Skip to main content

Full text of "De schilderkunst in België van 1830 tot 1921"

See other formats



■i— ^ ^1 






IX- 

-} — := 

1 










^B 
















■ 


■ 






■ 










1 






t 

l ■ 






^m RECEws/e. 



DE SCHILDERKUNST IN BELGIË 

VAN 1830—1921 




HENDRIK LEYS. ZELFPORTRET (1866) 



DE 
SCHILDERKUNST 

IN BELGIË 

VAN 1830 TOT 1921 



DOOR 



POL DE MONT 



MET 120 PLATEN 




•s-GRAVENHAGE 

MARTINUS NIJHOFF 

1921 



^b^xARy^^ 



ND 
Hf 



Q::~i o 



1967 



.<^' 



.^ 



^i,:?crfy of ^^f^ 



Aan mijn hooggewaardeerde vrienden, de heer en 
CHARLES-LEON CARDON te Brussel en 
OSKAR NOTTEBOHM te Antwerpen, 
heiden even verlichte kenners en beminnaars zoowel 
van onze moderne als van onze oude Vlaamsche 
meesters, even milde beschermers van kunst en 
kunstenaars, even trouwe en edele vrienden zoowel 
in kwade als in goede dagen, wijd ik, van gan- 
scher harte, en dankbaar voor vele blijken van 
gulle genegenheid, dit eenvoudig boek. 



INHOUD 

Blz. 

VOORWOORD IX 

I. HET NATIONALISME IN DE KUNST 1 

II. DE HISTORIESCHILDERS. — DE ROMANTIEK .... 7 

III. DE HISTORIESCHILDERS. — DE VERNIEUWER : HEN- 

DRIK LEYS 25 

IV. LEYS' INVLOED OP HET GENRE : — HENDRIK DE BRAE- 

KELEER 37 

V. DE HISTORIESCHILDERING NA HENDRIK LEYS: — 

EPIGONEN 45 

VI. AFWIJKINGEN. — EENIGEN 70 

VII. DE SCHILDERS VAN HET HEDENDAAGSCHE VOLKS- 
LEVEN 89 

VIII. DE PORTRETSCHILDERS, — HET STILLEVEN .... 126 
IX. DE NATUURSCHILDERING : LANDSCHAP EN ZEESTUK, 

DIEREN ENZ 143 

X. LANDSCHAP-, ZEESTUK- EN DIERENSCHILDERS NA 1890 182 
XI. JAMES ENSOR. — ZIJN WERK, ZIJN INVLOED. — 

ENSOR DE WEGWIJZER 217 

XII. BESLUIT , 232 

BRONNEN 237 

BELANGRIJKE WERKEN OF OPSTELLEN OVER HET BEHAN- 
DELDE ONDERWERP 239 

OVERZICHTSTABEL VAN DE ONTWIKKELING DER SCHILDER- 
KUNST IN BELGIË VAN 1800 TOT NU 241 

REGISTER DER SCHILDERS 251 

LIJST DER PLATEN 256 



VOORWOORD. 

Bij het schrijven van dit overzicht van een tijdperk van kunst- 
evolutie, dat meer dan honderd jaren omvat, stelde zich de auteur 
op twee onderscheiden standpunten. 

Ten eerste ging hij uit van de bij hem tot de innigste overtui- 
ging geworden stelling, dat de Kunst, evenmin als het Volk zelf, 
uit welks geest en hart ze opbloeit, zonder vaderland kan zijn; 

ten tweede, dat een eerlijk beoordeelaar nooit een kunst vak of 
een kunstenaar mag veroordeelen of zelfs kleineeren ter wille van 
een innerlijke tendenz, een bizondere uitdrukkingswijze, een eigen 
manier. 

Men heeft, in de tweede helft van de vorige en in de eerste 
jaren van deze eeuw, haast in elk beschaafd land van die stemmen 
hooren opgaan, die met ongemeene driestheid de drogbe wering 
vooruitzette'n en staande hielden: zooals de Wetenschap geen 
vaderland kent, zoo ook niet de Kunst. Het bewijs van deze 
stelling, intusschen, heeft niemand geleverd! En dat is gemak- 
kelijk te verklaren. 

Indien het onbetwistbaar waar is, dat Wetenschap en Kunst, 
als abstrakties beschouwd, geen vaderland hebben; zelfs, dat de 
veroveringen van de eerste en de scheppingen van de andere 
vruchtbaar en genietbaar zijn de geheele wereld door voor allen, 
die beschaafd zijn of smaak en schoonheidszin hebben; toch ver- 
schillen deze zielsfaktoren reeds van ras tot ras en soms van volk 
tot volk evenals van den eenen tijd tot den anderen; toch is het 
evenzeer en even onomstootbaar waar, dat de beoefenaars van de 
Kunst en de Wetenschap evenals alle andere menschen wel een 
vaderland hebben, immers, omdat zij geboren zijn in een bepaald 
gewest met even bepaalde lucht- en grondgesteldheid, en dat zij 
behooren tot een naar taal, gestalte en aanleg van alle andere zich 
onderscheidenden stam. 

Op dit niet weg te praten feit berust de volstrekt gewettigde 



X VOORWOORD. 

verdeeling van de gezamenlijke menschelijke Kunst in scholen. 
Datzelfde feit brengt met de noodzakelijkheid van een natuurver- 
schijnsel mede, dat, op zeer dungezaaide uitzonderingen na, alle 
wezenlijk groote meesters in hun gewrochten, ondanks alle inter- 
nationalisme, uiting geven, zij 't dan ook op een gelouterde, su- 
büeme manier, aan de aangeboren eigenaardigheden van hun 
stam. In dezen zin zei Langbehn zeer terecht: 

„Die Tugenden und Fehler eines Volkes werden im Laufe der 
Geschichte zu Menschen!" ^) 

In denzelfden zin beveelt hij elk scheppend genie aan: „Treue 
gegen sich selbst, Treue gegen das angeborene enge Stück Erde, 
Treue gegen den weiten lebendigen Volksgeist." 

Zoolang kunst zal genoten worden, zullen in de van Eycken, van 
der Goes, Bouts de Alnederlandsche, in Rubens de Vlaamsche, in 
Hals en Rembrandt de HoUandsche, in Dürer de Duitsche, in Le 
Lorrain, David en de meesters van Barbizon de Fransche volks- 
stam herkend en verheerlijkt worden. Wat natuurlijk geen enkel, 
door geen chauvinisme beneveld mensch er toe brengt, te gaan 
benijden of beknibbelen, dat de scheppingen van de groote mees- 
ters van zijn stam ook in andere hemelstreken blijdschap en 
loutering brengen! 

Wat nu aangaat het andere standpunt, meen ik mijn bedoeling 
niet beter te kunnen verduidelijken dan door hier aan te halen 
eenige regelen, waarin ik, bij het beoordeelen van een Belgische 
Driej aarlij ksche, de Gentsche in 1891, in een Nederlandsch blad 
de princiepen uiteenzette, welke ik wenschte in 't oog te houden. 

In die inleidende regelen verklaarde ik, dat ik, in den grooten 
overvloed van inzendingen van allen aard en alle richting alleen 
diegene wenschte uit te zoeken, waarop ik met gerustheid des ge- 
wetens de edele benaming „kunstwerk" meende te mogen toepas- 
sen; die gewrochten dus, welke het duidelijk kenmerk dragen, 
scheppingen der inspiratie en niet voortbrengselen der spekulatie 
te wezen ; die of door nieuwheid en stoutheid van opvatting en uit- 
voering, of door diepte des gevoels en volmaaktheid der uiterlijke 
behandehng uitmunten, om het even tot welke school de kunste- 
naar behoore en onaangezien het speciaal esthetische .... isme, 
waarvan hij een aanhanger is, 

„Het terrein, waarop ik post vat, is voorzeker breed genoeg, om 

') Rembrandt als Erzieher. 



VOORWOORD. XI 

er beurtelings niet alleen alle genres, maar ook de meest uiteenloo- 
pende richtingen op te verplaatsen. In beginsel wensch ik dan ook 
niets of niemand uit te sluiten ; zoowel den overtuigden romantikus 
als den volbloed realist en plain-air-schilder kan ik, als zij maar 
wezenlijk „kunst", ik bedoel eigen personeele kunst te genieten 
geven, zeer goed waardeeren. Doch bij voorbaat wensch ik mijn 
misnoegen uit te spreken over die honderden en honderden would- 
be-kunstenaars, die alleen den uiterlijken, zuiver ambachtelij ken 
kant der Kunst begrijpende, er wel in slagen misschien een nauw- 
gezette doch levenlooze kopie van de werkelijkheid of een met 
zekere virtuoziteit geborsteld, doch van alle ziel beroofd „mor- 
ceau" te leveren; tegen hen, die alleen kunnen „nabootsen" of 
„hermaken", wat anderen langen tijd vóór hen uit eigen aandrang 
des gemoeds en bijgevolg veel beter hebben voortgebracht ; para- 
zieten der Kunst, dezen, die leven en teren ten koste van den roep 
eens meesters, wiens voetzolen zij niet waardig zijn te ontbinden 
en met wien zij zich nogtans zonder blozen door beoordeelaars 
en koopers laten vergelijken." 

Van deze stelregels ben ik mij niet bewust, ooit in een enkel op- 
stel te zijn afgeweken. Zoowel in de studies, door de uitgevers- 
maatschappij „Elsevier" uitgegeven onder het opschrift „Vlaam- 
sche Meesters" als in de kortere en langere schetsen, verzameld in 
mijn bundel „Koppen en Busten", heb ik ze trouw in 't oog ge- 
houden .... 

Als „een boek van goede trouw", een „livre de bonne foi", en 
niet als de apologie van een gegeven „school" of een „bepaalde 
richting", bid ik den goedgunstigen lezer dan ook, deze bladzijden 
te willen beschouwen. 

Tegelijk met den heer Oskar Nottebohm had mijn hoog- 
geschatte vriend Charles-Léon Cardon lang vóór het ter pers 
gaan van dit boek de opdracht ervan aanvaard. Den 5 Septem- 
ber 1920 rukte de dood den voortreffelijken kunstkenner uit 
ons midden. Dit kon voor schrijver natuurlijk geen aanlei- 
ding zijn, om zijn naam te schrappen van de toewijdingsblad- 
zijde ! Het boek blijft hem en den heer Oskar Nottebohm 
gewijd. 

Pol de Mont. 



„Kunst zonder nationaal karakter is doode kunst." 

De schilder Eugeen Learmans. 

„Quelle -pitiura e piu laudabile, la quale ha piu conformita 
con la cosa mitaia." 

LlONARDO DA ViNCI. 

„Dasjenige Volk, welches seinc besondere Eigenart am besten 
wahrt, wird es innerhaib der Kunst am inieitesten bringen." 

Langbehn. 

„Ras is alles f Er is geen andere waarheid !" 

DiSRAËLI. 



I 



HOOFDSTUK. I 
HET NATIONALISME IN DE KUNST. 

„Kunst zonder nationaal karakter 
is doode kunst." 

EUGEEN LaERMANS. 

Nu ik mij, ik mag nog wel zeggen in den morgen van deze 
nieuwe eeuw, aan mijn schrijftafel zet, om, in een toch beknopt 
overzicht, de ontwikkeling van de schilderkunst in de Belgische 
gewesten sedert ongeveer 1830 zoo getrouw en volledig mogelijk 
te schetsen; nu kan ik, evenmin als vóór veertig jaar, toen ik 
naar aanleiding van de geschiedkundige tentoonstelling in het 
feestjaar 1880 voor het eerst eenige overigens korte beschouwin- 
gen over hetzelfde onderwerp te boek stelde, — aan de verzoeking, 
of liever aan de behoefte weerstaan, om bij deze mijn poging, om 
de ware beteekenis van de Vlaamsche kunst in het licht te stellen, 
het bekende machtwoord aan te halen : „De ontaarding van den 
nationalen geest is de grootste ramp, die een volk kan treffen." 

Dit machtwoord, om niet te zeggen — dit onomstootbaar axio- 
ma, doet als van zelf, onvermijdelijk en daarenboven met onver- 
biddelijke logica, het eenige groote vraagstuk oprijzen, dat elke 
historische kunsttentoonstelling, als die van 1 880 en meer onlangs 
die van 1905 in Brussel, in ons land dient te stellen, en die ik in 
dit bescheiden onderzoek wil beproeven op te lossen of ten 
minste toe te lichten. 

Met allen, die er zich niet mee tevredestellen, hun oog te laten 
weiden over den min of meer schoonen uitwendigen schijn van de 
dingen, acht ik het inderdaad van zeer ondergeschikt belang te 
weten, of er sedert de Omwenteling van 1 830 en de daaruit ont- 
stane scheuring, of, om nog even verder terug te gaan, sedert het 
jaar 1801 al, in het zuidelijk gedeelte van de oude Nederlanden 
„schüders", en „hoevele" en zelfs „hoe rijk begaafde" geboren 



2 HET NATIONALISME IN DE KUNST. 

werden, wanneer men daarbij geen rekening houdt met het artis- 
tiek „geloof", door die schilders beleden, en met de verhouding, 
waarin ze stonden tot de van ouds al vastgestelde en als zulke 
erkende „nationale overleveringen", dit woord verstaan in zijn 
meest omvattenden en meest verheven zin. Meer, veel meer komt 
het er op aan, te weten, of de heropbloei, de ontwikkeling en de 
nog voortdurende wasdom van de schilderkunst hier te lande al 
dan niet met onze eigene, van oudsher in den aangeboren volks- 
aard vastgewortelde kunstopvatting overeen te brengen is ; m.a. w 
of deze schilderkunst een nieuwen, stevigen schakel vormt in de 
schitterende keten, die ons eeuwenlang in de oogen van aUe volke- 
ren benijdenswaardig heeft gemaakt en waarin eens de namen van 
de gebroeders van Eyck, Dirk Bouts, Rogier van der Weyden, 
van der Goes, Memlinc, Geeraard David, Metsys, Joos van Kleef, 
Moro, Poerbus, P. Bruegel, en later, — mutatis mutandis — die 
van Rubens, van Dijck, Jordaens, Snijders, Fijt, Comelis de Vos, 
Jan Brueghel, Brouwer, Craesbeek, Teniers, en ontelbare anderen 
hebben uitgeblonken. 

Wat men in 1 880 en in 1 905 had moeten doen uitschijnen, dat 
was en is nog altijd, ik herhaal het, niet het bestaan op onzen 
Vlaamschen bodem van begaafde mannen, die palet en penseel 
tot het uitdrukken van indrukken en gevoelens verkozen ; maar 
wel, in hoever diezelfde mannen hun aangeboren Vlaamsche per- 
soonlijkheid, hun talent en hun ontvankelijkheid aan de oude oer- 
bron, — de werken van onze oude meesters — , hebben gelaafd, 
verkwikt en versterkt ; in één woord, of er na 1 800 hier een nieuwe 
van „elke andere uitheemsche" te onderscheiden kunstuiting, een 
„Vlaamsche school" heeft bestaan. 

Men sta mij toe, het hier onbewimpeld te verklaren : de meesten, 
om niet te zeggen allen, die toen, gedurende hoogervermelde kunst- 
tentoonstellingen, in 1 880 en 1 905, onze kunstbeweging sedert 1 830 
hebben besproken, vergaten doorgaans, — eigenaardig genoeg bij 
uitzondering alleen van den Franschman Gabriel Séailles, — deze 
allergewichtigste, transcendentale vraag te berde te brengen. 

Wisten zij dan niet, dat een kunst, om werkelijk levend en leef- 
baar te wezen, opgroeien moet „uit het leven van het volk zelf', 
ja, dat zij van het geheele wezen van dit volk en van het land, dat 
het bewoont, — van zijn zeden en geschiedenis, zijn bezigheden en 
vermaken, van het uitzicht van zijn onderscheiden gewesten, van 



HET NATIONALISME IN DE KUNST. 3 

zijn lief en zijn leed, van zijn kuituur en zijn poëzie, van zijn ge- 
heelen strijd om het bestaan, — de tolk moet zijn en de spiegel? 

Is er wel een hoogere dan deze zoo vaak ook weer in de laatste- 
jaren — ook na Wagner en Benoit, — geloochende waarheid? 

De kunst van een volk is als een plant, — laat het nu een eik uit 
het Noorden of een cypres uit het Zuiden of een palmboom uit het 
Oosten zijn, — die in de natuurlijke en logische voorwaarden van 
haar ontstaan en bestaan leeft en bloeit en groeit; die onder de 
natuurlijke en logische inwerking van haar zon, haar lucht en haar 
winden, verrijkt haar sappen en verdubbelt haar krachten, en 
statig en schoon, het landschap tot eer en sier, gedijt én rijpt in 
geleidelijk zelfvermooien, en spruiten schiet en bladeren, en tak- 
ken en kruin, die heerlijke schaduw verspreiden over de vlakte en 
haar glorieuze landouwen. 

Verplant den bevalligen palmboom uit Morgenland niet naar 
het koude Noorden ; breng den soberen, ernstigen, stoeren eik met 
zijn diepwroetende forsche wortels niet uit onzen veien grond naar 
het heet er Zuiden; de palmboom zou zijn vuurzon missen, de eik 
den gezonden wilden blaai en waai van den Noordzee-adem, en 
beide zouden sterven! Of, sterven zij niet objektief, blijven zij 
voortbestaan naar het uiterlijk, subjektief, innerlijk zijn zij ge- 
doemd tot ontaarding van hun wezen, tot „zedelijk doodgaan". 

Niet anders is het met de Kunst. 

Met hun eerste, min of meer naïeve, in zekeren zin nog onbe- 
wuste scheppingen leggen — wat zij ook reeds dan aan uitwendige 
uitdrukkingsmethoden en -manieren bij vreemden mogen borgen 
— de eerste, groote vertegenwoordigers van de Kunst bij een waar- 
lijk begaafd volk instinktmatig en onvermijdelijk den grondslag 
voor geheel haar toekomst en veropenbaren en bevestigen „die" 
eigenschappen en neigingen, welke haar in den loop van haar 
verdere ontwikkeling gestadig zullen bijblijven en kenmerken. 
Deze eerste verschijnselen zijn schier altijd oorspronkelijk, eigen- 
aardig, al zijn zij daarom nog niet geheel vrij van eiken vreemden 
invloed. Juist daarom en des te meer zijn zij het eigendom van het 
Volk. De eerste grondleggers van een school mogen op nog zoo 
verren afstand blijven van volmaaktheid en idealiteit, dit toch is 
zeker : alleen de ook in hen van zelf werkzame geaardheid van den 
stam, laat mij zeggen: de gezamenlijke ziel van het Volk, tot het- 
welk zij hooren, bepaalt, ééns en voor altijd, op treffende wijs de 



4 HET NATIONALISME IN DE KUNST. 

richting, die zij zelf volgen en die anderen eeuwen lang na hen 
zullen volgen en trouw blijven. Zooals hun oog zich wende, van 
zoodra het leerde zien, aan het licht van den eigen hemel, de kleur 
en de gedaante van de eigen hoornen, de tint en den gang van de 
eigen rivieren en stroomen, houding en gebaar van de menschen, 
die rond hen dagelijks bewegen, zoo kiest hun wil, ik zei bijna hun 
instinkt, nu zij iets willen omzetten, uitzeggen in „kunst", tot 
medium en stof datzelfde eigen landschap en dat zelfde eigen volk ; 
en al naar dat land gelegen is en geschapen, en al naar dat volk 
geaard is en bezield, ja, men zou er mogen bijvoegen, al naar het 
gehersend en gebekt is, naar zijn eigen wijze van denken, voelen, 
spreken, neemt hun oog, en van lieverlede hun smaak, gewoonten 
aan, manieren van zien en neigingen tot schoonvinden, die al dui- 
delijker en duidelijker in hun werk uitkomen. 

Zoo vond de Grieksche geest, wel voornamelijk in de beeldhouw- 
kunst, maar nauwelijks minder treffend in schilder- en dichtkunst 
zijn uiting in de kracht en majesteit van de lijnen. Zoo was de 
Grieksche kunst de verheerlijking, bijna de vergoding van blijde, 
zinnelijke schoonheidsvormen, majestatisch in rustige kalmte en 
ten minste uiterlijke onontroerbaarheid, omdat haar scherp uit- 
gesneden, hoekig en bochtig geboorteland, haar theogonie en haar 
levensbeschouwing het onvoorwaardelijk zoo eischten en bepaal- 
den ; maar zoo was ook de Nederlandsche schilderschool ^) van het 
allereerste begin af, niet enkel de toovenares met diepte en warmte 
en rijkdom en bontheid van kleuren, weldra de verrukkelijke 
dichteresse met licht en donker, maar ook de strenge, ernstige, 
realistische, soms tot nuchterheid toe realistische teboekstelleresse 
van wat „werkelijk" en „waar" is, omdat ons vager afgetee- 
kend landschap, én ons streng, tot ernst stemmend klimaat, én 
vooral onze aangeboren, zich ook in onze taal machtig uitende be- 
hoefte, om de dingen te „zien zooals ze zijn" en ze te „noemen met 
hun naam", het dwingend aldus geboden. 

Verbazend treffend is het, in de werken van die eenig-ware Pri- 
mitieven, welke de glorieuze ontwikkeling van de van Eycken 
mogelijk maakten, in de verluchtingen van Jaak Coene, doch nog 
veel meer van de gebroeders van Limborch, in de schilderijen van 
Broederlam en enkele van hun niet met name bekende tijdgenoo- 

*) Tot circa 1575 kan er moeilijk spraak zijn van een afzonderlijk eigen, zelfstandige 
Hollandsche en een dito Vlaamsche school. 



HET NATIONALISME IN DE KUNST. 5 

ten, en vooral, vooral in de wonderbare beeldhouwwerken van de 
Sinters en de van de Werven, de eerste, soms niet schuchtere, 
maar veeleer stout gedurfde en als opzettelijk nagestreefde uiting 
terug te vinden van de meest pregnante kenmerken van onze ge- 
heele latere kunst tot minstens na Pieter Bruegel I. 

Ja zelfs het na dezen eersten en grootsten Bruegel aldoor duide- 
lijker wordende onderscheid tusschen de eigenlijk Hollandsche 
en de eigenlijk Vlaamsche richting, men voelt, neen, „tast" en 
„ziet" het reeds, als men met elkaar vergelijkt de Broederlam- 
luiken te Dijon en het belangrijke Kalvarietafereel van een onbe- 
kend Utrechtsch meester uit 1363 in 't Muzeum te Antwerpen. 

De eerste voorwaarde tot het verwezenlijken van gewrochten 
van duurzame waarde, van waarlijk levende kunst, ligt in deze 
naïeve, nog altijd onbewuste uitdrukking van land en volkswezen. 

Waarom? Omdat een tweevoudige waarheid, — een waarheid 
„van gevoel" en een waarheid „van voorstelling" — zoo niet de 
eerste, dan toch de tweede wet van alle kunst, en zeker de eerste 
van alle levende, eigen-ziel-bezittende kunst is. 

Of zijn wij niet volkomen waar, als wij den aanblik van onze 
natuur, onze Vlaamsche eiken, olmen en wilgen, onze Vlaamsche 
stroomen en rivieren: Schelde, Maas, Leie, Lieve, Dijle, Zenne, 
Demer, Nethe, Durme; onze Vlaamsche kust, duinen en zee; onze 
Vlaamsche vlakten en weiden ; onze heide en onze dennen wouden 
weergeven, zóó als wij zelf die verstaan, hun kleur, licht en damp- 
kring, zóó als die in ons oog als vergroeid zijn? 

Wat hebben de Ruysdaelen, van Goyen, Hobbema, Ph. Ko- 
ninck op het doek gebracht ? Wat Ostade, Brouwer, Hals, de Hooch 
en de Delftsche Vermeer ? En, al was het ook in den vorm van een 
dichterlijk anakronisme, streefden onze gotische meesters niet 
vóór alles naar waarheid, als zij de Heilige Maagd, den Heiland en 
de Joden, die hem bespotten of folterden, afbeeldden in de klee- 
ding en in de houding, met de gebaren en met de manieren van de 
maatschappij, die hen zelf omringde en die hun volkomen bekend 
was? 

Daarin ligt de eerste levensvoorwaarde voor een nationale 
Kunst ! De schilder moet met eigen oogen zien en eigen land en 
eigen volk naar eigen geest weergeven. Indien een hoogere graad 
van ontwikkeling hem al nieuwe stoffen, gemeenschappelijk eigen- 
dom van alle kultuurvolken : historische, litteraire, maatschap- 



6 HET NATIONALISME IN DE KUNST. 

pelijke, theogonische, enz., in zekeren zin dus wetenschappelijke, 
ten dienste zal stellen, toch is en blijft het onomstootelijk, dat hij 
zijn onderwerp, al hoort het nu ook tot den algemeenen of inter- 
nationalen eigendom, in zeker opzicht naar de overleveringen van 
zijn school moet omzetten, indien hij, ten minste, het kunstleven 
van zijn volk niet wil stremmen. 

Hiervoor liggen een menigte goede bewijsgronden in de geschie- 
denis van de kunst vóór de hand. De Romeinen hebben er zich 
maar al te weinig op toegelegd, uit zich zelf, uit eigen ervaring, 
leven, zeden en gewoonten, „kunst te maken". Dit volk, dat met 
al zijn vermogen uitsluitend een zoo groot mogelijke machtsuit- 
breiding nastreefde ; wiens geheele denkkracht zich tot ekonomie, 
militarisme en rechtswetenschap bepaalde, schijnt zich over het 
algemeen, op zeer zeldzame uitzonderingen na, al even weinig 
rekenschap van zijn aanleg gegeven, als een op dien aanleg en op 
de algemeene eigenaardigheden van zichzelf en zijn land berusten- 
de kunstopvatting gevormd te hebben. Hoe heeten nu zijn waarlijk 
groote en eigenaardige dichters? Hoe zijn werkelijk oorspronke- 
lijke schilders, beeldhouwers en bouwmeesters? Gij spreekt mij 
van Juvenalis, Tacitus, Persius, Martialis ? Edoch, juist die namen 
bevestigen, wat ik vooropstelde. Hun satiren werden hun door 
Romeinsche, d. w. z. onder de Romeinen van hun tijd bestaande 
misbruiken in de pen gegeven. Juvenalis geeselt de Griekschdol- 
heid van zijn medeburgers; Tacitus het despotisme en de zedeloos- 
heid ; geen van beiden hebben de Grieken nagevolgd, noch namen 
zij de Grieksche wereld en de Grieksche gedachte tot voorbeeld ! 
Zelfs stijl en procédé hebben zij de Hellenen niet of dan toch in 
geringe mate afgekeken. En de werken van deze mannen alleen, 
niet de nabootsingen van den talentrijken Vergilius, niet die van 
Plautus en Seneca, zijn, voor ons, bezield met werkelijk leven. 

En bereikt de kunst niet natuurlijker- en haast noodzake- 
lijkerwijze het hoogste toppunt van den roem juist in die tijden, 
dat zij de meest volmaakte uiting is van de nationale, zoo psycho- 
logische als plastische „waarheid" van een volk? 



HOOFDSTUK II. 
DE HISTORIESCHILDERS. - DE ROMANTIEK. 

„Dat is geen grijpen in 't volle men- 
schenleven, dat is grabbelen in een 
muffe leesbibliotheek. Dat is geen ziel- 
kundige ontleding van wat ons de we- 
reld te aanschouwen geeft; dat is 'n 
marionnetten-repetitie." 

MULTATULI. 

In de gezamenlijke annalen van onze nationale kunstgeschiede- 
nis zijn ontegenzeggelijk de bladzijden, welke op den lezer, vooral 
op den Vlaamschen, den pijnlijksten indruk maken, die, welke de 
kunsttoestanden tusschen de jaren 1794 en 1830 behandelen. 

Een zoo verregaande, bij enkelen met volledig zelfbewustzijn 
nagestreefde verbastering; een zoo absoluut afwijken én van de 
overleveringen der eigen school én van de nooit straffeloos te mis- 
kennen wet en norm van de schilderkunst opzichzelf, d. w. z. van 
de schilderkunst, beschouwd in haar innigste wezen, als kunst 
voor het oog in de allereerste plaats en bijgevolg als voortoove- 
resse van kleur en licht vóór en boven al 't ander, — was zelfs in 
de jaren 1550 — 1600, toen het Italianisme zijn toppunt bereikte, 
niet eens voorgekomen. 

Niet zonder beteekenis acht ik het, dat, juist gedurende dit tijd- 
perk van weergaloos verval, het aantal beoefenaars van de Vlaam- 
sche nationale kunst bij uitnemendheid zoo oneindig veel geringer 
was dan in alle andere zoowel latere als vroegere perioden! 't Ziet 
er naar uit, alsof het verzaken aan de aloude opvattingen, tevens 
het aannemen, onder den invloed van de Fransche overheersching 
tijdens Republiek, Konsulaat, Directoire en Keizerrijk, van een 
vreemde taal door de voortaan, op weinig uitzonderingen na in 
Frankrijk opgeleide artiesten, feitelijk ons volk met tijdelijke 
onvruchtbaarheid hadden geslagen. 



8 DE HISTORIESCHILDERS. — DE ROMANTIEK, 

Het was volkomen in overeenstemming met den nieuwen tijd- 
geest, namelijk met de aan de Romeinsche en Grieksche Oudheid 
ontleende ideeën en neigingen van de mannen, die het „ancien 
régime" hadden vernietigd, dat, kort na de overwinning van 
Jemmapes, van zelfs nu dat vak van kunstontwikkeling op den 
voorgrond geraakte, waaraan reeds in 1 776 de weinig zelfstandige 
maar des te meer verwaande A. C. Lens (1739 — 1822) beproefd 
had een veel grooter plaats te doen innemen: de studie van de 
Oudheid. 

Toen, echter, hadden zich de rond Balthazar Beschey (1708 — 
1776) geschaarde laatste min of meer zelfbewuste belijders van 
het Vlaamsch nationale met kracht verzet tegen wat zij, terecht, 
voor een uiterst gevaarlijk middel tot ontaarding hielden. 

Nu was er — buiten het tweetal artiesten, die — juist omdat zij 
Vlamingen wilden zijn in hun kunst, door zoo weinigen begrepen 
werden en dientengevolge zonder daad werkelij ken invloed bleven, 
P. J. Verhaegen (1728—181 1) en W. J. Herreyns (1743—1827), in 
Vlaamsch- noch Waalsch-België geen enkel kunstenaar meer, om 
de jongeren tegen de gevaarlijke verlokking tot navolgen te 
waarschuwen. 

Zooals onze jonge mannen, die neiging voelden voor den krijgs- 
dienst, eerlang onder Napoleon te Brest of elders in Frankrijk 
zouden opgeleid worden, zoo, van 1794 af, verlieten de meesten 
onzer aspirant-schilders de aloude Antwerpsche Akademie, om 
zich te Parijs te gaan bekwamen. 

Overigens, reeds heel wat vóór dat noodlottig jaar hadden ver- 
scheidenen den weg naar Parijs ingeslagen. Was Lens zelf nog leer- 
hng geweest van K. IJkens en Balthazar Beschey, de Bruggeling 
Joseph Bemard Suvée (1743 — 1807) had zijn opleiding genoten in 
de Parijzer „Académie de S. Luc", en reeds in 1766 was hij zelf 
aldaar leeraar in de „Ecole gratuite de Dessin!" Na een verblijf 
in ItaHë, vooral te Rome, van 1772 tot 1778, werd hij „peintre 
du roi" en, in 1780, lid van de „Académie". 

Mathijs-Ignaas van Bree (1773 — 1839), die gedurende de laatste 
twaalf jaar van zijn leven bestuurder van de heringerichte Ant- 
werpsche Akademie was, en deze, men moet het toegeven, een 
periode van betrekklijk grooten bloei tegemoet voerde, was, na 
onder F. A. Vincent te Parijs gestudeerd te hebben, vandaar 
teruggekeerd als een meer systematisch dan meevoelend navolger 



DE HISTORIESCHILDERS. — DE ROMANTIEK. 9 

van Louis David, tevens als een tot de platste hovelingenvleierij 
geneigd bewonderaar van Napoleon I. 

De Bruggeling Jozef Désiré Odevaere ( 1 778 — 1830), de Gente- 
naars Jozef Paelinck (1781 — 1839) en P. J. van Hanselaere 
(1786 — 1862) waren, even goed als de te Charleroi geboren Fran- 
9ois Joseph Navez (1787 — 1869), leerlingen van Louis David, 
wiens weerzin voor kleurenschoon zij zich des te roekeloozer toe- 
ëigenden, als zij er minder in slaagden, zijn toch altijd merkwaar- 
dige samenstelhngskunst en zijn ondanks alle konventie en stijf- 
heid treffenden figurenstijl nabij te komen. 

Hoe zeer de meesten van deze mannen het spoor bijster waren, 
blijkt overtuigend uit de regelen, welke, in Juli 1822, Navez, — 
geenszins bekeerd door de .... toch even luid bekende als onver- 
wachte verzoening van David zelf met de Vlaamsche kleur ^) — 
aan een vriend stuurde: 

„Ik wil niet spreken van de schilderkunst, zooals die hier be- 
oefend wordt. Ik neem Paelinck nog aan, maar 't overige is nul. 
Ook de oude schilderijen kunnen mij niet bevallen! Ik heb genoeg 
van Rubens, van Dijck, de HoUanders, enz.. En ik heb meer plezier 
van een kopje, gegraveerd naar Rafaël, dan van al die meesters!" 

Is het veelbetekeenend genoeg? 

Bij Girodet hadden hun opleiding genoten de jongere broeder 
van van Bree, Filips-Jakob (1786 — 1871), en een paar anderen, 
terwijl de Brusselaar Henri de Caisne (1799 — 1852) opvolgenlijk 
de werkplaatsen van David, Girodet (1818 — 1819) en Gros ('19 — 
'21) bezocht had. Zeldzaam genoeg, volgde de Caisne veel op- 
vallender na den toch middelmatigen schilder Delaroche (1797 — 
1856) dan een enkelen van zijn meesters. 

De eveneens te Brussel geboren Michael Ghislain Stapleaux 
(1799 — 1881) was ook een leerling van David. 

Onder de weinigen, die, buiten de reeds genoemden : Herreyns 
en Verhaegen, en ook den broeder van dezen laatste, bijgenaamd 
Pottekens Verhaegen, verder den uitnemenden teekenaar en sty- 
list Jan Antoon Verschaeren (1803 — 1863), leerling van Herreyns, 
en Frans Markus Smits (1760 — 1833), leerling van den talent vol- 
len Bernard de Quartenmont, die verbasterende invloeden niet of 



') In 1817 schreef David aan Gros: „Hadde ik het voorrecht gehad, \Toeger in dit 
land te leven, dan was ik, geloof ik, een kolorist geworden! Dit land drijft er toe! Al 
wat ons omgeeft, heeft een zoo wonderbaren toon!" 



10 DE HISTORIESCHILDERS — DE ROMANTIEK. 

althans veel minder ondergingen, zijn in de allereerste plaats te 
noemen eenige landschapschilders, met name de voor zijn tijd wel 
zeer aantrekkelijke Balthazar Pauwei Ommeganck (1755 — 1826), 
leerling van den middelmatigen, maar toch nog interessanten H. 
J. Antonissen, zijn schoonbroeder Hendrik Myïn, Simon Denis, 
Hendrik Frans de Cort, en dan Hendrik van Assche (1795 — 1841), 
leeding van den nu al lang vergeten J. B. de Roy. Op eenigen 
dezer kom ik op tijd en stond wel terug. 

Overziet men nu, in onze gezamenlijke Belgische muzea, wat 
deze miskenners van de kleur en vergoders van de Latijnsche 
symmetrie en lijn, ja, zelfs van de geometrische lijn, hebben nage- 
laten, dan voelt men zich teleurgesteld en als bestolen! 

Wat F. X. de Burtin naar aanleiding van het kunstsalon van 
1811 schreef, past volkomen op den gezamenlijken kunst oogst 
van 1794 tot 1830. „Afgezien van Herreyns" — de Burtin schijnt 
den veel voortreffelijkeren P. J. Verhaegen niet gewaardeerd te 
hebben, — „hebben de voornaamste Vlaamsche kunstenaars al 
sedert lang de voetsporen verlaten van hun groote voorgangers. 
Allen houden zij 't oog op 't ideale deel van de kunst en willen zij 
de Antiek navolgen. Koud afgelijnde samenstellingen, als Etrus- 
kische vazen, bekoringlooze kleur zonder effekt en waarheid, ver- 
vangen de kompozieties vol geest en vuur, het ware en krachtige 
koloriet en het betooverende heldonker, welke de werken van de 
beroemde meesters van de schitterende Vlaamsche school zoo 
bizonder kenmerkten." 

Men had het nauwelijks treffender kunnen zeggen! 

In werkelijkheid bestaat het degelijkste en duurzaamste, dat 
die jaren voortbrachten, in een aantal goede en soms heel goede 
portretten, o. a. van Herreyns, Navez, Smits, Stapleaux, en — 
daarna — in de met propergekamde, welgemanierde, allermin- 
zaamste, bijna „salonfahige" schapen en koetjes gestoffeerde 
landschappen van den overvruchtbaren Ommeganck, „Ie Racine 
des moutons," en de heel wat waarder, bijna impressionistische 
gezichten van den veel minder beroemden, minder virtuozen, 
maar wel moderneren Hendrik Myïn. 

En niet zonder diepen weemoed stelt de geschiedschrijver vast, 
dat — in een tijd, waarin deze tot heden toe al te weinig gewaar- 
deerde, nog steeds door en door Vlaamsche meester, P. J. Ver- 
haegen, — deze allerlaatste zelfbewuste geestverwant van Rubens, 



DE HISTORIESCHILDERS. — DE ROMANTIEK. 11 

in wien zich, veel meer dan in den toch wel verdienstelijken Her- 
reyns, de nationale traditie belichaamd had, — nog meesterstuk- 
ken kon voltooien als zijn twee kapitale doeken in de abdijkerk te 
Averbode; dat, in dienzelfden tijd, geen enkel aankomeling juist 
genoeg oordeelde, om, in stede van David of een anderen uit- 
heemschen meester dezen ras-Vlaming te volgen, — zonder hem 
daarom na te volgen ^). 

Een bizondere vermelding verdient hier wel de Oost- Vlaming 
Jan Baptist Lodewijk Maes, meer bekend als Maes-Canini, gebo- 
ren te Gent den 30 September 1794 en overleden te Rome in 1856. 

Na het eerste kunstonderwijs te hebben genoten in de Akademie 
van zijn geboortestad, werd hij door „Felix Meritis" te Amsterdam 
in 1821 bekroond voor zijn bijbelsch tafereel, „Hagarenismaëlin 
de Woestijn", en verkreeg hij van de Nederlandsche regeering een 
jaarlijksch hulpgeld van 1200 flor., om zijn studiën in Italië te 
gaan voltooien. Hij verbleef aldaar tot 1826 en beoefende er hoofd- 
zakelijk het genre en de historieschildering. Bij zijn terugkeer ver- 
vaardigde hij een reeks religieuze schilderijen, meest voor kerken 
bestemd, en daaronder een, dat ongemeenen bijval oogstte, „Het 
Kindje Jezus, aan de H. Anna vertoond". Later, en zeker na 
1839, keerde hij terug naar Italië en verbleef er bij voorkeur te 
Rome of in de omstreken. In die jaren ontstonden eenige voor- 
stellingen uit het leven der Romeinsche burgerij en volksklasse, 
waaronder een in 1839 in den Haag bekroonde „Vrouw uit de 
Campagna", „Een biddende Romeinsche", aangekocht voor het 
Muzeum te Munchen, „Een Romeinsche Vruchten verkoopster", 
aangekocht voor het Muzeum te Hamburg, en, kort vóór zijn 
dood nog, een voortreffelijk stuk, dat sedert 1856 deel maakt van 
de galerij Nottebohm (vroeger Rotterdam, later te Antwerpen) 
en voorstelt : „Een Romeinsche, den laatsten avond van Karna- 
val, aan haar opschik bezig". Maes-Canini was een voortreffelijk 
teekenaar, gevormd in en door de studie der groote meesters van 



') Ik sprak hierboven van symmetrie en lijn. Tot welke platheid het door niets ge- 
wettigd streven naar beide vermag te leiden, blijkt het best uit de beschouwing 
van stukken als bijvoorbeeld Navez' „Athalie interrogeant Joas", de Caisnes „La 
Belgique couronnant ses Enfants illustres", ja, uit deze veruit beste samenstel- 
lingen der geheele romantische periode, Gallaits, „Troonafstand van Karel V" en 
Wappers' „Epizode uit 1 830". Een typisch geval is het stuk van de Caisne. Als men de 
onderscheiden groepen omtrekt met langs de koppen loopende lijnen, bekomt men een 
geheel stel van pyramieden, groote en kleine. Men kan overigens het zelfde vaststellen 
in F. de Braekeleers „Spaansche Furie" in het Antwerpsch Muzeum. 



12 DE HISTORIESCHILDERS. — DE ROMANTIEK. 

de Umbrische school en veel minder beïnvloed door de akademi- 
sche overleveringen dan de meesten van dien tijd. Zijn koloriet, 
veeleer Italiaansch dan Vlaamsch, is van een aangename, niet in 
bleekheid ontaardende helderheid, uitmuntende noch door onge- 
meenen gloed noch door overdreven rijkdom, maar zeer aange- 
naam en gedistingeerd. 

In zijn geheel verschijnt hij mij als de voorlooper van Portaels 
en ik aarzel niet, verscheiden van zijn tafereelen, en heel zeker dat 
uit de galerij Nottebohm, op één lijn te stellen met de beste wer- 
ken van den in de jaren zestig tot tachtig zoo hoogaangeschreven 
Brusselschen akademiebestuurder en ateliermeester. 

Naar tijdsorde kan men Wappers als den eersten Vlaamschen of 
althans would-be-Vlaamschen schilder na Verhaegen en Herreyns 
beschouwen. Was zijn talent wellicht niet in evenredigheid met 
zijn goede inzichten, groot en weldoende was toch zijn invloed. 
Van zijn eerste optreden al zette hij den voet op nationalen grond, 
en poogde hij, — ja wel zonder, naar de overtuiging van ons, later 
gekomenen, te slagen, — de glorierijke kleurenschoonheid van 
Rubens en van Dijck te benaderen, zoo niet te verwezenlijken. 
Vastberaden poogde hij af te breken met de naaperij zoowel van 
de Italianen uit het Cinquecento als van de Neo-Klassiek uit de 
dagen van het eerste Keizerrijk, namelijk van Louis David. Hij 
en Gallait, en niet de toch heel een menschenleeftijd lang veel 
meer dan hij gevierde de Keyser, knoopte het eerst den zoo jam- 
merlijk gebroken draad van de eigen traditie weer aaneen. 

Maar niet aUeen door zijn uiterlijke middelen, zijn methode, ook 
door de keus van zijn stoffen deed Wappers zich nationaal voor of 
wilde hij zich nationaal voordoen. Zijn „Burgemeester van der 
Werff", hoe leeg en deklamatorisch ook, maakte in de duffe lucht 
van dien tijd (1830) het effekt van een donderknal. Zijn in ieder 
opzicht merkelijk betere „Epizode uit de Omwenteling van 1830"^ 
en zelfs zijn „Laatste Vaarwel van Karel I aan zijn Zoontje" — 
misschien het best gekompozeerde en aan rhetorikale overdrijving 
minst laboreerende van al zijn tafereelen (1836) — ondergingen 
zelfs de terugwerking van den overdreven bijval, aan „van der 
Werff' te beurt gevallen, en wekten heel wat minder bewondering. 

Feitelijk schijnt Wappers veel meer naar Ant. van Dijck dan 
naar Rubens te hebben gekeken. Vooral in het laatst gemelde 

*) Brusselsch Muzeum; voltooid in 1833. 



DE HISTORIESCHILDERS. — DE ROMANTIEK. 13 

werk is er, wellicht meer in de teekening dan in het koloriet, iets 
van de aristokratische fijnheid en distinktie, eigen aan den Vlaajn- 
schen hof schilder van Karel I. 

Van een uitgesproken lyrischen aanleg, wist hij, in zijn beste 
oogenblikken, zich iets en zelfs nog al veel eigen te maken van de 
gemoedelijke natuurlijkheid, den sierlijken zwier en de edele 
teergevoeligheid van van Dijck. Ongelukkiglijk ontaardde dit 
alles, in latere jaren, vooral gedurende de lange spanne, die hij te 
Parijs doorbracht, tot iets als precieuze gemanierdheid en zieke- 
lijke „mièvrerie". 

En in dezelfde maat sloeg zijn koloriet, vooral in de weergeving 
van het vleesch, al te Ucht over tot paroxistische tonen, gloei-rood 
in stede van zachtgestemd roos, hoogpaars voor even maar sche- 
merend blauw in het bloed! 

Vooral in het opzicht van de kleur onderscheidt hij zich van en 
overtreft hij meestal den anders in meer dan één opzicht tegen 
hem opgewassen N. de Keyser, wiens koloriet zeker vlakker en 
kouder, wiens groepeering stijver en minder levenswaar, wiens 
teekening echter, althans in zijn beste oogenbükken, wellicht vol- 
maakter is. 

Overigens zijn beiden besliste aanhangers en apostels vande 
Romantiek, juist in denzelfden zin en op dezelfde manier als H. 
Conscience in onze toenmalige letteren. 

Meestal staan hun helden buiten en boven de natuur, net zoo 
goed als de personages uit „De Leeuw van Vlaanderen", en zij zijn 
al even majestueus en reusachtig sterk, even snorkerig deklama- 
torisch en verzot op oppervlakkig tooneeleffekt. De groepeering is 
theatraal, de mimiek meestal sterk overdreven. Door gebarenspel 
en gelaatsuitdrukking doen deze personages zich voor, niet als 
rustige, bezadigde, nadenkende noorderlingen, maar als zenuw- 
achtig overspannen kinderen van het Zuiden. Nooit gaapten op 
de paneelen en doeken van onze schilders meer „wraak of doeme- 
nis" schreeuwende monden; nooit staken meer in woede gebalde 
vuisten of in wanhoop verwrongen handen in de hoogte; nooit 
kraakten er de naar achter gebogen ruggraten harder danindie 
jaren. Men zou zeggen, dat de geheele historieschildering van dien 
tijd een voortdurende illustratie wil zijn van Consciences „Won- 
derjaar" en „Leeuw van Vlaanderen". 

Om zich een gedachte te vormen van den indruk, dien de Key- 



14 DE HISTORIESCHILDERS. — DE ROMANTIEK. 

sers „Woeringen" of zijn „Gulden Sporenslag" (1836) i) : op de 
toenmalige geesten teweegbrachten, moet men bij zijn eigen tijd- 
genooten te rade gaan. Alvin, in zijn „Salon de 1836", behandelt 
laatstgemeld stuk vóór alle andere, en — in stede van het te be- 
oordeelen — slaat hij een dithyrambe aan. 

„Il ne se traine sur les traces de personne; il s'attache a rendre 
la nature humaine au dernier degré d'exaltation; sa poésie est 
une poésie f arouche ; son drame un drame sanglant et passionné ; 
son pinceau a une énergie exceptionelle, une apreté juvenile, as- 
souplie par l'étude et l'expérience." 

Toch is welHcht het degelijkste, wat de Keyser voltooid heeft, 
te zoeken in enkele kleinere genretafereelen als zijn „Gretchen" en 
in eenige zeldzame, in koloristisch opzicht vrijwat merkwaardiger 
portretten. In deze, veel meer dan in zijn historische samenstel- 
Hngen, wist hij iets van het leven te doen natrillen. 

Buiten een tweetal kleinere groepen uit zijn voor de trapzaal 
van het Antwerpsch Muzeum uitgevoerde schilderijen, — ik 
noem „Denijs Kalvaert" en „Dürer bij Metsys", — acht ik deze 
portretgroepen, al is daarin ook veel van Scheffers dwepende sen- 
timentaliteit, het degelijkste, wat hij naliet. 

Hoe weinig werkelijke zelfstandigheid de kunst van deze man- 
nen te genieten geeft, blijkt voor eiken ietwat ingewijde duidelijk 
uit een eenigszins dieper-gaande ontleding van werken als de 
Keysers „Woeringen" of „De Sporenslag" of als Wappers' „Epi- 
zode uit de Revolutie van 1830". 

Bepalen wij ons tot dit laatste. Wappers geeft hier als een 
staalkaart, een mozaïek van allerlei kunstreminiscencies : houdin- 
gen, antieke beelden afgekeken; karakterkoppen of allerminst 
fyzionomieën, ontleend aan achttiende-eeuwsche Fransche sen- 
timenteelen, o. a. zeer beslist aan Greuze. In plaats van natuur, 
van in de natuur zelf waargenomen dingen, krijgen wij dus na- 
bootsing; in plaats van leven, akademische studies. Ook van 
zijn samenstelling is niet veel goeds te zeggen : die is nog meer aka- 
demisch dan zoovele van zijn figuren; men zou kunnen beweren, 
dat zij ontworpen is, niet naar de wetten van het leven, maar naar 
een meetkundig schema, — evengoed als die van de Caisne en 
Navez, anders toch zijn tegenvoeters. Eigenlijk is er in heel het 
groote werk van heusche, welbegrepen vrije samenstelling geen 

1) Kortrijksch Muzeum. 



DE HISTORIESCHILDERS. — DE ROMANTIEK. 15 

spoor, alleen van wel berekende akademische schikking, van or- 
donnancie. Zoo zien en voelen wij heden dit toonbeeld van de 
toenmalige Romantiek! 

Hoe zagen en voelden het de tijdgenooten? André van Hasselt 
leert het ons, waar hij, na den polsslag van het ware leven in de 
personages te hebben gevoeld, tot tranen toe geroerd uitroept; 

„Ga, zie en oordeel! Indien gij dit doek in zijn volheid, zijn rijk- 
dom, zijn levendigen polsslag beziet; indien gij tranen in de oogen 
krijgt en u een rilling door de aderen gaat ; indien het u warm en 
koud wordt bij den aanblik van die wonderbare schepping; in- 
dien uw hersenen pijn doen vóór dit prachtig, verheven epos; 
vraag u dan af, of men beter groepeeren, beter teekenen, beter 
schilderen kan; of, na Rubens, ooit een enkel schilder een zóó 
schoon, zóó groot, zóó volkomen gewrocht heeft geschapen!" 

En ook deze lofspraak is reprezentatief in hooge mate voor de 
eerste jaren van de romantieke periode. 

En deze bladzijde was Wappers' voortreffelijkste werk, zijn 
hoogste „meesterdaad." 

Juist dezelfde gebreken, soms nog meer opvallend, treffen wij 
bij de Keyser, Slingeneyer en de anderen. 

Intusschen is de kunstenaar, in wiens werk de Vlaamsche Ro- 
mantiek haar hoogste uitdrukking bereikt, geen Vlaming, maar 
een Waal: de te Doornik geboren Louis Gallait. „De laatste Oo- 
genblikken van Egmond, De Afstand van Keizer Karel", maar 
nog veel meer „De laatste Eer, aan Egmond en Hoorn bewe- 
zen" ^), zijn zonder twijfel de rijpste en karakteristiekste voort- 
brengselen van de romantieke kunst van 1 830 tot 1 850 in België. 

Met den betrekkelijken gloed van Wappers en de onberispelijke 
teekening van de Keyser paart Gallait een levendiger kijk op de 
natuur, een grooter oprechtheid van gevoel. Men zie maar even, 
ook heden nog, en dan liefst in het kleine stukje in het Antwerpsch 
Muzeum, die krachtige gildemannen en in het bizonder de mees- 
terlijk behandelde koppen van den rossen hoofdman en den 
zwaarlij vigen baardelooze ernaast, en dan de met de doodskleur 
overtogen hoofden van de onthalsde graven. Zeker, als een bladzij 



*) Van dit onderwerp bestaan drie, enkel in de bijzaken verschillende behandelingen r 
de kleine, zeer voortreffelijke herhaling in 't Antwerpsch Muzeum; het groote stuk^ 
gekend als 't eigenlijk origineel, te Doornik, en een stuk van gelijke grootte, in de 
verzameling van den heer de Keersmaecker te Antwerpen. 



16 DE HISTORIESCHILDERS. — DE ROMANTIEK. 

uit een historischen roman, litterair dus, doet de voorstelling aan ; 
maar — zoo dit ook al een gebrek mag heeten — hoe harmonieus 
is het geheel, hoe wel overlegd en toch natuurlijk de groepeering, 
hoe stevig in haar soberheid de kleur en hoe verzorgd en pieus de 
gansche uitvoering! Zeker voltooide Gallait nog andere schilde- 
rijen, die van groote eigenschappen getuigen, al zou ik ongaarne 
daaronder zijn aan overdreven pathos lijdende „Jeanne la Folie" 
en „Art et Liberté" vermelden; bovendien is hij de auteur van 
verscheidene werkelijk goede portretten, die, — ouderen van 
dagen zullen het zich herinneren — in de jubileumtentoon- 
steUing van '80 zeer opgemerkt werden. Maar dit enkele, niet Hcht 
te overtreffen schilderij is en blijft toch zijn meesterstuk, de parel 
van de geheele romantieke schilderschool in Zuid-Nederland. Het 
volstaat op zich zelf alleen, om zijn schepper te doen rang nemen 
onder die kunstenaars, waarin een tijdvak kulmineert en voor la- 
tere geslachten herkenbaar en gekenschetst blijft. 

Als ik nu nog noem Ferdinand de Braekeleer, een der vroegste 
leerlingen van M. van Bree, die met steeds gelijke en ondanks alles 
echt Vlaamsche gemoedelijkheid stukken vervaardigde, die tus- 
schen 1835 en 1850 geestdrift verwekten i) ; verder de Bièfve, een 
leerHng van Paehnck en David, schilder van „Het Verbond der 
Edellieden"; Alex. Robert en Portaels, beiden leerlingen van Na- 
vez: Robert, wiens „Luca SignorelH" een werkelijk verdienstelijk, 
ja, in zeker opzicht karakteristiek schilderij is, dat ook voor ons 
nog in ruime mate genietbaar blijft, en Portaels, wiens half ro- 
mantische, half realistische typen uit het Oosten en uit de Woes- 
tijn niet onverdienstelijk zijn; ten slotte Ernest Shngeneyer, die 
dagen van buitengewoon sukses heeft beleefd, o. a. met zijn groot, 
maar erg ledig schilderij, „De Zege van Lepanto", en tot zijn dood 
op hoogen leeftijd aan de Romantiek van 1830 trouw bleef; dan 
denk ik bijna alle beroemdheden van deze richting vermeld te 
hebben. 

Moesten wij thans de gezamenlijke kunstprestaties van de 
Vlaamsche en Waalsche romantieke schilders, van deze beoefe- 



^) Terloops wijs ik hier op den invloed, door den Franschman F. M. Granet en den 
Engelschman Wilkie op Ferd. de Braekeleer geoefend; door den eersten meer in 't bij- 
zonder wat de k^eur ; door den tweeden voornamelijk wat de keuze en de behandeling 
van de onderwerpen betreft. Toch bestaat tusschen Wilkie en den Antwerpenaar dit 
opvallend verschil, dat de eerste van de anekdote tot de historieschildering over- 
ging, de tweede echter de historie voor de anekdote prijsgaf. 



DE HISTORIESCHILDERS. — DE ROMANTIEK. 17 

naars der zoogezeide „groote Kunst" vergelijken met de schep- 
pingen van hun Fransche voorgangers, veeltijds ook hun voor- 
beelden, dan zou deze vergelijking ongetwijfeld evenzeer in hun 
nadeel uitvallen als het kritisch toetsen van de verhalen en ge- 
dichten onzer Vlaamsche en Franschbelgische letterkundige ro- 
mantieken aan die van de Engelsche, Duitsche- en Fransche 
schrijvers. 

De „Romantiek" was hier, in onze gewesten, veel meer een in- 
voerartikel dan een uit aard, aanleg en behoeften des volks van 
zelf ontstane richting van smaak en geest. Slechts de zeer uitwen- 
dige, hoofdzakelijk oppervlakkige zijde ervan, niet haar innigste 
bedoelingen, ik zou bijna zeggen: niet haar „geest", haar „ziel", 
wisten onze landgenooten zich eigen te maken. Zij keken van hun 
buitenlandsche modellen wel de methode af en de middelen ; maar 
de stoute droomen en de grootsche begoochelingen van hun genie, 
hun trachten en smachten naar een door de breedst opgevatte 
vrijheid hervormde, verjongde, vernieuwde maatschappij; hun 
hartstochtelij ken revolutionairen wil; hun met geestdrift en over- 
tuiging uitgeschreeuwde opstandigheid en de diepe „Welt- 
schmerz" en het verterend „mal du siècle", in hun gevoelsleven 
teweeggebracht door de wrange teleurstelling, die het telkens mis- 
of slechts half-gelukken van de politieke omwentelingen hun ver- 
oorzaakten ; dat alles begrepen noch voelden zelfs de besten onder 
hen, zoo b. v. niet eens Gallait. Juist het geheel of bijna geheel 
ontbreken van dien angst, die onrust, dat steeds onverzadigde en 
aldoor sterker terugkeerende verlangen, dat aan de scheppingen 
van een Delacroix, een Daumier, ook soms van Prudhon en Géri- 
cault, en geenszins minder aan die van den veel ouderen Goya dat 
eeuwig „nieuw" blijvende „frisson" verleent, stempelt hun kunst 
tot minderwaardig. Geen van hen allen, zelfs in zijn beste schilde- 
rijen, heeft het vermocht, voor de innigste verzuchtingen van de 
menschen, in wier midden zij toch leefden en streefden, een uit- 
drukking te vinden, die op ons den indruk teweegbrengt van een 
dier intens-smartelijke snikken of van een dier juichende jubel- 
kreten, welke wij uit het buitenland van die jaren, o, a. uit Frank- 
rijk, bij monde van Lamartine, de Vigny, Hugo, de Musset, de 
Balzac tot nu toe kunnen vernemen. 

Zoo als onze romanciers en dichters de elders eigen-gevonden 
vormen tot overeengekomen schoolmiddelen, de elders uit de ge- 

2 



18 DE HISTORIESCHILDERS. — DE ROMANTIEK. 

voelens zelf opgebloeide uitdrukkingswijze als bijna geijkte dich- 
terlijke taal overnamen, zoo eigenden zich de schilders de hou- 
dingen, de gebaren, de gelaatsuitdrukkingen, de samensteUing en 
ordonnancie zelfs van de veel grootere Franschen toe; zoo 
zochten zij moeizaam naar ekwivalenten voor de door hen te ver- 
aanschouwelijken effekten en ef f ekts-kontrasten ; en zoo ver- 
wezenlijkten zij een kunst uit de tweede of derde hand, die al- 
leen dairom zulken overdreven bijval oogstte, omdat zij, door het 
verheerlijken van de roemrijkste voorvallen uit het Verleden, de 
nationale ijdelheid streelde van een volk, dat in het heden zelf 
nog maar weinig aanleiding tot fierheid vond. 

Waren die kontrasten dan nog maar gerechtvaardigd door de in 
beeld gebrachte gebeurtenissen, waren zij maar wat gelukkiger 
gevonden en waarschijnlijker en vooral wat rijker aan verschei- 
denheid ! Maar zij waren noch het een noch het ander ! Bij haast al 
de koryfeeën van ons romantiek „grand art" zijn zij de zelfde, 
worden zij tot een kunstmiddel, een truuk, een „malice cousue de 
fil blanc!" Vergelijk met elkander „De Spaansche Furie te Ant- 
werpen" van Ferdinand de Braekeleer, „De Epizode uit de Om- 
wenteling van 1830" van Wappers en „De Slag der gulden Spo- 
ren" van Nikaas de Keyser, en gij zult u verbazen over het op- 
vallend gebrek aan werkelijk eigen en artistieke vinding bij alle 
drie! 

In elk van deze reusachtige tafereelen heeft de schilder ge- 
poogd, het al te bloederige van wat hij tot een hoogopgeschroefd 
drama wilde maken, te milderen door een neventooneel van innig- 
en teerheid. Bij de Braekeleer is het een burgersvrouw, die, met 
haar knaapje aan de hand, in het voorste gelid der strijdende 
Geuzen, den gekwetsten vaandrig, haar man, ter hulp snelt. Bij 
Wappers : in volle Groote Markt, te midden van de straatrevolu- 
tie, een jeugdige, schoone, adellijke vrouw, die juist op tijd komt, 
om haar gekwetsten echtgenoot of bruidegom of broeder in haar 
armen op te vangen. Bij de Keyser een jong meisje uit den stand 
der neringdoenders, te midden van het verschrikkelijkste hand- 
gemeen, haar verloofde omhelzend, die viel .... 

Bij Leys, om nog een voorbeeld meer te geven, in zijn 1836 ten- 
toongestelde „De pratricische Schepenen van Leuven", is het 
geheele voorplan vol met dergelijke voorstellingen, het een al 
larmoyanter dan het ander ! 



DE HISTORIESCHILDERS. — DE ROMANTIEK. 19 

Tijdgenooten prezen zulke epizoden als geschikt „pour rafrai- 
chir la pensee et pour faire une agréable diversion aux spectacles 
de carnage...." Zij noemden dat „d'heureuses inspirations" 
(Alvin). Waarschijnlijkheid? Wat had die te beteekenen! Om 
effekt, valsch of echt, om het even, was het immers te doen. Waar 
het bloed niet vermag te draven, daar moet het kruipen .... En 
wie niet vermag de hartstocht te laten stormen als een zeetem- 
peest, die vermeit zich dan maar in tranenkher-kittelende senti- 
mentaliteit. 

Sentimentaliteit, niet lang bedwongen, eindelijk toch „ont- 
plofte" passie, dat geven ons Wappers' „Tafereelen uit de Ge- 
schiedenis van K-arel I," Gallaits „Joanna de Zinnelooze bij het 
Lijk van haar Gemaal", de Keysers nu geheel vergeten „Heihge 
Dominicus", van Rooy's „Leste Oogenbhkken van Graaf Egmond" 
(1836), Ph. Kremers „Lumey gedurende de Onthoofding van Eg- 
mond en Hoorn" (1836), en vele andere historische samensteUin- 
gen van hun tijdgenooten. 

Waagt een enkele het al eens, een opstandskreet te slaken, dan 
valt hij haast in het bombastische, het belachelijke. Zoo Gallait, 
waar hij ons, in „Kunst en Vrijheid", een soort personage uit 
Schillers „Rauber" toont, een middenwezen tusschen den „piffe- 
raro" en den „bandito", en ons wil diets maken, dat dit heerschap 
een groot en miskend kunstenaar is, omdat hij een viool bespeelt. 

Hadden zij luttel besef van de maatschappelijke opstandige 
strevingen van de Romantiek, van haar drang naar het fantas- 
tische hadden zij eerst recht géén benul. In dit opzicht waren onze 
vertellers nog verscheidene boogscheuten bij hen vooruit. Cons- 
cience („De Godswraek" in „Phantazy"), Zetteman („Rowna"), 
A. Snieders, konden nog eens den lezer een rillinkje over het hj f ja- 
gen, al hield dat rillinkje ook nog zoo spoedig op. Van de roman- 
tieke schilders uit de jaren 1830 — 1860 waagt zich geen enkele 
aan het fantastische! Blijkbaar hadden noch de groote meester 
van de „Caprichos" (1793 — 1796) en de „Desastros delaGuerra", 
noch de nauwelijks minder groote kunstenaar Honoré Daumier 
voor hen bestaan. Scheppingen, vergelijkbaar met Delacroix' 
„Moord op Skios" (1824) of „De Godin der Vrijheid op de Barri- 
kade" (1830), liet geen hunner na! 

Tot daar, wat betreft opvatting, samenstelling, vinding .... 
Maar hoe moeten wij thans oordeelen over den hoogsten en eer- 



20 DE HISTORIESCHILDERS. — DE ROMANTIEK. 

sten faktor van de schilderkunst, men zou bijna kunnen zeggen: 
„het eenig noodige", met name de kleur? 

Wanneer wij zelf schreven, dat de Romantieken het rijke 
Vlaamsche koloriet hebben teruggevonden, dan zal de lezer zelf 
deze woorden wel „cum grano salis" begrepen hebben. In werke- 
lijkheid toch gaapt er een afgrond tusschen de aloude Vlaamsche 
school der XVIIe eeuw en de generatie, waartoe Wappers, de 
Keyser, Gallait, de Bièfve, Slingeneyer en al die anderen be- 
hoorden. 

Wie het, op strenge, nauwgezette waarheid gemunt heeft, zou 
er zich eigenlijk moeten toe bepalen, te zeggen, dat de Vlaamsche 
en Waalsche romantieken er zich wel van bewust waren, eener- 
zij ds, dat hun voorgangers, de schilders van de akademische en 
Fransche richting, voor de schilderkunst geen anderen grondslag 
erkenden dan een stevige, savante teekening, en dat dit weinig 
strookte met de overleveringen onzer vroegere scholen, waarvan 
juist het hoogste en edelste kenmerk bestond in pracht van kolo- 
riet; andererzij ds, dat het, voor de nazaten dier vooreeuwsche 
meesters, wilden zij er ooit in slagen weder „schüders te zijn van 
den eigen grond", noodzakelijk was, meer gewicht te hechten aan 
de kleurbehandeling en de geheimen van deze te gaan vragen aan 
de groote meesters der Antwerpsche school, Rubens, van Dijck, 
Jordaens, Teniers of Bruegel. 

Dat bewustzijn en die wil waren er inderdaad in theorie, doch 
in de praktijk kwam er toch niet zoo heel veel van die verzuchtin- 
gen terecht, al valt het niet te loochenen, dat Wappers en zijn tijd- 
genooten het in dit opzicht beslist winnen op hun voorgangers 
Lens, de twee van Bree's, Verschaeren, Herreyns, Smits, Navez, 
den eenen P. J, Verhagen uitgezonderd. 

Dat de Romantieken en de kunstcritici in hun onmiddellijke 
omgeving er anders en namelijk oneindig gunstiger over dachten, 
ja, in den waan verkeerden, dat al de bonte en warme kleurscha- 
keeringen van het oude Vlaamsche palet als bij mirakel waren 
teruggevonden, dat is alleen door hun betrekkelijke superioriteit 
boven het geslacht van 1800 — 1825 te verklaren. 

Dat er bij onze Romantieken zelfs in de verste verte geen spraak 
was van wat wij thans heeten de weergave van het vrije buiten- 
licht, de aftoning van de kleuren in het luchtbad, in den damp- 
kring, „l'enveloppe" aldus, dient nauwelijks aangestipt. 



DE HISTORIESCHILDERS. — DE ROMANTIEK. 2 f. 

Slechts zeer weinigen hunner hadden eenig gevoel voor de lan- 
delijke natuur en de rijke verscheidenheid van kleurspelingen, 
welke deze medebrengt. Vandaar dit tweevoudig verschijnsel; 
eerst, dat zij in hun historische voorstellingen, ook ddn als de be- 
handelde gebeurtenis onder den blooten hemel plaats had, amper 
een nog zoo klein hoekje landschap te pas brengen, — zie de Key- 
sers „Woeringen" en „De Slag der Gulden Sporen", — ten tweede, 
dat, waar zij b.v. er niet buiten kunnen een markt- of een straat- 
gezicht te schilderen, zij de gebouwen zoowel als de „dramatis 
personae" vertoonen in onmiddellijk herkenbaar en alledaagsch 
werkplaatslicht. 

Over wat zij zelf noemden „de samenstelling" van hun palet 
hadden zij zeer bizondere, heel en al konvencioneele gedachten. 
Een schilderij, om het even van welk genre, een tooneel in open 
lucht en een portret evengoed als een binnenhuisje, moest zooveel 
mogelijk herinneren aan het werk van de meesters van 200 jaar 
vroeger en dus — daar van zelf gekomen „patiene" niet denkbaar 
was — gesaust worden met bruin. Verwaarloosde de schilder 
zulks, dan werd zijn koloriet ongenadig afgekeurd als hard, 
rouw, „cru", koud en gevoelloos. 

Overigens mocht de kunstenaar zijn palet niet stemmen naar 
de altijd frissche, oorspronkelijke en ware kleurenscala, die de ge- 
heele wereld te aanschouwen geeft; hij moest te rade gaan bij de 
groote voorbeelden, de meesters uit het verleden en zelfs eenigs- 
zins het heden, en elke kleurschakeering, elke toontegenstelling, 
elk tintje uit den booze achten, die niet reeds bij zulk een meester 
te vinden waren. . . . Dat eischte de goede, de verfijnde, de kun- 
stenaarssmaak. 

Dat men, in naam van zulk een leer, er van zelf toe komen 
moest, de oogen gesloten te houden, met opzet en geweld gesloten 
voor den haast oneindigen rijkdom van tusschentonen, overgan- 
gen, licht- en donkereffekten, trillingen en rillingen van het licht 
en de kleur, om zich te bepalen tot een min of meer oogstreelend 
wedergeven van de „lokale" kleuren alleen, moet zeker niet bewe- 
zen worden .... 

Wat Heine in 1831 , met zijn gewone fijne ironie, wist te zeggen 
van Ary Scheffer, had hij kunnen toepassen op al de koryfeeën 
van de Romantiek in België: „Er sprak manier uit hun kleur- 
schikking". . . . Hun schilderijen zagen er uit, als waren zij ge- 



22 DE HISTORIESCHILDERS. — DE ROMANTIEK. 

schilderd „met groene zeep en snuif"; hun schaduwen waren „ge- 
affekteerd" en berekend, niet op Hcht-, maar op gemoedseffekt ; 
de aangezichten van hun personnages vertoonen zelden den 
frisschen blos der jeugd, maar des te meer de „fatale" veegheid van 
een, die een paar dagen achtereen „Katzenjammer" had; enz 

De meesten, — de Waal Louis Gallait uitgezonderd, — hadden 
meer opleiding, school, goeden wil, en op den koop toe vaak am- 
bitie, daii temperament; en allen, — óók Gallait, — hielden het 
voor het heiUgste en meest onschendbare van alle kunstrecepten, 
dat teekenen de ware grondslag, het Alpha en Omega was van de 
schilderkunst, en dat kleur per slot van rekening bijzaak was, zij 
het dan ook een bijzaak van belang. 

Wie, evenals wij, in zoovele in de jaren 1830 — 1840 overdreven 
geprezen werken van Nikaas de Keyser, in de kleur in 't algemeen 
dien algeheelen mangel aan pigment en gloed, in de handen en ge- 
zichten dat bloedelooze en anemische erkent en betreurt, die zal 
zeker ook begrijpen, wat een verderfelijke invloed er moet zijn 
uitgegaan van zoo weergaloos gevierde artiesten, vooral dan, 
wanneer zij, zooals de Keyser, aan het hoofd geplaatst werden 
van een kunstakademie als de Antwerpsche. 

Wat de schilder Willem Geets steller dezes in 1 89 1 eens schreef, 
zal wel met meer anderen gebeurd zijn: 

„Mijn leeraars hebben in mij iets gedood, wat ik juist in de 
hoogste mate bezat: mijn hoog gevoel voor de kleur der dingen. 
Ik was te jong, toen ik naar Antwerpen kwam, om aan den in- 
vloed mijner meesters te kunnen ontsnappen. Ik achtte hen on- 
feilbaar; hun woord klonk mij als evangelie. Ik liet mij de pas 
uitgewassen nagels afsnijden, en in stede van mijn eigen weg te 
gaan, werd ik de volgeHng van Peer en Pauw!" 

Welke allervooste schooltheorieën al die meesters van „Ie 
grand art" er op nahielden, beter dan honderd bladzijden be- 
schouwingen zal het de volgende anekdote doen uitschijnen, mij 
door denzelfden Geets verteld en als volstrekt echt gewaarborgd. 

In 1 865 was Geets, nog steeds werkzaam in de Antwerpsche Aka- 
demie, de laatste hand aan het leggen aan een historisch onder- , 
werp, dat hij, zich vrij makend van den invloed van den heer Be- 
stuurder, naar de natuur had behandeld. Daar verschijnt, met zijn 
legendarisch „béret" op den mooien kop, theatraal in zijn romanti- 
schen mantel gedrapeerd, de „meester" in zijn werkplaats. .. . 



DE HISTORIESCHILDERS. — DE ROMANTIEK. 23 

„Qu'est-ce que toutes ces couleurs criardes!" riep de Keyser 
verontwaardigd uit. „Mais jamais, au grand jamais vous n'avez 
vu cela! Ces couleurs n'existent pas dans l'art! . . . . En art il faut 
des tons rompus. . . ., de l'harmonie!" Toen ik alsdan, vertelde 
mij de Mechelsche kunstenaar, voor eenig antwoord het roode 
kostuum openleide, dat ik zoo getrouw mogelijk nagevolgd had, 
toen ging de gestrenge beoordeelaar aldus voort: „C'est fort 

bien et je comprends votre idee. . . . Mais c'est \k votre er- 

reur! Il ne faut pas imiter la nature! Ce vert et ce bleu. . . ., cela 
ne tient pas ensemble .... Cela ne se peut pas en art ... . Vo- 
yons!" En toen de arme jongen, alle geduld verliezende, zich ein- 
delijk verstoutte uit te roepen: „Le vert et Ie bleu! Mais il me 
semble que précisément ces couleurs-la ne jurent point.... 
Voyez les arbres et le ciel!" toen wierp de Keyser zijn breeden 
mantel af met statig handgezwaai en donderde hem dit orakel 
tegen : „Quoi ! Des théories sur la couleur ! Des idees de la nouvelle 
école ! . . . . Une révolution qui avortera, croyez-moi ! . . . . Mon 
pauvre ami, vous êtes perdu!" 

Ontmoedigd voelde Geets zich niet; alleen teekende hij, dat 
eigen uur, in zijn dagboek getrouw de woorden aan, door den mee- 
ster ex cathedra tot hem gesproken, er enkel deze eenvoudige 
overweging aan toevoegende: 

„Als ik dat alles nu wezenlijk volgens de Keysers wenken. . . . 
herdoe, wat blijft er dan om Godswil nog in. . . . van mij zelf? 
Neen, dan Hever slecht . . . . of althans minder goed, maar van mij!" 

De Romantiek bleef in onze schilderkunst, zij het ook spora- 
disch, voortheerschen tot 1900 toe! Bij van Lerius, Hendrik 
Schaefels en de schilders van hun richting, bleef de vorm, dien zij 
sinds 1830 aangenomen had, zoo goed als onveranderd, zelfs 
nog lang na 1860. Met Leys en over 't algemeen al zijn volgelingen 
en geestverwanten, van Lies (jaren vijftig) tot Hannotiau (jaren 
tachtig — negentig) toe over W. Linnig Jr., Ooms, Geets, van der 
Ouderaa, Clejmhens heen, wordt de Romantiek tegelijkertijd pit- 
toresk-archaïek naar het uiterlijke en modem kritisch in den geest 
van Michelet naar het innerlijke. Met Wiertz wordt zij filozofisch- 
humanitair; met Karel de Groux en de gebroeders Stevens, heel 
zeker in de eerste werken van deze uitmuntende meesters, demo- 
kratisch-humanitair. Guffens en Swerts, Pauwels en Willem Lin- 
nig zijn, tot het einde toe, hun geheele loopbaan door, romantisch 



24 DE HISTORIESCHILDERS. — DE ROMANTIEK. 

zoowel in kleur als in opvatting. Zelfs Meunier („De Boerenoor- 
log"), Carpentier („Epizode uit de Vendée"), Struys („Eenzaam" 
en „Misschien"), Wauters, („Hugo van der Goes" en „Hastings"), 
Cluysenaer, staan, in de eerste periode van hun ontwikkeling, 
grootendeels onder den invloed van de jaren dertig, evenals de 
zeker talentvolle, doch te veel op uiterlijke effekten van behande- 
Kng jacht makende Gustaaf van Aise, ten allerminste in zijn groo- 
tere werken, als „De Prediking van de Kruistochten" en „Jakob 
van Artevelde", het laatstgenoemde verreweg zijn verdienste- 
lijkste gewrocht. Ook Amadeus Lynen is noch min noch meer dan 
romantisch in de meeste van zijn kleine stadsgezichten, gestof- 
feerd met lilliputtisch-kleine figuren uit de vijftiende of de zes- 
tiende eeuw. 

Romantisch zijn eindelijk ook nog de in hun diepe menschelijk- 
heid en vaak ontzettende tragiek zoo aangrijpende, in koloris- 
tisch opzicht zoo zonderling verrassende tooneelen uit Napoleons 
leven van den hoogst interessanten en al te lang miskenden Henry 
de Groux, den zeker talent vollen, ofschoon vaak erg ongelijken 
zoon van Charles de Groux, dien wij later wel uitvoeriger zullen be- 
handelen, evenals, in een geheel andere richting, de met figuren 
gestoffeerde kloostergezichten van een veel later meester, den zeer 
begaafden Leuvenaar Alfred Delaunois ^). 

') Langs welke wegen zich de historieschildering in onze gewesten ontwikkelde, 
blijkt op treffende wijze a'leen reeds uit de onderwerpen, door onze kunstenaars ia de 
onderscheidene tijdsspannen verkozen. 

Van 1780 tot omstreeks 1800 bepalen zij hun keuze eenzijdig tot de Oudheid; van 
1800 tot 1825 ongeveer beginnen onderwerpen uit de nationale geschiedenis en vooral 
uit de in die jaren zich voltrekkende groote politieke en oorlogsgebeurtenissen de an- 
tieke stoffen te verdringen. Onder degenen, die van 1780 tot 1825 toe, deze laat-, 
ste soort van onderwerpen, antieke dus, behandelden trof ik, naast Herreyns A. 
Herry, W. Schaeken, C. Cels, J. Delin, J. D. Odevaere, F. Delvaux, P. Jacobs, Jac. 
Lens, Jan Thys, van Laere, P. F. Jacobs, de Landtsheer, L. Ricquier, M. I. van Bree, 
Fil. van Bree, F. J. Navez, C. F. J. Stevens, Fran^ois, en zelfs nog G. Wappers in 
1822 en 1823. 

Rond 1800 begint onze kunst zich te wijden aan de verheerlijking van de opkomende 
grootheid van Napoleon, in 1801, 1803, 1804 en 1809 door de hand van M. I. van Bree, 
in 1804 door die van Jan Delin. In 1810 schreef de Kunstmaatschappij van Gent een 
wedstrijd uit en stelde als onderwerp vast: „De Onsterfelijkheid aanvaardt uit de han- 
den der Beeldhouwkunst het borstbeeld van Keizer Napoleon, om het op te stellen in 
haar tempel tusschen de beroemdste helden van de Oudheid en van nu." 

Na 1814 en tot omstreeks 1830 volgt de verheerlijking van Willem I, kroonprins 
Frederik, en tevens die van den zestiende-eeuwschen stichter van het vorstenhuis 
Oranje ; gedurende die zelfde spanne tijds en tot rond 1840 maken ook de onderwerpen 
uit de beroerlijke tijden der XVIe eeuw opgang: Odevaere, M. 1. van Bree (Vader- 
landsliefde van van der Werff), F. de Braekeleer, N. de Keyser, W. van Rooy, Ivre- 
mer, Paelinck, Leys, dienen hier genoemd. Zoo blijkt het uit de katalogen van de te 
Brussel, Antwerpen en elders gehouden tentoonstellingen. 



HOOFDSTUK III. 

DE HISTORIESCHILDERS. - DE VERNIEUWER: 
HENDRIK LEYS. 

Das ist eben die ware Idealitat, die 
sich reaier Mittel zu bedienen vreiss, 
dass das erscheinende Wahre eine Tau- 
schung hervorbringt.als sei es wirklich. 
(1829). 

GOETHE. 

Indien men het streven van de geheele en talrijke romantische 
schare, welke zich van 1825 af begint baan te breken te midden 
van de toen nog algemeen zegevierende groep der Klassieken of 
beter Pseudo-klassieken, ten minste in zuiver ambachtelijk op- 
zicht kan beschouwen als een „zoeken" en in zekeren zin ook 
„vinden" van het rijke, bonte, warmgloeiende koloriet van de 
groote half-verzuidelijkte Vlamingen van de XVI Ie eeuw; indien 
men, zonder al te zeer te overdrijven, kan beweren, dat, na al den 
„Sturm und Drang" uit de jaren 1830 — 1850, waarin nu op beurt, 
en veel hooger dan de klassieken, de Romantieken hadden gezege- 
praald, het gros van onze schilders ten minste het besef, het be- 
wustzijn terughadden, dat een van de wezenlijkste kenmerken van 
onze eigen noordelijke kunst is „de eigen noordelijke kleur", zeer 
onderscheiden, door pigment en glans beide, van de kleur van de 
zuidelijke scholen, — behoudens natuurlijk, een klein aantal uit- 
zonderingen, die dan hoofdzakelijk bij de Venetianen, de Ferra- 
reezen, de Madrileenen, zijn aan te treffen; toch bleef er nog een 
reuzenstap te doen over! Wat men nog niet had teruggevonden, 
wat men nog niet besefte, waaraan nog slechts een enkele gedacht 
kon hebben : Felix de Vigne ; dat was deze andere, minstens even 
gewichtige eigenaardigheid van onze noordelijke kunst : de echt Ne- 
derlandsche, zoo men wil Vlaamsche, tegelijk kinderlijke en wijs- 
geerige, ernstige en humorvolle opvatting, de tegelijk objektieve 
en een beetje mystieke, de naïef realistische wereldbeschouwing. 



26 DE HISTORIESCHILDERS. — DE VERNIEUWER: HENDRIK LEYS. 

Levende waarheid en waarachtig leven ontbraken nog. 

Wappers was teruggegaan tot de Rubeniaansche Renaissance, 
veel meer tot van Dijck dan tot den krachtigeren Rubens en den 
ruweren Jordaens. Welnu, verder nog moest men den stroom van 
het verleden terug opvaren, om de nieuwe passende „norm" te 
ontdekken. En zie, hoe zonderling de wegen der Kunst, der evolu- 
tie zijn! De man, die dezen beslissenden stap doen zou, de Ant- 
werpenaar Hendrik Leys (1815 — 1869), had meer dan alle anderen 
blootgestaan aan den invloed van het „romantisme échevelé" van 
de eerste baanbrekers. 

In het begin van zijn loopbaan was hij de vriend en de strijdge- 
noot van de geheele bende langharige dichters en schrijvers, Cons- 
cience, Theodoor van Rijswijck, Jan de Laet e. m. a,, die in dien 
tijd het hoogste woord voerden, en zeker heten zijn eerste, op een 
enkele uitzondering na uiterst zwakke produkten op het gebied 
der historieschildering ^), ik bedoel die van zijn werkelijk eerste 
manier in de jaren 1830 — 1840, toen hij den invloed van Ferd. de 
Braekeleer en I. J. van Regemorter nog maar eventjes ondergaan 
had, — volstrekt niet voorzien, dat juist van hém, die toentertijd 
even gebrekkig teekende en groepeerde als middelmatig schilder- 
de, — eerlang een geheel nieuwe strooming zou uitgaan. Zijn 
kleine schilderijen als b.v. „De Spaansche Furie", „Epizode uit 
een Veldslag", uit 1832^), zijn wat grooter „De Jager" '), zijn 
haast zwak en slecht werk, temperamentloos in de volste beteeke- 
nis van dit woord; — zwakker, veel zwakker dan de „Spaansche 
Furie" van zijn zwager Ferd. de Braekeleer zelf en de gewone 
voortbrengselen van J. van Regemorter en Madou. 

Zelfs zijn wellicht beste werk uit die dagen, „De patricische 
Schepenen van Leuven in 1378 door de Gemeente vermoord", 
1836, is nauwelijks meer dan een middelmatig gebroddel, waarin, 
evenals in zijn „Binnenzicht van een Kerk" *), al is dit uit 1842, 
onbewust of bewust, en zoo werkelijk bewust dan met bepaalde 
„roublardise" en sluwheid, aan al de grootheden van het oogen- 
blik wat ontleend wordt: aan Delacroix, dien hij in 1835 te Parijs 
had leeren kennen, aan Ary Scheffer, aan de Keyser zelfs, en, als 



•) Zulk een uitzondering is „De Halte", 1834. 

') Drion, Brussel. 

3) Kleinworth, Londen. 

*) Mommen, Brussel. 



DE HISTORIESCHILDERS. — DE VERNIEUWER: HENDRIK LEYS. 27 

ik mij niet al te zeer vergis, ook aan Jean Baptiste en Eugène 
Isabey. 

Zelfs van werkelijk gezond koloriet kan in zijn meeste stukken 
van dien tijd geen sprake zijn: slijmerig, kwalachtig glanst de verf 
u tegen uit al de deelen van het doek ; evenmin overigens als van 
natuuriijke verüchting, al schreef een beoordeelaar ervan : „que la 
lumière y semble partir a la fois des quatre points cardinaux " ^). 
Ook nog in zijn tweede en derde periode van wording of voorberei- 
ding, de tweede, toen hij zwager F. de Braekeleer of I. J, van Rege- 
morter zoo goed als pastikeerde — zie b.v. zijn onsmakelijke „Brui- 
loft in de XVIIIe Eeuw" (1839), heden in het Antwerpsch Mu- 
zeum ; — en de derde, toen hij noch beter noch slechter dan zoovele 
anderen hier en meer noordelijk in die jaren allerlei kleine Hol- 
landsche meesters kopieerde en nabootste, dus van 1841 — 1848 
ongeveer — , is hij een gewoon doorsnee-kunstenaar, een herhaler- 
voor-de-zooveelste-maal en op zeer alledaagsche wijze van hoogst 
alledaagsch geworden dingen, een volgehng, een „suiveur", een 
zoeker, — zij het ook al een beetje een ongerust zoeker, een zichzelf 
kwellend snuffelaar, kortom: een „profiteur". 

Veruit het merkwaardigste werk uit dien tijd is wel het in 1845 
te Brussel tentoongestelde „De Roomsche Eeredienst in de Ant- 
werpsche Hoofdkerk hersteld". In aUe opzichten, in- zoowel als 
uitwendige, is het van de vroegere voortbrengselen van Leys on- 
derscheiden. Van nu af is niet alleen de onsmakelijke kromo-toon 
van de Braekeleer geheel overwonnen en van den invloed van 
Ary Scheffer en Delacroix nog juist genoeg over, om een fluweel- 
zacht ineensmelten van warme en toch lichte tonen mogelijk te 
maken; maar met opvallend talent is er gestreefd naar een reeds 
archaïestisch karakterizeeren van de voorgestelde personen. Tot 
zelfs door de keuze van een onderwerp uit de burgerlijke, en niet 
uit de mihtaire geschiedenis van de XVIe eeuw is dit werk, dat 
het Brusselsch Muzeum bezit, als een bescheiden, nog wat schuch- 
tere voorbode van Leys' vierde en laatste manier.Toch toonde zich 
Leys, hier als in zoovele van zijn vroegere kunstproeven, nog 
steeds dezelfde „profiteur". Wie dit tafereel maar eenigszins uit- 
voerig wil vergelijken met de toch wel merkwaardige „Predikatie 



*) Overigens wist die beoordeelaar, Alvin, zeer duidelijk „het uitsluitend kunst 
matige van de bedoelde effekten te doen uitkomen: „oppositions plus ou moins bizar 
res de couleurs, de lignes, de jours .... 1" 



28 DE HISTORIESCHILDERS. — DE VERNIEUWER: HENDRIK LEYS. 

van Knox" door den goeden ouden Davil Wilkie, zal mij voor- 
zeker toegeven, dat de Vlaming het werk van den Engelschman ge- 
kend en er aan ontleend heeft. 

Dan plotseling — het zal wel even vóór of in 1848 geweest zijn, 
— kwam de 33-jarige onder de betoo vering van Rembrandts won- 
derbaar hcht-en-donker, en nu voltooide hij een reeks schilderijen, 
waarin juist die eigenschappen, welke men in zijn eerste periode 
het allerminst van hem verwachtte,glansrijk tot hun recht komen. 

In de hem en zijn neef Hendrik de Braekeleer in 1905 gewijde 
tentoonstelling te Antwerpen kon men verscheidene van zijn wer- 
ken uit gindsche periode bestudeeren: uit 1848 „Bij den Schilde- 
rijenkoopman" 1); uit 1849 „Feest in het Schuttersgild" ^); uit 
1850 „Burgemeester Six bij Rembrandt" ') ; uit 1851 „Avond- 
feest in de Kolveniersgilde ter Eer van Rubens" *) en „Het 
Model" 5); uit 1853 „De Doelenknaap" «) en „De Schilder Potter 
in zijn Werkplaats" ') ; eindelijk, afsluitend als 't ware dezegeheele 
overigens in louter pikturaal opzicht reeds belangwekkende span- 
ne tijds, een drietal kleine stukjes, herinneringen aan zijn verblijf 
te Praag in 1852—1853: „De kathoheke Vrouwen" s) uit 1853, 
„De Synagoge" ^) uit 1852 en „De Vrouwenbank" in de Syna- 
goog te Praag" i») uit 1855. 

Dat hij, overigens, buiten Rembrandt, ook toen nog andere 
Hollanders bestudeerde, zou, zoo wij het niet wisten uit door hem 
vervaardigde, soms eenigszins vrije kopijen ^i), voldoende blijken 
uit stukjes als „Rigolette", 1846 ^^), dat doet denken, o! zeer van 
verre, aan de Hooch, als zijn „Kapitein der Burgerwacht" uit 
1853 ^'), waarin men stukjes en brokjes kleur van den edel-fijnen 
Terburg herkennen kan, en uit vele andere. 



1) Halot, Brussel. 
•) Stedelijk Muzeum, Amsterdam. 
•) Behrens, Hamburg. 
*) Antw. Muzeum. ^ 

') Edm. Huybrechts, Antwerpen. 
*) Worms de Ramilly, Parijs. 
') Hicguet, Brussel. 

*) Destijds verzam. van Praat, dan Edm. Huybrechts tot 1902, later bij Prof 
Alfons Willems, Brussel. 

•) Destijds bij Kums, nu bij Mevr. Waedemon, Brussel. 

'") Vroeger verz. Haumorn, nu Worms de Ramilly, Parijs. 

^') O. a. een die voorkwam veiling Menke, een „Herberg" naar Metzu, 1841. 

") Graaf de Kerckhove d'Oesselghem, Brussel, vroeger Kums. 

^*) Mej. Dekens, Brussel. 



DE HISTORIESCHILDERS. — DE VERNIEUWER.' HENDRIK LEYS. 29 

Vrij eigenaardig, in zekeren zin verrassend is het, dat er, na dat 
verblijf in Duitschland, Bohemen en Duitsch-Zwitserland, 1852 — 
'53; nadat hij te Bazel, Nurenberg, Dresden, Praag, de werken 
van Wohlgemuth, Dürer en vooral Grünewald, Holbein en Kra- 
nach, had leeren kennen, nog minstens een paar jaar zouden voor- 
bijgaan, eer hij tot zijn eindelij ke zoo niet bepaald dekoratieve, 
zeker synthetisch-grootsche manier zou komen. 

In 1850, te midden van zijn Rembrandt-dwepen, valt hij in eens 
terug in den trant en het koloriet van F. de Braekeleer zooals zijn 
„Schilderswerkplaats" bij Dr. Magneur, Périgueux, bewijst. En 
zelfs nog in 1854 schildert hij, zij het ook al met meesterhand, in 
een tonenscala, die men ten hoogste ads een overgang, een schuch- 
teren, naar zijn laatste manier kan beschouwen. 

Toch was het in ditzelfde jaar, dat hij een schilderij voltooide, 
hetwelk als zijn eerste, gerijpte schepping in zijn nieuwe manier 
beschouwd kan worden, met name zijn heden in het Muzeum te 
Brussel prijkende „Dertigdaagsche Uitvaart van Bartolomeus de 
Haze". — „Plantijn met Gezin en Arias Montanus naar de Kerk 
gaande" ^), waarvan de voortreffelijke „Pfifferari" uit het Ant- 
werpsch Muzeum een brok zijn, is uit 1856; zijn „Maria van Bur- 
gondië, aalmoezen uitreikend", uit 1857 2); zijn „Nieuwjaar in 
Vlaanderen", uit 1853 — 54'); „WandeUng buiten de Muren", uit 
1855; eindelijk zijn onbetwistbaar meesterstuk uit de periode 
1853 — 1860, een van de hoogste en volmaakste scheppingen van 
onze geheele Vlaamsche kunst, de muurschilderingen voor zijn eet- 
kamer, voorstellende „Een Winterzondag in de XVIe Eeuw te 
Antwerpen", werd begonnen in 1857 en voltooid rond 1861. 

Ik geloof vast dat — waie Leys in 1861 overleden, de serie, 
waartoe dit tiental tafereelen behooren, op zichzelf al ruim- 
schoots volstaan zou, om hem recht te geven niet op „een", maar 
op „de" eereplaats onder alle negentiendeeuwsche historieschil- 
ders zonder onderscheid. Groot, opvallend groot is het verschil 
tusschen de werken van 1848 — 1853 en die van 1853 — 1860. Waar 
hij, in gene, wel niet uitsluitend, dan toch hoofdzakelijk verblindt 
en verbluft eerst,later streelt en betoovert met lichteffekten, die 
zeker merkwaardig in hun aard, toch wel vaak wat gezochts op- 

^) Warocqué. 
*) Bisschop van Amycla. 

') Baron Schröder, Londen. Niet verwarren met het veel betere „Kerstmis in 
Vlaanderen" uit 1863 — '64. 



30 DE HISTORIESCHILDERS. — DE VERNIEUWER: HENDRIK LEYS. 

leveren, daar legt hij zich in deze toe op het individualizeeren van 
menschenfiguren en het uitbeelden van typen. Waar hij, ginder, 
hoofdzakelijk analyzeerend, zijn hart ophaalt aan een somtijds 
storenden overvloed van bijzaakjes en een gewilde bontheid van 
verven, streeft hij hier naar grootsche soberheid van geheel, 
strenge stijlvolle lijnen, effener, stemmiger, deftiger kleur. Einde- 
lijk, in 1862 dan, voltooit hij dat prachtige tafereel: „Instelling 
van het Gulden Vlies" ^), voorspel en synthezis beide van al wat hij 
tot zijn dood toe in 1869 nog zal voortbrengen. 

En — dit dient zelfs een bewonderende, dankbare kritiek niet 
te vergeten — evenzeer in deze laatste en voorlaatste als in zijn 
vroegere perioden, was het niet zoo zeer het eigen gelukkig en 
bijna instinktmatig vinden van een uitzonderlijk krachtig en rijk 
temperament als wel het van lieverlede ontleenen en ovememen,het 
zich aanpassen en in zich verwerken van de vondsten van anderen. 

In een Antwerpsche verzameling ^) hangt, van de hand van 
Hendrik Scheffer (1798 — 1862), een „Protestantenpreêk tijdens 
de Dragonnades", die leys ongetwijfeld moet gezien en bestu- 
deerd hebben, wellicht vóór 1855. 

In hoeverre de historische tafereelen van den Gentenaar Felix 
de Vigne (1806—1862), die reeds in de salons van 1837 en 1839 
tafereelen uit het burgerlijke leven in de XVIe eeuw ten toon stelde, 
wezenlijk invloed oefenden op Leys, kan diegene moeilijk nagaan, 
die, zooals ik, nooit in de gelegenheid was, door vergelijking vast 
te stellen, of b.v. het in 1859 voltooide en in 1860 tentoongestelde 
stuk „Zondagskerkgang", Brusselsch Muzeum, naar opvatting, 
stijl en trant nog met die vroegere stukken overeenkomt. 

Is dit wél zoo, dan moet de Antwerpsche, een tiental jaren jon- 
gere kunstenaar wel iets van zijn Gentschen oudere geleerd heb- 
ben, indien, want het pas genoemde werk van dezen laatste is 
zeker verwant met Leys' in 1853 voltooiden „Nieuwjaarsdag in 
Vlaanderen" — het omgekeerde niet per slot van rekening het 
geval blijkt ^). 

') Verzameling van den Koning van België. 

*) Die van Jonkvrouwe Augusta Nottebohm. 

•) Reeds in 1836 stelde de Vigne een stuk ten toon: „Het Kabinet van den Oud- 
heidskenner H. Goltzius", waarvan Alvin getuigde: „Il nous fait respirer cette 
senteur de vétusté, cette poudre des siècles, inséparables de ces sortes de collections." 
Die invloed van de Vigne op Leys werd wel degelijk als een feit beschouwd door ver- 
scheidene artiesten, die tot Leys' richting behoorden, o.a. door wijlen Victor Lagye, 
W. Geets en Albrecht de Vriendt. Rooses achtte dien invloed niet „onmogelijk", maar 
bevestigde hem niet. Dit is de reden, waarom ik er even van gewaag. 



DE HISTORIESCHILDERS. — DE VERNIEUWER: HENDRIK LEYS. 31 

Dat Leys in de bedoelde jaren overigens stout en boud de leus 
van Montaigne: ,,Je prends mon bien oü je Ie trouve", in praktijk 
bracht, wie het weten wil, bestudeere het prachtstuk uit de ver- 
zameling des konings of „De Vogel venter" uit het Antwerpsche 
Muzeum. 

Een Franschman heeft ergens gezegd, dat de romantische schil- 
ders de historie schilderden gelijk Lamartine die schreef, d.i. naar 
een konventioneel, bij voorbaat uitgewerkt stelsel. Met evenveel 
recht overigens kan hetzelfde van de romantische genre-, land- 
schaps- en dierenschildering beweerd worden. In die jaren werden 
zoo goed als alle onderwerpen in zekere mate op voorhand terecht- 
gesneden, geschikt, ingekleed. Van ongeveer 1852 af vinden wij bij 
Leys pogingen in een geheel andere richting; van circa 1860 is zijn 
werk hoofdzakelijk, zoo niet uitsluitend synthetizeerend, samen- 
vattend. 

Als stichter, of, zoo Fehx de Vigne werkelijk de eerste wegwijzer 
was, dan toch als allervoomaamste vertegenwoordiger van de 
archaïsche, of beter, de prerubeniaansche groep, zooals ik ze in 
1880 reeds durfde betitelen, heeft Leys meer dan iemand anders 
recht op den naam van „hervormer". Zeker zijn geenszins allen 
het er over eens, hem den grootsten van alle Vlaamsche schilders 
in de XI Xe eeuw te noemen, en gereedelijk geef ik toe, dat ik zelf, 
als zuivere schilders, Hendrik de Braekeleer, Jan Stobbaerts en 
nog wel een paar anderen bepaald boven hem zou stellen. Eén 
eeretitel echter komt hem onvoorwaardelijk toe : hij was de Vlaam- 
sche meester bij uitmuntendheid en oefende, in lengte van jaren, 
een onmiskenbaren invloed op de meest karakteristiek nationaal 
gebleven van onze latere meesters, van Hendrik de Braekeleer en 
zelfs Charles de Groux af tot Alfred Verhaeren, Hanottiau, Laer- 
mans, Mertens en Delaunois toe. 

Een talentvol Belgisch kritikus, Max Sulzberger, meende in 
1 880 Leys de hoogste hulde bewezen te hebben, toen hij zijn onge- 
meene nauwkeurigheid in 't weergeven van de historische klee- 
derdracht, in 't aanwenden van allerlei bijzaken had doen uit- 
komen: „Il fouille, il détaille, il circonstancie ; sa mise en scène 
est d'une authenticité de chroniqueur, pour ainsi dire occulaire." 

Enkel uit oppervlakkige en onvolledige studie kon dergelijk 
oordeel voortvloeien. Zeker blinkt ook Leys door topo- en kromo- 
grafische waarheid uit, ofschoon toch heel wat minder dan b.v. 



32 DE HISTORIESCHILDERS. — DE VERNIEUWER: HENDRIK LEYS. 

zijn leerling Alma Tadema en zekere Engelsche Prerafaëlieten ; 
maar vooreerst zijn het veel meer de ongemeen origineele vinding 
en de ongeëvenaarde smaakfijnheid van die détails dan wel hun 
archeologische juistheid, welke men dient te bewonderen, en dan, 
Gode zij dank, in zijn werken is nog heel wat anders en beters te 
vinden dan enkel kostumen en bijzaakjes! Leys is onuitputtehjk 
en onovertroffen in het uitdenken van ornaments-motieven : op de 
muren brengt hij goudieder, op de altaren antipendia, op tronen, 
stoelen, tafels, houtsnij- of inlegwerk, op de kleederen passemen- 
ten en borduursels te pas, die voorbeelden zijn van distinktie. Men 
bestudeere in dit opzicht het groot tafereel van „Het Gulden 
Vhes", „De Werkplaats van Floris", de geheele dubbele reeks van 
zijn muurschilderingen. Doch, hem is het, bij dit alles, niet vol- 
doende, gelijk b.v. de Keyser in zijn „Woeringen" en meer nog 
Slingeneyer in zijn „Lepanto ' ^) of de Caisne in „La Belgique 
couronnant ses Enfants illustres" ^), eenige poppen in dekleedij 
van deze of gene eeuw te steken, onder voorwendsel een groote 
geschiedkundige gebeurtenis te verhalen; het gemoedsleven van 
het volk ,niet de uiterlijke vorm van kleederdracht en houdingen, 
het algemeene volksbewustzijn, de algemeene „état d'ame" van 
een bepaalden tijd, m. a. w. „de ziel van de geschiedenis zelf", zijn 
voor hem altijd hoofdzaak. 

Van veel grondiger onderzoek en helderder doorzicht dan dat 
van Max Sulzberger getuigt het oordeel, dat Théophile Gautier in 
zijn Histoire du Romantisme" over Leys velde. „Sa place", luidt 
het bij hem, „n'est-elle pas marquée parmi Ie groupe de Lucas de 
Leyde, de Cranach, de Wohlgemuth, de Scorel et d' Albert Dürer ? 
Il n'y a chez lui rien de moderne", wel te verstaan voor zooveel 
Leys' in zijn laatsten tijd bepaald eigenaardig-modeme middelen 
van uitvoering bier niet in aanmerking komen, „et croiie a une 
imitation, a un postiche gothique, ce serait se tromper gravement. 
Il y a transposition d'époque, dépaysement d'ame, anachronisme, 
voila tout. Un homme des générations antérieures reparaissant 
après un long intervalle, avec des croyances, des goüts, des préj u- 
gés disparus depuis plus d'un siècle, qui rappeUe un civihsation 
ëvanouie." 



') Brusselsch Muzeum. 
*) Brusselsch Muzeum. 



DE HISTORIESCHILDERS. — DE VERNIEUWER: HENDRIK LEYS. 33 

Neen, de grondtoon van Leys' esthetiek is geen a priori. Wél is 
hij naar onze oude onverbasterde school van vóór de Renaissance 
teruggekeerd, om van haar beste meesters de vergeten, nationale 
manier van opvatten en uitbeelden af te leeren; wél heeft hij, om 
zoo te zeggen, in de werkplaatsen, van de van Eycken, van der 
Goes, Metsys en niet minder Boeren-Bruegel, ook een tijdje in die 
van Dürer, Kranach en Holbein als leerling neergezeten .... 

Eenvoudig weg „nabootsen" echter, „pastikeeren", dat heeft 
hij ten hoogste in een paar onbeduidende nevenzaken gedaan. 

Zoo bracht hij, in het heerlijke „Gulden Vlies"-tafereel uit de 
verzamehng van den Koning niet alleen te pas het tonige, zin- 
gende wit en grijs uit van Eycks „Madonna met Kanunnik van 
der Paele", maar ook nog een kop of twee uit andere werken van 
den zelfden meester, verder een Filips den Goede uit het van Ert- 
born-kabinet, een Karel den Stoute uit een handschrift, enz.. 2k)o 
in „De Vogelventer" ^), laat hij, hoek rechts, een heer en een dame 
optreden, die ik wel degelijk ergens bij Kranach ontmoet heb. 

Dat deed hij evenwel met opzet, alleen om het archaïsche ka- 
rakter te versterken, meer op den voorgrond te doen treden, net 
zooals hij in zijn „Gulden Vlies" de personen van het tweede plan 
te klein voorstelt bij die van het eerste, om ons, die naar zijn epi- 
sche voordracht luisteren, met meer gewisheid te verplaatsen in 
die eeuw en dat midden, waar hij ons hebben wil. 

Overigens lossen zich die paar kleinigheden op in de grootsch- 
heid, de stijlvolle grootschheid, waarmede de geheele handeUng is 
samengesteld. Dat hij, verder, ook wel van de modernen wist te 
leeren, zich wist toe te eigenen en geheel tot het zijne te verwer- 
ken, wat er in hun proeven aan kiemen van nieuwe mogelijkheden 
voorhanden was, het blijkt bij elke schrede, die hij zet op den inge- 
slagen weg. 

Zooals hij in 1 836 borgt van de Keyser en Delacroix en in 1 839 
van den ouden de Braekeleer, zooals hij in 1853 in „Plundering 
van een Dorp" ^) een volslagen Lies-je schilderde; even zeker on- 
derging hij den invloed van den veel jongeren Hendrik de Braeke- 
leer in zijn allerlaatste jaren, 1863 — 1869. 



*) Antw. Muzeum. Eigenlijk „Sortie de Messe, Het Uitgaan van de Geloovigen". 
doch bij vergissing door velen „De Vogelventer" en zelfs „De Vogelaar" geheeten, 
Voormal. verz. Huybrechts. 

*) Voormalige verz. Ad. Huybrechts. Antwerpen. 



34 DE HISTORIESCHILDERS. — DE VERNIEUWER: HENDRIK LEYS. 

Wie zijn „Vogelventer", 1866, zijn „Kalvarieberg", 1865, zijn 
„Werkplaats van Floris", 1868, zelfs den achtergrond van zijn 
muurschildering, „Het Recht van Verdediging", ^) 1864, met aan- 
dacht wil bestudeeren , zal in deze werken een angst valhge nauw- 
gezetheid in het weergeven van de stoffelijke wezenlijkheid der 
dingen waarnemen, die hem veel minder in die van vóór 1 860 zal 
verrassen. 

Dat een jonge man van nauwelijks 22 of 23 jaren aldus werk- 
zaam wordt over een alzijdig ontwikkeld en volrijp acht en vijfti- 
ger, hoeft niet te verwonderen, nadat wij Leys' ongemeen aanpas- 
singsvermogen hebben vastgesteld. 

Overigens gelastte de meester juist in die jaren zijn neef met het 
uitvoeren van schetsen, die hij zelf dan bij het voltooien van zijn 
schilderijen benuttigde: „De Kamer van Luther", „De Gratie- 
kapel" (1866), „De Kalvarieberg van St. Paulus" (1867). Maar 
reeds had die neef in 1863 zijn eigen „Pottenbakker", in 1864 zijn 
eigen „Bloem enkweekerstuin" voltooid. 

„Dépaysement d'ame", zei treffend Gautier. — „Il ne les imite 
pas, les van Eyck, les Memhnc", zegt SéaiUes: „il leur ressemble". 
Elders nog Gautier : „Chez lui il n'y a pas d'imitation, mais simi- 
litude de temperament et de race; c'est un peintre du XVIe siècle 
venu deux cents ans plus tard; voila tout." ^) 

Bij hem is geen spoor meer van de gewilde, berekend magere, 
etherische, zenuw- en bloedlooze menschenfiguren, die wij van 
Overbeck kennen; zijn menschen mogen ons wel eens vreemd 
schijnen, „leven" doen zij toch altijd. 

Hij heeft ze „gezien"; hij heeft met hen „gesproken", en hij 
heeft ze, zóó als hij ze zag en zóó als zij met hem spraken, van één 
stuk met de door hem herschapen historische realiteit op het doek 
getooverd. 

Neen, bij hem geen bloote vormen, schemen, omtrekken ; de 
geest en het innerlijke leven van het verleden spreken tot ons uit 
zijn werken; ons geheele historisch, Vlaamsch leven, . . . ; onze 
middeleeuwsche straten met hun aardige, als tot kant uitgesneden 
dakgevels, zich af teekenend op onzen grijzen, noordelijken hemel; 

') Antwerpsch Stadhuis, 

*) About zei: „Leys aurait Ie droit de prendre Ie costume des maitres du XVe 
siècle, mais son ambition ne va pas jusquelè; il se contente d'avoirleur talent. „Toch 
overdreef hij erg, als hij beweerde : „Leys pourrait signer van Eyck, et nous Ie croirions 
sans faute. „Dit is ijdele woordenkramerij. 



DE HISTORIESCHILDERS. — DE VERNIEUWER: HENDRIK LEYS. 35 

de gotische torennaalden van burgen en steenen ; de hooge klokke- 
torens, die, over onze stadsmuren heen, wegblikken tot aan de 
groote zee ^) ; en die steden en buurten, bevolkt en bezield door 
ons geheele voorgeslacht, oud en jong, van den vorst tot zijn va- 
zallen, van den rijken koopman tot den eenvoudigen ambachts- 
jongen; door kunstenaars en krijgslieden, grijsaards en kinderen, 
werklieden en speellieden. Zijn mannen komen ons voor ernstig, 
zwijgzaam, bijna stug, en toch zachtgeaard en gestemd 'x>t droo- 
men, tegelijk mannelijk en trotsch en gemoedelijk naïjf ; sober 
van gebaar en woord, waarheidlievend en wars van uiterlijken 
schijn, nooit ziekelijk dwepend, nooit hypochondrisch somber, wel 
eens vol gelatene droefheid en als beangst door zieleleed en ge- 
wetensbeklemming : „De Werkplaats van Floris", „De Wandeling 
bmten de Muren", „De Terugkeer naar de Stad", „De Buiten- 
burgemeester de Antwerpse Gilden toesprekend", ,,Karels Edik- 
ten afgekondigd", enz. En tusschen die kloeke mannen de adel van 
de zachte, geenszins verweekte schoonheid van onze Vlaamsche 
vrouwen, blond van haar, blauw van oogen, zachtrood van wan- 
gen, ernstig en nadenkend als de mannen, Vlaamsch, nog altijd 
door en door Vlaamsch als bij van Eyck, van der Goes, Metsys en 
Bruegel. 

En dezelfde voortreffelijkheden, des te kostbaarder, daar zij 
van innerlijken aard zijn, treft men in al de werken van Leys' laat- 
ste periode aan, evengoed in „De Werkplaats van Frans Floris" 
als in „De Blijde Intrede van Karel den Vijfde" in het Muzeum te 
Brussel, als in „Bij Winterdag" in het Muzeum te Antwerpen, en 
in de dubbele rij onvergelijkelijk schoone muurschilderingen, die 
nu twee aan elkaar belendende zalen in het Antwerpsch Stadhuis 
versieren. Vooral in deze laatste wist de voortreffelijke kunstenaar 
zijn figuren historisch karakter en stijl bij te zetten, iets wat ons 
des te bewonderenswaardiger voorkomt, daar, buiten de vorsten- 
reeks, nauwelijks zeer enkele van zijn personages, met name de 
Italiaan Pallavicini en de Vlaming van Ursele, in de geschiedenis 
eenigszins met naam en daad bekend zijn, terwijl hun beeltenissen 
toch niet tot aan ons kwamen. De anderen, patriciërs of gewone 
poorters, magistraten of hoofdmannen van de gewapende burgerij 
hebben geen ander objektief-historisch bestaan dan dat — wat 
Leys hun zelf verleende. 

*) Zie den achtergrond b.v. in „Maria van Burgondië, aalmoezen uitreikend". 



36 DE HISTORIESCHILDERS. — DE VERNIEUWER: HENDRIK LEYS. 

Des ondanks is de indiuk van eenieder, die verbeelding en ken- 
nis genoeg bezit, om zich een eigen begrip te vormen van de fyzio- 
nomie van onze Vlaamsche voorvaderen uit gindsche tijden, 
alleen in deze woorden te omschrijven: indien deze goede lieden uit 
anno zooveel bij tooverslag opnieuw levend moesten worden en 
zich bewegen, dan zouden wij ze zien zooals Leys ze zag en schil- 
derde en niet anders. 

Hierop juist wil ik nadruk leggen. Van alle historieschilders se- 
dert Metsys tot heden toe is Leys de eenige, die ons in zulke maat 
kan begoochelen. Wij gelooven evenmin aan de Grieken en Ro- 
meinen van David en van Bree, aan de Oud-testamentische Joden 
van Navez als aan de zestiende-eeuwsche Hollanders, Vlamingen 
en Engelschen van Wappers en de Brabantsche ridders en Vlaam- 
sche Klauwaarts van de Keyser, aan de Kruisvaarders en Geuzen 
van Gallait en de protesteerende Edelen van de Bièfve, aan de 
Lepanto-helden van Slingeneyer en zelfs aan de Kruisvaders en 
Klauwaarts van G. van Aise. Vermomming, min of meer geslaagd, 
tooneelmatige insceneering, bij dezen meer, bij genen min der ge- 
leerd en handig; dat geven zij ons allen. Bij Leys denken wij er 
niet meer aan, dat zij een rol te spelen hebben, dat zij niet de heu- 
sche, werkelijke voisten en ridders en kunstenaars en geleerden 
zijn, welke zij voorstellen. Zijn Luther is wel de echte, zijn Maria 
van Bourgondië de ware, zijn Karel V de eenig mogelijke, zijn 
poorters, op de buitenvesten van de oude Scheldestad wandelend, 
Vlaamsche zestiende-eeuwers in merg en been. 

Leys heeft, om een vergelijking te wagen, voor de schilderkunst 
verricht, wat Balzac in zijn „Contes drolatiques", Charles de Cos- 
ter in zijn „Légendes flamandes", van Duyse, Dautzenberg, 
Hoffmann von Fallersleben en Pater Servaas Daems in hun 
„Loverkens" voor de Fransche en Vlaamsche raiddeleeuwsche 
„taal" verricht hebben. 

Deze mannen hebben zich niet alleen de middeleeuwsche taal 
en den spreektrant geassimileerd, maar ook de gedachten en stem- 
mingen, die zij daarin uitdrukken, zijn onged wongene, natuurlijke 
en als „wezenlijk waar gewordene anakronismen". 



HOOFDSTUK IV. 

LEYS' INVLOED OP HET GENRE: — 
HENDRIK DE BRAEKELEER. 

„De macht van meesterlijke een- 
voudigheid." 

Alfred Trumble. 

„Man sieht, was ein grosses Talent 
machen kann, wann es bei Gegenstan- 
den bleibt, die seiner N'atur analog 
sind." 

GOETHE. 

Van de velen en zelfs zeer velen, die, onder onze latere kunste- 
naars, korter of langer tijd onder Leys' invloed stonden en door 
zijn geest bezield werden, zijn voorzeker Jozef Lies, Alma Tade- 
ma, Hendrik de Braekeleer, Juliaan en Albrecht de Vriendt en, 
eindelijk, al was hij ook geen historieschilder in den gewonen 
zin van het woord, de Waal Léon Frédéric, de voomaamsten. 

Lies, die zichtbaar aan Leys' invloed niet ontkwam, maar die 
toch nooit zijn leerling was, leefde in ongunstige omstandigheden 
en stierf te vroeg, om zijn zeldzame gaven ten voUe te kunnen ont- 
wikkelen. 

Niet één tijdgenoot stond dichter bij den meester dan hij ; ook 
heeft hij van de steeds toenemende faam van Leys het grootste 
nadeel ondervonden. 

Toch acht ik, dat diegenen een te hoogen dunk van zijn talent 
hadden, die hebben durven beweren: „Ware hij vóór of na Leys' 
laatste periode opgetreden, dan had hij weUicht den schepper van 
de „Uitvaart van Barthel de Haze" in de schaduw gesteld. Nu hij 
terzelfder tijd en in dezelfde stad werkte, moest de jongere nood- 
zakelijkerwijs de ondergeschikte van den oudere bhjven, des te 
meer, daar de werken van laatstgenoemde ook voor hem zulke 
openbaring geweest waren, dat zij hem deden besluiten den aan- 



38 LEYS' INVLOED OP HET GENRE: — HENDRIK DE BRAEKELEER. 

vankelijk gehuldigden romantiek-stijl te laten varen". Deze be- 
wering is het gevolg van een zeer gewaagde overschatting van 
Lies' gaven. Niet alleen bezat Lies noch den historischen-lilozofi- 
schen blik, noch de diepgaande psychologie van Leys; ook be- 
schikte hij als kunstenaar geenszins over dezelfde middelen van 
uitvoering als de laatste. Hij werkte misschien gemakkelijker, 
doch zeker niet met zulk een diepte ; hij teekende misschien vlot- 
ter, m^a'- zonder veel karakter of stijl; alleen had hij een aangebo- 
ren gave van koloriet en een oog voor de levendige schoonheid van 
het landschap, welke Leys hem wel had kunnen benijden. 

Wilde hij echter het historische genre beoefenen, dan ontbrak 
hem die vastheid en zekerheid van oordeel, die, om zoo te spre- 
ken, intuïtief het algemeen karakter van een tijd of een volk lee- 
ren verstaan, neen, voelen. Wat Lies geeft, zijn anekdoten. Tot 
synthezis verhief hij zich hoogstens een enkele maal. 

De figuren in de schilderijen, die men algemeen als zijn beste be- 
schouwt, „De Rampen van den Oorlog" i), „De Vijand nadert" ^) 
„De Krijgsgevangenen" ^), behooren meer tot de menschheid van 
alle tijden dan tot die van de zestiende eeuw, wat natuurlijk niets 
afdoet aan het feit, dat deze stukken toch zeer verdienstelijk zijn. 
Misschien was het de ware roeping van Lies, landschapschilder te 
worden. Ik ken van hem een kleine reeks stukken, waarin hij, 
vóór Fr. Lamorinière, zwelgt in de wedergave van allerlei spelin- 
gen van kleur en licht in bosch- en veldgezichten. Hierop kom ik 
in een later kapittel wel even terug. 

Hendrik de Braekeleer, die, in het dubbele opzicht van aange- 
boren aanleg en ambachtelijk kunnen, ongetwijfeld grooter was 
dan Leys, en die, na een leven van bittere ontgoochelingen en 
brutale geringschatting, op 23 Juli 1888 op zijn acht-en- veertigste 
jaar overleed, is, én als dichter van intimiteiten én als zuiver schil- 
der, een van de voortreffelijkste kunstenaars, die niet alleen in de 
vorige eeuw, maar sinds de Hooch, Terburg en den Delftschen 
Vermeer geleefd hebben. 

Weinigen leveren in den loop van hun bestaan eigenaardiger 
kontrast op. Het ontbrak de Braekeleer aan elke zoogezegde hoo- 
gere intellektueele begaafdheid. Noch door rijkdom van vinding 



') Brusselsch Muzeum. 
*) Antwerpsch Muzeum. 
*) Ibidem. 



LEYS' INVLOED OP HET GENRE : — HENDRIK DE BRAEKELEER. 39 

noch door kracht van verbeelding blonk hij uit. Doch juist die 
twee eigenschappen, welke zooal niet uitsluitend, dan toch veel 
meer dan alle andere te zamen iemand tot „schilder" stempelen, 
bezat hij in verbazend hooge mate : een paar oogen, aan welke ook 
niet één tintje kleur, niet één schakeerinkje licht ontging, en een 
hand, zoo van zelf vaardig en erfelijk trefzeker, dat zij hem toeliet, 
die kleur en dat licht in de volle pracht van de werkelijkheid op 
paneel of doek te malen. 

Ofschoon Leys' invloed op Hendrik de Braekeleer even groot 
als gelukkig was, heeft deze zijn meester toch nooit nagevolgd, 
evenmin als zijn, gelijk wij vroeger zagen, in de romantiek opge- 
groeiden vader. Waar een man van niet alledaagsch talent als Lies 
zich hoofdzakelijk tot de door Leys' gebaande wegen bepaalde, 
moet deze bij uitstek zelfstandige gang van de Braekeleer ons des 
te meer bewondering afdwingen. 

Bij de beoordeeling van zijn werken kan moeilijk van richting of 
tendenz of van eenig welkdanig „isme" spraak zijn. Van huis uit 
was hij zoo geaard, dat hij, zelfs al had hij als zoovelen zich inge- 
laten met de studie van al die min of meer nieuwe „ismen", waar- 
mee België, „a l'instar de Paris", steeds zoo rijkelijk gezegend is, 
bezwaarlijk iets anders had kunnen worden dan een met gotische 
nauwkeurigheid en echt Nederlandsche degelijkheid werkende 
schilder van stillevens en soms van binnenhuizen, die, wel be- 
schouwd, ook nog stillevens zijn. 

Niet zonder reden en bedoeling bedien ik mij hier van de bena- 
ming „stilleven", dit woord dan nog in zijn meest bepaalde betee- 
kenis gebruikend. Deze benaming kan op schier al zijn schilderijen, 
hoe uiteenloopend de onderwerpen ook zijn, toegepast worden. 
Wat hij ons ook vóór oogen wenschte te brengen, nooit was het 
hem te doen om „het volle menschenleven" zelf, om handeling of be- 
weging, om gevoel of hartstocht, niet ééns om eigenlijke „onderwer- 
pen", alleen om „verschijningen van kleur en Hcht" zondermeer. 

Het kwam nooit bij hem op, lange verhandelingen over de kon- 
trasten in het bestaan uit te spinnen, zich de hedendaagsche din- 
gen 200 of 300 jaar vroeger te denken, of, wat er eens gebeurde in 
anno zoo- en zooveel na of vóór J. Kr. nog eens op te halen; de his- 
torie evenals elke andere wetenschap liet hem geheel koud, en, om 
nu te voelen wat anderen voelen, had hij ten minste in zekere mate 
het leven van de levenden moeten meeleven. Half menschenschuw 



40 LEYS' INVLOED OP HET GENRE: — HENDRIK DE BRAEKELEER. 

als hij was, trok hij zich hefst in zijn stille werkplaats terug. 

Bestaan, leven, dat stond in hem gelijk met „zien", en zien deed 
hij aldoor en aldoor. En wat hij „zag", dat was de helle schijn, de 
Hchte straal, de klare vonk, de zachte of felle schaduw, het heele 
veelvoudige wezen van het licht, en, in dat licht, de honderdvou- 
dige verscheidenheid van de kleur. 

Van ooggetuigen weet ik, dat de Braekeleer soms halve dagen 
in schijnbaar niets-doen heeft zitten bespieden het wónder-zachte 
goudachtig licht van de trap-vloer of van de goud-leêren zaal in 
het beroemde Antwerpsch Waterhuis, of het vlakke, helle, bur- 
gerlij k-egale licht in de zalen van het Terninck-gesticht. 

En dezen straal, deze vonk, deze schaduw, dezen glans met het 
penseel weer te geven, zóó als hij ze had gezien in hun oorspronke- 
lijk vol en harmonieus akkoord met de natuur, en dit nog wel op 
zulke wijs, dat hun aanblik op het doek een veel grooter genot zou 
geven dan dat, hetwelk de schilder zelf in de werkelijkheid ge- 
schept had, daartoe dreef hem zijn geheele aanleg; dat was zijn 
eenig doel , zijn eenig willen. 

Wie bij Hendrik de Braekeleer naar belangwekkende onderwer- 
pen zoekt, klopt aan doovemansdeur. Zeker, op de meeste van 
zijn schilderijen ziet men figuren: zijn werken dragen even dik- 
wijls een op een bepaald onderwerp doelenden titel: „De Geo- 
graaf" 1), „De Hoornblazer" -), „De Plaatdrukker" 3), „De Wa- 
terverfschilder" «), „De Pottenbakkers" ^), „Het Ontbijt" «), „De 
Spinster" ').... 

Echter zijn die personages niets meer dan een deel uit het ge- 
heel; zij spelen geen rol; zij nemen er juist dezelfde ruimte en den- 
zelfden rang in als een bankje, een tafel, een stoel, een tapijt, een 
boek, een kandelaar. Bij toeval was hun gedaante één met een of 
ander kleur-, een of ander lichteffekt, waaraan het schildersoog 
zich vergastte. Om wille van deze kleur, dit licht, niet om huns- 
zelfs wil of om wat zij deden, werden zij op het doek gebracht. 

Toets gerust deze bewering aan zijn beste werken; gij zult ze 
niet weerleggen. Zijn „Hoornblazer" (1871) heeft, in het stuk van 

*) Brusselsch Muzeum. 

*) G. Couteaux, Brussel. 

*) Antwerpsch Muzeum. 

*) Ibidem. 

*) Voormal. verz. Mevrouw Marlier, Brussel. 

*) Ibidem. 

') Voorm, verz, Alb. de Vleeschhouwer, nu Muzeum Antwerpen. 






LEYS' INVLOED OP HET GENRE! — HENDRIK DE BRAEKELEER. 41 

dezen naam, noch min noch meer belang dan de tafel met het 
tapijt of het houten kabaret ernaast met het in perkament gebon- 
den boek er op; het heeft er eer min dan meer of dan zelfs maar 
evenveel. . . . Het bevilthoede ventje, dat in zijn „Zaal van het 
Waterhuis" ^), 1877 — 78, niet ver van 't open raam zit, is of doet 
er, hoe voortreffelijk ook geteekend en hoe levend, niets meer 
bizonders dan deze stoel onder hem of het gouden leer achter hem 
op den muur! De sjovele heer, die in zijn „Terninck Muzeum" -), 
1884, staat te kijken naar het kleurige „Slachthuis" van D, Te- 
niers, doet er niets meer, veeleer zelfs iets minder dan het schilde- 
rij aan den muur, In „Het Ontbijt"^), 1885, is aan de etende vrouw 
geen duit meer waarde gegeven dan aan het stuk sinaasappel in 
haar hand of de schaal champagne op de tafel of het gordijn vóór 
het raam. Zelfs waar hij een enkelen keer iets schijnt te zullen of 
willen vertellen, wijkt hij van dezen vasten regel niet af: in 
„Grootmoeders Feest", 1 873, „De Terugkomst van den Zeeman", 
1875, en „De Kaartspelers", 1886 of 1887, zijn de figuren „stoffa- 
ge" van het binnengezicht, „bijwerk" van het stilleven, zonder 
meer. 

Wat de schilder ons wil mededeelen is zoo eenvoudig en tevens 
zoo wonderbaar als het maar kan! Niet wil hij ons toonen: zie, 
zóó blies die jonge knaap den hoorn, of zóó zat dat mannetje te 
droomen in die ouderwetsche zaal, of zóó smakelijk of zóó tegen 
heug en meug at toen die dame. . . . Geen „anekdoot" wilde hij 
vertellen. Dit alleen wilde hij ons veropenbaren : zóó tooverde het 
licht van de zon die kamer met haar geheelen inhoud om tot lou- 
ter levend goud, terwijl die jongen toevallig op den hoorn blies; 
zóó streelend zacht gleed het licht door de oude ruiten, terwijl dat 
mannetje daar zat met zijn grijzen vilt; zóó wonderfijn en subtiel 
deed de dag elk voorwerp uitkomen, terwijl die smakeloos opge- 
dirkte dame haar ontbijt gebruikte. Wat voor een ander hoofdzaak 
ware geworden, is voor hem bijzaak; de „bijzin" wordt bij hem 
„hoofdzin"! Zijn principe is geen ander dan dit: tegenover het 
hcht, dat alles beglanst, en de lucht, die alles omvat, zijn mensch 
en dier én bloem én onbezield voorwerp gelijk en één. De eenige 
geschiedenis, die mij, Hendrik de Braekeleer, als schilder belang- 
rijk genoeg voorkomt, is die van dat licht en van die lucht, en van, 



') Vroeger bij Mevr. Marlier, nu in 't Hedendaagsch Muzeum te Antwerpen. 
*) De Brou. Brussel. ») Boitte, te Ittre. 



42 LEYS' INVLOED OP HET GENRE: — HENDRIK DE BRAEKELEER. 

in beide, dit of dat bizondere kleureffekt. Daarnaar zult gij mijn 
werken beoordeelen, zoo gij rechtvaardig zijt. 

Ik wil hier niet wijdloopig onderzoeken, hoe vele verschillende 
manieren bij de Braekeleer zijn op te merken. Er zijn er wel zeker 
vier; doch twee voorname zijn daaronder. De werken van de één 
onderscheiden zich door een min of meer konventioneel licht, een 
soort werkplaatslicht, verkregen door een stelselmatig berekend 
openen of sluiten van een voorhang; die van de andere — zijn 
laatste — door het zuivere, ongewijzigde licht van de werkelijk- 
heid, de geheel „toevallige" werkelijkheid. En nog een ander ver- 
schil is er !In de werken van gene reeks zijn hout en steen en metaal 
en stoffen en menschenvleesch wel alle een heel klein beetje „uit 
den zelfden pot" ; in die van déze integendeel behield elke substan- 
cie haar eigen karakteristieke geaardheid, hard- of zachtheid, 
glans of matheid, doorschijnendheid of opaciteit. 

Het aller volmaakste, wat de Braekeleer in gene manier leverde, 
zijn, buiten zijn wonderbaren „Aardrijkskundige", wellicht „De 
Trap van het Waterhuis" en „Zaal in het Waterhuis", beide uit 
1877 — 78, en „Lezende Vrouw" uit 1876 — 77 in de verzameling 
van wijlen Senator A. A. P. van den Nest; het voortreffelijkste uit 
déze zijn, buiten „Het Loodshuis" uit 1877, „De Waterverfschil- 
der" uit 1878, en „Het Ontbijt" uit 1885. 

In werkelijkheid zijn er slechts weinige schilders, die meer eigen- 
aardigheid vertoonen dan hij ; slechts weinige, die aan al de midde- 
len, die eigenlijk veel meer in litteratuur of beeldhouwkunst tehuis 
hooren, zoo bitter weinig te danken hebben. 

Hoe mag het wel komen, dat, in onze muzea, zijn werk tot vóór 
korten tijd nog steeds een te kleine plaats besloeg ? hoe, dat hij in 
het buitenland zoo goed als niet gekend is? 

De Braekeleers talent was niet van dien aard, dat het reeds 
vroeg de aandacht van de officieele wereld op zich vestigde. Zijn 
beste schilderijen waren voor het grootste deel voor het pubhek 
zoo weinig aantrekkelijk, dat ze zoo goed als alle voor een spotprijs 
werden van de hand gedaan. Zelfs nog lang na 1872, toen hij zijn 
heerlijken „Aardrijkskundige" tot bewondering van alle werke- 
lijk ingewijden tentoongesteld had, duurde die verblinding voort ^) . 

*) Aan een Brusselsch verzamelaar, die hem, zonder af te dingen, 2000 fr. betaalde 
voor een prachtstukje, verklaarde hij zelf, niet lang vóór zijn dood, dat het de eerste 
maal was, dat „men hem voor zijn werk gunde, wat hij er zelf voor durfde vragen." 
Dat stukje van 2000 fr. is er heden 20 000 waard. 



LEYS' INVLOED OP HET GENRE : — HENDRIK DE BRAEKELEER. 43 

Overigens vond hij al even weinig waardeering bij zijn 
kimstgenooten als bij het publiek. In de oogen van de meeste schil- 
ders waren werken als de zijne hoogstens interessante ,, schetsen", 
veelbelovende „studies". Welnu, Rik, „ — werd hem in de gelagzaal 
van het Kunstverbod te Antwerpen dikwijls gevraagd, — „wan- 
neer gaat gij nu eens beginnen?" De bedoeUng was: „wanneer 
komt gij nu eens vóór den dag met een heusch schilderij ? ! ! " ^) 

Welke plaats zal het nageslacht Hendrik de Braekeleer toe- 
kennen ? Ben ik niet mis, dan is die plaats alleen te zoeken in de 
allervoorste rij, de rij van de hoogstbegaafden, waarop én de Zui- 
delijke én de Noordelijke Nederlanden trotsch zijn en waarin de 
namen van Boeren-Bruegel, Brouwer, Vermeer, Terburg en de 
Hooch in onvergankelijke glorie schitteren. 

De Braekeleer is niet alleen de meest in-\laamsche van de 
Vlaamsche, was hij Hollander, dan zou hij een van de meest in- 
Nederlandsche van de moderne HoUandsche schilders zijn. Op 
zijn werk, veel meer dan op dat van vele Noord-Nederlanders 
uit de negentiende eeuw, passen volkomen de treffende regelen, 
waarmee Alfred Trumble destijds in een Engelsch tijdschrift de 
HoUandsche kunst kenschetste. 

„Er hgt in de kracht, die de HoUandsche kunst op dat gedeelte 
der wereld, waarvan Holland geografisch zulk een klein deel uit- 
maakt, heeft uitgeoefend, geen bizonder geheim. Het is de macht 
van meesterlijke eenvoudigheid. De Hollanders zoeken hun inspira- 
tie in de natuur, die zij, zonder gekunsteldheid, weergeven, zóó 
als zij is. Zij schilderen niet precies wat zij zien, maar zij schilderen 
in den geest, die het geziene in hen wekt, en bekleeden het met 
menschelijkheid, met leven, en ook met het gevoel, dat het be- 
staande meedeelt aan hen, die het zoowel met den geest als met 
het oog bestudeeren. Zij doen geen poging, om onderwerpen, die 
op het gevoel werken, te scheppen ; maar zij vinden het gevoel in 



') Veelbe teekenend acht ik het voor de kunstopvattingen van de meesten in 
België vóór 1870, dat een man als Camille Lemonnier zelf in 1863 over de Braekeleer 
het volgende oordeel velde: 

„Des intérieurs sales, ternes, effacés, oü ronfle, dans une cheminée omée de deux 
chandeliers, un rouge poêle de fonte, et qu'éclaire une fenêtre dont les carreaux, 4 
moitié couverts de lambeaux, laissent voir un pot de résédas posé sur l'appui, et les 
affreuses tuiles rouges qui font ie vis-a-vis. . , . 

Voili les tableaux de M. de Braekeleer et les sujets qui l'inspirent éternellement. Ce 
parti pris est d'autant plus regrettable que Ie peintre a du dessin et de la couleur." 
Ik zelf zet !!!!! achter deze teekenende uitlating. 



44 LEYS' INVLOED OP HET GENRE: — HENDRIK DE BRAEKELEER. 

de werkelijkheid, en naar hun vermogen stellen zij ons deze voor, 
met al de levendigheid, die hun penseel er aan kan geven." 

Een tijd lang deed zich de Braekeleers invloed duidelijk gevoe- 
len, evenzeer onder de Brusselsche als onder de Antwerpsche 
kunstenaars. Piet Verhaert en Karel Mertens, — om twee van de 
besten te noemen, — oogstten, de eerste van 1875 tot 1885, de 
tweede van 1883 tot 1890, een ongelooflijken bijval met voor het 
meerendeel kleine schilderijen, die vooral door teknische volmaakt- 
heid uitblonken. Dat beiden zich ondanks dien bijval later aan de 
vrijlichtschildering wijdden, strekt hun voorzeker tot eer. Verhae- 
ren, René Janssens en Hannotiau te Brussel, de knappe Alfred 
Delaunois te Leuven, Brunin en H. de Smeth te Antwerpen, mogen 
ook wel genoemd worden. Overigens zijn ook in Sander Struys 
sporen van de Braekeleers invloed voorhanden („De Mechelsche 
Kant werkster"). 



HOOFDSTUK V. • 

DE HISTORIESCHILDERING NA HENDRIK LEYS. — 

EPIGONEN. 

„How greatly they have degenerated 
from his (Leys') spirit and falsified his 
instructions! Tliey have sunk into a 
more picturesque treatment of the stu- 
dio model". 

Trumble. 

„Kunst, waarin geen nieuwe klank 
leeft, is geen kunst." 

FlERENS — GeVAERT. 

Hier is het de rechte plaats, dunkt me, om eenige woorden te zeg- 
gen over de verdere ontwikkehng van de eigenhjke historieschilde- 
ring, zoowel van de monumentale of dekoratieve als van die op be- 
weegbare paneelen of doeken na den dood van Leys. Voor een ieder, 
die zich onbevangen rekenschap geeft van den bij uitnemendheid 
modernen geest van Leys' voorstelling van het verleden, is het 
duidelijk, dat deze ontwikkeling, zoowel bij schier alle latere histo- 
rieschilders als bij de onmiddellijke leerlingen van den meester, bv. 
bij W. Linnig Sr., Victor Lagye en den Hollander Alma Tadema, 
bezwaarlijk anders dan onder zijn invloed plaats grijpen kon. 

Dit was dan ook het geval. Bij haast allen, die hetzelfde genre 
beoefenden, treft men rechtstreeksche of onrechtstreeksche in- 
werking van Leys, — een verwante, zoo al niet een gelijke behan- 
deling van het onderwerp aan. 

De meer talrijke dan oorspronkelijke muurschilderingen van 
Guffens en Swerts, waaronder zeker wel de beste en merkwaar- 
digste zijn die in de stadhuizen van Kortrijk en leper i) ; „De 
Weduwe van Arte velde" van Pauwels ^), wel van 't volmaakste, 

') Door den oorlog werden de lepersche vernietigd. 
') Brusselsch Muzeum. 



46 DE HISTORIESCHILDERING NA HENDRIK LEYS. — EPIGONEN. 

wat deze toch zeer verdienstelijke kunstenaar leverde; haast 
al wat Victor Lagye gedurende zijn geheele loopbaan en Wil- 
lem Geets tot rond 1885 voortbracht; de vroegste en veruit 
merkwaardigste dingen van Frans Vinck, o. a. zijn stuk in 't Mu- 
zeum te Antwerpen; van Karel Ooms, Lodewijk Hendricx, en 
zeer veel van den eenigen leerling van dezen laatste, Jan Anthony ; 
Emiel Wauters' „van der Goes te Roo-klooster" ; van Beers' „'s 
Volks Dank, Maerlants Dood, Begrafenis van Karel den Goede"^), 
„Karel V als Kind"; van Camps „Dood van Maria van Burgon- 
dië" 2); Cluysenaers „Kanossa"^); Delpérée's „Overgaaf van de 
Gentenaren" *); van der Ouderaa's verdienstelijke, in de hoofd- 
groep zelfs zeer verdienstelijke „Mondzoen"; en een geheele lange 
reeks werken van Edmond von Hove, Th. Lybaert, P. Verhaert, 
Leo Brunin en van den veel te weinig gewaardeerden en te nede- 
rigen Theodoor Cleynhens, zijn zeker wel genoegzaam overtui- 
gende bewijzen van mijn bewering. 

Alleen de kunstenaars, die in de beroemde werkplaats van den 
bij uitstek eklektischen Portaels opgeleid werden, ontsnapten aan 
Leys' machtigen invloed : Graaf de Lalaing, Le Vêque en anderen. 
Treffend komt dit uit in de overigens niet talrijke geschiedkundige 
tafereelen, welke Charles de Groux, dien wij verder eenigszins uit- 
voeriger zullen bespreken, gedurende de laatste jaren van zijn 
leven, zoowat tusschen 1860 en 1870, voltooide. In het eerstge- 
melde jaar zond hij naar de Brusselsche „ Drie j aarlij ksche" twee 
schilderijen, het één : „Karel V ontvangt het laatste Viaticum uit 
de handen van zijn biechtvader, Régla", verzameling Mevr. Pau- 
wels Allard, het andere, van grooter afmetingen, 2.35 hoog en 3.25 
breed : „Frans Junius preekt in het geheim de hervormde leer te 
Antwerpen" ^). Zeker staat de kleur van het eerste stuk veel dich- 
ter bij die van Louis Gallait dan van Hendrik Leys! Dat zijn wel 
de oogstreelende, fijndoorzichtige glazuurtoonen, welke wij be- 
wonderen in het kleine juweeltje in het Antwerpsch Muzeum, „De 
laatste Hulde aan de Graven van Egmond en Hoorn". Doch de 

') De geheele samenstelling is als geïnspireerd op Leys' „Instelling aan het Gulden 
Vlies." 

*) Al geef ik toe, dat van Camp zijn insceneering veeleer aan L. Mathieu's in 1836 
tentoongestelde „Marie de Bourgogne tombant de cheval" ontleende. — Bruss. 
Muzeum. 

^) Brusselsch Muzeum. 

*) Stadhuis te Luik. 

*) Brusselsch Muzeum. 



DE HISTORIESCHILDERING NA HENDRIK LEYS. — EPIGONEN. 47 

geest, die uit de geheele voorstelling spreekt, is niet meer die van 
de romantische beoefenaars van „Ie grand art!" Er is geen spoor 
meer van theatrale insceneering; er is niet meer gestreefd naar 
larmoyante pathetiek of naar geometrische effekten van groepee- 
ring. De stervende Karel V wordt ons niet vertoond als een keizer, 
een krijgsheld, een groot staatsman. Een uitgemergeld, bleek, vol- 
strekt onmachtig menschje is het, die daar, door slechts enkelen 
omgeven, in de stille eenzaamheid van die kloosterkamer te ziel- 
toogen ligt. De laatste oogenblikken van den potentaat, over wiens 
rijk de zon niet onderging, wiens trotsche leuze luidde: „Plus 
oultre", zijn hier opgevat, niet als een wereldschokkende histo- 
rische gebeurtenis, maar als een alledaagsch „fait divers". En 
juist deze bizonderheid maakt het geheel zoo interessant, want 
zoo diep en eenvoudig menschelijk. 

Hoe zeer verschilt bij dit fraaie werk, evenzeer door den opbouw 
van de figuren als door de kleurbehandeling „De Predikatie van 
Junius". Hier is de invloed van Leys opvallend. De samenstelling 
gaat naar het dekoratieve over, — dit woord niet te verstaan in 
eenigen ongimstigen zin ! — en de aangewende kleuren zijn, in hun 
eenvoudige oprecht- en helderheid, wel eenigszins dof en mat, 
doch veel minder konventionneel. 

Beide schilderijen openden in waarheid voor den meester een 
nieuwe ontwikkelingsperiode, die hem onfeilbaar naar de monu- 
mentale schilderkunst in den breedsten zin des woords zou opge- 
voerd hebben, ware hij niet veel te vroeg gestorven. 

In 1866 stelde hij in de Brusselsche „Driejaarlijksche" een kom- 
pozitie ten toon, waarmede hij, een jaar daarna, te Parijs een 
schitterenden bijval verwierf. 

Op groote schaal uitgevoerd, waren „De Burgers van Kales 
vóór Edward Hl", — het onderwerp, dat Rodin vele jaren later 
zou behandelen, — een, volgens de toenmalige kritiek, alleszins 
meesterlijke kunstschepping, waarin, met treffend realisme, de 
gevoelens van de zich voor den overwinnaar vernederende en door 
een lang beleg verhongerde poorters waren weergegeven. 

Wat er van dit tafereel geworden is, hebben we niet kunnen 
uitvorschen. Moge het, heden of morgen, uit de verborgenheid te 
voorschijn komen! Stippen wij in het voorbijgaan aan, dat de 
Groux er in de jaren 1865 — 1868 tevergeefs alle denkbare moeite 
voor deed, om de Lakenhalle van leperen met muurschilderin- 



48 DE HISTORIESCHILDERING NA HENDRIK LEYS. — EPIGONEN. 

gen te mogen versieren, waarvoor hij reeds in 1 867 een geheele 
reeks kartons had uitgevoerd. 

Nu is het voorzeker te betreuren, dat zoovele van Leys' volge- 
lingen, misleid zeker wel door het sukses van schilders als Florent 
Willems, in zijn tijd overigens en in zijn aard een allesbehalve 
alledaagsche verschijning, en van Alma Tadema, zooals deze zich 
in vele van zijn latere werken veropenbaarde, van Heverlede ver- 
zaakten aan het verheven synthetizeerend streven en de werkelijk 
breed-epische opvatting van hun meester, om zich te verkneukelen 
aan kleingeestig archeologizeeren, schoondoenerij en affektatie, 
en ten slotte te vervallen in uitpierend detailleeren van kostuum- 
en meubelbizonderheidjes. 

Een woord over de voornaamsten. 

Victor Lagye (1825 — 1 896) , een der meest overtuigde volgehn- 
gen van den Antwerpschen schilder, was werkelijk zijn leerling 
en tevens de trouwste en verkleefdste van zijn vrienden. 

Leys, die zoo nauwgezet alle vreemde medewerking aan zij n taf e- 
reelen schuwde, schaamde zich niet, zich in meer dan één omstan- 
digheid te gedragen naar den raad van zijn jongen geestverwant. 

In Augustus 1 869 was het niemand anders dan Lagye, die zich 
met de inrichting der vorstelijke teraardebestelhng van den over- 
leden meester gelastte. 

Zijn leven door bleef Lagye de tradities van Leys' werkplaats in 
eer houden. Met zijn meester hield hij voor het ideaal van den 
Vlaamschen schilder een kunst, die, zonder de gouden lessen te 
verwaarloozen, welke het verbazende vormtalent van Rubens en 
zijn school den modernen artiest kan geven, zich toch met over- 
tuiging aansluit bij de gebroeders van Eyck, Bouts, van der Goes, 
Memlinc, Metsys, Bruegel, om van dezen, die zich in 't opzicht 
van de tekniek zeker geenszins vrij van alle zuidelijke invloeden 
ontwikkelden, maar in wier werken dan toch het wezenlijke van 
de Nederlandsche kunstopvatting zijn hoogsten triomf viert, te 
leeren, hoe de nakomehngen van die meesters, — hun rechtmatige 
erven, — moeten zien, gevoelen, opvatten en weergeven. 

In zijn eerste werken staat Lagye uit den aard der zaak tegen- 
over Leys als een talentvol navolger tegenover een veel bewon- 
derd model. In die vroegste tafereelen maakt dikwijls een of ander 
figuur den indruk, als was het zoo gereed en gekleed uit een van 
Leys' werken gaan loopen. Doch ook in die stukken reeds zijn er 



DE HISTORIESCHILDERING NA HENDRIK LEYS. — EPIGONEN. 49 

partijen, waarvan en de teekening, en de kleur, de kleur vooral, 
Lagye stempelen tot een eenigszins oorspronkelijken artiest. „De 
Verlatene", „De Zigeuners", „'t Oudenaardsche Liefje van Keizer 
Karel bij de Wieg van haar Kind", en een geheele reeks illustra- 
ties op Goethes „Faust", — heden heinde en ver verspreid in 
Duitschland, Oostenrijk, Amerika, enz., en soms door geweten- 
looze voortverkoopers voorzien van een valsche handteekening 
van Leys of Lies, behooren tot die periode. 

Hier moet ik iets aanstippen, dat, naar mij dunkt, voortreffe- 
lijk doet uitschijnen hoe ernstig Lagye het met zijn kunst meende. 
Op een leeftijd, waarop de meesten opzettelijk hun oog sluiten 
voor al wat jongeren beproeven en verwezenlijken, had hij den 
niet geringen moed, zijn palet te vernieuwen, er den overvloed 
van diepe, donkere tonen, aan de Romantieken zoo dierbaar, van 
te verwijderen, en deze door lichte, steeds meer en meer lichte 
tonen te vervangen. 

Vergis ik mij niet, dan waren de eerste werken, waarin hij naar 
het licht streefde, zijn mooie „Zigeuners, dansend vóór een Boeren- 
hut" en „De Opvoeding van Karel den Stoute". Dit laatste werk, 
rond 1884 — 85 in het Antwerpsch Kunstverbond tentoongesteld, 
is merkwaardig. In een met beeldhouwwerk en gobelins rijkelijk 
gestoffeerde zaal zit de hertogin van Burgondië en verlustigt zich 
met een edelvrouw en een page in 't aanschouwen van haar 
spelenden zoon, den prins van Charolais. Daar, op de massieve 
middeleeuwsche tafel, speelt, door een bejaard monnik geholpen, 
de vorstenzoon. Twee houten ruiters, gezeten, met gevelde speer, 
op in vollen strijddos prijkende rossen, staan vóór hem. Een dezer 
beeldjes is dat van het prinsje, het tweede dat van den pater. Op 
kunstmatige wijze zullen de twee partijen de beeldjes in beweging 
zetten en tegen elkaar doen losstormen, tot een van beide met 
paard en speer omver wordt geworpen. 

Voor de houding der toeschouwende personages hebben wij 
nauwelijks een oog, zoozeer vestigen die handelende twee onze 
aandacht. Hoe nederig, hoe slaaf sch komt ons de monnik voor. 
Hij is zich bewust, dat hij bewaakt wordt door het oog der alver- 
mogende hertogin. Hij zal er zich wel voor wachten zijn ruiter met 
de noodige kracht in beweging te brengen, en den houtenkampi- 
oen van het prinselijke ventje misschien in 't zand te doen bijten. 

Meesterlijk is het figuur van den lateren „Stoute". Ik zwijg van 

4 



50 DE HISTORIESCHILDERING NA HENDRIK LEYS. — EPIGONEN. 

de teekening vol van den zwier des levens, vol van de lenig- en be- 
valligheid van een jong veerkrachtig lichaam. Wat er vooral 
waarde aan schenkt, is hetkarakter, dat uit dit geheele figuur, uit 
de houding van die hand, dat hoofd, die veerkrachtige beenen, tot 
ons spreekt. Overmoed, ontembare hartstocht, niets ontziende 
roekeloosheid verraadt alles. Uit dien knaap kan alleen de man 
opgroeien, die de vlakte van Murten en de omstreken van Nancy 
onder het krijgsgeweld zal doen dreunen. 

Op den achtergrond blinken ons onder een wapentropee de 
woorden tegen: „Aultre n'aulray", de uitdagende leuze van Phil- 
lippe l'Assuré, gezeid den Goede. Bedoelt die kreet voor jonker 
Karel geen koningskroon? 

Rond 1890 droeg de stad Antwerpen Lagye de taak op, de 
Huwelijkszaal in het Stadhuis te versieren. 

Lagye trok zich niet meesterlijk, maar toch alleszins verdienste- 
lijk uit den slag. In een cyklus van zes doeken gaf hij een over- 
zicht van de geschiedenis des huwelijks in onze gewesten: een 
oud-Romeinsch, een kristelijk, een barbaarsch, een middel- 
eeuwsch, dan nog een vorstelijk en ten slotte een republikeinsch- 
burgerlijk huwelijk, al tafereelen, uitgevoerd in een vrij heldere, 
zacht-harmonieuze, een beetje Bastien Lepage-achtige gamma, 
waarin elke onbevooroordeelde zonder veel moeite eenige welge- 
slaagde typen, aangrijpend van historische waarschijnhjkheid, 
zal herkennen. 

Een die, ofschoon veel jonger dan Lagye, al flink op weg was, 
de oude onvervalschte opvatting van den Antwerpschen meester 
in praktijk te brengen, was Hannotiau (1862 — 1902). Zijn 
voor het Muzeum van het Jubeljaarpark, na zijn te vroeg over- 
lijden aangekochte kartons, waarvan een „Het Kapittel van het 
Gulden Vlies in de S. Donaaskerk te Brugge" voorstelt, steken, 
door stijlvolle groepeering en karakteristieke typeering van de 
personages, zeer gunstig af bij het meeste, wat velen van de hoo- 
ger genoemden na 1880 onderteekenden. 

Ferdinand Pauwels, dien wij in den aanvang van dit hoofdstuk 
reeds terloops noemden, wordt wellicht door zijn landgenooten 
minder gewaardeerd dan hij het in waarheid verdient. De reden is 
niet ver te zoeken; hij bracht het grootste en beste deel van zijn 
leven in het buitenland door en de meeste van de 12 historische 
tafereelen van zijn hand, die tijdens de herhaalde beschieting van 



DE HISTORIESCHILDERING NA HENDRIK LEYS. — EPIGONEN. 51 

leperen in 1915 — 1916 in en met de beroemde Lakenhalle werden 
vernietigd, waren, ofschoon verdienstelijk, op verre na niet op één 
lijn te stellen met het reeds gemelde stuk uit het Brusselsch Mu- 
zeum en met verscheidene andere, die hij, later, gedurende zijn 
verblijf in Duitschland voltooide. Geboren te Eekeren bij Ant- 
werpen in 1 830, voltooide hij , na onder de leiding van Nikaas de 
Keyser en Wappers in de Antwerpsche Akademie schitterende 
studiën te hebben gedaan (1842 — 1850), zijn opleiding m Italië 
(1852 — 1856). Terug in zijn geboorteland onderging hij^ na een 
kortst ondigen „zwarten" tijd, waarin hij vooral onder den invloed 
was van de Keyser en nog meer van Gallait, de betoo vering van 
den grooten meester Leys. „De Weduwe van Jakob van Arte- 
velde, haar kostbaarheden offerende voor haar vaderstad" werd 
voltooid in 1860 en was, zooveel wij weten, het eerste werk in zijn 
nieuwe manier. Het is ontegenzeggehjk een samenstelling van 
meer dan gewone waarde; de vrij talrijke personages zijn uiterst 
natuurlijk gegroepeerd; de typen zijn voortreffelijk gezocht en 
van groote verscheidenheid; het hoofdmoment, het optreden van 
Vrouwe Katelijne in rouwgewaad, vergezeld van haar drie kna- 
pen, waarvan de kleinste zijns grootvaders „goede zwaard", 
grooter dan zijn gansche, tengere gestalte, voorop draagt, is tref- 
fend weergegeven. Mooi gevoeld is het gebaar vol eerbied en ont- 
zag, waarmede de vertegenwoordiger der Gentsche Gemeente, de 
vóór hem staande poorters en poorteressen uitnoodigt, plaats te 
maken vóór de hooge Vrouwe .... Het geheel uitgevoerd in een 
tegehjk stemmige en toch rijke kleurengamma. 

Van niet minder groot kunnen getuigen onder zijn latere schep- 
pingen, „De door Al va verbannen Geuzen" (1868), „Louis XIV de 
Afgevaardigden van Genua's Doge ontvangend" (Muzeum te 
Munchen), „Gentsche Poorters met Hertog Filips den Stoute 
onderhandelend over de kapitulatie hunner Stad in 1383", en het 
werkelijk meesterlijke stuk, dat prijkt in het Muzeum te Leipzig, 
„De Vermaning". 

Ook de in de Warthburg voorkomende muurschildering „Lu- 
thers Jeugd" verdient vermeld te worden. 

Pauwels was professor in de „Kunstschule" te Weimar van 
1862 tot 1872 en van 1876 af professor in de „Akademie" te Dres- 
den, waar hij den titel van „Hofrath" verwierf en den 28 Maart 
1904 overleed. Ook de „Koenigl. Gemaelde-Galerie" aldaar bezit 



52 DE HISTORIESCHILDERING NA HENDRIK LEYS. — EPIGONEN. 

een groot historisch tafereel van zijn hand, „Graaf Fihps van 
Elzaten in het Mariagodshuis te leperen" (1877). 

Zonder metterdaad leeriingen van Leys te zijn geweest, bleven 
de gebroeders de Vriendt, alles wel beschouwd, nog wel meest 
van allen getrouw aan diens geest en richting, ik zeg niet, op- 
zettelijk niet, aan zijn uitwendige werkwijze, en met hen, maar 
geheel anders weder, de haast vijftien jaar jongere Léon Frédéric. 

De gebroeders de Vriendt debuteerden in een tijd, toen het 
materialistisch realisme van Champfleury en Courbet zijn zege- 
tocht door Europa hield. 

En zeker is het geen alledaagsch verschijnsel, hoe twee jeugdige 
en onervaren Vlaamsche jongens, in weerwil van hun volledige 
bekendheid met de stroomingen van den tijd, van den heerschen- 
den smaak wisten verschoond te blijven, en hoe zij, als met opzet 
zich schrap zettend tegen de eischen van de openbare meening, 
hun intrede in de kunstwereld deden met onderwerpen, die vast 
eenieder toen verouderd, uit de mode, niet „up to date", bijna 
belachelijk moesten schijnen. 

Juliaan en Albrecht de Vriendt waagden het tusschen 1860 
en '65 hier ongeveer datgene te doen, wat later in Duitschland 
door Fritz von Uhde, von Gebhardt en Hugo Vogel gedaan werd. 

„Hoe de Heilige Genoveva door de Engeltjes begraven werd", 
1864, „Hoe de H. Godelieve stierf", „Hoe de Herders het Kindje 
Jesus bij zijn Geboorte vierden", 1866, waren de drie voornaamste 
onder de vroegste stukken van Juliaan. 

„De H. Elizabet in Gebeden", 1865, „Hoe Lukas de H. Maagd 
schilderde," 1866, „Hoe de H. EHzabet en haar Kinderen te 
Eisenach onthaald werden", waren de titels van de eerste ver- 
dienstelijke stukken van Albrecht. Idealistische onderwerpen dus 
in een door het meest overtuigd realisme beheerschten tijd. 

Legenden, eenvoudige, kristelijke legenden in een omgeving, die 
alleen voor tastbare werkelijkheid toegankelijk was! 

En nog iets meer waagde Juliaan te doen : hij stak de herders in 
de kale, maar schilderachtige kleedij van Bruegels boeren. 

En dat het laatste niet enkel toeval was, maar wel degelijk met 
een wel overlegd plan in verband stond, blijkt duidelijk uit ver- 
scheidene andere schilderijen uit dienzelfden tijd, o. a. uit „De 
Heilige Famiüe te Nazareth", 1867, waarin wij dezelfde kostumen 
terugvinden. 



DE HISTORIESCHILDERING NA HENDRIK LEYS. — EPIGONEN. 53 

Later, veel later, rond 1894, zal hij, de aanbidding der herders 
voor de tweede maal behandelend, hedendaagsche Brabantsche 
boeren en boerinnen in hun gewone kleederdracht laten optre- 
den 1). 

Een fijn en echt Vlaamsch gevoel voor archaïsche schilderach- 
tigheid, gepaard met een verzorgde, meer naar karakter dan naar 
schoonheid van lijnen strevende teekening en een levendigen zin 
voor streelende kleurenverscheidenheid, waren van eerst af de 
voornaamste kenmerken van het werk der beide broeders. Geen 
van hun schilderijen bijna, of een of ander open deur of venster 
geeft er uitzicht op een stadsgezicht onder het heldere blauw 
en wit van hemel en wolken, en, te midden van wat groene boo- 
men, wat grijze of blauwachtige daken boven rood-steenen muren. 

Na en met den al te zonderling en onrechtvaardig miskenden en, 
door enkelen voor waanzinnig uitgekreten Louis Delbeke (1831 — 
1891), die in de Hallen van leperen een reeks muurschilderingen 
voltooide ^), welke hem stempelden tot een artiest, die, „noode 
in voorgeschreven perken dravend", tegelijk episch van opvat- 
ting, edel van kleur, monumentaal van stijl wist te zijn, zijn 
Albrecht en Juliaan de Vriendt van alle negentiendeeuwsche 
Vlamingen ook degene, die, na Leys, den fijnsten zin en den gun- 
tigsten aanleg bezaten voor de monumentale schildering. 

Albrechts groot tafereel, „Hoe Flips de Schoone trouw zwoer 
aan de Keuren van de Stad Veurne", en de geheele reeks van 
niet minder dan elf groote voorstellingen, door hem van 1890 tot 
1900 uitgevoerd op de wanden van het Brugsch Stadhuis, over- 
treffen in menig opzicht al wat Guffens en Swerts, Pauwels, 
Lagye, Cluysenaar, Hennebicq, van der Ouderaa, Ooms en de 
Lalaing in dien aard schilderden. 

Van Juliaan, die door de stad Brugge geroepen werd, het werk 
van zijn overleden broeder te voltooien, kennen wij, in dit vak 
het groote dekoratieve stuk uit het Antwerpsch Gerechtshof : „Te 
Antwerpen zijn alle burgers vrij en zijn er geen slaven." 

Karel Ooms moge nog zoo ongelijk zijn, op verschillende tijdstip- 
pen van zijn loopbaan leverde hij ontegenzeggelijk schilderwerk. 



') Brusselsch Muzeum, „De Herders te Bethlehem", ook bekend als „Het 
Kerstliedje". 

*) Schetsen hiervan in 't Muzeum voor dekoratieve Kunsten, Brussel. Des te kos- 
telijker deze schetsen, daar, eilaas! de muurschilderingen — echte fresco's — tijdens 
den oorlog vernield werden. 



54 DE HISTORIESCHILDERING NA HENDRIK LEYS. — EPIGONEN. 

Zijn „Alva" en zijn „Verboden Lektuur" ^) behooren voor al 
wie onpartijdig kan en wil oordeelen, tot de degelijkste dingen, 
welke het historisch vak na Leys en Lies opleverde. Het zijn een- 
voudig gedachte, maar ondanks dien eenvoud breed-synthetische 
bladzijden, die, door de kracht van de uitvoering even goed als 
door de emotie, die zij opwekken, de voorkeur verdienen boven 
tal van figurenrijkere voorstellingen als b. v. de toch wel verdienste- 
lijke „Hendrik IVteKanossa" van Cluysenaer en andere werken,die 
destijds 'looger geprezen werden dan Ooms' bescheiden stukken. 

Ook V in het kleiner aantal zijner religieuze schilderijen is het mij 
aangenaam een enkel haast onvoorwaardelijk te kunnen prijzen. 

„Jezus en zijn Discipelen op het Meer van Galilea" is niet alleen 
het allerbeste, dat hij in dat vak voltooide; het is een bladzijde vol 
grootsche en ware poëzie, met iets en zelfs nog al veel van die 
overweldigende fantazie, welke men in den slecht schilderenden 
Böcklin bewondert. Het meer, waarboven een onheilspellend 
zwerk zwalpt, nachtelijk zwart, hoog en dreigend, enkel op 
één plaats zilverwit verlicht door een straal der onzichtbare 
maan, heenglurend door de wolken. Klein dobbert het vaartuig 
aan, waarrond als slangen de wateren opkrullen, en alleen de 
blondharige Rabbi lost zich, wat heller, onder zijn gezellen af. 
Een arbeid van werkelijke dichterlijke emotie. 

P. J. van der Ouderaa en Willem Geets waren in de allereerste 
plaats mannen van smaak en ontwikkeling. Nooit zette'n zij zich 
aan den schilderezel, zonder voorafgaandelijk een interessante, 
wij zouden haast zeggen: lezenswaardige stof uitgekozen, en 
zich afgevraagd te hebben, hoe zij deze stof het fraaist en volle- 
digst, maar ook het litterairst zouden behandelen. 

Hun smaak veropenbaarde zich niet alleen in de wel eens 
gezochte keuze der kleuren, den sierlijken vorm van gewaden en 
meubelen, het zeer te pas aanbrengen van menig klein détail, 
maar tevens in de liefderijke, meestal te angstvallige zorg, waar- 
mede elk lijntje getrokken, elk plooitje gelegd, elk toetsje aange- 
bracht werd. 

P. J. van der Ouderaa (1841 — 1915), die misschien ongelijk 
had, al valt het op zichzelf te waardeeren, op meer gevorderden 
leeftijd, namelijk rond 1890, zijn kleuren te willen temperen naar 
meer moderne opvattingen, voltooide meer dan één historisch of 

*) Brusselsch Miizeum. 



DE HISTORIESCHILDERING NA HENDRIK LEYS. — EPIGONEN. 55 

godsdienstig tafereel van onbetwistbare verdienste, waaronder ik 
gaarne vermeld zijn voor het Antwerpsch Gerechtshof uitgevoerd 
verdienstelijk doek: „Antwerpsche Poorters kunnen alleen door 
Antwerpsche Rechters berecht worden", en vooral zijn diep ge- 
voelde „De Smartenmoeder en Joannes" en „De H. Familie te 
Nazareth", twee werken, die — zij 't ook in een anderen trant 
en in een meer moderne gamma — geenszins verbleeken bij zijn 
uitnemenden „Mondzoen" (1879). 

Naar mijn meening zijn de beste stukken van Willem Geets 
(1838 — 1919) juist die, waarin hij die groote bezorgdheid, om 
toch wat schoons, wat oogstreelends voort te brengen, het aller- 
minst poogt te verbergen: „De Bekentenis", 1872, „Joanna de 
Zinnelooze" (1876) ^), dit tweede zeer merkwaardig door de 
prachtig verzorgde kleedijen — „Barbara Blombach" (1885), 
„De Les van den Nar" (1855), „Rouwbezoek" (1888) en „Ver- 
loren Moeite", kan geen oprecht kunstbeoordeelaar zonder vol- 
doening beschouwen. 

En toch, wanneer ik de schilderijen der laatste dertig jaren 
vergelijk met die, welke tusschen 1868 en 1 890 ontstonden, moet 
ik onder meer dan één opzicht deze boven gene stellen. Noch 
voor de zeker rijpere tekniek, noch voor het misschien volmaak- 
ter koloriet blijk ik ongevoelig; doch het eigenaardige delikate 
bijsmaakje, dat een vrij wat stouter ouderwetsch-zijn de eerste 
stukken bijzette, ontbeer ik hier zeer tot mijn spijt. 

De zeven of acht stukken uit het leven van Joanna van der 
Ghinste, het Oudenaardsche volksmeisje, door Geets met evenveel 
voorhefde als poëzie behandeld, zijn in dit opzicht, met „De Be- 
kentenis", zijn beste dingen. 

„Karel V met Joanna bij de Wieg hims Kinds" (1870) was mis- 
schien zijn meesterstuk: dat was gevoelde en gevoelvolle kunst,een- 
voudig als een gotisch altaarpaneel, en psykologisch diep en waar. 

Rond 1880 — 85 scheen het, een korte spanne, als zou voor de 
religieuze en historieschildering een nieuwe Lente aanbreken. 

Eenige begaafde jongeren, debutanten nog daaronder, beproef- 
den het, deze onder den invloed van Bastien — Lepage („Jeanne 
d'Arc et ses Voix"), een tweede onder dien van Fritz von Uhde, 
een derde, gedreven door eigen impulsie, het theatrale, overeen- 
komstelij ke, overspannen stijve, dat het vak zoo licht aankleeft, 

') Antwerpsch Muzeum. 



56 DE HISTORIESCHILDERING NA HENDRIK LEYS. — EPIGONEN. 

te vernietigen of ten minste te verminderen door een soort van 
verzoening met de volkszedenschildering, het nastreven van een 
eenvoudiger insceneering, van inniger en warmer menschelijkheid. 

Grootendeels aan eigen aandrang gehoorzaamde zeker Graaf 
Jacques de Lalaing, toen hij, in 1884 en 1885, deze twee reus- 
achtige tafereelen voltooide, die toen algemeen opzien baarden 
en van hun schepper verwachtingen deden koesteren, welke hij 
niet geheel verwezenlijkte," De voorhistorische Jager" ^) en 
„Voorhistorische Kampioenen." 

De invloed van den toen in België zeer gevierden Franschman 
Cormon moge aan het ontstaan van deze monumentale schilde- 
rijen niet geheel vreemd zijn geweest. . . . Werk van grooten stijl 
zijn zij daarom niet minder. 

Een overweldigenden indruk van brutale waarheid en groot- 
sche poëzie tegelijk maakt op den toeschouwer die machtig ge- 
spierde jonge wilde, die, in zijn hol gezeten, te midden van een 
vijftal reusachtige honden, met geen andere werktuigen dan 
zijn eigen mond, handen, voeten, zich een boog vervaardigt. . . . 
Het koloriet moge al even weinig rijk en stout als nieuw zijn! Het 
doet, wat het doen moet en laat, trouwe bondgenoot van een met 
zeer veel kunde aangewend licht, den voortreffelijken onberis- 
pelijken bouw van mensch en dieren uitkomen. 

Ook „De Kampioenen" zijn machtig werk. Verbeeld u een 
bronzen groep, beeldhouwwerk van een Michel Angelo b.v., voor- 
stellende twee op reuzenpaarden zittende naakte Titanen, die 
malkaar in wilden kamp omarmen. Ziedaar, in twee regels de be- 
schrijving van deze eigenaardige schepping, door den schilder 
naar een wassen maket van eigen maaksel uitgevoerd. 

De kleur is, wat zij alleen kon en moest zijn, die van het brons. 
Doch, wat een kracht, wat een beweging in die figuren! Rafaël 
noch Rubens ontwierpen edeler, machtiger ros dan het op zijn 
achterpooten steigerende dier! Met welke maëstria is het figuur 
geteekend van den eenen ruiter, die zich, met een stout gebaar, 
vooroverbukt naar zijn vijand! 

De Lalaings „Kampioenen" bezitten evenveel, ja meer uit- 
sprong of reliëf dan menig beeldhouwwerk. 

Léon Frédéric, die tot wel rond 1 876 of 77 onder Lepages in- 
vloed zou blijven, behandelde, in 1880 of '81, „De Legende van 

* Brusselsch Muzeum. 



DE HISTORIESCHILDERING NA HENDRIK LEYS. — EPIGONEN, 57 

S. Franciscus van Assisi" in een drieluik, dat, met zijn hoeveel- 
heid kleine figuren van menschen en allerlei gedierte, spelemei- 
end of biddend te midden van een weelde van bloemen en planten, 
alles met de meeste nauwgezetheid tot in de onderdeden afge- 
werkt, aandeed bijna als het werk van een quattrocentist. 

In 1883 verscheen Gustaaf van Aises „Sint Lieven, de Apostel 
van Vlaanderen i)". Door den algemeenen kleurtoon opvallend 
verwant met de toen bij zoovele jongeren zoozeer bewonderde 
werken van Bastien Lepage, gaf het groote, heldere doek een 
samensteUing te zien van buitengewonen eenvoud, wars van den 
heelen rommel van vooreeuwsche wapens, kostumen, instru- 
menten, meubels, enz., waarmee de groote kunst zoo gaarne 
pronkte. 

Alleen de apostel, natuurlijk in bisschoppelijk ornaat, ziet er 
uit als een historisch figuur ; de hem omringende boeren en her- 
ders van verschillenden leeftijd zijn menschen zonder meer. 

Dit was beter dan antikwiteiten! Het was gevoel, leven, natuur. 

In 1884 trad van Strydonck op met zijn „Tobias"-drieluik, 
voorstellende het vertrek van den jongen Tobias, de vangst 
van den visch, de genezing van Tobias' blindheid. Zonder 
zich te storen aan archeologie of ethnografie, verplaatste van 
Strydonck de drie epizoden uit het Boek Tobias in onze Vlaan- 
dersche gewesten. Het middenstuk: een hoeve, omgeven van een 
netjes verzorgden moestuin, zooals men er in de omstreken van 
Brussel overal te zien krijgt ; de linke vleugel : dezelfde woning, 
op den dorpel waarvan vader en moeder him op reis gaanden 
zoon, een kind bijna, vaarwel roepen: lentegroen siert het veld; 
wdtte bloesems bloeien op de boomen en gele en roode kelkjes 
wiegelen in 't gras! 

De aartsvader en zijn echtgenoote zijn nauwelijks geïdealizeer- 
de ouderlingen uit Vlaanderen ! De Adonis-schoone reisgezel van 
zijn zoon is, ondanks den nimbus om zijn hoofd, niets anders dan 
een menschenkind zonder meer. 

Van de al meer gevorderde en gerijpte ouderen, rond denzelf- 
den tijd, steunden de beweging, elk op eigen trant, de gebroeders 
de Vriendt, Albrecht door een duidelijker, krachtiger toeleg op 
syntheze en stijl: „Paulus III vóór Luthers Beeltenis" ^), Ju- 



') Gentsch Muzeum. 
*) Antwerpsch Muzeum. 



58 DE HISTORIESCHILDERING NA HEYDRIK LEYS. — : EPIGONEN. 

liaan door een verdichterlijken van zijn onderwerpen, gepaard 
met een verplaatsen van deze in het werkelijke leven van het 
Westen of zelfs het Oosten van heden: „De Herders te Bethle- 
hem", „Maria en de Evangelist Joannes". Het eerste van beide 
is zoo goed als populair ; maar ook 't ander is een werk vol ware 
ontroering. In Syriesche dracht, den tulband op het langgebaarde 
hoofd, zit op een open terras, met uitzicht op Jeruzalem, de stil- 
aan oud-wordende apostel. In droeve droomen verdiept Maria. 
Achter beiden, in het zijig-stemmig donkerblauw van den nacht 
zacht weggedoezeld de Olijfberg, Golgotha, de tempel, de stad. 
Verscheidene dezer werken, heel zeker daaronder die van de 
beide de Vriendts, Frédéric, van Strydonck en één van de La- 
laing, prijkten in diezelfde XXXIIIe drie j aarlij ksche te Brussel, 
1884, waarin ook „De Pest te Doornik in 1092" ^) van Louis 
Gallait voor 't eerst gezien werd. 

Welsprekender dan ooit te voren werd, door de eenvoudige ver- 
gelijking van deze vier werken onderling, al het bombastisch val- 
sche, de theaterachtige kunstmatigheid, de deerlijke leegheid van 
de eens officieele en akademische richting bewezen. 

Hoe oneindig hooger stond dan niet, als kunst, wat een veel 
dieperen blik gunde niet in het innigste leven van de ware, onver- 
bloemde historie het simpele genretafereel van Felix-Julien ter 
Linden,,, In 1793" getiteld! In een hooge, ruime, adellijke, o! zoo 
eenzaam-ledige zaal met zware arduinen schouw en witte wan- 
den, waarop twee portretten van patriciërs zich aflossen, zit, 
spinnend en denkend, een oude dame, geheel alleen .... Al het 
weemoed volle en vergeef sche na- en weer verlangen van een voor 
eeuwig bezweken regiem, van een voor eeuwig verzonken samen- 
leving. Geschiedenis, herleid tot haar eenvoudigste uitdrukking, 
essence van geschiedenis en juist daarom zoo intens werkend op 
ons gevoel. Overigens, gedaan met ware meesterschap. 

Het ware al te zeer onbillijk, zoo ik hier niet gewaagde van een 
kunstenaar die, van omstreeks 1886 tot 1900 vrij geregeld deel 
nam aan onze driejaarlij ksche tentoonstellingen en wiens werk en 
werkwijze tot heden toe in den meest uiteenloopenden zin bespro- 
ken worden, namelijk Henry de Groux, den jongsten zoon van 
den grooten en ge vierden Charles. 



•) Brusselsch Muzeum. 



DE HISTORIESCHILDERING NA HENDRIK LEYS. — EPIGONEN. 59 

Henry de Groux mag noch kan men doodzwijgen, wanneer men 
degenen herdenkt, die de historieschildering hebben pogen te ver- 
jongen. 

In 1886 stelde hij ten toon „De Processie van den H. Kolum- 
baan", een bijna reusachtig, zeer eigenaardig, eenigszins zonder- 
ling tafereel, waarin de nog zeer jonge durver en zoeker in een 
onwezenlijk, als gedroomd landschap, vóór ons Het verschijnen, 
neen, opschemeren als door een dunnen nevel, een drukke schare 
geloovigen van eiken stand, aangevende van elk figuur nauwe- 
lijks iets meer dan de essencieele lijnen van het silhoeët, versmel- 
tende alles in een harmonie van bleeke, waterachtige tonen, — een 
geheel, dat men wel had kunnen vergelijken met zekere figuren- 
rijke werken van Derkinderen. 

Eenige jaren te voren, in 1880 meen ik, had Henry de Groux, 
onder den gezamenlijken titel: „Waterloo", tentoongesteld drie 
„droomgezichten", — hij duidde ze zelf aldus aan: „Trois Rêves 
après la Bataille", — met name „De Molen te Fleurus", „De Weg 
naar Mont-Saint-Jean", „De holle Weg te Ohain" : vizioenen van 
bloedstorting en moord, zooals weinigen er ooit vermochten te 
scheppen, nachtmerries van een, jawel, overspannen fantazie, 
die te weinig rekening had gehouden met waarheid en werkelijk- 
heid, ten minste met het mogelijke en waarschijnlijke. Maar hoe 
aangrijpend van menschelijkheid waren deze vizioenen niet en 
wat een „frisson nouveau ", echter dan die, welken Mirbeau prees in 
Maerterhncks „Princesse Maleine", ging er van uit. Een „Optocht 
der Boogschutters van Machelen", een reuzendoek van 14 m. in 
de breedte en 3 in de hoogte, volgde in 1889. Dit werk was de 
„clou" van het jaarsalon van „De Twintigen" en het is mij nog 
heden onverklaarbaar, hoe dit buitengewoon merkwaardig ge- 
wrocht niet even goed als Frédéric's „Leeftijden van den Land- 
man" voor een onzer muzea werd aangekocht. 

Het was, — want, naar het schijnt, bestaat het niet meer! — 
in een zeer sober, bijna uitgewischt landschap, de in alle opzich- 
ten aangrijpende voorstelling van het hoofdoogenblik eener he- 
dendaagsche Vlaamsche kermis: de processie, groots en plechtig 
voorbij stoetend over een kerkhof, rond de met een Kalvarieberg 
en een Hel opgedirkte Kerk. 

In 1890 volgde zijn, bij de opening van de toenmalige Driejaar- 
lijksche, door haast de geheele toegestroomde menigte van. . . . 



60 DE HISTORIESCHILDERING NA HENDRIK LEYS. — EPIGONEN. 

Brusselsche en eldersche estheten en intellektueelen op wreed- 
aardig spotgelach onthaalde" Kristus, den Volke vertoond". 
Van architekturale motieven geen spoor ! Ja toch .... Van het 
pretorium ziet men een stukje kroonlijst in een niet te omschrij- 
ven stijl .... De legendarische pui, waarop de Man der Smarten 
staat, is geheel onzichtbaar, zoo hoog zwol en zwalpt nu de vloed- 
golf van het „plebs". . . . En de Zoon des Menschen staat, neen, 
zwijmelt, suizebolt, valt, leunend met den rechten schouder te- 
gen den linken van een woest-uitzienden, gehelmden en geharnas- 
ten Romeinschen soldaat, terwijl, links van Hem, een getulbande 
beul, die met zijn plompe rechte de touwen vasthoudt, waarmede 
de polsen van Jezus zijn aaneengebonden, Hem met de linke aan- 
toont en met wijdopen muil beleedigingen uitbraakt. Star, in 
het bleeke baardelooze gezicht van den Heiland, de uitpuilende 
oogen. In zijn rechte beeft de riettwijg. De spotmantel, dien men 
hem heeft omgehangen, handen van mannen, wijven, kinderen, 
rukken er aan, evenals zij trekken aan de koorden, waarmee zijn 
wit onderkleed is rond zijn lijf gebonden. En hij verdwijnt bijna, 
verzinkt, gaat te loor, als een waardeloos nietig „iets", dat bijna 
een „niets" is, vóór en in de wild op hem aanzwellende, aan- 
schuimbekkende stormzee van mannelijke en vrouwelijke furiën, 
van kinderen-harpijen, die, met verwrongen monden, huilend, 
scheldend, vermaledijdend, dreigend, de sterke of zwakke armen en 
gebalde vuisten naar hem uitsteken. Op den voorgrond bezwijmt, 
achterovervallend met neergolvende lange haren, een koertizane, 
— Magdalena! Op den achtergrond, van af de plaats, waar de 
beul Kristus geboeid houdt, tot aan den uitersten rand van het 
tafereel, zitten, met bepluimde helmen en geharnast, onder vlag- 
gen en standaarden, hoog op witte of zwarte paarden, onverschil- 
lig, plichtmatige toeschouwers, Romeinsche soldaten. Achter 
hen, in het midden, op een dreigend-zwarten hemel, een ladder en 
drie kruisen, op het middenste waarvan: INRI i). 

Den heugelijken dag, waarop dit tafereel van gloeiende veront- 
waardiging door het plebs der estheten en dilettanti uit Beule- 
mansgrado werd bespot als nooit in een vroegere tentoonstelling 
een ander kunstwerk, zal Henry de Groux, — ik zie hem nog 



') Ik schrijf dit alles uit het geheugen, daar ik op dit oogenblik geen lichtdruk van het 
werk bezit. En 't is 30 volle jaar geleden. Men vergeve *t mij, zoo deze, mijn „repro- 
duktie" met woorden geen volstrekt getrouwe „foto" is.... 



DE HISTORIESCHILDERING NA HENDRIK LEYS. — EPIGONEN, 61 

staan naast zijn „uitgefloten werk, bleek, ontdaan, verbijsterd 
van onbegrepen zijn, — zich zeker wel eenigszins gevoeld hebben 
als een anderen, den sjacheraars en farizeeërs der kunst en 
kunstkritiek voorgeworpen en prijsgegeven „Ecce Homo!" 

Wat mogen al deze werken, wat de Groux' „Terugkeer uit 
Rusland"; wat ook zijn tooneelen uit het dagelijksch leven, zijn 
„Jaarmarktgasten", zijn „Paljassen", zijn „Gansrijders", zijn 
„Doode Jurgen Faas" (naar de novelle van Georges Eekhoud) ge- 
worden zijn? 

Ik weet het niet ! Maar dat de tijd hier onrecht en groot onrecht 
pleegde tegenover een waarlij k bezielden kunstenaar, dat zou ik niet 
willen verzuimd hebben, hier luide en verontwaardigd te getuigen. 

Hier is het de plaats, om eenige waardeerende regelen te 
wijden aan een laatste evolutie, welke zich voordeed in de reli- 
gieuze schildering en reeds in feite voorbereid was door den in de 
jaren 1880 — 1890 in België zeer ge vierden Fritz von Uhde en aan- 
gekondigd door stukken als „Kerstliedeken" van Juliaan de 
Vriendt en, — veel luider en beslister — , door het hierboven be- 
sproken schilderij van Henry de Groux. 

„Vermenschelijkt" als zij nu was, Hep de religieuze schilder- 
kunst gevaar, haar kenmerkend „godsdienstig" karakter te ver- 
liezen — zooals het inderdaad in Frankrijk het geval was — men 
denke aan Tissot en Béraud — en in den dienst te treden van een 
zuiver politieke of maatschappelijke leer, een tendenz. 

Voor dat gevaar kon haar alleen datgene vrijwaren, wat, inder- 
daad, in de XVe en XVIe eeuw onze Primitieven in zoo hooge 
mate had bezield, „het mystieke gevoel". 

De eerste, die er, na eenige jaren van tasten en beproeven, in 
slaagde godsdienstige onderwerpen „mystiek" te doorvoelen, was 
de te Rotterdam in 1856 geboren Jakob Smits. 

Men heeft zekere van zijn tafereelen wel eens van al te nabij ver- 
want genoemd met gelijkwaardige voorstellingen van von Uhde. 

Dit mag in zooverre waar zijn, als ook Smits den Heiland laat 
optreden te midden van de wroeters en sla vers van onzen tijd, „in 
casu" de boeren en boerinnen van het stille Achterbosch-bij-Mol, 
waar hij sedert haast veertig jaar verblijft. Doch daartoe be- 
perkt zich dan ook de geheele verwantschap! Zijn uiterst eerlijke 
en robuste, op geen rafinnementen berekende, haast primitieve 
kleurbehandeüng, met, als welbewust vooropgestelde bedoeling, 



62 DE HISTORIESCHILDERING NA HENDRIK LEYS. — EPIGONEN. 

vooral het licht rijk en zuiver weer te geven, onderscheidt hem 
reeds opvallend en geheel tot zijn voordeel van de meestal kleur- 
arme schilderijen van den Beier. Maar nog veel meer onderscheidt 
hem van dezen zijn veel dieper menschelijk en vaak door onge- 
huichelde kristelijke mystiek geadeld en verheerlijkt gevoel. Eeni- 
ge van zijn schilderijen en akwarellen, o.a. die, waar hij ons Kristus 
toont, mede-aanzittend bij het maal van nederige heidebewoners 
of ontvangend, in den naren rooden schijn van den avond, den kus 
van den verrader, bekleeden in onze moderne kunst eengeheel 
eigen plaats. Zij zijn niet meer de voorstelling van een gegeven 
uit Kristus' leven, b.v. het laatste Avondmaal of Judas' verraad, 
— maar veeleer symbolen van die epizoden, of, juister, van wat zij 
in ethisch opzicht beteekenen, b.v. : door zijn leer van nederigheid 
en liefde is de Heiland steeds aanwezig in de woningen der arbei- 
denden ook van dézen tijd; valsche vriendschap zal te allen tijde 
het wapen zijn, waarvan laag-staande huichelaars zich tegen veel 
hooger-staande menschen bedienen. 

Een van Smits' behandelingen van „De Judaskus" ^), een akwa- 
relteekening van niet groote verhouding, is wellicht het volmaak- 
ste, wat hij zelf en wat de geheele religieuze schildering sedert 
1900 opleverde. 

Minder symbolisch, maar niet minder innig menschelijk zijn 
een aantal ontwerpen, welke de Mechelaar Alfred Ost, geboren 
rond 1880, in de jaren 1910 — 1914 uitvoerde, zonder er behoefte 
aan te hebben, ze aan het publiek te vertoonen. Hoogstens een 
tweetal, een voorstelling van „Het laatste Avondmaal" en een van 
„Het Overbrengen van Kristus naar het Graf", stelde hij ten toon. 
Voor het eerste werk vond de kunstenaar typen van plebejers, 
toonbeelden van dwepend geloof en hartstochtelij ken wil; voor 
het tweede expressies, houdingen en gebaren, die het summum 
van menschelijke ellende en deernis uitdrukken. 

Het ware te wenschen, dat de thans in de voUe vaag des levens 
staande kunstenaar opdracht kreeg, zijn ontwerpen voor een kerk 
of een kapel uit te voeren. Dat hij eerst dan de volle maat zou 
geven van zijn zeer groot talent en werk leveren van wezenlijke, 
ja, ongemeene waarde, daaraan kan nauwelijks getwijfeld worden. 

Dit voorrecht viel intusschen wel te beurt aan een anderen 



') Verzameling van den heer Mr. Burthoul, advokaat, te Brussel. 



DE HISTORIESCHILDERING NA HENDRIK LEYS. — EPIGONEN. 63 

jongen Vlaming, die zich, in de laatste vijf jaar, na een lange 
periode van in stille afzondering, maar in noesten en onverdroten 
arbeid gesleten voorbereiding, tot een reeds gevierd artiest ont- 
wikkelde, met name den op 4 April 1 883 te Gent geboren en sedert 
jaren te St, Martens Laathem verblijvende Albrecht Servaes. 

Zal hij hier in het Zuiden, evenals Jan Toorop, de veel oudere, in 
het Noorden, een nieuwe herleving van de rehgieuze kunst be- 
werken? Dat het behandelen van godsdienstige onderwerpen bij 
hem zoo goed als een natuurlijke roeping is, blijkt overtuigend uit 
het dubbele feit, dat hij van eerst af bij voorkeur door gebeurte- 
nissen uit het Nieuwe Testament werd aangetrokken, en dat hij, 
waar hij landelijke tooneelen schilderde, ook deze in een uitge- 
sproken religieuzen geest opvatte (o.a. „Begrafenis van arme 
Lieden", 1909, „Bezoek", 1911, „De Stervende", 1912). 

Evenmin als welk kunstenaar ter wereld zal Servaes, die, overi- 
gens een uiterst bescheiden, ofschoon zeer zelfbewust man is, be- 
weren, dat hij zuiver oorspronkelijk en absoluut zelfstandig is. 
Hij mag nog zooveel te danken hebben aan zijn inwendige stem- 
men, zijn aangeboren neiging; evenzeer als de schriften der groote 
mystieken, waarin hij zich zoo gaarne verdiept ^), heeft de kunst 
van den beeldhouwer-teekenaar G. Minne en van Jakob Smits 
invloed op hem geoefend. Die invloed reikt echter niet verder dan 
tot de uitwendige inkleeding van zijn onderwerpen; zij beperkt 
zich tot zekere eigenaardigheden in de teekening, de samenstel- 
ling. Het innerlijke van zijn opvatting en het uitdrukkingsver- 
mogen van zijn gezichten en gebaren zijn wel degelijk zijn eigen- 
dom. 

Door het innerlijke komt Servaes, ondanks het bij uitstek 
moderne van zijn vormentaal, het lyrisme der Primitieven, al- 
thans der meest lyrische en uitbundige onder hen, nabij. Als de 
Primitieven drukt hij in de eerste plaats zielstoestanden uit. 
Doch, waar de middeleeuwsche meesters het menschelijk drama- 
tische in hun rehgieuze kompozities wisten op den voorgrond te 
brengen, — ik denk aan van der Weyden, Bouts, Metsys, — daar 
is hij, hun late volgeling van heden, ondanks zijn zeer gedurfde 
leahteit, er veel meer op uit, de mystieke idealiteit, het innig reli- 
gieuze, het bovennatuurlijke, het goddelijke in het menschelijke te 

*) Wij vermoeden o.a. die van Katarina van Emmerick en van zekere achttiende 
eeuwsche heden nog weinig bekende Vlaamsche kloostermystieken. . . . 



• 



64 DE HISTORIESCHILDERING NA HENDRIK LEYS. — EPIGONEN. 

doen uitstralen. Naar mijn oordeel is hij dan ook veel nader ver- 
want met den zeer grooten Mathias Grünewald dan met de Neder- 
landsche Primitieven. 

Stukken als „Kerstnacht", 1917, „Kristus gedoopt" en „De 
Engelsche Boodschap", 1918, „Doode Kristus" en „Piëta" ^), 
1920, en vooral „Dood van de H. Terezia" ^) uit hetzelfde jaar, 
en overigens de geheele kruisweg van veertien staties, beide in de 
van nu af beroemde kapel der Karmelieten, te Oude God bij 
Antwerpen, zijn niet het werk van een met veel letterkunde ge- 
voed ideoloog, maar dat van een echt raskunstenaar, die streeft 
naar uitdrukkings volle lijnenrhythmiek en naar grootsche monu- 
mentaüteit. 

Teekenend voor de kunst van Servaes acht ik de volgende rege- 
len uit een aan mij gerichten brief: „God en de Natuur zijn mijn 
eenige leermeesters .... Naarmate mijn ziel khmt, klimt ook mijn 
werk. . . . Aan ieder werk besteed ik mijn beste krachten in diepen 
eerbied en grooten deemoed voor het grootsche onderwerp, om 
het even of ik het vond in de EvangeUën of in de levens der Heili- 
gen of in de Natuur en den omgang met de menschen .... Ieder 
van mijn werken moet zijn en is een gebed van liefde en van ge- 
loof!" 

Zooals Albrecht Servaes „werkt", werken alleen de allerbesten. 
Voor elk nieuw schilderij teekent of schildert hij een geheele reeks 
ontwerpen en studies en geen dezer schetsen, die niet, straks, het 
hare bijdraagt tot het tot stand komen van het geheel. Hoe moei- 
hjk hij zich zelf bevredigt, blijkt reeds hieruit, dat hij soms een- 
zelfde onderwerp, in een zelfde spanne tij ds, verscheidene malen 
behandelt. En toch streeft hij er, in elke dier proeven naar, om het 
onderwerp zoo mogelijk te overwinnen, te vernietigen. 

Zoo ontstonden in 1919 niet minder dan tien onderscheiden 
„Pieta's". ... De teekeningen, welke hij van 1916 tot 1920 ver- 
vaardigde voor zijn twaalf tafereelen, waarin hij „Het Leven van 
den Landman" poogde samen te vatten, zijn even voortreffelijke 
kunst als de schilderijen zelf. Zoo ook de zeven teekeningen uit 
1918 gewijd aan „De Passie van Kristus". 

Zeer bescheiden en roerend klinkt uit den mond van dezen rijk 



') Brusselsch Muzeum. 

2) De Kruisweg is geen schilder-, maar teekenwerk. 



DE HISTORIESCHILDERING NA HENDRIK LEYS. — EPIGONEN, 65 

begaafde de hoopvolle verzuchting: „Het beste hoop ik nog te 
mogen maken!" 

Ook bij de voornaamste uitingen van de monumentale of de- 
koratieve historieschildering na Leys moet ik een poos vertoeven. 
Reeds herdacht ik, met passenden lof, wat V. Lagye, Jul. en A. de 
Vriendt, Louis Delbeke in dit vak voortbrachten, doch zeker stel- 
de ik op verre na niet voldoende in het licht, hoe het werk van de- 
zen laatsten, veel te weinig gewaardeerden en bekenden meester, 
niet alleen, door tekniek en opvatting beide, ten strengste be- 
antwoordde aan al de eischen van de dekoratieve al fresco-schil- 
dering, maar daarenboven uitmuntte door een bizondere, den 
kunstenaar in vollen eigendom behoorende oorspronkelijkheid 
van teekening, stijl en koloriet. In deze onderscheiden opzichten 
overtroffen de fresco's uit de lepersche Lakenhalle stellig en verre 
al wat van der Ouderaa, Ooms, Lagye, de Keyser, Guffens en 
Swerts, de beide de Vriendts, en ... . zelfs Puvis de Chavannes 
ooit voltooiden. 

Van Leys' invloed getuigen ook wel de vijf historische taferee- 
len, welke, onder Albrecht de Vriendts leiding, in 1898 — 99 voor 
en in de trapzaal van het Antwerpsch Stadhuis werden uitge- 
voerd door Piet Verhaart, Karel Boom, E. Farasyn, Emiel de 
Jans en Hendrik Houben. 

Van deze voorstelHngen waardeer ik ongemeen die van den 
eerstgenoemde: opvatting, stijl, teekening, alle gewild archaïs- 
tisch, herinneren zeer zeker aan Leys' glorieuze voorbeelden. En 
toch wist Verhaert eigenaardig en zich zelf te zijn, ofschoon hem 
door het bij voorbaat vastgestelde programma luttel bewegings- 
vrijheid gelaten was. 

Verhaert weet ons niet alleen te verplaatsen in den behandelden 
tijd, dank vooral aan de voortreffelijk gevonden typen van man- 
nen en vrouwen uit eiken stand, waarin hij zijn eigen opvatting 
van de goede lieden uit het begin der XVe eeuw behchaamde ; hij 
slaagde er nog in, zijn werk aantrekkelijk te maken door het vin- 
den en aanwenden van nieuwe, stoute, nu eens zeer fijne, dan 
weer krachtige, altijd verrassende tonen. 

Ook Booms tafereel is verdienstelijk: „Antwerpens Beurs in 
1582 geopend". Uit de hier evenals in 't vorige stuk drukke menig- 
te lost zich, minder archaïsch, doch met meer uitsprong, menig 
kranig figuur, meer dan een mooie karakterkop af ... . Gebrek 

5 



66 DE HISTORIESCHILDERING NA HENDRIK LEYS. — EPIGONEN. 

van het geheel: een al te opvallende bontheid en een zwelgen in 
ondergeschikte bizonderheden, die 't groote geheel veel van zijn 
groots-heid ontnemen. Ik geef dan ook de voorkeur aan een drie- 
tal van de door denzelfden schilder voor het stadhuis van zijn 
geboorteplaats Hoogstraten in de jaren 1910 — 1918 uitgevoerde 
tafereelen, waarin veel meer gestreefd is naar grootschen eenvoud 
en synthezis. 

Van geheel anderen aard en gehalte, produkt van een vol- 
strekt anderen geest, is het werk van Emile Fabry, een in 
Walenland geboren, doch te Brussel opgeleid kunstenaar van 
groot talent. 

Fabry is een geboren dekorateur, die, zoo een gelukkig toeval 
hem in een ander en grooter land had doen ter wereld komen, al 
lang, met al de glorie van een wereldfaam, fortuin zou verworven 
hebben. 

Van ongeveer 1885 zond hij jaarlijks een aantal meest vrij groo- 
te kartons voor wandtapijten of ontwerpen voor dekoratie ve tafe- 
reelen naar de tentoonstelHngen van den Brusselschen Kunst- 
kring „Pour l'Art", zoodat hij, al werd hij van regeeringswege met 
geen enkele bestelling vereerd, ruimschoots gelegenheid had, zijn 
veelzijdige begaafdheid te veropenbaren. In al zijn werken ver- 
schijnt hij ons als een zoon van de Italiaansche Renaissance, min 
of meer misplaatst in het ijzeren tijdperk, waarin de Eifeltoren 
voor een kunstwerk gehouden werd. Met zijn geheele fantazie leeft 
hij in de heerlijke Helleensche Oudheid, in een wereld van zonne- 
goud en vorstelijk purper, bevolkt door de bevalligste figuren van 
de goden- en de fabelleer. Hij droomt olympische tafereelen, groe- 
pen en stoeten van goden en godinnen, van titanen en kuklopen, 
van muzen en graciën, die hij met strenge, doch bij uitstek har- 
monische lijnen en intense, aristokratisch zeldzame kleuren weet 
te omkleeden. Zijn tapijten wedijveren, wat samenstelling en kolo- 
riet betreft, met zeer veel van het beste, dat de Engelschen in dit 
vak leverden. Onder zijn schilderijen zou ik er kunnen aanduiden, 
die waard zijn, op één lijn gesteld te worden met geprezen werken 
van Watts, Burne Jones, Walter Crane. Zijn „Eiland Delos" 
(1900) is een voortreffelijk beeld van het in de hoogste kunstge- 
nietingen zwelgend Hellenen-volk. Al fresco uitgevoerd op eenigs- 
zins groote schaal, b.v. in de wandelzaal van een muzeum, zou dit 
gewrocht, waarvan elk figuur interesseert door gracie, bevallige n 



DE HISTORIESCHILDERING NA HENDRIK LEYS. — EPIGONEN. 67 

zwier, gevoel en plasticiteit van vorm, houding, beweging, eere 
grootschen indruk maken. 

De te Gent geboren Montald is de ontwerper van een grootscb 
geheel van wandtafereelen, welke, naar zijn opvatting, zouden moe- 
ten plaats vinden in de wandelzaal van Balats prachtigen bouw, 
het huidige Muzeum van Oude Meesters te Brussel. 

Een bizondere vermelding verdient het in alle opzichten mees- 
terlijk plafond, „De Rhythmus in het Heelal en in de Kunst", 
door Karel Mertens (1865 — 1919) uitgevoerd voor de nieuwe 
Vlaamsche Opera te Antwerpen naar een schema, gedacht en uit- 
gewerkt door steller van dit boek. Dit is een schepping zonder 
weerga in ons land, uitmuntend door diepte van vinding evengoed 
als door macht en pracht van kompozitie en stijl. 

Ook de tafereelen, door Graaf de Lalaing (1858 — 1917) in de 
jaren 1890 — 1894 uitgevoerd voor de eeretrap in het Brusselsch 
Stadhuis verdienen afzonderlijk besproken te worden. Zij ver- 
dienen dit én door hun goede, én door hun kwade hoedanigheden. 

Deze laatste zijn het onvermijdelijk gevolg van het feit, dat de 
kunstenaar de hem voorgeschreven onderwerpen heeft uitgevoerd 
in zijn eigen werkplaats; dat hij ze, evenals vóór hem Pauwels de 
versiering van de lepersche Hallen, heeft opgevat als „schilde- 
rijen", in stede van dezelve in de te versieren lokaliteit zelf, en 
dus van meet af aan in de noodzakelijke verhoudingen van licht 
en donker, hoogte en breedte, te ontwerpen en aan te leggen. 

De dekoratieschildering, in den eenen,waren zin opgevat, is ge- 
bonden aan geheel eigen wetten, door al wie gezond denkt heel 
gemakkelijk uit haar bizonder doel en wezen af te leiden. Een 
muur, ofschoon versierd, blijft toch altijd een muur, en niet alleen 
zal men op zulk een muur niet alles voorstellen wat men wel zou 
voorstellen op een beweegbaar paneel of doek, maar vooral zal 
men, wat men eenmaal besloten heeft, erop voor te stellen, geheel 
anders teekenen en kleuren dan op een voor vrije afzonderlijke 
omlijsting bestemd tafereel. 

Mijn eenige, maar voorname grief tegen het werk van de La- 
laing is de boven aangehaalde. Omdat hij, zij 't ook na ernstige 
nauwgezette voorstudies, zijn schilderijen heeft voltooid in zijn 
atelier, voldoet him kleur daar, in die eeretrap, lang niet zoo goed 
als de kleur van zijn beste, in allerlei tentoonstellingen geziene 
schilderijen. 



^8 DE HISTORIESCHILDERING NA HENDRIK LEYS. — EPIGONEN 

De portretten, die hij daar aanbracht, die van Frederik van 
Marselaer, van Jan van Loquenghien, van Everaart 't Serclaes, 
zien er uit als portretten, opzettelijk weggenomen uit hun oor- 
spronkelijke lijst, om hier te worden opgehangen. 

Ook van de eigenlijke voorstellingen uit en de allegorieën over 
Brussels geschiedenis maken de meeste den indruk van atelier- 
stukken. Zeer zeker : niet de eerste de beste voltooit zulke kompo- 
zities; men bewondert, zoowel in de „savante" teekening als in de 
levendige groepeering, het machtige talent van den schepper van 
„Een voorhistorisch Jager" en van „De Lansiers"; doch de kwali- 
teiten, welke men hier te waardeeren krijgt, zijn al te zeer die van 
gewone muzeumtafereelen, niet genoeg die, ja hoegenaamd niet 
die van ware dekoratieve schildering. 

Veruit het best geslaagd is, zonder twijfel, de versiering van de 
koepel. 

Een reusachtig belfroot, in Romaanschen stijl, lost zich af op 
een grauwkleurigen hemel, waarop, als onweêrszwangere wolken, 
allerlei fantastische wezens aandraven. Deze monsters : de geesten 
van Oorlog, Pest en Hongersnood, fladderen, met dreigende ge- 
baren, rond den toren, zinnebeeld der Gemeente, doch worden 
door den Aartsengel Michaël en zijn gezellen bevochten en tegen- 
gehouden. Poorters en poorteressen, in middeleeuwsche kleeder- 
dracht, verschuilen zich, huiverend van angst, achter de bouten 
en kanteelen van het belfroot. 

Zooals men ziet een zeer gelukkige allegorizeering van de aloude 
bede, prijkend, tot vóór luttel jaren, onder het O. L. Vr.-beeld op 
het oude Broodhuis: „A peste, fame et bello, libera nos, Maria 
pacis," 

De teekening van dit gedeelte is in ieder opzicht merkwaardig : 
sommige figuren, verkort gezien, zijn verrassend van leven en be- 
weging. 

Ongelukkig valt het den toeschouwer niet al te gemakkelijk, 
deze mooie kompozitie te genieten. Er is haast geen plaatsje te 
vinden, van waar men ze anders dan met ver achterover liggend 
hoofd beschouwen kan. De beide andere tafereelen zijn betiteld 
„Pro aris et focis" en „Pax civitatis". Dit laatste stelt voor een 
middeleeuwsche markt, met uitzicht op een havenreede; het 
andere de bloedige overwinning van geharnaste patriciërs en 
ridders door met bloed bespatte gemeentenaren. 



DE HISTORIESCHILDERING NA HENDRIK LEYS. — EPIGONEN. 69 

Wat de kleur betreft, voor een schilderij uitmuntend ,voor deze 
trapzaal te dof, te stil, te eentonig. Zij zingt mij niet genoeg ! Kor- 
tom, zeer verdienstelijk werk, doch als muurversiering werk van 
minderen rang van een artiest, die ons gewoon maakte aan „van 
't beste". 

Ook de Luikenaars Emile Berchmans en Auguste Donnay, de 
Brusselaars Jean Delville, Ciamberlani, Auguste Le Vêque, F. 
Khnopff, Paul Cauchie, de Antwerpenaars Emiel Vloors en Victor 
Hageman, bewogen zich, in de laatste 20 jaar, even ongelijk van 
verdienste als in zeer uiteenloopende richting, doch dikwijls met 
groot talent, op het veld der monumentale versieringsschildering. 
En zekere reeks wandschilderingen, waarin de talentvolle Karel 
Doudelet, van Gent, de welbekende teekenaar van zoo vele 
welgeslaagde boekverluchtingen en ex-librissen, in een zaal in 
de woning van mevrouw Maeterlinck, eenige tooneelen uit „La 
Princesse Maleine", het eerste sprookjesdrama van haar zoon 
Maurice illustreerde, mag hier, om zijn sobere uitvoering en zijn 
streng-logische architektonische opvatting ook wel herdacht 
worden. 



HOOFDSTUK VI. 
AFWIJKINGEN, — EENIGEN. 

„Uitzonderingen bevestigen den re- 
gel." 

Vooraleer ik mij nu met de derde ontwikkelingsperiode van 
onze Vlaamsche Kunst, of, juister gezegd, van onze Vlaamsche 
figuurschildering sinds 1830 bezighoud, komt het mij wenschelijk 
voor, nog een oogenblik te verwijlen bij eenige mannen van onloo- 
chenbare beteekenis, wier werken moeilijk tot een van de bewuste 
drie richtingen terug te brengen zijn : Madou (1796 — 1877), Wiertz 
(1806^1865), Alexander Thomas (1810—1894), Karel Verlat 
(1824—1890), Florent Willems (1823—1906), Louis Dubois (1830 
— 1880), WiUem Linnig Jr. (1842—1890), Fernand Khnopff (geb. 
1858) en een paar anderen. 

Op de antiek-klassieke richting hoef ik hier niet in te gaan. 
Weinigen hooren ertoe: P. O. Jozef Coomans (1816—1890), die, 
lang vóór Alma Tadema, maar op verre na niet met dezelfde ver- 
bazende, eiken hoogleeraar en vakman beschamende archeolo- 
gische wetenschap, evenmin met hetzelfde meer dan gewone 
talent van schilderen en vooral van teekenen, aan de Oudheid ont- 
leende onderwerpen behandelde, — zie o.a. „De Vriendschaps- 
beker" i); Stallaert (1825—1903), wiens „Troja in Brand" en 
„Dido's Dood"2) in hun breede, bijna dekoratieve behandeling,, 
ondanks een niet te miskennen neiging tot het deklamatorische, 
evenals van Biesbroecks „Orestes en de Furiën" en „Aristogitoon 
en Bitoon", toch verdienstelijk mogen genoemd worden, terwijl 
van de lateren Montalds „Opkomst van het Volk" ^) en vooral 
Delvilles „School van Platoon" zeker niet zonder verdienste zijn. 



*) Brusselscli Muzcum. 
*) Brusselsch Muzeum. 
*) „Antagonisme" was de oorspronkelijlce titel. 



AFWIJKINGEN. — EENIGEN. 71 

veel meer echter door samenstelling en teekening dan door het 
toch hoofdzaak blijvende koloriet. 

Inzonderheid is het werk van den laatste in zijn welbegrepen, 
dekoratieve opvatting, zijn stijlvolle samenstelling, zijn wel niet 
Vlaamsche maar toch aangename kleur, ondanks zekere een- 
tonigheid in de keuze van de typen, een schepping van onbetwist- 
bare poëtische waarde. 

Madou, die eigenlijk veeleer een grafisch kunstenaar was dan 
een schilder, — tot 1 840 was hij zelf uitsluitend als teekenaar en 
akwarellist werkzaam — is best te beschouwen als een te laat ge- 
komen, zij 't ook talentvol epigoon van zekere Vlaamsche genre- 
en anekdotenschilders, — vooral van Teniers en Ryckaert. 
Wat hij, met het teekenstift, voortbracht in zijn rond 1835( ?) ver- 
schenen „Physionomie de la Société en Europe depuis Ie XlVe 
Siècle jusqu'a nos Jours", in steendruk uitgevoerd in de konink- 
lijke drukkerij van Dewasme en Pletinck, en niet minder zijn kort 
na 1836 door de Brusselsche „Maatschappij van Schoone Kun- 
sten" uitgegeven „Scènes de la Vie des Peintres flamands et hol- 
landais", is zoowat schering en inslag gebleven van al wat hij 
later met het penseel uitvoerde ^). Zijn gebreken zijn en blijven 
die van de andere genreschilders uit de jaren 1830 — 40: Ferd. de 
Braekeleer „De Schoolmeester", 1836, „De Greef van Halfvas- 
ten", 1839;!. J. van Regemorter, „De Bruiloft van Jan Steen en 
Grietje van Goyen", 1836; I. A. de Bruycker, A. L. Hunin, J. B. 
Janssens, H. de Nobele, zelfs Dyckmans; en die zelfde gebreken 
vinden wij terug bij de latere epigonen van deze epigonen, van 
David Col af tot de gebroeders Portielje toe. Allen gingen en gaan 
zij heel zelden uit van werkelijk geziene dingen, maar meest van 
herrinneringen, behouden uit het werk van anderen. Zoo wordt 
hun observatie een ontleende, hun geestigheid een tweede-hands- 
geestigheid, hun vreugde en jolijt geveinsdheid, schijn en theater. 

Misschien waren de besten van de geheele groep van Regemor- 
ter, althans zoo zijn ontwikkeling in later tijd in evenredigheid 
was geweest met zijn werken uit de jaren 1830 — 40, o. a. met 
„Oud Man en jonge Vrijster", „Jong Meisje verrast door een 
Matroos" en de reeds gemelde „Bruiloft van Jan Steen en Grietje 
van Goyen"; en Eugeen de Block, die, in het salon van 1836 een 

') Madou'3 „Ph3^ionomie" bevat 15 platen. Het werk werd in het salon van 1836 
bekroond. 



72 AFWIJKINGEN. — EENIGEN. 

„Kennis in deOmstreken van Antwerpen" tentoonstelde, waarin 
hij niet alleen voor zijn tijd modern wist te zijn door het aanwen- 
den van het toenmalig kostuum, maar tevens ongeveinsde, op- 
rechte, geleefde volksjolijt wist uit te drukken in een tooneel vol 
van alleen maar wat al te rumoerig bewegen! 

Hoe jammer, dat geen dezer twee kunstenaars er toe kwam, de 
mooie beloften van die jaren te verwezenlijken. 

De Fransche kritikus, Gabriel Séailles, heeft het volgende, on- 
gemeen juiste oordeel over Madou en terzelf dertijd over de geheele 
groep, waarvan hij het centrum en het voorbeeld was, uitgespro- 
ken : „Madou s'est efforcé de retrouver Ie style de Teniers et des 
van Ostade, et il a pu croire qu'il avait réussi k rattacher ainsi, 
comme Leys, l'école nouvelle aux traditions du passé. Il a beau- 
coup de talent et les vingt tableaux qu'on exposé ^) ont vraiment 
l'intention d'être d'un gaité folie. Trop de talent, trop d'intentions, 
pas assez de génie .... Il faut que Ie rire monte aux lèvres sans 
qu'on y songe, pour qu'il se communiqué. L'effort pour être gai a 
quelque chose d'inquiétant comme la dissimulation d'une tristesse. 
Les paysans de van Ostade boivent, dansent, s'embrassent et se 
cognent pour leur plaisir, sans songer qu'on les regarde : les per- 
sonnages de Madou ressemblement k des acteurs grimes qui ne 
s'amusent que pour amuser les autres. lis jouent merveilleuse- 
ment, imitent tres bien, mais ce n'est pas la vie, c'est la grimace 
de la vie " 

Het is zeker te betreuren, dat Madou zijn niet gering talent niet 
veeleer tot het weergeven van de op heeterdaad betrapte natuur 
heeft aangewend. Dat hij daarvoor was opgewassen,schijnen een 
zeer gering aantal van zijn werken te bewijzen, o. a. het in 1845 
voltooide „De Verzoeking" (LaTentation), „Een Rat! Een Rat!" 
in de verzameling van wijlen Leopold II; „Het Vaderlandsche 
Lied", nog uit 1871, destijds als n°. 72 verkocht in de veiling van 
de verzameling der Gebroeders Delehaye, 1 8 Mei 1 880, Antwer- 
pen, al werken van wezenlijke verdienste en van onmiskenbare 
humoristische kracht. Overigens staat, in dit opzicht, Adolf 
Dillens (1821 — 1877), van wien zekere Zeeuwsche volkstypen, 
ofschoon eveneens veel te opgesmukt en te glad, toch heel wat 
nader bij de natuur zijn en vooral iets van de gezonde goede 
luim van het volk behouden hebben, stellig een eind boven hem. 

•) Jubileumtentoonstelling van 1880. 



AFWIJKINGEN. — EENIGEN. 73 

Tusschen de opvatting van de Block en die van Madou hebben 
de latere geslachten overtuigd en zonder aarzelen de eerste ver- 
kozen. 

Het aantal genreschilders, die hun toevlucht namen tot voor- 
eeuwsche meubels en kleederen, nam af van jaar tot jaar. De 
meeste jongeren, slechts enkele van middelmatige begaafdheid 
uitgezonderd, veropenbaarden zich als overtuigde modernisten, 
evengoed wat betreft de kleurbehandeling als de keuze en inklee- 
ding des onder werps. 

Dat alleen deze laatsten — o! nog geenszins altijd! maar dan 
toch nu en dan — ons iets nieuws te aanschouwen geven, springt 
in 't oog. Hoe groot hun talent, hoe bewonderenswaardig zelfs hun 
kunstvaardigheid weze, toch zijn degenen, die hun anekdotenhel- 
den in een acht- of zeventiende-eeuwsch kostuum steken, er 
schier onvermijdelijk toe veroordeeld, ons in stede van levende 
wezens min of meer aardige popjes, in stede van natuur en werke- 
lijkheid een min of meer theatrale konventie te vertoonen. Hun 
kunst is een kunst van lageren rang ; het vak, dat zij beoefenen, 
is niet de schildering naar het leven, veel meer die naar de doode 
natuur; zij schilderen geen menschen, maar kostumen en meube- 
len, geen werkelijkheid, maar verzonnen theatertooneelen. Bij 
het beschouwen hunner tafereelen, — en van dezen regel zonde- 
ren wij enkel een of twee algemeen erkende meesters, voornamelijk 
Willem Linnig Jr. uit, — denkt men zelden of nooit aan oor- 
spronkelijken, personeelen arbeid, maar veeleer aan kunstige 
kopieën van beroemde gewrochten, welke men vroeger reeds in een 
of ander muzeum bewonderd heeft. Als vanzelf wordt men er toe 
gebracht, hun proeven met de kleine wonderwerkj es van de oude 
meesters te vergelijken, en. . . . dat deze vergelijking juist niet 
ten gunste der „allerjongste navolgers" pleegt uit te vallen, is toch 
op voorhand bewezen ! 

Een man van uitzonderlijke begaafdheden was zeker wel de 
trotsche, driftige Antoine Wiertz ^), wiens muzeum te Brussel 
vóór jaren meer buitenlanders aantrok dan alle andere muzea van 
België te zamen. De beruchte uitvinding, waarvan hij zelf zoo hoog 
opgaf en zooveel goeds verhoopte, en die hij zelf ,,matschilderen", 
„peinture mate", doopte, laten wij hier liefst onbesproken. 



*) Hij werd geboren te Dinant; zijn vader was herkomstig uit Rocroy. 



74 AFWIJKINGEN. — EENIGEN. 

Niet daarin ligt zijn beteekenis, evenmin als in zijn niet geslaagde 
poging, om Rubens als menschenbezieler en koloriest te evenaren. 

Zijn beteekenis, ik zou haast zeggen, zijn overigens zeer rela- 
tieve grootheid, bestaat hierin, dat hij hier te lande de eerste was, 
die de kunst liet „denken", haar met de betrachtingen van het 
steeds voorwaarts schrijdende menschdom bekend maakte en ver- 
zoende. 

Volgens dezen wijsgeerigen romantieker had de kunst nog een 
hoogere en betere bestemming dan enkel een uiterlijke streeling 
van de zinnen, dan een uitsluitelijke, ofschoon zoo volmaakt 
mogehjke aanwending van vorm en kleur te zijn. Uitgaande van 
deze onomstootbare waarheid, dat de kunst tot den mensch 
spreekt, en dat zij ook op de ziel, op den denkenden, alles uit- 
vorschenden en ontledenden geest en geenszins enkel op het ge- 
voelig gemoed indruk kan teweegbrengen, kwam hij, natuurhjk 
niet dan bij middel van een vernuftig sof isme, tot het besluit, dat, 
om waarlijk menschelijk te zijn,de kunst als vertolkster van waar- 
heden, als zedeleerares niet alleen mag, maar moei optreden. 

Nu ligt in dit verheven pogen juist zijn grootste en grofste fout. 
Wiertz kwam er weldra toe, essencieel „letterkundige" met wezen- 
lijk plastische onderwerpen te verwarren en liep zoodoende te loor 
in het vervelendste van alle genres, in de halfslachtige didaktiek, 
de „peinture écrite" of beter „littéraire". 

Daarbij komt nog, dat zijn stukken op meer dan één plaats niet 
van duisterheid in de voorstelling, ja, zelfs van onklaarheid in de 
opvatting zijn vrij te pleiten. 

Wiertz wist het evenwicht niet te behouden tusschen de diepte 
van zijn eigen opvatting en de betrekkelijk geringe middelen, die 
zijn talent hem ter beschikking stelde. Zijn kunstenaarshoogmoed 
ging zijn kunnen ver te boven. Lang niet altijd heeft hij de gren- 
zen tusschen „poëzie" en „beeldende kunst", grenzen, door hun 
wezen zelf tusschen deze beide uitingen van het vernuft getrokken, 
geëerbiedigd. Vandaar, dat de bezoekers van zijn muzeum genood- 
zaakt zijn, een beschrijvend en ophelderend kataloog te raad- 
plegen. 

Doch ook déze fout heeft men overdreven, en niemand, die voor 
ontwikkeld man wil doorgaan, hoeft lang naar de filozofische be- 
teekenis van verscheidene van zijn schilderijen als „Un Grand de 
la Terre", „Le Triomphe du Christ", „Le Phare du Golgotha", te 



AFWIJKINGEN. — EENIGEN. 75 

raden of te zoeken. Deze schilderijen ten minste zijn, evenals zijn 
beroemd en imponeerend „Gevecht van Trojanen en Grieken om 
het Lijk van Patroklos", even duidelijk uitgebeeld als diepzinnig 
en klaar gedacht en opgevat. 

Ook de te Malmédy in 1810 geboren Alexander Thomas, leer- 
ling van von Schadow te Dusseldorf en van den jongeren van 
Bree te Brussel, is in zeker opzicht een geestverwant van Wiertz, 
ofschoon hij nooit onder diens invloed, maar veel meer onder dien 
van den Franschman Prudhon stond. Zijn werk mag evenmin als 
dat van de genoemden vrij zijn van rhetorika en gezwollenheid, 
zijn kleur nog zoo konventioneel en oppervlakkig, even aangrij- 
pende dingen als „Judas bij Nacht op Kalvarieberg" (1854) ^) 
werden er door de geheele inlandsche romantieke school na 1 830 
niet veel voltooid ^). Thomas overleed in 1894. 

Een schilder, die vooral in de jaren 1850 — 1870, zoowel te 
Parijs als in België, een ongeë venaarden, en naar ons oordeel 
enorm overdreven bijval had, is de te Luik geboren doch te 
Mechelen in de kunst opgeleide Florent Wülems, die van 1 844 af 
tot zijn dood te Parijs verbleef. Door de keuze van zijn onderwer- 
pen is Wülems een genreschilder ; door de wijze, waarop hij die 
onderwerpen behandelt, — geregeld laat hij zijn anekdoten spelen 
in de aristokratische, nu en dan ook in de burgerlijke wereld der 
XVIe eeuw, — is hij verwant met de historieschilders. Men zoeke 
bij hem niets van dien „frisson nouveau", welken Leys aan de 
vertolking van het verleden wist te geven. Evenmin iets van die 
„transposition d'époque", welke Gautier in den Antwerpschen 
kunstenaar roemt. Wülems' personages zijn en blijven menschen 
uit zijn eigen tijd, met smaak gekozen en met uiterste zorg 
aangekleed, d. i. historisch gekostumeerde „modellen". Maar hij 
weet aan die modellen ontegenzeggelijk den meest eleganten zwier, 
de meest gedistingeerde houding te geven ; hij geeft aan de vlee- 
zen een oogstreelenden, satijnachtigen glans; hij wordt het niet 
moede de kostelijkste kostumes te schilderen in de rijkste en 
tevens de smaakvolste Louis XlII-salons en hij doet het met 
onbetwistbaar meesterschap. 



') Brusselsch Muzeum. 

') Het zou leerrijk zijn, Thomas' „Judas" te vergelijken met Prudhons „Conseience 
OU Remords." 



76 AFWIJKINGEN. — EENIGEN. 

Tot zijn beste schilderijen reken ik, in het Muzeum te Brussel 
„De Opschik van de Bruid", „Het Feest bij de Hertogin", „De 
PrentenUefhebbers" en „De Weduwe", deze beide uit 1853; „De 
Dame met den Bloemtuü" en „De Handkus", die beide tot April 
1912 deelmaakten van de verzameling van Mevrouw Jan Cardon 
te Brussel, en „Het Toilet" (1859) in de Akademie, S. Petersburg. 

Moeilijk te rubriceeren is de te Brussel geboren, tot kunstenaar 
opgegroeide en ongelukkig veel te vroeg overleden Louis Dubois. 

Zijn werken zijn niet talrijk; en onder dezelve zijn er por- 
tretten, zeegezichten, landschappen, stillevens.... Zijn kunst, 
die achtereenvolgens den invloed onderging van Couture en 
Courbet, vooral van Courbet, ontbeert die bizondere kenmer- 
kende hoedanigheden, die van een schilderij doen zeggen: 
„Hoe Vlaamsch! Hoe Hollandsch! Hoe Fransch!" Zijn kunst is 
noch Vlaamsch, noch Fransch, maar zij is en blijkt „kunst" en 
steeds van werkelijk voortreffelijk gehalte. 

Vroeger dan de meeste van zijn land- en tijdgenooten wist en 
durfde Dubois, als beshst aanhanger van het toen allermodernste 
„impressionisme" op te treden. In de eenigszins pessimistisch ge- 
stemde tonenscala, welke hij van Courbet had overgenomen, 
schilderde hij, veel meer met breede, stoute vegen dan met toet- 
sen, maar raak naar het leven, steeds goed in hun omgeving gesitu- 
eerde doode of levende dieren, handelende menschen of portretten 
van menschen. Men beschouwe, in het Brusselsch Muzeum, het 
eenige, waar werk van hem te vinden is, dat kranige „Portret van 
mijn Vader", door Dubois uitgevoerd, toen hij pas 23 jaar oud 
was, of die „Ooievaars in een Landschap", voltooid in 1858, in 
een tijd, toen onze meeste landschapschilders nog ofwel hun zoo- 
gezegde kijkjes in eigen werkplaats uit hun duim zogen of naar in 
de natuur gedane, soms frissche en fijngevoelde schetsen, tehuis 
haarfijn gedetailj eerde gezichtjes bijeenkleuterden, waarin ware 
natuur ver te zoeken is. Nog breeder dan „De Ooievaar" is „De 
doode Reebok" uit 1863, en „Visschen met Bijwerk" uit 1874 is 
wellicht het kranigste stilleven, dat ooit een Belg, Vlaming of 
Waal, gelukken mocht. 

Wat Dubois vermocht als marineschilder, van welke primor- 
diale beteekenis zijn voorbeeld moet geweest zijn voor Artan, het 
werd ons duidelijk, toen wij, in April 1912, in de tentoonstelling, 
die de veiling van de verzameling van Mevrouw Jan Cardon 



AFWIJKINGEN. — EENIGEN, 77 

voorafging, mochten bewonderen een niet aanzienlijk, zoowat 
60 X 46 cm. groot doek, voorstellende „Het Noordzeestrand bij 
laag Water", een werk, dat, te oordeelen naar de kostumeering 
van een zestal dames en kinderen, tusschen 1850 — 1860 moet ont- 
staan zijn. Een zoo levende, ware zee had, vóór Dubois, wel nie- 
mand geschilderd, niet eens „gezien". 

En terecht mocht mijn nu betreurde vriend, Charles Léon Car- 
don, in het kataloog dier veiling het fijne stuk aldus beschrijven: 
„Une impression sereine et blonde de mer flamande, aux heures 
de la bonace, quand Ie vent léger fait jouer les prismes d'un ciel 
nacré, que Ie sable s'irise de petits micas et que la mer, au loin, 
se fleurit de tons de colchiques et de jacinthes comme une prairie 
chimérique." 

Overigens een klein toonbeeld van gevoelde en doorvoelde zoo- 
wel als „gekunde kunst". Dubois was, had hij langer mogen leven, 
een onzer allergrootsten geworden. Is hij het niet ook nu? 

Bij de behandeling van de romantieke periode vermeldden wij 
reeds terloops den naam van Karel Verlat, wiens plaats en rang 
gedurende lange jaren in de Vlaamsche school zoo in 't oog 
vallend waren, dat ik niet kan nalaten eenigszins over hem uit 
te weiden. 

Kunstenaar van zeldzame veelzijdigheid, verbeeldingskracht 
doch — eilaas ! — al te oppervlakkige ontwikkeling, daarbij werke- 
lijk kundig teekenaar, en, in zuiver ambachtelijk opzicht, een van 
de stoutste en vlugste „borstelaars" van zijn tijd, bezat Verlat 
schijnbaar al wat vereischt is, om een groot meester te worden. 
Ongelukkiglijk ontbraken hem, eerst een beetje smaak, daarna 
een goede dozis zelfbeheersching, en wel het meest een voldoenden 
onafhankelijkheidszin, om zich aan de dwingelandij van zekere 
verouderde procédés, stelsels en meeningen te ontworstelen, en 
een genoegzame bescheidenheid, om niet dadelijk elke eigen proef 
als een meesterstuk te beschouwen. 

Bijna in alle kunstvakken heeft Verlat zijn krachten beproefd. 
Van de geschiedenis ging hij over tot de dierschildering; op een 
genrestuk liet hij onmiddellijk een satirische allegorie volgen; 
luttel uren na een landschap voltooid te hebben, behandelde hij 
een godsdienstig of filozofisch onderwerp, en telkens — een op- 
recht onbevooroordeelde kan het bezwaarlijk loochenen — kwam 
hij tot een rezultaat, hetwelk, dikwijls, ja meestal onvolmaakt 



78 AFWIJKINGEN. — EENIGEN. 

„als geheel", toch door een merkwaardige uiterlijke behandeling 
indruk maakte, doch het meest door brio verblufte. 

Alles wel ingezien, geloof ik te mogen beweren, dat de vakken, 
waarin Verlat werken van blijvende waarde heeft nagelaten, de 
satirische allegorie en de dierschildering zijn. Zijn „Coup de Col- 
lier", zichtbaar onder den invloed van Courbet, houd ik, persoon- 
lijk, voor tamelijk oppervlakkig en hol en voor erg arm in opzicht 
van kleur; zijn „Strijd van een Leeuw met een Buffel" echter, 
evenals het eerste in het Antwerpsch Muzeum, blijft met zijn ver- 
bazende levendigheid van beweging niet zoo ver beneden Alfred 
Ver wee. Zijn apen, vossen, honden en katten, om het even of zij 
uitsluitend om wille van hun kleurrijken pels en hun levendige 
bewegingen of daarbij nog met deze of gene satirische of filozo- 
fische bedoeling geschilderd werden, zijn meestal belangwekkend, 
somtijds bijna meesterlijk. Toch bereikt zijn voorstelling nooit die 
pittigheid en. ... op ware waarheid gelijkende waarschijnlijkheid, 
in zoo hooge mate eigen aan de apen van den Franschman Des- 
camps, die, — men denke alleen maar aan zijn „Un Maitre"^ zeker 
invloed had op hem. Zijn schets „Jonge Eendjes en Kippen" in 
het Brusselsch Muzeum is een waar juweel. Hoe jammer, dat hij 
niet veel van zijn schilderijen zoo „onafgelikt" liet als dit stukje! 

Zijn herinneringen uit het Oosten, zoowel landschappen als filo- 
zofisch-godsdienstige stukken, kan ik niet in gelijke mate waar- 
deeren. Wel is zijn „Madonna met de vier Evangelisten" een voor- 
treffelijk stuk werk, maar wat vind ik er weinig in van de perso- 
nen, die zij moeten voorstellen! Zijn H. Maagd is een bevallige, 
Arabische vrouw, maar niet de moeder van den Messias ! Indien 
Verlat geen vrede nam met de legendarische en historische voor- 
stellingswijze, sedert eeuwen aan die gestalten verbonden, — en, 
dit was natuurlijk zijn recht — waarom heeft hij er dan 
hoogervermelden titel aan gegeven? 

De voornaamste zijner uit het Oosten meegebrachte schilderijen 
zijn bepaald „Vox Dei" en „Vox Populi." Het eerste is, ondanks 
de hooge aanspraken van den schilder, een holle deklamatie ; het 
ander, waarin ik gaarne een groot talent van teekenen en een 
nog al stoute sam.enstelhng erken, lijdt wel niet aan het- 
zelfde euvel als de Madonna, maar dan toch aan een nauwelijks 
geringer gebrek: het oogenblik, namelijk datgene, waarover de 
schilder alleen beschikt, is slecht gekozen .... Het Joodsche 



AFWIJKINGEN. — EENIGEN. 79 

plebs, woedend, razend, tot het toppunt van verbittering en ra- 
zernij gestegen, staat voor eeuwig op het doek, niet als het leven 
zelf, maar als een gebaar, een grijns, een overdrijving, bijna een 
karikatuur van het leven. Dat plebs vloekt, tiert, beweegt niet 
meer; uit al die wijdopen monden komt geen kreet; al die gebalde 
en opgeheven vuisten zijn bewegingloos. 

Daaronder zijn er misschien enkele meesterlijk gedane „po- 
sturen", maar zij ontberen den slag van den pols en het rhythme 
van het leven. En toch, hoever overtreffen deze stukken het laat- 
ste historische schilderij van Verlat, de door zoovelen onbedacht 
geprezen „Vernieling van Alva's Standbeeld!" Terwijl wij in 
gindsche twee werken de tot rijpheid gedijde vruchten van een 
nog in volle levenskracht staand en veelzijdig ontwikkeld kunste- 
naar begroeten, vallen er in het laatste overal sporen van ver- 
zwakking op te merken. Als vinding echter is het geheel nog zoo 
slecht niet. Hoe jammer, dat de kunstenaar, toen hij aan de uit- 
voering begon, de door Goethe zoo terecht geprezen zelfbeheer- 
sching en beperking geheel uit het oog verloor. 

Wellicht zal het meer dan één ontstemmen en mij blootstellen 
aan het verwijt van partijdigheid, maar, wat ik het allerminst in 
Verlat kan waardeeren, dat is, wat ik juist het liefst van al wilde 
en met het volste recht ook wenschte te kunnen vereeren! Een 
groot koloriest, dat is hij, wat een paar anderen ook beweren, ge- 
durende zijn lange loopbaan slechts uiterst zelden geweest. Hij 
was het, meest van al, in het aardige eendenschetsje van Brussel 
en in een paar kleine apenstudies, minder, maar toch nog, in zijn 
„Madonna met de Evangelisten"; minder en minder in al wat hij 
meebracht van en voltooide na zijn reis in het Oosten. 

Maar hoe licht is het nu ook te begrijpen, dat een zuiver kolo- 
riest, een geboren ras-schilder als de Braekeleer, niet kon gewaar- 
deerd worden door een generatie, die Verlat als „den" schilder bij 
uitnemendheid huldigde ! 

Ook Willem Linnig Junior (1842 — 1890) moge hier herdacht 
worden. Half historie-, half genreschilder, vermits hij, op een en- 
kele uitzondering na, zijn kleine, meest fantastisch-ingekleede 
tooneeltjes liet spelen in een historisch dekor en door in vooreeuw- 
sche kostumen gestoken personen, was hij een van de voortreffe- 
lijkste koloriesten, die wij na 1800 zagen optreden. 

In hem zegevierde, meer nog dan in H. de Braekeleer, meer dan 



80 AFWIJKINGEN. — EENIGEN. 

in Piet Verhaert en Karel Mertens in hun eerste manier, de oude 
traditie onzer school. Niet die van de oude, eenvoudige, oprechte 
vizie en van het kleurpigment alleen ; nog een andere : die van de 
tekniek. Willem Linnig, in een goed deel van zijn werk, schil- 
derde als onze groote Ouden. Hoofdzakelijk berust zijn manier op 
het geestrijk en talentvol aanwenden van glazuur op een dunne 
onderlaag. Niemand bereikt in zijn schilderijen zulk een door- 
schijnendheid, zulk een inwendig — let wel : niet uitwendig gloren 
en zelfs gloeien van de verf; niemand, ook niet de Braekeleer, 
grooter nogtans in andere opzichten, ook niet Alfred Stevens, 
Linnigs evenknie in zijn beste werken van vóór 1880. Romantisch 
door tijd en aard beide, skeptisch en geestdriftig tegelijk, toch 
innerlijk ontevreden en onrustig, en, diep in zijn binnenste, met 
de verzuchtingen en neigingen van een moderne, schiep Willem 
tweederlei werk: volop romantisch, zooals zijn nekromanten, 
sterrekijkers en toovenaars, zijn zigeuners, zijn muzikanten- 
en artiestentypen, zijn binnenzichten in torens en oude vervallen 
huisjes; ofwel — en dan temperde hij dat romantisme met een 
greintje wereld verachting en met een soort van half aangeboren 
half van anderen overgenomen spotzucht, satirisch in den aard 
van Thakeray en Heine, zooals zijn „Lijkbidder", zijn „Pruiken- 
maker", zijn „Feesttafel na de Bruiloft", enz.. 

Hem onderscheidt een bizondere voorliefde voor den Rokokotijd. 
Rijk gelambrisseerde zalen, met grillig beeldwerk vervuld en behan- 
gen met kostelijke tapijten, trekken hem aan; met hoogblozende 
mannen, malsche en poezelige vrouwen met weelderige lokken, vo- 
luptueuzen mond en amandelvormig oog, verkeert hij het hefst. 

Nu en dan keert hij tot de hedendaagsche werkehjkheid terug. 
Dan schildert hij zijn vader, den reeds bejaarden „Mus Linnig", 
vóór zijn schilderezel, of hij toont ons, met guitigen, echt sinjoor- 
schen humor, eengeheelen stoet huwelij ksgast en, opmarscheerend, 
begeleid door muzikanten, daar even buiten de voormahge Mechel- 
sche Poort den weg op naar Dikke-Mee, de gekende volksherberg. 

Ook van het stilleven was Willem een verbazend knap beoefe- 
naar. De verzameling van wijlen den A. heer Passenbronder, te 
Brussel, bevat ware juweelen van zijn hand in dit en overigens 
ook nog andere vakken ^). 

*) Men lere in mijn „Koppen & Busten", Lamertin, Brussel, een veel Tollediger op- 
stel over den schilder-teekenaar-etser W. Linnig Jr.. 



AFWIJKINGEN. — EENIGEN. 81 

Nu ik hier den naam uitsprak van den heer Passenbronder, 
herinner ik mij, dat hij de bezitter was van een reeks van min- 
stens een twaalftal schilderijen, waarvan de beschouwing een 
helder licht werpt op de opvatting, den stijl, en niet minder de 
tekniek zelf van Willem Linnig Junior. Deze stukken, overigens 
zeer ongelijk van waarde en voltooid op zeer grooten tijdsafstand, 
dragen het handteeken van Willem Linnig Senior, den in 1819 te 
Antwerpen geboren en aldaar 1885 overleden vader van Willem 
Junior, tevens den broeder van den zoo goed als vergeten marine- 
schilder Egidius Linnig, Uit de studie van deze serie schilderijen 
blijkt, oneindig duidelijker en overtuigender dan uit het eenige 
in het Antwerpsch Muzeum voorhanden schilderij van den ouden 
„Mus", namelijk „De Werkplaats van Geert de Winter, Ant- 
werpsch Koperslager en Drijver in de XVIIIe eeuw" (voltooid 
1862), dat Willem Jr. evenzeer door zijn werk als door recht van 
eerstgeboorte de echte zoon van zijn vader was. Zoowel door de 
nogtans veel voortreffelijker, verder doorgevoerde en toch even 
vrije kleurbehandeling en den ook weer veel volmaakteren, losse- 
ren, natuurlijkeren stijl als door de opvatting, de romantieke of 
althans romantizeerende opvatting en diezelfde voorliefde voor 
het schilderen van allerlei bonte en ouwerwetsche snorrepijperijen 
zet de jonge Willem als het ware de evolutie van den ouden 
voort. 

Deze echter was in zijn vroegste en dan ook minst gelukkige 
werken volop romantiek in den zin der schilders uit de jaren 1830 
— 1850, daarna een eenigszins zelfstandig volgeling, volstrekt 
niet een plat navolger, van Hendrik Leys, in wiens ateher hij 
omstreeks 1850 niet enkel als leerling, maar ook, evenals Victor 
Lagye, als medewerker verkeerde. 

De filiatie tusschen vader en zoon wordt vooral bewezen door 
stukken als „De Wapensmid", „Binnenzicht eener Keuken", „De 
Retukeerder" en „In de Schilderswerkplaats", al blijven deze 
bepaald beneden de prestaties van Willem Junior i). 

Haast in alle opzichten onderscheidt zich van de in dit hoofd- 
stuk behandelden, evenals, overigens, van de overgroote meer- 
derheid van onze kunstenaars, bij welke het ras-instinkt zich uit 

') Een gedeelte van de verzamfling Passenbronder werd den 18 April van dit jaar 
te Antwerpen openbaar geveild. Daaronder waren elf schilderijen van den ouden Lin- 
nig, o. a. de hierboven door ons genoemde ; verder nog „De Zigeuners", „Het Spinrad". 
De rest was van zeer inferieur gehalte. 



82 AFWIJKINGEN. — EENIGEN. 

in het dubbel opzicht van de realistische vizie en van het koloriet, 
de in 1858 geboren Fernand Khnopff, wiens hoogst belangrijke 
ontwikkeling op zijn nauwst samenhangt met die van den Kring 
der Twintigen, die een goede 15 jaar lang het middelpunt was van 
de modernistische beweging hier te lande. 

Aan het oorbeeld, dat wij gewoon zijn ons van den Vlaam- 
schen, of juister gezegd, want ik zie niet goed in, waarop dit on- 
derscheid historisch en esthetisch berust — van den Nederland- 
schen kunstenaar te vormen, beantwoordt in Noord en Zuid nie- 
mand minder dan Fernand Khnopff. Noch de gewoonlijk zeer 
sobere kleurbehandeling en veel meer bescheiden dan weelderige 
tonaliteit zijner doeken, noch zijn van alle materialiteit geheel 
vrije, bijna uitsluitend cerebrale opvatting van personen, zaken 
en toestanden, laten ons toe, in hem veel verwantschap met de 
vorstelijke dynastie onzer Rubensen, Jordaensen, Rembrandts, 
Halsen en Vermeers te ontdekken. 

En toch spreekt er, uit den allerintiemsten grond zijner tee- 
keningen, pastels en olieverfschilderingen, — o! ik erken het 
gereedelijk, geenszins bovenaan aan de oppervlakte, maar die- 
per, voor niet verder dan tot het neus puntje ziende toe- 
schouwers volkomen verborgen, — een wezenlijk Vlaamsch 
gevoel, niet zulk een, hoog opbruisend en laaiend in enthoe- 
ziastische vlammen, als bij de meesters der Vlaamsche Renais- 
sance en vooral bij den hartstochtelij ken Rubens,maar een 
stil, bescheiden, wonderintens en bij uitstek intiem gevoel, als 
bij de onvolprezen meesters uit de school der van Eycken of van 
Metsys. 

Na, in de jaren 1880 — 1884, bijval geoogst te hebben met voor- 
stellingen uit het leven, waarin hij zich met bijna traditioneele 
middelen toelegde op het weergeven van geziene werkelijkheid 
(„De Baanwachter op zijn Post" en „Bij 't Aanhooren van Schu- 
mann", 1883), veranderde hij van richting en voltooide een ge- 
heele reeks schilderijen en teekeningen, waarin een welbewust 
streven naar het weergeven van geestelijke en zielkundige ver- 
fijningen duidelijk op den voorgrond treedt („Naar Flaubert", 
1883, en „Een Sfinxenwijf", 1884). 

Zijn tafereel, „Naar Flaubert", is noch meer noch minder dan 
een meesterwerk! 

Niet een bladzijde uit „Salammbo", — zooals velen ten onrech- 



1 



AFWIJKINGEN. — EENIGEN. 83 

te meenen, maar wel een uit „La Tentation de St. Antoine" geeft 
het weder. Wie dit werk las, herinnert zich de verschijning van 
Sjeba's Koningin, den kluizenaar aldus toesprekende : „Veux-tu 
Ie bouclier de Dgran-ben-Dgran, celui qui a bati les Pyramides? 

Ie voila? J'ai des trésors enfermés dans les galeries oü l'on 

se perd comme dans un bois. J'ai des palais d'été au treillage de 
roseaux et des palais d'hiver en marbre noir .... Oh ! Oh ! Si tu 
voulais!" 

En hoe heeft nu de kunstenaar deze zoo zeer afgetrokken stof 
belichaamd ? In het midden van een nagenoeg vierkant vlak lost 
zich, uit een nacht van zwarte tonen, enkel hier en daar doortin- 
teld van een geheimzinnig lichtgevonkel, een dubbele verschijning 
af: de heremij t, tot aan het onderlijf zichtbaar, staande rechtop, 
ongekamd van haar en baard, met naakte,uitgemergelde wangen 
en magere, roerloos hangende armen, in hiëratische, stijve hou- 
ding, terwijl vóór hem, in een glorieuze opvonkeling van gouden 
Hcht, in een oogverblindend laaien van zonnestralen, de tiara 
op het hoofd, de heerlijk gevormde naakte schouders met priester- 
lijke sieraden behangen, bekoorlijk als de zonde zelf, zinnenbe- 
tooverend als Eva na haar val, Balkis zweeft, dragend, als te le- 
zen in de trekken van haar gelaat, het verleidelijke: „Oh! si 
tu voulais!" 

Suggestief als dit vrouwefiguur zag ik nooit een ! Hier, evenals 
in zijn „Sfinxenwijf", in zijn „Voorstudie tot „Een Sfinxenwijf"" 
treft ons dit geheimzinnige mengsel van de naïefste kinderlijke on- 
noozelheid met de meest verfijnde f in-de-siècle- verdorvenheid. 
Bedek het bovenste deel van dat gelaat, en gij meent de kin en de 
lippen te zien van een kind; bedek nu kin en lippen, en gij leest 
de meest intense geestelijke verdorvenheid in die starblikkende en 
toch van zoetheid stralende feeënoogen ^) . 

In zijn „Memories", meer bekend als „Het Law-tennisspel", 
spelen, dunkt mij, het hierboven aangeduid willen en het onbe- 
wuste zich invoelen in de natuur, wonderlijk dooreen. Dit stuk, 
in pastel uitgevoerd, later aangekocht voor het Brusselsch Mu- 
zeum, vertoont een zevental jonge dames, genietend, in verschil- 
lende houdingen, een oogenblik van rust op een malschgroen ga- 
zon. De puik geteekende, aristokratische figuurtjes laat ik onver- 

') Mijn uitvoerige studie over Knopff vindt men in „Het Schilderboek", V, Elze- 
vier. 



84 AFWIJKINGEN. — EENIGEN. 

let. Maar hoe betooverend, hoe geheel zonder eenige aanstellerij 
is dat landschap weergegeven! Wat een vrede zweeft er in de 
zachtgetemperde tinten van dien schelpkleurigen avondhemel 
over veld en wei ! Nog eens en nog eens ; de athmosfeer onzer 
Vlaamsche veldnatuur, de stil-idyllische avondstemming rond 
onze doode steden, hier is zij toch! 

In „I lock my door upon myself", mede een van zijn voortreffe- 
lijkste werken, overheerscht meer het gevoel. Dat stilbescheiden 
gemeubeld salon, waarin dat jonge meisje zich zoo weerstandsloos 
laat meesleepen door herinneringen aan 't verleden en droomen 
aan wat nog niet is, wordt van een „stilleven" tot een bezield, 
meevoelend en meelevend wezen. De atmosfeer zindert en trilt 
van al wat omgaat in het binnenste van het eenige figuur. 

Stilte, zielvolle stilte ademt in haast al wat de meester na 
„Memories" voltooide, evenzeer in zijn heel- en halfdekoratieve 
dingen, als b.v. „Afzondering" en „Wierook", als in zijn uitbeel- 
dingen van gebouwen en soms maar fragmenten van gebouwen 
uit oude steden met een rijk verleden als b.v. dat Brugge, waar 
hij een viertal van zijn kinderjaren sleet, o. a. in „Een Kerk", 
„Een Rijtje", en „Van Voorheen", Wat hij in de schatkamers van 
zijn ziel liefdevol vergaarde en met haast godsdienstige zorg be- 
waarde aan herinneringen aan die eens zoo woelige en nu vaak 
zoo eenzame straten; die verlaten smalle steegjes; die weidsche, 
sedert lang ledige markten en pleinen, waarboven, als steenen 
reuzen, heerlijke gotische torens uitsteken in den grijsbe wolkten 
noorderhemel ; die Hchtbekroosde, weemoedige, slaperige „rijt- 
jes" en kanalen, waarop slechts nu en dan, met den langen snavel 
ongestoord in zijn dons pluizend, een zwaantje dobbert; — zij 
deden in het hart van den toekomstigen kunstenaar voor 't aller- 
eerst trillen, zoet en lang natrillen die gouden snaren van dat edel 
sentiment en van die zachte melankoHe, waaraan zijn arbeid veel- 
al zulk een eigenaardige betoovering ontleent ; dat alles spreekt 
hij uit in werken, waar het karakter, de stijl, de stof en de hon- 
derden vormbizonderheden van toren, gevel, dak, vensters, zijn 
weergegeven met een talent, dat bij dat van een H. de Braeke- 
leer, een Mellery, een Delaunois, geenszins achterstaat. 

Ook bij den in 1867 te Leuven geboren Jean Delville, en niet 
minder bij Auguste Le Vêque, die in 1864 te Nijvel het licht zag en 
in Februari 1921 overleed, beiden van Waalschen stam, beiden 



AFWIJKINGEN. — EENIGEN. 85 

voortgekomen uit den door eerstgenoemden in 1896 onder den 
invloed van Joséphin Péladan gestichten „Cercle d'Art idéaliste'\ 
speelt het cerebrale, het wijsgeerige, een overwegende rol. Beiden 
hebben een uitgesproken aanleg voor de monumentale dekoratie, 
iets, waarvan zich de eerste zoo zeer bewust is, dat haast al wat 
hij voltooide als ontwerp voor wand- of zolderversiering gedacht 
werd. 

De kracht van beiden ligt intusschen veel meer in de plastiek 
dan in de koloristische hoedanigheden van hun werk. Stijl en 
uitsprong, soms tot het uiterste gedreven, kenmerken het in hooge 
mate. 

Van Delville zijn te vermelden „De School van Platoon", 1899, 
„De Liefde der Zielen", 1900, „Promêtheus Vuurroover", 1907. 
Het is te betreuren, dat geen universiteit of geleerd genootschap 
het eerste en laatste van deze trits gewrochten in een van zijn lo- 
kalen plaatste. Bij Le Vêque, die den boetseerstok even talentvol 
hanteert als het penseel, moge de kleur, evenals bij Léon Frédé- 
ric, bij poozen wat hard en onharmonieus, de onderwerpen wel- 
eens wat gezocht zijn! Hij is een teekenaar van ongewone kracht 
en minstens in zijn betere dingen een temperamentvol borstelaar. 
Van zijn „Triomf des Doods" en zijn „Vechtende Kentauren", 
beide uit 1900, prijkt het eerste in 't Antwerpsch, het andere in 
het Luiksch Muzeum. Vooral „De vechtende Kentauren" verdie- 
nen bewondering. Op den uitersten rand van een in de ruimte 
uitstekende rots kampen een Paard- en een Stiermensch. Schuin 
naar hnks hellend met het geheele gewicht van zijn met gekloven 
hoorn op den grond steunende lijf, gooit de laatste zijn vijand, 
dien hij reeds met het bovenlijf in de hoogte heeft geheven, den 
afgrond in. Meesterlijk van beweging en mooi geschilderd beide l 

In zijn „Triomf des Doods" moge de samensteUing wat te 
wenschen laten, het bijna Dürer-achtige figuur van den maaien- 
den Dood is indrukwekkend. 

Ook Eugeen Smits (1826 — 1912) verdient een plaats onder 
deze eenigszins afwijkende schilders. Hij was een eklektieker, die 
zich noch aan een enkel vak, noch aan een enkele manier gebon- 
den achtte. Gaarne vermeide hij zich in allegorische voorstelUn- 
gen. Zijn „Opmarsch der Jaargetijden" (1872) en „Diana", beide 
in het Brusselsch Muzeum, uitgevoerd in een van Italiaansche in- 
vloeden getuigende, overigens warme en edele kleurenscala, zijn 



86 AFWIJKINGEN. — EENIGEN. 

het beste, wat hij in dien aard schiep. Zijn „Roma", verz. A. 
Hertz, Brussel, is, in een meer moderne, helderder tonaliteit, een 
symbolum van de Romeinsche samenleving in de jaren zeventig. 

Zijn portretten, — hij schilderde er niet weinig ! — zijn degelijk, 
rijp en zeer vrij werk. 

En dan ten slotte nog deze kunstenaar van veel meer dan alle- 
daagsch gehalte, de op 7 Juli 1833 te Namen geboren en in Au- 
gustus 1893 te Parijs overleden Félicien Rops ! Hoe gaarne zouden 
wij over hem uitweiden, indien het voornaamste deel van zijn le- 
vensarbtjid niet bestond in illustraties, lithografieën en etsen, en 
wij ons niet te bepalen hadden tot schilderwerk alleen. 

Van Vlaamschen oorsprong volgens Eugène de Molder, van 
Hongaarschen stam volgens anderen, zeker was Rops, die een 
groot deel van zijn leven in Frankrijks hoofdstad sleet, „Parisien 
d'adoption" en in menig opzicht een „ontwortelde", ofschoon geen 
„wortellooze". Het valt niet te loochenen, dat hij zich, als gra- 
veerder, uitsluitend onder Fransche invloeden ontwikkelde. Zijn 
lithografieën, overigens al te weinig bekend, immers door zijn 
veeltijds erotische etsen van allen aard in de schaduw gesteld, 
— herinneren aan Gavarni en een enkele maal ook aan Daumier. 
Zij munten uit door een savante verdeeling van donkere, van 
grijs tot diep-fluweelig zwart gaande en van helle, stralend witte 
partijen. Tot de voortreffelijkste reken ik: „Bij de Trappisten", 
„De Doodstraf", „Les Diables froids", „De Medahe van Water- 
loo", „Vieille Garde", het treffend beeld van een lichtekooi op 
jaren, „L'Ordre règne a Varsovie", „Een Heer en een Dame", 
„Jood en Kristen" (1850—1860). 

Als etser bekent hij zich zelf een leerling van Braquemont en 
Jaquemart, was lid van de door den tweede gestichte „Société des 
Aquafortistes" en stichtte zelf, na zijn terugkeer in het geboor- 
teland, rond 1870, met het doel Brussel tot een internationaal 
centrum van calkografische uitgaven te maken, een „Société 
internationale des Aquafortistes", waarrond zich o. a. L. Artan, 
Hipp. Boulenger, H. van der Hecht, Theod. T'Scharner, Eugeen 
Smits en de Hollander Karel Storm van 's-Gravezande groepeer- 
den. Een vrucht van de samenwerking van verscheidene dezer was 
de thans zoo zeer gezochte groote geïllustreerde uitgave van Ch. de 
Costers „La Légende de les Aventures d'Ulenspiegel" ^). 

*) Drie etsen van Rops komen er in voor. 



AFWIJKINGEN. — EENIGEN. 87 

De lijst van Rops' groote en kleine etsen omvat verscheidene 
honderden nummers. Tot de meest beroemde en gezochte behoo- 
ren verscheidene van ongemeen groote verhoudingen, daaronder 
de prachtige plaat „Pornokrates", veraanschouwelijkende, in de 
gedaante van een bijna naakte vrouw, die zich, geblinddoekt, door 
een varken laat geleiden, terwijl geniussen als geschrokken vogels 
wegvhegen, hoe lage wulpschheid de edele gedachten verjaagt; 
verder de niet minder beroemde, „La Tentation de Saint An- 
toine", overigens naar zijn eigen schilderij, en die naar het eigen- 
aardig tafereel „L'Attrapade", Muzeum der Hedendaagschen 
te Brussel. 

Onder de kleinere, meest als titelplaten opgevatte, zijn van de 
voortreffelijkste „Evocation", voor „Son Altesse la Femme" van 
O. Uzanne, het frontispies voor Péladans „Vice suprème" en „Dia- 
boli virtus in lombis" voor „L'Education sentimentale" vanden- 
zelfden. Niet te vergeten de prachtige „Buveuse d'Absinthe", 
waarvan twee staten bekend zijn. 

Als schilder presteerde Rops veel minder,doch al wat hij, in olie- 
verf of ook met pastel of akwarel en soms met beide middelen 
tegelijk uitvoerde, munt uit door hooge hoedanigheden. 

„Le Scandale" (waterverf) is een prachtig geobserveerde 
„scène de genre", waarin het psykologisch moment in een half 
dozijn rond de theetafel naar een lasterpraatje luisterende vrou- 
wen zoo werkelijk karaktervol en zoo rijk verscheiden wordt ver- 
aanschouwelijkt, dat men vergeet, dat de meester zijn kracht be- 
steedt aan .... een anekdoot zonder meer. 

Breed gedaan, heerlijk gemodeleerd, als het ware geboetseerd 
in de verf is „Vieille Anversoise", het met bijna gotische nauwge- 
zetheid gedetaljeerd portret van een krachtige Vlaamsche vrouw 
uit de volksklas, zeker werk uit de jaren 1850 — 1860, in het bezit 
van Cam. Blanc te Parijs. Van wat later zijn, in de verzamehng 
van den bekenden uitgever E. Deman, Brussel, de in tachisten- 
manier geschilderde „Femme au Canapé" en „La Toilette", 
beide, door de meesterlijke oppozities van donkere en klare tonen, 
herinnerende aan zijn lithografieën. 

„L'Attrapade", dat tooneel uit het leven van het Demi- 
Monde, veel, veel kleiner, maar aangrijpender en innerlijk meer 
waar, meer geleefd dan „L'Aube" van Ch. Hermans, die wij in 
een verder hoofdstuk zullen bespreken; „la Tentation de S. An- 



88 , AFWIJKINGEN. — EENIGEN. 

toine", van later, en nog een paar andere, door Rops zelf als „ta- 
bleaux originaux" opgegeven stukken, zijn eigenlijk samenstel- 
lingen, eerst geteekend met potlood en pastel, daarna geakwa- 
relleerd en gewasschen. In deze niet talrijke reeks, vooral in de 
stukken uit de verzameling Deman, is niet meer de zich wereld- 
burger voelende en verparijsde Europeeër, maar de Vlaming aan 
het woord. Jammer, dat de omstandigheden er hem zoo zelden 
toe brachten, te schilderen. 

Het mag vrij zonderHng heeten, dat de invloed van dezen wer- 
kelijk eersten-rangskunstenaar zich beperkte tot hoogstens een 
paar individualiteiten; namelijk tot den overigens zeer begaafden 
Luikenaar Armand Rassenfosse (geb. 1862), in wiens illustra- 
ties, plakkaten, boekwerken, etsen en zelfs schilderijen de fiüatie 
zoo duidelijk mogelijk uitkomt, en — maar veel minder — Fer- 
nand Khnopff. 






HOOFDSTUK VIL 

DE SCHILDERS VAN HET HEDENDAAGSCHE 
VOLKSLEVEN. 

„Dat, wat men gewoon is „klassiek" 
te noemen, zal, trots de bemoeiingen 
van zoo vele talentvolle mannen, niet 
lang weerstand vermogen te bieden aan 
den stormloop van de moderne gedach- 
ten. De pracht van de natuur, de diepte 
van 't gevoel, de geheimzinnige neigin- 
gen, die sluimeren in 't menschelijk 
hart, het licht en het leven zullen de 
majesteit van de lijnen vervangen." 
„Uylenspiecel", 1857. 

Men heeft vaak, niet zonder recht, gezegd: „De Franschen vin- 
den den naam voor veel! „Of die naam echter altijd passend mag 
genoemd worden, betwijfel ik stellig, met het oog vooral op wat 
zij genoemd hebben: „la grande peinture." Ik zie niet in, inder- 
daad, waarom aan het behandelen van historische en godsdien- 
stige onderwerpen meer het denkbeeld van grootheid zou ver- 
bonden zijn dan aan het kunstmatig herscheppen van toestanden 
uit het woelige, bonte leven van alle dagen; ik vat niet, waarom 
het doek, waarvoor personages in bordpapier, of automaten, 
omhangen met de op snee vergulde plunje of het purperen pak 
van prinsen of kerkvoogden pozeerden, meer „grand art" dient 
genoemd te worden dan datgene, waarvoor de gebruinde land- 
bouwer, wien het eerzame zweet op het voorhoofd parelt, van 
zijn arbeid verpoozend, in des schilders werkplaats is komen ver- 
toeven. „Groote kunst", eilieve! In waarheid steekt er toch heel 
wat meer geschiedenis in het eenvoudig goedgelukt portret van 
een tijdgenoot van beteekenis, een Hugo, een Renan,een Emerson, 
een Gladstone, een Ibsen, een Darwin, dan in al die pretentieuze, 
op meer dan groote schaal aangelegde poppenkasttafereelen. 

Het ronkende woord „Ie grand art" was maar al te lang een 



90 DE SCHILDERS VAN HET HEDENDAAGSCHE VOLKSLEVEN. 

voorwendsel, om juist dat vak der beeldende kunst te kleinee- 
ren, dat én voor ons volk sinds eeuwen, én voor de geheele be- 
schaafde wereld in onze naar grooter gelijkheid strevende maat- 
schappij de meeste aantrekkelijkheid bezat en nog bezit. 

Het zou zeer belangrijk zijn na te gaan, hoe in onze middel- 
een wsch-Vlaamsche school de geschiedkundige kunst, — toen één 
met de godsdienstige, — hand in hand ging „met" — en eindelijk 
in de XVIe eeuw zich feitelijk oploste „in" de volksschildering. 
Onze kunstenaars begrepen, dat het luttel onderwezen gemeen 
van Romeinsche of Syrische lokale kleur maar zeer weinig kon ge- 
nieten, en zij deinsden er niet voor terug, om Kristus, Jozef, de 
drie Koningen, Pilatus, de apostelen, de menigte uit Jeruzalem 
of Galilea in de moderne dracht van hun eigen tijd voor te stellen. 

Zoo maakten zij het „genre" tot een bondgenoot der „grande 
peinture" en dit uit een dubbelen aandrang: volksgezindheid en 
liefde tot waarheid en werkelijkheid. 

Verbazend is het dan ook heden, als men zich herinnert, dat 
men in de XlXe eeuw lang aarzelend vóór het vraagstuk heeft 
gestaan, of onze hedendaagsche toestanden, onze kleederdracht 
vooral, wel voor de kunst geschikt, vertoonbaar waren. Na de 
middeleeuwsche meesters, na een Boeren-Bruegel, na Hals, na 
Brouwer, aanzag men, van 1830 tot na 1880, den eigen tijd, waar- 
in men leefde, als terra incognita, verboden voor de artiesten! 

Uit den aard der dingen zelf, uit den langzamen ommekeer van 
de wereldbeschouwing moest de oplossing komen. Onbetwist- 
baar is het, dat bij het meer en meer veldwinnen dier nieuwere 
wereldbeschouwing, die bij uitstek op het puur-menschelijke be- 
rekend is, aan den eenen, bij den steeds aangroeienden invloed der 
demokratische begrippen op onze beschaving aan den anderen 
kant, de vraag naar en bijgevolg het aanbod van aan godsdienst 
gewijde, aan geschiedenis ontleende kunstwerken, moest afne- 
men en van jaar tot jaar afnam. Welk belang boezemt het de 
groote meerderheid des volks, ja, het kunstminnende publiek in, 
de mirakuleuze levensdaden op het doek te zien vereeuwigen van 
Santen en Santinnen, die voor hen hun stralenkrone hebben ver- 
loren, of de overwinningen, nederlagen en misdaden van vorsten 
en grooten, wien volkeren tot voetschabel, landen tot schaakmat 
hunner krijgsondememingen dienden? 

Zeker, vrij staat het den schilder ook nu nog, dergelijke stoffen 



DE SCHILDERS VAN HET HEDENDAAGSCHE VOLKSLEVEN. 91 

te kiezen; doch alleen op voorwaarde, dat zijn kunstgewrochten 
buitengewone teknische verdiensten van kleur, lijn, perspektief, 
samenstelling bezitten, zal hij schadeloos stellen voor wat het 
onderwerp zelf ons niet meer geven kan. Tenware hij, op het voet- 
spoor van een meester als Leys, ons de geschiedenis des volks, de 
lijdende, strijdende, naar ontsla ving en vooruitgang strevende 
menigte, niet het leven van „enkele" het volk onverschillig la- 
tende grooten voorstelle! 

„Grande peinture!" Zoo verdient n. o, m. juist de volksschilde- 
ring van den nieuwen tijd geheeten worden. Zij kwam het epos 
dichten van het huidige zoo veelvuldige leven, den noesten ar- 
beid op het veld, het zwoegen in de mijnen en in de fabrieken, het 
gewoel van markten en volksvergaderingen, den somberen nood 
op het dakkamertje, het rechtmatige morren en muiten der 
werkstakers, de bontkleurige menigte in dans- en in gasthofzalen, 
het spleen en de verveling in de woning der rijken, de alom heer- 
schende zenuwkoorts en de „névrose" der eeuw! 

Schoone, verheven taak, in waarheid ! Haar vervullende, eigent 
zich de volksschildering de beteekenis toe van de historieschilde- 
ring, wordt zij werkelijk een kapittel in de annalen van de 
huidige maatschappij. 

De eerste en tevens de voortreffelijkste vertegenwoordiger van 
de derde en laatste strooming in de Vlaamsche figuurschildering 
van de negentiende eeuw is Charles de Groux (1825 — 1870). Ge- 
boren in het half Waalsche half Vlaamsche stadje Komen, naar 
zijn familienaam te oordeelen van Waalschen oorsprong, ten 
minste van vaders zijde, vertoont de Groux wel degelijk de meest 
in 't oog vallende kenmerken, eigen aan de kunst van den tijd, 
waarin hij werkzaam was, de jaren 1845 — 1870. Ofschoon onder 
Navez' leiding opgegroeid, veropenbaarde hij zich, zijn heele 
loopbaan door, als een realistisch romantieker, zich, wat de on- 
derwerpen betreft, niet wezenlijk onderscheidend van den reeds 
hooger herdachten Eugeen de Block. Zijn onderwerpen zijn niet 
minder romantisch en sentimenteel dan die van dezen laatste; 
doch hij is alles behalve een huilebalk zooals de Block zich zoo 
vaak vertoont. 

Hij behandelt zijn stoffen niet „weinerisch", niet met de blijk- 
baar beoogde overdrijving, eigen aan den auteur van „Wat een 
Moeder lijden kan." De Groux is bizonder sober, sober evenzeer 



92 DE SCHILDERS VAN HET HEDENDAAGSCHE VOLKSLEVEN. 

in het kiezen en schikken van zijn onderwerpen als in de uiter- 
hjke inkleeding. Hij streeft meer naar treffende waarheid dan 
naar ontroering. Hij gaat zien, heusch zien naar heusche men- 
schen ; zelfs, waar het pas geeft, naar heusche landschappen even- 
als naar heusche binnenhuizen ^) . 

Treffend is 't, de keuze van zijn onderwerpen te vergelijken met 
die van Conscience. Hij vertelt van „Het Vertrek van den Lote- 
ling" (Brusselsch Muzeum), van zijn „Terugkeer" (verzam. van 
Mons) , van de buitensporigheden, waartoe de uitvinding des dui- 
vels, de jenever, werk- en landlieden brengt („De Speelduivel" 
verzam. de Héle, — „Gevecht in de Kroeg", verz. C. van Tilt, — 
„Vechtpartij", verz. Schleisinger, — „De Dronkelap", Brusselsch 
Muzeum), terwijl zelfs verscheidene andere schilderijtjes ons on- 
willekeurig doen denken aan „Wat een Moeder lijden kan" en an- 
dere dergelijke verhaaltjes van den Vlaamschen volksschrijver, 
o. a. „Het zieke Kind", „Regrets", en „Terug te Huis", verzam. 
E. Brunard, en zelfs eenigszins het zeer mooie „Het Benedi- 
cite", Brusselsch Muzeum. 

De Groux' kleur is, van nabij bekeken, niet wezenlijk verschil- 
lend van die van Gallait en de beste romantieken ; in zekere stuk- 
ken, b.v. in zijn „Dood van Keizer Karel", verzam. Pauwels- 



') In den nu ver achter ons liggenden tijd, toen de Groux als baanbreker van het 
realisme optrad, hield de kunstkritiek er zonderlingedenkbeelden op na over 't zooge- 
naamde „genre". Het alledaagsche beschouwde zij met overdreven lichtzinnigheid als 
per se leelijk, onedel, gemeen zelfs; ook eischte zij van den kunstenaar, die een alle- 
daagsche handeling durfde voorstellen, dat hij deze door. . . . sentimentaliteit of mooi- 
doenerij genietbaar maakte. Zeer leerrijk, wat Alvin, 1836, schreef over den nu ver- 
geten, toen veelbelovenden de Coene. Ik kan niet nalaten, het hier aan te halen: 

„Nous éprouvons une véritable peine k voir la route que M. de Coene a prise denuis 
quelque temps. Il parait s'être exclusivement voué au culte de l'ignoble. Nous en 
sommes d'autant plus pénétré que eet artiste avait débuté avec éclat, que nous Ie 
croyons capable de bien faire, et que nous nous rappelons de fort bons ouvrages, düs k 
son pinceau. 

„Le Retour d'un Pélerinage est place comme pour servir de contraste au joli 
tableau de Monsr. Hunin. Autant l'un représente Ie peuple sous un aspect honorable, 
autant l'autre Ie montre sous un aspect haïssable. Dans „Ie Retour du Pélerinage" 
c'est un choii de figures communes. Vous voyez, sur Ie devant, un homme assis par 
terre, occupé du soin Ie plus dégoütant de la toilette d'un piéton. Comment un peintre 
ne sent-il pas que de tels objets doivent inspirer Ie dégout? N'en a-t-il pas éprouvé 
lui-même s'il s'est servi d'un modèlePCertes, il y a des circonstances, oü, pour comple- 
ter une scène importante, un artiste est obligé de surmonter ses dégoüts, et de présen- 
ter au public des objets hideux, mais, ici, a quoi bon?" 

De goede Hunin schilderde de menschen zooals Ommeganck de schapen. . . . Maar 
zal men gelooven, dat er, in de jaren 1900— 1920, in België nóg kunstkenners waren, 
die den ouden Bruegel, Brouwer en Craesbeek verfoeiden, omdat deze het volk anders- 
voorstelden dan — sous un aspect honorable!!! 



DE SCHILDERS VAN HET HEDENDAAGSCHE VOLKSLEVEN. 93 

Allard, is zij ook donkerder, zwarter dan in vele andere. 

Maar, zonderling, soms zou men zeggen, dat iets van de innige 
piëteit van de Gotieken plotseling over hem komt ! Dan schildert 
hij, en deze zijn wel zijn gelukkigste oogenblikken, figuren als het 
blauwgekleede meisje in „De Terugkeer van den Loteling", ofwel 
als de arme vrouw, die met haar kind op den arm, van een wat 
grooter dochtertje vergezeld, haar dronken man uit de kroeg 
haalt; of wel nog als zekere personages uit zijn groot tafereel, „De 
Scheiding" (verzam. mej. Jacqmain), eigenlijk ook wel bedoeld 
als een nieuwe uitgaaf van „Het Vertrek van den Loteling." 

Volgens de gewoonten van zijn tijd schildert hij bij voorkeur 
binnenhuizen, zelden open lucht. Verplaatst hij ons echter toch 
naar buiten, dan is het meestal een onbestemd uur van den dag 
(zoo in „De Scheiding"). Een enkele maal, in het voortreffelijke 
stuk, „De Begankenis te Diegem bij Brussel", bij Gravin de 
Jonghe van Ardooie, streeft hij zelfbewust naar „plein air", ter- 
wijl hij, in andere stukken, „Tusschen 't Koren", Pauwels — Al- 
lard, en „Regrets", de heerlijkheden van de volle lichtschildering 
maar amper schijnt te vermoeden. 

Tot de volmaakste werken van de Groux reken ik het aan het 
koloriet van Gallait nog duidelijk herinnerende, diep aangrijpende 
tooneel uit het volksleven der Brusselsche achterbuurten, „De 
Koffietrommel" of „Coin de la Vie moderne" in het Antwerpsch 
Muzeum, „Het Viaticum bij Nacht" (Verz. van Mons), het „Be- 
nedicite", „Begankenis van Sint Guido te Anderlecht" (beide 
BrusselschMuzeum) en niet minder „Begankenis te Diegem", al 
stukken, waarvan de invloed zich bij verscheidene latere beoefe- 
naars van de volksschildering duidelijk doet gevoelen. Het zijn 
even zoovele én stoute én gelukkige grepen in het moderne be- 
staan, gezocht en gevonden evenzeer met het milde deemisgevoel 
van een altruïstischen wijze als met het scherpe oog van den op- 
merkzamen kunstenaar. 

Die magere bewoners uit een armemenschensteegje, die, met 
hongerigen blik en huiverend van koude, hun verstijfde leden 
aan een koffiebranderstrommel staan of zitten te warmen en 
wien de kof fiegeur zichtbaar het water in den mond doet komen ; 
die dronkaard, die, eindelijk uit de kroeg tehuis, zijn vrouw ster- 
vende terugvindt i) ; die boeren, welke elkaar, lofliederen zingend 

*) Brusselsch Muzeum. 



94 DE SCHILDERS VAN HET HEDENDAAGSCHE VOLKSLEVEN. 

of gebeden zeggend, terug en terzijde dringen, zijn „oude beken- 
den" — zegt de toeschouwer bij den eersten blik, zijn „voortref- 
felijke typen" — , bevestigt de kenner. 

Wij zouden bijna tot de Gotieken moeten teruggaan, om een 
ekwivalent voor de Groux' kunst te vinden. Hij behoort tot die 
groep van kunstenaars, die, meer dan alle andere, voor de ko- 
mende geslachten een openbaring van dezen demokratischen tijd 
zullen zijn: Israëls in Holland, Millet in Frankrijk zijn zijn geest- 
verwanten, gelijken, peers. 

De invloed van de Groux was voor het genre, of beter gezegd 
voor de volksschildering nauwelijks minder groot dan die van 
Leys voor de historie. 

Voor de kritiek is er uit het werk van de Groux een kostelijke 
les te halen, wel het meest uit stukken als „Karel V, het Viaticum 
ontvangende" en „De Koffietrommel". Vooral in dezen tijd van 
opzettelijke jachtmakerij op andere, altijd maar andere, nieuwe, 
altijd maar nieuwe, daarom nog niet telkens betere methoden en 
manieren, waarin wij , van menig levend artiest, zeer vaak de wer- 
ken amper willen bekijken, omdat zij „lijken" op het werk van 
X of Z, terwijl er toch nauwelijks een goede halve eeuw zal dienen 
te verloopen, opdat wij niet meer vragen naar een volstrekt on- 
derscheid tusschen het werk van toch steeds onderscheidene 
temperamenten en handen ! Zoo waardeeren wij even goed, wat 
de Groux naast en ondanks anderen en onder den invloed 
van die anderen voltooide als wij er toch niets meer tegen heb- 
ben, dat Quinten Metsys herinnert- aan Bouts, Bouts zelf aan 
van der Weyden en Boeren-Bruegel aan den Brunswijker Mo- 
nogrammist 

De goede schilder van „De Begankenis van den H. Guido te 
Anderlecht" en van „Benedicite" werd weldra door een gansche 
schaar jongeren, waaronder vooral Meunier, Alfred en Jozef Ste- 
vens, Ch. Hermans, Delpérée uitblonken, zij het ook aarzelend, 
nagevolgd. Ook eenige van onze allerbeste latere schilders zijn in 
zekere mate zijn nakomelingen in de kunst, o. a. Struys, van 
Aken, Léon Frédéric, Jakob Smits ; in zeker opzicht ook schil- 
ders van landschappen met figuren als Claus, Theodoor Ver- 
straete, Frans van Leemputten, Farasyn, Luyten, Mertens, ik 
zeg niet in de kleur, maar wel in de behandeling van hun men- 
schengedaanten, en zelfs, ofschoon meer onrechtstreeks, de veel 



DE SCHILDERS VAN HET HEDENDAAGSCHE VOLKSLEVEN. 95 

jongeren en zich gedeeltelijk naar Bruegel inspireerenden: Laer- 
mans en Marten Melsen. 

Over de voomaamsten eenige woorden .... 

Een van de eersten, die, meer instinktmatig dan wel berede- 
neerd en berekend, de Groux navolgden; degene, welke in deze 
richting, ofschoon meer als beeldhouwer, den grootsten bijval be- 
kwam, was Constantin Meunier (1831 — 1905). 

In donkere, grauwzwarte tonen voltooide hij een tijdlang, zeker 
van 1857 tot 1875, tooneelen van kommer en gebrek, last en lij- 
den, dan weder van ernst en overweging, zonder maar iets van het 
humanitair-demokratisch streven van zijn voorganger te toonen. 

Voor de eerste reeks vond hij de stof eensdeels in de godshuizen, 
anderdeels in de levensgeschiedenis van de kristen martelaars, 
voor de tweede in het stille, streng geregelde leven van de kloos- 
terlingen. 

Ik overschat de waarde van deze dingen niet. Meuniers kolo- 
riet was niet rijk, op verre na niet oorspronkelijk en al te zeer ver- 
want met dat van de Groux zelf. Maar ondanks al haar zwakke 
kanten onderscheidde zich zijn kunst ook in déze periode door 
oprechtheid en teerheid van gevoel en meermaals door een zeer 
scherpen kijk op het leven. Tot het beste, wat hij in die jaren 
voortbracht, behoort zijn „Epizode uit den Boerenkrijg"^) en voor- 
al zijn „S. Franciscus van Assisi" in de kerk te Xhendelesse. 

Rond 1880 nam hij op zich een aantal illustraties te leveren 
voor de door Camille Lemonnier voor „Le Tour du Monde" ge- 
schreven uitgave, „La Belgique." 

Hoofdzakelijk verlangde men van hem een reeks voorstellingen 
uit het leven van de arbeidersbevolking in de Waalsche nijver- 
heidsdistrikten. 

Daar, te Seraing en te Val St. Lambert, ontstonden de twee 
eerste werken van een geheel nieuwe periode. 

Al die arbeidersfiguren waren met volmaakte, teknische mees- 
terschap geschilderd. Men wist niet, wat denken en zeggen over 
deze stukken, waarin hij als opzettelijk met alle overleveringen 
van de officieele kunst gebroken had en waarover ik zelf, onge- 
oefende als ik toen was, durfde schrijven: „Meuniers werken 
doen ons onweerstaanbaar aan barleeven denken. Sommigen 
noemen de kleur onaangenaam. Het antwoord op de vraag, of zij 

•) Brusselsch Muzeum; het stuk is uit 1875. 



96 DE SCHILDERS VAN HET HEDENDAAGSCHE VOLKSLEVEN. 

niet meer waar en natuurgetrouw dan mooi zijn, kan intusschen 
niet anders dan bevestigend luiden." Van rond 1880 tot zijn dood 
leverde de meester ons een geheele reeks dergelijke voorstellin- 
gen, voorvallen uit het leven diep in de mijnen of in de droefgees- 
tige „corons" van het Walenland, dingen vaak van een bepaald 
grafisch karakter, waarin de teekening meer op den voorgrond 
treedt dan het koloriet en waarvan de typen, ietwat eenvormig 
en konventioneel, getuigen van een innig meegevoel voor het lij- 
den en strijden van het moderne proletariaat. Ontegenzeggelijk 
had Meunier, door het voltooien van deze stukken, werkelijken 
invloed op het hernieuwen en modernizeeren van onze figuur- 
schildering 1). 

Een ster van eerste grootte meende men te mogen begroeten in 
den in 1836 te Doornik geboren André Hennebicq, toen deze, na 
een verblijf van eenige jaren in Italië, in 1870 in het officieel 
kunstsalon te Brussel zijn „Aardarbeiders in de Campagna roma- 
na" tentoonstelde. Dit niet ongemeen groote tafereel moge ons al 
in de transalpijnsche gewesten verplaatsen; het was een „slager" 
van ongewone verdiensten. Het vertoont, in verschillende hou- 
ding, een tiental Italianen, met onder hun verweerde viltjes even 
verweerde gezichten, verrichtend met langstelige schoppen hun 
bescheiden werk. Al de houdingen zijn het leven afgekeken even- 
als de figuren zelf; het geheele tooneel ademt den grootsten een- 
voud en den innigsten vrede. Geen ander Waal of Vlaming bracht 
ooit iets degelijkers mede uit het Zuiden of het Oosten, tenzij wel- 
licht Emiel Wauters, wiens voortreffelijk landschap, „Kaïro bij 
de Brug van Kasz-el-Nil" (1883), Antwerpsch Muzeum, ook een 
„slager" was, waar geen tweede op mocht volgen. 

Jammer, dat op dit eerste meesterwerk geen tweede volgde. 
In later jaren waagde de auteur zich ook op het terrein der historie 
en zelfs der dekoratieve schildering; doch met veel geringeren 
bijval. Hij overleed te Brussel in 1904. 

Degenen, die de Groux zoo niet in de uiterlijke behandeling, zij 
't ook op breeder schaal en met minder bescheidenheid, dan toch 
door het innig menschelijk gevoel, dat in hun gewrochten ademt, 
en de voortreffelijke ad vivumbehandeling van het menschelijk 
figuur, het dichtst bijkomen, zijn Alexander Struys (1852) en Léon 

*) Zie in deel V van „Het Schilderboek" mijn studie over den beeldhouwer-schilder 
Meunier. 



DE SCHILDERS VAN HET HEDENDAAGSCHE VOLKSLEVEN. 97 

Frédéric (1 856), de eerste van onverbasterd Nederlandschen, — de 
tweede van half Vlaamschen half Waalschen tronk zooals Meu- 
nier zelf. 

Na een zeer opgemerkt debuut in het meer beperkte Antwerp- 
sche kunstmidden uit de jaren 1870 — 1874, o. a. met een werkelijk 
prettig in volle verfspijs geschilderden „Mosseleter" en met een 
wel wat sentimenteele, maar toch aangrijpend en knap uitge- 
voerde herinnering aan den „Struggle for life" van vele in armoe 
en miskenning beginnende artiesten, „Misschien", leverde Struys 
nadat hij rond 1874 Verlat als akademieleeraar te Weimar 
was gaan vervangen, jaren lang het eenigszins tragische schouw- 
spel van een begaafd en onderlegd kunstenaar, die er maar niet 
in schijnt te slagen, zijn eigen weg te vinden. Genre, geschiedenis, 
mythologie bekoorden hem elk op beurt, zonder dat het hem ge- 
lukte in één dezer vakken, tenzij wellicht in 't eerste, werk van 
eenigszins hooger gehalte te voltooien. 

In ééns, in 1888, was hij er! „De Broodwinner", in de „Drie- 
jaarlijksche" van dat jaar voor het Antwerpsch Muzeum aange- 
kocht, was het eerste groot sukses van een nieuwe periode, het 
eerste van een geheele en lange reeks schilderijen, waarvan 
meer dan één den eerenaam van „meesterstuk" verdient. 

Struys en Frédéric beiden zouden kunnen doorgaan als het le- 
vend en treffend bewijs, dat alle manieren goed zijn, als de 
kunstenaar, die ze zich toeeigent, maar voldoende talent bezit. 
Het koloriet van den eersten is alles behalve modern ; het heeft 
schrikkelijk veel gelijkenis met de al lang in slechten roep staande 
bruinschildering van zekere nabootsers van de kleine zeventiend- 
eeuwers ; het heeft meer dan ééns tot bazis het terecht versmade 
„sirop d' Anvers" en is daarbij meer dan ééns nuancieloos, eentonig, 
zwaar en hard en in tal van schilderijen hetzelfde. Dat vanden twee- 
den munt zelden uit door zachtheid en gloed van toon ; het vertoont 
vaak een hardheid en een gebrek aan harmonie, die, gepaard met 
iets als een metalheken schijn, niet in de traditie der „goede" 
schildering passen en het schoonheidsgevoel weinig bevredigen. 

En toch voelen wij ons zelden ontstemd door de sombere kleu- 
renscala van den een of door het koude en harde van den andere, 
zeker wel omdat die kleur zoo volkomen bij de behandelde onder- 
werpen past, dat wij schier geneigd zijn bij hen te prijzen, wat wij 
bij anderen overtuigd zouden gispen. 



98 DE SCHILDERS VAN HET HEDENDAAGSCHE VOLKSLEVEN. 

Evenals Meunier en de Groux doen Struys en Frédéric grepen 
in het volle lijdensleven van de nederigen en armen. Enkel doen 
zij zulks eenvoudig uit belangstelling in het lot van den mede- 
mensch zonder de minste bijgedachte, zonder de minste filan- 
thropische of filozofische bedoeling, zonder den steeds wrangen 
bijsmaak van een maatschappelijke of andere tendenz. 

En van alle modernen, uitgezonderd alleen Israëls misschien, 
weet geen zoo onderhoudend en roerend van hen te vertellen. 

Struys vertelt doodeenvoudige, alledaagsche, haast onbedui- 
dende geschiedenisjes: van het moedertje, dat de H. Maagd ver- 
eerde; van het gestorven kindeke en van het leed van moeder; 
van het kindeke, dat ziek viel en van moeders schrik en angst; 
van het bedrogen meisje en den wijzen troost van den heer pas- 
toor. — Frédérics verhalen zijn meer ingewikkeld; het vagebon- 
denbestaan van de Waalsche krijtventers; de wriemelende men- 
schenmassa, die te voorschijn gulpt in een volkrijke straat als de 
Hoogstraat te Brussel op klokslag twaalf uur middag; de op- 
tocht van de lotelingen; de begrafenis van een landbouwer; wat 
natuur en afstamming eerst, leven, arbeid in den strijd om de 
korst brood later maken van de boeren („De vier Levenstijden") ; 
dit alles en nog veel meer verwekt zijn belangstelling. 

Struys! Zoo eenvoudig en alledaagsch kunnen zijn onderwerpen 
op zichzelf niet zijn, of zie, als hij ze behandelt, worden zij hertoo- 
verd tot aangrijpende, zich voor altijd in het geheugen prentende 
bladzijden uit het groote en nooit volgeschreven boek van het 
menschelijk lijden. 

Daartoe heeft hij niet vele figuren noodig; een vrouw met haar 
man, een moeder met haar kind ! Veel heen- en weergeloop of arm- 
gezwaai geeft hij ook niet te zien ! Stil, ongewoon stil en rustig hou- 
den zij zich op zijn schilderijen; de armen hangen haast beweging- 
loos neer; de lippen blijven stom; de oogen zijn zedig neer- 
geslagen ; en toch treft ons dat stille spel tienmaal dieper dan 
het bloedigste veldslag- of omwentelingstooneel onzer roman- 
tieke schilders. 

In een smalle armoedige straat te Mechelen bezocht ik met den 
meester de schamele werkmanswoning, waar hij de meeste van 
deze werken schilderde en leefde. 

Want — en in mijn oog strekt dit hem tot groote eer — Struys 
behoort in geenen deele tot die schilders, welke in hun eigen werk- 



DE SCHILDERS VAN HET HEDENDAAGSCHE VOLKSLEVEN. 99 

plaats de zonderlingste voorvallen beleven en zich in eigen tuin op 
-acht of vischvangst begeven. 

Dat was wel de kleine, kale keuken, waarvan ik de witgekalkte 
hier en daar met een sant je of een portretje versierde wanden uit 
zijn werk zoowel kende. En toch was zij die keuken niet ! Waarom ? 
Omdat Struys geen angstig kopiist van de werkelijkheid, geen 
fotograaf is, die al wat hij ziet, nauwgezet nateekent, zooals het is, 
omdat hij niet anders kan; maar omdat hij, wat hij waarneemt, 
weet te louteren en om te zetten tot iets beters en hoogers; omdat 
hij er stijl weet aan te geven. 

Struys is een dichter, die in eiken streek van zijn penseel iets 
van zijn eigen gemoed legt en al wat hij op het doek toovert met 
het milde, warme licht van zijn ziel weet te doordringen. 

Struys is van het geslacht dier teergevoeligen en medelijdenden, 
waartoe ook Millet, Israëls, von Uhde, Meunier, en in zekeren zin, 
ofschoon met geheel andere middelen, Raffaëlli en Steinlen behoo- 
len. Nooit vervalt hij in de „romance"; de indruk, dien zijn werk 
op ons maakt, blijft in de eerste plaats esthetisch; de beruchte 
„Zwiebel", waarvan Heine spreekt, gebruikt hij nooit, om ons te 
ontroeren. 

Zie zijn „De Zieken bezoeken", voltooid in 1893, van dan af in 
't Brusselsch Muzeum. Zijn er, in dit tamelijk groot doek, gebre- 
ken wellicht van perspektief, proportie, wat weet ik? Och jawel, 
die zijn er, en toch zou ik mij schamen, er van te reppen. Ik heb 
alleen oog voor het weergalooze gevoel, waarmede de gemoeds- 
stemming van deze vier a vijf personen: een priester, zittend bij 
het bed van een stervende, diens vader dan en zijn jonge vrouw 
met een zuigeling op den arm, is weergegeven. Alleen reeds het 
hoofd van den veege, waarin nog alleen, met zijn zeer intensen blik 
dat glasachtig oog te leven schijnt, is het werk van een bewonde- 
renswaardig kunstenaar 1). 

Als kolorist de mindere van Struys, overtreft Frédéric dezen 
door de macht van zijn verbeelding en de pracht van zijn samen- 
stelling, en ook — waarom het niet gezegd? door het innig lyrisme, 
dat evenzeer zijn voorstellingen van alledaagsche gebeurtenissen 
als zijn heusche gedichten, gelijk b.v. zijn „In Gedachten", of 
„Ook het Volk zal eens de Zon zien" (1891), of „De Lente", of de 
beroem de, in het Brusselsch Muzeum prijkende „Hulde aan Beet- 

') Zie in mijn bundel „Koppen en Busten" een opstel over Struys. 



100 DE SCHILDERS VAN HET HEDENDAAGSCHE VOLKSLEVEN. 

hoven", meerbekend als „De Beek", in alle onderdeden doorgloeit. 

Frédéric, die een goed deel van zijn kindsheid en een nog aan- 
zienlijker deel van zijn artistieke loopbaan in een arm en stil dorpje 
van het Namensche doorbracht, kent en begrijpt de boeren als 
geen tweede. Hij, die hun brood at en bij gelegenheid, als een 
moderne volgeling van den grooten ,,poverello" en „pazzo" van 
Assisi deel nam aan hun arbeid, voelt met hen mee zooals alleen 
een Millet het vóór hem kan gedaan hebben. 

Zijn gezamenlijke werken, oneindig meer dan die van Antoine 
Wiertz de eer waard, bijeenverzameld te worden in een eigen 
muzeum, zouden de meest pakkende „kroniek van den Waalschen 
landbouwersstand in de XlXe eeuw"uitmaken, die een roman- 
schrijver, al was het Balzac zelf, er van zou kunnen dichten. 

In het voorbijgaan zij hier aangestipt, dat Frédéric, tevens een 
uiterst fijngevoelig landschapschilder, in zijn werkplaats, in twin- 
tig laden op elkaar gestapeld, honderden voortreffehjke in olieverf 
of met pastel uitgevoerde landelijke kijkjes verborgen houdt, 
waarvan hij alleen bij uitzondering, ik weet niet, om welke reden 
van al te groote nederigheid of valsche schaamte, een enkel naar 
een tentoonstelling stuurt (zie b.v. zijn mooien „Maneschijn" uit 
1898 in het Brusselsch Muzeum i). 

Frédérics invloed deed zich vooi al gelden onder de Brusselsche 
artiesten en in de eerste plaats onder de leden van de jarenlang 
bloeiende vereeniging „Pour l'Art". Vooral Firmin Baes, eens zijn 
leerling, is met den meester verwant. 

Baes is overigens een kunstenaar van zeer voortreffelijke be- 
gaafdheid, die met gelijk talent pastel en olieverf, het mensche- 
hjk figuur en het landschap behandelt. 

In vrij schril kontrast tot Struys staat de begaafde Antwerp- 
sche meester Theodoor Verstraete, geboren in 1851 te Gent, in 
1907 overleden te Antwerpen, waar hij in de jaren 1867 — 1878 
zijn opleiding aan de Kunstakademie had genoten, en in de om- 
geving waarvan hij zich in volle onafhankelijkheid had ontwik- 
keld tot hij, rond 1900 geestesziek geworden, de penseelen moest 
neerleggen. Verstraete, die vooral naam maakte als landschap- 
schilder, onderging, als zoo velen van zijn tijdgenooten, de onweer- 



') Men raadplege mijn uitgebreid opstel over den meester in „Het Schilderboek", 
deel V, Elsevier, en een korter in mijn bundel „Koppen en Busten", Lamertin, 
Brussel. 



DE SCHILDERS VAN HET HEDENDAAGSCHE VOLKSLEVEN. 101 

staanbare bekoring van het werkelijk volksleven en liet er zich 
gaarne door inspireeren. 

In den beginne, zoowat van 1 880 tot 1 890, liet hij zich bij voor- 
keur verlokken door onderwerpen, welke hem gelegenheid gaven, 
zijn aangeboren drang naar dichterlijke droomerij en sentimenteel 
dwepen bot te vieren. Zijn doeken uit die jaren toonen ons een 
boerenmeisje, loopend, met gemeten stapkes, heel stil en ingeto- 
gen, langs haar koetjes in een weide, waaruit, in den September- 
valavond, fijne witte nevelen opzweven; of een kerkhof, van waar 
een jonge man zijn ouden vader wegleidt, van de plaats, waar zoo 
pas een graf gedempt werd ^); of een langen weg tusschen wat 
schrale boompjes, te midden van de zandige hei, en op dien weg 
mannen in blauwen linnen kiel en vrouwen in donkere kapmantels, 
aanstrompelend achter een naar het kerkhof vervoerde lijkkist. 

Van lieverlede echter wist Verstraete zich van dat tikje gevoe- 
lerigheid te bevrijden, en dit zoo zeer, dat het hem mogelijk werd, 
onderwerpen van den aard der hier boven bedoelde zoo objektief , 
ik zou haast zeggen zoo onzijdig mogelijk te behandelen. Een tref- 
fend-reprezentatief stuk uit deze nieuwe ontwikkelingsperiode is 
het groote schilderij uit het Antwerpsch Muzeum, „Naar den Ro- 
zenkrans", voltooid in 1891, waarin wij, vlak vóór het witgekalkte 
boerenhuis, waarvan de gesloten vensterluiken en evenzoo het aan 
de deur aangeleunde kruis aanduiden, dat een doodeerop 't stroo 
Ugt, de boeren en boerinnen, met tragen, haast voorzichtigen toch 
weggewonen stap zien aankomen, om daarbinnen den rozenkrans 
te bidden. In deze periode, overigens, gaf de intusschen krachtiger 
en ervaringrijker geworden kunstenaar meer en meer de voorkeur 
aan gezonde, soms wel meer prozaïsche onderwerpen : een schip- 
trekker, hangende in zijn lederen trekgareel aan het lange touw 
van een onzichtbaar schip en gaande, in gebukte houding, in 
strompelgang langs de vaart; een trits zwaarlijvige zeebonken, 
opmarscheerend, de breede ruggen naar ons toe, naar de haven ; 
een hovenier, neerhurkend naast allerlei bloempot j es en het jonge 
plantsoen verzorgend; een Zeeuwsch boerenpaar, in 't uur der 
vledermuizen, vrijend bij den slagboom van een boerenerf in den 
opkomenden avondmist .... 

En terwijl aldus zijn onderwerpen gezonder en tevens zijn uit- 



(' „Na de Begrafenis", Brusselsch Muzeum. 



102 DE SCHILDERS VAN HET HEDENDAAGSCHE VOLKSLEVEN. 

beelding van het menschenfiguur én waarheidgetrouwer én krach- 
tiger werden, verhelderde hij meer en meer zijn palet, wist het te 
zuiveren van alle konventioneele toontjes en er de geschiktste 
kleuren op te vinden, om stouter en stouter, verrassender tevens 
en raker, het, overigens, van in zijn eerste proeven reeds duidelijk 
gedroomde vrije buitenhcht vast te houden i). 

Eenige jaren jonger dan Verstraete is de te Antwerpen in 1858 
geboren Edgar Farasyn, die op buitengewoon prillen leeftijd, kort 
na 1875, in de tentoonstellingen van het Antwerpsch Kunst ver- 
bond debuteerde met werkelijk veelbelovende tooneeltjes uit het 
kinderleven. 

Ook deze is een veelzijdig kunstenaar, die zich, geUjk Verstraete, 
bij afwisseUng op landschap, marine, binnenhuis en volksschilde- 
ring toelegde. 

Van de vele tooneelen uit het volksleven, die Farasyn ondertee- 
kende, is en blijft „De Oude Vischmijn te Antwerpen", Antw. 
Muz., ontegenzeggelijk een van de twee of drie merkwaardigste. 

Toen Farasyn het waagstuk aandurfde, was hij 24 jaar oud! In 
de Driej aarlij ksche van 1885 werd nauwelijks een ander schilderij, 
zelfs niet een heel groot doek van den Franschman Gervex, meer 
opgemerkt dan het zijne. 

Maar ook, welk een benijdenswaardig onderwerp en welk een 
degelijke behandeling! 

Reeds door de welbegrepen verscheidenheid der typen verheft 
zich het stuk boven de werkelijk niet altijd gouden middelmaat. 

De bestuurder der „mijn", een dik-bollig, gladhuidig pedantje, 
vol van zijn waardigheid; de struische werklieden, die de te koop 
geboden visch in mandjes voortsleepen ; de koopsters, in alle 
dracht, van allen leeftijd, elk haar eigen karakter, schalkheid, 
schraapzucht, domheid, geslepenheid, enz., in houding en gelaat 
verradend; voorts de toeschouwers, een bonte schaar nieuwsgieri- 
gen, luiaards, straatbengels. Wat een onderwerp! Op het gevaar 
van eentonigheid of gebrek aan perspektief, in een samenstelling 
als de onderhavige, waar een veertigtal figuren op voorkomen, 
nauwelijks te vermijden, stuitte zijn poging niet. . . . Jammer, dat 
de kleur mat, wat krijtachtig is op enkele plaatsen. Hier vooral, 
voor deze personages, ware een frisscher, gezonder, rijker en meer 
Vlaamsche karnatie goed op haar plaats geweest. 

*) Zie over Verstraete mijn uitvoeriger opstel in „Het Schilderboek", V, Elsevier. 



DE SCHILDERS VAN HET HEDENDAAGSCHE VOLKSLEVEN. 103 

Heel wat moderner zijn de in 1890 uitgevoerde stukken 
„Ploegen" en „Schofttijd der Visschers". Meesterlijk in 't eerste, 
die logge stevige, Veurnsche rossen, met bijna tastbare vormen, 
levend van beweging; treffend waar het gaan en doen van den 
ploegman; de grond vettig, zwaar, voelbaar halfvochtig; juist de 
toon van de lucht, half in dampen op den achtergrond; niet min- 
der heerlijk, in het tweede, zeer groote stuk, een groot rosbruin 
paard met geelachtige manen, huiverend in de natte lucht van de 
wijdstrekkende „kallen" ; goed gezien en weergegeven de visschers, 
deze voedend het paard, gene het tuig in het water wasschend, een 
derde zijn manden ladend op den rug van het dier. 

Larocks „Idioot", in de Drie j aarlij ksche van 1 894 tentoongesteld 
en voor het Antw. Muzeum aangekocht, is een bladzijde vol van 
het diepste medelijden voor die rampzaligen, welke, op den buiten 
vooral, aan zoovele plagerijen zijn blootgesteld. In een afgelegen 
hoekje te midden van steengruis en wat karig gras, heeft de arme 
onnoozele zich verscholen. Hij zit daar neergehurkt, de pet schuins 
op het domme dikke hoofd, en kijkt met schuwen, smeekenden en 
tevens verwijtenden blik, den schuwen blik van een opgejaagd 
dier, de kwajongens aan, die hem tot daartoe achtervolgd hebben. 
Onmogelijk zou men 't achten, dezen idioot zoo eenvoudig en toch 
zoo treffend voor te stellen. Al het wee van zulk een verwilderd 
bestaan schreit uit dit figuur ons toe, en toch blijft de geheele 
voorstelling volkomen vrij van elke sentimentaliteit. De kleur is 
wat zij wezen moet: schraal, droef, pijnlijk. 

Zijn „Schramoelierapertje", Muz. van Brussel, zijn „Vis- 
schertje", verzameling van den schrijver dezer regelen, tal van 
andere meestal niet groote stukken zijn niet minder degelijke 
kunst en doen het betreuren, dat deze rijk begaafde, in 1865 ge- 
boren artiest, reeds in 1901 door longtering werd weggemaaid. 

Ook „de Strijd om het Bestaan" van Hendrik Luyten ^) is door 
en door modern. Modern door de behandelde stof: een tooneel uit 
een werkstaking in de Belgische mijndistrikten; modern ook door 
de behandeling, waarin wij tegelijk het streven der realisten en 
der luministen opmerken. 

Een tafereel van een twaalftal meter in 't vierkant, vol figuren 



') Sedert 1916 in het Antwerpsch Muzeum. Lid geworden van den Muzeuniraad. 
bood Luyten het reusachtig drieluik aan als „don de oyeuse entree". De Stad en de 
Muzeuniraad aanvaardden het dankbaar .... 



104 DE SCHILDERS VAN HET HEDENDAAGSCHE VOLKSLEVEN. 

van anderhalve natuurgrootte, aangelegd in breede, stoute trekken, 
machtig van teekening en aangrijpend van gevoel. Toch, ondanks 
de ongewone verhouding van het doek, meer grootsch dan groot. 

Een herbergzaal. Rond de tafel, mannen en vrouwen van allen 
leeftijd, met gehavende kleeren, bemorste tronies, nuchter de 
meeste, enkele bij drank. Buiten zijn de gezellen reeds handge- 
meen geweest met soldaten of marechaussees. Gewonden stormen 
de zaal binnen. Een doodelijk gekwetste ligt op het voorplan. 
Een kreet van wraak ontsnapt aan alle monden. Vuisten worden 
opgestoken, stokken in de hoogte gezwaaid, vloeken en bedreigin- 
gen uitgebraakt,en geen toejuichingen worden den gezel bespaard, 
die met een vlugge beweging op de tafel springt, ten einde de mak- 
kers aan te sporen tot uitersten tegenstand. 

Een degelijk stuk, zoo in-gezond van uitvoering als van koncep- 
tie. De groepeering in het algemeen, de houding en gezichtsuit- 
drukking der afzonderlijke personages, vallen te prijzen. Die 
typen van allerlei leeftijd en gemoedsaard „leven". Van den ge- 
boren oproermaker en den rustigen ordelievenden arbeider, die 
alleen uit nood tot buitensporigheden overslaat, is hier menig 
exemplaar voorhanden. Misschien is Luytens „Struggle for Life" 
niet heel en al vrij van deklamatie, zelfs niet van zekere akademi- 
sche konventie in die overdaad van over-en-weer-geroep en han- 
dengezwaai. Kon het echter wel anders, waar het er op aankwam, 
op betrekkelijk kleine schaal een menschelijk publiek — en welk 
publiek ! — één razen, tieren, protesteeren en wraakroepen ! — van 
wel een zestigtal koppen te doen ademen? 

Groot was de bijval, door Luyten in de Drie j aarlij ksche van 
Gent met deze kompozitie behaald. Geen dagblad, van welke 
kleur ook, dat er niet met lof van gewaagde. „Une grève pour de 
vrai et non une émeute de mélodrame." schreef „L'Indépendan- 
ce"; „Ie cri sort de la toile et annonce Ie sang." En het blad be- 
groette in „Struggle for Life" een aangrijpende illustratie op de 
theorie van den bekenden Franschen socioloog, M. Tarde, over 
het zoogenaamde „crime des foules". 

In „L'Etoile beige" „ schreef Sulzberger: „cela parle, cela crie, 
cela hurle, cela est documentaire!" 

Een geheel bizondere en in 't oog vallende plaats bekleedt 
Eugeen Laermans (geb. 1864). 

Laermans, — en waarom niet Laeremans, zooals deze door en 



DE SCHILDERS VAN HET HEDEXDAAGSCHE VOLKSLEVEN. 105 

door Dietsch-Brabantsche naam werkelijk gespeld wordt, is beide, 
door zijn vader, een echt Brusselaar, en door zijn moeder, de doch- 
ter van eenvoudige landlieden van Sinte Agata-Berchem, een loot 
van den stevigstoeren boerenstam, die daar uToet en wrocht, 
slaaft en schrafelt, sober en in zich zelf gekeerd, rumoerig en uit- 
gelaten wild bij kermis- en feestgelagen, tusschen de Zenne en de 
Dender, tusschen Brussel en Halle aan den een, Aalst en Ninove 
aan den anderen kant, de geboortestreek ook van schrijver dezes. 

Zoo gezond en sterk zijn de hem aangeboren rashoedanig- 
heden, dat zelfs de verfranschende opvoeding, die hij niet tehuis 
ontving, maar die hem in school en akademie werd opgedrongen, 
zijn innerlijk Dietschzijn onaangetast liet. Vrij teekenend is het, 
dat Laermans, na onder den invloed van allerlei Fransche lektuur, 
o. a. van Baudelaires „Fleurs du Mal", teekeningen te hebben vol- 
tooid, die men, al is de invloed van Rops er in waar te nemen, 
voor werk van Odilon Redon had kunnen aanzien, al heel spoedig 
zijn keuze liet vallen op onderwerpen zonder eenige perverse of 
zelfs letterkundige bijbedoeling, zulke namelijk als de werkelijk- 
heid er voor al wie zien kan zoo vele oplevert. 

En niet alleen als herschepper van het leven, ook als koloriest 
van ongemeene kracht, bevestigde hij zijn Vlaamsch-zijn van 
ongeveer 1893 af in een even lange als merkwaardige opeenvol- 
ging van tooneelen uit het leven dier zelfde landlieden, waaruit zijn 
moeder en zeker ook wel zijn vaderlijke grootouders gesproten zijn. 

Van die landlieden nu, die ik, persoonlijk, zeer goed beweer te 
kennen, wier bouw, houding, gebaren, aard en wezen ik zelf, als 
kind van 't zelfde gewest, van nabij heb kunnen waarnem^en; van 
deze boeren en boerinnen heeft Laermans zich een eigen en eigen- 
aardig type gevormd, dat enkelen, juist dezulken die wel Teniers 
en Madou, maar niet of veel minder Boeren-Bruegel en Brouwer 
bewonderen, voor volkomen valsch schelden, anderen weder wat 
al te goedgeloofs beschouwen als — in facto — van één stuk 
met de onvervalschte waarheid. 

In werkelijkheid is er, van de ontelbare figuren van boeren en 
boerinnen, die Laermans te pas bracht in de goede honderd groote 
en kleine doeken, die hij van 1893 tot heden voltooide, nauwelijks 
een enkel aan te duiden, waarvan uitzicht en struktuur in 't alge- 
meen, waarvan zelfs houding, gang, handgebaar niet op wonder- 
bare wijze zou strooken met het leven. 



106 DE SCHILDERS VAN HET HEDEND.\AGSCHE VOLKSLEVEN. 

Door een tweevoudige omstandigheid intusschen kwam de 
kunstenaar er toe het waargenomene, ik durf zeggen ! het scherp 
en goed waargenomene, te wijzigen, te ver-, ik zeg niet: te mis- 
vormen. 

Doofstom van geboorte, levende dus in een door geen enkel ge- 
luid een enkele sekonde afgebroken eeuwige stilte, heeft hij van 
vormen, bewegingen, handelingen een veel scherper vizie dan zijn 
hoorende medemenschen. Door een ongewone, overigens aange- 
boren, doch door zijn treurig gebrek nog vergroote in-zich-zelf- 
gekeerdheid geneigd tot karakterizeeren, overdrijft hij ,met opzet, 
tijdens het werk, die bizonderheden van het lichaam, die bewegin- 
gen van de ledematen, welke hem in zijn modellen het meest 
treffen. 

Deed Verstraete niet hetzelfde, ofschoon, ja, soberder en gema- 
tigder ? Gaf de groote Boeren-Bruegel niet het voorbeeld, zonder 
veel maathouden in tal van zijn platen, met passende mate echter 
in zijn heerlijke schilderijen? 

Waar de meester van St. Pieters-Jette zijn boeren voorstelt met 
schijnbaar te zware, te plompe lijven; waar hij ze doet optreden, 
zich voortsleepend met zwaren, bijna mekanischen tred, met wijd 
uitgezette beenen en doorgezonken knieën, daar miskent noch 
vervalscht hij de waarheid ; integendeel, hij laat er licht op vallen, 
en — zelf wetend, onderstreept hij ze krachtig, te krachtig soms, 
ik beken het, voor die niet weten. Hij bewijst, een juisten kijk te 
hebben op den karakteristiek-eigen sleepgang van hen, die, als de 
boeren tusschen Zenne en Dender, omspitten moeten een zeer 
vetten, zwaren akkergrond. 

Het zou mij niet moeilijk vallen, in zekere van zijn tafereelen 
bewegingen aan te duiden, die zich als 't ware met andere bewe- 
gingen bij Bruegel dekken. Ik denk aan het tastend gaan, aan de 
hand van zijn kleine geleidster, van „De Blinde" (1898) ; aan het 
val-strompelen en dreigvallen van „De Dronkelap" (zelfde jaar); 
aan den vermoeiden, automatischen, linkschen gang van zijn 
boeren in „Naar de Rust" (zelfde jaar); aan de gebukte hou- 
ding, de zoo treffend juist geziene, van den boer, die, met een kind 
op den rechten arm, een ander aan de hand, tusschen twee blinde 
muren te stoeien loopt in „Het Wagenspoor" of „L'Ornière" 
(1899); aan de ruggen van meer dan één biddend man of dito 
vrouw in „Avondgebed" (1896) en „De Bedelaars" (1900); aan 



DE SCHILDERS VAN HET HEDENDAAGSCHE VOLKSLEVEN. 107 

het zichtbaar gehaaste beweeg van zijn drie figuren, een man met 
zeis, een vrouw met in handdoeken geborgen eten en een knaapje 
met een kan bier in „Hooitijd in de Kempen" (1906). 

Wie de boeren, als ik zelf, jaren lang in hun ongedwongen doen 
bespiedde, zal toegeven, dat, ver van karikatuurachtig overdre- 
ven, silhoeët en houding van Laermans' figuren in vele van zijn 
werken haast fotografisch waar zijn. 

Beschouw in „Avondgebed", die van achteren geziene knielende 
vrouw en dien van terzij gezienen, zich tot knielen-gaan traag en 
als met moeite, toch zoo devoot, krommenden boer en het naast 
hem staande meisje met het witte lijfje en het vuilroze schort. 

Zie het prachtige „De Blinde en de Kreupele" (1906), en het 
misschien nog schooner, naar mijn bescheiden oordeel volmaakt- 
onberispelijke „Indringers" (1903), die triestige schaar van land- 
loopers: een oud man, een jonge verlepte viouw, en vier kinderen, 
zich vasthoudend, angst op het lijf, tusschen een glimwitten 
bünden muur en het staketsel langs een rivier, terwijl, ginds ver, 
kwaadaardig en dreigend, vijandelijk dorpsvolk, — huishebbers 
die! — deze dakloozen nakijken. 

Er weent in verscheidene van Laermans' werken een zonderling 
moderne en intens-menschelijke tragiek, en treffend en teekenend 
is het, hoe hij die hooger weet te stemmen, alleen door deze beide 
middelen: beweging en kleur. 

Hetzij hij ons toont de in een ordelooze massa elkaar voortstu- 
wende stakers („Werkstakingsavond", 1894) of den al even onge- 
regelden opmarsch van „De Landverhuizers" (1898), Antwerpsch 
Muzeum; hetzij hij ons te zien geeft, hoe twee zwaar gebouwde 
lummels een doode wegdragen, terwijl, schreiend, een oud man- 
netje volgt en een klein meisje vooroploopt (1904) ; in deze en nog 
een paar andere tafereelen trekt de schilder, geleid alleen door 
zijn onfeilbaar instinkt van ras-koloriest, op wonderlijke wijze 
partij uit een schrille, bijna pijnlijke tegenstelling van het helste 
wit en het tonigste bruin of smaragdgroen, wit van een door ster- 
ke beeren gestutten tuinmuur, groen van geboomte en wegegras. 

Ook zijn anders, als al zijn landschappen, in rijke warme tonen 
glorend „Dorpskerkhof" (1905), dankt aan de zelfde tegenstel- 
ling, ondanks den gloeienden zonneraai, die het stuk haast in twee 
snijdt, dezelfde aangrijpende tragiek. 

Laermans, die, men weet het reeds, doofstom is, herschept al 



108 DE SCHILDERS VAN HET HEDENDAAGSCHE VOLKSLEVEN. 

zijn modellen, onbewust, tot doofstommen. Geen figuur, in om 
't even welk van zijn werken, dat het ook maar beproeft, iets te 
zeggen of den mond te openen. 

Met Gallait, Leys, A. Stevens, behoort Laermans tot het half- 
dozijn schilders van Belgischen oorsprong, die in het buitenland 
gewaardeerd worden. Zoowel in bizondere verzamelingen als in 
de groote muzea van Berlijn, Dresden, Parijs, prijken van zijn 
gewrochten. 

Een moderne Bruegel heeft men hem genoemd. Mij dunkt — 
dat is minder juist. Een Charles de Groux van zuiver Vlaamschen 
tuk met een uitgesproken drang naar 't monumentale, zoo zou ik 
hem liever bestempelen. 

Ook Jakob Smits (geb. 1856) is, in zijn tooneelen uit het 
volksleven, een koloriest, zij 't ook op een geheel andere wijze! 
Niet door te karakterizeeren, te vervormen, door te verdiepen, 
te doorgronden veeleer. 

Hoe aangrijpend weet hij, zelfs in kleine stukjes, uit te drukken, 
in mensch en dier, de vermoeienis van een langen zomerdag van 
sjorren en sjouwen op de hei of in het hout ; hoe intens spreken zijn 
armeluidj es-woonsteden van de schamele bekrompenheid van hun 
bewoners. 

Het koloriet is gezond, spreekt, recht vóór de vuist, zonder sluw- 
heid of knepen, echt en heerlijk Nederlandsch. 

Karel Mertens, Jaak Dierckx, Aug. Le Vêque in een niet ontal- 
rijke reeks van zijn werken, o. a. in zijn puike „Tragische Arbei- 
ders", Brusselsch Muzeum; Modest Huys; tien anderen zouden 
hier nog mogen herdacht worden. Doch niet alleen het wel en wee 
van de lagere standen, ook al de ervaringen van den vermogenden 
middel- en zelfs van den rijken en verfijnden hoogeren stand, kan 
immers stof leveren voor den zedenschilder van zijn eigen tijd? 

Waren de beide koloristen van Noordnederlandschen oorsprong, 
de joviale tweeling-broeders Pieter (1842 — 1894) en David Oyens 
( 1 842 — 1 902) geen beoefenaars van de volks- en genreschildering, 
omdat zij bij voorkeur voorvalletjes uit het kunstenaarsleven in 
beeld brachten? Hoe gemakkelijk, men zou zeggen al dartelend en 
spelend, zijn hun prettige stukjes, meest van kleine afmetingen, 
niet gedaan ! Wat een spirit en wat een leven zit er in ! Wat is elke 
toets stout en raak, breed zelfs ondanks de soms heel kleine af- 
metingen van paneel of doek; wat zijn de tonen vettig, kloek; wat 



DE SCHILDERS VAN HET HEDENDAAGSCHE VOLKSLEVEN. 109 

is het geheel harmonieus! En wat steekt er een gezonde humor in 
hun het leven afgekeken tooneeltjes! Hun personages gebaren 
niet, zij doen; zij praten, bluffen, kijven, mallen heusch en waar! 
„De Kollega's", 1884, van Pieter, Brusselsch Muzeum, en „Na de 
Verkiezing", 1884, van David, zijn ware meesterstukjes. 

Van allen, die zich waagden aan onderwerpen uit het leven van 
het heele of halve „high life" en van de bemiddelde burgerij, 
Alfred Stevens (1823—1906), Charles Hermans (geb. 1839), Jan 
van Beers (geb. 1852), later Michel en Thomas en te Antwerpen 
Emiel Vloors (geb. 1871), is, ontegenzeggelijk, de eerste de 
meest beroemde, de voortreffelijkste en — wat men ook zegge en 
hoe zeer hij zijn moedertaal verleerd moge hebben gedurende zijn 
jarenlang verblijf te Parijs, — de meest Vlaamsche. 

Gaat het aan, dezen vertolker van het mondaine leven der 
Brusselsche — later der Parijzer „bourgeoisie", dezen schilder van 
rijk en modieus ingerichte, luxueus gemeubelde, met kostelijke 
bibelots en snuisterijen versierde salons, waarin sjiek aange- 
kleede dames en juffrouwen uit de Wereld doorgaans meer pozee- 
rend om hun kostumen telaten bewonderen dan om hun gemoeds- 
stemming te openbaren, een meestal argeloos anekdootje aktee- 
ren; gaat het werkelijk aan, Alfred Stevens te rangschikken onder 
de Vlaamsche rasschilders ? 

Ik kan best begrijpen, dat men, na een oppervlakkige kennis- 
making met zijn „opus", aarzelt, deze vraag bevestigend te be- 
antwoorden. Bij nadere beschouwing evenwel komt men al spoedig 
tot het besef, dat er geen middel is, om zijn kunst, naar aard en 
wezen, elders te situeeren dan in de school onzer rasechte schil- 
ders. Wie dit niet billijkt, zou al even goed het Vlaamsch karakter 
van Antoon van Dijck kunnen negeeren, omdat deze voornamelijk 
te Londen en meestal heeren en dames uit de Britsche aris- 
tokratie heeft geschilderd. Wat Alfred Stevens stempelde tot een 
rasechten, schoon zijn taal sedert jaren verleerd hebbendenVla- 
ming, is niet alleen zijn rijk en gloedvol koloriet, vol van de verruk- 
kelijkste en fijnste overgangen en tinten; het is niet alleen zijn 
onovertroffen, onfeilbare tekniek, grootendeels, evenals die van 
Hendrik de Braekeleer, afgekeken van de oude Hollandsche mees- 
ters, o. a. Terburch; het zijn daarenboven de aandachtige liefde, 
de algeheele oprechtheid, de realistische zin, waarmede hij zijn 
modellen zag, begreep en uitbeeldde. 



110 DE SCHILDERS VAN HET HEDENDAAGSCHE VOLKSLEVEN. 

Staat men vóór de schilderijen uit zijn besten tijd, m. a. w. uit 
de jaren 1860 — 1880, dan voelt men zich aangegrepen niet alleen 
door de weergalooze meesterschap, waarmede alle denkbare stof- 
fen, — een Indische sjaal, een Smyrnatapijt, een zijden of fluweelen 
robe, een stuk goudieder, een porseleinen of bronzen bibelot, zijn 
weergegeven; men staat verbluft voor het intense pigment van 
dat bruin, dat geel, dat rood, dat mauve, maar tevens voelt men 
zich zeldzaam bekoord door den gemoedelij ken, haast familiairen 
eenvoud, waarmede de nooit tot hartstochtelijkheid stijgende, 
meestal wat „mièvre", toch niet ziekelijke gevoelens van zijn 
menschen zijn vertolkt. 

Wie kan loochenen, dat de stille vreugde, die de jonge moeder, 
in dat bewonderenswaardige „Tous les Bonheurs" ^) uit de jaren 
zestig, zich mededeelt aan den toeschouwer met dezelfde kracht 
als de „Weltschmerz", de levensmoeheid, de nerveuze spanning 
van die mondaine in balkostuum in het prachtige „Na het Bal" ^) 
van rond 1880? 

Zeker, het opus van dezen meester bevat meer dan één bladzijde, 
die minder en zelfs veel minder bekoort en boeit dan deze twee 
onbetwiste meesterstukken. Zonder lang zoeken zou ik er ver- 
scheidene kunnen noemen, waarin de gewaarwordingen van de 
modellen alles behalve diep, ja, oppervlakkig werden weergege- 
ven. Maar ook in déze stukken nog, hoe vele werkelijk ekskieze 
deelen, — bijkomende voorwerpen wel is waar — treft men er 
niet aan, die de bewondering moeten gaande maken van allen, die 
voor kleurenrijkdom gevoel hebben. „De Dame in 't Roze" (1886), 
„Het O. L. Vrouwenbeestje" (1880), „Herfstbloemen", „De ont- 
bladerde Tuil", alle in 't Brusselsch Muzeum, bevestigen dit^). 

Charles Hermans verschilt in de meeste opzichten van Alfred 
Stevens. Hij verschilt van hem door de keuze van zijn onderwer- 
pen zoowel als door de kleurbehandeling. Zijn eenig groot, maar 
dan ook zeer groot sukses behaalde hij in 1875 met zijn in dat 
zelfde jaar voltooid en in de Driej aarlij ksche geëxpozeerd schil- 
derij van ongemeen groote verhoudingen (2.48 m. h. en 3.17 m. 
breed), getiteld „Bij Morgenkrieken" *). Het is een bladzijde uit 
het leven der Brusselsche „haute noce", — door geest, opvatting 

') Bnisselsch Muzeum. 

*) Antwerpsch Muzeum. 

') Zie over A. Stevens een uitvoeriger opstel in mijn boek „Koppen en Bijsten." 

*) Brusselsch Muzeum, „A 1'Aube". 



DE SCHILDERS VAN HET HEDENDAAGSCHE VOLKSLEVEN. 1 1 1 

en zelfs tendenz, want er is een tendenz in, vrijwel in éénklank 
met de Fransche romanletteren uit die jaren. Het stuk kon bijna 
zijn de illustratie van een tooneel uit den een of den anderen roman 
uit Zola's reeks „Les Rougon-Maquart". 

In de nog vale klaarte van den vroegen morgen verlaten „no- 
ceurs" en „noceuses", gene met den „huit-reflets" op het hoofd en 
over hun galarok den met bont afgezetten mantel, deze in diep- 
gedekolletteerde modekleeren, het „restaurant de nuit". 

Werklieden met het alam op den schouder, in sjovele plunje, 
bleven staan, om de luidruchtige „sortie" van de rijke niets-doe- 
ners bij te wonen. . . . Een bejaard ambachtsman, een timmer- 
mansgast met grijzen baard, staart met gebalde vuist en als be- 
schaamd vóór zich .... want — hier komt het romantisch aapje 
uit des schilders modem-versneden mouw piepen — hij heeft 
onder de half bezopen dames zijn dochter herkend .... 

Het demokratisch aapje zit natuurlijk in de flagrante tegenstel- 
ling tusschen de, in hetzelfde morgenuur, elkaar ontmoetende 
mannen van arbeid en plicht. . , . en die mannen van lediggang 
en zonde .... 

Het valt niet te loochenen, dat Hermans voor zijn pierewaaiers 
uit de jaren zeventig zeer gelukkig gekozen typen had weten te 
vinden. Hij ontwierp hun bijna levensgroote figuren met onge- 
meenen zwier en vond voor elk de best passende, meest natuur- 
lijke plaats in zijn overigens weigesloten handeling. 

Zijn kleur, waarvan de hoofdtoon is een deftig en in allerlei 
schakeering gerappeleerd grijs, is oneindig meer verwant met die 
van de toenmalige Fransche naturalisten — ik noem alleen Ma- 
net, — dan met de steeds wat ouderwetsche, immers traditioneele 
kleur van Alfred Stevens. 

Nooit meer wist Hermans zich in zijn geheele latere loopbaan te 
verheffen tot de hoogte, die hij, 35 jaar oud, in zijn „Aube" had 
bereikt. Wat nog geenszins zeggen wil, dat niet nog meer dan één 
van zijn zedestukken, en vooral van zijn naaktstudies uitmunt 
door meer dan gewone verdienste. 

De bloeitijd van Jan van Beers als mondain schilder valt onge- 
veer samen met de tijdsspanne 1875 — 1895. In die jaren voltooide 
hij enkele ware meesterstukjes van echt Vlaamsche fijn- en klein- 
schildering, waarvan de allermooiste zijn de in de retrospektieve 
tentoonstelling van 1880 algemeene bewonderde „Zomeravond in 



112 DE SCHILDERS VAN HET HEDENDAAGSCHE VOLKSLEVEN. 

het Bois de Boulogne" (1880), alsook „De Brief" (1879), beide 
even voortreffelijk als degelijk van teekening en koloriet ^). 

Ook aan den Antwerpenaar P. Verhaert (1852 — 1908) en Hen- 
drik de Smeth (geb. 1865) zijn wij verdienstelijke voorstellingen 
uit het leven verschuldigd. Vooral „De Stempel van den Zee- 
man", Muzeum van Antwerpen, 1888, en zijn ongeveer tien jaar 
vroeger voltooide „Vischkraam", verz. G. Morren, Brussel, zijn 
twee voortreffelijke stukken van den eerste, het een zeer merk- 
waardig in 't opzicht van de samenstelling, 't ander veel meer in 
dat van 't koloriet. 

De Smeth leidt ons bij voorkeur binnen in de niet steeds met 
allerf ij nst en smaak versierde „salons" van rijkgeworden winke- 
liers of in de kille sakristie van een kerk. Zijn voor het Brusselsch 
Muzeum aangekocht stuk is wellicht het karakteristiekste van al 
zijn werken. 

Een aparte plaats verdient onder de schilders van het heden- 
daagsche leven de te Brussel uit Vlaamsche ouders geboren, in 
meer dan één opzicht merkwaardige Jef. Leempoels (geb. 1867), 
een veelzijdig begaafde, die zich aan de meest uiteenloopende 
vakken waagde. Zijn ware kracht ligt in het haarfijn napluizen 
van menschelijke karakters en reeds in zijn vroegste, destijds door 
de Belgische kunstkritiek veelbesroken werk, „Vision, vision 
cruelle", veropenbaarde hij zich als een psykoloog van ongemee- 
nen durf en ongemeene kracht, toegerust met een meesterlijken 
teekenaanleg. Welke indrukken Leempoels van dan af van het 
hedendaagsche leven ontving, steeds trad, in de uitbeelding daar- 
van, de ontleder van gevoelens of zieletoestanden beshst op den 
voorgrond. Vooral de eigenaardige psykologie zoowel van gods- 
dienstige dwepers als van eenvoudige vromen trekt hem onweer- 
staanbaar aan. 

In een talrijke reeks grootere en kleinere tafereelen karakteri- 
zeerde hij, met verbazende, soms wel eens al te welgevallig ver- 
toonde knapheid, maar steeds met onmiskenbare diepte van ge- 
voel, al de schakeeringen van de religieuze overtuiging, van 
vroomheid, godsvrucht, prozelietisme en dweperij, welke een wijs- 
geerig toeschouwer met kritischen, soms een weinig ironischen 
blik kan waarnemen in allerlei middens en standen, in de eerste 



') Zie in „Het Schilderboek", V, Elzevier, mijn studie over van Beers. 



DE SCHILDERS VAN HET HEDENDAAGSCHE VOLKSLEVEN 113 

plaats, ofschoon niet alleen bij Roomsch-katholieken. Tot deze 
serie behooren, buiten deze twee zeer innige en eenvoudige, „De 
Bedrukten", 1893, en „In de Kerk", 1894, dit laatste sindsdien in 
het Muzeum te Leipzig, „Een rondtrekkend Ambachtsman in 
Gebeden", het drieluik „In-, achter- en in het Midden van de 
Processie", een stuk vol kostelijk geobserveerde typen, „Het 
Lof in Notre Dame des Victoires", „Het Angelus klepte", enz.. 

In de beste dezer werken, en die zijn, in mijn oogen, de twee 
eerstgenoemde, durft hij het aan met de meesters onzer vijf tiende- 
en zestiendeeuwsche Nederlandsche scholen te dingen naar de 
kroon van de meest nauwgezette detailleering. Wat hij als teeke- 
naar en als schilder vermag, toont hij hier: die handen en die 
koppen zijn bestudeerd tot in de allergeringste bizonderheden ! 
Hun struktuur is eenvoudig meesterlijk! In baard en haar, in 
oogwimpers en wenkbrauwen is elk pijltje, in handen en vinger- 
leden ieder rimpeltje, ieder adertje weergegeven. Maar, hoe ge- 
detailleerd ook, het geheel lijdt er niet onder, wordt er niet klein- 
tjes door. Het blijft grootsch, en een stuk leven! Weldra vergeet 
men het uitgepierde van al dit bijwerk onder den werkelijk mach- 
tigen indruk van de expressie. Ook in zijn beide reeksen krank- 
zinnigentypen, onder het opschrift : „Chacun veut en sagesse ériger 
sa folie", zal elk eerlijk oordeelende de soliede teekening en de 
sprekende uitdrukking waardeeren. 

Een geheel bizondere plaats neemt in Leempoels' werk in het 
door zijn opvatting en insceneering wel wat vreemd aandoende 
tafereel: „De Lotsbeschikking der Menschheid". Twee derden 
van het doek zijn ingenomen door een donkere lucht, waaruit, in 
een nimbus van stralen, een Kristushoofd ons aanblikt; het be- 
nedenste deel vertoont ontelbare handen, handen van pauzen, 
bisschoppen, vorsten, kunstenaars, arbeiders, krijgslieden, moor- 
denaars.beschaafden, wilden, mannen en vrouwen ; handen zonder 
faal of smet ; handen verminkt door den arbeid; handen van blan- 
ken, handen van negers, en alle, alle met verbluffende knapheid 
gekarakterizeerd . 

Cerebrale kunst — zooals vaak die van F. Khnopf f en Léon Fré- 
déric, maar daarom niet minder opmerkenswaardig. 

Deze werken vertegenwoordigen overigens maar een deel van 
het aan verscheidenheid zeer rijke opus van dezen artiest. Noch 
van een reeks tafereelen uit het mondaine leven, — o. a. „De 

8 



114 DE SCHILDERS VAN HET HEDENDAAGSCHE VOLKSLEVEN. 

Thee', „De jonge Dame met de Bloem", „Meeuwen at home", 
„Van 't Bal terug", „De Kokette", noch van zijn naaktstudies, als 
„Baadsters", „Goudhelm", „Zwart en Goud", „Zorgeloosheid"; 
noch van zijn vaak aantrekkelijke voorstellingen uit het leven der 
arbeiders, „De Naaisters", „Bij den Slotenmaker", „Een Midi- 
nette", „De Dagblad venter", „De Maaiers"; noch van zijn be- 
handeling van zuiver godsdienstige onderwerpen, als b.v. „Jezus 
op den Olijfberg"; noch van zijn landschappen, binnenhuizen, 
stillevens, portretten; noch van de overigens nog niet voltooide 
„série symbolique" : „Het Geheim van de Filozofen", waaronder, 
als hulde aan de gebroeders van Eyck „Het Mysterie", en als 
hulde aan Pascal „De Gedachte"; kunnen wij hier een beoordee- 
ling geven. 

Jammer, dat deze knappe kunstenaar er even als Frédéric niet 
altijd in slaagt, zijn koloriet te ontdoen van zekere onaangename, 
wel eens opvallend metaalachtige tonen; jammer ook, dat hij 
zijn meer dan gewone virtuoziteit niet altijd weet in te toomen of 
ten minste te verbergen. 

Voor den ook door knapheid uitmuntenden Jan Verhas ( 1 834 — 
1896) mag een eenvoudige vermelding volstaan. Zijn „Wandelrit 
op het Strand te Heist-aan-Zee", 1885, Antwerpsch Muzeum, is 
een degelijk stuk werk, het beste en vooral rijpste, dat wij van 
hem zagen. 

In Henri Evenepoel zat stof voor een door en door Vlaamsch 
kolorist, een in den aard van Jan Stobbaerts of Verwee, met 
een brutalen, raken blik op de werkelijkheid en een verbazend 
knappen „poot", om ze weer te geven. De meeste dingen van 
Evenepoel zijn onder den rechtstreekschen invloed uitgevoerd van 
Manet en doen dan ook onweerstaanbaar aan dezen grooten 
kunstenaar denken. Toch was Evenepoels temperament krachtig, 
oorspronkelijk en daarenboven Vlaamsch genoeg, om van zulk 
een invloed op den duur geen groot nadeel te ondervinden. 

Te Nizza in 1872 geboren, trok hij, 1892, na een eersten leertijd 
te Brussel bij Blanc Garin, naar Parijs, waar hij in tal van plezierig 
gedane straattooneelen zijn lust naar levendigheid van kleur en 
kracht van licht botvierde. 

„Het Café d'Harcourt" (Quartier Latin), „Het Feest der Invali- 
den", mogen al wat ruw van behandeling zijn; 't waren beloften 
van groote waarde. Voortreffelijk in den vollen zin des woords is 



DE SCHILDERS VAN HET HEDENDAAGSCHE VOLKSLEVEN. 115 

zijn „Spanjaard te Parijs", het levensgroote figuur van den kunst- 
schilder Iturino, aflossend, grootsch, bijna monumentaal, op een 
Parijsch straatgezicht (Gentsch Muzeum). Ook degelijke portret- 
ten onderteekende de in 1899, veel te vroeg heengegane, o. a. dat 
van den Franschen schilder Baignières (1896), Brusselsch Mu- 
zeum, een symfonie in rood van zeer groote eigenaardigheid. 

Niet gaarne zou ik willen verzuimen hier ten minste do namen 
aan te teekenen van tweemaal twee jongere kunstenaren ,die elk 
in zijn eigen, met die van den ander teenemaal verschillende 
richting, voortreffelijk werk leverden: de Brusselaars Charles 
Michel en Henri Thomas, en in tegenstelling tot hen, de Antwer- 
penaar Victor Hageman en de Gentenaar de Bruycker. De twee 
eersten drukken eenigszins het voetspoor van Alfred Stevens, 
Charles Hermans, Jan van Beers; zij schilderen dames van de 
heele en de halve Wereld en halen hun hart op aan 't streelen en 
liefkoozen van de fijnste stoffen en de glansrijkste juweelen. Mi- 
chels „Zijde en Borduurwerk" (1907) en Thomas' „Paradijs vogel" 
(zelfde jaar) zijn heel mooi. 

Als ras- Vlamingen, door opvatting en werkwijze, staan de twee 
andere tegenover deze verparij ste Brabanders. 

Hageman, die meer en meer overgaat naar breed dekoratieve 
grootsheid, typeert naar het leven tientallen van de duizenden 
landverhuizers, die jaar in jaar uit, te Antwerpen scheepgaan naar 
Amerika, Australië, Afrika.... 

J. dé Bruycker, volbloed Gentenaar, een volksjongen, behebt 
met al de verzotheid van echte Gentenaars op lolle en leute, be- 
volkt de straten, pleintjes en steegjes van het prachtige oude Gent 
met geheele drommen rumoerig dooreenkrioelende werklieden, 
marktkramers en -gasten, bedelaars, straatleurders, kwartjes- 
vinders en ribauten. Beiden zouden een uitvoerige studie ver- 
dienen en het eenige, wat mij ervan weerhoudt, over hen uit te 
weiden, is dat ik persoonlijk in de laatste tien jaar geen gelegen- 
heid had, een eenigszins aanzienlijken voorraad van hun werken 
in eenzelfde zaal bijeen te zien. 

Deze gelegenheid schonk wel een andere ras- Vlaming, die 
thans, als deze beiden in de vaag des levens staat, de Antwerpe- 
naar Emiel Gastemans (geb. 1883). Reeds in den nu al vrij lang 
voorbijen tijd, toen hij, als lager onderwijzer, enkel vroegmorgens 
vóór en in den laten namiddag na schooltijd er met zijn schilder- 



116 DE SCHILDERS VAN HET HEDENDAAGSCHE VOLKSLEVEN. 

doos op uit kon gaan, voelde hij zich aangetrokken door het eigen- 
aardige, wel ruwe en soms gemeene, maar zoo schilderachtige 
leven van de onderste lagen der maatschappij, zooals hij dat kon 
bestudeeren in de pakhuizen, op de schepen, in de danslokalen en 
„pistaveernen" van het Schipperskwartier. Later, na in meer dan 
één tentoonstelling bijval te hebben geoogst, verbleef hij eenige 
maanden in Spanje, te Se villa en vooral te Granada, en kwam 
vandaar terug met tientallen groote en kleine doeken, die hij, 
tegelijk met eenige Antwerpsche kiekjes, in 1920 tentoonstelde. 

Deze tentoonstelling was weinig minder dan een gebeurtenis! 
Van dan af nam Gastemans bepaald rang onder de aantrekkelijk- 
ste Vlaamsche volkslevenschilders. Wat Gastemans aantrekt in 
de menschen, die hij schildert, is niet zoo zeer hun bezigheid, hun 
handel en wandel als wel hun verschijning, maar deze dan begre- 
pen in dezen tweevoudigen zin: de lichamelijke en tevens de ze- 
delijke! Hij verlustigt er zich in, het geheele uiterlijk van die men- 
schen, — gestalte, houding, gebaar, vorm en kleur der kleedij, 
waar en natuurlijk, maar tevens treffend weer te geven, maar hij 
weet ook het innerlijke, den zieletoestand, weet althans den va- 
gen, animalen gemoedstoestand er in uit te spreken. 

Zoo deed hij in zijn geboortestad, zoo te Brussel bij tijd en 
wijle, zoo, vooral in de oude, wonderbare, nog half Moorsche stad 
Granada. Hetzij hij Antwerpsche koffieraapsters, meisjes en wijf- 
jes van plezier, bar-juffertjes en kokotjes-, hetzij hij Andaloezi- 
sche bedelaars of gitana's schildert, altijd geeft hij ons den in- 
druk, doet hij ons „voelen", dat zijn modellen zóó zijn en niet 
anders, altijd geeft hij ons in de v^erschijning den weerschijnvan 
het inwendige .... 

Wat een weemoed ligt er in die luidruchtige, heftige gebaren 
makende, opgedirkte menschen uit Andaloezië! Wat een stem- 
mingsvolle atmosfeer van melankolie in het strookje landschap, 
in het stukje stad of straat, waarin zij dansen, loopen, gaan, 
zitten .... Zie Granada, de ouderwetsche, romantische, schilder- 
achtige stad, ontwakend, op haar heuvelen en achter haar aloude 
muren, in een neschen morgennevel .... Iets van Turners wonder- 
bare vizies van Venetië .... Al is, bij den grooten Brit, het ge- 
heele luchtbad dan ook veel meer doortinteld van het licht, dat er 
tegen den nevel vecht .... 

Dingen van blijvende waarde zijn vooral de acht a tien stukken 



DE SCHILDERS VAN HET HEDENDAAGSCHE VOLKSLEVEN. 1 1 7 

van niet gering formaat, waarin twee, \der, soms meer, soms een 
geheele klomp, een geheele groep volkstypen, schooiers, ons ver- 
toond worden, meest aflossend, met hoofd en schouder, op een 
achtergrond, waarop, breedgedaan, in den mooien toon van oud 
ivoor, een deel van de witte stad .... Als prinsessen opgedirkt, in 
zwaar neerhangende, met volant op volant versierde kleederen, 
naslepend op den grond, zitten of gaan zij, de Andaloezische 
vrouwen, vuns en voos en vies in hun lompen-rijkdom, langoereus 
van houding en gebaar, met fonkelende oogen en vleezigroode 
lippen, als prinsessen uit een schelmenroman of uit een krankzin- 
nigengesticht. 

En er steekt lijn in die mooi geziene en zeer kunstig samenge- 
stelde groepen ; er spreekt grootsheid en adel, antieke adel, uit de 
stijlvolle silhoeët der figuren. Zij zijn groots, niet groot gezien, en 
zij behouden dat karakter van grootsheid, van stijlvolle, haast an- 
tiek-klassieke grootsheid, ondanks al het gedetailleer van man- 
ta's, hals- en hoofddoeken, rokken en slepen. 

De kleur, — nu en dan, in zekere groepen, wat zwart wellicht, 
wat ondoorschijnend, — is wat zij moet zijn: waar, raak, en — 
vol fijne overgangen! Er komt met de jaren meer en meer een 
bekoorlijke bontheid in Gastemans' schilderijen, een werken met 
zoogezegde „rappels", die aan het geheel de noodige harmonie en 
eenheid behouden. 

De hoedanigheden, welke ons persoonlijk tot dezen durver en 
kenner onweerstaanbaar aantrekken zijn: 

Oprechtheid in 't ontvangen en vertolken van eiken indruk ; 
frischheid, onmiddellijk- en raakheid van uitvoering in teeke- 
ning zoowel als in koloriet; en dan een gevoel voor schoone, 
grootsche lijnen, een streven naar heuschen stijl, misschien wat 
tegengewerkt door een nog wat groote voorliefde voor 't weerge- 
ven van ondergeschikte bizonderheden. Van akademische 
schoonheid, van spekuleerende gelikt- en gladheid, van liflaffende 
mooidoenerij , van jacht op gemakkelijken bijval en van streelen 
van den zoo algemeen verspreiden slechten maak geen spoor. 

Dat velen, gewoon aan den slenter en den rompslomp, die in 
zekere middens hier te lande nog steeds vele aanhangers hebben, 
vreemd opkijken, als zij daar staan vóór deze schijnbaar vlug, al te 
vlug gedane, en — schijnbaar nogmaals — onaffe dingen, is te 
verstaan, is natuurlijk, ja onvermijdelijk. Op zekere soort van af- 



118 DE SCHILDERS VAN HET HEDENDAAGSCHE VOLKSLEVEN. 

heid legt Gastemans dan ook geen waarde! De vraag is enkel: 
Wat is afheid? Wanneer is een kunstwerk af? Voor heel velen, 
bedorven door het akademisch onderwijs en het aldoor maar 
binnen dezelfde perken ronddraaien, — niet draven, hoor! van 
de slaafsche bende der napraters, der herhalers voor den tiendui- 
zendsten keer, is een stuk alleen dan af, als het tot in de puntjes 
is door- en uitgevoerd, in alle onderdeelen even verzorgd, gelijk 
van waarde en wat dies meer; maar in werkelijkheid is een 
kunstwerk, — schilderij, beeldhouwwerk, gedicht, muziekstuk, 
af, zoodra de maker er in uitgedrukt heeft, wat hij te zeggen had 
en het zoo uitdrukte, gelijk hij het wilde zeggen. En dit is het ge- 
val met wat Gastemans ons toont en in dezen zin noemen wij 
haast alles, wat hij sedert een tiental jaar voltooide, even af 
als. . . . alle werk van om 't even welken „grooten" meester, en 
heel wat meer af dan dat van zekere modehelden, wier roem 
juist zoolang leeft als hun spekulatiegeest. 

Veel, wat wij hierboven zeiden van Gastemans, zouden wij met 
recht kunnen getuigen van zijn ouderdomsgenoot en vriend Eu- 
geen van Mieghem (geb. 1885), wiens vaak met een tragischen 
geest bezielde tooneelen uit het leven der arme stakkerds uit het 
havenkwartier, uitgevoerd in een zeer eigenaardige kleur, nooit 
voldoende door de zoogezegde liefhebbers gewaardeerd werden. 

Staat de schildering van het volksleven niet vóór een nieuwe 
evolutie? Zal zij de hoofdzakelijk realistische opvatting, waar- 
aan, van de Groux tot Hageman en Gastemans toe, al haar beoefe- 
naars getrouw bleven, niet laten varen voor een meer idealistische, 
althans een minder pessimistische ? Zal zij niet een uitweg zoeken 
in synthezis en tevens meer den weg opgaan naar het monu- 
mentale ? 

Er zijn redenen, om het te vermoeden, ja, als zeker te voorspel- 
len. De baanbreker is er reeds, en het voorbeeld, door hem gege- 
ven, is, zoo al niet overtuigend, dan toch verleidelijk. Albrecht 
Servaes, van wiens rehgieuzen arbeid wij in een vorig hoofdstuk 
spraken, stelde in 1920 te Venetië een reeks van vier drieluiken 
ten toon, waarin hij van „het Leven van den Landman", den 
Vlaamschen landman, een tot nu toe onvermoede vertolking 
geeft. Hij koos tot onderwerp de vier gebeurtenissen uit het be- 
staan der boeren, waarin, niet meer hun „struggle for life", hun 
kommer en zorg om de harde korst brood, hun ontspanning van 



DE SCHILDERS VAN HET HEDENDAAGSCHE VOLKSLEVEN. 119 

den noesten dagelij kschen arbeid, maar hun gemoeds- en geestes- 
leven de groote rol spelen: de eerste kommunie, het huwelijk, de 
geboorte, het overlijden. Hij brengt die gebeurtenissen in nauwer 
verband met de jaargetijden en geeft hun als het ware zinnebeel- 
dige beteekenis: de Lente tooit boomen en struiken met open- 
zwellende bloesems en bespikkelt de weiden en de graskanten 
van de wegen met madeliefjes en sleutelbloemen, als de blank- 
gedoste kinderen ter kerk gaan, om voor de eerste maal de kom- 
munie te ontvangen ; de Zomer hangt zijn blozende vruchten aan 
de boomen der landelijke hovingen, als de jonge boer zijn bruid 
naar het outer geleidt; de rijke Herfst doopt in goud en purper 
het volgroeide en gerijpte, het „beursche" ooft, als het jonge 
vrouwtje haar kindje baart; de Winter spreidt zijn lijkwade 
van witte sneeuw over het dorp, als de vader gestorven is en in de 
aarde wordt geborgen, die hij met zijn zweet bevruchtte. 

Konventie? Waarom? Liet Verstraete de Kempische boertjes 
en boerinnen niet reeds op een dag met sneeuw naar den rozen- 
krans gaan in het huis, waar een doode lag? Liet hij zijn speel- 
sche „Zeeuwsche Kinderen" niet dartelen in een weide vol len- 
tebloemen ? 

Is, in feite, Consciences opvatting konventioneeler dan die 
van George Eekhoud, Lemonnier, Buysse ? Heeft Servaes niet het 
recht, de goedheid, gemoedelijkheid, vroomheid, den zielenadel 
te veropenbaren van de boeren, evengoed als anderen het recht 
hadden, hun ruwheid, hun achterlijkheid, hun ontevredenheid, 
hun hederlijkheid uit te drukken ? Het komt er toch maar op aan, 
déze vraag te beantwoorden : is er zielenadel in den boer, poëzie 
in zijn bestaan, teederheid in zijn hart? 

Ook de statige cyklus van landbouwerskoppen, waarin hij 
gepoogd heeft, de gelatenheid, den ootmoed, het geduld, de 
vroomheid van den boer te synthetizeeren, — de geheele reeks 
kon wel „De Vreedzamen" heeten — verdient hier genoemd te 
worden. Deze koppen, vol van de wijsheid, die alleen het leven 
geeft, zijn niet alleen rastypen, treffend gezien en zeer reëel, 
zoo niet realistisch, maar als zoovele blijvende typen, symbolen 
bijna. In waarheid zijn deze werken van Servaes de logische voort- 
zetting van wat Jakob Smits vóór twintig jaar begon met zijn 
prachtigen „Vader van den Veroordeelde" en andere boeren voor- 
stellingen. 



120 DE SCHILDERS VAN HET HEDENDAAGSCHE VOLKSLEVEN. 

Hoofdzakelijk hebben wij ons in dit hoofdstuk beziggehouden 
met de lange en in haar veelzijdigheid tot het einde toe belangrijke 
rei der reaüstische vertolkers van het volksleven, zooals die zich, 
naar het voorbeeld en in het nog wat warme voetspoor van hun 
aller voorganger, Charles de Groux, ontwikkeld hebben. 

Volledigheidshalve dient hier te worden aangeteekend, dat een 
veel minder interessante, ook veel minder talrijke groep van ar- 
tiesten, van hetzelfde genre een geheel andere, met name een zoo- 
gezeid „idealistische", in feite een vlakaf „konventioneele" op- 
vatting hadden. 

Van deze kunstenaars, waartoe dan toch enkele mannen van 
wezenlijk talent behooren, stonden de meeste onder den invloed 
van zekere Hollandsche schilders, die in het visschers- en boeren- 
leven voorvallen zochten en vonden, welke zij met min of meer 
populairen humor, niet zelden ook met een tikje sentimentaliteit, 
voor minder nauwlettende, meer naar onderwerpen dan naar ar- 
tisticiteit van uitvoering kijkende liefhebbers wisten aantrekke- 
lijk te maken. 

Verscheiden dezer schilders, allen zonder onderscheid Vlamin- 
gen, ja, geboren Antwerpenaars, kozen bij voorkeur hun sujekten 
in het leven der Hollandsche of Zeeuwsche boeren en visschers. 
Zoo deed althans Adolf Dillens (1821 — 1877), wdens „Zeeuwsche 
Schaatsenrijders" (1860) ^) en „Het Minnebrugje", destijds inde 
verzameling van Mevr. Cardon, de dilettanti uit de jaren 1860 — 
1880 door hun tot in de puntjes verzorgde gladde, ja, gelikte en 
porseleinachtige uitvoering en niet minder door de schoon- en 
bevalligheid der voorgestelde operettehelden in hooge mate be- 
koorden. 

Wat minder gelikt, doch niet minder konventioneel was Hen- 
drik Bource (182^1899), wiens „noodlottige Tijding" (1869) 
voor het Brusselsch en „Terug van de lange Zeereis" (1878) voor 
het Antwerpsch Muzeum werden aangekocht. 

Volledigheidshalve meer dan om hun intrinsieke hoedanigheden 
dienen hier nog vermeld te worden een klein aantal louter anek- 
dotische schilders, die zich hun leven lang op den eenigen, eenigs- 
zins grooten vertegenwoordiger van dit genre, Madou, bleven in- 
spireeren: Jan David Col (1822 — 1900) en August Serrure (1825 — 
1903), beiden van Antwerpen, beiden overigens sedert hun dood 

•) Brusselsch Miizeum. - . 



i^ 



DE SCHILDERS VAN HET HEDENDAAGSCHE VOLKSLEVEN. 121 

volkomen vergeten; verder nog de gebroeders Gerard (1856) en 
Edward Portielje (1861), evenals, met eenigszins andere, meest 
aan het burgerlijke of atelierleven ontleende onderwerpen, de 
twee geboren Hollanders, Heyermans (geb. 1836) en E. J. 
Boks (1838—1914). 

Bepaald minder konventioneel, ofschoon toch niet voldoende 
tevreden met den eenvoud van zuivere, ware waarheid, vast ge- 
voeliger voor kleur en licht en in de keuze zijner modellen stellig 
wat stouter, is de jongste uitlooper van deze aparte groep, de te 
Meenen in 1851 geboren en te Antwerpen sedert ± 1880 geves- 
tigde Aloïs Boudry, van wien een niet onverdienstelijk tafereel in 
het Antwerpsch Muzeum een plaats kreeg. 

Voor den geschiedschrijver van een kunstevolutie, die zich 
uitstrekt over meer dan een volle eeuw en waarin toch, in elke 
der op zich zelf talrijke stroomingen, zulk een overgroot aantal 
mannen van zelfs meer dan gewoone begaafdheden elkander als 
't ware verdringen, is het een pijnlijk kwellende gedachte, bij 
gebrek aan ruimte niet aan een ieder recht te kunnen laten weer- 
varen .... Hoe velen zouden, in het kunstvak, waaraan dit hoofd- 
stuk gewijd is, niet nog mogen aanspraak maken op waardeering, 
en daartoe zelfs of bizondere hoedanigheden van uitvoering of 
een eenigszins nieuwe opvatting doen gelden! 

Eilaas! Hoe noode ook, ik moet mij wel beperken. 

De in 1862 te Gent geboren Theo van Rysselberghe, een der 
medestichters van den kring „De Twintigen" in 1884, is ontegen- 
zeggelijk een der schitterendste beoefenaars van het neo-impres- 
sionarisme in België en ook wel elders. Van al de figuurschilders, 
die de stippelmethode aannamen, voltooide wellicht geen enkele 
werk van zulk voortreffelijk gehalte als, om in zijn uiterst veel- 
zijdig levens-opus een enkele greep te doen, zijn voorstellingen uit 
het leven van de vrouwen en kinderen uit den bemiddelden stand, 
als b.v. „Lezende Dame en Meisje" uit 1899 in het Brusselsch 
Muzeum, als „Wandehng op het Zeestrand", „Jong Meisje op 

den Zeeoever" uit 1903, enz Het zijn werken van verbazende 

knapheid, waarin het stelselmatig, haast wetenschappelijk ont- 
leden van eiken nieuwen hoofd- en neventoon den kunstenaar 
niet heeft verhinderd aan de lichamen van zijn figuren een we- 
zenlijkheid van uitsprong en ronding te verleenen, die geen adept 
van de oudere tekniek, zelfs niet den allerknapste, zou beschamen. 



122 DE SCHILDERS VAN HET HEDENDAAGSCHE VOLKSLEVEN. 

Overigens is, zooals wij zeiden, van Rysselberghe een uiterst 
veelzijdige artiest en het zou ons gemakkelijk vallen de titels 
aan te halen van geheele reeksen landschappen en vooral zeege- 
zichten, Hollandsche, Fransche zoo goed als Vlaamsche, alsmede 
van een groot aantal portretten, het meest van schilders, letter- 
kundigen en geleerden, een enkele maal ook van kinderen. 

Naast van Rysselberghe, den zelfbewusten, diep-overtuigden 
revolutionnair, verschijnt de Brusselaar Marten Melsen bijna 
als een man uit vroeger tijden, dit echter op de zelfde manier als 
Eugeen Laermans, namelijk als een, wiens kunst, ondanks alle 
moderniteit van kleurbehandeling, door opvatting en gevoel in 
het teeken staat der oud-Vlaamsche, der Bruegelsche overlevering. 

Melsen, die, ofschoon Brusselaar van geboorte, sedert jaren 
het grootste deel van zijn tijd doorbrengt te Stabroek in den 
Antwerpschen Scheldepolder, is ontegenzeggelijk een geestver- 
want van den grooten meester van St. Pieters-Jette, van den 
weemoedigen verteller van het zware levenslot der boeren tus- 
schen Zenne en Dender. Die verwantschap is evenwel meer uit- 
wendig dan innerlijk. Er is, in de manier, waarop Melsen het 
typische in houding, gebaren- en mienenspel der Kempische 
boeren en boerinnen overdrijft, soms vervormt, om het des te 
beter te verduidelijken, iets en zelfs veel van de deformaties, 
aan Laermans eigen. Doch, daarbij beperkt zich de geheele ver- 
wantschap .... Uitwendig zoo goed als inwendig is Melsen zich 
zelf. Uitwendig door de kleur, die veel minder dan die van Laer- 
mans herinnert aan de oude meesters, minder uitmunt door diepe, 
warme, doorschijnende tonen, maar daarentegen in haar matte 
koelheid meer eigenaardig is; inwendig door het feit, dat Melsen 
hoofdzakelijk, zelfs uitsluitend tooneelen van jolijt en vreugde be- 
handelt. Melsen is een humorist, en wel zulk een, die geenszins 
noodig heeft zijn toevlucht te nemen tot het opsnijden van anek- 
dootjes of het tappen van moppen, om te interesseeren. ... De 
gewone breede loop van het leven biedt hem stoffen in overvloed ! 

Den Antwerpenaar Georges Morren zou ik geneigd zijn, met 
van Rysselberghe te vergelijken. Als de Gentsche meester is 
hij een dweepziek adept van het neo-impressionnisme, een na- 
speurder en bespieder van het licht tot in zijn geheimzinnigste 
schuil- en vluchthoekjes; als hij beoefent hij meer dan één genre, 
en geeft hij toch de voorkeur aan onderwerpen uit het aUeen op 



DE SCHILDERS VAN HET HEDENDA/VGSCHE VOLKSLEVEN. 123 

schoonheid berekende bestaan van de dames uit het hedendaag- 
sche high life. . . . Een opvallend onderscheid: bij gelijke helder- 
heid vertoont Morrens werk een eenigszins zwaarder, dieper, 
warmer koloriet ; hij herinnert meer aan Renoir, waar van Ryssel- 
berghe meer doet denken aan Degas en Touloiise-Lautrec. Overi- 
gens is Morrens kunst evenals die van van Rysselberghe kunst 
voor het oog alleen ! Met meer dan alledaagsche vaardigheid geeft 
hij de schitterendste licht verschijningen weder en ontwikkelt 
daarbij een buitengewoon plastisch vormtalent, — dat hij, ove- 
rigens, door jarenlange en nauwgezette teekening naar de natuur 
heeft ontwikkeld. Weinigen schilderen gezonder, mooier het 
vleesch, het vleesch van wangen, armen, boezem, dijen, bloeiend 
als een wonderbare vrucht in het volste, rijkste, door boomen en 
bloesems weder op beurt ge- en verkleurde licht. 

Van ongeveer geHjken leeftijd als Morren is de te Gent geboren, 
maar sedert jaren te Antwerpen wonende Hippoliet Daeye een 
luminist van zeer bizondere geaardheid en van uiterst subtiel ge- 
halte. Hij schildert bij voorkeur, ofschoon niet uitsluitend, het 
kinderleven; hij verrast en toont ons zijn knaapjes en meisjes niet 
in allerlei, maar in de met opzet gekozen oogenblikken, waarin 
hun zachte en teere schoonheid, hun gracievoUe lenigheid, hun 
bloemfijne broosheid het best uitkomen: kinderen die dansen, 
kinderen die slapen, kinderen die ziek of stervend zijn, hij ver- 
toont ze ons met een innigheid en teerheid van gevoel, die, zon- 
der zelfs den geringsten zweem van gevoelerigheid of romantisch 
dwepen, toch in den minst ontroerbare de eene of andere snaar 
moet doen trillen; hij schildert ze met een bij uitstek personeele, 
door hem zelf, in jarenlange stille, gewetensvolle studie, uit eigen 
aard ontwikkelde tekniek. Er zijn er weinigen, die, als deze de 
uitsprongrijke vormen van personen en dingen even juist, even 
intens zien, en toch minder hun toevlucht nemen tot eigenlijk 
„teekenen" dan Hippoliet Daeye. Vooral onder de figuurschilders 
zijn er weinigen, die zich veropenbaren als even zuivere „schil- 
ders", even exkluzieve „kleur-weergevers" als hij. En toch is 
dit laatste woord wellicht ook niet het juiste. Want in feite schil- 
dert Daeye niet de kleur, evenmin de kleur als den vorm, maar 
wel het gekleurde, neen, het kleurige licht, — ik zoek te vergeefs 
naar een volstrekt nauwkeurige uidrukking ! — den gekleurden, 
neen, den kleurigen, den kleuren-weerspiegelenden dampkring. 



124 DE SCHILDERS VAN HET HEDENDAAGSCHE VOLKSLEVEN. 

Wat Daeye in de athmosfeer „ziet" of althans zien „wil", wat 
hij weergeeft met een kunst, die aan tooverij doet denken, dat is 
de vibratie, het trillen en rillen van het geheele luchtbad, waarin 
de dingen staan of bewegen. Waar anderen plans en nog anderen 
■ waarden van toon zien, daar ziet hij vlekken van licht, vlekken 
van vol en stralend licht, vlekken van half of getemperd licht, 
vlekken van wegkruipend, zich zelf wegdoezelend licht, van scha- 
duw zoo gij wilt, — vlekken van lichtlooze donkerheid nergens! 
Elke dier vlekken wordt ontleed in tonen, elke hoofdtoon daarna 
in neven- en tusschentonen ! Het is als een spelen en dartelen, een 
wervelen en zv^drrelen van gekleurde, neen, van kleur-weerspiege- 
lende lichtkringen, weer doorkruist en doordwarst door uitstra- 
lende lichtstrepen, en zooals die geheele verscheidenheid van stre- 
pen en kringen zich oplost in een vol akkoord, zoo groeien — , 
zoo smelten al die vibreerende vlekken te samen tot een wonder- 
bare eenheid van kleur. . . . En verbazen moet en doet het, hoe, 
bij dit stelselmatig verzaken aan alle teekening, al de vormen 
zoo voortreffelijk tot hun recht komen, hoe daar die arm, dat 
been, die schouder, dat heele lijfje onder dat kleedje of dat bedde- 
deken verschijnt, en hoe het geheele wezen leeft en ademt. . . ., 
geniet of lijdt, uitwendig en inwendig leeft. 

Jaren geleden gaf ons de Franschman Carrière als een voor- 
smaak van deze kunst. Doch zijn portretten en fantazieën waren 
meestal uitgevoerd in een monokrome, onzijdige gamma en 
Carrière schilderde veel meer de schaduw dan het licht .... Er 
was ontegenzeggelijk konventie, al was 't nog zoo weinig ... . 
Daeye staat hooger. Zijn kunst is vrij van elke konventie; hij 
verraadt de kleur niet, om de betoovering van het licht-, noch de 
stoffelijke wezenlijkheid, om de zuiver geestelijke synthezis te 
verkrijgen. Hij is en blijft een schilder, en een Vlaamsch schilder 
bij uitnemendheid. 

Werk van blijvende waarde, een plaats in elk muzeum waard, 
noem ik zijn „Oud Vrouwtje", — bijna een portret, en toch weer 
al te veel „sub specie aeternitatis" gezien, om een heusch por- 
tret te zijn. 

Daeye is een kunstenaar, om trotsch op te zijn. De levende an- 
tithezis van Daeye is Gustaaf van de Woestyne, de even jon- 
gere broeder van den voortreffelijksten van al onze dichters 
na 1900, Karel van de Woestyne. Is de eerste uitsluitend schil- 



DE SCHILDERS VAN HET HEDENDAAGSCHE VOLKSLEVEN. 125 

der, uitsluitend de man van de kleur, dan is deze, — een 
van de voortreffelijkste teekenaars, die ik ooit mocht waar- 
deeren, — hoofdzakelijk lineair en komt het eigenlijk schilderen, 
het koloriet bij hem slechts op de tweede plaats. Maar hij is tevens 
een luminist, en hij bereikt de uiterste klaar- en zuiverheid der 
athmosfeer zonder daartoe op eenige merkbare wijze de kleur te 
ontleden. Van al wat wij van hem zagen, liet „De Kindertafel" 
(1920) ons de beste herinnering na. . . . In een van twee zijden 
door groote, van alle gordijnen vrije ramen verlichte huiskamer 
zitten zes kinderen, broertjes en zustertjes, geplaatst naar de 
volgorde van hun leeftijd, aan den middagdisch. . . . Zes Vlaam- 
sche kinderen, met heel lichte, blauwe oogen en blonde, bijna 
vlasgele haren .... Er ligt een zeldzame bekoring in deze kleinen, 
die, al staat er nog zoo veel op de tafel, wat hun eet- en snoeplust 
moet opwekken, — de schilder maakte er een prachtig stilleven 
van! — zoo weinig denken om aardappelen, melk, vruchten, en 
zoo plezierig op- en rondkijken in het heerlijke, rijke licht. . . . 

Elk van die zes kleinen is behandeld met al de uitvoerigheid, 
passend bij een bestudeerd portret .... Elk van de zes heeft, al 
lijken ze onderling nog zoo op malkaar, in zich zijn eigen duiveltje 
of zijn eigen engeltje. . . . 

Tot mijn innig leedwezen moet ik er mij kortheidshalve toe be- 
palen, alleen de namen aan te halen van eenige voortreffelijke 
schilders, allen, op eigen wijze, adepten van het meest vooruitstre- 
vende modernisme, de meest vrije lichtschildering, tevens harts- 
tochtelijke beoefenaars van het naakt: Willy Schlobach, die 
zich in de opstandige jaren van „De Twintigen" en „La libre 
Eshéthique" ontwikkelde; de Brusselaars Auguste Oleffe, Paul 
Artot en Jean Colin; de Gentenares Maria Inghels; verder 
Willem Paerels; van Zevenberghen, en vooral de tijdens den 
oorlog te Amsterdam overleden, ongemeen begaafden Mechelaar 
Rik Wouters, dezen een even talentvol boetseerder als schilder. 

En dan James Ensor, een van de eigenaardigste en tevens veel- 
zijdigste artiesten van de geheele tijdspanne 1830 — 1921, tegelijk 
een weder-aanknooper van de traditie in wat zij het essencieelst 
en kortelij kst bevat en een stout vernieuwer en baanbreker! 

Dezen echter wil ik een geheel afzonderlijk hoofdstuk wijden. . . 



HOOFDSTUK VIII. 
DE PORTRETSCHILDERS. — HET STILLEVEN. 

„Individualitat haben beisst Seele 
haben." 

Langbehn. 

In de eerste jaren van de negentiende eeuw staat de portret- 
schildering in het teeken van den grooten, in 1748 geboren 
Franschman Jacques Louis David, die zich, zooals ieder weet, 
door de terug aan het bewind gekomen Bourbons als „Conven- 
tionnel" en koningsmoordenaar tot levenslange ballingschap ver- 
v;ezen, in de Belgische hoofdstad was komen vestigen, waar hij in 
December 1825 overleed. 

Toonde de kunstkritiek zich, van 1 830 tot heden toe, niet al te 
onrechtvaardig jegens het kleine aantal, toch zeer begaafde man- 
nen, die, in het hier bedoelde kwarteeuws, beeltenissen voltooi- 
den, welke, uitgevoerd in de eenigszins bleeke kleurengamma, 
aan vele van Davids portretten eigen, zich toch ontegenzeggelijk 
aanbevelen eerst door een opvallend streven naar oprechtheid en 
waarheid, dan door een even liefdevol als nauwgezet weergeven 
van type en inborst, en ten slotte door ongewonen fijnen smaak ? 

Ik aarzel niet, deze vraag bevestigend te beantwoorden. Er 
zijn portretten van Frans Marcus Smits (1760 — 1833) en van 
Frans Jozef Mertens (geb. 1788), beiden van Antwerpen, die, wat 
vertegenwoordigers van latere geslachten ook in opzicht van 
vrijer en levendiger koloriet, stouter penseeling, rijker inkleeding 
en grootscher aanleg op deze nederige baanbrekers mogen voor- 
hebben, toch, als zuivere kunstwerken beschouwd, tot het edelste 
mogen gerekend worden, wat de gezamenlijke school in de laatste 
honderd jaar opleverde. 

Het afbeeldsel van „Willem Jakob Herreyns" van den eerst- 
genoemde, in het Muzeum van Antwerpen, overtreft, ondanks 



DE PORTRETSCHILDERS. — HET STILLEVEN. 127 

den uitersten eenvoud van de voorstelling — een man van rijpen 
leeftijd met een palet in de linkerhand, — ondanks of beter óm 
de geheele afwezigheid van alle uitwendig effektbejag, haast alle 
andere door hedendaagschen uitgevoerde, in de zelfde galerij 
voorhanden portretten. 

Hetzelfde is het geval met een borststuk van den tweede, voor- 
stellende, in een even stille en rustige als volstrekt harmonieu- 
ze schakeering van gedempte kleur, „Baron d'Assignies", in een 
privaat verzameling te Brussel. 

Van weinig gunstige zijde vertoont zich de Vlaamsche portret- 
kunst in de officieele konterf eitsels, welke de reeds herhaaldelijk 
genoemde M.-J. van Bree en Karel-Pieter Verhulst (1775 — 1820) 
van een heele reeks vorstelijke personen mochten voltooien. Is 
„Willem I, Koning der Nederlanden" (1814) van den eerstgenoem- 
de alledaagsch, plat werk zonder karakter, niet veel verdienstelij- 
ker zijn, van den tweede, „Willem-Frederik-Karel van Nassau" 
(1819) en „Frederik- Joris van Nassau" (1817). Verzorgd werk 
zijn deze dingen wel, doch, zonder bepaald gelikt te zijn, ontbe- 
ren zij toch al te zeer dat aksent van leven en van persoonlijkheid, 
dat, vooral het kenmerk is van wezenlijk talentvolle portret- 
schilders. Een derde afbeeldsel van Verhulst, dat van den beeld- 
houwer „Godecharle" is ontegenzeggelijk heel wat beter! Hier 
is een zweem van leven, zoo al niet het volle leven. 

Krachtiger, karaktervoller, doch met minder distinktie en 
fijnen smaak dan Fr.-M. Smits is Frangois-Joseph Navez, de in 
1787 te Charleroi geboren Waal, die eerst in 1869 te Brussel als 
hoog en terecht gevierd bestuurder van de Akademie overleed. 

Onderging hij bizonder weinig den invloed van zijn meester 
P. J. Cél. Frangois, des te meer leerde hij van den door hem harts- 
tochtelijk bewonderden David. Zoowel wat de voorstelling, de 
wending, de houding en de gebaren, als wat het koloriet betreft, 
slaagde hij er niet dikwijls in, zich los te maken van de obsessie, 
welke de ^meesterstukken van den grooten Franschen banneling 
op zijn oog oefenden. In dit opzicht zou een uitvoeriger vergelij- 
king van Davids beroemde „Desmoiselles de Gand" met zijn 
eigen in 't Brusselsch Muzeum aanwezige „Familie de Hemptin- 
ne" (1816) zeker leerrijk wezen. Zijn koloriet is noch rijk noch ge- 
smij dig, noch harmonisch noch zelfs warm ; het is, in de misschien 
gewilde ruwheid van zijn op uiterlijk effekt berekende verve n, eer 



128 DE PORTRETSCHILDERS. — HET STILLEVEN. 

schreeuwerig dan rustig; het mist evenzeer stemming en teerheid 
als zachtheid en fijnheid van overgangen. Tusschentonen schijnen 
er op Navez' palet maar niet gelegen te hebben .... En toch ma- 
ken zijn beste portretten, de reeds genoemde familiegroep o. a. 
en de levensgroote beeltenis van den Groot-Maarschalk van het 
Hof van Willem I, „Prins Raas van Gaver" (1828), in 't zelfde 
muzeum, een indruk van groote, wei-bestuurde kracht, van karak- 
terwaarheid en van eenvoudige grootsheid. 

Heel wat meer eigen aksent en zeker oneindig meer schilders- 
temperament waardeeren wij in de weinige portretten van den 
1783 te Bornem op de Schelde geboren en in 1859 te Londen 
overleden Vlaming Frans Simonau, van wien het Brusselsch Mu- 
zeum, benevens een naar het leven gedanen „Orgeldraaier" 
(1828), een zeer mooi „Mansportret" bezit, een van die zeer zeld- 
zame dingen uit die jaren, welke men geneigd zou zijn te ver- 
gelijken met de prachtige portretten van de Engelsche meesters 
uit het begin van de negentiende eeuw. 

Zijn er wel velen, die Ferdinand de Braekeleer, „ce Wilkie de- 
venu anversois", zooals Henri Hymans hem in 1 884 zeer tref f end 
noemde, anders kennen dan als goedgeluimd, doch o ! zoo burger- 
lijk verteller van anekdoten, wiens waar talent veel meer in de 
grappige voorstelhng dan in degelijk schilderen te zoeken is? 
„Monsieur de Braekeleer", schreef Paul Mantz in 1861, „est 
moins un peintre qu'un conteur d'anecdotes". Misschien maakte 
de overdreven, voor ons, laatgekomenen, niet gewettigde bij- 
val, die hem voor zijn genretafereelen te beurt viel, dezen kunste- 
naar wel het spoor bijster. ... Ik meen zelfs te mogen verzekeren, 
dat er in hem een portretschilder is te loor gegaan van zeer voor- 
treffelijk gehalte. 

De heer Mr. Caroly, te Antwerpen, bezit van hem een klein 
heerenportret, „De Kunstverzamelaar Wuyts", dat niet hoeft 
achter te staan bij de beste beeltenissen van Smits en Navez.' 
Het is voluit geteekend en gedateerd 1818. 

Een ander Antwerpenaar, de heer de Kinder, is de gelukkige be- 
zitter van een damesportret, mede voluit geteekend en gedateerd 
1818, dat enkel maar in een openbare verzameling dient te wor- 
den opgenomen, om den schilder onder de beste vertegenwoordi- 
gers van het vak in de eerste jaren der XlXe eeuw te doen rang- 
schikken. 



DE PORTRETSCHILDERS. — HET STILLEVEN. 129 

Een jonge, schoone vrouw, rechtop staande vóór een draperie 
en een kolom, met een diadeem van parelen in het juist midden 
boven 't voorhoofd naar links en rechts platgestreken haar; met 
drie rijen blanke parelen om den hals, waarrond een fijne door- 
schijnende kraag ovaalvormig opkruift ; dragende den langen sleep 
van haar met 'n bloemenrand versierd wit kleed over de op den 
buik gelegde handen, waarvan de een een half open boek vasthoudt. 
Een „portrait d'apparat" bijna, en toch, ondanks de levendige 
en bonte kleuren: tonig wit van het kleed, donkerrood van het 
gilet, paars van de draperie, ja, de tonen veelheid van den gebor- 
duurden bloemenrand, stemmig, rustig in hooge maat. Het mooi- 
ovale gelaat is vol uitdrukking. Vooial de oogen, die zien, zien 
met een levendigen, eenigszins vranken, toch vriendelijken blik. 
De handen zijn meesterlijk, zoo mooi, alsof zij gebeeldhouwd wa- 
ren, en uiterst gevoelig van lijn 

En dit nu is wonderbaar. 

Hier geen invloed van David, maar — men zou bijna aarzelen 
het uit te spreken, — van een ander groot Franschman, van Jean- 
Dominique-Auguste Ingres (1780 — 1867). Hoe kunnen wij ons nu 
het verband verklaren tusschen deze twee in alle opzichten zoo 
teenemaal verschillende kunstenaars? Zou de Braekeleer het 
meesterlijk portret gekend hebben, dat Ingres van „Napoléon 
Bonaparte" maakte, toen deze eerste konsul was, het meesterstuk 
uit het muzeum te Luik ^) ? 

Ik houd het voor zoo goed als zeker .... 

Immers, daar het zeer merkwaardige stuk onbetwistbaar vol- 
tooid is in 1818, dus een vol jaar vóór het vertrek van den jongen 
kunstenaar naar Italië, hoeven wij hier geenszins rekening te 
houden met een al of niet historisch vast -te-stellen kennismaking 
met Ingres en zijn werk in Italië, waar, — dit is met bewijsstuk- 
ken te staven, — de Braekeleer van December tot ongeveer einde 
1822 vooral te Rome en Napels verbleef. Het is overigens wel 
noch onmogelijk, noch onwaarschijnlijk, dat de Braekeleer, te Ant- 
werpen zelf, — waarom niet in de Akademie of wel in de werk- 
plaats van Matthijs van Bree, lithografieën of andere weder- 
gaven gezien heeft van toen reeds algemeen beroemde portretten 
van den Franschen meester, als b.v. dat van „Madame Devau- 
9ay", gedateerd 1807, nu in het Musée Condé te Chantilly, of dat 

») Besteld voor de stad Luik in 1805. 



130 DE PORTRETSCHILDERS. — HET STILLEVEN. 

van „Madame de Sénones" (Musée de Nantes), waaraan het hier 
besprokene zoo zeer herinnert, dat ik er gerust op durf toepassen, 
wat F, A. Gruyer schreef in het „Catalogue du Musée Condé over 
het meesterstuk „Madame Devau9ay": „Cette figure, de quelque 
cóté qu'on la regarde, est d'une tenue parfaite et relève du grand 
art." 

Wie zich de moeite y,ilde getroosten, in de privaat-verzame- 
lingen te Antwerpen en te Brussel te zoeken, zou zeker nog wel 
andere verdienstelijke beeltenissen van „den Vlaamschen Wilkie" 
ontdekken. 

Een wezenlijk eigene, bizondere, oorspronkelijke opvatting 
van „het portret" zal men even vergeefs vragen aan de vertegen- 
woordigers van de Romantiek als aan de tot nu toe behandelde 
artiesten. Het aantal, in dit gedeelte van de algemeene kunstevo- 
lutie voltooide portretten is zeker overgroot; doch uiterst zeld- 
zaam zijn de stukken, die ook voor latere geslachten, voor óns 
reeds, reprezentatieve waarde hebben. Het allerbeste draagt, 
door den band, het handteeken van Gallait, Wappers, Portaels en 
Lies. 

Ik heb wel eens hooren beweren, dat deze romantische schilders 
vasthielden aan „la tradition de la grande, belle et solide peinture 
flamande" ^), wat, als ik wel versta, niet veel anders kan beteeke- 
nen dan dit, dat deze schilders de zeventiende-eeuwers, Rubens, 
C. de Vos, Sustermans, van Dijck, tot voorbeelden hebben ge- 
nomen .... 

In werkelijkheid is dit geenszins het geval ! Ondanks al het ge- 
zochte in houding en kleeding, dat tal van romantische portretten 
opleveren, blijven deze verre, zeer verre beneden die van de groot- 
meesters uit onze groote eeuw. Een diepgaand doorgronden van 
de fyzionomieën, een eenigszins aangrijpend weergeven in dezel- 
ve van de gaven van hart en geest der modellen, komt bij hen 
slechts zelden voor. Men zou zeggen, dat zij de heeren en dames 
van den adel en den rijken burgerstand, de artiesten en dandies, 
die zich tot hen gewend hebben, veel te weinig bestudeerd, 
slechts enkele uren en dan nog in oppervlakkig gekeuvel ontmoet 
hebben. 

Hun kunstenaarsblik schijnt niet te kunnen dringen door de 



') Le Matin van Antwerpen, 13 Maart, 1910. 



DE PORTRETSCHILDERS. — HET STILLEVEN. 131 

pracht der kleedijen en af te stuiten op de bovenhuid der gezich- 
ten. Ziel en karakter ontbreken doorgaans aan hun kunst. 

Van de portretten van Louis Gallait is dit evenzeer waar als 
van de veel zwakkere van Nikaas de Keyser. Staan deze, met hun 
bleeke, bloedelooze vleezen, hun wat ziekelijke en onvlaamsche, 
ja, bijna achttiendeeuwsche „mièvrerie", hun gezochte preciosi- 
teit, in den regel niet hooger dan die van den goeden van Bree, 
eens zijn meester; in de zeldzame gevallen waarin hij *.ich zelf 
overtreft, reikt hij ongeveer tot de hoogte van Paul de la Roche, 
met wiens kunst de zijne wel 't meest verwant lijkt; die van zijn 
Waalschen kunstbroeder onderscheiden zich ten minste door een 
koloriet, dat soms door kracht van pigment en toon aan dat van 
de groote Vlamingen en Hollanders herinnert. 

Gallaits voorstellingen van den Doornikschen staatsman „Bar- 
thélémy Dumortier" en van „Mevrouw Allard" overtreffen alles 
wat ik van zijn Antwerpschen tijdgenoot ken, alles behalve wel- 
licht deze uit Leys' verzameling herkomstige en in 't Antwerpsch 
muzeum voorhanden jeugd-beeltenis van Leys zelf op 19-jarigen 
ouderdom, zonderhng genoeg uitgevoerd in 1 834, toen de auteur 
zelf 21 jaar oud was, en zich toch aan onze belangstelling op- 
dringend door de natuurlijkheid van de houding, den mooien, 
stemmigen kleurtoon van 't geheel en .... , ik leg er nadruk 

op , zeker „zoeken" naar fijne, niet gewone kleurschakeerin- 

gen.... 

Juist dit „zoeken" .... treft men bij de meeste Romantieken 
zoo zelden! Vindt men het wél in een van hun werken, wees 
dan zeker, dat dit er een is uit hun eersten tijd, hun „Sturm-und- 
Drang-"periode, als 't niet een studie of een schets is. 

Het levensgroote konterfeitsel, dat Wappers in 1871 van zich 
zelf schilderde (Antwerpsch Muzeum), is ongetwijfeld een van zijn 
meest verdienstelijke ! En toch, wat is het .... gewoon, burgerlijk, 
zoo zonder distinktie, zwier, verheffing! De kleurbehandeling 
staat niet hooger dan de opvatting. . . . Alles „du déja vu!" 

Voor 't zelfde muzeum werd, in 1911 of 1912, aangekocht een 
klein borststuk van een „jonge Antwerpsche Schoone", zonder 
twijfel van niet later dan 1826. Is dit juist, dan was de auteur 23 
jaar oud. En toch, welke zelfbewuste losheid in de geheele be- 
handeling! Hoe jeugdig bezield is elke borstelstreek gedaan, 
elke toets gezet! Hoe plezierig is hier „gezocht" naar teere over- 



132 DE PORTRETSCHILDERS. — HET STILLEVEN. 

gangen! Hoe fijn zijn de roze vleezen van hals, arm, wangen, en 
wat heeft de schilder zich een moeite gegeven, om niet alleen in de 
kleedij, maar zelfs in de vleezen, allerlei kleine reflextoontjes van 
't omgevende vast te houden ! Uit het zelfde oogpunt is niet wei- 
nig aantrekkelijk de levensgroote beeltenis van „Jaak Jozef 
Eeckhout", geboren te Antwerpen 1793, eerst beeldhouwer, 
daarna kunstschilder, bestuurder van de Haagsche Akademie van 
1839 tot 1844, overleden te Parijs in 1861. Het stuk vertoont het 
jaartal 1851 en is door opvatting en uitvoering volop romantisch. 
Ook hier een menigte „recherches de couleur", een menigte kleine, 
gelukkig weergegeven ef fekten van toon en van licht .... In ze- 
kere gedeelten bijna het heden zoozeer geprezen trillen of trillich- 
ten van de zoo veel latere stippelschilders .... 

Wat Lies als kont erf eiter vermocht, dit kan men in het muzeum 
te Antwerpen zeer goed leeren door de beschouwing van deze twee 
stukken, „Baronesse H. Leys", uit 1855, en „Maria Leys, dochter 
van den schilder," uit 1857. Vooral het tweede portret is, in den 
kinderlijken eenvoud van de voorstelling, „a thing of beauty". ., 
waarbij men, vooral bij het bewonderend genieten van zoo'n 
kinderhandje, zoo'n kindermondje, zou gaan denken aan een 
van die heel mooie kinderportretten van Cornelis de Vos of van 
Pieter van Lint 

Leys' kracht lag niet in het schilderen van de beeltenissen zijner 
tijdgenooten. De „transposition d'ame et d'époque", door Gau- 
tier in hem geroemd, stelde hem veel beter in staat, het karakter 
te vatten van een geschiedkundig figuur, dat hij nooit zag en al- 
leen uit studie kende. Een acht a tien portretten zijn mij van 
hem bekend, hiervan vier in het Antwerpsch muzeum en — onder 
deze — de twee interessantste, die hij voltooide: zijn eigen por- 
tret uit 1866, en dat van zijn dochter „Lucia Leys", uit 1865. Het 
eerste verrast door de kracht, die van het kranige figuur van den 
meester uitgaat; 't andere boeit door de eigenaardige inkleeding, 
hoofdzakelijk door den eenigszins vreemd-doenden arabesken- 
achtergrond, waar het ietwat stijve figuur op aflost. 

Félix de Vigne, van Lerius, Verlat, Robert, Guffens, Pauwels 
noem ik enkel bij name .... Toch zag ik van een paar dezer man- 
nen, o. a. van den eersten en den laatsten, een paar geenszins alle- 
daagsche konterf eisels. 

Ik meen te mogen zeggen, dat bij de betere portretschilders van 



DE PORTRETSCHILDERS. — HET STILLEVEN. 133 

de nu volgende ontwikkelingsfaze, — laten wij zeggen, van om- 
streeks 1860 tot 1900 ongeveer, een tweevoudig zoeken op den 
voorgrond staat, deels naar een veel grooter eigenheid en eigen- 
aardigheid van schilderen op zichzelf, deels naar het doorgronden 
en uitspreken van het innerlijke leven van de modellen. Dat dit dub- 
bele streven hun werken iets angstigs, bijna onzekers, maar te- 
vens een op onze zintuigen inwerkende nervoziteit bijzet, valt 
niet te loochenen. 

Een naam, die leven zal, is die van den te Gent geboren Lieven 
de Winne (1821—1880). 

Bij dezen zoekt men wel vergeefs fantazie en samenstelling ; als 
geboren portretschilder was het er hem alleen om te doen, de 
waarheid uit te spreken, maar zijn blik was scherp en reikte diep, 
en onverbiddelijk juist trof zijn oordeel. Als een trouwe spiegel 
geeft elk van zijn doeken ons den voorgestelde met treffende 
openhartigheid weer. Bij hem geen „ficelles", geen truukjes, geen 
gewilde schitterende kleurenschakeeringen als bij den Fransch- 
man Carolus Duran ; geen evenzeer berekende monokromie als bij 
den Duitscher Lenbach ; geen toeleg op mondain mooidoen als bij 
zoo velen! Op donkeren en bescheiden achtergrond laat hij het 
hoofd uitkomen in volle licht, als wilde hij zeggen: „zie, dé,t is 't, 
wat gij moet bekijken!" 

De Winne bekommerde zich weinig om al wat bijzaak is: 
pracht van kleederdracht, rijkdom en juweelen, distinktie van 
meubelen, bevalligheid van draperieën, ofschoon hij zulke dingen 
— ten bewijze zijn „Graaf van Vlaanderen" en zijn „Baronnes 
van H. . . ." — op volmaakte wijs wist te schilderen. 

Maar hij beeldde het leven af in al zijn waarheid en kracht, in de 
oprechtheid van oogen, houding en gebaren, en zijn modellen 
staan vóór ons sprekend en denkend tegelijk zoo als zij waren. De 
mensch, de innerlijke mensch, het „ik" als men wil, ziedaar wat 
er leeft en ademt in zijn portretten, en zelden slechts is het oordeel 
dat de Winne over dat „ik" velde, ongegrond. „Jules Breton", de 
Fransche dichter en schilder, „Mr. Sanford", de Amerikaansche 
diplomaat, „Mevrouw van der Stichelen"; „De Heer Guillery, 
Voorzitter van de Kamer", „Mevrouw Rolin-Jacquemyns", 
nooit wordt men moede ze te bekijken. Men blijft er voor staan, 
men blikt deze menschen diep in de bezielde oogen, men voelt 
lust, hen aan te spreken. 



134 DE PORTRETSCHILDERS, — HET STILLEVEN. 

De in 1 842 te Brussel geboren Edward Agneessens was een van 
de rijkste en krachtigste schüderstemperamenten, die Vlaanderen 
ooit opleverde. Een vroegtijdige, bijna tragische dood in 1885 ver- 
hinderde hem, zijn buitengewone gaven tot volledige rijpheid te 
brengen. Toch is hij een van de meesters van den geheelen, hier 
bedoelden tijd. 

Zijn kleurbehandeÜng onderscheidt zich door ongemeene breed- 
en stoutheid; hij schildert veel meer met streken dan met toet- 
sen en laat het licht in stroomen over aangezicht, handen, klee- 
deren van zijn menschen vloeien. . . . Hij toont zijn modellen in 
hun meest ongedwongen, meest eigene houding; geeft den brui 
van al wat gelijkt op apparaat of uitwendige pracht; doch tracht 
op heeter daad te betrappen het leven zelf, en liefst nog, het-leven 
-in-aktie. Zijn modellen laat hij zelden zitten als ledepoppen; 
meestal laat hij ze wat verrichten, bewegen, handelen .... Zoo 
komt hij wel eens tot wat ik zou noemen een „scène", een anek- 
dote bijna, zonder evenwel daarom afbreuk te doen aan het karak- 
ter van het portret. Het Muzeum van Hedendaagschen te Brussel 
bezit een kostelijke reeks van zijn beste werken. 

Oppervlakkiger, modieuzer ook, immers veel meer „de por- 
tretschilder van de hooge wereld, is de zeer talentvolle Emiel 
Wauters (geb. 1846), nog een Brusselaar, een van de talrijke 
leerlingen van Portaels. Mondaine distinktie en zwier zijn wel de 
hoofdkenmerken van zijn konterf eitsels, waaronder „De Heer 
Day", „Het Meisje met de Pop", „Het Kind met den Hond", 
„Mevrouw Somzée", en „De jonge Somzée" verdienen te worden 
aangehaald, al stukken, die, in de voornaamste tentoonstellin- 
gen, o. a. in de historische van 1880, overgrooten bijval genoten. 

Evenals Wauters legde Graaf Jacques de Lalaing ( 1 858 — 1917) 
er zich meer dan ééns op toe, belangstelling af te dwingen door 
een bizondere manier van voorstellen; soms met wezenlijk geluk, 
zooals destijds, rond 1880, met zijn groot „Ruiterportret", sinds- 
dien aangekocht voor de Brusselsche galerij. 

De opvatting is zeer eigenaardig. Aan het hoofd van een regi- 
ment lanciers rijdt, met ontblooten kop en de chapka in de 
rechterhand, een reeds bejaarde, nog kloeke krijgso verste. Vóór 
hem, links van den toeschouwer, ziet men het achterdeel van vier 
paarden en de hoofden van de vier ruiters, die ze berijden. Achter 
hem, rechts van den toeschouwer, kop en voorlijf van vier andere 



DE PORTRETSCHILDERS. — HET STILLEVEN. 135 

rossen. Wat dadelijk in het oog springt is de vooriiefde van den 
artiest voor het groote, ernstige. Bezorg dit onderwerp aan een 
der talrijke handelaars in het zoogenaamde „Article de Paris": 
het schitterend kostuum en de vele passementen, kwasten, rid- 
derorden van het model zullen hem een „bonne fortune" toe- 
schijnen, die hij moet waarnemen, om al zijn virtuoziteit te la- 
ten uitblinken. 

Gansch anders deed de Lalaing : zijn model is in een stemmigen, 
donkerkleurigen mantel gehuld; knevel noch sik sieren het ge- 
laat ; het haar is kort en dicht bij het hoofd afgesneden. Doch hoe 
waardig, manhaftig, waarlijk mihtair is de geheele houding! Welk 
een ernst en adel spreken uit dat gelaat ! Wat het paard betreft, 
een enkel woord volstaat om er de waarde van uit te drukken: 
het leeft. 

Meer in de gewone manier, maar niet minder degelijk geschil- 
derd is zijn „Minister Tesch", een werk vol echte, saamgedron- 
gen kracht en van onberispelijk kunnen; alleen maar wat zwaar 
van koloriet. 

Cluysenaer, de la Hoese, Verheyden, Mellery, behooren, met 
vele anderen, die ik kortheidshalve niet mag noemen, tot de zeer 
verdienstelijke beoefenaars van het genre. 

Van Jan Andries Alfred Cluysenaer (1837 — 1902), die onder 
Navez te Brussel en verder in de „Ecole des Beaux Aits" te Pa- 
rijs studeerde, herinner ik mij het van geest en leven tintelend af- 
beeldsel van den kunstschilder „Emiel Sacré", en — al was het 
maar een schets, maar dan een meesterlijke, het imponeerende af- 
beeldsel van den Luiker staatsman, wijlen „Frère Orban". Ditin 
een bizonder gelukkig uur van inspiratie met ongemeene los- en 
stoutheid op het doek getooverde portret pakt ons nog met heel 
wat anders dan met zijn groote pikturale hoedanigheden. In dien 
met enkele breede penseelstreken maar even aangelegden kop 
leeft wel en wis veel van de trotsche, zelfbewuste en krachtige 
ziel van den grootsten van Belgiës staatslieden. 

Ook zeer goede kinderportretten voltooide dezelfde kunstenaai. 

Van Jan de la Hoese ( 1 850 ? — 19 18?) kan ik onmogelijk vergeten 
het wonderbaie, ongemeen stoutgeborstelde portret van „Me- 
vrouw Rousseau (La Dame en vert)", destijds een van de weinige 
„clous" van een Brusselsche Drie j aarlij ksche. Dat dit voortreffe- 
lijke gewrocht niet al lang vooi een openbare galerij werd aange- 



136 DE PORTRETSCHILDERS. — HET STILLEVEN. 

kocht, kan ik nauwelijks begrijpen. De goede portretten van de- 
zen meester zijn overigens vele! 

Een zonderlinge verrassing was het voor de geheele Belgische 
kunstwereld, toen Isidoor Verheyden (1846 — 1905), in het laatste 
decennium van de vorige eeuw, zich plotseling, — hij, uitsluitend 
landschap- en marineschilder tot dan toe, — openbaarde als 
een portretschilder van eerste gehalte. In het opzicht van karak- 
terweergave de mindere van geen enkele der reeds genoemden, 
munt hij boven velen uit door de degelijkheid van zijn pen- 
seehng. Hij bezit als weinigen het geheim van de malsche, sappige, 
vette kleuren. Hij beschikt over heerlijk tonig-roze, pigmentrijk 
rood en paars, heerlijk diep zwart. Hij is wellicht het meest on- 
verbasterd \^aamsch van de geheele groep! Van verscheiden 
van zijn kunstbroeders, o. m. van „A. J. Heymans", van oor- 
sprong Antwerpenaar zooals hij zelf, voltooide hij welgelij kende 
beeltenissen. 

Alfred Stevens, Eugeen Smits, Louis Dubois, Charles Hermans, 
C. Meimier, David Oyens, Jan van Beers, Jozef Janssens, P. 
Verhaert, Eugeen Laermans, Jakob Smits, Gustaaf van Aise, 
Albrecht de Vriendt, Jul. de Vriendt, Emiel de Jans, Ri- 
chir, Frédéric, van Rysselberghe, Jef Leempoels, van Holder, 
Aug. Le Vêque, James Ensor, F. Khnopff, Hendrik Luyten, 
Henri de Groux, Evert Larock, Jan Willem Rosier, Hendrik Eve- 
nepoel, Gouweloos; Baltus; Karel Mertens, Walter Vaes, Bas- 
tien, Waegemans, Gorge, van de Woestyne, Pieter de Mets, 
en niet het minst den veel te vroeg overleden Rik Wouters 
(1882 — 1916), het zou een boekdeel vergen, moest ik elk van deze 
verdienstelijke mannen pogen te kenschetsen en hun beste por- 
tretten beoordeelen . . , . : In het bestek van dit overzicht past 
zulke wijdloopigheid niet. 

Ook van de Stilleven- en Ooft- en Bloemenschildering kan ik 
slechts in 't voorbijgaan reppen, al heeft dit bizondere vak, in de 
laatste dertig jaar vooral, nog zoo veel voortreffelijke beoefenaars 
geteld. 

Zal ik Mellery (1845 — 1921) tot deze groep rekenen, en dan tot 
de aUervoortreffelijksten ervan, hem, den nauwgezetten, fijn- 
gevoeligen artiest, die in talrijke reeksen schilderijen en teekenin- 
gen als een dichter, als een zeer groot dichter uitdrukking 
gaf aan de huiveringwekkende doodschheid en stilte, die vaak 



DE PORTRETSCHILDERS. — HET STILLEVEN. 137 

heerschen in de hooggewelfde zalen en de lange, lange vesti- 
bules van kerken, paleizen, kloosters, of in de muffe gangen en 
kamers van slechts door een enkelen eenzame bewoonde of tijde- 
lijk onbewoonde vooreeuwsche burgerhuizen ? 

In zeer vele van deze, overigens, in al te beperkten kring ge- 
waardeerde studies, wist de meester met ware, zich aan den toe- 
schouwer onfeilbaar opdringende ontroering de „tristia rerum" 
uit te spreken. 

Tot de meest gevierde vertegenwoordigers van onderhavige 
kunstsoort reken ik, naast Hendrik de Braekeleer, wiens zeld- 
zame bloemen en vruchtenstudies haast weinig minder mooi zijn 
dan de bekende meestersstukken van den Franschman Fantin- 
Latour, Jan Robie (1821—1910), Frans Huygens (1820—1908). 
Willem Linnig Jr. (1842—1890), Isidoor Verheyden (1846— 
1905), Bertha Art (geb. 1858), Alice Ronner (geb. 1857), dochter 
van de schilderes der katten H. Ronner, de zeer voortreffelijke 
Alfred Verhaeren (geb. 1849), James Ensor (geb. 1860), Alfred 
Delaunois (geb. 1876) en Walter Vaes (geb. 1881). 

Huygens en Robie vertegenwoordigen meer de akademische, de 
anderen allen in mindere of meerdere mate de vrije richting. Beiden 
streven in de allereerste plaats naar nauwkeurigheid en afheid, 
verzorgen dan ook vooral teekening en vorm tot het uiterste, 
laten hun heel fijne penseeltjes twintig maal achter elkaar langs 
dezelfde partijen spelen, leggen ze niet eer neder dan zij aan hun 
vertolking het uitzicht hebben gegeven van een zeventiende-, ja, 
zelfs een zestiendeeuwsch meesterstukje. Wat niet wegneemt, dat 
wij van Robie, die daarenboven uitmunt door een ongemeen fijnen 
smaak, stukken kennen van zeldzame schoonheid, o. a. „De 
Druiven" (1861), in het Brusselsch Muzeum, en een stuk, dat 
voorkwam in de veiling van Stephan Bourgeois in 1 904 en ondanks 
den geringen prijs, waarvoor het gekocht werd, tot het voortreffe- 
lijkste hoort, dat hij ooit voltooide. 

Toch staan, ondanks hun volslagen weerzin tegen alle akade- 
misme, Linnig, Verhaeren en Delaunois heel wat dichter bij de 
groote Ouden dan Robie en Huygens. De twee eersten geven, 
met al den rijkdom van ras-Vlaamsche koloristen, de stoffelijke 
buitenzijde van de dingen weder op een wijze, die begoochelt. De 
derde, wiens geheele aanleg van eerst af in 't oogspringend wijs- 
geerig en zelfs mystiek was, geeft aan de onbezielde dingen , die 



138 DE PORTRETSCHILDERS. — HET STILLEVEN. 

hij schildert, kapellen en altaren, zuilengangen en voorhallen van 
kerken, gangen en zalen van kloosters en abdijen, een ziel, of 
juister wellicht, hij laat ze ons zien als „vergeestelijkt" door het 
jaren- en jarenlang verkeer van geheele geslachten van vrome en 
in zich gekeerde menschen. De twee eersten spreken, met over- 
weldigende kracht, tot het oog ; de derde, althans voor wie door 
doek, paneel, papier heen de verborgen inzichten van den kunste- 
naar lezen kan, tot het gemoed. Linnig en Verhaeren zijn in de 
eerste, zelfs in de eenige plaats koloristen, die willen bekoren en 
soms wel eens verbluffen door wat hen zelf, rasschilders van on- 
vervalschten Vlaamschen tuk, almachtig bekoorde; de eerste 
door diepe, doorschijnende, zijdeachtige, verfijnd genuanceerde 
kleuren, de tweede door bonte, warme, rijke, zatte, zeldzame en 
altijd lichtdronken kleuren; Delaunois ontroert en wil ontroeren 
door wat hem het eerst en het meest, ofschoon niet uitsluitend 
ontroerde; de verborgen, geheimzinnige, bijna ezoterische 
schoonheden van een gewijd of zelfs een profaan gebouw. Linnig 
en Verhaeren zijn, ook dan als zij, zooals de tweede zoo vaak deed, 
een sakristij, een outer, een kalvarie of welkdanig hoekje ook 
van kapel of kerk schilderen, wereldsche schilders; de jongere 
meester is ook dan diep religieus, wanneer hij ons verplaatst in 
de gangen, de trap vloeren of de kamers van een burgerhuis. 

Overigens schildert Delaunois niet, als Verhaeren en Linnig, 
wezenlijke, gewone „doode natuur", ik bedoel: visch, vleesch, 
groente, ooft, bloemen en zoo meer; maar alleen, zooals ik het 
reeds zei, gebouwen. 

Delaunois is, als 't ware, de voortzetter en uitbreider van het 
door Mellery zoo voortreffelijk begonnen werk. 

Reeds hooger zei ik, dat ook Dubois sohede Stillevens maalde, 
waarvan de twee beste behooren aan het Muzeum te Brussel: 
„Doode Geitenbok" uit 1863 en „Visschen" uit 1874. 

Linnig en Verhaeren behooren tot de familie van Dubois en van 
Hendrik de Braekeleer. 

Van dezelfde famihe, — die der schilders om de kleur of althans 
om de kleur in de eerste plaats, zijn ook de zeer voortreffelijke 
Antwerpenaar Walter Vaes (geb. 1881), de neef en voedsterzoon 
van wijlen Piet Verhaert, en zijn talentvolle Brusselsche mede- 
dinger Joris van Zevenberghen. Beider geheele streven is zoo zeer 
gericht naar en samengetrokken op de uitwendige schoonheid 



DE PORTRETSCHILDERS. — HET STILLEVEN 139 

van het koloriet; zij verlustigen zich met zulk een weergalooze 
liefde in het zoeken naar de zeldzaamste, fonkelendste, koste- 
lijkste, meest fluweelachtige kleuren, dat men hen zou mogen 
noemen de „émailleurs", de „juweliers" van de schilderkunst! 
Voor hen toch is de laatste hand niet gelegd aan eenig werk, por- 
tret, binnenzicht, stilleven, wat ook! zoolang het het oog niet 
voldoet als een volmaakt juweel. 

Beiden zijn verfijnden, doch hun verfijning sluit noch kracht 
noch stoutheid uit! 

Het meest verfijnd van beiden is Vaes, die, ondanks een bui- 
tengewone ontroerbaarheid en een in al wat hij ooit voltooide 
voelbare spontaneïteit, — zij is als de lyrische ondergrond van al 
zijn werk, ook van zijn zeer voortreffelijke etsen, — toch zijn 
geestdrift, zijn hartstocht zoo volkomen weet te beheerschen, 
dat hij, met de kalmte van een „parnassien", een Léon Dierx, 

een de Hérédia, een Leconte de l'Isle van het penseel in 

stede van. . . . het vers; met de sereniteit van een Olympiër bijna 
uit elk nog zoo alledaagsch gegeven, dat hij schilderen wil, alles 
weet te halen, wat er maar uitgehaald kan worden, daarbij overi- 
gens geen enkelen faktor versmadend, die hem, het weze nu vorm 
of lijn, verlichting of schaduwing, toonschakeering of iets anders, 
zekerder in staat kan stellen, de hoogste schoonheid te verwezen- 
lijken. 

Vaes versmaadt het overigens niet, ■ — en evenmin als hij doet 
het van Zevenberghen, — bij voorkomende gelegenheid een min 
of meer aantrekkelijk geval te behandelen, wat wel niet verwon- 
deren kan bij een, die, in zijn reeds lange kunstenaarsloopbaan, — 
hij begon immers bizonder vroeg, een heelen tijd al vóór 1900, — 
zich aan allerlei genres waagde: wijsgeerige fantazieën, („De Dood 
als Fluitspeler"), historie („Salomé met het Hoofd van den Doo- 
per"), landschap, interieur, portret, stilleven. 

Doch, ook dan, als hij een heusch onderwerp behandelt, is hij, 
wil hij zijn de „kunner", die niet door het subjekt zelf, maar 
door datgene, wat hij er van maakt, bewondering afdwingt. 

Overigens beperkte Vaes zich, in de laatste jaren, aldoor meer 
tot de twee vakken, waarover dit hoofdstuk handelt: het por- 
tret evenzeer als het stilleven. En het zou mij moeilijk vallen te 
zeggen, in welk van beiden hij het meest uitmunt. 

Even konsekwent als hij zich aldus koncentreerde, streefde hij 



140 DE PORTRETSCHILDERS. — HET STILLEVEN. 

naar een zoo groote volledigheid en volmaaktheid van uitvoe- 
ring, dat men, bij een kunstenaar van minder hooge begaafdheid 
en vooral minder nauwgezet geweten, had kunnen vreezen voor 
geliktheid en zuivere mooidoenerij ! 

Want zie, waar hij in zijn werken van een tiental jaren geleden, 
nog eenigszins impressionnistisch uitvoerde en b.v. meer bepaal- 
delijk zijn aandacht wijdde aan de groote plannen en deze opzet- 
telijk met wel in evenwicht gehouden waarden van licht en don- 
ker verduidelijkte, daar kwam hij van lieverlede tot een nauw- 
gezetheid, een uitvoerigheid, een schoonheid en een precioziteit 
bovendien, die in geen enkel opzicht meer gewaardeerd worden 
door de zeer vele jongen, jongeren en allerjongsten, die alle zoo- 
genaamde „klassieke hoedanigheden" uit den booze achten en de 
waarde der kunstwerken des te hooger aanslaan naar gelang de 
„vis superba formae" er meer in afwezig is. 

Hoogst leerrijk zijn de portretten, die Vaes tusschen 1915 en 
1920 tijdens zijn verblijf in Nederland voltooide, o.a. die van Me- 
vrouw de Stuers, van Jonkvrouw Cora de Stuers en van Jonk- 
vrouwe Louize de Stuers. Van de aanvalligheden van zijn model- 
len verzuimt noch verzwijgt hij het minste! Deze modellen zijn 
nu eenmaal zóó en hij wil ze doen herleven op zijn doek zóó als 
hij ze ziet .... En dan zoekt en vindt hij op zijn palet zulke zeld- 
zame, kostbare, emailachtige, geraffineerde en toch zeer eigen 
kleuren; hij doet de groote en kleine plans, elke ronding, eiken 
vorm, niet met teekenlij nen, doch met toon naast toon zoo voor- 
treffelijk uitkomen, dat de toeschouwer toch hoofdzakelijk be- 
koord en ontroerd wordt, niet door de liefelijkheden van de per- 
sonages, maar door het machtige talent van den schilder zelf. 

Een wezenlijk juweel is het portret van „Jonkvrouw Louize de 
Stuers". Vooral dit zeer aanvallig model bood gelegenheid te 
over, opdat de kunstenaar zich zou bezondigd hebben aan die 
oppervlakkige modieuze mooidoenerij, welke het werk van 
zekere hoofdzakelijk op reklame beluste a-la-modeschilders zoo 
verachtelijk maakt. 

Een aristokratisch freuletje, een „Backfisch" nog, maar met 
om het frissche, roze gezichtje een nimbus van het allermooiste 
goudblond haar, in een kleedje van wel zeer eenvoudigen snit, 
maar van een even uitgezochte kleur: bebloemd geel, als fijne 
stof. . . . Toch wist Vaes sober te zijn en van al dit moois niet 



DE PORTRETSCHILDERS. — HET STILLEVEN. 141 

meer notitie te nemen dan het paste, om een uiterst persoonlijke 
kleurensymfonie te verwezenlijken.... Achter het lieve feeën- 
figuurtje schilderde hij een blauw fonnetje van zeldzame fijn- 
heid, die al dat roze, blauw, groen, oranje samensmolt tot een 
geheel van gedempt kaal grijs van ongemeene disti nktie. 

Zijn stillevens zijn misschien nog voortreffelijker. Hij schildert 
visch als een Linnig en vleesch als een Verhaeren. Als bloemen- 
en vruchtenschilder legt hij het bij niemand af. Zijn bloemen 
hebben de maagdelijke frischheid en vlosheid van die van Fan- 
tin Latour; zijn appelen en peren de verbluffende realiteit van 
die, welke Ensor maakt. Hij vindt een treffend groen voor de 
onrijpe en een vol verzadigd geel voor de beursche vruchten. 
Met onfeilbaren smaak en gekonsommeerd meesterschap doet 
hij de kontrapuntische verhoudingen uitkomen tusschen de kleu- 
ren van ooft of bloemen en van de omgeving: tafel, tafelkleed, 
schotel, vaas, muur-fon, en wat er verder soms mag bij te pas 
komen. Het licht siddert over alles heen; de verf is van een zeer 
edele materie, doorschijnend en warm. 

Ofschoon met Vaes verwant, doet van Zevenberghen het toch 
anders. Waar Vaes streeft naar de opperste distinktie en het vol- 
maakste evenwicht, daar wil deze, in zijn veel minder beheerschte 
kleurenfurie, niet de opperste fijnheid, maar de opperste kracht 
verwezenlijken. Hij is een paroxist van het koloriet. 

Van Zevenbergen is daarom noch wild, noch ruw. Ook in die 
zijner werken, waarin hij zijn koloristenpassie het stoutst bot- 
viert, weet hij te schakeeren en akkoorden aan te slaan, die door 
nieuwheid en zeldzaamheid evenzeer als door gedurfdheid ver- 
rassen. Hij slaagt er in als niet één, in België althans, om het ge- 
heele getoover van veelkleurig licht, dat een zonneraai te voor- 
schijn roept als hij door de facetten van geslepen kristal heenfon- 
kelt, weer te geven. Hij is de auteur van eenige zeer stemmings- 
volle interieurs met figuren, waaronder o. a. een „Jan Stobbaerts, 
zijn Temptatie van St. Antonius" schilderend" een der beste is. 

Onder de talrijke beoefenaressen van het genre verdienen on- 
getwijfeld naast Bertha Art en Alice Ronner nog een zeer eervolle 
vermelding de schilderessen Georgette Meunier (geb. 1859) en 
Marie Antoinette Marcotte, de eene met haar uiterst gedistin- 
geerde bloemen en wereldsche „accessoires", de andere met haar 
keurige bloemkweekerijengezichten. 



142 DE PORTRETSCHILDERS. — HET STILLEVEN. 

Overigens ware het onbillijk, hier niet ten minste met eere te 
vermelden wijlen Eugeen Joors (1850 — 191 1), Joris Nauwelaerts, 
Fem. Toussaint, Oleffe, Maurits Waegemans, E. Wiethase, Jef- 
ferys, van Looy, Ernst Naets, John Michaux, en, onder de laatst 
gekomenen. Jozef de Belder, Juliaan Séverin, Walter Stevens, 
Frans Ross, Clémence Jonnaert. 

De Belder is een autodidakt, die zich, voornamelijk in de 
laatste jaren, eigenlijk tijdens den Wereldoorlog, zoo goed als 
zonder meester van huis- en meubelschilder van beroep ontwik- 
kelde tot een van nu af gevierd kunstschilder. Zijn reeds talrijke 
stillevens, vruchten- en bloemenstukken munten uit door ver- 
fijnden smaak en gedistingeerde, toch niet gelikte uitvoering. 
In zijn goede oogenblikken, — en deze zijn vele, — herinnert hij, 
door het fijne allooi van zijn prestaties, aan zeer goede buiten- 
landsche bloemen- en vruchtenschilders als de Franschman Al- 
fred Magne, den Brit Walter Gay, de Duitschers Josef Schuster 
en Margareta Hormuth — Kallmorgen, ofschoon het volstrekt 
zeker is, dat de nederige man nooit een enkel schilderij van deze 
in België nauwelijks bekende artiesten onder de oogen had. 

Jul. Séverin werkt in een stouter, moderner, vrijer richting. Hij 
streeft meer naar zuivere schildering, weergave van de mooie 
kleur in het ware licht, zonder zich veel te bekommeren om onbe- 
rispelijk juiste en korrekte vormen. 

Allen noemen, die aan dit genre offers brachten, gaat niet aan. 



HOOFDSTUK IX. 

DE NATUURSCHILDERING: LANDSCHAP EN ZEE- 
STUK, DIEREN, ENZ.. 

„Es geht durch die ganze Kunst eine 
Filiation." 

GoETHE aan Eckermann. 

„Om Gods wil, en als dank voor het 
leven, dathijonsgegevenheeft, laten wij 
er voor zorgen, dat, in onze werken, de 
openbaring van het leven de eerste van 
onze gedachten weze ! Wiel even schept, 
is een God ; maar wie slechts met smaak 
golvende omtrekken in lelie- of rozen- 
kleur schakeeren kan, toont slechts 
neiging voor het handwerk van den be- 
hanger of van den parfumeur." De 
Fransche landschapschilder Rousseao. 

Van geen afzonderlijk vak van schilderkunst is het moeilijker 
een overzicht te ge\en dan van de eigenlijke „natuurschildering", 
onder welken naam ik hier landschap-, marine- en dierenschilde- 
ring wensch samen te vatten. 

Vooreerst vond geen vak een talrijker schaar beoefenaars en 
doorleefde geen even talrijke ontwikkelingsperioden als juist dit 
één. 

Om volledig te zijn zou men, zonder overdrijving, de Zuidneder- 
landsche vertegenwoordigers van dit genre in wel een twaalftal 
groepen moeten onderscheiden, die, weliswaar, altijd met elkander 
verwant blijven, maar even duidelijk, ten minste wat de uiterlijke 
behandeling betreft, van elkander afwijken ^). 



') Bijvoorbeeld: sentimenteel met van Assche en Eug. Verboe ckhoven, romantiek 
met Robbe, Piéron en een heelen tijd Marinus, traditionalistisch met Fourmois, wordt 
het landschap voor het eerst plein-airist met de Knijff rond 1850, realistisch met Bou- 
lenger rond 1863, daarna achtereenvolgens impressionistisch, neo-imprestionistiscb, 
zuiver-luminiestiscb, enz. Zooveel mogelijk laat ik deze stelselmatige onderscheidingen 
ter zijde. 



1 44 DE NATUURSCHILDERING : LANDSCHAP, ZEESTUK, DIEREN ENZ. 

Een algemeen kenmerk is bij allen of bijna allen waar te nemen : 
zij hebben van het landschap een in zeker opzicht kleingeestige 
opvatting en bepalen zich doorgaans tot een beperkten, meestal 
engen gezichtskring; slechts bij uitzondering stellen zij, ik wil niet 
zeggen een werkelijk „landschap", maar een geheel veld, een 
geheele heide, een algemeen gezicht op een dorp of een stad voor. 
Dit is in de eerste plaats te wijten aan de omstandigheid, dat zij, 
geboren in een effen vlak gewest, er niet aan gewoon werden, een 
geheele streek uit de hoogte, om zoo te zeggen in vogelvlucht te 
overzien. 

Zij schilderen eigenlijk geen „landschappen", maar veeleeer ge- 
deelten, hoekjes, stukjes van landschappen: een boschkant, een 
stuk beemd, een akkertje, een huisje met tuin, een kreekje, de 
bocht van een rivier, in het beste geval het gezicht van een dorps- 
gehucht, een stadswijk, een dok. Is dit een gebrek? In elk geval 
schijnen sommigen in de laatste jaren onbewust naar een verrui- 
ming van gezichtseinder te streven. Mij dunkt, dat dit bij Claus, 
Baertsoen, Marcette, Delaunois, de Sadeleer, Edmond Verstrae- 
ten. Baseleer en anderen duidelijk te merken valt. In nog 
grootere mate wellicht bij Frédéric, maar deze schilder werkt ge- 
woonlijk in het bergland, — de Belgische Ardennen. 

Laten wij echter den tijd niet vooruitloopen. 

Hoe stond het met de Vlaamsche landschapschildering in de 
eerste jaren van de negentiende eeuw? 

Men zou er een helder denkbeeld van hebben, indien er een 
grooter aantal schilderijen waren bewaard gebleven van de Ant- 
werpsche kunstenaars,die in 1788 een „Konstmaetschappy" in het 
leven riepen, en waarvan de meeste nog in het tweede decennium 
van het nieuwe jaarhonderd werkzaam waren, met name Baltha- 
zar Pauwei Ommeganck (1755 — 1826), Simon Denis (1755 — rond 
1812), Hendrik Jozef Frans de Cort (1742— 1810), Hendrik Myïn, 
Ommegancks schoonbroeder. Jan Baptist Beguinet, Hendrik 
Blomaert, de echtgenoote van Myïn, geboren Maria Ommeganck, 
Frans Balthazar Solvyns, enz.. 

Men heeft Ommeganck genoemd „Ie Racine des moutons". 

Juister was het, hem met Vergilius te vergelijken, wel te ver- 
staan met den Vergilius der „Eclogae", den op keurigheid en mooi- 
doen gestelden bukolischen dichter. Door en door bukolisch toch 
zijn niet alleen Ommegancks onderwerpen; ook hun inkleeding is 



DE natuurschildering: landschap, zeestuk, dieren enz. 145 

het. Zeker staat hij onder den invloed van Hollandsche landschap- 
schilders, evenwel niet onder dien van de werkelijk grooten, — de 
Ruisdaelen, van Goyen, Brouwer, Hobbema, Ph. Koninck, A. 
Cuyp ; maar onder dien der kleinere, de natuur niet in haar groot- 
sche lijnen, maar hoofdzakelijk in haar min of meer romantische, 
tevens vriendelijke verschijningen wedergevende, zooals Berchem, 
Pynacker, Andries Both, de Heusch, Wynants. Van dezen toch, 
en wel het meest van Berchem en Both, had Ommeganck dat wel 
verzorgde, zelfs zeer en al te zeer verzorgde, maar o zoo gladde 
koloriet, dat vaporeuze en droomerige van zijn achtergronden, 
ook wel dat tikje romantische sensiblerie, dat voor zulk groot deel 
tot zijn overdreven bijval bijdroeg. . . . 

Zoo als Ommeganck, de meest gevierde van allen, zoo waren en 
deden ook de „dei minores". 

Simon Denis, die het grootste deel van zijn leven in Italië door- 
bracht, ja, de eer genoot, door den koning van Napels tot „eersten 
hofschilder" te worden benoemd, wijkt van Ommeganck meer 
af door zijn totaal en blijkbaar opzettelijk verwaarloozen van 
menschelijke voorstellingen dan door de opvatting en de uitvoe- 
ring van zijn landschappen, watervallen, boschgezichten. 

Hendrik Myïn was anders. Te oordeelen naar de weinige schil- 
derijen van zijn hand, die het mij gegeven was te zien, voorname- 
lijk naar een vrij aantrekkelijk „Gezicht op Brussel van het Zui- 
den gezien", dat een Antwerpsche kunsthandel van hem bezit ^), 
was hij in zooverre een voorlooper van de modernen, dat hij niet 
alleen voor elkeen toegankelijke, in werkelijkheid bestaande 
hoekjes natuur tot onderwerp koos, maar tevens deze hoekjes 
weergaf zonder er veel aan te veranderen, zooals hij zelf ze zag en 
ieder tijdgenoot ze kón zien. Voorzeker had ook Ommeganck 
meer dan ééns dergelijke „bekende" gezichten behandeld, o. a. 
in de door hem in 1789 naar de tentoonstelling der „Konstmaet- 
schappy" gezonden tafereelen: „Gezicht bij Luik", „Gezicht bij 
Dinant op de Maas", „Ontscheping van Volk .koeien, schapen en 
Geiten bij het Kasteel van Argenteau omtrent de stad Visé", „Ge- 
zicht van Antwerpen buiten de Slijkpoort met Figuren en Vee". 
Doch waar Ommeganck alles, bergen en bosschen, weide en water, 
menschen en dieren, ja, tot zelfs het licht toe vermooide, veredelde, 
„poëtizeerde", zoodat al zijn voorstellingen ons veel meer in een 

*) Kunsthandel Willem Campo. 



146 DE natuurschildering: landschap, zeestuk, dieren enz. 

soort van aardsch Paradijs dan in de gewone, de ware natuurlijken 
geschilderd te zijn, trachtte Myïn naar een eenvoudige, oprechte 
weergave van wat hij zag, zonder er of een bravoerstuk, wat de 
uitvoering — , of een vizioen, wat de opvatting betreft, van te wil- 
len maken. 

Het hierboven genoemde „Gezicht op Brussel" moge wel geen 
meesterstuk zijn en nog zoo zeer verschillen van wat de modernen 
ons van Boulenger af tot heden hebben leeren liefhebben en be- 
wonderen; als „tijdbeeld" zou het verdienen, in een muzeum be- 
waard te worden. 

Waren de landschappen van de andere leden der „Konstmaet- 
schappy" even realistisch, althans even werkelijk als deze van 
Myïn? Zeker is het, dat de opschriften der stukken, in 1789 ten- 
toongesteld door Beguinet, Blomaert, de Cort, Solvyns, de voor- 
gestelde plaatsen bepaald en bij name aanduidden. In een vijfde in 
1793 gehouden tentoonstelling komen nog een tweetal stukken 
voor met duidelijk aangegeven oordsbepaling. Marten Waefelaerts 
expozeerde er „De Schelde met een Antwerpsche Kade" en „Een 
HoUandsche Jacht op de Schelde". 

Dit is des te meer opmerkelijk, daar de katalogen der expozi- 
ties, die, na het einde der XVII Ie eeuw, namelijk in 1802, 1804, 
1807, 1813 te Antwerpen gehouden werden, bij het vermelden der 
aangenomen landschappen nog amper een enkele maal een welbe- 
paalde lokaliteit met den naam kunnen of willen aangeven: 1807, 
Frans Swagers, nota bene een te Parijs gevestigd Utrechtenaar, 
„Een Gezicht op de Schelde bij Oosterweel", en Marten Verstappen 
„Drie Landschappen, in de Omstreken van Rome geschilderd". 

Was het onder den invloed van den „grooten" Ommeganck 
alleen, dat de landschapschildering van ongeveer 1815 tot zeker 
wel 1840 dien sentimenteelen bijsmaak kreeg, waaraan dilettanti 
en beoordeelaars zich alstoen zoozeer versnaperden ? Werd die 
verweekelijking, soms tot het larmoyante toe, niet voor een goed 
deel veroorzaakt door de lektuur van Fransche schrijvers als 
Bernardin de Saint-Pierre en vooral van zijn hier te lande tot na 
1850 zoo overdreven bewonderde „Paul et Virginie", als de Cha- 
teaubriand van „Atala"en „René", als Millevoye, den dichter van 
„La Chüte des Feuilles", ja, ook Lamartine reeds? 

Wij kunnen het niet bewijzen, maar zijn geneigd, het te geloo- 
ven. Zeker is het, dat men, in het geheele bedoelde tijdperk, een 



DE NATUURSCHILDERING:LANDSCHAP,ZEESTUK, DIEREN ENZ. 147 

landschap nauwelijks „genietbaar", nauwelijks een „kunstwerk" 
achtte, als het niet behoorlijk gestoffeerd was met menschelijke 
figuren, liefst met een of andere min of meer, en liever meer dan 
min, op de verbeelding werkende, het gevoel streelende, medelij- 
den, angst, verschrikking of bliide belangstelling verwekkende 
epizode. 

Het muzeum van Antwerpen en dat van Brussel bezitten elk 
een tamelijk typische „representative piece" uit die jaren; 't eer- 
ste „De Bliksem" van Hendrik van Assche (1774 — 1841), het 
tweede „Kudde in een Onweer" van Eug. Verboeckhoven (1799 — 
1881). 

Neen! „Een brok natuur, gezien door een temperament heen", 
is voorzeker geen van beide. Vergeten wij niet, dat Zola's be- 
roemde omschrijving van het naturalistisch kunstwerk eerst rond 
1875 tot een slagwoord werd. 

Typisch is „De Bliksem" : een bouwvallige kapel, omgeven door 
hooge statige boomen met verwrongen takken ; heel ver, onder de 
boomen door, heel klein, een dorpskerk. Een paard gaat op hol en 
de ruiter ligt, half verbijsterd, op den weg. En — o wee! het hol- 
lend ros stormt recht naar een vluchtende kudde schapen, waar- 
van de herder een lammetje, dat niet snel genoeg liep, onder den 
arm draagt. De bliksem is een meetkundig figuur, zorgvuldig met 
het liniaal in „geel" op het zwart van de wolk uitgevoerd. Van 
„bliksemlicht" geen spraak! 

Van Assche werd door zijn tijdgenooten zoo zeer op prijs ge- 
steld, dat zelfs de zeer strenge Navez van hem getuigde: „Il n'a 
pas son pareil en Europe" ^). 

') Naar aanleiding van zijn deelneming aan 't Salon van 1836 schreef Alvin: 
„Ce n'est pas une réputation a faire, c'est une gloire qui se continue, qui se soutient 
dans tout son lustre. Elle n'offusque plus aujourd'hui ks yeux; dèslongtemps ils sont 
accoutumés a son éclat." 

Bij de bespreking van de later voor 't Brusselsch Muzeum aangekochte „Cascade 
de la Toccia" dith>Tambeert Alvin den auteur ditmaal stoutweg over de weergave 
van het licht in den dampkring.... 

Hoe teekenachtig weder deze regelen: „L'artiste a su mettre un immense espace 
dansce tableau; on y sent l'air circuler. Lalumière y est prodiguée danslapartie supé- 
rieure avec une grande magnificence. C'est un des plus admirables spectacles qu'on 
puisse contempler. 

A mesure que l'on s'approche de ces sommets éblouissants, l'esprit s'élève aussi, 
les pensees y arrivent en foule, plus nobles, plus süres, plus élevées. 

M. van Assche a réussi parfaitement k rcproduire, avec Ie site lui-même, rimprep>ion 
que sa vue ferait éprouver. Il doit ce beau triomphe k la vigoureuse conception de son 
effet principal, a la savante exécution de ses détails, a la combinaison harmonieuse de 
sa lumière et de ses ombres." 



1 48 DE NATUURSCHILDERING : LANDSCHAP, ZEESTUK, DIEREN ENZ. 

Verboeckhoven is eenvoudiger en grootscher. Zijn „Kudde in 
een Onweer" is uit 1839: een storm, als Lear eens op de hei be- 
leefde, woedt en raast in de verte over de vlakte. Tot dicht bij 
een verweerd kruisbeeld dreef reeds de herder zijn dieren vooruit. 
Angstig blikt hij, een lammetje onder den rechten arm dragend, 
omhoog, en de schapen verdringen zich niet minder angstig tegen 
elkaar. Ondanks al het theatrale en gewilde is deze voorstelling 
ook voor den hedendaagschen toeschouwer belangrijk, boeiend 
nog; zij spreekt tot het gevoel even zeker als tot de verbeelding i) . 

En meer dan ééns slaagde deze kunstenaar aldus ! 

Reeds in 1836 had hij voltooid „Een Kudde Paarden door 
Wolven in Polen overvallen", waarin hij, als het ware, zichzelf 
overtrof. Het was een stuk van ongewone afmetingen, h. 2,47 en 
b. 3,75, voorstellende, op het voorplan, een twaalftal paarden, 
waarvan vier of vijf geheel, de andere slechts gedeeltelijk zicht- 
baar, een twintigtal wolven en vijf mannen. Op het tweede plan 
een aantal andere figuren van mannen en paarden. Niet alleen 
waren de dieren werkelijk knap en forsch get eekend, hier kon 
ook het landschap, een gezicht in het late Najaar, half of einde 
November, op ware pikturale schoonheid bogen -). (2509, Rijks- 
muzeum). 

Volgens een oude overlevering had Eugeen Verboeckhoven de 
gewoonte, de dieren, welke hij op het voorplan zijner groote sa- 
menstellingen wenschte te schilderen, vooraf in de gewenschte 
houdingen in potaarde te boetseeren . 

Dat hij, als zoon en leerling van den beeldhouwer Bartholo- 
meus Verboeckhoven, werkelijk een knap boetseerder was, wordt 

*) De Bast zei van Verboeckhoven: „Ses ouvrages sont toujours demandés et ils se 
vendent avant de quitter Ie chevalet." 

^) Ook deze regelen van Alvin leeren ons veel over de eischen, welke de kunstkenners 
aan de dierenschilders stelden: „Lorsque vous vous trouvez devant un des petits ta- 
bleaux de Verboeckhoven, vous ne pouvez vous lasser d'admirer la fraicheur de ses 
sJtes, la püreté de ces ciels, la delicatesse du feuillé, la vérité des moutons, des Snes ou 
des chevreuils dont il anime Ie paysage. C'est Ie travail d'un peintre en miniature, avec 
une vigueur d'exécution, qui vous étonne. Mais si vous contemplez une des grandes 
pages qu'il se plait a remplir quelquefois; devant „Ie Soleil couchant", acheté par 
Rothschild en 1833, vous vous sentez pénétré par la fraicheur de la brume légere que 
vous voyez monter Ie long des flancs de la montagne, vous assistez au passage du gué 
que ce troupeau vient d'entreprendre. lei, ce qui vous frappe d'abord, ce n'est plus 
l'exécution d'une des scènes les plus magnifiques de la nature; vous êtes dans cette 
campagne, vous vous promenez Ie long de cette rivière, vous vous enfoncez, pour rever 
dans ce sentier qui serpente en gravissant la coUine ; ce n'est plus une peinture que 
vous avez sous les yeux, c'est une réalité." 

Dit alles naar aanleiding van „Soleil couchant", ook in 1836 tentoongesteld. 



DE natuurschildering: landschap, zeestuk, dieren enz. 149 

bewezen door een aantal studies naar. dieren, welke zijn dochter. 
Mevr. Wich-Verboeckhoven, in 1890 aan de Antweqjsche Kunst- 
akademie vermaakt. 

Hoe jammer het was, dat noch min noch meer dan de dwaze 
vooroordeelen, aan al zijn tijdgenooten in België eigen, dezen van 
nature zeer begaafden artiest weerhielden, zijn dieren recht naar 
het leven te schilderen, dit bewijzen niet alleen de hier bedoelde 
zeer rake boetseerstudies, maar ook enkele hier en daar verspreide 
geschilderde studies van den meester. 

In de verzameling van den heer Oskar Nottebohm, te Antwer- 
pen hangt een niet groot stuk, „Een Schimmel in een Weide", dat, 
rechtstreeks maar de natuur gedaan, zelfs de allervoortreffelijk- 
ste partijen in 's mans groote samenstellingen verre overtreft. 
Het forsche, logge, brute dier trilt van leven als de beste hengst 
of stier van Alfred Verwee . . . . , wien men de puike studie nauwe- 
lijks zou aarzelen toe te schrijven, als het handteeken zelf ons niet 
volop overtuigde, dat het van Eugeen Verboeckhoven is. En toch 
vertoont deze schets het jaartal 1836. 

Ook zijn in 1858 tentoongestelde studie naar jonge kippen in 
het Muzeum van Hedendaagschen, te Brussel, verdient hier met 
lof vermeld te worden. 

Men kan gerust zeggen, dat onze gezamenlijke landschap-, zee- 
ën rivierschilders van 1 830 tot 1 850, en wij zullen zien nog later, 
van hun bizonder vak nagenoeg dezelfde opvatting bezaten als 
Verboeckhoven en de goede Hendrik van Assche, de patriarken 
van de landschapschildering. Zonder twijfel was zulks wel het 
geval met Jan de Jonghe, Ottevaere („Nakend Onweder", 1836), 
J. Ducorron („Landschap met een Tooneel uit Gil-blas", 1836), 
Fran9ois de Marneffe („Karel H in 't Woud van Boscobel", 1836) 
ja, zelfs met Joseph Perlau, welke laatste, alles te zamen genomen, 
de meesten van zijn tijdgenooten overtrof. 

Naar aanleiding van het door Perlau in 1836 tentoongesteld 
landschap schreef Al vin deze voor dien tijd bij uitstek kenschet- 
sende regelen : 

„On a pu remarquer, en parcourant avec attention les ouvrages 
„de nos jeunes paysagistes, que peu d'entre eux s'entendent a 
„composer un tableau. La plupart se contentent de copier un site, et 
„rarement ils se permettent l'arrangement." En Perlau wordt er 
dan voor geprezen, dat hij, naar 't voorbeeld van „les hommes qui 



150 DE natuurschildering: landschap, zeestuk, dieren enz. 

ont obtenu la plus haute illustration dans ce genre", zich óók 
heeft toegelegd op het voltooien van — let wel — „une composi- 
tion, oü empruntant tout a la nature, ils ont su par la réunion 
d'éléments disséminés, composer un ensemble sublime." 

Ik denk er niet aan, het tegen te spreken, dat een Claude Gellée, 
een Rubens, een Hercules Seghers, en zoo veel dichter bij ons nog 
zelfs de ongeëvenaarde Turner, deze laatste o. a. in meer dan één 
van zijn gezichten uit Itahë, op de door Al vin aangeprezen wijze 
„sameng()steld" hebben. Ik ken zelfs enkele van onze modernste 
meesters. — ik noem A. J. Heymans, Claus, en onder de jongsten 
Edmond Verstraeten, Delaunois, Valerius de Saedeleer, — die in 
een klein aantal van hun voortreffelijkste werken wel niet stukken 
van verscheidene landschappen tot een nieuw geheel vereenigd, 
maar toch de natuur min of meer gewijzigd, gesynthetizeerd heb- 
ben. Edoch, „quod licet Jovi non heet bovi!" Ik aarzel niet, te 
beweren, dat zulk een werkwijze mij wel geschikt voorkomt voor 
meesters van het allereerste gehalte, doch dat zij uiterst gevaarlijk 
is voor beginnelingen en voor aUe schilders, die minder begaafd 
zijn met wat men noemt ,, dichterlijke fantazie". 

Voor de groote meerderheid van onze kunstenaars kan die veel- 
geprezen toeleg op „arrangement savant" moeilijk iets anders zijn 
dan een eerste schrede naar onoprecht en dus onwaar zijn in het 
weergeven van de bijeengebrachte onderdeden. 

Doch, men ging nog heel wat verder in die jaren! Niet alleen 
was het een vaste regel, dat de land- en zeenatuur, om de eer te 
verdienen in een kunstwerk herschapen te worden, zorgvuldig 
gekamd en gepoetst, geborsteld en geschuierd, gewreven en ge- 
wasschen, met één woord „salonfahig" gemaakt werd; velen, en 
van de besten, zagen er zelfs geen kwaad in, ik zeg niet landschap- 
pen of zeetjes, maar zelfs gezichten op toch algemeen bekende, 
ja, in eigen vaderland gelegen steden te ... . „arrangeeren". Jan 
Ruyten (1813— 1881) en Fr. Bossuet (1798—1889) waren niet de 
eenigen, die, te dien tijde, stadsgezichten bijeenfantazeerden! 

De eerste toonde in 1836 twee stadsgezichten, waarvan Alvin 
schreef: „Nous sommes autorisés a penser que ces vuessontdesa 
composition, et alors nous lui en faisons compliment. „Wat niet 
belet, dat de kritikus er bijvoegt: „Nous voudiions toutefois plus 
de nature et de vérité dans Ie ton de ses maisons .... Nous vou- 
drions encore voir un effet moins éparpillé, plus d'unité!" En 



DE natuurschildering: landschap, zeestuk, dieren enz. 151 

Bossuet, ouder dan Ruyten, toonde datzelfde jaar naast elkaar 
een „Gezicht op de Abdij van St. Amands te Rowaan", getrouw 
naar het geziene weergegeven, en een „Gezicht op den Dijle-oever 
te Mechelen", waarin Alvin zelf, vrijwel tevreden, erkende „un 
choix de maisons curieuses, éparses dans la ville, et réunies la pour 
faire un ensemble. ..." 

Onder degenen, die, daarentegen, ten minste in de meeste ge- 
vallen niet alleen van het geziene uitgingen, maar een bepaalde 
brok landschap op hun doeken weergaven, noem ik D. Donny 
(„Gezichten op Antwerpen en Oostende", 1836), Dupressoir („Ge- 
zicht op de Schelde bij Gent", 1836), Jacob Jacobs, Ed. Delvaux, 
(„Zenneboorden", „Gezicht bij Vorst", 1836), L. P. Verwee, („De 
Hoeve Ie Chatebt, te Marbaix", 1836), Marinus („Gezicht op 
Namen", 1836), en — vóór en boven alle anderen — Fourmois 
(„Oord in de Ardennen", 1836), die, in 1814 geboren, tot even 
vóór 1836 uitsluitend als akwarellist werkzaam, eerlang als olie- 
verfschilder de stevige tekniek van de oude Hollanders in eer her- 
stellen en in 1871 als een van de onbetwist baarste meesters van 
de school overlijden zou. 

Lauters, Piéron, W. van der Hecht, Keelhoff, Derickx, ja, in 
zekere van hun werken nog zelfs de Beul en Verlat, onderscheiden 
zich van de kunst van de hooger genoemden door niet veel anders 
dan wat meer gevoel voor het pikturale geheel, en door steviger 
kunnen, stouter durven. Overigens ondergaan de meesten dezer 
zichtbaar den invloed van den grooten kunstenaar, op wien i k 
eerlang nog zal terugkomen: Fourmois zelf. 

In de dierenschildering deed een eerste en stoute schrede op den 
weg naar grooter oprechtheid en natuurlijkheid een man, die 
reeds als rechtsgeleerde te Brussel werkzaam was, toen hij zich 
op de beoefening der kunst begon toe te leggen, namelijk de in 
1806 te Kortrijk geboren en eerst in 1887 te Brussel overleden 
Lodewijk Robbe. Men hoeft maar enkel de een of de andere voor- 
stelling van een hoeveelheid paarden of koeien of schapen door E. 
Verboeckhoven te vergelijken met b.v. „De Kudde in een Vlaam- 
sche Weide", in het Muzeum van Hedendaagschen der Belgische 
hoofdstad, om den gedanen vooruitgang vast te stellen. Niet al- 
leen zijn bij den jongeren kunstenaar de hoornbeesten, elk op zich 
zelf, veel meer in hun wezenlijke verschijning gezien en weerge- 
geven; zij zijn ook oneindig natuurlijker, vrijer, ik zou bijna zeg- 



152 DE natuurschildering: landschap, zeestuk, dieren enz. 

gen, zij zijn als door een waar toeval „gegroepeerd" en vertoonen 
in houding en beweging vrij veel van het loome, trage, rustige 
doen van het welgeneerde Vlaamsche weiden vee. Ook het kolo- 
riet is heel wat waarder dan bij den ouderen artiest. 

In latere werken, — het groote Brusselsche is een tamelijk 
vroeg, — ontwikkelt Robbe werkelijk zijn zin voor gezonde reali- 
teit. Ik ken van hem ossen, koeien, schapen, waarin, naast kleur 
van huid of vacht, gedaante en beweging, reeds iets valt waar te 
nemen van die eigenaardige dierenpsykologie, welke eerlang op 
zeer voortreffelijke manier zal worden nagestreefd door deze 
wezenlijk groote artiesten, zelf echter wel ondenkbaar, zoo Robbe 
er niet was geweest : Jozef Stevens, Alfred Verwee en Jan Stob- 
baerts. 

Zijn tijd vooruit was ontegensprekelijk de te Brugge geboren 
Paul- Jan Clays (1817 — 1900), die, na te Parijs gestudeerd te heb- 
ben, acht maanden onafgebroken op een goëlet in de Noordzee 
rondzwalkte, en, weinig minder dan een heusche zeerob, ook in 
latere jaren dagen en weken doorbracht op de Hollandsche wate- 
ren. Zijn wel wat te angstvallig verzorgde zeegezichten, — „Kalmte 
vóór Onweder in de Omstreken van Dordrecht", 1876, Ant. Muz., 
is er een karakteristiek specimen van, — munten uit door de 
ongemeene puur- en helderheid van de lucht en de groote door- 
schijnendheid van het water. Vooral in haar uren van kalme rust 
bekoorde hem de Natuur. Hartstocht, als later Artan en Verstrae- 
te, wist hij in zijn marines niet te leggen. 

Wat Portaels betreft, die van een reis in het Oosten een reeks 
stukken meebracht, welke evengoed sentimenteel-romantisch zijn 
als de bekende landschappen van Fromentin, als landschapsschil- 
der schijnt hij geheel en al zonder invloed te zijn gebleven. 

Is het niet ongelooflijk, dat, in dien zelfden tijd, toen hier, op 
den klassieken bodem van de Noorsche schilderkunst de klein- 
geestigst denkbare konventie aUen zonder uitzondering beheersch- 
te, in Engeland een Constable, na rechtstreeks ter school te zijn 
geweest bij Rubens en eenigszins bij Rembrandt en Hercules 
Seghers, en een Turner, na met liefde Claude Gellée te hebben be- 
studeerd, gene in het rijktonige, deze in het helle, gene in het 
kleurenkrachtige, deze in het lichtstralend landschap, meester- 
stuk op meesterstuk schiepen? 

En ontkiemde uit de studie van Bonington en Constable en uit 



I 

i 



DE NATUURSCHILDERING : LANDSCHAP, ZEESTUK, DIEREN ENZ. 153 

de liefdevolle beschouwing van de Natuur niet in denzelfden tijd 
in Frankrijk de geheele heerlijke en veelzijdige school van Corot, 
Rousseau, Dupré, Troyon, Daubigny? 

De eersten die, in België, lang niet zoo aarzelend en vreesachtig 
als men nu wel eens denkt, de oude wegen verlieten, waren, geloof 
ik, de Walen Fourmois en Quinaux, de Vlamingen J. B. Kinder- 
mans (1822—1876) en vooral ridder Alfried de Knyff (1819— 
1885). De drie eersten staan nog duidelijk onder den invloed van 
de groote zeventiendeeuwsche Hollanders; als deze kiezen en 
schilderen zij bij voorkeur „schoone", aantrekkelijke plekjes, meer 
om die plekjes zelf dan om de ziel, die licht en lucht daaraan ver- 
kenen; de vierde echter is een overtuigd geestverwant van de 
glorieuze school van Barbizon, een impressionnist in de volle 
beteekenis van het woord. 

De drie eersten hellen meer over naar Ruisdael, Hobbema, 
Hackaert; de laatste meer naar Rousseau en Dupré, ja soms ook 
wel naar Corot, maar dan zonder het geringste van de toch wel wat 
konventionneele ideahteit van dezen Franschman over te nemen. 
Om het bewijs te leveien, hoezeer de Knyff zijn landgenooten 
vooruit was, is een blik op zijn in 't Brusselsch Muzeum prijkende 
„Verlaten Zandgroeve" uit 1860 voldoende. Om een denkbeeld te 
hebben van zijn uiterst fijngevoehge natuur vertolking, volstaat 
het dit eene kleine stukje, „Het Dorp Chaslepont", in het Ant- 
werpsch Muzeum, te beschouwen. Het is een juweel van het zui- 
verste water. Een weitje met wat koetjes en daarachter een paar 
hoerenhof steden met gekalkte murrtjes en een soort heuvel, alles 
in den eigenaardigen lichtschijn van zon-na-regen, schel uitko- 
mend op een grijs bewolkten nog z wangeren hemel. Het geheel 
vol atmosfeer en van een uiterst warme, malsche kleur. 

Ook zijn „Stolenbosch", Brusselsch Muzeum, is een in den een- 
voud van zijn opvatting grootsche, dichterlijke bladzijde; de 
Natuur, gezien met wel op haar verliefde, maar toch vooral op 
waarheid gestelde oogen. 

Nog het jaar vóór zijn dood, namelijk in de Drie j aarlij ksche 
van 1884, stelde de Knyff voortreffelijke dingen ten toon. Hoe 
meesterlijk waren de rotsen van zijn „Eiland Césambre" be- 
handeld, en hoe volkomen af was vooral het prachtig doek, 
„Weiden van Montfontaine". Het smaakvolle, gouden licht, 
waarin vee en landschap baden, streelt op de aangenaamste wijze 



154 DE natuurschildering: landschap, zeestuk, dieren enz. 

het oog. De boomen, in het midden van 't schilderij, maken den 
indruk van portretten. Het lommer doet watertanden naar zijn 
koelte en frischheid. 

Niet op volle sterke, veel meer op o vergangs- of gemengde ef fek- 
ten heeft hij het gemunt ; zoo tusschen twee seizoenen, twee dag- 
tijden, twee lichten; zoo tusschen licht en donker in kiest hij liefst 
zijn „oogenblik". En zijn scala is getrouw in harmonie met deze 
opvatting. De matte, wat onzijdige tonen spreekt hij het liefst 
aan: krijtrood, oker, Siena-aarde, paars, perelgrijs, neuren als met 
bromstemmen in zijn landschappen. 

Om 't even, of de Knyffs talent onder den invloed van Fran- 
schen tot rijpheid gedijdde! De heele geschiedenis van de kunst is 
een doorloopend borgen en leenen ! Zijn werk is Vlaamsch, reeds 
door de innigheid en de stemming alleen. 

Overigens was de Knyff zijn leven lang een onbegrepene, een 
miskende. Rijk, werd hij door de kunstenaars van beroep, die hem 
niet tot de enkels kwamen, gescholden voor een „dillettant", een 
„liefhebber" zonder meer, en eindelijk stierf hij, ontgoocheld en 
verbitterd, in bijna-armoede 

Vijf jaren ouder dan de Knyff had Fourmois (1814 — 1871) het 
geluk, reeds van zijn eerste optreden als olie verf schilder in 1836 
ruimschoots bijval te vinden. Zijn „Molen in de Ardennen" maak- 
te in 1840 evenveel sensatie als in 1851 zijn „Molen te Eprave" 
(Brusselsch Muzeum), als in 1855 zijn „Landschap bij Dinant" 
(Antwerpsch Muzeum), en nog later zijn „Landschap in de Kem- 
pen" (1860) of zijn „Moeras" (1866), beide laatste ook in het Brus- 
selsch Muzeum. Wij stelden hooger vast, dat hij zich nog aansluit 
bij de opvatting en vertolking van Hobbema en Ruysdael. 

Nog wel iets meer en beter dan zekere bizonderheden van 
samenstelling en verlichting, — dus van een beetje konventie, — 
haalde Fourmois bij deze meesters. Hij leerde van hen de Natuur 
om haar zelfs wil beminnen, haar als geheel en in elk onderdeel 
schoon zien en voelen, en, in haar, de meest eenvoudige, de zich 
als het ware uit maagdelijke schuwheid verbergende bekoorlijk- 
heden, de teedere en vrouwelijke schoonheden herkennen, be- 
grijpen en vertolken. Zoo zien wij hem stout weg sneeuw- en mist- 
effekten aandurven, schijnbaar alledaagsche hoekjes en kantjes, 
huisjes en hutjes schilderen, juist wat wellicht niemand sedert 
Iionderd jaar nog had gedaan. Wat hij, goddank, niet van de 



DE NATUURSCHILDERING : LANDSCHAP, ZEESTUK, DIEREN ENZ. 155 

oude meesters afkeek, dat was — de bruine „galerietoon", welke 
hun werk met de jaren had gekregen — en dien o. a. de Engelsche 
navolgers uit het begin van de 19e eeuw, Cottman, Crome, hun 
vooral te slaafs nabootsten. 

Joseph Quinaux (1822 — 1895) is zonder twijfel de voornaamste 
volgeling van Fourmois. In de werken uit zijn eersten tijd toont 
hij zich aangetrokken door breede panorama's, welke hij zich dan 
verlustigt op meest vrij kleine schaal te detailleeren. Zijn „Land- 
schap in de Omstreken van Luik", 1864, zijn „Gezicht in Savoeie", 
1867, zijn „Gezicht in Dauphiné", 1869, de twee eerste te Ant- 
werpen, het derde te Brussel, behooren met hun niet zeer groote 
teknische kracht en hun zwakke indruks- vertolking tot dit soort. 
Van Heverlede echter deed zich in zijn werk een nieuwe invloed 
gelden, en wel die van Courbet (1819 — 1877). Zijn palet wordt 
toniger, rijker, zijn teknisch kunnen grooter, zijn lyrisch gevoel 
machtiger, warmer, veelzijdiger. In zijn „Wed in de Lesse", 1875, 
Brusselsch Muzeum, en in andere werken, ons in privaat-bezit 
bekend, doet hij bepaald denken aan Boulenger en Dubois, voor- 
spelt hij als 't ware de kunst dezer vooruitstrevers evenzeer en 
zeker als de Knyff. 

Met minder kracht, minder stoutheid van durf, minder veel- 
zijdigheid ook wel dan Fourmois en Quinaux, geeft Jan Kinder- 
mans ons, ten minste in zijn beste oogenblikken, iets als een 
voorsmaak van het eerlang komende impressionistisch landschap. 

Wars van sentimentaliteit, versmaadt hij het, evengoed als de 
beide vorigen, zijn onderwerp door gebeurtenis j es belang bij te 
zetten. De aarde zelf, bij voorkeur in haar idyUische momenten, 
lokt hem aan. Uit enkele van zijn stukken, o. a. uit zijn „Arden- 
nerlandschap", in 't Antwerpsch Muzeum, ademen de frissche 
maagdelijkheid en de verkwikkende kalmte \'an de ware en onver- 
valschte natuur ons tegen. 

Een geheel afzonderlijke en eervolle plaats bekleedt Frans Lamo- 
rinière (1828 — 1911), wiens invloed op de ontwikkeling van het 
Vlaamsche landschap in de jaren 1860 — 1880 onmiskenbaar is en 
bij wiens opvatting en tekniek zich o. a. Jozef van Luppen. A. 
Eisen, Maria Collart, Frans van Kuyck en de Lathouwer aanslui- 
ten. Zonderling genoeg, zijn opvatting van het landschap gaat 
uit, niet van de oude Hollanders of hun Waalschen navolger Four- 
mois, al kende en bewonderde hij deze als niet velen ; ook niet van 



156 DE natuurschildering: landschap, zeestuk, dieren enz. 

Barbizon, gelijk die van zijn stadgenoot, den voortreffelijken de 
Knyf f , maar veeleer van den overigens met hem verwanten Jozef 
Lies. 

Doe ik Lies onrecht, misken ik zijn innigste geaardheid, wan- 
neer ik het betreur, dat hij niet veel meer het „landschap" dan de 
„historie" en het „historische genre" beoefende? Telkens hij ons, 
als achtergrond voor zijn kompozities, een dorps-, bosch- of ri- 
viergezicht toont; nog veel meer, waar hij wel degelijk een stukje 
van den XTijen buiten wil weergeven, openbaart hij zulk een bi- 
zonderen aanleg, ziilk een innig gevoel voor de natuur, dat men 
onwillekeurig denken moet : Lies heeft zijn ware roeping niet be- 
grepen. Het stukje, dat ik in het illustratief gedeelte laat afbeel- 
den, is een der oudste van een geheele reeks werken, die wellicht 
alleen dé.4rom zoo weinig bekend zijn, omdat geen enkel ervan in 
een of>enbare verzameling terechtkwam. In het uitvoerig en 
goedgedokumenteerd boek, dat A. Lefebvre den kunstenaar wijd- 
de, vind ik o. a. m. de volgende landschappen vermeld: „Praatje 
bij het Water" (1848); „Somber Landschap", „Landschap tus- 
schen Berchem en Borgerhout," rond 1850; dan „Landschap", 
„Wandeling", „Bezoek aan de Werklieden", „Bezoek op de 
Hoeve", „Plekje in de Omstreken van Antwerpen", uit het de- 
cennium 1850 — 1860; eindelijk „Terugkeer van het Veld" of „La 
Versprée", „Landschap niet ver van Antwerpen", „De slechte 
Rijke", „Grijs Landschap", „Scheldeboord", „Edegem" en „A- 
vond" uit zijn laatste levensjaren. Overigens verdienen ook ver- 
meld te worden het Vlaamsche Dorpsgezicht, dat de schilder ons 
toont in „De Vijand nadert" (1857), Antwerpsch Muzeum, het 
bosschage, dat de fon uitmaakt van „In 't Kasteelpark", dat 
achtereenvolgens deel uitmaakte van de verzamelingen Eggers, 
Weenen, en Sedlmeier, Parijs, en in Juni 1917 door een Antwerp- 
schen kunsthandelaar in openbare veiling te Brussel aangekocht 
werd, en ten slotte twee schetsen in het Antwerpsch Muzeum. 

Van al deze schilderijen zijn er mij een tiental „de visu" be- 
kend. Slechts in een enkel daarvan, met name „In 't Kasteel- 
park", en de paar schetsen, die waarschijnlijk voor dit stuk wer- 
den geborsteld, stuiten wij op invloeden van een buitenlandschen 
meester, namelijk van Diaz. 

In al de andere, zoowel in ,, Bezoek op de Hoeve", „Terugkeer 
van het Veld", „De slechte Rijke", „De Vijand nadert", als in 



DE NATUURSCHILDERING : LANDSCHAP, ZEESTUK, DIEREN ENZ. 157 

„Praatje bij het Water" vinden wij dezelfde eenigszins met die 
van Kindermans overeenkomende, tegelijk zacht lyrische en 
toch op waarheid beluste opvatting terug. 

Men moet er natuurlijk rekening mede houden, dat Lies er 
niet alleen nog ver van af was, het landschap om zich zelf alléén 
te willen behandelen, maar dat hij integendeel nooit verzuimde, 
er een anekdote in te pas te brengen. Dat hij zulke anekdoten wel 
eens zeer simpel en gemoedelijk vertellen kon, bewijzen ons het 
breiende boerinnetje en de naast haar in 't gras Hggende jonge- 
ling in „Praatje bij 't Water". Laat men zich nu door deze kleine 
gevalletjes niet storen, denkt men die voorstellingen uit zijn land- 
schappen weg, dan staat men wel degelijk vóór het werk van een 
geboren en daarenboven fijn-besnaarden paysagist, die heel wat 
dichter bij de natuur staat dan Fourmois en zijn volgelingen en 
ook dichter bij ons. 

Steekt het allerkeurigst uitgevoerde hoekje natuur, daargela- 
ten het nog al gedetalj eerde voorplan, zoo zeer af bij zelfs de beste 
bladzijden van de Knyff? Is het moment zelf: een eenigszins be- 
trokken en toch lichte dag in den laten Zomer, niet uitmuntend 
weergegeven ? Hoe impressionnistisch is die heele bekeboord met 
zijn slanke boomen en zijn in halve schaduw verscholen boeren- 
huisjes weerspiegeld in het heldere water! 

Men heeft wel eens beweerd, dat Lies en Lamorinière hun eigen- 
aardige opvatting van het landschap hebben van grootmeester 
Hendrik Leys. Dit is een naar mijn overtuiging volstrekt ver- 
keerde voorstelling, die, wat Lies betreft, waarschijnlijk ontstaan 
is uit de volkomen valsche bewering, dat deze schilder Leys' leer- 
ling zou zijn geweest. Wel onderging hij, zooals ik het hooger zelf 
aanstipte, dezes invloed; zijn atelier echter, kan hij alleen als 
kunstbroeder en vriend bezocht hebben. Ik leg er nadruk op, dat 
het kleine landschap, dat ik in het illustratief gedeelte liet afbeel- 
den, wel degelijk voltooid werd in 1848. In geen enkel van de door 
Leys vóór 1850 en zelfs 1851 voltooide schilderijen komt een stuk- 
je natuur voor, dat ook maar in de verste verte eenige overeen- 
komst met de landschappen van Lies oplevert ! Daarna is dit wél 
het geval .... 

Dat Lamorinière den invloed van Lies onderging, schijnt bui- 
ten kijf. Lamorinière, in 1828 geboren, nam, zooals uit door mij ge- 
dane opzoekingen blijkt, eerst in 1851 deel aan de officieele Drie- 



158 DE natuurschildering: landschap, zeestuk, dieren enz. 

jaarlijksche Tentoonstellingen. Mij is geen werk van hem bekend, 
dat vóór dit jaar voltooid werd. Voorzeker, de meester ontwikkel- 
de zich zelfstandig, was in feite niemands leerling .... Doch de 
filiatie tusschen hem en den zeven jaren ouderen Lies is toch niet 
te loochenen, 

Lamorinière evolueerde in de richting, waar Lies zich vóór hem 
bewoog ; hij haalde uit dezes opvatting met onverbiddelijke logi- 
ka de uiterste en laatste konsekwencies. Zijn navolger was hij 
niet. 

Vergis ik mij , als ik het als een eerste verdienste van Lamorini- 
ère aanteeken, dat hij tegelijkertijd de eerste was, die het land- 
schap uitsluitend om en op zich zelf behandelde, en tevens de 
eerste, die zijn keuze wel niet uitsluitend, maar zoo goed als 
uitsluitend beperkte tot zijn naaste omgeving, zijn geboorte- 
streek. Van zijn eerste optreden in 1851, met „Heide te Putte", 
tot zijn blindworden in de jaren negentig toe, schildert hij de 
dennenbosschen, de moeren en vennen, de hoefjes en hutjes van 
de Antwerpsche Kempen, en niet het minst de zandige, toch el- 
ken Zomer bloeiende heide, welke een Italiaansch kritikus *) in 
1854 nog noemde „la négation de l'art du paysagiste", maar die, 
na Lamorinière, door zoovele Vlamingen met niet minder voor- 
liefde „schoon bevonden", bemind en verheerlijkt werd. 

Wat Lamorinière in onze Kempen bekoorde, hoe hij ze zag en 
verstond, dit toont ons tot zelfs het minste en minstgeslaagde van 
zijn vele groote en kleine schilderijen. Al wat zijn handteekening 
draagt, vertoont zijn zeer eigen merk! Ex ungue leonem! 

In zijn stoffelijk uiterst verzorgde, met wellicht al te groote 
hefde tot zelfs in de geringste deelen doorgevoerde stukken, geeft 
hij bij voorkeur weder die stille oogenblikken, waarin de Natuur 
ingesluimerd of nog niet geheel wakker schijnt; waarin zij schijnt 
te mijmeren over voorbije of zich voor te bereiden op komende 
uren van hartstocht en beroering. In zijn bosschen, vol van een 
haast egaal, helder en koel licht, hangen de blaren, tot ver, heel 
ver, duidelijk zichtbaar en bijna te tellen, roerloos aan de takken; 
het bodemgras wordt door geen adem bewogen ; rustig en vredig 
weerspiegelt zich de hemel in het rustig en vredig water. 

Maar de boomen, waarbij men zich wel eens de meesterlijk ge- 
dane boomen uit de landschappen van Boeren-Bruegel herinner^ 

') Met name „de Aguirre". 



DE NATUURSCHILDERING : LANDSCHAP, ZEESTUK, DIEREN ENZ. 159 

staan sterk en wortelvast in de aarde; twijgen en takken zijn ste- 
vig en organisch vergroeid met de stammen, en de kleur doet soms 
aan met al den stemmigen adel van heel oude wat getaande gobe- 
hns. Er ligt, ontegenzeggelijk, voor elk onbevooroordeeld toe- 
schouwer, bekoring in stukken als „In de Omstreken van Ant- 
werpen" (1857), in de verzameling de Menten de Hom, Brussel, 
„In 't Sparrenbosch" in het Antwerpsch Muzeum, „Het schoone 
Vlaamsche Land", destijds in het bezit van een Antwerpsche fami- 
lie, en meer andere, die men niet zonder zich te bezondigen aan 
grove onbillijkheid jegens 's meesters wezenlijke gaven mag gaan 
beschouwen met dezelfde oogen, waarmede men werk van elke 
andere richting bekijkt, verzekerd, dat Lamorinières opvatting 
hetzelfde recht van bestaan heeft als iedere vroegere, gelijktijdige 
of latere, en dat zijn werk, in zijn soort, uitmunt door een geens- 
zins ailedaagsche volledig- en volmaaktheid, een niet licht over- 
troffen eerlijkheid en adel van vertolking^). 

Ook aan enkele wintergezichten behield ik een levendige en 
voor den kunstenaar vleiende herinnering, o. a. aan „Winter in de 
Omstreken van Antwerpen" uit 1879, „Sneeuw te Kalmpthout" 
uit 1885, „Sneeuw bij Antwerpen" uit 1888, „ Sneeu weffekt" uit 
1893. Vooral het schilderij uit 1885 is welgeslaagd. Zoo rustig, 
ingeslapen als 't ware bij vollen dag, ligt daar, onder de in 't klare 
vriesHcht schemerende wit-besneeuwde daken, de hoeve met 
woonhuis, schuur, stallen ; zoo huiverig staan de boomen en 't la- 
ger hakhout links en rechts van den nu geheel witten aardweg, die 
ter hoeve leidt; in de lucht zit nog zooveel sneeuw, die er blijk- 
baar „uit moet" en uit zal, dat men in de stemming komt, welke 
in de werkelijkheid bij zulk weder over ons vaardig wordt. 

In zekeren zin was „de Lamme", zooals men hem noemde, een 
voorlooper van de luministen. Men bestudeere buiten zijn sneeuw- 
effekten ook zijn „Vijver te Putte" uit 1879, nu in 't Brusselsch 
Muzeum, zijn „Moer te Putte" uit 1883, en het niet minder voor- 
treffelijke „De Putt'sche Moeren", het puike stuk, dat het Ant- 
werpsch Muzeum erfde van den toondichter Albrecht de Vleesch- 
houwer. Juist over dit laatste schreef ik lang geleden : „De witte 
doorschijnende toon, die er over verspreid ligt; het teer getinte, 



*) „Het schoone VI. Land" verbrandde tijdens de beschieting van de Scheldestad 
Oktober 1914. Wij reproduceeren het met des te meer genoegen in ons illustratief 
gedeelte. 



160 denatuurschildering: landschap, zeestuk, dieren enz. 

spiegelend water; de fraai bewerkte, waarlijk drijvende lucht, en 
het, in de verte, door de zon verlichte dorpken; dat alles draagt 
den stempel van een verfijnden smaak en een zeer dichterlijken 
geest." 

„Art d'immobilisme", gelijk Lemonnier het noemde, zooveel 
men wil! Maar kunst ook van meer dan gewoon gehalte! „Art 
volontaire", zooals een ander schreef! Maar dan ook als zoodanig 
het logisch en noodzakelijk uitvloeisel van een krachtige, sterk 
willende en flink kunnende mannelijkheid. 

Cesar de Cock (1823 — 1904) mag beschouwd worden als 
een van de pad-bereiders van het moderne Vlaamsche landschap. 
Ongemeene frischheid van indruk en tevens van koloriet zijn in 
't oog vallende hoedanigheden van zijn werk. 

Bij Edm. de Schampheleer (1824 — 1899), hoe begaafd ook, 
treffen wij een veeleer tegenovergesteld streven. Eerlijk werker, 
zeer oprecht jegens zichzelf, liet hij wel verdienstelijke schilderijen 
na, doch zonder in dezelve kiemen van nieuwe mogelijkheden te 
leggen, zonder er een vooruitstrevende richting aan te geven. In de 
evolutie, die ik hier poog te schetsen, blijft zijn invloed zoo goed 
als nul. Alleen zijn voornaamste leerlinge, Euphrosina Beernaert 
(1831 — 1901), onderging dien invloed. 

Eigenlijk vangt eerst rond 1 865 — 1 870 de beslissende ommekeer 
aan. Een schaar jonge mannen treedt op den voorgrond, die, allen 
op één na geboren tusschen 1 830 en 1 840, in een tweevoudig op- 
zicht onze landschapschüdering zullen revolutionneeren. Verschei- 
dene hunner ondergingen in hun aan vangs jaren, recht- of onrecht- 
streeks, den weidoenden invloed van de school van Barbizon, de 
eene door de studie van oorspronkelijke werken van meesters als 
Rousseau, Dupré, Daubigny, de andere door bemiddeling van een 
paar oudere artiesten, die zelf reeds heel wat aan deze Franschen 
te danken hadden: Huberti (1818 — 1880) en vooral de Knyff. 

Het zal de onverwelkbare glorie blijven van dit geslacht van 
1830 — 1840, dat zij voor goed afbraken met de romantisch-senti- 
menteele opvatting en er zich uit al hun vermogen op toelegden, 
in hun schilderijen geen andere ontroeringen uit te drukken, dan 
die, welke het geziene, in de werkelijkheid en op een duidelijk 
waargenomen tijdsoogenblik geziene hoekje natuur in hun ziel 
had opgewekt. Als om dit beter te kunnen, verzaakten zij tevens 
voor goed aan de in andere, met het onze door spel van lijnen, door 



DE NATUURSCHILDERING : LANDSCHAP, ZEESTUK, DIEREN ENZ. 1 6 1 

licht en kleur, door flora en fauna zelfs verschillende landen ge- 
zochte „onderwerpen" en bepaalden er zich toe de schoonheden 
van dit of dat gewest van het geboorteland te „ontdekken" en 
„weer te geven". Tevens waagden zij het, hun ezels te gaan op- 
slaan in de volle natuur, in het vrije en rijke licht van den buiten, 
en in hun schetsen, — meest allen begonnen zij nog met eerst een 
schets te borstelen — de wedergave van de inwerking van licht en 
lucht beide doelbewust en krachtig na te streven. 

Naar de orde van hun geboorte waren de oudsten de Brusselaar 
Jozef Coosemans (1828 — 1904) en de Dendermondenaar Jaak 
Rosseels (1828—1912); dan de Brusselaar Louis Dubois (1830— 
1 880), door ons reeds hooger besproken ; verder de Antwerpenaar 
Floris Crabeels (1835 — 1896) ; de Klein-Brabander Izidoor Meyers 
(1836 — 1917); de Doornikenaar Hippolyte Boulenger (1837 — 
1874); de in den Haag geboren Louis Artan (1837—1890); de 
beide Antwerpenaars Egidius Leemans (1839 — 1883) en Adriaan 
Jozef Heymans (geb. 1839), en de Brusselaar Théodore Baron 
(1840—1899). 

Boulenger „ontdekt" in de onmiddellijke omgeving van de 
hoofdstad Tervuren, zijn weelderige waranden, zijn vijvers, zijn 
waterloopen. Hij wordt de stichter der Tervurensche school, waar- 
van een der voornaamste leerlingen, de wat laat geroepene en bijna 
tien jaar oudere Coosemans, eerlang gevolgd door den in 1839 
geboren Brusselaar Alfons Asselberghs, zich zal gaan vestigen in 
de schilderachtige, toen nog half wilde Limburgsche heide, om er 
te worden het hoofd van de Genksche school. Rosseels, Crabeels, 
Heymans, en met hen, een tijd lang, Baron, huren of bouwen zich 
een huisje met werkplaats in een bizonder mooie streek der Ant- 
werpsche Kempen, te Wechel-ter-Zande. Deze vier, bij welke 
Meyers zich later gaat aansluiten, zonder daarom echter zijn ge- 
boortestreek te verruilen voor de Kempen, worden geheeten : de 
mannen van „de grijze school". 

Na tachtig wordt hun ontdekkingswerk voortgezet door Theo- 
door Verstraete, die Brasschaat, Claus, die de Leie, Courtens, 
Hens, Baseleer, die de Beneden-Schelde, Frédéric, die de Namen- 
sche Ardennen, Valerius de Saedeleer, die de omstreken van 
Ronse, en Edmond Verstraeten, die het prachtige en weelderige 
Land van Waas, of ten minste het heerlijkste deel ervan, de dich- 
terlijke Durmevallei, voor de kunst veroveren. 

il 



162 DE NATUURSCHILDERING : LANDSCHAP, ZEESTUK, DIEREN ENZ. 

Welke van de beide groepen, de Tervurensche of die der „Grijs- 
schilders',' trad het eerst in het strijdperk, om de landschapschil- 
dering te bevrijden en te verjongen? 

Ik denk, dat aan de eerstgenoemde de voorrang moet worden 
toegekend en acht het dan ook eenvoudig billijk, hier het eerst 
van Boulenger en Artan een woord te zeggen. 

Beiden waren, evenals de hier alleen nog terloops te vermelden 
Dubois, overtuigde impressionisten, de eerste in onze gewesten, 
en ondergingen alle drie, en niet alleen in het zuiver uitwendig 
opzicht van de tekniek, den invloed van Courbeten van Rousseau. 

Artans zeestukken, zonder de minste schoolsche bekommernis 
gepenseeld, zijn werken „de bonne foi", zóó gezien, zóó geschil- 
derd, en meer dan ééns wonderbaar subjektief, door de, in de ver- 
bazende hartstochtelijkheid van de vizie, toch meestal verrassend 
ware weergeving van de eindelooze bewegingen van den zouten 
plas, dien hij met een doorzichtigheid en een vochtigheid en daar- 
enboven een uitvoeringsfuria wist te schilderen, waarbij de al te 
verzorgde en tamme salonzeetjes van Clays maar tooneelschermen 
zijn. Artan is de eerste werkelijk groote Vlaamsche zeeschilder. 

Boulenger, in wiens eerste werken de invloed van zekere groote 
Franschen wel het meest uitkomt, is de groote baanbreker van het 
impressionnistisch realisme hier te lande. In of zeker rond 1 863 was 
het, dat hij zijn eerste proeven tentoonstelde; zij wekten de ver- 
ontwaardiging van de ouderen, het enthoeziasme van de jongeren, 
en — in ééns — verkreeg de naam Boulenger de bet eekenis van 
een geheel programma. 

De natuur weergeven zooals zij zich aan ons vertoont, om haar 
zelfs wil aUeen en om de gewaarwordingen, die zij opwekt, zonder 
er iets aan te willen verbeteren of veranderen, zonder ze zelfs voor- 
afgaandelijk te stoffeeren met menschen of vee, of althans, als men 
dit doet, zonder aan de figuren meer waarde te hechten dan aan 
hut of keet of berg of boom of lucht of water; ja, zonder ze zelfs 
met opzet te bekijken van zulk een stand en onder zulk een ge- 
zichtshoek, dat zij door zeker spel van lijnen „stijl" verkrijgt; dat 
was voortaan het wit, dat Boulenger, en met hem al de besten 
onder de jongeren, vóór oogen zouden houden. 

Toch dacht men daarom nog geenszins aan een slaafsche, foto- 
grafische weergave, maar wel aan een „vertolking", een perso- 
neele, van de wezenlijkheid. 



DE NATUURSCHILDERING : LANDSCHAP, ZEESTUK, DIEREN ENZ. 1 63 

Al kan ik nu niet zeggen, dat deze nieuwe theorie als zoodanig 
in aUe opzichten bevredigt, toch had zij, in de praktijk, groote en; 
gelukkige gevolgen. 

Eerst nu was het uit, voor goed uit, niet alleen met de sentimen- 
teele en romantieke konventie, met het verplichtend invlechten 
van een anekdoot, hoe onnoozel ook, maar ook en vooral met het 
noodlottig overwicht van bijzaken over het geheel, met het na- 
streven van détailschoonheid ten koste van een grooter i harmo- 
nieuze eenheid. 

Boulenger was niet alleen de standaarddrager, maar ook de 
martelaar van het nieuwere landschap. Zijn tijdgenooten lieten 
hem, — het woord is volstrekt niet overdreven, — letterlijk „ver- 
hongeren". Jaren lang leefde hij, bijna als een vagebond, als een 
„outlaw", in de Tervurensche bosschen, gekleed met een of ander 
aflatertje van een vriend, zich hoofdzakelijk voedend met brood 
en melk, die hij zelf niet eens betalen kon .... 

Na zijn dood betaalden vrienden aan een bakker ongeveer 900 
fr. voor brood en melk ! 

En in die jaren bracht hij zijn schoonste werken voort: zijn 
„Alléé des Charmes"^), zijn „Gezicht op Hastières", twintig andere. 

Maakt hij, als koloriest, wellicht nog misbruik van donkere 
tonen, de eerste van allen misschien verving hij de oude kleurbe- 
handeling met enkele, effen tonen, door met het fijnste gevoel ge- 
vonden „samengestelde", die hem in staat stelden aan de dingen 
meer uitsprong en aan de atmosfeer meer tastbaarheid te verke- 
nen. Meer dan wie ook, in die jaren, wist hij rekening te houden 
met de luchtperspektief en de inwerking van het licht. 

Eindelijk stikt men niet meer vóór en in het geschilderd land- 
schap; men kan er in ademen, er bijna adem uit halen. . . . De 
betere dingen van Boulenger maken alle een indruk van geleefd- 
heid. Vóór hen vergeet men, dat zij niets meer zijn dan wat verf 
op een doek. 

Onafscheidelijk van Hippolyte Boulenger zijn Jozef-Theodoor 
Coosemans, Alfons Asselberghs (1839 — 1917), JuHus Montigny 
(1847 — 1899), want ook deze laatste, overigens minder op den 
voorgrond tredende kunstenaar behoorde tot de Tervurensche 
school. 



') „De Witte Beukenlaan", Brusselsch Muzeum. 



164 DE natuurschildering: landschap, zeestuk, dieren enz. 

Coosemans, die in zijn allereerste jaren, in de werken van Four- 
mois de grondslagen had gezocht en gevonden van zijn tot het 
laatste zijns levens toe zoo stevige tekniek, doch zijn vizie onder 
den invloed van den ongeëvenaarden Boidenger niet luttel ver- 
nieuwde en verjongde, wist zich al vroeg te verheffen tot een zelf- 
standigheid en oorspronkelijkheid van uitdrukking, welke hem 
boven vele van zijn tijdgenootenen zeker boven aUe andere latere 
vertegenwoordigers van de Tervurensche school doet verkiezen. 
De bosschen en vijvers van de schoone, welige Woluwestreek; de 
moeren en heidelanden van Genk in den tijd, toen men daar nog 
niet villegiatureerde ; de wouden van Barbizon zelf, wist hij met 
groot talent in passende lokale kleur en eigen karakter van lijnen 
weer te geven. 

Tot zijn beste dingen behooren „Winter in de Kempen", 1879, 
Muzeum te Antwerpen, „Kempensche Sparrenbosschen", 1880, 
Muzeum te Brussel, een „Junimorgen", getoond in 't Salon van 
1891, „Het Groote Moer te Genk", gezien in de tentoonstelling van 
St. Truiden, 1904, en „Turfputten te Slagmolen", nu ook in 
't Muzeum te Brussel. 

Binjé (1835 — 1900) is wel eenigszins verwant met Coosemans, 
al spreekt bij hem veel meer uitsluitend de aanbidder van hevige 
kleur dan de man van gevoel. Zijn voornaamste kunstgenot schijnt 
bestaan te hebben in het in volkomen harmonie tegenover elkaar 
steUen van ongemeen sterk sprekende tonen. 

Een tijdgenoot van deze schilders, doch zooveel ik weet geen 
adept van de Tervurensche of Genksche school, is de zeer weinig 
bekende, ja miskende Emiel Hendrik Keymeulen, van wiens 
levensomstandigheden ik alleen te weten kwam, dat hij van 1 870 
lot 1882 te Laken-Brussel verbleef, deel nam aan de „Driejaar- 
tijkschen" van 1872, '73, '74, '76, '81 , '82, een eerepenning verwierf 
te Philadelphia in 1876 en een van zijn schilderijen aangekocht 
zag voor de muzea van Luik en van Rouen. Dat Keymeulen bij 
beurten werkte in de Ardennen, op de Vlaamsche zeekust en in 
Frankrijk (Calvados, Sologne, Pyrénées) blijkt uit de onder- 
schriften van de door hem tentoongestelde landschappen. 
Den invloed der meesters van Barbizon, bizonder van Rous- 
seau's, ook wel eens van Diaz' landschapjes, verraden zeer zeker 
het half dozijn van zijn stukken, die ik heb leeren kennen, niet 
het minst een heel mooi stuk, dat oorspronkelijk wel „Eenzaam- 



1 



DE NATUURSCHILDERING : LANDSCHAP, ZEESTUK, DIEREN ENZ. 1 65 

heid" zal geheeten hebben en dat het jaartal 1874 vertoont ^). 
Zijn vizie is tegelijk realistisch en dichterlijk; zijn opvatting zou 
ik liefst bestempelen als lyrisch. Wat hij bovenal 't andere wil uit- 
spreken, is de van de natuur ontvangen indruk, neen, de ontroe- 
ring. Hij vermeit zich bij voorkeur in eenzame, wilde, eenigszins 
romantische oorden, vooral in die oogenblikken van aangrijpende, 
bijna tragische ingetogenheid, welke het uitbarsten van een on- 
weder voorafgaan, en stoffeert die een enkele maal met haast 
LiUiputtische figuurtjes van menschen en dieren, ... Zijn uitvoe- 
ring is even raak als stout; de reeds onder den aanrukkenden 
wind buigende boomen, het alvast bruischende bosch, vooral de 
dreigende wolkendriften borstelt hij in vollen, vloeibaren verfdeeg 
met vranke, rake, hartstochtelijke toetsen in ongemeen warme en 
doorschijnende tonen. Met Binjé is hij verwant naar de uitvoering 
aUeen, niet naar opvatting en gevoel. Juist datgene, wat bij dezen 
ontbreekt, spreekt bij hem het luidst: de ziel. 

Intusschen, al mogen de Brusselaars de Antwerpenaars een 
vijftal jaren zijn vóór geweest, de invloed van de „Grijsschil- 
ders" strekte veel dieper en deed zich ook in breeder kringen 
gevoelen. 

Bij Rosseels, Crabeels, Baron en vooral Heymans, — en ook in 
zekere mate bij hun in fiere afzondering alleengebleven geestver- 
want Leemans, bijgenaamd „de Dikke", wil ik dan ook wat langer 
vertoeven. 

Zij toch waren, naar ik meen, de eersten, en zeker waren zij het 
te Antwerpen, die zich van alle werkplaats- en schooloverleverin- 
gen van onze vroegere schilders bevrijdden. Het hun door Leys en 
Fourmois gegeven voorbeeld verkeerd begrijpende of ten minste 
zijn streven overdrijvende, waren, ook nu nog na Turner, Con- 
stable, Corot, Dupré, Rousseau, Millet, al te vele onzer schilders 
van de groote Hollandsche en Vlaamsche meesters gaan afkijken, 
niet hun streven, om eerlijk, oprecht te vertolken, wat zij gezien 
hadden, maar wel den door den tijd teweeggebrachten „toon" 
van hun koloriet. 

Zij offerden noodzakelijk aan „Schablone" en konventie. Hun 
kunst moest dus ontaarden in slenter. Zij kon niet langer inspira- 
tie zijn. Niet uit eigen oogen zagen zij, maar door brilleglazen, bij 

') Het maakt sedert 1916 deel van schrijvers eigen verzameling. 



166 DE NATUURSCHILDERING : LANDSCHAP, ZEESTUK, DIEREN ENZ. 

voorbaat en met opzet bestreken met den verleidelijk schitteren- 
den patienetoon van geliefkoosde historische modellen. 

Omdat de woud- en veldgezichten, de berghellingen en water- 
vallen van zekere groote meesters, heden, nu wij ze in openbare 
en private verzamelingen bewonderen, evenals de kleine binnen- 
huizen en genre-schetsen van populaire meesters als Craesbeek, 
Ostade, Brouwer, zulk een pracht van diepe, donkere, warme 
tonen, d( nker en diep onder en tusschen de takken, donker en diep 
zelfs in die stille of bewogen lucht, ten toon spreiden, daarom 
moest de grondtoon van hun eigen voortbrengselen het bij het 
eerste gezicht inderdaad aangename en treffende, maar op den 
duur onuitstaanbare bruin en zwart zijn, waardoor zij in de laaste 
veertig jaren aan den spot van de Westeuropeesche kritiek werden 
prijsgegeven. 

Alsof het ook maar aanging te beweren, dat die veel bewonderde 
meesterstukken onzer muzea er den dag van hun voltooiing juist 
zoo uitzagen als nu, dat wij ze na honderden van jaren, dank aan 
de onvermijdelijke ontbinding van de kleuren en de inwerking van 
■drogeenvochtelucht, mist, rook, stof, vernis, en allerlei retukee- 
ring en herstelling nog bovendien, met dien spiegelglans bedekt 
zien, die voorloopig hun handelswaarde misschien wel verhoogt, 
maar zeker niet hun esthetische schoonheid, en die overigens nooit 
of nimmer in de bedoeling van de schilders zelf gelegen heeft. 

Dit werd misschien minder door Turner en zijn volgelingen, 
maar ten volle door de groote moderne Franschen, die ik hooger 
aanhaalde, begrepen. Niet de patiene, ongewild produkt, mij 
ontsnapte bijna, ongezochte roest van den tijd; niet het gemakke- 
Ujk aan te leeren recept, om zulke hemeltjes, zulke watertjes, 
zulke boschjes te schilderen; maar het oprechte en tevens breede 
„zien" van de Natuur; de eenvoudige, liefderijke en nauwgezette 
behandeling ; in een woord : de ziel zelf van hun hooge, edele kunst, 
dat is het, wat deze Franschen aan Hobbema, Ruisdael, van Goyen 
gevraagd en van hen ook onmiskenbaar overgenomen hebben. 

Zij, de Franschen, in plaats van Ruisdael óf Hobbema óf van 
Goyen te willen overtreffen in hun eigen trant en manier, hebben 
hun, jammer genoeg, onvoltooid gebleven volmakingsarbeid weer 
ter hand genomen juist daar, waar zij dien hadden gestaakt, en 
dien dan verder voortgezet met al de hulpmiddelen, die hun eigen 
tijd hun ter beschikking stelde. 



DE NATUURSCHILDERING : LANDSCHAP, ZEESTUK, DIEREN ENZ. 167 

Uitslag van hun poging : een bezielde en levende, bezielende en 
levengevende kunst. Uitslag van het slaaf sche nahinken van zoo- 
vele van de onzen — slentergang en stilstand jaren lang. 

Met dezen slenter afbreken, dat was het, wat Rosseels, Crabeels 
en Heymans beoogden, wat, zonder het wellicht zelfbewust te wil- 
len. Leemans deed. 

In een tijd, dat nog nauw zeer enkele onzer kunstenaars, de 
Knyff, Baron en eenigszins Huberti, met de inwerking van het 
licht op de voorwerpen en met de luchtperspektief afrekenden ; te 
midden van lieden, kunstenaars en liefhebbers, die alles in bruin 
en sepia zagen en verlangden te zien, — niet alleen de schaduwen, 
maar zelfs, — ik vermeld b. v. de landschappen van den Antwerpe- 
naar Jef van Luppen en evenzeer van Maria Collart, — het 
groen van de boomen en de wolken van het zwerk ; — in zulk een 
tijd en in zulke omgeving hadden Rosseels, Crabeels, Heymans, 
Leemans den moed, aan allen invloed van ouden en modernen, 
grooten en kleinen, weerstand te bieden, en eenvoudig te schil- 
deren gelijk zij voelden en gelijk zij zagen! 

Met opzet leg ik eenigen nadruk op dat voelen, om de eenvou- 
dige reden, dat deze schilders minstens evenzeei te beteekenen 
hebben door de oprechtheid van hun aandoeningen als door hun 
tekniek. Zij zijn geen impressionisten, zooals ik het versta, — dus 
geen in den aard van den lateren Willem Vogels en van Ensor, om 
er slechts twee te noemen; doch hoeveel zij dan ook „aan ons oog" 
te waardeeren geven, nog meer spreken zij „tot ons gemoed". 
De eenvoudige, ware, doch levende Natuur, die zij na lang zoeken 
terugvonden, en waaraan zij zich met hart en ziel wijdden, omvat 
niet alleen de rijke, frissche beemden en vlasvelden van Vlaande- 
ren, de kale, woeste duinen van onze Noordzee, maar ook en zelfs 
bij voorkeur de nederige, in stille, bescheiden kleuren gehulde 
Kempen. Het liefst schilderen zij lucht en heide. En hun heide 
leeft in het licht en hun hemel is niet dekoratief, trekt niet op een 
opgehangen theaterhemel. Hij is werkelijk vol leven en beweging. 

Het verdient overigens te worden opgemerkt, dat — in tegen- 
stelling tot zeer vele omwentelingen van de laatste jaren, — het 
zoogenaamd, juister, het verkeerd aldus genoemde „grijsschilde- 
ren" bij de bedoelden geenszins het gevolg was van een stelsel a 
priori, maar van een getrouw en langdurig verkeer in de natuur 
zelf. Heb ik het goed voor, dan bleven deze mannen, evengoed als 



168 DE NATUURSCHILDERING : LANDSCHAP, ZEESTUK, DIEREN ENZ. 

hun voorgangers, werken naar schetsen, vlug en handig geborsteld 
onder de levendige, nog werkzame impressie van een voorbijgaand 
natuurverschijnsel; zij voltooiden echter hun schilderij zonder zich 
langer gebonden te achten aan de toen vrij algemeen in eer gehou- 
den traditie van het historisch ateher-licht ; zij legden er zich met 
de borst op toe, om de heldere frischheid van het in den buiten aan- 
schouwde zoo dicht mogelijk te benaderen. Zij waren al lang geen 
beginnehngen meer, toen zij deze schrede waagden: ten minste 
een tweetal, Rosseels zelf en Heymans, hadden zich toen reeds, 
als talentvolle „vlekschilders" of „tachisten" doen kennen. Aan 
deze omstandigheid schrijf ik het toe, dat, ook na de bewuste 
wijziging, hun werk het kenmerk bleef vertoonen van rijpheid en 
voldragenheid. 

Had de goede Egidius Leemans het geluk gehad óf in een 
anderen tijd óf, zoo dan toch in de jaren 1855 — 1885, dan ten 
minste in een ander land te mogen werken, voorzeker hadden 
bijval en fortuin hem toegelachen en ware hij niet ontmoedigd 
en bijna in armoe overleden. Slechts één muzeum van België, het 
Antwerpsche, bezit werk van zijn hand; verder worden in bizon- 
dere verzamelingen van deze stad wellicht nog een goede twintig 
zee-, stroom- en stadsgezichten van hem bewaard. 

Uitgevoerd in een vette, malsche spijs, met een fijn, zilverachtig 
grijs tot grondtoon, ademen al zijn schilderijen, vele maanhcht- 
effekten zijn er onder, — die geheimzinnige poëzie, welke de 
kunstenaar aUeen in een hefdevolle beschouwing van de Natuur 
putten kan. Het is mijn volstrekte overtuiging, dat het volstaan 
zou, al wat van zijn werk is overgebleven, heden openbaar ten 
toon te stellen in een zelfde zaal, om te doen uitschijnen, welk een 
gunstige invloed van dezen stillen nederigen man is uitgegaan, 
o. a. naar Door Verstraete en Frans Hens. 

Wat nu meer in het bizonder Jaak Rosseels kenmerkt, dat 
is, benevens een opvallend goede smaak, een fijn dichterlijk 
gevoel, en vooral een ongeëvenaarde eerlijkheid. Hij was nooit 
een hemelbestormer, een „Kraftgenie"; hij vermeide zich niet in 
het weergeven van door grootschheid of verschrikking op den 
mensch inwerkende natuurtooneelen ; hij had volstrekt geen aan- 
leg, om te pronken met zijn meesterschap over de ambachtehjke 
middelen van zijn kunst en ware liever nog een moeilijkheid uit den 
weg gegaan dan ze opzettelijk op te zoeken of te verwekken, ten 



DE NATUURSCHILDERING: LANDSCHAP, ZEESTUK, DIEREN ENZ. 169 

einde toch maar te kunnen bewijzen, hoe handig hij ze wist te 
overwinnen. Wat hem boeide was de Natuur in oogenbUkken van 
kalmte, van rust, van idyllisch liefelij ken of zachtgestemden 
weemoed; de maagdelijkheid van de Lente en de frissche koelte 
van den morgen; de zachte tonen van den loo verval en de teere 
geheimzinnigheid van den avondschemer; vooral de stemmige 
kleur van de overgangsmaanden, van Maart en April, van Novem- 
ber en December; ziedaar wat hem het meest aantrok, wat hij 
schilderde met een oprechtheid van gevoel en van behandeüng 
beide, waarvoor wel niemand ongevoelig kan blijven. 

Was het ook niet, omdat hem al deze tooneelen zoo dierbaar 
waren, dat hij zulk een trouw vriend was van onze Kempensche 
heide, waarin hij overigens, op den uithoek van een der meest 
afgelegen dorpjes, het eenzame, nederige Wechel-ter-Zande, 
sedert jaren al zijn Lenten en Zomers doorbracht? 

Rosseels voelde er geen behoefte aan, als zoovele van zijn land- 
genooten, zijn vizies vergroot of althans zoo groot mogelijk op 
doek te brengen. Slechts een enkelen keer gaan zijn schilderijen de 
verhouding te boven van een gewoon Hollandsch landschap. Hij 
wist immers wel, dat de schiftingsarbeid, welke er volstrekt noo- 
dig is, om een onderwerp zóó voldoende saam te dringen en te 
koncentreeren, dat het geheel in het kleine kader van een schilderij 
past, het werk zelf kracht en intensiteit moet bijzetten. 

Adriaan Jozef Heymans, die gelukkig nog leeft en op zijn tach- 
tigste jaar nog arbeidt, schijnt drie voorname perioden te hebben 
doorgemaakt. 

Als zoo velen, ja, als allen in België, uitgegaan van de oude Ne- 
derlandsch-historische overlevering, poogde hij, die zijn leven lang 
naar vrijheid en zelfstandigheid zou streven, zich al vroeg los te 
worstelen van den invloed van te vaak geziene, te Hefdevol be- 
wonderde kunstwerken. Zijn loopbaan was één vastberaden, of- 
schoon voorzichtig naderen tot de Natuur, stap vóór stap, nooit 
met sprongen, somtijds zelfs met korte tusschenpoozen van rust 
en bezinning. 

En zoowel in zijn eerste manier, toen hij, als Boulenger en ook 
nog heden de beste Schotten en Engelschen, met „vlekken" 
schilderde (tachisme), als in zijn tweede, toen hij den vroegeren 
gloed van zijn kleuren met meer en meer wit bluschte, heeft hij 
werken voltooid, die, vandaag ten minste, herkend worden — en 



1 70 DE NATUURSCHILDERING : LANDSCHAP, ZEESTUK, DIEREN ENZ. 

door de besten — als even voortreffelijk van opvatting als van 
uitvoering. Uit den eersten tijd wil ik er slechts twee noemen: 
„Palingvisschers bij Nacht op de toegevroren Antwerpsche Ves- 
ten" en „Jagers bij Nacht op Weg naar een Bosch", twee ware 
meesterstukken, uitgevoerd in slechts twee tonen, grijsbruin en 
wit, en uit de tweede eenige watergezichten, grootendeels in 
Noord-Nederiand geschilderd. 

Heymans was dan ook al een heel eind op weg ad astra, wan- 
neer in 1880 enkele jongeren het „pointilHsme" of stippelschilde- 
ren van Seurat en Signac naar hier begonnen over te planten. En 
toen had hij den moed,den naar mijn overtuiging zeldzamen,maar 

edelen moed, zich bloot te stellen aan het dreigend gevaar , 

zijn beste klanten te verliezen i), om door die nieuwe werkwijze 
tot de van eerst af gedroomde en verlangde uitkomsten te gera- 
ken. Natuurlijk was er bij Heymans geen enkel oogenbhk sprake 
van, zich tot een van de vele, al te vele Zuidnederlandsche na- 
apers van de genoemde Fransche vernieuwers te verootmoedigen. 
Ik zou zelfs niet durven zeggen, dat hij er wel ooit in werkelijkheid 
toe gekomen is, de stippelmethode toe te passen op dezelfde wijze 
als Signac en Seurat dit gedaan hebben. Hij heeft het b.v. niet of 
zeer zelden noodzakelijk geacht, al de partijen van eenzelfde werk 
in kleurstippeltjes uit te voeren, zonder zich nog ooit te veroorlo- 
ven, een vollen of halven toon op zijn doek over te brengen. Hij 
heeft de methode toegepast, waar zij hem praktisch tot een meer 
bevredigend rezultaat scheen te zullen leiden, en een geheele ver- 
zameling schilderijen, tusschen ± 1885 en 1 900 ontstaan, bewij- 
zen, dat hij gelijk heeft gehad. 

Indien de nieuwe werkwijze, het stippelschilderen, ergens met 
goed gevolg is aangewend, om, — met behoud van het kleuren- 
mooi, wel te verstaan, — al de reine kracht en de helderheid van 
het licht uit te drukken, dan is dit in Vlaanderen geschied. Waar 
ik, buiten Vlaanderen, een artiest zou aantreffen, die b.v, met 
verbazender juistheid de oneindig fijne schakeeringen van de 
vroegste morgen- en avondschemeringen heeft weergegeven dan 
onze Heymans, verklaar ik niet te weten. In tal van zijn werken 
heeft hij er zich op toegelegd, al het subtiele, teere, geheimzinnige, 
bijna religieuze van zulk een moment samen te vatten. In twee 

*) Hij had er voortreffelijke. Daaronder zulke, die meer dan 30 stukken van hem 
alleen bezaten .... 



DE NATUURSCHILDERING : LANDSCHAP, ZEESTUK, DIEREN ENZ. 171 

niet groote schilderijen toont hij ons een eenzame hoeve — twee- 
maal dezelfde hoeve onder denzelfden gezichtshoek bekeken, — 
ééns op het oogenblik dat het eerste, zwakke geschemel, voorbode 
slechts van het licht-dat-komt, met den nevel kampt, — en ééns 
op het oogenblik, dat het licht de overhand behaalt en de voor- 
werpen in heldere, glimmende witheid doet verschijnen. Nu is de 
bandhond uit zijn hok getreden, en stil, als van verbazing, staat 
hij uit te kijken over de aldoor klaarder wordende hei. 

In een ander stuk, ook niet heel groot, is het bijna dag. Een 
enkele persoon is op de hoeve reeds aan de taak, de boever, die 
naast de pomp zijn zeis zit te „haren". Helder wit, stralend wit 
valt het licht op hem en op den muur van het gebouw ; hooger op 
echter, op geveltop en dakvorst, speelt heel zacht, heel even, het 
eerste bleekroze goud van de nog heel lage zon. 

Naast den werkman, vlak in het licht, slaat de hoevewekker, de 
haan, zijn vleugels uit en kraait. ... 

Blijkbaar als weinigen verzot op fijne overgangen, schildert 
Heymans ook met voorliefde winter taf ereelen. Zooals hij, doen 
het niet velen. In een „Winter" laat hij, op een ziekelijk blauwen 
hemel, de sneeuwvlokken neervallen, begoochelend waar en juist, 
over een schamel heilandje en de kudde, die er heel gedwee op 
graast. In „Terug naar Stal", een van zijn grootere stukken, geeft 
hij een vizie van huiveringbrengenden vorst. Uit dit schilderij 
slaat, als het ware, de kilte van een vriesdag een mensch in 't ge- 
laat. De eigenaardige atmosfeer van onze wintermaanden is hier 
meesterlijk weergegeven. Alles is overigens in dit prachtige werk 
te prijzen. De herder en zijn schapen leven vol uitsprong op uit het 
doek; elk deel van huis en stal, deur, muur, dak, en wat er verder 
nog te zien valt, staat onverbeterlijk op zijn plaats in 't licht en 
de lucht. Nog schooner is wellicht „Dooi weer", dat ik in een van 
zijn tentoonstelhngen opmerkte. De vlosheid, de mollige vlosheid 
van het sneeuwdons ; de moren tonen van het water in de plassen ; 
de uiterst fijne parelmoerkleur van de lucht tusschen de oude hoo- 
rnen, — één heerlijkheid is het, die men niet moe zou worden te 
bewonderen. 

Onder de schilderijen van Hejnnans' laatste periode verdient 
opgemerkt te worden een zeer groot, „Een Stad in de Ardennen bij 
Nacht". Op den voorgrond struikgewas en boomen, die hun tak- 
kengewirwar ver en in alle richtingen over de doekoppervlakte 



172 DE NATUURSCHILDERING : LANDSCHAP, ZEESTUK, DIEREN ENZ. 

uitsteken ; op den achtergrond, hier en daar, in de doffe, donkere, 
onduidelijke huizenmassa's een vaag door de vensters stralende 
klaarte. Van heel vlak bij doet het niets, gaar niets! Treed even 
achteruit ; zie nu ! Het wordt een tot begoochelens toe verrassende 
vertolking van de natuur. Wat hier vooral treft is nogmaals dat 
volzijn, dat volzitten met lucht en licht van het geheele werk. 
Maar ook vol poëzie zit het. Het herinnert aan zekere bij uitstek 
poëtisch gevoelde natuur-interpretaties van den uitmuntenden 
Worpswedeschen etser Heinrich Vogeler. 

Wellicht is het meesterstuk van Heymans het, minder door zijn 
ongewone afmetingen dan door zijn buitengewone innerlijke hoe- 
danigheden, bizonder gewichtig schilderij, „Zonsopgang", uit de 
verzameling van wijlen Wouters-Dustin, Brussel. 

Dat ik met déze schepping zoo zeer oploop, Hgt veel minder aan 
de omstandigheid, dat, evenals de mooie „Lente" in het Brusselsch 
Muzeum, evenals „De Boschdelling te Bertogne" in het Ant- 
werpsch Muzeum, evenals zoo menig ander werk van Heymans, 
dit gewrocht is, geen bloot afschrift van geziene dingen, geen foto- 
grafische, nog zoo nauwgezette wedergave, maar een werkelijk 
samengesteld, om-, door- en uitgewerkt stuk, een lyrische vertol- 
king van een krachtig opgevangen indruk. 

Het is mij volkomen onverschillig, dat eenigen van dit of van 
deze schilderijen misschien zullen zeggen, wat Vincent van Goch 
over zichzelf aan Emile Bernard schreef: 

„Je ne dis pas que je ne toume pas Ie dos a la nature pour 
„transformer une étude en tableau — en arrangeant la cou- 
„leur, en agrandissant", indien men mij dan maar het recht 
geeft, hieraan, naar aanleiding van Heymans toe te voegen: „mais 
j'ai tant peur de m'écarter du possible et du juste en tant que et 
quant a la forme". 

Zooals „Boschdelling" en „Lente" gelijken op een muzikale 
symfonie, een symfonie, waarin het licht zelf zou zingen, het licht 
en de rijke schakeeringen van den hemel, de wolken en het water, 
de boomen, de bladeren en het gras, zoo, — zou ik het wagen, het 
te zeggen ? — zoo doet „Zonsopgang" mij — och ! niet om kleur of 
manier, maar om de grootsche opvatting en den imponeerenden 
stijl, denken aan Turner, Gellée en Rubens. 

Een wijde waterplas met, in het midden, op het achterplan, een 
waaier van boomen, en daarachter stijgt, goddelijke levenbrenger 



DE natuurschildering: landschap, zeestuk, dieren enz. 173 

en levenwekker, de zon omhoog, schermende wijd en zijd door het 
ruim met haar stralenzwaarden, rijk en mild beglanzend het vee, 
dat, zich spiegelend in het stille water, langzaam door het moer- 
land trekt 1). 

Met Floris Crabeels, wiens talent en beteekenis ik elders waar- 
deerde 2), en dien ik, om deze reden, hier niet opnieuw wil be- 
spreken, is van nabij verwant een kunstenaar, die, zonder tot de 
voormannen te behooren, toch slechts door enkelen naar waarde 
geschat wordt : Izidoor Meyers. 

Een van de allereersten, die, op het spoor van Heymans, Ros- 
seels, Crabeels, stout genoeg zeker voor dien tijd en dat midden : 
— het met de donkerbruine stroop der driemaal heihge traditie 
over- en overstroomde Antwerpen, — arbeiden durfden naar en te 
midden van de Natuur, pogende, wel bewust overigens van wat 
zij deden, in hun arbeid over te brengen de frischheid, de jeugdige 
kracht en de helderheid van de onder den blooten hemel wijd strek- 
kende heiden en weiden, was Izidoor Meyers. Deze schildert bij 
voorkeur den buiten, zooals hij zich in den stillen geheimzinnigen, 
nog in sluiers gehulden vroegen morgen, langzaam loswikkelt uit 
de nevelen des nachts, of ook zooals hij, op een klaren, zonnigen 
middag zich welgevallig en wellustig blakert in het alles omvat- 
tend zonücht. 

Die voorliefde voor neveleffekten aan de een-, voor zonindnik- 
ken aan de andere zijde, is een in 't oog vallend kenmerk van 
Meyers' kunst. Aan nevel en zon dankt hij zijn schoonste inspi- 
raties. 

Niet echter a la mode der romantieken! Gemakkelijke, op 
effekt berekende tegensteUingen van mist en zon, damp en hcht 
in hetzelfde werk, moet men bij hem niet zoeken. Aan waanwijs 
filozofeeren deed deze eenvoudige, kerngezonde, meer door de 
zinnen dan door het intellekt levende, genietende en scheppende 
volksjongen niet mee. Hij gaf zich naïef weg zooals hij was; vol- 
komen vrij van de aUergeringste poze, wars van alle gezochtheid 
en aanstellerigheid ; goedvlaamsch en goedrond, nu eens meer, dan 
eens minder gelukkig in het weergeven van het geziene en ge- 
smaakte, altijd oprecht, altijd zich zelf. 

En treffend is het, hoe de indruk, welken zijn schilderijen op 

') Zie een opstel over Heymans in mijn „Koppen en Busten", Lamertin, Brussel. 
•) In „Koppen en Busten", Lamertin, Brussel. 



174 DE NATUURSCHII DERING: LANDSCHAP, ZEESTUK, DIEREN ENZ. 

ons te weeg brengen, getrouw met die eenvoudige, steeds reine 
zinnelijkheid overeenkomt. De impressie, welke wij van die in 
nevel gehulde beken en rivieren of van die in zongloed zich 
koesterende weiden of bosschen meenemen, is zuiver zinnelijk 
op haar beurt. Typisch, als 't ware op de huid, niet intellektueel, 
niet daarbinnen in het hersenweefsel, niet eens zedelijk, in het 
gemoed, doet zij zich gevoelen. Zijn beste mistjes doen meer 
bibberen dan droomen; men krijgt er kou van, maar niet het 
„spleen". 

Onuitwischbaar bleef mij, na zoovele jaren, de herinnering bij 
aan een „Morgen", welken Meyers tusschen 1882 — 1885 te Ant- 
werpen tentoonstelde. Niet alleen een klein meesterwerk was 't, 
het was meer: 't was Meyers hoogste koningschot. 

In den vroegsten vroegmorgen een visscher, vermakend zijn op 
twee staken drogende netten. Dikke nevelwalmen hullen den ge- 
heelen meersch in een vooraan nog doorschijnend, meer naar ach- 
ter ondoordringbaar wordend waas. Als effekt eenig, onovertrof- 
fen! Wie 't zag, droeg den indruk mee van een tochtje in een 
kille-natte weide op een Oktobermorgen ! Huiveren deed men en 
klappertanden ! 

Laten wij, om den tijd niet al te zeer vooruit te loopen, nu eerst 
terugkeeren tot de dierenschildering, zooals deze zich sedert Ver- 
boeckhoven en Robbe ontwikkeld heeft. 

Niet alleen naar tijdsorde, — hij zag toch het licht in 1819, — 
evenzeer als „primus inter pares" dient alsdan aan de beurt te 
komen, deze door en door Vlaamsch-ziende, Vlaamsch-voelende 
en Vlaamsch schilderende meester, een meester van allereerste 
gehalte, Jozef Stevens, de oudere in 1892 overleden broeder van 
Alfred. 

Was Jozef Stevens een Engelschman of een Franschman ge- 
weest, hij zou den roem van een Landseer, een Troyon of een Cour- 
bet overtroffen hebben. Opgegroeid in vollen romantieken tijd, 
wist hij, wars van alle sentimentaliteit, ofschoon niet van een 
ietsje socialistische tendenz, de dieren te zien, niet als allegorieën 
van zijn medemenschen zooals Verlat ze zoo dikwijls zag, maar 
eenvoudig als dieren, die voelen, lijden, strijden, zij ook! 

Hoe diepgaand had hij hun wezen doorvorscht, hoe voortref- 
felijk kende hij hen. Zoo als hij, als geen tweede, zag en vatte hun 
gedaante, gebaren, doeningen, zoo begreep en doorvoelde hij hun 



DE NATUURSCHILDERING : LANDSCHAP, ZEESTUK, DIEREN ENZ. 175 

aard, hun ziel. Niemands leerling, doch als koloriest verwant met 
zijn bijna ouderdomsgenoot Charles de Groux, schilderde hij er 
vroom en vrank op los, in volle krachtige verf, vergoedend ruim 
aan waarheid en gezondheid, wat haar aan doorschijnend- en fijn- 
heid mocht ontbreken. 

Zijn „Morgen te Brussel", 1848, „Op de Hondenmarkt te Pa- 
rijs", 1857, vertoonen, op tien jaar afstands, dezelfde in- en uit- 
wendige hoedanigheden. Beide zijn meesterwerken, aangrijpend 
in gelijke maat door de gezonde weergave en de wel volmaakte 
maar nooit op luidruchtig en oppervlakkig brio uiteenloopende 
tekniek. 

Eenige van Stevens' werken naderen, meer door hun groot alluur 
dan door de verhoudingen, tot het epische! Zoo zijn prachtig 
„Métier de Chien" („Goed voor een Hond, zoo'n Stiel!") in het 
Muzeum te Rouen, en zijn aangrijpend „Naden Arbeid" (Brus- 
selsch Muzeum). 

Zooals zijn meer dan hij gevierde broeder het hem eens zeide, 
was Jozef Stevens ontegenzeggelijk een zeer reprezentatieve loot 
van den kloeken stam, waar Fyt, Snyders, Paul de Vos aan ont- 
sproten drie eeuwen her. 

Niet tot het geslacht van Jozef Stevens, maar tot dat van 
Heymans en Verheyden behoort de man, die, even groot als land- 
schap- en als dierschilder, waarschijnlijk de grootste „animalier" 
is, die onze kunst van Snijders en Fyt af tot heden heeft 
opgeleverd, namelijk de in 1838 geboren, in 1895 overleden Alfred 
Verwee. Weliswaar is nu en dan iets op zijn teekening af te dingen, 
namelijk waar hij, de geboren realist, het zich een enkele maal 
gemakkelijk maakt en verzuimt rechtstreeks te werken naar de 
natuur. Een van zijn hoofdeigenschappen is voorzeker zijn kolo- 
riet, een koloriet van ongemeene kracht, opgevoerd tot een weer- 
galooze intensiteit; een koloriet, dat rechtstreeks, maar zonder 
den geringsten schijn van navolging, aan de manier van Rubens 
en van Jordaens herinnert. 

Toch schijnt Verwee zich in dit opzicht niet van eerst af onder- 
scheiden te hebben. De werken uit zijn eersten tijd kunnen moei- 
lijk de vergelijking met zijn latere en zooveel betere doorstaan 

Hij „zocht" wel; hij wist wel, dat het koloriet van de romanti e- 
ke schilders na 1830 enkel van ver op dat van de werkelijk groote 
Vlamingen geleek; maar voorloopig had hij zelf nog niet de krach t 



176 DE natuurschildering: landschap, zeestuk, dieren enz. 

om de machtige kleuren van de wonnig-weelderige, wellustige 
Vlaamsche natuur op zijn doeken te tooveren. 

Dat is duidelijk te merken in een schilderij, voorstellende eenige 
koeien en paarden, wachtend vóór een hoeve met strooien dak, 
en deelmakend van de verzamehng, kort na zijn dood te Brussel 
tentoongesteld. Dof is het wel niet, maar de kleuren zijn toch te 
mat; zij hebben geen pigment genoeg; de furia, die hem later zoo- 
zeer onderscheidt, mist men hier geheel. Het licht is dat van een 
gewonen Hobbema, een zwakken Ruisdael, maar — hoe de dieren 
reeds in dien eerstehng geschilderd zijn en „leven"! 

Opeens, zonder overgang, was hij er, van het oogenblik af dat 
hij zijn ezel opstelde in de vrije Natuur onder den helderen of be- 
wolkten hemel ; toch moet hij ook dan nog, voor verscheidene van 
zijn schilderijen, thuis eerst zorgvuldig studies gemaald hebben. 

Zelfs nog in zijn laatsten tijd bleef hij meer dan ééns zijn stieren, 
ossen, hengsten en veulens, stuk vóór stuk, trek vóór trek, gra- 
fisch bijna, naar vooraf vervaardigde schetsen schilderen; maar 
het landschap, waarin deze dieren voorkomen, schilderde hij bijna 
altijd „buiten", ter plaats zelf ^). 

Dit benuttigen van schetsen verhinderde hem overigens niet 
het dierlijke te begrijpen en weer te geven, zooals nooit iemand 
vóór of na hem. 

De zware paarden van zijn „Vrachtwagen" in het Brusselsch-, 
zijn „Hitten" in het Antwerpsch Muzeum, zijn „Stieren in de 
Weide", destijds te Gent tentoongesteld, zijn wonderlijke, dra- 
vende „Jonge Stier" uit het overheerlijk schilderij „Les Eupatoi- 
res" (1884); zijn koeien uit „In 't schoone Vlaanderland", zelfde 
jaar; zijn „Koeien in de Beemden aan de Beneden-Schelde", 
Brusselsch Muzeum, en zijn „Koetjes in de Wei", in het Ant- 
werpsch Muzeum, en zoovele andere, die ik mij niet meer herinner, 
zijn niet alleen meesterlijk geschilderd en geteekend, zij leven ! Zijn 
dieren toonen, als bij geen ander, in houding, gebaren, staan en 
gaan, in de wijs waarop zij stampen, staart-slaan, omzien of geeu- 
wen, het domme, brutale, ongetemde, loensche of gedweeë, dat 
hun eigen is. 

Een woord over het „Les Eupatoires" ! Zou Verwee zelf, zou 
wel één hedendaagsche dierenschilder, Troyon niet uitgezonderd, 
ooit een stier hebben geschapen, vergelijkbaar met het prachtig 

') Dit vernam ik van den kunstenaar zelf eenige maanden vóór zijn dood. 



DE natuurschildering: landschap, zeestuk, dieren enz. 177 

dier, waarvan men op dit tafereel nauwelijks het oog kan afwen- 
den? Met welke overrompelende juistheid is het linksche,bruske, 
woeste en tegelijk schuwe, aan de beweging van den stier zoo 
eigen, weergegeven ! Zie mij aan dien trotschen kop, dien warmen, 
vochtigen, beweegbaren snoet, dat loensche, tartende oog! Som- 
migen meenden „que son taureau a Fair de danser sur les fleurs!" 
Vergeten wij niet, dat het voorplan een met leverkruid volgewas- 
sen laagte verbeeldt, op den boord waarvan het springlevende, 
dartele dier trappelend en kwispelend ronddraaft. 

Verwee is niet alleen een onovertroffen dierenschilder, maar 
tevens een onzer eerste landschapschilders. Woorden kunnen geen 
denkbeeld geven van de stout- en vlugheid zijner penseelen; de 
malsch-, de vetheid zijner tonen is weergaloos; men waant zich, 
bij 't aanschouwen van „In 't schoone Vlaanderen", te midden 
van het weelderige, met bloemen doorweven weidegroen. De wind 
vaart heen door't hooge leverkruid ; geuren walmen van den grond 
opwaarts ! Verwee is meester in de kunst van het plein-air. 

Het Vlaamsch landschap, het heerlijke, Vlaamsche landschap 
uit de rijke, weelderige, tot weelde stemmende streken tusschen 
Leie, Noordzee en Schelde, heeft Verwee tot een onovertroffen 
koloriest gemaakt. Misschien zijn er, die alle momenten van ons 
zeer veranderlijk klimaat getrouwer en volmaakter weergeven; 
misschien hebben anderen de uiterste fijnheid van onze morgen- 
luchten, de verblindende glanssidderingen van onze namiddagzon 
met meer natuurgetrouwheid afgebeeld; anderen hebben de me- 
lankolie van onze schemeruren in schilderijen van de innigste 
stemmingslyriek uitgesproken. Geen heeft de eindeloosheid van 
onze steeds deinzende horizonnen, de machtige, wellustige en toch 
edele weelderigheid van onze weiden en akkerlanden weergegeven 
als Verwee. 

Jan Stobbaerts (1838 — 1914) is niet alleen een schilder van 
dieren zonder meer; hij is „de" schilder van het huisdierenleven, 
bij voorkeur in zijn tragische momenten. Hij toont ons honden 
onder de ruwe handen van den scheerder; koe of os, neerstortend 
onder den ongenadigen genadeslag van den moker of den steek 
van het scherpe mes en uitreutelend in een plas bloed. Wat een 
angst weet hij te lezen in de kleine pinkende oogjes van het hondje, 
wat een vlijmende smart in het groot loensch oog van os of koe! 
Met wat een losheid, een waarheid, met wat een raaklieid in het 

12 



178 DE natuurschildering: landschap, zeestuk, dieren enz. 

weergeven van elk onderdeel, behandelt hij, evengoed als steen, 
hout, ijzer, staal in stal, slachthuis of keuken, zoo ook vacht of 
pels of haar, hoorn en oog en vleesch! 

Zijn koloriet is in zijn gedistingeerde matheid buitengemeen 
personeel; zijn licht en schaduwverdeeling zijn die van de besten 
waard. 

Zijn voortreffelijkste werken zijn, uit de jaren 1875 — 1886, 
zijn beide staUen in de muzea te Antwerpen en Brussel, „Den 
Stal uit" (1882) en „De Stal van de Hoeve te Verregat" (1884?); 
dan het brutaal-tragische „In de Slachterij", in de verzameling 
Lequime; „Bij den Hondenscheerder", ibidem,en het hieraan 
herinnerende meesterstuk, „De Keuken van een Dierenvriend", 
in de verz. Boitte te Itter. Wonder is 't, hoe dit eenvoudig, weinig 
geletterde kind des volks de dieren, en in de eerste plaats de hon- 
den, begreep. Hij las zelf en doet ons, na hem, lezen in hun oogen, 
die waterachtige lichtballen, welke zoo intens aanhankelijkheid 
en trouw, angst en blijheid kunnen uitspreken. 

Waarachtig ! Evenals Jozef Stevens zal Jan Stobbaerts leven 
als vele modegrootheden zullen vergeten zijn! 

Intusschen ontwikkelde zich uit dezen schilder van het huis- 
dierenleven een van de eigenaardigste schilders van het licht on- 
zer geheele school. Eigenaardig inderdaad, en dit zoowel om de 
zeer bizondere wijze, waarop hij zich het lichtproblema heeft 
gesteld als om de verbazende rezultaten, welke hij in de oplossing 
ervan bereikte. 

Hoe hij het problema leerde formuleeren, meenen wij aldus 
te moeten verklaren. Het vraagstuk stelde zich als het ware geheel 
van zelf, toen hij, na in 1885 zijn geboortestad Antwerpen te heb- 
ben verlaten, in de Brusselsche tentoonstellingen de gelegenheid 
vond, de verlichting van zijn eigen schilderijen, o. a. die van zijn 
toch zeer terecht geprezen stallen, te vergelijken met die van 
allerlei binnenhuizen en landschappen van de eigenlijke luminis- 
ten. Toen vielen hem als het ware de schillen van de oogen en zag 
hij voor het eerst, dat zijn in de muzea van Antwerpen en Brussel 
prijkende tafereelen eigenlijk slechts in één enkel opzicht onvol- 
maakt waren, immers — omdat er een konventionneel licht in 
heerscht, atelierlicht, om het met zijn waren naam te noemen, 
niet het zonderlinge, geheimzinnige en bij uitstek eigenaardige 
dubbele licht van eiken stal, ongemeen vriendelijk, donzig en 



DE NATUURSCHILDERING : LANDSCHAP, ZEESTUK, DIEREN ENZ. 1 79 

oogstreelend zacht langs de zoldering, onder en achter de kribbe 
en de ruifels,maar van een verblindenden, brutalen schitterglans 
in elke opening, venster of deur, waar het door binnendringt. 
Men vergelijke met de stallen uit de hierboven genoemde muzea 
het stalgezicht, getiteld „De Zadelmaker", in de verzameling 
E. Burthoul, Brussel, en men zal toegeven, dat de kunstenaar, die 
dit meesterstuk voltooide, zonder iets in te boeten van de onge- 
meene kracht van zijn vroeger koloriet, zonder iets prijs ie geven 
van zijn robuste, realistische opvatting, hier een verscheidenheid 
van effekten en van schakeeringen te genieten geeft, welke dit 
gewrocht doen worden tot een symfonie, waar de vroegere tafe- 
reelen maar monodiën waren. 

En nu waagde zich de meester ook vastberaden in den vollen 
buiten, om er eerst volop zijn oog te verzadigen aan al den eeuwi- 
gen rijkdom en de eeuwige jeugd en reinheid van het licht. Stuk- 
ken van volkomen afheid, zwaar van zatte, rijke, volle kleuren, 
maar als vergeestelijkt door duizenden kussen van het licht, zijn 
„De Molen op het Kiel" (verz. Spiegels, Brussel), „Het Laden 
van de Bieten" (ib.), „Het Baggeren in de Woluwe" (ib.), en het 
wonderschoone „De Zwijnen" (verz. F. Speth, Antwerpen). 

Een laatste gedaanteverwisseling onderging nog Stobbaerts' 
kunst, toen hij, rond 1900, meen ik, het plotseling in het hoofd 
kreeg, zijn alledaagsche, laag-bij-den-grondsche onderwerpen 
te verruilen voor.... ideale, bijna akademische. „Jupiters Op- 
voeding", „Sint Antonius' Temptatie", „Het Rozenbad", zijn 
drie juweelen uit dit laatste stadium van zijn heerlijke ont- 
wikkeling. 

Wellicht is hier nog veel meer de lichtschilder aan het woord 
dan in die landschappen en dierenstukken. En welk een licht- 
schilder! Het licht valt niet in stralen, niet in stralenbundels, 
maar als het ware in pakken, in kleine lawienen hier en daar en 
ginds en nog verder over de geheele voorstelling ; het verzwelgt 
als het ware de figuren en de dingen ; het doet het geheele onder- 
werp bijna opgaan in een verblindende oplaaiïng, en het ver- 
brandt, verteert, vernietigt toch noch de vormen noch de kleuren, 
maar het verfijnt, veredelt, verheerlijkt ze wonderbaar! De naakte 
vrouwenlichamen glanzen van de wonderbaarste parelmoer-, am- 
ber- en rozatonen en het loover van bloemen en geboomte is van 
een paradijsachtige frischheid en jeugd. 



180 DE natuurschildering: landschap, zeestuk, dieren enz. 

En — sterk als weinigen in het formeeren, neen, het bouwen 
van skulpturale lichamen, — maakt hij de afzonderlijke ledema- 
ten van zijn figuren tot ware dragers van licht, waarbij de scha- 
duwen wegdonzen en heendoezelen zooals mol-tonen, die afwisse- 
len met dur-akkoorden. 

En toch .... weet ik niet, of de stukken uit Stobbaerts' vroe- 
gere periode, welke wij in den aanvang van deze veel te korte 
kenschetsing noemden, niet, in hun soort, even volmaakt, ja, 
misschien volmaakter zijn dan die van na 1885.... Al wordt 
er wel eens iets als een anekdootje in verteld, al staat de kunst,, 
die ze schiep, nog niet in het teeken van het Luminisme, zij 
zijn zoo af, zoo harmonieus één, en alles, alles erin staat zoo won- 
derbaar op zijn eigen plaats. . . . En zou dat interieurlicht in die 
„Antwerpsche Slachterij" en in die „Keuken van een Dierengek" 
ten slotte toch niet heel, heel juist zijn.... Wij laten ons 
allen wel eens door slagwoorden en tendenzen medesleepen .... 

Overigens zijn zelfs zijn vroegste landschappen, o. a. de 
reeks kleine in de verzameling Lequime te Brussel, evenals zijn 
dierenstudies koloriestenwerk van hoog gehalte. 

Verdienstelijke animaliers waren nog, buiten den hooger af- 
zonderlijk vermelden Karel Verlat, Edmond de Pratere (1826 — 
1888), van wiens werk het Brusselsch Muzeum degelijke stalen 
bezit in het groote stuk „Vee op Weg naar het Slachthuis" (1880), 
in „Het Span" (1885) en in „Ezel op den Akker" (1889); Xaveer 
de Cock (1816 — 1896) en zijn reeds genoemde broeder Cesar; 
Back vis, die met kracht en zwier teekende, doch ongelukkiglijk 
maar over koude en flauwe kleuren beschikte; Jochems; de 
Freyn; Edward van der Meulen en Korneel van Leemputten. 

Doch keeren wij tot het landschap terug. 

Een der krachtigste koloriesten van onze geheele school is, on- 
tegenzeggelijk, de verbazend vruchtbare Frans Courtens (geb. 
1854), die zich van den beginne af hoofdzakelijk door twee kunst- 
vakken, marine en landschap, aangetrokken gevoelde. 

Een enkele dag, die van de opening van de XXXIIe driejaar- 
hjksche tentoonstelling, was voldoende, om den tot dan toe zoo 
goed als onbekenden jongen man beroemd te maken. Courtens 
stelde in dat jaar zijn „Mosselschuit" ten toon. Zij verleende aan 
Courtens' naam den klank van een meesternaam ^). Een tweeden 

*) Muzeum te Stuttgart. 



DE NATUURSCHILDERING : LANDSCHAP, ZEESTUK, DIEREN ENZ. 18 F 

zege behaalde hij kort daarna met zijn „Zondagnamiddag in een 
Zeeuwsch Dorp" ^). Uit dezelfde periode dagteekent een schilderij, 
dat „De Mosselschuit" in stoutheid evenaart, „Het Koolveld", 
tegenhanger van het latere en beroemde „Hyacintenveld ^)", waar- 
van Jules Breton zeide, dat men, om de „apparences plus saisis- 
santes du sentiment vrai et la logique de l'imagination", het ba- 
nale en onschoone van het onderwerp geheel vergat. Hij voltooide 
dit schilderij in 1 884 en nam van dan af plaats tusschen de on- 
betwiste meesters van dezen tijd. 

Courtens is in de eerste plaats de man van de sterke, bijna ver- 
bluffende indrukken; hij is dol op wulpsche, zatte, weinig ver- 
mengde kleuren, die hij, met ongemeene stout- en vaardigheid en 
met verbazende trefzekerheid bovendien, met veeg na veeg op 
zijn doeken smeert. Hij vat elk effekt, ook het moeilijkste, met 
ongemeene snelheid en neemt het waar met overbluffende juist- 
heid ; doch hij diept het zelden uit, bepaalt zich door den band tot 
de algemeene, meer oppervlakkige verschijnselen; verliest zich 
niet in verfijnde ondertinten en schakeeringen, en hij, die slag op 
slag het luchtbad weet weer te geven met een juistheid, die de 
meesten hem mogen benijden, houdt veel minder rekening met de 
inwerking van het licht op de dingen dan met de eigen kleuren van 
die dingen zelf. Met den luister van een in rood en paars en goud 
vlammend meteoor is hij heengegaan door de hedendaagsche school 
van ons land. Stukken als zijn geheele reeks „herfstgezichten", 
herfstdreven en andere gouden blarenregens, blijven in de herin- 
nering voortleven als zomervizioenen van louter purper en goud. *) 



•) Brusselsch Muzeum. 

') Muzeum te Munchen. 

') Zie in deel V van „Het Schilderboek" mijn uitvoerig opstel over den meester. 



HOOFDSTUK X. 
LANDSCHAP-, ZEE- EN DIERENSCHILDERS NA 1880. 

„Tegenover de Natuur vergeet ik al- 
les, wat ik ooit in de schilderijen van 
anderen heb gezien, om mij nog alleen 
te verlaten op mijn eigen oog." 

CONSTABLE. 

„„Ich zittre nur, ich stottre nur, 
Und kann es doch nicht lassen: 
Ich fühle, ich kenne Dich, Natur, 
Und so muss ich dich fassen." 

Dit is het ware lied van den kunste- 
naar; dit is de bewonderenswaóurdige 
uitdrukking van zijn kwelling; dat is 
het, wat hij zich altijd en altijd moet 
herhalen, wat hij zich niet genoeg kan 
zeggen in oogenblikken van zwakheid." 
De landschapschilder Rousseau. 

„Wat ik schilderen wil, is het Licht !" 
Uit een brief van A. J. Heymans. 

Wie de ontwikkeling van de landschapschildering in de XlXe 
eeuw bestudeert, ziet zich al ras door het buitengewoon groot aan- 
tal beoefenaars van het vak genoodzaakt, kortheidshalve een 
menigte namen van onbetwistbare beteekenis over te slaan. Zoo 
ben ik ook gedwongen er mij toe te bepalen, eenige schilders, die 
toch geenszins tot de gewone en middelmatige mogen gerekend 
worden, enkel terloops te vermelden: Willem Vogels (1836 — 
1896), die door zijn leeftijd tot het geslacht van Dubois, Artan, 
Boulenger, maar door zijn uitgesproken „progessistisch" en on- 
gemeen stout gedurfd werk beslist tot de generatie van na 1880 
hoort ; Vogels, wellicht de wonderbaarste van alle impressionis- 
ten, die sneeuw- en herfstgezichten naliet, die eens als onover- 
troffen meesterstukken zullen gelden, en die toch stierf, in volle 
jaar 1896, tien jaar na de stichting van „De XX", in bijna-armoe 
en zoo goed als onbekend; verder Le Mayeur, Lucien Franck en 



LANDSCHAP-, ZEE- EN DIERENSCHILDERS NA 1880. 183 

vooral Jakob Smits, dien wij reeds meermaals hiervoren aan- 
troffen, en nog anderen. 

Slechts enkelen, in de eerste plaats drie of vier vertegenwoordi- 
gers van het geslacht van 1875 en even vele van het onmiddellijk 
jongere van na 1885 kan ik nog afzonderlijk, zij het ook niet met 
de door mij zelf gewenschte uitvoerigheid behandelen. 

In de talrijke groep van onze landschapschilders nemen de 
Brusselaar Eugeen Verdyen (1836 — 1903), de Gentenaar Gustaaf 
den Duyts (1850 — 1897), de beide Antwerpenaars Is. Verheyden 
(1846—1905) en Theodoor Verstraete (1851—1907), een benij- 
denswaardige plaats in. Men zou hen alle vier elegische impressi on- 
nisten kunnen noemen. 

Impressionnisten zijn zij in dezen zin, dat zij hoofdzakelijk hun 
eigen, persoonlijke gevoelens in de door hen gekozen natuurtoe- 
standen leggen; dat zij woud en veld en weide, morgen, middag en 
avond in elk jaargetijde, om zoo te zeggen, verruimen en ver- 
edelen tot symbolen van hun eigen zachtbesnaarde ziel. 

Het geven van een volkomen harmonischen indruk schijnt in 
hun beste werken wel het ideaal van deze meesters geweest te zijn. 
AUe vier hebben zij veel van hun beteekenis te danken aan de uit- 
stekende manier, waarop zij elk voorwerp en elk afzonderlijk deel 
van elk voorwerp in een toepasselijk vol- of halflicht, in een toe- 
passelijke volle of halve schaduw wisten te zetten. 

Bij geen van vieren wordt de teekening, bij Verstraete wel het 
minst, ooit tot „Schablone". Verstraete voert er volkomen mees- 
terschap over en heeft dit aan geen invloed van anderen, maar aan 
eigen, onafgebroken studie te danken. 

Ik weet opperbest, dat hij geen akademisch figuur had kunnen 
teekenen. 

Voor hem was teekenen niet, zich vermeien in zwierig lijnen- 
spel, maar met één trek of een paar trekken uitdrukken het wezen- 
lijke, karakteristieke van een gelaat, een gebaar, een houding, 
een handeling. 

Het eenig voornaam onderscheid tusschen Verdyen, Verheyden 
en den Duyts aan den eenen en Verstraete aan den anderen kant ^) 
is misschien hierin te vinden, dat de drie eerste de figuren in den 
regel als bijzaken behandelen, de laatste ze integendeel in de 
meeste gevallen als hoofdzaak beschouwt. 

*) Zie mijn studie over Verstraete in „Het Schilderboek", V, Elsevier. 



184 LANDSCHAP-, ZEE- EN DIERENSCHILDERS NA 1880. 

Den Duyts en Verheyden, — de tweede toch in de meeste zijner 
stukken, — zochten en vonden het poëtische, het hefelijke en 
teere uitsluitelijk en alleen in de zeer getrouwe schildering van de 
allerf ij nste, allerzachtste spelingen van kleur en licht; Verstraete 
zocht en vond het in den beginne haast uitsluitend, later nog zeer 
dikwijls in de vredevolle werkzaamheid van eenvoudige en stille 
menschen, visschers, boeren, herders. 

Eugeen Verdyen. Hoevelen van de tegenwoordige generatie 
zouden daar wel een denkbeeld hebben van de beteekenis van 
dezen stillen, bescheiden werker, die het heugelijke „heure de 
succes" slechts een enkelen keer in zijn leven nabij zag, maar die, 
miskend door de meesten, achteruitgesteld voor heel wat minde- 
ren, gesteund alleen door enkele dungezaaide bewonderaars .... 
en ... . wat beter is, door de onwrikbare eigen overtuiging, dat hij 
iets kon, in nederige en bijna schamele afzondering jaar na jaar 
droomde en dichtte, arbeidde en schiep, en aldus voltooide een 
reeks schilderijen, die, al zijn het ook niet altijd meesterstukken, 
hem volkomen recht geven op den titel van „ook een voorlooper" 
van het latere lucht- en licht-impressionisme ^). 

Een van de eersten, die op het spoor van Baron, Heymans, 
Crabeels, Rosseels, al het valsche inzagen van de traditionneele 
zwart- en bruinschaduwing, was hij ook een van de eersten, die er 
zich op toe legden, de dingen voor te stellen in hun passend bad 
van atmosfeer, afstand en diepte voelbaar te maken doojr het ver- 
schil in toon. 

„Het doode Paard", „Asch-Woensdag", „Vastenavondnacht", 
alle drie van tusschen '70 en '78, bewijzen, dat dit streven bij hem 
wel degelijk bestond. 

Doch beter dan dit alles, Verdyen was, veel meer dan een ver- 
fijnd teknikus, een fijngevoelig dichter.Hij was een lyrisch dichter, 
met geen andere ambitie dan om te neuren, op heel zoete en be- 
scheiden melodieën, liederen, in gelouterden, veredelden volks- 
trant zou ik graag zeggen, hem ingegeven door de stille plechtig- 
heid, de aanminnige verliefdheid, de zinnenstreelende melanko- 
lie of de half weemoedige blijheid van water en hemel, avond en 
morgen in elk jaargetijde, het liefst in het schilderachtig Brabant 
of langs de boorden van de Maas. 

•) Zijn nalatenschap werd van 26 April tot 12 Mei 1904 tentoongesteld in de zalen 
van Waux-Hall te Brussel. 



LANDSCHAP-, ZEE- EN DIERENSCHILDERS NA 1880. 185 

En tot een edelen, bijna dekoratief-doenden grijzen algemeenen 
toon wist hij te doen samensmelten, in en door wonderfijne scha- 
keeringen, zijn zacht stemmig blauw, zijn jeugdig-frisch groen, 
zijn liefelijk roze en zijn ernstig paars. 

Het Muzeum van Brussel bezit van Verdyen één enkel, maar 
heel mooi stuk. Noch te Antweipen, noch te Gent, noch te Luik 
is hij vertegenwoordigd. En dit is jammer! Stukken als „Aurora", 
als „Pastorale", als „Hoeve bij de Dave", als „'t Vallen van den 
Avond", „Oude Tuin", „Onweerswolken", „In Maasland", of 
„De Maas des Morgens te Dave", deze beide laatste tamelijk 
groot, of, onder^de andere kleinere, een tweetal juweelen als „'t Ont- 
waken der Zwanen", „Zwanen in den Nevel", „Morgenkrieken", 
al werken in de tentoonstelling van 1 904 voorhanden, zouden een 
sieraad zijn voor elke verzameling. 

Verheyden toont zich, ten minste in een aanzienlijke reeks land- 
schappen, voornamelijk in zijn boomgaarden, zijn bosch- en 
oogstgezichten, niet alleen van robusteren, ook wel meer objek- 
tieven aanleg, maar tevens als verzot op sterke, warme en rijke 
kleur. Zijn boomgaarden, opstekend als met moeite hun reuzen- 
vracht van fijn- witte bloesems in het zachte licht van de Lente of 
bukkend kruin en armen onder een reuzenvracht van vruchten 
in de zwoele zomerzon, vonden in alle „Driej aarlij kschen" over- 
grooten bijval. Maar, al stelde hij deze meestal niet ten toon, in de 
laatste tien è. vijftien jaar van zijn welgevulde loopbaan vol- 
tooide hij niet weinig impressies van de teederste, intiemste 
lyriek, uitgevoerd in de fijnste, de zachtste tonen en tinten, op- 
vallend onderscheiden van al zijn vroeger werk. In deze dingen, 
misschien wel zijn alleredelste, misschien wel tevens de allerop- 
rechtste vertolking van zijn innigste ik, is hij van zeer nabij ver- 
want met Verdyen, streeft hij op zijde zijn vriend, den grooten 
meester van Wechel-ter-Zande, A. J. Heymans, bereikt hij een 
frischheid, een lichtheid, als slechts weinigen het kunnen. 

Ik herinner mij „Het Uittrekken van de Schapenkudde", „In 
den Polder", en „Een Moeras op een Julimorgen", veel, veel 
mooier dan al wat onze muzea van hem bezitten. Ook zee- en 
stroomgezichten en daaronder zeer verdienstelijke, onderteeken- 
de Verheyden. 

Den Duyts slaagde als weinigen in het schilderen van najaars- 
bosschen, in het weergeven van een maansopgang over een be- 



186 LANDSCHAP-, ZEE- EN DIERENSCHILDERS NA 1880. 

sneeuwd dorp, veld of weide. Dat deed hem niemand na, al vol- 
bracht hij het ook met de gewone middelen : vlekschilderen op de 
wijze van de beste vertegenwoordigers van de Glasgowerschool, 
die hij evenwel geenszins had moeten leeren kennen om te zijn, 
wat hij door zichzelf was. Ik herinner mij nog steeds een „Maan- 
opgang bij Sneeuw te Wondelgem bij Gent", een onvergetelijke 
elegie. 

Weinigen leven met de Natuur op even vertrouwelij ken voet als 
Verstraete. Hij verstaat het geheimzinnig verband tusschen het 
stille leven van woud en veld en hetzieleleven van den werkenden 
mensch. Gaarne vertelt hij van het bestaan van de armen en ge- 
ringen in de Zeeuwsche schorren of op de West-Vlaamsche kust, 
maar bovenal van het lief en leed van de Kempensche boeren, niet 
als afgezonderde, op zichzelf staande, van de Natuur onafhanke- 
lijke wezens, maar als met die gansche, volle Natuur een harmo- 
nieus geheel vormend ^). 

Ook als marinist wist Verstraete zich te onderscheiden onder de 
besten. Zijn in 1894 tentoongesteld „Naderend Onweer" is, of- 
schoon slechts een doek van gewone grootte, van werkelijk 
epische grootsheid. Er steekt meer in dan eenvoudig wat effek- 
tjes van kleur en wat handigheid in het bewegelijk maken van 
zoo'n hemel, meer ook nog dan een impressie, deze zij dan nog zoo 
intens! Er zit een hooge dichterlijke konceptie in dat schilderij. 
Dat strookje aarde, dat dunne, schrale, nietige strookje, als ver- 
loren met eenige huisjes, ginds ver tusschen de in helsche woede 
opzwalpende zee en het dreigende, wielende zwerk; het doet 
schrikken, het doet verstommen. En dan — wat klotsen, zieden, 
slangslingeren ze hoog op, als zweepen zwiepend, de baren; wat 
sprankelt hun schuim om en rond ; en wat zit er in die wolken een 
drift. Dit stuk is een der mooiste, kranigste majines, die ik ooit 
van een schilder zag! 

Frans van Leemputten (1850 — 1914) ^) wensch ik te ken- 
schetsen als schilderachtig en objektiefimpressionnist, ofschoon 
men in hem den verteller-bij -uitstek herkent. 

In tegenstelling tot die van den Duyts en Verstraete, wier 



') Zie mijn uitvoerige studie over Verstraete, in deel V van „Het Schilderboek", 
uitgegeven door Elsevier. 

*) Zie mijn uitvoerig opstel over hem in deel V, „Het Schilderboek", Uitgevers- 
Maatschappij Elsevier. 



LANDSCHAP-, ZEE- EN DIERENSCHILDERS NA 1880. 187 

hoofdkenmerk een zuiver lyrisch, meer bepaald elegisch gevoel is, 
kenmerken zich de werken van dezen artiest vooral door een be- 
shst episch en tegelijk objektief karakter. Van Leemputten ge- 
voelt zich nergens liever noch beter thuis dan onder de stille 
bescheiden boerkens van onze Antwerpsche of Brabantsche Kem- 
pen. Wat hem bovenal aantrekt, is wellicht meer het vrome, dich- 
terlijke, het van oudsher overgeleverde dan wel het vroolijke, 
uitbundige, krachtige en gezonde in het landleven. 

Hij is de man niet van de halve tonen, geen „peintre de demi- 
teintes"; geen, die de natuur bekijkt als in een droom, als door 
een tranenfloers. Hij vereert den rijkdom en de verscheidenheid 
van de kleur, de levendige, oogen verblijdende, tot vreugde stem- 
mende kleur, gelijk de Gotieken. Daarbij past dit levendig, soms 
bonte koloriet voortreffelijk bij zijn gehefkoosde onderwerpen: 
voorvallen van stille, vreedzame levensblijheid uit het leven van 
het Kempensche landvolk, een jaarmarkt, een ringsteken, een 
processie, een begankenis of de terugkeer ervan. Deze en meer 
dergelijke onderwerpen zouden den kunstenaar ongetwijfeld veel- 
eer doen rangschikken onder de schilders van het volksleven, 
ware het niet, dat hij, in tegenstelhng tot de Groux, Leempoels, 
Laermans, anderen nog, die toch, als hij zelf, gewoonlijk of min- 
stens nu en dan hun personages onder den blooten hemel ver- 
plaatsen, in de behandeling van zijn verhalen bij uitstek „land- 
schappelijk" weet te zijn, m. a. w. dat hij de figuren voorstelt niet 
alleen in het dubbele bad van het echte landschappelijke licht en 
de landschappelijke atmosfeer, en beide gezien met de juist passen- 
de vergrijzing van den lokalen toon en verzwakking van den vorm, 
maar tevens, zooals de groote Millet het allen zoo glansrijk 
voordeed, als integreerende deelen van de natuuromgeving zelf. 

Waarde Groux, Leempoels, ja de als paysagist toch zeer voor- 
treffelijke Laermans, hun idyllische, of dramatische „faits divers" 
in den vrijen buiten laten plaats hebben, blijven de menschen toch 
meestal zoo zeer hoofdzaak, dat zij deze als het ware zien met de 
oogen van den historieschilder en hen haast voorstellen in een half 
konventionneel atelierlicht. 

Overigens voltooide van Leemputten ook tal van ware land- 
schappen, zoowel in akwarel als in olieverf, waarin geen toeleg 
op eenige vertelling of zedenschildering, alleen vreugde om het 
zuivere landelijke schoon te bespeuren valt. 



188 LANDSCHAP-, ZEE- EN DIERENSCHILDERS NA 1880. 

Zijn broeder Korneel, geboren 1841 en overleden 1902, was 
nauw met hem verwant. 

Ik ken slechts weinige schilders, die zich zoo geheel, zoo zonder 
de minste terughouding aan hun werk geven, — misschien omdat 
dit werk zoozeer met zijn eigen natuur overeenstemt, als Emiel 
Claus (geb. 1849) i). 

Van Claus meer dan van elk ander Vlaamsch schilder mag men 
zeggen, dat hij de geheele evolutie van de moderne landschap- 
schildering heeft doorgemaakt. 

Ongerust en nieuwsgierig van aard, stelde hij en stelt hij nog 
heden het levendigst belang in al de onderscheiden richtingen en 
manieren, die sedert weldra veertig jaar opkwamen en verdwenen. 
Tot ongeveer half in de jaren tachtig poogde hij zich te ontworste- 
len aan den nog in hem nawerkenden invloed van de konven- 
tionneele recept j es van de geijkte Antwerpsche school en ver- 
diepte hij zich tevens in de studie der buitennatuur en der men- 
schen van zijn geboortestreek, Leieland. Zijn verdienstelijk ,,Vlas- 
wieden" (Antwerpsch Muzeum) geeft een denkbeeld van wat hij 
toen (1882) kon. Daarna voelde hij zich machtig aangetrokken tot 
de weergeving van het buitenlicht. Een tijd lang deed hij mede 
aan toonontleding en verfgestippel ; eerst later, rond 1 890, begon 
hij meer en meer gewicht te hechten aan de weergeving van het 
luchtbad, waarin alles staat of beweegt. 

Gelukkig werd het stippelen voor hem nooit meer dan een 
uiterlijk, zeer geschikt middel, om — met grooter zekerheid wel- 
licht, die fijnere licht- en bewegingsfenomenen weer te geven, 
welke de aanhangers van de vroegere methoden meestal — zij 't 
ook niet altijd — uit den weg gingen. 

Jaren van harden arbeid, onvermoeid vorschen en wroeten, van 
doen en herdoen zonder einde, nog niet jaren van rijpheid en mees- 
terschap zeker, maar jaren van vruchtbare studie en vlijt, die 
eerlang tienvoudig zouden beloond worden. 

Deze tijd van zoeken en tasten werd besloten met het kolossale 
schilderij, „Beetenoogst in Vlaanderen" (1890). Juist door de 
voortreffelijke atmosfeer, welke de voorgestelde handeling om- 
geeft, biedt dit stuk een treffend kontrast met de meeste proeven 
uit de vorige jaren. 

•) Zie mijn uitvoerig opstel over dezen kunstenaar in „Het Schilderboek", V., Else- 
vier. 



LANDSCHAP-, ZEE- EN DIERENSCHILDERS NA 1880. 189 

Was Claus' arbeid tot dan toe noodzakelijkerwijs onvolmaakt, 
bij het begin van de derde periode is de kunstenaar in het volle 
bezit van zijn meesterschap en hoeft hij enkel nog zijn scheppings- 
drang te volgen, om in minder dan vijf of zes jaar tot de erkende 
meesters van de geheele nieuwste richting meegeteld te worden. 

In Januari 1891, in de Kunstkring (Waux-Hall) te Brussel, 
hield Claus de eerste tentoonstelling van zijn nieuwe periode. Iets 
eigenaardigs trof den bezoeker. Zonder mee te doen aan het stel- 
selmatig pointiljeeren, had hij een kleine reeks werken voltooid, 
waaruit den toeschouwer een licht tegenstraalde, zoo hel en zuiver 
als dat van den buiten zelf. Ik herinner mij nu nog de titels even- 
als ik de stukken zelf nog vóór mij zie: „Overstrooming", „Okto- 
berzon", „Oktobermorgen", „Wind en Zon", „Ijsvogels", „Win- 
terzon", „Sluis bij Astene", „Winter in Leieland". 

En nu geloof ik mij niet te vergissen, als ik beweer, dat het 
groote onderscheid tusschen de landschapschilders van heden en 
die van vroeger juist ligt in het weergeven van het hcht en den 
dampkring, en dat degenen, bij wie men deze twee eigenschappen 
het nauwst verbonden ziet, de werkelijk grooten onder onze tijd- 
genooten zijn. 

In al wat Claus na 1 890 schilderde, komen deze twee hoedanig- 
heden meer en meer tot haar recht, natuurlijk eerst hoofdzakelijk 
in werken met gedempte verlichting als „Winter in Leieland", 
„Het Lichten der Netten bij opkomende Maan", „Blik op Heist- 
aan Zee"; later in stukken, waaruit ons het licht overvloedig en 
als in golven tegenstroomt als „Aan het Veer bij Astene", „Na- 
jaarszon", „In de Dreef", „Overstrooming", „Avondrood". 

Claus' tekniek is even bizonder als interessant; ik zou ze wil- 
len noemen een „getemperd stippelen": eerst elk ondertoontje 
op het doek afzonderlijk aangebracht, om straks, als het scherp- 
kijkend en alziend schildersoog volstrekte zekerheid erlangde, dat 
elke nuancie werd opgemerkt en aangegeven, heel dat gewemel 
en gewriemel van tinten, van volle en halve tinten, dooreen te 
werken tot een levendigen, van licht stralenden, neen, werkelijk 
vibreer enden totaal-indruk. 

Wat voornamelijk dient aangestipt, dat is niet alleen, dat 
zijn wonderbaar georganizeerd oog in de hoogste maat de gave 
heeft verkregen, om het minste spelinkje van licht, het subtielste 
schakeerinkje van kleur, het fijnste overgankje en de allerzwakste 



190 LANDSFHAP-, ZEE- EN DIERENSCHILDERS NA 1880. 

op- of af toning waar te nemen; dat zijn kunstenaarsnatuur er 
onweerstaanbaar behoefte aan heeft, niet de grovere, voor elk 
zichtbare effekten, maar juist en aldoor weer die duizend en één 
fijnheden weer te geven; maar ook en vooral dat zijn hand dit 
weet te verwezenliken, zonder de eenheid van zijn impressies te 
verzwakken en zonder er iets van den ouden luister van zijn kolo- 
riet, uit den tijd, toen hij nog niet stippelde, de jaren 1880 — 1890, 
— bij in te boeten. 

Bij niemand spelen de overgangstonen zulk een rol als bij 
Claus, 't Is, alsof hij er zich op toelegde, om Verlaines vers als 
schilder waar te maken: 

„Car nous voulons la Nuance encore, 
Pas la couleur, rien que la Nuance. 
Oh! la nuance seule fiance 
Le rêve au rêve (et la flüte au cor)." 

Hoevele van Claus' landschappen en zeegezichten zijn inder- 
daad niets anders meer dan een getrouw, doch geïnspireerd aan- 
stippen van overgangen? 

Claus' heeft zijn weerga niet in het altijd raak treffen van zui- 
vere, frissche, heldere, tevens aristokratische tonen; daardoor 
verkrijgt zijn beste werk zulk een voortreffelijkheid, zulk een ide- 
aliteit, dat het door en door gelijkt op verzen, waarvan Verlaine 
wil dat zij zullen zijn. . . . 

„Que ton vers soit la chose envolée 

Qu'on sent qui fuit d'une ame en allee 

Vers d'autres cieux a d'autres amours;" 
dat zij zullen zijn 

„,.... la bonne aventure 

Eparse au vent crispé du matin...." 

La bonne aventure, la chose envolée ! Wonder-licht, schijnbaar 
alleen door het toeval gewild, zoo geheel van zelf gekomen, ja, 
zóo doen ze aan, die meesterstukjes van fijnheid en teerheid, 
waarvan ik de titels terugvind in mijn nota's over 's mans expozi- 
ties, b. V. „Lente-ontwaken" , „IJzelwit" , „Eendjes hij Schemer- 
avond", „'t Roze Huisje", „Heldere Herfstdag", uit 1 902, alles ware, 
innige natuurlyriek, die men niet moede wordt .... opnieuw te 
genieten. 



LANDSCHAP-, ZEE- EN DIERENSCHILDERS NA 1880. 191 

Laten wij vooral niet uit het oog verliezen, dat Claus, die een 
meester in het teekenen is, al legt hij nog zoozeer nadruk op het 
eigenlijke schilderen, zeei vele van zijn landschappen stoffeerde 
met menschen en dieren, welke hij behandelt met de volmaakte 
kunde van een figuurschilder van eersten rang. Uitnemend 
opmerker als hij is, daarenboven begaafd met een wonderlijk too- 
neelspelerstalent, dat hem in staat stelt, in allerlei vertellingen 
van eigen ontmoetingen met kunstgenooten, vrienden, kennissen, 
modellen en onverschilligen, elk personage, dat hij laat spreken, 
met verbluffende waarheid te typeeren, wist hij van eerst af, 
lang vóór er van neo-impressionisme spraak was, figuren juist 
naar het leven weer te geven. Een van zijn eerste suksessen: „Ijs- 
vogels", Gentsch Muzeum, toont ons boerenjongetjes, zich ver- 
meiend op het ijs ... . Zoo zijn wat vroegere „Bietenoogst" in iets te 
wenschen liet, dan was het zeker het allerminst in de levensgroote 
figuren van de in den kouden herfstmorgen half verkleumde boe- 
ren en boerinnen .... 

En wie de „Koeien in de Leie", uit 1899, sedert twintig jaar 
in het Brusselsch Muzeum, gezien heeft, weet, dat ik niet over- 
drijf, als ik Claus, als dierenschilder, bijna op één lijn stel met 
Verwee. 

Ik wil Claus niet toedichten wat niet in hem is, het niet laten 
voorkomen als ware hij in het bezit van eigenschappen, die hij 
niet of slechts in geringe mate bezit, en waarop hij zelf, terloops 
zij het hier aangemerkt, niet de geringste aanspraak maakt. 

Claus zoekt en vindt de poëzie niet als b.v. Verstraete, van 
Leemputten, Farasyn, in de „moreele" verhoudingen tusschen 
zijn figuren en het hen omgevend landschap, maar wel in de kleur 
van de voorwerpen, in den samenhang van Hcht en toon, in de 
geheele schakeering van het goddelijke licht. 

Hij is een dichter van de kleur alleen om wille van de kleur. 

Gezond naar ziel en lichaam, voelt hij zich aangetrokken tot de 
kleuren van vreugd en jeugd, tot de kleuren die zingen in de 
Lente, die juichen en weerklinken in den gloed van den middag 
en in de pracht en macht van den komenden avond. 

Edgar Farasyn toonde zich nooit een groot schreeuwer, 
een haantje-de- voorste, een school- of scheurmaker, een revolu- 
tionnair; hij is een kalm, voorzichtig werker, die, geen enkele 
manier a priori versmadend, stilaan, zonder marktgeschrei, zijn 



192 LANDSCHAP-, ZEE- EN DIERENSCHILDERS NA 1880. 

profijt heeft gedaan met al wat hij goeds en vruchtbaars in om het 
even welke kunstmanifestatie aantrof. 

Van de oude school behield hij de soliede teekening en in zekere 
mate ook het meesterachtige schilderen; van de jongere, die der 
luministen, keek hij het geheim af, zijn zeetjes en duinen, weiden 
en heiden te verlichten met een weinig van het zilver, goud en 
purper van morgen-, middag- en avondzon, niet zooals deze door 
de bestoven en bedompte ruiten van de werkplaats schemert, 
maar zooals zij daarbuiten alles en alles verlevendigt en opluistert 
met haar verblindenden schitterglans. 

Door zijn innerlijken aanleg is Farasyn een intimist, zich ver- 
lustigend in het bespieden van het stille, kleine leven van kleine 
menschjes. 

Luidruchtig effektbejag is hem geheel vreemd; de poëzie van 
een hoekje duin met wat helmkruid in den avondglans, van een 
akker in den morgennevel, van een dorpje, kleurig vlekkend, rood 
en blauw en groen en wit, op een effen kobalt en hemel, zijn hem 
voldoende. 

Weinig minder dan de levende antitheze van Farasjm treffen 
wij in Hendrik Luyten (geb. 1859), in menig opzicht een geest- 
verwant van Frans Courtens. Van voorzichtig, angstvallig doen, 
van een schilderen met fijngepunte kwastjes, alles in effen, kalm 
beredeneerde streekjes, alles even breed en even dik, was er bij 
Luyten wel nooit eenig spoor te ontwaren. Daartoe is zijn heele 
temperament te gezond, te mannelijk, te hartstochtelijk en te 
impulsief. Deze hoedanigheden, bij beginnelingen meestal ge- 
vaarlijk, brachten het als van zelf mee, dat de kunstenaar zich, 
in de eerste tien jaren van zijn loopbaan, nu en dan bezondigde 
aan zekere stout- en roekeloosheden, welke men niet naliet als 
slordigheid en ruwheid voor te stellen, terwijl in werkelijkheid het 
geheele gebrek zich bepaalde tot een mangel aan volmaakt even- 
wicht tusschen de onderscheiden partijen, een al te sterk uit- 
komen van 't eene gedeelte bij het andere. 

Met de jaren werd Luyten strenger op zichzelf, niet alleen wat 
de uitvoering, ook wat de keuze zijner onderwerpen betreft. Niet 
enkel zijn de hoekjes veld en bosch, die hij sindsdien vertoonde, op 
zichzelf al interessanter, laat mij zeggen, dichterlijker dan voor- 
heen, in die hoekjes is er daarenboven veel meer nadruk gelegd op 
het werkelijk aantrekkelijke, schoone en karakteristieke in kleur, 



LANDSCHAP-, ZEE- EN DIERENSCHILDERS NA 1880. 193 

lijn, gedaante dan voorheen het geval was. Met andere woorden, 
en misschien duidelijker gezegd: Luyten leerde de Natuur zien 
met een oog, genoegzaam geoefend, om het werkelijk essencieele 
van het bijzakelijke en de groote lijnen van de minder beduidende 
te onderscheiden ; wel niet het oog van een estheet in den aristokra- 
tischen zin van het woord, maar toch dat van een, die er, ondanks 
al het bij uitstek kloeke, bijna ruwe van zijn aanleg, op uit is, 
uitsprong te schenken aan al wat „wezenlijk", boven al dat, wat 
het niet is. 

Blijkbaar bezit het Najaar voor Luyten veel bekoorlijks. Tel- 
kens en telkens weer mocht het hem tot nieuwe scheppingen in- 
spireeren. De vergelijking van zijn herfstgezichten met die van 
den Vlaamschen herfstschilder bij uitnemendheid, Courtens, 
dringt zich als van zelf op. Wel beschouwd is er dan ook wel dege- 
Hjk verwantschap, niet echter gelijkheid of gelijk-geaardheid tus- 
schen beide artiesten. 

Evenmin als Courtens ziet Luyten in den Herfst een seizoen 
van kwijnen en sterven, van melankolie en dood; evenmin als 
Courtens wordt hij getroffen door wat er ziekehjks, droomerigs, 
bijna vrouwelijks ligt in dit jaargetijde; evenals Courtens vat hij 
het op als „dat rijk seizoen van rijpe kracht", als die uit het 
echtste zonnegoudgesmeede „kroon van 't jaar", waarin de Natuur 
gelijkt, niet op een teeder maagdeken, zich met fijne vingeren 
omhullend met den blanken bruidstooi, maar wel op de vrouw 
met breedzwellende borsten en machtige heupen, op de „alma 
parens", die juichend sterft in de zalige weeën van een laatste 
moederschap ;beter nog op die ridders uit oude sagen, die, om te 
sterven, zich in volle wapenrustig lieten in 't zadel dragen en 
zegepralend, verjongd bijna van herinnering en trots, in een ge- 
wapper van roode en gele vlaggen graf waar ts reden. 

Ziekelijk smachten, hopeloos treuren, dwepend droomen, dat 
alles is vreemd aan Luytens evengoed als aan Courtens' herfst- 
gezichten: jubelen, zegepralen doen zij, en luide zingen zij, kleu- 
rendronken, hun purpergouden stervens- of — , juister wellicht 
nog: levensroes. 

Die verwantschap is zoo intsinktmatig eigen aan de beide 
meesters, dat zij, meer dan ééns, nagenoeg hetzelfde onderwerp 
behandeld hebben. In 1896 voltooide Courtens zijn „Melkster", 
nadien aangekocht voor het Brusselsch Muzeum. Rond denzelf- 

13 



194 LANDSCHAP-, ZEE- EN DIERENSCHILDERS NA 1880. 

den tijd schilderde Luyten, op een doek van nagenoeg dezelfde 
grootte, de zijne . . . . , later in onderscheiden tentoonstellingen 
gezien, en — evenzeer — een plaats in een muzeum waard. Een 
treffend, ja, een zeldzaam genot is 't, te kunnen vaststellen, hoe 
elk van de beide kunstenaars zichzelf wist te zijn, uit te munten 
door andere, geheel andere, geheel eigen en groote hoedanigheden. 

Ook Luytens zeestukken staan bij die van geen onzer heden- 
daagschen achter. 

Zijn „Stormachtige Schelde", 1891, zijn „Terugkeerende Ha- 
ringvisschers", 1892, zijn kunst, zoo rijp en degelijk als de streng- 
ste beoordeelaar het maar kan verlangen. 

Ondanks alle verschil van tekniek en — ik teeken het al dade- 
lijk aan — met veel warmer en sjonpathieker koloriet vertoonen 
ons Luytens watergezichten iets en zelfs veel van de stoere ruwe 
kracht van wijlen H. W. Mesdag, van zijn brutalen en toch niet 
ondichterlijken blik op de dingen, van zijn stout, neen, vermetel, 
schijnbaar onachtzaam, rits-rats-er-maar-op-losse en toch raak- 
zekere doen, van zijn heele artistieke geaardheid en verschijning. 

Niet minder aantrekkelijk als Claus, en, ofschoon in meer dan 
één opzicht van hem verschillend, toch wis en wel zijn geestver- 
wanten, zijn onder degenen, die naar tijdsorde op hem volgen, 
Frans Hens (geb. 1856), Albrecht Baertsoen (geb. 1866) ^) en 
Joris Buysse (1864 — 1916) en, na deze drie, Richard Baseleer 
(geb. 1867), die, ofschoon slechts één jaar jonger dan de laatst 
genoemde, zich werkelijk later en ook wel langzamer, daarom 
evenwel niet minder natuurlijk en geleidelijk ontwikkelde. 

Niet één van dezen, zelfs Buysse niet, kan men beschouwen als 
een verstokt aanhanger van de neo-impressionistische tekniek; 
wel zijn zij aanhangers, — overtuigde, — van het vrije licht, en 
streven zij welbewust naar een zoo natuurgetrouw mogelijke weer- 
gave van de dingen, gezien op eigen plan, in eigen licht, in passen- 
de atmosfeer; doch, om die weergave te verkrijgen, hebben zij 
genoeg aan de gewone schilderwijze, die van de groote Hollanders 
Jaap en Willem Maris, Mauve, Israëls, die van A. J. Heymans uit 
de jaren 1865 — 85, die van de overgroote meerderheid van onze 
Vlamingen. 

Doch de aard van hun stemmingen, de ziel van hun kunst, is 

') Zie mijn opstellen over hem in „Het Schilderboek", V, en in mijn „Koppen en 
Busten." 



LANDSCHAP-, ZEE- EN DIERENSCHILDERS NA 1880. 195 

een andere. Niet minder dichterlijk dan Claus, laten zij zich, Buysse 
uitgezonderd, meestal, ja bijna altijd bezielen door indrukken van 
droomerigen vrede, stillen, diepen ernst, ingehouden en bedwon- 
gen melankoUe, zooals men die pleegt te ontvangen niet van het 
stralende, tot lach en Inst wekkende licht van een helder-blijden 
dag, maar zooals die over ons komen uit de geheimzinnigheid van 
morgen- en avondschemer, uit het zilvertonige licht van een 
stillen maannacht, uit het sprookjesachtige van fijnen regen of 
doorschijnenden nevel. 

Alle vier zijn zij weergevers van overgangsstemmingen, van 
schakeeringen, nuances van stemmingen, gaande van eenvoudig 
vaag gemijmer over streelend-weemoedig dwepen tot tragisch 
schrijnende smartelijkheid toe. Alle vier leggen zij er zich op toe, 
niet zoozeer om door uitwendig schoon, door bontheid of liefelijk- 
heid van kleur, opvallend realisme van stof-wedergave te over- 
bluffen, dan wel en veel meer om een ontvangen zielsindruk zoo 
innig en diep mogelijk uit te drukken, om de „tristitia rerum", 
de droeve ziel, die in de dingen schuilt, zoo intiem mogelijk te 
laten spreken. 

Dat Albert Baertsoen een van de zuiverste gloriën is van onze 
hedendaagsche school, meen ik zelf voldoende te hebben bewezen 
in elders verschenen opstellen, en acht ik algemeen genoeg erkend 
en aangenomen, om mij ditmaal te beperken tot een beknopte 
bespreking van een tentoonstelling, door hem in Februari 1921 
te Brussel gehouden. 

Wat al wie eenigszins gewoon is, schilderijen te beschouwen en 
te vergelijken, in den heelen schat der in de Giroux-zaal bijeenge- 
brachte werken in hooge mate trof, dat was, naast de ongemeene 
meesterschap over het ambachtelijke, het tot een vroeger slechts 
zelden bereikte macht opgevoerde van zijn voornaamste eigen- 
schap, met name het dichterlijk vermogen, om, bij het hoogste 
realisme van de stofwedergave, toch de ziel der dingen te doen 
spreken en dit zoozeer, dat men, vóór zijn scheppingen staande, 
zelfs met de lijst der titels in de hand, — vergeet belang te stellen 
in de onderwerpen en zich willoos overgeeft aan den indruk, die 
van de schildering uitgaat. 

Die potencieering van de psykologische uitdrukking was des te 
gemakkelijker waar te nemen, vermits, naast dingen uit de jaren 
1915 — 1920, er ook stukken, neen meesterstukken van vroeger 



196 LANDSCHAP-, ZEE- EN DIERENSCHILDERS NA 1880. 

hingen, o. a. het in pikturaal opzicht zoo aangrijpende „Luizen- 
gevecht" ^) ; het door een eigenaardige, bijna zeldzame verdeeling 
van de kleurvlakken zoo treffende „Maanopgang te Terneuzen"; 
de beide aanzienlijke licht- en luchteffekten, juister de beide ziels- 
affekten, — let op deze a, lezer, — opgedaan vóór het aloude 
„Kasteel te Laarne"; en vooral het door alle kenners om prijs 
bewonderde prachtstuk uit het „Musée du Luxembourg", „Gent 
bij Dooi". 

Wie thans het onderscheid verlangde te vatten tusschen den 
Baeitsoen van vóór 1915 en dien van de daarop gevolgde zes 
jaren, mocht de verklaring van dit onderscheid niet zoeken in dit 
feit : „Na 1 9 1 5 heeft de meester niet in het vriendelijke Vlaanderen, 
maar in het strenge, grootsche, mistige Londen geschilderd!" De 
reden ligt dieper, veel dieper! Zij ligt hierin, dat de van eerstaf 
fijnbesnaarde ziel van den schilder, van den dichter-in-den-schil- 
der, met de jaren een ontroerbaarheid heeft verkregen, zooals wel- 
licht bij geen ander Vlaamsch meester, Verstraete en Heymans 
alleen uitgezonderd, ooit het geval was. 

Vóór jaren noemde ik Claus den schilder van het „blijde", 
Baertsoen dien van het „weemoedige licht". Over deze kenschet- 
sing heb ik mij ook heden niet te schamen. Zij bleef wat zij was : 
juist- Welnu, om zijn weemoedigen droomersaanleg niet te laten 
worden tot ziekelijk, sentimenteel dwepen, heeft de uiterst kons- 
ciencieuze, op zichzelf ongemeen strenge kunstenaar, jaren lang 
met verdubbelde wilskracht, gestreefd naar een aldoor treffender, 
raker, vollediger, waarder weergave van de werkelijkheden; en, 
zonder dat hij het wilde zeker, misschien ook zonder dat hij het 
wist, is zijn karakter aanleg zelf er door versterkt geworden, zóó 
zeer, dat hij er thans in slaagt, zelfs achter de soms lichtblijde 
schoonheid der oppervlakte, de diepe droefenis, de ellende, de 
verlatenheid, de wanhoop zelf van een huis, een straat, een plein, 
een dok, een buurt te doen voelen en ze te doen voelen als het 
hoofdmoment in zijn schepping. 

Baertsoen, als schilder van de Teemsoevers, met den goddelij- 
ken Turner vergelijken, verleiden, bekoren doet het wel! Toch zal 
ik het niet, evenmin b.v. als ik Rubens met Rembrandt of met 
Velasquez zou willen vergelijken. Maar het uitroepen wil ik wel, 
dat Baertsoens vizie van het moderne Babyion, „cette ville de la 

') Dit is de pittoreske naam van een nog veel pittoresker Gentsche V^olksbuurt. 



LANDSCHAP-, ZEE- EN DIERENSCHILDERS NA 1880. 197 

Bible", zooals de arme Lélyan ze eens noemde in een verdoemings- 
gedicht, dat klinkt als een vloek : „Oh, Ie feu du ciel sur cette 
ville de la Bible" ; een zoo bij uitstek tragische is, dat alleen 
een zeer groote ziel er toe in staat kan stellen. Maar die groote 
ziel moet dan toch tot dienaresse hebben een voldragen tekniek ! 

Dat is hier het geval. De wijze, waarop Baertsoen de waarden 
tegenover elkaar weet te stellen, de plans achter of nevens elkaar 
te doen uitkomen, en ook die, waarop hij de silhoeëtten en hun 
heele lijnenmathematiek weet te benuttigen, is niet de hoogste 
behendigheid, zooals wij een wel zeker naijverig schilder hoorden 
zeggen, maar het hoogste „kunnen". „Southwark Bridge", „Ca- 
non-Bridge", „London-Bridge", en zoovele andere tafereelen, 
dragen den onmiskenbaren stempel van volslagen rijpheid. 

Geen enkele onzer schilders is een beter „ambachtsman" dan 
Baertsoen. Daarom verdient het des te grooter waardeering, dat 
hij, die zoo schilderen kan, het nooit wil toonen; dat hij nooit den 
virtuoos uithangt; dat hij integendeel zijn enorme virtuoziteit 
verdoezelt! Geen enkele maal is het hem om een „bravoer-stuk" 
te doen! Nooit wil hij iets anders dan. . . . „zijn indruk uitspre- 
ken!" En daarom ook stoort — zelfs bij opvallend verdikken — 
zijn kleur nergens! Alles is „uit de verf" zooals bij de beste Hol- 
landers, zooals bij Turner, Constable, Jongkind . . . . ; ook zooals 
bij den geheel anders schilderenden en voelenden Whistier, die het 
prachtig woord bedacht: „Work only will efface the steps of 
work!" 

Dit doet Baertsoen. Door „werken" vaagt hij tot de laatste 
uitwendige blijken weg van zijn „werkwijze". 

Wie de twee of drie allerbeste Vlaamsche meesters van onze 
huidige landschapschildering noemen wil, die kan er onmogelijk 
buiten, ook den naam van Albert Baertsoen uit te spreken. 

Naast Claus en Baertsoen verdient George Buysse genoemd te 
worden. Wat met dezen kunstenaar gebeurd is, acht ik al even 
zeldzaam als treffend. Bijna in ééns, zonder de gewone etappen, 
die de loopbaan van de meêsten oplevert, „was hij er", stond hij 
daar, flink en rechtop, in het allervoorste gelid van onze aller- 
beste vrijlichtschilders, zoowat tusschen Claus, wiens invloed hij 
aanvankelijk onderging, en Baertsoen, zijn schoonbroeder en zeer 
bizonderen geestverwant. Van Buysses leerjaren is niets anders 
te melden, dan dat hij het eerste kunstonderricht ontving in de 



198 LANDSCHAP-, ZEE- EN DIERENSCHILDERS NA 1880. 

Gentsche Akademie en, voornamelijk van Lodewijk Tijdgadt. In 
de „Libre Esthétique" van 1900 verdiende hij zijn sporen! Hij 
was er vertegenwoordigd met zeven schilderijen, daaronder „Weg 
naar de Kerk", „Sneeuw in de Avondzon", „Vaart in den Mor- 
gen", „Sneeuw in den Morgen", „Vaart bij Sneeuw". In 1902 be- 
haalde hij een nog grooter sukses met twee stukken, die, dat zelfde 
jaar, met nog een derde voorkwamen in de Gentsche „Driejaar- 
lijksch? ' : „Een rood Zeil", „De Kerk te Wondelgem" en „Maans- 
opgang (.ver de Vaart". Van dan dan af nam hij geregeld deel aan 
de groot«' binnenlandsche en Parijsche salons. 

De volle maat van zijn gerijpt talent gaf Buysse in 1904, toen 
hij, te Brussel, een overzichtelijke expozitie opende! Dit was de 
gewichtigste gebeurtenis van zijn overigens door een te vroegen 
dood gesloten loopbaan. Niet minder dan zeven en zestig stukken 
van onderscheiden aard en grootte getuigden daar van den enor- 
men weg, door den rijkbegaafden en stoeren werker in nauwelijks 
een tiental jaren afgelegd. 

Aan 't werk getogen in een tijd, toen het Luminisme, na de 
noodzakelijke krizis van de volgens enkelen alleen-zaligmakende 
stippelmethode te hebben doorworsteld, overal en over alles had 
gezegevierd, kon het wel niet anders, of van eerst af zou Buysse, 
vooral door zijn omgang met Baertsoen en Claus, zich met den 
grootsten ernst toeleggen op twee dingen : het begoochelend waar 
weergeven van het luchtbad en het zoo nauwgezet mogelijk ach- 
terhalen van elke schakeering van het licht, het daglicht of nacht- 
licht niet alleen, maar ook het kunstlicht, vooral in strijd met en 
in tegenstelling tot het natuurlijke licht van avond, nachten 
morgen. 

Man van zijn tijd, opgegroeid in een midden van nijveraars en 
handelslieden, echt en onvervalscht Gentenaar, voelde hij zich 
bij voorkeur aangetrokken door die pleinen en straten van zijn 
geboortestad, waar de stoer-nerveuze bedrijvigheid van onzen tijd, 
het laden en lossen van schepen, het aan- en wegstoomen van 
goederentreinen, onverdeeld heerscht, namelijk de dokken en 
kaden van de vaarthaven van Gent. 

Somtijds, als om na al dat roeren en rumoeren zelf weer tot 
kalmte te komen, ging hij dan uitrusten op de eenzame binnen- 
pleintjes van het Begijnhof, langs de rustige wegen van Wondel- 
gem of ergens in een stil zomerverblijf in Frankrijk of Italië. 



iü 



LANDSCHAP-, ZEE- EN DIERENSCHILDERS NA 1880. 199 

Het verschil van behandeling, van manier, dat men in die ten- 
toonstelling van 1904 in een zeker aantal werken waarnam, zal 
wel grootendeels moeten geweten worden aan een verschil in den 
tijd van hun ontstaan. 

In een aantal stukken, ik noem „Voorbijdrijvende Wolk", 
„Laatste Stralen", „Na Onweer", nog andere, die de schilder zelf 
afzonderlijk gegroepeerd had, overheerscht de nog zoogezegde 
tachistenmanier, het schilderen in vollen malschen deeg, met volle 
breede toetsen of vlekken, meestal opzettelijk warm en krachtig 
veel meer dan juist en fijn. 

Deze schilderijen waren door de behandeling zelf, die toch altijd 
min of meer verwant blijft met virtuoziteit, eenigszins opper- 
vlakkig; de stemmingsvertolking, voor zooveel die er werkelijk 
in bedoeld was, ging nog niet diep ; zij waren goed werk, maar op 
verre na niet op één lijn te stellen met de latere en betere dingen 
van den artiest. 

Eenigszins oppervlakkig ook, doch nu in een anderen zin, waren 
de drie vertellingen van het oude paard, gezien in de Lente, den 
Zomer, den Herfst. Hier was het schüderen met toetsen voor goed 
opgegeven, wat mij deed denken, dat deze stukken voltooid wer- 
den na de pas besprokene en vóór de straks als volmaakt rijpe 
scheppingen onvoorwaardelijk te prijzen tafereelen. Doch, zicht- 
baar was er vooral gewicht gehecht aan het verkrijgen van het 
juiste lichteffekt, het weergeven van het zachte wegschemeren 
van wat zon over 't gras en tusschen de blaren, het trillen van den 
lichtlach over muur en deur en dak van een boerenhuis. Was dit 
niet de voornaamste bekommering geweest, dan — zeker — ware 
dat oude paard veel meer een .... lijder, een martelaar geworden. 
Nu greep het weinig aan. . . . vooral in „Lente" en „Herfst". 

Ware „slagers" in de edele beteekenis des woords waren de ook 
later niet meer overtroffen stukken: „Bij Oostewind", „Maart- 
morgen", „Winterdag", „Regen", „De Coupure te Gent bij IJzel 
en Zon", „De Coupure 's Morgens", „Steenbakkerij in den Mor- 
gennevel". 

In deze stukken en in de allerbeste, die hij later, ook nu wel eens 
in den vreemde voltooide, heeft de kunstenaar de uitwendige 
methoden, het middel, het stoffelijk middel zoo geheel en al onder 
de knie, dat hij er in slaagt, zijn stemmingen zoo zuiver gevoeld, 
zoo volledig uit te spreken, dat men niet meer gehinderd wordt 



200 LANDSCHAP-, ZEE- EN DIERENSCHILDERS NA 1880. 

door, niet eens meer herinnerd wordt aan die stof of die behande- 
ling ; dat men vóór zich heeft vizies, zooals een met Buysse naar 
den geest en het gevoel verwante toeschouwer ze zou hebben op 
dezelfde plaatsen en op dezelfde uren. 

Deze dingen zijn „affe" kunstwerken in den edel-strengen zin, 
welke Whistier gaf aan het woord „voltooid"; zij zijn zoo, dat het 
uitvegen of bijvoegen van een enkele tint hen zou doen zeggen 
minder of iets anders, hen zou doen uitzingen een valsche of een 
andere, niet bedoelde noot. 

En uit deze werken leeren wij, dunkt mij, den innerlijken mensch 
in dezen kunstenaar kennen als een, die, door zijn aangeboren 
aard werkelijk tusschen den levenslustigen, beweeglijken, goed- 
geluimden Claus en den dieper voelenden, weemoedigeren, bijna 
elegischen Baertsoen in staat. Wat dichter bij Baertsoen, waar 
het aankomt op het gevoel, wat dichter bij Claus, waar het aan- 
komt op de voorstelling en de kleur. Buysse was van aard ge- 
neigd tot melankolie, doch hij opende graag oog en hart voor 
wat licht en luister, voor wat leven en blijheid brengt. Ook ver- 
openbaren zich in zijn beste dingen, in bijna alle, tegelijk een zich 
gewonnen geven aan treurnis en een verlangen naar vreugde. 
Zijn hand verlustigde er zich in, ons de dikke of dunne wademen 
van ochtend- of avondnevel, van regen- of mistdagen vóór te 
too veren, doch zij schijnt het penseel niet te kunnen en niet te 
willen neerleggen, zoolang zij er niet in slaagde, die wademen 
te doordringen en te doorgloeien met de warmte van een zonne- 
straal. 

En nu denke men niet, dat, waar de meester zoo geheel opging 
in het vertolken van zijn stemming, de teknische behandeling 
wellicht een minderwaardige was. Het tegendeel is waar! Ieder 
van zijn beste stukken is, in elk onderdeel, zoo volslagen in even- 
wicht; de schakeeringen smelten zoo natuurlijk en zacht in 
elkaar; alles staat zoo duidelijk juist op zijn plaats, dat er geen 
ruimte meer blijft voor afkeurende kritiek. 

Frans Hens is en was van eerst af een zelfbewuste, een over- 
tuigde, een sterk willende. Staande buiten elke school, zonder 
eenigen anderen meester dan de Natuur en zijn sterken drang, — 
nooit bezocht hij zelfs de Akademie, — liet hij zich vangen in het 
enge kringetje van geen enkele bent of kliek, maar, zeggende 
gelijk Montaigne, ofschoon niet volkomen in denzelfden zin als 



LANDSCHAP-, ZEE- EN DIERENSCHILDERS NA 1880. 201 

deze, „je prends mon bien oü je Ie trouve", haalde hij uit elke 
richting datgene, wat hem tot ontwikkeling zijner eigen gaven 
nuttig kon zijn. Wars vooral van dien gemakkelijken bijval, 
welke zoo velen het spoor bijster maakt, die, in stede van steeds 
naar beter en hooger, alleen naar het aan den man brengen van 
eenige aardig opgepoetste liefelijkheden streven, werkte hij, zon- 
der hoop op den anders wel verdienden „aftrek" — en, al te dik- 
wijls en al te lang was dit het geval, zonder zelfs door eenigen 
verkoop beloond te worden, rustig en moedig voort, de kunst om 
de kunst zelf, en de Natuur nog eens om de kunst Hefhebbende, 
beoefenende. 

Hoe weinig stoffelijk voordeel zulk een optreden ook moge 
verschaffen, zeker is het, dat het Hens van heverlede deed plaats 
nemen onder de beste artiesten der jongere generatie, onder die- 
genen, van wie men terecht verwacht het gerijpte werk van een 
gerijpt talent, dat niet terugschrikt vóór het moeilijkste onder- 
werp, maar zijn reeds groot kunnen niet eerder aan om 't even 
welke stof besteedt, dan na van deze stof, lang en ernstig, al het 
treffende, eigenaardige, bestudeerd en in zich opgenomen te 
hebben. 

Overweldigende natuurtafereelen hebben Hens nooit aange- 
trokken ; ook het gewoel en rumoer van de buitenwereld laat hem 
koud. Blijkbaar oefenen stilte en eenzaamheid op hem de grootste 
betoovering. Het droomerige van een schuchteren maanschijn 
over de in nevelen gehulde Schelde; het allengs-ontkiemen van 
den dageraad over een zacht deinend zeetje; het gemoedelijke 
dobberen van eenige schuiten bij laag tij ; het sluimerziek wie- 
gen van een kotter, vastgemeerd te midden van den breeden 
Schelde vloed in den mysterieuzen nacht; de veerijke, veie polder- 
meersch in de slaperigheid van den namiddag ot van den neschen 
vroegen morgen; ziedaar zijn meest geliefkoosde onderwerpen. 
En hij vindt op zijn palet fijne paarse of schelpkleurige tinten en in 
zijn gemoed een zachte, soms bijna vrouwelijke poëzie, om deze op 
zichzelf weinig zeggende, bijna abstrakte onderwerpen volop ge- 
nietbaar en aantrekkelijk te maken. 

In de schilderijen, die hij bij vollen dag voltooide, schrikt hij 
niet terug vóór soms zeer stoute kleurantithezen. Kobaltblauwe 
hemelen, uitgespannen boven brutaalroode pannendaken en bak- 
steenhuizen, omgeven nu van donkertonig, dan weer van levendig 



202 LANDSFHAP-, ZEE- EN DIERENSCHILDERS NA 1880. 

of bleekgroen geboomte, schildert hij met een verbazend meester- 
schap, dat hem in staat stelt, elk onesthetisch geschetter, elke het 
oog krenkende hardheid te vermijden, de meesttegenstrijdige 
kleuren op te lossen in een volkomen harmonie. 

Een enkelen keer, als bij uitzondering, wordt hij fantastisch. 
Dan toont hij ons, in een dichten nevel, alle zeilen uitgezet, een 
reusachtig zeeschip, vooruitschietend, geheel onhoorbaar, door 
een met ingehouden toren klotsende zee, en doende ons onvrijwillig 
denken aan het spookschip van den Vliegenden Hollander, ver- 
loren voor eeuwig, ver van elke haven, op de klagende wateren, 
of het logge wrak van een geheel onttakeld, het onderste bo ven- 
gekeerd vaartuig, liggend, log en zwaar, als het lijk van een voor- 
historisch watermonster op het nauwelijks bewogen water van de 
Schelde bij Antwerpen. 

Van Baseleers volkomen oprechtheid in het nastreven van een- 
voudige natuurwaarheid wil ik geen ander bewijs dan dat hij, 
ondanks al het dwepen van zoovelen met de meest uiteenloopende 
methoden, zich getrouw bleef tevreden stellen met de gewone, de 
van oudsher geijkte werkwijzen. Noch zijn teeken-, noch zijn 
schildersmanier levert veel bijzonders op. Maar men ziet het elk 
van zijn akwarellen, elk van zijn pastels, elke van zijn olie verf - 
schilderingen aan, dat er aan gewerkt werd met algeheele toe- 
wijding, met een alles beheerschende liefde tot de waarheid, met 
een dringende behoefte om zoo zuiver mogelijk te vertolken, wat 
even werkelijk gevoeld werd als goed gezien, zooals men alleen 
bij ware, tot beter dan gewone dingen bestemde kunstenaars 
aantreft. 

Baseleer schildert in hoofdzaak land- en waterschappen, de 
Schelde, namelijk haar melankolische oeverpolders en haar kleine 
even melankolische ha venplaatsjes van Antwerpen tot bijna aan 
de Zee. En wat ik niet weinig op prijs stel in zijn werk naast de 
reeds gewaardeerde oprechtheid van zijn uitspraken — Baseleer 
ziet niet, als zoovelen in België, de Natuur, zelfs den geweldigen 
Vlaamschen landstroom in het klein; niet het roeibootj e alleen 
of het kleine kreekje, waarin onder een smachtig stukje hemel een 
vrouw wat linnen wascht; niet het huisje op het oevertje met een 
bankje vóór de deur; hij ziet, overziet het zee- of landschap met 
de oogen van een, die de natuur opvat als een epos en niet 'als een 
almanak-anekdootje; hij trekt mijlen en mijlen te zamen binnen 



LANDSCHAP-, ZEE- EN DIERENSCHILDERS NA 1880. 203 

de toch enge ruimte van zijn lijsten en vergunt ons, met hem en 
door hem te ademen, met machtig op- en neergaande borst en 
open longen, den wildwaaienden wandelwind en de zoet-zalvende 
ziltheid van de zeelucht. 

Naar het gevoel verwant met Door Verstraete en Baseleer, door 
de tekniek meer overhellend naar Luyten en soms toch ook naar 
Verstraete, is Henry Rul (geb. 1862) een „peintre de demi- 
teintes" als den Duyts en Baertsoen, die zich zelden toelegt op vol- 
heid en kracht van toon ; die al wat ruw brutaal, schril of harts- 
tochtelijk is met opzet schijnt voorbij te zien. Wat op zijn fijnbe- 
snaard gemoed bekoring oefent, dat is een bescheiden chiaroscuro, 
het schemelen van een zonnestraal door een dichtgeweven blader- 
dak, het licht van morgenzon of maan, heenzij pelend door witte 
nevelen, de parelmoervervige schakeeringen van een bekroosden, 
slapenden waterplas. 

Lente- en najaarsindrukken, lente-indrukken vooral geeft hij 
weder, daarin allervolkomenst getrouw aan zijn stil, bescheiden en 
melankolisch temperament. Schildert hij een winterlandschap, 
dan kiest hij bij voorkeur het schemeruur van den morgen of den 
avond en laat de gele of rozige zonneschijn heenspelen over de 
stil dooiende sneeuw. Altijd en overal is hij en blijft hij de schilder 
der zoetstreelende half tinten, der fijntonige overgangen. 

Met deze eigenschap van zijn koloriet staat overigens zijn ge- 
heele opvatting van het landschap in verband. 

Van een door stoffelijke juistheid verrassende weergeving is er 
bij hem geen spraak. Hij stelt er zich mee tevreden, wat hij vóór 
zich heeft te vertolken, het voor te stellen zóó gelijk hij het gevoeld 
heeft bij het eerste zien, wanneer nog enkel de groote lijnen tot 
hem spraken, de kleine kantjes nog in een zachten schemer ge- 
huld waren. 

Al de onderdeden van het landschap smelten onder zijn hand 
harmonieus ineen, krijgend en behoudend juist zooveel waarde, 
als volstrekt noodig is, om het geheel te volledigen; blijvende, elk 
op eigen plan en in eigen licht, van gelijk belang. Hoogstens ver- 
meet hij zich, in elk onderdeel te streelen en te vertroetelen, met 
liefdevoller zorg weer te geven en te doen spreken die bizonder- 
heid, waar, naar zijn gevoel, het hem eigenlijk in zit, en die zijn 
werk poëtische waarde moet bijzetten, evenals hij, zonder moeite, 
onder duizend onderwerpen steeds en onfeilbaar zal uitkiezen die. 



204 LANDSCHAP-, ZEE- EN DIERENSCHILDERS NA 1880. 

welke hem, en na en door hem den toeschouwer, kimnen brengen 
in een weemoedig-zoete, eenigszins weeke droomstemming. 

Van Waalschen oorsprong.in 1853 te Spa geboren, deed Alexan- 
dre Marcette zijn studies te Antwerpen, om zich later te Gent en 
eindelijk te Brussel te vestigen. Een zeer aantrekkelijk figuur in de 
gezamenlijke evolutie van de school. 

Uit al wat Marcette schilderde, spreekt zulk een oprechtheid en 
zulk een eenvoud van gevoel, straalt zulk een frischheid en on- 
middellijkheid van indruk, dat het als de veropenbaring van een 
groote waarheid over ons komt: als deze toch zeer moderne 
artiest zich, in bosch of wei, op zeestrand of rivieroever op zijn 
veldstoel neerzet, dan hebben al de theorieën van would-be- 
hervormers en vernieuwers voor hem alle waarde verloren; dan 
heeft hij tot zelfs de herinnering vergeten aan het ergerende 
marktgeschreeuw van verstokte, stelselmatige stippellustigen ; 
dan voelt hij zich enkel mensch nog en dichter. Hij wijdt zijn beste 
krachten, al zijn kracht en zijn kunnen aan slechts dit ééne: uit- 
drukken in zijn werk en zoo getrouw en van zoo nabij mogelijk, 
doch zonder ooit aan een fotografie te doen denken, de dichter- 
lijke impressie, welke het eeuwig jong, het eeuwig anders, het 
eeuwig nieuw wezen van het rond ons levende, zichtbare Zijn, op 
hem teweeg brengt. 

Dit vooral treft bij dezen geboren impressionnist : niet als een 
logge, doode, louter of vooral stoffelijke massa ziet hij en maalt hij 
de Natuur; maar als een levend, bewegend, ik zeide schier, een 
bezield wezen, neen als het leven en de beweging zelf. Die wasem 
van maagdelijkheid en jeugd, liggende eiken morgen opnieuw op 
gras en bladeren ; die glans en die doorzichtigheid van water en 
lucht; dat wemelende in de lijnen van al wat wij in het bewegende 
ether met onze oogen waarnemen ; voller, reëeler, sprekender dan 
hij weten maar heel weinigen het weer te geven. 

Nog iets anders treft ons. Zonder iets van dat bij sommigen wel 
wat gewilde en gezochte blauw of wit, is Marcette een werkelijk 
luminist, niet op dezelfde wijze, maar even goed als Baertsoen, 
Claus, Buysse. Al wat hij schildert ligt als in een bad van licht. 
Met de gewone oude middelen, zonder ooit zijn toevlucht te nemen 
tot stippelen, bereikt hij, in zijn lichteffekten, een ongeëvenaarde 
fijn- en klaarheid. Geheel met dat alles komt dan ook overeen zijn 
opvallende voorliefde voor onderwerpen van lucht en water, vo or 



LANDSCHAP-, ZEE- EN DIERENSCHILDERS NA 1880. 205 

de grachten en „ruien" onzer stille Vlaamsche steden, dragend, in 
haar rustig vloeiend nat, den mooien droom van schilderachtige 
oude huizen; voor heldere rivieren, vroolijk schaterlachend onder 
een weelde van overhangend lenteloof ; voor volle zeeën, zwalpend 
schier zonder kust en horizon, ondei laag bij laag van als fijne 
wol of nog fijner rag uitrafelende zomerwolken. 

Bij het schrijven van deze laatste woorden stonden mij weer 
vóór oogen, verrassend waar in hun mooie, rijke, f rissche kleur, 
eerst die geheele reeks akwarellen en pastels, als „De Sint Michiels- 
kaai" en „De Oude Vaart", „De Bijlokekaai" en „Het Schippers- 
huis" te Gent; dan „De Schelde vóór Antwerpen" ; en vooral, in al 
de morgenpracht van zijn lentemaagdelijkheid, dat mooie riviertje 
uit de buurt van Rome, l'Annienne, de ware betooverende glim- 
lach eener schoone werkelijkheid; eindelijk „Het Zeehoofd te 
Blankenberg", „De Maas in Holland" en niet te vergeten, het 
groote aan het Gentsch Muzeum behoorende schilderij „L'Eclair- 
cie", met een der allervoortreffelijkste hemels, of beter zwerken, 
die wel ergens te bewonderen zijn. 

Men verweet Marcette weleens, dat hij, geboren Waal, in zijn 
gezichten uit Gent en Brugge, den juisten toon niet treft, het 
tragische niet benadert, dat onze Vlaamsche steden zou ken- 
merken. 

Geheel ten onrechte! De melankoUe onzer oude steden is niet 
tragisch : dat is zij alleen, gezien door den bril van Maurice Mae- 
terlinck, juist zooals ons platteland tragisch wordt in de werken 
van Georges Eekhoud en Emile Verhaeren, een opvatting, die ik 
gaarne voor lief neem, op voorwaarde dat men ze anderen niet 
poge op te dringen of ze als de eenig ware te doen doorgaan ! 

De weemoed van ons land is een stille gedempte weemoed ; iets 
liefs, zoets, vertioostends bijna is er aan eigen; het is een zacht 
weenen door den glans heen van een goedhartigen lach ; de een- 
tonigheid van een kerkhof in avondzonneglans ; de stilte van een 
begijnhofje; niet de lijkeneenzaamheid van een slagveld, maar de 
weemoed van Brugge, zoo goed begrepen en innig gevoeld door G. 
Kodenbach in „Le Règne du Silence" en door Helene Swarth in 
zoo menig vers, Brugsche of Mechelsche impressies bevattende. 
Dien weemoed nu weet Marcette voortreffelijk weer te ge\'en, en 
het is voor hem, die zijn werk bestudeert, niet de minst aangename 
verrassing, dat de meester, die overal elders het intense, krachtige. 



206 LANDSCHAP-, ZEE- EN DIERENSCHILDERS NA 1880. 

vroolijke leven der Natuur zoo wel weet uit te drukken, dezelfde 
is, die zoo innig en diep vertolkt de intense droefheid onzer „villes 
mortes". 

Marcette schildert eenigszins zooals Constant Meunier beeld- 
houwde. Vergeet men bij dezen pleister en brons en marmer, bij 
hem ziet men nog nauwelijks verf. Bij beiden zingt het gevoel 
den boventoon. 

De Brusselaar Victor Gilsoul (geb. 1867) behoort tot diegenen 
die, instintkmatig of beredeneerd, om het even, de oude nationale 
meesters pogen na te streven, en dit wel in het tweevoudig opzicht 
van het koloriet en van de opvatting. 

Hij is een van de niet zoo heel velen, die blijkbaar den invloed 
van de onderscheiden richtingen van na 1 880 niet of althans zeer 
weinig ondergingen. Als kolorist is hij het best te vergelijken met 
de impressionisten van de eerste school van Tervuren. Als dezen 
schildert hij zoo als men 't in 't Fransch noemt „en pleine pate", 
leggende, zonder daarom eigenlijk aan te dikken, de verf, met het 
paletmes vaak, in vette vloeiende lagen op zijn doeken, en niet 
eer te vreden, dan wanneer zijn werk warm, rijk en harmonieus 
genoeg is, om het oog aan te doen met de zachtheid van oud flu- 
weel of den glans van mooie zijde. Voor 't overige vertolkt hij de 
Natuur, zoo als zij is; geeft zich doorgaans luttel moeite, om 
ze voor te stellen in een hoogeren glans van schoonheid dan de 
werkelijkheid ze vertoont; stelt zich tevreden met het eerste 
boschkantje, grachtje of huisje het beste, en hecht ook niet altijd 
veel waarde aan wat men noemt de mise en page, het voorstellen 
en schikken van de dingen onder den hoek van een meer esthe- 
tische lijn. 

Diep gaat Gilsoul nu over het algemeen wel niet ; daartoe ont- 
"breekt het hem te zeer aan idealiteit, aan gevoel zelfs. Doch zóó 
treffend juist is, in zijn werkehjk goede dingen, het moment, het 
getijde van jaar en dag of nacht weergegeven, dat men, er vóór 
staande, bewogen wordt, niet èoor die fijnere, psykologische aan- 
doening, welke b.v. Baertsoen teweegbrengt, maar door een 
emotie als van de dingen zelf. Zijn impressionisme bestaat hierin, 
dat hij, zonder er iets van het zijne bij te doen, de indrukken, 
welke de Natuur op het gros der menschen teweegbrengt, her- 
schept in zijn schilderijen. En somtijds slaagt hij daarin zoo voor- 
treffelijk, dat men er gaarne, als hij zelf, alle richtingen van de 



LANDSCHAP-, ZEE- EN DIERENSCHILDERS NA 1880. 207 

wereld voor vergeet. Dit is het geval met „Slecht Weder", een 
van de beste en reëelste natuurwederga ven, die ik ooit zag; met 
het stille, maar juist in die bescheidenheid zoo mooie „Bij Vesper- 
tijd", en „Avond bij grijs Weder", en zijn weUicht nog mooieren 
„Novemberavond te Dordrecht" in het Muzeum te Brussel. 

Een hoogst belangwekkende antitheze zijn deze twee, mij, on- 
danks zooveel wat hen scheidt en onderscheidt, even dierbare 
artisten : Valerius de Saedeleer (geb. 1 869) en Edmond Verstraeten 
(geb. 1870). 

Beiden even fijngevoelig aangelegde poëtennaturen, beiden 
even oprechte en waarheidgetrouwe veropenbaarders van een 
hun bizonder lief gewest: voor den eersten het schilderachtige 
heuvelland tusschen Avelgem-Ingoigem en Oudenaarde, voor den 
tweede de weelderig- vruchtbare, rijkkleurige Durmevallei in Waas. 

Reeds diarom maakt de Saedeleer onze levendigste belangstel- 
ling gaande, omdat hij den moed en de kracht heeft gehad, zich 
een eigen weg te banen, zeer ver van den breederen, van nu af 
gemakkelij keren weg, dien de meeste hedendaagschen zich ver- 
plicht achten te bewandelen, m. a. w. omdat hij stoutweg heeft 
aangedurfd de thans algemeen zegevierende manier te versmaden 
en zelfs heel iets anders na te streven dan haast al zijn tijdgenooten 
beoogen, met name: stijl. In zekeren zin een geestverwant van 
enkele, deze min, de andere meer „bizondere" artiesten: Degouve 
de Nunques, Karel Doudelet, soms Frédéric en Femand Khnopff, 
destijds ook F. M. Melchers en in Nederland P. C. de Moor, is hij 
tevens, en dit op de meest natuurlijke manier, ongezocht, onge- 
wild, alleen uit aandrang van zijn innigst-inwendigen aard een 
evenboortig mededinger, — geen navolger, van de vijftiende en 
zestiendeeuwsche meesters, en wel in de eerste plaats van Pieter 
Bruegel I. 

Hij doet ze niet na, de zoogezegde primitieven; hij is eenvoudig 
met hen verwant naar ziel en geest; hij voelt en ziet zooals zij zelf. 
Hij voelt de poëzie, hij ziet het karakter van heuvel en vlakte, 
bosch en rivier, huis en akker, zooals zij die voelden en zagen ; hij 
geeft ze weder, zeker even weinig met de middelen, hun eigen, als 
met die van zijn tijdgenooten, maar zeker met een nauwgezetheid 
en een liefde, genen gemeen, velen dezer vreemd .... zeer vaak. 
Hij wijkt af van de primitieven, doordat hij rekening houdt met 
den vooruitgang, door de hedendaagschen werkelijk gedaan, en 



208 LANDSCHAP-, ZEE- EN DIERENSCHILDERS NA 1880. 

van de hedendaagschen door zijn verzaken aan wat in hun streven 
minder duurzaam, waarschijnlijk alleen mode of snobisme is. Hij 
is noch heusch primitief noch heusch modern! Hij is, als Leys, 
iemand, als Lamorinière ook, iemand, en zich zelf! Is dat niet 
genoeg? 

Niet van eerst af was de Saedeleer, wat hij nu is. Verre van daar ! 
In zijn eerste jaren, d. w. z. zoowat van 1880 — 1890 toe, was hij 
€en hartstochtelijk aanklever van de meest modernistische tek- 
niek .... 

Zoowel als de beste openluchtschilders zijn hem de „Errungen- 
schaften" van de wezenhjk groote modernen bekend. Hij weet 
even goed als wie ook diepte en ruimte, de doorschijnendheid van 
't luchtbad, de fijnheid van 't licht weer te geven, maar hij legt 
er zich even gewetensvol op toe, de haast pijnlijke nauwgezetheid, 
de ver-doorgedreven af-heid en niet het minst de stijlvolle vertol- 
king van de Ouden in eer te houden. Met den geheel anders wer- 
kenden Edmond Verstraeten is hij de eenige onzer schilders, die 
de rhythmiek van onze landschappen, het mooie spel van hun 
lijnen poogt te vertolken, samen met de poëzie, welke de gang 
der jaar-, maand- en daggetijden daarin schept. 

En 't is treffend na te gaan, hoe, met van elkaar geheel onder- 
scheiden, ja tegenstrijdige middelen, Verstraeten, de volstrekt 
moderne, en de Saedeleer, de ... . man uit een vroegeren tijd, als 
Leys verplaatst in den onzen, de zelfde wonderen verrichten. 

Wat kan ons het middel schelen, als het doel getroffen wordt ? 
Schilder zoo breed als Luyten, Courtens, Baertsoen, zoo lichthel 
als Claus of Buysse, zoo peuterig en gedetailleerd als een enlumi- 
neur! Mij wél, als gij mij weet te pakken, te ontroeren. . . . ; als gij 
maar muziek en poëzie weet te maken, ziedaar! Men vinde de 
Saedeleers methode van onzen tijd of niet! Mij is 't genoeg, te 
hebben voelen komen over mij de betoovering, die hem deed 
werken; te hebben meegezinderd met wat gezinderd heeft in 
hem. . . , Kijk, in een van zijn beste werken, die even in knoppen 
staande, in o zoo teere, broze knoppen staande appelaars, blink- 
blank op de dreigende Maartwolk, waaruit het straks heel zeker 
zal hagelen, hagelen, wreed kletterend over den boomgaard! 
Voelt gij den scherpen noordewind, die de sneeuw doet bevTiezen 
op den boord van de al loomer vloeiende Leie ? Of komt over u de 
donzige koestering van de zachte sneeuw, om- en induffelend het 



LANDSCHAP-, ZEE- EN DIERENSCHILDERS NA 1880. 209 

heele heele dal, hoef bij hoef en dorp bij dorp, heinde en ver? 
Hebt gij deze indrukken opgedaan, en vele andere mee, dan hebt 
gij de Saedeleer begrepen in zijn innigste wezen; dan waardeert 
gij ook zijn werk, zijn kunnen! Want, hoe stevig en echt ook, zijn 
tekniek dringt nergens naar den voorgrond; zij is en blijft wat het 
rijm is in een heusch gedicht, „une esclave que ne doit qu'obéir!" 
Niet dan in de tweede of derde plaats denkt men bij hem om verf, 
penseelen, manier; hem is het te doen om de poëzie zelf, die in de 
Natuur schuilt ! Die wil hij doen spreken tot degenen, die ze ook 
in de werkelijkheid kunnen hooren, en dat hij het niet alleen wil, 
maar doet, is zijn voorrecht en groote eer. De Saedeleer is een 
schilder, die wel de oogen streelt, maar vooral — de ziel ontroert. 

„De oogen streelen en de ziel ontroeren", is de leus van Edmond 
Verstraeten niet precies dezelfde ? Ja zeker, hij doet het met ge- 
heel andere, met bepaald moderne, — ja, want hij versmaadt 
geen enkele tekniek, evenmin het stippelen als het vlakschilderen, 
— soms met de allermodernste middelen. Doch het batig slot van 
zijn arbeid weegt in feite op tegen dat van de Saedeleers werken. 

Met dezen en soms met Delaunois is Verstraeten van al onze 
landschapsschilders degene, die de grootste behoefte heeft aan 
ruimte van horizon; zijn oog omschrijft met welgevallen zijn ge- 
zichtskring nu rond een gehucht, straks rond een geheel dorp met 
zijn gehuchten, soms wel eens rond een mijlen verre strekkende 
landoppervlakte. Wat hem in 't aldus geziene het machtigst be- 
toovert, zijn niet zoozeer de vorm en de lokale kleur van kerk en 
molen, huis en schuur, schelf en mijt, boom en heester, als wel de 
lucht, waarin dat alles zich baadt, het hcht, dat het luchtbad 
doortintelt en doorgloeit, de hemel met zijn aldoor afwisselen- 
de wolkformaties boven alles. . . . Een woord van Taine tot het 
mijne makende, durf ik zeggen, dat in al wat Verstraeten schil- 
dert, „de hoofdpersoon is het Licht", waarin alle dingen baden, 
net zoo goed als het dit is in de werken van Sisley, Monet, 
Buysse of Claus. 

Daar wij den jongen meester uit het Land van Waas beschou- 
wen als den meest reprezentatieven der landschapschilders van de 
generatie, die onmiddellijk voorafgaat het opkomen van de aller- 
jongste, nu nog volop in de evolutie staande richtingen, waarover 
wij, bij gebrek aan voldoende dokumentatie, ons nog geen oordeel- 
velhng durven aanmatigen; achten wij het noodzakelijk, zijn 

14 



210 LANDSCHAP-, ZEE- EN DIERENSCHILDERS NA 1880. 

kunst wat van nabij te belichten. Wij zullen daarbij uitgaan van 
zijn allerlaatste en zeker wel volledigste tentoonstelling, die welke 
hij in den loop van dit jaar hield te Amsterdam eerst en te Ant- 
werpen daarna (Februari — Maart 1921). 

Wij noemden Verstraeten zooeven een meester, en wij nemen 
dit woord niet terug. Welke zijn wel de eigenschappen, waaraan 
wij een meester herkennen? Waarom noemen wij in het zelfde 
kunstvak A. J. Heymans, Courtens, Baertsoen meesters? Is het 
niet, omdat elk van deze schilders naast een eigen vizie van de 
natuur, een even zoo eigen uitdrukkingswijze heeft gevonden, 
volkomen geschikt, om die personeele opvatting, dat personeel 
gevoel, volledig uit te drukken? Dat alles bezit Verstraeten en 
nog wel in zeer hooge maat. 

Zijn vizie ? Vergis ik mij, wanneer ik zeg, dat de vizie van onzen 
Durmeschilder het allermeest verwant is met die van A. J. Hey- 
mans zooals deze zich zoo heerlijk heeft ontwikkeld in de jaren 
1895 — 191 0? Wij zouden het haast wagen, te zeggen, dat Ver- 
straeten, onbewust of bewust, om 't even, de voortzetter is van 
Heymans' prachtig levenswerk. De weg, dien hij volgt, loopt niet 
evenwijdig met den door den ouderen meester gevolgden; het is 
eenvoudig de zelfde weg; Verstraeten echter, als de zooveel ja- 
ren jongere, moest hem niet van de meet af betreden; hem was 
het gegeven er den voet op te zetten op een plaats, waar het voor 
Heymans reeds halfweg was .... Hem is het tevens vergund, er 
nog op voort te schrijden, nu dat de groote oude meester op den 
rand is gaan uitrusten .... Wij bedoelen : Verstraeten leerde de 
Natuur zien met het zelfde door school-, overleverings- noch 
modevooroordeel benevelde onbevangen oog, waarmede Heymans 
ze vóór zoo velen zag; doch hij nadert stouter, bijna onbeschaamd 
tot de gesluierde godin; hij kijkt vranker tot onder haar laatste 
omhulsels; hij speurt en vindt er meer in dan de andere, wien 
zij toch zooveel openbaarde, er in zien mocht of kon. Hij leidt als 
het ware de uiterste gevolgen af uit de leer van A. J. Heymans. 

Omdat Verstraeten de Natuur ziet in de eeuwige verrassing en 
verreining harer verschijning; in haar eeuwige frischheid, haar 
elk seizoen en eiken morgen herbeginnende jeugd; omdat hij ze 
ziet, zooals zij daar ligt onder de doorschijnende blauwe hemel- 
stolp en daarbij heeft leeren vergeten, met opzet vergeten, hoe 
groote meesters met klinkende namen ze vóór hem hebben weer- 



É 



LANDSCHAP-, ZEE- EN DIERENSCHILDERS XA 1880. 211 

gegeven ; daarom kon hij zijn palet zuiveren van alle konventionee- 
le, van alle valsche tonen, om er alleen op te behouden de primi- 
tieve, zuivere kleuren, die uitmunten door de helderste fijn- en de 
fijnste helderheid. 

Verstraeten staat tegenover de Natuur als Gezelle, die in een 
van zijn wonderbaarste gedichten zong: „Ik weet ik een spiegel, 
een spiegel zoo klaar, — zoo klaar en was nimmer een spiegel!" 
Een spiegel is een wonder, een too verachtig ding: in zim schijn- 
baar donker vlak trekt hij alle klaarheid saam en kaatst ze ver- 
hoogd terug! Waar Heymans tot nu toe dien spiegel zag veel 
klaarder en stralender dan alle anderen, daar ziet Verstraeten 
hem nog helderder, nog zuiverder, nog maagdelij ker. Is maagde- 
lijkheid, ongerepte maagdelijkheid niet een opvallend kenmerk 
van al wat de artiest sedert jaren voltooide? Kies er uit, welk- 
danig stuk ook: hier dezen hooioogst, deze met schurftkruid 
bewassen vlakte, dit stille Dylewater onder wat boomen in Hever- 
bosch, dezen zonsopgang of dezen zonsondergang, dit tooneel van 
verwoesting na den storm, of een van die sneeuweffekten, welke 
hij, als de groote P. Bruegel, zoo gaarne schildert en die hem zoo 
goed afgaan; en zeg mij, of niet evengoed dat in een donkerder 
gamma uitgevoerde „Na den Storm", of „Dylewater onder Boo- 
men", of „Vijvertje" waar zich sparren in spiegelen, even frisch, 
gezond en lavend frisch, even maagdelijk en paradijsachtig jong 
zijn als die „Sneeuwstorm" met de er in verdwijnende kudde, 
als „Durme vol Drijfijs", als ,,Een wit Zeil op het Water", als 
het overheerlijke „Dorp in de Sneeuw" ! 

Ik geloof niet, dat ik mij vergis of mijn mond voorbij spreek, als 
ik zeg, dat van al onze hedendaagsche landschapschilders geen 
zoo geheel in de Natuur opgaat, haar geheimenissen zoo zeer 
doorpeilt, haar schoonheid zoo innig doorvoelt als Edmond Ver- 
straeten. Geen enkele! 

Dit blijkt, naar onze meening, uit het verbazend talent, waar- 
van hij telkens en telkens weer blijk geeft in het weergeven der 
wolkenvorming. Wij kennen nauwelijks een anderen Vlaamschen 
schilder, die luchten borstelde, die — wij zullen niet zeggen — 
mooier of even mooi, maar juister, waarder, natuurlijker zijn. . . . 
„Mooie" luchten, rijkgekleurde luchten, bewogen luchten, licht- 
klare en nevehge luchten gaven ons, vóór Verstraeten, Crabeels, 
Verwee, Claus, Courtens, vooral Heymans te bewonderen; maar 



212 LANDSFHAP-, ZEE- EN DIERENSCHILDERS NA 1880. 

geen voltooide schilderijen, waarin de wolkenvorming zelf zoo 
verrassend juist is waargenomen als door den schilder uit het 
schoone Waas. In zijn hooger bedoelde overzichtelijke tentoon- 
stelling kon elkeen, die de Natuur zelf met eigen oogen leerde 
zien, er zich van overtuigen : daar toch hingen doeken, waarop al 
de onderscheiden wolken vormen zijn voorgesteld, niet alleen de 
drie hoofdvormen, de laagwolk of stratus, de stapelwolk, cumu- 
lus, en de vederwolk, cirrus, maar tot zelfs de tusschen vormen, 
wier geleerde Latijnsche namen wij maar zullen verzwijgen, ter- 
wijl het toch overbodig is er ook de regenwolk bij te noemen. Niet 
alleen de juiste gedaante, ook de vlosheid, lichtheid, dikte dier 
wolken, ook de afwisselende hoogte, waarop zij, in Zomer en 
Winter, drijven, houdt de kunstenaar in het oog als een onfeilbaar 
atmosfeerkundige. En dan de kleur! Zie, in de stukken met 
hooggespannen zonnigen trans, als b.v. „Eenzame Hoeve", hoe 
glimmend, vlekloos wit de wolken daar hangen in het opvallend 
licht ; zie, in andere stukken, die avond- of morgeneffekten voor- 
stellen, hoe daar, bij zoogenaamd doorpriemend licht, de wolken 
allerlei tinten vertoonen, wit, geel, grijs, blauw, oranje, rood. 

En ook het eigenlijke effekt van de wolken, hoe weet Verstrae- 
ten het vast te houden! Vergelijk eens de lucht van 't reusachtige 
mei-tafereel, „De Hengst", met die van het nauw kleinere „Na 
den Storm !" En gij zult begrijpen ! Een zegening is de hemel daar, 
als een ratelende vloek hier. . . . 

Ook het water geeft de meester prachtig weder, als weinigen. 
Zijn water is niet alleen, al naar het zich in het gekozen moment 
voordoet, rustig of bewogen, slaap- en droomwater als in „Vij- 
vertje" en „Rivier in het Woud" en „Na den Storm", of kabbel- 
en babbelwater als in het prachtige „Witte Zeil"; het is diep, 
geheimzinnig, en weerkaatst in het kostelijkst spel van tinten en 
tonen al de kleurschakeeringen van de omgeving. 

Dit alles was, in Verstraetens prachtig salon, een bizondere 
studie waard .... Wie er zich toe liet verleiden, kon er dubbel 
van genieten. 

Maar er is meer in Verstraetens landschappen dan dit alles! Er 
ligt, niet aan de oppervlakte, niet voor den eerste den beste on- 
middellijk te gissen, een diepe, innige stemming in, die er als een 
innige wijding aan geeft. Noem dat dionuzisch, naar een woord 
van Nietsche ! Mij wel ! Noem het mystiek, natuur-, niet geloof s- 



LANDSCHAP-, ZEE- EN DIERENSCHILDERS NA 1880. 2)3 

mystiek ! Mij goed ! Maar speur ze na, leer ze \dnden, leer ze bele- 
ven ! Ik zal u den weg toonen .... Ga rustig neerzitten vóór het 
nog al groote stuk „Het witte Zeil", en poog dat stuk Natuur te 
zien met de oogen van uw ziel en het oogenblik te beleven, waar- 
op de meester het vond, zag, omschiep in zijn ziel. . . . En gij 
zult, als wij zelf, over u voelen komen die eigenaardige huivering, 
„ce frisson", welke Gurnemanz zoo almachtig mooi uitspreekt 
in den „Charfreitags-Zauber" van Wagners over- en overheerlij- 
ken „Parsifal", want het moment, hier door des schilders toover- 
konste vastgelegd, is wel degelijk en kan niet anders zijn dan de 
verzoening van de geesten van deinzende winterkou en nade- 
rende lentewarmte; de verzoening van wind en zon in de Goede 
Week, als de Lente gaat verrijzen gelijk de Heiland op Paschen. 

Wie dat kan uitdrukken, voelbaar maken met wat kleur, is een 
kunstenaar van meer dan gewoon gehalte ! Zulk een is deze een- 
voudige, tot veinzen noch gebaren bekwame oer- en ras- Vlaming 
uit het zoete land van Waas, Edmond Verstraeten. 

Men denke nu niet, dat de dichter-schilder van de Durmestreek 
als een doodgewoon realist, een waarheidgetrouwe kopij poogt 
te geven van. . . . het min of meer wijd uitgestrekte landschap 
daar vóór hem. Neen! hij veroorlooft zich niet, zooals de mannen 
uit 1800 — 1840, te komponeeren, maar wel. ... te synthetizeeren, 
d. w. z. in de daar vóór hem liggende Natuur samen te vatten tot 
één harmonieuze eenheid juist die gedaanten en kleuren welke, 
naar zijn onfeilbaar oordeel, het natuurmoment, dat hij wil ver- 
tolken, het voortreffelijkst kenmerken.... Zijn landschappen, 
zelfs die van de grootste afmetingen, zelfs die met het rijkst ge- 
schakeerde licht, munten, juist daarom, uit door zulk een tref- 
fende eenheid, niet altijd van toon, maar van indruk, terwijl zij 
daarenboven een frischheid en onmiddellijkheid van gevoel uit- 
ademen als bij zeer, zeer weinige anderen. 

Niet zonder iets als gewetenswroeging zie ik er van af, nog te 
spreken van de geheele reeks talenten van uiteenloopenden aard 
en richting, welke elk op eigen wijs de eer van onze landschap- 
en zeeschildering ophouden: Jan de Greef (1851 — 1894), die, on- 
danks jaren van eerlijken onvermoeiden arbeid, ondanks het vol- 
tooien van een geheele reeks rijpe en meesterlijke doeken als „De 
Zwanenvijver" in 't Brusselsch Muzeum, zoo goed als onbekend 
en zeker miskend overleed; Frantz Charlet (geb. 1862), die, na 



214 LANDSCHAP-, ZEE- EX DIERENSCHILDERS NA 1880. 

veel zoeken en onvoldaan blijven, eindelijk, in de sprookjes-stille 
doode stadjes aan de Zuiderzee en soms in Zeeland onderwerpen 
vond, die hem zouden toelaten, met ongemeene fijnheid van toon- 
schakeering, impressies beide van intieme waarheid en innige dis- 
tinktie uit te spreken; August Blieck, die, zonderling genoeg, met 
een aan de vroegste impressionisten van de Tervurenschool ont- 
leende tekniek, gegrondvest op sterke, bijna brutale tegenstellin- 
gen, wee[( modern te zijn en te bewegen door ware poëzie ; Khnopff , 
van wieD de uiterst fijngetoetste avondjes aandoen als het gefluis- 
ter van een intiem gekeuvel in een schemerig hoekje van een met 
tapijten behangen kamer; de voortreffelijke Alfred Delaunois die. 
uitmuntend als geen tweede in het weergeven van de plechtige 
stilte en de paleisachtige weidschheid onzer kerken, zich tevens, 
in zijn reeds talrijke serie „In 't Land der Monniken", een land- 
schapsschilder toonde van zeer bizonder allooi ; de begaafde Karel 
Mertens^), in zoo vele te weinig gewaardeerde landschappen, 
gestoffeerd met kijkjes uit het volksleven, zooals zijn „Op de Schel- 
de", zijn „Karreelsteenkloppers", zijn „Zonnekloppers", zijn „Vis- 
scherken" ; verder nog Fichefet, Hamesse, Taelemans, de Haspe, 
Gouweloos, R. Looymans, het echtpaar Wijtsman, den zeer be- 
gaafden G. Morren, Viérin, G. Jacobs, Anna Boch, Marguerite Ver- 
boeckhoven, Opsomer, Oleffe, Jefferys, E. Jaques, Tony van Os, 
Edgar Wiethase, Posenaer, Aloïsde Laet, Riket, Michaux, Thonet, 
Célos, Jan de Graef, de te vroeg gestorvenen Crahay, Martin 
van der Loo en Richard Delahaye, en, onder de jongsten, Ch. 
Michel, Eyskens, André Lynen, Roidot, Gustaaf Hendrik Helle- 
buyck, JuUaan Severin, en vele anderen, die ik kortheidshalve 
wel moet ongenoemd laten. 

Niet nalaten mag ik, minstens met den vinger te wijzen naar de 
landschappen, welke Albrecht Servaes, de jongste vernieuwer in 
Vlaanderen, morgen wellicht een der grootsten, in de laatste jaren 
voltooide en waarin hij, meer nog door de hem eigen opvatting 
dan door de behandeling, zoozeer afwijkt van de algemeen gang- 
bare, bijna schreef ik, de „geijkte" landschapsschildering. Zijn 
..Zonnecyklus" werd evenzeer geïnspireerd door de werkelijke 
veldnatuur langs de Leie als de „plain-air "-schilderij en van Emiel 
Claus, Buysse, Baertsoen. Maar er is iets anders meê bedoeld dan 
eenvoudige en gewone natuurvertolking! 

') In „Het Schilderboek", V, een uitvoerig stuk over hem door schrijver dezes. 



LANDSCHAP-, ZEE- EN DIERENSCHILDERS NA 1880. 215 

Zooals de fijne kunstkenner, mijn vriend Jozef Muls, het deed 
opmerken, heeft dit werk vooral geestelijke beteekenis. „Dat is 
zoo waar, dat in elk van die stukken, waar niets te zien is dan aarde 
en lucht met telkens een verschillenden zonsondergang, wij figu- 
ren kunnen denken of ons een drama kunnen voorstellen. Het zijn 
landschappen, die de kunstenaar in zich heeft opgenomen, om ze 
zijn gedacht en gevoel te doen uitdrukken. Het is de aarde na den 
zondenval, het landschap van distels en doornen, van wange- 
drochten en serpenten. Het is een eindelooze droefenis, waar het 
licht toch als een boodschap door de duisternissen breekt. Het is 
een plechtig doorgloeien van aardsche duisternis. Het is de blij- 
heid van het geluk, dat weer over de wereld komt van uit een ont- 
zaglijken hemel. De huizen van de menschjes doemen op van onder 
een gouden mist. Heel het land geraakt doorgloeid van licht, de 
hemel komt op aarde, God is aanwezig, en de engelen kunnen 
neerdalen en in reien bewegen tusschen de bloemen en de vlin- 
ders." 

Tientallen jaren prees men het in de beste landschapschilders 
sedert 1830, dat zij in hun werk vertolkten de rijkgeschakeerde 
gevoelsindrukken, die de Natuur in hen opwekte, of dat zij deze 
Natuur opvatte'n als een weerspiegeling van hun eigen gewaar- 
wordingen. . . . Zal men het nu Servaes euvel nemen, dat hij, in 
stede van personeele „états d'ame", meer veralgemeende „états 
de conscience" in de Natuur zoekt? En zijn er, in de kunst van 
vroeger eeuwen, zelf in die der Nederlanden, geen voorbeelden, 
geschilderde en ook geëtste, van zulk streven aan te duiden? 

Om dit hoofdstuk te besluiten een paar regelen over onze latere 
dierenschilders. 

Tot de beste en eigenaardigste van allen reken ik zonder aarze- 
len Jan Delvin, te Gent 1853 geboren, een tijd lang leerling van 
Portaels en Cluysenaar te Brussel, sedert 1902 thans bestuurder 
van de Akademie in zijn geboortestad. 

Kwamen in zijn vroegste werken uiteenloopende, vooral Fran- 
sche invloeden voor, — zie zijn „Garnaalvisschers" (1883) in 
't Gentsch Muzeum, — van rond 1890 af teekent zijn zeer aan- 
trekkelijke persoonlijkheid, — een mengsel van beheerschte 
kracht en distinktie tegelijk, — van jaar tot jaar zich duidelij- 
ker af. 

Waren zijn vroegste werken, b.v. het 1 884 voltooide „Steige- 



216 LANDSCHAP-, ZEE- EN DIERENSCHILDERS NA 1880. 

rende Hengsten" zoo krachtig van uitsprong en skulpturaal van 
lijn, dat men eer aan bronzen paarden had kunnen denken, van 
1890 af speelt de kleur een veel aanzienlijker rol, om het even of 
hij zich bediende van olieverf, zooals voor zijn „Picadores" (1900), 
of van pastel, zooals zijn „Twee Epizoden uit een Stierengevecht" 
(zelfde jaar). Is de kleur in deze drie stukken veel rijker en krach- 
tiger dan in al zijn vroege dingen, in de tweede epizode is het 
weergegeven moment: de „picador", door den bul zoo in 't nauw 
gedreven, dat zijn paard op de achterste pooten steigert en met de 
voorste rondklauwiert over den gehoornden kop van den vijand, 
zoo dramatisch en toch zoo zonder pathos geïnsceneerd, dat men 
er stom van staat. Stier en ros zijn daarenboven heerlijk van be- 
weging. 

Voortreffelijk zijn mede „'t Slachtoffer" (1902), Brusselsch 
Muzeum, „Vechtende Paarden" (1903), Gentsch Muzeum, 
„Scheeptrekken in den Winter" (1906), Muz. van Venetië. 

Delvin, die als schilder van stierengevechten minstens de even- 
knie is van A. Lunois, is tevens een zeer degelijk portretschilder. 

Alles wel beschouwd, zouden verscheidene landschapschilders, 
die met even veel talent als voorliefde dieren in hun veld- en wei- 
gezichten voorstelden, met volle recht aanspraak maken op een 
plaats op deze bladzijde. Courtens, Farasyn, Claus, Luyten 
schilderden paarden, koeien, zwijnen, eenden, ganzen met een 
meesterschap, die verscheidene animaliers van beroep hun zou- 
den mogen benijden. . . . 

Ook Géo Bernier, die soms wel wat al te zeer onder den invloed 
van Verwee verkeerde, mag hier niet vergeten worden .... 

En zijn de meesterlijke „Vechtende Paardmenschen", welke 
het Luiksch Muzeum van Aug. Le Vêque in 1900 aankocht, niet 
ook in zekeren zin zeer voortreffelijke dierenschildering ? 



f 



il 



HOOFDSTUK XI. 

JAMES ENSOR. — ZIJN WERK. — ZIJN INVLOED. 
ENSOR DE WEGWIJZER. 

„Ik schilder geen onderwerpen, maar 
het licht." 

Uit een brief van Ensor. 

„Vóór mij luisterden de schilders niet 
naar hun vizie!" 

James Ensor. 

James Ensor! 

Een der puurste gloriën van onze hedendaagsche school, wel- 
licht de meest temperamentvolle en innigst „primesautière" van 
al onze schilders, in de laatste zestig jaar geboren ! Een in den vol- 
sten zin des woords „geroepene" en tevens een der hoogste „uit- 
verkorenen" is, ontegenzeggelijk, deze den 13 April 1860 te Oost- 
ende van een Engelschen vader en een Vlaamsche moeder geboren 
kunstenaar. 

Tot nu toe „noemden" wij hem wel herhaaldelijk, doch enkel in 
het voorbijgaan! En toch zou hij, door zijn ongemeene veelzij- 
digheid en het onbetwistbaar meesterschap, in haast ieder kunst- 
vak aan den dag gelegd, in elk hoofdstuk van dit boek een afzon- 
derlijke en diepgaande behandeling verdiend hebben .... In 
het moderne genre, in de portretschildering, in het stilleven, in de 
landschap- en marineschildering, ja, tot zelfs, in de historieschil- 
dering toe, voltooide hij stukken, wel eens ongelijk van waarde, 
voorzeker, maar waarvan toch vele ware „meesterwerken" — en 
zelfs de minst volmaakte nog waar en degelijk „schilderwerk" 
zijn. 

Want, ofschoon James Ensor sedert lang zijn gouden sporen 
verdiende in het moeilijke vak der etskunst, ja, terecht als een 
der twee of drie voortreffelijkste etsers in Vlaanderen en geheel 
België staat aangeschreven; torh is hij en wil hij in de eerste 



218 JAMES ENSOR. — ZIJN WERK. 

plaats zijn een kunstenaar van de kleur om de kleur, een „schilde- 
rend" en niet een „teekenend" of „stylizeerend" schilder, onbe- 
wust en op eigen manier verwezenlijkend het prachtige woord, 
dat ik ergens van Durer las in onverbasterd Nurenberger dialekt : 
„Ejm Moler muss molen." 

Het is niet onaardig, dat deze zelfde Ensor, die, van ongeveer 
1880 tot niet zoo lang vóór den aanvang der nieuwe eeuw, door- 
ging als „de revolutionnair bij uitnemendheid"; die, op geest en 
zenuwen van de hoogstaangeschreven woordvoerders der Brus- 
selsche kunstkritiek en niet minder op geest en zenuwen van de 
min of meer akademische inrichters der officieele tentoonstellin- 
gen een invloed oefende niet ongelijk aan dien, welken b.v. het 
spotbeeld van den een bebloeden ponjaard tusschen de tanden 
hondenden bolsjewist heeft op het zwakke brein en de slappe ner- 
ven van de conciërge in een Parijsch „hotel" ; het is niet onaardig, 
zeg ik, dat deze Ensor, van 1 877 tot einde 1 880, als oppassende, 
ja, voortreffelijke leerling in de Brusselsche Kunstakademie stu- 
deerde, en dit, zooals hij het zelf eens schreef, zoo „consciencieus", 
dat hij zich, ondanks velerlei twijfel en aarzeling, zoo gelaten bij 
alle schoolsche regelen neerlei, dat hij een prijs, naar het Antiek 
nogal, — Ensor en het Antiek ! — naar huis bracht ! 

Toch was Ensor reeds vóór het verlaten der Akademie gewe- 
tensvol, ja, hartstochtelijk aan 't „zoeken". In zijn vrije uurtjes 
liep hij bij voorkeur naar de muzea, het liefst en het meest naar 
het Muzeum van oude Meesters, en daar zat hij uren lang, stil als 
een muis, zich te verdiepen in het bestudeeren van de meesterwer- 
ken der XVe en XVIe eeuw nu, van die der XVIIe daarna, en zoo 
kwam hij er van lieverlede toe, voortaan als een axioma te be- 
schouwen, wat hem tot dan toe nog slechts vaag vóór den geest ^ 
had gezweefd, dat in het België van 1880, de meerderheid van de 
beoefenaars der Schilderkunst, het eenig ware spoor der nationale 
Vlaamsche overlevering bijster geworden, het gevoel voor het 
ware „schilderen", voor het rijke, warme, diepe, maar vooral 
doorschijnende, lichtende, natuurlijke koloriet hadden ingeboet 
en maar al te veel waarde hechtten ten eerste aan het zoeken 
naar dan nog dikwijls litteraire of wijsgeerige onderwerpen, ten- 
tweede aan zoogezegde volmaaktheid van een vorm, die hoofd- 
zakelijk door teekenen, lineair teekenen moest bereikt worden. 

Die jonge man van twintig jaar, half landsman van Whistier, 



ZIJN INVLOED. — ENSOR DE WEGWIJZER. 219 

Turner, Constable, maar ook van Hogarth, Rowlandson, Grillray, 
Crnikshank, half stamgenoot van Brouwer, Leyster, Hals, Rem- 
brandt, maar ook van Viezen Bruegel en Jeroen Bosch, was er 
door getroffen geworden, dat, zooals toch leeraars en kunsthisto- 
rici verkondigden, de groote meesters van het moderne land- 
schap. Courbet, Rousseau, Dupré, Daubigny, evenals vóór dezen 
Constable, zich bekend hadden als volgelingen van de oude Hol- 
landsche en Vlaamsche meesters, en dat de Belgische kunstenaars 
er zich toe vernederden, „de reprendre leur bien en s'inspirant a 
leur tour des maitres étrangers." En, met onwrikbare logika, 
bouwde hij deze stelling op: „Laten wij liever teruggaan tot de 
eigen en onvervalschte bronnen ; laten wij tot voorbeelden nemen 
„onze" meesters en niet hun Fransche of Engelsche navolgers." 

Door het met elkaar vergelijken van de werken der zoogezegde 
„Primitieven" met die van het Barok in Holland en Vlaanderen, 
kwam Ensor verder tot de ontdekking, dat, als zuiver schilder- 
werk beschouwd, de scheppingen der XVHe eeuw die uit de XVe 
en XVIe enorm overtreffen; dat zij, namelijk, veel, veel meer be- 
naderen datgene, wat toch alleen zijn kan het einddoel van de 
schilderkunst: het vangen, op doek of paneel, het weergeven in 
verhoogde schoonheid van het gekleurde licht en de verhchte 
atmosfeer. 

Belangrijk zijn de volgende bekentenissen, voorkomende in een 
langen en bij uitstek karakteristieken brief aan schrijver uit 1899: 

„Ik heb steeds gemeend, dat een onberispelijke lijn geen verhe- 
ven gevoelens kan inboezemen. Zulk een lijn vereischt geen in- 
spanning, geen diepere kombinaties; vijandelijk aan het geniale, 
kan zij noch de passie, noch de onrust, noch den strijd, noch de 
smart, noch de geestdrift, noch de poëzie uitspreken. De triomf 
van de lijn is onzinnig ; alleen oppervlakkige en bekrompen geesten 
vereeren haar. De lijn vertegenwoordigt het vrouwelijke." 

En verder: „De vorm", namelijk aldus begrepen, „leidt naar 
plastiek ; hij is een reden tot zwakheid, armoe aan vinding ; hij is 
verouderd en moet het kenmerk blijven van de oude meesters, 
die hem hebben opgebruikt en vernietigd. 

„Onze schilders zijn als durflooze beeldhouwers! Waarom ver- 
smaden zij het zelf-zien, de eigen vizie en daarbij het licht, het 
licht, in al de duizenden vorm wijzigingen, welke het toebrengt 
aan de lijn. . . . 



220 JAMES ENSOR. — ZIJN WERK. 

„Ik zag vóór mij een eindeloos veld, dat ik zou doorzoeken, een 
nieuwe vizie, die ik zou doen aannemen." 

Overigens, reeds in 1 882 had Ensor eenige dezer gedachten al- 
dus neergeschreven: 

„Terwijl men nader opmerkt, wijzigt zich de vizie. Bij 't eerste 
zien, zooals alleman ziet, ziet men de eenvoudige lijn; de droge 
lijn zonder eenige verschijning van kleur. In het tweede stadium 
onderscheidt het meer geoefend oog de toon-waarden en haar 
schakeeringen ; de gewone menschen verstaan dit reeds veel min- 
der. In het laatste stadium ziet de kunstenaar de menigvuldige en 
subtielste spelingen van het licht, de plans van het licht, het stij- 
gen van het licht .... Deze op elkaar volgende waarnemingen 
wijzigen de eerste vizie en de lijn verzwakt erdoor en gaat bijzaak 
worden. 

„En zoo heeft de kunst zich ontwikkeld van af de lijn der Gotie- 
ken dwars door de kleur en de beweging der Renaissance, om 
eindelijk te komen tot het moderne licht." 

En toch zit er, ondanks deze van de innigste oprechtheid getui- 
gende geloofsbelijdenis, ergens in een verborgen rimpeltje van 
zijn uiterst veelzijdige, tevens ongemeen fijngevoelige natuur, 
een klein en skeptisch spot-duiveltje, die dezen schilder van niets 
dan licht en lichten, dezen versmader van de lijn, dezen opzette- 
lijken verwaarloozer van onderwerpen, drijft tot heerlijke lijnen- 
rythmiek in zekere van zijn teekeningen en etsen, tot het ver- 
zinnen van de eigenaardigste, zonderlingste, ongelooflijkste su- 
jekten, ja, tot een onweerstaanbare, bijna hartstochtelijke ver- 
eering van een meester, wiens overigens hoogstaande kunst als 
het ware louter volmaaktheid, zwier, teerheid en schoonheid van 
lijn is: Jean-Dominique-Auguste Ingres (1780 — 1867). 

„Een enkel meester van den vorm heeft mij bijna despotisch 
verleid, mij bijna evenzeer bevallen als Goya en Turner, deze 
beide groote verliefden op licht en geweld! Namelijk Ingres ! Zon- 
derling ! Zijn korrektheid heeft mij nooit mishaagd ! Hij beheerscht 
en idealizeert den vorm en zuivert hem van alle vlekjes! „Aldus 
Ensor in hooger bedoelden brief. 

James Ensor behoort tot die zeer zeldzame kunstenaars, die 
van eerst af .... , bewust van hun eigen kracht en roeping, den 
weg weten. Dit was, zooals wij zagen, niet het geval met Leys, 
toch een onzer heel grooten; nog veel minder met zoovelen, epi- 



ZIJN INVLOED. — ENSOR DE WEGWIJZER. 221 

gonen dan meest, die onder telkens nieuwe invloeden ook telkens 
nieuwe manieren aanvaardden. Het was het geval met Hendrik de 
Braekeleer, Verwee, Jan Stobbaerts A. J. Heymans Baertsoen, 
Edmond Verstraeten en weinige anderen. 

Ensors geheele evolutie ontwikkelt zich in één en de zelfde 
richting : „schilderen' ' ; schilderen wat de eigen en aldoor herhaalde 
en verfijnde vizie ver openbaart en de vormen van het geziene 
slechts voor zooveel in acht nemen als het licht het veroorlooft 
ze waar te nemen op de plaats zelf waar de kunstenaar staat ; 
schilderen zoo vrij en breed mogelijk en met den algemeenen lo- 
kalen toon juist zooveel en niet meer rekening houden als het in 
de eerste plaats beoogde weergeven van de nauwelijks te tellen 
lichtspelingen en -schakeeringen toelaat ; maar schilderend vooral 
naspeuren de duizend en één schakeeringen van de kleur, de haast 
eindeloos afgewisselde neven- en tusschentonen, juist al die bi- 
zonderheden, welke een ongeoefend oog niet ziet en niet kan zien 
en die, samensmeltend in zulk oog tot een min of meer groote en 
grove vlek, eigenlijk de lokale kleur uitmaken, die zelfs de meest 
onartistiek aangelegde noodzakelijk waarnemen moet! 

En nog iets meer wilde Ensor nastreven en heeft hij werkelijk 
ook zegevierend bereikt : hij wilde bezitten een in den vollen zin 
des woords hem en hem alleen eigen palet. Zijn rood, oranje, 
groen, blauw, geel, paars, grijs, zwart, zij zouden worden omgezet 
tot tonen, welke noch op het rood, oranje, blauw, paars, enz., 
van om 't even welken anderen schilder — , noch het gewone, vul- 
gaire, ruwe rood, blauw, paars, zooals het uit de verfbuisjes ge- 
knepen wordt, gelijken zou. 

In zekeren zin zou men kunnen zeggen, dat wat hij in 1880, 
dus bij het begin van zijn loopbaan voltooide, adekwaat overeen- 
komt, ja gelijkstaat met al wat hij later uitvoerde. Natuurlijk 
bestaat er onderscheid van volmaaktheid, ook wel, zooals wij 
zullen zien, van zuivere tekniek, onderscheid van geaardheid 
echter, van wil, van streven is er nergens. 

In 1880 geschilderd, in 1881 tentoongesteld in een salonnetje 
van den kring „La Chrysalide" te Brussel, gaven deze stukken: 
„Een Koloriste", „Een Kool", beide aangekocht door E. Rous- 
seau, en ook „Binnenhuis", de volle maat zoo niet van Ensors 
„kunnen", dan toch van zijn „kunst wil". In die eerste jaren werkte 
Ensor minstens even gaarne met het paletmes als met kwasten. 



222 JAMES ENSOR. — ZIJN WERK. 

En wat hij er mee verkreeg! Geen matte, ondoorschijnende tonen, 
maar, in den stralenden rijkdom van wonderfijn geschakeerde 
heele en halve tinten, de onverweldigende betoovering van 
een wonderbaar „clair-obscur". 

Gekleurd licht, gekleurde schaduw, niet verf-effekten, strek- 
. kende om weer te geven, heel juist, maar heel ongevoelig, de 
lokale kleur; dat wilde en dat verwezenlijkte die kunstschilder 
van 20 jaar! 

Even vóór 1890 onderging Ensors tekniek een grondige, en, 
naar mijn oordeel, gelukkige wijziging. Hij verzaakte onherroe- 
pelijk aan alle vermenging van kleuren en nam tot vasten 
stelregel, voortaan alle verven, in hun loutere puurheid, aan te 
wenden. Van dan af laat hij het paletmes meer en meer rusten. 
Bij voorkeur bedient hij zich nu van het penseel en strijkt, 
met heel lichte, delikate veegjes, — wat men in het Fransch 
noemt „de légers frottis", de verf, in een zeer dun laagje, 
op paneel of doek, en schrikt er geenszins voor terug, hier en 
daar, tusschen een veegje groen en een veegje rood, de grondverf 
zelf onbedekt te laten. Minder nog dan te voren worden van 
nu af de omtrekken aangegeven; ja, zij lossen zich geheel en 
al op in het licht. Bruin en zwart verdwijnen voor goed, en het 
voorgestelde, als er nog van zoo iets kan gesproken worden, 
verkrijgt, in het alle vormen verzachtende en van licht verzadigde 
luchtbad een wonderbare immaterialiteit ! 

Niet als een bi zondere verdienste, maar dan toch als een niet 
beteekenislooze bizonderheid wijs ik er op, dat, hoe jong ook, 
Ensor zich geen oogenbHk liet verleiden tot het ontleden van 
den toon volgens de wetenschappelijke methode, die zoovelen 
reeds op dat oogenblik in Frankrijk en België hadden aangenomen 
of zouden aannemen: G. Seurat, Pizzaro, Claude Monet, van 
Rysselberghe, Signac .... Ensor vond het overbodig te stippelen 
waar hij, door zijn licht volle toetsen en vegen, eigenlijk het 
doodgewone en gezonde vlekschilderen van de beste Hollanders 
en Vlamingen, doch toegepast met een bizondere, nieuwe intentie, 
hetzelfde kon verwezenlijken. En heden nog is hij van deze 
meening. 

Dit laatste diende hier des te meer gezegd, omdat, zooals ik 
hierboven al schreef, de Belgische jury's, de Belgische kritici, 
in die Ensorsche manieren als het veege voorteeken erkenden 



ZIJN INVLOED. — ENSOR DE WEGWIJZER. 223 

van .... het einde der wereld, of ten allerminst van een of ander 
allerverschrikkelijkst maatschappelijk kataklisme 

Toen de jonge durver, in 1883, tegelijk met den heel wat oude- 
ren Willem Vogels, in Waux-Hall, het welbekende en selekte 
lokaal van den „Cercle artistique et littéraire", een aantal land- 
schappen, stillevens, watergezichten tentoonstelde, toen leek de 
deftige gelag- en leeszaal van het eerentfeste gebouw al die 
dagen een Poolsche landdag! Dozijnen artiesten, wier namen 
nu geheel vergeten zijn, zochten te vergeefs naar woorden, 
kras en beleedigend genoeg, om hun verontwaardiging te luch- 
ten. Beroemd bleef de uitval van den marineschilder Francia, 
die de stukken van Ensor, en overigens weinig minder die van 
Vogels, als „turpitudes" schandvlekte. 

En toch had Ensor toen reeds op zijn aktief die prachtige, 
gedurfde lichtstudie, geheel in donkere, zwarte, haast roet- 
zwarte toetsen en vegen uitgevoerd, die rond 1 890 voor het Muze- 
um van Hedendaagsche Kunst werd aangekocht: „De Lampen- 
jongen", die, heel in 't begin „Un Fumiste" getiteld was en die 
heden zoo goed als klassiek is geworden! 

Dat de klaarder zienden te Brussel, en onder dezen de schilders 
Meunier, Mellery, Eugeen Smits, Alfred Verhaeren, Ch. Hermans, 
ja, Portaels, Ensor verdedigden, strekt hun tot eer. Maar nog 
in 1884 werden al de door Ensor voor de Driejaarlijksche aange- 
boden werken ongenadig afgewezen .... 

Daaronder was nu de „Namiddag te Oostende" ^), een van de 
voortreffelijkste binnenhuizen, die door een moderne geschilderd 
werden. 

Bij die gelegenheid werd de volgende bekentenis afgelegd: 
„Il y aura au Salon de bien plus mauvais tableaux, mais nous 
ne pouvons admettre ces tendances!" 

Wie een overzicht wil hebben van Ensors prestaties moet niet 
de katalogen der officieele tentoonstellingen raadplegen, maar 
die van de kunstkringen, waarvan de leden als het ware de voor- 
hoede van de kunstvernieuwing uitmaakten: „Chrysalide", 
„Ensor", „De Twintigen (Les XX)", „La libre Esthétique", 
te Brussel, „Licht en Leven" en „Kunst van Heden" te Ant- 
werpen. Vooral zijn inzendingen naar de salons der drie eerste 



') Namelijk de eerste gedaante ervan, voltooid in 1881; een tweede, verzameling 
F. Speth, Antwerpen, in een veel lichtere gamma, is van verscheidene jaren later. 



224 JAMES ENSOR. — ZIJN WERK. 

vereenigingen dienen in aanmerking te komen; in die der drie 
andere ontmoette men het meest groepeeringen van reeds vroeger 
elders vertoond werk. 

Het gaat evenmin, hier al de schilderijen van Ensor te bespre- 
ken als enkel de titels aan te halen van al degene, die hij in de 
pas genoemde vereenigingen en eindelijk ook in een klein aantal 
officieele Drie j aarlij kschen tentoonstelde. Liever wil ik het be- 
proeven, een enkel reprezentatief voorbeeld van de onderscheiden 
door hem beoefende genres te kenschetsen. 

Zijn binnenhuizen! Ik noem — „Interieur" en „Een Kolo- 
riste", voltooid in 1880; „Het Burgersalon" en „Namiddag te 
Oostende", beide uit 1881; „Dame in donkere Kleederen" en 
„De Luizige bij 't Kacheltje", uit 1882; „Dame en Détresse" 
uit 1884; „Kinderen bij het Toilet," 1886; enz.. 

Het doet er weinig toe, dat in het een interieur een jong 
meisje een van kleuren schitterenden waaier zit te bekijken, 
in het ander een arme drommel in getaande en verhakkelde 
kleeren zijn oude knoken poogt te warmen, in het derde een jonge 
roodgerokte vrouw op een bed ligt te woelen. Het onderwerp 
komt niet ééns in aanmerking. Minder, veel minder dan bij Hen- 
drik de Braekeleer heeft het bij Ensor te beduiden en te doen 

Ook de teekening, al is zij er wel, speelt geen in 't oogspringende 
rol.... Die speelt verstoppertje onder en achter datgene, wat 
de kunstenaar zoo zuiver en treffend mogelijk wil doen spreken: 
de eigenaardige atmosfeer van een gesloten salon, een kamer, 
of een krot, en, in dien dampkring, de duizendvoudige spelingen 
van licht en donker. De klare, glanzende of glimmende dingen 
doen zingen op een begeleiding van schaduwen, dat is het opzet. 
Zóó vervult b.v. een geel venstergordijn, waarop het volle licht 
van den dag valt, de hoofdrol in „Dame in Détresse." 

Een van de voortreffelijkste is „Namiddag te Oostende", wel 
te verstaan .... te Oostende of in de stad Om-'t-even-waar ! 
Een sujekt als voor een Alfred Stevens Een oude dame ont- 
vangt een jonge, eenigszins elegante vriendin, of verwante, geheel 
behangen met geelkleurige linten! Wie kijkt er naar? Alleen 
een mirakel van licht, van rijkgekleurd licht, beleeft ons oog. Het 
geheele mobilier en de beide dames zijn er alleen als onthullingen, 
veropenbaringen van het licht zelf, dat alles schijnt te scheppen 
veel meer dan te vertoonen Zeer treffend zei Eugeen de 



ZIJN INVLOED, — ENSOR DE WEGWIJZER 225 

Molder hiervan: „Les objets boivent de l'air, se mouillent d'ath- 
mosphère, et perdent ainsi, de même que des éponges ivres d'eau, 
leurs arêtes et leurs délimitations nettes. . . . Les rayons appa- 
raissent en souris argentées qui s'attaquent aux profils, a moins 
qu'ils ne soient des langues qui font vibrer la matière en quelque 
universelle et chaude Pentecóte d'harmonie." 

Ensors figuurschildering! — „De Lampen jongen" is uit 1880, 
„De Oestereetster" uit 1882. 't Zijn de twee grootste menschen- 
figuren, die ik van hem ken. 

Die „Lampen jongen" moge al doen denken aan Manet; een 
kraniger stuk schilderwerk onderteekende deze toch wel stoute 
durver nooit ! Naast een stoel, waarop een glazen petroleumlamp 
staat, een jonge knaap, geheel in 't zwart, en houdend in beide 
handen een lantaarn. „Il fait songer a un Frans Hals poussé a 
quelque noir de cirage!" schreef de Molder. . . . „Noir de cirage", 
„schoen-smeer! „Neen, juister ware: het zwarte, vettige roet van 
schouwen, fornuizen, lampen .... Als met zwart van dat roet is 
hier getruweeld en geveegd, getoetst en geborsteld, gestreeld en 
geslagen .... En met dat zwart of — beter — met een geheele 
gamma van dat zwart is hier een ongemeen sterk licht en, in 
dat sterke licht, elke vorm van figuur en voorwerpen weergegeven. 

„Ce noir est fort en variations et détaille des nuances, et la 
physionomie du jeune ouvrier en casquette, debout devant ce 
mur pauvre, regardant avec attention une lanterne, a beaucoup 
de grace et de séduction. Cette oeuvre subjugue par sa profonde 
réalité. „Zoo de Molder ! Juister ware : „het werk overweldigt u 
door zijn wonderbaar koloriet." En welk koloriet! 

Op den stemmig grijzen toon van den achtergrond dat donkere 
en toch ongemeen stout verlichte, bijna zelf licht-uitstralende 
jongensfiguur; een geheel van de meest gevarieerde zwarten, 
welke opglimmen op de klep van de werkmanspet, op den bollen 
kant van al de vouwen en de plooien in buis en broek, op de pun- 
ten van de schoenen, zoodat men, als men de oogen dichtknijpt 
en door de wimpers gluurt, wanen zou dat een geheele zwerm 
hchtkevers er over heen krioelen. . . . En al die zwarten heerlijk 
kontrasteerende met het stoer blinkend geel van den lantaarn en 
met het doorschijnend geglimmer van de petroleumlamp en 
het lampglas 

Het brutale en zeker zeer overdreven beweren van een jong 

15 



226 JAMES ENSOR. — ZIJN WERK. 

kunstrevolutionnair uit die jaren, wijlen Georges Lemmen: 
„Neem het schilderij van X onder den arm en doorloop ermee 
de zalen van het Muzeum van oude Meesters, en al die hoogge- 
roemde meesterstukken van Vlaamsch koloriet zullen er bij ver- 
bleeken !" — een boetade zonder meer ! — ware tot de eenvoudige 
" vaststelling van een feit geworden, zoo Lemmen gezegd had : 
„In het geheele Muzeum van Hedendaagschen hangen geen tien 
schilderijen, die Ensors „Lampenjongen" in hun naaste buurt 
zouden verdragen!" 

Ensor als portretschilder! Ik ken van hem „Mijn Vader", 
voltooid in 1882, en twee andere, „Portret van mijn Moeder" 
en „Mijn doode Vader", van eenige jaren later. Het zijn licht- 
studies, kleursymfonieën, en geenszins ondanks alle nogtans 
nagestreefde gelijkenis, wat men zoo noemt portretten. „Het 
Portret van mijn Moeder" is een interieur; „Mijn doode Vader" 
een studie naar de natuur van buitengewone realiteit. Als men 
van het afbeeldsel van een doode kan zeggen, dat „het leeft", 
om des te beter te doen uitkomen, hoe treffend het dood-zijn is 
weergegeven, dan zou men geneigd zijn, het hier te doen. Overi- 
gens is „Het Portret van mijn Moeder" al lang erkend als een mees- 
terstuk van schilderkunst. 

Met tegenzin laat ik terzijde eenige zeegezichten : de vroegste, 
in een grijze, melankolische gamma, de latere veel eigenaardiger, 
lichter, — met luchten, die herinneren aan Turner, en ook een 
half dozijn landschappen, welke ons de natuur vertoonen als in 
een droom. Ook van zijn vele vermommingstaf ereelen, dien ge- 
heelen en hoogst eigenaardigen „monde de faux-nez", zooals 
Emile Verhaeren 't noemde, waarin hij op scherpe, soms wel 
eens cynische wijze de vulgariteit, de leelijkheid, het platte en 
grove materialisme van zijn hem weinig sympathieke tijdgenoo- 
ten over den hekel haalt, ga ik voorbij, om nog een woord te 
zeggen van het kunst vak, waarvoor hij blijkbaar steeds een bi- 
zonder zwak heeft gehad en waarin hij boven velen uitblinkt: 
het stilleven. 

Lang is de reeks van zijn stillevens van af die ongelooflijk 
prachtig reëele „Kooien", dien niet minder reëelen „Rog" en die 
rijkkleurige „Chineesche Voorwerpen" uit 1880 over de mooie 
„Visschen" en „Peren" uit 1881, „Bloemen en Porselein" uit 
1882, „Pioenen en Papavers" uit 1883, die andere „Kooien" 



ZIJN INVLOED. — ENSOR DE WEGWIJZER. 227 

uit 1890, en den „Rog" uit 1893 heen tot „Chineesche Kunstvoor- 
werpen" uit 1906, de zeker wel rond den zelfden tijd voltooide 
„Verwelkte Bloemen en vergane Kleuren", en de zeldzaam mooie,, 
uiterst kleurgevoelige „Blauw- en Goudharmonie" uit 1919, 
Niet alleen kiest Ensor met opzet stillevensobjekten, die van na- 
ture schitterende, rijke kleuren, als rog en goudvisch, kolle- 
bloemen en citroenen, porseleinen en metalen, of ook zonderlinge, 
zeldzame vormen vertoonen, als Japansche of Chineesche mas- 
kers, afgoden, duivels en monsters; hij schikt ze daarbij nog op 
zulke manier en stelt ze in een zulkdanig licht, dat zij hem van 
zelf stof leveren tot een waar goochel- en tooverspel van heele en 
halve tonen en tinten en van allerlei tusschen- en nevenscha- 
keeringen ervan. Ik geef toe, dat de stillevens van Louis Dubois, 
Alfred Verhaeren, Hendrik de Braekeleer, Willem Linnig Junior, 
Walter Vaes, Alice Ronner, uitmunten door een krachtiger, 
wellicht meer aan de traditie trouw blijvende kleurwedergave, 
dat zij meer vormen-uitsprong, misschien grooteren, „rijkdom" 
van koloriet vertoonen! Subtieler kleur- verfijningen, teerder 
nuanceeringen, verder doorgedreven lichtontledingen dan bij 
Ensor zult ge bij geen hunner aantreffen. Dat ook de Molder het 
zoo voelde, blijkt, dunkt mij, uit deze woorden: „Als stillevens- 
schilder is Ensor klaarblijkelijk van het zelfde ras als Louis 
Dubois. . . . Mais il se différence par une lumière plus fine et 
plus musicale. ..." En hij voegt er bij: „Les choses possèdent 
des pulpes qui se gorgent de rayons. La lumière fait d'une porce- 
laine, d'un linge, d'une fleur, une matière charnue. Chez Ensor ce 
jour-la, moëlleux et riche, c'est comme Ie sang externe des 
objets." 

Zou het niet zijn in deze stillevens, dat de Oostendsche meester 
de volle maat geeft van zijn wonderbare koloristengave ? Laat 
hij in hen het licht niet de hoogste en zeldzaamste feesten vieren ? 

De meeste van deze stukken zijn als met het hcht zelf geschil- 
derd, en in dat licht jubelen, roepen, zingen, neuren, fluisteren, 
bidden, louter en onvermengd, in een oplachen van heldere 
blijheid, het fijnste rood en oranje, het edelste paars, het zeld- 
zaamste groen, de subtielste parelmoertoon en het stemmigst 
grijs. 

In het historisch-godsdienstig genre ken ik, uit den vroegen, 
ofschoon niet aller vroegst en tijd van Ensor een merkwaardig 



'228 JAMES ENSOR. — ZIJN WERK. 

werk, „Adam en Eva, uit het Paradijs verdreven", toch eigenlijk 
meer een eenigszins Turnerachtige vizie van de Natuur dan de 
uitbeelding van de in Genesis verhaalde gebeurtenis. In 1888 
schilderde hij een stuk, dat hij , naar ik meen, geen enkele maal 
tentoonstelde, ofschoon hij er zelf een bizondere voorliefde voor 
heeft en er heel zeker het streven der huidige expressionisten in 
aankondigde. In 1898 voltooide hij naar dit werk een meesterlijke 
ets, die aanleiding gaf tot luidruchtige discussies. Deze van dan 
af beroemde en door alle kenners gezochte plaat, „De Intrede van 
Jezus- Kristus op Vastenavond in het Brusselsch Jeruzalem", 
behoort tot een geheele en hoogst interessante reeks etsen en 
teekeningen met uitgesproken, vaak drastisch uitgesproken wijs- 
geerig-satirische strekking, zooals onder meer andere „Kristus in 
de Hel", De Duivelen Dzittes en Hihahot leiden Kristus ter 
Helle", „Kristus aan het Kruis door Duivelen gekweld", „Kristus 
door Satan verzocht", „De Vermenigvuldiging der Visschen", 
„Kristus bij de Bedelaars", „Kristus in de Hel" (1891), enz.. 
Het is vooral in deze en dergelijke werken, dat de hoogst eigen- 
aardige kunstenaar zijn aangeboren plaag- en spotzucht, zijn voor 
niets terugdeinzende vit- en vechtlust botviert en tevens zijn zeer 
nabije verwantschap met de groote Engelsche karikaturisten 
en soms met Goya bevestigt. Het stuk zelf, waarvan de tijd 
het koloriet wonderbaar verrijkte, gloort en gloeit als een vuur- 
werk in Ensors atelier. 

Overschouwt men met onpartijdig oog het rijke werk van 
Ensor, dan leert men in hem waardeeren, van al degenen, die 
na 1860 het licht zagen, den man, die het helderste besef bezat 
van het innigste wezen der schilderkunst in 't algemeen en 
daardoor alleen reeds beter dan elk ander in staat was, om zijn 
kunstgenooten, vooral de jongeren, met zekerheid den weg te 
toonen, dien zij dienen te volgen, indien zij, al meer en meer 
verzakende aan de eigenschappen van het ras, hun rijke aange- 
boren begaafdheid niet willen ten offer brengen aan een nivel- 
leerend en op den duur onvruchtbaar internationalisme. 

Schilder van licht om licht en kleur om kleur, strevend, als 
niet één, naar stevige eenheid en harmonie ondanks de weerga- 
looze verscheidenheid van de licht- en kleurnuances, oefende 
hij, vooral sedert 1900, op de jongeren een invloed, welke zonder 
twijfel onze school zal ten goede komen. Merkbaar in velen, van 



ZIJN INVLOED. — ENSOR DE WEGWIJZER. 229 

welke ik waag te noemen Albert Crahay (1881 — 1914), Auguste 
Oleffe, Paul Artot, Marcel Jefferys, W. Paerels, H. Daeye, 
Maurits Wagemans, Clemencia Jonnaert, Maria Inghels, Jan 
Colin, Walter Stevens, had zijn invloed reeds een anderen 
jongere, een der heerlijkst begaafden nog wel, bezield tot werken, 
die, wel onvolmaakt en onrijp nog, niet alleen zwanger waren van 
een geheele openbaring van nieuwe mogelijkheden, maar juist de 
logische voortzetting beloofden te zijn van het werk van Ensor: 
Rik Wouters. 

Ik zou het bijna aandurven, te beweren, dat ook erkende mees- 
ters van een ouder en toch zeer sterk geslacht uit de aanschouwing 
van Ensors lichtstudies profijt haalden, en ik koester de hoop, 
dat niemand mij zal beschuldigen, een groot kunstenaar onrecht 
te hebben aangedaan, als ik zeg, dat Jan Stobbaerts, die zich 
in 1885 te Brussel vestigde en daar gelegenheid te over had, om 
Ensors prestaties te leeren kennen, een dezer was. 

De Mechelaar Rik Wouters (1882 — 1916), de wonderlijk veel- 
zijdige, waarin naast elkander twee kunstenaars leefden: een 
ongemeen stout schilder, verliefd op niets dan licht en kleur, en 
een niet minder stout durvend boetseerder, strevend naar bewo- 
gen, trillende, levende vormen tot zelfs in de plastiek, stierf veel 
te vroeg. . . . Toch zullen eenige zijner hartstochtelijk uitgevoer- 
de, door en door „primesautière" schilderijen — breed aange- 
legde, stout geborstelde schetsen en studies van een onrustigen 
en nog lang niet met zichzelf voldanen zoeker: — stillevens 
als b.v. „Bloemen", Paddestoelen"; grepen uit het leven als 
„Zieke Vrouw", „Roode Gordijnen" en vooral het verbluffend 
rake, „De Strijkster"; — blijven als herinneringen aan een der 
mooiste en rijkste temperamenten in het Vlaanderen van nu. 

Ook van Wouters' proeven zou men kunnen zeggen, wat 
Ensor aan Koning Leopold II getuigde van zijn eigen werk: 
„Sire ,het zijn geen schilderijen, het zijn symfonieën." 

Wat Rik Wouters in teknisch opzicht vooral van Ensor ge- 
leerd had en wat, — naar ik durf hopen, — nog anderen van hem 
zullen leeren, is, wat de meester zelf eerst sedert ongeveer 1889 
heeft gedaan: schilderen met de zuivere, niet gemengde verven, 
met een blijkbare voorkeur voor levendige, heldere, violente 
en toch verfijnde tonen, wat, naar de getuigenis van den artiest, 
de schilderijen veel langer vrijwaart voor het tanen of schieten 



230 JAMES ENSOR. — ZIJN WERK. 

en dof worden van de kleur, het „nadonkeren", dat alle met ge- 
mengde verven uitgevoerde tafereelen zoo zeer bedreigt. 

In het begin van dit hoofdstuk repte ik met een enkel woord 
van Ensor als etser. De talrijke reeks zijner geëtste bladen, 
interieurs, stadsgezichten, landschappen, marines, portretten, 
historische, religieuze en wijsgeerige fantazieën, karikaturen, 
enz. 1), ware, in elk ander land dan België, al lang door een kunst- 
lievend -Jiitgever in een prachtalbum verzameld geworden, liefst 
met de.^eheele en even talrijke serie zijner zwart-en-wit en ook 
wel gekleurde teekeningen, waarin — veel meer dan de op 
spel van licht en kleur beluste Vlaming, de satirische Engelsch- 
man, de geestverwant van Hogarth, Rowlandson, Cruikshank, 
Gillray, de cynische, niets en niemand ontziende, zich zelf op 
de belagers van zijn eigen kunst wrekende spotter aan het woord 
is. Een wonderbare eigenaardigheid van Ensor, den teekenaar 
en den etser, is deze, dat hij zijn manier, zijn trant, zijn uit- 
drukking zonder ophouden wijzigt, al naar de aard zelf van zijn 
onderwerp het zoo medebrengt .... Men zou wanen, dat er, 
in dit geheele en kostelijke ensemble, niet één, maar twintig 
Ensors aan het werk waren. Het vlammentongetje van het 
genie dezer groote meesters: Jeroen Bosch, Vlezen Bruegel, de 
bovengenoemde Engelschen; den enormen meester van de 
„Caprichos" en de „Desastros de la Guerra", Goya; den ongena- 
digen Daumier ; de groote Japanners ; Rembrandt ook nu en dan, 
schijnt bij afwisseling boven Ensors mooien artiestenkop gezweefd 
te hebben. Er zal een tijd komen, dat de verzamelaars zich 
's mans etsen en teekeningen zullen betwisten zooals zij het nu 
al met zijn schilderijen doen. 

In vroegere hoofdstukken klaagden wij de miskenning aan, 
waaraan een meester als Hendrik de Braekeleer, een stout nova- 
teur als Boulenger, een beminnelijk landschapsschilder als de 
Knijff, en, na nog vele anderen van de besten, een artiest als 
Henry de Groux hebben blootgestaan. Zoo als Ensor werd echter, 
van 1830 tot heden toe, in België geen kunstenaar bestreden, be- 
spot, gelasterd, gescholden .... Vooral te Brussel was hij , meer 
dan vijftien jaar lang, als het bevoorrechte „hoofd van Jut", 
waarnaar de officieele woordvoerders der kunstkritiek, — wat 



') In mijn bundel „Koppen en Busten" komt een opstel voor over Ensor als teeke- 
naar en etser. 



ZIJN INVLOED. — ENSOR DE WEGWIJZER. 231 

zijn de namen van al die heeren heden vergeten ! — hun scherpste 
pijlen schoten, waarnaar dillettanten en kenners hun van ver- 
ontwaardiging gebalde vuisten uitstaken .... Ensor, even ge- 
voelig voor onverdienden blaam als bewust van eigen kracht 
en kunnen, betaalde kritici en publiek met woeker den tegen 
hem uitgekwijlden spot terug .... Satirische teekeningen en 
schilderijen, even violent van opvatting en boosaardig van 
intentie als drastisch uitgevoerd, waren keer op keer zijn ant- 
woord. Wij noemen uit het geheugen : „De gevaarlijke Koks", 
„De goede Rechters, ,De kwade Artsen", „Iston, Poeffamatus, 
Krakozie en Transmoef, beroemde Perzische geneesheeren, de 
uitwerpselen van Darius na den slag bij Arbella bestudeerende", 
en eindelijk „Ecce Homo", waarin de kunstenaar zich zelf voor- 
stelde, gesard en getart door twee ondanks alle karikatuur 
duidelijk herkenbare kunstrechters, Fétis en Frédérix. Ook in 
enkele van zijn Kristus-teekeningen wreekt hij zich over den 
spot van die kenners of van het Publiek. Waren het niet die hoog- 
gekraagde en door den grooten hoop zijner kunstbroeders zoo 
laf gevleide als geduchte kunstrechters, die, al hun misprijzen 
in drie woorden kristallizeerend, het ordewoord uitvaardigden: 
„Ensor is gek?" Ik ben er trotsch op, dat ik, met een klein, veel 
te klein getal mijner allerbeste tijdgenooten, o.a. Eugène de Mel- 
der, Emile Verhaeren, Edmond Picard, Arnold Goffin, Octave 
Maus, August Vermeylen, niet gewacht heb tot heden, om de 
hooge beteekenis te begrijpen van dezen ras-kunstenaar ^), 
op wien men met het volste recht mag toepassen, wat eens 
Anatole France van Paul Verlaine getuigde: „Gij zegt dat hij gek 

is? Of ik u geloof! . . . . Maar gelief er toch op te letten, dat 

deze armzahge gek een nieuwe kunst heeft geschapen, en dat 
er wel eenige kans op bestaat, dat men eensdaags zal zeggen: 
hij was de beste (schilder) van zijn tijd." ^) 



*) Zie in jrg. 1895 van het tijdschrift „De VI. School", Antwerpen, Buschmann, 
mijn opstel over Ensor, op bladz. 110—120. 

*) Wie Ensor wil begrijpen, leze het allerprettigste boek, uitgegeven door „Sélec- 
tion" te Brussel, „Ecrits de James Ensor," nog verrijkt meteen flamboyante „Pré- 
face" van den meester. 



HOOFDSTUK XII. 
BESLUIT. 

In een vorig hoofdstuk werd er op gewezen, hoe de hooggaande, 
breedgeestige, door en door moderne opvatting van de historie- 
schildering, door Leys met zoo ongemeenen bijval aan zijn tijd- 
genooten tot voorbeeld gesteld, weldra plaats maakte voor nauw- 
gezet streven naar archaïstische waar- en juistheid in het gedetail- 
leerd beschrijven van meubels en kleedijen, en hoe, tegelijk met 
zijn beide episch-grootsche en innig Vlaamsche vizie van het 
leven en de menschen, zijn streng nationale, zijn op traditie ge- 
steunde en toch zeer eigen stijl en kleur te loor gingen bij het gros 
van onze latere school. 

Nu is het tamelijk vreemd, doch zeker wel in dezelfde mate tee- 
kenachtig, dat, naarmate die door Leys zoo glansrijk in eer her- 
stelde overleveringen van geringer en geringer invloed bleken op 
de beoefenaars van het historisch genre, zij toch steeds onder die 
van de meer populaire vakken warme en begaafde voorstanders 
vonden, ja, dat nog zelfs door degenen, welke, door opvoeding, ge- 
woonten, keus van onderwerpen als het ware meer dan alle ande- 
ren aangeduid schenen, om met alle nationalisme af te breken, de 
traditionneele opvatting en het traditionneele koloriet hoog wer- 
den gehouden. 

Veropenbaarden zich niet achtereenvolgens en parallel de 
Groux, de Stevensen, Willem Linnig Jun., Stobbaerts, Hendrik 
de Braekeleer, Afred Verwee, A. J. Heymans, wat later nog 
Sander Struys, Frans Courtens, Alfred Verhaeren, Léon Frédéric, 
Jakob Smits, James Ensor, Eugeen Laermans, Marten Melsen, 
— „j'en passé, et des meilleurs" — als schilders van uitgesproken 
Vlaamsch-nationale strekking, in staat, om, tegelijkertijd, de tra- 
dities der school in eere en de eischen van den tijd hoog te houden ? 

Ik aarzel niet, het hier uit te spreken als een bij mij zeer diep 



BESLUIT. 233 

gewortelde overtuiging, dat verscheidene van deze artiesten, 
naast Hendrik Leys en Charles de Groux, in latere jaren zullen 
worden beschouwd als „the most representative men" van onze 
school in de negentiende eeuw, als kunstenaars tevens van zeer 
voortreffelijk gehalte. 

W. Linnig Jun., H. de Braekeleer, Verhaeren, Frédéric, Jakob 
Smits, Laermans, Ensor, Struys, Melsen, deze gingen toch allen, 
— en geen hunner heeft er zich over te schamen of te beklagen, 
overtuigd in de leer bij onze ouden, niet om ze te pastikeeren, niet 
om juist het onontvreembare, het individueel-eigene in hun werk 
af te kijken, maar om te leeren zien met hun breedheid en onbe- 
vangenheid van blik, te leeren uitdrukken met hun zeker- en 
raakheid van vormgeving, te leeren schilderen met iets van den 
gloed van hun palet .... Niet om ze te herhalen, bestudeerden zij, 
Verhaeren Snijders en van Utrecht, Frédéric Metsys en Boeren- 
Bruegel, Smits Rembrandt, Laermans nogmaals Boeren-Bruegel, 
Ensor Frans Hals, Melsen Brouwer en Ostade; maar om, gerijpt 
door en in de bewondering en de studie van hun meesterstukken 
scherper met eigen oog te zien, trefzekerder met eigen penseel 
weer te geven. 

Aan dit in-eere-houden, dit bestudeeren van de oude Vlaam- 
sche en niet minder, somtijds zelfs meer van de oude Hol- 
landsche meesters, zijn onze schilders zonder twijfel veel verschul- 
digd van die alle vreemdelingen en niet het minst de Hollanders 
zelf dadehjk treffende teknische vaardigheid, die de besten onder 
hen onderscheidt. Wat anderen in hun schilderijen tevergeefs 
mogen zoeken en wenschen, b.v. meer ingetogenheid, meer stem- 
ming, meer eenvoud en rust en zelfs meer eenheid van licht en 
van koloriet, hun maëstria in het teekenen, samenstellen, bor- 
stelen, hun stouten aanleg voor breede, forsche verwezenlijking 
trekt wel niemand in twijfel. 

Zoo waren onze besten, vooral onze beste Vlamingen, van 1880 
tot heden toe. En zeker was het dan ook wel de roem, dat onze 
school er een was van strenge discipline en diepgaande voor- 
studie, die meer dan vijftig jaar lang, van 1830 tot 1880 op zijn 
minst, zoovele vreemdelingen, daaronder mannen als Thijs en 
Jaap Maris, Alma Tadema, de Oyensen, H. W. Mesdag, Th. de 
Bock,Toorop, Vincent van Gogh, Is. Israëls en geenszins„beginne- 
lingen" alleen, naar Antwerpen en Brussel deed stroomen. 



234 BESLUIT. 

Met even zooveel recht als de Fransche dichters zich noemen 
„poëtes ouvriers", zouden de beste Vlaamsche schilders der XlXe 
eeuw zich mogen betitelen: „peintres ouvriers". Gallait, Four- 
mois, Leys, Lamorinière, de gebroeders Stevens, Ch. de Groux, 
de Winne, Willem Linnig Jr., Agneessens, Dubois, A. J. Hey- 
mans, Rops, H. de Braekeleer, A. Verwee, Jan Stobbaerts, Iz. 
Verheyden, Courtens, Struys, Verhaeren, Baertsoen, Ensor in zijn 
beste stukken, Frédéric, Khnopff, Leempoels, Laermans, allen 
muntten of munten zij uit door hun meesterschap, hun „kunnen", 
allen waren of zijn zij „ambachtsUeden", „des artisans", van 
zeer hoog gehalte. 

En nu erken ik een van de krachtigste bewijzen voor de taaie 
duurzaamheid en leefbaarheid van onze eigen Vlaamsch-natio- 
nale kunstgeaardheid in het treffend verschijnsel, dat, evengoed 
als deze schilders, welke met opzet in het algemeen Vlaamsche 
leven hebben geput, ook het klein getal van hen, die zich van dat 
leven, of althans van dat leven zóó als het zich in 't algemeen inde 
breedere volkslagen voordoet, hebben afgewend, door opvatting 
en kunstuiting Vlaamsch bleven, zelfs dan als zij 't wellicht 
niet voelden, zelfs dan, als zij de taal van hun ouders en groot- 
ouders, de taal, waarin zij hun naam spelden, al vergeten en mis- 
schien met smaad versmeten hadden. 

Alfred Stevens haast zijn heele loopbaan door, Charles Hermans 
eenige jaren. Jan van Beers van rond 1875, d. w. z. na de korte 
periode, waarin hij „'s Volks Dank" en „Maerlants Dood" vol- 
tooide; zij mogen, de eerste en de derde, zich opsluiten in de 
salons van de Brusselsche of Parijzer wereld, van de „dames a la 
mode" of, als de tweede bij voorkeur bespieden het bontgekleurde- 
„monde de la noce' ' , het luidruchtige volkj e der f ui vers, boemelaars, 
spelers en wellustelingen van beroep ; zoodra zij ervan vertellen, 
komt de aangeboren aard boven en zij schilderen wat zij zagen, 
om 't even of zij 't zagen met welgevallig of met walgend oog, zij 
schilderen het met de objektiviteit, eigen aan hun ras en mict kleu- 
ren van het echte \laamsche palet. 

Overigens moeten wij het met de onderwerpen van deze schil- 
ders niet al te nauw nemen. De mondaniteit is, in werkelijkheid, 
een internationaal maatschappelijk verschijnsel, niet een uit- 
sluitend Fransch exportartikel. Stevens en van Beers, waar zij 
dames en juffertjes schilderen, gekleed met smaakvolle distinktie 



BESLUIT. 235 

of ijdeltuiterig opgedirkt a la mode de Paris, zijn mutatis mu- 
tandis, alle verhouding in 't oog gehouden, niet minder Vlaamsch 
dan Rubens, van Dijck, Terburch, Metsu Vlaamsch of Hollandsch 
waren, ook dan als zij zich verlustigden in het weergeven van 
kleederdrachten in den Spaanschen, Engelschen of Franschen 
smaak van hun tijd. 

Stevens' „Tous les Bonheurs", „De Weduwe en haar Kinde- 
ren", „Najaarsbloemen" en „Na het Bal"; van Beers' „De 
Brief" en „In het Bois de Boulogne", zijn in werkelijkheid even 
goed Vlaamsch als Laermans' blinden en landloopers oï Mel- 
sens Stabroeksche boerentypen. 

Intusschen, wat nog veel krachtiger getuigt voor de leefbaar- 
heid, de taai- en onverwoestbaarheid van de eigen geaardheid, 
van het ras-eigene onzer kunstenaars, is het niet te miskennen feit 
dat ook de adepten van de meest moderne, de eigenlijk inter- 
nationale stroomingen, Vlaamsch bleven. Onze vrijlichtschilders 
van elke schakeering, evengoed de extremisten, die, volgens de 
leer van den Amerikaanschen natuurkundige Rood, den toon 
ontleden en schilderen met stippels of met streepjes (hachu- 
res), als de meer gematigden, die met de gewone middelen het 
gekleurde licht poogden weer te geven, allen wisten zich de nieuwe 
opvattingen en teknieken zoo innig te assimileeren, dat deze, 
verre van hen te verhinderen eigenaardig Vlaamsch zoo goed als 
personeel-zich zelf te zijn, hen integendeel in staat stelden, ge- 
wrochten te scheppen, die, opgehangen te midden van schilde- 
rijen van Fransche, Engelsche, Duitsche, Skandinaafsche, Spaan- 
sche kunstenaars, van deze onmiddellijk te onderscheiden zijn en 
luide de nationaliteit van hun makers belijden. 

Heymans en Claus, Buysse en van Rysselberghe, Edmond 
Verstraeten en Morren zijn even innig Vlaamsch als Linnig, 
de Braekeleer, Struys, Ensor, Smits, Larock, Baertsoen, Walter 
Vaes. 

En zoo meen ik dan te mogen hopen, dat deze ondanks haar 
betrekkelijke uitvoerigheid op geen volledigheid, maar des te 
meer op breede onbevangenheid, volkomen oprechtheid en goede 
trouw van oordeel aanspraak makende studie, volstaat, om de 
vraag, die ik bij den aanvang stelde, bevestigend te beant- 
woorden. Van 1830 tot heden ondergingen onze Vlaamsche 
schilders, beurtelings en soms tegelijkertijd, den invloed van vroe- 



236 BESLUIT. 

gere of hedendaagsche landgenooten en niet minder die van elke 
uitheemsche nieuwe tekniek, opvattingsmanier, mode ; onbewust 
of bewust maakten zij zich die uitheemsche, die internationale ont- 
dekkingen, vertolkingswijzen eigen; zij gingen er echter niet in op ; 
.lieten er hun aangeboren geaardheid niet in te loor, niet door te 
niet gaan ; zij verrijkten, louterden, ontwikkelden er zich door, 
maar hielden er niet door op Vlaamsch en zich-zelf te zijn. 

Evenzeer in de XI Xe als in de XVIIe, XVIe, XVe eeuw, doch, 
noodzakelijk en logisch op andere wijs, bleek het Vlaamsche volk 
onvermoeid in het aldoor opnieuw voortbrengen van kunstenaars, 
en deze kunstenaars, deze schilders, zeg ik, legden, in de eerbied 
afdwingende degelijk- en schoonheid van hun werk, in voldoende 
hoeveelheid hoedanigheden van evenboortigheid, gevoelsgelijk- 
waardigheid aan den dag, om het volkomen te rechtvaardigen, dat 
wij, nu als vroeger, met fierheid ophalen van onze eigen 

„Vlaamsche S c h il d ersc h o o 1." ^) 



*) Een laatste woord tot inlichting en ter voorkoming van misverstand. Met opzet 
beperkte ik deze beschouwingen tot de olieverfschildering alleen. Hadde ik mij het 
genoegen willen gunnen, hier mede van de akwarel- en pastelteekening te gewagen, 
dan ware dit boek tweemaal zoo groot geworden. Wellicht wijd ik nog wel eens een 
afzonderlijke studie aan de vele, uitmuntende beoefenaars der beide, nu terzijde ge- 
laten kunstvakken .... Heden wil ik niet verzuimen onder de voortreffelijksten hun- 
ner terloops te noemen : Bertha Art, Richard Baseleer, Frantz Binjé, Henri Cassiers, 
Frantz Charlet, Julius de Bruycker, Emiel Claus, Alfred Delaunois, Jan Delvin, G. 
den Duyts, Fernand Khnopff, Frans van Leemputten, Amédée Lijnen, J. B. Madou, 
Aleiandre Marcette, Xavier Mellery, Karel Mertens, Constantin Meunier, Georgette 
Meunier, Reckelbus, van Holder, Henri Staquet, enz .... 



/ 



BRONNEN. 

L. Alvin, Compte-rendu du Salon d'Exposition de Bnixelles, 
avec gravures et lithographies des meilleurs peintres belges et 
étrangers. 1836. — Bnixelles, J. P. Meline, 1836. 

De katalogen der officieele tentoonstellingen van 1837 af tot 
1914. 

De katalogen van de tentoonstellingen, ingericht door „De Twin- 
tigen" (Cercle des XX), „La Chrysalide", „L'Essor", „Pour 
TArt" en „La libre Esthétique" Brussel; door „Als ik kan", „De 
Dertienen", „Kunst van Heden", Antwerpen. 

Het geïllustreerd „Catalogue" van de retrospektieve tentoon- 
stelling der Belgische Kunst, te Brussel, in 1880. 

Ed. Fétis, Catalogue des Musée moderne de Peinture (de Bruxelles). 

Pol de Mont, Beschrijvend Catalogus van het Kon. Muz. van 
Schoone Kunsten te Antwerpen, H, Moderne Meesters, — Ant- 
werpen, 1905. 

Catalogus der Keurtentoonstelling van Belgische Meesters ( 1 830 
—1914), Antwerpen, 12 Juni— 20 Sept. 1920. 

Pol de Mont, Vlaamsche Meesters der XlXe Eeuw, Amsterdam, 
Elsevier, 1902, — opstellen over Constantin Meunier, Frans 
Courtens, Izidoor de Rudder, Jan van Beers, Frans van Leem- 
putten, Emiel Claus, Fernand Kknopff, Karel Jozef Mertens, 
Albrecht Baertsoen, Leo Frédéric, Gustaaf van Aise, Theodoor 
Verstraete. 

Pol de Mont, Die graphischen Künste im heutigen Belgien und 
ihre Meister, — Wien, Gesellschaft für d. Vervielf . d. graphi- 
schen Künste, 1902 — 1903, — opstellen over Amadeus Lynen, 
Armand Heins, Frans Hens, Fran9ois Maréchal, James Ensor, 
Femand Khnopff, Karel Doudelet, Edmond van Offel, Ar- 
mand Rassenfosse, Albrecht Baertsoen, Alexander Hannotiau, 
Karel Mertens, Leo Frédéric. 

Pol de Mont, Koppen en Busten, aanteekeningen over de kunstbe- 
weging van dezen tijd, Brussel, H. Lamertin, 1903. 



238 BRONNEN 

Kunst en Leven, geïU. maandschrift, Gent, Ad. Hoste: I, 1902 — 
1 903, Pol de Mont over Theo van Rysselberghe, Sander Hanno- 
tiau, Edmond van Offel, Armand Rassenfosse, Frangois Maré- 
chal, A. J. Heymans; — IL, 1903—1904, Pol de Mont over 
Piet Verhaert en Georg Buysse. 

Pol de Mont, in het aan James Ensor gewijde nummer van „La 
Plume", Parijs, 1899: James Ensor, peintre et aquafortiste, p. 
85—90. 

Eigenhandige brieven van Vlaamsche schilders. 



.ïri 



BELANGRIJKE WERKEN OF OPSTELLEN OVER 
HET BEHANDELDE ONDERWERP. 

« 

L. Alvin, E. Verboeckhoven, Ann. de l'Acad. royale, 1883; id., 
Fr. J. Navez, Brussel, 1876; — L. Bazalgette, Félicien Rops, 
d'après un livre récent, Flandre artiste, 1909; — M. Biermé, Fer- 
nand Khnopff, Belgique art. et litt., VHI, 1907; — F. Blei, Fé- 
licien Rops, Berlin, 1908; — M. Boddaert, L'Evolution de la 
Peinture beige au XlXe Siècle. Buil. de la Soc. d'hist. et d'archéol. 
de Gand, 1907; — J. de Bosschere, Louis Artan, Onze Kunst, 
1906 en 1909; id., Le Style de Leys, Paris, 1906; — R. Breuer, 
Eug. Laermans, Zeitschr. f. bild. Kunst, XH, 1877; — P. Busch- 
mann, De Keurtentoonstelling van Belgische Meesters (1830 — • 
1914), in „Onze Kunst", 19e jgg., 1920, deel XXXVH— 
XXXVHL — F. Coers, Frans Courtens, L'Art., 1908; — A. 
Croquez, James Ensor, Fédération art., 1909; id., James Ensor, 
peintre et graveur, 1908, Flandre artist., ; id., Le Peintre f lamand 
G. Buysse, Le Mois litt. et pittor., 1908; — E. Dacier, La Pein- 
ture beige au XlXe Siècle, Rev. del'art anc. et mod., 1905,XVni; 
— Eug. Demolder, Trois Contemporains, Henri de Braekeleer, 
Const. Meunier, Félic. Rops, Brussel, 1903; — F. Desmons, Le 
Peintre Stallaert, Rev. tournaisienne, 1905; — G. Eekhoud, 
Frans Courtens, Onze Kunst, I, 1902; id., Jan Stobbaerts, Onze 
Kunst, XI, 1909; — E. Fétis, Henri Leys, Ann. de l'Ac. royale, 
1869; — R. E. Fry, Deux Peintres: Em. Claus et Val. deSaedeleer, 
Durendal, 1907; — W. Gensel, 75 Jahre belgischer Malerei, 
Kunst f. Alle, XXI, 1906; — A. Goffin, Eug. Laermans, Durendal, 
1908; — P, Hermant et Ch. van de Waele, La Peinture flamande 
contemporaine. Paris, 1908; — H. Hymans, Ferd. de Braekeleer, 
Ann. de l'Ac. r. de B., 1885; id., Nic. de Keyser, Brussel, 1891; 
id., Alex. Robert, Ann. de l'Ac. r. de B., 1895; id., Hendrik Leys, 
Onze Kunst, IV, 1905; id., Belgische Kunst des 19. Jahrh., Leip- 
zig, 1906; — F. Khnopff, Alex. Struys, a belgian Painter, Studio, 



240 TE RAADPLEGEN LITERATUUR. 

XLI, 1907; — id., A. flamish Painter, Frans Courtens, id., XLIII, 
1908; — J. Laenen, Jacob Smits, L'Art. décorat., XIX, 1908; — 
P. Lambotte, Les Peintres belges modernes, L'Art. fl. et holl., 
VI, 1906; — Em. de Laveleye, Ant. Wiertz, in Catal. du Musée 
Wiertz ; — Fr. Ledere, Theo van Rysselberghe, La Plume, XV, 
1903; F. Lees, Emile Wauters, Studio, XLIII, 1908; — Cam. 
Lemonnier, Hist. des B.-A. en Belg., Brussel, 1887; id., L'Ecole 
beige de Peinture 1830/1905, Brussel, 1906; id., Henri Leys, Le 
Th3n-se, 1906,; id. Alfred Stevens et son Oeuvre, Brussel, 1906; 
id., Emile Claus, Brussel, 1908; — Jozef Muls, Het Rijk der Stilte, 
Amsterdam, MCMXX; — R. Muther, Die jüngere belgische Ma- 
lerei, Neue deutsche Rundschau, XIV, 1903; id., Die belgische 
Malerei im 19. Jahrh., Berlin, 1904; — La Plume, Félicien Rops 
et son Oeuvre, bijdragen van J. K. Huysmans, J. Péladan, F. 
Champsaur, Oct. Uzanne, Em. Verhaeren, Oct. Mirbeau, Arsène 
Alexandre, enz., 1896 en 1897; — hetzelfde werk, uitgegeven door 
Edm. Deman, Brussel, 1 897 ; — E. van Off el, Evert Larock, Ant- 
werpen (1901); — H. Riegel, Geschichte der Wandmalerei in 
Belgien seit 1856, Berlin, 1882; Max Rooses, Oude en nieuwe 
Kunst, Gent, Willemsfonds, 2 deelen, 1895 — 96; id., Michiel 
Karel Verlat, Ann. de l'Ac. r. de B., 1894; — Lucien Solvay, 
Jean — Fran9ois Portaels, Ann. de l'Ac. r., 1903; — id., Jean 
Alfred Cluysenaer, ib., 1906; id. Paul Jean Clays, ib., 1906; — 
Theodore Verstraete, 1907; — F. Stappaerts, J. B. Madou, Ann. 
de l'Ac. r., 1879; Stijn Streuvels, Onze Streek, met beschouwingen 
over Val. deSaedeleer, Elsevier; — G. van Zype, Nos Peintres: I. 
reeks, Baertsoen, Courtens, Laermans, Le Vêque, Lynen, enz., 
Brussel, 1903; id., Eugène Laermans, Brussel, 1908; — K. van 
de Woestyne, Emiel Claus, Elsevier, 1911; enz. 



^ 



OVERZICHTSTABEL VAN DE ONTWIKKELING DER 
SCHILDERKUNST IN BELGIË VAN 1800 TOT NU. 

I. OVERGANGSTIJD (1800—1830) i) 

Vlaamsch-traditionneele Richting *) . 
Peter -Jozef Verhaegen (1728—1811). 
Willem-Jakob Herreyns (1743—1827). 
Hendrik- Jozef-Frans de Cort (1742—1810). 
B al t h az ar-P a uw e 1 Ommeganck (1755 — 1826). 
Simon-Alexander Denis, de Schele (1755 — 1813). 
Frans Simonau (1783—1859). 
Jan-Antoon Verschaeren (1803 — 1863). 
Hendrik Myïn. 

Akademische en antikizeerende Richting. 
*Andries-Cornelis Lens (1739—1822). 
Joseph-Bernard Suvée (1743—1807). 

Akademisch-Fransche Richting. 
Invloed van Louis David. 

Frans-M ar cus Smits (1760 — 1833). 

Mathijs-Ignaas van Bree (1773—1839). 

Karel-Pieter Verhulst (1775—1820). 

Jozef Paelinck (1781—1839). 

Pieter-J. van Hanselaere (1786—1862). 

Fihps-Jakob van Bree (1786—1871). 

») Schilders van Waalschen oorsprong herkent de lezer aan het sterretje vóór 
hun naam. 

•) Als de naam van een zelfden kunstenaar in meer dan één groep voorkomt, 
beteekent zulks, dat deze kunstenaar heeft geëvolueerd of ook, dat hij meer dan 
één genre heeft beoefend. Gespatieerd zijn de namen van bizonder reprezentatieve 
artiesten; vet gedrukt die van schilders, die in de een of de andere groep tot de voor- 
tref f elijks ten gehoord hebben, a. beteekent, dat de kunstenaar ook akwarel-, p. dat 
hij pastel schilderde; e. dat hij etsen, 1. dat hij de lithografieën, b. dat hij boekverluch- 
tingen maakte. 

16 



242 OVERZICHTSTABEL. 

*Joseph Navez (1787—1869), 1. 

Ferdinand de Braekeleer (1792—1883). 

Jozef Désiré Odevaere (1778—1830). 

J a n-B a p t i s t-L odewijk Maes, gezeid Maes-Canini 

(1794—1856). 
*Michel-Ghislain Stapleaux (1799—1881). 

II. 1830—1921. 

1. GODSDIENSTIGE EN HISTORIESCHILDERING. 

De groote Kunst. 

A. De Romantiek. 
Pieter-J. van Hanselaere (1786—1862). 
Ferdinand de Braekeleer (1792—1883). 
*Henri de Caisne (1799—1852). 

Egied-K ar el-Gu staaf Wappers (1803—1874). 
*Antoine-Joseph Wiertz (1806—1865). 
Felix de Vigne (1806—1862). 
*Louis Gallait (1810—1887). 
Alexander Thomas (1810—1894). 
Nicasius de Keyser (1813—1887). 
Hendrik- Jan- Augustijn Leys (1815 — 1869), a., 1., e. 
Pieter-Oli vier- Jozef Coomans (1816—1890). 
*Alexandre-Nestor-NicolasRobert (1817—1890). 
Jan-Frans Portaels (1818—1895), 1. 
Edward-Jan-Koenraad Hamman (1819—1888). 
Ernest Slingeneyer (1820—1894). 
Jozef Lies (1821 — 1865), e. 
Jozef van Lerius (1823—1876). 

Michiel-Maria-Karel Verlat (1824—1890), e. 
Hendrik-Frans Schaefels (1827—1904), e., 
Ferdinand Pauwels (1830—1904). 
♦Constantin Meunier (1831—1905), e. 
*André Hennebicq (1836—1904). 

B. Antikizeerende Richting. 

Pieter-Oli vier- Jozef Coomans (1816—1890). 
Jozef-Jan-Frans Stallaert (1825—1903). 
Jan van Biesbroeck. 



OVERZICHTSTABEL. 243 

C. De prerubiaansche Historieschildering. 
Leys en zijn Invloed. 

Felix de Vigne (1806—1862). 
Hendrik- Jan -Augustijn Leys (1815—1869). 

Jozef Lies (1821—1865). 

Wülem Linnig de Oude (1819—1885), e. 

Alexander Marckelbach (1819—1906). 

*Ch arl e s-Cor neill e-Augus t e de Groux (1825 — 

1870), e., a., 1., 
Victor Lagye (1825—1896). 
Kasper-Frans-Huibrecht Vinck (1827—1903). 
Ferdinand Pauwels (1830—1904). 
Kamiel van Camp (1834—1891). 

J an- An dri e s-Al f ri e d Cluysenaer (1837 — 1902). 
Willem Geets (1838—1919). p., e., b. 
Theodoor Cleynhens (1841—1916), e. 
Piet van der Ouderaa (1841—1915). 
Willem Linnig Junior (1842— 1890), e. 
Juliaan de Vriendt (geb. 1842), a., p. 
Albrecht de Vriendt (1843—1900), a., p., e. 
Karel Ooms (1845—1900). 
Evarist Carpentier (geb. 1845). 
K a r e 1-E miei Wauters (geb. 1 846), p. 
Theofiel Lybaert (geb. 1848). 
Edmond van Hove (1851—1906). 
Jan Anthony (geb. 1851). 
Jan van Beers (geb. 1852), e., b, 
Leo Brunin (geb. 1861), e., 
Alexander Hannotiau (1862— 1902), a., p., 1., b. 

D. Dekoratieve Historieschildering. 

Grootendeels onder Leys' invloed. 

Hendrik -Jan -Augustijn Leys (1815—1869), (Antwerpsch 

Stadhuis). 
*Charles-Comeille-Auguste de Groux (1825 — 1870), (onuitge- 
voerd.) 
Jan Swerts (1820— 1879), (Stadhuis Kortrijk). 
Egidius-Godfried Guffens (1823—1902). (ibidem). 

16* 



244 OVERZICHTSTABEL. 

Jozef -Jan-Frans Stallaert (1825—1903). 

Victor Lagye (1 825— 1896), ( Ant w. Stadhuis) . 

Kasper-Frans-HuibrechtVinck (1827— 1903), (Antw. Atheneum). 

Ferdinand Pauwels (1830 — 1904), (lepersche Laken- 
halle en Wartburg). 

Louis Delbeke (1831— 1891), (lepersche Lakenhalle). 

Piet van der Ouderaa (1841— 1919), (Antw. Gerechtshof). 

Willem Linnig Junior (1842—1890), (Wartburg). 

Juliaan de Vriendt (geb. 1842), (Antw. Gerechtshof). 

Albrecht de Vriendt (1843—1900), (Brugsch Stad- 
huis). 

Karel Ooms (1845—1900), (Antw. Gerechtshof). 

♦Xavier Mellery (1845 — 1921), onuitgevoerd. 

Piet Verhaert (1852—1908), (Antwerpsch Stadhuis), e. 

*Léon Frédéric (geb. 1856), (Brusselsch Stadhuis), p. 

Edgar Farasyn (geb. 1858), (Antwerpsch Stadhuis), a., p., e. 

Karel Boom (geb. 1858), (ibidem), p. 

♦Graaf Jacques de Lalaing (1858—1917), (Brusselsch Stadhuis). 

Constant Montald (geb. 1862). 

Alexander Hannotiau (1 862 — 1 903), onuitgevoerd. 

Romaan Looymans (1864 — 1914), (verscheidene kerken). 

*Auguste Le Vêque (1864—1921). 

Karel Mertens (1865—1919), (Vlaamsche Opera te Ant- 
werpen), p., e., b. 

♦Emile Fabry (geb. 1865). 

*Jean Delville (geb. 1867). 

Karel Doudelet (geb. 1869), a., b. 

Emiel Vloors (geb. 1871), (Antw. Gemeentescholen en Opera). 

Emiel Jacques (geb. 1872), (Antw. Gemeentescholen). 

Albrecht Servaes (geb. 1883). 

E. Latere Historieschilders. 

♦Felix ter Linden (geb. 1836). 

Gustaaf van Aise (1854 — 1902). 

Jozef Janssens. 

Jakob Smits (geb. 1856), e. 

♦Graaf Jacques de Lalaing (1858 — 1917). 

Guillaume van Strydonck (geb. 1861). 

♦Auguste Le Vêque (1864—1921). 



OVERZICHTSTABEL. 245 



♦Emile Berchmans (geb. 1866). 
♦Henry de G r o u x, (geb. 1867?), 1. 
Alfred Ost, (geb. rond 1880), p., b. 
Albrecht Servaes (geb. 1883). 



2. DE SCHILDERS VAN HET HEDENDAAGSCHE LEVEN. 

Ignaas- Jozef van Regemorter (1758 — 1873). 

Ferdinand de Braekeleer, de Oude (1792—1883). 

Jan-Baptist Madou (1796—1877), 1., b. 

Hendrik de Coene (1798—1866). 

Pieter-Paulus-Aloïs Hunin (1808—1855). 

Jozef Dyckmans (1811—1888). 

Eugeen de Block (1812—1893). 

Jozef Lies (1821—1865). 

Adolf Dillens (1821—1877), e. 

David Col (1822—1900). 

Alfred Stevens (1823—1906). 

*Florent Willems (1823—1906). 

Victor Lagye (1825—1896). 

August Serrure (1829—1903). 

♦Charles -Corneille-Auguste de Groux (1825—1870), 

Hendrik Bource (1826—1899). 

Eugeen Smits (1826—1912), e. 

*Constantin Meunier (1831—1909). 

*Félicien Rops (1833—1898), a., p., e., l, b. 

Jan Verbas (1834—1896), e. 

André Hennebicq (1836—1904). 

Charles Hermans (geb. 1839), e. 

Hendrik de Braekeleer (1840—1888), e. 

Willem Linnig Junior (1842—1890). 

Pieter Oyens (1842—1894). 

David Oyens (1842—1902). 

E mi el Claus (geb. 1849), e., b. 

Frans van Leemputten (1850 — 1914), a. 

Theodoor Verstraete (1851—1907), e. 

Piet Verhaert (1852—1908). 

Alexander Struys (geb. 1852), e. 



246 OVERZICHTSTABEL. 

Amédée Lynen (geb. 1852), a., 1., b. 

Jan van Beers (geb. 1855). 

Jaak Dierckx (geb. 1855). 

*Léon Frédéric (geb. 1856). 

Jakob Smits (geb. 1856). 

Geeraard Portielje (geb. 1856). 

Leo- Jan-Baptist van Aken (1857—1904). 

Fernand Khnopff (geb. 1858), b. 

Edgar Farasyn (geb. 1858). 

Karel Boom (geb. 1858). 

Hendrik Luyten (geb. 1859). 

Edward-Antoon Portielje (geb. 1861). 

James Ensor (geb. 1860), e. 

Leo Bninin (geb. 1861), e. 

* Armand Rassenfosse (geb. 1862), e., b. 

Alexander Hannotiau (1862—1902). 

*Auguste Le Vêque (1864—1921). 

Eugeen Laermians (geb. 1864), e. 

Evert Larock (1865—1901). 

Karel Mertens (1865—1919). 

Hendrik de Smeth (geb. 1865). 

Jef Leempoels (geb. 1867), b. 

Julius de Bruycker, (1870?), e. 

Emiel Vloors (geb. 1871). 

Henri Evenepoel (1872—1900). 

Emiel Gastemans (geb. 1883). 

Eugeen van Mieghem (geb. 1885). 

Marten Melsen. 

Victor Hageman. 

Hippoliet Daeye. 

Gustaaf van de Woestyne. 

♦Henri Thomas. 

♦Charles Michel. 

Albrecht Servaes. 



PORTRETSCHILDERS. 



Frans-M arcus Smits (1760—1833). 
Mathijs-Ignaas van Bree (1773—1839). 



OVERZICHTSTABEL. 247' 

Karel-Pieter Verhulst (1775—1820). 

Frans Simonau (1783—1859). 

*Fran9ois-Joseph Navez (1787 — 1859). 

Frans- Jozef Mertens (1788 — ?). 

Ferdinand de Braekeleer (1792—1883). 

Egied-K ar el-Gus t aaf Wappers (1803 — 1874). 

♦Antoine-Joseph Wiertz (1806—1865). 

Felix de Vigne (1806—1862). 

♦Louis Gallait (1810—1887). 

Nikaas de Keyser (1813—1887). 

Hendrik- Jan- Augustijn Leys (1815—1869). 

Jan-Frans Portaels (1818—1895). 

Jozef Lies (1821—1865). 

Lieven de Winne (1821—1880). 

Jozef van Lerius (1823 — 1876). 

Michiel-Maria-Karel Verlat (1824 — 1890). 

Jan-Andries-Alfred Cluysenaer (1837—1902). 

Edward A g n e e s s e n s (1842 — '1885). 

Izidoor Verheyden (1846—1906). 

Eugeen Smits (1826—1912). 

Karel-Emiel Wauters (geb. 1 846). 

Eugeen Joors (1850—1920). 

Jan de la Hoese (1850?— 1918?). 

Jan van Beers (geb. 1852). 

*Xavier Mellery (1845—1921). 

Piet Verhaert (1852—1908). 

Gustaaf van Aise (1854—1902). 

Emiel de Jans (1855—1920). 

♦Graaf Jacques de Lalaing (1858 — 1917). 

Fernand Khnopff (geb. 1858). 

Hendrik Luyten (geb. 1859). 

Karel Mertens (1865—1919). 

James Ensor (geb. 1860). 

♦Auguste Le Vêque (1864—1921). 

Jef Leempoels (geb. 1867). 

Emiel Vloors (geb. 1871). 

Hippoliet Daeye. 

Gustaaf van de Woestyne. 

Rik Wouters (1882—1916). 



'248 OVERZICHTSTABEL. 

4. STILLEVENSCHILDERS. 

Frans Huygens (1820—1908). 

Jan Robie (1821—1910). 

Louis Dubois (1830—1880). 

Hendrik de Braekeleer (1840—1888). 

Willem Linnig Junior (1842—1890). 

*Xavier Mellery (1845—1921). 

Izidoor ^ Verheyden ( 1 846— 1 905) . 

Alfred Verhaeren (geb. 1849). 

Eugeen Joors (1850—1910). 

Alice Ronner (geb. 1857). 

Bertha Art (geb. 1858). 

*Georgette Meunier (geb. 1859). 

♦Marie- Antoinette Marcotte (geb. 1860?). 

James Ensor (geb. 1860). 

Leo Brunin (geb. 1861). 

René Janssens (geb. 1870). 

Alfred Delaunois (geb. 1876). 

Jozef de Belder. 

Joris van Zevenberghen. 

Wal ter V a e s, a, p., e. 



5. DE NATUURSCHILDERING. 

A. Landschap en Zeestuk. 

Hendrik- Jozef-Frans de Cort (1742—1810). 

B al t h az ar-P auwel Ommeganck (1755 — 1826). 

Simon-Alexander-Clemens Denis (1755 — 1813). 

Hendrik Myïn. 

Hendrik van Assche (1774—1841). 

Frans Bossuet (1800—1889). 

Jan Ruyten (1813—1881). 

♦Théodore Fourmois (1814—1871), e. 

Pauwel-Jan-Karel Clays (1817—1900). 

Jan Portaels (1818—1895). 

♦Edouard Huberti (1818—1880), e. 

Alfried de Knyff (1819—1885). 



OVERZICHTSTABEL. 249 



Jozef Lies (1821—1865). 

Jan-Baptist Kindermans (1822—1876). 

♦Joseph Quinaux (1822—1895). 

Cesar de Cock (1823—1904), e. 

Edmond de Schampheleer (1824—1899), e. 

Frans Lamoriniére (1828 — 1911), e. 

Jozef Coosemans (1828—1904). 

Jaak Rosseels (1828—1912). 

*Louis Dubois (1830—1880). 

Euphrozina Beernaert (1831 — 1901). 

Floris Crabeels (1835—1896). 

Willem Vogels (1836—1896). 

Eugeen Verdyen (1836—1903). 

Izidoor Meyers (1836—1917). 

♦Hippolyte Boulenger (1837—1874), e. 

Louis Artan (1837—1890), e. 

Alfred Verwee (1838—1895). 

Alf ons Asselberghs ( 1 839— 1 9 1 7) . 

Egidius Leemans (1839—1883). 

Adriaan -Jozef Heymans (geb. 1839). 

*Théodore Baron (1840—1899). 

*Frantz Binjé (1835—1900), a. 

Emiel-Hendrik Keymeulen (1835? — ?). 

Jan Stobbaerts (1838—1916). 

♦Adrien Le Mayeur (1844 — ?). 

Izidoor Verheyden (1846—1905). 

Karel-Emiel Wauters (geb. 1846). 

Emiel Claus (geb. 1849). 

Gustaaf den Duyts (1850—1897), a. 

Frans van Leemputten (1850 — 1914). 

Jan de Greef (1851—1894). 

Theodoor Verstraete (1851—1907). 

♦Alexandre Marcette (geb. 1853). 

Frans Courtens (geb. 1854). 

Frans Hens (1856—), p. e. 

Jakob Smits (geb. 1856). 

Edgar Farasyn (geb. 1858). 

Hendrik Luyten (geb. 1859). 

Frantz Charlet (geb. 1862). 



250 OVERZICHTSTABEL. 

Hendrik Rul (1862). 

Joris Buysse (1864—1917). 

Albrecht Baertsoen (geb. 1866), p., e. 

Richard Baseleer (geb. 1867), a., p., e. 

Victor Gilsoul (geb. 1867). 

Albrecht Crahay (1881—1914), a., p., e. 

Alfred Delaunois (geb. 1876), e, 

Valerius de Saedeleer (geb. 1869). 

Edmond Verstraeten (geb. 1870). 

Albrecht Servaes (geb. 1883). 

B. Dierenschilders. 

B al t hazar-Pau wel Ommeganck (1755 — 1826). 

Eugeen Verboeckhoven (1798 — 1881). 

Lodewijk Robbe (1806—1887). 

Xaveer de Cock (1818—1896). 

Jozef Stevens (1819—1892). 

Mi chi el-M aria-Ka rel Verlat (1825—1890). 

Edmond de Pratere (1826—1888). 

Alfred Verwee (1838—1895). 

Jan Stobbaerts (1838—1916). 

Komeel van Leemputten (1841 — 1902). 

Emiel Claus (geb. 1849). 

Frans van Leemputten (1850 — 1914). 

Jan Del vin (geb. 1853), p. 

Frans Courtens (geb. 1854). 

Edgar Farasyn (geb. 1858). 

Hendrik Luyten (geb. 1859). 

♦Géo Bemier. 



REGISTER DER SCHILDERS. 



Agneessens, Edward, 1842—1885. 134, 

234. 
AiSE, GusTAAF VAN, 1854—1902. 24, 36, 

57, 136. 
Aken, Leo van, 1857—1904. 94. 
Anthonv, Jan, geb. 1851. 46. 
Antonissen, Henricus Josephus, 1737 

-1794. 10. 
Art, Bertha, geb. 1858. 137, 141, 236 

noot. 
Artan, Louis Victoire Antoine, 1837 

-1890. 76, 86, 152, 161, 162, 182. 
Artot, Paul, 125, 229. 
Assche, Hendrik van, 1774—1841. 10, 

43 noot, 147, 149. 
AssELBERGHS, Alfons, 1839—1917. 161, 

163. 
Baertsoen, Albrecht, geb. 1666. 144, 

194-198, 200, 203, 204, 206, 208, 

210, 214, 221, 234, 235. 
Baes, Firmin, geb. 1874. 100. 
Baltus, 136. 
Baron, Theodore, 1840-1899. 161, 

165, 167, 184. 
Baseleer, Richard, geb. 1867. 144, 

161, 162, 194, 202, 203. 
Bastien, Alfred Theodore Joseph, 

geb. 1873. 136. 
Beernaert, Euphrosina, 1831 — 1901. 

160. 
Beers, Jan van, geb. 1852. 46, 106, 110, 

113, 136, 234. 
Beguinet, Jan Baptist. 144, 146. 
Belder, Jozef de, 142. 
Bernier, Geo, 216. 
Beschey, Balthazar, 1708-1776. 8. 
Beul, Henri de, 1845-1900. 151. 
Biefve, Edouard de, 1809-1882. 16, 

20, 36. 
Biesbroeck, Jan van, 70. 
BiNjÉ, Fra.ntz, 1835-1918. 156, 157, 

164, 165, 236 noot. 
Blieck, August, 214. 
Block, Eugeen Frans de, 1812—1893. 

71, 73, 91. 
Blomaert, 144, 146. 



Boch, Anna, 214. 

Böcklin, 54. 

Boks, Evert Jan, 1838-1914. 121. 

Boom, Karel, geb. 1858. 65. 

BossuET, Frans Antonne, 1798 — 

1889. 150, 151. 
Boudry, Aloïs, geb. 1851. 121. 
Boulenger, Hippolyte, 1837—1874. 

86, 143 noot, 146, 155, 161, 162, 163, 

230. 
Bource, Hendrik, 1826—1899. 120. 
Braekeleer, Ferdinand de, 1792 — 

1883. 11 noot, 16, 18, 24 noot, 26, 27, 

29, 71, 79, 128, 129. 
Braekeleer, Hendrik de, 1840—1888. 

28, 31, 33, 37, 38-44, 79, 80, 109, 137, 

138, 221. 
Bree, Filips Jacob van, 1786—1871. 

9, 20, 26 noot, 36, 75. 
Bree, Mathijs Ignaasvan, 1773— 1839. 

8, 16, 20, 24 noot, 36, 127, 129, 131. 
Brunin, Leo, geb. 1861. 46, 46. 
Bruycker, f. A. de, geb. 1816. 71, 115. 
Bruycker, Julius de, geb. 1870. 112, 

113, 236 noot. 
Buysse, Joris, 1864-1916. 194, 195, 

197, 198, 200, 204, 208, 209, 214, 235. 
Caisne, Henri de, 1799-1852. 9, 11 

noot, 14, 32. 
Camp, Kamiel van, 1834—1891. 46. 
Carpentier, Evanst, geb. 1845. 24. 
Célos, Juliaan, 214. 
Cels, Cornelis, 1778—1859. 24 noot. 
Charlet, Frantz, geb. 1862. 213. 
Claus, Emiel, geb. 1849. 94, 144, 150, 

161, 188, 189, 191, 194, 195, 196, 197, 

198, 200, 204, 208, 209, 211, 214, 235, 
236 noot. 

Clays, Pauwel Jan Karel, 1817 — 

1900. 152, 162. 
Cleynhens, Theodoor Josef, geb. 

1841. 23, 46. 
Cluysenaar, 1837-1902. 24, 53, 135, 

215. 
Cock, Gesarde, 1823-1904. 160, 170. 
Cock, Xaveer de, 1816-1896. 180. 



252 



REGISTER DER SCHILDERS. 



CoENE, Henrik de, 1 798 — 1 866. 92 noot. 
Col, Jan David, 1822-1900. 71, 119, 

120. 
CoLiN, Jean, 125, 229. 
CoLLART, Marie, geb. 1852. 155, 67. 
CooMANS, P. o. Jozef, 1816-1890. 70. 
CoosEMANS, Jozef Theodoor, 1828 — 

1904. 161, 163, 164. 
Cort, Hendrik Jozef Frans de, 1743 — 

1810. 10, 144, 146. 
Courbet, 1819-1877. 76, 155, 162. 
CouRTENS, Frans, geb. 1854. 161, 180, 

181, 184, 192, 193, 208, 210, 211, 216, 

232, 234. 
Crabeels, Floris, 1835-1896. 159, 

161, 165, 167, 173, 184, 211. 
Crahay, Albert, 1881-1914. 214, 229. 
Daeye, Hippoliet, 123, 124, 229. 
David, Jacques Louis, 1748-1825. 9, 

11, 12, 16, 36, 126, 127, 129. 
Delahaye, Richard, 214. 
Delaroche, 1797—1856. 9. 
Delaunois, Alfred, geb. 1876. 24, 31, 

44, 84, 137, 138, 150, 209, 214. 
Delbeke, Louis, 1831-1891. 53, 65. 
Delin, Johannes Josephus Nicolaus, 

1776-1811. 24 noot. 
Delpérée, Emile. 1850-1896. 46, 94. 
Delvaux, Edouard, 1806-1862, 24 

noot, 151. 
Delvaux, Ferdinand Maria, 1782 — 

1815. 24 noot. 
Delville, Jean, geb. 1867. 69, 70, 84, 

85. 
Delvin, Jan, geb. 1853. 215, 216, 236 

noot. 
Denis, Simon Alexander Clemens, 

1755-rond 1812. 10, 144, 145. 
Derickx, Louis, 18357-1895. 151. 
DiLLENS, Adolf, 1821-1872. 72, 118, 

120. 
DoNNAY, AuGUSTE, 1862-1921. 69. 
DoNNY, DÉsiRÉ, geb. 1798. 151. 
DouDELET, Karel, geb. 1869. 69, 207. 
Dubois, Louis, 1830-1880. 70, 76, 77, 

136, 155, 161, 162, 182. 
DucoRRON, J., 1770-1848. 146. 

DUPRESSOIR, 151. 

DUYTS, GUSTAAF DEN, 1850-1897. 183, 

184, 185, 186, 203, 236 noot. 
Dyckmans, Jozef, 1811-1888. 71. 
Eeckhout, Jaak Jozef, 1793— 1861.132. 
Elsen, Alfred, 1850-1900. 155. 
Ensor, James, geb. 1860. 125, 136, 137, 

167, 217-235. 
Evenepoel, Henri Jacques Edouard, 

1872-1899. 114, 136. 
Eyskens, Felix, 214. 



Fabry, Emile BARTHÉL]i;MY, geb. 1865. 

66. 
Farasyn, Edgar, geb. 1858. 65, 94, 

99, 102, 191, 192, 216. 
Fichefet, 214. 
FouRMOis, Theodore, 1814—1871. 143 

noot, 151, 153, 154, 155, 157, 164, 165. 
Fran^ois, Pierre Joseph Célestin, 

1759-1851. 127. 
Frédéric, Léon, geb. 1856. 37, 52, 56, 

58, 59, 85, 94, 95, 97, 98, 99, 100, 

UI, 113, 136, 144, 161, 207, 232, 

233, 234. 
Fromentin, 152. 
Gallait, Louis, 1810—1887. 11 noot, 

12, 15-16, 17, 19,20,22,36,46,51, 

58, 92, 93, 94, 108, 130, 131, 234. 
Gastemans, Emiel, geb. 1883. 115, 116, 

117, 118. 

Geets, Willem, 1838-1919. 22, 23, 

24, 30 noot, 46, 54, 55. 
GiLSOUL, VicTOR, geb. 1867. 198, 206. 
Gouweloos, 136. 
Graef, Jan de, 214. 
Greef, Jan de, 1851-1894. 213. 
Groux, Henry de, geb. 1867. 24, 58, 

59, 60, 61, 136, 230, 232. 

Groux, Charles de, 1825-1870. 23,24, 
31, 46, 47, 58, 91, 92, 93, 94, 95, 98, 

118, 120, 175, 187, 233, 234. 
Guffens, Godfried, 1821 — 1901. 23, 45, 

53, 65, 132. 
Hageman, Victor, 69, 118. 
Hamesse, 214. 
Hannotiau, Alexander, 1862—1902, 

23, 31, 44, 50. 
Hanselaere, P. J. van, 1786-1862. 9. 
Haspe, de, 214. 

Hecht, Henri van DER, 1841-1901. 86. 
Hellebuyck, Gustaaf Hendrik, 214. 
Hendricx, Lodewijk, 1827— 1888. 46. 
Hennebicq, André, geb. 1836. 53, 96. 
Hens, Frans, geb. 1856. 160, 161, 186, 

192, 193, 194, 200. 201. 
Hermans, Charles, geb. 1839. 87, 94, 

106, 108, 110, 112, 136, 224, 234. 
Herreyns, W. J., 1743-1827. 8, 9, 10, 

11, 12, 20, 24 noot. 
Herry, Antony, werkzaam in de 2de 

helft V. d. 18e eeuw. 24 noot. 
Heyermans, geb. 1836. 121. 
Heymans, Andries Jozef, geb. 1839. 

136, 150, 161, 165, 167, 169, 170, 171, 

172, 175, 184, 194, 196, 210, 211, 

221, 232, 234, 235. 
HoESE, Jan de la, 1850?- 1918. 135. 
Holder, van, 136. 
HovE, Edmond van, 1851-1906. 46. 



REGISTER DER SCHILDERS. 



253 



HuBERTi, Eduard, 1818—1880. 152, 

159, 160, 167. 
HuNiN, PiETER Paulus Alois, 1808 — 

1855. 7, 92 noot. 
HuYGENS, Frans, 1820-1908. 137. 
Inghels, Maria, 125, 229. 
Ingres, Jean Dominique Auguste, 

1780-1867. 127, 129, 220. 
Isabey, Eugène, werkzaam, 27. 

Jacobs, G., 214. 
Jacobs, Jacob-, 151. 
Jacobs, F. F., 1780-1808. 24 noot. 
Jans, Emiel de, 1855-1920. 136. 
Janssens, Jozef, 136. 
Janssens, René, geb. 1870. 44, 135, 

136. 
Jaques, E., 214. 
Jefferys, 214, 229. 
Jonghe, Jan Baptist de, 1785—1844. 

149. 
Jonnaert, Clémence, 142, 229. 
JooRS, EuGEEN, 1850—1911. 142. 
Keelhoff, 151. 

Keymeulen, Emiel Hendrik, werk- 
zaam ± 1870. 156, 164. 
Keyser, Nicasius de, 1813-1887. 12, 
13-14, 15, 18, 19, 20, 21, 22, 23, 24 
noot, 26, 32, 33, 36, 51, 65, 131., 
Khnopff, Ferdinand, geb. 1858. 69, 

70, 82, 88, 113, 136, 207, 214, 234. 
KiNDERMANS, J. B., 1822-1876. 153, 

155, 157. 
Knyff, Alfred de, 1819-1885. 143 
noot, 153, 154, 155, 156, 157, 160, 167, 
230. 
Kremer, Petrus, geb. 1801. 24 noot. 
KuYCK, Lodewijk Frans van, geb. 

1852. 155. 
Laermans, Eugeen, geb. 1864. 31, 95, 
104, 105, 106, 108, 119, 123, 136, 186, 
232, 233, 234. 
Laet, Aloïs de, 214. 
Lagye, Victor, 1825-1896. 30 noot, 

45, 46, 48-50, 53, 65, 81. 
Lalaing, Graaf Jacques de, 1853 — 

1917. 46, 53, 56, 58, 67, 134, 135. 
Lamorinière, Jan Pieter Frans 
1828-1911. 38, 155, 157, 158, 159, 
208, 234. 
Landtsheer, Jan Baptist de, werk- 
zaam eerste ged. der 19e eeuw, 24 
noot. 
Larock, Evert, 1865-1901. 102, 136, 

235. 
Lathouwer, de, 155. 
Lauters, Paul, 1806-1876. 151. 
Leemans, Egidius Frans, 1839-1883, 
161, 165, 167. 



Leempoels, Jozef, geb. 1867. 110, 
112, 113, 134, 136, 187, 234. 

Leemputten, Frans van, 1850—1914. 
94, 186, 187, 191. 

Leemputten, Korneel van, 1841 — 
1902. 179, 188. 

Lens, Andries Cornelis, 1739—1822. 
8, 20, 24 noot. 

Lepage, Bastien, 50, 55, 56, 57. 

Lerïus, Jozef van, 1823—1876.23, 132. 

Leys, Hendrik, 1815-1869. 18, 20, 23, 
24 noot, 25-26, 27, 29, 30, 31, 32, 33, 
34, noot, 35, 36, 37, 38, 39, 45, 46, 47, 
48, 49, 51, 52, 53, 54, 65, 72, 75, 81, 
91, 94, 108, 131, 132, 157, 208, 232, 

232, 233, 234. 

Lies, Jozef Henrik Huibert, 1821 — 

1865. 23, 37, 38, 39, 49, 54, 130, 133, 

156, 157. 
Linden, Felix Julien ter, geb. 1836. 

58. 
LiNNiG Jr., Willem, 1842—1890. 23, 

70, 73, 79, 80, 81, 137, 138, 141, 227, 

233, 233, 234, 235. 

LiNNiG Sr., Willem, 1819-1885. 44. 

45, 81. 
Lint, Pieter van, 132. 
'Loo, Marten van der, 214. 
LOOY, VAN, 142. 
LOOYMANS, R., 214. 
LuNois, A., 216. 

LuppEN, JozEFVAN, 1834-1891.155,167. 
LuYTEN, Hendrik, geb. 1859. 94, 103, 

104, 136, 192, 193, 194, 208, 216. 
Lybaert, Theofiel, geb. 1848. 46. 
Lynen, Amédée, geb. 1852. 24, 236 noot. 
Lynen, André, 214. 
Madou, Jan Baptist, 1796-1877. 

26, 70, 71, 72, 73, 105, 120. 
Maes, Jan Baptist Lodewijk, (be- 
kend als Maes-Canini), 1794-1856. 11. 
Marcette, Alexandre, geb. 1853. 

144, 204, 205, 206. 
Marcotte, Marie Antoinette, geb, 

1860?. 141. 
Marinus, Ferdinand Joseph Ber- 

NARD, 1808-1890. 143 noot, 151. 
Marneffe, Fran^ois de, 1793—1877. 

149. 
Mellery, Xavier, 1845-1921. 84, 

136, 138, 223. 
Melsen, Marten, 232, 233. 
Mertens, Frans Jozef, geb. 1788. 126. 
Mertens, Karel, 1865-1919. 31, 44, 

67, 80, 94, 108, 136, 214. 
Mets, Pieter de, 136. 
Meunier, Constantin, 1831 — 1905. 24, 

94, 95, 96, 97, 98, 136, 206, 223. 



254 



REGISTER DER SCHILDERS. 



Meunier, Georgette, geb. 1859. 141. 
Meyers, Izidoor. 1836-1917. 161, 165, 

166, 173, 174. 
MicHAUx, John, 142, 214. 
Mieghem, Eugeen van, geb. 1885. 118. 
MiCHEL, Ch., 214. 

MoNTALD, Constant, geb. 1862. 67, 70. 
MoNTiGNY, JuLius, 1847—1899. 163. 
Morren, G., 122, 123, 214. 
Myin, Hendrik, 10, 144, 145, 146. 
Naets, Ernst, 142. 
Nauwelaerts, Joris, 142. 
Navez, Fran^ois Joseph, 1787—1869. 

9, 10, 11 noot, 14, 16, 20, 36, 90, 127, 

128, 135, 147. 
Nobele, Hendrik de, werkzaam ± 

1840. 71. 
Odevaere, Jozef Désiré, 1778-1830. 

9, 24 noot. 
Oleffe, Auguste, 125, 142, 214, 229. 
Ommeganck, Balthazar Pauwel, 1755 

-1826. 10, 92 noot, 144, 145, 146. 
Ooms, Karel, 1845-1900. 23, 46, 

53, 54, 65. 
Opsomer, Izidoor, 214. 
Os, TONY VAN, 214. 
OsT, Alfred, geb. rond 1880. 62. 
Ottevaere, August, 1809-1856. 149. 

OUDERAA, PiETER JaN VAN DER, 1841 

-1915. 23, 46, 53, 54, 65. 
Oyens, David, 1842-1902. 108, 134, 

136. 
Oyens, Pieter, 1842-1894. 108. 
Paelinck, Jozef, 1781 — 1839. 9, 16, 

24 noot. 
Paerels, Willem, 125, 229. 
Pauwels, Wilhelm Ferdinand, 1830 

-1904. 23, 50, 51, 53, 67, 130. 
Perlau, Joseph, werkzaam ± 1836. 149 
Pieron, GusTAAF, 1824—1864. 143 noot, 

151. 
PoRTAELS, Jan Frans, 1818-1895. 12, 

16, 46, 130, 152, 215. 
Portielje, Edward, geb. 1861. 71, 121. 
Portielje, Gerard, geb. 1856. 71, 121. 
PosENAER, Jozef, 214. 
Pratere, Edmond de, 1826—1888. 180. 

QUARTENMONT, AnDREAS BeRNARDUS 

DE, 1750-1835. 9. 
QuiNAUX, Joseph, 1822-1895. 149, 153, 

155. 
Rassenposse, Armand, geb. 1862. 88. 
Regemorter, Ignaas Jozef van, 1785 

-1873. 26, 27, 71. 
Richir, Herman, geb. 1866. 136. 
RiKET, Leo, 214. 
Robbe, Lodewijk, 1806—1887. 151, 

152, 143 noot. 



RoBERT, Alexandre Nestor Nicolas, 

1817-1890. 16, 133. 
Robie, Jan. 1821-1910. 137. 
Roche, Paul de la, 131, 132. 
Roidot, Henri, 214. 
Ronner, Alice, geb. 1857. 137, 141, 

227. 
RooY, Johannes Baptista van, geb. 

1808. 10, 19. 
Rops, FÉLiciEN, 1833-1893. 85, 86, 87, 

105, 234. 
RosiER, Jan Willem, 136. 
Ross, Frans, 142. 
RossEELS, Jaak, 1828-1912. 159, 160, 

161, 165, 167, 168, 173, 184. 
RoussEAU, Lodewijk, werkzaam 

1839. 157, 164. 
Rul, Henry, geb. 1862. 203. 
Ruyten, Jan, 1813-1881. 150. 
Rysselberghe, Theo van, geb. 1862. 

120, 121, 136, 222, 235. 
Schaefels, Hendrik Frans, 1827 — 

1904. 23. 
Schaeken, Willem, 1754—1830. 

24 noot. 
Schampheleer, Edmond de, 1824 — 

1899. 160. 
T'Scharner, Théodore, geb. 1826. 86. 
Scheffer, Arie, 1795-1858. 21, 26, 27. 
Scheffer, Hendrik, 1798-1862. 30. 
Schlobach, Willy, geb. 1864. 125. 
Serrure, August, 1825-1903. 120. 
Servaes, Albrecht, geb. 1883. 63, 64, 

118, 119, 214, 215. 
Severin, JuuXan, 142, 214. 
SiMONAU, Frans, 1783-1859. 128. 
Slingeneyer, Ernest, 1820—1894. 15, 

16, 20, 32, 36. 
Smeth, Hendrik de, geb. 1865. 44, 

112. 
Smits, Eugeen, 1826-1912. 86, 136, 

213, 235. 
Smits, Frans Markus, 1750—1833. 9, 

10, 20, 126, 128. 
Smits, Jakob, geb. 1856. 61, 62, 63, 94, 

118, 136, 183, 232, 233. 
SoLVYNS, Frans Balthasar, 1760 — 

1824. 139, 141, 144, 146. 
Stallaert, Jozef Jan Frans, 1825 — 

1903. 90. 
Stapleaux, Michel Ghislain, 1799 — 

1881. 9, 10. 
Stevens, Alfred, 1823-1906. 23, 80, 

94, 108, 109, 110, 112, 136, 174, 224, 

234, 235. 
Stevens, Jozef, 1822-1892. 23, 94, 

152, 174, 175, 178, 234. 
Stevens, Walter, 142, 229. 



REGISTER DER SCHILDERS. 



255 



Stobbaerts, Jan, 1838—1914. 31, 114, 

141, 152, 177, 170, 172, 178, 180, 

221, 229, 233, 234. 
Storm van 's-Gravezande, Karel van, 

geb. 1841. 86. 
Struys, Alexander Theodoor Hono- 

RÉ, geb. 1852. 24, 44, 94, 96, 97, 93, 

99, 100, 232, 233, 234, 235. 
Strydonck, Guillaume van, geb. 1861. 

57, 58. 
SuvÉE, Joseph Bernard, 1743—1807. 8. 
SwAGERS, Frans. 1756-1836. 141. 
SwERTS, Jan, ±1820-1879.23,45,53,65. 
Tadema, Lourens Alma, geb. 1836. 32, 

37, 45, 70, 118. 
Taelemans, Jan Frans, 214. 
Thomas,Alexander, 1810-1894. 70, 75. 
Thonet, Vïctor. 214. 
Thys, Jan, 1783-1865. 24 noot. 
ToussAiNT, Fernand, 142. 
Turner, 226. 
Vaes, Walter, geb. 1881. 136, 137, 

138-141, 227, 235. 
Valerius de Saedeleer, geb. 1869. 

150, 161, 207, 208, 209. 
VÊQUE, AuGUSTE Le, 1864-1921. 46, 

69, 84, 85, 108, 136, 216. 
Verboeckhoven, Eugeen, 1799—1881. 

143 noot, 147, 148, 149, 174. 
Verboeckhoven, Marguerite, 214. 
Verdyen, Eugeen, 1836-1903. 183, 

184, 185. 
Verhaegen, Jan Jozef, bijgenaamd 

„Pottekens", geb. 1726. 9. 
Verhaegen, Pieter Jozef, 1728 — 

1811. 8, 9, 10, 12, 20. 
Verhaeren, Alfred, geb. 1849. 31, 44, 

137, 138, 141, 223, 227, 232, 233, 234. 
Verhaert, Piet, 1852-1903. 44, 46, 

65, 80, 112, 136, 138. 
Verhas, Jan, 1834-1896. 114. 
Verheyden, Izidoor, 1846—1905. 135, 

137, 175, 183, 184, 185, 234. 
Verhulst, Karel Pieter, 1775—1820. 

127.. 
Verlat, Karel, 1824-1890. 70, 77, 78, 

79, 97, 132, 151, 174, 180. 
Verschaeren, Jan Antoon, 1803 — 

1863. 9, 20. 



Verstraete, Theodoor, 1851 — 1907. 4, 

100, 101, 106, 119, 152, 183, 184, 186, 

191, 196, 203. 
Verstrakten, Edmond, geb. 1870. 144, 

150, 207, 208, 209, 210, 211, 212, 213, 

221. 
Verwee, Alfred, 1838-1895. 78, 149, 

152, 169, 175, 176, 177, 183, 191, 203, 

216, 221, 232, 234. 
Verwee, Lodewijk Pieter, 1807 — 

1877. 151. 
ViGNE, Felix de, 1806-1862. 25, 30- 

31. 132. 
Vincent, Fran90is Philibert, beg. 

19de eeuw. 8. 
ViNCK, Frans Kasper Huibrecht, 

1827-1903. 46. 
Vloors, Emiel, geb. 1871. 69, 106. 
Vogels, Willem, 1836-1896. 167, 182, 

222. 
Vos, Cornelis de, 132. 
VlÉRIN, Emmanuël. 214. 
Vriendt, Albrecht de, 1843—1900. 

30, 33 noot, 37, 52, 53, 57, 58, 65, 

i36. 
Vriendt, Juliaan de, geb. 1842. 33, 37, 

52, 53, 57, 58, 60, 65, 136. 
Waegemans, Maurits, 142, 229. 
Wappers, Egied Karel Gustaaf, 

1803-1874. 11 noot, 12, 13, 14, 15, 

18, 19, 20, 24 noot, 26, 36, 51, 130, 

131. 
Wauters, Karel Emiel, 1846. 24, 46, 

96, 132, 134. 
WiERTZ, Antoine, 1806-1865. 23, 70, 

73, 74, 75, 100. 
Wiethase, Edgar, 142, 214. 
WILLEMS, Florent, 1823-1906. 48, 

70, 75. 
WiNNE, Lieven de, 1821-1880. 133, 

234. 
Woestyne, Gustaaf van de, 136. 
Wouters, Rik, 1882-1916. 125, 136, 

229. 
Wytsman, Rudolf, 214. 
Ykens, Karel, geb. 1718. 8. 
Zevenberghen, Joris van, 125, 138, 

139, 141. 



LIJST DER PLATEN. 



De Orgelman (1828). 

De Familie de Hemptinne (1816). 

Portret van Mej. Theunissen (1818). 
De Plaaggeest (1854). 

Een Schapenkudde, door onweer verrast 

(1839). 
Epizode uit de Septemberdagen van 1830 

op de Groote Markt te Brussel (1835). 
De Lichtbaakop Golgotha(1859),Wiertz- 

muzeum. 
Schapen in de Weide (± 1845). 
Zondagmorgen in den Winter (1859). 
Troonafstand van Karel Vin 1555 (1841). 
Mevrouw L. Gallait en haar Dochtertje 

(1848). 
Laatste Eerbewijzen aan de Graven Eg- 

mont en Hoorn (± 1850). 
Watermolen te Eprave (1851). 
De Boekwinkel van Jakob van Liesveld 

te Antwerpen (1853). 
De Dertigdaagsche Vigiliën van Barthel 

de Haze (1854). 
Liefdeverklaring (1854). 
Sint Lukas (1863). 
Des Schilders eigen Portret (1866). 
De Kalvarieberg der St. Pauluskerk ( 1 867). 
Margareta van Parma overhandigt de 

sleutels der stad Antwerpen aan het 

Magistraat (1868). 

20. Pauwel Jan Karel Clays (1817 — 

1900) De Kust te Oostende (1863). 

21. Alexandre Robert (1817—1891) . Luca Signorelli, zijn dood zoontje schil- 

derend (1848). 

22. Ridder Alfried de Knvff (1819 — 

1885) ,' Het Dorp Chaslepont (± 1880). 

23. JosEPH Stevens (1819—1892) . . . Brussel in den vroegen Morgen (1848). 

24. Jozef Lies (1821-1865) Minnepraatje bij het Water (1848). 

25. Adolf Dillens (1821 — 1877) . . . Het Minnebrugje (± 1860). 

26. Jan Robie (1821 — 1910) Druiven en Vogels. 

27. Lieven de Winne (1821 — 1880) . . Leopold I (± 1866). 

28. Alfred Stevens (1823-1906). . . Al 't geluk ineens (voor 1870). 

29. „ „ „ „ . . . Bezoek. 

30. „ „ „ „ . . . Herinnering. 



1. Frans Simonau (1783-1859) . . 

2. Fran^ois Joseph Navez (1787 — 
1869) 

3. Ferdinand de Braekeleer (1792 — 
1883) 

4. Jan Baptist Madou (1796—1877) 

5. Eugeen Verboeckhoven (1799 — 
1881) 

6. GusTAAF Wappers (1803—1874) . . 

7. Antoine Wiertz (1806—1865) . . 

8. Lodewijk Robbe (1806—1887) . . 

9. Felix de Vigne (1806-1862). . . 

10. Louis Gallait (1810—1887) . . . 

11, .. 



12. 



13. Theodore Fourmois (1814-1871) 

14. Hendrik Leys (1815-1869) . . , 



15. 

16. 

17. 

Front. 

18. 

19. 



t 



LIJST DER PLATEN. 



257 



31. 
32. 
33. 

34. 
35. 
36. 
37. 
38. 
39. 
40. 



41. 

42. 

43. 
44. 
45. 

46. 
47. 

48. 

49. 
50. 
51. 
52. 
53. 
54. 
55. 
56. 
57. 
58. 
59. 
60. 

61. 
62. 
63. 
64. 

65. 
66. 

67. 

68. 
69. 

70. 

71. 
72. 
73. 
74. 
75. 
76. 
77. 



Karel Verlat (1824-1890) . . . 
Florent WILLEMS (1823—1906) . . 
Charles Degroux (1825—1870) . . 



EuGEEN Smits (1826—1912). . . . 
Francois Lamorinière (1828— 191 1) 

Louis Dubois (1830-1880) . . . . 
Ferdinand Pauwels (1830—1904). 



CONSTANTIN Meunier (1831 — 1905) 
Felicien Rops (1833-1898) . . . 
Hippolyte Boulenger (1837—1874) 



Louis Artan (1837-1896) . . 
Willem Geets (1838 -1920) . 
Alfred Verwee (1838-1895). 
Jan Stobbaerts (1833-1914) . 



Charles Hermans (1839) . . . 
Adriaan Jozef Heymans (1839) 



Hendrik de Braekeleer (1840 
1888) 



Piet van der Ouderaa (1841 — 1915) 

Frans van Leemputten (1850 — 
1914) 

JULIAAN DE VrIENDT (1842) . . . 

Albrecht de Vriendt (1843—1900) 



Willem Linnig Jr. (1842-1890) 



Karel Ooms (1845-1900) . . . . 
Emile Claus (geb. 1849) . . . . 

Theodoor Verstraete (1851 — 



De Koning van het Neerhof (1856). 

De Handkus. 

Begankenis van St. Guido te Anderlecht 
(1857). 

De Koffietrommel (± 1860). 

Benedicite (1861). 

De Gang der Jaargetijden (1872). 

Schoon Vlaanderen. 

De Weg door het Bosch (1887). 

Ooievaars (1858). 

De Weduwe van Jakob van Artevelde of- 
fert haar kostbaarheden voor de Stad 
Gent (1860). 

De Vermaning (Muzeum te Leipzig). 

In een Sigarettenfabriek te Sevilla (1883). 

Het Standje (Attrapade) (1877). 

Dreef te Tervuren (1871). 

De Vijvers van den Grijzen Molen te Ter 
Hulpen. 

De Golfbreker. 

De Regenboog. 

Bezwering van Joanna de Waanzinnige 
(1876). 

Bij de Monding der Schelde (1880). 

Jonge Stier (± 1885). 

De Keuken van een Dierengek (1872). 

In een Antwerpsche Slachterij (1873). 

Molen op het Kiel. 

Het Opladen der Bieten. 

De Verzoeking van den H. Antonius. 

Bij Morgenkrieken (1875). 

Kudde in de Kempen (± 1882). 

Stroomijten (± 1905). 

Vroege Morgen in 't Voorjaar (1913). 

De Geograaf (1872). 
Trap in het Waterhuis (1877). 
Het Mannetje met den Vilt (1877). 
De Man aan het Venster (1877). 
In het Waterhuis te Antwerpen (1878). 
Kaartspel (1887). 

Antwerpsche poorters staan alleen terecht 
vóór Antwerpsche rechters. 

Palmzondag in de Kempen (1889). 

Kerstliedje (1894). 

Karel V, als kind ridder van het Gulden 
Vlies geslagen (± 1880). 

Paus Paulus III vóór het Portret van 
Marten Luther (1883). 
Antwerpsche Volksbruiloft (1866). 
De Kosten van het Gelag (1875). 
De Krabbe (1880). 
Verboden Lektuur (1876). 
Eendjes op den Plas (± 1900). 
Koeien in de Leie (± 1900). 



(1907) Koewachtstertje in de Heide (1882). 



258 



LIJST DER PLATEN. 



78. 

79. 
80. 
81. 
82. 
83. 
84. 
85. 
86. 
87. 
88. 
89. 
90. 
91. 

92. 
93. 
94. 
95. 
96. 
97. 

98. 
99. 



100. 
101. 
102. 
103. 
104. 
105. 
106. 
107. 
108. 
109. 
110. 
111. 
112. 
113. 

114. 
115. 
116. 

117. 
118. 
119. 



Theodoor Verstrakte (1851- 
(1907) 



Jan van Beers (geb. 1852) . 
Piet Verhaert (1852—1908) 
Alexander Struys (1852) . 



Frans Courtens (geb. 1854) 

Leon Frederic (geb. 1856) 
Jakob Smits (geb. 1856) . . 



Graaf Jacques de Lalaing (1858 

1917) 

Fernand Khnopff (geb. 1858) 

Edgar Farasyn (geb. 1858) . 
Hendrik Luyten (geb. 1859) 
James Ensor (geb. 1860) . . 



Alexander Hannotiau (1862 
1902) 



EuGEEN Laermans (geb. 1864) . 



Karel Jozef Mertens (1865— 1919) 
Albert Baertsoen (geb. 1866). . 
Henry Degroux (geb. 1867) . . . 
Jef Leempoels (geb. 1867) . . . 

Richard Baseleer (geb. 1867) . . 
Valerius de Saedeleer (geb. 1869) 
Edmond Verstraeten (geb. 1870) 

Alfred Delaunois (geb. 1876) . . 



Walter Vaes (geb. 1881) 



Albrecht Servaes (geb. 1883) . 



Doodenwake in de Kempen (1892). 

Hooioppers (1885). 

De Orgelman (1896). 

Sarah Bernhardt (1888). 

De Antwerpsche Zeehandel in 1508 (1898). 

De Broodwinner (1887). 

Het Bezoek bij den Zieke (1893). 

De Mechelsche Kantwerkster (1902). 

De Melkster (1896). 

Zonnige Dreef (1898). 

De Middag der Krijtventers (1882). 

De Vader van den Veroordeelde ( ± 1905). 

De Judaskus (± 1910). 

Portret van een Geestelijke (1882). 

In de Ardennen (1885). 

De Wierook. 

De Oude Vischmijn te Antwerpen (1882). 

De Werkstaking (1890). 

De Huiskamer (1881). 

James Ensor te midden van zijn Maskers 

(1899). 
Stilleven (1915). 

Het Kapittel van het Gulden Vlies, te 

Brugge gehouden in 1478 door Max I 

(± 1893). 
De Blinde (1898). 
Naar de Rust (1898). 
Het Spoor (1899). 
De Indringers (1903). 
Zeeuwsch Paar (± 1890). 
Beurtschepen in de Sneeuw (1902). 
Kristus bespot (± 1885). 
In de Kerk (1894). 

Lotsbestemming der Menschheid (1894). 
Spiegelingen (1906). 
In de Sneeuw (± 1904). 
Avondzon. 
Winterbegin. 
Vigiliën in St. Pieters te Leuven (± 

1905). 
's Avonds in de Kerk (1905). 
Peren (1918). 
Portret van Jonkvrouw Louize de Stuers 

(1919). 
Eerste Kommuniegang (1916—1920). 
Kristus valt onder het Kruis (1920). 
De Dood van de H. Terezia (1920). 



i 



\ 



\ # 



PLATEN 






'f- 



FRANS SIMONEAU (1783-1859) 




Dl - '1' ! ,1 i MAN i ISJ- 



FRANgOIS JOSKI'H NAVKZ tl787 1869) 




2. UE FAMILIE DE HEMPTINNE 1I8I6) 



FERDINANÜ DE BRAEKELEER il792— 1883) 




3. PORTRET VAN MEJ. THEÜMSSEN 1I8I8; 



<f 



ANTOINE VVIERTZ 1I8O6-I86S1 




7. DE LICHTBAAK OP GOLGOTHA .1859. Wicrtz 



LOUIS GALLAIT (1810-1887) 




II. MEVROUW L. GALLAIT EN HAAR DOCHTERTJE (18481 



HENDRIK LEYS (1815 -IS 




14. DE BOEKWINKEL VAN JAKOB VAN LIESVELD TE ANTWERPEN (1853) 



BARON HENDRIK LEYS (1815—1869) 





i 
1 




vP^ .^fl 


■^ 


i 


y, ■ ■'"•■ 
b U 


' 1 

,\ j 

% ■% 




^ 


1 


.AH 

f' 

V 

> X -., 


1 : 

1 • f 
/ V 


f 






"" ''*-^Hl- 



16. LIEFDESVERKLARING (1854) 



BARON HENDRIK LEYS (1815-1869 




17. SINT I.UCAS (lf<63) 



BARON HENDRIK LEYS I1815-1860i 




19. .MARGARETHA VAN PARMA OVEKHANUIGT DE SLEUTELS DER STAD 
ANTWERPEN AAN HET MAGISTRAAT (I8681 



ALEXANDRE ROHERT (1817-1891) 




21. LUCA SIGNORELLI. ZIJN DOOD ZOONTJE SCHILDEREND (US48) 



ADOLF DILLENS (1821 1877) 




25. HET MINNEBRUGJt 



JAN ROBIE (1821 1904; 




26. DRUIVEN EN VOGELS 



LIEVEN DE WINNE 1 1821-1880) 




27. LEOPOLD I 



fALFRED STEVENS (1823-1906i 




28. AL 'T GELUK IN EENS 



il 




29. BEZOEK 



i 



ALFRED STEVENS il821-1906i 




30. HKRINNKKING 



KAREL VERLAT il824 1890, 




31. DE KONING VAN HET NEERHOF (1856i 



FLORENT WILLEMS (1823 1906) 




32. DE HANDKUS 



o 
o 
z 




FRANCOIS LAMORINIERE (1828-1911) 




38. DE WEG DOOR HET BOSCH nHHTj 



FELICIKN KOPS (1833-1898) 




43. HET STANDJE , 1877.1 



HIPPOLYTE BOULENGER (1837—1874) 




44. DREEF TE TERVUREN (1871) 





.^„ -^. yirïï.SiiaSP,.-iïS-!lt.iJ»*.J3L>- 




1 


1 p 







!?■ 




JAN STOBBAERTS il838-1914) 




55. DE VERZOEKING VAN DEN HEILIGEN ANÏONIUS 



oaMnümuiatiT' 





'w: 






*5 




^^/ yy' 



Ov, 



tiMM- 




HENDRIKIDE BRAEKELEER (1840-lf 




61. TRAP IN HET WATERHUIS (18771 



HENDRIK DE BRAEKELEER (1840-1888) 




62. HET MANNETJE MET DEN VILT il877i 



HENDRIK DE BRAEKELEER (1840 If 




63. ÜE MAN AAN HET VENSTER il877j 



%. 



*. 



ALBRECHT DE VRIENDT 4843-1900) 




69. 



KAREL V ALS KIND RIDDER VAN HET GULDEN VLIES GESLAGEN .^ I88O1 



KAREL OOMS (1845-1900) 




74. VERBODEN LEKTUUR (1876) 



I 







•* l*-. ;wv SMi > -ï «*'V , 






9^ 






fe^SJB^^ 



i/^^\^ 








Sflffk^.-^ 



JAN VAN BEERS lécb. 1852) 



r 



,.„..~B" 




f^ ' 








^ 'm 




81. SARAH BERNHARDT (1 



I 



PIET VERHAERT (1852-1908) 




82. ANTWERPSCHE ZEEHANDEL IN 1508 ilf 



ALEXANDER STRUYS (geb. 1852) 




83. DE BROODWINNER (1887) 



ALEXAN'DF.K STRUYS igeb. 18S2) 
M:i> ''T 




85. DE MECHELSCHE KANT WERKSTER (1%2| 



FRANS COURTENS léeb. l8S4i 




87. ZONNIGE DREEF (1898) 



JACOB SMITS (Éeb, lS56l 




89. DE VADER VAN DEN VEKOORDRELDE li 1905) 



GRAAF JACQUES DE LALAING (1858-1917) 




91. PORTRET VAN EEN GEESTELIJKE (1882i 



I 



FERNAND KHNOPFF (êeb. 1858) 




93. DE WIEROOK 



JAMES ENSOR (éeb. I86O1 




96. DE HUISKAMER (1881 1 



JAMES ENSOR léeb. IS6O1 




97. ZELFFOKTKKT MKT ÜE MASKERS il8V9i 







fSm' i*"«^fB**tf<v '^-V 




I 



I 



JEF LEEMPOELS (geb. 1867i 




107. IN DE KERK (1894) 



i 



JEF LEEMPOELS (geb 1867j 




108. LOTSBESTEMMING DER MENSCHHEIÜ (1894) 



RICHARD BASELEER léeb. 1867) 




109. SPIEGELINGEN (1906) 




.1 ^ 



4 



i 



ALFRED DELAUNOIS i£cb. lS76i 




114. S AVONDS IN DE KERK ( -t 1905.1 



WALTER VAES (gcb. 1881) 



I 




.è 



116. PORTRET VAN JONKVROUW LOUISE DE STUERS (1919) 



ALBRECHT SERVAES (éeb. 1883i 




118. KRISTUS VALT ONDER HET KRUIS (1920) 



/ ■ 



Mont, Karel Marie Polydoor de 
De schilderkunst in België 

van 1S30 tot 1921 



PLEASE DO NOT REMOVE 
CARDS OR SLIPS FROM THIS POCKET 



UNIVERSITY OF TORONTO LIBRARY