(navigation image)
Home American Libraries | Canadian Libraries | Universal Library | Community Texts | Project Gutenberg | Children's Library | Biodiversity Heritage Library | Additional Collections
Search: Advanced Search
Anonymous User (login or join us)
Upload
See other formats

Full text of "De sluik-en kroesharige rassen tusschen Selebes en Papua: Uitg. door ..."

This is a digital copy of a book that was preserved for generations on library shelves bef ore it was carefully scanned by Google as part of a project 
to make the world's books discoverable online. 

It has survived long enough for the copyright to expire and the book to enter the public domain. A public domain book is one that was never subject 
to copyright or whose legal copyright term has expired. Whether a book is in the public domain may vary country to country. Public domain books 
are our gateways to the past, representing a wealth of history, culture and knowledge that 's often difficult to discover. 

Marks, notations and other marginalia present in the original volume will appear in this file - a reminder of this book's long journey from the 
publisher to a library and finally to you. 

Usage guidelines 

Google is proud to partner with libraries to digitize public domain materials and make them widely accessible. Public domain books belong to the 
public and we are merely their custodians. Nevertheless, this work is expensive, so in order to keep providing this resource, we have taken steps to 
prevent abuse by commercial parties, including placing technical restrictions on automated querying. 

We also ask that you: 

+ Make non-commercial use of the files We designed Google Book Search for use by individuals, and we request that you use these files for 
personal, non-commercial purposes. 

+ Refrainfrom automated querying Do not send automated queries of any sort to Google's system: If you are conducting research on machine 
translation, optical character recognition or other areas where access to a large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the 
use of public domain materials for these purposes and may be able to help. 

+ Maintain attribution The Google "watermark" you see on each file is essential for informing people about this project and helping them find 
additional materials through Google Book Search. Please do not remove it. 

+ Keep it legal Whatever your use, remember that you are responsible for ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just 
because we believe a book is in the public domain for users in the United States, that the work is also in the public domain for users in other 
countries. Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we can't offer guidance on whether any specific use of 
any specific book is allowed. Please do not assume that a book's appearance in Google Book Search means it can be used in any manner 
any where in the world. Copyright infringement liability can be quite severe. 

About Google Book Search 

Google's mission is to organize the world's Information and to make it universally accessible and useful. Google Book Search helps readers 
discover the world's books while helping authors and publishers reach new audiences. You can search through the full text of this book on the web 



at |http : //books . google . com/ 




Over dit boek 

Dit is een digitale kopie van een boek dat al generaties lang op bibliotheekplanken heeft gestaan, maar nu zorgvuldig is gescand door Google. Dat 
doen we omdat we alle boeken ter wereld online beschikbaar willen maken. 

Dit boek is zo oud dat het auteursrecht erop is verlopen, zodat het boek nu deel uitmaakt van het publieke domein. Een boek dat tot het publieke 
domein behoort, is een boek dat nooit onder het auteursrecht is gevallen, of waarvan de wettelijke auteur srechttermijn is verlopen. Het kan per land 
verschillen of een boek tot het publieke domein behoort. Boeken in het publieke domein zijn een stem uit het verleden. Ze vormen een bron van 
geschiedenis, cultuur en kennis die anders moeilijk te verkrijgen zou zijn. 

Aantekeningen, opmerkingen en andere kanttekeningen die in het origineel stonden, worden weergegeven in dit bestand, als herinnering aan de 
lange reis die het boek heeft gemaakt van uitgever naar bibliotheek, en uiteindelijk naar u. 

Richtlijnen voor gebruik 

Google werkt samen met bibliotheken om materiaal uit het publieke domein te digitaliseren, zodat het voor iedereen beschikbaar wordt. Boeken 
uit het publieke domein behoren toe aan het publiek; wij bewaren ze alleen. Dit is echter een kostbaar proces. Om deze dienst te kunnen blijven 
leveren, hebben we maatregelen genomen om misbruik door commerciële partijen te voorkomen, zoals het plaatsen van technische beperkingen op 
automatisch zoeken. 

Verder vragen we u het volgende: 

+ Gebruik de bestanden alleen voor niet-commerciële doeleinden We hebben Zoeken naar boeken met Google ontworpen voor gebruik door 
individuen. We vragen u deze bestanden alleen te gebruiken voor persoonlijke en niet-commerciële doeleinden. 

+ Voer geen geautomatiseerde zoekopdrachten uit Stuur geen geautomatiseerde zoekopdrachten naar het systeem van Google. Als u onderzoek 
doet naar computervertalingen, optische tekenherkenning of andere wetenschapsgebieden waarbij u toegang nodig heeft tot grote hoeveelhe- 
den tekst, kunt u contact met ons opnemen. We raden u aan hiervoor materiaal uit het publieke domein te gebruiken, en kunnen u misschien 
hiermee van dienst zijn. 

+ Laat de eigendomsverklaring staan Het "watermerk" van Google dat u onder aan elk bestand ziet, dient om mensen informatie over het 
project te geven, en ze te helpen extra materiaal te vinden met Zoeken naar boeken met Google. Verwijder dit watermerk niet. 

+ Houd u aan de wet Wat u ook doet, houd er rekening mee dat u er zelf verantwoordelijk voor bent dat alles wat u doet legaal is. U kunt er 
niet van uitgaan dat wanneer een werk beschikbaar lijkt te zijn voor het publieke domein in de Verenigde Staten, het ook publiek domein is 
voor gebruikers in andere landen. Of er nog auteursrecht op een boek rust, verschilt per land. We kunnen u niet vertellen wat u in uw geval 
met een bepaald boek mag doen. Neem niet zomaar aan dat u een boek overal ter wereld op allerlei manieren kunt gebruiken, wanneer het 
eenmaal in Zoeken naar boeken met Google staat. De wettelijke aansprakelijkheid voor auteursrechten is behoorlijk streng. 

Informatie over Zoeken naar boeken met Google 

Het doel van Google is om alle informatie wereldwijd toegankelijk en bruikbaar te maken. Zoeken naar boeken met Google helpt lezers boeken uit 
allerlei landen te ontdekken, en helpt auteurs en ui tgevers om een nieuw leespubliek te bereiken. U kunt de volledige tekst van dit boek doorzoeken 



op het web via http: //books .google . com 



HARVARD UNIVERSITY 




LIBRARY 

OP THS 

PEABODY MUSEUM OF AMERICAN 
ARCHAEOLOGY AND ETHNOLOGY 

DEPOSITED BY 

Musemn of Comparatlve 
zoology 
R*<=«v«» June 21, 1915 



DE SLUIK- EN KROESHARIGE EASSEN 



TUS8CHEN 



SELEBES EN PAPUA. 



o 



DE SLUIK- EN KROESHARIGE RASSEN 



TUSSCHEN 



SELEBES EN PAPUA 



DOOR 



JOH. GERARD. FRIED. RIEDEL. 



MET PLATEN EN SGHETSKAARTEN. 



UITGEGEVEN DOOlt TUSSGHENKOMST VAN HET NEDERLANDSC» 
AARDRIJKSKUNDIG GENOOTSCHAP. 



^ '. >o /n 



'Ö-ÜRAVENHAGE, 
MARTINUS NIJHOFF. 
^"^1 8 8 6. 






t 



^^ ^, TMi-uy.<^- 



2> a/J«!^,t-2( U-i. 



Pu.^ Xl,l'=l^' 



Alle rechten door den Schrijver gereserveerd. 






^ 



i'- 



GEDRUKT TER ZUID-HOLLANDSCUE BOEK- EN HANDELSDRUKKERIJ. 



VOORREDE. 



Dertig jaren geleden, toen ik als jeugdig ambtenaar bij het Binnenlandsch 
Bestuur op Noord- Selebes een begin maakte met ethnohgische feiten op te teekenen , 
werd mij van vele xyden op het nuttelooxe, het belachelijke van xtilk een arbeid 
gewezen. Oudere ambtgenooten en vriendeti raadden mij in de plaats daarvan 
in gemoede en met aandrang aan, de studie van de Heilige Boeken der Indische 
Regeering, de zoogenaamde Staatsbladen, als het eenig noodige om in 'sLand$ 
Dienst eene schitterende carrière te maken. 

Hoewél aanvankelyk schoorvoetende, besloot ik toch spoedig de my gegevene 
tvenken te laten voor hetgeen zy waren en van de noodzakelijkheid daarvan door- 
drongen, ging ik in de eenmaal door mij gekozene richting op myne tvyze voort 
om de volksstammen, waaronder ik leefde en die ik moest besturen en leiden, niet 
alleen oppervlakkig/ te leeren kennen, maar ook om hunne wijze van denken en 
gevoelen beter te leeren begrijpen. Ik traehtte my gemeenzaam te maken met 
hunne begrippen omtrent recht en onrecht, misdryf en overtreding, moord en dood- 
slag , straf en wraaknemiyig , bezit en eigendom en nog veel meer — begnppen 
welke in den loop der tyden door evolutie het proces van differentiatie nog niet 
hebben ondergaan — vooral omdat het reeds vroeg bij mij vaststond, dat . . . <^pour 
diriger Ie peupk dans la voie correcte, il faut d'abord cannattre letirs cotdumes 
et leurs mceurs* . . . dat. . . nt is absolutely necessary for the statesman uho tvould 
govem suecessfuUy not to look upon human nature in the abstract, and endeavour 
to apply universal rules, but to consider the special, inoral, inteUectual and 
sodal capabilities , wants and aspirations of each particular race uith which he 
hos to deal. A form of govemment under which one race would live happily 
and prosperously would to the other be the ccmse of unendurable misery. ...» 

Met een dusdanig onderzoek eennuml mij onledig houdende, werd ik tioe langer 
hoe meer door de ethnologische wetenschap geboeid, te meer doordien ik gedurefide 
myne onafgebrokene nasporingen heb mogen ondervinden, hoeveel imioed ik door 
de kennis der zeden en gebruiken, der zoogenaamde adat — het residuwn van 
de publieke opinie der vaderen , de coërcieve instellingen van het voorgeslacht — op 
de bevolking verkreeg. Door deze te kennen en voor een deel te eerbiedigen, wekte 



VI VOORREDE. 

ik vertrouwen. Het streven, oin met hunne tradiiiën en cereinwiiën , zeden en 
gewoonten bekend te worden, werd door de inboorlingen, overal waar ik kwam, 
als , een soort piëteit mijuerxyds tegenover hunne vaderen aangemerkt en op hoo- 
gen prijs gesteld. En daaraan schrijf ik het aUeeti toe, dat ik tal van ethnohgi- 
sche feiten, de organisclie prodiwten van den menschelyken geest, die anders 
voorbedachtelyk verborgen worden gehouden, heb leeren kennen. 

Het werk, dat thans onder de oogen van belangstellenden gebracht ivordt, bevat 
alxoo een klein gedeelte van de door my successievelijk opgeteekende ethnologische 
by zonderheden , door eigen o'nderxoek verkregen en aangevuld door mededeelingen 
van een tal van vertrouwbare inboorlingen, xoowel mannen als vrouwen. Ofschoon 
ik getracht heb in dexen arbeid alles xoo beknopt en volledig mogelyk terug te 
geven, gevoel ik toch dat het laatste my 7iiet is mogen geluklcen, eensdeels door- 
dien het werk een te grooten omvang xou verkrijgen , ten andere omdat er veel — 
zeer veel 7iog — te onderxoeken valt, wil men de physische en psychische eigeti- 
schappen der inboorlingen juist en naar waarde appreeieeren. De beknopte 
door my bekend gestelde historische bijzonderheden xyn uit de geschriften van 
F. Valentijn, E. C. Barchewitz, R. De Clercq en anderen geput. De kaarten of 
figuratieve schetsen heb ik op mijne reizen om my te oriënteeren, ook volgens 
aandtiidingen van intelligente inboorlingen te zamen gesteld, terwijl een gedeelte 
der ethnographische afbeeldingen het werk is van een jeugdigen inlander, die de 
zoogenaamde Burgerschool op Ambon met vrucht bezocht heeft. 

Ten aanzien van de spelUng moet ik doen opmerken dat door my de m in de 
plaats van qq, de y in de plaats van t of fh is gebezigd. Waar de ie in inland- 
sche woorden voorkomt moet deze als ie, de oe als oë ivorden gelezen. Alle namen 
van eilafiden, bergen, negariën en dergelyke heb ik volgens de ware uitspraak 
der respectieve bevolking in verband tot de oorspronkel^ke taalkundige beteekenis 
en afleiding in schrift wedergegeven. 

Het is m/ij ten slotte eene aangename taak mynen oprechten dank openlyk te 
betuigen aa7i allen, die voor de uitgave van dit tvèrk my de zoozeer gewaardeerde 
hulp en ondersteuning hebben verleend. 

DE SCHEIJVER. 
September 1885. 



1 3sr h: o TJ 3D. 



EERSTE HOOFDSTUK 

HET EILAND BURU. 

Ligging. Formatie. Bergen. Rivieren. Vlakten. Baaien en ankerplaatsen. Moerassen. Moeson. 
Vogelnest-klippen. Bevolking. Heidenen. Christenen. Mohamedanen. Traditie. Geschiedenis. Taal. 
Physische , intellectueele en moreele eigenschappen. Verminking van 't lichaam. Cultus. Vereering 
van geesten. Bijgeloof. Droomen. Eed. Voorbehoedmiddelen. Negariön. Woningen. Arbeid mannen 
en vrouwen. Nijverheid. Landbouw. Boschproducten. Handel. Voeding en kleeding. Standen. 
Bestuur en inkomsten van hoofden. Afdoening zaken. Straffen. Eechtspleging. Grondeigendom. 
Bloedverwantschap. Huweljk en echtscheiding. Zwangerschap. Geboorte. Ziekte. Dood en begrafenis. 
Erfenis. Ttjdsverdeeling. Kosmognosie bladz. 1 — 28 

TWEEDE HOOFDSTUK. 

AMBON EN DE ÜUASE. 

Ligging. Formatie. Bergen. Rivieren. Voetpaden. Ankerplaatsen. Moeson. Aantal negariën. 
Bevolking. Taal. Traditie. Geschiedenis. Physische, intellectueele en moreele eigenschappen. 
Grondeigendom. Bestuur. Standen. Onderzoek en afdoening van zaken. Straffen. Eed. Oorlog en 
vrede. Landbouw en veeteelt. Cultus. Godsdienst. Onderwtjs. Bijgeloof. Tooverij. Pamali. Matakau. 
Pela. Negariön. Woningen. Huisraad. Wapenen en kleeding. Nijverheid. Handel. Verloving. 
Huwelp. Schaking. Echtscheiding. Zwangerschap. Partus. Behandeling van pasgeboren kinderen. 
Mutilatie van 't lichaam. Ziekten. Overlijden. Rouw. Erfenis. Voeding. Narcotica. Feesten. Zang 
en dans. Raadselen. Kosmognosie bladz. 29 — 85 

DERDE HOOFDSTUK. 

HET EILAND SERANQ OP NUSAINA. 

Ligging, Geographische beschrgving. Aantal eilanden. Formatie. Bergen. Bosschen. Rivieren. 
Ankerplaatsen. Moerassen. Wegen. Klimaai Moeson. Bevolking; aantal en verspreiding. Taal. 
Traditie. Geschiedenis. Physische, intellectueele en moreele eigenschappen. Grondeigendom. Bestuur. 
Standen. Familie. Straffen. Oorlog en vrede. Cultus. Godsdienst. Booze geesten, B^geloof. Tooverg. 
Droomen. Matue. Eed. Koppeiyacht. Negariën. Huisbouw. Huisraad. Voorwerpen van waarde. 
Voeding. Kleeding. Jacht, visscherg en vogelvangst Landbouw. Nijverheid. Handel. Schulden. 
Maten en gewichten. Telling. Vriendschapsbetrekkingen. Pela. Onderling eerbetoon. Feesten. 
Zang. Dans. Spelen. Kinderspelen. Huweljk. Echtecheiding. Partus. Verminking van 't lichaam. 
Puberteitsplechtigheden. Kakihan. Mohone holine. Tatuage. Ziekte. Overlijden. Teekenen van 
rouw. Erfenis. Kosmologische voorstellingen bladz. 86 — 145 



Vm INHOUD. 

VIERDE HOOFDSTUK 

DB SERANQLAO- EN GORONG-ARCHIPEL. 

Ligging. Aantal. Formatie. Bergen. Rivieren. Ankerplaatsen. Vaarwaters. Moerassen. Voet- 
paden. Klimaat Moeson. Negariën. Bevolking. Taal. Traditie. Geschiedenis. Physi8che,intellectueele 
en moreele eigenschappen. Grondeigendom. Standen. Bestnnr. Hoofden. Afdoening van zaken. 
Straffen. Eed. Ordalium. Oorlog en vrede. Negariön. Woningen. Hnisraad. Voorwerpen van waarde. 
Wapenen. Kleeding. Sieraden. Godsdienst Goede en kwade geesten. Ziel. Tooverij. Droomen. 
Bijgeloof. Sasi. Matakau. Verboden handelingen. Nijverheid. Handel. Landbouw. Verloving. Huwelijk. 
Schaking. Echtscheiding. Zwangerschap. Partus. Mutilatie van het lichaam. Ziekte. Overlijden. 
Begrafenis. Erfenis. Voeding. Narcotica. Feesten. Zang en dans. Eaadsels. Dobbel- en kinder- 
spelen. Kosmologie. Vuur bladz. 146 — 187 

VIJFDE HOOFDSTUK. 

DE WaTUBELA-EILAKDEK. 

Ligging. Aantal. Formatie. Bergen. Rivieren. Voetpaden. Moerassen. Ankerplaatsen. Klimaat 
Bevolking. Aantal. Verspreiding. TaaL Traditie. Geschiedenis. Physische, intellectneele en moreele 
eigenschappen. Grondeigendom. Standen. Bestuur. Hoofden. Afdoening van zaken. Straffen. Cultus. 
Booze geesten. Bjgeloof. Droomen. Eed. Negariën. Huizen. Huisraad. Kleeding. Oorlog en vrede. 
Landbouw. Nijverheid. Arbeid mannen en vrouwen. Handel. Scheepvaart Maten en gewichten. 
Telling. Huweljk. Echtscheiding. Zwangerschap. Partus. Verminking van het lichaam. Ziekte. 
Genezing. Dood. Begrafenis. Rouw. Erfenis, Voeding. Narcotica. Feesten. Zang en dans. Spelen. 
Kosmologie bladz. 188—213 

ZESDE HOOFDSTUK. 

DE KEEI- OP EWAABU-EILANDEN. 

Ligging. Geographische beschrij\ing. Aantal eilanden. Formatie. Bergen. Rivieren. Bosschen. • 
Moerassen. Meren. Ankerplaatsen. Wegen. Bevolking. Ursiwa. Urlima. Taal. Traditiën. Geschiedenis. 
Physische, intcUectueele en moreele eigenschappen. Cultus. Bjgeloof. Droomen. Eed. Aanleg 
negariën. Huisbouw. Arbeid mannen en vrouwen. Nijverheid. Handel. Voeding. Kleeding. Ver- 
minking van het lichaam. Standen. Bestuur. Plichtplegingen. Grondeigendom. Landbouw. Rechts- 
pleging. Straffen. Oorlog en vrede. Verloving. Huwelijk. Zwangerschap. Ziekte. Dood. Zang, spel 
en dans. Kosmognosie. Voorwerpen uit den ouden tiJd bladz. 214 — 243 

ZEVENDE HOOFDSTUK. 

DE AARU-ARCHIPEL. 

Ligging. Geographische verdeeling. Eilanden. Formatie. Kanalen. Moerassen. Voetpaden. 
Ankerplaatsen. Riffen. Moeson. Klimaat Belangrijke negariën. Ursia — Urlima. Bevolking. Taal. 
2^ang. Traditiën. Geschiedenis. Physische, intellectueele en moreele eigenschappen. Verminking 
van 't lichaam. Standen. Adel, rijken, slaven. Cultus. Bijgeloof. Droomt. Eed. Aanleg negariën. 
Huisbouw. Huisraad. Arbeid mannen en vrouwen. Handel. Artikelen van rijkdom. In- en uitvoer. 
Voeding. Eleeding. Bestuur. Afdoening zaken. Straffen. Likomsten hoofden. Plichtplegingen. 
Grondeigendom. Landbouw. Oorlog en vrede. Verloving. Huwelijk. Zwangerschap. Bevalling. 



INHOUD. IX 

Opvoeding kinderen. Ziekte. Dood. Begrafenis. Bouw. Erfenis. Ttjdsverdeeling. Telling. Maten. 
Kosmologische b^ppen. Gomgai en Tungu bladz. 244 — 271 

ACHTSTE HOOFDSTUK 

DE TANEMBAR- EN TIMOBLAO-EILANDEN. 

Ligging. Aantal eilanden. Eigendom daarvan. Vaarwaters. Formatie. Bivieren. Ankerplaatsen. 
Belgen. Wegen en voetpaden. Moeson. Bevolking. Talen. Traditie. Geschiedenis. Physische, 
inteUectueele en moreele eigenschappen. Mutilatie van het lichaam. Cultus. Booze geesten. 
Heilige plaatsen. Eed. Waarzeggerij. Droomen. Negariên. Woningen. Arbeid mannen en vrouwen. 
VischvangsL Handel. Prauwenvaart. Voeding. Kleeding. Standen. Bestuur. Afdoening van zaken. 
Eigendom van gronden. Landbouw. Oorlog en vrede. Huwelgk en echtscheiding. Zwangerschap. 
P&rtos. Overlijden. Begrafenis. Bouw. Erfenis. Zang, spel en dans. Kosmologie, bladz. 272 — 309 

NEGENDE HOOFDSTUK. 

DB LUANQ-8ERMATA-GR0EP. 

Ligging. Geographische beschrgving. Formatie. Bergen. Ankerplaatsen. Wegen. Bevolking. 
Taal. Traditie en geschiedenis. Physische, inteUectueele en moreele eigenschappen. Cultus. 
Bijgeloof. Droomen. Eed. Lirichting negariën. Offerhuis. Huizen. Huisraad. Arbeid mannen en 
vrouwen. Nijverheid. Handel. Schulden. Voeding. Narcotica. Kleeding. Bestuur. Hoofden. Eer- 
bewtjzing en plichtpleging. Grondeigendom. Landbouw. Straffen. Oorlog en vrede. Verloving. Huwelgk 
eïk Echtscheiding. Zwangerschap. Bevalling. Ziekte. Dood. Begrafenis. Erfenis. Zang, spel en 
dans. Kosmognosie bladz. 310 — 331 

TIENDE HOOFDSTUK. 

DE BABAR-AROmPEL. 

Ligging. Geographische beschrijving. Formatie. Bergen. Bivieren. Ankerplaatsen. Klimaat. 
Moeson. Bevolking. Taal. Traditie. Geschiedenis. Physische, inteUectueele en moreele eigen- 
schappen. Verminking van het lichaam. Cultus. Bggeloof. Droomen. Eed. Inrichting negariön en 
huizen. Huisraad. Arbeid mannen en vrouwen. Nijverheid. Handel. Schulden. Lming daarvan. 
Voeding. Narcotica. Kleeding. Bestuur. Afdoening zaken. Straffen. Standen. Slaven. Grondbezit 
Landbouw. Oorlog en vrede. Verloving. Huwelijk. Zwangerschap. Verlossing. Echtscheiding. 
Ziekte. Dood. Begrafenis. Bouw. Erfenis. Zang, spel en dans. Kosmognosie . bladz. 332 — 364 

ELFDE HOOFDSTUK. 

DE EILANDEN LBTI, MOA EN LAEOR. 

Ligging. Geographische beschrijving. Formatie. Bergen. Bosschen. Moerassen. Bivieren. Voet- 
paden. Ankerplaatsen. Moeson. Klimaat Bevolking. Taal. Traditie. Geschiedenis. Physische, 
inteUectueele en moreele eigenschappen. Verminking van het lichaam. Cultus. Bijgeloof. Droomen. 
Eed. Negariën, huizen, huisraad. Arbeid mannen en vrouwen. Ng verheid. Handel. Schulden. 
Voeding en Meeding. Wapenen. Bestuur. Afdoening zaken. Straffen. Standen. Grondbezit Land- 
bouw. Veestapel. Oorlog en vrede. Huwelp. Echtscheiding. Bechten schoonouders. Zwangerschap. 
Verlossing. Ziekte. Dood. Begrafenis. Erfenis. Vreemdelingen. Feesten. Spel, zang en dans. 
Tgdsverdeeling. Telling. Maten en gewichten. Kosmognosie bladz. 365 — 398 



X INHOUD. 

TWAALFDE HOOFDSTUK. 

HET EILAND KEISAR OF MAKISAR. 

Ligging. Formatie. Borgen. Bivieren. Voetpaden. Ankerplaatsen. Moeson. Verdeeling land- 
schappen. Negariën. Bevolking. Mestiezen. Taal. Traditie. Geschiedenis. Physische, intellectneele 
en moreele eigenschappen. Standen. Bestuur. Hoofden. Afdoening van zaken. Straffen. Ëod. 
Grondeigendom. Landbouw. Veestapel. Cultus. Bjjgeloof. Huwelgk. Schaking, ttuweljk van broe- 
ders- en zusterskinderen. Bijzitten. Echtscheiding. Steriliteit der vrouwen. Zwangerschap. Partus. 
Haarsngden. Doorsteken der oorlellen. Tandvjjlen. Ziekte. Genezing. Overladen. Begrafenis. Rouw. 
Erfenis. Huizen. Huisraad. B[leeding. Sieraden. Wapenen. Oorlog en vrede. Nijverheid. Arbeid 
van mannen en vrouwen. Handel. Geld. Voeding. Narcotica. Feesten, zang en dans. Muziek- 
instrumenten. Spelen. Kosmologie bladz. 399—429 

DERTIENDE HOOFDSTUK. 

HET EILAND EETAR OF WETAR. 

Ligging. Geographische verdeeling. Formatie. Bergen. Rivieren. Meeren. Moeson. Ankerplaatsen. 
Klimaat. Traditie. Geschiedenis. Physische, intellectneele en moreele eigenschappen der bevolking. 
Sfcinden. Bestuur. Afdoening zaken. Straffen. Cultus. Bjjgeloof. Droomen. Godsoordeelen. Grond- 
eigendom. Woningen. Oorlog. Vrede. Verbond van negariën. Eed. Huweljjk. Bijzitten. Echtscheiding. 
Zwangerschap. Bevalling. Verminking van het lichaam. Vaderrecht. Bloedverwantschap. Ziekte. Dood. 
Begrafenis. Verblgf zielen. Erfenis. Feesten. Arbeid. Landbouw. Nijverheid. Handel. Maten en 
gewichten. Voeding. Tijdsverdeeling. Telling. Kosmische verschijnselen . . . bladz. 430 — 458 

VEERTIENDE HOOFDSTUK 

DK EILANDEN BOMANG, DAMA, TEUN, NILA OF LINA EN SERUA. 

Ligging. Aantal eilanden. Formatie. Bergen. Ankerplaatsen. Voetpaden. Vruchtbaarheid van 
den bodem. Klimaat. Bevolking. Traditie. Geschiedenis. Bestuur. Straffen. Standen. Slavernij. 
Physische, intellectueele en moreele eigenschappen. Grondeigendom. Landbouw. Veeteelt Cultus. 
Tooverij. Onderwijs. Huwelijk. Zwangerschap. Partus. Ziekte. Overlijden. Begrafenis. Erfenis. 
Handel bladz. 459—468 



REGISTER bladz. 469—473 

VERBETERINGEN EN BLI VOEGINGEN. . » 474 

VERKLARING DER PLATEN » 475—486 



EERSTE HOOFDSTUK. 



HET EILAND BURU. 



Ligging. Fonnatie. Bergen. Rivieren. Vlakten. Baaien en anlLerplaatsen. Moerassen. 
Moesons. Vogelnest-k lippen. Bevolking. Heidenen. Christenen. Mobamedanen. Traditie. 
Qesohiedenis. Taal. Physisehe , intelleotneele en moreele eigenschappen. Verminking van 
*t lichaam. Cultus. Vereering van geesten. B0geloof. Droomen. Eed. Voorbehoedmiddelen. 
Negariën. Woningen. Arbeid mannen en vrouwen. Kflverheid. LandlM)nw. Boschproducten. 
Handel. Voeding en kleeding. Standen. Bestuur en inkomsten van hoofden. Afdoening 
saken. Straffen. Rechtspleging. Qrondeigendom. Bloedverwantschap. Huweiyk en echt- 
scheiding. ZwangerschiH[>. Geboorte. Ziekte. Dood en begrafenis. Erfenis. Tgdsverdeeling. 
Kosmognosie. 



Het eiland Buru of Bulu, door de oorspronkelijke bevolking Vuk Bulu, land 
Bulu, genoemd, beslaat eene uitgestrektheid van meer dan honderd-zestig vierkante 
geographische mijlen en is tusschen 126® en 127° 20' oosterlengte van Greenwich en 
tusschen 3® en 3° 55' zuiderbreedte gelegen. 

Dit eiland wordt door tal van bergketenen en uitgestrekte dalen doorsneden. 
De bergen zijn grootendeels Ablagerungen van de triasperiode, waartusschen lagen van 
mioceen tertiaire formatie met sporen van metamorphische en vulkanische gesteenten 
of naar gelang der localiteit overblijfselen van diluviale en recente vorming 
voorkomen. Behalve de hooge toppen van den Tomahu, Siel, Bara, Sanane, 
Kombangpoon, Atnoul, Wagapa en Waimoli, vindt men in de binnenlanden nog 
de Vogi, Vevu, Latubau, Vurekako, Waiboo, Sopot, Bobo, Vatuvaa, Lokikokan, 
Karena, Kuse, Tevdule, Noralpita, Vamite, Kakusan, Mahalatanen en anderen. 
De op verren afstand zichtbare top aan de westzijde van het eiland gelegen 
is die van den Tomahu, van ongeveer 2500 meters hoogte. Het eiland is rijk 
aan rivieren , waarvan de grootste , de Waeiapo het landschap Kaiïli — de 
Waeolo, Waeoki en Waekolo het landschap Waesama — de Waemala, Waekabo 
en Waekuma het landschap Masarete — en de Waeili het landschap Lisela door- 
snijden. Vruchtbare vlakten, die voor cultures geschikt geacht worden, zijn die 
van Waeapa, ook wel Baman genoemd, Amoto, Simlou, Wasuhan, Rorenso, Wa- 
Mmata, Hetlima, Batuboi, Waelea, Liba, Namlae, Titbare, Waetina, Waetemun, 

1 



a B TJ B u. 

Waemala, Rakubulana en Lasilale. Bezuiden de negari Kaiïli treft men onafzienbare 
weilanden, met name Waeasel en Sawabesi, aan. Behalve de baai van Kaiïli, waar de 
grootste rivier van het eiland, de Waeiapo, zich in zee stort, heeft men op Buru nog 
de Tivubaai, in het zuidwesten van het eiland gelegen, alwaar eene goede ankerplaats 
gevonden wordt. Naar gelang van den moeson bestaat er nog gelegenheid om voor 
een korten tijd te ankeren in het landschap Leliali bij Marasa, Waebabae en Mara- 
lat; in het landschap Tagalisa bij Waepote en Waelano; in het landschap Lisela 
bij Waeili; in het landschap Palumata bij Waediu; in het landschap Masarete bij 
Waekuma, Waemala, Kawiri, Meva, Masbaitleksula en Waekibonamrole ; in het land- 
schap Oki bij Oki; in het landschap Waesama bij Tïbo, Wamsisi en Kabüti, en in 
het landschap Lumaete bij de rivier Dat. Met uitzondering van de raana Wakaholo 
in het landschap Lisela, die op ongeveer 1150 meters hoogte ligt en in 1668 voor 
de eerste maal door Europeanen werd bezocht, treft men er geene meren aan. Moe- 
rassen, kabut, met sagubosschen overdekt, vindt men in groote uitgestrektheid in 
de landschappen Kaiïli, Lisela en Waesama. Li den Westmoeson heeft men op 
Noord-Buru regen en op Zuid-Buru droogte. In den Oostmoeson heeft het omgekeerde 
plaats. Het klimaat is langs de noordkust van wege de vele moerassen niet 
gezond. Bij de negariën Namrole en Taslatu in het gebergte worden de vogelnest- 
klippen, katimpu en Kabalela genaamd, aangetroffen. 



De in de verschillende landschappen in 1882 aanwezige bevolking blijkt uit den 
volgenden staat. 







YBBEHDELINGEV. 


NEGAEIBBVOLKDre. 


LANDSCHAPPEN. 


MOHAMBDANBN. 


HOHAMEDAITEK. 


"EETDVSEV 






MAlQrEN|VBOUWEK 


TOTAAL 


HAUJNBK 


VBOUWEK 


TOTAAL 


MAinrBK 


TBOUWEK 


TOTAAL 


Kaiïli 


33 

378 

4 

16 

1 

9 

14 

58 
6 


26 
279 

11 

8 
11 

43 
2 


59 

657 

4 

27 

1 
17 
25 

101 

8 


165 

76 
38 
72 
62 
17 
35 
81 

36 
50 


216 
51 
80 
60 
55 
27 
32 
86 

31 
32 


381 

127 

68 

132 

117 

44 

67 

167 

67 
82 


450 

43 

120 

1906 

4 

1426 

76 

63 

36 


252 

44 

112 

1208 

3 

1185 

56 

55 

23 


702 


Leliali . 




87 


Tagalisa 
Lisela . 




232 
3114 


Hakumina 
Palumata 
Voiri . 




7 


Masarete 
Oki . . . 




2611 
131 


Waesama 
Lumaete . 




118 
59 


Tot 


aal . . 


619 


380 


899 


632 


630 


1262 


4123 


2938 


7061 



De Christenen bestaan te Kaiüi uit 67 mannen en 49 vrouwen, of 116 burgers; 
te Masarete uit 18 mannen tot de negaribevolking behoorende, zoodat de bevolking 
van het geheele eiland een totaal van 9346 zielen bereikt, of acht-en-vijftig personen 
ongeveer op elke geographische mijl. 



BURU. 3 

De bevolking van Buru bestaat uit vreemdelingen , zijnde de afstammelingen der 
strandbewoners , Gebmasin, ook wel Gebdagan genoemd, voornamelijk Ternatanen, 
Todoreezen, Makianners, Seurangers van Huamual, Galela en Tobeloreezen , Binong- 
koërs, Sulaneezen en Javanen; voorts uit de bergbewoners, Gebmëliaof Gebvuka,meer 
bekend onder den naam van Alivuru, die als de oorspronkelijke bewoners van het eiland 
moeten worden aangemerkt. De geschiedenis der vestiging van eerstgenoemden is tame- 
lijk verward. Volgens de traditiên, die ook uit onsamenhangende fragmenten be- 
staan, zijn de voorouders der Gebmölia voor een gedeelte vóór de komst der hier- 
vorenbedoelde vreemdelingen uit het noordwesten gekomen, van eene landstreek 
genaamd Manu; anderen zijn op het eiland uit boomen voortgesproten, bijvoorbeeld 
die van Masarete uit den kamiten, Diospyros ebenus: eene vrouw uit dezen boom 
te voorschijn gekomen maakte eenigen tijd daarna in de nabijheid er van vuur, 
en toen de boom warm werd en in tweeën spleet trad er een man naar buiten, die 
haar huwde; terwijl de eerste bewoners van Oki afkomstig zouden zijn uit den lisa, 
Catappa terminalis, nadat de vogel nusi, Haliaetusleucogaster, een geruimen tijd boven 
dien boom gezweefd had. De eerste man, Wuae, kwam alstoen te voorschijn, gevolgd 
door de vrouw Marabai. Zij huwden en verwekten vele kinderen. Klaarblijkelijk 
hebben de Gebmölia eenen gemeenschappelijken oorsprong, omdat de thans bestaande 
dialecten, kimnavo, van Kaiïli, Lisela, Masarete en Waesama veel overeenkomst 
onderling hebben. Vroeger had men eene oude gemeenschappelijke taal, de limamena, 
die thans echter in onbruik is geraakt. In de strandnegariën wordt voornamelijk 
Maleisch gesproken. 

Vóór de komst der eerste Portugeesche en Nederlandsche zeevaarders in de 
Molukken stonden de strandvolken van het eiland Buru onder het bewind van den 
Sulthan van Temate, die te Tomahu aan de rivier thans nog Waetamate genaamd 
eene versterking had. Volgens de kronieken van dat rijk veroverde Samarau in 1511 
Tomahu en onderwierp daarna, door de goedaardige Gebmölia zonder vorm van pro- 
ces uit te moorden, alle vestigingen die aan de kust lagen. Onder het bestuur van 
den Temataanschen Sulthan Mandarasahang in 1650 vluchtte een zijner broeders, 
Kalamata genaamd, door de kimalahas of mindere hoofden Hasi en Tiku gevolgd, 
naar Buru, en stookte de bevolking aldaar op tegen Temate. De Gouverneur van 
Ambon, Amold de Vlamingh van Oudshoorn, versloeg hem met medewerking van 
Temate in 1652, na groote verwoesting en bloedvergieting. Kalamata ontvluchtte, 
Hasi onderwierp zich later aan den Gouvemeur Jacob Hustaard , terwijl Tiku gevangen 
genomen en verbannen werd. Ofschoon de souvereine rechten van Temate ten aanzien 
van de binnenlanden onbewezen waren, kwam bij overeenkomst van 4 Mei 1656 met 
den Sulthan van dat rijk Bura als wingewest onder het gezag van Nederland. Alle 
strandhoofden werden toen naar Kaiïli verplaatst, alwaar in 1658 de sterkte Mandar 



4 B u E tr. 

Sjah, eene verbastering van Mandarasahang, werd opgericht en de strenge last werd 
uitgevaardigd om alle op het eiland aanwezige nagel- en notemuskaatboomen , 
Caryophyllum aromaticus en Myristica fragrans, uit te roeien. In 1664 werd, in stede 
van deze sterkte, het fort Cosburg, dat later Oostburg heette, gebouwd. Nadat dit in 
1668 door de te Kaiili aanwezige slaven overrompeld was, sprong het in 1688 in de lucht 
en werd door eene palissadeering, pagar-defensie , vervangen. In 1778 werden om 
deze pagar of omheining steenen muren gelegd en kreeg het fort den naam van 
Defensie, welks bezetting evenwel in den loop dezer eeuw ingetrokken werd. Sedert 
dien tijd waren er vertegenwoordigers van het Nederlandsch gezag te Kaiïli aanwezig, 
totdat er in 1882 een tweede aan de zuidkust — in de baai van Tivu — geplaatst 
werd. Deze ambtenaren hebben over de binnenlandsche stammen, die zich onafhankelijk 
wanen, niets te bevelen. 

De oorspronkelijke bevolking van Buru, de Gebal ömlialo of Gebumölia, ook wel 
Gebvuka genoemd, behoort tot het lichtbruin Indonesisch ras met hypsimeso- en 
orthodolicho-vormige schedels. De mannen bereiken eene lengte van 1.64, de 
vrouwen die van 1.50 meter. Vele dezer laatsten hebben een mongoloïde aange- 
zichtstype. Onder de mannen zijn slechts enkele welgemaakt. Het haar, dat sluik is, 
olov rena, is glinsterend zwart. De oogen van de meeste vrouwen zijn kwijnend of 
smachtend, terwijl het aangezicht verder zonder uitdrukking is. Kroes- of wolharigen, 
olov kokon, worden niet aangetroffen. Door het afvijlen der tanden en het ruim 
gebruik maken van de sirih, Chavica betle, met kalk, is de mond vervormd en de 
lippen gezwollen. De borsten der vrouwen zijn van middelmatige grootte, van boven 
plat en van onderen gewelfd. Na de bevalling hangen de borsten met afzichtelijke 
plooien. De ingang der vagina is nauw en de nymphen rudimentair. Krachtig ge- 
bouwde individuen worden weinig aangetroffen. Kleine meisjes hebben iets aantrek- 
kelijks ; eveneens de jongens ; eene andere leefwijze volgende , zouden zij een krachtig 
voorkomen verkrijgen. Onder de bewoners der binnenlanden onderscheidt men twee 
gezichtsvormen; de eerste, leptoprosopen, met plat ineengedrongen , de tweede, chamae- 
prosopen, met eenigszins vooruitstekenden neus. Het haar wordt door de mannen lang 
gedragen, olov remang, omdat de vrouwen dit gaarne zien. Albinos worden zelden 
waargenomen ; daarentegen vele gevallen van vitiligo met ichthyosis , beide aanstekelijk. 
De energie der Gebvuka of binnenlandsche bevolking van Buru is door eene stelselmatige 
onderdrukking der Gebmasin of strandbewoners sedert eeuwen geheel verlamd. Zij 
heeft weinig lust meer om zich te verrijken, doordien de mohamedaansche strand- 
hoofden langs slinksche wegen naar hare eigenaardige uitdrukking haar het vleesch 
van onder de huid afstroopt. Voor spel en dans bestaat deswege ook weinig opge- 
wektheid. De kinderziekte, variolae, heeft, wijl de koepokinenting niet bestaat, inde 
laatste vijftig jaren bovendien de bevolking meer dan gedecimeerd. In eene negari 



B U B U. O 

met tweehonderd-en-vier zielen stierven, eenige jaren geleden, achtereenvolgens in 
een kort tijdsbestek honderd-zes-en-negentig personen. Vermeerdering van zielental 
is niet merkbaar, omdat oude afgeleefde mannen jonge vrouwen en meisjes huwen; 
en jonge mannen die geen kaleli of bruidschat verdienen kunnen ongehuwd blijven. 
De vrouwen werken hard en hebben groote ontwikkelde clunes — geen steatitis of 
hyperpimele — zoo men beweert van wege het op- en afstijgen der bergpaden met 
zware vrachten op het hoofd. Zij zijn ijverig en zacht, maar vreesachtig van aard. 
De mannen zijn, ofschoon bijzonder goedaardig, zeer ijverzuchtig, riba. Volgens de 
Gebvuka zijn hunne vrouwen des nachts gewoonlijk te vermoeid om coïtum sicut 
oportet et commode uit te oefenen. De vleeschelijke gemeenschap, duketo, heeft in den 
regel overdag, in silvis sub arboribus, de vrouw op haren rug liggende, plaats. Vrouwen 
hebben meermalen intiemen omgang met vreemde mannen, doch zijn gedurende de 
copulatie zeer passief en indifferent, uit vrees van bevrucht te worden. Het vrij 
verkeer onder jongelieden, of liever met meisjes voor wie de empahut nog niet is 
gegeven, wordt geenszins verboden, maar heeft wegens de weinige opgewektheid der 
vrouwen voor sexueelen omgang weinig plaats. Prostibulae zijn niet aanwezig. Van 
wege de minder goede behandeling, omdat alles op de vrouw nederkomt, heeft men 
onder de kinderen veel sterfgevallen, vooral onder de meisjes. Om het evenwicht te 
herstellen, worden de pasgeboren jongens, wanneer zulks ongemerkt kan geschieden, 
in de bosschen weggeworpen. De bloedverwanten zijn zeer aan elkander gehecht, ook 
doordien zij gezamenlijk hxmne nitu vereeren. De schoonzoon of -dochter mag met 
den schoonvader of -moeder samen eten. De schoonvader, nangkete mahana, wordt 
amang, vader, de schoonmoeder, nangkete vina, inang, moeder, genoemd. De schoon- 
vader van Jadet heet Jadet amang. De schoonzoon wordt nimmer bij den naam, maar 
saawang, d.L aanhanger, genoemd. Wanneer een man ofvrouw kinderen heeft, worden 
zij naar den naam van het oudste kind, bij wijze van eeretitel, aangesproken. 
Broeders en zusters mogen niet met elkander huwen. Zwagers en zwagerinnen mogen 
niet in elkanders nabijheid komen. Heeft de broeder het ongeluk tegen den man 
zijner zuster te stooteji, dan betaalt hij aan zijne zuster eene boete, gewoonlijk een 
stuk wit lijnwaad, om de schande te bedekken. Kinderen worden nimmer aan andere 
negarigenooten afgestaan om door dezen te worden opgevoed of verzorgd. Groot- 
vaders heeten upu manu of opo mahana; grootmoeders upa pata of opo vina; vaders- 
of moeders broeder meme; vaders- of moeders zuster waten; broeder nahat; zuster 
veta; oudste zoon ana mingawa; jongste zoon ana hena. Oude mannen en vrouwen 
heeten gebantua of vinantua. De bevolking is zeer stipt in het opvolgen der ada 
mamena of oude gebruiken. De strandbewoners, met uitzondering van de Binongkoërs , 
Galelareezen, Tobeloërs en Sulaneezen, die zeer ijverig zijn en veel met de vischvangst 
en het stoken van olie uit de Melaleuca Cajeput, die op dit eiland veel voorkomt, 
verdienen, leiden een treurig bestaan. Te Eaiïli sterven de Christenen en Mohame- 



6 B TT B TJ. 

danen uit, ten gevolge van den morbigenetischen toestand der plaats. Zij leiden een 
kwijnend cachectisch bestaan en hebben geene toekomst. 

Vóórdat het haar op den pubes van den jongen zich vertoont, en vóór het 
uitbreken der menses bij meisjes, worden de kinderen besneden en hun de tanden zoo 
mogelijk tot aan het tandvleesch gelijk gevijld, pala — ngisin. Het vijlen geschiedt met 
een steen, na de tanden met de bladeren van de gehu tonion, Colocasia antiquorum, 
ingewreven te hebben, tegen ontvangst van een mes of zilveren ring, sapkoko salaka, 
voor de moeite, en wordt verricht door een ieder die zich daartoe beschikbaar stelt, 
zonder eenige plechtigheid. De besnijdenis, devoi, derjongens en meisjes wordt onder de 
Gebvüka tevens door geene bepaalde personen voltrokken. Vóór de plechtigheid wordt 
het Mnd naar de rivier gebracht en, na gebaad te hebben, op een steen geplaatst die 
voor een gedeelte onder water staat. Alsdan wordt van de jongens, anam hanaa, de 
voorhuid, otin koli of wakan okon, door den besnijder, gewoonlijk een man, vouruitge- 
trokken en daarin een stuk zacht hout, lili, gestoken. Gespannen zijnde, wordt met een 
scherp mes, ketanan, dit praeputium tot aan den rand van den glans — penis — gekloofd. 
De wond wordt met ekbaa, gebrande en fijngemaakte gabagaba of sagubladribben , 
als stypticia belegd. Na vijf dagen is de wond genezen en moet de patiënt twee 
malen daags zich baden. Hij houdt gedurende dien tijd zijn verblijf in een hutge 
buiten de negari en voedt zich alleen met spijzen door ongerepte jonge maagden 
toebereid. Het meisje, ana vina, dat ook op een steen behoorde te zitten, wordt door 
eene oude vrouw besneden. Dit geschiedt door met een scherp mes een stuk van 
den glans — clitoridis, sipen maan, af te snijden, waarop alsdan ekbaa voor de genezing, 
die gewoonlijk binnen twee dagen volgt, wordt aangewend. Het meisje wordt na de 
abscissie door eene oude vrouw naar hare woning gedragen en in een afzonderlijk 
vertrek van spijzen voorzien. Het is verboden, koin, het meisje vóór de genezing, 
die behoorlijk wordt geconstateerd, buitenshuis te laten gaan. Volgens eender oudsten 
passen de Gebmölia de besnijdenis bij jongens toe om masturbatie te voorkomen, 
en bij de meisjes om de geslachtsdrift vóór het huwelijk te bedwingen of tegen te 
gaan. De gewoonte om de sexueele deelen der vrouw te mutileeren is evenwel 
van mohamedaanschen oorsprong. De oorlellen der meisjes worden, wanneer zij alléén 
loopen kunnen, met den doom van de Citrus hystrix doorstoken, kua lingaa, zonder 
dat er feesten gevierd worden. De oorwonden worden door het veelvuldig baden van 
het kind genezen. De neus, ngenan, het hoofd, olonan, of de borsten der meisjes, 
soson, worden niet kunstmatig gedrukt. Onder de Mohamedanen heeft de besnijdenis 
volgens de regelen van den islaam plaats. 

Op Buru bestaat de bevolking uit Christenen, Mohamedanen en Heidenen. De 
beide eersten zijn nakomelingen van de Gebmasin of vreemde binnendringers, ten 



/. 






ljiz.7. 



Steendr. v. P. W. MTrap . 



BURU. i 

aanzien van de Christenen afstammelingen van inlandsche Christenen van Ambon en 
elders. Het Mohamedanisme werd in den loop der vijftiende eeuw door Javaansche 
priesters op Buru's noordoostkust ingevoerd. De tegenwoordige Mohamedanen, die te 
Kaiïli bijeenwonen, zijn zeer fanatiek, en men treft onder hen in het geheim ook 
aanhangers aan der leer van Sidi Muhhamad bin Ali as Sanusi. Tot groote ergernis 
der mohamedaansche strandregenten hebben in den laatsten tqd vele heidenen uit 
het landschap Masarete hun verlangen te kennen gegeven om de christelijke leer te 
omhelzen. Veertig jaren geleden en later hebben de Gebmölia een gelijk verzoek 
aan het hoofd van Gewestelijk bestuur te Ambon gedaan, ten einde alzoo ontslagen 
te worden van den druk der mohamedaansche strandpotentaten, doch zonder succes; 
en zelfs werd een hunner te dezer zake met verwijdering uit zijne geboorteplaats 
gestraft Om de verbreiding van het Christendom tegen te gaan, maken genoemde 
hoofden de Gebmölia diets dat alle Christenmannen door de Nederlanders zullen 
worden geprest om als soldaten op Java te dienen en dat hunne achterblijvende vrou- 
wen en dochters aan de mohamedaansche strandbevolking als bijzitten zullen worden 
geschonken. De Gebmölia hebben eene soort manencultus. Abstracte begrippen omtrent 
eene godheid bezitten zij niet. Men heeft een onbestemd denkbeeld van den TJbun of Opo 
langi, heer of oudvader uitspansel, de plaats waar de wind zijnen oorsprong heeft, 
aan wien echter geen oflfer wordt gebracht. Daarentegen worden de aardgeest, TJbtin 
sanane, en de geesten der voorouders, nitu, als beschermers vereerd en aangebeden. De 
vereering der nitu heeft iets eenvoudig kinderlijks. Zij is een Religion der Pietat. 
Aan de noordzijde van elk huis, op eene verhevenheid van bambu in het dak, vindt 
men te dien einde een langwerpig vierkanten houten bak van ongeveer een kwartmeter 
uitgestrektheid, de ligi, met acht hoomvormige uitsteeksels, waarin vier of vijf ronde 
kleine oude Chineesche kopjes zonder ooren, pigala, op een steenen schotel, pilin, met 
water staan. In elk kopje groeit de Kaempferia galanga, ter eere der afgestorvenen, 
ook om de ejabat of booze geesten uit het huis verwijderd te houden, doordien zij 
voor den eigenaardigen stank, dien de fijngekneusde wortelen dezer plant verspreiden, 
vlieden. Bedoelde wortels of knollen worden ook, zoo noodig, als geneesmiddel aan- 
gewend. De vereering der voorouderlijke geesten binnenshuis geschiedt evenwel zel- 
den. De rechtzinnige Gebmölia bouwen gewoonlijk op korten afstand hunner woningen 
een hutje, de rumah pamali, de huma koin of snoli, ook wel als söloni uitgesproken, van 
drie meters lengte en twee meters breedte, op vier palen van bambu met. een dak 
van sagubladeren en een latten vloer, een meter ongeveer boven den beganen grond. De 
omwanding bestaat uit losse kalapabladeren, die telkens vernieuwd worden. In het dak staat 
aan de zuidzijde op eene verhevenheid de ligi met de bewuste plantjes, terwijl ten noorden 
een witte schotel, pilin, met een zwaard er op ligt. Op dezen schotel worden de offers neder- 
gelegd, bestaande in sirih-pinang, geld, bijzondere steensoorten of lithophyten die men 
hier en daar heeft opgeraapt, en andere curiositeiten meer, als vreemde glaskoralen. 



8 B U B U. 

Het zwaard dient om de ejabat van de oflfers of van de hnma snoli verwijderd 
te houden. Tusschen de ligi ten zuiden en de pilin ten noorden wordt een 
bambu boven in het dak bevestigd, alwaar verschiDende soorten van lijnwaden, 
zijde en gekleurd laken ter beschikking van de nitu opgehangen worden. Wil 
een huisvader iets verrichten, gronden ontginnen, eene reis over land of over 
zee ondernemen , gezondheid voor zijne huisgenooten afsmeeken of op de jacht gaan , 
dan neemt hij een witten schotel, plaatst daarin een rijpe pisang, eenig sirih-pinang 
met tabak en legt dezen op een stuk lijnwaad in de ligi. Wanneer hq namelijk op 
de jacht wil gaan, spreekt hij de nitu op de volgende wijze fluisterend toe : «Opo nitu 
lasam, gamahe lokosale namu vua, namu daln, namu tabaku, namu wagung bagean , 
namu vuwa wangun misian; iako laha velekae, lasam tuke vavu, blaven la iako,» 
d. w. z. Geesten, voorouders van onlangs, komt en neemt uwe pinang, uwe sirih, 
uwe tabak, uw lijnwaad, uwe rijpe pisang een stuk; ik smeek u, geesten, geeft varkens, 
buideldieren , geeft (deze aan) mij. Daarna wordt het lijnwaad van onder den schotel 
weggenomen en op den bambu gehangen. Ook offert men de eerstelingen van djagong, 
gierst, aardvruchten, katjang en andere veldgewassen aan de voorouders, opdat zij 
de achterblijvenden , sanat, niet ziek maken. Dit offer, apanitu, heeft in de huma 
snoli plaats, en niet op de graven, kaun. Beelden waarin de geesten der voorouders 
een tydelijk verblijf komen houden worden niet gevonden. Men beweert slechts dat 
zij gedurende de offerplechtigheid op de uiteinden der Kaempferia galangabladeren 
zich nederzetten, waardoor deze alsdan bewogen worden. De laba of leguanen worden 
niet gedood of gemolesteerd, omdat de nitu der vaderen deze dieren veelvuldig bezi- 
gen om hxmne geliefkoosde plekken op aarde te bezoeken. Heeft men gebrek aan 
voedingsmiddelen, of worden de djagong-, gierst- en katjangvelden door wilde zwijnen , 
ratten en herten vernield, dan richt men gebeden aan ubun sanane. Op de plaats 
waar men denkt dat de ubim sanane in tegenstelling van den ubun langi zijn verbUjf 
houdt, worden modellen of beelden van pieken, parangs, gongs, zwijnen, ratten, en 
herten nedergelegd en daarna verbrand , onder het zeggen van : «Barakate ubun sanane, 
la vavan tobon, kimi geba tat manga kamlaha vil kimi haal, kim sehek mim 
iëm pakalo, oputa na miëknato,» d. w. z. Gezegend (zijt gij) grootvader sanane , heer 
(van den) grond; wij die u te eten geven, wij verzoeken u laat weggaan uwe dieren: 
zij eten onze aanplantingen op. Wil men weten wie iemand ziek gemaakt heeft, of een' 
blik in de toekomst werpen, dan roept men twee deskundige vrouwen, gewoonlijk eenigs- 
zins bejaarde weduwen, in huis of onder een grooten boom in het woud. Na op eene 
zitplaats van gabagaba of op een steen uitgerust te hebben, staat een hunner onder 
het oorverdoovend geraas van den tuba of trom op, neemt een parang of zwaard, 
maakt daarmede allerlei woeste sprongen met opengesperde oogen en loshangend 
haar, als eene furie, staart in eene soort van extase naar boven en naar beneden, 
ook in de oogen van de tweede vrouw, terwijl het zweet van haar lichaam in stroomen 



=JBL 



9^ 







\= 



^ 



B U R U. 9 

gutst, snijdt zich met de parang, neemt vervolgens een steen op en slaat zich 
gUlende daarmede op de bloote borst, zoo lang totdat hare makker die zittende is 
gebleven convulsionair en cataleptisch wordt, het gevoel harer persoonlijkheid verliest 
en in eene soort verdooving of hjrpnotischen toestand valt. In dezen slaap wordt 
zij door de andere ondervraagd en omtrent alles wat men weten wil geraadpleegd. 
Andere vrouwen gaan eenvoudig onder eene mat liggen en vallen na hevige stuip- 
trekking in slaap. Deze worden door elkeen geconsulteerd. Wakker geworden zijnde 
kunnen zij omtrent het gebeurde zich niets meer herinneren. Deze vrouwen zijn , naar 
men beweert, individuen die bij het uitbreken der katameniën eenen lethargischen 
slaap van ettelijke dagen hebben. Zij zijn bovendien zeer vergeetachtig van aard, 
doordien zij in de bosschen door den mannelijken ejabat of boozen geest overvallen zijnde , 
met dezen coïtus hebben uitgeoefend. Dezen toestand noemt men sanane , ook wel ta- 
nane, omdat verondersteld wordt dat de aardgeest die in den berg Sanane zijn 
verblijf houdt in het lichaam van de persoon is gevaren om hare bewustheid of 
ziel tijdelijk te verwijderen of wel te vervangen. Deze vrouwen zijn slechts met 
eene korte sarong van de heup tot aan de knieën gekleed. Onder de woeste spron- 
gen van de eene en de krampachtige trekkingen der andere vallen meermalen de 
sarongs af, welke alsdan door een der omstanders worden vastgebonden. 

Behalve aan de nitu en ubun sanane, offert men nog de vua dalu of pinang-sirih aan 
de booze geesten, ejabat, die van het mannelijk en vrouwelijk geslacht in de donkere 
bosschen en op de toppen der hooge boomen en bergen zoomede in de diepten der zee 
wonen, bijvoorbeeld bij het ontginnen en branden van velden, omdat die geesten eenen 
afkeer hebben van licht en rook, banavenen, en bij het vellen van groote boomen. 
Deze geesten zijn groot in aantal en doen voortdurend kwaad. Het is bij de ouden van 
dagen niet bekend van waar zij hunnen oorsprong hebben. Wordt iemand ziek door- 
dien hij een boozen geest beleedigd heeft, dan plaatst men één tot vier stukken bran- 
dend hout voor zijne woning en roept: «E ejabat fcaupung, ejabat visa kaku, ejabat 
vil wae lalen, ejabat vil kau luken, ejabat vil nama lalen, kapempei geban, gamahe 
luksale nambutal bana turen paa, alvavak nan geban dagosa beka,» d. w. z. O booze 
geest die in de boomen woont, booze geest die op de toppen der bergen zetelt, 
booze geest die in de diepten der zee verblyf houdt, booze geest die op de kruinen 
der boomen u wiegelt, booze geest die in de diepte der aanlegplaats (reede of 
haven) aanwezig zijt, kom hier en ontvang uwe wapenen, vier stukken brandhout, 
(en) laat iemand den zieke genezen. Voorts werden in vroegeren tijd door de 
Grebmölia nog voorwerpen van ouden oorsprong vereerd, die thans echter verloren 
zijn, als de savaha vidan pito, een koperen slang met negenlagige schubben, die te 
Apvenan, eene oude niet meer bestaande negari, geofferd wordt, de mau vaha en 
vavu mite, eene steenen kat en wild zwijn, zoomede oude pieken en zwaarden, die 



10 B U B U. 

de thans nog in leven zijnde personen nimmer hebben gezien. Krokodillen, mahalat, 
en eu, haaien, worden niet vereerd. In verscheidene negariën is de nitu-, de ubun 
sanane- en ejabat-cultus verward met de vereering van Opo geba sönülat en opo 
lahutaala, die volgens beweren der Mohamedanen zijn afgezant Nabiata op Buru 
zond, om de voorschriften van den islaam aan de Gebmölia bekend te maken. 

Even als op andere Indonesische eilanden, vindt men op Buru ook regenverdrijvers 
en regenmakers. Wil men den regen verjagen, dan neemt de bewuste persoon een 
stuk fijnen rotan van 0,4 meter lengte , omwikkelt het eene uiteinde met een stuk zwart 
lijnwaad en steekt dit in keukenasch. Daarna prevelt hij vele onverstaanbare klanken, 
steekt met den rotan drie tot vier malen naar de plek waar de wolken zich verza- 
melen, en zegt hardop: «Atobe dekat u kaaraine daheka vinang tohomenang,» d. w. z. 
verdrijf den regen, gij rotan kaarai; laat dezen van den weg voorbijgaan. Is de regen 
gevallen, dan verzamelt men eenige droppels in een aarden pot en zet dezen op het 
vuur totdat de verdamping volgt, zeggende: <KAsgila dikat lamen hala, kam tewiko 
nas warahe, la kami voto tabaku lakami wahak mele mevu,» d. w. z. Braadt den 
regen, opdat wij ongestoord katjang kunnen rooien, tabak kunnen snijden en een en 
ander drogen, zonder dat het bederft. Wil men bij langdurige droogte regen hebben, 
dan neemt de bewuste persoon een ijzeren en een aarden pot, waarin gekookt is ge- 
worden en legt beide met de noodige incantaties in het water. Daarop zegt hij 
hardop: «kami tenu keewali, kami tenu kuring dio dekat toho lanam hawa ronewe, 
la kami kamel kami mata,» d. w. z. Wij hebben een ijzeren en een aarden pot in 
het water gedompeld, opdat er regen kome, opdat onze velden bloeien mogen en 
wij geen gebrek lijden. 

Voorbehoedmiddelen tegen ziekte, ispane, door ejabat, booze geesten, kesan en 
muli of suwanggi veroorzaakt zijn bekend, meer in het bijzonder de eskikit en de kakarai, 
welke middelen, bestaande uit droge bladeren, wortelen, boomschors als anderszins, om 
de lendenen vastgebonden worden. De bualeda is het voorbehoedmiddel om in den 
oorlog onkwetsbaar te zijn, vooral vroeger vóór de Temataansche occupatie, toen er 
nog koppen gesneld werden, vasa wadun. Men gebruikte destijds ook het hart der 
honden, asu, om moedig en vlug te zijn. Sympathetische toovermiddelen , engkatan, 
om mannen en vrouwen van liefde waanzinnig te maken, worden eveneens door velen 
aangewend. Men neemt daartoe sirih-pinang of tabak, waarover eerst eenige vaste for- 
mulieren uitgesproken worden en die men daarna in de sirihdoos legt. Wanneer de 
man of vrouw, waarop men het oog heeft, daarvan gebruik maakt, dan is hij of zij 
niet meer in bedwang te houden en vervolgt voortdurend het voorwerp der liefde. 
Voorts spreekt men bepaalde spreuken uit over de door eene vrouw vóór het baden 
te bezigen geraspte kalapanoot, over de olie, niwe wael, die zij voor het haar ge- 



u. 



é^ 



\. 




Blz.10. 



BTIBU. 11 

bruikt, of over een stuk haar dat men van de vrouw is machtig geworden. Het 
krachtigste middel is echter de siwi, een stuk toebereide gember, Zingiber officinale, 
dat men onder het prevelen van bepaalde wenschen in den grond begraaft op plaat- 
sen waar de man of vrouw gewoon is te loopen. Wordt op dit plekje door den be- 
trokkene getrapt, dan is hij of zij onherroepelijk het slachtoffer van den persoon, die 
het middel heeft aangewend om liefde te verwekken. 

Aan droomen, mipi, wordt groote waarde en beteekenis gehecht Droomt een man 
dat hij iemand doodslaat, dan zal hij in de jacht gelukkig zijn. Droomt eene vrouw 
dat iemand haar een vua vaan, Areca alba, aanbiedt, dan zal zij spoedig bevrucht 
worden. Droomt een jongeling of meisje dat hij of zij een vogel vangt, dan is het 
huwelijk aanstaande. Droomt iemand van een afgestorven persoon, dan gelooft men 
dat de nitu van den doode en de sumangin van den levende eene ontmoeting met 
elkander hebben. Vordaka of nachtmerrie ontstaat doordien de kesan of muli den 
persoon op de borst drukt om in het lichaam binnen te treden. 

Bij het afleggen van den eed, emane, neemt de balivtua of hoofd van het huisge- 
zin een kalapadop met water, doet daarin eenig zout, plaatst vervolgens in dit 
vocht een mes, ketanen, een zwaard, katuen, en eene lans, nahero, met de laatste 
het water omroerende. Alsdan laat hij de eedgenooten vóór zich komen, en na hen 
de reden der eedsaflegging bekend gemaakt te hebben , zegt hij : «ingala kimrua bara- 
heka losaro, sasi dabele kimrua bèta kimheka, enhero daseka,wadon ketanen davoto 
elkehan, ketuen dalatan olon, sasi dalana,» d. w. z. Denkt er over, gij beiden, 
spreekt de waarheid, anders zult gij als zout versmelten, door de piek zult gij 
gestoken, door het mes uw keel gekorven, door het zwaard uw hoofd gesneden wor- 
den, en gij wegsmelten als zout Daarop wordt het toebereide water door partijen 
gedronken. Heeft een hunner bij dezen eed onwaarheid gesproken, dan gelooft het 
volk dat hij tegen de aanstaande nieuwe maan zal overlijden. 

De huizen der Grebmölia, of zoogenaamde Alivuru, zijn op palen gebouwd, ongeveer 
ter hoogte van een en een halven meter boven den beganen grond, met omwanding 
van atap of bambu en met sagubladeren gedekt De grootte varieert tusschen zes tot 
tien meters lengte en vier tot zes meters breedte. Elk huis, huma, wordt door een 
balivtua of hoofd des huizes en zijn gezin bewoond. Eene verzameling van hüma 
heet humalolin of humlolin, die onder een gebahaa of wel matalea staat Kleinere 
humlolin zijn de humakena. Verscheidene bij elkander liggende humlolin heeten vena- 
lolin en worden door den ratu of henolon en vervolgens door den opo ratu of opo 
djou bestuurd. Kleinere gehuchten heeten venakakon of humakaon. Vena beteekent 
letterlijk negari, bönuwa. Wanneer de bevolking van verscheidene humlolin bij den 
henolon zich verzamelt ten einde over vena-aangelegenheden te beraadslagen^ heet 



12 B U R U. 

zulk eene vergadering öpsiaan. De geringe Alivuru — bevolking van Buru woont zeer ver- 
spreid, op dagen reizens van elkander, op niet vaste plaatsen. Wegen bestaan er tusschen 
de humlolin of gehuchten niet; alleen kwalijk begaanbare voetpaden. In de omgeving 
der huma vindt men aanplantingen van suikerriet, Carica papaya, Spaansche peper, 
voorts andere veldgewassen, terwijl er naast de huma snoli of offerplaats staat. Het 
terrein onder het huis wordt eiken dag geveegd en zeer zindelijk gehouden, opdat 
de nitu de bewoners niet ziek maken. Het bouwen van nieuwe woningen , huma vehut, 
geschiedt zonder veel formaliteiten; de bloedverwanten en vrienden helpen elkander 
bij de oprichting daarvan. Men zorgt alleen dat men door te tooveren, nau, een 
goed plekje vinde. Daarna wordt aan de voorouders geofferd. De jongelieden, asmori, 
zoowel als de maagden, muhuka, hebben afzonderlijke slaapplaatsen. Sterft iemand 
in eene huma, dan wordt deze verlaten en gaat men een ander terrein zoeken. Het 
verlaten terrein heet humaeleng. üit dien hoofde kan van geregelde negariën geen 
sprake wezen; men vindt ze na eenige jaren zelden op de plaats terug. In de 
hoofdplaats Kaiïli treft men betere , door de mohamedaansche en christenbevolking 
gebouwde, planken en steenen woningen aan. 

Het werk der mannen bestaat in het ontginnen der velden, nogihawa, het visschen, 
pahikan, het tappen van sagero, lisa eha, het jagen van wilde zwijnen, herten en 
buideldieren, Cuscus maculata, vrake of pahaga asu, het verzamelen van materialen 
voor den huisbouw, het bijeenbrengen van boschproducten, als damar, rotan en hout, 
zoomede het plaatsen van voetangels, suran, om de velden tegen wilde dieren te 
beveiligen. De vrouwen houden zich onledig met het toebereiden der spijzen, het 
weven van sarongs, seru wagun, het vlechten van matten, pali katin, van manden, 
pali tibi, het naaien van kleederen, sawul wani, het halen ran brandhout, hoki kau 
gema, en van drinkwater, het bewerken en beplanten der velden, punhawa, het plan- 
ten en bereiden van tabak, tea tabaku, de verzorging der kinderen en al het ander 
werk dat haar door de mannen opgelegd wordt. Voor de visscherij gebruikt men de bidu , 
werpnet, elbanang, vischlijn, kupe, hengel, en op ondiepe plaatsende tuva, Ormocar- 
pum glabrum, om de visch te bedwelmen. Vogels worden met strikken gevangen. 
De wapenen bestaan hoofdzakelijk uit lansen, nahero, zwaarden, ketüen, en stokken, 
mae, van eene vadem lengte. Enkelen slechts zijn in het bezit van geweren. Blaas- 
pijpen, alsmede pijl en boog, zijn onbekend. 

De nijverheid staat op Buru niet alleen onder de oorspronkelijke bewoners, maar 
ook bij de afstammelingen der vreemde binnendringers op eenen lagen trap. Am- 
bachtslieden worden er niet aangetroffen. Op de noordkust houdt zich een tal van 
Sulaneezen onledig met van de bladeren der Melaleuca cajeput olie te stoken. Op 
vele plaatsen langs de west- en zuidkust bestaat nog overvloedig gelegenheid 



B U R U. 18 

dit artikel te vervaardigen; doch niemand maakt er werk van. Het zout wordt zelfs 
op het eiland Ambalau bereid, of door vreemde handelaren ingevoerd. Ofschoon de 
gelegenheid daartoe gunstig is, en hout in voldoenden voorraad wordt aangetroffen, 
worden slechts twee soorten prauwen: waglasan, vlerkprauwen uit één stuk, en 
wagpapa, een vlerkprauw van planken met zeilen, door de Gebmölia vervaardigd. De 
aanmaak van grootere vaartuigen is geheel in handen der Galelareezen , die onder 
meer prachtige pakatoras , anders genaamd roreho en arumbae , bouwen. De landbouw 
door de Grebmölia gedreven is eveneens in zijne geboorte,^ en wat aan den arbeid 
der vrouwen te kort komt wordt door de vruchtbaarheid van den bodem veelvoudig 
vergoed. Slechts in het landschap Masarete wordt aan de tabakscultuur meerdere zorg 
besteed. De djagong, katjang en andere velden worden zelden gewied. Ofschoon de 
kalapaboom ruime voordeden afwerpt, heeft men in vroegere jaren er niet aan gedacht 
dezen aan te kweeken, maar op invoer van andere eilanden, met name Manipa, gewacht. 
Padi, die in de maanden Augustus, September en October aangeplant wordt , treft men 
in drie soorten aan, als pala, van zes maanden, zoomede gintang en kukuburun, 
van drie k vier maanden groeitijd. De twee laatsten zijn van eene fijnkortehge soort. 
Gierst, veteng, in twee soorten, de vemite en vemiha, zwarte enroode, wordtin Sep- 
tember en October uitgezaaid. Aardappelen, in de oude taal mangabareke, omdat deze 
door de opvarenden van eene brik ingevoerd werden, en thans mangsavut, wordt in Decem- 
ber aangeplant en in Mei geoogst De aanplant geschiedt alleen in de negariën 
Meva, Waikabo, Gebvua en Gebahain. De oogst is zeer onbeduidend. Het tabakzaad 
wordt in Mei en Juni uitgestrooid, en in December of Januari worden de bladeren 
geoogst. Na de bladeren acht dagen in de woningen bewaard te hebben, worden deze 
grof gekorven. De djagong, waarvan men twee soorten heeft, als de witte, biskutu bote, 
en roode, biskutu miha, wordt op ongeregelde tijden aangeplant. De groeitijd duurt 
vier tot vijf maanden. De klossen zijn klein. Ook maken de vrouwen veel werk van 
den aanplant van ubi, mandengen, Dioscoreasoorten , en mangat Batatas edulis. De 
soorten heeten in de landstaal mandengen bote en mandengen miha, witte enroode 
ubi, tangkol en mangat botea, roode en gele patatas, die na vijf tot zeven maan- 
den geoogst worden. Suikerriet, tevu , ook wel als tivu uitgesproken, treft men in vier 
variëteiten aan, als maras, tevuhaat, tevuhunhuka en tevralolo, witgestreept en don- 
kerrood van kleur. Warahe, of de Arachis hypogaea, wordt overal veel aangekweekt, 
behalve te Oki en Waisama, waar zulks, koin, verboden is. Vóór het ontginnen der 
velden worden verschillende spijzen op de oflFerplaats gelegd, welriekende kruiden 
gebrand, en daarna de geesten der voorouders aangeroepen, zeggende: «O nosi, bo- 
boko, amako, tamalmemel kimi wahenwahen, mahit kimsale hawa regen , rate tukene 
rate ampuna vilkini haat, kamlajana kavua vina kavuan hana, albatnatake kimiha 
ningkumian hadunia sepo,» d. i. O gij voorouders, mijn grootvader, mijn vader, klein 
of groot, gij aUen, komt en neemt de offers aan, genoeg of niet genoeg, vergeeft 



14 B U R U. 

en maakt er geene zaak van, laat (mij) vele jongens en meisjes verwekken, opdat 
zij mogen bewaken uw reukwerk zoo lang de aarde bestaat Het eiland Buni is 
voor alle cultures geschikt. Langs de hellingen van den Tomahu kan men kinaboo- 
men planten. Op de overige plateaux koffie en op de lagere gronden kruidnagelen, 
notemuskaat, tabak, suikerriet en padi op sawahs. In de uitgestrekte bosschen vindt 
men tal van deugdzame houtsoorten voor huizen, vaartuigen en meubelen, voorts 
sagu, rotan, damar, verf hout, als de Morinda citrifolia, Nauclea orientalis, Caesal- 
pinia sappan etc. Ook vindt men er nog de Myristica fragrans, de overgeblevene 
spruiten na de uitroeiing der notemuskaatboomen door Amold de Vlamingh be- 
volen, zoomede de Cinnamonum culitlawan. 

Met uitzondering van Kaiïli, alwaar eenige Chineesche en Arabische handelaren ge- 
vestigd zijn, wordt de handel op geheel Buru in ruil gedreven. Deze ruil geschiedt 
naar de volgende verhouding of maatstaf, als: een stuk wit lijnwaad tegen 
twee-duizend klossen djagong, vijftien tibis katjang, tabak, een groot en een 
klein varken, twintig tibis damar, of vijftien tibis gierst; — een stuk driUing 
tegen dertig tibis katjang, tabak, damar, drie groote varkens, of vijf-en-twintig 
tibis gierst; — een stuk ongebleekt katoen tegen drie-duizend klossen djagong, of 
twintig tibis katjang, tabak, gierst, twee groote varkens of twintig tibis gierst; — 
eene sarong grove silajarsoort tegen achthonderd klossen djagong, vijf tibis katjang, 
gierst, zes tibis tabak of damar; — een kabaja van zwart lijnwaad tegen zeshonderd 
tot achthonderd klossen djagong, vier tibis katjang, tabak of gierst; — een zwarte 
broek van drilling tegen vijfhonderd klossen djagong, drie tibis tabak, katjang, damar 
of gierst; — eene sarong mangkasarsoort tegen een groot en een klein varken, 
achttien tibis katjang of gierst; — eene sarong djerman, Europeesch fabrikaat, tegen 
zeshonderd k achthonderd klossen djagong, vier tibis gierst, tabak of katjang; — 
een hoofddoek tegen een-duizend-twaalfhonderd klossen djagong, veertien tibis 
tabak, katjang, damar of gierst; — een chitse kabaja tegen vijfhonderd klossen 
djagong, drie tibis katjang, tabak, damar of gierst; — een kabaja van geruit 
stof tegen zevenhonderd klossen djagong of vier en een halve tibis katjang, tabak, 
damar of gierst; — een gemaakte lakensche broek tegen twee groote varkens, 
twintig tibis katjang, tabak, damar of gierst; — een badju van laken gemaakt 
tegen drie groote varkens, vijf-en-twintig tibis katjang, tabak, damar of gierst; — 
een badju van wit lijnwaad tegen driehonderd klossen djagong twee en halve tibis 
katjang, tabak, damar of gierst; — een stuk fijn wit lijnwaad tegen twee groote 
varkens, vijf-en-twintig tibis katjang, tabak, damar of gierst ; — een kelder arak tegen 
drie groote en twee kleine varkens ; — een parang of kapmes tegen tweehonderd-vijftig 
klossen djagong, twee en halve tibis tabak, katjang of gierst; — eene bijl tegen 
zes tibis katjang, tabak of gierst; — een gewoon mes tegen twee matten of twee kippen; — 



BUBU. 15 

een snoer glaskeralen, onverschillig van welke kleur, tegen drie kippen of drie mat- 
ten; — een dozijn grove borden tegen twaalf tibis tabak; — een groote kom tegen 
twee tibis tabak; — vijf klossen naaigaren tegen eenekip; — een pakje naalden, hon- 
derd stuks, tegen eene kip; — een koperen ring tegen twee kippen; — een zilveren 
ring tegen tien kippen; — een ijzeren pan tegen vijf tibis katjang, tabak of giprst; — 
een vuursteengeweer tegen vier varkens, vijf-en-dertig tibis katjang of tabak; — een 
gong middensoort tegen een groot en twee kleine varkens, vijf-en-twintig tibis 
katjang of tabak; — een stel kleine koperen gongs, vijf stuks, loli of taabuang, tegen 
vijftien groote varkens, of eenhonderd-zestig tibis katjang of tabak; — een koperen 
sirihdoos tegen tien tibi katjang of tabak ; — een grof glas tegen drie kippen ; — een 
tinnen lepel tegen eene kip ; — een koperen schenkblad tegen twintig tibis tabak of 
katjang. Een tibis vertegenwoordigt het gewicht van vier tot vijftien katis en heeft op 
de hoofdplaats Ambon de waarde voor tabak f5, katjang f3, en gierst f 1. Invroe- 
geren tijd had op Buru eene soort van ruilhandel plaats , zonder dat men persoonlijk 
elkander ontmoette. Op bepaalde plaatsen legden de vreemde handelaren, Tematanen, 
Todoreezen, Tobelo en Galelareezen de te ruilen artikelen neder, na op eenen gong of 
koperen bekken geslagen te hebben. De schuwe binnenlandbewoners brachten alsdan 
hunne producten en plaatsten deze tegenover de uitgestalde artikelen, sloegen vervol- 
gens op den gong en hielden zich schuil. De vreemdelingen keerden ter plaatse terug, 
en wanneer de in ruil gegevene producten aannemelijk waren, lieten zij hunne waren 
achter en namen de producten mede. De Tematanen of liever Tobeloreezen noemen 
deze transactiên potage tagali vuru, het gaan om wilden ruil te doen, in tegenstelling 
van potage tagali damaroi, het ruilen op de gewone wijze in tegenwoordigheid van 
beide partijen. De in- en uitvoer van Kaiïli en andere strandplaatsen wordt jaar- 
lijks geschat op f69.500 en f26000. 

De Gtebmëlia voedt zich drie malen daags, des morgens, des middags en des 
avonds, en maakt alsdan gebruik van gekookte gierst veteng, djagong biskutu, sagu 
bia, Manihot utilissima mangkao, voorts ubi met visch of vleesch van herten en 
buideldieren, lamet. Semiputride, vleeschspijzen worden niet gegeten. Varkens en 
pluimvee worden alleen bij feestelijke gelegenheden genuttigd. Men maakt tevens als 
narcotica gebruik van sirih dalu, pinang vua, tabak tabaku, en drinkt bij voorkeur, 
vooral de mannen , sagero of het gegiste sap van de Arenga saccharifera in stede van 
water. Tabak wordt gekauwd en gerookt in bladeren van den djagongklos gewikkeld. 
De kleeding der mannen bestond in vroegeren tijd uit de kamaru , den uit de schors 
van den gondalboom Mcus nodosa, vervaardigden schaamgordel, zoomede galboti, 
armbanden van geslepen schelpen, en sapkokosalaka, zilveren ringen. Thans gebruiken 
zij ivutin hoofddoeken, labung badjus, kata broeken van katoen, zijde of laken. De 
vrouwen droegen voorheen alleen de arun, eene korte sarong, van de lendenen tot 



16 B TT R U. 

boven de knie reikende en van de bladeren der wilde pinang, Areca triandra, of Pan- 
danus repens, vervaardigd zoomede zilveren en koperen ringen en armbanden. 
Tegenwoordig kleeden zij zich in navolging der vreemdelingen met sarongs wagun, 
badjus labung, kabajas labkabai en versieren hun hoofd, armen, hals en vingers met 
ngante-ngante oorhangers, galana vina armbanden van koper of zilver , kalbahsu* 
akarbahar armbanden, kasrupi haarspelden van zilver of koper, en sapkoko, ringen 
van hetzelfde metaal. 

Onder de mohamedaansche bevolking, die de kusten bewoont, treft men als hoofden 
aan de orang kaja, pati en radja. De hoofden der Gebmölia of Alivuru zijn de ratu 
of henolon, de eerste hoofden of bewakers der deur, waarvan er drie zijn, namelijk die 
van Kaüli, of liever Wahiri, die van Lisela en van Waikabo of Masarete. De mindere 
hoofden onder den henolon van Kaiïli en Lisela heeten matalea, die van Masarete of 
het achterland vukmorin, gebahaa, waarvan ieder een vena of negari onder zijn be- 
stuur heeft. Voorts perwis of vervangers van den gebahaa en marino, eene soort 
oppasser of boodschaplooper, die, den tabu of stok van het hoofd bij zich hebbende, 
de bevelen overbrengt. Deze hoofden komen aan het bestuur door erfopvolging of 
keuze der bevolking elk in zijne erfelijke functie. De vier standen, basa, zijn die van 
den henolon, of henolon na anate, den matalea, ook gebahaa of gebahaa na anate, den 
humanate mansi vena of gewone lieden, waartoe de marino behoort, en de ata of slaven. 
De standen worden ook verdeeld in henolon nabasa, matalea of gebahaa nabasa, 
mansia vena nabasa en ata nabasa. Door verdienste als anderszins kan men niet 
tot eenen hoogeren stand komen. De henolon, matalea of gebahaa mogen vrouwen 
uit de mansia vena nabasa nemen, maar niet omgekeerd. Doordien de bruidschat 
bij huwelijken ten volle betaald wordt, is een matrimonium justum het gevolg daar- 
van en behooren de kinderen tot den stand van den vader. De mohamedaansche 
strandhoofden, die geen ander werk kennen dan opiumschuiven en bidden, wordendoor 
de Alivuru opo ratu of opo djou genoemd. De ratu of henolon oefent het bestuur 
uit over venalolin of een aantal negariën, de matalea of gebahaa over de humalolin 
of een aantal huizen eene negari uitmakende. Balivtua zijn de oudsten of hoofden 
van huisgezinnen, aan wie de ongehuwde jonge lieden gehoorzaamheid verschuldigd 
zijn. Geestelijken bestaan er onder de Alivuru niet. Elk balivtua volvoert voor zijn 
huisgezin de voorgeschrevene plechtigheden en offert aan de geesten der voorouders. 
Gewone mohamedaansche geestelijken, zoomede hadjis, treft men aan in de strand- 
negariên, alwaar misdjids en langgars opgericht zijn. 

De inkomsten, tanati, der opo djou of opo ratu, die wederrechtelijk ook het bestuur 
over de Gebvuka of de onder de henolon staande bevolking in de binnenlanden voe- 
ren, bestaan van elke vena jaarlijks meer of minder uit zeven manden tibi of vier- 



BÜRÜ. 17 

honderd-twintig katis gierst, driehonderd-vijftig tumang of pakken natte saga, dertig 
tibis damar, twaalf kippen, tweehonderd kalapa-noten, vier flesschenkalaparolie, twintig 
tibis aardvrachten, een stak wit en een stuk ongebleekt lijnwaad, een stuk drilling, vier 
lasihoaten — Nauclea fagifolia — balken van vier meters lengte, twee of drie varkens, 
zeventig stuks karong of zeilmatten van Pandanus repens , vijf stellen zeilen van witte 
drilling, en een vaartuig, arumbae, waarin de tanati geladen wordt. Voorts bij benoe- 
ming van mindere hoofden een stuk wit lijnwaad, bij huwelijk van eiken negari- 
genoot een stuk wit lijnwaad, bij sterfte van eenen matalea of gebahaa een gong en 
een stuk drilling, bij sterfte van een venagenoot een stuk wit lijnwaad , bij het binnen- 
treden van het huis van eiken balivtua een stuk wit lijnwaad en een schotel. Voor 
het overige heeft zich de opo djou of opo ratu het recht aangematigd om alles te be- 
houden wat hij aangeraakt of betast, tapu, heeft. Bij niet-opbrengst betaalt elke 
vena of persoon nog bovendien eene boete van een geweer en twee stuks wit lijn- 
waad, met of zonder blokarrest of rotanslagen. In vroegere tijden werd behalve 
de werkbare mannen, drie tot achttien des daags, om de een tot zes maanden te 
vervangen, door elke vena een bepaald getal jongelieden, de anhumlolin, voor huis- 
werk verstrekt Deze gewoonte is van lieverlede in onbruik geraakt, doordien de djous 
deze lieden noodzaakten den islaam tegen hunnen wil te omhelzen. De woningen der 
djou, henolon, motalea of gebahaa worden door de bevolking opgericht en 
onderhouden. De mindere hoofden krijgen slechts een aandeel van den oogst, van de 
jacht en visscherij als inkomen. Alle vaartuigen, op de kust ten handel komende, be- 
talen de ruba-ruba of ankerage-gelden, bestaande uit eene sarong en een hoofddoek 
voor kleinere, een stuk wit lijnwaad of drilling voor grootere prauwen aan het be- 
trokken hoofd. Bovendien ontvangen de opo djou van de handelaren voor eigen 
gebruik opium, lijnwaden en andere artikelen; zij laten de bevolking deze met varkens , 
houtwerken en dergelijke betalen. 

Als een gevolg van de vroegere Temataansche occupatie worden alle zaken van 
misdrijf en overtreding in de strandnegariën aan de hoofden ter beslissing voorge- 
legd. De balivtua in de binnenlanden, die in vele opzichten vrij is, doet ook zaken 
af. De matalea of gebahaa moeten altijd tusschenbeiden komen in geschillen omtrent 
erfenis. De afdoening van zaken geschiedt niet in de bale vena, of negarihuis, maar 
in de woning van het hoofd, omdat deze, door de bevolking opgericht, als negari-eigen- 
dom wordt aangemerkt Hier worden de partijen gehoord, voorts getooverd,nau,om 
te weten of de beschuldiging waarheid bevat Het grootste misdrijf in het oog van 
de oorspronkelijke bevolking van Buru is de walivina of overspel. De medeplichtige 
vrouw wordt daarvocf , volgens het gebruik dat sedert de invoering van den islaam 
gevolgd wordt, met zes rotanslagen gestraft. De man krijgt twaalf rotanslagen en moet 
bovendien eene boete, islaut, betalen van vier stuks wit lijnwaad en een volwassen 

2 



18 B U R U. 

varken , ten voordeele van den beleedigden echtgenoot. Het varken is bestemd om de 
bloedverwanten van beide partijen en de hoofden te onthalen. Voordat men echter 
aan den maaltijd deelneemt, moeten de schuldigen den eed, emane, drinken, nadat 
een der hoofden het formulier heeft uitgesproken. In overoude tijden werden beiden 
ter dood gespietst. Stuprum voluntarium wordt thans ten behoeve der bloedverwanten 
eveneens beboet. Diefstal, danaka, wordt gestraft met één tot tien rotanslagen eneene 
boete van twee stukken lijnwaad ten voordeele van den bestolene, zoomede teruggaaf 
der ontvreemde goederen. Onder de Gebmölia wordt echtex weinig gestolen. Doodslag, 
daman geba, heeft alleen bij ongeluk plaats. De schuldige betaalt echter daarvoor eene 
boete van een gong of koperen bekken als vergoeding voor het hoofd , een hoofddoek 
om het hoofd vast te binden, een stuk wit lijnwaad als vergoeding voor het lichaam, 
een broek voor de twee beenen, een badju voor de twee armen, en een of meer var- 
kens om een familiemaaltyd te vieren. De schuldige neemt bij dien maaltijd met 
één der familieleden van den verslagene eene afzonderlijke plaats in, vóór eendulang 
of houten bak waarop twee schotels n^et spyzen liggen. Onder het eten verwis- 
selen zij van schotels en sluiten alzoo den vrede. Het maken van rumoer in de 
negari of dronkenschap wordt met één tot drie rotanslagen gestraft. Het spreken 
van onbehoorlijke taal, daboho, in tegenwoordigheid van vrouwen of jongemaagden, 
of het begluren der naakt badende vrouwen, wordt bij apprehentie met eene boete 
van twee Mangkasarsche sarongs ten behoeve van de beleedigde partij gestraft. Schul- 
den worden door dezen of genen weigestelden venagenoot, die dit in tegenwoordigheid 
der hoofden en balivtua aanneemt, betaald, om later met den door den schuldenaar 
te ontvangen bruidschat of kaleli te verrekenen. Oneenigheden met andere vena 
wegens het overschrijden der grenslijn worden afgedaan, doordien van de beleedigde 
vena gewapende lieden naar de negari van den overtreder gaan en daar eenige 
zwijnen en een mand met kleederen, onverschillig aan wientoebehoorende, weghalen. De 
varkens worden geslacht en onder de leden der verongelijkte vena verdeeld, terwijl 
de kleedingstukken als pand bewaard worden. Deze artikelen houdt men zoolang aan, 
totdat de schuldige negari de tusschenkomst van eene onzijdige inroept, om de zaak 
inderminne te beslechten. Deze geregeld zijnde, brengt de schuldige vena de be- 
noodigde varkens en spijzen bijeen en wordt er een vredemaaltijd met de daarbij 
gebruikelijke verwisseling van schotels gehouden. De straf van rotanslagen is, 
volgens bewering der oudsten, eerst na de komst der Tematanen op Buru in 
zwang gekomen. 

De in vroegeren tijd verkochte of ingeruilde slaven, ata, zijn uit de binnenlanden 
van Lisela afkomstig. Hier bestond de gewoonte om kinderen te rooven of voor 
schuld der ouders in pand te nemen en later van de hand te zetten. Volwassen 
personen waren niet gewild, omdat het niet kan worden voorkomen, dat zij de vlucht 



BURU. 19 

nemen en hunne meesters verlaten. Kinderen van vijf tot acht jaren worden gewoonlijk 
tegen vijf stuks wit lijnwaad, drie kleine koperen bekkens, een broek, een badju, 
een hoofddoek , eene sarong en een buikband , of voor zooveel als de waarde van den 
bruidschat eener vrouw bedraagt, verruild. Dusdanige slaven worden later evenwel het 
eigendom der djou of strandregenten, die alles in het werk stellen hen aan de Gebvuka 
of bergbewoners te ontfutselen, zelfs met oplegging van straf. Uit dien hoofde heeft 
de slavenhandel onder de Gebmölia niet gebloeid. De slaven en slavinnen worden in 
de binnenlanden behoorlijk behandeld, en niet alleen als huisgenooten, maar ook als 
leden der familie beschouwd. Zij arbeiden samen met de vTOuwen en kinderen van 
den eigenaar en kunnen, gehuwd zijnde, op zich zelf wonen. Vrijverklaring van slaven 
is niet bekend. 

De gewone lieden, den opo ratu naderende, zijn verplicht gebukt te gaan, daarna 
met de beenen kruiselings te zitten, aptea vlilek, en hun woord te doen. De ma- 
talea en gabahaa mogen op gaba-gababanken plaats nemen, wanneer de opo ratu hun 
dit vergunt. Bij het spreken met de hoofden mag men geen gebruik maken van het 
woord kae, gij, maar wel zeggen karatu of kagebahaa. Het is geene gewoonte den 
hoofden de hand te kussen, maik vahan. Jongelieden mogen bij den naam genoemd 
worden. Gewone lieden of hoofden^ elkander bezoekende, ontvangen sirih-pinang, tabak 
en sagero eha, ter opwekking, dadelijk na het binnentreden der woning. Vrouwen 
van opo ratu, matalea of gebahaa worden als vinhaa aangesproken. De Gebmasin 
of strandbewoners steUen hoogen prijs op de vriendschap der Gebvuka of berg- 
bewoners; zij geven elkander bij ontmoeting geschenken, om de vriendschap te onder- 
houden. Vrienden, elkander ontmoetende, leggen de hand op den schouder of den arm , 
gaursar vahan; vriendinnen wrijven elkander den neus, dupe maonof mamai tungee, 
en weenen, rama nuwael, er bij; evenzoo bij het afscheidnemen. Een drietal artikelen 
als een geschenk te geven is eene grove beleediging. Een geschenk, een koperen bek- 
ken bijvoorbeeld, ontvangende, zegt de Gebvuka of Alivuru: «opo langi musikae, 
kae tuke buku la iako rama, opo langi balas kae namu gosa,» d. w. z. De heer uit- 
spansel zal u goeddoen; gij hebt mij een gong geschonken, de heer uitspansel zal 
u beloonen. Welgestelde lieden, gebwasa, zijn zeer gezien. Vreemdelingen, die ten 
maaltijd genoodigd worden , spijzen alleen en worden door den huisvader bediend , tenzij 
zij er op aandringen dat deze mede aanzitte. De vrouwen mogen met de vreemdelingen 
spreken, doch eten afzonderlijk. Als men hoofden of aanzienlijken op den weg ontmoet, 
is men verplicht op zijde te gaan en het hoofd te bukken. Sommige vrouwen keeren 
haren rug toe. Als teeken van verachting wordt voor het aangezicht gespogen. In 
driftige oogenblikken scheldt men elkander uit, bijv. wakan isin, uwe penis; inasipen, 
pudenda tuae matris; dakena ina sipen, utinam coitus fiat cum matre tua, etc., of 
laat men bij personen van gelijken leeftijd de genitaliën zien. 



20 , B ü R ü. 

De woeste gronden, ehu, zijn op Buru het gemeenschappelijk eigendom der vena 
of negari. Deze, rahavena genaamd, worden door grenzen, waut of uwawut, zijnde 
bergtoppen, rivieren, groote steenen en boomen, ook wel door afgronden, walulalen, 
behoorlijk afgebakend. Elk huisgezin, huma nati, tot de vena behoorende heeft hier- 
over de vrije beschikking, als zijnde het eriileel der vaderen. Door ontginning met 
of zonder kennisgeving aan de venahoofden verkrijgt de balivtuaof huma nati, hoofd 
van het huisgezin, als venagenoot het recht van eigendom en worden die gronden ge- 
naamd rahe gebagebanake , dat zooveel beteekent als individueele gronden. Deze 
gronden worden verdeeld in waslale gebagebanake, individueele akkers of velden 
met kalapa- en veldgewassen als tabak, gierst, djagong, katjang, ubi, etc. beplant, 
waslale bia sagu dusun, aan individuen toebehoorende, en hawaeleng, haweleng, ook 
wel wasi, verlaten velden. Waslale vena zijn negari dusun waarin sagubosschen en 
kalapaboomen gevonden worden en waarvan ieder die tot de vena behoort, het recht 
heeft zich de producten toe te eigenen. Lieden buiten de vena kunnen met vergun- 
ning der matalea of gebahaa gronden in eene andere vena ontginnen, dochbehooren 
alsdan na den oogst eene belasting, rahisin (van raha of rahe, grond, en isin, op- 
brengst), bestaande uit twee vodo of manden met djagong, een gerookt buideldier, 
Cuscus maculata, een varken of vier hertenbouten, aan het venahoofd te betalen. 
Lieden tot dezelfde vena behoorende betalen jaarlijks aan hun hoofd eene belasting 
in producten, wanneer zij namelijk voor de eerste maal bosschen, moalalen, ontgonnen 
hebben, en wel drie è. vier vodo djagong, vier a vijf kippen, tien kalapanoten, vijf 
gerookte buideldieren , twee varkens en twee hertenbouten. Elk venahoofd is verplicht 
de grenzen zijner vena te bewaken en niet te dulden, dat deze onwettig overschreden 
worden. De matalea en gebahaa kunnen met toestemming der negarigenooten vena- 
gronden aan vreemdelingen verkoopen, in welk geval de opbrengst verdeeld wordt 
De rahe gebagebanake of individueele gronden gaan over hetzij door erfenis, nan 
bagean neteng, hetzij door verkoop, vrij willigen afstand of ruil op andere lieden, 
ook niet tot de vena behoorende. Deze gronden kunnen alsdan door den nieuwen 
eigenaar benuttigd of weder aan anderen afgestaan worden. In de ehu, woeste gron- 
den, en moalalen, bosschen, mogen de negari- of venagenooten producten en alles ver- 
zamelen wat zij willen ; in de rahe gebagebanake aUéén met vergunning der eigenaren. 
In de rivieren en langs de stranden hebben de venagenooten het recht van vischvangst; 
niet tot de vena behoorende lieden moeten daartoe vergunning van den matalea of 
gebahaa hebben, en wel tegen eenig retributie. In het landschap Kaiïli is dit ge- 
bruik echter in 1657 door den Gouverneur Amold de Vlamingh afgeschaft en mogen 
de vreemdelingen zich overal vrijelijk bewegen, om door verzameling van producten, 
jacht en visscherij in hunne behoeften te voorzien. Deze handeling wordt tot op dit 
oogenblik als eene inbreuk op de ada mamena of gebruik der vaderen aangemerkt 
terwijl een souvereiniteitsrecht van Nederland over de gronden op Buru door de 



B ü R ü. 21 

Gtebvuka nergens wordt erkend. Wil iemand beletten dat een vreemde op zijne gron- 
den, rivieren of stranden komt jagen, visschen of de producten zich toeëigenen, dan 
plaatst hij met de benoodigde incantatiên de kanuwaket, bestaande in een tak, waarop 
overdwars jonge kalapabladeren vastgebonden worden, op zijn eigendom, of men bouwt een 
hutje en legt daarin eene betooverde jonge kalapanoot met een tak van den arengpalm. 
Hij die dit teeken schendt,, zal ziek worden en wegkwijnen, of als het zout in water 
smelten. Ook plant men de sihe als verbodsteeken , zijnde de tak van een boom — 
tabu of stok — waarin ter helfte eene snede wordt gemaakt en een vrucht ge- 
legd. Op de zijde daarvan plant men nog een stuk gespleten rotan. De sihe wordt 
naast den te beschermen boom geplaatst De matalea of gebahaa en balivtua leg- 
gen de kanuwaket op de rahavena op de gewone wijze; ook langs de stranden om 
het visschen aldaar te beletten. De overtreder der sihe betaalt eene boete. 

Het huwelijk, daalak vina, wordt gewoonlijk gesloten, wanneer de aanstaande vrouw 
als kind nog niet is geboren. Is eene vrouw bevrucht, dan komt bij haar de man, 
die genegen is het nog door haar gedragen kind te huwen en stelt haar en haren 
man voor, een gedeelte van den bruidschat, kaleli, anavina vilin of talbela, als empahut, 
voorschot, te betalen. Brengt de vrouw een meisje ter wereld, dan wordt het na de 
besnijdenis, wanneer het geheel bedrag van den bruidschat, kaleli, afbetaald is, zijne 
wettige vrouw. Baart zij eenen jongen, dan wacht de eischer totdat er een meisje 
geboren wordt of ontvangt desverkiezende het gegeven voorschot terug. Het is het 
geboren meisje verboden voor haar huwelijk midun, ubi, veteng, gierst, en lamet, 
buideldierenvleesch, te eten. Het is haren aanstaande verboden in hare nabijheid 
te komen, haar te bespieden, hare borsten, soson, aan te raken, of met haar te spre- 
ken. Dit doende moet hij eene boete van vier stuks wit Ignwaad, twee groote en 
vier kleine koperen muziekbekkens of gong betalen. Bij weigering vervalt het door hem 
gegeven voorschot of vooruitbetaling ten voordeele der ouders. Als het meisje den 
leeftijd van twaalf jaren bereikt heeft, heeft de huwelijksplechtigheid humat kema, 
plaats. Op den bepaalden dag baden en kleeden zij zich in hunne kostbare kleederen, 
na zich eerst met welriekende bladeren en reukwerken bestreken te hebben. De vrouw 
versiert heur haar bovendien met manjuru tutulbloemen, Jasminium sambac, en 
kawae omon- of Pandanus — odoratissimus-bladeren. Daarna verschijnt de man in het 
huis zijner aanstaande, alwaar de bloedverwanten zich vereenigd hebben. Een der 
oudste familieleden leidt de jonggehuwden bij elkander en zegt tot hen: «imeluaimek- 
salu gosgosa, metuken pemloton takaruan, ingatimi sariate, metu gebal, sio osuba 
ingatu vua radu, sariate babnam kakal mamutu ael tusariat gosgosa metu opamuli 
onavokna nimeboho,» d. w. z. Qijlieden (moet) elkander in goede stemming nemen, 
twist niet met elkander, denkt aan de bestaande gebruiken, twist niet, wanneer er 
vrienden komen geeft hun sirih-pinang, onthaalt uwe oudere broeders en zusters 



22 B U R u. 

goed, opdat niemand later kwaad van u spreke. Hierop worden zij in een klein ver- 
trek, elet, binnengevoerd, alwaar zij den nacht doorbrengen, terwijl de bloedverwanten 
en vrienden daarbuiten zingen en feestvieren. Gedurende deze plechtigheid wordt 
de inavuka gezongen door twee bejaarde vrouwen , onder eenen salendang of langen 
omslagdoek zittende en hare handen onder de kin houdende. Vijf of zes oude man- 
nen zingen gewoonlijk mede onder het slaan der tuba. De inavuka, letterlijk vertaald 
moeder land of berg, is een zang die zeer weemoedig klinkt en bij beurten met een- 
tonige modulatie door de mannen en vrouwen, als het ware elkander beantwoordende, 
wordt gezongen. De inhoud dezer zangen kenmerkt zich door groote verscheidenheid, 
als erotische uitboezemingen, schimp- en klaagliederen, zoomede strophen ter verheer- 
lijking van hoofden en aanzienlijken. Zij worden op twee verschillende wijzen, namelijk 
de waisama en kasarua, gezongen. Andere zangen of melodieën bestaan er niet Bij 
feestelijke gelegenheden wordt ninuner gedobbeld. Zij , die dit van de Binongkoreezen 
geleerd hebben, komen enkele malen bijeen, om hanen te kloppen, dupture teputi. 
Vreemdelingen van Galela, Tobelo, Sula of elders , met de vrouwen des lands huwende , 
volgen de gebruiken der Gebmölia. Het huwelijk is exogamisch, en het is koin, ver- 
boden, eene vrouw uit dezelfde vena te nemen. In een andere vena huwende, draagt 
de man den naam dier vena; bijv. iemand die met eene vrouw van Meva huwt heet 
daarna in zijne vena: masaawa Meva, de aanhanger van Meva. De islaamsche 
bevolking huwt op de mohamedaansche wijze. 

Echtscheiding, dopsana, mag nimmer plaats hebben. Wanneer de vrouw den man 
moedwillig verlaat, dan zijn de bloedverwanten, wali, verplicht haar in het huis van 
den echtgenoot terug te voeren, opdat hij de familie door too vermiddel geen onge- 
luk aanbrenge. Sterft de vrouw, dan zijn de bloedverwanten evenzeer verplicht den 
man eene andere vrouw te geven. Geschiedt dit niet, dan moeten de bloedverwanten 
den bruidschat terugbetalen. Hierdoor ontstaan veelvuldige twisten , vooral omdat oude 
mannen meisjes van twaalf tot veertien jaren ten huwelijk nemen. Heeft een ander 
man het meisje, dat verloofd is, en waarop empahut is gegeven, geschaakt, of is de 
vrouw van haren man gevlucht, dan gaat hij met zijne bloedverwanten naar het huis 
der ouders van de vrouw, medenemende eene piek, een zwaard, een schild en een stok, 
met rotan samengebonden, hetwelk eene uitdaging tot den strijd beteekent De 
overige negarigenooten, dit ziende, komen gewoonlijk tusschenbeiden, om den strijd 
te voorkomen en de zaak inderminne te beslissen. Dit geschiedt door de terugbe- 
taling van het gegeven empahut of door de uitlevering van een ander tot dezelfde 
familie behoorend meisje, wanneer de man namelijk daarmede genoegen neemt en 
het resteerende der kaleli, anavina vilin of talbela, betaalt. De bloedverwanten 
der vrouw geven alsdan een groot feest, waarbij de oudsten en alle familieleden der 
beide partijen tegenwoordig moeten zijn, om aan den maaltijd deel te nemen. Vóórdat 



in. 




BI2. 23. 



B ü R ü. 23 

men ten maaltijd aanzit, neemt de vader van het geschaakte meisje of van de ge- 
vluchte vrouw een labung, badju , een ivutin, hoofddoek, en een kamaru of schaamgordel 
en legt deze op den schouder van den man. Deze van zijnen kant legt op den 
schouder van den vader een 4 twee stukken wit lijnwaad, sabalan. Na drie beten 
genomen te hebben staat de vader, die naast den man zit, op en geeft hem zijn 
schotel over, terwijl de man tegelijk hetzelfde doet Deze handeling noemt men 
penilik pilin rua, of het ruilen der schotels, als teeken van verzoening, opdat later 
geen bara pemaroton of twist meer ontsta. Na den maaltijd begeven zich de man en 
de door hem verkregene vrouw als geba humat kema of gehuwde lieden naar zijne woning. 
Heeft een jonkman eene jonge maagd geschaakt, heka tuha ana vina, het eenige 
middel voor het meisje, om een man van haren leeftijd en naar hare keuze te verkrijgen, 
dan betaalt deze eene dubbele kaleli of bruidschat, bestaande uit twaalf loli of kleine 
koperen bekkens, acht gongs, buku, vier geweren, sanapan, acht zwaarden, ketuen, 
acht pieken, nahero, honderd stuks wit lijnwaad, sabalan, vier dozijn schotels, pilin, 
en twee stellen ijzeren pannen, wali. Elk man kan zooveel vrouwen nemen als hij verkiest, 
wanneer hij slechts in staat is de kaleli te voldoen. De vrouwen volgen den man 
of diens familie. Alle vrouwen wonen met den man samen en zijn verplicht ieder een 
afzonderlijk stuk grond jaarlijks ten voordeele van den man te ontginnen en te 
bepljmten. 

Wanneer eene zwangere vrouw, daagali, hare bevalling, elajano, voelt naderen, of 
liever de vrucht voelt leven, zoekt zij eene der oude vrouwen uit, om haar behulp- 
zaam te zijn. Deze vrouw maakt de gebruikelijke geneesmiddelen gereed, waaronder 
aftreksel van de Kaempferia galanga, om de verlossing voorspoedig te doen plaats 
hebben. Bij de bevalling, die k croupetons geschiedt ten einde het perinaeum niet 
te scheuren, helpen de oude vrouwen, die, na haar eerst vastgebonden te hebben, de 
navelstreng met een scherp stuk bambu nakun afsnijden, mavooi pusen. Vóórdat de 
placenta buiten is, mag echter het navelsnoer niet worden afgesneden. Terwijl het 
hoofd van het kind zich aan den ingang der scheede vertoont, drukt de helpende 
vrouw met hare groote teenen tegen het schaamdeel of liever de uitwendige zijwan- 
den van de vagina der barende, opdat zij meerder kracht kunne aanwenden. Door 
massage wordt vooraf aan het kind echter eene goede ligging gegeven. De placenta, 
nakai, wordt behoorlijk in lijnwaad of boomschors gewikkeld en door eene der helpende 
vrouwen op de takken van een' der in de nabijheid staande hoogste boomen gelegd. 
Daarna worden er wortels van de Curcuma longa, koni, en haginoten, Aleurites triloba, 
ook wel oude kalapa, door eene der helpende vrouwen fijngekauwd, en met dit meng- 
sel het lichaam van het kind besmeerd, terwijl eene andere vrouw warm water, 
wapoto, in een bambu kookt. Daarin wordt het kind gebaad. Als het afgedroogd 
is, neemt eene der oude ^Touwen eenige stukken oud lijnwaad of boomschors en 



24 B ü R u. 

drukt daarmede, na deze op het vuur gewarmd te hebben, het lidiaam van bet kind 
bij wijze van massage of frictie. De moeder gaat, om kraamkoortsen te voorkomen, 
terstond zijdelings met het achterdeel voor het vuur liggen, mapanget Het kind 
wordt onmiddellijk gezoogd, dasoso, en eenige uren na den partus trachten de vrouwen, 
na zich gereinigd te hebben, haar gewoon werk te verrichten. Bij geboorte van kinde- 
ren worden geene feesten, mauha, gevierd. Tijdens de verlossing mag niemand behalve 
oude vrouwen het vertrek binnentreden. Vele vrouwen bevallen in het bosch alleen 
zijnde, zonder eenige hulp, omdat alle bevalling gemakkelijk en spoedig afloopt Zwaur 
gere vrouwen mogen overal zich bewegen, en de pica hebbende alles eten wat zij 
verkiezen. Kinderen met den zoogenaamden helm of eivlies geboren komen zeer zelden 
voor. De man der vrouw erkent gewoonlijk als vader, aman, door sublatie het kind 
dat geboren is. Na de geboorte komen de bloedverwanten bijeen, om het kind te 
zien. Zij brengen sarongs, iwagun, ten geschenke mede, doch zijn niet gewoon de 
ouders geluk te wenschen. Het gebruik om boomen te planten als eene herinnering 
aan het gebeurde, of als eene openbare erkenning van het kind door den vader is 
niet bekend. Even als de vrouw, verricht de man na de bevalling zgn dagelijkschen 
arbeid. Nadat een of twee tanden uitgekomen zijn, begint de moeder het kind eten te 
geven, bestaande uit rijpe gekookte pisang, vuwa wabel, van eene bepaalde soort, en 
hard gekookte eieren, tepu telon, welke j^ngekauwd met den mond, vivinan, toege- 
diend worden. Gedurende dit tijdstip heeft de naamgeving, valnaakanatanane, plaats, 
zoowel door de ouders als door de mannelijke en vrouwelijke bloedverwanten, die er 
bij tegenwoordig zijn. Gewoonlijk worden de namen van boomen, bloemen en vogels 
genomen. De kinderen worden met een eentonig kreunend gezang, bestaande slechts 
uit eenige achter elkander uitgestooten gelijkluidende klanken, in slaap, nabage, 
gebracht. Het kind wordt een gehiimen tijd, gewoonlijk totdat het loopen kan, gezoogd, 
het gewone middel, dat aangewend wordt om eene spoedige bevruchting te voorko- 
men. Emmenagogum wordt door vele vrouwen aangewend om geene kinderen te ver- 
krijgen. De kunstmatige abortus wordt getolereerd en veelvuldig uitgeoefend, niet alleen 
bij de ongehuwde maar ook bij de gehuwde vrouwen, wanneer deze geene kinderen 
verlangen. De gebezigde geheimmiddelen. blijken niet nadeelig te zijn voor het 
lichaam der vrouw. Misvormde kinderen worden niet altijd gedood. Tweelingen, ana 
rua, of gevallen van doodgeborenen komen zelden voor. Middelen om de vruchtbaar- 
heid te bevorderen worden niet aangewend. Naar de volksmeening heeft de vader 
het volste recht om over de kinderen te beschikken, wijl hij de moeder, ina, ge- 
kocht heeft. De aanneming van kinderen heeft zelden plaats. De Gebmölia-vrouwen 
zijn zeer verzot op anatan boti of blanke kinderen. 

Ziekten, empei of ispane, ontstaan door toedoen van de muli en kesan, mannelijke 
en vrouwelijke suwanggi, door ejabat, booze geesten die op de toppen der bergen, op 



B U R V. 25 

de kruinen der boomen , in zware bosschen en in de diepten der zee wonen , alsmede 
door de nitu of manes der voorvaderen, aan wie bij het overl^'den en de begrafenis 
op kannen tocht naar Waeili niets of niet voldoende wordt medegegeven, of wier 
graven, nakvena, geschonden worden. Ook kwade geesten van naburige eilanden, die 
op hunne zwerftochten het eiland Buru aandoen, zijn oorzaken van ziekten, als vario- 
lae en andere epidemieën. De gewone ziekten zgn, behalve die der huid — als ichthyosis 
kasakado, scabies emngeteta, framboesia varangi en lepra empekoet — koortsen, 
damote, roode loop, wunerote, en longtering, manema. De laatstgenoemde worden 
door de ejabat en nitu veroorzaakt, door eenvoudig den persoon, of liever diens 
schaduw, ninun, te molesteeren of een oogenblik vast te houden. De zieken worden 
door de bloedverwanten in hun eigen huis behoorlijk verpleegd. Verlangt de pohik 
of geneesheer echter dat zij een ander huis betrekken langahuma, om de ejabat en 
nitu te misleiden, dan moeten zij verhuizen, hetgeen veelmalen gebeurt Koortslijders 
worden gewoonlqk bij het vuur gelegd, om door transspiratie de kwade winden te 
verdrijven. De beenen van bere-berelijders behooren voortdurend met een warm af- 
kooksel van de Ipomaea pes caprae gewasschen te worden. Bij de genezing van 
andere ziekten moet de vrouw die in contact staat tot ubun sanane, de geest der 
aarde, door hypnosis eerst onderzoeken wie of welke geest den persoon heeft aange* 
raakt, ten einde daarnaar zijne middelen of offers te regelen. Bij stekingen, koliek en 
andere pijnen door muli en kesan veroorzaakt, zuigt de pohik het zieke deel en 
brengt achtereenvolgens beenderen van herten , varkens , buideldieren , graten van visch , 
fijngesneden stukken rotan en arengvezelen, spinnen, scolopenders en andere zaken 
te voorschijn. Daarna moet de genezing volgen. Wanneer een zieke verhuisd is, wordt 
het huis ook met door den pohik gewijd water van binnen, van buiten en van onderen 
besprenkeld, om de overblijfselen der ziekte , ispane , te doen verdwijnen. Bij het uit- 
breken van epidemieën, bijv. die der pokken, komen de hoofden en.oudsten bijeen om 
maatregelen te nemen ten einde de ziekte te verdrijven. Tot dat einde vervaardigt 
men eene prauw van zes meters lengte en een halven meter breedte , met de noodige 
riemen, zeilen, ankers etc., en plaatst aan den voor- en achtersteven een vlag, ge- 
woonlijk de Nederlandsche , omdat verondersteld wordt dat de booze geest, die de 
epidemieën veroorzaakt, door de Nederlanders uitgezonden wordt om overal ver- 
woestingen aan te richten. De rand der prauw wordt met jonge kalapabladeren 
versierd, terwijl in de prauw eene mat en daarop een stuk wit lijnwaad gelegd wordt. 
In de prauw worden bovendien nog geplaatst een gebraden kip, een kop van een 
varken en van een hert, zoomede een buideldier, een en ander geroosterd ; voorts ge- 
kookte en op het vuur gepofte visch, zeven kippen en zeven Megapodius rubripes- 
eieren, een bord met gekookte rijst, een bord met gekookte gierst, een bord met 
gekookte patatas en kasbi, Janipha manihot, twee djagong- en suikerrietplantjes , een 
pisangboom, een katjang-tanahplant, Arachis hypogaea, met bladeren en wortels , een 



26 B U K u. 

Citrullus edulis-vrucht , een jonge kalapanoot, verschillende pisangsoorten, van elke 
soort een vrucht, een schotel met sagupap, een bambu met sagero, eenbambumet 
water, een kopje met kalapa-olie; wijders een witte schotel met sirih-pinang en tabak 
naar genoegen. Dit een en ander aan het strand gereed zijnde, wordt een nacht en 
een dag op vervaarlijke wijze in de nabijheid op de tuba, trom, en bukn, gong, ge- 
slagen, terwijl de bewoners der geteisterde negari allerlei sprongen doen, meer bekend 
onder den naam van epkiki en tjeval, om den boozen geest vrees aan te jagen en 
naar de prauw te drijven. Den volgenden morgen worden tien krachtige jonge 
mannen uitgezocht, die met rotan-, kalapa- en arengtakken, in een aarden vat met 
water gedoopt, op de aanwezigen slaan. Van daar gaan zij springende naar het strand 
en leggen de takken mede in de, den vorigen dag, gereed gemaakte prauw, binden 
daar een levenden haan vast, brengen in allerijl een andere prauw te water, en boeg- 
seeren de met levensmiddelen gevulde prauw, waga ispane, naar zee. Ver in zee 
gekomen, wordt het vermelde vaartuig losgelaten en roept een der tien mannen het 
volgende uit: «opon opogoloka, pau oli beka, kuoli gosa gosa, ku toho oto netem 
mardika; vina kami puna namu lavat, disepo kami nambagean,»d. w. z. Heer groot- 
vader pokken, ga maar weg, ga goedschiks weg, ga een ander land bezoeken; wij 
hebben uwe spijzen voor de reis gereed gelegd, wij hebben thans niets meer te geven. 
De levende haan moet zorg dragen, dat de opon opogoloka de jonge mannen onder het 
roeien niet kwalijk bejegene. Aan het strand teruggekeerd, gaan de mannen, vrouwen 
en kinderen gezamenlijk in zee baden, opdat de ziekte hen niet weer treflfe. Helpt dit 
middel niet, dan begeven allen zich verspreid in de bosschen , alwaar velen omkomen. 
Volgens eene andere wijze van genezing komen ongeveer twintig mannen en vrouwen 
bijeen. In de nabijheid van het huis van den zieke worden door hen eenige bladeren 
van bepaalde boomsoorten verbrand, welke daarna met atap gedekt worden. Op 
deze atap legt men vervolgens eenig gierst, patatas, een gedroogd buideldier, een 
stuk varkensvleesch , eenig visch, sagero, arak, sirih-pinang, tabak en een levenden 
haan. Dit gedaan hebbende schreeuwt men: «Opo osi, pio pau bestau lanan paha 
tan kimba sansara, tuke nisele miselan, kamla hampuun kimisehe nimi sangadjar, 
bèta kimi malikan dagosa beka nakua ahenda dadooo beka,» d. w. z. Voorouders, hier 
hebt gij een dulang (of houten bak) met spijzen; wij hebben u wellicht vergeten 
en daarom zijt gij vertoornd en hebt gij hem ziek gemaakt; wij vragen ver- 
giflfenis, hier hebt gij eenige spijzen; wanneer dit genoeg is, laat de ziekte van hem 
voorbijgaan en maakt zijn lichaam weder als naar gewoonte. Daarna begeven zij zich 
naar de ofFerplaats of huma snoli van den zieke en steken daar door hen ver- 
vaardigde lansen in den grond, met de punt naar boven. De haan wordt losgelaten 
en mag niet geslacht worden. De booze geest of oorzaak der ziekte moet door hem 
worden geïntimideerd. Epilepsie is nietbekend. Krankzinnigen, gebalalula, tengevolge 
van overerving of invloeden van booze geesten , worden niet geëerd, maar vastgebonden 



B^ 



IV. 




Blz.26. 



B U B u. 27 

wanneer zij kwaad doen. Kropgezwellen, die nu en dan voorkomen, worden toege- 
schreven aan het veelvuldig beklimmen der bergen. 

Na het overlijden wordt het lijk gekleed en vervolgens gewikkeld in vijf k zes 
lagen lijnwaad , zijde of laken van verschillende kleuren , al naar gelang van het ver- 
mogen van den doode. Als het graf gedolven is, wordt daarin een stuk lijnwaad 
uitgespreid en vervolgens twaalf borden en vier kopjes nedergelegd. Het neergelaten 
lijk wordt met een stuk lijnwaad en daarna met aarde gedekt Op het graf worden 
schotels, pilin, en kopjes, pigala, een aan flarden gescheurd stuk wit lijnwaad, 
gekookte of rauwe eetwaren, als gierst, djagong,ubi, suikerriet, komkommers, water- 
meloenen, spaansche peper, jonge kalapanoten, zoomede water en sagero geplaatst. 
Acht dagen na de begrafenis wordt een maaltijd gegeven voor de bloedverwanten en 
al degenen die daarbij tegenwoordig waren. Vóórdat men echter met het eten een 
aanvang maakt, worden door eenige lieden, gezamenlijk met den persoon die de nitu 
zal aanroepen , spijzen naar het graf gebracht en op de aldaar aanwezige borden 
gelegd. De nitu-roeper schreeuwt alsdan met luider stemme : « Nitu taga, egu nami- 
naan inaveteng, egu lamet, egu naan vavu, egu namunaa,» d. w. z. Ziel die in het 
graf zijt, neem de gierst als spijze, neem het buideldier, neem het varkensvleesch , 
neem uw aandeel. Dit wordt vier ofvijf malen herhaald. Vervolgens keert men, met den 
rug naar het graf, zonder om te zien huiswaarts, waarna gegeten en gedronken wordt. 
Volgens het volksgeloof verzamelen de nitu zich aan de bronnen of aan den oorsprong 
der rivier Waeili, alwaar zij een genoeglijk voortbestaan smaken en dagelijks met 
spel en zang zich onledig houden. De geest begeeft zich terstond derwaarts op het 
oogenblik dat het graf gesloten of het lijk op een stellage gelegd wordt. Vóór 
den dood heet de ziel sumangin, ook wel ösmangin. Op het graf, nitukaun, van aan- 
zienlijken worden tevens groote en kleine koperen muziekbekkens , buku en taabuang, 
nedergelegd. Worden deze artikelen niet aan den doode voor het gebruik te Waeili 
medegegeven, dan wordt hij op de bloedverwanten verstoord en maakt hen ziek. Tee- 
kenen van rouw over het afsterven van ouders en bloedverwanten zijn niet in gebruik. 
De namen der afgestorvenen mogen vrij worden uitgesproken. Pasgeboren kinderen 
worden eenvoudig in een stuk lijnwaad gewikkeld begraven. Voor kinderen, die loopen 
kunnen, zijn de plechtigheden gelijk aan die der volwassenen. Ziet men een vuurvlieg, 
wokoi , dicht bij het graf, dan gelooft men dat de nitu van den begravene zijn graf, 
nakvena, komt bezoeken. In sommige vena worden de lijken niet begraven, maar op 
stellages in het bosch gezet. De Mohamedanen en Christenen begraven de dooden 
op hunne manier. 

De erfenis blijft na den dood in de familie. Sterft de man, dan beschikt de oudste 
of eerste vrouw er over ; sterft deze, dan de oudste zoon ; en zoo er g^ene kinderen zijn. 



28 B U R u. 

de broeder van den huisvader of diens zwager. De groote en kleine gongs , de wape- 
nen en kleedingstukken worden onder de zonen verdeeld. De achtergelatene versierselen 
en kleedingstukken der moeder blijven in het bezit der dochters. Het huis , de dusuns 
of akkers blijven het gemeenschappelijk eigendom der kinderen. Dochters, die in eene. 
andere vena gehuwd, z^n hebben hierop geene aanspraken meer; evenmin de zonen, 
die het ouderlijk huis zonder medeweten of toestemming der ouders verlaten hebben. 
Bij gebreke van naaste bloedverwanten worden de weezen door den matalea of gebahaa 
verzoi^, en deze maakt alsdan gebruik van hunne aanplantingen. Vreemdelingen, 6eb- 
dagan, op Buru gehuwd, zijn mede verplicht deze bepalingen na te leven. Bij ge- 
schillen treden de venahoofden tusschenbeiden. 

De Gebvuka of bergbewoners verdeelen het jaar, musin, in zes maanden, vulan , 
of liever tijdperken; het eerste, dat met de nieuwe maan in Augustus begint, heet 
evnau, het tweede evhaa, het derde kaprupa, het vierde samsama, het vijfde sablevu, 
en het zesde selarang. Feesten worden bij het begin dier tijdperken niet gevierd. 
In het eerste tijdperk maakt men een begin met den padi-aanplant In het derde, 
kaprupa, worden de tabakplan^es uitgeboet Grelukkige maanden of dagen bestaan er 
niet Als lengtemaat wordt de vadem en de span gebezigd. Voor de gewone maat 
gebruikt men de tibi, een mand van bambu, inhoudende ongeveer vier kati tabak en 
vijftien kati katjang, gierst of damar. Bij het rekenen of tellen bezigt men de vin- 
gers, vahan nanu wangan , ook wel djagongkorrels en steen^es. Om andere artikelen, 
bijvoorbeeld het bedrag van schulden of nog niet betaalde kaleli, te onthouden, het 
aantal kalapa- en andere boomen, ook wel het aantal mannen, vrouwen en kinderen 
te weten, bezigt men kerfstokken van hout, kauengan, van gabagaba, baaengan, 
of wel touwen, betu, van rame, Gnetum gnemon waarin knoopen gelegd worden. 

Verklaring van kosmologische verschijnselen worden door de G^bmëlia niet gege- 
ven. Bij zons- of maansverduistering, lea permite en vulan bermibota, denkt men dat 
ergens op de wereld een ongeluk zal plaats hebben. De sterren heeten tolok. De 
oorzaken van donder, gogo, bliksem, davilak, regenboog, vale, zijn niet bekend. Metala 
is de naam van Venus. Zoogenaamde dondersteenen, tela vage, zijn nimmer gevonden, 
volgens bewering der oudsten ; hetgeen niet is aan te nemen, wijl er in de taal des 
lands een naam voor bestaat Aardbevingen, isu, komen menigmaal voor. 



"^^HS! 



TWEEDE HOOFDSTUK. 



AMBON £N D£ ULIA8E. 



Ligging. Fonnstie. Bergen. BiTieren. Voetpaden. Ankerplaatsen. Moeson. Aantal nega- 
riën. Bevolking. Taal. Traditie. Geiehiedenis. Pbytiache» intellectneele en moreele eigen 
schappen. Grondeigendom. Bestnor. Standen. Ondentoek en afdoening yan laken. Straffen. 
Eed. Oorlog en vrede. Landbouw en veeteelt Caltus. Godsdienst. OnderwQs. Bygeloof. 
Toovery. PamalL llatakan. Pela. Negarién. Woningen. Haiaraad. Wapenen en kleeding 
NUverbeid. Handel. Verloving. HawelUk. Scbaking. Eebtsobeiding. Zwangerschap. Partas. 
Behandeling van pasgeboren kinderen. Matilatie van 'tliobaam. Ziekten. OverlQden. 
Bouw. Erfenis. Voeding. Narcotica. Feeaten. Zang en dans. Raadselen. Kosmognosie. 



De Ambon- en TJliase-eilanden, de laatste meer bekend onder den naam van 
Haraku, Saparaa en Nusalao, in 1512 door de Portugeezen ontdekt, liggen tusschen 
127^ 55' en 128** 54' oosterlengte van Greenwich en tusschen 3^ 24' en 3"" 42' 
zuiderbreedte. Het noordelijk gedeelte van Ambon heet Hitu, vanHarukuHatuhaha, 
van Saparua Hatawano, en van Nusalao Inalohu, het zuidelijk Leitimor, Oma, 
Honimoa en Inahaha. In de taal des lands noemt men Ambon nusa Japoono, het 
neveleiland, Haruku nusa Halawani, het goudeiland, en Saparua Tou nusa of het 
eiland bezijden. 

Al deze eilanden behooren tot de tertiaire mioceenformatie met bergruggen van 
fijnkorrelig graniet doorsneden, naast welke niet alleen serpentijn met magneet- 
en chroomijzersteen, maar ook blauw porfier, kristallinische kalk, donkerroode 
thoonschiefer, jongere eruptiefgesteenten en zandlagen voorkomen. Prachtige stalac^ 
tiet-vormingen kunnen mede op Ambon worden waargenomen. Op Hitu, Oma^ 
Honimoa en Inalohu, meer bepaald te Lariki , Oma , Tiou en Nalahia, vindt men tusschen 
zandsteen en koraalbanken warme minerale bronnen, als onomstootelijke bewijzen van 
nog werkende vulkanische krachten. De bergen op Ambon: de Saitan, Lapurumah, 
Wapahuhu, Salhutu, Maspaid, Wawani, Nona en Tola; op Haruku: de Amaharui, 
Hnruwano en Nonu; op Saparua: de Etnapele, Hatuhahul, Boi en Nolo; op Nusalao: 
de Heleno, Lawakono en Haulata, bereiken eene hoogte van niet meer dan dertien- 



30 AMBOX EN DE UIJASE. 

honderd meters. De Salhutu op Ambon, hoogstwaarschijnlijk een uitgebrande 
krater, is de hoogste van alle en volgens meting slechts twaalf honderd-njf-en- 
twintig meter. Deze eilanden zijn zeer geaccidenteerd en van rivieren van middel- 
matige grootte doorsneden, als op Ambon de Wainitu, Waitomo, Batugadja, Gurita, 
Kakuri, Kaitetu, Waili, Muli, Wailijang, Waiulat en andere; op Haruku de Wai- 
leharisa, Wai urputi, Wai Malala en anderen; op Saparua de Waisarihilao, Wai- 
asal, Wailaloni, Waisalea, Wailianno, Waitorano en andere; op Nusalao de Wai- 
pandita, Waitatu, Waiata en andere. Geen dezer rivieren is bevaarbaar. Wegen 
of liever voetpaden zijn in alle richtingen aangelegd en slechts voor voetgangers 
geschikt Op het eiland Saparua worden de wegen goed onderhouden en laten de 
bruggen weinig te wenschen over. Ankerplaatsen vindt men op Ambon in den 
grooten ruimen inham vóór de hoofdplaats, op Haruku vóór de negariën Samet en 
Pelau , op Saparua in de baai van dien naam : voorts te Porto en Nolot en op Nusalao 
in de bocht van Nalahia. De droge moeson heerscht van October tot Maart, de 
natte van April tot September. Zware onweders komen menigmaal voor. Het klimaat 
op deze eilanden is zeer gezond. 

Op het eiland Ambon treft men zeven-en-veertig negariën aan ; hiervan op Hitu : 
Liang, Waai, Tulehu, Tengatengah, Tial sarani en islaam, Suli, Paso, Morela, 
Mamala, Hitumeseng, Hitulama, Wakal, Hila, Kaitetu, Seit, Lima, Uring, Asilulu, 
Lariki, Wakasihu', Alang, Lilibooi, Hatu, Laha, Tawiri en Rumahtiga ; op Leitimor : 
Mardika, Soja dibawah en diatas, Urimeseng, Nusaniwe, Seilale, Latuhalat, Ama- 
husu, Batumera, Halong, Hutumuri, Leahari, Rutung, Ema, Hukurila, Kilang, 
Nako, Hatalai, Hatiwi besar en kitjil, zoomede verscheidene kampongs, als Haturu, 
Nipa, Poka, Hunut, Durianpatah, Waiheru, Nania, Negarilama, Nuntetu, Laten, 
Lata, Kalapa duwa, Kanariputih, Galala en Lariki, door zoogenaamde burgers be- 
woond. Op het eiland Haruku zijn elf negariën, met name: Haruku, Oma, Wasuu, 
Aboro, Hulaliu, Kariu, Pelau, Kailolo, Kabau, Rohomoni en Samet. Op Saparua 
zeventien, met name: Itawaka, Nolot, Iha, Ihamahu, Mahu, Tuhaha, Kulur, Porto, 
Haria, Booi, Paperu, Tiou, Saparua, Sirisori sarani en islaam, Ulat en Ou. Op 
Nusalao zeven, met name: Nalahia, Sila, Leinitu, Titawaai, Abubu , Akoon en Amet. 
De mohamedaansche negariën op Ambon zijn: Wakasihu, Lariki, Asilulu, Uring, 
Lima, Seit, Kaitetu, Hila, Wakal, Hitulama, Hitumeseng, Mamala, Morela, Liang, 
Tulehu, Tengatengah, Tial islaam en Batumera; op Haruku: Rohomoni, Kabau, Kai- 
lolo en Pelau; en op Saparua: Kulur, Iha en Siri sori islaam. De zoogenaamde bur- 
gers , die schuttersdiensten praesteeren of wel schutterbelasting betalen, zijn afstam- 
melingen van inlanders, die in vroegeren tijd wegens aan de Compagnie bewezene 
diensten vrijgesteld waren van de heerendiensten en niet ingedeeld werden als ulu 
lo datio of perkslaven , zoomede van vreemdelingen, die later op deze eilanden zich ge- 



AMBOX EN DE ULIASE. 



31 



vestigd hebben. Voor militaire diensten zijn zij uitstekend geschikt, gelijk gebleken 
is gedurende de expeditiën naar Serang en elders. Door het nemen van verkeerde 
bestuursmaatregelen en ongepaste bejegening of miskenning dezer lieden is dit ge- 
deelte der bevolking in den laatsten tijd zeer ontevreden. 



De hoeveelheid der bevolking bedraagt onder ultimo 1882; 

A. Op het eiland Ambon: 

Christenburgers : 

Mannen 4302. 

Vrouwen 4351. Te zamen 8653. 

Mohamedaansche burgers: 

Mannen 1100. 

Vrouwen ....... 1153. Te zamen 2253. 

Negaribevolking : 
Christenen : 

Mannen . 5103. 

Vrouwen 5058. Te zamen 10161. 

Mohamedanen : 

Mannen 4680. 

Vrouwen 4633. Te zamen 9313. 30.380 zielen. 

B. Op het eiland Haruku: Totaal. 

Christenburgers : 

Mannen 394. 

Vrouwen 295. Te zamen 689. 

Negaribevolking : 
Christenen : 

Mannen 2209. 

Vrouwen 2374. Te zamen 4583. 

Mohamedanen : 

Mannen 1939. 

Vrouwen 158«. Te zamen 3525. 8797 zielen. 

C. Op het eiland Saparua: Totaal. 

Christenburgers : 

Mannen 2159. 

Vrouwen 2228. Te zamen 4387. 

Mohamedaansche burgers: 

Mannen 6. 

Vrouwen 8. Te zamen 14. 



32 AMBOX EX DE UUASE. 

Negaribevolking : 
Christenen : 

Mannen 4823. 

Vrouwen 4706. Te zamen 9529. 

Mohamedanen : 

Mannen 755. 

Vrouwen 833. Te zamen 1588. 15518 zielen. 

D. Op het eiland Nusalao: Totaal 

Christenburgers : 

Mannen 53. 

Vrouwen 57. Te zamen 110. 

Negaribevolking: 
Christenen : 

Mannen 1934^ 

Vrouwen 2154. Te zwnen 4088. 4198 zielen 

D. i. voor de gezamenlijke eilanden 58.893 zielen. Totaal. 



Behalve het dusgenaamd Ambonsch-Maleisch worden op deze eilanden nog 
veertien dialecten, de Sou ume of bahasa tanah, gesproken, waarvan elf op Ambon 
alléén. De in deze aanteekeningen voorkomende woorden en uitdrukkingen zijn, gelijk 
overal in dit werk, niet van één maar van verschillende dialecten afkomstig. Van 
eene oude algemeene taal wordt geen gewag gemaakt 

Slechts in sommige negariën beweert de bevolking van aborigenes af te 
stammen — als op Ambon te Hutumuri.en Leahari, op Haruku te Wasuu, Aboro, 
Samet en Haruku, op Saparua te Ulat en Ou, op Nusalao te Titawai en andere 
negariën — die uit de bergen, in de gedaante van larvae, en uit boomen, airatu, de 
Cappellenia moluccana, nadat deze door den Pandion Haliaetus bevrucht was, 
zijn voortgesproten — afgescheiden nog van degenen, wier progenitors varkens, gurita 
of Octopus rugosus, krokodillen, haaien en palingen waren. De eerste oprichters 
der overige negariën zijn van vreemden oorsprong, namelijk lieden van Serang (van- 
daar de naam Nusa ina of moedereiland), van Buru, Todore, Temate, Gorong, 
Papua, Bandang, Bugis, Mangkasar, Bali, Madura, Java, de laatsten 424 jaren ge- 
leden van Tuban derwaarts geïmmigreerd, voorts van Kelantan, Trenggano enPatani 
afkomstig. Hierdoor wordt de typische verscheidenheid der tegenwoordige eilanden- 
bewoners eenigszins opgehelderd. De inmiigranten kwamen van lieverlede met 
groote tusschenruimten van tijd, door de specerijen daartoe uitgelokt, zich eerst 
langs de stranden vestigen, vanwaar zij, door de Mangindanosche zeeschuimers 
herhaaldelijk aangevallen, later bergwaarts trokken, om zich gedeeltelijk met de oor- 



AitedN tSi DÊ ÜLIASÊ. 33 

ëpronkelöl^e. beyolking te vermengen. Vóót de koüist der Portugeezen stonden deze 
eilanden, alwaar veel vertier en welvaart heerschten, gedeeltelijk onder de Javanen, 
Todweezen en Tematanen, wier hoofden schattingen hieven. Van dien tijd dagtee- 
kent de bewnste verdéeling van Patasiwa en Patalima. Niettegenstaande de Mang- 
kasaren herhaalde malen als bondgenooten ingehaald werden, hebben zij nooit 
eeüig gezag over deze eilanden uitgeoefend. Eerst na de komst der Nederlanders 
hadden er op last van de Gouverneurs Denmier en de Ylamingh van Oudshoorn 
geregelde nederzettingen op de kusten plaats. 

Nadat Antonio d'Abreu in 1512 Ambon ontdekt bad, werden deze eilanden be- 
schouwd als te behooren aan de kroon van. Portugal en tot 1605 achtereenvolgens 
beheerd door de Gouverneurs Sanchio vaz Conselho, Gonsalvo Pereira, Cajado, 
Teixeta en Gaspar de Melo, die de Molukken in laatstgenoemd jaar aieui de Ne- 
derlanders overgaf. In 1599 kwam de Nederlandsche Admiraal Wijbrand van 
Waerwijck te Hitulama , welk gewest uit Huamual, eiland Serang en uit Java 
bevolkt werd, en werd hem toegestaan aldaar vrij handel te drijven. De onheusche 
bejegening der Portugeezen moede, verzochten de Hitusche hoofden in 1600 Ste- 
ven van der Hagen om ïnet hun bijstand hen van Ambon te verdrijven, hetgeen 
geschiedde door de inneming van het kasteel op Leitimor, dat van toen aan den naam 
van Victoria droeg. Ofschoon de Hitusche hoofden er op aandrongen het kasteel te 
slechten, vond van der Hagen het raadzamer dit te behouden en in de plaats der 
Portugeezen te treden, tot welk einde hij Frederik Houtman als Gouverneur achter- 
liet Deze sloot met de Hitusche hoofden, die hulp hadden ingeroepen, een genootschap- 
pelijk verbond, deed de overigen den eed van trouw en onderdanigheid zweren, nam 
Leitimor en de Uliase onder . rechtstreeksch bestuur en maakte een begm met de 
invoering van het zoogenaamd monopoliestelsel. In 1607 bezocht de Admiraal Corneüs 
Matelief Ambon en gaf op verzoek der hoofden aan de Nederlanders vergunning oin 
met. de vrouwen des lands te huwen, evenals de Portugeezen dit vroeger deden. Deze 
vergumiing werd in 1702 evenwel ingetrokken, of liever bemoeilijkt. Onder den 
Gouverneur Herman van Speult werd in 1618 de bekende Ambonsche vesper gevierd, 
doordien hij twaalf Engelsche verraders in bet kasteel Victoria liet onthoofden , dewijl 
het den Engekchen in 1616 bereids verboden was de Molukken te bezoeken. Van 
Speult bevorderde de nagelcultuur op Ambon en voerde deze op de Uliase in. In de 
verhouding tot de Hitusche hoofden bracht hij tevens verandering. Niet alleen dat 
zij weldra verplicht werden al hunne nagelen tegen lagere prijzen aan de Compagnie 
te verkoopen: zij kregen ook last om werkvolk, toen genaamd quartsvolk of heerendienst- 
plichtigen, en vaartuigen te leveren. Eindelijk behandelde men hen niet meer als bondge- 
nooten, maar als reditstreeksche onderdanen , hetgeen ontstemming veroorzaakte. 



34 AKBOX ^ Dfi UtiASC 

Toen de zoo^naamde smokkelhandel in nagelen door de bereiking van Hoamiial 
openlijk werd gedreven, besloot Tan Speolt, tijdens het aanwezen te Ambon in 1625 van 
de vloot onder Jacques rHennite, de nagelboomen aldaar nit te roeien, wat voordee- 
liger uitkwam dan het beletten van sloikhandel. Alstoen werden er duizenden nagel- 
boomen omgekapt en vernield , tot groote verbittering der bevolking , die niet vocHrbereid 
hare eigendommen niet kon beschermen. De reeds ontstemde Eakiali, hoofd of kapita 
van Hitu, trok zich de party der verongelukte Huamualers aan en zond naar Mangkasar 
om hulp tegen de door zijne vaderen ingehaalde vreemdelingen. Dit en andere bewezen 
van afkeuring van de handelingen der Nederlanders noopten den Gouverneur Anthony van 
den Heuvel in 1634 Eakiali en andere ontevredene hoofden gevangen te nemen en 
naar Batavia op te zenden. Daarop vluchtten de EQtuneezen naar het gebergte en 
versterkten zich te Wawani. De Gouverneur tastte deze sterkte asm, doch zonder ge- 
volg. Inmiddels werden de Hituneezen later tusschen Hitulama en Mamala verslagen. 
De verbitterde Huamualers versterkten zich te Lisela. De Gouverneur J. R van 
Deutekom trachtte in 1635 deze sterkte in te nemen, doch vruchteloos; en toen 
hij het beleg opbrak, werd de zedelgke macht der Nederlanders geknakt Weldra volgde 
dan ook een algemeene afval, zelfs van de Christenhoofden, op Leitimor. De bezet- 
ting op Nusalao werd alstoen doodgeslagen en het fort te Oma belegerd. De (xou- 
vemeur-Generaal of Opperlandvoogd A. van Diemen begaf zich in 1636 van 
Batavia naar Ambon om de orde te herstellen en nam Lisela met 1500 man stormen- 
derhand in. In de algemeene vergadering te Ambon beklaagden zich de hoofden over 
zware onbetaalde korrakorra of roeiers- en andere diensten, wawajauruiof wosolalai, 
d. i. gedwongen arbeid voor degenen die boven geplaatst zijn, waardoor de mannen 
buiten machte werden gesteld hunne vrouwen en kinderen te onderhouden, over diefstal 
der ambtenaren bij we^ng van kruidnagelen, over de onbehoorlijke behandeling die 
zij van de gouverneurs te verduren hadden, over het gedwongen kerkgaan en de 
mishandeling der korrakorra-roeiers, door de Nederlandsche oflScieren. Van Diemen 
deed Eakiali, dien hij medegebracht had, ontslaan, en herstelde voor het uiterlijke 
althans den vrede, die echter niet duurzaam bleek te zijn. Eakiali, met geestdrift door 
zijne onderdanen ontvangen en nog meer verbitterd, huwde met de dochter vanden 
heftigsten tegenstander der Nederlanders, het besturend hoofd van Eambelo op Hua- 
mual, Laksamana genaamd, en versterkte zich na het vertrek van van Diemen te 
Wawani. Eenige aanvallen op Compagnieposten te Uring en Hitulama werden afge- 
slagen. In 1643 verkreeg de Gouverneur Gerard Denmier versterking van Java en 
begon Hitu stelselmatig te verwoesten. Ealapa-, nagel- en saguboomen werden omgehakt, 
en wanneer de bevolking zich wilde onderwerpen, werd dit afgewezen. Hij tastte 
Wawani met geweld aan, doch zonder gevolg. Verscheidene Huamualsche hoofden 
streden aan de zijde der Nederlanders, doch de voomaamsten hunner werden later 
ter belooning onthoofd en hun lijk tentoongesteld, opdat zij te Huamual niet meer 



AMBON EX DE ULIASE. 35 

zouden stoken. Ealdali vertrok tóen naar Eapaha, doch werd op aansporen van 
Demmer tegen tweehonderd rijksdaalders door een Spanjaard, dien hij als vriend 
behandelde, verraderlijk vennoord. Daarna werd Wawani bestormd en zonder tegen- 
weer genomen. Te Ambon teruggekeerd, bepaalde Demmer dat geen kapita met vier 
mindere hoofden meer op Hitu zouden worden aangesteld en dat het bestuur aan 
negarihoofden, even als op Leitimor, zou worden opgedragen. Dit ontstemde opnieuw 
de gemoederen. De opstandelingen van Eapaha staken de hoofden weder bijeen ; zelfs 
Tulukabesi en anderen , die tot dusverre aan de Compagnie als hare bondgenooten 
getrouw bleven, gingen tot den vijand over. Om hen vrees aan te jagen, liet Demmer 
in tegenwoordigheid van verscheidene hoofden eenige Huamualsche groeten onthoofden 
en deed een aanval op Wawani, dat door Patiwani verdedigd werd, doch trok met 
verlies af. Na alle nagel- en vruchtboomen vernield te hebben, keerde hij naar Ambon 
terug &ik lidi aldaur opnieuw negen negarihoofden onthalzen. De door de Hituneezen 
van Mangkasar, Todore en Atjeh gevraagde hulp daagde niet op. In dien tusschentijd 
belegerde zeker ksq>itein Jacob Verheiden Eapaha en nam dit in 1646 bij ver- 
rassing in. Alzoo werd de macht van Hitu gebroken. Op de overige in de bergen 
zwervende ontevreden hoofden werd jacht gemaakt Tulukabesi, die zichzelven kwam 
aanbieden om noodeloos bloedvergieten te voorkomen, werd onthoofd. De ontevre- 
denheid op Leitimor wist Demmer door den moord van den onschuldigen Jan Pays, 
die, in Nederland opgevoed, later hoofd van de negari Hatiwi was, te beteugelen. 
Het lijk, met eene mat bedekt, werd den volgenden dag aan de aanwezige hoofden 
in eene plechtige vergadering in het kasteel te aanschouwen gegeven en daarna voor 
hunne oogen gevierendeeld. 

Door moord en vernieling van eigendommen de rechtmatige grieven onderdrukt 
hebbende, gelastte Demmer dat op Ambon en de üliase alléén kruidnagelen moch- 
ten worden aangeplant De bevolking, die in het gebergte woonde, werd later 
ook onder Amold de Ylamingh van Oudshoorn strandwaarts gedreven en tot 
perkslaven, orang of kapala datio, gemaakt, in tegenstelling van de vrqe lieden, 
bebas , ook wel borgos of burgers genaamd. Degene , die zich daartegen verzette , 
had z^n vonnis uitgesproken. Van dien tijd tot aan den val der Compagnie, tegen 
het einde der achttiende eeuw, dus ongeveer honderd-en-vijftig jaar, werd het regelen 
der hongitochten tot uitroeiing der specerijboomen, en de benoeming der hoofden , als 
de eerste plicht en hoofdbezigheid der Gouverneurs van Ambon aangemerkt In 1676 
werd op de klip Saparua de vesting Duurstede gebouwd, tot bewaring van Honimoa. 
Behalve te Lariki en Baguala in 1627, werden er nog sterkten gebouwd op het eiland 
Haruku te Haruku en Eariu in 1655 : Zeelandia en Hoorn — op het eiland Saparua 
te Nolot, Porto en Sirisóri in 1654: Velsen, Delft en HoUandia — op het eiland 
Nusalao te Titawaai en Sila; Beverwijk en meer andere. Deze sterkten zijn vierkante 



steenen blokhuizen van twee verdiepingen, met sohietgaten. De alleeöhandel in 
kruidnagelen benadeelde den inlander op schromelijke wijze; vandaïtr het verzet en 
de daarop gevolgde stelselmatige vernietiging zijner bezittingen door Denmier en de 
Vlamingh. De bevolking werd van lieverlede ongelukkiger en armer; al hare goede 
hoedanigheden verdwenen allengs, terwijl haar aantal verminderde. Erger nog dan 
door de gehate Portugeezen, werden de inlanders onderdrukt en uitgezogen. (ïedurende 
het treurig bestuur der O. I. Compagnie werd in den loop der achttiende eeuw op 
Ambon en de Uliase óf het aanplanten — in 1725, 1727, 1750, 1753, 1755 en 
1765 — óf het omhakken — in 1700, 1703, 1709, 1710, 1713, 1743, 1759, 
1768, 1773, 1780, 1782 en 1786- — van nagelboomen gelast, zoodat de bevolking 
ten langen leste niet meer wist, waaraan zij zich te houden had. In 1761 en 1769 
werd bevolen de meerder geproduceerde nagelen te verbranden, Welke bepaling in 
1791 weder ingetrokken werd. Het product werd bovendien tegen mindere prijzen 
ingekocht, terwijl bij inkoop de bevolking door de opkoopers bedrogen werd. Degene 
die kruidnagelen, van zyne eigene boomen afkomstig, aan een ander véritocht, 
werd gegeeseld en in ketenen geklonken. Wie specerijplantjes aan vreemdelingen 
afstond, boette zijn misdrijf, volgens eene in 1771 gemaakte bepaling, met den dood. 
De voorheen zoo bloeiende handel ging geheel te niet Aan elk gedwongen arbeider 
werd van 1708 aan des daags een stuiver en eén pond rijst uitgekeerd. In 1707 werd 
de armoedige toestand der Ambonsche bevolking bereids geconstateerd, doch in 1743 
andermaal bevolen de vaderlandsche artikelen met 75 7© > de Indische met 50 ^/^ winst 
aan de Inlanders te verkoopen. De meeste der Compagniesdienaren eischten ten eigen 
bate het schier onmogelijke van de inlandsche bevolking, en lieten door haar van ge- 
stelene materialen huizen bouwen, die te gelde gemaakt werden. De betrekkingen voor 
inlanders waren veil; de korporaals- en sergeantsposten zelfs werden verkocht Het 
schieten van een hert voor voeding door den inboorling op zijne eigene gronden werd 
op zware boete verboden en bij de derde maal met geeseling, brandmerk en tien 
jaren ketting gestraft. Voor iedere echtbreuk vorderde de fiscaal tweehonderd-vijftig 
gulden boete van eiken inlander. Ook werden er boeten op vleeschelijke gemeenschap 
en het wegblijven uit de kerk geheven. Besnijdenis werd, om den islaam tegen te 
gaan, met boete en schavot gestraft. In de XTliase beschouwde men den kerkgang als 
heerendienst en het schoolbezoek als slavernij. De predikanten leidden alléén goede 
schrijnwerkers op tot onderwijzers, die dan gratis meubelen moesten maken. Het 
inlandsch bestuur werd door aanraking met ambtenaren gedepraveerd, waardoor wan- 
trouwen onder de bevolking ontstond. Door de tochten ter vernieling van specerij- 
boomen, onder den naam van hongi, lawaai, naar andere eilanden met inlandsche 
vaartuigen ondernomen, werden de perkslaven in galeislaven veranderd. De lieden 
die de hongi medemaakten leerden op groote schaal overal plunderen , liegen en 
bedriegen. Om deze «vloekwaardige tochten op duivelsche wijze te besluiten», werden 



AMBON EN DE ÜLIASE. 37 

bij teragkomst te Ambon feesten bij den Grouverneur gevierd, waar men op hooger 
last de inlandsche hoofden Eoropöesche spiritualiën leerde drinken, hen dronken 
maakte door hun wijn met brandewijn vermengd op te dringen, opdat zij alsdan 
hunne plannen en voorgenomen aanslagen zouden verraden. De slimsten onder hen, zulks 
begrijpende, veinsden zich dronken om rich van het feestmaal te doen wegdragen. De 
O. L Compagnie heeft door hare maatregelen op Ambon en de TJliase in anderhalve 
eeuw de bevolking tot armoede gebracht en met ruim twee derden verminderd, zoodat zij, 
ofschoon bijna twee eeuwen deze eilanden in bezit hebbende, toen de Engelschen 
in 1796 zich vertoonden, de geheele iandvoogdij zonder slag of stoot heeft moeten 
overgeven ; want geen énkele inlander had er belang bij haar te hulp te komen of 
hare partij te kiezen. 

Onder het bestuur van den Engelschen Gouverneur R. Th. Farquahar volgde 
verslapping in het monopoliewezen. Geheele scheepsladingen nagelen werden er 
uitgevoerd. De door de bevolking versteékte materialen werden beter betaald, de 
levering van werkvolk verminderd en de hongi- achterwege gelaten. Na de tweede 
Britsche inbezitneming,, van 1810 tot 1817, begon de handel onder het bestuur 
van den Gouverneur W. B. Martin te bloeien, zoodat jaarlijks reeds voor onge- 
veer f550,000 werd ingevoerd. Toen in 1817 de Molukken weder aan de Nederlanders 
werden toegewezen, kwamen met hen de oude inrichtingen van bestuur en admini- 
stratie met al hare gestrengheid terug. De misbruiken, onder het Britsch bestuur 
afgeschaft, werden hersteld. De bevolking, die eenigszins tot verademing kwam, werd 
opnieuw onderdruki Niet lang daarna barstte te Saparua een opstand uit, doordien de 
bevolking voor de geleverde kruidnagelen niet behoorlijk werd betaald en de toenma- 
lige Resident J. van den Berg op zijne tochten door het eiland de krachtige en 
gespierde mannen deed opvatten en als soldaat wegvoeren. Het gerucht ver- 
spreidde zich tevens dat alle mannen, in ketenen geklonken, als soldaten zouden worden 
weggeleid en dat de Nederlandsche regeering Javanen zou invoeren om met de 
vrouwen des lands te cohabiteeren. Door Philip Latumahina, een gewezen schrijver 
van den Resident, die dat gerucht verspreidde, opgestookt, stelde Thomas Matualesi, 
ook genaamd Patimura, Ribok en Patiwael, zich alstoen aan het hoofd der ontevre- 
denen, waarbij verscheidene Euronesiêrs of Europeesche afstammelingen zich aansloten, 
namen het fort Duurstede in en vermoordden den Resident met diens geheele familie, 
uitgezonderd zijn zoon, die, slechts gewond, door zekeren Paulus Pelupesi , vader van 
den tegenwoordigen Radja van Ou, gered werd. Gedurende den opstand speelden de 
vrouwen, die zeer verbitterd waren over de wegvoering harer mannen, eene groote 
roL De vrouw, die Matualesi overal vergezelde , een zekere Elisabeth, en die hem voort- 
durend tot handelen aanspoorde , was de achtergelatene vrouw van den als soldaat 
weggevoerden inlander Eli^a Titalei. Na de mislukte eerste expeditie onder 



38 AMBON EN DE UUASB. 

den Majoor der Infanterie P. Beetjes, wiens uniform nog te Haria, van waar de 
moeder van Matualesi afkomstig was , bewaard wordt, werd later de rust hersteld, en 
werden de aanvoerders, die op hunne wijze recht zochten, met den dood gestraft. De 
Gouvemeur-Greneraal P. G. A. Baron van der Capellen vond in 1824 de bevolking in 
de Molukken «onbegrijpelijk ellendig en diep ongelukkig», en bewogen door dien toestand, 
gelastte hij, te Ambon zijnde, dat de inkoopsprijzen der specerijen zouden worden ver- 
hoogd, dat de hongitochten zouden worden afgeschaft, dat overal kruidnagelen en 
muskaatnoten mochten worden aangeplant, voorts dat het leveren tegen betaling van 
werkvolk en materialen tot het onontbeerlijke zou worden beperkt, met belofte ook 
dit af te schaffen. Na 1824 werd het inlandsch bestuur en rechtswezen, het laatste 
vooral door den Gouverneur Mr. P. Merkus , wiens naam met dien van den Grouvemeur 
Jhr. F. V. A. Ridder de Stuers door de inlanders steeds met achting wordt uitgesproken , 
georganiseerd. Intusschen werden tot in 1827 de Ambonsche soldaten die de hoofden tegen 
betaling leverden , in ketenen geklonken overgevoerd. Een opstand onder de Saparuasche 
militairen werd in 1829 met behulp der Amboneezen onderdrukt, waardoor een in- 
wendige wrok tusschen de bewoners dezer eilanden ontstond. In 1863 werd, naar aan- 
leiding van uit Nederland ontvangen last, van hooger hand bevolen dat op 1 Januari 
1864 de verplichte teelt en levering van kruidnagelen met al den aanUeve van dien zou 
worden afgeschaft. Met weerzin echter slechts werd op Ambon een einde gemaakt aan 
de verplichte teelt en de levering in de pakhuizen , terwijl de opkomst der perkslaven, 
ulu lo datio, ten einde de voor de nagelcultuur bestemde diensten te praesteeren, 
geUjk die tijdens het monopolie geregeld en verdeeld waren, tot in September 1880 
bleef voortbestaan. Er waren zelfs in 1864 bestuurs-ambtenaren op Ambon die, aan 
de gemakkelijke oude sleur gewoon, beweerden dat de afschaffing dezer gedwon- 
gen levering van specerijen niet ten voordeele was der bevolking. Van 1864 tot 
1880 kwamen door slordige controle deze cultuurdiensten, onder den naam vankar^ja 
trop bekend, geheel ten bate van de meer doortrapte negarihoofden, en mochten er 
sommigen onder de bevolking geweest zijn, die weigerachtig bleven de doorderegee- 
rmg afgeschafte werkzaamheden te verrichten, dan werden zij, even als in de dagen 
der Compagnie, door de betrokken ambtenaren gestraft met dwangarbeid van twee 
tot negentig dagen. De ongelukkige bevolking lijdt nog aan de gevolgen van deze 
sedert eeuwen toegebrachte slagen, terwijl aan het perkslaven- of datiostelsel, eene 
bron van de grootste willekeur, nog geen einde is gemaakt Het schijnt genoeg te 
wezen, wanneer alles door traditioneele onkunde en besluiteloosheid verwaarloosd wordt 
en op het voorbeeld der Edele Compagnie slechts fondsen beschikbaar worden gesteld 
voor het onderhoud der Christengemeente en tot voortzetting van een onpractisch 
inlandsch onderwijs, dat niet aan de behoefte voldoet De bevordering van landbouw, 
handel en nijverheid ondervond vele belemmering. De afschaffing van de bereids in 
1863 bevolen cultuur- en andere diensten in 1880 werd eveneens van 1881 tot 1883 



V 




\ 



Blz.89. 



AMBON EN DE UUASE. 39 

door vele hooggeplaatste ambtenaren, die blijkbaar onverschillig waren voor de nooden 
en behoeften van den sedert 1640 verdrukten Ambonees, wiens treurige maatschap- 
pelijke en zedelyke toestand het hart van elk weldenkende , die bekend is met den 
loop der geschiedenis, moest dan bloeden, met leedwezen gezien. 

De tegenwoordige bevolking van Ambon en de Uliase is de in den loop der eeuwen 
verkregene uitkomst eener confuse vereeniging door geslachtsvermenging van de vóór 
de komst der westersche blanken zich alhier gevestigd hebbende Oostaziatische , Indo- 
nesische en Melanesiche vreemdelingen, tamata maltaper, waarbij tevens , althans wat 
het eiland Ambon betreft, tal van sporen eener plaats gehad hebbende meer intieme 
gemeenschap met Zuid-Europeanen duidelijk wordt waargenomen. De gemiddelde lengte 
der mannen bedraagt 1.64, die der vrouwen 1.58 meter. Voor Saparua kan dit cijfer 
hooger worden gesteld , omdat de bevolking aldaar in vele opzichten physisch krach- 
tiger ontwikkeld is. De brachy- en dolichocephale typen vindt men in allerlei over- 
gangsstadiên met prognathe en orthognathe alveolare vormen. Het haar is tevens 
in aUe variëteiten vertegenwoordigd, als kroezig, kakarikana, golvend, oleolei, en 
sluik of hard, mamsai. Het voorkomen der mannen is niet woest Schoone vrouwen , 
die intusschen een meer mongoloide aanzien hebben en blanker dan de mannen zijn , 
worden zeer schaars aangetroffen. De pupillen zijn glinsterend zwart, terwijl velen 
op den iris gele strepen hebben. De meisjes en ongehuwde vrouwen hebben schit- 
terend ivoorwitte , regelmatige kleine tanden. Yele mannen hebben groote kracht in 
armen en schouders, doch zijn niet zoo sterk of gespierd als de oorspronkeUjke be- 
woners van Selebes of Papua. Het lichaam der vrouwen is tenger, met weinig neiging 
tot vetvorming, vooral op de eilanden Haruku en Nusalao. Hare borsten, met kleine 
aureolen, zijn slecht ontwikkeld of rudimentair wegens de mutilatie in de kindsche 
jaren. De vrouwen kunnen op het hoofd zeer zware lasten torsen. Alle hebben 
kleine handen en voeten en maken veel gebruik van de teenen om iets op te nemen. 
De huid is glad, bij enkelen met vitiligo en ichthjosis bedekt Zij baden, hoi, zich 
dagelijks tot tweemalen en meer en reinigen haar lichaam met puim- en zandsteen 
alsmede bladeren van den Pterocarpus saxatilis , terwijl de tanden met fijn rivierzand 
en pinangschillen geschuurd worden. Mannen en vrouwen hebben een zuiver lichaam, 
pataa maisi, doch zijn minder rein op hunne kleeding, waarom zij dan ook aan de 
zwarte of blauwe kleur de voorkeur geven. De neus en ooren zijn klein en welge- 
vormd. Velen hebben echter dikke, hoekige, donkerblauwgekleurde Uppen. De menses 
openbaren zich tusschen het negende en elfdejaar,endan worden er in de vagina pes- 
saria of tampons van katoen of fijne kalapavezelen ingebracht Het menstruaal 
excreet, dat zeer gering is, wordt als onrein door de mannen aangemcfrkt. De mannen 
dragen thans het hoofdhaar kort, keuro apole; in vroegeren tijd lang en met vogel- 
vederen, gekleurde bladeren van den Godiaeum variegatum en bloemen versierd. 



40 AMBON EN DE ÜUASE. 

Meest alle yrouwen hebben slechts weinig l^g hooMhaar, kenro wnata, dat met 
kalapamelk en het sap van den Citrus hjstrix schier dagelijks gewasschen wordt Het 
haar op het lichaam onder de oksels en op den pubes is zeer dun, uit hoofde van het 
gebruik van den zandsteen, ook doordien sommigen het uittrekken. Oudere vrouwen 
zien gaarne haar op het aangezicht der mannen, esi akee talapesi; de jongere 
daarentegen niet Naevusvorming komt veelvuldig voor.. In hunne bewegingen zijn de 
mannen vlug; zij zijn goede hardloopers en kunnen tój voorbeeld op de jacht uren 
achtereen in snelle beweging blijven. Als dragers en roeiers zijn ze in staat zonnehittte, 
lea matae sasatele, en regen lang te verduren, terwijl zij in krachtsinspanning en 
behendigheid voor geen volk in Indonesië behoeven onder te doen. Voor het be- 
werken van den grond met den patjol of spade zijn ze echter geheel ongeschikt, 
door de ongewoonte. Hun gezicht en gehoor is uitstekend. Op hun aangezicht kan 
men spoedig waarnemen of zij vroolijk gestemd, bevreesd^ dan wel toornig zijn. De 
kinderen in de scholen toonen een vlug begrip en een goed geheugen te bezitten. 
Zij staan in het voor de vuist spreken en rekenen niet aditer bij de Europeesche kinderen 
van denzelfden leeftijd en ouder. Over het algemeen zijn de meisjes vlugger dian de 
jongens , die bovendien bij het intreden der puberteit eenigefl tijd suf en indolent 
worden, een verschijnsel evenwel van voorbijgaanden aard. De bevolking is mee- 
gaande, goedig, dankbaar voor genoten weldaden en zeer gevoelig — velen zelfs 
terstond gereed om in tranen uit te barsten — doch daarentegen ook wederspannig 
en recalcitrant, wanneer hare rechten worden verkracht De vrouwen , die minder door 
hare schoone vormen dan door hare lieftalligheid eénen overwegenden invloed op 
de mannen oefenen, voeren veelal het hoogste woord, en treden niet zelden in kritieke 
oogenblikken, wanneer het de handhaving der rechten van de negari geldt, op den 
voorgrond. De mannen zijn vatbaar voor hoogere geestelyke ontwikkeling ; zij zgn 
trotsch van aard en moedig in den strijd, maar ook ijdel en naijverig. Velen 
zijn zeer welsprekend, hebben een sterk geheugen, groote verbeeldingskracht en 
een goed natuurlijk verstand, maar zijn niet in de gelegenheid of hebben gëene 
middelen om die te ontwikkelen, tenzij zij het eiland, alwaar het stelsel van 
verdrukking heerscht, verlaten, gelijk dit meermalen plaats vindt Enkele kwaden 
uitgezonderd, namel^k degenen, die langs slinksche wegen hun doel trachten te 
bereiken en als zoodanig bij de overigen niet in achting staan, is de bevolking zeer 
gesteld op een onpartijdig gestreng onderzoek harer grieven, een gevolg van de 
sedert eeuwen systematisch plaats gehad hebbende omkooperijen, weshalve zij meer^- 
malen proceslustig wordt genoemd. Verscheidene hoofden* van gewestelijk bestuur 
liepen tijdens hun verblijf op Ambon geheel aan den leiband van een inlander, 
die toen ter tijde aan het bureau werkzaam was; een bewijs hoe ver zij in de 
westersche beschaving vorderen kunnen. In de negariën buiten de hoofdplaats treft 
men tal van rechtschapen, brave, oprechte lieden aan, die, hoewel zfl zeer bijgeloof 



AMBON EN DE ÜUASE. * 41 

vig zijn en behoefte gevoelen om in eene innige gemeenschap tot de nitu of geesten der 
vaderen te staan, tevens een gezond oordeel, een juist en streng begrip van waar- 
heid, recht en billijkheid hebben. 

De bevolking is gastvrij en deelt gewoonlijk het weinige mede niet alleen 
met den vriend of .negarigenoot, maar ook met den vreemdelmg; Aan ieder, 
die het huis binnentreedt, biedt men terstond sirih-pinang, sigaretten en sagero 
of palmwijn aan. Het egoïsme is nog niet overal zoozeer in de moderne rich- 
ting ontwikkeld. Anderen, ofschoon armoede lijdende, bedelen nimmer, omdat 
bedeeld te worden in hun oog een groote schande is. Volwassenen zoowel als 
jongelieden, kinderen niet uitgesloten, zijn grote voorstanders van, of liever zeer 
verzot op uitspanning, op vermaak en vroolijke bijeenkomsten , alwaar . gedanst 
en ex tempore vervaar(ügde liederen gezongen kunnen worden; Feesten, zonder 
dat deze in bacchanaliën ontaarden, werken bezielend op de bevolking en worden 
derhalve meermalen door de hoofden te hunnen bate geëxploiteerd. In de hitte des 
strijds doodt de Ambonees, die alle goede eigenschappen voor den militairen stand 
bezit, in koelen bloede den vijand, terwijl hij in kalmere oogenblikken geen bloed 
kan zien. Kleine diefstallen pleegt hij op de wijze der kinderen, zonder overleg of 
praemeditatie. Dientengevolge hoort men weinig van moord of inbraak met het doel 
om diefstal te plegen. Voor het overige heeft hij vele deugden, maar door daarvan 
af te wijken herinnert hij aan de minder edele eigenaardigheden der Europeanen. 
Door zijne Europeesche leiders er toe gebracht, heeft hij afstand gedaan van rele 
goede eigenschappen der primitieve volken, namelijk rondborstigheid, oprechtiieid en 
eerlijkheid, zoomede van de eenvoudige leefwijze en van de plichten (waaronder het 
betalen der schulden) die de Indonesische gebruikswetten hem hebben opgelegd. Vele 
kwade gewoonten heeft hij van het blanke ras overgenomen, en de feiten die voor 
heen en thans nog plaats hebben getuigen niet ten voordeele van het laatste. De door 
zijne civiliseerende vrienden en vroegere bondgenooten ingevoerde sterke dranken 
hebben velen tot dronkaards gemaakt, ofschoon men nimmer een dronken inboorling 
in het openbaar ziet, terwijl daarentegen wel Europeesche ambtenaren, geestelijken, 
officieren en mindere militairen langs de straten slingerende opgemerkt worden. 
Bij huwelijken speelt de sexueele hartstocht niet alléén de groote rol. Conjunctie 
venerea semper fit mutuo consensu, en voorbeelden zijn er van velen, die door liefde- 
smart jaren achtereen gefolterd werden. Tal van mannen en vrouwen blijven 
buiten het wettig huwelijk elkander trouw tot aan den dood en verzorgen hunne 
kinderen met voorbeeldige toewijding. Jongelieden drinken elkanders, bloed, ninu 
sanopalo, met sagero vermengd, uit een kalapadop, als bewijs van innige verknocht- 
heid, en zulk eene vereeniging is in hun oog een sacrament, dat hooger staat dan 
het duiten eener gewone huwelijksconventie in de kerk of bij den ambtenaar van den 



42 AMBON EN DE UUASE. 

burgerlijken stand. Het geslachtsverkeer, héhi malona, hehi mahina, als eene zuivere 
voldoening aan de aandrift der natuur, wordt vóór het huwelijk niet aan knellende 
banden gelegd. Commercium inter sexüs satis libidinosum. Door eene vrije leefwijze 
wordt de betrokken djodjaro of maagd niet minder geacht Het genot der liefde 
wordt als doel des levens beschouwd en behoort naar de volksmeening evenals de 
honger en de dorst bevredigd te worden. Veeleer wordt het als eene schande aan- 
gemerkt , wanneer de djodjaro weinig of geene aanbidders telt Herique viri incolumem 
virginitatem parvi faciunt, quia hymen puellarum, jam antequam mensteua appare- 
ant, plerumque disruptum, propter incuriam quo tractatur quando genitalia lavant, 
quae lavatio primarium mulierum officium habetur. Na het uitbreken dermenses, ook 
wel vooraf, copuleeren de meisjes met oudere en jongere mannen in het geheun, 
zonder dat dit aanstoot geeft. Van een streng wettig geregeld geslachtsverkeer naar 
de adat der Romeinen, in het oog van den Indonesiër iets tegennatuurlyks , kan 
de bevolking geen juist begrip vormen. Miserabiles quae machlosi vel hysteria labo- 
rant aut corpus suum mercede dato prostituunt worden op deze eilanden niet aange- 
troffen. Tribadie en masturbatie zijn tevens onbekend. 

Over het algemeen zijnde vrouwen werkzamer en ijveriger dan de mannen, doch voor 
hunne behoeften] arbeiden allen genoegzaam. Daarentegen hebben zij een grooten afkeer 
van ongewoon werk en zijn evenals elders uitermate lui, ofniet tot werken te bewegen, 
wanneer dit zonder behoorlijk loon voor anderen, die hen geheel onverschillig zijn , ge- 
dwongen moet geschieden. Elk inlander heeft voldoende voor zijn bestaan, en de zucht 
om geld te verzamelen is niet zoo geprononceerd als op plaatsen , waar meerder behoefte 
bij grootere armoede bestaat Het werken wordt vooralsnog als eene soort uitspanning 
of spel beschouwd. Degenen die geld bezitten bewaren dit, uit hoofde van de rechtsonze- 
kerheid, in den grond. Het aantal ledigloopers is gering. Het liegen, waarop telkens 
wordt gewezen als op een sociaal pathologisch verschijnsel onder de bevolking, is niet 
van dien aard om deswege op haar te smalen, vooral in een land als Nederlandsch 
Indië, alwaar ook vele Europeanen van hoogere en lagere standen bevreesd zijn de 
waarheid onder de oogen te zien — en ten opzichte van de eeuwen achtereen 
verdrukte bevolking van Ambon en de Uliase kan het liegen bovendien beschouwd worden 
als eene manifestatie van den regel: die niet sterk is moet zijn kracht in den 
leugen zoeken, d. w. z. slim zijn. Schaamte voor ontblooting van het lichaam gevoelt 
men alléén tegenover vreemdelingen. In hunne woningen blijven allen schier ongekleed , 
zonder eenig blijk van verlegenheid te geven. De bevolking is zeer nieuwsgierig van 
aard, nukuu wahi taneia makahinai, hoort gaarne muziek, nukuupanonoholateru, en 
heeft zeer veel aanleg daarvoor. Alle Europeesche blaas- en strijkinstrumenten worden 
zonder eenig onderricht bespeeld. Een nieuwe melodie door de rondslenterende jon- 
gens gehoord, wordt den volgenden dag op de straten geneuried of gezongen. De 



V7. 




9. 




Blz.42. 



AMBON EX DE ÜUASE. 43 

vrouwen zijn zeer verzot op reukwateren en op warisin matele of welriekende oliën. 
De bevolking houdt veel van lachen, matoo, en stoeien, paletaleta, beweegt zich vrij 
tegenover Europeanen en bezit niet de gedweeheid van den Javaan, iets dat vele 
Europeanen, die van den inlander eene slaafsche onderdanigheid eischen, hindert 
Elke Ambonees heeft een zeker gevoel van onafhankelijkheid en persoonlijke eigen- 
waarde, en is zeer gevoelig voor beleediging, vooral van de zijde der vreemdelingen. 
Onder elkander zijn zij intusschen in het schelden, palauwa, volleerd. De gewone ter- 
men van opprobatie zijn: inamu, uwe moeder, koe inamu,cummatretuacoitu8exer- 
cetur, amamu utini, penis patris tui» inamu iin pudenda tuae matris, uimu aosui 
vagina pudendorum tuorum, en nog meer. Het spuwen voor iemands aangezicht, kahura 
wesi, is evenals het vernielen van eens anders eigendom, pamarestaha, eene groote 
beleediging. De grootste hoon is echter wanneer iemand aan de tegenpartij zijne 
genitaliën laat zien. Om elkander te beschimpen, soumiren, zegt men: mata tui tihai, 
gij eenoog, nukurahi, gij hazenlip, ai ole, gij manke, matapele, gij scheele,la8ahai, 
gij geschubde, (iemand die aan ichthyosis lijdt). De vrouwen gebruiken den maaltijd 
te zamen en niet van de mannen gescheiden. Weduwen, mahinaharu, die veel kinde- 
ren hebben zijn zeer geëerd. Weduwen van ulu lo datio worden echter menigmaal door de 
negarihoofden gevexeerd, alléén om de opbrengst der datio te kunnen genieten. De 
schoonzoon, anai tauri, mag niet met de schoonmoeder samen eten. Haar in huis 
of elders ontmoetende, moet hij uit den weg gaan. De schoonzoon noemt de schoonmoeder 
ina of moeder, de schoondochter heet haar uwa of tante. Ofschoon de familiebanden 
les zijn geworden en het meermalen gebeurt, dat een zoon zijne moeder kastijdt, een 
gevolg van de inmenging van het Europeesch bestuur , dat tegenover onmondigen ter 
wille van de werving voor het Indisch leger het ouderlijk gezag moedwillig verkracht, 
hebben zij eerbied voor ouden van dagen, die als opou aangesproken worden. Elkan- 
der noemen zij niet bij den naam, maar als rahan, makker, leuwa, broeder of zuster, 
kau, zwager, anau, kind, ama, vader, ina, moeder, upu, grootvader of grootmoeder. 
Vrienden geven als bewijzen van gehechtheid, tena kaai, elkander veelal geschenken, 
bestaande uit visch, moeskruiden, vruchten en dergeUjke maar zorgen tevens dat 
zij een gelijk getal aanbieden. Een geschenk van drie pisangs of zeven visschen wordt 
als een teeken van beleediging, tena malaua, aangemerkt Bij het ontvangen van een 
geschenk zegt men: «rahan lopee au harii kura salo,» d. i. Vriend, gij hebt mij dat gegeven, 
waarmede zal ik u vergelden? Het behoort tot den goeden toon, wan mein, eiken 
negarigenoot te helpen , kahari uria. Het wijzen geschiedt met de vuist , en niet met den 
wijsvinger. Het wenken met de hand, om iemand te roepen, heeft plaats door de op- 
gehevene hand benedenwaarts te bewegen. Oude gebruiken, nahutut nimai, worden 
gaarne opgevolgd, hasui, zelfs door degenen, die voor meer ontwikkeld doorgaan. Het 
is verboden in tegenwoordigheid van vrouwen obscoene uitdrukkingen te bezigen 
of op gesladitsverrichtingen te zinspelen, tadjarisa heleuu maanini. Alleen z^nde 



44 AMBON EN DE ÜUASE. 

mag een man aan de vrouw of eene vrouw aan den man alles zeggen wat op het 
hart ligt Bij ontmoeting kussen de vrouwen elkander, panusu kura irui, door 
middel van neuswrijvingen. De meer ontwikkelden beschouwen het als eene groote 
eer, om met de Europeanen gelijkgesteld te worden. Gaat men de geschiedenis 
na, dan is het niet te verwonderen, dat de bewoners van Ambon en de Uliase de 
Nederlanders in hun hart haten en dat elke weldaad van regeeringswege met groot 
wantrouwen en achterdocht wordt ontvangen. Voor de wettelijke bepalingen of 
verordeningen hebben zij tevens zeer weinig eerbied, omdat deze toch niet gehand- 
haafd worden en zij het bij ervaring weten , dat hare opvolging veelal van wille- 
keur en luim afhangt. Vandaar de zucht om in geschillen telkens te appelleeren. 

De inlandsche bevolking van Ambon en de Uliase beschouwt de gronden óp hare 
eilaniden gelegen als te behooren gedeeltelijk aan den Nederlandschen Staat, gedeeltelyk 
aan de verschillende stammen of negariën, amanno, soa of uku, en gedeeltel^k aan 
individuen. 

Als eigendom van den Staat worden aangemerkt de door de Oost-Indische Com- 
pagnie bij usurpatie na 1605 verkregene gronden in den omtrek der hoofdplaats, 
welke thans door recht van verjaring evenwel grootendeels het eigendom zijn ge- 
worden van verschillende personen, zoomede de gronden die in het midden der 
zeventiende eeuw, toen de bevolking door G. Demmer en A. de Vlamingh van Ouds- 
hoorn gedwongen werd, zich meer in de nabijheid der Nederlandsche etablissementen 
te komen vestigen, op aanwijzing der hoofden in perken, datio (ook wel uitgesproken 
tatio) verdeeld en aan werkbare mannen of hoofden van huisgezmnen afgestaan werden, 
onder voorwaarde van laeto woi otano pelawanno, of kai tian kani polawan, name- 
lijk de hongi of steooptochten ter uitroeiing van specerijboomen overal elders mede 
te maken en kruidnagelboomen tot een bepaald getal aan te planten. Deze perkslar 
ven, ulu lo datio, dati upui of kapala datio, moeten voor de gunst, dat zij op hunne 
eigene gronden wonen mogen, bovendien woso laM of wawaja umi, onbetaalde dien- 
sten verrichten en de perken niet verlaten. Deze diensten bestonden tot in 1880 uit 
de verplichte opkomst, van twee-en-zeventig tot honderd-en-tachtig dagen des jaars, 
ten behoeve van het bestuur of der hoofden , om kosteloos te arbeiden. De perkgron- 
den, na door het Nederlandsch gezag in beslag genomen te zijn en behoorlijk afgebakend, 
begrensd en geregistreerd, mogen nimmer verkocht, verhuurd of weggeschonken worden, 
maar moeten van vader op zoon, ook wel van broeder op broeder, overgaan. Bijaldien 
echter geen zoon of broeder aanwezig is , geschikt om als dienstpUchtige op te treden, 
dan worden de perken naar willekeur der hoofden, met voorbijgang van de rechtmatige 
erfgenamen, aan anderen, meestal gunstelingen, afgestaan. Eene dochter mag een 
datio of perk niet erven, omdat zij, vrouw zijnde, niet als taataneli of paatahari, diens<>- 



AMBON EN^ DE ULIASE. 45 

plichtige, kan optreden, en als zoodanig aan de datio-voorwaarden voldoen. Weigert 
de perkslaaf de bepalingen op te volgen, of is hij ongenegen de woso lalai, onbetaalde 
diensten, te verrichten, dan kan hij door de hoofden uit de datio verwijderd worden. 
De perken zonder behoorlijken plaatsvervanger heeten ari molon, haumata molonnu, 
of dati linjap, en worden door de hoofden van de rechtmatige erfgenamen, niet zelden 
eene weduwe of enkele jonge kinderen, afgenomen, totdat er een geschikt opvolger 
gevonden wordt, gedurende welken tijd de opbrengst dier perken, meestal met kalapa-, 
kruidnagel- en andere vruchtboomen beplant, door de hoofden, upuka latu ari 
molon, worden genoten. Is het negarihoofd slecht gezind, dan behoudt hij de datio en 
trekt daarvan alle inkomsten jaren achtereen, zonder iets daarvan aan de erfgenamen 
af te staan, totdat de zoon van den vorigen ulu lo datio meerderjarig is geworden 
en in de rechten en verplichtingen van zijnen vader kan optreden. De dochter van 
den perkslaaf die door huwelijk uit de datio gaat, nalanno ta mennu,d. i. van naam 
veranderen, heeft geene aanspraken hoegenaamd op de datio van haren vader. De 
zonen en jongere bloedverwanten van den ulu lo datio heeten tianotatio, kinderen 
van den perkhoorige, of atahali lo ulu lo datio of tulung dati, letterlijk: slaaf, 
ata van den datihouder. Door recht van verjaring zijn de datio-gronden of perken 
thans echter het eigendom der betrokkene ulu lo datio. Het van dati of tati afgeleid 
woord tanati beteekent afgebakend, geïsoleerd, of datgene wat als belasting wordt 
afgezonderd. Het woord lati beteekent een gedeelte van een pinang- of sirih-pruim. 
Tamatatio beteekent datio-volk, van tamata, mensch en tatio, perkhoorigen, lieden 
die verplicht zijn belasting in arbeid en geld op te brengen. 

De oun, gronden, aan de amanno, söa of uku toebehoorende , zijn conununale 
eigendonmien en bestaan uit iwanno, kohu, iwanlaloi of boschgronden , waarop elk 
amanno-, soa- of ukugenoot het recht heeft houtwerken en andere boschproducten 
te verzamelen, itunu, op de jacht te gaan, saa makellu, buideldieren te vangen, 
of ipili nasu, alau belu, bijen te verzamelen. Deze gronden, waartoe voorheen ook de 
datio behoorden, worden beschouwd als het erfdeel der vaderen, dat niet aan vreemden 
verkocht of op welke wijze ook afgestaan wordt, en als zoodanig het gemeenschappelijk 
eigendom der amannogenooten blijft In strikten zin behooren deze gronden te staan 
niet onder toezicht van het besturend hoofd, vroeger latu of upuka latu genaamd, 
maar onder dat van den upu mauwen!, eigenlijk den afstammeling van den eersten 
in-bezit-nemer volgens den regel : res nullius cedit primo occupanti. Zij zijn behoorlijk 
van grenzen, hen, leleamanno, of sipat, voorzien, evenzeer langs de kusten, namal, 
tot aan de metenno, het blauwe water, zoodat alle banken en riflFen,muti, en panaisa, 
vischplaatsen, er onder begrepen zijn. Deze grenzen bestaan hoofdzakeüjk uit bergen, 
tanitalo, rivieren, waelhatai, en voorgebergten, tuturain. Lieden van andere amanno 
mogen over de producten dezer gronden of riffen niet beschikken dan na voorafgaande 



46 AMBÖN EN DE ULIASE. 

yergonning, voorheen van den upu mauweni of upukalatu, later van den radja, pati 
of orangkaja, de negarihoofden, die evenwel verplicht zijn het gevoelen der amanno, 
gemeente, ter zake te raadplegen. Voorts hebben de amannogenooten het recht de 
iwanno of bosschen te ontginnen, in sommige negariën met voorkennis, ipalaa, van 
den upu mauweni of latu, in andere zonder kennisgeving hoegenaamd. Om den in- 
vloed van de upu mauweni op deze eilanden te doen verminderen, werd het recht 
om de zoogenaamde sasi of siri te leggen hun door de hoofden afgenomen. 
De latu of hoofden verkrijgen alzoo het recht ook op de iwanno , door aldaar sasi of 
verbodsteekenen te plaatsen, waarvan de overtreding met boete gestraft wordt Boven- 
dien is het aanzien der upu mauweni, die tevens geestelijken zijn, in den loop der 
tijden, zoowel door de invoering van het Mohamedanisme als van het Christendom, 
zeer gedaald. In de iwanno kunnen de amannogenooten voor gezamenlijke rekening, 
door masohi of maaluu, samenwerking, de een den ander helpende , aanplantingen van 
sagu, tjengke, kalapa en dergelijke tot stand brengen, de zoogenaamde imiel amanno 
of aring amaan, waarvan de opbrengst óf onderling verdeeld óf verkocht wwé(^(bgv. 
een klopbare saguboom van een tot acht gulden, de jaarlilkadie opbrengst van een 
tjengkiboom van twee tot acht gulden), een en aafcr ten voordeele van de amanno 
of gemeente. 

Onder de individueele gronden worden in het algemeen gerangschikt de umel tina- 
mao, ari tananen of dusim tatanaman; dit zijn particuliere aanplantingen verkregen 
door ontgnming der iwanno, ten einde voor de eventueele erfgenamen meerdere zeker- 
heid van eigendom te verkrijgen, doordien daarover niet als over de datio door de 
hoofden op willekeurige wijze kan worden beschikt In den loop der jaren hebben 
deze gronden of gedeelten daarvan jmdere benamingen gekregen, als imiel kupusakao 
of ari pusaka, geërfde gronden, umel alahei of ari lata, gekochte gronden, umel 
popee, geschonken gronden, umel kale of aring aile, verpande gronden, en umel ise- 
waru of aring iasewal, gehuurde gronden. Verkoop, schenking, in-pand-geving of 
verhuur van gronden mag niet plaats vinden zonder medeweten van de volwassen 
bloedverwanten van den eigenaar, de vrouwen niet uitgesloten, omdat zij een groot 
aandeel hebben in de ontginning en bewerking der velden. Het is intusschen poso, 
verboden, gronden in leen, pohiti, af te staan. De particuliere gronden of een ge- 
deelte daarvan, die de ouders als haar aandeel aan eene gehuwde dochter afstaan , 
noemt men umel lolupeli, paraphemale gronden. Op de datio-gronden kan men even- 
eens een dusun tatanaman aanleggen, doch men gaat er zelden toe over, omdat de 
vrije beschikking over de aangeplante kalapa-, tjengke- en andere vruchtboomen zeer 
onzeker is. Het ontginnen van bosschen om umel tinamao te maken heet ilea iwanno. 
In zake grondbezit en eigendom heerscht in onze dagen op deze eilanden de grootste 
.onzekerheid, welke in verband met den aard en het karakter der bevolking voort- 



A3IB0N EN DE I7I.IASE. 47 

durend tot twisten en geharrewar leidt Den dmk van het datiostelsel gevoelende en 
het voetspoor van de V. O.-I. Compagnie volgende, denkt een ieder ongehinderd de 
eigendommen zijner amannogenooten langs sUnksche wegen zich te kunnen toeëigenen 
en ontziet zich niet te dien einde zelfs allerlei lage middelen te beproeven. In 1744 
werd beoosten 't Gasteel Victoria een stuk land voor Compagnies rekening van de 
bevolking gekocht, om tot negari voor de Ambonsche Christen-officieren te dienen. 
Deze gronden zijn door verjaring óók in andere handen gevallen. 

De hoofden werden voorheen door de bevolking nimmer erkend dan na raadpleging 
der nau of toovermiddelen , om zekerheid te hebben wie der zoons, der broeders, 
der zonen van zusters of broeders, of andere bloedverwanten van het te vervangen 
hoofd, rima parikii of de koude hand heeft, d. w. z. iemand is die gelukkig zal be- 
sturen. In lateren tijd ontstond de gewoonte, dat alle mannelijke mgezetenen , taata- 
neli, die de wapens voeren kannen, en niet alleen de oudste mutuana, van hunne 
keuze moesten doen blijken. In de meeste negariën kwamen de gehuwde vrouwen, 
mataena, ook in de asari, baileo of gemeentehuis, bijeen, om de latu of latumahina 
te verkiezen. Onder het Compagnie-bestuur, meer bepaald onder dat van den Grou- 
vemeur Demmer, werd weinig meer op de keuze der bevolking gelet, doordien de 
gunstelingen der Gouverneurs en al degenen, die op de bekwaamste wijze de 
ambtenaren wisten te beUeven of om te koopen, met het gezag over de negari belast 
werden. Yan dien tijd aan dagteekent de depravatie en het geknoei bij verkiezingen van 
hoofden, die in onze dagen zich maar al te vaak herhalen. Deze wijze van voorzie- 
ning bracht in het negarihuishouden storing teweeg, die nadeelig op de volksont- 
wikkeling terugwerkte, evenals het later door de vermeende pretendenten gevolgd 
systeem om de bevolking te onthalen en onder het vieren van smulpartqen of bij 
drinkgelagen de dusgenoemde kiesgerechtigden over te halen een verzoekschrift te 
hunnen gunste te onderteckenen, ten einde dit aan den Europeeschen ambtenaar als 
de openbaring van het vox populi te kunnen voorleggen. Is de ambtenaar, die het 
hoofd moet bevestigen, niet voldoende ingelicht , dan werkt hij onbewust mede tot tal 
van oneenigheden niet alleen, maar tot een lijdelijk verzet in de negari, dat jaren 
duren kan. In vóór-Europeeschen tijd werden de hoofden der stammen latu, upuka 
latu, of elak, de mindere malesi, uku upui, hasele, de afgevaardigden paaniha ge- 
noemd. De mauweni hadden het toezicht over de gronden en stonden als afstamme- 
lingen van den eersten grondeigenaar in aanzien. Vrouwen werden ook gekozen en 
voerden den naam van latu mahina of vrouwelijke latu. Na het verblijf der Indonesische 
vreemdeUngen op deze eilanden veranderden de titels en heetten de eerste hoofden 
kapita, radja, pati en orangkaja, de mindere kapala soa, en verder de marinjo , op welke 
verandering de komst der Portugeezen en Nederlanders mede eenen groeten invloed 
oefende. Het hoofd, dat vroeger maandelijks belast was met de regeling der woso lalai, 



48 AKBON m DE miASÊ. 

heette üku npui hurano of kapala soa bulan. AI deze hoofden staan thans onder het 
onmiddellijk toezicht van een Europeeschen ambtenaar, die den titel van Controleur voert 
en onder den Resident het gezag uitoefent De hoofden van Ambon staan onder den Con- 
troleur van Ambon , die van Haruku , Saparua en Nusalao onder dien van Saparua. 

De inkomsten der hoofden bestonden voorheen uit de opbrengst van een door de bevol- 
king ontgonnen en beplant stuk grond, de grootte naar verkiezing van delatu,inde 
vervaardiging van huhu of vischkorven en ondersteuning, naar gelang van behoefte , met 
eetwaren als anderszins. Later vervielen deze inkomsten en hebben zij aanspraak op 
drie tot vijf taataneli des daags, vrij transport om zich te bewegen, hulp tijdens 
den kruidnagelenpluk en eenige procenten van de door het Nederlandsch gezag ge- 
hevene hoofdelijke belasting. Ofschoon als misbruik, genieten zij tevens een aandeel 
bij de maasiha of opheffing der sasi, siri. De sasi is eene verbodsbepaling, of liever 
het teeken, getuige, saqsi, ook als sasi uitgesproken, dat het verboden is eigener 
autoriteit iets te doen of te nemen. De sasi verdeelt men in siri inai, waarbij teekenen 
geplaatst worden om te beletten dat uit eene dusun of aanplanting vruchten of andere 
boschproducten gehaald worden^ en in siri anai, waarbij dezelfde verbodsteekehen aan 
de grenzen langs de kust of ergens elders geplaatst worden met een gelijk doel 
Door het plaatsen van siri anai mag niemand uit zijn eigen veld of aanplanting iets 
halen, totdat het hoofd met zijne helpers, de kewan irai, hoofd, en kewan anai, volge- 
lingen, de boschbewakers , om hun aandeel te verzekeren, daartoe vergunning hebben 
gegeven. Dit aandeel bestaat uit een of meer kalapavruchten van eiken boom, het 
zooveelste aandeel van kanari- en andere vruchten, welke daarna in twee deelen ver- 
deeld worden, de eene helft voor het negarihoofd, de andere voor de kewan. Depamese 
siri of het leggen van sasi is het plaatsen op bepaalde wijze van gevlochten kalapa- 
bladeren met bladeren en vruchten van alle in zulk eene aanplanting aanwezige vrucht- 
boomen aan de grenzen daarvan. Is de sasi geplaatst, dan zorgt de kewan dat het 
verbod niet worde overtreden- Bij overtreding betaalt men eene boete ten behoeve 
der kewan van vijftig centen tot drie gulden. Ten aanzien der negarigenooten; wordt 
de boete door de kewan irai, ook genaamd kapala kewan, opgelegd. Vreemdelingen 
worden door het negarihoofd hooger beboet. Na de maasiha worden de vruchten door 
de eigenaren geplukt, waarna in verband met het gevoelen der hoofden het verbod 
weder wordt uitgevaardigd. De siri anai heeft ten doel om het kappen van hout, het 
bijeenbrengen van gabagaba-, van sagu- of kalapabladeren in de bosschen te voorkomen, 
het visschen op bepaalde plaatsen dan wel het verzamelen der eieren van de Mega- 
podius rubripes, of het werpen van vuU langs de stranden te beletten. Ook zijn de 
kewan belast met het toezicht op het onderhoud van wegen, erven en huizen. 
Voor de pamese siri wordt elk jaar de kewan irai en kewan anai, een hoofd met tien 
tot vijftien volgelingen, al naar de uitgestrektheid der dusuns en bosschen, gekozen. 



AMBON EK DE ULIASB. 4d 

Tot dat einde verzamelt de bevolking zich in de baileu. Het negarihoofd en de 
mntaana doen de kenze. Het bepaald aantal verkregen hebbende, laat de eerste uku 
npni of kapala soa een vat met sagero of palmwijn binnen brengen, in het midden 
van het gebouw plaatsen, en spreekt: «Amanno hoka ewe asari hiti kewankura;ami 
patupa saniri amanno, tuwaa umei tini ijaa puna sanopalo, upuka lanito pakeura 
kewan atini; isiknpu moloolo seija taha patah^aa, kemaa isasi paloo wutuuesiruma 
nain,» d. w. z. De negari, gemeente, is in de baileu verzameld om kewan aan te stel- 
len; wij bepalen de regelen in de negari, een weinig sagero moet deze als door den 
eed bekrachtigen; heer uitspansel, zie op deze kewan; bij het betrappen van den dief 
moeten zg daarvan kennis geven, stelen zij zelf, dan zullen zij vernietigd worden met 
hunne woningen. De sagero wordt alsdan door de benoemden gedronken, ten bewijze 
dat zij de betrekking van de negari hebben aanvaard. De kewan anai gaan den 
ganschen dag rond en brengen eiken avond te zeven uren van hunne bevmding verslag 
uit bij den kewan iral De invloed der negarihoofden op de bevolking is niet gering, 
namelijk wanneer zij niet aan den drank verslaafd zijn, en dit zgn er velen. Heeft de 
bevolking het hoofd gekozen, dan is zij gewillig en volgzaam. Intusschen kan zij het 
sarren en het toedienen van speldeprikken, waartoe vele hoofden maar al te vaak van 
heverlede overgaan, niet verdragen. Wanneer een hoofd daarenboven tact heeft 
om met zijn volk om te gaan, dan is zijn invloed groot Er is trouwens weinig noo- 
dig, om onder de bevolking van Ambon en de Uliase invloed te verkrijgen. Eene 
behoorlijke rechtvaardige behandeling is in de meeste gevallen voldoende. Hoofden, 
die geen invloed hebben, trachten dien door hulp der Europeesche ambtenaren te 
verkrijgen, doch meestal zonder succes. De partijen bleven in de negari stoken en 
woelen, en ofechoon de onruststokers door het Europeesch gezag op allerlei wijzen, 
zelfs met verbannmg, gestraft worden, wordt de rust niet hersteld, de belangen der 
bevolking gaan achteruit, en de negari verloopt Overigens bewijzen zij aan de hoofden 
de noodige eer en nemen altijd achter hen plaats. De Mohamedanen hurken in 
tegenwoordigheid der hoofden, terwijl de Christenen in gebogen houding staande 
blijven. Het is onbehoorlijk den naam van het hoofd in diens tegenwoordigheid te 
uiten; men spreekt hem als latu, djou, upu of tuwan aan. Als hij onderweg een 
hoofd ontmoet, blijft de mindere staan, tot hij voorbq is. De woningen der hoofden 
worden door de negarigenooten kosteloos gebouwd. De bevelen worden des nachts 
door den marinjo als omroeper namens het hoofd gegeven. Behalve bij de benoeming 
van bestuurvoerende hoofden, wordt er thans niet zoozeer op afstamming of 
stand gelet, ook een gevolg van den onafhankelijkheidszin der bevolking. Slaven, ata, 
die te voren tijdens de hongitochten op Serang en Oorong geroofd werden, bestaan 
er niet meer ; dergelijke geroofden hebben thans dezelfde rechten en verplichtingen als 
de tamata, tiano of uriase, volgeling, ook wel als uliase uitgesproken, in tegenstelling 
van de aanzienlijken, anamanna of nalano, waaruit de hoofden worden gekozen. 

4 



50 AHBON EN DE TTLIASE. 

AUe zaken , geene uitgezonderd , werden voorheen volgens de oude gebruiken, nahutut 
minai, in de asari of baileu, het gemeentehuis, onderzocht en afgedaan, waarbij alle 
negarigenooten tegenwoordig behoorden te zijn. Bij het ontstaan van eenig gesdiil 
brengt de beleedigde partij dit voor het betrokken hoofd. Men noemde dit heui sou, 
«ene zaak aanbrengen ; later sprak men van bawa hhaL Op den bepaalden dag verzame- 
len allen zich in de asari om de zaak te onderzoeken, te overwegen, heusou, ente 
beslissen, kihi sou. Ten geschenke voor de betrokkene hoofden en oudsten brengen de 
partijen sirih-pinang en sagero of palmw^n in de baileu mede. Het onderzoek heeft 
plaats in tegenwoordigheid der hoofden en oudsten, die op gabagaba, banken, en 
door de negarigenooten, die op den vloer zitten. Daarna doen de eersten nog 
eenige vragen, waarop de oudsten na lange bespreking het vomüs uitspreken. Dit 
vonnis moet evenwel door den aanwezigen latu bekrachtigd worden. De latu 
hebben het recht het vonnis goed te keuren of te wijzigen. De straffen, die vóór- 
heen opgelegd werden, waren: voor overspel, kupa kura ureaesi mahina, of vrouwen- 
roof, kana ures mahina, gehuwde namelijk, eene boete van een koperen muziek- 
bekken, een stuk wit lijnwaad, honderd borden en een sagudusun, ten bate van 
den beleedigden echtgenoot. Bij niet-betaling worden door de hoofden en de negari 
op den dusun teekens of sasi geplaatst, waardoor het den eigenaar verboden wordt 
over de opbrengst er van te beschikken. Bij moord of doodslag, pamata una, of 
pamata tamata, is de negari, waar de dader woonachtig is, verplicht eene boete te 
betalen van eru drie, diman vijf, of usiwa negen katiauriri, artikelen; bgvoorbeeld: 
drie koperen bekkens, drie stuks wit lijnwaad en drie borden; of vijf koperen bek- 
kens, vijf stuks lijnwaad, vijf borden, vijf oude schotels en vijf oorhangers; of negen 
koperen bekkens, negen stuks wit lijnwaad, negen stuks borden, negen oude schotels , 
negen oorhangers, negen gouden oorknoppen, negen gouden armbanden, negen 
zwaarden en negen gouden kettingen, al naar het vonnis luidt, ten behoeve der be- 
leedigde partij. Bij niet-betaling moet de dader, of, zoo deze onbekend is, een der 
negarigenooten, leu ahilael, uit weerwraak gedood worden. Bq verwonding, paheha 
nahurala, het slaan tot bloedens toe, of oneerbiedigheid, tapanono esa upua, betaalt 
de dader eene boete van een stuk wit lijnwaad en tien tot honderd borden, ten b^ 
hoeve van den gewonde of van het beleedigd hoofd. Bij diefstal, malool, moet het 
gestelene teruggegeven en ten bate van den bestolene eene boete van tien tot 
vijftig borden betaald worden. Bij geringe diefstallen wordt de persoon ook wel, met 
kalapabladeren behangen, door de negarigenooten uitgejouwd. De boeten aan slaven 
opgelegd moeten door de respectieve meesters worden betaald, met het recht deze^ 
slaven alsdan met stokslagen te kastijden, heha kura ahoin. Voor de voldoenmg der 
boeten waren de bloedverwanten solidair aansprakelijk. Na de komst der Nederlan- 
ders werden de misdrijven en overtredingen, zoowel wat de instructie als wat de 



AMBON EN DE ULIASE. 51 

straf betreft, overeenkomstig de Europeesche wetten berecht Sedert dien tijd zijn de 
straffen van blokarrest en rotanslagen ook in gebruik gekomen. Niettegenstaande er 
nieuwe bepalingen omtrent de straffen later ingevoerd en de straf van rotan- 
slagen en blokarrest afgeschaft waren, werden tot November 1880 behalve de boeten, 
ingevolge eene regeling van 1827, de schuldigen nog met deze straffen gestraft, de 
vrouwen bij voorkeur met de beenen wijd van elkander in het blok geklemd, dagen 
achtereen op den blooten grond liggende opgesloten. Bovendien werden bij onbedui- 
dende zaken de handen der vrouwen met de palaka, een stuk ijzerhout, tot bloedens toe 
geslagen, zoodat zg naar hare eigene verklaring dagen en weken achtereen het haar 
niet konden opmaken of de sarong vastbinden. Op deze schanddaden werd in 1863 
bereids door een Christengeestelijke, die deswege verontwaardigd was, gewezen; doch 
in stede van deze misbruiken te onderzoeken of tegen te gaan, stelde de toenmalige 
Gouverneur, H. M. Andrée Wiltens, aan de regeering voor hem uit de kolonie te ver- 
wijderen , om de hoofden , die deze straffen met goedkeuring van het Europeesch bestuur 
opgelegd hadden al ware het ten nadeele van de bevolking, genoegen te doen. Jonge 
mannen en vrouwen, die bij aankomst van een Gouverneur in 1864 weigerden te zijner 
eere te dansen, mannen die in 1870 onwillig waren om voor een Controleur hout 
kosteloos te kappen, werden met dwangarbeid en blokarrest gestraft Om onbeduidende, 
nietige redenen werden tal van lieden in ongeschikte mephitische holen maanden 
achtereen door de ambtenaren praeventief opgesloten, waardoor zij de bere-bere kregen 
en bezweken. Dit laatste geschiedde nog in 1880 te Saparua. Eene praeventieve 
opsluiting stond in het oog van den inlander gelijk aan een doodvonnis. Aan dezen 
wreeden toestand is sedert verandering gekomen door de invoering eener nieuwe 
wettelijke regeling in 1882, waarbij althans, wanneer namelijk de ambtenaren der 
Justitie niet in hunne bewegingen belemmerd worden, eene lichtvaardige in-hechtenis- 
neming en lange praeventieve opsluiting niet meer mogelijk zijn. De bewering, dat eiken 
Ambonees er naar streeft, gedurende zijn leven minstens ééne zaak voor het gerecht 
te brengen, is minder juist Honderden en duizenden oude lieden zijn ninmier in 
aanraking met justitie of politie gekomen en hebben zelfs eenen afkeer daarvan. 
Evenals elders zijn het vaste personen, die daarin eene afleiding zoeken. 

De eedsaflegging, sanopalo, of beter pasanopa, bestaat in het uiten van vervloekm- 
gen jegens zich zelven vóór den hatu resi, als: «upuka lanitoume, luputi ane au,» 
d. i. Grootvader hemel aarde, dit mes zal mij verslinden; «upuka lanito ume, au 
woi lamuri maripano wotou,» d. i. Grootvader hemel aarde, als ik inhetboschloop, 
zal een vergiftige slang mij bijten; «upuka lanito ume, au woi lamuri hahuwotou,» 
d. L Grootvader hemel aarde, als ik in het bosch loop, zal een varken mij bijten; 
«upuka lanito ume, au woi lamuri nijau ruruu,» d. i. Grootvader hemel aarde, als ik 
in het bosch loop, zal een slang mij verslinden; of «upuka lanito ume, au ménahu 



52 AICBON BN DB ÜLIASB. 

ai huhui,» d. i. Grootvader hemel aarde, als ik een boom beklim, zal ik nedervallen 
of -storten. Behalve deze , wordt door de hoofden ter beëindiging van geschillen, vooral 
in zake omhakking van saguboomen, het kauwen van den saguwortel onder aanroe- 
ping van den upuka lanito en van de afgestorvenen als eed aangewend, opdat degene, 
die schuldig is, ziek moge worden en sterven. Degene, die dezen eed valschelijk aflegt, 
sanopala laee, sterft, naar het volksgeloof, onvermijdelijk binnen een kort tijdsver- 
loop, volgens sommigen vóór de eerstkomende nieuwe maan. Wordt hij ziek en bekent 
hij dat hij een leugen heeft gesproken, dan kan door den deskundige paleu gemaakt 
worden, namelijk den vloek van richting doen veranderen of eene goede beteekenis 
geven, hari soui, en de zieke na het gebruik van gewijd water of bestrijking des lichaams 
met gewijde sirih weder genezen. Bij zwaardere misdrijven wordt evenwel het water- 
ordaal , riha aihuai, toegepast. Onder aanroeping van den upuka lanito en der voorouders, 
door een der oudsten , duiken de partijen in tegenwoordigheid van alle negarigenooten 
in zee. Degene, die het langst onder water blijft, heeft zijn pleit gewonnen, omdat 
Grootvader hemel en de voorouders hem genegen zijn. Deze wijze van eedsafleg- 
ging staat bij de bevolking in hoog aanzien. Onverschillige vervloekingen, meestal in 
drift uitgesproken, zijn: howaeja wotom, een krokodil verslinde u; nija eurelemu, een 
slang omstrengele of omkronkele u; selet waini hutuhaa nahuhatu waa tijam laloi, 
de ziekte werpe veertig malen haar anker in uwe ingewanden; lanito pamatam, de 
hemel doode u; sawano kapoëm, de sawang draaie uw nek om; mata uru peruwai, 
met een verdraaid hoofd zult gij sterven, enz. Eene eedzwering op de christelijke of 
mohamedaansche wijze is in het oog der bevolking van weinig beteekenis, zoodat 
sonmügen zich ook niet ontzien, dezen valschelijk met of zonder betaling af te leggen. 
Het zoogenaamd zweren bij de pëti derma in de kerk, eene navolging van de in vroe- 
geren tijd bij de hatu resi gebruikelijke eedsaflegging, heeft evenmin eenige waarde. 

In vroegeren tijd werden, behalve dien tegen de Portugeezen en Nederlandersom 
hunne vrijheid te herwinnen, herhaalde malen oorlogen, risa, gevoerd, ten gevolge 
van twist of beleediging, wegens moord of manslag, vrouwenroof, wederrechtelijke 
toeëigening van gronden of overschrijding der grenzen. Gedurende den oorlog werden 
er koppen gesneld, kotowuru. De strijders drinken het bloed der vijanden, ahia of tian, 
om in den vervolge moedig, ahalisi, te z^n. Op sommige plaatsen at men voorheen 
ook menschenvleesch , vooral de aanvoerders, die bovendien onkwetsbaar, urite, zijn. 
Op het eiland Nusalao geschiedde dit nog in den loop der achttiende eeuw. Als teeken 
van onderwerping heeft de overwinnaar de vrije beschikking over alle roerende goederen , 
terwijl de bewoners als slaven worden weggevoerd. Het sluiten van vrede geschiedt 
door bemiddeling van onzijdige invloedrijke hoofden. Alsdan betaalt de verliezende 
partij de door deze hoofden vastgestelde boete en eindigt men met een gemeenschap- 
pelijken maaltijd. 



Vü. 




B12.S3. 



A3fB0N EN DB ULIASE. 53 

De gronden zijn, uit hoofde van de physische gesteldheid en het klimaat, op deze eilan- 
den niet voor alle cultures geschikt Behalve de kruidnagelenteelt, werden in den loop 
der achttiende eeuw, op last der bewindhebberen van de V. O.-I Compagnie , proeven 
genomen met vele cultuurgewassen, als in 1717 met sapanhout, Caesalpinia sappan, 
en cacao, Theobroma cacao, in 1719 met koffie, Coffeaarabica, waarbij bepaald werd 
dat de Compagnie het verkregen product tegen Rijksd. 5.6 den pikol zou inkoopen, 
in 1734 met indigo, Indigofera tinctoria, doch zonder succes. In 1778 werd de ver- 
plichte kapas-aanplant en -levering afgeschaft; de wederinvoering daarvan was onder 
meer eene der oorzaken van den Saparuaschen opstand in 1817. Aan den aanplant van 
kruidnagelen, notenmuskaat, en op Ambon, schiereiland Hitu, speciaal van koffie, kan 
intusschen met vooruitzicht op zeer gunstige resultaten uitbreiding worden gegeven. 
Eijst wordt in onbeduidende hoeveelheid alléén op droge velden aangeplant. De 
pogingen tusschen de jaren 1862 en 1864 in het werk gesteld, om op het eiland 
Ambon sawahs aan te leggen, pogingen welke blijk gaven van volslagen onkunde 
in zake landbouwaangelegenheden van den toenmaligen Gouverneur, leden, gehjk te 
te verwachten was, schipbreuk. Na de ontginning der gronden in den oostmoeson, 
gewoonlijk op den twaalfden dag na de nieuwe maan, of liever nadat het oflFer aan 
upu ume of wase wupui gebracht was , pleegt de bevolking op deze eilanden djagong 
Zea maïs, manisai, in drie soorten te planten; voorts pisang Musa paradisiaca 
kura, in veertien soorten, als: hatela, kaïmu, mutiawal, makeltariin, pau, ahiro, 
mahu, huran puti, metenunuu, haruru, rusu, minja, njonja en tandu — de drie 
laatste, volgens mededeeling, later mgevoerde soorten — ; ubi Dioscorea soorten , höri, 
in drie variëteiten, als: de sanun, kauwui en putii; Colocasia antiquorum, ina, in drie 
variëteiten, als: de metena, mahau en putii; patata8,Batata8eduIis, in vijf variëteiten, 
als: de patukalo, manterui, kawii, kongkii en nia; suikerriet Saccharum officinarum, 
tohu, in drie soorten, als: putü, kau en ijane , zoomede allerlei moeskruiden , utano , en 
gewassen, waaronder kasato, Capsicumannum; tapripon,Momordicacharantia;popaen, 
Carica papaya; unino, Curcuma longa; sehi, Zingiber officinale ; bawang, uien en enkele 
katjang- Phaseolus soorten voor het dagelijksch gebruik van den inlander eene eerste 
plaats innemen. Voor deze aanplantingen worden de gronden jaarlijks verwisseld. 
Men zorgt tevens dat in de eerste maanden na de beplanting niemand met een zoo- 
genaamd matakau, rood oog, of matai putut, warm oog, langs de tuinen ga, opdat 
niet alles mislukke. Treft men integendeel bij de ontginning der velden in de boomen 
of in den grond muizennesten aan , of vliegt er een tukangvogel over het reeds ont- 
gonnen gedeelte, dan kan de arbeid gevoeglijk gestaakt worden. Tabak van mindere 
kwaliteit wordt op de eilanden Haruku en Saparua in eene geringe hoeveelheid ge- 
cultiveerd. Op alle daarvoor geschikte plaatsen wordt de saguboom, lapia wei, in 
vier soorten, als: de lapia ihur, Metroxylon sylvestre, lapia makanaru,Metroxylon Ion- 



54 AMBON EK DE ÜLIASE. 

gispinum, lapia molat, Metroxylon Sagos, en lapia toni, Metroxylon Bumphii, aange- 
plant In 1882 bedroeg het aantal sagostoelen op deze eilanden 1.210.000. Ealapa 
Cocos nucifera, nimelo, plant men in zeven soorten , als: putiri, kau, meteno, rapiro, 
latu, lasato en tourun. Het aantal dezer boomen was 545000. Detjengke, Caryophyl- 
lum aromaticus, poölawano, in 1882 ongeveer 350000 boomen tellende, wordt bij 
voorkeur tusschen andere boomen verspreid geplant De boomen in 1827 in groote 
geregelde tuinen aangetroffen, schoten welig op, maar gaven weinig of geene vruchten 
en kwijnden weg na verloop van eenige jaren. Gedurende den bloeitijd der poölawano 
is het pamali in de tuinen te schieten, te schreeuwen of eenig gedruisch te maken. 
Vóór den bloeitijd is men gewoon onder de boomen coïtus te plegen , opdat de boomen 
eenen rijken oogst afwerpen. De kruidnagelenpluk, kii poölawano, heeft plaats met 
wederkéerig hulpbetoon, malouu of masohi, tegen voeding. Bij den pluk worden feesten 
gevierd, met muziek, zang en dans, want bij elke gelegenheid laat de muziek zich 
hooren. De muskaatnoten, Mjristica fragrans, waarvan men in 1882 ongeveer 75800 
jonge en oude boomen telde, groeien uitstekend. De kwaliteit der vrucht hangt even- 
wel af van de gesteldheid van den bodem. De boomen, die op de gronden vanSoja- 
diatas voorkomen, leveren de beste vruchten op. De voorheen tusschen 1856 en 1860 
zoo veelbelovende cacaocultuur is ten gevolge van de zoogenaamde ziekte — bederf 
van sappen door de dichte bijplanting, waardoor de ontwikkeling van zekere insecten, 
behoorende tot het geslacht Capsidae of Reduviidae, bevorderd werd — geheel te 
niet gegaan. Yan den kofSe-aanplant, tot welks uitbreiding op Hitu uitmimtende 
gronden worden aangetroffen, wordt weinig werk gemaakt, omdat het ongeraden 
voorkomt de bevolking daartoe aan te sporen. 

Bij de bevolking bestaat weinig geneigdheid tot veeteelt, hetgeen zijn oorzaak vindt 
èn in het geringe nut en voordeel waarop zij uitzicht geeft, èn in de natuurlijke ge- 
steldheid van den bodem. De veestapel is derhalve onbeduidend. Onder ultimo 1882 
telt men slechts op 
Ambon 668 runderen, 25 paarden, 114 schapen, 556 geiten, en 961 varkens. 
Haruku 116 » — i 111 » 304 » 171 » 

Saparua 616 » 4 » 147 i 124 i 108 »• 

Nusalao 14 » — » 40 » 18 » 206 > 

Tezamen 1414 runderen, 29 paarden, 412 schapen, 1002 geiten, 1446 varkens. 

Ofschoon uit een zeker gevoel van schaamte zeer in 't geheim en verborgen , belijdt 
de bevolking van Ambon en de Uliase, zoowel Mohamedanen als Christenen, onge- 
rept nog het geloof der vaderen en vereert zij den upu lanito, heer uitspansel, en de 
ina ume , moeder aarde , als de amaka lanito, vader uitspansel, en inaka ume, moeder 
aarde, de eerste het mannelijk, de tweede het vrouwelijk beginsel vertegenwoordi- 



AMBON EN DE ULUiSE. 55 

gende. Het uitspansel wordt ook als aamina lanito, vader moeder uitspansel, aangeroepen. 
Aan deze hoogere machten, vooral aan de tweede, worden op bepaalde tijden oflFers 
gebracht en gebeden gericht Behalve aan deze, wordt nog aan andere geesteen, den 
nituaman,beschermgeest der negari, den nitu ukuu, den schutgeest van den stam, 
voorts aan de geesten der afgestorvenen, nitu, zoomede aan de tanei tawawari, voorwerpen 
uit den ouden tijd, goddelijke eer bewezen. B\j zware ziekten, wanneer de aangeroepene 
nitu machteloos blijken te zijn, offert men op de ureu, plaats van afzondering, op 
de hau kamar warsela, of hatu resi, die in sommige negariën bij den baileu staat, 
den heiligen steen, onder het branden van een damar of roode waskaars, aan aamina 
lanito een aarden pot met water, den oceaan voorstellende, waarin een weinig aarde, 
uit het middenpunt der woning afkomstig, en twee tot vier koperen, liefst Chineesche, 
muntstukken gelegd zijn, zeggende: «Aamina lanito deehaha, deehehei henna pisil 
maang haa dee pasaa au aamina lanite, dee aniampun ila ila, naowanamao urung 
nimasarüng, dee paleka ana tatiha, nii diman nimasarüng,iannimasarüng,deehanu 
korkehu haerang nuiari,» d. w. z. Vader en moeder uitspansel boven, die macht 
hebt over alles, er zijn vier stuks geld gebracht om te vragen (van) u, vader en 
moeder uitspansel, vergeving voor al het bedrevene; het hoofd van mijn kind doet pijn, 
het is liggende op de plaats, zijn hand is krank, zijn buik is ziek, laat het oprijzen, 
zitten, opstaan en loopen. Het geld wordt als expiatorisch offer in de kerk op de 
zoogenaamde pëti derma nedergelegd en het water als geneesmiddel aangewend. Velen 
bezigen voor aamina lanito ook wel alakahu risela, of AUah — God derMohameda- 
nen en Christenen — die groot is. Voor de ontginning van velden neemt men een 
of ander blad in het bosch, legt er op sirih-pinang, tabak, een stuk lood of een 
koperen cent, en bidt met het aangezicht naar het offer gekeerd: «upu ume, emu 
sanaman tine, hua amua tine, waa wase wupui, au marinu tine eperisi epahua 
epamae,» d. w. z. Grootmoeder aarde, dit is uw aandeel, deze pinang en sirih is het 
aandeel van de meesteresse van het woud, laat mijne aanplantingen vele en goede 
vruchten voortbrengen. In dit gebed wordt de grootmoeder aarde ook genoemd wase 
wupui , grootmoeder (van het) woud. Het lood of muntstuk wordt onmiddellijk begra- 
ven en daarop een sörehstruik , Andropogon Schoenanthus, geplant, met zeven pisang- 
of andere boomen, die aan de upu ume gewijd zijn. Deze plechtigheid heet toi. Op 
de jacht zijnde , neemt men voor het leggen der strikken een stuk schors van den 
saguboom, plaatst daarop sirih-pinang, tabak en sigaretten, ontsteekt de medegebrachte 
damartoorts, en bidt: „upu ume of ume upui, emu hua amua tine, empalaa hemu 
waleta eu hanu, eu peki mesemese, nalarai pamataa, ehei kahelo eu rahii,» d. w. z. 
Heer aarde, deze pinang en sirih zijn van u; (ik) verzoek u laat de strik gelukkig zijn, 
laat de strik goed vatten, (opdat) wanneer (ik) terugkom (ik het wild) kan dooden, 
laat het wild niet losbreken. Daarna wenkt, supa, men de tounu der herten en wilde 
zwijnen met een tak van een der Menssoorten, om op de plaats te komen. De 



56 JÜfBON EN DE ÜIIASE. 

sirih-pinang, tabak en sigaretten worden alsdan met een korrel goud ter grootte van 
een erwt op de plaats in den grond begraven. De jachtgereedschappen worden alsdan 
verborgen gehouden, opdat de tounu daarvan niet mocht schrikken. Vóór het visschen 
heeft eene zoodanige plechtigheid ook op zee plaats. De nitu aman en nitu ukuu zijn 
eigenlijk de geesten van de eerste grondleggers der negari of van de stamvaders, 
die niet gestorven maar tijdens hun leven verdwenen zijn, en die, gelijk beweerd wordt, 
op bepaalde tijden zich vertoonen. Zij hebben het voorkomen of verschijnen in de 
gedaante van naka of draken, van menschen, van een uitgespreid stuk wit lijnwaad, 
van honden, herten, varkens, maleovogels en nachtuilen. Wanneer zij ten tgde van 
de pluvia calida door iemand gezien worden, dan wordt deze ongesteld en sterft, zoo 
niet terstond aan den bewusten nitu geofferd en hij met gewgd water uit de ureu 
besprenkeld worde. De meest bekende schutgeesten zijn Sikoma en Lantela van de 
negari Halong; Savida manu lesi, de witte kip, of Taina luu, van Soja; — deze 
geest, de gedaante van eene schoone vrouw aannemende, is, zoo men beweert, ook ge- 
zien geworden door den Gouverneur B. van Pleuren in 1776, en door den Engelschen 
bewindhebber R Th. Farquahar in 1806 — Booirata van Nusaniwi; Sooro van 
Alang; TaulaM van Hatu en Lilibooi; Leitomu van Paso; Naku en Latuhuru van 
Haruku; Amolis van Haria en Porto; Sirilal van Sila en Leinitu, en meer anderen. 
De bevolking van de negari Latuhalat vereert als haar beschermer een kleinen koperen 
krokodil, die van Seilale de baileu en die van Titawaai het beelge Hajaka als ver- 
bl^fplaats der nitu. De nitu zijn de tounu matalo, of zielen van de afgestorvenen, de 
divi manes, die bij het graf blijven, zoolang dit behoorlijk wordt onderhouden, die op 
aarde bij voorkeur in de negari, van waar zij afkomstig zijn of in de ureu van deze 
negari vertoeven, om de achtergelatene betrekkingen te bewaken en in den droom 
hen van al wat gebeuren kan mededeeling te doen, opdat zij zich in acht kunnen 
nemen. Zij moeten op den zolder der huizen worden gevoed, en heeten deswege 
in het Ambonsch-Maleisch ook panunggu, bewakers, of panunggu rumah, bewakers 
van het huis. De zielen der levenden heeten tounu mahahain. Aan de nitu aman, nitu 
ukuu en gewone nitu wordt geofferd op de hau bawa, uiensteen, hau kamar warsela, 
steen waar een damartoorts wordt aangestoken, of hatu resi, zwarten platten ofier- 
steen van een meter lengte en een halven meter breedte, die op drie kleinere steenen 
rust en buiten de negari is gelegen, en op de ureu, een ruw gemetseld vierkant 
met eenige zwarte steenen er op, waarop de offeraar moet zitten, voorheen als plaats 
van afzondering in het bosch opgericht. Wordt het offer op de hatu resi gunstig 
opgenomen, dan moet er een uiengeur worden opgemerkt; vandaar de naam van 
uiensteen. Op de ureu staat een afdakje ; hier wordt de gewijde sirihdoos en de oude 
tampajan met water bewaard, waaruit de mauweni rai het gewijde water, veelal ajer 
pënawar genaamd, aan de zieken verstrekt Voor het bidden op de hatu resi of ureu 
moet men sirih-pmang, tabak en sigaretten op den steen leggen, een damartoorts of 



AMBON EN DE ULIASE. 57 

roode kaars branden en daarna op de hun of tritonschelp blazen, om de nitu te 
waarschuwen. Op de ureu moet men vooraf tevens eenige witte matten leggen. 
Daarna bidt men. Deze handeling heet patanitu. Wanneer in strijd met de zeden en 
ge1)niiken der vaderen gehandeld wordt, zegt men: «upu lanitokaalo,» d. i. De heer 
uitspansel wordt vertoornd. Yele Christenen beschouwen de plaats alwaar de offerkist, 
pöti derma, in de kerk staat , als de hatu resi, alwaar zij wekelijks offeren om m 
hunne ondernemingen te slagen. Elk negaribewoner, benevens de vreemdeling, 
die als negariman of -vrouw wordt aangemerkt, mag op deze plaatsen offeren en 
bidden, hetgeen veelvuldig geschiedt, vooral bij ondernemingen overzee, bij ongeluk- 
ken, ziekten en rampen. In vroegeren tijd mocht in sonmiige negariën niemand 
anders dan het negarihoofd op deze steenen offeren; later is deze bevoegdheid over- 
gegaan op den mauweni rai, bijgestaan door den mauweni koini en hatano, mindere 
geestelijken, die verplicht zijn voor het onderhoud dezer gewijde plaatsen zorg te 
dragen. De mauweni rai offert en bidt namens den belanghebbende, tot welk einde 
deze hem zijn voornemen mededeelen en van rauwe spijzen , die de geestelijke grooten- 
deels zelf behoudt, voorzien moet Wil men met succes vóór de hatu resi offeren 
en bidden, dan moet men gekleed zijn in een witte badju, roode wijde broek en gelen 
buikband, het hoofd versierd met twee gele en een zwarte hanen veder en omwonden 
met de apera hurulawang of gouden slang, voorts met de rechterhandeene piek en met 
de linkerhand een schild vasthoudende. Vrouwen gaan daar zelden bidden. Enkele, 
anders nogal verlichte hoofden offeren zelf op de hatu resi, met het doel om de 
oogen der bestuurvoerende ambtenaren te verblinden, opdat deze het een of ander, dat 
zij ten nadeele der bevolking gedaan hebben, niet zullen opmerken, hetgeen volgens 
sommigen jaren achtereen tamelijk wel geholpen heeft. Daartoe worden ook pakjes 
met gewijde kruiden onder de zitplaats dier ambtenaren nedergelegd. 

Booze geesten, nita, worden in groot aantal aangetroffen. De meest gevreesde 
zijn: Latukuru en Latukaa, beide van het vrouwelijk geslacht, die- het voorkomen 
hebben van Nederlandsche vrouwen en zeer behaard zijn; Mumuring, die er 
uitziet als eene vrouw van deze eilanden met borsten tot eene lengte van een 
halven meter, welke zij aan pasgeboren kinderen vertoont, om hen ziek te maken; 
Matawaro, die de gedaante aanneemt van een mensch met vier oogen vóór en 
vier achter in het hoofd; verschijnt hij te paard, door een matasi aseseru, iemand 
die met een helm geboren is, gezien, dan zal het negarihoofd sterven. Wijders 
nita mahina en malona, vrouwelijke en mannelijke booze geesten, die er op uit 
zijn om, wanneer een man met eene vrouw afspraak heeft gemaakt voor een intieme 
bijeenkomst in het bosch, hen te misleiden en zich er voor in de plaats te stellen. 
Degene, hetzij man of vrouw, die met deze nita in conjunctie venerea komt, sterft 
binnen weinige dagen, omdat de nita de ziel, tounu^ gewoonlijk medeneemt Verder 



58 AMBON EN DE ÜLIA5E. 

heeft men Popokang, Niu, Lamuu, Lamuri, Lohaka, Panimpau, allen van het 
mannelijk geslacht, die, onder hun aanvoeder Rasim staande, in bosschen, grotten, 
graslanden, rivieren, groote hoornen, ook wel in zee wonen en ten doel hebben den 
mensch stelselmatig kwaad te doen. Z^ vertoonen zich als deelen van het menschelijk 
lichaam en worden niet aangebeden, omdat zij de geesten zijn van lieden die in 
vroegeren tijd eenen onnatuurlijken dood zijn gestorven, ook wel van vreemdelingen, 
die in de wonmgen der opgezetenen geen verblijf kunnen vinden. Hebben zij iemand 
ziek gemaakt, dan moet de maalopeê aiwaari, een toovenaar, tevens geneesheer, aan 
hen offeren. Den buntiana of pontianaq rangschikt men onder de booze geesten , waartoe 
ook de momurino of snwanggi behooren. De bmitiana neemt de gedaante aan van 
een witten vogel met een vrouwenhoofd. Het haar is zeer lang, en op den rug treft 
men eene opening aan, om de geroofde kinderen of genitaliën der mannen in te bergen. 
De momurino zijn oude mannen en vrouwen, die door oefening en leiding het zoo ver 
gebracht hebben, dat zij op bovenmenschelijke wijze het hart en de mgewanden of 
liever de toimu van anderen verslinden kunnen. De suwan^ worden in vier afdee- 
lingen verdeeld, als: degenen die de harten versünden, die in den maneschijn dan- 
sen, die het hoofd achterlaten, de urulokan, wanneer zij hunne tochten doen, en de 
momurino, die vliegen kunnen, zelfs over zee, van het eene land naar het andere. 
Deze lieden staan in verband met booze geesten en zijn in zekeren zin ook onder- 
geschikt aan Rasim. Zij zijn zeer geheimzinnig, maar licht te herkennen aan de inge- 
vallen, schuwe, glinsterende oogen, aan eene gele huidskleur en aan hunne magerheid. 
Ook durven zij iemand niet in de oogen te zien. Wil men de nita in hun doen en 
laten gadeslaan , dan moet men op twee kalapadoppen met gaten staan , achter de 
matai kawaele, lieden die met helmen geboren zijn. De booze geesten heeten ook 
anino ahijai, kwade wind. Aan de tanei tawawari of tanei tawaria, voorwerpen als 
erfdeel door de vaderen achtergelaten , worden ook offers gebracht Zij mogen nimmer 
verkocht worden. Indien men ze verwaarloost of er niet behoorlijk voor zorgt, dan 
ontstaan er in de famiüe ziekten met doodelijken afloop. Deze voorwerpen zijn de 
apera ila, een geschubde slang van goud, van 0.25 meter lengte, die op een ouden 
schotel ligt en eiken Vrijdag gevoed moet worden met zeven versche eieren en zeven 
padikorrels. In dien schotel moeten tevens elf manurubloemen, Jasminum sambac, 
liggen, omdat haar geur voor de apera ila aangenaam is. Naast den bewusten schotel 
staat een pinen weir of een waterkruik, die altijd vol water moet zijn , voorts de dubil 
weir of salau, een tampajan , de pinen hau, steenen bord of schotel, de apera hurulawang , 
gouden slang, de bira hurulawang, gouden oorbedekker, de tasiolo hurulawang en 
tasiolo iha, gouden en koperen kikvorsch , de owan hurulawang diman, gouden armband, 
de lapim, blauwe badju, de tapil woli of teito, utiuti sarong, de hui meta, koraal- 
snoeren, de sariha huwai, ouderwetsche chitssoorten, de patola huwai, patola sarong, 
en de amurang, sungga- of puntvormige metalen oorhangers. Deze voorwerpen, van 



AMBON EN DE ÜUASE. 59 

Huamnal afkomstig, die ook als panunggu worden aangemerkt, zijn alle van oud- 
Oostaziatischen oorsprong en wijzen op het feit, dat Ambon en de XJliase sedert on- 
heuglijke jaren in aanraking geweest zijn met meer beschaafde westelijke volken. 
Men behoort te zorgen, dat de tampajan en gindi of waterkruik voortdurend gevuld 
bleven, anders krijgt de eigenaar des huizes de longtering. Deze voorwerpen worden 
gewoonlijk in een mand of gabagabakist, rohai, op den zolder op de bepaalde plaats 
bewaard. In sommige negariën vindt men nog voorwerpen uit den ouden tijd en 
aan de soa of stam behoorende , die in een afzonderlijk huisje bewaard worden. Gaat 
iemand der soagenooten op reis over zee, of wil hij iets ondernemen, dan offert hij 
aldaar een stuk wit lijnwaad, een sarong, een bord of iets dergelijks. Intusschen is de 
bevolking van Ambon en de Uliase sedert jaren niet meer heidensch. Het Mohame- 
danisme werd reeds vóór de komst der Europeanen in deze gewesten door Tematanen 
en Javanen ingevoerd. Het Christendom maakte onder het Portugeesch bewind groote 
vorderingen, en Franciacus Xaverius predikte in 1546 deze leer met vrucht De 
katholieke Christenen werden in 1615 door den eersten predikant, dien de hoofden 
van den Admiraal C. Matelief verzocht hadden, toen de katholieke geestelijken naar 
Goa vertrokken waren, tot gereformeerden geconverteerd. De bevolking van onder- 
scheidene mohamedaansche negariën, als Hatalai, Waai en andere, ging later door 
dwang en straf tot het Christendom over. De overblijfselen van het heidendom open- 
baren zich echter overal, tot m onze dagen, zooweLbij den Mohamedaan als bijden 
Christen. Beiden offeren thans nog op de wijze der vaderen aan upu lanito en 
upu ume, aan nitu en tanei tawawari of oude voorwerpen, en zijn daarmede tevreden. 
Dit belet evenwel niet, dat er vele fanatieken onder de Mohamedanen worden aan- 
getroffen, onder meer ook navolgers van de tariqat as sanusüja of van Sidi Muhhamad 
bm Ah as Sanusi, die o. a. zelfs bij het uitbreken van den oorlog op Noord-Sumatra 
in de moskeeën voor de zege der Atjehsche wapenen hebben gebeden. Behalve door 
de betrokkene Europeesche hulppredikers, wordt het onderwijs in de christelijke leer 
thans ook door zoogenaamde inlandsche godsdienstonderwijzers , die van regeerihgswege 
bezoldigd worden, gegeven. In de scholen op deze eilanden, twee-en-vijfüg in getal, 
door gemiddeld 2595 leerlingen dagelijks bezocht, wordt geen christelijk onderwijs 
meer gegeven. Voor dit onderwijs wordt jaarl^ks meer dan f 25000 door den Staat 
betaald. De zoogenaamde Burgerschool ter hoofdplaats, alwaar onder meerdeNeder- 
landsche taal wordt onderwezen, is eene uitstekende inrichting. Bovendien heeft men 
op Ambon nog eene school. ter opleiding van inlandsche onderwijzers. 

Alhoewel de bevolking van Ambon en de Uliase in vele opzichten in beschaving 
hooger staat dan de overige bewoners der eilanden, die tusschen Selebes en Papua 
gelegen zijn, is zij zeer bijgeloovig en vestigt zij hare aandacht bij voorkeur op al 
wat het bijgeloof bevordert Het geschrei des nachts van de manukau of manuhusu, 



60 AMBON EN DE ÜUASE. 

een soort uil, voorspelt bij haar, dat iemand uit de negari zal sterven. Het geschrei 
van andere soorten van nachtvogels beteekent óf goed óf kwaad, naarmate van de 
scherpte van het geluid. Wanneer de manulasalasato, de Dacelo chloris, overdag in de 
negari schreeuwt, dan zal er twist ontstaan; vliegt hg door een huis, dan zal de 
huisbezitter gelukkig worden. Een slang vóór het huis komende beteekent ongeluk, 
evenzeer wanneer een spin vóór iemand daalt, aan de kleederen door een rot of muis 
wordt geknaagd, een nachtuil over het huis vliegt, een vledermuis door de voordeur 
in-, door de achterdeur uitgaat, of men een slang onderweg ontmoet Ziet men, op de 
jacht zijnde, een jong buideldier in den boom, dan zal men. weinig succes hebben; 
vliegt een kapel de woning binnen, dan is dit een goed teeken. Ontmoet men, uitgaande 
om materiaal voor een huis te kappen, een misvormd persoon, dan moet men huis- 
waarts keeren. Zwarte sprinkhanen in het huis tjirpende, brengen onheil aan. Wan- 
neer alle hanen tegen zeven uren des avonds kraaien, dan zien zij de booze geesten 
die ziekte medebrengen, doch op dit gekraai teruggaan. Wanneer een kip op de 
slaapplaats eener vrouw een ei legt, dan zal zij des nachts een intiem bezoek krijgen. 
Kraait een kip overdag, dan vervloekt zij den huisheer of eigenaar van het erf en 
moet onmiddellijk gedood worden. Wanneer alle honden zonder reden blaffen en huilen , 
dan zien zij booze geesten en waarschuwen dusdoende er voor. Komt een vuurvlieg 
des avonds de woning binnenvliegen , dan beteekent het dat de veldgewassen door 
wilde dieren zullen worden vernield. Bij sterfgevallen in huis of bij de buren mag 
niemand een tuin bezoeken. Door den omgang met de inlanders zijn de Europeesche 
afstammelingen ook zeer bijgeloovig en versterken deze daardoor in hunne dwalingen. 

Het tooveren , nau of mawe , geschiedt om de toekomst te raadplegen of om plaats gehad 
hebbende diefstallen te ontdekken. Te dien einde wordt geraspte kalapa geperst, een 
ui of gember doorgesneden , een pinang of ontbolsterde rijst gekauwd , de armen ge- 
spannen, een wan gedraaid, en nog meer. Door masuru of doti kan men ook in twijfel- 
achtige gevallen te weten komen wiehetfeit gepleegd heeft, namelijk door vervloeking, 
zoodat de persoon later aan de gevolgen er van bezwijkt. De masuru of doti hau 
is, onder aanroeping der nitu en het uitspreken van een formulier, iemand, d. w. z. 
een onbekende , vervloeken dat hij verbrande of als een boom verdorre. De doti amu 
heeft ten doel iemand den ruggegraat te doen breken ; de doti paheha dat hij onder het 
vechten zwak worde , en de doti kerii mahai dat hij voor goed gedurende zijn geheele 
leven ongelukkig worde. De vervloeker moet echter zorg dragen dat hij boven den wind 
blijft. Het onvertaalbare abracadabra van zulk een formulier, dat echter niet overluid 
wordt uitgesproken, luidt als volgt: «naka hija naka, nakahintannaka radja, salatan 
adakapala tumba doti, maguling magaling, kapala doti masuru, kapala doti sala- 
wako, sambilan kapala doti, pamoras bunuh, ina lei kalakete lei, lei masarili beikat 
babar, Una abigael, Jritjap kuritjap kitjap memberij maut, maut memberij mati.» 



VIII. 










Blz.60. 



AMBON EN urn ULIASE. 61 

Wil men, zulks wetende, de vervloeking krachteloos maken, paleu, dan zegt men: 
«guntur kilat didalam langit, kaju besi tembaga pitjah batu, pitjah orang punja 
perbuwatan.» Eene vervloeking door velen heet sanopo ohu airaun. Wanneer iemand 
uit een anderen stam een der negarigenooten smadelijk bejegend heeft, dan verzamelen 
zij zich in het bosch, elk een weinig spijze medegebracht hebbende , in eenen ronden 
kring. Nadat de spijzen op een blad vóór hen nedergelegd zijn, deelt de mauweni 
mede de reden der bijeenkomst, ten slotte uitroepende: «upuka lanito ume, wahu 
K X. ami pasanopo ei utuu ruma nam ehee saihuta, d. w. z. Heer uitspansel aarde, 
zie neder op N. N. ; wij vervloeken hem dat hij verdwijne met zijn huis , dat op de 
plaats (waar het tevoren stond) niets meer te zien valt. Daarop keeren zij de bladeren 
met de spijzen om en begeven zich huiswaarts. Ook kan men door middel van 
tooverij bewerken, dat eene vrouw aan een man, of omgekeerd, langs sympathetischen 
weg door hartstocht verbonden worde. Daartoe gebruikt men gewijde bladeren, in 
de eerste plaats de silawana, XJrtica ovalifolia, eenige slingerplanten en gewijd water. 
Velen dragen tot dat einde ook gewijde droge boomwortelen en bloemen bij zich. 
De geur, of zoo men wil het fluidum daarvan is, gelijk beweerd wordt, voldoende om 
het doel te bereiken. Dien geur noemt men sumangan. Deze tooverij heetmasmarut 
of guna. Om een vijand te benadeelen, neemt men diens weggeworpen sirihpruim, een 
weinig van het haar, een stuk der kleeding of wel de maat van den voetstap, en doet 
dit in drie cilinders van bambu. Zoo men één daarvan onder eene doodkist , de tweede 
onder de huistrap begraaft en de derde in zee doet zinken, dan is de man onher- 
roepelijk verloren. Degene, die schrijven kan, schrijft den naam van den vijand op 
een stuk papier, laadt dit in een geweer en schiet dat af. Andere onheilaanbren- 
gende voorwerpen, riha tanei hijai, worden tot dat einde ook vóór het huis of op 
zijde daarvan begraven. In sommige negariën treft men lieden aan, die dagelijks hunne 
oogen met bepaalde middelen bevochtigen, om daardoor scherp te kunnen zien of een 
warm oog, matai putut, te krijgen. Deze lieden worden zeer gevreesd; zij kunnen, 
door hem te fixeeren, iemand ziek maken en gezonde spijzen in vergift veranderen. 

De tampat pamali of verboden plaatsen zijn de plekken, waar de vaderen voorheen 
hunne negariën hadden. Voorts hebben op vele plaatsen steenen, voorgebergten, 
stranden, bergtoppen en rivieren den naam van pamali, zonder dat men de oorzaken 
daarvan kan mededeelen. Pamali in engeren zin is verder, dat men bij het visschen 
met lijnen op de prauw staat, dat men 's middags buitenshuis gaat, omdat men de 
sumangan, d. i. de schaduw van de tounu of ziel, kan verliezen, dat men de hout- 
soorten, ai ratu, Capellenia moluccana en andere, waaruit men gesproten is, als 
brandstof bezigt, dat men het vleesch van dieren waarvan men afkomstig is, als: 
krokodillen, haaien, varkens, palingen, etc., eet, dat men als landbouwer warm 
water op den grond stort of des middemachts borden wascht, dat men een bubu 



62 AMBOK 1%DE ULIASV. 

of yischfoik in zee hebbende liggen, voor de deur zijner woning zit, dat iemand in 
een vertrek sterft waar gekorven tabak, zaadpadi, of katjang, voor den aanplant ge- 
reed gemaakt, bewaard wordt Het is tevens pamali, te droomen dat een afgestorvene 
den slaper roept, om met hem mede te gaan. Intusschen staat men door droomen, 
derepa of mani, in contact met de nitu; «tounuu haleu kuratamata», zegt men wel, 
d. i. zielen van slapenden die met de geesten spreken. De makuwa of nachtmerrie 
ontstaat, doordien een der nita op de borst drukt, om de sumangan er uit 
te halen. 

Door het plaatsen van wawaa, matakauoftabu-teekenen, voorkomt men diefstal van 
vruchten en dergelijke. Het woord matakau beteekent: rood oog. Deze teekens zijn: 
de matakau potar — men neemt een aarden pot of een stuk daarvan en hangt dien, 
na een wit kruis er op gemaakt te hebben, in den boom; degene, die de vruchten 
neemt, krijgt onvermijdelijk de potar of lepra; de matakau tikus — men plaatst het 
beeld van een muis, van gabagaba gemaakt, op een staak onder den boom; degene, 
die de vruchten steelt, zal wonden krijgen op den neus en aan zgne ooren, alsof daaraan 
door een muis is geknaagd; de matakau porosaki — men maakt een rol van go- 
mutu van 0,3 meter middellijn en steekt daardoor drie scherpe bambulatten; degene, 
die de vruchten neemt, zal buikziekte krijgen en sterven; de matakau malapoo — 
men neemt droge sagubladeren, vlecht daarvan twee ronde schijven op eene eigenaar- 
dige wijze en bindt deze vast aan den boom; degene, die de vruchten van dezen 
boom steelt, diens lichaam zal opzwellen en barsten. Deze kwaal is ongeneeslijk. De 
overige matakau zijn gelijk aan de matue op Serang, die achtereenvolgens hier inge- 
voerd werden. Nog worden er op de kalapa- en andere vruchtboomen ruwe afbeel- 



o 



dingen van den Yoni \ j ^ v / gesneden, om deze vruchtdragend te maken, 

of ook om een ieder af te schrikken deze boomen te naderen, omdat de teekens de 
genitaliën zijner moeder voorstellen. Het pelastelsel is op deze eilanden evenals op 
Serang in gebruik. De pela-negariën helpen elkander in den opbouw van kerken, 
mesdjids, schoolgebouwen en baileu's, of gemeentehuizen. 

De negariën op Ambon en de Uliase, van dertig tot meer dan honderd huizen, 
die behoorlijk worden onderhouden, zijn alle op schilderachtige punten aangelegd en 
van behoorlijke straten en tuinen voorzien. In de meeste treft men een vierkant 
plein aan, alwaar de kerk en schoolgebouwen, gredja en teu manaun, de baileu 
of gemeentehuis teu aman (baileu of waileu beteekent: waar het geredekavel als 
stroomend water wordt gehoord), de batu damar en de mesdjid, zoomede de 
woning van den radja, pati of orangkaja, de teun, schoolmeesterswoning, walan 



AKBON EK DS ULIASE. 63 

panita, ammbae-huizen en tetano, bruggen, gevonden worden. Met uitzondering 
van enkele kunnen al deze negariën over zee bereikt worden. In vroegeren tyd 
werden zy in de binnenlanden op de toppen der bergen opgericht, uit vrees voor 
invallen der Mangindanosche zeeschuimers. Achter de oude negariën kan men nog 
sporen van de vroegere hatu walo of steenen versterkingen vinden. De huizen, eene 
lengte hebbende van zes tot tien meters en eene breedte van vier tot acht, zijn niet 
op palen gebouwd en hebben een steenen vloer. Van vele woningen met een voor- 
en achterdeur, mintan uru, zoomede voor- en achtergalerij, zijn de omwandingen 
voor de helft van steen opgetrokken; de overige van hout, gabagabar of sagublade- 
ren. Het dak bestaat geheel uit atap. De baileu, vroeger tiran, thans asari genaamd , 
de kerk- en schoolgebouwen, de mesc^jid en woningen van hoofden worden door de 
bevolking in corvéediensten opgericht en onderhouden, heldeen in kleine negariën 
tamelijk bezwarend is en waarbij de vrouwen de daken beklimmen moeten om die 
te helpen herstellen. Worden er bouwmaterialen voor de baileu verzameld, dan be- 
hooren de arbeiders zoolang in de bosschen te vertoeven, totdat deze aangekapt zijn. 
De hoofdstijl of -paal, rin inai, wordt met zorg en toewijding bewerkt De opbouw 
of reparatie der gemeentehuizen geschiedt met muziek en zang onder begeleiding 
van de tiva-gong. De nokversieringen moeten onveranderd blijven volgens de nahutut 
minai of oude gebruiken. Onder de riri inai legt men tegenwoordig een stuk zilver 
of lood, in vroegeren tijd een versch gesnelden kop als offer aan ina of upu ume. 
De overige huizen, gewoonlijk slechts door één huisgezin, rumatawui, bewoond, wor- 
den ook door middel van masohi opgericht Voor gewone huizen wordt een ring en 
een stuk lood, met kapas omwonden, onder de riri inai of hoofdpaal, de gew\jde plaats 
in het huis, begraven. De paal wordt tegen den avond of in den vroegen morgen in 
den grond gezet, opdat het huis parikü, koud , dat wU zeggen gezond zal zijn. De 
houtwerken benoodigd voor den huisbouw worden drie dagen na volle maan aange- 
kapt, opdat ze niet spoedig vermolmen, aihuhu. Als het huis gereed is, raadpleegt 
men een der oudsten over den gelukkigsten dag, nusutahuawawanahorui, omditte 
betrekken, waarbij feesten gegeven worden. In vroegeren tijd bestond het huisraad, 
tanei teun lalui, uit eenvoudige banken, hiti hiti, van bambu of gabagaba, karanuru, 
hoofdkussen van bladeren, runut, en sool matanata mainut, doozen of manden van 
gevlochten palmbladeren; thans treft men schier in elk huis aaneenkatel,ledekant, 
alau, tafel, ade,' stoel, rosbangku, bank, atupat ume, lage houten banken, rohai,klee- 
derkist, ruhuselan tatumbus of doozen van pahnbladeren, pairo, matten, karanuru, hoofd- 
kussen van kapok, kamal inai, lamp, ook wel voor petroleum. De voorwerpen van waarde 
zijn artikelen van goud, halawano, zilver, salaka, koper, riti, voorts gongs, ahuu, gouden 
slangen, halawanija, patola sarongs, sariha huwai, oude schotels, pinahatu , wit lijnwaad, 
sariha putii, uti-uti sarong, teito, en pisi, geld. De meeste oude voorwerpen werden 
gedurende de Huamualsche oorlogen door de hulptroepen van Amold de Vlamingh 



64 AMBON EN DE ULIASE. 

aldaar geroofd. De wapenen, marori, bestonden voorheen uit amen, schild, tapaa, piek, 
nasen en sanoka, bambuspiesen, husuro, pijl en boog, en lopu atai , klewangs. Nadat 
de Compagnie in 1785 gelast had de bevolking zoo veel mogelijk in den wapenhandel 
te oefenen, zijn de vuurwapenen, minat, in gebruik gekomen en telt men tegenwoordig 
onder haar vele bekwame schutters. 

De bevolking dezer eilanden is zeer eenvoudig en smakeloos gekleed, in de eerste 
plaats doordien men aan de zwarte kleur voor kleedingstukken de voorkeur geeft, ten 
andere omdat het van wege de hoofden voornamelijk onder de Christenbevolking 
verboden of tegengegaan wordt, dat mannen en vrouwen van gekleurde lijnwaden, 
fluweel of zijde gebruik maken of gouden en juweelen lichaamsversieringen bezigen. 
De maenu malona of kleeding der mannen bestaat uit een zwarte of blauwe, b^ 
enkelen ook witte badju of kabaja, lapun, een zwarte of blauwe broek, kata, een 
ronden hoofdkam, lariaa, alléén door oude lieden gebezigd, een omslagdoek, tapimakar 
riha. Oude punthoeden worden ook met voordeel verkocht •Jongelieden geven 
de voorkeur aan zwart-lakensche petten of zijden en vilten hoeden, zoomede ver- 
lakte schoenen. Bij plechtige gelegenheden gaan zij op Europeesche wijze in ge- 
huurde zwarte rokken en schoenen gekleed. Die der vrouwen, maenu mahina,uitde 
tapi, sarong, zwart, rood of blauw, lapun, badju of kabaja, bij enkele Christenenen 
bij de Mohamedanen ale, armbanden van goud, zilver of koper, karau , oorknoppen , 
susurambu, haarpennen, en sapou, ringen. Draagt een Christenvrouw gekleurde chitsen 
kabaja's of gebatikde sarongs , dan wordt zij door de overige negarivrouwen ook wel 
beschimpt en beschaamd gemaakt als iemand, die de aandacht op zich wil vestigen 
of vertoon maken, 't Is een geschikt middel om de armoede te bedekken. De heup- of 
schaamgordels werden in vroegeren tijd, toen zoowel mannen als vrouwen daarvan 
gebruik maakten, van de schors van den lawaneboom vervaardigd. Later gebruikten 
de vrouwen korte sarongs, arun, van gevlochten palmbladeren of van de Pandanus repens. 
De vrouwen versieren het hoofdhaar met kupa pakuro, Micheüa longifolia, sapalene, 
Cananga odorata, en puti, Jasminium-sambac-bloemen. 

Behalve de bereiding van sagumeel, is het tappen van den pahnwijn, lahitua, van 
den Arenga sacharrifera of nawainboom. aan te merken als de hoofdbezigheid der 
mannelijke bevolking. Wanneer het inwendige der zaden van den Woemtros verdikt 
is of kleverig, dan wordt de boom gezuiverd, de gomutu afgenomen, de schors van 
den bloemtros geschild en deze omhoog gebonden. Daarna wordt de bloemstam met 
een stuk hout geslagen, en dan gewrongen en geschud, om de vezelen te doen 
scheuren. Om de twee dagen wordt deze bewerking tot vijf malen of meer herhaald. 
Blijkt het na een kleine incisie, dat het vocht helder is, dan snijdt men den bloemtros 
af en wikkelt den stomp in bladeren, opdat de wespen en bijen dezen niet bescha- 



AJffiON IN t)E UUASÈ. 65» 

digen. Eiken dag wordt van den stomp een stok of schijQe afgesneden, totdat de taa 
doorzijpelt, waama men een bambugeleding of salopa, een bak van sagubast, er onder 
hangt, om het vocht op te vangen. Is de productie gering, dan offert men sirih- 
pinang onder den boom, als aandeel voor den geest , die verondersteld wordt in den nawain 
gezeteld te zijn. Met of zonder bitterhont, Garcinia pricorrhiza, vermengd, wordt de 
palmwijn alsdan verkocht Van de tua wordt tevens op vele plaatsen, bijv. op Ou, 
kolowater, ^n soort sterke, zeer spoedig in eenen staat van bedwelming brengende 
drank gedistilleerd, zoomede azijn, apiu, en suiker, nasu, voornamelijk te Waai, be- 
reid. Om potten te bakken, poso ureno, neemt men klei, umel beliling, droogt deze 
zeven dagen achtereen en stampt haar, om ze daarna twee dagen lang onder water te 
zetten in eene oude prauw. De klei w^rdt vervolgens met fijn gezeefd zand,lasano, 
vermengd. De potten worden met de hand gevormd en in (fen wind gedroogd, met 
schelpen glad gemaakt en daarna geschrapt, om eene gelijke dikte te geven. Na met 
Meiwater vochtig gemaakt te zijn en drie dagen in de zon gestaan te hebben, wor- 
den deze gebrand. Op vele plaatsen houden de vrouwen zich onledig met* £et vervaar- 
digen van potten en pannen van verschillende soorten. De beste daarvan worden te 
Ou en Oma vervaardigd. Zout wordt van zeewater bereid, kotii tasii. Men neemt ge- 
woonlijk het aschwater van de gebrande aangespoelde stukken hard hout, en kookt dit 
in een aarden pot met herhaalde toevoeging van zeewater, totdat men een klomp 
zout verkrijgt. Om zout te bereiden, neemt men eenigen tijd zijn verblijf aan het strand. 
Smeden, tuka manol, timmerlieden, tuka ai, en metselaars, tuka hatu, vindt men schier 
in alle negariên. Een ambachtsman verdient dagelijks een tot vier gulden , een dag- 
looner veertig cents tot een gulden. Goudsmeden, tuka halawo, worden sJleen op de 
hoofdplaats te Kailolo en Kulur aangetroffen; de laatsten reizen jaarlijks rond , om werk 
te zoeken in andere negariên. Eveneens komen jaarlijks tal van Todoreesche ijzersmeden , 
om op deze eilanden pedas, messen, en mantjadu, bijlen, te vervaardigen. Schoen- en 
kleedermswers, waaronder zeer geschikte, zoomede bUkslagers, hebben op de hoofd- 
plaats van wege den grooten invoer van gemaakte artikelen weinig verdienste. Deze 
lieden laten uit dien hoofde hunne zonen de burgerschool bezoeken, ten einde later 
schrijvers te kunnen worden. Van het kalkbranden wordt tevens eenig werk gemaakt 
De kunst om uti-uti sarongs te weven, hita teito, is sedert lang verloren gegaan. 
Ter hoofdplaats Ambon houden sommige vrouwen zich nog onledig met het distiUee- 
ren van vluchtige oliën van den Caryophyllum aromaticus, van Myristica fragrans, 
Cünnamonum cuhtlawan, Santalum album, Eampferia galanga, Liguidambaraltingia, 
Pogostemon menthoide, Andropogon muricatus en schoenanthus, Alyxia stellata^ en 
meer andere soorten, zoomede met het vervaardigen van kunstbloemen van vogel- 
vederen en van het merg der Scaevola Koenigii. Het visschen, kana ijana, geschiedt 
met de djareno uweruru en djaredjok, verschillende soorten van netten, ook wel 

^jaring giop, lema of tumbu tumbu genaamd. Werpnetten, djala of uwe maahiku, 

5 



66 AMBON CIC DÜ UUASC 

onderscheidt men in drie soorten, als: de djala kawalinja,terienlompa. Voorts vischt 
men nog met de lijn , pito , met harpoenen , naseno kah^an , hehelo sero en atnro , steenen 
dijkjes op de riflFen gelegd, om bij ebbe de visschen niet door te laten. Van de bori of 
bedwelmingsmiddel wordt tevens gebruik gemaakt. Men bezigt daartoe de ^ngestampte 
wortelen van de Bamngtoniarsoorten. De dagelijksche arbeid der bevolking bestaat 
— behalve de te praesteeren heerendiensten — voor de mannen, tanei malona, in het 
bewerken der velden, poso marinn, het vangen van buideldieren, kaa makele, het 
8agukloppen,hita lapia, het maken vanvischftdken, huhu en hehelo, enz.; — voor de 
vrouwen, tanei mahina, in het koken van spijzen, pasekaa, het waterscheppen, nasu 
waele, het bijeenbrengen van brandhout, tana ai, het verzamelen van moeskruiden, 
kii utano, het naaien van kleederen, pasanahe, het zoeken van schelpen, piri patu, 
het visschen op de riflFen, paneisa, etc. 

Op Ambon en de Uliase drijft de inlandsche bevolking, wanneer men den verkoop van 
producten als kruidnagelen, notemuskaat, sagu, kalapa, veldvruchten en visch daarvan 
afzondert, weinig handel Deze tak van nijverheid is geheel in handen van Euro- 
peanen, Ghineezen en Arabieren. De hoofdplaatsen Ambon en Saparua zgn sedert 
jaren voor den algemeenen handel opengesteld, zonder hefiOng van in- en uitgaande 
rechten. Dit vrijhandelstelsel komt echter niet ten bate der bevolking, omdat, bg 
gebreke van concurrentie, de aanwezige handelaren alles toch even duur blijven 
verkoopen. Eene bestelling van Java of Mangkasar komt goedkooper uit dan de 
inkoop der artikelen in deze vrijhavens. Het doel, om door openstelling der havens 
de bevolking in de gelegenheid te brengen zich allerlei artikelen goedkoop aan te 
schaflfen, is derhalve niet bereikt. De gewone artikelen van invoer of liever transito, 
doordien deze van Ambon naar de overige eilanden vervoerd worden, zijn: aarde- 
werk, arak, azijn, bier, blikwerken, boter, brandewijn, drogerijen, eetwaren, gam- 
ber, garens, gedistilleerd, glaswerk, goud- en zilverwerk, ijzerwerk, jenever, kaarsen, 
kaas, kleederen, koperwerk, kramerijen, leder, lijnolie, likeuren, lood, manufacturen 
van katoen, wol en zijde, meel, meubelen, mineraalwater, opium, papier, peper, 
petroleum, reukwerken, rijst, sigaren, schrijfbehoeften, speelkaarten, suiker, tabak, 
thee, vee, verfwaren, vuurwerk, wijn, zeep, zilver gemunt, zout en diversen. 
De artikelen van uitvoer bestaan in: aardewerk, arak, bier, blikwerken, boter, 
brandewijn, cacao, eetwaren, foelie, gamber, gedistilleerd, gereedschappen, glaswerk, 
gomdamar, goud- en zilverwerk, hout, bidden, ijzer, jenever, kalapaolie, kleederen, 
kruidnagelen, koflfie, koperwerk, kramerijen, leder, notemuskaat, olie, sagu, schel- 
pen, suiker, tabak, thee, tripang, wijn, zeep, zilveren munt en diversen. 

De invoer ter hoofdplaats Ambon bedroeg: 

van 1830 tot 1840 des jaars ongeveer f 675,000 
» 1841 > 1850 » » » » 465,000 



AlCBÓX tS DË XJilkSË. éi 

van 1851 tot 1860 des jaars ongeveer f 396,000 
> 1861 > 1870 > > > > 975,000 

1 1871 » 1880 1 » 1 » 1,000,000 

De uitvoer was: 

van 1830 tot 1840 des jaars gemiddeld f 96,000 
1 1841 » 1850 1 » » » 125,000 

» 1851 » 1860 » » » » 80,000 

» 1861 » 1870 » » » » 392,000 

» 1871 » 1880 » » > » 460,000 

De handel bestaat op deze eilanden thans niet meer in ruil, paleuu of urihari, 
maar door verkoop, kahe of lata, tegen geld, kupane; zijnde alle soorten van Neder- 
landsch-Indisch geld, behalve papier, dat door den inlander niet gewüd is, gangbaar. 
Marktplaatsen, asalo, treft men te Ambon en Saparua aan. De marktplaats te 
Harukn ging, na de verwijdering der militairen van deze plaats, te niet Vele inlanders, 
die zich met den handel onledig houden, zijnindelaatstejaren, tengevolge van een los 
credietstelsel, in schulden nahitir geraakt, hetgeen tevens zeer ten nadeele van den handel 
werkt Niettegenstaande het onderwijs in de rekenkunde sedert eeuwen op deze eilanden 
gegeven is, telt de bevolking nog bij voorkeur met de vingers, rimaka hatui, met 
djagongkorrels, kastela hatui, met steentjes, hatu anai, en door op den grond strepen, aru, 
te trekken. Om afstanden te bepalen, gebruikt men ook den tijd van het pmang- 
kauwen, ane hua wam. Behalve de gebruikelijke maten en gewichten, als pikol, kati, 
vadem en el, bezigen de inlanders nog de eni en sapriri, mandjes van eenige 
kati's inhoud. Voor den kusthandel bezigt men vaartuigen als de parutu of arumbae 
en de djungku, voor de vischvangst sapou en paisal of vlerkprauwen. 

Na langere of kortere kennismaking, gepaard met vrije copulatie, volgt ge- 
woonlijk eene stille, of openbare verloving, maruwa makau of malamai. De stille 
verloving eindigt met de engkei mahina, of lao mahina, schaking. De verloofden 
geven elkander alsdan ten teeken van gemeenschap ringen, zakdoeken, gebruikte 
kleedingstukken, gewoonlijk sarongs, en haar, ook van de pudenda, welk laatste met 
de ninu sanopalo een onverbreeklijken band van trouw vormt Bij openbare ver- 
loving, ook manowa genaamd, komt de jonkman, nadat zijne bloedverwanten het 
aanzoek gedaan hebben, in de woning van het meisje zich vestigen, leeft op bedekte 
wijze met haar als echtgenoot en helpt haar ouders in hun dagelijksch werk. Ook 
moet hij een gedeelte van de opbrengst zijner dusun of andere inkomsten aan de 
ouders zijner aanstaande afstaan. Hij mag echter niet met zijne aanstaande schoon- 
ouders of vrouw eten, mag de vrouw in tegenwoordigheid der schoonouders niet 
aanspreken, en moet bij het tijdelijk verlaten der woning kennisgeven, werwaarts hij 
zich begeven wil. Deze positie kan jaren duren, en de verwekte kinderen volgen de 



68 AMBON EK DE UUASK. 

moeder of blijven in hare familie. Eene andere wijze van verloving in het openbaar 
is, dat de jonkman een- of tweemalen des weeks het meisje bezoekt, totdat de tijd 
voor 't huwelijk wordt vastgesteld. Deze verloving staat ook in verband tot het betalen 
van den bruidschat, auriria. Is deze nog niet geheel aangezuiverd, dan hebben de ouders 
der vrouw het recht haar niet wettig te doen huwen, omdat na het huwelijk de 
vrouw den man volgt, mahina hasui malona. In vroegeren tijd bestond de bruidschat 
uit. eene gong, een koperen muziekbekken, ahuu of toar, een patola-sarong, sariha 
patola, een gouden slang, halawanija, een ouden schotel, pinahatu, en tien stuks wit 
lijnwaad. Thans is de bruidschat niet zoo groot meer, doch mogen de halawanija en 
pinahatu niet ontbreken. Als tegengeschenk geven de ouders van het meisje terug 
een tatumbu of ruselaan, zijnde een kist van saguribben, inhoudende zwarte lijn- 
waden, zwarte kleedingstukken, gouden en zilveren armbanden en ringen, zoomede 
uti-uti-sarongs. De bloedverwanten van het meisje zijn evenzeer verplicht eene gelijke 
gift te doen. Daarenboven moeten de ouders der vrouw het benoodigde huisraad, 
meubelen, potten en pannen, matten etc. geven. Wanneer de vader bemiddeld is, 
geeft hij hen nog een tjengke- , kalapa- of sagudusun , die den naam van umel lolupeü 
krijgt Sterft de man vóórdat de bruidschat aangezuiverd is, dan is de vrouw geene 
mahina haru of weduwe. 

Heeft de jonkman de woning der ouders van zijne aanstaande vrouw niet betrok- 
ken, dan heeft het huwelijk, pasapouu, spoediger plaats. Op den bepaalden dag 
worden door de bloedverwanten en vrienden allerlei geschenken, als: kleederen, 
huisraad, dranken en spijzen ten behoeve der verloofden gezonden, die aladan van 
hun voorgenomen huwelijk bij den Europeeschen ambtenaar aangifte doen. In andere 
negariën wordt voor de bedoelde aangifte het huwelijk op 'slands wijze gesloten. 
Nadat door de ouders der vrouw toestemming is verleend, komen de bloedverwanten 
van den jonkman, om haar volgens vroegere afspraak naar het huis van laatstgenoemde 
te begeleiden. Onder het drinken en feestvieren maakt het meisje zich gereed, met 
zich voerende een volle sirihdoos, eenige ringen, een blauwe badju en een uti-uti- 
sarong. Vóór het verlaten van het huis vermaant haar de vader of een der oudste 
bloedverwanten, dat zij zich behoorlijk moet gedragen, haren man en hare schoon- 
ouders liefhebben, het huishouden en de kinderen verzorgen, en wat dies meer zij. 
Hare bloedverwanten geleiden haar een eindweegs naar de woning van den jonkman. 
Diens bloedverwanten ontvangen en voeren haar in het voor het doel bestemd ver- 
trek, dat een feestelijk aanzien heeft. Alle familieleden van den jonkman zijn hier 
verzameld, behalve zijne zwagers, aan wie het poso is de aanstaande vrouw 
te zien. Vóór het bruidsvertrek worden eenige matten uitgespreid en een dulang of 
houten bak met eetwaren nedergezet. De oudste der vrouwelijke bloedverwanten 
laat de verloofde vóór de deur van het vertrek zitten en neemt van alle spijzen een 



AMBON EN DE ULIASE. 69 

weinig bijeen, dat zij verder in haren mond steekt, zeggende: tot nogtoe waart gij 
een vreemdelinge, thans behoort gij tot ons bloed; wees niet verlegen, doe alles 
gelijk gij in uw eigen huis doen zult. Daarop verdeelt het meisje de medegebrachte 
ringen onder de naaste verwanten en geeft de uti-uti sarong en bad^u aan de moeder 
van den jonkman of aan de oudste bloedverwanten. Bij deze plechtigheid, pamui ge- 
naamd, mogen de mannen niet tegenwoordig zijn. Zij laat hare sirihdoos rondgaan, 
terwijl er toebereidselen voor het feest gemaakt worden, waarbij gegeten en gedron- 
ken, gedanst en gezongen wordt Tegen middernacht verwijderen zich de jong- 
gehuwden, terwijl het feest tot den morgen duurt Eenigen tijd daarna gaat de 
jonkman in het huis zijner schoonouders de pamui of toediening van spijzen bijwonen, 
als teeken dat men in de famiüe is ingeüjfd, en waarbij alleen de mannen tegen- 
woordig mogen zijn. Na deze plechtigheid wordt de vermelde aangifte gedaan, 
waarop eenige weken later het huwelijk door den Christengeestelijke wordt ge- 
sloten. Op dezen dag worden eveneens feesten gevierd en zijn de peetouders en 
verdere bloedverwanten, aan wie de bruid den dag te voren een stuk wit lijnwaad 
had gebracht, verplicht voor eetwaren, dranken en gebak te zorgen. Het huis wordt 
versierd en met groen behangen. Dit feest duurt verscheidene dagen. Enkele 
personen, die zich hooger dan de anderen wanen en niet zoozeer meer op de oude 
gebruiken letten, beschouwen de plechtigheid in de kerk als de eenige wijze van 
huwelijkssluiting. De familieleden en vrienden brengen allerlei geschenken voor de 
jonggehuwden mede. Tegen middernacht worden zij in een versierd vertrek binnen- 
geleid, en den volgenden morgen komen de bloedverwanten van beide partijen bijeen 
om het teeken van virginiteit te constateeren. Consanguine huwelijken zijn poso, 
verboden. 

Volgens de ouden van dagen is het schaken, engkei of lao mahina, de primitieve 
vorm van huwelijk op deze eilanden, doordien in vroegeren tijd tal van kleine 
stammen, soa of uku, die elkander vijandig tegenover stonden, deze eilanden be- 
woonden. Door schaking van vrouwen, daartoe door de bloedverwanten aangemoedigd, 
tracht men tevens de soa te vergrooten. Thans geschiedt zulks met het doel óf om 
minder uitgaven bij het huwelijk te doen, óf om de betrokken ouders tot een 
huwelijk te dwingen. Als de tijd tot vluchten bepaald is, geeft de jonkman aan het 
meisje een stuk wit lijnwaad en een flesch arak, om deze op hare slaappaats te 
leggen, terwijl hij een stuk wit lijnwaad aan het afhangend dak der baileu vast- 
maakt uls eene gave aan de negari, wanneer hij als vreemde eene vrouw van daar 
wegvoert. De schaking geschiedt gewoonlijk des nachts of tegen den morgen. Het 
witte lijnwaad moet den ouders eene vergoeding zijn voor de aan hunne dochter 
gegevene kleeding en voeding, de arak om de moedermelk te restitueeren. Het 
mei^e wordt niet alleen door den jonkman, maar geholpen door diens bloedverwanten 



70 AMBON EN DE UUASE. 

gesohaaki Zoodra zij in het huis des jonkmans gekomen is , worden hare voeten door een 
der vrouwelijke bloedverwanten gewasschen, om het ouderlijk huis te doen vergeten. Deze 
bloedverwante krijgt als geschenk een schelpen of zilveren ring. Het meisje mag niet 
onder het dak harer aanstaande schoonouders eten, vóórdat de zaak in quaestie 
geregeld is, terwijl zij nu en dan ook voor den vorm door eenige vrouwelijke bloed- 
verwanten bewaakt wordt, om niet in aanraking met den jonkman te komen. Den 
volgenden dag begeven zich de bloedverwanten of vrienden van den jonkman als 
woordvoerders naar de ouders van het meiq'e, medebrengende twee stukken wit 
lijnwaad en twee flesschen arak, om bij hen in optima forma vergifienis te vragen. 
Nemen deze de geschenken aan, dan is de toestemming tot het huwelijk gegeven; 
zoo niet, dan worden zij uitgescholden en uit de negari verjaagd, zoodat meer- 
malen bloedstorting daarbij plaats vindt. Geven de ouders van het meisje geene toe- 
stemming, dan gaat het huwelijk toch door, omdat dit afhangt van den wil der 
partijen en omdat het meisje door de schaking het eigendom van den jonkman is 
geworden. Tot dat einde wordt een feest gegeven, voorafgegaan door een maaltgd, 
waarbij alleen het geschaakte meisje en eenige vrouwelijke bloedverwanten mogen 
aanzitten. Deze maaltijd bestaat uit vijf schotels gedroogde visch, negen schotels 
rijst , zeven schotels droge sagukoeken en negen schotels gebak. In het midden der spijzen 
plaatst men een aarden pot, waarin de inhoud van achttien jonge kalapavruchten 
verzameld wordt. Vóór het tenmaaltijdgaan gaat de jonkvrouw sJle vrouwelijke familie- 
leden van den jonkman tegen den neus strijken of kussen en zet zich vervolgens 
op de aangewezen plaats aan den disch neder. De jonkman is verplicht achter haar te 
staan. Een der oudste bloedverwanten geeft alsdan aan de verzamelde feestgenooten 
te kennen, dat het huwelijk tusschen N. en N. zal gesloten worden en vermaant dezen 
als getrouwe echtgenooten zich te gedragen, de oude gewoonten te volgen en de 
familie geen oneer aan te doen. Daarop neemt de vrouw, die rechts van de jonk- 
vrouw zit, van elke soort spijs eene bete en doet deze in haren mond, ten bewijze 
dat zij tot de familie van den jonkman behoort Daarna wordt op de trom, tihalo, 
en gong, ahuu, geslagen, gedanst, wahi, en oude en nieuwe pantons gezongen, in de 
taal des lands zoowel als in het Maleisch. Dit gezang is gewoonlijk geïmproviseerd. 
Op den bepaalden tijd zonderen de jongelieden zich in hun vertrek af, terwgl de 
genoodigden tot den volgenden dag feestvieren. Eenigen tijd na dit huwelijk begeven 
zij zich naar de ouders van het meisje, om opnieuw vergifiFenis te vragen. Worden 
zij niet ontvangen, dan herhalen ze zulks op den laatsten avond des jaars, daar het 
gebruik bij de Christenen medebrengt, om op dien dag alles te vergeven en te ver- 
geten. Deze toestemming ontvangen hebbende, gaan zij op een nu te bepalen tijd bij 
den ambtenaar, die daarmede belast is, om aangifte van het voorgenomen huwelijk 
te doen en daarna dit in de kerk door den Christengeestelijke te doen sluiten. 
Zijn de ouders der vrouw daarentegen onverzettelijk in hun voornemen en dienen 







3 



AHBON EN DE UUASE. 71 

zg van de schaking dadelijk aw het betrokken negarihoofd eene klacht in, dan moet 
de jonkvrouw teruggegeven worden. Hierdoor ontstaan meestal de grootste twisten. 
Wordt het meisje intusschen voor de tweede maal geschaakt, dan berusten de ouders 
er in en stellen den jonkman weldra in staat aan de pamui-plechtigheid deel te 
nemen. In vroegeren tijd droeg het meisje gedurende de pamui-plechtigheid een 
blauwe badju, lapun, een uti-uti sarong of tapil muri, zwart koralen armbanden, 
hiu meta, oorhangers, amurang, hoornen haarpennen, epung meta, en een uti-uti 
sarong als salendang of omslagdoek. De jonkman kleedde zich in een badju, lapun, 
een hoofddoek, nahu-nahu, een broek, kata, van gekleurd lijnwaad. De kleeding der 
vrouw wordt eerst met bloemen tjampaka, kananga en van den Citrus hystrix ge- 
tooid, opdat zij een aangenamen geur verspreide. In 't huwelijk, matnmonium justum, 
verwekte kinderen heeten ana kawan, buiten huwelijk, of matrimonixmi injustum, 
ana deusu akaruan. 

Echtscheiding, pasama, had eerst plaats, toen het verboden werd dat de over- 
spelers door den man of de vrouw, die hen in flagranti betrapte, onmiddellijk gedood 
werden, en geschiedde later nog wegens overspel, voortdurende oneenigheid, mishandeling 
als anderszins. De zaak werd alsdan voor het betrokken hoofd gebracht, die de echt- 
scheiding uitsprak, de goederen verdeelde en den man bij mishandeling gelastte de 
van de ouders en bloedverwanten ontvangen contra-geschenken terug te geven en de 
huwel^ksonkosten te betalen. Voor de voldoening daarvan werden zijne bloedverwanten 
tevens aansprakelijk gesteld. Thans heeft echtscheiding der inlandsche Christenen 
plaats bij vonnis van den Landraad, een inlandsche rechtbank door een Europeesch 
rechtsgeleerde voorgezeten. 

Het huwelijk onder de Mohamedanen, zoomede echtscheiding, wordt volgens de 
islaamsche gebruiken gesloten en uitgesproken. Wat hierboven omtrent het huwe- 
lijk onder de Christenen en ten aanzien van de lao mahina gezegd is, is tevens op 
hen van toepassing, dewijl in het hardnekkig vasthouden en het opvolgen van oude 
gebruiken de Mohamedanen niet voor de Christenen onderdoen. Het vrij en onge- 
bonden geslachtsverkeer bestaat bij hen m hoogere mate. 

Het is een eerste vereischte voor de zwangere vrouw, pahiapung of matiana, om 
veel te baden en haar lichaam twee malen des daags met fijngestampte pinen- en 
warearbladeren te bestrijken. Heeft zij de pica, kriu of olol, dan mag zij alles, bijv. 
zure onrijpe vruchten, gebrande klei, of stukken van gebroken aarden potten en pannen 
nuttigen. Zij mag in sommige negariën niet als getuige optreden. Het is haar ver- 
boden, poso, op den rug te slapen, sterken drank te drinken, pinang- of pisangvruchten 
te eten, die aan elkander gegroeid zijn, opdat zg geene tweelingen krijge. Zij mag 



72 AMBON EN DE UUASE. 

des avonds niet langs graven gaan, opdat de sawang of ninin, schaduw van de 
nitu, niet in haar vare, geene zware vrachten dragen, geene blinden of kreupelen be- 
spotten, niet met haar rug tegen een aarden pot gekeerd zitten, opdat het kind 
niet zwart worde, niet in den regen loopen, niet te veel eten, opdat het kind niet 
gulzig worde, een lepralijder of lieden met booze zweren niet achter haren rug laten 
voorbijgaan, niet op riffen visschen, opdat het kind niet scheel worde, doordien de 
moeder hare oogen links en rechts moet wenden; zij moet op bepaalde plaatsen 
eten en, het huis verlatende, altijd een mes met zich voeren om de nita van 
zich verwijderd te houden; zijj mag geene ontmoeting met apen of slangen hebben, 
geen rauw vleesch snijden, niet voor de deur zitten eten, opdat het kind geen 
hazenlip krijge, en niets heimelijk verbergen, opdat het kind niet diefachtig worde. 
De echtgenoot der vrouw mag niet in den maneschijn urineeren, opdat zij geene zware 
bevalling krijge, doordien de man, zijn schaamdeel voor de maan ontbloot hebbende, 
de aldaar aanwezige vrouwen heeft beleedigd. Is de onderbuik der zwangere groot 
of kan zij onder het loopen haar rechterbeen moeilijk opheffen, dan krijgt zij eene 
dochter; de bovenbuik groot zijnde of haar linkerbeen kwalijk kunnende bewegen, dan 
krijgt zij een zoon. Vóór de bevalling, kaliu of laiana, moet zij met eene oude vrouw 
afspreken haar te komen bijstaan, en voordat de dolores ad partum beginnen het 
sap drinken van de uitgeperste rauwe bladeren der Hibiscus elatus en Hibiscus 
rosa sinensis, zoomede gewijd water, waarover een deskundige het gebed aan den 
nitu heeft uitgesproken, luidende: ckokiri kodemaan, koruhuan kokuhu, sigalamasar 
rien dukura, depa manisa manisa heri mowana naubabang, kuijan meking meking,» 
d. L Laat de kanari-vrucht vallen, laat de ziekte uit het lichaam verdwijnen, alle 
ziekten wegvloeien, opdat het lichaam mijner dochter gezond blijve, opdat haar 
lichaam verlicht worde. Andere vrouwen drinken een infiisodecoct van Carica papayar of 
Dendrolobium cephalotes-bladeren. Vervolgens gaat zij, nadat de deuren, kisten en 
manden opengemaakt en de lieden, die voor de deur zitten, verwijderd zijn, met de 
beenen wijd van elkander op een stuk hout, ai sasalu, zitten, of liever hurken met 
de hielen tegen de clunes, ten einde het perinaeum niet te scheuren, waarvoor 
trouwens een der helpende vrouwen moet waken. De vroedvrouw plaatst zich vóór haar, 
terwijl eene andere oude vrouw haar, haren rug wrijvende, steunt. Om den partus 
gemakkelijk te maken, worden op de hurkplaats der vrouw oude kleedingstukken van 
haren man gelegd, opdat het kind, de transspiratie van den vader bemerkende, 
spoediger naar buiten trede. Ook worden er, in oud katoen of linnen gewikkeld, 
warme steenen tegen den onderbuik gehouden. Voorts nog de rug en de lendenen 
gemasseerd. Om barensweeën op te wekken, drinkt men het sap van de jonge 
Capsicum-annuumbladeren. Het haar der vrouw wordt ook wel in den mond gestoken, 
om neiging tot braken te veroorzaken. Dit gebeurt echter zelden, omdat de partus 
zeer spoedig en gemakkelijk afloopt Het kraamvertrek mogen geene mannen 



AMBON EN DE UUASE. 73 

binnengaan, daar dit de geboorte belemmert; de broeder van de echtgenoote of 
zwager der vrouw mag zelfs het huis niet betreden. Overigens gaan de huiselijke 
zaken als naar gewoonte. Na den afloop der bevalling wordt, terwijl zij in dezelfde 
positie zitten blijft, onder de partes genitales der moeder een aarden pot met azijn, 
waarin drie heete steenen geworpen worden, geplaatst als haemostaticum, zoomede om 
de aangedane deelen der vulva door warme dampen te verzachten. Deze behandeling 
duurt vijftien dagen achtereen. Om prolapsus uteri te voorkomen , wordt terstond na 
den partus door massage de uterus, zoo het heet, op zijne plaats gesteld en de 
onderbuik met een band stevig gebonden. Om de vagina te reinigen of, gelijk men 
zegt, te doen samentrekken, gebruikt men later het water van gekookte Ghavica 
beüe-, Sygyzium Jambolanum- of Psidium guajavabladeren. Het kind wordt door de 
vroedvrouw op een mat, aein snipir, in ontvangst genomen en ter zijde gelegd om 
den vader te waarschuwen, die binnentredende als erkenning zegt: «meide kana de 
nau ana,> d. i. Ziehier, het is mijn kind, of: waar is mijn kind? Aan het pasge- 
boren kind wordt terstond toegediend het sap van de bladeren der Momordica cha- 
rantia, ook wel van den Abrus praecatorius. De navelstreng wordt alsdan met 
ananasgaren vastgebonden en daarna met een scherpe bambu, tinan, talinat of tinat, 
afgesneden. Wanneer de metrorrhagie niet spoedig ophoudt, dan is dit voor den 
echtgenoot een bewijs, dat zijne vrouw overspel gepleegd heeft. Overigens duurt de 
kraamzuivering slechts enkele dagen. Daarna krijgt het kind een naam. De vrouwelijke 
bloedverwanten nemen het kind tot dat einde op en plaatsen het met zijnen mond 
tegen de tepels der moederborst; de vader roept bijv.: «Soupeta», zuig; doet het 
kind zulks, dan behoudt hij den naam Soupeta, zoo niet, dan worden andere namen 
genoemd, totdat het kind door het zuigen bevestigt, dat hij den naam aanneemt Het 
kind wordt gewoonlijk in lauw water, met kalapawater vermengd, gebaad, gelijktijdig 
met de placenta lahaa of lahato, vervolgens met fijngemaakte kalapanoot, Gurcuma 
longa-wortelen, jonge Gitrus hystrix- en pisangbladeren bestreken, den buik om- 
wikkeld en het hoofd, waarop men een jonge waru, Hibiscus elatusblad, met fijnge- 
stampt notemuskaat als cataplasma legt, goed dichtgehouden en voor het vuur 
gelegd, om vrij te zijn van de invloeden der booze geesten. In den bak met water 
moet men één tot vijf gulden voor de vroedvrouw en twee tot vier centen voor de 
kerk nederleggen. Daarop worden er drie tot vijf kinderen in het kraamvertrek 
genoodigd en op droge sagu, visch en kanaripitten onthaald. Deze kinderen mogen 
geen water drinken, maar moeten een teug arak krijgen. De placenta gereinigd zijnde, 
wordt deze in wit lijnwaad of boomschors gewikkeld en, in een aarden pot of 
kalapadop met drie gaten gelegd, begraven. Op de plek plaatst men zeven damar- 
toortsen, welke zeven nachten achtereen aangestoken worden, terwijl de aansteekster 
bloemen over de plek strooit. In vele negariën wordt de placenta echter in zee ge- 
worpen. Degene die met dit werk belast is, mag rechts noch links zien; zijn doel 



74 AHBON EN DE ÜUASB. 

volgende, moet hij rechtuit loopen en roeien. Ook mag hij met niemand spreken. Drijft 
de placenta op het water, dan moet hij dit aan den echtgenoot mededeelen, omdat dit 
ook een bewijs is, dat diens vrouw haar man ontrouw is geweest. Op den navel wordt by 
wijze van styptica kalk en azijn, ook wel een cataplasma van Gurcuma longa en 
notemuskaat gelegd. Het daarna afgevallen stuk wordt in lijnwaad gewikkeld en 
in een kist bewaard. Van den tweeden tot den vijfden dag moet de moeder tevens 
een aftreksel van de fijngesneden ai kokohuaar- en hihinbladeren drinken, om de on- 
reine stoffen niet naar het hoofd te doen stijgen en koorts te veroorzaken. Andere 
vrouwen gaan boven een vuur liggen, om koortsen te voorkomen en de booze geesten 
verwijderd te houden. De borsten worden met de hand gekneed tot op den vqfden 
dag, wanneer de moeder het kind mag zuigen. Na zich gereinigd te hebben, mag de 
vrouw de gewone bezigheden weder verrichten. Vele vrouwen bevallen echter in de 
bosschen of aan den oever der zee zonder eenige hulp. Heeft het kind bij de ge- 
boorte bloedvlekken op het aangezicht, dan wordt het een goed jager; op den schou- 
der, een goed lastdrs^er; op de knieën, een goed looper, en in de hand, een goed 
vechter. Het lichaam van het kind wordt gedurende een maand door eene deskundige 
oude vrouw gekneed, kouu urui, massage of frictie, de neus geknepen en omhoog 
getrokken, terwijl aan het hoofd een goede, ronde vorm wordt gegeven. Het kind 
krijgt eiken dag tweemalen het sap der Momordica charantiabladeren in den mond, 
om dezen rein te houden. Zoo mogelijk, wordt het Uchaam drie maanden achtereen 
met olie en Gurcuma longa bestreken. Na de bevalling komen de vrouwelijke bloed- 
verwanten het kind bezoeken, lijnwaad, geld en eetwaren ten geschenke mede- 
brengende. Den vijftienden dag geeft de vroedvrouw het kind fijngekauwde, gekookte 
eidooier en pisang te eten. Vóórdat het lapia of sagupap eet, snijdt de vader een 
vlok haar, zeggende: «ik snijd een vlok haar af; gij hebt een saguboom, gij behoeft 
niet te weigeren sagu te eten,» en begraaft vervolgens het haar onder een saguboom. 
De overgeblevene sagupap, die door het kind niet wordt gegeten, mag men niet 
aan honden geven, opdat het kind geen overlast van eructatie krijge. Het is de 
zogende moeder verboden koude spijzen te nuttigen ; zoo ook vruchten , of wel moeskruiden 
in kalapamelk gekookt, voorts geen ubis of patatas, in één woord: alle aardvruchten, 
omdat deze inflammatorisch werken. Gedurende twee maanden mag zij tevens het 
huis niet verlaten. Kinderen met helmen, warhoangof saruno, geboren, worden geacht 
gelukkig te zijn. Zij zijn scherp van gezicht, matai kowaele, en kunnen de nitu en 
booze geesten zien. Het helmvlies wordt onder den hals opengemaakt, vervolgens ge- 
droogd en bewaard, om, wanneer het kind ziek mocht worden, dat in water te 
weeken en dit laatste het kind dan te doen drinken. Om te voorkomen dat het kind de 
nitu zie, wordt in sommige negariën de helm, gedroogd en tot poeder gemalen, het 
kind met lapia vermengd te eten gegeven. Tweelingen komen ook voor, wanneer de 
moeder, geUjk men beweert, tijdens de zwangerschap op haar rug heeft gelegen. 




Blz.74. 



AHBON EN DE ULIASS. 75 

Zg worden niet begeerd. Wanneer de ouders van tweelingen een sterfhuis bezocht 
hebben, moeten zij, in hunne woning teragkeerende, eerst de handen wasschen en zich 
verschoonen, voordat zij de kinderen dragen mogen. De kinderen worden anderhalf 
jaar gezoogd en mogen gedurende dien tijd niet alleen gelaten worden, opdat de 
nita of sawang daarvan hen niet bevange. Geene kinderen krijgende, moeten de 
ouders medicamenten innemen, of op zekere voorgeschrevene wijze zich baden. 
Anderen gaan op den heiligen steen een damar met sirih-pinang offeren, om 
daarna in de kerk te bidden; daarentegen maken vele vrouwen van abortiva 
gebruik om de vrucht af te drijven, ana manahuro. Blanke kinderen zijn zeer 
gewild. Albinos zijn lieden, wier moeder, in het bosch slapende, door een vallende 
ster werd bezwangerd. Wanneer de ouders vele kinderen verliezen, geven zij de andere 
na de geboorte aan hun bloedverwanten ter verzorging. Groeit een kind niet flink op, 
leert het niet spoedig loopen of heeft het overlast van de tanden, dan geven de 
ouders een maaltijd aan de kinderen uit de negari, die verplicht zijn bij die ge- 
legenheid ieder twee centen aan het sukkelende kind ten geschenke te geven. Dit 
bedrag wordt door den vader op de tampat pamali of peti derma, offerkist, in de 
kerk nedergelegd. Wanneer de eerste tanden uitvallen, moeten de kinderen deze op 
het dak werpen, zeggende: «ai mete usu en kuduman laring dee hiha kei makir,» 
d. L Neem den tand, op het dak geworpen, als aandeel van de muis, en geef mij er 
betere voor in de plaats. Misvormde kinderen komen weinig voor. Zij worden echter 
goed verzorgd. Kinderen in het huwelijk geboren volgen den vader, de overige de 
moeder. 

Vroeger bestond algemeen de gewoonte om het lichaam te tatueeren, kolomiit. 
Na de invoering van den islaam is dit gebruik afgeschaft Tusschen het vierde en 
zesde jaar worden de oorlellen der meisjes met een naald, rusu, en draad, aha, 
doorstoken, aan elk oor ééne opening, om oorknoppen te kunnen dragen. De wond 
wordt met uninu, sap van de Gurcuma longa, bestreken, en mag nimmer met water 
worden bevochtigd. Zoolang de wonden nog niet genezen zijn, mag het meisje geen 
kanari of kalapa, maar droge sagu en visch nuttigen. Het vijlen der tanden, 
kosanikim of metehelu, behoort bij de meisjes vóór de intreding der menses, tapil 
deenteu of kupu huran, te geschieden, om geen lepra te krijgen. Het doel is, 
alle oneffenheden der tanden weg te nemen. Vóór het vijlen moet men paaputi ana- 
hosar of wortel van den sagu een nacht in den mond houden of kort vooraf droge 
rijst kauwen. De meisjes worden tijdens de bewerking met den hau ilar of hatu 
sasau, slijpsteen, op een bank van bambu, de jongens op een mat op den grond 
gelegd. Na den afloop worden de tanden met heet gemaakte kanarischillen gewreven 
en aan de verzamelde bloedverwanten en vrienden een gewoon feest gegeven, waarbij 
gezongen, badendang, en gedanst^ menari, wordt. Gedurende de bewerking mag de 



76 AMBON EN DE ÜUAJSE. 

minnaar of minnares niet in de nabijheid van het huis komen. Wanneer de mammae 
bij de meisjes in ontwikkeling komen, worden deze met warm gemaakte bambu- 
cjlinders herhaaldelijk gedrokt, om den groei te belemmeren. Aan kleme borsten 
geven de vrouwen de voorkeur. Bij de intreding der menses zijn de meisjes in sonmiige 
negariën ook verplicht te vasten, namelijk voor de eerste maal of maand twaalf 
dagen, voor de tweede acht, voor de derde zes, voor de vierde vier, voor de vijfde 
twee en voor de zesde maal één dag. Deze verrichting heet koma. Vóór het vasten 
moet het meisje baden en negen hua pui, Areca alba, met droge kalk en eene wilde 
sirihsoort kauwen, terwijl het speeksel ingeslikt behoort te worden. Haar vader 
spreekt haar alsdan toe: «mei an hua pui ku amu apar, ku haur arete, an 
hua hunu deedeha,» d. i. Kom, eet de witte pinang en de wUde sirih, met droge 
kalk, eet de pinang en ga vervolgens slapen; waarna zij zich ter ruste begeeft, 
na vooraf de sirih-pinang onder haar hoofdkussen gelegd te hebben. Den avond te 
voren gaat de moeder met twee stukken kopergeld buiten, legt deze op eene opene, 
doch eenzame plaats en bidt: «ala kahu risela deehaka, kulebe hanua, hau neat 
niijo turut maahurung, enemaan paamina lanit de koko supu manisa, lanito dee- 
kaan ursiwa, lanito deekaan urlima, sebab upu jama mata diandi nau lupiana ambole 
deemara ilan, diandi sou ambole marilan,» d. w. z. Groote God daarboven, die boven 
alles machtig zijt, van voorheen tot heden volgen wij den last (gewoonte), vroeger heb- 
ben de voorouders verklaard, dat de zon helder (üchl^evend) iö, het uitspansel heeft 
geregeld degenen die tot de siwa behooren, het uitspansel heeft geregeld degenen 
die tot de lima behooren; omdat de grootvader, de vader bevolen heeft, bevolen aan 
de kleinkinderen, zoo moet (het gebod) nageleefd worden, de mondelinge last mag 
niet verloren gaan. De twee centen worden bij de pinangpruim onder het hoofd- 
kussen gelegd. Na afloop der vasten gaat het meisje baden ; de sirihpruim wordt in 
het water geworpen en de twee centen op de peti derma in de kerk gelegd. De 
twee eerste dagen mag zij niets anders nuttigen dan vier jonge kalapa des daags en 
in den vervolge gekookte katjang, droge kalapa met sagu, en droge visch. Eerst 
na de zesde maand mag zij rijst, ganemobladeren, buidelratten-, vleermuizen-, var- 
kens- of hertenvleesch eten. Een en ander toebereid zynde, wordt het haar voor- 
gelegd, de ganemobladeren gekookt in negen bundels. De moeder neemt van dit 
laatste eerst vijf en daarna vier bundels, manipuleert daarmede boven haar hoofd 
en zegt: «seing, rua, eru, haa, diman, nena, hiu, waru, usiwa, dekoMri kodemaan, 
kohuan kokohu sigala masarüng dari hutu hitu, sirbara wohia, pusutema wohia, 
bua paa ohia, sawan lamuu ohia, sawan popokan ohia, sawan tounu ohia, sawan 
lamuri ohia, sawari lahaha ohia, sigala masarüng deekuru, depa manisanisa hen 
naowana marua naubadan kuiaan mikimiking,» d. w. z. een, twee, drie, vier, vijf, 
zes, zeven, acht, negen, links, rechts, deze gekookte bladeren zijn de middelen om 
zeventig ziekten te genezen, daardoor verdwijnt de sirbaraziekte, het negenoog, de 



AMBON EN DE UUASE. 77 

zwelling, de booze sawang, de verborgen sawang, de sawang der ziel, de sawang 
van het land, de sawang der zee, alle ziekte verdwijnt daarmede; behandel mijne 
jonge dochter goed, opdat mijn lichaam, mijn buik verlicht worde.» Daarop bestrijkt 
zij het lichaam van het meisje van boven naar beneden en werpt de bewuste blade- 
ren weg. Na deze handeling mï^ het meisje alle spijzen nuttigen. Tusschen het vijftiende 
en zestiende jaar worden de jongens in sommige negariën besneden, usee hutu, 
letterlijk: afgesneden. Na het haar van den pubes afgeschoren te hebben, wordt de 
jongen gebaad en daarna, op een pisangstam zittende, het uitgetrokken praeputium 
ineens afgesneden ; de wond wordt met loun naopai of koMngbladeren belegd en de 
penis tegen den buik vastgebonden. Zoolang de wond nog niet is genezen, mag de 
jongeling niets anders dan droge sagu-koeken en gedroogde visch gebruiken. Deze mutilatie 
heeft in het verborgen plaats. Evenals bij het tanden-vijlen, ontvangt de bewerker 
een geschenk van een gulden ongeveer. Onder de Mohamedanen geschiedt de besnij- 
denis van jongens en meiges met de noodige of liever voorgeschrevene plechtigheden. 

Ziekten, sele of selet, welke den dood ten gevolge hebben, ontstaan door invloeden van 
booze geesten, nita, door bewerking van de zijde der momurino of suwanggi, door 
verwaarloozing der nitu, het taha hasuisa mutuwana haleuta of niet nauwgezet 
opvolgen der voorvaderlijke mstellingen, door vervloekingen, kursahaam, wegens 
het vernielen , verkoopen of de niet behoorlijke bewaking der tanei tawawari , reliquieën 
of voorvaderlijke goederen, door sehing of vergiftiging, door invloeden der wawaa 
of matakau als anderszins. Vóór elke genezing behoort de maeki ai waari of genees- 
heer, tevens toovenaar, zijne palamai of gebed te doen en, door nau, mawe, te 
raadplegen, de oorzaak der ziekte op te sporen. Dit geschiedt door tusschenkomst 
van de nau haa bawa, het doorsnijden eener ui, de nau haa sehi, het doorsnijden 
van den gemberwortel, de nau waha wael, het wateronderzoek, eene soort hydro- 
mantie, en de nau osoo mura, het uitpersen van geraspte kalapa. De oorzaak 
gevonden zijnde, begint hij te handelen. De booze geesten maken de menschen ziek 
door patounu of katagoran, d. i. door het opvangen, vasthouden en verbergen van 
den sumangan of schaduw, ook wel ninin genaamd, van de tounu of tounu maha- 
hain, ziel van den levenden mensch, in tegenstelling van de tounu matalo, ziel 
van den doode, voordat deze nitu wordt, in bosschen of eenzame plaatsen. Men 
schrijft ook wel dit verschijnsel toe aan anino ahijai of kwaden wind. Dit is niet te 
verwonderen, omdat velen zelfs het verschil tusschen nitu, goede geesten, en nita, 
kwade geesten, niet meer kennen en alle goede en kwade geesten onder den alge- 
meenennaam van nitu brengen. Om den zieke te genezen, gaat de maeki of maalopee 
aiwaari des nachts naar de plaats in het bosch of elders, waar de persoon 
ziek is geworden, met een stuk vuur om den booze schrik aan te jagen, neemt ter 
plaatse een tak, onverschillig van welken boom, slaat daarmede links en rechts, als 



78 AHBOK EK DB TTUAdE. 

het ware om iets op te vangen, onder het roepen van den naam der zieke, en 
keert daarmede naar huis. Bg den zieke komende, slaat hij dezen met den 
tak, waarin de snmangan, naar verondersteld wordt, is gevaren, op het hoofd en 
lichaam, en brengt op die wijze de sumangan weder in het lichaam terug. De sawano 
of sawang is het fluidum, dat als het ware vormt de atmosfeer der nita of 
booze geesten niet alleen, maar ook van andere levende of als levend gedachte 
voorwerpen, die de sumangan, ook wel tounu, van den mensch, door daarmede in 
aanraking te komen, als het ware inficieert en bijgevolg een ziektetoestand veroor- 
zaakt De sawang verdeelt men in sawano ai hitai van lijken of van personen die 
op het punt staan van te sterven; in sawano buntiana, den dwaalgeest der gedurende 
den partus overledene vrouwen; in sawano rita van gurita. Octopus rugosus ; in sawano 
huwae van krokodillen; in sawano wael van water, en meer anderen. Het woord 
sawano beteekent aanhangsel, toegift. Bij de genezing moet getracht worden de 
sawano weder naar hare oorspronkelijke plaats terug te voeren. De sumangan of 
schaduw der tounu van den persoon heeft bij ongeluk of onwetend de sawano 
tot zich getrokken; derhalve moet deze zich verwijderen, wil de persoon weder gezond 
worden. Om den zieke te 'genezen, neemt de maeM of geneeskundige gewoonlijk een 
peperkorrel, drukt dien op verscheidene deelen van het lichaam des lijders, Hefet 
totdat deze het uitgilt van pijn, onder het uitspreken van smeekgebeden en ver- 
vloekingen, tracht op die wijze de sawano in den peperkorrel te doen varen, om 
dezen vervolgens in een bambukoker en op zekere plaats, natuurlijk door den aard 
der sawano bepaald, weg te werpen. Heeft men in zee de sawano rita, huwae of 
wael in zich gekregen, dan maakt men eene kleine prauw of vlot van gabagaba, 
plaatst daarop een witten schotel met kom en tien stukken zilver er in, voorts een stuk 
wit lijnwaad, een onbepaald aantal brandende kaarsen en een witten haan, en laat haar 
vervolgens ver in zee brengen en drijven. Vóór het wegbrengen moet men met den haan 
hetgeheele lichaam van den zieke bestrijken, opdat de sawano uit het lichaam vluchte. 
Door deze bewerking wordt de sawano geparalyseerd. In den bambukoker zijnde, kan 
hij zich niet vrij bewegen. Het is ook gebruikelijk, dat de zieke met fijngekauwde, 
prikkelende specerijen, als notemuskaat, kruidnagelen, gember etc. bespogen wordt, 
om den booze door prikkeling en beleediging te noodzaken zich te verwijderen. De 
ziekten, door nitu veroorzaakt, geneest men grootendeels met offers op den haubawa, 
haukamar warsela of hatu resi en door gebeden. In plaats van vóór den hatu resi, 
wordt het gebed ook in de kerk of mésdjid uitgesproken. Door vervloekingen, kursa- 
haam, kan men verdrinken, door wilde dieren gebeten worden of wonden krijgen. 
Daartegen moet de gevloekte persoon, tamata kupu kursahai, de contra-imprecatie, 
tubal, aanwenden, gepaard met offeranden, bestaande uit sirih-pmang, tabak, geld en 
gebed, of den vloek van kracht doen verminderen, paleu, een en ander echter door 
een deskundige te verrichten. Eene andere methode om zieken te genezen wordt 



AMBON m DB TTUAdE. 79 

tevens door den maeM ai waari gevolgd, door te trachten de smnangan van een 
ander gezond persoon in den zieke te voeren, wanneer hij overtuigd is, dat de su- 
mangan der zieke, door den booze weggevoerd, voor immer verloren is. Tot dat 
einde gaat hij des nachts uit, en, voor de woning van een negarigenoot komende, 
doet hij de vraag: wie is daar? Is men onvoorzichtig genoeg om daarop te antwoor- 
den, dan neemt hij een kluit aarde vóór de deur dier woning, waarin de sumangan 
door palamai is gevangen genomen, om haar onder het kussen van den zieke te leggen 
en door verdere handelingen in diens lichaam over te brengen. Daarna begeeft 
hij zich huiswaarts en schiet daar met twee geweren achter elkander twee schoten 
af, om de sumangan vrees aan te drijven dat zij in haar vorig lichaam terugkeere. Deze 
handeling heet sasohi en berust op de veronderstelling dat het roepen van iemand 
in den toestand van palamai voldoende is, om de sumangan uit het lichaam te 
trekken. Yergiftiging, sehing, heeft plaats door toediening van velerlei middelen, o. a. 
van den wortel der slingerplant, ahei, Strychnos sp.^ fijngemaakt in spijs en drank of 
met pinang vermengd, onder het uitspreken van het formulier: cpusu lata, lata pusu 
lata, bisa.» Dit middel veroorzaakt duizeligheid, braking en hevige buikpijnen. Wordt 
de patiënt spoedig in behandeling genomen, dan kan hij door toediening van santan, 
kalapamelk en zwarte suiker, genezen; zoo niet, dan is zijn dood onvermijdelijk. 
Ten gevolge van overtreding der wawaa- of matakau-voorschriften kan men de lepra, 
potar of potolo, en andere ziekten krijgen, zelfs krankzinnig worden. Het middel tegen 
wawaarin vloeden kan men alleen van den maker daarvan verkrijgen, zoo men tijdig 
er om vraagt. De potar blijft alsdan in de familie en wordt voortdurend geërfd, 
een geslacht overslaande. Om iemand krankzinnig te maken, laat men ook zijn naam, 
op een papier geschreven, of wel een figuur, dat hem moet voorstellen, in de tak- 
ken der hoogste boomen slingeren. Om iemand te doen uitteren, maakt men een 
gat in het hout, doet daar zijn naam op een stuk papier geschreven in en slaat 
het gat met een houten pen hermetisch dicht De genezing der beide laatste ge- 
vallen kan men alleen van den geneeskundige of toovenaar, of wel van de mau- 
weni erlangen. De kinderziekte, sele ai muat, wordt zeer gevreesd. Op het bericht 
daarvan legt de mauweni sasi of tapeka figuren tot tegenweer rondom* de negari en 
begraaft eveneens, op bepaalde plaatsen er om henen, toebereiden gemberwortel in 
stukken, als afwerend middel. Eomen de pokken in de negari, dan verlaat men haar, 
om een onbepaalden tijd in de bosschen door te brengen, ten einde de sawano 
d^rvan niet te krijgen. Worden in eene woning vele personen ziek, dan is deze een 
tahua wawana putut of rumah panas, een warm huis, dat met gewijd water moet 
worden besprenkeld. Om booze geesten, nita, uit een huis te verdrijven, brandt men 
een soort groene mos, de anin tain, nangka, Artocarpus integrifoUarlansap, Lansium 
domesticum- en tandjong, Mimusops elengi-bladeren met geraspte buffel- of herten- 
horens, en laat den rook overal door trekken. Het overgebleven water bij den doop ge- 



80 AUBOK EK DE ÜLIASE. 

bmikt, wordt tevens als geneeskrachtig of gewijd water bewaard. Om ziekten uit 
huizen verwijderd te houden, maakt men ook witte kruisen met kalk voor de deu- 
ren en ramen der woningen, een overblijfsel wellicht uit den tijd, toen de bevolking 
nog Katholiek was. Het lataisme, zijnde een diathesische toestand der zenuwen, 
waarbij door schrik de wilsuitingen worden verlamd en het subject, meestal 
oude vrouwen, zich geheel onderwerpt aan den wil van een ander en dien in alles 
nabootst, komt menigmaal voor. Deze vrouwen hebben, naar het volksgeloof t gewoon- 
lijk met booze geesten, nita of nita malona, vooraf in de bosschen vleeschelijke 
gemeenschap uitgeoefend. 

Sterft een kind terstond na de geboorte, dan wordt het met de placenta in een 
kist van hout of gabagaba, de eerste met houtskool uitwendig zwart gemaakt, op 
de algemeene begraafplaats zonder veel vertoon begraven en op het graf een heg 
van ai galihu, Codiaeum moluccanum, geplant. Bij het overlijden, saira mata, van 
volwassenen, wordt daarvan terstond aan de bloedverwanten kennis gegeven, die on- 
middellijk in het sterfhuis komen, medebrengende geld en eetwaren, olie, dranken 
en andere benoodigdheden. Des avonds wordt het huis behoorlijk verlicht en worden 
toebereidselen gemaakt, om de bloedverwanten en vrienden te ontvangen. Bij hun binnen- 
treden moeten de huisgenooten hoorbaar weenen en op huilenden toon mededeelen wat 
in de laatste dagen met den afgestorvene gebeurd is. Eenige bloedverwanten maken 
de lijkkist gereed, die van binnen met wit, van buiten met zwart Iqnwaad bekleed 
wordt Aan het vergaderde publiek wordt sirih-pinang en tabak uitgereikt, daarna 
gebak en dranken, waarna men den tijd met kaartspelen doorbrengt tot den volgen- 
den dag. De kinderen bewaken het lijk des nachts in het sterfvertrek. Den volgenden 
dag wordt hier gereed gezet een groote steenen pot met water, zoomede een schotel 
en kom, een kam en een mesje, het lijk gebaad — een man zijnde door mannen, 
eene vrouw door vrouwen — en vervolgens in een ander vertrek of in het midden 
der woning, eerst op een praalbed en later in de kist geplaatst Na het baden wordt 
het lijk met olie en citroensap bestreken, verder gekamd en gekleed in lange zwarte 
kabaja's met êvenkleurige broeken of sarongs. Het haar en de nagels worden, zoo 
noodig, ook afgesneden. In sommige negariën bestaat tevens de gewoonte, naar gelang 
van het vermogen en het aantal kinderen, gouden en zilveren voorwerpen, ook wel 
een ouden schotel, in de kist den doode mede te geven. De voorwerpen, die bij het 
baden gebezigd zijn, worden aan de meestbiedenden onder de bloedverwanten ver- 
kocht, ook wel aan degenen, die het lijk gebaad hebben, ten geschenke gegeven. 
Tegen den tijd van de begrafenis komen alle bloedverwanten en vrienden weder bijeen, 
met zich brengende geld tot een bedrag van één tot tien gulden, of één tot drie 
flesschen arak of jenever. Van dit geschenk wordt notitie genomen of aanteekening 
gehouden, om later bij overlijden van een hunner terug te kunnen geven. De begra- 



AMfiON EN DE ÜLIASE. 81 

fenisstoet wordt door den onderwijzer der negari, of den tuaagama, een kerkdienaar, 
geopend. Op het graf worden psalmen gezongen en gebeden. Ook gebeurt het dat het 
lijk onder psalmgezang, door dwarsfluiten van bambu geaccompagneerd, grafwaarts 
wordt gebracht Degenen, die eenig geschenk hebben gegeven, worden uitgenoodigd 
den avond in het sterfhuis te komen doorbrengen, alwaar gegeten en gedronken, 
gespeeld en gezongen wordt Den volgenden dag wordt het graf in orde gemaakt en 
van een heg van ai galihu voorzien. Op den derden nacht wordt alweder een feest 
gegeven ; het is de tijd , waarop de nitu of de afgescheiden ziel van den overledene 
het sterfhuis bezoekt en den nacht in het sterfvertrek, dat men tot dat einde in 
gereedheid gebracht heeft, doorbrengt In het vertrek worden sirih-pinang, tabak, 
dranken en gebak gereed gezet Den volgenden dag onderzoekt men nauwkeurig, of 
er kindervoetstappen waargenomen worden, in welk geval de nitu het verwacht be- 
zoek heeft gebracht Op den eerstvolgenden Zondag begeven de bloedverwanten, 
allen in het zwart gekleed, zich ter kerke, om zoo het heet den rouw te vertoonen, de 
naaste bloedverwanten in wijde, zwarte kabaja's. Dit rouwbetoon duurt een jaar. Voor- 
heen bestond het rouwteeken in het dragen van een witten schaamgordel en een witten 
band om het hoofd en duurde de rouw slechts veertig dagen. Op kerstdag bezoeken 
de bloedverwanten de graven, die vooraf gereinigd zijn, om daar bloemen te strooien. 
Onder de Mohamedanen worden de graven in de maand Saban gereinigd en worden 
er tevens sirih-pinang en spijzen geofferd. Anderen branden in stilte een damar, ter 
eere van de afgeston^enen, om ziekten en onheilen te voorkomen. Sterft eene vrouw 
gedurende den partus, dan wordt haar lijk op eene andere wijze behandeld, ten 
einde te voorkomen dat zij later als buntiana ronddwale, om mannen en zwangere 
vrouwen kwalijk te bejegenen. Na het lijk gewasschen te hebben, worden doorns van 
sagu, ook wel spelden, tusschen de ledematen van vingers en teenen gestoken, in 
de knieën, schouders en ellebogen, en, nadat men het gekleed heeft, onder de kin en de 
oksels kippen- of eendeneieren gelegd. In stede van het lijk verder met netwerk te bedekken, 
wordt thans een gedeelte van het haar buitenwaarts gebracht en het deksel op deze plaats 
goed vastgespijkerd. Het doel van een en ander is de vrouw in het graf te houden. Door de 
dorens en spelden kan zij, naar men meent, hare ledematen niet zóó goed bewegen, 
om uit de kist als een vogel weg te vliegen; evenzoo wordt dit door het vastge- 
spijkerd haar verhinderd. De vogelnatuur verkregen hebbende, zal zij ook ninmier 
de bij haar gelegde eieren verlaten. De begraafplaatsen zijn tegenwoordig buiten de 
negariën. Vroeger placht men overal te begraven. Onder de Mohamedanen, die op 
de hun voorgeschrevene wijze de dooden behandelen, worden enkele graven als 
heilig aangemerkt, werwaarts zij, wanneer de angst er toe dwingt, gaan om te offeren, 
te bidden en een damar aan te steken. Dit graf, dat behoorlijk onderhouden wordt, 
vervangt alsdan de batu pamali of hatu resi. 

6 



82 A^ÖN ÜK DË ULtASË. 

Bij overlijden van den huisvader krijgt de moeder de vrije beschikking over de 
roerende en onroerende goederen. Met hare toestemming kunnen echter de wapens, 
jacht- en vischgereedschappen, zoomede vaartuigen, al terstond onder de zonen wor- 
den verdeeld. Het aandeel der dochters, als huisraad, goud- en zilverwerken, blijft 
onder hare bewaring. De gehuwde zonen en dochters hebben geen recht meer op de 
nalatenschap, doch kunnen van de moeder vergunnmg krijgen, de opbrengst der dusuns 
of aanplantingen te genieten. Ongehuwde kinderen blijven bij de moeder. Na den dood 
der moeder treedt de oudste zoon in hare plaats op, doch alléén wanneer hij ge- 
durende het leven van den vader geene oneenigheden met dezen gehad heeft, in 
welk geval de jongere zoon in zijne plaats, ook als ulu lo datio, komt. Bij gebreke 
van zoons wordt de overgeblevene ongehuwde dochter erfgenaam. Na het over- 
lijden der ouders kunnen de ongehuwde kinderen de nalatenschap verdeelen, be- 
halve de ouderlijke woning, welke onverdeeld moet blijven. De verdeeling heeft voor 
alle kinderen gelijkelijk plaats. Geen kinderen meer aanwezig zijnde, hebben de gehuwde 
zoons of dochters, ofwel andere familieleden, recht op de nalatenschap, mits zij de 
begrafeniskosten hebben pp zich genomen. Sterven de ouders met achterlating van 
jonge kinderen, dan treedt een der bloedverwanten op, degene namelijk die de 
begrafenis geregeld heeft, om hen te verzorgen, met recht op het genot der in- 
komsten van de aanwezige dusuns. Volwassen zijnde, treedt de oudste zoon als 
ulu lo datio op, om zijn vader te vervangen. Als weduwen opnieuw huwen, komen al 
de bezittingen aan de kinderen, uitgezonderd hare kleeding en lichaamssieraden. 
Zijn er geene kinderen, dan vervallen zij aan den broeder van haren vorigen echt- 
genoot De erfenissen worden zonder eenige bemoeiing der hoofden of oudsten 
door de bloedverwanten onderling verdeeld. Alleen bij gerezen geschillen wordt 
hunne tusschenkomst ingeroepen, om deze inderminne te beslechten. Is de overleden 
vader een ulu lo datio, dan worden de datio of perkgronden, wanneer er geen vervanger 
is, onmiddellijk door de hoofden in beslag genomen en hebben de erfgenamen daarover 
geene vrije beschikking meer; eene handelwijze, die tot tal van klachten aanleiding geeft. 

De bevolking dezer eilanden is in hare leefwijze zeer matig. De voeding bestaat 
hoofdzakelijk uit xlroge sagukocken, lempeng, of pau, met kalapanoot of kanari- 
vrucht, ook wel uit sagupap, lapia of papeda. Wijders gebruikt men nog als voeding 
kura pisang, heri ubi, heripatukalo patatas, labu, inan of kaladi, halatatoii rijst, 
aenisin gekookte gajamvrucht, iiro katjang, kastela djagong, kasbi de Manihot uti- 
lissima, pete wilde ubi, suim Artocarpus incisa, hahu varkens, makelo buideldieren 
Cuscus maculata, madjangan herten, manuaman hoenders, karunu vleermuizen, meer 
speciaal de Reropus edulis, muma Megacephalon rubripes en andere vogel-, manu; 
voorts velerlei visch-, ijano waaronder de tjakalang Thijnnus pelamijs zoomede Dactijlop- 
terus orientalis en octopussoorten. Ook worden er vele patu, schelpdieren , krabben en 



AMBON EN DË ULIAidE. 6È 

kreeften genuttigd. Eenige dagen na de voUe maan van Maart en April, wordt jaarlijks de 
laor, Leptonereis cebuensis Gr., Lumbriconereis debilis Gr., Nereis camiquina Gr. en 
Heteronereis fusco-rubida Gr., in groote hoeveelheden verzameld en ingezouten. Deze zee- 
wormen worden door de bevolking als eene groote lekkernij beschouwd , evenals de larven 
van den grooten sagu kever. Voorheen werden de spijzen in bambugeledmgen , kotii 
amananu ute laloi, gekookt; tegenwoordig bezigt men daarvoor aarden, uren, of ijzeren 
potten en pannen. De kookplaats bestaat uit een vierkanten bak met aarde gevuld , waarop 
drie of meer steenen geplaatst zijn. Het gebruik van rijst is in de laatste jaren zeer 
toegenomen. Gewoonlijk wordt er viermalen daags gespijzigd, als awawai des 
morgens, alawata des middags, popoei des avonds en alamasaa des nachts. Vóór 
den maaltijd is men gewoon de handen te wasschen, ane pua rimam; geene 
schotels bij de hand hebbende, bijv. op de jacht, biedt men de spijzen op bladeren 
van den pisangboom aan. Als drank wordt overvloedig van kalapawater en sageroof 
wijn van den arengboom gebruik gemaakt. Sirih amu, pinang hua, en tabak zijn 
de eenige narcosis. Opium wordt alleen door vreemdelingen, Chineezen, Javanen, 
Mangkasaren en Bugis geschoven. Als surrogaat van pinang gebruikt men de lapia 
ohuti of jonge sagubladspruiten en de schors van den akanewaboom. Bij zwangere 
vrouwen komt de geophagie in den regel voor. De bevolking viert gaarne feesten, 
mahaen, waarbij gegeten en gedronken, gezongen en gedanst wordt, terwijl er op 
de ahuu, groote koperen bekkens, tihalo en tamboro, tronmien, tabuanai, kleine 
koperen bekkens, en rabana geslagen worden. Voor Europeesche dansmuziek bezigt 
men violen, klarinetten, fluiten en triangels, waarbij echter de trom niet mag wor- 
den vergeten. Het zoogenaamde tfakalele, keinuu of krijgsdans, wordt nog somwijlen 
onder begeleiding der tamboro uitgevoerd. Behalve de gewone spijzen, wordt bij 
feesten nog gebak rondgediend. Onder de feestdranken bekleeden de kolowater, ge- 
distilleerde sagero, likeuren, brandewijn, bier en andere wijnsoorten een eerste 
plaats. De vrouwen drinken bij voorkeur likeuren en brandewijn. Gedanst wordt op 
de Europeesche en de inlandsche wijze. Walsen, polka's en quadrilles vaUen zeer in den 
smaak der jongelieden, die deze onvermoeid een dag en nacht achtereen kunnen 
dansen. Onder het dansen met Europeanen is het gebruikelijk, dat de mannen door 
de vrouwen gekust worden en dat zij op hunne knieën komen zitten, een gebruik, 
dat door de Europeanen gelijktijdig met den jenever werd ingevoerd. Onder elkander 
op de Europeesche wijze dansende, hebben de inlanders niet de gewoonte elkander op dus- 
danige wijze in het publiek tegemoet te komen. Bij de badendang of mara tihalo wordt de 
lani maamara in de op deze eilanden gesproken Maleische taal als de «Ajodendang 
badendang», de «dendang dendang, dendang dendang tjerlele», de «nona dendang 
badendang, badendang ja nona», de «deri mana datang saulee en meer andere in 
duizenden coupletten voor de vuist gezongen. De wijzen zijn welluidend en schijnen 
eene inlandsche verwerking te zijn van Spaansche en Hoogduitsche melodieën. De meeste 



34 AMBbN tS t)t ÜLtASË. 

zijn zeer opgewekt en animeerend. De tihalo maamara-dans* is niet stijf of gedwon- 
gen. De meest gewone zijn: de mara tihalo, de dans van mannen en vrouwen, 
onder begeleiding der tihalo; de mara tabuanai, de dans van vrouwen, onder be- 
geleiding van een koperen bekken; de mara mahina malona, de dans van mannen 
en vrouwen, onder begeleiding van de tihalo, ahuu en tabuanai; de mara parisa, 
de dans der mannen, onder begeleiding van rabana en fluit of wutee hola, en de 
mara manuhuwai, de dans der mannen met haneveêren versierd , onder begeleiding der 
tamboro. De lievelingslani en mara der jongelieden zijn de toti en rutumele. In de taal 
des lands wordt de zoogenaamde legu-legu of kapata, zangen van Manipaschen en 
Huamualschen oorsprong, onder de mohamedaansche bevolking op zeer monotone wijze 
gezongen. Op Nusalao is de lani anakona e zeer en vogue. In bgeenkomsten wor- 
den ook raadselen, hote hoto, opgegeven, doch meestal in de Maleische taal, byv. 
een uit de vele: »tiga putri bermoio molo, masoqh dikota mendjadi satu, dahulu 
ada bergandong polo, habis djadi miskin pijatu, d. w. z. Drie prinsessen, ieder op 
zichzelf fijn gebouwd, treden een vesting binnen; zij omhelzen elkander en worden 
daarna arm en weggeworpen. De beteekenis daarvan is: de sirih, pinang en kalk, 
die in den mond, de vesting, gebracht worden, komen met elkander, door het kau- 
wen, in nauwe aanraking en worden, na uitgekauwd te zijn, weggeworpen. Bejaarde 
lieden spelen tevens dam en kaart, pahae topu, wat zij van vreemden geleerd heb- 
ben. Het zeer geliefkoosde spel der volwassenen is de rihi wua of het trekken aan 
den rotan, aan wiens eene uiteinde de mannen en aan het andere de vrouwen met 
krachtsinspanning trachten de overwinning te behalen. Dit spel heeft ook onder be- 
geleiding der tihalo plaats. De kinderen hebben een groot aantal spelen, pahae, 
waarbij de oefening des Uchaams op den voorgrond staat, als de töman börtëman, 
de kurung ajam, de djalan baminta djalan, de njai njai dae, de ning goro ning, 
de jang sekaU kantji, de brangko tjitji, de saina lagi tata, de djilo djilo, voorts, 
als overblijfsel van vroegere beschaving, de pahae porutu koini, het prauwenspel, de 
pahae uwe waleto, het nettenspel, het spelen met jalohuai, apion, sahato en 
husuro of kanaripitten, tollen, kalapadoppen en pijl en boog. Ook oefenen zij zich 
in het worstelen, panae mourin, namelijk de jongens alleen. 

Aardbevingen, isuro, schrijft men toe aan de beweging van den apalo irai, of het 
groote dier waarop de aarde rust, volgens beschrijving veel overeenkomst hebbende 
met den naka of draak; anderen beweren, dat het een gevolg is van den toom van 
grootmoeder aarde, of upu ina ume, over de boosheid, tamata sipuna sala, der 
menschen. De zon, lematai, is de tijdelijke rustplaats van den upu lanito, waar hij 
zich concentreert ter bevruchting der duniai of ume, aarde. De maan, hurano, is 
de verblij^laats der vrouwen, Haitii en Haerau, die, op een steen kanaripitten bre- 
kende, door upu lanito derwaarts werden overgebracht, in den tijd toen de maan 



AMBON EN DE ÜUASE. 85 

nog dicht bij de aarde was of een deel daarvan uitmaakte. De kanariboom werd 
tevens overgeplaatst De regenboog, lahakela, is de bedwinger van den regen, die 
oit de diepte der urne, aarde, komt, om hem in den lanito tegen te houden. 
Bij donder, uur, en bliksem, itaitalo, voert de upu lanito oorlog in de ruimte, waar 
de anin ontstaat, met de aldaar aanwezige booze geesten. De uur, die den strijd volein- 
digt, wordt als een bovennatuurlijk onzichtbaar monster aangemerkt. De uuro nikim, 
dondertanden , worden gedurende den strijd overal rondgeslingerd. De sterren, mari, 
zijn verbodsteekenen, sasi, door upu in den lanito geplaatst, om de zon en de 
maan voor aanvallen van de nita te beveiligen. De meeste sterrenbeelden hebben hare 
namen, als maritu, het zevengestemte, de marimatawa, de morgenster, en andere. 
De staartster lieet mari arui. De leamatai ohu, of zoneclips, is een teeken dat upu 
lanito zich aangenaam gevoelt Op dien dag moet men, om voordeel te behalen, 
een begin maken met vischnetten te breien; serohs of vischfuiken te maken; eerste 
materialen voor den huisbouw verzamelen, etc. De maaneclips, hurane ohu, is een 
teeken dat er veel visch in de nabijheid van het eiland zal komen. Het jaar wordt 
in twee deelen verdeeld, als: de kunu halat, droge tijd, en uran akeni, natte tijd; 
de tijd die er tusschen ligt heet kumpota, kentering. De vier windstreken zijn: 
timoro, oost; halato, west; makmalo, noord, en talaan, zuid. Voor de verdeeling van 
het jaar in maanden en weken volgen de christen en mohamedaansche inlanders 
de gewone christelijke en islaamsche tijdsverdeeling. 



DERDE HOOFDSTUK. 



HET EILAND SEHANG OF NUSAINA. 



Ligging* Oeographische beaohitlTing. Aantal eilanden. Fonnatie. Bergen. BoflBchen.Biyieren. 
Ankerplaatsen. Moerassen. Wegen. Klimaat Moeson. Bevolking ; aantal en yerspreiding. 
TaaL Traditie. Geschiedenis. Physische, intelleetaeele en moreele eigenschappen. Grond- 
eigendom. Bestuur. Standen. Familie. Straffen. Oorlog en Trede. Cultos. Godsdienst Boose 
geesten. BUgeloof. Toovertl. Droomen. Matne. Sed. Koppei^acht Negariën. Hoisbonw. 
Huisraad. Voorwerpen yan waarde. Voeding. Kleeding. Jacht, Tisscherg en yogelyangst 
Landbouw. NUverheid. Handel. Schulden, üaten en Gewichten. Telling. Vriendschaps- 
betrekkingen. Pehi. Onderling eerbetoon. Feesten. Zang. Dans. Spelen. Kinderspelen. 
Huweigk. Echtscheiding. Partns. Verminking yan 't lichaam. Pnberteitsplechtigheden. 
Kakihan. Mohone holine. Tatuage. Ziekte. Overigden. Teekenen van rouw. Erfenis. 
Kosmologische yoorstellingen. 



Het eiland Serang of Nusaina, moedereiland, ook wel Selano genaamd, het grootste 
der zoogenaamde Moluksche eilanden, eene oppervlakte beslaande van ongeveer 
driehonderd-en-vijftig vierkante geographische mijlen, ligt tusschen 127® 50' en 
131® Oosterlengte van Greenwich en tusschen 2® 46' en 3® 50' Zuiderbreedte. Tot 
het gebied van dit eiland kunnen gerangschikt worden: ten oosten de eilanden Keving, 
Madorong, Akat en Parang; ten noorden de eilanden Nusaolat, Nusanii, Nusawaai, 
Tjampeda, Nusahatele^ Sau, Lepi, Moola, Nusawaena en Saena; ten westen de 
eilanden Siri, Marsegu, Nusakau, Hati, Toati, Latuganei, Melauwa, Nusanitu en 
Okahaa, en ten zuiden de eilanden Babi, Kasa, Vekel en Gova. 

Dit eiland van secundaire formatie, met graniet, sijeniet, kwarts- en glimmer- 
porphier zoomede andere eruptief gesteenten; waarin tevens metalen als koper, 
ijzer en potlood, voorkomen, heeft op verscheidene plaatsen, bij voorbeeld in de 
bocht van Sawaai, een tertiair aanzien. Op de vlakte van Bobot, langs de hellingen 
van den berg Koboanam, alwaar de vorming palaeozoïsch is, vindt men bruinkool 
van weinig bitumengehalte, terwijl bij Bula en Niiv, twee rivieren aan de oostkust 
in de afdeeling Waru, naphta of aardoliebronnen aangetroflfen worde. De warme bron- 
nen zijn talrijk, de meest bekende zijn die van Bula, ten oosten van Hoti aan de oostkust, 
voorts bij Batutambaga, te Samahoa en Hatumetene in de bocht van Elpaputi. Van het 
westen naar het oosten strekt zich, ongeveer veertig geographische mijlen, de met zware 



XI. 




Blz.87. 



HET EILAND SERANG OF NÜSALN'A. 87 

bosschen en prachtige houtsoorten bedekte bergketen Lumuute met hare breede 
vertakkingen naar het noorden en zuiden lut Met uitzondering van de groote vlak- 
ten van Buata of Makariki, van Bobot, van Isal en Waiserisa, is het eiland zeer 
geaccidenteerd en van bergen doorsneden, waartusschen echter uitgestrekte uitste- 
kend vruchtbare dalgronden, alleszins voor den aanplant van alle tropische gewas- 
sen geschikt, worden aangetroffen. Behalve het centraal gebergte Lumuute, welks 
toppen verschillende namen dragen, verheffen zich de Mawete bij Saleeman, de 
Hoalo of Nusahuale, Menanggale, Mansela en andere bij Tululuti of Teluti, tot 
eene hoogte van tweeduizend tot tweeduizend-vijfhonderd meters. Verscheidene bergen heb- 
ben het aanzien van uitgebrande kraters. Een tal van rivieren doorsnijden het land, 
waarvan de voornaamste zijn op de oostkust: de Ga, Kilibarin, Patinisa en Bubi; 
op de noordkust de Bonggooi, Tarinate, Kobi, Siraputi, Isal, Mual, Waipootonaa, 
Besi, Sawaai, Era, Miaka, Lisabata, Mitihu, Manihime, Euhu, Sapalewa enMuri- 
naten; ten westen de Kawa en ten zuiden de Eti, Waiserisa, Waimala, Biwapa, 
Tala, Mala, Ruata, Tamilou, Awa, Teluti, Polim en Mesiwaan. Verscheidene dezer 
rivieren zijn slechts voor de prauwvaart geschikt. Het zoogenaamde eiland Keving, 
bij de kaap Kuamor of het zuid-oostelijk uiteinde van Serang gelegen, is een laag, 
van vele, slechts voor kleine vaartuigen geschikte, ondiepe zoutwaterkanalen door- 
sneden, uitgestrekt moeras met rhizophora-soorten begroeid, hetwelk bij eiken vloed 
onder water staat. Ankerplaatsen vindt men alleen aan de oostkust bij Waru of 
Kilibarin, Ga en Pulau Parang; aan de noordkust bij Wahaai, HatUing, Opin, 
Sawaai en Noniali; aan de westkust bij Kawa en aan de zuidkust bij Piru, Eti, 
Kairatu, Amahei, Tehoro, in de bocht van Teluti, Atiahu en Tobo. De reede van 
Wahaai, waar de schepen gemeerd kunnen liggen, wordt door aangroeiing der 
riffen in uitgestrektheid kleiner. De ankerplaatsen van Amahei en Waru verdienen 
boven alle de voorkeur. Van Werinama tot Kilimoi en verder van Kilibawar tot 
Hoti aan de noordkust loopen de bergen steil in zee uit, zoomede van Karlutu 
voorbij Tandjong Sial tot Amahei en verder tot Atiahu. Van Hoti tot Pasahari is 
de kust laag en moerassig. Tusschen Kilimoi en Kilibawar, zoomede tusschen Weri- 
nama en Atiahu, verder tusschen Djalahatani en Rumasosal worden tevens uitge- 
strekte marais langs de kust aangetroffen. Wegen bestaan er niet; slechts talrijke 
voetpaden, die de communicatie in de binnenlanden tusschen de noord- en de zuid- 
kust onderhouden. Dwars door het eiland loopen voetpaden van het zuiden naar 
het noorden, als van Eti naar Noniali, van Kairatu naar Kasie, van Hitalesia naar 
Marahunu, van Makariki en Sepa naar Pasanea, van Wolu naar Wahaai, van 
Atiahu naar Siraputi, van Tobo naar Kilibarin. Eene gebrekkige communicatie be- 
staat ook overland langs de meeste kustnegariên. Het klimaat is gezond en gematigd 
door de geregelde afwisseling van land- en zeewinden. In de bergstreken zijn de 
nachten zeer koel en heerscht groote temperatuurswisseling. De atmospheer is 



88 HET KILJLND SERANG OP NUSAIXA. 

overal vochtig. De zuid-oostmoeson, die van Mei tot September duurt, brengt den regen 
aan in het zuidelijk deel van Serang, terwijl op de noordkust droogte heerscht 
Daarentegen valt daar de regentijd in van November tot Maart In den zuid-oost- 
moeson valt veel meer regen, waardoor de zuidkust vochtiger en waterrijker is. 

Vóór de komst der Europeanen op Serang stonden de strandnegariên van dit 
eiland onder den staatkundigen invloed van Djailolo, volgens anderen Batjan, van 
Todore en Temate. De volgelingen van Temate, die het westelijk deel bewoonden, 
heetten uri, uli, of pata siwa; die van Todore en Djailolo, die zich in het noordel^'k 
en oostelijk gedeelte des eilands afzonderden, uri, uli of pata lima. Het woord uri 
of uli beteekent volgeling, eigenlijk achter; pata of hata stam, hoofdtak; patane 
gevolg. Ook spreekt men van hutusiwa en hutulima, zoomede van iana siwaeniana 
lima. Het woord hutu beteekent land, grondgebied, ana kind. De juiste grenzen 
dezer afscheiding kunnen thans niet meer worden opgegeven. Ofschoon de ulisiwa 
West-Serang bewonen, of het eiland, gelijk beweerd wordt, bewesten de rivieren 
Makina ten noorden en de Mala, die zich in de bocht van Elpaputi uitstort, ten 
zuiden, vindt men hen ook op het oostelijk gedeelte en in centraal Serang ver- 
spreid. De patasiwa-stam splitste zich in drie afdeelingen, als: patasiwa maselo, 
patasiwa mamali en patasiwa makuala. De patasiwa maselo of getatueerde patasiwa 
wordt m verband tot haren oorsprong naar den loop der rivieren Tala, Eti en 
Sapalewa, die uit den berg Lumuute ontspringen, alweder verdeeld in patasiwa 
Tala, met de negariën Sahulao, Mani, Pukulawoni, Ahilatu, Maaterisa, Samasum, 
Paulohi, Sanahu, Wasia, Rumaraat, Seriholo, Soumet, Watui, Huku, Hualooi, 
Tamulehu, Latu, Rumakai, Tihulale, Eamarian, Seruawan, Eairatu, Imahasoi, 
Lasabatai, Solebatai, XJruwau, Usahua, Nujabatai, Hunetu, Hatusua, Waisamu en 
Kaibobo; in patasiwa Eti met de negariën Eti, Tanunu, Sole, Nurukau,Murinaten, 
Piru en Kawa; en in patasiwa Sapalewa met de negariën Noniali,Lasahatai,Taniwel, 
Nakaela, Ihalisabata, Nimalehu, Lokohai, Asihia, Paunu, Sarimala, Easinauwa, 
Souwahuei, Patunulu, Rumahele, Rumapelu, Uwen of Huen, Hukusapalewa, Lohi, 
Riring, Tauke, Buria, Rumasoal, Rumasoalsaleki , Nurue en Koria, alle negariën 
ten westen van de rivieren Makina, om de noord, en Mala, om de zuid gelegen. 

Het aantal zielen bedroeg volgens de opneming na de reorganisatie van het be- 
stuur in 1882: 

Christen burgers: 
Afdeeling Wahaai 12 m. 4 vr. 16 totaal 

id. Amahei 25 » 18 » 43 » 

id. Kairatu 208 » 206 » 414 » = 473 



HBT EELAXD SEttANG OF NüSAINA 



89 



Afdeeling Wahaai 

Afdeeling Amahei 

id. Eairatu 



Mohamedaansche burgers. 

2 m. — vr. 2 totaal 

3 > 2 1 5 » 
187 1 154 » 341 * = 348 

Negarilieden. 
Sarane, Christenen: 
Afdeeling Amahei 3484 m. 3310 vr. 6794 totaal 

id. Kairatu 2211 » 2180 » 4391 » = 11.185 
Negarilieden. 
Salame, Mohamedanen : 
1034 m. 978 vr. 2012 totaal 
950 ^ 920 » 1870 > 
1349 » 1185 » 2534 » 
5079 » 4460 » 9539 * = 15.955 
Negarilieden. 
Wemale, Heidenen: 
2813 m. 2289 vr. 5102 totaal 
1758 » 1555 » 3313 » 
1661 > 1485 » 3146 » 
277 » 198 » 475 » = 12.036 
totaal' generaal 39.997 zielen, d. w. z. ongeveer honderd-en-vijftien zielen op een 
vierkante geographische mijl. 



Afdeeling Wahaai 
id. Amahei 
id. Eairatu 
id. Waru 



Afdeeling Wahaai 
id. Amahei 
id. Eairatu 
id. Waru 



Men vindt op Serang, als een gevolg van de herhaalde immigratie van vreemde 
stammen, vijf-en-dertig dialecten, als: die van Makuala,Noniali, Wemale, Niwetetu, 
Hatu, Hulun, Sawele, Pasinalu, Huen, Warasiwa, Loun, Lisela, Paa, Besi, Ha- 
tuwe of Hatulule, Pasahari, Eulur, Huamual, Eti, Souhuku, Djalahatani , Warakaa , 
Awaija, Sahulao, Paulohi, Wasia, Seriholo, Hualooi, Latu, Sepa, Onitetu, Haja, 
Atiahu, Sariputi, en Eilibawar. De meest gebezigde zijn die van Makuala, Pasi- 
nalu, Warasiwa en Eti. In de meeste negariën van Oost-Serang spreekt men het 
Gorongsch dialect. De Maleische taal wordt in de binnenlanden niet verstaan. Ea- 
rakters of cijferschrift worden niet aangetrofFen. 

Naar luid der traditiën, zijn de eerste bewoneren van Serang de pata ne Me- 
male, of stam der Memale genaamd, voortgesproten uit de Nunusake ni ulate, 
een grot in een berg, in het westelijk gelegen middengedeelte des eilands, op onge- 
veer een dag gaans van de tegenwoordige negari Manusamanue. Wuemale met zijne 
broeders en zusters, de bedoelde voorouders, kropen bereids volwassen, ofschoon in 
slappen toestand, muta, als akalukui, wormen, uit den grond, volgens anderen 
uit den nunuboom, Keus altimeraloo, Rxb., en werden door de koesterende warmte 



90 HET EILAND SERANG OF NUSAINA. 

der zon krachtiger. Sommigen beweren dat zij van het uitspansel, nanite, lanite, 
afkomstig waren, of liever uit de maan, toen deze nog dicht bij de aarde was, 
alwaar thans nog een groote nunuboom staat, en den berg, waar zij een tak 
van den nunuboom plantten, slechts gebezigd hadden als eerste trede om op Nusaina 
te komen. Een derde traditie zegt, dat zij met een vaartuig, pulutu of polutu, uit 
het Westen, balata, kwamen en bij Nunusake, dat als een geïsoleerd eiland stond, 
strandden. Ook maakt men gewag van de immigratie van zekeren Samalapu en zijne 
volgelingen, die uit het Westen kwamen, toen het eiland een grootere uitbreiding 
had gekregen. Deze voorouders, namelijk Wuemale met zijne broeders en zusters, 
en hunne eerste nakomelingen verspreidden zich later langs de rivieren Tala, Etien 
Sapalewa, die haren oorsprong in de nabijheid van Nunusake hebben. Zij vermengden 
zich weder met vreemdelingen, Alune, en splitsten zich opnieuw, namelijk de 
weinige afstammelingen van Wuemale indezoogenaamdepatalima-,endie van Alune, 
welke grooter in aantal waren , in de patasiwa-stammen. Als een teeken dat de patasiwa 
van buiten kwamen , plaatsten zij den hatu asatana of offersteen aan de zeezijde. Vol- 
gens eene andere lezing is een gedeelte der patalima de nakomelingschap vanLelua 
en Katuma, die eveneens als wormen, nake, uit den berg Sumetaan te voorschijn 
kwamen. De patasiwa of afstammelingen van Alune verdrongen weldra de patalima 
of afstammelingen van Wuemale naar het oosten en verdeelden zich in drie afdee- 
lingen, met name patasiwa maselo, de getatueerden , de patasiwa mamali, die geene 
boschproducten aan den oorsprong der drie rivieren mochten verzamelen, enpatasiwau 
makuala, die ten zuid-oosten strandwaarts naar de bocht van Teluti gingen. De 
patasiwa maselo nam later, vóór de ontbinding van Sahulao, die voorheen geheel 
midden-Serang beheerde, alwaar vreemdelingen het bestuur voerden en wier bevol- 
king, door deze aangemoedigd of door nood gedrongen, strandwaarts naar de Elpa- 
puti-bocht toog, den naam aan van patasiwa telu waini of de patasiwa der drie 
stroomen en werd door twaalf latus bestuurd, als: voor Tala te Paulohi, Watui, 
Hualooi.en Kairatu; voor Eti te Kawa, Piru, Tanunu en Eti; en voor Sapalewa te 
Noniali, Buria, Nakaela en Rumasoal gevestigd. Inmiddels kwamen de maJalilinaof 
nieuwe vreemdelingen uit het Westen, met name Djailolo, die het nog onbewoonde 
strandgebied van Kamal tot Wahaing langs de noordkust annexeerden; Todore, die 
dat gedeelte van Wahaing tot Waru en vervolgens tot Hatumeten in bezit namen, 
en Temate, die van Japoono, Ambon, meer bepaald van BQtu uit, hun gezag deden 
gelden in de bocht van Piru te Kambelo en Huamual, het laatste het pinangland, 
om zich later aldaar neder te zetten. Volgens sommige oudsten hadden de Portu- 
geezen, Haranggi, Varanggi of Paranggi, vóór de verschijning der Todoreërs zich voor 
een korten tijd te Waru gevestigd. Na de verwoesting van Banda of Bandang in 
1621, van Huamual in 1655 en Gorong in 1677 door de Nederlanders, begaven 
(ie vluchtelingen van daar zich naar Oost-Serang en vestigden zich langs de stran- 



xn. 







- *> '*,-^ 



Bh. 90. 



HET EILAND SERANG EX NUSAINA. 91 

den tusschen Hatumeten en Eüibarin. De oorspronkelijke bewoners van Oost-Serang 
zijn, naar beweerd wordt, voortgekomen uit den berg Lamela, uit sagu-uitspruitsels 
en kanaripitten. De tegenwoordige negariën Denama, Kilimui, Warawaras en Ga 
heetten voorheen Narakit en stonden onder Kilibaat. Lieden van Groot-Timor, Keei 
en Papua kwamen zich tevens op Oost-Serang vestigen. De bevolking van Makahala 
en Xaniari, twee negariën in het Sapalewasche, bestaat gedeeltelijk ' uit Mestiezen 
van Europeeschen oorsprong, die thans als eerste koppenjagers aangemerkt worden. 
Onder de Mohamedanen wordt gezegd, dat de strandnegariën van Serang bevolkt werden 
door de opvarenden eener prauw, die tijdens den zondvloed van Noëh uit de Roode 
Zee afdreef en bij Nunusake strandde. Van daar deden zij de marapati, duif, uit- 
vliegen en ontdekten de Uliase-eilanden. In het dagelijksch leven wordt de bevolking van 
Serang ook verdeeld in Wemale, heidenen, Salame, Mohamedanen, en Sarane, Christenen. 

De kustlanden van Serang aan de westzijde van de bocht van Piru gelegen, 
werden het eerst door de malalilina bezocht. Vóór 1400 na Ch. waren reeds vreemde 
hoofden, volgens sommigen van Djailoloschen oorsprong, te Luhu gevestigd, die de 
geheele west- en oostkust van Huamual bestuurden, terwijl in 1465 de broeders 
van den Temataanschen adelling Djamilu , die het rijk van Hitu op Ambon stichtte , 
zich te Murinaten, alwaar, even als op Hoti, kolonisten van de Ubi-eilanden woon- 
den, teNoniali en Lisabata, de eerste inheemsche nederzettingen op de noord-west- 
kust, vestigden. Op Huamual — meer speciaal in de negariën Luhu, Kambelo en 
Laesidi , alwaar de nagelplant bereids van Makian ingevoerd was — bloeide de handel 
met Chineezen, Portugeezen, Engelschen, Mangkasaren en Javanen. De Portugeezen 
vestigden zich tevens te Luhu. Li 1611 werden de Engelsche kooplieden door de 
Tematanen van Luhu naar Kambelo verdreven. Van uit Noniali en Lisabata stook- 
ten de Tematanen en trachtten hunnen invloed zoowel over de strandbevolking als 
in het binnenland uit te breiden. Deze pogingen mislukten echter, totdat in 1650 
het gebied van Luhu door den djougugu Loulata onder de heerschappij van Temate 
werd gebracht. Den zetel des bestuurs verplaatste men naar Gamasungi, nabij Luhu, 
alwaar de Temataansche sengadjis hun verblijf hielden, totdat in 1651 de rechten 
van Temate, bestaande uit heffingen op den ruil der goederen van de in de bin- 
nenlanden wonende bevolking, wanneer deze strandwaarts gebracht werden, op de 
Oost-Indische Compagnie werden overgedragen. Bedoelde rechten werden voor een 
deel door de strandbewoners , maar door de Memales in de binnenlanden nimmer 
erkend. Niettegenstaande de willekeurige handelingen der Temataansche hoofden, ver- 
keerde het schiereiland Huamual destijds in bloeienden staat; de bevolking genoot 
welvaart en de nagelcultuur , het voornaamste voortbrengsel, breidde zich snel uit, 
niet alleen over het schiereiland, maar ook over geheel Serang en op de Ambon- en 
Uliase-eilanden. Volgens de beschrijving was het «een aardsch paradijs, een weergalooze 



92 HET EILAND SERANG OF NÜSAINA. 

f 

lusthof, zoowel door de schoone ligging als door de gezondheid en vruchtbaarheid van den 
bodem». Aan dezen bloei kwam van lieverlede een einde, toen de Nederlanders, bij 
verdrag met den Sulthan van Temate, den alleenhandel in specerijen op Huamual 
en elders verkregen hadden en het stelsel van extirpatie werd toegepast Vóór 1630 
reeds werden met groote gestrengheid al de nagelboomen in deze streken door de 
dienaren der Oost-Indische Compagnie uitgeroeid. Daarmede verdween de welvaart; de 
bevolking werd oproerig, en heimelijk door de Tematanen en Mangkasaren opgestookt , 
ontwikkelden zij dien geest van verzet, waaraan, nadat Lisela in 1636 was ver- 
nield, de Grouvemeur Amold de Ylamingh van Oudshoorn in 1655 een eind maakte, 
door den overwonnen en gekneveld op den grond hggenden, door bloedverlies 
verzwakten aanvoerder dier ontevredenen, Katjili Saidi, met zijn speer eigenhandig 
de tanden uit te stooten, de tong en keel te doorpriemen, het gehemelte te ver- 
morzelen en de bevolking, die hare bezittingen verdedigde, te vuur en te zwaard 
te verdelgen. Deze bezittingen, thans nog bestaande uit sagubosschen, werden gean- 
nexeerd en tegen zekere jaarlijksche sonmien verpacht. De Mangkasaren, wier ver- 
sterking te Waisamu eveneens vernield werd, ontruimden Huamual, trekkende over 
de landengte van Kotanea, waar de meesten doodgeslagen werden en vele honderden , 
die levend in handen van de Vlamingh vielen, geprest werden tot den verderen opbouw 
van het kasteel Victoria op Ambon. Te Kambelo werd het fortHardenberg,teLuhude 
vesting Overburg gesticht. Van dat tijdperk dagteekent de inmenging der Compagnie 
op de kusten van West-Serang, terwijl bereids in 1647 de zuidkust, uitmakende de 
landen om de Elpaputi-baai gelegen , door den Sulthan van Temate werden afgestaan , 
waardoor de christelijke godsdienst daar veld won en vele inboorlingen tot het 
Christendom overgingen. Na de voltooide extirpatie der nagel- en notemuskaat- 
boomen in 1736 zocht de Compagnie uit Serang geene andere voordeelen meer, dan 
die uit de levering van bouwmaterialen en sagu tegen lage prijzen voortvloeien, 
terwijl de strandhoofden in hun eigen voordeel de heffing van belasting van de be- 
woners der binnenlanden, die hunne producten strandwaarts brachten, in stand 
hielden en deze tot in onze dagen diets maakten, dat het Nederlandsch gezag hen 
als beheerschers over de binnenlandsche stammen had aangesteld. Het gebied van 
Wahaing tot Keving, dat reeds in 1575 onder het gezag van Todore kwam, had 
eene strandbevolMng, bestaande uit eigen landaard vermengd met Bandaneezen en 
andere vluchtelingen, die den islaam beleden. In de binnenlanden, alwaar de uit- 
gestrekte nagelbosschen reeds in 1648 vernield waren, vond men enkele onbedui- 
dende zachtaardige stammen, die zonder rustverstoring aan de vreemde overheersching 
zich onderwierpen. De Javanen en Mangkasaren kwamen in den loop der zestiende 
eeuw en later kruidnagelen te Keving opkoopen, terwijl Oost-Serangsche vaartuigen 
naar Bali en Java gingen om handel te drijven. Nadat in 1649 Waru en Narakit, 
of Barakit, alwaar vele Papuasche zeeschuimers en de Bandasche vluchtelingen voor 



HST mLAND SBRAKO OP KtSAlKA. 93 

een deel zich gevestigd hadden, door de Compagnie getuchtigd waren, kwamen in 
1653 de kusten van geheel Oost-Serang onder haar gezag en werd er te Guliguli 
in 1657 door Herman van Oudshoorn eene sterkte, Oostende genaamd, opgericht In 
1700 werd te Hatuwe een posthouder geplaatst en in 1757 de negariên op Keving, 
zoomede de negari Enaena vernield, terwijl in 1770 de Serangsche handelaren, met 
uitzondering van die van Tobo en Kilimuri, die geen vaartuigen mogen houden, 
aangemoedigd werden , om slaven naar Banda ten verkoop te brengen. In 1771 werden 
nog bij Keving twee pantjallans op brandwacht gesteld tegen den verboden handel 
in kruidnagelen. Desniettemin oefenen de Todoreezen in deze streken eenen groeten 
invloed uit en nam Nuku, nadat zij in 1767 van daar verdreven waren, in het 
laatst der vorige eeuw geheel Oost-Serang weder in bezit Eerst in 1801 deed hij, 
bij overeenkomst door het Britsch bestuur met hem als Sulthan van Todore geslo- 
ten, daarvan afstand. Nadat de ontevredenen op Huamual uitgeroeid waren en het 
schiereiland ontvolkt was, werd het stelsel van extirpatie der kruidnagel- en note- 
muskaatboomen door de Compagnie streng gehandhaafd, waartoe de zoogenaamde 
hongitochten georganiseerd werden. De bezettingen te Piru, Asahudi en Sawaai 
werden in stand gehouden, doch voor het overige alles verwaarloosd. Van ontwikke- 
ling van landbouw was geen sprake. De inlandsche handel werd vernietigd, terwijl 
de zeeroof of het heulen met Tobelosche en andere zeeschuimers schrikbarend toe- 
nam, zoodat in 1796 een enkel Engelsch vaartuig voldoende was, om geheel Serang 
onder het Britsch bestuur te brengen. 

Onder het eerste bewind der Britten, dat tot 1803 duurde, werden eenige vrij- 
gevige beginselen toegepast, verscheidene militaire posten ter handhaving van den 
alleenhandel en uitroeiing der specerijboomen als overbodig ingetrokken , de verplichte 
jaarhjksche tochten, om de nagel- en noteboomeo te vernielen, afgeschaft en voor 
de verplichte levering van materialen meer evenredige betalingen toegestaan. Na de 
eerste overneming door de commissarissen Cranssen, Wieling en Melissen, werd de 
oude stand van zaken op Serang weder hersteld. In 1809 andermaal in Britsche 
handen overgegaan, kwam Serang in 1816 weder onder het gezag van Nederland. 
Inmiddels was in den toestand der bewoners geene verbetering gekomen. Aan de 
eene zijde waren zij door de hongitochten gekweld, aan de andere werden zij door 
de meer en meer toenemende zeerooverijen in hunne veiligheid en middelen van 
bestaan bedreigd. De noordkust was geheel onheilig en ten oosten van Sawaai gansch 
ontvolkt Op de zuidkust heerschte dezelfde staat van onrust door het rondzwerven 
der onderdanen van Todore en Temate, van Maba, Weda, Patani, Tobelo en andere 
negariên, ten gevolge van de overweldiging van den troon van Todore door Nuku en 
den daaruit voortgevloeiden oorlog tegen Temate en het Nederlandsch gezag, die 
rooftochten langs de kusten ondernamen. Een gedeelte hunner vestigde zich later op 



94 HET EILAND SERANÖ OF NUSAIKA. 

Noord-Serang onder den zoogenaamden Sulthan Djailolo, om van dddr uit hunne 
roof- en plundertochten ongehinderd te volvoeren. Eerst in 1823 gelukte het den 
Gouverneur Mr. P. Merkus, aan dien onhoudbaren toestand een einde te maken. De 
zeeschuimers werden met hunne bentengs en vaartuigen vernield , terwijl op Sawaai 
eenige militairen ter bescherming van de kust geplaatst werden. De Sulthan van Djailolo 
onderwierp zich, waardoor hij vergunning kreeg te Hatiling zich te vestigen en van 
daar uit het bestuur tot Waru uit te oefenen. In 1826 werd , in overeenstemming met de 
volkskeuze , zekere Asgar tot Sulthan van Djailolo verheven , met bepaling dat hij en zijne 
broeders te Hatiling zouden blijven en dat de volken van Maba,Patani, Weda,Tobelo, 
Galela en Papua, die hem onder hunne eigene hoofden gevolgd waren, daar en 
elders langs de kust negariên mogen aanleggen. Onder de leiding van den gecom- 
mitteerde voor Serang, Engelhardt, werd een steenen sterkte voor de bezetting te 
Sawaai opgericht, welke kort daarop, in 1829, naar Wahaai werd overgeplaatst Ten 
gevolge van willekeurige handelingen van genoemden Sulthan, vertrok weldra het 
grootste gedeelte zijner volgelingen weder naar Maba, Patani en elders, zoodat in 
1832 het pas opgerichte Serangsch-Djailolosdie rgk ontbonden en de Sulthan naar 
Java verbannen werd. Tegelijkertijd keerden de kolonisten van Misool , die te Labuan 
papua beoosten Wahaai gevestigd waren, naar hun land terug. In 1824 schafte, 
wat de Britten reeds een-en-twintig jaren te voren deden, de Gouverneur-Generaal 
van der Capellen, die Ambon bezocht, de hongitochten af, toen er namelijk geen 
specerijboomen meer te extirpeeren vielen. De vrije aanplant werd toegestaan, doch 
de inlander, uit ervaring wetende wat dit beteekende, vertrouwde zulk een grootr 
moedige belofte niet, zoodat in den ellendigen socialen toestand geene verbetering kwam. 
De Wemale, die nimmer met het Europeesch bestuur in aanraking kwamen, blijven 
in de overtuiging voortleven, dat de strandbewoners, door de Nederlanders gesteund, 
hen mogen onderdrukken, berooven en plunderen, en deze, meer doortrapt en ge- 
slepen dan de eersten, bedienen zich van allerlei middelen, om het Europeesch be- 
stuur te misleiden en de binnenlandsche stammen in een slecht daglicht te plaatsen. 
Twee Gouverneurs-Generaal bezochten in 1855 en 1860 Zuid-Serang, doch brachten 
eveneens geene verbetering in den treurigen stand van zaken. Onder den in 1883 
regeerenden opper-land voogd kwam men op Oost-Serang zelfs tot de overtuiging, 
dat de Nederlandsche regeering menschenroof en slavenhandel, die de Compagnie 
trouwens in 1770 aanmoedigde, bevordert Door misleiding van de zijde der strand- 
radjas werden na 1850 tal van expeditiên, als die van Paulohiin 1858, van Waisamu- 
Kairatu in 1860, van Marahunu in 1864 en van Kaibobo in 1867, naar de binnen- 
landen gezonden om de wegens herhaalde tracasserieën in verzet gekomene negariên te 
tuchtigen, zonder evenwel het beoogde doel te bereiken. Wat daarmede gewonnen 
werd is het feit, dat de Wemale tot de overtuiging zijn gekomen van de ongeschikt- 
heid der geregelde troepen, om hen in de ontoegankelijke bosschen te volgen. In 



HET EILAND SERANG OT NÜSAlNA. 95 

1882 werden er drie Posthouders op Serang, meer bepaald te Kairatu, Amahei en 
Waru geplaatst, om zoo mogelijk als voorloopers te dienen van een meer geregeld 
bestuur. Tot op dit oogenblik hebben zij in de binnenlanden echter niets te bevelen. 
Te Wahaai en Amahei zijn militaire bezettingen. De militaire commandant te Wahaai 
is tevens civiel gezaghebber. 

De binnenlandsche bevolking van Serang is krachtig gebouwd, doch over het 
algemeen mager van gestalte. Zij is lichtbruin van kleur met sluik, hua eni noini 
of hue melakaa, gedeeltelijk ook met golvend haar, hua saripu — als de palmbloesem — . 
Eroesharigen, hua kanokane of hua hahua, haar als zwam van de Arenga sachar- 
rifera, treft men alleen onder de vreemdelingen en hunne afstammelingen aan. 
De meesten komen van Eowiai en Onin, Nieuw-Guinea, door handelaren als slaven 
op Oost-Serang ingevoerd. Deze handel bloeit thans nog, doordien de hoofden er 
belang bijhebben. Vele kinderen hebben donker, vuil geel haar, dat later zwart wordt; 
sommige jongens zelfs op hun aangezicht, rug of schouders. De mannen hebben 
eene gemiddelde lengte van 1.69, de vrouwen van 1.53 meter. Mannen en vrouwen, 
zelfs ouden van dagen, zijn vlug in hunne bewegingen en onvermoeid. De brachyce- 
phale type is overwegend, ofschoon er ook wel hypsihyperbrachy-, hypsimeso- 
en orthodolicho-cephale vormen voorkomen. Het gelaat is niet buitengewoon 
breed, het voorhoofd goed gewelfd. De neus is klein en spits, de mond welgevormd 
met in het oog vallend vooruitstekende, hoewel niet dikke bovenlippen. Het oog is 
klein en ovaal, met glinsterend zwarte pupillen. Enkele oblique vormen worden ook 
waargenomen. De handen en voeten zijn klem. De tanden , door jongelieden vooral 
zeer schoon gehouden, zijn glinsterend wit De ooren zijn klein en staan veelal van 
het hoofd af. Vrouwen die nog niet gebaard hebben, hebben zeer kleine borsten. 
Dit is eveneens het geval met de partes genitales. De nymphen zijn tevens klein en 
niet hypertrophisch. Het lichaam is weinig behaard, ofschoon de gewoonte van het haar 
uit te trekken niet bestaat. Doordien de behaarde mannen bij de vrouwen in hooger 
aanzien staan, wordt van het cultiveeren van baard en knevel veel werk gemaakt, voor- 
namelijk bij de ouden van dagen. Het hoofdhaar wordt alleen bij de Salame en 
Sarane, Mohamedanen en Christenen, kort gedra^n. De Wemale of heidenen dragen lang 
haar , hua nanua, met een wrong op het hoofd, opdat bij het snellen de koppenjager den 
kop behoorlijk kunne vasthouden en omdat het dragen van kort haar door de vrouwen als 
een teeken van lafheid wordt aangemerkt. Jongelieden versieren hun haar met vogel- 
vederen en gekleurde Codiaeum moluccanum-bladeren. Het lichaam, gedurig met 
kalapa-olie ingesmeerd, wordt niet zindelijk gehouden, tanai mainini, en velen 
lijden aan ichthyosis en andere huidziekten. Bij transspiratie ontwikkelt zich derhalve 
een sterke, onaangename ammoniakalische geur. De \Touwen urineeren staande. Vóór 
het eten wasschen zij hunne handen niet. Zij zijn groote minnaars van reukü^erken , 



96 HÊT KILaKD SERANG op NUSAmA. 

vau rihu, waarbij de kajuputi-olie en muskuspraeparaten eene eerste plaats innemen. 
De kinderen hebben veelal een aanvallig voorkomen. Als verscheidene jongens bij 
elkander zijn, beginnen zij terstond te springen, te slaan en te schoppen. Vele jonge- 
lingen kunnen, wat hun aangezichtbetrefk, voor meisjes doorgaan. De bevolking is zeer 
gevoelig en prikkelbaar, daarentegen ook zeer stoicijnsch van aard. Zoowel mannen als 
vrouwen laten hun pijn of onaangenaam gevoel nimmer blijken. Het gezicht en gehoor 
zijn uitstekend. Kinderen in de scholen toonen een vlug begrip te bezitten, hebben 
een goed geheugen, doch tegen dat de puberteit intreedt, althans bij de jongens, 
worden zij stompzinnig. De meisjes zijn over het algemeen vlugger van bevatting. 
De bevolking gevoelt hare waarde, heeft een goed begrip van rechtvaardigheid, 
eerlijkheid en welwillendheid , is zeer naijverig op hare vrijheid en onafhankelijkheid , 
is onder elkander zeer behulpzaam en opgeruimd , heeft bovendien aanleg voor oma- 
mentuur. In haar eigen voordeel werkende, is zij ijverig en nauwgezet Tegenover 
vreemdelingen is zij achterdochtig en schuw. De blanken zijn gehaat en het valt 
hun niet gemakkelijk haar vertrouwen te winnen. Behalve het koppensnellen, eene 
traditioneele instelling, ten behoeve van de nitu cultus, ook met het doel uitgevoerd 
om bij het zwakkere geslacht eenen goeden naam te verwerven, hoort inen weinig 
van andere maatschappelijke ondeugden, als diefstal, bedrog enz. gewagen. Gehuwde 
vrouwen, in matrimonium justum namelijk, zijn kuisch en blijven hare echtgenoot«n 
getrouw. Gevallen van overspel, lomana, malea of janona, van de zijde der vrouw 
komen bij de patasiwa zelden voor, wellicht ook omdat de mannen zeer ijverzuchtig, 
hailulu, zijn. Ontucht, of liever een ongebonden geslachtsverkeer, makeku of kaalaha, 
is bij de jongere lieden zeer in zwang, om, wars van alle onnatuurlijke ont- 
houding, de wederzijdsche behoefte te bevredigen. Volgens sonmiige oude lieden, 
ook wel vrouwen, moet de uterus als een soort levend wezen, afgescheiden van het 
lichaam der vrouw, worden aangemerkt, die voortdurend met sperma genitale behoort 
gevoed te worden, wil de vrouw niet ziek worden en het lichaam behoorlijk doen 
ontwikkelen. Het is intusschen verboden, momoni, over sexueele betrekkmgen 
in tegenwoordigheid van een derde te spreken. Wanneer de vrouw of het meisje voor 
de eerste maal cohabiteert, is de man verplicht haar niet terstond te verlaten. Even 
als de voldoening van alle natuurlijke behoeften, moet dat ook in het geheim, ka^ 
kuni, liefst in bosschen geschieden; bij de meeste stammen stantem habitum prae- 
ferunt. De vruchtbaarheid der vrouwen laat veel te wenschen over. Prostibulae zijn 
niet aanwezig. Vóórdat de menses zich vertoonen, oefenen de meisjes op de meeste 
plaatsen met volwassene en oude mannen den coïtus uit, om den groei te bevorderen. 
Onder de patalima wordt van overspel door de mannen geen notitie genomen, wan- 
neer de schuldigen niet op heeterdaad worden betrapt. De adellijken zijn trotsch en 
aanmatigend, zelfs tegenover Europeanen. 



BET BLAM) SERaKG OF NUSAINA. 97 

Even als de meeste primitieTe volkeren, is de Seranger zeer conservatief, heeft 
een afkeer van nieuwigheden, is zeer bijgeloovig en aan de oude gebruiken gehecht. 
De gewoonte is voor hem de wet, en het niet naleven er van is in zijn oog niet 
alleen een vergrijp daartegen, maar ook eene beleediging der voorouders, matua, 
upuma wosima, van wie de atate matamena, oude gewoonten, afkomstig zijn. In 
eene meer beschaafde omgeving komende, wordt hij ziek. Vele individuen, zoowel 
mannen als vrouwen, hebben grooteu aanleg voor verstandelijke ontwikkeling, en 
oefenen zich vroegtijdig in de kunst om onvoorbereid wèl te spreken, een talent 
dat op hoogen prijs wordt gesteld. Oudsten en hoofden, die het woord niet behoor- 
lijk kunnen voeren, staan niet in aanzien. De mannen zijn altijd gewapend. Van 
kwade trouw wordt onder de Wemale zelden vernomen. De gehuwde vrouwen heb- 
ben in negari-aangelegenheden gelijke rechten als de mannen en laten telkens 
haar verlangen hooren. Desnoods gaan zij de mannen voor, terwijl in sommige 
negariën het bestuur bij voorkeur aan de vrouwen onder den titel van latu mahina 
of latu mavina wordt opgedragen. De vrouwen worden goed behandeld, omdat zij 
eene slechte bejegening niet dulden. De strandbewoners zijn minder gespierd en 
hebben een donkerder huidskleur. Over het algemeen is hunne lichaamslengte ook 
geringer. De zoogenaamde mohamedaansche en christen burgers zijn afstammelingen 
van vreemdelingen, of vreemdelingen die het eiland bewonen, doch niet onder het 
bestuur der inheemsche hoofden staan. Vele hunner voorvaderen hebben de Oost- 
Indische Compagnie in oorlog als hulptroepen bijgestaan, waardoor zij bij wijze van 
gunst onder het rechtstreeksch bewind der Compagnie kwamen. De afstammelingen der 
malalilina, vooral degenen die beoosten de bocht van Teluti wonen, zijn door ver- 
nietiging hunner bestaansbronnen op Huamual en elders , door gebruik van opiimi en 
ten gevolge van allerlei maatschappelijke ondeugden niet alleen zeer gedepraveerd, 
maar ook in alle kwade praktijken doorkneed. Als Mohamedanen , waaronder vele fana- 
tieken, verbeelden zij zich boven de oorspronkelijke bevolking te staan. Zij zijn sluw, 
niet te vertrouwen en tot alles in staat. Verscheidene negariën werden, ter hand- 
having van het monopolie-stelsel, voorheen door de Compagnie getuchtigd en ver- 
nield. Even als de Wemale en Sarane, zijn zij geene vrienden van het Nederlandsch 
gezag en de gekoesterde haat is traditioneel sedert de dagen van Valameng, of de 
Vlamingh van Oudshoorn. Omtrent de latere immigranten van Todore, Binongkoen 
elders afkomstig, kan hetzelfde getuigenis worden afgelegd. Met de mohamedaansche 
vrouwen des lands gehuwd, handelen zij op instigatie hunner familieleden en zijn 
op hen alle mohamedaansche gebruiken van huwelijk en erfrecht van toepassing, met 
dit verschil alleen, dat wanneer zij den bruidschat, anai, volkomen hebben aange- 
zuiverd, zij niet meer tot de familie der vrouw behooren. Het in het oog vallend 
verschil tusschen de Wemale, Salame en Sarane is, dat beide laatstgenoemden 

meer vrijmoedigheid bezitten, meer maatschappelijke gebreken hebben en niet zoo 

7 



schuw zijn. Zij zijn beter gekleed en goed gehuisvest. In andere opzichten hebben 
zij eene autochthonistische wereldbeschouwing. Albino's worden zeer zelden aange- 
troffen. 

De bosschen en boschgronden , esiolo, haiwui, lumute of tapehena, behooren op 
Serang in eigendom aan de hena, nuru, amano, ipa of buli, in de verschillende 
dialecten stam, gemeente, negari en onderdeelen daarvan. Zij zijn behoorlijk door 
grenzen, auolo, tapentupei of ketatapene, bestaande uit beiden unate, rivieren 
hanepene, steenen hatu, voorgebergten tetui, en boomen, hatani of ajuwoni, afge- 
bakend. Over die gronden kunnen de stamgenooten vrijelijk beschikken; bij enkele 
patalima-stammen echter met voorkennis van den patitana, afstammeling van den 
eersten grondeigenaar. Grondeigendom wordt individueel verkregen door eerste ont- 
ginning, paanoho muuano, door erfenis, ripiaupuo, als opbrengst eener boete, soune 
of wutan, door koop makasahe, of ruil selui, de drie laatste wijzen in tegenwoor- 
digheid der overige stamgenooten geregeld, ook wel door afbakening van het terrein. 
In vroegere tijden was het verboden op gronden, aan anderen toebehoorende , bosch- 
producten te verzamelen, te jagen of te visschen, zoowel in rivieren als langs het 
strand, nahaiti, tot op zekeren afstand der riffen. Vooral is dit in strijd met de 
bestaande gebruiken ten aanzien van de selia of jakuru, wanneer ter plaatse ai hua 
aangebracht zijn. Tot de esiolo behooren ook de lapia hena, basa of ripiouwoni, 
d. w. z. communale sagu-bosschen. De individueele gronden worden nog verdeeld in 
tananela, geërfde gronden met vrucht- en andere boomen, valaan toitoi, beplante 
gronden, mirimuu halaio, padi-gronden, enmirimuu siro, pisang-velden. Deripiaupua, 
tati, of geërfde gronden mogen niet verdeeld, maar door de gezamenlijke erfgenamen, 
anao auni, geëxploiteerd worden, onder toezicht van den oudste hunner. Gebrande, 
voor den tuinbouw ontgonnen boschgronden heeten iutu melimu, verlaten tuin- 
gronden, waarover echter niemand zonder voorkennis van den eersten ontginnermag 
beschikken, takain huini of huhurairo, ook wel aivagan op Oost-Serang. Volgens 
de rechtsbegrippen, kuusa matua akumena der pata ne memale of oorspronkelijke 
Serangers, hebben de oudsten of hoofden geene bevoegdheid om over de gronden 
der gemeente, althans zonder hare toestemming, te beschikken. Volgens hen loopen 
de gronden der strandnegariën ook slechts tot aan den voet der bergen. Enkele 
mohamedaansche en christen radja's trachten hierin wel verandering te brengen, 
doch tot dusverre zonder gevolg. Eveneens erkennen zij niet de zoogenaamde souve- 
reiniteitsrechten van het Nederlandsch-Indisch Gouvernement Alleen over terreinen, 
waar negariën opgericht, zijn mogen de hoofden vrijelijk beschikken , bijvoorbeeld om 
een door den eersten occupant verlaten erf zonder vruchtboomen aan een ander af 
te staan, of wel een gedeelte van een erf, waar geene boomen staan, te bezigen 
om den weg te verbreeden , een en ander zonder schadeloosstelling. Oneenigheden in 



HTT BCLAKÜ SEHANO ÖF NTSAmA. 99 

zake ^ensbepalmgen komen menigvuldig voor en veroorzaken niet alleen processen 
bij de Mohamedanen en Christenen, maar ook twisten onder de Wemale,dietal van 
jaren duren en brandstichting en koppensnellerij ten gevolge hebben. Vreemdelingen 
die den bruidschat, anai of atate, in zijn geheel betaald hebben, hebben geene 
rechten op de gronden der vrouw. Eerst wanneer al hare familieleden overleden zijn, 
vervallen deze gronden aan haren oudsten zoon. 

/ 
In vroegeren tijd werden de stammen, nuru, amano, of ipa, door den latu en den 
makahitiaa bestuurd. De eerste had het oppergezag over de nuru, die in een of 
meer hena verdeeld werd. De makahitiaa is het hoofd der hena, ook wel ninia 
genaamd, bestaande uit een aantal wunui of huisgezinnen. Later werden er meerdere 
hoofden benoemd en onder de patasiwa maselo het geestelijk gezag naast het 
wereldlijke erkend. Tegenwoordig worden de stammen, die hun eigen grondgebied 
bewonen, bestuurd door den latu of ratu radja, kolano, eene Temataansche bena- 
ming voor radja, die echter boven den latu geplaatst wordt, of amanukui, den 
vader die tot aan het uiteinde der grenzen gezag uitoefent. Aan dezen staan in rang 
gelijk de kamare, kamalaa of woranggai, in beteekenis gelijk aan orangkaja,negari- 
of hena-hoofden, voorts worangtua, anakota, oisa, lumoupi, ook wel matleen of 
manlaolu, kinderen van de hoofdnegari, vervangers van den latu, bijgestaan door 
de ana manane en marinu, woordvoerders en boodschaploopers. Al deze hoofden 
hebben eigenlijk weinig te zeggen, vooral wanneer zij als persoon niet imponeeren. 
De patasiwa maselo, of patasiwa telu waini, worden, voorzoover zij tot de Tala,Eti 
of . Sapalewa behooren , elk door de latu inama, radja , tevens moeder en vader, bijgestaan 
door den sainwei of sailuei, hoofd en sainewahui of saUbubu , uiteinde der vlag ook wel 
genaamd pohon of of hudjong bandera, bestuurd. De mindere hoofden heeten manumeten, 
de zwarte vogel, die boodschappen doet, en makuresi of malesi, voorvechter. De latus 
in de binnenlanden, en voor een groot deel die de kusten bewonen, staan onder den invloed 
der latu inama. Intusschen heeft elke negari een zelfstandig, onafhankelijk, oligarchisch 
republikeinsch bestuur. Bij afdoening van zaken of onderzoek van staatkundige en 
godsdienst-geschillen worden groote volksvergaderingen, saniri, waarbij alle mannen 
tegenwoordig moeten zijn, gehouden; voor den Tala-stam te Waitala, grondgebied 
van Wasia, te Waimooi, grondgebied van Hualooi, te Waikawa en Waiselau grond- 
gebied van Eairatu, zoomede te Waisarisa, aan de grens tusschen Waisamu en 
Eaibobo; voor den Eti-stam te Amarale, grondgebied van Piru, en voor den Sapalewa- 
stam te Waimeten, grondgebied van Noniali. Onder de latu inama, ook wel kapala 
saniri genaamd, staan de geestelijken als latu mauwen of mauwen temai en hunne 
ondergeschikten de mauwen of mahuen, die in elke negari in het belang van de 
nitu- of kakihan-aangelegenheden tegenwoordig zijn. Al deze hoofden komen door 
keuze van de mindere hoofden, de oudsten en aniala, of het volk, aan het bewind. 



lOÖ fltrr Ëtr.AKD sërajcg of küöaï^a. 

waarbij ook op de afstamming wordt gelet. Niet alleen mannen, maar ook Trouwen 
hebben bij de verkiezing der latu, kamalaa of woranggai eene beslissende stem. De 
latu inama worden door de gezamenlijke latu gekozen. Door het Europeesch gezag 
wordt de keuze in de strandnegariën erkend en bevestigd. De binnenlandsche latu 
komen niet in aanraking met dat gezag. De latu ontvangen als teeken van hunne 
erkenning een stok met gouden of zilveren knop, terwijl aan de latu inama klee- 
dingstukken worden uitgereikt. Elk hoofd was in vroegeren tijd verplicht eene in- 
structie te beëedigen. Die der latu inama komt op het volgende neder: dat zij geen 
invloed zullen uitoefenen op de strandnegariën, dat zij het toevoorzicht hebben 
over de kakihan-negariën , dat zij niet zullen toelaten dat iemand der strandnegariën 
kakihanist worde, dat zij zonder voorkennis van het Europeesch bestuur geene ver- 
gadering zullen houden, dat zij de rust in de binnenlanden moeten bewaren, dat 
zij alle oneenigheden inderminne moeten afdoen, dat zij elke verhuizing naar het 
strand niet zullen tegengaan, aan elke oproeping voldoen en van alle gewone en 
buitengewone voorvallen aan het Europeesch bestuur moeten kennis geven. Hoe deze 
instructie als eene doode letter is opgevolgd geworden, leert de geschiedenis. De 
mindere hoofden worden door de latu inama, latu elak, kolano, amanukui, latu, 
kamalaa en woranggai gekozen en aangesteld. De latu inama, latu mauwen of 
mauwen temai verkiezen de mauwen buiten bemoeiing van een ander. Alle hoofden 
en mauwen zijn gewoonlijk uit den stam , welken zij besturen. De inkomsten, makawoi, 
dezer hoofden bestaan in het tiende gedeelte van de opbrengst der padi en 
andere veldgewassen, het vierde van de toebereide rauwe sagu, het vierde van 
de opbrengst der jacht en het derde gedeelte van die der visscherij, zoomede eene 
kleinigheid, bijvoorbeeld een stuk wit lijnwaad, bij afdoening van zaken. Ook zijnde 
onderhoorigen verplicht hunne woningen te bouwen, ihono numa, in vele negariên 
echter tegen verstrekking van kaanimu, voeding, en tegemoetkoming in alles bij eene 
mogelijke reis. Van de in den baileu ontvangen salaka krijgen zij ook een zeker aandeel, 
en bij huwelijken hebben de latu inama, latu elak, kolano, amanukui, latu, ka- 
malaa en woranggai, ook wel genaamd kapala sanira, rac^a, pati of orang k^ja, 
aanspraak op een stuk wit lijnwaad van al degenen, die in hunne negariên woon- 
achtig zijn. In sommige mohamedaansche en christen negariên zijn, als een gevolg 
der inmenging van het Europeesch gezag om de hoofden ten nadeele van de be- 
volking te believen, de volwassen mannen verpücht tot een bepaald aantal daags 
bij het betrokken hoofd huis- en tuinwerk in heerendienst te komen verrichten. Als 
teeken bij het overbrengen van bevelen naar andere negariên hebben de afgevaar- 
digden der latu inama, latu elak, kolano en amanukui, die over meer dan één 
hena of ninia het gezag uitoefenen, bij zich een stok, toane, of wel de makute 
buai, een stuk touw om den arm. De hoofden mogen zich de bezittingen hunner 
onderhoorigen niet toeëigenen, maar hebben het recht in het belang van de negari 



xm. 




Blz.lOl. 



HET EILAND SERANG OP NUSAINA. 101 

sasi, jakuru of selia te leggen of tabu te verklaren, bij welker overtreding de schul- 
digen met boete ten behoeve der hoofden worden gestraft. In de negariën Lasa- 
hata, Lumaeli, Kasie, Hatunuru, Uwen, Warasiwa, Niwetelu, Karlutu, voorts 
oostelijk tot Lumareat, wordt het bestuur door vrouwen, latumahinaoflatumavina 
uitgeoefend. De man, dien zij tot echtgenoot kiest, wordt door de bevolking aange- 
merkt als de stokdrager, d. i. degene die door het Europeesch bestuur erkend en 
bevestigd wordt. Het is moli of momoni de namen der besturende hoofden uit te 
spreken. Zij worden allen bij hun titel genoemd. Vóór of langs een hoofd heen gaande 
moet men bukken, jato wahuu, en daarna gehurkt zitten, irue sararoa. In de wo- 
ningen zitten de hoofden op matten, in de baileu op de tatopata hutini, een stuk 
te dien einde bewerkt hout Bij ontmoeting onderweg, supunomai, gaan de minderen 
op zijde. Blgft men in tegenwoordigheid van een meerdere staan, dan is zulks een 
bewijs van weinig eerbied. Bij ontmoeting van hoofden laten de Mohamedanen de 
sarong, die zij op den schouder dragen, naar beneden vallen, als bewijs dat zij hem 
op hun blooten schouder wel willen dragen. De hoofden spreken de minderen aan met 
au wam, gij, de minderen omgekeerd met kamala of upun. Schuldig bevonden zijnde, 
betast men de voeten der hoofden, zeggende: «Upu au san aku pee wai aimuwee,» 
d- i. Heer, ik ben schuldig, vergun mij uwe voeten te kussen. Overigens verschillen de 
hoofden in leefwijze en aanzien weinig van de welgestelden in de negari. 

Op geheel Serang treft men slechts drie standen aan, als: de kakihai of adellijken, 
waartoe alle hoofden en hunne afstammelingen behooren; de maansia, tamata kiiti, 
aniala of onggonggoon, de zoogenaamde mindere man, en de ata, hiiti, ataina of 
joka, slaven* Ingevolge instellingen des lands kunnen de tamata kiiti ninmierinden 
stand der kakihai komen; de kinderen volgen slechts den vader, wanneer de anai 
behoorlijk is aangezuiverd, zeodat de kinderen eener tamata-moeder kakihai worden 
kunnen, zonder dat de vrouw als zoodanig wordt aangemerkt Huwelijken tusschen kaki- 
hai en tatama kiiti worden in den regel toegestaan, omdat de huwelijken, uitge- 
zonderd die, waarbij de makawate bepaald is, alleen bij keuze der betrokkenen 
gesloten worden. De slaven zijn meestal vreemdelingen, afkomstig van Kowiai en 
Onin, landschappen op Nieuw-Guinea, verder van Manipa, Boanoo, Banggaai, Tobungku, 
Eambaena en Seasea, die door de mohamedaansche strandbevoUdng ingeruild werden 
naar gelang van den ouderdom en het physisch voorkomen tot een bedrag van f 50 tot 
f200. Vooral in de negariën aan de oostkust van Serang werd sedert eeuwen on- 
gehinderd slavernij en menschenhandel gedreven. De afschaffing daarvan wordt tot 
dusverre niet met kracht bevorderd. Onder de Wemale worden zelden slaven aan- 
getroffen. Zij worden gebezigd voor huiswerk, landbouw, jacht en visscherij, doch 
als de overige vrije huisgenooten of bloedverwanten behandeld. Ofschoon eigen- 
dom van den meester, worden zij als negarigenooten aangemerkt en is hun toestand 



102 HET KILAND SKRANG OF NUSAINA. 

te verkiezen boven degenen die landbouw corveën en heerendiensten moeten ver- 
richten. Het huwelijk tusschen een slaaf en eene slavin heeft plaats, wanneer de slaaf 
aan den eigenaar der slavin den bruidschat, anai, voldoet en deze de ipuna aan den 
eigenaar van den slaaf terugbetaalt, in welk geval de kinderen den vader volgen en het 
eigendom van diens meester worden. Zij blijven evenwel bij den eigenaar der moeder 
wonen, zoolang deze in leven blijft. Bij niet-betaling van den anai worden de verwekte 
kinderen onder de beide eigenaren verdeeld. Het wordt den eigenaar niet euvel 
geduid eene slavin te huwen of liever deze als gehuwde vrouw te behandelen, het- 
geen meermalen plaats heeft met de slavinnen welke van Tobungku en Kambaena 
afkomstig zijn; in dat geval volgen de kinderen den vader. Krijgsgevangene kinderen, 
mariou, worden goed behandeld en mogen nimmer verkocht worden. Pandelingschap 
bestaat onder de strandbewoners van Oost-Serang in meerdere of mindere mate. 
Manumissiën komen nimmer voor. 

De Seranger is zeer gehecht aan zijne bloedverwanten, als tot één bloed behoo- 
rende. Het gebeurt niet zelden, dat dezen, bestaande uit ama of amakae, vader, ina 
of inakae, moeder, meme of momon, oom, meme embina of owai, tante, upumanona 
of tatan manawa, grootvader, upumahina of tatan hihina, grootmoeder, koamanona, 
oudste broeder, koa mahina, oudste zuster, koali manona, jongere broeder, koali 
mahina, jongere zuster, kuana of uhenaa, kinderen, tame uhena, manawaa, schoon- 
zoon, tameamakae, schoonvader, en tamehihinaa of wete, schoonmoeder, eensgezind 
onder één dak samenwonen. De ouden van dagen worden geëerd en de kinderen behoorlijk 
behandeld en verzorgd. Het vaderschap berust op de verklaring der vrouw. Sterven 
de ouders beide, dan gaan de kinderen bij de naaste bloedverwanten van vaders- of 
moederszijde. De vrouwen en kinderen eten te zamen met den vader, uitgezonderd 
wanneer er vreemdelingen in huis zijn. Over het algemeen worden de weduwen, 
mahina masahai, die niet met den broeder huwen, welwillend behandeld en van al het 
noodige voorzien, als zij oud geworden zijn. Behoeftige ouders moeten door hunne kinderen 
onderhouden worden. Intusschen is het momoni wanneer de zwagers, sao mamone, 
elkander vóór of achter voorbijgaan. Eveneens mogen de schoonzoons nimmer in de 
nabijheid der schoonmoeder komen. Dit is in strijd met de atate matamena. De schoon- 
moeder mag den naam van haren schoonzoon niet uitspreken, maar moet hem ana of ala 
noemen. Eveneens de schoonzoon, die de moeder zijner vrouw als ina, moeder, aanspreekt 

Gewone dagelijksche zaken, als kleine beleedigingen,junasomineteasi,8chelderi]en9 
vavaku, het vernielen van kleinigheden, jataja taneia om een ander te beleedigen, 
het toedeelen van slagen, papa, zonder verwonding, het uiten van obscoene ge- 
zegden, ilehu maininite, in tegenwoordigheid van vrouwen, worden door de betrokkene 
latu, kamalaa en woranggai in hunne woningen onderzocht en instantelijk afgedaan 



HET EILAND SKIUNG OF NUSAINA. 103 

door oplegging van sonne of boeten tot een gering bedrag. Voor het niet-opvolgen 
van bevelen wordt de schuldige gestraft met het drinken van eene bepaalde hoeveel- 
heid zeewater. Geringe diefstallen worden gestraft met de rondvoering der schuldigen 
door de negari met gong- en trommelslag en behangen met kalapabladen. Andere 
zaken of misdrijven, als diefstal, manaa, moord en doodslag, ihunu tamata, brand- 
stichting, kapotoke numa en overspel , janona, worden door de latus in de baileu in tegen- 
woordigheid van alle hoofden en oudsten en van de geheele bevolking, zoowel 
mannen als vrouwen, onderzocht, jarania sou, en afgedaan, inata sou, door oplegging 
van de van oudsher vastgestelde boeten. Dit is de gebruikelijke afdoening van zaken 
bij de patasiwa mamali en makuala, zoomede bij de patalima. Bij de patasiwa 
maselo kan de zaak nog in hooger beroep, sinata sou manete herine, bij de latu 
inama worden gebracht Na een voorloopig onderzoek gelasten zij de manumeten om 
al de hoofden en mauwen op den bepaalden tijd zich in .de baileu te verzamelen. In 
de vergadering worden de partijen gehoord en zoo noodigbeëedigd, ten einde de zaak 
tot helderheid te brengen. Na afloop van het onderzoek worden de partijen verwij- 
derd en eischen de sailuei en sailbubu de volgens het gebruik vastgestelde straf, 
gewoonlijk in boeten bestaande. Lijfstraffen worden nimmer aangewend als middel om 
het beleedigd rechtsgevoel te bevredigen; alleen onder de strandbevolking, alwaar de 
rotan, eene straf die alleen op slaven toegepast wordt, en het voetblok, truncus, 
tot in 1880 gebruikt waren. Omtrent de graviteit der straf wordt alsdan beraad- 
slaagd en daarna in tegenwoordigheid der partijen de straf door de latu inama uit- 
gesproken. Alles geschiedt in het openbaar, in tegenwoordigheid der geheele bevolking. 
De gebruikelijke boeten zijn bij diefstal : in een huis , driehonderd borden en een gong met 
teruggave van het gestelene; in een tuin, dertig oude schotels en een gong; in een 
tuin waar selia of sasi is gelegd, negenhonderd-negen-en-negentig gongs of koperen 
muziekbekkens ; bij moord of doodslag, honderd-en-vijftig borden, behalve de vergoeding der 
lichaamsdeelen, als voor het hoofd een groote gong, voor de oogen twee zilveren of gouden 
armbanden, voor de ooren twee gouden oorhangers, voor de vingers tien zilveren ringen, 
voor den buik een groote tampajang, voor de ingewanden honderd snoeren fijne blauwe 
koralen en voor het hart en de penis een gouden slang en een oude schotel; bij 
brandstichting, negenhonderd-negen-en-negentig gongs; bij overspel, een gong, vijftig 
tot honderd oude schotels en een uti-uti-sarong voor den man, en voor elk kind der 
vrouw een oude schotel. Het wegvoeren door de ouders van een geschaakt meisje 
uit de woning van den schaker wordt met eene boete van drie gongs gestraft. De- 
zelfde straf ondergaat de schaker, wanneer hij het meisje kort na de schaking aan 
hare ouders terugzendt Een aanslag op iemands leven, welke door een derde tijdig 
is verhinderd, wordt gestraft met eene boete van vijftig oude schotels. De zaken 
van moord en doodslag door lieden uit andere negariën of tot een anderen stam 
behoorende, worden niet onderzocht, vóór en aleer de bloedverwanten van den verslagene 



104 HET BHiAND SERANO OF NÜSAINA. 

wraak hebben geoefend en iemand, tot de bewuste negari of stam behoorende, 
hebben ter dood gebracht. Wordt een negari beboet, dan is elk huisgezin verplicht 
daartoe bij te dragen. De aan slaven opgelegde straffen moeten door de eigenaren 
gedragen worden , terwijl deze de vrijheid hebben die slaven in het openbaar met den 
rotan te kastijden, een straf welke door vrije lieden nimmer kan worden ondergaan. In 
de mohamedaansche en christen strandnegariën, die tot op een zekere hoogte onder de 
Europeesche rechtsmacht ressorteeren, worden, voorzoover dit geschieden kan , de door 
het Nederlandsch gezag vastgestelde straffen opgelegd. 

Oorlogen, nisa, ontstaan zoowel bij de patasiwa als bij de patalima gewoonlijk 
door de niet-betaling der ipuna, jataniake mahina niipuna, of der boeten wegens 
moord en doodslag, jataniake soune hei mahunu tamata, opgelegd; door het jacht- 
maken op gronden aan eene andere negari toebehoorende , met andere woorden : grens- 
geschillen , iraki iripaki ; schaking van gehuwde vrouwen , jena tamata si mahinajana ; 
moord in eene andere negari gepleegd, mahunu tamata; ten gevolge van beleediging 
in openbare ex tempore zangen , makapata neini ; doordien een man aan een tot een 
anderen stam behoorende vrouw of man zijn partes genitales laat zien ; ook wel meer- 
malen om andere futile oorzaken. Eenmaal tot den oorlog besloten, verzamelen de 
betrokkene strijders de noodige voeding en wordt de kalapanoot geraadpleegd, ese 
muna, naar den vermoedelijken uitslag. Is deze gunstig, dan begeven er zich honderd- 
en-vijftig tot driehonderd mannen onder aanvoering van eenen kapita of ouden malesi 
met hunne met hanevederen, keta manui hunui, en rood en wit katoen, hasautinu 
paputike wauni, versierde geweren, hola, pijl en boog, husuna, piek, puta, zwaard, 
sodi wunui en schild, auwene, naar de bewuste negari, ten strijde. Gebeurt het 
echter dat den avond te voren het koken der sagupap, soha lopia, mislukte, of dat 
het aangemaakte vuur uitging, erine nimate, of wel dat zij onderweg het geschrei 
van den vogel, soe, hooren, of dat een slang, nija, dwars over hunnen weg gaat, 
dan wordt de aanval uitgesteld en keeren de strijders terug. Geene slechte voor- 
teékenen waargenomen zijnde, naderen zij de negari tot op een vierde uur afstands 
en bouwen daar een loods voor hunnen aanvoerder. Gedurende den nacht wordt de 
pinang, haikahua, Areca catechu, en de haikulipa, Amomum villosum, alweder 
geraadpleegd, nauwa, en zoo de voorteekenen gunstig zijn, beginnen zij des morgens, 
in stilte de negari genaderd zijnde en achter groote boomen zich dekkende, met 
geweren en bogen op de bewoners, die zich vertoonen, te schieten. Wordt er een 
uitval gedaan, dan verdedigt men zich met het zwaard en de piek, van beide zijden 
zooveel mogelijk trachtende de koppen der gesneuvelden te snellen en mede to voeren. 
Dusdanige oorlogen of schermutselingen dmen van één tot tien en meer jaren. Gaat 
men ten strijde, dan bmdt men eenige wortelen, ai waati, om den buik ofbestrqkt 
het lichaam met gewijde olie, wake aia waati, om onkwetsbaar, kapane , te z^. Ook 



HET EILAND SERANO OP NUSAINA. 



105 



worden tot hetzelfde doel bladeren en houtsoorten gekauwd, gelijk het heet om hitte , 
moed te verwekken. Bij overwinnig, mahunusi, of wanneer een of meer koppen 
gesneld zijij, keeren zij terug in de nabijheid hunner negari, dansende, jakalala, den 
raronea of overwinningszang zingende en blazende, op de tahuri of tahunia, triton- 
schelpen, of op bambuzen vervaardigd tot het geven van scherpe, doffe geluiden, enz. 
terwijl een der strijders naar de negari gaat, om van den terugkeer kennis te geven. 
Alsdan kleeden zich de jonge ongehuwde vrouwen, napuanaia, in hun prachtgewaad 
en gaan den strijders, hunne daden in zang verheerlijkende, tegemoet, nemen de ge- 
snelde koppen in ontvangst, terwijl de strijders haar op den voet volgen , om deze aan 
de gehuwde vrouwen, mahinaenaea, die in de negari bij de suano of tanopane, het 
huisje, waar de koppen voorloopig bewaard worden, zich vereenigd hebben, over te 
geven. De bewuste koppen, unu huwai, worden alsnu op den gewijden steen, in het 
midden der tanopane geplaatst, nedergelegd , terwijl door dezelfde vrouwen sirih, kauna, 
pinang, pulauwa, en sigaretten, karikisa, in den mond gestoken worden. Nadat men in 
eenen kring om den steen gedanst heeft, worden de koppen in de tanopane opge- 
hangen. Vervolgens worden de oorlogschimpliederen , mam, door alle aanwezenden 
dansende in koren gezongen en wordt er gegeten en gedronken. Vijf dagen daarna worden 
de koppen in boomen bewaard, om later op bepaalde plaatsen te begraven. Om den 
oorlog te doen eindigen, plaatst de overwonnene partij in den nacht de ai hua katane , 
een levenden boomtak, waaraan tainina, palmbladeren, aan het boveneinde bevestigd 
zijn, vóór den ingang der negari van de overwinnaars, als teeken dat men den vrede 
verlangt Wordt dit door dezen niet begeerd, dan plaatsen zij een gelijk teeken vóór 
de negari der verslagenen en moeten deze den oorlog voortzetten. Blijven de suc- 
combanten onder de patasiwa telu waini echter bij hun voornemen, dan roepen zij 
de tusschenkomst in der latu in ama, die den manumeten afvaardigt, om van beide par- 
tijen de betrokkene hoofden bij zich te doen verschijnen. De latu inama onderzoekt 
de zaak en beboet den schuldige met driehonderd borden, drie gongs en drie pa- 
tola sarongs. Vroeger bedroeg de boete negenhonderd borden, negen gongs en negen 
patola's. De schuldige wordt tevens aangezocht zijn kalkkoker en sirih-pinangtasch aan 
de tegenpartij aan te bieden, welke denzelfden beleefdheidsvormreciproceert. Alsdepi- 
nangpruim gereed gemaakt is, spreekt de latu inama op indrukwekkende wijze hen 
toe en vervloekt ten slotte dengene, die hare bevelen niet opvolgt. Voor de ont- 
vangene kalk moet de schuldige bovendien aan zijne tegenpartij een ouden schotel en 
een patola sarong betalen, siena kapune puputine. Behalve eene belooning aan de 
latu inama en de overige hoofden, bestaande uit een groote gong of ouden schotel, 
moeten de partijen de noodige spijzen en sagero bijeenbrengen, om een gemeen- 
schappelijk feest te vieren , kaa kobekobe. De latu inama laat hen in tegenwoordigheid 
hunner onderhoorigen elkander de hand reiken en spreekt hun nogmaals aan. Na 
het feestmaal begeven de partijen zich in stilte naar hunne neganën terug. Gronden 



106 HET EILAND SERANQ OF NUSAINA. 

of andere negari-eigendommen vallen niet in handen der overwinnnars. Om vijand- 
schap of het voornemen tot oorlog aan te duiden, worden op verschillende wijzen in 
het midden der voetpaden, in de bosschen of by rivieren kenmerkende teekenen 
geplaatst 

De cultus der Wemale bestaat in de erkenning van tuale, upu nanite, 
lanite of langi, het mannelijk beginsel, dat in het uitspansel woont, en rapie, of 
upu tapene, het vrouwelijk element, dat in de aarde zijnen zetel heeft. Aan deze 
krachten worden gewoonlijk geene offers gebracht, dan alleen wanneer eene onvruchtbare 
vrouw, ten einde raad, kinderen verlangt Zij worden evenwel bij eedsafleggingen als 
getuigen onder de namen upu langi of nanite en inaolapuano , upu tapene en tuale rapie 
aangeroepen. Bij ziekten en om hulp te verkrijgen oflFert men aan de nita, booze 
geesten, voorts aan de nitu, geesten der voorouders, die, daartoe opgeroepen, bij 
voorkeur zich ophouden in de aupuo , beeldjes een menschelijk figuur voorstellende , in ge- 
wijde steenen, hatu momoni of hatu asatana, of wel in de nabijheid der taneimutuana 
molia, voorwerpen uit den ouden tijd, als pika inae, rood en blauw gebloemde oude 
schotels, ook makasara genoemd, kete liti, koperen ketels, balauka nijake, gouden 
slangen, en kusa momoio, gepolijste tampajangs, een en ander van Oostaziatischen 
oorsprong, ook aan het hoofd der nitu, den geest van den afgestorven eersten 
stamvader, de nitu elak^ en zijne helpster de nitu makanehi waena, die hun 
verblijf houden in de tutuu, het zoogenaamd kakihanhuis. De nita of booze 
geesten van het mannelijk en vrouwelijk geslacht bewonen de lanite, het uitspansel, 
verder de aiwei elake, hooge boomen, de bosschen, ook wel de hatua eini, groote 
steenen of rotsen. Deze plaatsen zijn momoni, heilig, en mogen niet betreden wor- 
den. Zij hebben ten doel de menschen te kwellen en op allerlei wijzen nadeel te 
berokkenen. Zij nemen de gedaante aan van harige menschen, d. w. z. menschen 
in gomutuvezelen gewikkeld, nita la ai, of van gedeelten van het menschelijk 
lichaam, bijvoorbeeld van een arm, een been, de borsten etc., nita tue. Worden de 
boomen beschadigd of omgekapt, of wel de steenen met excrementen als anderszins 
bezoedeld, dan wordt de nita verontwaardigd, naneinitaia, en maakt den betrok- 
ken persoon krank. De toovenaar moet alsdan de nita door het links en rechts 
zwaaien met bladeren van de CodiaeimiMoluccanum en Dracaenaterminalis oproepen, 
kono nita, en hem of haar acht tot tien oude kostbare koralen, een stuk rood lijn- 
waad en eenige Ghineesche muntstukken in het bosch offeren. Zij nemen ook de 
gedaante van menschen aan om in de bosschen met mannen en vrouwen vleesche- 
lijke gemeenschap uit te oefenen, welke voor den mensch meestal doodelijke 
gevolgen heeft. De nitu zijn de geesten der afgestorvene voorouders, die met 
de nakomelingen in den droom verkeeren en aan wie schier bij elke ge- 
legenheid voor den aupuo, den hatu momoni of hatu asatana, ook wel in de sainane^ 



HET EILAND SERANÖ OF NÜ8AINA. 107 

een vierkanten bak van vastgebonden bamburepen, waarvan debovenrandmetsonge, 
jonge bladeren van de Arenga sachamfera, versierd wordt, ook voor de tanei mutu- 
ana molia, omdat de nitu daar menigmaal als bij hunne vorige bezittingen vertoeven , 
geofferd wordt. Deze oude voorwerpen worden gewoonlijk in een mand aan de nok 
van het huis opgehangen. In andere gewijde manden worden ook aangetroffen borden , 
veelkleurige steenen, stukken hout of schelpen, kogels van steen of ijzer, ringen 
en armbanden van schelpen, door den afgestorvene bijeengebracht Het gebruikelijk 
gebed om geluk luidt o. m. bijv. vóór het op reis gaan , in het Fasahari-dialect : cAse 
hini tata isia, upu isia mutue, ataki usu hala tepi mulala ioko toja, tepi akalouwa 
hinia, asa aitu hua tepi japuku, humani aila Maa umhuna haliku amane, umsaka 
jaa ohohoa tutu aleu huni amania,» d. w. z. Ik smeek u, voorvaderen, gij voorouders, 
wanneer ik langs den weg ga, laat geen slang mij aanvallen, laat mij niet ziek 
worden, laat mij niet van den boom vallen, laat mij hen , die met kwade voornemens 
op mij loeren, kennen, verzorg mij op een goede wijze, totdat ik in mijne negari 
terugkeer. Voorts bij ziekten in de negari: «Aka sei mutue, hala momiani, tepi 
hese aku uhenaee, muluee, tepi hese momoisia, owa isia, tepi hese inaisia,»d. w. z. 
Ik smeek u, betreffende deze ziekte, laat deze mijn zoon niet treffen, of mijne dochter, 
laat deze hunne neven en nichten niet treffen, hunne tantes, laat deze hun moeder 
niet treffen. Aan de afgestorvenen, die de levenden voortdurend in bescherming moeten 
nemen, worden in de woningen in een ouden schotel gekookte onrijpe pisang, ge- 
kookte kaladi, Colocasia antiquorum, ubi, Dioscorea sativa, enpatatas,Batata8edulis, 
met een kalapadop of een beker olie en water geofferd. Op den hatu momoni, een 
grooten platten steen in het bosch, omringd door kleinere steenen, worden, na de nitu 
eerst door het blazen op den tahuri of tahunia opgeroepen te hebben, gewoonlijk 
vijf pakken gekookte rijst, katupa, met sirih-pinang, kalk en tabak nedergelegd. 
Ook wordt onder het aansteken van een esi, toorts van damar,op den hatu asatana, 
nabij de baileu, geofferd en gebeden om genezing bij ziekten, geluk bij ondernemingen 
als anderszins. De geofferde artikelen worden gewoonlijk daarna door den offeraar 
genuttigd, om te doen blijken, dat het hem een eer is het overgeblevene te gebrui- 
ken. Elke stam, nuru of ipa, bezit bovendien voorwerpen ter vereering of nagedach- 
tenis uit de oude tijden, zijnde de eigendommen der stamvaderen, welke in de 
woning van den betrokken oudste worden bewaard. G^en vreemdeling mag, in 
eene andere negari zijnde, aan de beschermgeesten daarvan offeren. De bevolking 
van Kobi en Sariputi, twee negariën aan de noord-oostkust van Serang gelegen, 
offeren tevens de eerstelingen der padi, kala holua, in den vorm van gekookte 
rijst in vijf pakken met sirih-pinang, kalk en tabak op een bord aan hunne voor- 
ouders, ule upuun, als een bewijs van erkentelijkheid. Deze handeling heet pumana 
ke airaha mutue, of de afgestorvenen spijzigen. De patasiwa maselo of telu waini 
offeren aan den nitu elak en zijne helpster nitu makanehi waena, in de tutuu, het 



108 BETT EILAND SEBANG OP NUSAINA. 

kakihanhuis, en wel door tusschenkomst van den hoofdpriester, mauwen temai, die 
het gebed doet. De offers komen ten voordeele der mauwen , en in compensatie daar- 
van ontvangen de offeraars voorwerpen, die, zoo het heet, door de nitu vervaardigd 
of van hen afkomstig zijn, als: iawen schild, tulie parang, hautui zaadpadi, saripu 
alauni met bloemen versierde palmbladen, en dergelijke. Deze artikelen door de 
mauwen in het geheim vervaardigd, brengen geluk aan, volgens de volksopvatting. 
De nitu der patasiwa maselo houden hun verblijf in de tutuu, doch bezoeken de 
achterblijvenden ook in hunne woningen. Wanneer hun geween buitenshuis wordt 
vernomen, zijn de mannen, die het huis bewonen, verplicht hen te onthalen, anders 
vangen zij de ziel van een der levenden op, nitua sine hitumai, en voeren deze bij 
den nitu elak, van wien deze eerst tegen grootere offers kan worden ingelost, kanama. 
De persoon, wiens nitu is opgevangen, wordt noodwendig ziek en blijft in dezen toe- 
stand, totdat de noodige offers bijeengebracht zijn om hem te verlossen. Na het over- 
lijden verandert de wanui siwanu, of imnawa eigenlijk adem, in nitu. Deze zetten inde 
tutuu en in het luchtruim hun bestaan als op aarde voort, huwen onder elkander, doch 
verwekken geene nakomelingen. De nitu dergenen die eeuwen geleden gestorven zijn 
en waarvan niet meer gedroomd wordt, verdwijnen in het uitspaiisel, nanite. lOm 
met de nog aanwezige nitu gemeenschap te oefenen, als het ware de associatie van 
de levenden met de geesten te vernieuwen, worden op bepaalde tijden in de tutuu 
feesten gevierd, onder den naam van kakihan, bij welke gelegenheid de novices, 
zijnde jongelingen die het tijdperk der puberteit zijn ingetreden , worden aangenomen 
en zoo het heet in de geheimen der patasiwa maselo of telu waini ingewijd. Door- 
dien de ritualiën op de meest geheimzinnige wijze, waartoe ook de medewerking der 
nitu niet mag ontbreken, verricht worden, zoo is dit eigenaardig gebruik onder de 
pata ne Memale in hoog aanzien gekomen niet alleen, maar ook gevreesd. Het 
streven der kakihanisten is de instandhouding der voorvaderlijke instellingen ten op- 
zichte van de vereering der nitu. De zoo gevreesde geheimzinnige feesten worden in 
de tutuu, de verblijfplaats van den besturende of het hoofd der nitu , nitu elak, de groote 
nitu, gevierd, nadat vooraf het terrein van gras en onkruid gereinigd en de tutuu 
opnieuw gerepareerd is. Dusdanige huizen of liever smalle langwerpige loodsen vindt 
men bij elke patasiwa maselo-negari, op een afstand van twee tot drie palen daar- 
van in het bosch. In sommige negariên vindt men meer dan één tutuu en worden 
deze op verlangen van den mauwen temai opgericht. Wanneer een nieuwe tutuu ge- 
bouwd moet worden, doet de latu mauwen alle leden bijeenkomen, om met hem het 
benoodigd bouwmateriaal te verzamelen. In de eerste plaats wordt de hoofdstijl 
gekapt Na van bladeren en takken ontbloot te zijn, omringen de mauwen dezen, 
een ieder met zijn bamburoeper in de hand, en dansen negen malen er omheen. 
Daarop wordt de paal bewerkt en naar de plaats gesleept, waar het nieuwe gebouw 
zal worden opgericht Is de benoodigde voeding byeengebracht, dan maakt men een 



XIV. 



/ffft 



ft* 






^ 




• ••••• 






7. 



O- 



ttl«»«. 



..." 



!♦♦• 



\^S\ 



•»»»HCJ^* •••""*•" 



>c :. 



O 



11. 





inr 



13. 



18. 



10. .>• 






••• • • 



15. ,• 






16 

• • • • 




*^#*^ "*■■"••" 



20. 




Blz.108. 



HET iaULM) SERANG OF MJSAINA. 109 

begin met den opbouw. De mauwen maken , nadat zij het hoofd en de lendenen met oude 
lijnwaden en patolas omwonden hebben, met scherp gepunte stokken een gat in den 
grond. Is dit diep genoeg, dan werpt de mauwen temai een bord en een pas gesnelden 
kop, bij gemis daarvan ook wel een drogen menschenschedel in het gat, en wordt 
de paal onder het zingen van toepasselijke liederen opgericht. De loods met 
overhangend dak rust op negen palen en wordt van alle zijden met atap of sagii- 
bladeren zorgvuldig gedekt. Aan de twee tegenoverstaande smalle zijden worden 
geheimzinnige openingen gemaakt. Langs de wanden worden in de lengte zitplaatsen 
aangebracht. De hoofdstijl wordt bij plechtige gelegenheden met de vezels, gumutu, 
en de jonge bladeren van den arengboom versierd. In dit gebouw, dat onder toe- 
zicht der negari-mauwen staat, worden de tritonschelpen, de bamburoepers en 
andere tutuu-benoodigdheden bewaard. De meeste goocheltoeren worden bij inwijding 
der novices en het bezoek aan de negariën door de eedgenooten U»n toon gespreid. De 
bewuste jongelingen, die in de puberteitsperiode zijn en in den nitudienst moeten 
worden ingewijd om later als mannen op te treden, eene plechtigheid van initiatie 
dus, verzamelen zich acht k tien dagen vooraf in het huis van de negari-mauwen. 
Onder de patasiwa maselo is elk mannelijk persoon lid der gemeente , doch hij wordt 
eerst als man beschouwd, wanneer hij in de kakihanclub is opgenomen. Het wordt 
bovendien als eene schande aangemerkt, te huwen voordat men een kakihanist is 
geworden. Jongelingen uit andere negariën mogen ook aan die plechtigheid deel- 
nemen. Van daar begeven zij zich, op 'slands wijze gekleed, op den rug van een ko- 
peren belletje voorzien en het aangezicht met een patola sarong als het ware geblinddoekt, 
ieder in den arm genomen door den masaloo, of geleider , masaloo metene en masaloo 
tunine, geleiders ter linker- en ter rechterzijde, naar de tutuu of het kakihan- 
huis. Vóór het verlaten der negari nemen zij op hartverscheurenden toon afscheid 
van hunne bloedverwanten en minnaressen, omdat zij, door de mauwen en andere 
kakihanisten bewerkt, in de overtuiging zijn, dat de nitu elak in de tutuu hen 
hunne nitu uit het lichaam zal rukken, om die later eerst en alleen op voorbidding 
van de mauwen los te laten of terug te geven. De masaloo trachten hen evenwel 
tot bedaren te brengen. In de tutuu gekomen, wordt de blinddoek afgenomen en de 
pela, eigenlijk litteeken, gemaakt of getatueerd door met dorens in de huid te 
krabben, kaMh, of prikken, en daarna de wond met kleurstoffen in te wrijven. Aldus 
worden zij waardig gemaakt om aan de nitu voorgesteld te worden. Het woord ka- 
kihai beteekent ook adel: door tatuage tot den adel der club verheven. Vervolgens 
gelast de manumeten dat de novices, nadat zij met de fijngestampte wortelen der 
Curcuma longa bestreken zijn, met de beenen kruiselings op de bank langs de 
loods gaan zitten en de handen openhouden, alsof zij iets ontvangen moesten. Daarop 
neemt hij zijn bambutrompet of blaasroer, plaatst het onderste gedeelte daarvan in 
hunne handen en spreekt, allerlei onmogelijke geluiden in de bambu makende en de 



110 HET EILAND SKRANG OF NU8AINA. 

stem der nitu nabootsende, tot ieder hunner. Hij bezweert en bedreigt hen met 
doodstraf om alle kakihanplichten te vervullen en al het in de tutuu gebeurde geheim 
te houden. Dit alles geschiedt in den donker. Na den achtsten dag begeven zij zich 
met de masaloo naar de negari bij den mauwen lou latu of mauwen temai, die met 
hen naar de tutuu terugkeert Gedurende het verblijf in de tutuu worden zij door 
den tiwasou, den spreker en de overige mauwen geïnstrueerd om hunne bloedver- 
wanten goed te behandelen, niet met hen te twisten en hunne vrouwen niet te ver- 
leiden; voorts worden hun de oude traditiên, zoomede de geheimen van den stam en 
van de kakihanclub, medegedeeld. Van personen niet tot hun bloedverwanten be- 
hoorende, zelfs kakihanisten, mogen zij evenwel, wanneer dat noodig voorkomt, den kop 
snellen. Ongehoorzaamheid aan de bevelen van de mauwen of latu inama of 
overtreding van de gebruiken van den stam, anders ook genoemd de patasiwatelu 
waini, worden met boeten van drie borden tot drie patola sarongs gestraft Op de 
mededeeling aan een derde van de zoogenaamde kakihangeheimen staat de dood, 
welke straf zelfs door een zoon tegen den vader, wanneer hem zulks is opgedragen, 
moet worden voltrokken. Op den eersten dag van de bijeenkomst in de tutuu begeven 
de kakihanisten of getatueerde clubgenooten, de novices achterlatende, zich des nachts 
naar de negari, gewapend en gekleed als ten strijd uittrekkende. Het hoofd der mauwen 
en anderen die tot dat einde vergunning verkregen hebben, veroorzaken door op bijzondere 
wijze te blazen allerlei doflfe geluiden in den bamburoeper, hetgeen aangemerkt wordt 
als de stem der nitu. De vrouwen en kinderen, deswege verschrikt en ontsteld, maken groot 
misbaar, hüiilen en verbergen zich. Terwijl de overige clubgenooten op verschrikkelqke 
wijze uitgillen: »hia, hia, hoë, hoe, inamu sei, amamu sei, ami aka hia hia, ami 
aka hoë hoë,» d. w. z. hia, hia, hoë, hoë, wie is uwe moeder, wie is uw vader, 
wij behooren tot de hia hia, wij behooren tot de hoë hoë, spreken de mauwen en 
overige personen in de bambu, grafstemmen nabootsende alsof de voorvaderlijke 
nitu in die bambu aanwezig zijn, en eischen onder het slaan op de daken met lange 
boomtakken of stokken van de in hare woning aanwezige mahinaenaena of gehuwde 
vrouwen allerlei eetwaren en dranken om de afgestorvenen te vergasten, welke na 
hun terugkeer onmiddellijk op eene bepaalde plaats in het bosch gebracht worden. 
Tevens wordt het een ieder die niet tot de club behoort, zoo ook de vrouwen, ver- 
boden de tutuu in den omtrek te naderen. De bijeenbrenging van allerlei spijzen en 
drank geschiedt vervolgens eiken dag ruim en volop , om de vastgestelde boete te ont- 
gaan, en dient, na als ofTer aan de nitu te zijn gebracht, tot feestviering der man- 
nen in de tutuu, totdat de novices naar de negari wederkeeren. Vóór het verlaten 
der tutuu krijgen de pasmgewijden van de mauwen een stok, aan beide uiteinden 
met hane- of casuarivederen versierd, welke stok, naar men gelooft, door de nitu 
gegeven is als bewijs , dat zij in het geestenland geweest zijn. Uit de tutuu komende 
moeten zij waggelend loopen, niet spreken en zich suf houden, als waren zij nog 



HET EILAND SKRANG OF NU8AINA. 111 

door de nitu bevangen. Hun huis moeten zij door de achterdeur binnentreden, 
alles omgekeerd plaatsen en schuw in het licht zien. Den volgenden dag worden 
zij door den masaloo naar de rivier gebracht om te baden, waama zij te huis nog 
drie dagen vasten en zich zonderling gedragen moeten. Tot eene volgende bijeen- 
komst in de tutuu is het hun verboden de grijze pisang, uri sinaan, en de harige 
ubi, siavu hatele, te nuttigen. De gevolgde ceremoniën moeten de kakihanisten ook 
sterker en gehard maken tegen invloeden van toovenaars. Behalve aan de tatuage, 
herkent men elkander bij vertoon van den bambuzen kalkkoker, het symbool van den 
bamburoeper, eha. Door de toetreding tot dezen Manendienst is men verplicht elkander 
te helpen, als behoorende tot één huisgezin. Onder de Mohamedanen en Christenen 
telt men zeer vele geïncarneerde kakihanisten. Alle kakihanisten vereeren den nitu 
elak als het hoofd der tot hunne bloedverwanten behoorende afgestorvenen. Het 
Christendom werd bereids onder het bewind der Oost-Indische Compagnie op Serang 
ingevoerd, en er bestaan tegenwoordig elf christen gemeenten op dat eiland. DeWe- 
male-bevolking, de afpersingen moede der islaamsche strandhoofden , die op on- 
wettige wijze praescriptieve rechten op haar trachten uit te oefenen, begeert op 
verscheidene plaatsen het Christendom te omhelzen; doch doordien de opgang ter 
bedevaart naar Mekka bevorderd en het systeem van boeleering met den islaam, 
eene leer door de Tematanen tijdens hun bewind alhier gebracht, overal gevolgd 
wordt, kan van hun verlangen geen notitie worden genomen. Op Oost-Serang zijn 
vele Mohamedanen zeer fanatiek, daarin door het toenemend aantal hadjis ge- 
sterkt Ten behoeve der op West-Serang aanwezige Christenen is te Amahei een Euro- 
peesch hulpprediker geplaatst In verscheidene gouvernements-scholen wordt jaar- 
lijks aan ongeveer zeshonderd kinderen onderwijs gegeven in het lezen, schrijven en 
rekenen. 

Behalve de hiervoren bedoelde nita of lita worden op Serang nog als booze geesten 
aangemerkt de suwaika of mamuline, de gewone suwanggi en de putiana. Omtrent 
den oorsprong van het suwaikawezen kan geene opheldering worden gegeven. Er 
wordt slechts beweerd, dat de adepten door oude suwaika onderricht worden door 
toediening van allerlei geheime middelen, lehu aihauwaa hini uma nania, drie 
malen daags, en door het indruppelen der oogen, husi aihauwaa hini matan, met 
voor het doel gewijd water. Na eene maand in behandeling of in de leer geweest 
te zijn, brengt de onderwijzer zijnen leerlmg naar het bosch om zijn proefstuk, na- 
melgk het zien door een boomstam, te leveren. Gelukt hem dit, dan wordt hij 
verder onderwezen in de methode om de harten, of liever de walui of wanui, der 
menschen op geheimzinnige wijze te verslinden. De suwaika neemt de gedaante aan 
van varkens, honden, katten, vogels, slangen en krokodillen; ook van bladeren, bij 
voorkeur die van de Artocarpus indsa. De meest gevreesde suwaika, meestal oude 



112 HET EILAND SERAKO OP IHTSAINA. 

vrouwen, zijn degenen die des nachts bij helderen maneschijn met loshangend haar, 
hua pasawela, dansen, loe umala, om daarna het lichaam achter te laten, hatania 
iarue, en door het dak met het hoofd alleen door het luchtruim te snellen, ten 
einde, op welken afstand ook, menschenharten te verslinden, eigenlijk de walui op 
te vatten en daardoor individueel nadeel te veroorzaken. Wordt het lichaam, dat bij 
verdwijning of afwezigheid van het hoofd op den rug ligt, door een der huisgenooten 
in eene andere positie gelegd, dan sterft de suwaika bij 'haren terugkeer. Deputiana 
zijn de nitu van vrouwen, die bij den partus bezwijken omdat zij aan hare 
mannen ontrouw waren geweest en dientengevolge tot straf na den dood geen rust 
mogen vinden. Zij verschijnen in de gedaante van eenen groeten witten vogel van 
bijzonder breeden vorm, of van eene schoone vrouw met welriekende kleederen 
om de mannen te verleiden en hen uit wraak te emasculeeren. Hare nagels zyn 
lang, om de testiculi der mannen gemakkelijk te kunnen uitrukken, mirana lasenia, 
of afscheuren. Ook bezoeken zij bij voorkeur zwangere vrouwen, om de vrucht uit 
nijd te vernielen. Als voorbehoedmiddel dragen de zwangere vrouwen alsdan bij zich 
een soort vlechtwerk. Onder de Mohamedanen worden om het huis , waarin zwangere 
vrouwen wonen, op bepaalde tijden vuren aangemaakt en zout, Spaansche peper, 
zoomede bladeren van den roinaunboom er in geworpen. De rook daarvan is de punti- 
ana onverdraaglijk. Ook is het gebruikelijk in de gabagaba omwanding der huizen, 
roinaimbladeren als afweringsmiddel te steken. De nitu sial wordt door de Mohame- 
danen ook als een geest aangemerkt , de personificatie van sial of ongeluk. 

De bevolking van Serang let met de meeste zorg en nauwgezetheid op alle uit^ 
wendige verschijnselen. Wanneer het gepiep der simite , Pteropus edulis , bij of in het 
huis, of wel in het bosch wordt vernomen, beteekent zulks dat er koppensnellers 
in aantocht zijn. Het geschrei van den soe, nachtuil, tegen den morgen is een slecht 
voorteeken. Wordt het gezang van de unune, een nachtvogel, des nachts in de 
nabijheid van een huis gehoord, dan is de suwaika of mamuline bezig het hart van 
een der huisgenooten te versUnden. Een sprinkhaan, kaaka, om de lamp fladderende 
is een teeken van geluk. Wanneer een haan vóór iemands aangezicht kraait, dan 
beteekent dit dat hij vreemdelingen zal zien. Laat een spin, kainawa, voor iemand 
zich nedervallen, dan is dit een onheil voorspellend teeken. Het is momoni, verboden, 
om de nija rarerene, een soort kleine slang, te dooden. Ook is het den huisvader 
niet geoorloofd het huis te verlaten, wanneer een vreemdeling daar aanwezig is. Is hij 
genoodzaakt zich te verwijderen, dan behoort hij aan dén vreemdeling de scheede 
van zijn zwaard in bewaring te geven, waardoor deze verplicht wordt zijn terugkeer 
af te wachten. Het is een slecht omen, wanneer bij het verlaten e ener woning een 
der achterblijvenden begint te niezen; de vertrekkende is alsdan verplicht eenigen 
tgd nog te vertoeven, om geen ongeluk op zijnen weg te ontmoeten. Momoni is het, 



/ 



BET EILAND SEBANG OF NÜSAINA. 113 

eveneens iemand die getooverd heeft of een ofier plengen wil aan te raken of in 
zijne handelingen te storen, ook wel iemands haar- of nagelafval te verbranden. 
Gewijde plaatsen worden overal aangetroffen waar nitu en booze geesten zich tijde- 
Iqk ophonden, als in de bocht van Asole, Eaap Woka, op bepaalde plekken aan 
den oever der rivieren Sariputi, Saliha, Sanial en meer andere plaatsen. Het heiligste 
der heiligen is de top van den berg Menanggale en de plaats, waar voorheen 
Nunusake lag. Op of bg deze plaatsen, of liever wouden, mag niemand hardop spre- 
ken, lachen, balddadigheden plegen of zijne excrementen achterlaten. Behalve dieren 
en planten, die eene nitu hebben, kunnen allerlei voorwerpen, zooals steenen, me- 
talen etc., door incantatie van bepaalde personen, die volgens het volksgeloof het 
latente leven opwekken kunnen, de nitu in zich krijgen. 

Om de toekomst te raadplegen, of te weten te komen of eene onderneming 
zal gelukken, een zieke genezing verwachten kan, ook wel om verlorene of gestelene 
artikelen te ontdekken, hai of nauwa, bezigt men, onder aanroeping der betrokkene 
nitu, allerlei middelen. De hai kaa hua is het kauwen van een jonge, in tweeën ge- 
spleten pinang, waarvan de rand der schil alléén met kalk wordt bestreken; blijkt 
het, dat het inwendige der schil rood is, dan is dit een slecht omen, of degene, 
die de pinang gekauwd heeft, de dief. Bij de hai kalipa of nauwa loha katou hata 
wordt een stuk galoba-Amomum villosum, stok waarvan de beide uiteinden met 
droge kalk bestreken zijn, herhaalde malen met beide armen gemeten; blijkt het 
dat de stok langer wordt, dan is dit een slecht teeken. Dezelfde meting met de 
armen geschiedt ook op daartoe bereide sagublad-ribben , hai hupalee wekini. Bij de 
hai wusuu neemt de betrokken persoon twee bladeren van de XJrtica ovalifolia eenigen 
tijd in zijne handen. Na die bladeren weggeworpen te hebben, moet hij de handen 
boven het hoofd wringen. Wordt bij deze beweging het eigenaardig geluid van kra- 
kende vingers vernomen, dan mag de persoon eene onderneming wagen of is de 
gewaande dief onschuldig. Hai esemuna of nauwa nua masihua heet de handeling 
waarbij een jonge kalapanoot in tweeën gekloofd en, na de stukken met de handen vast 
tegen elkander gedrukt te hebben, op den grond geworpen wordt. Vallen de beide 
zijden open, dan is dit een goed teeken. Valt slechts een der doppen open, dan 
zal de zieke bijvoorbeeld genezen, doch langzaam. Het gloeien van een ijzeren 
bijl heet nauwa hoko tiamaa. Een bepaalde hoeveelheid brandhout wordt door den 
toovenaar bijeengebracht Nadat de bijl er onder gelegd is, steekt hij het vuur aan. 
Wordt de bijl gloeiend vóórdat al het hout verteerd is, dan is dit een goed teeken. 
Bij de launlele neemt de deskundige persoon een druppel gewijde olie en doet dien 
in een kom met zuiver water. Uit de verschillende wijzigingen, die, naar hij zegt, de 
druppel ondergaat, voorspelt hij de toekomst. Bij onbeduidende zaken neemt de 
Seranger een bak met sesele mananate, roode ^agongkorrels , roept de nitu in stilte 

8 



114 HET EILAND SERAN0 OF NüSAINA. 

en gepeins aan en doet een greep. Grijpt hij tot drie malen achtereen drie, vijf, 
zeven, negen, elf, of hoogere onevene getallen, dan is het lot hem gunstig. Door 
de nauwa moho imaan, het armspannen, laun lapaa soi, het doorsnijden van den 
gemberwortel, laun leute limaan, het in beweging brengen van het roerhandvatsel 
en nog meer andere wijzen tracht men de toekomst te voorspellen. Verscheidene 
oude lieden beweren ook dat zij regen maken kunnen, junane heti wunane, door 
de bast van den pararaboom, na aan de nitu gewijd te zijn, in water te leggen. 

Droomen, mansenu, schrijven de pata ne Memale toe aan de werking of invloe- 
den der nitu om de achterblijvende bloedverwanten te waarschuwen, hen tijdig voor 
naderende onheilen te behoeden of er op voor te bereiden. Droomt iemand dat hij een 
geschenk krijgt of een stuk zilver ontvangt, dan is dit een goed teeken en zal hij 
in het laatste geval in eer en aanzien stijgen. Eene nieuwe woning bouwende in den 
droom, of een veld ontginnende, zal men een zijner bloedverwanten verliezen. 
Droomt iemand dat al zijne tanden uitvallen, dan zal er in zijne woonplaats hongers- 
nood komen; verliest hij echter slechts een voortand, dan zal een der familielieden 
sterven. Droomt iemand dat hij met een der afgestorvenen eet, dan zal hij spoedig 
sterven of het graf van den persoon van onkruid moeten reinigen. Ontmoet men in den 
droom een Nederlander, dan zal er ziekte in de negari komen. Droomt eene gehuwde 
vronw dat zij een berg bestijgt, dan zal zij spoedig bevrucht worden, en zoo meer. 
De nita hopu of nachtmerrie ontstaat doordien een booze geest, de nitu van den 
slapende ontmoetende, deze tracht te verwurgen. 

Om zijne eigendonmien, meer in het bijzonder boomvruchten, visch en andere 
zaken, tegen baldadigheden van derden of diefstal te beveiligen, bezigt men de 
ule of mutue, zijnde tabufiguren, het een of ander voorstellende, welke tegen den 
boom of wel tegen de in den grond geplaatste staken vastgebonden worden. De 
meest gebruikelijke mutue, die onder aanroeping der nitu geplaatst worden, zijn: 
de ule hahu of mutue hahua — men legt ergens in de takken van den boom een 
varkenskaak; degene die dezen boom nadert en de vruchten daarvan neemt, zal door 
wilde varkens verscheurd worden — ; deulehuhaan,howaang,ofmutuehovea — men 
maakt van gabagaba een beeld van den krokodil, bindt om den nek daarvan een 
stuk rood katoen en plaatst het op een staak bij den boom; degene die de vruch- 
ten van dien boom plukt, zal door den krokodil verslonden worden — ;deulemula- 
lati of mutue mulala — men maakt van de zoo men zegt vergiftige slang , mulalati 
of mulala, een beeld van hout of gabagaba en bindt dit tegen den te beschermen 
boom; degene die de vruchten daarvan plukt, zal door zulk een slang gebeten 
worden — ; de ule sika of mutue sikaa — men maakt van gomutuvezelen het beeld 
van een kat die om haren hals een rooden band draagt en plaatst het onder den 



HST ULAKD 8ERAK0 OF NUSAINA. 115 

boom; degenen die den boom naderen, znllen buikpijnen krijgen of een gevoel in 
hun maag ondervinden alsof er een kat aan krabt — ; de ule otasiran — men 
maakt een pop of beeld van den mensch van gomutu en plaatst dit onder den 
boom; degenen die de vruchten van dezen boom plukken, zullen buikpijn krijgen 
of het gevoel alsof iemand hun de ingewanden uittrekt — ; de ule raha of mutue 
riko-rikoa — men neemt twee stukken scherpe bambu en bindt deze kruiselings 
onder aan den te beschermen boom ; degenen die in de nabijheid van dezen boom komen, 
zuUen stekingen in de ingewanden krijgen — ; de ule inu mutohu of mutue nitan 
wairoro — men neemt een ledigen kalapadop en doet daarin het blad van de Colo- 
casia antiquorum, voorts een weinig zout en Spaansche peper, wikkelt een en ander 
in gomutu en plaatst het op een staak in de nabijheid van den boom ; degene die de 
vruchten van dien boom plukt, zal zijn neus verliezen — ; de ule tia raha of mutue 
apulouwa — men neemt twee kruiselings op elkander vastgebonden bambulatten, 
maakt aan het boveneinde een stuk hout vast, waaraan eenige Curouma longaplantjes 
hangen, en plaatst deze tegen den boom; degene die den boom nadert zal diarrhoea 
krijgen en sterven — ; de ule asa wani of mutue tuleia — men maakt van gabagaba 
een beeld van den casuari, ook met den rooden band om den nek, en plaatst dit 
op een staak bij den boom; degene die de vruchten van dezen boom steelt, zal door 
den casuarivogel in het bosch doodgetrapt worden — ; de ule tahuan of mutue lase- 
poota — men neemt een kalapadop en doet daar een ronden steen in, wikkelt 
beide in gomutu en plaatst ze onder den boom; degene die de vruchten neemt 
zal zwelling aan de testicuU krijgen — ; de ule salee of mutue sania — men neemt, 
een stuk geroosterde sagu en legt het onder den boom; degene die de vruchten 
steelt, diens buik zal zwellen als sagu door water verzadigd — ; de ule momalu of 



mutue mumanua — men maakt op een stuk hout het teeken 




, plaatst dit op 



vier staken onder den boom en bedekt het vervolgens met twee stukken atap; de- 
gene die de vruchten van den bewusten boom eet, zal krankzinnig, maluu worden. 
Het aantal ule of mutue is zeer groot en hangt af van de vindingrijkheid van 
den persoon, die ze in toepassing brengt Het verschil tusschen de mutue en de selia 
is, dat de straf op overtreding der eerste door bovennatuurlijke invloeden geschiedt, 
terwijl die der tweede door den persoon of het hoofd, die de selia geplaatst heeft, 
overeenkomstig het gebruik wordt bepaald. Bij zware overtreding kan zelfs de dood- 
straf er op volgen. 

De eedsaflegging, saha of wape, geschiedt op verschillende wijzen. Men bezigt de 
wape tapena, wape hena, of grondeed, de wape ari, ook genaamd aisaha tuhana, of 
parang-eed, de siroo kikunar of de jonge-sagustam-eed, de saha ninu hatuwaa of 



116 HET EILANI) SSBAKG OF NÜSAINA. 

de steendrinken-eed en de Muapa hatan tuen of omgekapte-sagaboom-eed onder 
de pataliina. Bij de wape tapena nemen de eedafleggers ieder een weinig aarde in 
de hand en begeven zich naar den mauwen , die in tegenwoordigheid van de geheele 
gemeente voor de baUeo uitroept: <upu nanite, upu tapena, tuale rapie, masue- 
masueke manahu heteke inejenanitaneiretaammereesanamatepotamimanahuheteke 
imata puise , » d. w. z. Heer uitspansel , heer aarde , hemel en aarde , wanneer in waarheid 
hij gezegd heeft, dat hij (op de tegenpartij wijzende) zijne goederen genomen heeft, dan zal 
hij (weder op de tegenpartij wijzende) niet gelukkig zijn, maar alles (zijne geheele familie) 
sterven. Daarna wordt een weinig aarde in den mond genomen. De wape ari heeft op ge- 
lijke wijze plaats , doch in plaats van aarde nemen de partijen ieder een parang of zwaard 
in de hand. De siroo kikuna bezigt men gewoonlijk bij grondgeschillen. De partijen begeven 
zich op het terrein in quaestie , nemen een stuk gepunte saguschors en steken daarmede 
in een sagustam, onder het uitspreken van: «upu nanite, upu tapena, tuale rapie, 
manahu heteke musueke lapia weire manahu heteke ine nie au mata, manahu au 
kue inei mata,» d. w. z. Heer uitspansel, heer aarde, hemel en aarde , wanneer uwe 
(van de tegenpartij) woorden, deze sagu-gronden betreffende, waarheid bevatten, dan 
zal ik sterven, zoo niet, dan zult gij (tegenpartij) sterven. De saha ninu hatua 
wordt aangewend bij ontkenning van misdrijven als diefstal, overspel en wat dies 
meer zij. Tot dat einde neemt men een schotel met water, doet daarin een slijp- 
steen, slijpt vervolgens in het water een parang, voegt er bij een weinig steenpoeder, 
een weinig aarde, een weinig regenwater, een weinig roest van een pijl, en een 
weinig zout, en mengt dit dooreen. Dit gedaan zijnde, neemt een der oudsten den 
schotel in zijne handen en vóór het huis van den beschuldigde staande reept hij 
bijv. in het Pasaharisch dialect: «aisaha ini hatuwaa, aisaha ini tuhanaa, aisaha 
ini kaitahuwaa, aisaha ini rowaa, aisaha ini lilomoa, aisaha ini tasiaa , ukoe halaeme 
tuhanaa, ukoe halaeme kaitahuwaa, ukoe halaeme rowaa, ukoe halaeme lilomoa, ukoe 
halaeme tasiaa pala ne mansia te meraha salamusi amonio te sahule hese mesi , ne pala ne 
sala amuni sehui japuku halaeme , » d. w. z. (Bij) dezen eed (is gebezigd een) steen, meraha 
een parang, een weinig aarde, een weinig regenwater, een weinig pijlroest, (en) een 
weinig zout; houdt hem in het oog, gij steen, parang, aarde, regenwater, pijlroest, 
zout; wanneer hij niet schuldig is dan zal hem niets deren, schuldig zijnde moet 
gij alle hem treffen. Is hij schuldig, dan moet hij weldra gevoelen dat zijn lichaam 
zwaar wordt als een steen of als aarde, dat zijn hals gekorven wordt door een 
parang, dat hij koud wordt als de regen, dat hij gestoken wordt door pijlen en 
dat zijn vleesch wegsmelt als zout Zijn de partijen echter tegenwoordig, danbehoo- 
ren zij een weinig van dit vocht te drinken. Bij de laluape hatan tuen schoppende 
partijen onder het uiten der gewone vervloekingen den stam van den omgekapten 
saguboom. Gewone vervloekingen, wate otoo, bij de patasiwa, zijn:nitaasakaaka, de 
booze geest zal u verslinden; woomina sireteka, booze menschen zullen u dooden; 



JV. 




Blz.117 



HET EILAND 8BRAN0 EN NUSAINA, 117 

howaang keeka, de krokodil zal u verscheoren, en nog meer; bij depataliina:knkna 
jeroloakan, dé donder zal zijn hoofd in tweeën splijten; ha&ua japita, de varkens 
zullen hem verscheuren; momea heseeme, een ziekte zal hem treffen; aia jaroru 
eme, een boom zal hem dood drukken, en nog honderden meer. De Serangers ge- 
looven in het algemeen aan de kracht der eeden en vervloekingen en halen tal van 
voorbeelden aan, om hun beweren te staven. De bewoners der binnenlanden gaan 
derhalve er moeilijk toe over, om een valschen eed, saha mehali, af te leggen. De 
eeden treffen volgens het oude volksgeloof niet alleen den persoon, maar ook zijne 
kinderen en kindskinderen. Middelen om de kracht der eeden te ontwijken of den 
eed te bezweren zijn niet bekend. De mohamedaansche en christen bevolking van Serang 
hecht aan de eedsaflegging op de mohamedaansche en europeesche wijze hoege- 
naamd geene waarde. De Wemale, die veel omgang met de Salame en Sarane hebben, 
beschouwden ten langen leste ook de wijze van eedsaflegging der vaderen als van 
weinig beteekenis en leggen tegen eene kleine belooning met de grootste kahnte en 
vrijmoedigheid een valschen eed af. 

Het koppensnellen, jena wunu, wordt behalve ten behoeve van den nitudienst, 
ook aangemerkt als een maatschappelijk gebruik der vaderen, upuma wosima, 
de atate matamena, dat nageleefd behoort te worden. Van de afschafiKng daarvan 
is tot dusverre geen sprake, ook omdat de middelen daartoe ontbreken. Behalve 
in den oorlog, om bewijs van moed te leveren, worden er tevens koppen ge- 
sneld, wanneer de tegenpartg nalatig is de opgelegde boete te betalen, wan- 
neer men voor het eerst een sagero- of palmwijnboom tapt, voorts bij het op- 
richten en wanneer het dak wordt gelegd van baileu's en tutuu's, bij het op- 
richten van de nanehute kahitetui nawai of loods, waar de kakihanisten zich 
uitrusten, bij het intreden der jongelingen in de kakihanclub ten einde als 
afgezant te dienen bij de afgestorvenen, vervolgens door jongelingen om met eere 
de ruano, schaamgordel, te mogen dragen, bij sterfgevallen van hoofden en aan- 
zienlijken, eindelijk om bij de vrouwen en maagden ia aanzien te komen of hooger 
te stijgen. De koppen mogen overal gesneld worden , uitgezonderd in de negari, waar- 
mede men het verbond van vriendschap en wederkeerig hulpbetoon, pela, gesloten 
heeft Voor dat doel vereenigen zich ettelijke mannen, het getal van twintig niet te 
boven gaande, en drinken te zamen den eed van geheimhouding. Alles voor den tocht 
bijeengebracht zijnde, raadpleegt, nauwa, de oudste hunner de voorteekenen, en be- 
geven allen zich goed gewapend op weg. De jacht geschiedt alsdan op een 
slinksche wijze. Eerst wordt op het slachtoffer met een geweer of pijl en boog 
gesdioten. Is hij op den grond gevallen of kan hij zich niet meer verweren, dan 
springt men uit de schuilhoeken op den buit, grijpt hem in het hoofdhaar en slaat 
met de klewang, gewoonlijk in één slag, het hoofd af. Blijft het feit een geheim, 



118 HET EÏLAJSD SERANQ OF NÜSAINA. 

dan yertoeven de koppenjagers nog eenigen tijd ter plaatse, om meer koppen te 
verkrijgen. Bemerkt men echter onraad in de negari, dan vertrekken zij met den 
meesten spoed naar hunne negariën, gewoonlijk achtervolgd door de bloedverwanten 
van den verslagene, die de voetstappen nagaan. Uit dien hoofde worden de rivier- 
beddingen gekozen, opdat de vervolgers het spoor bijster raken. Ontmoeten 
de koppeiyagers eene vrouw, dan maakt zij haar schaamgordel aan de achterzijde 
open, om hen tot copulatie over te halen en zoodoende ongedeerd te blijven. Deze 
aanbieding mag niet worden afgeslagen. Wordt een kop ten behoeve der negari ge- 
sneld, als bij het oprichten van baUeu's, utaro, vandekakihanhuizen,tutuu,detano- 
pane of suano, het gewijd huisje waar men de jongelieden ook henen voert om de 
ruano voor het eerst om te doen, dan houden de koppenjagers buiten de negari 
zich schuil en laten door twee afgezanten, maialo, van hunne terugkomst kennis 
geven. Op den bepaalden tijd, wanneer al de negarigenooten in feestdos gehuld 
zijn, wordt de kop door de jubelende en tierende menigte binnen de negari gebracht 
De dansende vrouwen maken het bovengedeelte hunner sarong open, als het ware 
om den kop in ontvangst te nemen, ipele uro, terw^l deze de suano of tano- 
pane wordt binnengevoerd. De gelukkige jager wordt door de mannen tot malesi 
of held uitgeroepen; de oude vrouwen bieden hem rgst en sagero aan, terwijl de 
jonge maagden zijn hoofdhaar, nadat de mauwen een weinig haar boven de slapen 
heeft a^eschoren, zijn lof bezingende, met aeri sino, welriekende olie, zalven. Ver- 
volgens wordt de kop naar de baileu gebracht enopdengewijdensteen, hatuasatana, 
nedergelegd of aan de kole- of sole-, Codiaeum moluccanum, en aihuru-, Dracaena 
terminalis, struiken opgehangen. Alle mannen verzamelen zich in de baileu om te 
eten en te drinken; de vrouwen dansen, mamiri, op het plein waar de baileu staat, 
nu en dan bijgestaan door twee mannen. De vrouwen zingen de tjerlele en de man- 
nen de kapata nusaina. Na den maaltijd wordt de algemeene rondedans, maku, 
uitgevoerd, tot den volgenden morgen. Daarna wordt een hond van den malesi, asu 
malesi, doodgeslagen, op het vuur geroosterd en het hart er uit gehaald, dat 
weder gepofd en onder de gezamenlijke jachtgenooten, ieder een stu]ge, om zulks te 
verslinden, verdeeld wordt Het overige bewaart men indenhoogennunuboom,Ficu8 
Altimeraloo Bxb. De kop wordt, behalve wanneer hij dienen moet om in het ge- 
graven gat voor den hoofdpaal te worden gebezigd, ook zoo hoog mogeUjk in den 
boom opgehangen, om, wanneer het vleesch verteerd is, den schedel in de suano of 
tanopane te plaatsen. Het onderkaakbeen bl^'ft echter het eigendom van den koppen- 
sneller, dat hij op geheimzinnige wijze verbergt en alleen biy plechtige gelegenheden 
beziet, ook om aan de nitu te vertoonen. Als het feest afgeloopen is, maakt de 
mauwen achter op de ruano, apane of schaamgordel van den nieuwen malesi, het 
heldenteeken, toule en wanaL 



HST EILAND SIRANQ OF NUSAINA. 119 

De negariën, hena, ook wel als pena uitgesproken, worden bij voorkeur op hoogten, 
of wel in de nabijheid van rivieren of kleine stroomen gebouwd, opdat de bewoners 
zich bij aanvallen gemakkelijk verdedigen kunnen. In oorlogstijd worden er bentengs 
of palissadeeringen van bambu, makanuuta nawai tinina, opgericht en daaromheen 
voetangels, sonana, in het gras gelegd. De woningen worden niet geregeld aange- 
legd. In het midden der negari vindt men echter een open plein, alwaar de 
hatu asatana staat — by de patasiwa aan de zeezijde, bij de patalima aan 
de landzijde — en feesten gevierd en vergaderingen gehouden worden. Straten, 
nanane, zijn er niet, behalve in de mohamedaansche en christen nederzettingen. 
In elke negari vindt men een baüeu utaro, een pamali-huis, suano of tanopane, 
alwaar de gesnelde koppen en de wapenen der jonge mannen bewaard worden, 
alwaar zij den nacht doorbrengen en de apane of ruano voor de eerste maal 
om de lendenen der jongens wordt geslagen; voorts onder de patasiwa telu maini 
de tutuu en de nanehute kahitetoi nawai, die echter buiten de negariën staan en 
waar de kakihanfeesten gevierd worden. In de mohamedaansche en christen 
negariën vindt men tevens de mesdjid, de kerk- en schoolgebouwen, alle door de 
gezamenlijke negari-genooten in corveedienst opgericht en onderhouden. 

Heeft iemand het voornemen eene woning, numa, te bouwen, dan noodigt hij zijne 
bloedverwanten en vrienden uit om op den bepaalden dag het bosch in te gaan, 
ten einde materialen, numa heini, te verzamelen. Dit werk wordt als eene feest- 
viering aangemerkt, omdat de belanghebbende voor eene groote verscheidenheid van 
spijs en drank behoort te zorgen en onder de inheemsche bewoners de gewoonte 
bestaat, om bij eenig zwaar werk elkander wederkeerig te helpen, akanuhu of aisopo. 
Zijn de benoodigde houtwerken bijeengebracht, dan worden er gaten in den grond gemaakt 
en de stijlen, zonder formaliteit of plichtplegingen jegens de nitu, alléén dat bast en 
schors niet verwijderd mogen worden, er in geplaatst In den grond, onder de plek 
waar het slaapvertrek moet komen, pleegt men wel geneeskrachtige kruiden en wor- 
telen als voorbehoedmiddelen tegen de suwaika of mamuline te begraven. Men ar- 
beidt vervolgens door, totdat de woning met atap, sagubladeren door de vrouwen 
verzameld en aan bambulatten van 1.5 tot 2 Meters vastgehecht, gedekt is. Ge- 
durende het dekken, dat in één dag moet geschieden, zijn de bloedverwanten van 
den eigenaar verplicht, geschenken als gongs\ geweren, oude schotels en lijnwaden 
te brengen. Alsdan moet de eigenaar een feestmaal geven voor de saanuma ahenuke 
of bestijging der nieuwe woning, waarna ook gedanst en gezongen wordt De rust- 
plaatsen der nitu, wanneer zij aangeroepen worden, de mutue waarop de aupuo, 
houten beeldjes, staan, moeten evenwel vóór dien tijd gereed zijn. De eigenaar het 
huis bewonende, werkt alsdan eiken dag alleen aan de voltooiing der omwanding, 
totdat deze, gewoonl^'k binnen zestig dagen, in gereedheid komt Als dit afgeloopen is. 



120 HET EILAKD 8ERANG OF NUSIINA. 

worden op denzelfden avond de sagupap en het haardvnnr geraadpleegd, of de eigenaar 
in zijne woning gelukkig zal zijn. Hij moet tot dat einde zelf de pap koken. Is 
deze helder van kleur, dan is zulks een gunstig teeken; troebel zijnde, heeft het eene 
tegenovergestelde beteekenis. Het haardvuur moet hij ook persoonlijk aanmaken en 
afwachten, of dit zonder toevoeging van brandstofiFen den ganschen nacht doorbrandt 
Het tegendeel daarvan is een teeken van ongeluk en veel ster^evallen. De huizen 
der binnenland-bewoners, met bambu- of gabagaba-, ook wel atapomwanding, worden 
alle veiligheidshalve en wegens de vochtigheid op palen van een tot twee meters 
boven den grond gebouwd. Onder het huis behoort het terrein goed gereinigd 
te worden, opdat de nitu der vaderen den eigenaar niet ziek make. De inwendige 
inrichting der woningen is zeer eenvoudig. Na een soort open voorportaal te zijn 
voorbijgegaan, komt men in een groot vertrek, de numa nanee, aan welks hoeken 
van atapbladeren of bambu slaapkamers getimmerd zijn. Yóór en achter heeft men de 
trap, elane, die naar buiten leidt Aan andere woningen heeft elk huisgezin een 
afzonderlijken uitgang naar buiten, met elane die op en neer gehaald wordt Met 
overal heeft men boven de numa nanee eene zoldering, sainanee, of sainanee par 
rane, alwaar de erfstukken, oude voorwerpen die geëerd worden, kunnen worden 
weggelegd, en kan men het dak onbelemmerd zien. De kookplaats, tuka, vindt men 
in de numa nanee, ook wel in de zijvertrekken, en bestaat uit een houten bak met 
aarde gevuld, waarop eenige steenen liggen. Behalve door de deuren en vensters, 
verkrijgt men het Ucht ook door de dakopeningen. De waarde der huizen, waarin 
hoogstens drie gezinnen, wunui, wonen, variêeren van f50 tot f350. De huizen in 
de strandnegariën door Mohamedanen en Christenen bewoond, en die gewoonlijk in 
huur worden opgebouwd, rusten op den grond, terwijl enkele een steenen vloer en 
omwanding van planken hebben. De woningen der hoofden zijn veelal geheel van 
steen opgetrokken met atappen dakbedekking. 

Als huisraad vindt men in de meeste woningen: de lapua, mat om op te slapen; 
popaha, een pot voor de sagupap; kauwahua, sagulepel van hout; atamua bambu 
stokjes om de sagupap om te roeren; katopua, een soort zeef om de sagu te zuiveren; 
avanihia, fijne saguzeef ; kokoa, fuik om garnalen te vangen ; sapeia, een mand om vruch- 
ten en dergelijke uit het veld te brengen ;salata,sirihdoos van palmbladeren, kapilina, 
een vierkanten mand of kist van sagubladjibben om kleedingstukken in te bewaren; 
wetia, een werktuig om sagu te kloppen, kasihua; lepel van kalapadop; kahihuaka, 
een houten hoofdkussen; voorts kesia, damar of harsstokken ter verlichting, eindelijk 
de waena huini , bambuzen watervaten , schotels en kommen. In de door Mohamedanen en 
Christenen bewoonde huizen treft men bovendien aan tafels, houten banken, stoelen, 
kisten, petroleum- en olielampen, ijzeren potten en pannen , platte steenen om kruiden 
fijn te malen , kalaparraspen , lepels van ijzer of koper , rijstblokken en wat dies meer zij. 



HET EOiAlO) SEBANG OF NITSAINA. 121 

De onde voorwerpen, mntae of tanei mutaana molia, die als erfdeel der vaderen 
geëerd en zorgvuldig bewaard worden, zijn de pika inaeniolia,pinaIiataa,ofhalaLnai, 
oude steenen schotels in verschillende kleuren met Chineesche figuren, kete liti, 
koperen waterketels, kusa mamoio tampajangs of verglaasde steenen potten, bulauka 
nijate of hunawanija, gouden slangen met draakvormige koppen, punawa ahu, gou- 
den zwijnen, en oude lijnwaden. Het aardewerk werd volgens de mededeeüngen 
vroeger door de Chineezen, Tasina, die met hunne wangkangs Oost- en West-Serang 
bezochten, ingevoerd. De koper- en goudwerken z^n van Oost-Aziatischen oorsprong, 
terwijl de lijnwaden veel overeenkomst hebben met die, welke de Oost-Indische Com- 
pagnie voorheen uit Voor- en Achter-Indië medebracht Aan deze voorwerpen , die in 
een mand of kist van palmbladeren bewaard worden, plegen bij naderend gevaar of 
andere gelegenheden, even als voor de aupuo, offers gebracht te worden, niet alleen 
door de heidensche, maar ook door de mohamedaansche en christen huisvaders. Ook 
worden de wapenen, manunia, als hola, geweren, husune, bogen, soke, pijlen, ka- 
niau, schilden, niputa of laisana, pieken, en niari of imahalia, zwaarden, in de 
huizen boven de slaapplaatsen geborgen. De rijkdommen der Memale, als gongs, 
of koperen muziekbekkens, schotels en andere aardewerken, voorwerpen van goud, 
zilver of koper worden veiligheidshalve sedert onheuglijke jaren in den grond, liefst 
in moerassen bewaard. Vandaar de bewering, dat oude schotels, mamakur, of arm- 
banden etc. uit den grond moeten worden opgedolven, alwaar de nitu deze verbor- 
gen hebben. Buiten- en binnenshuis worden tevens opgehangen, of tusschen de atap 
gestoken, de onderkaken van herten, maianane wanai, van zwijnen, ahuwanai, van 
buideldieren, Guscus maculata, marene anai, voorts slangen-skeletten, nija nunini, 
en het schild der landschildpadden, paponu usai. Men hoopt daardoor voortdurend 
op de jacht succes te hebben. 

Even als arm-, hals- en voetringen, worden de Ueedingstukken op Serang als 
sieraden, jahene ruwai, gebezigd. Onder de pata ne Memale, of liever de Wemale, 
in tegenstelling van de Salame en Sarane, is de kleeding tamelijk eenvoudig en 
bestaat — voor de mannen uit de ruano, apane of uhelia, gordels of banden der 
schors van den malak- of posuroloboom of katoen om de schamelheid te bedekken, 
welke in drie soorten verdeeld worden, als : de ruano kapita, welke door iemand, die acht 
en meer koppen heeft gesneld, mag gebruikt worden; de ruano malesi, welke door 
iemand, die een tot drie koppen, en de ruano maasieuro, welke door iemand, die nog 
geen koppen heeft gesneld, mag gebruikt worden; vervolgens de asopea of saniha 
hutini, hoofddoek, taulosua, een sarong of stuk lijnwaad om over het bovenl^f te slaan; 
voorts sieraden, als: mamakur, doorschijnende armbanden van Chineeschen oorsprong, 
sesekurolo, hoofdversieringen , uwenu solonia , halssnoeren van koralen , lokuhara imania , 



122 HET EILAin) SERANG OF NÜSAINA. 

armbanden, lokohara litia, koperen vingerringen en lange haarkammen, seniwanata, 
van bambu — voor de vrouwen uit den uhelia, den gordel om het schaamdeel te 
bedekken ; de anune, eene sarong van geweefde jonge sagu- of Pandanus repens-bladeren , 
van den buik tot aan de knieën, die met de nisawala, buikband van roodgeverfde 
rotan, vastgehouden wordt; de umasiro, een stuk boomschors dat voor hetzelfde doel 
wordt gebezigd; verder sieraden als kasusuwaaka, hoornen haarpennen, puapuanaa 
salaka, zilveren oorhangers, wenu solonia, halssnoeren van koralen, lokukaraimania, 
armbanden, papila imania, armbanden van schelpen, en sapakuku litia, koperen vinger- en 
toonringen. De uhelia of schaamgordel wordt door de gehuwde vrouwen langer gedragen, 
om zich van de ongehuwde te onderscheiden. Dit kleedingstuk bezigen de meeste vrouwen 
nog onder de anune of sarong. Ook bedekken de vrouwen bij plechtige gelegenheden hun 
hoofd met bladeren van de Colocasia antiquorum en met bloemen , en behangen de armen 
met takjes van de Codiaeum moluccanuuL Mannen en vrouwen bestreken hun lichaam 
met kamiri- Aleurites moluccana, en kalapa-olie , en dragen, wanneer z^ zulks machtig 
kunnen worden, de marele tapui of de gedroogde testiculi van de Cuscus maculata 
als reukwerk om den hals. Vele mannen versieren hun baard en knevel met rood of 
geel katoen, ook wel met vogelvederen. In de bosschen loopen mannen en vrouwen 
slechts met den schaamgordel, zonder meer. De Mohamedanen, die ook van de kato- 
himata tudung of hoofddeksel gebruik maken, hebben de half Maleische, half Arabische 
dracht aangenomen, terwijl de mannelijke christenbevolking bij plechtige gelegenheden 
bij voorkeur zich met Europeesche kleedingstukken en schoeisel tooit In het dage- 
1^'ksch leven dragen de christen mannen wijde blauwgeruite broeken, met lange 
zwarte ba^jus en een ronden hoofdkam van hoorn; de vrouwen blauwe of roode 
geruite sarongs, met zwart of blauw gekleurde korte badjus, ook wel kabajas. Bg 
plechtige gelegenheden zijn allen in het zwart gekleed. Zijden of batik sarongs mogen 
de vrouwen van den minderen stand niet dragen, evenmin goud- en zilversieraden; 
bij overtreding worden zij door de hoofden gestraft. De kinderen loopen grootendeels tot 
hun tiende jaar naakt rond. Als zij naar school gaan, kleeden sommigen zich sledits 
met de sarong, die zij gewoonlijk om den hals slaan, in stede van daarmede de 
schaamdeelen te bedekken. 

Onder de pata ne Memale worden alle spijzen, wakua, zonder zout of andere 
[ kruiden, in bambugeledingen gekookt, of hokohoko, op het vuur gepoft Zij zijn groote 
voorstanders van semiputride vleesch, visch of eieren. Het hoofdbestanddeel der 
voeding is sagu, in den vorm van pap en van drooggebakken koeken, tevens aard- 
vruchten. Bijst wordt zelden genuttigd. Na eene gelukkige jacht wordt dagen achtereen 
veel vleesch genoten. In de voedingswijze en de bereiding der spijzenis bij de Mohamedanen 
en Christenen veel verbetering te bespeuren. Personen die van krokodillen, slangen, 
leguanen, haaien afstammen, mogen het vleesch dezer dieren niet nuttigen. Men 



HET mLAND SXRANO OF NT7SAINA. 123 

voedt zich driemalen daags, des morgens, des middags en des avonds, met ipia 
sagapap, aiMa ihna gekookte ubi, ihu hokohoko gepofte ubi, kala hokohoko gepofte 
wortelen van de Colocasia antiquorum, kasitela hokohoko gepofte Batatas edulis, 
puria hokohoko gepofte pisang, isisi wahinia gekookte buideldieren, hahna hinia 
gekookt varkensvleesch, peti hokohoko gepofte zoetwatervisch etc Als voor voeding 
geschikt worden nog aangemerkt de tnleiaGasuarisgaleatns,leapata vliegende honden, 
pipenoa landschildpadden , etia larven , tataua Mkvorschen , iloa palingen en nog andere. 
Als drank gebruikt men water, veel sagero of palmwijn en bij plechtige gelegenheden 
ook wel brandewijn, jenever, arak, van welke laatste zoowel mannen als vrouwen 
groote liefhebbers zijn. 

Volwassen, zoomede oude mannen en vrouwen maken den ganschen dag gebruik 
van sirih-pinang, kaahua. Tot dat einde bezigen zij de kauwa, sirih,huaofpulauwa, 
pinang, losa, kalk, kapiri, gamber en tabako, tabak. Bg gemis van deze artikelen 
neemt men de kaha uku mamata, jonge sagubladeren, de waate huai, vruchten van 
de Rhizophora conjugata en de hataule huai, Callophyllum inophyllum-vrucht Andere 
narcotica zijn niet bekend, behalve op Oost-Serang, waar veel misbruik van opium 
bestaat Tabak wordt niet alleen gekauwd, maar ook in den vorm van karikisa, 
sigaretten, en in bambupijpen gerookt. Jongelieden mogen vóór het intreden der 
puberteit geen sirih-pinang gebruiken. 

Grelijk te verwachten was , zijn de woeste mannelijke bewoneren van Serang groote 
liefhebbers van de ailaki of lakawuhu, jacht Dit bedrijf wordt ondernomen door 
een tot vijf personen, ook wel met honden, nadat men in de eerste plaats door 
nauwa de toekomst heeft geraadpleegd , of men geen ongeluk maar succes zal krijgen. 
De mede te voeren wapenen z^'n geweren, pijl en boog, pieken en zwaarden. De 
buideldieren, Guscus maculata, moeten door beklimming der hoogste boomen wor- 
den gevangen. De verkregene wilde zwijnen en casuaris worden geroosterd, het hert 
gevild, de slangen en buideldieren gerookt huiswaarts gebracht Behalve het aandeel 
der hoofden, dat afgetrokken wordt, krijgen de jagers ieder evenveel vsüi den buit 
Het visschen geschiedt behalve met netten, fuiken, lijnen en dergelijke ook door 
het in het water werpen van bedwelmende wortelen, bladeren en vruchten, die, fijn- 
gestampt zqnde , met water vermengd worden. De meest gebruikelijke bedwelmings- 
middelen zijn de wali tuha waate of tuhan tumun, wortelen van den siruha, 
Barringtoniarsoorten, zoomede de bladeren en vruchten van de kaposine-plant, Ormo- 
carpum glabrunL In andere negariën vischt men met pijl en boog en met obors of 
flambouwen van droge kalapabladeren vervaardigd. Vogels worden gevangen met lijm, 
masinuti of apulua, bereide hars van den Artocarpus incisa, met samoheta, strikken, 
ten einde levende exemplaren voor den verkoop te verkregen, en met siana, pijl en boog. 



124 EBT EILAND SEBANO OF NUSAINA. 

Bij den landbouw wordt op de gesteldheid van den bodem niet gelet. De land- 
bouwer zoekt een plek uit die hem behaagt, zoowel op de vlakten als langs de berg- 
hellingen in het bosch, en begint met vrouw en kinderen de boomen om te hakken. 
Vindt hij echter onder den arbeid een tot een knoop gegroeide slingerplant, waarop 
hij in het bijzonder letten moet, dan verlaat hij de plaats om eene andere te zoeken , 
vermits de knoop eene waarschuwing is, dat hij ziek zal worden of dat de koppen- 
jagers hem te eeniger tijd zullen komen storen. De omgekapte boomen en takken droog 
geworden zijnde , worden in brand gestoken. Daarna plant men in het midden van den 
tuin uri, puria, of huria, pisang, en aan den rand tehuoftohua, suikerriet, manisa 
of kalatupa, Spaansche peper en verscheidene asiahu of ihu, ubi-soorten. Daarop 
wordt eene omheining gemaakt en de djagong of padi geplant Bij het planten der 
laatste gewassen loopen de mannen vooruit om met scherp gepunte stokken, op 0.4 
tot 0.6 meter afstands van elkander, gaten in den grond te steken, kasihuele, 
waarin de hen volgende vrouwen en meiqes de korrels werpen, welke ze met 
den voet toedrukken. Het is momoni als de vrouwen de gaten maken en de 
mannen de korrels er in werpen. De gronden, welke om de twee jaren verwisseld 
worden, worden in den drogen tijd, nale timuia, ontgonnen, en tegen het invallen 
van de eerste regens bij het aanbreken van den west-moeson, nale halate, wanneer 
de djagong geoogst is , de padi in den grond gezet Yan bemesting, uitgezonderd met 
plantenasch, is geen sprake. De grootste padituin van een persoon is ongeveer twee 
honderd meters vierkant Het veld wordt slechts twee malen gewied, inatu ehua. 
In het midden van den tuin bouwt men een hutge , alwaar de landbouwer met zijne famihe 
tijdelijk verblijf houdt, om de herten en wilde zwijnen te verjagen. Gedurende het 
tijdperk der vruchtzetting worden de padivelden, waka nahala, met gewijd water 
uit bambuzen door den eigenaar besprenkeld. Wanneer de padi rijp is, mag geen 
vreemdeling het veld betreden, momoni siriM simasoi ahenuke. Begeeft zich 
iemand in den tuin, dan wordt hij vastgehouden en zijn zijne bloedverwanten of 
negarigenooten verplicht hem uit de handen van den eigenaar te verlossen tegen 
betaling eener boete van dertig borden. Het oogsten van padi geschiedt door snijden, 
riki masoi, of afstroopen der korrels boven eene mand, sokatL De padi wordt in 
bossen, masoi wunui, of wel los in een a&onderlijk hutje, tane manimu of 
lubura, bewaard, omdat het almede momoni is deze in huis op te bergen. De korrels 
worden bij gebruik op den vloer der woningen, raati, met de voeten, kaite masoi, 
van de halmen gescheiden. De djagongsoorten, die het meest aangeplant worden, zijn 
de sesele, de gewone, en de sesele mananate, de rpode soort, beide van drie maanden 
groeitijd. De padisoorten van drie tot vijf maanden zijn de hala tarora, de hala 
tambaga of ala pulu palole katania, de ala puluti paloli usen, een pulutsoort, de 
ala vauvauwa, de ala manian, de ala puluti en puluti mete, beide pulutsoorten,en 



Ml. 




Blz.124. 



HET EILAND SERANG OF NÜ8AINA. 125 

de ala alusia of ala dara mangamo. Van de pulutsoorten wordt meer werk gemaakt. 
Vóórdat men de ka^ang, kahuwee, plant, doet men de te planten korrels in een bak 
met zeven sirihvruchten, zeven jonge pinangvruchten, zeven witte steentjes en 
zeven pesahatupitten, mengt deze ondereen met een mannenkam onder het aanroepen 
der nita, opdat de korrels mogen gedijen. De essence der sirih-pinang en pesahatu- 
pitten wordt als oflFer aangemerkt De meestearbeidwordtbesteed bij den aanplant van 
tabak, tabako of tahakoa. Men maakt eerst een kweekbedding, waar de grond fijn 
geslagen wordt; daarna zaait men het zaad en bedekt dit met droge palm- 
bladeren. Zijn de zaailingen 0.04 meters hoog, dan worden zij overgeplant op een 
afstand van 1.50 meter en verder van elkander, welke plantjes met reepen van den 
pisangstam tien dagen ongeveer dicht gehouden worden. Daarna wordt het veld ge- 
durig schoongemaakt en de planljes twee malen des daags bevochtigd. De hoogte 
van 1.40 meter bereikt hebbende, wordt de plant getopt en kort daarna de bladeren 
geoogst De verzamelde bladeren worden op een bambusteUage evenwijdig gelegd en 
met pisangbladen gedekt Drie dagen daarna worden de bladeren — als zij geel geworden 
zijn — fijn gekorven, vier dagen in de zon te drogen gelegd en in palmbladeren 
ingepakt of in bambu vastgestampt bewaard. De tabak van Serang, meer speciaal 
die van Teluti, is beter dan die van andere eilanden. Yan de koffie, waarvan 
thans eenig meerder werk wordt gemaakt door de bevolking, kan hetzelfde 
worden verklaard. Andere gewassen — als niwe of lue, kalapa; kauwa of kamuhua, 
sirih; hua of kamualaka, pinang; kabuse of ahaja, kapas; toriane of turia, durian; 
nasate of aimahua kainia, lansap; kangkane of nakaa, Ijampedak; balamo of hau 
kainia mangga, kaloke of masapa kainia, roode djambu; lapia of ipia sagu, iale, 
kanari en kakao — worden ook, met meerder of minder ijver, in de wakanaa,dusuns 
en negariên aangeplant Notemuskaat- en kruidnagelboomen worden niet meer aange- 
kweekt Indigo groeit bij voorkeur in het wild. 

De nijverheid staat op een zeer lagen trap. Suiker of stroop wordt in de strand- 
negariën van suikerriet, nasu tehu, in kleine hoeveelheden bereid, door het uitge- 
perste sap in aarden potten te koken. Sagero of zoogenaamde zwarte suiker, 
tohun huan, wordt niet gemaakt, maar van Tobelo- of Galelareezen ingeruild. De 
bevolking van de negari Loun, van Manipa afkomstig, bewerkt de klei tot potten 
en pannen. Het meerder benoodigde wordt van Saparua ingevoerd. Touwen of strik- 
ken worden van gomutu nawa of mapuhua, arengvezelen, ook wel van boombast ge- 
slagen. Zout, tasi, wordt alleen op Lisabata en in eenige andere strandnegariën 
bereid, otoke tasii. Het bereiden van zout is momoni voor den bewoner der binnen- 
landen, een politie-maatregel der strandbevolking die van vreemden oorsprong is, om 
hem onder haar invloed te houden. Kleine vlerkprauwen vervaardigt men zelf; 
ook begint men in de laatste jaren grootere prauwen te Lisabata te bouwen. De 



126 HET KILAND SERANe OF NÜSAINA. 

pnluta of polutu milt Inen in van de rondtrekkende Eeeineezen. In de strandnegariên 
vindt men enkele toka sari of eta, ijzersmeden, tnka hnlawane, goudsmeden , die de 
kunst van de Todoreezen geleerd hebben, voorts tuka ai, timmerlieden. Deze ambachts- 
lieden werken echter niet geregeld. Voor het smeden worden slechts primitieve werk- 
tuigen gebezigd, als de tuin, staande blaasbalg, de tamaa, een ijzeren tang of knijper, 
de laruru nalan of hamer en de laruruikaam, het aanbeeld. De timmergereedschappen 
zijn de apolote , bijl , tulu , mes van middelmatige grootte , tateta , dissel , utoto , beitel , en 
djangka, passer. Verscheidene lieden kunnen eenig snijwerk verrichten. Voor het overige 
bestaan de dagelijksche verrichtingen voor de mannen, manona nitanei, uit : het tappen 
van den sagero of palmwijn, isui ; het sagu-kloppen, weti lapia of weti ipia; het ontginnen 
der velden en de bewerking daarvan, jakai manimu of hunawakanaa; het bouwen van 
huizen, mokaa numa of haku luma; het jagen in de bosschen, iri pakenete,haisaa, 
ailaki of lakawuhu; het beklimmen der hoogste boomen om buideldieren te vangen, 
iraU saa mare; het maken van vischftiiken , imokaa uhu; het drijven van ruilhandel, 
takiselu en het visschen op vier verschillende wijzen met netten en lijnen, lasai 
lapiru, lamorielu, laheko of lamori en uelanihiti; het maken van seroh's, hela, en van 
serohbatu, kota — voor de vrouwen, mahina nitanei, uit het koken van spijzen, jaa- 
muna wakua of pakalai umanania; het verzamelen van eetbare kruiden in de bos- 
schen, iriM wuta; het halen van water, jata wae of tana waja; het bijeenbren^fen 
van brandhout, iriki ihia ai of tana ai motoa; het visschen in rivieren en op riffen, 
kahumesa; het weven van sarongs van katoen, uti-uti of teite, en van jonge sagu- 
bladeren of van den Pandanus repens, anune, ook van zeildoek; het mede-ontginnen 
van velden en beplanten daarvan; het naaien van matten, toa lapua of lalala kihu; 
het verzamelen van eetbare schelpen, laroma ululu; het vervaardigen van schaam- 
gordels van de schors van den malak- of posuroloboom; het naaien van Ueederen; 
het drijven van ruilhandel; het vlechten van matten, taenene, van manden, supunu 
huini, en korven. De mannen verzamelen ook boschproducten, als muskaatnoten, 
damar, hout etc. Bustdagen worden niet genomen; men kan eiken dag werken. 
Vuur, wauwa, wordt verkregen door wrijving van twee stukken droge bambu, tomo 
motota. Ook bezigt men vuursteen, tinuwia, staal, salata maata, en zwam, hahua, 
om vuur te maken. Het zwam verkrijgt men van de Arenga Sacharrifera en wordt 
óf met gebrande en fijngestampte durian-, Durio zibethinus-schillen, of wel met het 
water van een soort pisangstam vermengd, in de zon gedroogd. 

De handel wordt hoofdzakelijk door vreemdelingen, met name Bugineezen,Mang- 
kasaren, Mandareezen, Tematanen, Todoreezen, Tobelo- en Galelareezen, zoomede door 
de strandbewoners gedreven, die met vaartuigen, paduwakan, djungku, voorts paka- 
tora, groote vlerkprauwen van Tobeloosch of Galelaasch maaksel, tot twaalf meters 
lengte, met pulutu of kalulusi van Eeei afkomstig, toteene lengte van twintig meters, 



HET ULAM) S£RlKa OF NT7SAINA. 127 

en met de belan en arumbae, lichte vaartuigen tot tien meters lengte, de kusten 
bezoeken. De binnenlandsche handel geschiedt in ruil, heni of selu, door mannen 
en Trouwen die tot een aantal van twintig personen uit de binnenlanden strand- 
waarts komen, voomamelijk tegen borden, hanaa of ayalaa,konmien, opa, gongs, ahu 
of yayiata, geweren, hola, oude schotels, hanainai of aYalaamutuania,patolasarongs, 
salipa patola, uti-uti sarongs, teite; voorts bosch- en veldproducten, als sagu, 
muskaatnoten, damar, rotan, houtwerken, tabak, kaljang, rijst, djagong, ubisoorten 
en dergelijke. Marktplaatsen zijn er op Serang niet. Slechts in enkele binnenland- 
sche negariën begint de bevolking de waarde van het geld, zilver, kepe putine, en 
koper, kepe mitene, te kennen. De nominale waarde der artikelen, die geruild 
worden, zijn als volgt: een geweer, hola, ruilt men in tegen honderd-en-vijftig 
kakoto lapia of pakken natte sagu van f 0.24 per pak, of tegen vijfhonderd kolate 
of masoiole, een bambumaat van ongeveer een halve kilo, ontbolsterde rijst; een 
ouden schotel, hala inai, tegen honderd-en-vijftig tot driehonderd masoiole rijst of zestig 
tot tachtig pakken sagu ; een roode sarong, saniha djarmang, tegen vijf-en-twintig masoiole 
rijst of twaalf pakken sagu; een stuk chits van vier meters, lapu tjiti, tegen vijf- 
tien masoiole rijst of zes pakken sagu; een rooden hoofddoek, saniha hutini, tegen 
tien masoiole rijst of vijf pakken sagu; een pak zout, tasi palase, tegen dertig 
masoiole rijst of vijftien pakken sagu; twee snoeren koralen, aenua tanate, tegen 
een masoiole rijst; een gewoon mes, arioto kone miteni, tegen twaalf masoiole rijst 
of vijf pakken sagu; een groot mes, parang, ariwunui elake, tegen twintig masoiole 
rijst of twaalf pakken sagu; een groote gong, ahuu tuhe nua, tegen tweehonderd- 
en-vijftig masoiole rgst of honderd-en-twintig pakken sagu; twaalf borden, hanaa, 
tegen twintig masoiole rijst of vijftien pakken sagu; twaalf kommen, sahaa, tegen 
t¥rintig masoiole rijst of vijftien pakken sagu; een pak sagu tegen tweehonderd stuks 
muskaatnoten of twintig kleine pakken damar, etc. In geld betaalt men in de strand- 
negariën voor een gong f 10 tot f40, een stel koperen bekkens f150; een vuur- 
steengeweer f20, een ouden schotel f 10 tot f20; een uti-uti sarong f8 tot f 15, 
een patola sarong f2.50, etc. Olifantstanden zijn niet gewild. De handelsbeweging 
bedraagt jaarlijks ongeveer aan invoer f61,700, aan uitvoer f83,450. Onder de 
uitgevoerde artikelen bekleeden sagu en houtwerken een eerste plaats. De Wemale 
zijn in hunne handelstransactiën zeer eerlijk en te goeder trouw. Schulden wor- 
den zelden gemaakt, en eenmaal bestaande, zijn de kinderen en kindskinderen daar- 
voor aansprakelijk. Dit kan men echter van de strandbewoners niet getuigen. Heeft 
een Wemale schuld, tania, en is hij nalatig in de betaling, seni, dan worden zijne 
sagu-aanplantingen of die zijner bloedverwanten in beslag genomen. Heeft hij noch 
saga-aanplantingen, noch bloedverwanten, dan legt de schuldeischer beslag op de 
aanplantingen van een zijner negarigenooten, waardoor overdracht van schuld ont- 
staat en de schuldenaar bovendien twee boeten, elk van dertig borden, moet betalen. 



128 HET EHAND SERANG OF NUSAINA. 

Schuldzaken worden door de betrokken hoofden afgedaan, en de bloedverwanten zgn 
verplicht den schuldenaar met geld en goed bij te staan. Dusdanige schulden ont- 
staan gewoonlijk als men een huwelijk sluiten wil of niet bij machte is eene 
boete te betalen. De maten zijn de kolate of katan, een maat van ongeveer een 
halve kilo, de kakote of halun, een mand van 0.5 meter hoogte en 0,25 meter in 
middellijn, de kolate saha, een maat inhoudende ongeveer een vierde kilo, by koop 
en verkoop van katjang en koflfieboonen in gebruik. Voor.de rijst gebruikt men ook 
de balasi, een mand van nipabladeren hoog 1 meter, met een middellijn van 0.7 
meter. Het tellen geschiedt met de vingers, met steenijes, met djagong, katjang en 
andere zaden. Om het aantal kolate te onthouden, pleegt men een stuk van het 
buitengedeelte der saguribben, hupale weMni, hetwelk bij elk getal ten teeken gebro- 
ken wordt, te bezigen. Gaat men op reis, dan neemt men een touw, walete, waar- 
aan zooveel knoopen gehecht worden als het getal dagen, dat men denkt weg te blijven. 
Eiken dag wordt alsdan een knoop afgesneden. Afstanden worden naar den stand der zon 
bepaald, ook wel naar den tijd benoodigd om pinang rood te kauwen, kaasoinainiaa, of 
om rijst te koken, jasapua masoi huwai nsd niaa. In vroegeren tijd werd op Serang 
eveneens de wilde ruilhandel door de Tobeloërs , potage tagali vuru genaamd , gedreven. 

De pata ne Memale zijn niet ongeneigd met andere lieden, ook wel vreemdelingen, 
vriendschapsbetrekkingen te sluiten, bij welke gelegenheid van beide partijen, als 
vrienden, numatoini of iha, geschenken worden gegeven. Later zendt men elkander 
vruchten en veldgewassen als kaikatuu naneku tunai, teeken van vriendschap. Bij 
ontmoeting kussen de vrouwen elkander door neuswrijving ; de mannen reiken 
elkander niet de hand, maar streelen elkander door op den schouder te kloppen of 
in de armen te knijpen. Dezelfde vriendschapsbetrekkingen worden door de mannen, 
bij tusschenkomst der mauwen, met de nitu of geesten der voorvaderen onder- 
houden, en er wordt bij ontvangst der contra-geschenken van de nitu, isupu kai 
katua, luid geweend. Een geschenk ontvangende, is men niet gewoon te bedanken; 
men zegt slechts: cane mua tat« mai sete», d. i. gij zijt in waarheid goed jegens 
mij. Een geschenk gevende, zorgt men geene onevene getallen te bezigen. Wanneer 
twee negariën vriendschapsbetrekkingen willen sluiten, vooral na eenen oorlog, dan 
komen de ingezetenen, geschenken medebrengende, in een der negariën bijeen, 
tapela, alwaar zij in de baUeu op spijs en drank onthaald worden. Gedurende 
het eten wordt een groote bak met s^ero gereed gezet; de oudsten voegen er 
eenige druppels varkens- en kippenbloed bij; de hoofden der partijen verwonden 
zich tevens en doen eenig bloed in den sagero vloeien. Behalve een vyf- of negental 
verdorde bladeren van den Ficus Altimeraloo Rxb., al naar men tot de patalima of 
patasiwa behoort, die in den sagero gelegd worden, dompelen de oudsten in den bak 
slechts voor een oogenblik een zwaard, een piek en pijlen, in lateren tijd ook den 



HKT EILAXD SKRAN^G OF KüSALVA. 129 

tromp van een geweer, als het ware om daarmede de sagero om te roeren. Daarna 
treedt een der oudsten voor en spreekt in de grootste opgewondenheid de vervloe- 
kingen, wake, uit over dengene die de vriendschapsbanden eenmaal mocht ver- 
breken. De feestgenooten geven door teekens, door te springen en te schreeuwen 
te kennen, dat zij er mede instemmen, waarop de hoofden der beide partijen een 
begin maken met een weinig der toebereide sagero te drinken. Daarop volgen de 
overige feestvierenden, die den maaltijd voortzetten en vervolgens naar hunne negari 
terü^eeren. Op den bepaalden tijd, ook wel jaren daarna, wordt in de andere negari 
een contra-maaltijd gegeven, waarmede het verbond onherroepelijk gesloten is. Deze 
plechti^eid heet pela. Het woord pela beteekent ook litteeken, doelende op de 
wond der hoofden waaruit het bloed, voor de sagero bestemd, gevloeid is. Vele 
negariên hebben met elkander dit verbond gesloten. De pela-genooten mogen niet 
met elkander huwen. Zij zijn verplicht elkander in oorlog tegen andere negariên 
bij te staan, terwijl van weerszijden de vrije beschikking wordt verkregen over alle 
veld- en boschproducten, mits er geen steen of ijzer bg wordt gebezigd, d. i. mits 
men geene boomen omkapt Bij het uitgaan om koppen te snellen wordt door 
partgen ook een gelgke eed gedronken. 

Als een vreemdeling een huis binnentreedt, tamata suni nai numa, is de eigenaar 
verplicht als eerbewijs hem sirih-pinang en sagero voor te zetten. Is men aan den 
maaltijd, dan moet de vreemde mede aanzitten, terwijl de vrouw des huizes zich 
verwijdert, omdat het onwellevend is dat zij medespijst Groeten worden nimmer 
gewisseld; men vraagt slechts van waar de persoon komt Jonge lieden spreken de 
oudere aan ais amai, amakai, vader, of inai, inakai, moeder; zeer oude lieden 
als upun of tatai. Van gelijken leeftgd zijnde, noemt men elkander kalupan, makker; 
bi) kakihandubgenooten makasenu en de voorgangers in den tutuudienst masaloo. 
Een huis verlatende, moet men van zijn voornemen kennisgeven. Een zittend 
persoon voorbggaande, moet men bukken. Het vragen van gekorven tabak aan 
vrouwen heeft eene dubbelzinnige beteekenis en doelt op het haar van denpubes. 
Spuwt, autou, men voor iemands aangezicht, dan wordt zulks als eene groote be- 
leediging aangemerkt Ook beleedigt men elkander met scheldwoorden, makahu of 
vakavu, als: nii namu, cum matre tua coïtus exercetur; nii upumu, cum avia tua 
coïtus exercetur; asuan nüka, canis tecum coit; nii walataja, Batavus tecum coit; 
kaataia, eet faeces; utimu kopua, dirumpatur penis tuus, en honderden andere 
obscoene termen meer. In OostrSerang scheldt men de bewoners van Nieuw-Guinea, 
Kowiai en Onin uit voor tamata ukiri hahua, lieden die de varkens benaderen. 
Krankzinnigen, tamata mamanuu of mumanua, worden niet geëerd. Men pleegt ook 
wel elkander schimpnamen te geven, als aikoto, gij kronune, tetuloo, gij gebochelde, 
inu koa, gg platneuzige, huru waipoha, gij grootmondige, en nog meer. 

9 



l3ö UlST Un^AJO) SETRAVa OF KÜSAlJfA. 

De bewoners van Serang zijn liefhebbers van tanaile, feestvieringen. Bij over- 
winningen in den krijg, het intreden der meisjes en jongens in het tijdperk van de 
puberteit, het dekken der baileu en tutuu, het afwerken der siku nanihute, vunr- 
plaats in de baileu, het betrekken van nieuwe woningen, bij huwelyken, bi) het 
buitenshuis brengen van pasgeboren kinderen, iropo u melo, en bij de kasa nisia, 
het tandenvijlen, worden gewoonlijk feesten gegeven, waarbij gegeten en gedronken, 
gezongen en gedanst wordt. Behalve bij overwinningsfeesten, waarbij een ieder tegen- 
woordig mag zijn, moeten bij zulke gelegenheden de negarigenooten uitgenoodigd 
worden. Gedurende de puberteitsfeesten der jongelieden in de tutuu mogen alleen 
mannen tegenwoordig zijn en blijven de vrouwen immer uitgesloten. De feest- 
genooten kleeden zich, standswijze, in hun prachtgewaad of behangen zich, geen 
Christen zijnde, zooveel doenlijk met katoenen en zijden stoffen met goud- en zilver- 
werken. Na door den feestvierenden huisvader uitgenoodigd te zijn om te gaui zitten, 
wordt door de jonge meisjes onder het toezicht der huismoeder onmiddellijk sirih- 
pinang uitgereikt. Vervolgens zet men de spijzea voor, bestaande uit gekookte sagu, 
rijst, ubi, pisang, visch, garnalen, paling, slangea-, varkens-, buideldieren-, herten-, 
leguanen- en vledermuizenvleesch , met sagero- of palmwijn ad libitum. De niet 
verbruikte spijzen mogen door de gasten huiswaarts worden medegenomen. Na den 
maaltijd wordt alweder sirih-pinang rondgediend en maakt men een begin met zang 
en dans, welk laatste ten slotte in de grootste opgewondenheid wordt uitgevoerd. 
De zangen, bestaande in bij uitstek monotone melodieën, met woeste gillende ge- 
luiden gepaard, zijn bij overwinningen de maru en rorone, bij puberteitefeesten de 
nano en ook de bekende tutuhatu, bij het afwerken der baileu en tutuu de mam 
en tutuhatu; bij het bestijgen van nieuwe woningen, bij huwelijken en andere 
huiselijke feesten de marareun, sewa of sewaki en kawoote; bij het werken in de 
bosschen ten behoeve der baileu en tutuu de atiti. In de prauwen zingt men onder 
het roeien bij voorkeur de kapata nusaina. De verschillende gemeenschappelijke 
dansen, die mamiri, loloite, loisamudu en raUsanasela heeten, hebben veel over- 
eenkomst met de menari, doch ruwer en eentoniger van uitvoering. Onder de 
christen bevolking wordt van de meer levendige, bevallige menari en badendang veel 
werk gemaakt. De jongelieden komen twee en meer malen wekelijks bij elkander 
en vermaken zich, zonder iete te nuttigen, den geheelen nacht hartetochtelijk op de 
wijze der Ambonsche Christenen. De Europeesche walsen en polkaas worden met 
meer vlugheid en volharding gedanst dan in Europa. De mannen onder de 
Wemale voeren ook den tjakalele of zoogenaamden krijgsdans uit, jaotiaenjakalala, 
het laatste de oorsprong van het woord tjakalele, dat eigenlijk «den weg openen» 
beteekent De muziekinstrumenten zijn eenvoudig en bestaan uit tiheleof tiha, trom; 
tipale, ahu of hahuku, gong; kongkong, kleine koperen bekkens ; hole, bambuzen 
fluit, en tahunia of tahuri, blaaswerktuig van bambu of van een tritonschelp vep- 



HET KILANO SERANO OJ» NUSaINA. I3l 

vaardigd. Onder de Mohamedanen en Christenen treft men tevens violen en accor- 
deons aan. De Mohamedanen vermaken zich ook met hanenkloppen en dobbelspelen , 
van Bogineezen, Mangkasaren en Javaansche militairen afgezien. 

Het spel der jongens bestaat uit de siahinake lisa, oorlog voeren; iroo utehisa, 
elkander met pieken trachten te treffen; mokaa pulutua wotoa, het spelen met kleine 
prauwen in het water, waarbij gezwommen wordt; jahina iana patina, visch met 
pijl en boog schieten; juna noma woto, het bouwen van huizen; larao kahururu, 
het dnuden van tollen. De meisjes spelen met de pakakoo of lakalai paka, kalapa- 
doppen, jahina kesina of lakute kapai, knikkers; iroo jahua of larao odibatana, 
kanaripitten; rahinake miluu üa huwele, kamiripitten; siahinake popote, schelpen, 
bestaande in het werpen op bepaalde afstanden of het mikken met kanari- en 
kamiripitten of met schelpen. Een soort katten en muizenspel, sia hinake popote, 
is bij de kinderen zeer in zwang, een spel dat aan hun zucht tot springen zeer 
voldoet 

De jongelieden van beiderlei kunne hebben zoowel bij de patasiwa- als bij de 
patalimarstammen op Serang een zeer vrij en ongebonden geslachtelijk verkeer. 
Hebben echter twee hunner na herhaalde of langere intieme kennismaking het voor- 
nemen opgevat om niet meer van elkander te scheiden, dan wordt door een oude 
vrouw, of door haar zelf, aan de ouders van het meisje kennisgeving gedaan van het 
voorgenomen huwelijk, iasawa, mahasuane, mepusawa of riha, en worden als zichtbaar 
bewijs daarvan aan de ouders de geschenken van den jongeling , bestaande uit ringen en 
armbanden van schelpen, koper of goud, vertoond. Voor zich zelf behoudt het 
meiaje een rooden buikband, waarvoor zij aan den jongeling een weinig haar, ook 
wel van den pubes, afstaat Als de ouders geene bedenkingen daartegen hebben, krijgt 
de jongeling vergunning, om in hun huis te komen wonen en zonder eenige formali- 
teit zich als een gehuwd man te gedragen, ook wel zonder den bruidschat, anai, 
jaine, alaia, mihar of hini na helia, gegeven te hebben. Hij wordt slechts als lid 
van de familie der vrouw aangemerkt Van den kant der ouders wordt nimmer 
omtrent den bruidschat, die gewoonlijk in de eerste maand van zwangerschap , in elk 
geval na eene bevredigende kirihuman of copulatie moet worden aangezuiverd , gewag 
gemaakt Heeft een jongeling tegen den wil van het meisje haar van de ouders ten 
huwelijk gevraagd en den anai betaald, dan moet de bruidschat verdubbeld terug- 
gegeven worden, wanneer het meisje weigert te huwen. Nadat de jongeling eenigen 
tyd in het huis van het meiqe is gebleven, brengen zijne ouders aan de hare 
ten geschenke een gong en een schotel uit den ouden tijd, waarvoor zij als tegen- 
geschenk een zilveren armband, een ouden schotel en een gouden ring van het meisje 
ontvangen. Alsdan wordt de dag van het huwelijk vastgesteld, gewoonlijk van een 



132 HET EILANI) SERANG OP NTTSAIXA. 

maand tot een jaar daarna, om tijd te hebben alles voor den anai en voor het te 
yieren feest bijeen te brengen. Op het bepaalde tijdstip kleeden de jonggehuwden zich 
in prachtgewaad , nadat zij hun haar met kalapa-olie en wortelen van den Andro- 
pogon schoenanthus , hun lichaam met fijngestampte pulasari-, Alyxia stellata-bast. 
Pandanus odoratissimus- en Citrusbladeren gezalfd en zich verder behangen hebben met 
gouden en zilveren sieraden. Zoowel de man als de vrouw moet een nieuwen schaam- 
gordel, apane of uhelia, omdoen, terwijl de vrouw, die slechts met een korte sarong 
gekleed is, haar borsten, die bloot blijven, met Curcuma longa geel moet verven. 
Tegelijkertijd wordt de anai, bestaande uit vijf gtoote gongs en een ulai maas tot 
eene waarde van f 50 tot f 200 , varieerende naar stand en vermogen , bij de ouders 
van het meisje gebracht, terwijl elk mannelijk familielid verplicht is een gong van 
0,4 meter middellijn en een ouden schotel bij te dragen als een gedeelte van den 
anai. De ouders van het meisje geven een contra-geschenk, ipuna, bestaande uit een 
houten dulang met twaalf oude schotels, eene oude kom met schotel, een paar 
gouden oorhangers, tien zilveren ringen, tien zilveren armbanden, tien zilveren teen- 
ringen en een uti-uti-sarong. Elk mannelijk lid der familie van den jongeling ont- 
vangt een uti-uti sarong, een zilveren armband en een zilveren ring terug. De anai 
der tamata küti bestaat uit een gong van 0,4 meter en eenige borden. De ipuna 
wordt ook in schotels terugbetaald. Na de volledige betaling van den bruidschat komt de 
vrouw in de familie van den man. Dit neemt echter niet weg dat de man, om zijne 
rechten te behouden, voortdurend geschenken aan de ouders moet geven. Op de 
afdoening van den anai volgen dehuwelijksfeesten, waarbij door eender oudste familie- 
leden van den jongeling aan de feestgenooten bekend wordt gemaakt dat het huwelijk 
gesloten is; zij duren tot acht en meer dagen. De bloedverwanten van den jongeling 
worden door de ouders op spijs en drank behoorlijk onthaald, waarna de jonge- 
dochter naar het huis van den jongeling gebracht wordt. In het huis komende, moet 
zij trappen op de sunani raramene, voorbalk, als teeken dat zij daar ook te bevelen 
heeft. Voor de moeite van overbrenging ontvangen de ouders van het meisje een 
gong. De kinderen die vóór de betaling van den anai verwekt zijn, blijven in sommige 
negariên bij de ouders der vrouw. Wordt de bepaalde bruidschat niet betaald , dan blijft 
de man in het huis der vrouw als lid harer familie wonen en worden de gronden 
zijner bloedverwanten door het plaatsen van ai huwai of selia, verbodsteekenen, in 
beslag genomen. Wordt de ai huwai door een der bloedverwanten van den man 
overtreden, dan betaalt hij eene boete van dertig oude schotels ten behoeve der 
ouders en verdere bloedverwanten der vrouw, zonder dat de selia opgeheven wordt. 
Door behoeftige jongelingen wordt de bruidschat in arbeid betaald. Ook gebeurt het 
dat men eenige der verwekte kinderen, naar gelang van de afspraak, aan de ouders 
in voldoening van den bruidschat afstaat. In andere negariên gaan na de ontvangst 
van den bruidschat de mannelijke bloedverwanten op de jacht om saga te bereiden. 



JCVII. 



hhhk 




Bh. 133. 



HOT EILAND SKBAXO OF XÜSALVA. 133 

een en ander om in de behoeften voor het huweiyksfeest te voorzien. Zij blijven zoo- 
lang in het bosch , tot zij twee bnideldieren , Cuscns macnlata , een mannetje en een wijQe 
gevangen en geroosterd hebben. De verzamelde saga wordt in versierde timbals of pakken 
in het huis van het meisje gebracht. Gedurende de feestviering wordt aan de aanstaande 
echtgenooten een bak spijzen voorgezet en voor den man het wijQe en voor de vrouw 
het mannetje van de bnideldieren als getuigen, volgens anderen als symbool van 
vruchtbaarheid, geplaatst. Vóór het eten maakt een der oudsten aan de feestgenooten 
bekend dat zij gehuwd zijn en spoort de gehuwden aan eensgezind te leven, door te 
zeggen: wat de man wil moet de vrouw ook willen en wat de vrouw wil moet de 
man ook willen , en dat zij hunne ouders niet mogen vergeten. Daarna eten de gehuwden 
bg beurten een weinig van al de voorgezette spijzen en zonderen zich onder het huis op 
een voor het doel gemaakte bambu stellage af, alwaarzij, ook, wanneer dit niet anders 
kan, ten aanschouwen van sommige feestgenooten, den coïtus uitoefenen Dehuwelijks- 
kleeding is, naar gelang van den stand , zoowel voor den man als voor de vrouw bepaald 
en hierin bestaat een groot verschil tusschen de patasiwa-, patalima- en makualastammen. 

Eene andere wijze van huwen is de irawae ni pipinalo^ ook wel petepohi hihinania 
genaamd, of het schaken, waardoor de man tegen betaling van een geringen bruid- 
schat zonder veel omslag of feestviering de vrouw in vollen eigendom verkrijgt en 
de te verwekken kinderen onvoorwaardelijk tot de familie van den man behooren. 
Te dien einde maken de jongelieden afspraak om op bepaalden tijd te vluchten 
naar de woning des jongelings of naar die van een ander persoon , ook wel naar de 
bosschen. Vóór de vlucht moet de jongeling van den patasiwastam thans op de slaap- 
stede van het meisje leggen een geweer of een gong van 0.5 meter middellijn; bij 
de patalima gebruikt men daarvoor lijnwaad. Hebben de ouders bemerkt dat hun 
dochter gevlucht is, dan wordt zij met groot geweld en rumoer gezocht en , gevonden 
zynde, na ontvangst opnieuw van een geweer of gong als verzoeningsgift, aan den 
jongeling overgegeven, na het bedrag van den anai, dat veel geringer is dan gewoonlijk, 
vastgesteld te hebben. Bijaldien zij echter tegen het huwelijk bezwaren hebben, 
ontvangen zij de artikelen tot verzoening niet, zoodat er oneenigheden en twisten 
tusschen beider bloedverwanten ontstaan, die niet zelden met moord en doodslag 
eindigen. De geschaakte vrouw blijft een week tot een maand na het vertrek harer 
ouders afgezonderd en mag zich nergens vertoonen, dan nadat zij zich behoorlijk 
gebaad heeft Het schaken uit andere negariën of stammen heeft gewoonlijk plaats, 
wanneer de ouders of bloedverwanten van de vrouw tegen het huwelijk zijn. Bij 
huwelijken na schaking worden geene feesten gevierd. Wordt onder de Mohamedanen 
of Christenen eene vrouw geschaakt, dan geven hare ouders daarvan kennis aan het 
negarihoofd, die de schuldigen pro forma ten bate der ouders beboet De te be- 
talen bruidschat bestaat alsdan uit negentig stuks zilver — rijksdaalders, gul- 



134 HBT EILAND SERANG OF NÜ8AINA. 

deos of halve guldens — tien gongs, zes geweren en tien stakken wit lijnwaad. 

Ook is het, ofschoon • zeer zelden, gebruikelijk om jonge meisjes op haar ygfde 
tot twaalfde jaar aan de ouders ten huwelijk te vragen, in welk geval, behalve de 
later te betalen bruidschat, de makawate of voorschot, bestaande uit een gong van 
0.6 meter middellijn, aan de ouders wordt gegeven ten teeken dat het meisje tegen- 
over of voor andere mannen momoni is en dat de moeder het vrij geslachtsverkeer 
zal beletten. Het meisje is alsdan hakulomana of verloofd en wordt ook wel bij de 
moeder van den man gebracht, die haar tegen vleeschelijke uitspattingen moet be- 
hoeden. Zij mag echter met haar aanstaande nimmer spreken, evenmin in zijne 
nabijheid komen. In dien tusschentijd helpt hij hare ouders. Is het meisje op zekeren 
leeftijd gekomen , somtijds zelfs vóór het intreden der menses , dan wordt het bedrag van 
den bruidschat betaald en het huwelijk gesloten. Het huwelijk onder de stammen is niet 
verboden evenmin tusschen de aanzienlijken en geringen ; alléén mogen de pela-genooten 
geene vleeschelijke gemeenschap met elkander uitoefenen. Huwelijk tusschen neven 
en nichten wordt als bloedschande aangemerkt Het staat den mannen vrij zooveel 
vrouwen te huwen als zij goedvinden. Monogamie is bg hen een bewijs van 
armoede. Het houden van vaste bijzitten is niet bekend of zelfs onnoodig in een land, 
waar het geslachtsverkeer vrij en onbelemmerd is. Om verliefden waanzin op te 
wekken wordt door beide geslachten tal van sympathetische middelen , meuna of 
aihau hihina, aangewend. 

Echtscheiding, inata of meke peliaa, heeft alleen plaats, wwmeer de man de 
vrouw of de vrouw den man in vleeschelijke gemeenschap, janoma,kaalaha of lomana, 
met een ander in flagranti betrapt. De echtgenooten verwijderen zich alsdan van 
elkander, terwijl de schuldige man of vrouw aan de beleedigde partij eene boete betaalt 
van een gong, vijftig tot honderd schotels of borden en een uti-uti sarong. Ook bg 
impotentia conjugalis, of wanneer de man in onmin leeft met de ouders der vrouw, 
heeft zij het recht echtscheiding te eischen, in welk geval de zaak door de oudsten 
beslist wordt. 

Zwangere , tiai , vrouwen , die door allerlei middelen zich tegen den invloed der putiana 
moeten in acht nemen, zijn overigens vrij in al hare handelingen en mogen, de 
laleku of pica hebbende, alles, bijv. wrange en zure vruchten waarop zij belust zijn, 
naar verkiezing nuttigen. Oedurende de bevalling, ineiana, raiana of mahukana, in 
eene zittende of staande houding, de eerste wijze meer gebruikelijk om het perinaeum 
niet te scheuren, worden zij door de ahinatukaan, vroedvrouw, in een afzonderlijk 
vertrek, alwaar niemand tegenwoordig mag zijn, geholpen. Bij deu partus in staande 
positie houden zij een touw vast, dat van boven het huis afhangt. Andere vrouwen 



ULT EILAND SEBANG OF NU8AIXA. 135 

brengen het kind in het bosch, in de nabijheid eener rivier, zonder hulp alléén ter wereld 
en keeren, na het kind behandeld en gebaad te hebben, naar hare woning terug, alsof 
er niets is voorgevallen. Nog anderen blijven gedurende de verlossing in de takoo 
sune, een a&onderlijk door den man vervaardigd hutje, waar zij echter door de 
ahinatukaan bijgestaan worden, welk hutje zij na den derden dag verlaten. Bij de 
patasiwa maselo is het momoni of moli, verboden, in het woonhuis te bevallen , maar 
moet dit geschieden in de takoo sune of puerperarum domus, het huisje waar de 
menstmeerende vrouwen ook tijdelijk verblijven, in welk geval de man zijne vrouw 
in drie dagen niet mag zien. De vrouw verlaat eerst het huis, wanneer zij zich ge- 
baad heeft De placenta, lahaolo of waani, die zoo noodig door manipulatie buiten- 
waarts wordt gebracht, wordt gewoonlijk in de blöemschede van de pinang, hualo- 
pairo, met keukenasch gewikkeld en door eene oude vrouw in een der hoogste hoornen 
bewaard of onder een boom begraven. Het navelsnoer, usei, wordt öf door de moeder 
óf door de ahinatukaan met een bambu, ahuitolo, afgesneden. Het gedeelte dat 
later afvalt, wordt in een stuk fijn boombast of lijnwaad met kalk en kapas ingepakt 
en in een mand of doos van sagubladeren als eventueel geneesmiddel van het kind 
bewaard, ook wel als voorbehoedmiddel tegen ziekte om den hals van het kind 
gebonden. Aan het kind, dat terstond na de geboorte door de moeder wordt gezoogd, 
wordt na den derden dag, bij sommigen een maand daarna, de naam gegeven, 
irepe nalani, een zoon door den vader, eene dochter door de moeder. In de 
meeste negariën gaat de vrouw na de bevalling met haar rug en pudenda voor het 
vuur liggen, mibasai, om kraamkoortsen te voorkomen, en gebruikt dagelijks het uit- 
geperste sap der rauwe Carica-papayabladeren. De lochiae duurt slechts enkele dagen. 
Boven de slaapplaats van het kind wordt, als het eenjongenis,eenpijlenboog, soke 
husune, als het een meisje is, een spinrok, itelo, opgehangen. Wanneer de navelwond, 
waarop een pap van. de kamiri-, Aleurites triloba-vrucht als styptica gelegd wordt, 
genezen is, wordt het kind buiten het huis gebracht en laat men het met den 
rechtervoet op den grond staan, iropou melo. Alsdan worden de familieleden op 
spijs en drank onthaald. Op den vijfden dag krijgt het kind een hard gekookt ei 
met pisang, fijngekauwd uit den mond eener oude vrouw, te eten; later krijgt het 
sagupap en honing. De soke husune en itelo blijven zoolang hangen tot het kind 
den leeftijd bereikt heeft, om daarmede te mogen spelen. Bij moeilijke bevalling, welke 
zeer zelden plaats heeft » worden alle kisten of manden die gesloten of vastgebonden zijn 
losgemaakt en hebben de patalima-mannen de gewoonte een droog stuk pisangblad, 
waarin tabak is opgerold, in het dak der woning te steken, als een offer ^an de 
afgestorvenen, metepi tawakowaa sa ama nisia, er bij zeggende: «ama isia, upu 
isia, ina isia, sehu omi omikoi hala omi raha mulu animemahukana,omihalLrehala 
eme wooho wamai», d, w. z. Gij vaders, gij grootouders, gij moeders, ziet allen 
neder op uwe dochter, die bevallen moet; hebt medelijden met haar en helpt haar 



136 HET EILAND SEBAXG OF NUSAINA. 

spoedig. Ook wordt er op yervaarlijke w^ze op de tiha geslagen , om de booze geesten 
te yerjagen. Blanke kinderen, hatan vibilania, zijn door de vrouwen zeer gewild; ter 
verkrijging daarvan worden zelfs middelen aangewend ; intusschen zijn de vrouwen bg de 
oefening van den coïtus met Europeanen zeer passief en indifferent, om niet bevrucht te 
worden. Bij het begin der zwangerschap bindt de man om de heup en om de armen 
der vrouw eene verscheidenheid van stukjes boomwortel, aitamua, zoomede een 
mes, om de booze geesten te beletten de vrucht kwaad te doen. Volgwis het volks- 
geloof krijgt eene zwangere vrouw, die vlug en levendig blijft en niet lusteloos wordt 
een zoon, in het tegenovergesteld geval een dochter. De bloedverwanten hebben 
niet de gewoonte geschenken te brengen of de moeder en het kind vóór de iropou 
melo te komen bezoeken. Gaan de vrouwen de takoo sune voorbij, dan vragen zij 
slechts: «hihinania tii manawania», d. L dochter of zoon? Wordt hierop iets geant- 
woord, dan zeggen zij: ohoa mae, d. i. het is wel Kinderen met helmen, sosouwa, 
geboren, worden als gelukkig aangemerkt. De helm wordt met de placenta in een 
boom of wel in een mand bewaard. Bij den makualastam wordt hij echter w^- 
geworpen in het bosch, als een offer aan de nitu. Gedurende het zoogen is het aan 
de moeder verboden, momoni, zure of wrange vruchten te nuttigen en moet zij 
matig zijn. Vóórdat het kind den voet op den grond gezet heeft, mag het niet 
buitenshuis of naar het veld gebracht worden. Pasgeboren kinderen worden zelden 
alleen gelaten, opdat de nita of lita hunne ziel, wanusi, niet medeneme. Vóór 
de naamgeving is men ook gewoon een pinang- of gabc^abartak te raadplegen, om 
zeker te zijn dat de te geven naam het kind geluk zal aanbrengen. Tot op 
den veertigsten dag wordt het kind vóór het baden met kalapamelk bestreken en 
alle spieren door massage of manipulatiën, kulu, door de oude vrouwen die er 
in ervaren zijn, terecht gezet; de neus wordt bij die gelegenheid geknepen en om- 
hoog getrokken. De geboorte van twee- of drielingen, kuete tepale, wordt als een 
gunst van tuale rapie aangemerkt Een of twee daarvan worden echter aan de bloed-: 
verwanten ter verzorging afgegeven. Abortiva, bestaande uit bladeren en boomwor- 
telen die men op geheimzinnige wijze verzamelt, worden veelvuldig gebruikt Daaren- 
tegen offeren vele onvruchtbare vrouwen, al is het geene schande kinderloos te 
zijn, aan tuale rapie, om kinderen te erlangen. Deze offers, bestaande uit eengroot 
zwijn, vijftig tot honderd pakjes rijst en eenige potten sagero, worden naardebaileu 
gebracht, alwaar de mauwen temai ze ontvangt en namens de vrouw het volgende 
tot tuale rapie zegt: «upu nanite, upu tapene, tuale, rapie, si kusuu au kuanaa 
sai, d. w. z. Heer uitspansel, heer aarde, hemel, aarde, zijt goedgunstig en geef mq 
een kind. Oude mannen bezigen allerlei soorten van aphrodisiaca, om kinderen te 
verwekken en daardoor in aanzien te stijgen. Het geofferde, door de onvruchtbare 
vrouw in de baileu gebracht, wordt door den mauwen temai en de overige negari- 
genooten genuttigd. (ïebrekkige of misvormde kinderen worden veelal gedood. Ouders 



QKT KILAND 8ISRAXQ OF NUSALN'A. 137 

die vele kinderen verliezen, laten de pasgeborenen door andere lieden verzorgen. Hebben 
die kinderen zekeren leeftijd bereikt, dan keeren zij totde ouders terug, welke alsdan 
verplicht zijn voor de betoonde hulp een geschenk in gongs of schotels te geven. Na 
de geboorte van het eerste kind worden de ouders naar het kind genoemd, 

Eenigen tgd na de geboorte wordt het hoofdhaar der kinderen glad afge- 
schoren. Dit geschiedt zonder eenige plechtigheid door den vader of een ander 
persoon, met het doel om later veel en dikker hoofdhaar te verkrijgen. Zoodra 
het kind alleen loopen kan, is het moli of momoni het haar af te snijden. Hetzelfde 
geldt ook voor de volwassenen: gehuwde mannen zouden alsdan hunne echfr- 
genooten verliezen en jongelieden tot eenen toestand van verslapping gebracht 
worden. 

Zonder emüge plechtigheid, althans in de meeste negariën, worden ook de oor- 
lellen door de moeder doorstoken, masuhu taina. De jongens krygen aan elk oor 
één, de meisjes van één tot vijf gaten. Deze handeling heeft plaats met een looden 
speld, tumulae, of met de nawa huae, een stuk scherp gemaakte pit van den areng- 
boom, vóór het intreden der puberteit De wond geneest gewoonlijk binnen twintig 
dagen bij aanwending van unia, Gurcuma longa en loosa, ongebluschte kalk, als 
styptica. 

Het tandenvijlen, kasa nisia, ahou nisia of toka nihauni, wordt onder het vieren 
van feesten in de negariën Makahala, Noniali,Hatu,Paa,Hatuwe,Eulur,Huamual, 
Eti, Souhuku en andere bewerkstelligd kort, vóór de menses zich openbaren. Een 
dag tevoren wordt op de trom geslagen, toho ihalu, en de tutuhata door de 
vrouwen tot den volgenden dag gezongen. Het meisje, wier tanden geslepen moeten 
worden, behoort den nacht te vasten, amali, en mag zich bij jeuking niet met hare 
vingers, maar wel met een stuk bambu, papauol, krabben en op den vloer meteene 
sarong van jonge sagubladeren of van Pandanus repens, zonder schaamgordel 
en bedekking, in een afzonderlijk vertrek slapen. De makoka nihauro of tanden- 
vijler neemt het hoofd tusschen zijne beenen en vijlt achtereenvolgens met een stuk 
zandsteen de tanden gelijk, of naar verkiezing bij anderen tot aan de gingi va, welke ver- 
richting een half uur tot een uur duurt. Is de bewerking afgeloopen, dan gaat het meisje 
baden en zich in feestgewaad kleeden, versierd met gouden en zilveren armbanden 
of halssnoeren, zoomede gouden haarpennen en kammen. Daarna wordt gekookt en 
van alle spijzen een weinig op een utaolo, bambuzen bak of zeef gelegd, welke bij 
de patasiwa mamali door eene oude vrouw driemalen om het hoofd van het meisje 
bewogen wordt Van al deze spijzen moet het kind iets nuttigen. Voorts brengen 
de vrouwen een aarden pot, die met bronwater gevuld is en gedekt met eenversch 



138 HET EILAND SERANO OF KUSAINA. 

pisangblad. Een der oude vrouwen vat den wijsvinger van de rechterhand van, het 
meisje en steekt daarmede het blad door, ten bewijze, dat zij nog een maagd, 
nunamuma is, als symbool van het doorbreken der hymen of om te doen zien, 
dat het bezit der virginiteit voor haar niets beteekent Vervolgens brengt zij het blad 
naar de nok van het huis, om het daar tusschen de atap te steken. Dit verricht 
zijnde gaan de aanwezige vrouwen eten en drinken. Na afk)op daarvan wordt opnieuw 
de tutuhata gezongen onder begeleiding der trommen, terwijl er niet mag gedanst 
worden. Eerst nadat de vrouwen een begin gemaakt hebben met den zang, mogen 
de mannen het huis binnentreden. Na deze handeling heeft het meisje vrij verkeer 
met mannen, zelfs vóórdat de menses zich vertoond hebben. In sommige negariên 
hebben de oude mannen dien avond reeds vrijen toegang in het vertrek van het 
meisje, terwijl de gasten daarbuiten met zang zich vermaken. 

Wanneer een meisje van de patasiwa mamali de menses krijgt, moet zij hare 
sarong, zoo zij die in gebruik heeft, uittrekken en de anuneofaruwalano,eene sarong 
van de vezelen van den Pandanus repens geweven, aandoen en zoolang daarmede 
rondloopen, voor eiken man veil, natuurlijk wanneer de menses zijn voorbijgegaan en 
zij zich gebaad heeft, totdat de ouders en familieleden, malamait, het noodige 
voor een feest hebben bijeengebracht Gedurende de menses worden geene pessaria 
gebezigd. In vroegeren tijd werden dusdanige meisjes tot na den afloop der zuivering 
echter in een afgezonderd donker gehouden hutje opgesloten. Is het benoodigde ver- 
zameld, dan wordt het meisje met twee harer speelgenooten, masieleio, die voort- 
durend aan hare rechter- en linkerzijde zich plaatsen moeten, in een .daartoe gereed 
gemaakt vertrek den avond vóór het feest zonder eenige voeding opgesloten. Den 
volgenden morgen worden zij door eenige oude vrouwen naar de rivier gebracht en 
gebaad, susuu. Als zij teruggekeerd zijn , worden de meisjes prachtig gekleed, waaraan 
echter de schaamgordel niet mag ontbreken, en wordt er feestgevierd, gegeten en ge- 
dronken, een en ander als tegenstelling van de kakihan , op de wijze als bij het tanden- 
vijlen. Gewoonlijk wordt het feest gelijktijdig met de kasa nisia gevierd. Bij de pata- 
lima wordt vóór het intreden der menses de mohone holine, inwijdingsfeest, gevierd. 
De betrokken ouders begeven zich bij het negarihoofd en maken hem hun voor- 
nemen bekend, om tegen een bepaalden tijd het bedoelde feest te vieren. Alsdan geeft 
deze in de negari kennis, dat alle ongehuwde meisjes van tien tot vijftien jaren 
daaraan mogen deelnemen. De benoodigde rijst, sagu, varkens-, herten-, buidel- 
dieren- en slangenvleesch, zoomede sagero en andere sterke dranken, worden daarop 
door de bloedverwanten bijeengebracht, terwijl de daarmede belaste vrouwen de ge- 
wijde olie bereiden. Als een en ander gereed is, worden er feesten in de baileu gevierd , 
en wordt er op trommen en gongs geslagen en gezongen. Onder het aanroepen der nitu 
worden de hoofden der meisjes door een harer oudste vrouwelijke bloedverwanten 



HET KILAND SKRANO OF NUSAINA. 139 

met olie bestreken en daarna met woo kulua, blad van de Golocasia antiquorum, 
als een muts opgemaakt, bedekt Het feest in de baileu duurt tot den volgenden 
dag, waarna de genoodigde negarigenooten huiswaarts keeren. De betrokken meisjes 
nemen alsdan de woo kulua af en bewaren deze in huis boven de kookplaats, waar- 
door het drie maanden achtereen verboden, momoni, of strafbaar is om over 
het hoofd dezer meisjes iets te werpen of aan te reiken. In de woningen waar de 
woo kulua bewaard worden, wordt tot een maand en langer feestgevierd. Gedurende 
deze feesten worden ook den jongens in de suano of tanopane de schaamgordels 
omgedaan. In de negari Paa duurt de mulua puai tana ila of mohone holine slechts 
eenige dagen en worden de kuluabladeren niet gebezigd. In de meeste negariên 
moeten de vrouwen bij het aanwezen der katameniën, lasi pomakahala, zich afzon- 
deren in de takoo sune of luma pamakahala, het roodgemaakte huis, een in de 
nabijheid der woning opgerichte kleine loods. Gedurende dat tijdperk mogen zij niet 
in de nabijheid der mannen komen, opdat deze in den eventueel te voeren strijd niet 
gewond worden. De afgezonderde vrouwen worden als onreine, mahina irepu, door 
de vrouwelijke bloedverwanten verzorgd. 

Als teeken van puberteit ontvangen de jongelingen van de patasiwa maselo het 
kakihan-teeken in de tutuu bij wijze van tatuage. Vrouwen van dezen stam, als- 
mede die van de patasiwa mamali, laten zich ook op het voorhoofd, schouderblad, 
borst en kuiten tatueeren. 

De besnijdenis, juiae, niet volgens den mohamedaanschen ritus, maar op de Indonesische 
wijze, namelijk het doorklieven van het praeputium, is op Serang niet algemeen in 
gebruik. Deze gewoonte wordt slechts in sommige negariên in de Piru- enElpaputi- 
baai nageleefd en geschiedt zonder bemoeiing der ouders en zonder feestviering, 
alleen op aandringen van het door den jongeling uitverkoren meisje, gelijk beweerd 
wordt ut augeant voluptatem in coïtu. De handeling geschiedt, niet vóórdat het 
haar op den pubes zich vertoont, door een oud man,denzoogenaamdentukaano,die 
het praeputium naar voren trekt, een stuk hout, tutupaola, er in steekt, een scherp mes 
er op plaatst en dit met een tweede stuk hout, papapaolo, slaat, zoodat het praepu- 
tium aan beide zijden openhangt Na de operatie verwijdert de jongeling zich met 
den meesten spoed van de plaats, die buiten de negari is gelegen, en bij het 
meisje komende penis vulneratus ut sanetur in ejus vulvam immittitur en blijft hy 
in dier positie twee dagen liggen. Quando penis, quia praeputium nimis praecisum, 
non facile in puellae vaginam immitti potest, amicam quae jam peperit, illa rogat 
ut locum suum suppleat, donec desinierit sanguinis efBuvium. Het is de vrouw 
momoni, verboden, dit verzoek af te slaan, omdat de juiae alleen geschiedt 
ter wille van de vrouwen. Onder de stammen die Oost-Serang bewonen wordt 



140 HET EILAND SERANG OF NÜSA.INA. 

het praepntium om gelijke redenen gekloofd, bala vine mna, terwijl als teeken 
van puberteit de pudenda en vnlvae der jonge vrouwen met kamiri of olie 
van de Aleurites moluccana wordt gezalfd. De mohamedaansche bevolking verricht 
de besnijdenis door afsnijding, gelijk zulks is voorgeschreven, zoowel bij jongens als 
bij meisjes. 

Ziekten, monohane, ontstaan volgens het volksgeloof door verwaarloozing of be- 
leediging der afgestorvenen; door het niet-opvolgen der voorvaderl^ke instellingen, 
het niet behoorlijk verzorgen, masupu makataam, eigenlijk het niet-spijzigen der 
nitu, omdat het aanbieden van spijs en drank en pinang een teeken is van gehecht- 
heid en vereering; door inwerking van booze geesten, mamuline siunai isasene; door 
tooverij, makakesii; door overtreding van tabu- ule mutue of nutu- voorschriften; 
door indirecte vergiftiging, tupanaa of tamate simoka teasi, en door vervloekingen, 
nawui, wanneer men de voorwerpen uit den ouden tijd niet behoorlijk bewaart of 
in waarde houdt De koude koorts, kamu tikei, schrijft men toe aan de nitu. Op- 
zetting van handen en voeten, nimai pakaken, heete koorts, imausu, en doofheid is 
het werk der booze geesten, nita of lita. Door tooverij verkrijgt men zware hoofd- 
pijnen, als men een weinig haar en de weggeworpen pinangpruim van den betrok- 
ken persoon voor het huis heeft begraven; bloeddiarrhoea als men de excre- 
menten heeft verbrand; beenwonden als men het haar met een stuk damar of 
boomhars van eene bepaalde soort heeft begraven; huidziekten, meer bepaald ich- 
thyosis, als men een stuk op bepaalde wijze bewerkte gabagaba boven de bad- 
plaats in de rivier laat drijven, terwijl de betrokkene badende is. Door toovery 
kan men ook het haar verliezen, wat als eene groote schande wordt aangemerkt, 
doordien men eenig haar met fijngesneden gember vermengd in een hoogen boom 
heeft bewaard, en krankzinnig worden, wanneer men een beeld van gabagaba maakt 
en dit met een stuk oud lijnwaad, dat door den betrokken persoon is wegge- 
worpen, begraaft. Door het begraven van een tabakspruim met eenige schadelijke 
wortelen kan de betrokkene ook den neus verliezen. De tooverg heeft inuner plaats 
onder het prevelen van gebeden aan de afgestorvenen, janamai nituhaja. Overtreding 
van tabuvoorschriften, mutue, veroorzaakt de daarbij door den tabumaker gewenschte 
of vastgestelde ziekten. Indirecte vergiftiging, namelijk wanneer de persoon op 
sommige in den grond begravene onheilaanbrengende artikelen trapt, heeft ten 
gevolge inuwaalala, bloedspuwing, tiai sasene, buikkrampen, uüni mata, verlamming 
van de penis, nisi kohine, afvalling van tanden en voor vrouwen eene nvoeilijke 
bevalling. De behandeling der zieken geschiedt door den tamata makaneu, den des- 
kundige, die tot dat einde wordt geëngageerd. Door oplegging van kamiri-cataplasmen 
en bezweringen, ook door offers, haalt hij uit het zieke lichaam gewoonlijk doorns, 
vischgraten en kleine stukken damar te voorschijn. Bij langdurige ziekte verhuist de 



xvm. 




Blz. IW 



HFT EILAJÏD SBRANO OP KÜSAINA. 141 

patiënt om de booze geesten te misleideïi, tamata sasene irepnhei ninuma, of take 
holi luma. Komen er vele zieken achtereenvolgens in een hnis voor, dan heet het 
een warm hnis, luma hasana, en wordt door het besprenkelen der buitenomwanding 
met gewijd water getracht, verbetering in den toestand te brengen, Ook worden de 
omwandingen door den mauwen met jonge kalapabladeren geslagen, opdat de booze 
geesten, in het blad varende, met deze buiten de negari kunnen worden gebracht 
Gtelukt dit niet, dan wordt het huis eenvoudig door den eigenaar afgebroken of ver- 
laten. Bij epidemieën staan de meeste huizen uit dien hoofde ledig. Bij het heerschen 
van pokken, laulu, akalou of apasu, verlaat de bevolking de negari en zwerft 
maanden achtereen in de ontoegankelijke bosschen rond, om niet met de nita laulu, 
pokgeest, in aanraking te komen. Deze ziekte heeft de bevolking meer dan gedeci- 
meerd, omdat er van vaccinatie in de binnenlanden geen sprake is. Om koorts en 
buikziekte-epidemieën, die aan de in het uitspansel dwalende nita worden toege- 
schreven, te doen ophouden, bidt de mauwen aan de nitu elak en slaat daarna alle 
huizen in de negari met jonge gewijde kalapatakken , die daarna in de rivier ge- 
worpen worden, om naar zee te drijven. In de strandnegariên maakt men kleine 
vaartuigen van 1.5 meter lengte, belaadt deze met allerlei spijzen en dagelijksche 
benoodigdheden, brengt ze, na de ziekte door bezwering er in gelokt te hebben, ver 
in zee, en geeft ze aan weer en wmd prijs. Epilepsie, matasala, schrijft men toe aan 
de ule of mutue. Lepralijders treft men weinig aan. Volgens het beweren der oudsten 
is deze ziekte overerfelijk, als van grootvader op kleindochter, van grootmoeder op 
kleinzoon. Op sommige strandplaatsen is de lues venerea, door vreemdelingen aan- 
gebracht, heerschende. 

Als iemand gestorven is, komen de volwassene bloedverwanten samen om bij het 
lijk te weenen en groot misbaar te maken. Zij brengen als geschenken voor den 
doode mede gongs, rood, wit en zwart lynwaad, uti-uti en patola sarongs, oude 
schotels, borden, zilveren ringen en armbanden. Den volgenden dag verzamelen zij 
zich opnieuw in het sterfhuis. De familieleden, die in andere negariën wonen en 
te laat komen, blijven beneden onder het huis weeklagen, totdat de achtergeblevene 
huisgenooten hun eenige borden van den doode geven als een bewijs, dat deze 
hun telaatkomen niet als onverschilligheid aanmerkt. Het Ujk wordt in vele stukken 
Ujnwaad gewikkeld en op een bali-bali grafwaarts gedragen. Vóórdat het lijk in de 
groeve, meselolu, wordt nedergelaten , bidt de mauwen aan de vroeger afgestorvenen 
om de nitu van den doode geen leed te doen, maar hartelijk te ontvangen en zegt 
ten slotte: <upu nanite, upu tapene, painakite repu maniahatu, nirepu mahanihatu, 
hei aminuma, mamirina mahenata koopenu niraU tuna nitu matanemeree», d. w. z. 
Heer uitspansel, heer aarde, laat de ziekte van de zijde der negari, van het uiteinde 
der negari, uit onze huizen zich verwy deren, onbeduidende en zware ziekten alle 



142 Hi?r EILAND SERANO OP NU8AINA. 

medegaan met de nitn van den doode. Als het lijk, in zittende houding, met de 
knieën tegen de borst gebonden, in het graf neergelegd is, worden alle den doode 
toebehoorende zaken en goederen , als gongs , wapenen , vischwerktuigen , oude schotels, 
borden, lijnwaden, zilver- en gondwerken, mede er in geplaatst, opdat hij niet 
op de achterblijvenden verstoord worde. Op denzelfden avond brengt de mauwen 
vuur naar het graf, eri nitu, en waarschuwt den doode, wiens nitu op het licht 
afkomt, nogmaals, zijne achtergelatene bloedverwanten niet te komen kwellen* 
Den derden dag verzamelen zich de bloedverwanten, mannen en vrouwen, bij het 
graf, met zich voerende gongs, oude schotels, borden en allerlei lijnwaad, welke 
op het graf in stukken geslagen of verscheurd worden, als teeken van gehechtheid 
aan den doode, opdat hij zien kunne dat zij hem boven de vernielde artikelen achten. 
Op dien dag wordt door de negarigenooten het doodenfeest gevierd, en gegeten, ge- 
dronken en gezongen. Den volgenden dag begeven zich eenige mannelijke bloedver- 
wanten naar de wakanaa of aanplantingen van den overledene , om daar nog een groot 
aantal sagu- en andere vruchïboomen te vernielen en hem dusdoende met zijn bloedver- 
wanten te verzoenen, dewijl zij geene aanspraak daarop willen doen gelden. Daarna 
wordt de rouw afgelegd. Op het graf der volwassenen wordt de grond opgehoogd in 
den vorm van den rug eener schildpad en daar omheen een hekwerk van sole,Codi- 
aeum moluccanum en Gurcas purgans geplant 

In eenige negariën in het noordwesten van het eiland, namelijk Latuhelu, 
Lumaele, Lasahata, Hulun, Kasie, Sawele, Nukuhai, Sanimana, Pasinalu, Sohue, 
Uwen, Warasiwa, Eurlutu, Lumawei, Lumapelu, Lumamoni, Pulawan, Marihunu, 
Paa, Lisela, Paunia, Herelao, Horale lumareat, Nakan, Horale,Masisihulan, Open, 
Huaulu, Sekinimae, Huauluhatu en andere, worden dè lijken der volwassene mannen 
niet begraven, maar ook wel in hurkende positie naakt in gomutu of vezelen van 
de Arenga sacharrifera gewikkeld op stellages in de bosdphen nedergelegd. De hun 
toebehoorende goederen worden tegen de stellages opgehaögen, terwijl de mauwen 
de nitu toeroept, zeggende: hier hebt gij uwe goederen, laat de negari met rust 
Vijf of zes maanden daarna begeeft de mauwen zich naar het^ bosch, medenemende 
op een bord sirih-pinang en tabak, welke hij den doode aanbiedt, om daarna den 
schedel weg te nemen en te brengen naar den hatu momoni niaafidale of gewijde 
grot in het bosch. Terugkeerende deelt hij de sirih-pinang onder de bï)5fdverwanten 
uit, die alsdan den rouw, bestaande overal in het dragen van loshangeM haar en 
oude kleedingstukken, zoomede het omwinden der arm- en voetbanden met*tHd wit 
katoen of boomschors, afleggen. Ook is het verboden gedurende den rouwt^de 
wijQes van herten, buideldieren, wilde zwijnen etc te eten. 

De lijken der bestuurvoerende hoofden en mauwen worden eveneens op de hier- 



i 



ier- 



HET EILAND SEBANG OP NUSAINA. 143 

voren beschrevene wijzen behandeld, met dit verschil alléén, dat op den derden 
dag voor het hnis van den doode de senite, twee over elkander gekruiste stokken 
met kalapabladeren versierd, geplaatst wordt, ten teeken, dat ter eere van den 
doode in andere negariën koppen worden gesneld, om door hem als introductie in 
het land der nitu te worden medegenomen, opdat hij daar tevens mocht worden 
aangemerkt als tamata nimanawa, held. Tegelijkertijd begint de rouw. Dit gebruik 
is nog onveranderd in zwang in de negariën Makahala, Noniali en andere. Als de 
negarigenooten in rouw zijn , moeten zij met loshangend hoofdhaar en oude verscheurde 
schaamgordels en anune loopen, de voet- en armbanden afleggen , en mogen niet onder 
elkander kijven of schreeuwen, maar zich stil houden. Wie dit voorschrift overtreedt 
wordt met een gong, een ouden schotel, dertig gewone borden of drie patola sarongs 
ten behoeve van den doode beboet Als een of meer koppen verkregen zijn, wor- 
den deze bij het graf of de stellage gebracht en kan de rouw worden afgelegd. In de 
negari Latuhelu en elders echter eerst na de bijlegging van den schedel des doeden 
in de hatu momoni niaanelale. 

Bij de patalima worden de lijken eveneens ongebaad in patola sarongs gewikkeld. 
Geene voorwerpen worden in het graf medegegeven of boven het graf vernield. Men 
legt op het graf slechts vier ledige borden. Na de begrafenis, tegen den donker, 
terwijl in het sterfhuis geen licht mag worden ontstoken, plaatst een der oude mannen 
zich voor de deur en doet aan den walui of sematamata de volgende vragen : « usupa 
kini gati», zijt gij daar? Met eene veranderde stem antwoordt hij voor den doode: 
casupa kinika», ik ben gekomen. Hij zegt vervolgens: «akesei au aja hala itinia hala- 
sae heumata», ik heb U geroepen om te weten de oorzaak van uwen dood; «umata 
ai tupanau», zijt gij door vergif gestorven? Antwoordt de walui «he» of ja, dan 
zegt hij: «au leuwa maa», keer nu maar terug. De antwoorden worden door den 
ouden man in een toestand van opgewondenheid op doffen graftoon door middel van 
ventriloquentie gegeven, om de hoorders te misleiden. Daarna treedt hij het huis 
binnen, laat het licht aansteken en deelt zijn wedervaren aan de bloedverwanten 
mede, die den volgenden dag, de volwassenen namelijk, den rouw, bestaande in 
roodgeverfde armbanden, alua pamakala, aannemen. Yan den tweeden tot den vierden 
nacht wordt op het graf door de bloedverwanten vuur gemaakt Den vijfden dag 
wordt voor een der sagudusuns van den overledene selia of sasi gelegd, die niet 
opgeheven mag worden, vóórdat een der negarigenooten dit verbod afkoopt, 
tegen betaling van een groote gong, een patola sarong en tien borden. Be- 
doelde persoon mag alsdan al de klopbare of rijpe saguboomen zich toeëigenen , om 
daarna de dusun voor verder gebruik aan de bloedverwanten terug te geven. Na 
den eersten oost- of west-moeson in verband tot den sterfdag, wordt de schedel van 
den doode door de familieleden uit het graf gehaald, geremigd en m een daarvoor 



1 



144 HET EILAND SERilNG OF NUSAINA. 

geboawd hutje bij de woning, te gelijk met een bord inhoudende sirih-pinang en 
tabak, geplaatst. Op dien dag wordt een groot feestmaal gegeven — waarbij echter 
niet gezongen of op gongs en trommen geslagen mag worden — en de rouw afge- 
legd. De kinderen worden zonder veel omslag in lijnwaad of boomschors gewikkeld 
en onder het huis begraven. De Mohamedanen en Christenen volgen de door den 
islaam voorgeschrevene regelen bij begrafenissen of de gewoonten der Europeanen. 

De takunui, sematamata, wanui, wanusi of walui, zielen, zwerven zoolang in de 
nabijheid der woning of van het graf rond, tot de rouw wordt afgelegd. Daarna 
begeven zich die der patasiwa telu waini naar de tutuu, om daar als nitu eenigen 
tijd zich op te houden en later in de lanite of lalia, uitspansel, te verdwynen. De 
overige walui begeven zich als nitu naar den berg Patukawanea achter Salemang 
en andere in Centraal-Serang en blijven aldaar. Zij houden gemeenschap met de 
levenden in hunne droomen, mansenu of kiliku, en bezoeken de achtergeblevenen, ook 
wel den vorm van schaduw, maune, aannemende. De zielen der kinderen fladderen 
een onbepaalden tijd in de nabijheid der woningen hunner ouders rond, om daarna 
in het luchtruim te verdwijnen. De Mohamedanen en Christenen gelooven dat de 
zielen eerst na den achtsten dag naar den hemel of ter helle varen. 

Bij de patasiwa worden de nagelaten onroerende goederen, als huizen en aanplan- 
tingen, niet verdeeld. De vrouwen en kinderen gebruiken gezamenlijk de nalaten- 
schap des vaders. Bij de patalima wordt de erfenis, hohamutuwani, ook niet verdeeld. 
De gehuwde dochters zijn van het gebruik uitgesloten, wanneer de anai behoorlgkis 
aangezuiverd. Is het huwelijk kinderloos, dan hebben de broeders van den man het 
recht de nagelatene goederen gezamenlijk met de weduwe te genieten. Zij huwen tot 
dat einde ook de achterblijvende weduwen, om de bezittingen niet in andere handen 
te doen overgaan. Vrouwen, waarvoor de anai volledig betaald is, erven evenmin ab 
de kinderen iets van hare ouders, omdat zij tot de familie of nuru van den man 
behooren. Als de anai niet aangezuiverd is , bezit de overleden man niets en mag 
zijne familie op zijne eigendommen geene rechten doen gelden. Onder de Mohame- 
daansche bevolking worden de nagelaten wapenen, lijnwaden, gongs, goud- en zilverwer- 
ken zooveel mogelijk verkocht en de opbrengst verdeeld ; de zoons ontvangen de helft, de 
moeder een vierde en de ongehuwde dochters het overige als aandeel. De kleedingstuk- 
ken en prauwen komen den zonen toe. De weduwe behoudt het huisraad. Alle onroerende 
goederen worden door de moeder en de kinderen gezamenlijk geoccupeerd. Wanneer 
de woning tijdens het huwelijk verkregen is , wordt deze niet verkocht. Als ze evenwel vóór 
het huwelijk in eigendom van den man was, wordt ze verkocht en de opbrengst als 
die der overige goederen verdeeld. De verdeeling en regeling der boedels geschiedt door 
de betrokken hoofiden. De Christenen volgen in de meeste gevallen de gebruiken des lands. 



ÉKr EÜANÓ SERANG Ol' NUSAmA. Ï46 



De voorstelling van de Wemale omtrent den kosmos is zeer ombestemd. De 
nanite, lanite, lalia of uitspansel is het oord der nevelen, japonaa, of de plaats waar 
de wind ontstaat De aarde is eene uitgestrekte zee, alwaar Nusaina en andere 
eilanden drijven, en bij aardbevingen, wisu of isua, die overvloed van veldproducten 
voorspellen, nog drijvende blijken te zijn. Omtrent de hemellichamen kan men 
weinig mededeelen. In de zon woont de upu lanite, terwijl in de maan een groote 
nunuboom staat Donder, kukuma, en bliksem, tinitika, zijn natuurverschijnselen 
die wel gevreesd, maar niet verklaard kunnen worden. Verscheidene sterrenbeelden 
hebben namen, waaronder de toumataitu,hetzevengestemte. De eclipsen — van zon 
leamatai kohone of lea makahoa, van maan hulankohone of umala makahoa — wor- 
den gevreesd als het einde der dingen of ziekten aankondigende. Het jaar wordt in 
twee groote en twaalf kleine deelen verdeeld, als van vijf maanden, de nale balata 
den West-moeson, en weder van vijf maanden, denaletimuledenOo8t-moeson,meteen 
maand kentering voor elke nale. De kleine deelen zijn de maandelijksche omloop 
der hulan. De halantuen, regenboog, is een ladder, elane, waarlangs de nitu naar het 
oord der nevelen gaan, om daar van lieverlede te verdwijnen. Kokua nesinia of 
mudon ningisik zijn zoogenaamde dondersteenen. 



10 



VIERDE HOOFDSTUK. 



DE SERANGLAO- EN G ORO N G- A RC H I PEL. 



Ligging. Aantal. Fonnatie. Bergen. Rivieren. Ankerplaatsen. Yaarwaten. Moeraflaen. 
Voetpaden. Klimaat Moeson. Negariën. Beyolking. Taal. Traditie. GteschiedeniB. PhyslMhe, 
intellectaeele en moreele eigenschappen. Grondeigendom. Standen. Bestanr. Hoofden. Af- 
doening van zaken. Straffen. Eed. Ordaliam. Oorlog en vrede. Negariën. Woningen. Huisraad. 
Voorwerpen van waarde. Wapenen. Kleeding. Sieraden. Godsdienst Gk>ede en kwade 
geesten. Ziel. Toovertj. Droomen. Bijgeloof. Sasi. Matakan. Verboden handelingen. Ngverheid. 
Handel. Landbouw. Verloving. Haweigk. Schaking. Echtscheiding. Zwangerschap. Partos. 
Mntilatie van het lichaam. Ziekte. Overiyden. Begrafenis. Erfenis. Voeding. Narcotica. 
Feesten. Zang en dans. Raadsels. Dobbel- en kinderspelen. Kosmologie. Voor. 



De Seranglao- en Gorong-archipel , in het begin der zeventiende eeuw door de 
Nederlanders ontdekt en bestaande uit de ten Zuid-Oosten van Serang gelegene 
eilanden, ligt tusschen 130° 54' en 131° 40' Oosterlengte van Greenwich en tusschen 
3** 50' en 4** 15' Zuiderbreedte. Tot de Serangloa-groep behooren de eilanden Se- 
rangrei, ook wel genaamd Klein-Keving, Geser, Kiliwaru, Seranglao ofMaar,Masar 
ngarat, Kivar, Kanoli, Makokak, Sasivi, Matauli, Kidang, Nedin en Nukus, welke 
grootendeels door uitgestrekte riflfen aan elkander verbonden zijn. De eilanden Go- 
rogos, Koon, Suruaki of Gorongrei, Gorong of Goronglao en Manuwoko behooren 
tot de Gorong-groep. Van al deze eilanden zijn slechts Serangrei, Geser, Kiliwaru, 
Seranglao, Kivar, Gorogos, Suruaki, Gorong en Manuwoko bewoond. 

Met uitzondering van Seranglao, Suruaki, Gorong en Manuwoko, die tot de 
tertiaire mioceenformatie , met kristallinisch schiefergesteente , homblende en quartzit 
behooren, zijn de overige eilanden van recente koraalvorming. De meesten zgn 
met jonge bosschen bedekt. Bergen, die echter slechts eene hoogte van niet meer 
dan driehonderd meters bereiken, vindt men op Seranglao, Suruaki, Gorong en 
Manuwoko; met name op Seranglao de Ailena, Kilibia, Niurawon en Karangwatu; 
op Suruaki de Arbae en Totoruin; op Gorong de Gisawowon, Gorian, Liangkeli, 
Mado, Liangkelangan, Gota, Wiara, Giakili; op Manuwoko de Watuloli, Wotur en 
andere. Rivieren worden slechts aangetroffen op Suruaki de Bae , eigenlijk een beelge ; 



m SERANQftAO- ÉN OOKOXG-ARCBIPEL. 147 

op Gorong de Samboro, Akat, Eilirei, Eiliadat en Kelili aan de Westzijde — deSa- 
wani, Mutu, Otak, Didir, Silomin, Lisoa, Rumanama, Baan, Mangeranjera,Loman, 
Atado en Namaliu aan de Oostzijde van het eiland gelegen ; op Miinuwoko de Dera en 
Inlomin, die echter in den Oost-moeson droog vallen. Ankerplaatsen voor groote schepen 
vindt men op Geser, op Ondor, Namaleen en Kilisodi, eiland Gorong, zoomede op Kilio- 
bas, eiland Manuwoko — voor prauwen enkleinere vaartuigen op Kili waru, Maarlao, 
Eedang en andere eilanden. Van Masangarat strekt zich oostelijk tot Nedin een groot 
rif uit Tusschen Serangrei en Geser , Geser en Kiliwaru , Maarlao , Masangarat en Kiwar , 
Nedin en Nukus is het vaarwater, dat van het noorden naar het zuiden open ligt, diep en 
geschikt voor groote schepen. Uitgestrekte moerassen vindt men op Suruaki bij de nega- 
riên Magat en Argaan. Voetpaden zijn er tusschen de negariën onderling. Het klimaat 
is zeer gezond, vanwege de geregelde afwisseling van land- en zeewinden. De Oost- 
moeson heerscht van April tot September, de West-moeson van November tot Maart. 

Het eiland Serangrei met zeven negariën, als Keving, Kuwaai,Keluu,Kotabandang, 
Pagar, Kotawou en Kilibro, staat onder den major van Keving en den radja van 
Keluu; het eiland Geser met twee negariën, als Rumatamere en Kiliwaru, staat 
onder den major van Geser, die zich voorheen onaf hankelijk van Kiliwaru heeft weten 
te maken; het eiland Kiliwaru met twee negariën, als Kiliwaru en Kilitai , staat onder 
den radja van Kiliwaru en den kapitan van Kilitai; het eiland Seranglao met vijf 
negariën, als Kilivura, Maar, Enamalaas, Karang en Namalomin, staat onder den 
radja van Keluu, die te Kilivura woont, en den radja van Kiliwaru, die boven- 
dien ook de eilanden Maarlao, Masangarat, Kivar en Kidang, zoomede de rotsen 
Kanoli, Matauli, Makokak, Sasivi, Nedin en Nukus onder zich heeft. Het eiland 
Gorong telt negen-en-veertig negariën , als : onder den radja van Kataloka — Kinali , 
Namaleen, Dadaa, Rumeun, Saboru, Rumodat, Kasar en Kataloka; onder den radja 
van Odor of Ondor — Odor, Kilisodi, Belili, Kilisuagi, Kotamaba, Akat, Dulak, 
KeMer, Dai, Kalibingan en Kilili; onder den radja van Amar, wiens voorvaderen 
sedert 1680 alhier het bestuur voerden — Punastolu, Dur, Sagei, Amar, Kiliwou, 
Waisalau, Wawatu, Basarin, Kilituha, Kilimuda, Kotadaan, Kiliangin, Kotjiri, 
Kotahalawukan, Kailakat, Kotaleen, Baas, Aran, Miran, Kiliraus, Gota, Tenarin, 
Rarat, Rumadaan, Kilisodi, Rumanama, Buan, Wusun en Kulugowa; voorts de 
negari Mida, die op zichzelf staat. Het eiland Manuwoko met tien negariën, als 
Pantjalang, Kiliobas, Kiliurat, Derak, Loku, Enlomin, Lalanmatleen , Sera, Wawasa 
en Arwou, staat onder den radja van Amar; en op het eiland Suruaki met vier 
negariën, als Magat, Argaan, Kilikeli en Wisalin, voert een orangkaja, ondergeschikt 
aan den ra^a van Amar, het bewind. 

Naar schatting bedroeg in 1882 de bevolking op het eiland: 



148 t)£ SfiKAKOtAÖ- tS OORONÖ-AftCmPEL. 



Serangrei 


527 zielen 


Geser 


306 » 


Kiliwaru 


568 » 


Seranglao 


448 » 


Kivar en Grorogos 


126 » 


Soraaki 


298 » 


Gorong 


6310 » 


Manuwoko 


2144 * 



of te zamen 10,727 zielen, staande in eene verhou- 
ding als drie vijfden Seranglao- en Gorongers, een vijfde Papaa*s en een vijfde Indo- 
nesische vreemdelingen, behalve de Arabieren en Chineezen met hnnne afstamme- 
lingen. 

Op de eilanden Serangrei, Geser, Kiliwaru en Seranglao wordt dezelfde taal als op 
Oost-Serang gesproken ; op Gorogos wordt het Teuursch en op de overige eilanden het 
Gorongsch dialect, mina-mina Gorong, gebezigd. Voorts worden op deze eilanden 
nog gebruikt de Mangkasaarsche , Butoneesche, Papuasche, Maleische, Arabische en 
Chineesche taal. Inheemsche schriftteekenen worden niet aangetroffen. 

Doordien, met uitzondering van die van Suruaki, Gorong en Manuwoko, de voor- 
vaderen der tegenwoordige bewoners van den Seranglao- en Gorong-archipel hoofd- 
zakelijk uit Arabië, Java, Bomeo, Timor, Kuur, Teuur, Keei, Papua, Bandang, 
Ambon en de Uliase, Boanoo en Serang, ook zelfs van de manawa of tamata Va- 
ranggi — zijnde de bevolking van Kilitai, voor een groot deel de afstammelingen 
van vóór 1512, of volgens andere overleveringen tijdens het verblijf der Portugeezen 
te Waru, Oost-Serang, aldaar achtergeblevene Haranggi, Varanggi, Paranggi of 
Europeesche schipbreukelingen, die thans evenwel physiek geheel verinlandscht zijn — 
afkomstig waren, zijn de overleveringen ten aanzien van de oorspronkelijke bewoners 
zeer onbeduidend. De eerste bewoners van Gorong en Manuwoko zijn, gelijk be- 
weerd wordt, uit den grond als wormen, of liever larvae, die openspringende het 
aanzijn gaven aan himne voorouders, en die van Suruaki uit den gainboom,Rhizophora 
conjugata, voortgesproten. Zekere Wina, eene vrouw van uitstekende schoonheid, die 
later als Wina gainlomin bekend werd, is volgens de Suruakische traditiën te zamen 
met een wit zwijn uit een gainboom voortgekomen en beklom alstoen een der 
hoogsten daarvan, alwaar zij haar verblijf hield, aanvankelijk, als van bovennatuur- 
lijken oorsprong zijnde, zonder spijs en drank te nuttigen, terwijl het varken onder 
den boom haar bewaakte. Daarna spoelde er te Liansodi een vlot van sagupalm- 
ribben, guasa labaha, aan, met eene vrouw van Kowiai, Papua, Kiliboban genaamd , 
die van haar land afdreef, toen zij een vischfuik in zee plaatste. Wina gainloman 



DB SERANOLAO- EN OORONQ-ARCHIPEL. 149 

nam haar als hare makker, of liever die van het zwijn, aan en verbood haar den boom 
te beklimmen. Op zekeren dag kwam een man van Manuwoko, Robo genaamd, te 
Liansodi met^ pijl en boog visschen. Toen hij een groote ian sosako geraakt had , maakte 
hg zijn schaamgordel, nasali hila, los en ging naakt te water om den visch te grij- 
pen. Zulks ziende lachten de beide vrouwen hardop. Dit herhaalde zich ettelijke 
malen tot groote verwondering van Robo , die in het geboomte aan het zoeken ging 
en daarop Eiliboban greep, welke hij tot echtgenoot wilde maken. Zij verzette zich 
echter, zeggende dat zij vleeschelijke gemeenschap met het zwijn uitoefende en hij 
slechts den boom behoefde te beklimmen om eene schoone maagd, Wina gainlomin 
namelijk, te vinden. Hij volgde de aanwijzing en huwde deze daarna. Hunne kinderen en 
kindskinderen, zoomede die van Eiliboban, die later in gemeenschap met een man 
van Onin leefde, bevolkten daarop het eiland. Volgens eene andere lezing werd 
Sumaki door weggeloopene Papua-slaven van Gorong bevolkt. De eerste bewoners 
van Serangrei en Kiliwaru kwamen van Serang, Bandang, Worunai of Bomeo en 
Java. Te Eiliwaru dreef een Serangsche vrouw op een waru-, Hibiscus elatus-stam 
aan. Zij huwde met een aldaar reeds vroeger aangespoelden Papua en kreeg vele kinderen. 
Voorheen was Kiliwaru door eene landstreek met Seranglao verbonden. Ten gevolge van 
oneenigheden met Eeluu of Ealivura werd deze echterdoorgegravenen vernield, zoodat 
men thans alleen bij ebbe van het eene eiland naar het andere kan gaan. Het eiland 
Geser werd van uit Eiliwaru bevolkt, toen er een hevige twist ontbrandde onder de 
bewoners van dit laatste. Zij kregen den naam van Oranggeser of uitgewekenen. 

De hoofden en bevolking van Seranglao, G^ser, Gorong en Manuwoko stelden 
zich, nadat Seranglao in 1633 door A. Gijsels veroverd werd, successievelijk in 1637 
en 1646 onder de bescherming der Edele Compagnie. In de akte ter zake, den 28 
December 1637 opgemaakt, beloofden de oudsten van Eataloka, Amar,Dai, Ondor, 
Eaüakat en andere, voor hen en hunne erfgenamen, «dat zij niet de minste correspon- 
dentie met de vijanden van den Staat, hoedanig, van wat conditie, natie of nature dezel- 
ven ook zouden mogen wezen, niemand uitgezonderd, zullen houden, en veel min hen 
hunne havens of reeden tot schuilplaatsen zullen verleenen of de minste faveure 
bewijzen, maar dat zij dezelven met alle middelen van daar weren en zulks den 
Heer Gtouvemeur van Banda na de beste gelegenheid te kennen geven zullen. Item, 
dat bij verloop van slaven en anderen dezelven onder ordinair bergloon onverteerde 
kosten in redelijkheid bestaande zonder eenige frivole extensiën in handen van ge- 
melden Gouverneur zullen leveren en haar best zooveel hun mogelijk is zullen zoeken 
te bevorderen, gelijk zij ook ten hoogste zich verbonden houden op bevel van meer- 
gemelden Grouvemeur (doch niet dan bij den uitersten nood) hunne korrakorras in het 
water af te laten en hem benevens Z.Ed. macht in alle getrouwheid zonder tegen- 
zeggen te dienen en dit alles op poene van als Eedbrekers en Rebellen gestraft te 



150 DE SERANGLAO- EN GOBONG-ARCHIPEL. 

worden, voor hetwelk meergemelde hoofden en hunne onderhoorigen den vrijen geper- 
mitteerden handel op Banda, alsmede op alle geassocieerde Nederlandsche plaatsen, 
onder een behoorlijk passé zullen genieten.» Seranglao en Greser werden in die dagen 
genoemd «de schuilplaats of brandwacht van de morshandelaars, die alles opkochten 
wat maar geld waardig was, steunende zeer op de protectie der Kevingers, met 
wie zij veeltijds heulden.» Gorong was in die dagen beroemd om de aldaar aan- 
wezige notemuskaat-plantages en werd onafgebroken door Javanen, Mangkasaren en 
andere handelaren bezocht. In 1671 werd te Gorong een schoolmeester, benevens 
een korporaal en vier mindere militairen geplaatst. Serangrei of Klein Keving had 
toen veel verkeer met de Papuasche landschappen Onin en Kowiai, alwaar masooi. 
Sassafras goesianum, en slaven verzameld worden. In 1699 stonden deze eilanden 
onder het gezag van Todore, dat tot 1815 duurde, toen het Engelsche tusschen- 
bestuur daaraan een einde maakte. In 1648, 1670 en 1748 werden aldaar echter 
op last der Compagnie 4486 noteboomen uitgeroeid , hetwelk de bevolking verbitterde. 
Deze uitroeiing is het werk der zoogenaamde hongi, waarbij predikanten medegingen 
om de inlanders, terwijl hunne eigendommen vernield en geroofd werden, tot het 
Christendom te brengen. «Het eerste meesterstuk», volgens een der toenmalige Com- 
pagnies-dienaren , «dat deze trouwelooze bondbrekers», na de eerste extirpatie in 1648 
namelijk, «ter executie stelde, bestond in een cruellen moord aan den naar Nova 
Guinea gecommitteerden commissiant den koopman en fiscaal Boms met al zijne 
ophebbende manschappen, spoUeerende wijders alles van boord wat haar aanstond, 
waarna zij het kieltje aan het vuur opofferden met en benevens de aldaar ter reede 
komende chialoup de Gameel.» De Gouverneur Wijns «van dezen detestabelen 
moord en roof geïnformeerd zijnde», ging op drie schepen en drie galjooten den 10 
April 1658 met meer dan vijfhonderd man Gorong tuchtigen, doch werd «bijKata- 
loka verslagen en genoodzaakt onder een hagelbui van pijlen af te trekken». In het 
daaropvolgend jaar werd echter met behulp van andere eilandenbewoners de «van 
ouds gerenommeerde vesting Kataloka» door hem stormenderhand ingenomen en ver- 
woest Suruaki en Manuwoko, die medegedaan hadden, werden tevens getuchtigd. 
Op Suruaki en Manuwoko waren voorheen geene notemuskaatboomen aanwezig, doch 
dit vertrouwden de bewindhebberen der Compagnie niet. In 1728 werd de chialoup 
Nova Guinea, «aldaar aangegierd zijnde om eene oculaire inspectie van debosschen 
te houden», door het reeds tevoren verbitterde volk van Manuwoko verbrand, «de 
bemanning vermoord en de lading verdeeld zonder eenige of de geringste navraag 
van Compagnie's zijde en waarmede dan ook de ordinaire jaarlijksche correspondentie 
al tevens is gecesseerd». In 1770 werd de vaart der Mangkasaren door de Com- 
pagnie verboden en eveneens in 1787 die van Gorong op Java tegengegaan. 
Wegens den «overmoed» der alstoen opnieuw verbitterde bevolking trachtte A. 
Heijenberg in 1790 Gorong te tuchtigen, nadat van af 1777 «alle uitdenkelijke 



DE SEBANGIAO- EN GORONG-ARCHIPEL. 151 

middelen» aangewend waren om den invoer van vuurwapenen op deze eilanden te 
beletten; doch zonder gevolg. De kapitein-ter-zee Wemer Gobius begaf zich tot dat 
einde in 1791 ook derwaarts, doch sneuvelde den 28 Mei van dat jaar vóór Kata- 
loka. Sedert werden deze eilanden door de Compagnie aan haar lot overgelaten. 
Eerst na de terugerlanging onzer bezittingen van de Engelschen, die in den aanvang 
dezer eeuw eveneens eene expeditie naar Gorong maakten, stelde de Nederlandsche 
regeering zich meer in verbinding met deze volken, zonder evenwel — wegens den 
ingewortelden haat, ontstaan door de extirpatie hunner notemuskaatboomen en ver- 
nietiging van hun handel — in weerwil dat de residenten van Banda, waaronder 
deze eilanden ressorteeren, op hunne wijze krachtdadig optraden — meerderen in- 
vloed te verkrijgen. Inmiddels bleven deze eilanden het brandpunt van roof, moord, 
slavenhandel en andere ongerechtigheden, waarin door de .plaatsing in 1882 van 
een regeeringsvertegenwoordiger te Geser, die onder den titel van Posthouder over 
al deze eilanden het toezicht houdt, althans wanneer men van de traditioneele on- 
verschilligheid afstand doet, eenige verbetering kan komen. 

De bevolking van Seranglao en Gorong behoort voor drie vijfde gedeelten tot 
de lichtbruin gekleurde sluikharige , wua soran , rassen. De overigen zijn onvermengde 
Papaa's met wugata gata, of wua garugan, kroes haar, die als slaven hier inge- 
voerd werden, of nakomelingen daarvan. Zij worden door de Gorongers beschouwd 
als te behooren tot eene andere klasse van volksstammen , die op een zeer lagen trap 
van ontwikkeling staan. Uit dien hoofde oefenen zij met de vrouwen daarvan zelden 
vleeschelijke gemeenschap uit Een ander deel der bevolking bestaat uit afstamme- 
lingen van Indonesische vreemdelingen. De gemiddelde lengte bij den lichtbruinen stam 
is voor de mannen 1.66, voor de vrouwen 1.56 meter. Zij zijn welgemaakt en gespierd , 
uitgezonderd degenen die van opium misbruik maken. De type is brachycephalisch 
met niet hooge jukbeenderen, terwijl ook hypsimeso- en orthodoUchocephale vormen 
aangetroffen worden. De oogappels zijn glinsterend zwart, de neus, mond en ooren 
klein gevormd. Op het lichaam is men weinig behaard, ook een gevolg van depil- 
latie daarvan, omdat het als schande aangemerkt wordt veel haar op het lichaam te 
hebben. Het hoofdhaar wordt bij de mannen kort, bij de vrouwen lang met een 
wrong op het achterhoofd gedragen. Oude hoofden en geestelijken zijn intusschen 
trotsch op eenig kinhaar. De tanden worden met zand gereinigd en zijn bij de jonge- 
lieden vóór de vijling ivoorwit. Het lichaam wordt rein gehouden, voornamelijk de 
partes genitales, door herhaalde baden en wasschingen, welke laatste handeling 
volgens het beweren van oude vrouwen de hymen echter vóór de cohabitatie scheurt. 
Door haar gedurig met zandsteen te wrijven , is de huid glad. Bij enkelen slechts vindt 
men litteekenen van brandwonden of pokken. De mannen zijn goede zeelieden en 
kunnen, evenals de vrouwen, vele vermoeienissen doorstaan. De vrouwen zijn slank; 



152 DE SERANOLAO- EN GORONG-JLBCHIPEL. 

enkele hebben een aantrekkelijk voorkomen, doch werkelijk schoone worden niet 
aangetroffen. Hare borsten zijn klein en pyrivormig, de breedte van bekken is gering, 
de ingang der vagina nauw en de labia minora rudimentair. Zij bestrijken hun 
lichaam met welriekende oliën, dragen bloemen, bij voorkeur de Plumiera acutifolia 
en Jasminum sambac, in het haar, en leggen deze tusschen hunne kleederenin. Zij 
zijn liefhebsters van reukwerken, waun matelas. Dikke vrouwen, watan naboba, 
worden ongaarne gezien. Gedurende de menses, die gewoonlijk op het negende jaar 
intreden, worden, onder het prevelen van incantatiën, pessaria of tampons van lyn- 
geklopten boom- of kalapabast in de vagina gebracht. De mannen zijn energisch en 
ondernemend en hebben veel gevoel van eigenwaarde. Zij zijn gedecideerd en niet 
ruw, maar zeer gevoelig voor beleediging. Op eene rechtvaardige behandeling stellen 
zij hoogen prijs. Als zij zich in hun recht verkort gevoelen, twisten zij hardnekkig. 
Onder de hoofden en hadjis treft men vele ontwikkelde lieden aan. De meeste vrouwen 
kunnen den Qoraan lezen, mengadji, en zijn in hunne antwoorden gevat Bedrog, 
diefstal en oplichterij kan men intusschen als de meest gewone maatschappelijke 
ondeugden aanmerken. In sommige negariën beschouwt men evenwel het bedriegen 
en stelen als schandelijk; wegens de bestaande gebruiken omtrent huwelijk, echt- 
scheiding en vrij verkeer van jongelieden valt de ontucht niet in 't oog. In tegen- 
woordigheid van vrouwen mag men evenwel niet dubbelzinnig spreken of obscoene 
gezegden uiten. Het schelden, dahioar, als: au numina haira, pudenda tuae matris; 
boi noit au numina, poreus coit cum matre tua; u woit au, mox tecum coibo; au 
numina hai wiliura, uwe moeder heeft veel haar op haar pubes, etc maakt daarop 
slechts eene uitzondering. Moord of verwonding komen zelden voor. Bij vreugde en 
droefheid zijn de vrouwen hartstochtelijk. De mannen kunnen zichzelven goed be- 
heerschen. Vrouwen en jongelieden houden veel van lachen, malihi, en stoeien, 
maar zijn in tegenwoordigheid van Europeanen of lieden, die zij niet kennen, stenmiig 
en stil. De mannen hebben gaarne omgang met vreemdelingen, tamatanajamariolat, 
om bijzonderheden te vernemen of om hunne nieuwsgierigheid te bevredigen. De 
bevolking is gastvrij. Als men in een huis komt, wordt terstond de sirih-pinang aangebo- 
den als een bewijs van goede gezindheid. Wanneer de huisgenooten aan den maaltgd 
zijn, is men verplicht daaraan deel te nemen. De vrouw des huizes eet intusschen 
niet mede in tegenwoordigheid van vreemdelingen. De bloedverwanten en negari- 
genooten zijn zeer aan elkander gehecht. Aan de roode mermer, witte mahuti en 
gele unin kleur wordt de voorkeur gegeven. Oude lieden, zoowel mannen als vrouwen, 
worden geëerd. De jongeren noemen hen tata en tataina. Elkander ontmoetende zegt 
men: «dagi nagii», waar gaat gij henen? het antwoord is: «tagi na^are», d. L ik 
ga derwaarts , in stede van elkander te groeten. Tegenover elkander is men beleefd. Als 
men zit, moet men de voeten achterwaarts rechts buigen, namatoranruum. Ongepast 
is het, de beenen op eene andere wijze te plaatsen. Als eerbewijs worden tevens aan 



DK SERANÖLAO- EN GORONG-ARCHIPEL. 153 

de ouders de namen hunner oudste kinderen gegeven. De vader van het kind Mojota 
heet derhalve Mojota nibaba, de moeder Mojota ninina. Het is ongepast elkander 
schimpnamen te geven als isoo bagas, gij kromneuzige; mataa galiga, gij scheele; 
busu, gij gebochelde etc. De jongelieden noemen elkander niet bij den naam, maar 
wini, makker, lidan of bela, broeder of zuster. De vrouwen kussen, nuisi, 
elkander en hare kinderen door neuswrijving. Weduwen, wawina walu, worden door 
de kinderen of bloedverwanten verzorgd. De schoonzoons, ana etan, moeten de 
schoonouders als mema of baba en wowa of nina aanspreken en mogen in dier 
tegenwoordigheid zitten, doch op eenen afstand. Bij ontvani?fst van geschenken zegt 
men: cu soba au leen Allahu taala naguan au ni gahün», d. i. Ik da^ik u, moge 
God de Almachtige u het goede geven. Een verbond van vriendschap, dahilidan, 
bekrachtigt men door elkanders bloed te drinken. Van de vreemdelingen worden 
de Europeanen met den meesten achterdocht behandeld. Men kan zich niet voorstellen 
dat een Europeaan iets belangeloos zou doen. De Nederlanders zijn gehaat en de 
traditiën aangaande de vernieling hunner notenaanplantingen in vroegere eeuwen worden 
als een pusaa, erfenis, van vader op zoon overgedragen. Deze haat wordt tevens 
door de Arabieren en Bugis, die ouder gewoonte met verachting over de Neder- 
landers spreken, voortdurend aangewakkerd. Op deze eilanden heet de Nederlander 
de pagora mahuti of blanke zeeroover, dien men niet mag vertrouwen. 

In overoude tijden behoorden de gronden aan de zoogenaamde grondbezitters en 
hunne afstammelingen. Later beschouwde men ze als leen sidi manaa, het van 
den vader geërfde eigendom, waartoe de esi of baal, woeste gronden, behooren. 
De gronden worden derhalve thans verdeeld in wanu baal of wanu esi, communale, 
aan den stam behoorende gronden, bosschen, graslanden, rivieren, moerassen; in 
etar baal, waarover de negari-genooten of een deel van den stam mag beschikken, en in 
usali toran baal , familie- of individueele gronden. Souvereine rechten van Nederland 
over deze gronden worden niet erkend. Tusschen eigendom en bezit van gronden 
wordt geen verschil gemaakt Beide begrippen worden door het woord sidi aangeduid. 
Elk bezit of eigendom wordt door de negari of wanu erkend en gehandhaafd. Vreem- 
delingen mogen van de wanu baal gebruik maken, wanneer zij deel uitmaken 
van de wanu en de leun hala bonboon, oude gebruiken, volgen. Voor aankap van 
hout voor prauwen of huisbouw, moeten zij echter een tot twee koperen lillahs be- 
talen, die als roerend wanu- eigendom, worden beschouwd. Verkoop en verhuur 
van gronden is niet gebruikelijk. De gronden aan den stam wanu, negari etar, 
of familie usali toran toebehoorende, worden behoorlijk van grenzen, maguan, 
voorzien, welke gewoonlijk uit eli bergen of bergruggen, suar voorgebergten, soso- 
lat rivieren, gogar beken en andere teekenen bestaan. In de wanu baal of esi 
mag elk stamgenoot vrg jagen of boschproducten verzamelen. Het voor tuin- of veld- 



154 DE SERAi^GLAO- EN GORONG-ARCHIPEL. 

bouw door heggen, arar, afgebakend gedeelte noemt men leen of aar; met sagu 
beplant heet het elaar, met kalapa beplant niuaar. De overige aanplantingen worden 
met den algemeenen naam waum aangeduid. Usali toran baal wordt verkregen door 
ontginning met medeweten der stam- en negarigenooten van de wanu baal of etar 
baal. De vrije beschikking over deze gronden gaat alleen verloren, wanneer men de 
negari verlaat om nimmer terug te keeren en er geen afstammeling of plaatsvervanger 
achter blijft. Vreemdelingen die buiten de grens komen, mogen daar niets beschadigen, 
geen rumoer maken of hunne behoeften doen, opdat de geesten, die de bosschen be- 
wonen, niet toornig worden en hen ziek maken. De islamietische regelen omtrent 
grondbezit wprden niet nageleefd. 

Onder de bevolking van Seranglao en Grorong treft men drie standen aan, nl. 
dien der adellijken, gahiin of mansia gahiin, dien der gewone lieden, mahun of mansia 
mahun, en de slaven, moi of moira. Tot den eersten adel des lands behooren de 
familiën van Rumatilin, Rumarei, Kiliobas en Rumagia. Het is holi-holi of ver- 
boden een mahun tot den stand der gahiin te verheffen. Dit kan alleen geschie- 
den door geboorte, na de volledige, tot het sluiten van een matrimonium justum 
verplichte, betaling der mawina walira; alsdan volgt het kind den vader. Alle 
hoofden, met name radja, orangkaja, major en kapita behooren tot den stand der 
gahiin. In de laatste jaren trachten ook de hadjis zich op den voorgrond te stellen 
en aanspraak te maken op de rechten der gahiin, hetgeen in sommige negariën 
gelukt is. De slaven, moi, moita, de zwarten, of moira, grootendeels vanEowiaien 
Onin, eiland Papua, afkomstig, worden in het algemeen als huisgenooten aange- 
merkt. Himne waarde wisselt af van zestig tot tweehonderd gulden. De invoer en 
verkoop van Papua-slaven is een winstgevende tak van handel geworden, waarmede 
velen zich thans nog onledig houden. Vrijstelling, mardiaa, van slaven is niet in 
zwang. Na den dood van den eigenaar worden zij verkocht, verpand of als erfdeel 
der kinderen aangemerkt 

In den prae-islamietischen tijd voerden de hoofden der stammen of negariën, etar, 
den titel van latu, terwijl de zoogenaamde grondbezitters, degenen namelijk wier 
vaderen het eerst deze eilanden bewoonden, of de oudsten hunner, latubaal genaamd 
werden. Met het mohamedanisme, en gedeeltelijk ook door den invloed van Euro- 
peanen, gebruikt men thans op deze eilanden Maleische en Europeesche titels voor 
de betrokkene bestuurders, als radja, orangkaja, major en kapita. De twee laatste 
benamingen zijn van Portugeeschen oorsprong. De erfelijke radja-titels zgn thans 
die van Amar, Keluu, Kiliwaru, Kataloka en Ondor — orangkaja die van Suru- 
aki, Aineka, Eelakat, Dai, Mida, Wawato, Buan, Namaleen, Euwai, Loku, Loko- 
lomi en Miran — major die van Eeving, Geser, Eilisolat, Eiliwou en Manaban — 



DE SEBANGIJiO- EN GORONG-ARCHIPEL. 155 

kapita die van Eilitai, Eelun, Eotaadan, Eilibro, Eilikulat, Arwou, Eiliobas, Derak, 
Enlomin, Einali, Waisalan, Eilitoha, Baas, Eototak en Eiliraus. De mindere hoof- 
den heeten orang tuha. Al deze hoofden worden door de gezamenlijke bevolking, 
zoowel mannen als vrouwen, gekozen en daaraa door het Nederlandsch gouvernement 
zooveel mogelijk bevestigd. Bij de keuze, dalür, wordt speciaal gelet op de afstam- 
ming, het gedrag en karakter van den persoon, zoomede dat hij lichamelijk niet 
gebrekkig of misvormd zij. In vroegeren tijd werden ook vrouwen voor het bestuur 
gekozen, onder den titel van latumawina, gelijk de vorstin Muna te Eataloka en 
anderen. De hoofden worden, al naar gelang van den persoon, behoorlijk gere- 
specteerd. Op fijne matten gehurkt zittende , krijgen de radja's en orangkaja's achter 
zich drie; de overige hoofden zoomede de imam, het hoofd der geestelijken, 
twee kussens. Tegen voeding is de bevolking verplicht de hoofden volgens de dahi- 
wait- instelling, bij te staan in de ontginning en bewerking hunner velden, het 
oprichten hunner woningen en het vervaardigen van prauwen, fiiiken en andere 
werktuigen voor de vischvangst als anderszins. Het gebruik van vaste dienstplichtigen 
is in strijd met de oude instellingen of teun hala bonboon. Voor huiswerk worden 
de slaven gebezigd. Als de hoofden op reis zijn moet de bevolking hen met roeiers 
en al het noodige bijstaan. Het is echter holi-holi dat de hoofden de bezit- 
tingen der onderhoorigen tegen dier wil zich toeëigenen. Bij onderzoek en afdoening 
van zaken zijn de partijen verplicht aan de hoofden de sauweli, gift voor de 
moeite, bestaande uit een tot twee stukkenwitlijnwaad, te geven, waarvan, bij onder- 
linge verdeeling, de radja of orangkaja twee deelen verkrijgt Worden door de 
hoofden bevelen gegeven, dan moeten de negari-bewoners zich voor de usaliwanura 
of gemeentehuis verzamelen. Het recht tot het plaatsen van sasi, ngaam, is tevens 
een prerogatief der hoofden, dat zq van de latu baal hebben verkregen. 

Eleine geschillen worden door den radja en den orangkaja in hunne woningen onder- 
zocht en door het opleggen van kleine boeten, bestaande uit lijnwaden, gouden, 
zilveren en koperen sieraden, ook wel geld , ten behoeve van de winnende partij , volgens 
de teun hala bonboon afgedaan. Vele quaesties worden ook door behoorlijke terecht- 
wijzingen voorkomen. Bij zware misdrijven behooren de hoofden, de geestelijken, 
de oudsten en de overige bevolking in de usali wanura bijeen te komen ; de hoofden om de 
zaak te onderzoeken, dasabi mina, te overwegen, taliir mina en te beslissen, daguti 
mina. De radja of orangkaja neemt alsdan in het midden van het gebouw plaats, 
de overige hoofden ter rechter-, de geestelijken ter linkerzijde, terwijl de bevolking 
vóór of achter den radja zich verzamelt. De getuigen, sasi, worden gehoord , eeden, 
dasuban of membatja jasin, afgenomen, en zoo noodig ook de dabatui of hetwater- 
ordaal toegepast Ieder der aanwezigen heeft het recht zijn gevoelen te doenhooren. 
De straffen bestaan in boeten, sala, in thails uitgedrukt, vertegenwoordigende elke 



156 D£ SERANOLAO- EN QORONQ-ARCHIPEL. 

thail een sovereign of twaalf galden Nederlandsch. Voor de behoorlijke aanzuivering 
der boeten zijn de bloedverwanten van den schuldige solidair verantwoordelijt Na 
de invoering der hongi door de Nederlanders is het gebruik om rotanslagen, 
van zes tot zes-en-dertig, toe te dienen aan degenen die niet genegen zyn de 
boete te voldoen, in zwang gekomen. De hoofden hebben geen recht, iemand, buiten 
de negari-genooten om , de straf kwijt te schelden of hem van de betaling der boete 
te ontheflFen. Is dit door de negari goedgekeurd, dan zegt de persoon: «djouuworan 
ampung nai kau», d. i. Heer, ik vraag vergiffenis van u, waarop de radja of 
orangkaja antwoordt: «Allahu taala maav loo,» d. L God de Almachtige vergeeft 
u. De afdoening van zaken geschiedt buiten bemoeiing van het Nederlandsch gezag 
en de door de regeering vastgestelde straffen werden nog niet toegepast De meest ge- 
wone straffen zijn bij moord of doodslag, datara tamata, eene boete van twintig 
thail of het bedrag daarvan ten gunste der bloedverwanten; bij overspel, dawei 
roman, eene boete van twintig thail ten behoeve van den beleedigden echtgenoot, 
door den overspeler te betalen, die alsdan ook het recht verkrijgt de overspeelster 
tot zich te nemen; bij diefstallen in 't groot, haleus, eene boete van vijftien thails , 
ten behoeve van den bestolene, met teruggaaf der ontvreemde goederenof de waarde 
daarvan; bij verwonding, dahoot tamata tutu rara en bij beleediging eene boete van 
vijf tot tien thails of het bedrag daarvan; bij brandstichting, dataun usali, eene 
boete van twintig thails en terugbetaling van het verlorene. Bij moord en doodslag 
wordt echter gewoonlijk bloedwraak, tatara sibenat, toegepast Wanneer de boete 
noch door den persoon, noch door zijne bloedverwanten kan worden aangezuiverd, 
wordt de schuldige met zes-en-dertig rotanslagen afgestraft en daarna als pandeling 
aan den eischer overgegeven. Zulk een pandeling wordt als lijfeigene behandeld, 
doch kan later, door de boete te voldoen, zijne vrijheid weder terug erlangen. 

Eeden, dasuban of suban, worden thans gewoonlijk op de mohamedaansche wqze 
afgelegd door den Qoraan op het hoofd te nemen en den jasin uit te spreken. Deze 
eeden hebben echter weinig waarde, doordien men zich tevens in staat acht de uit- 
werking daarvan te neutraliseeren of krachteloos te maken. Ofschoon volgens het 
volksgeloof een valsche eed, dasuban eda-eda, het afbranden van de woning, waarin 
de eedaflegger zijn verblijf houdt, ten gevolge heeft, geeft men bij ernstige geschillen 
de voorkeur aan de dasuban des voor-mohamedaanschen tgds, dat is door ophefiBi^ 
der beide handen, terwijl men de zon in het aangezicht laat schijnen. Het vroeger ge- 
bezigd formulier is verloren gegaan. Thans heeft men er een van half heidenschen, half 
islamietischen oorsprong. Men zegt bijv. bij diefstal: «Allahu taala wanabiMuhhamad 
tou toun tamata iree nahaaleus tuu tei i salamat, teige nahaaleus tuu loo namata 
iiy> d. w. z. God de Allerhoogste en profeet Mohamed, ziet op dezen mensch; 
heeft hij in waarheid niet gestolen, dan zal hg gelukkig worden ; heeft hg werkelgk 



DK saONGLAO- ÈN GÖRON6-AÏIC3HIPEL. 157 

gestolen, laat hem dan sterven. Degene die een yalschen eed op deze wijze aflegt, 
moet, naar het volksgeloof, onvennijdelijk ziek worden en sterven voordat de nieuwe 
maan intreedt 

Wanneer uit hoofde van hardnekkige ontkenning tusschen twee partijen geen recht 
kan worden gesproken, laten de hoofden de beslissing der zaak aan de dabatui, het 
oordeel Grods over. Tot dat einde verzamelt de gemeente zich aan het strand. Men 
neemt vervolgens twee stokken, belas, en plant deze in het water, dat tot aan de borst 
reikt De betrokkenen worden er vóór geplaatst en ieder houdt een stok vast Onder 
ophefflng der beide handen, bijv. bij diefstal van kalapanoten, roepen zij, een der 
oudsten nasprekende: «barakaat Allahu taala wa nabi Muhhamad umoroti tou toun 
inahaaleus niu tuu loo nawotu ihalabo nahaaleus niu tei naihitii wawa isaire nawotu 
ihala boo,» d. w. z. de zegen van God den Allerhoogste en van den profeet Mohamed 
rust er op, dat wij beiden mogen zien wie werkelijk de kalapa heeft gestolen; die 
gestolen heeft moet het eerst zich oprichten; die de kalapa niet gestolen heeft, blijft 
beneden liggen, de ander moet vóór hem opstaan. Daarop zegt de imam drie malen 

achter elkander : ^jt^) ^j;;^»^^' ^' öy^j ^ ^^ J ' ^^ ^ ó^.^^ \JS}^ ^ic J^^ J^ ^] 

d. w. z. O God , zegen onzen Heer Muhhamad en allen die tot de familie van onzen 

Heer den Gezant Gods behooren, terwijl de omstanders driemalen <xï) 'U J\ d. i. 

zoo God wil, roepen. Nadat de imam alweder isdJi f^^ d. i. in den naam van 

God , heeft uitgesproken , duiken beide partijen in het water. Degene die het eerst 
bovenkomt, wordt als de schuldige aangemerkt 

Om een afgelegden eed krachteloos te maken, neemt de imam zout en zeewater, 
mengt dit in een bak dooreen, legt vervolgens in het water eenige droge bladeren 
van den Keus altimeraloo Rxb. en vult er daarna een koperen ketel mede. Dezen ketel 

ui wJ 

hangt hij aan eene weegschaal, met den Qoraan als tegenwicht, en zegt: ^Ju^ lX^ h^) 

ctV*' ijt^^ **' ^r*j ^'^ ^^ ^3 '^^'^^ ^ *^ ^J^ d. w. z, O God, zegen Muhha^ 
mad en de familie van onzen Heer den Gezant Na het aangezicht van den betrok- 
ken persoon met zijne handen benedenwaarts bestreken te hebben, zegt hij opnieuw : 

CL^yJ) J.J3 Joy^ fjjji] ^ ÏjUpj S*^] ^ AJki'^^ ^*^' ^^ ^^^^ lJ^I^..) Ü) ^^) 

bidden IJ om heil in deze wereld en om gezondheid wat het lichaam betreft en om 
vermeerdering van levensonderhoud en om berouw vóór den dood en om vergeving na 



158 DE SEEANGLAO- EN GORONG-ARCHIPEL. 

den dood en om barmhartigheid bij den dood. Maak het de ziel gemakkelijk, wan- 
neer de dood aanklopt. Geprezen zij de Heer, de Heer verheven boven de eigen- 
schappen, die men Hem geeft. Heil zij den Gezanten. Lof zij Gode, den Heer van 
al het geschapene. Daarna bestrijkt de imam het aangezicht van den persoon voor 
de tweede maal en laat hem zijn aangezicht, handen en voeten met het gewijde 
water wasschen. Als dit geschiedt is, reikt hij hem de hand en ontvangt als loon 
voor zijne moeite dertig centen. 

Onder de vervloekingen telt men gezegden als : olara naa au , de zon zal u verslinden ; 
boi naarat au, het varken zal u bijten; au gei atamari niura ilumuraa wali wawa, 
val van den kalapaboom, met uw hoofd naar beneden; au maledu lausaa, verdrink 
in zee, en meer andere. 

Oorlogen, dahitau, aan of daan, ontstaan hoofdzakelijk door dawuat wawina, 
vrouwenroof; dawuat wini, maagdenroof; door iemand uit eene andere negari voor 
slaaf uit te schelden, dawatan tamata moi; door iemand voor suwanggi uit te maken, 
dawatan tamata suwagi, en door grensgeschillen, dahitega leen. De gewoonte brengt 
mede , dat de hoofden tegen het voeren van oorlog zich verzetten ; dringen de belang- 
hebbenden er evenwel sterk op aan, dan bestrijkt het eerste hoofd de voeten van een 
dezer met gul niu , kalapa^lie , als het ware om hem te wijden. De persoon springt 
alsdan op en heft den oorlogskreet aan, dahisoat, zendt vervolgens aan de vijandige 
negari een kalapa, niu deera woisa, als een teeken dat de strijd zal duren 
totdat de kalapa, geplant zijnde, vruchten geeft; een slijpsteen, watu asala,alseen 
teeken dat de strijd zal duren totdat de steen door het voortdurend slijpen 
der sodi, zwaard, geheel versleten is; een schot kruit, sidaa argaasa en een kogel, 
pangluu timura, als teeken dat de krijg een begin heeft genomen , en verdeelt onder 
zijne negari-genooten twee tot drie lillahs , eenige gouden versierselen , eenige bronzen 
kanonnen en andere artikelen, naar gelang van den eisch, opdat zij hem zullen bij- 
staan. Als de vijand de teekenen ontvangen heeft, maakt hij zich eveneens tot den strijd 
gereed. Op den avond vóór de strijd zal beginnen wordt de watu aman of gewijde 
steen in het midden der negari op drie kleinere steenen geplaatst, met sirih-pinang, 
kalk en tabak er op als een offer aan de nitu. Een der oudsten gaat voor den steen 
zitten met de sodi in den hand, hakt onafgebroken in de richting der vijandige 
negari en zegt: «u lait umu, u tetol umu», d. i. Ik snijd u, ik hak u. Naast den 
steen wordt geplaatst een aarden pot met water, waarop eenige Ficusbladeren drijven. Met 
een stuk hout roert eene oude vrouw dit water om en zegt: «u aru laminoa mumu 
bolu dubolu», d. i. Ik roer uw hart om u kleinmoedig temaken. Eene andere vrouw, 
die ook bij den steen komt zitten, slaat met een stuk staal op een vuursteen, zeggende : 
«u sarut umu me watu wahireet, d. i. Ik sla op den steen om u bevreesd te maken. 



DK SïJBAKöLAO- KN GORONG-ARCHIPEL. 159 

Deze personen mogen de plaats niet verlaten, aleer de sMjders teruggekeerd zijn. 
De overige vrouwen in de negari maken de spijzen voor hunne mannen en zonen 
gereed. Den volgenden morgen verzamelen de strijders zich op het plein in de negari, 
allen in hunne beste kleeding gedost, met wapenen en voorbehoedmiddelen. In het 
haar bewaart men de adimat, een geschreven papier met Arabische spreuken, om 
onkwetsbaar te zijn, en onder de oksels wordt een tweede vastgehecht Onder 
het verzamelen kauwt men den wortel van de ailiena, om prikkelbaar en woedend te 
worden. Vóór het vertrek gaan zij bij elkander staan , met den aanvoerder , anhuun , 
aan het hoofd, en leest de priester, om hen heen loopende, driemalen de negende 
sura van den Qoraan v. 129 en 130. Degenen die gedurende deze handeling zijn 
voeten of een ander lichaamsdeel krabt, mag niet mede uittrekken, of hij moet een 
witten haan slachten en aan den imam ten geschenke geven. Na de monstering treedt 



de 



imam weder voor en roept hardop <)d)] ^ d. i. zoo God wil, waarop de gewa^ 

penden den oorlogskreet aanheffen en strandwaarts gaan. Als de vijand hen ziet, trekt hij 
hun tegemoet en het gevecht begint als een strijd van man tegen man. Worden er 
eenigen gedood, dan staakt men den strijd gedurende negen dagen. Als teeken van over- 
winning hangt men twee tot drie stukken wit lijnwaad aan de hoogste kalapaboomen. 
De strijd duurt gewoonlijk van acht uur *s morgens tot drie uur 's middags. In 
vroegeren tijd werden de koppen gesneld, doch dit is thans door de mohamedaansche 
geestelijken verboden. De overwinnaar heeft alleen het recht den doode fijn te hakken. 
Dusdanige oorlogen duren jaren achtereen , gedurende welken tijd de partijen elkander be- 
spieden, om kwaad te doen en de wederzijdsche negari-bewoners te dooden. Om een einde 
aan den oorlog te maken , komen eenige onzijdige hoofden bijeen, ook wel op verzoek van 
de partij die het moede is geworden of veel verlies aan menschenlevens heeft geleden, 
en beslissen dat er geen oorlog meer mag gevoerd worden. De oorzaak van den oorlog wordt 
opnieuw onderzocht en de schuldige beboet Als teeken van vrede reiken de partijen 
in tegenwoordigheid dier hoofden elkander de hand. Wanneer het gras of onkruid 
buiten eene negari opgeruimd is, dan beteekent dit, dat de ingezetenen met andere 
negariên in oorlog zijn. Onzijdigen mogen intusschen de negari in- en uitgaan. 

De negariên, wanu, en kampongs, etar, werden in vroegeren tijd in de binnenlan- 
den op de toppen der bergen gebouwd. Thans vindt men nog sommige negariên op 
de heuvels, doch de meeste liggen op de vlakte langs de kust, in de nabijheid 
van eene rivier, beek of waterbron. De standplaatsen der radja's en orangkaja's zijn 
grootendeels door koraalsteenen muren, pentang, tot eene hoogte van ongeveer drie 
meters, omringd. In tijden van gevaar worden buiten deze muren nog susaan of 
voetangels geplaatst In elke negari treft men een open plein aan, waaromheen 
de op palen gebouwde huizen zonder eenige orde staan. In de nieuwere negariên 



j 



160 DIT SERAKGLAÖ- BS* OÖRONQ-ARCHIPÏL. 

heerscht meerdere symmetrie ten aanzien van de plaatsing der woningen. Behalye 
het zoogenaamd negari-hois, usali wanura, treft men in elke negari nog aan een 
mesiit, mesdjid en een sabua, alwaar de animbaai, aang of negari-vaartoig be- 
waard wordt. Door krachtige medewerking van den betrokken Posthonder is thans 
te Geser ook een overdekte marktplaats voor rekening der handelaars aldaar opge- 
richt. Hierdoor wordt de kleinhandel min of meer geconcentreerd. Als een overblijfsel 
van den ouden tijd vindt men in elke negari een of meer Ficus altimeraloo Bxb., 
boomen waaraan, hoezeer in het verborgen, als de tijdelijke verblij^laats der nitu eer 
wordt bewezen; althans het wordt ongeoorloofd geacht takken van dezen boom te 
vernielen. 

Over het algemeen zijn de woningen van hout, bambu of gabagaba samengesteld. 
Zij staan op palen van 1.5 meter boven den grond. De enkele steenen gebouwen, 
aan hoofden toebehoorende , zijn naar de Moluksche wijze opgericht. Het onderhoud der 
woningen laat overal veel te wenschen over. Bij den huisbouw, dawei usali, wordt 
men door bloedverwanten en vrienden, t^gen voeding , bijgestaan, dahiwait Wordt het 
huis door meer dan één usali toran, huisgezin, bewoond, dan werken deze, ook 
door hunne bloedverwanten geholpen, mede. Men begeeft zich tot dat einde op een 
gelukkigen dag, op Zondag, Maandag, Woensdag, Donderdag of Vrijdag, die op een 
even getal der maand valt, naar het bosch, in de eerste plaats om de palen of stijlen, 
acht in getal , aan te kappen. Zijn deze in de negari op de plaats van aanbouw gebracht , 
dan wacht men tot den tweeden dag der nieuwe maan, om ze in den grond 
te slaan. Den avond tevoren heeft de dawei baal ni holi-holi of de wijding van de 
plek door den eigenaar plaats. Te dien einde ontvangt hij van zijne vrouw een door 
haar met haren vadem gemeten stuk touw, een flesch met water gevuld en een ei 
Het touw wordt opgerold en gedeeltelijk in den grond gelegd, met de flesch er 
boven op en het ei er naast Is zulks gereed, dan zegt de eigenaar: «sjalam alai- 
kom nabi Loqman nol hhatdm; u hatoron botal tura aar wawa baaliree; gahünaar 
alomin, garata aar angosu; gahün tali naliu, garata tali namasuu; gahiin manu 
tolu naberetan tei, garata manu tolu naberetan», d. w. z. Wees gegroet, profeet 
Loqman de wijze ; ik plaats een flesch met water op dezen grond ; als de flesch vol 
blijft dan is het goed, als het water minder wordt dan is het slecht; als het touw 
gelijk van lengte blijft dan is het goed, wordt het korter dan is het slecht ; bederft 
het kippenei niet dan is het goed, bederft het dan is het slecht Daarna blijft hij 
den geheelen nacht in de nabijheid der plaats om te observeeren. Komt er een hond 
in de nabijheid, dan zal hij in het huis veel twist en onaangenaamheden hebben; 
loopt eene kat de plek voorbij, dan zal hij in het huis veel ziekten krijgen. Z^n 
de voorteekenen gunstig, dan komen de negarigenooten den volgenden dag op de 
plaats bijeen; de plekken, waar de stijlen of palen moeten komen, worden aan- 



DIB gfiftlNOLAO- m GOBONO-ABOHIPfiL. 161 

geduid en nadat een der oudsten gezegd heeft: cqalam alaikom nabi Loqman 
nol hhakim haa nri nugu usal wawa baal , au mingat nai uroo masingat bolu,» d. w. z. 
Wees gegroet, profeet Loqman de wijze; hier zullen geplaatst worden de stijlen in den 
grond , draag zorg dat er geene zieken (in het huis) komen — worden de gaten gegraven. 
Als dit gereed is, wordt de baal ni maguan yerricht, of het deel aan den grond 
gegeven. Daartoe neemt men eenig goud-, zilver- en loodpoeder, mengt dit met 
gewqde olie ondereen en bestrijkt daarmede het gedeelte der palen dat in den grond 
komt, zeggende: catubu au maas, atubu au salaa, atubu au timura; mingat ami 
gahün bei ami aroo misingat bolu,> d. L Ik heb u gegeven goud, ik heb u gegeven 
zilver, ik heb u gegeven lood; zorg goed voor ons, dat wij niet ziek worden. In het 
gat, dat rechts voor het huis gegraven is, legt men bovendien een stuk sagu in 
vischsous geweekt, drie stuks sirih-pinang, drie balletjes tabak, drie gekookte viscly es 
en drie palges rijst, al hetwelk men met een platten steen bedekt Vervol- 
gens worden de palen in den grond geheid en het huis verder afgewerkt Wanneer 
het dak gedekt moet worden, deet barem usali, komen de negarigenooten helpen 
en worden zij op spijs en drank onthaald. Eene vrouw is verplicht de eerste atap 
vast te binden, als een bewijs dat de vrouwen in de woningen ook iets te bevelen 
hebben. Na afloop leest de imam het gebed voor, batja doa, waarvoor hij een ge- 
schenk van tien tot dertig centen krggt, en terwijl de negarigenooten geschenken, in 
spijs en drank bestaande, aandragen, brengt de eigenaar zijne bezittingen in het 
huis, dat gewoonlijk nog geene omwanding heeft Met het maken der omwanding 
gaat men hier evenals elders zeer langzaam te werk, om de woning volgens het 
volksgeloof eerst goed koud of koel te doen worden. De waarde van een huis varieert 
tusschen honderd en driehonderd-vijftig gulden. De voor huisbouw meest in gebruik 
zynde houtsoorten zijn de aiharai, loriaa, goha, gelu, sili, woong, harumetan, 
tuha en andere. 

Het in de huizen aanwezige huisraad, alsook voorwerpen van waarde, wapenen, 
vischwerktuigen en Ueeding, wordt op bepaalde plaatsen bewaard. Het eerste vertrek of de 
lumalomin blijft gewoonlijk ledig; een en ander bergt men bij voorkeur in de ain, 
het tweede vertrek aan de achterzijde der woning, met slaap-, kook- en eetplaats. 
Onder huisraad, paaas, rangschikt men de kiar, matten; kasur, matras; bobobar, 
katoenen spreien; kalanguru, hoofdkussen; doom en doomarar, doozen of kisten van 
pahnbladeren of rotan ter bewaring der kleederen;padamaran, lampen tot verlichting 
met olie, was of damarhars; kuran, pannen; vana, potten; bingan, borden; bingan 
velemungu, kommen van aardewerk; sisiru, lepels van zilver, koper, kalapadop 
of nautilusschelp; turi, messen; peda, parangs of hakmessen; soru, bijlen; kaling, 
^zeren pannen; sawaar, kalapadop om er uit te drinken; tjera ritur, koperen water- 
ketel; halees, olie- of waterflesschen ; mamolar tampajan, dulan ai raa, groeten 

11 



162 DB SEEANaiAO- EK OOBONQ-ABCHIPSL. 

houten schotel; dülan brabaan, grooten koperen schotel; sambara koperen en 
tebai, houten sirihdoozen en zoo voort. De voorwerpen van waarde bestaan uit de 
daldala, gong; gonggor, kleine koperen bekkens; hodas, olifantstanden ; usperaritu, 
koperen lillahs; goud- en zilverwerk, zoomede pitis dalun, -salaa, -maas, of koper-, 
zilver- en goudgeld. De myites en ophites hebben ook hooge waarde als voorbehoed- 
middelen en worden met zorg bewaard. De wapenen, manamatarin, die gewoonlijk 
boven de slaapplaats bewaard worden, zijn de sanampan, geweren; woir of oki, 
bambulansen; galagala, lansen met ijzeren punt; wuwunut, pijl; usur, boog; sodi, 
Uewang of zwaard; maduru, Tombuku-klewang; iris, kris; badi-badi, een kort steek- 
mes en kata, schild. De vischwerktuigen , bestaande uit sosola en tear, soorten van 
harpoen; soga-soga, lans van sagubladstelen; subaan, hengel; lawar, vischlijn;kaul, 
haken; suwelat, werp-, en vukat, treknet, worden menigmaal gemakshalve in de 
lumalomin gelaten. Als kleeding en sieraad worden gebezigd door de mannen, paira 
urani, mannenUeeding : de subu tangan, hoofddoek; ladan iris, korte badju; ladan 
leen, lange badju; ada, broek; ngongongal, buikband; tangatangan, ringen en halu- 
lun, sarong; — door de vrouwen, paira wawina, vrouwenkleeding: urun, lange badju; 
ladan malai, lange kabaja; wuri, uti-uti sarong; hululun, sarong; tapi mohuti, 
sarong van wit lijnwaad; rewar salaa, zilveren haarspeld; sisir eran of arabauululu, 
schildpadden en hoornen kammen; haoli maas, gouden oorhangers; kurabu, oor- 
knoppen; ala, armbanden van goud, zilver en koper; biabia, armbanden van geslepen 
schelpen; tanga-tanga, ringen van goud, zilver en koper ; sitddavi, gouden oordeksels. 
Een en ander bewaart men in kisten van hout of in de doom. Aan minderen 
is het verboden de tapirururuk, kulakulat en ure kait, mannen- en vrouwen-sarong, 
zoomede belegsels, te gebruiken. 

Vóór de komst der Europeanen had bereids het Mohamedanisme op deze eilanden 
wortel gevat De pogingen der Bewindhebberen van de O.-I Compagnie, om de ver- 
breiding van den islaam te keer te gaan, hebben weinig resultaten opgeleverd; 
daarentegen werden op de Keei-eilanden door de Grorongsche geestelijken vele prose- 
lieten gemaakt, die thans ook weten te zeggen, dat de verbreiding van het islamisme 
door de Nederlandsoh-Indische regeering wenschelijk wordt geacht. De leer van den 
islaam wordt op deze eilanden behoorlijk nageleefd en de verorderingen omtrent het 
vasten en andere godsdienstige voorschriften stipt opgevolgd. Er zijn er ook zelfs, 
die de leer van Sidi Muhhamad bin ali as Sanusi voorstaan. Het grootste gedeelte 
der mannen en vrouwen kan den Qoraan lezen, mengadji Qoraan tiga puluh 
djus. Dit neemt echter niet weg dat in tijden van nood en angst heimeBjk aan 
de geesten der vaderen geofiferd wordt Deze offers bestaan slechts uit sirih-pinang, 
die men op het graf nederlegt, zeggende, bijvoorbeeld wanneer men eene zeereis wil 
ondernemen: «baba numu moguan ain bua, uhu uwsd au nai usobalo mingat au 



DK SERANGIAO- EN OOBONO-ABCHIPSZ.. 163 

gahiin u mosingat bolu, u hasmana bait au, beirurat tangin gahiin natnrau bolu 
uroa sasasasaa bolu,» d. w. z. Vader, hier hebt gij uw aandeel aan 8irih-pinang,ik 
deel u mede dat ik zal gaan varen, verzorg mij, laat mjjj niet ziek worden, wanneer 
ik goederen koop help mij, laat den goeden wind en stroom mij volgen opdat ik 
geene moeilijkheden ondervinde. De meer geloovige mohamedaan laat voor een gelijk 
doel de imam bij zich komen, doet hem onder het plengen van wierook en sirih- 
pinang het gebed opzeggen, batja doa, en onthaalt hem op een groeten houten schotel 
met uitgezochte spijzen. Als overblijfselen uit den heidenschen voortijd kunnen tevens 
worden vermeld het offeren aan de aarde bij tuinbouw, het aanroepen van de visch 
en tripang bij het plaatsen der matu of verbodsteekenen, het oSeren aan de nitu 
op de watuaman vóór den oorlog, het geloof slaan aan het geschreeuw der vogels 
als gezanten der nitu, de eerbied voor groote boomen, steenen en grotten als ver- 
bl^fylaatsen zoowel der goede als der kwade geesten. De op deze eilanden aanwezige gees- 
hjken, als imam, modin, chatib en kasisi, hebben zeer veel invloed en maken tal van 
proselieten , waaronder ook Chineezen. Zij voorzien zich in hun onderhoud door het drijven 
van handel en zijn meestal welgesteld. De betrekking van chatib en kasisi kan 
door een ieder bekleed worden. Alleen worden hiervan uitgesloten de slaven of af- 
stammelingen daarvan. Op elk eiland vindt men een of meer ubur aramat of heilige 
graven, zijnde die van invloedrijke geestelijken. 

De zielen, die ook als schaduw, aun, van den mensch worden beschreven, heeten na 
het afeterven nitu, welke alweder in nitu wouwou of de pasgestorvenen en de nitu 
mabnal, de geesten der vroeger gestorvenen, de voorvaderen, verdeeld worden. De 
nitu der eerste categorie vertoonen zich in den vorm van witten mist, die van de 
m den krijg gevallenen met glinsterende oogen, terwijl de overige als schaduw van 
gewone menschen verschijnen. De zielen blijven na de begrafenis om het graf dwalen, 
vertoeven tijdelijk in groote boomen, bij voorkeur in den Reus altimeraloo Rib., en begeven 
zich na een onnoemelijk aantal jaren naar de ahairat, omdat zij de achterblijvenden 
beschermen en waarschuwen moeten. Eiken Donderdag-avond komen de nitu-wouwou 
in het huis der bloedverwanten een bezoek afleggen, alswanneer een maaltgd 
wordt aangericht en het gebed moet worden voorgelezen, batja doa. De nitu vertoeft 
in het huis van zonsondergang tot aan het derde hanengekraaL Worden er geene 
spijzen toebereid, dan verlaat zij vertoornd het huis, neemt een weinig aarde van onder 
het huis, beruikt deze en vervloekt den eigenaar, waardoor deze voor immer ongelukkig 
wordt, zoo hij zijn huis niet verplaatst 

Om aangaande de toekomst eenige zekerheid te verkregen, pleegt men te tooveren, lalan. 
De meest gewone wijzen z^'n de volgende : De lalan datola niu of het doorklieven der kalapa. 
Men neemt tot dat einde eene rijpe kalapanoot , bestrijkt de drie oogen met een sirih- 



164 DS SSRAKOLAO- SN OOBONG-AfiCHIPEL. 

blad en zegt, bij ziekte bijv.: cbarakaat Allaha taala wa nabi Mnhhamad, ana iree 
ui pinait gahinii niu urat uwanan iiaiitabu,garatüiiratabalitnantabii,>d.L De zegen 
yan Grod den Almachtige en van den profeet Muhhamad rost er op ; de ziekte van het 
kind zal beter worden wanneer de draad in de kalapa rechts is, is deze aan de linker- 
zijde zichtbaar, dan is zulks een slecht teeken. Daarna wordt de kalapa in tweeën 
gekloofd en de draad nagegaan. — De lalan datoti hasinan is eene bezwering door middel 
van djagong-korrels. Men neemt veertig stuks daarvan in de hand en zegt zcbarakaat 
Allahu taala wa nabi Muhhamad utoti hasinan iree wawa nrein mosan haat gahün 
tege mosan toluraa nabagi mosan rotigaratailoo,>d. L De zegen van den Almachtigen 
God en van den profeet Mohamed rust er op; deze djagong zal ik werpen, tel ik vier 
dan is het goed, tel ik drie dan is het tusschen beide in, tel ik twee dan is het slecht 
Daarop werpt men een gedeelte der korrels weg en maakt hoopen van vier korrels ; 
blijven er drie of twee korrels over, dan is het omen ongunstig. — Wanneer men uit 
den Qoraan iets voorspellen wil, neemt de imam dezen in zijn hand en zegt: 
«barakaat Allahu taala wa nabi Muhhamad, uwaas hatam wawa tola alev ana ni 
pinait gahün, tola ta ni pinait gahün garata,, tola ba ni pinait garata,» d. i de 
zegen van den Almachtigen Grod en van den profeet Mohamed rust er op; ik sla 
(den Qoraan) op, is er beneden een atif dan wordt het kind gezond, is er een ta 
dan is dit half goed half slecht, is er een ba dan is dit slecht Men doet vervolgens 
de Qoraan open ; begint het woord op den ondersten regel aan de rechter bladzijde met 
een aüf, dan is dit een goed voorteeken; begmt het met een ba, dan is dit sledit 
Het maken van strepen op een kalapablad is ook eene wijze van bezwering, Man 
dasarut ere eer mohuti genaamd. Men neemt tot dat emde een kalapablad ter lengte 
van 0.5 meter, legt dit op de üppen en zegt, «barakaat Allahu taala wa nabi 
Muhhamad nai ana ni pinait garata u, uwei lalan ere eera, usarut waa mosan Adam 
gahim, usarut waa mosan Hawa ni pinait gahün garata, usarut waa mosan Iblis 
garata,» d. L De zegen van den Almachtigen God en van den profeet Mohamed 
rust er op; het kind is zeer ziek, ik bezweer of toover derhalve met het kalapablad; 
komt onder de streep de naam Adam dan is dit goed, de naam Hawa dan is dit 
tusschen beide in, de naam Iblis dan is dit slecht Vervolgens trekt men eenige 
strepen achter elkander op deze wijze: X I I I I I I I I X öJm^ïï^* ^^*^r®®^» 
herhalende, Adam, Hawa, Iblis. Valt op de eerste en laatste streep het woord Adam, 
dan is het een goed teeken. Hawa of Iblis hebben eene slechte beteekenis. Ook laten 
zich vele oude vrouwen door het slaan op de tiva paralyseeren. Zij vervallen in eenen 
cataleptischen of hypnotischen toestand, voorafgegaan door trepidatie, en voorspellen 
alsdan de toekomst De vogels kunnen door hun geschreeuw ook de toekomst voor- 
spellen. Wanneer de vogel alua of manualua bij de negari schreeuwt, dan zal er 
eene vrouw, die in overspel of op eene andere wgze bevrucht is geworden, eenkmd 
ter wereld brengen. Schreeuwt de vogel manua eel birbiru als hg een djagongveld voorbq- 



DB SERANeLAO- SN QOBONG-ABOHIPBL. 165 

vliegt, dan zal de oogst mislakken. Schreeuwt de vogel manna Insi overdag in 
de negari, dan zal er storm komen. 

De nacbtmerrie is het werk van snwagis, die op deze wijze gedurende den slaap 
trachten door den mond in het inwendige van den mensch te' komen, ten einde de 
intestina te verteren' of wel de aun te vangen. De nitu wouwou beletten dit 
evenwel en doen den slapende wakker worden. Droomen ontstaan door invloeden 
van nitu om de achtergeblevene bloedverwanten op bedekte wijze te beschermen en 
te waarschuwen. Droomt men dat een der afgestorvenen eten vraagt, dan moet men 
op den eerstvolgenden Vrijdag een grooten maaltijd aanrichten, — dat men een 
saguboom omhakt, dan zal iemand uit de negari sterven, — dat men mager is, 
dan zal men ziek worden, — dat een Nederlandsch schip ten anker komt, dan zal 
eene ziekte in de negari komen, — dat iemand dood en begraven is, dan zal hij 
lang leven, — dat iemand een brief ontvangt, dan zal hij ziek worden en sterven , — 
dat iemand naast zijne vrouw at, dan heeft deze overspel gepleegd, — dat door 
de negari-^nooten steenen bijeengebracht worden, dan zal er oorlog ontstaan, — 
dat iemand met eene vrouw overspel pleegt, dan zal hij veel geluk in den handel 
hebben, — dat men met eene jonge maagd vleeschelijke gemeenschap uitoefent, dan 
zal men in zijne ondernemingen verlies lijden, — dat men naast een Arabier zit, 
dan zal men verstandig worden, — dat men een put graaft, dan zal een derhuis- 
genooten sterven, — dat de volle maan in het huis schijnt, dan zal men veel 
geluk krggen, — dat een bord in het huis breekt, dan zal een der huisgenooten 
ziek worden en sterven, — dat men een tand verliest, dan zal een der bloedver- 
wanten sterven, — dat eene slang zich om den voet kronkelt, dan zal men groote 
onaangenaamheden en twist krijgen, — dat men het haar kamt, dan zal men ziek 
worden, — dat men een groot gebouw in de negari opricht, dan zal een der hoof- 
den sterven, — dat men een huis met atap dekt, dan zal men veel voordeel en 
geluk erlangen. Door de droomen gewaarschuwd, kan men door tooverij zich voor 
een en ander in acht nemen. 

Om regen te verdrijven, bura uran, neemt men een zwaard van gabagaba of sagu- 
bladsteel vervaardigd, peda alabaa, en bestrijkt dat aan den scherpen kant met ugara, 
de ^ngestampte wortelen der Kaempferia galanga. Met dit zwaard bedreigt men de 

donkere wolken, zeggende: jL J 43^)^) So^) w yt Ji fi^^J^ e/*^' ^ r^ 

ój>^ )^ ld .iÜ J. jJ J X d. w. z. In den naam van den lankmoedigen en barm- 

hartigen God, zegt: Grod is een eenig Grod, de eeuwige God; Hij baarde niet en 
werd niet gebaard en er is niemand aan Hem gelijk — en blaast vervolgens in dezelfde 



166 DB SERANGLAO- EN OOBONO-ABCHIPEL. 

richting. Adimat of yoorbehoedmiddelen zijn figuren of Qoraanspreuken op papier 
geteekend of geschreven en bewierookt, en in een za^'e met gemberwortel, haar 
van gesnelde koppen en stukken menschenbeenderen vastgenaaid. Eroiselings over 
de borst gebonden, verlamt deze adimat de kracht der wapenen; op den bnik ge- 
legd, is ze een middel om ziekten te voorkomen, en op het hoofd bewaard, verdrijft 
ze de booze geesten. Het is uit dien hoofde ook verboden, holi-holi, iemands 
hoofddeksel af te rakken. Om mannen en vrouwen erotomanisch te maken, bezigt 
men op de Seranglao- en Grorong-eilanden geene uitwendige middelen, maar slechts 
bezweringen. Wil een man of vrouw den uitverkorene smoorlijk verliefd maken, dan 
gaat hij of zij naakt in het water zitten met opgeheven handen en zegt:cBismillah 
arrahhmani rahhimi tjahaja humbang mantara lihat aku, bulang pumama lihat aku , 
matahari lihat aku, barkat la illaha illa allah barakaat Muhhamad rasuluUah, sianu 
toun au wulan nawotu, toun au wulan nanrian, toun au wituin, toun aumeolaraa, 
toun au nabi Muhhamad rasulullah,» d. i. In den naam van den barmhartigen, 
ontfermenden God, schijnsel van de vuurvlieg mantara zie op mij, volle maan 
zie op mij, zon zie op mij, de zegen van er is geen GK)d dan Gh)d, de zegen van 
Muhhamad Gods afgezant, N. N. zie op mij die als de maan schgnt, zie op mg de 
volle maan, zie op mij de ster, zie op mij de zon, zie op mij den profeet Muhhamad, 
den afgezant Gods. Vervolgens blaast hg of zij over de beide handen en maakt het 
hoofd drie malen nat met water. Een gelijk formulier prevelt men ook in de 
nabijheid van den uitverkorene en blaast op geheimzinnige wijze in diens richting, 
zonder dat iemand dit bemerkt 

Om eigendonmien tegen vernieling of diefstal te beveiligen , is men gewoon sasi of 
ngaam, verbodsteekenen, van op eigenaardige wijs bewerkte kalapa- en andere bladeren 
te plaatsen. Heeft iemand het voornemen sasi op zijn kalapa-, pinang- en sagutuin 
te leggen, dan geeft hij daarvan kennis aan het betrokken hoofd, met verzoek om 
het werk te regelen. Tot dat einde worden de negarigenooten voor het besturend 
hoofd verzameld om daarvan kennisgeving te verkrijgen. Als de teekens onder 
het lossen van eenige geweerschoten buiten het verboden terrein goed zichtbaar 
zijn geplaatst, dahaa riri ngaam, worden eenige personen aangewezen om 
toe te zien, dat het verbod niet worde overtreden. Ingaande op den bepaalden dag, 
is het zelfs den eigenaar verboden iets uit zijne plantage te halen, afgevallen 
vruchten niet uitgezonderd. Bij overtreding betaalt men eene boete ,. sala of dawei 
teun, van een koperen lilah, vier stuks madapoUam, een geweer of een gong. Bij 
niet-voldoening der boete wordt men met twaalf rotanslagen gestraft of wordt men 
genoodzaakt twee kamboti, manden, met faecale stofifen of wel excrementen gevuld, 
door de negari rond te dragen, daleba tai, waarbij een ieder het recht verkrijgt 
den persoon op allerlei wijzen met woorden te beschimpen. Vrouwen en kinderen 



DE 8KRAN0LA0- EN GOBONG-ABCHIPEL. 167 

worden evenzeer op deze w^ze gestraft De opheffing der sasi geschiedt eveneens 
met eene zekere plechtigheid. De eigenaar heeft alsdan zijne vroegere rechten terug- 
gekregen om de vrachten te oogsten, na van eiken kalapaboom ééne vracht en v&n 
andere vrachtboomen twintig kalapavrachten ineens aan het betrokken hoofd, die een 
Uein gedeelte daarvan aan de toezicht gevoerd hebbende lieden ter hand stelt, 
te hebben afgestaan. Om de opbrengst van tripang en agar-agar te vermeerderen, 
wordt de ngaam nsd moti, zee-sasi, aangewend. Rondom de tripang- en agar-agar- 
banken worden kalapatakken geplaatst en bij bekkenslag dit den volke bekend ge- 
maakt De boete big overtreding bedraagt drie koperen lilahs. Wil iemand, ook van 
eene andere negari, eenigen tijd daarna het terrein in pacht nemen, dan wordt hem 
dit toegestaan en betaalt hij voor elke prauwelading ruwe ongedroogde tripang 
of agar-agar een koperen lilah van vijftig kUo zwaarte. 

De matu of matakau is eveneens een middel om eigendommen te beschermen. Het 
verschil daarvan met de sasi bestaat hierin, dat er geene boete of gewone straf 
bij overtreding volgt, maar dat al degenen die op deze verordeningen inbreuk 
maken, langs bovennatunrlijken weg, gewoonlijk door ziekten, bezocht worden. De 
matu bestaat ook uit teekenen of figuren , die men gewoonlijk Vrijdags in den na- 
middag aan de vruchtboomen vasthecht Op de Seranglao- en Gorong-eilanden 
bezigt men acht soorten van matu, als: 1*" de matu ara maat of de visch matu, 
waartoe het beeld van een visch van gabagaba vervaardigd en, met sirihsap en 
kalk beschilderd, tegen den boom gelegd of gebonden wordt De matulegger zegt, 
terwijl hig het voorwerp vastbindt: «tata ara maat au bei tamata nahaaleus niu bei 
si dalua, datamain,» d. i. Grootvader ara maat (naam van den visch), laat den per- 
soon die kalapa steelt ziek worden, braken, afgaan. Heeft de overtreder buikpijn 
gekregen, dan kan hij bij niemand anders dan bij den matulegger genezing vinden. Deze 
bespuwt daartoe des lijders buik met sirihsap en blaast hem in het oor, zeggende: 
ctat» ^u^ ^^ AU ^^ ^u lau watu rubu leen, saga leen,» d. i. Grootvader ara 
maat, keer naar de zee terug; gij hebt daar ruimte van plaats, grootekoraalsteenen 
waartusschen gij u bewegen kunt 2*" De matu kebi of de tripang matu. Men maakt 
een tripang-beeld van gabagaba en legt dit onder den bedoelden boom, zeggende: 
ctata ebi au tamata nahaaleus bei si dalua bei datamain,» d. i. Grootvader ebi of 
tripang, laat den persoon die steelt braken, laat hem afgaan. 9* De matu boon, een 
op eene zonderlinge wijze besneden gabagaba, die, onder den boom gelegd, den dief 
zwelling van het lichaam veroorzaakt. 4"* De matu baun of doodkisten matu. Een in 
den vorm van de in vóór-islamitischen tijd gebruikte doodkisten besneden stuk gaba- 
gaba wordt onder den boom gelegd; de dief wordt na het eten der ontvreemde 
vruchten kortademig en lijdt aan verstopping en benauwdheid gelijk iemand die in zulk 
eene kist wordt opgesloten. 5"* De matu manutolun of ei matu. Een betooverd ei 



168 DB SERAN6LA0- lEN QOBONG-ABCHIPEL. 

wordt onder den boom gelegd; degene die de vrachten steelt, diens beenderen znl- 
len bros worden en gemakkelijk breken. 6*" De matn suat of saga mata. Een stak in 
water geweekte saga wordt onder den boom gelegd; degene die van dezen boom 
steelt, diens buik zal opzwellen als de natte sago. T* De mata wasor totora of de 
pijlmata. Een pijl van gabagaba wordt tegen den boom gebonden; degene die van 
de vracht gebraik maakt zal aan arina paralenta lijden. En &* de mata matoo alat 
of de olatblad mata. Eenige alatbladeren worden onder den boom gelegd om den dief 
hoofdpijn en daizeligheid te bezorgen. — Het plaatsen der mata geschiedt onder aan- 
roeping van het betooverde voorwerp, dat men nederlegt of vastbindt en aanmerkt 
als bezield en met bovennataarlijke krachten begaafd. 

Het is pamali, daholi of holi-holi om kalapadoppen te verbranden wanneer men abi, 
Dioscorea volgaris , of bira, Alocasia macrorhiza , geplant heeft ; om van de overgeblevene , 
voor de baba of vischfaik gebezigde bamba eene pijp te maken en het vaur daar- 
mede aan te blazen; om het toaw, waaraan men visch geregen heeft, stak te snijden; 
om bij verdeeling van visch ait een baba ontevreden te zijn; om de in de baba 
gevangen visch in eene mand te werpen; om visschen die door de taa, wortels 
en zaden van Barringtonia spedosa bedwelmd zijn, in eene versterkte negari 
te brengen; om eene vroaw te benaderen die de menses heeft; om vóór het ten 
strijde trekken de genitaliën niet te reinigen, wanneer men met eene vroaw vleesche- 
lijke gemeenschap heeft uitgeoefend; om kalapa-olie of saga des avonds na zons- 
ondergang te verkoopen; om na zonsondei^ang schulden te betalen; om geleende 
voorwerpen ter viering van een feest bij de betrekkmg van een nieuw huis vóór den 
derden dag terug te bezorgen; om eenig werk te verrichten wanneer een doode in 
de negari nog onbegraven is ; om slapende lieden met schrik wakker te maken ; om 
iemands hoofdbedekking af te nemen; voor de gehuwde vrouw, wier man ten handel 
is uitgevaren, om in de negari te twisten of een lijk te zien; voor vrouwen die de 
menses hebben, om op een omgekapten saguboom te staan , te zitten of er overheen 
te stappen, en door een beplant veld te loopen; voor jongens die pas besneden zijn, 
om de gurita. Octopus rugosus, te zien. 

Op de Seranglao- en Gtorong-eilanden vervaardigt men suiker van rietsap, daraan 
nasu. Het riet wordt in stukken van 0.1 meter lengte gesneden en ter verkrijging van 
het vocht, tou iraa, onder een werktuig, tastasan, van ijzerhout, het eene stuk naast het 
andere gelegd, uitgeperst Het verkregene vocht wordtalsdan,meteen weinig sap van 
de warubladeren, Hibiscus elatus, vermengd, in ijzeren pannen gekookt De kleur is 
donkerbruin. Zout, sira of sirara, wordt in onvoldoende hoeveelheid door uitdamping 
van zeewater op Grorong bereid. Vele mannen houden zich onledig met den aanmaak 
van prauwen, aang, als de aangteen, vlerkprauwen van negen meter lengte en 



DB BWLÈNQLkO- BN OOBONQ-ABCHIPEL. 169 

anderhalyen meter breedte. De overige prauwen, met name aang belang, aangalulis, 
aang padnwakan en andere, worden ?an de lieden van Eeei gekocht of ingeruild. 
Smeden, amasan mnmnmu, en timmerlieden, toaan ai, vindt men schier in elke 
negarL De beste smeden zijn te Eailakat, timmerlieden te Eiliobas woonachtig. 
Goud- en zilversmeden zijn gewoonlijk vreemdelingen, die tydelijk op deze eilanden 
komen. Op Seranglao worden potten en pannen door Butoneezen vervaardigd. Van 
de door de vrouwen geweefde uti-uti sarongs bestaan er elf soorten, als ure kait 
ter waarde van f30, ure nina f20, ure kamasan en kamasan lela ma^junu f9, 
ure kamasan hala f8, ure potawai f 7, ure kamasan bolin f6, ure bitnar en suta 
keving f 5, ure suta kilibia en suta f4. Voorts vervaardigen de vrouwen gabagaba- 
doozen met gekleurde palmbladeren belegd en doom genaamd. Er komen gewoonlijk 
vier soorten daarvan voor, als de doom susung met zeven kleinere er in, de doom 
edat met figuren en schelpen versierd, de doom kerikaat zonder figuren met rotan 
bewerkt en de doom kiris of de gewone eenvoudige soort Voor het kleuren van 
garen en palmbladeren gebruikt men de nila, Indigofera tinctoria, die in het wild 
groeit, zoomede de unin, Gurcuma longa, en de bingkuru, Morinda citrifolia. Voor 
het overige bestaan de werkzaamheden uit — voor de mannen, urana ni urat: het 
ontgiimen en bewerken der velden, dahaga rai nuu nuut; het aankappen van hout, 
dalait bala ai; het bereiden van kalk, datunu ahu; het visschen op de rifTen, dabai 
ian la moti; het maken van vischkorven, dawei wuwu; het breien van netten , dawei 
huat; het maken van steenen, serohs dawei lutur ian la moti; het plukken van 
kalapa, dasaa niu; van pinang, bua; het kloppen van sagu, dadamu eel; het bou- 
wen van huizen, dawei usali; het ten handel varen, dasobal badagam, enz. — voor 
de vrouwen, wawina ni urat: het verven van garen, datoma awas; het weven, dadadi 
ure; het vervaardigen van doozen, dawei doom; het visschen op de riffen, dabai 
ian lamoti; het onkruid uitroeien, dawowit egin nai uum; het koken van spijzen, 
daraan hangaa; het koken van olie, daraan gul; het raspen en kneden van kalapa, 
datara tura dahora niu; het halen van water, dateu waar; het vervaardigen van 
damarstobjes, dawei damar; het naaien van Ueederen, darait; het vlechten van 
matten, dawei iar, enz. Het visschen geschiedt ook met lijnen, lawar, toteene lengte 
van tweehonderd meters met de arara, een lang koord van ongeveer twaalfhonderd 
meters, van de slingerplant kobesaut of bulai vervaardigd, en door bedwelming der 
visschen. 

De handel wordt door Bugis, Mangkasaren, Chineezen en Arabieren gedreven, ter- 
wijl lieden van Seranglao en Gtorong met hunne vaartuigen jaarlijks de eilanden 
Bali, Buton, Sula, Silajar, Walan elak of Groot-Bandang, Ambon, Serang, Tanem- 
bar, Aaru, Papua en andere bezoeken. De invoer bestaat uit garens, rijst, aarde- 
weA, lijnwaden, wierook, ijzer- en koperwerken, sagu, kalapa-olie, opium, slaven en 



170 DB SEBANGIAO- ES QOBONG-ABOHIFEU 

andere artikelen, ter waarde van ongeveer f 289,400 's jaars. Onder de uitvoer-artikelen 
rangschikt men saga, houtwerken, bouwmaterialen, tripang in negen soorten — als 
ebi yarai van f50 het pikol, ebi duduran van f40, ebi metan van f30, ebisisiar, 
masin, utuk, duduran metan en sarasa van f25 en ebi basa van f20 het pikol — 
agar-agar of salsala, keran of schildpadhoom en andere artikelen,jaarlijkseene waarde 
vertegenwoordigende, van f177,040. Door de vreemde handelaren wordt op onbe- 
perkte wijze aan de inheemsche bevolking crediet verleend. Is de schuldenaar echter 
niet in staat zijn schuld, daluluar, die ook door leening van geld bij sterfgevallen, 
huwelijk, huisbouw als anderszins ontstaat, aan te zuiveren, dan wordt hij by het 
betrokken hoofd aangeklaagd, die zijne eigendonmien verkoopt of, zoo noodig, hem 
als pandeling ter aanzuivering der schuld bij maandelijksche betalingen aan den 
schuldeischer of dengene, die borg wU zijn, overlevert Behalve de overal gebruikel^ke 
pikol en katigewicht, door den datjin bepaald, bezigt men op deze eilanden de boo, 
een bambumaat van ongeveer twee kati zwaarte, om rijst, katjang, djagong en 
dergelijke te meten. Als lengtemaat bezigt men den vadem,reha; den halven vadem , 
wakasisi; den kwart vadem, asata, en de span, haga. Bij het bepalen der waarde van 
een gong of koperen bekken neemt men een touw en laat een flinken slag op de 
gong geven; tegelijkertijd meet men het touw tot het geluid ophoudt; naar die 
maat stelt men de waarde der gong vast Bij telling, doos, bezigt men de vingers, 
ima rangrang, djagongkorrels , hasinan usar of kleine steenen, watu mahu mahun. 
Velen echter rekenen uit het hoofd , henga-hengan lemoos. Ter bepaling van 
afstanden zegt men een- of tweemalen den tijd om pinang te kauwen, helingahu 
haatjaa. 

Vóór het ontginnen, dawei uum, van gronden voor den landbouw, verzoekt men 
den geestelijke, die daarmede belast is, de surat kotika te raadplegen. Daarna zoekt 
men, gewoonlijk bij het doorkomen der nieuwe maan, in Juli of Augustus, een terrein 
op, dat ter beplanting geschikt is. Dit gevonden hebbende, zuivert men een plekje 
van ongeveer zeven meters in het vierkant, legt daarop eenig tabak en sirih-pinang 
en zegt: «sjalam alaikom nabi Loqman nol hhakim, nitu siraa, uhu uwai umu nai 
uwei baal ira, uhu utau uhudi uwira etura wirara, nai ningat gahün peda bolu 
naau bolu soru naau bolu,» d. w. z. Weest gegroet, profeet Loqman de wijze, gij 
geesten der afgestorvenen; ik deel u mede dat ik dit terrein gezuiverd heb van on- 
kruid, ik wil planten pisang, ubi, kaladi en bira, neem mij in bescherming, dat 
ik door den parang, door de bijl niet gewond worde. Drie dagen daarna wordt door 
de elkander wederkeerig helpende dahiwait, negarigenooten , over de gansche uitge- 
strektheid het korte gewas weggeruimd en de kleinere boomen omgehakt, terwijl de 
planter hen op spijs en drank onthaalt Na de ubi, uituku, waarvan er zes soorten 
zijn, in den grond gezet te hebben, legt men naast den eersten den besten groeten 



DE SEELANGLAO- KN QOBONO-ABOHIPEL. 171 

boom, die omgekapt moet worden, den boom die als het verblqf der booze geesten 
moet worden aangemerkt, zeven vingergrepen gekookte rijst, hasa mntu; zeven 
stukjes gedroogde visch, iaan tebi; zeven stuks pisang, hndi tebi; zeven stuks sirih , 
maruar; zeven stuks pinang, bua tebi; zeven grepen kalk, ahur imit; zeven stuks 
sigaretten, roo gamuraa; een stuk droge sagu, suat, en eene levende Mp^ manuu 
liuliu, zeggende: «nabi Loqman nol hhakim, nitu siraa, numu maguan hasa, iaan, 
hudi, ain nabua, roo, suat, manuu,» d. w. z. Profeet Loqman de wijze, gij geesten 
der afgestorvenen, ziet hier uw aandeel, rgst, visch, pisang, sirih-pinang, sigaretten, 
sagu en kip, onder het graven van een kuil onder den boom, waarin het ofifer gelegd 
en met aarde bedekt wordt Den volgenden dag worden door de gezamenlijke negari- 
genooten de groote boomen omgehakt, waarna men het terrein, om niet door de 
geesten gedeerd te worden, verlaat Vijf weken daarna worden de droge takken en 
stammen in brand gestoken en maakt men een begin met het planten van vasinaan of 
hasinan djagong, drie soorten, touu suikerriet, zeven soorten, kakiuru of mama sirih, 
drie soorten, voorts niu of niur kalapa, negen soorten, hudi pisang, acht soor- 
ten, tabau tabak, awas kapas, bua pinang en utan moeskruiden. Vervolgens 
maakt men eene omheining om de wilde zwijnen buiten te houden en richt 
een hutje op, alwaar de eigenaar met zijne vrouw en kinderen tijdelijk zijn 
verblijf houdt 

Heeft een jonkman op de gebruikelijke wijze zijn aanzoek, dau wawina, gedaan, 
en hebben de ouders tegen het huwelijk, dahasaa, geene bedenkingen, dan moet hij 
eene sarong, een gouden of zilveren armband, ook wel een ring aan de ouders zijner 
aanstaande zenden, als teeken van verloving, dahawini Daarna kan hig de jonkvrouw 
dagelijks bezoeken en mag hij in de woning zijner aanstaande schoonouders spijs en drank 
nuttigen, in welk geval de jonkvrouw hem bedienen moet Ook mag hij in deze 
woning den nacht doorbrengen en desverkiezende met zijne aanstaande vrouw het 
bed deelen, iets wat in den regel geschiedt om elkander te leeren kennen. Een vreem- 
deling echter is dit laatste zonder aanzuivering van den bruidschat verboden. 
De jonkman die als verloofde in huis woont, is als zoodanig verplicht een gedeelte 
zijner verdiensten aan de jonkvrouw af te staan en hare ouders te helpen. Eveneens 
behoort hij aan de jonkvrouw geschenken, bestaande uitsarongs, gouden, zilveren of 
koperen sieraden te geven. Vóór de sluiting van het huwelijk, dahasaa, komen de 
bloedverwanten van de jonkvrouw in het huis harer ouders ten maaltijd bijeen, om 
over de mawina walira of bruidschat te spreken en dezen vast te stellen. Als hij bepaald 
is, wordt daarvan aan de familieleden van den jonkman kennis gegeven, waarna 
de dag van bijeenkomst der familie of van het huwelijk wordt bepaald. Het bedrag 
der wawina walira varieert tusschen een en drie thail goud, terwijl aan de overige 
familieleden ter verdeeUng de adata maguan wordt gegeven, bestaande in geweren. 



172 DE SBRAN0LA(>- mf eOBOKG-ABCHIPEL. 

Ulahs, gongs, borden en schotels, lijnwaden, patola's en dergelijke. Op den bepaalden 
dag Ueeden de jongelieden zich in prachtgewaad, b^ de meer gegoeden als, Yoor 
den jonkman: in bontar sutraa, zgden talband; ladan laen metan, zWart lakensch 
badju of ladan laen onina, geel lakensch badju; ladan mahati, lang wit ba^ju; 
ada mahati of metan, witte of zwarte broek; saba tangan mahati, wit linnen zak- 
doek; tangatangan maas, goaden ringen; — voor de jonkvronw in ladan malai Igiit, 
Maleische badja van chits; ambang satraa, zyden gordel; halalan satraa, zijden 
sarong; ala en tangatangan maas, goaden armband en ring; saai maas of eran, 
goaden of schildpadden kam; rewa salaa, zilveren haarpen; haoli maas, gouden oor- 
hangers en meer andere sieraden. Onder het knallen van geweerschoten wordt de jonkman 
door de bloedverwanten naar het hais zijner aanstaande geleid. De jonkvronw Tertoont 
zich niet, maar blijft in het vertrek, dat voor de gelegenheid versierd is. Nadat de 
jonknian op een voor hem bestemde mat heeft plaats genomen, omringd door al zyn 
bloedverwanten, treedt de geestelijke voor om het huwelijk op de mohamedaansche 
wigze te sluiten of het bepaalde hoofdstuk uit den Qoraan te lezen, balga niqah, 
waarna hij binnen het vertrek bij zijne vrouw geleid wordt om naast haar plaats 
te nemen, beiden zonder een 'woord tegen elkander te spreken. De geestelijke of 
imam ontdekt alsdan wierook en doet het gebruikelijk gebed, balga doa, waarna 
alle aanwezigen ten maaltijd uitgenoodigd worden. De jonkman treedt weder buiten, 
om in gemeenschap met de wederzijdsche bloedverwanten te spijzigen. Aan den jonk- 
man geeft de imam een schriftelijk bewijs van zijn huwelijk, waarop deze het vertrek 
binnengaat Yóór de cohabitatie bestrijkt de man de pudenda der vrouw met eene 
zalf, bestaande uit opium, muskus etc. Gedurende de menses, bij zwangerschap en 
lactatie is het ongeoorloofd den coïtus uit te oefenen. De feestgenooten vermaken 
zich vervolgens met zang en met het bespelen der rabana of het slaan op de trom. 
Tegen den morgen begeven zij zich huiswaarts. Oedurende de drie eerste dagen 
na het huwelijk mogen geen der beide gehuwden zich buitenshuis begeven. 
Den vierden dag des morgens wordt de jonkman door de bloedverwanten 
zijner vrouw naar de woning zyner ouders gebracht om verslag te geven omtrent 
den maagdelijken staat zijner vrouw. Is dit gunstig, dan worden de geleiders onthaald 
op sirih-pinang en sagero. Tegen den avond begeeft zich de jonge man weder naar 
zijne vrouw, alwaar hij zoolang kan blijven als hem goeddunkt. In vroegeren tijd 
mochten de adellijken niet met de minderen huwen; thans hangt het huwelijk af 
van de te geven wawina walira. De man mag meer dan ééne vrouw huwen. Het 
houden van bijzitten is verboden of behoort niet tot den goeden toon. Als h^* geene 
vergunning van zijne ouders krijgt, mag dejonkman de jonge dochter schaken, dawuat 
wawina of dahalal tuwawina, en in eene andere woning, niet in die zijner ouders 
brengen. Blijven de ouders weigeren, dan ontstaan er niet zelden, ten gevolge daar- 
van, twisten die met moord en doodslag eindigen. De meeste ouders stemmen 



Dl SKRAKGLAO- KN GOBONQ-ABCHIPKL. 173 

echter in zulk geval gewoonl^k toe en alsdan moet de jonkman onmiddellijk de 
wawina walira betalen. Als dit geschiedt is, mag de jonkvroaw hij hem blijyen, zelfs 
zonder de formaliteiten voor den imam. Ean de jonkman de mawina walira niet in 
eens betalen, dan volgen de kinderen de familie der moeder. Zijn er eenige 
kinderen vóór de aanznivering geboren, dan volgen deze later den vader evenmin. 
Heeft een ander den bruidschat betaald, dan heeft deze het recht de kinderen tot 
zich te nemen, om voor hem diensten te verrichten, totdat het bedrag geheel is 
aangezuiverd. 

Echtscheiding, dahitoti, kan plaats hebben op verzoek zoowel van den beleedigden 
man als van de vrouw, indien een hunner de ouders van den andere heeft be- 
leedigd, indien de man de vrouw niet behoorlijk verzorgt, buiten hare toestemming 
eene tweede of derde vrouw huwt, haar mishandelt of indien zijn gedrag voor de 
vrouw onuitstaanbaar is geworden; ten andere doordien de vrouw hare plichten niet 
vervult, gedurende de cohabitatie passief blijft, of de voorkeur aan een ander man 
geeft, of wel overspel heeft gepleegd. De beslissing in zake echtscheiding wordt 
aan de hoofden en geestelijken overgelaten, die na onderzoek deze aangelegenheid 
afdoen. Wordt de scheiding toegestaan, dan geven de hoofden den bewusten scheidsbrief 
of thalaq af en verdeelen de eigendonunen der partijen. AUe bezittingen, tgdens 
het huwelijk verkregen, worden in drie deelen verdeeld, waarvan de man twee derde 
en de vrouw een derde gedeelte ontvangt Woningen en landerijen, vóór het huwelijk 
aan den man of aan de vrouw toebehoorende, blijven zij behouden. Eischt de vrouw 
eene echtscheiding, om welke reden ook, dan is zij verplicht de wawma walira of 
bruidschat m zijn geheel terug te betalen. De verwekte kinderen worden tevens ver- 
deeld. Zijn de wederzijdsche grieven van weinig beteekenis, dan wordt de scheiding 
niet toegestaan. Na de scheiding mag de vrouw eerst na de eda, d. i. na den 
honderd-vijf-en-dertigsten dag huwen, den tijd waarin zij nog door den man behoort 
onderhouden te worden. In vóór-mohamedaanschen tijd had de man het recht zijne 
vrouw te dooden, als hij haar op ontrouw in woorden of daden betrapte. Na de invoering 
van den islaam is hierin verandering gekomen. 

De man zoowel als de vrouw is verplicht om vóór de uitoefening van den coïtus, 

noiit, het bekende f^i^Ji ^j'^^J^ ^^ /^ bij zichzelven te prevelen. Bespeurt eene 

vrouw dat zij zwanger is, tian, tiana, dan moet zij een stuk gember, laü, bij den 
geestelijke doen brengen, om door hem gewijd te worden. Hij doet zulks door drie 
malen er op te blazen en de honderd-en-twaalfde sura van den Qoraan uit te spreken. 
De gember bewaart de vrouw voortdurend bij zich, om booze invloeden te keer te 
gaan; ook kauwt z^ kleine stulges daarvan, om deze om zich henen te spuwen. 



174 J)K SERANGLAO- EN GOEONQ-AKCHIPEL. 

Andere vrouwen koopen van den geestelijke een Uein stok papier met een spreuk 
er op, dat, in een stuk wit lijnwaad gewikkeld, om haar middel wordt gedragenen 
waarmede zij overal veilig mag gaan. De zwangere vrouwen moeten tevens veel 
baden, geen stekelige visschen, noch eenige ubisoorten, weinig Spaansche peper en 
zout, geen kalapa, kanari of twee ineen gegroeide pisangs nuttigen. Zg mag geen 
lijk zien of des nachts uitgaan, niet op haar rug liggen, niet uit een wan of zeef 
eten, niet voor de deur zitten, geen hout Uooven, geen dier dooden, geen misvormde 
bespotten of zich driftig maken. Dit alles is daholi of verboden, opdat zij gezonde 
en welgemaakte kinderen krijge. Als zij belust is, of de pica dalangu heeft, mag 
zij alles eten wat niet verboden is; voorts moet zij veel in hare woning heen en 
weder loopen. Bij moeilijken partus, wanneer het kneden van den buik door een der 
vrouwen niet dadelijk helpt, neemt de man een koperen schotel, een donderbus, 
Ulah of eenig ander voorwerp van waarde, draait dit eenige malen boven het hoofd 
der vrouw en brengt het vervolgens bij een zijner bekenden of in de mescyid, bij 
wijze van in-bewaring-geving of pand, met de gelofte, dat wanneer de verlossing 
goed afloopt, hij zijne negarigenooten op spijs en drank zal onthalen, opdat zij hem 
by voorbaat in hunne gebeden zullen gedenken. Bij het nederleggen van het voor- 
werp prevelt hig: cAllahu taala, bei nugu aana gehinii u ngosu bibisalahi,»d.w.z. 
Almachtige God, laat mijn kind voorspoedig ter wereld komen, dan zal ik een geit 
als oflFer geven om dit (het nedergelegde voorwerp) in te lossen. 

Wanneer de partus, dahimait, voor de eerste maal zal plaats hebben, moet de 
vrouw zich dagelijks door eene deskundige vrouw laten masseeren, dahadu itodi, 
tot aan den dag der bevalling. Deze geschiedt in hurkende of zittende houding op twee 
kussens, terwijl eene oude vrouw de zwangere van achteren vasthoudt en een tweede 
zich vóór haar plaatst om het geboren kind in ontvangst te nemen. Bij het door- 
komen der barensweeën drukt de vóór haar zittende vrouw met hare voeten tegen 
de beide zijden der partes genitales om de verlossing te bevorderen en maken de 
drie vrouwen te zamen hetzelfde kreunend geluid. Gedurende den partus mag nie- 
mand het huis binnentreden of het vertrek ingaan. Het ter wereld gebrachte kind 
wordt op den vloer nedergelegd en de navelstreng, guti husalo, door de helpende 
yrouw met een stuk jonge gabagaba of saguribschors , saara genaamd, afgesneden. 
Gelijktijdig met het kind wordt de placenta, nilidel, met lauw water gewasschen. 
Daarna worden eenige kihderen der negarigenooten bijeengeroepen en op eene oude 
kalapanoot met droge sagu onthaald, welke handeling tarlotu heet Na den maal- 
tijd haalt de vader een weinig aarde uit of onder de mesdjid van de plaats, waar 
de chotbat gewoonlijk wordt verricht. De helpende vrouw doet dit in een aarden • 
pot te zamen met de placenta, legt er de ledige doppen der kalapa boven op, wier 
inhoud de kinderen genuttigd hebben, en laat den pot ter z^de van de kookplaats 



DB SERANGLAO- KN GOBONO-ABCHIPSL. 175 

tot na veertig dagen staan, waarop hij ergens wordt bewaard. Het eerstgeboren 
kind wordt in de eerste drie dagen door eene andere vrouw gezoogd. Op de navel- 
wond worden geene medicijnen gelegd. Is de overgeblevene streng, husal tewioro, 
eenige dagen daarna afgevallen, dan wordt deze, in wit lijnwaad gewikkeld, als een armband 
door het jonggeboren kind gedragen, doch gedurende het baden afgenomen, opdat het kind 
niet huilerig worde. Na de bevalling gaat de vrouw met hare pudenda veertig dagen ach- 
tereen tegen het vuur liggen om de genitaliën te versterken en metrorrhagie te voor- 
komen. De partus heeft gemakkelijk en spoedig plaats. Om prolapsus uteri te voor- 
komen, wordt terstond na den partus door massage de uterus, zoo het heet, op hare 
plaats gezet Vervolgens komen de vrouwelijke bloedverwanten en vriendinnen haar 
vragen: himait au gahin loo, d. i. is de bevaUing goed afgeloopen? Zij 
brengen geene geschenken mede. Het kind moet eiken dag baden en door de helpende 
vrouw, die tot dat einde haar hand op het vuur warmt, gekneed worden, om het 
behoorlijk te doen groeien. De methode van frictie of massage wordt hier tot dat 
doel door deskundigen toegepast Andere lieden brengen het kind na den veertigsten 
dag eiken Vrijdag bij den geestelijke, die, onder het uitspreken van de negende sura 
van den Qoraan, v. 129 en 130, op het kind blaast, om het krachtig en welgevormd 
te maken. Na den veertigsten dag krijgt het kind van den vader, onder het spreken van de 
woorden : au nugu ana, het is mijn kind , een naam als bewijs van erkenning. Hij plant 
tevens een niura kalapa-, duranaa durian-, bua pinang- of bai saguboom, om zijne 
erkenning openüjk te doen blijken. Na den veertigsten dag mag de vrouw, die on- 
rein geacht wordt, zich niet baden. Gedurende dien tijd is het haar daholi, verboden, 
uit het huis te gaan, met uitzondering van het bezoeken van het strand tot het 
doen der behoeften, waarbij zij echter een gevulden sirihkoker en een mes bij zich 
moet hebben, om de goede geesten tevreden te stellen en de booze bevreesd te maken. 
Veertig dagen na de bevaUing moet de jonge moeder dagelijks een aftreksel der 
bladeren van de gogita ruoor en de aidanvanar, twee geneeskrachtige planten , drin- 
ken , om het zog te vermeerderen en sterk te worden. De lochiae duurt slechts enkele 
dagen. Gedurende di^ tijd mag zij tevens niets anders nuttigen dan droge sagu 
en visch met gekookt water. Vóór den veertigsten dag mag het kind niet buiten 
's huis worden gebracht of op de aarde treden, daboro enaraa, om openlijk te doen 
zien dat er een persoon meer in de negari is gekomen of dat de stamgenooten met 
een zijn vermeerderd. Vóórdat het kind buiten wordt gebracht, haalt de vader een 
weinig aarde uit of onder de mesdjid en doet dit op een koperen schotel , welken hij 
aan de verzamelde hoofden, oudsten en geestelijken, onder het branden van wierook, 
dataun amaniana, voorzet, tegelijk met een gevulden pinangkoker. De eerste der hoofden 
neemt alsdan een weinig aarde en bestrijkt daarmede het voorhoofd en de voetzolen 

van het kind onder het zeggen van (^/^ u/*^' ^^ 1*"^ eene handeling welke door 



176 DE 8ERANGLA0- EN GOBOKO-ABGHIPEL. 

de overigen op gelijke wgze wordt verriclit en waanroor zij een gift, bestaande nit 
vijftien tot dertig centen, ontvangen. Daarna wordt gegeten en gedronken. De be- 
strijking van voorhoofd en voetzolen kan ook in de mes^jid geschieden, in welk 
geval de geestelijken aldaar op spijs en drank behooren onthaald te worden. Het 
daboro enaraa is nog een der overblij&elen uit den prae-islamitischen tijd, dat, eenigs- 
zins gewijzigd, nog wordt nageleefd. Na den veertigsten dag kr^gt het kind fijn- 
gekauwde pisang en op den zeventigsten dag sagupap ten sp^ze. Ean het behoorlijk 
zitten, dan mag het alles nuttigen. Eomt het kind met een helm, lawat, ter wereld, 
dan wordt deze zorgvuldig op de hoogte van het voorhoofd opengemaakt en ver- 
volgens gedroogd, om als voorbehoedmiddel in den kryg te worden aangewend. 
Tweelingen, ana deudeu, zijn zeldzaam en ontstaan, wanneer de zwangere vrouw op 
haar rug met wijd geopende beenen ligt Dit is echter eene bedekte spreekwijze, doelende 
op de uitoefening van den coïtus na de conceptie, waarvan, naar de volksmeening, eene 
tweede bevruchting het gevolg moet zijn. Misvormde kinderen worden zelden gezien. 
De bewoners van Seranglao en Gorong, die veel kinderen verlangen, geven aan de 
tjendana-kleurigen, de voorkeur. Albinos staan in zeker aanzien, doordien de moe- 
der tegen den morgenstond door de wituin taliaar, de morgenster,, is bezwangerd 
geworden. Abortiva, door oude vrouwen toegediend, worden zelden aangewend. Als zij geen 
kinderen krggen, oflferen de vrouwen, met belofte om de geestelijken en overige 
negarigenooten te onthalen, sirih-pinang op de heilig verklaarde graven, uburaramat, 
of vegen deze graven schoon. Ook leeren de geestelijken tegen betaling zoowel aan 
den man als aan de vrouw bepaalde gebeden voor het doel, en laten de onvruchtbare 
mannen en vrouwen baden op eene eigenaardige wgs of veranderen den naam der 
laatsten. Brengt de onvruchtbare vrouw door deze bemiddeling een kind ter wereld, 
d£m moet aan den geestelijke een koperen Ulah of donderbus worden ten geschenke 
gegeven. Wanneer een kind den eersten tand verliest, behoort het dezen boven op 
het dak te werpen, zeggende: «aruha, u ngisi onguraa nai au, au ngisi ongnraa 
nai uu,> d. i. muis, ik geef u mijn tand, geef mij den uwe in ruil. De kinderen 
worden aangeraden zulks te doen om fraaie tanden te krijgen. 

Het afsnijden van het hoofdhaar, dahuti wuaa, is een voorschrift dat door een 
ieder vóór zijn afsterven moet worden nageleefd, hetzij als kind, hetzij op rijperen 
leeftijd. Daartoe vergaderen de hoofden, oudsten en aanzienlijken, geestelqken 
en andere negarigenooten in de woning van den betrokken persoon. De geestelijke, 
die de plechtigheid leidt, ontsteekt op een koperen bekken eenig wierook, waarnaast 
een gevulde sirih-koker gelegd wordt om tot offer te dienen, en leest het voor het 
doel gewoonlijk gebruikelijk gebed, batja doa,voor. De hoofden, oudsten, geestelgken, 
zoomede de verzamelde mannen, snijden alsdan een weinig van het hoofdhaar van 
den persoon af en nemen daarna deel aan den toebereiden maaltyd. De vader of 



DE SERANGLAO- EN GORÖNG-AECHIPEL. 177 

een andere bloedverwant van den betrokken persoon reikt hun daarop een gift van 
tien tot vijftien centen, waarna zij huiswaarts keeren. Oedurende den maaltijd mag 
niet op de rabana of tiwal, trom, geslagen worden. Het doorsteken der oorlellen, 
alléén bij meisjes, datuia telingara, geschiedt na het prevelen van een gebed in 
de Arabische taal, batja doa, door een der vrouwen,meteenegewonenaald. De wond 
wordt met fijngekauwde kruiden door haar tevens bespuwd en geneest gewoonlijk 
binnen zes dagen. In elke oorlel wordt slechts één gat gemaakt Eveneens wor- 
den de tanden der jongelieden zonder eenige plechtigheid geslepen. Het vijlen , dasa ngisi 
ora, van die der jongens geschiedt door mannen, die der meisjes door vrouwen welke 
daarin bedreven zijn. Vóór de handeling worden de tanden met zout ingewreven, 
naar men zegt om deze zacht te maken, vervolgens, na een gebed over eene 
hoeveelheid sirih uitgesproken te hebben, batja doa, met een steen, de watu 
wasasa ngisi, tot aan het tandvleesch gelijk gevijld, waarna het kind de g€fwijde 
sirihvruchten moet kauwen. Aan den tandenvijler of vijlster geeft men een zilveren 
ring tot aandenken. De neus, isomuraa, der pasgeboren kinderen wordt door de 
helpende vrouw gekneed en gedurende veertig dagen omhoog getrokken. De besnij- 
denis, dahisali, heeft plaats bij jongens op hun zevende, de clitoridectomie bij meisjes 
van hun zevende tot hun tiende jaar. Vóór dien tijd mogen zij geene vleeschelijke 
gemeenschap uitoefenen. Hebben zij dit evenwel toch gedaan, dan zijn de ouders 
voor het verzuim in de ahairat of toekomende wereld verantwoordelijk. Voor de 
jongens is een der geestelijken, voor de meisjes diens vrouw met deze bewerking 
belast Het gebeurt intusschen niet zelden, dat de kinderen aan de gevolgen der 
besnijdenis, door verbloeding, succombeeren ; doch dan komen zij, naar de volks- 
meening, ongehinderd in den zevenden hemel van Muhhamad en worden deswege 
als gelukkigen of bevoorrechten geprezen. Op den voor de besnijdenis vastgestelden 
dag worden bij tusschenpoozen geweerschoten gelost, onder de woning de tiwal, 
trom, en de daldala, gong, geslagen en komen de bloedverwanten, hoofden, geeste- 
lijken en vrienden bijeen, allen geschenken in geweren, lijnwaden en geld, 
zoomede in gekookte en ongekookte spijzen medebrengende, om de plechtigheid, 
die met maaltijden, zang, nagan- en menarispel, dasula, gevierd wordt, bij te wonen. 
In het middenvertrek ontsteekt de geestelijke op een koperen bekken eenig wierook 
en plaatst daarnaast eene gevulde sirihdoos, waarna hij een gebed in de Arabische 
taal uitspreekt Als dit verricht is, verdeelt de feestgever eenig geld onder de ver- 
zamelde menigte, waarop men zich ten maaltijd begeeft. Vervolgens beginnen de 
feestvierenden onder het huis te zmgen en te menariën , terwijl anderen boven in het 
huis den ganschen nacht zich met bëdzikir onledig houden. Den volgenden dag 
worden de omwandingen van het huis met wit lijnwaad behangen en maakt men eene 
afschutting van wit katoen gereed, waarbmnen de plechtigheid moet plaats vinden. In 
deze afgeschutte ruimte wordt op den vloer een stuk wit lijnwaad uitgespreid , waarop 

12 



178 DE SERANQLAO- EN GORONG- ARCHIPEL. 

men een pisangstam, hudi watano, nederlegt De te besnijden jongen gaat naakt, 
met de beenen van elkander, op den pisangstam zitten. Een helper trekt het praepu- 
tium, iti liitoo, vooruit en knijpt dit met twee stukken bambu, atonaa, vast. De 

geestelijke bidt alsdan driemalen achtereen iX*^* Ü juu. jT ^^\c^ S4js^ Jb J^ ^) 

d. w. z. O God, zegen Muhhamad en de familie van onzen Heer Muhhamad , en onder 

het uitspreken van f^J^ d*^jr ^ i****^ snijdt hij met een klein mes, turiisali, 

het uiteinde van het praeputium, dat buiten de bambu ligt, ineens af. Dit gedaan hebbende, 
spuwt hij er op onder het prevelen van gelukwenschen. De jongen moet gedurende 
de bewerking het hoofd omhoog houden en voor afleiding water uit den tuit van een 
koperen ketel drinken. Na afloop wordt de patiënt door den geestelijke gebaad met 

water waarover hij driemalen heeft uitgesproken de gewone spreuk fAsü\ ii) jSlaLs) 

a\j Jy:»^ f^) ^> yt mU\i jjf)iJ) d. w. z. Ik bid God om vergeving, den 

Alwetende en Almachtige. Er is geen God dan Allah. Hij is de levende, de onver- 
anderlijke. Ik neem mijn toevlucht tot God. De penis wordt alsdan in lauw zee- 
water in een bambukoker gelegd; de wond geneest gewoonlijk bmnen tien dagen. 
Het afgesneden uiteinde van het praeputium wordt in een levenden jongen pisangstam 
gestoken, opdat de penis krachtig zich moge ontwikkelen en vele dienaren Gods 
verwekken. Het witte lijnwaad, waarop de jongen gezeten heeft, is het aandeel 
van den geestelijke; de helpers krijgen ieder vijftig cents tot een gulden. De besng- 
denis der meisjes heeft met dezelfde plechtigheid plaats, doch wordt m een a%e- 
zonderd vertrek bewerkstelligd. Bij de besnijdenis wordt het uiteinde vandehaitubu, 
clitoris, door de vrouw van den geestelijke eveneens met de turi isali afgesneden. 
Het meisje wordt vervolgens gebaad in het door den geestelijke op de wijze als 
voren gewijde water en moet zich, ofschoon eiken dag badende, tien dagen lang rustig 
houden. Voor deze bewerking ontvangt de vrouw van den geestelijke vijftig centen 
tot een gulden; de helpsters tien centen elk. Na deze plechtigheden zijn de ouders 
verplicht de kinderen den Qoraan te leeren lezen, davibur of mengadji. Bij het door- 
komen der catameniën, wulan nai of heel, wordt niets verricht. Alleen is het hoU- 
holi, verboden, dat eene vrouw gedurende dit tijdperk een veld of tuin bezoekt, 
garen verft, of tegenwoordig is bij het visschen met bori of tua. Het is haar tevens 
verboden spijzen voor de mannen te bereiden. Dusdanige vrouwen worden door de 
mannen gemeden. 

De ziekten, pinait of masingat, hebben volgens de volksbegrippen haren oorsprong 
in invloeden van booze geesten, nita, ook wel bij vergissing nitu genoemd, van 
booze menschen, suws^, en in vergiftiging, rantjung of doti, door booze lieden. 



DE SKRANGLAO- EN GORONG-ARCHIPEL. 179 

Ziekten worden ook bij meer rechtzinnige Mohamedanen beschouwd als een straf van 
AUah. Om eene ziekte te genezen, moet men eerst de oorzaak daarvan kennen, eene 
kennis welke men door middel van bezwering, lalan, gewoonlijk de Mandatolaniu, 
het in tweeën klieven van de kalapa en de lalan datoli hasina of vasina, het wer- 
pen van een even of oneven getal met djagongkorrels , verkrijgt. De ziekte door de nita 
veroorzaakt, is eene ongesteldheid tijdens het verblijf in bosschen, onder grooteboo- 
men, of bij bronnen ontstaan, doordien de aun van de nita in het lichaam is gevaren. 
Men geneest deze met fijngekauwde gember en sirih-pinang, waarmede men den 
patiënt bespuwt, om den booze te beleedigen en te verdrijven. Deze geesten kunnen, 
volgens het volksgeloof, den eigenaardigen geur der gember niet uitstaan. De suwagi 
maakt de menschen ziek, door zijn aun of schaduw in het lichaam te doen verblij- 
ven, hetgeen met de vertering der intestina gepaard gaat. Vóór de toediening der 
geneesmiddelen moet men door bezwering trachten te weten te komen, welke suwagi 
den persoon bezeten heeft, vervolgens een oude mat of een gedeelte van zijn kleed 
met een stuk karbouwenhuid verbranden en den zieke daarmede berooken. De aun 
der suwagi verlaat alsdan het lichaam, omdat de lucht van gebrande karbouwen- 
huiden hem hinderlijk is. Daarna dient men den zieke toe een decoct van jonge 
Artocarpus incisa-bladeren, met de bladeren van eene soort Piperaceae vermengd. Ver- 
giftiging door booze lieden bestaat in het toedienen van gedroogde en daarna fijnge- 
stampte lever der mangarat-slang, met kalk vermengd, bij de sirih-pinang, ten ge- 
volge waarvan men een kwaden hoest krijgt en langzaam wegkwijnt; voorts in het 
toedienen van geheime middelen, waardoor de tanden afvallen, en roode loop of 
bloedbraking veroorzaakt worden. Tooverij geschiedt door het verbranden der aarde, waarop 
de bedoelde persoon zijn voetstap heeft achtergelaten, met damar vermengd, onder het pre- 
velen van : «ahi nahaiera namatutu naaregus ,» d. i. Vuur, verbrand zijne beenen totdat die 
geheel verteerd zijn, waardoor de persoon ongeneeslijke zweren krijgt, en het plaatsen 
van een matawuliblad, waarop eene vervloeking in het Arabisch geschreven is, onder 
een lijk, met verzoek aan den doode de ziel van den persoon te halen. Eene lang- 
zame uitputting en eindelijk de dood volgen er op. Tegen vergiftiging gebruikt men 
de gul tawar rantjung of gewijde olie, die het vergif neutraliseert. Deze olie ver- 
vaardigt men van jonge roode kalapa, die des morgens door de zon beschenen en 
des Vrijdags door een jongen, welke nog geen geslachtelijke gemeenschap heeft gehad, 
geplukt wordt Vervolgens moet de olie door eene maagd, die vooraf gebaad en rein 
is, worden toebereid, terwijl de geestelijke er eenige toepasselijke spreuken over uit- 
spreekt Deze olie, die in- en uitwendig gebruikt wordt, vindt men in elk huis. Wan- 
neer door bezwering gebleken is dat de ziekte eene strafoefening van Allah is, dan 
huurt men twintig k dertig vrome mannen tegen twintig centen of meer om een 
dag te vasten en Allah om vergeving en genezing te bidden. De geestelijke bidt tevens , 
batja doa, vóór een gevulden sirihkoker en doet eene gelofte namens den zieke , om bij 



180 DK seraxglao- en gorong-archipei^ 

herstel een of twee geiten te offeren. Bij offers heeft in mohamedaansche landen de 
geit de plaats van het varken bij de heidenen ingenomen. Na deze handeling worden 
de medicamenten aan den zieke toegediend. Pokken, masingat bataat, en andere 
epidemieën worden tevens als straf van Allah vanwege de boosheid der menschen 
aangemerkt, of liever, Allah stelt de booze land- en zeegeesten in de gelegenheid 
kwaad en onheil te stichten. Tegen de tamain rara, rooden loop, gebruikt men een 
aftreksel van jonge nipa-, Nipa fruticans, bladeren. Y66t den pluk begraaft men een 
zilveren ring onder den stam van den boom, zeggende : «sjalamalaikumnabiLoqman 
nol hhakim, utaru tanga-tangan nira nai uwaa numu mohon,»d.w.z. Weesgegroet, 
profeet Loqman de wijze ; ik leg hier den ring en neem uw geneesmiddel. Na den pluk 
wordt de ring weder opgegraven. Tegen de itoo masingat, buikpijn , wordt gekookt 
gemberwater gebruikt. Tegen ilu masingat, hoofdpijn, bezigt men cataplasma van fijnge- 
raspte roode gember op het hoofd. Om heete koortsen, tetetas hanas masingat, te 
verdrijven, druppelt men het vocht van fijngestampte seranaa- of TJrtica ovalifolia- 
bladeren in de oogen. Tegen koude koortsen, daroa rihi masingat, drinkt men een 
aftreksel van laii-, Zingiber ofBcinale, wortel, sogi-,Eaempferiagalanga en mangalaan 
ru, bladeren van den Caryophillum aromaticus, zoomede airora, bast van den Cinna- 
monum culitlawan. Bij rheumatische aandoeningen, ehero masingat, bezigt men 
cataplasmen van de schors van ai udan met butruo-, Pterocarpussaxatilis, bladeren, 
fijngestampt en met olie vermengd, in popa,Piperaceae, bladeren gepakt, welke op de 
zieke deelen gelegd worden. Tegen spruw , masingat aman , gebruikt men het sap der 
schors van de umin, Aleurites triloba, met santaniu of kalapamelk in rauwen staat 
Kinderen gebruiken dihudi siar of het sap van den stam eenerpisangsoort, waarmede 
de mondholte voortdurend wordt bestreken. Om oogontsteking, mataa masingat, te 
genezen, druppelt men het sap van de ai gumuran-bladeren, met melk gekookt, door 
een fijnen doek gezeefd , in de oogen. Bij wonden gebruikt men cataplasmen van fijn- 
gestampte ai gumuran-bladeren met zout vermengd. Tegen Mes- of tandpijn, ngisi 
masingat, bezigt men eene mondspoeling van in zeewater gekookte makanilu-. Gitrus 
hystrix, bladeren met diranggah, den stam van den Andropogon schoenanthus. Bij 
pokziekte gebruikt men als laxatief kalapawater, Gurcuma longa-wortelen en ai 
tawuan-bladeren. De lijder moet veel baden en de pokken met kalapamelk bevochti- 
gen. De framboesia, masingat boti, vereischt eene gelijke behandeling, mits de 
wonden tot bloedens toe reingewasschen worden. De lepra, masingat subaran, waaraan 
velen lijden , ontstaat volgens het volksgeloof door overspannen arbeid en door ver- 
keerde spijzen, bijv. het te veel gebruik maken van Spaansche peper, van een soort 
visch met rooden kop en van den Octopus rugosus; ook wel door overerving. Deze 
ziekte is te genezen met de zoogenaamde monun Manuwou of geheime Manuwokosche 
kruiden, met een stuk ijzer en kwarts gekookt, terwijl men een streng dieet van 
droge sagukoeken en visch houdt. De bewuste kruiden zijn slechts bij sommige 



E^eBBSBSaSS 



XIX. 




Blz 181. 



DK SERANGLAO- EN GOROKG-ARCHIPEL. 181 

personen , die zulks geheim houden , bekend. Bij uitwendige pijnen of zwellingen pleegt 
men ook het bloed door een deskundige te doen uitzuigen. Om de zieken spoedig 
te doen genezen, worden zij menigmaal van de eene naar de andere woning over- 
gebracht, namelijk om den geest, die de ziekte veroorzaakt heeft, te misleiden. Bij 
ziekte van kinderen, als verkoudheid, siunganaa, belegt men het voorhoofd met fijn- 
geraspte Curcuma longa-wortelen. Bij koorts, watan nomahanas, baadt men het kind 
met het sap van Hibiscus elatus-bladeren. Bij constipatiên laat men het kind het sap 

van fijngeraspte Curcuma longa-wortels drinken, zeggende: ^xd-JT .ja^JT ^T>*^> 

naam van den goedertieren God. Ik geloof aan God, zijne engelen, zijne gezanten, 
zijne boeken en aan de voorbeschikking en dat het goede zoowel als het kwade van 
God komt Op deze eilanden is het ook gebruikelijk bij epidemieën de ziekte te ver- 
jagen, dabura pinait. Tot dat emde komen de hoofden en geestelijken met veertig 
oudsten in de mesdjid bijeen, ieder medebrengende eene geleding van de wulu raa, 
Bambusa longinodis, die in den vorm van een bezem in vier deelen wordt gekloofd. Na 
het avondgebed lezen zij den tahalil vijfhonderd malen achtereen. De imam ontsteekt 
den wierook en bewalmt daarmede de uiteinden der wulu raa. Vervolgens gaan zij, 
elkander vasthoudende en den tahalil hardop dreunende, eiken Maandag-, Donderdag- 
en Vrijdag-avond de negari rond, rechts en links en om de woningen met de wulu 
raa slaande. Wanneer de ziekte min of meer geweken is, maken zij een vlot van 
gabagaba aang guas pinait namoli gereed, met zeiltuig, vlaggen en twee roeren. 
Onder het uitroepen van : ^) ó^)^aW^)'i ^) s^^L) a)HXU)ï ^) ó^)jx^ ^)^ d) 

^\i\my^\ ii\jiS\ dSS ^\ ^\c ^ ^Xü) — d. w.z. God is groot, God is groot, 

ik betuig dat er geen God is dan Allah, ik betuig dat Muhhamad de gezant Gods 
is; komt tot het gebed, komt tot het heil. God is groot. God is groot, er is geen 
God dan Allah — door vier daartoe aangewezen personen, worden er op het vlot 
allerlei spijzen nedergelegd , terwijl de vrouwen al het vuil uit de negari strandwaarts 
vegen. Als dit geschied is, wasschen de hoofden en geestelijken zich in zee, waarna 
alle mannelijke negarigenooten in eene daartoe opgerichte loods ten maaltijd gaan. 
Na den maaltijd wordt het vlot door eene prauw, met twee personen bemand, naar 
zee gesleept en daar, zonder een woord te uiten, aan wmd en weer prijs gegeven. 
Epilepsie, guran nansedu of antur, ontstaat doordien een der booze zeegeesten in den 
persoon is gevaren. Om dien persoon te genezen, kamt men het haar, of drukt men 
tot bloedens toe met een cent, liefst een Chineesch muntstuk, onder de ooren, kin 
en oksels, om den booze te verdrijven. Krankzinnigen worden niet geëerd. Voorbeel- 



182 DE SERANGLAO- EN GOBONG-ARCHIPEL. 

den van lataismus worden niet zelden aangetroflFen. Onder de door de bevolking 
zeer gewilde Europeesche medicamenten kan men de snlphas Chinine en Santonine 
rangschikken. 

De lijken van kinderen konden die nog niet alleen zitten worden eenvoudig in 
wit lijnwaad gewikkeld en, nadat de imam een gebed heeft uitgesproken, in de nabij- 
heid der mesdjid in een kist, bau, welke echter niet dichtgemaakt mag worden, 
begraven. Na de begrafenis leest de geestelijke de talqin voor, waarvoor hij een 
gouden ring ten geschenke krijgt. Op het grafwordtdeubangaaofPlumieraacutifolia 
geplant. Met het begin van den volgenden dag wordt veertig dagen achtereen de jasin 
op het graf gepreveld. Op den derden, zevenden, negenden en veertigsten dag wordt in de 
woning der ouders een kleine maaltijd gegeven en bovendien de tahalil gelezen. 
Bij overlijden van volwassenen, tamata mata, worden, wanneer zij gegoed zijn, lilah- 
schoten gelost om de negarigenooten daarvan te verwittigen. Mindere lieden zenden 
slechts boodschappen aan de familieleden ter kennisgeving. Alle bloedverwanten en 
vrienden zijn verplicht het sterfhuis te bezoeken en een geschenk, gewoonlijk bestaande 
in lijnwaden, sarongs, geld, gongs en geweren al naarmate van het vermogen van 
den gever mede te brengen. Het lijk wordt onmiddellijk op de draagbaar gelegd, welke, 
met witte gordijnen behangen, in het midden der woning staat, en met lijnwaden 
bedekt. De geestelijken verzamelen zich in den eersten nacht om den tahalil en den 
Qoraan te lezen, elk tegen betaling van vijftien centen. Den volgenden dag gaande 
slaven of vrienden van den overledene in het bosch , om planken voor de bedekking 
van het lijk, zoomede de misan gereed te maken. Ook wordt de graf kuil tegelijker- 
tijd gegraven. Vervolgens wordt het lijk gereinigd, in negen meters wit lijnwaad ge- 
wikkeld en vijfmalen vastgebonden, ééns boven het hoofd en beneden de voeten, 
ééns op de hoogte van den navel en tweemalen tusschen dezen en de beide uit- 
einden van het lichaam. Daarna wordt het lijk weder op de draagbaar gelegd, ter- 
wijl op elk der hoeken een jongen in hurkende houding plaats neemt. Deze kinderen 
worden mede tot aan het graf gedragen. Acht tot zestig mannen verzamelen zich 
alsnu om gebeden te prevelen. Daarna treedt de imam voor, plaatst zich aan het 

hoofdeinde en zegt: ^ a) JUJ jd\ UUj) ^}sS] Jiji yj^Li] )jjt jLc Jlc 
d. w. z. Ik bid voor dezen doode als een plicht, die op de moslimsche gemeente 
rust, in het geloof aan God den Allerhoogste. God is groot. Degenen, die achter hem 
staan, spreken hem na. Vervolgens prevelt hij viermalen achtereen de eerste sura van 
den Qoraan en keert zich om tot de achter hem staanden, zeggende: sjalam alai- 

kum, d. LWeest gegroet Voorts zegt hij: ^^^^)jj^ ,j^) )\^ ^u ^Jic) f^) 

ui ui 

ftéé^ ^f^ Uc ï\a1) ^j l-^ 4jl»w d^'ju^^^ ^j9^y^^3 e-^UL^)^ ^jxA^JÜS fi^^ ^' 



DB SERA.NÖLA.0- EN GORONG-ARCHIPEL. 183 

^^Iftl) u-^ jdl Sa^)^ iji^r^^ ^J^ d. w. z. O God, ik bid voor dezen doode bij 
het graf. God schenke vergiflFenis aan alle mohamedaansche mannen en vrouwen en 
aan alle geloovige mannen en vrouwen. Lof zij uwen Heer, den Heer die verheven 
is boven de eigenschappen, welke men Hem geeft. Heil aan de gezanten en prijs zij 
Grod, den Heer der werelden — en zich omkeerende reikt hij aan een ieder der 
bloedverwanten, die in zijne nabijheid staan, de hand. Daarna legt men op het lijk 
gouden armbanden en platen en bedekt deze met zijden en kostbare sarongs. 
Twintig of meer personen dragen alsdan de lijkbaar grafwaarts. De imam opent den 
stoet, terwijl de menigte tot aan het graf de la illaha illa allah hardop prevelt. 
Bij het graf gekomen, wordt het lijk door den modin en twee helpers in ontvangst 
genomen en in den kuil gelegd. De kuil, met het lijk en de personen er in, wordt 
nu met een stuk wit linnen bedekt, waarop de modin het in lijnwaad gewikkeld 
hoofd van den doode ontbloot en het een weinig aarde in de neusgaten stopt. Hij 
legt vervolgens het lijk op de zijde, met het hoofd naar het noorden en de rechterhand 
onder het hoofd. Dit gedaan hebbende, roept hij : <dl))l)jd)ï J\ s^) yS\ jdlï yS) a) 

ilMUMjjS) öi)jjS) jdH^M^U^^Xftl) ^Ic^aUt^^lc^aU) d- w. z. God is 

groot. God is groot. Ik betuig dat er geen God is dan Allah, ik betuig dat Muhha- 
mad de gezant Gods is; komt tot het gebed, komt tot het heil. God is groot. God 
is groot, er is geen God dan Allah — en treedt uit den kuil. De misan wordt alsdan 
geplaatst, voor de mannen een aan het hoofd- en een aan het voeteneinde, voorde 
vrouwen slechts een aan het hoofdeinde , en de kuil met aarde gevuld. Als het graf gesloten 

is, giet de modin er eenig water over en zegt: JT ^^U^ ó>a.^i^ v^lc J^ ^) 

Saj^^ UiXxw^ d. w. z. O God, zegen Muhhamad en de familie van onzen Heer Muhha- 
mad. Daarop gaat de imam voor het graf zitten en leest de talqin voor. Een der 
bloedverwanten van den doode reikt hem na afloop de hand en geeft hem een gou- 
den armband of ring ten geschenke. Vervolgens wordt door den imam wierook ont- 
stoken en de eerste sura van den Qoraan voorgezegd, voorts de honderd-en-twaalfde 
sura, waarop de omstanders allen de honderd-veertiende sura, daarna de eerste sura 
en ten slotte de tweede sura v. 1 tot 4 en de la illaha illa allah honderd-en-een- 
maal herhalen. Vervolgens ontsteekt de imam alweder den wierook en zegt: ^j^j j^^ 

Qju^ ü) jA£^ ••••••• USiX».^ JU^ Ib^' A**é^ UiUj) Ju»^ Uaj J JU^ UJUm U 

ui u) 



184 D£ SESANOLAO- £N GOKOKG-ABCUIPEL. 

juJlftH w. jül s^^ ^aL.^) Ac ^JL. uy^-^ hetgeen ongeveer beteekent: O Grod onze 

onderhouder in navolging van den profeet, God zegene hem en schenke 

hem vrede, aan het begin en aan het einde in woorden, in dienst en goede werken. 
O God, zoolang wij gezond zijn en onzen godsdienst behouden en ons geloof en onze 

harten en ons eengodendom God schenke vergiffenis aan alle Arabieren en 

niet-Arabieren en mohamedaansche mannen en vrouwen en geloovige mannen en 
vrouwen. God zegene den beste zijner schepselen (d. i. Muhhamad). Lof zij uwen 
Heer, den Heer verheven boven de eigenschappen die men hem geeft. Heil den ge- 
zanten en prijs zij God den Heer der werelden. De omstanders bestrijken alsnu hun 
aangezicht met de handen, reiken elkander de hand en keeren huiswaarts. Den vol- 
genden dag verzamelen de geestelijken zich in het sterfhuis om een maaltijd , sëdö- 
kah genaamd, te gebruiken en uit den Qoraan voor te lezen. Op den derden, 
zevenden, negenden, veertigsten en honderdsten dag wordt hetzelfde herhaald, ter- 
wijl aan elk der aanwezigen eene gift van vijftig centen wordt uitgereikt. De imam 
ontvangt echter een gulden. Op den veertigsten dag worden meer bloedverwanten en 
vreemden uitgenoodigd en de tahalil opgezegd. Na den maaltijd ontvangen zij tevens 
eene zekere hoeveelheid droge sagukoeken, de lempeng en tutupola. In vele negariên 
worden de op het lijk gelegde goudwerken mede begraven. Op het graf plant men 
de ubangaa en de rand wordt met groote rolsteenen belegd. In den eersten tijd 
plant men ook vier staken op het graf, waaraan wit lijnwaad opgehangen wordt. Op 
het lijk der vrouwen, tijdens den partus bezweken, namata tura nitiana, wordt 
y66v de inwikkeling in wit lijnwaad een kris, irisa, tusschen de borsten neder- 
gelegd, terwijl in den buik veertig naalden, lalaana, gestoken worden. Op het graf 
worden twee doornstruiken, aidera, kruiselings geplaatst en met gomutu- of areng- 
vezelen vastgebonden, opdat de vrouw geen budi-budiana of pontianaq worde. Overi- 
gens heeft de begrafenis op de hierboven beschrevene* wijze plaats. De graven worden 
in de maand Saban gereinigd. 

Het is gebruikelijk dat v<5<5r het afsterven van den huisvader, deze zijne vrouw of 
een der zonen machtigt, hem later te vertegenwoordigen. Wanneer er geene 
zonen aanwezig zijn en de moeder reeds is gestorven, dan treedt de echt^noot 
van de oudste dochter als gemachtigde op. De onroerende goederen worden niet ver- 
deeld; slechts de roerende, wanneer zulks verlangd wordt, en wel in de verhouding 
van twee en een: de zonen krijgen twee, de ongehuwde dochters en de moeder 
-één deel van de nalatenschap, pusaa of tamata leen sidi manaa. Zonen die niet 
oppassend zijn en hun ouders veel verdriet hebben berokkend, krijgen even veel als 
de ongehuwde dochters. Gehuwde dochters hebben geen recht meer op de nalaten- 
schap, omdat zij den stam van den vader verlaten hebben; vooral wanneer de mawina 



DB SERANGLAO- EN GOBONG-ARCHIPEL. 185 

walira behoorlijk is aangezuiverd. Stiefkinderen krijgen de helft van het hiervoren 
gezegd aandeel. Stukken van groote waarde, als prauwen, goud- en zilverwerken en 
dergelijke, worden v<5<5r de verdeeling te gelde gemaakt. De verdeeling geschiedt 
door de familieleden zelf. Ontstaan er evenwel geschillen onder de erfgenamen, dan 
wordt de zaak aan de beslissing der hoofden onderworpen, die gewoonlijk de regelen 
van het mohamedaansch erfrecht in toepassing brengen, hetgeen veelal niet in den 
smaak valt der bevolking. Worden de nagelatene goederen niet verdeeld, dan heeft elk 
der kinderen een gelijk recht van bruikleen. Verlangt de weduwe een tweede huwe- 
lijk aan te gaan, dan moet de pusaa vooraf verdeeld worden. Verlangt zij echter 
binnen de eda, een tijdperk van honderd-en-veertig dagen, te huwen, dan verliest 
zij al hare rechten op de nalatenschap. Laten de overledenen geene kinderen achter, 
dan erven de naaste bloedverwanten, ouders of broeders. Ak men geene familiebetrek- 
kingen heeft, vervalt alles aan de kas der mesdjid ; doch de geestelijken zijn verplicht 
eerst de begrafeniskosten te dekken. 

Sagu suat en iaan visch zijn de hoofdbestanddeelen van het volksvoedsel op deze 
eilanden, waaraan nimmer gebrek bestaat Het vleesch b. v. van geiten, buidel- 
dieren, kippen en andere vogels, welke niet op de mohamedaansche wijze zijn geslacht 
geworden, dangosu, wordt niet genuttigd, maar als onrein aangemerkt; eveneens be- 
dorven visch en schaaldieren. De spijzen worden in aarden en ijzeren potten en pan- 
nen toebereid en op borden of in dulangs, groote houten of koperen schotels, met 
bladeren bedekt, voorgezet. Over het algemeen voedt de bevolking zich driemalen 
des daags. Behalve de sagu wordt nog als spijze gebezigd de etu, Colocasia antiquo- 
rum, bira, Alocasia macrorhiza, uwi,Dioscorea-soorten,banggala,Manihotutilissima, 
gekookt en gepoft, voorts djagong en rijst, gekookt en gebraden, met allerlei moes- 
kruiden, waaronder in groote hoeveelheid de karakara, Lablab vulgaris, en andere 
katjang-, Phaseolus, soorten inet zeegras, eu, en mos, lumut Rauwe visch, kohu, 
wordt veel gebruikt Tal van krabben, araa, en schelpdieren, halangguru, strekt der 
bevolking tevens tot voeding. Als narcotica bezigt men de sirih marua, pinang bua, 
met ahur kalk, gaamer gamber en tabau tabak gekauwd. Tabak wordt ook gerookt, 
bus tabau, en tot dat einde in jonge gamu, iir, niurofnipa,kikirenkalapabladeren 
opgerold. Als surrogaat van sirih-pinang nuttigt men den bast van jonge kalapa- 
vruchten met den wortel van den baanarboom. Het verbruik van opium en sterke 
dranken neemt op deze eilanden jaarlijks toe. 

De feesten gaan gewoonlijk met zang nagan en manara, dans, bij gelegenheid 
van besnijdenis, huwelijk en tegen het einde der vasten, taseeloo, gepaard. Bij over- 
winning in den krijg wordt de nagan aan of het oorlogslied aangeheven. In de prauwen 
zingt men de nagan sinobal en nagan waan of wosawosa. Bij den dans, manara. 



186 DE SKBANGLAO- EN GORONG-ARCHIPEL. 

bezigt men de nagan tiwal esi, of tromgezang. De muzieMnstrumenten zijn de ara- 
bana, platte trommen van linggua-hout met een geitevel overtrokken; de tiwal, 
gewone trommen; de daldala, groote koperen bekkens; de gonggai, kleine koperen 
bekkens ; haguhagus , eene flnit van bambu ; zoomede de gomal , eene soort mondharp. 
De inheemsche bevolking, die veel van zingen houdt, maakt veel werk daarvan en 
hoort gaarne Europeesche liederen. Bij langdurige feesten is men ook gewoon elkander 
raadselen, ai waiwai, ter oplossing te geven, bijv. «Wawina roti damia usali saa, 
roti diain ata usali, diain roti ranrani, isaa nama ta nai diaini isaa nam tei — nilo- 
min: langari saa, baun roti, baun saa garata, baun saa naru tei,» d. w. z. Twee 
vrouwen wonen in een huis; twee vertrekken zijn er in dat huis, de vertrekken 
grenzen aan elkander, (een der vrouwen) sterft in het eene vertrek, de andere merkt 
zulks niet op — uitlegging: een kanarivrucht met twee vakken; wanneer de noot 
in het eene vak bedorven is, kan de andere goed zijn. Het dobbelen, dalenga 
moon, met speelkaarten, damsteenen of het werpen met geld , door de vreemdelingen 
hier ingevoerd, is bij feesten of andere bijeenkomsten zeer in zwang. Het hanen- 
kloppen geschiedt alleen onder de Bugis en Mangkasaren. De kinderen, welke zeer levendig 
zijn, hebben verscheidene spelen, als met pijl en boog, wusur mahun, schieten; het 
vechten of schermen met houten, aira, en met gabagaba, alabar, zwaarden, om zich 
in vlugheid te oefenen; het spelen met kleine prauwen, dalenga dawei aang nasobal ; 
het touwtje-trekken, dalenga desa taliraa; het roeien met prauwen tegen elkander, 
aanga mahun ; het bouwen van kleine huizen , het springen in het water en het zwemmen , 
het werpen met bitau woijo- of Calophyllum inophyllum-zaden; het stukslaan van 
kalapanoten, dahitutu niuraa; het elkander werpen met gloeienden kalapabast, en 
andere. Aan het springen, trekken en zwenunen nemen de meisjes tot hun tiende 
jaar deel. 

De Seranglao- en Gorong-eilanden rusten naar het volksgeloof op een uitgestrekte 
zandbank, waaronder de zee en verder beneden een monsterachtig dier, volgens den 
eene een draak, volgens den andere een schildpad, zijn verblijf houdt. Bij aard- en 
zeebevingen, isur, die menigmaal plaats hebben, beweegt zich het dier, daar het jeu- 
king gevoelt. Boven de zee rust het uitspansel, langit, waar de oorsprong is van 
wind, riu, donder, dudung, en bliksem, tiniti. De zon, olaofolaar, is de echtgenoot 
der maan, wulan, die vroeger één was met de aarde, baal, om welke reden thans 
nog op de maan nunuboomen, Ficus altimeraloo Rxb., en menschen voorkomen. De 
meeste sterrenbeelden hebben namen, bv. het zevengestemte wituin buuhuung, en 
andere. De morgenster heet wituin taliaar, de avondster wituin olasmuu. Vallende 
sterren, ulubau, brengen stilte mede. De regenboog, nohunohu, is een teeken van 
ongeluk of ziekte die in aantocht is. De zoneclips, olaar namadein, voorspelt 
een wereldongeluk. De bloedverwanten moeten derhalve bijeenkomen en zeggen: 



DB SERANGLAO- EN GORONG-ARCHIPEL. 187 

<)JW)43d)X jil jdH d. w. z. God is groot, God is groot, ik betuig dat er geen God is 
dan Allah, ik betuig dat Muhhamad de gezant Gods is; komt tot het gebed, komt 
tot het heil God is groot, God is groot, er is geen God dan Allah — en dit zonder 
op te houden herhalen, zoolang de verduistering duurt. Bij maaneclips, wulannama- 
dein, wordt door de vrouwen en kinderen op trommen geslagen en gezongen. «Wu- 
lane, wulane, numutata namata bo mauniuli» — d. i. o maan, o maan, onze groot- 
vader, verdwijn niet, keer spoedig terug, — terwijl de mannen, even als bij eene 
zonsverduistering, in de mesdjid de aUahu akbar enz. uitroepen. Wanneer de duisternis 
haar hoogste punt bereikt heeft, plukken de mataena of huismoeders sommige genees- 
krachtige kruiden, om daarvan een aftreksel te maken en aan hunne huisgenooten 
na den afloop toe te dienen. De wind- of waterhoozen, dormidan, worden door booze 
zeegeesten te voorschijn geroepen, om de menschen te benadeelen. Nadert men een 
dezer, dan moet men penem denudatum manibus tenere en er naar wijzen, opdat 
de geest beschaamd aftrekke. Het jaar wordt in twee deelen verdeeld : de moson 
timolis, den oost-, en de moson warat, den west-moeson. Gedurende den eerste valt meer 
regen. De windstreken zijn timolis oost, warat west, madamar noord, en tarangan 
zuid. Den dag verdeelt men in saletan morgen, olantotu middag, en rani dodan 
avond. Vuur verkrijgt men door wrijving van twee stukken droge bambu, wulu 
deero, of door een stuk kwarts, watu ahi, met barua, tondel, tegen eene droge 
bambugeleding te slaan. 



VIJFDE HOOFDSTUK. 



DE WATÜBELA-EILAM)EN. 



Ligging. Aantal. Formatie. Borgen. Ririeren. yoe4)aden. MoerasBon. Ankerplaatsen. 
Klimaat. BoTolking. Aantal. Verspreiding. Taal. Traditie. Geschiedenis. Physlsche, intel- 
lectueele en moreele eigenschappen. Qrondeigendom. Standen. Bestnor. Hoofden. Afdoening 
van zaken. Straffen. Caltus. Booze geesten. Bggeloof. Droomen. Eed. NegariSn. Hoisen. 
Huisraad. Kleeding. Oorlog en yrede. Landbcaw. NQTerheid. Arbeid mannen en Troowon. 
Handel. Scheepraart Haten en gewichten. Telling. Hnwelijk. Echtscheiding. Zwanger- 
schap. Partas. Verminking van het lichaam. Ziekte. Genezing. Dood. Begrafenis. Bouw. 
Erfenis. Voeding. Narcotica. Feesten. Zang en dans. Spelen. Kosmologie. 



De Watubela-groep, bestaande uit de eilanden Igar, Watubela, Kesiuwi, Kuurkap, 
Baam en Teuur, in 1633 door de Nederlanders ontdekt en wier bewoners in 1645 
als bondgenooten werden aangemerkt, ligt tusschen 131° 40' en 132° Oosterlengte 
van Greenwich en tusschen 4° 15' en 4° 55' Zuiderbreedte. 

Deze kleine eilanden — met uitzondering van Teuur, dat van vulkanischen oor- 
sprong is — , bestaande uit oude kristallinische schiefergesteenten en zandsteen, 
met sporen van quarzit en homblende, bereiken, behalve Igar, Kuurkap en Baam, 
die van jonge koraalvorming zijn, niet meer dan vierhonderd meters. De hoogste 
toppen zijn: op Watubela de Libawatbela, Kiliwoku en Keluli; op Kesiuwi deWat- 
kaman, Kilwaka, Kilsabiba, Kildoois, Silaai, Boboor, Urbai, Kilmagau, Madar en 
Watubakar; en op Teuur de Rumalusi, welke in 1659 nog als vulkaan werkte. 
Rivieren van eenige beteekenis worden er niet aangetroflfen, uitgezonderd eenige 
beekjes op het eiland Kesiuwi, waarvan de voornaamste zijn de Kilular, Moma, 
Tameru, Bubu, Meten, Bala en Watudeku. De drie eerste liggen aan de west-, 
de vier laatste aan de oostzijde van het eiland. Watubela, Kesiuwi, Kuurkap en 
Baam zijn met zware, Teuur met lichte bosschen bedekt, terwijl op Igar, dat zeer 
laag is, de vegetatie onbeduidend kan geacht worden en slechts uit struikgewas 
bestaat, waartusschen hier en daar de Casuarina equisetifolia zich vertoont Voet- 
paden vindt men op Watubela één van Kilwaar, eene negari aan de westzijde ge- 
legen, dwars door het eiland langs de negari Tobolowoku naar Eva aan de oostkust, 
en een tweede langs de negariën Kanikan en Dedeku naar Lehemo aan de zuid- 



XX. 




5. 



T^^'I'"T 



U 



S. 




o — 



P-TT 



V 



^^C^'V^^^^r 




4. 




-o 




Blz.188. 



DE WATÜBELA-EILANDEN. 



189 



kust; op Kesiuwi van Bebar. naar Kildoois, dat in het binnenland ligt; voorts voet- 
paden langs de kust, van Sumelar langs Gagedam naar Eilitokonikan, van Amar 
naar Riba en van Eotawaru langs Arsiga en Eilmuda naar Eilbuta. De moerassen 
op Watubela en Kesiuwi, alwaar sagubosschen voorkomen, zijn onbeduidend. Anker- 
plaatsen worden er niet aangetroffen, tenzij men die van Eilitokonikan op het eiland 
Kesiuwi en van Rumalusi op het eiland Teuur als zoodanig wil aanmerken. Het 
klimaat wordt als gezond geroemd. 

Van de zes tot de Watubela-groep behoorende eilanden zijn er slechts drie be- 
woond, namelijk: 

1. Watubela, met de negariën 



Eva, in 


1882 teUende 


198 zielen 


Watmana, 


id. 


79 


» 


Lehemo , 


id. 


65 


» 


Kilwaar, 


id. 


81 


» 


Dedeku, 


id. 


47 


» 


Kanikan, 


id. 


36 


» 


en Tobolowoku, 


id. 
Te zamen 


68 


» 




574 zielen. 


2. Kesiuwi met de negariën 






Bebar, in 


1882 tellende 


53 zielen 


Kildoois, 


id. 


82 


» 


Sumelar, 


id. 


71 


» 


Gagedam, 


id. 


63 


» 


Kilitokonikan , 


id. 


171 


» 


Kelangan, 


id. 


25 


» 


Kübuta, 


id. 


64 


» 


Kilmuda, 


id. 


29 


» 


Arsiga, 


id. 


70 


» 


Kotawaru, 


id. 


27 


» 


Uta, 


id. 


66 


» 


Eiba, 


id. 


212 


» 


en Amar, 


id. 
Te zamen 


88 


» 




1021 


zielen. 


3. Teuur met de negariën 






Rumalusi, in 


1882 tellende 


98 zielen 


Rumooi, 


id. 


86 


» 


en Luturleen, 


id. 
Te zamen 


74 


» 




258 zielen. 


De geheele eilanden-groep bevat dus 1853 zielen. 







190 DB WATÜBELA-EILANDEN. 

Voorheen was Teuur dicht bevolkt, doch ten gevolge van onderlinge twisten onder 
de negari-genooten en van oorlogen met de Oost-Indische Compagnie verhuisde een 
groot deel der bevolking naar Seranglao en andere in de nabijheid daarvan gelegene 
eilanden en vermengde zich met dier bewoners. Op de eilanden Kivar en Gorogos 
treft men de sedert kort verhuisde Teuureezen nog aan. Op Watubela en Kesiuwi 
werd eenige jaren geleden de bevolking door kinderziekte, van Grorong overgebracht, 
meer dan gedecimeerd, en wijl in de Zuid-Oost Molukken de vaccine niet is inge- 
voerd, kunnen zoodanige verwoestingen zich telkens herhalen. Het eiland Kesiuwi 
wordt in drie districten verdeeld, als: Amar aan de noordzijde, met de negariën 
TJta, Amar en Eiba, welke onder den radja van Amar staan, die te EQiobas op 
het eiland Manuwoko woont; — Temeruwara aan de westzijde, met de negariën 
Bebar, Kildoois, Samelar, Gagedam, EQitokonikan en Kelangan, — en Temerutimur 
aan de oostzijde, met de negariën Kotawaru, Arsiga, Kilmuda en Kilbuta. Twee 
derde gedeelten der bevolking van Watubela zijn heidensch en één deel mohame- 
daansch, evenals in het district Temeruwara op Kesiuwi. De bewoners van de dis- 
tricten Temerutimur en Amar op Kesiuwi zijn Heidenen. Op Rumalusi, eiland Teuur, 
wordt door twee derden van de bevolking de islaam beleden. Het eiland Igar be- 
hoort aan de bevolking van Watubela, Baam aan die van het district Temeruwara, 
en Kuurkap aan die van^ het district Temerutimur. Op drie eilanden wordt eene taal 
gesproken, de snabi watubela of snabwatbela, die, met geringe afwijkingen, veel 
overeenkomst heeft met die van Gorong en waarin vele Bugisch-Maleische en Javaan- 
sche woorden voorkomen. Van eene oude taal of oud schrift wordt niets vernomen. 

De oudste bewoners van Watubela en Kesiuwi zijn volgens de traditiën deels uit 
den grond, anderdeels uit den baatkahaa-boom, Mangifera foetida, voortgesproten. 
Later kwamen vele vreemdelingen, Javanen, Balineezen, Maleiers en Grorongers, — 
de drie eersten op Watubela, uithoofde der aldaar aanwezige notemuskaatboomen, 
de laatsten op Kesiuwi, die bovendien het heidendom omhelsden — zich met de 
ingezetenen des lands vermengen. Sedert 1699 stonden de eilanden Watubela en 
Kesiuwi onder het zoogenaamd gezag van Todore; het Engelsche tusschenbestuur 
maakte daaraan echter in 1815 een einde. De eerste bewoners van Teuur waren 
van Tanembar en Groot-Timor, volgens sommigen van Maubesi afkomstig. Zij 
vestigden zich hier ten zelfden tijde, dat anderen het eiland Kuur bevolkten. Even- 
als die der overige eilanden, verzette zich de bevolking van Watubela en Teuur, 
nadat zij in 1645 bondgenoote der V. Oost-Indische Compagnie gemaakt] was, 
tegen de extirpatie van de op hunne eilanden aanwezige notemuskaatboomen. In 
1667 en 1670 geschiedde het ten slotte tegen een geschenk. Op Teuur, welk eiland 
beroemd was van wege de toenmalige notenplantages, had de extirpatie voor een 



DE WATUBELA-EILANDEN. 191 

gedeelte in 1656 en 1659 plaats, doch toen de Nederlanders deze in 1665 wilden 
voltooien, «stelde de bevolking zich daar zoo geweldig tegen, dat er verscheidene 
Europeanen door gesneuveld zijn. Anno 1670 werd zulks de novo vruchteloos onder- 
nomen, doch het jaar daaraan met zooveel force gereëntameerd, dat zij kiezen 
moest of deelen, te weten de extirpatie voor een gering geschenk gedogen, of de 
finale verwoesting van hun land, dat er in 't kort geen notenboom meer te vinden 
was.» De bevolking van Teuur nam alstoen aan, kalapa te planten, «van welkers 
olie zij gehouden was 4000 kannen conform den teneur van eene obligatoire acte 
's jaars aan de aldaar posthoudende corporaal en twee soldaten te leveren. Aan deze 
geriefelijke leverantie werd tot 1746 tamelijk voldaan, alswanneer deze volkeren zich 
in den hoogsten graad kwamen te vergrijpen aan 's Compagnie's aldaar gestrande 
chialoup de Sybilla, welker lading zij in weerwil der onzen niet alleen onder de 
vier hoofdnegariën verdeelden, maar ook de chialoup verbrandden en de bezetting 
zoowel als het chialoupsvolk persuadeerden hun levensbehoud te zoeken door de 
vlucht op een aldaar aangegierd inlandsch vaartuig, stellende zich wijders zoo rebellig 
aan tegen allen die onder 's Compagnie's vlag sorteerden, dat er niemand de 
hardiesse heeft om dat land meer aan te doen.» Tot in den aanvang onzer eeuw 
werd dat eiland derhalve niet weer door Europeanen bezocht Na de overneming der 
Molukken in 1817 bleef de communicatie met deze eilanden uiterst gebrekkig en 
werden zij zeer zelden bezocht. In 1882 kwamen Igar, Watubela,Kesiuwi,Kuurkap, 
Baam en Teuur onder het administratief toezicht van den Posthouder te Geser en 
werden genoemde eilanden tot de afdeeling Seranglao en Gorong gebracht De in- 
vloed van den bewusten ambtenaar is evenwel nog zeer gering. 

De bevolking van de Watubela-eilanden behoort tot het lichtgekleurde Indonesische 
ras, met golvend, wuka buakahalan, en sluik haar. Kroesharige, wuka lekelekal, 
individuen treft men buiten de echte Papua's niet aan. De brachycephale vorm van 
den schedel is karakteristiek overheerschend. De mannen hebben eene gemiddelde 
lengte van 1.65, de vrouwen van 1.58 meter. Zij zijn slank gebouwd en de lichaams- 
deelen goed geproportioneerd; slechts weinig gebrekkigen komen er voor. De neus 
is klein en spits, de oogappels glinsterend zwart Mond enoorenzijn welgemaakt. 
De tanden, vooral van jongelieden, zijn schitterend ivoorwit Zoowel de mannen als 
de vrouwen baden dikwijls en houden hun genitaliën rein. De menses openbaren zich 
tusschen het negende en twaalfde jaar. Gedurende dezen tijd, zooomede tijdens de 
zwangerschap en lactatie, mogen de vrouwen den coïtus niet uitoefenen. De borsten 
zijn klein en pyrivormig. Het lichaam is weinig behaard, door het stelselmatig uit- 
trekken der haren. Multorum crines pube crescentes tondentur. Jongelieden mogen 
geen haar op het aangezicht doen groeien , daar de vrouwen dit afschuwelijk viuden. 
De vrouwen dragen lang hoofdhaar, dat zij dagelijks met kalapamelk en water 



192 DE WATUBKLA-EILANDEK. 

wasschen. Men kan dagelijks, loopende, yijftig katis vervoeren, zich geruimen tijd 
van spijs en drank onthouden en slechts weinig sterken drank verdragen. Vele 
mannen hebben een vlug begrip en een goed waarnemingsvermogen. Zij zijn voor 
beschaving en geestelijke ontwikkeling vatbaar; de meesten hebben een sterk geheu- 
gen. Behalve op Teuur, waar de bevolking zeer opgeruimd is en ook veel gebruik 
maakt van de tua of palmwijn, zijn de bewoners van deze eilanden zwaarmoedig 
en vreesachtig van aard. Door de vreemdelingen, die goed ontvangen worden, worden 
zij uit dien hoofde veelal misleid. Ofschoon den jongelieden een vrij geslachtsver- 
keer is toegestaan, mits zulks in de bosschen geschiede, is de bevolking zeer ing^ 
togen. Slechts enkele meerderjarige, ongehuwde vrouwen houden eene losse, tijdelijke 
gemeenschap met mannen. Gehuwde vrouwen zijn zeer zedig en trouw, zoodat van 
adulterium slechts zelden wordt vernomen. De vrouwen hebben in de negari-aan- 
gelegenheden ook eene stem; zij eten gewoonlijk, wanneer er geene vreemdelingen 
tegenwoordig zijn, met haar man en kinderen samen. De slaven worden goed 
behandeld. De ingevoerde Papua-kinderen worden door de vrouwen als hare eigene 
kinderen verzorgd en gekoesterd. Zij zijn jegens elkander zeer behulpzaam en geven 
vaak wederkeerig kleine geschenken, als vruchten, visch en dergelijke. Het wordt 
als eene schande aangemerkt wanneer men een negari-genoot bedriegt, kedakeda, 
of oplicht. Tegenover vreemdelingen mag men een ander richtsnoer volgen. Het 
groeten met aanbieding van de rechterhand is niet gebruikelijk. Men vraagt slechts: 
«minawo,:» waar gaat gij heen? waarop als antwoord volgt: «vana kual waa,» ik 
ga derwaarts. De bevolking is zeer gevoelig voor beleediging, maar maakt deswege 
geen twist ; gewoonlijk zondert de beleedigde persoon zich af. Op Teuur is dit even- 
wel anders : de beleediger wordt aangevallen of vermoord. Men is niet gewoon te 
bedanken als men een geschenk verkrijgt; de ontvanger zegt slechts: «kamahaku 
aku kuhakan ava,» d. i. Gij schenkt mij dit; wat kan ik u daarvoor in de plaats 
geven? Treedt men een huis binnen, dan wordt er sirih-pmang uit een houten, 
dobokai, of koperen, baunlitu, koker, kalapawater of tua als bewijs van achting en 
gastvrijheid aangeboden; is het etenstijd, dan wordt men verzocht mede aan te zitten. 
Arme weduwen worden door de bloedverwanten verzorgd. De ouden van dagen be- 
handelt men met achting; zij worden met den titel van tata aangesproken. De 
gelijken in leeftijd noemen elkander lidan en niet bij den naam. Oude lieden noemen 
de jongere anak. Op vergaderingen zitten de jongeren in eerbiedige houding, dat 
wil zeggen nedergehurkt, met de beenen rechts gebogen, s6bou sugut komu, en de 
handen gevouwen onder den buik. Het is zeer onwelvoeglijk in gezelschap of in 
tegenwoordigheid van vrouwen dubbelzinnige of obscoene gezegden te uiten. Als 
scheldwoorden bezigt men intusschen in het algemeen: boontu, gg varkenskind; 
kuvunantu, gij hondekind; num ina, uwe moeder; num ina vie, uw moeders 
schaamdeel; — voor mannen: koit bo, utinam cum porco coïtum exerceat; — voor 



l4 
'li 



/ 

M/anuwoko 







'Il 



M^atnbeln 







i! i 



tM-il/vJkOttlJri 



Kt'jïiuvd 



•i^fiipR^t 



/ é^ ^3 aam 



z^.-.;^ 



/ J^ I^<iuritap 



I 1 



I 'i 



imTuMluri 




1 






DE WATÜBKLA-EILANDEN. 193 

TTOuwen: bo dokolt ka, poreus tecum coeat, enz. Schimpnamen, als: hili matewi, 
gij met uw hazelip, kue toki, gij manke, en meer andere, worden zelden gebezigd. 
Zij blijven onder blijdschap en droefenis kahn. De vrouwen kussen elkander en de 
kinderen met den neus, musi, door wrijving. Aan gele en roode kleuren geeft men 
de voorkeur. Zij hooren gaarne muziek, bijv. van den accordeon, maalpaap. Als 
reukwerk verkiest men den geur van Oleum cajeput Hun rijkdom bestaat in 
goudwerken of gouden sieraden, gongs, koperen bekkens, lantaka of koperen kanonnen 
en prauwen. Er wonen in een huis één of meer familiên bijeen, als vader jai, 
moeder nina, oom memaa, tante vovo, grootvader tata mangkana, grootmoeder tata 
hilala, kleinkind tata, achterkleinkind tatnusi, broeder en zuster kaka wuta, eerst- 
geborene anakvaibo, jongsi^eborene anakvaimuli^ zoomede schoonzonen anaketan. 
De laatsten mogen in de nabijheid der schoonouders komen, maar niet gemeenzaam 
worden. Het is in strijd met het decorum, dat eene gehuwde vrouw met een vreem- 
den man te zamen eet, baadt, slaapt of de natuurlijke behoeften doet; dit een en 
ander duidt op gemeenzaamheid. Vreemdelingen, mansia dagam, van indonesischen 
oorsprong, ook wel Chineezen, worden gaarne gezien. Zij mogen op de mohamedaan- 
sche wijze met de dochteren des lands huwen, doch onder voorwaarde dat bij over- 
lijden al hunne bezittingen aan de vrouw vervallen. Doordien deze eilanden sedert 
tal van jaren stelselmatig verwaarloosd zijn, staan de Nederlanders niet in aanzien. 
Bij aankomst nu en dan van ambtenaren, meent de bevolking dat hare aanplantingen 
zooals voorheen vernield zullen worden. De vrouwen vluchten dan naar de bos- 
schen, om niet gelijk vroeger gedwongen te worden, den wellust der blanken ta 
bevredigen. De bevolking blijft gaarne heidensch, maar zwicht menigmaal voor 
den aandrang der mohamedaansche ijveraars van Eeei, alswanneer zij den islaam 
omhelzen. 

De gronden, balaa, behoorden weleer aan de oorspronkelijke bewoners dezer eilanden. 
Na de achtereenvolgende immigratie en vestiging van vreemdelingen hebben dezen 
door huwelijk en ontginning eveneens rechten op de gronden verworven. De bosschen 
of woeste onontgonnen gronden, libaa, worden beschouwd als het eigendom van de 
negari, den stam of de gemeente. Bepaalde grenzen echter bestaan er niet. Elk 
inwoner van Kesiuwi of Watubela bijv. mag in de bosschen op deze eilanden pro- 
ducten verzamelen , jagen en visschen , een ieder op het eiland zijner inwoning. Door 
ontginning der bosschen erlangt hij op den grond, dien hij beplant heeft, rechten, 
welke nimmer verloren gaan. Het verkoopen of verhuren van gronden is niet in 
zwang. Het is zelfs niet gebruikelijk de gronden ter aanzuivering van schuld aan te 
nemen, omdat de gronden aangemerkt worden als ijai ni, of ijai nitu, d. i. het 
eigendom der afgestorvenen, die ze bewaken. Bij onbehoorlijke behandeling of wille- 
keurige beschikking er over, kan men ziek worden, kënitu of kënita dawei, de geest, 

13 



194 DE WATUBELA-EILANDEN. 

de booze geest maakt dat men ziek wordt. Gronden met vrucht- en andere boomen 
beplant, ehe kai lomi, behooren aan individuen en blijven als erfenis achter, zonder 
verdeeld te worden. De jaarlijks beplante gronden, kumaa, worden ook als bijzonder 
eigendom of als kumaa gein, verlaten tuinen, aangemerkt. De eri of graslanden zijn 
het eigendom van de negari of den stam. Van een souverein bezit van Nederland 
kan men zich geen begrip vormen. 

Op de Watubela-eilanden onderscheidt men drie standen: de tuntata, adelingen, 
de tamansia, het volk, en de ataa, slaven. Als een vierde kan ook die dersobosobo 
of kunana, toovenaars of bidders, genoemd worden. De tuntata en tamansia mogen 
onderling huwen en het hangt alleen van de davakahaa- of dakenav, huwelqk, af, 
of de kinderen al dan niet den vader volgen. Adellijke vrouwen geven aan het laatste 
de voorkeur, omdat de kinderen aldus in de familie of den stam der moeder blijven. 
De slaven zijn alhier ingevoerde lieden van Onin, Papua, welke ingeruild werden. 
Zij worden als kinderen des huizes behandeld. Op Teuur koopen de hoofden de Papua- 
kinderen op, om de bevolking te vermeerderen, pet dooden van een slaaf door den eige- 
naar wordt echter getolereerd. Bij huwelijk mogen de slaven geene hilarara weli voldoen, 
omdat de kinderen der slavin als het eigendom haars meesters beschouwd worden. 
Manumissie, tantosoo, is niet in zwang. Het aantal slaven is thans zeer gering. 

Voorheen was het bestuur dezer eilanden opgedragen aan de matakena of matahena, 
stamhoofden, die daarin bijgestaan werden door de lumak vukuun of hoofden van 
huisgezinnen, oudsten. Na de immigratie van vreemdelingen heeft men de betrekking 
van orangkai en majol in het leven geroepen; deze hebben evenwel tot nogtoe 
weinig invloed op den gang van zaken. Ten teeken hunner erkenning ontvangen de 
orangkai een stok met zilveren knop van het Nederlandsch gouvernement. De negari- 
aangelegenheden worden slechts door den matakena en den lumak vukuun geregeld. 
Bij het plegen van eenig misdrijf vervoegen de betrokkenen zich bij den orangkai, 
welke, door den majol bijgestaan, eene vergadering der matakena en oudsten belegt 
om de zaak te onderzoeken en gezamenlijk de straf te bepalen en op te leggen. De 
betrekking der orangkai en majol is erfelijk; zij worden niet bij keuze der bevolking 
benoemd. De hoofden hebben niet het recht om de eigendommen der bevolking tot 
zich te trekken. Hunne inkomsten zijn gering; deze bestaan slechts uit het genot 
van eenige persoonlijke diensten, namelijk het bouwen der woning, het vervaardigen 
van vischfuiken en het ontginnen der velden, waaraan slechts enkele dagen 'sjaars 
besteed worden. Andere hoofden laten hunne huizen door lieden van Keei, die hen 
overhalen den islaam te omhelzen, kosteloos oprichten. Als de majol bevelen moet 
overbrengen, draagt hij de baing of pajung van den orangkai bij zich. De hoofden 
ontvangen geene bijzondere eerbewijzen; zij worden echter aangesproken met den 



DE WATUBELA-EHiANDEK. 195 

titel dien zij voeren, en zoo men er een tegen komt, gaat men op zijde. In de 
vergaderingen in de sabua , waarbij de misdrijven onderzocht en berecht worden , zitten 
de orangkai en de matakena op eene verhevenheid, bakatan. Nadat de pariiijen, die 
met hunne bloedverwanten ter vergadering tegenwoordig moeten zijn, voor de hoof- 
den, ter verdeeling onderling, lijnwaden of koperwerken en sirih-pinang als vergoe- 
ding voor de moeite of de soweli nedergelegd hebben, brengt de majol de zaak 
voor, welke alsdan onderzocht wordt, maliwal sirabi; de getuigen, sasi, worden 
gehoord, en een ieder heeft het recht zijn gevoelen in zake partijen kenbaar te 
maken. Als dit afgeloopen is, doen de hoofden uitspraak, snabi nuwusik, en 
spreekt de orangkai het vonnis uit. Dit eischt voor moord of manslag, dawunuk 
mansia of taheruni, eene boete, teun of datuwu, van twee slaven, of een 
gouden armband, drie lorlora en twee ringen; voor overspel , loman of naalau musuar 
nan , — wanneer de beleedigde echtgenoot den overspeler of de overspeelster niet ter 
dood wil brengen — vijf koperen lilahs of vijfhonderd thail goud; voor diefstal, 
kamanaka of domanaa, welke slechts zelden wordt bedreven, een tot drie gongs 
van vijftien gulden, ten behoeve van den benadeelden persoon; voor brandstichting 
de vergoeding van al het verlorene, waarvoor tevens de bloedverwanten verantwoorde- 
lijk zijn. Dit erkennende, zegt een der oudste bloedverwanten gewoonlijk: «djou sobo 
komui aku nihalak, kual nidede,» d. i. Heer, vergeef hem; ik neem op mij zijne 
schuld, ik zal de boete betalen. Bloedschande , als noitututusschen vader en dochter, 
noitinina tusschen moeder en zoon, en rioda tusschen broeder en zuster, wordt met 
den dood gestraft. De schuldigen worden samen in eene met steenen bezwaarde 
vischfuik gestoken en zonder vorm van proces in zee geworpen. Het koppen-snellen 
geschiedt op deze eilanden thans niet meer. Schulden worden alleen gemaakt om 
boeten of de hilarara weli te voldoen. De bloedverwanten zijn voor de aanzuivering 
daarvan solidair verantwoordelijk. 

De bevolking van de Watubela-eilanden vereert de tata lat kola of tata latu kolaraa , 
grootvader vorst zon, als het mannelijk beginsel in denatuur,integenstelling van de 
latu hila la balaa of latu bumu,meesteresse aarde. Aan tata lat kola kan men door tus- 
schenkomst van den sobosobo , bidder , die tevens voor divinator , kunana, fungeert, offeren , 
hem om eenige gunst bidden, als bij ziekte om beterschap, bij reizen over zee om geluk, 
bij moeilijke verlossing, oorlogen als anderszins , of om hem te danken wanneer men na 
een langdurig afwezen weder is teruggekeerd. De offerande bestaat uit een bord gekookte 
rijst, hetwelk niet mag ontbreken, als zijnde door de vaderen uit het westen medege- 
bracht; voorts een bord gekookte djagong, een bord gekookte pisang, een bord gekookte 
katjang, een bord sagu, een bord sirih-pinang, een bord met een geroosterd hoen 
en eene bambugeleding met tua, al -hetwelk, na geofferd te zijn, door den sobosobo 
wordt genuttigd. De betrekking van sobosobo is erfelijk en gaat zooveel mogelijk 



196 DE WATüBELA-EILAin)EK. 

van vader op zoon over. Zij hebben geene andere inkomsten dan het aandeel in de 
offeranden. Ook worden de könitu of geesten der afgestorvenen, de lares familiares, 
vereerd, als de könitu dawatan of nusi, de voorouders, de könitu tokun, de vóór- 
voorouders, en de könitu bölaban, de achtervoorouders, die echter niet meer op aarde 
komen. Elke familie heeft hare könitu en mag die van andere famiUën niet aanroepen. 
Aan deze geesten kan ieder, behalve de vrouwen zoolang zij demenses,dabo wulan, 
hebben, zonder eenig tusschenpersoon op de graven of in de woning op de lala, 
zolder, offeren en bidden. Men offert gewoonlijk een stuk drogen sagukoek, een gepoft 
vischje, een weinig rijst, sirih-pinang en tabak, een en ander, met eenig tua be- 
sprenkeld, op een bijzonder bord, bigan könitu, dat op eene bepaalde plaats in de 
woning, dolit datvela, bewaard wordt Dit offer noemt men de könitu könaa, letter- 
lijk nituspijs, en men neemt ook aan dat de könitu in de bigan zijn verblijf houdt 
Tot de könitu bidt bv. een vrouw die naar een kind verlangt: «oo könitu ku ahar 
kau numikan suat buaknakin tabaku, ninu tua, bei delookanak dasu bulamak 
gatela dawatan ilangahan,» d. i. O geesten der voorvaderen, ik bied u aan visch, 
sagu, sirih-pinang, tabak; drinkt tua, palmwijn (en) geef dat ik krijge een 
kind om te blijven in huis in de plaats (der) afgestorvenen als afstammeling; — of 
een man die eene gelukkige vischvangst beoogt: <oo könitu ku ahakau numikan suat 
buaknakin tabaku, ninu tua, bei kelau makoti tawal ikan,» d. i. O geesten der 
voorvaderen, ik bied u aan visch, sagu, sirih-pinang, tabak; drinkt tua (en) geef 
dat ik, naar het rif gaande, veel visch (met de lijn) vange. Behalve de booze 
geesten, könita lian en de könita lolon, die in een steen en in een der grootste 
nunukaha, Mcus altimeraloo Rxb., hun verblijf houden, vindt men nog tal van 
andere, die eveneens in steenen, grotten en groote boomen vertoeven en, wanneer 
zij daar in hun rust gestoord zijn, toornig worden en de gamala of ziel van den 
onverlaat aanhouden. Deze geesten worden niet vereerd. De plaats, waar aan hen 
geofferd wordt, heet bela. Men offert hun slechts eenige artikelen, als het ware in 
ruil tegen de gamala, en bidt hen om den zieke te genezen. De verblij^laatsen 
der könita moeten, met uitzondering van Watukolo, die aan de kust, Ilili genaamd, 
te vinden is, door den sobosobo worden aangewezen. Behalve de steenen, vindt 
men op den heuvel Legeva op Watubela een stuk koper dat uit zee gekomen en 
het eigendom der familie Tenewan en Lako is, waaraan eveneens wordt geofferd, 
doch slechts door tusschenkomst der eigenaren. Men beweert ook in de bocht van 
Momol aan een boozen geest, die de gedaante eener slang heeft, te kunnen offeren. 
Weer andere booze geesten nemen den vorm aan van een bukaa, leguaan, om 
aldus de negariên en aanplantingen te bezoeken, en het is derhalve niet raadzaam 
deze dieren te dooden. Om bij ontginning van velden de boozegeesten te verdrijven, 
dawula könita of si itaan, verbrandt men eene hoeveelheid gras, waarin men een 
stuk ijzer en eenige gember gelegd heefL Wegens den rook, die daardoor ontwikkeld 



DB WATUBELA-EILANDEN. 197 

wordt, verwijderen zich de booze geesten. Hnwagi of suwanggi komen op deze eilanden 
niet voor. Worden zij er aangetroffen, dan vat men ze op en werpt hen levend in 
zee. De hnwagi die hier kwaad stichten, zijn gewoonlijk van Serang, Gorong, Kunr 
of andere eilanden afkomstig, die vliegende de Watnbela-eilanden aandoen om het 
hart van den bewnsten persoon in een visch te veranderen, dit op het vunr te 
poffen en daarna te nnttigen. Door bovennatuurlijke krachten kunnen zij echter, des 
geëischt, het verslonden hart weder teruggeven. De huwagi nemen menigmaal de 
gedaante aan van de manuk lusi, Haliaetus leucogaster. Als afgevaardigden vantata 
latu kolaraa worden beschouwd de vogels manuk soo, komun, kule, walul en bao, 
die echter niet vereerd worden. Het geschrei des avonds van de soo en kule kondigt 
de komst van vreemdelingen aan; dat van de komun dat iemand uit een boom zal 
vallen; dat van de walul dat er een huwagi in aantocht is, enz. Het mohameda- 
nisme maakt intusschen op deze eilanden goede vorderingen. In 1878 gingen er te 
Watubela dertig personen tot den islaam over, daartoe gebracht door eengeestelijke 
van Tajando, Eeei-archipeL 

Om de toekomst te raadplegen, lalan, wordt de lalanvogavogat, hetarmspannen, 
maar meer algemeen de lalan dakoko daa, het doorklieven van een kalapanoot, m 
toepassing gebracht Bij de aanwending van het laatste middel wordt eene oude 
kalapanoot genomen en, nadat de sobosobo boven de drie oogen eenige gebeden heeft 
gepreveld, met één slag doorkliefd. Alsdan wordt de loop der inwendige aderen 
geraadpleegd en de voorspelling gedaan. Verboden, voü-voli, is op deze eilanden 
het gebruik van varkens-, geiten-, honden- en schildpad vleesch , evenzeer om eenig 
werk te verrichten wanneer er een doode in de negari is. Behalve de hiervoren be- 
doelde steenen en groote boomen is het ook verboden een tal van voorgebergten, 
bergtoppen en bronnen te bezoeken, opdat de aldaar aanwezige geesten niet in hunne 
rust worden gestoord. Om diefstal te voorkomen, gebruikt men op deze eilanden 
ook de matakau of matuka. De inheemsche matuka is de matuka lusi, naar den 
Haliaetus leucogaster genoemd. Men neemt een stuk sikkel of diskvormigegabagaba, 
plaatst dit op een staak, die met kalapabladeren omwonden is, en legt boven op de 
sikkel een kanarischil; degene die de vruchten van den nabijstaanden boom neemt, 
krijgt onvermijdelijk de scabies. Zoo men genezing wenscht, legt men op de sikkel 
een stuk sagu en een gepoft vischje en bidt: c matuka lusi ga num nikan suat 
mahalan num koli koli watanne via,» d. i. Matuka lusi, eet uw visch en sagu, 
neem terug uwe scabies, laat het lichaam zuiver worden. Andere matuka hebbende 
Watubela-bewoners van de Serangers overgenomen, als de matuka kebi en koluva, 
tripang- en muis-matakau. Om regen te verkrijgen, dawei kedama, is het voldoende 
op de zoogenaamde watu ködukul, eigenaardige, volgens de gegeven aanduidingen 
meteoorsteenen, die op verscheidene plaatsen worden gevonden en door geene vreemde- 



198 DE WATÜBKLA-EILANDEN. 

lingen mogen worden gezien, met andere steenen of stukken hout te slaan. Wenscht 
men den regen te doen ophouden, dawei kolo hohuan, dan behooren dusdanige watu 
ködukul door een deskundige met kalapa-olie bestreken te worden. 

In den droom, dami\ri, komen de geesten, kënitu, der levenden en der dooden 
met elkander in nauwe aanraking. Door middel van droomen ontvangen de levenden, 
wier gamala gedurende den slaap het lichaam verlaat, van de afgestorven bloedver- 
wanten eene waarschuwing aangaande gebeurlijkheden ; men moet evenwel den sleutel 
ter uitlegging hebben, omdat de könitu gewoonlijk hunne mededeelingen zoodanig 
inrichten, dat men eigenlijk het tegengestelde moet aannemen. Droomt men , iemand 
van de negari gedood te hebben, dan zal de huwagi zijn hart verslinden; dat een 
vriend, die een verre reis heeft ondernomen, gestorven is, dan zal hij spoedig weder- 
keeren; dat men met eene gehuwde vrouw vleeschelijke gemeenschap uitoefent, dan 
zal men veel geluk hebben; dat men eene jonge maagd benadert, dan zal men on- 
gelukkig worden; dat men een sikaa of Cuscus maculata ziet, dan is er een booze 
geest in de nabijheid; dat men met goed gevolg den top van een berg bereikt, dan 
zal men in zijne onderneming gelukkig zijn ; dat een Nederlandsch schip voor anker 
komt, dan zal er eene zware ziekte in de negari uitbreken; dat men eensaguboom 
omhakt, dan zal een der familieleden sterven, enz. De nachtmerrie, sumakan, ont- 
staat doordien de huwagi, die gewoonlijk des nachts uitgaat om de harten te ver- 
slinden, de gamala of ziel van den slapende uit den weg duwt, huwagi takan, om 
in zijn lichaam te kunnen komen. 

Eeden, snuban, worden alleen aangewend om overeenkomst en vriendschapsver- 
bonden te bevestigen of twisten te beslechten, welk laatste ook geschiedt doorgods- 
oordeelen, die eveneens onder de eeden gerangschikt worden. De eerste soort van 
eedsaflegging noemt men ook de ninun snuban of eed-drinken. Totdat einde nemen 
de vrienden een hawak of kalapadop met tua of palmwijn, doen daarin een weinig 
zout, sila, en Spaansche peper, malesan, vermengen dit tevens met eenige droppels 
bloed van beide partijen, waarna een hunner den kalapadop omhoog heft en tata 
latu kolaraa aanspreekt, zeggende: «sisi kamlua kasuban ilanmo kulanaku namata 
mehe lantu kawaha nimansia nijehe kailomi niatal, aku këlawan snuban snuban gaa 
aku, melawan snuban snuban gai, kam lua laamnula kahai nawal dunia nuwusik,» 
d. i. Zie op ons beide neder, wij hebben den eed gezworen; wanneer zijn hart 
boosaardig is tegen mij, dat hij dan sterve, zijne kinderen, zijne vrouw, zijne aan- 
plantingen, zijne bloedverwanten eveneens; verbreek ik den eed, dan zal de eed mij 
verslinden; wie den eed verbreekt, de eed verslinde hem; ons beider harten zijn één 
geworden totdat de wereld eindigt. Hebben twee personen een geschil omtrent hun 
eigendom of bezitting, bijv. over een gajangboom, Inocarpus eduüs, dan brengen zij 



DE WATUBELA-EILANDEN. 199 

de zaak voor den orangkai, die, na de partijen gehoord te hebben, den eed doet 
afleggen. Onder opheffing der handen en het hoofd omhoog geheven, zeggen zij 
alsdan: «tata latu kolaraa kau sisi A nigama nakaa salamati B ni gama A nakaa 
binasi kelia magalua namate,» d. i. Grootvader vorst zon, zie gij op ons neder; 
wanneer A zijn gajang eet, het zal hem wèl gaan; wanneer B de gajang van A eet , 
dan zal er verderf over hem komen en hij morgen of overmorgen dood zijn. Bijaldien de 
betrokken hoofden zich niet in staat gevoelen eene zaak naar genoegen der partijen 
te beslechten, dan wordt als het laatste middel delelelav, taleres, of het waterordaal 
toegepast Alle negarigenooten begeven zich alsdan strandwaarts , alwaar de hoofden 
twee mannen uitkiezen om de partijen te vertegenwoordigen. De aanwezige mannen 
geven ieder een stok en de vrouwen zalven beiden met gewijde kalapa-olie. Daarop 
begeven zij zich in zee, tot het water aan de borst reikt, en houden elkander bij 
de hand vast. Een der oudsten treedt naar voren en roept met luider stem: «tata 
latu kolaraa, sisi A ni kuela adat kono inimia wamakoti, temogo bono kuela B 
inimia wamakoti A inabaal,» d. i. Grootvader vorst zon, zie neder; wanneer de 
saguboom werkelijk aan A toebehoort, dan zal hij lang onder water blijven; wan- 
neer B de eigenaar is, zal hij lang onder water blijven en A spoedig bovendrijven. 
Daarna duiken zij. Degene die het eerst boven komt, heeft zijn pleit verloren en 
moet zich in de omstandigheden schikken. Valsche eeden, snuban lakan, hebben een 
langzamen doch onvermijdelijken dood ten gevolge, tenzij men tijdig door tusschen- 
komst van den sobosobo aan tata latu kolaraa eene kip offere, met het doel dawali 
snuban of den eed ten goede te doen keeren. De gewone, in drift uitgesproken ver- 
vloekingen zijn: huwagi todo kau, de suwanggi zal u halen; miata dagua kai, gij 
moogt van den kalapaboom vallen; vana lamakoti mata, gij moogt, naar het rif 
gaande, sterven; vana vana mata kau, loopende moogt gij sterven, en andere. Het 
verbodsteeken om vruchten van een boom, welken ook, te plukken, sasi of esa, be- 
staat uit een kalapatak, op eigenaardige manier om den boom gewonden. Dit gebruik 
is niet nationaal, maar van Serang ingevoerd. De overtreder is verplicht drie lantaka 
of koperen kanonnen als boete te betalen. 

De negariën, wunua, zijn zeer onregelmatig aangelegd. In vroegeren tijd, toen de 
bevolking veel overlast had van Papuasche zeeroovers, had zij hare woningen op de 
bergtoppen, maar later, toen de notemuskaathandel hier bloeide, bouwde zij ze aan 
de kust. De huizen, die op palen staan van 1,5 meter hoogte, liggen door elkander 
verspreid rondom een plein, of liever grasveld, waar men een Kcusboom vangroote 
uitgestrektheid en de watu kamal of heiligen steen aantreft. Het grootste huis heeft 
eene lengte van zestien meters, bij eene breedte vannegen meters. Niet in alle negariën 
vindt men een zoogenaamd negari-huis ofsabua, alwaar vergaderingen worden belegd. 
Rondom de meeste echter treft men nog overblijfselen aan van oude steenen muren, 



200 DE WATÜBEIA*EILAKDEN. 

of liever opgehoopte koraalsteenen, koto genaamd, van één meter dikte en twee meters 
hoogte, die in oorlogstijd hersteld worden, en omringd van voetangels. Buiten de 
negariên heeft men een ondoordringbaar bosch. 

Enkele uitgezonderd, die eerst kortelings zijn opgetrokken, verkeeren de woningen 
der bevolking in een zeer vervallen staat, en nergens treft men eenig spoor van, 
onderhoud aan. Is een huis onbewoonbaar geworden, dan breekt men het af en 
bouwt een nieuw. Worden achtereenvolgens vele personen in ééne woning ziek, dan 
verlaat men deze eenvoudig en richt op een andere plek eene nieuwe op, welke plek 
door den sobosobo, na raadpleging van de lalan dakoko daa, wordt aangewezen. 
Het gebruik brengt mede dat de negarigenooten , althans de meeste, elkander hel- 
pen bij het oprichten van nieuwe woningen. Na de benoodigde spijzen bijeengebracht 
te hebben, gaat de eigenaar, door velen gevolgd, naar het bosch om de materialen, 
hout, bambu, sagustam en bladeren te verzamelen en naar de bestemde plaats te 
dragen. Als alles gereed is, worden op zekeren morgen te zeven uren acht gaten 
in den grond gedolven. De eigenaar heeft tevoren vier pakjes met st(rfgoud of goud- 
vijlsel gereed gemaakt, ter grootte van een maïskorrel; hij legt deze nu met eenig 
sirih-pinang en tabak op eene zeef, treedt voor het front der woning en zegt: «latu 
bumu kaanu masa numvaha, ku nuklumak nimie nee, djagaku mia koloko mahigat 
nunaa, kumadagan koloko utung, mahigat mosou nuklumak nunaa,» d. i. Vorstin 
aarde, maak gebruik van uw goud, uwe padi; mijne woning wordt hier geplaatst, 
bewaak mij, dat ik niet ziek worde; laat mij, handeldrijvende , veel winnen; laat 
geene ziekte in het huis komen. Daarop wordt in elk lumak suit, hoekgat van het 
huis, een palije neergelegd en de opening met aarde goed dicht gemaakt Dien dag 
wordt aan de woning niet gearbeid; eerst moet het goud een nacht in den grond 
begraven liggen. Den volgenden morgen echter begint men den arbeid en werkt dag 
aan dag door tot het geraamte is voltooid. Daarvan geeft de eigenaar zijn negarige- 
nooten kennis, die op een nader te bepalen dag het huis komen dekken. De vrienden 
en bloedverwanten zorgen alsdan voor de noodige spijs en drank, daar het huis in 
één dag gedekt moet worden en dit werk als eene feestviering wordt beschouwd. 
Vóórdat de laatste atap is vastgebonden, maakt de eigenaar de kënitu k6naa of 
nitu manen-spijs gereed en zegt: «kënitu tata, musi, mëkaa mila vaha mila tua, 
kamia lumak nedagan via, koloko mahigat nimaa, koloko ana via, kuvalteu via, 
kusobo u lumak lokomoli sënaang,» d. i. Afgestorven grootvader, grootouders, maakt 
gebruik van uwe rijst, uwen palmwijn; in dit huis wonende, laat den handel goed 
gaan, laat geene ziekte ontstaan, laat den partus goed afloopen, laat mij het huis 
gelukkig bewonen. Na den gebruikelijken maaltijd keeren de negari-genooten huiswaarts. 
Ofschoon het huis nog niet omwand is, blijft de eigenaar er zijn verblijf houden, 
om het van lieverlede in orde te brengen. Aan de zijwanden worden vertrekken 



DB WATUBELA-HLANDEN. 201 

afgeschoten, de vloer van bambulatten behoorlijk vastgehecht en de trap van voor- 
en achterdeur in gereedheid gemaakt Op den zolder, lala, wordt eene plaats afge- 
zonderd, om de kënitu aan te roepen. 

Als huisraad, Inmak ni pakaakas, treft men in elke woning aan de kila matten, 
kilakua rotanmatten, kalmigulu hoofdkussen, kaibalun rustbanken van bambu of 
hout, kudis houten kisten, kabilin gabagaba doozen, bisi manden en vischwerktui- 
gen; voorts, ten behoeve der kawu, kookplaats, de tunas, een houten bak met 
aarde gevuld, alwaar het vuur wordt aangemaakt, kulan aarden potten en pannen 
van het eiland Kuur in den Keei-archipel, kulan litu koperen potten, kalin groote 
ijzeren pannen, wesa houten lepels, wudal zeef, watbassr basan steenen vijzels , luhin 
en alu rijstblok met stamper, watulabia aarden vormen om de sagu te bakken, 
hawakaal kalapadoppen om er uit te drinken, hilu-hilu schelpen eetlepels, toodo 
een rek van bambulatten, slowok waterpot, bigan borden, tukul bambu om het vuur 
aan te blazen, katan bambu vuurstangen, enz. In de kudis en kabilin worden de 
kleedingstukken en sieraden bewaard; als: de baaki mangkana voor de mannen, in 
vroegeren tijd de velarvela wuka haarkam van bambu, dëleta wuka haarband van 
katoen of boomschors, bibia armbanden van schelpen, isil buikband van ganemo- 
draden, beban schaamgordel van boomschors of patolarsarong; tegenwoordig de 
sosogol hoofddoek, ladan badju van katoen in allerlei kleuren, kada broeken idem, 
bibia armbanden van schelpen, tanga-tangan ringen van koper, zilver of goud en 
saledan of ngongongol omslagdoeken; — de baaki hilala of hilarara voor de vrouwen, 
in vroegeren tijd de velarvela wuka haarkam van bambu, lekleku masa gouden 
oorhangers, kala litu koperen armbanden, bibia armbanden van schelpen, tanga- 
tangan litu koperen ringen, helat kobula buikband van koralen, sabolo grove sarong 
van de lendenen tot aan de knieën, wuli uti-uti sarong van gelijke lengte; tegen- 
woordig de sisil taduk kam van buffelhoom, lekleku masa gouden oorhangers, war 
ratlain gouden oorknoppen, ladan korte badju van katoen of zijde in verschillende 
kleuren, kala masa, sëlaka en litu gouden, zilveren en koperen armbanden, helat 
kobula buikband van koralen, wuli uti-uti sarong, sodik makasal en wutun Mang- 
kasaarsche en Butonsche sarongs. 

Wanneer iemand in een andere negari of ander eiland dan het zijne moord of 
doodslag pleegt, of er zonder vergunning boschproducten, als hout, rotan, bambu 
of sagubladeren, verzamelt, dan ontstaan daardoor oorlogen, Uha of daval tunu, 
welk laatste woord eigenlijk „schieten'' beteekent. Aanleiding tot oorlog tusschen 
twee op hetzelfde eiland gelegen negariën is ook het niet-betalen van de ten voor- 
deele des tegenstanders opgelegde boete, het zonder toestenmiing weghalen van 
vruchten, als kalapa, kanari enz. en het zich toeëigenen van klopbare saguboomen. 



202 DE WATÜBELA-EILANDKN. 

Wordt door de lumak vukuun tot den oorlog besloten, dan verzamelen zich de 
mannen op het negariplein voor de woning van het bestierend hoofd. Van daar be- 
geven zij zich met den sobosobo naar den heiligen steen, watu kamal, alwaar de 
sobosobo eenen bok in één slag den kop afslaat. Een klein stukje vleesch en lever 
van dien bok wordt toebereid en in een kalapadop gelegd, om daarna, met in ver- 
schillende kalapadoppen gereed gemaakte rijst, djagong, sagu, pisang en sirih-pinang, 
op een houten schotel geplaatst, naar de watu kamal gebracht te worden. Is dit 
geschied, dan bidt de sobosobo: «tata latu kolaraa, kanum bibi vaha kastela vudi 
suat tua buaknakin, tavala tunu, datun kami halak kam katunu moson, ilat ung- 
kami halak, kam katunu Ie vut hamoson utlua moson,» d. i. Grootvader vorst zon, 
maak gebruik van bokkenvleesch , rijst, djagong, pisang, sagu, palmwijn, sirih- 
pinang; wij trekken ten strijde; niet schuldig zijnde zullen wij raak schieten, de 
vijand ons niet treffen, wij niet missen op tien, op twintig vadem afstands, en legt 
de spijzen op de watu kamal, deze nogmaals met tua besproeiende. Middelerwijl 
brengen de vrouwen allerlei gekookte spijzen, op borden gerangschikt, en plaatsen 
deze rondom de watu kamal. De sobosobo begint met er eene bete van te nemen, 
hierin door de aanwezigen gevolgd. Na dien maaltijd wordt door den sobosobo, 
door middel van het klieven der kalapa, lalan dakoko daa, de dag van aanval bepaald. De 
mannen begeven zich alsdan huiswaarts om hunne wapenen, bestaande uit de sodi 
klewang, kidis dolk, galagala piek, sosoluhuk Tombukusch zwaard, wuhul pijl en 
boog en kasbigan geweer, gereed te maken, alsmede om de benoodigde prauwen, 
soho, uit te rusten. De prauwen worden met sosulun of lantaka bewapend, en vóór 
en achter met eene driehoekige vlag, kititil, voorzien. Elk strijder gaat naar eigen 
inzicht te werk, niemand staat onder een aanvoerder. Overwint men, kono liha, 
dan keert men onder de vlaggen terug; delft men het onderspit, kalak liha, dan 
worden zij niet vertoond. Deze oorlogen duren zoolang tot de hoofden van andere 
onzijdige negariën of eilanden tusschen beiden komen en de partijen verzoenen, 
dewevia, of weder goedmaken. De strijdende partijen, of liever de oudsten daarvan, 
worden samengebracht en na eene toespraak door een der onpartijdige oudsten 
reiken en kussen zij elkander de rechterhand, gebruiken te zamen sirih-pinang en 
drinken daarna wat palmwijn of tua, soms met zout, Spaansche peper en bloed 
vermengd. Tevens moeten de schuldigen de vastgestelde boete opbrengen. Bij dè 
dewevia worden geen maaltijden gegeven of feesten gevierd. 

De landbouw op deze eilanden is nog zeer primitief. Na de herhaalde vernietiging 
der specerijboomen is de bevolking thans niet meer te bewegen deze opnieuw te 
cultiveeren, hoewel de grond er uitstekend voor geschikt is. In den oost-moeson, 
kolaha wana, wordt, na raadpleging der matakena, jaarlijks of om de twee jaren 
door de negarigenooten gezamenlijk een terrein ontgonnen, dawei kuma, waartoe de 



D£ WATÜBIiaA-£ILAin)£N. 203 

boomen omgehakt, dölowok kai, en vervolgens verbrand worden, datawun knma, 
welk terrein daarna onder de verschillende hoofden van huisgezinnen , lumak vukuun , 
naar gelang van ieders behoefte en krachten , verdeeld wordt De verschillende stuk- 
ken worden door steenen afgebakend en met op den grond gelegde boomtakken be- 
grensd. Het is een gunstig voorteeken , als men bij de ontginning eene slang aantreft. 
Tot een knoop in elkander gegroeide lianen echter zijn een ongunstig teeken. Na de 
intrede van den regenmoeson, alana dama, worden de velden beplant met djagong, 
kastela, waarvan twee soorten bestaan; met zes soorten kovoli, katjang; drie soor- 
ten towu, suikerriet; vijf soorten wadan of ku\^i, ubi; veertien soorten vudi, pisang; 
twee soorten sirih; zeven soorten kalapa en andere boomen, zooals sagu, durian, 
ganemo Gnetum gnemon, sukun Artocarpus incisa, nangka Artocarpus integrifolia , 
papaja Carica papaya, enz. Moeskriiiden worden niet gebruikt en uit dien hoofde 
ook niet aangeplant. Eijst, vaha, paha of hasa, wordt in twee soorten , de hasa mela 
en hasa mahuti, roode en witte, doch zeer weinig, gecultiveerd, en tabak niet ver- 
bouwd. Alleen van de kalapar kuituur, wordt veel werk gemaakt Het wieden, 
dahala kenenak, heeft zeer gebrekkig plaats. Alle gewassen worden gelijktijdig en 
door elkander geplant, uitgezonderd de katjang-, Phaseolus-soorten. Vroeger werden 
de velden na de beplanting aan hun lot overgelaten en bezocht men ze slechts weer 
om te oogsten. Nu er sedert vier jaren varkens, boi, op deze eilanden zich vertoond 
hebben, is men verplicht eene hut te bouwen en in de tuinen te blijven, om het gewas 
te bewaken. 

Nijverheidsproducten treft men op deze eilanden weinig aan. Behalve de aanmaak 
van matten, kila, van palmbladeren, vodon, waarvan eene groote verscheidenheid 
in kleur en grootte voorkomt, zoomede het vlechten van velelak, zeeften, en hooi, 
manden, zijn de vrouwen gewoon olie te bereiden, dalakan gula, en stroop van 
suikerriet te koken, dalakan nasuu. Voorts bestaat haar arbeid dagelijks in het 
toebereiden der spijzen, dalakan; het maken van sagukoeken,datunusuat; het naaien 
van kleederen, dölait; het vervaardigen van bambudoozen, sëlivi, om daarin droge 
sagukoeken te bewaren ; het mede-bewerken en beplanten der velden en de verzorgmg 
der kinderen. Smeden en timmerlieden worden niet aangetroffen. Behalve met den 
veldbouw, houden de mannen zich onledig met het vervaardigen van vischfuiken, 
datewat wuwu; het aftappen van palmwijn uit den bloemtros der kalapa, daweitua; 
het visschen op de riffen, nëlao mokoti nëtowok ikan; het repareeren van prauwen, 
tabal vava soho; het bereiden van sagu, damu kuela; het plukken van kalapar en 
pinangvruchten, dahaka daa en buak; het verzamelen van brandhout, dala kai, en 
het halen van water, dikitu aaL Enkelen slechts kunnen als handelaars, dasobol, 
worden aangemerkt Rustdagen worden niet gevierd. De vischvangst geschiedt door 
middel van bedwelmende wortels en vruchten van den dakadaka- en sCmuIatboom, 



204 DO WATUBELA-EHiANDEN. 

Voorts bezigt men eene lyn, lawal, van vijftig tot honderd-vijftig vadem lengte, 
met den haak, kawoL Dicht aan de kust maakt men steenen dijken, watu tata, 
waar de visschen bij eb achterblijven. 

De handel op deze eilanden is geheel een ruilhandel. Geld bestaat er niet Wan- 
neer de Watubelasche handelaren op Bandang, Serang, Gorong of Aaru geld in 
betaling ontvangen, ruilen zij dit in tegen lijnwaden, koper en aardewerken. Alleen 
sovereigns zijn bekend en gewild, en worden als ilagu of erfenis bewaard. De Chi- 
neesche, Mandarsche, Bugineesche, Mangkasaarsche, Gorongsche en Seranglaosche 
handelaren, die hier lijnwaden, aarde-, ijzer- en koperwerken, geweren, kruit en 
lood invoeren, ruilen deze slechts naar den volgenden maatstaf: een stuk ongebleekt 
katoen tegen dertig flesschen kalapa-olie, driehonderd kalapa of twaalfhonderd stuks 
droge sagukoeken; een stuk madapollam tegen twintig flesschen kalapa-olie, twee- 
honderd kalapa of duizend stuks droge s^^koeken ; een uti-uti sarong tegen twintig 
flesschen kalaparolie of tweehonderd kalapa; een Mangkasaarsche sarong tegen dertig 
flesschen kalapa-olie of driehonderd kalapa; duizend stuks sagukoeken tegen vijf-en- 
twintig flesschen olie of tweehonderd-vijftig kalapa; een vuursteengeweer tegen een 
stuk madapollam en tweehonderd kalapa; een vat kruit tegen drie stuk madapollam 
en tweehonderd kalapa ; dertig kati lood tegen een stuk madapollam ; een lantaka tegen 
vijftig stuks madapollam ; een paar gouden lekleku of dekdeku tegen een Mangkasaarsche 
sarong; een gouden ketting van twee span lengte tegen twee lantaka en een gong; 
een gong tegen een lantaka en een bisi rijst; een beitel tegen vijf kalapadoppen 
katjang; een harpoen tegen honderd sirih-vruchten ; een Boslemmer mes tegen een 
kip; een parang tegen dertig kalapa of driehonderd sirih-vruchten; een bgl tegen 
veertig kalapa, driehonderd sirih-vruchten en drie kalapadoppen katjang; een stuk 
wit katoen, voldoende voor een broek, tegen veertig kalapa; een stuk zwart of blauw 
lijnwaad, voldoende voor een kabaja, tegen zeven flesschen kalapa-olie; een chitsen 
kabaja tegen vijf flesschen kalaparolie; een grove Binongko-sarong tegen vgftig kar- 
lapa; een ^'ne salendang tegen vijf-en-twintig flesschen kalaparolie; een kati tabak 
tegen tachtig kalapa; honderd naalden tegen dertig kalapa, enz. De vaartuigen waar- 
mede de Watubela-bewoners ten handel varen , worden van de Keei-eilanders ingeruild 
tegen lantakas, gongs en lijnwaden, naar gelang van de grootte. Andere vaartuigen 
heeten belan en kaesala, vlerkprauwen voor de kustvaart Marktplaatsen zijn er niet 

Als lengtemaat bezigt men bij voorkeur de span, vj^t, en de vingermaat, kee. 
Droge waren, als djagong, katjang en rijst, verkoopt men bij de mand, de bisi sasikit 
van ongeveer vijf kati gewicht, de bisi salee van ongeveer tien kati, zoomede de 
hawak, een halven kalapadop van ongeveer een kwart kati. YloeistofTen, als tua of 
palmwijn en olie, worden bij de golok, met een inhoud ongeveer van eene flesch, 



DB WATUBELA-BILAin)EN. 205 

van de hand gezet. De telling geschiedt volgens het op de vingers gebaseerd qoinair 
systeem uit het hoofd of door met kalk strepen op eene plank te trekken. Om af- 
standen te bepalen neemt men tot grondslag den tijd, die noodig is om een sirih- 
pruim rood te kanwen, daka dobo lom haa. 

Het huwelijk wordt op tweeërlei wijze gesloten. De eerste, davakahaa, heeft ge- 
woonlijk plaats door eene overeenkomst van de zijde der ouders, zonder raadpleging 
met de betrokken kinderen. Als de partijen het na lange beraadslaging eens zijn 
geworden, verzamelen de bloedverwanten van den jonkman de kuban, tulala, hilala 
of hilarara weli, bruidschat, bestaande uit tien tot twintig lekleku of gouden oor- 
hangers, een Chineeschen kom gevuld met waratlain gouden oorknoppen, vier sosolun 
koperen lilahs, zes groote daldala koperen bekkens en tien kasbiganvuursteengeweren, 
een en ander eene waarde vertegenwoordigende van twee- tot vijfhonderd gulden, 
waarvan twee derde gedeelten, in verband tot de afspraak, onmiddellijk worden aan- 
gezuiverd, en het overige na de geboorte van het eerste kind wordt betaald. Als er 
aan de voorwaarde aldus is voldaan, wordt de huwelijksdag bepaald en het meisje 
door hare ouders en bloedverwanten onder het lossen van geweerschoten des morgens 
naar de woning van 's jonkmans ouders gebracht. Zij brengen mede de dahalaa of 
tegen-kuban, bestaande uit een sodik Mangkasaarsche sarong, een wuliuti-uti sarong, 
een ladan katoenen badju, een sosogol hoofddoek en een kada broek, de drie laatste 
artikelen voor den jonkman bestemd, alsmede vijf borden. Alle aanwezigen zijn in 
feestgewaad getooid. De mannen nemen bij den jonkman, de vrouwen bij het meisje 
plaats. Na sirih-pinang en tua genuttigd te hebben, treedt een der oudsten voor om 
in het midden der woning de kënitu kënaa, spijze der nitu, bestaande uit rijst, sagu, 
sirih-pinang, tabak en kalk, met tua besproeid, gereed te maken. Vervolgens roept 
hij de nitu der vaderen aan, smeekt hen om aan de gehuwde kinderen gezondheid, 
overvloed en een lang leven te schenken en werpt de spijzen daarna buitenshuis op 
den grond. Daarna worden de matten uitgespreid en de jonkman met de aanwezige 
mannen gespijzigd. De vrouwen gebruiken met de jeugdige echtgenoote later a&on- 
derlijk haar middagmaal. Na den maaltijd, waarbij alleen visch, rijst, sagu, djagong 
en katjang mogen worden opgedischt, keeren de bloedverwanten der vrouw huiswaarts, 
nadat haar vader of moeder deze vermaand heeft om zich behoorlijk te gedragen, 
gehoorzaam te zijn en de ouders van haren man niet te beleedigen. De jonggehuwden 
gaan alsdan in het voor hen bestemde slaapveitrek. Eenige dagen na het huwelijk 
brengen zij een bezoek aan de ouders der vrouw, om hen hun wedervaren mede te 
deelen. Te rekenen van den dag van het aanzoek der ouders, mag de jonkman in 
het huis zijner aanstaande komen, hare ouders in hun dagelijkschen arbeid helpen 
en bij hen het middagmaal gebruiken. Gedurende dien tijd mag de jonkvrouw zich 
niet aan hem vertoonen, daar zulks in strijd is met de regelen der welvoegl^kheid. 



206 DE WATUBELA.-EILAKDEN. 

De tweede wijze van huwelijk, dakenav, geschiedt buiten de bemoeiing der ouders 
en zonder eenige plechtigheid. De jonkman spreekt met het meisje af, om heimelijk 
bq haar te komen slapen en blijft in haar vertrek, totdat hare ouders hem daar 
vinden. Onder betuiging dat hij hunne dochter bemint, geeft hij zich geheel aan 
hen over om naar goedvinden over hem te beschikken, in figuurlijken zm hem als 
ataa slaaf aan te merken. Stemmen de ouders hierin toe, dan blijft hij in het huis 
der vrouw en treedt alzoo in hare familie. Hij arbeidt voor zijne vrouw en hare 
ouders, en zijne kinderen volgen de moeder. Is hij later m staat de kuban te be- 
talen, dan volgen de kinderen hem en verkrijgt hij dezelfde rechten als bij de dava- 
kahaa. Zijn de ouders evenwel tegen de verbintenis, dan is de jonkman verplicht 
het huis te verlaten en eene boete te betalen van een thail goud, gelijkstaande aan 
een sovereign. Vóór het sluiten der dakenav-huwelijken zijn de jongelieden gewoon 
elkander een tangatangan, ring, te geven, als bewijs van davaga, liefde of toege- 
negenheid. Vele ouders komen ook wel overeen, als hunne kinderen nog zuigelingen 
zijn, dezen met elkander te doen huwen. Wie zijn woord verbreekt, moet een lantaka 
als boete betalen. Het is den mindere niet verboden, iemand van hoogeren stand te 
huwen. Eveneens mag men zoowel in zijne eigene als in eene andere negari eene 
vrouw zoeken. Neven en nichten mogen onderling geen huwelijk sluiten. Het houden 
in het openbaar van bijzitten is niet in zwang. De mannen huwen slechts ééne 
vrouw. Geheimmiddelen , kaskasi, om verliefden waanzin op te wekken, worden 
door enkele mannen en vrouwen gebezigd. In silvis sub arboribus coïtum exercere 
praeferunt. 

Echtscheiding, davadokit, werd vroeger niet toegestaan; de man had het recht zijne 
vrouw te dooden, als zij overspel pleegde. Sedert de laatste tien jaren is hierin evenwel 
verandering gekomen; bij overspel of onverschilligheid van een der echtgenooten 
kunnen zij scheiden in tegenwoordigheid van een der hoofden, voor wien de zaak ge- 
bracht wordt. Bij overspel, teun of dede, in davakahaa-huwelijk, verlaat de vrouw het 
huis en moet de schuldige aan de tegenpartij eene boete betalen van vijf thail goud. 
In dakenav-huwelijk verlaat de man het huis en betaalt de schuldige vooraf eene 
boete van twee thail goud, zonder dat hij of zij op de gemeenschappelijke bezittingen 
eenige aanspraak mag doen gelden. De kinderen blijven bij den man of volgen de 
vrouw. Wegens onverschilligheid of onbehoorlijke behandeling van de zijde van een 
der echtgenooten kan ook de scheiding volgen; doch alsdan worden de bezittingen 
verdeeld, waarvan de schuldige, ingevolge uitspraak der hoofden, slechts het derde 
gedeelte ontvangt. 

Het is de zwangere vrouwen,* hilarara desebat, verboden, volvoli, kalapa te ras- 
pen, Jcanari te eten of misvormden te bespotten. Zij moeten tot eene maand naden 



DE WATIIBELA-EILANDEN. 207 

partas, namatoloo of yalteu, zich voeden met kakaluk kastela, zacht gekookte m^s, 
en dalakan kövolin, katjangpap. Als ze echter de pica hebben of op buitengewone 
spijzen belust zijn, nakabolos, wordt haar toegestaan deze te nuttigen. Zij mogen 
in den donker niet langs de graven gaan en evenmin als getuigen optreden. Zoo zij 
des daags uitgaan, moeten zij een stuk ijzer medenemen, opdat de nita of booze 
geesten de foetus niet molesteeren. Aborteeren, nablulut, vindt menigmaal plaats. 
Vóór den partus bindt de man boven het slaapvertrek aan de nok van het huis een 
touw, waaraan de vrouw zich tijdens de bevalling moet vasthouden, om kracht te 
kunnen uitoefenen. Vervolgens gaat zij, de beenen wijd van elkander, met de knieën 
op een kussen of op een stuk hout liggen. Een oude vrouw, die vóór haar zit en door 
massage den buik kneedt, neemt het kind in ontvangst, terwijl een andere vrouw 
haar van achteren onder de oksels vasthoudt. De jonggeborene wordt op eene mat 
gelegd en het navelsnoer, vohonila, met een stuk palmhout, wölingan, 0.04 meter 
van den buik afgesneden , wanneer namelijk de placenta uitgevallen is. Zonder op de 
wond eenig heelmiddel te leggen, wordt het lichaam van het kind met fijngeraspte 
kalapa of kalapamelk bestreken en daarna gebaad in lauw water, waarin mengogit- 
bladeren heeft gelegd. De moeder is verplicht van dit water te drinken, moet zelf 
ook baden en daarna twintig dagen achtereen met haar pudenda tegen het vuur 
liggen. De lochiae duurt slechts weinige dagen. De dagelijksche bestrijking van het 
kind met kalapamelk duurt tot het loopen kan. Na de bevalling komen de vrien- 
dinnen en vrouwelijke bloedverwanten het kind zien, en brengen als geschenk water , 
aal, en brandhout, kain taun, mede. Bij moeilijke verlossing, wanneer de manipu- 
latiën der helpende vrouw niets vermogen, brengt de man een groote gong, een 
lantaka of eenig kostbaar gouden sieraad naar den sobosobo en verzoekt hem om 
hulp te bidden van tata latu kolaraa, grootvader zon, onder voorwaarde om na den 
gunstigen afloop dien te offeren een dulang met spijzen, bestaande uit een bord ge- 
kookte rijst, een bord gekookte djagong, een bord gekookte pisang, een bord gekookte 
katjang, een bord sagu, een bord sirih-pinang , een bord met een geroosterd hoen 
en een bambugeleding met tua, sap van de kalapabloem. Is zijne vrouw voorspoedig 
verlost, dan haalt hij het bewuste voorwerp terug en plaatst de offerande onderden 
blooten hemel vóór het huis, van elk gerecht iets afnemende en op den grond wer- 
pende. Het overige wordt door hem en den sobosobo genuttigd, ten einde de ge- 
meenschap met tata latu kolaraa te bekrachtigen. Ook worden bij zwaren partus 
kleedingstukken van den man onder de knieën der vrouw gelegd en alle kleederdoozen 
en kisten geopend, duat kabilin malagin. Wanneer de vrouw den tijd der bevalling 
voelt naderen, laat zij den inhoud van tien kalapanoten drogen. Op den dag dat 
de chorda umbilici afvalt, worden er acht tot tien kinderen uitgenoodigd om met 
de kraamvrouw in zee te gaan baden. Is zij daartoe nog te zwak, dan moet eene 
andere vrouw haar vervangen. Zoowel op den weg naar zee als op den terugweg 



208 DE WATUBELA-EQiANDEN. 

moeten de kinderen aanhoudend roepen: uwoi, nwoi, om de aandacht der booze 
geesten van het pasgeboren kind af te leiden. Als zij weder teruggekomen zijn, wordt 
de kalapa onder hen verdeeld, waarna zij huiswaarts worden gezonden. Wanneer de 
zuigeling voor de eerste maal lacht, geeft de moeder hem of haar een naam, naar 
den inval van het oogenblik. De placenta, kanenak, met keukenasch vermengd ^ 
wordt met den dop der kalapa, welker noot is gebezigd om het kind voor het 
eerst te bestrijken, in een aarden pot gedaan, welke met boomschors of katoen 
dichtgemaakt en onder een kalapa-, mangga- of grooten Rcusboom geplaatst wordt. 
Het na den derden dag afgevallen navelsnoer wordt gedroogd en als medicament 
voor 'het kind bewaard. Sterft dit vóór het zitten, dan wordt het navelsnoer mede 
begraven. Het pasgeboren kind mag de eerste drie dagen niet door de moeder ge- 
zoogd worden. Wanneer het een meisje is, dan behoort men eene zoogster te zoeken 
die zelf een meisje heeft; is het een jongen, dan is zulks volvoli. Dit geschiedt wijl 
de kinderen anders, volwassen geworden, onvruchtbaar zouden zijn. Als het kind 
met een zoogenaamden helm, savsavit, wordt geboren, moet deze met de placenta 
worden weggebracht Tweelingen, anak dekdeku, zgn zeer zeldzaam; eveneens lepo- 
rinen, ilowari, en albmos, guwar nahuti, Aan blanke kinderen wordt de voor- 
keur gegeven. Over het algemeen worden de kinderen goed behandeld, zelfs de 
misvormde. Abortiva, nadudu nagalia, worden gebruikt, omdat vele vrouwen slechts 
een of twee kinderen verlangen. Om het kind gemakkelijk ter wereld te brengen, 
gebruiken de moeders het uitgeperste rauwe sap van de kokowobladeren. Onvrucht- 
bare vrouwen, die kinderen verlangen, offeren sirih-pinang, spijzen en tua aan de 
voorvaderen en bidden tot dat einde op de graven of op de zoldering harer woning, 
de zoogenaamde tampat pamali of Ma. 

Terstond na de geboorte wordt het lichaam van het kind door eene oude vrouw 
gekneed, om de spieren eene behoorlijke ligging te geven. De neus wordt omhoog 
getrokken en het hoofd gedrukt, om den ronden vorm te verkrijgen. De oorlellen 
der meisjes worden tevens n^et een doom of naald doorstoken, tjomal telingala, bij 
aanzienlijken zelfs vijfinaal, zoodat alsdan eene vrouw in elke lel één gat, en in 
iedere schelp vier gaten krijgt. Mmdere vrouwen hebben slechts een lelgat, waarin, 
nadat de wond genezen is , een pennetje van den bladsteel der kalapa wordt gestoken. 
Deze handeling gaat niet met feesten gepaard. Evenmin het vijlen der tanden, dahak 
mëvola, dat in stille afzondering door den deskundige plaats heeft De tanden wor- 
den vóór het intreden der puberteit met een steen geUjk geslepen; dit strekt ter 
bevordering van de schoonheid. Na de operatie moet de patiënt den mond een ge- 
ruimen tijd met lauw water spoelen. Het doorklieven van het praeputium, ook in 
het geheim verricht, geschiedt slechts in sommige negariën. De vrouwen worden 
bij het aanwezen der catamenia door de mannen gemeden. Het menstruaal excreet, 



DE WATüBELA-EILANDEN. 209 

dat zeer gering is , wordt als iets bijzonder onreins beschouwd ; als mannen daarmede 
in aanraking komen, zullen zij een ongeluk krijgen. Evenmin mogen menstrueerende 
vrouwen de padi- en djagongvelden bezoeken wanneer het gewas in bloei staat, of 
zich lang ophouden onder bloeiende vruchtboomen. 

Pokken-, betaat, buikziekte-, tagtasik, of koorts-, kokolol, epidemieën zijn gevolgen 
van den toom van tata latu kolaraa, wanneer de negarigenooten elkander bedriegen 
en veel kwaad bedreven hebben. Om ze te doen eindigen, moeten negari-ofifers wor-* 
den geplengd en grootvader zon om vergeving worden aangeroepen. Andere ziekten 
ontstaan door inwerkingen van huwagi suwanggi, könita booze geesten en nitu, of 
liever doordien deze de gamala of ziel van den betrokkene in een toestand van ge- 
vangenschap houden. Om de oorzaak van de ziekte, mahigat, te leeren kennen, 
moet er worden getooverd, sobo. Is het uitgemaakt dat de huwagi de oorzaak is, 
alleen om den mensch kwaad te doen, dan moet de sobosobo of toovenaar de saut 
of spijze voor de huwagi gereed maken. Hij neemt te dien einde een stuk sagukoek, 
een gebraden vischje, drie pitten van den Gnetum gnemon, een vrucht van den 
Inocarpus ednlis, een pinang, een sirih, een vingergreep tabak, een handvol djagong, 
een handvol katjang, een stuk Artocarpus incisa-vrucht met eenig tua of palmwijn, 
pakt dit alles in een pisangblad of in andere bladen bijeen en roept, staande in het 
midden van het huis des zieken, al de huwagi van Serang, Gorong, Kuur en andere 
eilanden op, vraagt hen wie hunner de gamala of ziel van den zieke heeft aange- 
houden en stelt den bewerker voor, haar in ruil tegen de spijzen terug te geven. 
Na zulks gezegd te hebben, werpt hij het pakje spijzen buitenshuis en laat aan de 
vier hoeken der woning groote vuren aanleggen, die veel rook ontwikkelen. Met 
ongelijke tusschenpoozen moeten de vuuraanleggers tevens hardop roepen : coo huwagi 
mëvaan lalauk lauk luma vukuwe, mödataan namianakunukomiu,» d. i. O suwanggi, 
ga ver van hier, ver van den huisrand; komt gij hier, dan zal ik u dooden. De 
sobosobo moet ook bekend maken welke booze geest, de kënita lolon, die in de 
nunuboomen, of de könita lian, die in groote steenen woont, den persoon heeft ziek 
gemaakt Is dit uitgewezen, dan begeven de bloedverwanten zich derwaarts, mede- 
nemende een kalapadop met eenig rijst en een ei er in, en spreken: «könita lolon 
ganu mevaha mangka töluu bei N.N. vi, nëdudul nata nëwaka vi,» d. i. Booze 
geest die den nunu bewoont, eet de rijst, het ei, maak N.N. beter, opdat hij goed 
kunne eten en drinken, loopen bergop en bergaf. Hetzelfde wordt vóór den steen 
wattt gedaan, wanneer de kënita lian den geest of de ziel van den zieke heeft vast- 
gehouden, omdat hij de rust der booze geesten heeft verstoord. De könitu of geesten 
der vaderen maken de levenden ziek wanneer zij spijzen verlangen, könitu dehe 
kolokolot, of wanneer zij sedert lang hun deel, kënitu ilahaa, niet verkregen hebben, 

wegens onverschilligheid van den betrokken persoon. Alsdan wordt aan de kënitu, 

14 



21Ö M W^atübpXa-ïïilanOek. 

op gelijke wijze als bq het huwelgk, door den huisvader, geoflTerd in het midden 
der woning van den zieke. Behalve deze offers, worden den zieke ook naar hunne 
meening geneeskrachtige kruiden, movun, toegediend. Ziekten ontstaan ook wel door 
overtreding der matuka-voorschriften. Het begraven van toovermiddelen om iemand 
ziek te maken is niet bekend. Bij ziekte van een zuigend kind is de moeder verplicht, 
daarvoor de geneesmiddelen in te nemen. Bij zwelling van ledematen is men gewoon 
te aderlaten, dasalat lalat. Het zieke deel wordt namelijk met een bambu tang, 
katan kounana, geknepen en daarna met een mes, tulik, gesneden. Men laat het 
bloed zoolang vloeien, tot de wond zich vanzelve sluit Ook wordt bg ziekten de 
methode van verhuizing, nawalu lumakolot, toegepast, omdat het huis te warm is 
of om de booze geesten te misleiden. De zieken worden in den regel door hunne 
bloedverwanten behoorlijk verpleegd. De wowowodol, framboesiae, en de kolikoli, 
scabies, worden met cataplasma van kruiden en wortelen belegd. Dé lepra-, mahigat 
sabalan, lijders, welke slechts zelden door overerving voorkomen, worden ter genezing 
naar Gorong gezonden, met de bladeren, schors en wortelen van den sökiki-boom. 
Het is den patiënt verboden gedurende dien tijd de kölita, Octopus rugosus, te nut- 
tigen. Bij het heerschen der pokken begeeft men zich naar de bosschen, om daar 
ellende te verduren en aldus tata latu kolaraa te verteederen. De meest mogelijke 
stilte moet tevens in acht worden genomen, om den matakena mahigat, heer 
ziekte, in den waan te brengen, dat alle menschen bezweken zijn. In sommige 
negariën heerscht de ichthyosis, die ook ingeënt wordt, in hooge mate zoowel onder 
oude als onder jonge vrouwen. Om ziekte uit een huis te verdrijven, daula mahigat, 
besprenkelt men de omwanding van binnen en buiten, en ook den vloer, met van 
Gorongers en Binongkoërs gekocht gewijd water. Om epidemieën in haren loop te 
stuiten, maken de negaribewoners eene prauw van gabagaba, wagu-wagun mahigat, 
van twee en een halven meter lengte, plaatst daarin eenige spijzen, als zes pisang- 
vruchten, een handvol djagong, een handvol katjang, een handvol ganemopitten, 
Gnetum gnemon, zeven gajang-vruchten, Inocarpus edulis, een drogen sagukoek, 
eene vrucht van de Artocarpus incisa, een kaladi, Colocasia antiquorum, een ubi, 
Dioscorea alata, een batata, Batatas edulis, een visch, een sirih en een pinang, en 
laat haar door een persoon met eene prauw ver in zee sleepen. Voordat deze echter 
de wagu-wagun mahigat aan zee en wind prijs geeft , moet hij zeggen : « mahigat matakena 
kaulehi luma kena, malasobol wanue snaang,» d. i. Heer ziekte, aan wal hebt gg 
thans geen woning meer (de woning is tot stof veranderd) ; vertrek van hier naar een rusti- 
ger of beter oord. Voorbehoedmiddelen, adiinaat, tegen ziekten worden zelden gebez^. 
Slechts degenen die deze van Todoreezen, Serangers of (ïorongers gekregen hebben , 
maken er gebruik van. Krankzinnigen, mansia omos, worden met wantrouwen behandeld. 

Als iemand in den nacht sterft, dan wacht men tot den volgenden morgen met 



DE WATUBELA-EILAKDEN. 211 

de kennisgeving aan de bloedverwanten, omdat de gamala, ziel, eerst tot bezinning 
moet komen; want naar het volksgeloof verkeert de ziel onmiddellijk na den dood 
in den toestand van iemand, die uit een boom valt, en in de eerste oogenblikken is 
zij verward en onthutst. Den volgenden dag echter worden geweerschoten gelost, 
ten blijke van het overlijden, en komen de bloedverwanten op gepaste wijze hun 
leed betuigen door weenen, niet door gillen. Als laatste eerbetoon brengen de 
bloedverwanten elk een stuk lijnwaad mede, om er den doode in te wikkelen. Eenige 
mannen gaan naar het bosch om sagubladribben te verzamelen en daarvan de kist 
te vervaardigen. Anderen verwijderen zich om het graf, baon, te delven, hetzij in 
de nabijheid der woning of buiten de negari, en vóórdat het lijk in zoet water ge- 
baad en in de lijnwaden gewikkeld wordt, werpt men boven uit het huis een kalapa- 
dop met djagongkorrels en een met katjang, Phaseolus-soorten , vijf hukunvruchten, 
Artocarpus incisa, een mand met kanaripitten, een tros pisang, een lakar inhoudende 
twintig stuks droge sagukoeken, vier kalapanoten, een aarden pot, een bord, tien 
ketu wortelen, Colocasia antiquorum, een mand met gamavruchten, Inocarpusedulis, 
honderd sirih-vruchten, tweehonderd pinangvruchten , versch en gedroogd, en een 
ledige kabilin, kleederdoos van palmbladeren, als aandeel voor den doode. Daarna 
wordt het lijk, mansiaa mataa, gekleed in een sarong en verder met tien stuks, 
door de bloedverwanten geschonken, lijnwaden omwikkeld. Onder het hoofd legt men 
twee doeken, onder den rug twee badjus, in den mond een gouden lekleku of oor- 
hanger en aan een der vingers steekt men een gouden ring. Ook wordt den doode 
gewoonlijk een snoer van twintig blauwe of roode koralen medegegeven, voor de 
eerste uitgaven in het zielenland. De handen van het lijk worden op de borst ge- 
kruist, en dit, na ingewikkeld te zijn, in de gabagaba kist, welke met Bambusa 
apus- of Gigantochloa maxima-vezelen wordt dichtgehouden, door twee mannen graf- 
waarts gedragen , onder het lossen van tal van geweerschoten. Aan de gasten worden 
tegen-geschenken gegeven. De lijken van edelen en aanzienlijken worden gewoonlijk 
niet begraven, maar op bepaalde plaatsen, meestal verhevenheden van den grond, 
onder een afdak nedergelegd. Den volgenden dag begeven zich twee mannelijke 
bloedverwanten naar de aanplantingen van den doode, mataa, om hem zijn aan- 
deel te geven door het omkappen van vijf pinangboomen, vier kanariboomen , zes 
gama- of gajangboomen , twee hukunboomen, vijf huka- of ganemoboomen , een 
pisangboom, drie sirihranken, twee tewelak of nangka-, Artocarpus integrifoüa, en 
zes kalapaboomen. Daarna bouwt men over het graf een afdakje, de kënituano, en 
wordt er aan het hoofd- en aan het voeteneinde een steen geplaatst. Slechts bij 
sterfgevallen onder de aanzienlijken worden er lijkfeesten, delega mata-mata, ge- 
vierd, doch evenmin gebeden tot de kënitu gericht of rouw gedragen. De lijken der 
kinderen worden op dezelfde wijze als die der volwassenen behandeld. Na de be- 
grafenis gaat de gamala of ziel naar den Teri, een berg van kalkvorming, op Oostr 



212 DE WATüBELA-ÈILANDËf^. 

Serang, doch keert gewoonlijk terug om hare lieyelingsplekken op het eiland, graven, 
woningen en tuinen, als schaduwen, aun of awun, te bezoeken. De nitu dergenen die 
in den krijg vallen, worden door tata latu kolaraa opgevangen en onmiddellijk in 
de wulan, maan, gebracht Deze komen zelden op aarde terug. De kënitu der 
voorvaderen worden dawatan of nusi genoemd; de oudere tokun en de oudste, die 
niet meer op aarde komen, bëlaban. De nusi verschijnen in den droom om de 
achtergeblevenen te waarschuwen en vertoonen zich ook tijdens de schemering als 
grijze schaduwen. Wie hen ziet, zal spoedig sterven. 

De door den doode achtergelaten goederen en verdere eigendonmien worden niet 
onder de achtergeblevenen verdeeld. Alle bezittingen blijven bijeen. Sterft de huis- 
vader, dan treedt de vrouw in zijne rechten; daarna de oudste zoon of dochter, en, 
zoo er geene erfgenamen in rechte lijn bestaan, de broeder of zuster van den echt- 
genoot Dochters die volgens de davakahaa gehuwd zijn, hebben geen recht op de 
bezittingen des vaders. Voor erfenis gebruikt men het gezegde: ijai ni of ijai nitu, 
van den vader of van de afgestorvenen. De oude voorwerpen, als koperen kanon- 
nen, gouden ketens en andere sieraden, die ninmier van de hand mogen worden 
gezet, noemt men ilagu of lailagu. 

De bevolking dezer eilanden voedt zich op onbepaalde tijden tusschen elf en 
één uur des middags en tusschen vijf en acht uur des avonds. Sagu suat en visch 
ikan zijn de hoofdbestanddeelen van het voedsel; voorts nuttigt men kastela wodol, 
in water gekookte djagongklossen , kakaluk kastela , gekookte fijngestampte ^ji^ong- 
korrels, kovoli katjang, vudi pisang, panggala en kuwi aardvruchten en eenige 
soorten van bladeren met kalapamelk of andere kruiden gekookt. Tot de dagelijksche 
spijzen behooren ook, behalve visch, kalaka krabben, watwatu schelpdieren en gulan 
kreeften. By plechtige gelegenheden worden geiten en hoenders geslacht Bedorven 
vleesch en visch wordt niet genuttigd. Van zout, sila, van (rorong ingevoerd, wordt 
weinig gebruik gemaakt Kolowater of gedistilleerde palmwijn wordt niet vervaardigd. Als 
stimulantia gebruiken de mannen en vrouwen sirih-pinang, dakadoboo. Beide sek- 
sen rooken tabak, dabuus tabaku, die echter ook wordt ingevoerd. Tot het omwik- 
kelen van tabak voor sigaretten bezigt men de bereide jonge areng-, nipa- en pisang- 
bladeren. Bij gemis van pinang kauwt men den wortel van den mumulboom. Sirih-vruchten 
worden door bladeren vervangen. Opium wordt niet verbruikt. 

Feesten worden zeer zelden gevierd, omdat door het slaan op de tiwal, trom, en 
daldala, gong, volgens het volksgeloof de booze geesten, die allerlei ziekten met zich 
medevoeren en van het eene eiland naar het andere zweven, allicht deze eilanden 
zouden aandoen. Door zich stil en rustig te houden, trekt men hunne aandacht niet 



xr/. 



2. 








</1^a3 j-üiii^aJiii/\avAj 



<5^"^^^^3oj^M^j^^^j-»i-»>>>;^-.>v> 



'S 

s 



3. 







IfïtriiLinr — ^ 



liiimimiiiiiiiiininiiiiiiiiMi: 



itfirvuLifP-^P 



- liiiniiÉiiiiiiiiminiiiÉriiÉiiii» 
: ' ' .■«.«t.Éi«i».i.....ii.iic 








Blz.213. 



DE WATUBELA-EILANDEN. 213 

Alléén bij het dekken van nieuwe woningen of bij huwelijken onder de aanzienlijken 
is het geoorloofd zich met zang en menaridans te vermaken. De zang, nagan, is 
geheel van Keeischen oorsprong, evenzeer als de menaridans, kilukdeli én loloi, waar- 
bij op de tiwal, trom, en daldala, gong, geslagen wordt. Ook bezigt men de vagu- 
vagus, eene fluit van bambu. De krijgsdans, op andere eilanden gebruikelijk, wordt 
hier niet uitgevoerd. Dobbelen of andere spelen van dien aard zijn evenmin bekend. 
De jongens spelen met pijl en boog, dakae tawan, en kleine prauwen, dawei soho 
lenga, aan het strand; de meisjes met kanarivruchten, dakae bula, ook wel samen 
met de jongens. 

Het jaar wordt in twee moesons verdeeld: den Oost-moeson, kolaha wana, enden 
West-moeson, alana dama. Den dag verdeelt men in naai morgen, kolantutu mid- 
dag en kolawaka avond. De maand, wulan, duurt van de nieuwe maan tot het 
laatste kwartier. De maanphasen ontstaan doordien de gamala of zielen der in den 
krijg gevallenen op bepaalde tijden aldaar de bosschen in brand steken. Bij zon-, 
kola natuman, en maan-, wulan natuman, eclips, denkt men dat er wijze lieden 
overleden zijn. Het ontstaan van wind egin, donder dudun, bliksem likit en regen- 
boog wohu wordt niet verklaard. Bij de ontginning der velden wordt op den stand 
der sterren, wituing, gelet. Een staartster heet tokun nabëluak. De windrichtingen zijn 
madamal noord, tëlangan zuid, timul oost en walat west. Aardbevingen, isu, die 
menigmaal voorkomen, ontstaan doordien de naka of draak, waarop deze eilanden 
rusten, zich in beweging stelt, om latu bumu te doen weten dat hij waakt. Stee- 
nen gereedschappen, dudun vo, uit den voortijd, worden als voorbehoedmiddelen 
bewaard. Men onderstelt evenwel dat het tanden zijn van den donder, gelijk de 
benaming dan ook aanduidt. 



ZESDE HOOFDSTUK. 



DE KEEl- OF EWAABU-EILANDEN. 



Ligging. QeogrmphiBche betobrgying. Aantal eilanden. Fonnatle. Bergen. BiTieren. Bos- 
schen. Moerassen. Meren. Ankerplaatsen. -Wegen. Berolking. Ursiwa. Urlima. Taal.Tradi- 
tien. Geschiedenis. Physisclie, intellectaeele en moreele eigenschapen. Coltiis. BQgeloof. 
Droomen. Eed. Aanleg negariSn. Hoisbonw. Arbeid mannen en vronwen. Nyrerfaeid. 
Handel. Voeding. Kleeding. Verminking van het lichaam. Standen. Bestnnr. Plichtplegfai- 
gen. Grondeigendom. Landbouw. Rechtspleging. Straffen. Oorlog en Trede. Verloving. 
Hnweigk. Zwangerschap. Ziekte. Dood. Zang, spel en dans. Kosmognosie. Voo r werpen 
nit den ouden tQd. 



De Keei-Ewaabu of Ewaw-archipel, die eene oppervlakte van ongeveer zestig vier- 
kante geographische mijlen beslaat en met welks bevolking de Nederlanders, na de ont- 
dekking door Willem Jansz. in 1606, reeds in 1623 betrekkingen van vriendschap 
en handel hadden aangeknoopt, ligt tusschen 131° 50' en 133® 20' Oosterlengte 
van Greenwich en tusschen 5° 5' en 6° Zuiderbreedte. 

Tot dezen archipel behooren de eilanden Nuhujuut of Groot-Keei, Nuhutawun of 
Keei Dula, Nuhuroa of Dulalao, Nuhututut of Rumareat, Tajando of Tajaad, Walir, 
Hiniaar of Kalapa, Kuur of Uur, Kalmeer of Kameaar, Kaidos of Skaat, Buun of 
Buui, Nuhujaan, Ivaat, Körud of Ekrood, Muruh, Watumuruh, Likantiil, Watvan- 
gaam, Araan, Weu of Nuhumeu, Watrereaan, Nus-ulaar, Waratneu, Draanan, 
Bandang of Rumuwadan, Suwaa, Ohimaas, Baeer, Watliroa, Ngovaan of Ngodaan, 
lir of Eer, Ngaav, Uut, Moanhujanat, Ubur, Taam, Nuniae,Nusreen, Onin, Vadol 
of Vadoa, Mangguur of Manguur, Warwahan, Reëe, Reëejanat, Lorbi,Karaan, Ko- 
rukut, Lesmanuk , Vaeer , Sekul, Waengan , Haëu , Nukuhai , Numgua, Verkikur , Howaa 
of Uhiwaa Amuut, Nohora, Letau-nidiu, Doannejanat, Budnuhulur, Nurein, Kaso- 
waan, Nuhuwatlus, Nuhutowau, Daar,Duvün,Nu8ular, Wathoboo, Wateel,Laboaeer. 
Watkad, Matotejanak, Watbud en Tungkoor; voorts de zoogenaamde Keei Tanembar, 
met name Nembar of Atnebar, Vaar, Nuhutaa of Nustaa, Wetir, Waingaa, Uur, Manir, 
Worbaal , Ngirit , Selaar, Wahaa , Warahu , Lik , Utiir, Uhiwaa, Jereaan , Watukmaas, Nai, 
Nuhutül, Dubliliin enTongowain. Bewoond zijn de eilanden Nuhujuut, Nuhutawun, Nu- 
huroa, Nuhututut, Tjgando, Hiniaar, Kuur, Kaimeer, Taam en Nembar of Ataiebar. 



DE KEEI- OF EWAABU-EILANDEN. 215 

De overige onbewoonde eilanden behooren aan de verschillende negariën , op de hier- 
voren genoemde eilanden aanwezig, als: Watumuruh aan de negari Aad; Nuhujaan 
aan de negari Elat; Ivaat, Eërnd en Mumh aan de negari Enralan of Elraan; 
Likantül en Watvangaam aan Ohiraat ; Araan aan de negari Larat; Weu en Watrereaan 
aan de negari Veer ; Nusulaar aan de negari Ngavaan; Leheu aan de negari Tatreaan — 
alle negariën op het eiland Nuhiyuut gelegen — ; Moanhiganat aan de negari op het 
eiland Nuhuroa gelegen — ; Draanan en Bandang aan de negari Tamadaan;Ngovaan, 
lir, XJnt en TJbur aan de negari Tual; Worbaal, Wahaa, Tarwaa, Lik en Dubliliin 
aan de negari Dula — alle negariën op het eiland Nuhutaiian gelegen — ; Ngaav 
en Ngodaan aan de negari Ohidiir-warat ; Suwaa, Ohimaas,Baeeren Watliroaaande 
negari Letmaan ; Manir aan de negariën Ohiraa en Sumlaan , alsmede voor een gedeelte 
aan de negari op het eiland Atnebar — ; Taam , TJtiir , XJhiwaa , Watukmaas , Nai, Nuhutiil 
en Tongowain aan de negari Dabuut — alle negariën op het eiland Nuhututut gelegen — ; 
Warahu en Jereaan aan de negariën op het eiland Tajando — ; Onin,Mangguuren 
Vadol aan de negariën op het eiland Walir — ; Nuniae en Nusreen aan de negari 
op het eiland Taam — ; Eaidos en Buun aan de negari op het eiland Kalmeer — , 
en Vaar, Nustaa, Wetir, Waingaa,Uuraan de negari op het eiland Nembar gelegen. 

Het eiland Nuhujuut is van tertiaire mioceen-vorming en bereikt aan de noordzijde 
eene hoogte van ongeveer 400 tot 500 meters. De eilanden Nuhutawun, Nuhuroa, 
Nuhututut, Kuur, Vadol, Onin en Man^uur, die blijkbaar nog rijzen, hebben op 
sonmiige plaatsen eene hoogte van niet meer dan dan 240 meters en zijn van jongere 
koraalformatie. Eveneens de eilanden Tajando, Buun en Kaimeer, wier hoogste punt 
op 80 meters kan gesteld worden. Bergen van eenigen vorm en beteekenis treft men 
alleen aan op Nuhujuut; hunne toppen, genaamd Woho, Wutun, Wohonohonit, 
Oheledkorad, Wajeu of Wahieu, Boo, Kaar, Tukraa, Daab,Elwood,Balroë,Kalerat, 
Watnagehaa en andere, kunnen duidelijk uit zee worden herkend. Kleine beekjes, 
howar, vindt men alleen op Nuhujuut, als: de Wajarmoor bij de negari Ohitoom, 
de Wajardaab bij Matohoat, de Wajamgus bij Lerohiliin, de Wajarvao bij Elat, 
de Wajarjarbuut bij Elraan enz.; op de overige eilanden verkrijgt men het zoet 
water uit bronnen. Op Nuhutawun bevinden zich , behalve vele moerassen , vooral in den 
regentijd, verscheidene meren, waarvan dat van Wareen bij de negari Dula het 
belangrijkst is. Al deze eilanden zijn met zware bosschen bedekt. Op het gebied van 
de negariën Aad en Muun wordt veel rotan, uu, en overal op de meeste eilanden 
de bambu, ewan, onder de namen ewan wuur, ewan ngunit, ewan temar en ewan 
wuur mantilur aangetroffen. Uit hoofde van de jaarlijksche ontgmningen zijn de bos- 
schen op Nuhujuut veel verminderd. De kusten van dit eiland loopen steil in zee af; 
slechts bij enkele negariën, als Elat, Maar, Nirun, Larat, Veer, Langgiar, Eli, 
Haar en Ohiraat vindt men ankerplaatsen. Tusschen Nuhutawun en Nuhuroa vindt 



216 DE KEKI- OF EWAABÜ-EILA14DEN. 

men een goed vaarwater om naar de ankerplaatsen Dola en Taal te gaan. Bij de 
eilanden evenwel die den zoogenaamden Keei-Tanembar-archipel uitmaken, kan op 
verscheidene plaatsen geankerd worden. Wegen, harbaa, of eigenlijk voetpaden, ver- 
binden de negariën onderling en zijn ook wel dwars over het eiland aangelegd. Het 
klimaat is uitstekend. 

Het aantal zielen werd in 1882 geschat te bedragen op 



Nuhujuut 


5880 zielen 


Nuhutawun 


2352 * 


Nuhuroa 


391 » 


Nuhututut 


5324 » 


Tajando 


665 » 


Hiniaar 


476 » 


Kuur 


1151 » 


Eaimeer 


195 > 


Taam 


790 * 


en Nembar of Atnebar 


322 » 


d. i. te zamen 17,546 zielen. 





De bevolkmg dezer eilanden is, als een gevolg van Temataanschen en Todoreeschen 
invloed, reeds y66t 1606 in twee deelen, de Ursiwa en TJrlima, verdeeld. De invloed 
dier vreemde indringers duurde tot 1815, wanneer het Engelsch tusschenbestuur 
daaraan een einde maakte. Op het eiland Nuhujuut rangschikt men tot de Ursiwa 
de negariën Waer, Hoor, Laar, Aad, Muun, Elat, Baharin, Werkaa, Ohieli, Waor- 
tahid, Jamtiil, Wakoo, Bieru, Kilwaer, Watuahaan, Hoat, Watlaar, Ohivruaan, 
Eli, Renvaan, Hangiar, Haar, Ohiraat; en tot de TJrlima de negariën XJwat, Maar, 
Weer, Elraan of Enralan, Lerohilün, Watuar, Matohoat, Niran, Larat, Tamengiil, 
HoatjSunge, Ngavaan, Langgiar, Kilwaat, Satheer, Tutreaan, Waeduar, Ohirenaan 
en Ohiwaet; — op het eiland Nuhutawun tot de Ursiwa de negariën Depur, Tama- 
daan, Lebtaab, Lahangerit, Dula, Ngadi, Vanit, Vatraan, Ohiwatiar, Ohiteel, Ohi- 
tait, en tot de Urlima de negariën Dumaar, Tu^ en Taar; — op het eiland Nuhu- 
tutut tot de Ursiwa de negariën Ohiraa, Sumlaen, Matuaer, Ohidür-warat, Uuv, 
Danar, Lumugorong, Lakiil, Abeaan, Ohisoo, Waen, Lotmaan, en tot de Urlima 
de negariën Ngurvuan, Ohirenaan, Numar, Saosiulaer, Dabuut, Diaan, Tetoat, 
Ngurit, Ohibadar, .Waab, Raat, Rumuat, Biwawa, n)raan, Sathean, Vaar, 
Wuar, Langguur, Ohidjaang, Kuiseer, Kalanit, Dudunuhaan en Ohidiir-timur. Op 
het eiland Nuhuroa behooren al de negariën tot de Ursiwa. Als hoofd der Ursiwa, of 
liever de primus inter pares, wordt aangemerkt de raat van Dula; van de Urlima 
de raat van Veer als oudste, en de raat van Nirung als jongere broeder. Het 



DE KEEI- OF EWAABU-EILANDEN. 217 

is den TJrsiwa verboden, bij de hoofden der Urlima klachten in te dienen, of 
omgekeerd. 

Met uitzondering van de negariën Wadan Eli met de onder-kampongs Wuntel en 
Wuutwaw, Wadan Nganrlamasan of Elat en Wadan Ohiwaet, bewoond door de af- 
stammelingen der oorspronkelijke bevolking van Bandang, Wadan, die in 1621 her- 
waarts vluchtte, zoomede die op de eilanden Kuur, Eaimeer, Taam en Atnebar 
of Keei Tanembar, wordt op de Keei- en Tajando-eilanden slechts ééne taal, de weu 
Ewaab, gesproken. 

Naar luid der traditiën zijn de voorvaderen der oorspronkelijke bewoners van de 
Eeei-eilanden van den lanit, het uitspansel of de zichtbare uitgestrektheid boven de 
wolken, afkomstig. Drie broeders, met name Hian, Tongiil en Parpara, en twee 
zusters , genaamd Bikeel en Meslaang, woonden voorheen boven de aarde. Op zekeren 
dag ging Parpara met den haak van den oudsten broeder op de wolken, mutaan, 
visschen en verloor den haak. Hian, deswege vertoornd, gelastte hem den haak 
terug te halen. Parpara begaf zich in de prauw en dook in de wolken. Na veel 
vmchtelooze inspanning ontmoette hij den 'visch Elliboban , welke hem vroeg wat hg 
daar deed. Parpara deelde alles mede en de visch beloofde hem naar den haak te 
zullen zoeken. Na eenigen tijd ontmoette Kiliboban den visch Kerkeri, welke herhaalde- 
Igk kuchte. Kiliboban vroeg wat hem deerde en kreeg verlof Kerkeri's keel te onder- 
zoeken, alwaar hij den haak vond, dien hij Parpara terugbracht Hian verwonderde 
zich hierover, doch Parpara zon nu op allerlei middelen om zich op hem te wreken. 
Op zekeren dag , terwijl Hian in zijne hut lag te slapen , hing Parpara een bambu 
met sagero of palmwijn, een zeldzaam en kostbaar artikel in den lanit, boven zijne 
legerstede, en wel zoodanig, dat wanneer hij opstond, de bambu moest omvallen, 
en de drank wegvloeien. Dit geschiedde, en Parpara eischte dat Hian de bambu 
weder met de verloren sagero zou vullen. Hian toog beschaamd aan den arbeid 
en groef een gat in den bodem van den lanit, zonder evenwel de sagero te vinden. 
Na geruimen tijd voor de opening gestaan te hebben, zeide een der broeders: chet 
is toch goed dat wij weten wat hieronder ligt; wij zullen een onzer honden aan een 
touw vastbinden en naar beneden laten.» Aldus werd gedaan. Toen de hond weder 
naar boven werd gehaald, zagen zij dat er wit zand aan de pooten kleefde en be- 
sloten zij naar beneden te dalen. De overige lanitrbewoners konden zij echter niet 
tot hun voornemen overhalen. Toen de vrouw Meslaang, de laatste die langs het 
touw naar beneden ging, dicht tot de aarde genaderd was, hieven hare broeders de 
oogen op en zagen hare pudenda. Hierover vertoornd en beschaamd, schudde zij aan 
het touw en werd door de overige lanitrbewoners weder omhoog geheschen. De plaats 
waar Hian, Tongiil, Parpara en Bikeel met hunne vier honden, Kopul, Wakar, 



218 DE KEEI- OF EWAABU-EILANDEN. 

Senganr en Pataras genaamd, op de aarde neerkwamen, heette Wnat, eene plek 
op Nuhiyuut, die thans nog in eere wordt gehouden. Andere negariën werden be- 
volkt door personen, die uit opengespleten manggaboomen , Mangifera foetida, te 
voorschijn traden, gelijk Taslaan en zijne vrouw Dituhuu; nog andere door lieden, 
die uit het water of den grond voortkwamen, zooals Veme en Kian, die met den 
bast van den hukboom zich kleedden. De eerste bewoners van Nuhuroa zijn uit den 
bloesem der pinang gekomen. Volgens oude overleveringen stond het eiland Nuhu- 
tawun nog onder water, sosoar, toen Nuhujuut reeds bewoond was. Het overige 
gedeelte der bevolking is van Serang, Gorong en Bandang afkomstig. Papuasche 
zwervers van Karas, Batur, Vaar, Patumonin en Kapaur vestigden zich hier ook en 
huwden met de vrouwen des lands. Enkele hoofden van Nuhutawun, als van Dula 
en Tual, zijn van geheel vreemden oorsprong. Hunne voorvaderen hebben zich aldaar 
gevestigd tijdens de Temataansche en Todoreesche heerschappij over een groot deel 
der Molukken. De eerste bewoners van Kalmeer en Kuur kwamen vtm Maubesi , 
eene landstreek in het- Portugeesch gedeelte van Timor. 

In 1622 sloot J. Carstensz. uit Leer een verbond van vriendschap met de hoofden 
en oudsten van Haar, Laar en Aad. Bij tractaten van 28 Nov. 1661, 12 Maart 
1664 en, voorzooveel het eiland Kuur aangaat, 25 Maart 1645 kwamen deze 
eilanden successievelijk onder de heerschappij derVereenigde Oost-Indische Compagnie, 
die nog v6<5r 1636 een onderkoopman en den predikant Jan Jansen te Elat op Nuhujuut 
plaatste, van waar zij evenwel kort daarop naar Haar verhuisden, ten gevolge van 
de opruiing der bevolking door de Mangkasaarsche handelaren en de oorspronkelijke 
bewoners der Bandang-eilanden, die na de tuchtiging door J. P. Koen in 1621 zich 
gedeeltelijk op Groot-Keei gevestigd hadden. Deze bezetting schijnt in 1697 ingetrokken 
te zijn. In 1648 werden op dit eiland de noteboomen tegen een gering geschenk 
uitgeroeid. Dit werd in 1658, 1665, 1673, 1694,1713 en 1729 tot groote ergernis 
der bevolking herhaald. In 1750 dreven de burgers van Bandang nog handel met 
de Keei-eilanders, welke evenwel later voorgoed in handen van Mangkasaren kwam. 
Na de overneming der Molukken van de Engelschen in 1816 werden deze eilanden 
op onbepaalde tijden door gouvemementsafge vaardigden bezocht, om de door de be- 
volking gekozen hoofden in hun rang te bevestigen en aanhangige zaken af te doen, 
totdat in 1882 te Dula, eiland Nuhutawun, een posthouder of vertegenwoordiger der 
Regeering werd geplaatst, die echter tot dusverre nog weinig te bevelen heeft. Voor 
de beschaving der bewoners wordt niets gedaan. 

De van de oorspronkelijke bewoners afstammende bevolking, met orthodolicho- en 
mesocephaalvormige schedels, is gespierd en welgemaakt. Zij is lichtbruin van Ueur 
en sluikharig, murun anlalai. Slechts weinigen hebben golvend haar, muruloloo. De 



DE KEB3- OF EWAABU-EILANDEK. 219 

lengte der mannen is gemiddeld 1.71 , die der vrouwen 1.60 meter. Velen onder hen 
z^n dik, doch slechts weinigen behaard, omdat de gewoonte medebrengt, het 
haar onder de oksels en op den pubes te depilleeren, entuur. De heidensche of 
zoogenaamde Alivuru mannen laten hun hoofdhaar lang groeien, murun abloat, om 
den met gekleurde vogelvederen versierden bambu kam, hua manuwuun, te kunnen 
dragen. Mannen en vrouwen hebben kleine handen en voeten. De eersten hebben 
breede, goed ontwikkelde borsten; die der jonge vrouwen zijn groot en vol, met den 
tepel pjrivormig vooruitstekende. De oogen zijn elliptisch, met zwarte appels. De 
neus is klein, maar goed gevormd; de tanden daarentegen zijn grooi De oorenzijn 
van het meerendeel klein, staan van het hoofd af, en worden verminkt door tal van 
gaten, ook aan het bovengedeelte. De stem is rauw en hard; die der vrouwen zelfs 
gillend. Onder de bevolking treft men ongeveer twee procent aan, die van Papua- 
schen oorsprong zijn, met kroeshaar, murun kuuk. Onder de mannen ontmoet men 
vele, die aan ichthyosis en vitiligo lijden. De vrouwen, die blijkbaar zindelijker zijn, 
wrijven hare huid onder het baden , aliruk , met een soort puimsteen en wasschen heur haar 
met het sap van den Citrus hystrix en Cocculus glaucus. Zij geven aan effen roode wulwul , 
gele tumtum, zwarte angmetan, witte ngiar en blauwe birbir kleur de voorkeur. 
Albino's, kadut, worden zelden gezien. Hermaphroditen, vivahe dik, komen menig- 
maal voor. Het tatueeren, belbel, is niet ongewoon, doch de aangewende figuren 
zijn klein, meestal kleine monsterachtige afbeeldingen van vogels en visschep. De 
vrouwen laten zich alleen op de armen, de mannen ook op de borst prikken. Onder 
de jonge vrouwen ontmoet men goed gevormde, aangename gezichten met dunne 
lippen, wanneer zij nog niet aan het gebruik van -sirih-pinang verslaafd zijn. Over 
het algemeen zijn de vrouwen schuw in tegenwoordigheid van vreemdelingen. De 
kinderen echter geven geen blijken van vrees. Niet alleen de Mohamedanen, maar 
ook de zoogenaamde Alivuru of heidenen zijn min of meer beschaafd en hebben 
eenige vormen. De bewoners zijn jegens elkander zeer hulpvaardig; bij het bouwen 
van huizen en prauwen en het ontginnen der velden helpt de een den ander. Neven 
en nichten mogen niet met elkander huwen. Het is niet geoorloofd tegen vrouwen 
of in het bijzijn van kinderen ongepaste woorden te bezigen. Ontucht, ngarihitaeran, 
wordt veelvuldig onderling gepleegd en het geslachtsverkeer is bij ongehuwden vrij, 
doch het wordt als eene groote schande, meak, aangemerkt, wanneer vrouwen zich 
met vreemdelingen afgeven. Mohamedaansche vreemdelingen, Arabieren, araav, en 
Mangkasaren, angmaswaar, mogen op de mohamedaansche wijze, of volgens de 
regelen der aengaam, godsdienst, met mohamedaansche vrouwen huwen. De mannen 
komen gaarne met vreemdelingen in aanraking. Beide geslachten zijn zeer ijver- 
zuchtig, nasutun. In 't oog vallend is op de Eeei-eilanden de gehechtheid der bloed- 
verwanten onderling, en de eerbied, welken de jongere familieleden den ouderen 
toedragen. De mam vader, nein moeder, miming oom, awan tante, aang oudste 



220 DE KEEI- OP EWAABU-EHANDEN. 

broeder of zuster, ejanan jaan oudste kind, ejanan warin wur iw jongste kind, wari- 
anar neef en nicht, ubun taran grootvader, ubun te grootmoeder, ubung kleinkind, 
nisin achterkleinkind wonen steeds bij elkander. Eüjtt een echtgenoot lang yan huis, 
dan zendt de vrouw hem eene droge vrucht van den Capsicum fastigiatum, in een 
stuk oud lijnwaad gewikkeld, als benaat lavar maluhuu of teeken van gebrek en 
droefheid. Bij ontmoeting van vrienden of bekenden kust men met den neus, anhu- 
mak, en bestrijkt elkander met de handen. Vriendschapsbetrekkingen, nunggaa, sluit 
men door wederzgds geschenken te geven.. 

Onder de mohamedaansche bevolking der Eeei-eilanden is de leer van den islaam 
zeer gebrekkig bekend. Dit zal echter verbeteren door de jaarlijks toenemende zucht 
om ter bedevaart te gaan. De heidenen of Alivuru vereeren den duadleera wuan of 
duang lerwuan , die zijn verblijf houdt in den lanit of het uitspansel Deze vertegen- 
woordigt als zon het mannelijk beginsel, dat de maan eenmaal 'smaands, \66t het 
eerste kwartier, en de aarde bij het doorkomen van den Westmoeson vruchtbaar maakt 
of bevrucht Bij negarifeesten worden aan duadleera wuan offers gebracht Dit noemt 
men sob duadleera wuan. Bij het bouwen van woningen wordt tevens aan den 
nittanat, aardgeest, of wel aan naang, den draak die de aarde draagt, geofferd. De 
beschermgeesten, de genii loei, die y66t den ingang of in de negari zijn geplaatst 
en den algemeenen naam van sëdeu of duad dSu dragen, zijn de nitu der voor- 
ouders, die het eerst de negari hebben bevolkt In elke Alivuru-negari treft men 
een rahan metuu aan, de plaats waar aan sëdeu door de metuduaan, zgnde de 
rechtstreeksche afstammelingen •van de grondleggers der negari, gewoonlgk eenig 
rijst, een stuk lever, jatan, en het hart, huaan, vtm een varken, zoo noodig op 
een houten bak, bahan, geofferd wordt Geen der negarigenooten mag zonder bemid- 
deling van den metuduaan aan sëdeu offers brengen. Sommige sQdeu, die in staande 
houding afgebeeld zijn, hebben op de hoogte van den umbilicus eene opening, waarin 
de offers worden neergelegd. De beschermgeest van de Keei Tanembar of Atnebar- 
eilanden heet tungeel, nittungeel, die in drie steenen beelden vóór den ingang der 
haven komt, om de offers te nuttigen. De booze geesten wonen in holen en in groote 
wawuboomen, Mcus altimeraloo Rxb. Heeft men iets noodig, wil men ten oorlog 
of over zee gaan, moet men tuinen ontginnen of is iemand der bloedverwanten ziek, 
dan bidt en offert men, veloor nit, op de graven, hawut tataen, der voorouders. Bij 
ziekte, het over zee gaan, rohoba, of bij huwelijk offert men op de navolgende wijze. 
Men neemt een stuk sagu, een gepoften visch, vier kanarinoten, een sagukoek, een 
weinig tabak, een sirihblad en een pinangnoot, en legt deze op een bord, hetwelk 
men op de noang nawai of offerplaats in het dak zet; de spijzen z^n voor de nit 
of nitu, geesten der afgestorvenen, bestemd. Men bidt voorts bij ziekte : «maammoang 
mür intubhee wuut, mangaa, maneran, ekbaak, isu, emtalik iwun etwaan sosohut,» 



xxn. 







Blz.220. 



DE KEEÏ- OP EWAABU-ETLANDEN. 221 

d. w. z. Uw aandeel heb ik hier nedergelegd: visch, saga, sirih, tabak, pinang; 
laat voorbijgaan de ziekte; — bij het over zëe gaan: «nit moang miir intubhee 
wuut, mangaa, maneran , ekbaak, isn, jaau hobaa o embatangi, vorelaang rül su 
tanat Ewaw voduk na saksak memam,» d. w. z. (ïeest, uw aandeel heb ik hier 
nedergelegd: visch, sagu, sirih, tabak, pinang; ik ga over zee, zorg er voor dat ik 
in welstand in het land van Keei terugkeere, dan zal ik uwen naam prijzen. Na den 
terugkeer worden ex voto giften geoflFerd. Bij. huwelijken zegt men : «nit moang miir 
intubhee wuut, mangaa, waneran, ekbaak, isu, Djakuma Sikiriu ravao reskein mele- 
hein vortu uu janat war vong leed,» d. w. z. Geest, uw aandeel heb ik hier neder- 
gelegd: visch, sagu, sirih, tabak, pinang; Djakuma is met Sikiriu gehuwd, laat ze 
gelukkig worden en veel kinderen krijgen. Geschiedt dit zonder resultaat, dan is men 
bij ziekte gewoon, ook aan sëdeu te oflFeren. Tot dat einde wordt aan den matuduaan 
een vet varken verstrekt, hetwelk, nadat hij de lever en het hart gekookt heeft, 
door dezen met eenige rijst voor södeu wordt gebracht, terwijl hij bidt: «metuu 
muoot uien suhut emtaliki,» d. w. z. Geest, of matakau, doe de ziekte in het 
lichaam ophouden. Het varken wordt daarna, op verschillende wijzen toebereid, aan 
de negarigenooten te eten gegeven. Twee dagen daarna wordt de bak met het offer 
aan sëdeu weggeworpen. In den slaap verlaten de zielen het lichaam, angmaan 
anlawuk in badaan, en ontmoeten elkander in den droom. De lares en penates van 
het mannelijk en vrouwelijk geslacht, die op eene bepaalde plaats boven het huis 
vóór de trap gelegd worden, en aan wie door den huisvader, die tevens priester is, 
dagelgks offers worden gebracht, heeten wadartaan ofwadartaav, beschermers, zijnde 
afgevaardigden van sëdeu. De zielen der afgestorvenen, angmaan of nini, die later 
nitu worden, begeven zich onmiddellijk naar Baer en Ohimaas, twee eilanden be- 
noorden Nuhuroa. Vernemen de voorbij varenden het geruisch der feesten, de gong- 
en tivaslagen op deze eilandjes, dan zal een der aanzienlijken onder de bevolking 
spoedig sterven. De nitu vertoonen zich op aarde als schinunen, schaduwen , mawan 
of mawad, van den mensch — die der Papua's nemen ook de gedaante aan van 
maan vogels of jahau honden — en hebben de macht de levenden te bevoordeelen 
of te kwellen. Het is niet volvolik of verboden, de namen der afgestorvenen uit te 
spreken, mits dit met eenig doel geschiede. Lieden uit andere negariën mogen niet 
op de watvolvolik, den gewijden steen, of op de graven offeren. Dit kan alleen op 
hun verzoek door den metuduaan tegen betaling geschieden. Wanneer de geesten of 
nitu der voorouders niet gespijzigd worden , maken zij de achtergeblevenen ziek door 
hunne ziel aan te houden, weshalve er op het graf gebeden en sagu, visch, sirih- 
pinang en tabak op een bord geofferd wordt. Het gebed luidt: «oh nit ejamad ubun 
taran harmat haru vainur, biruwang ekbaak isu, wuut, mangaa, ëmdikin niniiau 
emtaka lihe deedlean, ëmdikin ilamaa emtoak den rumunkumur emdon,» d. w. z. 
O afgestorvene ouders, vaderen die vroeger en onlangs overleden zijt, hier hebt gij 



222 DE KEKI- OF EWAABU-EILANDEN. 

aw aandeel aan tabak, pinang, sirih, visch en saga; laat de ziel (van den zieke) 
terogkeeren; wellicht dwaalt zij ergens onderweg, jaagt haar met spoed terog naar 
haar lichaam, dat hier ligt In de meeste negariën, of daarbuiten, vindt men één 
of meer gewijde steenen, by. te Tamadaan de watang lawar, te Ohitait de revut 
lakaes en mawur bes. Vele vooruitstekende punten of kapen zijn tevens heilig, als 
die van Serbat en Duur, alwaar de draak of naang zijn verblijf houdt. Niemand 
mag daar brandhout sprokkelen of, er langs varende, op die hoogte luidruchtig 
spreken, spuwen, of ongepaste woorden uiten. Dusdanige overtredingen moet men 
met zware ziekten boeten. 

De mohamedaansche negariën opNuhujuut zijn Elat, Matohoat, Tamengül, Hoat, 
Sunge, Ngavan, Langgiar en Eli; voor de helft de negariën Elraan, Nirun, Larat 
en Veer; terwijl de bewoners de negariën Waer, Haar, Laar, Ohitum, Ohiwoban- 
raan^ Ohisurukohoi , Ohimur, Haaromtesi, Wasiar, Ohiserkeu, Ohitaduun, Ohiren- 
guur, Ohingaav, Ngurwau, Ohitoom, Hokoo, Varwas, Eereaan, Walduar, Ngevut, 
Waorrangan, Dabaheeng, Hirin, Sabi, Ohinbingan, Watlaarohoi , Wadaeel , Naejaan , 
Ohilub, Aad, Muun, Uwat, Maar, Weer, Baharin^ Lerohilün, Werkaa, Watuar, 
Kilwaat, Satheer, Tutreaan, Waeduar, Ohirenaan, Ohiwaet, Ohieli, Waortahid, 
Jamtiil, Wakoo, Biru, Kilwaer, Watuahaan, Hoat, Watlaar, Ühivruaan, Renvaan, 
Hangiar, Hoor en Ohiraat uit heidenen of sëdeu-aanbidders bestaan. Op het eiland 
Nuhuroa vindt men slechts ééne mohamedaansche negari, Tawaniohuit, tegen drie 
heidensche, met name Duroa of Dulalao, Moaa en Uweaar. De mohamedaansche 
negariën op Nuhutawun zijn Dula, Ngadi en Tual; de overige negariën, met name 
Depur, Tamadaan, Lebtaab, Lahangerit, Dumaar, Namseer, Vidwetaan, Amar, 
Daniil, Taar, Vanit, Vatraan, Ohiwatiar, Ohiteel en Ohitait, worden voor de helft 
door heidenen bewoond. Op Nuhututut vindt men in de negariën Tetoat, Ngurit, 
Ohiraa, Danar, Lumugorong en Lakül enkele Mohamedanen; in de overige negariën , 
met name Ngurvuan, Ohirenaan, Numar, Saosiulaer, Dabuut, Diaan, Ohibadar, 
Waab, Sumlaen, Matuaer, Ohidiirwarat, Uuv, Abeaan, Baat, Rumuat, Biwawa, 
Ohisoo, n)raan, Sathean, Vaar, Ohidjaang, Eulseer, Ealanit, Letmaan,Ngilngood, 
Elimanut,Kelien, Tadboo, Letwaan, Ëwan, Ngagbub, Warwuu, Medewat, Jatwau, 
Ohiseb, Ohitamat, Lumaevar, Ngursuin, Ngurwul, Wuar, Marvuun, Ohinuul, en 
Ohidür-timur, slechts heidenen. Op Tajando en Walir, Kuur, Eaimeer en Taam 
wonen Mohamedanen en heidenen door elkander. De bevolking van Atnebar is 
heidensch. 

Ten einde onkwetsbaar te zqn, ziekten te voorkomen en booze geesten of suwanggi 
bevreesd te maken , gebruikt men allerlei voorbehoedmiddelen in den vorm van arm- 
en halsbanden, of in de sarong vastgenaaid. De middelen, uit verscheidene wor- 
tels bestaande, noemt men asimaat awaar; papieren talismans heeten asimaat babaan. 



DE KEEI- OP EWAABÜ-Kn.ANDEK. 223 

Ook bezigt men tot dat einde een zwarten steen , watsibit — sommigen ook wel de 
sasaot dadaan of zoogenaamde dondersteenen — die in elk huis door den huisvader 
aan het hoofdeinde zijner slaapplaats bewaard wordt. Gaat men ten oorlog , over zee , 
of ten handel, dan bestrijkt men dezen steen met kalapa-olie, ngun-uur, om succes 
te hebben. In buitengewone gevallen wordt aan dezen steen de dibaan-vrucht geofferd. 
Het is verboden, volvolik, wanneer de man op zee tangiri, atnir, vischt, dat de 
vrouw of een der overige huisgenooten iets afgeeft; zelfs mag men eene schuld niet 
kwijten vóórdat de man is teruggekeerd. Voorts mag men niet werken, wanneer er 
een lijk in de negari is. Als de mannen ten oorlog moetentrekken, mogen zij eenige 
dagen tevoren geen conjunctio venerea uitoefenen. Als zij tot den krijg zijn uitge- 
trokken, dan is dit tevens volvolik voor de achterblijvenden. Is iemand naar het 
bosch gegaan om hout voor zijn huis aan te kappen, dan mag niemand zijne woning 
binnentreden. Zijn er gaöten in de negari geweest, dan kan men den volgenden dag 
niet naar de velden gaan. Ook is het niet raadzaam, wanneer iemand is uitgegaan 
om eene jonge vrouw, watwat amnelat, uit eene andere negari te halen, diens huis 
binnen te treden of te verontreinigen, Ongehuwde jonge mannen, baran tawerwer, 
mogen op reis geen ubi, een, eten. Vele lieden zijn bevreesd de graven voorbij te 
gaan, omdat de aldaar aanwezige nitu hen ziek zou maken of hun ziel, angmaan, 
vasthouden* Om de toekomst te voorspellen, daan, worden door den toovenaar ook 
kalapa nuur, pinangbloesem isu aar, eieren mantiluur, pinang isu, alsmede de in- 
gewanden der varkens, ngiwuur waw, geraadpleegd. Kruiden, met sirih-pinang op 
bijzondere wijze gemengd, ook met vrouwenhaar, met andere ingrediënten in eene 
kanarivrucht gedaan en daarna ergens in een hoogen boom opgehangen, worden als 
aphrodisiaca, kaskas, door mannen aangewend. Tot hetzelfde doel bezigen zij even- 
eens de jonge bladeren, roan nuwu, van den bölubboom, waarmede men, na ze fijn- 
gestampt te hebben, het lichaam besmeert, zeggende: «uaa roan o, jovook waed, 
jowasil waed, jotahava vongamoen naheer Masneo (naam der vrouw) voan turuun,» 
d. i. Ik neem de bladeren, ik jok niet, ik lieg niet, ik ben oprecht, ik verlang zeer 
dat Masneo mij lief krijge. De vrouwen bezigen door haar zelven toebereide sirih- 
pinang als middel om de mannen tot zich te trekken, onder het uitspreken van 
tooverformulieren. Het geschreeuw van vogels, meest Dacelo-soorten, met deze of 
gene bijomstandigheid gepaard, kan ten goede of ten kwade worden uitgelegd. Om 
regen te verdrijven, neemt men onder meer een stuk hout, bevestigt daaraan een 
weinig gomutu of vezelen van de Arenga sacharrifera, en zwaait of schermt daar- 
mede in de lucht Om de velden productief te maken , neemt de landman eene oude 
en eene jonge kalapavrucht, betoovert deze op de gebruikelijke wijze en legt ze daarna 
op bepaalde plaatsen in het veld neder. Om de vruchten te doen rijpen en tegen 
diefstal te beveiligen, plaatsen de eigenaars de metuu of matakau onder de boomen. 
Degene, die de vruchten plukt, zal ziek worden. 



224 DE KEKI- OF EWAABÜ-EILANDEN. 



In den droom, miiv, staat men in betrekking tot de geestenwereld. De nachtmerrie , 
naatrauv, ontstaat doordien een booze geest in menschengedaante,door op de borst 
te drukken, den slapende plagen wil. Droomt men van afgestorvenen dat zij iets 
komen mededeelen of aanwijzen, dan moet men dit opvolgen; wanneer zulk een 
afgestorvene niets zegt, met den slapende eet en drinkt, slaapt of loopt, dan is dit 
een slecht omen en doet men goed, zoo spoedig mogelijk in een bord op het graf 
katupa, sagu, visch, vier kanarinoten, een weinig tabak, en pinang- en een sirih- 
blad te offeren. Droomt iemand dat hij een boom of een berg beklimt, anseeb ai en 
anseeb wuar, dan zal hij gelukkig worden; dat hem een tand uitvalt, dan zal een 
zijner familieleden sterven ; dat een zijner oude borden , bingan haaru , breekt , dan 
zal een van zijne slaven sterven; dat een python zich om den hoofdpaal van zijn 
huis wikkelt, dan heeft iemand het voornemen hem te dooden; dat zijn lichaam 
vastgebonden wordt, dan zal hij veel verdriet hebben; dat hij een nieuw huis betrekt, 
dan zal hij spoedig huwen, of een kop snellen; dat een groot heer hem Ueederen 
schenkt, dan zal hij een betrekking krijgen; dat hij een boor en eene zaag ten ge- 
schenke ontvangt, dan hebben zijne vijanden onder het huis ziekteaanbrengende 
middelen begraven; dat hij een parang zonder heft krijgt, dan zal hij veel levens- 
middelen krijgen. Droomt eene vrouw dat haar man, die op reis is, terugkomt, 
medebrengende rijpe pisang, muu wawai, en jonge djagong, aslaar wuka, dan zal 
zij veel geschenken krijgen; droomt iemand die een rechtsgeding voert, dat hij naakt 
voor de vergadering staat, dan zal hij zijne zaak winnen; droomt men dat een schip 
met blanken ten anker komt, dan zal er ziekte in de negari uitbreken; dat in een 
huis arak gedronken wordt, dan zal dat huis door ziekte worden bezocht; dat men 
een langen baard draagt, dan zal men rijkdommen verwerven; dat men haar op de 
borst krijgt, dan zal men veel verdienen wanneer vreemde prauwen de plaats be- 
zoeken. De meeste droomen worden door den totoar miiv uitgelegd. 

Zware eeden, subsuban, worden gewoonlijk onder groote, of liever als heilig aan- 
gemerkte boomen, ai volvolik, meer bepaald de nguvaar ngaaing, Callophyllum 
inophyllum, en de ngabaal of lerwuul, Ficus altimeraloo Rxb., afgelegd. Tot dat 
einde verzamelen de negarigenooten zich aldaar op den eersten dag na nieuwe maan. 
De eedaflegger neemt vóór den boom plaats en roept, met zijne handen ten hemel 
gericht, uit: «duadleera wuan suin raatan lerwuul, of ngabaal, endukenloak ja nung- 
saa, rehe emteok wuan enwot enwaar ronluduk naaa nuhutil song butau tawun 
nasuu vonung hoang, janang, uhaa wus wudwudan, ja nungsaa waëd avaa ja herher 
laok voja hobhoang janang besa,» d. w. z. Heer zon maan, gij die boven en beneden 
den lerwuul- of ngabaalboom zit, als ik schuldig ben laat tegen den tijd der nieuwe 
maan den grond verzinken met mijne vrouw en kinderen en al mijne bezittingen; 



1132" 



C >JBu.ni of Buun. 
\^^ ? Kdiiii.e ep 




<^ 



Q 



an^^u 



I'9'un.ii 







132^ 



. J^HTJvr. 3^ X*<«iM.. 



DE KEEI- OF EWAABU-EtLANDEN. 225 

ben ik niet schuldig, wat zal ik zeggen, laat het niet geschieden. Of ook: cduadleera 
wuan, jetut howajar uorsiw uurlim en howadar metuu nit eenlaai dokum loak rea 
au, teo jeut rei je matehe,» d. w. z. Heer zon maan, het heilige van ursiwa en 
urlima, het verbodene van al degenen die gestorven zijn, overweeg mijne zaak; zoo 
ik schuldig ben , laat mij dan sterven. Lichtere eeden zweert men gewoonlijk vóór 
het beeld van sëdeu. Als* het volk vergaderd is , neemt de metuduaan de hand van 
den eedsaflegger en legt haar in die van sëdeu, waarna hij zegt: «metuu emdoku 
emlük inaa rehee avaa ia, maahe va wuri, inaa rowaëd emlaoke, d. w. z. Geest, 
eigenlijk matakau, die zit en ziet, heeft hij het voorwerp genomen, gestolen, straf 
hem; zoo niet^ maak hem gelukkig. De negarigenooten begeven zich alsdan naar 
hunne woningen. Wordt de persoon vóór de nieuwe maan ziek, dan wordt hij als 
de schuldige aangemerkt. 

Uitgezonderd enkele op de eilanden Nuhujuut en Nuhututut gelegen negariën, 
nuhu, zijn deze in den Eeei-archipel meestal langs de stranden, op plaatsen waar 
water gevonden wordt, aangelegd. Vroeger, zegt men, toen de bevolking nog den 
schaamgordel, lavau, van de schors van irin lavau-boom droeg, werden de negariën, 
uit vrees voor vijandelijke aanvallen, op bergtoppen en hooge rotsblokken gebouwd. 
Slechts enkele negariën, waaronder Nembar, de hoofdvestiging op de Keei-Tanembar- 
groep, zijn op hooge, tot ongeveer veertig meters opgehevene koraalblokken gebouwd. 
De huizen, rahan, op palen, liir, van een meter of meer boven den beganen grond 
opgericht, zijn van hout vervaardigd — ook wat de omwanding, wanean, betreft — 
en met sagu- of kalapabladeren , ravat, gedekt De negariën, waarvan de grootste 
zestig huizen telt, zijn door een dikken koraalsteenen muur, lutur, wat lutur, om- 
geven. Vóór den ingang plaatst men het beeld van södeu, den algemeenen naam 
van de beschermgeesten der negariën. Voorts vindt men hier en daar een zoogenaamd 
negarihuis, eksali, waar gewichtige aangelegenheden worden besproken en afgedaan, 
zoomede een vat volvolik of gewijden steen. Verplaatsing van de negariën is in 
strijd met de begrippen des volks , omdat het terrein voorheen door de voorouders tot 
woonoord werd gekozen. Graven, hawut, worden buiten de negari verspreid aangetroffen. 
In de mohamedaansche negariën zijn mesdjids en langgars opgericht. Wordt een 
nieuw huis gebouwd, dan maakt men eerst een gat in den grond van circa ander- 
halven meter voor den hoofd- of middenpaal; in dit gat worden eenige spijzen, 
boomwortels, sirih-pinang enz. als oflFer aan den nittanat, aardgeest, volgens anderen 
aan den naang of draak, geworpen, emvaan lir jaan, waarna. de paal in den grond 
word geheid. Met behulp, tegen voeding, van vrienden en bloedverwanten, wordt het 
huis voltooid. Een dag vóór de nieuwe woning betrokken wordt, ansei brahan wait, 
begeeft de eigenaar zich er in, ten einde aldaar den nacht alleen door te brengen 

en als een gevolg van zijn droom te weten te komen, of het huis al dan niet ge- 

15 



226 DE KEKI- OF EWAABU-EILANDEN. 

lukkig zal zijn. De huizen zijn ruim gebouwd en in verschillende vertrekken verdeeld, 
ieder door een huisgezin bewoond. Als huisraad heeft men de atbaan ledekant,daar 
badaam matras, daar mat, tamgu kussen, langlangis gordijnen, kuud kisten van 
hout, bilin kisten van sagubladstelen , kader stoel, meeg tape, taan koperen schotels , 
baunrit koperen sirihdoos, lamaar kasten, tunat kookplaats van drie steenen, uran 
aarden potten, akwual groote ijzeren pannen, tiktik pollepel, sivaat rijstwan, luhun 
rijstblok, huan neanan rijststamper, veng aarden bakken, veng ai houten bakken, 
akleer zeef en andere. 

De werkzaamheden der mannen bestaan in het bouwen van allerlei soorten van 
prauwen, huizen en meubelen, het bewerken der velden, aar ut pae, het visschen, 
tae mit, van tripang en schildpadden, het verzamelen van houtwerken, het drijven 
van handel, rahawel, het kloppen van sagu, ravao eer, en het persen van olie, 
harwaik ngu, uit de kalapa. De vrouwen houden zich onledig, behalve met huiselijk 
werk, met het borduren van hoofdkussens, mureng tamgu uun, het vlechten van 
matten, maanan daar, het naaien van kleederen, hoar bakejan, het planten van tabak, 
emvooi kabaak of ekbaak, en moeskruiden, en het vervaardigen van doozen en rgstwannen. 
Voorts treft men onder de mannen ijzer-, kamasaan, en goudsmeden, suiker-, nas, 
zout-, masin, en azijn-, makbit, bereiders aan. Kolowater of arak van den kalapa- 
of arengboom kunnen zij niet stoken. De hoofden handelen, ontginnen gronden en 
gaan op de jacht, evenals de minderen, ook om in hun dagelijksch onderhoud te voor- 
zien. Tusschen den arbeid der vrijen en der slaven bestaat geen verschil. Het visschen 
geschiedt met lijnen, ail, en haken, rowarut, met serohs, wean, met fuiken, wuw, 
met kleine werpnetten, asoweelat, en met pieken, rahewuut, terwijl men met fakkels, 
arvahu, rondroeit. Ook is men gewoon de visschen met deilan-ofituuplant,Milletia 
sericea, welke fijngestampt in het water wordt geworpen, te bedwelmen. Vogels 
worden gevangen door middel van pijl en boog, met strikken en vogellijm van de 
kanari, Canarium commune, en de sukun, Artocarpus incisa. Ook maken de man- 
nen jacht op de waw, wilde zwijnen; medaar, buideldieren, in vier soorten, als: 
de weed, irin, leman en medranaat, zoomede op de ahaa, eene soort Dendrolagus. 
Vuur maakt men door wrijving van twee stukken bambu. Den dag na het verdwijnen 
der maan en den dag na een zon- of maanecUps mag niet gearbeid worden. 

Ofschoon het gebruik van geld bekend is, geeft de bevolking de voorkeur aan ruil- 
handel. Hun rijkdom bestaat uit koperen kanonnen, kasber; lilah, sadsad; lantaka, 
sur surung ; gong , dadaa ; olifantstanden , vadkajin ; geweren , asbingar ; zoomede goud 
en goudwerken, amaas. De waarde dezer artikelen kan gesteld worden als volgt: 
een kasber f300 tot f600; een sadsad van koper f250 tot f300; een sursurung 
f20 tot f25; eene gong sepelpel f3 tot f5; idem sikmona f 10 tot f 12; idem 



DE KEEI- OF EWAABU-EILANDEN. 227 

sikbaxnau f20 tot f40; idem djaw f30 tot 50; idem uran f40 tot f 60; idem 
sarmin f75; een vadkajin f 100 tot f150; een asbingar f 10 tot 12; amaas een 
thail, gelijk aan een sovereign; voorts een sovereign f 14 en een gouden tiengulden 
stuk f 10. In ruil geeft men voor eene Binongko-sarong tweehonderd djagongklossen ; 
voor eene Europeesche sarong één groote en twee kleine manden tuman sagu, drie- 
honderd klossen djagong of tweehonderd ubi, kalapa of kaladi; voor een hoofddoek 
vijfbig kalapa; voor een stuk madapollam tweehonderd kalapa; voor een stuk onge- 
bleekt katoen driehonderd kalapa; voor een stuk rood adrianopel of zwart lijnwaad 
zestig flesschen olie ; voor een witte of gekleurde badju zestig ubi of zes flesschen 
olie; voor twee vadems driUing eene mand sagu; voor een parang, zwaard of tuin- 
mes, eene mand sagu; voor een bord honderd sirih-bladeren of honderd pinangnoten; 
voor een kom vijftig sirih-bladeren of vijftig pinangnoten; voor een naald een jonge 
kalapa; voor een klosje garen twee ubi of een visch; voor een mesje tien ubi of 
eene kip; voor een zakdoek twee kippen; voor een vrouwenkam één Mp; voor een 
spiegeltje dertig ubi; voor eene roode muts tweehonderd ubi of djagong of honderd 
kalapa; voor een doosje lucifers tien dJE^ong; voor vlaggen, de complete versiering 
eener prauw, een thail goud. De uitvoer-artikelen worden geacht eene waarde te ver- 
tegenwoordigen als volgt: twintig kati tripang f4; een kati karet, keran, minste 
soort, f 10; een kati karet, eerste soort, f30: en kati vogelnesten, manrengan, 
f 10; honderd kalapanoten, nuur, f 1; tien flesschen kalapa-olie, ngu uuur, fl; een 
balk, balak, van vier vadem f3; eene plank, vavan, van drie vadem f 0.50; eene 
prauw, djungku, f 1.75 tot f230; een paduwakan, bawuk, f500 tot f800; kleine 
schoener pinas, peenes, f600 tot f 1000: een sloep f50 tot f80; eene prauw be- 
lang, haboo, f 100 tot f150; eene prauw haboosaru, van drie vadem lengte, f50 
tot f80. De hier verzamelde tripang, eeb, zijn eeb sus, eeb nusnus, eeb naamat, 
eeb wudaar, eeb keerat en eeb wu. Wanneer iemand, in weerwil van zijne belofte, 
zijne schulden niet betaalt, heeft de schuldeischer het recht, hem zooveel van zijne 
goederen af te nemen als de verschuldigde som groot is, tot dekking daarvan. Het 
tellen geschiedt met de vingers limad tanan, djagongkorrels aslaar of met strepen 
ketrood van houtskool. De uit- en invoer bedragen jaarlijks respectievelijk gemiddeld 
f98,000 en f 110,000. 

Onder de dagelijksche spijzen rangschikt men de een ubi; ronaan, kaladi; laam, 
labu; eenmaaw, patatas; tua, kombili; muu, pisang; mangaa, sagu; enmabal, 
Manihot utilissima; kokat, rijst; tangun, katjang; aslaar, djagong; huka^ ganemo; 
hukun, gomo; voorts vele soorten van moesgewassen, van varkensvleesch waw ihin; 
schelpdieren kutbeeb, krabben sevaat, garnalen nguraan, schildpadden veen. Octopus- 
soorten krit en andere hangar duan of rifvisschen, wuut larat, of gewone visch, en 
wuut larwaaw of visch die op diepliggende riffen gevangen wordt. Behalve varkens. 



228 DE KEKI- OF KWAABü-En.ANDEN. 

eenige geiten en schapen, vindt men op de Keei-eilanden geen vee. Te Dula heeft 
men een begin gemaakt met runderen aan te kweeken. Paarden, karbouwen en her- 
ten zijn er niet. De spijzen worden door de vrouwen, in potten en pannen van Eli 
en Elat toebereid, en op borden en schotels voorgediend. Als eerbewijs legt men op 
de borden een kastel roan-, Carica papaya, of pisang-, muu roan, blad. Bedorven 
vleesch of visch wordt niet genuttigd. Slechts één soort visch,dewuuttetetat, wordt 
rauw gegeten, met zout, citroensap en Spaansche peper vermengd. Bij een feestmaal- 
tijd worden de spijzen op fijne matten gelegd, terwijl de gasten op kussens plaats 
nemen. Vóór het eten, dat gewoonlijk des morgens, des middags en des avonds of 
drie keeren daags geschiedt, is men gewoon de handen te wasschen, emburik liman. 
De gewone dranken zijn water, sagero en arak. De sagero wordt verkregen, ravni- 
hun, van den areng-, sikit ngaam, of van denkalapaboom,nuurngaam. DeBorassus 
flabelliformis groeit hier niet. Als narcotica worden gebezigd sirih neran, pinangisu, 
met kalk javur, gamber ngamir en tabak ekbaak. Bij gebrek daaraan kauwt men de 
bladeren van den wanit- en de schors van den lumlamur- en kamaiboom. Opium 
wordt slechts door vreemdelingen gebruikt. De Mohamedaansche zoowel als de Alivuru- 
bevolking is overal behoorlijk gekleed: de mannen in badju's raawit, korte en lange 
broeken saroau keit en bloat met sarongs liblib over de schouder, en hoofddoeken 
rikrikaat , de vrouwen in bakian watwat of sarongs en badju's of kabaja's. Overigens 
bezigen zij als versiersel de bubu en med-med maas, gouden oorhangers, en tantan, 
gouden en zilveren ringen. De kleedingwijze schijnt men van de Mangkasaren te 
hebben overgenomen. 

Het tandenvijlen, ansoos nivan, geschiedt bij mannen eerst wanneer zij den coïtus 
hebben uitgeoefend. Voor vrouwen is het onbepaald, doch in elk geval vóór het 
huwelijk. Vóór de plechtigheid moet men op het graf, hawut, der voorouders sirih- 
pinang en tabak offeren en om een goeden afloop bidden. Het vijlen geschiedt des 
nachts, door mannen en vrouwen beiden, eerst met een vijl, eknikir, en daarna met 
een steen, watsoos. Het doorsteken der oorlellen heeft plaats tusschen het vijfde en 
het tiende jaar, met dorens van den Citrus hystrix. De mannen hebben in elk oor 
slechts ééne opening, lilihuun, de vrouwen acht en zelfs meer. Het haar der kinderen 
wordt met een mes, ngiiw, afgesneden. De mannen tatueeren zich om de vrouwen 
te behagen. De besnijdenis, circumcisie en clitoridectomie, wordt onder de Mohame- 
daansche bevolking bij mannen en vrouwen op de gebruikelijke wijze verricht 

De bevolking is in drie standen verdeeld: de aanzienlijken, melmel, de gewone 
lieden, jamaa of ratwarat, geërfde, rin, en iriri, gewone slaven. Overgang in stand , 
mutuun, is niet mogelijk. Tot den eersten adel van Keei behooren de ranuwat, 
bloedverwanten van den radja Dula; de ranguur bloedverwanten van het hoofd van 



xxin 




B12.Z29. 



DK KEEI- OF BWAABU-EILANDEN. 229 

Lebtaab; de rarusan bloedverwanten van het besturend hoofd van Vaniil; de ranui- 
wuur bloedverwanten van den radja van Ohitait; voorts de ran giar, ran ohiwutun, 
ran ohiwirin, ran heenan, ran dedeed, ran abuu,ranramuvariin,ranranvaan,enran 
ohibuur. Deze geslachten mogen onderling huwen , doch zich niet met de overige lieden 
vermengen. Huwelijken van melmel met jamaa, rin of iriri zijn verboden. Clandestiene 
gemeenschap wordt getolereerd, wanneer er geen zwangerschap opvolgt Wanneer de 
familie van den eigenaar is uitgestorven, worden diens slaven als gewone vrije 
lieden aangemerkt 

Het bestuur wordt op de Keei-eilanden uitgeoefend door den raat of ratu radja, 
pitaan kapitan, ela aai orangkaja, ohiduaan kamponghoofd en andere mindere hoof- 
den, als taen jaan familiehoofden, marino en major, terwijl bij regeling van belang- 
rijke aangelegenheden in de Mohamedaansche negariën de geestelijkheid en de metu- 
duaan of vertegenwoordiger van den vroegsten grondbezitter of oprichter der negari 
gehoord worden. Ondergeschikt aan den metuduaan is de ngabsül, die de offers 
naar de gewijde plaats draagt De metuduaan mag de visschen sru, sukenjeenniet 
eten. Een gezeten huisvader mag dit evenmin. Het bekleeden van functiën geschiedt 
volgens het recht van erfopvolging. De besturende hoofden mogen de bevolking niets 
in strijd met de adat, lalaen, tegen haren wil ontnemen. Het bekend maken van 
bevelen, nawan, geschiedt door een der omroepers, welke de negari schreeuwende 
rondtrekt. Wordt iemand opgeroepen om binnen zeker aantal dagen vóór de hoofden 
te verschijnen, dan ontvangt hij een stuk touw met een gelijk aantal knoopen^ waarvan 
hij eiken dag één moet losmaken. Vraagt de mindere man vergiffenis van een hoofd , 
dan moet hij diens beenen omhelzen en door neuswrijving zijne voeten kussen , zeg- 
gende: «duang u sobo u taha ejam,» d. w. z. Heer, vergeef mij; ik omhels uwe beenen. 
De inkomsten der hoofden bedragen jaarlijks vijf tot vijftig ijzerhouten planken van 
bepaalde afinetingen en dikte. Ook hebben zij vrge beschikking, mits tegen voeding, 
over zooveel vrije lieden als noodig zijn om een huis te bouwen , dagelijks voor hen te 
visschen , water en brandhout te halen , ook wel om tripang te zoeken. Voorts hebben 
de hoofden ten behoeve der negari, of liever van de afdeelingen Ursiwa of tJrlima, 
aanspraak op allelilahs, gongs, kanonnen, olifantstanden, koperen bekkens en alle 
artikelen van waarde die bij verkoop van prauwen , bij huwelijk of bij het drijven van 
handel op andere eilanden verkregen worden. De artikelen , in het algemeen wuur ohi- 
ratut of eigendom der negari genaamd, worden door den raat of metuduaan in bewaring 
genomen, en deze zijn verplicht daarvan de boeten, die aan de negarigenooten door 
andere negariën van de Ursiwa of TJrlima opgelegd worden wegens misdrijven daar ge- 
pleegd, als verwonding, moord, diefstal, overspel enz., te betalen. De hoofden worden met 
onderscheiding behandeld. Als een gewoon man een raat tot op ongeveer vier meters 
is genaderd, moet hij buigende of in gebukte houding loopen; een slaaf behoort 



230 DE KEEI- OF EWAABU-EILANDEN. 

alsdan te kruipen. Vóór de hoofden zitten de minderen op hunne knieën, debeenen 
achterwaarts gebogen, andut natlovak. De aanzienlijken zitten met de beenen kruise- 
lings, andut sablak. In tegenwoordigheid der hoofden mogen hunne namen niet 
worden uitgesproken en als de minderen hen op weg ontmoeten, gaan zij op zijde, 
met de handen op hunne borst gekruist, sableek limaan. Oude lieden, taraan, wor- 
den geöerd. Bij het aanspreken van oude mannen moeten de jongeren zeggen: usobo, 
wat zooveel beteekent als : met uw verlof. Oude mannen worden betiteld met aed of 
mambuun; oude vrouwen met tatee of nendee. Jonge vrouwen ontvangen geene 
eerbewijzen, abeleet. Ontvangt men een geschenk, dan moet men dit beruiken , nahu- 
mak, ten teeken van dankbaarheid, en later een tegengeschenk geven. De manne- 
lijke bewoners mogen de vreemdelingen, die zij in de negari ontmoeten, aanspreken; 
de vrouwen is dit verboden. Als geringe lieden elkander ontmoeten, reiken zij elkan- 
der hun sirihkoker toe , als eerbewijs en teeken van vriendschap. De grootste beleedi- 
ging meak voor een Keei-eilander is , dat men hem in het aangezicht spuwt, of dat 
men zijn eigendom vernielt. 

De gronden zijn conununale eigendommen van de betrokken negariön en worden 
door den metuduaan, den oudsten afstammeling van den oorspronkelijken bewoner, 
bewaakt. Het souverein recht van Nederland over deze gronden wordt nergens door 
de bevolking erkend. De grenzen, nuhuka nutuun, of watvanejan, steenen teekens 
door de ouden geplaatst, bestaan reeds sedert eeuwen en mogen niet worden ver- 
anderd. Woeste gronden heeten nangan raan en kunnen door eiken negarigenoot, 
met of zonder voorkennis van den metuduaan, ontgonnen worden. De familiegronden, 
tuwun, heeten tuwun eer sagugronden, tuwun nuur kalapagronden, tuwun isu 
pinanggronden en tuwun uwaar kanaribosschen. De pisang- en ubigronden noemt 
men waejaab. Wil men buiten de negari of als vreemdeling gronden ontginnen, 
navngee, dan is de vergunning van den metuduaan noodig. De gronden, of liever de 
met vrucht- en andere boomen beplante gronden worden geörfd en mogen nimmer 
verkocht, verpand of verhuurd worden. Op jacht mag men overal de grenzen over- 
schrijden. Het aankappen van hout is vrij en geschiedt met medeweten van den 
metuduaan, wanneer men namelijk ingezetene van het bewuste eiland is. Gaat men 
op een ander eiland hout verzamelen, dan moet men aan den metuduaan aldaar een 
lilah of iets anders betalen , welke artikelen deze als het eigendom der negari bewaart. 
Het ontginnen van gronden van padi- en djagongvelden , ook door vreemdelingen, 
geschiedt tevens zonder betaling van grondhuur. Als de oogst is afgeloopen, moet de 
ontginner de gronden verlaten, na alvorens aan het hoofd der negari één veertigste 
of zestigste daarvan te hebben afgestaan. Y66v het ontginnen der velden haalt men 
van de plaats, die daartoe bestemd is, een kluit aarde, om door tooverij, nitdaan, 
te zien of de plaats geschikt is. Daarop beplakt men een geschilderde kalapa met 



DB KEEI- OP EWAABU-EILANDEN. 231 

de medegebrachte aarde, antai taromaan, en na den duadleera wuan om succes 
gebeden te hebben , klieft men de kalapa m tweeën. Loopen de inwendige kalapadraden 
rechts, dan is dit een goed voorteeken; zoo niet, dan moet men een ander terrein 
opzoeken. De landbouw is nog zeer primitief. Behalve kalapa en ubi in groote hoeveelheid, 
plant de bevolking ook padi kokat en djagong aslaar. De gebezigde padisoorten , kokat 
wulwul roode, kokat ngingiar witte en kokat lenuun zwarte, hebben eenen groeitijd 
van vier tot zes maanden. De droge padivelden, wae kokat, worden goed gewied, 
ravringin nivar. Als zij rijp zijn, worden de korrels van de halmen afgestroopt, 
ravuungar, na de hand met boombast of oud lijnwaad omwikkeld te hebben. Van 
de djagong bestaat er slechts ééne soort, van drie tot vier maanden groeitijd. Na 
afloop van den ubi-oogst plant men op hetzelfde terrein padi of djagong, doch elk 
gewas afzonderlijk. Ook plant men twee soorten van katjang tanguun tangtemaar 
Phaseolus radiatus, en tanguuntertervuu Phaseolus lunatus, ubis en patatas, waar- 
van vele soorten zijn. De aankweeking van moeskruiden aroan en tabak is het werk 
der vrouwen. Behalve de metuu bezigen de Keei-eilanders ook de howajar of ver- 
bodsteekenen om de producten hunner velden of beter gezegd de kalapanoten tegen 
diefstal te beveiligen. De howajar bestaat uit kalapabladen of grassoorten welke men 
op eene bijzondere wijze aan de boomen vasthecht. Men legt deze bij voorkeur ten 
tijde dat de vreemde handelaren de eilanden verlaten hebben, om eenige maanden 
daarna bij hun wederkomst deze weg te nemen, opdat alsdan een ruime voorraad 
rijpe kalapanoten kan worden van de hand gezet Drie dagen voor het leggen 
der bewuste teekenen valoo howajar wordt aan de gemeente van het voornemen der 
hoofden en oudsten kennis gegeven en mag niemand zich daartegen verzetten, waarna 
eenige marinos aangesteld worden, om toe te zien dat de howajar-bepalingen door 
niemand worden overtreden. Heeft iemand zich daaraan schuldig gemaakt, dan wordt 
hij beboet of bij gebreke daarvan vastgebonden om door roode mieren te worden 
gebeten, muot kameaar mangkiik. Vreemdelingen betalen hoogere boeten. Wanneer 
de marino een howajar-overtreder op heeterdaad betrapt dan behoeft, hij slechts zijn 
mes of doek af te nemen en dit bij den raat brengen die den schuldige na onder- 
zoek straft Bij ontkenning moet de schuldige zich aan het waterordaal roor utkensaa 
onderwerpen. Na het wegnemen der verbodsteekenen haeer howajar, wanneer aan een 
ieder vergund is zijne kalapa te verzamelen ontvangt de raat van elk hoofd des 
huisgezins, van elke aanplanting die hij bezit een geschenk van vijftien, de marino 
van vijf kalapavruchten. Gelijktijdig met de howajar nuur worden op de riflfen de 
howajar met eeb of verbodsteekenen tegen het verzamelen van van Holothuriasoorten 
ook gelegd. 

De betrokkene eigenaars zijn voor de misdrijven hunner slaven aansprakelijk en 
behooren de boeten, die in den regel ongelimiteerd zijn, te betalen. In vroegeren 



232 DE KEEI- OF EWAABXJ-EILANDEN. 

tijd onder de adat lalaen, werden de dieven gestraft met faecale stoffen te eten, en 
bij grootere diefstallen met inbraak, hirahan buor, met gelijkmaking der vingers, 
door afkapping van den middelsten vinger behalve een door de hoofden te bepalen 
aantal rotanslagen. Onder de tegenwoordige adat of adat vamuur zyn de straffen 
als volgt, bij diefstal die zelden voorkomt omdat de bevolking zulks als eene 
groote schande aanmerkt, sambur, het betalen eener boete, hutaan of hermat- 
maan, van drie thails goud ten voordeele van den bestolene; bij verwonding nam- 
ngaa worden de aanplantingen en het huis van den dader vernield, of hij betaalt 
eene boete van een lilah sadsad, een armband, aa, een olifantstand, vadkajin, een 
gong, dadaa en een stuk goud amaas. Deze boete die ten voordeele van den ver* 
wonde komt, kan verdrievoudigd worden naar gelang van de zwaarte van het mis- 
drijf; bij moord of doodslag saanmaat, of saa larwuur behalve het vernielen der 
aanplantingen en huizen, betaalt de dader eene boete als voor het hart een thail 
goud, voor het hoofd drie thail goud, voor de beenen twee groote lilah's, voor de 
handen twee thail goud, voor de oogen twee thail goud, voor de neus een halve 
thail goud, voor de ingewanden een gouden ketting van een vadem lengte, voor de 
ribben een gouden ketting of oorhanger voor elk stuk, voor de genitaliën een halve 
thail goud, voor de ruggegraat een gouden ketting van een halve vadem lengte, 
welke boeten door de hoofden onderling verdeeld worden; bij het uitoefenen van 
vleeschelijke gemeenschap, rasweeit, of ngarihi taeran, met eene ongehuwde vrouw 
tegen haren wil, een thail goud ten voordeele van den vader der vrouw of van haren 
bloedverwanten; bij overspel, naveahor manghoaar, een groote lilah om te voorkomen 
dat het huis en de aanplantingen vernield worden, daarna als boete wanneer de 
echtgenoot niet den dood van den overspeler eischt in welk geval hij moet worden 
ter dood gebracht, twee thails goud en veertig stuks artikelen als, lilahs, geweren, 
gongs, olifantstanden, armbanden, ringen enz., voorts de teruggave der artikelen, 
die als bruidschat gediend hebben. Een brandstichter, naawun rahan , moet met zijne 
familie alle schade vergoeden. Bij bloedschande , taen enweeit ejanan , werden voorheen 
de schuldigen in zee geworpen, muot rom luduk. Later worden zij in eene prauw 
vastgebonden, ver in zee gebracht en aan weer en wind ten prijs gegeven. Vgf 
jaren geleden werd de laatste straf nog aan zekeren Balnü en zijne dochter Vil 
toegepast. Heeft een suwanggi iemand ziek gemaakt, dan moet hij drie thails goud 
betalen. Oneerbiedigheid jegens de hoofden worden met rotanslagen gestraft. Op het 
schelden, marvenan tanat, als reenan vahen, pudenda tuae matris, reenan Msin 
vel seng owat, tuae matris clitoris similis est jambosae rubrae en andere obscoene 
uitdrukkingen van dien aard, staat eene boete van een thail goud. De verbreking 
der sasi of tabu verordeningen howajar wordt met de betaling van een thail maas 
geboet. De geschillen in de negariën werden voorheen door de huisvaders gezamen- 
lijk afgedaan, thans worden deze voor de hoofden gebracht. Kleme zaken worden in 



DE KEEE- OF EWAABX7-EILANDEN. 233 

het huis van den raat of metoduaan m het bijzijn der mindere hoofden als ohiduaan 
marino en major ex aequo et bono afgedaan. Grootere zaken of misdrijven als ver- 
wonding door wapenen, overspel, overtreding der sasi of howajar, overschrijding van 
grenzen, twist omtrent het bezit van gronden worden in het negari's huis, eksali, 
onderzocht en berecht. De aanklager menlulin, brengt zijne zaak met de noodige 
getuigen vaneaan bij den pitaan voor die met hen zich naar den raat begeeft. De 
raat laat den beklaagde memsiaan voor zich komen en na een voorloopig onderzoek 
beslist hij, wanneer de zaak in de eksali moet worden voorgebracht. Op den bepaal- 
den dag verzamelen zich de weerbare mannen gewapend in het negari's huis, de 
raat neemt op een zetel tood ewaan plaats tusschen den pitaan en major, de eerste 
links, de andere rechts van hem zittende. De overige hoofden met den metuduaan 
nemen op andere zetels plaats. De twistende partijen zorgen voor de benoodigde 
sagero en sirih-pinang. Als de partijen aanwezig zijn wordt met het onderzoek 
mohorak ngarihi een begin gemaakt. De getuigen worden een voor een beëedigd, 
door onder blooten hemel te staan en te zeggen, «eh duadleera wuan, johul vang- 
waw hir wawa enhaa duad entiwe, johul vangwaw waëd duad enatar haraan,» d. i. 
O heer zon maan, ik zal spreken, wanneer ik iemand help kunt gij mij slachten, 
help ik niemand dan moet gij mij gelukkig maken. Na onderzoek begeven de hoofden 
zich naar een ander huis om te beraadslagen, emloak ngarihi, en keeren terug om 
het vonnis in het negarihuis in tegenwoordigheid der bevolking uit te spreken. Voor 
de moeite moeten de partijen onder de niet-Mohamedanen elk een varken verstrekken, 
dat geslacht en onder de hoofden verdeeld wordt. De Mohamedanen geven een of 
twee geiten. De opgelegde boete moet terstond worden betaald, zoo niet dan kan 
de gevonnisde bij een der hoofden in dienst treden, terwijl deze op zich neemt 
de boete te betalen. Bij afwezigheid van getuigen moeten de partijen zich aan het 
waterordaal, utkensaa eumo, onderwerpen. 

Aanleiding tot oorlogen zijn het toeëigenen van gronden, beleediging, overspel in 
een andere negari, ook wel wanneer eene vrouw in een vreemde negari gehuwd 
aldaar beleedigd wordt en zij de benaat meak teeken van schande als een weinig 
kabus zaadpluis van den Eriodendron anfractuosum en manuwuun kippenveêren in 
een stuk oud linnen gepakt aan hare bloedverwanten zendt. Wanneer eene negari 
besloten heeft oorlog, ravuun, te voeren, dan zendt het hoofd aan de tegenpartij 
een stuk gabagaba, de benaat karvevan in den vorm van een zwaard. Neemt de 
partij de uitdaging niet aan, dan wordt deze teruggezonden. Wil de tegenpartij echter 
den oorlog dan wordt in de plaats van de gabagaba een ijzeren parang teruggezon- 
den. Daarop wordt de benteng, lutur kotaak, om de negari in orde gebracht, tot 
vijf a zes meters verhoogd en er boven op scherpe bambustokken , wuur, geplant. 
De vier poorten rechts en links en voor en achter, balik mei u muur, worden be- 



234 DE KEEI- OP EWAABU-EILANDEN. 

vestigd en sterk gemaakt en links en rechts twee lilahs geplaatst. Trekt men tegen 
elkander op, dan worden er sclmnpliederen, raswadu of rasngaan, aangeheven tot 
dat men elkander op last van den aanvoerder, tomaat ngarehen, aanvalt De partij, 
die de meeste dooden heeft, is de schuldige door den duadleera wuan bevestigd. In 
den oorlog worden de personen niet alleen gedood, maar hunne koppen ook afge- 
slagen, het vleesch wordt echter niet verslonden en ook de lijken niet verminkt. De 
overwinnaar, vuun keen, keert in prauwen met vlaggen, badeer, versierd naar de 
negari terug, alwaar getjakaleleed, barbeen, en de siksikar gezongen wordt Voorts 
wordt op de tiwal, trom, en dadaa, gong, geslagen, geweerschoten gelost en voeren 
de vrouwen dansen, suul, uit Vrouwen en kinderen gaan niet mede ten strijde. 
Wanneer vele personen gedood zijn, dan komen de naburige onzijdige hoofden tus- 
schen beiden om den strijd te doen staken. Zij planten tot dat emde kalapatakken als 
een teeken, welke door niemand mogen worden overschreden. Blijft een der partijen 
hardnekkig weigeren om vrede tè sluiten, dan wordt deze door de overige negariën 
ook door kracht van wapenen, tot rede gebracht De onzijdige hoofden zenden als- 
dan boden uit naar den overwinnaar met het voorstel vrede, lulin, te sluiten. Dit 
wordt gewoonlijk aangenomen, mits de verliezende partij, vuun saa, eene kleine 
boete zonder medeweten echter van het hoofd betaalt Op den bepaalden tijd van 
pacificatie komen de hoofden der partijen op eene bepaalde plaats bijeen. Een 
kalapablad wordt door een der onzijdige hoofden hun ter hand gesteld. Dit in 
de handen houdende roepen zij uit: «duadleera wuan ursiwa urlima ukum larwuul 
ngabal vitsuun ratan munturat nung howajar i, hir kidin niariak nung howajar i 
muut vauran subuum earan rat lanit, vama nganenee dunjai aheratnam tanang i,» 
d. w. z. De heer van het heelal de Ursiwa en Urlima zullen mij straffen wanneer ik 
mijn verbond verbreek; wanneer de tegenpartij dit verbond niet aanneemt dan moet 
zijn hoofd op den grond , zijne voeten boven gelegd en de negari gestraft worden m 
deze en in de toekomende wereld. Hierop wordt het kalapablad voor elk der partijen 
in tweeën gescheurd, saweak howajar ohoi anruu, en neemt ieder zijn gedeelte 
huiswaarts. Bij het sluiten van vrede worden ook wel feesten, mirin, gevierd, doch 
voor elke partij afzonderlijk, de vlaggen worden alsdan nedergehaald , de toover- 
middelen krachteloos gemaakt en een feestmaal aangericht Onder het eten waar- 
schuwen de oudsten de jongeren om onderling niet te twisten ofte strijden. Negariën 
die in vroegeren tijd met elkander een verbond van wederzijdsch hulpbetoon hebben 
gesloten, bel, en dit door het drinken van bloed bevestigd, mogen geene oorlogen 
voeren. Het zoogenaamde koppensnellen is sedert eeuwen niet meer in gebruik. In 
vroegeren tijd was een ieder verplicht op de vreemdelingen jacht te maken en hunne 
koppen te snellen. Thans geven de vreemdelingen tomaat warwuhun van hunne aan- 
komst aan de hoofden kennis, huren eene woning naar wederzijdsch goedvinden en 
kunnen zoolang op het eiland ongestoord blijven als zij dit verkiezen. Zij worden 



DE KEEI- OF EWAABU-EILANDKN. 235 

ook ten eten gevraagd, doch niet in tegenwoordigheid der vrouwen. De door de be- 
volking gebezigde wapenen zijn klewangs, asbad; pijl en boog, taemar; pieken, 
ngangaa; krissen, saribat, kromme klewang, suruk. Slechts enkelen zijn in het bezit 
van vuurwapenen. 

Bij verloving, nungwate, is het de gewoonte dat de man een thail maas aan de 
ouders van het meisje schenkt waarvoor hij een zijden sarong of omslagdoek terug- 
krijgt Tijdens de verloving heeft de man gemeenzamen omgang met zijne aanstaande 
echtgenoot Hij is tevens verplicht alles wat hij verdient aan het meisje te schenken. 
De wate, verloofden, geven elkander geene ringen of buikbanden. Alleen lieden die 
met elkander den coïtus uitoefenen zonder het voornemen om met elkander te huwen 
geven elkander een weinig haar, ook wel van de pubes als teeken van trouw. Als 
bewijs van liefde, benaat vangnanan, zendt een meisje nu en dan wel eensirihblad 
waarin een stukje pinang ingewikkeld is in het verborgen aan haren minnaar. Wil 
zij echter hare intieme betrekking verbreken, dan zendt zij ook zulk een pakje als 
teeken van verachting, benaat ramahitü, maar met het sirihblad omgekeerd. Voor 
het huwelijk, ravao, is het gebruikelijk de watwilin, huwelijksonkosten te betalen. 
Arme lieden van denzelfden stand mogen een matrimonium injustum sluiten of zonder 
bruidschat huwen, doch dan volgen de kinderen de moeder. De mannen geven de 
voorkeur aan goed gebouwde krachtige vrouwen. De bruidgift bestaat voor den aan- 
zienlijke uit een thail goud, sidsidak, voor het aanbieden der hand; een thail goud , 
autetear, als geschenk voor de moeder; drie thail goud, maas un, voor de slavin 
die de vrouw zal volgen; een thail goud, sumutuk, voor de vrouwen die langs den 
weg staan; een thail goud, mas tahalim, voor de vrouwen die de hand van de vrouw 
bij het huwelijk vasthouden; een lüah en een maas wajarai, voor de slaven en 
slavinnen die de vrouw hebben opgepast in hare jeugd; een maas en andere goud- 
en zilverwerken, nutuk hadang, voor de vrouwen die vóór de trap staan om het 
binnentreden van het huis te beletten; drie thail goud, vetar kaniu, voor den vader 
die zijn dochter opgevoed heeft, tegen een contra-geschenk, aje, van een zijden om- 
slagdoek, heman aje. De eigenlijke bruidschat, ngaban taewan, bedraagt drie groote 
koperen lilahs, een kanon, dertig kleine lüahs, twintig gongs in soorten, twintig 
vuursteengeweren , twee of drie olifantstanden, dertig of veertig stuks gouden of 
zilveren armbanden, tot een totaal aantal van driehonderd stuks. Na het huwelijk 
geven de ouders aan de vrouw mede drie- tot vijfhonderd stuks lijnwaden van ver- 
schillende soorten en lengte. De mindere lieden betalen slechts drie of vier lilahs, 
drie of vier gongs, twee of drie geweren, vijf of zes gouden en zilveren armbanden, 
een olifantstand en zooveel rijksdaalders tot een totaal aantal van veertig stukken. 
Tot de bijeenbrenging dezer artikelen helpt de familie. Als de bruidschat voldaan is 
wordt het huwelijk, ravao, gesloten en feesten gevierd. Gedurende het feest zitten 



236 DE EEEI- OF EWAABU-EILANDEN. 

de gehuwden naast elkander en eten zamen uit een houten bak van een en dezelfde 
plek, eerst de man en dan de vrouw, daarna verwisselen zij fijngekauwde pinang. 
Drie dagen slapen, entub ngeel dei teel, de jonggehuwden met eene oude vrouw, 
ubuntu, bloedverwante der vrouw, tusschen hen in; ook wordt door de jonggehuwde 
vrouw wel een kind dat nog niet kan loopen, ejanan kakahai, in het slaapvertrek 
binnengebracht, om tusschen haar en haren man te liggen, terwijl de gasten daar 
buiten de siksikar zingen. Het plaatsen van een kind wordt zoolang herhaald , donec 
concubuerint, sedent^s coïre solent. Is de bruidschat in haar geheel betaald dan is 
een matrimonium justum gesloten; de jonggehuwden gaan naar de woning van den 
man en de kinderen volgen daarna den man of diens familie. De schoonouders, ubung 
taraan, mannelijke en ubung tee, vrouwelijke worden geëerd, de schoonzoon, nun- 
getan , mag hen echter niet bij den naam noemen. De schoonouders mogen ook den 
naam van den schoonzoon niet uitspreken. Het is een man niet verboden drie tot 
vier vrouwen te huwen. Bijzitten zijn onbekend. In vroegeren tijd leefden de vrou- 
wen met meerdere mannen en volgden de kinderen de moeder. Door het buit maken 
in den krijg van vrouwen worden deze als het eigendom der mannen geacht en 
volgden de kinderen den vader. Oorlogen werden er gevoerd om vrouwen te rooven 
en daardoor den stam te vergrooten. Echtscheiding heeft meermalen plaats. Heeft de 
vrouw overspel bedreven dan heeft de man het recht de vrouw te verstoeten, mits 
de bruidschat terugbetaald wordt. Is deze verdeeld dan is de familie solidair ver- 
plicht dezen weder bijeen te brengen. 

Wanneer de eerste verschijnselen van zwangerschap, naveu of ewun,zichvertoonen, 
worden de bloedverwanten daarvan verwittigd, doch geene feesten gevierd. Dit ge- 
schiedt eerst na den veertigsten dag der bevalling, nadat de moeder heeft gebaad, 
navliru, en het kraamhuis is in gereedheid gebracht om gasten te ontvangen. De 
bevalling, entevul, heeft, ten emdehetperinaeumniette doen scheuren, zittende plaats. 
De placenta, nibib, wordt in een aarden pot met keukenasch in een wawu boom Ficus 
altimeraloo Rxb. tusschen twee takken bewaard. De navel, vuhar, wordt nadat de 
placenta buiten is gekomen met een stuk bambu wuur, afgesneden, een tot twee 
palmen van de buik. Na de geboorte wordt het kind met warme kalapamelk, roman 
ngane, en daarna met lauw water gebaad, verder het lichaam door eene oude 
vrouw gekneed om het kind sterk te maken. Het kind wordt op een soort hard 
uitgehold kussen gelegd, om aan het achterhoofd een ronden vorm te geven, en is 
de moeder nadat zij een decoct van Carica papaya heeft gedronken, verplicht met 
haren rug en hare pudenda tegen het vuur te gaan liggen. Bij moeielijke partus 
wordt om de dolores te bevorderen het haar der vrouw in haren mond gestoken of 
worden haar walgelijke dranken toegediend om neiging tot braken op te wekken. 
De meeste vrouwen bevallen echter in het bosch zonder eenige hulp. Na het kind 



XXIV. 




B1Z.2S6. 



DE KEET- OP EWAABU-EnJLNDEN. 237 

gebaad te hebben, keeren zij in hare woningen terug, om tegen het vuur te gaan 
liggen. Tijdens de bevalling mag een ieder het huis binnentreden. Na den afloop 
daarvan komen de vriendinnen en vrouwelijke bloedverwanten om geluk te wen- 
schen. Zij zeggen alsdan var vone taen ejanan laeelan, terwijl de kraamvrouw met 
osob beweon e, zeer verplicht, antwoordt Voor den partus mag de zwangere, de pica 
hebbende, alles eten wat zij verlangt, na de bevalling tot den dertigsten dag is het 
der vrouw verboden, zout, masin, scherpe of gekruide spijzen en visch te nuttigen. 
Haar voedsel bestaat uit in het vuur gepofte, ubi en pisang. Door toovermiddelen, 
daan, beweert men te kunnen zien of een vrouw een jongen of meisje zal ter we- 
reld brengen. Wanneer een pasgeboren kind onrustig slaapt, of moeielijk ademhaalt, 
huur kanaad, dan is het een teeken bij den jongen dat de vader, bij het meisje 
dat de moeder kwaad bedreven . heeft, of de opening die een zekere soort van 
krabben, kalahebar, gewoonlijk maken hebben verstopt, of dat de vader den vogel, 
toruut, met een pijl heeft gedood. Om een pasgeboren kind voor ziekte te behoeden, 
wordt na den tweeden dag pijl en boog, zoomede een houten zwaard met kalapa- 
bladen omwonden onder het huis, in het midden daarvan, opgehangen. Ook wordt 
het werktuig om vuur te maken, dasuwail leav na driemalen daarmede de midden- 
palen van het huis geslagen te hebben, onder het huis geplaatst. Het kind wordt 
eerst door eene andere vrouw zeven dagen gezoogd, onto suswahan, daarna door de 
moeder, die verplicht is aan de vrouw die geholpen heeft, een geschenk te geven. 
Nadat de tanden, nivan, uitgebot zijn, begint het kind sagu en ubipap te eten. Drie 
maanden achtereen wordt het kind dagelijks na het baden met olie gemasseerd of 
gekneed. Na den dertigsten dag wanneer de moeder na het baden van de rivier of 
waterbron huiswaarts keert, wordt het kind door eene oude vrouw, die het kind 
totdat het eten kan verzorgt, uit het huis gebracht om daarmede vóór de trap te 
gaan zitten. In het huis hebben de bloedverwanten en bekenden zich verzameld om 
feest te vieren. In tegenwoordigheid der moeder laat de oude vrouw de voeten van 
het kind op den grond rusten. Dit gedaan hebbende brengt zij het kind weder in 
huis en wordt tot de naamgeving, navrinün overgegaan. Om een gelukkigen naam 
te vinden, wordt eene jonge kalapa in tweeën gekloofd en de beide helften in een 
wan gedaan. Daarna bidt een der oudste bloedverwanten het volgende; «duadleera, 
wuan, nit enlaai nit iamang ubung, unturat nuuri kuti,» d. w. z. Heer zon maan, 
geesten der voorvaderen, vestigt uwe aandacht op deze kalapa. Voorts maakt hij 
met de wan eene beweging, om de kalapahelften te zien vallen. Vallen deze beiden 
open dan brengt de bestemde naam ongeluk aan, valt de rechter helft open, vati- 
garak, en de linkerhelft dicht, ngovang, dan is zulks een goed voorteeken. Deze 
handeling heet aheluit Na de naamgeving worden eenige korrels gekookte rijst op 
het voorhoofd, de schouders en armen, van het kind gekleefd en neemt de moeders 
broeder het kind op, brengt dit naar beneden en laat het met den rechtervoet op 



238 DE KEEI- OF EWAABU-EILANDEN. 

den grond rusten. De bewoners der omliggende huizen roepen alsdan driemalen 
achtereen «memaan kuv,» d. w. z. hoe heet hij of zij en de persoon antwoordt: 
«memaan Jeomartili,» d. w. z. hij heet (bijv.) Jeomartili, of een ander. Daarop 
worden alle negari-kinderen op rijst, zonder iets meer, onthaald. Wanneer het kind 
kruipen kan, gaat de moeder een bezoek bij de bloedverwanten afleggen , om geschenken 
te ontvangen. Tweelingen, ejanan deden, zijn niet zeldzaam en worden als een geschenk 
van duadleera wuan aangemerkt. Het gebeurt ook menigmaal dat er kinderen met 
helmen, nikawun, geboren worden. Deze wordt gewoonlijk boven het hoofd met een 
stuk bambu opengesneden en met de placenta bewaard. Zwangere vrouwen mogen 
overal zonder vrees, ambobar, rondloopen, maar mogen in zaken geene getuigenis 
afleggen. Gedurende de zwangerschap of lactatie is het volvolik, verboden, de vrouw 
tot vleeschelijke gemeenschap over te halen. Om kinderen rustig te doen slapen, be- 
strijkt men het lichaam met fijngestampte bladen van den matikasluunboom, met 
water vermengd. Gebrekkige kinderen worden even als de gezonde behoorlijk ver- 
pleegd. Om zwanger te worden, gaan de vrouwen op de graven harer voorouders 
offeren. Na de geboorte van het eerste kind krijgen de ouders van de overige negari- 
genooten eenen anderen naam, als Bad ejamam vader van Bad, Bad renan, moeder 
van Bad etc. Elke man, die met eene vrouw coïtus heeft uitgeoefend, erkent het kind 
als het zijne. Bij geschillen daaromtrent worden deze door toovermiddelen uitgemaakt 
De eerste tanden, die afvallen, worden door de kinderen op het dak der woning ge- 
worpen. Grooter wordende krijgen de jongens onderricht in het vervaardigen van 
prauwen en het bouwen van huizen, de meisjes in alle vrouwelijke werkzaamheden 
behalve de dochters der meer gegoeden, die het huis niet mogen verlaten. 

Epidemische ziekten, benakit, ontstaan, doordien er personen in de negari aan- 
getroffen worden die bloedschande hebben gepleegd, den coïtus met de vrouw van den 
broeder of met hare zusters hebben uitgeoefend; voorts door ongerechtigheden, door 
de besturende hoofden gepleegd. Gewone ziekten worden veroorzaakt door de huwaang 
of 'suwanggi, door booze geesten of door lieden die het een en ander in den 
grond aan den hoofdingang van het huis, en waarop de lijder getrapt heeft, of wel 
onder het uitspreken van verwenschingen een jonge kalapa, rinin, waarin rudrud. 
ziekte aanbrengende kruiden, ai waar, boomwortelen, wat iav, stukken kwarts, kokat, 
bibun, padikorrels etc, verborgen zijn, bij de hoofdpaal, lür rahan, begraven hebben, 
Ook kan men iemand aan hydropsie doen lijden door een stuk sagu te betooveren 
en dit in zee te werpen. De zieken, mang ulirsuhut, worden door de bloedverwanten 
naar behooren verpleegd. Het woord suhut beteekent ook booze geest, dus door den 
booze bezeten. Vele zieken verhuizen, sidak rahan, ook naar andere woningen om 
de booze geesten te misleiden. Men beweert dat hierop gewoonlijk genezing, nahaar, 
volgt. Om eene ziekte uit een huis te verdrijven worden vier soort wortelen, alleen 



DE KEEI- OP BWAABU-EILANDEN. 239 

bij den ouden van dagen bekend, aan den middenpaal onder het huis vastgehecht. 
Het schenden van wawu Ficus altimeraloo Rxb. boomen of het doen van natuurlijke 
behoeften onder zulk een boom kunnen ziekte veroorzaken, omdat de geesten die daar 
hun verblijf houden vertoornd, rasian, worden. Bij gezwellen etc. wordt het bedorven 
bloed, laran mat, of anwaet, ook door oude vrouwen uitgezogen, aroan aran mat. 
Lepra benakit ngarsuhun ontstaat door overerving, ulsuu heet naeb, of pokziekte 
door besmetting. Gewone ziekten, vooral koortsen, rarur, tracht men te genezen 
door bij het vuur te gaan liggen, mavraran, ook in rook van gebrand gras. Bij oog- 
ziekten gebruikt men de sap van de Lycopersicum esculentum bladen. Wanneer naar 
hunne meening door tooverij is gebleken dat een vreemd voorwerp, bijv. scherpe 
steenen, stukken koraalsteen, schelpen, beenderen, graten, enz. door toedoen van 
een suwanggi in het lichaam aanwezig is, nemen de oude vrouwen de bladeren van 
den bubuk heman tavit boom, stampen deze fijn en maken vervolgens met het blad 
van den rewajar roan op eene eigenaardige wijze, de zieke plek koel. Daarna sme- 
ren zij de fijngestampte bubuk heman tavit er op en manipuleeren op dusdanige 
wijze, dat bedoelde voorwerpen op de legerstede of mat van den zieke vallen. Deze 
voorwerpen worden na twee dagen in het water gelegen te hebben, weggeworpen. 
Om eene ziekte uit de negari te verdrijven richt men eene stellage , rereak , aan het 
strand op en plaatst daar allerlei spijzen en dranken. Nadat de metuduaan in 
tegenwoordigheid der bevolking zijne verwenschingen heeft uitgesproken begeeft zij 
zich hardloopende gelijk vluchtenden naar de negari in hare woningen terug. Krank- 
zinnigen, hiran voar, worden niet gerespecteerd. Deze ziekte ontstaat door invloeden 
van booze geesten of door overerving even aJs de epilepsie, nas irit Om de booze 
geesten te verdrijven brandt men fijngeschrapte buflfelhorens en afgesneden hoofdhaar 
der Papua slaven, omdat de stank daarvan voor geesten ondragelijk wordt geacht 
In den tijd van kentering, wanneer vele koortsen heerschen, verzamelt de metuduaan 
de offers der negarigenooten en brengt deze op plaatsen waar hij het goedvindt. 

Een doodgeboren vrucht wordt in fijn wit lijnwaad, gezamenlijk met de placenta, 
gewikkeld en in het bosch tusschen de takken van den wawuboom geplaatst. Ge- 
storven zuigelingen worden ook met wit lijnwaad gewikkeld en in een doos, akbilin, 
in de nabijheid van een kruisweg, deed hanga, begraven. De nitu of zielen dezer 
kinderen blijven op de plaats waar zij begraven, tiwak, worden rondzwerven, doch 
doen geen kwaad. Sterft eene vrouw tijdens de bevalling, terwijl het levend kind 
niet ter wereld kan gebracht worden, dan wordt het kind in de baarmoeder dood- 
gestoken, opdat de vrouw geen bumbun anak, of pontianaq wordt en haren man 
vervolgt om hem te emasculeeren. Vóór de begrafenis komen de bloedverwanten en 
vrienden bijeen om treurliederen aan te heffen. Sterft een aanzienlijke, hetzij man of 
vrouw dan wordt het lijk na gereinigd te zijn behoorlijk in dubbele lakensche en 



240 DE EEEE- OP EWAABU-EELiLNDEN. 

zijden kleederen door de oudste familieleden daartoe verstrekt, gekleed, met gouden 
oorhangers en ringen in een ijzerhouten kist met snijwerk versierd van twee meters 
lengte, een meter hoogte en een meter breedte gelegd, met het hoofd en de voeten 
op kussens, terwijl rechts en links eveneens kussens geplaatst worden. De kist wordt 
met zeven verschillende soorten lijnwaad belegd. Aan het hoofdeneind worden vijf bingan 
ham, borden uit den vroegeren tijd, aan het voeteneind twee en rechts en links van 
het lijk een daarvan gelegd. Behalve deze wordt nog een bord met eetwaren, banao, 
rijst, sagu, gebak, gesuikerde kanari, rijpe pisang, een gebraden visch, en een glas 
akalas met water in de kist geplaatst, voorts voor de mannen een parang ngeer, 
een mes ngiw, een bijl saw, een boor vaat, een beitel avtetat, een passer song, een 
houten hamer wau en een sirih-doos luw manaeran, met toebehooren, terwijl de 
vrouwen hare dagelijksche gereedschappen en benoodigdheden als garen, naalden, 
etc. medekrijgen. Daarna wordt de kist met yzeren spijkers dichtgemaakt. De kist 
hermetisch gesloten zijnde wordt van vijf maanden tot een jaar in het huis bewaard. 
Vervolgens viert men drie nachten achtereen de vatnanit, feest der geesten. Het 
hoofd van den overledene moet ten zuiden liggen. Op het graf wordt na de begra- 
fenis aan het hoofdeneind geplant een tak met bladeren waaraan een tros pisang, 
een suikerrietplant en een bord worden opgehangen , voorts twee kalapa aan het hoofden- 
eind en twee aan het voeteneind en een zonnescherm in het midden des grafs ge- 
plaatst Velen versieren het graf ook uitwendig door langs houten staken wit lijnwaad 
als gordijnen te hangen. Op het graf wordt later een sierlijk kistje in den vorm van 
een huis de wangwaen, op een paal geplaatst, waarin eens in de maand of om de twee 
maanden wanneer iemand van de familie ziek wordt, of men eene reis moet onder- 
nemen, aan de ziel, engmaan of angmaan, die alsdan den naam van nituofninitui 
draagt, eten wordt voorgelegd. De zielen der afgestorvenen begeven zich naar de 
eilanden Baeer en Ohimaas. De mindere lieden worden op gelijke wijze, maar met 
minder omslag en uitgaven, begraven, vooral wanneer hunne familieleden niet in staat 
zijn de onkosten te dragen. De afstammelingen der alhier geïmmigreerde Papua's be- 
waren de beenderen hunner dooden in grotten of daarvoor ingerichte woningen, 
alwaar de nitu hun verblijf houden. Als teeken van rouw loopen de vrouwen een 
geruimen tijd met loshangend haar en de mannen zonder hoofdbedekking. Sterft een 
der hoofden, dan mag er in een maand niet gezongen, en mogen geen feesten 
gevierd worden. 

Na den dood van den vader heeft de moeder het recht over al de nagelatene bezittingen 
en eigendommen. Bij een tweede huwelijk verliest zij dit recht en treedt de oudste 
zoon op. De erfenis nivreaan of luwtaw wordt niet altijd verdeeld. De moeder of oudste 
broeder kunnen echter des verkiezende iets aan de jongere kinderen afstaan. Velen hebben 
de gewoonte om voor hun dood iemand onder de mannelijke bloedverwanten te benoemen 



DE KEET- OF EW^AABtT-EtLANDEN. 241 

om ZOO iiet noodig mocht zijn, de erfenis onder hen te verdeelen, rahaan avateteen. De 
oudste zoon krijgt alsdan het drie vijfde, de moeder en de overige kinderen het twee vijfde 
gedeelte. Een vaste maatstaf bestaat er evenwel niet De familieraad nu en dan bijgestaan 
door de hoofden heeft in zake verdeeling van erfenis de beslissende stem. 

De bevolking van Eeei is over het algemeen zeer gesteld op zang en dans. De 
gewone liederen, die onder begeleiding van derabana, arbaan, of kleine ti va gebruikt 
worden, heeten siksikar ngel-ngel, door mannen en vrouwen, siksikar marwehe be- 
laan, door mannen en siksikar sosoi, sokaat en baoot door vrouwen alleen gezon- 
gen. Gewoonlijk zijn deze liederen extempore's van allerlei inhoud, die men bij het 
vieren van feesten als huwelijk, het dekken van een huis, het betrekken van een 
nieuw hnis en het te water laten van een prauw hoort. Het dansen, hebeen, ge- 
schiedt op velerlei wijzen. Men telt meer dan veertig soorten in de eene negari 
meer, in de andere minder, terwijl de hebeen van de eene niet in de andere negari 
mag worden uitgevoerd. Onder de meest gebruikelijke zijn, de hebeen asbmgar of 
de gewerendans, door mannen in twee tegenover elkander staande rijen onder het 
opheffen al rigore di tempo van de geweren en het voor- en achteruit met de 
voeten trappen, met begeleiding van den gong en tiva en het zingen van de siksikar 
asbingar; de hebeen saribat, of de krissendans, door mannen en vrouwen in een 
onbepaald aantal uitgevoerd, waarbij men de krissen uittrekt en daarmede steekt, 
onder begeleiding der tiva en het zingen van de siksikarjamanni saribat; de hebeen 
basaar, door mannen en vrouwen in een kring, in de handen houdende en zwaaiende 
een zakdoek en een kalapa takje , ten einde de negarigenooten , die op zee zich be- 
vinden, gnnstigen wind te bezorgen, onder begeleiding der tiva en het zingen van de 
siksikar basaar; de hebeen sosoi, de dans, waarbij de armen en beenen voor- en 
achterwaarts bewogen worden, alleen door vrouwen bij vertrek der prauwen onder 
begeleiding der tiva en het zingen der siksikar sosoi; de hebeen luus, de vogeldans 
den Haliaetus leucogaster nabootsende , door mannen en vrouwen met uitgestrekte armen 
en met het hoofd voor en achter bewegende op de wijze van den vogel, die in zee een 
viseh oppikt, onder begeleiding der tiva en het zingen van de siksikar luus; de 
hebeen sangongoo, of de kapellendans door mannen en vrouwen in elke hand een 
waaier vasthoudende en de bewegingen van een kapel nabootsende onder begeleiding 
der tiva en het zingen van de siksikar sulsul; de hebeen lek, of de apendans, door 
mannen die de allures der apen nabootsen , onder begeleiding der tiva en het zuigen 
van de siksikar jako Uala; de hebeen ail of de vischlijndans door mannen de hande- 
lingen van iemand, die met een lijn vischt, volgende onder begeleiding der tiva en 
het zingen der siksikar taltalawatu; de hebeen sabiaan, of de dans waarbij de be- 
we^gen onder het bidden der mannen, die de mohamedaansche godsdienst belijden, 
nagebootst worden, onder begeleiding der tiva en het zingen der siksikar sabiaan; 

16 



242 Ofi KEEf- OP EWAABÜ-KfLAKOEK'. 

de bebeen sum, of de reigerdans door mannen, die in het wit gekleed zijn en de 
bewegingen van den reiger nadoen, onder begeleiding der tiva en het zingen van 
de siksikar andan en meer andere gelijk de bebeen walwalbasoin, of de sago- 
bereidingdans; de bebeen angbebib, of de bokkendans; de bebeen nejabaar, of de 
vleêrmuizendans ; de bebeen hewhew taat of de dans van den sagerodief, alle de 
betrekkelijke bewegingen nabootsende. De dansen zijn zeer eentonig, evenzoo de 
muziek. Mannen en vrouwen zijn tevens liefhebbers van het opgeven van raadsels, 
sobtu, van stoeien en jokkemijen, navlood en lachen, malmaalid, veel onder elkan- 
der. Ook zijn zij gewoon elkander schimpnamen te geven als antaiduus, gij kreupele, 
naskebau, gij manke; mat tdsu, gij blinde. Het dobbelen, arbeen kaliliuk , door geld 
op den grond te werpen of jujuir, door het in de handen te schudden is in den 
laatsten tijd toegenomen , ook het schaakspelen , arbadaan genaamd. De zoogenaamde 
tjakalele, naskukil, is weinig in gebruik, alleen na terugkeer van den oorlog. Ook 
speelt men de intuuv nahaak, of het schermen met pijl en boog. De kinderen spelen 
met de neot, kalapabladeren , die door den wind in een ronddraaiende beweging ge- 
bracht worden, jojoër steenen knikkers en met de haboo, kleine prauwen langs de 
stranden. 

De kosmologische verschijnselen kunnen niet worden verklaard. Bg zonsverduiste- 
ring leeran mat, denkt men dat er een groot ongeluk zal komen. Op Nuhujuut zegt 
men echter dat de zon alsdan met pijl en boog beschoten wordt door de booze 
geesten Tahaweng en Wureng, die op den berg Wuar Booh un verbluf houden. De 
oorsprong van den regen doos, wind niot of niut, bliksem envitik, donder navdod, 
regenboog sasatian, kan niet worden opgegeven. Aardbevingen ontstaan door de be- 
weging van naang, een draak die in de aarde woont, volgens anderen, doordien deze 
tegen het touw, waaraan de Eeei-eUanden als het ware voor anker liggen, stoot 
Dondersteenen sasaot dadaan, worden beschouwd als partes genitalium tonitru, quae 
propter vim vel violentes conatus in coïtu factos disjectae et dispersae sunt De 
sterren daar, ook wel de teleowar de morgenster, worden aangemerkt als de kinderen 
der maan, die na de maandelijksche bevruchting door de zon zich vermenigvuldigen. 
De maan is naar de volksmeening bewoond. Men beweert dat de man Karmas en 
de vrouw Dit, daar onder een sirih-boom, naan ngaen, hun verblijf houden en dat 
de slavin Iriwunm met een stok altijd door sirih-bladen plukt. De dag wordt ver- 
deeld in hamar dag en daedaan nacht. Voorts in asmeread, 's morgens vroeg, leer 
navruaan middag, leer wahan avondschemering, an utanhowaan hamar middernacht, 
manutarkukiu, het hanengekraai , kokot nubaan de tyd dat de kinderen en lalaait 
nubaan dat de ouderen zich ter ruste begeven acht en tien uur 's avonds. De tyd- 
verdeeling of tijdbepaling geschiedt niet door uren maar wordt vastgesteld als: de 
tijd die noodig is om de pinang rood te kauwen, beor nabtahan, of om ubi gaar 



DK ircEt- OP EWAABü-mjiNDEfr. 243 

te koken, een man nabtahan. De windstreken heeten timnr oost, warat, west, 
madmaar noord, en taraanan znid. 

Behalve eenige goudwerken uit den ouden tijd worden nog als nivreaan of artikelen 
die niet mogen worden Yerkocht, aangemerkt, de bingan saam, bingan ngiim, bin- 
gan knum, bingan arbetroaan en bingan manlaan, zijnde borden of schotels van 
Oostaziatischen oorsprong. 



ZEVENDE HOOFDSTUK. 



DE AARÜ-ARCHIPEL. 



Ligging. Geogrsphisclie Terdeeling. EilMiden. Foimatie. Kaaalen. Moermon. Voetpaden. 
Ankerplaatsen. Riffen. Moeion. Klimaat Belangryke negarien. Unia— Urlima. Bevolking. 
Taal. Zang. Traditifin. OeBckiedenia. Phjsiscke, intellectneele en moreele eigeniohiqipen. 
Venninking liohaam. Standen. Adel, ryken, slaTon. Caltns. Bygeloof. Droomen. Eed. 
Aanleg negarifin. Hnisbonw. Huisraad. Arbeid mannen en Trouwen. HandeL Artikelen 
Tan rOkdom. In- en uitToer. Voeding. Kleeding. Bestuur. Afdoening laken. Straffen. In- 
komsten koofden. Plichtplegingen. Grondeigendom. Landbouw. Oorlog en Trede. VerloTing. 
Huweiyk. Zwangerschap. BcTaUing. OpToeding kinderen. Ziekte. Dood. Begrafenis. Rouw. 
Erfenis. TgdsTerdeeling. Telling. Maten. Koamologische begrippen. Oomgai en Tungu. 



De Aaru, volgens de oorspronkelijke bevolking Djaraja of Djueeri, archipel, die 
tusschen 134*^ en 135*^ 10' Oosterlengte van Greenwich en tusschen 5° en 7*^ 5' 
Zuiderbreedte ligt, bestaat uit twee-en-twintig groote en drie-en-zeventig kleine ei- 
landen. 

De groote eilanden zijn Gurialao of Wurialao, Kola, Kulur, Wokam, Udjir, 
Wasir, Warnar, Duar of Aduar, Kobroor, Maikoor, Tarangan, Kumul, Watulei, 
Mariri, Lola, Djambuae, Dangar, Barakai, Bendjurung, Tutuldjurung, Eongampani 
en Eereei. De kleinere heeten Djedan, Wanan, Malamdidin, Kulamamul, Baena, 
Rewong, Manutai, Menlau, Eleel, Ngawap, Palpalnguol, Marwaria, Tagur, Mangan, 
Pagaraja, Waiia, Sewer, Djorsian, Kumera, Amaria, Mara, Ngarbal, Karowairaja- 
Watulei, Karowairaja-Mariri, Batukapal, Laga-lagar, Em, Epar, Ngomo-ngomor, 
Kulamaimain , Boun, Werlau, Balbal, Baragan, Djuwau, Gölordin,Bambu, Gorgor, 
Maarkol, Kotebei, Maardjindjing , Maar, Djee, Babi, Arkamesi, Terboul, Koreil, 
Warmalmesi, Goler, Karawai, Uka, Djoradidin,Panaesa,Lama,Kuldjavana,Kaipaa, 
Karangkula, Ngomgor, Djaodi, Ena, Karang, Ngabardamlu , Batugojang, Irem, 
Babi, Lomar, Meirang, Daokai, Wangal, Siwaria, Buar, Ngoba en Toba. De be- 
woonde eilanden zijn, Wurialao, Kola, Kulur, Wokam, Kongampani, Sewer, Wasir, 
XJdjir, Warnar, Aduar, Kumul, Watulei, Djorsian, Mariri, Kobroor, Maikoor, Ta- 
rangan, Kereei, Lola, Djambuae, Ngomo-ngomor, Gorgor en Barakai. 



DB AARU-AECHIPEL. 245 

Al deze eilanden zijn door riffen sa-aaru omgeven. De eilanden Wurialao, Kola, 
Wokam, Eobroor, Maikoor en Tarangan, die in de richting van het noorden naar 
het zuiden liggende, overdwars door vijf zoutwater kanalen van ongeveer vijf-en- 
twintig tot achthonderd meters breedte en van drie tot vijf meters diepte van elkander 
gescheiden zijn, kunnen als het, door locale opheffing, hoogste gedeelte worden aan- 
gemerkt Deze hoogte bedraagt echter geen dertig meter, uitgezonderd enkele plekt 
ken, of geïsoleerd opgestuwde massa's aan de oostkust en aan de zuidkust van 
Tarangan, alwaar de bodem tot meer dan vijftig meters zich verheft en tal van 
sporen van plioceen tertiaire formatie worden aangetroffen. Het \3ge gedeelte is 
golvend, wellicht het gevolg van eene succusorische schudding tijdens de opheffing, 
waaraan door verbrokkeling van het geheel ook het ontstaan der kanalen moet worden 
toegeschreven. Op dit gedeelte vindt men overblij&elen van Meandrinen, Astraeen, 
Madreporen en Poriten. Het bestaat overigens grootendeels uit brakwater moerassen , 
alwaar Solenaceaeen of scheede schelpen, die tot voeding der bevolking dienen, in 
groote hoeveelheden voorkomen. De Aaruer zegt, het land bestaat uit galakan vavsi- 
patu, modder en koralen. Uitgestrekte moerassen vindt men op Wurialao^ Eulur 
Kola, voorts op de oostzijde van Wokam bij Arenlao, Kabramsel, Karawong en 
Sewer, verder op Kobroor. Het grootste eUand is Tarangan, daarop volgen de 
kleinere Kobroor, Wokam, Maikoor, Kola en Wurialao. De doortocht van Kola tus- 
schen Wurialao en Kola is de breedste, daarna die van Kobei of Badjendjina, tus- 
schen Kobroor en Maikoor. De doortocht van Sisirgatu of Sisirwat tusschen Kola 
en Wokam, van Manambae of Navar, tusschen Wokam en Kobroor en van Mai- 
koor tusschen Maikoor en Tarangan gelijkt in breedte op elkander. Hooge bergtoppen 
worden niet aangetroffen. Deze eilanden zijn rijk aan water dat echter brak en 
bruin van kleur is. Groote rivieren zijn er niet. De grootste rivier vindt men op 
Kobroor en heet Maarermar. Voetpaden , over koraalsteenen en door moerassen aan- 
gelegd, vindt men op Wamar, Wurialao, Kola, Wokam, Kobroor, Maikoor en Tar 
rangan van de eene negari naar de andere. Deze paden zijn echter meestal onbruik- 
baar. Van wege de ondiepte vindt men bij deze eilanden overal ankerplaatsen zoo- 
wel voor schepen als voor prauwen. De oostmoeson met standvastige, zuiden- en 
zuidoostenwinden, heerscht van Mei tot October, de westmoeson gewoonlijk met zware 
onweders uit het Noorden en Noordwesten, van November tot April Aardbevingen 
komen zelden voor. Het klimaat is gezond. 

Behalve de grootere meer belangrijke negariën vindt men op deze eilanden een 
tal van gehuchten door enkele huisgezinnen tijdelijk bewoond. De grootere negariën 
zijn op het eiland Wurialao — Waisei , aan het strand en Siemlin in het binnenland ; op 
het eiland Kola — Palae , Sanggaruni , Mardjina , Marlasi , Masidan Mura en op het eiland 



246 DE AAEÜ-AKCHIPEL. 

KuluT — Ngasida ; op het eiland Wokam — Samang, Pengambel , Wokam, Earuanggol, 
Djabulenga, Silmara, Navar , Selbata-bata, Wakua, Earawong, Eabramsel^ Arenlao, Kom- 
pani of Kongampani en Djamarei; op het eiland Sewer — Sewer; op het eiland Wasir — 
Wasir ; op het eiland Udjir — Kaposal en Djeriri of Kou ; op het eiland Warnar — Vaturei , 
Durdjala, Wangil en Dobo; op het eiland Aduar — Bencynring en Eabalsian; op 
het eiland Mariri — Selree, Tubur en Arilao; op het eiland Kobroor — Manumbai, 
Eongan, Bac^endjina, Dosi, Earawai, Djerpani, Baltan, Warloi, Wardjugur, Kamror 
of Eobroor, Eawanmaar, Wailai, Pono en Murais; op het eiland Maikoor — Mad- 
jnrin, Rata, Maikoor, Wangal en Eobei; op het eiland Tarangan — Latar,Ba4Ju^f 
Rebi, Eiam, Veruni, Ngaigul, Vaturaal, Gorung, Tapormaar, Gkiduur, Misiel, Ma- 
rora, Memekarowaiwai , Gomar, Watudabata en Leivnr; op het eiland Lola — Lola; 
op het eiland Djambuae — Djambaae; op het eiland Eeerei — Eeerei; op het 
eiland Barakai — Gomo-gomo of Mansian, Longar, Porei en Avara. Als een gevolg 
van vroegere Temataansche en Tidoreesche occupatie behooren deze negariën of tot 
de TJrsia of tot de TJrlima. Tot de XJrlima-hoofden behooren die van Durc^ala, 
Wangil, Maikoor, Eeerei, Ngomo-ngomor, Avara, Longar, Watulei en EumuL Tot 
de TJrsia, Udjir, Wurialao, Mariri, Lola, Djambuae, Wokam en Samang. 

Het zielental bedroeg in 1882 naar schatting op het eiland 

Wurialao 298 

Eola met Eulur 1576 

Wokam met Eongampani en Sewer . . . 2856 

Wasir 89 

Udjir 1126 

Wamar . , 2114 

Aduar 230 

EumuL 840 

Watulei met Djorsian 2760 

Mariri 1695 

Eobroor 6450 

Maikoor 3202 

Tarangan met Eeerei 5160 

Lola 964 

Djambuae. , . . 1024 

Ngomo-ngomor, en 1130 

Barakai met Gorgor 1446 

of te zamen 32,950 

waaronder 126 Ghmeezen, 2495 Mangkasaren, Bugis en andere vreemdelingen. 



DE AABU-ABCBIPEL. 247 

De Djaeeri taal wordt in dertien yerschillende dialecten op deze eilanden gesproken, 
als dat van Wurialao op het eiland van dien naam — dat van Eola op het eiland 
Kola en Kulur — dat van XJdjir op het eiland Udjir, Wasir en een gedeelte van 
Wokam — dat van Warnar op het eiland van dien naam en een groot gedeelte van 
Wokam — dat van Eongampani op een gedeelte van het eiland Wokam — dat van 
Eobroor op het eiland van dien naam — dat van Eobei op het eiland Maikoor — 
dat van Tarangan op een gedeelte van dit eiland — dat van Eereei op een gedeelte 
van Tarangan — dat van Barakai op het eiland van dien naam — dat van Lola 
op het eUand van dien naam — dat van Mariri op het eiland van dien naam en 
dat van Watulei op de eilanden Watulei, Adaar, Eumul, Djorsian en een gedeelte 
van Wokam. Op de Aaru-eilanden treft men verschillende soorten van zangen aan 
namelijk voor elke negari a&onderlijk, als de didi Watulei, dide Eongampani, 
welke alleen in deze negariën gebezigd mogen worden. De algemeene zangen heeten 
didedera kaikai, of dakut saba, voorts bij sterfgevallen djerdjari, bij het varen de 
marerei, bela en dj^^ lavlavi, bij den oorlog de lirlir. De muziekinstrumenten zijn 
de titir trom, gong daldala, fluit ngulngula, mondharp berimbak en de tapur of 
tritonschelp. Bij feesten danst men de dalair eene soort menari. 

Omtrent het ontstaan of de herkomst der bevolking van Aaru maken de traditiên 
weinig gewag. De voorvaderen der bewoners van de westkust meer speciaal die van 
TJdjii, Wasir, een gedeelte van Wokam en Wamar zijn eeuwen geleden van Serang- 
lao, Bandang en Eeei alhier aangespoeld. De zoogenaamde Alivuru, of de oor- 
spronkelijke bevolking, zijn op Wokam uit de urairboom, eene Sapindaceae, voort- 
gesproten, nadat het maanden achtereen had geregend. Die van Eobroor kwamen 
als larven uit den grond dalbana vava, anderen zeggen uit eene vermenging van 
roode Uoi vava koikoi, en zand guduur djuring. Een gedeelte van Tarangan wordt 
gezegd te zijn gekomen, van het zuiden. Deze verschillende stammen door connu- 
bium onder elkander zich vermengd hebbende, hebben van lieverlede deze eilanden 
bevolkt De oudste bevolking van Eobroor de Gtomgai en Tungu houdt zich echter 
tot nu toe afgezonderd en is jegens de overigen vijandig gezind, wellicht een gevolg 
van vroegere onderdrukking. De Papua, boitai, zwarten, worden door de Aaruers 
zeer gehaat vanwege hunne rooverijen, die tot in den aanvang dezer eeuw laatstelijk 
bij Djedan, voortduurden. 

De Aaru-eilanden in 1606 door WiDem Jansz. ontdekt, werden in Mei 1623 door 
Jan Carstensz. op zijne reis naar Nova Guinea bezocht in welke maand hij tevens 
met de hoofden van Udjir, Wokam, Wamar, Maikoor en Tarangan een verbond 
sloot, waarbij deze ede Heeren Bewindhebberen der Generale Oost-Indische Compagnie 



248 DE AARU-ARCflIPEL. 

voor hare souveraine en de gebiedende Heeren erkennen.» Later sloot de Fiskaal 
Dorstman een contract waarbij aan de Compagnie uitsluitend het redit werd toe- 
gestaan aldaar handel te drijven, welke handel door de vrye burgers van Bandang 
gedreven werd, in lijnwaden, koper- en ijzerwerken, paarlemoerschelpen, karet, 
paarlen, tripang en sagu, zoomede slaven om in de notemuskaatperken op het eiland 
Banda te arbeiden. In 1659 werd te Wokam een fort gebouwd en in 1660 maakte 
de Predikant Vertregt een begin om de bevolking tot het Christendom te bekee- 
ren. De Predikant J. de Graaf volgde in 1667 hem op en bouwde een kerk te 
Wokam. In 1683 werden twee Bandasche prauwen door de Aaruers overrompeld. 
Kapitein Heijdelberg ging aan het hoofd eener expeditie om hen te tuchtigen, doch 
zonder succes. In 1699 stonden deze eilanden reeds onder het gezag van Todore, 
dat tot 1815 duurde, toen het Engelsche tosschenbestuur daaraan een einde maakte. 
De Gul Ursia stonden onder Temate. Aan Bandasche burgers en andere vreemdelingen 
werd in 1692 verboden op Aaru en de overige zuid-ooster en zuid-wester eilanden 
handel te drijven, welk verbod in 1705 ingetrokken werd. In 1727 beproefde men 
op deze eilanden kof&e aan te planten en plantages van Sasafras officinalis en 
Gaesalpina sappan door de bevolking te doen aanleggen, doch zonder resultaten. De 
aangeplante koffie, 11,160 boomen, kwijnde weg, hetgeen niet te verwonderen is 
wanneer men de gesteldheid van den bodem in aanmerking neemt De handel tus- 
schen Bandang en Aaru begon in 1778 te verloopen en kwam geheel in handen 
van Mangkasaren en Bugineezen. De Compagnie trachtte dit te beletten, doch aan- 
gezien «deze zoo beestachtige natie geen omgang met de onzen begeert, als heb- 
bende die barbaren door de ondervinding geleerd , dat vele kooplieden van allerhande 
natieën hun meerder voordeel aanbrengen,» werd in 1787 het fort door de Mohame- 
danen en AHvuru aangevallen en de bezetting vermoord. De Christenen bleven trouw. 
'sGravesande trachtte in 1789 XJcyir, die de hoofdaanlegger van dien aanval was, 
te tuchtigen, doch zonder gevolg, dit gelukte eerst later onder Heijenberg, terwgl 
in 1791 de Kapitein ter zee J. Wemer Gobius met de betrokkene hoofden een con- 
tract van vriendschap sloot. In 1792 trachtte Constansz een fort op Warnar te 
bouwen, doch vond aldaar geene geschikte plaats. In Maart 1793 sloot de negari 
TJdjir een tractaat van vrede met de Oost-Indische Compagnie, waarbij bepaald 
werd dat de bevolking met geene vreemde kooplieden handel mocht drijven; dat zg 
elke maand vier kannen kalapaolie aan den Posthouder te Wokam moet leveren, 
dat zij afstand moet doen van alle rechten op het eiland Kola, dat zij zonder voor- 
kennis van den Posthouder geene wapenen mogen bezitten, dat zij geen omgang 
mag hebben met lieden van Gorong en Seranglao , omdat deze de Compagnie vijandig 
zijn, dat de door de Compagnie gemaakte slaven slaven blijven, doch het haar vrij- 
staat enkelen daarvan uit te lossen en dat zij den Orangkai van Wokam moeten 
gehoorzamen. In 1794, nadat de Posthouder Scheerder te Watulei vermoord was 



DE AARÜ-ABCHIPEL. 



249 



werd Aam verlaten, als zijnde een lastpost, kostende jaarlqks ongeveer f4000. De 
Engelschen kwamen in 1796 op Aaru, doch hebben het fort te Wokam nimmer bezet 
Na den vrede van Amiens in 1803 werd Wokam weder bezet, doch in 1806 
verlaten. Na de teruggave der bezittingen in 1815 werd Aaru op bepaalde tijden 
slechts door gecommitterden van Ambon en Banda bezocht om de hangende zaken 
te beslechten, totdat in 1882 weder twee Posthouders op deze eilanden te Dobo en 
Barakai geplaatst werden, met het doel om zoodanige maatregelen te nemen als 
tot welzijn van die landen tot bevestiging en uitbreiding van het gezag, tot ver- 
zekering van de openbare rust en tegengang van den slavenhandel noodig mochten 
zgn. Hun invloed is echter nog van weinig beteekenis omdat de Aaruers de Neder- 
landers niet gezind zi|jn. Op de Aaru-eUanden zijn thans vier scholen met onderwijzers 
die elk een inkomen van f360 'sjaars genieten, als te Durdjala met 14 — te 
Wangel met 10 — te Wokam met 10 — en te Maikoor met 19 leerlingen. Het 
gegeven onderwijs is slecht en duur, vermits elk leerling jaarlgks meer dan vijf- 
en-twintig gulden kost De nog aanwezige Christenen worden op onbepaalde tijden 
door een geestelijke van Ambon bezocht 

De oorspronkelijke bevolking van Aaru behoort noch tot de Papua, noch tot de 
Indonesische rassen. Zij heeft veel overeenkomst met de bewoners van Australië, de 
zoogenaamde Marege, die het noordelijk gedeelte van Queensland bewonen. De man- 
nen bereiken eene lengte van 1.60, de vrouwen 1.48 meters. Het haar is niet kroezig 
puk boitaitai, maar sluik en vlossig puk kai kai, de jukbeenderen proenünent, en 
het voorhoofd eenigszins achterover hellende. Dolicho hypsidolicho- en hypsibrachycephale 
schedelvormen met prognathe kaakbeenderen, komen gelijktijdig voor. Het haar wordt 
lang gedragen, puk namarun, om de versierde kam, selila of selkodar, te kunnen 
gebruiken. De kleur der huid is bij jongeren donkerbruin, bij ouderen vuil zwart, de 
huid bedekt met ichthyosis. Pasgeboren kinderen hebben een blanke tint Het lichaam 
is weinig behaard, op de pubes en onder de oksels vindt men weinig haar, dat 
echter bij volwassenen lang is. De pupillen zij^i zwart, de oogen hebben niet den 
wilden opslag, dien men bij andere Zuid-Moluksche volken aantreft De neus heeft 
veelal eene eenigszins aquilinen vorm, terwijl de mond vooruitsteekt. Het lichaam 
is niet robust gebouwd, armen en beenen zijn weinig gespierd. Onder de vele vrou- 
wen treft men niet een , die een aanminnig voorkomen heeft. De menses treden ge- 
woonlijk voor het tiende jaar in. Menstrueerende vrouwen mogen niet planten, koken 
of iets toebereiden. Gedurende de menses is het baden en wasschen verboden. De 
kinderen zijn mager en meest allen met Framboesia bedekt Eroesharige lieden zijn 
van Papua afkomstig of afstammelingen daarvan. De bevolking dezer eilanden is 
goedig van aard en zacht van karakter, alleen worden zij twistziek en gedragen zich 
alsdan in hun drift als wilde dieren, wanneer zij sterke dranken, die hier in groote 



250 D£ AARÜ-ARCUIPËL. 

hoeveelheden ingevoerd worden, gebruikt hebben. Bij vreugde en droefheid zijn ze 

evenwel uitgelaten. De vrouwen en kinderen zijn schuw tegenover vreemdelingen. 

De bloedverwanten zijn zeer aan elkander gehecht Gevallen van albinismus of 

leucaethiopie worden zeer zelden waargenomen. Men heeft eigenlijk geen naam er 

voor, en bezigt daartoe de uitdrukking namser palade, d. i. gelijk de blanken of 

beter gelijk de palade, Nederlander. Onder de Gomgais is het geslachtsverkeer 

onder de jongelieden vrij. Bij de overige stammen wordt de openbare ontucht door 

hooge boeten tegengegaan. Jonge mannen, wawa ila tubai bai, slapen in het huis 

der ouders in een a&onderlijk vertrek, even als de jonge maagden, wawa kodar 

tubaibai. Zij zijn groote liefhebbers van reukwerken en houden er van om muziek 

te hooren, zijn niet bang voor de zonnestralen, bunor rare, maar wel voor regen, 

gujon. Onkuische taal dardjipar damguru-nguru, mag men niet in tegenwoordigheid 

van vrouwen uiten, de schuldige wordt alsdan met een of twee gongs, koperen 

muziekbekken, beboet. Degenen die nog weinig omgang met vreemdelingen hebben 

schamen, matao, zich om diefstal, dananga, te plegen of te liegen, wasar. De 

ouden van dagen worden geëerd, men noemt ze taperkai, oude of abung, iabung 

grootvader. Mannen en vrouwen zijn zeer ijverzuchtig. Elkander ontmoetende in huis 

of op zee biedt degene die in bezit daarvan is , den andere spijzen aan. De damininu 

coïtus, fit in silvis valde secreto modo, bij sonmiige stammen in zittende houding 

gelijk de Marege of de Simia Satijrus. De seksueele vereeniging geschiedt editer 

nimmer coram populo. De mannelijke teeldeelen zijn klein, eveneens de vagina der 

vrouwen. De bevolking, zoowel mannen als vrouwen, baadt zich naakt in elkanders 

tegenwoordigheid aan 't strand. Aan roode gudoi, witte delet en zwarte pare kleuren, 

geeft men de voorkeur. Bij ontmoeting van vrienden kaanang, kust dacyuron, men 

elkander door neuswrijving zeggende, onrame miratan, d. i. zijt gij pasgekomen. Als 

scheldwoorden bezigt men dapage gulom ^jimin daik sariba, d. i. ik zal een mes 

nemen en u den mond stuk snijden; matapui amatubur, een tripang gaat in uw 

buik, mundjinaam, cum matre tua coïre volo — en meer andere. Schimpnamen 

worden ook gebezigd als tamata abei sului, gij kromme; tamata dugunaa, gij zotte. 

Geeft zulks echter aanleiding tot twist, dan moet de persoon eene boete betalen. 

Om iemand te beleedigen tracht men met een zijner vrouwelijke familieleden ontucht 

te plegen of voert men zijne echtgenoote weg, voorts worden de huizen omverge- 

kapt en de prauwen vernield.^ In noode zijn de familieleden verplicht elkander 

te helpen, pan. De bevolking is zeer gehecht aan oude gebruiken. Broeders 

kinderen mogen niet met elkander huwen, wel broeders en zusters kinderen. De 

kinderen volgen den vader, van wege het matrimonium justum door het betalen der 

kodar pel of bruidschat De namen der bloedverwanten walian, zijn amang vader, 

ijai moeder, anang ila zoon, anang kodar dochter, anang monemonena oudste kind, 

anang murimurina jongste kind, amang murimunna broeder van den vader oom, 



DE AABÜ'ABCHIPEL. 251 

amang monemonena broeder van den grootvader oud-oom, iabung ila grootvader, 
iabung kodar grootmoeder, nouwe kleinidnd, sege achterkleinkind. Krankzinnigen, 
tamata nawaiwai, worden niet geëerd maar mishandeld. Vreemdelingen mogen met 
medeweten van alle negarigenooten in de negari zich vestigen, maar mogen niet 
met de vrouwen spreken , om haar niet te verleiden. De bevolking is van wege hare 
veelvuldige aanraking met Australiërs zeer Australisch gezind. 

Behidve het tandenvijlen, detuku ninit, of liever zagen met een mes, dat men 
vooraf den vorm van een zaag heeft gegeven en dat alleen geschiedt als een teeken 
dat men hetzij man of vrouw huwen wil, hebben de mannen de gewoonte zich te 
laten besnijden dagabel decyUdi, ook wel gezegd dawangil of nauwkeuriger uitgedrukt 
het bovengedeelte van het praeputium lajor, tusschen twee stukken scherpe bambu 
te klemmen, zoodat dit opzwelt en daarna tot putrefactie overgegaan zijnde, afvalt. 
Dit geschiedt tusschen het negende en twaalfde levensjaar, zonder voorkennis der 
ouders of bloedverwanten. De patiënt begeeft zich tot dat einde met een oud man 
die de kunstbewerking verstaat, naar het bosch. Den vierden of vijfden dag na de 
knelling, wanneer de huid opgezwoDen is, gaat men bij voorkeur in stroomend water 
zitten, om het overtollig deel te doen afvallen. Daarna wordt de wond met genees- 
krachtige bladen belegd en ingewikkeld met boombast of katoen, waarna de gene- 
zing gewoonlijk na tien dagen volgt. Het doel der dawangil is ad augendam volup- 
tatem mulieris in coitu. Als belooning krggt de besnijder eenig arak. Het doorsteken 
der oorlellen, datulag tager of takar, met twee tot vijf gaten, geschiedt met een 
ring vervaardigd van den arengvrucht, die eenmaal gezet zgnde dagelijks gedrukt 
wordt, zoolang tot de opening na drie maanden, zonder te bloeden, behoorlijk ont- 
staat Anderen bezigen een stuk ijzer en baden dagelijks in zee om de wond te doen 
genezen. Ook wordt de huid met arengzwam dadjau ngobai, gebrand dau, als teeken 
van puberteit en als voorbehoedsmiddel tegen Framboesiae. Het tatueeren daesbela- 
bela of teekenen prikken, ook wel datonger kaskasa genaamd geschiedt bloot ter 
versiering van voorhoofd, borst en armen met een scherp ijzer, dat tegen de rook 
van kalapadoppen wordt gehouden. Men bezigt gewoonlijk vier soorten van teekenen, 
als de tor, vogel; tawon, ster; rewong, trap, en vulan kouwe, maan. Het tatueeren 
heeft in den regen-moeson plaats. Onder de Mohamedanen geschiedt de besnijdenis 
van jongens en meiqes op de voorgeschreven wijze. 

De standen worden verdeeld in tamata guli ^jin^jine de hoogste adel, verder in 
tamata guli, degenen die eenig ambt beUeeden; de tamata djindjinei, de rijken; 
de tamata vangar duoie, de grondbezitters; de tamata reagaga, tamata vanua abali , 
of gagacya, gewone lieden en kabean, slaven. In vroegeren tijd oefenden de hoofden 
van huisgezinnen of oudsten, tura anasi djaeai, te zamen met den gul of de primus 



252 DE AABü-ARCmPEL. 

inter pares het gezag uit, eerst na de komst der vreemdelingen van Temate, Todore, 
Serang en Gorong, werden hoofden met den titel Gul Ursia en Gnl Urlima, van 
rai^a, orangkaja, kapitan en major aangesteld door keuze van personen tot den 
eersten adel behoorende, zijnde de zoon of zusterszoon. Door huwelyken vermengen 
zich echter de leden van verscheidene standen. Papuaslaven worden gewoonlijk tegen 
gongs en olifantstanden van Serangers ingeruild , maar mogen niet met Aamsche 
vrouwen huwen. Moordenaars, brandstichters en overspelers vervallen ook tot den 
slavenstand wanneer zij de door de oudsten vastgestelde boete niet betalen kunnen. 
Door de betaling van het dubbel bedrag dier boete kan men later zijne vrgheid 
verkrijgen. 

Zonder een zuiver begrip daarvan te hebben, vereeren de Aaruers de zon, maan 
en aarde onder de namen 4jabulara, djabuvulan en djabufava, als krachten die 
echter groeten invloed op het lot der menschen uitoefenen en aan wie geofferd 
wordt Men noemt deze ook, vulan lara nensien nenpupun, geesten die boven en 
beneden zijn, ook abuda, iabung, oudste. De geesten, die speciaal aangebeden wor- 
den, zijn Taidue, de beheerscheresse der zee en Boitai, de beschermer der aarde 
die in den grond onder deze eilanden woont, voorts de matmata, ninitui, eridi of 
pangarien, geesten van afgestorvenen, aan wie op de graven borpupun, of in de 
huizen lep, sirih-pinang, rijst, sagero, tabak, geld en dergelijke geofferd worden. 
De matmata houden gewoonl^'k hun verbluf in beeldjes, dalaran. Elk huisvader is 
verplicht dusdanige beelden te spijzigen, wil hij niet ziek worden. Tot dat einde zegt 
hij gewoonlijk, «mamol kanamanam goan,» d. i. Kom toch en neem uwe spijzen of 
«e matmata ensie bia nerang goi magogol susu monoia nac^iUa,» d.L O voorouders 
ziet op de sirih-pinang neder en laat geen ongeluk onderweg ons treffen. De geest 
Boitai, een der voorouders, die als een der eerste bewoners dezer eilanden wordt 
aangemerkt, is zwart van kleur, als de Fapua. De afistammelingen van deze, geheel 
afgescheiden van de Gomgai en Tungu, die verplicht zijn aan hem te offeren heeten 
panudue gubul of tamata panudue. De Boitai is zeer gevreesd vooral door vrouwen 
die de bosschen doorkruisen, omdat hij de gedaante harer mannen aannemende met 
haar den coïtus uitoefent, hetgeen later blijkt door de bloeding der v^ina. De be- 
schermgeesten of zielen der eerste oprichters der negari heeten te Watulei Surat, 
man en Nadjera, vrouw, aan wie tevens geofferd wordt Voorts heeft men de 
maimulmul een soort booze geesten klein van gestalte, die bg de geboorte van 
kinderen tegenwoordig zijn en deze op allerlei wgzen kwellen en ziek maken. Aan 
deze worden sagu en visch geofferd. Suwanggi, aan de westzijde van den Aaru- 
archipel gelegen, makaliwa liwar, en aan de oostzgdepaliwan genoemd, zijn personen 
die door geheime kunsten van vroegere suwanggi geleerd, het zoover gebracht heb- 
ben, dat zij ongemerkt het hart of de eridi tamata, de ziel van den mensch die 



DE AAÏlÜ-AftCttlPEL. 253 

in bet hart zit verslinden kunnen, dal ata, de ziel nemen om deze te dooden. De 
meesten maken zich onzichtbaar, of nemen den vorm aan van de scbadnw van den 
mensch, tama-tamata, anderen nemen des nachts, wanneer zij op den tocht uitgaan , 
de gedaante van vleermuizen, varkens, honden, krokodillen, vogels of andere dieren 
aan. Om suwanggi te worden moet men zich groote uitgaven ten behoeve van den 
leeraar getroosten. De meeste suwanggi vindt men op Eobroor en Maikoor. Aan de 
paliwan wordt bij ziekten eveneens geofferd op de wijze als aan de afgestorvenen, 
met uitzondering alleen dat de offers op andere plaatsen worden nedergelegd. Stee- 
nen schotels, tulgair, van Oost-Aziatischen oorsprong, olifantstanden en oude gongs 
zgn tevens voorwerpen van vereering. Heilige of gewijde, mumusim, plekken alwaar 
booze geesten, guakar, afgevaardigden van Boitai, hun tijdelijk verbluf houden en 
alwaar men niet zonder eenig doel mag komen, noch brandhout verzamelen, lachen, 
spreken, of z^ne behoefte doen, zijn de waridjurin mumusim of heilige kapen, met 
name Watuleidjurin op Wurialao, Wadeldjurin op Wasir, Mangariridjurin op Wokam 
en Yatucyurin op Maikoor. Voorts de rivieren, maar mumusim, g^aamd Arenlaowat 
op Wokam, Learlia op Lola, Wawatabel op Djorsian, Ngasida op Eulur, Serewat 
en Tapurmaar op Tarangan. Vervolgens de bronnen, wajor mumusim, met name 
Delapaipai op Aduar en Wigormangar op Djorsian — de grot Marirlia op Mariri 
en de riffen Nawar bg Djedan, Eubar en Panga^jei tusschen Djedan en Wurialao, 
zoomede de steen Budjaro bij Eereei en meer andere. Het is verboden mumusim, 
de namen dezer plaatsen te noemen. De booze geesten, guakar, die ook in groote 
oude boomen wonen, worden met rook van bepaalde kruiden verdreven. Wordt men 
na het bezoeken dezer plaatsen ziek, dan is men verplicht aldaar een offer te bren- 
gen bestaande uit een gong, voorts sirih-pinang, tabak, rijst, visch, ringen, koper- 
en zilvergeld, alles op een bord nedergelegd. Dit een en ander op den grond ge- 
plaatst zijnde zegt men, «kam kubang wangui, kam soba oin, moom kanangtamata 
djobena, musual mol djare-djare mupama,» d. i. ft heb geld medegebracht, ik zal 
u betalen, maak den zieke gezond, laat de ziekte naar buiten gaan. Sonmiige 
famihën, kanae tamata pangara wali, vereeren de krokodillen, puaja en haaien, 
djüj als hunne voorouders en bewaren de beelden dezer dieren, die zij niet mogen 
eten, in hunne woningen. Op vogelgeschrei bijv. dat van den nachtuil, manuvitviti 
wordt groote acht geslagen. Voorbehoedsmiddelen, wagar pepes, worden op ver- 
schillende wijzen aangewend. De vogel nawai Ceijx en Halcyon soorten wordt zeer 
gevreesd, degene die het vleesch daarvan eet wordt krankzinnig. Gaat men op de 
paradgsvogel manu wook of panan op jacht, dan moet men eenige dagen te voren geen 
sirih-pmang eten of het hoofd met olie zalven. Gedurende de tripang-Holothuria, vangst 
of tijdens het verzamelen van paarlemoerschelpen let men op de bewegingen van de maraes, 
een soort visch, die al naar de opvattingvan den persoon geluk .of ongeluk aan- 
brengt. Heeft een visscher bij eene groote vangst geen sirihrpinang genuttigd, dan 



254 DE AARU-AKCBIPEt. 

zal hij eene volgende keer dit ook nalaten. Is de vangst tegengevallen, terwijl hij 
rijst of kalapa in de prauw heeft dan ziU hij later deze niet medenemen. Toover- 
knnsten, (^ala, worden voortdurend gebezigd om te weten te komen, of iemand ge- 
stolen, een moord of overspel gepleegd heeft, ook om te zien wat de oorzaak eener 
ziekte is. De gewone methoden zijn de handspan, ngatlima, van mann^ ngat ila, 
van vrouwen ngat kodar, het meten van den sagutak, aga paaten koga ngama; 
het ontsteken van licht madamar om uit de vlam de toekomst te voorspellen eene 
soort lychnomantie ; het knijpen eener ei tortulir, om de waarheid van een en ander 
te bevestigen. Gelukkige en ongelukkige dagen zijn niet bekend. Heeft men op de 
jacht een wild zwijn verslagen, dan bewaart men de staart in het huis bovoi de 
voordeur, terwijl de onderkaak in een der boomen opgehangen wordt met het doel 
om in den vervolge op de jacht gelukkig te zijn. Droomt men van een doodeawoi, 
dan gelooft men dat de ziel van den droomer eene ontmoeting met den doode heeft 
gehad. Aan droomen dapir of dabuka, wordt alleen geloof geslagen wanneer deze 
uitkomen. Droomt iemand bijv. dat een der voorouders eenige kruiden of een steen 
aanwiyst om daardoor tijdens het verzamelen van tripang en paarlemoerschelpen veel 
winst te behalen zeggende, «kaiga mol oin wagar, mole mupoi muela mui lao, mu- 
gata muwai lopei ejampage se matampui,» d. L Neem dit middel, gaat in zee uw 
geluk beproeven, daar en daar zult gij veel paarlemoerschelpen en tripang vinden, 
dan beproeft hij zulks, doch werpt het bij niet welsl^ing terstond weder weg. Bg 
het onderzoek van geschillen in zake diefstal, moord, of andere misdrijven, wordt 
de eed, dasawut, eene soort deprecatie, toegelaten. De partyen komen byeen en 
sirih-pinang in hunne handen omhoog heffende zeggen zij, «e vulan djalara musem- 
bana langi musembana vava tongger, paU eleel,» d. i. O maan heer zon gg die 
alles wat in den hemel en wat op de aarde is ziet, ziet wie van ons beiden gelqk 
heeft, of de waarheid spreekt. De bevolking hecht echter meer aan godsoordeelen 
gaba genaamd, als het duiken met sirih-pinang in de hand in een maarmusmusim 
of heilige rivier; het drinken van arak, zeewater en bloed; het vasthouden van een 
witten schotel waarop sirih-pinang en tabak neergelegd zijn ; het halen van een steen 
uit het water; het gieten van gesmolten lood in de handen en het duiken in de 
zee, zich vasthoudende aan een staak. Deze ordaliên worden gebezigd bij ontkenning in 
geschillen omtrent het bezigen van vlaggen, prauwen en huissieraden , het zingen 
van doodsliederen aan andere stammen of familieên toebehoorende, ook wel het in- 
richten van huizen op eene andere wijze dan die door de gewoonte is voorgeschreven. 
Heeft men door schaamte als anderszins een valschen eed afgelegd, dan kan men 
door aan de beschermgeesten der negari te offeren aan de gevolgen daarvan ont- 
komen. 

De negariën op Aaru worden aan de oostzijde bij voorkeur op de toppen van 



DE AAnü-AUCmPKT.. 255 

geïsoleerd ópgehevene koraalblokken van vijf-en4wintig tot dertig meter gebouwd hier 
en daar met eene steenen afsluiting. Om in deze negariën te komen is men ver- 
plicht uitgekapte boomstammen als ladders te bezigen. Aan de westzijde of zooge* 
naamde voorwid, waar de bevolking op een hoogeren trap van beschaving staat 
worden de negariën op vlakten aan zee, op plaatsen, waar zoetwaterbronnen aange- 
troffen worden, aangelegd. Hier zijn de negariën ook beter geregeld en met straten 
en heiningen doorsneden. De huizen in de negariën op den achterwal liggen door 
en naast elkander en om van het eene naar het andere te komen, is men gedwongen 
onder de huizen te loopen. In elk AUvuru huis wonen vier huisgezinnen, lehu of 
lepet, elk in een der hoeken, die met matten afgeschoten wordt. In de Ghristen- 
negariën worden school- en kerkgebouwen, in de Mohamedaansche mesc^ids en 
langgarSf aangetroffen. Woningen ter eere van geesten opgericht zoekt men in de 
Heidensche- of Alivuru negariën te vergeefs. In deze negariën zijn de huizen ver- 
schillend gebouwd naarmate de bewoner een Christen, Mohamedaan of Heiden is. 
De Alifuru huizen staan op palen van twee tot vier meters hoogte boven den grond. 
De omwanding en dakbedekking zijn van sagubladen. Enkele Mohamedaansche- en 
Christen-huizen hebben halve steenen muren met planken omwanding op de wgze 
der huizen op Ambon en de Uliase ingericht In de kuil, waar de eerste paal wordt 
geplant, legt men een wadid, aarden pot, tulgair, schotel en eenig bianerang, sirih- 
pinang. Het bouwen van huizen walai of lep, zelfs van de betrokkene hoofden ge- 
schiedt tegen betaling van drie tot twintig kapala zijnde stukken ivoor, gongs, 
geweren, gouden oorhangers en andere artikelen van waarde. In deze huizen treft 
men als huisraad de sear kodar, een mat om gedurende den slaap zich daarmede 
te dekken, voorts matten sear, kisten baun, tetumbus kopdjau, banken van Eeeisch 
maaksel sasal, hoofddeksel seal, dissels malat, beitels netag, parangs beda, borden 
mangkota, waterbakken van schelpen djer, houten borden taber, lepels van kokos- 
notenschalen djurdjur, stookplaats aigul, aardenpotten wadal, rijstblok Ion, rijstwan 
kupal, brandhout aikai, behalve de wapenen en vischwerktuigen. 

De arbeid der mannen bestaat in het bewerken van zilver, het smeden van ijzer, 
dat zij van Mangkasaren en Serangers hebben geleerd, voorts in het bouwen van 
huizen, het vervaardigen van prauwen ids de inawan en letei lang van negen tot 
achttien en breed van twee tot vier meters, daba van vier tot vijftien en breed van 
een tot anderhalve meter, verder het visschen van tripang, Holothuriasoorten, het 
verzamelen van paarlemoerschelpen, Margarita magnifica, eetbare vogelnestges , karet 
en paarlen, het bereiden van vogelhuiden, het kloppen van sagu, het ontginnen der 
velden, het maken van schaamgordels ngom, van de schors van den ngomkulor- 
boom, het tappen van sagero en het verzamelen van brandhout De tripang wordt 
bij ebbe op de riffen verzameld of op eene diepte van hoogstens twee meters met 



256 DE AARU-ARCmPÉL. 

harpoenen gestoken. Vogelnes^es mannima, worden jaarlijks tot eene hoeveelheid 
Tan meer dan tien pikols te Eoba, Barakai, Radjina, Fatalabata, Tungunbatn en 
Tarangan yerzameld. Yisch djiga, vangt men met lijnen kaling djisin, en met be- 
dwelming adjnla veroorzakende vruchten of schors van boomen als de imuro-vrucht , 
voorts de schors van de daga of djina boom Barringtonia speciosa, fijngestampt De 
vrouwen houden zich onledig met het toebereiden van spijzen, het verzorgen der 
kinderen, het maken van potten wadal, pannen om sagu te bakken engee ngalau, 
surang watervaten, wur groote potten, meestal te Maikoor, Watulei en Barakai 
vervaardigd, het vlechten van matten koja-koja, kupiU en kalapita, het weven van 
nipa- en Pandanus bladeren voor sarongs kira, voorts het vergezellen harer mannen 
op zee bij vangst van tripang of het verzamelen van paarlemoerschelpen. Touw wordt 
door mannen en vrouwen vervaardigd van de schors van de pigoma en malaboom, 
ook wel van de vezels der Arenga saccharifera en Hibiscus elatus. De slaven 
arbeiden met hunne meesters gezamenlijk. Voor dat zij op de tripang- en schelpen- 
vangst uitgaan, v6ór het intreden van den westmoeson apara adjow, plengen zij 
offers aan Taidue de beheerscheresse der zee en aan Boitai den beschermer der 
negari, opdat zij bij het duiken danum, naar paarlemoerschelpen, ejampagee, niet 
verdrinken, kalapokpok. Tot dat einde maakt elk negaribewoner een schotel ge- 
reed met rijst, sirih-pinang, sagu, koper en zilvergeld, legt deze artikelen in eene 
prauw, welke onder het slaan van den titir naar zee wordt geroeid en aldaar onder 
het prevelen van heilwenschen in de diepte geworpen. De in den handel gebrachte 
vogelhuiden worden nadat het vleeschachtig gedeelte er uitg^omen is eenvoudig 
met keukenasch bestreken en daarna in de zon gedroogd. De vogels worden door 
den jager, gezeten in een door hem in den boom daartoe vervaardigde hut, met 
stoinpe pijlen, dauli powor, geschoten. 

O&choon het geld, kubang, niet onbekend is bestaat de handel op Aam in ruil, 
hetgeen door de vreemde handelaren Chmeezen, Mangkasaren en Bugineezen, ook 
uit eigenbelang wordt bevorderd. De ruilhandel wordt door mannen, vrouwen en 
kinderen, die eenen zekeren leeftijd bereikt hebben, gedreven. De invoer artikelen 
zgn hoofdzakelijk arak en sterke dranken, olifantstanden , lijnwaden, geweren, 
lilah's, aarde-, koper- en ijzerwerken. Voor den uitvoer worden bijeengebracht tri- 
pang, paarlemoerschelpen, paarlen, karet, sagu, roode rijst, vogelnestjes, vogel- 
huiden, de zoogenaamde paradijsvogels en andere producten van landbouw, als ubi 
en djagong. Goud- suku mas, zilver- real en koper- barabar geld wordt tot ver- 
sierselen verwerkt Slechts een zeer geringe hoeveelheid daarvan wordt bewaard om 
als offer te worden geplengd. De artikelen van rijkdom zqn de gongs of koperen 
bekken; daldala en siwagan, olifantstanden. De eerste wordt door de bevolking in 
verband tot de grootte in negen soorten verdeeld als, daldala sermin, daldida djawa, 



[ 134* O L. -V Cy«en>y 



*jlSS' 



De 



•• 




Cf" • 






k 



/ J 



c»«* 



nö^^ 



SUm^L-. V PHrJkf.n^Mf. Z^id^m^ 



DK AARÜ-ARCmPEL. 257 

daldala talakoka, daldala sigila, daldala sigkodar, daldala djawa tapuran, daldala. 
sepelpel, daldala bmnbung en daldala wangur gurat. Zij vertegenwoordigen eene 
waarde van twee tot zestig stuks groote parlemoerschelpen. De siwagan bestaande 
uit negentien soorten, die naar gelang van de lengte en dikte de waarde van vijf 
tot duizend katis paarlemoerschelpen — gelijkstaande aan f 5 tot f 1000 — ver- 
tegenwoordigen, heeten siwagan reia, siwagan reia ngapara, siwagan reia ngatia, 
siwagan amalima dabei, siwagan ama waper, siwagan amalima tubur, siwagan 
dadjopor lima dadjauna^ siwagan amakodar bui siksik, siwagan ama ilabui siksik, 
siwagan amalima sien, siwagan asur pola, siwagan ama djuriabel, siwagan taptapun 
asur pola, siwagan taptapun ama lima sien, siwagan ama tapurapuran ila bui sik- 
sik, siwagan tapurapuran amakodar bui siksik, siwagan tapurapuran dadjDpor lima 
dadjauna, siwagan tapuran en siwagan wangurgurat De invoer bedraagt jaarlijks 
gemiddeld f400,000, de uitvoer f300,000. De Chineesche en Mangkasaarsche hande- 
laren komen jaarlijks in Maart op Aaru en keeren dan in Augustus terug. De handel 
zal hier zeer zeker toenemen, wanneer de bevolking meer reëele behoeften leert ken- 
nen. Tot dusverre kent zq alleen arak als zoodanig. 

De spijzen worden zeer eenvoudig toebereid en in aarden potten , inbambu,of ook 
wel in den grond gekookt. Deze bestaan uit sagu rabia en sagupap manaam, de 
vruditen van den Rhizophora conjugata, rijst, ubi, djagong oitela, Colocasia anti- 
quorum gival, pisang muk, kalapa nor en suikerriet gungar; voorts varkens , buidel- 
dieren, schildpadden, vogels, waaronder de Casuari bicarunculatus en Beccarii, 
tevens tripang, krabben, slangen en visch zonder eenig onderscheid. De spijzen 
worden alleen met zout, citroensap en Spaansche peper gekruid en met lepels van 
kalapadop, djurdjur, of van bambu, kabel, genuttigd. Bedorven vleesch of visch 
wordt niet versmaad, ofschoon niet bij voorkeur gebruikt. Verscheidene vischsoorten 
als de rog mera en haaien dju, worden rauw verslonden. Putride menschen vleesch , 
tamata tama wordt alleen bij sterfgevallen genuttigd. Vele Aaruers levens slechts van 
één kalapa per dag. De vrouwen kodar en kinderen, zoomede slaven en slavinnen 
eten daga met den man te zamen, drie malen des daags, des morgens, des mid- 
dags en des avonds. Het zout vervaardigt men door koking van zeewater in groote 
ijzeren pannen, welke kunst zij van lieden van Seranglao geleerd hebben. Als narco- 
tica gebruikt men van af het tiende jaar pinang buja of puja, sirih paritan, kalk 
kawor, en tabak tabaga. Kmderen van 8 è, 10 jaren oud beginnen reeds te rooken, 
dauto tabaga. De meeste Mrouwen rooken niet. Als surrogaat voor sirih gebruikt men 
een slingerplant wata genaamd, voor pinang jonge kalapavruchten. De tabak wordt 
in searawungbladen gewikkeld. De Aaruers vieren meermalen feest, waarbij maaltijden 
worden gegeven. Arak en andere sterke dranken worden alsdan overvloedig gebruikt 

zoowel door mannen als vrouwen. Treedt een der negarigenooten of een vreemdeling 

17 



Ö58 t)É AAÈÜ-ARCHiPirL. 

gedurende het eten het huis binnen, dan wordt hij uitgenoodigd aan te zitten. 
Alleen op Kulur verstaat de bevolking de kunst om sagero van den aröttg- en kalapa- 
boom te tappen. 

De kleeding der mannen bestaat uit den schaamgordel vajar of pajar van katoen, 
of ngom van boomschors, oorhangers tagataga van ivoor of zilver, ringen tanga- 
tangan, armbanden siksik, op de hoogte der oksels te bezigen, siksik gabel gele 
bladen, meestal van de Codiaeum moluccanum en Pandanus soorten, die ter ver- 
siering in de okselbanden gestoken worden, ook om eene aangename geur te ver- 
spreiden, rukruk halsband van koralen met tien stukken koper aan de rugzijde en 
selila kromme haarkam. Die der vrouwen zijn, kira, sarong van de bladeren van de 
Nipa fruticans of Pandanus repens, van de heup tot boven de knieën, tantamona, 
een stuk lijnwaad ter lengte van 0.25 en ter breedte van 0.2 meter dat aan een 
koord of buikband gehecht wordt om het vrouwelijk schaamdeel zoo het heet te be- 
dekken, tantamuri een stuk mat van gelijke afmeting om het achterdeel te bescher- 
men, voorts de kaitantan buikband van koralen, maruru tabar koralen halssnoeren, 
maruk halsband van grove koralen, selkodar haarkam, kabalgul zilveren oorhangers, 
tangatangan ringen, kala silsil barabar, koperen armbanden. Enkele hoofden dragen 
Europeesche en Maleische kleedingstukken, doch hebben een afkeer van schoeisel. 
Kinderen van vijf jaren oud dragen de vajar. De wapenen zijn powor boog, ajool 
pijl, butal piek, sur zwaard, pul bambuspietsen , minak popowor geweren en minak 
lela, lilahs. 

Gelijk hiervoren is aangestipt wordt tegenwoordig het bestuur uitgeoefend door den 
radja of guli djindjinan, orangkaja guli, kapitan en major, welke hoofden, na door 
de bevolking gekozen te zijn, zoo mogelgk door het Nederlandsch gezag erkend en 
bevestigd worden. Vele hoofden bekreunen zich niet over deze erkenning. Bij de af- 
doening van zaken zijn zij evenwel verplicht het gevoelen der panudue of afstamme- 
lingen der eerste oprichters der negariën of bezitters der gronden tama vangar 
duoie, de rijken tamata djindjinei en hoofden der huisgezinnen, oudsten, tura anasi 
djaeai te raadplegen. Volgens de vroegere regeling heeft men op de Aaru-eilanden 
twee radja's als die van Warnar en Keerei , de eerste thans een Christen , de tweede 
een Heiden, ecn-en-twintig Orangkaja's, als die van Wokam, Durdjala, Wangil en 
Maikoor Christenen, die van TJdjir, Samang en Pèngambel Mohamedanen en die 
van Watulei, Kumul, Tarangan, Veruni, Ngaigul, Lola, Mariri, Djambuae, Kola, 
Werialao, Barakai, Ngomongomor, Longar en Avara allen heidenen. Verder heeft 
men nog oudsten op Wasir een mohamedaan en op Arenlao, Sewer, Djorsian en 
Gorgor allen heidenen. Alle zaken moeten voor of onder de woningen van het be- 
trokken hoofd onderzocht en berecht worden in tegenwoordigheid der overige negari- 



DE AARÜ-ARCHIPEL. 259 

genóoten. Vóór het onderzoek van zaken van overspel, verkrachting of verwonding, 
het laatste alleen in staat van dronkenschap, is de beklaagde gewoon aan de hoof- 
den te zeggen, «kusobeg tua ku paratei», d. i. Ik vraag u vergiffenis heer, ik ben 
schuldig, terwijl hij met zijne handen de voeten aanraakt en zijn gezicht er tegen 
aanhoudt Van wege de partijdige, onbillijke beslissingen, hetgeen afhankelijk is 
van de giften die aan de betrokkene hoofden gebracht worden, geeft de bevolking 
steeds de voorkeur aan eene afdoening van zaken op de oude wijze namelijk door 
de partijen zelf. Buiten de hoofden om, begeven deze zich vergezeld van de overige 
negarigenooten naar de negari of woning van den beklaagde en legt hem de boete 
op. Is hij genegen deze te betalen dan is de kwestie afgedaan, zoo niet dan moet 
hij zich aan een der godsoordeelen onderwerpen. Weigert hij dit dan wordt ter 
plaatse afgesproken, wanneer en waar de partijen zich moeten vereenigen om krijg 
te voeren. Bij moord of doodslag mupununaa is de schuldige verplicht boete te 
betalen alcga mupajar, als een olifantstand siwagan van twee meters voor den rug, 
een olifantstand vau een meter voor den penis, een daldalasarmin voor het lichaam, 
een snoer koralen maruk voor de ingewanden, twee rijksdaalders realof twee zilveren 
ringen tangatangan real voor de oogen en een schotel mangkoti of tulgair voor het 
hoofd. Wenscht de familie van den overledene deze boete niet te ontvangen, dan 
heeft zij het recht een der bloedverwanten van den doodslager in de plaats van den 
verslagene te dooden. Brandstichting, overspel en benadering van ongehuwde vrou- 
wen worden met boete gestraft, die bij niet-betaling in levenslange slavernij kunnen 
worden geconmiuteerd. Het spuwen seber of daner voor het aangezicht van iemand 
wordt als eene groote beleediging aangemerkt en de dader wordt met twee daldala 
beboet. De slaven en slavinnen wier meesters voor de betaling der boete aansprake- 
lijk blijven, worden door dezen gekastijd of met een onbepaald aantal rotanslagen 
gestraft Ter aanzuivering van schuld wordt de schuldenaar door de hoofden ver- 
oordeeld, om zijn huis, zijne aanplantingen, ook wel vrouw en kinderen te verkoopen. 
Dit geschiedt ook bij het niet geheel betalen der kodar pel, bruidschat In tegen- 
woordigheid der hoofden is het verboden hen bij hunnen naam te noemen. Wordt 
iemand door een hoofd geroepen, dan brengt de gezant een stuk lijnwaad mede, dat 
bij wijze van een band om zijn rechterhand wordt vastgebonden , solsol lima. Anderen 
brengen een ring tangatangan, of den stok met een zilveren knop, als teeken der 
zending mede. Vaste inkomsten hebben de hoofden niet Bij het opleggen van boeten 
hebben zij het leeuwenaandeel. Ook trachtten zij zich te verrijken door hunne onder- 
hoorigheden en vreemdelingen op allerlei wijzen af te zetten. Ofschoon het zich 
toeëigenen van den eigendom der onderdanen in strijd is met den adat, wordt dit 
algemeen gedaan. 

Verschijnt een mindere bij een meerdere dan is de eerste verplicht op den afstand 



260 t)É AAftÜ-AROmPEL. 

van eenige meters yóór hem neder te hurken datalar ook wel met gevouwen beenen 
asiba abei en het woord te doen. De aanzienlijken zitten gewoonlijk op eene ver- 
hevenheid datalar kader. De gewone verzamel- of zitplaats is onder het huis datalar 
lep sien. Een huis binnentredende zijn de huisgenooten verplicht sirih aan te bieden 
daja paritan ook wel arak tuag. Heeft een Aaruer een geschenk van iemand ont- 
vangen, dan denkt hij steeds met dankbaarheid aan den weldoener. Als teeken van 
vriendschap geeft men elkander olifantstanden, gongs, borden of wit l^nwaad. De 
aanbieding van een stuk zwart lijnwaad is een teeken van oorlogsverklaring. In 
het gewone leven noemt men elkander bij den naam. Ouders krijgen den naam van 
het eerste kind bijv. Kamis aema, vader, Kamis djina moeder van Kamis. 
Vrienden worden genoemd kaanang wawa vrienden broeders. Wonen deze op een 
ander eiland dan noemt men hen kaanang hela. Vrienden of bloedverwanten die een 
gelijke vlag dragen, een gelijke versiering kakaa, kuela kakaa kudja lep, d. i. ver- 
sieringen van het huis, of inrichting der prauw, dezelfde matmata, koraalbloemen 
of versiering en een gelijken zang bij sterfgevallen hebben, kakaa djergura of tawnl 
teeken, heeten wanneer zij op hetzelfde eiland of negari wonen kaanang semeitawul , 
op een ander eiland of negari kaanang djergura. Deze teekenen of familie standaards 
worden zeer in eere gehouden en wanneer iemand tot eenen anderen stam behoorende 
deze bezigt, dan wordt hij zwaar beboet, terwijl bij niet-betaling een oorlog opvolgt 
Deze standaards tobatoba of namar heeten deimael, loimur, semei tubur, larmap 
en taptap al naar de beteekenis die het volk daaraan hecht 

Alle gronden op Aaru behooren of tot de communale eigendommen der negariên 
hunua duoi, of worden als eigendommen van bijzondere personen of familiën aange- 
merkt In elke negari heeft men een gurgur of panudue, de afstammeling van den 
eersten eigenaar die de aangelegenheden der communale gronden, vava, regelt De 
woeste gronden waarover de negarigenooten beschikken kunnen, heeten gubol of rea, de 
ontgonnen velden gutan, terwijl de sagubosschen waarvan vele in het bezit van hoofden 
en tama vangar duoie zijnden naam van bara dragen. Gronden met kalapa en andere , 
aanplan tingen heeten bara djenor, verlaten velden, gutan djaudjau. Wïl men stuk grond 
ontginnen , dan moet men daarvan aan den gurger kennis geven tegen betaling van 
een daldala. Het verhuren djengan- van gronden onder elkander heeft ook plaats, 
doch voor niet langer dan twee oogstjaren. De grenzen der individueele gronden 
worden door goten of slooten aangeduid. Koop dagul en verkoop dawang van gron- 
den heeft ninmier plaats. Vreemdelingen zijn verplicht voor hun verblijf op een der 
plaatsen grondhuur te betalen, bestaande uit vijftien flesschen arak, welke in drieön 
verdeeld ten goede van den Orangkaja, den afstanuneling van den eersten grond- 
eigenaar en der oudsten komen. De huurtijd duurt evenwel niet langer dan een jaar 
of den tijd van een westmoeson. 




Blz.261. 



DE AARÜ-ARCHIPJSL. 261 

Het ontginnen van velden daneka of aela gutan voor het begin van de westmoeson 
is zeer primitief. Na een bord met sirih-pinang aan Djabuvava geoflFerd te hebben 
worden de boomen en struiken omgekapt Droog geworden zijnde worden deze in 
den brand gestoken, de asch naar alle richtingen verspreid en de omheining ge- 
maakt Is deze gereed dan neemt de eigenaar een kalapa en begeeft zich in het 
midden van den tuin klieft de kalapa in tweeën onder het prevelen van gebeden om 
overvloed van veldvruchten aan Boitai en bakent een vierkant stuk grond af, ter 
grootte van drie of vier vierkante meters, alwaar vier Colocasia antiquorum en vier 
suikerrietplantjes in den grond gezet worden als aandeel in den tuin aan Boitai, 
opdat hg voor de bewaking van den tuin tegen wilde varkens en ander gedierte zorg 
drage. Daarna wordt de tuin beplant met rijst awei djardjar, djagong oitela, gem- 
ber laia, ubi wiwawak en urMa, suikerriet gungar, sirih paritan, pinang buja, 
pisang muk en andere gewassen, naar welke niet meer omgezien wordt, voordat 
men denkt dat ze geoogst kunnen worden. Moeskruiden worden niet aangeplant. De 
benoodigde Spaansche peper Gapsicum fastigiatum wordt in de bosschen verzameld. 
Rijst wordt alleen op Kobroor aangeplant De velden hebben gemiddeld eene lengte 
van vijftig en eene breedte van dertig meters. Het wieden is niet bekend. De gron- 
den worden gewoonlijk slechts een jaar gebruikt waarna men een andere plek op- 
zoekt, alwaar de jonge pisang en andere gewassen overgeplant worden. De padi 
korrels worden na de hand met boomschors te hebben omwikkeld eenvoudig van de 
hahnen afgestroopt Na de padioogst wordt op dezelfde gronden djagong en daarna 
ubi pisang etc. geplant. Om het geplante tegen diefstal te beveiligen bezigt men 
beelden van menschen en dieren op eigenaardige wijze van gabagaba gemaakt, de 
matakau, waba genaamd, zoomede bladen waaraan roode bandjes gehecht zijn. De- 
genen die deze teekenen schenden worden ziek. Ook gebruikt men de sasi, sir of 
op bijzondere wijze vastgebonden kalapabladen. Degene die niettegenstaande dit 
teeken vruchten steelt wordt met zware boeten gestraft. 

Oorlogen damadjipar, ontstaan doordien de opgelegde boeten in zake verkrachting, 
overspel of beleediging der tegenpartij niet betaald worden. Moet het geschil door 
den krijg beslist worden, dan huren de partijen zooveel strijdbare mannen als hun 
vermogen dit toelaat, die in beschonken toestand gebracht langs het strand tegen 
elkander ingaan en met pijl en boog, pieken, Hewangs en geweren trachten de 
tegenpartij te dooden en de koppen af te slaan, welke laatsten naar de negari als 
tropaeën medegenomen worden* Gedurende den oorlog wanneer eenige tientallen 
gedood zijn komen de hoofden bijeen, om de zaak te onderzoeken en de bepaalde 
boete op te leggen waarna de strijd eindigt. Ook wordt de strijd onmiddellijk gestaakt 
wanneer een der bij de toeschouwers aanwezige vrouwen het achtergedeelte van haar 



262 DB AAKÜ-AECHIPEL. 

schaamgordel de tantamuri, tusschen de strijdenden werpt. Dit om zoo te noemen 
kleedingstuk is tabu, mnsmusim, of lagia en geen man mag zulks aanraken. Yrede 
wordt door het vieren van een gewoon feest zonder vele formaliteiten gesloten. Om 
in den krijg vlug te zijn gebruiken verscheidene stammen hondenvleesch, dagatarawo. 
Krijgsgevangenen kabean balau, slaaf van den oorlog, kunnen door de tegenpartij 
worden uitgelost tegen betaling van den vastgestelden prgs. 

Goede vrienden of vriendinnen spreken meermalen met elkander af om hunne 
kinderen terwijl zij nog jong zijn met elkander te doen huwen. Dusdanige kinderen 
worden als verloofden aangemerkt. In andere gevallen maakt de jongeling zijn voor- 
nemen aan zijne moeder of een der vrouwelijke bloedverwanten bekend die alsdan 
op zich neemt om bij de ouders van het meisje te gaan en deze daaromtrent te 
spreken lavajang, of aanzoek doen. Geene bedenkingen tegen het huwelijk darwata, 
ingebracht zijnde en door de ouders gezegd wordende «djelvavai eta leva nganan 
kami,» d. i. de deur is open, wij wachten, begeeft zich de vader of een der manne- 
lijke familieleden bij de ouders van het meisje om hen te vragen hoeveel de kodar 
pel, bruidschat, der moeder heeft bedragen, omdat eene gelijke hoeveelheid ook 
voor de dochter geëischt wordt. De verloofden geven elkander daarop ringen, kam- 
men en haarspelden, sirgupan, in ruil. Haar wordt niet aan elkander gegeven uit 
vrees , dat bij oneenigheden de een den ander ziek zal maken door het haar te verbran- 
den. Alsdan wordt een gedeelte van den bruidschat bijeengebracht en bepaald wanneer 
het huwelijk kan plaats hebben. De dag vastgesteld zijnde kleeden de jonge lieden 
zich in feestgewaad — het lichaam wordt vooraf met kalapaolie lura en fijngestampte 
kadju arkele, kanarischillen ingesmeerd — en het meisje door een harer neven op 
zijn rug gedragen, achterover op zijne handen zittende en zijn hals omhelzende, 
terwijl eene oude vrouw hare voeten steunt, naar het huis van den jongeling ge- 
bracht. De door het meisje te dragen kira, sarong moet altijd zwart en wit 
gestreept zijn. Een der nichten van den jongeling brengt eene nieuwe slaapmat mede. 
Het beklimmen der trap, het binnentreden van het huis en van de voor de jonge 
lieden bestemde huwelijkskamer wordt door eenige lieden, meestal oude vrouwen, 
belet tot dat men tegen betaling van daldala's vrijen toegang krijgt. Voor het binnen- 
brengen der mat, kuval ter, moet ook iets betaald worden. Wanneer de jonge lieden 
in het vertrek zijn, wordt er door de aanwezigen tegelijk vier malen hardop gelachen, 
damali mata kaa, waarna zij te zamen sirih eten daka neram, als teeken dat zij 
gehuwd zijn. Alsdan wordt er gegeten, gedronken, gezongen en op den titir geslagen 
een nacht en twee dagen achtereen. De jongelieden worden vier dagen lang in het 
vertrek opgesloten gehouden, omdat het daluli iszichtevertoonen, en door de moeder 
van het meisje verzorgd. Den vijfden dag komt de familie weder bijeen en moeten 
de jonggehuwden baden, darturi, tot welk einde het water door jonge meisjes in 



DE AARU-AKCHIPEL. 263 

bet huis gedragen wordt. Eenige familieleden baden mede, de vrouwen in de vernielde 
kamer, de mannen beneden het huis van het afdruipend water gebruik makende. 
Op denzelfden dag gaan de gehuwden hun aangezicht aan de ouders vertoonen, 
dasano u lunge idi, en wordt het resteerend gedeelte van den bruidschat aange* 
zuiverd. Enkelen doen dit ook wel eenige jaren daarna. De bruidschat bestaat ge- 
woonlijk van tachtig tot tweehonderd olifantstanden, gongs, lilahs, lijnwaden, borden, 
gouden en zilveren oorhangers, een en ander tot het eenmaal vastgesteld getal, 
hetwelk een bedrag van f300 tot f 1000 vertegenwoordigt De bruidschat wordt onder 
de ouders en de overige familieleden verdeeld. Om een vrouw op hen verzot te 
maken, gebruiken vele mannen wagar, sympathetische toovermiddelen. De mannen 
kunnen naar hun vermogen vier tot zes vrouwen nemen, die allen hetzelfde huis 
bewonen. Bij de keuze van mannen en vrouwen bij huwelijken hebben zij de voor- 
keur, die aan vitiligo ena, soufifreeren. Bijzitten worden niet aangetroffen. Vreemde- 
lingen, Chineezen, Mangkasaren en Bugis huwen vrouwen van Köngampani, Bara- 
kai, Wurialao, Kulur en Udjir. Bij coïtus met Europeanen blijven de vrouwen passief 
en indifferent om naar zij beweren niet bevrucht te worden. Gedurende de menses, 
zwangerschap en lactatie mogen de vrouwen geene vleeschelijke gemeenschap uit- 
oefenen. De weduwen arvala, blijven in het huis van den man wonen. Bij een tweede 
huwelijk moet de man aan de familie van den eersten echtgenoot den bruidschat terug- 
betalen. Uit andere negariën worden geene vrouwen geschaakt. Echtscheiding, babasai, 
kan geëischt worden door den man, wanneer hij de vrouw op overspel in flagranti, 
betrapt en door de vrouw, wanneer de man haar mishandelt. In het eerste geval 
wordt de bruidschat teruggegeven. Bij scheiding volgen de kinderen den vader. 
Schoonouders en schoonkinderen mogen wederkeerig de namen niet uitspreken, dit 
wordt als eene verregaande onbeleefdheid aangemerkt. Heet de vrouw Madamar dan 
noemt de schoonzoon den schoonvader Madamar aema, de schoonmoeder Madamar 
djtna. De schoonouders noemen den schoonzoon djalapaepa. 

Gedurende de zwangerschap dardian, wordt door de vrouw niets in achtgenomen 
en vergezelt zij haren man overal. Nadert wanneer de vrouw in de negari is het 
oogenblik van bevalling anes sawara, dan gaat de man drie vrouwelijke bloedver- 
wanten, die beloofd hebben haar te zullen helpen, roepen, om haar bij te staan; 
anders helpt de vrouw zich zelf. Voor de bevalling wordt een vertrek afgeschoten 
met Mrawungmatten, waar geen man mag binnentreden, omdat zulks een voorspoedige 
geboorte tegenhoudt. De vrouw gaat alsdan hurken om het perinaeum niet te scheuren ; 
een der vrouwen achter haar staande trekt haar hoofd naar boven, de tweede masseert 
haar buik op vervaarlijke wijze om het kind spoediger ter wereld te doen komen, 
terwijl de derde, de djemal gagatu genaamd, gereed zit om het kind in ontvangst 
te nemen en te schudden, ten einde het te doen adem, airi, halen. Na de bevalling 



264 DE AABÜ-ABCHIPICL. 

worden de moeder en het kind met lauw water gewasschen, dartur, daarna dé navel 
bumbung, met een bambu, datetak dikn semal, afgesneden en de placenta isirei, 
in de bloemscheede van den pinang gepakt, ergens boven in het huis bewaard. Op 
de navelwond moet de moeder eiken dag melk doen druppelen. De afgevallene navel- 
streng wordt door den vader ergens in een sagu- of pisangstoel, welke verkocht 
wordende een zeer hoogen prijs haalt, geworpen. Daarop begeeft zich een der vrouwen 
bij den vader van het kind en vraagt hem welken naam hij den pasgeborene wenscht 
te geven. Dit genoemd zijnde, wordt de mond van het kind aan de tepel der moeder 
gebracht en aan het kind gezegd, zuigt nu, uw naam is bijv. Kantang. Doet hij dit 
niet, dan wordt een andere naam gekozen en daarmede voortgegaan totdat het kind 
begint te zuigen. Deze naamgeving geschiedt in tegenwoordigheid der vrouwelijke 
bloedverwanten, die het huis binnentredende tot de moeder zeggen: «kamen 4Jobel 
murana wawa ila» of «kodar.» Wees gelukkig met uw zoon of dochter. Zq blijven 
vervolgens feestvieren datonger manaam dakaka. De aanneming van den naam door 
het kind geschiedt met medewerking van den maimulmul. De naam beslist over zijne 
toekomst. Daarna vraagt de vader een dier vrouwen om het kind vier dagen te 
helpen verzorgen. Deze tijd verstreken zijnde, neemt de vrouw de placenta en gaat 
deze, alleen in een prauw gezeten, ver in zee werpen, waarvoor zij een geschenk 
van een daldala een paar koperen armbanden en eenige borden ontvangt Negen 
dagen wordt het kind door eene andere vrouw, djinihola, gezoogd. De methode om 
het lichaam van het Mnd te masseeren zoo ook de moeder om de prolapsus uteri 
te voorkomen is eveneens in zwang. De moeder onrein zijnde is verplicht met het 
kind een maand lang volgens de maanrekening in haar vertrek ngona-ngona, te 
blijven en haar pudenda bij het vuur te houden, terwijl zij door den man verzorgd 
wordt. De vrouw nuttigt alsdan niets anders als wadjita, rijst met kalapamelk ge- 
kookt, ook om naar hunne begrippen het overtollig bloed gunnataber, behoorlijk te 
doen vloeien. Velen gebruiken ook dagelijks de uitgeperste sap Carica papayabladen. 
Het kind mag niets anders dan melk, pola wair, krijgen. Daarna verzamelen zich 
de bloedverwanten zoowel mannelijke als vrouwelijke in het huis om feestvierende 
het kind buitenshuis door de negari rond te brengen. Het huis van een bloedverwant 
voorbijgaande, is deze verplicht een gong, een olifantstand, of andere geschenken 
naar vermogen te geven. Na de eerste maand wordt het kind met fijngekauwde 
pisang, uit den mond der moeder, gevoed, daga, later krijgt het zachtgekookte sagu, 
manaam. Tweelingen, wawa barba, komen zelden voor, doch zqn zeer gewènscht, 
omdat men in de eerste jaren daardoor veel tripang en paarlemoerschelpen zal ver- 
krijgen. De ouders verlangen vele kinderen en liefst degenen die blank van kleur 
zijn. Abortiva zijn niet bekend, ook worden geene middelen gebezigd om de vrucht- 
baarheid te bevorderen, of de steriliteit tegen te gaan. Onvruchtbare vrouwen brengen 
slechts bepaalde offers aan vrouwelijke voorouders op hare graven. Oude vrouwen 



DE AAEÜ-ABCHIPEL. 265 

YÓorspellen gewoonmk eenigen tijd vóór den partas of het kind een jongen of een 
meisTJe zal zijn, doch weigeren hardnekkig de kenmerken daarvan mede te deelen. 
Op Kobroor gaat de vader na de geboorte van een kind een kalapa norpaten, een 
sagu rabia of aga paten, boom ten behoeve van het kind planten ook als openbaar 
bewijs van erkenning. Wanneer het kind alleen kan loopen wordt het haar door 
een der vrouwelijke bloedverwanten afgesneden labakar guldi , die het in een pisang- 
boom bewaart en daarvoor een geschenk krijgt Kinderen worden in slaap gesust 
met een eentonig lied, waarvan het refrein is, ea wowowowo woo. Jongens en 
meisjes worden op gelijke wijze opgevoed totdat de laatste de menses, djai gagudu, 
krijgen en onder de leiding der moeder komen. Gebochelde kmderen, bedil sului, 
en polydactylen, lima aur dum, worden als gewone kinderen verzorgd. Van dystocie 
zijn weinig voorbeelden bekend. Bg zware bevalling worden braakverwekkende mid- 
delen ingenomen en op de trommen geslagen om de booze geesten te veijagen. De 
kinderen van Chineezen met oorspronkelijke Aaruvrouwen zijn verschillend van kleur, 
de jongens donker, de meisjes lichter. 

Ziekten, djare, ontstaan door beleediging van Boitai en Taidue, door verwaar- 
loozing der ninitui of geesten der voorouders aan wie niet behoorlijk is geofferd 
geworden, door kwaadwilligheid der paUwan en andere booze lieden, die geheime 
middelen in den grond begraven of door vervloekingen op gewijde plaatsen uitge- 
sproken. Door tooverij tracht men alzoo te weten te komen, aan wie de ziekte 
moet worden toegeschreven. Aan Boitai Taidue en de ninitue worden alsdan offers 
geplengd. Is de ziekte het werk van een paUwan dan tracht men een ander paUwan 
door betaling over te halen den zieke te genezen. Daartoe neemt hij gewijd water 
en besprenkelt daarmede onder het uiten van onverstaanbare incantaties den patiënt 
De paliwan maken zooals beweerd wordt, de menschen ziek alleen om zich te ver- 
rijken. Een familielid ziek gemaakt zijnde, gaat de paliwan bij een ander zeggende, 
een uwer voorouders die schuldig is aan een der voorouders van zekeren paliwan 
heeft zijn schuld niet betaald, hij zal nu trachten uwe familie te gronde te richten, 
betaalt gij de schuld aan mij drie- of viervoudig , dan zal ik den zieke genezen. Ge- 
woonlijk wordt hierin toegestemd, doch wanneer de verstrekte middelen niet helpen, 
dan wordt het betaalde na den dood van den patiënt teruggeêischt Ditzelfde heeft 
ook plaats met den geneesheer nal wagar. Dagelijksche ongesteldheden als buikpijn, 
tubur djare; hoofdpijn, gul taber djare; koorts, arguro, worden door deze laatsten 
genezen djobel , door toediening van kruiden en door den zieke bij het vuur te doen 
liggen. De zieken worden door de bloedverwanten behoorlijk verzorgd, de vrouwen 
bewaken hen in de huizen, terwijl de mannen beneden het huis blijven om door 
het lossen van geweerschoten de booze geesten vrees aan te jagen. Geneest de zieke 
niet spoedig dan moet deze een ander huis bewonen, werwaarts deze op geheim- 



266 DB AABÜ-AECHIPEL. 

zinnige wijze wordt overgebracht om de geesten te misleiden. Is eene epidemie in 
aantocht dan gaan de oudsten na aan de beschermgeesten geofferd te hebben naar 
de grenzen der negari, om door het plaatsen van allerlei geheime middelen, die 
gewoonlijk in den grond begraven worden, de ziekte te bezweren. Heerschen er 
vele koortsen of buikziekten in de negari, dan vervaardigt men eene prauw van 
twee meter lengte met gabagaba poppen , de zieken voorstellende , doet vervolgens in 
deze een daldala, eenige zilveren ringen, zoomede van elk huisgezin een bord met 
sirih-pinang, tabak, sagu en arak, waarna de prauw door een grootere prauw naar 
zee wordt getrokken of gebracht en onder het oproepen van «abuda nensien nen- 
pupun, Taidue kamkubang wangui kam soba oin, mul djare djare mupae panua», 
d. i. Geest die boven en beneden zijt, beheerscheres der zee, wij hebben geld en 
spijzen geofferd; laat de ziekte van de negari vertrekken, aan weer en wind wordt 
prys gegeven. Oude vrouwen genezen de zieken ook door het uithalen of uit- 
zuigen, darkara darpai, van vreemde bestanddeelen uit het lichaam als wormen 
bunar, stukjes hard hout kai, kleine spijkers urepa omon, vischgraten djigatul,etc. 
Vóór het zuigen wordt de bewuste plek met fijngemaakte gemberwortel laia, belegd. 
Deze vrouwen appliceeren ook eene soort aderlating door het uitzuigen van bloed 
gun kutume, dat naar hun zeggen bedorven is en daardoor de ziekte veroorzaakt. 
Bij het uitbreken der variolae en barsepasepal offert men aan Djabulara, Tsudue en 
aan de beschermgeesten der negari een groot aantal olifantstanden , gongs, gouden 
zilver. Het aandeel van Djabulara wordt buiten de negari, dat van Taidue in zee 
op een der zandbanken en dat van de beschermgeesten op de plaats alwaar aan 
hen geofferd wordt, nedergelegd, terwijl men overal een staak met een witte vlag plant. 
De ichthyosis wordt door den een op den ander ingeënt om eene lichtere huids- 
kleur te verkrijgen en om prurigo te bevorderen. Lepralijders komen meermalen voor. 
De verspreiding daarvan geschiedt naar het volksgeloof door overerving en vervloe- 
kingen van booze lieden. Syphilis is bij de bevolking niet bekend obquam geni- 
talia raro purificent en heerscht alleen onder de vreemdelingen. De leucorrhoea 
wordt hier even als op alle eilanden tusschen Selebes en Papua nergens waarge- 
nomen. Booze lieden maken hunne vijanden ziek muela djare, door toovermiddelen 
in den grond, waarop de persoon er langs gaande kan trappen, te begraven, dangola 
wagar daam vava, of door een beeld van gabagaba, ngabar, te vervaardigen, 
muela kouwe sisiwei en deze met allerlei vervloekingen in zee te werpen, kutabe 
kouwe daam tai, ook wel wanneer het vrouwen betreft door hun haar te verbran- 
den, dal kodar kenaa puk, op een der heilige, daluli, plaatsen. Worden de dalaran , 
of matmata, ook wel genaamd mumusim lep abel, de lares en penates evenwel 
behoorlijk gespijzigd en dagelijks verzorgd dan behoeft men niet te vreezen, omdat 
deze alle ziekten en onheilen van de familie, walian, die het huis bewoont, zullen 
afwenden. Bij epilepsie worden de patiënten met zekere bladen op het gezicht gö- 



DE AABÜ-ARCHIPEL. 267 

slagen, opdat de booze geest in een der bladen vare om daarna weggeworpen te 
kunnen worden. 

De ceremonieën anteet post mortem zijn eigenaardig. Sterft een volwassen per- 
soon dan wordt hij gebaad, darturi en naar zijnen stand gekleed , voorts met koralen 
en goud en zilver behangen, aiiiai, twee dagen en twee nachten in zittende houding 
datalar, tusschen hout geklemd met zijne voeten op olifantstanden, meestal onder 
het huis geplaatst, terwijl de familieleden hem voeden. Vervolgens wordt hij op den 
derden dag in eene prauw, bor, op den rug domieni, gelegd, dabia dama djau 
bawan. Voor den derden dag komen de bloedverwanten de stukken van de wangen, 
ooren en borsten met de nagels aftrekken, om deze met sirih-pinang te verslinden. 
Zoolang het lijk in huis is, wordt op de titir geslagen, dekortitir. De bor op eene 
stellage onder het huis geplaatst zijnde, wordt onder de prauw eene opening ge- 
maakt om de humores cadaveris tamawairi of waeri ervatu, in eene gong of om- 
gekeerde koperen muzlekbekken op te vangen, ten einde dit met sagu als een bewijs 
van gehechtheid aan den doode te nuttigen of om met hem in eene voortdurende 
gemeenschap te blijven ook om door tusschenkomst van de eridi van den doode een 
ander ziek te maken. Deze afschuwelijke gewoonte schijnt voor de betrokkenen geene 
schadelijke uitwerking ten gevolge te hebben. Na den zevenden dag wordt het lijk 
op eene stellage aan het strand gelegd, totdat de tijd aanbreekt om de beenderen 
te verzamelen. Bij deze gelegenheid worden feesten gevierd, datonger marangaingai. 
Wordt de doode terstond begraven, dan geschiedt dit in een kuil van ongeveer een 
halven meter diepte onder het huis, terwijl een groote hoeveelheid zijner bezittingen 
bijv. gongs, olifantstanden, ijzeren potten, pannen en borden in stukken geslagen 
worden. Op het graf worden al zijne bezittingen nedergelegd totdat het oogenblik 
aanbreekt, dat de beenderen verzameld worden. Tot op dien tijd zijn de bloedver- 
wanten verplicht den doode te voeden door een bord rijst, sagu en arak op het 
graf te leggen en eiken dag te vernieuwen. Na den dood begeven de zielen ninitui 
of eridi, zich bij Boitai en zwerven daarna overal rond deken amar, zonder eene 
vaste verblijfplaats. In den eerste nacht blijven zij echter nog in het sterfhuis, om 
welke reden niemand in het huis blijft slapen om niet ziek te worden door in den 
droom den eridi te ontmoeten. Degenen, die in zee hun dood vinden, worden door 
Taidue bij zich verzameld, vooral de jonge mannen die zij als echtgenooten van 
hare dochters aanneemt. De lijken van kinderen worden niet begraven, maar ineen 
daldala gelegd en in huis opgehangen, terwijl de ouders daaronder slapen. Hunne 
zielen blijven in het huis rond fladderen. Op den bepaalden tijd wanneer alles ver- 
teerd is, worden de beenderen naar de familie-begraafplaats, gewoonlijk een grot, 
zonder veel omslag overgebracht. De tijdens de bevalling 'succombeerende vrouwen 
worden evenals andere lieden begraven. Wanneer het lijk nog niet gekist is, geven 



268 DE AABV-ARCHIPSL. 

de bewakers om niet in slaap te vallen elkander vragen tarleman, op, bijv. ik 
herinner mij den naam van een mensch, van een visch, van een boom; wie kan dit 
raden. De vragen naar den naam van een mensch heeten mangaleman, die van 
visschen of boomen, djerpungeL Nog een ander spel wordt bij die gelegenheid ver- 
toond , de dasnltawon of de ster aanwijzen. Men maakt op een der balken eenige con- 
centrische cirkels een ster tawon, voorstellende, waarin de aanwezigen geblinddoekt 
met den wijsvinger van de rechterhand steken moeten. Degenen, die het middelpunt 
raken worden op arak onthaald. 

Nadat een der familieleden in het huis is afgestorven, gaan alle vrouwen het huis 
uit om met loshangend haar te weeklagen en te schreeuwen tot aan het strand, 
over hunne hoofden buitelende en hun lichaam met slijk en modder besmerende. 
De vrouw of weduwe arvala, begeeft zich ook naar buiten en bestrijkt elk huis in 
de negari, waar haar man gewoon is te komen met kalapaolie, dalura dasai, ver- 
volgens legt zij haren sarong af en kleedt zich met de lilimona, frai\jes van pahn- 
bladeren ter lengte van 0.25 en 0.2 meter breed. Als teeken van rouw wordt tevens 
nadat het hoofdhaar is afgeschoren, gedragen een band van palmbladeren op het 
hoofd bokbokgul, de siksik bovenarm- en wagaigai kniebanden, verder twee banden 
kruiselings over den borst onder de oksels vastgemaakt, de pepepal tubor een buik- 
band, waaraan de lilimona en de tantamuri of lilisin een mat van gelijke uitge- 
strektheid om het achterdeel te bedekken, vastgehecht worden. Voorts worden op 
haar lichaam breede strepen met houtskool gemaakt. Deze dracht behoudt de weduwe 
totdat de beenderen uit de Mst genomen en om gereinigd te worden, aan het 
strand gebracht zijn. Dit geschiedt op eene wijze die alle beschrijving te boven gaat* De 
negarigenooten komen alsdan aan het strand bijeen, de mannen met het beeld van 
de guson of gusing, penis, dat van hout is vervaardigd; de vrouwen met dat van 
de kodu of vrouwelijk schaamdeel, dat in gabagaba is uitgesneden. Alle rouw-arti- 
kelen, warkoo ila van de mannen en warkoo kodar van de vrouwen, worden te 
zamen met de bor verbrand. Onder het zingen van allerlei obscoene liederen springen 
de lieden om de vlammen door elkander als bezetenen rond ; de mannen steken het 
beeld der guson in dat der kodu, dat de vrouwen hun. aanbieden en volgen de be- 
wegingen der copulatie alleen om de weduwe tot cohabitatie te prikkelen of om 
drastisch aan te toohen, dat zij opnieuw kan huwen. Aan dit feest, marangaingju, 
nemen de kinderen ook deel. Daarna worden de beenderen na eerst met olie inge- 
wreven en in lijnwaden gewikkeld te zijn,naar een der grotten overgevoerd. Sommigen 
nemen den schedel mede naar hunne woning. Vervolgens komen de negarigenooten 
drie dagen achtereen voor het sterfhuis zingen en dansen, dalair, totdat de weduwe 
hare rouwkleederen heeft afgelegd, dailur djeretai deiku tubaibai. Zoolang de warkoo 
duurt mag de weduwe het huis niet »rerlaten. Dit heeft soms eerst na drie jareiï 



XXVI. 



; t. O O ©dl-.© (u^) "• 




Blz. 268. 



DK AARÜ-AKCflIPEL. 269 

plaats. Hééft de overledene man meerdere vrouwen achtergelaten dan moeten deze 
alle zich aan de weduwenplechtigheid onderwerpen. Als teeken van rouw wordt ook 
het haar der mannen en kinderen afgeschoren. 

De achtergeblevene man of vrouw beschikt over de nagelatene goederen djadjao 
of kanai djetia. Huizen, gronden en andere artikelen, blijven bij de weduwe om hare 
kinderen op te voeden totdat zij een nieuw huwelijk sluit, m welk geval de bloed- 
verwanten van den man deze tot zich trekken. Na den dood der ouders vervallen 
alle goederen aan de kinderen, wanneer zij nog jong zijn onder het toezicht van 
een der familieleden. Groot geworden zijnde , verdeelen de kinderen de djadjao onder 
elkander met dit verschil alleen, dat de jongens meer dan de meisjes krijgen. Wan- 
neer de oudste zoon bij den dood des vaders reeds volwassen is , dan heeft de moeder 
niets over den boedel te beschikken en kan hij zijne moeder zelfs verkoopen daka- 
kanai kubang muli, om zoo noodig de schulden van den vader af te doen. Elke 
vrouw of weduwe heeft hare eigene bezittingen, zoodat er bij verdeeling van erfenis 
weinig geschillen ontstaan. 

De verdeeling van tijd m narakia jaren en hulanina maanden is zeker door vreem- 
delingen ingevoerd. Meer oorspronkelijk is echter de verdeeling van den tijd in sumor 
adjow, drooge moeson en apara adjow, natte moeson. De dag maera wordt verdeeld 
in maerere morgen; laran djetuturor middag; wardjordjor avond en pistutubu midder- 
nacht. Gaat men opreis voor bijvoorbeel4 tien dagen dan neemt men een touw saguv 
mede, waaraan tien knoopen gemaakt zijn, eiken dag wordt alsdan een knoop los- 
gemaakt, waarna men terugkeert. De windstreken heeten sumor oost, apara west, 
madamar noord, en tarangan zuid. De telling mudjao, geschiedt met vingers limaur , 
van handen en teenen abeaur, met steenen kum, met djagongkorrels oitela mula, 
met strepen aan de balken, voorts met knoopen aan den saguv of met de urong 
een stuk gabagaba, waaraan dwarshoutjes ter herinnering als schuldbewijs worden 
gebezigd, als a, urong, 5. het teeken van een olifantstand, 
siwagan, c, een daldala sigila, d. een daldala sermin, e. een 
lilah minak barabar, /. en g, twee stuks wit lijnwaad sabola 
sasain kairosi. Als maat bezigt men een mand goba van vijf 
tot dertig katis, zoomede rei vadem, veta bubur een halve 
vadem en angat een span. Bij het verkoopen van daldala 
spreekt men ook van vademen. De berekening is aldus, men 
slaat op de gong, maakt zijne armen open en dicht en zoo- 
veel malen, als het geluid aanhoudt zooveel vademen is de 
gong groot. 




270 DE AARtr-ARCHIPEL. 

Alle bij de bevolking aanwezige kosmologische begrippen zijn zeer primitief. Bij 
zoneclips, pis wartantan, gelooft men dat er eene ziekte zal komen. Bij maaneclips 
vulan lara dam djawa zegt men dat de zon en maan in copulatie zijn. Donder 
arpodudom is het gevolg van den strijd tusschen regen en wind. Bliksem ardela 
kan men niet verklaren. Ealadjidadjidar de regenboog is eene brug, die de geest 
Boitai nu en dan gebruikt om zich te verplaatsen. Zoogenaamde donderbeitels noemt 
men dela wangur. Tawon maera heet de morgenster, tawon ngun, het zeven- 
gestemte. 

De oorspronkelijke bewoners van Kola en Kobroor, die volgens de traditie uit de 
vermenging van vava koikoi en guduur djuring is ontstaan, heeten Gromgai en 
Tungu. Zij worden door de overige bevolking van Aaru aangemerkt als boschmen- 
schen, doordien zij geene woningen hebben en de bosschen doorkruisende in boomen 
en grotten hun verblijf houden. Het aantal dezer lieden wordt op ongeveer duizend 
zielen geschat De Gomgai en Tungu hebben lange wimpers, groote oogen, neus en 
mond met vooruitstekende lippen en plat aan het hoofd liggende ooren, zij zijn 
rank van gestalte en hebben kleine handen en voeten. Hun haar is zwart zijde- 
achtig en lang, doch zeer onrein, voor het overige gelijken zij in kleur en voorkomen 
op de andere Aaruers. Zij zijn zeer schuw, houden zich geheel afgezonderd of 
ontwijken de overige meer beschaafde bewoners van Kola en Kobroor, staan 
niet onder het bestuur van hoofden en huwen zonder bruidschat te betalen. Zij 
leven van vruchten, schelpdieren en van ,de opbrengst der jacht, als kasuaris, 
Casuaris Beccarii, krokodillen, wilde varkens,, leguanen, slangen, en ander onge- 
dierte. Sterke dranken worden niet door hen gebruikt, ook geen zout Rijst is niet 
gewild. Enkelen hebben sagu leeren eten. De vrouwen baren zittende door den man 
geholpen, gaan daarna bij het vuur liggen, doch staan gewoonlijk vóór den vijfden 
dag op om hun werk te doen. De navelsnoer wordt met een bambu vulu afgesne- 
den. De naamgeving geschiedt door den vader, wanneer hij een goeden droom gehad 
heeft. Intusschen volgen de kinderen de moeder, die tevens verplicht is voor de 
voeding t.e zorgen. De kinderen worden gezoogd totdat zij tanden hebben. Vele 
vrouwen zijn onvruchtbaar van wege het veelvuldig of stelselmatig gebruik van 
abortiva ; de meeste krijgen niet meer dan drie kinderen. Aan landbouw wordt niets 
gedaan. In de plaats van pinang kauwt men boomwortelen. Ouden van dagen treft 
men weinig aan. Bij overlijden wordt het lijk met bladeren gedekt en de plaats ver- 
laten. De wapenen bestaan uit pijl en boog datuvu, zoomede pieken kaituvi. Als 
versiering gebruikt men arm- en voetbanden sikusiku en waiwai. De kleeding be- 
staat zoowel bij mannen als vrouwen uit den schaamgordel van zachtgeklopte boom- 
schors ngumvakai. In de oorgaten worden bloemen gestoken. Zij slapen op houten 
blokken op den grond en koken water in bakken van gevouwen boomschors. Zy ont- 



DR AARtr-AïlCHIPEL. 271 

zien den geest, die in den grond woont, maar vereeren hem niet, beschouwen de 
zon lahau, de maan vulan en de sterren taun, ook als geesten, de laatste als 
kinderen van de maan. Heilige plekken zijn niet aanwezig. Zij vreezen de plaatsen 
waar de lijken neergelegd zijn te bezoeken , opdat de sisi of nitu hen niet ziek make. 
Naar hun geloof zijn de bosschen vol van nitu of geesten der voorouders, die hun 
verblij^laats Kadjilak, eene vlakte op Kobroor, verlaten hebben om rond te zwerven. 
De nitu dooden de levenden om zich met hunne zielen te voeden. Zij zingen en 
dansen niet Het tatueeren is niet bekend. Hunne verwensching bestaat uit «nan 
van balau», d. i. dat iemand u doode. De bezittingen der dooden worden wegge- 
worpen. Zij baden nooit en masseeren dauwat, elkander wanneer zij veimoeid zijn. 
In hunne droomen dabukou, houden zij naar hun beweren gemeenschap met hunne 
voorouders. Deze boschbewoners houden veel van kinderen. Bij het sluiten van vriend- 
schap geven zij elkander pijl en boog ten geschenke. Onderling twistende zonderen 
zij zich af. Zij letten op vogelgeschrei en op het kruipen der slangen. De vrouwen 
loopen nooit alleen in de bosschen om niet door sisi benaderd te worden, in welk 
geval zij steenen in den uterus krijgen en spoedig sterven. Bij menstruatie zonderen 
de vrouwen zich ook van de mannen af. Deze lieden geven aan ijzer de voorkeur 
boven goud en gebruiken bladeren in hunne schaamgordels als voorbehoedmiddelen 
tegen ziekte. De telwoorden zijn 1 oti 2 rua 3 lasa 4 kava 5 lima 6 dum 7 dubam 
8 kavarua 9 tere 10 vuhung 100 haten 1000 rivunia. De handel met deze lieden 
wordt gedreven door op bepaalde plaatsen artikelen van ouderlingen ruil neder te 
leggen, de zoogenaamde potage tagali vuru methode. 



ACHTSTE HOOFDSTUK. 



DE TANEMBAR- EN TIMORLAO-EIL ANDEN. 



lAgffing. Aantal eilanden. Eigendom daarran. Vaarwaters. Formatie. Ririeren. Ankei- 
plaatsen. Bergen. Wegen en voetpaden. Moeson. Bevollcing. Talen. Traditie. Geschiedenis. 
Plijsisclie, intellectneele en moreele eigenschappen. Mutilatie van het lichaam. Cnltos. 
Boom geesten. Heilige plaatsen. Eed. WaarzeggerQ. Droomen. Negariên. Woningen. Ar- 
beid mannen en vrouwen. Vischvangst Handel. Pranwenvaart Voeding. Kleeding. Stan- 
den. Bestnor. Afdoening van aaken. Eigendom van gronden. Landbouw. Oorlog en vrede. 
Huweigk en echtscheiding. Zwangerschap. Partos. Overiyden. Begrafenis. Rouw. Erfenis. 
Zang, spel en dans. Kosmologie. 



De Tanembar- en Timorlao-eilanden in 1629 door de Nederlanders ontdekt en 
sedert onder het Nederlandsch gezag gebleven, liggen tusschen 130° 40' en 132° 5' 
Oosterlengte van Greenwich en tusschen 6° 20' en 8° 30' Zuiderbreedte. Zij beslaan 
eene vlakte inhoud van ongeveer 150 vierkante geographische mijlen. 

Tot de Tanembar-archipel behooren twee-en-vijftig eilanden met name Molu, 
Nuskalboor, Nusnitu, Wajanga, Maru, Kiabalenga, Nuslima, Virinun, Watborat, 
Nuskabawa, Nuskarata, Bamusa, Vordata, Watsira, Nukahaa, Larat, Lutur, Nu- 
sanlaa, Slewar, Mitak, Kokolat, Wawoan, Teen, Nemaan, Nustemar, Laibobar, 
Taval, Wulmali of Bulumali, Tual, TJnggar, Nujanatraa, Nuswotar, Nujanatrool, 
Wuliaru, Nustaran, Wolas, Kesiwu, Seelu, Nusnita, Salal, Sekeleer, Manu, Seera, 
Molin, Watuwawan, Nuskee, Lokihinilavon, Kamiswaan, Watsalat, Tendula, Kot- 
kota en Watletan. Behalve Molu, Maru, Vordata, Lutur, Larat en Seera zijn al deze 
eilanden onbewoond. Tot op de Timorlao-groep worden gerangschikt veertien eilanden 
genaamd Jamdena of Janatleer, Anggarmasa, Vual of Tual, Erikmiri, Watleran, 
Nustawon of Nustabun, Watkusa, Najanat, Watdua, Nuskesa, Watsira, Solat, 
Selaru en Ariama, waarvan Jamdena en Selaru slechts bewoond zijn. De onbewoonde 
eilanden zijn vóór de komst der Europeanen in deze streken reeds het eigendom 
van verschillende, zoowel op Tanembar als op Timorlao aanwezige negarïën als de 
eilanden Molu, Nuskalboor, Nusnitu en Wajanga van de negariën Warena, Adodo, 
Wolmasa en Abat op Molu; het eiland Maru van de negari Watdidal op Larat; 



jiai* O.X..-V-. Gay«Mrw»r- 



132' 



De 




EiijAivde:n . 



NtMlcAlboor 






^k_^ 



liivi/ 



^7 Waiangpa 









ilima. 



Teeu 






yu«nitu 



■r 



M 



; 







Ari&maj^ 



SUendr. w. P. KT JIC TnMf. Lmidmn. 



DE TANEMBAR- OP TMORLAO-EILANDEN. 273 

de eilanden Nuslima, Teen, Nemaan, Virinun, Wulmali, Laibobar, Nnstemar, Mitak, 
Watborat, Nuskarata en Nuskabawa van de negari Ridool op Larat; de eilanden 
Bamusa, Nusanlaa en Lutor van de negari Ritabel ook op Larat gelegen; het 
eiland Nuswotar van de negari Rumiaan eiland Vordata; de eilanden Wuliaru, 
Kesiwu, Wolas, Watuwawan, Molin en Manu van de negari Uaratan op Seera; 
het eiland Seelu van de negariën Kamatubun en Rumsalut op Seera; het eiland 
Sekeleer van de negari Welutu op Seera; de eilanden Anggarmasa, Najanat en 
Watkusa van de negari Adaut of Ondiaut op Selaru, de laatste evenwel betwist 
door de bevolking van Oliht op Jamdena. Het eiland Nustawon behoort aan de negari 
Lermatan, terwijl de uitgestrekte riffen Barasadi ten westen Gamusa en Sari aan 
de Oostkust van Jamdena gelegen aangemerkt worden als de vischgronden van de 
negariën Rumsalut op Seera en Kelmasa op Jamdena. Behalve de Straat Elat of 
Egeron, worden voor stoomschepen van middelbare grootte geschikte vaarwaters ge- 
vonden tusschen de eilanden Vordata en Larat; tusschen Mam, Kiabalenga en 
Nuslima ; tusschen Sekeleer en Seera ; langs de westkust van Jamdena en de eilanden 
Seelu, Kesiwu, Wolas, Wuliaru, Nujanatrool, Nujanatraa, TJnggar, Laibobar, Wul- 
mali, Taval, Nnstemar, Nemaan, Watborat, Bamusa en Virinun om de oost; voorts 
tusschen Nuswotar en Nnstemar om de West en tusschen Teen en Kiabalenga om 
de Noord. 

Met uitzondering van Molu, Vordata, Laibobar, Seelu en een gedeelte van de 
zuid-oostkust van Jamdena zijn zoowel de Tanembar- als Timorlao-eilanden alle laag. Op 
de grootste dezer eilanden met name Larat, Jamdena, Seera en Selaru treft men in de 
binnenlanden uitgestrekte moerassen aan, enkele bedekt met Rhizophora conjugataenlaag 
houtgewas. Het voorkomen van het noordelijk gedeelte van Jamdena, alwaar overblijfselen 
van nog niet geheel verweerde Oculina axüaris, Astraea favosa, Madrepora palmata en 
andere voorkomen, geeft de zekerheid dat de meeste der Tanembar- en Timorlao-eilanden 
van jong korallinischen oorsprong zijn. De hiervoren bedoelde hoogere gedeelten, 
blijkbaar nog rijzende, hebben het uiterlijk aanzien van pliomioceen-tertiaire formatie. 
Op zekeren afstand heeft het eiland Laibobar het voorkomen van een uitgebranden 
krater, doch het levert geene vulkanische overblijfselen op. Op het eiland Seera worden 
sedementaire gesteenten met sporen van metamorphische vorming als gekorreld kalk- 
steen , dolomiet en quartsiet gevonden. Het eiland Selam is met hoog gras bedekt en 
minder boschrijk. Rivieren worden slechts op Jamdena en Selam aangetroffen, als 
op Jamdena ten westen de rivieren Olotilaa en Werlakwora bij de negari Wermatan, 
en Wersali bij de negari Atemar in het gebied van Selwasa; voorts Veterleti de 
grootste rivier op Jamdena, die tusschen de tandjong Nuskee ten noorden en Wer- 
lolan zich in zee stort. Kleine beken vindt men langs de oostkust met name Keliau 

bij de negari Aulusi; Dawalora bij de negari Arkilu; Lebi bij de negari Singliin; 

18 



274 DE TANEMBAR- EN TIMORLAO-EILANDEN. 

Melere en Bunan beide ontspruitende uit den berg Lera bij de negari Lauran en 
Vordata die van den berg Bangluti ontspringt en bij Olilit in zee valt Voorts nog 
Werkali, Orui, Werbubur en Wersaa. In de Straat Elat vloeit de Samalaki bij Lak- 
teru in zee. De rivieren op het eiland Selaru heeten Wiambia en Wulmamali bij 
Adaut en TJplena dicht bij de negari Watleta gelegen. Geen dezer rivieren is 
bevaarbaar van wege de lage ligging zonder stroomsnelheid. Zoetwaterbronnen wor- 
den op vele plaatsen aangetroffen, doch met uitzondering van eene bronopNemaan 
is het water overal brak en ziltig. Warme of minerale bronnen zijn er niet. Anker- 
plaatsen worden gevonden te Adodo, eiland Molu; te Sobiani en Rumiaan, eiland 
Vordata; te Ridool, Ritabel en KeUobar, eiland Larat; te Botania vroeger eene 
nederzetting, maar thans eene onbewoonde streek, omdat de bevolking naar Aulusi 
verhuisde, ten westen van Jamdena tegenover Laibobar gelegen; te Sebnano, Am- 
dasa, Atubul, Aulusi, Arkilu, Manlusi, Lermatan, Tual, Lakteru en Olilit alle op 
hetzelfde eiland; voorts te Uaratan, eiland Seera en te Adaut, eiland Selaru. Be- 
halve deze zijn nog volgens de berichten der inlanders verscheidene ankerplaatsen 
aanwezig, welke echter nog niet onderzocht zijn. Langs de westkust van Jamdena 
en tusschen de aldaar liggende eilanden is de diepte der zee zoodanig, dat overal 
geankerd kan worden. De hoogste bergen zijn op Molu de Kilwulan; op Vordata de 
Wutlanit en Borbora; op Larat de Warsengal; op Seelu de Wurwuruwun, Akmat- 
dawa en Ulurborovun; op Nuswotar de Smulutsumar en Okolsono; op Selaru de 
Urambia; op Jamdena de Ngeriasa ten noord-westen van de negari Lermatan, al- 
waar naar men beweert, goud gevonden wordt; de Ridasi, Laka, Laniüean, Wat- 
lari, Nuuliman, Nuratu, Laiora, Triau, Korlawat, Lamlombar, Navababore, Kor- 
wanenraa, Arioo, Malolin, Lera, Kelana en Bangluti, alle echter niet hooger dan 
ongeveer driehonderd-vijftig meters. De hoogste top op Laibobar draagt den naam 
van het eiland. Voetpaden gedeeltelijk door wildernissen en moerassen, gedeeltelijk 
langs het strand loopende worden aangetroffen op Molu van Adodo naar Welmasa 
en Warena; op Maru van Watuwahan naar Ivar, Brinlalan en Wersaa; op Vordata 
van Rumiaan, Rumeuur, Rewenuur, Aweer, Sobiani en Adodo; op Seera van Abp. 
tot Uaratan; op Larat van Ritabel naar Ridool, Watdidal, Eeliobar, Eelaan en 
Lamdesar; op de Oostkust van Jamdena van Lermatan, Lakteru, Olilit, Lauran, 
Atubul, Kelmasa, Manlusi tot Ajoa. Ook bestaat er een voetpad van Lauran, oost- 
kust van Jamdena, naar Wermatan eene negari aan de westkust gelegen, welke 
grootendeels vlak over scherpe koralen loopt en eenen afstand van ongeveer twaalf 
uur gaans bedraagt; voorts van Ajoa naar Kokolat en van de negari Aulusi naar 
Botania, alwaar de zoogenaamde jachtgronden van genoemde negari aangetroffen 
worden. De Oostmoeson begint in de maand Mei en eindigt in October, de West- 
moeson duurt van November tot April. Aardbevingen meestal horizontaal komen 
herhaalde malen voor. 



DB TANEMBAR- EN TIMORLAO-EILANDEN. 275 

Het aantal zielen bedroeg in 1882 op Tanembar 6026, op Timorlao 6706 of 
12732 te zamen, d. i. ongeveer 35 zielen op elke geographische mijl. 

Ofschoon de bevolking elkander wederkeerig verstaat, worden er in strikten zin op 
de Tanembar- en Timorlao-eilanden vijf dialecten gesproken, als — de Tanembar- 
liri in de negariön Adodo, Welmasa, Warena en Abat op het eiland Molu — in 
de negariën Wersaa, Brinlalan, Gurlawan en Watuwahan op het eiland Mam — in 
de negariën Adodo, Sobiani, Aweer, Kewenuur, Rumeuur en Rumiaan op het eiland 
Vordata — in de negariën Ritabel, Ridool, Watdidal, Keliobar , Keiaan en Lamdesar 
op het eiland Larat — en in de negari Lelenluan op het eiland Lutur; de Seera- 
liri m de negariën TJaratan, Temin, Welutn, Rnmsalut, Kamatubun, AbaenSeera- 
muri op het eiland Seera; — de Timurliri Selwasawara in de negariën Maktian, 
Wermatan en Atemar aan de westkust van Jamdena gelegen; — de Timurliri 
Selwasatemer in de negariën Lermatan, Lakteru, Olilit, Vanobi, Sebnano, Taparat, 
Lauran, Mitak, Wuwoda, Tubumebun, Amtuvu, Atubul, Amdasa, Singlün, Arui, 
Leraebun, Aulusi, Majano, Kelmasa, Arkilu, Manlusi, Watmuri, Armaa, Ajoan, 
Dabdabo en Ajoa aan de zuid- en oostkust van Jamdena , voorts in de negari Adaut , 
eiland Selaru, en — de Selaruliri in de negariën Kadar, Watleta, Lingat, Vursui, 
Bula, Warai, Wulmatan en Namtabun op het eiland Selaru. Li de negari Ivar of 
Iwar op het eiland Maru is eene Tobelosche nederzetting. 

De nasporingen , om nopens de oude geschiedenis dezer volkstammen eenig meerder 
licht te verkrijgen, heeft tot dusverre weinig resultaten geleverd. Volgens de traditiën 
spoelden er in overouden tijd twee personen, een man en een vrouw met name 
Arumbae en Boo, van uit het noorden komende te Nustemar aan het strand aan. 
Eene andere lezing zegt dat Arumbae en Boo uit de bambu komende, in de taal 
des lands temar genaamd, voortgesproten waren. Het eerste bericht heeft meer 
waarschijnlijks, wanneer men in aanmerking neemt dat arumbae en boo beide 
Tanembarsche en Timorlaosche benamingen zijn van prauwen en de bevolking dezer 
eilanden ook uit een linguïstiek oogpunt veel overeenkomst heeft met die van 
Nuhujuut of Groot Keei. Lieden uit het noorden gekomen worden alzoo aangemerkt 
als de voorouders van de zoogenaamde oorspronkelijke, of beter gezegd eerste be- 
volking van Timorlao, meer speciaal Aulusi en Ngeriasa of Lermatan, die eerst in 
de binnenlanden woonden, maar wegens ziekte strandwaarts gingen. De bewoners 
van Selaru beweren dat hunne voorvaderen langs eenen rotan uit den hemel ge- 
daald waren. Die van Selwasarwara en van Lauran kwamen van Babar en Laibobar. 
De jongste negari is Keliobar, wier voorvaderen van Molu kwamen, zijnde de af- 
stammelingen van de naar Grorong gevluchte oude bewoners der Bandang-eilanden. 



276 DB TANEMBAR- OP TIMORLAO-EILANDEN. 

De eerste personen, die Olilit bevolkten, waxen van het eiland Moa afkomstig. Naar 
luid eener andere overlevering kwam de bevolking van Selaru en Jamdena van 
Barasadi, voorheen een groot eiland ten westen van de. eilanden Tanembar en 
Timorlao gelegen. Lakawena een beruchte toovenaar of ewangc te Barasadi, die 
eiken dag door de negarigenooten op palmwijn of sagero onthaald werd, kreeg met 
hen hooge oneenigheden, waardoor hij geruimen tijd van drank verstoken bleef. Ver- 
toornd ging hij daarop zelf sagero tappen, slachtte een zijner slaven en bestreek 
met diens bloed de bloemtrossen van den Arenga sacharrifera. Dudilaa of Duadilaa 
deswege ontstemd deed alstoen het vocht in zulk eene groote hoeveelheid stroomen, 
dat het eiland wegzonk en het tweederde der bevolking door de zee verzwolgen werd. 
Eenigen slechts strandden op Jamdena op de hoogte van de rivier Veterleli, alwaar 
de steen Watmanu, zoo genaamd omdat een haan 'van Barasadi vliegende aldaar 
nederstreek, thans nog als moli of heilig wordt aangemerkt Het eiland Seera was 
voorheen een zandplaat of bank. Een gedeelte der bevolking van Wuliaru verliet de 
negari Walonditi aan de westkust van dit eiland gelegen en verhuisde wegens ziekte 
en vrees voor zeeschuimers onder zekeren Baul derwaarts. Seerang het hoofd van 
Walonditi was toen tevens in oorlog met Bakarbuti het hoofd van Buti, ook eene 
negari op Wuliaru. Nadat beiden gesneuveld waren , sloot de bevolking vrede en volgde 
Baul. De aanhangers van Bakarbuti stichtte later de negari Rumsalut; die van 
Baul Uaratan. De bevolking van Temin kwam van Anggarmasa een eiland in de 
straat Elat gelegen, terwijl Welutu vóór de komst van Baul op het oostelijk gedeelte 
van Seera gevestigd was. De naam Seera is afkomstig van Seerang, den navareta of 
besturend oudste van Walonditi, die volgens berichten met zijn volk uit het noorden 
kwam. Andere oude lieden beweren echter dat Seera afgeleid is van Nus eera, sagu- 
eiland. De vrouw Sekeleer ontijdig van een zoon bevallen, deed dezen in een uitgeholde 
vrucht van de Lagenaria hispida, tawul malaa, in zee drijven. Op de plaats blijvende 
veranderde de vrucht later in een eiland, dat de naam der vrouw kreeg. De bevol- 
king van Mam kwam van Luang. Een navareta van Selwasawara genaamd Yutvaar 
welwawan verhuisde naar Moa, vandaar de vriendschapsbetrekkingen tusschen Moa 
en Wermatan. Het woord Jamdena beteekent boomen of bosch , Larat beteekent zand. 

Overeenkomstig hare bestuursbeginselen sloot de toenmalige V. O. L Compagnie 
in 1645 met de betrokkene hoofden en oudsten dezer eilanden «een exclusief con- 
tract van handel in karet, slaven, rogge vellen, amber, was en sapanhout, welk ver- 
bond niet alleen met al de dorpshoofden maar ook met de daaronder sorteerende 
eilands-volkeren naar genoegen getroffen werd», zoodat zij aldaar een loge oprichtte 
en eene bezetting plaatste onder het bewind van den fiscaal A. Dorstman, terwijl 
aan de dorpshoofden van Sobiani, Rumiaan, Keliobar, Welutu en Wermatan vlaggen 
verstrekt werden. Om «in dezen oord de voortzetting van den godsdienst te beproeven 



XXVII. 




blz.277. 



DB TANEMBAK- OF TMORLAO-EILANDEN. 277 

werd in hetzelfde jaar de Predikant N. Vertregt derwaarts gedirigeerd, dan 
de continueele intrigatie van de op het eiland Vordata gevluchtte Bandaneezen 
waren oorzaak, dat de handel zoo weinig als de godsdienst opgang vond, als waarom 
en om de voortdurende kwellingen en om de snoode behandelingen die de Neder- 
landers dagelijks te beurt vielen, zonder dat men de daders kon attrappeeren de 
bezetting kort daarna is gelicht.» Op verzoek der navaretas of orangkajas werd 
evenwel in 1683 alweder een «Schoolmeester» naar Vordata gezonden, de vaart op 
Bandang hersteld en vervolgens door de burgers aldaar «réciproque gefrequenteerd 
medebrengende bij retour karet, slaven, ss^, olie en tripang alles in eene zoo 
geringe qualiteit, dat indien deze vaart niet bij aangiering van Arou kan geschieden 
het de onkosten niet zoude kunnen balanceeren.» Deze handel duurde tot ongeveer 
het midden der achttiende eeuw. Met het bezit der Molukken alleen in het oog 
hebbende de uitsluitende beschikking over kruidnagelen, notemuskaat en foelie had 
de Compagnie alle gemeenschap met bijzondere handelaren afgesneden en den «smallen 
handel» naar Tanembar en Timorlao alleen aan de Bandasche «burgers» afgestaan. 
Omstreeks 1750 heeft deze handel geheel opgehouden en is hij in handen van de 
Mangkasaren gekomen. Vóór dien tijd keerde gelijk te verwachten was, de inland- 
sche onderwijzer naar Bandang terug. Van af 1823 werden deze eilanden op on- 
bepaalde tijden door geconmiitteerden van Ambon , die belast waren met de afdoening 
der aldaar aanhangige zaken overeenkomstig de gegevene instructiën bezocht — ook 
werden Vordata en Seera van wege de snoode handelingen der bevolking tot twee- 
malen getuchtigd — totdat in 1882 te Ritabel eiland Larat en Uaratan eiland 
Seera Posthouders aangesteld werden, ten doel hebbende de hoofden en bevolking 
aan eene zekere leiding te gewennen, het Nederlandsch gezag aldaar van lieverlede 
te bevestigen en uit te breiden en mede te werken tot tegengang van menschenroof 
en slavenhandel. Hun invloed is echter nog van weinig beteekenis. De bevolking van 
Timorlao is niet zeer Europeesch gezind. In 1835 vertoefde echter en huwde een 
Engelsche schipbreukeling te Lauran. Tusschen 1839 — 1841 werden deze wateren 
door H. M. Surveyingship Britomart Captain Owen Stanley opgenomen, terwijl 
Nederlandsche schepen deze streken uit gebrek aan goede kaarten en gidsen zeer 
zelden bezochten. Niettegenstaande dit bij de Compagnie bekend was , wist de Indische 
regeering later niets meer van het bestaan van de Straat Elat, welke straat door 
den Heer P. C. L. Hartog, een ondernemend particulier van Bandang, in 1877 
werd wedergevonden en den naam van Egeron verkreeg. 

De bewoners van de Tanembar- en Timorlao-eUanden zijn welgemaakt De mannen 
hebben eene gemiddelde lengte van 1.69, de vrouwen van 1.57 meter. Zij zijn 
niet zwaarlijvig. Sommigen hebben eene mongoloïde type met min of meer schuins 
liggende oogen. Ronde welgevormde spieren bedekken de schouders en heupen van 



278 DB TANEMBAll- OF TMORLAO-EILANDEN. 

mannen en vrouwen. Allen hebben een uitdagende houding en zijn zeer luidruchtig. 
De kleur der huid is donker tjöndana geel. Het haar is niet woUig, njengu, maar 
sluik , tetebung en hard , bij enkelen ook golvend. Het haar der vrouwen die gebruik 
maken van kalapamelk is glimmend zwart. De type is brachycephaal , ofschoon er 
ook orthodolicho en hypsimesocephale vormen voorkomen. De neus is Hein maar 
welgevormd, eenigszins gebogen met uitpuilende vleugels. De oogappelen zijn zwart 
bij enkele vrouwen donker koffiekleurig. Op het lichaam zijn zij meer of min be- 
haard, de mannen op den borst en van de kuiten tot aan den navel. Een mannelijk 
individu van Molu was op den schouder en rug sterk met haar begroeid. Onder de 
oksels en op den pubes hebben zoowel volwassene mannen als vrouwen weinig 
maar lang haar. De borsten der jonge vrouwen zijn klein, pyrivormig en vol. Over 
het algemeen hebben zij kleine handen en voeten, lange nagels en sierlijke ivoor- 
witte tanden, voornamelijk de ongehuwde lieden, die de tanden nog niet hebben 
laten afvijlen en aan wie het verboden is sirih-pinang te kauwen. De huid is zuiver. 
De vrouwen hebben de gewoonte onder het baden het lichaam met watsira of sek- 
nobel, soorten van fijn zandsteen te wrijven. Sonmüge jonge vrouwen hebben een 
zekere coquetterie over zich, waardoor de slankheid harer lichamen beter uitkomt 
De menses larsian, openbaren zich tusschen het negende ea elfde jaar. Het menstruaaJ 
excreet is zeer gering. Gedurende dien tijd gebruiken de vrouwen pessaria van ge- 
klopte boombast of kalapavezelen in de vagina. Behalve de gebruikelijke brandwon- 
den, betu, vindt men slechts bij enkelen litteekenen van eenmaal genezen Framboesia. 
Kreupelen en gebochelden worden niet gezien. In 1882 was er op deze eilanden 
slechts één albino, ininangiar of matsitaraa, kattenoog aanwezig, terwijl in meer 
dan eene negari lepralijders, ngabaa, voorkomen. Polydactylen en leporinen zijn 
bekend, doch uiterst zeldzaam. Het aantal geboorten staat niet m rationeele verhou- 
ding tot de sterfgevallen op deze eilanden , alwaar tijdens de kentering der moesons 
vele kwaadaardige moeraskoortsen en buikziekten heerschen en waardoor velen vooral 
kinderen door verwaarloozing ten onder gaan. De bewoners van Tanembar en Timor- 
lao zoowel mannen als vrouwen zijn uitstekende zwemmers. Papuatypen worden 
op deze eilanden niet aangetroffen. Evenals de meeste primitieve volken is de be- 
volking woest en lichtgeraakt. Zij is zeer strijdzuchtig, inzonderheid de jonge mannen 
en vrouwen die de besturende oudsten telkens noodzaken wegens onbeduidende redenen 
krijg te voeren. Zij zijn onder elkander oprecht. Niet alzoo tegenover de vreemdelingen, 
ofschoon deze goed behandeld worden, mits men geene handelingen zich veroorloove 
in strijd met hunne sociale en zedelijke begrippen. Ongehuwde vrouwen gaan gaarne met 
vreemde mannen in eene meer intieme betrekking om, namelijk wanneer zij op geschenken 
kunnen rekenen en wanneer elke toenadering in het geheim kan geschieden. Onge- 
hinderd heeft een vrij verkeer onder de jongelieden in de bosschen plaats mits er geen 
zwangerschap op volgt.. Daarentegen wordt de trouw der gehuwde vrouwen zeer 



DE TANEMBAK- EN TIMORLAO-EILANDEN. 279 

geroemd. Voorheen was de bloedschande, navaa ianan, bij de hoofden en oudsten 
vrij algemeen. Zekere Biwas verwekte zeven kinderen bij zijne zuster. Thans wordt 
dit misdrijf zwaar gestraft, gewoonlijk met den dood door de broeders en andere 
mannelijke leden der familie, daartoe door de vrouwelijke bloedverwanten aange- 
spoord. De bevolking is zeer begeerig van vreemdelingen allerlei bij haar onbekende 
artikelen machtig te worden. Hierbij speelt de buitengewone nieuwsgierigheid van 
primitieve volken ook een groote rol. Als men in eene negari aan iemand een geschenk 
geeft, moeten alle negarigenooten een gelijk aandeel daarvan hebben, anders ont- 
staat er onder hen eene groote twist, waarbij de vrouwen alsdan het hoogste 
woord voeren en de meeste slagen uitdeelen. Voor het gebruik van water en brand- 
hout moeten de vreemdelingen aan de negarigenooten geschenken geven, iets dat 
menigerwerf van wege de aanmatiging der laatsten, bloedige geschillen veroorzaakt, 
zoodat deze eilanden weinig door vreemde handelaren bezocht worden. In 1835 wer- 
den de schipbreukelingen van het Engelsch barkschip Charles Eaton zes in getal te 
Olilit en Lauran behoorlijk verpleegd, zoodat een hunner daarna de voorkeur 
gaf te Lauran te blijven. In hetzelfde jaar werd intusschen de bemanning van de 
Alexander vermoord en het schip na plundering verbrand , omdat de Engelsche gezag- 
voerder Harris een oud man, die indringend was, dreigde te dooden en aan wal te 
Aweer, eiland Vordata, den naakten boezem eener jonge vrouw betastte. De bevolking , 
in alle opzichten voor intellectueele ontwikkeling vatbaar is zeer goed te leiden wan- 
neer zij nog geen drank gebruikt heeft , maar dronkaards zijn er velen zoowel onder 
de mannen als vrouwen. Het spreken van ongepaste woorden en het uiten van 
dubbelzinnige gezegden in tegenwoordigheid van vrouwen worden met boeten tot een 
bedrag van dertig gulden gestrafL Gekscheerender wijze is men echter gewoon 
elkander schimpnamen toe te voegen als, matkebu, gij blinde, eskilun, gij kreupele, 
lim eskilun, gij kromhandige en zoo meer. Bij oorlogen moet een ieder zoowel 
mannen, vrouwen als kinderen ten strijde trekken. De achterblijvenden verliezen alle 
rechten op de communale bosch-, visch- en tripanggronden. Gedurende den oorlog 
worden er koppen gesneld en maakt men op Jamdena gebruik van versch menschen- 
vleesch. De lijken der gesneuvelde vijanden worden ook voor zooveel noodig in lange 
repen gesneden en in den vorm van dendeng gedroogd, tamata ineer, om bij 
impotentia conjugalis door oude mannen als stimuleerend middel genuttigd te worden. 
Sluit men onderling een verbond van wederkeerig hulpbetoon, dan beslist het lot wie 
der partijen verplicht is een slaaf te leveren, wiens vleesch gezamenlijk, ook wel 
rauw, wordt verslonden. Bij droefheid zijn de vrouwen in hooge mate hartstochtelijk. 
Bij vreugde kussen vawo of liever beruiken zij elkander herhaaldelijk. De kinderen 
zijn opgewekt en zeer bijdehand. Doordien er meermalen menschen geslacht worden, 
zijn zij zelfs goed op de hoogte van de inwendige deelen van het menschelijk lichaam 
zoowel als de ligging daarvan. 



280 DE TANElfBAB- EN TDIOBLAO-EILANDEN. 



Opzettelijke verminking van het lichaam bestaat in het branden van wonden door 
middel van arengzwam op de armen en schouders, betu of wetu, volgens sommigen 
om te doen zien dat men pijnen verduren kan, volgens anderen om te doen blijken 
met hoeveel mannen of vrouwen men zonder ontdekt te worden conjunctio venerea 
heeft uitgeoefend. Dusdanige geteekende personen zoowel mannen als vrouwen staan 
hoog in aanzien en ongehuwd zijnde hebben zij de voorkeur. Getatueerd worden de 
armen, de borsten, ook der vrouwen, en het voorhoofd. De tatuage, belbela, die 
door middel van een koperen stift, diring, geschiedt dient ter versiering, ook om 
eenigszins den stand aan te duiden. Besnijdenis of verminking der teeldeelen heeft 
geen plaats en van kunstmatige difformeering van den schedel wordt nergens ver- 
nomen; alleen worden de hoofden der jonggeborenen in de eerste tien dagen door 
de wata sitong, de vrouw, die bij de bevalling helpt, met de handen gekneed lamur, 
om dezen een ronden vorm te geven. Het achterhoofd wordt echter misvormd door 
dien de pasgeboren kinderen met het hoofd op harde voorwerpen te slapen worden 
gelegd. Het vijlen der tanden, asoka nivan, van jongelingen en maagden geschiedt 
na het huwelijk door den ninsoknivan of tandenvijler en dient alleen ten bewijze 
dat men gehuwd is. Gevijld zijnde worden de tanden met het roet der kamiripit de 
vrucht van de Aleurites triloba en fijn zout ingewreven. De patiënt mag in drie 
dagen het huis niet verlaten en de tandenvijler in tegenwoordigheid der feestvierenden 
zich niet vertoonen. De tanden worden gewoonlijk tot aan het vleesch met steenen 
afgevijld. Het doorsteken van den oorlel sungu namharu, eerst nadat de twee voor- 
tanden uitgekomen zijn, ook ter verfraaiing zoowel van mannen als vrouwen , met de 
harde vezels van den Arengboom, ngevat, wordt eveneens door oude mannen mau, 
verricht, terwijl men aan Dudilaa offers plengt om de wond spoedig te doen genezen. 

De cultus der Tanembar- en Timorlao-eilanders bestaat in de vereering van Dudi- 
laa of Duadilaa, van aruwala de beschermgeesten der negariën en van nitu of 
matmate. Het woord Duadilaa is eene contractie van de woorden tua heer of oude 
ook wel als ëdua uitgesproken en ilaa of helaa groot Dit woord is blijkbaar van 
jonge dagteekening. Deze als persoon gedachte mannelijke natuur of scheppingskracht 
die m de zon woont, de hemel in tegenstelling van de aarde heette voorheen 
TJblera of TJbulera van ubu heer, vader en lera zon. In het Timurliri Selwasawara 
dialect gebruikt men het woord Dualeos, heer dios, het laatste woord naar alle 
waarschijnlijkheid evenals josi van Portugeeschen oorsprong. Dudilaa of TJbulera heeft 
zijn verblijf in de lera zon en beweegt zich in den lanit het uitspansel om regen 
en wind te maken. Hij daalt nu en dan op de aarde, alwaar de vrouwelijke schep- 
pingskracht Lenun of Ewawan aanwezig is, neder, om haar te bevruchten. Dudilaa 
vertegenwoordigt het mannelijk en Lenun het vrouwelijk beginsel in de natuur. De 



DE TANEfiiBAB- OF TIMOBLAO-£ILAND£N. 281 

arawala zijn de geesten dergenen, die de negari opgericht hebben. Anderen ook wel 
arwaliko genaamd zijn van hoogeren oorsprong als, die van Uaratan, Matarenan en 
Malaaman die van den hemel gedaald waren of van Olilit Ingkelu genaamd die 
over de winden het bestuur voert Ook worden tot de aruwala gebracht de nitu of 
geesten van vroegere helden waduwan, die den krijg bestui-en als in de negari 
Temin, Karbaa, die in een grot dicht bij de negari zijn verblijf houdt; te TJlutu, 
Lewat, die in een steen buiten de negari staat; te Lermatan, Katu, die in een 
houten beeld in de negari woont en nog meer anderen. De nitu of matmate zijn 
geesten der voorouders, die als bescherm- of huisgoden vereerd worden en die bij 
aanroeping van het eiland Nusnitu ten noordwesten van Seelu gelegen, door de in 
het dak gemaakte opening komende, tijdelijk in hunne schedels, of een der voor 
dat doel vervaardigde en boven in het huis geplaatste houten of ivoren beelden 
waluta, zich opschieten om de geplengde offers te nuttigen en aan de huisgenooten 
hulp te verleenen. De matmate nemen ook de gedaante aan van buideldieren, 
vogels, varkens, schildpadden, dujungs, Halicore indicus, krokodillen en haaien. 
Andere nitu verblijven in de binan of oude schotels. Vele lieden sterven, doordien 
zij aan de matmate, die zij in den droom ontmoeten, geene offers brengen. In de 
meeste negariën treft men in het midden op het zoogenaamde plein een beeld aan wase 
genaamd, alwaar Dudilaa bij het brengen van offers, bestaande in rijst, varkens- 
vleesch, ook wel de punt van de tong en van het hart zoomede een stuk huid met 
vet van den kop tot en met de staart, komt, om daarvan te genieten. Onder de 
Areng- en kjdapaboomen worden ook beelden geplaatst, alwaar men vóór het drinken 
aan Dudilaa eenig sagero uitgiet Op onbewoonde eilanden worden bepaalde steenen 
voor het doel gebezigd. Squeletten van slangen worden tevens vereerd , namelijk wan- 
neer de persoon de overtuiging bij zich draagt, dat de slang gedood was ten tijde 
dat de matmate hare gedaante had aangenomen. Deze squeletten of liever kop met 
tanden worden gezamenlijk met den epistropheus en de processus xiphoideus van 
den stemum der voorvaderen bewaard. Ook versieren sommige stanmen de Waba- 
vogel, Pandion Haliaetus, opdat deze niet als voorheen de kinderen wegvoeren. 
Anderen weder krokodillen aan wie rijst en sirih-pinang geofferd wordt De bewoners 
van Tanembar en Timorlao zijn op hunne wijze zeer godsdienstig, doch tolerant in 
religieuse materiön jegens anderen. Geen werk, bij sommigen zelfs geen coïtus, 
wordt door hen verricht of uitgeoefend zonder aanroeping, manetal, van Dudilaa 
en zonder eene soort van libatie of het uitstorten van spijs en drank ter eere en 
dank aan de voorouders. Bij het eten of drinken prevelen zij «oh Dudilaa, monu 
ana, menu tuatini, obu mama vuneeran,» d. i. O Dudilaa daal neder, eet rijst, 
drink sagero en gebruik ook wat van den pinang. Is eene onderneming of werk 
gelukt, dan worden er dankoflfers gebracht. Ofschoon er lieden zijn, mannen en vrouwen 
de zoogenaamde semitu, de itrana en itwata, die in nader contact staan tot de 



282 DE TANEMBAB- OP TIMOHIAO-EILANDEN. 

matmate is een ieder bevoegd zonder tusschenpersonen gemeenschap met Dadilaa 
of met de matmate , die de voorspraak bij Dudilaa zijn , uit te oefenen. Eene zonder- 
linge wijze, om Dudilaa te noodzaken goed te doen of hem te dwingen de gedane 
moeite te beloonen , is wel het trekken aan den rotan. Wanneer bij het invallen van 
den westmoeson geen regen valt, dan verzamelt de gemeente zich onder het zingen 
van toepasselijke liederen om Dudilaa te bewegen de winden te bevelen den regen 
over te voeren. Het volk verdeelt zich alsdan in tweeën, een gedeelte aan de timur 
of oost-, een ander gedeelte aan de warat of westzijde der negari. Een dikke lange 
rotan van ongeveer dertig meter in handen genomen zijnde, wordt van weerszijden 
met alle kracht door mannen, vrouwen en kinderen getrokken. Degenen, die aan de 
oostzijde geschaard zijn , moeten evenwel meerder kracht aanwenden als het ware om 
den wind uit het westen te noodzaken tot hen te komen en regen aan te brengen. 
Onder de Tobelo's op het eiland Maru treft men verscheidene Mohamedanen aan. 
Van het Christendom, door de V. O. I. Compagnie voorheen te Vordata en elders 
ingevoerd, is geen spoor meer overgebleven. 

Booze geesten, nitasiën of sialan, met de ewange of suwanggi als medekwaad- 
doeners, ontbraken er niet De eersten zijn nitu of geesten van lieden die zonder 
ziekte eenen plotselingen dood gestorven waren of van armen die geene bloedver- 
wanten hadden om hun eene behoorlijke uitvaart naar Nusnitu, de verblijfplaats der 
geesten, te bezorgen. Daar zij oorzaak van allerlei ongelukken zijn worden de booze geesten 
niet vereerd of aangebeden. Men offert tot dat einde aan de matmate om het door 
den booze te plegen kwaad te voorkomen. Overigens is men gewoon gewijde bladeren 
boven den ingang der woningen te plaatsen, ten einde de booze geesten suhut, die 
ziekte in het huis brengen, vrees aan te jagen, vabobar suhut marekan manate 
raroa. De nitasiën bewonen oude boomen en holen. Andere booze geesten gelijk 
Karweman, Watatar en Tarambes, houden hun verblijf in zee, alwaar zij het water 
in beweging brengen om ongelukken te veroorzaken. De ewange zijn toovenaars of 
toovenaressen , die door geboorte of onderricht bekend zijn geworden met de bijzonder- 
heden der tooverkunst, meer bepaald om de personen die hun ongenegen waren of 
in den weg stonden of waarvoor zij door anderen betaald werden ziek te maken en 
te doen sterven. Zij hebben volgens het volksgeloof even als de matmate de macht 
om zich in haaien en krokodillen te veranderen, ten einde langs dien weg hun doel 
te bereiken. Wanneer het gebleken is dat de ewange iemand ziek heeft gemaakt of 
hij op heeterdaad betrapt wordt, dan wordt hij door de familieleden van den zieke 
gegrepen en op het plein in het midden der negari gebracht. Daar wordt hij ten 
aanhoore van de verzamelde negarigenooten gevraagd, waarom hij of zij den persoon 
heeft ziek gemaakt Het antwoord schuldig blijvende wordt er in tegenwoordigheid 
der matmela of aanzienlijken een stuk lood gesmolten en Dudilaa aangeroepen om 



DE TANBMBAB- EN TIMORLAO-EILANDEN. 283 

te doen blijken of de ewange schnldig is. Het gesmolten lood alsdan op den rechter- 
handpalm der ewange gegoten zijnde wordt de hand drie malen geschud en het 
vloeibaar metaal weggeworpen. Daarna wordt hij een nur ongeveer in een vertrek 
opgesloten. Naar buiten gehaald moet hij zijn hand aan de aanwezigen vertoonen, 
geene brandwonden of pustules zichtbaar zijnde dan is hij of zij onschuldig. Is de 
hand verbrand dan moet de ewange aan de familie een boete betalen van een stel 
gouden lorlora of oorhangers, een stel zilveren lorlora, een gong van middelbare 
grootte, een olifantstand, een sarong en een omslagdoek van Tanembarsch maaksel. 
Betaalt hij de boete niet dan wordt hij naar eene andere negari gebracht om als 
slaaf te worden verkocht. Wordt de boete betaald en sterft de lijder daarna, dan 
wordt hij zonder vorm van proces toch door de familieleden doodgeknuppeld. De 
nitu of geesten van drenkelingen aruonin narol, worden in eere gehouden. Bij 
reizen over zee, het visschen of bij het verzamelen van tripang, Holothuriasoorten , 
pleegt men hun schildpaddenvleesch voor te leggen. Gewijde of heilige plaatsen, 
olat molmoli, treft men in elke negari aan. Bij Temin o. a. vindt men een bron 
Wermolmoli genaamd, alwaar de nitu van verschillende negariën die hun verblijf- 
plaats te Nusnitu tijdelijk verlaten, bijeenkomen om te baden. Het is verboden in 
die bron steenen te werpen of te spuwen. De schuldige , die dit bij ongeluk doet, be- 
hoort een kip, een ei, eenig rijst, sagero en sirih-pinang te oflFeren. Niet ver van- 
daar heeft men ook den watvenu of schildpaddensteen, zijnde in vroegeren tijd een 
door een landbouwer op zijn veld gevangen zeeschildpad. Bij XJlutu bevindt zich 
tevens een plek alwaar het verboden is te gaan, zijnde naar men zegt eene opening 
in den grond waaruit eene vrouw met een lans uit de aarde is voortgesproten. 
Voorts treft men overal in elke negari een platten steen aan, liggende op kleinere 
steenen alwaar door de negarigenooten geofferd wordt. Op het eiland Seera in een 
der modderpoelen is het verblijf van de brana wulwulin of roode man. Volgens de 
inlanders is het zeer gevaarlijk deze plaats te naderen. Op dit eUand worden ook de 
steenen met name Lakmela, Watkabresi, Watluli en andere vereerd. 

De gewone eed soba werdudilaa, wordt op de volgende wijze afgelegd. In een kom 
of binantaa wordt zand, asch, een stuk brandend houtskool in een weinig zeewater 
gedaan, voorts de kom tot op de helft met tua of palmwijn gevuld. In dit vocht 
wordt vervolgens de punt van een piek en zwaard gedompeld, terwijl een weinig 
bloed van den eedaflegger er in gedruppeld wordt Na het uitspreken van het doel, 
waarvoor de eed afgelegd wordt en met het aangezicht ten hemel gericht, moet dit 
mengsel worden opgedronken. In geringe zaken wordt een weinig aarde in den 
rechterhand genomen en onder het opheffen daarvan aan Dudilaa gezegd, «lenunan 
veda ma>, d. i. Laat de aarde (geest die de aarde bewoont) mij verslinden, een soort 
exsecratio dus. Bij weigering, om een diefstal te belijden, neemt de eedaflegger een 



284 DE TANBMBAE- OF TIMORLAO-EILANDEN. 

stuk fijngekauwde pinang en legt dit op het bord, waarop aan den beschermgeest der 
negari geofferd wordt, zeggende «aruwalu konamna wali,» d. i. Aruwalu doe nüj 
sterven als ik gestolen heb. Bij het sluiten van vriendschap wordt, nadat men 
elkander eerst een geschenk heeft aangeboden, de ravnoru kida eed afgelegd. Men 
neemt tot dat einde een kom van eene witte kleur, doet daarin een weinig zoet- 
water, zeewater, palmwijn, sap van den Citrus hystrix, de vrucht van den Cap- 
sicum fastigiatum^ zout en een kleinen steen of tand. Een der hoofden gewoonlijk 
matmela helaa wascht alsdan de handen der beide vrienden en maakt daarop met 
den doren der Guilandina Bonduc eene inkerving voldoende om eenige druppels bloed 
te doen vloeien. Van beide partijen wordt het bloed in de kom gedaan en met het 
vocht vermengd. Daarna richt hij het woord aan Dudilaa om getuige te zijn van 
deze plechtigheid en besluit zijne toespraak met te zeggen, het lichaam desgenen die 
den vriendschapsband verbreekt zal langzaam wegkwijnen of vloeien als zeewater, als 
zoetwater, of zwak worden gelijk iemand die te veel palmwijn heeft gedronken, of 
stekingen voelen, alsof men op een wond citroensap uitperst, of warm worden gelijk 
Spaansche peper, of versmelten gelijk zout of in de zee zijnde zinken als een steen, 
ffa deze handeling wordt het vocht door beide personen gedronken en de steen of 
de tand in tweeën gekloofd om als herinnering of getuigen te worden bewaard. 
Negari's-eeden worden door het slachten van een slaaf en het te zamen verslinden 
van het rauwe vleesch bekrachtigd. Een volledig eed-formulier bij plechtige gelegen- 
heden te bezigen luidt als volgt; «oh arwaliko, kase iau taminak batin venjak ja 
makmata^ vanak venjak ja makmata, salak venjak ja makmata, keresi venjak ja 
makmata, vangat nure ja vuk makmata, ja sombal lundor makmata, kida karabau 
alas venjak ja makmata, kase karat ja makmata, aura nane ja makmata, boaja 
venjak ja makmata, vitak venjak ja makmata, oh arwaliko, d. i. O beschermgeest 
der negari, wanneer ik kwaad mocht doen, in strijd zijnde met mijne gedane be- 
lofte dan zal een kogel mij doodmaken, een pijl mij doodmaken, een klewang mij 
doodmaken, van een kalapaboom ik doodvallen, op zee zijnde ik verdrinken, een 
wilde karbouw my doodmaken, het vuur mij doodmaken, een krokodil mij doodmaken, 
een bliksemstraal mij doodmaken, o beschermgeest der negari 

Op het punt van waarzeggen, usoba, zijn de Tanembars en Timorlaoërs naar hun 
beweren zeer bedreven. Wil men bijv. weten of men succes zal hebben in den oorlog, in 
den handel of in andere ondernemingen dan neemt men een kalapavrucht, schilt deze en 
maakt op het hoomachtig bekleedsel der vrucht langs de lijnen drie strepen met 
pinangspeeksel , de eerste streep de geheele lijn langs, de tweede tot aan de helft 
en de derde ongeveer een tiende gedeelte van de Iqn. Daarna richt men het woord 
onder opheffing der handen aan Dudilaa en vraagt hem het ware te doen aan- 
schouwen. Hierop wordt de kalapa in tweeën gekloofd. Zijn de vezels in het inwendige 



JCWÜI. 




Blz.284i. 



DE TANEMBAR- OF TIMORLAO-BILANDEN. 285 

der vracht grof, dan is dit een gelukkig teeken. Loopen deze in elkander, dan zal 
men het beoogde doel niet bereiken. Heeft iemand iets verloren, dan neemt hij een 
jongen haan, trekt al de lange vederen uit, doodt vervolgens het dier, brandt 
daarna de fijnere vederen af, maakt de buik open en haalt er de testiculi uit. Hem 
in handen houdende richt hij eene bede aan Dudilaa zeggende: «Dudilaa valak mana 
manu wala loorat mata mot lolin marin loan, d. i. Heer laat blijken dat deze haan, 
die geraadpleegd wordt, goed zuiver en helder is, en klieft dezen in tweeën. Wanneer 
daarna op de oppervlakte der deelen slechts een ader te zien is, dan is dit het tee- 
ken dat hij het verlorene zal terugvinden, vertoonen er zich meer aderen, dan 
moet hij van het verder zoeken afzien. Deze handeling heet saat manu. Bij kleinere 
zaken wordt een ei, bij grootere de hepatoscopie toegepast of de lever van een 
varken geraadpleegd. 

De droomen mivi spelen onder de bewoners eene groote rol. Droomt iemand dat 
hij kokosnoten uit een boom haalt dan zal hij spoedig een kop snellen; dat hij een 
kokostak vasthoudt dan wordt hij spoedig gedood; dat zijn tand uitvsdt dan sterft 
hij spoedig ; dat hij een gouden plaat ziet dan zal hij gelukkig zijn in het verzamelen 
van karet, het schild van de Chelonia imbricata; dat een ziekte uitbreekt dan zal 
zijn huis instorten; dat hij zijn hoofdhaar afscheert dan zal hij vrouw of kind ver- 
liezen; dat hij een Nederlander ziet dan zal er een ziekte in de negari komen; dat 
hij slangen in copulatie ziet dan zal hij een groot ongeluk krijgen ; dat hij een slang 
ontmoet dan zal hij sterven; dat hij gestoken wordt — onder zeil gaat — sirih- 
pinang • krijgt — of sagu klopt, dan zal hij groote verliezen lijden en ongelukkig 
worden. Droomt men van afgestorvenen of vrienden, dan gelooft het volk dat de 
geesten nitu of anraan ziel van den levenden mensch op hunne zwerftochten ge- 
durende den slaap elkander ontmoeten. Stelt een afgestorvene voor hem te volgen, 
dan zal men spoedig sterven. De totruvon of nachtmerrie ontstaat doordien de ewange 
de anraan tracht te verslinden. 

Op de eilanden Jamdena en Selaru worden de negariën uit vrees voor vijandelijke 
aanvallen bij voorkeur op de toppen van op zich zelf staande tot honderd-en-twintig 
meters omhoog gestuwde koraalblokken gebouwd, alwaar men langs zware houten 
trappen, ret, van ongeveer twee meters breedte moet stijgen. In tijden van oorlog 
en gevaar worden deze trappen uit elkander genomen en in de negari bewaard. 
Deze negariën, waarvan de grootste tachtig groote houten, op palen van twee tot 
drie meters hoog staande huizen telt, worden door zware muren, lutur, van opeen- 
gestapelde koraalsteenen omgeven en versterkt met versperringen van bambu en 
doornstruiken, terwijl zij aan de zeezijde gewoonlijk door suweboomen, Pisonia alba, 
beschut zijn. De plaatsing der huizen, aan wier hoofd immer een matmela staat en 



286 DE TANEMBAR- OF TDiOBLAO-EILANDEN. • 

die door meer huisgezinnen bewoond worden , is niet geregeld maar door elkander om 
een plein of open plaats alwaar het beeld van den beschermgeest der negari, dat 
ook wel voor de hoofdpoort staat, gevonden wordt. Varkens, geiten, honden en pluim- 
vee bewegen zich overal vrij rond. Slechts enkele malen bij het vieren van negari- 
feesten wordt het plein door de jonge vrouwen schoongeveegd. Op Larat, Seera en 
Vordata vindt men daarentegen negariën op lager gelegene terreinen, die in oorlogs- 
tijd slechts van bambuversperringen voorzien worden. Deze negariën waren voorheen 
tijdelijke verblijven, alwaar men na het bijeenbrengen van visch en schelpdieren uit- 
rustte. Het aanzien van het terrein heeft dan ook veel van dat der zoogenaamde 
kjökkenmöddings. 

Alvorens een huis te bouwen maakt men de voor de palen bestemde gaten in den 
grond eu doet daar onder aanroeping van Dudilaa een stuk goud en eenige kamiri 
Aleurites triloba, pitten in, ook wel het water waarin deze artikelen eenigen tijd 
gelegen hebben, een en ander om den grond koel te maken of liever om den geest 
Lenun gunstig te stemmen. Niet zelden worden er tevens koppen van krijgsgevangenen 
en slaven, ook wel van den karabau of wilden buffel daar voor gebezigd. Daarna 
worden de palen in den grond geplaatst, de houtwerken vastgezet en opgehouden 
door alle negarigenooten bij wijze van meloban, of hulpbetoon. Het gebruik van 
menschenkoppen heeft ook op Jamdena en Selaru plaats bij het bouwen der trappen 
voor de negari. Een nacht vóórdat het huis met atap gedekt zal worden stelt de 
eigenaar een nauwkeurig onderzoek in, of alles goed gebonden is. Rechts en links 
van de plaats, waar de huiselijke beschermgeesten, matmate, ook wel nitu tawan 
moeten komen uit te rusten, worden twee schaamgordels voor mannen en twee sarongs 
van vrouwen opgehangen, vervolgens wordt in de nabijheid daarvan een bord met 
sagu geplaatst. Een kamena of een gouden vrouwen-oorversiersel wordt somwijlen 
eveneens in de nabijheid van den schaamgordel gelegd. Daarna worden er vier 
zwijnen geslacht en katupas , rijst in kalapabladeren gewikkeld , gemaakt De schaam- 
gordel, sarong en kamena moeten als kleeding, het vleesch en de rijst dis voeding 
der beschermgeesten dienen. De bloedverwanten, die verplicht zijn het feest te komen 
bijwonen, moeten geschenken bestaande uit gouden platen, maas, oorhangers, lorlora, 
en zwaarden, suruk, voor den eigenaar medebrengen, zij ontvangen daarvoor schaam- 
gordels en sarongs terug. Die veel medebrengt krijgt een kamena en een snoer 
mutisala of inheemsche koralen. De persoon, die het opzicht over het werk gevoerd 
heeft, ontvangt een stel gouden lorlora tot aandenken. De omwanding der huizen 
bestaat uit planken, bambu, ook wel uit gevlochten koli Borassus fiabelliformis en 
sagubladeren. Voor vloer bezigt men latten van hout of bambu eenigszms wijd van 
elkander vastgebonden en waar men ieder op zijne plaats, op karbouwenhuiden 
slaapt. De gereedschappen voor den huisbouw gebezigd zijn vetetet, beitel; bingku, 



DE TANEMBAR- EN TIMORLAO-EILANDEN. 287 

een soort dissel; vaat, boor; gargadji, zaag en malmala, hamer. Spijkers worden 
niet gebroikt Het huisraad, rahanan ni bakean, is tamelijk eenvoudig en bestaat 
uit eenige matten, kussens, olielampen, pannen, rijstwannen, rijstblok, stamper, 
bambu om water in te bewaren, zoomede eenige borden, kalapadoppen en wapenen, 
bij aanzienlijken ook nog kisten van hout of palmbladen vervaardigd. 

De bevolking is zeer matineus, de mannen begeven zich bij het krieken van den 
dag naar de kalapaboomen om palmwijn te verzamelen, terwijl de vrouwen hare 
dagelijksche werkzaamheden beginnen. Is men des nachts echter bij laag water uit- 
gegaan om visch, krabben en andere zeedieren op de riffen te verzamelen dan komt 
er in de tijdsverdeeling eenige verandering. De jonge mannen slapen meestal niet 
in hunne woningen, maar in het drinkhuis, lingat, buiten de negari, sdwaar enkele 
oude dronkaards ook den nacht doorbrengen. Het slapen buitenshuis geschiedt bij 
voorkeur, om vrij en ongestoord gelegenheid te hebben op avontuur uit te gaan. De 
dagelijksche verrichtingen der mannen bestaan hoofdzakelijk in het bereiden van 
palmwijn, het stoken van zoogenaamd koliwater, eene soort arak, het ontginnen der 
velden, het bouwen van woningen, het vervaardigen van vogelstrikken, het op de 
jacht gaan en het plaatsen van strikken voor wilde zwijnen, het visschen met de 
sevsevu hengel, irit lange lijnen en wuwu fuiken, met fakkels, met de wortelen 
der Barringtonia soorten, het bereiden van vergift voor de pijlen, het maken van 
wapenen zooals pieken, pijl en boog, het steken van schildpadden en het vangen 
van tripang. Enkelen, die dit van de vreemdelingen geleerd hebben, bewerken tevens 
ijzer, koper en goud. De vrouwen gaan op de riffen visschen, halen brandhout en 
water, brengen de veldvruchten te huis, weven sarongs, stampen padi, koken de 
spijzen, verzorgen de kinderen en het vee, varkens, geiten, honden, pluimgedierte 
en tamgemaakte vogels, ook drogen zij de tripang en maken zout door het zeewater 
in bambugeledingen of wel opengeslagen stukken van de Tridacna gigas te doen 
verdampen. De kinderen helpen de ouders, voorzoover zij daartoe krachtig genoeg 
zijn. Het bereiden van suiker is niet bekend. Ook is het 't werk der vrouwen om 
garen en wit lijnwaad te kleuren. Voor de zwarte kleur gebruiken zij de gebrande 
ngavuvrucht Pangium edulis — voor de gele, de wortels van de ulin Curcuma 
longa — voor de blauwe, de bladen der romanplant Indigofera tinctora en voor de 
roode, een soort roode veel ijzerhoudende kleiaarde. Alvorens zich voor de visch- 
vangst gereed te maken, brengt men offers aan Dudilaa en smeekt hem om succes. 
Is deze voorspoedig geweest, dan voeren de visschers naar huis koerende eene roode 
vlag. Uit visschen gaande krijgt de roerganger het grootste gedeelte der opbrengst 
en de eigenaar der prauw een vijfde aandeel. Visch vangt men ook met pijl en 
boog. Heeft men — namelijk degenen die den halswervel daarvan in bezit hebben — een 
dujung Halicore indicus gevangen dan offert men voordat het dier geslacht wordt, 



288 DE TANEMBAR- EN TIMORLAO-EILANDEN. 

witte en roode rijst zoomede palmwijn en tabak op een schotel aan Dadilaa. Deze artikelen 
worden daama in den bek der dujung gestopt. Gedurende het visschen is men ge- 
woon te zingen, «nehe likia ian kiliboban oh, nehe likia iri watuwawan,>d. i. Vlucht 
maar in eene schuinsche richting gij visschen, houdt u maar schuil in de gaten 
tusschen de steenen. Het vangen van schildpadden, Chelonia midas en imbricata 
blijft intusschen het hoofdwerk der mannelijke bevolking. Het schild dezer dieren 
wordt in den lingat of drinkhuis bewaard en de schedel in de nabijheid der woning 
van den eigenaar in een boom opgehangen. Gaat men opnieuw schildpadden vangen 
dan wordt er bij dezen schedel rijst, sirih-pinang, tabak en palmwijn geofferd, onder 
het uitroepen van o, makker stijg hooger op in den boom en roep uwe vrienden, 
hier hebben ze vele spijzen, rijst sirih-pinang, tabak, in zee eten uwe vrienden 
slechts Mamon en arina twee grassoorten, zoomede steenen, uk uk uk. Aan Dudilaa 
bidt men het volgende, «a ubu muan venu laan mela otorun nana mou vonia tima 
ven riwun muan wean ini,» d. i. O heer eet het geofferde schildpad vleesch en geef 
ons meer daarvan wanneer wij gaan visschen — of «oh Dudilaa lomban ami vo- 
vadar lolin ila ami,> d. i. O Dudilaa help ons dat wij vele (schildpadden) met den 
piek treffen. De schildpad wordt min of meer als een heilig dier aangemerkt De 
meest heilige deelen daarvan zijn, batun, het nekbeen of halswervel; molin een stuk 
vleesch dicht aan den staart; relan, een bepaald stuk van den strot; lelwatun, 
het vet bij de borstvinnen en nituwadar een bijzonder gedeelte der darmen. 

"Uit vrees van door de bevolking op deze of gene wijze gemolesteerd te worden 
gelijk dit meermalen had plaats gevonden, worden de Tanembar- en Timorlao- 
eilanden zeer zelden door inlandsche handelaren bezocht. Een vijf è, zestal Mang- 
kasaarsche paduwakan en eenige Luangsche en Babarsche djungku's allen behoorlijk 
gewapend komen hier slechts om den jaarlijkschen oogst van tripang, karet, kamuni 
hout Muraya exotica, voorts rijst, djagong, sagu etc. op te koopen, dewijl de ana- 
kodas met de matmela in vriendschappelijke betrekking staan. Het bezoeken vier 
malen des jaars der havens van Larat en Seera, de standplaatsen der administreerende 
ambtenaren, door een der schepen van de Nederlandsch Indische Stoomvaartmaat- 
schappij heeft tot dusverre den handel nog niet doen bloeien. Hierin kan dan ook 
alleen verbetering komen, wanneer op genoemde plaatsen eenige Europeesche en 
Chineesche opkoopers zich gevestigd hebben, bij wie de bevolking hare waren ten 
allen tijde kan van de hand zetten en van bestuurswege alle belemmeringen worden 
weggeruimd. Is dit geschied dan kan de uitvoer van zee- en boschproducten be- 
langrijk toenemen. De handel geschiedt thans geheel in ruü. De waarde van het 
geld — uitgezonderd gouden muntstukken liefst van Engelschen oorsprong, waarvan 
men sieraden maakt — is niet bekend. Voor een paar blauwe glaskoralen bijv. ruilt 
men meerdere artikelen in, als voor een paar honderd koperen centen. De producten 



DS TANEMBAB- EK TmOBLAO-£njLin)£N. 28d 

dezer eilanden , die voor den uitvoer speciaal voor de CMneesche markt geschikt zijn , 
zgn tripang van verschillende soorten, schildpadhoom, haaivinnen, paarlemoerschelpen 
van minder goede kwaliteit, kamunihoat en kalapanoten, bijaldien daarvan vanwege 
de vraag meer werk wordt gemaakt Gemiddeld worden thans jaarlijks van de 
Tanembar- en Timorlao-eilanden uitgevoerd driehonderd pikols tripang, vier pikols 
karet, zes pikols haaivinnen, zestig pikols zwarte paarlemoerschelpen en vijftig pikols 
kamunihout, een en ander eene waarde vertegenwoordigende van ongeveer f5000, 
terwijl de invoer bestaande in eenig Iqnwaad, aarde-, ijzer- en koperwerken, olifants- 
tanden, snuisterijen en arak, ter sluik ook buskruit en geweren des jaars geen 
f6000 bedraagt De nominale waarde der artikelen van ruil wordt vooraf bepaald. 
Een groote gong of koperen bekken, staat in waarde gelijk aan een slaaf, een lela 
olifantstand, of vier stellen gouden oorhangers — een gong (middensoort) aan twee 
gouden platen, maas, en twee roode sarongs — een kleine gong aan een stel gou- 
den oorhangers en eenig chits — een olifantstand eerste soort, lela blawat, aan 
drie maas, eenige stellen oorhangers en een onbepaald aantal stuks lijnwaden — 
een oliMtstand minste soort, lelan metan, aan een slaaf, een maas en een onbe- 
paald aantal stuks lijnwaden — een slaaf aan een tombukusche klewang en twee 
stellen gouden oorhangers — eene slavin aan een tombukusche klewang, een maas 
en een stel gouden oorhangers enz. De hiervoren opgegeven waarde kan echter niet 
als een vaste maatstaf bij het inruilen van artikelen worden aangemerkt. Alvorens 
de transactiën te beginnen, zijn de handelaren verplicht de matmela op arak te ont- 
halen. Als inhoudsmaat bezigt men de snara, een maat variêerende tusschen zestig 
en negentig katis, speciaal voor tripang; de bislalon dawan en rokroku, variêerende 
tusschen tien en zeventig katis voor padi en katjang, terwijl voor de lengtemaat de 
reva, vadem, de vangat, span en de tetnemun een voet gebezigd wordt. Het tellen 
geschiedt met de vingers, stu^'es bambu, bladen, steenen, djagong- en katjang- 
korrels. Onder de voorwerpen van waarde rangschikt men de mutisala of uurela, 
die naar men beweert uit den grond gedolven worden, eene soort platte oranjekleurige 
schijQes of koralen, die men als versiering ook bij de Peruaansche mummiën aantreft. 

De kusthandel der inboorlingen geschiedt met arumbae's, aboo's en bero's, drie 
soorten van vaartuigen. Deze arumbae's hebben afzonderlijke namen bijv. op het 
eiland Seera, alwaar de meesten zijn, salebaopUaratan, reseratu op Temin , nuduan 
op Welutu, ngorantutul op Bumsalut en iraratu op Kamatubun. De aboo's heeten 
aboo meti en aboo tutuk, de laatste veelal met snijwerk versierd. De bero's heeten 
bero rokrok en arus rusrusung. Wanneer men, gewoonlijk in den oostmoeson, met 
een vaartuig ten handel wil gaan, begeven zich de mannen naar het strand, om het 
vaartuig, dat door den eigenaar in gereedheid is gebracht, te water te laten, vergezeld 
van eenige dansende oude vrouwen, die naar 'slandswyze prachtig uitgedost zijn. 

19 



290 DE TANEUBAR- EN TQIOBLAO-EILANDEN. 

Bij de prauw komende, blijven de laatsten bij den achtersteven staan, om deze met 
roode en witte doeken te slaan , opdat er gunstige wind kome. Een ongehuwd meisje 
en een jongeling besmeren de prauw intusschen met tot dat einde toebereide olie 
opdat deze vlug te water ga. Daarna beklinmien zij de prauw en blijven op den 
achtersteven zitten. Een oud man slaat deze links en rechts met een voor dat doel 
bewerkte bambu onder het prevelen van formulieren, om de booze geesten, die de 
zee bewonen , vrees aan te jagen. Vervolgens worden er op den voorsteven geplaatst 
een klewang en een schaamgordel voor mannen, die de bewapening en de kleeding 
der prauw moeten voorstellen en bidt een der oudsten alsdan « oh vaan aboo rokiwi 
rokwatu munuk rokia wali mobalti mobalma rekemet, rekbobar lolin watan surak, 
kewol amar wutu owan wekan berea oharaan oamuan sera mantelur manu melu 
eman ta suruk ini,» d. w. z. O laat de prauw, die behoorlijk afgewerkt is, heen en 
weer zeilen, dat zij niet beschaamd, niet bevreesd wordt , zelfs al wordt er geschoten, 
dat zij terugkeeren moge na den tienden nacht (want) wij hebben haar gegeven te 
eten, sagu, kippeneieren, (haar gekleed) met een schaamgordel en zwaard. Daarna 
zingen allen onafgebroken hetzelfde herhalende, «timur e mai mai warat emaulili,» 
d. i. de oostewind komt, de westewind vertrekt — en brengen de prauw te water. 
Dit verricht zijnde keeren de lieden naar de negari terug, alwaar een zwijn geslacht 
wordt, om de lever te raadplegen. Op de plaats, waar de prauw met het water in 
aanraking is gekomen, plant men een tak, opdat niemand eene andere prauw daar 
ter plaatse op het strand hale. Is eene prauw uit de negari in zee, dan zijn de 
jonge maagden verplicht dagelijks in de negari en aan het strand te zingen en te 
dansen, soi, opdat de opvarenden spoedig mogen terugkeeren. Zij moeten sierlijk 
gekleed zijn. Het gewoon gezang bij dusdanige gelegenheden luidt: 1. TJbu nia leta 
iaman nia leta, iau mela datu letu wali. 2. Wuarmasa wen iavu navolvolat, alnera 
iaman Subano iaman. 3. Silelera kataliwak uta ngongon, wata lamoli rita ngangan. 
4. Silelera wol nituli sala, ena navlawatan soli soli lolin, d. i. 1. De voorouders 
zijn daar voorbijgegaan, ook de vader, wanneer ik volwassen ben ga ik ook daar 
langs. 2. De berg van Luang brandt alsof men gras heeft aangestoken, om te roe- 
pen den vader van Subano. 3. Het bewuste vaartuig zie ik, ik zal de koperen ban- 
den aan mijne voeten doen schudden, (van blijdschap). 4. Het vaartuig glqdt lang- 
zaam over het water, omdat de zee kalm is. Lieden die ten handel varen moeten 
na behouden terugkeer een sarong of iets dergelijks aan den prauwenvoerder geven. 
Een jongen van tien tot twaalf jaren maakt gewoonlijk de reis mede om de waluta 
ten dienste der aan te roepen matmate te bewaken. Wanneer een Tanembarees het 
voornemen had te Babar handel te drijven, zal hij, door stroom en tegenwind op een 
ander eiland afgedreven, daar niets van de hand zetten, omdat hij overeenkomstig 
den wil der nitu of geesten der voorouders zijne bestemming nog niet heeft bereikt 
Dusdanige reizen duren uit dien hoofde dan ook maanden achtereen. Aan den voor- 



DE TANEMBAR- EN TTMORLAO-EILANDEN. 291 

en achtersteven der prauwen gebruikt men driehoekige vlaggen sair genaamd. Van 
de negari Temin is deze vlag rood met een zwarten rand, van de negari Tiaratan 
wit met rood, van Rnmsalat en Eamatabun wit 

De hoofdbestanddeelen der volksvoeding zijn djagong selaru, ubi tual, sagu eera, 
gierst botan visch, sdielpdieren , varkens en schildpadden vleesch alles in den grond, 
in aarden potten nrang of wel in bambugeledingen temar , met bijvoeging van veel 
kalaparaspsel en andere kruiderijen, gekookt. Aan semi-putride vleesch of visch 
wordt de voorkeur gegeven, terwijl als drank gebruikt wordt tua de sap van den 
kalapaboom of van den Borassus fiabellifonnis tot koli water of arak gestookt. Vol- 
gens verklaring der oude lieden kan geen bewoner dezer eilanden leven, zonder 
dagelijks naar genoegen volop palmwijn te drinken. De vrouwen zijn ook aan dezen 
drank verslaafd. En in dit opzicht steken de heidensdie bewoners van Tanembar 
en Timorlao ongunstig af bij de mohamedaansche bevolking op andere eilanden. Het 
eten wordt op bladen of houten bakken, kalapadoppen en borden ook wel in groote 
schelpen opgedischt Men eet op den grond zittende met lepels van kalapadoppen of 
van de nautilusschelp vervaardigd. De gewoonte brengt mede om drie malen des 
da£^ te spijzen en wel tegen acht ure des morgens , tegen twaalf uur des middags 
en tegen vijf ure des namiddags. Des daags wordt djagong, visch of vleesch, des 
avonds ubi en sagu ook wel zonder visch genuttigd. Om bij plechtige gelegenheden 
te koken, maakt men een kuil in den grond van een meter diepte en belegt deze 
met groote steenen, waarop vuur gemaakt wordt. De steenen heet geworden zijnde 
wordt het vuur of de brandende kolen er uitgenomen, de te bereiden spijzen, behoor- 
lijk in bladen gewikkeld, er op gelegd, daarna met andere heete steenen gedrukt en 
de kuil met aarde dichtgemaakt Als narcotica bezigt de bevolking veel tabaku tabak, 
inaan of owaan sirih en isoa pinang. De sirihkalk iavur wordt alléén door gehuwde 
mannen vervaardigd. De tua of palmwijn wordt ook met de wortelen van den 
watboom Gkircinia picrorhiza bitter gemaakt Treedt men een huis tegen etenstijd 
binnen dan worden den vreemdeling spijzen voorgezet De bediening geschiedt alsdan 
door de oudste vrouw des huizes en de meer volwassen dochters, terwijl de huisheer 
met den vreemdeling aanzit Overigens eten mannen, vrouwen, kinderen en slaven 
te zamen, maar bij zulk eenen gemeenzamen omgang mag geen vreemdeling tegen- 
woordig zijn. Op Jamdena en Selaru vindt men ook vele liefhebbers van ratten, 
slangen-, honden- en leguanenvleesch. 

De gewone kleeding der bevolking is zeer eenvoudig en verdient ter nauwemood 
dien naam. De mannen dragen een doek masala, of een kalapablad, sinenar, op 
het hoofd ; verder den schaamgordel of eman , van den bast der watanboom vervaar- 
digd, de slimut, rejatak, en ter versiering oorhangers van ivoor, dujungtanden, 



292 DB TANEMBAB- BN TDfOBLAO-EILANDSN. 

zilver of goud, zoomede yele armbanden, ringen en glaskoralen halssnoeren. Alleen 
de helden of wadiiwan mogen zwarte oorhangers gebruiken. Het gekalkte haar wordt 
opgehouden en versierd met een bambukam van ongeveer drie decimeters, waaraan 
gekleurd katoen, vogelvedereu of bloemen vastgehecht worden. De vrouwen dragen 
eene nauwe, grove van de blad vezelen der koli, de Borassus flabeUiformis, ver- 
vaardigde sarong, tavit, of bakanaloan, reikende van de heup tot boven de knieën 
en om de heup vastgemaakt met de ngesa, een band van de kolibast, of met de 
ibur, een band van koperdraad vervaardigd, voorts een tal van eenvoudige arm- 
banden van koper of schelpen en halssnoeren van glaskoralen, welriekende wortelen 
Andropogon muricatus en andere van schelpen als anderszins. Bij feestelijke gelegenheden 
gebruiken de vrouwen gouden en zilveren oorhangers, masianan halssnoeren Mkitrelan 
gouden borstplaten, een veelkleurige katoenen sarong over de bakanaloan^ hand-, 
arm- sisloo, en voet-banden sitamea, van koper of compositie metaal, zoomede ringen 
rita sitana van allerlei soort en maaksel, zoowel voor de vingers als voor den 
groeten toon ngisa. Het dragen van goud- en zilverwerken wordt als een teeken van 
rijkdom aangemerkt De lievelingskleuren zijn rood nawuli, geel antumu en zwart 
manmeten. Het haar wordt eenigszins opgemaakt en met een knoop, waarop een 
kam, ook wel van goud, op het achterhoofd bevestigd. De borsten büjven bloot en 
worden somtijds met eenig kleurstof meestal van de Curcuma longa, bestreken. 
Op het voorhoofd worden eenige stippen in den vorm van mouches aangebracht. De 
lippen worden met gebrande kamiri, Aleurites triloba vruchten met regenwater 
vermengd, welk mengsel tetnisa heet, bestreken en zwart gemaakt Jongens en 
meisjes loepen tot hun tiende jaar naakt Het baden geschiedt ongekleed in het 
openbaar bij de bronnen of aan 't strand door mannen en vrouwen gezainen- 
lijk, waarbij de een den ander tot zijne negari behoorende mag aanraken of betasten. 
Slechts bij aanwezen van vreemdelingen, inzonderheid blanken, geven zij eenige 
blijken van schaamte door het lichaam niet geheel te ontblooten of de pubes met 
de linkerhand te bedekken. De tanden der jongelieden worden met fijngestampte 
steenen geschuierd. Op witte tanden is men zeer gesteld. Ontmoet men eene jonge 
vrouw met onreine tanden dan zingen de jongelingen, «monmonin niva retermain, 
sakal imaan, d. w. z. (de lieden hebben) gezien de tanden, wanneer er gelachen 
wordt, bedekt men den mond met de hand. Jonge mannen en vrouwen vertoonen zich 
aan elkander naakt zonder te blozen. De mannen mogen voorts geene broeken of 
sarongs dragen, opdat de vrouwen de vorm hunner heupen kunnen zien, ook opdat 
zij niet op de vrouwen gelijken en hunne wonden en litteekenen bedekken. Het haar 
der mannen, vooral dat der jongeren, wordt lang gedragen, geloogd en met gekleurde 
bladen, bloemen en vederen versierd, alleen om de vrouwen te behagen. Het haar 
der gehuwde mannen mag niet worden afgeknipt, omdat volgens het volksgeloof de 
vrouw alsdan spoedig zal sterven. Een weduwnaar, of een man op reis zynde mag 



DK TANEUBAB- EN TIMOBLAO-EILAKDEN. 293 

zijn haar afsnijden, nadat hij een kip of een varken aan Dudilaa heeft geoflerd. 
Jonge mannen en lieden van den minderen stand gelijk de matkokou en iria moeten 
het haar op hun gezicht uittrekken of afscheren. Oude mannen en aanzienlijken 
hebben alleen het recht om eenen knevel te dragen. Voor de jonge mannen is het 
zeer onwelvoegelijk, om met haar op het aangezicht in tegenwoordigheid van vrouwen 
te verschijnen. Het haar op de pubes van jongelingen en maagden wordt menigmaal 
voorbedachtelijk afgeschoren, alleen om elkanders aandacht op die deelen te vestigen. 
De boezem der jonge vrouwen moet als hare eenige schoonheid voor het oog der 
mannen niet onzichtbaar blijven. Men is ook niet gewoon te spreken van een schoon 
aangezicht, maar van fraaie borsten. De slappere, hangende borsten van de ouden 
van dagen kunnen, zoo men zegt, des verkiezende bedekt worden. Een oude vrouw 
beweert zelfs dat het noodzakelijk is, dat de borsten der jonge vrouwen onbedekt 
blijven, anders zullen zij eene eventueele zwangerschap allicht kunnen verborgen 
houden. 

De bevolking van Tanembar en T^morlao wordt in drie standen, ivruan, ver- 
deeld — de aanzienlijken, enree dawon, matdawan of matmela, waartoe de besturende 
oudsten navareta, de zoogenaamde grondbezitters penuenduan en de semitu behooren — 
de minderen, enree rokroku of matkokou, waaronder het volk dula, wordt gerang- 
schikt en — de slaven iria of uria, zijnde personen van Babar, Dawdloor, 
Luang, Selaru en Timor afkomstig, of wel lieden die door schulden te maken, 
om de begrafenis hunner ouders te bekostigen of door onvermogen om de opgelegde 
boeten te betalen, tot den slavenstand vervallen zijn. De matkokou en iria kunnen 
door verdienste of rijkdom nimmer in den stand der matmela treden. Inmiddels 
worden dergelijke slaven als huisgenooten of leden van een huisgezin behandeld en kunnen 
zij vrij, of weder matkokou worden, wanneer zij den koopprijs, de schuld of boeten 
betalen. Slavinnen worden tegen hoogere prijzen dan de slaven verkocht. De matmela 
op de Tanembar- en Timorlao-eilanden kunnen als sociale eenheden worden aange- 
merkt, die te zamen den stam of negari vertegenwoordigen. Elke negari is dus eene 
soort corporatie. 

Het bestuur wordt door navareta, besturende oudsten, tamata mela, of matmela 
helaa aanzienlijke oudsten, mela vuak mindere hoofden en mela snobo, omroepers 
gevoerd. In het Timurliri Selwasawarasch dialect heet het eerste hoofd ilaane, of 
de groote. Deze betrekkingen zijn erfelijk, overgaande van vader op zoon; bij gebreke 
van een zoon op den zoon van de zuster ofbroeder, wanneer de weduwe ongenegen is 
de functie van haren overleden echtgenoot te bekleeden. Bijaldien er geene leden 
van het besturend geslacht meer aanwezig zijn wordt er door de matmela een 
geschikte plaatsvervanger uit een anderen stam of negari gekozen, tegen betaling 



294 DB TANEMBAB- EN TIMORLAO-EILANDEN. 

eener som, om hem als eigendom der negari, waarover hij het bestuur zal voeren, 
te noodzaken, deze nimmer te verlaten. Niet alleen mannen maar ook vrouwen kun- 
nen het bestuur voeren, de laatsten zijn dan meestal de energieke weduwen van 
invloedrijke navareta. De gebruiken, in den loop der tijden totwetten versteend, heb- 
ben over het algemeen een feudaal-patriarchalisch karakter, maar van wiDekeur van 
de zijde der hoofden is geen sprake. In zaken van oorlog en verhuizing naar andere 
plaatsen, waarin de navareta alleen te beslissen hebben, worden zij door de matmela 
en evraan, hoofden van huisgezinnen, ranvet, in strikten zin de volgelingen der 
matmela bijgestaan. Alsdan wordt de dasdou dangrihi helaa of groote vergadering 
der hoofden en oudsten onder den blooten hemel, gehouden. De besturende oudsten 
of hoofden moeten in hun onderhoud zelf voorzien. Nu en dan slechts worden zij, 
bij het oprichten hunner woningen of het ontginnen hunner velden door de matkokou 
tegen voeding geholpen. Ook ontvangen zij bij plechtige gelegenheden of feesten 
onder de negarigenooten geschenken, bestaande in eetwaren zoomede een zeker aan- 
deel in de als straf opgelegde boeten. Zij worden voorts bij het brengen van een 
bezoek in de woningen hunner onderhoorigen op arak, sagero en spijzen onthaald. 
De navareta hebben, wanneer zij onbeduidende personen zijn, niets over het volk te 
zeggen, vooral omdat het in buitennegarische aangelegenheden voor alles solidair 
aansprakelijk is, terwijl in zaken, het inwendig sociaal beheer der negari betrefiende , 
de matmela en hoofden der huisgezinnen de beslissende stem hebben. De hoofden 
onderscheiden zich ook niet door kleeding, door volgelingen of eenig ander uiterlijk 
teeken van de overige mannen, alléén worden ziy door de minderen met het woord 
kesewi, heer of edele, aangesproken. Onder huns gelijken noemen zij elkander kosa 
broeder, of kida vriend. Als teeken van eerbied gaan evenwel bij ontmoeting van 
navareta op den weg de matkokou en iria op zijde. Bij Europeanen verschijnende 
met het doel om op uitheemsche sterke dranken onthaald te worden, gebruiken 
enkele hoofden een broek en een badju, doch in de negari terugkeerende ontdoen 
zij zich met minachting terstond van deze vreemde kleedingstukken, die hen hinderlijk 
zijn. In de volksvergaderingen hebben de vrouwen over het algemeen veel in te bren- 
gen en genieten zij dezelfde rechten als de mannen. Geestelijken van professie bestaan 
er niet In sommige negariën vindt men tolken durubasa, die eenige woorden 
maleisch kennende, de aangelegenheden der vreemdelingen behartigen of als tusschen- 
personen optreden. Deze tolken zijn gewoonlijk doortrapte schurken. 

Bij afdoening van zaken en oplegging van straffen hebben de matmela en evraan 
het eerste woord. Onder den blooten hemel bij den in elke negari aanwezigen grooten 
steen verzamelen zij zich, om de partijen te hooren en daarna te beraadslagen. De 
eischer is verplicht voor den benoodigden palmwijn en sirih-pinang zorg te dragen. De 
schuldigen worden allen voorgeroepen en bewegen zich vrij. Getuigen worden nimmer 



XXIX. 




Blz.295. 



DB TANEMBAB- EN TIMORLAO-EILANDEN. 295 

verhoord; alles hangt van het «oordeel gods» af, waarop na deliberatie in het publiek 
de straf wordt nitgesproken. De straffen zijn, de beschaving der bevolking in aan- 
merking nemende, niet barbaarsch. Botanslagen, blokarrest of gevangenisstraf zijn 
niet bekend. Door het stelen van kalapa of andere veldvruchten vervalt de dief tot 
den slavenstand, tenz^ een zijner familieleden hem tegen betaling eener boete, 
mamu, niüost De boete is bij kleine diefstallen, arbori, een tot tien stellen lorlora 
of oorhangers en teruggave van het gestolene. Een stel lorlora vertegenwoordigt de 
waarde van twee tot vier sovereigns en twee gulden zilver. Het schelden met obscoene 
en bedreigende woorden als «buveta anoe uran>, cum matre tua coïre volo, «renan 
ebou», pudenda tuae matris, «nabaka tawala wuralo vana oa», ik zal u straks 
met den pijl doodschieten etc. wordt gestraft met een tot vijf maas of wikan, gou- 
den platen. De wikan vertegenwoordigt de waarde van twee tot vier sovereigns. 
Verwondingen, navatio, worden gestraft met een tot tien wikan. De doodslager of 
moordenaar, sivedan, hierin wordt geen verschil gemaakt, moet door de familieleden 
van den doodgeslagene gedood worden. Door de betaling van een gouden plaat met 
ketting, gelijk zijnde in waarde aan vijf gouden platen, tien snoeren, uurela, of 
mutisalakoralen gel^k aan vijftig sovereigns, tien stellen lorlora, een klewang, 
tombuku, gel^k aan drie gouden platen, een koperen draaibas gelijk aan vier sove- 
reigns en een lela of olifantstand gelijk aan veertig of vijftig sovereigns, kan hy 
echter vrgkomen. Een brandstichter, narangrahan, wordt beboet met eene hoogere 
boete dan bij moord en moet de schade betalen. Heeft iemand een voorwerp, dat aan 
een ander toebehoort, met opzet vernield, dan betaalt hij eene boete van een stel 
gouden en een stel zilveren lorlora. Heeft iemand iets kwaads van den matmela 
gezegd, dan moet hij op den grond kruipende en in het openbaar hem de voeten 
kussen. Het bezwangeren eener maagd wordt gestraft met vijf stellen lorlora, een 
klewang, tombuku, en een olifantstand. Deze boete wordt aangemerkt als eene be- 
taling of vergoeding der van de maagd onder hare slaapstede ontvangene sirih-pinang. 
Daarna volgt het huwelijk. Bij ontkenning moet de beklaagde met een der manne- 
lijke famiUeleden van het meisje voor een gespannen koord, met het zwaard, suruk, 
een tweegevecht houden. Ontvangt hij een wond, dan wordt de boete door de famiUe 
van het meisje verhoogd. Wordt de tegenstander gewond, dan moet hij de reeds 
vastgestelde boete betalen en de maagd tot echtgenoot nemen. Om in het bezit van 
boete te geraken, halen de jonge maagden in verscheidene negariën met medeweten 
der familieleden de mannen door vleierijen ook wel over met haar den coïtus uit te 
oefenen. Zwanger geworden zijnde, klagen zij aan hare ouders dat zij door vrees- 
aanjaging en dwang er toe genoodzaakt werden. De grootste beleediging is iemand 
in zijn aangezicht te spuwen of over het lichaam van iemand, die op den grond ligt, 
te stappen. De beleediger betaalt alsdan eene boete van twee stellen gouden lorlora 
ten behoeve van den beleedigde. Weigeren de beklaagden de boete te betalen, dan 



296 DB TJlNEBIBAR- en TQIOBLAO-EILANDEIN. 

zijn er liefhebbers te oyer om deze af te doen, alléén om den beklaagde als slaaf 
tot zich te nemen. Dit geschiedt echter zelden, omdat elke familie verantwoordelijk 
is voor de handelingen harer leden. Wanneer een schuldenaar zijn schnld niet be- 
taalt, mag hij de negari niet verlaten. Duurt dit den schuldeischer te lang, dan 
neemt hij van dezen of genen negarigenoot een bedrag op , dat de waarde der schuld 
of meer dan dit vertegenwoordigt, opdat deze het recht krijgt den schuldenaar als 
slaaf tot zich te trekken. De schulden der ouders moeten door de kinderen voldaan 
worden, willen zij niet in den slavenstand vervallen. Vroeger werden de tripang- 
dieven eenvoudig ter dood gebracht. Vaartuigen, die door zware golven op het strand 
geworpen worden, zijn ingevolge een naar de tegenwoordige westersche ideeën ver- 
keerd begrip van strandrecht, het eigendom der strandbewoners en worden na plunde- 
ring verbrand, om ziekte of onheil van de negari af te wenden. Wanneer een gehuwde 
vrouw overspel pleegt, nanriak woliëte, wordt zij indien de man zulks eischt, gedood. 
Wordt tegen de tabu-verordeningen, ruwawa, gezondigd dan betaalt de overtredereene 
boete aan de besturende hoofden van vijf tot tien stellen gouden lorlora of oorhangers. 

Alle gronden worden op deze eilanden aangemerkt als de communale eigendommen 
van elke negari of stam met den penuenduan of de afstammeling van den eersten 
grondeigenaar als vertegenwoordiger. Deze gronden zijn door grensteekenen, voneat 
of djasi, bestaande uit steenen en boomen behoorlijk afgebakend. Gronden in den 
zin van res nuUius bestaan er niet. De woeste gronden, nangan, kunnen door de 
negarigenooten zonder voorkennis van de navareta gebruikt worden tot het aanleggen 
van velden, abat vavon of ngeen. De padivelden heeten wanatuaan, de djagong 
selaruaan, terwijl de ubivelden letar genoemd worden. De ontgonnen en nog onbe- 
plante gronden heeten tavunge, de verlaten velden ardatewelrook, welke laatste 
zonder vergunning van den eersten ontgmner door een ieder kan worden gebruikt 
Boschgronden met sagu bosschen heeten mangan eera en zijn meestal de eigen- 
dommen der penuenduan. De saaru of riffen en zandbanken worden tevens als het 
eigendom der negari of van enkele matmela, die tevens penuenduan zgn, aangemerkt 
Vreemdelingen met vrouwen des lands gehuwd mogen met toestemming der negari- 
genooten over hare gronden beschikken, mits dat zij mede ten strijde uitgaan, om 
de rechten der negari te verdedigen. Het overschrijden der grenzen, die moli of tabu 
zijn, om het een of ander toe te eigenen, leidt zoowel te water als te land tot 
groote verwikkelingen en oorlogen. De souvereine rechten van Nederland over deze 
gronden worden niet erkend. Bij het ontginnen der velden wordt de penuenduan 
gewoonlijk het eerst geraadpleegd, teneinde Dudilaa en Lenun, aan wie ook geofferd 
wordt, niet te ontstemmen. In de meeste negariën krijgt de penuenduan, omdat 
het jagen buiten de grenzen aan een ieder vrijstaat, gewoonlijk den kop van het 
varken dat op het gebied van eene andere negari gevangen wordt De eerstelingen 



DB TAKEMBAB- EN TIMORLAO-EILANDEM. 297 

van den oogst worden aan de matmate met levende kippen en varkens, die na het 
uitspreken van een gebed geslacht worden, als bewijzen van dankbare vereering aan- 
geboden. Alle oude gebruiken ten aanzien van den grondeigendom moeten nauwkeurig 
worden nageleefd, willen de matmate volgens het gevoelen der bevolking, haar niet 
ziek en ongelukkig maken. De bevolking 'zegt, <ja renan iaman ninuwale,» d. i. de 
gronden mijner vaderen zijn ook mijne gronden. Verkoop van gronden heeft nimmer 
plaats, gronden worden evenmin verhuurd of verpand. Om boomen, tabu, te maken 
doordien deze als individueele eigendommen aangemerkt worden, of om de vruchten 
tegen diefstal te beveiligen, bezigt men allerlei beelden van hout en kalapabladen 
vervaardigd. Deze beelden heeten wet en worden onderscheiden in wet vari, nevuensru, 
vischtabu; in wet nivan, slangentabu; in wet suma, reigertabu; in wetawua,kroko- 
dillentabu ; in wet javu , vuurtabu ; in wet dodonong of dodun nivan , donderbeitelstabu. 
Het leggen van sasi, ruwawa, evenals op Ambon en de TJliase is tevens gebruikelijk. 

De landbouw is op de Tanembar- en Timorlao-eilanden nog in eenen zeer primi- 
tieven staat en de gesteldheid of chemische samenstelling van den bodem in aan* 
merking nemende, bestaat er voor dezen tak van nijverheid met uitzondering van 
den aanplant van kalapa en tabak op deze eilanden geen toekomst. Kalapa, nur, 
worden er in vijf variëteiten aangeplant als, nur loba, tebu, matabola, aumetan en 
mala. De aanplant van padi wanat, djagong selaru, gierst botan, tabak, kaladi, 
pisang, suikerriet en aardvruchten is ter nauwemood voldoende voor de behoefte der 
bevolking. Het ontbrekende aan voedsel moet door sagu eera, worden aangevuld. 
De padi is van inferieure kwaliteit en wordt binnen vier maanden geoogst. De 
4Jagong, waarvan drie soorten aangeplant worden, is klein van klos. Van bemesting 
der gronden behalve het verbranden der bladeren en takken heeft de bevolking geen 
begrip, alleen maakt men veel werk van de omheining der velden, om het gewas 
tegen vernieling der wilde karbouwen en varkens te beschutten. Enkele lieden , die op 
eenen verren afstand van de negariën hunne velden ontgonnen hebben, blijven daar 
in kleine hutten tot na den oogst wonen. Worden door de negarigenooten gemeen- 
schappelijke tuinen aangelegd, dan komen de navareta en matmela bij elkander om 
aan het feest luister bij te zetten. Moestuinen bestaan er niet. De gronden worden 
slechts eens gebruikt Voor het wieden bezigt men parangs of wel puntig gesneden 
stukken hout Voor elk gewas wordt een afzonderlijk veld bewerkt Op het eiland 
Seera plant de bevolking geen padi, opdat de tripang Holothuriën niet verdwijnen 
zullen. De padihalmen worden met een mes gesneden of de korrels met de met 
boomschors gewikkelde hand afgestroopt De korrels der gesneden halmen worden 
met de voeten losgemaakt, daarna gewand en in manden van kolibladen, bisin ge- 
naamd, bewaard. Bij het onthahnen der botan zingen de jonge vrouwen die er op 
trappen coh tata botan, botan ita nean, mela ratan wur Laibobar»^ d. w. z. O trapt 



298 DE TANElfBAB- EN TDCOBLAO-EILANDEN. 

de gierst, er is slechts weinig, laat het hoog van stapel worden als de top van den berg Lai- 
bobar. Te Keliobar vindt men nog djatiboomen door de vertegenwoordigers der V. O. I. 
Compagnie vroeger aldaar aangeplant De veestapel is van geene beteekenis. Behalve 
wilde zwijnen en buflfels, waarop door de bevolking jacht gemaakt wordt, vindt men 
in elke negari slechts een gering aantal varkens en geiten. Van het aankweeken 
van pluimgedierte wordt weinig werk gemaakt. Het eiland Selaru is van wege de 
uitgestrekte graslanden uitstekend geschikt voor eene veestapel of paardenstoeterij. 

In oorlogstijd verzamelt de gemeente zich in de negari en is een ieder verplicht 
de wacht mede te maken. De oorlogen, ririaat, ontstaan gewoonlijk door het over- 
schrijden der grensteekenen, beleedigmg van vrouwen, soms ook als een gevolg van 
nietige oorzaken. De oneenige partijen spreken alsdan door bemiddeling van woord- 
voerders met elkander af, om op eene bepaalde plaats aan het strand te komen. 
Vóór dien tijd wordt aan Dudilaa geofferd, de varkenslever geraadpleegd, het krijgs- 
gewaad aangetrokken en het haar hoog met veelkleurige banden opgemaakt en met 
veelkleurig katoen en vederen versierd. Boven de kuiten binden degenen, die een 
kop gesneld hebben, de bibulun — de decoratie van den kousenband dezer eilanden- 
bewoners — vast, of bezigen in de plaats daarvan voetbanden van touw en van 
witte Natica schelpen. De aanvoerder, waduwan, is gedost in een van buffelhuid 
vervaardigd harnas, oba, en daaroverheen een zwarte met rood afgezette ofwel 
een geheel roode badju, voorts is hij met een halssnoer van boven genoemde 
schelpen, muelak wutwutir, zwarte lorloras en vederen op het hoofd versierd. Deze 
waduwan zoomede de gehuwde vrouwen spreken de ten strijd gaande mannen in 
opgewondene bewoordingen toe, om hen moed in te boezemen. Alzoo trekken de 
partijen den krijgszang, of markawa kulkulun, zingende elkander tegemoet Dichterbij 
komende voeren de mannen de resasanasan of kr^gsdans uit, terwgl de vrouwen 
achter hen met handen en voeten op eene bepaalde maat op de plaats blijvende, 
zich bewegen. Op een gegeven teeken van den waduwan wordt de strgd begonnen 
en zoolang geschermutseld, totdat er vele dooden en gewonden vallen. Behalve pgl 
en boog bezigt men ook de piek, klewang, kris, klewang tombuku, geweren en 
koperen donderbussen. Vóór den strijd wasschen de strijders zich met het aan 
Dudilaa gewijd water en gebruiken zij de lulaka of amuletten, ten einde onkwets- 
baar te zijn. Om in den oorlog moedig te zijn, eet men ook een stuk huid van den 
slang, ulutu irmourin, of een stuk van den visch, loan genaamd. Als voorbehoed- 
middelen in den krijg, bislawut, gebruikt men de epistropheus of halswervel van 
een verslagen vijand, zoomede steenen beitels, waarmede men den mond en de borst 
bestrijkt Het water waarin die voorbehoedmiddelen gelegd zijn , wordt gedronken en het 
lichaam er mede gewasschen. Ook bezigt men een vlinder. Kende sp., om in den krijg vlug 
te kunnen springen. Het zekerste middel, om in den oorlog ongedeerd te blijven, is 



XXX. 




Blz.298. 



DB TANEMBAB- EN TIMOBLAO-BIIANDEN. 299 

dat men den geest van den reus Wumala, die bij Xlaratan op een heuveltje woont, 
heeft gezien. Deze geest is uit het uitspansel door Dudilaa met een bliksemschicht 
in zee geworpen tengevolge van zijn zucht tot strijden en vandaar naar zijn tegen- 
woordig verblijf verhuisd. Hij heeft de lengte van een hoogen kalapaboom en tanta 
est longitudo ejus penis ut coactus sit inter eundum humero eum portare. Zijne 
vrouw, die uit den grond gesproten is heet Nitulutu d. L aardgeest De partij, die 
de meeste dooden krijgt, heeft voor dien dag het onderspit gedolven en keert huis- 
waarts, groot misbaar makende en weenende, nadat de vrouwen de gewonden en 
gedooden zooveel mogelijk gered hebben. Zulk een oorlog duurt jaren achtereen, 
waarbij de wederzijdsche negariën des nachts voortdurend bestookt worden. In den 
oorlogstijd mogen geene vreemdelingen, zelfs geen vrienden de oorlogvoerende negariën 
bezoeken. Voor den ingang der negari wordt zulk een persoon aangehouden. Krijgt 
hij vergunning der matmela om verder te gaan, dan roept een der oudsten Dudilaa 
aan, om het kwaad te doen wijken en terwijl hij van een tot tien hardop telt, werpt 
hij naar alle zijden even zoovele malen met steenen, die hij onderwijl heeft opge- 
raapt. Na afloop daarvan mag de vreemdeling of vriend zijn bezoek afleggen. Ge- 
durende den oorlog mogen de mannen het vijandelijk terrem niet betreden, de 
vrouwe en kinderen wel. Wordt in den krijg een kop gesneld, tetak ulu of arwangal 
uluna, dan wordt deze op een bord op eene geheime plaats ergens in den grond 
begraven, nadat de matmela eerst een stukje van de punt der tong rauw verslonden 
hebben, om moedig te zijn en nadat men den kop , terwijl men sirih-pinang en tabak 
in den mond stak had toegeroepen: «oh muan menu ia ovan rok oawal rok oamoëti 
ralan motu monreti monrima ewal wali timera teram waUni marma maman meniu 
avlolin owi>, d. w. z. O eet en drink en ga naar beneden (in het zielenland) maar 
spreek niet verkeerd, roep uwe bloedverwanten hier, opdat zij goed kunnen eten en 
drinken. Van het lichaam vooral van dat der waduwan wordt door de strijdenden 
zooveel vleesch afgesneden als zij verkiezen om het daarna te drogen en als medica- 
ment te bezigen. Het verminkte lichaam wordt op de plaats achter gelaten. Daarna 
worden er vijf dagen getabard, of feesten gevierd, de koppensnellenzang, somar 
kulkulun , of leeru somar lusi gezongen en veel schildpaddenvleesch verbruikt. Wordt 
door bemiddeling van eene andere negari vrede gesloten, dan komen al de 
oorlogvoerenden, ook in krijgskostuum bijeen. Een beeld, van gabagaba of sagurib- 
stelen vervaardigd en met een pijl door de borst gestoken, wordt als teeken des 
vredes aan het strand v(56r de negari gelegd. De aanvoerders der partijen, zoomede 
een paar gehuwde vrouwen, reiken de. hand en kussen elkander. Daarna wordt het 
vredefeest gevierd en Dudilaa toegeroepen, «Dudilaa watu apa amaria mavonu», 
d. i. Heer er zal te zamen gegeten worden door degenen, die vroeger oneenig waren. 

Zoodra een jongeling genegenheid voor een jonge maagd heeft opgevat, begeeft hij 



300 DE TANBMBAS- EN TIMOBLAO-EILANDEN. 

zich des nachts onder haar hnis , of liever slaapstede en doet door het kloppen tegen 
den lattenvloer van zijne tegenwoordigheid aldaar blijkt. Het meisje wetende wat 
znlks beteekenen moet, vraagt welstaanshalve wie zich daar bevindt. Hij antwoord 
door zijn naam flnisterend te zeggen, waarop het meisje vraagt wat hij eigenlijk 
verlangt Met het gebruikelijke gezegde bij dusdanige gelegenheden declareert hij 
zich op zinnebeeldige wijze, «zeggende, iau wol mama iau lolak oake misoa tula inaa 
mala mamama,» d. i. Ik heb geen pinang, ik verzoek u gedroogde in tweeën ge- 
kloofde pinang met sirih. Is het meisje hem genegen, dan zegt zij, «nabaneka iau 
takmata weke lel te wol,» d. L Wacht een weinig, ik zal zien of er nog iets te 
vinden is. Maakt zij vervolgens de reten der vloer open en reikt ze hem den sirih- 
pinang, dan is dit een zeker teeken dat zij geneigd is in eene meer intieme betrek- 
king tot hem te komen. De hand door de vloerreten stekende speelt zij vervolgens 
met zijn haar, terwijl hij haren boezem betast In gewone gevallen mag een meige 
nimmer het haar van een jongeling aanraken, noch hij zijne handen op haren boezem 
leggen, omdat zulks moli of tabu is. Den volgenden nacht verlaat het meiqe in 
het verborgen de ouderlijke woning, om met den jongeling eene stille plaats op te 
zoeken, alwaar zij tot tegen den morgen zonder door iemand opgemerkt te worden, 
zich afzonderen. Des daags ontmoeten zij volgens afspraak elkander in de bosschen, 
werwaarts het meisje zich moet begeven, om hout te sprokkelen. Na de eerste 
copulatie neemt het meisje den schaamgordel, de oorhangers of kam van den jonge- 
ling in beslag, om hem te noodzaken getrouw te zijn, ook als teekenen om bij eventueele 
zwangerschap den persoon te kunnen aanwijzen of zooals zij dit uitdrukken als ver- 
goeding van de verstrekte sirih-pinang. Na het intreden der puberteit slapen de 
jonge maagden gewoonlijk met een gevulden sirihkoker bij zich , om zoo noodig daar- 
van gebruik te kunnen maken. Na eenigen tijd in het geheim vrije gemeenschap met 
elkander gehad te hebben laat de jongeling eindelijk voor den vorm door een der 
oude vrouwen het meisje vragen of zij met hem in het huwelijk, navaa, wil 
treden. Is het antwoord gunstig, dan deelt hij dit aan zijne ouders mede, die een 
vertrouwde man en vrouw afvaardigen, om de ouders en verdere familieleden van 
het meisje er over te spreken. Als geene bedenkingen bestaan wordt er over den bruid- 
schat, kotak, beraadslaagd. Een voornaam persoon, matmela of matdawan behoort 
als bruidschat te betalen, een tot twee olifantstanden, twee tombukusche zwaarden, 
een slaaf, een gouden plaat, drie stellen gouden oorhangers, tien stukken chits elk 
van vier vademen , een sirihdoos met toebehooren om aan Dudilaa geofferd te worden 
en een onbepaald aantal borden en schotels. Iemand tot den stand der matkokou^s 
behoorende kan volstaan met twee flesschen koliwater of arak en vier tot acht stellen 
zilveren oorhangers. Als de bruidschat behoorlijk betaald is, is het matrimonium 
justum gesloten en de gehuwde vrouw, sawan, verplicht haren man in zijne woning 
te volgen. Het staat eiken man vrij , een vrouw in zijn eigene of in eene andere 



DB TANiaCBAB- EN TDfOBLAO-EILANDEN. 301 

negari te huwen. Na de vaststelling van het bedrag der kotak worden veertig dagen 
achtereen feesten, tane ven silae genaamd, gevierd. Op den dag van het huwelijk 
wordt de man behoorlijk uitgedost zijnde , door zijne familieleden en vrienden naar 
het huis der aanstaande echtgenoot, die zich gebaad en het hoofd met kalapaolie 
ingewreven heeft, gebracht Daar komende neemt de man op een mat ter rechter- 
zijde van de vrouw plaats, echter van haar gescheiden door een jongen en een 
meisje, die tusschen de nieuwgehuwden geplaatst worden, opdat Dudilaa dat ziende 
het huwelgk met vele kinderen zoude zegenen. Aan de linkerzijde van den man 
zitten de familieleden der vrouw en rechts van hem zijne eigene bloedverwanten. 
Nadat allen plaats genomen hebben, wordt alweder omtrent de kotak geredekaveld 
totdat de partijen tevreden zijn, waarop de oudste matmela opstaat om de gebruike- 
lijke huwelijkswenschen uit te spreken. Alsdan wordt er gegeten en gedronken en 
onafgebroken onder begeleiding der tiwal eene kleine trom de huwelijkszang, somar 
wata genaamd, gezongen. Aan den huwelijksdisch mogen rijst, visch, varkens- en 
schildpaddenvleesch niet ontbreken, voorts arak en koliwater, die door de ouders der 
vrouw verstrekt moeten worden. De nieuwgehuwden, tamatsanavaa, eten samen uit 
een schotel en begeven zich dan in een klein afgeschoten vertrek, alwaar de man 
een nieuwe mat, en een kussen op den vloer op de gebruikelijke buffelhuid heeft 
gereed gelegd. Jonge vrouwen mogen tegenover hare mannen niet beschaamd zijn 
in sexuum commercie indulgentem se ostendit, dit is de eerste les der oude vrou- 
wen na het huwelijk, anders brengen zij gebrekkige en misvormde kinderen ter 
wereld. Na den maaltijd is het huwelijk gesloten en keeren de gasten naar hunne 
woningen terug. De navareta en matmela bezoeken elke huwelijksplechtigheid om even- 
als de overige familieleden geschenken , bestaande in vleesch en lijnwaden , te ontvangen. 

De bruidschat, kotak, kan ineens of gedeeltelijk worden betaald. De algeheele 
voldoening daarvan is voor den man niet alleen een groote eer, maar ook een 
krachtig middel om over zijne vrouw heerschappij te voeren, die alsdan geheel aan 
hem onderschikt optreedt. Het is den man echter ook vergund de kotak bij ge- 
deelten af te doen, in elk geval vóór de eerste bevalling der vrouw. De betaling der 
bruidschat ineens is voor den man bovendien voordeeliger, omdat hij daardoor recht 
verkrijgt op alle kinderen, die bij echtscheiding, namsoal, door de schuld der vrouw , 
als anderszins hem volgen moeten. Wanneer de bruidschat slechts voor een gedeelte 
betaald is, heeft de vrouw het recht in de ouderlijke woning te blijven en is zij niet 
volkomen aan den man ondergeschikt, maar hebben hare ouders ook eenige macht 
over haar. Wanneer eene weduwe voor de tweede maal huwt, blijft de kotak aan 
de kinderen en moet de tweede echtgenoot aan hare ouders, hoe gering ook, een 
geschenk geven. Op sommige plaatsen is de weduwe echter verplicht, zonder bruid- 
schat, na den rouwtijd een der ongehuwde broeders, al ware deze jonger in jaren 



302 DE TANEBfBAR- EN TDCOKLAO-EILANDEN. 

tot echtgenoot te nemen. Een weduwenaar, voor de tweede maal huwende , moet den 
bruidschat evenals een jonkman betalen. Bij echtscheiding, door de schuld der vrouw 
tengevolge van adulterium bijv. veroorzaakt, natari mara roa, zijn de ouders 
der vrouw verplicht de kotak in zijn geheel terug te geven. Verlaat de vrouw den 
man door zijn toedoen, grove mishandeling, manetal teri, of dergelijke, dan wordt 
de kotak niet terugbetaald en volgen de kinderen de familie der moeder. Bovendien 
neemt de vrouw al het door haar tijdens het huwelijk verkregene mede. Naar 
gelang van zijn rijkdom kan een man een of meer vrouwen huwen, sawanualiete, 
'en zijn er die vier tot vijf vrouwen bezitten, ieder afzonderlijk wonende. Arme lieden 
huwen slechts eene vrouw. Geen meisje wordt tot het huwelijk gedwongen, een 
ieder volgt hare eigene keuze , semper fit mutuo consensu. De mannen maken tevens 
veel werk van toovermiddelen, aronawan, om de vrouwen tot verliefden waanzin te 
brengen. Het meest gebruikelijke middel daartoe is eenige fijngekorven wortels met 
door den man zelf bereide kalk vermengd op de plaats, alwaar de vrouw urinam 
efiudit te leggen. De vrouw zal volgens het volksgevoelen eenigen tijd daarna den 
man rusteloos zoeken en zich geheel aan hem overgeven. TJit dien hoofde is het 
den jonge mannen verboden kalk te bereiden. De gehuwde mannen en vrouwen leven 
blijkbaar tevreden en eensgezind met elkander. De vrouw wordt zelden door den 
mail geslagen , in welk geval hij door hare mannelijke bloedverwanten beboet wordt 
Vrouwen mogen echter de mannen straffeloos met den stok tuchtigen. Wanneer een 
jongeling door een tusschenbeiden gekomen ongeluk den bruidschat niet kan voldoen, 
dan leefk hij in matrimonium injustum en is hij verplicht, eenmaal kinderen verkregen 
hebbende , de ouders zijner vrouw levenslang te dienen. Vrije lieden mogen niet met 
slaven huwen; heeft men echter door een verboden gemeenschap kinderen verwekt, 
dan worden deze niet als vrijen maar als slaven aangemerkt. Vreemdelingen d. w. z. 
lieden buiten deze eilanden geboren, mogen met de vrouwen des lands huwen. Zulk 
een huwelijk is echter minder omslachtig. Als bruidschat kan een vreemdeling vol- 
staan met de betaling van drie stellen gouden oorhangers of zeven sovereigns. De 
kinderen blijven evenwel de moeder volgen. De Tanembarsche en Timorlaosche 
vrouwen zijn zeer geneigd lieden uit andere negarién of vreemdelingen te huwen, 
doch verlaten daarvoor in geen geval hare negariën, omdat dit als eene groote 
schande wordt aangemerkt. Om steriliteit tegen te gaan, gebruiken de mannen, in- 
zonderheid de meerbejaarden, zoomogelijk dagelijks een groot aantal schildpadden- 
eieren. Om kinderen te krijgen offeren de gehuwde vrouwen varkens , kippen en rijst 
in het verborgen aan Dudilaa. Abortus bij ongehuwde vrouwen door verhittende 
middelen of manipulatieën heeft meermalen plaats, doch wordt bij ontdekking met 
zware boeten gestraft. 

Na de eerste verschijnselen van zwangerschap, natbeel, wordt de aanstaande 



DS TANiaCBAR- EN TDCOBLAO-EILANDEK. 303 

moeder tot aan de bevaUing, iwinoteanan, door hare schoonmoeder verpleegd. Wordt 
eene vrouw zwanger, dan moet zij hare tanden terstond doen slijpen, wanneer zulks 
niet reeds na het huwelijk heeft plaats gehad, anders wordt zij door de negari- 
genooten als iemand, die de mores majorum niet opvolgt, beschimpt Ook moet zij 
eenig rijst en sagero of palmwijn zoomede een kip voor den goeden afloop van den 
partus aan Dudilaa offeren. De bevaUing geschiedt hurkende om het perinaeum 
niet te scheuren, terwijl de barende een touw boven aan een balk van de woning 
gebonden vasthoudt, ten einde meerdere kracht te kunnen aanwenden. Een oude 
vrouw de wata sitong ontvangt het kind. De placenta, netuata, of meluwu, ook 
wel weje, wordt in een mandje onder een sagu- of kalapaboom, die alsdan het 
eigendom van het kind wordt, begraven, of wel ergens in het bosch verstopt, of 
in een gat onder het huis gelegd en met een steen bedekt, nadat vooraf sirih- 
pinang geoflferd is. De vrouw gaat daarna met hare pudenda tegen het vuur liggen 
of met wijd geopende beenen boven de rook der lorlore, een bak met vuur, staan. 
Haar echtgenoot moet tot dat einde het brandhout bijeenbrengen. Om metrorrhagie 
te voorkomen gebruikt men het sap der aroanbladen inwendig. Vele vrouwen ge- 
bruiken na den partus het uitgeperste sap van de Caricapapaya, terwijl de pudenda 
met een lauw aftreksel van de Vitex pubescens worden gewasschen. De navel, wuar, wordt, 
nadat de placenta is te voorschijn gekomen en terwijl het kind op een mat ligt, 
met de wurwura, een scherp stuk bambu, afgesneden. Na de geboorte wordt het 
kind in lauw water gebaad, met kalapamelk bestreken, in een doek gewikkeld en 
drie dagen achtereen door eene andere vrouw gezoogd. Om ziekten te voorkomen of 
liever, de kwade geesten angst aan te jagen, wordt het kind in de eerste dagen 
bij of boven het vuur nedergelegd. De kraamvrouw baadt zich na den vijfden of 
tienden dag bij een der bronnen en is alsdan gewoonlijk geheel hersteld. De lochiae is 
slechts van korten duur. Vele vrouwen bevallen ook zonder eenige hulp aan het 
strand in het water zittende. Eene zwangere vrouw mag geen graf boven den grond 
booban, of in den grond, murin, voorbijgaan, niet op harde steenachtige plaatsen 
loopen, niet te veel zich in de zon bewegen of zware vrachten dragen, opdat de 
matmate niet toornig worden. Wordt zij ziek, dan moet men een kip aan de geesten 
der voorouders offeren. Partus abortivus komt zelden voor. By de geboorte van 
een kind wordt noch de man noch andere vrouwen in het vertrek toegelaten. Voor 
de deur van het vertrek plaatst de man een tak van den inaanstruik, opdat niemand 
binnenkome en de vrouw, die tijdens den partus naakt ligt , zie. De pica of epithymie heb- 
bende eten de zwangere vrouwen gewoonlijk veel wrange zure vruchten en gebrande klei- 
aarde. Is het kind geboren, dan geeft de man daarvan met den meesten spoed kennis 
aan den schoonvader en de verdere bloedverwanten, die alsdan met geschenken be- 
laden het kind komen zien. Deze geschenken bestaan grootendeels in aard- en veld- 
vruchten met eenige stukken goud, of lijnwaden. Na de bevalling mag de echtgenoot 



304 DE TANEXBAH" SN TIMOBLAO-BELANDEN. 

geene vleeschelijke gemeenschap, engkawon, met de vrouw uitoefenen, vóórdat de 
eerste tanden, nivan datrook, uitgebot zijn en het kind een pap van ubi Dioscorea 
vulgaris en labu Lagenaria hispida heeft genuttigd. De mannen moeten het kind in 
den eersten tijd dragen en verzorgen, terwijl de vrouw, nadat zij gebaad heeft, haar 
gewoon huiswerk verricht. De naamgeving geschiedt voor de jongens door den vader, 
voor de meiges door de moeder. Om jonge kinderen sterk te maken, bestrijkt men 
hun lichaam met kajoina, een houtsoort die tot dat einde iBjngeraspt wordt Het 
eivlies serea wordt gewoonlijk gedroogd en als voorbehoedmiddel aangewend. Het 
zoogen duurt gewoonlijk een en een half jaar. Blanke of licht geelgekleurde kinderen 
zijn zeer gewenscht en worden als een gunstbetoon van Dudilaa aangemerkt. Twee- 
lingen ianan dekut komen nu en dan voor. 

Ziekten worden toegeschreven aan booze invloeden van den suwanggi, ewange, 
van booze geesten, ook wel van vertoornde matmate, aan overerving of besmet- 
ting. Eoude koortsen geneest men door bij het vuur te gaan liggen, andere ziekten 
door phlebotomie en toovermiddelen. Wonden worden met bladeren , atenan en rauwe 
labupap genezen. De geneesmiddelen worden op drie verschillende wijzen door den 
mungawa of deskundige toegediend in den vorm van potio, urod menene, unguen- 
tum, urodan alaroka en als cataplasmen, urodan market mui ewuda, de laatste 
gewoonlijk om op den buik te leggen. Schier tegen alle kwalen wordt de roode 
gember, Zingiber officinale, gebezigd. Om iemand ziek te maken, begraaft de ewange 
op plaatsen, waar de bewuste persoon gewoonlijklooptoflangs gaat, onder het prevelen 
van verwenschingen het een en ander als dorens, stukken vischgraat, schelpen, 
scherpe steenen enz. in den grond. Op zulk een voorwerp trappende moet hij ziek 
worden. Deze artikelen worden later door den mungawa oi tamata wele karonawa, 
uit het zieke lichaam gehaald. Door onder het huis van den betrokken persoon 
onder het prevelen van bepaalde incantatiën op eene eigenaardige wijze te blazen 
kan de ewange ook ziekte veroorzaken. Verder maakt men vooral op het eiland 
Selaru gebruik van vergift van visch en schelpdieren, mangkawar genaamd. Wan- 
neer een zieke niet spoedig geneest, worden er offers aan de matmate ^bracht 
om de booze geesten, die den persoon ongesteld maken, te verdrgven. Dit heeft op 
verscheidene wijzen plaats. Om de kwade geesten , die eene ziekte in de negari hebben 
veroorzaakt, te misleiden en dusdoende te doen verhuizen, wordt een kleine prauw, 
boo, vervaardigd met al de benoodigdheden voor eene verre reis er in, waarin ook 
het beeld van een mensch wordt nedergelegd. Deze prauw wordt met de noodige 
plechtigheid ver in zee gebracht en aan stroom en wind prijs gegeven. Bij het 
van wal steken zingt men «oh mu rekan miewal mia bambana sa rok ia rikam nia 
nuini sian,» d. w. z. O (ziekte) vertrek van hier, keer terug, wat doet gij hier in 
dit arme land. Drie dagen na deze plechtigheid wordt een varken geslacht en een 



DE TANEMBAR- EX TIMORLAO-EniANDEK. 305 

gedeelte daarvan aan Dudilaa geofferd. Een der oudsten zegt «apon Dudilaa oamira 
iau turonana muvlaar ubun ianan wata barana malolin ira uba muan wawu singeran 
on antua ngosi walin ba ngoran wanwal rok ini mamuan meme muvlaar negoso o 
ralan,» d. w. z. Oude Heer ik smeek u maak gezond de kleinkinderen, kinderen, 
vrouwen en mannen, opdat wij kunnen eten varkensvleesch, rijst, (opdat wij kunnen) 
drinken sagero, ik zal m^ne belofte houden, eet uw aandeel en maak allen in de 
negari gezond. Strandt de prauw ergens op eene bewoonde plaats , dan wordt de ziekte 
overgebracht. Vandaar de groote vrees der bevolking om eene prauw op hare kusten 
te zien stranden. Om onheil te voorkomen wordt zulk een prauw onmiddellijk ver- 
brand, omdat de booze geesten voor het vuur vlieden. Eene andere wijze om eene 
ziekte uit de negari te verjagen of de booze geesten te doen verdwijnen is het 
plaatsen van een beeld van een gewapend man met pijl en boog voor den ingang 
der negari Exankzinnigheid en epilepsie suhut manu, ontstaan door invloeden van den 
ewange en andere booze geesten die tijdelijk in vogels wonen, ook door overerving. Bij 
epilepsie wordt de patiënt met takken en bladeren geslagen, om den boozen geest in deze 
te doen verhuizen. Ook plegen de oude vrouwen deze ziekte te genezen door op een door 
haar van gabagaba vervaardigd beeld van een vogel na de noodige incantatiën met pijl 
en boog te schieten. Dit geschiedt gewoonlijk tegen den avond na vooraf rijst en 
een kip aan het beeld geofferd te hebben. Lieden met wonden of zieken mogen zich 
niet vertoonen. Wanneer men geneesmiddelen verzamelt, bidt men al loopende en 
zoekende «oh Dudilaa voalak naknana wakan mata amtuba», d. i. O Dudilaa, doe 
mij blijken (door ingeving) dat deze bladen eenmaal gedronken goed zijn. Europeesche 
geneesmiddelen voornamelijk Chinine en Santonine zijn op deze eilanden zeer gewild. 

Bij sterfte wordt het lijk gewasschen en gekleed, de man met een nieuwen 
schaamgordel , eman, de vrouw met de bakanaloan of sarong van kolibladen, zoo- 
mede met andere sieraden. Daarna wordt het lijk met rood katoen bedekt. Gedurende 
den nacht, die op den sterfdag volgt, houden de bloedverwanten en vrienden zich 
onledig met op den tiwal, trom, te slaan en den somar te dansen. Is de vrouw ge- 
storven dan zingt de man « dudilaa ngeroa iau, lelakaPkanvalakmawumoabomaningu 
ba bibi sama uran,> d. w. z. Dudilaa is op mij vertoornd, waarom? laat hij maar 
zeggen hoeveel ik zal betalen opdat (zij weder) in het leven kan terugkeeren, wat 
ook, ik zal betalen. Sterft een matmela, dan worden er varkens geslacht en de aan- 
wezigen onthaald. Den volgenden dag gaan enkele lieden, meestal goede bekenden, 
naar het bosch om een stuk hout voor de booban of lijkkist te zoeken en dit te be- 
werken. De kist gereed zijnde, wordt het lijk te pronk gezet De bezoekers zijn ver- 
plicht allerlei soorten van lijnwaad te brengen om het lijk in te wikkelen. Daarna 
wordt de kist gesloten, de noodige versieringen er op gelegd en naar het strand 

gedragen, alwaar deze op een houten- bambustellage onder het lossen van schoten 

20 



306 BS* VidQMnai>» WÊF' T^RWLAC^•ErLAK^E7^. 

uit draaibussen en geweren geplaatst wordt De kist heeft den vorm van een prauw 
om de reis over zee naar 'Nusnita, het eilandje bewesten Seelu» alwatr im n^ea 
der afgestorvenen hun verblijf houdea ea ém tijd verkorten door zang en dans en 
door den lof der waduwaa of helden te verkondigen, gemakkelijk af te leggen. De 
booban wordt met masten, zeilen en tal van witte en roode vlaggen versierd, ook wor- 
den beelden en modellen van roeiers, van draaibussen en andere wapenen van trom- 
men en verdere benoodigdheden voor eene reis over zee er opgelegd. De bloedver- 
wanten geven tevens mede rijst, djagong, aardvruchten, pisjmg, vleesch en sau- 
cijzen van schildpadden, tabak, sirih-pinang en eieren met de .noodige borden, 
schotels en lepels. Het hoofd rust op den achtersteven. Naar gelang van het aanzien, 
dat de afgestorvene geniet^ worden er van tien tot honderd dagen feesten gevierd, 
gegeten en gedronken, gesomard en gezongen, op de trommen geslagen en geschoten. 
Tien dagen achtereen worden op de stellage gekookte spijzen nedergelegd. Op Selaru 
en enkele gedeelten van Timorlao worden de Igken der aanzienlijken , na gewasschen 
etn gekleed te zijn, in matten en boomschors gewikkeld en daarna tusschen de takken 
van hooge boomen bewaard. Later worden de beenderen verzameld en behalve den 
schedel begraven. Het lijk der matkokou of van den minderen man en van de iria 
of slaven wordt niet op eene stellage gelegd, maar begraven in eene kist van sagu- 
takken met het hoofd ten oosten gericht In dezelfde richting worden ook de boo of 
booban der aanzienlijken geplaatst De beenderen worden later in een grot bijgelegd. 
Vreemdelingen mógen niet op het eiland begtaven worden, opdat er geen onheil over 
het land kome. 

De zielen der vrouwen, die tijdens de bevalling sterven, zwerven na de begrafenis 
rond en houden zich bij voorkeur op langs de stranden. Vijf dagen na de begrafenis 
gaan twee oude vrouwen naar het strand, om de ziel van den doode die nog geen 
nitu is, ngraad, op te zoeken, medenemende een kom, waarin eenig ryst, een ei en 
een pisang gelegd wordt Op hartverscheur^nden toon roepen zg de ziel terug en 
nemen deze in den kom naar huis mede , om in gezelschap van de overige matmate 
de reis naar Nusnitu te ondernemen en niet onderweg door booze geesten gestoord 
te worden. Eene vrouw die bij den partus sterft, andol nakwawa sian, heeft een zeer 
groot kwaad bedreven, bijvoorbeeld eene niet-ontdekte bloedschande of overspel ge- 
pleegd, waarvoor zij door de matmate is gestraft geworden. De kinderen tot op den 
tweejarigen leeftijd worden in de nabijheid der ouderlijke woning in een mand, in 
zittende houding begraven. Nadat de moeder eenig melk van hare borsten in den 
mond van het lijkje heeft geperst, wordt dit in een stuk lijnwaad gewikkeld 
met een gouden armband op het hoofd en twee groote inlandsche koralen of wel 
paarlen op de oogen. De zielen der kinderen, die den weg naar Nusnitu niet vinden 
kunnen, blijven in de nabijheid van het onderlak huis zweven, om daarna met een 



DK TANEMBAR- EN TIMORLAO-EILANDEN. 307 

der zielen van volwassenen de reis te doen. Wanneer iemand in den oorlog sterft, 
an mata awar, dan wordt v<$órdat de kist oit het hois gedragen wordt, door de 
semitu, die in krijgsdos getooid is, aan het lijk herhaalde malen gevraagd wie hem 
gedood heeft. Bij elke vraag stampt hij met de voeten, springt vervolgens op en 
zwaait met het zwaard. Tien dagen na de l^kbestelBng verzamelen zich de negari- 
genooten tegen drie k vier ure des namiddags aan het strand, de mannen in hun 
krijgsgewaad met wapenen in de hand, de vrouwen in feestkleeding met vele sieraden 
getooid. De weduwe, waru, gaat op eqne plaats zitten, alwaar men vooraf een bord 
met rijst en een ei heeft nedergelegd. Daarnevens liggen een stuk levende bambu 
van eenige meters lengte met de bladeren er aan en een eman of schaamgordel. 
Een der oude vrouwen roept alsdan op weeklagenden toon dé ziel terug. Daarna 
wordt de bambu in den grond geplant en de eman boven op het uiteinde daarvan 
gehangen. Deze bambu vertegenwoordigt de ladder, langs welke de ziel naar de 
plaats zijner bestemming gaat. Yóór de bambu staande houdt de semitu een toe- 
spraak, om de heldendaden van den overledene te verheerlijken, welke toespraak na 
eiken volzin door het geroep van he! ha! ho! der omstanders wordt afgebroken. 
Veronderstelt men aan da beweging der bambu, dat de ziel deze opstijgende op de 
hoogte der eman is gekomen, dan wordt de bambu met één klewangslag in tweeën 
gesneden en de eman verbrand, opdat de ziel niet ronddwale om kwaad te stichten. 
Het bord wordt eveneens stuk geslagen. Hierdoor bevredigd, begeeft de ziel zich 
naar Nusnitu. De zielen van lieden die uit boomen zijn doodgevallen, aronin ra, 
door vergift gedood, rawak iabon mata, in één woord van al degenen, die niet ten 
gevolge eener ziekte gestorven zijn, gaan niet onmiddellijk naar Nusnitu, maar dwalen 
een geruimen tijd in en buiten de negari als suhut, booze geesten rond. Vier of vijf 
dagen na de begrafenis worden alzoo eenige oude vrouwen uitgezonden , om door het 
prevelen van vaste formulieren de zielen terug te roepen, dat wil zeggen om te 
komen eten en vervolgens op den tienden dag op eene bepaalde plaats te verschijnen. 
Dit verricht hebbende, keeren zij bij de bloedverwanten van den overledene terug, 
alwaar groot misbaar gemaakt wordt even alsof er een lijk in huis aanwezig is. 
Deze vrouwen moeten echter voor het binnentreden van het sterfhuis het haar met 
kalapawater wasschen. Eerst na s^oop dezer plechtigheden begeven de zielen zich 
naar het verblyf der dooden op meer gienoemd eiland. 

Als teeken van rouw draagt de vrouw een stuk van de lijkkleeding des mans ge- 
woonlijk van den eman, in het haar. De weduwnaar doet evenzoo. De zoon neemt 
een stuk van den nagel des vaders en bewaart dit als talisman of exuviale fetisch. 
Andere teekenen van rouw bestaan er niet. Is het lijk verteerd dan wordt de booban 
geopend en de schedel, gewoonlijk die der ouders, op een schotel, binan, gelegd, 
boven op de daarvoor bestemde plaats in het huis bewaard en de leerkawe of 



308 DE TilNEMBAR- ENV TniORLAO-ETLANDEN. 

leernitu, de doodenliederen , gezongen. Dit geschiedt hoofdzakelijk op Jamdena, 
Yordata en Selaru. Bij het eten en drinken der hnisgenooten wordt eene bete of 
eenige droppels van den drank aan de ouders geplengd. Op Jamdena en Selaru 
besmeert men zich bovendien het lichaam met de uit den boo afdruipende humores 
cadaveris van ouders en aanzienlijken, alleen uit toegenegenheid zonder te doen 
blijken dat de verpestende stank hinderlijk is. 

De begrafeniskosten, welke tamelijk groot zijn, worden uit den gemeenschappelijken 
boedel bestreden. Wat er vervolgens overblijft vervalt aan weduwnaar of weduwe 
met de gezamenlijke kinderen. De oudste zoon volgt den vader op in zijnen rang, 
titel en functie. Bij gemis aan een mannelijk oir vervalt de erfenis, kabanira of 
wala genaamd aan de dochter of dochters, met de moeder gelijk te verdeelen. By 
gemis van kinderen erven na den dood der weduwe de broeders- of zusters- 
kinderen of wel hare bloedverwanten. Zoo de vrouw nog in leven is, erft zij alles. 
Als weduwe is de vrouw als het ware voogdes over hare onmondige kindden, dat 
zijn namelijk degenen, die het tijdstip vsm puberteit nog niet bereikt hebben. Arme 
weduwen, die niet met een der broeders van den overleden echtgenoot gehuwd zijn, 
worden door de bloedverwanten van manszijde onderhouden of verpleegd. 

Veel werk wordt er van zang en dans gemaakt. De dans der mannen heet tabar, 
die der vrouwen somar. De voorzanger wordt nerkawa genoemd. Grewone zangen 
heeten artabar, bij sterfgevallen batang, leerkawe of leemitu;. bg het te water bren- 
gen der arumbae, dat met groote plechtigheid geschiedt, de wensomsomar; bij 
huwelijken de somarwata en voor den oorlog kawe bren, markawe kulkulun, of 
leeru somar lusi wanneer er koppen gesneld zijn. De zang bij den koppensnellen- 
dans der mannen en vrouwen noemt men somar kulkulun; die der nieuwe prauwen 
waaraan ook vrouwen deelnemen erwerin rosomar. De bij het zingen gebezigde 
muziekinstrumenten zijn de tiwal, eene kleine trom, de balbal, eene groote trom 
en de titir of gong, een koperen bekken. Fluiten van bambu worden ook gebezigd. 
De lievelingsspelen der jonge mannen heeten resasanasan, een soort krijgsdans met 
piek en schild en ravlatia mawatan, een soort krijgsspel. De volwassen ongehuwde 
vrouwen vermaken zich meermalen vooral in den maneschijn met een soort van 
rondedans onder begeleiding van zang. In den kring dansen twee jonge mannen 
mede. Het gezongene heeft gewoonlijk eene zeer dubbelzinnige beteekenis. Ook spelen 
de jonge maagden met de renawenga of stukken schildpaddenbeen , die met de 
teenen opgenomen en onder het springen van plaats verwisseld worden. Een ander 
spel der meisjes is nog de ravnewa, zijnde het stampen van djagong of het slijpen 
der sisloo, armbanden van schelpen, bij maneschijn, met zang en tiwalslagen. De 
spelen der kinderen bestaan uit het schoppen van kalapadoppen, het werpen met 



XXXI. 




Bft.309. 



DE TANEMBAR- ES TIMORLAO-EILANDEX. 309 

de kamirivmcht en het touwtje springen, arwawal warat, waarmede zij zich op 
bepaalde tijden bezighouden. 

De bevolking gelooft dat de Tanembar- en Timorlao-eilanden overblijfselen zijn 
van een groot land, dat door de sörui of surui, een monstervisch, verwoest werd. 
De maan, wue of wulan, en sterren, teliawar, zijn gedeelten van de zon, lera, die 
door den geest Tuvu, den beschermer van de negari Amtuvu, tijdens zijn strijd met 
lera in stukken werd gehakt De zoneclips heet lera anmata, maaneclips wue of 
wulan anmata. De dag wordt verdeeld in kukuwau anlalan morgen, leran derlola 
middag, lerwawa avond en owan middernacht. Vallende sterren noemt men teliawar 
leka en regenboog lermida. De ivindstreken zijn marmar noorden, tranan zuiden, 
timur oosten en warat westen. 



NEGENDE HOOFDSTUK. 



DE LUANG-SERHATA-GBOEP. 



Ligging, Qeogntphiache benhrgTing. Fomiatie. Bergen. AnkerplMtaen. Wegen. Berolking. 
Ttol. Trftditie en geschieclenia. Physische, intellectneele en moreele eigenschappen. Coltas. 
BQgeloof. Droomen. Eed. Inrichting negarifin. Oflisrhais. Hoisen. Haisaad. Arbeid mannen 
en TTonwen. l^Terheid. HandeL Scholden. Voeding. Narcotica. Kleeding. Beetoor. Hoofden. 
EerbewQiing en plichtpleging. Grondbeait. Landboow. Straffen. Oorlog en Trede. Yer- 
loTing. Howeiyk en echtscheiding. Zwangerschap. Beralling. Ziekte. Dood. Begrafónis. 
Erfenis. Zang, spel en dans. Kosmognosie. 



De Luang- en Sermata-eilanden in 1645 door de Nederlanders ontdekt liggen 
tusschen 128® 20' en 129® 10' Oosterlengte van Greenwich en tusschen 8® 5' en 
8® 25' Zoiderbreedte en bestaan oit de eilanden Sermata eigenlijk Noha Saramata, 
Luang of Noha Lagona, verder Uparui, Nolawna of Nolawan, MetimarangvMetriar 
lam, Metutnn, Leakra of Leakar, Dompapaha, Terlawnadone of Eokopinidone , Teata, 
Kopuri en Kalapa, waarvan slechts de twee eerstgenoemde bewoond zijn. 

Deze eilanden van tertiaire mioceen formatie met sedimentaire gesteenten als 
mergel en zandsteen zijn laag. Met oitzondering van de bergen Woorluli op Luang 
en Bero op Sermata, die beide niet hooger zijn dan tweehonderd-en-zestig meter 
treft men slechts toppen van heuvels aan, bijv. de Gerbooro en Betgaai op Luang, 
van gemiddeld honderd meter. Het eiland Luang is zeer geaccidenteerd en bijna 
geheel ontwoud. De hellingen der bergen zijn bedekt met uitgestrekte schrale gras- 
velden, met enkele boomgroepjes waaronder de Borassus fiabelliformis en Stadtmannia 
syderoxijlon de overhand hebben. Sermata heeft, ofschoon daar geene vlakten, noho 
mötaten, aanwezig zijn, een meer vruchtbaar voorkomen en is dan ook de voorraad- 
schuur van djagong, katjang en ubi van al deze eilanden. De kusten van Sermata 
loopen steil in zee en leveren geene ankergronden. Luang is door een uitgestrekt 
rif omgeven, zoodat de toegang tot dit eiland alleen voor prauwen te bereiken is. 
Op Sermata zoowel als op Luang zijn met uitzondering van de Djereholo een beekje 
bij Djerwali, geene rivieren en wordt het water uit putten, mahi, verkregen. Op 
Luang heeft men slechts één put bij de negari Leüuli. De negariën op dit eiland 



DE LÜANG-SERMATA-OROEP. 311 

zijn Pupugene of Pupuwene door een kapitan, Toburulu of Tupurulu, Pepupu of 
Pëpupun, Himama en Hileli door orangkaja's bestaurd. Voorts treft men als onderdeelen 
der negariën de gehuchten Letluli alwaar de school staat, Akanani, Diweru, Turialan en 
Lawiewaralma, aan. De negariën op Sermata heeten Djerwali met de overblijfselen van 
het oude blokhuis van 1686 , vervolgens Ela, Mehaleta, Bumadara, Roknama, Pupuliora, 
Lontuli, Rieha, Wetiar, Lele, Iliahari en Rongkihera of Rumakihera. De westmoeson 
heerscht van November tot Maart, de oostmoeson van April tot September. Het 
klimaat dezer eilanden is gezond. Wegen of liever moeielijk begaanbare voetpaden ; 
tale, vindt men van de eene naar de andere negarL 

Het aantal zielen bedroeg in 1882: 

'Op het eiland Luang in de negariën: 

Hileli 225 zielen 

Pëpupun 146 » 

Pupuwene 241 > 

Tupurulu 300 » 

Himama of Himarang . . 292 » of te zamen 1204 
waarvan 379 mannen en 410 vrouwen of 479 Christenen en 725 heidenen. 

Op het eiland Sermata in de negariën: 

Djerwali 487 zielen 

Ela 454 » 

Mehaleta 645 » 

Rumadara 620 » 

Roknama 589 » 

Pupuliora 368 » 

Lontuli 434 » 

Rieha 468 » 

Wetiar 367 » 

Lele 583 * 

Hiahari 428 » 

Rongkihera 234 » allen heidenen, of te 

zamen 5677 zielen. 

De literi Lagona, of het Luangsch dialect wordt met geringe wijziging, gesproken 
en verstaan op de eilanden Luang, Sermata, Wetan, Masela, Dai, Babar, Dawaloor 
en Eebir. 

Volgens de traditie raktui upa tagaana, is de bevolking dezer eilanden van het 
uitspansel lianti, toen dit nog lager op de aarde lag, afkomstig. Ëene vrouw van 



312 DE LUANa-SKRMATA-GBOEP. 

hemelschen oorsprong, daalde langs een rotanpalm, de Calamas calolepis, wiens 
wortel versteend nog op het eiland Nolawna getoond wordt, op aarde lea neder en 
werd daar door den tranna anni of zuidenwind bevrucht Zij baarde vele kinderen, 
die eveneens langs den rotan communicatie met den lianti hadden. Een dezer, een 
moedig schoon jonkman, vroeg toen hij in den hemel kwam de dochter van den 
Upulero, den heer hemel of liever heer zon ten huwelijk en verwekte bij haar ver- 
scheidene kinderen, die echter niet op de aarde kwamen. Op zekeren dag verzocht 
hij Upulero om naar de aarde lea, te gaan, ten einde zijne moeder te gaan bezoe- 
ken. Daar zijnde werd hij ziek en bleef een geruimen tijd achter. De Upulero des- 
wege ontstemd noodigde hem en zijne vrouw na zijne terugkomst ten maaltijd, 
alwaar zoo het heette zwijnenvleesch op verschillende wijzen toebereid, opgedischt 
werd. Dewijl niemand der liantibewoners daarvan wilde eten, kreeg de schoonzoon 
achterdocht en weigerde eveneens iets daarvan te nuttigen. Hierdoor ontstond er twist 
tusschen hem en den Upulero , die hem ten slotte mededeelde dat het geen varkens- 
vleesch maar het vleesch was zijner moeder, die hij had doen slachten, alléén opdat 
hij de aarde niet meer zal bezoeken. Nadat de vrede tusschen den schoonvader en 
den schoonzoon gesloten was , verzocht de laatste weder vergunning om naar de aarde 
te gaan. De Upulero weigerde zulks, doch eenmaal besloten hebbende ging de schoon- 
zoon heimelijk weg. Daarover vertoornd nam Upulero een zwaard welhe en sneed 
de rotan in tweeën, zoodat het verkeer met het uitspansel verbroken werd. De 
schoonzoon, die nog niet ver van den hemel af was, slingerde door den schok om 
de noord en viel op het eiland Serang. Een gedeelte der bevolking van Lagona 
kwam van uit een ver land in het westen gelegen. Eene andere overlevering zegt 
dat Luang en Sermata vroeger een groot land was. Na het ophouden der hiervoren 
bedoelde conmiunicatie met lianti werd de bevolking overmoedig en sarde op allerlei 
wijzen hunne bloedverwanten, die aldaar woonden met dat gevolg dat Upulero naar 
beneden kwam en den vorm van een groeten sakovisch, herui aannemende het groote 
land verwoestte. De eilanden Roma, Makisar, Leti, Moa, Lakor, Dama, Luang, 
Sermata, Babar en de Tanembar-groep zijn de overblijfselen van deze vernieling. 
Andere overleveringen schijnen verloren gegaan te zijn. Vooral is het te betreuren 
dat men van de inunigratie van volken uit het verre westen wartaa niets meer 
konde mededeelen. Een groot deel der bevolking van Sermata is van Babarschen 
oorsprong. Na de komst der Nederlanders werd in 1686 te Djerwali een blokhuis 
opgericht. Deze bezetting werd in 1697 ingetrokken, doch in 1699 weder teruggevoerd. 
In 1750 verzochten de hoofden van Luang eene bezetting «voor den indrang der 
Mangkasaren, hetwelk hun geaccordeerd zijnde mits dat zij naar het voorbeeld 
van alle andere eilandsvolkeren een wacht voor de bezettelingen ophaalde, alstoen door 
hen geweigerd werd, onder voorwendsel dat zij daartoe onvermogend waren.» Na den 
val van de Oost-Lidische Compagnie werd de post te Djerwali voor goed verlaten. 



DE LUANG-SERMATA-OROEP. 313 

Een gedeelte der beyolking van Laang omhelsde in den loop der achttiende eeuw 
de Christelijke leer en werd er dientengevolge ook om het onderwijs- te bevorderen 
een inlandsche onderwijzer te Letluli geplaatst In 1882 werden deze eilanden onder 
het toezicht van den gouvemements-vertegenwoordiger te Babar gesteld. 

De brachy- en hypsimesocephale bevolking van Luang en Sermata behoort niet 
tot het kroesharige, morta krakmkru, maar tot het sluikharige, mortuploiploi, licht 
bruine ras, dat zich in twee typen splitst namelijk de chaemaprosopen en leptoprosopen , 
zijnde de laatste de afetammelingen van de in vroegeren tijd zich alhier gevestigd 
hebbende lieden van uit het westen afkomstig en die thans tot de mama of eersten 
stand gerangschikt worden. De breedjukkigen hébben veel overeenkomst met de be- 
volking van Babar. De lengte van het lichaam bedraagt gemiddeld bij de mannen 
1.70, bij de vrouwen 1.58 meter. Het lichaam is krachtig gebouwd en onder de 
vrouwen vooral op Sermata vindt men zelfs forsche figuren met goed ontwikkelde 
ronde borsten en breede aureolen. Op Luang waar als een gevolg van de beschaving het 
gebruik van de kutang een soort keurslijf sedert jaren bekend is, zijn de borsten gedrukt 
en min of meer misvormd. De christen-vrouwen op Luang baden , naroho , zich dikwijls 
zelfs in zee, en houden het lichaam zindelijk, inoni mamuou. De meeste mannen 
dragen het hoofdhaar kort Het lichaam is weinig behaard. Enkele mannen slechts 
die den tegenzin der vrouwen overwinnen kunnen drj^en moustaches. De vrouwen 
geven de voorkeur aan mannen met gladde aangezichten, ri raani wulu. Onder de 
oksels en op den pubes is het haar gering. De menses, raaminmai, treden zeer 
vroegtijdig in, tusschen den tien- en twaalQarigen leeftijd en worden er tampons 
van fijngeUopte boombast of kalapavezelen gebezigd om de vloeiing tegen te gaan. 
Het menstruaal eicreet wordt als in hooge mate onrein aangemerkt. De mannen en 
vrouwen zijn levendig van aard en niet schuw. Ontmoeten de laatsten hare vriendin- 
nen dan kussen zij elkander door neuswrijving, kini. Op Sermata alleen worden de 
vrouwen op voorhoofd en armen getatueerd, iatau, met verscheidene figuren ter 
versiering. Niettegenstaande er jaarlijks van wege de groote droogte gebrek bestaat 
aan voedingsmiddelen , hebben de kinderen een krachtig voorkomen. Op Sermata zijn 
de zuigelingen buitengewoon blank, doch hebben allen op den rug op de hoogte 
van het os sacrum donker indigo blauwe plekken. Ouder wordende krijgen deze 
kinderen eene meer donkere kleur en verdwijnt de blauwe plek, die als het ware 
onder de epidermis is weggevloeid. Mannen en vrouwen hebben zwarte glinste- 
rende oogen, de jongelingen en maagden, die nog geen pinang gebruiken, schoone, 
schitterende ivoorwitte tanden. Lieden met schele oogen worden zeer zelden 
aangetroffen. Qebochelden, toorkooili en poljdactjlen okomi woneeme, komen 
meermalen voor. Krankzinnigen, rigagau, worden niet ontzien. De handen en 
voeten zijn middelmatig. Van wege het aanhoudend werken der vrouwen zijn 



314 DE LÜANG-SERBÏATA-OROEP. 

hare handen evenwel grof en onoogelijk. Op Sermata, waar de zeden en gewoonten 
der bevolking als het ware tusschen die van Luang en Babar staan, is de kuisch- 
heid onder de gehuwde vrouwen groot , daarentegen hebben de jongelieden een vrij 
en ongedwongen verkeer onder elkander. Gehuwde vrouwen hebben op Luang gaarne 
eene meer intieme gemeenschap raliai, met \reemde mannen, wanneer dit, omdat 
de mannen zeer ijverzuchtig, tutugele, zijn en op overspel hooge boeten staan, 
slechts in het verborgen kan geschieden. Als teeken van puberteit zoowel bij mannen 
als vrouwen worden de tanden geslepen, romihini, om te doen blijken dat men een 
man of vrouw begeert. Besnijdenis is niet bekend. Het is verboden onkuische taal, 
raltieri jatiata, in tegenwoordigheid van vrouwen te uiten. De bevolking, die gaarne 
mooie zaken, johiaa mounune, ziet, naar muziek luistert en van welriekende krui- 
den of geuren, hupmikimikri, houdt, is er zeer opgesteld, om vriendschap met hinare, 
Chineezen, makaharere, Mangkasaren en andere vreemdelingen, umpajowa datawa- 
jora, te sluiten. Mannen en vrouwen zijn voor het overige zeer werkzaauL De 
bevolking kan dan ook welvarend worden genoemd. Het liegen schijnt in alle op- 
zichten getolereerd te zijn; want voor dit woord heeft men in de literi Lagona acht 
verschillende uitdrukkingen, als lahara, opehe, putra, palka, këliU, k6(?^ori, niki en 
maula, die elk eene bijzondere beteekenis hebben. 

In elke negari vindt men twee plaatsen alwaar gewoonlijk geofferd wordt, name- 
lijk de aitierhe, een houten beeld van twee-en-halve meter lengte van de houtsoort 
naawa vervaardigd in een steen midden in de negari geplaatst en de watu omoho 
een steen van een meter lengte, die gewóonlqk in- de nabijheid der sagero drink- 
plaats wordt aangetroffen. De aitierhe staat op ongeveer zes meter afstands van de 
rooma ribera op eene vierkante verhevenheid van opgehoopte steenen, met een grooten 
platten steen, watuleari, op elk der hoeken. Deze steenen mogen niet van plaats 
veranderen. Op den top van den Bero, de hoogste punt van Sermata, is ook een 
aitierhe geplaatst. Heilige plaatsen heeten lululi geni. De aitierhe van ai hout en 
tierhe mieren, is de plaats waar het mannelijk beginsel, de TJpulero, heer zon, anders 
ook genaamd it matroomi van mat oog en room huis een tijdelijk verblijf houdt, 
om met het vrouwelijke beginsel, de aarde, lea of beter, nohomama van noho, 
aarde en mama, aanzienlijk te copuleeren. Voor het overige treedt de TJpulero nooit 
actief op om wijziging in de voornemens of daden der booze geesten te brengen. 
Alleen door de kracht der upumate, geesten derlatere afgestorvenen, door bezweringen 
en offers kan dit geschieden. Bij bezwering of kunstmatige krankzinnigheid, veroorzaakt 
door het slaan op den tiwela, trom, en berooking, komt naar men beweert een der geesten 
der voorvaderen in den persoon, gewoonlijk een oude vrouw ^ie in cataleptischen toestand 
verkeert, om haar bekend te maken met de zaken, die in de geestenwereld gebeuren. 
De geest des persoons wordt veronderstelt door unificatie tijdelijk door de upumate 



DE LÜAXO-SERMATA-OROEP. 315 

Terlicht te z^n. Verder offert men ook door tosschenkomst van den orlete , den be- 
waker daarvan, in de rooma nhera, aan dople en luli twee beelden waarin de 
geesten dergenen die de negari gesticht hebben, die tevens de voorouders zijn van 
den dienstdoenden orlete, bij het brengen van offers tijdelijk zich ophouden. De 
dople het mannelijk beeld zit met zijne beenen omhoog getrokken en met zijne 
handen op de beide knieën rustende. De luli of de vrouwelijke figuur zit gehurkt, 
of met hare beide beenen onder het lichaam geslagen. In de uitgestrekte rechterhand 
houdt zij de werau een houten etensbak, in hare Unkerhand de luli helili, of heilige 
pinangkoker. Voor de beide beelden treft men een waterbak van kekeleuhout ver- 
vaardigd, waarin eiken dag door den orlete water gegoten moet worden. Het dople 
beeld wordt van het naawa-, het luli beeld van ailuli hout vervaardigd. Eiken dag 
vóór dat de zon ten ondergaat doet de orlete zijn gebed, rowohora, na vooraf 
eenige rijstkorrels uitgestrooid te hebben, eerst in het offerhuis en daarna voor de 
aitierhe. Dit gebed blijft voor de overige negaribewoners een geheim en wordt door 
den orlete alleen aan den zoon zijner zuster, die hem eventueel zal opvolgen, 
geleerd. De inhoud daarvan komt echter op het volgende neder, namelijk, dat in de 
negari geen ziekte uitbreke, dat alle togo of koliboomen Borassus fiabelliformis , 
voortdurend vocht geven, dat de negari in vrede met andere negariën leve, dat het 
aantal kinderen toeneme en dat voornamelijk regen valle. Namens andere negari- 
genooten bidt hij dat een zieke geneze, eene vrouw kinderen krijge en dat het 
kind niet sterve, voorts alle gebeden die voor de dudnu gedaan, bij de upumate 
onverhoord bleven. Lieden van andere negariën mogen in eene andere negari niet 
bidden. De orlete behoeft niet te vasten, maar het is hem verboden djagong, 
wetraa; woora, katjang; loopa ofLablabvulgaris en Octopus rugosus, te eten. De helper 
van den orlete mag alles nuttigen, maar niet in de rooma ribera. 

In het dak van elk huis op de dudnu, plaatst men borden en kalapadoppen om 
de upumate te onthalen. De zielen der afgestorvenen verschijnen op aarde als 
schaduwen, memenu, die overal rondzwerven. Gedurende den slaap nanina, verlaten 
de zielen, makamu, het lichaam van den levenden mensch om rond te waren, 
randoi la temeni. Uit dien hoofde bidt men aan de upumate om de zielen, die 
zwervende zijn in hare hoede te nemen, opdat zij niet door de booze geesten ge- 
slagen, vastgebonden, of aangehouden worden. Dagelijks tegen den avond worden 
hier, na vooraf rijstkorrels uitgestrooid te hebben, door den eigenaar van het huis 
of zijnen vertegenwoordiger spijzen, sirih-pinang en sagero op plechtige wijze neder- 
gelegd. Na afloop daarvan bidt hij gewoonlijk het volgende: «eh upumate miree, 
hemi kaliweeda weda upmi ana-mi maka muri miori, ami toto peënee paana 
melahu,» d. w. z. O gij afgestorvenen helpt ons uwe kinderen en kindskinderen met 
al wat goed is, opdat wq in den vervolge u allen behoorlijk verzorgen kunnen. 



316 DB LUANG-SKRMATA-GKOEP. 

Onder het eten plee^ de huisyader, vóór dat hij begint, eene bete aan de upomate 
te offeren. Hij legt dit gewoonlijk voor hem neder en prevelt het hierboven bekend- 
gesteld gebed. Aan de upumate wordt ook het verzoek gericht om hen in hunne 
ondernemingen bq te staan. Volgens het volksgeloof begeven zich de zielen drie dagen 
na den dood naar het eiland Metrialam, daarna teruggeroepen keeren zg later 
weder derwaarts, nadat de bewuste prauw naast het graf begraven werd. De prauw 
.dient om hen gemakkelijk over zee naar het eiland te voeren. Alle zielen zoowel 
van hoofden als slaven, verzamelen zich op Metrialam. Zij vieren daar feesten en 
houden het oog op de achterblijvenden. De zielen dergenen, die eenen geweldigen 
dood gestorven zijn, zijn echter de meest ijverigen om hunne achtergeblevene 
familieleden te helpen. Zij worden dan ook voortdurend aangebeden, maar met be- 
kendstelling van den naam opdat de upumate zich niet vergisse. Elke familie is verplicht 
aan hare eigene upumate, de latere afgestorvenen en upunita gami, de vroegere 
afgestorvenen, te offeren. Dit heeft dagelijks plaats. Op het eiland Luang wordt 
tevens een koperen pot of keteltrom van Oost-Aziatischen oorsprong gevonden, die 
men zoo niet vereert, dan toch in waarde houdt Volgens sommigen is deze door 
de westersche immigranten tegelyk met de padi herwaarts gebracht Anderen beweren 
echter dat de trom uit den hemel gevallen is. Bij elke gelegenheid moet rijst, 
awriehe, aan de voorvaderen geofferd worden. 

De kunst om te tooveren en waar te zeggen, rehere of rihere, heeft onder de bevolking 
vele beoefenaars. Om de toekomst te voorspellen worden de ingewanden, wuhumi, 
der varkens, de lever, orotni, van geiten en kippen, zoomede kippeneieren, hiwi- 
temu, geraadpleegd. Het is verboden, lululi of tabu, sommige plaatsen bgv. de 
voorgebergten Wetigai, Poneelu en Tutumera, het uiteinde der riffen genaamd 
Moortawnu en Jahatutnu en het eiland Laetrana, te naderen. Een ieder, die uit 
onkunde deze plaatsen bezoekt, wordt door de aldaar verblijf houdende geesten ge- 
molesteerd. Wil men de ziekte verdrijven, dan moet de kleur van de lever van een 
varken geraadpleegd worden. Op den berg Batugaai woont een booze geest, hegaana 
of pomi dawama, die er genoegen in schept menschen te benadeelen. De meeste 
lieden zijn bevreesd in de nabijheid van groote boomen, ailiauwna, te komen, opdat 
de booze geesten hen niet ziek maken. Voorbehoedmiddelen, rohoniwaru, tegen 
ziekte, bestaande in boom wortelen, bladeren en steenen, worden veel gebruikt 
Enkele personen kunnen, naar beweerd wordt, den regen verdrijven, rohora otna. In 
den slaap staan de levenden met de afgestorvenen in contact Droomt men dat 
men met een der doode bloedverwanten te zamen eet, dat een hunner den levende 
komt roepen, dan zal men spoedig sterven. Komt een der afgestorvenen zich ver- 
toonen, dan is men verplicht op z\jn graf of boven den zolder op den dudnu offers 
te brengen. Kwade droomen, miëjatiata, zijn, wanneer men droomt dat men iets aan 



XXM. 




.Blz.316. 



DE LUANG-8BRM AT A-GROEP. 317 

een ander verkoopt, dat men feest viert > dat er een enropeesch getuigd schip in de 
nabijheid der eilanden komt, dat men urine loost Droomt men dat er vogels op 
het dak zitten, dan zal men rijk worden, dat men gesteenigd doch niet geraakt 
wordt, of men op zee zijnde niettegenstaande zwaar weder vooruitgaat, dan zal men 
zijn proces winnen; dat men baadt, dan zal er spoedig regen vallen. Droomt eene 
vrouw dat zq een pinang, een ring, of armband ten geschenke krijgt, dan zal zy 
spoedig bevrucht worden. Droomt men dat men sirih-pinang of een kalapa van een 
ander krygt, dan zal men in den handel groote voordeden behalen. De namen der 
afgestorvenen mogen door de bloedverwanten niet zonder doel worden uitgesproken. 
De nachtmerrie ontstaat doordien de hegaana op de borst zit, om den persoon te 
kwellen of de makamu, ziel, uit te rukken. 

De bevolking dezer eilanden gaat er niet spoedig toe over een eed, rowalokra, af 
te leggen en verklaart liever de waarheid, uit vrees van door de geesten ziek ge- 
maakt te worden. Moet iemand beëedigd worden, dan houdt hij in zijn rechterhand 
een mes of- een steen. Een der oudsten hem bij de hand nemende en deze ten 
hemel richtende roept de upulero aan, onder het uitspreken van de zwaarste ver- 
vloekingen. De gebruikelijke verwenschingen robareene, zijn hegaana raanu, de booze 
zal u verslinden; tëlena naluu, de bliksem zal u treffen; Meere naluu, de donder 
zal u treffen; herui naterbeeme, de serui visch zal u doorsteken; upulera raanu ote 
emu, de heer zon zal uw hoofd verslinden en meer van dien aard. 

Om zeker van zijn eigendom te zijn heeft men de gewoonte bij vruchtboomen enz. 
teekenen te plaatsen, om anderen te beletten in de nabijheid daarvan te komen ofte 
stelen. Deze teekens heeten mattoo. Plaatst men bij een kalapaboom de mattoo 
rimu-rimiori, dan zal de persoon, die een kalapavrucht steelt, ziek worden en sterven; 
de mattoo lae diordiori bestaande uit Mppenveêren, dan zal de dief zware pijnen in 
den buik krijgen; de mattoo herui, dan zal de sSkovisch hem dooden; de mattoo 
iwi, dan zal een haai hem verslinden; de mattoo tawtawa en malakraa, dan zal 
hij stekingen in de borst krggen en sterven; de mattoo laieere, dan zal hij door 
den donder getroffen worden; de mattoo rei rieimiortu, dan zal hij op zee een 
ongeluk krijgen en de mattoo pipi halaala, dan zal hij koli of tua tappende naar 
beneden storten en andere meer. 

De huizen in de groote negariên, leta lawaana, zoowel op Luang als Sermata 
zijn niet regelmatig aangelegd, sommigen staan op palen, anderen op den grond. 
Om elke negari heeft men een steenen muur, lutru, van 2.25 meter hoogte en 2 
meter dikte en gaat men door een vóór- en achterpoort binnen. De meeste negariên 
liggen in de nabijheid der zee op eene zekere hoogte, zoo mogelijk op plaatsen waar 



318 DE LÜANG-SERMATA-OROEP. 

waterbronnen aangetroffen worden. In dagen van krijg werden vroeger buiten de 
lutru, bambuyersperringen of voetangels, hoora, geplant De voornaamste materialen 
voor den huisbouw, meer speciaal de omwanding, baara, en de dakbedekking, rita, 
worden van den koliboom Borassus flabelliformis, verkregen. In het midden van elke 
negari treft men in een open terrein de rooma ribera, of het offerhuis, waarin de 
houten beelden van dople en luli bewaard worden. Dit huis wordt door de bevolking 
opgericht en onderhouden, en deze arbeid gaat met feesten en maaltijden gepaard. 
Behalve het school- en kerkgebouw voor de Christen-bevolking te Letluli, worden 
andere publieke gebouwen niet aangetroffen. Van wege gebrek aan bouwmaterialen 
zijn de gebouwen kostbaar. Gewone lieden, die kleine woningen bouwen, worden 
tegen voeding door hunne bloedverwanten bijgestaan. De woningen der hoofden en 
aanzienlijken worden echter tegen betaling opgericht Voor een huis van v^ftien 
meters lengte en tien meters breedte en voor welken opbouw vier-en4wintig personen 
benoodigd zijn, betaalt men twee gouden schotels, pina maaha, twintig stuks lyn- 
waden in soorten en zestig Luangsche sarongs. Daarbij ontvangt elk der arbeiders 
een varken wawi, een geitpipi, een ehere — ongeveer veertig kati — djagong en 
rijst De werklieden worden daarenboven nu en dan onthaald op karbouwen 
en varkens, zoodat het aantal, nadat het huis is afgewerkt vijf h zes kar- 
bouwen en dertig k veertig varkens bedraagt De benoodigde sirih kaunu, pinang 
poa en tabak tawaku, wordt dagelijks verstrekt De verdeeling der betaling geschiedt 
door de oudsten, die aangenomen hebben het huis te bouwen. Vóórdat men het 
nieuwe huis betrekt telaa soli room paruwaru, noodigt de eigenaar zijne bloedver- 
wanten uit, om in hunne tegenwoordigheid buiten het huis, van den waarzegger, 
rehere, te hooren, of het huis al dan niet gelukkig is. Is de voorspelling gunstig, 
dan blijft men in het huis, brengt aan de geesten der vaderen offers en viert eenige 
dagen feest In het tegenovergesteld geval moet men ook door waarzegging trachten 
te weten te komen wat er aan ontbreekt en of een kwaadwillige hier of daar in het 
huis tusschen de omwanding of dakbedekking een toovermiddel, om den eigenaar te 
benadeelen, heeft verborgen. Dit gevonden zijnde, neemt de eigenaar een kuiken, houdt 
dit in zijn hand en bidt aan den XJpulero om den dader te straffen, het kuiken 
wordt alsdan verbrand en een weinig van het vleesch, zoomede sirih-pinang op een 
bord gelegd en aan den voet van een der heuvels weggeworpen. Daarna worden de 
noodige varkens en karbouwen geslacht, om de verzamelde bloedverwanten te ont- 
halen, verder eenige dagen op den trom, tiwela, geslagen en de heniar weikei, 
heniar udi, heniar medi, heniar roona, heniar pora en de heniar tëniwle, gezongen. 
Vóór den maaltijd is de eigenaar verplicht een weinig van de toebereide spgzen 
naar den zolder, dudnu, te brengen als offers aan upumate en upunitagami, geesten 
der voorvaderen. Elk huisgezin, rooma mSniotni, bewoont een huis. De manu treapi 
of jongelingen wonen in het huis der ouders, doch in een afzonderlijk vertrek. Even- 



DE LUANG-SERMATA-OR0J5P. 319 

ZOO de pata raara of jonge maagden. Aan de beide zijden van het fiinsr fiMÜ mfin 
op het dak kleine openingen, waarvan door de upumate gebruikt wordt gemaakt. 
Aan de buitenzijden dier openingen hangt men ook offers op, om deze te bewegen 
het huis binnen te treden. 

De werkzaamheden der mannen, kniarim manu, bestaan uit, het tappen van koli 
of palmwijn, makerte; het stoken van koliwater of arak, makahoi arka; het bouwen 
van huizen, makajape rooma; het bewerken der velden, makahenii; het breien van 
netten, makaata dihajala; het vervaardigen van visohfiiiken, makajap wuwu; het 
vlechten van schildpadnetten , makaata dahri; het steken van schildpad, wahaka 
aengeme; het verzamelen van tripang, wahaka winiawi; het visschen, wahaka ina, 
doch voor het meerendeel geeft men de voorkeur aan het drijven van handel , raka- 
wali la nohida too, óp andere eilanden. Het visschen geschiedt met fuiken, lijnen, 
netten en pieken, keuru en sola; ook wel door in het water werpen van voor de 
visschen bedwelmende middelen als de ^ngestampte pitten van den muuraboom, de 
bladen en takken van den amuwooboom en een zekere slingerplant, tooa genaamd. 
Op de riffen maakt men vakken uit dijkjes, jatru, van koraalsteenen, waar bij eb 
de visch achterblijft. De vrouwen houden zich onledig kniarim pata, met akteni 
lawre, sarongs en omslagdoeken te weven; lahaoma, garen te twijnen; ratoone 
hëniome, garen te kleuren; pipara jamane, spijzen te koken; raale agu hartutni, 
brandhout te sprokkelen; laral geere,. water te dragen; roaaramhe ina liwuralamni, 
visch op de riffen te zoeken; roor naeniairi, kleederen te naaien en verstellen. Voorts 
vervaardigt men zout, kioo, door zoutwater in de doode schelpen van de Tridacna 
gigas te doen verdampen, zoomede azijn, sidu, van het sap der Borassus flabelli- 
formis en grove matten van kolibladen, utii genaamd. Timmerlieden tukane agu, 
ijzer- tukane manotna en goud- tukane maaha, smeden worden in voldoend aantal 
aangetroffen. Het vuur wordt door draaiing van twee stukken ohihout of door wrij- 
vmg van twee stukken bambu, eere, met bijvoeging van wunti kema, kalapabast, 
of paru, zwam van den arengboom, verkregen. De handel met prauwen puou liauna, 
paduwakan; puou kee, djungku en loi, vlerkprauwen, bestaat in den in- en uitvoer van levens- 
middelen als djagong, katjang, rijst, sagu, rotnia en andere artikelen als arka arak, 
janewre jenever, verder garen van verschillende kleuren, sarongs, wit, zwart en 
ongebleekt katoen, patolas, hoofddoeken, messen, ijzer-, koper-, aarde- en glaswerk. 
De handel wordt in ruil gedreven met de eilanden Aaru, Timorlao en Tanembar, 
Babar, Dama, Nila, Teun, Serua, Lakor, Moa, Leti, Keisar, Wetar, Romang en 
Portugeesch Timor. Onder de oorspronkelijk bevolking van Luang en Sermata worden 
alle schulden, raotna, ontstaande door het leenen, arwaaka, van gouden borden, 
pina maaha, maasbulan, arhe, of door koop en verkoop, raulga raweli, behoorlijk 
betaald. Is iemand onwillig, dan heeft de schuldeischer het recht buiten de hoofden 



320 DE LÜANGHSERMATA-OROEP. 

om, zijn vee, huizen en gronden te nemen, baradje. Bezit hij niets, dan neemt de 
schnldeischer het noodige van een ander negarigenoot, die de kwestie verder met 
den schuldenaar moet afmaken. Geld is niet bekend en weinig gewild. Als artikelen 
van waarde bewaart men maas bulan, arhe, gouden borden, pina mahaa, gouden en 
zilveren oorhangers, zoomede gongs, saraM. 

De voedingsmiddelen zijn fijngestampte djagong, rijst, verscheidene katjang- en 
ubisoorten, veel vleesch, visch, schelpdieren en schildpadden. Bedorven vleesch 
of visch wordt niet genuttigd. De spijzen worden met bijvoegmg vmi kalapamelk 
en andere kruiden als Spaansche peper, kanüaka, tamarinde, auriara, enz. gekookt, 
iamanan emtataha. De gewoonte brengt mede slechts des middags en des avonds te 
eten. Des morgens wordt alleen van sagero gebruik gemaakt. Men eet met lepels 
van schelpen, heniora lima, na eerst de handen, noomhe limi en den mond noomhe 
numu, gewasschen te hebben. Als narcotica worden gebezigd sirih-pinang , kalk, 
gamber en tabak. Bij gebrek aan pinang neemt men de schors van den kihiraboomu 
Het pinang kauwen heet munauru. 

De gewone kleeding bestaat voor mannen, manu rainiaerni, uit de gewone schaam- 
gordel, voorts de poltoora, een korte broek; de raini hururu, een soort badju, 
voorts kabaai, kabaja en pook, een lange broek op de wijze der Ambonsche Chris- 
tenen. De heidensche vrouwen dragen de pata rainiaerni, als een sarong, lawar, 
van de heup tot aan de knieën, enkelen nog eene badju raini pata, voorts als 
sieraad tien tot dertig ivoren banden, leeli, aan eiken arm; zilveren ringen, kadieli 
mawawarhe; zilveren dohorope mawawarhe en hoornen dohorope hajor dudlu, haar- 
pennen en wui teltele tieru, glaskoralen halsbanden; Christen-vrouwen de kabaai 
met de lawar ook genoemd lawre manuta of zwarte sarong. 

De besturende hoofden, kawtena, kapitan; hunu orangkaja en rilalauna, oudsten 
bijgestaan door den hopopna of afgezant, verder de ahunamni behooren tot de 
mama, eveneens de orlete of afetammeling van den eersten grondbezitter, die de 
watu omoho en de rooma ribera bewaakt. Deze betrekkingen zijn erfelijk, namelijk 
in de vrouwelijke linie. De zusterszoon heeft het recht, om de opengevallene betrek- 
king te bekleeden. De bevolking bestaat alleen uit mama, adellijken en slaven. De 
slaven, aata, nemen eenen lageren stand in. Zij zijn vreemdelingen gewoonlijk van 
de Portugeesche bezittingen op Timor afkomstig, alwaar zij tot eenen prijs van drie 
vaten kruit, messen, lijnwaden en goud ingekocht worden. Na den dood van den 
eigenaar worden de slaven vrij, marikua, de erfgenamen hebben er niet over te 
beschikken. Het werk der slaven is gelijk aan dat der vrije lieden. Alleen mogen zij 
met vrije vrouwen, zelfs na de marikua, niet huwen. 



h3 







f-vi.,--^ 



/•^V 



'OS 

J ^ 



DB LÜANO-SEBMATA-GROEP. 32l 



Als teeken van eerbied, rormata, worden oude mannen met het woord upa, heer 
of grootvader, aangesproken. De namen van hoofden en aanzienlijken, mama, mogen 
nimmer door de minderen of slaven worden genoemd. Ontmoet men elkander, dan 
moet de helili, pinangdoos, als teeken van vriendschap zoowel onder de mannen 
als vrouwen onmiddellijk van weerszijden worden aangeboden, na vooreerst het woord 
kaliweda, wees gelukkig, uitgesproken te hebben. Bij het sluiten van vriendschap 
worden geene namen veranderd, wahemu nana, noch bloed gedronken. Het zitten met 
opgetrokken beenen is onwelvoegelijk en zegt men rie nakalehe hënioli lirmama, 
d. i. hij kent geen fatsoen. De gewone scheldwoorden zijn o. a. muha winmu, d. L 
cum matre tua coïbo, agaartu uuni, d. L pudenda tua difiSndam, etc. De rijken, 
rimakataru worden evenals de hoofden geëerd. 

Het grondbezit is zoowel op Luang als Sermata individueel. Elke familie heeft 
haar bijzonder eigendom, door grenzen, rawatiamnoha, gewoonlijk steenen muren, 
lutru, afgebakend. Woeste gronden, tani woora, zijn er niet meer, alleen kunnen 
de kleine in de nabijheid van Luang gelegene eilanden als communale gronden 
worden beschouwd, omdat een ieder der bevolking het recht heeft, aldaar alles te 
halen wat hij noodig heeft, eveneens om tripang te verzamelen of te visschen. Op 
Sermata waar meer landbouw gedreven wordt, vindt men de heni oronmiota, velden 
voor den aanplant van ^jago^^?» wetraa; katjang woora en ubi waloini, gebezigd, 
voorts nor elwa, kalapatuinen en togo elwa, koli-aanplantingen. Deze aanplantingen 
zijn op Luang niet noemenswaard, ook is de bevolking niet landbouwend, makhani. 
Vreemdelingen, doonaauna, hinare, of makaharere, op deze eilanden gehuwd, ver- 
krijgen alle rechten op de gronden der vrouw, omdat zij melear nohora hauni, de 
vrouw volgen. Alle gronden worden geërfd. Verkoop van gronden heeft ninuner plaats. 
Niemand mag over eens anders grond of aanplantingen beschikken. Het verzamelen 
van brandhout en het vangen van vogels is echter daarvan uitgesloten. De gronden 
worden jaar in jaar uit gebruikt, na met bladeren, asch en geitendrek vóór het 
invallen der eerste regens bemest te zijn. Padi awriehe, een roode soort wordt 
weinig aangeplant, omdat de gronden daarvoor ongeschikt zijn. Men maakt meer 
werk van wetraa, djagong van vier maanden groeitijd; laurur makaharere, Arachis 
hypogaea; poiha, durhu, woora, loopa en goha vijf gewone katjang Phaseolus- 
soorten, bloini Batatas edulis, aava Gossypium indicum en herbaceum, uudi melai, 
Carica papaya en oho gaairi, Moringa pterygosperma , de bladen der beide laatste 
om als toespijs te dienen. Op Luang heeft men paarden, karbouwen, geiten en 
schapen. Het aantal dezer dieren is op Sermata gering. 

Heeft iemand gestolen, dan verzamelt de gemeente zich op het plein, of voor de 

21 



322 D£ LTTANO-SERMATA-OROSP. 

woning der hoofden, omdat er geen baUeu is, in tegenwoordigheid der hoofden en 
oudsten. De schuldige brengt een bok, een varken en een bak met arka, gedistil- 
leerde palmwijn, gevuld. Deze dieren worden beschouwd als een zoenoffer, niet alleen 
ten behoeve van den Upulero, maar ook voor de negari. Vóór dat de dieren geslacht 
worden neemt de schuldige een mes en dit met de rechterhand in de hoogte heffende 
zegt hij, «upulero aka mënaa howaana, dede maltawoê meriotue akteruu,» d. L 
Heer zon, wanneer ik nogmaals een diefstal pleeg, laat dan een mes mijn hals af- 
snijden. Daarna komen eenige oudsten voor en schreeuwen, terwijl zij de dieren 
slachten, «upulero amiona empeena mamain pipi wawi hadan kamnaa ampeenami 
mëliade iana muai mamu hioi mutia ana rimu-rimiori,» d. i. Heer zon, het is niet 
zonder oorzaak dat wij een bok en een varken slachten, het is omdat er gestolen 
is, daarom worden de dieren geslacht, opdat wij niet ter verantwoording geroepen 
worden. De koppen der geslachte dieren worden op plechtige wijze naar het strand 
gebracht en op staken geplaatst, zoolang totdat er opnieuw een diefstal gepleegd 
en de koppen vervangen worden. Het vleesch wordt onder de bevolking verdeeld. 
Bij zware diefstallen pleegt men karbouwen te slachten. Bij verwonding wordt een 
tot twee maas bulan aan den verwonde en aan elk der hoofden als boete betaald. 
Na de genezing der wond moeten de hoofden echter het ontvangen goud terug- 
betalen, doch is de schuldige alsdan verplicht aan hen een feestmaal, henala paru- 
wanoo te geven. Moord of doodslag wordt gestraft met eene boete van dertig maas 
bulan ten behoeve der bloedverwanten en een maas aan elk der hoofden. Wanneer 
de aanplantingen door varkens en geiten vernield worden, dan heeft de eigenaar der 
velden het recht deze te dooden en de helft van het vleesch voor zich te houden , 
de andere helft brengt hij aan de hoofden, om deze aan den eigenaar van het vee 
te overhandigen. Is de vernieling belangrijk, dan wordt het vee zijn eigendom. De 
zwaarste boete tot een bedrag van veertig maas bulan, arhe, wordt behalve de 
daarbij behoorende karbouwen ajoori, varkens wawi, geiten pipi en arak arka, op- 
gelegd aan den persoon, die tijdens de afwezigheid van den man van Luang over- 
spel met diens vrouw pleegt, als ralmahida raler toter lara, een maas om het zeil 
op te rollen; ralmahida ralemi lara, een maas om het zeil naar beneden te laten; 
ralmahida ralemi watu, een maas om het anker te doen vallen; ralmahida raler 
waeruli, een maas om het roer op te nemen; ralmahida raler tirere, een maas om 
de mast er uit te zetten; ralmahida ralemu hairi, een maas om de vlag neer te 
balen; ralmahida raler rewete wehitaen, een maas om de riemen vast te binden; 
ralmahida raler hraje tahaai gaaini, een maas om het aangezicht der zee, dat be- 
schaamd is, glad te strijken; ralmahida pou mënitni ri-ida, een maas voor de 
prauw; ralmahida watul gaaini, een maas om het aangezicht op te heffen; ralma- 
hida namkekeria, een maas om de menschen te durven zien; ralmahida nerule, een 
maas voor de berok (een kleine prauw) om naar de wal te gaan; ralmahida nerule 



DB LtTANChSiatMATA-GfiOEP. 32^ 

eeni, een maas voor het uitstappen aan wal; rahnahida nalaawa, een maas om te 
kunnen loopen; rahnahida rariporhe, een maas om de poort der negari te openen; 
rahnahida laawa ieta ralamni, een maas om de negari binnen te gaan; rahnahida 
arom n etlemeni, een maas om te vragen waar het huis staat; rahnahida hërarië 
niaariy een maas om de huisdeur te openen; rahnahida amtatel hijaa, een maas * 

om de zitplaats aan te w^zen; rahnahida malal hehli, een maas om de sirihbak te 
ontvangen; rahnahida watul Uioni, een maas om den nek op te heffen; rahnahida 
namkekle rom naini, een maas om het inwendige van het huis te zien; rahnahida 
aanu gerlemeni, een maas om te vragen waar het (mijn) kind is; rahnahida poUé i 

aanu, een maas om het (mijn) kmd te roepen; rahnahida nadere welheni, een maas 
om de klewang af te leggen ; rahnahida rewete , een maas om geen twist te zoeken ; 
rahnahida rewete hialire, een maas om te beletten dat de bloedverwanten twist 
zoeken; ralmahida hiahre niakemi, een maas voor het aandeel der bloedverwanten; 
ralmahida hërorge watatege welhe gaami, een maas om de klewang (van de bloed- 
verwanten des mans) stomp te maken; ralmahida ianan rabene pipi wawi ajoori, een 
maas om geen geiten, varkens of karbouwen te dooden — voorheen eene gewoonte 
der bloedverwanten zoowel van den man als van de vrouw om het vee van anderen 
voor rekenmg van den schuldige af te maken; — ralmahida pata amninami watul 
kUoni, een maas voor de vrouwehjke famiheleden om den nek op te heffen; ralmar 
hida rewete pata amninami, een maas opdat de bloedverwanten der vrouw niet boos 
worden; rahnahida pata amninama makemi, een maas voor de bloedverwanten der 
vrouw; rahnahida hërorge watatege welhe gaaini, een maas om de klewang 
(van de bloedverwanten der vrouw) stomp te maken; ralmahaworu amni nia- 
kemi, twee maas voor den vader der vrouw; rahnahida popnu uti ekelunni, een 
maas om het kussen in de mat te wikkelen; rale mahaplawlawle ida rewte u 
ti ekelunni, een gouden ketting om de mat vast te binden en ralmahida hauni 
niakemi, een maas voor het aandeel van den beleedigden man. Deze boete heet 
armole lire. Na de betaling worden de bijeengebrachte varkens, geiten en karbouwen 
geslacht en de negarigenooten onthaald. Voorts heeft de delinquent als hij zulks 
verlangt, het recht om de vrouw te huwen. Wanneer eene vrouw wier echtgenoot 
in de negari is, overspel pleegt, dan betaalt de overspeler slechts eene boete van 
vier maas. Vermits de mannen dezer eilanden maanden achtereen op reis gaan, ge- 
beurt het niet zelden dat de achtergeblevene vrouwen zich vergeten. Anderen waar- 
onder de meer ontuchtigen pata jatiata, trachten op allerlei wijzen de mannen, 
vooral vreemdelingen bij afwezen van hun echtgenoot, ook om in het bezit te komen 
van hooge boeten, te verleiden. 

In vroegeren tijd werden tusschen de negariën oorlogen raara, gevoerd, gewoonlijk 
ten gevolge van gepleegden moord, rawena rië, ook wel van wege beleedigmg, 



S24 DB LüANGHSERMATA-OBOKP. 

keniau henia rië enmaa, iemand beleedigen, waardoor vijandschap, rawora of arwali 
ontstond. Het gevecht wordt gewoonlijk aan het strand geleverd , terwyl in de negari 
de roode vlag, hairi jawene, geheschen wordt De ahunamni, eigenlijk de honden- 
tong, is de voorvechter die den strijd opent. Wanneer hij de vlucht neemt, dan 
werd hij in vroegeren tijd volgens het oud gebruik, henioli ulu-ulu, gedwongen in 
tegenwoordigheid der gemeente mannen, vrouwen en kinderen den coïtus met eene 
teef uit te oefenen. Hij werd totdat einde naakt voor het publiek gebracht en of- 
schoon de daad er gewoonlijk niet op volgde, was hij toch gedurende zijn geheele leven 
geschandvlekt. Thans onder het nieuw regime, henioli lileiru, worden dusdanige 
geschillen door de hoofden met boeten afgedaan. Het sluiten van vrede, rawooka 
halekwa, gaat met feestvieringen onder het zingen der tjakalele liederen, heniara 
hinieka, gepaard. Na den feestmaaltijd roepen de aanvoerders der beide partijen, 
zoowel de overwinnaars, rehiare, als de verslagenen, litriare, den Upulera aan 
om getuige van hun verbond te zijn en drinken te zamen een beker sagero, of een 
glas arak in tegenwoordigheid der bevolking. De gebruikel^ke wapens, haploko 
lokore, zijn, de welhe, zwaarden; welahara, pieken; rapaa, boog en rapihi, pijl; 
hiwiwi, kris, baadi, een kort mes. Enkelen zijn in het bezit van pooka, geweren. 
In vroegeren tijd werden ook koppen gesneld, endawo roteeni, doch het eten van 
ukenschenvleesch heeft nooit plaats gehad. 

Het huwelijk, mehelima, wordt met zeer weinig omslag gesloten. De jongemannen, 
manu tuagari-gari, trouwen zoowel met meisjes die de melktanden pas verloren heb- 
ben — maar cohabiteeren,mohawa, met deze niet vóórdat de menses,raaminmai, zich 
vertoond hebben — als met meer volwassen maagden, pata hara raara. Na de ver- 
loving, ranihaa, worden slechts ringen gewisseld, wahemu kedieli. Het gebruik van 
middelen, aitiau, om erotischen waanzin op te wekken, is bij vrouwen en man- 
nen zeer in zwang. Vóór het huwelijk mag de man echter geen omgang met zijne 
aanstaande vrouw hebben en haar zelfs niet aanspreken. Eene bruidschat wordt niet 
betaald, de man treedt door het huwelijk in de familie zijner vrouw, «manu lemo- 
hora hauni» of «meliamohore hapnu,» d. w. z. de man volgt de vrouw. Alles voor 
het huwelijk gereed zijnde, komen de bloedverwanten bijeen om feest te vieren. 
Onder het drinken van sagero, togo, of arak, arka, vragen de bloedverwanten aan 
de trouwlustigen af, of zij met elkander in het huwelijk willen treden. Na het ver- 
kregen antwoord wordt een maaltijd gegeven en blijft de jonge man in het huis 
zijner schoonouders. Verscheidene mannen hebben twee tot vijf vrouwen, die echter 
afzonderlijk wonen en zoovele bijzitten, aUli, als zij dit verborgen kunnen houden. 
Vreemdelingen huwen ook op deze wijze, doch zijn verplicht aan de schoonouders 
eenig geschenk, bestaande in zes stukken wit, zwart of gebloemd lijnwaad en een 
kist arak, te geven. De huwelijken worden gewoonlijk in dezelfde negari gesloten. 



DB LÜANQ-6BRlCATA-eB0EP. 325 

Neemt de mMi eene vrouw uit eene andere negari, dan is hij voor zijnen stam ver- 
loren. De schoonzoons mogen met de schoonouders spreken, maar het is hun ver- 
boden hunne namen te noemen. Dit wordt als eene groote beleediging beschouwd. 
De schoonvader wordt door hem genoemd paani, de schoonmoeder jaam. De broeders 
zijner vrouw noemt hij reu, de zusters jeru. Echtscheiding, rapiere, heeft alleen 
plaats, wanneer de bloedverwanten van den man de vrouw op overspel in flagranti 
betrapt hebben, of wanneer de mannen de vrouwen niet behoorlijk kunnen verzorgen, 
waardoor oneenigheden ontstaan. Vrouwen, die hare mannen moede zijn, plegen 
met opzet overspel, om dusdoende te kunnen scheiden. De echtscheiding heeft ook 
in tegenwoordigheid der bloedverwanten plaats. 

Het is de zwangere vrouwen verboden, met wien ook, te twisten, zij mogen 
geen kapas, garen twijnen nomawehe, geen sarong weven, nateni lawami, omdat 
zij alsdan eene moeieUjke verlossing zullen hebben. In het huis waar zwangeren, 
pata naapuapunu, zich bevinden, mag niet gekookt, of het brandhout, agartutni, 
met het bovengedeelte in het vuur gestoken worden, opdat bij de bevalling het kind 
niet omgekeerd met de voeten bijv. terwereldkome. De vrouw mag, de pica hebbende, 
alles nuttigen wat zij verlangt Zij mag echter niet als getuige optreden, of des 
nachts langs graven, ketre, gaan, opdat de nitu de vrucht niet aanraken. Onvrucht- 
bare vrouwen vragen de hulp van den orlete om van de upumate kinderen af te 
smeeken, doch gebruiken daarvoor geene medicamenten. Voor den partus worden 
kuikens en eieren door den rehere geraadpleegd,^ rotnihiwi timu en hiwi temu, om 
te weten, of deze voorspoedig zal afloopen. Zijn de voorteekenen ongunstig, dan moet 
de zwangere vrouw eene boete aan den orlete betalen, gewoonlgk bestaande in twee 
gouden oorhangers en drie sarongs, ten einde op de oflferplaats, lululi geni, te bid- 
den dat hare zonde, namelijk onwettige bijslaap in het geheim met andere mannen, 
door de upumate haar vergeven worde. Blijven de dolores ad partum lang uit, dan 
heeft hare moeder vroeger verboden gemeenschap gehad en moet deze hare voeten 
zelf met water wasschen en het water aan hare zwangere dochter te drinken geven. 
Wanneer de bevalling nabij is, kreunen de helpende vrouwen om de vrouw moed in 
te boezemen en worden alle deuren geopend, rari niari, ook van het vertrek waar 
de vrouw ligt, het is echter een ieder, behalve den echtgenoot en de hulpverleenende 
oude vrouwen, verboden dit binnen te treden. De bevalling heeft zittende of liggende 
plaats. De navelsnoer wordt door een der oude vrouwen met een bambu ingesneden, 
wanneer de placenta reeds aanwezig is, daarna wordt de wond met fijngekauwde 
wortelen en bladeren besmeerd en het kind in de wieg, taini, gelegd. De placenta, 
talanwali, wordt in het huis bewaard, totdat de navelstreng afgevallen is, om deze 
bij elkander in een stuk wit lijnwaad gepakt, in een der takken van den hoogsten 
boem te bewaren. Geurende een maand of langer, worden kinderen door de oude 



826 DB LUANGHSEBMATA-eBOEP. ^ 

yrouwen met ^ngekauwde kalapa besmeerd en hun liöhaam met de handen gedrukt 
en gewreven om hen sterk te maken. Kinderen met een helm, kawoworoni, geboren 
worden evenals andere kinderen behandeld en de helm gezamenlgk met den talan* 
wali weggeborgen. Een kind, met een helm geboren, zal volgens het volksgeloof later 
veel geluk hebben. Ook heeft hij het vermogen om de schaduwen, memenu, der 
voorouders te zien en te herkennen. Na de bevalling gaat de vrouw met haar achter- 
deel tegen het vuur liggen, noiti omi M, zoo dichtbij zelfs, dat er brandwonden 
ontsb^an. Vooraf echter wordt de uterus zoo het heet behoorlgk gelegd en het 
lichaam met fijngekauwde kalapa ingewreven, hetgeen ongeveer tien dagen duurt 
Gedurende dien tijd moet de vrouw lauw water drinken. De moeder moet zich 
verder van alles onthouden en in de eerste mawd niets anders nuttigen dan pap 
van cyagong of rijst, gekookt. Het kind wordt dadelijk door de moeder op niet 
bepaalde tijden, gezoogd, nuhuga uhunu, en wanneer deze den tweeden of vijfden dag 
na een bad in zee genomen te hebben, het kraambed verlaat, om hare gewone 
bezigheden te verrichten, dan wordt het kind met sp^zen gevoed. Deze spqzen 
moeten echter niet op gewone borden, pina, maar op aarden schotels, werau 
tiani, of kalapadoppen tutuwu, toegediend worden. Kinderen, die uit gewone 
borden eten, zullen bg het leeren loopen, veelvuldig vallen en de jongens bg 
het verzamelen van de koli uit de boomen storten. Op Sermata zuigen de kinderen 
tot aan hun derde jaar, ten einde, zoo men beweert, eene spoedige conceptie te 
voorkomen. 

Big de eerste bevalling komen na den tweeden of vijfden dag de bloedverwanten en 
vrienden een bezoek in het kraamhuis brengen, om de kaliweda, of geluk te wen- 
schen. De vrouwen brengen geschenken mede als, lijnwaden, rood, zwart en wit, 
ook chitsen, verder cyagong, rijst, sirih-pinang, tabak, visch, damar, kalapa, 
pisang, sagu, water, sagero en brandhout Twintig dagen daarna is de echtgenoot 
of jonge vader verplicht een groot feest te geven. Een maaltijd wordt gereed gemaakt, 
waaraan echter de vrouwen alleen deel mogen nemen. Mannen, die eene bete slechts 
van de voorgezette spijzen nuttigen, zullen voortaan in hunne ondernemingen onge- 
lukkig zijn. Abortus, ralam ni wasioru, die meermalen plaats vindt, schrift men 
aan de kwade geesten toe. De bevolkmg geeft de voorkeur aan blanke kinderen, 
ana, of kekeeni wawarhe, en aan een groot aantal meisjes om vele schoonzoons, 
die helpen kunnen, te verkrijgen. Alle kinderen worden door den vader, hetzg de 
wettige echtgenoot, dan wel de persoon, die met de vrouw de coiflunotio venerea 
heeft uitgeoefend, terstond erkend, aan de verzamelde negarigenooten zegt hij, 
a aanu, d. w. z. (het is) mijn kind. Gebrekkige of monstervormige kinderen worden 
evenals de welgeschapene goed verzorgd. Aan de moeder worden echter verwijten 
gedaan, dat zij tijdens de zwangerschap gespot heeft met gebrekkige of misvormde 



PB LÜANG-8SBMATA-OB0EP. 327 

lieden. Op den tweeden of vijfden dag wordt aan het kind een naam gegeven , aan 
de jongens door den vader of een zijner broeders, aan de meisjes door de moeder 
of een harer zusters, dan wel bij gemis van een broeder of zuster, door een der 
naaste bloedverwanten. Wanneer na de naamgeving het kind begint te schreien, dan 
moet de naam veranderd worden, tot zoolang dat dit niet meer geschiedt. Tege- 
Igkertijd wordt het haar geknipt of gesneden. Tweelingen, anetioo, komen zelden 
voor, worden evenwel goed verzorgd als een gift der upumate. Wanneer de melk- 
tanden afvallen, nihinin tnini, werpt hetkind deze op raad der ouders, amni inni,over 
het huis in eene westelijke richting zeggende: «bliawanaleleera,bliawanamela-mela,» 
d. w. z. dat de nieuwe moge groeien over dag en des nachts. Middelen om veel 
kinderen te kingen zijn niet bekend. Wanneer de pasgeboren zuigelingen eener vrouw 
achtereenvolgens sterven, dan wordt het ter wereld gebrachte kind terstond aan 
andere lieden tot aan zijn vijfde jaar toevertrouwd. De oorlellen worden kort na de 
geboorte met een naald, njorlawara, doorstoken. 

Glewone ziekten ontstaan volgens het volksgeloof door kwade winden, anni en 
slechte voeding. Bij zware ziekten moet de orlete geraadpleegd worden, welke booze 
geesten den zieke rimaka merhe, kwal^k bejegend hebben. Hebben de booze geesten 
of de upumate den persoon om deze of gene reden ziek gemaakt, dan moet aan den 
voet van den hoogsten berg, op de lululi geni of in de huizen geofferd worden. Om 
eene ziekte, nieni, uit de negari te verdrijven, maakt men eene prauw van een 
meter lengte met twintig of dertig beelden, auria, van menschen, de zieken voor- 
stellende en slacht vervolgens een onbepaald aantal kippen, om de levers, orotni, 
te raadplegen, of de tijd gunstig is om de ziekte te verdrijven. Is deze gunstig, dan 
worden al de geslachte kippen in de prauw, kalalaara, gedaan en deze door eenige 
lieden ver in zee gebracht en aldaar losgelaten. Wanneer de tijd ongunstig is, dan 
zal de ziekte in de negari toenemen. Om booze geesten hegaana, of suwanggi 
hegaana rimurimiori, des nachts van het huis af te houden, neemt men de aitiawa 
hegaana, een soort hout, kauwt dit ^n en spuwt het gekauwde voor de deur van 
het huis. Vallende ziekte, napipi haala, ontstaat, doordien de booze geest, die tyde- 
Ujk in een bok zijn verblijf heeft gehouden, in den mensch is gevaren. Deepilepticus 
wordt zoolang met de takken van bepaalde planten geslagen, totdat de booze geest 
het lichaam verlaat of in den bok terugkeert Om te weten te komen wie onder de 
booze geesten iemand ziek gemaakt heeft, verzamelt de orlete hen voor zijne deur 
en sommeert hen om te zeggen wie de oorzaak der ziekte geweest is. Heeft een der 
geesten dit bekend gemaakt, dan worden te zijnen behoeve varkens, karbouwen of 
geiten geofferd en de overige booze geesten door het uitspreken van tooverformu- 
lieren van daar verdreven. Zware zieken zijn verplicht hunne huizen te verlaten, 
rahaala rooma, en b^' andere lieden tijdelijk te gaan inwonen, om de booze geesten 



328 DE LÜANO'SERlfATA-OBOEPi 

te misleiden. Bij het uitbreken van epidemieën, bij voorbeeld van pokken, durhn, 
bidt de bevolking den ganschen dag den XTpolero en de upnmate aan en wordt aan 
de geesten slechts droge rijst geofferd, om hen tot het verleenen van hulp te nood- 
zaken. Bij gezwellen heeft eene soort aderlating of bloedzuiging plaats, waarbij men 
van het bovenste gedeelte van een karbouwhoom, dodiohi, gebruik maakt Glevallen 
van lepra, noogapagapra, komen zelden voor, daarentegen veel noorane,Framboesiae 
vooral onder de kinderen. Septicemie puerperale is niet onbekend. Het verbranden, 
tutni, van haar en nagelaf\ral onder zekere verwenschingen , veroorzaakt zwellingen 
van hoofd en handen. 

Na het sterven wordt het lijk met opgetrokken beenen of in hurkende positie 
geheel in wit lijnwaad gewikkeld, nadat een gouden plaat is gelegd op het gezicht, 
de borst en onder de zitplaats, voorts een stuk goud of gouden oorhangers m den 
mond en eenige stukken patola sarongs in de Iqkkist, lugau, welke zijdelings in 
het graf wordt neergelaten. De doode wordt derhalve niet in eene zittende, maar 
opzij liggende houding begraven. De kist wordt ook met lijnwaad omwikkeld. Vóórdat 
de kist nedergelaten wordt, staat de orlete voor het open graf met een beker van 
bambu vol sagero, of een glas met arak in zijn linkerhand. Hij prevelt eene reeks 
van woorden welke de omstanders niet begrijpen, steekt den tweeden \ingervanzgn 
rechterhand in den beker en wijst daarmede onder het voortprevelen ten hemel, 
giet vervolgens den inhoud in den kuil, waarna men de list doet dalen en met 
aarde bedekken. Het vocht wordt als een offer aan nohomama aangemerkt De 
Christenen op Luang worden in een gewone kist, lumeni, in liggende houding be- 
graven, terwijl men op het graf eenige stukken wit of zwart lijnwaad ophangt. Op 
het graf der niet-Ghristenen worden vijf è zes borden stuk geslagen als aandeel 
van den doode. Voorts worden er vijf & zes kalapa- en kohboomen het eigendom van 
den overledene, omgekapt en vijf k zes karbouwen, benevens dertig varkens en 
geiten geslacht, om als spijze voor de overige negarigenooten te dienen. Kapt men 
geene boomen om dan worden eenige stukken goud en lijnwaden onder de overige 
negarigenooten verdeeld. 

Als teeken van droefheid, raluli miati, moeten de mannen en de broeders het 
hoofd doen kaal scheren, rakatiori mortu oteeni, alle versierselen afleggen en 
oude kleederen dragen. De vrouwen of zusters leggen eveneens hare ringen, arm- 
en halsbanden af en kleeden zich in een oude sarong, die van de heup tot aan de 
knieën reikt Armbanden, die niet kunnen worden afgelegd, worden met oud, vuil 
katoen omwikkeld. Met een stuk versleten lijnwaad wordt het hoofd gedekt, wanneer 
de vrouw het huis verlaat Personen, die in den rouw zijn, mogen in een jaar geene 
andere negariën bezoeken, in huis zijnde niemand antwoorden, zich doof, netilu, 



DB LÜANG-SERMATA-GBOIIP. 329 

houden en niet mede zingen. Op den zevenden of negenden dag worden de bloed- 
verwanten uitgenoodigd en op spijs en drank onthaald. Twee maanden daarna laten 
de achterblij venden, na de benoodigde varkens te hebben geslacht, den rehere, 
too venaar komen, om te onderzoeken of de afgestorvene er genoegen mede neemt, 
dat zij de negari verlaten, om het noodige voor de lijkfeesten bijeen te brengen. 
Wordt dit niet goedgevonden, dan herhaalt men hetzelfde verzoek weder na vier of 
zes maanden. Eeort de afgestorvene eindelijk het voornemen goed, dan is de rouw- 
tijd voorbij, men kleedt zich weder als naar gewoonte en maakt aanstalten om over 
een of twee jaren de lijkfeesten te vieren. De benoodigde spijzen en dranken bijeen- 
gebracht zijnde, verzamelen zich de genoodigden ook van andere negariën in het 
sterfhuis, om het feest behoorlijk te vieren. Eenigen hunner vervaardigen eene kleine 
prauw met zeilen, riemen en verdere benoodigdheden , leggen daarin lijnwaad in 
soorten en borden met sirih-pinang. Daarna wordt de prauw in het huis gebracht, 
op een toestel gelegd en met lijnwaden bedekt Alsdan worden er ten behoeve van 
den overledene een geit en twee varkens en ten behoeve van de vroegere dooden 
twee varkens geslacht. Een der oudsten plaatst zich verder voor de prauw en roept 
in onverstaanbare klanken de geesten of zielen makamu van Metrialam terug. Na 
het prevelen worden weder drie varkens geslacht, het hart er uitgehaald en met 
tien katupa's rijst, in bladen gewikkeld, gekookt Dit geschied zijnde worden de 
katupa's, het vleesch alsmede sirih-pinang op schotels in de prauw gelegd, de oude 
prevelt opnieuw met het doel de geesten te roepen en maakt de prauw weder dicht 
met het hiervoren bedoeld lijnwaad. Daarna gaan eenige jongelieden uit, om naast 
het graf van den overledene een kuil te delven. Na den middag begeven zich al de 
genoodigden de prauw dragende, naar het graf, terwijl twee mannen een geit, die 
met den kop in een strop hangt, ook grafwaarts brengen. De geit wordt boven de 
kuil gehouden, een der krachtigste mannen met een scherp zwaard gewapend loopt 
drie malen met deftige schreden om den kuil en slaat daarna met één slag de 
ruggegraat van de geit door. Het achterdeel valt in den kuil, waarna men de prauw 
laat dalen en met aarde bedekt. Drie dagen na deze plechtigheid worden de negari- 
genooten alléén, alweder in het sterfhuis, ten maaltijd uitgenoodigd. De varkens en 
geiten, welke geslacht moeten worden, worden levend in het huis gedragen en 
vóórdat zij geslacht worden, oflfert de oudste der familieleden eenig sirih- 
pinang. Hij verzoekt den afgestorvene en al * degenen, die nog niet lang geleden 
gestorven zijn, de upumate namelijk, om niet voor altijd op Metrialam te 
blijven, maar steeds op hunne plaats in de dudnu, te komen spijzen. Daar- 
na worden de dieren geslacht Een gedeelte van het hart en een weinig rijst 
worden ten behoeve der voorouders gekookt en daarna op den dudnu geofferd. 
De maaltijden en feesten nemen alsdan een begin en duren gewoonlijk den 
ganschen nacht door. Daarmede zijn de verplichtingen jegens den doode volbracht 



330 jm LÜANCHSEBICATA-GBOEP. 

Wanneer de vader of het hoofd des huisgezins sterft, dan erft de weduwe, 
paalu, met de gezamenlgke kinderen de nalatenschap. De roerende goederen worden 
namelijk verdeeld; de zonen krijgen alleen de kleedingstokken en wapenen van 
den vader; de moeder en de dochters het huisraad, de goudwerken en de overige 
artikelen. Het huis en de landergen blijven gemeenschappelijk eigendom. Wan- 
neer de moeder opnieuw huwt, heeft de oudste zoon, aneanulu, het recht om 
alles te regelen, ofschoon het aandeel der dochters in verhouding grooter blijft 
Wanneer er niets te erven valt, dan moet de weduwe zelf in haar onderhoud 
voorzien. 

De bevolking van Luang en Sermata vermaakt zich bg voorkeur met zang en 
speL Bij maneschijn verzamelen zich mannen en vrouwen om de heniar lelaana of 
kiehe lelaana aan het strand te zingen. Bij feestvieringen zingt men gewoonlijk de 
heniar weikei, udi, medi, roona, pora en töniwle; op zee worden veel gezongen 
de heniar lora of heniar lara. Gaat men de koliboomen tappen, dan zingt men de 
heniar palalawha en togo ohanani. Bij het opleggen van boeten bij overspel worden 
de heniar lioutu en hemar diadduu door de negarigenooten gezongen. De dans, 
arlooi of menari, heeft met en zonder zang, doch in elk geval onder begeleiding 
van de tiwala en peraai, tiva en trom, plaats. Krijgsdansen, rowahewre, worden 
zelden meer uitgevoerd. De kinderen spelen met kleine prauwen langs het strand, 
met schommels, kahajoi, voorts met de pitten van de heraai, de laatste meestal 
door meisjes. De jongens maken veel werk van roa dupla of elkander met de handen 
te slaan. Bij feestelijke gelegenheden vermaakt de Christen-bevolking zich met de Euro- 
peesche dansen, arlooi walada en met den Ambonschen dendang roadenda, voorts 
met een soort damspel, rahei diama, en methanenkloppen, roa rohona hiwi, voor- 
namelijk op Kerstfeest en Nieuwjaar. Deze spellen zijn van vreemden oorsprong, 
wellicht op de Portugeesche bezitting^ te Timor, waarmede de Luangers veel 
conmiunicatie hebben, aangeleerd, of door Mangkasaarsche handelaren ingevoerd, In 
den oostmoeson verlaat de bevolking hare woningen, om gezamenlijk aan het strand, 
ongekleed, zich ter ruste te begeven. 

Aardbevingen, die meermalen plaats hebben, ontstaan naar het volksgeloof door- 
<Uen de geest, die onder het eiland noha woont, upu rururu, zich beweegt om 
■zich te overtuigen of de oppervlakte nog bewoond wordt. Vandaar het gebruik om 
rumoer te maken. Zons — leranmate en maans — wolanmate verduistering, is de 
copulatie der beide hemellichamen. Omdat de coqunctio venerea in het openbaar in 
strijd is met het decorum is men gewoon bij wijze van waarschuwing door groot 
geruisch dit te doen eindigen. De redenen van het ontstaan van den d(md^. 



DE LÜAKChSERMATA-QROEP« 331 

knkara; bliksem, atlena; regenboog, owonihi; wind, anni zijn niet bekend. Lajere 
ni hini, donderbeitels, zijn zeer gevreesd. De windstreken heeten tipru, oost; wartaa, 
west; raai, noord en tranna, zuid. De dag wordt verdeeld in jawa jawawra, morgen, 
lera nakadededa, middag en leralao avond. 



TIENDE HOOFDSTUK. 



DB BABAB-AKCHIPEL. 



Ligging. QeogntpliiBelie baBchryring. Fomistie. Bergen. Bivieren. Ankerplaatsen. 
Klimaat Moeeon. Bevolking. Taal. Traditie. Geeeliiedenia. Pliysiaclie, intelleetoeeie en 
moreele eigenaohappen. Verminking lichaam. Cnltoa. BQgeloof. Droomen. Eed. Inrichting 
negariSn en hniaen. Hnisraad. Arbeid mannen en vronwen. NQTerh^d. Handel. Scholden. 
Inning daarvan. Voeding. Narcotica. Kleeding. Bertnor. Afdoening zaken. Straffen. Stan- 
den. Slayen. Grondbedt. Landbouw. Oorlog en vrede. Verloving. HnwelVk. Zwanger- 
fchap. VerlooBing. EchtBch^ding. Ziekte. Dood. Begrafenis. Bouw. Erfente. Zang, vgéi en 
dans. Kosmognofie. 



De Babar-groep in 1645 door de Nederlanders ontdekt en sedert onder het zoo- 
genaamd gezag van Nederland gebleven — uit de eUanden Babar, Wetan, Masela 
of Mahela, Dai, Dawaloor of Elewosel en Kebir of Uponmata bestaande — ligt 
tusschen 129® 30' en 130® 5' Oosterlengte van Greenwich en tusschen 7° 30' en 
8® 10' Zniderbreedte. 

Deze eilanden van tertiaire vorming, met sedimentaire gesteenten, als dolomitisch 
kalksteen, zandsteen met feldspath korrels en sporen van qnarzit, zijn, uitgezonderd 
enkele hoogere toppen, van parallelopipedischen vorm en hebben op verscheidene 
plaatsen zelfs het voorkomen der Jura-formatie. De hoogste top op Babar heet 
Diarwoome van ongeveer zeshonderd-en-tachtig meter. De overige bergen met name 
Woln, Leiawora, Papalawne, Onwela, Wormaha en Suploi, bereiken geen drie- 
honderd-en-vijftig meter. Op het eiland Wetan is de hoogste berg aan de znidzijde, 
Pota genaamd, ongeveer honderd meter, in het noorden stijgt de bodem niet meer 
dan tachtig meter, terwijl de beide toppen in het midden verbonden zijn door een 
strook lands van ongeveer dertig meter hoogte. De eilanden Masela, Dai, Dawaloor 
en Kebir hebben ongeveer eene gelijke hoogte, variëerende tusschen driehonderd-en- 
twintig en driehonderd-en-zestig meter. De hoogste top van Dawaloor heet Wakal, 
die van Eebir Orina. Behalve op het eiland Babar, alwaar meer dan twintig rivieren 
zijn en waaronder de Tolila, Laitiale, Tannli, Aniawi, Jona, Jepapi, Arletne, Aklia, 
Jerlawne, Mawor, Welawlol, Leiliwa, Wesure, Haritlawne, Popohore en Mapreahna 



DB BABAB-ABCHIPEL. 333 

als de meest belangrijke moeten worden aangemerkt, voorziet zich de bevolking op 
de overige eilanden in hare behoefte aan water, door op de meest boschrijke gedeel- 
ten pntten te graven. Het eiland Babar en voor een gedeelte ook Wetan, is bosch- 
rijk en vruchtbaar. Vlakten voor verschillende knltures worden op Babar aangetroffen. 
De eilanden Masela, Dai, Dawaloor en Kebir, waar hier en daar enkele boom- 
groepen, waaronder de Borassus flabelliformis , voorkomen, zijn grootendeels ont- 
woud, kaal en in den oostmoeson dor en verschroeid. Voetpaden treft men 
overal van de eene naar de andere negari. De kusten zijn steil. Behalve te Letwatu , 
of Tepa en bij Letwurung op het eiland Babar, te Herlee op het eiland Wetan en 
te Watweei op het eiland Kebir worden geene ankerplaatsen in dezen archipel ge- 
vonden. Moerassen treft men slechts aan op de zuidwestkust van Babar en in de 
nabijheid der negariën Koroil en Letwurung, alwaar sagubosschen van eene geringe 
uitgestrektheid voorkomen. Het klimaat is zeer gezond. De oostmoeson waait van 
April tot September, de westmoeson van September tot Maart. Biffen vindt men 
langs de kust en tusschen de eilanden Dawaloor en Eebir. 

• Het totaal der bevolking bedroeg in 1882 in de hieronder volgende negariën, 
namenlijk : 

L Op het eiland Wetan, in de negariën: Nusiata 139; Leketupun 53; Hoka 43; 
Herlee 125; TJpuhupun 263; Njawota 116; Pota 604; Worili 92; RumalewanSll, 
of te zamen 1946 zielen. — H. Op het eiland Dai, in de negariën: Wakarlili 584; 
Wakarlawne 749; Sairusa 658; Hertuti 610; of te zamen 2601 zielen. — m. Op 
het eiland Masela, in de negarito: Implawalor 748; Watkatle 668; Letlona 549; 
Dmutni 684; Nolora 494; Mahela 795; Noraa 584; Wonolora 576; Harili 448; 
Wawiotne 665; Kpilewen of Telalora 869, of te zamen 6980 zielen. — IV. Op 
het eiland Babar, in de negariën: Tepa 415; Ditiara 167; Waitrupung 86; Mano- 
wui 104; ntubun 84; Biara 58; Nakramtoa 382; WetoM 457; Koroil of Koroin 
468; Letwurung 689; Andai 56; Kokowari 569; Wakbapapi 587; Henarkia 
368; Hanarilawne 548; Anlutur 332; Nuweri 247, Tutuwawang 464; Em- 
palawa 697; Telaa 546; Imroin 678, of te zamen 8002 zielen. — V. Op het 
eiland Dawaloor, in de negariën: Welora 246; LakawaM 116; Bimarang 494; 
Lakaleli 186; Maih 87; Bikopang 104; Dojola 94, ofte zamen 1327 zielen, — 
VL Op het eiland Kebir, in de negariën: Watweei 368; Lekriv 49; Rumsalut 28; 
Ouwero 149; AngkuM 167; Tomareli 76; Bipali 148, of te zamen 1015 zielen, 
totaal in 59 negarito 21,871 zielen. 

De taal, die op deze eilanden wordt gesproken is met onbeduidende afwijkingen, 
gelijk aan het literi Lagona, of dialect dat op Luang en Sermata gebruikt wordt. 
Ofschoon de bevolking eene taal bezigt, vindt men in verschillende negariën nog het 



334 DB BABA^ABOHIPBL. 

gebruik van gewijzigde dialecten als, het Tepasch in de negaiiën Herlee, Nusiata 
en Hoka op het eiland Wetan; het Manowuisch in de negariên Wakarlili, Wakar- 
lawne en Sairosa op het eiland Dai; het Iliarasch in de negari ntaban; het Weto- 
Usch in de negari Nakramtoa; het Letworongsch in de negariên Eoroil of Eoroin 
en Andai; het Eokowarisch in de negari Wakbapapi; het Anlntursch in de negariên 
HenarMa, Hanarilawne en NuwerL Telaa en Imroin hebben elk een afzonderlijk 
dialect Het Letwumngsoh wordt tevens in de negariên op Dawaloor en Kebir en 
het Anlntursch in de negariên op het eiland Masela gesproken. 

Volgens de overleveringen behooren de vooronders der ingezetenen van de negari 
niara tot de oorspronkelijke bewoners van Babar, als zijnde uit den berg Iliarwoome 
voortgesproten. In andere negariên zijn de afstammelingen van de eerste grond- 
eigenaars uit wilde zwijnen of krokodillen voortgekomen, welke dieren dan ook ver- 
eerd worden. Het grootste gedeelte der bevolking van Babar, Wetan, Masela, Dai, 
Dawaloor en Eebir is volgens andere traditiên evenwel afkomstig van Luang, na 
de verwoesting van Lagona door den hörui en van Barasadi, voorheen een groot 
eiland bewesten Timorlao. Ook kwamen er in vroegeren tijd lieden van Dama; 
Makisar en Moa zich op deze eilanden vestigen. Yoor het overige handelen de 
meeste overleveringen slechts over onbeduidende plaatselgke twisten en onderlinge 
oorlogen in de laatste eeuwen gevoerd. Nadat in 1645 deze eilanden door de Neder- 
landers ontdekt waren, sloot de toenmalige Yereenigde Oost-Indische Compagnie in 
1664 een «eeuwigdurend verbond» met deze volken en werd er te Tepa, eiland 
Babar, een blokhuis opgericht en eene bezetting gelegd, bestaande uit «een korpo- 
raal en twee gemeene.» Deze bezetting tegen het emde van de achttiende eeuw 
ingetrokken zijnde, werd eerst in 1882 een vertegenwoordiger der Regeering, die 
te Tepa resideert, op deze eilanden aangesteld. Bedoelde ambtenaar heeft echter tot 
dusverre weinig te bevelen en moet zich aan den wil der hoofden en bevolking 
schikken. Yoor de maatschappelijke en zedelijke ontwikkeling der bewoners wordt 
intusschen niets verricht. Yan de door de dienaren van de Oostrlndisdie Compagnie 
aldaar ingevoerde Christelijke leer zijn tegenwoordig geen sporen meer merkbaar. 
Eveneens zijn de resultaten van het voorheen sedert 1671 gegeven inlandsch onder- 
wijs onbeduidend, omdat er op deze eilanden thans niemand meer wordt aangetroffen 
die lezen of schrijven kan. Als verstokte XJpulero-aanbidders geven zij thans ook 
geene blijken van geneigdheid, om eene andere godsdienst te omhelzen. 

De bevolking dezer eilanden met brachyphale , hypsibrachycephale en doUchocephale 
schedelvormen , is goed gebouwd en gespierd, zoowel mannen als vrouwen. De kleur 
der huid is donker geel, bij enkele vrouwen ook wel zwart met een blauwachtige 
tint Evenals op Tanembar en Timorlao maken de mannen hun sluik lang hoofdhaar 



DB BABAA-ABCHIPIL. 835 

wit lïiet kali en loogwater. Eroesharige lieden worden niet aangetroffen. De mannen 
hebben eene gemiddelde lengte van 1.70, de vrouwen van 1.58 meter. De meeste 
vrouwen zijn tusschen de wenkbrauwen met vgf stippen getatueerd *• [ ilmehona, 
zij hebben lange wimpers, kleine neus, prachtige tanden, wanneer deze nog niet 
afgevijld z^n en misvormde ooren met verscheidene gaten, waarin een soort dilatar 
torium van opgerolde kohblad wordt gestoken, om de opening te vergrooten. Zij 
hebben prachtig hoofdhaar van wege het afscheren gedurende de kindsheid. Op het 
lichaam zijn ze weinig behaard. Yele oude mannen kweeken intusschen met zorg 
enkele Mnhairen. Bij vele vrouwen, zelfis ouderen van dagen, ziet men onder de 
oksels geen enkel haar. De wenkbrauwen zijn dun. Er zijn echter mannen, die van 
den pubes tot aan de navelstreek en op de dijen en kuiten behaard zijn. Het 
vrouwelijk bekken is ruim. De menses, lodini arahoni, verschijnen tusschen negen 
en elf jaren. De borsten zijn hemisphaerisch gevormd, de aureool groot en bii vele 
vrouwen de tepels zeer ontwikkeld. De genitaliën der mannen zijn klein, evenals die 
der Chineezen, de zichtbare pli der vulva bij de vrouwen kort, niet lang als bij de 
meeste Amboneesche. Op de armen worden vele brandwonden gezien, overigens is 
de huid schoon. Albino's, omlulurol, zijn zeer zeldzaam. Mannen, vrouwen en kin- 
deren baden zich in zee, katol, of in de rivieren en bij de bronnen, naakt zonder 
eenig gevoel van schaamte te toonen. Na het baden wordt het lichaam met fijn- 
geraspte kalapa, of fijngestampte kamiripitten besmeerd. Overigens zijn ze onzindelijk. 
De bevolking is zeer luidruchtig van aard, namelijk waar zij weinig met vreemde- 
lingen in aanraking is gekomen. In sommige negariën wordt luidruchtigheid als een 
bewijs van onbeschaafdheid aangemerkt en houdt men zich stenmiig en stil. Zij is 
bovendien zeer nieuwsgierig, ziet gaarne fraaie zaken, orolahi pespeslie en hoort 
gaarne muziek. De mannen en vrouwen zijn zeer ijverzuchtig, leaulak. Velen der 
laatsten, namelijk wanneer zij nog ongehuwd zijn, leiden in het verborgen een on- 
tuchtig leven. De vrouwen huwen gaarne, alware het slechts tijdelijk, met vreemde- 
lingen, die trouwens zeer gezien zijn, mits de bruidschat behoorlijk wordt betaald. 
De mannen zijn in geslachtelijken omgang passief en minder opgewekt dan de 
vrouwen. De geliefde kleuren zijn rood, moluluru en zwart memehem. Bij het ont- 
vangen van geschenken gevoelt men zich verplicht iets, hoe gering ook, terug te 
geven. De bloedverwanten, oholoi, zijn zeer aan elkander gehecht Jegens lieden, die 
niet tot hunne familie behooren of vreemdelingen, zijn zij ongevoelig. Oude lieden, 
lioilier, worden gerespecteerd, wanneer zij zulks verdienen. De krankzinnigen , opoluwu , 
zijn niet geëerd en worden , wanneer zij lastig zijn , meedoogenloos behandeld. Yan zang 
en dans zijn zoowel mannen en vrouwen groote voorstanders. Het dobbelen en 
haüenkloppen is nog niet bekend. Ofschoon de bevolking veel tuak en kohwater drinkt, 
vindt men onder haar minder ontzenuwde drinkers dan op de overige eilanden, 
slechts enkele oude mannen kunnen als volslagen dronkaards worden aangemerkt 



336 DE BABAB-AECflIPEL. 

Yan recht tegenover yreemdelingen heeft zij evenals de bewoners van TimoTlao en 
Tanembar geen begrip, een eigenmachtig optreden tegen indringers, een moord op 
hen gepleegd, wordt door het pnbliek als een bravonre aangemerkt. Vele individuen 
zoowel mannen als vrouwen stellen hun eer er in, om pijnen zonder uiterlijke 
teekenen van smart te doorstaan en voeden hunne kinderen in die richting op. De 
vrouwen zijn vruchtbaar en hebben gemiddeld vier kinderen. Slechts enkelen blijven 
kinderloos. De vrouwen spijzen gewoonlijk te zamen met de mannen, mits er geen 
vreemde man medezit. De weduwen, oipiaha pali, moeten in haar eigen onderhoud 
voorzien. Vreemdelingen, uwulote, kunnen zonder voorkennis der hoofden in de 
negariên bij de oilalawal wonen. Willen zij huwen dan behoort de oilalawal, bijwien 
zij inwonen, daarvoor te zorgen. Een schoonzoon, ununu lailiel, is verplicht de 
schoonouders te eeren en mag hunne namen niet uitspreken. De titel van de schoon- 
moeder is jalu, van den schoonvader palu, broeders der vrouw molu, zusters der 
vrouw jeru. De schoonvader is ook verplicht den schoonzoon met 'het woord palu, 
de schoonmoeder met jalu te betitelen. Het is hun niet verboden samen te eten. 

Wanneer het kind alleen kan zitten, wordt het hoofdhaar door den vader zelf, of 
door een der oudsten afgeschoren, rekehe morko, daarna slacht men een varken, 
de negarigenooten worden aan een maaltijd genoodigd en na de learei gezongen te 
hebben, keert een ieder huiswaarts. Het vijlen der tanden, roor lil, geschiedt vóór 
het huwelijk, zoowel voor jongens als meisjes die genegen zijn dit te doen, omdat 
het tandenvijlen niet verplichtend is. Vóór de bewerking kauwt de patiënt drooge 
roode rijst, leanoho uniwir en Curcuma longa lulumalai, om de tanden zoo men 
zegt week te maken, daarna bestrijkt men de tanden met fijngestampte, warm- 
gemaakte gemberwortel, lolai, en worden de tanden met een vijl, kalihir, gelijk- 
gemaakt, ten einde ze verder met een steen, wahoo jurel, tot aan het tandvleesch te 
slijpen. Op den tienden dag na de geboorte worden de oorlellen der kinderen door- 
stoken, rokoolo halile, of elkokit lili, met een puntig ijzer, wekehai, en maakt men 
gewoonlijk aan elk oor twee gaten. De wond wordt met ^ngestampte sirih, arei 
buliol, als styptica tot den vierden dag bedekt, waarna deze geneest Bij aankomst 
in het zielenland worden , naar men beweert de oorlellen geïnspecteerd en degenen , 
die geen behoorlijke gaten hebben, der verachting prijs gegeven. Behalve het tatueeren 
rowaje of rawetaie, van het voorhoofd worden op de armen, op de linkerarm acht 
en op den rechterarm drie brandwonden, rokuluof dudume, gemaakt. Het tatueeren 
of prikken met de doorns van den Citrus histrix, die in roet en olie worden gedoopt, 
geschiedt tot verfraaiing door de moeders zelve, wanneer de kinderen op haren 
schoot zuigende liggen. Brandwonden, maakt men door arengzwam met speeksel 
op de bepaalde plaatsen vast te hechten en deze daarna te branden. Terwijl het 
zwam brandt, loopt men de negari hard rond. Het doel dezer mutilatie is, opdat 



o X..^ &peerE««-.il30* 



' I 




^ifkn^itlmM* 




Datt-aJociT' al" Eli^*vm-J 

Li 

Kel^ir of l^]Kirij]ii\At& 



yaJÊrvMjnlfii^ 




rtit 



I ''\ 



Se^m^r. •. ^. MTM. Ttst^. L^é»Un, 



DB BABAK-ARCHIPEL. 337 

men in andere negariën zijnde, aangemerkt wordt als lieden die moed hebben om 
pijnen te yerdnren. Volgens anderen moeten deze teekenen na den dood dienen om 
aan de vooronders te Nolawna of Wetan te doen zien, dat men tot de rechte af- 
stammelingen behoort. Een man zonder dndnme of roknlu in het zielenland, te 
Nolawna of Wetan komende , is verplicht de koholau