech hebbende, een retonr van 80 a 100 tonnen gonts over souden 
connen senden; de frivole tegenwerpinge , dat de Heeren soo grote 
retouren niet souden connen vertieren, meriteert geen wederlegginge, 
want de tydt sal de slyt wel geven. Jae per aventnre, d'orientaelse 
waren weder van 't westen in 't oosten trecken. Soo wy nu jaerlycx 
80 a hondert tonnen gouts versonden, hoe sonde de Comp«. de lasten 
dan niet dragen connen van d'equipage, die wy jaerlycx eyschende 
Kyn. Seynd ons eens, tgene met 3, 4 a vyff millioenen guldens 
geequipeert can werden, soo zullen ÜËd. andere retouren becomen 
dan oyt overgesonden zyn en sullen haer saecken in goeden standt 
geraecken, daer 't anders nimmermeer wel wesen sall. Wat nu 
aengaet, dat wy geen plaetse met verdeel souden connen in oorloch 
houden, in soo een landt vol volck als het genoemde is, hierop 
antwoorde dat de Portugesen en Spangjaerden getuigen: wat een 
weynich Christenen tegen veel hondert duysenden Indianen cofinen 
doen. Hout de Coninck van Spangien meer dan 500 soldaten in 
Hanilha, synder wel 300 in Malacca? Hebben zy niet geheel 
Orienten te gelyck tegen gehad? Syn wy minder dan zylny- 
den? Hebben hare vyanden haer verduyri? lek bekenne wel 
dat het begin van den oorloch geen geit in UÊd. casse sonde 
brengen en dat met cleene macht geen plaetse begrepen werden 
can; moer sonder oorloch sult ghy nieuwers ter werelt tot goeden 
vrede geraken. De natuyre leert, dat de oorloch vrede baert en die 
niet en saeyt sal oock niet maeyen. Siet eens wat nu door cari- 
cheyt (die het gebreck van crüyt veroorsaect heeft, verloren werd. 
D'arme staet, daer wy ons nu in bevinden, helpt my getuygen, 
dat de honden ons souden eeten, (ick wil daerby seggen al wat 
leeft) en dat met recht en goede redenen, soo geen groote macht 
becomen om elck eeü 't hooft te inogen bieden , en binnen de 
behoirlycke limitpalen te doen blyven, ick segge met recht en 
goede redenen ) want soo daer een vraet quame, die alle vruchten 



IS3 

der werelt opsloeken wilde, souden alle dieren geen gelyck hebben 
om dien vraet te verslinden. Maer byaldien Alexander de Grote 
weder opstonde, wie sonde hem tegenstaen oft als ÜEd. beleyt soo 
groot en nobel worde als dat behoort. en de £d. Compe. seer wel 
vermach y wie sal de Yereenichde Nederlanden alsdan niet eeren om 
gemst en welich onder haer vleugelen te schuylen, sweven en leven, 
lek sweer V by den Aller hoochsteuy dat de Generale Comp. geeti 
vyanden heeft j die haer meer hhukr en schade doen, dan d'onwe-' 
tendheid en onbedachtheyt (hout het my ten beste) die onder ÜEd, 
regneert en de verstandigen overstempt. 

Yooren is geseyt, hoe d'Engelsen tot Bantam 15 schepen hadden 
leggen en de Swerte Leeuw genomen was, daemaer hebben zy 
noch een schip van Patany gecregen en een van Jambi, soodat nu 
18 schepen sterck zyn. Godt geve dat met U' Ed. middelen niet 
meer versterct werden, T'is nu gebleecken, dat zylieden niet 
alleene voor hebben, simpel revenge te pemen van de schepen, die 
wy van haer in Banda genomen hebben, want de Swerte Leeuw 
ongelyck meer waerdich is, dan 't gene van haer hebben, maerdat 
dese onse gehele vloot meenden te nemen of te verslaen; alsoock 
(gelyck selfis geseyt hebben) alle UËd. resterende schepen hier en 
daer verstroyt wesende en die noch van 't Patria souden mogen 
comen, omme alsoo meesters van des Comp'. middelen en conse- 
qnentelyck van de gehele Indische handel te worden en dat op een 
gesochte actie. Want aen d'Engelse missive door Mr. Adams van 
Amboyna geschreven, die wy ÜEd. voor desen overgesonden heb- 
ben, blyct claerlyck hoe d'Engelsen haer schepen expresselyck in 
Banda gesonden hadden (alsoo daermede door gebreck aan capitael 
niet anders wisten te doen) opdat wy die aentasten en zy dan actie 
hebben souden, om thienmaal meer weder te nemen. Dat haer 
disseyn soo boos en groot was, hebbe noyt connen geloven, voor 
dat met gewelt van haer aengetast wierden. Doen sy onse vloote 
quamen opeysschen begost elck een daerom te lachen, even gelyck 
off het kinderspel was, maer t'is gebleecken, dat zy 't welernstlyck 
meenden. Al 't geen zylieden gedaen en onderstaen hebben, is 
met gemeen advys en raedt van die van Bantam en Jacatra ge- 
schiet, sy syn 't over lange metten andren eens geweest, niet uyt 
goede lieffile, maer omdat elck meent, wy verslagen zynde, syn 



134 

personage daemaer te spelen, dan ick vertronwe, dat d' Almogende 
ons wel behouden en haer groote boosheden voorseedker straffen 
zall, gelyck men oochschynlyck siet, want airede gebleecken is, d^t 
d'Engelsen en Javanen meer dan thien veiradische aenslagen, die 
op ons gemaect hadden , door sonderlinge schickinge Godes, mis* 
luct zyn 

In voors. thema is geseyt, wat d'Engelsen beweecht heeft een 
generale oorloch tegens ons aen te nemen en wat haer disseyn is. 
Wat die van Bantam en Jacatra beweecht, en wat haer voornemen 
zy, sullen naer onse opinie mede verhalen. 

Van outs is in dese landen een prophetie, namen tlyck in China, 
Java, Molucco, Amboyna, Banda en Solor; datter van verde een 
vreemde natie comen zall, wit van colenr, geheel gecleet, jae oock 
de handen en voeten, hebbende catteoogen en een groote nens, 
verekens eetende, dewelcke voors. landen besitten en het maho- 
metisten gelooff te niet doen sullen. Hiervoor wort in alle de voors. 
landen seer gevreest. T'is kennelick dat de Chinesen daerover geen 
vreemdelingen eenich acces, in haer landt willen vergunnen. 

Doen d'eerste schepen van de Veteenichde Nederlanden tot Ban- 
tam quamen, wierd by die van Bantam voorgenomen en onderstaen 
(als UEd. kennelyck is) het volck te dooden, en de schepen en 
goederen als een proije te nemen. Na de (reden) waeromme , hebben 
wel vernomen; maer men wist geen andere reden te geven, dan dat 
het was om soo (doende) vreemde natiën geen acces te geven en om 
de buyt te becomen. De Javanen daemaer de courage, macht en 
middelen van de Vereenichde Nederlanden meer en meer siende, 
heeft sulcx te meer ontsach veroorsaect. Hierby comende de vrese , 
dat wy wel souden mogen wesen, degenen die thans oft morgen 
meerder mochten worden en de religie veranderen, is daeruyt een 
generaele onversoenlycke haet gevolcht, dewelcke d'onversadige gie- 
richeyt van dese mooren en haer boose troulose weth noch meer 
vermeerdert. 

De Pangoran Area Mangala, die hedens daechs in Bantam domi- 
neert en oock een moorse priester is, vresende, dat wy thans oft 
morgen syn meester souden werden, heeft over thien jaren begost 
ons te quellen, om ons alsoo te snoeyen, dat hem boven 't hooft 
niet sQuden wassen, dan alsoo hem ontworstelt zjn en tot Jacatra 



135 

ons gerieff bequaemen, waerdoor Bantam vry wat affiuun, is hy 
zyn fanlte gewaer geworden en heeft gesocht ons van daer te ciygen. 
Interim van den Coninck van Jacatra verstaende, hoe wy plaetse 
tot een fort veraocht hadden , waeroyer noch meer gevreest wierd, 
dat haer prophetie voorseyt heeft, gelyck mede, dat alle den handel 
van Bantam t'onswaerts trecken sonden; hierover is de Coninck van 
Jacatra door die van Bantam en alle andere naeste gelegen hooffden, 
gedrongen geworden tot het vileyn attent, welck Pangoran Gabangh 
op 20 Angnsto passado, tot onse totale rayne meende te executeeren 
Dien a^nslach met noch veel andere meer, die met d'Engelsen be- 
leyt hebben, gemist wesende ende siende, dat wy t'onser verseec- 
kering op de becomen actie een volcomen fort waren maeckende en 
dat noch op ons alderswackste wesende, heeft haer de vrese doen 
haesten en gedwongen ons met gewelt te prevenieren en om solcx 
te beter sonder nadeel van Bantam uyt te voeren, hebben zy de 
boosheyt van d'Engelsen by de hare gevoecht en is het werck seer 
behendichlyck begost, onder pretext, dat de Coninck van Jacatra 
zyn stadt tegen den Mattaram sonde verstercken, gelyck voren ver- 
haelt is. Interim de bateryen rontom ons gemaect wierden, heeft 
hem die van Bantam soo neutrael gehouden, als immers doenlyck 
was, opdat hy, die met d'Engelsen het qnaet doet, de schone per- 
sonage sonde mogen blyven D'aenslach 

honden wy voorseecker met advys en raedt van de omliggende 
Coningen gemaect te wesen. Den ouden Coninck van Cheribon hout 
Bantam en Jacatra airede voor verloren en aflfgescheyden van hare 
moorse gemeente. Ons fort Jacatra noempt hy Nieu-Malacca: »Wy 
„syn voor desen naer Malacca (ge)varen (ten) oorlogh sonder yets 
„ te verrichten , (seyt hy) , de Portugiezen connen niet bestaen tegen 
n dese lieden , die nu airede een nieuw Malacca in ons landt be- 
nSitten; connen die van Malacca tegens haer niet bestaen, wat zullen 
„wy dan doen, die veel min vermogen?" Dit zyn de redenen van 
den Coninck van Cheribon. lek verseeckere U Ed., soo wy 4 aöOO 
soldaten met alle notelyckheden hadden, dat wy haest sooveel ruymte 
8oude maecken en soo veel voet in 't lant becomen, dat de reviere 
niet verleyt soude werden en geheel Java, Godt ten voorsten, ons 
van 't landt niet slaen en soude, Patientie moeten wy hebben, tot 
dat het de Heere versie. 



156 

Soo U Ed. niet van siime zyn, jaerlycx grote menichte van sche- 
pen , volck, geit en alle notelyckheden te senden, bidde ick ander- 
mael my metten eersten te doen verlossen en dit veisoeck ien beste 
te nemen, want lek sonder grote middelen üEd. begeren niet vol- 
doen can 

Bantam is met die van Halacca correspondentie houdende ^ daer 
syn voorleden jaer eenige mesticen van Malacca tot Bantam geweest 
en alsnn weder eenige anderen gecomen, dewelcke aen den Pan- 
goran (naer my geseyt is) liber acces en vry geleyt voor seeckere 
ambassaten van Malacca versocht hebben , enz 

In 't schip d'onde Sonne, gesnckert leggende voor Mandaliqne, 
omtrent 3 mylen beoosten Japara; adij 14 Jannary 1619. 

UEd. Dienstwilligen 

J. P. COKlf. 

P. DE CaBPSNTIEB. 

PiSTEB DiBCZSOON, 



XXX. De benoemde GouvBBmBUB Genebaal Jan Pietebbz. 

GOEN AAN PlETEB VAN DEN BbOECE. 

Aan boord van het schip deOudeZonne^ 
zeilende naby Jakatra, 3 Jannarij 1619. 

Aen Pieter van den Broecke, 
Commandeur op 't fort tot Ja- 
katra, per een schuytgen ge- 
sonden. 

Eersaeme, seer discrete Sr. 

Naerdat van ü L. gescheyden syn, liepen wy eergisteren, met 
onse seven schepen recht dwers op de vloot van d'Engelsen, om de 
Bergerboot te soecken ; d'Engelssen weken ons en vyff van haer 
capten haer anckers, sonder dat van wedersyden één schot ge- 
schoten wierd. 

Op gisteren de Bergerboot tzeewaert zynde, liepen weder voor 
de wind recht op en beneden de Engelsche schepen, enz. 



137 

(Hierop volgt het verhaal van den zeeslag tegen de Engelschen, 
welk verhaal overeenstemt met het berigt, dat hierboven in de mis- 
sive van 19 Jan. te vinden is.) 

Ënde alsoo wylieden op gisteren een derde paert van al het cruyt, 

dat in de vlote is, verschoten hebben, 

sjm wy t'onser leedtwesen genootsaect geworden, met advys en 
goetvinden van de presente raden met dese schepen innewaerts naer 
Amboyna te seylen, omme alle des Comp'. macht by één te versa- 
melen en datelyck weder herwerts te keeren, welcke resolutie ü L. 
gelieven zal ten beste te nemen en aen 't gemene volck ten goede 
uyt te leggen en goede conrage te geven, Wy beloven ÜL. by 
desen metten aldereersten weder te keeren. 

Stelt doch in alles goede ordre, geeft het volck goede courage 
en bewaert de provisie wel, hout de plaetse soo lange hel eenkhmUs 
doenlyk is, betracht U eere daerinne. Wy sullen 't UL. recom- 
penseren. 

Soo 't geviele (des Grodt, hoop ick, niet geven zall) dat U de 
plaetse niet houden cost^ soo maect dan aeeoort met d'Engelssen of 
met den Coninck van Jacatra^ doch wy achten dat het beste zy, dat 
de plaetse in dien gevalle aen de Engelssen overgegeven wert, Bewaert 
doch wel alle myne boecken^ brieven en pampieren en soo die niet 
solveren conty verbrant liever alles tytelycky dan dat het in handen 
van onse pyanden compt. 

In den slach gisteren, hebben wy over de vloot verloren 8 man en 
15 gequetsten gecregen, de courage van 't volck was uytermate groot 
en daer is uyt de Sonne en Gouden Leeuw groot gewelt met schieten 
gedaen. De Gouden Leeuw heeft dien dach 22 vaten cruyt ver- 
schoten, hadden wy cruyt genoech, souden machtichgenoechwesen, 
om d'Engelsen weder te staen, dan nu het Godt soo gelieft, moeten 
patientie hebben. Alsoo ons vertreck geschiet, omme de macht by 
één te versameien, en onsen standt in de waechschale niettesetten, 
houden wy voor seecker, dat het d'Engelsen, die van Bantam en 
Jacatra vry wat in toom houden zall en dat ÜL. in noodt (als niet 
verhope) gerakende, des te beter conditie bedingen zall, dan oft 
wy verslagen wierden. 

Doet myne groetenisse aen S^ van Ray, de predicant, M»". Jan, 
Oapiteyn, Luytenant en in somma aen allen in 't generael. 



tS8 

In myn grote kist is een doosken, met drie originele commissien 
en een packet met seeckere gesloten missive , aen my in eygen handt , 
bewaert die wel, dat se in geen. vreemde handen comen. Myn 
groot copieboeck sy UL. mede gerecommandeert Weest wel op U 
hoede j dat met eenige vrientlycke handelinge niet verraden en tvert. 

Laet iytelyck, als UL. goet water becomen can, alle vaten en 
potten vnllen, doet een groote provisie van water in voorraedt op, 
opdat door gebreck van water niet gedwongen wert sich , aen onse 
vyanden over te geven. 

Gebruyct Evert mede in den Baedt. 

In 't schip d'onde Sonne, seylende met ons 8 schepen nevens 
Jacatra, adij 3 JannarQ a^ 1619. 



XXXI. JOVBI^AEL VAN DIS BEL£€tEBIIf6S VAN 't fOBDT 

Jagatba 1619 ^. 

In den name des Heeren, anno 1618 den 30 December, is op 
een Sondach tegen den avont, Pieter van den Broeck Commandeur 
gemaect en Jan Janssen, van Gorckmn, is capiteyn gei^aect van 
het fort te Jacketra en den Hr. Generl. Jan Pietersz. Coen, die 
ginck scheep , om met syn seven schepen tegen elf schepen te slaen. 
Godt verleen haer al te samen gheluck en welvaert, dat sy victory 
vercrygen moogen, is 't haer salich. Amen. 

Looft Godt, den 4 January 1619. 

Adij 4 dito, op een Vrydach, doen liet de Heer Commandeur 
een pmit maken, aen de oostsyde van het groote huis en de Hr. 



1 Er bevinden zich , onder . de papieren over de gebeurtenissen van het jaar 
1619 , uit Indie aan het opperbestunr in Nederland gezonden , op het Rijks-archief 
twee journalen , beiden geschreven door personen , die het beleg van het fort Jakatra 
hebben bijgewoond. Het journaal , dat wij hier mededeelen , is het meest naauw- 
keurige, terwijl he{ andere, waarvan wij slechts een kort gedeelte geven, meer het 
kenmerk draagt van later te zijn opgesteld. Ongelukkig zijn de schrijvers vftn l^de 
journalen onbekend» en hunne namen heb ik niet kunnen opsporen. 



139 

Oommandenr, die sette het volck alle dagen, dapper te werck om 
het fort te verstereken tegen onsen viant. 

Ady 6 dito, op een Sondach na den middach, met de zeewint, 
doen qnamen daer, tien Engelsche scheepen te Jacqhetra op derede, 
doen waren wy belegert te water en te lande, dat daer niemant 
nit noch in coomen conde (en oock in vier maenden.) . 

Ad§ 7 dito, op eenen Maendach en Dynsdachs nachts, doen 
raeckte een Engels schip aen brant en verbrande heel wech; maer 
niet wetende wat het voor een schip was, daema doen wy met de 
Engelschen in accoort waeren, doen seyde den Engelschencoopman, 
dat het schip den Swarten Leenw was, dat daer verbrande, dat 
den brant in 't ruym van een caers gecomen was. 

Adij 14 dito, op een Maendach, doen was er een Japonder buyten 
het fort en socht avantasy, sonder weten van den Heer Comman- 
deur, over dat slootgen by onse pachger, op een hooghe plaets, 
daer vont die Japonder een brief, was aen eenen stock ghebonden, 
met een wit doeckjen, boven die brief was op syn Javaens geschre- 
ven en de Japonner nam den brief en brochtse aen den Hr. Com- 
mandeur, doen liet de Hr. Commandeur den raet vergaderen, doen 
lieten sy (des) kock(8) vrou ontbieden , die con 't Javaens lesen , die vrou 
seyde, dat. daer in (ge)8chreven stont, dat die Coninck garen pays 
maecken wonde, met den Hr. Commandenr, dat het moyden (dat 
het hem * moeide) , dat hy tegen ons volck opgestaen hadde , en 
s'achtermiddachs doen sont de Heer Commandenr met synen raet, 
die Japonner met eenen brief weder heenen, was aen een stoxken 
ghebonden met een wit doexken daerboven, dat die Japonder dat 
stocxken steken soude op deselve plaets, daer hy d'ander brief van 
daen ghehaelt hadde en tegen den avont doen qnamen de Javaenen 
en haelden den brief. 

Adij 15 dito, op een Dynsdach 'smorgens, doen qnamen der twee 
Javanen en spraken met ons volck en tegen den avont, doen qnamen 
daer twee Ourangkais by ons fort en brochten eenen brief aen den 
Heer Commandenr en spraken met malcanderen. 
4 Ady 16 dito, op een Woensdach 'smorgens vroech, doen qnamen 
weder twee Orangkais binnen het fort, om met den Heer Comman- 
denr te spreken, van accoort te maken en doen*gingen daer dry 
van om volck, met name den Dominé, met den docter en Jos^ph 



140 

Janssen de Natelaer, nite den Goninck toe om met hem te parlmen*- 
teeren van accoort te maken. 

Adij 17 dito, op een Donderdach 'smoigens, doen qnaemen daer 
weder een deel Or(ang)kais met (den) Oraef syn zoon ^ , binnen 
het fort om met den Hr. Gommandenr te spreken, om het accoort 
te maken, doen gingen dieselfde dry naer den Goninck toe, om met 
hem te spreken van het accoort te maken, dit parlementeeren dnerde 
vtjff dagen lanck aleer dat sy met malcander het accoort besloten 
hadden. 

Ad9 19 dito, op een Satnrdach 'smorgens vroech, doen qiiamen 
weder een deel Orangkais binnen het fort, om dat accoort te be- 
slnyten en doen gingen dieselve dry van ons volck weder naer den 
Goninck, doeif werde het accoort beslooten, dat het bestant wesen 
sonde tot der tyt toe, dat den Hr. Oenrl. met Godts hnlpe te Jac- 
qnetra comt en die cat met aUe dry pnnten, die souden staen bly- 
ven, zooals wy se gemaect hadden en daer niet meer aen te wercken, 
des soo sonde die Hr. Gommandenr met synen raet ses dnysent 
Realen van achten aen den Goninck gheven, de helft aen geit, 
d'ander helft aen klederen, maer het qnam met den Goninck op een 
verraet nit, als U £. hier naer wel hooren sal, hoe het in 't fort 
gegaen is. 

Ady 20 dito, op een Sondach 'smorgens vroech, doen quamen die 
onde Oraef met een 'deel Qrangkais binnen het fort en brochten 
eenen brief van den Goninck, daer stont in geschreven, hoe dat sy 
met malcander veraccordeert waren en hoe het accoort beslooten 
was met des Gonincks eygen hant onderteyckent, doen liet de Heer 
Gommandenr met synen raet aen den ouden Graef gheven dryduysent 
Realen van achten aen geit en 3000 aen cleden, daer ginck die 
Graef mede deur en bracht het naer den Goninck toe, soo hy seide, 
en 'savonts voer de bottelier naer de bassaer. 

Ady 21 dito, op een Maendach 'smorgens vroech doen quamen 
daer een deel Qrangkais, by den Hr. Gommandenr en gaven hem 
een mooy praetjen en sy seyden, dat de Goninck de koyen noch 
bewaert hadde (?) dat de Hr. Gommandenr eens by den Goninck 



1 Zekere Kiai Aria, werd door de Hollanders genoemd, de Graaf. 



141 

comen sonde; hy begheerde den Hr. Conunandenr eens te sien, hy 
hadde ghene kennis aen den Hr. Commandenr. 

Ady 22 dito, op een Maendach 'smorgens vroech, doen qnam die 
Sanunadaer (Sjahbandaar) binnen het fort en daemaer qnam die 
onde Graef en seyden tegen den Commandenr, dat hy by den Co- 
ninck te gast coomen sonde, dat de Coninck hem groote vrientsehap 
betoonen sonde, omdat wy met malcander vrede hadden en den 
Coninck sonde hem die koyen weder gheven. Doen liet de Hr. 
Commandenr den raet vergaderen en de raet vonden het goet te 
weesen, dat de Hr. Commandenr naer den Coninck gaen sonde en 
nemen een gouden kelten mede en schencken die aen den Coninck. 
Doen ginck de* Hr. Commandenr naer den Coninck toe en nam met 
hem den docter , met Dirck Jemming en twee soldaten en twee Ja- 
ponners, en sy vergaten het weercommen en de bottelier was aen 
de marct om goet te coopen en hy bleef oock achter en tegen den 
avont qnam een coopmansjongen met een wit vaentien en brocht 
eenen brief binnen het fort en seyde, dat de Hr. Commandenr met 
het volck ghevangen waeren oft een deel beesten gheweest hadden 
en al haer goetjen ontnomen, dat sy by haer hadden. Dat was de 
pais, die de Javanen ghemaect hadden. 

Ady 23 dito, op een Woensdach 'smorgens vroech, doen trocken 
wy al 't samen aen het eert dragen in het packhnys, dat aen de 
banier ^ staet, soo jonck en ont, ondercooplnyden , assistenten, 
niemant was vry, dan alleen de siecken en de soldaten, die wacht 
hadden, want die vaendrich was cloeck en gesont, maer hy was al 
te groote meester om eert te dragen en oock bnyten te wesen by 
de soldaten, <»ndat het werck wat voortgaen sonde, dat sonde syn 
reputatie te na ghegaen hebben, maer by de vrouwen te gaen als 
Speranty en haer quartier, om een prae^en te maken en daer te 
sitten eeten een siery pinnanck en drincken een toebackjen, dat 
Vermocht syner hoocheyt wel, daer was hy mans geüoech toe, om 
wat te brageren over de plaets. 

Ad§ 24 dito, op een Donderdach, doen waeren de Javanen met 
de Engelsche vast doende, om een batery te maken op dat erf. 



« 

1 Welligt een schryffout voor: # rivier,» of is daarmede bedoeld, de bastion, 
waarop de vlag was geplant. 



142 

daer de Engelsche logie gestaen heeft en wy waeren oock vast doende 
om ons packhnys met alle man vol eert te draegen. 

Ad$ 28 ditOy op een Maendach, doen was de battery achter de 
Engelsche logie ghemaect en die battery hadde vyf poorten, daer 
sy met groff geschut, uyt schieten conden, daer lieten de Engelsche 
haere vlagge afwoyen en sy hadden noch twee bateryen gemaect by 
den rycken Chinees syn hays, en sy hadden een brugh over de 
rivier ghemaect, daer sy met het volck over trecken souden om ons 
te bestormen; wy hoorden den heelen nacht timmeren en wercken. 

Ady 29 dito, op een Dynsdach 'smorgens vroech, doen sont de 
Engelsche Generael een brief in het fort en den inhout van den 
brief dat was, of wy het fort opgheven wouden in handen van den 
Engelssen Generael, behoudende het leven, of wy het opgheven 
wouden in handen van den Coninck; wy hadden daer onsen keur 
in, dat men daer strack antwoort op senden souden, aleer hy syne 
poorten van de baterye opdede, dan sonde het te laet wesen en den 
Engelschen Generael hadde noch barmherticheyt over ons, soo hy 
schryft, dat (het) hem moeyen sonde, dat daer sulcken hoop Chris- 
tenen van de Javanen vermoort worden souden en dat ick U beloof 
dat sal ick U houden als een crygsman met eeren behoort te doen, 
en doen sont de Coninck Dirck Jemmings wel vastgebonden met een 
koort om syn hals op die muer en riep tegen den Capiteyn ofte wy 
het fort opgeven willen in 'sConincx handen, off in den Engelschen 
Generl. handen, behoudende het leven, wy mosten hem strack be- 
scheyt se^en, soo wy het fort niet opgeven willen, dan sonde 
die Coninck daer strack op schieten en stormen, dan sonde 
daer geen genade weesen, hy soudet al vermoorden laten jonck, en 
out, niet een kint het leven behouden; doen seyde de Capiteyn, 
dat hy den Coninck flux bescheyt senden soude, hoe dat wy van 
sin waeren, doen ginck Dirck Jemming weder naer den Coninck 
toe en doen quam de Hr. Commandeur, Pieter van den Broeck, 
wel vastgebonden op haere muer en riep tegen Sr. Ray: dat wy 
met den Engelschen Generael in accoort treden souden en hedinghen 
sooveel tocy als ghy crygen cont; dat wy het fort niet houden en 
souden; dat sy den brief lesen en souden y die den Hr. Generaal op 
het jongst aen lant gesonden hadde ^ doen hy wech seylde en sy 
hebben my in haer bateryen geleytj dat ick die bateryen sien soude y 



143 

hoe fray dat se gemaect wareUj en hoeveel schut in haere bateryen 
leggen ende heren en andere reetschap leyt al claer om te stormen! 
Doen gaf Sr. Racy den Hr. Commandeur voor antwoort^ dat sy 
doende waren om een brief aen den Engetechen Generael te sehry- 
ven; doen ginek de Hr. Commandeur soo ghebonden weer naer den 
Coninck toe ^. Doen liet Sr. Baye met die Capiteyn den raet ver- 
garen en oock alle ondercooplnyden en assistenten en de sargianten 
met die constapel majenr ontbieden, om in den raet te wesen; daer 
ging ons al te samen lyff en leven aen; doen werden ons te samen 
gevraecht oft wy wel moet hadden, dat fort dry maenden te honden 
om onsen viant wederstant te doen, dat elck syn rechten meyninge 
uitspreken sonde, daer hangt ons al te samen het leven aen; doen 
worden de constapel major gevraecht of daer wel eruit was voor 
dry maenden, soo als wy alle dage gheschooten hadden, doen seyde 
de constapel major, dat wy noch booven twee schooten * cruyt niet 
hadden, als het dry maenden dneren sonde; doen worde het be- 
slooten by den vollen raet, dat men met den Engelschen GenerL in 
accoort treden sonde en sien hoe dat men met hem accordeeren 
conde en het fort was daer niet toe gestelt om te honden, het groote 
huis wouden de mueren van buyten vallen, wy mosten die muer 



l In het tweede joomaal van de bdegering leest men omtsent deze gebeurtenis , 
onder dagteekening van 28 en 29 Jannarij 1619 , het navolgende : 

Insgelyck versocht Pieter van den Bronck alle dagen zeer instantelyck , dat voor 
syn verlossinge dodi iets mochte gepresenteert worden , daerhy voegende soo daer 
immen niet toe conde veraiaen worden , de Javanen geresoloeert waren H fort een 
fUeutoe oorlooge aen ie doen en dat doch wilden in H eersten eenen schoot 18 a 20 
te verdragen om van alle occasie bevryt te syn. Den 29 dito, den Gooinck voor de 
-vorlossinghe van de gevangen persoonen presenteerde ^2000 Ryalen van 8ea, eene 
(1000) contant en een in cleeden , te hetaelen met conditie de gevangenen eerst en 
alvoiren in 't fort sonde gelevert worden en de Coninck een handteecken sonde geven 
van vreede en alle vrientschap te continneeren tot de comste van den Hr. Generael 
en 4at alsdan alle saecke ten rechten sonden afgedaan worden ; dan de Coninck over 
dit geringhe bieden t'onvreden synde, heeft terstont het fort, volck en goet op en in 
syn handoi geeyst, off soo de persoonen hnn niet in syn handen vertronden, wilde 
haer syn prane verleenen om naer Bantam te vertrecken en soo niet, het fort sonde 
eommen bestorremen en 't zelfde inghenomen hebbende» niemant by 't leven te be- 
houden en dat geschiede tot 2 a S malen toe, door Pr. van den Brouci ende den, 
JJoctoor de Hoen , die al gebonden aen de punt van de stadt gebracht en alsoo 
over te roepen bevolen wert, tot welck voornemen de JSngelssen de Javanen ghedu' 
rieh oeftMsteft, enz 

S Uier wordt waarsch^nlyk bedoeld twee schoten per dag* 



144 

met balcken stutten ende wy waren dapper belegert soo te water 
als te lande, met macht van volck, en den Goninek van Bantam 
hadde daermede te velt om ons te verslaen, vierdnysent man en 
daer lagen vyf van de groote Engelsche schepen, dicht aen de 
droochten om ons te water te beschieten, wy hadden in dry maen- 
den geen ontset te verwachten, wy moesten van twee qnaden een 
goet kiesen, ende bevelen onse siel in Godes hant, soo syn beste 
wil is, soo sal het geschien, doen worde daer eenen brief geschreven 
en worden gesonden naer den Ëngelschen Generael toe. 

Ad0 30 dito op een woonsdach 's morgens vroech, doen sont de 
Engelsche generael een coopman in 't fort, die fray dnits spreken 
conde en seyde „ dat de capiteyn by den Generl. coomen sonde en 
spreken met den Oenerl. van het accoort te maken, ick sal hier int 
fort blyven in stadie van den Capiteyn,'' doen ginck den Capiteyn 
na den Ëngelschen generl. , Godt wil hem bewaren. 

Ad§ 31 dito op een donderdach 's morgens vroech, doen ginck den 
Capiteyn weer naer den Ëngelschen generael toe, om het accoort te 
maken en die coopman bleef by ons in 't fort soo lange als den Ca- 
piteyn wederom qnam, doen worde het accoort beslooten, dat wy 
met ons sytgeweer en met onse kist met goet den tweeden februaiy 
trecken souden, naer het eylant toe en daer souden wy tien dagen 
wesen, dan sonde de Engelsche generl. ons een schip claer hebben 
met twee kleyne stuxkens en met vyftich mosquetten en met vyf en 
twintich spiessen en met vier vaten eruit en wy souden alle de vic- 
tualie mede scheep nemen, die binnen het fort was en aen het eylant 
daer souden twee Engelsche schepen liggen om ons te bevryen voor 
de Javanen, en als wy 't seil gingen, dan mosten wy nae decustvan 
Cormandel toe, maer niet na Ambon, daar onse vloot was, en wy 
mosten in tien maenden onse compagnie niet dienen en tegen de 
Croon van Engellant opstaen en den Generael sonde ons een bescheyt 
gheven met syn eigen hant onderteykent, waer wy by Engelsche 
schepen quamen, dat sy ons vry en vranck varen laten souden son- 
der eenyghe schade off hinder te doen en den Coninck van Jacqketra, 
die soude onsen Hr. Commandeur met het ander volck, die hy ghe- 
vangen hadde, loslaeten, dan soude de Coninck alle de swarten heb- 
ben, die niet ghedoopt en waeren en de swarten die Gristen waeren, 
die mocht den Hr. Commandeur mede scheep nemen, maer wy moes- 



145 

ten het aengheven, wat geit en wat rollen syde of fluweel dat wy 
in onse kist hadden , opdat wy geen companies geit of goet mede 
nemen souden; want sy souden onse kisten besoecken als wy uyt het 
fort trocken, want daer souden twee Engelsche coopluyden met twee 
orangcais coomen, die souden de kisten besoecken, vonden sy dan 
wat meer geit als men hadde laten opschiyven, dan sonde het goet 
en geit verbeurt weesen. Toen souden S', Ray met noch elf persoo- 
nen , met naemen den dominé met een ondercoopman genaempt Johan 
van der Dusse, met dry assistenten met den luytenant en met noch 
twee sargeanten, met dry constapels, die souden varen naer de En- 
gelsche schepen toe, in stadie van de twee Engelsche coopluyden , die 
in 't fort coomen souden, om de kisten en goet te visiteren, enz. 

(Hier volgen eenige byzonderheden van weinig belang.) 

S'avonts doen ginck Sr. Ray met d'ander overicheyt en braecken den 
Hr. generaels, met d'ander coopluyden haer kisten op, die met de 
vloot wech waren; was daer wat in de kisten, dat haer behaechde, 
sy namen het al mede en als der een was, die wat wech stack d'an- 
der sach het, die seyden: „mede samen" daer was Brachker(?) en 
den Hoofineester al mede om te helpen, die kisten op te breken; 
maer sy hadden daer oock genen schade van, sy hadden haer kisten 
soo vol goet, dat sy het niet bergen en konden ^ dat waren fraeye 
mannen in Pieter Rays sin, die conden hem naer den mont praeten; 
doen Oodt beliefSe dat wy het fort behielden, doen waren sy twee- 
drachtich, doen was daer een mompelinge onder haer, dat de Hr. 
Generls. gouden hoetsbant wech was, en elck seyde, dat hy se niet 
en hadde, of den gouden hoetsband weder voor den dach gecomen 
is en weet ick niet, ick hebbe daer niet meer van gehoort. 

Looft Godt den eersten febmary 1619. 

Ady 1 dito, op een vrydach smorgens vroech, doen pacten de twaelf 
persoenen haer goet en maecten haer gereet om stracx naer de En- 
gelsche schepen toe te vaeren, en doen quam daer een spaek in het 
wiel, dat die Engelsche coopluyden met de orangcais niet en qua- 
men, dat de Engelsche generael S3m woort niet houden en conde, 
dat in het accoort beslooten was ^, dat hy den Hr. Commandeur met 



1 De teden hiervan Was gelegen in bet contract dat tnssclien Bantam en Thomas 
Dale gesloten was. 

IV. 10 



146 

d'ander gevangens niet vry maken konde^ en wy hadden die twee 
Engelsche coopluyden vry laten gaen, die wy aen het eylant gecre- 
gen hadden, maer de Conink van Bantam die wonde onsen hr. Gom- 
mandenr te Bantam hebben met d'andere gevangens en 'i volck des 
Conincx van Bantam wonde dat niet hebben , dat die EngeLschen ons 
volck nyt het fort halen sonden en brengen ons in haere schepen. 
Die van Bantam lagen over de rivier by de bateryen met haer vier 
dnysent ghewapende mannen, dat de Engelsche ons niet bevryen 
conden om in haer schepen te brengen, doen voer den Engelsche 
generl. strack naer boort toe, want hy hadde geen betrouwen op die 
Javanen, hy meende dat hy oock half verraden was en na middachs 
doen gaf de Coninck van Jacqetra den hr. Commandeur met d'ander 
gevangens over, in handen van den Coninck van Bantam, aenLack- 
moy , die lietse stracx los binden en 's avonts , doen sont de Hr. Com- 
mandeur een brief binnen het fort , dat sy des nachts na Bantam toe- 
ghevoert souden worden naer den Coninck, dat hy ons begeert te 
hebben en den hr. Commandeur, die schreef dat wy niet weder met 
den Engelschen generl. in accoort treden souden, aleer hy schreef 
hoe dat hy het met den Coninck van Bantam claeren soude connen. 

Adij 2 dito, op een saterdach, doen waeren de Engelschen ende 
Javanen tweedraehtich tegen malcander en den Engelschen generl. 
begeerde syn geschut weder van lant te halen en de Javanen won- 
den het geschut niet volgen laeten, dat sy groote questie met mai- 
canderen hadden en tegen den avont doen quam daer een Engelsche 
capiteyn by ons fort en riep tegen onsen capiteyn „ dat wy goede 
„ wacht houden souden , sy souden te nacht haer geschut van lant 
„ haelen, of de Javanen tegen ons volck opstaen wouden, omdat wy 
jf het geschut haelen willen , sonde ons volck wel onder U fort coo- 
„men moogen om haer te bevryen," doen seyde onsen capiteyn: 
„Ja, laetse het geschut haelen van lant, willen de Javaenen tegen 
„ haer opstaen laetse onder ons fort coomen , wy sullen se bevryden 
„van de Javanen,'' en sy haelden op dien nacht vyfstucken, soohet 
volck des anderen daechs tegen ons seyde. 

Adij 3 dito, op een sondach 's morgens vroech, doen begonnen wy 
weder eert in het groote pachuys te draegen om schootvry te ma- 
ken, wy wisten niet hoe dat wy het hebben souden, wy saten tus- 
sen twee stoelen in de as; wy gaven het Godt op, in syn genade- 



147 ' 

lycke handen^ soo het synen liefsten wil is, soo sal het geschien en 
de Engelschen riepen ons toe, dat wy goede wacht souden houden 
en wesen op onse hoede, men mochte op de Javanen niet betrouwen. 
Ady 4 dito, op een Maendach des namiddachs met den zeewint, 
doen quam een prau van Bantam en brocht eenen brief in het fort. 

Ady 5 dito, op een Dynsdach 'savonts, doen quamen binnen het 
fort twee Engelsche coopluyden, om met Sr. Raey en den Capiteyn 
te spreken of sy noch haer woort houden wouden van het accoort, 
dat sy met den Generael gemaect hadden, doen seyde de Capiteyn 
of de (renerl. ons wel vry gheley t gheven conde , om aen haer boort 
te comen; de coopluyden seyden, van haer best te sullen doen aen 
den Coninck van Jacqetra, om ons vry aen haer boort te crygen, 
maer de Capiteyn hoorde sooveel aen haer woorden, dat sy ons 
niet bevryen conden, dat sy ^Tcesden voor den Coninck van Ban- 
tam, dat sy daer tegen opstaen, (niet) dorsten, en die coopluyden 
seyden , staen wy tegen den Coninck van Bantam op , dan soude de 
Coninck te Bantam ons volck aentasten en plunderen onse logie, 
daer leit onse schat in, en de Engelsche coopluyden hadden geeme 
strack antwoort gehadt, van hetgeen dat sy ghevraecht hadden, 
doen seyde de Capiteyn , dat hy haer morgen bescheyt seggen soude , 
sy mosten haer te nacht daer wat op beraden. 

Ady 6 dito, op een Woensdach, 'smorgens, doen was den breden 
raet vergadert, doen worde het beslooten, by den vollen raet, dat 
bescheyt van Bantam verwachten souden, en treden niet met den 
Engelschen Genrl. in accoort, want sy conden ons niet bevryden, 
van den Coninck van Bantam's volck om uyt te vaeren, naer de 
schepen toe en tegen den middach, doen sont de Capiteyn bescheyt 
aen de Engelsche coopluyden hoe dat wy beraden waren. 

Ady 7 dito, op een Donderdach, na den middach met den zee- 
wint, doen quam de Sammendaer (Sjahbandaar) ghenaemt Lackmoy 
van Bantam met wel 52 prauwen en met vier joncken te Jacatra 
op de rede en brochten dry Hollanders mede, den eenen was den 
oppercoopman van den Swarten Leeuw, ghenaemt Hendrick Janssen 
met Jacques Cortele en met Dirck Jemming en sy quamen strack 
aen lant en brochten brieven mede van den Coninck van Bantam, 
den inhout was, soo ick hoore seggen: off wy het fort opgeven 



148 

wonden in 'b Coninckx lianden j behoudens het volck haer lyf en 
goet, met haer volle gheweer nyt het fort treeken souden en de 
helft van het Company's goet met de grove stucken voor den Coninck 
en de ander helft van het goet voor de Company en dat de Coninck 
ons vier sjoncken geven wonde, daer met die pranwen gecoomen 
waeren, daer mochten wy mede vaeren, waer dat het ons lusten 
en geliefflen, oft wonden wy te Bantam op de rede coomen enblyven 
daer leggen , soo lange onse schepen quamen, het was wel ^ 

Adij 8 dito, op een Yrydach 'smorgens, doen wert de raet ver- 
gadert, doen worde het besloten by den vollen raet, dat wy met 
den Coninck van Bantam in accoort treden souden en Sr. Hendrick 
Janssen, die sonde met den Coninck van Bantam accorderen en 
houden hem wat strack om veel goet te behouden, als het mogelyck 
waer, want wy mosten van twee quaden een goet kiesen en stellen 
onse hoop en troost op den Almachtigen Gk)dt, die can ons helpen 
als het syn wil is en ons salich, amen. 

Ady 9 dito, op een Saterdach, doen voer Sr. Hendrick Janssen 
met Dirck Jemming met een prau weder naer Bantam, om met den 
Coninck in accoort te treden en Jacques Cortele , die bleef by ons 
in 't fort, omdat hy een seere hant hadde. 

10, 11 en 12. (Op deze dagen zijn slechts enkele bgzonderheden, 
zonder belang, opgeteekend). 

Adij 14 dito, op een Donderdachnamiddach,metdeseewint, doen 
quamen een deel (pranwen) met volck van Bantam te Jaquatra, wat het 
bednyt dat is Godt bekent, 'savonts doen het gebet ghedaen was^ 
doen seyde Sr. Racy tegen het volck, dat wy morgen souden een 
bededach houden, dat elck hem daer naer voegen sonde om boven 
in de predicatie te comen, om Qodt Almachtich aen te bidden, om 
een goede uytcomste, wy wisten niet hoe dat wy het hebben sou- 
den, met die Javanen en met die Engelsen, sy honden beydegaer 
om ons, gelyck een haey om een krenge, maer Godt die versaoh 
het, dat sy beydegaer, daer niet van cregen. 

Adij 15 dito, op een Yrydach, smorgens vroech, doen worden 

* In dit joornaal wordt geen mdding gemaakt yan een oploop of eene muiterfj van 
bet garnizoen, dat, biykens Resolulie, dd*. 7 ¥ebr. 1619 van den breeden raad, op 
dezen dag binnen bet Nederl. fort zou bebben plaats gebad en waarvan de ooraal^ 
zon z^jn geweest, dat bet garnizoen verlangde, dat men zieb aan de Engelacben zou 
overgeven en niet aan Javanen. 



149 

de clocken gelayt, om in het morgengebet te coomen, dat wy den 
Almachtigen Godt loven en bidden souden , om een goede nyteomste , 
soo ver als 't Syn lieve wil is en ons salich is, en omtrent negen 
uren, doen worden een predicaüe gedaen en tegen den middach, 
doen qnam daer een Japonder, die by de Engelschen diende, by ons 
tort, en riep tegen onse Japonders op haer spraeck*, dat wy ons 
claer maken souden en wesen wel op onse hoede, dat die Coninck 
van Jacatra syn volck claer maecte om stracx te stormen, soo sy 
anders niet en wisten, maer de Javanen waeren stracx self tegen 
malcanderen tweedrachtich , die van Bantam en die van Jacatra en 
namiddaechs, doen worden weer een predicatie gedaen en 'savonts 
voor den eeten, doen worden het avontghebet ghedaen en wy souden 
wat bancken (banketten), om ons avontmael te doen worden die 
twee slavinnen met Anselien en Speranty mede te eeten gehaelt en 
sy setten de vrouwen aen het hooge ent van de tafel en onthaelden 
se seer wel, doen die ondercoopluyden met de assistenten ge- 
banct hadden, gingen sy van de tafel en daer bleven aen de tafel 
sitten Bay, met den Capitein en den Domine, Evert Hermans, met 
den Luytenant en vaendrich by de vrouwen en waeren vrolyck en 
blyde en droncken den Spaenschen wyn en speelden moy weder 
met die vrouwen, en songen: „Tabe, tabe, signora! moeda baiw 
„bantel ticker betta mau rassa! ^ " maer dat den Domine over dach 
gepreect hadde, dat was haer al vergeten, sy hadden al te veel te 
doen met die schone vrouwen; maer men dacht niet om Godt aen 
te bidden om een goede uytcomst te crygen; dat spel duerde tot 
een ofte twee uren toe, in den nacht, doen ginck elck naer de koy 
toe en die drie vrouwen sliepen boven, en den vaendrich brocht 
8peranty 'thuys en speelde met Speranty een kuns^'en in haer huys , 
dat daer waerachtige luyden waeren, die dat ghehoort en gesien 
hadden, dat het ons verwondert, dat Godt ons niet en plaegde, 
omdat daer sulcken overspel van onse overicheyt geschiede, nade- 
mael, dat wy in sulcken beleyden fort laegen, daer was Baey in- 
venteur van de saken, dit duerde alle avonden met die vrouwen te 
domineren, soo lange totdat sy heyeken (?) waren, want Ray was 
doen sulcken grooten meester in zynen sin, omdat hy by provisy 



1 Tabe, tabe, signora mooda; bawa bantal tiekar bejta mau rasa! 



130 

Commandenr was en ginck alle dagen met een gouden keten, om 
synen hals, brageren en waer dat hem over dag wat in den wech 
was, dan begon hy strack op het volck qnalyck te spreecken en 
maecte daer honden van, met veel andere smadelycke woorden, als 
hy tegen het volck sprack, dat zy niet gewent waeren, sulcken 
quade woorden te hooren by den Hr. Generls. tyden, doen hy noch 
te Jacatra was, daer sy eenen helen dach stonden en wrochten en 
'savonts, als boven de maeltyt gedaen was, dan most hy tegen 
den eenen of den anderen kyven tot smytens toe, off hy most met 
die vrouwen vroolyck wesen, hy conde syn rust niet houden, en de 
Javanen van Jacatra en de Javanen van Bantam hadden dien heelen 
nacht sulcken spul met malcanderen op die groote bassar, of sy 
malcander vermoert hadden, sulcken gecryt en geraes was daer van 
vrouwen en kinderen, wy wisten niet wat het beduyde, dat sy 
(soo) seer raesden en creten. 

Adij 16 dito op een saterdach, doen hoorden wy seggen, dat die 
van Bantam, hadden den Coninck van Jaccatra, uyt syn ryck ge" 
stoeten en de Coninck worde strack wechgevoert en moest syn lant 
verlaten en die van Bantam besaten syn ryck, doen liet die Sam- 
mandaer de Javanen en de Chineesen met alderley goet voor onse 
poort te coop coomen. 

Adij 20 dito, op een woensdach, doen sat de luy tenant met een 
deel anderen in syn camer en droncken en hadden die moye vrou- 
wen by haer, soo als Speranty met haer quartier en waren vrolyck 
en maecten die vrouwen soo droncken , dat sy in 't schoei lagen en 
sliepen. Zy conden arak en spaenschen wyn genoech crygen om te 
domineren, maer de siecken conde Ray wel weygeren, want men 
con len allegader soo mooy niet praten en hangen die huich naer den 
wint, als sy wel deden, daerom worden een deel niet geacht in 
Raey's sin en de luitenant dede op eenen avont de ronde en quam 
by het lantpoortjen en de schiltwacht riep, Hola! die luytenant 
seyde: Ronde! doen quam die corporael voor den dach, doen seyde 
de luytenant tegen den corporael, comt beneden, ick sal TJ het woort 
gheven, ick soude my vermoeyen, dat ick die trappen opliep, maer 
hy vermoeyde hem niet, met die vrouwen te domineren en drincken 
met haer den Spaenschen wyn en wesen vrolyck. 

Adij 21 dito, op een donderdach, doen sette de capiteyn het volck 



te ^wrerck om eert in 't noortwestei-punt te dragen 

Adij 22 dito, op een vrydach s'achtermiddaeelis met die seewint, 
doeB quaemen daer een deel prauwen van Bantam te Jaeatra en 
brochten eenen brief van den Coninck van Bantam, wat den inhout 
van den brief was en weet ick niet. 

Adij 23 dito, op een saterdach 's morgens ontrent tliien uren, doen 
soude daer een Japonner gbeharqueboseert worden, omdat hy op 
Bchiltwacht gheslapen hadde en worde van de capiteyn van de Ja- 
ponders verbeden, doen worden dese dry vrouwen die boven gesla- 
pen hadden elck aen eenen man ghegeven, doen sy lange ghenoech 
daermede gespeelt hadden. 

Adij 24 dito, op een sondach 's morgens, doen die predicatie ghe- 
daen was, doen tronden daer thien persoenen, daervan waeren ses 
dnitsen, die trouden met swarte vrouwen en d'ander vier waeren 
swarte persoonen met malcander^ daer waeren ses swarte vrouweni 
die gedoopt worden met één duitsman, doen worde een groot feest 
ghehouden en songen en sprongen, gelyck oft wy in een boeren ker- 
mis waeren . 

Ady 25 dito, op een maendach 's morgens vroech, doen qnam Sr. 
Hendrick Janssen met Sr. van Uffelen met Direk Jemming met prau- 
wen van Bantam te Jaeatra en brachten eenen brief van den Coninck 
dat sy al veraccordeert waeren met die goederen, maer die Coninck 
eonde ons niet bevryden van de Ëngelschen, en die eoopluyden te 
Bantam, die hadden den Ëngelschen generael d'ander helft vancom- 
papy's goet al geboden, dat hy ons volck vry varen laeten soude; 
de Ëngelsche generael begeerde dat niet te doen en de Engelsche 
generael liet al haer goet te Bantam uyt de logie haelen te scheep. 
In den brief van den Coninck, daer stout in geschreven, soo ons 
- geseyt worde, als dat de Coninck van Bantam het fort opeysste en 
soude ons het halve company's goet houden laten, en d'ander helft 
van 't company's goet met die groove stucken, die souden voor den 
Coninck wesen, en hy soude ons met cleyne prauwen te Bantam 
haelen, hy conde ons niet beviyen van de Ëngelschen en de Ëngel- 
schen seyden, als wy met cleyne prauwen naer Bantam voeren, dat 
sy daer met haer boot op passen souden en tasten ons aan; ofte de 
Coninck wonde ons wel te Jaeatra blyven laten woonen, dan mosten 
wy de vier punten afbreken en de Coninck soude onse stucken met 



1B2 

die mofiketten te Bantam haelen; en die Banunandaer met noch een 
groot meester met haer volck, souden by ons woonen, om ons te 
beschermen van de Engelschen en wy souden anders niet hebben 
dan ons sytgeweer. Ende s'avonts worde weder bruyloft ghehouden 
en droncken den Spaenschen wyn met die vrouwen en waeren vro- 
lyck en blyde, elck had eene vrou aen syn syde.en lieten fiolen 
sorgen. 

Adij 26 dito, op een dynsdach 'smoigens, doen worde den raet 
vergadert, doen worden het beslooten by den vollen raet, om het 
fort te houden en vechten tot den jongsten man toe, ais de Coninck 
van Bantam ons niet bevryden kan van de Engelschen, daerom was 
het best, dat wy het fort hielden en setten onse hoop en troost op 
Godt Almachtich, soo syn lieve wil is, soo sal het geschien; doen 
dorsten Sr. Hendrick Janssen met Sr. van Ufièlen met Dirck Jem- 
mings niet weder naer Bantam varen by den Coninck en sy bleven 
alle dry by ons in 't fort en den Coninck sonden sy eenen brief met 
een schenkagie, doen hadden wy groote sorge, dat de Coninck om 
den hals brengen soude, die te Bantam in de logie waeren; daer 
waren wel 70 duitsen, die te Bantam van de Engelsche schepen 
wech geloopen waeren, het was volck van den swarten Leeuw, die 
de Engelschen ghenoomen hadden. 

Looft Godt, den 3« Martij sfi. 1619. — 

Adij 3 dito, op een sondach 's achtermiddaechs , met den seewint 
quamen een deel prauwen van Bantam en brochten ons een brief van 
den Coninck. Den inhout van den brief was, soo ick hoorde seggen, 
dat de Coninck begeerde, die dry duytsen, te Bantam wederom te 
hebben, die hy te Jacatra gesonden hadde, om het fort op te eys- 
schen, en sy wouden niet weder naer Bantam toe en doen sagen wy 
twee seylen by de eylanden coomen, niet wetende wat het voor 
scheepen waeren, s'avonts ontrent te negen uren, doen quam het 
eene schip te Jacatra op de rede ende quamen strack, met het boot 
aen lant, doen waeren het HoUantsche schepen, quamen van Jamby 
en waeren geladen met peper en het eene was het jacht den Tyger, 
en het ander was de prys van de Duyvell van Delff, die was soo 
leek, dat het volck hem pas boven waeter houden conden met pompen. 

Adij 4 dito, op een maendach, 's achtermiddaechs met den zee- 
wint , doen quam het jacht den Tyger op de rede en de piys seyl- 



1B5 

den met hooch water tegen strant aen, soo hooch op als sy seylen 
conden, om het goet te bergen en ontrent middernacht met den 
lantlycken wint, doen ginck het jacht den Tyger 'tseil om van de 
rede van Jacoatra na Ambon te seylen, om den Hr. generl. advys te 
brengen, hoe dat wy het fort noch behouden hebben, daer mogen 
wy 6odt de Heere voor dancken, dat hy ons tot hier toe bewaert heeft. 
Adg 12 dito, op een Dynsdach 's morgens, doen dede die Capitein 
het Yolck vergaderen, doen worden het volck eenen brief vooi^elesen, 
dat onse overicheyt het fort met alle vier pimten eenen naem gaven, 
gelyck alle forten in Indie hebben en het fort worde genaemt 
Batavia, soo placht Holland by ouden tyden genaempt te worden, 
en de cat worde genoemt, Westvrieslandt, en het noordwesten punt 
aen de rivier, worde ghenoemt HoUandia oft HoUant, ende het zee- 
pnnt worde genoemt Seelandia oft Zeelant en het ooster-lantpunt, 
worden ghenaemt 6eldria, oft Gelderlant en daer worden op elck 
punt een nieuwe vlagge geset en een schoot geschoten en Raey liet 
alle officiers des middaechs ten eeten haelen en sy bedroncken met 
malcander het fort Batavia. 

Adij 23 dito, op een Saterdach, doen cregen wy een brief van 
Bantam, als dat onse vier schepen in de straet van Sunda beset 
waren, van ses £ngelsche scheepen en onse vier scheepen hebben 
daer louter dooi^eslagen en 's achtermiddachs met de seewint doen 
quamen te Jacatra op de ree seven Engelsche schepen. 
Looft 6odt, den eersten Aprill, 1619. 

Adij 1 dito, op een Paas-Maendach 's achteimiddachs , doen worden 
boven op de sael een spul gespnelt van den Coninck van Deenmarken 
en van den Coninck van Sweden en 'savonts doen liet Ray dese 
speelders boven ten eeten haelen en die vrouwen met haere mans, 
die sy uitgehylyckt hadden met Speranty mede, die moesten daer 
oock weesen en waren vrolyck en omtrent middernacht, doen worden 
die swarten met haer vrouwen oock ontbooden booven en lieten die 
swarten speelen op bomba, de fiuyten en scharmeyen, gelyck of 
wy in een boerenkermis waren , maer juist waren wy in een bele- 
gert fort en maecten die mans droncken en domineerden met die 
vrouwen, maer het ginck daer toe, dat ons verwondert, dat Godt 
ons niet en plaechde van het overspel, dat daer van onse overicheyt 
gedaen worden, sy verdomineerden soo den arack, dat de maets al 



154 

te samen daerom lyden moBten en saegen geen rantsoen van arack; 
maer daer de harder dwaelt, daer dwalen de schapen! 

Adij 3 dito, op een Woensdach, s'achtermiddaechs met die see- 
wint, (kwam) die Sammandaer, Lackmoij, met een deel pranwen 
met volck te Jacatra en hadden een assistent van Bantam, van ons 
volck, die brocht een deel brieven mede, maer hy mocht self in 't 
fort by ons niet coomen, van den Sammandaer een swarten jongen 
quam, die te Bantam bottelier was, die brocht de brieven binnen 
het fort, den inhont hoorde ick niet wat het was. 

Adij 9 dito, op een Dynsdach 'smiddachs, doen trock de Inytenant 
met de vaendrich over de rivier met 35 mosschettiers en met een 
deel swarten, om die twee bateryen in brant te steken, doen sy 
over de rivier waeren, doen waerschouden sy het volck, die in de 
bateryen waeren, dat sy met haer goetjen wech gaen sonden, wy 
willen de bateryen in brant steken, die de Engelschen gemaect 
hebben en dat volck namen haer goetjen en gingen wech, doen 
staken ons volck die twee bateryen aen brant, sonder een schoot te 
schieten, doen qnam ons volck wederom in het fort en staken de 
vreede vlach op en s'achtermiddaechs, omtrent twee uren, doen trock 
ons volck wederom nyt en namen de vreede vlach in , na des rycken 
Chineeshuys om de twee bateryen aen brant te steken, daer waer- 
schouden sy het volck oock, dat sy met haer goetjen wech gaen 
souden, wy wouden die twee bateryen aen brant steken, daer was 
die oude Graef in de batteryen met omtrent 30 man met spiessen, 
maer sy hadden geen roers, nochtans wouden sy daer niet uytgaen, 
doen schooten ons volck met mosschetten op die bateryen, maer 
die Javanen stonden louter vast, sy wouden daer niet wycken, soo- 
lang , dat der vier oft vyf nederstorten : doen namen sy de wyck en 
voeren over de rivier; maer het hielt hard genoech, hadden de 
Javanen mede roers ghehadt, het soude te beduchten gestaen heb- 
ben, dat ons volck die batteryen niet aen brant gecregen souden 
hebben, doen ons volck de Javanen op de vlucht hadden, doen stak 
ons volck de bateryen aen brant en daer worden aen beyde syden 
niet één schot geschoten met grove stucken; daer was een van ons 
volck in syn slincker borst met een spies gesteken van de Javanen, 
daer waeren noch een deel van ons volck gequetst, die hadden selfs 
in de voetangels gheloopen; doen die twee bateryen verbrant waeren ) 



155 

doen quam ons volck met twee Javaensche hoofden binnen het fort 
en lieten weder de vrede-vlagge waeyen. 

Adij 10 dito, op een Woensdach 's morgens, doen quamLachmoys 

soon, met noch twee Javanen, in 't fort en seyden, dat ons volck 

vier van Gravens volck doot geschooten hadden , met 12 gequetsten 

en met een Javaen van Bantam doot en ons volck had den Graef 

self op syn borst geschooten, maer het was niet deur gegaen, hy 

hadde noch een schoot in s)ti cuyt gecreegen, doen hy al in de 

rivier was om over te gaen swemmen, dat was oock niet doorgegaen 

en doen sont de raet Pieter Francen met eenen brief naer Lackmoy 

toe, en hielden synen soon in, doen Lackmoy den inhout verstaen 

hadde, doen ontboot Lackmoy dat volck, die over de rivier en de 

batteryen geweest hadden en vraechden haer, of het waer was, dat 

de Hollanders haer gewaerschout hadden; sy seyden: Ja; doen liet 

Lackmoy weder een witte vlagge op de muer steken of setten, doen 

was het vrede. • 

Adij 17 dito, op een Woensdach 's morgens vroech, doen worden 
die timmerluyden met een deel musquettiers en een deel swarten 
over de rivier gesonden, om een deel boomen om te houwen en 
doen quam het voor den dach , dat daer dry vrouwen waeren , die 
nieus getrout waeren, die souden haer eygen mans vergheven heb- 
ben, doen worden die vrouwen boven ontbooden en worden verhoort, 
doen seyden sy het recht uyt, dat sy in 't sin hadden, haer mans 
te vergeven, en dat sy het goet van een Javaensche vrou gecocht 
hadden, daer sy het mede gedaen souden hebben, doen worden sy 
vastgeset. 

Adij 22 dito, op een Maendach, s'achtermiddachs met die see- 
wint, doen sagen wy een seyl, niet wetende wat het voor een seyl 
was, doen het hende by quam, doen was het een sjonck, die liet 
een Prinse vlagge waeyen en setten het op die reede van Jacatra 
en doen voer Evert Hermans met een prau aen boort, doen was 
het een sjonck , die van Jamby quam en was geladen met Company's 
peper, en daer was een ondercoopman in, genaemt Piet Haein, en 
'savonts doen voer onse sloep met volck nae boort toe en haelden 
die peper aen lant. 
Looft Godt, den 5*»^ Maijus, 1619. 
Adij 5 dito. (Niets belangrijks.) 



156 

Adij 8 dito, op een Woensdach, s'achtermiddachB met die see- 
wlnt, doen quam een pran van Bantam , daer was de bottelier van 
Bantam in en brocht een brief binnen het fort met een deel Chi- 
neesche hamkjens met ander barbarren ^. * 

Adij 10 dito , op een Vrydach s'achtermiddaelis j doen quam daer 
een pran met Dnitsen de mont van de revier in, niet wetende wat 
het voor Dnitsen off Engelschen waeren, doen die prau hende by 
was, doen sagen wy, dat daerin de pran sat, Sr. Carpentier met Sr. Sarens 
en qnamen strack binnen het fort en sy qnamen met het fregat 
Zeylon van Ambon vooruyt seylen en seyden , dat die vloot scheepen 
haest coomen sonde, doen waeren wy al te samen verblyt en ver- 
wachten de comst van den Hr. Generael. 

Ady 11 dito, op een Saterdach s'morgeus vroech, voor daech, 
voer de sloep met volck naer de eylanden toe, daer lach het fregat 
Zeylon geset en haelden een deel gevangens en s'achtermiddaechs , 
doen qnam die 'sloep wederom en brochten seven Javanen, die het 
fregat Zeylon met een sjonck gecregen hadde. 



XXXII. EENmS BBIEVEK VAN PiSTEB VAN BEN BbOECK, BOOB 

HEM, TEBWIJL HIJ GEVANGEN WAS BIJ BE Ja VANEN, 

AAN BE OVEBHEBEN VAN HET FOBT 

Jakatba, GESCHBEVJSN* 

1. Sr. Pieter van Raeij , Capiteyn , Jan van Broechum (v. Gorcum?) 
alsoo ick nu een ghevangen en deerlick ghebonden man ben, doet 
de Coninck my dit briefgen aen ül. schriven, alleenlyck om U 
advys te weten off ghy nu noch vechten wilt oft peys maecken , op 
welck antwoort cont ghy wel dencken, wat aenstaende is,enbhegint 
Ghyl. niet eerst. Godt geve ons wat salich is. Amen. Schryft 
strack antwoort wat ghy geresolveert syt. 

Was onderteykent s. d. UE. Vrunt, 

P. V. Bbotjcke. 

2. Sr, van Ray. ül. versouct myn advys te weten met wat 
middelen men ons verlossinge sonde connen verwerven, dnnct my 

1 Barang-baraug , ververschingen of goederen vau allerlei aard. 



157 

onredelyck te wesen, alsoo ghevangen ben en al wel ^ beloven, 
datter in de loghie (is?). Daerom bidde UI. met maleander een 
presentatie te doen op stnek van haeren eys, versoncken 10,000 R. 
van achten met 2 stneken en haer toebehooren , ül. cont laten weten 
wat van sinne zyt, om haer toe te legghen, dan sond' er eenghoeden 
peys ghetroffen wesen; begheert oock dat ül. altsaemen onderteyc- 
kenen snit, soe gon den heer president compt, dat wy alsdan sollen 
vertrecken, begheert my daerom tot ondeipant, waer in 't minste 
niet teghen hebben , by sooverre het den raet soo ghoet vint. Voor- 
waar moeten een cleyn (verlies?) nn niet aensien, want de Engelsen 
snllen anders 40 stneken aen lant brenghen en beloven ons plat te 
schieten, oock is den Fransman al by de Enghelsen vry, die al 
onse retreiten haer openbaert, van ons cmyt, water haelen en ons 
tegenweer. Bidde UI. hierop antwoort te gheven met tgeene UI. van 
sin syt, om tot onse verlossinge en den vrede te gheven. 

Syet mede, sooveel hebt van de stneken, mocht die wel honden 
en gheven hen sooveel ghelts meer. 

Hiermede enz., 26 January ad. 1619. 

(Was ondert.) Ül. Vmnden, 

P. V. Bboeoke. 

Op d'opscbrift stondt: Schrift doch dadelyck antwoort op desen 
brief, want d'Engelsen wederom pitsiaren. 

3. Ëersame Vooi-sienighe , enz. 

My is op staende voet een missive van Sr. Raey gheteyckent,ter 
hant gecomen, alwaer in ghementioneert stont, dat op ghisteren een 
brief van den Coninck in Chinesische Spraeck ontfanghen hadde, 
waer op een nien weder 5000 R*. van 8 is eysschende en niet en 
weten waervoor. ül. sal ghelieven te weten, dat den voors.brieff niet 
van den Coninck comt, maer van den Panghoran Padidjaram met den 
Tommogon van Bantam, die gëeme, soo gou verstaen hadde , wat ül. 
van sin (waart) voor onse verlossinge en (om) een groot edelmans vrien- 
den, die ghebleven is, te contenteren , wilde gheven , souden den Goning 
dan daertoe te verwilligen sien, om wederom een vrede te maecken; 
met hem en die van Bantam , dat by haer allen sal onderteyckent worden. 



1 In de kop\j, welke op het Kiyks-areliief bewaard wordt, staat wel, uit den zin 
biykt , dat het wü moet zijn. Ook de brief n^. 3 draagt de blijken , van niet naauw- 
keurig in bet kopijboek te zijn overgebragt. 



1^8 

Dit stnck dient in alle manieren by de hant genomen te werden j 
want d'Engelfisen alle daeghe geweldich met ghiften en ghaven by 
den Goninek aenhouden, om het fort met ghewelt van scbnt onder 
de voet te schieten en beloven hem dan de helft van 't goet en 
plnnderagie te geven« 

lek en twyfel niet, soo de Heeren een redelicken penninck booden 
ofte soude alles ten beste en proffyt van de Gomp'*'. wesen om veel 
ghewichtige redenen y die hier niet derve allegieren. Nn, dat de 
vrienden bieden en met malcanderen ghoetvinden, sal ick mede 
onderteyckenen en haer van de penningen, soo geen suffisante rede- 
nen weet te gheven, als by UI. coome, ontslaen. 

'De Heeren snllen den Panghoran Padidjaram syn meningh wel 
verstaen, te weten: dat UI. al te samen verbinden sult,^ met een 
onderteyckenmghe, van met de eerste schepen te vertrecken, met 
alle de coopmanschap en tgeen UI. sal ghelieven. Ten anderen 
sooveel gelts als de Heeren sullen gheraden vinden tot ons rantzoen 
en te contenteren de vrienden van den grooten edelman, die in de 
voorghaende oorloghe gebleven is en de nieuwe vrientschap. 

T4s wel dat voor desen een contract met den Coning ghemaect 
hebbe, dat alle saecken vergeten en vergheven souden zyn, dan 
door het gestadich aenhouden en groote giften van de Engelschen, 
die hem op eergisteren 2000 Realen gegeven hebben, alsmede het 
cryten van de vrienden van den Edelman, heeft haer dit exploot 
wederom doen beghinnen, dan vermits het contract nu met raet en 
daet van die van Bantam sal geschieden, mitsgaeders haer onder- 
teyckeninghe , hebbe ickj omme de waerheyt te seggen daer niet 
teghetiy da{ weder een seker penningh vereert worty want soo gou 
wy weten wat UI. van meninghe syt te gheven, sal Lacmoy selven 
in persoon naer Bantham vertrecken en den Coninck den vrede 
aldaer verwittigen. Ick hebbe verstaen, dat onse 2 schepen uljt 
vaderlant noch omtrent Bantham houden, die den Pangoran van 
Bantham sal hier senden onder sjn gheleyde, alsoo hy d'Engelssen, 
daertoe sal dwinghen omdat sy een rycke godon ^ tot Bantam hebben 
en hem syn versouck ghewillich sullen toestaen, die oock met 
desen vrede soude connen gesalveert worden, want Lackmoy naer 



Ge dong, faktory, pakhuis. 



159 

dese pitsiaringe m der yl naer Bantham gaet, om de Goninck van 
Bantham een pas van de Engelssen te laten eyssen, dat onse schepen 
tot Bantham noch hier, niet sullen beleydigen, alsoo dese plaets 
mede onder die van Bantham sorteert, hier synde een pas van den 
Engelssen Generael nemen om te moghen vertrecken, dat hun sal 
ghelieven. 

Yoorwaer twyffel niet off UI. sal haer nu een stuck gelts toe leg- 
ghen, dat ick niet soude consenteren, ten waer myns bedunckens 
de Comp^e. veel daeraen gelegen waer; 't geit, dat UI. haer toeleit, 
sal ick in verwilligen, vermits nu gheen vrees hebbe, daer bedroch 
in is ende bereyt om te onderteyckenen en UE. daervan te ontlasten. 
Als vooren soo gheen suflKsante reden weet te geven, sal een ge- 
wenste saecke syn, soo den peys wederom connen treffen, alsoo nu 
ghelt in desen staet dient aengesien, Lackmoy verwacht goede ant- 
woort, alsoo datelick naer Bantham om 't selve stuck soude ver- 
trecken, dat de vrienden op het allerhoochste recommanderen. 
D'Engelsen loopen en vloucken gheweldich en verwachten maer 
d'uytspraeck van den Coninq, dat die van Bantham alleen teghen 
houde. Hiermede, Eersame enz., beveel UI. altsaemen in de be- 
scherminghe des AUerhoochsten en onse verlossinghe met een goeden 
peys, om de bloetstorting van veel sielen te conserveren. Aldns 
ghedaen den 28 January a. 1619 in Jacatra. 

Wat duncken de Heeren van 3 a 4000 R. alsoo daer veel aen 

ghelegen is, als UI. wel mondelinghe zal connen verwittighen. Den 

Panghoran Padidiaram versouckt 6 of 8 goulangs, die UI. ghelieft 

te senden op myn reeckening. 

(Was onderteykent) 

U E. gunstige Vrunden, 

PlETB. y. Bbobcke. 

Henbicus BE Haen. 
Medicus. 

4 (5). Ick ben gisteren avont ^ by den Coninck ontboden ghe- 
weest, die my heeft doen schryven, dat daetelick antwoort begheert, 

1 Uit dize uitdrukking maak ik op , dat dit briefje , hoewel zonder dagteekening , 
van den 29 Januarij is. Uit het joomaal hiervoren , onder u". XXXI gedmkt , bl^kt , 
dat de brief n9. 6 in het fort is aangekomen vóór n \ 4 , maar door de overschrijvers in 
Wenstaande volgorde in het kop^boek van ingekomen brieven is gesteld. Vergelijk 
biermede Hoofdstuk III hierboven. 



160 

off ghy hem tfort en al het ghoet over wilt gheven en U in syn 
handen betrouwen off met een prau naer Bantham vaeren, daerop 
staende voet antwoort op bhegeert, of zal sien 't fort met gewelt in 
te eryghen, en dan niemant laeten leven, maer vermoorden. Hier 
dient nu gheen lang vertreek op, want hebt hem lang ghenouch 
met praetgens ghehonden ende snit datellck syn gramschap verne- 
men. D'Engelsen porren hem hiertoe. 

Door last van den Coninck. 

(Was onderteykent,) 

ÜE. ellendigen gevangene Vriend, 

PlETEB VAir D£S^ BbOECK. 

5 (4). Hoewel ick voor my ghenoomen hadde, niet meer aen 
UI. te schryven, vermits noyt gheen volcomen antwoort conde be- 
comen, ben ick op ghisteren avont, wesende d'eerste mael dat inde 
locht geghaen hebbe, tsedert myn gevanckenis tot des Gonincks 
vader ontboden gheweest , die my seyde , verwondert was altyt geen 
antwoort en geen recht bescheet op zyn of des Conincx brieven 
conde vernemen, die my dede schryven, dat de 5000 R. waren tot 
onse verlossinge, mitsgaders het repareren van Goninxs huyzen eo 
de weduwen te contenteren, in den voorghaenden oorlogh. T'hadde 
wel te wensen gheweest, de vrienden al over 2, 3 dagen iets voor 
ons rantsoen gheboden hadden, om veel ghewichtige oorsaecken, 
die niet derve allegieren, vermits ÜL myn schryven niet enverstaet, 
dan zult de punten noch wel ghewaer werden. 

De Coninck sonde wel willen, mits desen ÜL volcomen resolutie 
te weten, wat ghy voor ons rantsoen voor de ander bovenghemelde 
punten, alsmede den stilstandt van wapenen tot de comst van onse 
schepen, dat het principaelste stuck wel is, wilt gheven. UI. hoor- 
den te accorderen. Dit zal voor deesen de leste wesen, die 

aen UI. sal moghen schryven. Soo den oorloch weder voortgaet, 
verdraecht doch 18 oft 20 schooten uyt de stadt, eer UI. weder- 
omme schiet. Hiermede verwacht goet antwoort ende beveele UI. 
altsaemen een beter uytcompste, als wy alle uren verwachtende syn. 
Den 29 January a^ 1619. 

Was onderteykent, door last van den Coninck^ 

U^. Vrunt, 
P. v. Bboecke. 



161 

XXXm. Dï GOTTTEBNETTB OXKEBAEL JaK PiETEBSZ. CoEN AAN 

DB Bewindhbbbebs deb Geiteb. Oost-Inb. Comp. 

(Hebben XVII.) 

(Deze brief is reeds voor een groot gedeelte opgenomen in het 
werk van den heer van der ChQs: „de Nederlanders te Jakatra". 
De heer van der Ghijs zag echter den oorspronkeiyken .brief niet 
en erkent zelf dat het afschrift ^ dat hy in handen had, de biyken 
droeg van niet met bgzondere zorg te zyn vervaardigd. Om die 
reden en omdat dit hoogstbelangr^ke stuk in deze verzameling niet 
mag ontbreken, kwam ik tot het besluit om den brief hieronder, 
naar den oorspronkeiyken tekst te doen afdrukken. Voor het eerste 
gedeelte van den brief, waarin Coen verslag geeft van zijne ver- 
rigtingen in de Molukken, na zQn vertrek van Jakatra tot aan zQne 
terugkomst voor de kust van Java, bepaal ik mg tot de mededeeling 
der geiyktydige marginalia, zooals die op den brief gevonden wor- 
den. Daardoor ontstaat er eene schakel, welke dezen brief verbindt 
aan dien van 14 Januarg 1619, N^ XXIX hierboven.) 

In het fort Jakatra, dd. 5 Aug. 1619. 

(6eD. Coen vertrocken synde van Jacatra, sendt diveTsche sehepen om vervenching 
naer vencbeydea quartieren en op 16 January 1619 het schip Delff nae 't Patria. — 
Arriveert op 4 Febr. ia Amboyna met 4 schepen. — Advisen uyt Banda door tjacht 
NeptnnuB. — Rafraichissement van volde nae Banda gesonden met den Engel. — 
Amboioa in mst gebracht met alle d'omliggende plaetsen. — Beschryving van Hotto- 
monry , twélck naer vyff stormen genomen wort ende geraseert. — .... Armade in 
Amboina van 35 corcorren en 3500 man tot devotie van de Nederl. Comp'«. — 
Visiten aen d'omliggende plaetsen. — D'inwoonders van d'eylanden Bonoö en Assa- 
hondie in gratie genomen onder conditien, alsoock die van Manipa en Kelangh. -^ 
Reputatie voor de Comp. , midts het veroveren van Hottonioury , doet de qnaetwil- 
ligen vroesen. — 376,568 © nagelea van Amboyna. — Veel vreemde joncken in 

Bonro ende Belao , sal verhindert worden 't wechvoeren van naghelen , 

noten en foelie aen de vreemden. — Hnys in tcasteel Amboyna wederom opgebout — 
Joncke van Bantam in Loehoe, Combello en Hytoe stroyt nyt, dat een generale 
h'guö tegen de Nederl. Comp. is gemaeckt. — Engelsche vlote in Amboyna verwacht; 
doch niet gecomen. — Twee prauwen expres nyt Amboina nae de Molnqnes geson- 
den — Genl. Coen vaert naer Malnco met 't schip de Trouw. — Rendcï-vous 

voor de Generale Nederl. vlote, omtrent Madura vastgesteld. — Genl. Coen arriveert 
in Bachian. — Advisen uyt Maluco. — Genl. Reael en Adm. vdr. Hagen in Bachian 
by den Genl. Coen. — Arriveren te samen in Amboina. — 18,217 f? nagelen nyt 
de Molaqnes. Groot gewas van nagelen. — Noffaqnia (door ongeluk) verbrandt met 
30 Bahar nagelen van de Comp., 'twelck verhindert de pluck van de nagelen op 
Macquian. — Temate en Tydore in oorloch. — Spaignarden en Tydorezen meesters 

IV. 11 



162 

vau de zee. — Sftgu gebreeokt onder de Ternatanen. — Fort by de Temataaen op 
Calleamatte gemasct en met 40 Nederl. besedt, (naer bet oordeel van Coen) tot ver- 
swackingbe van de macbt van de Comp. in Üdaleye. — Vyff navetten nyt Manilha 

seggen , dat 5 Nederl. schepen daer waren , tegen dewelcke de vyandt armeert 

Jacht de Yalck naer Grissée en Jortan. — Coninck van Surrabaya beschonken by 
d'onse doet haer goet onthael. 170 hoombeesten nyt Snrrebaya gecomen , jacht de 
Valck in Amboyna verseilt. — Jacht Ceylon en Morgenstarre arriveren in Amboyna. — 
Nieuwe raden van Indie. (P. de Carpentier , Arent Martsz. y Willem Jansz. , Andries 
Sonry, Herman van Spenlt). — Resolutie tegens d*Engelse armade by allen een ge- 
confirmeert en aengenomen als noodich en scrnpule voor desen van d'onse, om tegen 
d*Engelsen dadelyckheden aen te vangen , is nu wechgeiiomeu. — Debvoir by deu 
Genl. Coen gedaen , om verder schade van weghen d'Ëngelsen te voorkomen. — 
Nederl. vlote nyt Manilha ontboden. Jacht de Tyger in Amboina gearriveert, brengt 
tydinghe van Jacatra. — Jacht Ceylon nae Jacatra voornytgesonden. — Genl. Coen 
treckt van Amboina met de vlote van 11 schepen nae den bestelden rendez-vous. — 
Neptnnns en Jagher naer Gressy voornytgesonden. — Generale vlote loopt nae de 
Bucherones. — Arent Martsen op den tocht nae Macasser overleden. — 'Pydingh nyt 
't fort Jacatra.) 

Siende dat wy met de vloote niet wel voort en costen en door 
missive, uyt Jacatra geschreven, verstaen hebbende, dat d'over- 
hoofden sonder eenige noot oflf redenen disperaet off herseloos we- 
sende, niet en sochten dan de plaetse over te geven en haer buyten 
peryckel te stellen, als ÜEd. per nevensgaende copie van haere 
missive sien connen, hebben wy het fregat Ceylon met Pieter de 
Carpentier en Andries Soury, raden van Indie, den %^^ April 
vooruyt na Jacatra gesonden; (niettegenstaende daer gaeme met de 
vlote op syn onversients gecomen hadden,) doch door contrarie wint , 
cost dit fregat mede niet voort geraecken, voor dat een goede wmt 
bequamen, waermede eyntelyck den 10*«^ May tot Jacatra wel aen- 
gecomen zyn, ons fort, Gode zy loff, alsdoen in goeden standt vin- 
dende; maer hoe schandelyck het daer, na myn verti'eck, gegaen 
is, sal in dese vervolgens verhaelt worden 

Aen de voors. rendez-vons, te weten aen 't westeinde van Madura , 
by Mallemans-eylandt , syn eerst gecomen, te weten: den 2" Mayo, 
de schepen 't Wapen van Amsterdam ende de Morgensterre; den 
4 dito, de schepen de Trouwe, Gouden Leeuw en Nassauw; 7 dito, 
de schepen de Sonne, de Zuyder-Eendracht, St. Michiel en tjaclit 
Cleen-HoUandia ; 9 dito, de schepen Haerlem, 't Hert en Seewolff, 
welck naer ons vertreck van Amboina, den 21«^ April aldaer ge- 
comen en 26 dito van daer weder vertrocken waren, hebben de 
prys, door Haerlem verovert, in Amboina gelaten, om met de Tiger 



t65 

van Xonla en Pangaya, sagu voor de MoUuccos te balen; 13 dito, 
de NeptnBns en de Jager, welcke langs het üoogelant door contrarie 
stroom dns lange getardeert hebben; 14 dito, de schepen den Engel, 
Hoorn en de Bergerboot, synde te samen 16 schepen en een jacht, 
dat aireede (Gode zy lofiP) meer macht is, dan selfl^ verhoopt had- 
den byéën te brengen; deshalve resolveerden met de vloote na 
Bantam en Jacatra te vertrecken, soo haest de schepen zeylreet 
connen wesen, zonder na den Arendt en den Groenen Leeuw (die 
noch van Timor te verwachten hebben) te vertoeven. Gelet zynde, 
wat ordre in 't aentasten van d'Ëngelsse vloote honden sullen, is 
goetgevonden , dat de G^nerael Coen , met de Trouw en de Morgen- 
sterre aentasten off aborderen sal , d'eerste admirael van d'Engelsse , 
wesende de groote Jeems, die 52 stucken geschut op heeft; d'Oude 
Zonne en de Neptunes, den tweeden admirael, Haerlem en Oudt- 
hoom, d'eerste vice-admirael, de Zuyder Eendracht en Nassouw, 
den tweeden vice-admirael, de Bergerboot en 't Hert, d'eerste schout- 
by-nacht; tot een achterhoede en om op de resteerende Engelsse 
schepen te passen, wierden geordonneert, de schepen den Gouden 
Leeuw, 8t. Michiel, 't Wapen van Amsterdam en de Zeewolff, mits 
dat zylieden om d'andre die t'assisteren (des nodich wesende) haer by 
de wercken, sonder te aborderen, voegen souden; maer anders niet. 
Ende alsoo in de vloote hadden een cargasoen voor 't Patria dien- 
stich, aldaer waerdich wejsende ontrent twintich tonnen gout off 
twee millioen guldens , item 184 m. realen in spetie en 151 m. realen 
in Japans zilver, is goetgevonden, dat het cargasoen en cappitael 
tot meerder verseeckeringe en om de minste peryculen te loopen, 
over voors. vier schepen, die tot achterhoede geordonneert zyn, ver- 
deylen zullen. Soo haest dit gedaen was, hebben wy vooruyt na 
Japara gesonden, te weten 19 mayo, de schepen de Zuyder-Een- 
dracht, Nassauw, Bergerboot, 't Hert, tjacht Cleen-HoUandia, omme 
te sien off daer p. avontuyre eenige Engelsse rescontreren sullen en 
eenige rys becomen connen; met de resterende 12 schepen zyn wy 
den 21 dito, voor dach, mede van voors. rendez-vous vertrocken; 
den 22 dito, anckerden by Mandelicque, daer eenighe schepen wat 
water en ballast gehaelt hebben en den 23^ is de geheele vloote 
voor Japara weder by den andere gecomen; hebben datelyck ontrent 
400 mannen tegen den avont gelandt, de plaetse met gewelt aen- 



164 

getast, vechtenderhandt ingenomen en voor de tweede moei verbrant. 
De plaetae was vry wat versterckt, daer wierde goede resistentie 
gedaen; maer de corragie van de Nederlanders heeft die lieht over- 
wonnen; één van d'onsen isser doot gebleven, des vyants dooden 
weten niet seecker, d'onsen seggen 20 a 30, maer nadat naderhandt 
van seeckere Chinesen verstonden, souden der ontrent 50 off 60 
gebleven zyn, 9 javaensche joncken synder verbrandt; rys hebben 
niet beeomen dan ontrent 20 last nyt een Chineesse joncke gecocht 
en betaelt. Tot Japara comende rescontreerden aldaer het fregat 
Ceylon, comende weder met advysen van ons fort Jacatra, waerdoor 
de gelegentheyt verstonden en hoe d'Engelssen met 11 schepen aen 
Pnlo Bessy in de straet Sonda waren leggende, preparatie maec- 
kende, omme 7an daer te vertrecken en door te gaen, soo haest 
onse compste met de vloote vernemen souden. Ceylon hebben wy 
met advysen na Grissi en Succadana vooruyt gesonden en syn den 
24 mayo met de voors. 16 schepen en tjacht Cleen-Hollandia na 

Jacatra vertrocken. . . . • • . 

Naer ons vertreck van Jacatra is het daer in 't fort seer schan- 
delyck gegaen, d'eere van de natie wierd vry wat gecrenckt, dan 
Godt loff, hebben 't weder verwonnen en de schande gedreven, daer 
die (gelyck 't behoort) van daen quam. lek hebbe nieuwers voor 
gevreest gehadt, dan dat d'onse van 't fort cruyt souden mogen 
gebreecken, ofte dat de reviere verleyt mocht worden; doch tegen 
de verleydinge troostede my selven, dat sulcx in de regentyt, ge- 
lyck het doen was, niet gedaen cost worden. Cruyt, hoe weynich 
datter oock was, heeft er niet gebroocken, want op onse weder- 
compste weynich, min binnen 't fort gevonden hebbe, dan daer ge- 
laten hadde; synde de herdste oorloch, na myn vertreck, meest met 
praetjens gevoert. Nadat wy den d*" Januario 1619 met de vloote 
van Jacatra gescheyden waren, syn d'onsen tot den 14 dito, in oor- 
loch gebleven, sonder malckanderen te spreken: soo nu, soo dan 
een schoot met groff geschut tegen malcanderen schietende. Som- 
tyts schoot de vyandt 12 schoten in 't etlmael, 3 des morgens ^ 
3 des middachs, 3 s'avonts en 3 des middemachts. Ons vertreck 
na Amboina hield de Commandeur van den Brouck secreet. 
D'Engelssen bleven met 19 schepen voor 't fort leggen, totdat zy 
de compste (van de Nederl. schepen) Haerlem en 't Hert voor Ban- 



165 

tam verstonden , als wanneer 6 schepen derrewaerts gesonden hebben. 
Men wist binnen 't fort van geen swaricheyt de vyandt de moet 
verliesende om met gewelt tets te verrichten, heeft de Coninck van 
Jacatra weder met valsche listen begost, seeckere brieven in Ja- 
vaens geschreven en die des nachts niet verde van 't fort aen 
stocxkens laten binden ende alsoo den 14 Jan^. seeckere Jappanders 
bnyten 't fort gaende, dese brieven vonden, en te voorschyn brach- 
ten, liebben d'onse den inhont niet connende verstaen, weder een 
ander brieffken in plaetse geleyt en daeiinne in Chinees aen den 
Coninck van Jacatra geschreven, datter niemant in 't fort Javaens 
conde lesen; soo hy iets te seggen hadde, dat in Chinees sonde 
schiyven off imant senden en mondeling ontbieden wat hy begeerde. 
Hierop syn s'anderendaechs seeckere Javanen met een wit vaenken 
aen 't fort gecomen, van -wegen de Coninck van Jacatra, aendie- 
nende dat Zyne Ma]t. wel begeerde met d'onsen in vreede te leven, 
volgens 't contract door de Generalen Both en Reynst met hem ge- 
maect, daeromme, soo daertoe gesint waren, dat zy imant ten hove 
sonden senden om met den Coninck te spreecken, daer souden 
ostagiers in haer plaetoe binnen 't fort gesonden worden. Hierop 
zyn (zy) met malcanderen in onderhandeling van vrede getreden, 
ende is het fort daerdoor in dnysent peryckelen geraect, d'onse seer 
genegen tot vrede wesende en dat om verscheyden redenen, die goet 
zyn en in haer resolntien verhaelt worden, heeft de vyandt tselvige 
lichtelyck gespeurt en groote advantage daerdoor becomen. Na veel 
bespreek en handelinghe syn eyntelycken den 19 Januario met mal- 
canderen geaccordeert ; dat d'onse den Coninck van Jacatra souden 
vereeren 5000 Realen van S^ in spetie en 1000 in cleden; hiertegen 
belooffde de Coninck van Jacatra het voorgaende contract met de 
Generalen Both en Reynst gemaeckt, in alles t'onderhouden en naer 
te comen. Item dat het fort, welck hy seyt tegens 't contract ge- 
maect te wesen in esse zoude blyven staen, gelyck het doen was, 
tot de wedercompste van den Generael y sondèr daeraen iets meer te 
timmeren; dat d'Engelsen soo na het fort niet souden bouwen als 
haer vorige loge geweest was, dat nieuwe huysen, die de Javanen 
en Chinesen souden bouwen, ten minste 20 vademen van de hei- 
ninge mosten blyven, ende hiermede soude alle questien doot en 
ter nedergeleyt wesen , gelyck per nevensgaend contract blyckt, 



166 

doch het principaelste waerom het d'onse te doen was, schynt op 
mondelingh accort gelaten te wesen^ namentlyck, dat de Ooninck de 
Nederlanders in ruste en vrede sonde laten en dat sy de vryemarct- 
ganck souden genieten, handelende en wandelende als voor desen. 
Dit accoort door den Coninck van Jacatra geteeckent wesende, 
hebben d'onse de Coninck van Jacatra voors. 5000 in spetie, en 
1000 in cleden datelycke gegeven, en daer is in 't fort groote blyd- 
schap geweest. Maer 't en duerde niet lang. Een groote foute isser 
in dit stuck begaen, dat men datelycken op één bort soo groote 
somme geit en goederen ter goeder trouw aen trouloose mooren ge- 
geven heeft, in plaetse dat men haer daermede hadde behoort te 
treyneren, en de betaling met termynen te doen. Dit aldus gedaen 
zynde hebben d'Orangkays verscheyden schenckagie van fruyten en 
andre cleenicheden in 't fort gesonden, seer vrientelyck met groote 
instantie versoeckende , dat het den Commandeur van den Broeck 
sonde gelieven by den Coninck te gast te comen, en de rivier op 
speelen te vaeren, om daermede de vrede te bevestigen, want de 
gemene man sulcx siende, sonde een ieder te geruster wesen, daer 
anders noch lange scrupuleus sonde blyven De groote genegentheyt , 
welcke d'onse tot den vreede hadden, heeft haer soo onbedacht ge- 
maect, dat gants vergeten hebben, de groote verraderyen, listen en 
lagen, die vóór den oorloch, eer oyt questie hadden, eer het fort 
begost wierd en terwyl daermede besich waren, tegen die van de 
Genie Comp. en insonderheyt tegen myn persoon geleyl waren, daer- 
op de raedt van 't fort alsdoen mede goet vondt en hielp resolveren, 
dat ick by den Coninck, hoe groote instantie oock gedaen wierd, 
noch iewers by eenige Orangkays sonde gaen. Ick hebbe haer selffs 
van Jacatra vertreckende , schriftelycken gewaerschont , soo sy in 
onderhandeling van vrede off accoort met Javanen quamen, dat dan 
insonderheyt op haer hoede sonde wesen, want in die staet meer 
peryckel liepen, dan in openbare oorloge. Dit alles niet tegenstaande 
is by den raedt van 't fort goetge vonden, dat de commandeur Pieter 
van den Broeck in 't hoff by den Connick sonde gaen, doch de pre- 
dicant Hulsebos (die van haer in den raedt genomen was) is daer- 
tegen geweest en heeft dese resolutie niet willen teeckenen. Den 
22 Januario is Pieter van den Broecke, dien volgende met een suite 
van 7 personen en een goede schenckagie in 't hoffby den Coninck ge- 



167 

gaen. Soo haest binnen waren wierden datelyck gevat, ter aqrde 
geworpen, gestooten, geslagen, de schenckagie genomen, de cleeden 
van 't lyff getrocken, naect in 't slyck gestooten en soo vast ge- 
vleugelt, dat selflfe geen handen aen de mont oosten crygen. De 
bottelier, die geloot was, met goede party e geit om veel hoenderen 
te coopen, wierd mede gevat, al benomen dat hy had en met een 
touw om de bennen, door dick en dun naer 't hoff gesleept. Met 
dese tydinge in een brieffken geschreven, wierd een jongen naer 't 
fort gesonden en die van 't fort sulcx vernemende syn seer bedroeft 
en verslagen geworden, hebben de poorten geslooten en brachten de 
packen ter diffentie weder tot borstweringhe op de bolwercken. Het 
schynt dat de Coninck van Jacatra hiermede het fort off weder een 
goede somme geit meende te becomen, dan 't is hem beide gemist, 
het heeft wel groote disordre in 't fort veroorsaect en 't is wel tot 
op 't nyterste gecomen, maer het qtmet tractement aen de voors. ge- 
vangenen gedaen, is die van 't fort soo goede exempel geweest, dat 
zy, Godt loffl daerdoor behouden zyn. De Coninck van Jacatra dede 
het fort opeyschen, off dat d'onsen de bolwerken afbreken, het schut 
nederleggen en als voor desen woonen, ofte met een schip (twelck 
hy presenteerde van d'Engelssen te doen bestellen) van Jacatra ver- 
trecken souden, veel groote injurien en dreygementen doende. Des 
Oonincx schoonvader Pangoran Paddigiaran eyschte 2 stukken ge- 
schut, met haer toebehooren en 500 realen ter leen, soude dan alles 
met syn soon ten besten beraden. Tot rantsoen voor de gevangenen 
wierden thien duysent realen geeyscht; daerop lange niet geantwoort , 
doch ten lesten 2000 gepresenteert , maer niet opgevolcht is. Groote 
miserie hebben de gevangenen geleden, alle vilenie deden d'Engels- 
sen haer oock aen, den Coninck radende haer te peynigen om alle 
gelegentheyt van 't fort te beter te verstaen. Na dat van den 
Broecque gevangen was, is Pieter van Hay als Commandeur in syn 
plaetse gestelt, een persoon, die wel getoont heeft wat hy was. 

Geduyrende voors. onderhandelinge van vrede en terwyle het be- 
stant duyrde , hebben d'Engelssen met den Coninck van Jacatra eens 
synde, een nieuwe batterye (op de plaetse daer haer logie geweest 
was) begost en daerop 8 stuck geschut geplant, d'oude batterye 
wierden van de Javanen en d'Engelssen mede gerepareert en ver- 
sterct, al 't welke d'onse met goede oogen aensagen, sonder daerop 



168 

te durven schieten; want alsoo dagelicx voor haer geit alderley pro- 
visie en verversinge beqoamen en hun cmyt veel schietende haest 
voort sonde wesen, hebben zy ongeraden gevonden het bestant te 
breecken, eensdeels om de verversinge niet te derven en ten andre 
opdat haer conditie niet eiger sonde maken. 

De batterye van d'Engelssen en Javanen, na haer begeeren gere- 
pareert en gemaect wesende,. met 30 a Sö stncken geschnt versien 
en d'Ëngelsse vendelen geplant zynde, hebben d'Engelssen met py- 
lon verscheyde brieffkens in 't fort geschoten, daermede haer overste 
Thomas Dael het fort opeyschte , waerop in 't eerste niet geantwoort 
wierd , doch d'Engelssen en de Coninck van Jacatra van den Broecqne 
en eenige andere gevangenen op de stadsmneren brengende hebben 
haer aen 't fort doen roepen: daUer 60 stuckefi geschut geplant ett 
2 a 300 storm ladderen gereet waren ^ dat d'ofise geefisints tegen H 
groot gewelt van d*Engelssen en Javanen bestaen costen, derhalven 
dat het opgeven souden j terwijl noch goede conditie becomen costen^ 
dat datelyck resolveren mostetij off datter met ontrent 6000 mannen 
gestormt soude worden ^ alsoo alles daertoe gereet was. ^ 

D'Engelsse admirael Thomas Daell ende Coninck van Jacatra heb- 
ben oock een brieffken, door haer beyde met eygen hant geteeckent 
in 't fort gesonden en 't fort daermede opgeeyscht met belofte, het 
leven te schencken, een yder vry geleyde te geven en die in haer 
dienst begeerden te treden souden haer oude maentgelt behouden , en 
twee maenden gagie daerenboven in de handt ontfangen en soo daer- 
toe niet verstaen wilden, dat datelyck haer batteryen souden begin- 
nen te spoelen, de plaetse met gewelt aentasten en dan geen hoope 
meer soude wesen, om 't leven te behouden. 

Met dese dreygementen hebben soo vele te wege gebracht, dat 
daerdoor by d'onse sonder eenich gebreck oft noot en sonder een 
schoot, slach ofte stoot, storm noch aproche te verwachten, geresol- 
veert is, het fort aen d'Engelssen en Javanen over te geven, male- 
kanderen wys maeckende, dat sy geensints drie maenden tegens 
beyder gewelt van d'Engelssen en Javanen bestaen costen, en doch 
entlycke 't fort verliesen souden, dat te voren by den GeneraelCoen 
geresolveert was geweest, het volck en goet te lichten en 't fort te 



* Zie n». XXXI, bla^lz. 142 en 143, hierboven. 



169 

verlaten, en dat solx geschiet sonde hebben, soo noch één dach 
respyt hadden gehad, (twelck niet waer en is, als naer dese ver 
haelt sal worden) item dat zyn E. vertreckende geadvyseert hadde, 
zoo in nyterste noot geraecten en de plaetse niet honden costen,dat 
het dan beter waere, 't fort aen d'Engeissen dan aen de Javanen 
over te geven. Hierover docht haer best te wesen, de plaetse hoe 
eerder hoe beter over te geven, terwyle noch goede conditien be- 
dingen costen, waerop, adi primo Febraary, met d^Engelssen en de 
Ooninck van Jacatra (als blyct p. nevensgaend contract), ^ volco- 
mentlyck geaccordeert zyn: dat de Nederlanders het fort Jacatra, 
volck, amonitie van oorl(^e, sullen overgeven aen d'Engelssen,ende 
het geit, coopmanschappen , juweelen en anda^ Oomp'. goederen aen 
den Goninck van Jacatra, waertegen d'Engeissen aen de Nederlanders 
binnen 10 off 15 dagen bestellen snllen een schip met zyn toebe- 
hooren; daervooren van de contante penningh^i, in 't fort wesende 
2000 realen contant betaelt sollen worden, voorsien met 4 stncken 
geschut, 50 mosquetten, 25 piecken en 6 vaten cruyt, voor 6maen- 
den gevictalieert, om daermede met vry geley te vaeren na decuste 
van Coromandel off elders , uytgesondert Amboyna ofite de MoUuccos , 
dat elck synne perticuliere. goederen mede sal mogen nemen, en 
daerenboven te samen 6200 realen van 8^ in spetie, dat haer aen 
d'eylanden transporteren sullen, terwijle voors. schip, twelck een 
oudt onbequaem wrack was, tot de reyse na de custe geprepareert 
wierd, sonder van de Javanen off andren beschadicht te worden, 
tot wekken einde d'Engelsen haer met 2 schepen bewaren snllen, 
dat de Nederlanders een dach na d'onderteeckeninge nyt het fort 
souden vertrecken en die ongedoopt waren (uytgesondert de Japonders) 
binnen moeten blyven, dat niemant van nu aff tot November 1619, 
tegen d'Engelsse natie geen wapenen soude voeren; datter 12 van 
de voomaemste van 't fort tot ostagie in d'Engelsse schepen sullen 
gaen, tot dat het fort als voren overgegeven zy, mits datter geen 
Javanen in 't fort sullen comen, soo lange de Nederlanders daer 
binnen syn, dan degene die de Coninck soude mogen senden en dat 
niet boven de 8 personen; mondeling is noch geaccordeert, datd'En- 
gelssen Pieter van den Broecq en d'andre gevangenen voor d'over- 

^ De verschillende contraeten van overgave vindt men o. a. by van der Ch^B, 11., 
onder de by lagen van zyn werk. 



170 

leveringe van 't fort, daerbinnen op haervrye voeten souden bestellen; 
datter tegen de 12 voomaemste officieren , die een dach voor 't ander 
volok aen boort souden vaeren, 4 Javaense Orangkays en 4 Engelse 
cooplieden tot ostagiers binnen 't fort souden comen, welcke d'Engelssen 
boots aldaer brengen souden, dat d'Ëngelssenhaer soldaten, de riviere 
langs in 't geweer souden houden en voor de Javanen bevryden allen, 
die uyt het fort vertrocken, ende om te meer faveur by d'Engelsse te 
becomen , wiert datelyek het silverwerck van onse tafel aan haer vereert. 
Tot noch toe en is de principaelste auteur en acteur van 't werk 
niet genoemt en opdat UËd. condt zy, hoe voorsichtieh en cloeck 
de vrese, welcke die van Bantam voor ons hébben, haer doet han- 
delen, opdat zy altoos ontschuldich en de schoone personagie (de 
saecke misluckende off anders qualick uytvallende) souden blyven 
sullen de saecke wat verde ophaelen. Hoe lange jaren door die van 
Bantam met groote onredelyekheyt seer geplaecht, qualick getrac- 
teert en seer geschoren zyn geweest, alsoock hoe daerdoor van 
Jacques L'Hermite en den raedt een contract met den Coninck van 
Jacatra gemaect en daer een huis gebouwt wierd, omme alsoo de 
plagen van Bantam te ontgaen, is een yder wel bekent. De Pan- 
goran van Bantam seer wel verstaende en aen den loop van saecken 
noch beter bevindende, waertoe dese uytvlucht strecte, hoe Jacatra 
aenwies en Bantam affnam, en wat haer voorder aenstaende was, 
heeft gepractiseert en middelen gesocht om ons van Jacatra te cry- 
gen, schoone praetjens en dreygementen syn daertoe niet gespaert 
geworden, ende om ons over een ander boech noch weer te scheeren, 
en voor te comen dat de macht en middelen van de Generale Comp^^ 
Bantam niet boven 't hooft en wiesse, heeft de Pangoran selven 
met de peper een groote monopolie begost, ende alsoo ick my daer- 
tegen seer heftich gestelt en op andre plaetsen andre ünantie ge- 
socht hebbe, is by den raedt van Bantam veel dagen gedelibereert 
geweest en eyntlycken voorgenomen, my te doen vermoorden y dan 
om Bantagn met soo leelycken vleck niet te besmetten, is my onder 
schyn van vrientlyck waerschouwinghe, door toedoen vim den Pan- 
gorangh (soo ick mene) zeer behendelyck aengeraden, door ver- 
scheyden redenen en tót verscheyden tyden, dat het goet waere, 
om ongeluck voor te comen, dat ick tot Jacatra ginck resideren en 
my aldaer onthielde, alsoo alles van daer wel bestieren cost, en 



171 

(dat) in 't hofï van Bantam zeer secretelyck wat vireemts omginck. 
In 't eerste is tnsschen die van Bantam en Jacatra een grooten 
haet en wantrouwen geweest, maer nadat de Coninek van Jacatra, 
die van Bantam gecommuniceert hadde, hoe door my een plaetse 
tot een fort te coop versocht was, zyn zy (na d'uytcompste wyst) 
secretelyck verdragen , en hebben met malcanderen voorgenomen , ons 
te prevenieren en de huysen tot Jacatra aff te loop^i , dan den aen* 
slagh is, Godt loff, den 20 Ang^\ 1618 gemist; ick weet dat de 
Ooninck van Jacatra een tyt lanck seêr suspens geweest is; want 
onse vyantschap immer soo seere als die van Bantam vreesde. Op 
d'eene zyde bekende hy wel, dat wy machtich genoech waren om 
hem tegen die van Bantam en andre Javaense Coningen te beschermen ; 
„dan ghjrlieden," seyde hy, ^syt vreemdeiinghen, wy syn nu met 
„den audren goede vrienden; maer thans off morgen comt er een 
„ nieuw overhooft ; daer mach dan questie vallen , wie sal ons schiQy- 
„ den, gaet het qualick, ghylieden gaet weder ter j^etse, daer van 
„ daen gecomen zyt en als ick dan bly ve sitt^i , met den haet van 
„alle de Javaense Coningen op den hals, hoe sal het dan met my 
„gaen." Dese redenen heeft de Coninek (in onderhandeling van 't 
rendez-vous wesende) my selven geallegeert; doch het gewin heeft 
hem hier tegen lange in ballance gehouden, ende alsoo hy de Ja- 
vaense Coningen ten antwoort gegeven heeft gehadt: „hoe soud ick 
„ dese lieden quaet doen , myne welvaert hebbe van haer en soo 
„hun mishandelde, ist onmogelyck, dat ick groot worden can;" 
waerover voors. Coninek door alle de grooten van Java voor een 
heyden, gelyck zy ons achten en voor een man, die Mahomet niet 
vertroude, gescholden en gedrongen is geworden, de wille van die 
van Bantam te doen en in haer boos Voornemen te verdragen. 

Nadat alle ven*aderyen by die van Bantam, Jacatra en d'£n- 
gelssen tegen ons gesmeet, door Godts genade misluct waren, heb- 
ben dese drie met malcandereii voorgenomen, ons met openbaer 
gewelt te dwingen* De preparaten siende, heb ick daertegen ter 
diffentie een fort begost en den dootslach den 23 December 1618 
mede geprevenieert. Bantam, de fijnste van alle wesende, heeft 
een dubbelde aenslach gemaect en de guyteryen met eenige deudid^i 
becleet; doch elck is eyntelyck van ander bedroegen geworden en 
bedroegen gebleven. 



172 

Die van Bft&tuii syn saeeken wel beleyt en goede executeurs 
hebbrade, is door d'Engelssen eerst begost met het nemen van 't 
schip den Swerten Leeuw; om haer bontgenooten te voldoen, hebben 
die van Bantam veel volck tot assistentie na Jacatra gesonden en 
dat tot' ontrent 3 a 5000 man ende om d'onse te abuseeren, een 
goet onderpant te honden ende sehoone personagie te blyven, heeft 
hy ons volek tot Bantam voor d'Engelssen beschermt, haer aenge- 
raden daer te blyven en oock gewaerschout, wat tot Jacatra voor- 
handen was. De saecke nu door d'Engelsse en op name van den 
Goninck van Jacatra soo verde gebracht wesende, dat d'onse op 
voors. artycklen accordeerden het fort aen haer over te geven, heeft 
de Pangoran van Bantam 't selvige d'onse , die hy tot Bantam hadde , 
aengedient, voordragende off zy het fort niet liever aen hem, dan 
aen de Coninck van Jacatra en d'Engelssen overleveren wilden, en 
wat raedt daertoe wisten. De gevangenen seyden, dat daertoe wel 
gesint waren en goede raet was, hy sonde imant van haer na Ja- 
catra senden en van den Broecq met d'andre gevangenen van daer 
<mtbieden, sy belooffden het fort aen hem en niet aen d'Engelssen, 
noch den Coninck van Jacatra te doen overgeven. Hierop is date- 
lyck volck na Jacatra gesonden, d'overleveringe van 't fort aen 
d'Engelssen belet en van den Broecke met d'andre gevangenen van 
banden ontlast en na Bantam gesonden. 

De belegerden van 't fort Jacatra, adi pr^. Febr., volcomentlyck 
geaccordeert en geresolveert zynde, het fort aen d'Engelssen en den 
Coninck van Jacatra over te geven, gelyck vooren is geseyt, heeft 
elck, (het packhuys open zynde) van des Comp«. goederen sooveel 
genomen, als hy begeerde en bergen conde. Myn kiste, alsoock 
die van de cooplieden, die met my vertrockeu waeren, syn open- 
gebroocken en opengeslooten, elck heeft daeruyt genomen, wat hy 
becomen conde, even alsoff het van haer vyanden genomen hadden; 
een goede somme gelts isser onder het volck uytgedeelt, de dia- 
manten zyn onder de hoofden gerepartieert; drie besaeltiens synder 
van, aen van den Broecque in de gevanckenis gesonden, alle myne 
voomeempste schriften en pampieren syn verbrandt , gelyck mede de 
drievoudige Commissien van de Hooch Mogende Heeren Staten Gene- 
rael; Zyn Exell^. en U Ed. ons verleent. De Engelssen s'anderen- 
daechs den 2 Febr. met haer boots aen 't fort comende om de goe- 



175 

deren te inTentariseeren en de 12 voorneemste hoeden aen haer 
schepen te brengen , gelyek geacoordeert was^ waeien dese hooffden 
veerdich en fray opgepronct om aen boort te vaeren; maer siende 
dat d'Sngelssen van den Broecqne en d'andre gevangenen ^ noch de 
genoemde ostagiers niet mede brachten, vreesden zy, datter weder 
eenich bedroch onder schnylde, te meer, dewyle de Javanen haer 
soo sterck omtrent de mont van de riviere verthoonden, waerover 
zylieden weygerden nit het fort te gaen. D'Etagelssen hierover met 
die van Bantam in questie geraeekende, omdat aJdns verhindert 
wierden, selfils mede vreesende verraden te w<Hden, braecken op en 
sonden datelyck 5 stucken geschnt verby het fort (doch met toestem- 
minge van d'onse) aen haer boort. De gevangenen van Bantam,. 
alsoock van den Broecque rieden die van 't fort aen, dat het beter 
waercy de plaetse aen den Coninck van Bantam, danaend'Engelssen 
off den Coninck van Jacatra over te geven, de goedertierenheyt van 
den Pangoran zeer pryzende en d*ontrouwe van d*Engehsen aen die 
van den Swerten Leeuw bewesen, seer laeckende. Item dat d'En- 
gelssen haer beloften niet honden, noch voor de Javanen niet 
beschermen costen, sy mosten doch in handen van Javanen val- 
len; waerop die van 't fort Jacatra met hnn accordeerden, best te 
wesen de plaetse aen den Pangoran van Bantam, die syn beloften 
honden cost, over te geven. Hierop hebben zy d'Engelssen den 
5 Febr. schriftelyck afgeseyt, dan alsoo hnn 't gemeene volck 
daertegen stelde, begeerende, dat de plaetse aen d'Engelssen en 
niet aen de Mooren gelevert wierde, sochten de belegerden s'ande- 
rendaechs weder occasie om d'overleveringhe aen de Engelschen te 
doen; doch interim eer de Engelschen ter bestemde tyt compareer-» 
den, is Hendrick Jansz., Directenr van Patana, van Bantam in 't 
fort gecomen, met een missive door den Pangoran selffii geteeckent, 
inhoudende, dat hy de groote noot van die van 't fort vemtaen 
hadde, en dewyle niet geeme het verderff van de Nederianders 
sonde zien, soo was hy gesint haer te hnlpe te comen en in syne 
protexie te nemen, tot de compstevandenOenerael, mits dat het fort 
aen hem sonde gelevert worden. Op dese en veel andre schoone 
redenen meer, wierden d'Engelssen weder afgeseyt en by den Raedt 
geresolveert , het fort aen den Pangoran van Bantam over te geven, 
mits dat hy sonde genieten het vierde part van des Gomp*. goed^^n 



174 

de helff vsn 't geachnt en dat «ooveel jcmeken bestellen sonde, als 
tot inbarquewn yan de reate en tl het volck van node was , gel jek 
mede een vrypas van d'EngelsBen, om door haer niet beschadigt te 
worden. Dese conditien gevielen den Pangoran wel, nytgesondert 
dat van d'Bngelssen, die hy sooseer bedrogen hadde, geen vrypas 
voor d'onse wilde eyssehra; seggende d'Engelsse logie in handen 
hadde en haer genochsaem sonde connen dwingen , d'onse niet scha- 
delyck te weaen; dan alsoo die van 't fort haer daermede niet ge- 
oonteert hielde, persisteerende eerst een vrypas van d'Engelssen te 
begeeren, is (mdertnssen veel tjpt verloopen en de plaetse seer ver. 
sterct De Pangoran den 25 Febr. Hendrick Janss. ende van Uf- 
felen met veel fiyoncken en {uranwen andermael tot Jacatra gesonden 
en ontboden hebbende, dat hnn inbarcqneren (zouden), de plaetse 
verlaeten, de stercte afbreecken, het geschnt aen hem senden en 
dan in simpele hnys^ mochten blyven woonen , off dat datelyck 
zyn en d'Engelsse macht weder te verwachten hadden, alsoo niet 
geaint was het fort in esse te laten, het mocht hem costen wat het 
wonde; is daerqp den 27 Febr. by den Raedt van 't fort geresol- 
veert, de plaetse in te houden j soolange het Godt gelieven m/, en 
zyn Hendr. Janss. en van Uffelen binn^ 't f<Mrt gebleven, die van 
Bantam een prae^en ontbiedende. 

Terwyle de Pangoran meende, dat hy 't fort gewonnen hadde, 
heeft hy zyn tweede aenslach te wercke gestelt en tot Jacatra de 
steroxste wesende den Coainck van Jacatra den 15 Febr. doen aen- 
seggen, dat hy datelyck vyt syn ryck, van syn volck en middelen 
sonde scheyden, off die cris, (welcke door den Tommagon van Ban- 
tam gepresenteert wierd) dat is te se^en, de doot verkiesen sonde. 
Hiemyt ontstond een seer groot geschrey en getier, daerover d'onse 
van 't lort in de wapenen liepen, doch die van Bantam ontbooden, 
dat haer gemst souden honden, het was om die van Jacatra en 
niet om ha^ te doen. 

Aldus is de Ooninck van Jacatra door die van Bantam uyt syn 
ryk, goederen, staet, eer en digniteyt geset en die van Bantam voor 
die tyt Coninck van Jacatra geworden. De voors. Ooninck van 
Jacatra is met syn broeder, den Tommagon met omtrent 50 per- 
soonen, soo mans, vrouwen ais kinderen, in 't geberchte boven 
Tanara gesonden, alwaer wel bewaert word^ en hun gelyek pri- 



175 

vaet-lieden geneeren moeten. Na wy Terstaen^ xynder ontrent 90 m. 
Realen in spetie by den yocmts. C<»iinck gevonden , weldi: die van 
Bantam, als al het ander na hnn genomen hebben en zoo haest 
zylieden meester waeren, hebben, om d'onsen te beter te abuseeren, 
de merct voor 't fort laten houden, soodat het eer een boerenkennis, 
dan een oorloch scheen. 

D'Ëngelssen ziende geen voordeel meer tot Jacatra te doen, zyn 
met alle haer schepen van daer na Bantam vertrocken en interim 
den 3 Martio, des nachts voor 't fort wel aengecomen, de jachten 
Delff en de Tiger, comende van Andrageri en Jamby vol peper ge- 
laden, nieuwers van wetende. Het jacht de Tiger hebben d'onse 
datelyck met advysen na Amboyna gesonden en daerinne gescheept 
69 m. Realen, Jappans zilvers met 12 besaeltiens diamanten; maer 
alsoo 't jacht Delff soo leek was, dat geen moet hadden, daermede 
tot in Amboyna te vaeren, is hetselvige aen de wal geleyt, d'Ën- 
gelsse tot Bantam de compste van dese jachten verstaende, hebben 
datelyck vy ff schepel na Jacatra gesonden, maer de Tiger was al 
wech eer daer qoamen. Dese Engelsse schepen by de wereken* co- 
mende, hebben d'onse de brant in voors. jacht Delff gesteecken, soo 
dat het met syn last wesende 1995 picol peper verbrandt is, synde 
niet meer dan 10,025 catty peper daemyt gelost, waerop d'Ëngelssen 
datelyck weder na Bantam vertrocken. De Javanen het afi^hepen 
van 't geit en dese resolutie siende , verlooren vry wat moet en hoope. 
Naderhandt is door die van Bantam uy^^estroyt een groot geruchte, 
dat de Mattaram ophanden was, hierover namen zy voor, een bol- 
werck en groote vasticheyt dicht by ons fort te maeck^a, ommeden 
Mattaram te mogen resisteeren, als oock de Grcnerael Coen (te zyner 
compste yets qnaets willende) , dan die van 't fort overdenkende wat 
swaricheyt daervan weder te verwachten hadden, resolveerden al 
sulcken werck te verhinderen ende drie oude vervallen bolwercken 
buyten de stadt door d'Ëngelssen en Javanen gemaect te verlnranden 
en te raseeren. Hierover syn die van 't fort den 9 April met 30 mos- 
quettiers en eenige byloopers uytgetrocken, de vredevaen ingehaelt 
hebbende. By 't eerste bolwerck op de westhoeck van de riviere co- 
mende, als oock (by) het tweede liepen de Javanen daemyt, eenige 
vragende wat d'onse doen wilden, wieid geantwoort: de brandt hier- 
inne steecken! t'is wel, seidfi Java en liepen door, soodat dese twee 



176 

vervaUen bolwercken, sonder wederstandt tot op de grond verbrandt 
xyn. Na de middach, by het derde comende hebben die van binnen 
met mosquetten op d'onse geschooten en geweldich met steenen ge- 
worpen, daerop met haer piecken nytcomende, wierden d'onse ge- 
nootsaect een weynich te retireren, dan aLsoo daerop weder schiar- 
geerden en aenvielen, de plaetse enterende, zyn de Javanen daemyt 
gevlucht en is de plaetse alsoo ingenomen, en mede verbrandt. Daer 
bleven 4 Javanen dool, waeronder twee treffelycke Orangkays van 
Bantam, vader en zoone, welcker lichaemen aldaer gebracht en met 
groeten staet begraven zijn. Van d'onsen wierden een meteenpiecke 
in de borst gesteecken en lö van voetangels geqnest. Na dit exploict 
namen d'onse de bloetvlagge in en lieten alsvooren de vredevaen 
weder wayen 

D'Engelsse in voors. maniere van die van Bantam bedroogen we- 
sende, syn hem niet lange schnldich gebleven. Sy hebben haer goet 
en volck van Bantam gescheept, niet meer dan 3 off 4 persoonen 
aldaer latende. Van China syn hier dit jaer drie Chineesse joncken 
aengecomen, de twee hadden 't na Bantam gemunt en de derde, 
welcke veel ronwe zyde en schoone zyde laeckenen in hadde , na Ja- 
catra, om aldaer met ons te handelen. Dese drie hebben d'Engelssen 
genomen, in de straet Sonda aen Pnlo Bessy gebracht en aldaer van 
alles geheel berooft, geen andre redenen van haer doen gevende, 
dan dat snlx deden, omdat de Chinesen met de Nederlanders (daer- 
mede zylieden in oorloch waeren) gingen handelen 

Ons volck, welck d'Engelssen met den swerten Leeuw en van de 
Bergerboot becomen hadden, syn haer tot Bantam meest ontloopen 
en de resterende hebben daer aen landt geseth , waerdoor de Pangoran 
tot een onderpant omtrent hondert mannen van d'onse becomen heeft , 
daeronder over de 80 Nederlanders waeren, dewelcke hy soonaauwe 
heeft doen bewaren, al hun geweer aflhemende, dat se in veel meer- 
der gevaer , dan de belegerden van Jacatra , geweest zyn. 

Dit is het voomaemste, welck gedurende onse absentie tot Jacatra 
gepasseert is, meer heeft des vyants dreygementen , dan haergewelt 
tegen d'onse vermogen, veel andre disordre enongeregelthedenmeer, 
synder binnen 't fort gepleecht ; hoe die verdediget en by den Raedt 
verstaen worden, connen UEd. per nevensgaende informatien en sen- 
tentie sien, waertoe ons gedragen. Wat goederen datter op de 



177 

boUewercken bedurven zyn, watter gegasteert, verschoncken, verteert 
en gerooft is, ^ connen als noch niet weten en sal UEd. daervan 
na dese notitie becomen* 

Jacatra den 28 mayo, in voors. staet vindende, hebben wy volgens 
voors. resolutie des avonts op 28 en 29 het volck van de schepen 
in 't fort gelandt; den 30 dito, met den dach, syn met 13 compag- 
nien en vliegende vaendelen, steroq wesende omtrent dnysent mannen 
daerayt getrocken, hebben de stadt Jacatra met gewelt aiengetast, 
die van Bantam daemyt gedreven , en door GoAa genade seer gelnc- 
kelyck vermeestert. Ontrent 3000 stercq syn die van Bantam daer 
binnen geweest, behalve het volck van Jacatra. De Javanen siende, 
dat daechs te voren sooveel volck in ons fort gelandt wierdt, is meest 
al het volck van Jacatra gevlucht, terwyle d'onse in de wapenen na 
de stadt toe trocken, syn der groote menichte van prauwen vol volck 
verby ons fort, tusschen de boots door (die de soldaten over de ri- 
viere setten) gevaren. Wy hebben se oock laten passeeren sonder 
hun te beschadigen. De stadt Jacatra is gelegen op de westzyde van 
de riviere, aen de oostzyde hebben met een Comp^^ soldaten een 
loose alarm doen maecken, op de stercten, die daer gelegen waren, 
en de stadt interim aen de noortzyde op twee verscheyde plaetsen 
aengetast. Een steenen bolwerk isser met ladderen beclommen en op 
een ander plaetse, door een houten schuttinghe van dicke swalpen 
gemaect, gebroocken. Die van Bantam deden eenige resistentie, 
maer soo haest ons volck in de stadt was, begaven haer op de loop. 
Op de merct voor des Conincx hoff, deden weder een bravade met 
ontrent 100 mannen, dan d'onse vast aentreckende, liepen de Javanen 
door. In 't innemen van de stadt isser een van d'onse dootgebleven 
met eenige gequesten, ende de dooden van den vyandt weten niet 
seecker , alsoo eenige medegesleept hebben en niet meer dan 9 dooden 
van haer gevonden zyn. Drie vrouwen en een kindt wierden in 't 
vluchten achterhaelt, welcke wel getracteert en daema weder by de 
haeren gesonden zyn. 

De stadt is geheel verbrandt en de voomeemste mueren syn ge- 
raseert. Op dito, des avonts, hebben een prauwe na Bantam ge- 
sonden en aen d'onse geadvyseert, den Pangoran aen te dienen, 



* Zie het journaal n». XXXI hierboven, bladz; 149 en 153. 

IV. 12 



178 

boe wy met de vloote aengecomen waren ^ Japara en Jaeatra inge- 
nomen en yerdestmweert hadden , omdat die van Japara eenige van 
d'onse vermoert en andre noeh gevangen hielden, ende in Jaeatra, 
omdat zylieden onderstaen hadden, onse hnysen aff te loopen, den 
Generael en 't volek te vermoorden en alles te berooven datter was, 
van meninge synde een tocht in 't lant te doen en dan na Bantam 
te seylen, versoeckende, dat het de Pangoran gelieve, d'onse die 
hy gevangen hielt, vry aen boort te senden, om qnestie voor te 
comen. 

Adg pno. Jnny hebben met omtrent 600 mannen een tocht in '1 
kndt gedaen, bevonden dat de Javanen, haer weder op 2 verscheyden 
plaetsen versterct hadden, üyt d'eerste zyn zy datelyck gevlncht 
en de tweede hebben daema selffii verlaten. Op desen tocht isser 
één tamboeryn van d'onsen gebleven en eenigen geqnest. De Gomp'^. 
van Cap^. Brnstens onbedachtelyck tegen ordre, wat van der handt 
getrocken wesende, wierd met groote disordre op de vlncht gedreven 
en sojade bycans (door d'ongeregeltheyt van matroos) een generaele 
route veroorsaect hebben ; doch de vyanden wierden weder in de 
vlncht geslagen en syn d'onsen, Grodt lofF, meester van 't velt ge- 
bleven. De hnyzen ontrent een halff myle weechs op wederzyden 
langs de riviere staende, in brant gesteecken hebbende, zyn weder 
victoriens aen 't fort gekeert. In Jaeatra hebben wy gevonden 18 
stucken geschut, 11 falcoenen, eenige bassen en ontrent 6 vaten 
cruyt. Niet meer dan drie stucken waerender geplant, daermede 
niet een schoot geschooten is, zy waeren besich om beddingen te 
maecken en veel schut langs. de riviere te planten, dan hebben haer 
geprevenieert, soo wy noch Q dagen gewacht hadden, souden Ja- 
eatra 800 licht niet becomen hebben. 

De Pangoran van Bantam, dese tydinghe en voors. missive ver- 
staende, beclaechde insonderheyt seer, dat haren tempel, door d'on- 
geloovigen (gelyck zy ons noemen) alsoo verbrand was. Hy heeft 
datelyck syn volck van Jaeatra ontbooden, oock veel voick van 't 
geberchte en uyt de straet Sunda. Bantam was geheel vol vreese 
nacht en dach hebben zy gewrocht, om de stadt te verstercken en 
haer geschut te plsaten. Het geheele Cfaineesse quaitier is ai%e* 
broocken en Bantam rontsomme met volck beseth. lek honde voor 
seecker, soo de plaetse met voor8« macht datelyck aengetast hadden, 



179 

dat die soowel als Jacatra venneestert souden hebben , dan ten is 
daer niet gemunt, en de peere is niet ryp geweest. Zeeckere ver- 
loopene Orangkays van Bantam, die tot Jacatra noch resideren, syn 
met een deel van haer volck te lande na Bantam gevlucht, en die 
van Jacatra syn soo verstroyt, dat qualick gelooflhck is, 't gene 
door eenige bekende van de haere daervan geseyt wort T'sedert 
voors. tocht hebben tot noch toe geen rescontre in 't landt gevonden. 
Wat noch. volgen wil, sal dfen tyt leeren. 

In deser vougen hebben wy die van Bantam uyt Jacatra geslagen , 
voet en daminie in 't landt van Java becomen. Haer boosheyt is 
redelyck gestraft. T'is seecker, dat dese victorie en het vluchten 
van de hoochmoedige Ëngelssen, door gants Indien een groeten 
schrick maecken sal. D'eere en reputatie van de Nederlantse natie 
sal hierdoor seer vermeerderen. Nu sal elckeen soecken onse vrient 
te wes,en. Het fondament van soo lange gewenste rendez-vous is nu 
geleyt. Een goet deel van H vruchtbaerste lantschap en de visrycxste 
zee van Indien is nu Uwe! Hierover bidde üEd., sent ons nu doch 
groote menichte van volck, met alle nootlyckheden, opdat een royael 
fort en stadt gelyck de Heeren ontworpen hebben , bouwen mógesa. 
Weest doch niet meer onbedacht, noch onachtsaem, denckende dat 
ons hier wel redden zullen. 

Wilt doch in aller maniere voorcomen, dat men de Javanen niet 
leere oorlogen, en ontsiet noch en vreest het gewelt van UEd. vy- 
anden niet, d'ontrouwe van de Mooren, noch ondercruypinge van 
geveynsde vrienden. Siet en consldereert doch, wat een goede eor- 
ragie vermach en hoe d' Almogende voor ons gestreden en U Ed« 
gesegent heeft. Op onsen alderswackste en tegen opinie van alle 
menschen, ja, van onsen Raet selven, hebben wy door Gk)dts genade, 
de groote macht van drie machtige vyanden wederstaen, plaetse 
gehouden en haer alle drie, als namentlyck d'Engelssen, die van 
BaQt9iiA 0n Jacatra verdreven. Onse geheele vloote was eerst niet 
meer, dan ontrent 4 a 500 koppen en nu 1220 stercq, waermede 
alles verricht is, maer verlaet U daerop in 't minste niet. Beschiet 
ons jaerlicx een redelycke somma gelts, veel schepen, en menichte 
van volck,, met alle nootlyckheden, t'en sal dan jaerlicx aen geen 
groote rycjto retoeren gebreecken. Wilt eens gedachtich wesen, de 
groote hoope, die ick ü Ed. over eenige jaren gegeven hebbe en 



180 

maect dat het soo verde come, datter jaerlicx gi*oote rycke retoeren 
naet 't Patria overgesonden mogen werden ^ sonder eenich geit ofte 
weynich nyt de Yereenichde Nederlanden te senden, de saecken 
connén daertoe seer wel gebracht worden, waeraen het feylt, dat 
snlcx tot noch toe niet gedaen zy , en dat noch al jaerlicx groot 
geit eysschen, hoope UEd. (soo voor myn vertreck daervan geen 
deel met der daet gethoont wort) hetselvige •f myner overcompste 
met goede redenen te bewysen. 

Den 6 Juny syn wy met de geheele vloote na Bantam gevaren 
en den 7 aldaer, Godt loff, wel aengecomen. Die van Bantam 
waren met alle man op de been, d'een was besich met fortificeren 
en d'ander stondt in de wapenen. Een tocht, gelyck wy tot Ja- 
catra gedaen hadden, waren zy mede verwachtende; gelyck die van 
Jacatra (zeyde de Pangoran Gouverneur) sullen wy niet doorloopen 
en soo met gewelt gedwongen worden de plaetse te verlaten, sal ick 
dan de peperboomen aff doen houwen. Alsoo wy ons stille hielden , 
zonder imant aen landt te senden, heeft de Pangoran , s'anderendaecbs 
een van de gevangenen aen boort gesonden, ontbiedende, dat hy ons 
volck soude laten gaen, soo haest ick maer imant by hem sondt. 
Dit den 8«^ gedaen zynde, cregen ten antwoort, dat hy die soo 
lange ophouden soude totdat naerder verseeckeringe bécompt, dat 
wy daema op Bantam niets quaets attenteren sullen. Hierop hebbe 
(ick) den volgenden nacht aen den Pangoran weder schrifkelyck ont- 
booden, dat hy alle d'onse, die in de logie tot Bantam niet be- 
scheyden waren, binnen 24 uren aèn boort soude senden , off dat 
wy by gebreck, in 't werk souden stellen, tgene aireede by den 
Raet gearresteert was. 

Dese tydinge maecte de gevangenen veel perplexer, dan te vooren 
de destructie van Jacatra gedaen hadde, alzoo zy dickwils met den 
doot gedreycht waren en niet dan den doot verwachteden, soo Ban- 
tam met gewelt aengetast wierd; doch de Pangoran Gouverneur 
heeft ons volck voor d'expitatie van voors. termyn liber en vry aen 
boort gesonden en aldus hebben wy omtrent 100 personen nyt een 
droevige gevangenisse verlost. De Pangoran beclaechde hem seer, 
dat hy alweder onder onse voeten had moeten buygen, wen- 
schende, dat voor de groote deucht, die (hy seyde) d'onse gedaen 
hadde, maer (on)danck en anders niet becomen mocht^ 



181 

Om meerder seeckerheyt van 't veiireck van d'Engeissen te be- 
comen, warwaerts mogen wesen gevaren, hebben wy den 11 Juny 
na de straet Sonda gesonden, 't jacht 't Hert, met ordre d'eylanden 
en de caste rontsomme wel te doorsoecken. Aan de waterplaets 
vonden noch 4 man van 't volck van den Swerten Leeuw, die. 
d'Engelssen daer ontloopen waren en door 't volck van de waterplaets 
wel getracteert syn] door dat volck wierd andermael geconfirmeert 
hoe d'Engelsse, bestaende in 11 schepen, den 2» Juny van Pulo Bessy 
vertrocken en om de west 'tzeewaerts geloopen waren, soo haest zy 
met een prauwe de compste van onse vloot tot Jacati*a verstaen 
hadden 

Het schip den Swerten Leeuw is seer cort na ons vertreck van 
Jacatra met de volle last geheel verbrandt, toegecomen door drie 
man van 't Engelsse volck, die steelsgewyse in 't ruym met een kaersse 
arack gingen tappen ende alsoo de brandt daerin geracete, is alles 
daerdoor verbrandt 

Terwyle het Hert, als vooren, na de straet Sonda was, hebben 
wy eenige dagen met de vloot voor Bantam vertoeft, omme te sien, 
hoe wy het met den anderen hebben souden. De Pangoran sprack 
zeer schoon, zeyde, niet anders dan vrede en vrientschap met ons 
te begeeren en dat daer als voor dese handelen, geit en goederen 
aen landt brengen souden, opdat hy mocht sien, wy het wel met 
hem meenden, waerop een kiste geit aen landt hebben doen bren- 
gen, dan 'alsoo niemant in de logie comen, noch d'onse spreecken 
mocht, dan met express consent, bywesen en aenhooren van seeckre 
Javanen, is den handel in deser voegen belet, 't welck geexcnseert 
wierd, op de groote vrese, die door geheel Bantam was en conti- 
nueeren soude, soolange daer met de vloote bleven leggen. Het 
verlies van Jacatra verdriet den Pangoran uyttermaete seer; doch 
evenwel heeft daer niet eens van durven spreecken 

Ende alsoo hier een tyt lanck een goede vloote gehouden sal 
moeten werden, soo omme den handel in Bantam, als omme onse 
en d'Engelsse schepen waer te nemen, gelyck mede Deenen, Fran- 
cen en alle andren, hebben wy goetgevonden de schepen aen d'ey- 
landen van Jacatra te yerdeylen en interim calck te laten branden, 
opdat geen tyt verliesen 

Om voor te comen datter geen volck van Bantam tot Jacatra by 



182 

ons come, heeft de Pangoran van Bantam eenige Chinesen en Javanen 
die solcx onderstaen hadden, doen dooden, en daennede het volck 
800 groeten schrick aengejaecht, dat niemant onderstaen dorst te ver- 
tredken , niettegenstaende groote miserie in Bantam lyden. Ende 
alsoo d'onse tot geen handel comen connen, vennits even stercq be- 
waert wierden en met niemant , dan in presentie van Javanen , daer- 
toe gestelt spreeeken mochten y hebben wy goetgevonden de Pangoran 
ie dringen ons den vorigen handel en vryheyt toe te laten, waerover 
dienvolgende ordre gegeven hebben, dat men behendelyck het geit 
en goet van landt schepen zonde, en oock het volck tot 5 mannen 
aa, mits het vertreck en de meninge eerst te kennen te geven, na- 
mentlyck, dat soo de Pangoran ons den handel niet toe en iaet, en 
onse gerechticheyt niet voldoet, dat wy oock niet toestaen snllen, 
datter imant in off nyt Bantam vaere. Den raedt van de schepen 
de Znyder-Eendracht, de Neptnnns en Nassonw, die hiertoe gecom- 
mitteert waren, hebben hierinne, menende wel te doen, een groote 
fonte, &a onse opmie, begaen, en de voomaemste trap over getree- 
den, want de goederen hebben zy doen schepen en oock een deel 
van 't volck, sonder de saecke te kennen te geven, en daema eenige 
cleene jonxkens aengehaelt, eer de Pangoran geinsinneert is geweest, 
twelcke tot Bantam weder een groote schrick gemaect heeft. Tegen- 
woordelyck synder 8 van d'onsen met eenige packen cleden aen landt 
en anders niet. Om dese executie te doen, leggen tegenwoordelyck 
voor Bantam de schepen, de Arendt, Nassanw, de Groene Leeuw 
en de Seewolflf, en in de straet Sonda voor Angier (Anjer) om waer 
te nemen en aen te haelen, de twee Engelsse schepen die aen de Cabo 
by den Eenhoorn geweest zyn en dagelicx verwacht werden, de 
schepen d'oude Sonne, de Zuyder-Eendracht en de Neptnnus. . . . 
Met de voors. schepen ^ hebben wy verscheyden missiven van UEd. 

ontfangen (de Heeren) begeeren dat 

geen gewelt tegen gewelt, noch tegen iraude gebruycken sullen, dat 
men de Chinesen met haere valsheyt en boosheyt sal laten geworden, 
dat ons met geen represaille (als geen recht becomen connen), valee- 
ren sullen, item dat tegen fenyn geen contra-fenyn gebruyct worde, 
gelyck de Mennonieten dese saecke verstaen, Iaet het ons. weten en 

^ Den Eenhooru en 't Wapen van Zeeland op 6 en 16 JulQ uit het vaderland te 
Bantam en Jacatra aangekomen. 



185 . ' 

t • 

geeft maer daere ordre , wy sullen die naercomen^ voor soove^ • . 
biUic^ en recht zy; doch eer in dese landen de behoorlycke contra- V 
remedie naergelaten worde, moet men hier rechtveerdige rechters 
soecken, om onder haer bescherminge te mogen ieyen, handelen en 
wandelen ; gelyck de mennoniten in Nederlandt seer wel hebben we- 
ten te doen; can iemant, die in Orienten yinden, ick segge dat het 
wel gesocht sal zyn. Sonder geen rechtveerdige rechter in indien 
weaen? mocht imant &eg^eny hoe can dan de werelt aldaer bestaen! 
Hiertegen repliceere: En mach een Heere in Enropa met syn vee 
niet doen wat hy wil; alsoo doet hier oock de Goninck met syn on- 
dersaten; want die overied, met al het haere^ lyfeygenen van haer 
Heeren zyn, even gelyck het onredelycke vee in Nedeiiant. 'T recht * 
van dese landen , is hier, de wille des Conincz. Coninck is hy die 
de stercxste is, en gelyck wy in d'nsorpatie haere boosheyt niet 
willen volgen, alsoo souden (als libre vrye lieden) haer ongerechticheyt 
niet gaeme*gedoogen. T'is my leet, dat met dese praetjens, alsoo 
de saecke hem selven overlange verdedigt heeft, sooveel pampier 

hebbe moeten becladden, 

UËd. recommanderen ons seer, voort te varen met het stabilieren 
van een generale rendez-vons, en vrede te houden met de Goningen 
van Jacatra en Bantam, 't welck incompatibile saecke zyn; doch 
d'Almogende heeft daerin versien. De middelen en gereetschappen 
die tot bouwen vereyscht worden, senden de Heeren oock niet, daer 
en is niet een byle, schop noch spade te becomen, 't gene ter dif- 
fentie in haeste opgeworpen is, hebben gedaen met eenige schoppen 
en spaden, die hier een tyt lanck in voorraet gelegen hadden, en 
al geconsumeert syn. De heeren ontbieden ons gene geding van Jappan 
te ontbieden, en senden selffs niets^ wat daermede voorhebben, geve 
andre te bedencken; seer vrientelyck versoeckende, dat het UEd. 
gelieve met den eersten herwaerts te senden, groote menichte van 

goede bylen, en aUerley gereetschappen enz 

By dese gaet ontwerp van 't fort Jacatra; ^ doch UEd. sullen 
gelieven te verstaen, dat ons met dit werck gants niet behelpen con- 
uen, en alsoo 't selvige in haeste ter diffentie opgeworpen is, en 



^ Dit plan berust nog op het Byks-archief. 



184 

iüser.ganta niet dat tot een goet werck te stae comen sall; daerom 
Bal een geheel nieuw fort en nieuwe huyzen gemaect moeten worden. 

Hierover hadden geresolveert op de westzyde van de riviere 
(daer de stad Jacatra gelegen heeft) een nieuw fort te maecken, 
groot 46 viercante roeden, met een gracht rontsomme, dan dewyle 
geen volck noch gereetschappe daertoe hebben, vrese datter niet van 
vallen sal, en dat noch veel verlooren wercken, om ons te behelpen 
sullen moeten maecken, ons en gebreect niety dan alle dinck'^ om de 
negotie waer te nemen en op den vyandt te passen, hebben met alle 
man de handen vol. De Chinesen hout de Pangoran van Bantam 
aldaer op, wie sal dan een casteel en stadt tot Jacatra bouwen. Drie 
van onse schepen leggen voor Biantam, drie voor Angier, 5 synder 
doende om calck te brilden en de resterende 3 hebben met haer 
eggen werck de handen vol, 7 schepen synder in Manilha, 5 na 
Jamby, Patana en Jappan, één na de custe van Goromandel en drie 
jachten in de MoUuques en Amboyna. Dit is alle de navale macht, 
welck UEd. in Indien heeft. Ende de forten en casteden in Indien 
syn van volck soo qualick versien, dat het schande is en sulcxqua- 
lick schryven derff; doch het moet evenwel geseyt wesen. Opthien 
forten die de heeren in de MoUuquen houden, syn niet meer dan 
448 coppen, soo cooplieden als soldaten; daeronder gereeckent alle 
de Nederlanders, swarten, overgeloopen Spanjaerden in dienst van 
Compi®. wcsende, en yrye lieden. Op alle de forten en comptoiren 
van Amboyna niet meer dan 134 coppen, in Banda 500, in Solor 
31, tot Jacati*a 340, en op de cust van Coromandel ontrent 150, 
welck alle de macht van gants Indien is 

Van d'onse by den Mattaram gevangen, hebben verscheyde brieff- 
kens gecregen , clagen seer dat haere nootdruft van rys niet becomen 
connen. Den 18 mayo passado , waeren zy noch 7 persoenen in leven, 
lek hebbe voor desen aen den Coninck van Cheribon om haere ver- 
lossinge geschreven, daerop hy geantwoort heeft syn beste doen sal. 
Wy verhoopen haer haest te becomen, alsoo de vreese door geheel 
Java is. Verscheyden joncken en prauwen comen hier dagelicx van 
't Cheribon met alle nootlyckheden aen, en meer hebben wy te ver- 
wachten, soodat appaient is, ons gerieff tot Jacatra selffs wel beco- 
men sullen. De Mattaram en die van Japara hadden geeme vrede 



185 

met ons, maer 't hert is te groot om ons aen te soecken en wymo-' 

gen 't niet doen (hoewel de nool^sulcx wel vereyscht), omdat de 

vrede najagende, alle dagen noch meer geplaecht en veracht souden 

worden. Daerom is 't best, dat wat lyden en ons wat behelpen, om 

een stabile vrede te maecken, want ons volck tot Japara vermoort 

en alles berooft is, doordien de moorders en rovers haer voor lieten 

staen, dat wy Japara niet mochten derven, en noch grooter offer 

gegeven souden hebben, om vrede, acces en haere goede gunste te 

becomen, gelyck zylieden aen de duyvelen doen, doch het is Godt 

loff, buyten haer gissinge gegaen. 

Wy versoecken aendermael dat het UEd. doch gelieve eenige godt- 

vruchtige, eerewaerdige, cloecke, verstandige predicanten herwaerts 

te senden,* ende geen hoovaerdige, ongeschicte, onwetende idioten, 

gelyck eenige dienaers geweest zyn. T'is beclaechelyck en jammer, 

dat de godsdienst niet beter waergenomen, noch gehanthaeft worde. 
.# 

Het moeten rechte herders en geen huurlingen wesen , die niet na 
Indien varen om geit te verdienen en dan datelyck weder te keeren , 
maer om den Heere te dienen en dlndianen tot het christen gelove 
te bekeeren. Allen die tot noch toe in Indie geweest zyn, hebben 
sooveele noch niet gedaen, dat de Chrystenen in 't Chrysten geloove 
souden onderhouden, laete staen, dat andere bekeeren souden, t'en 
schort aen de matterie niet, maer aen de meester; van domini 
Hulsebos en Danckaert , hebbe goede hoope , maer 2 persoenen connen 
maer twee plaetsen becleeden en bedienen enz 

In ons fort Jacatra, adi 5 augusto 1619. 

UEd. Dienstwillige, 

J. P. COEN. 



XXXIV,. De Gouveeneue Generaal Jan Pieteesz. Coen, aan 
DE Bewindhbbbees dee Genee. Oost-Ind. Com!p. 

(Heeeen xvn.) 

In het fort Jakatra, dd. 7 en 15 October 1619. 

By dese gaet alsnu copye van d'onse, per 't schip d'Ëenhoom 
gesonden, ÜEd. gullen daeraen largo verstaen, hoe wy voors. fort 



186 

(Jftcatra) ontset en de fltadt Jacatra ingenomen hebben. D'Engelssen 

* voor ona gevlucht en wy doorjQodts genade te water en te lande 

meester van 't velt gebleven syn, 'tsedert is hier weynich geinno- 

veert, derhalven cort syn snllen 

Naer 't vertreck van d'Eenhoom zyn hier, Grodt loff, tot ver- 
scheyden tyde van patria wel aengecomen, diverse schepen. . . . 

Aen de Caep de Bona Esperance, hebben eenige van onse schepen 
eenige Engelse gerescontreert , te weten : den Eenhoorn en d'Orange- 
boom, d'Engelse schepen den Beer en de Sterre, wawby naer 't 
vertreck van den Eenhoorn en d'Orangeboom gecomen zyn, d'Anna 
van Znratten en onse schepen Dordrecht en Amsterdam. Uytterlyck 
hebben sy den andren aldaer aUe vrientschap bethoont; doch alsoo 
wy door eenige Schotten verstaen, dat by die van de Sterre ons 
schip den Eenhoorn, ontrent de Caep in zee riscontrerende gedeli- 
beroert is geweest, om den Eenhoon^ aen te tasten, schynt het, 
dat d'Engelssen soo eenigen van d'onsen met gemack hadden wettn 
te becomen, niet nagelaten souden hebben die te nemen. Hoe be- 
commert d'Engelssen geweest zyn, over d'nytcompst van haer boos 
voornemen, connen de Heeren sien per nevensg. missiven door die 
van den Beer en de Sterre, van de Caep de Bona Esperance met 
de Orangeboom herwaerts gesonden, waertegen d'onsen welgemst 
en welgemoet geweest zyn, weynich op swaricheyt denckende, want 
d'Orangeboom in zee ontrent hondert mylen buyten de Coste van 
Somatra, rescontrerende één van d'Engelse schepen, die met haer 
vlote uyt de straet Sonda gevlucht was, is den schipper 't Hert, 
om tydinge te becomen, aen boort gevaren. Soo haest daer was, 
hebben d'Engelsen seer schoon gepraet om de coopman en stierlieden 
mede te becomen, d'onderstierman wierde gehaelt en d'andre ver- 
excuseert, d'Engelsen geen andre hoofden meer becomen connende, 
hebben de schipper 't Hert, met een moy praetien in de caynyt 
onderhouden ende interim syn volck gebonden; doch alsoo twee 
daervan over boort sprongen, swemmende na d'Orangeboom, wierde 
't Hert 't geruchte gewaer en meenende uyt de cayuji; te gaen, 
vondt die met een ketting geslooten. D'Engelsen hebben hem mede 
aengetast en wel vastgebonden, seggende, dat hy met hun byhaeren 
admirael most vaeren, doende groot weer om d'Orangeboom t' ont- 
seylen, dan alsoo 't Hert met gewelt in de galderye geraecte, roe- 



. t87 

pende aen de zynen, die seer dicht by den Engelsman hielden, dat 
86 alle het geschut uythaelen en met de geheele zjde op d'Ëngel- 
ssen schieten zonden, hebben d'officieren van d'Engelssen het disseyn 
van haer hooffden alsoo gematicht, niettegenstaende 't Engels schip 
immer soo wel en beter als d'Orangeboom gemonteert was. . . . 
Voor dese is U Ed. geadvyseert, hoe wy in de straet Sonda ge- 
leyt hadden, de schepen d'Onde Zonne, de Znyder Eendracht en de 
I^eptnnns, om waer te nemen de twee Engelsse schepen den Beer 
en de Sterre, die van d'onse aen de Caep de fiona Esperance ge- 
rescontreert waren. Een van dese twee, de Sterre genaemt, is den 
12 Ang^'. by de voors. drie schepen in de straet Sonda gecomen, 
d'onse lieten hem na Bantam passeeren, opdat niet eschappeeren 
sonde, daema syn hem des nachts gevolcht, hebben 't dicht by 
d'Engelssen geseth en met dreygementen sooveele te wege gebracht , dat 
d'Engelssen schip en goet, sonder slach off stoot overgegeven hebben, 

m 

op conditie als UEd. p. nevensgaende accoort connen sien 

By dese gaet copie off translaet van een missive door d'Engelsse 
Comp. aen de haren alhier geschreven; UEd. snllen daeraen sien, 
hoe d'administratenrs van d'Engelsse Comp^ haer volck tegen ons 
ophitsen; tgene de haeren selffs gedaen hebben, leggen sy ons ten 
laste in haer missive, verhaelende (niettegenstaende wel beter weten) 
de valsche lengenen, die sy seggen van de haere overgeschreven 
te wesen, waerop actie geformeerl hebbende, haeren admirael be- 
lasten UEd. volck en goederen op de gesochte actie aen te tasten, 
terwyle interim in Engelandt met de gecommitteerden van de Hooge 
Hogende Heeren Staten-Generael en UEd. van accoort gehandelt 
wort en dat nyt crachte van ordinaire commissie door den admirael 
van Oroot-Bretagnie wegens zyne Conincklycke Majt. aen Thomas 
Dael verleent. Hiertegen snllen wy ons met de Commissie van de 
Hooch Hog. Heeren Staten-Generael, Zyn Princelycke Excellentie, 
die van UEd. en 't recht der natnyren behelpen. Wy honden voor- 
seecker, dat Spangien met syn dncaten tegen ons stryt, gelyck hy 
eertyts met de wapenen plach te doen endattereenigeinFranckryck, 
Engelandt en Denemarcken gepensionneert zyn, om d'Indische vaert 
te doen bederven off de Coningen van Franckryck, Engelandt en 
Denemarcken tegen de Vereenichde Nederlanden op te roeyen, haere 
goede correspondentie en vrientschap te breecken, dan ick hoope 



188 

dat d'Almogende d'oogen van haere Majesteiten openen en ons wel 
hoeden sal, gelyck tot noch toe gedaen heeft en nu corteling, in- 
sonderheyt soo in de Yereenichde Nederlanden als hier gesien is, 

Alsoo hier door de compste van de nieuwe schepen een treffelycke 
vloote by den andren gecregen hebben , is goetgevonden , omme de- 
selvige wel te besteeden den handel sooveel moogelyck waer te 
nemen, de comptanten t' imployeeren en tegelyck diffensive en 
offensive oorloch tegen onse vyanden te voeren 

Voor deseu hebben üEd. geadvyseert, hoe met die van Bantam 
in oorloch geraect syn, en daer noch 5 mannen met eenige goederen 
aen landt gebleven waren, alle welcke den Pangoran den 20 Aug^°. 
met de resterende goederen aen boort gesonden heeft, wat daermede 
voor hadden, connen qnalick weten, men ontboot ons met een brieff- 
ken door een particulier op 't Chinees geschreven, soo vrientschap 
met Bantam begeerden; dat imant senden souden, soo niet, dat van 
daer souden blyven. Op de saeck gedelibereert zynde, is goetge- 
vonden na Bantam niet te senden; maer dat de rede beseth sullen 
honden, de vaert en visscherye soo veel te beletten, als doenlyck 
is, totdat ons selven den handel aenbieden 

De stadt Banfcam wordt dagelicx noch seer versterckt; derysisser 
seer diere en de Chineesen worden seer nauwe bewaert, opdat by 
ons niet loopen. De voomeemste heeft de Pangoran gedwongen weder 
nieuwe huysen te bouwen. Meer vrese heeft Bantam voor de Mat- 
taram, o£f dat wy met den Mattaram souden mogen verdragen, dan 
voor ons; alsoo hy wel vertrouwt (naer 't schyut) dat het ons om 
de stadt Bantam niet te doen is, ons huys is noch in esse. De 
Pangoran van Bantam can qualick resolveren, vreede off oorloch mei 
ons te maecken. Hierover, na wy verstaen, is onder de grooten 
groote conftisie, d'uytcompste sal den tyt leeren. 

Onse schepen voor Bantam leggende, hebben tot noch toe 9 man- 
nen verlooren en dat vermits tegen onse expresse ordre tot aen de 
wal omtrent Bantam eenige prauwen yervolgden en haer aen landt 
begaven, alwaer, van groote menichte van volck verrast, overvallen 
en gedoot wierden; dan meer volck heeft het Bantam gecost. De 
visserye can ons volck niet wel beletten, alsoo de prauwen te snel 
in 't seylen zyn en d'onsen geen prauwen bestieren connen. 



189 

Tot Jacatra gaet alles , Godt loff , redelyck , voor dese zyn hier 
veel joncken en prs^nwen met alle nootlyckheden geweest, dan over 
eenige dagen heeft de Mattaram verhoeden, datter niemant hy ons 
na Jaeatra vaere, doch evenwel synder noch eenige Chineesse en 
Javaense joncken comende, die steelsgewyse nit het landt van den 
Mattaram vertrecken. In voege, dat ick hoope, gelyek het oock 
apparent is , wy geen gehreck sullen lyden. Off de Mattaram voors. 
verbot ter contemplatie van Bantam doet, weten wy niet Wat de 
Coninck van 't Cheribon en Anth®. Vizozo daervan schryven, connen' 
ü Ed. p. nevensgaende copien van hare missiven zien. 't Appa- 
rentste schynt te wesen, dat de Mattaram soect synne vrientschap 
aen ons wat diere te willen vercoopen, want alsoo hy Tuban inge- 
nomen heeft, Surrebaya 't hooft geeme in de schoot soude leggen, 
resteert niet dan Bantam, daer de grootste schadt van geheel Java 
is, en alsoo de wech voor die van Mattaram te lande wat moeyelyck 
vallen sonde, schynt het, dat men soect ons te dringen den Mat- 
taram t'assisteren, alsoo 't herte te groot is om onse hnlpe te ver- 
soecken en syn onvermogen aen ons te kennen te geven, doch soo 
sy iets tegen ons weten te doen, 't sal niet nagelaten worden; want 
om heerschappye, volck, geit en goederen is het den Mattaram te 
doen; eer wy d'een off ander assisteeren, sullen wel thienmael om- 
sien moeten, opdat de victorieuse onse roede niet worde. 

Nadat wy Jacatra ingenomen hadden, is al het volck uyt het 
landt na Bantam vertrocken en daema synder veel weder gecomen, 
de rys uyt het landt van 't velt opsoeckende, waervan haer vele 
on^aecht is, ende alsoo d'onse noyt vyanden vonden, die 't hooft 
boden, zyn de soldaten zoo stout en onbedacht geworden, datbykans 
een groote nederlage gecregen souden hebben, ten ware dat een 
goede corragie van d'officieren sulcx verboet hadde. Verstaen heb- 
bende, datter menichte van Javanen omtrent een myle of twee de 
riviere op in 't landt waren, hebben wy den 2ö«» passato, 40 mus- 
quettiers derwarts gesonden. Dese by den vyant comende, weecken 
de Javanen uyt haer legerstede by den andren, op een plaetse daer 
de onse niet dan man voor man, door een eng padt bycomen costeUi 
Te wederzyde van dit padt hebben zy in de ruychte volck met 
piecken geleyt; d'onse, vierich synde, om haeren vyandt aen te 
tasten, hebben haer in drie troepen verdeylt. D'eerste troupe, be- 



190 

• 

staende in elff koppen ^ den vyandt aentastende, bleven daervan drie 
op de plaetse leggen , welcke doorsteecken wierden van de vyanden 
die in de rnychte verborgen lagen, d'andre namen datelyck de vlucht, 
waerop de Javanen met goede eorragie aentreckende, alle d'onse 
geslagen souden hebben, ten waere dat de Inytenant met de tweede 
troupe, d'eerste ontset, de Javanen gestut en haer weder terugge 
verby de doode ligchamen gedreven hadde, met verlies van de vierde 
man. In 't enge padt, hebben d'oversten van de Javanen tegen 
^onse officieren soo lange man tegen man stal gehouden, totdat zy- 
lieden haer dooden en gequesten afigebracht hadden, als wanneer 
vertrocken en geheel doorgeloopen zyn , in voegen dat d'onsen meester 
van 't velt gebleven zyn; van de Javanen hebben zy een cris, met 
eenige piecken becomen , vonden anders by haer niet dan een prauwe , 
met wat rys voor haer provisie, soodat het schynt zy express van 
Bantam op een tocht gecomen zyn. De vyanden waren ontrent 150 
man stercq. 

Onse dooden zyn van d'onse medegenomen en begraven. Dit is 
d'eenige en notabelsté rescontre die noch oyt 't sedert d'inneminghe 
van Jacatra geschiet is; cort daema hebben weder een goede troupe 
uytgesonden, maer geen vyanden vernomen. 

Tot nu toe syn by ons 3 a 400 Chinesen vergadert , niettegen- 
staende zylieden soo nauwe tot Bantam, 't Cheribon en Japara be- 
waert worden. Soo de Javanen daerop soo nauwe niet en pasten , 
ick achte datter eerlange eenige duysenden by ons souden wesen. 
Alsnoch hebben wy van de Chinesen weynich hulpe, vermits eenige 
van de voors. haer geneeren met nooüyckheden herwaerts en der- 
waerts te haelen en andre met handtwerck onder de burgerye, waer- 
inne een ider laten geworden om menichte van volck te locken. 

T'is apparent dat dese plaetse eerlange de grootste coopstadt van 
gants Indien wel soude mogen worden, tenzy dat ons de giericheyt 
bedriege, waermede seggen wil, by aldien wylieden resolveeren 
connen, de peper van Bantam een jaer te derven, off soo lange tot 
dat die van Bantam genootsaect worden, ons aen te soecken en haer 
peper te veylen. 

Nadat ons lange bedocht en lange gedelibereert hadden, wat ver- 
0teiokingi» bior mae<^n /sK)ud6^ i» ejuUijck gpetgevon^ eep nieuw 
fort te beginnen, groot 50 quadraet roeden, en om 't selvige met 



191 

I 

gemack en te meerder verseeckertheyt te mogen doen, dat hetselvige 
bnjten om het onde fort leggen sullen. De fondamenten van de landt- 
punt hebben nu begost, als die gemaect zy, sal 't onde fort dnbbelde 
versterckinge hebben, Gk)dt geve dat het werck gelnckich voleyndt. 
mach worden, by dese gaet project hoe het werck gedissegneert 
wordt 

15 October 1619. 

Erenfeste wyse enz . 

Naer 't yertreck van 't schip den Gouden Leeuw, is hier, Gk)dt 
loff, den 10 stanti van Amboyna wel aengecomen, het jacht de Tiger 
gelyck mede de joncke de Dolphyn genaemt, de Tiger brengt mede 
42.573 ® nagelen ende de joncke is van Amboyna na d'eylanden van 
Solor, Bima en Baly gesonden geweest, omme die quartieren teont- 
decken. Op Baly zyn d'onse by den Coninck geweest en daer seer 
wel onthaelt geworden, veel vrientschap is haer bewesen en groote 
instantie worter gedaen, dat wy aldaer een comptoir stabileeren, 
anders hebbe op haer reyse niet verricht enz 



XXXV. De GoTTVBBïnBTJB Gekebaal Jan Pietebsz. Coeit en 

Rade van Indie, aan de Bewindhebbebs deb Geneb. 

OosT-iND. CoMP. (Heeben XVII.) 

In het fort Jakatra, dd« 22 January 1620. 

Edele Erenfeste enz. 

Nevens dese gaet enz 

'T sedert syn hier Godt loff wel aengecomen, de schepen Tholen 
en Walcheren enz 

De Pangoran van Bantam, nae der Mooren aert, gestadich prac- 
tiserende, hoe my best van cant sonde mogen helpen, om te beter 
tot zyn disseyn te geraecken, en zyn personage met UEd. volck en 
goederen te spelea « heeft; den Coninck van Jacatra (in Tanara gevangen 
wesende) ontboden, dat hy den Generael Coen sonde doen ombren- 
gen, hem belovende daervoi^ al syn volck weder te geven en weder 
in zyn ryck te stellen* 



in 

D'Execntie van zoo bosen voomemeii heeft de Coninck vaa Jaeatra 
op dese belofte aengenomen, ende naedat van langerhandt, de wech 
tot een goet acces gebaent hadde, heeft hy den last aen zyn tolck 
Andréy syn priester en een slave van zyn broeder gegeven. 

Dese drie syn den 17^^ October by my gecomen, aendienende, 
hoe dé Pangoran van Bantam voorgenomen hadde de Coninck van 
Jaeatra haren Heer, van Tanara naer Pontang te vervoeren, om hem 
aldaer te beter te doen bewaren , waerover Zyne Majesteit seer vrien- 
telyck versocht, dat wy snlcx souden voorcomen en hem met gewelt 
van Tasisa^fi, lichten, daertoe middele en raedt voorsloegen en het 
exploict seer faciliteerde; doch onder dit pretext hadden vooi^eno- 
men my te vermoorden. Maer d'almogende Godt heeft ons weder- 
omme wonderbaerlyck behoet en de moorders de moet benomen. Sy 
zyn alle drie, elck met syn cris oft ponjaert in onse sale by my 
alleen geweest, dan alsoo geen goede uytcompste sagen om te vluch- 
ten, hebben haer boos voornemen op dat pas niet durven onderstaen. 
Aen haer gelaet, reden en wesen quade suspitie cryghende, hebben 
haer crissen doen affiiemen en hun wel doen bewaren, dese drie 
waren met haer sessen in een prau van Tanara aen 't wapen van 
Amsterdam gecomen. ^ 

Met onse voorgaende is UEd. geadviseert, hoe door denMattaram 
verboden was, dat geen van syn ondersaten met eenige vivres tot 
Jaeatra by ons varen souden, waermede, naer 't scheen, voorhadden, 
ons na haer pypen te doen dansen, dan alsoo de saecke niet aentrocken 
en ons stille hielden is voors. verboth niet lange onderhouden, want daer 
syn soo groote menichte van joncken en prauwen met rys en alle 
andre notelyckheden gecomen, dat het wonder om te sien is geweest* 
Meer joncken en prauwen hebben hier van verscheydene plaetsen 
geweest, dan oyt ten tyde van den Coninck van Jaeatra gesien zyn. 
T'is een wonder om sien hoe de borgerye tot Jaeatra vermeerdert; 
70 a 80 joncken en prauwen hebben hier te gelyck soo binnen de 
riviere als op de rede gelegen. Onder desen, verstaen wy, syndet 
eenigen van des Mattarams officieren geweest om alle gelegentheyt 
te doorsien. Ende alsoo een overste van den Tommagon van Een- 



> Dese Javanen werden na bekentenis buiten p\jn of banden afgelegd te hebben , ter 
dood veroordeeld, en van toen af werd het aan vreemdelingen verboden gewapend 
binnen het fort te komen. 



103 

'.■■■* * 

dael (die hier met 22 prauwen vol rys geladen gecomen was) oüs 
aendiende, de Mattaram tegen zyn Heere geseyt sonde hebben, dat 
hy de Nederlanders niet wilde doden, noch oock ranchionneren, 
maer deselve gratis relascheren sonde , byaldien door den Generael 
daeromme gesonden wierd, ried hy dat daeromme sonde senden, 
presenterende yemant mede te nemen, hebben wy hierover een prau 
naer ELandael gesonden, omme de verlossing van d'onse by den 
Mattaram gevangen wesende, aen voors. Tommagon te versoecken, 
Godt geve, dat haer, gelyck wy verhopen, becomen mogen. 

Het schip Oudt-Hoom en 't fregat Ceylon, syn hier nyt*de straet 
van Palimbang wel gekeert, medebrengende een cleen fregat van 
de Portugezen verovert en 220 lasten rys, becomen nyt seeckere 
joncken'van des Matarams ondersaten en eenige van Bantam naer 

Malacca varende Wy verstaen met de voors. joncken 

door den Pangoran van Bantam een expresse ambassate naer Ma- 
lacca gesonden is om assistentie tegen ons te versoecken. Degene, 
die men seyt de last daervan te hebben, is mede in onse handen 
vervallen 

Voor desen is UEd. gadvyseert, hoe wy naer Patana gesonden 
hadden de schepen de Engel, de Bergerboot en de Morgensterre 
met een goet capitael tot den handel aldaer, en expres ordre (vol- 
gens resolutie tegen het voornemen van d'Engelsen genomen) soo 
eenige advantage op d'Engelsen becomen, dat ons van hare schepen 
en goederen verseeckeren souden. Dese schepen den 26" Jtdy voor 
Patana comende, vonden daer te rede, de Engelse schepen, de 
Sampson en den Hont, ophebbende 137 coppen en 45 stucken ge- 
schut, s'avonts hebben 't dicht by haer geseth en hun s'anderen* 
daechs met den dach met gewelt aengetast. Naerdat te.wedersyden, 
drie glasen lanck seer geweldich gevochten hadden, gaven 't d'En- 
gelse op, seer ysselyck om lyffsgenade biddende. Daer zyn van 
haer doodt gebleven 39 mannen, daeronderCap''. Jean Jardyn, overste 
over haer negotie, dewelcke voor autheur van alle dese onheylen 
gehouden wert , en ontrent 50 gequetsten. Van onser syde hebben 
10 mannen verloren en eenige gequesten gecregen 

In 't voors. schip de Sampson hebben becomen d'originele resolu- 
tien by d'Engelsen genomen, verscheyden missiven, copieboecken 
van missiven, contracten en andre Engelse papieren, daeraen claerlyc 

IV 18 



194 

blyct, waerachtich te wesen en oock genonchsaem bev^sticht en 
getuicht wert, hetgene ÜEd. voor desen geschreven hebben, nament- 
lyck, dat by d'Engelsen voorgenomen sy, haer meester van ÜEd. 
middelen te maecken en de staet van de Generale Comp. t'enemale 

te myneren . • . • alle haer bosen handel 

met de Coningen van Bantam en Jacatra tegen ons beleyt en onder- 
leyt, haer grote onbeschaemde logenen en bosen aert, connenindese 

pampieren openbaerlyck zien 

Per 't schip den Gonden Leeuw is ÜEd. geadvyseert hoe wy den 
Commandeur Willem Jansz. met ses schepen, namentl. 't wapen van 
Zeelandt, Haerlem, Nieuw-Zelandt, de Neptunus, d'Engelse Sterre 
en 't Postpaert na de westcust van Sumatra gesonden hadden, tot 
bevordering van den handel in die quartieren, en omme op d'En- 
gelsen eenige advantage te soecken tot revenge van geleden schade, 
verseeckeringhe van den Staet der Gener. Comp., maar inzonderheyt 
om het boos en groot voornemen der Engelsen tegen ÜEd. staet te 
breecken en prevenieren. D'Almogende Godt heeft ons daertoe we- 
deromme wonderbaerl. geholpen en oock bethoont (als verhalen sullen) 
hoe 't beste versuymt is, en hoe licht alle de macht van de Engel- 
sen, ware myn ordre ten vollen naergecomen, verslagen oft becomen 
souden hebben. Doch 't is misschien beter, dat de welstandt door 
soo groten progres niet becomen, opdat de swacke gemoeden in re- 
delycken standt blyven; daeromme sullen ons genoegen, met hetgene 
d'almogende Godt dagelicx gelieft te geven, en bedancken onze 
medehelpers van hare courage, goeden yver, vlyt ter gemene beste 
bewesen. De voors. ses schepen, den eersten October uyt de straet 
Sunda vertrocken wesende, syn lancx de westkust van Sumatra ge- 
lopen. Aen Cota Tenga verstaende, datter vier Engelse schepen 
voor Ticco lagen , liepen datelyck sonder vertoeven voort. Den elfden 
ditto ontrent Ticco comende, vonden daer de schepen den Dragon, 
den Beer, d'Expeditie en de Rosé, waerop by d'onsen geresolveert 
wierd haer datel. twee aen twee te aborderen. De son was tegen 
den avont maer ontrent 1^^ ure hooch, doen by den anderen quamen. 
De Commandeur Willem Jansz. smeet datel. met het Wapen van Ze- 
landt den groten Dragon op de wintveringh aen boort. Het schip 
Haerlem leyd hem aen d'andre zyde op den hals aen boort en heb- 
ben aldus seer geweldich met groff geschut en musquetten tegen 



195 

malcand^ren gevochten. Nienw-Zelandt was geordonneert met den 
Neptunus den Beer te aborderen, dan alsoo den Dragon (de Beer?) 
vol peper geladen wesende, dien selven dach van de zynen 't see- 
waert gelopen was en Nieuw-Zelandt d'aborderinge niet seer sochte, 
resolveerde de Neptunns en d'Engelse Sterre den Beer teaborderen, 
doch alsoo den Dragon overwonnen wierd, eer dese schepen by mal- 
canderen quamen, gaven de schepen de Beer, d'Expeditie en de 
Rosé haer mede op , en dat sonder 't gewelt van d'onse te verwach- 
ten. 'T Wapen van Zelandt en Haerlem schaers een ure tegen den 
Dragon gevochten hebbende, geracete de brant in de gallerye van 
den Dragon, waerover d'Engelsen haer schip abandonneerden en in 
Haerlem overliepen, biddende om lyffsgenade, doch wierden weder 
overgejaecht om den brant eerst te nytten. Aldns syn de voors. vier 
schepen door Godts genade overwonnen, daerdoor wy hopen het dis- 
seyn van d'Engelssen soo lange vertrocken werden sal, dat tydt sul- 
len hebben omme onsen staet noch meer en beter tegen aller gewelt 
te versekeren. De voors. Dragon hadde op , 180 zeer cloecke mannen , 
te weten, 150 van zyn eygen volck, en 30 van d'andre schepen, 
die den Dragon 't zee hadden geholpen; was gemonteert met 31 
stucken geschat. In dien stryt synder van d'Engelssen 30 mannen 
doodt gebleven, d'overste Commandeur Banner is doodtelyck gequest, 
van d'onsen hebben wy verloren vyf mannen. Het schip Haerlem is 
in zyn spiegel gelyck water alsoo ge treft, dat het weynich gescheelt 
heeft oft sonde aen des Dragons zyde gesoncken hebben, alsoo op 
het gamieringh vyff voet water stond, eer het gewaer wierden. 

Alle het volck van de voors. vier Engelse schepen, gelyck oock 
veel van haer schip de Sterre, wesende ontrent de 300 mannen heb- 
ben d'onse in Ticco aen landt geseth, en haer op hun versoeck we- 
dergegeven, het schip de Rosé met eenige provisie, om van daer 
elders by de hare te mogen vertrekken, de andre drie syn van d'onse 
gemant en alhier met de vlote, Godt loff, wel aengecomen 

Alsoo ons volck verstonden, hoe Ticco voor de rendez-vous plaetse 
van d'Engelssen geordonneert was, en dat zylieden bestemd hadden 
ontrent primo October daer te comen, hebben d'onsen haer seer ge- 

haest van daer te vertrecken en syn 

diensvolgens den 21 October met de gehele vlote van Ticco vertrocken. 



196 

In zee wesende, hebben het schip Nieuw-Zelandt na de bast van 
Goromandel gesonden met het cargasoen derwaerts gedestineert . . 

^ voors. schip Nieaw-Zelandt drie dagen van de 

vloot gescheyden wesende rescontreerde twee Engelsse schepen, van 
de cast, soo 't scheen, naer Ticco loopende. D'Engelssen deden haer 
best om Selandt aen te tasten, dan conden hem niet beseylen, in- 
vouge dat dese twee door 't haestich vertreck van d'onse geschap- 
peert zyn 

Met Bantam sjm wy en zy met ons noch in eenen graet, T'is 
seecker dat die man hem verlaet op zyn peper en niet op Godt, 
macht noch gerechticheyt. T'sedert onse voorgaende en isser tns- 
schen ons niet gepasseert. De reede van Bantam hebben wy tot nn 
toe met onse schepen beseth gehouden; om alle handelinge en toe- 
voer van rys van daer te weren, om die van Bantam, daerdoor tot 
redene en een goet accoort te dringen, waertegen de Pangoran van 
Bantam syn peper ophout, om ons Jacatra aft te dringen en voorder 
tot zyn disseyn te geraecken, die het lancxt herden can, sal den 
crygh winnen 

Niettegenstaende seer wel geweten hebben, dat het de hertnec- 
kicheyt van Bantam, soo lange connen, nytherden sal, jae dat de 
aenspraecke haer verharden en ons verachteren sonde, hebben noch- 
tans goetge vonden, die van Bantam, den vrede aen te bieden omme 
een yder sooveel mogel. vol te doen. Dese aenbiedinge hebbe den 
2l8ten, Novemb. passado, schriftel. gedaen; hierop is door den Pan- 
goran Gouverneur en zynen broeder Pangoran Gabangh geantwoort, 
te vreden te wesen, dat wy daer souden handelen, gelyck ten tyde 
van Wittert en Verschoor gedaen wierd; waerop wyluyden den d^^. 
December gerepliceerd hebben, daermede genoecht te syn, mits dat 
ons door den jongen Coninck, den Pangoran Gouverneur en zynen 
broeder belooft werde voor te comen, datter door de Chinesen oflf 
anderen geen monopolie gepleecht , de peper off de prys van dien niet 
meer als voor desen opgehouden werde. Hierop is door den Pangoran 
en zynen broeder Pangoran Gabangh weder gerepliceert, soo onder 
't accoort eenich bedroch gemenght wiert, dat het dan geen vrede 
maer veel eer oorloch wesen soude , invougen dat ons neffens anderen 
den vryen handel niet hebben willen toeseggen; maer occasie soecken 
om ons te betrappen en in haer gewelt te becomen, hiertegen leert 



»97 

ons de natuyre dat met goet recht alle andre negotianten van Ban- 
tam, in alle manieren oock weeren mogen, tot dat ons recht en den 

bandel neffens andere becomen 

• 

Van Bantam comen dagelycx veel Chinesen by ons vluchten. Men 
gist, datter noch wel 2000 in Bantam zyn, welcke haer mede meest 
tot ons begeven sullen soo haest hier connen comen. Bantam is seer 
verlegen; maect hy vrede met ons, sal hem veel volck ontlopen, en 
wy daermede versterct werden. In oorloch bly vende , moeten sy veel 
gebreck lyden, de negotie en frequentatie van alle vreemdelingen 
derven en die aen ons cederen , invougen dat het ons , Gode zy loflF, 
wellgae, en Bantam qualyck, hoe sy het oock maecken. Door de 
Chinesen handel hebben wy goede hope, peper van Bantam, Ticco, 
Friaman, Jambi tot Jacatra by ons te trecken; want alle de voors. 
landen, de Chinese waren soo zeer van doen hebben, als wy de 
peper. Tot desen eynde heblien airede ordre gegeven, dat de Chi- 
nesen joncken, die d'onse omtrent Jambi souden mogen rescontreren , 
herwerts gewesen en hier gebracht werden, opdat die van Jambi 
met haer peper de Chinesen waren alhier connen soecken 

Om voors eflFect te becomen, sullen vooreerst hier ontrent tegen 

ê 

d'Engelsen en anderen een goede vloot schepen moeten houden, te 
lande tegen de Javanen een sterck gamisoen en voorts om herwerts 
en derwerts te senden menichte van cleene jachten. Wy bidden 
UE. hiertoe alsulcke middelen te fumieren, dat dit eenige jaren on- 
derhouden mogen, soo zal Jacatra y de treffelycxste plaetse vangants 
Indien werden y en seer haest sal hier de stapel van de gantsche In- 
disen handel zyn; want de plaetse, daertoe seer wel gelegen en seer 

beqnaem is. . 

Alsoo niet seecker connen weten, wat d'Engelsen souden mogen 
resolveren, oft voornemen en dat wy beneden windt zynde, by 
haer niet comen connen, hebben lange gedelibereert, wat met de 
presente macht verrichten sullen , namentlyck off boven de vlote , 
die tegen d'Engelsen voor Bantam gehouden dient, in Banda sooveel 
macht byéén connen brengen, dat die bestant zy om Lontor aen te 
tasten en te onderstaen , off een eynde van den oorloch aldaer sullen 
connen maecken, dan off het Westermousson sullen laten verlopen 
en alle de schepen in 't begin van 't Oostermousson herwerts ont- 
bieden, omme dan, soo d'Engelsen interim niet comen, een vlote 



198 

nyt te maecken,. d^Engelsen te soecken en naer Mocca, Saratten en 
elders te senden off yets op Bantam te attenteren j waerop alsnoch 
door gebreck van volck niet hebben connen resolveren, vermits 
omtrent Bantam een goede vloot schepen dient te blyven en niet 
volck genoech in Banda byéén connen brengen, tensy dat derwerts 
oock meer schepen senden en die daer een mouson laten overblyven; 
twelck alsnoch niet wel geraden is, omdat het getal van schepen 
hier te seer verminderen sonde en den handel daemae op alle plaetseu 
niet sonden connen waememen. Schepen syn in Banda niet nodich, soo 
maer volck hadden, sonden welhaest een ejmde aen dien oorloch 

maecken 

Voor sooveel ons bekent is, syn d'Engelsen tegenwoordich , noch 
thien schepen hebbende, waerby zyluyden noch ses verwachten, die 
in April 1619 nyt Engelandt geseylt zyn, de twee in February 1619 
nytgelopen, genaempt den Beer en ie Sterre, hebben wy, Godt 
loff, becomen; doch met het volck van dese en d'andre schepen, 
snllen de voors. thien schepen, die seer swack van volck waren, 
zeer versterct werden. Tegen de voors. 16 schepen snllen wy ge- 
stadelyck een vlote moeten houden, tot dat d'overhant off van ÜEd. 

andere ordre becomen 

De Generale' Comp. en de Vereenichde Nederlanden doet ü Ed. 
veel te cort, dat (ÜE.) eenige jaren achter den anderen soo wey- 
nich schepen in Indien gesonden hebben. Hierdoor zyt gyl. oor- 
saecke, dat van d'Engelsen, Francen en Deenen soo zeer geqnelt 
werden en soo daerinne niet verslet, is te beduchten, datter noch 
meer van ü dienaren onder pretext van andere namen, dan Vrankryck 
Denemarcken en Lemairs suydervaart comen sullen. De Croone van 
Spangien bekent, dat se niet machtich zyn, om de Vereenichde Ne- 
derlanden nyt Indien te slaen, waerover notelyck met haer geit 
trachten moeten d'Indische vaert door d'Engelssen, Francen, Denen 
en andere meer te doen bederven. Hadde Leitiair wat langer en 
meerder hulpe door Berneve\^ becomen connen, misschien soude des 
vyandts listen, door de goede ingezetenen der Vereenichde Neder- 
landen selffs (menende wel te doen) de vereenigingen der Generale 
Comp. gebroocken hebben. Is het sooverre niet geweest , datter vele 
in de vroetschappen (soo blint als mollen wesende) met alle haer 
cracht ende gemoet gemaincteneert en gesustenteert hebben, tgene 



199 

daer onse gemeene vyandt (door Lemair) was nae trachtende. Door 
gebreck van schepen en volck comen ons alle dese swaricheden toe 
en noch meer, soo üEd. daerinne niet en versien, hebben te ver- 
wachten, want de vyandt mach niet rusten oflF zyn monarchie sonde 
haest vergaen; omdat U£d. van den Indischen staet en handel niet 
wel geinformeert zyn, zyt gyl. U selffs in den wech, jae een groote 
oorsaecke mach men seggen, dat de Generale Comp. door den vyandt 
met d'Engelsen, Francen, Deenen en Lemair soo gequelt wert. 
Hadden wy hier te synertydt menichte van schepen en geit gehadt, 
sy waren noyt sooverre gecom^n. Een schonen schyn schenen voort 
te brengen degene welcke in Lemairs faveur allegeerden, dat het 
beter ware, dat een yder uyt de Vereenichde Nederlanden naer 
Indien voere, dan dat men de vaert aen d'Engelsen, Francen, 
Denen en andere cederen souden. Maer de beste raedt bleeff achter , 
want alle andere middelen behoren eerst onderleyt te werden, eer 
men tot disperate resolutie come. 'T gene wy voor beteren raedt 
houden, om de welstant van de Generale Comp. te voirderen, d'in- 
gesetenen der Vereenichde Nederlanden, (die onder Lemair's name 
haer vordeel sochten) te contenteren en om d'Indische vaert aen de 
Spanjaerden, Portugesen, Engelsen, Francen, Denen, noch anderen 
niet te cederen, is dese: dat men soo sterck in de Generale Comp. 
laet comen als souden willen avontuyren, degenen welcke d'Indische 
vaert met Lemair om de suyt versochten. Dat de Generale Comp. 
soo sterck op Indien equipere, dat men te gelyck, niet alleen de 
macht van de Spangjaerden weder can staen, maer haren voor- 
neemsten handel belette, als namentlyck, den handel van Chincheu, 
op Manilha, den handel van Maccau, op Nangesacqui, Malacca en 
Goa, den handel van de Cust op Malacca en dat men voorcoome, 
datter weyniche Indische waren in Portugael gebracht werden. Item 
dat daer beneflFens, den inlantschen Indischen handel, op alle quar- 
tieren behoorlyck waergenomen werde en jaerlycx 10 k 12 schepen 
met goede retoeren naer 't vaderlandt senden mogen , soo sullen 
d'Engelsen, Francen, Denen en andere niet alleen geprevenieert 
werden, maer haer selven doodt loopen, gelyck sy in Europa doen, 
de Heeren sullen dan niet behoeven te vresen, waer soo groote 
retouren vertieren sonde, daertoe over eenige jaren tot den opcoop 
1200 m. E*», jaerlycx eyschten , want alle de werelt soud genootsaect 



200 . 

werden y die nyt de Vereenichde Nederlanden te trecken. Yermach 
de Oener. Comp. sooveel niet; worden UEd. van de participanten te 
Beer om d'nytdelinge geqnelt^ dat men den gront van de sake aen 
de Hoge en Mogende Heeren Staten-Generael, behoirl. verthone, 
opdat de gemene middelen, tegens de wercking en listen van de 
Spaense Grone gebrayct en de Comp. wat gesonlageert worde. In 
Indien heeft Spangien tegens de Gen. Comp. niet connen oerleven, 
wat sonde hy tegens de Vereenichde Nederlanden doen. Wie mainc- 
teneert Portngaels Indien? Is het niet de Coninck van Spangien? 
wie den handel der Vereenichde Nederlanden op Indien? Is het 
niet dnslange de Generale Comp. geweest? ergo, de Generale Comp. 
voert den oorloch voor de Vereenichde Nederlanden in Oost-Indien. 
Soo hierop geseyt wert, dat zy 't wel souden mogen laten en 't 
gemeyne landt tot zyn eygen bescherming ^enoech te doen heeft, 
repliceren hierop, dat de handel van Indien, sonder macht van 
wapenen, niet gemaincteneert can werden; noch de staet der Ver- 
eenichde Nederlanden sonder den handel van Indien, ende dat het 
beter zy, dat de Vereenichde Nederlanden, de schatten van Span- 
gien conqnesteren en den oorloch in Indien voeren, dan dat. op haer 
eygen smeer teeren en de Spanjaerden op haer frontieren verwachten. 
Soo de Heeren Staten in Europa geen oorlochschepen ter zee hiel- 
den, tot bescherminge van coopvaerdye, wat soude het worden, ins- 
gelycx is het met de vaert op Indien mede. Hierover besluyte: 
800 hare Hoge Mogende soo goede sorge voor de vaert op Indien niet 
en dragen, als de Coninck van Spangien, haren vyandt doet, dat 
de Vereenichde Nederlanden (die Godt behoede en zegene) niet 
bestaen zouden connen. Het schynt, dat de Coninck van Spangien 
nu stille is, syn volck in Indien weet oock niet beter, leggen hier 
als op haer sterven, kermen en cryten, dat van haren Heere soo 
verlaten syn; maer wy seggen UEd., dat de Coninck van Spangien, 
door d'Engelsen, Francen en Denen meer in Indien doet, danhy oyt 
gedaen heeft. Doch al soude de hulpe van 't gemeene landt noch wat 
tarderen , verliest daeromme de moet niet. Ontsiet de macht van Spangien 
evenwel niet, veel min d'ondercruypinge van d'Engelsen, Francen, Denen 
en anderen , noch ontrouwe van de mooren , jae oock geensins d'excessive 
grote lasten en de oncosten, maer equipeert (willende wel doen) jaer- 
lycx meer ende meer, gaet recht door zee, sonder yemant aen te sien. 



^01 

Sendt ons jaerlycx (bidden wy andermael om de gemene welstants 
wille) grote menichte van schepen , veel volck en een groote somme 
geit, 800 znllen U Ed. eerlange meester van den voomeemsten han- 
del van de gehele werelt wesen • . • Eenige 

treffelycke wel gemonteerde royale oorlochschepen , dienen in aller 
manieren met den eersten gesonden te werden, anders sullen weder- 
omme fieer verlegen raecken. Insgelycx mede veel cleene jachten 
en daerenboven sooveel schepen tot de retonren, als de Heeren 
jaerlycx retouren begeren. Item grote menichte van volck om Ja- 
catra te peupleren, aldaer gamisoen van 500 a 1003 coppen te 
mogen houden, alle de forten en schepen van Indien beter te ver- 
sien, want alle uytermate swack van volck zyn, gelyck de Heeren 
aen de overgesonden rollen connen sien. Het volck, dat noch hebben, 
is 800 slecht, dat d'Engelsen voor Ticco haer schaemden te sien, 
dat van een deel jongens overwonnen waren 

Om volck in 't landt te houden en de plaetse allenskens te peu- 
pleren, hebben hier veel volck, die haren tydt uytgedient hebben, 
vryheyt gegeven en, op ses maenden nae, afifbetaelt 

Om Jacatra, Amboyna, Banda, Batsian en andere plaetsen meer 
te peupleren ende veel weeshuysen der Vereenichde Nederlanden te 
ontlasten, gelieve ÜEd. herwerts te senden, grote menichte van 
jongens en insonderheyt meyskens, want die hier met clene oncosten 
onderhouden connen werden en de Generale Comp. daeraen te syner- 
tydt seer groten dienst geschieden zall , enz. , enz. 

In 't fort Jacatra, adij, 22 January, a^ 1620. 

ü Ed. Dienstw. 

J. P. COBK. 

P. D. Gabpektieb. 
Jacob Debel. 
Fbedebice Houtmak. 
Willem Jansz. 



202 

XXXVI. Db GorvEENEUB Generaal Jan Pietebsz. Coen bn 

Rade tan Indib aan bs Bewindhebbebs beb 

Genebale Oost-Ind. Comp. 

(Heeben XVII.) 

In 't fort Jakatra, 11 Mei 1620. 

D'ambassate voor desen gesonden na den Gouverneur van Kendael j 
wesende, wegens den Mattaram, Admirael van de zee, om de ver- 
loBsinge van d'onse, by den Mattaram gevangen zynde, te procu- 
reren, is van daer weder gekeert, met een missive van voors. Gou- 
verneur, daerinne ons, na hooffsche manieren, advyseert, dat het 
de Eeyser seer aengenaem was, wy om d'onse gesonden hadden. 
Hy begeerde geen rover van Nederlanders te wesen, haer sonde 

• 

niet misschien (misschieden) ; wilde se geeme loslaten en niet vercoopen , 
verruylen, noch vermangelen; doch sonde eerst bedencken , wat schade 
zylieden tot Japara geleden en hoevele van haer joncken vernielt en 
verbrant hadden. Onse gesandt met desen antwoort vertreckende , 
ontmoeten hem in de riviere seven van onse vrye lieden, welck 
met een cleen jonckien van Jacatra na Grissi vertreckende, door 
quaet weder in de bocht van Damma gestrandt waeren; alwaer van 
haer geit en goet berooft, gevadt en in 't landt van den Mattaram 
gevangen gebracht wierden. Een van de seven is door ongemack 
overleden, van d'andre ses hebben noch geen andre tydinge. 

D'arme onwetende hovaerdye is by die van den Mattaram uiter- 
mate groot. Geen vreemdelingen, tsy oock wie het soude mogen 
wesen, syn daer wel gésien, maer als beesten veracht en versmaet. 
By den Mattaram mach niemant comen, elcke Gouverneur doet wat 
hy wilt en regeert na syn sin. Van alle lyflFtochten is het landt 
uyttermate vruchtbaer, dan vermits de pracht en giericheyt van de 
groeten daermede qualick gevoet can worden, insonderheyt nu den 
handel op Malacca en Bantam moeten derven, berooft d'eene 
Gouverneur (nu het van vreemden niet connen crygen) d'ondersaten 
van d'andre ende met den rooff onderhouden haer in de goede 
gratie van den Keyser, alsoo de beste man is, die meest weet te 
geven, t'is even goet hoe daer aen comen. Wy meenden eerst, 
dat onse logie tot Japara, sonder ordre en weten van den Mattaram 



i03 

affgetoopen en beroofflfc was, te meer dewyle eenige oversten d'onse 
te kennen gaven, soo de viïentschap met haer continueeren wilden, 
dat te wege souden brengen de Gouverneur van Japara metter doot 
gestraft wierd, doch de tyt heeft wel anders geleert, want de voors. 
Gouverneur van Japara daerdoor in grooter aensien en eere by den 
Mataram geracet is , even alsoff een Romeyns stuck uytgerecht hadde. 
Dese Gouverneur is met 80 gewapende prauwen in Tuban geweest 
om onse loge in Grissi aff te loopen, dan alsoo daer recht op dat 
pas aenquam 't jacht de Neptunus , syn de vyanden weder gekeert. 
De spraecke gaet nu, dat de Mattaram hondert duysent mannen 

doet prepareren om ons daermede tot Jacatra aen te tasten 

Soo voortcomen sullen, haer getroost zyn, wy hebben opinie, dat 
dese geruchten uytgestroyt worden, om ons een vrede na haeren 
sin met hun te doen maecken, credit te soecken en dan yets met 
verraderye t'onderstaen , want niet geloven, dat met openbaer ge- 
welt beginnen sullen. 

De trouwherticheyt onser natie wort hier voor een groote slech- 
ticheyt gehouwen en de trouloosheyt deser mooren voor een groote 
cloecheyt; dese Irouloose cloeckheyt, heeft in d'Engelsen, in die van 
Bantam en Jacatra soo groeten vermetelheyt gebaert, dat daerdoor 
gevallen zyn , wat eynd d' Almogende de presumtieuse grootsheyt van 
den Mattaram gelieft te geven, sal den tyt leeren. 

Den 27^ Martio passato, is tot Jacatra wel aengecomen, een 
Engels schip, den Buil genaemt, waermede, tot onser allergrootste 
verwonderinge , door Jan Ëlandt (of Clandt?) ondercoopman, ont- 
fangen hebbe een gezegelde. dooze, daerinne twee missiven van ÜEd. 
Gedeputeerden, den 30 Julio 1619 uyt Londen geschreven, item copie 
Tan H contract met d* Engelsen gemaect, in 't frans met een Neder- 
lants translaet, copye van beraemde ordre op d* executie van 't con- 
tract in A'ans en nederlants en project tot redres van den handel 
tot Bantam y mede in beyde voors. taelen. 

Hoe prysselyck, eerlyck en Goddelyck een goede vrede en eenic- 
heyt zy, blyct alomme en is alle redelycke verstanden kennelyck, 
gelooft zy Godt, die alles ten goeden schickt en daertoe nimmermeer 
middelen gebreecken; doch het schynt, dat hier op wejoiich gedacht 
is, want was dit vertrouwen by ü Ed. geweest, de Heeren souden 
ons soo haestich met soo herden toom niet gebreydelt en soo vele 



204 

van haer rechtvaerdige conqnesten niet overgegeven hebben. Daer 
8yn^ al eenige die hiervoor vreesden , maer in 't minste hadden niet 
gedacht y dat men daerinne soo precipiteeren sonde, te meer dewyle 
de Heeren van Zeelandt met haer jonezte van 14 mayo advyseeren , 
soo de Coninek van Engelandt op zyn volck geen ordre stelde, datter 
geen aceoord gemaect zou worden. Heeft het U E. aen goede ad- 
vysen gebroocken, wildet ghy lieden die niet aensien, maer de dran^ 
van een cleenmoet en onredelycke vreese volgen, waerom heeft men 
snlcx niet geadvyseert, opdat ten proff^te van de Gomp. haer saecken 
daema hadden mogen beleyden; hoe is het zoo haest vergeten, dat 
U Ed. sesthien soo treflFelycke schepen cort te vooren nytgesonden 
hadden, heeft men gehaest om bloetstortinge voor te comen; Eere 
zy soo goede genegentheyt; waeren d'Engelsen meester hier gewor- 
den, t'is te duchten, dat U Ed. met haer haesten weynich geproffi- 
teerd souden hebben. Lachen d'Engelsen tot danckbaerheyt, soo is 
den arbeyt niet verlooren. Grooten danck zyn zy D Ed. schuldich, 
want hadden haer selven met recht uyt Indien geholpen en de Heeren 
hebben hun daer weder midden in geseth. Meenen zy 't recht en 
wel, 'tsal wel wesen, maer wederom quaet willende hebtghylieden, 
is het te duchten, 't serpent in den boesem geseth. Wy bekennen , 
dat het den knecht niet en roert, wat de meester doet, maer evenwel 
doet ons het gemeen gebreck, gelyck de zotten, spreecken, niet om 
dese vereeninge te bestraffen, want ons kennelyck is, hoeveele de 
staet der Vereenichde Nederlanden ten hoochsten aen de goede 
vrientschap, conespondentie en vereeninge van de Croone van Enge- 
landt gelegen is; maer U Ed. zyn, onder correctie, al te haestich 
geweest, ende waeromme d'Engelsen een derde van de nagelen , 
noten en foelye veigunt is, connen niet wel begrypen; niet één 
sandeken van het strandt hadden zy in de Molluccos, Amboyna, 
noch Bantam te pretendeeren. Ende soo met recht van oorloge iets 
begeerden; waerom slaen sy de Spangnaerden van Temate en Ti- 
dore niet ^ 



> De Gg. en Raad van Indie geven verder in dezen brief een verslag van hetgeen 
er tusschen de EDgelscben en Nederlanders is voorgevallen, hoe de tijding van den 
gesloten vrede is aangebragt en van beide zijden is opgenomen , de wederzydscbe 
vriendscbap hersteld is en de Baad van Defensie zitting heeft genomen. Vergel. 
verder, hierboven. Hoofdstuk IV. 



205 

Voor desen is üEd. geadvyseert boe een ambassate na den Coninck 
van Snrrabaye gesonden was, om denselven sooveel doenlyck tegen 
den Mattaram te belpén maynteneren en alle nootlyckbeden van daer 
te becomen. Wouter Henten heeft onse hnlpe te water gepresenteert. 
De hulpe was voor dien tyt niet van noode; doch d'onse syn soo 
wellecom, en de presentatie is soo aengenaem geweest, dat de Co- 
ninck belast heeft, dat alle joncken van bnyten comende, voor Orissy 
neffens onse logie anckeren, en niet verby na Jortan loopen, opdat 
d'onse te meer preferentie in den handel souden hebben. 

Ontrent 85 lasten peper hadden aireede gecocht en in 'tPostpaert, 
daermede zyn ruym vol was, gescheept, ende verhoopen noch on- 
trent 1500 picol te becomen Het verlies 

van Tuban heeft die van Surrebaye soo verslagen, dat apparent is, 
de Mattaram in haer stadt niet meer sullen durven verwachten. Soo 
dat de Mattaram aireede bykans soo verde in 't ooste van groot 
Java domineert, als feysen en vivres voeren connen. 'T en is oock 
geen wonder, want alsnoch geen vyanden syn gewelt hebben durven 
verwachten 

T'is seecker dat d'Engelssen voorgenomen hadden , een rendez-vous 
ontrent Bantam te stabilieeren , van den Pangoran hebben daertoe 
plaetse versocht, de groeten antwoorden, ten respecte van d'assisten- 
tie die d'Engelssen hen tegen ons aenboden en deden: Soo sonde ick 
de handt verliesen om een vinger te behouden. Par d'originele 
schriftelycke acte door ons verovert, blyct hoe geresolveert waeren, 
op een van d'eylanden in de straet Sonda, een fort te maecken, en 
wat daermede voorhadden. Wy sien per contract door UEd. met 
d'Engelse Comp. gemaect, hoe daerover questie gemoveert is, en die 
tot naerder kennisse van saecken, voor twee k drie jaeren, in sur- 
ceance blyven zal. T'is nu soo, dat het d'Engelssen gemist is, en 
wy, door Gods genade, becomen hebben de plaetse en 't landt van 
Jacatra, welck de beste en beqnaemste tot een generale rendez-vous 

en om die van Bantam in toom te houden, van Indien is 

D'Engelssen zyn genootsaect tot Jacatra neder 

te slaen, fis een superbe natie, die veel pretendeert, en wy syn 
geensints van meeninghe, andre authoriteyt dan die de Hooge Mo- 
gende Heeren, Staten-Generael , zyn Prinselycke Excel*»® en ÜEd. 
ons gegeven hebben , in 't landt van Jacatra te gedogen 



206 

Den 24 april is tot Jacatra d'eerste Chineesse joncke van Chin- 
cheu aengecomen, doch brengt niet dan slechte Javaense waren. Op 
syn vertreck lach er noch een in ladinge om recht' door na Jacatra 
te vaeren, dan hebben hem noch niet vernomen. Door de compste 
van dese joncken hoopen te wege te brengen , datter 't naeste jaer 
veel met rycke Chineesse waeren comen sullen 

Wie en weet niet, dat het menschelyc geslacht sonder vrouwen 
niet bestaen can, nochtans schynt het, dat UËd. souder die,colonie 
begeeren geplant te hebben. Om 't gebreck te repareren, hebben 
hier financie gesocht, en veel vrouwen hier doen coopen. Maer ge- 
lyck de heeren voor dese, niet dan schuym van den lande souden, 
alsoo schynt het , wil men ons hier mede niet dan schuym vercoopen , 
want verscheyden cloecke quanten door de vrouwen vergeven zyn, 
waerover eenigen met een streng recht hebben moeten straffen. Sul- 
len wy om de boose, naerlaten goede te soecken, gelyck het schynt 
ghylieden doet. sal men ten lesten geheel uytsterven moeten? Hier- 
over versoecken, soo 'UEd. geen eerlycke getroude lieden becomen 
connen, niet naer te laten, onderjaerige jonge meyskens te senden, 
alsoo verhoopen dat het daermede beter dan met de bedaechde we- 
sen sal. 

Dusverre geschreven zynde, hebben tydinge van onse schepen , voor 
Bantam leggende, gecregen, hoe schandelycken het schip de Zuyder- 
Eendracht en veel van ons volck verzuymt en verongeluckt zyn. ^ 

Voor 't fort Jacatra gelieve UEd. te zenden, eenige heele carton- 
wen, slangen oft ander geschut, daermede snel geschooten en groot 
gewelt gedaen can worden. De plaetse hebben tot noch toe, geen 
andre naem gegeven, maer sulcx tot UEd. dispositie uytgestelt. Der- 
halven gelieven de Heeren daerover te disponeren. Met het schip 
Delff, heb ick voor dese, myne verlossinge versocht, en alsnu den 
raedt wederomme verthoont, dat niet gesint ben, langer dan toeco- 
mende jaer 1621 te continueren , en vastelycken voorgenomen hebbe , 



* pit schip viel, tenvijl het voor Baittam geankerd lag , om , eu werd des uachts door 
60 Bantamsche prauwon overvallen, met veel verlies van de onzen. Was het de Ne- 
mesis, die dit onbillijk verkregen schip van Lemaire weder aan de handen der Comp. 
ontrokte? 



207 

alsdan met Godes hulpe , naer 't vaderlant te keeren. Derhalven 
sullen üEd. gelieven daerop ordre te stellen, enz. 
In 't fort Jaéatra, adij 11 Mayo, a^ 1620. 

(get.) J. P. CoEN, P. D. Cabpentiee, Willem Jaitsz., 

Jacob Dedel. 



XXXVn. De Goitvbbneue Genebaal Jan Pietebsz. Coen en 

BABE VAN InDIE, AAN DE BeWINDHEBBEBS BEB GeNEB. 

Oost-Ind. Comp. (Heeeen XVII.) 

In het fort Jakatra, 31 July 1620. 

Volgens onse order in den Arendt op Baly aengeweest, heeft daer 
een coopman met eenich volck gelaten om rys, beesten, provisienen 
vrouwen van daer te becomen; d'onse syn soo wellecom als voor 
dese niet geweest, het schynt dat daer, door eenige van onse vy- 
anden wat leelyek affgeschildert zyn, jae soo, dat de Coninck van 
Baly seer jeloers van onser comste was, even als off op hem iets 
souden willen attenteren, niettegenstaende d'assistentie van twee 
schepen, tegen de Macassaren en seeckre rebellen versoect, niet dan 
14 vrouwen heeft de coopman, Hans van Heldert, van daer geson- 
den, en is evenwel op Baly gebleven, waerover in passant deplaetse 

weder sullen laten aendoen, om 't volck te lichten, 

(nadat Gouverneur Gen. en raden , nogmaels in hunnen brief hebben 
aengedrongen op toezending van getrouwde lieden en eerbare vrouwen , 
tot het stichten eener kolonie , gaen zy verder in dezen brief over 
tot de beschryving van de stad Jacatra). 

T'is wonder om te sien, hoeseer Jacatra in corten tyt van volck toe- 
genomen is, niettegenstaende den oorloch met Bantam en die van den 
Mattaram continueert. Met vrye lieden, Malleyen, Clingen, vrouwen, 
kinderen, slaven, ambachtslieden en 't gamisoen van 't fort, achten 
dat ontrent twee duysent zielen stercq zyn. Met deChineessejoncken 
die hier geweest is, syn drie hondert Chinesen vertrocken. Wy heb- 
ben se vry en vranck laten gaen, want voor seecker houden, dat 
daertegen toecomende jaer , wel 1500 andre van China keeren sullen. 
Niettegenstaende dat hier airede veel arbeyders zyn, en de vivres 
tot noch toe, redelyccoop zyn geweest, is den arbeyt zoo diere, dat 



i08 ' 

niemaat. om een halve reael van achten , daechs wil werken. De 
timmerlayden y metselaers, visschers, cleermaeckers en veel andre 
ambachtslieden, die ietwat doen willen, connen déA daechs, yder 
man, een reael van achten, ja somtyts 1^ en meer verdienen. Hier- 
entegen hebben wy de borgerye, coopmanschap , noch geenige din- 
gen, tot na toe niet belast, dan alleen party e Chinesen, welckevoor 
dese, met goede bewillinge, in 't nieuwe fort, op haer cdsten ge- 
maeckt hebben een aerde walle van 975 cabicque vadems groot. 
Door de grootte van 't nieuwe begonnen werck, als oock, dat veel 
dingen teffens moeten doen, gaet de fortificatie seer traech voort; 
om metzelaers en timmerlieden zyn seer verlegen. Het groote nieuwe 
bolwerck is noch niet hooger dan 13 voet, niet meer dan 7 Neder- 
landsche metselaers syn daeraen werckende, welcke tusschen tyde 
oock nieuwe huysen moeten maecken, daeraen de Heeren affineten 
connen, hoe met het werck gequelt blyven. 

T'is d'Ëngelssen een uytdermete groote last, spyt en verdriet, dat 
genootsaect syn hier te lande onder ons gerecht en heerschappye te 
moeten resideeren, sy die voor deesen uytgaven, dat wy haere slaven 
waren, pogende sulcx te bewysen aen d'eer en respect, welcke haere 
hoochmoedige pracht van d'onse toegedragen wierd ; veel ommewegen 
hebben sy gebruyct om met behendicheyt, sonder licentie van ons 
te versoecken, onder een schoonen schyn een fort te bouwen en ons 
t' ontrecken een goet deel van 't gebiet en recht, soo over d'in- 
woonderen en ondersaten als over de moetwille van haer volck. De 
helfte van 't fort souden se gaeme hebben en daerenboven alsulcken 
gerieff van 't landt (sonder ons te willen kennen) als d'eygen Heeren 
alleen toecompt. In 't eersten claechden d'Ëngelssen seer verlegen 
te wesen met haer goederen, die zy seyden in de schepen bedurven 
en nootlyck gelost mosten worden. Hierop hebben haer verthoont, 
hoe onse oude huysinge beset en wy besich waeren met nieuwe te 
bouwen, dat mede alsoo mosten doen, waertoe plaetse en hulpe 
presenteerden; sy antwoorden, dat eenige rieden huysen van de 
Chineese huyren souden, en hun by provisie daerin behelpen tot 
dat ordre van haer meesters bequamen, alsoo die, na haer gissinge, 
wel souden resolveeren en met onse meesters accorderen, de halve 
last van 't garnesoen en fort te dragen, om daer binnen gesament- 
lyck met ons te woonen, versoeckende alleene een cleen plaetskea 



209 

in ons packhuys om haer gélt daer te mogen bergen, welck haer 

vergunt is Na huysinge in de 

nienwe stadt hebben haer helpen soecken, maer daer en was niet 
daer hnn behelpen oosten, ja oock niet in een groot gebonw, welck 
begost wierd om tot een stadthnys en kereke te gebmycken. Gaven 
toen nyt, dat een hnys souden bouwen op haer oude plaetse , hierop 
wiert geantwoort, (alsoo dese plaetse te nae aen de zee en ons fort 
leyt) dat die van onse prauwen en timmerlieden beseth was, en 
daerover niet conden derven, Wy sullen dan (seyden daema) op die 
hooehte een huysken bouwen, wysende een seeckere plaetse, leg- 
gende aen de westzyde van de riviere, binnen doel van een mosquet 
schoot, van ons nieuwe fort, daerop gelegen heeft het voomeemste 
bolwerck van den Coninck van Jacatra. Ënde alsoo ons dochte dit 
te nae aen 't fort was, hebben haer die plaetse mede met beleeft- 
heyt ontseyt, een ander beter en bequamer presenterende, doch 
ontrent een steenworp verder op de riviere gelegen. Hierover be- 
claechden haer zeer, dat (wy) hun niet vertrouwden , dat het te verde 
de rivier op was te vaeren, dat het daer te periculeus was, en van 
de Javanen overvallen souden worden, wy presenteerden hun daer- 
voor te verseeckeren en oock bequame plaetse om binnen ons nieuw 
fort een goet huys te bouwen. Ja voor een man vier off vyff zeyden 
zy, voor sooveele (wierd daerop geantwoort) als tot verseeckeringe 
en berginge van ü goederen met een weynich volck van noode is; 
want twee hooffden op één lichaem niet wel souden passen. Ten 
lesten hebben zy op d'aengewesen erve eenige rieden huysen begost, 
gelyck mede een steenen packhuys met bovenwoning; lanck 90 voe- 
ten en wyt 29 binnen de mueren, behalve de galderye, doch sonder 
bepaling van erve, waerop haer gedrongen hebben aen te dienen, 
wat van jerve begeerdeft. Hierop versochten een plaetse van 300 
voeten in 't viercant groot, welcke haer geaccordeert en affgeteeckent 

is Dusverde gecomen synde, lieten 

d'Ëngelse verluyden, dat haer plaetse met cocusboomen rontsomme 
souden besetten met uytsteecken^e hoecken, om hun voor aenloop 
van Javanen te mogen diffenderen; wy hebben haer aengedient, dat 
sulcx niet toestaen mogen, en daertoe licentie van d'Ed. Hooge 
Mogende Heeren Staten-Oenerael der Vereen. Nederl. souden moeten 
versoecken. D'Engelssen op voors. maniere aen de westzyde van de 
IV. 14 



210 

riviere in d'oude stadt Jacatra aent bouwen wesende, ter plaetse 
daer noch geen andre hnysen staen, hebben daer (onder pretext dat 
anders yan de Javanen souden mogen overvallen worden) ontrent 30 
soldaten met een trom en voUe wapenen aen landt gebracht, daer 
een cordegarde houden; even als of neffens d'onse in gamesoen 
lagen. Omdat hun pretext eenige apparentie heeft, wert sulx voor 
dees tyt gesimuleert, maer wy sullen niet laten haer voorder disseyn 
naer behooren voor te comen. Groote moetwille en insolentie is hier 
van eenige van 't gemene volck van d'Engelsen, soo droncken als 
nochteren synde gepleecht, geen respect wilden zy aen d'officieren 

van 't fort en de stadt dragen Nadat 

verscheyden faulten ongestraft gebleven waren, vermits 't U3^erste 
recht altoos niet gedaen dient, is 't gebeurt, dat de soldaten van 
d'Ëngelssen tegen haren bottelier murmureerden, dat haer quaden 
aracq uytdeelde. .De bottelier heeft hierop den Chinees, daervanhy 
den aracq gecocht had, met behendicheyt in haer huys ontboden, 

aldaer gevadt en gebonden de bottelier deed 

hem met rottang geesselen, en zeyde, gaet, claecht het de Generael 
van de Nederlanders, ende seght dat iok het gedaen heb. De Chi- 
nees is d'ordre naergecomen, de teyckenen toonende. Hierop is de 
bottelier van d'Ëngelssen voor recht geroepen, en van den raedt 
gevraecht, waeromme de Chinees soo qualick getracteei-t, en off wel 
wist, hoe seer hem daerinne tegen d'overheyt vant landt misgrepen 
hadde. Hy antwoorde dat hier te lande geen ander overhe3rt kende 
dan synen president, en dat de Chinees recht gedaen hadde, omdat 
den aracq met water gemengt was. Om voorderen quae inbreuck voor 
te comen, en 't gerechte te meynteneren, is voors. bottelier door 
den raedt gecondemneert, publyckelyck gegeselt te worden, gelyck 
hy de Chinees gedaen hadde, wy hebben de sententie geapprobeert 
en d'executie laten doen. D'overhoofden van d'Ëngelssen hebben 
hun hierover uytdermate seer ontstelt en beclaecht, seggende onder 
veel andre redenen meer^, dat de Maj^ van Engelandt en d'Eogelsse 
natie, een seer groote schande aengedaen waere; daerop hun met alle 
beleeftheyt aengedient is , hoeveel moetwille van hun volck ongestraft 
gebleven was, dat voors. misdaet niet hadden kunnen simuleeren, 
omdat onse hoochste overheyt daeraen vercort was, en geen ander I 
rechters dan die van de Hooge Müg^de. Beeacm Stfikn-Omfrael in 



211 

't landt gedogen mochtm Wy hebben niet 

connen naerlaten het voors. te dechiffreeren, even gelyck alles ge- 
passeert is, opdat de Heeren kennelyck worde , (soo het per avon- 
tnyre niet en weten) wat de pretentie en intentie, van dehoochmoe- 
dige Engelssen zy. Waeren zy meester , de Nederlanders souden wel- 
hoest uyt Indien wesen; moer de Heere zy h/f, die liet anders ver- 
sieu heeft. Tis voorwaei' een onverdraechelycke natie, UEd, zy ten 
alderhoochsten gerecommandeert , in 't mifiste geen deel van des Comp'. 
recht y lantj forten off plaetsen, oen d' Engelssen toe te staen, veel 
miuj dat daer gamesoen houden ^ eenige stercte ofte forten houwen j 
want soo ^ Engelssen daertoe comeUy sal d'Indissche staet van de 
Generale Comji^ der Ver. NederL niet lange hestaen en Hvolck mal- 
kafideren vermoorden. De Chinesen waerschouwen ons mede, de be- 
ginselen tegen te staeny seggende: dat anders de goetrondige eenvout 
van de Nederlanders j tegen d*arge trouwloosheyt van d* Engelssen niet 
bestaen can* 

UEd. ^ gelieve aldaer met den aldereersten met d'Engelsse Comp. 
over den handel tot Bantam te verdragen, gelyck mede aengaende 
de Chineesse en andre handel tot Jacatra, mits ons daervan wat 
haestieh advys gevende, alsoock wat rechten, wetten en tollen tot 
Jacatra begeeren gestatueert te hebben. Daer en is niet dat Bantam 
breydelen en wet stelle sal dan Jacatra. D'Engelsse laten ons oock 
met Bantam gewerden, sonder hun de saecken aen te trecken. De 
goede man willen zy overal spelen, en de vrachten met ons deylen. 
Sy hadden in 't eerst twee schepen neffens d'onse voor Bantam ge- 
leyt, maer syn cort daema vertrocken, en hebben se elders tot 
haeren dienst gebmyct. Jaer en dach hebben wy nn schepen voor 
Bantam gebonden , en daerenjiïoven een vloot van 12 prauwen , opheb- 
bende 156 mannen, daermede omtrent 50 mannen verlooren hebben, 
en 200 van den vyandt soo gevangen als verslagen zyn. De slapheyt 
van d'Engelssen tegen Bantam, maect ons mede vry wat coelder, 
dan anders wel souden geweest zyn, Bantam laet ons tot Jacatra 
sitten, en wy hem tot Bantam, sonder dat d'een offd'andert'nyterste 
gewelt doet Cleene tronpen van 10, 20 a 50 man, hebben zy tot 
verscheyden reysen, in 't landt omtrent Jacatra gesonden, om 't bos 
QQTeyl te maken, welcke in verscheyden reysen vyff Clunesen en 3 
baotgesellen verrast en dootgeslagen hebben, waertegen d'onse eens 



5512 

een troupe van omtrent 50 moeskoppers verrast en haer hun geweer 
on^aecht hebben, doch lieten maer een hooft achter, want d'onsen 
veel te cloeck in 't loopen zyn 

Wy sullen niet laten t'accoort met d'Engelssen te onderhou- 
den, UEd. gerechtichejrt te conserveren, de forten te verseecke- 
ren, en voor te comen, voor sooveele doenlyck is, dat in geenen 
deele door d'Engelsen werden vercloect, tot desen eynde en onime 
te verwinnen de schade, van een derde van den handel van de 
MoUucques, Amboyna en Banda (welcke tegen recht en reden 
om vredes wille aen d'Engelssen ingemympt is) hebben op ver- 
scheyden plaetsen goede ordre gegeven. D'Engelsen souden gaeme 
overal nevens ons sitten, en alle negotie egael deylen, maer 
't en dient niet te wesen, doch soo de weygeringe hiervan gelycken 
onlust causeert als d'uytweeringhe van de MoUuccos deed (ge- 
lyck apparent is dat metter tyt wel soud mogen geschieden) waer 
sal dan (bidde ick) de vrede blyven, die UEd. soo diere gecocht 
hebben. 

T'is seer goet en noodich dat UEd. tot Jacatra houde een game- 
soen van duysent coppen, te weten, 700 soldaten en 300 bootsge- 
sellen, niet om de plaetse alleen te bewaren, maer om een goet deel 
van 't omleggende landt veyl, en naestgelegen Coninckrycken in 
toom te houden, item om een vloote cleen vaertuygh ter zee te 
brengen, den stapel van alle d'inlantsche handel die tot Bantam, 
Japara, Jamby en Jortan plach te wesen, met hulp van de Chine- 
sen alhier te stabilieren en houden, welcke seer veel importeert, 
licht doen connen en ons airede aengeboden wort, item omme met cleen 
vaertuych vergeselschapt met eenige schepen , den handel van die van 
Mallacca te verhinderen, en mede t'onswaert te trecken, gelyckmede 
omme in tyden van noot, alle forten, schepen en plaetsen, van hier 
met volck te mogen seconderen, derhalve willen UEd. op 'thoochste 
gerecommandeert en gebeden hebben, sooveel volck te senden, dat 
Jacatra, boven den eysch van de MoUuques, Amboyna, Banda en 
alle schepen, welcke uytdermate qualick van volck versien zyn, 
met duysent coppen geprovideert mach worden. Ontsiet d'oncoaten 
niet, sy suUen wel rijckelyck weder incomen, en misschien eerlange 
tot Jacatra selfs gevonden worden. Siet toe, dat d'Engelssen UEd.. 
geen voordeel meer aff en doen, geeft goede advysen gelooff, hebt 



215 

wat gedult, en vertrouwt d' Almogende Godt, soo sal U niemandt 
deeren 

J. P. COBN. 

P. D. CjLBPENTIEB. 

J. Dedel. 
Mabtintts Sonck. 



XXXVIII. De GoTTVEBNErB Generaal en Rade tan Indie aan 
3)E Bewindhebbees deb Geneb. Oost-Ind. Comp. 

(Heeben XVII.) 

dd. Jacatra, 26 October 1620. 
Edele Emtfeste, enz. 

Met de schepen, enz 

T'en sonde niet quaet wesen, dat aen de Caep een fort ende 
colonie geplant wierde, maer dewyle U Ed. dnslange versnympt 
hebben ende met geen redenen te bewegen syn, omme colonie te 
planten ter plaetse daer d'alderrycxte vruchten van de werelt wassen , 
de landen, ü eygen, gesondt ende vruchtbaer syn, hoe sonde men 
connen geloven, dat U Ed. door goede stabile redenen tot soo een 
disseyn gemoveert worden, 't voornemen is niet te misprysen, maer 
waeromme hebben U Ed. duslange in Amboyna ende Banda geen 
colonie geplant, op de geconquesteerde eylanden in Banda gaen de 
nooten ende foelie verlooren, daer en is niet volck genoech om die 
te plucken, d'onse souden 't soowel als de Bandanesen connen doen. 
Amboyna is uytdermaeten goet ende bequaem om colonie te planten 
ende dit sonde de rechte middel wesen om de Comp. van de jaer- 
Ijxe groote excessive oncosten te ontlasten ende haer van die landen 
te verseeckeren , ende diesniettegenstaende zyt ghylieden daertoe 
niet te bewegen. Jaccatra laet hem soo aensien, dat het (soo den 
eysch behoorlyck voldaen wort) Malacca ende Goa eerlange wel 
soud mogen passeeren, hier moet vooral een treffelycke colonie ge- 
plant worden, zeer veele van d'onse syn daertoe genegen, waeren 
hier maer vrouwen, de stapel van dlndische negotie was Uwe, 
Bantam is die quyt, Mallacca was mede te niet ende Goa soud van 
de teeringe soo verswacken , dat tegens synne vyanden niet en soud 
connen bestaen. Hierover recommandere U Ed. niet alleene een fort 
ende colonie aen de Caep de Bona Esperance te planten, maer 



214 

insonderheyt tot Jacatra, Amboyna ende Banda, mannen, vrouwen 
ende kinderen dienen daertoe expresselyck met groote menichite ge- 
sonden, met d'ongeregelde can sulcx niet wel gedaen worden, laet 
die haer geit verteeren ende gebruict hun daertoe van Godt geor- 
donneert zyn, wie can den exter t' hippelen verbieden, even alsoo 
qualick can de natuyr van de mensche verandert worden; 't is oock 
niet noodich ende een groot misverstandt, dat men sulcx onderstae 
ende den staet van de Yereenichde Nederlanden in Indien daerdoor 
verachtere, want in de Vereenichde Nederlanden (Godt loff) geen 
volck gebreect; zyn de goede vreedsamige niet genegen hier te comen, 
t'is een misverstandt, doet haer beter onderrechten, verweet de lust 
met profitabile medecynen , sendt jongens ende alle de jonge meys- 
kens uyt de goodtshuysen van de Vereenichde Nederlanden, laet 
het de Compagnie off de Staet van 't landt een groot stuck gelts 
costen, t'en sal haer niet rouwen ende wel hondertvout- weder in- 

comen 

Hebben geerne verstaen, dat U Ed. mede goetvinden de generale 
rendez-vous tot Jacatra te stabileeren; met de gevangen Javanen 
ende goede pertye Chinesen syn daermede besich, doch door gebreck 
van materiaelen, hout, steen ende calck gaet het werck (ten aen- 
sien van de grootheyt) traech voort, de gront verachtert ons nlede 
seer, meer aerde isser van noode om de grondt uyt de moras te 
hoogen, dan tot wallen off bolwercken ; van ons eygen volck hebben 
weynich hulpe, gebruycken geen dan van eenige scheepen, die hier 
nootlyck na last ende bequaeme tyt moeten wachten, opdat hier 
geen schepen onnuttelyck souden leggen, ende in den handel ende 

tot affbreuck van vyanden niet versuymen. Het nieuwe begonnen 

I 

bolwerck, synde in de circonferentie 641 voeten groot, is 18 voeten 
hooch ende meest met aerde gevult, wy meenen daerop eerlange 
volck ende geschut te leggen; dit bolwerck sal vry wat beter wesen 
dan 't geheele oude fort, verhoopen dat het rendez-vous met der 
tyt, sonder beswaringe van de Compagnie, voltrocken worden zal. 
De limiten ende 't gebiet vant fort houden wy in 't oosten tot 
aen 't landt van Cheribon, int westen tot de limiten van Bantam, 
int noorden over d'eylanden ende int zuyden tot de Zuyderzee; 
verscheyde schoone rivieren syn in voors. limiten van Jacatra leg- 
gende, ende sal daerinne geen andre superieur dan de Doorluchtige 



iiii 

Hooch Moogende Heeren Staten-Generael der Vereenichde Neder-: 
landen erkent worden , 

Wat aengaet de Chineesse handel, houden voor seecker (ah U 
Ed. maer geit genoch senden) dat die wel haest tot Jacatra in boo 
goeden fleur becomen sullen als oyt in Manilla geweest is; het 
schynt dat de stapel van alle inlanschen handel seer hart na Ja- 
catra inclineerty den oorloch met de Mattaram ende Bantam is daertoe 
seer vorderende, om den handel niet t'eenemael te verliesen, staen 
die van den Mattaram seer hart na vrede, Bantam hout hem still 
vermits geen raedt tot synne sieckte weet, meene oock* dat die in* 
curabel is. Nu is het de rechte tyt dat U Ed. herwarts an be- 
hooren te senden groote menichte van scheepen, volck ende geit 
Aen de Chineesse handel in Patany, Ligor, Cochin-China ende 
elders suUen na vermogen de handt houden, tot dat die tot Jacatra 
volcomentiyck gestabileert zy. 

Dat ü Ed. ons recommanderen de saecken van Bantam alsoo te 
beleyden dat de jonge Coninck in rechte besit van syn ryok ge- 
raeckt, de Pangoran Gouverneur gestraft ende onse voorgaende schaede 
met preminentie ende immuniteyten in den handel geremunereert 
werde, is seer wel'geseyt, maer wie isser die daertoe raedt weet; 
dese lieden en syn in diervougen niet te vercloucken zy hebben over 
lange jaren gesien tgene by ons noyt gedocht was, ende soo de 
mensch tegen de schickinge Godts iets vermocht, wy soudent gedaen 
hebben. De jonge Coninck, de Pangoran Gouverneur ende alle de 
groeten van Bantam syn het eens, de verscheyde personagie welck 
voor dese gespeelt hebben, syn laegen geweest om ons t'abuzeeren; 
't waere oock geschiet, soo ons d'almachtighe Godt niet wonder- 
baerlycken geholpen ende beboet hadde. Terwyle wy met dl vloote 
na Amboyna geretireert waeren, hebben d'Engelsche gesocht (gelyck 
U Ed. raeden) met de jonge Coninck accoort te maecken ende de 
Pangoran te verwerpen, maer 't was al verlooren moeyten, ende 
piek in 't vier. Waerom soud Bantam de Pangoran verwerpen, want 
de Coninck ende groeten begeeren 't ryck niet anders gegouvemeert 
te hebben dan hy doet. Aldus dooien de werelüycke wysen in haer 
wysheyt, soo ü Ed. vervolgen, als begost hebben, (gelyck wy vol- 
comentiyck vertrouwen) is Bantam geruineert ende sal Jaccatra flo- 
reeren, 't sy oock hoe het die van Bantam aenleggen, sy meenen 



216 

• 

ons te verdnyren, maer ick vertrouwe dat het langst herden, ende 
sy noch blyt wesen sollen, dat haere peper tot Jacatra gebracht 

ende aen ons gelevert worde 

Volgens U Ed. bevel sullen niét naerlaeten goede yrientschap 
ende correspondentie met d'Engelsse natie te honden, om de goede 
genegentheyt ende affectie tnsschen de natie weder te vernieuwen 
ende doen floreren , mits het recht ende voordeel van de Vereenichde 
Compagnie met discretie, beleeftheyt ende voorsigtigheyt mayntene- 
rende; verhoopen oock voor te comen, dat in d'interpretatie ende prac- 
tycke van de conditie niet vercloeckt sullen werden, doch U Ed. 
gelieven te considereeren met wie wy te doen hebben, maect des 
moeders sachtigheyt de kinderen dertel ende stout, wat sal dan de 
goetaerdige eenvout van de Nederlanders in de quaetwillige baeren. 
Van eersten aff nadat de tydinge van U Ed. accoórt becomen had 
den, hebben wy d'Engelsse natie seer minnelyck beyegent, alle 
behoorlycke eer ende deucht bewesen, sy naement aen, presume- 
rende, dat het haer toequam. Wt dese hoveerdige presumtie, pre- 
tendeerden zy de helft van 't Coninckryck van Jacatra ende soo 
groeten gesach op d'een zyde van de riviere als wy op d'andere; 
item dat niet gehouden waeren Heere vant landt te kennen, namen 
voor een fort ende hnysen te bouwen, daer 't hun best geraden 
docht ; dit most . haer immers ontseyt worden ende doen wy sulcx 
deden, de groote moetwillicheyt van haer volck straffende, was het 
weder maethoudt. Men claechde dat haer niet en vertrouwden, 
datter voor haer geen recht en was, dat hun niet wilden laten ver- 
stercken, opdat alle te samen by nacht van de Javaenen den bals 
affgesneden souden worden, dan wy sochten haer slaven van alle 
de wei%lt te maecken, jae, dat de Maj^ van Engelandt schandelycke 
oneer aendoen, als een moetwillighe Engelsman door ons gestraft 
wort, presumeerende yder van hun te representeeren de persoon van 
Haere Conincklycke Majesteyt. Alsoo van d'oflScier aengesproocken 
wierden omdat tegen ordre vant publiek placcaet sonder licentie 
hout gehaelt hadden, syn daeruyt hooge woorden ontstaen; wtt 
crachte vant contract pretendeeren zy, dat het haer soo vry staet 
als ons hout te haelen, daert hun belieft, dat wy het hun soowel 
moeten vraegen , als sy ons , soo het contract wilden breecken ende 
haer tot slaeven maecken, zy souden doen tgene de Generael be- 



217 

• 

geerde, conden maer een-Heere dienen, ende wilden geen officieren 
van 't fort, stadt off landt erkennen. Op alle dese onredelycheden 
syn wy gedrongen geworden ijiet hooge woorden herder nyt te vaeren 
dan onsen aert medebrengt', hebben haer aengeseyt, dat alle- offi- 
cieren elck in syn graet begeerden erkent te hebben, dat geen 
moetwille, noch insolentie van haer volck ongestraft costen laeten, 
maer recht ende justitie administireeren sonden , stont het haer niet 
aen, mochten vertrecken ende gaen daer van daen qnamen. Hierop 
claechden, dat haer met soeticheyt ingeleyt hadde ende nu vast 
saetten, onse bitterheit openbaerden, maer byaldien sooveel oncosten 
niet gedaen hadden, souden welhaest vertrecken. Hiervan sullen 
misschien wonderlycke dachten gedaen worden, doch als d'antwoort 
vereyscht wort sal die gereet wesen; het schynt dat met goet doen 
niet voldoen conncn, al crakende sal de wagen voortgaen totdat hy 
int rechte spoor zy. T'en is geen wonder, dat het d'Engelsse 
hart valt in Indien te woonen daer wy 't hoochste gebiet hebben, 
derhalve sullen oock niet naerlaten met goeden lanckmoet behoorlycke 
discretie te gebruycken om d'onlust van onse vrienden sooveele 
mogelyck is te versoeten ende allenskens na behooren te gewennen. 

Die van de Mattaram hebben op verscheyde manieren behendelyck 
onderleyt om ons na vreede te doen staen, ende daerdoor tot accoort 
na haer welgevallen te brengen. Eerst meenden ons door ophoudinge van 
rys ende andre provisie daertoe te dringen, dan vernemende dat wy 
daertegen al versien hadden, hebben gedreycht ons fort Jacatra met 
drie hondert duysent mannen aen te tasten ende sien dat daervoor 
niet bevreest, maer hun wel getroost waeren, is onderleyt om ons 
te bewegen, dat eenige ambassate na den Mattaram soude senden, 
twelck by ons oock affgeslagen synde, hebben die van den Mattaram 
eyntlyck uyt haer selven ses van d'onse, by haer gevangen, hier 
gebracht, met toesegginge dat d'andre mede relasscheren sullen, 
opdat hier interim vryelyck souden mogen handelen, gelyck nu 
doende zyn. Sy hadden gaeme dat weder eene factorie tot Japara 
stabileerden om een goet onderpant te hebben, maer 't en is niet 
geraden; de Mattaram waere met onse hulpe gaeme meester van 
Surrobaya ende Bantam, gelyck de Heeren per nevensgaende mis- 
siven connen sien. Jaccatra, meen ick, soude hem mede wel aen- 



218 

8taen, gelyck dese Mattaram, alsoo dienen Bantam met lanckmoet 
ende patientie mede te verdnyren. T'is lange geleden dat door 
d'Ëngelsse haer schip de Pepercom na Japara gesonden wierd om 
rys ende andre provisie te beoomen; sy syn daer lange met schoone 
praetjens onderhouden geweest, ende ten lesten met seer weynich 
rys ende andre provisie weder hier gekeert 

Met onse voorgaende is geadviseert, hoe hier tot die tyt toe geen 
tollen, noch rechten opgerecht waeren, dat de burgerye oock niet 
beswaert hadden dan met het maecken van seeckere aerdewallen op 
haere costen; naderhandt hebben de Chinesen opgeleyt het groote 
nieuwe bolwerck met aerde aen te vallen, hun tot soulagement 1600 
realen van 8» lovende, doch alsoó 't werck, soo ons dochte, niet 
genoech voortginck ende veel Chinesen met meerder gemack beter 
proffyt wisten te doen, hebben ontlastinge vant werck versocht, 
presenteerende een somma geit te contribueeren, daermede twérck 
aen goetwillige besteeden mochten. Wy syn verdragen, dat yder 
daervoor 1^ reael van 8n ter maent geven sal, twelck van prima 
deser ingegaen is. 811 Chineessen contribuanten hebben haer selven 
verthoont ende voors. geit betaelt, daerenboven synder 35 siecken, 
9 andere vrygegeven; hoeveel om d'oost uyt handelen gegaen syn 
ende andersints verborgen mogen wesen , is ons onbekent. Tot sou- 
lagement van d'excessive lasten die U Ed. di'agende zyn, hebben 
mede op incomende ende uytgaendè goedereu tol geset, als per 
nevensgaende registers blyct, gelyck mede pp het branden van aracq 
ende tappen, resteert noch d'erfl^acht, 't visschen, houthaelen, fruy- 
ten, hoven, cocusboomen ende verscheyde andere saecken, daer van 
de gemeente de gerechticheyt van den Heer schuldich blyft, welck 
met der tyt mede vorderen sullen. 

De voors. tollen ende contributie van de Chinesen sullen vooreerst 
beloopen ontrent 2000 realen van 8 ter maent; 't is apparent dat 
d'incompsten eerlange tien duysent realen van S^ ende meer ter 
maent beloopen sullen. Wy houden voor seecker dat op d'incomp- 
sten van Jacatra eerlange duysent koppen onderhouden sullen connen 
worden. Hierover willen U £d. ten dienste van de Generaele Com- 
pagnie , welstant van de Vereenichde Nederlanden ende om Godes wille 
gebeden hebben , herwarts aen expresselyck te senden boven 't ordinarie 
volck het getal van duysent mannen, omme tot Jacatra gamisoen 



it9 

te houden, te weten 700 soldaten ende 300 bootsgesellen , ende dat 
cloeek, getrou wvolck , ingeboren Nederlanders, daermede den staet 
van Indien verseeckert wesen macli. Om hiertoe goet getronw volck 
te becomen, gelieven de Heeren aen de soldaten ende bootsgesellen , 
die hiertoe sullen willen gebruyeken , tien , twaelff a derthien gulden 
ter maent geven ; t' is een schande om sien wat rapalie met veel van 
U Ed. schepen compt; laet doch mede niet, getrouwde mannen, 
vrouwen ende kinderen te senden, insonderheyt jongens ende jonge 
m'eyskens uyt de goodtshuysen omme colonie te planten, gelyck 
vooren is versocht 

Tot noch toe hebben wy d'Engelssen van geen tollen, noch rechten 
aengesproocken , U Ed. gelieve ordre te geven wat zylieden betaelen 
ende hoe het met malckanderen hebben sullen, soo de gelegentheyt 
van saecken geen dilay toelaet, sullen wy niet laeten ü Ed. prero- 
gatieff ende gerechticheyt te maynteneren 

Om geit syn uyt der maeten seer verlegen ende d'Engelse hebben 
hiertegen 77 kisten geit in ons packhuys leggende, behalven 'tgene 
op haer comptoiren is, ende door de nieuwe scheepen gebracht zy. 
ü Ed. recommanderen ons met alle haer missiven soo emstlyck 
jaerlycx rycke retoeren over te senden, sonder den behoorlycken 
eysch van cappitael vol te doen. Men sent ons jaerlicx 10 a 1200 
m. gulden aen geit, wat retoeren connen de Heeren daervooren be- 
comen dan 4 a 5000 m. gulden jaerlicx, gelyck wy nu eenigejaeren 
achter den anderen overgesonden hebben; begeeren U Ed. jaerlycx 
een retoer van hondert tonnen gouts, sendt ons jaerlycx een cappitael 
van vyf en twintich tonnen gout, wy sullen ü Ed. daertegen hon- 
dert tonnen in retoer beschicken. De Heeren van DelflF seggen daer 
tegen dat niemant hooger vliechen mach, als de wiecken draegen 
meugen, ende is seer wel geseyt, maer wie heeft des Compagnies 
vergrootinge gelimiteert, waeromme connen de wiecken door goet 
voetsel niet vigoureuser worden; soo men seyt dat de vergrootinge 
niet bestaen, maer onder syn eygen last vergaen soude, wy repli- 
ceeren daerop dat desulcke niet bekent en is wat ti-afficque in Indien 
geschiet, hoe groote staeten de werelt voeden can ende voedet, opent 
dogh U ooghen, laet U door Engelandt, Vrankryck, noch Dene- 
marcken niet vercloecken, considereert waemae zy poogen, haest 
U ende maect dat het octroy (welck de Hooge Mogende Heeren 



220 

Staten-^^lenerael ten besten van de Yereenichde Nederlanden gegeven 
hebben) tot disaolntie van de Compe. ende irreparabile schaede van 
den .Staet der lande niet gedye, voorwaer de Staet is in nytterste 
noot geweest ende nu een weynich begint te vercomen, wort den 
Staet 800 gemelckt alsoff men die met voordacht socht fonder te 
houden, de geltsnchtege begeeren nytdeylinge en d'armhertige de 
lasten aff leggen , even alsoff die op haer schondere laegen; wilt 
doch daertoe niet condescendeeren, voordat de masse van de Ge- 
nerale Compagnie soo vergroot zy, dat tegen de macht van open- 
bare vyanden, ondercmypinghe van geveynsde vrienden, ontrou van 
mooren bestaen ende den handel voldoen connen. Meester sal hy 
syn die hierinne de cloeckste is, laet Yenetia, Vranckryck, Enge- 
landt, Denemarcken, noch andere Staten (raden wy de Hooge 
Overicheyt) ü volck niet ontrecken, gebruyct die selffis, dat men 
jaerlicxeen groote menichte herwarts sende, sy connen hier seer 
wel gevoet, onderhouden ende ten dienste van de Yereenichde 
Nederlanden gebruyct worden. Soo dit gedaen wort sal tl Ed. 
staet van Indien niet alleene van sich selffs bestaen connen, maer 
de Yereenichde Nederlanden sooveel rendeeren, dat Spangien int 
minste niet sullen behoeven t'oiitsien, maer in syn schulpen wel 
houden sullen. U Ëd. gelieve dit ten goede te nemen ende soo selffs 
niet machtich zyn den eysch vol te doen, doet dan behoorlycke 
openinghe ende behoorlyck vertooch aen de Hooge Mogende Heeren 
Staten-GeneraeU opdat de Compagnie door Haer Ed. behoorlycken 
geassisteert worde, eer U andere prevenieren 

Alsoo de Javaenen d'onse in 't loopen te cloeck syn, is noodich 
dat hier een deel ruyterye gehouden werde om 't landt veyl te 
houden; wy sullen daertoe paerden versaemeien; U Ed. gelieve een 
pertye van ontrent hondert sadels met eenige sadelmaeckers te sen- 
den; de Compagnie sal daeraen dienst geschieden. 

Met dit schip werden, volgens U Ed. ordre, vier Orangkays kin- 
deren gesonden, omme in theologie te studeeren; sy syn alle vier 
van Amboyna, de twee syn Conincx soonen ende d'andere twee 
Orangkays kinderen, van de MoUucques syn geen te becomen; de 
Tematanen souden liever selffs haer kinderen den halls afsnyden. 
ü Ed. zy gerecommandeert op dese jongelingen goede opsicht te 
laten nemen, doet haer wel instrueeren, ontsiet d'oncosten niet ende 



iii 

sendt haer soo haest niet terngge als de soon van den Oappiteyii 
Hittoe gesonden wierd; laet de Christelycke religie in haer eerst 
wel vast gewortelt syn, soo sal de Compagnie daeraen grooten dienst 
geschieden 

J. P. CoEN,' Febdeeick Houtman, 
P. DE Caepentiee, Mabtinus Sonck. 



XXXEIC. De EEESTE STATUTEN VAN BaTAVIA. 

a. Extract wt de resolutie by d'Ed. Heer Generael Coen 
ende Raet genomen, adij 29 Marty 1620, in 't fort 
Jacatra. 

Alsoo dese plaetsen, ende 't geheele lant van Jacatra het verle- 
den jaer by ons met de wapenen geconquesteert is, ende dienvol- 
gende oock gehouden ende bewaert wort, voor de Heeren Staten- 
Generael, Zyn Princelycke Excellentie ende de Heeren Bewindhebberen 
der geoctroyeerde Oost-Indische Compagnie van de Vereenichde 
Nederlanden, daerop niemant anders iet heeft te pretenderen, ende 
tot dien eynde besich sijn, met een royael fort alhier te maecken, 
omme als een generael rendevouz van Indien de voomaemste mid- 
delen van de Compagnie daerin versekert te houden , tegens 't gewelt 
van alle onse vyanden ende geveynsde vrienden, als oock omme den 
handel van alle quartieren van hier te dirigeren, ende mettertyteen 
treffelycke negotie te stabileren, de plaetse ende tlant met een 
goede gemeente te peupeleren, ende een stadt te bouwen, daertoe 
d'apparentie aireede groot syn ende dagelicx meer ende meer toe- 
neempt. Soo ist dat hoochnodich eenige officieren dienen te maecken , 
omme op alle misbruycken te letten, daerop goede toesicht ende re- 
gard te nemen ende onder goede policien ende wetten te leven, 
ende insonderheyt een bailliu over de stadt, jurisdictie ende land 
van Jaccatra, streckende, te weten: aen d'oostzyden tot aen de li- 
mieten van den Coninck vant Cheribon, aen de westsyden tot aen 
de limiten van den Coninck van Bantham, aen de zuytzyde, te lan- 
den tgeheele lant over tot aen de zuyderzee, ende aen de noort- 
zyde te water over de zee ende alle d'eylanden hieromtrent leggende , 
waertoe door d'Heer Gouverneur Generael overlanghe voorgestelt is, 



222 

ende« de presente Raden wederom voorgestelt zynde, den persoon 
van Jean Steyns, is met gemeen advys ende bewilliginge denselven 
Steyns daertoe geeligeert, ende dat men hem op moi^hen voor allen 
den volcke in de stadt sal anthoriseeren ende bekent maecken, ende 
behoorlycke acte van anthorisatie ende commissie verleenen, etc. 
(onderstond:) Grecollationeert jegens de resolntie by d'Heer Generael 
ende Raedt geteeckent ende daermede bevonden te accorderen. In 
't fort Jaccatra, adij 29 Marty a^. 1620. (geteekend) Thys Corn, 
Vleyshonwer, Secret. 



b. Resoluitie by d'Ed. Heer Gouverneur Generael Coen 
ende synen raede genomen, ady 24 Juny a^. 1620, in 
't fort Jacatra. 

Is by den Ed. Heer Generael in de vergaderinge van syne pre- 
sente Raden op buyden gehouden, in consideratrie geleyd den siant 
deser jegenwoordiger stadt Jaccatra, aenwas ende vermeerderinghe 
der burgeren in deselve, alsmede opdat die alhier vreedsaem ende 
gerust mogen leven, daertoe van noode zy, dat goede ordre soo int 
stnck van de justitie als policye gestelt worden, sooveel naer ge- 
legentheyt des iyts geschieden can, hetwelcke noch niet genocb 
synde, maer dat dieselve oock by bequaeme personen mogen gead- 
ministreert, geexecuteert ende onderhouden worden, opdat de goede 
voorgestaen ende- de boosdaders gestraft mogen zyn. Soo ist : dat de 
Ed. Heer Generael met goetvindinge van synen tegenwoordige Raede , 
raetsaem geacht heeft een colegie van schepenen als wethouders deser 
stede, alle justitie in civile saecken te administreren ende exerceren. 

Dit colegie van schepen sal bestaen in vyff personen, namentlyck 
twee vant fort in dienst van de Compagnie zynde, ende drie bur- 
gers deser steden, dewelcke by de burgeren genomineert ende by 
den Ed. Heer Generael ende synen Raede geeligeert sullen werden, 
ende sal haere administratie dueren den tyt van een jaer. 

In dit colegie sullen de schepenen presideren by beurte, maent 
om maent, beginnende van degene die vant fort gecosen sullen syn. 

Sullen mede de schepenen gehouden wesen, driemael des weekx, 
te weten, Maendachs, Woensdachs ende Yrydachs, des voormiddachs 



ÏS5 

ten 9 uren, op 't stadthnys deser stede te compareren, ende aldaer 
blyven besoigneren soo der iets te doen is tot elff vayren. 

Ende opdat het scbepensampt deser stede te seeckerder in alle 
jnstitie, eqniteyt ende getronwicheyt bedient mach worden , snllen de 
schepenen van haere getronwicheyt in handen van den Ed. Heer 
Generael eedt doen. 

In dit coUegie van schepenen sal in saecken de Chinesen (onse 
ondersaten ende burgeren deser stede) consemerende, als schepen 
compareren ende slem hebben, Bencon, tegenwoordich opperste der 
Chinesen, behalven dat ditto Bencon in dit colegie, niet en sal mo- 
gen presideren. 

Alsoo het ampt ende offitie van balliu, eenigen tyt herwarts be- 
dient is by Jean Steyns van Antwerpen, ende soo lancx soo meer 
vermercken, syns persoons onbequaemheyt, om hetselve met behoor- 
lyck respect tot soodanich offitie als dese plaetse vereyscht te be- 
dienen ende becleeden, hebben goetgevonden den voorn. Jean Steyns 
van synen dienst te ontslaen ende bedancken, gelyck hem ontslaen 
ende bedancken mits desen, ende het offitie van ballin te versien, 
met een ander bequaem persoon, daervan d'électie eerstdaechs sul- 
len doen. 

Tot stadtbode hebben op syn versoeck mede geeligeert, Staets 
Christyaensen, tegenwoordich soldaet, die in teecken van dien het 
wapen van de Hooghe Mogende Heeren Staten-Generael op syn borst 
ende een doome off ander stockgen in syn hant sal dragen. 

Van wegen tfort syn tot schepenen geeligeert ende gecosen voor 
dit naestvolgende jaer, Abraham van üffelen van Amsterdam, opper- 
coopman; Jan Pae van Gorcum, Cappiteyn. Van wegen de burgeren: 
Jan de Brasser van Rotterdam; Phillips Adryaensen van der Werff, 
Phloris Hendricksen van Campen. 

Actum int fort Jaccatra datum ut supra enz. Was onderteeckent: 
J. P. Coen, P. V. Carpentier, J. Dedel, Martinus Sonck, Pieter 
Dircxsen , Adolff Tomas , Thys Comelissen Vleyshouwer , Secretaris. 



c. Authorisatie voor de schepenen der stadt Jaccatra etc. 

Alsoo tot ruste ^ tr^nquilliteyt ende welstandt van dese onse nieuwe 
stadt onde aenwassende republicque van Jaccatra, hoochnodich ge- 



224 

acht hebben seecker bequ&me personen te eligeren, verkiesen ende 
ordonneren omme in alle voorvallende civile saecken, justitie ende 
recht t'admlnistreren. Soo ist; dat by d'Ed. Heer Generael ende synen 
presenten Raedt, naer rype deliberatie goetgevonden is te formeren 
een collegie van schepenen , bestaende in vyff personen , daervan 
jaerlycx by de Hooghe Overicheyt nieuwe electie ende verkiesinge 
sal geschieden, waertoe voor dit eerst aenstaende jaer geeligeert , 
geauthoriseert ende gekosen syn, gelyck wy eligeren, authoriseren 
ende kiesen mits desen, namentlyck twee van wegen tfort ende 
drie van wegen de burgeiye deser stede, te weten uyt het fort den 
Ë. Abraham van Uffelen van Amsterdam, oppercoopman ende Jan 
Pae van Gorcum, cappiteyn van 't gamisoen alhier, ende wt de 
burgerye van de stadt. Jan Anthenissen Brasser, van Rotterdam, 
Philips Adriaensen van der Werff van Leyden, ende Floris Hen- 
dricksen van Campen. Ordonneren ende bevelen derhalven aen allen 
ende een yeder, onder de gehoorsaemheyt ende subiectie vand'Ed. 
Hooghe Mogende Heeren Staten-Generael, Zyne Princelycke Excel- 
lentie in de jurisdictie van Jaccatra residerende, niemant uytgesondert , 
't zy vremdeling, vry burger ofte in dienst synde personen, 't voor- 
genoemde colegie van schepenen daervoor aen te nemen, t'erkennen 
ende gelyck sulcx betaempt aen te nemen, te obedieren ende respec- 
teren op pene van arbitrale correctie. 
Actum in 't fort Jaccatra, adij primo Jnly anno 1620. 



(l. Resolutie by d'Ed. Heer Gouverneur Generael Coen 
ende Raedt genomen, adg 15 Augiisto anno 1620 in 
't fort Jaccatra. 

Aengesien dat, tot voorderinge van de saecken van justitie hooch 
nodich is eenige ordre te stellen, hoe ende in wat voegen alle saec- 
ken, soo in 't civill als crimeneel, binnen ende buyten 't fort aen 
d'een zyde, mitsgaders het resort ende jurisdictie der stede (olim) 
Jaccatra aen d'ander zyde by den advocaet fiscael ende bailliu res- 
pectivelyck berecht ende geadministreert sullen worden. Soo is, by 
deliberatie verstaen ende goetgevonden, vooreersten ende tot dat an- 
ders geordonneert sal wesen, daerinne te gebruycke de navolgende 
voet: 



225 

Als te weten: indien binnen 't resoort van de stadt gedelinqueert 
wort ofte eenige qnestie ofte geschillen, amende ofte correctie mede- 
brengende, ontstaen tnssen een burger ofte vreemdeling ende een 
soldaet ofte imant anders, in dienste van de Generaele Compagnie , 
waerinne 't recht van de hooghe overicheyt bewaert moet worden, 
dat de baillin daervan by preventie aenklager sal wesen, ende dus- 
danige gemengde saecken , burger ende burger alleen niet raeckende , 
maer burger ende soldaet off andere compagnien dienaeren te samen, 
voorts gesententieert sullen worden by de ordinaire vyff schepenen 
van de stadt, mits dat de balliu gehouden sal syn daerby te roe- 
pen, twee van den crychsraedt ende ordinaris commissarissen ende 
rechtsluyden van 't fort, nadat het een soldaet off ander dienaar van 
de Compagnie is, die met een burger ofte vryman in moyte is ge- 
vallen, welcke twee van chrychsraedt off commissarissen voors., haere 
sessie, stemme ende authoriteyt by ende neffens de voors. schepenen 
suUen hebben, tot volcomen vuytinge van de saecke ende langer niet. 

Wederom by sooverre over delicten off transgressien van keuren 
ende ordonnantien, vallende binnen off buyten 't fort tussen een 
soldaet off andre dienaer van de Compagnie ter eenre , ende een bur- 
ger ofte vryman van de stadt ter ander syden, pertyengecalangeert, 
geapprehendeert ofte aengesproocken worden by ofte deur bevel van 
den advocaet Fiscael gelyck sulcx betaemt ende behoorlyck is, dat 
al hetselffde op den eysch ende aenclachte van den advocaet fiscael 
voors. affgedaen, getermineert ende gesententieert sal worden by de 
ordinaris commissarissen ende rechsluyden van 't fort, ten overstaen 
van twee schepenen wt der stadt, welcke schepenen in gelycken ge- 
valle mede aldaer sullen hebben haere sessie ende stemme alsvoren. 

Maer alle simpele saecken, 't sy crimeneel ofte civil, die tussen 
de soldaten en dienaren van de Compagnie alleen, sonder vermen- 
ginge der burgeren ofte vrye luyden vallen, in off buyten 't fort, 
deselve sullen berecht worden by den advocaet fiscael ende de com- 
missarissen ende rechtsluyden van 't fort alleen, gelyck oock de 
saecken der burgeren ende vrye luyden, onder den anderen by den 
balliu ende schepenen van der stadt, ende niemandt anders, alles 
ten eynde de jurisdictie ende authoriteyt van beyde de gerechten 
ende de gerechs officieren ten wederzyden blyven in vigeur ende alle 
misverstanden ende confusien , daerover te ontstaen , beboet. 
IV. 15 



226 

Ende gemerckt de schepenen van der stadt aireede verkoren ende 
haere gerichtsampt exercerende zyn in vongen, dat binnen 't fort 
ten Yoors. eynde de Commissarisen oock dienen gestelt^ soo syn tot 
commiBsarisen ende ordinaris Inyden van de gerechten in 't fort by 
den Ed. Heer Oonvemenr Generael ende synen Raedt genomineert 
ende gecomiteert dese naenrolgende personen: de cappiteyn van 't fort 
met beyde Inytenanten, Pieter Dircxen, Abraham van Uffelen^ i'. 
Panwels Barsen^ Pieter Barentsen, ende cappite3m van de praawen. 

Welck ooUegie van Commissarisen ofte gercchslnyden in 't fort 
haere vergaederingen sullen honden, alle dagen als er iets te doen 
sal wesen, ende sal den president evenwel geanthoriseert syn, ver- 
' gaderinge te leggen bnytenstyts, voor ende na de middach, als de 
gelegentheyt dat vereyscht, altyts daerop lettende dat by convocatie 
van de gercchslnyden in 't fort niet verhindert worden, de vergade- 
ringe van schepenen in de stadt, nadien een persoon in twee colle- 
gien te gelyck teffens niet en can compareren. In dit colegie sal 
presideren, een van de Raden van Indien, off soodanige andre, als 
de president niet connende vaceren, in syne plaetse snbstitaeren 
sall K 

Sullen oock de luyden van den gerechte in dit collegie niet min- 
der mogen besoigneren als met vyff persoonen , maer wel met meerder 
ingeval het in saecken is het fort ofte de supoosten van dien alleen 
concemerende, maer in gemengde saecken tussen soldaet off burger 
sullen alleenlyck vyff daertoe genomen worden, tot keuren van den 
president, welcke vyff met twee schepenen van de stadt gevoncht, 
seven sullen maecken, als vice versa twee commissarisen met de 
vyff schepenen van de stadt van gelycken seven. 

Aengaende 't volck van de schepen op de rede ofte wachte leg- 
gende, ende alle andere te water in dienste van de Compagnie ge- 
bmyct, deselven in eenige delicten vallende aen lant in ofte buyten 
't fort, sullen mede by den advocaet fiscael te rechte worden gesteit 
voor de commissarisen ende gercchslnyden van 't fort voors., mits 
dat in sulcken gevalle oock sal gevolcht worden de voorgaende voet, 
namentlyck, dat d'oppercoopman ende schipper, ofte anders de twee 
faooftofficieren, daeronder sy behooren, haer tot vermaninghe van den 

» Bij resol. van GG. en Rade van Indie , dd. 10 Sept. 1626 , werd aan dit col- 
legie van gerecbtslnijden van het fort, de titel gegeven van.- Raad van jnstitie. 



227 

fiscael sullen vougen, by vyff van de gerechtsluyd^ van 't fortende 
de saecke affdoen in manieren boven verhaelt, ofite sullen nae ge- 
nomen kennisse van den fiscael by den £• Heer Gouverneur ende 
synen Raede ofte anders by de commissarisen ende gerechtsluyden 
van 't fort gerenvoyeert worden aen den ordinaris Baedt van 't schip j 
soo men bevindt redenen daertoe te dienen. 
«Indien 't gebeurde , dat den advocaet fiscael ende officieren van den 
chryghsraedt, mitsgaders de bailliu van de stadt te gelyck quamen, 
omme eenige soldaten, vry burgers off volck van de schepen, schuyte 
ende jachten, ende wat meer de Compagnie te water dienste doet 
te apprehenderen , gelyck tot vorderinge van de justitie een iegelyck 
derselver syne uitterste devoir te doene schuldich is, soo sullen den 
advocaet fiscael ende officieren van 't fort in sulcken geval altyt 
hebben de preferentie, ende de gevangens na hen nemen ende in 't 
fort te rechte stellen ,* alsvoren. 

Wanneer oock in gemengde saecken de bailliu eenige supoosten 
van 't fort voor schepenen van de stadt in rechte betrekt, soo wort 
verstaen, dat sulcx sal geschieden onder behoorlyck respect, die de 
balliu de fiscael in sulcken ende andere saecken schuldig is te dra- 
gen ende sonder vermindering ende prejudicie synder authoriteyt 
ende waerdicheyt. 

Voerder, alsoo voor desen oock de Engelsen binnen de jurisdictie 
van de stadt op eenige delicten syn beloopen ende derhalven mede 
een seeckere ordre dient geraempt, soo is geresolveert ende geraet- 
saem gevonden, dat in delicten tussen d'Engelsen onder den anderen, 
de balliu van alles wel kennisse sal nemen, ende de delinquanten 
aentasten ende in hechtenisse brengen, maer dat hy daema de saec- 
ken gecommuniceert metten Ed. Heer G^nerael ofte zynen Raden, 
deselve sal overleveren in handen van de hooffden haerder natiën, 
omme by Haer Ed. gestraft te worden na merite van der saecken, 
maer indien d'Engelse iets bedryven daer een burger ofte vryman 
ofte imant van de suppoosten van 't fort te cort geschiet, mede schul- 
dich aen is ofte vermengt, sal de balliu in syn district eenpaerlyck 
soo wel tegen d'een als d'ander procederen ende deselffde straffen, 
als in gemengde saecken, articulis precedentibus is verstaen, ende 
in deselffde saecken oock de fiscael ende crychsofficieren van 't fort 
indien het delict daer binnen ofte buyten 't fort geperpetreert. 



228 

Nopende 't geproponeerde van de stadt (olim) Jaccatra met een 
wapen te venden om 't segel ter saecken dienvolgende te fonneren, 
ia yerstaen sulex nodich te wesen^ ende dat men de stadt voor 
haere wapen ende gegel geven sal, een sweert van aznr in een 
orange schilt steeckende met de poincte denr een lauweren crans van 
coleur bmyn groen als hier ter zyden. (onderstond) Gecollationeert 
tegen de resolutie by d'Heer Generael ende Raet geteeckent^ enie 
daermede bevonden t'accorderen in 't fort Jaccatra, adij 15 Angt 
sP. 1620. (geteekend) Thys Com. Vleyshonwer, Secr». 



e. Dinxdach adij XVIII Augusto A^. 1620. 

Gedelibereert synde op de memorie by balliu ende schepenen der 
stede olim Jaccatra, aen den Ed. Heer Gouverneur Generael ende 
Raden van Indien overgelevert, nopende seeckere poincten van policye, 
daerinne sy versochte dat gedisponneert mochte werden, is naer 
examinatie verstaen ende geresolveert opeenigederselversulcxvolcht: 

Eerstelyck, aengaende de uytgegeven erven ende fruytboomen, dat 
men deselve hout als te leene gegeven, de besitters ofte bruckers 
van dien , ende dat derhalven in tyden ende wyle , als het den Heere 
Generael ende synen Raden ooirbaer sal duncken, by de voors. be- 
sitters ende bruckers hiervan behoorlycke recognytie sal worden 
gedaen ende betaelt soodanige thyns ofte erfyachte als met rype 
deliberatie van raden na gelegentheyt van saecken , daerop gestelt sal 
worden; middelertyt sullen balliu ende schepenen voorn, binnen haer 
district de erven ende fruytboomen , die uytgegeven syn, pertinentelyck 
opteyckenen met de namen van de bruckers derselver, ende houdende 
van alles goet register i, expresselyck verbieden dat niemant, wie 



* In het MerboTen afgedrukte statuut van 18 Augustus 1620, vindt men o. a. 
eene regeling van de nitgifte van gronden in leen of erfpacht. Ik heb in het ge- 
heele oud-koloniale archief tot dusver slechts één leenregister of hoek van leeningen 
aangetroffen. Dat hoek hegint met 1 Hei 1620 en eindigt op 29 JanuarQ 1623, 
ongeveer met den dag van het vertrek van Coen. Zoo als zoovele goede voorschriften , 
zal ook wel de registratuur der leenen, met het vertrek van Coen uit Indie, z^n ver- 
waarloosd. Het is niet onbelangrijk na te gaan op welke wijze in de eerste tyden 
na de verovering van Jakatra, gronden door het Indische bestuur zijn uitgegeven. Die 
w\jze van uitgifte schijnt verschillend te z\|n geweest. 



229 

hy zy, eenige erven, huysen ofte fruytboomen vercoopen, transpor- 
teren, veralineren ofte met hypoteecq, constitatien van renten ofte 
verpandinge belasten, en sal sonder hnnluyden snlcx eerst ende alvooren 
aen te geven opdat daervan by der secretarie protocol gebonden ende 
een yder de beswaemisse daerop staende weten mach, ende niemant 
in cas van preferentie en werden in syne gerechticbeyt verkort. 

Wa^ belangt de saecken van appel , is verstaen dat alle vonnissen 
by schepenen gewesen niet monterende boven de vyff en twintich 
stneken van achten, sullen hebbe haere executie, niettegenstaende 



Sommige erven, of ook dikwijls slechts de vruchten, of de drank getrokken uit 
die vrachten , van zekere erven of tuinen , werden in leen gegeven voor den t\|d van 
twee of meer jaren, met oitdrukkelijke bijvoeging, dat dit leen niet erfelijk zou zgn. 
HAeestal wordt dan daarbij de soort van boomen of het aantal der boomen van zoo- 
danigen toin in de acte uitgedrukt. 

Nog weder eene andere wijze van oitgifte was die van den pluk van sirybladeren 
aan de Japanners gezamentl\jk. Deze Japanners kregen voor een jaar den pluk van de 
sirybladeren op « ongebeneficieerde hoven en landen , de riviere opwaarts aan beide z\jden 
wassende. « Voor dit r^ van pluk moest eene 's Heeren geregtigheid betaald worden 
van 600 realen, de plaatsen waar de siry groeide moesten zuiver gehouden en de 
gezuiverJe sirybladen tegen den gewonen prijs op de markt te Batavia verkocht worden. 
Diergelijke nitgifte had ook plaats van de pinang. In de nieuw aan te leggen stad werden 
de gronden in erfpacM ter bebouwing uitgegeven. Bovendien treft men nog in het 
leenr^ster eenige acten aan, waarbij gronden als erfelijke lecnen worden gegeven. 
Zoodanige acte luidde dan, b\jv. : «Jan Pietersz. Coen, Gonvemeur-Generael wegen 
mden ttaet der Vereenigde Nederlanden in Indien ^ heeft aen Dirok Jemming, oudt 
«'sabandaer, op syn versonck te leen g^even en vergundt, gelyck syne Ed. te leen 
'geeft en vergnndt mits desen, sekeren clappus thuyn, omtrent een half myle buyten 
'deser stede gd^en, aen de Oostsyde van de groote rivier, lang syndc, enz. (volgt 
*de omschryving en begrenzing van het perceel), in den omvang te samen 644 roeden, 
irwelcke thuyn voors. Jemming, mitsgaders syne wettige erfgenamen van handt tot 
"handt in leninge genieten en besitten sullen op naervolgende conditien: 

/vten eersten, sal de besitter tot oen erkentenisse des leens verplicht wesen, in tydt 
«van noodt den heer van 't landt behoorlycken dienst en getrouwe assistentie, gelyck 
«een leenheer toestaet naer vermogen te presteren; 

«ten tweeden, sal gehouden wesen de thienden van alle vruchten en incomen des 
" thnyns aen de Heer oprechtdyck te betalen ; 

«ten derden,, de tafd van d'Heer Generadl en Raden van Indien dagelycks met 
«touack en vrachten nae tydts gelegenheyt te voorsien; 

«ten vierden, voors. thuyn behoorlyck te onderhouden, aen te planten, cultiveren 
• en verbeteren; 

«ten vyfden, sal niet vermogen 't leen te veralieneren , sonder consent van d'Heer 
«en wanneer hem toegelaten werdt, 't leen te vercoopen, sal d'Heer 't gerechte vierde- 
"part tot hem trecken, van 't geen 't leen gelden sonde mogen, ofte vercocht werden. 

« Actum in 't fort Batavia , desen 20 January 1623. « 



230 

Appellfttie, ende datter geen appel sall worden toegelaten, als alleene 
van saecken die daerboven syn, ten waere pertye gegraveert, dede 
blycke in de voors. mindere saeeke van vyff en twintich stncken van 
achten y qnalyck gewesen te syn, ende d'executie daerover by den 
Bd. Heer Gonvemeur Grenerael ende synen Raden gesurcheert wiert 
ende pertye by evocatie betrocken voor de ordinaris raden ende 
gerechtluyden vant fort, in welcken gevalle 't gewysde gerewdeert 
ende sententie op een nienw aldaer geprononciert sal worden als 
na rechten; maer van alle saecken boven de vijff en twintich realen 
van achten sal een yder vry staen te appelleren , te provoceren ende 
in reformatie te comen binnen alsulcken tyt als by den Ed. Heer 
Gouverneur Generael voors. ende synen raet daertoe sal worden 
geprefigeert, op pene dat soo wie van minder saecken by schepenen 
airede gewesen, appelleert, provoceert oft aen den Ed. Heer Gei^erael 
ende Raden van Indien clachtich valt, ende daemae bevonden wort 
ongefondeert te wesen , betalen sal de boete by de Raden ende 
gerechtsluyden int fort daerop te stellen, ende by provisie dat de 
doleant soo hy verweyrder is , in alsulcken gevalle eerst ende alvooren 
eer syne doleantie sal worden aengenomen, namptiseren sall de 
penninghe daerinne hy by schepenen is gecondemneert , onder cautie 
de restituendo, soo hy naemaels compt te triumpheren. 

Sal oock boete gestelt worden op degene die ongefondeerde pro- 
cessen sustineren, te betalen soowel by schepenen, als imant in de 
kosten wort gecondemneert als bij de Raden ende gerechtsluyden int 
fort, soo wanneer bevonden wort in saecken meer dan vyf en twintich 
realen qualick geappelleert te syn ende 't vonnisse by schepenen ge- 
wesen geapprobeert wort ende den appellant ofte reformant gecon- 
demneert in de costen alsvooren. 

Voor elcke citatie ofte dachvaerdinge , die de stadtsbode ofte gesworen 
roeijdrager sal doen , sal deselve genieten een enkelde reael oft achten 
deel van een stuck van achten, ende voor elcken arrest die, hy op 
eenige persoenen ofte goederen doet, een quaert ofte vierde part van 
een stuck van achten ende niet meer. 

De secretarius dewyle hy oock notarius is, schryvende eenige 
requesten, certificatien ofte andere cleyne acten ende instrumenten, 
sal voor elck van deselve hebben ende ontfangen een quaert, soo 
het een instrument sy dat een persoon alleen doet schryven, maer 



251 

I 

800 het een contract is ende soodanich, dat de contrahenten tea 
wedersyde daervan moeten gedient zyn, aoo sal de secretaris ^an 
eicx respectivelyck genieten een quaert beyde monte, alsvoren. Behalven 
twelcke een ider, die eenige contracten^ coopendeconstitutiebrieven, 
quytantien^ transporten, etc. by schepenen laet zegelen, voor segelgelt 
aen den eersten schepen ofte dengenen, die balliu ende schepenen 
daertoe committeren sullen, betalen sal een halve reael van achten, 
ende middelerwyle snllen balliu ende schepenen vermogen den taux 
opt schryven van alderley acten gestelt, te moddereren, te vermin- 
deren ofte vermeerderen, nadat de acte ofte instrumenten, die geschreven 
werden, dan groot ofte gewichtich syn. 

Worden oock balliu ende schepenen geauthoriseert haere keure te 
leggen op het suyvere ende reynigen van de straten ei\de stegen, 
vooral dat sy maecken sullen , dat alle ongeregelde mistimmeringe van 
huysen ende paggeren buyten de roeQ , tot vemauwinge oftie deformatie 
van de straeten metten eersten gerecht, ende voor het toecomende 
geweyrt mogen worden, wel verstaende sooveel als sonder merckelycke 
beswaemisse van de burgerye geschieden can, stellende een boete 
op de contraventeurs ende deselve straffende als naer behooren. 

Beroerende 't onderhouden van de bruggen etc, is goetgevonden 
deselve tot laste van de Compagnie noch provisionelyck te onder- 
houden, op verschot ende remboursement als naer gelegentheit. 

Item, opdat het openen ende sluyten van de stadtspoorten een 
iegelick kundich sy, ende oock wanneer yder ambachtsman 'smorgens 
aent werck sal treden ende savonts van de straet ende uyt de her- 
bergen ende kroegen vertrecken, alle degene die aldaer niet te doen 
en hebben, soo sal de clocke vant stadthuis driemael des daechs 
geluydet worden , eens des smorgens de clocke vyff uren ofte halff 
ses, eens des avonts in de schemeringh als men de poorte sluyt, 
ende eens te negen uyren daemaer, als een yeder, tsy burger oft 
vremdeling, niet nodich buytens huys te doen hebbende, van der 
straeten ende uyt de herbergen ende kroegen sich naer huys bege- 
ven moet. 

Tot dese fine sullen balliu ende schepenen voors. publyckelyck by 
clockgeslach ofte wtblasinghe van trompette doen verbieden, datgeene 
waerden, herrebergiers off crouchhouders haer veiTorderen sullen te 
tappen off droncken gelagen te houden , ofte van nieuws te settenna 



232 

de docke negen uyren, op pene voor d'eerste reyse van 2 realen van 
achten, voor de tweede reyse van vier, ende noch ten derden maelen 
van dèselve nacht daerop bevonden ende bekenrt synde, van geap- 
prehendeert, in hechtenisse geleydt ende tot arbitrage van schepenen 
gestraft te worden , na merite van de saecke. 

Welcke voors. boeten allegaer geappliceert snllen worden, ten proffijte 
van den baillin voors. ende syne dienaers (hiertoe gebmyct) als twee 
derden deelen voor hem ende 't resterende derden deel voor de dienaers, 
opdat sy te beter op de onderhondinghe van de kenren ende ordon- 
nantien mogen passen. 

Snllen oock de ballin ende syne dienaers wel scherpelyck daerop 
letten, dat Sondachs voor de middach onder de predicatie ende ver- 
kondinghe des heyligen Ëvangeliums geene tappers ofte kronchhonders 
hen vervorderen eenige gelaegen te setten, op pene wie dat daerop 
bevonden wort, verbeuren sal drie realen van achten, ten profyte 
als voren. 

Ende gemerckt verscheyde insolentien daechelicx werden gepleecht 
met roepen, singen ende cryten van de droncken gasten, achter siraeten 
ende in de herrebergen ende croegen voors., soo wert den ballin 
wel expresselyck belast, sulcx by de beste middelen te weyren, ende 
soodanighe singers, roepers ende kryters, ofte de waerden die soo- 
daenighe onbescheyde gasten aenhouden in de boete van een reael 
van achten te beslaen, ende daerenboven haer silentie inponeren ofte 
achter aff van der' hand te doen vertrecken, daer sy niemant met 
haere ongeregeltheyt verdriet en doen. 

Item, alsoo de dronckaerts haer niet en schamen vol ende sat synde, 
soodat sy qnalyck gaen of staen en connen , te loopen maelen achter 
straeten tot groote schande van haer selffs ende bespottinge ende 
vilipendie van de Nederlantse natie ende vercleyninge van d'eere 
ende repntatie van dien, soo verstaen d'Ed. Heeren Gouvemenr 
Generael ende zynen Rade, dat omme sulcx te verhinderen, seeckere 
blocken hier ende daer in de principaele straeten gemaect sullen 
worden, daer de balliu ofte dekens van de gebuerte sodanigen droncken 
schantvlecken langs der straten loopende sullen insluyten, ende sitten 
laten voor d'ooge van alle man, tot dat sy te degen syn benuchtert, 
doende alsoo penitentie vaut quaet exempel de naturelen deser landen 
ende andere vrome luyden in desen gegeven. 



235 

jS^opende de questien ende geschillen, vuystslaegen , stocken ofte' 
rottanghslaegen, treckinge van geweer off messen, qnetsinge ende 
bloetlaeten van imanden, mitsgaders schelden ende injnrieeren , heftich 
kyven ende andere quaede poincten meer, daer de bnrgerye off imant 
in de stadt verkeerende, verdriet ofte prejuditie by geschiet, daerop 
sullen ballin en schepenen animadverteren, ende alsnlcken straffe 
ende mnlctatien doen als sy na merite van de saecken snllen bevinden 
te behooren. 

De ballin (de banck gespannen synde) sal by schepenen hebben 
een deliberative voix, soo wanneer daer saecken gehandelt snllen 
worden, de ordre ende policye raeckende ende anders niet. 

Indien Bencon, overste der Chinesen, imant van syne natie ofte 
onderhebbende Inyden apprehendeert in het district van de stadt, 
sal den voornoemden Bencon den ballin daerinne kennen, ende hem 
sulcx aendienen, om met kennisse daerin gedaen te worden, snlcx 
na de gelegentheyt van de misdaet behoort. 

D'arrestenj die op eenighe personen ofte goederen by consent van 
den ballin, off in syn apsei;itie van den presiderende ofte eerste schepen 
gedaen worden , sullen van waerden zyn ende een yder gehouden die 
te obedieren, op pene, dat degene die bovent arrest vertrect ofte de 
gearresteerde goederen versteect oftewechvoert, verbeuren sal twintich 
realen van achten. 

Byndelyck, nadat een ofte meer burger vendelen hier van noode 
zyn, soo tot defentie ende verseeckeringe van de stadt, als tot con- 
servatie van alle goede ordre in tyden van brant, oploopen ende 
alarmen, soo is geresolveert ende verstaen balliu ende schepenen te 
belaaten, ondersoeck ende reveur (revue?) te doen, generaelyck doort 
geheele district in de jurisdictie van de stadt, omme te sien wat ende 
hoeveel vrye luyden van Nederlanders, Japponders en swarten daer 
binnen syn wonende, ende alles pertinentelyck opgeteyckent hebbende, 
aen den Ed. Heer Gouverneur . Generael ende synen Raedt daérvan 
raport doen, leverende alsdan teffens mede over, dubbelt ofte meer 
getal van naemen dergener die henluyden dunct, dat men tot Cappiteyn 
ofte Cappiteyns, Laytenanten, Vaendragers etc. van de schutterye 
ofte burgervendelen souden mogen gebruyken, om na electie van den 
Ed. Heer Generael daerop te worden geè'edicht, ende te ontfangen 
soodanige ordre int verdelen van de wachte ende aenwysinge van de 



254 

wycken, ende elcx syn rendevoos als na occurentie in tyden van noot 
sal bevonden worden nodich te syn. 
Actom int fort Jaccatn^ datnm nt supra. 

(Was onderteekent:) Jan Pietebszooit Cobn, Pibtee de 
Cabpentieb, Jacob Dedel, Mabtintts Sokgk, Pibtee 
DiBcxsEir, present Pouwbls Babzen, Thijs Cobit. 
Vleyschouwbb, Secrt'. 



/*. Jan Pieters. Coen, Gouverneur Generael over alle landen , 
eylanden, steden, forten, plaetsen, comptoiren, schepen, jachten, 
schaloupen, personen ende den handel van Indien, wegen de Hooge 
Mogende Heeren Staten-Generael, Zynne Princelycke Excellentie 
ende de Heeren Bewinthebberen der Geoctroyeerde Oost-Indische 
Compagnie van de Yereenichde Nederlanden, allen dengenen die 
desen sullen sien off hooren lesen, saluyt, doen te weten, alsoo 
wy tot gerieff ende ten dienste van de inwoonderen ende traficanten 
deser stede Jaccatra goet ende hooch noodich achten eenen notarinm 
publicum te creëren ende admiteren. Soo ist, dat wy den eersamen 
Melchior Kerchem, Secretaris van 't colegie van schepenen deser 
stede, ons van syn ervarentheyt ende suffisantie tot het voors. ampt 
wel ende ten vollen onderricht houdende, gecreert, gestelt ende 
geadmiteert hebben, gelyck wy hem creëren, stellen ende admiteren 
mits desen, omme het ampt van notarius publicus binnen het resort 
ende jurisdictie deser stede Jaccatra te mogen bedienen ende exer- 
ceren, alle libellen, codicillen, in8trum§nten , preparatoir informatie, 
contracten van coopmanschappe , huwelycxse voorwaerden, testamen- 
ten, ende andre acten ende stipulatien nodich ende ten dienste der 
gemeente, gaende ende comende man te passeren ende expedieeren, 
mits dat volgens den eedt van getrouwicheyt in onse handen ge- 
daen, gehouden sal wesen alle instrumenten ende notariale acten, 
sonder eenige fraude sinceer ende suyverlyck te coucheren ende pas- 
seren, ende voorts in alles te doen, wes een goet ende getrouw 
notarius toestaet ende behoort te doen. Ordonneeren ende bevelen 
derhalven allen inwoonderen, in dienst wesende persoenen ende tra- 
ficanten in de jurisdictie deser stede, onder ons gebiet ende gehoor- 
saemheyt sorterendef, den voors. £d. Melchior Kerchem voor sulcx 
aen te nemen ^ erkennen ende respecteren. 



235 

Actum in 't fort Jaccatra desen dach van 

de maent anno 1620. 



g. Alsoo wy met advysen van onsen Raede tot soulagemeet ende 
vindinge van de swaere lasten dagelycx te dragen, goetgevonden 
hebben, de herrebergiers en de vercoopers van arack, kilang,toaack 
op te leggen , dat yder derselver yder loopende maent sal betaelen 
twee reaelen van achten; item dat ieder legger Spaensche wyn, eer 
ingeleyt ende by imant vercocht sal mogen worden, belast sal syn 
met twintich reaelen van achten, als by onse ordonnantien den eer- 
sten October daervan geëmaneert, waervan, opdat den ontfang naer 
behooren mach geschieden, soo ist dat wy, mitsgaders onsen Raede, 
goede ordre op alles willende stellen, nodich geacht hebben, gelyck 
wy mits desen ordonneren ende bevelen, dat ijder herrebergier , 
tapper ofte vercooper van aracq, kielangh, touwack ende Spaensche 
wynen off andersints, by onsen ontfanger sal comen binnen den 
derden dach van desen aff te rekenen , om aldaer synen naem aen te 
geven, ende omme te mogen tappen off eenige drancken te ver- 
coopen een licent-brieffgen te vercrygen, op pene soo wie dese onse 
ordonnantie niet naer en come gereputeert geacht, ende gestraft sal 
worden als een ongehoorsaeme overtreder van onse ordonnantien ende. 
vercorter van 'slants gerechticheyt , want wy sulcx tot dienste ende 
proffyte van 't gemeenebeste alsoo bevinden te behooren. 



ïi. Door het versoeck ende ernstige instantie van de Chineesse 
gemeente onder ons gebiet sorterende, van haer te ontlasten ende 
bevryden van de lasten haer voor desen tot versterckinge van 't 
fort opgeleyt, presenteerende tot bevrydinghe van 't selve, dat yder 
Chinees voor syn hooft maentlyck sal opbrengen anderhalven reael 
van achten, soo ist dat wy met advyse van onse presente Raden, 
gelet hebbende op het versoeck alsvoren, goetgevonden hebben haer 
van voors. wercken, daerinne niet begrepen, die zy neffens d'ander 
burgers snllen moeten doen, liber ende vry te honden, mits dat elck 
voor syn hooft in 't begin van ider loopende maent, twelck inganc 
sal nemen van der eersten October laetstleden, aen onsen ontfanger, 
residerende binnen 't fort, sal betaelen anderhalven reael van achten , 
waervan soo yemandt des aengesproocken synde, geen behoorlyck 
bescheyt, twelck een yder die betalen sall, tot dien eynde by onsen 



256 

ontfanger gegeven sal worden, can toonen, gerepnteert ende geach 
sal worden als een bedrieger ende vercorter van 't slants gerecMg- 
heyt, ende verbeuren sal twintich reaelen van achten, t' appliceren 
een derde part voor den aenbrenger, een derde part voor den armen 
ende een derde part voor onsen officier, bevelende allen ende een 
ijgelycken der Chineesen, niemant exempt, die de voors. vryheyt 
sullen willen genieten, binnen d'expiratie van den derden dach van 
moi^en aff te rekenen , haer by onsen ontfanger te vervougen. 
In 't fort Jacatra, adij 9 October a®. 1620. 



t'. Placcaet daerby de Chinesen geboden wort maentlyck 
hare vry-brieffkens te haelen.* 
Jan Pieterss. Coen, Gk)uvemeur Generael over alle landen, eylan- 
den, steden, forten, plaetsen, comptoiren, schepen, jachten, scha- 
loupen, persoonen ende den handel van Indien, wegen de Hoog 
Mogende Heeren Staten-Generael , Syne Princel. Excellentie ende de 
Heeren Bewinthebberen der Geoctroyeerde Oost-Indische Compagnie 
van de Vereenichde Nederlanden, allen dengenen die desen sullen 
sien oft hooren lesen, Saluyt, doen te weeten, alsoo tot onser ken- 
nisse gecomen is hoe eenige Chinesen de voorleden maent van Oc- 
tober geen vry-brieffken van de wercken aen de fortificatien hebben 
gehadt; alsmede dat het getal derselver dese maent merckelyck 
toegenomen heeft, ende apparent is dat soo langs soo meer sonde 
toenemen, ten waere daerinne tydich wierde versien, gelyck sulcx 
behoort ende niet redelyckers als tselve is, want op haer eygen 
emstich beed ende versoeck met gewillige presentatien , van dat 
ieder man, hooft voor hooft ieder loopende maent anderhalven reael 
souden opbrengen, haer sulcx geaccordeert is; Soo ist, dat wy met 
advyse van onse presente Raden geordonneert ende belast hebben, 
gelyck ordonneren ende belasten mits desen, dat elck Chinees syn 
vry-brieffken als vooren, tsy dat hy vuytvaert om te visschen, hout 
haelen oft waerom het oock soude wesen, alsmede de riviere om 
water te haelen opvaert oft in 't bosch om te wercken oft iets an- 
ders te doen sich transporteert, oft waer hy oock soude mogen gevonden 
werden, altyt syn vry-brieffken by sich dragende, opdat hy desaen- 
gesproken synde , tselve can vertoonen op pene soo wie syn vry-brieffken 
niet by sich te hebben bevonden sal werden, als een vercorter van 



257 

'a lants gerechticheyt gerepnteert ende volgens de placcaten dienaen- 
gaende gemaect, gestraft snllen worden , want wy snlcx tot dienst vant 
gemeene beste alsoo bevinden te behooren. 

Acttun int fort Jaccatra adg 14 November A^. 1620, en ter 
ordonnantie van d'Ed. Heer Generael ende synen Raet, ende was 
onderteyekent Thys Com. Vleyschouwer, Secretaris 



j. Placcaet over 't spelen der Chinesen. 

Jan Pieters. Coen, Gouverneur Generael over alle landen, eylanden, 
steden, forten, plaetsen, comptoiren, schepen, jachten, schaloupen, 
personen ende den handel van Indien, wegen de Hooge Mogende 
Heeren Staten Generael, Syne Prinselycke Excellentie ende de Heeren 
Bewinthebberen der geoctroyeerde Oost-Indische Compagnie van de 
Vereenichde Nederlanden, allen dengenen die desen sullen sien oft 
hooren lesen, Saluyt, doen te weten, alsoo tot onser kennisse is ge- 
comen, hoe onder de Chineesen over schuit met spelen ende dobbelen 
gemaeckt, tot noch toe by Beneon opperste der Chinesen recht gedaen 
is , als off deselve schuit vuyt eenige eerlycke handelinge ofte com- 
mercie waeren geprocedeert , jae de rechtsvorderinghe op soodanighe 
schuit aen schepenen der stede Jaccatra getrocken ende versocht is, 
ende wy tselve bevinden te stryden tegen aUe goede ordren, wetten 
ende policien , oversulcx daerinne dient versien. Soo ist , dat wy met 
advyse van onse presente Raden, naer rype deliberatie goetgevonden 
ende oversulcx geinterdiceert ende verboden hebben, interdiceren 
ende verbieden mits deesen , dat geene , tsy schepenen deser stede oft 
Beneon, ouersten der Chinesen oft eenige andere rechters, over 
schuit oft eenige pretentien, vuyt dobbelen ende spelen geprocedeert, 
naer rechte haer vervorderen te disponeren, waerschouwende over- 
sulcx alle tugsschers ende speelders, dat soo sy op gelooff sonder 
geit by te setten sullen spelen ende iets comen te winnen, dat in 
sulcken gevalle de winner met de verlieser sal moeten accorderen, 
sonder van iemanden recht te verhopen ofte sullen cunnen becomeji, etc. 

Actum int fort Jaccatra adij 14 November A®. 1620. Ter ordon- 
nantie van d'Ëd. Heer Generael ende synen Raet, ende was onder- 
teyekent Thys Comeliss. Vleyschouwer, Secretaris. ^ 



» Bij Resol. 6G. en R. dd. 1 Nov^ 1620, werd bovendien van de spelen der 
Chinezen een r^ van 20 °/o geheven. 



M8 

k. Placcaet van de tollen gestelt op d'incomende ende 
nytgaende goederen, alsmede van de betalinge op de 
tappers. 

Jan Pieterz. Coen, Gonvemeur <}enerael over alle landen, eylan- 
den, steden, forten, comptoiren, schepen, jachten, chalonpen ende 
volckeren in Indien, wegen de Hooge Mogende Heeren Staten-Gene- 
rael, Syne Princelycke Excellentie ende de Heeren Bewinthebberen 
der Oenerale Oost-Indiesche Compagnie van de Vereenichde Neder- 
landen, allen dengenen die desen snllen sien oft hoorèn lesen , saluyt : 
Doen te weten : Aengesien wy naer de conquesten vant Coninckryck 
van Jaccatra, tot bescherminge van onse onderdanen, ende ten besten 
van de gemeene saecke, genootsaeckt syn geweest tot groote lasten 
ende onnytspreeckelycke excessive costen van de Vereenichde Neder- 
lantsche Compagnie, die geschapen syn soo lanx soo meer te ver- 
meerderen , het verkregene niet alleen te bewaren , maer oock dagelyex 
te vermeerderen, snlcx wy naer onse goede genegentheyt gaem ge- 
vordert sagen, waerin opdat met meerder iever ende lust gearbeyt, 
ende de oncosten voortaen te dragen beter verv^allen sonde mogen 
worden, van nooden syn de snbsidien ende snstentatien , volgens de 
rechten van alle natiën ende volckeren, soowel van d'ingesetenen, 
als die om haet proffyte, haer van alle quartieren herwarts vervoe- 
gen, ende wy aen onser burgeren goeder genegentheyt niet twyffe- 
lende, haer tot verscheyden malen voor. desen, door onse Gecommit- 
teerde doen voordraghen hebben, de nootwendicheyt tot eenighe 
snbsidien, waertoe wy haer tot onsen grooten welgevallen, altoos 
gevonden hebben volgens alle redenen te inclineren. Derhalver soo 
ist, dat wy met advyse van onsen raden op alles rypelyck geleth 
ende goede insicht genomen hebbende, goetgevonden ende oversulcx 
geordonneert hebben, gelyck goetvinden ende ordonneeren midts 
desen', dat van de goederen, waeren ende coopmanschappen, hier- 
naer genoempt, alsmede andre, die hier in off U3rtgebracht souden 
mogen worden, geene exempt, betaelt sullen worden, alsulcke las- 
ten, als in de volgende lyste gestelt, als te weten: 

Van goederen, waren, coopmanschappen, provisien, als andersiiifs^ 
van buyten incommende, gelyck: 



259 



potten, 
pannen^ 
rottanghy 
gorgeleten, 
stroomatten, 
cadntt, 
cadjangh, 
rottangmatten , 
gedroocht saet, 
houtscool, 
arpuys , 
salpeter, 
swavel , 
smitseoolen , 
boras, 
loot, 
yser, 
stael, 

ysere pannen, 
parangs en byltgens, 
sisser, 
sissieq, 
cassomba, 

coper , gewrocht ende 
ongewrocht , 
amphioen, 
ingo, 1 
porceleyn , 
gomme,. 
gondtdraet, 



alderhande Javaense 

crameryen , 
alderhande gaeren, 
capock, 
capas, 
conget, 

gedroocht hertevlees, 
sagu, 

groene gember ^ 
oude pinang, 
toupy, een spetie die 



gesoute ende verse 
limoenen, 

alsmede alderley an- 
der fruyt, 

cleeden, 

root ende andre laec- 
kenen, 

alderley Chineese 
waren , 

honich, 

slypsteen, 



men in de arack brand , borborysteen , 



tonback , 
indigo, 
poulout, 
boonen, 
erwten , 

gesouten ende ge- 
droochde vis, 
olye, 
asyn, 

tamorindij , 
eyeren , 
snycker, 
lackwas, 
gesoute cuyt, 
oude cocus, 
ayuyn, 
loock. 



gamaten , 
gitte gomme, 
rinosser hoorn, 
vogelnesten, 
hoornkens, seeker geit 
van Siam, 
olyphantstanden , 
buffels , 
koebeesten, 
oliphanten , 
paerden, 
pauwen, 
gansen, 
endvogels, 
hoenders , 
boeken , 
herten, 
verkens. 



orange appelen, 

Van alle welcke voors. waren, coopmanschappen ofte provisien, 
als van andere diergelycke, hier niet uytgedruckt, by den inbrenger 
vyff ten hondert betaalt worden. Ende ingevalle deselve goederen 
oft eenige derselver soo wanneer vercocht sullen syn, van hier we- 
der elders vervoert souden mogen worden, sal voor 't uytvoeren by 



Ingoe , wijnruit ? 



240 

'den nytvoerder, sooveel als voor incomen, te weten vyff percents 
1)etaelt worden, belasten ende bevelen dat niemant sonder expres 
consent alvoren vercregen te hebben, eenighe goederen tsy coopman- 
schappen, eetbaer waeren ofte andersints aen de scheepen hier te 
reede leggende, sal mogen venten, ten eynde dat alles op depassar 
vercocht mach worden ende gheen fraude onder soodanige pretext 
en geschiede. 

Den arack sal geven thien per cento, soowel van incomen als van 
uytvoeren. 

De navolgende goederen sullen voor incomen vyff, ende voor uyt- 
gaen betalen thien per cento, als: 



rys, 


campher, 


pady. 


gommelacq, 


bensnwyu , 


cayolacq, 


peeper. 


quicksilver, 


foeli. 


agnlahout. 


noten. 


muscus. 


eocus maldive. 


chevet, 


gout. 


amber, 


nagelen, 


lapes besaer, 


was, 


diamanten, 


sandelhout, 


robynen. 



Is mede goetgevonden ende gearresteert dat ieder herbergier, die 
kielan, arrack ofte tuack tappen ofte vercoopen, ieder maent sullen 
betaelen twee realen van achten. 

Item dat de tappers ofte vercoopers van Spaensche wynen voor 
ieder legger sullen betalen voor impost twintich realen, ende den 
burger vyff realen. 

Ende opdat dese onse ordonnantie te beter moge nagecomen werden, 
sullen alle in ofte uytgebrachte goederen aen den Sabandaer behoor- 
lyck aengegeven werden. 

Ende alsoo noodich is tot den ontfang van de gerechticheyt op de 
voors. goederen* gestelt, dat een ontfanger gestelt worde, omme by 
hem ende den Sabandaer, Dirck Jemming, die tot noch toe in het- 
selve officie gebruyckt ende door syne goede comportementen, goet- 
gevonden hebben denselven Dirck Jemming int offitie van Sabandaer 
te continueren, de voors. goederen te visiteren ende taxeren. Soo ist 



241. 

dat wy met advyse van onsen Rade tot ontfanger van de voors* 
gerechticheyt Thymon Michiels. gecosen ende gestelt hebben, by 
welcken ontfanger ende Sabandaer, alle incomende offte nytvarende 
pranwen, joncken, als andere vaertaygh, haer pas by den ontfanger 
ende Sabandaer beyde onderteeckent, snllen moeten halen, ende 
alvoren tselve behoorlyck verkregen hebben, niemant met eenige 
pranwen, joncken ofte andere vaertnygh, in ofte nyt sal vermogen 
te varen, op pene van confiscatie van alle d'in ofte nytvarende 
goederen. 

'Twelck alles nae de publicatie van desen syn begin sal nemen, 
ende ten eynde niemant van den inhont van dese,eenighe ignorantie 
en pretendere, ordonneren ende bevelen wy aen onse officieren, dat 
sy desen doen publiceren ende affigeren, ter plaetse daer men gewoon 
is publicatie ofte affictie te doen , belastende voorder aen onse officieren , 
den advocaet fiscael, balliu, ontfanger, sabandaer ende andere justi» 
cieren, van dese onse republique van Jaecatra respectivelyck, ende 
elck van hun in syn regard, dese onse tegenwoordige ordonnantie 
te doen onderhouden in alle syne poincten ende articulen, alsoo ten 
dienste van den lande , bescherminghe van de ingesetenen van dien , ende 
bevoirderinghe van de gemeene saecken sulcx wordt vereyscht ende 
wy noodich bevonden hebben te geschieden. • 

Gegeven in 't fort Jaccatra adi) primo October Anno 1620. 



/. Placcaet daerby verboden wort, dat niemant der Christen 
borgers eenige bysit ofte cqncubyne sal mogen houden. 

Jan Pieterss. Coen, Gouverneur Generael over alle landen, eylan- 
den , steden, forten , plaetsen , comptoiren , schepen , jachten , chaloupen , 
persoonen ende den handel van Indien, wegen de Hoog Mogende 
Heeren Staten-Generael , Syne Princelycke Excellentie ende de Hee- 
ren Bewinthebberen der Geoctroyeerde Oost-Indische Compagnie van 
de Vereenichde Nederlanden, allen dengenen die desen sullen sien 
oft hooren lesen, Saluyt! doen te weten, alsoo wy dagelycx ver- 
mercken hoe eenige Christenen borgera deser stede Jaccatra, onse 
onderdanen, Godt ende syn gebodt, mitsgaders de Christelycke ende 
borgerlycke politie vergetende, haer vervoorderen een slavinne ofte 
bysit, tsy in hare huysen ende wooninghen oft elders te houden, 

IV. 16 



242 

«nlcx in geenderiey manieren Christelycke ende eerbare bm^eren 
betaemt, maer ter contrarie tot een quaet exempel ende groote er- 
gemiflse voor desnlcke y die naer (Jodes heylige instellinge in den 
hnywelycken staet eerbaerlyck soecken te leven, is dienende ende 
meer geconsidereert de horribele conaeqnentien ende andere menich- 
Tnldige seer quade inconvenienten, die vuyt het houden van de 
voorn, bysitten procederen , gelyck ons daervan al te beclaechelycke 
ende bekende exempelen, aLs het verdoen van de vrucht, ende dat 
de eene bysit door fenyn ende vergift den anderen soect te vermoor- 
den, genoegsaem getuygen, daerdoor niet anders als Godes toom 
over dese opspruytende republicque, soo hy naer syne strenge recht- 
veerdicheyt wilde handelen, verweet sonde werden; omme dan Godes 
toom van dese republycque sooveel doenlyck te weeren, ende opdat 
de bnrgers ende ingesetenen van dien, in Christelycke eerbaerheyt 
na de bevelen ende geboden Godts mogen leven ende de voors. 
repnblicqne volgens de heylige insettinghe Godts helpen vermeer- 
deren: Soo ist, dat wy het voors. aenlockelyck quaet soeckende te 
stuiten ende naer vermogen te weeren, met advyse van onse pre- 
sente Raden goetgevonden ende geresolveert hebben te interdiceren 
ende verbieden, gelyck interdiceren ende verbieden mits desen, dat 
niemant binnen dtse onse republicque van Jaccatra residerende ofl 
onder de jurisdictie van dien sorterende , eenige slavinne oft slavin- 
nen bysit ofte bysitten in syn huys ende woonplaetse oft elders sal 
mogen houden onder wat pretext hetselve soude mogen geschieden^ 
op pene, soo wie ter contrarie bevonden sal worden gedaen te heb- 
ben, van arbitrale correctie, ende opdat niemant hiervan eenige igno- 
rantie en pretendere, hebben wy desen naer voorgaende clock ende 
trommelslach ter gewoonlycker plaetse doen publiceren, ende voorts 
alwaer sulcx behoort doen affigeren. Lastende voorts allen officieren ^ 
justicieren ende dienaeren, dat syluyden tegen de overtreders van 
dien procederen als voren sonder eenige gunste, faveur oft dissimu- 
latie ter contrarie, want wy sulcx tot bevorderinge van Godes eere, 
dienst ende welstant van dese republycque alsoo bevinden te behooren. 
Achun in 't fort Jaccatra, adij.11 December a^ 1620. Ter ordon- 
nantie d'Ed. Heer G^nerael ende Synen Raedt ende was ondert. 
Thijs Com. Vleijschouwer, Secretaris. 



243 

m. Verboth opt vereoopen van geweer ende ammanitie van 
oorloge aen eenige vreemde natie. 

Jan Pieters. Coen, Gouverneur Generael over alle landen ^ eylan- 
den, steden, forten, plaetsen, comptoiren, schepen, jachten, scha- 
loupen, personen ende den handel van Indien, wegen de Hoog Mo- 
gende Heeren Staten-Generael, Syne Princelycke Excellentie ende 
de Heeren Bewinlhebberen der Geoctroyeerde Oost-Indische Com- 
pagnie van de Vereenichde JNfederlanden. Allen dengenen , die desen 
sullen sien oft hooren lesen , saluyt ! doen te weten ; alsoo wy dagelycx 
vernemen, hoe eenige vrye luyden ofte in dienste wesende persoenen 
onder ons gebieth ende gehoorsaemheyt staende, soo hier als elders 
aen vreemde natiën, soowel onse vyanden als vrunden, geweer ende 
ammunitie van oorloge vereoopen, verruylen ende verquancelen , ende 
ons de experientie leert de quade effecten van tselve, waerinne 
alsoo hoochnoodich dient versien , soo ist : dat wy met advyse van 
onse presente Raden naer rype deliberatie hierop gehouden, gein- 
terdiceert end^ verboden hebben, ghelyck wel expresselycken doen 
mits desen, allen ende een iegelyck, tsy vrye luyden oft in dienst 
wesende personen onder ons gebieth staende, tsy van wat natie, 
staet oft qualiteyt hy sy, niemant vuytgesondert, aen eenige vreem- 
delingen, tsy van wat natie die oock souden mogen wesen, vrunden 
oft vyanden, eenige geweer ofte ammunitie van oorloge te vereoopen, 
verruylen ofte verquancelen, door andre doen vereoopen, verruylen 
oft verquancelen, onder wat pretext hetselve oock soude mogen 
wesen, welck wy begeer en dat staet sal grypen soo hier, innewaerts 
als op eenige andere plaetsen, isf de Compagnie aldaer comptoiren 
is houdende, handelende oft niet, op pene soo wie ter contrarie be- 
vonden sal werden gedaen te hebben, boven verbeurte van 't vercochte 
geweer alsmede ammunitie van oorloge oft tgene daervan geproce- 
deert soude mogen zyn, aen den lyve gestraft te sullen worden. 

Actum int fort Jaccatra, adi) 9 December a^ 1620 etc. Ter or- 
donnantie van d'Ed. Heer Generael ende sjmen Rade, ende was 
onderteyckent, Thijs Comeliss. Vleyschouwer, Secretaris. 



n, Yerbot op het ommehouwen ende schenden van eenighe 
vruchtdragende boomen. 
Alsoo wy dagelicx tot onsen groeten discontentement vernemen hei 



244 

ommehonwen eade schenden van callappnB, pinangh, siry, mangns^ 
bannanes ende andre vnightdragende boomen in 't bosch, ende dat niette- 
genataende vorighe placcaten ende ordonnantien tegen de malefa^tenrs 
van dien geemaneert, het qnaet soo langs soo meer aenwast, ende 
deselve plaecaten ende ordonnantien wegen de civile straffe ^daerinne 
geexpresseert schynen gevilipendeert te werden , waerinne hoochno- 
dich dient versien, derhalven soo ist: dat wy met commimicatie ende 
advyse van onsen tegenwoordigen Baden, omme de voorverhaelde 
fanlten in toecomende te voorcomen y allen ende een iegelycken inter- 
diceren ende verbieden, interdiceren ende verbieden hen by desen, 
dat niemant, tsy onder wat pretext het sonde mogen geschieden ^ 
eenige clappus, pinangh, siry, mangns, banannes ofte andere vrucht- 
dragende boomen in 't bosch omhacken off in eeniger manieren schenden y 
op pene, dat sonder eenige simnlatie aen den lyve gestraft sal worden. 
Ende opdat dit te beter effect tegen de malefacteurs van dien, mach 
sorteren, hebben goetgevonden, dat soo wie imant die hem tegen dese 
ordonnantien vergrepen sal hebben, aenbrengt, voor yder persoon vyfif 
en twintich realen van achten sal genieten, met toesegginge dat des 
aenbrengers naem secreet sal gehouden worden. Ende opdat hiervan 
niemant ignorantie en pretendere , hebben dese by clock ende trommel- 
slach openbaerlyck ter plaetsen daer men sulcx gewoon is te doen 
gepubliceert, ende daemaer ter publicque plaetsen geaffigeert, ordon- 
neeren ende expresselyck bevelende aen onsen balliu goede ende 
scherpe toesicht te houden, tot onderhoudenisse van de voors. ordon- 
nantien ende te procederen tegen de overtreders ende ongehoorsaeme 
van dien, by executie van de voors. peynen, sonder faveur ofte 
dissimulatie ofte eenich verdrach. Aldus geordonneert by den Ed. Heer 
Generael ende syne presente Raden. In 't fort Jaccatraady 13 April, 
Anno 1620 etc. 

(onderstond:) Ter ordonnantie van d'Heer Generael Thys Comelis 
Vleyshouwer, Secret. 



o. Verboth op het schenden ende ommehouwen van eenige 
vruchtdragende boomen. 

Jan Pietersz. Coen, Gouverneur Generael over alle landen, eylanden, 



245 

steden, jfbrten, comptoiren, «ichepen, jachten, saloupen ende volkeren 
in Indien, wegen de Hooge Mogende Heeren Staten Generael, Syne 
Princelycke Excellentie ende de Heeren Bewinthebberen der Generale 
Oost-Indiesche Compagnie van de Vereenichde Nederlanden, allen 
dengenen, die desen sullen sien oft hooren lesen, salnyt! doen te 
weten; alsoo tot onser kennisse gecomen is, hoedat seeckeren moet- 
willigen haren behoorlycken plicht ende schuldige gehoorsaemheyt tot 
onse placcaten gantsch ende t'eenemael vei^eten ende besyden gestelt 
hebbende, noch door vreese van straffe oft lieffde tot goet doen, naei* 
en laeten eenige vruchtdragende hoornen, als onder ander eenige cocos- 
boomen, die nu cortelingh sommige int bosch gevonden syn depalmyt 
vuyt te snyden ende alsoo te schenden, ende wy tselve quaet, in 't 
schenden van 't bosch met omhacken ende beschadigen van vele 
vruchtdragende boomen dagelycx bevinden toe te nemen, daertegens 
wy geeme tydige remedien gebruycken ende daerinne naer behooren 
versien willende, Soo ist, dat wy naer rype deliberatie hierop gehou- 
den, met advys van onse tegenwoordige Raden, de malefacteurs ende 
contraventeurs van onse vorige placcaten ende ordonnantien op 't schen- 
den van 't bosch geemaneert, geeme achterhaelt ende volgens de penen 
in onse placcaten begrepen gestraft sagen, derhalven goetgevonden heb- 
ben onse voorige placcaten op 't schenden van 't bosch gepromulgeert te 
vernieuwen ende ververschen, interdicerende ende verbiedende oversulcx 
allen ende een iegelycken onder onse gehoorsaemheyt staende ofte binnen 
onze jurisdictie residerende, tsy van wat natie oft staet hy sy, 
niemant vuytgesondert, interdiceren ende verbieden hun mits desen 
geene vrughdragende oft andere boomen in 't bosch staende te quetsen 
ofte schenden , in 't meeste noch in 't minste , onder wat pretext het- 
selve oock soude mogen oft cunnen geschieden, op pene, soo wie ter 
contrarie bevonden sal worden gedaen te hebben , sonder eenich faveur 
oft genade aen den lyve gestraft te sullen worden. Ende opdat dese 
onse ordonnantie te beter effect sortere, beloven wy, soo wie iemandt 
die zich tegens dese ordonnantie vergrepen sal hebben weet aen te 
brengen, beloont sal worden met vyftich realen van achten, met 
toesegginge, dat des aenbrengers naem secreet gehouden sal worden. 
Ende opdat niemant hiervan eenige ignorantie en pretendere, heb- 
ben wy desen by clock ende trommelslach openbaerlyck ter plaetse 
daer men sulcx gewoon is te doen, belast te publiceren ende ter 



« 



246 

gewo(mlycke pUetse te aflOgeren, lasten ende bevelen voorts onsen 
advocaet fiscael, baillin, den boschwachter, allen anderen officieren 
en de dienaren van de justitie dese onse ordonnantie ende bevelen 
te achtervolgen y ende te procederen tegens de contraventenrs ende 
overtreders van dien, sonder eenich gratie, oochlnyckinge, dissimu- 
latie ofte verdrach, want wy snlcx tot onderhoudt van goede policie 
alsoo bevinden te behooren. Actum in 't fort Jaccatra, adij 6 November, 
Anno 1620 etc. Ter ordonnantie van d'Ed. Heer Generael ende syne 
Raden, ende was onderteyckent : Thys Comeliss. Vleyschouwer , 
Secretaris. 



p. Placcaet op 't haelen van de fruyten (tienden). 

Jan Pieterss. Goen, Gouverneur Generael over alle landen, eylanden^ 
steden, forten, plaetsen, comptoiren, schepen, jachten, schalonpen, 
personen ende den handel van Indien, wegen de Hoog Mogende 
Heeren Staten Generael , Syne Princelycke Excellentie ende de Heeren 
Bewinthebberen der Geoctroyeerde Oost-Indische Compagnie van de 
Vereenichde Nederlanden, allen dengenen, die desen sullen sien oft 
hooren lesen, saluyt! Doen te weten, alsoo de vruchten dagelycx in 't 
bosch rypen ende by groote menichte gehaelt worden, sonder nochtans 
eenige lasten tot noch toe daerop gestelt syn ofte iets by den Heer 
daervan ghenoten is; Soo ist: dat wy met advise van onse presente 
Raden tot soulagement van de gemeene lasten geresolveert ende goet- 
gevonden hebben, gelyck resolveren ende goetvinden mits desen, de 
thienden van alle de vruchten, die binnen onse jurisdictie van Jacatra 
in de bosschen, alsmede op de platte landen gewassen, gepluct ende 
hier ingebracht souden mogen worden, geene vuytgesondert te heffen, 
ordonneren ende bevelen derhalven wel expresselyck allen ende een 
iegelycken onder onse gehoorsaemheyt staende oft binnen de jurisdictie 
van Jaccatra residerende, tsy van wat natie, staet oft qualiteyt hy 
sy aen de collecteur van de voors. thienden by ons daertoe te com- 
mitteren, die syn plaetse aen 't ende van destadt in ofte by de corps 
de guarde aen de riviercant sal houden, gerechtelyck aen te geven 
wat vruchten sy inbrengen, ende de quantiteyt van dien, omme by 
denselven de voors. gerechticheyt gecoUecteert te worden. 



« 



247 

Actum int fort Jaccatra ady 9 December A^. 16,20 etc. Ter or- 
donnantie van d'Ed. Heer Generael ende syn^n Rade, ende was 
onderteyckent Thys Com. Vleyschouwer, Secretaris. 



q. Maendach adij 4 Jnly A^. 1622. (Resolutie tegen het 
misdrijf van overspel.) 

Alsoo in welgestelde Repnblycken onder alle staten, een van de 
alderwaerdichste en gants noodichste by alle volckeren geacht, en tot 
allen tyden in sonderlinge recommandatie gehouden is geweest, de 
staet des huwelycx, als zynde de eenige voester van de mensche- 
lycke gesellicheyt , waerover oock volgens de Goddelycke en mensche- 
lycke rechten by allen, maer insonderheyt Christelycke magistraten, 
na uyterst vermogen, met een sonderlinge sorge altoos getracht is 
geweest, den bant des huwelyckx ongevioleert en in alle suyverheyt 
te conserveeren, soo ter eeren Goodes, weleke daer is de eerste insteller 
van soo lofflycken staet, gelyck mede tot bevorderinge van de alge- 
meynen welstant, mitsgaders affwendinge van de straffe en onheylen, 
weleke door de grouwelycke sonde van eebreucken en overspel, landen 
en stede overcomen, daervan ons de kerckelycke en wereltsche his- 
toriën, niet dan al te beweenlycke exemplen voorstellen: 

Soo ist; dat Zynne Ëd. omme den huwelycken staet, in dese onse 
teere aencomende republycke van Batavia in behoorlyck respect en 
eere te doen onderhouden, gelyck mede omme d'onheylen, die uyt 
de violatie van dien, desen lande door Godts rechtvaerdigen toom 
soude mogen overcomen, van ons aff te keeren, goetgevonden en 
gants betamelyck geacht heeft, over dese saecken met den Raet te 
communiceeren , midtsgaders oock in bedenckinge te geven, of het 
niet noodich en geraden sy, om tytlyck de begintselen vansoodanich 
quaet voor te comen, dat men tegen d'overspeelders en schenders 
des huwelyckenbants, met solemnele placcaten een swaere en rigou- 
reuse straffe publiceere, namentlyck: degradatie van ampt, peene 
des doots en confiscatie van goederen; niettegenstaende dese detes- 
table sonde, naer onse lantsrechten in Europa soo rigoureus niet ge- 
straft; maer alleene met publicque schande, pecuniele amende, be- 
rovinge van ampten en bannissement gemulteert wordt. 

De redenen die Zyne Ed. bewegen H overspel alhier met rigou* 



248 

' reuser straffe , als in onse landen geobserveert worden , te willen 
beswaren 9 syn dese: 

Ten eersten: dat de persoonen van dese elimate impudicqner en 
tot de Inxorie ongelyek meer, als die in onse landen van Europa ^ 
zyn genegen; 

ten tweeden: dat door gants orienten 't overspel sonder eenige 
conniventie met der doot gestraft wort en alsoo dit eene plaetse is, 
die van alle vreemde natiën van Indien en gants Asia aen dese kant 
gefrequenteert wort, sonde het voor ons eene gants verachtelycke 
saecke by alle natie wesen, dat dese sonde alhier met liehter straffe 
geanimadverteert en overloopen wierd, even als of- by ons, christenen, 
weyniger. wercks van d'eere onser vrouwe gemaect wierde, als by 
de turcken, mooren en heydenenj, ^ 

ten derden: dat ons eygen volck, soo die van Europa hier comen, 
als degeene, die men hier in Indien van verscheyden quartieren 
byéén versamelt, de meeste part van de vilste en slechtste soort is, 
daer weynige (Godt beter 't), jae geene,redelyckheyt,geschicktheyt 
en politie by gevonden wort en dienvolgende meer geinclineert syn 
om haer tot alle gebreecken, insonderheyt luxurieusheyt, als tot een 
eerlyck, stichtelyck en burgerlyck leven te begeven; 

eijndelings, dat oock de bannissementen hier te lande niet en be- 
hooren te geschieden, ten respecte dat hier in 't midden onder 
mooren en vyanden woonen, waeruyt swaerder inconvenienten souden 
comen te rysen, namentlyck dat gebannen Christenen, ha^ tot het 
moordom begeven en onse bitterste vyanden souden mogen worden; 

Om welcke voorverhaelde en andre redenen meer, Zynne Ed. 
mitsgaders den raet eenstemmich arresteeren en besluyten, dat men 
hier te lande, de sonde van overspel met den doot en confiscatie 
van goederen, sonder eenige conniventie, na de publicatie van 't 



^ Deze resolutie, en niet minder de beweegredenen daarby geyoegd, leveren een 
merkwaardig bewijs, hoe J. Pz. Coen de nog jonge en teedere volkplanting, desnoods 
met geweld wüde beschermen. In zijnen godsdienstigen ijver, welke geheel overeen- 
stemde met de begrippen eener magtige partg in Nederland , wenschte hij den Chris- 
telijken staat, vooral niet als minder godsdienstig te doen voorkomen, dan den Staat 
van * turken, mooren en heydenen." Hy verliet daardoor echter juist het Christelijke 
: standpunt en gaf aan den wereldlijken regter, die niet 'zonder zonde is, den eersteu 
steen in handen. 



249 

placcaety 't welcfc desen aengaende sal werden geraempt, straffen sall. 

In 't fort Batavia, datum ut supra. 

Was onderteyckent: Jan Pietersz. Coen, P. de Carpentier, W. 
van Antsen, Jacq. Specx, Thys Comeliss. Vleyshouwer, Secret». 



XL. Db Gouvebhtbub Gbkebaal Jait Pibtbbsz. Coen en Rade 

VAN Indie aan de Bewindhbbbebs deb Geneb. 

Oost-Ind. tloMP. (Heeben XVII.) 

Fort Jakatra, dd. 8 January 1621. 

Ed. Emtfeste enz 

Tegen Bantam zyn d'Engelsen met ons in eenen graet geraect, 
sy lieten haer eerst voorstaen, dat met moye praetiens wonderlyeke 
dingen souden doen, maer den tyt heeft haer anders geleert. Door 
Gk)dts genade t'hecht in de handt hebbende, vonden wy goet d'En- 
gelse faccordeeren wat ons voorstelden, opdat over ons niet souden 
hebben te clagen, hierover consenteerden dat soo dickwils na Ban- 
tam souden senden, als het haer gelieffde, omme te onderstaen off 
aen den handel souden connen comen; sy hebben verscheyden reysen 
gesonden, maer gants niet verricht, ende hun is eyntlyck aengeseyt 
dat van landt souden blyven, soo niet dootgeslagen wilden wesen. 
Aldud syn d'Engelse gepayt geworden ende tsedert die tyt hebben 
neffens ons, twee schepen voor Bantam gehouden. Eenige dagen ge< 
leden is ons aengedient dat de Pangoran van Bantam nu beter be- 
dacht is ende soo wy selffe imant derwarts sonden, sy meenden wy 
souden voorseecker tot goet accoord geraecken, dese praetiens heb- 
ben gehoort, maer niet goetgevonden voor goet aen te nemen, noch 
daerop na Bantam te senden, wy vertrouwen dat hun met der t3rt 
wel voorder brengen sullen; de rys begint in Bantam weder dier te 
worden, de peper geldt onder malckanderen een halve reael van 
achten de sack, van armoede zyn dagelicx veel Chinesen van Ban- 
tam by ons overcomende. Met onse prauwen doen soo veel dat 
Bantam gants weynich provisie van buyten becompt ende alles tot 
Jacatra, Godt loff, abondant is, voor onse vloote, d'Engelse ende 
Francen is hier genoch te becomen. Altemet werden eenige Javae- 
nen int bos vernomen, die op onse fruythaelders loeren, maer soo 
haest ontdeckt zyn, retireeren hun alsoo dat niet te vinden zjn. Nu 
cortelingh isser tot Bantam een roeyschuyte van Mallacca (Gilees ge- 



250 

naemt) aengecomen, gemant met ontrent 50 koppen, waerondereenige 
Portngiesen zyn; op wat voet ofte maniere daer comen is ons onbe- 
kent, zy zyn int huys van d'Ëngelse gelogeert, de spraecke gaet 
hier, dat die van Bantam wonderlycke groote assistentie doen sullen. 
Int eerste van den oorlogh hebben wy Bantam om verscheyde rede- 
nen niet aengetast, tsonde wel connen gebeuren dat ons d'Almogende 
daertoe noch brachte, ende de plaetse mede oveigaeve; vand'Engelse 
hebben weynich hulpe te verwachten, Vialter yets voor, wy sullen 
het alleene moeten doen. • 

De Coninginne van Patany heeft verleden jaer herwarts gesonden 
een ambassadeur met een missive ende een sUveren beteldoose tot 
vereeringe enz 

Van Cambodja syn hier drie joncken met verscheyde provisie aen- 
gecomen, welcke mede veel Chineesen gebracht hebben om hier te 
resideeren. 

Door verscheyde joncken syn hier van de custe van Sumatra ge- 
bracht ontrent 400 picol peper; wy hebben deselvige a 13 realen 't 
picol doen coopen ende d'Ëngelsen daervan om verscheydene redenen 
de helft laten overdoen, voor 't uytvoeren van die, syn wy vanmee- 
ninge d'Engelse by provisie te doen affvorderen de gesette tol van 
10 percento, hebben haer oock aengeseyt hoe wy volgens placcaet 
5 percento pretendeeren van de cleden ende andre goederen, die tot 
Jacatra souden mogen vercoopen. Wat wy tegen de voorgaende ende 
dagelicxe lasten, als oock wat prerogatieff óp de peper van Bantam 
pretendeeren, is alsnoch onnodich geweest te verhaelen, U Ed. ge- 
lieven met den eersten ordre te geven, waerna ons desen aengaende 
reguleren sullen, gelyck mede wat tollen d'Engelse, Francen , Denen 
ende andre tot Jacatra betaelen sullen; nevens dese gaet acte van 
d'ordre welck daerop by provisie gestelt hebben. 

Het schip de Globe is door d'Engelse weder na Japara om hout, 
rys ende andre provisie gesonden geweest; maer heeft niet dan een 
weynich plancken gebracht. 

De Tommegon Bouraxa, Gouverneur wegen de Mattaram over 
Kendael, heeft voor dese van ons doen versoecken vrypas voorseec- 
kre joncken. die hy met rys na Mallacca wilde senden. Wy hebben 
tselvige gerefuseert, hem gebeden sulcx naer te laeten ende aenge- 
raeden dat zyn joncken met rys na Jacati*a soude senden, waertoe 



2B1 

dé zynën een vrypas medegaven; doch in plaetse van hier teoomen 
syn zy met twee joncken na Mallacca gevaeren ende in de straet 
van Palinbangh door de vrye burgers genomen, hier gebracht ende 
voor goede prinse gehouden. In de voors. joncken hebben wy beco- 
men een missive, die voors. Tommagon wegen de Mattaram meteen 
ambassadeur aen de Cappiteyn van Mallacca is schryvende, onder 
andre wert daerinne geadvyseert , hoe die van Mallacca veel swaricheyt 

* 

is aanstaende, vermits de Nederlanders beletten datter geen rys na 
Mallacca gevoert wort , doordien .met d'Engelse vereenicht zyn ende 
tot Jacatra int landt van de Mattaram een huys gebout ende hun 
selyen alsoo ondersaten van de Mattaram gemaect hebben, derhalven 
recommandeert zynen broeder de Cappiteyn van Mallacca daerop wel 
emgtelyck te letten. Dese brieff houden wy geschreven ende met 
expresse ambassate gesonden te wesen, omme de Portugiesen een 
groote macht byeen te doen vergaederen ende ons gesaemenderhandt 
tot Jacatra te besoecken, eer ons soo verstercken dat onwinbaer 
worden, alle de Coningen den handel verliesen ende wy den stapel 
tot Jacatra becomen. U Ed. gelieven vastelyck te geloven dat alle 
dese naestgelegene Coningen tegen ons sooveele sullen doen als te 
weghe connen brengen, derhalven gelieven de Heeren daertegen 
mede te versien. Alle de Coningen van dese landen weten soo wel 
wat aen 't planten van onse colonie tot Jacatra gelegen is ende watter 
op mach volgen, als de cloeckste ende verresienste politicque van Eu- 
ropa souden mogen doen. De voors. Tommegon Bouracxa heeft nu 
wederom vier en twintich prauwen met rys herwaerts gesondem 
sonder eens n^entie van de voors. joncke, volck off goederen te 
maecken, gelaeten hun al off het haer niet eens aen en ginck. Door 
continueel aenhouden van den Tommagon van Tegal hebben der- 
warts een ambassate gesonden om de resterende gevangenen te eys- 
schen ende vrientschap sooveele doenlycken te maecken , onse gesante 
is wel onthaelt ende met goet geley weder hier gekeert, maer de 
gevangenen mochten niet volgen; men had ons aengedient dat gere- 
lasscheert souden worden soo haest daeromme sonden, maer nu 
schaemden haer niet voor de vyff persoonen vyff duysent realen te 
eysschen, niettegenstaende wy meer dan 150 van des Mattarams on- 
dergaten hebben; het schynt dat weynich mentie daervan gemaect 
wort 



252 

Algoo tegenwoordelyck een redelycke macht van schepen ende 
yolck byeen gecregen hebben ende deselvige gednyrende 't weste 
monsflon nieuwers dan innewaerts gebraycken connen^ is goetgevon- 
den dat de Generael Coen met 12 scheepen, ophebbende omtrent 
1500 koppen innewaerts vaeren sal, omme t'onderstaen off den staet 
ten besten van den Generale Compagnie sallen connen verseeckeren 
ende den handel op een goede voet brengen. Het waere enz 

D'ontfanck van de tollen en de rechten van Jaccatra beloopen, te 
weten van de maent October, realen 2138, van November 2524J^ ende 
van December 2904^, in vougen dat d'incompsten van maent tot 
maent allenskens vermeerderen, byaldien U Ed. jaerlicx soo grooten 
somma, geit herwarts «enden als nodich is tot fondament van d'in- 
lantschen handel, ende omme de stapel van de Chineesse handel tot 
Jacatr^ te stabileeren, is apparent dat d'incompsten van 't Coninckryck 
Jacatra tot thien a twintich dnysent realen van achten ter maent 
ende meer vermeerderen stdlen 

By dese gaet een ruych extract van 't gene sedert 20 Mayo tot 
ultimo December 1620 tot Jacatra gewonnen ende uytgegeven is. 

Sent ons alle jaren thien a twaalff hondert dnysent realen in spetye , 
wy sullen daertegens met Oodes hulpe 80 a hondert tonnen gout 
beschicken ende dat in retoeren, die U Ed. wel slyten sullen; door 
de troubel met d'Engelse is den staet van cappitael alhier in twee 
a drie jaeren ontrent ses hondert dnysent gulden verachtert, waer- 
van de Compagnie de retoeren moet derven, welck verlies met d'in- 
lantschen handel seer wel connen winnen als maer van behoorlyck 
cappitael versien worden. 

Insonderheyt ende opt alderhoochste zy ü Ed. mede gerecomman- 
deert jaerlicx herwaerts aen te senden een seer groote menichte van 
alderley volck, soldaten, bootsgesellen ende oock andre, omme ver- 
scheyde colonien te planten ende den staet van Indien voor de Com- 
pagnie te verseeckeren, mannen, vrouwen, kinderen, jongens ende 
meyskens dienen hier met groote menichte gesonden, ende met het 
senden van groote menichte van volck sullen de Heeren van veel 
groote excessive oncosten ontlast worden, niettegenstaende dat het 
hem in Nederlant int aennemen vant volck laet aensien als off de 
Comp. daerdoor beswaert soud worden; wy verstaen de saecke heel 



n5 

anders ende sullen sulcx met der daet bewysen , als ü Ed. jaerlycx 

een seer groote menichte van volck senden *. 

In de schooien is hier groot gebreck van a b boecken om jonge kin- 
deren van de ensie gecomen ende andre te leeren; IJ Ed. gelieve 

ordre te geven dat goede qnantiteyt gesonden worden 

(geteekend) J. P. CoBif, Feedbeik Houtjoln, 
P. DE Caepentiee, J. Dedbl, Ma-etinfs Sokck. 



XLI. De Gouveenette Geneeaal Jan Pieteesz. Cobn en 

Rade van Indien, aan de Bewindhebbees dee 

Genee. Oost-Ind. Comp. (Hebeen XVIL) 

Batavia dd. 16 November 1621. • 

Ed. Emtfeste . 

Met d'onse van den ^^^ Maya passato is ü Ed. geadvyseert, hoe 
gelackich door Godts genade alle de steden ende stercten van gants 
Banda ende omle^ende eylanden overwonnen hadden, doch dat veel 
Bandanesen opt geberchte gevlucht waeren, ende hun daer versterct 
hadden; wat tsedert die tyt gepasseert is ende voorder occureert, 
sullen vervolgens noteren. 

Hoe met den Dragon van d'overwonnen Bandanesen 789 sielen na 
Batavia gesonden, ende 45 orangkays over d'inditie van haereü val- 
schen handel ende boos voornemen geapprehendeert waren, is met 
voors. missive geadvyseert. Op de becomen kennisse scherp ondersoeck 
gedaen zynde, bevonden aen haer eygen confessie, hoe de Bandanesen 
van eersten aff nadat Lontor overwonnen ende haer in genade aen- 
genomen hadden, hun datelyck boven opt geberchte begost hadden 
te verstercken, terwyle ons met een schoonen schyn trayneerden, 
dat tegen d'aengéhomen conditie veel van haer beste wapenen achter 
de handt hielden, ende voorgenomen hadden haer een maent off twee 
na ons vertreck wel te dragen om credit te becomen, de forten dan 
aff te loopen ende 't volck te vermoorden; item, doen ons leger in 
Selamma was om ons naerder van de Bandanesen te verseeckeren ende 
de quaetwillige te prevenieeren , dat doen in de wapenen waeren 
geweest om ons leger t'overvallen , dat eenich slecht volck aen boort 
sonden om ons t'abuzeeren, dat voorgenomen hadden op drie ver- 
scheyde tyden ende plaetsen de Generael Coen te vermoorden ^ 



2B4 

namenüyck op Selamma, int schip HoUandia ende int schip den 
Dragon; item dat voorgenomen hadden 'tvolck van den Dragon te 
vermoorden, ende met het schip door te gaen oft den brant daerin 
te steecken, ende alsoo met den anderen te sterven , by den Raedt 
hierop gelet wesende , zyn alle de gevangen orangkays ter doot ver- 
wesen ende 44 met den swaerde gerecht, twee hebben haer selven 
in torture verstiet, ende een isser overhoort gesprongen ende ver- 
droncken. (Nu volgt in dezen brief het verslag van de verovering 
van Banda en van de verdere nitroeymg der bevolking aldaar.) 

In deser voegen is ü E. door Godts genade (?!) meester van 
alle d'eylanden van gants Banda geworden, ende hebben wy de 
vredige possessie becomen, soo ü E. nu gelieft de Comp. van de 
swaere gamisoenen ende oncosten aldaer t'ontlasten ende de landeren 
te verseeckeren, sent dan met den allereersten een goede quantiteyt 
eerlycke huysgesinnen , mannen, vrouwen, kinderen, ende vooral 
menichte van jonge meyskens, soo sal den staet aldaer verseeckert 
ende de Compagnie van veel oncosten ontlast worden; alhier sullen 
niet naerlaeten ons devoir daertoe te doen, maer ick bidde U Ed. 
te considereren hoe wejrnich wy vermogen, meest alle degene die 
haere vryeheyt versoecken, syn gants onbeqnaem tot plantinge van 
colonie, 't is een godloosen hoop, die ons veel moeyten aendoen; 
eenigè stellen haer slimmer aen dan d'onredelycke dieren selffs ende 
veroorsaecken een grouwel ende schandael in veele van d'Indiaenen 
t'onswaerts, want geen andere noch beter siende, meenen zy dat 
onse gantsche natie soo godtloos, onredelyck ende onmanierlyck is. 
Wij bidden U Ed. wilt doch middelen schicken, dathierinneversien, 
de soldaten ende bootsgesellen tegen de vyanden (daertoe van Godt 
geschapen zyn) gebruycken mogen, weynich off geen goede bergers 
syn van haer te verwachten. Wy doen soovele wy vermogen, maer 
soo lange ons met alsulcke lieden moeten behelpen, ende de Heeren 
geen eerlycke zenden, sullen weynich verrichten; vry synde is het 
eenige te veel moeyten om te gaepen en de vrucht in de mont font- 
fangen, ja als het haer in de mont wayt, zyn zy te luy om te 
kauwen. Sent doch eerwaerdige huysgesinnen, soo sullen de swaere 
oncosten licht gevonden worden , ende sal den staet van de Compagnie 
soo verseeckert als die van de Vereenichde Nederlanden wesen ende 
tegen alle vyanden* bestaenconnen. 



288 

Om die te vesten werden verscheyde loffiycke verbonden met 
diversche potentaten ende repnblicque gemaect, ende omdat het volck 
malckanderen in de wech is ende wt den lande by vreemden dringt, 
maect men met groote oneosten van 't water landt, ten salsoovéel niet 
eesten om in Batavia, Amboyna ende Banda eerlycke lieden te brengen 
ende colonie te planten; dit doende sal den staet van de VereenicMe 
Nederlanden geen trouwer, noch beter bontgenoot van den staet dan 
de Vereenichde Oost-Indische Compagnie vinden , ende 't sal de perti- 
cipanten derselver seer proffitabel wesen. Hierover willen de ïïeeren 
regenten van die lande ende U Ed. gebeden hebben, dit ter herten 
te nemen ende daerinne soo haest doenlycken te versien .... 

Wat in onse apsentie tot Batavia, met die van de Mattaram, 
Bantam ende in de generale directie gepasseert zy, is U E. door 
den Baedt met de schepen Leyden ende 't wapen van Enchuysen 
geadvyseert, waervan nevens dese copie gaet; tsedert heeft de tydt 
weynich off geen veranderinge gebaert, doch swanger, schynt het, 
dat eenige gaen om haer proffijt ende tot ons nadeel; trachten die 
van de Mattaram seer hart na vrede, gelyck mede die van Maccassar, 
tenzelven eynde zyn die van Bantam als noch niet gesint met ons 
t'accorderen • . 

Dit jaer heeft de Mattaram geen tocht na Surrobaya gedaen; 
tschynt dat sulcx meest door ons verhindert is, vermits gestadich 
schepen voor Grisse geweest zyn, ende daerdoor van 't gerieff der zee 
ontrieft wierden. Eenige loopers in Grissi (welck van d'inwoonders 
al verlaten was) comende om de stadt te verbranden, syn van d'onse 
gestut ende verhindert. Eenige maenden lanck is ons den toevoer 
van alle nootlyckheden wt des Mattarams landt verhindert, doch 
insonderheyt de rys, die alsnoch in geen quantiteyt gebracht wort, 
maer wel veel andere nootlyckheden; het schynt dat ons gaeme sonde 
dringen de Mattaram in synne conquesten niet te hinderen, maer 
alsoo bevinden dat haer selven meer quellen dan ons, is apparent 
dat eerlange ondersoecken sullen wat met vriendtlycken schyn doen 
eonnen, sy hadden gaeme dat wy weder een comptoir tot Japara 
stabileerden , maer ten is geensints geraden. 

Dit jaer hebben ons die van Bantam int landt niet gequelt, maar 
wel ter zee; zy hebben de zeecust tusschen 't Gherebon ende Batavia 



256 

met menichte van pranwen langen tyt onvrye gehouden om buyt te 

becomen, ende alle nootlyckheden van hier te weeren 

• • • • • • ••••••••••••••••«• 

Om 't ondersoecken off op d'een off d'ander maniere den handel 
met Bantam souden connen becomen, is by den Raedt van defentie 
goetgevonden twee gecommitteerde , een van onse zyde ende een van 
d'Engelsche , met een missive conforme nevensgaende copye na Bantam 
te zenden; de Gecommitteerden zyn tot aen de monl van de riviere 
gevaeren, alwaer opgehouden wierden ^ sy versochten de Pangoran te 
spreecken ende nadat hun sulcx geweygert was, presenteerden onse 
missive , een goet accoort ende vrede versoeckende. Hierop wiert van 
wegen de Pangoran geantwoort, dat met d'Ëngelse geen vrede be- 
hoeffden te maecken, alsoo geen oorloch met haer hadde, sy mochten 
in de stadt comen alst haer gelieffde; maer met de Nederlanders 
wilde niet te doen hebben; d'onse wierden gevraecht off sy Jacatra 
wilden overleveren. Hiermede zyn de Gecommitteerden met onse 
missive, nadat twee dagen gewacht hadden, wedergekeert, sonder 
dat de Pangoran hebben mogen spreecken. Tot openbare oorlogh 
tegen ons souden die van Bantam d'Engelsche gaeme bewegen; 
d'Engelse syn seer genegen om den handel tot Bantam emstlyck te 
versoecken, niet dan per forme hebben zy soo nu, soo dan een schip 
voor Bantam gehouden, ende tzedert 10 Augusta de handt t'eenemael 
daervan getrocken, niettegenstaende het haer aen geen scheepen 
gebreect. Wy hebben verscheyde maelen versocht de handt neffens 
ons aen de besettinge van Bantam te houden, niet dan blauwe excusen 
is daerop gevolcht. T'eene schip enz 

Wy hebben geen goet gevoelen van d'Engelse ende geloven volcome- 
lyck , dat soo sy de sterckste waeren , dat met de slach te gelyck pro- 
testeren, insinueeren ende haer, over pretendeerende ongelyck, met 
gewelt van ons souden soecken te revengeeren; wy connen genoech- 
saem bemercken, dat haer voor laten staen hiertoe redenen te heb- 
ben, wy zullen sooveel doenlyck op ons hoede wesen, 't serpent is 
in onse boesem, wy worden daervan soo gequelt, dat genochtedoen 
hebben om tselvige te stillen; dit can sonder verlies van tyt niet 
geschieden, Godt geve dat de generaele bestieringe van U saecken 
daei^oor interim geen interest come te lyden 

'T schip den Gouden Leeuw heeft in vier maenden van 't Goereese 



287 

« 

gadt in de straet Sonda geseylt ende is in 4 maenden 4 dagen sonder 
verlies van volck voor Batavia gecomen, welck ons notabel ende 
seer vreempt dunckt; verscheyde andere schepen gelyck vooren ge- 
noteert iS; zyn mede spoedich ende oock gelnckich aengecomen, ter 
oorsaeeke naer 't schynt dat de Caep de Bona Esperance verby ge- 
loopen zyn, de znyt gehouden ende geen ander landt dan Java 
aengesocht hebben; andere hebben nytdermate veel volck ende veel 
tyt verlooren om verversinge aen de Caep, aen Madagascar ende 
elders te soecken 

Ter goeder trouwe, even alsoff met goede lieden te doen hadden, 
lasten ende bevelen ü E. preciselyck met haer missive van 16 Juny 
ende 9 September 1620, 't accoort met d'Engelse gemaect, naer te 
comen, t'ontfangen ende te doen prompte restitutie van schepen, goe- 
deren ende cpmptanten van den anderen genomen en die geresti- 
tueert moeten worden. Item, dat het different met eenige schaede 
liever souden accorderen dan aen ü E. remitteren. Dit hebben wy 
onderleyt te doen, maer bevinden dat d'Engelsche Compagnie con- 
trarie ordre aen haere comisen gegeven heeft ende dat niet en soecken 
dan groote actie te maecken, die in haer geheel over te zenden ende 
interim wt onse handen te trecken sooveel geldt als becomen connen, 
de schepen die haer dienstich zyn, ende d'ondienstige in onse ban- 
den te laten, sonder t'minste differentiaele poinct finalyck te willen 
affhandelen, waerover onmogelyck is, dat hier met den anderen 
souden connen accorderen 

Dat de Compagnie in achtien jaeren maer twee cappitaelen wtge- 
deelt heeft ende om sulcx te doen haer met 56 tonnen gouts op 
interest te nemen, heeft moeten belasten, durven vry wt te zeggen 
geschiet te wesen vóór onse compste, door versuym van onse voor- 
saeten, ende tsedert onse tyt door gebreck van geit off cappitael, 
groot geit moet hier wesen off t'en sal niet beteren, sent ons doch 
in geit niet R. 800 m., off 1200 m., noch 30 a 40 tonnen gout, ge- 
lyck voor dese versocht hebben, maer vooreerst sooveel meer als 
eenichsints doenlycken is ende de gelegentheyt gedoocht, opdat U E. 
te gelyck groote rycke retoeren toesenden, ende d'inlantse oncosten 
met d'inlantsche handel verwinnen mogen, waertoe niet laten sullen 
na ons vermogen onse wtterste devoir te doen. 

Ongelyck meer cappitael moet er in Indien wesen, gelyck vooren 
IV, 17 



2g8 

ia geseyt om d'inlantsche lasten met d'inlantsche handel te winnen, 
soolange de Compagnie in Indien gehandelt heeft, syn de comptoiren 
niet alleen noyt behoorlyck versien, maer de meeste tyt ongepro- 
videert geweest. Tegenwoordich zyn de MoUncques, Amboyna ende 
Banda alsnoch gants onversien van geit ende coopmanschappen alsoo 
(koop)waeren hiennede, doch corteling is d'Engelse Beer met een 
caigasoen eleden van ontrent f 250 m., incoops van de enste gecomen , 
maer t'en mach gants niet helpen. Aen Suratse ende cnstcleden 
behoort jaerlycx voor Indien niet min dan voor ontrent tien tonnen 
gont ten minsten, besteet en over de comptoiren verdeelt te worden, 
veel ende verscheyde plaetsen zynder in Indien, daer noyt door ge- 
breck van cappitael hebben connen handelen. T'is mede door ge- 
breek van geit dat de Chineesse handel noch niet vercregen ende 
met haere waeren om de West niet gehandelt hebben; daer moet 
sooveel geit in Indien gesonden worden, dat met dat geit, sooveel 
geit wt Japan, China, Siam, Bomeo, Sumatra, Mocha, Soffala ende 
andere plaetsen meer trecken mogen, dat d'inlantsche oncosten 
winnen ende de Jaerlycxe retoeren voort Vaderlandt met d'overige 
winst van d'inlantsche handel opgecocht mogen worden; dit can ge- 
schieden, soo 't ü E. gelieft den staet van Indien behoorlyck van 
cappitael ende middelen te versien 

Volgens U E. ordre hebben de stadt ende 't fort van desepiaetse 
in 't Coninckryck van Jacatra gelegen, Batavia genaempt,d' Almogende 
geve dat volck becomen om tot zynner eere ende welstant van de 
Vereenichde Nederlanden een treffelycke colonie te planten, de plaetse 
is daertoe zeer wel gelegen ende 't landt soo schoon ende vruchtbaer 
als eenige plaetse van de werelt, veel hondert duysende souden haer 
alhier connen generen. Was dese plaetse, gelyck oock Amboyna ende 
Banda, met een goet getal eerlycke huysgesinnen versien, een seer 
groote dienst soude de Compagnie daeraen geschieden ende delasten 
van de groote garnisoenen souden vry wat verlichten mogen; immer 
soo noodich is het, dat hier menichte van volck als een groote som- 
ma geit gesonden worde, insonderheyt eerlycke huysgesinnen, jonge 
meyskens, jongens ende soldaten. 

Om goede politie, wetten ende ordonnantie, na de maniere van 
onse landen alhier t'onderhouden , is nodich dat U Ed. perticulier 
verbael zende, wat aldaer voor gebruyct zyn. 



Als met verstandige redelycke lieden te doen hadden ; ist seer wet 
geseyt dat ü E. gerechticheyt overal met beleeftheyt ende verstant 
souden doen bewaeren, maer soo een vileyn bidden, te min sal hy 
doen, elck moet met zyn monte betaeli worden off het geit en geit 
niet 

Voor dese is ü E. geadvyseert hoe goetgevonden hadden seeckre 
tollen op incomende ende uytgaende goederen te stellen, dese tollen 
zyn mede by provisie van d'Engelse geeyscht ende dat niet anders 
dan van tgene selfls zeyden in Batavia vercocht ende gecocht te 
hebben, welck seer weynich importeerde; sy stelden hun hart daer- 
tegen ende dat alleen omdat het de reputatie, na haer docht, te nae 
was, dat aen ons tollen souden betaelen; zy zyn met recht daertoe 
verwesen ende hebben haer eyntlyck laten geseggen. Alsoo versoch- 
ten wat handel haer hier met de Chinesen zouden vergunnen , hebben 
om verscheyde consideratie in resolutie verhaelt, goetgevonden haer 
by provisie tot U E. naerder ordre toe te zeggen, dat den handel 
voor een yeder liber ende vry sal wesen, ende dat zy soo 't haer 
gelieit daervan sooveel als onse cooplieden sullen genieten,' mits d'or- 
dinaire gesette tollen betaelende. Wat U E. desen aengaende goet- 
vinden, sullen verwachten te verstaen 

De Generael Coen, is ü E. van d'eerlycke presentatie hoochlyck 
bedanckende; zyn E. was genegen met dese schepen naert Vaderlandt 
te keeren, ende heeft daerover den Raedt van Indien U E. commis- 
sie vertoont ende versocht een successeur t'eligeren , doch alsoo eenige 
Raeden absent waeren, heeft den Raedt geaccordeert te vertoeven 
tot dat d'electie van een nieuwe Generael, met advys van de Gou- 
verneurs van de MoUucques, Amboyna ende Banda sal connen ge- 
schieden, twelck wy verhoopen Juny naestcomende wesen sal i. 

(geteekend) J. P. Coen, P. de Caepentibe, 
Jan Dibgez. Lam, Willem van Antzen. 



- Reeds in Mei 1620 Had Coen aan de Bewindli. z\jn ontslag verzoclit ; doch by 
missive van 4 Maart 1621, hadden de Bewindh. gezocht, door vleijende en voordee- 
lige aanbiedingen , hem in Indie te houden. ^Niettemin hadden zij hem de vr^*heid 
gekten van terug te keeren en voor dat geval hem commissie gegeven tot het ver- 
kiezen van een opvolger. 



260 
XLII. Dl OorYBBNXUB Gbkxbaal Jas Pietbbsz. Goek en Rabb 

TAJX IXTDIBy AAK BB BeWINDHEBBEBS BEB GeN^ OoST-IsD. 

Coifp. (Heebek xvn.) 

Batavia, 26 Maart 1622. 

Ed. Emtfeste, enz 

Immer soo schadelyck Qnde hinderlyck zyn ons d'Engelsche als 
voor den oorlogh geweest syn, sy doen ons overal sooveel quaet 
ende hinder als doen connen ende leggen ons sulcx te ^ laste; het 
schynt dat weder wonderlycke dachten overgeschreven hebben, 
doch ongelyck meer schaede ende hinder hebben ons gedaen, dan 
haer van ons geschiet is^ niettegenstaende sulcx tot de somma van 
negen hondert duysent pont steerlincx vergrooten, 't serpent is in 
des Comp". boesem geracet, laet ons voorcomen dat het haer 't herte 
niet doorbyte; soo d'Engelse van ons niet gescheyden, ofte byal- 
dien van de twee Compagnien geen een beurs gemaect worde, salt 
crackeelen nimmermeer eyndigen, maer dagelicx meer ende meer 
vermeerderen, ende is oock onmogelyck dat den handel van Indien 
geredresseert ende gemeynteneert can worden, 't zy oock hoe ende 
wat reglementen dat de Heeren met malckanderen souden mogen 
maecken, tegen de vyanden, sal oock niet groots noch nobels ver- 
richt worden, soo de Heeren geen andere ordre stellen. Ander 
redres ende ordre sullen met devotie van ü Ed. verwachten. 

Voor dese is ü Ed. geadvyseert hoe een goet deel Bandanesen 
alhier gebracht, liber ende vry gestelt waeren, doch dat niet goets 
van haer te verwachten hadden. Nadat dese lieden den 27'* Ja- 
nnario passato op seeckere becomen suspitie ende inditie van haeren 
quaeden wille in verseeckeringe genomen waeren, zyn wy door 
eygen bekentenisse van d'Orangkays condt geworden, hoe zy voor- 
genomen hadden de Generael Coen te vermoorden, de stadt Batavia 
aff te loopen, te verbranden, ende dan door te gaen met vrouw 
ende kinderen, soo haer mede becomen conden, soo niet, souden 
vrouw ende kinderen, zeyden zy, achterlaeten ende wel andere 
vrouwen becomen. Zy practizeerden ende raetslaechden hoe dit best 
met haer minste peryckel int werck souden stellen ende hadden 
yolck na de Mattaram ende na Bantam gesonden, oock verscheyde 



"^ 



261 

missiven derwarts, ende na den Paos om hulpe geschreven, ^ gelyck 
de Heeren door haer verclaringe breder connen sien. Over dit voor- 
nemen syn alle Orangkays ter doot verwesen ende de gemeene lieden 
gecondemneert ten dienste van de Compagnie als slaven gebruyct te 
worden, ende zyn dienvolgende acht Orangkays met der doot ge- 
straft; drie andere hadden haeren doot met ongeloofS^ycken hartnec- 
kicheyt gevordert. Alle d'andere manspersoonen, te weten twee hon- 
dert ende tien syn hier aen de ketting geslagen, ende de vrouwen 
ende kinderen, namentlyck 307 zielen, hebben na Banda gesondeni 
om daer dhder d'onse verdeylt ende vercocht te worden, om voordere 
swaericheyt voor te comen, ende eens van die hertneckige boosen 
aert ontslaegen te worden; hebben aen d'onse in Banda geordon- 
neert, soo daer noch eenige Orangkays off Orangbayckx zyn dat die 
herwaerts senden. In de confessie van de voors. Orangkays sullen 
U Ed. sien, hoe zy alhier door d'Engelsse, ja van de president 
zelve met hoope gevoet zyn; dese verclaringe voor de president van 
d'Ëngelsse ende Zynnen Raedt gelesen zynde, heeft het oock niet 
ontkent, maer met een swygen bevestigt. Wt wat gemoet sulcx 
compt, wat daer tegen behooren te doen, gelieve ü Ed. te be- 
dencken ende haere saecken na den eysch van des Compagnies 

welstandt te schicken 

De Gouverneur van Eendael wesende wegen de Mattaram Admi- 
rael van der zee, heeft hier mede een ambassade met een missive 
gesonden, waervan by dese translaet gaet, inhoudende hoe niet heeft 
connen naerlaeten ons te verwittigen, dat de Mattaram voorgenomen 
heeft dit jaer een leger na Surrobaya te senden, dat Grissi ende 
Jortan, gelyck oock andere plaetsen meer, wel verdistrueert souden 
mogen worden. Hierover raedt ons, op ons volck ende goederen, 
welck in die quartieren mogen wesen, alsoo te dencken, dat hinder 
noch schade becomen. Wy achten dat dese aenspraeck geschiet om 
t'onderstaen hoe wy genegen syn ende om hulpe van ons te becomen. 

Slimmer dan d'onredelycke beesten syn veel van degene die wy 
genootsaeckt worden vry te geven ende int landt te houden. Hier 
te lande syn bykans geen slavinnen soo vil off syn noch aen eenige 



^ Dat wil zeggen, niet naar den Paus te Rome; maar het geestelyk opperhoofd dei; 
Mahomedanen te Grissi. 



•6i 

I 

^ troowende beooft, off een eeriyck man niet vel aot vêsen 
it wltwor pgel van dese landen , gely^ als zyn red danmien. 
die zy vercoopen, te trouwen, geven wy de Heerenteeonadereeren. 
U E. met een, seer ernstlyck biddende dat het de Heeren doeh ge- 
lieve behoorlyeke neersticheyt te doen, daer ende soo als bet behoort, 
omme een groote menichte van eerlycke getronde lieden, e^yeke 
vrouwen ende jonge meyskens herwarts aen te senden, ^laert daertoe 
geen oncosten, noeh moeyten, de Compagnye aal daeraen seergrooten 
dienst geschieden, waeren hier eerlycke vroawen ende dochters, 
zeer veel goede lieden souden hier blyven, de staet vam de Com- 
pagnie sond verseeckert wesen ende sonder last van de Compagnie 
gebonden connen worden, stiyt doch niet langer t^en natnire, noch 
tegen d'ordonnantie Godts, opdat de straffe niet becomen van veel 
qnaet, daervan U Ed. schynen oorsaeck te wesen, de tyd sond ons 
te cort vallen om hiervan behoorlyck te schryven, daeromme snUen 
hierby laeten, U Ed. andermael biddende, de saecke selfl^ grondich 

foverleggen ende den eysch behoorlyck vol te doen 

(geteekend) J. P. Coev, P. db CAspEHTrEB, 

Willem vak Aktzek. 



XLni. De GorvEBKEXTB GEineBAAL Jak Pibtebsz. CJoek ek 

Rade tak Ikdie, aak be Bewikdhebbebs beb Gek. 

Oost. Ikd. Comp. (Heebek XVn.) 

Batavia 6 September 1622. 

Edele Emtfeste 

Het de schepen Schoonhoven enz 

Om de stapel van den handel tot Batavia te becomen, de Com- 
pagnie van veel lasten ende swaricheeden te ontlasten, als andere 
respecten meer, hebbeif geordonneert, dat d'onse op de custe van 
Ghma houdende , niet toestaen zullen dat eenige Chineesse joncken 
elders dan na Batavia met haeren pas vaeren, wy houden dat dit 
sonder eenige alteratie te weech sal gebracht worden, ende dat in 
deser voegen door de stapel van traffieque ende vermeerderinge van 
d'incompsten tot Batavia middel becomen zullen, omme d'excessive 
groote lasten t'overwinnen , de jalousie van princen in thoom te houden 
ende goede retoeren voort Vaderlandt te becomen, doch een groote 
menichte van volck ende etlycke huysgèsinnen om Batavia, Amboyna 



/^ 



263 

ende Banda te penpleeren dienen, U £• daertoe te zenden off wy 
sonden niet goetp' <:onnen verrichten. Alle de Chinesen die op de 
cnste van China, Manilha ende elders becomen, syn wy van meeninge 
daertoe mede te gebmycken 

Met onse joncxte van 29 Martio passato is geadvyseert d'aencompste 
van een Chineesche joncque , ende dat noch twee andere te verwachten 
hadden; 't sedert is de tweede den 15 April wel aengecomen; cort 
daema is de derde ontrent 10 k 12 mylen benoorden van Batavia in 
gesichte vant landt gecomen, daer onse jachten Sincapura ende , 
Jacatra haer beiegende, ende alsoo de wint hart tegencregen, heeft 
den oppercoopman Pieter Dircxz. 't fregat Jaccatra belast by de 
joncquen te blyven, ende een man daerin geset, waervan ons den 
298ten April met Sincapura tydinge ende 16 Chinezen brocht. Ende 
alsoo voors. joncque syn provisie ende water door de lange reys 
geconsumeert hadde , 't fregat Jacatra mede gans niet resteerde ende 
de wint contrarie bleeff waeyende , is ditto fregat door noot van de 
joncque gescheyden ende .d^n ^ ditto hier gecomen , met 7 Chinesen 
van voors. joncque, ende de man die daerin geset was, emstlycken 
versoeckende dat een jacht met rys ende water na de jonck wilden 
zenden , alsoo wet 300 mannen stercq waeren , ende waeter noch rys 
badden. Hierop is datelyck s'anderendaechs tjacht S^ Laurens met 
rys ende water derwarts gesonden, doch heeft voors. jonck gemist. 

Van ultimo Martio tot 8 Juny hebben wy gestadich twee jachten 
langs de custe van Java cruyssende gehouden, om de Chineessche 
joncquen t'assisteeren, ende voor die van Bantam te bevryden, ver- 
sochten dat d'Engelsche, dewyle haer de helft van den handel toe- 
geseyt hadden, van gelycken wilden doen, doch excuseerden haer 
dat daertoe geen jachten hadden. Terwyle onse jachten voors. derde 
joncque sochten, is hier den 23 May van Jamby gecomen t'Engels 
schip de Cleene Jeems; de president van d'Engelsche liet ons doen 
weeten, dat geen meer moeyte behoeffden te doen om de derde 
Chineesse joncque te soecken, haer scheepen de Jeems ende Beer 
hadden die gevonden voor de straet van Palinbangh, ende alsoo van 
Batavia aff noortwaerts liep , hadden de Beer daerby gelaeten om de 
beste goederen onder behoorlycken inventaris daerwt te lichten ende 
hier te brengen. 

Alsoo dit ruchtbaer wierd, ende daerdoor onder de Chinesen groote 



264 

faunalte ontstond, ende geen seeckerheyt van de saecke van d'En- 
gelBche conden vernemen, sonden wy 't jacht Amboyna na Palinban 
ende Jamby om de joncqne te soecken ende bescheit te haelen, doch 
vondt haer niet, maer is ten langen lesten aenteylantLinga gevonden, 
ende zyn van daer nu corteling 7 Chinesen alhier gecomen, met drie 
missiven van de Nackoda, om recht tegen d'Engelscheteversoecken, 
gelyck mede do^n verscheyde andere Chinesen alhier resideerende , 
welcke daermede geinterresseert zyn. Van de missive door voors. 
Nackoda aen ons geschreven, gaet by dese translaet. 

Door de geïnteresseerde Chinesen ende den Advocaet Fiscael zyn 
d'Engelsche in recht betrocken ende de Chinesen seggen, terwyle 
tjacht Jacatra om water ende rys gevaeretiwas, dat de joncqne alsdoen 
in openbaere zee ten ancker leggende , van haer anckers spilde ende 
niet meer dan een ancker behielde, ende dat zy door herde con- 
trariewint, gebreck van water ende rys, genootsaeckt wierden na de 
cnst van Snmatra te loopen, ende terwyle daer geset laegen, dat 
doen twee Engelsche scheepen by haer quamen, onse vlagge van 
haer namen, ons pas off vrygeleyde scheurden ende haer rieden na 
Jamby te loopen , daertoe hun een nieuw pas gaven ende doen snlcx 
deden, dat haer aenhaelden, tvolck uyt de jonck setten ende de 
goederen naemen. Door d'Engelsche is hierop geantwoort, dat de 
joncke genomen hebben op menichvuldige actie, die zy tegen de 
Chinesen hebben ende onse gerechticheyt daerdoor niet vercort is, 
vermits de joncqne hier niet wilde wesen, noch comen conde, maer 
om de Noort liep, soo haest behoorlyck bewys van wederzydein 
gebracht zy, sal den raedt over de saecke uytspraeck doen. 

Den roep gaet, dat de goederen van voors. joncque 30 a 40 m. realen 
waert zouden zyn, doen d'Engelsche Beer den 5 Juny hier quam, 
hebben d'Engelsche daerwt alhier gelost pertye Chineesse goederen 
ontrent 5 a 6000 reaelen waerdich, welck alles is, zeggen zy, dat 
uyt de Chineessche joncke gelicht hebben; dese goederen zyn door 
twee gecommitteerde van den Raedt aangeteeckent. 

Dit is een herden beet van 't serpent, dat in des Compagnies boesem 
geraect is, ende ons seer lastich valt, so hierin niet versien wort, 
wat handel hebben wy tot Batavia te verwachten, souden d'excessive 
groote lasten, die tot opbouwinge vant casteel ende de stadt Batavia, 
met de swaere oorlogen die daerover gevoert moeten worden , niet te 



26i( 

vergeeffs geschieden, ende omme hierinne te yersien, wat sullen wy 
doen, in dén handel ende d'incompste van de stadt heeft de Com- 
pagnie door 't achterblyven van voors. joncqne airede groote schade 
geleden, 300 Chinesen, die daermede qnamen zyn achtergebleven, 
't sandelhout ende andere waeren de Ghinesen dienstich , syn ons aen 
de handt gebleven ende moeten daertegen derven, 't gene nodich van 
doen hebben, ende met goede avance verhandelt cost worden, soo 
't d'Engelsche vry sou staen de joncken te nemen, die hier door 
contrarie wint niet comen, wie salt onderstaen durven (hierheen te 

komen.) 

ü Ed. recommanderen ons ten hoochste met d'Engelsche goede 
vrient^chap ende correspondentie te houden, t'is onmogelyck dat dit 
geschieden can off zouden niet alleen wt Indien, maer wt de werelt 
moeten gaen, want d'Engelsche niet dan crackeel en soecken, ver- 
mits hun daermede in Engelandt wel bevinden, de hoovaerdye , pre- 
sumtneusheyt, valsheyt, ende int corste geseyt, alle gebreecken syn 
in haer te groot, daer is geen apparentie, soo lange by den anderen 
zyn, datter goede vrientschap ende correspondentie tusschen haer ende 
d'onse gehouden sal worden, ofte 'tsoude (des Godt verhoede) met 
totale ruine van de Nederlantsche Compagnie moeten geschieden; 
scheyt ons doch , ist doenlycken , soo verde van d'Engelsche als 't oost 
van 't westen is , ende laet yeder bysonder tegen de gemeene vyandt 
zyn valeureusheyt ende deucht betoonen, de werelt is doch groot 
genoech ende daer is voor ons beyde genoch te doen , om ons te 
prevenieren, sullen sy naer/t schynt tegen de trots ende 't groot 
ongelyck dat ons aen doen, van alle quartieren groote dachten over- ' 
schryven in saecken, die selffs soecken ende daer d'onse toe tergen. 
Onder een schoonen schyn trachten d'Engelsche gestadich om hier* 
in 'sHeeren gerechticheyt te treden, respect ende aensien met ver- 
cortinge vant recht, dat de Hoog Mogende Heeren Staten Generael 
alleen toecompt, t'usurperen, ende als ons daer tegen stellen, soo 
comen met een schyn van eenvoudige sinceerheyt voort. T'is ons 
ende overal alle U Edele officieren hertelycke leet, dat van dese 
lieden zoo zeere gequelt worden, ende door haer sooveel tyt versuymen 
moeten, voorwaer de Comp. is daerdoor grooten interest lydende. 
Alwaert dat beyde de Compagnien in een gesmolten wierden, soo en 
sal evenwel soo lange Nederlanders ende Engelsche by den anderen 



266 

op een pjaetse, in een stadt off een landt woonen, goede vrientechap 
noch eenicheyt gehouden connen worden, want d'Engelsche imcompa- 
tibel syn. Wy zullen overal- volgens U Ed. ordre perfect joumael 
doen houden van 't gene dagelicx tosschen d'onse ende d'Ëngelsche 
voorvalt 

Met ontrent 2000 mannen heeft de Gouvemenr van Candael van 
wegen de Mattaram, Snccadana ingenomen, syn volck den 6^ May 
voor Snccadana gecomen wesende, met ontrent 100 prauwen ten tyde 
dat meest al het volck uyt was, hebben zy by nacht de stadt be- 
stormt ende met ladders beclommen. Die van Snccadana, wesende 
ontrent 400 mannen stercq, deden langen tyt met spatten ende an- 
dersints alsnlcken resistentie, dat daema geseyt wort, meer dan 300 
Javanen doot bleven, sonder datter een man van die van Snccadana 
gebleven off geqnest wierd, doch evenwel zyn allenskens doorgegaen 
ende hebben de stadt voor haeren vyandt geruympt. Die van Can- 
dael, welck geen ander geweer dan piecken ende crissen hadden ^ 
ende van buyten niet en deden dan tieren ende beeren: val aenival 
aen! ten lesten geen meer wederstandt vernemende, clommen op de 
pallissade van de stadt, die van balcken was, ontrent drie vadem 
hooch, ende bleven daer sitten tot dat het dach was, als wanneer 
de gemymde stadt sonder wederstandt innamen. Soo de Suocada- 
nesen een weynich langer wederstandt geboden ende plaetse gebon- 
den hadden, sy souden die van Candael met groot verlies schande* 
lycken affgeslagen hebben; daer wort geseyt dat de Mattaram in alle 
den oorloch die gevoert heeft, noyt sooveel volck als voor Snccadana 
verloorcn heeft; d'onde Coninginne ende 8 a 900 zielen meest vrou- 
wen ende kinderen zyn in Candael gevangen gebracht; eenige van 
Snccadana syn weder in de stadt gekeert ende hebben de Mattaram 
eet gedaen, maer de meeste part zyn met de Gouverneur noch 
vluchtich. 

Doen die van Candael voor Snccadana quamen, heeft ons volck 
haer gout, silver ende diamanten in een pot begraven, d'Engelsche 
coopman aldaer met zyn tween zynde, heeft zyn gout ende bezar- 
steenen mede in de pot gedaen ende zyn diamanten in een gordel 
omt lyff gewonden; dese Engelse coopman door ongevall van zyn 
eygen geschut verongeluckt wesende, zyn voors. diamanten vand'onse 
gebercht, nadat Snccadana ingenomen ende die van Candael weder 



^ 



267 

vertrocken waeren, syn d'onse weder in de stadt gekeert ende heb- 
ben haer pot opgegraven, de resterende cleeden ende anderaints 
waeren int huys van de Gouverneur van Snccadana gebracht ende 
zyn daer door die van Candael becomen 

In de MoUucques wordt d'Heer Houtman van d'Engelse seer ge- 
qnelt, gelyck de Heeren per nevensgaende missiven ende pampieren 
connen sien 

D'Ëngelschen soecken, zeyt Houtman, d'inwoonders , de soldaten 
ende ons volck tot haer te trecken, hebben haer niet ontsien ons 
volck tot muyterye op te hitsen, hierover heeft hy d'Engelse buyten 
de forten doen woonen 

Met Bantam syn noch in eenen staet, de peper is daer bykans 
van geender waerde, sy hebben soo groote aenplantinge gedaen dat 
de rys eüde andre lyfftochten zeer goeden coop is, maer daer eh is 
geen geit, ende 't volck verarmt zeer; de spraecke gaet dat de Co- 
ninck, Pangoran ende alle die van Bantam, seer genegen zyn om 
vrede met ons te maecken ende haere peper aen ons te venten, 
'doch 't herte is noch soo groot, dat tot noch toe niemant opentlyck 
gesonden hebben, na onse gelegentheyt ende eenige poincten (ver- 
drach aengaende) is gevraecht door lieden, die wy meenen van 
Bantam geapposteert te wesen, alsoo overlange met den Mattaram 
verdragen zyn ende ons ten hove. ontboden heeft (om te spreecken, 
schryft, de Mattaram van saecken van importantie, welcke den bren- 
ger van den brieff zeyde, te wesen, dat de Mattaram Bantam wilde 
nemen ende onse hulpe daertoe begeerde) hebben wy den 24'» Juny 
derwaerts in ambassate gesonden, Doctor de Haen met een goede 
vereeringe. Men seyt, dat dit ter kennisse van die van Bantam ge- 
comen is, ende dat seer vresen, dat wy de Mattaram tegen haer 
assisteren zullen, ende daeromme te meer genegen zouden wesen om 
vrede met ons te maecken , off die van Bantam ende de Mattaram 
malcanderen tegen ons verstaen, dan off het de Mattaram met ons 
tegen Bantam ernst sy, sal den tyt leeren 

D'achteloosheyt ende sorchloosheyt van d'onse is soo groot, dat 
eenige moescoppers van Bantam, soo te water als te lande, op ver- 
scheyde tyden diverse van d'onse schandelyck dootgeslagen hebben; 
deese moescoppers comen dagelycx in cleenen getaele beesten stoelen , 
ja selffs in de stadt, ende dat soo behendich, dat d'onse tot noch toe 



•• 



268 
geen van hun levendich, noch doot hebben connen becomen, niette- 

■ 

genstaende een premie van hondert realen van achten op yder hooft 
gestelt hebbe; 14 gevangen Portugiesen, daeronder een soone van 
den Gouverneur van Mallacca ende veel swerten van de Portugiesen 
verovert, syn ons ontvlucht , na Bantam geloopen ende van daer we- 
der na Mallacca voort geholpen 

Den 3^ Augnsto zyn hier in de stadt veel huysen van de Ghinesen 
door quade toesicht van haer eygen vier verbrandt, waeraen veel 
schade geleden is; wy hebben geordonneert dat niet dan steenen 
huysen in plaets van d'affgebrande gemaect worde 

Wat dachten weder op nieuws over d'Ëngelsche comen, sullen U 
Ed. per nevensgaende pampieren sien, gelyck mede wat d'Heer 
Houtman voorder advyseert 

Van alle nootlyckheden wert in Batavia soo goeden toevoer van 
rys ende andersints gebracht dat hier, Godt loff, ons gerieff tot re- 
delycken prys becomen connen ende geen andere plaetse daeromme 
behoeven aen te soecken. Vermits den handel noch cleen is, syn 
d'incompsten sedert d^nstellingh weynich vermeerdert; van primo 
October 1620 tot primo September 1622 zyn 23 maenden, beloopt 
den ontfanck /' 224,880: 3: 10, doch verhoopen dat d'incompsten 
merckelyck vermeerderen zullen, soo haest de Chineessejonckenydie 
op Jamby, Jortan ende elders plachten te vaeren haer vaert van 
daer alhier gebracht wesen sal, gelyck mede den peper van Jamby 
ende andere plaetse meer, twelck verhoopen toecomende jaer ge- 
schieden sal. 

Dese gaet met 't schip de Leeuwinne , welck goetgevonden hebben 
vooruyt te zenden, opdat ü E. t'eerder advys van haere saecken 
alhier becomen ende hun na den eysch schicken mogen; metd'eerst- 
volgende schepen sal de Generael Coen, indien 't Godt gelieft, volgen. 
Vant gene in dese enz 

(geteekend) J. P. Cobn, P. de Cabpsntieb, 

Willem van Antzbn, Jaoques Spbox, 



XLIV. Db aïoetbedek Gotjvbrnetjb. Gevebaal Jan Pietebsz. 

COEN AAK DE BeWIITDHEBBEBS DEB OeNEB. OoST-IkD. 
COHPAGNIE. (tEB EaMEB AmSTEBBAM.) 

Aan boord van het schip Manritius, 
ten anker aan het eiland St. Helena, 
dd. 20 Jnnij 1623. 

Den 6^ September 1622, is onse joncxte per 't schip de Leeuwinne 
geschreven. Wat 't sedert toegedragen is ende hoe de staet van de 
Comp. door Gods genade op ons vertreck in soo goeden standt ge- 
laten hebben, dat U Ed. seer gevoechelyck van alle swaricheden 
ontlast en de saken seer licht daertoe gebracht connen werden, dat 
de Comp. jaerlycx (sonder eenich geit van Nederlandt) de waerdye 
van ontrent hondert tonnen gont aen goede retoeren, in welgetrocken 
waren van Indie become, snllen in desen sommierlyck verhalen, 
ende naerder verclaringe tot mondeling rapport refereren. 

Met onse joncxte is geadviseert, hoe de Mattaram ons persoonlyk 
met eeh missive ten hove ontboden en wy doctor de Haen met een 
vereeringe derwerts gesonden hadden. De Tommagon off Gonyemenr 
van Tegal heeft de Haen en syn geselschap by den Coninck van 
Mattaram, genaempt Pangoran Angalagga Palembahan (sic) geleyt, 
wierden door een schone lantdonwe tot in 't Hoff (gelegen in een 
seer grote volkrycke open plaetse. Charta genaemt, daer de Mat- 
taram hem meest onthondt) by den Coninck gebracht. Sat in een 
cringh van omtrent driednysent edelen. Onse vereeringe gelevert 
synde wajs seer aengenaem ende de Coninck seyde, onder andere 
tegen de Haen, omdat de coopman van Japara eenige vrouwen aen- 
getast hadde, waren des Comp'. goederen door den Gouverneur van 
Japara genomen en Japara was weder door den Generael verbrant, 
dese questie wilde niet meer gedencken, enz. 

(Coen geeft vervolgens een kort verslag van de zending van D^ 
de Haen, dat overeenkomt met hetgeen men in het verbaal van de 
Haen hierachter, onder N^ XLV gedrukt, meer. uitgebreid en vol- 
ledig vinden kan.) 

Terwyle d'onse in Charta waren, vergaderde daer een seer groote 
menichte van volck omme naer Surbaye te trecken; een leger van 



f 



i7Ó 

ontrent tachtig daysent mannen is voor de stadt Surbaye geweest; 
maer d^ Mattaram selve niet, lagen daer eenige dagen, aen de 
landtsyde voor, en trocken daemaer, door gebreck van provisie 
weder aff sonder dat met de wapenen aen malcanderen geweest syn. 
Wat voorder op de reyse van voors. ambassade gepasseert en door 
de onsen genoteert is, gelyck mede hoe overal van de grooten, op 
de Javaense maniere vrnntelyck bejegent wierden, can per nevensg. 
jonmael breder gesien werden ^, 

Terwyl wy met d'Engelsen in beraet waren, en voorgenomen 
hadden, te ondersoecken off tot onderhandeling van accoort met 
Bantam souden connen comen, syn ondertnsschen veel geruchten ^ 
door overcomende Chinesen van Bantam, gecomen, dat de Coninck. 
Pangoran Ratu, veel grooten en meest al de gemeente van Bantam 
seer genegen waren tot vrede met ons, en dat daertoe insonder- 
heyt gedrongen wierden, door de vmntschap, welck wy met de 
Mattaram hielden en door besending van onse ambassade derwerts, 
vresende seer, dat sulcx tot totale mine van Bantam soude mogen 
tenderen, o. a. wierd ons door de vrouwe weduwe van Annachoda 
Wattingh, die overste van de Chinesen tot Jacatra, by des Coninex 
tyden geweest en door den Pangoran gedood is, hardt aengeraden, 
dat yemandt met een vereeringe aen Pangoran Ratu senden soude, 
om de feeste syns soons, die besneden soude werden, te vereeren, 
versoeckende ons, dat de Coninck daerop in onderhandelinge van 
aceoort treden soude, seyde, dat haer van een van des Conincz 
schryvers expressel. belast was ons dit aen te dienen, ende alsoo 
goetvonden de besendinge wat uyt te stellen, om te sien off die van 
Bantam haer genegentheyt naerder souden openbaren, opdat met 
des te meerder avantage mochten wercken, is corts daemaer van 
Bantam, over Cheribon, in Batavia gecomen, een seecker geschoren 
Chinees seggende, dat van Queay Senepati (rechter van de grote 
merct tot Bantam) expres gesonden was, om ons aen te dienen, 
hoe seer de Coninck tot vrede genegen was, en soo wy daertoe 
mede inclineerden, dat sulcx met eenighe besendinge off aenspraeck 



» Zie hierachter N». XLV. Uit een brief van P. de Carpentier , dd. 1 Febr. 1623, 
bl\jkt nog , dat bet leger van Mataram , ua Soerabaiga te hebben verlaten , de steden 
* Grissée en Jortan op nienw verwoestte. 



Hl 

souden bethoiien, opdat de Coninck occasie mocht becomen, om hem 
naerder te openbaren. 

Op veel redenen, die dese Chinees met voors. vrouwe accorderende 
verhaelde, en verscheyden voorslagen die hy deed, sonden wy een 
Chinees, coopman Yancong genaempt, met hem in de schepen voor 

Bantam, hierop ontboot Queay Senepaty dat (wy) 

een gevangen Javaan en een Chinees by claren dagen, aen hem 
sonden, soude haer in volle vergaderinge voor den Coninck brengen 
en hen off andere daema weder met antwoort aen boort senden. 

Volgens desen voorslach hebben een gevangen Javaen en een 
Chinees naer Bantam gesonden , met last den Coninck aen te dienen , 

hoeseer tot vrede genegen waren dé Gouverneur Pan- 

goran, Area Rena de Mangala, (hielt) hem daerover gestoort, wilde 

haer niet hooren, vermits niemant medegecomen was ende 

geen brleff brachten, conde haer geen gelooff geven. 

Dusverre gecomen wesende, vonden wy goet voor de derde reyse, 
opentlyck eenige gecommitteerden van wege de Nederlantsche en 
Engelse Comp. met een vredevaen naer Bantam te senden; dese 
gecommitteerden wesende een Nederlants en een Engels coopman, 
voor de rivier van Bantam comende, versochten den Pangoran te 
spreecken, en doen daertoe niet comen conden, dienden aen, hoe 
de Capiteyn van de Nederlantse ende Engelse Compagnien seer ge- 
negen waren, alle misverstanden te accomoderen, en d'oude vrunt-* 
schap met den Pangoran te vernieuwen; hierop antwoordden die 
van Bantam, dat de Pangoran daertoe mede lange genegen was 
geweest; maer hoe sal 't met Jacatra wesen? Jacatra, seyden 
d'onse, most blyven gelyck het is; die van Bantam repliceerden,- 
sy mochten dan wel weder vertrecken, want soolange Jacatra niet 
weder gegeven wierd, conde van geen vi-ede gehandelt werden, 
ende namen daermede vruntlyck afscheyt. 

Daemaer vonden goet, noch eens voor de vierde reyse te senden, 
met ordre, dat d'onse vrymoedelyck sooverre in de rivier souden 
varen, als comeu conden, dat oock aen landt souden gaen, soo 't 
haer niet beleth wierd, en dat haer houden souden, als oft wy wel 
genegen waren, Jacatra over te geven; maer dat het niet geschieden 
cost, off daer most eerst accoort en conditie geraempt werden, ende 
de Pangoran most volck na Jacatra senden om possessie te nemen, 



* 



menende, hiermede , verder in onderhandelinge te comen, maer 't 
heeft niet willen wesen, de gecommitteerde voor de rivier van Ban- 
tam con^ende, ende haer reden, na de voors. ordre gevoecht heb- 
bende, conden evenwel niet binnen, noch niet verder comen, haer 
wierd wederom van des Pangorans wegen, geantwoort: Als wy de 
stercte van Jacatra raseren en de plaetse verlaten, dat de Fangoran 
ons dan gelyck voor desen, handel en plaets tot Bantam verlenen 
sal, maer anders nienwers van horen wil, al waer 't dat thienmael 
sonden, souden geen ander bescheet vercrygen; met d'Ëngelsen 
hadde hy geen qnestie , sy mochten daer comen als 't haer gelieffde. 

Aldns syn weder geaf&onteert geworden, naedat eerst door lanck> 
heyt van tydt , seer behendich met soeticheyt tot aenspraeck geloct 

waren, 't schynt dat het Bantam voor dees tydt genoech 

was, voor seecker te weten, dat met den Mattaram soo verre niet 
waren off begeerden noch wel vrede met hun te maken, waeraen 
wel a£fmeten conden, dat vooreerst noch geen peryckel liepen; te 
meer dewyle 't leger van den Mattaram, Snrrebaye (daer Bantam 
volck hadde) verlaten most. Naer gemeen gevoelen van een yeder 
ende naer alle apparentie is 't seecker, dat de Coninck, den adel 
en de gantsche gemeente van Bantam tot accoort seer genegen zyn , 
eensdeels werden hierloe gedrongen door vrees, dat tot haer nadeel 
met de Mattaram souden mogen verdragen, ende ten anderen ver- 
mits haer kennelyck is, hoe seer de handel tot Batavia toeneempt, 
ende dat de Chinesen daer groote pertye peper gecocht ende naer 
China gevoert hebben, waermede die van Bantam, soo wy verstaen, 
t'enemale de hope, die (sy) gehad hadden, om ons van Jacatra te 
<lringen, verloren souden hebben. 

In 't geberchte van Bantam was de feper 12 Realen de hondert 
Backen geldende, ende tot Bantam 30 R. de 100, doen de spraeck 
geduyrende voors. practycke van den Fangoran ende onse onderhan- 
delinge, seer sterck tot Bantam liep, datter vrede gemaeckt sonde 
werden, rees de peper tot op 50 R. de 100 sacken, de Chineesen 
wierden oock lange met hoop van vrede gevoet, en opgehouden; 
maer de handelinge eyntelyck weder afgesneden siende, liep de 
spraeck, dat al t' samen geresolveert waren van Bantam, naer Ba- 
tavia te vertrecken. Omtrent 170 persoenen waren met dit geruchte 
(cort voor ons vertreck) overgecomen, daeronder eenen Lim Lasco 



275 

met vrouw; kinderen en gevolch, die eertyts sterck met de Comp. 
gehandelt heeft ende ten respecte van goede dienst de Comp^ ge- 
daen en verscheyden consideratien , hebben hem met goede beneficie 
vereert ' * . . 

AI waer 't, dat het Bantam noch lange tegen ons gaende hielt, 
weynich isser myns bednnckens aen gelegen. 'T different sal door 
den tydt beter gesleten werden, dan wy souden connen bedencken. 
Voorder hebbe belast, dat men continuere, de rede van Bantam 
beseth te houden ende dat men niet dan deffensive oorloch tegen 
Bantam voere, sonder tochten te lande noch te water te doen. 'Ten 
is niet geraden de Mattaram aen de heerschappye van Bantam te 
helpen; hierover hebbe (ick) den Generael en Raedt geadviseert,als 
daertoe weder van den Mattaram assistentie versocht wert, dat hem 
met d'alderschoonste pretexten, die dan te vinden syn, met hoop en 
vrese treyneren sonder clare uytspraeck te doen ende dat voors. 
Coninck van Mattaram met eenige vereeringe en goede corresponden- 
tie voeden en ter gelegener tydt weder een ambassate derwaerts 
senden, met een deel van 't gene versocht te copen. * 

De brede Raden in Batavia verthoont synde, hoe groote oncosten 
boven de lasten van 't fort en gamisoen, dagelycx meer en mee 
aen de stadt gedaen moeten werden, wat de Comp. daeraen airede 
ten achteren was, niettegenstaende de gedane heffinge van extraor* 
dinaire collecten, hoe weynich de tol van 5®/o importeerde ende hoe 
gevoechelycken deselve sonder schadelycke beswaringhe van de bur- 
gerye of jfreemdelingen verhoocht cost werden, is eyntelyck naerdat 
dese saecke lange in beraet en debath gestaen hadde, goetgevonden 
dat men voortaen van primo January 1623 van alle incomende en 
uytgaende goederen thien percento heffen sal, uytgesondert, dat gout 
en silver, gemunt en ongemunt van incomen vry en van uytgaen 
thien percento betalen sall; de peper gelyck voor desen vyff percento 
van incomen en thien percento van uytgaen , alle Gfouseratse , Corman- 
delse ende andere Indische cleden, thien percento van incomen en 



» Hieraan werd door den GG. Carpentier nog in ditzelfde jaar voldaan en dr. de 
Haan andermaal met eene zending naar den Panembahan van Mataram belast, welke 
commissie hij van 24 Mei — ^26 Julij 1623 volvoerde en waarvan eveneens het ver- 
baal in het Rijks-archief berust. 

IV. 18 



274 

vyff percento van nytgaen eiide wat d'EngeLsen aengaet, dat haer 
by de toll op primo October 1620 ingestelt laten souden. 

Hiertegen syn d'erven, om d'aenplantinge van alderieye aertvruch- 
ten te meer te voirderen, liber en vry gestelt, d'accynfi van dewyn 
is mede' van 20 op 50 realen yeder legger verhoocht. 

Om alle ongeval sooveel mogelyck voor te comen, wierd oock 
goetgevonden, dat men geen vreemdelingen meer toestaen sal^ met 
haer crissen off eenich ander geweer in de stadt te comen; maerdat 
deselvige tot op haer vertreck, soowel als mnsquetten, roers, piecken 
en al ander geweer, by den Sabandaer gelicht en bewaert sullen 
worden; uytgesondert Ambassadeurs, Nachoda's en andere personen 
van qualité, die men gedogen sal met haer crissen in de stadt te 
comen 

Alsoo 't huys, daer tegenwoordich de Godsdienst van Batavia in 
gedaen wert, te cleen en onbequaem valt ende hoochnodieh is dat 
een bequame kercke gebonwt werde , hebben twee collecteurs ge- 
committeert omme te vergaderen 't gene yeder uyt puure liberaliteyt 
goetvinden sal daertoe ter eere en dienst Godes te vereéren. 

Alsoo in Batavia geen andere Raden van Indien waren, dan de 
Directeur Fieter de Carpentier en hoochnodieh is, dat die plaetse 
boven alle andere van goede stoffe versien sy, hebben goedgevonden, 
daer te ontbieden de Heeren Houtman, Dedel, Lenert Camps en 
Adriaen van der Dussen, om haer te gebrnycken in sulcx als den 
dienst van de Comp. te syner tydt soud mogen vereysschen. Ende 
op nieuw hebben als raden van Indien aengenomen en geauthoriseert 
de commandeur W"*. Jansz en Jacques Specx. 

Om verscheyden redenen hebben in October 1622 goetgevonden, 
alle de Comp^ volck in Batavia wesende, op haer eygen cost te stel- 
len, soowel coopluyden als alle andere, uytgesondert alleen de Ge- 
nerael en de Baden van Indien. Wat yder tot syn onderhoudt ter 
maent toegeleyt is, can U £d. per nevensgaende lyste van .27 Octo- 
ber sien. Op primo November is d'intree van dese ordre gedaen. 
lek meene dat de Comp. daeraen seer goeden dienst geschieden sal, 
want seer groot was de disordre, misbruyck en ongeregeltheyt, die 
door groot aenwas en cleene opsicht van de taeffels geschiedde. 
Daemae üEd. goede hulpe met hare missive van 14 April 1622 per 
Cleen Erasmus ontfangen, becomende, waerinne seer emstelyck de 



578 

goede menage recommanderen ^ hebben mede goetgevonden omme 
de Comp. van d'extraordinaire grote onoosten, die de cooplnyden op 
de comptoiren in de Molncqnes, Amboyna en fianda doen, sooveel 
mogelyck te ontlasten , alle de taefels af te schaffen en alle d'officie* 
ren, cooplnyden, capiteynen en alle andere, mede op haer eyghen 
cost te stellen, nytgesondert alleen, de respective Gonvemenrs en 
twee a drie van haren rade; per nevensgaende arrest van 21 Jann- 
ary 1623 sullen de Heeren sien wat een yeder tot onderhout maen- 
telyck toegeleyt is, en die dese ordre niet bevalt, sullen gelicentieert 
werden na Batavia te keeren. Alle Gonvemenrs, hebben mede ten 
hoochsten gerecommandeert en bevolen, geen oncosten meer tot for- 
tificatie, reparatie van forten, noch huysen te doen, maer dat de 
notelycke onderhout met des Comp*. ondersaten, mardyckers, gevan- 
genen en slaven beschikken, sonder daeraen eenich geit off goederen 
•te spenderen. Gelyck mede, dat voortaen genige schenkage werden 
gedaen, dan daer de Comp. merckelycken dienst en prof^ aen ge- 
schiet 

Op dat de voors. ordre te beter ingevoert werde, hebben wynaer- 
gelaten de Gouverneurs en Kaden van Indien op haer eygen cost te 
stellen, maer 't sal seei* goet wesen, dat U Ed. de Generael, Raden 
van Indien en alle Gouverneurs mede voor haer taeffels sooveel toe- 
leggen, als de Heeren sullen bevinden te behoren, anders sullen noch 

veel misbruycken onderworpen blyven • 

Met voors. ordre sal de Comp. van alle onnutte en onnodige on- 
costen noch niet ontlast werden. Soo 't de Heeren gelieft beter en 
nauwer te doen menageren, dienen meest alle d'oppercoopluyden van 
de comptoiren in de MoUuques en Amboyna wesende gelicht, als 
twee oft drie bequame personen by yeder respective Gouverneur ge- 
stelt zyn, connen alle d'andre cooplnyden wel gemist en de dene 
comptoiren door goede assistenten wel bewaert werden; d'oncosten 
sullen te meer verminderen, en ick mene dat de dienst van de Comp. 
te beter waergenomen sal werden; in myn tyt hebbe tot dese refor 

matie niet connen comen 

Met recht en goede redenen recommanderen U E. ten hoochste de 
goede menage, want daer aen sooveel gelegen is, als aen de over- 
sendinge van veel rycke retouren. Maer hoe en in wat manieren soo 
groote saecke als de staet van de Comp^<^. in Indien is, ten besten 



\r 



276 

behoort gemenagieert te werden , geheel anders schynt het dat UEd. 
dan wy en de Raden van Indien daervan gevoelen. In de tydt van 
omtrent negen a thien jaren , syn in Indien aen oncosten geconsn- 

meert /" 9,396,311,15 

en alle de retonren in dien tydt met 56 Bchepen 

overgesonden belopen f 9,388,004 : 9.10 

welck min dan d'oncosten is; sonde het niet treffelyck gemenagieert 
wesen, dat men alle dese oncosten verspaerde en 't geit aen reton- 
ren bestede, soo sonde de Comp. geen geit naer Indien behoeven te 
senden ende evenwel sooveel retonren becomen als voor desen ont- 
fangen hebben. Dit had overlange seer wel connen geschieden ^maer 
t'is tot noch toe verkeecken. lek hebbe daertoe niet connen comen, 
maer des Comp*. staet van Indien , hebbe door Gods genade , in snlc- 
ken standt gelaten, dat de saecken sèer licht en gevoechelyck daer- 
gebracht connen werden, dat de Comp. jaerlycx omtrent vyftich tonnen 
gont aen goede retonren sonder geit van Nederlandt becomen, wy 
hadden tot desen eynde lang voor desen, veel schepen menichte van 
allerley volck en een grote somme geit versocht; maer dewyle snlcx 
naer constitutie van saecken al te swaer en onbevallich voorcompt en 
dat door verscheyden wegen tot één doel connen comen, sullen de 
saecke wat lichter voorstellen. Om gevoechelyck tot voors. effect te 
comen ^ lAvom^eerst niet anders van node dan een goede menage j 
goedefi regel in den handel en een goet getal van allerley volck , nian- 
nefi, vrouwen, jongens en dochters van Nederlandt ; insonderheyt eenige 
weynige (soo 't niet veel mach wesen) goede aensienlycke hnysge- 
sinnen en eene grote menichte slaven en slavinnen om Batavia, Am- 

bo3ma en Banda te penpeleeren. 

Nae constitutie van saecken in Indien is myn advys, dat ÜEd. 
vooreerst voor een .tydt wel mogen nalaten, soo snlcx goetvinden, 
eenige schepen off geit naer Batavia te senden, meer schepen zyn 
daer tegenwoordich niet nodich. Tot opcoop van cleden, peper, na- 
gelen, noten, foelie en allerley provisie, onderhout van forten en 
gamisoenen , is joock geen geit (als onse regel en ordre gevolcht wert) 
van node, en wat aengaet, de Chinesen handel, daertoe groot capi- 
tael moet wesen, middel isser in Indien om die te beginnen en als 
advys becommen, dat den handel verkregen sy, can dan daertoe 
sooveel meer als nodich is gesonden werden 



277 

lyoncosten in negen a thien jaren in Indien gedaen, belopen ge- 
lyck voren is geseyt: ƒ 9,396,311 : 15.1 , te weten: 
aen oneosten van hnyshondinge en montcosten • . . /* 2,258 m. 

aen soldyen - 3,237 m. 

aen schepen - 2,490 m. 

aen fortificatie - 1,032 m. 

en aen schenckage - 3,379 m. ^ 

Welcke geconsnmeert syn, te weten : in Jacatra en Batavia / 1,336 m«, 
in de Mollnqnes f 2,454 m. , in Amboyna f 897 m. , in Banda /'899 m. , 
op de cust Coromandel f 422 m. , in Solor f 124 m. , op verschey- 
den comptoyren f 716 m. en aen schepen op diversche plaetsen 
f 2,548 m., bedraecht te samen: ƒ 9,396 m. Hiervan syn /* 4,575 m. 
in de jaren 1613, 1614, 1615, 1616, 1617, 1618, 1619, en ƒ 4,821 m. 
in de jaren 1620, 1621 en 1622 geconsnmeert. Alle dese ongelden 
connen naer onse opinie, met goede menage seer licht verwonnen werden. 

Wat de fortificatie en schenckagie aengaet, wy hebben, gelyck 
voren is geseyt, expresselyck belast, dat men in Indien naerlate^ 
eenige oneosten meer, aen forten off huysen te doen, gelyck mede 
aen schenckagie. Soo dese ordre naergecomen wert, gelyck seer wel 
geschieden can, sal daeraen de voors. f 1,411 mi. gewonnen werden. 

Aengaende d'oncosten van de hnyshondinge en montcosten f 2258 
m. beloopende, gelyck mede de soldye, bedragende /*3237 m. De 
meeste comptoiren syn airede gelicht. Al 't volck is tot. haer on* 
derhont een redelycken penninck toegeleyt. Als (wy) eenige forten 
van de Moluqnes verlaten, de meeste comptoiren. en eenige coop- 
Inyden van daer en van Amboyna gelicht werden, item als Batavia 
en Banda van volck en slaven redelyck versien syn, de landen be- 
plant, allerley vee aengeteelt en de visscherye waergenomen werde, 
800 sollen de gamisoenen sooveel veimindert mogen werden, dat 
men de resterende seer gevoechelyck sal connen betalen, met tgene 
sonder beswaren en gevoelen voor gerechtüheyt van den Heer van 
*t lant, van de bnrgerye en slaven trecken snllen, gelyck airede in 
Batavia geschiet. In deser voegen connen seer gevoechelyck de 
voors. f 5495 m. verwonnen werden, sonder dat de Gomp. daertoe 
eenich geit van haer capitael oft van de winst van d'inlantsen handel 

* Opgetdd geeft dit ƒ 9,896.000. Coen schijnt dus ƒ 311 te hebben verwaarloosd 
om met ronde cijfers te rekenen. 



« 

behoeft te consumeren; want de landen , die door GJDds genade be- 
sitfcen, haer gamisoen en veel meer, ryekelyck onderbonden connen. 
Dit aldns synde gelyck het is, ist dan niet veel beter, dat men de 
sae(&en soo schicke, dat alle forten en gamisoenen van d'incompsten 
van de landen onderbonden werden, dan dat men alle notelyckbeden , 
eensdeels van Nederlandt in Indien, moet brengen en ten anderen 
ten diersten wyt en zyt met geit moet soecken; des Oomp*. mid- 
delen daerdoor consnmere en hare vyanden venycke. lek honde 
voor seecker byaldien tot redelycken prys, sooveel geit aen slaven 

• - 

bestoet ware, als in een jaer aen ongelden in Indien consumeren, 
dat daervoren, sooveel slaven becomen souden hebben, dat meest 
alle forten en gamisoenen , daermede sonden connen onderhouden. 
T'is oock seecker, dat, als de voors. landen van slaven wel versi^i 
syn, dat sulcx ongelyck meer ontsach en aensien, onder veel vyanden 
en geveynsde vrunden veroorsaecken sal, dan nu de gamisoenen 
van Nederlantsche soldaten doen. Met haer slaven hebben de Por- 
tugesen d'onse van Maccau afgekeert, t'en is door geen soldaten 
gedaen. In Maccau en St Thome syn gene en in Malacca niet 
meer dan drie compagnien van ontrent 180 coppen. 

Siet doch, bid ick U Ed., hoe de vyandt sonder costen possessien 
in Indien hout en hoe wy ons selven eonsumeren, hadden de Spang- 
jaerts sulcke gelegentheyt, als wy doen, voorwaer ick vrese dat 
ons beschamen souden. 

Resteert d'oncosten van schepen f 2,548 m. belopende. Sodange 
de vyandt vaert en handel in Indien heeft, moeten daertegen oor- 
lochschepen houden; dese sullen ontwyffelyck hare oncosten aen 
prinsen van den vyandt wel vinden , d'oncosten die aen de resterende 
weynige sdiepen gedaen souden mogen werden, sullen met goede 
menage weynich wesen en oock licht te vinden syn. In deser voegen 
connen de voors. f 9,396,311 : 15 : 1 eensdeels seer licht verspaert 
en ten anderen van de rente van de landen gevonden werden. 

Aengaende 't reglement van d'inlantschen handel, waermede 't zy 
dan met de winst van 't capitael dat nu in Indien is, met tollen 
en incompsten, off met beyde te samen, de retouren voor Europa 
sonder geit van Nederlandt gevonden connen werden; wy hebben 
ordre gegeven, dat geen geit meer na de Molluques, Amboyna en 
Banda gesonden werde, gelyck mede dat men geen geit aen peper 



2TO • 

* 

bestede (ten ware tot seer goeden prys om andere te prevenieren) 
maer dat men alleen met deden en andere coopmanschappen cope 
tgene van dese speeeryen notelyck gecocht naer Europa en elders 
gesonden dient* 

Als spaersaem gemenageert en d'oncosten, volgens onse ordre be- 
sneden werden, sullen dlndianen veel gout, silver en cleden, welck 
te voren door onse grote dispense beqnamen, derven en geencleden, 
dan met speeeryen, gont, silver off rys becomen, hierdoor sullen 
de cleden te waerdiger wesen en wy snllen van de enst van Coro- 
maadel en Snrattai te min behoeven, namentlyck niet meer dan 
copen connen met 't geit van speeeryen en andere coopmansehai^n, 
welcke daer venten i. 

Soo meer nodich syn, daertoe can seer wel gout en silver van 
versdieyden plaetsen in Indien overwonnen werden. 

lu deser vougen can V E. jaarlycx omtrent 50 tonnen gouij sonder 
eenich geltj aen goede vendibile retour en becomefi, van alle oncosten in 
Indien en van alle moeyelyckheden^ die geveymde vriendeti haer aren- 
doen ontlast werden. 

Niettegenstaende etc 

Resteert nu te verhalen wat raedt datter is j omme op 't gevoech- 
lyckste met de minste coste off t'enemael sonder last, van de Comp. 
soove^ volck in Batavia, de Moluque» Amboyna en Bandateciygen, 
dat voors. voorstel volcomen effect sortere. lek late my voorstaen, 
dat dit seer gevoechlyck geschieden can. Dit volck moet eensdeels 
van Nederlandt comen, maer meest in Indien gevonden worden. In 
Indien syn in fersdieyden quartieren te becomen, doch principalyck 
van China, de eust van Coromandel, Bengala, Ceylon, Madagascari 
Morenlandt én verscheyden andere quartieren meer; van vremden 
moeten haer coopen en van vyanden met de wapenen halen. Aen- 
gaende d'aentreck van negotianten in Batavia, nae d'aenwas van negotie 



' A<diter het belan^jk advys of vertoogh van dgn iiaet der Vereeniehde Neder^ 
landen en de quartieren van Ooti-Indten, van J. P. Coen, dat door den Heer 
Lenpe is medegedeeld in de Kronijh van het Histor. Genootschap, gevestigd te 
Utreefat , Ode jaargang 1863 , 2de serie , vindt men ook een stnk getiteld : FatMten 
van reglement ende redre$ van den stoet van de Compagnie van Indien. In dat 
stuk nu vindt men o. a. aangewezen als middel tot vermeerderinge van de profyten 
in Indien : » te verhreyden de profytelycke binnenlantschen handel overal ende zoo 
" vevde als de middel«n van de Compagnie oonnen verstrecken t» 



280 

6n Ba de vreemdelingen daer getracteert werden, sal de toeloop wesen. 

Lange jaren is 't, dat zeer emstelyck d'opooop en versamelinge 
van slaven op alle quartieren gerecommandeert hebbe, maer 't is 
overal versloft, veranymt en met seer schone blauwe bloemkens geexcn- 
seert, nytgesondert dat op ons vertreck gelyck voren geseyt is, 
omtrent 1500 sielen, met de schepen den Beer, Nieuw-Seelandt ende 
Tholen van de cnst Coromandel beqoamen , en dat noch meest kinderen. 
Daer is geen volck die ons beter dan Chinesen dienen en soo licht 
als Chinesen te becomen syn 

Op ons vertreck van Batavia hebben geordonneert, dat niet alleen 
verscheyden schepen; maer diversche vloten naer voors. cnste van 
Coromandel, China, Manilha en alle andere qnartieren, daer tot 
redelycken prys en van vyanden slaven te becomen zyn, gesonden 
werden. lek gelove vastelyck dat d'ordre gevolcht werden sal, ende 
dat in corten tyt, sooveel volck en slaven becomen snllen, dat goede 
officieren en eenige'weynige aensienlyckeNederlantschehnysgesinnen, 
daermede tot voors. gewenst effect comen snllen. lek segge goede 
officieren en eenige weynige aensienlycke Nederlantsche huysgesinnen. 
*Dese om tot pilaren en voorgai^ers' te dienen, en d'andere oni de 
slaven wel te regeren en wel te gebrnycken. Dese lieden dienen metten 
eersten van Nederlandt gesonden; want onder de vrye Inyden tegen- 
woordich in Indien wesende, weynich syn, die daertoe dienen . . 

Hoe dese slaven geregeert en gebmyct dienen , tot de landtbonwerye , 
aenplantinge van allerleye vruchten, aentelinge van alderley vee, 
tot de visscherye, tot alderley handtwercken , tot de fortificatie en 
wat nut de Comp. daervan te verwachten heeft, achten hieronnodicb 
te verhalen. 

Eenige weynige aensienlycke Nederlantsche huysgesinnen, connen 
met clene costen, in Indien gecregen werden. Maer dewyle daer 
verscheydene colonien geplant dienen, en dat daertoe een grote 
menichte van alderleye volck, mannen, vrouwen, jongens en dochters 
van node syn, ende die niet dan met veel schepen in Indien crygen 
connen, waerdoor de Comp. wederom in grote oncosten vervallen 
BOude, schynt in dit poinct de meeste swaricheyt gelegen te wesen. 
Soo geen andere huysgesinnen, mannen, vrouwen,jongens en dochters 
naer Indien gesonden werden, dan met d'ordinarie schepen, die de 



281 

Heeren gelyck begost is derwerts soaden mogea aenden, weh^ 
apparentelyck voor eenige jaren, gelyck voren presiiponeren,weynich 
wesen sullen, is te dachten, dat dan soo lange aenlopen sal eer 
Batavia, Amboyna en Banda van Nederlantsche hnysgesinnen behoor- 
lyck versien sy, dat de Gomp.ondertnsschen door toedoen van vyanden 
en geveynsde vrienden wederom in grote swaricheyt sonde mogen 
vervallen, en haer selven in oncosten blyven consumerende, gelyck 
met de simpele gamisoenen geschiet. Sy consnineeren de middelen 
van hare heeren, bederven de landen en verwecken door overlast en 
quaet leven de naturellen van de landen tegen de Comp., sonder 
andere dienst te doen dan de wacht waer te nemen , welck op eenige 
plaetsen veeltyds droncken en voU geschiet. Na de staet van de Comp. 
tegenwoordich is, is 't ongelyck beter en veel noodiger, dat veel 
schepen met jonge dochters en eerlycke vrouwen, dan vol soldaten 
naer Indien gesonden werden 

Op ons vertreck van Batavia, hebben wy aende vrye lieden aldaer 
residerende, op haer versoeck om verscheyden notabele respecten, 
den handel van daer op de cust van Coromandel liber ende vry, 
jnits redelycke tollen betalende, geconsenteert, de redenen die ons 
hiertoe beweechden , werden eensdeels in de resolutie van 31 January 
1623 verhaelt, ende sullen mondelinge dit naerder verclaren. Soo 
U Ed. goetvinden dit te approberen, soo breet te amplieren en 
reguleren, als wij menen, dat de welstandt van de Comp. ende der 
Vereenichde Nederl. vereyscht , ick* mene dat ü Ed. daerdoor sonder 
hare last en costen , sooveel volck met goet capitael in Indien becomen 
sullen, dat de Comp. daeraen in verscheyden saecken zeer groote 
treffelycke dienst geschieden sall ^ 

In January 1623 waren in Batavia, in dienst van de Comp. 602 



* ])e Her aangehaalde resolutie van 6G. en R., dd. 31 Januar^ 1623, luidt; 
* Gelefh synde op seeckere requeste , onderteeckent by Dirck Jemming , Lambert 
Vermeer, Hendrik Lievens , Bleeck Gilles, Venant en Jan van Heezel uytte name 
van de gantse borgerye deser stede by Hannan Prs. Prins, secretaris derzelven in 
onse vergaderinge gepresenteerd, daerby de voors. borgerye den vryen handel op .de 
custe van Choromandel tot accressenient van den welstant deser Republycke emstieh 
vcrsoeckende en de nutticheyt daervan verthoonende syn , soo is 't : dat considereerendc 
't progres en welstant van deesen staet in de vermeerderinghe van de traffiquecii 
onderlinge commercie gelegen synde en aen aUe natiën, die hier comen d'selve ver- 
gunt en vry toegestaen wert, geensints in redenen hebben connen bevinden, onse 
eygen natie en borgerye dasrvan te frustreren, alsoo de generaliteyt ,.door sulcken 



282 

Nederlantse coppen, te weten, 311 soldaten en ofBideren, en 291 
officieren, cooplnyden en ambachtslnyden, item 1,385 swerten, soo 
viye die gage verdienen, als slaven en slavinnen, veel kinderen 
daeronder begrepen en 191 gevangenen, in alles syn soo in de stadt 
als op 't fort omtrent 5 a 6000 sielen; vermits daer veel plaetsen 
beseth worden, is 't gamisoen veel te swack en de wachten vallen 
dagelycz seer swaer; de lasten vallen hier dagelycx seer groot en 
Bwaer, belopen tegen woordich met d'oncosten van schepen en bèta- 
linge van viye layden omtrent f 50,000 ter maend; doch meerder 
incompst van 't landt en winst van den handel hebben met goede 

menage te verwachten 

Per nevensg. balance sal U Ekl. sien, hoe de resterende goede 
effecten , te weten : comptante penningen , coopmanfichappen , verschey- 
dene nootlyckheden en nytstaende schnlden, den 2 Febmary 1623 in 

Indien wesende , beliepen f 5,239,695 : 17 : 4 

somma de goede effecten den 2 Febmary 1623 

in Indien wesende, 't geschat van de forten, en 

schepen, met haer provisie u3rtgesondert, beloopen . . . /* 5,239,695 

aen qnade schnlden syn noch nytstaende - 246,000 



middelen mettertyt ?aa hua swaere oncostea sullen ontlast, d'ondercraypinghe eai 
progres van vyanden ende geveynsde vrienden gestut ende den staet bevesticht worden 
(zal), waerover eenstemmich geresolveert en goetgevonden is, de voors. versochte 
handelinge aen onse borgeren als andere natiën volcomenüyck toe te staen, om desdve 
met ban scheepen ofte jacbten in comp. of andersins in cleeden en alle andere waeren , 
vry , oDverhindert te mogen dryven , daermede berwaerts te keeren en tot ben con- 
tentement te beneficieereu , mits onderhoudende alsolcken ordre en reglement als by 
den Raet tot verseeckeringbe van dien handel, metten meeste avantagie van do bor- 
gerye, daerop soude mogen geraempt ende noodich geacht werden, mei sulcken' ver- 
stande , dat overal alsalcken tollen en gerechticheden aen (den) heer betaelen sullen , 
als d'oidre en lyste medebrengende is." 

Reeds op den 19 Aag. 1622, bad de 6G. Coen, articulen en ordonnantie vast- 
gesteld voor zekere Compagnie van vr\)burgers , welke drie jagten had uitgemst 
tot den koopbandel en de vrije nering, d. i. de kaapvaart op de Portugezen en de 
Spanjaarden. Dit reglement bevatte 41 artikelen en berust nog in het Rijks-arcbief. 
In het advys, dat Coen aan zijn opvolger de Carpentier naliet, schreef h\j : 'ten 
dienste ende welstandt van de Nederlantsche Comp. en tot afbreuck van hare vyan- 
den , is *t seer goet en nodich , dat een goet ded van d'inlaatsen handel van de 
Comp. aen particulieren gedaen en toegelaten werde. De zaecken dienen allenskens 
daemae beleyt en beschiet. Ons bedunckens souden wel vryelyck met des Comps. 
schepen nae de cust mogen laten varen en cleden coopen, degenen die sulcxs ver- 
soecken en meriteren, mits dat behoorlycke vracht en tol betalen, op dese conditie 
mogen ecnige mede wel toegelaten werden, innewaerts te varen om haer goet te slyten." 



285 

'T sedert is 't schip de Goude Leeuw, van Batavia vertrocken? 
't beloop van syn cai^asoen wesende memorie, gelyck mede de car- 
gasoenen van twee andere schepen, die dagelycx van de cust van 
Coromandel en Snratten verwacht werden, moeten van voors. ƒ5,239,000 
getrocken werden, welcke te samen gissen (Mntrent f 550,000 bedra- 
gen sal ; resteert 't capitael in Indie omtrent f 4,689,000. Hierby 
moet weder gedaen werden 't capitael door UEd. met de schepen 
Mackreel, Middelburg, Leyden (en vier anderen) naer Indie ge* 
sonden, in gout, silver en coopmanschappen , bedragende omtrent 
ƒ 1,420,000, in vouge dat alle de eflfecten tegenwoordich in Indie 
wesende, daer de Comp. retouren van te verwachten heeft, bedra- 
ghen omtrent een en sestich tonnen gout {f 6, 100,000.) 

lek ben lange seer genegen geweest , naer 't vaderlandt te keeren , 
gelyck UEd. overlange geadviseert hebbe, 't jaer 1621 had sulcx 
vast voorgenomen, maer bleeff doen naer, vermits de spraecke sterck 
liep, dat de Mattaram alsdoen voorgenomen had, een tocht op Ban- 
tam off Batavia te doen; doch principalyck om ordre op den tocht 
naer China en verscheyden andere saecken van importantie voor myn 
vertreck te stellen , om alles in soo goeden standt te laten , als eenich- 
sints doénlyck was; welck UEd. gelieve te goede te houden. 

De staet van Indien , door Gods genade in soo goeden standt ge- 
bracht wesende , alsvoren verhaelt is , hebben wy den raedt ons voor- 
nemen verclaert, en verthoont UEd. ordre van 4 Merty 1621, tot 
electie van eenen provisionelen successeur op ons vertreck, in 'tGe- 
nerael Gouvernement van Indien, gegeven. Wy hadden tot dese 
verkiesinge van langerhandt, d'advysen van de absente Gouverneurs 
en Kaden van Indie gesloten vergadert, dese en d'advysen van de 
presente Raden van Indie den 23 January 1623 geopent en gelcfiten 
synde, is met eenparige stemmen (uytgesondert alleen de Gouvr. 
Willem van Antzen, die daertoe Hermen van Speult verkoos) goet- 
gevonden dat het Generael Gouvernement tot U Ed. approbatie by 
provisie, den Ed. Pieter de Cai'pentier, Raedt van Indien ende Di- 
recteur Generael, bevelen souden; gelyck de Heeren per resolutie 
van 23 January 1623 connen sien. Volgens dese verkiesinge hebben 
wy voors. Pieter de Carpentier behoorlyck commissie gegeven, en 
syn Ed. primo February 1623, by provisie tot U Ed. naerder order 
als Gouverneur Generael over den staet van de Comp. der Ver. Ne- 



284 

derlanden in Indien doen proclameren en geanthoriseert. D' Almogende 
Godt geve, dat snlcx tot welstandt van de Comp. en de Landen ge- 
dye. Wat advys off instractie de Oenerael Carpentier gelaten hebbe 
sal U Ed. sien per nevensgaende van gelycken inhonde; gedateert 

vliP. January 1623 ^ Nadat voors. P. de 

Carpentier in 't Generael Gonvemement gestelt hadden, syn wy den 
2^*^ February 1623 van Batavia naer 't vaderlandt vertrocken, enz. 



XLV. V£BBAAL, GEHOUDEN DOOB Db. DE HaAN, ALS AFG£ZAI7T 

TAN DEN GoFVEBNBUB-GbNEBABIi JaN FiETEBSZ. CoEN, 

NAMENS DE VeB. OoST-InD. CoMP. AAN DEN Pa- 

nembauan van Matabam, in 1622. 

Joomael ende geschiedenissen op de reyse naer 
den Mataram ofte Fangaran Angalagga ^, begin- 
nende den 24»» Junij, eyndigende den . . Sep- 
tember 1622. 

Jnni 1622. 

24 Juny, syn wy van Batavia t'seyl gegaen met 't jacht St. Lau- 
rens , om onse reyse naer Charabon ende Togal te vervoorderen ^. 

25 ende 26 diito enz 

27 ditto, een goede coelte gehadt wt den lande, syn ontrent Pa- 
mannck ^ gecomen. 

28 ditto, enz 

Primo Julins, ontrent den middagh voor Charabon gearriveert, is 



J Ik behoef dit advies hier niet mede te deelen, omdat het reeds door mi) q ge- 
achten ambtgenoot, den heer P. A. Leape, geplaatst is in de werken van het Historisch 
genootschap, te Utrecht, en wel in de Kronijk, 9^. Jaargang 1853, bladz. 67 en vol- 
gende. Oe heer Leupe zag destjjds slechts eene kop\j van het stnk, eerst later had 
h\j gelegenheid het oorspronkelijke op het R\|ks- archief aan te treffen en daarbij op 
te merken, dat in de copij eenige onnaanwkeurigheden waren ingeslopen, welke even- 
wel van geen zeer groot gewigt zijn. 

> Fangéran Ing-Ngala^ra, Vorst-Legerhoofd. Hij die in 1622 op den troon van 
Mataram zat, was vermoedelijk Panembahan Agoeng-SenHpati-ing-Ngalaga-Ngabdoer- 
rahman, die, zoo als uit stnkken van het Oud-Kol. Archief blQkt, omstreeks 1625 
den titel aannam van Soesoehnan, Apostel (van den islam). 

* Cheribon en Tegal. 

" Pamanoekan. 



28iJ 

ons int seylen met 2 praeuwen aen boort gecomen Qniej Lura ^ van 
Tegal, dewelcke ons 3 daegen tot Charabon verwacht hadde, ver- 
haelende den Coninck aengedient te hebben, wy eenenbrieffaenhem 
van Syne E. hadden, ende soo 't scheen dat desen Qnieij Lura den 
inhout van den brieff tot Batavia eenighsins verstaen hadde , te we- 
ten om de schnlden te innen van de Chinesen, hadde den Coninck 
hem geantwoort de Chinesen te doen betaelen ende dat deselve op- 
gebracht badden ontrent 1000 rcaelen van achten, ende datter aen 
ontbreecken sonde 3 a 400 reaelen, welcke voors. penningen wy int 
wederom comen van den Mataram bequamelyck souden connen eysschen. 

Dieselffde ditto, is ons aen boort gecomen den Sabandaer ende 
Vicoza, hebben Vicoza den brieff behandicht, versochten 1 a 2 orang- 
baycq ^ te mogen met haar aen landt gaen by den jongen Coninck , 
dewelcke haer dede roepen, is sulcx geschiet ende syn derwaerts 
gegaen P. van der Eist ende M. Wiltschut; aen landt by hem co- 
mende hebben hem aengedient eenen brieff te hebben aen den Co- 
ninck ende den inhout niet wetende, heeft haer wel getrackteert ende 
antwoorde haer den Pangaran Ratou ^ op de jacht naer Pontong 
Java * te syn om harten te vangen j ende dat hy op morgen in Syn 
Conincklycke hoff sonde wesen. 

Aengaende Vicoza enz • . 

2 July, is ons des morgens aen boort gecomen den Sabandar van 
Charabon, wt last van den ouden Coninck, om den brieff ende de 
schenckagie te haelen, dewelcke des nachts thuys gecomen was, 
hebben derhalven ons gereet gemaeckt ende met onse boot aen landt 
gevaeren, ende eerlyck int hoff by den ouden Coningh gebrocht. 

Int hoff coomende wiert gebootschapt, wy souden binnen coomen 
met alle onse suite , onder andere quamen eerst int hoff by d'eerste 
balley, daer was den jongen Coninck met 2 andere jonge quanten , 
die dicht by malkandren saten, ende voorts veel andere Orang- 
qiays ^, geboot den jongen Coninck ons neder te sitten, tegens hem 



Kiai Loerah, Overste van eene landstreek. 
Orang bsgikh, goede, deugdzame lieden. 
Pangéran Ratoe. 
Poenlgak Tjaï ? 
Orang Kiai. 



.• 



•286 

over op een mattieii, met alle onse soldaten ende Etnite, in haei vc 
geweer, verwachtende dat den ouden Coninck ons sonde ontbiede 
riep onder andere den jongen Coninck my alleen bQ hem, Vic 
ende den Sabandaer present wesende, vraechde off wy wilden na^ 
den Mataram reysen, antwoorden hem onse meyninge sülcx te v4 
sen, alsoo hy Syne E. selffs ontboden hadde ende Syne E. niet 
te passé en was; oock gantsch geoccnpeert met de 60 aencomed 
schepen wt 't Vaderlandt. waervan aireede 7 a 8 tot Batavia ge 
riveert waeren, andersins Syne E. van meyninge was selfiis te 
men. Waerop hy antwoorde byaldien Syne E. op een ander tydt vanl 
den Mataram ontbooden wiert ofte hy wel sonde coomen, antwoorde 
hem dat snlcx in Syne E. believen stondt, ende ick niet en wist) 
watter sonde connen geschieden; liet my mede vraeghen door Yicoza 
oft de Heer Oenerael wel gesint waere een jaerlycksen tribayt aeul 
den Mataram te willen contribneren, antwoorde hem snlcx niet te- 
weten; vraechde mede hoe den oorlogh van Bantam tegenwoordigli 
was, antwoorde hem dat wy met haer noyt geen offensive oorlogb 
gehadt hadden, maer defensive, ende byaldien Syne E. met haer 
oorlogh wilde voeren daer andere middelen inne soude ghebmycken, 
twelck noyt tot desen tyt geschiet was. 

, Syn wy datelyck binnen met ons 3n (te weten, ick, Pieter van 
der Eist ende M. Wiltschnt) van den onden Coninck ontbooden, de 
resterende van onse snite bleven ter plaetse bovengenoemt, den jon- 
gen Coninck ginck voor, daemaer wy 3, volghden ons eenighe van 
de principaele oranqnieays achtemaer; binnen coomende leverden 
den brieff van Syne E. aen den ouden Coninck, liet se pnblycqvoor 
ons alle overlnyt lesen, verstaen hebbende den inhondt des briefis van 
Syne E., antwoorde dat het een yeder vry stont in syn gebiet de 
schulden te eysschen, ende ten laetsten antwoorde haer te doen be- 
taelen, 'soo haest wy wederom van Togal souden coomen. 

Verhaelende onder andere wel begerigh te wesen om een HoUant- 
vrouwe te sien, dat se derwaerts eens met haer man mocht gesonden 
worden om te handelen, ende alsdan haer te mogen sien. Oock dat 
hy geeme een van de gesondene Goseratsche peerden soude be- 
geren, indien Syne E. daer een van wilde vercoopen, waerop hem 
antwoorde dat se noch heel ongesien ende ongeleert waeren, doch 
watter van soude syn, soude d'wtcompste van Syne E. verwachten. 



•• 



287 

; m De schenckagie als per resolutie bedi*aegende B. 41 van achten 
^ii5j(ij,aen goederen, is hen soo 't scheen aengenaem geweest, begaefde 
>^2i^ï ons weder met 10 a 12 clappusnooten, 15 groote Chinese orange- 
offr appelen, een deel watermeloenen, snyckerriet, siri pinangh, voorts 

r 

^^,^een andere woorden gebruyckende. Was een man van gedaente, 
, i;^ out wel 80 jaren, clein van gestalte ende onsienlyck, hielt hem 
j^ ^ altoos binnen ende en qnam niet buyten op de passeban pitsiaeren ^ 
, r^ hebben met aller eerbiedicheyt onse affscheyt van hem genoomen 
tot onse wedercompste van de Mataram, om de schalden alsdan 
naer syn beloffte te becoomen , verhaelde van geen andere dingen. 

Syn wederomme buyten vertrocken, Vicoza ende den Sabandaer 
accompagnerende, quamen int huys van Vicoza om d'andere schenc- 
kagie aen den jongen Coninck te behandigen, twelck aldaer ten 
hnyse gebrocht wiert, ende syn alsoo derwaert naer den jongen 
Coninck toegegaen, hebben hem die overgelevert met behoorlycke 
eerbiedinge, hem mondelinge seggende Syne E. hem sulcx tot een 
gedachtenisse sondt, ende al waeren de gaeven cleyn dat hy noch- 
tans Syne E. goede harte daeraen.conde kennen. Heeft deselve in 
danck aengenomen, Syne E. bedanckende, afi^meerde mede, dat de 
schulden van de Chineesen souden voldaen worden, waertoe hy syn 
beste soude doen; syn mede met een eerlyck affscheyt van hem 
vertrocken ende alsoo aen boort gevaeren, om snachts als de lan- 
delycke windt waeyde, naer Togal te seylen. Is daema Vicpza, 
ende den Sabandar aen boort gecomen, hebben Vicoza, alsoo hy 
ons versche visch ende andere dingen aen boort gebracht hadde, 
vereert een tapichiudes met een goelongh, ende den Sabandaer die 
ons scheen toegedaen te wesen met 2- goelongs ende 1 tapichindes , 
verhalende voorts dat den Coningh niet wel genoomen hadde, dat 
wy eerst tot Charabon quaemen, naerdien den Radja Angalagga , ons 
ontbooden hadde, ende dat hy voor hem vereert was, twelck oock 
schynlyck scheen te wesen naer ons ooghmerck, ende Vicoza ver- 
haelde dat het seecker was Radja Angalagga Syn E. ontboden te 
hebben ende sulcx sonder twyffel ende waraghtigh te syn (soo hy 
verstaen hadde) den brieff wt last van Radja Angalagga door den 
Tommagon van Togal aen Syne E. geschreven te zyn; des nachts 
syn t'seyl gegaen om ons reyse naer Togal te vervoorderen. 

*■ FasejiMUi bijj&ra, op de opene gaanderij of gehoorzaal beoraadslageu. 



i88 

3 ende 4 Jnlins enz 

'5 ditto, tegen den middagh, syn wy op dereede voor Togaigearri- 
veert y quaemen aen ons boort verscheyden oranqniays, seggende van 
den Tommagon * gesonden te syn, ende dat alle dingen gereet ge- 
maeckt waeren, dat wy datelyek by hem sonden coomen, hebben 
derhalren snlcx niet connen affislaen, .der^^aerts gaende met onse 
suite, syn eerlyck ontfangen met ontrent .20 paerden ende ontrent 
60 a 70 mannen te voet, ende ontrent 10 a 12 mannen met piecken 
van den Tommagon gingen voor, de gongen Inyden in plaets van 
clocken, ende alsoo syn met de schenckagie van Syne E. naer voren 
gereden, was een cleyn myll van den zeecwt. Daer den Tommagon 
woont, is een open dorp, groot ontrent 3 a 400 huysen, syn bij hem 
gecomen tegens den avont, ons eerlyck onthaelende , geboot ons neder 
te sitten tegens hem over, onder syn balley op een mattien^ seyde 
ons den brieff van Syne E. door Quiey Lura ontfangen te hebben 
ende den inhont verstaen, dat Syne E. niet wel te passé en was, 
ende tegenwoordigh* geoccnpeert met de nienwe aencomende schepen 
wt tvaderlandt, om hier ende daer te versenden, antwoorde tselve 
waer te wesen' ende ten waere snlcx niet belet hadde, sonde selffs 
in persoon gecomen hebben, daerom hy eenige van syne gecommit- 
teerde derwaerts sondt, om te vernemen wat Radja Angalagga gelieffde 
te seggen, ende dat wy hem naer gelegentheyt der saecken sonden 
contenteren, antwoorde dat Radja Angalagga snlcx van harten begeerde , 
willende van groote gewichtige saecken spreecken, ende tot solcken 
intentie door last van Radja Angalagga, hy Syne E. ontboden hadde. 

Hebben de schenckagie van Syne E. aen den Tommagon van 
Togal'behandicht, heeft deselve soo 't scheen in danck aengenomen, 
Syne E. daervoor bedanckende. 

GaflF daemaer last aen synen broeder, dat hy ons in syn hnys 
sonde logeren, syn derhalven met hem gegaen, ende aldaer wiert 
ons goet tractament gedaen. Onder 't praeten met desen broeder 
ontrent 8 uren in den avont , quam den Tommagon in persoon geac- 
compagneert met ontrent 14 vrouwen by ons, verhaelende dat alles 
sonder twyflfel wel sonde succederen by den Radja Angalagga. Vraechde 
off wy geenen brieff aen hem en hadden, antwoorde, dat het geen 



Toemenggoengt titel van den regent of Boepati van een regentschap of landstreek. 



t^9 

maniere en vr«8 een brieff aen' yemandt te brengen, die een ander 
ontbiet,. ende dat wy verwachten wat Radja Angalagga te icggen 
hadde, dat wQ hem daerop sonde goede antwoorde geven; onder 
andere seyde hy, dat hy eenen brieffsondeschryvenaendenMataram, 
daerinne verhaelende tgeene Syne E. aen hem geschreven badderende 
dat hy self& in persoon met ons naer den Mataram sonde reysen, 
ende wy souden van gelycken den brieff^ die hy aen den Mataram 
sont , in onse tale mede schryven om by ons te hebben. Waerop wy 
hem antwoorden, dat hy daerin sonde doen naer syn welgevallen , 
vraeghde wat schenckagie wy aen den Mataram hadden, antwoorden 
hem dat wy een eerlycke schenckagie van Syne E. medegebracht 
hadden, om aen Radja Angalagga te behandigen; was soo 't scheen 
begerigh om te weten wat het al voor goet was, antwoorden hem 
eenighe fraycheden; syn alsoo gescheyden. Is wederom naer syn 
hnys vertrocken om te gaen slaepen, een eerlyck affscheyt nemende, 
syn daer tot syn broeders huys gebleven, ende liet datelyck, naer 't 
vertreck van den Tommagon, eten opdraegen om te gaen eeten , ende 
den Tommagons broeder at selffs in persoon met ons, hadden eenighe 
discoursen van Suckadana, van den Tommagon vanKendal, Boroxa, 

dat het Syne Conincklycke Majesteits last niet en was geweest om 

» 

Suckadana t'eenemael inne te nemen, maer haer met dreygementen 
onder syn gebiet ende jaerlycx tribuyt te brengen, was derhalven 
gesint (alsoo d'onde ende jonge Coninginne in syn handen waeren) 
haer wederom tot Suckadana in voorgaende possessie te stellen; de 
Mataram hadde int innemen van Suckadana verlooren 300 mannen 
ende 400 die deerlyck met spatten gequest waeren, soodatter dagelycx 
3 a 4 van storven