(navigation image)
Home American Libraries | Canadian Libraries | Universal Library | Community Texts | Project Gutenberg | Children's Library | Biodiversity Heritage Library | Additional Collections
Search: Advanced Search
Anonymous User (login or join us)
Upload
See other formats

Full text of "De Ster"


Oktober 1983 83ste jaargang Nummer 10 



Verslag van de 

153ste jaarlijkse conferentie 

van De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen 

op 2 en 3 april 1983 




I 





Oktober 1983 
83ste jaargang 
Nummer 10 



Uitgave, van De Kerk 
van Jezus Christus van de 
Heiligen der Laatste Dagen 



Verslag van de 
153ste jaarlijkse conferentie 
van De Kerk van Jezus Christus 
van de Heiligen der Laatste Dagen 

Lijst van sprekers in alfabetische volgorde: 



Ashton, Marvin, 58 
Ballard, Russell M„ 132 
Benson, Ezra Taft, 5, 86, 99 
Brewerton, Ted K., 140 
Brown, Victor L., 115 
Burton, Theodore M., 136 
De Jager, Jacob, 145 
Derrick, Royden G., 42 
Dunn, Loren C, 56 
Faust, James E., 79 
Haight, David B., 20 
Hinckley, Gordon B., 6,92,156 
Holland, Jeffrey R., 71 



Holland, Matthew S., 76 
Howard, F. Burton, 109 
Hunter, Howard W., 26 
Larsen, Dean L., 64 
Maxwell, Neal A., 13 
McConkie, Bruce R., 37 
Monson, Thomas S., 104 
Packer, Boyd K., 126 
Paramore, James M., 51 
Perry, L. Tom, 150 
Petersen, Mark E., 121 
Rector, Hartman, Jun., 47 
Romney, Marion G., 31 



Jaarabonnement: 

Fl. 21,60 storten op Citibank Amsterdam, rekeningnummer 266041 434, 

De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen. 

Bfr. 408 storten op Citibank Antwerpen, rekeningnummer 570-0157-600-33, 

De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen. 

USA en Canada (niet per luchtpost): S 10.00 

© 1983 by the Corporation of the President of The Church 
of Jesus Christ of Latter-day Saints. All rights reserved. 

Verlag Kirche Jesu Christi der Heiligen der Letzten Tage, PorthstraBe 5-7, 
D-6000 Frankfurt am Main 50. 



Eerste Presidium: 

Spencer W. Kimball 
Marion G. Romney 
Gordon B. Hinckley 

Raad der Twaalf: 
Erza Taft Benson 
Mark E. Petersen 
Howard W. Hunter 
Thomas S. Monson 
Boyd K. Packer 
Marvin J. Ashton 
Bruce R. McConkie 
L. Tom Perry 
David B. Haight 
James E. Faust 
Neal A. Maxwell 

Adviseurs: 
M. Russell Ballard 
Rex D. Pinegar 
Charles Didier 
George P. Lee 

Eindredacteur: 

M. Russell Ballard 

Hoofdredacteur: 

Larry A. Hiller 

Adjunct-redacteur: 

David Mitchell 

Stafmedewerkster: 

Bonnie Saunders 

Vormgeving: 

Michael Kawasaki 

Vertaling De Ster: 

Henri J. A. Tenthof 
van Noorden 
Kerkelijk Vertaalbureau 
Parkstraat 38 
NL-3581 PL Utrecht 

Nieuwsredacteur: 
George Ph. M. Kraanen 
Spoorlaan 15 
NL-3721 PA Bilthoven 



Printed in the Federal Republic of Germany 



ISSN 0039-1204 



PB MA 0595 DU 



INHOUDSOPGAVE 



Zaterdagmorgenvergadering 

5 Steunverlening van kerkelijke ambtenaren President Ezra Taft Benson 

6 Hij sluimert noch slaapt President Gordon B. Hinckley 

13 „Schijnt als lichtende sterren in de wereld" Ouderling Neal A. Maxwell 

20 Het avondmaal Ouderling David B. Haight 

26 Bewijsmateriaal voor de opstanding Ouderling Howard W, Hunter 

31 Eenheid President Marion G. Romney 

Zaterdagmiddagvergadering 

34 Verslag van het kerkelijk verificatiecomité Wilford G. Edling 

35 Statistisch rapport Francis M. Gibbons 

37 De sleutels van het koninkrijk Ouderling Bruce R. McConkie 

42 Dapperheid in het drama van het leven Ouderling Royden G. Derrick 

47 Opdat u wortelen en takken moge hebben Ouderling Hartman Rector jr. 

51 Het evangelie van Jezus Christus en de fundamentele behoeften van de mens 

Ouderling James M. Paramore 

56 Een profeet ontvangen Ouderling horen C. Dunn 

58 Terstond Ouderling Marvin J. Ashton 



Priesterschapsvergadering 

64 Een koninklijk geslacht Ouderling Dean L. Larsen 

71 In de omhelzing van uw armen Jeffrey R. Holland 

76 Modderige voeten en witte hemden Matthew S. Holland 

79 Het gezinsleven verrijken Ouderling James E. Faust 

86 Een oproep tot de priesterschap: „Weid mijn schapen." 

President Ezra Taft Benson 

92 De Goliats in ons leven overwinnen President Gordon B. Hinckley 

Zondagmorgenvergadering 

99 Een beginsel met een belofte President Ezra Taft Benson 

104 Anoniem Ouderling Thomas S. Monson 

109 Bekering Ouderling F. Burton Howard 

115 Hoe vind ik mijn identiteit Bisschop Victor L. Brown 

121 Schepper en Verlosser Ouderling Mark E. Peter sen 

Zondagmiddagvergadering 

126 Vrije wil en zelfbeheersing Ouderling Boyd K. Packer 

132 Onderwijzen - geen grotere roeping Ouderling M. Russell Ballard 

136 Vergeven is goddelijk Ouderling Theodore M. Burton 

140 Godslasterlijke taal en vloeken Ouderling Ted E. Brewerton 

145 Naar hogere geestelijke hoogte klimmen Ouderling Jacob de Jager 

150 Oefen de knaap Ouderling Tom L. Perry 

156 „Vreest niet goed te doen" President Gordon B. Hinckley 



Verslag van de 

153ste jaarlijkse conferentie 

van De Kerk van Jezus Christus 

van de Heiligen der Laatste Dagen 

Toespraken en gang van zaken zoals die plaatsvonden op 2 
en 3 april 1983 in de Tabernakel te Salt Lake City 



„President Kimball is niet in staat zich 
persoonlijk bij ons te voegen," meldt 
president Gordon B. Hinckley, tweede 
raadgever in het Eerste Presidium, bij de 
opening van de algemene conferentie. 

„Niettemin presideert hij deze confe- 
rentie vanuit zijn hotelappartement, hij 
volgt aan de overkant van de straat via 
een gesloten televisiecircuit de conferen- 
tie. ... Hij staat elke dag op en kleedt 
zich. Hij is evenwel zwak en zijn lichaam 
is moe. Onlangs vierde hij zijn achten- 
tachtigste verjaardag en voelt dan ook 
de gevolgen van zijn vergevorderde leef- 
tijd en de opeengestapelde gevolgen en 
uitwerkingen van de chirurgische ingre- 
pen die hij in de loop der jaren heeft 
ondergaan. Wat een geweldig voorbeeld 
is hij voor ons geweest. Hij heeft op 
opmerkelijke wijze stuwkracht gegeven 
aan het werk. De gehele kerk heeft haar 
pas versneld en haar schreden vergroot 
als respons op zijn schallende oproep. 
Hij is voor ons een profeet geweest, een 
profeet wiens visie en openbaringen de 
volkeren over de gehele wereld hebben 
bereikt, zonder onderscheid te maken 



tussen nationaliteit, huidskleur of milieu 
en bood de weergaloze zegeningen van 
het evangelie van Jezus Christus aan 
allen, die deze wensten te aanvaarden. 
Hij doet u hierbij zijn liefde en zegenin- 
gen toekomen." 

Aldus werd de 153ste jaarlijkse confe- 
rentie van de kerk geopend. Wegens 
ziekte waren noch president Kimball, 
noch president Marion G. Romney in de 
tabernakel aanwezig. 

„President Romney," zei president 
Hinckley, „heeft te kampen met soortge- 
lijke moeilijkheden. Ook hij voelt de last 
der jaren en de gevolgen van een natuur- 
lijk slijtageproces najaren van energieke 
en nimmer aflatende arbeid ter bevor- 
dering van het werk des Heren." 

De vijf bijeenkomsten van de algeme- 
ne conferentie werden geleid door presi- 
dent Hinckley en president Ezra Taft 
Benson, president van het Quorum der 
Twaalf Apostelen. De conferentie om- 
vatte drie bijeenkomsten op zaterdag - 
een ochtend- en middagbijeenkomst en 
de priesterschapsbijeenkomst 's avonds 

en twee bijeenkomsten op zondag, 's 



ochtends en 's middags. Overeenkom- 
stig een voorafgaande bekendmaking 
was er geen welzijnsbijeenkomst op de 
zaterdagochtend en begon de priester- 
schapsbijeenkomst op zaterdagavond 
niet, zoals gebruikelijk om zeven uur, 
maar om zes uur. Zij die in de tabernakel 
geen plaats konden vinden, konden dit 
keer weer worden ondergebracht in de 
Assembly Hall, nu de restauratie daar- 
van voltooid is. 

Op vrijdag 1 april, voorafgaand aan 
de algemene conferentie, vond er over- 
dag een studiebijeenkomst plaats voor 
regionale vertegenwoordigers en 's 
avonds een voor regionale vertegen- 
woordigers en ringpresidenten. De stu- 
diebijeenkomst had als thema raadge- 
vingen over het geven van leiding door 
de 212 regionale vertegenwoordigers die 
over de gehele wereld geroepen zijn. 

Het gesproken woord van de confe- 
rentie werd via een gesloten circuit 
gerelayeerd aan 1.395 kerkgebouwen 



(1.260 in de Verenigde Staten en Cana- 
da; 120 in Australië en Nieuw-Zeeland; 
11 in de Filippijnen en Korea; 4 in de 
Dominicaanse Republiek en Porto Ri- 
co). Daarnaast ontvingen 549 ringcentra 
in de Verenigde Staten de conferentie op 
de televisie via permanente op satelliet 
gerichte schotelantennes. Twintig kerk- 
gebouwen in de Salt Lake Valley konden 
de conferentie op televisie volgen dank- 
zij draagbare schotelantennes. 56 com- 
merciële TV-stations in de Verenigde 
Staten zonden de conferentie in haar 
geheel of gedeeltelijk uit, en hetzelfde 
gold voor ruim 2000 kabeltelevisiesta- 
tions; 47 Canadese TV-stations zonden 
de conferentie gedeeltelijk uit; en 61 
Amerikaanse radiostations zonden de 
conferentie in haar geheel of ten dele uit. 
Videobanden van de conferentie werden 
onmiddellijk na afloop in talrijke talen 
beschikbaar gesteld. 

De redactie 



Verdere deelname: In de zaterdagmorgenvergadering werden de gebeden uitgesproken door 
ouderling Robert L. Simpson en ouderling John H. Groberg; in de zaterdagmiddagvergadering 
door ouderling Grant W. Bangerter en ouderling Vaughn J . Featherstone; in de priesterschaps- 
vergadering door ouderling Joseph B. Wirthlin en ouderling Ronald E. Poelman; in de 
zondagmorgenvergadering door ouderling Gene R. Cook en ouderling Hugh W. Pinnock; en in 
de zondagmiddagvergadering door ouderling F. Enzio Busche en ouderling George P. Lee. 
President Spencer W. Kimball en president Marion G. Romney waren verhinderd wegens 
ziekte. 



Foto's in deze uitgave: Public Communications Photo Services: Eldon K. Linschoten, Jed A. 
Clark, Michael M. McConkie 



Omslagfoto: Jed A. Clark 



2 april 1983 
ZATERDAGMORGENVERGADERING 



Steunverlening aan kerkelijke 
ambtenaren 



President Ezra Taft Benson 
van het Quorum der Twaalf Apostelen 



Wij betreuren het overlijden van pre- 
sident N. Eldon Tanner, die ten tijde van 
zijn overlijden diende als eerste raadge- 
ver in het Eerste Presidium. Na de dood 
van president Tanner, benoemde presi- 
dent Spencer W. Kimball, president 
Marion G. Romney als zijn eerste raad- 
gever en president Gordon B. Hinckley 
als zijn tweede. Deze benoemingen heb- 
ben de goedkeuring van het Eerste 
Presidium en het Quorum der Twaalf 
Apostelen. Het voorgaande in overwe- 
ging nemend stellen wij voor president 
Marion G. Romney steun te verlenen als 
eerste raadgever en president Gordon B. 
Hinckley als tweede raadgever. 

Wie hiermee instemt, make dit bekend 
door het opsteken van de rechterhand. 

Wie dit niet doet, gebruike hetzelfde 
teken. 

Er hebben zich sinds de vorige alge- 
mene conferentie geen veranderingen 
voorgedaan onder de algemene autori- 
teiten, met uitzondering van de broeders 
die wij zojuist ter steunverlening voor- 
stelden en het overlijden van onze goede 
vriend en broeder ouderling LeGrand 
Richards. Derhalve wordt voorgesteld 
alle algemene autoriteiten en algemene 
functionarissen van de kerk, zoals deze 



thans in functie zijn, steun te verlenen. 

Wie hiermee instemt, make dit bekend 
door het opsteken van de rechterhand. 

Wie dit niet doet, gebruike hetzelfde 
teken. D 




President Ezra Taft Benson, president van 
het Quorum der Twaalf Apostelen. 



Hij sluimert noch slaapt 



President Gordon B. Hinckley 
Tweede raadgever in het Eerste Presidium 




Ik hoop dat u genoten heeft van de 
luisterrijke hymne die het koor voor ons 
heeft uitgevoerd - „Hij die waakt over 
Israël, sluimert noch slaapt". Het komt 
uit Mendelsohns Elias en de tekst is een 
bewerking uit Psalmen (zie Psalm 
121:4). 

Nu we hier verenigd zijn tijdens deze 
grootse conferentie van De Kerk van 
Jezus Christus van de Heiligen der 
Laatste Dagen, zou ik graag deze prach- 
tige, gerust stellende woorden willen 
gebruiken als een soort thema. Ik bid om 
de leiding van de Heilige Geest. 

President Kimball is niet in staat om 
hier persoonlijk bij ons te zijn; niettemin 
presideert hij deze conferentie, die hij 
volgt vanuit zijn hotelkamer, aan de 
overkant van de straat via een gesloten 
televisiecircuit. Allerlei geruchten ten 
spijt is hij niet opgenomen in het zieken- 
huis en heeft er ook in geen maanden 
gelegen. Hij ligt evenmin in coma, zoals 
sommigen beweren. Hij staat elke dag 
op en kleedt zich aan. Hij is evenwel 
zwak en zijn lichaam is moe. Hij vierde 
zopas zijn achtentachtigste verjaardag 
en voelt dan ook de gevolgen van zijn 



vergevorderde leeftijd en de opeengesta- 
pelde gevolgen en uitwerkingen van de 
chirurgische ingrepen die hij in het 
verleden heeft moeten ondergaan. Wat 
een geweldig voorbeeld is hij voor ons 
allen geweest. Hij heeft op opmerkelijke 
wijze stuwkracht gegeven aan dit werk. 
De gehele kerk heeft haar pas versneld 
en haar schreden vergroot als respons op 
zijn schallende oproep. Hij is een profeet 
voor ons geweest, een profeet wiens visie 
en openbaringen hebben uitgereikt naar 
alle mensen op aarde, zonder onder- 
scheid te maken tussen land, huidskleur 
of levensstaat, de weergaloze zegeningen 
van het evangelie van Jezus Christus 
vrijelijk biedend aan allen die deze willen 
aanvaarden. 

Hij laat u allen hartelijk groeten. Toen 
ik gisteren bij hem was wees hij mij erop 
dit vandaag te doen. Wij houden van 
hem en bidden voor hem. Onze harten 
richten zich met genegenheid tot hem en 
onze smeekbeden te zijner behoefte 
stijgen op tot onze Hemelse Vader. 

President Romney heeft eveneens te 
kampen met moeilijkheden. Ook hij 
voelt de last der jaren en de gevolgen van 



een natuurlijk slijtageproces na jaren 
van energieke en nimmer aflatende ar- 
beid ter bevordering van het werk des 
Heren. Hij heeft verzocht niet te hoeven 
spreken, en hem hiervoor te excuseren. 
Wij zullen een boodschap van hem 
horen die hij eerder heeft voorbereid en 
die zal worden voorgelezen door zijn 
zoon, bisschop George J. Romney. 

Wie wij ten zeerste missen is president 
N. Eldon Tanner, die optrad als raadge- 
ver van vier presidenten van de kerk. Hij 
overleed op 27 november jl. Tijdens de 
maanden hieraan voorafgaand liet hij 
ons, ondanks zijn lichamelijke toestand, 
onophoudelijk delen in zijn grote erva- 
ring, wijsheid en inspiratie. 

We zullen eveneens het treffende ge- 
tuigenis van LeGrand Richards van de 
Raad der Twaalf in deze conferentie 
missen. Vijfenveertig jaar lang stond hij 
regelmatig aan het spreekgestoelte van 
deze tabernakel, getuigend van de waar- 
heid van dit „wonderbaar werk en een 
wonder". (Jesaja 29:14.) Miljoenen wer- 
den getroffen door de welsprekendheid 
en oprechtheid van zijn getuigenis. 

De afwezigheid van deze grote leiders 
wordt alom gevoeld. Hun ontbreken 
brengt een ontzagwekkende verant- 
woordelijkheid met zich mee voor ande- 
ren onder ons. Ik dank de Heer voor zijn 
schragende zegeningen. Ik dank mijn 
broeders van de Raad der Twaalf voor 
hun grote liefde, kracht en wijsheid. Ik 
heb twintig jaar lang deel uitgemaakt 
van dat unieke en prachtige quorum van 
kundige en toegewijde mannen, die stuk 
voor stuk door God geroepen zijn en zijn 
begiftigd met het heilig apostelschap. Ik 
houd van ze als waren ze mijn broers. 
Ieder van hen bezit de sleutels van deze 
bedeling in verborgen reserve; een god- 



delijke voorziening die de continuïteit 
van de leiding van de kerk garandeert. 

Ik ben mijn broeders van het Eerste 
Quorum der Zeventig en de Presideren- 
de Bisschap dankbaar. Broeders en 
zusters, er is eensgezindheid binnen de 
leiding van de kerk. Ik meen zelfs dat 
deze eensgezindheid nooit sterker is 
geweest. 

Het goddelijke genie van de organisa- 
tie van dit werk en van de roepingen tot 
leiderschap is zeer evident. De algemene 
autoriteiten zijn allen individuen, elk 
met zijn eigen persoonlijkheid. Ieder van 
hen brengt een rijke schakering aan 
ervaring en achtergrond met zich mee in 
zijn taken. Wanneer er zaken besproken 
moeten worden in de leidinggevende 
raden van de kerk, staat 't hen vrij hun 
mening te uiten. Dit interessante proces 
gadeslaand, is het fascinerend te zien hoe 
de macht van de Heilige Geest deze 
mannen beïnvloedt. Aanvankelijke ver- 
schillen van inzicht, nooit scherp, maar 
toch waarneembaar, verzachten en ver- 
smelten in een uiting van eensgezind- 
heid. „Mijn huis is een huis van orde," 
zegt de Heer (Leer en Verbonden 132:8). 
Steeds wanneer ik getuige ben van dit 
proces, onderga ik een vernieuwing van 
mijn geloof. 

Ik spreek ook mijn oprechte waarde- 
ring uit tot mijn broeders en zusters 
verspreid over de hele wereld, tot de 
leden van de kerk, waar u zich ook moge 
bevinden. Ik bid dat u versterkt en 
gezegend moge worden, dat er vrede in 
uw gezinnen en harten moge zijn en dat u 
de „zuivere liefde van Christus" mag 
ervaren in uw leven. (Moroni 7:47.) 

Toen ik onlangs worstelde met een 
probleem dat ik als ernstig beschouwde 
en ik neerknielde in gebed, kwam een 
gevoel van vrede bij mij op, alsook de 



woorden des Heren: „Wees stil, en weet, 
dat Ik God ben." Ik nam daarop de 
Schriften en las deze geruststellende 
uitspraak, die honderdvijftig jaar gele- 
den werd gesproken tot de profeet 
Joseph Smith: „Laat uw hart daarom 
vertroost zijn aangaande Zion; want alle 
vlees is in Mijn hand; wees stil, en weet, 
dat Ik God ben." (Leer en Verbonden 
101:16.) 

God weeft zijn tapijt volgens zijn 
eigen groots ontwerp. Alle vlees is in zijn 




President Gordon B. Hinckley, tweede 
raadgever in het Eerste Presidium. 



hand. Wij hebben niet het* recht Hem 
van raad te dienen. Wij hebben wel de 
verantwoordelijkheid en de gelegenheid 
om vrede te hebben, in ons gemoed en in 
ons hart, en te weten dat Hij God is, dat 
dit zijn werk is en dat Hij niet zal 
toestaan dat het misgaat. 

We hebben geen reden om te vrezen. 
We hoeven ons geen zorgen te maken. 
We hoeven ons niet in gissingen te 
verdiepen. Wel is het voor ons een 
dwingende noodzaak bezig bevonden te 



worden met het nakomen van onze 
plichten in verband met de roepingen die 
ons ten deel gevallen zijn. En omdat het 
merendeel van de heiligen der laatste 
dagen in geloof wandelt en met overtui- 
ging werkt, wordt de kerk voortdurend 
sterker. 

Ik maak gebruik van de gelegenheid 
om tot iedereen te zeggen dat de kerk 
voortstevent met grote kracht en macht. 
Ik geef u de verzekering dat het werk op 
het kantoor van het Eerste Presidium 
volkomen bij is. Niets wordt veronacht- 
zaamd en geen enkel handelend optre- 
den wordt uitgesteld. Wij ontvangen 
onze opdracht en ons gezag regelrecht 
van de president van de kerk, met wie wij 
regelmatig vergaderen. Dit geldt ook 
voor het werk van de Raad der Twaalf, 
het Eerste Quorum der Zeventig, de 
Presiderende Bisschap en de hulporgani- 
saties. We danken de Heer, wiens werk 
dit is, voor de geweldige groei die we nu 
ondergaan. Het toenemende geloof van 
de mensen blijkt uit een groeiend aantal 
bezoekers van de avondmaalsvergade- 
ringen en de tempel en een toename van 
de afgedragen tienden en andere gaven, 
hetgeen een uiting is van hun liefde voor 
de Heer en van zijn milde zegeningen, 
zelfs in deze tijd van economische 
teruggang. 

Precies honderd jaar geleden, op de 
algemene conferentie van 1 883, zei presi- 
dent Joseph F. Smith in deze tabernakel: 
„Welnu, zolang de heiligen der laatste 
dagen ermee tevreden zijn Gods gebo- 
den te onderhouden, de voorrechten en 
zegeningen die ze in de kerk genieten te 
waarderen en hun tijd, talenten en 
middelen willen aanwenden ter ere van 
zijn naam, ten einde Zion op te bouwen 
en waarheid en gerechtigheid op aarde te 
vestigen, zolang is de Heer door zijn eed 



8 



en verbond gebonden hen te beschermen 
tegen elke vijand en hen te helpen elke 
hindernis te overwinnen die mogelijker- 
wijs voor hun zou kunnen worden 
opgeworpen of op hun pad zou kunnen 
worden geworpen." (Journal of Discour- 
ses, deel 24, blz. 176.) Deze woorden zijn 
vandaag evenzeer van toepassing als 
toen ze honderd jaar geleden werden 
uitgesproken. 

De Almachtige zegent zijn kerk en 
volk. Hij waakt over hen. Hij sluimert 
noch slaapt terwijl Hij bestuurt, leidt en 
bij al zijn heilig werk paden volgt die 
voor ons verborgen blijven. (Heilige 
Lofzangen 18.) 

Sommige mensen uiten hun bezorgd- 
heid over het feit dat de president van de 
kerk waarschijnlijk altijd een man op 
leeftijd zal zijn. Daarop zeg ik: „Wat 'n 
zegen!" Het werk van deze bedeling 
werd in eerste instantie ingeleid door 
middel van de profeet Joseph Smith. Hij 
was jong en energiek, iemand wiens 
gedachten niet bepaald waren door de 
tradities van zijn tijd. Zijn geest was jong 
en als verse vochtige klei, die voor de 
Heer kneedbaar was nu een nieuwe 
bedeling van zijn werk een aanvang 
nam. 

Josephs opvolger was betrekkelijk 
jong toen hij werd geconfronteerd met 
de ontzaglijke verantwoordelijkheid om 
een heel volk over woeste vlakten te 
leiden om te gaan pionieren in een nieuw 
land. 

Maar nu zijn de beginselen van onze 
leer rotsvast verankerd en hebben we als 
volk een onwrikbaar bestaan opge- 
bouwd, in elk geval tot de Heer ons de 
opdracht geeft opnieuw te vertrekken. 
Wij hebben geen innovaties nodig. Wat 
we wel nodig hebben is toewijding bij 
ons aankleven van de beginselen die uit 



Gods mond afkomstig zijn. We hebben 
getrouwheid aan onze leider nodig. Hij 
is door God geroepen. Hij is onze 
profeet, onze ziener en openbaarder. Als 
we waardig genoeg zijn om een profeet te 
hebben, zullen we er nooit van verstoken 
zijn. Hij hoeft niet jong te zijn. Hij heeft 
jongere mannen tot zijn beschikking om 
de wereld af te reizen en het werk van de 



5? 



,God weeft zijn tapijt 

volgens zijn eigen groots 

ontwerp . . . We behoeven 

niet te vrezen. We behoeven 

ons geen zorgen te maken. 

Het is voor ons een 

dwingende noodzaak bezig 

te worden bevonden met het 

nakomen van onze 

plichten." 



bediening te verrichten. Hij is de presi- 
derende hogepriester, aan wie alle sleu- 
tels van het heilig priesterschap zijn 
toevertrouwd. Hij is de stem der openba- 
ring van God tot zijn volk. 

Een oude spreuk luidt: „De jeugd is 
voor daden, ouderdom voor wijsheid." 

Het is mij een grote geruststelling te 
weten dat we voor de afzienbare toe- 
komst een president zullen hebben die is 
getuchtigd en onderricht, beproefd en 
getoetst, wiens getrouwheid aan het 
werk en onkreukbaarheid in de uitvoe- 



ring ervan zijn gehard in het smidsvuur 
van de dienstbaarheid, wiens geloof is 
gerijpt en wiens nauwe band met God 
over een periode van vele jaren is 
ontwikkeld. 

Ik maak me geen zorgen. Ik voel me 
vereerd in de gelegenheid te zijn met hem 
te dienen die nu als profeet aan het hoofd 
van dit volk staat. En als de tijd voor 
verandering komt, wanneer dat ook 
moge zijn volgens de wil van de Heer, zal 
ik zonder voorbehoud diegene onder- 
steunen die de Heer aanwijst binnen de 
procedure van opvolging die Hij heeft 
vastgesteld in zijn koninkrijk, want ik 
weet dat dit Gods werk is en dat Hij er 
heden ten dage evenzeer over waakt als 
Hij in het verleden heeft gedaan. Hij 
begaat geen vergissingen. 

Ik ben meerdere malen in de gelegen- 
heid geweest dit opmerkelijke proces 
gade te slaan. 

Vandaag heb ik iets te vieren. Het is 
precies vijfentwintig jaar geleden dat ik 
voor 't eerst werd gesteund als algemene 
autoriteit in de functie van assistent van 
de Raad der Twaalf. Grootse en indruk- 
wekkende dingen heb ik gedurende deze 
afgelopen kwart eeuw meegemaakt. De 
verschillende opdrachten die ik tijdens 
deze bediening uitgevoerd heb brachten 
me in vele landen over de gehele wereld, 
naar talrijke plaatsen waar ik met beide 
ogen vrede en oorlog heb aanschouwd, 
welvaart en verschrikkelijke armoede, 
vrijheid en onderdrukking. Ik ben getui- 
ge geweest van de wonderen die voort- 
spruiten uit geloof. Ik heb het bewijs 
gezien van ware goedheid en grootsheid 
in mannen en vrouwen die leven onder 
velerlei soorten omstandigheden. Ik heb 
op een zeer intieme en prachtige wijze 
gezien wat de macht van de Allerhoogste 
onder zijn kinderen tot stand brengt. Ik 



heb opgemerkt welke factoren wel en 
welke niet tot de groei van de kerk en de 
ontwikkeling van haar leden leiden. 

Toen ik vijfentwintig jaar geleden een 
algemene autoriteit werd, waren er 251 
ringen in de kerk. Nu zijn er 1402. Toen 
waren er 2362 wijken en onafhankelijke 
gemeenten. Nu hebben we er 13.616. De 
statistische gegevens welke op die confe- 
rentie van 1958 werden bekendgemaakt, 
vertellen ons dat er op 31 december 1957 
1.488.000 leden waren. Het vergelijkba- 
re cijfer op 31 december 1982 bedroeg 
5.165.000. De groei is wonderbaarlijk 
geweest. Populair uitgedrukt: „Kenne- 
lijk doen we het nog niet zo slecht." 
Neen, wij zijn het niet die dit tot stand 
gebracht hebben. Het is de Heer die al 
die krachten heeft beraamd en bestuurd 
die tot zo'n grootse oogst hebben 
gevoerd. 

Dit werk vertoont een opmerkelijke 
continuïteit en samenhang. De kracht 
ervan ligt in het vermogen van ieder lid 
en iedere oprechte onderzoeker om door 
de kracht van de Heilige Geest voor 
zich- of haarzelf uit te maken en te weten 
dat het waar is. Critici mogen hun leven 
lang trachten te ontkennen, te ontkrach- 
ten of twijfel te zaaien, maar allen die 
God in geloof vragen, hebben de garan- 
tie dat door de stem van de Geest de 
zekerheid zal komen dat dit werk godde- 
lijk is. 

We hoeven niet bang voor de toe- 
komst te zijn wanneer we vasthouden 
aan geopenbaarde beginselen. De pro- 
feet Joseph Smith zei eens: „Ga heen in 
alle deemoed en eenvoud en predik Jezus 
Christus, die gekruisigd werd; niet om 
met anderen te twisten wegens hun 
geloof, of godsdienstige stelsels, maar 
om een standvastige koers te volgen." 
{History of the Church, deel 2, blz. 431.) 



10 



De woorden „een standvastige koers 
volgen" spreken mij aan. Ik hoop dat we 
ze nooit zullen vergeten. De kerk is 
voortdurend sterker geworden, omdat 
degenen die ons zijn voorgegaan een 
standvastige koers gevolgd hebben. Er 
zijn mensen die onze kracht zouden 
versnipperen door ons ertoe te bewegen 
doelstellingen na te streven die niet 
direct te maken hebben met de grote 
opdracht van de kerk. We worden 
voortdurend uitgenodigd, ja, zelfs dringt 
men er sterk op aan, om samen met 
anderen op te marcheren ten bate van 
deze of gene zaak. Er zijn een aantal 
zaken waarbij de kerk terecht betrokken 
behoort te zijn, zaken die rechtstreeks 
verband houden met de kerk en haar 
opdracht en met het welzijn van haar 
leden. Het zijn diegenen die geroepen 
zijn om de kerk te leiden die bepalen 
welke zaken dat zijn. Het zullen er 
slechts weinige zijn, daar we onze krach- 
ten en hulpbronnen moeten sparen voor 
de veel grotere verplichting een stand- 
vastige koers te volgen bij de opbouw 
van Gods koninkrijk op aarde. 

Onze grote en fundamentele bood- 
schap tot de wereld is dat Jezus de 
Christus is, de Zoon van de levende 
God; dat Hij zijn leven gaf als zoenoffer 
voor de gehele mensheid; dat Hij uit het 
graf is opgestaan op die eerste paasmor- 
gen, „als eersteling van hen, die ontsla- 
pen zijn" (1 Korintiërs 15:20), dat 
„evenals in Adam allen sterven, ook zo 
in Christus allen levend gemaakt zullen 
worden" (1 Korintiërs 15:22); dat Hij 
leeft, onze verrezen Heer en Meester. 

Zoals al vaak vanaf dit spreekgestoel- 
te is gezegd, heeft Hij ons een drieledige 
opdracht gegeven: Ten eerste het onder- 
wijzen van het herstelde evangelie aan 
alle natiën, stammen, talen en volkeren; 



ten tweede het versterken van de heiligen 
in hun geloof en ze aanmoedigen om in 
al hun handelingen en bezigheden ge- 
hoorzaam te zijn aan Gods geboden; en 
ten derde de uitvoering van het grootse 
werk voor de zaligheid van de doden. 
Deze kolossale opdracht beoogt alle 




generaties van de mensheid - zij die ons 
zijn voorgegaan, zij die nu de aarde 
bevolken en zij die nog geboren zullen 
worden. Zij gaat verder dan welk ras, 
welke natie of generatie dan ook. Zij 
betreft de gehele mensheid. Het is een 
opdracht zonder weerga. De vruchten 
die ze afwerpt hebben eeuwigdurende 
consequenties. In de totstandbrenging 
van deze opdracht dienen we een stand- 
vastige koers te varen en niet inschikke- 
lijk te zijn, ons er nooit vanaf te laten 
brengen. 

Wij moeten ons meer inspannen voor 
het zendingswerk. President Kimball 
heeft herhaaldelijk aangespoord tot een 
bespoediging van dit werk. 

Ik weet dat op onze jongemannen de 
grote verplichting rust om zich door 



11 



middel van scholing voor te bereiden op 
het bekleden van verantwoordelijke po- 
sities in de samenleving. Hun tijd is 
kostbaar. Ik aarzel echter niet de belofte 
uit te spreken dat de tijd welke is 
doorgebracht in getrouwe en toegewijde 
zendingsarbeid door de prediking van de 
Heer alleen maar hun bekwaamheid zal 
doen toenemen om in de toekomst 
verantwoordelijke posities te bekleden. 
Welke beroepskeuze ze ook zullen ma- 
ken, ze zullen meer bekwaam zijn in hun 
vermogen zich uit te drukken, in hun 
arbeidsdiscipline, in de waarde die zij 
hechten aan opleiding, in de onkreuk- 
baarheid van hun leven en in de erken- 
ning van een hogere bron van kracht en 
macht dan die welke zij van nature 
bezitten. 

We moeten niet alleen een standvasti- 
ge koers volgen bij het onderrichten van 
ons eigen volk en het vervolmaken van 
hun leven, maar daarin ook ijveriger en 
doeltreffender zijn. 

We dienen vast te blijven houden aan 
de eerste beginselen. We moeten in 
hetgeen we onderwijzen prioriteiten 
aanbrengen om zodoende datgene te 
benadrukken wat van de grootste waar- 
de is. 

„. . . En één van hen, een wetgeleerde, 
vroeg, om Hem te verzoeken: Meester, 
wat is het grote gebod in de wet? Hij 
zeide tot hem: Gij zult de Here, uw God, 
liefhebben met geheel uw hart en met 
geheel uw ziel en met geheel uw ver- 
stand. Dit is het grote en eerste gebod. 
Het tweede, daaraan gelijk, is: Gij zult 
uw naaste liefhebben als uzelf. Aan deze 
twee geboden hangt de ganse wet en de 
profeten." (Matteüs 22:35-40.) 

Dit moet de basis zijn van ons onder- 
richt: liefde voor God en liefde voor en 



dienstbetoon aan anderen - buren, fami- 
lie en eenieder waarmee we te maken 
krijgen. Hetgeen we onderwijzen moet 
voortdurend worden getoetst aan deze 
twee door de Heer vastgestelde maatsta- 
ven. Als we dat doen, zal dit werk 
voortgaan zonder ophouden. Dan zul- 
len we als een stad worden, gelegen op 
een berg, waarvan het licht niet verbor- 
gen kan blijven. (Matteüs 5:14.) 

Vervolgens moeten we in een liefde- 
volle en offervaardige geest onze inspan- 
ningen uitbreiden ten behoeve van het 
werk voor de verlossing der doden door 
dienstbetoon in de tempels van de Heer. 
Dit dienstbetoon lijkt meer op het 
goddelijke werk van de Zoon van God, 
die zijn leven voor anderen gaf, dan welk 
ander werk mij bekend. 

Mijn broeders en zusters, als we 
bereid zijn een standvastige koers te 
volgen bij de uitvoering van deze 
reusachtige drieledige opdracht, dan 
zullen we met onze Vader in de hemel 
deelgenoot zijn in de volbrenging van 
zijn eeuwige doeleinden. U en ik kunnen 
als individu falen en de zegeningen 
mislopen. Maar zijn werk kan niet falen. 
Er zullen altijd mensen zijn, die Hij zal 
doen opstaan om het te volbrengen. Hij 
heeft verklaard: „De Here der heerscha- 
ren heeft gezworen: Voorwaar, zoals Ik 
gedacht heb, zo zal het geschieden, en 
zoals Ik besloten heb, zal het tot stand 
komen" (Jesaja 14:24). 

Ik getuig vanmorgen tot u, dat Hij, al 
wakend over Israël, sluimert noch 
slaapt. Ik bid nederig dat God ons moge 
helpen trouw te zijn aan het grote 
vertrouwen dat Hij in ons heeft gesteld 
en ik smeek de zegeningen van de Heer 
op u af, in de naam van Jezus Christus. 
Amen. □ 



12 



„Schijnt als lichtende sterren 
in de wereld" 



Ouderling Neal A. Maxwell 
van het Quorum der Twaalf Apostelen 




Gedurende heel wat jaren hebben we 
kunnen zien dat er in de literatuur, film 
en muziek steeds meer uiting wordt 
gegeven aan wat men is gaan noemen 
een existentiële wanhoop, een ongeëve- 
naard gevoel van hopeloosheid. Toege- 
geven, er zijn nog heel wat mensen die 
zich niet van de wijs laten brengen door 
deze gevoelens en met blijdschap hun 
dagelijkse arbeid doen. Maar slachtin- 
gen en oorlogen hebben hun afschuwe- 
lijke tol geëist en de mens van de 
twintigste eeuw beroofd van een groot 
deel van zijn hoop. Een vooraanstaand 
wetenschapper heeft gezegd: „Het meest 
schrijnende probleem van de moderne 
tijd is waarschijnlijk het gevoel dat bij 
vele mensen leeft dat het leven zijn 
betekenis heeft verloren . . . (een) opvat- 
ting die niet langer beperkt is tot de 
filosofische of literaire avant garde. Ze 
leeft onder alle maatschappelijke en 
economische groepen en beïnvloedt alle 
leefvormen." (René Dubos, So Human 



andAnimal, New York, Scribners, 1968, 
blz. 14 e.v.) 

Het is onnodig de aarzeling of de 
oprechtheid op grond waarvan sommige 
wanhopigen tot zulke onjuiste conclu- 
sies zijn gekomen, in twijfel te trekken. 
Integendeel, we leven met ze mee en 
verlangen in een vurige smeekbede onze 
armen tot ze uit te strekken! 

Deze verwarring en doelloosheid wer- 
den goed tot uiting gebracht tijdens de 
slotscène op een kerkhof van een pas op 
de televisie uitgezonden toneelstuk, toen 
een van de hoofdrolspelers bitter kla- 
gend zei: 

„Is het leven van alle mensen . . . 
gebroken, verward, vol zielestrijd en 
wars van alle romantiek, afgewisseld 
door gekrijs, idioterieën, folterende pij- 
nen en doodsstrijd? Wie zal het zeggen? 
... Ik weet het niet. . . . Waarom kan de 
mens niet hebben waar hij naar verlangt? 
Alles was er om iedereen tevreden te 
stellen en toch kreeg iedereen 't verkeer- 



13 



de. Ik weet het niet. Het gaat mij te 
boven. Het is een en al duisternis." 
(„The Good Soldier", een dramatisering 
van de roman van Ford Madox Ford.) 

Niettemin is zo'n schrijnende opvat- 
ting geen garantie voor de juistheid 
ervan. Bovendien nemen in het menselij- 
ke verkeer onjuiste en onbestreden be- 
weringen weleens een onverdiend au- 
reool van waarheid aan. Ofschoon een 
antwoord op deze hopeloosheid niet 
meteen overtuiging zal oproepen bij 
niet-gelovigen, kan het toch gelovigen 
sterken tegen de langzame erosie van 
hun eigen overtuigingen. 

Trouwens, zoals een profeet lang gele- 
den terecht zei, versterken droefheid en 
verdorvenheid elkaar, want „wanhoop 
komt tengevolge van ongerechtigheid". 
(Moroni 10:22.) 

Laat ons dus enkele van deze jammer- 
klachten naast de openbaringen van 
God plaatsen. De uitingen van wanhoop 
naast de goddelijke aankondiging van 
hoop. De vrees voor uitroeiing naast de 
verzekeringen van de opstanding. Be- 
krompenheid naast de alomvattendheid 
van het evangelie van Jezus Christus. Als 
we dit doen zullen we zien hoe bijziend 
sommige stervelingen zijn, net als in hun 
spel verdiepte kinderen in een boomhut 
die doen alsof ze heel flink zijn en alleen 
op aarde! 

De jammerklachten. De mens bewoont 
een „universum zonder borgsteller", een 
wereld „zonder meester" die „niets geeft 
om 's mensen hoop en vrees", een „rijk 
waarin toeval heerst", waarin de mens 
het slachtoffer is van „de alles vertrap- 
pende opmars van onbewuste mach- 
ten". (Bertrand Russell, „A Free Man's 
Worship", in Mysticism and Logic and 
Other Essays, London: George Allen 
and Unwin Ltd., 1950, blz. 57.) 



De openbaringen: „Hij is de God die de 
aarde geformeerd en haar gemaakt heeft 
. . . niet tot een baaierd, maar ter bewo- 
ning heeft Hij haar geformeerd." (Jesaja 
45:18.) 

„Want Hij is onze God, en wij zijn het 
volk dat Hij weidt, de schapen zijner 
hand." (Psalm 95:7.) 

„Want zie, dit is Mijn werk en Mijn 
heerlijkheid - de onsterfelijkheid en het 
eeuwige leven van de mens tot stand te 
brengen." (Mozes 1:39.) 

„De mensen zijn opdat zij vreugde 
mogen hebben." (2 Nephi 2:25.) 

„En de haren van uw hoofd zijn ook 
alle geteld." (Matteüs 10:30.) 

Niet alleen de haren op ons hoofd zijn 
geteld, ook de planeten: „Maar ik spreek 
tot u slechts van deze aarde en haar 
inwoners, want zie, er zijn vele werelden, 
die door het Woord Mijner macht zijn 
voorbijgegaan. En er zijn vele werelden 
die nu bestaan, en voor de mens zijn ze 
ontelbaar; maar bij Mij zijn alle dingen 
geteld, want ze zijn de Mijne en Ik ken 
ze." (Mozes 1:35.) 

De angsten: De mensheid is gedoemd tot 
de ondergang ... we kunnen er niets aan 
doen. We zullen geen persoonlijk leven 
hebben nadat we ten grave zijn gedra- 
gen; er bestaat geen god. „Het noodlot 
kent toorn noch mededogen." (James 
Thomson, The City of Dreadful Night 
and Other Poems, London: Bertram 
Dobell, 1899, blz. 29-30, 35-36.) 

De geruststellingen: „En de graven gin- 
gen open en vele lichamen der ontslapen 
heiligen werden opgewekt. En zij gingen 
uit de graven na zijn opstanding en 
kwamen in de heilige stad, waar zij aan 
velen verschenen," (Matteüs 27:52-53; 
zie ook 3 Nephi 23:9-11.) 



14 



„Dood waar is uw overwinning, dood 
waar is uw prikkel." (1 Korintiërs 
15:55.) 

„O, hoe groot is het plan van onze 
God." (2 Nephi 9:13.) 

Sommigen wanhopen en blijven wil- 
lens en wetens in onwetendheid, zoals 
Petrus zei (2 Petrus 3:5), of, zoals Nephi 
zei, willen zij niet zoeken naar kennis, 
noch grote kennis verstaan (zie 2 Nephi 
32:7). Voor dezen is een pessimistische 
filosofie „aangenaam voor het zinnelijk 
gemoed." (Alma 30:53.) Waarom? Om- 
dat losbandigheid welig tiert temidden 
van een gevoel van hopeloosheid. Om- 
dat, als menselijke begeerten abusieve- 
lijk worden beschouwd als de enige echte 
werkelijkheid en het „nu" wordt gezien 
als het enige moment dat er toe doet, er 
geen enkele reden is om niet toe te geven 



aan ieder impuls of om welke bevredi- 
ging dan ook uit te stellen. Vandaar dat 
onsterfelijkheid en verantwoordelijk- 
heidsgevoel met elkaar verweven zijn! 

Jawel, er zijn er die ook zonder hoop 
rechtschapen blijven, ondanks het feit 
dat ze tot zulk een onjuiste conclusie 
gekomen zijn. In dergelijke nette mensen 
brandt het licht van Christus nog, hoe- 
wel onopgemerkt (zie Leer en Verbon- 
den 84:46). Wanneer dat niet het geval 
was, dan zouden we een Gandhi verach- 
ten en een Hitler bewonderen, in plaats 
van het tegenovergestelde! 

Het feit dat een dergelijk pessimisme 
zich verspreidt betekent niet noodzake- 
lijkerwijs „terug naar de catacomben" 
voor de christenen, of dat wereldlijke 
Caesars het Colosseum binnenkort zul- 
len heropenen. Niettemin zijn er reeds 




15 



would-be Caesars, die zullen weigeren 
tevreden te zijn met burgers die aan 
Caesar slechts datgene geven wat hem 
toekomt - en aan God al wat Hem 
toekomt. (Zie Matteüs 22:21.) 

Dit gevoel van wanhoop wordt verder 
versterkt door de bewezen leegheid van 
het materialisme. Een toename aan bezit 
compenseert niet voor een afname aan 
goedheid. Zo ook houdt het louter 
opeenstapelen van kennis zonder doel en 
het vergaren van informatie zonder 
wijsheid alleen maar een eindeloos leer- 
proces in zonder ooit tot kennis van de 
waarheid te komen. (Zie 2 Timoteüs 
3:7.) 

Gekweld door zielsangst zwerven 
sommigen rond op de aarde op zoek 
naar de waarheid, niet wetende waar ze 
te vinden. (Zie Amos 8:11-12; Leer en 
Verbonden 123:12.) Een van deze dwa- 
lenden, een vooraanstaand iemand, 
werd door een collega als volgt beschre- 
ven: „Het is vreemd hoe vasthoudend hij 
is ... in zijn omzwervingen. Hij is niet in 
staat te geloven, maar voelt zich even- 
min op zijn gemak in zijn ongeloof." 
(Nathaniel Hawthorne, 20 november 
1856 in English Notebooks, ed. Randall 
Stewart, New York: MLA, blz. 432- 
433.) 

Zo staat het er dus voor met de wereld 
waar wij deel van uitmaken. Velen 
verwerpen de Schriften, het zedelijk 
geheugen van de mensheid en verklaren 
met absolute overtuiging dat absolute 
zekerheden niet bestaan. Anderen ver- 
werpen het licht van het evangelie en 
mopperen tegelijkertijd over de groeien- 
de duisternis. Nog weer anderen snijden 
zichzelf af van God en klagen over de 
eenzaamheid van het heelal. Sommigen 
volgen de paden van hem die openlijk de 
ellende van het mensdom nastreeft (zie 2 



Nephi 2:27) en jammeren over hun 
ontevredenheid. 

De ware christen beschouwt het leven 
natuurlijk niet als een makkelijk tocht: 
„Het kruis komt voor de kroon en 
morgen is het maandag!" (CS. Lewis, 
the Weight of Glory, New York: 
McMillan, 1980.) Met hoop op lange 
termijn kunnen we echter een opge- 
ruimd leven leiden temidden van drei- 
gende onzekerheid. Het leven is een 
beproeving waar de mens door geloof 
moet overwinnen terwijl hij het nauwe 
en smalle pad volgt - dat beslist geen 
roltrap is - maar het pad is er wel! 

En de dood is niet de permanente 
vernietiging van de menselijke persoon- 
lijkheid en individualiteit! President 
Brigham Young verklaarde wijs dat het 
behoud van de menselijke intelligentie 
en individualiteit door het verzoenings- 
werk en de opstanding „de grootste gave 
(is), ooit aan de mensheid verleend." 
{Journal of Discour ses, deel 5, blz. 53.) 

Net zoals de profeet Joseph Smith bij 
zijn vertaalwerk waarheden tegenkwam 
die diepzinniger waren dan zelfs hij op 
dat moment vermoedde - zijn wij de 
hoeders en bezitters van een evangelie 
van sprankelend levende en reële hoop. 
Het is een hoop waar velen intenser naar 
verlangen dan we voor mogelijk houden. 
Wij dienen de zaak van de Heer soms op 
een armzalige wijze, met onze gepro- 
grammeerde oppervlakkigheid en met 
ons gebrek aan medeleven met hen die in 
wanhoop doelloos voortsukkelen. 

We wonen en lopen werkelijk in „een 
straat vol schitterende vreemden", die 
we moeten liefhebben en dienen, zelfs als 
ze niet evenveel belangstelling hebben 
voor ons! 

Daarom is de geschiedenis nog geen 
bewijs voor een zinloze wereld, als we 



16 



tenminste willen zien met het oog des 
geloofs. In plaats daarvan zien we, naar 
gelang de rolverdeling in deze sterfelijke 
periode verandert, steeds weer de opeen- 
volgende golven mensen. 

En hoe gemakkelijk sommige van die 
wanhopige spelers in dit menselijk^dra- 



„Wij zijn de hoeders en 

bezitters van een evangelie 

van sprankelende en reële 

hoop. Het is een hoop 

waarnaar velen intenser 

verlangen dan we voor 

mogelijk houden." 



ma zich ook uitdrukken, zonder het licht 
van het evangelie zien ze slechts een 
nietig onderdeel van één toneel, niet eens 
een heel bedrijf. En zeker het hele 
toneelspel niet. Dezulken worden uitge- 
nodigd om de bedoelingen en onderrich- 
tingen van de Auteur van dit toneelspel 
te begrijpen. Maar wanneer Hij tenslotte 
„ten tonele verschijnt, is het spel 
voorbij". 

Intussen moeten we ermee ophouden 
het menselijk falen toe te schrijven aan 
God! „Gedenk, gedenk, dat het niet het 
werk van God is, dat wordt verijdeld, 
doch het werk van mensen." (Leer en 
Verbonden 3:3.) 

Voorwaar, 's mensen successen en 
mislukkingen waren van den beginne 
voor de Heer bekend en werden door 
Hem in aanmerking genomen bij het 



ontvouwen van zijn plan van zaligheid 
(zie 1 Nephi 9:6). Zijn voornemens 
zullen volledig tot stand worden 
gebracht. 

Gerechtigheid, liefde, genade en 
waarheid zullen uiteindelijk zegevieren 
in een heelal gepresideert door een Heer, 
die zowel een vastberaden als een lief- 
hebbende Mentor is. Dit is de sterfelijke 
school waarvan de Vader en de Zoon 
plechtig hebben verklaard: ,,En wij zul- 
len hen hiermee beproeven om te zien of 
zij alles zullen doen wat de Here, hun 
God, hun ook zal gebieden." (Abraham 
3:25.) 

De Heer weet hoe werkelijke indivi- 
duele ontwikkeling een omgeving vergt 
waarin zowel sprake is van vrije wils- 
uitoefening als van gunstige kansen. Een 
andere weg is er niet. 

Het is dan ook niet verwonderlijk, dat 
apostelen en profeten ons hebben gezegd 
ons niet te laten afbrengen van de hoop 
van het evangelie, want hoop is „een 
anker der ziel" (Hebreeën 6:19), „het- 
geen hen zeker en standvastig zal maken, 
en altijd overvloedig in goede werken." 
(Ether 12:4; zie ook Kolossenzen 1:23.) 

Het is daarom noodzakelijk dat toege- 
wijde discipelen doen zoals Paulus zei: 
„schijnen als lichtende sterren in de 
wereld" (Filippenzen 2:15), ter verlich- 
ting van de vallei der laatste dagen die 
Joel voorzag : „Menigten, menigten in 
het dal der beslissing, want nabij is de 
dag des HEREN in het dal der beslis- 
sing." (Joel 3:14; zie ook Openbaring 
16:16; Zacharias 14:2.) 

De wijze waarop deze verlichte perso- 
nen „dagelijks (het) kruis op zich ne- 
men", (Lucas 9:23) is op zich al een 
leerrede. Hun leven staat niet in het 
teken van stille wanhoop, maar van 
kalme inspiratie, die voor hen de „verde- 



17 



diging en de bevestiging van het evange- 
lie" vertegenwoordigt, zoals Paulus dat 
zou noemen. (Filippensen 1:7.) 

Hun levensloop vertegenwoordigt een 
kleinere en meer rustige geschiedenis 
binnen de grotere en meer rumoerige 
menselijke geschiedenis, een vreugdevol 
en geruststellend toneelstuk binnen het 
meer wanhopige drama, dat zich op deze 
planeet voltrekt. 

Het eerste toneel: Een zendingspresi- 
dent wordt op zeer korte termijn geroe- 
pen een overleden zendingspresident te 
vervangen. De trouwe echtgenote van de 
overleden zendingspresident begeleidt 
het lichaam van haar man huiswaarts, 
terwijl aan de andere kant de vrouw van 
de pasgeroepen zendingspresident, net 
herstellend van een operatie, bereidwil- 
lig aan de oproep voldoet haar man te 
vergezellen zo ver van huis. Elk van deze 
zusters biedt met vertrouwen, zachtmoe- 
digheid en zonder te klagen 't hoofd aan 
haar zware opdracht, wetende dat de 
enige échte tragedie in het leven de zonde 
is! 

Een tweede momentopname: Een jon- 
ge zendingspresident, zijn vrouw en vijf 
kinderen in Spartaanse omstandigheden. 
Het water moet worden gekookt, en 
meegenomen in hun busje, waarna zij 
urenlang onder een verschroeiende zon 
rijden om de her en der verspreid 
wonende zendelingen en heiligen te be- 
zoeken. Geadopteerde kinderen van een 
andere cultuur bevinden zich op dit 
ogenblik onder de hoede van een gezin 
waar een celestiale cultuur wordt ont- 
wikkeld en waar de moeder de enige is 
die de kinderen les kan geven. Zonder te 
klagen voert dit gezin efficiënt zijn 
dagelijkse werkzaamheden uit - zonder 
te beseffen hoe bijzonder het eigenlijk is! 
Ze weten dat zij onder deze geruststel- 




lende uitspraak vallen: „alle vlees is in 
Mijn hand; wees stil, en weet, dat ik God 
ben." (Leer en Verbonden 101:16.) 

Een ander geval is dat van een militair 
in Duitsland, die, bekommerd om hun 
lot, zijn busje vult met collega's om een 
bijzondere jong-volwassenenconferentie 
bij te wonen. Een van zijn vrienden kan 
niet op tijd gevonden worden, waarop 
deze bijzondere militair wat van zijn 
weinige en kostbare spaargeld achterlaat 
zodat hij zich alsnog per vliegtuig naar 
die conferentie kan begeven om het zo 
broodnodige geestelijke voedsel te ver- 
krijgen. In wezen volgt deze weldoener 
het tweede grote gebod en verwerpt hij 
het wanhopige standpunt „wat kan me 
de rest schelen". 

Nog een portret is van een jeugdige 
discipel, een gymnastiekbeoefenaarster, 
die door een val werd verlamd. Ze 
verviel niet in verlamming des geestes, 
maar in godsvrucht. Ze is geworden tot 
een getuige in een rolstoel. Wat staat ze 
geestelijk recht en wat een voorbeeld is 
zij niet voor anderen! Hetgeen zij verlo- 
ren heeft is als een uitgraving, het 
klaarmaken van een reservoir, waarin 



18 



eens een gulle God compenserende zege- 
ningen naar de mate van Maieachi zal 
uitstorten, ja, „zegen in overvloed." (Zie 
Maieachi 3:10.) 

Een andere opname: weduwen en 
weduwnaren, die geduldig en met ver- 
trouwen op het moment van hun heen- 
gaan van deze aarde wachten, wanneer 
ze zich opnieuw bij hun eeuwige partners 
kunnen voegen. Intussen doen zij hier 
hun taken en plichten. Net als Alma en 
Paulus hebben zij geleerd tevreden te zijn 
onder de hun toegemeten omstandighe- 
den. (Zie Alma 29:3; Filippenzen 4:11.) 

Evenzo hebben we grote bewondering 
voor degenen die onrecht is aangedaan 
en niettemin voortgaan met goeddoen 
en weigeren om zich beledigd of verbit- 
terd te voelen. Laat anderen God iets 
ongerijmds toeschrijven (zie Job 1:22); 
deze trouwe zielen zijn grootmoedig en 
vergevensgezind, zoals de edelmoedige 
Jozef in Egypte was ten opzichte van zijn 
broers, die zo'n grote fout hadden 
begaan: „Maar wees nu niet verdrietig 
en ziet er niet zo ontsteld uit, omdat gij 
mij hierheen verkocht hebt, want om u 
in het leven te behouden heeft God mij 
voor u uitgezonden." (Genesis 45:6.) 
Zulke heiligen vertonen vergevensge- 
zindheid, waar anderen zich zouden 
verlustigen in hun wrok! 

Men wordt verdeemoedigd door de 
geestelijke onderworpenheid van die 
stervende jonge moeder van zesentwin- 
tig, die begrijpelijkerwijs door smart 
wordt verteerd, wetende dat zij haar 
twee kinderen niet zal opvoeden, terwijl 
zij nog maar zo kort tevoren aan de 
tweede het levenslicht schonk en daarbij 
bereid was geweest zonodig het leven te 
laten. De baby kwam veilig ter wereld, 
maar helaas kon de dappere moeder niet 
blijven. Het was ontroerend hoe deze 



jonge zuster met kinderlijk geloof vroeg, 
„als ik moet sterven, hoe kan ik dan mijn 
man en ouders helpen die dit aan moeten 
zien"? Zij (en vele anderen met haar die 
in overeenkomstige omstandigheden 
verkeren) past volkomen in het beeld dat 
koning Benjamin schetste van een heili- 
ge die „gewillig is zich aan alles te 
onderwerpen, wat de Here geschikt acht 
hem op te leggen, evenals een kind zich 
aan zijn vader onderwerpt." (Mosiah 
3:19.) 

Zulke mensen zijn voor ons als een 
levende toespraak over godsvrucht. Het 
licht van het evangelie heeft hun zielen 
„zo van vreugde doortinteld," dat iedere 
wolk der duisternis wordt verdreven. 
(Alma 19:6.) 

„Met de hoop en het geduld, die de 
liefde slechts kent," doen dezen het werk 
dat de Heer hun heeft opgedragen. (Zie 
Lofzang nr. 181, „Komt, de reis nu 
hervat".) 

Laat de winden en de stormen maar 
over deze trouwe heiligen komen; ze 
zullen de wereld aan zich onderwerpen - 
niet andersom. Anderen zullen tekort 
schieten; zij niet! Laat anderen maar 
pruilen en twijfelen; dezen niet! Laat 
sommigen rumoerig de draak steken met 
de tempel; dezen zullen rustig tot de 
tempels samenstromen, om het werk te 
doen van Hem wiens huis dit is! 

God zegene u, de trouwe broeders en 
zusters, want u „schijnt als lichtende 
sterren in de wereld" (Filippenzen 2:15), 
als bakens om wanhoop te verdrijven. 
Aan een wereld die geestelijk analfabeet 
is, geeft u grootse lessen in evangelie- 
grammatica, waaronder deze: De dood 
is slechts een komma, geen uitroepteken! 

In de heilige naam van Jezus Christus. 
Amen. D 



19 



Het avondmaal 



Ouderling David B. Haight 
van het Quorum der Twaalf Apostelen 




Ik wilde dat iedereen op kon groeien 
in een kleine stad. Ik heb zoveel gelukki- 
ge herinneringen aan de tijd dat ik een 
jochie was. Tijdens die heerlijke zomer- 
en winteravonden maakten we het gezel- 
lig door ons grotendeels zelf te verma- 
ken. Het was een prachtige tijd. 

Naast de school was onze kerk het 
belangrijkste gebouw van ons stadje. De 
kapel had een indrukwekkend in twee 
verhogingen verdeeld podium. Dit po- 
dium was vrij groot en op de eerste 
verhoging bevond zich aan de ene kant 
een tafel voor de wijkadministrateur, 
aan de andere kant een piano en precies 
in het midden stond de avondmaalstafel. 
Op het hoogste deel van het podium 
bevond zich het spreekgestoelte met zijn 
rode pluche bekleding en de prachtig 
gebeeldhouwde stoelen met rode pluche 
zittingen die voor de bisschap of bezoe- 
kende autoriteiten bestemd waren. Aan 
de achterste muur van de kapel hingen 
twee indrukwekkende olieverfschilder- 
ijen van de tempels van Kirtland en van 
Salt Lake City. Iedereen die de vergade- 
ring bijwoonde had altijd een duidelijk 
uitzicht op het statige spreekgestoelte 



en, natuurlijk, op de avondmaalstafel. 

Avondmaalsvergaderingen waren 
steeds bijzondere gebeurtenissen. De 
Heer leerde, dat „het dienstig is, dat de 
gemeente dikwijls te zamen vergadert 
om brood en wijn te nuttigen ter gedach- 
tenis van de Here Jezus." (Leer en 
Verbonden 20:75.) Wij van het 
Aaronisch priesterschap beseften dat het 
een bijzonder gebeuren was. We waren 
goed geoefend en wisten precies wat we 
moesten doen. We hadden thuis en in 
onze quorumvergaderingen geleerd dat 
het een grote eer voor ons was om Gods 
heilige priesterschap te dragen, dat ons 
het gezag verleende om de heilige veror- 
deningen van het evangelie te bedie- 
nen.. . . 

Ik kan me nog levendig herinneren 
hoe wij, als diakenen de twee priesters 
bewonderden, die op de eerste verhoging 
van het podium zaten en de zegen over 
het avondmaal van de Heer zouden 
uitspreken. Iedereen in de kapel kon hen 
zien. Ik weet zeker, dat zij zich het 
gewicht van het gebeuren bewust waren. 
Ze waren netjes gekleed in hun beste 
kleren en terdege voorbereid. 



20 



De bisschap, gezeten in hun speciale 
stoelen, bevonden zich op de verhoging 
boven die waarop de priesters zaten. 
Iedereen kon hen zien. De priesters 
handelden en zagen er even voornaam 
uit als de bisschap. 

Wij als diakenen en leraren zaten op 
de eerste rij, klaar om het avondmaal 
rond te dienen. Ik herinner me nog hoe 
de broodschalen glommen en hoe de 
glaasjes voor het water glinsterden. Alles 
wat met de avondmaalstafel te maken 
had, het linnengoed inbegrepen, was 
onberispelijk en op tijd klaar. 

Iedereen werd verondersteld het 
avondmaalslied mee te zingen. En ieder- 
een zong ook mee. Kinderen werd niet 
alleen geleerd eerbiedig te zijn, maar 
werden ook geholpen met het van buiten 
leren van de woorden van de meest 
bekende avondmaalsliederen. Ik zie de 
muziekleidster, zuster Ella Jack, nog 
tussen de avondmaalstafel en de piano 
staan, zodat iedereen haar goed kon 
zien. Voor het inzetten van het lied keek 
zij altijd onderzoekend rond om zich 
ervan te verzekeren dat iedereen een 
zangboek had en klaar was om te gaan 
zingen. Ze zag er in het bijzonder op toe 
dat de Aaronische priesterschap van 
zangboeken was voorzien. Wij zongen 
allemaal mee. We leerden in onze jeugd, 
dat als we de Geest wilden voelen we een 
verandering in onze harten moesten 
ondergaan en om in volledige harmonie 
te zijn tijdens zulk een heilige gebeurte- 
nis was het noodzakelijk dat we het 
avondmaalslied meezongen. Terwijl we 
de woorden persoonlijk zongen, werden 
onze zielen er beter op voorbereid om 
deze heilige verordening te begrijpen. Bij 
het laatste avondmaal zongen de aposte- 
len met de Heer mee: „En na de lofzang 



gezongen te hebben vertrokken ze naar 
de Olijfberg." (Matteüs 26:30.) 

En in die avondmaalsvergadering 
zongen we dan.. . . 

Bij 't gebed voor 't brood en 't water 
smeken wij met heilig vuur 
in de deemoed onzer harten: 
Zend Uw Geest ons in dit uur. 
Laat ons niet vergeten, Heiland, 
dat Gij voor ons leedt en stierft 
aan het smart' lijk kruis der schande, 
ons de zaligheid verwierft. 

Vul ons harte met vergeving, 
leer verdraagzaamheid ons Heer, 
moog' ons bidden U bereiken 
in Uw hoge, heil 'ge sfeer. 
Mochten wij Uw offerande 
waardig zijn door ons gedrag. 
Laat ons, Heer, dan met U wonen 
in die glorierijke dag. 
(Heilige lofzangen, nr. 91.) 

Deze woorden werden dan als het 
ware in onze harten gegraveerd omdat 
we ze echt gezongen hadden. De ziel 
stroomt vol hemelse gedachten als men 
deelneemt aan hemelse handelingen, die 
vergezeld gaan door hemelse melodieën. 

Nadat het avondmaalslied was gezon- 
gen, knielden de priesters neer op een 
klein rood fluwelen bankje en spraken 
de zegen over het brood en het water uit. 
Wij hadden geen voorbedrukte kaartjes, 
maar afdeling twintig van de Leer en 
Verbonden lag geopend op tafel, voor 
het geval het nodig mocht zijn. Er waren 
geen microfoons of luidsprekers. Men 
had de priesters geleerd langzaam en 
duidelijk te spreken en goed te articule- 
ren, opdat iedereen de woorden van dit 
heilige gebed, welke ons stuk voor stuk 
door de Verlosser zelf waren gegeven, 
kon verstaan en begrijpen. 

Onze quorumadviseurs gaven ons in 
onze priesterschapsvergaderingen les 
over het heilige karakter van de verorde- 



21 



ning van het avondmaal - hoe we aan de 
Heiland behoorde te denken, over zijn 
offer voor ons, over het belang van onze 
kleding en ons uiterlijk en hoe we van 
deze rustige momenten gebruik konden 
maken om ons voor te nemen beter ons 
best te doen al de geboden te onderhou- 
den. We letten zorgvuldig op wanneer 
onze eigen priesters deze heilige hande- 
ling, die enigszins gelijkenis vertoonde 
met de allereerste handeling in deze 
soort, uitvoerden en luisterden toe ter- 
wijl zij de goddelijk geopenbaarde zegen 
over het brood en het water uitspraken, 
ter gedachtenis van het vlees en bloed 
van onze Verlosser. Terwijl de priester 
aldus in het openbaar onze Eeuwige 
Vader in de hemel aanspreekt, kan hij, 
als hij geestelijk juist is afgesteld, in 
gedachten zich een beeld vormen van 
een liefhebbende Hemelse Vader die 
luistert naar zijn nederige bede. 

,,0 God, de Eeuwige Vader, wij 
bidden U in de naam van Uw Zoon 
Jezus Christus, dit brood te zegenen en 
te heiligen voor de zielen van allen, die 
ervan nuttigen; dat zij het mogen eten ter 
gedachtenis van het lichaam van Uw 
Zoon, en voor U, o God, de Eeuwige 
Vader, betuigen, dat zij gewillig zijn de 
naam van Uw Zoon op zich te nemen, 
Zijner altijd indachtig te zijn, en Zijn 
geboden te onderhouden, die Hij hun 
heeft gegeven, opdat zij altijd Zijn Geest 
met zich mogen hebben." (Leer en 
Verbonden 20:77.) 

Ik zou willen dat de jongens van de 
Aaronische priesterschap van de hele 
kerk in dezelfde gelegenheid konden zijn 
als wij, om ouderling Howard W. Hun- 
ter in de tempel het avondmaal te horen 
inzegenen. Hij is een bijzonder getuige 
van Christus. Als ik hem onze Hemelse 
Vader heb horen vragen het avondmaal 



te zegenen, heb ik de diepe spiritualiteit 
van zijn ziel gevoeld. Elk woord is helder 
en betekenisvol. Hij is niet gehaast. Hij 
fungeert als spreekbuis voor alle aposte- 
len bij het aanspreken van onze Hemelse 
Vader. Elk woord van het avondmaals- 
gebed is onmisbaar. Iedereen die de 
avondmaalsvergadering bijwoont dient 



„Onze geestelijke 

hernieuwing en gedane 

beloften van iedere zondag 

dienen zich te weerspiegelen 

in ons door-de-weeks 

gedrag." 



elk woord duidelijk te horen en te 
mediteren over het verbond dat juist 
gemaakt is en over zijn of haar persoon- 
lijke waardigheid. 

De verordening van 's Heren avond- 
maal werd door de Verlosser zelf inge- 
steld, zoals is vastgelegd door de evange- 
listen. Ouderling James E. Talmage 
schrijft: 

„Terwijl Jezus met de Twaalf nog aan 
tafel zat, nam Hij een brood en na 
eerbiedig te hebben gedankt en het door 
zegening te hebben geheiligd, gaf Hij elk 
van de apostelen een deel, zeggende: 
, Neemt, eet, dat is Mijn lichaam,' . . . 
Daarna een beker wijn nemende, dankte 
Hij en zegende die en gaf hem aan hen 
met het gebod: , Drinkt allen daaruit, 
want dat is Mijn bloed, het bloed des 
nieuwen testaments, hetwelk voor velen 
vergoten wordt tot vergeving der zon- 



22 



den.. . .' Op deze eenvoudige en indruk- 
wekkende wijze werd de verordening 
ingesteld, die sindsdien bekend is als het 
Sacrament van des Heren Avondmaal. 
Het brood en de wijn, door gebed 
behoorlijk ingezegend, worden de em- 
blemen van des Heren lichaam en bloed, 
om eerbiedig en te Zijner nagedachtenis 
te worden gegeten en gedronken." {Je- 
zus de Christus, blz. 437^138.) 

Deze heilige verordening werd later 
door de Verlosser onderwezen aan de 
Nephieten op het westelijk halfrond. Na 
gesproken te hebben en de zieken te 
hebben genezen, „gebood (Jezus) Zijn 
discipelen, dat zij Hem brood en wijn 
zouden brengen . . . 

(Hij) nam . . . van het brood, en brak 
en zegende het; en Hij gaf de discipelen, 
en gebood, dat zij zouden eten. 

En toen zij hadden gegeten . . . gebood 
Hij, dat zij de schare zouden geven." (3 
Nephi 18:1, 3-4.) De Verlosser leerde de 
discipelen „het aan het volk van Mijn 
kerk te geven, aan allen, die zullen 
geloven en in Mijn naam worden 
gedoopt. 

En dit zult gij altijd onderhouden, 
zoals Ik het heb gedaan - zoals Ik brood 
heb gebroken en het gezegend en aan u 
heb gegeven . . . 

En dit zult gij altijd doen met hen, die 
zich bekeren en in Mijn naam worden 
gedoopt; en gij zult het doen ter gedach- 
tenis van Mijn bloed, dat Ik voor u heb 
vergoten, zodat gij tot de Vader moogt 
getuigen, dat gij Mijner altijd indachtig 
zijt. En indien gij Mijner altijd indachtig 
zijt, zult gij Mijn Geest met u hebben. 

En Ik geef u een gebod, dat gij deze 
dingen zult doen. En gezegend zijt gij, 
indien gij deze dingen altijd zult doen, 
want gij zijt op Mijn rots gebouwd." (3 
Nephi 18:5-6, 11-12.) 



De gelegenheid die wij elke week 
hebben om van het avondmaal van de 
Heer te nemen, is een van de heiligste 
verordeningen van De Kerk van Jezus 
Christus van de Heiligen der Laatste 
Dagen en is een verdere blijk van zijn 
liefde voor ons allemaal. Wanneer wij 
aan het avondmaal deelnemen hebben 
wij te maken met beginselen, die van 
fundamenteel belang zijn voor 's mensen 
vooruitgang en verhoging in Gods ko- 
ninkrijk en voor het vormen van ieders 
geestelijk karakter. Onze geestelijke her- 
nieuwing en gedane beloften van iedere 
zondag dienen zich te weerspiegelen in 
ons door-de-weeks gedrag. Het is moge- 
lijk dat we in gebreke blijven de diepe 
geestelijke betekenis te beseffen die deze 
verordening ons persoonlijk biedt. Is het 
mogelijk dat wij onszelf, door een non- 
chalante houding van onze kant en een 
routine-achtige afhandeling van deze 
heilige gebeurtenis als ware het louter 
een formaliteit, beroven van onze kans 
op geestelijke groei? 

Wij betreuren allemaal wel bepaalde 
woorden of daden of gedachten die van 
sabbat tot sabbat van ons zijn uitgegaan 
en die we graag uit onze ziel zouden 
willen wissen. Misschien hebben we een 
fout begaan tegenover iemand of hebben 
we deze of gene gekwetst; of, misschien 
koesteren wij negatieve gevoelens en 
moeten we ons bekeren en vergeving 
ontvangen van hen die wij hebben 
geschaad of tegen wie wij gezondigd 
hebben, om ons vervolgens in alle neder- 
igheid en met een verslagen geest voor te 
bereiden om waardig van het avondmaal 
te kunnen nemen. Als we ons oprecht 
hebben bekeerd kunnen we vergeven 
worden en kan onze ziel geestelijke 
genezing ontvangen. U en ik hebben het 
ervaren. 



23 



Door middel van openbaring leerde 
de Heer, dat „de leden voor de kerk, en 
eveneens voor de ouderlingen, door een 
godvruchtige wandel en omgang dienen 
te tonen, dat zij . . .waardig zijn. . .en zij 
in heiligheid voor de Here wandelen." 
(Leer en Verbonden 20:69.) 

De Verlosser leerde eveneens: „gij zult 
niemand willens en wetens onwaardig 
van Mijn vlees en bloed laten nuttigen." 
(3 Nephi 18:28.) 

Enige jaren geleden schreef ouderling 
Meivin J. Ballard: „Ik getuig dat er 
tijdens de bediening van het avondmaal 
een geest aanwezig is, die de ziel van 
hoofd tot voeten verwarmt; men voelt 
hoe de wonden der geest worden gene- 
zen en hoe de last wordt verlicht. 
Vertroosting en een gevoel van geluk 
dringen de ziel binnen die waardig en 
met oprecht verlangen van dit geestelijk 
voedsel neemt." {Crusader for Righ- 



teousness, Salt Lake City, Bookcraft, 
1966, blz. 133.) 

Tijdens het zegenen en ronddienen 
van het avondmaal hebben de aanwezi- 
gen de gelegenheid om na te denken over 
de kostbare gaven die beschikbaar zijn 
dank zij het offer dat Hij voor ieder van 
ons heeft gebracht, want het avondmaal 
wordt gezegend en geheiligd opdat een 
ieder er van moge eten ter gedachtenis 
van de Zoon van God. (Zie Leer en 
Verbonden 20:77.) 

Gewoonlijk hebben we elke week, 
voor iets meer dan een uur, de gelegen- 
heid om de avondmaalsvergadering bij 
te wonen en om na te denken over het 
leven van onze Verlosser; om ons met 
diepe dankbaarheid en eerbied zijn leven 
van zuiverheid, goedheid en liefde voor 
de geest te roepen; om het grote zoenof- 
fer te overdenken; en om te nemen van 
het gebroken brood, dat zijn opengere- 



si, 








24 



ten lichaam symboliseert, en te drinken 
uit de beker, waarvan de inhoud het 
symbool is van zijn bloed, dat aan het 
kruis werd vergoten. 

De Verlosser onderwees de Nephie- 
ten: ,,Ik ben in de wereld gekomen om de 
wil van Mijn Vader te doen, omdat Mijn 
Vader Mij heeft gezonden. En Mijn 
Vader heeft Mij gezonden opdat Ik aan 
het kruis zou worden verheven; . . . 
opdat Ik alle mensen tot Mij mocht 
trekken." (3 Nephi 27:13-14.) 

Wanneer we van het avondmaal ne- 
men en ieder afzonderlijk over zijn offer 
nadenkt, doen we de plechtige belofte de 
geboden te onderhouden, welke Hij ons 
heeft gegeven, opdat wij daardoor altijd 
zijn Geest met ons mogen hebben. Door 
elke zondag van het avondmaal te 
nemen ontvangen we de bemoediging en 
kracht om Gods geboden te onderhou- 
den en om rechtschapen, deugdzaam en 
eerlijk te leven. Was het niet Jezus zelf 
die er de volgende opsomming van gaf: 
„Gij zult de Here, uw God, liefhebben 
uit geheel uw hart en met geheel uw ziel 
en met geheel uw kracht en met geheel 
uw verstand, en uw naaste als uzelf." 
(Lucas 10:27.) 

Dat is hetgeen waartoe iedereen, die 
van het avondmaal neemt, zich verbon- 
den heeft. Het naleven van Gods gebo- 
den, verplicht iemand tot een leven van 
deugdzaamheid, van goedheid jegens de 
samenleving en oprechte hulpvaardig- 
heid ten opzichte van de mensheid, een 
leven waarin haat, vijandigheid, onzede- 
lijkheid, zelfzuchtigheid, dronkenschap, 
jalouzie en oneerlijkheid worden 
uitgebannen. 

Mogen wij de vreugde ervaren die 
voortkomt uit het regelmatig bezoeken 
van de avondmaalsvergadering en mo- 



gen wij de zegeningen van eeuwige 
vooruitgang voelen in ons persoonlijk 
leven ten gevolge van onze volledige 
overgave, zowel in geest als in ons 
handelen, aan de heilige woorden van 
het avondmaal. 

De profeet Joseph Smith leerde: ,,De 
ondervindingen van andere lezen . . . 
kan ons nimmer een zeer ruime blik 
geven op onze toestand en ware ver- 
wantschap tot God. Men kan alleen 
kennis van deze dingen ontvangen als 
gevolg van ondervindingen door middel 
van de verordeningen Gods, die met dit 
doel werden gegeven. Indien u vijf 
minuten in de hemelen mocht zien, 
zoudt u meer weten dan door alles te 
lezen, wat ooit over dit onderwerp 
geschreven is." {Leringen van de profeet 
Joseph Smith, blz.295.) 

Het avondmaal is één verordening, 
die ons in staat stelt een persoonlijke 
relatie met God te ervaren en die onze 
kennis en ons begrip van Hem en zijn 
Eniggeboren Zoon vergroot. 

Onze persoonlijke beloning voor nale- 
ving van de verbonden en plichten die 
vervat zijn in de verordening van het 
avondmaal is het gezelschap van de 
Heilige Geest. Dit is het licht dat tot het 
eeuwige leven leidt. De goddelijke deug- 
den verbonden aan het deelnemen aan 
het avondmaal des Heren zijn dat wij 
zijn goddelijk leven steeds in gedachten 
dienen te hebben; dat we de Heer moeten 
liefhebben met geheel ons hart, met 
geheel onze kracht en met geheel ons 
verstand; en dat we dienen te werken om 
zijn uiteindelijke oogmerk tot stand te 
brengen - het eeuwige leven van de 
mens. 

Ik getuig nederig tot u, dat deze 
dingen waar zijn, in de naam van onze 
Heer Jezus Christus. Amen. D 



25 



Bewijsmateriaal voor de opstanding 

Ouderling Howard W. Hun ter 
van het Quorum der Twaalf Apostelen 




De boodschap die ik vandaag aan 
deze vergadering breng, evenals aan alle 
anderen die deze woorden zullen horen, 
is van belang voor elk levend wezen. Wie 
lid is van De Kerk van Jezus Christus 
van de Heiligen der Laatste Dagen heeft 
haar al vaak gehoord. Wie geen lid is, 
heeft de woorden wellicht eerder ge- 
hoord, maar vanwege extra bewijsmate- 
riaal, zult u vandaag misschien meer 
worden getroffen door de waarheid 
ervan en zult u meer geneigd zijn er een 
motiverende overtuiging van te maken. 

De boodschap waarover ik spreek 
heeft deel uitgemaakt van alle toespra- 
ken die u eerder deze dag heeft gehoord. 
Zij is eenvoudig, mooi en luisterrijk. Het 
is mogelijk, dat ik haar niet op een 
volmaakte wijze breng en misschien 
zullen velen haar niet volledig begrijpen. 
Wij vinden het misschien moeilijk er op 
een passende wijze gehoor aan te geven 
maar de boodschap zelf wordt veelal de 
grootste, de spannendste, de meest bete- 
kenisvolle en belangrijkste genoemd die 
wij ooit zullen horen. De boodschap 



betreft het „goede nieuws" - het evange- 
lie van Jezus Christus. 

Zij luidt, met name, dat Jezus van 
Nazaret, Hij die zo'n tweeduizend jaar 
geleden te Betlehem uit Maria werd 
geboren, de Verlosser is van de gehele 
mensheid. Wij weten en getuigen tot de 
wereld, dat Hij een waarlijk volmaakt en 
voorbeeldig leven leidde, dat Hij in de 
hof van Getsemane voor onze zonden 
leed, dat Hij zijn leven voor ons gaf door 
zich te laten kruisigen en dat Hij na drie 
dagen uit de dood opstond - zoals Hij 
had voorzegd. Het slot van dit goede 
nieuws luidt dat Hij op een bepaald 
moment zal terugkeren om de zijnen te 
vergaren. 

Dit is ook de boodschap van de 
apostel Paulus, verkondigd in zijn brief 
aan de heiligen te Korinte, namelijk dat 
Christus stierf voor onze zonden, begra- 
ven werd en op de derde dag verrees. Dit 
zijn de woorden die hij schreef: 

,,Ik maak u bekend, broeders, het 
evangelie, dat ik u verkondigd heb, dat 
gij ook ontvangen hebt, waarin gij ook 



26 



staat, waardoor gij ook behouden 
wordt, indien gij het zo vasthoudt, als ik 
het u verkondigd heb, tenzij gij tever- 
geefs tot geloof zoudt gekomen zijn. 
Want voor alle dingen heb ik u overgege- 
ven, hetgeen ik zelf ontvangen heb: 
Christus is gestorven voor onze zonden, 
naar de Schriften, en Hij is begraven en 
ten derde dage opgewekt, naar de Schrif- 
ten." (1 Korintiërs 15:1-4.) 

In deze paastijd gaan onze gedachten 
uit naar de gebeurtenissen, die misschien 
het meest opwindende gedeelte behelzen 
van het goede nieuws dat we brengen. Ik 
bedoel de gebeurtenissen, welke volgden 
op de kruisiging van de Heiland. De 
evangelisten beschrijven hoe de Heer 
haastig begraven werd, omdat de sabbat 
op het punt stond te beginnen; eveneens 
beschrijven ze hoe Maria en andere 
getrouwe vrouwen vroeg in de morgen 
de lege graftombe ontdekten en hoe een 
engel aankondigde: „Hij is hier niet, 
want Hij is opgewekt, gelijk Hij gezegd 
heeft" (Matteüs 28:6); hoe Maria Petrus 
en Johannes vertelde dat het lichaam uit 
het graf verdwenen was; hoe Petrus en 
Johannes ontdekten dat het graf wel 
degelijk leeg was; en tenslotte brachten 
ze verslag uit van de twee korte gesprek- 
ken die Maria had - het eerste met de 
twee in het wit gehulde personen in de 
graftombe en het tweede met degene die 
zij aanzag voor de tuinman, maar her- 
kende als de Meester zelf toen Hij haar 
aansprak. 

Dit zijn gebeurtenissen, die het mes- 
siasschap van Jezus bevestigen. Het is 
tot deze gebeurtenissen dat christenen 
zich wenden ter ondersteuning van hun 
hoop dat er leven is na de dood. In onze 
moderne wereld, waarin het leven zo 
anders is en zo ver verwijderd van de 
gebeurtenissen van die eerste paasmor- 



gen, hebben velen er moeite mee deze 
dingen te geloven en zich ermede te 
vereenzelvigen. Voor diegenen die ermee 
worstelen hebben wij nog meer goed 
nieuws. Er is een manier om het zeker te 
weten en er bestaat veel bewijsmateriaal 
dat diegenen die zoeken naar waarheid 
kan helpen om te weten en te begrijpen. 
Laat mij allereerst in het kort enige 
bewijsstukken met u delen en vervolgens 
enige richtlijnen uitstippelen die, wan- 
neer ze worden opgevolgd, kennis om- 
trent de waarheid van het evangelie 
kunnen brengen. 

Terwijl Hij in Jeruzalem was hield 
Jezus een van zijn meest indrukwekken- 
de toespraken, waarin Hij sprak over 
herders en schapen en zichzelf de Goede 




Ouderling Howard W. Hunter van het 
Quorum der Twaalf Apostelen. 



27 



Herder noemde, die zijn schapen kent en 
ook door zijn schapen wordt gekend. Hij 
zei: 

,,Ik ben de goede herder en Ik ken de 
mijne en de mijne kennen Mij, gelijk Mij 
de Vader kent en Ik de Vader ken, en Ik 
zet mijn leven in voor de schapen. Nog 




andere schapen heb Ik, die niet van deze 
stal zijn; ook die moet Ik leiden en zij 
zullen naar mijn stem horen en het zal 
worden één kudde, één herder." (Johan- 
nes 10:14-16.) 

Wie waren deze „andere schapen," die 
niet tot de joodse stal in Palestina 
behoorden, die de stem van de Heer 
zouden horen en tot het licht van het 
evangelie gebracht zouden worden, sa- 
men met de rest van zijn schapen? Dit 
was een toespeling op een overblijfsel 
van het huis van Jozef, dat op het 
Amerikaanse continent woonde en 
waarvan de voorouders een zestal eeu- 
wen tevoren Jeruzalem hadden verlaten 
en naar de Nieuwe Wereld waren 
gereisd. 

Na zijn kruisiging en daaropvolgende 
opstanding bezocht de Heer hen inder- 



daad, zoals Hij had gezegd; en tot deze 
andere schapen op het westelijk half- 
rond zei de opgestane Christus: 

„En voorwaar zeg Ik u, dat gij het zijt, 
van wie Ik zeide: Andere schapen heb Ik, 
die niet van deze kooi zijn; die moet Ik 
ook toebrengen, en zij zullen Mijn stem 
horen; en er zal één kudde zijn, en één 
herder. 

En zij begrepen Mij niet, want zij 
veronderstelden, dat het de niet-Joden 
waren." (3 Nephi 15:21-22.) 

Zij die bekend zijn met het leven en de 
leringen van de Meester wegens hun 
kennis van de boeken van de Bijbel, 
zullen er met belangstelling kennis van 
nemen, dat er ook een register is van zijn 
bezoek aan de mensen op het westelijk 
halfrond - de andere schapen waarover 
Hij sprak. De titel ervan is het Boek van 
Mormon, naar de profeet die de kronie- 
ken van de volkeren van het Amerikaan- 
se continent verzamelde en bekortte. 
Het Boek van Mormon is nog een 
getuige van Christus en bevat zijn onder- 
richt aan de andere kudde in de Nieuwe 
Wereld. Het is eveneens een verslag van 
de geschiedkundige gebeurtenissen, wel- 
ke al met al ruim duizend jaar van de 
reizen en worstelingen van deze mensen 
bevat, alsook de onderrichtingen van de 
profeten die hen leidden. 

We kennen reeds de kracht en de 
macht van de vele in de Bijbel vastgeleg- 
de getuigenissen van de profeten die op 
aarde hebben geleefd. Ons goede nieuws 
is, dat de woorden van de profeten uit de 
Nieuwe Wereld ons niet alleen extra 
inzicht verschaffen met betrekking tot 
geestelijke zaken, maar ook een bevesti- 
gend getuigenis die alles wat wij al 
studerend in de Bijbel reeds begrepen 
hebben, staven en daarmee in harmonie 
zijn. 



28 



Op diegenen, die niet bekend zijn met 
het Boek van Mormon, maar oprecht 
naar waarheid zoeken, zal het lezen van 
dit boek een diepe indruk maken. Het 
zal uw kennis vergroten omtrent de wijze 
waarop God met de mensheid omgaat 
en uw verlangen doen toenemen om in 
overeenstemming met de beginselen van 
het evangelie te leven. Het zal u ook een 
krachtig getuigenis van Jezus verschaf- 
fen. 

Op vragen als „Hoe kan ik de waar- 
heid van deze dingen te weten komen"? 
en „Hoe kan ik zeker weten dat de 
Verlosser leeft?" heeft Moroni, een der 
grote profeten uit het Boek van Mor- 
mon, het antwoord gegeven. Hij vertelt 
ons hoe we te weten kunnen komen of 
het Boek van Mormon waar is en deze 
zelfde handelwijze zal ons tot alle waar- 
heid voeren en ongetwijfeld diegene 
helpen die de werkelijkheid van de 
opstanding van Jezus wil leren kennen. 
Hij deed de volgende uitspraak: 

„En wanneer gij deze dingen zult 
ontvangen, zou ik u willen vermanen, 
dat gij God, de Eeuwige Vader, in de 
naam van Christus zoudt vragen, of deze 
dingen niet waar zijn; en indien gij zult 
vragen met een oprecht hart en met een 
eerlijke bedoeling, en geloof hebt in 
Christus, zal Hij door de kracht des 
Heiligen Geestes de waarheid er van aan 
u bekendmaken. 

En door de kracht des Heiligen Gees- 
tes kunt gij de waarheid van alle dingen 
weten." (Moroni 10:4-5.) 

Als u een oprecht verlangen heeft om 
kennis te verkrijgen en als u bereid bent 
in overeenstemming te leven met alle 
geboden, welke Hij heeft gegeven, zal 
deze raad uit de mond van Moroni tot 
een geestelijke bevestiging van de evan- 
geliewaarheden voeren. 



In deze paastijd voel ik in sterke mate 
hoe belangrijk mijn opdracht is om van 
de werkelijkheid van de opstanding van 
de Verlosser te getuigen. Mijn broeders 
en zusters, er is een God in de hemelen, 
die van u en mij houdt en om ons geeft. 
Wij hebben een Vader in de hemel, die de 



„. . . enige richtlijnen . . . die, 

wanneer ze worden 
opgevolgd, kennis omtrent 

de waarheid van het 
evangelie kunnen brengen." 



Eerstgeborene onder zijn geesteskinde- 
ren uitzond, zijn Eniggeborene in het 
vlees, om een aards voorbeeld voor ons 
te zijn, om de zonden van de wereld op 
zich te nemen, voor die zonden vervol- 
gens te worden gekruisigd en om uit de 
dood te worden opgewekt. Hij was het 
die zei: 

„Want zie, Ik God, heb deze dingen 
voor allen geleden, opdat zij niet zouden 
lijden, indien zij zich wilden bekeren; 

Doch indien zij zich niet wilden beke- 
ren, moeten zij lijden zoals Ik; 

Welk lijden Mij, God, de Grootste 
van allen, van pijn deed sidderen en uit 
iedere porie bloeden, en zowel lichame- 
lijk als geestelijk deed lijden, en Ik 
wenste, dat Ik de bittere drinkbeker niet 
behoefde te drinken, en kon terugdein- 
zen - 

Niettemin, ere zij de Vader, en Ik 
dronk de beker en voleindigde Mijn 
voorbereidingen voor de kinderen der 



29 



mensen." (Leer en Verbonden 19:16- 
19.) 

En Hij zeide opnieuw: ,,Ik ben de 
opstanding en het leven; wie in Mij 
gelooft, zal leven, ook al is hij gestorven, 
en een ieder, die leeft en in Mij gelooft, 
zal in eeuwigheid niet sterven; gelooft gij 
dat?" (Johannes 11:25-26.) 

Het is waarlijk een prachtige bood- 
schap: er zal leven na de dood zijn; we 
kunnen terugkeren om weer bij onze 
Vader in de hemel te wonen dank zij het 
offer dat de Verlosser voor ons heeft 
volbracht en dank zij onze eigen beke- 
ring en gehoorzaamheid aan de 
geboden. 

Laat ons in het prachtige ochtendglo- 
ren van deze paasdag, wanneer de ge- 



dachten van de christelijke wereld zich 
gedurende enige vluchtige ogenblikken 
wenden tot de opstanding van Jezus, 
onze dank aan onze Hemelse Vader 
uiten voor het grootse plan van zaligheid 
dat ons is gegeven. We behoren ons te 
wenden tot onzelfzuchtigheid en tot een 
zorgvuldig aankleven van de beginselen 
van gerechtigheid. Laat ons daarbij 
bedenken, dat de tijd van voorbereiding 
steeds korter wordt en dat de Verlosser 
spoedig zal terugkeren. Of, zoals de 
apostel Paulus zei, „Want nog een korte, 
korte tijd, en Hij, die komt, zal er zijn." 
(Hebreeën 10:37.) 

Dat wij waardig bevonden mogen 
worden bij zijn komst, is mijn gebed in 
zijn naam. Amen. D 




Ouderling Howard W. Hunter van het Quorum der Twaalf Apostelen. 



30 



Eenheid 



President Marion G. Romney 

Eerste raadgever in het Eerste Presidium 

(voorgelezen door zijn zoon George J. Romney) 




Eén van de centrale thema's van het 
evangelie van Jezus Christus is eenheid. 
De Schriften leren ons, dat er gelijkheid 
en eensgezindheid behoren te heersen 
onder de leden der kerk. 

U zult zich herinneren dat de verlos- 
ser, toen Hij op de avond van het laatste 
avondmaal met zijn apostelen vertoefde, 
bad dat zij één met Hem mochten zijn, 
zoals Hij één was met de Vader. Hij bad 
niet voor hen alleen, „maar ook voor 
hen, die door hun woord in Mij geloven, 
opdat zij allen één zijn, gelijk Gij, Vader, 
in Mij en Ik in U, dat ook zij in Ons zijn; 
opdat de wereld gelove, dat Gij Mij 
gezonden hebt." (Johannes 17:20-21.) 

Het doel is immer geweest eenheid, 
eensgezindheid en gelijkheid onder de 
leden van de kerk van Christus tot stand 
te brengen. Laat mij uw aandacht bij- 
voorbeeld op het verslag van Henoch 
vestigen, om te zien op welke wijze hij en 
zijn volk tot eenheid kwamen, terwijl de 
rest van de wereld in oorlogen verwik- 
keld was. 

„En er kwam een vloek op allen, die 
tegen God streden. 

En sedertdien waren er oorlogen en 
bloedvergieten onder hen; maar de Here 



kwam bij Zijn volk wonen, en zij leefden 
in gerechtigheid. 

De vreze des Heren was op alle natiën, 
zo groot was de heerlijkheid des Heren, 
die op Zijn volk was. En de Here zegende 
het land, en zij werden gezegend op de 
bergen en op de hoge plaatsen, en zij 
waren voorspoedig. 

En de Here noemde Zijn volk Sion." 
Waarom? „Want zij waren één van hart 
en één van geest, en leefden in gerechtig- 
heid, en er was geen arme onder hen. " 
(Mozes 7:15-18; cursivering toege- 
voegd.) 

Tijdens zijn sterfelijke bediening 
onderwees Jezus zijn discipelen de- 
zelfde leer. Na zijn hemelvaart „wer- 
den zij allen vervuld met de Heilige 
Geest en spraken het woord Gods met 
vrijmoedigheid. En de menigte van 
hen, die tot het geloof gekomen waren, 
was één van hart en ziel, en ook niet één 
zeide, dat iets van hetgeen hij bezat 
zijn persoonlijk eigendom was, doch 
zij hadden alles gemeenschappelijk." 
(Handelingen 4:31-32.) 

Na de bediening van de verrezen 
Verlosser onder de Nephieten „was het 
ganse volk in het gehele land, zowel 



31 



Nephieten als Lamanieten, tot de Here 
bekeerd; en er waren geen twisten en 
woordenwisselingen onder hen, en ie- 
dereen handelde rechtvaardig met zijn 
medemens. 

En zij hadden onder hen alle dingen 
gemeen; zodoende waren er armen noch 
rijken, dienstknechten noch vrijen, maar 
zij waren allen vrijgemaakt, en deelgeno- 
ten van de hemelse gaver (4 Nephi 2-3; 
curisvering toegevoegd.) 

Vandaag de dag zijn wij de kerk van 
Christus, en de Heer verwacht dat wij 
deze zelfde eenheid tot stand zullen 
brengen. Hij heeft tot ons gezegd: „Zijt 
één; en indien gij niet één zijt, zijt gij de 
Mijnen niet." (Leer en Verbonden 
38:27.) 

Sommige leden veronderstellen, dat 
men volledig in harmonie kan zijn met 
de geest van het evangelie en volledig 
kan functioneren in de kerk terwijl men 
in disharmonie is met de leiders van de 
kerk en de raadgevingen en richtlijnen 
die zij geven. Dit is een inconsequente 
stelling, daar de leiding van deze kerk 
niet alleen berust op het geschreven 
woord, maar eveneens op voortdurende 
openbaring en de Heer geeft de kerk 
deze openbaring door middel van de 
door Hem gekozen profeet. Hieruit 
volgt dan ook, dat diegenen die zeggen 
het evangelie te aanvaarden en tegelij- 
kertijd de raad van de profeet kritiseren 
en verwerpen, een onverdedigbare posi- 
tie innemen. Een dergelijke geest leidt tot 
afval. Het verschijnsel is niets nieuws. 
Het kwam evengoed voor in Jezus' 
dagen en ten tijde van de profeet Joseph 
Smith. 

Het is goed de les, die de Verlosser de 
Nephieten in deze leerde toen Hij zijn 
bediening onder hen begon, voor ogen te 
houden. Hij zeide: 



„En er zal geen woordenstrijd onder u 
zijn, zoals er tot nu toe is geweest; 
evenmin zal er woordenstrijd onder u 
zijn aangaande Mijn leerstellingen, zoals 
er tot nu toe is geweest. Want voorwaar, 
voorwaar zeg Ik u: Hij die de geest van 
twisten heeft, is niet van Mij, maar is van 
de duivel, die de vader van twisten is, en 
hij hitst het hart der mensen op om in 
toorn met elkaar te twisten." (3 Nephi 
11:28-29.) 



ii 



Zij die zeggen het evangelie 

te aanvaarden en 

tegelijkertijd kritiek spuien 

en de raad van de profeet 

weigeren te volgen nemen een 

onverdedigbare positie in." 



Er is slechts één manier waarop we 
vereend kunnen zijn en dat is door het 
koninkrijk Gods en zijn gerechtigheid te 
zoeken (zie 3 Nephi 13:33). Ons zal 
eenheid ten deel vallen wanneer wij het 
licht van boven volgen. Zij zal niet tot 
ons komen uit de verwarring hier op 
aarde. Zolang de mensen alleen vertrou- 
wen op hun eigen wijsheid en hun eigen 
paden volgen, zonder de leiding van de 
Heer, kunnen zij niet één zijn. En 
evenmin zullen zij een staat van eenheid 
bereiken wanneer zij ongeïnspireerde 
mensen volgen. 

De weg die tot eenheid leidt bestaat uit 
het leren kennen en vervolgens uitvoeren 
van de wil Gods. Totdat dit basisbegin- 
sel wordt begrepen en nageleefd, zal er 
geen eenheid of vrede in de wereld zijn. 
De macht van de kerk ten goede in de 
wereld hangt af van de mate waarin wij 



32 



als leden ervan dit beginsel in praktijk 
brengen. 

De belangrijkste reden waarom er 
tegenwoordig zoveel moeilijkheden in de 
wereld zijn, is dat de mensen er niet naar 
streven de wil van God te leren kennen 
en te doen. Zij trachten, integendeel, hun 
problemen op te lossen op basis van hun 
eigen wijsheid en op hun eigen manier. 
In afdeling 1 van de Leer en Verbonden, 
die werd geopenbaard als voorwoord op 
het boek der geboden, wijst de Heer 
hierop en duidt het aan als één van de 
door hem voorziene oorzaken van de 
rampspoed die over de bewoners van de 
aarde zou komen. Luister naar deze 
klinkende verklaring: 

„Want zij zijn van Mijn verordenin- 
gen afgedwaald en hebben Mijn eeuwig 
verbond verbroken; 

Zij zoeken de Here niet om Zijn 
gerechtigheid te vestigen, doch ieder 
mens bewandelt zijn eigen weg." (Leer 
en Verbonden 1:15-16.) 

Broeders en zusters, vertrouw niet op 
de raadgevingen van mensen en stel uw 
vertrouwen evenmin in de arm des vlezes 
(zie Leer en Verbonden 1:19), maar zoek 
de Heer om zijn gerechtigheid tot stand 
te brengen (zie Leer en Verbonden 1:16). 

Wij als leden van de kerk kunnen een 
tot nog toe ongekende eenheid en eens- 
gezindheid bereiken, die ons een onover- 
winnelijke kracht zal geven, wanneer wij 
bereid zijn een beter begrip te krijgen 
van de evangeliebeginselen en eensgezin- 
der te worden inzake onze interpretaties 
van de toestand en de trend der gebeur- 
tenissen in de wereld. Dit kunnen wc 
bewerkstelligen door het woord des 
Heren onder gebed te bestuderen, met 
inbegrip van de openbaringen die Hij 
door middel van de levende profeet heeft 
gegeven. 



Dit is de manier waarop wij tot 
eenheid zullen geraken. Wanneer wij het 
woord des Heren willen bestuderen 
zoals dat middels de standaardwerken 
en middels de levende profeet tot ons 
komt en ons hart niet verharden, maar 
ons verdeemoedigen en een oprecht 
verlangen ontwikkelen om te begrijpen 
hoe het op onze eigen omstandigheden 
van toepassing is en vervolgens de Heer 
vragen, gelovende dat we zullen ontvan- 
gen (zie Leer en Verbonden 18:18), en 
intussen de geboden des Heren steeds 
ijverig onderhouden, dan zal de weg die 
we moeten volgen ons stellig bekendge- 
maakt worden en zullen we in staat zijn 
de wereld volkomen eensgezind 't hoofd 
te bieden. Wij hebben deze eenheid en 
kracht zeker nodig in de tijd waarin wij 
leven. Wij hebben een geweldige gele- 
genheid, de gelegenheid om ons hemel- 
waarts te verheffen, om de geest van het 
evangelie te verwerven op een wijze die 
we nog nooit eerder hebben ervaren. Dit 
zal ons deel zijn wanneer wij die eenheid 
ontwikkelen, die de wetten van het 
celestiale koninkrijk van ons vereisen. 

Wanneer wij God op een zeker mo- 
ment opzij zetten, omdat dat ons beter 
uitkomt, en de leringen der mensen 
volgen, dan verloochenen we Hem. 

Alleen een vereend volk, dat Gods 
geboden onderhoudt, mag de bescher- 
ming verwachten die slechts Hij in staat 
is te geven wanneer de stromen komen 
en de regen nederdaalt en de winden 
waaien en zich op ons huis storten (zie 
Matteüs 7:25). 

Ik ben ervan overtuigd dat, daar wij 
bezig zijn met het werk des Heren, wij in 
staat zijn alles te bereiken wat Hij van 
ons vereist, als wij alleen maar één willen 
zijn. Dat wij dat mogen zijn, bid ik in de 
naam van Jezus Christus. Amen. D 



33 



2 april 1983 
ZATERDAGMIDDAGVERGADERING 



Verslag van het kerkelijk 
verifïcatiecomité 



Aan het Eerste Presidium 

van De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen 

Gepresenteerd door Wilford G. Edling 

voorzitter van het kerkelijk verificatiecomité 



Wij hebben het financieel jaarverslag 
van de kerk per 31 december 1982 
gecontroleerd, alsmede de financiële 
handelingen in het op die datum afgeslo- 
ten jaar. De door het comité gecontro- 
leerde financiële verslagen en handelin- 
gen omvatten de algemene gelden van de 
kerk en van andere door de kerk beheer- 
de organisaties, waarvan de boeken 
worden bijgehouden door de afdeling 
financiën van de kerk. Wij hebben de 
begroting, de boekhouding en de toege- 
paste verificatiemethoden onderzocht, 
alsook de wijze waarop gelden werden 
ontvangen en uitgegeven. Wij hebben 
vastgesteld dat alle uitgaven van algeme- 
ne gelden van de kerk door het Eerste 
Presidium en door begrotingsprocedu- 
res worden ondersteund. De begroting is 
goedgekeurd door het comité tiendbe- 
steding, bestaande uit het Eerste Presi- 
dium, de Raad der Twaalf en de Presi- 
derende Bisschap. Het begrotings- en 
bestedingscomité voert, in wekelijkse 
vergaderingen, het beheer over de te 
besteden gelden die onder de begroting 
vallen. 

De afdeling financiën en verslagen, 
alsmede alle andere afdelingen van de 
kerk, maken gebruik van moderne boek- 



houdtechnieken om gelijke tred te hou- 
den met de snelle uitbreiding van de kerk 
en de veranderende elektronische ver- 
werking van gegevens. 

De afdeling verificatie, die losstaat 
van alle andere afdelingen, treedt op in 
een drieledige capiciteit bij het verrich- 
ten van financiële verificaties, operatio- 
nele verificaties en verificaties van com- 
putersystemen die door de kerk gebruikt 
worden. Deze diensten vinden op een 
continubasis plaats en beslaan alle afde- 
lingen van de kerk, andere door de kerk 
geleide organisaties (waarvan de boeken 
worden bijgehouden door de afdeling 
financiën en verslagen), en wereldom- 
vattende werkzaamheden zoals zen- 
dingsgebieden, financiële centra en afde- 
lingsactiviteiten die in het buitenland 
plaatsvinden. De omvang en de taak van 
de afdeling verificatie bij het beschermen 
van de middelen van de kerk neemt toe 
met de groei en de zich uitbreidende 
activiteiten van de kerk. De verificatie 
van lokale fondsen van ringen en wijken 
is opgedragen aan ring verificateurs. 
Naamloze of besloten vennootschappen 
die eigendom zijn van de kerk, of waarin 
de kerk een meerderheidsbelang heeft, 
worden, voor zover de boekhouding niet 



34 



door de afdeling financiën en verslagen 
wordt bijgehouden, geverifieerd door 
erkende accountantskantoren of over- 
heidsinstellingen. 

Gebaseerd op onze inspectie van het 
financieel jaarverslag en andere verifica- 
tiegegevens, alsmede onze bestudering 
van de boekhoud- en verificatiemetho- 
den waardoor toezicht op de financiële 
handelingen wordt gehouden, en voorts 
door voortdurend contact met de mede- 
werkers van de afdeling financiën en 
verslagen, de afdeling verificatie en de 
juridische vertegenwoordigers van de 
kerk, zijn wij van mening dat de algeme- 



ne middelen van de kerk, die gedurende 
het jaar 1982 werden ontvangen en 
uitgegeven, correct zijn verantwoord in 
overeenstemming met de hierin voorge- 
schreven procedures. 

Met de meeste hoogachting, 
Het kerkelijk verificatiecomité 

Wilford G. Edling 
David M. Kennedy 
Warren. E. Pugh 
Merrill J. Bateman 
Ted E. Davis D 



Statistisch rapport 1982 



Voorgelezen door Francis M. Gibbons 
Secretaris van het Eerste Presidium 



Ter kennisneming van de leden heeft 
het Eerste Presidium het volgende statis- 
tische rapport uitgegeven betreffende de 
ontwikkeling en de toestand van de kerk 
per 31 december 1982. (Ledentalcijfers 
zijn schattingen, gebaseerd op de rap- 
porten over het jaar 1982, die vooraf- 
gaande aan de conferentie beschikbaar 
waren.) 

Kerkelijke units 

Ringen 1.392 

Districten 336 

Zendingsgebieden 180 

Wijken 8.888 

Gemeenten in ringen 2.699 

Gemeenten in zendingsgebieden -2.029 
(Deze cijfers tonen een groei aan van 71 



ringen en 523 wijken en gemeenten in 

1982.) 

Landen met georganiseerde wijken en 

gemeenten 89 

Ledental 

Ledentotaal aan het eind 

van 1982 5.165.000 

Groei van de kerk in 1982 

Kinderen gezegend 124.000 

Ingeschreven kinderen 

gedoopt 67.000 

Bekeerlingen gedoopt 207.000 

Geboorte — Huwelijk — Overlijden 

Geboorten 

per duizend leden 28,1 



35 



Personen gehuwd 

per duizend leden 12,2 

Sterfgevallen 

per duizend leden 3,9 

Priesterschap 

Diakenen 227.000 

Leraren 168.000 

Priesters 325.000 

Ouderlingen 436.000 

Zeventigen 32.000 

Hogepriesters 180.000 

Zendelingen 

Full-time zendelingen 26.300 

Genealogie 

Namen vrijgegeven voor tempelverorde- 
ningen 2.462.700 

Tempels 

Voltrokken endowments: 

Voor levenden 48.800 

Voor overledenen 4.101.000 

Tempels in gebruik 19 

Tempels gepland of in aanbouw ... 22 
Tempels dit jaar gesloten 1 

Kerkelijke onderwijsinstellingen 

Aantal ingeschrevenen 

in het schooljaar 1981/1982: 

Seminaries en instituten 320.500 

Kerkelijke scholen, colleges 

en voortgezet onderwijs 70.100 

Welzijnszorg 

Personen bijgestaan door 

LDS Social Services 83.700 

Personen aan werk geholpen . 22.300 
Manwerkdagen geschonken aan 

de welzijnszorg 393.500 

Uit magazijn verstrekte goederen 

in tonnen 10.549 

(' 
36 



Vooraanstaande leden die in de loop 
van het jaar zijn overleden 

President N. Eldon Tanner, eerste 
raadgever in het Eerste Presidium; ou- 
derling LeGrand Richards, lid van de 
Raad der Twaalf Apostelen; John G. 
Lahaderne, president van het Zendings- 
gebied Catania Italië; Charles R. Han- 
sen, president van het Zendingsgebied 
Oakland Californië; Terry Lavelle Cra- 
po, regionale vertegenwoordiger; Lave- 
re Arnold Ricks, regionale vertegen- 
woordiger; James David King, president 
van de Ring Paradise Valley Arizona; J. 
Spencer Cornwall, voormalig dirigent 
van het Tabernakelkoor; Bertha Reeder 
Richards, voormalig presidente van de 
JV-OOV van 1948 tot 1961; Percy K. 
Fetzer, patriarch en voormalig tempel-, 
ring- en zendingspresident; Monte L. 
Bean, vooraanstaand kerkleider en fi- 
lantroop; dr. Albert Ray Olpin, voorma- 
lig president van de University of Utah; 
Clare Middlemiss, gedurende vijfen- 
dertig jaar privé-secretaresse van presi- 
dent David O. McKay; W. Creed Hay- 
mond, vooraanstaand atleet en kerklei- 
der; dr. Barney Clark, ontvanger van het 
eerste kunsthart. D 




De sleutels van het koninkrijk 

Ouderling Bruce R. McConkie 
van het Quorum der Twaalf Apostelen 




Ik ga u vertellen hoe de sleutels van 
het koninkrijk werken, met inbegrip van 
waar zij vandaan komen, waar zij nu 
berusten en wat hun toekomst zal zijn. 

Het goddelijk verslag begint in de 
lente van 1829. Het is de 15de van de 
gedenkwaardige maand mei. De profeet 
des Heren is nu in het vierentwintigste 
jaar van zijn sterflijke proeftijd. Hij 
dicteert heilige Schrift aan zijn secreta- 
ris. Het heilige woord spreekt over het 
dopen, zonder welke verordening een 
mens het koninkrijk der hemelen noch 
kan zien noch kan binnengaan. 

De Geest des Heren rust op de ziener 
en zijn schrijver. Zij verlangen naar de 
doop zoals hongerende zielen om voed- 
sel roepen. De goddelijke voorzienigheid 
leidt ze naar een stille plaats aan de oever 
van de Susquehanna bij Harmony in 
Pennsylvania. Daar storten zij hun ziel 
uit tot die God die zijn eigen zondeloze 
Zoon gebood zich te laten dopen als een 
voorbeeld voor alle mensen. 

Dan komt het wonder. De hemelen 
openen zich. Een engel daalt neder uit 



celestiale hoogten om met zijn mede- 
dienstknechten in de sterflijkheid te 
spreken. 

Het is de opgestane Johannes, die 
ruim 1800 jaar eerder in opdracht van 
Antipas werd onthoofd in de smerige 
kerkers van de Macherus. 

Het is die Johannes, het enige kind 
van de priester Zacharia en de godvruch- 
tige Elisabet, die zelf door een engel was 
geordend toen hij slechts acht dagen oud 
was om het koninkrijk van de joden 
omver te werpen. 

Het is die Johannes tot wie de scharen 
uit Judea kwamen om te Bet-Abara de 
reinigende macht van de doop te onder- 
gaan. Toen was het dat de geliefde 
Johannes, Gods eigen Zoon onderdom- 
pelde in het troebele water van een 
miserabel riviertje in Palestina om alle 
gerechtigheid te vervullen. 

Het is diezelfde Johannes voor wie de 
hemelen zich openden en die de Heilige 
Geest in lichamelijke vorm zag nederda- 
len, in vredige rust als een duif, om op 
Hem te blijven rusten waarvan de god- 



37 



delijke stem toen zei: „Deze is mijn 
Zoon, de geliefde, in wie Ik mijn welbe- 
hagen heb." (Matteüs 3:17.) 

Nu in opgestane heerlijkheid, en spre- 
kend in naam van die Messias voor wie 
hij de marteldood was gestorven, ver- 
leent hij zijn sterflijke vrienden het 
priesterschap van Aaron en de sleutels 
van de bediening der engelen en van de 
doop door onderdompeling voor de 
vergeving van zonden. (Zie Leer en 
Verbonden 13.) 

Nu, voor het eerst in bijna 1700 jaar, 
zijn er sterflijke mannen op aarde die in 
de plaats van de Heer Jezus kunnen 
staan en de verordeningen, die nodig zijn 
voor de zaligheid van de mensen kunnen 
bedienen. De tijd is gekomen dat het 
donker zal worden doorboord en het 
licht uit de hemel opnieuw zal schijnen 
op onze in duisternis gehulde planeet. 

Maar dit is slechts het begin van het 
grote plan. Er komen opnieuw bood- 
schappers uit het rijk van licht en glorie. 
Petrus, Jakobus en Johannes, die in hun 
tijd het priesterschap en de sleutels 
droegen die behoren tot het presidium 
van het aardse koninkrijk, komen tot 
Joseph Smith en Oliver Cowdery. 

Deze apostelen vanouds, de vrienden 
en vertrouwelingen van de Heer Jezus in 
de sterflijkheid; deze geheiligde zielen 
die met Hem aten en dronken nadat Hij 
opgestaan was; deze levende getuigen 
van Degene die stierf opdat allen zouden 
leven - doen dan een wonderbaarlijk 
iets. 

Zij verlenen de hedendaagse profeet 
en zijn medewerker het priesterschap dat 
volgens de orde is van de Zoon van God, 
die een priester is in eeuwigheid. Dit 
priesterschap van Melchizedek is de 
hoogste en heiligste orde die nu en ooit 



aan sterflijke wezens gegeven is. Het 
heeft altijd omvat, en omvat ook nu, de 
macht en het gezag van het heilige 
apostel schap. 

Met dit priesterschap ontvangen de 
worstelende stervelingen, die spoedig op 



„De sleutels van het 

koninkrijk Gods . . . worden 

door de geest van 

openbaring gegeven aan 

iedere man die zowel tot 

apostel geordend wordt als 

aangesteld als lid van de 

Raad der Twaalf' en 

worden „in hun volheid op 

aarde door één man tegelijk 

uitgeoefend." 



Gods bevel de kerk en het koninkrijk 
Gods op aarde opnieuw zullen organise- 
ren, bepaalde sleutels van nagenoeg 
oneindige betekenis. 

Zij ontvangen de sleutels van het 
koninkrijk waardoor hun de macht 
verleend wordt om het koninkrijk Gods 
op aarde te organiseren, te presideren, te 
besturen, en te regelen, het koninkrijk 
Gods, dat De Kerk van Jezus Christus 
van de Heiligen der Laatste Dagen is. 

Zij ontvangen ook de sleutels van de 
bedeling van de volheid der tijden, dat 
glorierijke tijdperk van herstelling en 
vernieuwing waarin God van plan is alle 
dingen in Christus bijeen te brengen; dat 



38 



tijdperk van openbaring en gaven en 
wonderen waarin Hij de wederoprich- 
ting van alle dingen, waarvan gesproken 
is bij monde van de heilige profeten sinds 
de wereld begon, tot stand zal brengen. 
(Zie Leer en verbonden 27:12-13; 81:2.) 

Nu zij aldus gemachtigd zijn en het 
evangelie der verlossing bezitten, kun- 
nen sterflijke mensen Gods koninkrijk 
op aarde wederom vestigen en het evan- 
gelie opnieuw in de gehele wereld en aan 
alle volken prediken. Het koninkrijk 
wordt opgericht op 6 april 1830 en 
sindsdien heeft ieder trouw lid zijn tijd, 
talenten en middelen gewijd aan het 
verspreiden van de waarheid onder de 
andere kinderen van onze Vader. 

Maar zelfs dit is niet alles. Er moesten 
nog andere sleutels gebracht worden. Op 
een wonderbaarlijke dag in april 1836 
verschijnen Mozes en Elia en Elias om 
de sleutels en machten te brengen, die zij 
als stervelingen in hun bedeling hadden 
uitgeoefend. Het is een dag die lijkt op 
die verwonderlijke dag 1800 jaar eerder 
op de berg der verheerlijking. (Zie 
Matteüs 17:1-13.) 

Het was op de besneeuwde bergtop, 
nadat de Vader vanuit de wolk had 
gesproken, dat Mozes en Elia, beiden 
opgenomen zonder de dood te smaken, 
in hun stoffelijk lichaam tot een tempel 
kwamen die niet door mensenhanden 
gemaakt was, en voor die tijd hun 
sleutels en machten aan Petrus, Jakobus 
en Johannes gaven. 

En nu verschijnen deze zelfde groten 
uit het verleden. Zij komen opnieuw in 
onze tijd. Deze keer tot een tempel 
gebouwd van de tiend en de offers van de 
heiligen, waar deze zelfde profeten van- 
ouds, nu echter bekleed met opgestane 
heerlijkheid, hun sleutels en machten 
herstellen. 



Mozes, die in de majesteit van het 
Melchizedekse priesterschap Israël uit 
de Egyptische slavernij naar het beloof- 
de Palestina leidde, brengt deze zelfde 
sleutels terug. Deze sleutels geven sterf- 
lijke mensen de macht om de verloren 
schapen van Israël uit het Egypte van de 
wereld te verzamelen en ze te brengen 
naar het beloofde Zion, waar de schellen 
van de verslavende duisternis van hun 
ogen zullen vallen. 

Deze sleutels geven degenen die ze 
dragen de macht om heel Israël, met 
inbegrip van de tien stammen, uit alle 
naties van de aarde te leiden. En zoals 
het profetische woord het gezegd heeft, 
komen zij één voor één, twee aan twee, 
naar de bergen van het huis des Heren, 
om daar met macht van omhoog bekleed 
te worden. 

De man Elias brengt „het evangelie 
van Abraham" terug, het grote verbond 
van Abraham waardoor de getrouwen 
tot in de eeuwigheid nakomelingen wor- 
den beloofd, dat door middel van het 
celestiale huwelijk hun eeuwige nakome- 
lingen talrijk zullen zijn als het zand op 
het strand of als de sterren aan de hemel. 
Elias brengt de belofte - die eertijds door 
Abraham, Isaak en Jakob werd ontvan- 
gen - dat door middel van de mannen 
van onze tijd en hun nakomelingen alle 
geslachten gezegend zullen worden. En 
thans bieden wij de zegeningen van 
Abraham, Isaak en Jakob aan allen die 
ze willen ontvangen. 

Elia brengt de sleutels van de verzege- 
lende macht terug, de macht die mannen 
die nu leven, in staat stelt om, evenals 
Petrus vanouds, hier op aarde te binden, 
waarbij hun daden ook eeuwig gebon- 
den worden in de hemelen. (Zie Leer en 
Verbonden 110:11-16.) 



39 



Omdat Elia is gekomen, zullen de 
dopen die op aarde verricht worden ook 
geldig zijn in de eeuwigheid. In werke- 
lijkheid worden wij door de doop lid van 
het aardse koninkrijk, de kerk, en van 
het hemelse koninkrijk, het celestiale 
koninkrijk waar God en Christus zijn. 

En zo zal er in de loop der tijd een 
,, gehele en volkomen vereniging, en 
samensmelting van bedelingen, sleutels 
en machten en heerlijkheden sedert de 
dagen van Adam tot zelfs op de tegen- 
woordige tijd" plaatsvinden. (Leer en 
Verbonden 128:18.) 

In het midden des tijds ordende Jezus 
de Twaalf in de omgeving van 
Kafarnaüm; Hij gaf de sleutels van het 




Ouderling Bruce R. McConkie van het 
Quorum der Twaalf Apostelen. 



koninkrijk aan Petrus, Jakobus en Jo- 
hannes op de heilige berg; en later gaf 
Hij deze zelfde sleutels aan alle Twaalf. 
(ZieMatteüs 18:18.) 

In onze bedeling werd het Melchize- 
dekse priesterschap in 1829 verleend. In 
februari 1835 werden er mannen geor- 
dend tot het heilige apostelschap. Ver- 
schillende sleutels werden op verschil- 
lende tijden gegeven, voornamelijk op 3 
april 1 836, en dit ging door totdat alle 
rivieren van het verleden in de oceaan 
van de tegenwoordige tijd gevloeid wa- 
ren en de sterflijke mens alle sleutels en 
machten bezat waarmee de mens ooit 
bekleed geweest is in welk tijdperk ook 
vanaf Adam tot nu toe. 

Bij wijze van hoogtepunt worden in de 
winter van 1844 alle sleutels van het 
koninkrijk aan de Twaalf gegeven. Zij 
ontvangen dan wat in openbaringen de 
volheid van het priesterschap wordt 
genoemd, met de macht om die eeuwige 
volheid aan anderen te verlenen. 

Nadat hij ze aldus begiftigd en met 
macht bekleed had, zei de profeet tot de 
Twaalf: „Ik heb op uw hoofd alle sleutels 
van het Koninkrijk Gods verzegeld. Ik 
heb op u iedere sleutel, macht en beginsel 
verzegeld die de God des hemels aan mij 
geopenbaard heeft. Waar ik nu ook 
heenga en wat ik ook zal doen, het 
Koninkrijk rust op u. Maar apostelen 
van het Lam Gods, mijn broeders, nu dit 
koninkrijk op uw schouders rust; zult u 
uw schouders eronder moeten zetten en 
het wegdragen, als u dat niet doet zult u 
veroordeeld worden." (Zie Discourses of 
Wilford Woodruff, blz. 72.) 

En hiermede wordt het goddelijk 
woord vervuld dat de Heer al eerder tot 
de Twaalf had gesproken: „Want aan u, 
de Twaalven, en aan hen, het Eerste 



40 



Presidentschap, die met u zijn aange- 
steld tot uw raadgevers en uw leiders, is 
voor de laatste dagen en voor de laatste 
maal de macht van het priesterschap 
gegeven, waarin de bedeling van de 
volheid der tijden ligt besloten. 

Welke macht gij bezit, te zamen met 
allen, die te eniger tijd sedert het begin 
der schepping een bedeling hebben 
ontvangen; 

Want voorwaar zeg Ik u: De sleutels 
van de bedeling, die gij hebt ontvangen, 
zijn van de vaderen afkomstig en ten 
laatste uit de hemel tot u gezonden." 
(Leer en Verbonden 112:30-32.) 

En zo is Gods systeem voor de 
opvolging in het presidium vastgesteld. 
De sleutels van het koninkrijk Gods - 
het recht en de macht van eeuwig 
presidentschap waardoor het aardse ko- 
ninkrijk wordt bestuurd - deze sleutels 
die eerst vanuit de hemel werden geo- 
penbaard, worden door de geest van 
openbaring aan iedere man gegeven die 
zowel tot apostel geordend als aange- 
steld wordt als lid van de Raad der 
Twaalf. 

Maar sinds de sleutels het recht op 
presideren betekenen, kunnen zij in hun 
volheid slechts door één man tegelijk 
worden gehanteerd hier op aarde, en wel 
door de apostel die het langst in die 
hoedanigheid werkzaam is geweest; de 
presiderende apostel, de presiderende 
hogepriester, de presiderende ouderling. 
Hij is de enige die al de anderen leiding 
kan geven, en geen van allen heeft het 
recht om er geen gehoor aan te geven. 
Hoewel de sleutels dus aan alle Twaalf 
zijn gegeven, worden deze door hen 
slechts in beperkte mate gebruikt, tenzij 
en totdat een van hen die senioriteit 
bereikt die van hem de gezalfde des 
Heren op aarde maakt. 



Dit betekent dat toen Joseph Smith 
als martelaar stierf door het toedoen van 
goddeloze moordenaars, en zijn laatste 
adem uitblies, Brigham Young, als de 
apostel die het langst als zodanig ge- 
diend had in het aardse koninkrijk, 
automatisch de presiderende ambtenaar 
werd. 

De volgende ademhaling van broeder 
Brigham was die waarmede hij zijn 
longen vulde met de macht waarmee de 
dienstknecht des Heren reeds was ge- 
zalfd. De kerk is geen oogwenk lang 
zonder een presiderende ambtenaar. 

Wanneer president Kimball naar huis 
geroepen wordt om verslag uit te bren- 
gen over een o zo grootse en geslaagde 
bediening, zullen de sleutels in een 
ogenblik overgaan op een andere apos- 
tel, die door de Heer is gekozen. En dit 
goddelijk systeem van de opvolging zal 
doorgaan tot de wederkomst van de 
Heer Jezus Christus in de wolken van 
heerlijkheid om persoonlijk op aarde te 
regeren. 

Wij hoeven geen angst te hebben voor 
de toekomst. Dit is het werk des Heren; 
het is zijn koninkrijk; en Hij bestuurt het 
zoals Hij dat wenst. De sleutels die aan 
de mens op aarde zijn gegeven, berusten 
nu bij degenen die Hij zelfgekozen heeft. 
En zo waar als de Heer leeft, en 
Christus de waarheid is, en de waarheid 
zal overwinnen, getuig ik tot u dat dit 
werk voort zal gaan totdat het de hele 
aarde vervult, en totdat de kennis van 
God de hele aarde bedekt zoals de 
wateren de zee bedekken. 

Dit getuigenis geef ik voor mijzelf, en 
voor alle trouwe broeders van het ko- 
ninkrijk en alle vrome zusters die zo 
dapper aan hun zijde staan, en ik geef het 
bovenal in de heilige naam van de Heer 
Jezus Christus. Amen. D 



41 



Dapperheid in het drama 
van het leven 



Ouderling Royden G. Derrick 
van het Presidium van het Eerste Quorum der Zeventig 




William Shakespeare had er een goede 
kijk op toen hij schreef: ,,De hele wereld 
is een toneel, en alle mannen en vrouwen 
zijn slechts spelers." {As You Like It, 
tweede bedrijf, zevende toneel.) Laat mij 
het toneel voorbereiden voor een drama 
dat niet verzonnen is, maar de werkelijk- 
heid. Een drama dat is gebaseerd op 
bepaalde feiten. 

Het is een feit dat God leeft. Het is een 
feit dat Jezus Christus een goddelijk 
wezen was en is. Het is een feit dat de 
Vader en de Zoon aan Joseph Smith 
verschenen in het heilige bos. Het is een 
feit dat Joseph Smith een profeet van 
God was. Het is een feit dat God in 
Bijbelse tijden zijn wil openbaarde door 
middel van zijn profeten en dat Hij dit 
ook heden ten dage doet. 

De tekst van dit drama werd geschre- 
ven voordat de wereld begon. De schrij- 
ver ervan heeft enkele aanwijzingen 
gegeven over toekomstige taferelen aan 
personen die ze bekendgemaakt hebben 
aan allen die wilden luisteren. 



Tweeduizendzeshonderd jaar geleden 
werd, bijvoorbeeld, aan een van de 
belangrijke spelers in het drama enkele 
tonelen getoond van „wat in toekomen- 
de dagen geschieden zal". (Daniël 2:28.) 
Aan de profeet Daniël werd de uitleg van 
koning Nebukadnessars droom bekend- 
gemaakt en hij vertelde: „Maar in de 
dagen van die koningen," en hij bedoel- 
de daarmede de laatste dagen, „zal de 
God des hemels een koninkrijk oprich- 
ten, dat in eeuwigheid niet zal te gronde 
gaan, en waarvan de heerschappij op 
geen ander volk meer zal overgaan: het 
zal al die koninkrijken verbrijzelen en 
daaraan een einde maken, maar zelf zal 
het bestaan in eeuwigheid." (Daniël 
2:44.) 

De tonelen die daarin voorspeld wor- 
den, worden nu opgevoerd; wij maken ze 
mee. 

Toen hij veertieneneenhalf jaar oud 
was ging Joseph Smith het bos in en bad 
tot onze Hemelse Vader, omdat hij wilde 
weten welke van alle kerken de ware 



42 



was. Daar verschenen aan hem God de 
Vader en zijn Zoon. De Vader zei: „Deze 
is mijn geliefde Zoon - hoor Hem!" 
{Joseph Smith - Geschiedenis 1:17.) Toen 
vertelde Jezus Christus aan die veertien- 
jarige jongen dat de ware kerk van God 
niet op aarde was en dat hij gekozen was 
om een instrument in Gods handen te 
worden en de kerk van Jezus Christus en 
de ware beginselen van Jezus Christus te 
herstellen. In de daaropvolgende tone- 
len richtte de God des Hemels een 
koninkrijk op waarvan de profeet Da- 
niël had gezegd dat het „in eeuwigheid 
niet zal te gronde gaan". 

Joseph Smith liet toe dat er bladzijden 
van het manuscript met de vertaling van 
het Boek van Mormon in andere handen 
vielen, en zij gingen verloren. De Heer 
was hierover ontstemd en zei tegen de 
profeet: „De werken, plannen en doel- 
einden van God kunnen niet worden 
verijdeld, noch kunnen ze mislukken." 
(Leer en Verbonden 3:1.) 

„Gedenk, ... dat het niet het werk 
van God is, dat wordt verijdeld, doch het 
werk van mensen." (Leer en Verbonden 
3:3.) 

„Zie, gij zijt Joseph, en gij werd 
gekozen om het werk des Heren te doen, 
maar indien gij niet voorzichtig zijt, zult 
gij wegens overtreding vallen." (Leer en 
Verbonden 3:9.) 

Als gebleken was dat Joseph niet aan 
de eisen kon voldoen, had de Heer een 
verandering aangebracht in de rolverde- 
ling en iemand anders aangewezen om 
zijn plaats in te nemen. Maar hij voldeed 
aan de eisen, zoals blijkt uit latere 
openbaringen van God waarin hij gepre- 
zen wordt wegens zijn getrouwheid. 

De Heer zei dat dit koninkrijk, dat in 
de laatste dagen opgericht zou worden, 
„in eeuwigheid niet zal te gronde gaan". 



Wij hoeven ons niet af te vragen of deze 
kerk, die God heeft opgericht, zal falen. 
Dat zal ze niet! Want God heeft het zo 
bepaald! 

Daniël profeteerde ook dat „de heer- 
schappij op geen ander volk meer zal 
overgaan". (Daniël 2:44.) Wij kunnen 
ons niet aansluiten bij een of andere 
oecumenische beweging, want als wij dat 
doen zullen wij onze beginselen gedeelte- 
lijk op moeten geven. Dat kunnen wij 
niet doen omdat de Heer de beginselen 
waarop zijn kerk gebouwd is heeft 
vastgesteld en wij het recht niet hebben 
ze te veranderen. 

Achttien maanden nadat de kerk werd 
georganiseerd en na hemelse bezoeken 
tijdens dewelke het gezag om in Gods 
naam te handelen aan Joseph Smith 
werd gegeven, verklaarde de Heer dat 
„De sleutelen van het koninkrijk Gods 
zijn overgedragen aan de mens op aar- 
de," en dat het koninkrijk „zal voortrol- 
len, totdat deze de ganse aarde heeft 
gevuld." (Leer en Verbonden 65:2.) 

Aanwijzingen over andere tonelen in 
het drama werden gegeven aan andere 
profeten zoals Jesaja, Jeremia, Ezechiël 
en Johannes de Openbaarder en nog vele 
anderen uit de bijbelse geschiedenis; en 
aan Nephi, Alma, Helaman, Mormon, 
Moroni en anderen uit het Boek van 
Mormon. 

De ster van de bezetting is Jezus 
Christus, de Heiland der mensheid. Vele 
gebeurtenissen in zijn leven waren de 
vervulling van tonelen die eerder aan 
profeten vanouds waren getoond. Mor- 
gen gedenken wij de belangrijkste ge- 
beurtenis van alle: de opstanding van 
Jezus Christus, die leed en stierf om voor 
de zonden van mannen en vrouwen te 
boeten. 



43 



Het aantal mensen in de bezettting is 
onbeperkt. „Indien gij verlangens hebt 
om God te dienen, zijt gij tot het werk 
geroepen" (Leer en Verbonden 4:3) 
heeft de Heer gezegd. Om door de 
toneeltest heen te komen moet men zich 
bekeren, gedoopt zijn, en Gods geboden 
onderhouden. Iedereen is welkom om er 
aan deel te nemen, want de profeet 
Nephi heeft gezegd: „Hij nodigt allen uit 
tot Hem te komen en deel te hebben aan 
zijn goedheid; en Hij zendt niemand 
heen, die tot Hem komt, hetzij zwarte of 



„Wij behoren ernaar te 

streven als de Heer Jezus 

Christus te worden door te 

handelen zoals Hij zou 

handelen." 



blanke, dienstknecht of vrije, man of 
vrouw; en de heiden is Hij indachtig; en 
allen, zowel Jood als niet-Jood, zijn 
gelijk voor God." (2 Nephi 26:33.) 

Het aanvaarden van het evangelie van 
Jezus Christus is een kwestie van hou- 
ding. William James, een bekend schrij- 
ver en psycholoog schreef eens: „De 
grootste ontdekking van mijn tijd is dat 
men zijn omstandigheden kan verande- 
ren door zijn geesteshouding te verande- 
ren." (Richard L. Evans, Richard Evan's 
Quote Book, blz. 161.) 

In Spreuken lezen wij: „Want als 
iemand die zijn eigen plannen maakt, zo 
is hij." (De Statenvertaling luidt: „Want 
gelijk hij bedacht heeft in zijn ziel, zo is 
hij.") Henry David Thoreau onder- 



steunde die gedachte toen hij zei: „De 
mens wordt datgene, waar hij de hele 
dag aan denkt." 

Wij hebben onze vrije wil. Een ieder 
van ons besluit zelf wat voor iemand wij 
spelen in het drama - wat voor mens wij 
zijn of zullen worden. 

Toen president David O. McKay een 
jonge zendeling was in Schotland, had 
hij heimwee, was hij ontmoedigd en 
gedeprimeerd. Terwijl hij met zijn met- 
gezel op straat liep zag hij een opschrift 
dat in een steen boven een deur gebeiteld 
was. Er stond: „Whate'er Thou Art, Act 
Well Thy Part". (Wat gij ook zijt, speel 
uw rol goed.) Vanaf dat ogenblik begon 
hij zijn rol als zendeling goed te spelen en 
werd hij ook een geweldige zendeling. 
Deze leerrijke ervaring heeft hem gehol- 
pen bij de talrijke belangrijke roepingen 
die hij later in zijn leven ontving. (Zie 
Cherished Experiences From the Wri- 
tings of President David O. McKay, blz. 
174.) 

Als wij een rechtschapen iemand wil- 
len zijn, dan handelen wij alsof wij 
rechtschapen zijn en zullen wij ook 
rechtschapen worden. Als wij een lief- 
hebbend iemand willen zijn, dan hande- 
len wij alsof wij die eigenschap hebben 
en zullen wij zo iemand worden. 

De Heiland zinspeelde op dit beginsel 
toen Hij vroeg: „Welke soort mensen 
behoort gij daarom te zijn?" Toen beant- 
woordde Hij zijn eigen vraag: „Voor- 
waar zeg Ik u: Zoals Ik ben." (3 Nephi 
27:27.) 

Wij behoren ernaar te streven als 
Christus te worden door te handelen 
zoals Hij zou handelen. 

God kiest niet het soort leven dat wij 
leiden. Wij kiezen zelf door wat wij 
denken. Wannneer u een bepaalde rol 
wilt spelen, moet u ernaar handelen. 



44 



Welke rol speelt u nu? Bent u een 
moedige aanhanger? Bent u een lauw lid 
zonder overtuiging? Staat u er maar zo'n 
beetje bij? Of bent u iemand die tegen 
Gods kerk vecht? 

Er wordt een beloning gegeven voor 
moed in het drama van het leven. De 
Heiland heeft gezegd: „En indien gij 
mijn geboden onderhoudt . . . zult gij het 
eeuwige leven hebben, welke gave de 
grootste van alle gaven Gods is." (Leer 
en Verbonden 14:7.) Het is moeilijk om 
je voor te stellen dat het eeuwige leven 
een plaats van vreugde en geluk zou 
kunnen zijn zonder degenen die wij in dit 
leven liefhebben. Afhankelijk van onze 
dapperheid zullen wij ons toekomstig 
leven dan ook doorbrengen met onze 
vrouw of onze man, onze kinderen, onze 




Ouderling Royden G. Derrick van het 
Presidium van het Eerste Quorum der 
Zeventig. 



ouders, ja, ons nageslacht evenals ons 
voorgeslacht. 

Wat kan ik voor mijn kinderen doen 
om ze te helpen in aanmerking te komen 
voor het eeuwige leven? Enkele jaren 
geleden stelde de afdeling zendingswerk 
van de kerk een onderzoek in om na te 
gaan wat er met teruggekeerde zendelin- 
gen gebeurt. Het onderzoek gold alle 
zendelingen die in de tien daaraan 
voorafgaande jaren teruggekeerd waren 
en aangenomen werd dat het tot op drie 
procent juist was. Het bleek dat de 
getrouwheid van de zendelingen hoogst 
voorbeeldig en lofwaardig was. Het was 
een onthullend verslag en het resultaat 
was veel gunstiger dan verwacht werd. 

Een paar weken geleden bezocht ik 
een ring die grotendeels bestaat uit jonge 
gezinnen. Ik vroeg de priesterschapslei- 
ders hoeveel van hen op zending geweest 
waren. Het verraste mij dat zij allen hun 
hand opstaken. De volgende week be- 
zocht ik een ring met wat oudere leden, 
een van de beste ringen van de kerk, en 
stelde dezelfde vraag. Alle mannen in de 
vergadering op twee na staken hun hand 
op. 

Wat is de conclusie? Niet dat iedere 
man een teruggekeerde zendeling moet 
zijn om een leider in het priesterschap te 
kunnen worden. Maar het is wel zo dat 
degenen die een eervolle zending vervul- 
len een begrip voor het evangelie en een 
zelfdiscipline ontwikkelen die voeren tot 
volkomen toewijding aan hetgeen zij 
onderschrijven als de waarheid. 

Wij behoren onze plannen voor ons 
gezin zo te maken dat er een zending 
voor ieder van onze zoons en een 
tempelhuwelijk voor ieder van onze 
zoons en dochters in opgenomen zijn. 
Een zending plannen voor onze zoons 
kan bij hun geboorte worden aangevan- 



45 



gen door een spaarrekening voor een 
zending te openen. Dit zal een grote 
stimulans voor ze zijn om financieel, 
zedelijk, lichamelijk en verstandelijk 
voorbereid te zijn als zij de leeftijd om op 
zending te gaan bereikt hebben. Maar 
voor alles behoren wij onze kinderen te 
leren „te bidden en oprecht voor de Here 
te wandelen". (Leer en Verbonden 
68:28.) 

Wat kan ik doen voor mijn voorou- 
ders om ze te helpen het eeuwige leven 
waardig te zijn? Ik kan mijn ouders en 
grootouders helpen het evangelie te 
begrijpen, zich te laten dopen en de 
zaligmakende verordeningen in Gods 
tempel te ontvangen. Ik kan mij ervan 
overtuigen dat mijn overleden ouders, 
grootouders, overgrootouders, en zo ver 
als ik kan gaan met mijn genealogisch 
onderzoek, de zaligmakende tempelver- 
ordeningen persoonlijk hebben ontvan- 
gen, of dat er plaatsvervangend werk 
voor hen is gedaan. Als wij deze dingen 
doen voor onze nakomelingen en onze 
voorouders, kan er een eeuwige familie 



ontstaan, een dynastie van rechtvaardi- 
ge mensen die vreugde en geluk in deze 
wereld zullen brengen, en in de toeko- 
mende wereld het eeuwige leven en 
onvergankelijke heerlijkheid zullen ont- 
vangen. 

De laatste tonelen van dit grote drama 
zullen spoedig opgevoerd worden. Het 
koninkrijk Gods verbreidt zich, vooraf- 
gaand aan de wederkomst van Christus. 
Dan zal het doek vallen en zal de 
Heiland tegen iedere dappere getrouwe 
zeggen: „Wel gedaan, gij goede en 
getrouwe slaaf, over weinig zijt gij 
getrouw geweest, over veel zal ik u 
stellen; ga in tot het feest van uw heer." 
(Matteüs 25:21.) En zo zal het konink- 
rijk Gods voortgaan door alle eeuwighe- 
den heen. Zoals de profeet Daniël heeft 
gezegd: „En zelf zal het bestaan in 
eeuwigheid." (Daniël 2:44.) U en ik 
zullen het oordeel of de beloning hebben 
ontvangen overeenkomstig de rol waar- 
aan wij getrouw zijn geweest in dit leven. 
Hiervan getuig ik in de naam van Jezus 
Christus. Amen. D 





46 



Opdat u wortelen 
en takken moge hebben 



Ouderling Hartman Rector jr. 
van het Quorum der Twaalf Apostelen 




„Mag een mens God beroven?" (Ma- 
leachi 3:8.) Dit moet wel een van de 
scherpste vragen zijn die ooit gesteld 
werd in de heilige Schrift. Zij houdt in 
dat mocht iemand inderdaad God bero- 
ven, hij door God vervloekt zal worden 
en als stoppels verbrand bij de weder- 
komst des Heren. (Zie Maleachi 3:9; 
4:1.) 

Deze vraag werd aan het oude Israël 
gesteld door de profeet Maleachi, maar 
zij gold niet alleen voor het oude Israël. 
Het is heel duidelijk dat zij ook gold 
voor de Nephieten en Lamanieten op dit 
continent, want de opgestane Heer her- 
haalde deze vraag toen Hij ze bezocht 
omstreeks 34 n.Chr. (Zie 3 Nephi 24:8- 
9.) Ik neem aan dat deze vermaning ook 
geldt voor het moderne Israël, want de 
Heer gebruikte bijna dezelfde woorden 
toen Hij waarschuwde voor het branden 
dat aan zijn wederkomst vooraf zou 
gaan, en het schijnt dat de tiend de 
maatstaf zal zijn waarmee gemeten zal 



worden. (Zie Leer en verbonden 64:23- 
24.) 

Aan de andere kant hebben degenen 
die tiend betalen (die de Heer zijn tiend 
geven) de belofte ontvangen dat de 
vensteren des hemels geopend zullen 
worden en dat zij zoveel zegeningen 
zullen ontvangen dat zij ze niet aankun- 
nen. (Zie Maleachi 3:10.) Bovendien zal 
de Heer ,,de afvreter dreigen, opdat hij 
de vrucht van uw land niet verderve". 
(Maleachi 3:11.) Dit is een bijzonder 
grote zegen. 

Gehoorzaamheid aan de geboden des 
Heren, met inbegrip van het belangrijke 
gebod van de tiend, brengt grote zege- 
ningen met zich mee. Wij weten niet 
altijd hoe de Heer ons zal zegenen. 
Misschien kan het volgende voorval, 
waar wij allen vertrouwd mee zijn, als 
voorbeeld dienen. 

Hebt u ook wel eens achter een slome 
duikelaar gereden die naar alles kijkt 
wat er te zien is langs de weg, en wetende 



47 



dat als hij niet opschiet u nooit het 
groene licht zult halen? Maar plotseling 
gaat hij toch vlugger rijden, net vlug 
genoeg om nog door het oranje licht te 
rijden, maar u moet stoppen. Zo iets stelt 
je geduld wel heel erg op de proef. Soms 
zijn wij dan niet al te goed te spreken 
over de chauffeur die verder rijdt. Maar 
het is heel goed mogelijk dat de Heer ons 
bewaard heeft voor een ongeluk een 



„De tiend is een van de 

grondbeginselen van 

verhoging. Het is een 

beginsel dat grote beloften 

inhoudt en eeuwige vreugde 

en geluk brengt." 



paar kilometer verderop doordat wij 
voor dat licht moesten stoppen, al ging 
het niet van harte. Als u er zo tegenover 
kunt staan, zult u geneigd zijn om 
dankbaar te zijn in plaats van geïrriteerd 
of boos, en dat is veel beter voor uw 
spijsvertering. 

Dit beginsel werd mij op een dag lang 
geleden heel duidelijk bijgebracht. Ik 
woonde toen ver weg in Virginia en op 
een prachtige herfstdag reed ik een eind 
naar buiten om wat okkernoten te halen. 
Er waren zestien stopborden tussen mijn 
huis en de laan die ik altijd afsloeg en 
waarlangs heel dicht geboomte groeide. 
Ik stopte vijftien keer. Het laatste stop- 
bord was een heel eind buiten de stad. Ik 



kon alles zien in beide richtingen. Er was 
geen andere auto in zicht. Ik dacht bij 
mijzelf: „Waarom zou ik stoppen? Stop- 
borden zijn er om mensen te bescher- 
men, maar ik ben de enige in de hele 
omtrek. Waarom zou ik stoppen?" En ik 
stopte dus niet. Ik reed niet hard, 
gewoon tegen de maximumsnelheid aan. 
Toen ik de beboste laan bereikte kon ik 
niet om de hoek kijken. Zo is dat daar in 
Virginia. Ik nam wat snelheid terug en 
reed de laan in. Maar net op dat moment 
kwam er een andere auto uit de laan, en 
omdat wij elkander niet hadden kunnen 
zien botsten wij tegen elkaar op met een 
vaartje van tien kilometer per uur. Het 
was geen zware botsing en de wagens 
waren niet erg beschadigd. Voor zover ik 
me kan herinneren kostte het me tegen 
de Fl. 400,- om de reparatie uit te laten 
voeren. 

Welnu, dat ongeluk moest zeer nauw- 
keurig worden getimed. Als ik gestopt 
was bij het laatste stopbord, zou het 
nooit gebeurd zijn. Ik zei: „Heer, ik heb 
de boodschap begrepen. U had echt niet 
zo ver hoeven te gaan, maar ik heb het 
begrepen." Op de terugweg ben ik 
zestien keer gestopt met mijn beschadig- 
de wagen. 

Het schijnt werkelijk zo te zijn dat de 
Heer gehoorzaamheid verlangt om ons 
te kunnen zegenen: tot die zegeningen 
behoort ook het dreigen van de afvreter. 
„Er is een wet, voor de grondlegging 
dezer wereld onherroepelijk in de hemel 
vastgelegd, waarop alle zegeningen zijn 
gegrond - En wanneer wij enige zegen 
van God ontvangen, is het door gehoor- 
zaamheid aan die wet, waarop deze is 
gegrond." (Leer en Verbonden 130:20- 
21, cursivering toegevoegd.) Ik veron- 
derstel dat dit zelfs op een stopbord 
slaat. 



48 



„Laat niemand de wetten des lands 
overtreden," zegt de Heer. „Want hij, 
die de wetten van God nakomt, behoeft 
de wetten van het land niet te overtre- 
den." (Leer en Verbonden 58:21.) 

Maleachi zei verder: „Opdat de wijn- 
stok op het veld voor u niet zonder 
vrucht zij." (Wij zullen verspilling ver- 
mijden.) „En alle volken zullen u geluk- 
kig prijzen, omdat gij een land van 
welbehagen zijt, zegt de Here der heer- 
scharen." (Maleachi 3:11-12.) 

Het is een feit dat wij er zelfs beter 
uitzien als wij tiend betalen. De blijd- 
schap die opwelt in het hart van de 
tiendbetaler wordt zelfs afgespiegeld op 
zijn gelaat. 

Dan lijkt het alsof de Heer iets te 
klagen heeft: „Vermetel zijn uw woor- 
den over Mij, zegt de Here. En dan zegt 
gij: Wat hebben wij dan onder elkander 
over U gesproken?" (Wanneer hebben 
wij ooit iets ten nadele van de Heer 
gezegd?) 

De Heer antwoordt: „Gij zegt: Nutte- 
loos is het God te dienen; wat gewin 
geeft het, dat wij zijn geboden onderhou- 
den en dat wij in rouw gaan voor het 
aangezicht van de Here der Heerscha- 
ren? En nu, wij prijzen de overmoedigen 
gelukkig; niet alleen worden zij ge- 
bouwd, terwijl zij goddeloosheid bedrij- 
ven, maar ook verzoeken zij God, en 
ontkomen." (Maleachi 3:13-15.) 

Hebt u ooit naar de boot voor de deur 
van het niet-lid gekeken en gedacht: „Hij 
betaalt geen tiend, of gaat niet naar de 
kerk op zondag. Hij gaat naar voetbal- 
len en kan die of die serie op de TV 
volgen op zondag. Hij doet kennelijk 
geen van de dingen die ik moet doen, en 
toch lijkt het wel of het net zo goed met 
hem gaat als met mij, en misschien wel 
beter." Hebt u ooit dergelijke gedachten 



gekoesterd? Als dat het geval is, denk ik 
dat de Heer iets dergelijks bedoeld heeft. 
En dan laat de Heer de bom vallen: 
„Dan spreken zij die de Here vrezen, 
('dikwijls' staat hier in de Engelse verta- 
ling toegevoegd) onder elkander, ieder 
tot zijn naaste." (Zoals wij nu doen. Is 
het u ooit opgevallen dat degenen die de 
Heer liefhebben altijd met elkaar aan het 
praten zijn? De ene vergadering na de 
andere.) „De Here bemerkte het toch en 
hoorde het en er werd een gedenkboek 
voor zijn aangezicht geschreven, ten 
goede van hen die de Here vrezen en zijn 
naam in ere houden." (Maleachi 3:16 en 
3 Nephi 24:16.) 

Ha! Het licht breekt door. Er wordt 
een verslag bijgehouden, en dat is zeker 




Ouderling Hartman Rector jr. van het 
Eerste Quorum der Zeventig. 



49 



waar. Eén groep krijgt zijn beloning nu 
al; de andere spaart het op in de hemel; 
en op grond van de boeken die geschre- 
ven zijn en geschreven zullen worden 
zullen de doden geoordeeld worden. (Zie 
Openbaring 20: 12.) En dan geeft de Heer 
zijn woord, dat Hij niet kan breken, 
want ,,Ik, de Here, ben gebonden wan- 
neer gij doet, wat Ik zeg". (Leer en 
Verbonden 82:10.) En hier is de belofte 
die de Heer doet: „Zij zullen Mij ten 
eigendom zijn, zegt de Here der heer- 
scharen, op de dag die Ik bereiden zal. 
En Ik zal hen sparen, zoals iemand zijn 
zoon spaart, die hem dient." (Maleachi 
3:17.) Het is vanzelfsprekend erg moei- 
lijk om geen voorliefde te hebben voor je 
eigen zoon die voor je werkt, als hij zijn 
werk goed doet. Ik neem aan dat het ook 
niet verkeerd is om zo tegenover je eigen 
zoon te staan. De Heer schijnt er in alle 
geval ook zo over te denken. 

Dan gaat de Heer verder: „Dan zult 
gij tot inkeer komen en het onderscheid 
zien tussen de rechtvaardige en de god- 
deloze; tussen wie God dient, en wie 
Hem niet dient." (Maleachi 3:18.) Dat 
zal gemakkelijk te zien zijn in het 
verslag. 

En dan komt het belangrijkste punt in 
het hele betalen van de tiend: „Want zie, 
de dag komt, brandend als een oven! 
Dan zullen alle overmoedigen en allen 
die goddeloosheid bedrijven, zijn als 
stoppels, en de dag die komt, zal hen in 
brand steken - zegt de Here der heer- 
scharen - welke hun wortel noch tak zal 
overlaten." (Maleachi 4:1.) 

Met andere woorden, degenen die 
tiend betalen zullen wortels en takken 
hebben in de laatste dagen en degenen 
die geen tiend betalen zullen die niet 
hebben. Maar wat zijn onze wortels 



eigenlijk? Alex Haley heeft er een boek 
over geschreven. Het is duidelijk dat 
onze wortels onze voorouders zijn. En 
wat zijn onze takken? Dat zijn onze 
kinderen. Dit houdt dus in dat degenen 
die in heiligheid voor de Heer wandelen, 
wat betekent dat zij ook hun tiend 
betalen, een eeuwige familie zullen heb- 
ben op de laatste dag. En degenen die 
hun tiend niet betalen zullen deze niet 
hebben. 

De tiend is nodig om de zegeningen 
van de tempel te kunnen ontvangen. Als 
iemand alle geboden des Heren onder- 
hield met uitzondering van de tiend, zou 
hij toch niet voor tijd en eeuwigheid in de 
tempel kunnen trouwen; en daarom zou 
hij op de laatste dag geen wortels of 
takken hebben. 

En dan wordt het een ernstige zaak, 
daar er geen verhoging is zonder uw 
familie, en geen verhoging zonder tiend. 
Als wij hierover nadenken zullen wij 
weten dat het waar is. 

De tiend is dus een van de grondbegin- 
selen van verhoging. En, zoals blijkt, 
wanneer iemand tiend betaalt, opent de 
Heer de vensters des hemels en bestraft 
Hij de afvreter zodat het hem niets kost, 
maar hem zelfs veel verder brengt dan hij 
ooit geweest had kunnen zijn als hij zijn 
tiend niet betaald had. Het is een 
beginsel dat grote beloften inhoudt en 
dat eeuwige vreugde en geluk brengt. 

Wie kan zich dan veroorloven om de 
Heer zijn tiend niet te betalen? Noch u 
noch ik, en daar getuig ik van. Want de 
Here God heeft het gezegd. En zoals 
koning Benjamin het eens heeft gezegd: 
„Hij wijkt nimmer af van hetgeen Hij 
heeft gezegd." (Mosiah 2:22.) In de 
naam van de Heer Jezus Christus. 
Amen. D 



50 



Het evangelie van Jezus Christus 

en de fundamentele behoeften 

van de mens 



Ouderling James M. Paramore 
van het Eerste Quorum der Zeventig 




Mijn geliefde broeders en zusters, in 
die paar minuten die ik voor u zal staan, 
heb ik uw geloof en uw gebeden nodig. 
Een paar jaar geleden, net voordat wij 
op zending gingen naar België, ging ons 
gezin op vakantie. Bij aankomst in een 
motel hadden onze kinderen zich al 
uitgekleed en waren zij in badpak voor- 
dat wij de auto hadden kunnen uitladen. 
Toen ik voorbij het zwembad liep, zag ik 
een bord staan waarop stond: „Laat 
kinderen niet zonder toezicht." Hoewel 
ik zo'n bord al dikwijls gezien had en er 
geen notitie van had genomen, voelde ik 
mij toen gedwongen om te blijven en op 
mijn jonge kinderen te letten. (Mijn 
vrouw vond het niet leuk; zij was de auto 
aan het uitladen.) Binnen enkele minu- 
ten was een van mijn dochters in het 
diepe gedeelte in ernstige moeilijkheden. 
Ik dook met kleren en al het zwembad in 
en met een enorme inspanning bereikte 



ik haar net op tijd. Ik had die onuitge- 
sproken maar dringende roep om hulp 
die dag herkend, en dat zal ik nooit 
vergeten. 

Mensen hebben fundamentele be- 
hoeften, die niet altijd zo duidelijk zijn 
als in dit geval; maar ze zijn er, en hun 
bijna onhoorbare stemmen zijn er als wij 
ze maar kunnen en willen horen: overal 
tekenen en zachte stemmen die zeggen: 
„Ik heb het gevoel dat er ergens iets is 
wat ik nodig heb, wat mij vrede zal 
geven, wat mij zal troosten en mij zal 
laten weten dat mijn leven een doel heeft 
en belangrijk is, dat ik ergens bij hoor." 

Een paar jaar geleden ontdekte een 
psychiater, dr. Henry Link, na jaren 
studie en duizenden gevallen te hebben 
behandeld - hoewel hij zelf geen christen 
was geweest - dat het evangelie van 
Jezus Christus de grootste afzonderlijke 
factor was om mensen gelukkiger en 



51 



gezonder te maken en ze te helpen van 
hun leven een succes te maken. Hij was 
er zo van onder de indruk dat hij zelf een 
trouwe volgeling van Jezus Christus 
werd en een boek schreef met de titel 
„The Return to Religion" (Terugkeer tot 
het geloof). Terwijl ik hierover nadacht 
schoot mij een tekst te binnen uit het 
Boek van Mormon: „Daarom begonnen 
de mensen . . . door ieder woord, dat uit 
de mond Gods voortkwam, geloof te 
oefenen in Christus; en aldus namen zij 
door geloof alles aan, wat goed is." 
(Moroni 7:25.) 

Broeders en zusters, het is door deze 
kennis uit de hemel die vervat is in het 
herstelde evangelie van Jezus Christus, 
en door ons volledig en onvoorwaarde- 
lijk geloof en onze trouw daaraan, dat 
wij in de fundamentele behoeften van de 
mensen kunnen voorzien. 

Iedereen heeft er behoefte aan ergens 
bij te horen. Een nieuw hondje bij ons 
thuis heeft de eerste week niets anders 
gedaan dan blaffen, omdat het zijn 
moeder miste, maar als een van ons het 
oppakte, voelde het zich veilig en had het 
het gevoel ergens bij te horen, en hield op 
met blaffen. 

Toen ik in de hoogste klas van de 
lagere school zat wilde ik ook verschrik- 
kelijk graag ergens bij horen; lid te zijn 
van het honkbalteam en een uniform 
dragen gaf mij dat gevoel van zekerheid, 
dat erbij horen dat ik nodig had. Het 
evangelie van Jezus Christus is het 
antwoord voor deze grote behoefte van 
iedere man, vrouw en kind op aarde, van 
ieder gezin, iedere alleenstaande. Ieder- 
een die lid van de kerk wordt hoort er 
onmiddellijk bij, wie hij ook is of waar 
hij zich ook bevindt. Er is een broeder- 
schap die nationale grenzen en taalgren- 




Ouderling James A. Paramore van het 
Eerste Quorum der Zeventig. 



zen overschrijdt en alle mensen te zamen 
bindt. De waarheden van het evangelie, 
het broederschap en het zusterschap van 
het evangelie, het actief eraan deelne- 
men, bevredigt deze verlangens en kan 
alle hindernissen overwinnen. 

Ik herinner mij een verhaal uit de 
tweede wereldoorlog. Een Duitse sol- 
daat, een heilige der laatste dagen, werd 
getroffen door een Amerikaanse kogel 
en verkeerde in levensgevaar. Hij zei 
tegen zijn leider: ,,Neem alstublieft een 
witte vlag en ga naar de andere kant om 
te zien of er een mormoonse ouderling is 
die mij kan zalven." Wat een wonderlijk 
verzoek tijdens een oorlog tussen twee 
dodelijke vijanden. Maar gezien zijn 
toestand en omdat hij wilde voldoen aan 



52 



wat het laatste verzoek van de gewonde 
leek te zijn, nam de leider de witte vlag, 
ging naar de vijandelijke linie en vroeg 
om een mormoonse ouderling. Er werd 
er een gevonden en samen met de 
Duitser ging hij naar de stelling van de 
vijand, legde zijn handen op het hoofd 
van zijn broeder en beval dat hij in leven 
zou blijven totdat er hulp gehaald zou 
zijn. Het evangelie van Jezus Christus 
geeft het gevoel dat men ergens bijhoort 
ten eerste bij onze Vader in de hemel, 
dan bij ons gezin, dat een eeuwige 
eenheid kan worden, en vervolgens bij 
de leden over de gehele wereld. 

Een paar jaar geleden trok een gepen- 
sioneerd echtpaar naar het westen om 
daar hun laatste jaren door te brengen. 
Zij reisden per bus en stapten voor een 
poosje uit in Provo (Utah). Zij hadden 
geen bepaald doel voor ogen, namen een 
taxi en reden zo maar wat rond. Wat zij 
zagen en voelden beviel hen echter zo 
goed, dat zij de volgende dag een huis 
kochten. Zij kwamen uit een grote stad 
in het midden van het land en hoewel zij 
er tweeënveertig jaar hadden gewoond, 
kenden zij er bijna niemand. Toen zij in 
onze wijk kwamen wonen, werd er na 
een paar uur al eten, hulp en vriendschap 
aangeboden. Zij konden niet geloven 
wat er gebeurde. Zij hoorden nu bij 
andere hartelijke, meelevende mensen, 
mensen die echt van ze hielden en 
veiligheid, warmte en de ware liefde van 
Christus in hun leven brachten. Zij 
waren voorgoed veranderd. Zij behoor- 
den tot een grotere familie en waren 
gelukkiger dan zij ooit tevoren geweest 
waren. 

De apostel Paulus, zelf ook een be- 
keerling tot Christus en zijn waarheden, 
maakte persoonlijk kennis met de grote 



waarheden die zijn hele wezen opbouw- 
den en zijn leven veranderden, en ook 
met het feit dat hij tot het lichaam van 
Christus behoorde - de mensen van het 
koninkrijk Gods op aarde, die elkander 
liefhadden en dienden met een open hart 
en geest vanwege de liefde die zij voel- 
den. Luister naar zijn woorden terwijl hij 
beschrijft wat er plaatsvond: „Zo zijt gij 
dan geen vreemdelingen en bijwoners 



Het evangelie kan ons vrede 

geven, ons troosten, ons 

helpen inzien dat ons leven 

een doel heeft en belangrijk 

is, en ons het gevoel geven 

dat wij ergens bij horen. 



meer, maar medeburgers der heiligen der 
huisgenoten Gods." (Efeziërs 2:19.) 

Er zijn leden die zeggen dat zij nog 
nooit ergens vreemdelingen zijn geweest, 
waar zij ook geweest zijn - Italië, Oslo, 
Mexico, Portland - of Orem in Utah. Zij 
hoorden erbij zodra bekend werd dat zij 
lid van de kerk van Jezus Christus 
waren. Iedereen die op deze aarde woont 
heeft dit gevoel van aanvaard te worden 
nodig en het evangelie van Jezus Chris- 
tus en zijn kerk brengen dit tot stand. 
Zelfs al woont een lid alleen, is hij toch 
nooit alleen. Hij hoort erbij; hij levert 
zijn bijdrage, hij wordt nooit vergeten. 

Onlangs kreeg de zendingspresident 
in Nederland een ernstige hartaanval en 
verkeerde enige tijd in levensgevaar. 



53 



Hoewel hij, bij wijze van spreken, een 
Amerikaanse vreemdeling was, behoor- 
de hij tot de huisgenoten Gods, en 
letterlijk duizenden mensen in Neder- 
land en in andere landen, en de apostelen 
van de Heer, knielden neer en baden 
voor zijn leven, als het Gods wil mocht 
zijn dat hij zou leven. Denkt u zich dat 
eens in en het gebeurt honderden 
malen per dag op deze aarde. Hij 
behoorde tot de huisgenoten Gods; hij 
voelde dat er voor hem gevast en 
gebeden werd en dat men hem liefhad. 
En hoe stond het met zijn vrouw? Zij 
voelde dat zij erbij hoorde, zoals zij nooit 
voor mogelijk had gehouden. Ik was 
erbij . Ik was er getuige van, en er werd zo 
dikwijls opgebeld door degenen die tot 
de huisgenoten Gods behoren dat zij er 
gewoon vermoeid van werd. 

Toen de toestand van de president 
verbeterde en ik wegging, was ik een en 
al dankbaarheid. Ja, voor het behoud 
van zijn leven, maar ook voor het 
voorrecht om tot de kerk van Jezus 
Christus te behoren, hier op aarde. 

In feite zijn wij altijd thuis in zijn kerk, 
thuis in de dingen die wij geloven, de 
normen die wij zozeer zijn toegedaan, de 
geest die wij nodig hebben, en de hulp en 
de veiligheid, en het erbij horen dat men 
er vindt. Terwijl ik dit zeg, schiet mij het 
ouderlingenquorum in Genève te bin- 
nen. Zij zijn met het project begonnen 
om de verhuizingen van alle leden van de 
wijk die binnen de wijk verhuizen koste- 
loos te verzorgen. (Ze kunnen ons zelfs 
door een verhuizing niet kwijtraken!) 
Waar ook ter wereld openen de heiligen 
der laatste dagen hun hart, hun huis, hun 
beurs en hun leven in dienst van anderen 
en uit liefde voor hem. Dit wordt niet 
gedaan onder dwang, maar door de 
liefde en de vreugde die zij van God en 



voor elkaar voelen. Dit is trouwens het 
wezen van het evangelie zoals de Hei- 
land het onderwees en zelf naleefde. 
Denk aan zijn woorden: „Zijt één; en 
indien gij niet één zijt, zijt gij de Mijnen 
niet." (Leer en Verbonden 38:27.) 

„In zoverre gij dit aan één van deze 
mijn minste broeders hebt gedaan, hebt 
gij het Mij gedaan." (Matteüs 25:40.) 

„De vrucht van de Geest is liefde, 
blijdschap, . . . (en) goedheid." (Galaten 
5:22.) Iedereen die tot deze kerk behoort 
wil de hand naar de andere uitstrekken, 
niet omdat hem dat door de kerk wordt 
opgedragen, maar omdat hij uit vriende- 
lijkheid en oprechte bezorgdheid wil 
dienen, liefhebben, helpen, bijstaan en 
voor anderen zorgen. Op nederige on- 
zelfzuchtige manieren kan ieder van ons 
een licht zijn voor anderen die misschien 
in het geheim of stil voor zichzelf ernaar 
verlangen, of zelfs ervoor bidden, om 
dat gevoel ergens bij te horen te vinden. 
Broeders en zusters, dit soort medele- 
ven, dit soort zorgen voor anderen, kan 
niet op bevel of volgens de kalender 
gebeuren, maar ontstaat omdat men zelf 
dat gevoel heeft erbij te horen, omdat 
men de macht, de vreugde en de goed- 
heid ervan voelt en zich dan zorgen gaat 
maken om al Gods kinderen. 

Ik herinner mij een inactief lid van het 
priesterschap enkele jaren geleden dat 
door het gebed, een interview en de 
uitnodiging om te dienen, de liefde en de 
oprechte bezorgdheid van zijn leiders 
voelde en openlijk zijn tranen liet vloeien 
omdat hem de gelegenheid werd gebo- 
den om zijn levenswijze te veranderen, 
en te behoren tot de geest en de broeder- 
schap die hij voelde. Wij behoren tot 
deze waarheden, deze broederschap, en 
deze beloften - maar wij behoren ook tot 



54 



de organisatie van de kerk van Jezus 
Christus. Wij zijn werkelijk nodig, en wij 
leren als wij in zijn dienst werkzaam zijn. 
Wij krijgen meer medeleven, wijsheid, 
karakter, waardering en kracht naarma- 
te wij ijverig voor zijn zaak werkzaam 
zijn (zie Leer en Verbonden 58:27). Wij 
gaan meer op Hem lijken. Wij beginnen 
de wegen des Heren te kennen als wij met 
een rein hart en op onzelfzuchtige wijze 
dienen. Wij worden gevoeliger voor de 
behoeften van anderen. 

Leiders, laten wij de raadgevingen van 
de profeet Moroni volgen. Hij zei: ,,En 
nadat zij de doop hadden ontvangen, . . . 
werden zij tot het volk van Christus 
gerekend; en hun namen werden inge- 
schreven, opdat zij bekend zouden zijn, 



en door het goede woord van God 
worden gevoed, ... (en zij) kwamen 
dikwijls te zamen om . . . met elkander te 
spreken aangaande het welzijn van hun 
ziel." (Moroni 6:4-5.) 

Laten wij de hand uitstrekken naar 
ieder lid, opdat hij moge behoren tot de 
huisgenoten Gods. 

En, leden van de kerk, mogen wij onze 
hand uitstrekken met alle energie en 
liefde die wij hebben, eerst om ieder lid 
van onze familie te helpen, en daarna de 
leden, een ieder van hen, en tenslotte 
iedereen overal, opdat allen het grote 
voorrecht, de eer en de zegen mogen 
ervaren om tot het koninkrijk Gods te 
behoren. In de naam van Jezus Christus. 
Amen. D 




Een jongerenkoor, samengesteld uit jongens en meisjes uit Salt Lake City en omgeving, 
zong op de zaterdagmiddagvergadering van de conferentie. 



55 



Een profeet ontvangen 



Ouderling Loren C. Dunn 
van het Eerste Quorum der Zeventig 




Broeders en zusters, ik ben erg dank- 
baar dat ik hier vanmiddag ben, en ik wil 
mijn toespraak beginnen met mijn getui- 
genis te geven van de waarachtigheid 
van dit werk. Ik weet dat God leeft en 
dat Jezus de Christus is en dat dit hun 
werk is. Ik weet dat Joseph Smith een 
profeet van God was, en dat Spencer W. 
Kimball heden ten dage een profeet van 
God is. 

Ik zou u enkele dingen willen vertellen 
die ik beleefd heb. In mijn jeugd was 
Heber J. Grant president van de kerk. 
Mijn vader bad altijd voor president 
Grant. Hij voelde zich persoonlijk aan- 
getrokken tot hem omdat president 
Grant vroeger president van de ring 
Tooele geweest was en mijn vader dat in 
die tijd ook was. President Grant werd 
ziek en stierf en ik herinner mij dat wij na 
de begrafenis als gezin neerknielde en ik 
mijn vader met dezelfde liefde en toewij- 
ding en gevoelens voor de volgende 
profeet, de nieuwe president van de 
kerk, George Albert Smith, hoorde 
bidden. 

Als jongen verbaasde mij dat want ik 
had nog nooit voor een andere profeet 



dan Heber J. Grant horen bidden. Ik 
was een beetje verontwaardigd - het was 
net alsof mijn vader zich van een goede 
vriend afwendde. Maar in de loop der 
tijd heeft hij mij, door deze ervaring en 
andere, een erg waardevolle les geleerd. 
Ziet u, zijn liefde en waardering voor 
president Grant was groot, en dat zou 
ook nooit veranderen, maar ik begreep 
dat hij in zijn hart zijn grootste liefde en 
loyaliteit bewaarde voor zijn God, en hij 
zou altijd degene die God zond, wie dan 
ook, in woord daad en gebed steunen. 
Niet zo lang geleden hadden mijn 
gezin en ik de gelegenheid om het 
zendingsgebied Sydney te presideren. Ik 
had deel uitgemaakt van de afdeling 
zendingswerk van de kerk en ik neem 
aan dat mijn ideeën met betrekking tot 
het zendingswerk nogal conservatief wa- 
ren. Toen wij ons werk in Sydney 
begonnen, boekten wij een bescheiden 
maar goed succes, en ik was wel tevreden 
over wat wij aan het doen waren - totdat 
president Kimball ons kwam bezoeken. 
Op zijn eigen manier zei hij: „Broeder 
Dunn, Loren, wij moeten allen onze pas 
versnellen." Ik begreep de boodschap. 



56 



De boodschap was dat hoewel wij 
vorderingen hadden gemaakt, het toch 
niet genoeg was in de ogen des Heren en 
in de ogen van de profeet. Wij gingen 
weer aan 't werk, wij verdubbelden onze 
inspanningen, de groei nam toe, maar 
ook onze kracht nam toe en dank zij 
onze inspanningen ontstonden er nieu- 
we ringen. Ik geloof niet dat de vooruit- 
gang zo zeer aan ons lag, maar eerder 
aan ons verlangen om de profeet te 
volgen. 

Afgelopen zaterdagavond stond ik 
met een priesterschapsleider te praten. 
Wij hadden net de leidersvergadering 
gehad, waarvan het onderwerp zen- 
dingswerk geweest was. Hij zei tegen mij: 
„Weet u, u bent een echte zendings- 
algemene autoriteit." Ik antwoordde: 
„Zo beschouw ik mezelf toch niet. Als je 
later ergens om wordt herinnerd (en ik 
hoop dat men dat toch wel zal doen), zou 
ik tevreden zijn met wat mijn vader mij 
geleerd heeft en waar hij om bekend was, 
en dat is, als iemand die bereid was de 
profeet van God trouw te zijn en te 
volgen. En als ik dat kan bereiken zal ik 




Ouderling Loren C. Dunn van het Eerste 
Quorum der Zeventig. 



het gevoel hebben dat ik datgene bereikt 
heb waarvoor de Heer mij gezonden 
heeft." 

Het is niet het programma, het zijn 
niet de activiteiten, maar uiteindelijk is 
het onze loyaliteit aan degene die God 
geroepen heeft en de gebeden die wij 
voor hem opzenden. 



„'Wie een profeet ontvangt 
als profeet, zal het loon van 

een profeet ontvangen' 
(Matteüs 10:41). Ik zou deze 
zegeningen in het leven van 

iedere heilige der laatste 
dagen willen zien." 



Er is een tekst die luidt: „Wie een 
profeet ontvangt als profeet, zal het loon 
van een profeet ontvangen." (Matteüs 
10:41.) Ik ben gaan beseffen dat deze 
belofte letterlijk opgenomen kan wor- 
den. Ik heb deze zegeningen in het leven 
van mijn vader gezien, tengevolge van 
zijn loyaliteit. Ik zou deze zegeningen 
ook graag in mijn eigen leven en in dat 
van mijn gezin willen zien, en ik zou ze 
graag in het leven van iedere heilige der 
laatste dagen willen zien. 

Mag ik eindigen waar ik begonnen 
ben. God leeft. Jezus is de Christus. 
Joseph Smith is een waarachtige profeet, 
en wij worden thans ook door een 
profeet van God geleid. De profeet kan 
op mijn trouw en mijn liefde rekenen, 
want hoe kan ik de Heer volgen als ik 
Hem niet volg? In de naam van Jezus 
Christus. Amen. □ 



57 



Terstond 



Ouderling Marvin J. Ashton 
van het Quorum der Twaalf Apostelen 




Een paar weken geleden sprak ik in 
een ver land met een ontmoedigde 
zendeling. Toen ik hem vroeg: „Hoe lang 
is het geleden dat je een brief aan je 
moeder geschreven hebt?" antwoordde 
hij: „Ongeveer drie of vier weken, geloof 
ik." Ik raadde hem aan haar terstond 
een briefte schrijven waarop hij reageer- 
de met: ,,Terstond, wat betekent dat?" 
Terstond is een krachtig woord. Het is 
een woord dat actie inhoudt. Het bete- 
kent onmiddellijk, zonder uitstel of 
aarzeling. Er zit iets rechtlijnigs in, 
zonder omwegen. Uitstel is het tegeno- 
vergestelde. Uitstellen is iets dat gedaan 
moet worden opzettelijk verschuiven tot 
later. Uitstellen kan betekenen dat tijd 
niet produktief gemaakt wordt. Iemand 
heeft eens heel wijs gezegd: „Het is 
dwaas om altijd maar weer uit te stellen, 
het brengt mij alleen maar verdriet; 
maar ik kan mijzelf op ieder moment 
veranderen - ik denk dat ik dat morgen 
eens doe!" 

„Toen Hij (Jezus) nu langs de zee van 
Galilea ging, zag Hij twee broeders, 
Simon, die Petrus genoemd wordt, en 
Andreas, diens broeder, een net in zee 
werpen; want zij waren vissers. 



En Hij zeide tot hen: Komt achter Mij 
en Ik zal u vissers van mensen maken. Zij 
nu lieten terstond hun netten liggen en 
volgden Hem. 

En vandaar verder gegaan zijnde, zag 
Hij nog twee broeders, Jakobus, de zoon 
van Zebedeüs, en Johannes, zijn broe- 
der, in het schip met hun vader 
Zebedeüs, terwijl ze bezig waren hun 
netten in orde te brengen, en Hij riep 
hen. Zij lieten dan terstond het schip en 
hun vader achter en volgden Hem." 
(Matteüs 4:18-22; cursivering toege- 
voegd.) 

Mijn toespraak vandaag heeft als 
onderwerp dit sleutelwoord terstond. 
„Zij nu lieten terstond hun netten liggen 
en volgden Hem." Hoe veelzeggend, hoe 
krachtig, hoe lonend wanneer het op de 
juiste manier wordt toegepast in het 
menselijk gedrag. 

Wij nodigen allen uit om terstond de 
Heiland te dienen en in zijn wegen te 
wandelen. Het is dringend noodzakelijk 
dat wij allen, die deze kennis hebben van 
zijn goddelijkheid, daar ook zonder 
aarzeling of uitstel naar handelen. Nu is 
de tijd. 

Jozua heeft ons op het belang van snel 



58 



beslissingen te nemen gewezen: „Kiest 
dan heden, wie gij dienen zult; . . . Maar 
ik en mijn huis, wij zullen de Here 
dienen!" (Jozua 24:15.) Niet morgen, 
niet wanneer wij er klaar voor zijn, niet 
wanneer het ons past - maar „heden," 
terstond dienen wij te kiezen wie wij 
zullen dienen. Hij die ons uitnodigt Hem 
te volgen, zal ons altijd voorgaan en met 
zijn Geest en invloed het tempo aange- 
ven. Hij heeft de route uitgezet en 
aangegeven, de poorten geopend, en de 
weg gewezen. Hij heeft ons uitgenodigd 
tot Hem te komen, en het beste moment 
om zijn gezelschap te genieten is ter- 
stond. Wij kunnen het best op de juiste 
koers komen en daarop blijven, door te 
doen wat Jezus deed - zich er volkomen 
toe verbinden de wil van de Vader te 
doen. 

De Heiland terstond volgen vereist 
inspanning van onze kant. Hij wandelt 
niet meer persoonlijk op aarde met ons, 
maar heeft ons toch niet alleen gelaten. 
Zijn richtlijnen en geboden zijn steeds bij 
ons als wij de Schriften willen bestude- 
ren. Wij moeten zijn wil leren kennen 
voordat wij zijn wil kunnen doen. 

Om iets te doen is het nodig dat wij 
onszelf doelen stellen. Daden worden 
voorafgegaan door gedachten en plan- 
nen. Wij moeten allen ons eigen leven in 
handen nemen. Wij moeten de keuzen 
die voor ons liggen beoordelen en ver- 
volgens positief handelen volgens onze 
beslissing. Een oud spreekwoord zegt: 
„Een reis van duizend mijl begint met de 
eerste stap." 

Het woord terstond geeft aan hoe 
dringend het is om die eerste stap naar 
welk waardig doel ook te nemen. 

„Want indien gij wilt, dat Ik u een 
plaats in de celestiale wereld geef, moet 
gij u voorbereiden door de dingen te 



doen, die Ik u heb geboden, en van u heb 
vereist," heeft de Heer gezegd. (Leer en 
Verbonden 78:7.) Die eerste stap vereist 
misschien grote moed, maar op de een of 
andere manier beginnen de mogelijkhe- 
den en de verborgen krachten te voor- 
schijn te komen wanneer men eenmaal 
besloten heeft om positief te handelen. 
Onvermoede moed en kracht zullen 
geschonken worden aan degenen die de 
juiste besluiten genomen hebben en 
daarnaar handelen. 

Petrus, een nederige, ruwe visser, nam 
die eerste stap en volgde Jezus terstond. 
Kracht na kracht werd hem geschonken. 
Hij ontwikkelde zich van de discipel die 
zijn Meester drie keer verraadde, tot de 
man die door niemand geïntimideerd 
kon worden. Toen hij en Johannes voor 
„Annas, de hogepriester, en Kajafas, 
Johannes, Alexander en allen die tot het 
hogepriesterlijk geslacht behoorden" 
(Handelingen 4:6), stonden, verklaarde 
Petrus vrijmoedig dat de verlossing door 
Christus komt. 

„Toen zij nu de vrijmoedigheid van 
Petrus en Johannes zagen en bemerkt 
hadden, dat zij ongeletterde en eenvou- 
dige mensen uit het volk waren, verwon- 
derden zij zich, en zij herkenden hen, dat 
zij met Jezus geweest waren." (Hande- 
lingen 4:13.) 

De hogepriester had deze broeders 
kwaad kunnen doen, maar hij durfde ze 
slechts te gebieden „in het geheel niet 
meer te spreken over ofte leren op gezag 
van de naam van Jezus. 

Maar Petrus en Johannes antwoord- 
den en zeiden tot hen: Beslist zelf, of het 
recht is voor God, meer aan u dan aan 
God gehoor te geven." (Handelingen 
4:18-19.) 

Toen zij geconfronteerd werden met 
dreigementen ontvingen de apostelen 



59 



meer moed: „Eu met grote kracht gaven 
de apostelen hun getuigenis van de 
opstanding des Heren Jezus, en er was 
grote genade over hen allen." (Hande- 
lingen 4:33.) 

Door terstond die eerste stap te nemen 
leerde Petrus een visser van mensen te 
zijn. Hij bepaalde zijn doelen, en naar- 
mate hij zich voortbewoog in hun rich- 
ting, namen zijn kracht, zijn macht en 
zijn overtuiging toe. 

Wat zouden we verstandig en geze- 
gend zijn als wij besloten nooit meer iets 
uit te stellen en de Heer te dienen en zijn 
uitnodiging „Kom hier, volg Mij" (Lu- 
cas 18:22) te aanvaarden. Wanneer wij 
ons doel hebben bepaald, laten wij dan 
ook de moed hebben om volgens ons 
besluit te handelen, in het vertrouwen 
dat wij kracht en macht zullen ontvan- 
gen naargelang onze behoeften terwijl 
wij de goede Herder volgen. 

Het kan zijn dat de satan, bij ons 
besluit de Heiland terstond te volgen, zal 



proberen ons ervan af te brengen door te , 
doen voorkomen alsof de taak onmoge- , 
lijk is, door ons aan onze waardigheid te 
doen twijfelen of onze bekwaamheid, 
leder van ons is anders; ieder van ons 
heeft zijn eigen krachten. 

Petrus en Andreas waren vissers. De 
Heiland gebruikte daarom ook een uit- 
drukking uit hun vak toen Hij zei: „Ik 
zal u vissers van mensen maken." 
(Matteüs 4:19.) Aan de timmerman zou 
Hij gezegd hebben: „Ik zal u bouwers 
van mensen maken." Tot de onderwij- 
zers: „Ik zal u onderwijzers van mensen 
maken." Niemand heeft alle talenten. 

„Want allen wordt niet iedere gave 
geschonken; want er zijn vele gaven, en 
een ieder wordt door de Geest Gods een 
gave geschonken. 

Aan sommigen wordt de ene gegeven, 
en aan sommigen een andere, opdat 
allen er door mogen worden gebaat." 
(Leer en Verbonden 46:11-12.) 




Ouderling Marvin J. Ashton van het Quorum der Twaalf Apostelen. 



60 



Wensen dat onze omstandigheden 
anders waren, of wachten tot er een 
wegversperring weggenomen wordt of 
tot een houding veranderd is, kan de 
reden zijn dat wij pas op de plaats maken 
in plaats van terstond vooruitgang te 
maken. William Shakespeare heeft eens 
geschreven: „Onze twijfels zijn verraders, 
en doen ons het goede verliezen dat wij 
dikwijls zouden kunnen winnen, omdat wij 
bang zijn eraan te beginnen.'" (Measure 
for Measure, bedrijf 1, toneel 4.) 

Gebruik de talenten die u ontvangen 
hebt. Stel actie niet uit door te verlangen 
naar bekwaamheden die u niet hebt. 
Tegen hen die geneigd zijn om „Niet nu" 
of „nog niet" te antwoorden op zijn 
uitnodiging „Kom, volg Mij," willen wij 
met alle liefde en oprechtheid die in ons 
is opmerken: Hij meent het echt: Hij zal 
u terstond verwelkomen ongeacht waar 
u bent geweest, waar u nu bent, wie u 
bent of welke talenten u bezit of niet 
bezit. 

Enkele weken geleden, na een verga- 
dering tijdens een ringconferentie, 
kwam er aarzelend een man naar mij toe 
die jarenlang helemaal inactief is ge- 
weest. Hij zei: „Eigenlijk hoor ik hier 
helemaal niet bij. Mijn leven is een 
puinhoop." Hierop heb ik geantwoord: 
„Wat maakt dat nou uit. Natuurlijk 
hoort u erbij." 

Zij die er voortdurend de voorkeur 
aan geven om in het water te roeren 
ontdekken dat zij slechts draaikolken 
doen ontstaan en in een kring blijven 
lopen in plaats van terstond vooruitgang 
te maken. 

Kunnen wij dienstknechten van onze 
Meester zijn in plaats van critici van 
degenen die proberen Hem te dienen? 
Een dienstknecht zal proberen oplossin- 
gen voor problemen te vinden, terwijl 



degenen die geneigd zijn alles uit te 
stellen hun nietsdoen excuseren door 
zich te concentreren op de nutteloosheid 
van het probleem. 

Zij die tot doel hebben om de Heiland 
terstond te volgen, zoeken niet alleen een 
oplossing voor hun eigen problemen, 
maar helpen ook anderen oplossingen te 
vinden voor hun moeilijkheden. Zij 
openen hun hart en geest voor degenen 
die zorgen hebben, die genegeerd wor- 
den of vermoeid zijn. 

Door slechts meelevend te luisteren 
kan men dikwijls anderen helpen hun 
eigen oplossingen te vinden. Onlangs 
vertelde een ringpresident mij dat een 
van de oprechtste dank-u's, die hij ooit 
ontvangen had, door een jonge moeder 
uitgesproken was, die onder uiterst 
moeilijke omstandigheden probeerde al- 
léén haar twee kinderen goed op te 
voeden. Na een lang gesprek drukte zij 
haar waardering eenvoudig uit door te 
zeggen: „Dank u dat u naar mij hebt 
willen luisteren. Ik heb het gevoel dat ik 
mijn problemen nu veel beter aan kan." 

Onze eigen vooruitgang kan versneld 
worden als wij naar oplossingen kunnen 
zoeken, in plaats van kritisch te staan 
tegenover degenen die ons omringen en 
onze omstandigheden de schuld te geven 
van ons gebrek aan vooruitgang. 

Kunnen wij eerlijk tegenover onszelf 
zijn en de redenen onderzoeken waarom 
wij de Heiland niet terstond volgen? 
Worden wij tegengehouden door kritiek 
op de daden of de houding van iemand 
anders tegenover onszelf? Zijn wij bele- 
digd of op onze teentjes getrapt? Hebben 
wij voorbarige gevolgtrekkingen ge- 
maakt zonder over accurate feiten te 
beschikken? 

De Heiland vermaande: „Houdt vre- 
de onder elkander." (Marcus 9:50.) 



61 



Maar vrede moet eerst van binnen uit 
komen. Zij vloeit van het individu naar 
het gezin, naar de gemeenschap, naar de 
naties, en naar de wereld. Deze vrede 
kan alleen ontstaan als wij het schadelij- 
ke tijdverdrijf om anderen te oordelen 



„Het is dringend 

noodzakelijk dat wij allen, 

die een kennis hebben van 

de goddelijkheid van de 

Heiland, daar ook zonder 

aarzeling of uitstel naar 

handelen." 



kunnen vermijden. In de Schriften wor- 
den wij gewaarschuwd niet te oordelen, 
teneinde zelf niet geoordeeld te worden. 
(Zie 3 Nephi 14:1; Matteüs 7:1.) Op de 
een of andere manier schijnt er iets 
aanlokkelijks en boeiends te zijn aan het 
rechtertje spelen. 

Vele jaren geleden hoorde ik een 
verhaal dat ik nooit vergeten ben. Mis- 
schien heb ik het wel gehoord toen ik als 
jongen met blote voeten rondliep. 

Een arm, oud Frans vrouwtje liep 
langs de oever van de Seine. Haar 
gebogen schouders waren gehuld in een 
tot op de draad versleten sjaal. Plotse- 
ling stond zij stil, bukte zich, raapte iets 
op dat even helder oplichtte in de zon, en 
verborg het onder haar sjaal. Een poli- 
tieagent zag wat zij gedaan had en 
haastte zich naar haar toe. Op barse 
toon zei hij: „Laat mij eens zien wat je 
onder je sjaal verbergt." De oude vrouw 
haalde een stuk glas onder haar sjaal 



vandaan en zei: „Het is maar een scherp 
stuk glas. Ik heb het opgeraapt om te 
voorkomen dat er een jongen op blote 
voeten op trapt en zich verwondt." 

De politieagent deed zijn plicht, maar 
hij was meer dan bereid geweest om de 
vrouw van een misdaad te beschuldigen, 
voordat hij begreep dat hij te maken had 
met een nobele ziel. 

Ja, de verkeerde beoordeling van de 
daden van onze medemensen kan er de 
oorzaak van zijn dat wij het achtslaan op 
de uitnodiging van de Heiland uitstellen. 

Door de leringen van Jezus Christus 
toe te passen en de beginselen van het 
evangelie na te leven, kunnen wij de pijn 
en het uitstel die veroorzaakt kunnen 
zijn door de mensen om ons heen opzij 
zetten. 

En tenslotte, vereist de juiste richting 
inslaan en ook aan te houden zelfdisci- 
pline en zelfbeheersing. 

Velen leven volgens het motto „Laten 
wij er nu van genieten, betalen doen wij 
later wel." Sommigen denken dat als zij 
maar lang genoeg wachten, hun proble- 
men zullen verdwijnen. Maar dat doen 
ze niet. Men moet zich er doorheen 
werken. Voordat wij onze problemen 
kunnen oplossen, en ons leven in orde 
kunnen brengen, moeten wij de volle 
verantwoordelijkheid voor onze proble- 
men aanvaarden. 

Dikwijls doen wij er niets aan omdat 
wij onszelf wijs maken dat ons probleem 
veroorzaakt wordt door omstandighe- 
den of mensen waar wij niets aan kunnen 
doen. Daarom denken wij dat wij onthe- 
ven zijn van onze verantwoordelijkheid, 
en hopen wij maar dat andere mensen of 
een verandering in onze omstandighe- 
den onze problemen zullen oplossen. 
Het is echter onze verantwoordelijkheid 
om ons zonder uitstel te bekeren, te 



62 



veranderen en voorwaarts te gaan. „Nu 
verzoek ik u, ... dat gij de dag uwer 
bekering niet tot het einde uitstelt." 
(Alma 34:33.) 

Hoe gemakzuchtig worden sommigen 
onder ons terwijl wij ons nestelen in het 
web van de uitstel. Het is slechts een 
schijnbare haven voor degenen die zich 
er tevreden mee stellen zonder doel, 
zonder verplichtingen of zelfdiscipline te 
leven. 

Wij moeten achtslaan op de woorden 
in Alma: „Want ziet, dit leven is de tijd 
voor de mens om zich voor te bereiden 
God te ontmoeten; ja ziet, de tijd van dit 
leven is de tijd voor de mensen om hun 
arbeid te volbrengen." (Alma 34:32.) 

Vermijd uitstel. Wij kunnen met grote 
zekerheid zeggen dat uitstel een onge- 
zond mengsel van twijfel en aarzelen is. 
Woorden die vaak door de Heiland 
worden gebezigd, zoals vraag, zoek, 
klop, ga, zijn woorden die actie inhou- 
den. Hij wil dat wij tot actie overgaan bij 
het onderwijzen en naleven van zijn 
beginselen. 

„Gaat in door de enge poort, want 
wijd is (de poort) en breed de weg, die tot 
het verderf leidt, en velen zijn er, die 
daardoor ingaan; want eng is de poort, 
en smal de weg, die ten leven leidt, en 
weinigen zijn er, die hem vinden." 
(Matteüs 7:13-14.) 

Twijfel niet aan uw vermogens. Stel 
het niet uit als u de neiging in u voelt om 
iets goed te doen. Met Gods hulp kunt u 
niet falen. Hij zal u de moed geven om 
deel te nemen aan zinvolle verandering 
en een doelbewust leven. Wij dienen ons 
te bekeren, terstond, en erop te vertrou- 
wen dat Hij bestaat en ons kan helpen 
het overvloedige leven te verkrijgen. Hij 
zal ons helpen gevoelig te worden voor 
onze eigen behoeften en die van anderen. 



Zij die vrezen, stellen uit. Zij die zich 
ten goede veranderen maken terstond 
vooruitgang en worden verstandiger en 
sterker. Wij moeten de moed ontwikke- 
len om terstond de eerste stap te doen. 
Wij moeten bedenken dat kinderen 
slechts leren lopen omdat iemand ze 
aanmoedigt om de eerste stap te doen. 
Laten wij er terstond mee beginnen en 
onszelf doelen stellen die op het evange- 
lie gericht zijn, in de wetenschap dat als 
wij onze talenten gebruiken, als wij 
anderen helpen, naar vrede streven, 
vermijden al te gevoelig of al te kritisch 
te zijn, ons kracht op kracht toegevoegd 
zal worden en wij direct voorwaarts 
zullen gaan naar grotere groei, geluk en 
eeuwige vreugde. Onze Meester en Hei- 
land nodigt ons uit om zijn waarheden 
terstond te aanvaarden en de warmte 
van zijn voortdurende aanwezigheid te 
genieten. 

Een mens moet door zijn eigen in- 
spanning opstaan en in geloof wandelen. 
Een van onze beste bronnen van succes 
en geluk is het goede gelijk te doen. Wij 
moeten allen als kinderen van God leren 
dat zinvolle vooruitgang van binnen in 
moet komen, niet van buiten. Door dit te 
doen zullen wij in zijn paden wandelen, 
de armen van de vermoeiden en onder- 
drukten opheffen, onze medewerkers 
aanmoedigen, persoonlijk initiatief ont- 
wikkelen in het besturen van ons eigen 
leven, ons kruis met waardigheid en 
doelbewust dragen, en allen helpen ter- 
stond vissers van mensen te worden. 

Het evangelie van Jezus Christus is 
waar. Jezus Christus is onze Verlosser en 
Heiland. Geluk en het eeuwige leven is 
weggelegd voor degenen die Hem ter- 
stond willen volgen. Van deze waarhe- 
den getuig ik in de naam van Jezus 
Christus. Amen. D 



63 



2 april 1983 
PRIESTERSCHAPSVERGADERING 



Een koninklijk geslacht 



Ouderling Dean L. Larsen 
van het Presidium van het Eerste Quorum der Zeventig 




In de priesterschapsvergadering van 
vanavond zullen wij spreken over de 
belangrijkheid van gezinnen. Andere 
belangrijke zaken zullen ook besproken 
worden, maar er zal in het bijzonder 
aandacht gegeven worden aan het gezin. 
Hoe meer wij leren over de macht van de 
invloed die in de gezinnen wordt uit- 
geoefend, hoe groter onze waardering 
voor de raad, die ons door onze leiders 
vanaf het allereerste begin van de kerk 
gegeven is, dat wij ervoor moeten zorgen 
dat de omstandigheden thuis zijn wat zij 
behoren te zijn. Door de jaren heen is er 
veel gezegd over de verantwoordelijk- 
heid van de ouders om hun kinderen een 
goed gezinsleven te verschaffen. Wij 
zullen vanavond nog meer van dat soort 
aanmoedigingen krijgen. Het is van 
vitaal belang dat wij die ontvangen. 

Wij hebben onlangs een zeer uitge- 
breid onderzoek afgerond waaruit ge- 
bleken is hoe groot de invloed is die wij 
op elkaar hebben in het gezin. De 
invloed van het gezin op wat wij denken, 



hoe wij ons voelen, en wat wij met ons 
leven doen, is groter dan alle andere 
invloeden te zamen. De gewoontes die 
wij ons thuis aanwennen en de normen 
die wij ons daar eigen maken, of zij nu 
goed of slecht zijn, kunnen bijna niet 
overwonnen worden. 

Wij hebben allemaal een verantwoor- 
delijkheid om bij te dragen tot de 
kwaliteit van ons gezinsleven. Niet al- 
leen de ouders leveren een grote bijdra- 
ge, maar ook de kinderen. 

Vanavond zou ik graag voornamelijk 
willen spreken tot de jongemannen van 
het Aaronische priesterschap over de 
verantwoordelijkheid die u hebt om zo 
te leven dat u thuis een invloed ten goede 
kunt zijn, hoe de omstandigheden daar 
ook zijn, en dat u zich kunt bekwamen 
om al datgene te doen wat de Heer van u 
verwacht in uw leven. 

Jongemannen, ik geloof niet dat u 
toevallig hier op aarde bent in deze tijd. 
Ik geloof dat u zich in het voorbestaan 
bekwaamd hebt om naar de sterfelijk- 



64 



heid te komen in een tijd waarin er grote 
dingen van u zouden worden geëist. Ik 
geloof dat u voordat u hier kwam 
aangetoond hebt dat u zelfs onder 
uitzonderlijk moeilijke omstandigheden 
vertrouwd kon worden, dat u de groot- 
ste uitdagingen aan zou kunnen. Begrijp 
mij niet verkeerd. Ik wil niet beweren dat 
u in wezen beter bent dan enige andere 
generatie die naar de aarde gekomen is. 
U komt niet automatisch in aanmerking 
voor meer zegeningen of voordelen dan 
de andere geslachten die op aarde ge- 
leefd hebben sinds zij geschapen werd. U 
kunt even vlug op het verkeerde pad 
terecht komen, betrokken raken bij 
overtredingen en de oordelen Gods 
oplopen als alle anderen die u voorge- 
gaan zijn. U leeft zelfs in een omgeving 
waarin het gemakkelijker is om alle 
zegeningen mis te lopen dan ooit tevo- 
ren. Maar God vertrouwt erop dat u dat 
niet zult doen. Hij rekent erop dat u de 
enorme taak die op u wacht ook inder- 
daad zult kunnen volbrengen. 

U groeit op in een tijdperk van de 
geschiedenis van de aarde waar alle 
grote profeten van alle tijden vol ver- 
wachting naar hebben uitgekeken. Het is 
de tijd van de laatste voorbereiding 
voordat de aarde en haar bewoners een 
opmerkelijke verandering zullen onder- 
gaan. Met recht wordt deze tijd „de 
volheid der tijden" genoemd. (Leer en 
Verbonden 112:30.) Het is het tijdperk 
waarin de Heer en zijn dienstknechten 
zich voor de laatste keer in zullen 
spannen om de boodschap van de waar- 
heid aan alle volkeren der aarde te 
brengen en de nakomelingen van het 
oude Israël terug te roepen die hun ware 
identiteit hebben verloren. 

De profeet Zenos, die door Jakob 
wordt aangehaald in het Boek van 



Mormon, vergelijkt dit werk met de 
arbeid van de landbouwers die een 
wijngaard snoeien en verzorgen en voor 
de laatste keer de vruchten verzamelen. 
Zenos vergelijkt de Heiland met de 
eigenaar van de wijngaard, die tot zijn 
helpers zegt: „Laat ons daarom deze 
laatste maal met al onze macht aan de 
arbeid gaan, want zie, het einde nadert, 
en dit is voor de laatste maal, dat ik mijn 
wijngaard zal snoeien." (Jakob 5:62.) 

U bent naar de aarde gekomen nadat 
het fundament voor dit grote werk is 
gelegd. Het evangelie is voor de laatste 
keer hersteld. De kerk is opgericht in 
bijna alle delen van de wereld. Het toneel 
is klaar voor het opvoeren van de laatste 
dramatische scènes. U zult de hoofdrol- 
spelers zijn. U behoort tot de laatste 
dienstknechten in de wijngaard. Dit is 
het juk dat op uw schouders gelegd is. 
Dit is de bediening waarvoor u uitgeko- 
zen bent. 

Laat mij nu de omstandigheden be- 
schrijven waaronder u uw werk zult 
doen. De Heiland heeft zelf gezegd dat 
de omstandigheden tegen het eind van 
deze bedeling veel zullen lijken op die 
welke voor de zondvloed bestonden. 
„Want zoals het was in de dagen van 
Noach," zei Hij, „zo zal de komst van de 
Zoon des mensen zijn." (Matteüs 24:37.) 

Joel zag de tijd waarin wij leven als een 
groot slagveld voor de zielen der men- 
sen. „Roept dit uit onder de volken: 
Heiligt de oorlog, doet de helden op- 
staan; dat alle krijgslieden aantreden, 
oprukken! Smeedt uw ploegscharen tot 
zwaarden en uw snoeimessen tot speren; 
de zwakke zegge: Ik ben een held." (Joel 
3:9-10.) 

Joel zag dat deze veldslag niet als iets 
onbelangrijks beschouwd zou worden. 



65 



Het zou geen tijd zijn voor zwakte of 
zwakkelingen. 

De apostel Paulus schreef aan de 
jonge zendeling die zijn metgezel geweest 
was, Timoteüs: „Weet wel, dat er in de 
laatste dagen zware tijden zullen ko- 
men." (2 Timoteüs 3:1.) 

De problematische toestanden die wij 
heden ten dage in de wereld zien behoren 
ons niet te verbazen. Naarmate de tijd 
van de wederkomst van de Heiland 
naderbij komt, zal de goddeloosheid 
toenemen. Er zullen meer verleidingen 
komen in ons dagelijks leven, en zij 
zullen heftiger worden. Het zal in de 
wereld aannemelijker worden om Gods 
geboden te overtreden of er helemaal 
geen rekening mee te houden. Onzede- 




Ouderling Dean L. Larsen van het 
Presidium van het Eerste Quorum der 
Zeventig. 



lijk of oneerlijk gedrag zal als iets 
gewoons aanvaard worden. 

Onder deze moeilijke omstandighe- 
den zullen wij verwacht worden onze 
eigen koers in opwaartse richting te 
sturen. Zoals president Kimball ons 
gezegd heeft, zal het aanvaardbaar noch 
veilig zijn om op het tafelland te blijven 
waar ons tegenwoordig gedrag ons 
houdt. De machten die ons plotseling 
naar beneden kunnen trekken, en die 
bestaan uit de steeds toenemende godde- 
loosheid in de wereld, kunnen slechts 
bestreden worden door machten die ons 
even hard naar boven duwen. Wij dienen 
beter te leven dan ooit tevoren. Dit 
betekent eenvoudig dat er hoe langer 
hoe meer verschil zal zijn tussen ons en 
de mensen om ons heen die de wegen van 
de wereld volgen. Het is niet gemakkelijk 
om anders te zijn. Er is een enorme druk 
die ons tegenwerkt. Maar wij dienen 
goed te begrijpen dat het niet veilig is 
dezelfde richting op te gaan als de 
wereld, al blijven wij misschien een 
beetje achter. Een dergelijke koers zal 
ons uiteindelijk dezelfde problemen en 
hetzelfde verdriet bezorgen. Het zal ons 
niet toelaten het werk te doen waar de 
Heer ons voor gekozen heeft. Het zou 
ons afsnijden van zijn zegen en zijn 
beschermende zorg. 

De Heer heeft gezegd dat er een tijd 
zal komen dat ,,er een volkomen schei- 
ding tussen de rechtvaardigen en de 
goddelozen" zal zijn. (Leer en Verbon- 
den 63:54.) Nephi heeft in het Boek van 
Mormon gezegd: „Want de tijd komt 
spoedig, dat de Here God een grote 
scheiding onder het volk zal teweegbren- 
gen, en de goddelozen zal Hij verdel- 
gen." (2 Nephi 30:10.) 

Bij het overwegen van deze beloften, 
behoren wij de waarschuwing niet te 



66 



vergeten die de Heer tot de heiligen der 
laatste dagen heeft gericht: „Niettemin 
zal Zion ontkomen, indien zij er zorg 
voor draagt alles te doen, wat Ik haar 
heb geboden. 

Doch indien zij er geen zorg voor 
draagt om te doen, wat Tk haar heb 
geboden, zal Ik haar overeenkomstig al 
haar werken bezoeken met hevige smart, 
met pestilentie, met plagen, met het 
zwaard, met wraak, en met verterend 
vuur." (Leer en Verbonden 97:25-26.) 
Deze waarschuwing moet ons in doen 
zien dat het niet genoeg is alleen maar in 
naam een heilige der laatste dagen te 
zijn. Het is niet voldoende om eenvoudig 
te verklaren dat wij een uitverkoren volk 
des Heren zijn. Wij moeten het vertrou- 
wen dat Hij in ons gesteld heeft niet 
beschamen. Wij dienen voor zijn zegen 
in aanmerking te komen door de manier 
waarop wij, door het gehoorzamen van 
zijn geboden, anders zijn dan de wereld. 
Anders hebben wij geen belofte, en zal 
ons lot hetzelfde zijn als dat van de 
wereld. 

Eén van de redenen waarom ik mij zo 
bezorgd maak om u jongemannen is dat 
er tekenen zijn dat onze jonge mensen 
tegenwoordig de neiging krijgen om de 
wegen van de wereld te volgen. Wij 
houden de gangmakers niet helemaal 
bij, maar op de een of andere manier 
volgen wij ze op een niet al te grote 
afstand. 

Ik weet dat er velen zijn die dit niet 
doen en die de geboden Gods trouw 
onderhouden en wier leven rein en 
onbevlekt van de dingen der wereld 
blijft, ondanks grote verleidingen en 
moeilijkheden. (Zie Leer en Verbonden 
59:9.) Wij hebben een diep respect voor 
degenen die op deze wijze trouw blijven 
en wij vertrouwen op u. U bent het 



vertrouwen dat de Heer 'in u gesteld heeft 
waardig. 

Maar er zijn er teveel wier leven 
besmet wordt door wereldse neigingen. 
Dit is geen onschuldig iets. De oordelen 
Gods zullen degenen treffen die, hoewel 
zij weten wie zij zijn en wat er van hen 
verwacht wordt, moedwillig de gevaar- 
lijke wegen van de wereld opgaan. Tot 
degenen die binnen het bereik van mijn 
stem zijn en dit doen zeg ik: Neem het 
opwaartse pad dat naar boven loopt. 
„Dwaalt niet, God laat niet met Zich 
spotten; Want wat een mens zaait, zal hij 
ook oogsten." (Galaten 6:7.) 

Enkele jaren geleden heb ik de volgen- 
de gedachten geuit in een artikel in de 
New Era. Zij passen bij het onderwerp 
dat ik vanavond bespreek. 

„Niet lang geleden had ik een gesprek 
met een jongeman die op zending wilde 




67 



gaan, maar zich als tiener schuldig had 
gemaakt aan enkele zeer ernstige over- 
tredingen. Hij was lid van een gezin van 
actieve heiligen der laatste dagen, en hij 
was zelf ook actief lid geweest, zelfs 
tijdens zijn overtredingen. Uiteindelijk 
was hij naar de bisschop gegaan en had 
zijn zonden beleden. Nu had hij al meer 
dan een jaar geen moeilijkheden meer 
gehad en hij verlangde ernaar op zen- 
ding te gaan. 



„Wij dienen te begrijpen dat 

het niet veilig is dezelfde 

richting op te gaan als de 

goddeloze wereld." 



Terwijl wij over zijn situatie spraken 
en de beslissingen die hij eerder in zijn 
leven had genomen en die ertoe geleid 
hadden dat hij zich niet als een goed lid 
van de kerk had gedragen, zei hij: 'O, ik 
wist wel dat ik iets verkeerds deed, maar 
ik was ervan overtuigd dat ik op zekere 
dag alles wel weer in orde zou brengen en 
op zending zou gaan.' 

Hoewel ik blij was dat deze jongeman 
zijn leven weer in orde wilde brengen en 
de Heer wilde dienen als zendeling, 
maakte ik mij toch zorgen over de 
blijkbaar opzettelijke, berekenende ma- 
nier waarop hij zichzelf van de juiste 
koers had laten afdwalen om zich over te 
geven aan verderfelijk, onzedelijk ge- 
drag, om dan, bijna alsof hij een eigen 
tijdschema volgde, weer te besluiten 
gehoorzaam te zijn. 

Als mijn ervaring met deze jongeman 
een geïsoleerd geval geweest was, zou het 



niet de moeite waard zijn geweest om het 
hier te vermelden, maar het is niet uniek. 
Er schijnt een toenemende neiging onder 
jonge mensen te zijn om van de verboden 
dingen van de wereld te proeven, niet 
met de bedoeling om die dingen voor- 
goed te blijven doen, maar om zich 
tijdelijk uit te leven, alsof zulke zaken 
een bepaalde waarde hebben die te 
belangrijk of te spannend is om mis te 
lopen. Het is een van de grote beproevin- 
gen van onze tijd. 

Hoewel velen zich herstellen na derge- 
lijke excursies in verboden gebieden, 
komen er steeds meer tragedies voor die 
funeste en langdurige gevolgen hebben 
in vele levens. Zo iets als privé zonde 
bestaat niet. Hoewel het begaan ervan 
kan worden berekend . . . kunnen de 
gevolgen ervan niet door degene die de 
overtreding begaat geregeld worden. Te 
geloven dat dit wel mogelijk is, is maar al 
te gemakkelijk geloof hechten aan een 
van de gemeenste leugens van de vader 
der leugens. 

Niet zolang geleden woonde ik de 
diploma-uitreiking bij op een plaatselij- 
ke middelbare school. De leerlingen die 
in naam van hun klasgenoten spraken, 
hadden het over de grootse en nobele 
uitdagingen die voor hen lagen, nu zij de 
volwassen wereld binnen zouden gaan. 
De volwassen sprekers prezen de deug- 
den en bekwaamheden van de tegen- 
woordige jeugd en spraken over de 
horizons die veroverd zouden worden in 
de komende jaren, de nieuwe weten- 
schappelijke grenzen die geopend zou- 
den worden door de leden van de klas, de 
gevreesde ziekten waarvoor middelen 
gevonden zouden worden, en de door- 
braken in diplomatieke en menselijke 
relaties die een blijvende vrede op aarde 



68 



zouden brengen. Het was een stimule- 
rende, inspirerende bijeenkomst. 

Terwijl ik zo luisterde naar de indruk- 
wekkende toespraken die er bij deze 
gelegenheid gehouden werden, dacht ik 
aan de dingen die ik tegen deze jonge 
mensen had willen zeggen. Ik wist dat de 
meesten van hen heiligen der laatste 
dagen waren. Ik wist dat zij uit gezinnen 
kwamen die hoge verwachtingen voor 
hen koesterden, en die trots waren op 
wat zij bereikt hadden. Ik wist ook wat 
voor plannen sommige van deze jonge 
mensen' hadden voor de uren en dagen 
onmiddelijk na deze diploma-uitreiking. 
Ik ontdekte dat ik bij deze geslaagde 
jonge mensen wilde pleiten, niet voor de 
heerlijke, verborgen jaren van een vage 
toekomst, maar voor het hier en nu. Ik 
had tegen hen willen zeggen: 'Ik maak 
mij niet zoveel zorgen over wat jullie 



volgend jaar of in de volgende generatie 
gaan doen; ik maak mij zorgen over wat 
jullie vanavond en morgen gaan doen, 
nadat je je baret en je toga weer hebt 
ingeleverd. Wat voor plannen hebben 
jullie? Waar gaan jullie heen? Wat doen 
jullie vanavond? 

Ik weet nu, terwijl ik deze gedachten 
opschrijf, dat er verschillende in die klas 
waren, en ook in andere overeenkomsti- 
ge groepen, die zichzelf moedwillig en 
met voorbedachte rade in omstandighe- 
den plaatsten waar zij zichzelf, hun 
familie, hun kerk en hun Hemelse Vader 
te schande maakten. Het was niet de 
bedoeling dat zij zich zo zouden blijven 
gedragen. Het was maar een grap, een 
sensatie, een waaghalzerij. Maar de 
opeenhopende uitwerking ervan is ver- 
woestend. Hun leven en het leven van 
degenen die hen liefhadden en vertrouw- 




69 



den, zullen er op ongelukkige en onver- 
wachte wijze en voor onbepaalde tijd 
door beïnvloed worden. De mensheid 
zal onverbiddelijk naar een lager niveau 
zijn afgegleden. Sommigen zullen zich 
nooit helemaal herstellen, en de gehele 
mensheid zal onvermijdelijk het verlies 
voelen." (New Era van juni 1980, blz. 
4-5.) 

Jongemannen, vergeet niet wie u bent. 
Denk aan het doel waarvoor u hier op 
aarde gekomen bent, het dienstbetoon 
waarvoor u gekozen bent. Blijf trouw 
aan het goddelijk vertrouwen dat onze 
Hemelse Vader en zijn Zoon, Jezus 
Christus, in u hebben gesteld. U kunt 
evenveel bijdragen tot de geestelijke 
sfeer in uw familie als welk lid van de 
familie ook, en het is uw plicht om dat te ' 
doen. Bestudeer de Schriften en moedig 
de andere leden van het gezin aan dat 
ook te doen. Bid regelmatig en doe alles 
wat u kunt om de andere leden van het 
gezin te beïnvloeden om dat ook te doen. 



Betaal uw tiend. Onderhoud het woord 
van wijsheid. Wees kuis. U kunt een 
grotere invloed hebben dan u voor 
mogelijk heeft geacht, als u uw eigen 
aandeel levert. 

Houd deze woorden van Edward W. 
Bok in gedachte: „Als wij eenmaal 
overtuigd zijn ... dat wij hier voor een 
doel geplaatst zijn; dat het zaad van 
goddelijke energie aan ons gegeven is en 
dat het de bedoeling is dat wij die tot 
volle bloei doen komen, dan zal ons de 
weg gewezen worden. Het is aan ons om 
ons best te doen en ons met al onze 
kracht en integriteit in te spannen. Het is 
de jongeman met weinig geloof die zegt: 
'Ik ben niets.' Het is de jongeman met 
het juiste inzicht die zegt: 'Ik ben alles', 
en het vervolgens gaat bewijzen." 

Jongemannen, laten wij door de wijze 
waarop wij leven en dienen, bewijzen dat 
wij alles zijn wat de Heer van ons 
verwacht. In de naam van Jezus Chris- 
tus. Amen. D 




IÉH 1 



... 



'M-K: '■ 



^Üp*l 




70 



In de omhelzing van uw armen 

Jeffrey R. Holland 
President van de Brigham Young University 




Broeders, het is onmogelijk om het 
overweldigende gevoel van verantwoor- 
delijkheid dat ik vanavond voel uit te 
drukken. Ik voel mij als de muilezel die 
ingeschreven werd voor een bekende 
paardenwedren, en die bij zichzelf dacht, 
ik weet dat ik hier eigenlijk niet thuis- 
hoor, maar het gezelschap hier bevalt 
mij geweldig. Onder dat bijzondere ge- 
zelschap bevindt zich vanavond ook 
mijn zoon Matt, die ik met geheel mijn 
hart liefheb. Ik bid oprecht dat de Geest 
des Heren met ons moge zijn in onze 
opdracht. 

Een onderzoek dat onlangs door de 
kerk is gedaan heeft statistisch met 
kracht bevestigd wat ons herhaaldelijk is 
verteld, en wel dat als er geen liefdevol, 
inspirerend onderwijs en voorbeeld ge- 
geven worden in het gezin, onze geza- 
menlijke inspanningen in en rond de 
programma's van de kerk een zeer 
beperkt succes zullen opleveren. Het 
wordt hoe langer hoe duidelijker dat wij 
het evangelie persoonlijk aan ons gezin 
dienen te onderwijzen, dat wij de lerin- 
gen ervan thuis na moeten leven, omdat 
wij anders het risico lopen om te laat te 



ontdekken dat een jeugdwerklerares of 
een adviseur van het priesterschap of een 
seminarieleraar niet voor onze kinderen 
kon doen wat wij niet wilden doen. 

Mag ik vanavond wat aanmoediging 
geven wat deze grote verantwoordelijk- 
heid betreft? Wat ik het kostbaarste vind 
in mijn relatie met Matt is dat hij, te 
zamen met zijn moeder en zuster en 
broer, mijn beste, liefste vriend is. Ik ben 
hier vanavond op deze priesterschaps- 
vergadering liever met mijn zoon dan 
met welke andere vriend ook. Ik vind het 
heerlijk om bij hem te zijn. Wij praten 
veel. Wij lachen veel. Wij spelen basket- 
ball met z'n tweetjes; wij spelen tennis en 
badminton, hoewel ik beslist weiger om 
golf met hem te spelen (hij weet wel 
waarom). Wij bespreken onze proble- 
men met elkaar. Ik ben president van een 
kleine universiteit, en hij is president van 
zijn klas op school. Wij vergelijken de 
wederzijdse bevindingen, brengen sug- 
gesties naar voren en bespreken met 
elkaar de moeilijkheden. Ik bid voor 
hem en heb met hem gehuild en ben 
oneindig trots op hem. Wij hebben tot 
diep in de nacht met elkaar gepraat, 



71 



liggend op zijn waterbed, een onding van 
de twintigste eeuw dat stellig, als onder- 
deel van de straf in de laatste dagen, op 
een keer zal barsten en het hele gezin 
Holland hulpeloos weg zal spoelen, de 
straten van Provo op. (Dat is een ander 
privé-grapje.) 

Ik weet dat ik met Matt kan praten 
over hoe hij het vindt op seminarie 
omdat ik probeer over al zijn klassen op 
school met hem te praten. Wij proberen 
ons vaak samen voor te stellen hoe zijn 
zending zal zijn, want hij weet hoeveel 
mijn zending voor mij heeft betekend. 
En hij stelt mij vragen over het tempel- 
huwelijk omdat hij weet dat ik stapelgek 
op zijn moeder ben. Hij wil dat zijn 
toekomstige vrouw op haar lijkt en dat 




Jeffrey R. Holland, president van de 
Brigham Young University, sprak tijdens 
de priesterschapsvergadering. 



zij dan samen hebben wat wij hebben. 
Nu weet ik, terwijl ik dit zeg, dat er 
vanavond vaders en zoons in deze verga- 
dering zijn die niets hebben van wat ik 
hier beschrijf. Ik weet dat er vaders zijn 
die hun leven ervoor over zouden heb- 
ben om weer dicht bij een zoon te zijn die 
in moeilijkheden zit. Ik weet dat er zoons 
in onze vergadering zijn die hun vader 
naast zich zouden willen hebben, vana- 
vond of welke andere avond ook. Ik heb 
mij afgevraagd wat ik over dit onder- 
werp dat mij toegewezen is zou kunnen 
zeggen, zonder aan de ene kant eigenge- 
reid te klinken of aan de andere kant al te 
gevoelige snaren aan te raken. Daarom 
zou ik eenvoudig willen zeggen, tot een 
ieder van ons, jong en oud, geef het nooit 
op. Blijf het proberen, blijf contact 
zoeken, blijf praten, blijf bidden, maar 
geef het nooit op. En vooral, verbreek de 
relatie nooit helemaal. 

Mag ik u iets vertellen over een korte 
maar pijnlijke gebeurtenis uit mijn eigen 
leven als onvolmaakte vader? 

Wij waren nog maar pas getrouwd en 
ik deed mijn best om met een jong gezin 
mijn studie af te maken aan een universi- 
teit in New-England. Pat was ZHV- 
presidente en ik was lid van het ringpre- 
sidium. Ik studeerde full-time aan de 
universiteit en had daarnaast een part- 
time baan in het onderwijs. Wij hadden 
twee kleine kinderen, weinig geld en 
stonden voortdurend onder druk. Kor- 
tom, ons leven leek op het uwe. 

Op een avond kwam ik thuis na een 
lange schooldag, en het was of ik het 
gewicht van de hele wereld op mijn 
schouders voelde drukken. Alles leek 
bijzonder veeleisend en ontmoedigend 
en donker. Ik vroeg mij af of er ooit eens 
een eind aan zou komen. Toen ik onze 



72 



kleine studentenflat binnenkwam was 
het er ongebruikelijk stil. 

„Wat is er aan de hand?" vroeg ik. 
„Matthew heeft je iets te vertellen," zei 
Pat. „Matt, wat heb je mij te vertellen?" 
Hij was rustig met zijn speelgoed aan het 
spelen in een hoek van de kamer, en deed 
zijn best mij niet te horen. „Matt," zei ik 
een beetje harder, „is er iets dat je mij 
vertellen moet?" 

Hij hield op met spelen, maar keek een 
ogenblik niet op. Toen wendde zich twee 
grote, met tranen gevulde ogen tot mij, 
en met de pijn die alleen een vijfjarige 
kan voelen, zei hij: „Ik ben niet lief tegen 
mama geweest vanavond. Ik heb haar 
een brutaal antwoord gegeven." Toen 
brak hij in tranen uit en zijn lichaampje 
schudde van verdriet. Een kinderlijke 
onbezonnenheid was genoteerd, een 
pijnlijke belijdenis was gedaan, de ont- 
wikkeling van een vijfjarige ging door, er 
zou een liefdevolle verzoening hebben 
kunnen plaatsvinden. 

Alles had geweldig kunnen zijn - maar 
ik faalde. Kunt u zich zo iets idioots 
voorstellen, ik werd kwaad. Niet zozeer 
op Matt, maar op honderdeneen andere 
dingen waar ik mij zorgen over maakte; 
maar dat wist hij niet, en ik was niet 
gedisciplineerd genoeg om dat te erken- 
nen. Hij kreeg de volle laag. 

Ik vertelde hem hoe teleurgesteld ik 
was en dat ik iets beters van hem had 
verwacht. Ik klonk als de vaderlijke 
dwerg, die ik ook was. Toen deed ik wat 
ik nog nooit eerder had gedaan, ik 
stuurde hem naar bed en zei dat ik niet 
zou komen om samen met hem te bidden 
of hem een verhaaltje te vertellen. Ter- 
wijl hij zijn snikken probeerde in te 
houden, ging hij gehoorzaam naar bed, 
waar hij - helemaal alleen - neerknielde 
om zijn gebedje te doen. Toen bevlekte 



hij zijn kussen met de tranen die zijn 
vader had moeten afdrogen. 

Als u denkt dat de stilte in huis 
drukkend was toen ik binnenkwam, dan 
had u deze nu moeten voelen. Pat uitte 
geen woord. Dat was ook niet nodig, 
want ik voelde mij ellendig. 

Later, toen wij bij ons eigen bed 
neerknielden, klonk mijn aarzelend ge- 
bed om zegeningen voor mijn gezin mij 
als holle frases in de oren. Ik wilde op 
datzelfde ogenblik nog opstaan en naar 
Matt toe gaan om hem vergeving te 
vragen, maar hij lag al lang vredig te 
slapen. 

Voor mij was die vrede nog niet 
weggelegd, maar tenslotte viel ik toch in 
slaap en ik begon te dromen, wat ik 



„Wij weten allen dat het 

vaderschap geen 

gemakkelijke opdracht is, 

maar het is wel een van de 

belangrijkste die ooit 

gegeven is. Wij moeten 

blijven proberen, contact 

blijven zoeken, blijven 
bidden, blijven luisteren." 



zelden doe. Ik droomde dat Matt en ik 
twee auto's aan het laden waren om te 
verhuizen. Om de een of andere reden 
waren zijn moeder en zusje niet aanwe- 
zig. Toen wij klaar waren zei ik: „Goed 
Matt, jij neemt de ene wagen en ik de 
andere." 

Deze vijfjarige dreumes kroop ge- 
hoorzaam achter het stuur en probeerde 



73 



het beet te pakken. Ik liep naar de andere 
wagen en startte de motor. Terwijl ik 
wegreed keek ik om om te zien hoe het 
met mijn zoon ging. Hij was het aan het 
proberen, en hij deed zo zijn best. Hij 
probeerde de pedalen te bereiken, maar 
dat ging niet. Hij drukte op alle knopjes 
in een poging de motor aan de gang te 
krijgen. Hij was nauwelijks te zien over 
het instrumentenbord heen, maar daar 
zag ik weer die grote met tranen gevulde 
prachtige bruine ogen, die mij aanstaar- 
de. Toen ik wegreed schreeuwde hij 
tegen mij: „Papa, laat mij niet alleen. Ik 
weet niet hoe ik het moet doen. Ik ben te 
klein." Maar ik reed weg. 

Een korte tijd later, terwijl ik in mijn 
droom de woestijnweg afreed, besefte ik 
plotseling op een grimmig, afschuwelijk 
ogenblik wat ik gedaan had. Ik stond op 
mijn remmen, gooide de deur open en 
begon zo hard mogelijk terug te rennen. 
De auto, de sleutels, al mijn bezittingen, 
alles liet ik achter, en ik rende. Het 
wegdek was zo warm dat het mijn voeten 
verbrandde, en tranen verhinderde mij 
in de verte te kijken waar ik dat kind 
ergens aan de horizon probeerde te 
ontdekken. Ik bleef rennen, biddend en 
smekend om vergeving en mijn jongen 
veilig terug te mogen vinden. 

Toen ik lichamelijk en emotioneel zo 
uitgeput was dat ik er haast bij neerviel, 
kwam ik een bocht om en zag ik de 
vreemde wagen die ik Matt gezegd had 
te besturen. Hij stond veilig geparkeerd 
aan de kant van de weg en hijzelf zat 
ernaast te lachen en te spelen. Er was een 
wat oudere man bij hem die met hem aan 
het spelen was. Matt zag mij en riep: 
„Ha, Papa. Wij hebben zo'n plezier." 
Blijkbaar had hij mijn verschrikkelijke 
overtreding al vergeven en vergeten. 



Maar ik was bang de blik van de 
oudere man te ontmoeten, die al mijn 
bewegingen in de gaten hield. Ik pro- 
beerde „Dank u" tegen hem te zeggen, 
maar zijn ogen waren vol verdriet en 
teleurstelling. Ik stamelde een onhandig 
excuus en de vreemdeling zei eenvoudig: 
„U had hem niet alleen moeten laten om 
zo iets moeilijks te doen. Het zou van u 
ook niet gevergd zijn." 

Dat was het einde van mijn droom en 
ik zat plotseling rechtop in mijn bed. Nu 
was mijn kussen nat, ik weet niet of het 
van tranen of van transpiratie was. Ik 
gooide de dekens weg en spoedde mij 
naar het bedje van mijn zoon. Daar op 
mijn knieën en door de tranen heen, nam 
ik hem in mijn armen en sprak ik tegen 
hem terwijl hij sliep. Ik vertelde hem dat 
iedere vader wel eens fouten maakt, 
maar dat het niet hun bedoeling is. Ik 
vertelde hem dat het niet zijn schuld was 
dat ik zo'n slechte dag had gehad. Ik 
vertelde hem dat wanneer jongens vijf of 
vijftien jaar zijn, hun vaders dat weleens 
vergeten en denken dat ze vijftig zijn. Ik 
vertelde hem dat ik wilde dat hij nog een 
lange tijd een kleine jongen zou blijven, 
omdat hij maar al te gauw op zou 
groeien en een man zou worden en niet 
meer op de Vloer zou zitten spelen als ik 
thuiskwam. Ik vertelde hem dat ik meer 
van hem, van zijn moeder en zijn zuster 
hield dan van wat ook in de gehele 
wereld, en dat welke problemen wij ook 
nog zouden tegenkomen, wij deze samen 
het hoofd zouden bieden. Ik vertelde 
hem dat ik hem nooit meer mijn liefde en 
vergeving zou onthouden, en dat ik bad 
dat hij ze mij nooit zou onthouden. Ik 
vertelde hem dat ik het een eer vond zijn 
vader te mogen zijn en dat ik met mijn 
gehele hart zou proberen zo'n grote 
verantwoordelijkheid waardig te zijn. 



74 



Wel, ik ben nog steeds niet de vol- 
maakte vader gebleken die ik die avond 
en duizenden avonden daarvoor en 
daarna beloofd heb te zijn. Maar ik wil 
het nog steeds worden, en ik geloof in 
deze wijze raad van president Joseph F. 
Smith: 

„Broeders, . . . Als u uw (kinderen) na 
aan uw hart, in de omhelzing van uw 
armen, wilt houden; indien u hen wilt 
doen voelen dat u hen liefhebt, ... en 
hen dicht bij u wilt houden, zullen zij niet 
ver van u afdwalen, en zullen zij geen 
grote zonde bedrijven. Maar wanneer u 
hen uit uw huis zendt, en hun uw liefde 
niet meer schenkt . . . (dan' kan dat een 
reden zijn) dat uw kinderen zich van u 
afkeren. 

Vaders indien u wilt dat uw kinderen 
in de beginselen van het evangelie wor- 



den onderricht, indien u wilt dat zij de 
waarheid liefhebben en begrijpen, indien 
u wilt dat zij u gehoorzamen en eensge- 
zind met u zijn, hebt hen dan lief en laat 
door ieder woord en iedere daad blijken 
dat u hen liefhebt." {Evangelieleer, blz. 
279, 314.) 

Broeders, wij weten allen dat het 
vaderschap geen gemakkelijke opdracht 
is, maar het is wel een van de belangrijk- 
ste die ooit gegeven is, in tijd en 
eeuwigheid. Wij mogen ons niet terug- 
trekken van onze kinderen. Wij moeten 
blijven proberen, contact blijven zoeken, 
blijven bidden, blijven luisteren. Wij 
moeten ze ,, binnen de omhelzing van 
onze armen" houden. Dat is waar vrien- 
den voor zijn. Hiervan getuig ik tot u in 
de naam van Jezus Christus. Amen. D 




75 



Modderige voeten en witte hemden 

Matthew S. Holland 
Vierde wijk Oak Hills, ring Provo Utah Oak Hills 




Toen ik voor het eerst hoorde dat ik 
hier vanavond tot u zou spreken, zat ik 
op de rand van het bed van mijn ouders 
met hen te praten nadat ik die avond laat 
was thuisgekomen. Het bed van mijn 
ouders is nu aan de ene kant heel wat 
lager dan de andere en mijn moeder 
heeft nog steeds een blauwe plek op haar 
linkerbeen. Maar nu ik van de schrik 
bekomen ben, zegt mijn vader dat ik 
dankbaar ben hier te zijn. 

Maar ik ben ook echt dankbaar dat ik 
hier vanavond een paar woorden mag 
zeggen over de invloed die ouders en het 
gezin hebben op de jeugd van onze kerk. 
Ik zou mijn eigen familie willen gebrui- 
ken om dit te illustreren. Mijn ouders en 
jongere zuster en broer tonen mij hun 
liefde en steunen mij iedere dag van mijn 
leven. Zij voorzien in mijn behoeften, 
zowel de stoffelijke als de geestelijke. 
Deze dingen zijn erg belangrijk voor mij, 
en mijn familie doet dat beter dan wie 
het ook zou kunnen doen, met inbegrip 
van de andere organisaties van de kerk. 

Ik houd erg veel van de programma's 
van de kerk. Maar er schijnen vele 



heiligen der laatste dagen te zijn die 
denken dat het de verantwoordelijkheid 
van de kerk is om de jeugd geestelijk op 
te voeden. Ouders die deze mening zijn 
toegedaan beroven hun kinderen van 
een van de rijkste ervaringen die wij hier 
op aarde kunnen hebben. 

Het jeugdwerk, de zondagsschool en 
het seminarie hebben ons lessen onder- 
wezen die wij nooit zullen vergeten. De 
programma's van het Aaronische pries- 
terschap en de jonge-mannen hebben 
ons geholpen ons priesterschap beter te 
eren. De programma's van de jonge - 
vrouwen onderwijzen geestelijke, maat- 
schappelijke en huishoudelijke vaardig- 
heden die erg belangrijk zijn. De 
programma's van het Melchizedekse 
priesterschap en de zustershulpvereni- 
ging houden de oudere, meer opstandige 
generatie, in toom. Maar deze program- 
ma's zullen niet slagen tenzij dezelfde 
lessen thuis onderwezen worden. 

Er zal vanavond veel gezegd worden 
over vaders. Ik zou het ook over de 
moeders willen hebben. Op een zomer- 
morgen, in diezelfde flat waar mijn 



76 



vader het zojuist over had, zei ik tegen 
mijn moeder dat ik naar de speeltuin 
ging. Zij vond het best, maar waar- 
schuwde mij dat ik niet naar binnen 
moest komen rennen met modderige 
voeten, omdat zij net bezig was de vloer 
schoon te maken en in de was te zetten. 
Zij herhaalde dit nog eens toen ik de 
deur uitrende, in een broek met afge- 
knipte pijpen, op blote voeten en zonder 
hemd. Ik denk dat ik ongeveer een uur 
gespeeld had en het grootste gedeelte 
daarvan in de modder, toen ik bedacht 
dat mijn moeder waarschijnlijk wel 
klaar zou zijn met de vloer en mij 
misschien wel voor wilde lezen. Ik rende 
naar huis vol jongensachtige verwach- 
ting en energie. Met diezelfde energie 
rende ik met mijn moddervoeten de trap 
op, door de deur en halverwege de 
schone, in de was gezette vloer, waar 
mijn moeder net de laatste hand aan 
legde. 

Zonder te wachten op een reactie en 
omdat ik mijn zonde niet onafgemaakt 
wilde laten, rende ik over de rest van de 
vloer de slaapkamer van mijn ouders in 
en sloeg de deur achter mij dicht. Ik wist 
niet of ik uit het raam van de eerste 
verdieping moest springen of dat het 
genoeg zou zijn als ik mij onder het bed 
verborg. Ik barstte in tranen uit en wierp 
mijzelf op het bed in afwachting van de 
mogelijkheid dat ik mijn betovergroot- 
vader eerder zou ontmoeten dan ik 
eigenlijk had verwacht. 

Ik hoorde de deur zachtjes opengaan 
en keek op. O, goed zo, dacht ik. Zij 
heeft tenminste geen gloeiende tang, 
(bezemsteel of wat dan ook) bij zich. 
Voordat zij iets kon zeggen, riep ik: 
„Mama, u houdt niet van mij." Waarop 
zij antwoordde: „Ik houd wel van je, en 
ik ben bereid alles te doen om het te 



bewijzen." Toen pakte zij mijn vuile 
modderige voeten beet en kuste ze. Het 
is onnodig te zeggen dat deze belevenis 
mij heel veel geleerd heeft over de 
betekenis van bekering en vergeving, en 
de lessen van de kerk zouden dit later 
kracht bijzetten. 

Natuurlijk hoeft het niet altijd een 
grote gebeurtenis te zijn waardoor een 
kind wordt beïnvloed. Alma, de zoon 
van Alma, die in zijn jeugd zijn eigen 
problemen had gehad, zei tot zijn zoon 
Helaman: „Nu moogt gij veronderstel- 
len, dat dit dwaasheid voor mij is, doch 
zie, ik zeg u, dat door kleine en eenvou- 
dige dingen grote dingen worden teweeg 
gebracht." (Alma 37:6.) Als vaders en 
zoons behoren wij te beseffen wat voor 




Matthew Holland, priester, sprak tijdens de 
priesterschapsvergadering. 



77 



grote dingen wij kunnen volbrengen 
door daden die op dat ogenblik onbe- 
langrijk of zonder betekenis kunnen 
lijken. 

Mijn vader en ik zijn bijvoorbeeld, 
vanaf het moment dat ik diaken gewor- 
den was, na iedere algemene priester- 
schapsvergadering een ijsje gaan eten. 
Wij doen het vanavond weer. Nu is dat 



„Laat het gezin de plaats 
zijn waar zoons en dochters 
kunnen leren, groeien, en 
zichzelf uitspreken zonder 
kritiek en tegen een open 
oor en een open hart." 



ijsje niet absoluut noodzakelijk om de 
priesterschapsvergadering prettig te ma- 
ken, maar het helpt wel. Ik herinner mij 
ook dat mijn vader mij, een paar weken 
voordat ik tot diaken geordend werd, 
vertelde dat hij hoopte dat ik altijd een 
wit hemd en een das zou dragen als ik het 
avondmaal moest ronddienen, klaar 
maken of zegenen. Ik weet zeker dat ik 
hetzelfde al gehoord had van een zon- 
dagsschoolleraar of gelezen had in een 
lesboek, maar het was niet voordat mijn 
vader het zei dat ik van plan was het ook 
te doen. Door gehoor te geven aan mijn 
vaders verlangen heb ik eerbied getoond 
voor de heilige verordening van het 
avondmaal. En die paar woorden van 
mijn vader hebben mij ook helpen 
begrijpen dat de verordeningen van het 
priesterschap niet zo maar opdrachten 



zijn, maar voorrechten van onschatbare 
waarde en ik ben dankbaar dat ik eraan 
mag deelnemen. 

Ik heb onlangs nog een andere belang- 
rijke les van mijn vader geleerd over zijn 
liefde voor mij. Een paar weken geleden 
werd op een zaterdagavond in Ogden de 
laatste basketballwedstrijd gespeeld 
voor het staatskampioenschap op 3A 
niveau. Ik speelde in die finale in het 
Provo-Highteam tegen het team van de 
Mountain View High School. Tijdens de 
eerste rust kwam ons team bij elkaar om 
nog wat instructies aan te horen. Toen ik 
uit de lekkere zachte stoel opstond waar 
ik alweer aan gewend was, viel mijn oog 
op mijn moeder en mijn vader die op de 
eerste rij zaten. Dat komt u misschien 
niet zo belangrijk voor, maar ik vond het 
geweldig, omdat op diezelfde avond in 
Provo een van de belangrijkste gebeurte- 
nissen van het jaar plaatsvond. Het was 
niet mijn vaders installatie of de gebrui- 
kelijke jaarlijkse openingsceremonie. 
Het was de basketballwedstrijd tussen 
BYU en de University of Utah. Maar 
mijn vader had die wedstrijd, alsmede 
enkele algemene autoriteiten en waar- 
digheidsbekleders, waarvan hij de gast- 
heer was, verlaten om naar de mijne te 
komen kijken. Die blijk van zijn liefde 
betekende zoveel voor mij, niet omdat 
mijn wedstrijd belangrijker was, maar 
omdat ik belangrijker was. Is het dan 
vreemd dat ik hem op mijn beurt mijn 
liefde wil tonen? Er is een band tussen 
ons, niet slechts van vader en zoon - 
maar ook als vrienden. 

Daarom, vaders, smeek ik u niet te 
denken dat de enige belangrijke 
priesterschaps- of geestelijke lessen door 
de programma's van de kerk onderwe- 
zen worden. Maak van uw gezin een 
stukje hemel op aarde. Laat het gezin de 



78 



plaats zijn waar zoons en dochters 
kunnen leren, groeien, vragen, en zich- 
zelf uitspreken zonder kritiek en tegen 
een open oor en een open hart. 

Ouderling Marvin J. Ashton heeft 
gezegd: „Het gezin behoort een anker te 
zijn, een haven in de storm, een schuil- 
plaats, een gelukkige plaats om te wo- 
nen. . . . De belangrijkste lessen van het 
leven behoren thuis onderwezen en ge- 
leerd te worden. Het gezin kan het 
middelpunt vormen van ons aards ge- 
loof, waar liefde en wederzijds verant- 
woordelijkheidsgevoel op de juiste wijze 
vermengd zijn." (Marvin J. Ashton, Ye 
Are My Friends, blz. 44.) 



Ik wil u mijn getuigenis geven van de 
verantwoordelijkheid die wij, de pries- 
terschapsdragers van deze kerk, hebben, 
om onze families geestelijk te onderwij- 
zen en op te bouwen. Ik wil ook mijn 
vader in het openbaar bedanken voor 
het grootse voorbeeld dat hij in mijn 
leven is geweest, voor de wijze waarop 
hij altijd zijn priesterschap heeft geëerd. 
Tk houd erg veel van hem. Ik kan eerlijk 
zeggen dat wij de beste vrienden zijn, en 
het is mijn vurige hoop en gebed dat 
iedereen een dergelijke vader -zoon rela- 
tie kan hebben. In de naam van Jezus 
Christus. Amen. D 



Het gezinsleven verrijken 

Ouderling James E. Faust 
van het Quorum der Twaalf Apostelen 




Broeders, nederig sta ik hier vana- 
vond voor u. Ik herinner mij dat ik als 
jongeman president J. Reuben Clark in 
de algemene priesterschapsvergadering 
herhaaldelijk heb horen pleiten voor 
eenheid in de priesterschap. Dikwijls 
heeft hij deze woorden van de Heer 
aangehaald: „Ik zeg tot u: Zijt één; en 



indien gij niet één zijt, zijt gij de Mijnen 
niet." (Leer en Verbonden 38:27.) 

De eenheid in de priesterschap be- 
hoort de eenheid in de gezinnen te 
weerspiegelen. Men vraagt zich af waar- 
om er zovele gezinnen tegenwoordig zo 
zwak staan en waarom zovele gezinnen 
uit elkaar vallen. Er zijn talrijke redenen 



79 



voor. Zonder twijfel heeft het veel te 
maken met de maatschappelijke wanor- 
de van onze tijd. Wij worden allen 
blootgesteld aan fonkelende, verleidelij- 
ke maar bedrieglijke reclame. Geweld 
wordt overal op krachtige wijze afge- 
beeld. Onze maatschappij is doordrenkt 
met de gedachte dat zelfzucht en onmid- 
dellijke bevrediging van onze verlangens 
aanvaardbaar en zelfs respectabel zijn. 
Het kwaad van het alcoholisme neemt 
schrikbarend toe en wordt nog verergerd 
door andere vormen van drugmisbruik. 
De seksuele revolutie heeft rampzalige 
gevolgen voor de geestelijke, verstande- 
lijke en lichamelijke gezondheid van de 
gezinnen. 

Tot de aanvallen op de gezinnen 
behoren ook de aanvallen op ons geloof, 
en ouders behoren hun kinderen hierop 
voor te bereiden. Sommige van die 
aanvallen komen van afvalligen die een 
getuigenis hebben gehad en nu de kerk 
blijkbaar niet met rust kunnen laten. 
Men heeft een daarvan, al klagend over 
het beleid van de kerk horen zeggen: 
„Daar ben ik nou zo kwaad om; als het 
mijn gewoonte geweest was om tiend te 
betalen, zou ik er nu mee ophouden. " 
Vervolging is niet nieuw voor de trouwe 
volgelingen van Christus. De laatste tijd 
lijkt het echter wel of onze vijanden 
gemener en venijniger worden. Brigham 
Young heeft eens gezegd: 

„Wij zijn nog nooit aan het bouwen 
van een tempel begonnen, zonder dat de 
klokken van de hel begonnen te luiden." 
(Discour ses of Brigham Young, blz. 410.) 
Met tweeëntwintig tempels die op het 
ogenblik gebouwd worden of gepland 
zijn, lijkt het alsof er heel wat klokken 
geluid moeten worden. 

Als ik hoor van een gezin dat uit 
elkaar gaat, vraag ik mij af of er in dat 



gezin regelmatig gezinsavond en gezins- 
gebeden zijn gehouden, en of de wet van 
de tiend is nageleefd. Heeft dat gezin de 
sabbat geheiligd? Hebben de ouders 
gemord tegen de leringen van de kerk of 
de leiders? Ik vraag mij af wat mogelij- 
kerwijs het breken van eeuwige beloften 
die in de tempel gedaan zijn, of wat het 
uiteengaan van een gezin met kleine 
kinderen zou kunnen rechtvaardigen. 

Waarom is het ene gezin sterk en het 
andere zwak? De problemen zijn onein- 
dig ingewikkeld. En toch zijn er oplos- 
singen voor. Er zijn overvloedige bewij- 
zen dat het veel waarschijnlijker is dat de 
kinderen in een gezin met een vastbera- 
den, liefhebbende vader, eerder verant- 
woordelijke, ordelievende kinderen zul- 
len zijn, dan die van een gezin waar geen 
vader is, of waar hij niet optreedt als een 
vader. In beide gevallen krijgt de moeder 
een dubbele last. 

Maleachi zei dat de gehele wereld met 
de ban getroffen zou worden als het hart 
der vaderen niet tot de kinderen en het 
hart der kinderen niet tot de vaderen 
teruggevoerd zou worden. (Zie Malea- 
chi 4:6.) 

De aanwezigheid van de vader in het 
gezin, en het feit dat één of beide ouders 
actief zijn in de kerk, schijnt samen met 
de nodige discipline, tot stabiele, sterke 
gezinnen te voeren. 

Stellig is grote godsdienstige toewij- 
ding onder het verstandige, evenwichti- 
ge toezicht van de ouders, de belangrijk- 
ste factor om de leden van de kerk 
gelukkig te maken in hun gezin. Toewij- 
ding aan God in het gezin schijnt het 
geestelijke anker en de stabiliteit te 
scheppen die een familie kunnen helpen 
de problemen het hoofd te bieden. 
Sommigen zullen zeggen dat dit een te 
grote vereenvoudiging is van een heel 



80 






III 



. ;=:* ■ ■■.....;:■■ ...... - : ■ ■ .... : 



immi'-rB: 




ingewikkeld probleem, maar ik geloof 
toch dat het antwoord binnen het kader 
van het herstelde evangelie van Christus 
ligt. 

Eén van de redenen voor verzwakte 
gezinnen is het ontbreken van absolute 
waarden. Absolute waarde kent geen 
beperking, uitzondering of voorbehoud. 
Zij staan volkomen vast. Er zijn enkele 
dingen die leden van een gezin altijd 
moeten proberen te doen, en enkele 
andere die zij angstvallig moeten vermij- 
den. Eerlijkheid is een absolute vereiste 
in ieder gezin. 

Hoe kunnen ouders en familieleden 
een hecht gezin opbouwen? Een van 
mijn beste vrienden uit mijn jeugd is 
onlangs gestorven aan kanker. Zijn 
gezin vond dat hij gelukkiger zou zijn als 
hij zijn laatste dagen in zijn eigen huis 



kon doorbrengen. Zij haalden hem dus 
uit het ziekenhuis voor oud-strijders 
waar zijn ziekte was ontdekt en zorgden 
voor hem tussen de vertrouwde muren 
van zijn eigen huis. Zijn moeder, die 
eenentachtig jaar oud is, verliet haar 
eigen huis in een andere staat, om 
toezicht te houden op de tedere, liefheb- 
bende zorg die hij nodig had. Een zuster 
en een broer kwamen ook verschillende 
keren van ver weg om ze in noodgevallen 
bij te staan. Zijn kinderen, waarvan er 
sommigen ook uit huis waren, kwamen 
eveneens, zodat er vierentwintig uur per 
dag bij hem gewaakt kon worden en hij 
nooit alleen was. 

Na een paar maanden stierf hij, totaal 
uitgemergeld, maar tevreden en geluk- 
kig. Tot zijn dood toe had men hem met 
liefde omringt. Zijn familie had zijn 



81 



verzorging over kunnen laten aan de 
overheid en het ziekenhuis, zonder kos- 
ten en heel weinig persoonlijk ongemak. 

Laat mij enkele andere manieren 
voorstellen om het gezinsleven te 
verrijken: 

1. Bid 's ochtends en 's avonds samen. 
De bron van onze geweldige individuele 
kracht en mogelijkheden is geen geheim. 
Het is een gave Gods. Wij hebben geen 
behoefte aan de verslavende chemicaliën 
die in verdovende middelen zitten, met 
inbegrip van alcohol, om ons in staat te 
stellen de levensproblemen het hoofd te 
bieden. Wij behoeven slechts voortdu- 
rend te putten uit de krachtbron door 
middel van nederig gebed. Vaak vereist 
het bovenmenselijke inspanning van de 
ouders van een druk gezin om iedereen 
uit bed en te zamen te krijgen voor het 
gezinsgebed en het bestuderen van de 
Schriften. Misschien hebt u geen zin 
meer in bidden als u ze tenslotte allemaal 
bij elkaar hebt, maar indien u volhardt 
zal de beloning groot zijn. 

2. Bestudeer de Schriften. Wij hebben 
allen de kracht nodig die wij krijgen uit 




Ouderling James E. Faust van het Quorum 
der Twaalf Apostelen. 



het dagelijks lezen van de Schriften. 
Ouders behoren de standaardwerken te 
kennen om ze aan hun kinderen te 
kunnen onderwijzen. Een kind dat uit de 
Schriften is onderwezen beschikt over 
een erfenis van onschatbare waarde. 
Kinderen worden versterkt als zij kennis 
maken met de heldhaftige figuren en de 
verhalen uit de Schriften, zoals Daniël in 
de leeuwenkuil, David en Goliat, Nephi, 
Helaman en de tweeduizend jeugdige 
strijders, en alle anderen. 

Samen bidden, de Schriften bestude- 
ren en de maaltijden gebruiken schept 
ongelooflijk belangrijke tijd om te pra- 
ten en te luisteren als ouders en kinde- 
ren, broers en zusters. 

3. Leer kinderen te werken. In ieder 
huisgezin zijn er dagelijkse routinekar- 
weitjes waar de kinderen verantwoorde- 
lijk voor kunnen zijn. 

4. Leer de kinderen discipline en ge- 
hoorzaamheid. Als ouders hun kinderen 
geen discipline of gehoorzaamheid leren, 
zal de maatschappij ze misschien op een 
manier disciplineren die noch de ouders 
noch de kinderen zal bevallen. Dr. Lee 
Salk, een kinder-psycholoog heeft ge- 
zegd: „Het verschijnsel 'je doet maar 
waar je zelf zin in hebt' heeft de mensen 
verhinderd om nauwe en vertrouwelijke 
familierelaties te ontwikkelen. Het zegt 
mensen dat ze neurotisch zijn als zij een 
zekere verantwoordelijkheid voelen 
voor de gevoelens van andere leden van 
het gezin. De mensen worden ook ver- 
teld dat zij al hun gevoelens moeten 
uiten, zelfs als dit iemand anders veel 
pijn bezorgt." {U.S. news and World 
Report, Inc., 16 juni 1980, blz. 60.) Zoals 
dr. Salk verklaart, is dit natuurlijk 
helemaal verkeerd. Zonder discipline en 
gehoorzaamheid, verdwijnt de eenheid 
in de familie. 



82 



5. Geef een hoge prioriteit aan loyaliteit 
tegenover elkaar. Volgens het woorden- 
boek betekent loyaal zijn „trouw zijn 
aan aangegane verbintenissen of aan 
hetgeen waartoe men door zijn positie 
verplicht is, oprecht, zonder achterhou- 
dendheid." Als leden van een gezin niet 
loyaal zijn aan elkaar, zijn zij niet loyaal 
aan zichzelf. 

6. Onderwijs beginselen van eigenwaar- 
de en redzaamheid. Eén van de grootste 
problemen van deze tijd in de gezinnen 
is, dat wij hoe langer hoe minder tijd 
samen doorbrengen. Sommigen brengen 
buitengewoon veel van de tijd die zij 
samen hebben door voor de televisie, 
hetgeen hen berooft van tijd die nodig is 
voor het versterken van gevoelens van 
eigenwaarde. De tijd die samen doorge- 
bracht wordt is kostbare tijd, tijd die 
nodig is om te praten, te luisteren, aan te 
moedigen en te laten zien hoe dingen 
gedaan moeten worden. Minder tijd 
samen kan eenzaamheid tot gevolg heb- 
ben, wat gevoelens kan opwekken dat 
men niet gesteund wordt, niet op prijs 
gesteld wordt, of dat men tekort schiet. 
Een gevoel van eigenwaarde kan op vele 
wijzen worden versterkt. Wanneer ou- 
ders tot een zoon of dochter die het huis 
verlaat om ergens heen te gaan de 
eenvoudige maar zinvolle woorden spre- 
ken: „Vergeet niet wie je bent," hebben 
zij dat kind geholpen zich belangrijk te 
voelen. 

7. Ontwikkel familietradities. Enkele 
van de grote krachten van gezinnen 
kunnen gevonden worden in hun eigen 
tradities, die uit allerlei dingen kunnen 
bestaan: een bijzondere gelegenheid ma- 
ken van het zegenen van de kinderen, 
van het dopen, het ordenen tot het 
priesterschap, verjaardagen, tochtjes, 
het opvoeren van toneelstukjes op kerst- 



avond, gezinsavonden, enzovoort. De 
tradities van ieder gezin zijn uniek en 
hangen in grote mate af van de invloed 
van de moeder op het gezin. 

8. Doe alles in een geest van liefde. 
Ouderling LeGrand Richards vertelde 
ons eens iets over de tedere relatie die hij 
had met zijn vader. Hij zei: „Ik liep de 



Acht richtlijnen die ouders 

dienen te volgen om eenheid 

en liefde in hun gezin op te 

bouwen. 



flat van mijn vader binnen toen hij zo 
ongeveer negentig jaar oud was, ... en 
toen ik de deur opendeed, stond hij op, 
kwam naar mij toe en sloeg zijn armen 
om mij heen en drukte mij tegen zich aan 
en kuste mij. Dat deed hij altijd . . . Als 
hij zijn armen om mij heen sloeg noemde 
hij mij zoals ik vroeger als jongen 
genoemd werd: 'Grandy, mijn jongen, ik 
houd van je."' (Conference Report van 
oktober 1967, blz. 111-112.) 

Sommige ouders vinden het moeilijk 
hun liefde te tonen of uit te spreken. Ik 
herinner mij niet dat mijn eigen vader 
ooit de woorden „Jongen, ik houd van 
je," heeft gebruikt, maar hij toonde het 
op wel duizend manieren, die welspre- 
kender waren dan woorden. Hij miste 
zelden een trainingsavond, een wed- 
strijd, een race, of welke activiteit ook 
waar zijn zoons aan deelnamen. 

De invloed en werkzaamheden van de 
moeder maken het gezin warm en be- 



83 



haaglijk en gezellig. Onze vrouwen en 
moeders verdienen onze bijzondere 
steun. President George Albert Smith zei 
eens in een toespraak die gericht was tot 
echtgenoten en vaders: 

„Het lijkt wel of sommigen denken 
dat het de verantwoordelijkheid van de 
vrouw is om voor alles in het gezin te 
zorgen en voor al het andere terwijl de 
man naar vergaderingen gaat. Ik wil u 
wel vertellen dat uw grootste verant- 
woordelijkheid uw eigen gezin is." (Con- 
ferentie voor zeventigen en ringzendelin- 
gen van 4 oktober 1941, blz. 8.) 

Dit werd bevestigd door president 
Harold B. Lee: „Het belangrijkste van 
het werk des Heren dat u broeders als 
vaders ooit zult doen, is binnen de 
muren van uw eigen huis." (Conference 
Report van april 1973, blz. 130.) 

Laat er geen kwade gevoelens of 
boosheid zijn tussen ouders en kinderen, 
broers en zusters, en familieleden. Sle- 
pende gekwetste gevoelens of onenighe- 
den behoren snel uit de weg geruimd te 
worden. Waarom zouden wij wachten 
tot een van de partijen stervende is of 
dood? Moge de rijke menselijkheid van 
een warm, liefhebbend familieleven her- 
steld en behouden worden in al onze 
families. 

Hoe kunnen onze priesterschapslei- 
ders, die met hun besturende taak al zo 
zwaar belast zijn, de ouders helpen om 
hun kinderen te helpen? Ik geloof dat het 
antwoord fundamenteel is. In de laatste 
dagen van de bediening van de Heiland 
zei Hij tegen Petrus: „Simon, Simon, zie, 
de satan heeft verlangd ulieden te ziften 
als de tarwe, maar Ik heb voor u 
gebeden, dat uw geloof niet zou bezwij- 
ken. En gij, als gij eenmaal tot bekering 
gekomen zijt, versterk dan uw broede- 
ren." (Lucas 22:31-32.) 



Het is noodzakelijk dat ouders be- 
keerd en versterkt worden. Dit vindt 
plaats door het evangelie te onderwijzen, 
te begrijpen en toe te passen. Het is een 
grote taak voor onze priesterschapslei- 
ders om iedereen in onze wijken, ge- 
meenten en quorums te helpen het 
evangelie beter te begrijpen. De priester- 
schapsleiders zijn bekleed met groot 
gezag. Wanneer bisschoppen of andere 
priesterschapsleiders nodig zijn voor 
bijzondere familie- of persoonlijke aan- 
gelegenheden, is het feit dat zij beschik- 
baar zijn een grote kracht en troost. Hun 
oprechte belangstelling en bezorgdheid 
voor ons persoonlijk is voor ons een 
onmisbare steun. 

Mag ik, broeders, tot slot iets zeggen 
dat een beter begrip van ons werk kan 
bevorderen. Laten wij goed beseffen dat 
wij, alleen omdat wij onze vergaderingen 
bijwonen, ons huisonderwijs doen, en 
betrokken zijn bij andere activiteiten, 
niet noodzakelijkerwijs tenvolle ten 
dienste staan van de leden van de kerk. 
In onze bediening in de kerk en in ons 
gezin behoort men de Geest, de goed- 
heid en de barmhartigheid van Christus 
terug te kunnen vinden. 

In het verre verleden is godsdienst 
dikwijls omhuld geweest met onbuig- 
zaam fanatisme, kwezelarij en onver- 
draagzaamheid. Met de herstelling van 
het evangelie kwam ook het priester- 
schap van God, niet om in een geest van 
dwang uitgeoefend te worden, maar in 
de geest van de vrije wil, en op een 
fundament van „zachtmoedigheid, oot- 
moed en door ongeveinsde liefde." (Leer 
en Verbonden 121:41.) Dit is de zoete 
geest van Christus zelf. 

Nu moeten deze nobele begrippen 
gehanteerd worden door wijze mannen. 



84 



Als er leiding gegeven wordt in de kerk 
en in onze gezinnen, dan mag er geen 
sprake zijn van een dictatoriale houding 
of van onrechtvaardige heerschappij. De 
sleutels en de machten van het priester- 
schap kunnen slechts aangewend wor- 
den „volgens de grondbeginselen van 
gerechtigheid." (Leer en Verbonden 
121:36.) 

Door middel van zijn profeten heeft 
God het priesterschap in het recente 
verleden de grote taak gegeven om het 
heilige werk waar wij mee bezig zijn over 
de gehele wereld te verbreiden. Alle 
waardige mannen mogen nu het pries- 
terschap ontvangen. Ik vraag mij af of er 
met deze geïnspireerde veranderingen 
ook een ruimere geesteshouding ont- 
staan is, die gebaseerd is op de verheven 
beginselen die de Heiland heeft onder- 
wezen. Heeft de uitbreiding van de 
verantwoordelijkheid van het priester- 
schap ons een beter begrip van ons werk 
gegeven? Slagen sommigen van ons er 
niet in het onderscheid te zien tussen de 
zonde en de zondaar? 

Velen van ons hebben vergaderingen 
van wij kr aden, van uitvoerende priester- 
schapscomités, en andere vergaderingen 




op wijkniveau bijgewoond. Wij hebben 
de tijd genomen om degenen die afge- 
dwaald zijn te identificeren. Maar onze 
pogingen om ze te bereiken hadden 
doeltreffender kunnen zijn. Soms heb- 
ben wij te hard geoordeeld. Soms heb- 
ben wij de mens uit het oog verloren 
doordat wij ons teveel op het program- 
ma concentreerden. Ik bekritiseer de 
programma's en de activiteiten niet. Ik 
ben er dankbaar voor. Zij zijn nodig. Zij 
zijn geïnspireerd en geweldig. Ik vraag 
alleen om meer aandacht voor het 
individu en het gezin, en dat is immers 
het doel van Gods heilige werk. „Dit is 
Mijn werk en Mijn heerlijkheid - de 
onsterfelijkheid en het eeuwige leven van 
de mens tot stand te brengen." (Mozes 
1:39.) 

Mogen wij ons leven en ons gezin in 
orde brengen. Wij dienen trouw te 
blijven aan de grote absolute waarden 
van het herstelde evangelie: namelijk 
Christus en die gekruisigd, de goddelijke 
herstelling van het evangelie in onze tijd, 
de waarachtigheid van het Boek van 
Mormon, de goddelijke roeping van 
Joseph Smith als profeet van God, en 
voortdurende openbaring aan zijn op- 
volgers, overeenkomstig de behoeften 
van de kerk en haar leden. 

Als wij één zijn en voorwaarts gaan 
onder de leiding van degenen die de 
sleutels van Gods koninkrijk op aarde 
dragen, zullen onze gezinnen verrijkt en 
ons leven gereinigd worden en zullen de 
poorten der hel niet over ons zegevieren. 
Mogen wij Alma's raad opvolgen en 
gewillig zijn om ,,te allen tijde als 
getuigen van God te staan, in alle dingen 
en in alle plaatsen, waar (wij ons ook 
mogen) bevinden, zelfs tot in de dood." 
(Mosiah 18:9.) In de naam van Jezus 
Christus. Amen. D 



85 



Een oproep tot de priesterschap: 
„Weid mijn schapen." 



President Ezra Taft Benson 
van het Quorum der Twaalf Apostelen 




Mijn geliefde broeders, dit is een 
geweldig gezicht! Wat waarderen wij het 
werk dat u zo bereidwillig voor de Heer 
doet. Wij weten dat God u ervoor zal 
zegenen. 

En u jongemannen - dragers van het 
Aaronische priesterschap - wij houden 
van u en waarderen u. Wij zijn zo 
dankbaar voor uw toewijding en ge- 
trouwheid. Met mijn gehele ziel, moedig 
ik u aan nu het besluit te nemen al de 
dagen van uw leven rein te blijven en 
waardig te zijn de Heer te dienen. Daarin 
ligt het ware geluk. 

Vanavond spreek ik tot alle priester- 
schapsdragers, u die verantwoordelijk 
bent voor de kinderen van onze Vader. 
Mijn boodschap is Een oproep tot de 
priesterschap: ,, Weid mijn schapen." 

De meesten van u zijn vertrouwd met 
de beschrijving van de Heiland van de 
leden van de kerk en hun leiders. Trouwe 
volgelingen noemde Hij schapen, en 
priesterschapsleiders noemde Hij her- 
ders. 



Wij kennen zijn onvergetelijk voor- 
beeld van de bezorgdheid van een ware 
herder voor zijn schapen: 

„Indien een mens in het bezit is 
gekomen van honderd schapen en één 
ervan raakt verdwaald, zal hij dan niet 
de negenennegentig op de bergen laten 
en heengaan om het dwalende te zoeken? 
En gebeurt het, dat hij het vindt, voor- 
waar, Ik zeg u, dat hij zich over dat ene 
meer verblijdt dan over de negenenne- 
gentig, die niet verdwaald waren." 
(Matteüs 18:12-13.) 

In Jezus' tijd stonden de Palestijnse 
herders bekend om de goede bescher- 
ming van hun schapen. In tegenstelling 
met de moderne herders, liep de herder 
in die tijd altijd voor zijn kudde uit. Hij 
leidde ze. De herder kende elk van zijn 
schapen en had gewoonlijk een naam 
voor ieder van hen. De schapen kenden 
zijn stem en volgden hem en zouden geen 
vreemdeling volgen. Als zij geroepen 
werden gingen de schapen dan ook naar 
hem toe. (Zie Johannes 10:14, 16.) 



86 



De herders hadden de gewoonte de 
schapen 's nachts naar een omheinde 
ruimte te brengen die een schaapskooi 
werd genoemd. Er stonden hoge muren 
omheen en boven op deze muren werden 
doornen geplaatst om te verhinderen dat 
wilde dieren of dieven er overheen 
zouden klimmen. 

Soms gebeurde het toch nog dat een 
wild dier, gedreven door de honger, over 
de muren sprong midden in de schapen. 
In zo'n situatie werd duidelijk wie de 
ware herder was - degene die van zijn 
schapen hield - en wie de huurling was - 
degene die alleen maar voor geld en 
omdat het zijn plicht was werkte. 

De ware herder was bereid om zijn 
leven te geven voor de schapen. Hij zou 
zich in zo'n geval onder de schapen 
begeven en voor ze vechten. De huurling 
daarentegen zou meer waarde hechten 
aan zijn eigen veiligheid en van het 
gevaar wegvluchten. 

Jezus gebruikte deze in zijn tijd ge- 
bruikelijke illustratie om te verklaren 
dat Hij de Goede Herder was, de Ware 
Herder. Wegens zijn liefde voor zijn 
broers en zusters zou Hij vrijwillig en 
bereidwillig zijn leven voor hen geven. 
(Zie Johannes 10:17-18.) 

Uiteindelijk gaf de Goede Herder 
inderdaad zijn leven voor de schapen 
voor u en voor mij, voor ons allen. 

Later, na zijn opstanding, gaf Jezus 
Petrus de opdracht: „Weid mijn lamme- 
ren . . . Hoed mijn schapen . . . Weid 
mijn schapen." (Zie Johannes 21:15-17.) 
Drie keer werd deze opdracht herhaald 
tegen de pasaangewezen hoofdherder. 

Denkt u dat Petrus zich de gelijkenis 
van de goede herder herinnerde? 

Denkt u dat Petrus zich kon herinne- 
ren hoe een goede herder moest zijn, wat 
hij moest doen? 



Denkt u dat hij ooit dacht dat het 
voorbeeld van zijn Heer te idealistisch 
was? 

De opdracht moet een diepe indruk 
op Petrus gemaakt hebben, want vol- 
gens de overlevering heeft ook hij be- 
reidwillig zijn leven gegeven voor de 
goede zaak. 

De veelzeggende symboliek van de 
goede herder is niet zonder betekenisvol- 
le parallellen in de kerk in onze tijd. De 
schapen moeten geleid worden door 
waakzame herders. Er zijn er teveel die 
afdwalen, waarbij sommige worden 
weggelokt door tijdelijke verleidingen en 
andere helemaal verloren zijn gegaan. 

Denk eens ernstig na over de volgende 
voorbeelden van enkele ringen, die goed 
weergeven hoe de situatie in het alge- 
meen is en de grootte van ons probleem 
illustreren. 

Een ring in het oosten van de Verenig- 
de Staten heeft iets meer dan 300 
Melchizedekse priesterschapsdragers, 
en een overeenkomstig aantal leden die 
ouderling zouden kunnen zijn - verloren 
schapen! 

Een ring in Salt Lake City heeft 1 .100 
Melchizedekse priesterschapsdragers, 
maar ook 1.100 leden die ouderling 
zouden kunnen zijn. Waar, vragen wij, 
zijn de herders? 

Een ring in Engeland heeft 360 dra- 
gers van het Melchizedekse priester- 
schap, maar meer dan 800 leden die 
ouderling hadden kunnen zijn, waarvan 
maar een heel klein percentage hun 
vergaderingen bezoekt. Wij vragen, hoe 
zullen de schapen het overleven zonder 
de veiligheid van de schaapskooi en de 
goede zorgen van een liefhebbende 
herder? 

Wij weten dat er geweldige resultaten 
geboekt kunnen worden wanneer de 



87 



herders zich samen inspannen en belang- 
stelling tonen. 

In een ring in het zuiden van Utah, 
heeft men zich gezamenlijk ingespannen 
om de leden die eigenlijk ouderling 
zouden moeten zijn te heracti veren. 
Binnen een periode van twee jaar werden 
er meer dan 100 mannen tot het Melchi- 
zedekse priesterschap geordend. Door 
deze ordeningen werd de opkomst in de 
avondmaalsvergaderingen in de ring 
verhoogd met 14 procent. 

Een ring in Arizona verhoogde 47 
leden die eigenlijk al ouderling hadden 
moeten zijn tot het Melchizedekse pries- 
terschap; een andere ring in de staat 
Washington verhoogde hetzelfde aantal. 
In beide ringen worden nog steeds de 
instructiebijeenkomsten ter voorberei- 
ding op tempelbezoek gehouden. 



De districten van een zendingsgebied 
in Groot-Brittannië hebben meer dan 
600 leden geheractiveerd met de hulp 
van full-time en ringzendelingen. 

Een ring in Zuid-Amerika heeft door 
middel van gebeden en grote inspannin- 
gen in minder dan eenjaar 146 leden die 
ouderling zouden kunnen zijn geheracti- 
veerd. Vijfenveertig anderen zijn gereed 
om tot ambten in het Melchizedekse 
priesterschap geordend te worden. 

Wij beseffen dat, evenals in het verle- 
den, sommige van de schapen zullen 
rebelleren en „als een wilde kudde, die 
aan de schaapherder ontvlucht," zijn. 
Maar de meeste van onze problemen 
ontstaan door gebrek aan liefdevolle en 
zorgzame aandacht van de herders. 

Door als een herder voor ze te zorgen, 
zouden vele van onze nieuwe leden, zij 




President Ezra Taft Benson, president van het Quorum der Twaalf Apestelen. 



88 



die pas in het evangelie geboren zijn, met 
kennis van het evangelie en nieuwe 
normen worden gevoed. Een dergelijke 
aandacht zou verzekeren dat zij niet tot 
hun oude gewoonten en hun oude vrien- 
den terugkeren. 

Met de liefdevolle zorg van een herder 
zouden vele van onze jonge mensen, 
onze jonge lammeren, niet dwalende 
zijn. En als dat toch het geval was, zou de 
herdersstaf, een liefhebbende arm, ze 
weer terughalen. 

Met de zorg van een herder kunnen 
velen die op dit moment los van de 
kudde staan, teruggehaald worden. Ve- 
len zijn buiten de kerk getrouwd en 
hebben de manier van leven van hun 
huwelijkspartner aangenomen. 

Het probleem, ik herhaal het, is 
ernstig en groot. 

Wij bieden geen nieuwe oplossingen 
voor dit oude probleem. De opdracht die 
Jezus aan Petrus gaf, en waar Hij de 
nadruk op legde door hem drie keer te 
herhalen, is de succesvol gebleken oplos- 
sing: „Weid mijn lammeren . . . Hoed 
mijn schapen . . . Weid mijn schapen." 

Het antwoord is dus het hoeden van 
de schapen, of met andere woorden 
waakzame verzorging door de priester- 
schap. Het is oprechte bezorgdheid van 
een ware herder, niet zo maar de voorge- 
wende zorg die een huurling zou kunnen 
geven. 

Hier zijn enkele vragen die iedere 
goede herder behoort te stellen: 

Herders - huisonderwijzers: 

Houdt u de wacht over uw gezinnen 
zoals u dat behoort te doen? 

Voorziet u in hun behoeften? 

Hebt u genoeg belangstelling voor het 
welzijn van uw gezinnen om hun interes- 
ses te weten te komen, om hun verjaar- 



dagen bij te houden en de bijzondere 
gebeurtenissen niet te vergeten, en 
voortdurend voor hen te bidden? 

Bent u als eerste bij hen als het gezin 
hulp nodig heeft? 

Wendt het hoofd van het gezin zich 
het eerst tot u? 

Let u op de behoeften van elk lid van 
het gezin? 



„Wij willen dat u de kudde 
hoedt, weidt, en verzorgt, en 

in het geval dat er enige 

schapen tijdelijk verdwaald 

zijn, dagen wij u uit ze te 

vinden." 



Wanneer één van de gezinnen die aan 
u toevertrouwd zijn is verhuisd, weet u 
dan waar naar toe? Zorgt u ervoor dat u 
hun nieuwe adres hebt? Hebt u hierover 
contact opgenomen met buren, vrienden 
en familieleden? 

Herders - ringpresidenten, bisschoppen, 
quorumleiders: 

Verwelkomt u de nieuwe bekeerlingen 
in uw midden? 
Voelen zij uw liefde en bezorgdheid? 

Worden nieuwe bekeerlingen bij u 
thuis uitgenodigd? 

Weten zij wat de gezinsavond is en wat 
zij ermee moeten doen? 

Voelt het gezin zich welkom en op zijn 
gemak in uw midden? 

Ordent u waardige mannelijke leden 
tot ambten in het priesterschap na hun 
doop? 



89 




Leden van het Quorum der Twaalf Apostelen: President Ezra Taft Benson (links) en de 
ouderlingen Mark E. Petersen, Howard W. Hunter, Thomas S. Monson en Boyd K. 
Packer. 



Geeft u ze zinvolle opdrachten in de 
kerk? 

Herders - ringpresidenten, bisschoppen, 
quorumleiders: 

Verlaat u de negenennegentig om naar 
het verloren schaap te zoeken? 

Roept u en ordent u adviseurs en 
andere ambtenaren die de gemakkelijk 
te beïnvloeden jeugd op hun eigen grond 
kunnen tegemoettreden? 

Hebt u het jeugdprogramma ten volle 
in werking gesteld, en gebruikt u dit 
programma om te voorzien in de indivi- 
duele behoeften van de jonge mensen ? 

Let u op de jonge alleenstaanden, de 
gescheiden leden, en degenen met bij- 
zondere behoeften? 



Bereid u degenen die in militaire 
dienst gaan zorgvuldig en geestelijk 
daarop voor? 

Let u vooral op de jongemannen in de 
periode van hun overgang van het 
Aaronische priesterschap naar het Mel- 
chizedekse priesterschap? 

Bisschoppen, zorgt u ervoor dat zij 
door hun nieuwe herder, de quorumpre- 
sident, worden opgevangen? 

Verschaft u de teruggekeerde zende- 
lingen de gelegenheid om zinvol werk te 
doen in de kerk zodat deze jongemannen 
en jonge vrouwen niet tot inactiviteit 
vervallen doordat zij geen kans krijgen 
om te dienen zoals zij dat de laatste 
achttien maanden hebben gedaan? 

Maakt u gebruik van het huisbezoek 



90 



om het huisonderwijs aan te vullen? 

Onderwijst u de vaders hun plichten? 

Houdt u studiebijeenkomsten ter 
voorbereiding op het tempelbezoek om 
de toekomstige ouderlingen aan te moe- 
digen zich op het Melchizedekse pries- 
terschap en de tempel voor te bereiden? 

Hebt u oudere leden die ouderling 
zouden kunnen worden toegewezen aan 
de hogepriesters en uitgenodigd om zich 
te voegen bij degenen waarbij zij zich het 
meest op hun gemak zullen voelen? 

Worden jonge toekomstige ouderlin- 
gen uitgenodigd deel te nemen aan de 
activiteiten van het ouderlingenquo- 
rum? 

Sommige leiders zeggen dat sommige 
mannen niet meer te helpen zijn, maar, 
zoals de engel aan Abraham vertelde, 
voor de Heer is niets onmogelijk! (Zie 
Genesis 18:14.) Een broeder die door 
sommigen als een hopeloos geval werd 
beschouwd, riep met tranen in zijn ogen 
uit tegen de tempelwerker bij het altaar 
in de verzegelkamer: „Ik weet niet 
waarom ik zo lang gewacht heb om deze 
zegen te ontvangen!" 

Op een zaterdagavond niet zo lang 
geleden hoorde ik een vastbesloten broe- 
der tijdens een leidersvergadering ver- 
klaren: „Ik heb echt een moeilijke tijd 
gehad met de duivel sinds ik weer actief 
geworden ben; voordien liep ik gewoon 
met hem mee." 

Helpen wij degene die hulp nodig 
heeft omdat hij pas weer actief aan het 
worden is? 

Herders - ringpresidenten, bisschoppen, 
quorumleiders: 

Bent u attent op de lidmaatschaps- 
kaart van de leden die aan uw zorgen zijn 
toevertrouwd - vooral degenen die niet 
naar de vergaderingen komen? 



Zorgt u dat u de nieuwe adressen van 
verhuisde leden krijgt van hun huison- 
derwijzers, of bent u alleen maar blij dat 
ze niet langer op uw lijst staan en stuurt u 
hun kaart op om te worden opgeborgen 
in de „adres onbekend"-map? 

Herders - vaders in Israël: 

Bidt u 's morgens en 's avonds met het 
hele gezin? 

Houdt u eens per week regelmatig, en 
trouw een opbouwende gezinsavond? 

Neemt u de leiding bij geestelijke 
aangelegenheden? 

Is uw voorbeeld zoals het behoort te 
zijn voor degenen die u leidt? 

Bidt u voor het welzijn van de uwen? 

Houdt u van ze? 

Zoudt u uw leven voor ze willen 
geven? 

Herders - allen die het priesterschap 
dragen: 

Wij vragen u plechtig te beoordelen 
hoe u uw plichten in verband met het 
bovenstaande vervult. Wij roepen u op, 
evenals Paulus de ouderlingen te Efeze 
opriep, om toe te zien: 

,,. . . op uzelf en op de gehele kudde, 
waarover de Heilige Geest u tot opzie- 
ners gesteld heeft, om de gemeente Gods 
te weiden, die Hij Zich door het bloed 
van zijn Eigene verworven heeft." (Han- 
delingen 20:28; cursivering toegevoegd.) 

Wij herhalen voor u de opdracht die 
Jezus aan Petrus gaf: Wij herhalen deze 
met dezelfde nadruk: „Weid mijn lam- 
meren . . . Hoed mijn schapen . . . Weid 
mijn schapen." 

Wij roepen u op om u met hernieuwde 
toewijding in te spannen. Wij willen dat 
u iets doet wat u nog niet gedaan hebt. 
Wij willen dat u de kudde hoedt, weidt 
en verzorgt, en in geval er enige schapen 



91 



tijdelijk verdwaald zijn, dagen wij u uit 
ze te vinden. 

Waarom zou u dit doen? 

Omdat u van uw broeders en zusters 
houdt. U wilt dat zij vreugde zullen 
hebben in het koninkrijk van onze 
Vader. 

Er is geen belangrijker werk in de 
gehele wereld dan het redden van zielen. 
Onvergelijkelijke vreugde kan de uwe 
zijn als u zielen tot Hem brengt! 

Als u met een biddend hart en oprech- 
te verlangens zijn kudde wilt weiden, zal 
de Heer u zegenen met succes. 



Dit beloven wij u! 

God zegene u, mijn broeders van het 
priesterschap, stuk voor stuk waakzame 
herders, opdat u uw kudde zult kennen 
en zij u zal kennen. Mogen wij ze 
zorgvuldig begeleiden en beschermen 
opdat zij veilig moge blijven en geen 
kwaad ze kan overkomen. Dit is onze 
taak, onze plicht en onze vreugde, welke 
vreugde ik aan een ieder van u beloof 
naarmate u de uitdaging aanvaardt en 
uw plicht doet. 

In de naam van Jezus Christus. Amen. 
D 



De Goliats in ons leven overwinnen 



President Gordon B. Hinckley 
Tweede raadgever in het Eerste Presidium 




Ik waardeer het dat er zo'n groot 
aantal jongens zich de grote inspanning 
getroost hebben om naar deze vergade- 
ringen te komen. Voor velen van hen is 
dat geen eenvoudige zaak. Wij zijn u 
dankbaar. Ik zou enkele woorden in het 
bijzonder tot u willen richten, en ik doe 
dit door een gedeelte van een verhaal te 
vertellen dat u reeds kent. Het is de 
geschiedenis van David, de zoon van 
Isaï. 



Zoals u zich zult herinneren was het 
leger van Israël, onder leiding van ko- 
ning Saul, verwikkeld in een dodelijke 
strijd met het leger van de Filistijnen. 
Eén leger had zich verzameld op een 
heuvel, het andere op een tegenoverlig- 
gende heuvel, met een dal tussen hen in. 
Nu hadden de Filistijnen onder hun 
mannen een reus van een kerel, die 
Goliat van Gat heette. Hij was zes el en 
een span lang. Als ik het goed uitgere- 



92 



kend heb, moet hij zo ongeveer 2,74 
meter geweest zijn. Wat een geweldige 
basketballspeler had dat kunnen zijn! 

Gekleed in zijn wapenrusting liep hij 
het dal in en riep de slagorden van Israël 
toe: „Kiest u een man, en laat hij naar 
mij toe komen. Indien hij met mij 
vermag te strijden en mij verslaat, dan 
zullen wij u tot knechten zijn; maar 
indien ik hem overwin en versla, dan zult 
gij ons tot knechten zijn en ons dienen. 

Ik tart heden de slagorden van Israël: 
geef mij een man, dat wij samen strij- 
den." (1 Samuël 17:8-10.) 

Toen Saul en het leger van Israël naar 
deze reus keken en zijn angstwekkende 
uitdaging hoorden, waren zij bevreesd 
omdat er onder hen niemand was die zo 
groot als hij was. 



Terwijl dit alles plaatsvond vroeg Isaï, 
Davids vader, zijn jonge zoon wat eten 
naar zijn drie broers in het leger te 
brengen. Toen hij op het slagveld aan- 
kwam, trad Goliat weer naar voren, en 
sprak dezelfde uitdaging uit, en David 
hoorde zijn woorden. Er heerste angst 
onder het leger van Israël. David, die 
nog maar een jongen was, zei tegen de 
koning, (en ik geef wat hij zei in mijn 
eigen woorden weer): „Koning, waarom 
bent u zo bang voor deze reus? Ik zal met 
deze Filistijn gaan strijden." 

Saul antwoordde: „Gij zult met deze 
Filistijn de strijd niet kunnen aanbinden, 
want gij zijt nog jong en hij is een 
krijgsman van zijn jeugd aan." (1 Sa- 
muël 17:33.) 

David haalde de koning over het hem 
te laten proberen. Hij vertelde de koning 




President Gordon B. Hinckley, tweede raadgever in het Eerste Presidium. 



93 



dat hij met een leeuw en een beer 
gevochten had om de schapen van zijn 
vader te redden en besloot met te zeggen 
dat de Heer hem zou bevrijden uit de 
handen van de Filistijn. Saul, die mis- 
schien dacht dat één leven meer wagen 
niet zo erg was na al de verliezen die zij 
reeds geleden hadden, zei tegen David: 
„Ga, en de Here zal met u zijn." (1 
Samuël 17:37.) 

Toen kleedde Saul David in zijn 
wapenrusting totdat de jongen zich 
nauwelijks kon bewegen. David zei te- 
gen de koning: ,,Ik kan hierin niet 
lopen" en ontdeed zich ervan. 

Toen nam hij „zijn staf in de hand, 
zocht zich vijf gladde stenen uit de 
beekbedding en deed ze in de herderstas, 
die hij bij zich had . . . maar zijn slinger 
hield hij in de hand." (1 Samuël 17:40.) 



Deze jonge knaap, met alleen maar 
een slinger en vijf stenen en zonder 
wapenrusting behalve die van het geloof, 
ging het dal in om Goliat 't hoofd te 
bieden. 

„Toen de Filistijn David in het oog 
kreeg en hem bezag, verachtte hij hem, 
omdat hij nog jong was; rossig, schoon 
van gestalte. De Filistijn zeide tot David: 
Ben ik een hond, dat gij met een stok op 
mij afkomt? En de Filistijn vervloekte 
David bij zijn goden. Ook zeide de 
Filistijn tot David: Kom maar eens hier, 
dan zal ik uw vlees aan het gevogelte des 
hemels en aan het gedierte des velds 
geven." 

Toen sprak David deze grootse woor- 
den: „Gij treedt mij tegemoet met 
zwaard en speer en werpspies, maar ik 
treed u tegemoet in de naam van de Here 




President Gordon B. Hinckley, tweede raadgever in het Eerste Presidium. 



94 



der heerscharen, de God van de slagor- 
den van Israël, die gij getart hebt. Deze 
dag zal de Here u in mijn macht 
overleveren en ik zal u verslaan en u het 
hoofd afhouwen; op deze dag zal ik de 
lijken van het leger der Filistijnen aan 
het gevogelte des hemels en aan het 
gedierte des velds geven, opdat de gehele 
aarde wete, dat Israël een God heeft." (1 
Samuël 17:42-46.) 

Dit waren dappere woorden voor een 
jongen die voor een reus van bijna drie 
meter stond. 

Woedend kwam Goliat naar hem toe. 
Toen haastte David zich naar de reus, 
„stak zijn hand in de tas, nam er een 
steen uit, slingerde die weg en trof de 
Filistijn tegen zijn voorhoofd, zodat de 
steen in zijn voorhoofd drong, en hij 
voorover ter aarde viel." (1 Samuël 
17:49.) 

U kent de rest van het verhaal. Ik zou 
het op uw eigen leven willen toepassen. 
Er zijn Goliats overal om u heen, lijvige 
reuzen met de kwade bedoeling u te 
vernietigen. Het zijn geen mannen van 
tegen de drie meter, maar mannen of 
instellingen die de controle hebben over 
aantrekkelijke maar kwalijke dingen die 
u uit kunnen dagen, verzwakken en 
vernietigen. Hieronder vallen bier, en 
andere soorten drank en tabak. Zij die 
deze produkten op de markt brengen 
zouden u eraan verslaafd willen laten 
raken. Er zijn allerlei drugs die betrekke- 
lijk gemakkelijk te verkrijgen zijn op vele 
middelbare scholen. Voor degenen die er 
handel mee drijven is dit een industrie 
met een omzet van vele miljoenen, een 
reusachtig web van kwaad. Er is porno- 
grafie, verleidelijk, interessant en uitno- 
digend. Ook dit is een enorme industrie 
geworden, die tijdschriften, films en 
ander materiaal produceert die bestemd 



zijn om u uw geld te ontfutselen en u tot 
activiteiten te leiden die u zullen 
vernietigen. 

De reuzen die achter deze dingen 
staan zijn ontzagwekkend en handig. Zij 
hebben veel ervaring opgedaan in de 
strijd die zij voeren. Zij zouden u willen 
strikken. 

Het is bijna onmogelijk om alle con- 
tact met hun produkten te vermijden. 
Men ziet ze overal. Maar u hoeft niet te 
vrezen als u de slinger der waarheid in 
uw hand hebt. U hebt raad gekregen, u 
bent onderwezen en gewaarschuwd. U 
kunt de „stenen" van deugd, eer en 
integriteit gebruiken tegen deze vijanden 
die u zouden willen overwinnen. U bent 
in staat ze „tussen de ogen te treffen" om 
figuurlijk te spreken. U kunt over hen 
triomferen door uzelf te disciplineren 



„Bier, drank, tabak, drugs, 

en pornografie zijn 

verleidingen die dragers van 

het Aaronische priesterschap 

triomfantelijk kunnen 



overwinnen. 



55 



om ze te vermijden. U kunt tot het hele 
stel zeggen wat David tot Goliat zei: 
„Gij treedt mij tegemoet met zwaard en 
speer en werpspies, maar ik treed u 
tegemoet in de naam van de Here der 
heerscharen, de God van de slagorden 
van Israël, die gij getart hebt." 

De overwinning zal voor u zijn. Geen 
enkele jongen binnen het bereik van 
mijn stem hoeft te bezwijken voor een 
van deze machten. U draagt het priester- 



95 



schap Gods. U bent een zoon van God. 
U hebt zijn kracht in u om u te steunen. 
U hebt recht op dienende engelen om u 
heen om u te beschermen. Laat de 
Goliats u niet bang maken. Houdt voet 
bij stuk, houdt stand, en u zult triomfe- 
ren. Naarmate de jaren voorbij gaan, 
zult u met tevredenheid terugkijken op 
de gevechten die u gewonnen hebt in uw 
eigen leven. 

Wanneer u verleiding tegenkomt op 
uw weg, noem dan die opschepperige, 
bedrieglijke reus „Goliat," en doe met 
hem wat David deed met de Filistijn van 
Gat. Ik bid nederig dat God een ieder 
van u moge zegenen. 

Nu wil ik nog een paar minuten een 
ander onderwerp behandelen en in het 
bijzonder tot de oudere broeders spre- 
ken. 



Ik heb een vriend die een prachtig huis 
heeft gebouwd. Hij heeft er de mooiste 
meubelen in gezet, de prachtigste tapij- 
ten neergelegd, de allerbeste apparaten 
geïnstaleerd en verder alles wat met geld 
gekocht kan worden. Binnen de muren 
bewaarde hij zijn mooie auto's en zijn 
dure juwelen. Toen, bang dat er indrin- 
gers zouden komen en hem beroven, liet 
hij speciale sloten op de deuren monte- 
ren, zodat hij een sleutel moest gebrui- 
ken, zowel om naar buiten als naar 
binnen te gaan. Hij plaatste tralies op de 
deuren en voor de ramen, en hij was net 
een gevangene die vanuit zijn huis naar 
buiten keek zoals men uit een gevangenis 
zou doen. Hij installeerde dure beveili- 
gingssystemen die de lichten aan zouden 
doen en een sirene op gang zouden 
brengen als er soms een onwelkome gast 




President Gordon B. Hinckley, tweede raadgever in het Eerste Presidium. 



96 



binnen zou komen. In de tuin om het 
huis heen liet hij weinig bomen of 
struiken planten, opdat een dief zich er 
niet zou kunnen verbergen. En toen zei 
hij zelfvoldaan tegen zichzelf: „Nu ben 
ik veilig." 

Maar wat hij niet begreep is dat noch 
tralies noch sloten, noch lichten, noch 
sirenes, noch iets van dien aard de 
minste invloed konden hebben op een 
ander soort indringers die het leven van 
zijn kinderen konden vernietigen, die 
zijn huwelijk konden belagen, de bron 
van zoveel geluk in lange jaren, die hem 
konden binden met de touwen van 
gemeenheid en verbittering en haat je- 
gens degenen die hij eens liefgehad had, 
en hem konden opsluiten in een kerker 
van wanhoop en ellende. 

Broeders, ik besteed veel tijd aan het 
luisteren naar verhalen van ongelukkige 
mensen. Als percentage van het gehele 
lidmaatschap van de kerk, vormen zij 
maar een klein aantal. Maar er zijn er 
toch teveel, en ieder geval is een tragedie. 
Met weinig uitzonderingen schijnen de 
echtgenoten en vaders de grootste over- 
treders te zijn, waarvan de indringers 
van zonde en zelfzucht het grootste 
aantal slachtoffers eisen. 

Broeders, ik weet dat het een oud 
onderwerp is, en een dat dikwijls behan- 
deld is. Maar ik herhaal het nog eens: 
Waak over uw gezin. Hoe dwaas lijkt het 
om tralies en grendels en elektrische 
beveiligingsinstallaties aan te leggen om 
dieven en inbrekers te weren, terwijl 
andere, meer arglistige indringers als 
uitgenodigde gasten binnenkomen. 

Ik zeg tot u wat ik tegen de jongens 
heb gezegd - vermijd pornografie als de 
pest. Ik herinner mij een opdracht van 
enkele jaren geleden om de zegeningen te 
herstellen van een man die geëxcommu- 



niceerd was wegens zijn zonde. Hij 
kwam naar mijn kantoor met zijn 
vrouw. Ik sprak met beiden afzonder- 
lijk. Ik vroeg hem hoe het begonnen was. 
Hij had een belangrijke positie in de 
kerk. Hij had ook een beroep met veel 
verantwoordelijkheid buiten de kerk. 

Zijn problemen waren begonnen, zei 
hij, toen hij eens in een vliegtuig een 
pornografisch tijdschrift opraapte. Het 
maakte hem nieuwsgierig. Het trok hem 
aan. Hij kocht al spoedig meer van die 
dingen. Toen begon hij films uit te kiezen 
die hem prikkelden en opwonden. We- 
tende dat zijn vrouw er niets mee te 
maken zou willen hebben, ging hij 
alleen. Hij zocht gelegenheden om naar 
andere steden te gaan waar hij gemakke- 
lijker aan zijn verlangens kon voldoen. 
Hij zocht uitvluchten om laat op kan- 
toor te blijven en vroeg zijn secretaresse 
om bij hem te blijven. Van het ene kwam 
het andere totdat hij bezweek. 

Terwijl er tranen over zijn wangen 
liepen, zat hij aan de andere kant van 
mijn bureau en vervloekte de dag waar- 
op hij dat eerste tijdschrift had gelezen. 
Hij sprak over zijn liefde voor zijn 
vrouw, die hem had vergeven en hem 
trouw gebleven was. Hij sprak over zijn 
liefde voor zijn kinderen, die hij be- 
schaamd en in verlegenheid gebracht 
had door zijn daden. Hij vertelde over de 
hel waarin hij die vier jaar geleefd had 
sinds zijn excommunicatie. Hij sprak 
over zijn liefde voor de kerk en over zijn 
verlangen om weer ten volle deel te 
kunnen nemen aan de zegeningen ervan. 

In de tegenwoordigheid van zijn 
vrouw, plaatste ik mijn handen op zijn 
hoofd en door het gezag van het heilige 
priesterschap herstelde ik zijn priester- 
schap, zijn tempelbegiftiging, zijn tem- 
pelverzegeling, en alle andere zegenin- 



97 



gen die hij vroeger had ontvangen. Deze 
grote, sterke man, snikte als een baby 
onder mijn handen terwijl zijn vrouw, 
die zijn hand vasthield, weende als een 
kind. 

Aan het eind van die zegen, omhels- 
den zij elkaar en hij vroeg haar om 
vergeving. Zij zei dat zij hem vergeven 
had en dat zij van hem hield en altijd van 
hem zou houden. 

Zij waren gelukkig toen zij weggingen, 
gelukkiger dan zij in jaren geweest 
waren. En ik was ook gelukkig, maar ik 
dacht aan de verschrikkelijke prijs die hij 
had moeten betalen en aan de prijs die 
hij zijn gezin had laten betalen wegens 
zijn dwaasheid en overtreding. 

Jammer genoeg is er niet altijd zo'n 
goede afloop. In vele gevallen is het 
gevolg echtscheiding en verbittering en 
wrok. Wat eens liefde was is veranderd 



in haat. Het leven van kinderen is 
aangetast. Hoop is in rook vervlogen. 
Zo dikwijls is er slechts ellende en 
eenzaamheid en spijt. 

Broeders, bewaar uw genegenheid 
voor uw gezin. Beschouw uw vrouw, de 
vrouw wier hand u in de uwe nam boven 
het altaar in het huis des Heren, aan wie 
u liefde en trouw en genegenheid voor 
tijd en eeuwigheid beloofde, als uw 
kostbaarste bezit. Uw metgezel, uw 
kinderen, en uzelf zullen dan een gevoel 
van veiligheid kennen die veel groter is 
dan welke ook die met ijzerwaren en 
allerlei apparaten gekocht is. 

God zegene u, mijn broeders, jong en 
oud, dat de Heer over u moge waken, dat 
u dicht bij Hem moge blijven en zijn 
beschermende hand waardig moge zijn, 
bid ik nederig in de naam van Jezus 
Christus. Amen. D 




98 



3 april 1983 
ZONDAGMORGENVERGADERING 



Een beginsel met een belofte 



President Ezra Taft Benson 
van het Quorum der Twaalf Apostelen 




Mijn geliefde broeders en zusters, 
honderd vijftig jaar geleden stichtte de 
profeet Joseph Smith de ,, school der 
profeten". Het doel van deze school was 
om bepaalde priesterschapsdragers erop 
voor te bereiden het evangelie van Jezus 
Christus tot de wereld te prediken. 

Daar er geen tempel was, werd de 
eerste bijeenkomst van de ,, school der 
profeten" gehouden in een kleine kamer 
bij bisschop Newel K. Whitney thuis. 
Brigham Young was een van de eersten 
die deelnam aan de bijeenkomsten van 
de school en hij heeft in zijn dagboek 
beschreven hoe deze gewoonlijk 
verliepen: 

,,De broeders kwamen van honderden 
mijlen ver naar deze plek toe om in een 
kleine kamer van niet meer dan 4x5 
meter de lessen bij te wonen. Wanneer zij 
na het ontbijt in deze kamer samen 
kwamen, was het eerste wat ze deden 
hun pijp te voorschijn halen om vervol- 
gens, al rokende, met elkaar de belang- 
rijke dingen van het koninkrijk te be- 



spreken ... en zodra hun pijp op was 
namen ze nog eens een flinke prop 
pruimtabak. Het kwam vaak voor dat 
als de profeet de kamer binnentrad om 
de broeders les te gaan geven, hij zich 
omhuld zag door een wolk tabaksrook. 
Dit, gevoegd bij het feit dat zijn vrouw 
erover klaagde steeds de vloer te moeten 
boenen, noopte de profeet ertoe na te 
denken over deze kwestie en tot de Heer 
te gaan teneinde klaarheid te krijgen 
omtrent de wijze waarop de ouderlingen 
met tabak moesten omgaan." (Journal 
of Discour ses, deel 12, blz. 158.) 

Als antwoord daarop gaf de Heer de 
profeet een openbaring ten huize van de 
Whitneys. Deze openbaring werd be- 
kend als het woord van wijsheid. 

In eerste instantie werd de openbaring 
niet gegeven als een gebod, maar als 
„een beginsel met een belofte, en aange- 
past aan de gesteldheid van de zwakken 
en zwaksten van alle heiligen, die heili- 
gen zijn of kunnen worden genoemd." 
(Leer en Verbonden 89:3.) Dit gaf de 



99 



heiligen nog een zekere speling teneinde 
zich het beginsel eigen te maken, dat in 
de openbaring was vervat. 

Toen ik in 1922 tijdens mijn eerste 
zending in Engeland een zuster leerde 
kennen die er moeite mee had haar kopje 
thee te laten staan, las ik haar die 
passage voor, waarna zij - en met haar 
de meeste zusters - stopte met theedrin- 



Wanneer wij de bepalingen 

van het woord van wijsheid 

nakomen, ontvangen wij de 

eraan verbonden beloften; 

komen wij ze niet na, dan 

zal dit zowel lichamelijke als 

geestelijke gevolgen hebben." 



ken, daar zij niet gezien wilde worden als 
één van de „zwaksten" van hen die 
heiligen zijn of kunnen worden ge- 
noemd. 

In 1851 stelde president Brigham 
Young tijdens de algemene conferentie 
voor dat alle heiligen plechtig zouden 
beloven om het woord van wijsheid na te 
leven. Het voorstel werd door de leden 
van de kerk unaniem aanvaard. Sinds- 
dien geldt deze openbaring dan ook als 
een gebod voor alle leden van de kerk. 

Het woord van wijsheid is een van de 
erkende gewoontes waardoor de leden 
van de kerk zich onderscheiden van 
anderen. Over het algemeen weten de 
meeste mensen die niet van ons geloof 
zijn, dat leden die een goed aanzien 
genieten, afzien van het gebruik van 



tabak, koffie, thee en alle alcoholhou- 
dende dranken. 

Wetenschappelijke onderzoeken heb- 
ben bevestigd dat er onder heiligen der 
laatste dagen minder hartziekten, kan- 
ker en andere ziektes voorkomen, van- 
wege hun getrouwheid aan het woord 
van wijsheid. Deze studies hebben niet 
alleen aangetoond dat men langer zal 
leven, maar ook dat de kwaliteit van het 
leven beter zal zijn. Het woord van 
wijsheid is een van de bewijzen dat 
Joseph Smith geïnspireerd was en dat 
zijn profetische roeping waar was. Sta 
me toe u te vertellen waarom. 

Enige jaren geleden gaf een onderzoe- 
ker van de kerk het volgende getuigenis 
omtrent Joseph Smith. Hij vertelde dat 
het het woord van wijsheid was geweest, 
dat hem ertoe had gedreven om de kerk 
te onderzoeken. „Joseph Smith," zei hij, 
„kon onmogelijk hebben geweten wat 
we heden ten dage in de medische wereld 
weten over de schadelijke gevolgen van 
tabak, alcohol, thee en koffie. Niettemin 
is dit inmiddels allemaal bewezen door 
de medische wetenschap." 

Hij zei, dat dit voor hem het begin 
betekende van een ernstig onderzoek 
van het evangelie, daar hij meende, dat 
wanneer Joseph Smith dermate nauw- 
keurig was geweest aangaande een kwes- 
tie die de medische wetenschap meer dan 
100 jaar later bekrachtigde, de overige 
leerstellingen van de kerk een nader 
onderzoek verdienden. Hij is nu lid van 
de kerk. 

Er is een evangeliebeginsel, dat alle 
jonge mensen in de kerk moeten begrij- 
pen. Het luidt als volgt: God, onze 
Hemelse Vader, regeert zijn kinderen 
door middel van wetten. Voor onze 
vervolmaking heeft Hij wetten ingesteld. 
,Als we zijn wetten gehoorzamen, ont- 



100 



vangen we de zegeningen die aan deze 
wetten verbonden zijn; doen we dit niet, 
dan zullen we de gevolgen onder ogen 
moeten zien. 

Het woord van wijsheid is een wet, een 
beginsel met een belofte. Wanneer wij de 
bepalingen van het woord van wijsheid 
nakomen, ontvangen wij de eraan ver- 
bonden beloften; komen wij ze niet na, 
dan zal dit zowel lichamelijke als geeste- 
lijke gevolgen hebben. 

Wat zijn de bepalingen van de wet, die 
bekend is als het woord van wijsheid? 

De openbaring geeft een omschrijving 
van schadelijke stoffen en dranken en 
vermaant ons tot onthouding ervan met 
de volgende woorden: 

„Sterke dranken (of met andere woor- 
den, alcoholische of schadelijke dran- 
ken) zijn niet voor de buik." (Leer en 
Verbonden 89:7.) 

„Tabak is niet voor het lichaam ... en 
is niet goed voor de mens." (Leer en 
Verbonden 89:8.) 

„Hete dranken (omschreven als thee 
en koffie) zijn niet voor het lichaam." 
(Leer en Verbonden 89:9.) 

Het voedsel dat wel geschikt is voor de 
mens wordt met de volgende woorden 
omschreven: „Alle heilzame kruiden 
heeft God bestemd voor het gestel, de 
aard en het gebruik van de mens - 

Ieder kruid en iedere vrucht op hun 
tijd. 

Vlees van de beesten en van de vogelen 
der lucht . . . moet met spaarzaamheid 
worden gebruikt. 

Alle graan is bestemd voor het ge- 
bruik door (de) mens, om het hoofd- 
voedsel te zijn. 

Alle graan is goed als voedsel voor de 
mens, evenals de vrucht des wijnstoks." 
(Leer en Verbonden 89:10-12, 14, 16.) 



In deze openbaring raadt de Heer ons 
aan om met mate vlees te gebruiken. Ik 
heb verder vaak het gevoel gehad, dat de 
Heer ons hier in deze openbaring ook 
waarschuwt tegen het onnodig doden 
van dieren, want Hij zegt elders in de 
Schriften: „Wee hem, die onnodig bloed 
vergiet of vlees verkwist." (Leer en 
Verbonden 49:21.) 

Tarwe wordt in het bijzonder ge- 
noemd alszijnde goed voor de mens, 
evenals de vrucht van de wijnstok - 
groenten en alle soorten vruchten. Uit 
dit brede scala van produkten blijkt 
duidelijk Gods wijsheid met betrekking 
tot een deugdelijke voeding. 

Het woord van wijsheid laat ons 
weten, dat de Heer de gezondheid van de 
heiligen van vitaal belang acht. Genadig 
heeft Hij ons richtlijnen gegeven om 
onze gezondheid en uithoudingsvermo- 
gen te verbeteren en onze weerstand 
tegen ziekten te verhogen. 

De lichamelijke belofte, als we ge- 
hoorzaam zijn, luidt: „(Ze) zullen ge- 
zondheid in hun navel ontvangen en 
merg in hun beenderen; . . . (ze) zullen 
lopen en niet moede worden, wandelen 
en niet mat worden." (Leer en Verbon- 
den 89:18, 20.) 

Niettemin heb ik altijd het gevoel 
gehad dat de grotere zegen, die voort- 
komt uit gehoorzaamheid aan het 
woord van wijsheid en alle andere gebo- 
den, geestelijk van aard is. 

Luister naar de geestelijke belofte: 
„En alle heiligen, die deze woorden ter 
harte zullen nemen en nakomen, en in 
gehoorzaamheid aan de geboden zullen 
leven . . . zullen wijsheid en grote schat- 
ten aan kennis vinden, ja, verborgen 
schatten." (Leer en Verbonden 89:18- 
19.) 

Sommigen hebben gedacht, dat deze 



101 



belofte slechts betrekking had op het 
onderhouden van het woord van wijs- 
heid, maar u zult opgemerkt hebben dat 
we gehoorzaam moeten zijn aan alle 
geboden. Dan zullen ons bepaalde gees- 
telijke beloften ten deel vallen. Dit 
betekent, dat we de wet van tiend 
moeten nakomen, de sabbat moeten 
heiligen, zedelijk rein en kuis moeten zijn 
en alle andere geboden dienen te 
gehoorzamen. 

Wanneer we dit alles doen, dan is de 
belofte: „Zij zullen wijsheid en grote 
schatten aan kennis vinden, ja, verbor- 
gen schatten." (Leer en Verbonden 
89:19.) 

Welke vader of moeder zou de inspi- 
ratie van de Heer niet willen hebben bij 
het opvoeden van hun kinderen? Ik 
getuig, dat deze zegeningen u ten deel 
kunnen vallen. Er zijn toch zeker geen 



ouders die, wegens ongehoorzaamheid, 
hun kinderen zouden willen beletten om 
de zegeningen van de Heer te ontvangen. 
Alle vaders en moeders in Israël dienen 
ervoor te zorgen dat ze voor deze belofte 
in aanmerking komen. 

Het naleven van Gods geboden is een 
voorwaarde om waardig het huis des 
Heren te kunnen betreden. Aldaar wor- 
den wijsheid en ,, grote schatten aan 
kennis" gegeven die betrekking hebben 
op ons geluk in dit leven en op onze 
eeuwige vreugde. 

Broeders en zusters en vrienden, 
maakt u zich dit beginsel eigen. De Heer 
zal onze kennis, wijsheid en vermogen 
om te gehoorzamen vergroten als wij 
zijn fundamentele wetten nakomen. Dit 
is wat de profeet Joseph Smith bedoelde 
toen hij zei, dat wij „plotselinge ingevin- 
gen" kunnen krijgen, welke in onze 




102 



gedachten komen als „zuivere intelligen- 
tie". (Leringen van de profeet Joseph 
Smith, blz. 133.) Dit is openbaring. We 
moeten leren ons op de Heilige Geest te 
verlaten, zodat we deze kunnen aanwen- 
den om richting aan ons leven te geven 
en aan het leven van hen, voor wie wij 
verantwoordelijk zijn gesteld. 

Ik geloof niet, dat een lid van de kerk 
een krachtig getuigenis van het evangelie 
kan hebben zonder de geboden te onder- 
houden. Een getuigenis hebben, bete- 
kent steeds inspiratie ontvangen dat het 
werk waar is. Het is niet iets, dat slechts 
eenmalig wordt ontvangen. De Heilige 
Geest verblijft met hen, die Gods gebo- 
den respecteren en gehoorzamen. En het 
is die Geest, welke inspiratie geeft aan 
het individu. Ik getuig nederig van de 
realiteit van deze belofte. 

Er is nog een gedeelte van deze 
openbaring, die een ter zake doende 
waarschuwing richt tot de huidige gene- 
ratie: „Tengevolge van de listen en lagen, 
die in de laatste dagen in het hart van 
samenspannende mensen bestaan en 
zullen bestaan, heb Ik u gewaarschuwd, 
en waarschuw Ik u van te voren, door u 
dit woord van wijsheid door openbaring 
te geven." (Leer en Verbonden 89:4.) 

De Heer voorzag de omstandigheden 
van deze tijd, waarin mensen om geld te 
verdienen samenspannen om anderen 
ertoe te verlokken schadelijke stoffen te 
gebruiken. Reclames voor alcoholische 
dranken, koffie, tabak en andere schade- 
lijke stoffen zijn voorbeelden van het- 
geen de Heer voorzag. Maar het meest 
verderfelijke voorbeeld van boze samen- 
zwering in onze tijd, vormen diegenen 
die jonge mensen ertoe brengen drugs te 
gebruiken. 

Mijn jonge broeders en zusters, in alle 
liefde waarschuwen we jullie, dat satan 



en zijn trawanten zich zullen inspannen 
om jullie ertoe te verlokken schadelijke 
stoffen te gebruiken, omdat ze goed 
weten, dat wanneer je ervan neemt je 
geestelijke krachten verdrongen zullen 
worden en je in hun boze macht zult zijn. 

Blijf weg van die plaatsen of mensen, 
die je ertoe willen overhalen Gods gebo- 
den te overtreden. Onderhoud zijn gebo- 
den en je zult wijsheid ontvangen om het 
boze te kunnen onderscheiden. 

Dit jaar is het honderdvijftig jaar 
geleden, dat het woord van wijsheid in 
deze bedeling werd geopenbaard. Om 
dit te gedenken is de kerk bezig met de 
restauratie van de winkel van Newel K. 
Whitney in Kirtland (Ohio). Vergeleken 
met moderne maatstaven is het een 
alledaags winkeltje, maar het is de plaats 
waar heilige openbaringen van God 
werden ontvangen. Deze honderd vijftig 
jaar hebben de wetenschappelijke beves- 
tiging opgeleverd, dat het woord van 
wijsheid een formule is voor een goede 
gezondheid. Een honderdvijftig jaar lan- 
ge ervaring met heiligen, die deze wetten 
naleven, heeft eveneens aangetoond, dat 
God zijn geestelijke beloften aan zijn 
heiligen nakomt. 

Mogen wij, als Gods heiligen, al zijn 
geboden onderhouden. Mogen wij rein 
en heilig zijn, opdat we het voortdurende 
gezelschap van de Heilige Geest zullen 
hebben. Laten we ons onderscheiden als 
volk, vanwege onze gehoorzaamheid 
aan Gods wetten. 

Een nieuwe dag breekt aan in Kirt- 
land. Enkele jaren geleden heb ik de 
eerste spade gezet voor de bouw van het 
eerste kerkgebouw in Kirtland sinds de 
inwijding van de eerste tempel in 1836. 
Onlangs ben ik er teruggekeerd en heb ik 
een prachtig nieuw gebouw ingewijd. Na 



103 



de inwijdingsplechtigheid volgde een 
speciale receptie, die werd bezocht door 
achtenvijftig niet-leden, afstammelingen 
van de eerste heiligen uit Kirtland. 
Sommige van hen zijn nu gedoopt en 
anderen bereiden zich erop voor. 

We verwachten dat we over een jaar 
opnieuw een ring in Kirtland zullen 
hebben, de plaats waar de allereerste 
ring van de kerk werd georganiseerd. 



Ik getuig dat dit de herstelde kerk van 
de Heer is in deze tijd. Jezus Christus 
leeft. Hij bestuurt de aangelegenheden 
van deze kerk en is zijn dienstknechten 
nabij. 

Ik getuig verder dat gehoorzaamheid 
aan al Gods wetten u de kostbare belofte 
geeft van vrede in dit leven en het 
eeuwige leven in de komende wereld, in 
de naam van Jezus Christus. Amen. D 



Anoniem 



Ouderling Thomas S. Monson 
van het Quorum der Twaalf Apostelen 




Onlangs richtte ik me tot de receptie 
van een groot ziekenhuis om te vragen 
naar het kamernummer van een patiënt, 
die ik een bezoek wilde brengen. Zoals 
dat bij nagenoeg elk ander ziekenhuis 
het geval is, was men ook in dit zieken- 
huis flink bezig met uitbreidingswerk- 
zaamheden. Op de achterwand van de 
receptie was een prachtige gedenkplaat 
aangebracht waarop een woord van 
dank stond gegraveerd aan de donateurs 
die de uitbreiding mogelijk hadden ge- 
maakt. De naam van elke donateur die 
meer dan 100.000 dollar had bijgedragen 



stond met sierlijke letters gegraveerd op 
een apart bronzen plaatje, dat met een 
glinsterend kettinkje bevestigd was aan 
de gedenkplaat. 

De namen van al deze weldoeners 
waren bekend. Bekende namen uit de 
wereld van handel, industrie en weten- 
schap - ze waren er allemaal. Ik voelde 
me dankbaar wegens hun welwillende 
liefdadigheid. Toen viel mijn blik plotse- 
ling op een bronzen plakkaatje, dat er 
anders uitzag - er stond geen naam op 
vermeld. Er stond slechts één en niet 
meer dan één enkel woord op: „Ano- 



104 



niem." Ik glimlachte en vroeg me af wie 
die niet genoemde donateur geweest kon 
zijn. In ieder geval wist ik zeker, dat hij 
of zij een stille vreugde kende, die 
anderen ontging. 

Mijn gedachten gingen terug in de tijd 
- terug naar het Heilige Land; terug naar 
Hem, die we op deze paasdag in het 
bijzonder gedenken; terug naar Hem, 
die het hele mensdom van het graf 
verloste; terug naar Hem, die zijn disci- 
pelen op die bijzondere berg de ware 
geest van geven onderwees toen Hij zei: 
„Ziet toe, dat gij uw gerechtigheid niet 
doet voor de mensen, om door hen 
opgemerkt te worden. . . .Maar laat, als 
gij aalmoezen geeft, uw linkerhand niet 
weten wat uw rechter doet." (Matteüs 
6:1, 3.) 

En meteen daarop, alsof Hij de prakti- 
sche toepassing van deze heilige waar- 
heid onuitwisbaar in hun ziel wilde 
griffen, daalde Hij van de berg af, 
gevolgd door een grote menigte. ,,En zie, 
een melaatse kwam tot Hem en viel voor 
Hem neder, zeggende: Here, indien Gij 
wilt, kunt Gij mij reinigen. En Hij strekte 
de hand uit en raakte hem aan en zeide: 
Ik wil het, word rein. En terstond werd 
hij rein van zijn melaatsheid. En Jezus 
zeide tot hem: Ziet toe, dat gij het aan 
niemand zegt." (Matteüs 8:2-4.) Het 
woord anoniem had op dat ogenblik een 
bijzondere betekenis. En die heeft het 
nog steeds. 

De klassieke werken in de literatuur 
leren ons, net als de woorden uit de 
Heilige Schrift, dat anonimiteit duur- 
zaam is. Eén van mijn lievelingswerken 
is „Een kerstlied in proza" van Charles 
Dickens. Ik zie de bevende Ebenezer 
Scrooge voor me, die in een visioen de 
terugkeer van zijn vroegere compagnon, 
Jacob Marley zag, ofschoon Jacob al 



zeven jaar dood was. De woorden van 
Marley dringen diep in zijn ziel binnen, 
wanneer hij klagend zegt: 

„Niet te weten, dat voor elke christe- 
lijke ziel, met goede wil werkzaam in 
haar eigen kleine kring, wat deze ook zij, 
het sterfelijk leven te kort is voor de 
onbeperkte waarde harer vermogens! 
Niet te weten, dat het langdurigst be- 
rouw geen herstelling kan geven voor de 
verzuimde gelegenheden van het leven! 
En toch: zo ben ik geweest! Zo ben ik 
geweest!" (Charles Dickens, „Een kerst- 
lied in proza".) 

Na een verontrustende nacht, waarin 
de Geest van de voorbije kerstfeesten, 
die van het huidige kerstfeest en de Geest 
van de komende kerstfeesten Scrooge de 
ware betekenis van respectievelijk leven, 
liefhebben en geven uit de doeken deden, 
ontwaakte hij om opnieuw de frisheid 
van het leven, de macht der liefde en de 
geest van het werkelijk met anderen 
delen te ontdekken. Hij herinnerde zich 
de moeilijke omstandigheden van Bob 
Cratchit en zijn gezin, liet een jongen een 
reuze-kalkoen kopen (evengroot als de 
jongen) en stuurde deze gift naar dit 
gezin. Daarbij roept de herboren Ebene- 
zer met opperste vreugde uit: „Hij mag 
niet weten wie het stuurt." Weer het 
woord anoniem. 

Het zand loopt door de zandloper, het 
uurwerk der geschiedenis loopt verder; 
de goddelijke waarheid houdt echter 
onverminderd stand, onverzwakt en 
onveranderd. 

Toen de prachtige oceaanstomer Lusi- 
tania naar de bodem van de Atlantische 
Oceaan verdween, gingen er met het 
schip vele levens verloren. Vele helden- 
daden van de omgekomenen zijn onbe- 
kend voor ons gebleven. Eén man die 
met de Lusitania ten onder ging, gaf zijn 



105 



zwemvest aan een vrouw, ofschoon hij 
zelf geen slag kon zwemmen. Het deed er 
niet toe, dat hij de Amerikaanse multi- 
miljonair Alfred Vanderbilt was. Hij gaf 
geen aardse rijkdom; hij gaf zijn leven. 
Emerson zei: „Ringen en andere juwelen 
zijn geen gaven, maar verontschuldigin- 



„Liefdevol dienstbetoon, dat 

in anonimiteit wordt 
verleend, mag dan verborgen 

blijven voor de mensen - 

gave en gever zijn bekend bij 

God." 



gen voor gaven. De enige gave bestaat 
uit een deel van onszelf." („Gifts," uit 
The Complete Writing* of Ralph Waldo 
Emerson, blz. 286.) 

Anderhalf jaar geleden, in de winter 
van 1981/1982 begon een modern ver- 
keersvliegtuig na de start te haperen en 
stortte neer in de ijskoude Potomac. Er 
werden op die dag vele bewijzen van 
heldenmoed en koenheid ten beste gege- 
ven, waarvan de meest dramatische 
werd waargenomen door de piloot van 
een te hulp geschoten helikopter. De 
reddingskabel werd gevierd tot bij een 
rondspartelende drenkeling. In plaats 
van de reddingsgordel te grijpen en 
zichzelf in veiligheid te brengen, gordde 
de man de kabel om iemand anders 
heen, die daarop in veiligheid werd 
gebracht. De kabel werd opnieuw neer- 
gelaten, en opnieuw werd een ander 
gered. Op deze wijze werden vijf mensen 



uit het ijzige water gered. Onder hen 
bevond zich niet de anonieme held. 
Onbekend van naam, „verliet hij de 
heldere lucht, die hij ondertekende met 
zijn eer". (Stephen Spender, „I Think 
Continually of Those-" uit Masterpieces 
of Religious Verse, blz. 291.) 

Niet alleen door te sterven kan men de 
ware gave delen met anderen. We be- 
schikken in ons dagelijks leven over een 
ongekend aantal gelegenheden om onze 
trouw aan de les van de Meester te 
tonen. Laat me er in een notedop slechts 
drie noemen: 

1) Op een vroege winterochtend wekte 
een vader zijn twee zoons en fluisterde 
hen toe: „Jongens, het heeft vannacht 
gesneeuwd. Kleed je aan, dan gaan we 
gauw de stoep van de buren ruimen, 
voordat het licht wordt." 

De ploeg van drie, warm gekleed en 
onder de dekmantel der duisternis, 
ruimde de sneeuw van de stoep voor 
verscheidene huizen. De vader had 
slechts één opdracht aan de jongens 
gegeven: „Maak geen lawaai, dan zullen 
ze er niet achter komen wie hen geholpen 
heeft." Ook hier staat het woord ano- 
niem centraal. 

2) In een verzorgingstehuis hier in de 
vallei waren eens twee jongemannen 
bezig met het klaarzetten van het avond- 
maal. Terwijl ze hiermee bezig waren 
klaagde een oudere patiënte in een 
rolstoel hardop: „Ik heb het koud." 
Zonder een moment te aarzelen, liep een 
van de jongens naar haar toe, deed zijn 
jasje uit, legde dat om de schouders van 
de patiënte heen en liep vervolgens terug 
naar de avondmaalstafel. Het gezegende 
brood en water werd daarop rondge- 
deeld onder de verzamelde patiënten. 

Na de vergadering zei ik tot de 
jongeman: „Wat jij hier vandaag deed 



106 



zal ik me lang herinneren." Hij ant- 
woordde: ,,Ik was wel even bezorgd, dat 
ik zonder jasje niet behoorlijk gekleed 
was om het avondmaal te zegenen." 
„Nooit was iemand zo gepast gekleed 
voor die gebeurtenis als jij." Ik ken zijn 
naam niet. Hij blijft anoniem. 

3) In het verre Europa, achter het 
ijzeren gordijn en de muur van Berlijn 
bezocht ik met een handjevol leden een 
klein kerkhof. Het was een donkere 
nacht, en het was de hele dag koud en 
regenachtig geweest. 

We gingen het graf bezoeken van een 
zendeling, die vele jaren geleden was 
gestorven in dienst van de Heer. Een 
diepe stilte omhulde het gebeuren terwijl 
we ons rond het graf schaarden. Met 
behulp van een zaklantaarn las ik de 
inscriptie op de grafsteen: 

Joseph A. Ott 

Geboren: 12 december 1870 - 

Virgin, Utah 

Overleden: 10 januari 1896- 

Dresden, Duitsland. 

Het licht van de lantaarn liet mij toen 
zien, dat dit graf anders was dan elk 
ander graf op het kerkhof. De marmeren 
grafsteen zag er keurig gepolijst uit, 
onkruid, zoals je dat zo vaak ziet groeien 
over graven, was met zorg verwijderd, en 
in plaats daarvan waren er een keurige 
strook gras en enkele prachtige bloe- 
men, die uitdrukking gaven aan tedere 
en liefdevolle verzorging. Ik vroeg: „Wie 
heeft dit graf zo mooi verzorgd?" Mijn 
vraag ontmoette slechts stilte. 

Uiteindelijk bekende een twaalfjarige 
diaken dat hij het was, die deze goede 
daad had geleverd, zonder dat hij ertoe 
was aangezet door zijn ouders of leiders. 
Hij zei dat hij slechts iets had willen doen 
voor een zendeling, die zijn leven had 



gegeven terwijl hij in dienst des Heren 
was. Ik dankte hem en drukte vervolgens 
alle aanwezigen op het hart zijn geheim 
niet te laten uitlekken, zodat zijn gave 
anoniem zou mogen blijven. 

Waarschijnlijk heeft niemand van de 
door mij gelezen auteurs deze lering van 
de Meester zo gedenkwaardig of zo 
prachtig geschilderd als Henry Van 
Dyke in zijn onvergetelijke boek „The 
Mansion". In dit klassieke werk komt 
een zekere John Weightman in de hoofd- 
rollen voor, een bemiddeld man met 
grote politieke macht, een geslaagd 
staatsburger. Zijn opvatting met betrek- 
king tot geven kan worden opgemaakt 
uit zijn eigen uitspraak: „Je moet na- 
tuurlijk voorzichtigheid betrachten met 
de wijze waarop je dingen met anderen 
deelt, teneinde de beste resultaten te 
behalen - niet van alles op een willekeu- 
rige manier weggeven - geen stuivers in 
hoeden van bedelaars! . . . Tracht je 
gaven op zodanige wijze toe te kennen 
dat ze kunnen worden herkend en overal 
en zoveel mogelijk mensen ten goede 
komen." (Zie „The Mansion" in Un- 
known Quantity: A Book of Romance 
and Some Half-told Tales, blz. 337.) 

Op een avond zat John Weightman in 
zijn gemakkelijke stoel aan de tafel in 
zijn bibliotheek en bekeek aandachtig de 
papieren die hij voor zich had uitge- 
spreid. Ze bestonden uit beschrijvingen 
en foto's van de Weightman-vleugel van 
het ziekenhuis en van de Weightman- 
leerstoel voor politieke jurisprudentie en 
er was ook een verslag bij van de opening 
van de Weightman-school voor middel- 
baar onderwijs. John Weightman had 
een voldaan gevoel. 

Hij pakte de gezinsbijbel, die vlakbij 
hem op tafel lag en las voor zichzelf de 



107 



volgende woorden: „Verzamelt u geen 
schatten op aarde, waar mot en roest ze 
ontoonbaar maakt en waar dieven in- 
breken en stelen; maar verzamelt u 
schatten in de hemel." (Matteüs 6:19— 
20.) 

Plotseling leek het alsof het boek van 
hem weggleed. Hij leunde voorover op 
tafel, met zijn hoofd rustend op zijn 
gevouwen handen en gleed weg in een 
diepe slaap. 

De droom die hij daarop had, bracht 
John Weightman naar de hemelse stad. 
Een gids kwam hem en andere mensen 
die hij tijdens zijn leven had leren kennen 
tegemoet en stelde voor dat hij hen naar 
hun hemelse woningen zou brengen. 

De groep hield stil voor een prachtig 
herenhuis en hoorde de gids zeggen: 
„Dit is uw huis, meneer McLean. Ga 
naar binnen; u zult hier ziekte, noch 
dood, pijn noch verdriet vinden, want 
uw oude vijanden zijn allemaal over- 
wonnen. Hier zult u echter al het goede 
vinden dat u voor anderen gedaan heeft, 
al de hulp die u ze gegeven heeft, alle 
vertroosting die u heeft gebracht, alle 
kracht en liefde die u geschonken heeft 
aan de lijdenden; want we hebben ze 
allemaal een plaats gegeven in dit huis 
voor u." („The Mansion", blz. 361— 
362.) 

Een toegewijde echtgenoot van een 
invalide vrouw werd een mooie woning 
toegewezen, evenals een moeder die haar 
man vroeg had verloren en een keurig 
stel kinderen had grootgebracht en een 
verlamde jonge vrouw die gedurende 
dertig jaar op bed had gelegen - hulpe- 
loos, maar niet hopeloos - en erin 
geslaagd was met behulp van een won- 
derbaarlijke moed haar enige doel te 
bereiken: nooit klagen, maar altijd 
klaarstaan om iets van haar vreugde en 



innerlijke vrede te delen met een ieder die 
bij haar kwam. 

John Weightman begon onderhand 
ongeduldig te worden en wilde wel eens 
zien wat voor woning hem ten deel zou 
vallen. Terwijl hij samen met de gids 
verder liep werden de woningen steeds 
kleiner. Tenslotte stonden ze middenin 
een akelige woestenij met voor zich een 
hut, die amper groot genoeg was om te 
dienen als schuilplaats voor een herder. 
De gids zei: „Dit is uw woning, John 
Weightman." 

Volkomen vertwijfeld trachtte John 
Weightman zich met argumenten te 
verdedigen: „Heeft u niet gehoord, dat 
ik een school heb gebouwd; en een 
vleugel van een ziekenhuis; . . . drie . . . 
kerken." 

„Wacht even," hield de gids hem 
voor. „Dat was niet tevergeefs. Maar ze 
dienden allemaal ter vergroting van de 
eer en de woning van John Weightman 
op aarde. ... U hebt waarlijk uw 
beloning reeds ontvangen. Of wenst u 
misschien tweemaal betaald te worden?" 
Een bedroefde doch wijzer geworden 
John Weightman blies daarop wat lager 
van de toren: „Wat telt hier dan?" 

Het antwoord luidde: „Alleen datge- 
ne wat werkelijk gegeven is. Alleen het 
goede dat is gedaan, omwille van het 
goede. En alleen die plannen nemen wij 
in aanmerking, welke het welzijn van 
anderen als centraal oogmerk hebben. 
Alleen die werken, waarbij het offer 
groter is dan de beloning en alleen die 
gaven, waarbij de gever zichzelf ver- 
geet." („The Mansion,", blz. 364-368.) 
John Weightman werd gewekt door 
de klok die zeven uur sloeg. Hij had de 
hele nacht doorgeslapen. Gelukkig 
bleek hij nog een heel leven voor zich te 
hebben om te leven, lief te hebben en 



108 



gaven met anderen te delen. O, laat ons 
toch steeds bedenken: 

Een klok is geen klok 
tot je hem luidt 
Een lied is geen lied 
tot je het zingt 
En de liefde in je hart 
werd daar niet geplaatst 
om er in opgesloten te blijven 
Liefde is geen liefde tot je er 
anderen deelgenoot van laat worden. 
(Richard Rodgers 
en Oscar Hammerstein II, 
„Sixteen Going on Se venteen".) 
Moge deze waarheid tot gids van uw 
leven dienen. Moge onze blik zich op- 
waarts richten, terwijl we voorwaarts 
gaan in dienst van onze God en onze 
medemens. En moge ons oor zich neigen 



tot Galilea, opdat wij misschien een echo 
op mogen vangen van de leringen van de 
Meester: „Ziet toe, dat gij uw gerechtig- 
heid niet doet voor de mensen, om door 
hen opgemerkt te worden." „Laat . . . 
uw linkerhand niet weten wat uw rechter 
doet." (Matteüs 6:1, 3.) En als wij een 
goede daad verrichten: „Ziet toe, dat gij 
het aan niemand zegt." (Matteüs 8:4.) 
Onze harten zullen dan verlicht worden, 
onze levens zonniger en onze zielen 
rijker. 

Liefdevol dienstbetoon, dat in anoni- 
miteit wordt verleend, mag dan verbor- 
gen blijven voor de mensen - gave en 
gever zijn echter bekend bij God. Van 
deze waarheid getuig ik, in de naam van 
Jezus Christus. Amen. D 



Bekering 



Ouderling F. Burton Howard 
van het Eerste Quorum der Zeventig 




Stelt u zich in gedachten twee kristal- 
len bokalen voor. Zij zijn verschillend 
van grootte en vorm. Beide zijn van 
goede kwaliteit en zijn vaak gebruikt. De 
ene werd steeds in een glazenkast be- 
waard als hij niet in gebruik was en ziet 
er dan ook schoon en glimmend uit. Hij 



heeft een warme en uitnodigende uitstra- 
ling, glinstert in het licht en is gevuld met 
helder water. 

Op de andere bokaal zit een laag vuil. 
Hij is al lang niet meer afgewassen en is 
voor allerlei doeleinden aangewend, 
waar hij eigenlijk niet voor bedoeld was. 



109 



Tot voor kort heeft hij nog een hele tijd 
buiten gestaan in weer en wind waar hij 
als bloempot dienst deed. Ofschoon de 
bloemen al lang verwelkt en verwijderd 
zijn, zit hij nog vol viezigheid. Hij is dof 
en ziet er onfris uit. 

Is een ieder van ons niet als een 
kristallen bokaal? We verschillen in 
afmeting en vorm. Sommigen van ons 
stralen een bijzondere geest uit, terwijl 
anderen een sombere en afstotende in- 
druk maken. Sommigen beantwoorden 
aan het doel waarvoor zij geschapen 
werden en anderen niet. Elkeen is gevuld 
met de opeengestapelde ervaringen of 
brokken van een leven. 

Sommigen zijn voor het merendeel 
met goede dingen gevuld - met reine 
gedachten, met geloof en met christelijk 
dienstbetoon. Zij bezitten wijsheid en 
vrede. Anderen omsluiten donkere en 
geheime aangelegenheden. In de loop 
der tijden zijn zij volgeraakt met onreine 
gedachten, egoïsme en luiheid. Ze stra- 
len vaak een geest van twijfel uit en 
zorgen nog al eens voor tweespalt en 
verwarring. 

Velen weten, dat ze beneden hun 
potentieel leven, maar hebben om ver- 
schillende redenen het bekeringsproces, 
waardoor hun leven zou veranderen, op 
de lange baan geschoven. Sommigen 
verlangen naar iets, maar ze weten niet 
waarnaar en brengen hun leven door in 
een lukrake jacht op het geluk. 

Deze mensen zijn in zekere zin als de 
kristallen bokaal, die een gedeelte van 
zijn bestaan vol met viezigheid zat. Zij 
voelen wel dat er een hogere bedoeling 
achter de dingen des levens steekt. Ze 
worden ontevreden en beginnen naar de 
zin van alles te zoeken. Eerst onderzoe- 
ken ze de dingen om hen heen en 
beproeven de wereldse pleziertjes. Al 
doende ontdekken ze, evenals de slak die 



op zoek was naar zijn eigen huis, dat zij 
bij aankomst op de plaats van bestem- 
ming geen steek dichter bij hun reisdoel 
zijn gekomen dan voorheen. 

Tenslotte gaan ze bij zichzelf te rade. 
Ze hebben eigenlijk al die tijd best 
geweten, dat dit de plaats was waar ze 
vrede konden vinden. Ziet u, zonde is 
niet alleen een gemoedstoestand. God- 



,, Bekeren is niet iets, wat een 

mens één keer in zijn leven 

doet; het duurt een leven 

lang, het is een steeds weer 

erkennen van onze 

zwakheden en vergissingen, 

een streven naar en leven 

voor het hogere en het 

betere." 



deloosheid bracht nimmer geluk en zal 
het ook nooit brengen. (Zie Alma 41 : 10.) 
Ze ontdekken, dat als ze niet rechtscha- 
pen zijn, ze ook nooit gelukkig kunnen 
worden. (Zie 2 Nephi 2:13.) Ze nemen 
zich voor te veranderen, maar dan 
worden ze in figuurlijke zin geconfron- 
teerd met het probleem hoe een verweer- 
de bloempot in een fonkelende kristallen 
bokaal om te toveren. Allerlei vragen 
komen op: Kan ik ooit worden verge- 
ven? Is het echt wel de moeite waard? 
Waar moet ik beginnen? 

In het geval van de bokaal is het voor 
de hand liggend wat er gedaan moet 
worden. Allereerst moeten we inzien dat 
het kristal voor iets beters gebruikt moet 



110 



worden. Vervolgens dienen we een ge- 
schikte plaats te vinden om de ongewen- 
ste inhoud van de bokaal te deponeren. 
Daar blijft de viezigheid achter. Dan 
wassen we de bokaal met een goed 
afwasmiddel om de vlekken en andere 
resten te verwijderen, poetsen hem vol 
liefde op en zetten hem tenslotte bij het 
andere kristallen glaswerk in de glazen- 
kast. De bokaal wordt nu weer gebruikt 
en regelmatig gewassen en gepoetst. 

Er bestaat een soortgelijk proces, 
door middel waarvan mannen en vrou- 
wen worden gereinigd. De onjuiste wijze 
waarop zij met hun leven zijn omge- 
sprongen wordt volledig vergeten en zij 
worden vernieuwd en veranderd. Dit 
beginsel heet, natuurlijk, bekering. 
Wanneer het wordt vergezeld door een 
gezaghebbend doopsel, verschaft het 
ons niet alleen die eerste grote schoon- 
maakbeurt, maar ook een doorgaande 
vergeving van onze zonden. Dit reini- 
gende proces doormaken is misschien 
wel het heerlijkste en belangrijkste wat 
we ooit kunnen doen. Het heeft vérrei- 
kende en zelfs eeuwige gevolgen. Van 
meer onmiddellijk belang, echter, zijn de 
vruchten van bekering, namelijk vrede 
en vergiffenis van onze zonden in dit 
leven. 

Ik zal trachten te illustreren wat dit 
allemaal betekent. Enkele jaren geleden 
werd ik gevraagd om een groep jonge- 
mannen toe te spreken. Ik kan me nu 
niet precies meer herinneren wat ik toen 
zei, behalve dat ik tegen het einde van 
mijn toespraak verklaarde, dat nie- 
mand, echt helemaal niemand van de 
aanwezigen ooit iets gedaan had, waar- 
voor hij geen vergeving kon ontvangen. 

Na de vergadering kwam één van hen 
naar me toe en zei: „Ik moet echt even 
met u spreken." Daar ik op het punt 
stond om naar een volgende afspraak te 



snellen vroeg ik hem of er niet iemand 
anders was die zijn vraag kon beant- 
woorden. Hij antwoordde me, dat hij er 
al vele jaren mee zat en dat het erg 
belangrijk voor hem was. 

Gebruikmakend van de weinige be- 
schikbare ogenblikken trokken we ons 
terug in een leeg klaslokaal en sloten de 
deur achter ons. ,, Meende u dat echt?" 
vroeg hij. 

„Wat bedoel je?" zei ik. 

„Toen u zei, dat niemand van ons ooit 
iets gedaan had waarvoor hij geen 
vergeving kon ontvangen," antwoordde 
hij. 

„Natuurlijk meende ik dat," zei ik. 

Door een vloed van tranen heen 
kwam hij voor de draad met zijn verhaal. 
Hij was uit eerzame ouders geboren. 
Zijn leven lang had zijn moeder hem 
voorgehouden, dat hij op zending zou 
gaan. Voordat hij negentien jaar werd 
beging hij, echter, een ernstige overtre- 
ding. Hij wist niet hoe hij het zijn ouders 
moest vertellen. Hij wist, dat het hun 
hart zou breken. Hij besefte, dat hij niet 
waardig was om een zending te vervul- 
len. Vertwijfeld begon hij naar een 
voorwendsel te zoeken om niet op 
zending te gaan. Hij besloot te gaan 
roken. Hij nam aan, dat zijn vader dat 
beter zou begrijpen en niet zou zoeken 
naar de ware reden. Het feit dat hij 
rookte zou zijn ouders ook pijn doen, 
bedacht hij, maar niet zo veel als de 
waarheid. 

Hij ondervond evenwel al gauw, dat 
zijn bisschop niet zomaar bij de pakken 
neer ging zitten. Deze zei hem, dat hij er 
meteen mee moest ophouden en toch op 
zending moest gaan. Om dus van die 
bisschop af te zijn, ging hij in militaire 
dienst. Daar kwam hij onder de hoede 
van enkele goede heiligen der laatste 
dagen terecht. Hij hield op met roken en 



111 



hij slaagde erin grote verleidingen te 
vermijden. Hij diende zijn tijd uit, ont- 
ving een eervol ontslag en keerde naar 
huis terug. 

Er was evenwel een probleem. Hij 
voelde zich schuldig. Hij was weggelo- 
pen van een zending. Hij had de Heer de 
rug toegekeerd en voelde die knagende 
ontevredenheid, die het gevolg is van het 
niet beantwoorden aan het doel van je 
schepping. 

„Dus dit is mijn verhaal," zei hij. ,,Ik 
heb sindsdien niet meer gezondigd. Ik 
heb mijn vergaderingen bijgewoond. Ik 
onderhoud het woord van wijsheid. Hoe 
komt het, dat het leven zo leeg lijkt? Hoe 
komt het dat ik op de een of andere 
manier het gevoel heb dat de Heer 
ontevreden over me is? Hoe kan ik zeker 
weten, dat ik vergeving heb ontvangen?" 

„Vertel me eens wat je weet over het 
beginsel bekering," zei ik. Hij had klaar- 
blijkelijk het een en ander over dit 
onderwerp gelezen. Hij sprak over het 
erkennen van de zonde, spijt hebben en 
schadeloosstelling. Hij had het besluit 
genomen om nooit meer te zondigen. 

„Laten we eens zien hoe deze beginse- 
len op jou van toepassing zijn," zei ik. 
„Laten we beginnen met het erkennen 
van de zonde. Hoe kunnen we het beste 
zien of iemand erkent, dat hij iets 
verkeerd gedaan heeft?" 

„Hij zal het toegeven," was zijn 
antwoord. 

„Tegenover wie?" vroeg ik. 

Hij dacht na. „Tegenover zichzelf, 
veronderstel ik." 

„Soms zien mensen zichzelf in een 
uiterst gunstig daglicht," zei ik. „Zou je 
er niet beter blijk van geven dat je je van 
je fout bewust bent als je het tegenover 
een ander toegeeft?" 

„Ja, natuurlijk," antwoordde hij. 



„Tegenover wie dan?" drong ik verder 
aan. 

„Tja, aan de persoon die ik schade 
berokkend heb," zei hij, „. . . en mis- 
schien de bisschop." 

„En heb je dat ook gedaan?" vroeg ik. 

„Tot nu toe nog niet," antwoordde 
hij. ,,Ik heb het nog nooit aan iemand 
verteld, dan alleen aan u." 

„Misschien is dat de reden waarom je 
nooit het gevoel hebt gehad volledig 
vergeven te zijn," antwoordde ik. 

Hij zei niet veel terug. 

„Laten we eens naar de volgende stap 
kijken," zei ik. „Wat betekent het om 
berouw te voelen?" 

„Dat wil zeggen dat het je spijt," 
antwoordde hij. 

„En spijt het je?" vroeg ik. 

„Jazeker," zei hij. „Ik heb het gevoel 
alsof ik de helft van mijn leven heb 
verspild." En zijn ogen vulden zich 
opnieuw met tranen. 

„Hoe erg behoort het je te spijten?" 

Hij keek me verbouwereerd aan. 
„Hoe bedoelt u?" 

Ik vervolgde: „Wel, om vergeven te 
worden, dient een overtreder droefheid 
naar God te ervaren. (Zie 2 Korintiërs 
7:10.) Hij moet zielesmart en oprecht 
berouw hebben. Dit verdriet moet groot 
genoeg zijn en lang genoeg duren om de 
persoon in kwestie ertoe aan te moedi- 
gen om de hiernavolgende stappen in het 
bekeringsproces te zetten, anders is zijn 
berouw niet diep genoeg. Berouw moet 
zo groot zijn dat er een ander mens uit 
voorkomt. Deze persoon moet tonen dat 
hij veranderd is, doordat hij zich met 
andere en betere dingen bezighoudt. 
Heb je wel spijt genoeg gehad?" vroeg ik 
opnieuw. 

Hij aarzelde. „Ik ben veranderd," zei 
hij. „Ik ben niet meer als vroeger. Ik 
onderhoud nu alle geboden. Ik zou het 



112 



graag op één of andere manier in orde 
maken met mijn ouders. Ik heb om 
vergeving gebeden. Ik heb mijn veront- 
schuldigingen aangeboden aan de per- 
soon die ik leed berokkend heb. Ik ben 
me bewust van de ernst van hetgeen ik 
gedaan heb. Ik zou er alles voor over 
hebben wanneer het niet gebeurd zou 
zijn. Misschien ben ik niet zo rechtscha- 
pen geweest als ik wel geweest had 
kunnen zijn, maar ik weet niet wat ik 
verder nog kan doen. Ik heb het echter 
nooit tot iemand anders beleden." 

Ik zei: „Ik denk, dat we na dit gesprek 
kunnen stellen, dat je zelfs dat gedaan 
hebt." 

Toen zei hij: „Maar hoe kan ik na dit 
alles ooit weten of de Heer me echt 
vergeven heeft?" 

„Dat is het makkelijke deel," ant- 
woordde ik. „Wanneer je je echt hebt 
bekeerd, voel je een innerlijke vrede. Je 
weet op één of andere manier dat je 
vergeving hebt ontvangen, omdat de last 
die je zo lang hebt getorst er plotseling 
niet meer is. Hij is verdwenen en jij weet 
dat hij er niet meer is." 

Hij scheen nog steeds te twijfelen. 



„Het zou me niet verbazen," zei ik, 
„dat wanneer je dit lokaal verlaat je 
ontdekt, dat veel van je bezorgdheid hier 
achtergebleven is. Als je je volledig 
bekeerd hebt, zullen de verlichting en de 
vrede die je voelt dermate zijn, dat het 
een getuigenis voor je zal zijn, dat de 
Heer je vergeven heeft. En als dat 
vandaag nog niet is, dan zul je dit, denk 
ik, heel gauw ervaren." 

Ik was al laat voor de volgende 
afspraak. Ik deed de deur open en samen 
traden we naar buiten. Ik wist niet of we 
elkaar ooit nog eens zouden ontmoeten. 
De daaropvolgende zondagavond werd 
ik thuis opgebeld. Het was diezelfde 
jongeman. 

„Broeder Howard, hoe wist u dat?" 

„Hoe wist ik wat?" vroeg ik. 

„Hoe wist u, dat ik een goed gevoel 
over mezelf zou krijgen, voor het eerst in 
vijfjaar?" 

„Omdat de Heer beloofd heeft, dat 
Hij onze zonden niet meer zal geden- 
ken," zei ik. (Zie Hebreeën 8:12.) 

Toen klonk de vraag: „Denkt u, dat de 
kerk een vierentwintigjarige zendeling 
zou kunnen gebruiken? Zo ja, dan ben ik 
graag bereid te gaan." 




113 



Wel, deze jongeman leek op een van 
die bokalen waarover we het hadden. 
Hij had zich met de dingen van de wereld 
beziggehouden en was gedeeltelijk vol 
met verkeerde zaken. Hij voelde er zich 
niet lekker onder. De zonde had zijn blik 
vertroebeld en zijn daadkracht aange- 
tast. Hij kon nooit datgene worden wat 
hij naar zijn weten behoorde te zijn, 
voordat hij een uitweg vond en zich 
bekeerde. Het kostte tijd om te verande- 
ren. Het kostte veel gebed en inspan- 
ning. En er was ook hulp nodig. 

Mijn jonge vriend ontdekte, dat beke- 
ring vaak een eenzame, stille strijd is. 
Het is niet iets, wat een mens één keer in 
zijn leven doet; er is eerder een heel leven 
mee gemoeid. Zoals president Stephen 
L. Richards het eens uitdrukte, het is 
„een steeds opnieuw erkennen van 
zwakheid en overtreding en een zoeken 
en streven naar het hogere en betere." 
(Conference Report van 1956, blz. 91.) 

Deze jongeman kwam er achter, dat 
bekering je niet zomaar in de schoot 
wordt geworpen. Evenals geloof zonder 
werken dood is (zie Jakobus 2:17) - 
vraagt ook bekering heel wat van ons. 
Het is niet weggelegd voor de lauwharti- 
gen of de luiaards. Het vereist een zich 
volledig afwenden van het slechte en een 
hele serie goede werken, welke een nieuw 
hart en een nieuw mens tot stand 
brengen. Bekering betekent werken. Het 
betekent niet slechts dat we ergens mee 
op moeten houden. Het wil niet alleen 
zeggen, dat we erkennen, dat we fout 
zitten of weten, wat we moeten doen. 
Het is geen „kringloop van zonde, 
bekering en opnieuw zonde." (Hugh B. 
Brown, Eternal Quest, blz. 102.) 

Bekering is evenmin alleen berouw; 
het is een eeuwig beginsel dat, wanneer 



het op de juiste wijze en over een 
voldoende tijdsperiode wordt toegepast, 
altijd resulteert in een hernieuwing, 
reiniging en verandering. 

De jongeman waarover we hebben 
gesproken ontdekte, dat in die gevallen 
waarin de zonde van een dermate ernsti- 
ge aard is dat het normale functioneren 
binnen de kerkelijke gemeenschap er- 
door op het spel staat, de zondaar bereid 
moet zijn zich te onderwerpen aan de 
rechtspraak en het oordeel van degene 
die belast is met de hoede over zijn 
lidmaatschap van de kerk en eveneens 
zijn vergeving dient te vragen. 

Bovenal leerde hij dat bekering on- 
scheidbaar is van de vrije wil. Het 
principe van de vrije wil binnen het plan 
van zaligheid beoogt dat mannen en 
vrouwen vrij zijn om hun leven een 
bepaalde richting in te sturen. Bekering 
betekent, dat onvolmaakte mensen die 
onvolmaakte besluiten nemen, hun 
koers kunnen corrigeren. Door het vol- 
gen van de regels voor bekering en door 
het verzoeningswerk van Jezus Christus, 
worden fouten ons niet aangerekend. De 
Heer belooft onze „zonden niet meer te 
gedenken". (Zie Hebreeën 8:12.) Van- 
wege de wonderbaarlijke gave der beke- 
ring, worden overtredingen vergeven - 
en vergeten. Men kan worden gereinigd 
en terugkeren tot het zinvolle pad van 
vooruitgang en vrede. 

Door zich te bekeren werd mijn jonge 
vriend een nieuw mens. Hij werd uit de 
Geest herboren. Hij begreep op eigen 
kracht - en dat is het belangrijkste aspect 
van het geheel ~ de betekenis van de 
woorden van de Verlosser: „Komt tot 
Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en 
Ik zal u rust geven." (Matteüs 11:28.) 
Aldus getuig ik, in de naam van de Heer 
Jezus Christus. Amen. D 



114 



Hoe vind ik mijn identiteit 



Bisschop Victor L. Brown 
Presiderende bisschop 




Enkele dagen geleden ontving ik een 
brief van een vriend van me, een jonge 
Italiaanse arts, die zich specialiseert in 
thoraxchirurgie. Ik ontmoette hem on- 
geveer twee jaar geleden in Milaan, 
enkele maanden nadat hij lid was gewor- 
den van de kerk. Het is een geweldige 
jongeman met een prettig voorkomen, 
iemand waarop elke vader of moeder 
trots zou zijn. Hij leidde een goed leven 
en verkeerde in de veronderstelling, dat 
aan al zijn behoeften werd voldaan - 
totdat hij het evangelie van Jezus Chris- 
tus vond. Ik zou graag enkele gedachten 
uit zijn brief met u willen delen. Het gaat 
over zijn eigen gevoelens. 

„Zonder die twee ouderlingen zou 
mijn leven gelukkig en voldoeningsge- 
reid zijn geweest, maar het zou mij 
hebben ontbroken aan alle vruchten van 
de liefde, van het geloof, van de waar- 
heid, van kennis en van vrijheid, van alle 
dingen die slechts van God, onze Hemel- 
se Vader, kunnen komen, door zijn zoon 
Jezus Christus. 

Ik ben, als kind van God, blij om in 
deze tijd op aarde te leven. Mij bewust 



van het plan van zaligheid en van de 
,zegeningen, die op mijn hoofd kunnen 
zijn' (zie Spreuken 10:6) probeer ik mijn 
best te doen om de roepingen die onze 
Hemelse Vader me gaf voordat Hij me 
naar deze aarde stuurde, te vervullen. 

Ik ben vervuld van blijdschap over het 
feit, dat mijn ouders nu ook tot het 
evangelie gekomen zijn. Ons leven is 
diepgaand veranderd en ons hart is 
bereid om te doen wat onze Hemelse 
Vader van ons verlangt." 

Deze geweldige jongeman heeft nu 
een begrip van zijn eigen identiteit 
verworven, iets waar zovele mensen, 
zowel jong als oud, naar snakken. Het 
kan een grote zegen zijn in het leven van 
ieder mens, om zijn of haar eigen 
innerlijke identiteit te ontdekken. Het 
ligt binnen ieders bereik, als men maar 
beseft, dat het alleen verworven kan 
worden door het licht der waarheid of, 
zoals de Verlosser het aanduidde, het 
licht des levens. In Johannes 8:12 lezen 
we: „Ik ben het licht der wereld; wie Mij 
volgt, zal nimmer in de duisternis wan- 
delen, maar hij zal het licht des levens 
hebben." 



115 



Wanneer we proberen te begrijpen 
wat het betekent om het licht des levens 
te hebben, hetgeen er in belangrijke mate 
toe zal bijdragen om onze identiteit te 
ontdekken, moeten we noodzakelijker- 
wijs weten wie Jezus is. De Heilige 
Schrift leert ons wie Hij is - de Zoon van 
God, of zoals Hij ook wel vaak wordt 
genoemd, de Eniggeboren Zoon van de 
Vader in het vlees. Hij werd uit Maria 
geboren en Hij is onze Verlosser, door 
wie bekering en vergeving van zonde 
mogelijk zijn gemaakt. Hij is het, die 
veroordeeld werd tot de dood en zelfs 
toen Hij aan het kruis hing zijn beulen 
vergaf. Hij is het, die uit het graf opstond 
en daardoor de banden des doods voor 
de gehele mensheid verbrak en de op- 
standing tot stand bracht. Het is dezelf- 
de Jezus Christus die zijn kerk in deze 
laatste dagen leidt, de kerk die zijn naam 
draagt, namelijk De Kerk van Jezus 
Christus van de Heiligen der Laatste 
Dagen. 

Door middel van rechtstreeks onder- 
wijs tijdens zijn aards bestaan en van 
onderricht aan zowel vroegere als he- 
dendaagse profeten, welke zijn opgete- 
kend in de Heilige Schrift, heeft de 
Verlosser voor het gehele mensdom 
voldoende leerstof achtergelaten, opdat 
een ieder in staat zal zijn om zichzelf te 
begrijpen en zijn of haar eigen ware 
identiteit te vinden. Dit is alleen bereik- 
baar wanneer men de geboden kent en ze 
gehoorzaamt. Als dit eenmaal is ge- 
beurd, dan zullen gedachten als: ,,Ik ben 
niks waard," en: „Ik ben maar een 
niksnut," geen plaats in ons leven heb- 
ben. Met de term „ware identiteit" 
bedoel ik het evenwicht tussen eigen- 
waarde en zelfonderwerping. De weg die 
hiertoe leidt is uit de doeken gedaan 
door George T. Boyd in een toespraak 



die hij enige jaren geleden heeft 
gehouden: 

„Het lezen van de Schriften stelt de 
mens in de gelegenheid het leven niet 
alleen uit menselijk oogpunt te zien, 
maar in zekere mate ook uit Gods 
oogpunt. 

Dit perspectief voorziet in twee van 's 
mensen meest belangrijke behoeften - 
een gevoel van individuele eigenwaarde 
en een gevoel van zelfonderwerping. 
Geen van beide zijn apart bereikbaar. 
Hoe gemakkelijk verandert een gevoel 
van eigenwaarde niet in een onuitstaan- 
baar egoïsme en eigendunk - of veran- 
dert een gevoel van zelfonderwerping in 
valse bescheidenheid en een ziekelijk 
soort zelfminachting. 

In de Schriften ontdekt de mens dat 
hij deel uitmaakt van één geheel, waar- 
van God eveneens deel uitmaakt. Het 
behoren tot een dergelijk geheel geeft 
hem inzicht in de waarde van zijn eigen 
ziel. Maar gezien in verhouding tot God, 
wordt hem zijn afhankelijkheid en on- 
derworpenheid duidelijk. . . . Aldus 
wordt ons geestelijk leven door een 
toegewijd gebruik van de Schriften ge- 
voed met een rust en kalmte die de 
twijfels en angsten die de mensheid 
heden ten dage verlammen, verdrin- 
gen." (Views on Man and Religion, ed. 
James Allen et al., Provo, Utah: Friends 
of George T. Boyd, 1979, blz. 207.) 

In Psalm 8:5 wordt de vraag gesteld: 
„Wat is de mens, dat Gij zijner 
gedenkt." 

Het prachtige en duidelijk geformu- 
leerde antwoord, luidt: „Toch hebt Gij 
hem bijna goddelijk gemaakt, en hem 
met heerlijkheid en luister gekroond. Gij 
doet hem heersen over de werken uwer 
handen, alles hebt Gij onder zijn voeten 
gelegd." (Psalm 8:6-7.) Wij zien dus, dat 



116 



wij dienen te heersen over alle overige 
scheppingen van God. Hiertoe zijn ons 
eigenschappen verleend, waarover geen 
enkel ander levend wezen beschikt, dan 
alleen het menselijk ras. Enkele ervan 
zijn: 

1. We zijn ons bewust van onze eigen 
persoonlijkheid en van ons vermogen 
om te werken aan onze zelfverwezenlij- 
king. 

2. We beschikken over het vermogen 
onze kennis uit te breiden, om de aard 
van het mensdom te leren kennen even- 
als de aard van de dingen om ons heen. 

3. We zijn in staat om abstract te 
redeneren, waardoor wij feiten met el- 
kaar kunnen vergelijken, de relatie er- 
tussen kunnen bepalen en kunnen afwe- 
gen welk belang deze feiten hebben voor 
ons leven. 

4. Wij hebben het vermogen en het 
recht om keuzen te maken. Dit is een van 
de belangrijkste gaven, die God ons 
verleend heeft. 

5. We zijn begiftigd met wilskracht, 
die ons ertoe in staat stelt om onze 
gedachten te beheersen en onze gevoe- 
lens, begeerten en driften in de juiste 
banen te leiden. 

6. We hebben het recht om God te 
aanbidden en kunnen tot Hem gaan 
voor de kracht om onze bestemming te 
bereiken. 

Samen met dit unieke vermogen en 
deze grote nadruk op de waarde van 
zielen in Gods ogen komt ook de 
mogelijkheid om in verwarring te wor- 
den gebracht. We leven in een materia- 
listische wereld, waardoor sommigen in 
verwarring geraken en trachten hun 
identiteit te ontdekken door het verga- 
ren van rijkdom of van de eerbewijzen 
van hun medemensen. De Verlosser 
maakt in zijn leringen duidelijk dat het 



onmogelijk is langs deze weg aan de 
identiteit waarover ik spreek gestalte te 
geven. In Lucas 18:18-25 lezen we: 

„En een hooggeplaatst man vroeg 
Hem en zeide: Goede Meester, wat moet 
ik doen om het eeuwige leven te beërven? 

Jezus zeide tot Hem, . . . 

Gij kent de geboden: Gij zult niet 
echtbreken, gij zult niet doodslaan, gij 
zult niet stelen, gij zult geen vals getuige- 
nis geven, eer uw vader en uw moeder. 

Hij zeide: Dat heb ik alles van jongs af 
in acht genomen. 

Toen Jezus dit hoorde, zeide Hij tot 
hem: Nog één ding komt gij tekort: 
verkoop alles wat gij bezit, en verdeel het 
onder de armen, en gij zult een schat 
hebben in de hemelen, en kom hier, volg 
Mij. 

Toen hij dat hoorde, werd hij diep 
bedroefd, want hij was zeer rijk. 







117 



En Jezus zag hem aan en zeide: Hoe 
moeilijk kunnen zij, die geld hebben, in 
het Koninkrijk Gods ingaan. Want het 
is gemakkelijker, dat een kameel gaat 
door het oog ener naald, dan dat een 
rijke het Koninkrijk Gods binnengaat." 

De moeilijkheid was niet dat de man 
rijk was, maar dat hij zo hebzuchtig was 



„Eigenwaarde kunnen we 

alleen verkrijgen door de 

geboden te kennen en ze te 

gehoorzamen." 



en niet bereid zijn bezit met anderen te 
delen. 

In Lucas is nog een ander voorbeeld 
opgetekend: 

„En Hij sprak tot hen een gelijkenis en 
zeide: Het land van een rijk man had veel 
opgebracht. 

En hij overlegde bij zichzelf en zeide: 
Wat moet ik doen, want ik heb geen 
ruimte om mijn vruchten te bergen. 

En hij zeide: Dit zal ik doen: ik zal 
mijn schuren afbreken en grotere bou- 
wen en ik zal daarin al het koren en al 
mijn goederen bergen. 

En ik zal tot mijn ziel zeggen: Ziel, gij 
hebt vele goederen liggen, opgetast voor 
vele jaren, houd rust, eet, drink en wees 
vrolijk. 

Maar God zeide tot hem: „Gij dwaas, 
in deze eigen nacht wordt uw ziel van u 
afgeëist en wat u gereedgemaakt hebt, 
voor wie zal het zijn? 

Zo vergaat het hem, die voor zichzelf 
schatten verzamelt en niet rijk is in 
God." (Lucas 12:16-21.) 



Vergelijk deze voorbeelden eens met 
het volgende, waar gebeurde verhaal van 
een zestienjarige oude priester, die op 
een dag de telefoon aannam en aan de 
andere kant van de lijn de stem hoorde 
van een bekende disk -jockey van een 
plaatselijk radiostation. De jongen werd 
een vraag gesteld, welke hij goed beant- 
woordde, waarop hem werd bekendge- 
maakt, dat hij een dure sportwagen 
gewonnen had. Een droom leek werke- 
lijkheid te zijn geworden voor deze 
tiener. Zijn toegewijde bisschop maakte 
zich zorgen over wat het bezit van zo'n 
auto voor gevolgen kon hebben voor de 
jongen. Wellicht zou hij erdoor van de 
dingen, die ons zo dierbaar zijn, afge- 
bracht kunnen worden. De bisschop 
vroeg hem hoe hij erover dacht en kon 
zijn oren nauwelijks geloven, toen deze 
zei, dat hij niet van plan was de auto te 
aanvaarden, maar wel de tegenwaarde in 
contant geld. Hij zei: „Dan is mijn 
zending in één klap betaald." Wat een 
uitzonderlijk voorbeeld van een even- 
wichtige houding ten opzichte van we- 
relds bezit of eer en van christelijke 
waarden. 

Mij is een andere jongeman bekend, 
die een zware strijd voerde om dit 
evenwicht te bereiken. Hij had alom een 
enorme erkenning vergaard als atleet. 
Toen hij dertien jaar oud was begon hij 
met zwemwedstrijden en trainde ge- 
woonlijk meer dan dertig uur per week. 
Hij werd nationaal kampioen en won de 
bronzen medaille tijdens de Olympische 
Spelen van 1968. In zijn drie „college"- 
jaren was hij een „All- American". Na 
zijn eindexamen ging hij door met een 
studie medicijnen, die goed liep. 

Gedurende al die tijd had hij zich 
nooit bezig gehouden met geestelijke 
zaken en hij had weinig begrip voor 



118 



mensen die in minder fortuinlijke om- 
standigheden verkeerden of die minder 
getalenteerd waren dan hij. Hij worstel- 
de om een echt gevoel van eigenwaarde 
te krijgen. In zijn eigen woorden: ,,Ik 
had de gewoonte tegen mezelf te zeggen: 
,Je bent van olympische klasse. Je hebt 
een goed verstand, je zult arts worden en 
je alles kunnen permitteren.' Dit is wat ik 
mijzelf voorhield terwijl ik erover dacht 
zelfmoord te plegen. Ik zat vol met 
misplaatste en nutteloze trots." 

In zijn vierde studiejaar ging hij 
gelukkig bij een plattelandsarts wonen, 
die begreep wat er met hem aan de hand 
was. Onder aanmoediging van deze 
oudere mentor begon hij de Schriften te 
lezen. Aanvankelijk met enige arrogan- 
tie, want hij vertrouwde erop, dat hij 
alles wat hij zou lezen met zijn intellect 



zou begrijpen. Maar hij kwam bedrogen 
uit. Wederom in zijn eigen woorden: 
„Toen ik halverwege Genesis was en er 
weinig van had gesnapt, zei ik tegen 
mezelf: ,Er moeten hoofdstukken zijn 
die op een begrijpelijker manier geschre- 
ven zijn.' Ik sloeg daarop Numeri open 
en kwam tot de ontdekking, dat ik er nog 
minder van begreep." 

Tenslotte zette hij zijn studies voort in 
de juiste geest, met het verlangen te leren 
èn te voelen. Langzamerhand, naarmate 
hij bad en studeerde en nog een beetje 
bad, begon hij te beseffen, dat hij een 
kind was van een liefhebbende Vader in 
de hemel en als zodanig geweldige 
mogelijkheden in zich had. Hij aan- 
vaardde de raad van de Verlosser om ons 
leven te funderen op de rots: 

„Een ieder nu, die deze mijn woorden 
hoort en ze doet, zal gelijken op een 




119 



verstandig man, die zijn huis bouwde op 
de rots. 

En de regen viel neer en de stromen 
kwamen en de winden waaiden en 
stortten zich op dat huis, en het viel niet 
in, want het was op de rots gegrondvest. 

En een ieder, die deze mijn woorden 
hoort en ze niet doet, zal gelijken op een 
dwaas man, die zijn huis bouwde op het 
zand. En de regen viel neer en de 
stromen kwamen en de winden waaiden 
en sloegen tegen dat huis, en het viel in, 
en zijn val was groot." (Matteüs 7:24- 
27.) 

Mijn broeders en zusters, ik hoop dat 
we immer bereid zullen zijn de uitdaging 
die de Verlosser ons heeft gegeven te 
aanvaarden om ons huis op de rots te 
bouwen in plaats van op het zand en te 



wandelen „terwijl gij het licht hebt, 
opdat de duisternis u niet overvalle; en 
wie in de duisternis wandelt, weet niet, 
waar hij heen gaat. 

Gelooft in het licht, zolang gij het licht 
hebt, opdat gij kinderen des lichts moogt 
zijn." (Johannes 12:35-36.) 

Ik getuig tot u, dat we alleen als 
kinderen des lichts in staat zijn om onze 
eigen identiteit en ons geluk te vinden. 
We zullen dit licht moeten hebben, dat 
ons slechts ten deel valt wanneer we de 
leringen van Jezus van Nazaret volgen, 
want Hij was het, die zei: „Ik ben het 
licht der wereld; wie Mij volgt, zal 
nimmer in de duisternis wandelen, maar 
hij zal het licht des levens hebben." 
(Johannes 8:12.) In de naam van Jezus 
Christus. Amen. D 




Ouderling Bernard P. Brockbank, emeritus lid van de algemene autoriteiten (links), 
zuster Barbara B. Smith algemeen presidente van de zusterhulpvereniging en haar 
eerste raadgeefster, zuster Marion R. Boyer. 



20 



Schepper en Verlosser 



Ouderling Mark E. Petersen 
van het Quorum der Twaalf Apostelen 




De lente brengt ons altijd het paas- 
feest en Pasen voert onze gedachten tot 
Jezus Christus, onze Verlosser. 

Hij was het, die geboren werd te 
Betlehem, de Zoon Gods, de Vredevorst 
(Jesaja 9:5), die de gehele mensheid de 
belofte van goede wil in het vooruitzicht 
stelt. 

Hij was het die ons de ware betekenis 
van het paasfeest gaf door zijn glorierij- 
ke opstanding en daaraan de verzeke- 
ring verbond van eeuwig leven. Sta er 
eens bij stil! Eeuwig leven! 

Toen Hij werd geboren, werd Hij 
Jezus genoemd, omdat Hij zijn volk van 
hun zonden zou bevrijden. Maar Hij was 
tegelijkertijd Immanuël (Jesaja 7:14), 
hetgeen betekent „God met ons." 

Wat een toepasselijke naam, want Hij 
was God, en Hij kwam inderdaad naar 
de aarde om met ons te zijn. ,,God met 
ons!" Hij was werkelijk met ons. Hij had 
de goddelijke staat bereikt, voordat Hij 
in de sterfelijkheid kwam en Hij behield 
deze geheiligde staat terwijl Hij op aarde 
vertoefde. Hij veranderde niet van iden- 
titeit. Hij zal immer Gods Zoon blijven, 
onze Heiland en Verlosser. 



Hij stierf aan het kruis om verzoening 
te doen voor de zonden van allen die 
Hem willen gehoorzamen en Hij verbrak 
de banden des doods om ons allen de 
gave der opstanding te verlenen. 

Zijn verzoening is de belangrijkste 
gebeurtenis, die ooit heeft plaatsgehad. 
De schepping van deze aarde, de vesti- 
ging van de twaalf stammen van Israël 
en de werken van de grote patriarchen en 
profeten - dit alles was een inleiding tot 
het grootse werk dat Hij op Golgota tot 
stand bracht. 

Door het gehele tijdvak van het Oude 
Testament heen werden er brandoffers 
op de altaren van Israël gebracht als 
symbolische verwijzing naar het grote 
offer van Hem die „het Lam, dat 
geslacht is, sedert de grondlegging der 
wereld" (Openbaring 13:8) werd 
genoemd. 

Als Jehova in het voorsterfelijk be- 
staan, was Jezus degene die de centrale 
rol speelde toen de voorbereidingen 
werden getroffen voor het sterfelijk 
bestaan van het menselijke ras. 

Hij was het die aanbood voor ons te 
sterven. Hij was het die alle eer aan onze 



121 



Hemelse Vader gaf. Hij was het die de 
bewerker van eeuwige zaligheid werd 
„voor allen, die Hem gehoorzamen." 
(Hebreeën 5:9.) 

Zoals de apostel Petrus het uitdrukte: 
„En de behoudenis is in niemand anders, 
want er is ook onder de hemel geen 
andere naam aan de mensen gegeven, 
waardoor wij moeten behouden wor- 
den." (Handelingen 4:12.) 

Zijn verzoening vergde veel voorbe- 
reidingen, zelfs voor Hij geboren werd in 
het vlees. Er was, bij voorbeeld, een 
aarde nodig, waarop wij, de kinderen 
van God, konden wonen gedurende ons 
aards bestaan. 

Deze aarde moest noodzakelijkerwijs 
een stoffelijk karakter hebben, daar wij 
die er op zouden verblijven stoffelijke 
wezens zouden zijn. De aarde moest 
stoffelijk zijn, ook omdat de Verlosser er 
zijn sterfelijk leven moest doorbrengen. 

Zijn bestaan in Palestina zou stoffelijk 
zijn, in een lichaam van vlees en beende- 
ren, zoals het onze. Op deze aarde zou 
Hij het lichamelijk lijden van de kruisi- 




Ouderling Mark E. Petersen van het 
Quorum der Twaalf Apostelen. 



ging ondergaan. Hij zou lichamelijk 
sterven om vervolgens - en o, wat was 
dat heerlijk - een lichamelijke opstan- 
ding tot stand te brengen. 

Een stoffelijke aarde was dus onont- 
beerlijk voor zijn zending. Er was niets 
etherisch aan zijn werk hier op aarde. 
Het zou niet op een of andere ontastbare 
of mystieke manier tot stand worden 
gebracht. 

Zijn leven op aarde was wezenlijk en 
lichamelijk. Zijn dood was wezenlijk en 
lichamelijk, evenals zijn opstanding, en 
beide vonden plaats op deze wezenlijke 
en stoffelijke planeet. Het toonde zijn 
onvervalste werkelijkheid als stoffelijk 
wezen aan. 

Toen er in de voorsterfelijke raadsver- 
gaderingen plannen werden gemaakt 
voor zijn verzoeningswerk, werd er ook 
aandacht besteed aan de plannen voor 
de schepping van deze bijzondere aarde, 
want dit zou een staaltje van goddelijke 
bouwkunst vergen, gevolgd door een 
proces van fysieke opbouw. 

Had Christus, zonder deze aarde, uit 
Maria geboren kunnen worden? Had 
Hij te Jeruzalem aan het kruis gestorven 
kunnen zijn? Had Hij uit het graf 
kunnen opstaan? 

Hadden er zonder deze aarde Ro- 
meinse soldaten kunnen zijn om Hem 
aan het kruis te nagelen en later zijn graf 
te bewaken? 

Had Hij zichzelf in het lichaam aan 
zijn discipelen kunnen tonen als bewijs 
van zijn opstanding? 

Had „de andere" Maria op die eerste 
paasmorgen (Matteüs 28:1) in de tuin 
kunnen zijn om de engel te horen 
verkondigen: „Hij is hier niet, want Hij 
is opgewekt"? (Matteüs 28:6)? 

De bijzondere schepping van deze 
aarde was een onmisbaar onderdeel van 



122 



het plan van zaligheid. Zij had een 
bepaald doel. Het was niet zomaar een 
opwelling achteraf, of het gevolg van een 
toevallige samenloop van omstandighe- 
den, of van een of andere spontane 
ontwikkeling. 

De aarde was het resultaat van welo- 
verwogen planning en een doelgericht 
scheppingsproces. De goddelijke archi- 
tect ontwierp haar. De Almachtige 
Schepper bracht haar tot stand en wees 
haar haar bijzondere zending toe. 

Deze aarde was evenwel niet louter 
bedoeld als een woonplaats voor sterve- 
lingen. Helemaal niet. Zij heeft een nog 
veel grotere bestemming. Deze aarde zal 
niet in haar huidige staat blijven. Ze is 
bestemd onsterfelijk te worden. Ze zal 
een zuiveringsproces ondergaan, waar- 
door zij een celestiale bol zal worden en 
zal zijn als een Urim en Tummim in de 
ruimte. (Zie Leer en Verbonden 130:9.) 
Hiertoe zal opnieuw scheppend hande- 
len van Godswege nodig zijn en ons 
gezond verstand vertelt ons uiteraard, 
dat een dergelijke verandering niet door 
een toevallige samenloop van omstan- 
digheden tot stand kan komen. 

De Verlosser zal hier wonen wanneer 
de aarde celestiaal is gemaakt en zijn 
Vader zal haar van tijd tot tijd een 
bezoek brengen. Ze zal dan de eeuwige 
woning zijn van hen die de celestiale 
heerlijkheid in het koninkrijk Gods 
hebben bereikt. 

Dit is de uiteindelijke bestemming van 
de aarde. Dit was het oogmerk dat God 
in gedachten had toen Hij haar schiep, 
want aldus waren zijn plannen vanaf het 
begin. 

Waarderen wij wat deze aarde werke- 
lijk voor ons betekent? Zien wij in 
waarom ze werd geschapen? Begrijpen 
we haar doel? Beseffen we dat haar 



ontstaan niet toevallig of spontaan was? 
Zien we in, dat haar schepping letterlijk 
en waarachtig, volledig en uitsluitend 
een goddelijke handeling was? 

En wie was de Schepper? 

Onze Hemelse Vader verklaart, dat 
het zijn eigen geliefde Zoon was, die deze 
omvangrijke taak volbracht. 

„Alle dingen zijn door het Woord 
geworden en zonder dit is geen ding 
geworden, dat geworden is," zei de 
apostel Johannes. (Johannes 1:3.) 

„Want in Hem zijn alle dingen gescha- 
pen, die in de hemelen en die op de aarde 
zijn, de zichtbare en de onzichtbare, 
hetzij tronen, hetzij heerschappijen, het- 
zij overheden, hetzij machten; alle din- 
gen zijn door Hem en tot Hem 
geschapen. 

En hij is voor alles en alle dingen 
hebben hun bestaan in Hem." (Kolos- 
senzen 1:16-17.) Aldus apostel Paulus. 

De Almachtige bevestigde dit ook 
toen Hij tegen Mozes zei: „En ontelbare 
werelden heb Ik geschapen; en ook deze 
heb Ik voor Mijn eigen oogmerk gescha- 
pen; en Ik schiep ze door de Zoon, die 
Mijn Eniggeborene is." (Mozes 1:33.) 

Ook Christus onderwees, dat Hij zelf* 
de Schepper was. Hij verklaarde tot de 
profeet Joseph Smith: „Zie, Ik ben Jezus 
Christus, Die de hemelen en de aarde 
schiep." (Leer en Verbonden 14:9.) 

Een van de meest ontroerende en 
indrukwekkende openbaringen van de 
Verlosser staat in het boek Ether, waarin 
de verschijning van de Heer aan de broer 
van Jared staat opgetekend. Ik zal er in 
het kort uit citeren. De Verlosser zei 
tegen de broer van Jared: 

„Zie, Ik ben het, Die sedert de grond- 
legging der wereld was bereid om Mijn 
volk te verlossen. Zie, Ik ben Jezus 
Christus . . . 



123 



En nimmer heb Ik Mij getoond aan de 
mens, die Ik heb geschapen, want nim- 
mer heeft de mens in Mij geloofd, zoals 
gij. Ziet gij, dat gij zijt geschapen naar 
Mijn eigen beeld? Ja, alle mensen werden 
in den beginne naar Mijn eigen beeld 
geschapen. . . . 

Zie, dit lichaam, dat gij nu aan- 
schouwt, is het lichaam van Mijn geest; 
en de mens heb Ik geschapen naar het 



,, Jezus is een God van leven 

en licht, geen zinnebeeld van 

dood en twijfel. Hij leeft en 

zal iedereen die gewillig is 

Hem te dienen verlossen" 



lichaam van Mijn geest; en zoals Ik er 
voor u in de geest uitzie, zal Ik aan Mijn 
volk in het vlees verschijnen." (Ether 
3:14-16.) 

Hier hebben we het in zijn eigen 
woorden! De heerlijke, onweerlegbare 
waarheid! Christus is de Schepper! Zul- 
len we zijn woord niet eerder aanvaar- 
den dan de ongeïnspireerde theorieën 
van mensen? 

Het grootste obstakel om in deze 
dagen in Christus te geloven, is de zich 
snel verspreidende loochening, dat Hij 
de Schepper is, welke afkomstig is van 
mensen, die de geopenbaarde waarheid 
willen vervangen door de zeer vage en 
broze theorie als zou het universum en 
alle leven op een of andere mysterieuze, 



spontane of toevallige wijze zijn ont- _ 
staan. 

Loochenen dat Hij de Schepper is , 
staat gelijk met loochenen dat Hij de , 
Christus is. 

Loochenen dat Hij de Schepper is 
staat gelijk met loochenen dat Hij ons 
van onze zonden kan verlossen. 

Loochenen dat hij de Schepper is staat 
gelijk met loochenen dat Hij de banden 
der dood verbrak. Hiermee verwerpen 
we de opstanding. 

Loochenen dat Hij de Schepper is 
staat gelijk met loochenen dat Hij op 
Golgota een verzoening tot stand bracht 
aan het kruis. 

Loochenen dat Hij de Schepper is 
houdt het verwerpen in van zijn evange- 
lie en de ware christelijke godsdienst. 

Maar Hij is de Schepper! Hij is de 
Heiland! Hij is de Verlosser der wereld! 
Hij hééft zijn verzoeningswerk gedaan 
op Golgota en Hij hééft de opstanding 
tot stand gebracht. Dit weten we door 
middel van openbaring van God! Zijn 
evangelie is waar en we hebben het lief en 
wij hebben Hem lief en beschouwen het 
als een voorrecht Hem te dienen! 

Kan iemand een duidelijker beschrij- 
ving van de schepping en van het doel 
van het leven vragen dan die, welke 
wordt gegeven in de Schriften? 

We hebben zelfs het woord van onze 
Eeuwige Hemelse Vader te onzer be- 
schikking. Hij getuigde dat Jezus Chris- 
tus zijn geliefde Zoon is en voegde eraan 
toe, dat Hij welbehagen in Hem had. 
(Zie Matteüs 3:17.) 

Hij bevestigde niet alleen dat Christus 
de werelden heeft geschapen, maar ver- 
klaarde na elke fase van het scheppings- 
proces dat het goed was. 

Toen het water en het firmament op 
hun plaats werden gesteld, „Zag God, 



124 



dat het goed was." Toen het leven op de 
aarde werd geplaatst, „Zag God, dat het 
goed was," en toen de schepping was 
voltooid „Zag God alles, wat Hij ge- 
maakt had, en zie, het was zeer goed". 
(Zie Genesis 1:10-31; cursivering 
toegevoegd.) 

De Vader is een God van waarheid, en 
Hij zei dat de Verlosser „vol genade en 
waarheid is". (Mozes 1:6.) Zouden we 
het dan wagen Hem niet te geloven of 
zijn boodschap te verwerpen? De Ver- 
losser voerde het scheppingswerk uit en 
de Vader had welbehagen in Hem! Moet 
het ons dan niet graag verheugen Hem 
aan te nemen en te dienen? 

De Vader heeft bij herhaling aan zijn 
tevredenheid over de bediening van zijn 
Zoon uiting gegeven. Zei Hij ter gelegen- 
heid van de doop van Christus niet, 
„Deze is Mijn Zoon, de geliefde, in wie 
Ik mijn welbehagen heb"! (Matteüs 3:17; 
cursivering toegevoegd.) 

Zei Hij dit niet opnieuw op de berg der 
verheerlijking? „Deze is mijn Zoon, de 
geliefde, in wie Ik mijn welbehagen heb." 
(Matteüs 17:5; cursivering toegevoegd.) 

Introduceerde Hij de Verlosser niet 
aan de Nephieten in dezelfde bewoor- 
ding? „Ziet Mijn Geliefde Zoon, in wie 
Ik Mijn welbehagen heb." (3 Nephi 11:7; 
cursivering toegevoegd.) 

En prees de Heer zijn geliefde Zoon 
niet op overeenkomstige wijze, toen Hij 
aan de jongen Joseph Smith verscheen? 

Is het getuigenis van onze Hemelse 
Vader niet voldoende om alle twijfel in 
het menselijk verstand uit te bannen? Hij 
is het, Die verklaarde dat Jezus zijn 
Zoon is en dat Hij alles goed heeft 
volbracht. 

Waaruit bestaat dan ons geloof? 

Wij geloven dat God onze Hemelse 
Vader is en dat we door middel van het 



evangelie aan Hem gelijk kunnen wor- 
den en bij Hem kunnen wonen. 

Wij geloven dat Jezus van Nararet zijn 
Zoon is en onze Verlosser. 

Wij geloven dat de Verlosser werkelijk 
de schepper van hemel en aarde is en dat 
Hij het goddelijk voorbeeld is waarnaar 
wij ons leven moeten richten. 

Laten we Hem dus in geest en in 
waarheid volgen en aanbidden. 

Hij richt een warme uitnodiging tot 
iedereen, zeggende: „Komt tot Mij, 
allen, die vermoeid en belast zijn, en Ik 
zal u rust geven; neemt Mijn juk op en 
leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig 
en nederig van hart, en gij zult rust 
vinden voor uw zielen; want mijn juk is 
zacht en Mijn last is licht." (Matteüs 
11:28-31.) 

Toen Hij werd geboren zongen de 
engelen. 

Toen Hij stierf weenden de hemelen. 

Toen Hij de banden des doods ver- 
brak, waren er engelen en ook Maria om 
Hem te begroeten. Zij kende Hem en 
wist dat Hij de Christus was. 

Maar sommigen twijfelden. 

Zullen wij zijn zoals Maria en in Hem 
geloven en Hem aanvaarden? Of zullen 
we ons bij die twijfelaars voegen en ons 
hullen in de duisternis van het ongeloof? 

Jezus is een God van licht en leven en 
geen symbool van dood en twijfel. Hij 
leeft en zal iedereen die gewillig is Hem te 
dienen verlossen. Hij is onze goddelijke 
Heiland en onze eeuwige Schepper. Hij 
is de opstanding en het leven. Dit is ons 
getuigenis tot de wereld. 

Jawel, vandaag is het Pasen en voor 
ons betekent Pasen Christus - de verre- 
zen Christus, de Zoon van God, onze 
Schepper en onze Heiland. In de naam 
van Jezus Christus. Amen. D 



125 



3 april 1983 
ZONDAGMIDDAGVERGADERING 



Vrije wil en zelfbeheersing 

Ouderling Boyd K. Packer 
van het Quorum der Twaalf Apostelen 




Ik heb een boodschap voor u, ouders, 
met betrekking tot de opvoeding van uw 
kinderen. Enige weken geleden waren 
een vier-sterren generaal en zijn vrouw 
op mijn kantoor; het waren indrukwek- 
kende persoonlijkheden. Ze bewonde- 
ren de kerk vanwege het gedrag van onze 
jeugd. De vrouw van de generaal bracht 
haar kinderen ter sprake, waarop ze 
terecht trots is. Maar ze uitte een diepe 
bezorgdheid. „Vertelt u me eens," zei ze, 
„hoe slaagt u erin uw jeugd te beheersen 
en karakter te ontwikkelen, zoals we 
hebben kunnen waarnemen in uw jonge- 
mannen?" 

Haar gebruik van het woord „beheer- 
sen" vond ik interessant. Ik vertelde hen, 
dat het antwoord op deze vraag gelegen 
was in de leerstellingen van het evange- 
lie. Ze toonden belangstelling en dus gaf 
ik een korte uiteenzetting van de leer der 
vrije wil. Ik legde uit, dat we beheersing 
ontwikkelen door vrijheid te onderwij- 
zen. Aanvankelijk dachten ze misschien, 
dat we aan de verkeerde kant beginnen. 



Wat is een vier-sterren generaal namelijk 
anders, dan één brok discipline. Wan- 
neer men echter het evangelie begrijpt, 
wordt het overduidelijk, dat zelfbeheer- 
sing de beste wijze van beheersing is. 

Het mag op het eerste gezicht onge- 
bruikelijk lijken om zelfbeheersing aan te 
kweken door te concentreren op vrijheid 
van keuze, maar het is een zeer gezonde, 
op de leerstellingen gebaseerde visie. 

Ofschoon elk van beide onderwerpen 
afzonderlijk onderwezen kan worden en 
ze op het eerste gezicht eikaars tegenpo- 
len lijken, zijn ze in feite onderdelen van 
hetzelfde onderwerp. 

Sommige mensen, die het leerstellige 
aspect van het onderwerp niet begrijpen, 
zien niet meteen het verband tussen 
gehoorzaamheid en vrijheid van keuze. 
Er ontgaat hen een vitale schakel en zij 
zien gehoorzaamheid louter als een be- 
teugeling. Bijgevolg verzetten zij zich 
juist tegen datgene, dat hen ware vrijheid 
zal brengen. Werkelijke vrijheid zonder 
verantwoordelijkheid is onbestaanbaar 



126 



en er bestaat evenmin een duurzame 
vrijheid zonder kennis der waarheid. De 
Heer zei: „Als gij in Mijn woord blijft, 
zijt gij waarlijk discipelen van Mij en gij 
zult de waarheid verstaan, en de waar- 
heid zal u vrijmaken." (Johannes 8:31- 
32.) 

De generaal begreep al gauw een 
waarheid, die zelfs menigeen in de kerk 
ontgaat. Heiligen der laatste dagen zijn 
niet gehoorzaam, omdat ze tot gehoor- 
zaamheid worden gedwongen. Ze zijn 
gehoorzaam omdat ze kennis hebben 
van bepaalde geestelijke waarheden en 
het besluit genomen hebben, als uitdruk- 
king van hun eigen individuele vrije wil, 
om de geboden van God te gehoor- 
zamen. 

Wij zijn de zoons en dochters van 
God, bereidwillige volgelingen, discipe- 
len van de Heer Jezus Christus, en 
„onder deze benaming (zijn wij) vrijge- 
maakt." (Mosiah 5:8.) 

Diegenen die het hebben over blinde 
gehoorzaamheid mogen er de schijn van 
hebben veel te weten, maar zij begrijpen 
de leerstellingen van het evangelie niet. 
Er bestaat een soort gehoorzaamheid die 
voortkomt uit kennis der waarheid en 
die uitgaat boven iedere vorm van 
beheersing. We zijn niet gehoorzaam, 
omdat we blind zijn; we zijn gehoor- 
zaam, omdat we kunnen zien. Ik her- 
haal, dat zelfbeheersing de beste vorm 
van beheersing is. 

De generaal wist toen waarom wij 
onze kinderen de leringen van het evan- 
gelie van Jezus Christus onderwijzen en 
waar zij de vastbeslotenheid vandaan 
hebben om persoonlijke vrijheid te allen 
tijde te verdedigen. 

De verantwoordelijkheid voor het 
onderwijzen van de leerstellingen berust 
bij de ouders. 



,,De heerlijkheid Gods is intelligentie, 
of met andere woorden, licht en waar- 
heid. Licht en waarheid verzaken de 
boze ... Ik heb u geboden uw kinderen in 
licht en waarheid groot te brengen." 
(Leer en verbonden 93:36-37, 40; cursi- 
vering toegevoegd.) 

Hoe veilig zullen uw kinderen zijn als 
al hetgeen ze over het evangelie weten 
bestaat uit de dingen, die u ze thuis heeft 
geleerd? Zullen zij het kwade afwijzen, 
omdat zij aldus verkiezen? 

Als jongeman in het leger bezocht ik 
eens het oude heiligdom van Nikko 
Kanko in Japan. In de voorgevel ervan 
zijn de drie aapjes uitgehouwen. De ene 
met de handen over de oren, de tweede 
met bedekte ogen en de derde met de 
handen over zijn mond. Hoor geen 
kwaad; zie geen kwaad; spreek geen 
kwaad! Dat is makkelijker gezegd dan 
gedaan! Het is niet makkelijk om zelfbe- 
heersing aan te kweken, wanneer de 
wereld ons tot toegeeflijkheid aanzet. 

Gelukkig hebben ouders een belang- 
rijk hulpmiddel tot hun beschikking. 
Ongelukkigerwijs zien sommige gezin- 
nen het over het hoofd. 




127 



Enkele jaren geleden woonde ik een 
diploma-uitreiking bij van het seminarie 
op Hawaï. Er werd een knappe jonge 
atleet, een Hawaïaan, onderscheiden. 
Hij was gezegend met een welgevormd 
lichaam en hij had in diverse sporten 
uitgeblonken. Zoals vaak met atleten het 
geval is, was hij zowel binnen als buiten 
de kerk erg bekend. Zijn sportieve 
begeleiders hadden hem voor het meren- 
deel geoefend en getraind in het op 
elkaar afstemmen van zijn lichamelijke 
krachten en hadden daarbij enigzins 
bijgedragen tot de ontwikkeling van 
deugden zoals vastberadenheid en 
moed. 

Hij zei, dat het voor hem niet moeilijk 
was geweest om atletische successen te 
boeken. Wanneer hij maar bleef oefenen 
en zich aan de trainingsregels hield, 
werkte zijn lichaam zoals gewenst, be- 
heerste hij het volkomen. 

Vervolgens bracht hij een ander soort 
zelfbeheersing ter sprake, dat niet zo 
gemakkelijk aan komt waaien en zei: „Ik 
vond het makkelijker om de spieren in 
mijn armen en benen te beheersen, dan 




GmmsBrnmmmmA 



Ouderling Boyd K. Packer van het 
Quorum der Twaalf Apostelen. 



de spieren van mijn tong. Ik vond het 
makkelijker om op het veld mijn ogen te 
beheersen dan op straat. Het is niet 
makkelijk om te bepalen wat ik wel en 
wat ik niet zal horen. En bovenal is het 
niet gemakkelijk om mijn gedachten te 
beheersen." Daarop sprak hij zijn dank- 
baarheid uit voor het seminariepro- 
gramma en zwaaide zijn seminarieleer- 
krachten hoge lof toe. Zij waren de 
begeleiders, die hem leerden zelfbeheer- 
sing te hebben over het meest blijvende 
deel van zijn natuur. 

Het gooien van een bal of het springen 
over een hindernis of het opheffen van 
een gewicht wordt al gauw een bijkom- 
stigheid in het leven. Lichamelijk kun- 
nen verkwijnt. Maar zedelijke en geeste- 
lijke kracht kan sterker worden, terwijl 
onze lichamelijke krachten met de jaren 
verminderen. 

Als u wilt, dat uw kinderen een 
geestelijke groei doormaken, onderwijs 
hen dan in de leringen van het evangelie. 

Als u wilt dat uw zoon piano speelt, is 
het goed om hem aan muziek bloot te 
stellen. Dit kan hem er gevoel voor 
geven en hem uitstekend van dienst zijn 
tijdens zijn studie. Maar het is niet 
genoeg. Er zal geoefend moeten worden 
en gememoriseerd en er zal oefening en 
oefening en nogeens oefening mee ge- 
moeid zijn, voordat hij goed kan spelen. 

Als u wilt, dat uw dochter een taal 
leert, breng haar dan in gezelschap van 
diegenen die de taal spreken. Op deze 
wijze zal ze wellicht gevoel voor die taal 
kunnen ontwikkelen en zelfs vele woor- 
den leren. Maar dit is niet voldoende. Ze 
zal grammaticaregels en woordjes moe- 
ten leren. Ze zal de uitspraak moeten 
oefenen. Ze zal de taal nooit vloeiend 
spreken of schrijven zonder het van 
buiten leren van heel veel dingen. 



128 



Zo is het ook met het evangelie. Je 
kunt er enig gevoel voor hebben. Maar 
ééns zul je de leerstellingen moeten 
bestuderen. Ook hier zijn oefenen, me- 
moriseren, lezen, luisteren en bespreken 
onontbeerlijk. De weg naar kennisver- 
werving gaat niet over rozen. 

De kerk kan ouders helpen, omdat 
zulke leerprocessen op een doelmatige 
wijze plaats kunnen vinden binnen de 
muren van een leslokaal. Daarom heb- 
ben we seminarie-, instituuts- en gods- 
dienstlessen; er zijn priesterschapslessen, 
lessen in de zondagsschool en lessen in 
het kader van de hulporganisaties. De 
leerplannen hiervan draaien alle rond de 
Schriften en de geschiedenis van de kerk. 
Geestelijke ontwikkeling houdt ten 
nauwste verband met kennis omtrent de 
Schriften, waarin de leerstellingen zijn 
opgetekend. 

Een schoolbibliotheek kan een wereld 
aan kennis bevatten. Maar tenzij een 
student het kaartsysteem kent, zal het 
zoeken naar die kennis een ontmoedi- 
gende ervaring blijken te zijn; het zal een 
zware opgave zijn. Die kaartsystemen 
zijn niet echt moeilijk om te ontcijferen. 
Als dat lukt zal alle kennis die in de 
boeken ligt opgeslagen voor de student 
toegankelijk worden. Het opzoeken van 
een boek wordt dan een zeer eenvoudige 
zaak. Maar de kwestie is het boek te 
vinden en te lezen. Je moet er iets voor 
doen. 

Zo is het ook met de Schriften. Ze 
bevatten de volheid van het eeuwigdu- 
rende evangelie, een eeuwigheid aan 
kennis. Men moet echter leren ze te 
gebruiken, anders zal het zoeken een 
weinig bemoedigende bezigheid zijn. 
Ook hier is er een systeem om het een en 
ander op te zoeken. Leer de concordan- 
tie kennen, ga de voetnoten en het 



trefwoordenregister na; leer de boeken 
van de Bijbel en het Boek van Mormon 
van buiten. Dan zullen de Schriften hun 
schatten prijsgeven. Dit wordt allemaal 
onderwezen in de seminarie- en insti- 
tuutslessen. De leerkrachten zijn zowel 
waardig als gedegen opgeleid. Maar zij 



„Werkelijke vrijheid zonder 

verantwoordelijkheid is 

onbestaanbaar, en er bestaat 

evenmin een duurzame 

vrijheid zonder kennis der 

waarheid" 



kunnen niets doen als uw leerlingen niet 
zijn ingeschreven. 

Er voltrekt zich een omwenteling. De 
siliconenchip heeft onze toekomst ver- 
anderd. We gaan van het industriële 
tijdperk over tot het tijdperk van de 
informatica. Scholen zijn druk doende 
zich aan te passen ten einde aan de 
uitdaging het hoofd te bieden. Eindexa- 
meneisen van scholen voor voortgezet 
onderwijs en toelatingseisen voor hoge- 
scholen worden verscherpt. Er zijn min- 
der keuzevakken en zij dienen met zorg 
te worden geselecteerd. 

Zonder uw begeleiding, zal uw stu- 
dent (scholier) misschien een extra bij- 
vak nemen in plaats van het seminiarie, 
of een andere cursus in plaats van het 
instituut. Dat zou zeker een vergissing 
zijn. Het zou zijn als het toevoegen van 
nog een baksteen aan het huis der kennis 
terwijl er onvoldoende specie voorhan- 



129 



den is om het allemaal bijeen te houden. 
Ouders, moedig uw kinderen aan en sta 
er zelfs op dat zij zich laten inschrijven 
voor de seminarie- of instituutscursus. 
Presidenten, bisschoppen, jeugdleiders, 
u heeft de verantwoordelijkheid om elke 
jonge man of vrouw aan te moedigen 
zich in te schrijven, zonder één uitzon- 
dering. Weinig dingen die u doet zal hen 
zoveel voordeel opleveren als dit. 

Leerlingen, als jullie prioriteiten zich 
in een juiste volgorde bevinden, dan 
zullen jullie niet aarzelen om een keuze- 
vak, dat jullie leven kan verfraaien, te 
laten schieten ten gunste van een cursus 
die in staat is de fundering van je leven 
bij elkaar te houden. Als je dan eenmaal 
bent ingeschreven, ga dan naar de lessen, 
studeer en leer. Overtuig je vrienden 
ervan hetzelfde te doen. Het zal je nooit 
spijten; dat beloof ik je. 

Ouders, u heeft veel aan de leerkrach- 
ten te danken. Door ze te ondersteunen 
geeft u blijk van uw steun. Zeer weinig 
leerkrachten zijn uw dankbaarheid on- 
waardig. Wanneer er zich een probleem 
voordoet, hebben ouders maar al te 
gauw en te vaak de neiging de zijde van 




hun kind te kiezen. Wij hebben onze 
jeugd verteld, dat gebrek aan respect 
voor leerkrachten, zowel op school als in 
de kerk in de regel ook thuis voor 
moeilijkheden zal zorgen. Dit jaar zijn er 
tweehonderdduizend leerlingen inge- 
schreven bij het seminarie en meer dan 
honderdtwintigduizend bij het instituut 
of andere godsdienstcursussen, dit alles 
verdeeld over achttien talen en achten- 
zestig landen. In welke onderwijsvorm 
de cursussen ook gegoten mogen zijn, 
onder schooltijd, 's ochtends vroeg of 
thuis, het doet niets af aan de cursus zelf. 
Zij draaien rond de Schriften; ze onder- 
wijzen de leer en de geschiedenis van de 
kerk. 

Sommige leslokalen zijn uitermate 
bescheiden. President Kimball en ik 
woonden eens een seminarieles bij in 
North-Dakota. De les vond niet plaats 
in een mooi lokaal met een bord en een 
projector en speciale schoolstoeltjes. We 
kwamen bijeen in een piepkleine slaap- 
kamer in een piepklein huisje. 

De lerares, zuster Twee Honden, zat 
op de rand van het bed. De leerlingen 
zaten opgepropt op de vloer. De les deed 
niet onder voor de lessen die gegeven 
worden in een mooi kerkgebouw. Het 
meest belangrijke bestanddeel, de Geest 
van de Heer, was er. Ik woonde ook een 
diploma-uitreiking bij van het seminarie 
in Omaha (Nebraska). De spreker, op- 
nieuw een jongeman, beschreef de vol- 
gende ervaring: 

„Elke morgen werd ik wakker ge- 
maakt, door de lieve stem van mijn 
moeder, die riep: ,Jan, het is tijd om je 
klaar te maken voor het seminarie!' Het 
jaar rolde voort en de ochtenden werden 
alsmaar kouder, natter en donkerder; 
niettemin bleef mijn moeder me met 
haar opgewekte stem roepen, Jan, tijd 



130 



voor het seminarie!'" Vervolgens voegde 
hij eraan toe: „Ik kreeg een hekel aan die 
woorden!" 

Toen echter, zijn tranen terugdrin- 
gend, dankte hij zijn moeder voor het- 
geen ze hem gegeven had. En ik denk, 
dat hij pas later besefte dat zij elke 
morgen nog vroeger moest opstaan dan 
hij. 

Uw kinderen zullen de verzoekingen 
waarmee ze te maken krijgen, niet thuis 
tegenkomen, of tijdens de seminarieles- 
sen. Die zullen later komen, wanneer ze 
onder de hoede van zowel leerkracht als 
ouder uit zijn. Eens moet u hen laten 
gaan. Hoe vrij en hoe veilig zullen ze zijn, 
als die dag aanbreekt? Dat zal afhangen 
van de mate waarin zij waarheid onder- 
wezen gekregen hebben. Ik ken een 
jonge zendeling, die, een halve wereld 
verwijderd van zijn ouders en leerkrach- 
ten, de proef moest doorstaan die het 



man-worden met zich meebrengt. Bui- 
ten de invloedsfeer van al deze mensen 
nam hij daar een besluit. Later schreef 
hij: „Ik ben zo blij dat ik gebleven ben, 
want tijdens de afgelopen maand heb ik 
iets gevonden - mezelf." 

Ik dank God voor de leerkrachten in 
de kerk, u die hebt en bent gekozen voor 
het betere deel. 

Moge een stem ook tot u komen, 
tijdens die ontmoedigende uren waarin u 
voor onrijpe, ongeïnteresseerde en soms 
brutale leerlingen staat. Die stille, zachte 
stem van inspiratie, die u toefluistert: 
„Onderwijst ijverig, en Mijn genade zal 
met u zijn." (Leer en Verbonden 88:78.) 

De Heer was een leraar. Ik getuig van 
Hem en bid, dat Hij al diegenen zal 
zegenen die in zijn voetstappen treden 
om het evangelie van Jezus Christus te 
onderwijzen. In de naam van Jezus 
Christus. Amen. D 



:,.,., 



smmiinmms ;:;sïï::S!iS'ï 




■;'K«ï 





131 



Onderwijzen — geen grotere roeping 

Ouderling M. Russell Ballard 
van het Presidium van het Eerste Quorum der Zeventig 




De afgelopen jaren ben ik werkzaam 
geweest als uitvoerend hoofd van de 
afdeling onderwijsprogramma's van de 
kerk. Toen het volledig tot me door- 
drong welke immense inspanning ermee 
gemoeid is om één enkel studieprogram- 
ma samen te stellen, voelde ik me als 
verpletterd. Ik heb tegenwoordig dan 
ook een veel grotere waardering voor het 
goedgekeurde studiemateriaal van de 
kerk. 

Laat me u een voorbeeld geven. Het 
huidige supplement voor de leerkracht 
Evangeliebeginselen, dat werd samen- 
gesteld om de leerkrachten van dienst te 
zijn bij het onderwijzen van het Nieuwe 
Testament, werd geschreven door een 
comité van trouwe en kundige schrijvers 
die in dienst van de kerk zijn en die 
werden geroepen en aangesteld voor die 
taak door een van de algemene autoritei- 
ten. Hun werk ving aan in het voorjaar 
van 1980, nadat hun ontwerp door de 
algemene autoriteiten was goedgekeurd. 
De leden van zo'n schrijverscomité be- 
steedden duizenden uren aan onder- 
zoek, aan het daadwerkelijke schrijven 
en aan het bijwonen van de comitéverga- 



deringen, die twee keer in de week 
plaatsvonden en waarin het hele comité 
met grote zorg elke les aan een oordeel 
onderwierp en verbeteringen voorstelde. 
Het werk van het schrijverscomité werd 
vervolgens bekeken door het hoofd van 
de afdeling onderwijsprogramma's en 
het hoofd van de afdeling priesterschap 
- beide algemene autoriteiten, door het 
algemeen presidium en het algemeen 
bestuur van de zondagsschool, door de 
afdeling bewerking en door de afdeling 
correlatie. 

Dit handboek onderging kritisch on- 
derzoek op vele niveaus voordat het 
werd goedgekeurd om dit jaar in de 
zondagsschool te worden gebruikt. Al 
het onderwijsmateriaal voor de kerk 
volgt deze zelfde basisprocedure tijdens 
de voorbereidingsfase. 

Leerkrachten doen er goed aan de 
Schriften en hun lesboeken zorgvuldig te 
bestuderen, voordat ze gebruik maken 
van aanvullend materiaal. Veel te veel 
leerkrachten schijnen van de goedge- 
keurde leerstof af te dwalen, zonder dat 
ze die goed doorgenomen hebben. Wan- 
neer leerkrachten ten behoeve van het 



132 



geven van een les de behoefte voelen om 
gebruik te maken van goed aanvullend 
materiaal buiten de Schriften en hand- 
boeken om, dan zouden zij allereerst het 
gebruik van de kerkelijke tijdschriften 
moeten overwegen. 

Leerkrachten kunnen op veilige bo- 
dem blijven, wanneer ze de standaard- 
werken, de goedgekeurde handboeken 
en de geschriften van de algemene auto- 
riteiten gebruiken. Ouderling Hyrum M. 
Smith van de Raad der Twaalf zei: 
,,Door vijf minuten in de Schriften te 
lezen kunnen we meer leren dat de 
moeite waard is om in ons geheugen te 
prenten, en ons van nut zal zijn als we het 
ons in herinnering blijven brengen en 
ernaar leven, dan al datgene wat we 
kunnen lezen in alle zes best-sellers van 
elke maand van elk jaar." {Conference 
Report van oktober 1917, blz. 38.) 

Ik geloof dat er in de kerk geen grotere 
roeping is dan die van een doeltreffende 
leerkracht. Doeltreffend onderwijs ge- 
ven door middel van de Geest is in staat 
de zielen der mensen op te wekken tot 
een verlangen om de beginselen van het 
evangelie van Jezus Christus beter na te 
leven. 

In iedere onderwijssituatie, of het nu 
gaat om de gezinsavond, een klassikale 
les, een avondmaalsvergadering of een 
algemene of ringconferentie, moet de 
leerkracht ernaar streven dat de leerlin- 
gen in hun hart het oprechte verlangen 
voelen om zo te leven, dat zij het eeuwige 
leven bij onze Hemelse Vader waardig 
zijn. 

Met betrekking tot de behoefte aan 
doeltreffend onderwijs in de kerk, gaf 
president Kimball de volgende raad: 
„Stel alstublieft bijzonder belang in het 
versterken en verbeteren van de kwali- 
teit van het onderwijs in de kerk.. . . 



Soms ben ik bang, dat maar al te vaak 
veel van onze leden naar de kerk komen, 
hun lessen of vergaderingen uitzitten en 
vervolgens grotendeels oningelicht naar 
huis terugkeren. . . . We hebben er allen 
behoefte aan door de Geest geraakt en 
gevoed te worden, en doeltreffend on- 
derwijs is een van de meest belangrijke 
manieren waardoor dit kan gebeuren." 
(Ensign van mei 1981, blz, 45.) 

De apostel Paulus plaatste de leer- 
krachten in orde van belangrijkheid vlak 
na de apostelen en de profeten, toen hij 
zei: „En God heeft sommigen aangesteld 
in de gemeente, ten eerste apostelen, ten 
tweede profeten, ten derde leraars." (1 
Korintiërs 12:28.) 

President Brigham Young maakte 
gebruik van het volgende verhaal om de 
potentiële invloed van leerkrachten te 
illustreren: „Een reiziger in het oosten 
van het land haalde op weg naar een 
stadje een oude heer in, en vroeg hem: 
,Wie is de grote man van die kleine stad? 




Ouderling M. Russell Ballard van het 
Presidium van het Eerste Quorum der 
Zeventig. 



133 



Wie is uw leider? Wie is de bestuurder en 
de heersende geest over die kleine 
plaats?' De oude heer antwoordde: ,Ik 
ben de koning van dat stadje,' ,Echt 
waar,' zei de reiziger, ,bent u de leidende 
figuur?' ,Jawel meneer, ik ben de koning 
van die plaats en regeer als een koning.' 
, Waaraan kan ik zien, dat dit waar is? 
Bent u welgesteld?' ,Nee, ik ben arm; 
maar in dat kleine dorpje daarginds 
wonen veel kinderen. Al die kinderen 
gaan naar mijn school; ik heers over de 



„Iedere menselijke ziel leert 

bijna elke minuut wel iets 

aan iemand anders, hier in 

de sterfelijkheid" 



kinderen, en zij heersen over hun ouders 
en dat is het wat mij koning maakt.'" 
{Journal of Discour ses, deel 9, blz. 39.) 

President David O., McKay zei: „Op 
geen man kan een grotere verantwoor- 
delijkheid rusten, dan die van leraar van 
Gods kinderen." (Conference Report 
van oktober 1916, blz. 57.) 

Mogen wij u, de priesterschapsleiders 
die uw leden roept tot de functie van 
leerkracht, vragen om onder veel gebed 
en met zorg te werk te gaan bij het kiezen 
van diegenen die les zullen geven in uw 
ringen, wijken of gemeenten. Zorg voor 
een doorlopende applicatiecursus voor 
de leerkrachten. Bezoek de lessen bij 
gelegenheid en maak duidelijk dat u 
oprecht belang stelt in de grootse zaak 



van het onderwijs. Laat dit zeer belang- 
rijke werk alstublieft niet op zijn beloop. 

De Heer gaf het voorbeeld toen Hij 
Paulus naar het huis van Ananias stuur- 
de. De Heer liet hem niet voortsukkelen 
in zijn nieuwe geloof, maar zorgde 
ervoor, zoals staat opgetekend in het 
negende hoofdstuk van Handelingen, 
dat Paulus gericht werd opgeleid om een 
kolossale evangelieleraar en apostel te 
worden. 

Zou iedere onderwijssituatie in de 
kerk eigenlijk niet een forum van geloof 
moeten zijn, waarin de leerkracht het 
geestelijke leven en het geloof van de 
leerlingen versterkt en voedt? 

President J. Reuben Clarks instructies 
tot een groep beroepsleerkrachten, gel- 
den voor alle leerkrachten in de kerk. Hij 
zei: „Uw essentiële en zo goed als enige 
taak is het onderwijzen van het evangelie 
van Jezus Christus ... U dient dit 
evangelie te onderwijzen, gebruik ma- 
kend van de standaardwerken van de 
kerk als bron en gezag, alsmede de 
woorden van diegenen die God geroe- 
pen heeft om zijn volk te leiden in deze 
laatste dagen. U mag uw eigen filosofie 
niet mengen in uw werk, ongeacht de 
bron ervan of hoe aantrekkelijk of 
rationeel deze u toeschijnt." („The 
Chartered Course of the Church in 
Education", een toespraak gegeven op 
de zomercursus van de Brigham Young 
University in Aspen Grove, Utah, 8 
augustus 1938, blz. 9.) 

Jezus berispte de Saducceeën wegens 
hun onjuiste leerstellingen. Hij zei: „Gij 
dwaalt, want gij kent de Schriften niet 
noch de kracht Gods." (Matteüs 22:29.) 
De Heer benadrukte hoe noodzakelijk 
het is dat leerkrachten zich onder gebed 
voorbereiden, zoals staat opgetekend in 
de Leer en Verbonden: „En de Geest zal 



134 



u door het gebed des geloofs worden 
gegeven; en indien gij de Geest niet 
ontvangt, moet gij niet onderwijzen." 
(Leer en Verbonden 42:14.) 

Een van de grote leraren in mijn leven, 
president N. Eldon Tanner, zei: ,,Naar 
mijn mening kan niemand een grotere 
roeping ontvangen dan die van leer- 
kracht in De Kerk van Jezus Christus 
van de Heiligen der Laatste Dagen. Op 
een of andere wijze zijn wij allen leer- 
krachten, of we nu zijn geroepen en 
aangesteld als zodanig of niet." (Tea- 
ching Children of God, Ensign van 
oktober 1980, blz. 2.) 

Met zekerheid kan worden gesteld, 
dat geen leerkracht in de kerk vaders en 
moeders in belangrijkheid overtreft. Er 
is geen leslokaal zo belangrijk als de 
huiselijke haard. Ouders hebben het 
gebod ontvangen hun kinderen het 
evangelie te onderwijzen (zie Leer en 
Verbonden 68:25). 

Mijn broeders en zusters, ik geloof dat 
iedere menselijke ziel bijna elke minuut 
van deze sterfelijkheid wel iets onder- 
wijst aan iemand anders. Laten we grote 
eerbied hebben voor het vertrouwen, dat 
de Heer in ons heeft gesteld om „elkan- 
der de leer van het koninkrijk (te) 
onderwijzen." (Leer en Verbonden 
88:77.) " 

Mag ik elk lid van de kerk dat 
werkzaam is als leerkracht, ertoe aan- 
moedigen steeds te bedenken, dat iedere 
ziel kostbaar is voor onze Hemelse 
Vader, want wij zijn allen zijn kinderen. 
Gods kinderen hebben het recht om in 
duidelijke en begrijpelijke bewoordin- 
gen in de waarheden van het evangelie 
onderwezen te worden, zodat de Geest 
deze waarheden kan bevestigen. 

Mijn bede tot de leerkachten van de 
kerk is om te studeren, te overwegen en 



te bidden voor leiding bij uw voorberei- 
ding. Gebruik de Schriften en het goed- 
gekeurde materiaal, en geef les met het 
doel een zegen en een bron van inspiratie 
te zijn voor het leven van degenen die u 
zijn toegewezen. Laat ons ook beden- 
ken, dat een deel van het doeltreffendste 
activeringswerk in de kerk tot stand 
wordt gebracht door die leerkrachten 
die toenadering zoeken tot de inactie- 
ven, en hen liefdevol onderrichten totdat 
zij weer ten volle opgenomen zijn in de 
gemeenschap der heiligen. 

Tot de Meester-leraar, de Heer Jezus 
Christus, wiens opstanding wij in deze 
paastijd vieren, zeg ik: „Ik dank U, o 
Heer, dat U ons geleerd heeft, dat er 
geen grotere roeping is dan die van een 
doeltreffende leerkracht. In de naam van 
Jezus Christus. Amen. D 





135 



Vergeven is goddelijk 



Ouderling Theodore M. Burton 
van het Eerste Quorum der Zeventig 




Ik zou mijn opmerkingen vandaag 
willen beperken tot het beginsel verge- 
vensgezindheid en op welke wijze dat 
van toepassing is op iemand die onder 
censuur is gesteld of is geëxcommuni- 
ceerd. Wanneer wij dit beginsel toepas- 
sen kunnen wij gehoor geven aan het 
gebod „ondersteun de zwakken, hef de 
handen op, die slap hangen en sterk de 
zwakke knieën". (Leer en Verbonden 
81:5.) Het onder-censuur-stellen of ex- 
communiceren van iemand is de meest 
liefdevolle daad, die de kerk bij tijd en 
wijle kan stellen. Dit zal sommigen, die 
de ware aard van bekering en vergiffenis 
niet begrijpen, misschien nogal onge- 
rijmd in de oren klinken. En zelfs binnen 
de kerk hebben de leden er soms moeite 
mee om te bepalen hoe ze zich moeten 
opstellen tegenover zo iemand. 

Moet ik de contacten op een laag pitje 
zetten om mezelf te beschermen, voor 
het geval de zonde besmettelijk is? Zou 
ik uiting moeten geven aan mijn afkeer 
dat hij of zij een dermate ernstige 
overtreding heeft begaan, om vervolgens 
mijn vrienden elders te gaan zoeken? 



Moet ik net doen alsof er niets is gebeurd 
of moet ik in groeiende mate belangstel- 
ling tonen om blijk te geven van mijn 
liefde en bezorgdheid? Dit zijn belangrij- 
ke vragen die een onvervalst antwoord 
verdienen. 

Ik maak me zorgen over deze kwestie, 
want welke maatregel er ook genomen 
wordt, ze heeft én gevolgen voor de 
overtreder én voor zijn goed- 
bedoelende, maar soms niet goed inge- 
lichte kennissen, waaronder zich trouwe 
leden van de kerk kunnen bevinden. Ik 
maak me zelfs nog meer bezorgd om de 
instelling van slachtoffers van de over- 
tredingen - zij die door de handelwijze 
van de overtreder pijn zijn gedaan. 

Als een geschikt voorbeeld neem ik 
mijn eigen kleinkinderen. Af en toe 
hebben ze ruzie of snauwen ze tegen 
elkaar. Ik vind het echter steeds weer 
verbazingwekkend en ook verheugend 
wanneer ik zie hoe snel het slachtoffer 
van de een of andere ruwe opmerking of 
handelwijze alles weer vergeeft en ver- 
geet. Ik vind het geweldig dat de boos- 
doener weer snel wordt geaccepteerd en 



136 



dat zijn broertjes en zusjes weer meteen 
lief voor hem of haar zijn. Moeder en 
vader leren het overtredende kind, dat 
het niet opnieuw moet overtreden. Op 
deze wijze groeit de liefde in het gezin. 
Wanneer wij onze kinderen het begin- 
sel vergevensgezindheid gaan onderwij- 
zen, moeten we eerst met ons eigen leven 
beginnen. We dienen onze kinderen een 
goed voorbeeld te geven. Wanneer wij in 
onze contacten met familie of vrienden 
egoïstisch of onattent zijn, dan zullen wij 
ze kwetsen. Als we evenwel onze manier 
van optreden veranderen en in de toe- 
komst vermijden anderen pijn te doen, is 
het makkelijker om vergiffenis te ont- 
vangen. Bekering houdt in dat men zich 
anders gaat gedragen, hetgeen uitnodigt 
tot vergeving. Wanneer vader en moeder 
elkaar snel vergeven en daarna liefdevol- 
ler voor elkaar zijn en meer rekening met 
elkaar houden, zullen hun kinderen snel 
leren overeenkomstig te handelen. Beke- 
ring en vergevensgezindheid zullen de 
norm worden in dat gezin. 

Wanneer wij thuis leren elkaar vergif- 
fenis te schenken, zullen wij daar ook 
eerder toe in staat zijn in de kerk en in de 
maatschappij in het algemeen. Zoals met 
zovele goede zaken, begint ook verge- 
vensgezindheid in het gezin. We moeten 
niet vergeten onze kinderen te leren, dat 
ook al zijn anderen onvriendelijk en 
onattent, wij traag moeten zijn om hen te 
veroordelen en steeds bereid moeten zijn 
ze te vergeven. We hoeven geen tolerante 
houding aan te nemen ten opzichte van 
zonde, maar we moeten wel verdraag- 
zaam en vergeven sgezind zijn ten op- 
zichte van de zondaar. Jezus Christus 
gaf zijn leven ten einde verzoening 
tussen ons en God tot stand te brengen, 
opdat wij ons door middel van zijn 
zoenoffer kunnen bekeren en vergeving 



van onze zonden kunnen ontvangen. 
Wij staan bij onze Verlosser flink in het 
krijt. Een deel van die schuld bestaat uit 
de plicht elkaar vergiffenis te schenken. 

Toen Jezus de Nephieten onderwees, 
vertelde Hij hen het volgende: 

„Want indien gij de mensen hun 
overtredingen vergeeft, zal uw hemelse 
Vader ook u vergeven; 

Maar indien gij de mensen hun over- 
tredingen niet vergeeft, zal uw Vader uw 
overtredingen evenmin vergeven." (3 
Nephi 13:14—15.) Die vergeving van 
onze Hemelse Vader is dermate volledig 
dat de zonden, die wij begaan hebben 
niet eens meer in zijn gedachten opko- 
men. Zijn vergiffenis is dermate allesom- 
vattend, dat de Heer zich die zonden niet 
eens meer herinneren zal. Maar aan die 
vergeving is een voorwaarde verbonden: 

„Hierdoor moogt gij weten of iemand 
zich van zijn zonden bekeert: Ziet, hij zal 
ze belijden en verzaken." (Leer en Ver- 
bonden 58:43.) 

Bij ons smeken om genade moeten wij 
ook anderen genade tonen. Het kwaad, 
dat anderen ons aandoen, zal op dit 




Ouderling Theodore M. Burton van het 
Eerste Quorum der Zeventig. 



137 



moment misschien erg groot lijken. 
Maar toch, zoals de tijd onze lichamelij- 
ke wonden heelt, zo ook geneest de tijd 
de wonden der ziel. Zoals wij ontsmet- 
tingsmiddelen toepassen om de genezing 
van lichamelijke wonden te bevorderen, 
moeten wij ook liefde en begrip toepas- 
sen om de wonden van de ziel te 
ontsmetten. 

In de mate dat wij anderen vergiffenis 
schenken kunnen wij ook voor onszelf 
vergeving verwachten. Het maakt alle- 
maal deel uit van hetzelfde proces van 
bekering. 



„Zonder een 
vergevensgezinde instelling, 

kan men nauwelijks een 

volgeling van Jezus Christus 

worden genoemd." 



De speciale opdracht die ik als alge- 
mene autoriteit heb ontvangen, is het 
Eerste Presidium bij te staan om mensen 
die ernstige zonden hebben begaan terug 
tot de kerk te brengen. Ik ontvang, 
orden en vat allerlei informatie samen 
voor het Eerste Presidium, die er op zijn 
beurt gebruik van maakt bij het nemen 
van beslissingen. Ik moet de achter- 
grondgegevens lezen om te garanderen 
dat alle van belang zijnde informatie tot 
hun beschikking staat. Wanneer ik de 
hartverscheurende brieven lees waarin 
mensen om vergeving smeken, besef ik 
de waarheid van Alma's verklaring: 
„Zie, ik zeg u: Goddeloosheid bracht 
nimmer geluk." (Alma 41:10.) Mijn hart 



gaat uit naar die lijdenden in een geest 
van vergevensgezindheid. En in plaats 
van stil te blijven staan bij de goddeloos- 
heid en het verdriet van degenen die 
gezondigd hebben, verheug ik me wan- 
neer ik lees dat zovelen hun zondige 
praktijken hebben verzaakt en nu op de 
weg terug zijn naar rechtschapenheid en 
geluk. Mensen zijn in staat te veranderen 
en het gebeurt ook. 

Wanneer mensen onder censuur wor- 
den gesteld of worden geëxcommuni- 
ceerd gebeurt dat niet om ze te straffen, 
maar om ze te helpen. De kerkelijke 
discipline vereist een dergelijk optreden, 
maar we dienen te bedenken, dat het 
woord discipline dezelfde oorsprong 
heeft als het woord discipel. Een discipel 
is een leerling of volgeling — iemand die 
zich bevindt in een leerproces. Kerkelij- 
ke discipline dient dus een leerproces te 
zijn. Wanneer een persoon gediscipli- 
neerd is, dient hij niet buitengeworpen 
en in de steek gelaten te worden door zijn 
medemensen. We dienen dan juist met 
toegenomen liefde deze mensen tege- 
moet te treden om ze de weg terug naar 
God te wijzen. Het is uit den boze een 
kind van God af te wijzen, louter en 
alleen omdat hij een fout heeft gemaakt. 
We moeten hem leren opnieuw te begin- 
nen, om zijn slechte praktijken om te 
zetten in goede daden en aldus zijn leven 
te veranderen. Wanneer hij zich bekeert 
door dienstbetoon aan anderen, kan hij 
hersteld worden tot volledig lidmaat- 
schap of schoon worden gewassen in de 
wateren des doops, en aldus teruggeleid 
worden in de familie van God. 

Mensen leren zonde te overwinnen en 
hun leven ten goede te veranderen, dat is 
waar christelijk dienstbetoon om draait. 
We moeten alles doen wat we kunnen 
om zondaars te helpen hun leven ten 



138 



goede te keren. Anders zullen wij, zoals 
de Schriften ons waarschuwen, ook hun 
zonden moeten dragen. Het is onze 
plicht hen te onderrichten en te helpen 
en het is de plicht van de zondaar te 
luisteren en te leren. Hij zal de totale last 
zelf moeten torsen als hij halsstarrig is en 
weigert. Maar welke zijn huidige hou- 
ding ook moge zijn, we moeten hem 
nooit in de steek laten of denken dat er 
geen hoop is dat hij ooit zal veranderen. 
Er is hoop voor iedereen en we moeten 
nooit ophouden anderen te helpen in- 
zien, dat door middel van het zoenoffer 
van Jezus Christus niet alleen de zonden 
van de mensheid in het algemeen verge- 
ven kunnen worden, maar ook zijn 
persoonlijke zonden. 

Er is één ding waar ik me ernstig 
zorgen over maak wanneer ik de brieven 
lees van hen die pijn gedaan zijn. Ik ben 
bezorgd om de wraakgevoelens en de 
haat die sommigen hebben geuit voor de 
echtgenoot die hen en hun kinderen 
heeft bedrogen of mishandeld. Het kan 
soms gebeuren, dat een vrouw probeert 
om de rekening met haar man te vereffen 
en in een opwelling van wrok dezelfde 
zonde begaat. Alles wat ze hier evenwel 
mee bereikt, is haar eigen vernietiging. 
Sommige mensen uiten zelfs zo'n grote 
wrok ten aanzien van hun vroegere 
partner, dat ze schrijven dat deze niets 
kan doen om het aangerichte kwaad ooit 
goed te maken. Zij beweren met nadruk, 
dat zij hun echtgenoot of echtgenote 
nooit de pijn die deze heeft veroorzaakt 
kunnen vergeven. 

Iemand met een dergelijke instelling 
kan ternauwernood een volgeling(e) van 
Jezus Christus genoemd worden. Zelfs 
over degenen die zo slecht waren dat ze 
hun Verlosser kruisigden, zei Deze: 
„Vader, vergeef het hun, want ze weten 



niet wat ze doen." (Lucas 23:34.) Toen 
Petrus de Heer dan ook vroeg hoe vaak 
hij iemand die tegen hem zondigde 
moest vergeven, antwoordde Jezus: ,,Ik 
zeg u, niet tot zeven maal toe, maar tot 
zeventig maal zevenmaal." (Matteüs 
18:21 — 22.) Mensen zijn in staat te 
veranderen en dit gebeurt ook en het is 
onze plicht hen te vergeven. 

Veel mensen hebben hun problemen 
en moeilijkheden aan zichzelf te danken 
wegens hun onverzoenlijke houding. 
Vandaar dat Jezus Christus deze grote 
waarheid in een moderne openbaring 
bekendmaakte: 

„Daarom zeg Ik tot u, dat gij elkander 
dient te vergeven; want hij, die zijn 
broeder zijn overtredingen niet vergeeft, 
staat veroordeeld voor de Here, want in 
hem verblijft groter zonde." (Leer en 




■■-■:S:~.'-~-^' 



139 



Verbonden 64:9.) Ik begrijp hieruit, dat 
het een grotere zonde is te weigeren 
iemand te vergeven dan de zonde te 
begaan, waarvoor de persoon in kwestie 
onder censuur werd gesteld of geëxcom- 
municeerd. De Heer zei verder: ,,Ik, de 
Here, zal vergeven, wie Ik wil vergeven, 
maar het is van u vereist alle mensen te 
vergeven." (Leer en Verbonden 64:10.) 
We moeten gewillig zijn anderen en zelfs 
onszelf te vergeven. 



Laten wij, naarmate wij voortworste- 
len naar die volmaaktheid die Jezus 
Christus voorhoudt, steeds de nadruk 
leggen op vergeven sgezindheid. Laat 
ons dat onderdeel van ons karakter tot 
ontwikkeling brengen en ons verheugen 
in een vergevensgezinde geest. Dit is de 
bemoedigende boodschap van de ver- 
zoening. Ik bid dat wij allen deze geest 
moge ontwikkelen, in de naam van Jezus 
Christus. Amen. D 



Godslasterlijke taal en vloeken 



Ouderling Ted E. Brewerton 
van het Eerste Quorum der Zeventig 




Welke van de tien geboden van de 
Heer wordt waarschijnlijk het meest met 
voeten getreden? Ik geloof, dat dit het 
ijdel gebruik van zijn naam is. (Zie 
Exodus 20:7.) 

Ik zou het vandaag willen hebben over 
een belangrijk onderwerp, en wel gods- 
lasterlijke taal en vloeken. 

Volgens een moderne synoniemengids 
komen godslasterlijke taal, vloeken en 
het uitslaan van vulgaire en obscene taal 
alle overeen met rauw en verdorven 
taalgebruik. Godslastering heeft ge- 



woonlijk betrekking op het oneerbiedig 
gebruiken van de naam der Godheid. 

Socrates zei eens tegen een jongeman, 
die aan hem werd voorgesteld: „Spreek, 
opdat ik je kan zien." (,,Communication 
of Ideas," blz. 72.) 

Wij geven onszelf bloot door de taal 
die we gebruiken. Shakespeare spoort er 
ons in King Lear toe aan: ,, Spreek een 
betere taal, wilt ge uw geluk niet scha- 
den." (Eerste bedrijf, eerste toneel.) 

Wanneer we ons op de verkeerde weg 
hebben begeven, laat ons dan denken 



140 



aan de woorden van Confucius: „Ie- 
mand die een fout begaat en deze niet 
corrigeert, begaat opnieuw een fout." 
(Vital Quotations, sel. Emerson Roy 
West, Salt Lake City: Bookcraft, 1968, 
blz. 228.) 

Ik zou graag enige openbaringen 
voorlezen, die de Heer in de loop der 
jaren heeft gegeven door middel van zijn 
profeten, opdat wij met betrekking tot 
ondeugdelijk taalgebruik tot eenzelfde 
begrip mogen komen en op eenzelfde 
wijze gaan denken als Hij. 

„Gij zult de naam van de Here, uw 
God, niet ijdel gebruiken, want de Here 
zal niet onschuldig houden wie Zijn 
naam ijdel gebruikt." (Exodus 20:7.) 

„Maar thans moet gij ook dit alles 
wegdoen: toorn, heftigheid, kwaadaar- 
digheid, laster en vuile taal in uw 
mond." (Kolossenzen 3:8.) 

Hebben we onszelf weleens afge- 
vraagd wat de gevolgen van vloeken 
zijn? Jeremia uit hierover de volgende 
gedachte: 

„Want van echtbrekers is het land vol; 
want ten gevolge van de vloek heeft het 
land een treurig aanzien, zijn de dreven 
der steppe verdroogd." (Jeremia 23:10.) 

President McKay spreekt duidelijke 
taal als het gaat om vloeken en godslas- 
tering: „Geen ouder, die Gods naam 
ijdel gebruikt is in staat op consequente 
wijze geloof in God te onderwijzen. 
Godslasterlijke taal wordt nimmer ge- 
hoord in een fatsoenlijk gezin. Vloeken 
is een ondeugd, die getuigt van een laag 
beschavingspeil. Godslasterlijk gevloek 
jaagt iedere geest van eerbied de deur 
uit." (Gospel Ideas, blz. 420.) 

Judith Martin van de Washington 
Post verzorgt de rubriek „Juffrouw 
Manieren", die gelijktijdig in 75 andere 
dagbladen wordt gepubliceerd en waar- 



in ze met betrekking tot grof taalgebruik 
zegt: 

„Hoe stel je je op tegenover grof 
taalgebruik? Beleefd. Ik geloof niet dat 
we ooit grofheid met grofheid moeten 
beantwoorden. Hoe doe je dat? Door 
grote ogen op te zetten of door te 
glimlachen. Ik ben niet iemand, die een 
pittig weerwoord of een afstraffing 
voorstaat." (People Magazine van au- 
gustus 1982, blz. 38.) 

Met beleefdheid bereik je veel meer 
dan wanneer je grofheid met grofheid 
beantwoordt. „Wees geduldig in bezoe- 
kingen, smaad niet hen, die u smaden." 
(Leer en Verbonden 31:9; cursivering 
toegevoegd.) 

De Heer spreekt over dit onderwerp 
bij monde van zijn profeten in bewoor- 
dingen die aan duidelijkheid niets te 
wensen overlaten. President Joseph Fiel- 
ding Smith verklaart in het eerste deel 
van De Leer tot zaligmaking: „Vloeken 
is laag-bij-de-gronds. Men herkent ie- 
mand evenzeer aan zijn taal als aan het 
gezelschap waarin hij zich begeeft . . . 
Laagheid in welke vorm dan ook is 
onterend en vernietigend voor de ziel en 
moet door ieder lid van de kerk als een 
dodelijk gif worden gemeden." (Blz. 21.) 
Wanneer wij niet heel erg voorzichtig 
zijn in ons denken en spreken, zullen de 
woorden die wij gebruiken ons gebrui- 
ken. Taal heeft een eigen ethiek en 
iemand die waarheid overbrengt is gelijk 
een helder licht in de duisternis. We 
moeten onze taal als zodanig koesteren. 

Het is interessant om te horen hoe 
mensen buiten onze kerk denken over 
laag-bij-de-gronds taalgebruik. Ik vind 
de titel en de opmerkingen die Bob 
Green van het Field Newspaper Syndica- 
te maakt erg goed, wanneer hij het in de 
volgende bewoordingen over vloeken 



141 



heeft. Zijn titel luidt: ,, Verontreiniging 
aanhoren." 

Schunnige taal, waarvan het openlijk 
gebruik een kenmerk pleegde te zijn van 
lagere maatschappelijke niveaus, is he- 
den ten dage op de een of andere manier 
aanvaardbaar geworden in de dagelijkse 
gesprekken. 

Ik erger me er nochthans aan - niet uit 
een gevoel van zedelijkheid of preuts- 
heid - maar omdat nonchalant verdor- 
ven taalgebruik in het openbaar zowat 
neerkomt op een schending van de 
privacy. Ik weet dat er mensen zijn, die 
zich gekwetst voelen bij het horen van 
zulke taal. Ik heb dat woord met zorg- 
vuldigheid gekozen; sommig taalge- 
bruik komt neer op het kwetsen van 
gevoelens. 

Zij die het hier niet mee eens zijn 
zullen waarschijnlijk zeggen: ,Het zijn 
toch alleen maar woorden.' Woorden 
zijn echter transportmiddelen; ze trans- 
porteren boodschappen. En voor som- 
migen is de boodschap van godslasterlij- 
ke en verdorven taal een kwaadaardige 
boodschap die vol agressie zit en die 
neerkomt op het met de voeten treden 
van de regels van de burgerlijke 
beleefdheid. 

Obsceniteiten met betrekking tot de 
badkamer en seks zijn tegenwoordig te 
beluisteren in populaire liedjes op de 
radio en zelfs sommige tijdschriften en 
kranten zijn er toe over gegaan dingen te 
drukken, die vijfjaar geleden ondenk- 
baar zouden zijn geweest. In naam der 
, vrijheid' worden deze praktijken ge- 
woonlijk verdedigd. Maar wiens vrijheid 
betreft het? Als taalmisbruik een dusda- 
nig bestanddeel wordt van onze samen- 
leving dat het onmogelijk wordt eraan te 
ontsnappen, wie is er dan vrij en wie 
niet?" 



Deze aanvallen op de gevoelens en de 
boodschappen, die ze met zich meedra- 
gen verheffen geen mens - zij halen de 
mensen naar beneden. 

Er is in deze kerk noch in onze 
gezinnen plaats voor een pessimistische 
of negatieve instelling. We moeten onge- 
neeslijke optimisten zijn. 

Afgezien van de omstandigheden 
waarin iemand verkeert, hij die cynisch, 
pessimistisch of negatief is zal de minste 
vooruitgang maken, het minst gelukkig 
zijn en de minste voorspoed kennen. 

De weg van de Heer daarentegen, is 
dat de optimist die in geloof wandelt, die 
een positieve, verheffende en opbouwen- 
de instelling heeft, degene is die - of hij 
nu wel of geen lid van de kerk is - steeds 
het verst vooruit is, gelukkiger en welva- 
render is. De Heer heeft gezegd: 

„Versterk daarom uw broederen door 
uw ganse levenswandel, door al uw 
gebeden, door al uw vermaningen, en 
door al uw handelingen." (Leer en 
Verbonden 108:7.) 

Wij moeten - 

• verlichten 

• opbouwen 

• verkwikken 

• motiveren 

• stichten 

• opbeuren en verheffen 

in al onze woorden en daden. 

Luister nu naar de woorden van de 
profeten over het aanmoedigen, verhef- 
fen en opbouwen van elkaar: 

„Geen liederlijk woord kome uit uw 
mond, maar als gij een (goed) woord 
hebt, tot opbouw, waar dit nuttig is, 
opdat zij, die het horen, genade ontvan- 
gen." (Efeziërs 4:29.) 

„Houdt op onder elkander te twisten; 



142 



houdt op van elkander kwaad te 
spreken. 

„. . . Laat uw woorden ertoe strekken 
elkander op te bouwen." (Leer en ver- 
bonden 136:23-24.) 

In het tijdschrift Succes Unlimitedvm 
december 1982 brengt Dwight Chapin 
ons een belangrijk aspect onder de 
aandacht van het opwekken van louter 
positieve gevoelens: 



„Wanneer wij niet heel erg 

voorzichtig zijn met ons 

denken en spreken, zullen de 

woorden die wij gebruiken 

ons gebruiken." 



„Elke keer dat een dienstverlenend 
bedrijf bij een klant een negatief gevoel 
oproept, zal deze zijn ontevredenheid 
met gemiddeld tien anderen delen, alvo- 
rens zijn ontevredenheid over is. 

Hetzelfde onderzoek toont aan dat 
iemand die een goede indruk heeft 
gekregen van een zeker dienstverlenend 
bedrijf deze ervaring met ten hoogste 
drie personen deelt. Onder deze omstan- 
digheden is het duidelijk waarom nega- 
tieve berichten zich sneller en verder 
verspreiden dan positieve." 

Dit is voor ons een reden te meer om 
opbouwend en positief te zijn. Godslas- 
terlijke taal is nooit opbouwend. 

De volgende uitspraak van een onbe- 
kend schrijver heeft iets waardevols: „Ik 
zal bij je terugkeren, want ik waardeer 
mezelf meer als ik in jouw gezelschap 
verkeer." 



Petrus en de andere metgezellen van 
de Verlosser bereikten grotere hoogten 
dankzij de Verlosser. Hij bouwde hen op, 
verhief hen behandelde hen als de groot- 
se figuren die zij eens zouden worden. 

Joseph Smiths medewerkers bereikten 
grotere hoogten dankzij Joseph Smith. 
Hij verhief 'en versterkte hen. En zo ook 
alle andere presidenten van de kerk - 
dankzij hen zijn velen tot grotere hoog- 
ten gegroeid. 

Kerkelijke leiders brengen hun tijd 
niet door met het naar beneden halen 
van andere mensen of instellingen. Zij 
maken hun eigen waarheden bekend en 
geven ook anderen de gelegenheid zich 
te uiten. 

Op de schouders van de broederen 
van het Eerste Presidium rusten de 
zwaarste last en verantwoordelijkheid 
die ooit door een sterveling zijn getorst - 
desondanks zijn ze nooit zwaarmoedig 
van harte; iedereen die hun kantoren 
binnengaat komt er altijd als een beter 
mens uit. 

De raad des Heren is erg duidelijk: 

„Neemt ter ore en hoort Mijn stem, 
merkt op en hoort Mijn woord!" (Jesaja 
28:23.) 

Leggen wij ons oor werkelijk te luisteren 
wanneer wij in de Schriften lezen? Horen 
wij echt zijn stem en doen we zijn wil? 
Velen horen inderdaad zijn stem en 
volgen Hem. 

Hier zijn enige voorbeelden van het 
horen van de raadgevingen van de Heer: 
In 1974 waren er niet meer dan zo'n 
tien Brazilianen op zending. Toen vaar- 
digde president Kimball zijn oproep uit 
voor meer zendelingen. Tegen medio 
1979 telde Brazilië meer dan vijfhonderd 
full-time zendelingen uit het land zelf en 
Mexico ruim zevenhonderd. 



143 



Het is wel duidelijk dat zij naar zijn 
raadgeving hadden geluisterd. 

Toen ik enkele jaren geleden zendings- 
president was in Midden-Amerika kwa- 
men twee ouderlingen eens met een 
Benedictijner monnik mijn kantoor 
binnen. 

Hij had het verheffend karakter van de 
kerk opgemerkt door een diepgaande 
studie van 243 verschillende kerken 
waartoe hij en anderen opdracht hadden 
gekregen van de katholieke kerk. Deze 
studie had een eerzame bedoeling; ze 
wilden de overeenkomsten leren kennen 
tussen de 243 kerken, om te zien of er 
niet meer eenheid en broederschap tus- 
sen hen tot stand te brengen zou zijn. 

Na meer dan vijf jaar onderzoek te 
hebben gepleegd, moesten zij ondermeer 
concluderen: 

1. Dat er slechts twee kerken waren 
met hoge zedelijke waarden; een daar- 
van was De Kerk van Jezus Christus van 
de Heiligen der Laatste Dagen. 

2. Dat er slechts één kerk was, die alle 
profetieën uit het verleden - met andere 
woorden het hele Oude en Nieuwe 




Testament ~ aanvaardde en opvolgde 
... en dat waren de mormonen. 

Deze monnik aanvaardde de uitda- 
ging het Boek van Mormon te bestude- 
ren en bad om goddelijke bevestiging 
van de waarachtigheid ervan. Het gevolg 
was dat hij de Verlosser aanvaardde 
door zich te laten dopen in deze, zijn, 
kerk. 

Hij is momenteel actief als leraar in 
een hogepriestersquorum in Midden- 
Amerika. 

Door middel van onderzoek zag hij de 
opbouwende en verheffende invloed van 
de kerk en luisterde hij naar de stem des 
Heren. 

Een vooraanstaand man, die een 
tweetal jaren een bepaalde school voor 
voortgezet onderwijs in het noorden van 
Utah niet meer bezocht had, woonde 
daar een sportmanifestatie bij en stond 
versteld van de toename van de godslas- 
terlijk en schunnige taal die hij te horen 
kreeg. 

Ouders, vragen we onszelf weleens af 
waar onze kinderen obscene, grove en 
smerige woorden te horen krijgen? Stel- 
lig nooit thuis, want onze woning is, op 
de tempel na, de meest geheiligde plek op 
aarde. Ze is een verheffend toevluchts- 
oord waar we ons gezin leren wat de 
Heer van ons verwacht. 

Zelfbeheersing is een effectieve eigen- 
schap die iedereen boven de massa 
verheft; een beheerst mens zal altijd een 
goede indruk achterlaten. We dienen 
onze waardigheid nooit naar beneden te 
halen door het bezigen van taal die 
beneden ons peil is. We moeten nooit de 
godslasterlijke opmerkingen van een 
ander herhalen. In het leerboek „Onder- 
wijzen - geen grotere roeping" lezen we 
met betrekking tot zelfbeheersing het 
volgende: 



144 



„De mate van het succes van iemand 
wordt bepaald door zijn zelfbeheersing; 
de diepte van zijn falen door de mate 
waarop hij zich door zijn zwakheden 
laat beheersen. Er is geen andere beper- 
king in de één zowel als in de andere 
richting. En deze wet is de uitdrukking 
van eeuwige gerechtigheid. 

Hij die niet over zichzelf kan heersen, 
zal geen heerschappij over anderen heb- 
ben, hij die zichzelf beheerst, zal koning 



zijn." {Onderwijzen - geen grotere roe- 
ping, blz. 89.) 

Dienen wij allemaal onze tong niet 
voortdurend in bedwang te houden en 
alleen maar te verheffen en te stichten? 

Wij verkeren in het gezelschap van en 
worden geleid door levende profeten. 
Dit is een absolute waarheid. De Heer 
zelf leidt deze, zijn enig ware en levende 
kerk en hiervan getuig ik in de naam van 
Jezus Christus, de Meester. Amen. □ 



Naar hogere geestelijke hoogte 

klimmen 



Ouderling Jacob de Jager 
van het Eerste Quorum der Zeventig 



.«■rti*. 




Ik ben gelukkig en dankbaar voor 
deze gelegenheid om op deze historische 
plek tot de hier aanwezige heiligen te 
spreken en tot de heiligen van die 
plaatsen waar ik onlangs over conferen- 
ties heb gepresideerd - Hurricane (Utah) 
en Wendell (Idaho). Ik heb daar veel 
vrienden. Ik beschouw het werkelijk als 
een voorrecht om deze middag mijn 
getuigenis met u te delen en de gedachten 
die ik in mijn hart koester te uiten. 



Sinds het begin der geschreven ge- 
schiedenis heeft de mens verbaasd ge- 
staan over de mysteries van het uitspan- 
sel en heeft hij het verlangen gehad te 
ontsnappen aan de beperkingen van de 
zwaartekracht. 

Toch was de eerst bekende ballon- 
vaart, de onbemande vlucht, die op touw 
werd gezet door de gebroeders Montgol- 
fier te Lyon in Frankrijk, in het jaar 
1783, met kort daarop de eerste beman- 



145 



de vlucht vanuit het Bois de Boulogne in 
Parijs. 

Hoe is de situatie in 1983, tweehon- 
derd jaar later? 

De mens heeft voet op de maan gezet 
en ruimteschepen naar verafgelegen pla- 
neten gestuurd. Omstreeks driehonderd 
satellieten zijn in een baan om de aarde 
geplaatst, op zo'n 30.000 kilometer bo- 
ven de evenaar ten einde televisiebeelden 
en telexcommunicatie door te seinen en 
ook om het weer te kunnen bestuderen 
en voorspellen. Gisteren, overdag en 
ook 's avonds tijdens de algemene pries- 
terschapsvergadering waren wij in staat 
om op hetzelfde moment per satelliet 
meer dan een halfmiljoen priester- 
schapsdragers te bereiken. 

Laten we beseffen, dat al deze vernieu- 
wingen hun oorsprong echter in de 
ballonvaart vinden, die de mens het 
eerste nieuwe perspectief op zijn eigen 
planeet verschafte en hem daarbij in 
staat stelde zich in alle rust en stilte 
zowel lichamelijk als geestelijk te 
verheffen. 




Ouderling Jacob de Jager van het Eerste 
Quorum der Zeventig. 



Persoonlijk heb ik, ofschoon slechts 
eenmaal, de stimulerende ervaring van 
een echte ballonvaart ondergaan. Dat 
was in de opwindende periode die volgde 
op de beëindiging van de Tweede We- 
reldoorlog toen er in Nederland, waar ik 
ben geboren, allerlei feesten werden 
georganiseerd om na vijfjaar oorlog de 
herkregen vrijheid te vieren. Er waren 
grote optochten, dansfestijnen in steden 
en dorpen en in sommige plaatsen 
werden bemande ballonnen opgelaten 
om grote menigten op de been te bren- 
gen voor allerlei andere feestelijkheden. 
Terwijl we de voorbereidingen troffen 
voor de tocht die ik, wanneer de weers- 
omstandigheden dat toelieten, mee 
mocht maken, werd mij veel geleerd over 
de ballonvaart in het algemeen door een 
vriend van me. 

Ik vernam dat we in een klasse A 
gasballon zouden opstijgen, die gevuld 
zou worden met mijngas en zou stijgen 
tot een hoogte waarop haar gewicht in 
evenwicht zou zijn met de lucht 
eromheen. 

Verder vernam ik dat er zich in de 
mand onder de ballon navigatie- 
instrumenten en kaarten bevonden, als- 
mede zandzakken die overboord kon- 
den worden geledigd om de ballon hoger 
te doen stijgen. 

Ik ontdekte ook, dat wanneer men 
door het ventiel gas uit de ballon laat 
ontsnappen deze daalt. Maar dat was 
niet alles. Mijn vriend vertelde me ook 
vele kostelijke verhalen over eerdere 
ballonvaarten. Het verhaal gaat, dat 
tijdens een van die vluchten er zich 
onverwachts donkere wolken samen- 
pakten, terwijl de twee mannen in de 
mand niet het flauwste idee hadden 
boven welk gedeelte van het land ze 
voeren. 



146 



Ze besloten te dalen en even later 
zagen ze iemand op een afgelegen platte- 
landsweg lopen. Nadat zij erin geslaagd 
waren de aandacht van deze man te 
trekken, riep één van de mannen in de 
ballon hem krachtig toe: „Waar zijn 
wij?" waarop de man omhoog keek en 
met de handen om de mond terugriep: 
„In een ballon!" 

Teneinde hun urgente verzoek om de 
richting te worden gewezen te verduide- 
lijken, krijste de man in de ballon: 
„Waar bent u?" waarop de man met 
luide stem antwoordde: „Op de grond!" 

Met de moed in de schoenen wierpen 
de ballonvaarders enige ballast over- 
boord en voeren opnieuw de wolken in, 
terwijl één van hen opmerkte: „Die man 
daar beneden moet ambtenaar zijn." De 
antwoorden, die hij gaf waren volkomen 
juist, maar totaal onbruikbaar! 

Toen ik deze gebeurtenis nog eens 
overdacht, kwam ik tot de slotsom dat er 
een grote overeenkomst bestaat tussen 
het gestadig stijgen van een ballon en 
onze geestelijke opwaartse beweging. 

Precies zoals een ballon met gas moet 
worden gevuld om hem omhoog te 
krijgen, moet ook de mens gevuld wor- 
den met een innerlijke motivatie om zich 
in opwaartse richting te bewegen. Pre- 
cies zoals de ballon door het afwerpen 
van ballast grotere hoogten kan berei- 
ken, moet ook een mens bereid zijn zich 
te ontdoen van onnodige ballast die zijn 
geestelijke groei belemmert. 

Toen ik mijn ballonvaart maakte had 
ik, vreemd genoeg, niet het gevoel dat ik 
omhoog ging. Ik had de indruk dat ik op 
dezelfde plaats bleef hangen en dat de 
aarde als het ware geruisloos van me 
weggleed. 

Toen ik later, dank zij de inspannin- 
gen van de zendelingen, lid werd van de 



kerk, kreeg ik als nieuw lid dat vredige 
gevoel me veilig in een omgeving te 
bevinden waar het evangelie echt werd 
beleefd en dat Babyion van mij was 
weggegleden. Of om het met de woorden 
van een vroege Europese ballonvaarder 
te zeggen: „Het was alsof ik alle zorgen 
en driften, waar de mensheid mee strijdt, 
achter me had gelaten." 



„Ongeduld, kritiek, 

onvriendelijkheid, trots, 

hebzucht, frustratie en de 

problemen die dit alles met 

zich meebrengt, weerhouden 

ons ervan een hoger 
geestelijk peil te bereiken." 



Ik getuig dat wanneer wij bereid zijn 
ons te ontdoen van de ballast die ons 
ervan weerhoudt een hoger geestelijk 
peil te bereiken, wij allemaal deze inner- 
lijke vrede kunnen verkrijgen. Het zal 
onze reis omhoog vergemakkelijken 
naar een liefhebbende Vader in de 
hemel, die ons, te bestemder tijd, na onze 
tocht door het leven op zal wachten. 

Laten wij ons daarom ontdoen van 
onze zandzak vol ongeduld en geduldi- 
ger leren te zijn met onze huwelijkspart- 
ner en kinderen, onze vrienden en buren, 
want de Heer heeft ons aangeraden: 
„Gaat daarom voort met geduld, totdat 
gij zijt vervolmaakt." (Leer en Verbon- 
den 67:13.) 

En voor degenen die de werkelijke 
betekenis van het woord geduld niet 



147 



weten, geef ik deze eenvoudige definitie: 
geduld is leren je ongeduld te verbergen. 

En hoevelen van ons gaan nog steeds 
door het leven met een ballastzak vol 
kritiek? Daarvoor in de plaats moeten 
we ons waar en wanneer we dat ook 
maar kunnen meer lovend uitlaten, want 
bij herhaling is ons gezegd: „Houdt op 
bij elkander fouten te zoeken." (Leer en 
Verbonden 88:124.) En laten wij met 
betrekking tot dit punt ook bedenken 
dat de fouten en tekortkomingen die wij 
bij de leden uit onze eigen wijk of 
gemeente constateren voor ons van 
minder belang zijn dan een van de 
geringste fouten bij onszelf. 

Hebben wij daarnaast nog steeds een 
zandzak vol onvriendelijkheid in onze 
mand, zelfs ondanks het feit dat de 
Verlosser ons vraagt vriendelijk en lief- 
devol te zijn? Hij zei: „Gij zijt degenen, 
die Mijn Vader Mij heeft gegeven; gij zijt 
Mijn vrienden." (Leer en Verbonden 
84:63.) 

Laten wij bij onze geestelijke vlucht 
onze ballastzak met trots helemaal legen 
en in alle dingen nederiger worden, met 




de heerlijke belofte van de Verlosser aan 
ons allen voor ogen: „En voor zoverre 
gij u voor Mij hebt vernederd, zijn de 
zegeningen van het koninkrijk de uwe." 
(Leer en Verbonden 61:37.) 

En zullen wij werkelijk goed omhoog 
gaan in onze geestelijke ballon als wij 
niet bereid zijn ons van de ballastzak met 
hebzucht te ontdoen? Levende profeten 
hebben ons de raad gegeven een eerlijke 
tiend te betalen en een overvloedige 
vastengave te geven; en bovendien ont- 
hullen de Schriften op zeer openhartige 
wijze het volgende: „Wee u, die uw 
goederen niet aan de armen wilt geven." 
(Leer en Verbonden 56:16.) Helaas me- 
nen sommige mensen, dat ze gul zijn 
omdat ze zoveel gratis advies geven! 

Tenslotte moeten we ons ontdoen van 
de zware ballast die bestaat uit onze 
frustraties. Ieder van ons moet in de 
mand van zijn eigen geestelijke ballon 
die frustraties leren onderscheiden waar- 
voor wij voortdurend op onze hoede 
moeten zijn. Het is ons geopenbaard, en 
het is ons in deze conferentie vanaf deze 
katheder al twee keer voorgehouden: 
„De werken, plannen en doeleinden van 
God kunnen niet worden verijdeld, noch 
kunnen ze mislukken . . . gedenk, dat het 
niet het werk van God is, dat wordt 
verijdeld, doch het werk van mensen." 
(Leer en Verbonden 3:1, 3.) 

De enige manier waarop wij van ons 
huidige geestelijke en prestatiepeil kun- 
nen opstijgen naar een hoger niveau, is 
door de ballast die ons tegenhoudt 
overboord te gooien. We moeten leren 
de geboden na te leven, niet alleen voor 
onze eigen bestwil, maar ook voor die 
van anderen, want wij brengen onbe- 
wust een verandering ten goede tot stand 
bij anderen, wanneer wij Gods geboden 
onderhouden en de leringen van de kerk 



148 



naleven. Dat is een andere manier om 
zendingswerk te doen en het geestelijke 
peil van degenen die ons omringen, te 
verhogen. 

Laat ons dus vandaag met onze vlucht 
beginnen. Als we nog op de grond staan, 
laat ons dan de touwen doorkappen; wij 
zullen onmiddellijk beginnen op te stij- 
gen! Zelfs dit zal ons echter geen voort- 
durende geestelijke groei garanderen. 
Onze ballon zal slechts tot een bepaalde 
hoogte stijgen en daar blijven hangen. 
Dan is het moment gekomen om te 
kijken van welke ballast wij ons moeten 
ontdoen, teneinde steeds hoger te gera- 
ken. Als u het moeilijk vindt de touwen 
te kappen, zult u het nog moeilijker 
vinden u te ontdoen van de ballast om 
uw last te verlichten. 

Ons proces van geestelijke groei, dat 
te vergelijken is met een ballonvaart, is 
een veeleisend en soms moeilijk avon- 
tuur en alleen hij die beschikt over een 
groot doorzettingsvermogen zal het 
klaarspelen het hoogste koninkrijk te 
bereiken! 

Na al dit gepraat over vliegen, varen 
en stijgen, wil ik u tot slot enige nuchtere 
richtlijnen geven. 

Tegen hen die zich vandaag binnen het 
bereik van mijn stem bevinden en die al 
in de mand van hun geestelijke ballon 
zijn gestapt, doordat zij in het konink- 
rijk van God gedoopt zijn, maar die 
passief zitten te wachten tot er iets 
gebeurt, zeg ik: kap de touwen, die uw 
afvaart belemmeren. 

Tegen hen die rustig op dezelfde 
hoogte blijven zweven en weinig hoogte 
meer maken, zeg ik: kijk eens goed naar 
de ballast die u ervan weerhoudt een 
hoger prestatieniveau te bereiken. Neem 
een besluit en ontdoe uw geestelijke 




MB3 



ballon van het zijn belemmerende 
gewicht. 

Ik beloof u plechtig, dat wanneer u dit 
zult doen, u een gevoel van geestelijk 
welbehagen zult ervaren, omdat u zich 
zult verheffen. 

Als iemand die drieëntwintig jaar 
geleden in Toronto in het koninkrijk van 
God werd gedoopt, getuig ik, dat ik 
sedertdien een geweldige reis heb gehad, 
vol adembenemende taferelen en geeste- 
lijke vergezichten en vergezeld van de 
nooit aflatende wetenschap, dat mijn 
dagelijks vluchtplan mij wordt verschaft 
door een begrijpende, liefdevolle en 
vergevensgezinde Hemelse Vader. 

Ditzelfde geldt voor ons allemaal! 
Hoe ik dat weet? Omdat ik met geheel 
mijn hart weet, dat God leeft en dat 
Jezus de Christus is. Hij is de Verlosser 
van het mensdom, de grote Middelaar 
voor de zaligheid en verhoging voor alle 
kinderen van onze Hemelse Vader, als zij 
bereid zijn het door Hem opgestelde 
vluchtplan te volgen. Hiervan getuig ik 
vandaag, in dankbaarheid en mezelf 
gelukkig prijzend, in de naam van Jezus 
' Christus. Amen. D 



149 



Oefen de knaap 



Ouderling Tom. L. Perry 
van het Quorum der Twaalf Apostelen 




„Oefen de knaap volgens de eis van 
zijn weg," zegt de schrijver van Spreu- 
ken, „ook wanneer hij oud geworden is, 
zal hij daarvan niet afwijken." (Spreu- 
ken 22:6.) 

Mijn gedachten gingen naar deze 
vermaning uit toen ik onlangs een artikel 
in een van onze tijdschriften las over 
„onze verwaarloosde kinderen". Het 
artikel wees erop dat „ze grotendeels 
behoorlijk gekleed en gevoed worden, 
maar dat er desondanks iets ontbreekt in 
het leven van ontelbare kinderen". Voor 
velen van hen „is het een kwestie van een 
behoefte aan meer aandacht van hun 
ouders", die in beslag worden genomen 
door de druk van het dagelijks leven. 

Het artikel zegt: 

„In een land dat beweert trots te zijn 
op zijn jeugd . . . vormen maatschappe- 
lijke veranderingen een bedreiging - 
lichamelijk en geestelijk - voor miljoe- 
nen kinderen. Opgroeien in Amerika is 
voor hen een beproeving in plaats van 
een voorrecht aan het worden. 

Terwijl hun ouders hun best doen het 
hoofd te bieden aan echtscheiding, het 



alleen grootbrengen van kinderen, dub- 
bele loopbanen en een moeilijke econo- 
mie, betalen veel van de 47,6 miljoen 
kinderen onder de veertien in dit land de 
prijs daarvoor, op manieren die variëren 
tussen eenvoudige verwaarlozing en re- 
gelrechte mishandeling . . . 

Ouders zitten gevangen in een tang 
van tegenstrijdige waarden," zegt dit 
artikel, waarbij het Edward Weaver 
aanhaalt. „Zij willen kinderen hebben, 
maar willen tegelijkertijd ook andere 
dingen hebben zoals tijd voor zichzelf, 
stoffelijke goederen, status en hun loop- 
baan. Ten gevolge van deze conflicten 
worden kinderen in een aantal gevallen 
verwaarloosd of krijgen zij niet wat hen 
toekomt." (Uit U.S. News & World 
Report van 9 augustus 1982, blz. 54.) 

Al reizend in het buitenland ervaar ik 
hoe deze zelfde problemen ook elders 
hun kop op schijnen te steken. Dit zijn 
waarschuwingssignalen voor onze kin- 
deren. Wij treffen meer moeders aan die 
buitenshuis werken, meer gezinnen met 
slechts één ouder en een geweldige 
toename van buitenechtelijke kinderen. 



150 



Deze steeds groeiende maatschappelijke 
veranderingen werpen steeds meer moei- 
lijkheden op voor de kinderen in onze 
hedendaagse samenleving. 

Artikelen zoals de zojuist door mij 
aangehaalde, roepen gevoelens van gro- 
te bezorgdheid bij mij op, daar ik zelf 
zo'n prettige, gelukkige jeugd heb ge- 
had. Het genot van het ouderschap 
betekent iets heel bijzonders voor mij. 
Mijn liefde voor mijn kinderen en klein- 
kinderen is niet onder woorden te 
brengen. 

Ik sta verbaasd over het wonder van 
de geboorte van een kind. Onlangs 
hebben wij dat weer meegemaakt in onze 
familie. De telefoon gaat en je hoort de 
bezorgde stem van je schoonzoon, die 
meldt: ,,Ik ben op weg naar het zieken- 
huis met Linda Gay." De rest van de dag 
zit je zenuwachtig te wachten op verder 
bericht. Eindelijk komt het: „Het is een 
jongen!" Je laat alles voor wat het is en 
haast je naar het ziekenhuis om de 
ouders te feliciteren. En daar aanschouw 
je dit heerlijke wonder; je eigen kind, dat 
nu zelf met alle warmte en tederheid een 
baby in haar armen houdt. Je ziet een 
opgewonden schoonzoon, die erop wijst 
dat de neus van de baby beslist op die 
van zijn moeder lijkt. De kin en mond, 
daarentegen, zouden best weleens die 
van hemzelf kunnen zijn. Dan bekijkt hij 
de handjes en zegt: „Die moeten wel van 
de Perry-kant zijn. Kijk eens wat een 
kolenschoppen!" 

Een grote liefde welt in je op bij het 
aanschouwen van dit verrukkelijke tafe- 
reel en bij het besef van de vreugde en 
blijdschap die deze nieuwe ouders be- 
schoren is, nu dit proces zich in hun 
leven opnieuw gaat herhalen. 

Ik ben zeker geen expert op het gebied 
van het grootbrengen van kinderen. Net 



als vele andere ouders ben ik met de 
nodige uitdagingen geconfronteerd ge- 
weest. Sinds ik, echter, dit artikel heb 
gelezen, zijn mijn gedachten geleid naar 
de woorden van de profeten, zowel de 
vroegere, als de hedendaagse, die on- 
derstrepen hoe groot de verantwoorde- 
lijkheid van een ouder is om een kind op 
te voeden. 

In het Oude Testament wordt beschre- 
ven hoe de Heer Mozes onderrichtte 
vlak voor Hij hem de tien geboden gaf. 
Er staat: 

„Here, Here, God, barmhartig en 
genadig, lankmoedig, groot van goeder- 
tierenheid en trouw, 

Die goedertierenheid bestendigt aan 
duizenden, die ongerechtigheid, overtre- 
ding en zonde vergeeft; maar (de schul- 
dige) houdt Hij zeker niet onschuldig, de 
ongerechtigheid der vaderen bezoeken- 
de aan kinderen en kleinkinderen, aan 
het derde en vierde geslacht." (Exodus 
34:6-7.) 

In het Nieuwe Testament ontvangen 
de Efeziërs in een brief de volgende raad 
van Paulus: 




Ouderling L. Tom Perry van het Quorum 
der Twaalf Apostelen (links) met zijn zoon 
Lee. 



151 



„En gij, vaders, verbittert uw kinde- 
ren niet, maar voedt hen op in de tucht 
en in de terechtwijzing des Heren." 
(Efeziërs 6:4.) 

Het Boek van Mormon begint met een 
zoon die zijn waardering uitspreekt voor 
de opvoeding die hij van eerzame ouders 
ontvangen heeft: 

„Ik, Nephi, uit eerzame ouders gebo- 
ren en daarom enigermate in al de 
geleerdheid van mijn vader onderwe- 
zen." (1 Nephi 1:1.) 

Instructies die leden van de kerk in 
deze tijd via Joseph Smith ontvingen, 
zetten de verantwoordelijkheden van 
ouders jegens kinderen duidelijk uiteen: 

„En verder, voor zoverre er in Zion, of 
in één van de ringen van Zion, die 
georganiseerd zijn, ouders zijn, die kin- 
deren hebben, en deze niet onderwijzen 
in de leer van bekering, geloof in Chris- 
tus, de Zoon van de levende God, en van 
doop, en de gave des Heiligen Geestes 
door het opleggen van handen, wanneer 
zij acht jaar oud zijn, dan zij de zonde op 
het hoofd der ouders." (Leer en Verbon- 
den 68:25.) 

In de tijd dat ik vader werd, werd de 
kerk gepresideerd door president David 
O. McKay. Zijn raad over onze plicht 
ten opzichte van onze kinderen was 
duidelijk en op de man af. Hij leerde ons 
dat een kind van God de kostbaarste 
gave is die een man en vrouw maar 
kunnen ontvangen en dat het opvoeden 
van een kind in wezen en uitsluitend een 
geestelijk proces is. 

Hij wees ons op fundamentele begin- 
selen die wij onze kinderen moeten 
onderwijzen. De eerste en belangrijkste 
eigenschap die u een kind kunt bijbren- 
gen, is geloof in God. De eerste en 
belangrijkste handeling die een kind kan 
leren, is gehoorzaamheid. En het mach- 



tigste hulpmiddel waarover u beschikt 
om een kind te leren, is liefde. (Zie 
Instructor, deel 84 van december 1949, 
blz. 620.) 

Laten wij deze drie fundamentele 
beginselen eens samen onderzoeken. 
President Brigham Young onderrichtte 
ouders als volgt: 

„Wanneer ieder van ons die kinderen 
heeft bereid is na te denken over de 
verantwoordelijkheden die ons toeval- 
len, zullen wij tot de slotsom komen, dat 
wij het ons nooit moeten permitteren iets 
te doen dat wij onze kinderen niet willen 
zien doen. Wij behoren hun het voor- 
beeld te geven dat wij hen willen laten 
navolgen." (Journal of Discour ses, deel 
1, blz. 192.) 

Willen wij onze kinderen geloof bij- 
brengen, dan moeten wij van jongs af 
aan zien hoe wij ons geloof uiten. Zij 
moeten ons dagelijks op onze knieën 
zien en horen hoe wij de Heer bedanken 
voor en vragen om zijn zegeningen. Zij 
moeten zien hoe wij ons priesterschap 
aanwenden om mensen in nood te 
helpen en onze kinderen tot zegen te zijn. 
Zij moeten onze eerbiedige houding zien 
in de avondmaalsvergadering. Zij moe- 
ten zien hoe wij opgewekt en bereidwillig 
onze tijd en talenten besteden om 's 
Heren koninkrijk hier op aarde op te 
bouwen. Zij moeten zien hoe wij ons 
geloof bewijzen door het betalen van 
onze tiend en andere offergaven. Zij 
moeten zien hoe wij de Schriften ijverig 
bestuderen en bespreken ter vergroting 
van ons geloof en ons begrip. 

Onlangs las ik een artikel in een 
tijdschrift dat speciaal voor heiligen der 
laatste dagen is bedoeld, over een studie 
die was gemaakt over de voordelen van 
het voorlezen van kinderen. Er werd 
gesteld dat wanneer een vader of moeder 



152 



een kind regelmatig voorlezen, het kind 
anderen voor is wanneer het naar school 
gaat en in deze eerste leerjaren zeer 
goede leesprestaties levert. Als er dus een 
regelrecht verband bestaat tussen de 
vroege opvoeding die een kind van de 
ouders ontvangt en de snelheid waarmee 
een kind leert, hoe belangrijk is het dan 
niet dat wij de tijd nemen om onze 
kinderen het evangelie van Jezus Chris- 
tus voor te lezen en hen in hun prille 
jeugd te bezielen met geloof in het 
evangelie van onze Heer en Heiland? 

Het tweede beginsel waar president 
McKay ons op wees, is gehoorzaamheid. 
President Joseph Fielding Smith zei: 
„Natuurlijk moeten er gebed en geloof 
en liefde en gehoorzaamheid aan God 
zijn in het gezin. Het is de plicht van de 
ouders hun kinderen deze verlossende 
beginselen van het evangelie van Jezus 
Christus bij te brengen, opdat zij zullen 
weten waarom zij gedoopt moeten wor- 
den en opdat hun hart zal worden 
doordrongen van een verlangen om na 
hun doop Gods geboden te blijven 
gehoorzamen, opdat zij in zijn tegen- 




Ouderling L. Tom Perry van het Quorum 
der Twaalf Apostelen. 



woordigheid terug kunnen keren. Beste 
broeders en zusters, wilt u uw gezin, uw 
kinderen bij u hebben? Wilt u aan uw 
voorouders worden verzegeld? . . . Zo ja, 
dan moet u uw kinderen vanaf de wieg 
onderwijzen en wel evenzeer door voor- 
beeld als door voorschrift." (Uit Confe- 
rence Report van oktober 1948, blz. 
153.) 

Ik herinner me nog hoe ik op een zeker 
moment werd doordrongen van de 
noodzaak om gehoorzaamheid te onder- 
wijzen. Ik had net een nieuwe baan 
waardoor ik lange dagen maakte en mijn 
gezin enigszins verwaarloosde. Vooral 
mijn zoon scheen te hunkeren naar meer 
van mijn tijd en aandacht en verzon dan 
ook van allerlei manieren om die aan- 
dacht te trekken. Toen ik op zekere dag 
thuiskwam, had zijn moeder hem klaar- 
staan om mij mee te nemen naar bene- 
den om het kattekwaad te aanschouwen 
dat hij had aangericht. Toen hij sullig de 
deur van onze voorraadkamer had 
opengemaakt, ontdekte ik dat hij met 
zijn werppijltjes had geoefend op de 
voedselvoorraad. Daarmee had hij zeker 
mijn aandacht getrokken en mij doen 
beseffen dat hij op zoek was naar een 
duidelijke omlijning van hetgeen er van 
hem werd verwacht in het gezin. Zodra 
dit was uiteengezet en ik hem de aan- 
dacht gaf waar hij recht op had, was hij 
zeer gehoorzaam. Wat is het toch be- 
langrijk dat wij onze kinderen reeds 
vroeg gehoorzaamheid bijbrengen, 
vooral aan de geboden van de Heer! 

Tenslotte leerde president McKay ons 
hoe onontbeerlijk liefde is. Ik ben altijd 
onder de indruk van het feit dat toen de 
Heer zijn discipelen in die laatste uren 
van zijn aardse bediening bij het laatste 
avondmaal onderrichtte, Hij direct na 
het onderwijzen van dienstbetoon door 



153 



middel van het wassen van hun voeten, 
overging tot het onderwijzen van liefde: 

„Een nieuw gebod geef Ik u, dat gij 
elkander liefhebt; gelijk Ik u liefgehad 
heb, dat gij ook elkander liefhebt." 
(Johannes 13:34.) 

Ik heb kort geleden genoten van een 
artikel uit Reader's Digest over blijven- 



„De belangrijkste eigenschap 

die u een kind bij kunt 

brengen, is geloof in God; de 

belangrijkste handeling die 

een kind kan leren, is 

gehoorzaamheid; het 

machtigste hulpmiddel 

waarover u beschikt om een 

kind te leren, is liefde." 



de waarden. Daarin werd gezegd „dat 
het klimaat van onze tijd de neiging heeft 
het idee te ondersteunen dat liefde een 
periodieke moesson is: hij komt; hij 
waait hevig; hij gaat voorbij. Dat is heel 
jammer, want een kind heeft behoefte 
aan het soort liefde dat even betrouw- 
baar is als het opgaan van de zon. Wil 
een kind opgroeien als volwaardig lid 
van het menselijk ras, dan moet het 
weten hoe het de liefde in leven kan 
houden. 

„Een kind moet niet alleen leren om 
lief te hebben, maar om een liefdevol 
mens te zijn, om van de liefde zijn 
levenshouding te maken. De , liefde' zal 
misschien komen en gaan, maar net als 
de zon, verliest een liefdevol mens nooit 
zijn of haar schragende warmte." 
(Reader's Digest vanjtwi 1981, blz. 164.) 



Ik herinner mij enige tijd geleden te 
hebben gelezen over een experiment met 
kuikens. Waar het precies heeft gestaan 
weet ik niet meer. Jonge, opgroeiende 
kippen kregen al het eten dat zij nodig 
hadden zonder zich daar zelf voor in te 
hoeven spannen. In een volgend stadium 
werden zij in een grote ren vrijgelaten, 
waar zij zelf hun eten bijeen moesten zien 
te scharrelen. Een kip die als jong dier 
nooit was geleerd in de grond te wroeten, 
groeide zonder deze vaardigheid op en 
verhongerde in de ren, ook al zat er even 
onder de oppervlakte van de grond meer 
dan genoeg eten om het dier in leven te 
houden. 

Het artikel ging er vervolgens toe over 
dit voorbeeld te vergelijken met een kind 
dat de vaardigheid om lief te hebben niet 
vroeg in zijn leven werd aangeleerd. 
Naar alle waarschijnlijkheid zou het 
kind bij zijn verdere groei naar volwas- 
senheid, volgens dit artikel, niet in staat 
zijn deze voortreffelijke eigenschap te 
ontwikkelen. Wat zou het tragisch zijn 
als een kind het vermogen om lief te 
hebben werd onthouden! 

Ik zou willen dat u vandaag stilstaat 
bij de waarde van een onsterfelijke ziel, 
en wel in het bijzonder van de zielen die 
u, als ouders, zijn toevertrouwd. Hoe 
staat het met uw prioriteiten? Heeft u 
zich ertoe verbonden voldoende tijd te 
geven aan het opvoeden van uw 
kinderen? 

Dr. Nick Stinnett van de University of 
Nebraska heeft een zeer boeiende toe- 
spraak gehouden op eenjaarvergadering 
van de National Council on Family 
Relations. De titel van zijn toespraak 
luidde: „Kenmerken van sterke gezin- 
nen." De zes punten die hij naar voren 
bracht waren: 

1. Een sterk gezin brengt een bedui- 



154 



dende hoeveelheid tijd met elkaar door 
terwijl zij spelen, werken, eten of zich 
ontspannen. Hoewel de gezinsleden ook 
interesses buiten het gezin hebben, vin- 
den zij voldoende tijd om samen door te 
brengen. 

2. Bij sterke gezinnen zijn de verschil- 
lende gezinsleden elkander zeer toege- 
daan, hetgeen niet alleen blijkt uit de tijd 
die zij met elkaar doorbrengen, maar 
ook uit hun vermogen om samen te 
werken ter wille van een gemeenschap- 
pelijke zaak. 

3. Sterke gezinnen vertonen goede 
communicatiepatronen, hetgeen blijkt 
uit de hoeveelheid tijd die wordt besteed 
aan het luisteren naar elkaar en spreken 
met elkaar. 

4. Sterke gezinnen zijn in hoge mate 
godsdienstig georiënteerd. 

5. Sterke gezinnen hebben het vermo- 
gen crises op positieve wijzen het hoofd 
te bieden omdat zij veel tijd samen 



hebben doorgebracht, elkander zijn toe- 
gedaan en een goed onderling contact 
hebben. 

6. Leden van sterke gezinnen maken 
elkander vaak oprecht gemeende com- 
plimenten die niet oppervlakkig zijn. 
(Zie ,,In Search of Strong Families 1 ', uit 
Building Family Strengths: Blueprints for 
Action, ed. Nick Stennett, et al., Lincoln: 
University of Nebraska Press 1979, blz. 
23-30.) 

Wij die het evangelie van Jezus Chris- 
tus hebben omhelsd, behoren te beschik- 
ken over de toewijding en vastberaden- 
heid die nodig zijn om een sterk gezin op 
te houden. Moge God ons zegenen, 
opdat zij ons zullen organiseren, elk 
noodzakelijk voorwerp zullen vervaar- 
digen, en voor degenen die wij liefheb- 
ben een huis zullen vestigen (zie Leer en 
Verbonden 109:81) dat een eeuwig gezin 
waardig is, is mijn gebed in de naam van 
Jezus Christus. Amen. D 




Ouderling L. Tom Perry van het Quorum der Twaalf Apostelen poseert temidden van 
enige conferentiebezoekers. 



155 



„Vreest niet goed te doen 



55 



President Gordon B. Hinckley 
Tweede raadgever in het Eerste Presidium 




Broeders en zusters, normaal zou 
president Spencer W. Kimball deze 
plaats innemen. Ik ben ervan overtuigd 
dat velen onder u heel teleurgesteld zijn 
dat u hem deze keer niet heeft kunnen 
zien of horen. Zoals ik gisterenmorgen te 
kennen heb gegeven, laten de gevolgen 
van zijn hoge leeftijd en het uitermate 
inspannende leven dat hij heeft geleid, 
zich gelden. Toch staat hij iedere dag op 
en kleedt hij zich aan en wij overleggen 
vaak met hem. Als president Kimball 
ontbreekt, behoort president Romney 
zijn plaats in te nemen, maar hij is er 
evenmin. En zoals hij op de priester- 
schapsvergadering van oktober verleden 
jaar opmerkte: „Het ziet ernaar uit dat 
ze het aan de broekjes hebben 
overgelaten." 

U gaat aanstonds naar huis. Velen 
van u reizen terug naar verschillende 
Europese en Afrikaanse landen en naar 
de vele Zuidamerikaanse landen. Ande- 
ren gaan terug naar Australië en Nieuw- 
Zeeland en de eilanden van de Grote 
Oceaan, naar Mexico en Midden- 
Amerika, en naar de Aziatische landen. 



Velen gaan terug naar hun gezin in 
Canada en hier in de Verenigde Staten. 

Ik ben mij altijd zeer bewust van het 
grote wonder van dit werk, dat zich over 
de gehele wereld verbreidt. Ik heb deze 
gelegenheid aangegrepen om het getui- 
genis van Joseph Smith op te slaan, 
aangaande de woorden die tot hem 
waren gesproken toen hij een jongeman 
van zeventien jaar was. Hij werd 's 
nachts door Moroni bezocht en hij 
vertelt: „Hij (Moroni) noemde mij bij 
mijn naam en zei mij dat hij een afgezant 
was, uit Gods tegenwoordigheid tot mij 
gezonden, en dat zijn naam Moroni was; 
dat God een werk voor mij had, en dat 
mijn naam zowel ten goede als ten 
kwade onder alle natiën, geslachten en 
talen bekend zou worden; met andere 
woorden: onder alle volken zou er zowel 
goed als kwaad over worden gespro- 
ken." (Joseph Smith - Geschiedenis 33.) 

In degenen die hier zijn vergaderd, 
zien wij een vervulling van deze opmer- 
kelijke woorden van profetie. Dit is een 
geweldige, kosmopolitische kerk gewor- 
den. Wij verheugen ons over de reusach- 



156 



tige groei van het werk over de gehele 
wereld. Wij zijn dankbaar voor uw grote 
geloof en trouw. Wij beschouwen elkan- 
der allemaal als broeders en zusters, 
ongeacht in welk land wij thuishoren. 
Wij maken deel uit van hetgeen kan 
worden beschouwd als de grootste vrien- 
denvereniging ter wereld. 

Toen de keizer van Japan enkele jaren 
geleden de Verenigde Staten bezocht, 
was ik aanwezig bij een lunch die in San 
Francisco te zijner ere werd gegeven. Wij 
zaten aan tafel met drie andere echtpa- 
ren die uitgebreide ervaring hadden 
gehad met Japan en die er allemaal op 
een bepaald moment hadden gewoond 
in verband met werk voor de regering, 
zaken of het onderwijs. Eén van de heren 
zei tegen mij: „Ik heb nog nooit zoiets 
meegemaakt als uw mensen. We hebben 
veel Amerikanen zien komen terwijl wij 



in Japan woonden en de meesten van 
hen hadden te kampen met ernstige 
culturele aanpassingen, eenzaamheid en 
heimwee. Maar als er een mormoons 
gezin kwam, hadden ze altijd meteen 
vrienden. De leden van uw kerk in Japan 
schenen te weten wanneer ze verwacht 
werden en waren aanwezig om hen te 
verwelkomen. Het hele gezin - ouders en 
kinderen - werd gelijk opgenomen, zo- 
wel sociaal als in uw kerkelijke gemeen- 
schap. Er schenen geen culturele aanpas- 
singsmoeilijkheden of eenzaamheid te 
zijn. Mijn vrouw en ik hebben het er 
vaak over gehad." 

En zo hoort het ook te zijn. Wij 
moeten vrienden zijn. Wij moeten elkan- 
der liefhebben en eren en respecteren en 
bijstaan. Waar de heiligen der laatste 
dagen ook heengaan, overal laat men 
hen weten dat ze welkom zijn, omdat 




157 



heiligen der laatste dagen allen geloven 
in de goddelijkheid van de Heer Jezus 
Christus en zich gezamenlijk bezighou- 
den met zijn grote zaak. 

Wij spreken over de gemeenschap van 
de heiligen. Dit is een zeer wezenlijk iets 
- en moet dat ook zijn. Wij moeten nooit 
toestaan dat deze geest van broeder- en 
zusterschap afneemt. Wij moeten hem 
steeds koesteren. Het is een belangrijk 
aspect van het evangelie. 

Welnu, broeders en zusters, wij heb- 
ben een geweldige conferentie, een heer- 
lijke conferentie gehad. Allen die gespro- 
ken hebben, deden dat onder de inspira- 
tie van de Heilige Geest. De muziek was 
voortreffelijk. Wij zijn alle deelnemers 
en deelneemsters zeer dankbaar -- de 
sprekers, zij die de gebeden hebben 



uitgesproken en zij die aan de verheffing 
van onze ziel hebben bijgedragen door 
middel van muziek. 

Laten wij op weg naar huis nadenken 
over hetgeen wij hebben gehoord. Laten 
wij heengaan met het voornemen en de 
vastberadenheid om het evangelie nog 
beter na te leven. ,, Wij geloven eerlijk te 
moeten zijn, trouw, kuis, welwillend, 
deugdzaam, en goed te moeten doen aan 
alle mensen; met recht mogen we zeggen 
dat we de aansporing van Paulus volgen: 
wij geloven alle dingen, wij hopen alle 
dingen, wij hebben veel dingen verdra- 
gen en hopen alle dingen te kunnen 
verdragen. Als er iets deugdelijk, liefe- 
lijk, eervol of prijzenswaardig is, dan 
streven wij dat na." (Dertiende Artikel 
des Geloofs.) 




President Gordon B. Hinckley, tweede raadgever in het Eerste Presidium. 



158 



Dat artikel van ons geloof behelst één 
van de fundamentele uiteenzettingen 
van onze theologie. In de loop van deze 
grootse conferentie zijn wij herinnerd 
aan vele van de deugden die in deze 
beknopte uitspraak worden genoemd. 
Ik zou willen dat ieder gezin in de kerk 
dat geloofsartikel op een blaadje over- 
schreef en het op een van de spiegels 
thuis bevestigde, waar ieder lid van het 
gezin het iedere dag kon zien. Dan 
zouden we, mochten we in de verleiding 
komen om iets minderwaardigs, oneer- 
lijks of onzedelijks te doen, gelijk krach- 
tig worden herinnerd aan deze grootse, 
allesomvattende verklaring inzake de 
ethiek van ons gedrag. Er zou ook 
minder rationaliseren zijn van bepaalde 
aspecten van ons persoonlijk gedrag, die 
wij - door middel van het ene excuus of 
het andere - trachten te rechtvaardigen. 

Er zijn mensen die ons willen laten 
geloven dat het gebied tussen goed en 
kwaad grotendeels grijs is en dat het 
moeilijk is om te bepalen wat goed en 
wat verkeerd is. Wie deze mening is 
toegedaan, wijs ik op deze prachtige 
uitspraak van Moroni in het Boek van 
Mormon: „Want zie, de Geest van 
Christus is aan ieder mens gegeven, 
opdat hij het goede van het kwade moge 
onderscheiden; en de wijze om te oorde- 
len is even duidelijk als het verschil 
tussen het daglicht en de duistere nacht, 
opdat gij met een volmaakte kennis zult 
kunnen onderscheiden." (Moroni 7:16.) 

Laten wij de gewoonte in ons leven 
aankweken om die dingen te lezen die 
ons geloof in de Heer Jezus Christus, de 
Heiland van de wereld, versterken. Hij is 
de spil van onze theologie en ons geloof. 
De broeders van de Raad der Twaalf 
sporen ons aan iedere dag één hoofdstuk 
uit de evangeliën dat wil zeggen, 



Matteüs, Marcus, Lucas en Johannes - 
in de Bijbel te lezen, alsmede uit 3 Nephi 
in het Boek van Mormon, te beginnen in 
het bijzonder met hoofdstuk 11, met het 
verhaal van het bezoek dat Christus de 
Nephieten bracht op dit halfrond. Ik 



„De broeders sporen ons 

aan iedere dag één 

hoofdstuk uit de evangeliën 

- Matteüs, Marcus, Lucas 

en Johannes - te lezen, 

alsmede uit 3 Nephi in het 

Boek van Mormon" 



onderschrijf dit programma, beveel het 
u aan en druk u op het hart er gehoor 
aan te geven. 

Broeders en zusters, wij hebben niets 
te vrezen als wij aan de kant van de Heer 
blijven. Als wij veel bidden, wijsheid 
vragende aan God, die de bron is van 
alle ware wijsheid; als wij een geest in ons 
gezin koesteren van liefde en vrede en 
eensgezindheid; als wij de ons toegeme- 
ten taken in de kerk enthousiast en 
trouw uitvoeren; als wij toenadering 
zoeken tot onze buren en anderen in een 
geest van christelijke liefde en waarde- 
ring en te allen tijde klaarstaan noodlij- 
dende medemensen te helpen; als wij 
eerlijk zijn tegenover de Heer in het 
betalen van onze tiend en gaven, dan 
zullen wij worden gezegend zoals God 
heeft beloofd. Onze Vader heeft duidelij- 
ke verbonden met zijn volk gesloten. Hij 



159 




is in staat die verbonden na te komen. 
Het is mijn getuigenis dat Hij dat 
inderdaad doet. 

Mag ik u tot besluit deze grootse, 
geruststellende woorden voorlezen, die 
de Heer lang geleden tot zijn volk sprak: 

„Vreest niet goed te doen, Mijn zo- 
nen, want wat gij ook zaait, dat zult gij 
eveneens oogsten.. . . 

Vreest daarom niet, kleine kudde; 
doet goed; laat aarde en hel tegen u 
samenspannen, want indien gij op Mijn 
rots zijt gebouwd, kunnen zij u niet 
overweldigen.. . . 

Blikt tot Mij op bij iedere gedachte; 
twijfelt niet, vreest niet." (Leer en Ver- 
bonden 6:33-34, 36.) 

Tot besluit breng ik de hartelijke 
groeten en zegenwensen over van presi- 
dent Spencer W. Kimball, van zijn 
raadgever, president Marion G. Rom- 



ney, en van al mijn mede-algemene 
autoriteiten. Daar voeg ik aan toe mijn 
eigen dank voor uw steun, uw toegewij- 
de dienstbetoon en de blijken van uw 
geloof. Moge de Heer u overvloedig 
zegenen, hetgeen Hij inderdaad zal doen 
als u bereid bent in geloof te wandelen. 
Dit is mijn nederig gebed terwijl ik mijn 
getuigenis bij u achterlaat dat ik weet dat 
God, onze Eeuwige Vader, leeft, dat 
Jezus de Christus is, de levende, opgesta- 
ne Heiland van het mensdom, en dat 
deze kerk, waarin wij de eer hebben te 
dienen, hun kerk is, die aan de aarde 
werd teruggegeven ten einde alle kinde- 
ren van onze Vader, die bereid zijn naar 
haar boodschap te luisteren, te zegenen. 
God zegene u. Dat Hij in alle dingen en 
te allen tijde met u moge zijn, bid ik 
nederig in de naam van Jezus Christus. 
Amen. G 



160 



LANDELIJKE 
DENKSPORTDAG 

Zoals u waarschijnlijk reeds in uw wijk of gemeente vernomen hebt, zal 
er op zaterdag 15 oktober aanstaande van 9.30 uur tot 17.00 uur in het 
kerkgebouw te Utrecht een nationale denksportdag worden gehouden. 

U kunt zich telefonisch of schriftelijk opgeven voor: 

SCHAKEN 

bij broeder Michael Stigter 
Molengraaf 49 
4133 CL Vianen 
Tel. 3473/74792 

DAMMEN 

bij broeder W. E. A. van Beek 
Prinses Beatrixstraat 38 
3981 BK Bunnik 
Tel. 03406/62942 

BRIDGE 

bij broeder G. Ph. M. Kraanen 
Spoorlaan 15 
3721 PA Bilthoven 
Tel. 030/784772 

U kunt zich ook voor meer dan één denksport opgeven en het is beslist 
niet noodzakelijk dat u er volleerd in bent. Wel verzoeken wij u te 
vermelden of u in clubverband gespeeld hebt. 

Ook kunt u ons opgeven als u eventueel interesse hebt in een andere 
denksport, zoals bijvoorbeeld ,,GO". 

Een prachtige gelegenheid dus om elkaar ook op dit gebied eens wat 
beter te leren kennen en onze verstandelijke vermogens te trainen. 

Heeft u zich nog niet opgegeven, doe het dan alsnog. Het belooft een 
geweldige dag te worden en bij voldoende animo zal het zeker niet bij 
deze ene dag blijven. 



161 



c 

o 

G0 



C/3 



C/5 

ai 

il N 

o <u 

S Q 

?- 3 



G* 


E 


ctf 


.3 


hJ 


2 
'i/i 




<D 


Ui 


u 


0> 


Oh 


"O 






t/3 


e 


ka 


<ü 


UJ 


.2f 


-w 




0J 


j32 


K 



o 




162 




163 



* 



f 



■■■■ 



.■'■"'■H: 



fö. 



'f 



(I 



3; s *"'»l 




II 

il 




;.:;;.:.:.. > 



1 



-*, 






• sta Si«~m'i ;..:,: 




Foto's van de 153ste jaarlijkse conferentie 
gehouden in april 1983 




President Gordon B. Hinckley, tweede raadgever in het Eerste Presidium 



165 




Bladzijde 166 

Boven: President Gordon B, 
Hinckley, die de meeste 
vergaderingen van deze 
conferentie leidde, zit alleen bij 
de stoelen die gebruikelijk 
worden bezet door president 
Spencer W. Kimball en 
president Marion G. Romney, 
eerste raadgever in het Eerste 
Presidium. Beiden waren door 
ziekte verhinderd de conferentie 
bij te wonen. 

Onder: De tempel van Salt 
Lake City gezien vanaf de 
tabernakel. De conferentie 
opende in prachtig lenteweer, 
maar al heel snel voerde een 
storm sneeuw aan. 




m 



Bladzijde 167 

Boven: President Ezra Taft 
Benson, president van het 
Quorum der Twaalf Apostelen 
en ouderling Mark E. Petersen, 
lid van dat Quorum. 
Onder: De aanwezigen zingen 
samen met het Tabernakelkoor. 




166 





:>-H 



■■■:;:;#—■? 





, -' ; *iiillM 'IV 





167 




168 




Bladzijde 168 

Linksboven: Het ZHV-presidium zingt 
met de vergadering een lofzang; (v.l.n.r.) 
zuster Marion G. Boyer, eerste 
raadgeefster, zuster Barbara B. Smith, 
presidente, en zuster Shirley W. Thomas, 
tweede raadgeefster. 

Rechtsboven: Een blik op Tempel Square 
vanaf het kerkkantoor. 
Onder: Het jonge-vrouwenpresidium; 
(v.l.n.r.) zuster Norma B. Smith, tweede 
raadgeefster, zuster Elaine A. Cannon, 
presidente, en zuster Arlene B. Darger, 
tweede raadgeefster. 

Bladzijde 169 

Boven: De lente werd uitgedrukt in de 
bloemenpracht in de tabernakel. 
Onder: President Ezra Taft Benson, 
president van het Quorum der Twaalf 
Apostelen en zuster Benson. 



169 




Bladzijde 170 

Boven: Leden van het Quorum der 
Twaalf Apostelen, de ouderlingen 
Mark E. Petersen (links), Boyd K. 
Packer en Bruce R. McConkie. Op 
de achtergrond het jongerenkoor 
dat de zaterdagmiddagvergadering 
met zijn zang opluisterde. 
Onder: Een vader en zoon die ieder 
een bijdrage leverden aan de 
priesterschapsvergadering, 
Aaronisch priesterschapsdrager 
Matthew Holland (links) en zijn 
vader Jeffrey R. Holland, president 
van de Brigham Young University. 

Bladzijde 171 

President Ezra Taft Benson, 
president van het Quorum der 
Twaalf Apostelen en de 
quorumleden, ouderling Mark E. 
Petersen en ouderling Howard W. 
Hunter. 




170 






'r 1! 









171 




172 





;:É|I;|i|p:é;iï;§ :1 '-; 




■.:.;;■■■■ :■■ ■ 



Bladzijde 172 

Boven: De honderdjarige Assembly Hall 
op Temple Square onderging een 
volledige renovatie. Op de laatste dag 
van de conferentie leidde president 
Gordon B. Hinckley een speciale dienst 
tot herinwijding van het gebouw. 
Onder: President Gordon B. Hinckley en 
zuster Hinckley zingen samen met de 
aanwezigen in de Assembly Hall tijdens 
de inwijdingsceremonie. 

Bladzijde 173 

Enige beelden uit de inwijdingsdienst van 1 
de Assembly Hall met president Gordon 
B. Hinckley op het spreekgestoelte 
(rechtsboven) en ouderling Homer G. 
Durham van het Presidium van het 
Eerste Quorum der Zeventig op het 
spreekgestoelte (rechtsonder). 



173 




174 



Bladzijde 174 

Linksboven: Hyacinten in de 
sneeuw op Temple Square. 
Rechtsboven: President 
Gordon B. Hinckley, tweede 
raadgever in het Eerste 
Presidium. 

Onder: President Gordon B. 
Hinckley (links) biedt de 
helpende hand aan president 
Ezra Taft Benson, president 
van het Quorum der Twaalf 
Apostelen. 

Bladzijde 175 

Boven: Ouderling Angel Abrea 

van het Eerste Quorum der 

Zeventig. 

Onder: Ouderling Yoshihiko 

Kikuchi van het Eerste 

Quorum der Zeventig. 



Bladzijde 176 

Een opname van de 
priesterschapsvergadering. 



Binnenzijde omslag voor: In 
afwachting van het openen der 
deuren. 

Binnenzijde omslag achter: 
Algemene autoriteiten 
luisterend naar het 
Tabernakelkoor. 




175 



' -- ■ ' ■ - ' 






.■■;■;■ . . ; ■■■ .■■■■. ■ ■ . : 




ll : ÉI;llg^:::::J:l|||^ h;iS3;§f;' : 





: 



^ mmm0^^ 




mmmm^MM 


isipi;™ 


Më?r 


;fa»^' 




il-.-:-.; ::::v::,: 


MÊMSMïïïM 




ilii 


iiii;ii ; litlli§ 


ttlil&l 


tÜ 




176 



Klllt' 












;|p' . . m 






■0: ■' '■■■'■^MÈÊÊ^ 

Sb 









*3* 

ïSsïssïsS 



i*,"f*BP 




*:^ 



m*fl 









,,..- ■ 



§| H 1Ï 



. :#l; 



-Itltll 



■.. ■ ■■■ . ... 



;«*•:■.: 



■Sfsï'' 5