(navigation image)
Home American Libraries | Canadian Libraries | Universal Library | Community Texts | Project Gutenberg | Children's Library | Biodiversity Heritage Library | Additional Collections
Search: Advanced Search
Anonymous User (login or join us)
Upload
See other formats

Full text of "De vogels van Guyana (Suriname, Cayenne en Demerara)"

BE VOGELS VAN 

GUyAHA 



OOOK 



P.:P.'PÉNARD '6 A. Fh. PËNARD 




JAN 25 1988 



DE VOGELS VAN 

GUYANA 



(SURINAME, CAYENNE EN DEMERARA) 



DOOR 



FREDERIK PAUL PENARD 

EN 

ARTHUR PHILIP PENARD 




Uitgave van 

Wed. f. P. PENARD 

Paramaribo 



GELEVERD DOOR X. J. BOON TE AMSTERDAM. 



DE VOGELS VAN GUYANA 



OPGEDRAGEN 



AAN 



PHILIPPINA SALOMONS 

(Weduwe van Fiederilc Paul Penardj 



LIEFSTE MOEDER. 

„God zegene U, Moeder, voor Uwe opofferende, nimmei 
falende liefde." Slechts weinigen ..J.:'^'-n doorstaan, wat Uw 
lot in dit leven geweest is, maar nimmer hebt gij geweifeld, 
integendeel, klonk steeds Uw leus : 

„In the world's broad field of battle, 
In the bivouac of life, 
Be not like dumb-driven cattle, 
Be a hero in the strife." 

F. P. BENARD. 

A. P. BENARD. 



VOORWOORD. 



„Van af mijne jeugd heb ik steeds eene bepaalde voorliefde tot 
collecteeren gekoesterd. Mijne moeder vertelt, dat ik op vierjarigen leef- 
tijd, r.eeds bezig was met het verzamelen van allerlei voorwerpen en 
tevens zocht naar de allerkleinste amandel op de wereld. 

Deze neiging tot onderzoek naar het nietige bleef mij bij gedurende 
de schooljaren en later. Zeer zelden heb ik dan ook oogenblikken van 
verveling gekend, integendeel hoe meer ik de theorieën der moderne 
dierkunde leerde vatten, hoe meer dit mij aanspoorde tot verder 
onderzoeken, inzonderheid van de avifauna. 

Mijn eerste plan was, de verzamelde gegevens in het engelsch uit 
te geven, doch in aanmerking nemende, dat er in de nederlandsche 
literatuur bijna niets bekend is over de avifauna van Suriname, besloot 
ik van onze moedertaal gebruik te maken. 

Door de hooge prijzen van vele oudere werken over ornithologie 
was ik genoodzaakt mij te bepalen tot meer verkrijgbare, moderne 
literatuur, die evenwel het grootste gedeelte der oudere literatuur in 
zich bevat. Toch gelukte het mij de volgende lijst boekwerken machtig 
te worden, die dan ook gedeeltelijk den grondslag mijner beschrijving 
vormen : 

Volumes of the Cat. of Birds and Eggs in Br. Mus. (^i 876-1903); . 
Schomburgck's Reisen, in Br. Guiana (1848); Waterton's Wanderings in 
South America (1828); Animal Life in Br. Guiana, bij J. J. Quelch (1901); 
Volumes of Timehri, Journ. of th. R. Agr. Soc. Demerara (1890 etc.) ; 
Whitely's coll. of birds in Br. Guiana (Ibis 1884 etc); Oiseaux de 
Trinidad, p. Leoland; Goeldi's Aves do Brazil (1894); Pelzeln's Om. 
bras. (1868 etc); Birds of the Orinoco, bij Hartert and Gr. v. Berlepsch 
(1902); Birds of Para, bij C. E. Hellmayr (1905); Rev. Mus. Paulisla 



X VOORWOORD. 

por H. von Ihering (1900 etc); Taczanovvski's Orn. of Peru (1886); 
Schlegal's Coll. dans l'etabl, Hist. Nat. des Pays-bas; Buffon's Hist- 
Nat. ; Brehm's Dierenleven; Cassell's Nat. Hist; Ridgway's Manuelof 
N. Am. Birds (1896); Brown's Camp Life in Br. Guiana; Cat. Eiersamling 
von A. Nehrkorn (1899); Davis' Nests and Eggs of N. Am. Birds 
(1898); Chapman's Birds of E. N. Am. (1896); Maynard's Oology ; 
lm. Thurm. Among the Indians of Guiana, (1883) alsmede andere 
werken, een overvloed van tijdschriften en encyclopedieën. 

Toch is er in de bovenstaande werken, behalve de soort-beschrijving, 
slechts weinig over de levenswijze, nesten en eieren van vele onzer 
inheemsche species bekend, zoodat ik verplicht ben geweest alles zelf 
te onderzoeken. De ondervinding leerde mij tevens langzamerhand de 
voor een leek begrijpelijke en niet-begrijpelijke gedeelten van sommige 
boekwerken kennen, hetgeen mij deed besluiten, de beschrijvingen 
zoo eenvoudig en begrijpelijk te maken, als ik die zelf bij mijne studie 
zou gewenscht hebben. 

Bijna twaalf jaren geleden werd mij een nestje met twee eieren 
gebracht, die thans een deel vormen van een collectie van ongeveer 
Ï2000 (zonder duplicaten) exemplaren,. Tevens steeg het aantal bekende 
vogelsoorten van Guiana van af 700 tot 1000 of drie maal het aantal 
door Buffon uit Cayenne beschreven, twee en een half maal meer 
dan de collectie van Schomburgck in Br. Guiana, ruim 300 species 
meer dan de soorten door Whitely verzameld, al en al een twaalfde 
gedeelte van al de bekende vogelspecies der geheele wereld. 

Bij de beschrijvingen heb ik steeds getracht zooveel mogelijk behalve de 
hollandsche, engelsche en fransche, ook de lokale namen (t. w. Neger- 
engelsch, Arowaksch, Caraïbisch en Warrausch) te voegen ; verder hun 
oorsprong en beteekenis alsmede enkele fragmenten van Indiaansche 
legenden \), inlandsche spreekwoorden, gezegden en bijgeloovigheden, 
op vogels doelende. 

De bijna 700 photoreproducties zijn, op enkele uitzonderingen na, 
uitsluitend naar opnamen van vogels, eieren enz. in Suriname gecollec- 
teerd. Maar hoewel uit den aard der zaak al deze photo's natuur- 



') Hiermede wordt bedoeld de sprookjes, die de Indianen onderling elkander vertellen. 
Ook vele legenden, die van geslacht op geslacht overgaan, zijn hen welbekend. Een 
dezer echter luidt, dat God aan den mensch de spraak schonk, maar aan de dieren 
alleen de kracht hun naam uit te spreken. Alle vogels, zoogdieren, visschen, reptielen, 
insecten enz. roepen dus him eigen naam uit, hoewel dit meermalen zeer onduidelijk 
geschiedt. Sommige dieren hebben twee, ja zelfs drie namen, een doelende op het 
geluid, een rp de kleur en een derde op de levenswijze der soort. 



VOORWOORD. XI 

getrouw moeten zijn, zien sommigen er volstrekt niet fraai of symmetrisch 
uit; vooral de eieren zijn slecht uitgevallen. Gelijk W. T. Hornaday 
dan ook terecht in zijn Am. Nat. History aanmerkt, is amateur- 
photographie meermalen onvoldoende, ten einde de juiste eigenschappen 
van een gegeven geslacht of soort te doen uitkomen. Daartoe is de 
graveerstift nog onontbeerlijk. 

De diagnosis der orden, familiën, genera en species is dezelfde als 
in alle andere moderne werken over ornithologie. Wil men dus de 
naam van een gegeven vogel weten, dan wordt eerst het ondergedeelte 
der scheenen onderzocht. Is dit onbevederd, dan behoort de soort tot 
de Watervogels of omgekeerd tot de Landvogels. Vervolgens gaat men 
de Zwemvogels en Steltloopers na, dan de orden, familiën, geslachten 
en soorten. Bijna overal zijn de beschrijvingen in tweeën gesplitst. 
Komt de soort niet overeen met wat onder A staat, dan onderzoekt 
men B. Past de beschrijving, dan wordt a en b nagezien, vervolgens 
*, §, t enz. tot het geslacht uitgemaakt is. Het bepalen der soort 
vordert minder moeite. 

Bij de beschrijvingen zijn de volgende verkortingen gebruikt: Bov.d. == 
bovendeelen m. a. w. de kop, nek, schouders, rug enz.; ond.d. = 
onderdeden m. a. \v. de kin, keel, borst, buik enz. ; slagp. = slagpennen ; 
vl.dekv. = vleugeldekvederen ; dekv. ond. d. vl. = dekvederen onder 
den vleugel; dekv. bov. d. vl. = dekvederen boven den vleugel; 
staartp. = staartpennen ; rectr. = rectrices ; rem. = remiges ; uit. = 
uiterste; buit. = buitenste; midd. = middelste; L. = lengte; vl. = vleugel; 
st. = staart; tars. = tarsus of loop; sn. = snavel; culm. = culmen; 
lora = knevelvlekken; crissum = dekvederen onder den staart = dekv. 
ond. d. st. ; dekv. bov. d. st. = dekvederen boven den staart. 

Hartelijken dank aan allen, die medegewerkt hebben tot de samen- 
stelling van dit werk, dat dan ook meer moet beschouwd worden 
als „bijeengebracht door de verzamelingen en lokaal-beschrijvingen 
van talrijke beroepsjagers, visschers. Indianen enz. m, a. w. menschen, 
die uit woud en stroom hun brood trekken". Dank tevens aan den 
heer J. Rodway, directeur van het Museum te Demerara, voor zijn 
\riendelijke hulp, door het laten copieeren van gedeelten uit zeldzame en 
onverkrijgbare boekwerken, alsook het photographeeren van vogels enz. 



DE VOGELS VAN GUIANA. 

SOORTEN, SUBSOORTEN, ENZ. 



Guiana behoort tot de streek der Neotropen, een der zes hoofJ- 
gewesten of afdeelingen (regions) waarin de heer Sclater de aard- 
oppervlakte zoiUogisch verdeeld heeft. De overigen zijn: i, Nieuw 
Zeeland; p, Australië; 3, Azië ten oosten van de Indus, ten zuiden 
van het Himalaya-gebergte, uitgezonderd enkele streken zooals het 
oostelijk gedeelte van het dalgebied der Yangtsekiang-rivier tot aan 
de kust van Shangaï, met inbegrip van Formosa, de Philippijnen, 
Borneo, Java, Sumatra en Ceylon; 4, Afrika ten zuiden der Sahara- 
woestijn, uitgezonderd Madagaskar enz.; 5, de Holoarctische streken 
omvattende N. Amerika, Europa, Azië ten noorden van Indië en het 
Himalaya-gebergte, het noorden van Afrika tot aan de Saharawoestijn 
alsmede talrijke eilanden. Vele natuurkundigen verdeelen dit hoofd- 
gewest wederom in de Palearctische en Nearctische- of de Koudere 
en Gematigde streken der Oude en der Nieuwe Wereld. Het gebied 
der Neotropen of de tropen der Nieuwe Wereld strekt zich uit over 
geheel Zuid- en Midden-Amerika noordwaarts tot Zuid-Mexico. 

Om een hoofdgewest te vormen, moet ten minste de helft der in 
de streek voorkomende species, nergens anders ter wereld aangetroffen 
worden. Vooral is dit het geval, behalve Australië, met de Neotropen, 
waar drie en twintig familiën en meer dan zes honderd genera inheemsch 
voorkomen. 

Elke hoofdstreek wordt wederom verdeeld in verschillende onder- 
streken (subregions), elk met een aantal inheemsche genera en species. 
Zoo onderscheidt men o. a. de onderstreek der Amazone, de onder- 
streek der Antillen enz., terwijl Suriname behoort tot de onderstreek 



SOORTEN, SUBSOORTEN, ENZ. xiii 

der Guiana's, waaraan kan toegevoegd worden het aangrenzende gebied 
der Orinoco. 

„De Kolonie Suriname gelegen aan de noordkust van Zuid-Amerika, 
tusschen 54° en 58" Westerlengte van Greenwich en 2° en 6" Noorder- 
breedte, beslaat eene oppervlakte van 15.000.000 Hectaren (150000 KM^ 
of 2734 D G. mijlen). Zij grenst ten noorden aan den Atlantischen 
Oceaan, ten oosten aan Fransch Guiana (Cayenne), ten Zuiden aan 
Brazilië en ten Westen aan Engelsch Guiana (Demerara). De oostelijke 
grens loopt over de Marowijne, de zuidelijke over het Tumuchumac- 
en het Akarai-gebergte en de westelijke grens over de rivier de Corantijn. 

Ongeveer twee derde van bovengenoemde oppervlakte der Kolonie 
is door reizigers bezocht; van het overige deel is niets bekend. 

Over eene geschatte breedte van 50 K.M. is het noordelijk deel van 
Suriname bijna geheel vlak en gedeeltelijk beneden het peil der spring- 
vloeden. Het lager deel wordt ten zuiden begrensd door eene kromme 
lijn, loopende van af de Marowijne ter hoogte der Wane-kreek in 
W. Z. W. richting tot de Corantijn en gaat dan over in een strook 
lichtgolvend terrein, waarin zich de Savanna's bevinden, terwijl 30 a 50 
K.M. zuidelijker het landschap heuvel- en bergachtig wordt. 

Suriname bezit een heet, doch gezond klimaat. De gemiddelde 
temperatuur bedraagt 27.48° Celsius, doch deze hitte wordt getemperd 
door verfrisschende zeewinden. De gemiddelde regenval in gemiddeld 
206 regendagen bereikt 231.4 m.M. (W.L. Loth.) 

Van het Oosten naar het Westen gaande, wordt Suriname door- 
sneden door 8 machtige hoofdstroomen, die gevoed worden door 
talrijke zij-rivieren en kreken. In hun bovenloop vormen zij water- 
vallen en stroomversnellingen, doch zijn, nabij hunne mondingen onder- 
hevig aan den invloed van het getij. 

De avifauna van Suriname komt overeen met die van Cayenne en 
Demerara, hetgeen niet te verwonderen is, in aanmerking genomen 
de gelijke distributie van land, water en plantenleven. In Venezuela 
echter beginnen de soorten reeds min of meer te veranderen en als 
het ware een overgang te vormen tot de species van Centr.-Amerika. 
Toch worden meer dan 400 van de 4Ó8 soorten door Hartert en 
Gr. van Berlepsch beschreven als voorkomende langs de Orinoco, ook 
in de Guiana's aangetroffen, hetgeen eveneens het geval is met omstreeks 
550 der bijna 1300 species, door Pelzeln aangegeven als behoorende 
tot de avifauna van Brazilië. Tevens treft men vele vogelsoorten, 
inheemsch in Peru, ook in de Guiana's aan. Vooral de Formicariidw 
zijn in de Guiana's door talrijke species vertegenwoordigd. Aan de 



XIV DE VOGELS VAN GUIANA. 

westzijde der Andes treft men de Plerolochidcc aan, terwijl ook de 
Rheidir uitsluitend op de pampas van Argentina voorkomen. 

Met den heer Sclater en anderen ben ik de meening toegedaan, 
dat een vergissing in de origineele beschrijving eener soort, slechts als 
zoodanig moet beschouwd worden ; verder dat de specie-naam geen 
eigenschap mag aanduiden, die de soort niet bezit, b.v. ThovuwpJiilus 
catmdciisis trinitatus is geen passende naam voor een vogel, die niet in 
Canada voorkomt evenmin als Thamnophiltis viridis voor een specie, 
die geen schijn van groen in het vederkleed vertoont. Ook de verandering 
van den soort- naam bij het overbrengen naar een ander geslacht is 
gewenscht, b.v. Turdus phaecopygus-= Mendaphaecopygia. Is de geslachts- 
naam nl. mannelijk en eindigt met us. dan moet ook de soortnaam 
daarnaar geregeld worden. 

Andere natuurkundigen echter beschouwen den specie-naam slechts 
als naam. Indien dus de origineele beschrijver een vergissing beging. 
dan moet die zoo blijven ter voorkoming van meerdere vergissingen ? ! 

Het aantal tot nu toe bekende vogelsoorten bedraagt bijna 12000. 
De avifauna der Guiana's telt omstreeks 1000 species. In dit eerste 
deel komen voor 47 familiën en 16 orden. 

Voor zoover mogelijk heb ik getracht de moderne classificatie te 
volgen, door aan elke soort diie namen te geven. Ik stem evenwel 
geheel met de heeren Sclater, Dr. Finsch en andere experts overeen, 
dat t7cce namen, de geslachtsnaam en de specie-naam voldoende zijn 
ter aanduiding der soort. Hartert, Gr. von Berlepsch en andere natuur- 
kundigen der moderne school beweren echter, dat, als 30 individuen 
uit een streek verschillen van 30 individuen uit een andere plaats. 
dan geldt elk als een afzonderlijke subsoort, aangeduid door drie 
namen. Maar wat eigenlijk de typische soort vormt, hangt geheel af 
van de origineele beschrijving, b v. vele onzer species zijn typisch, 
omdat ze het eerst door Linnaeus, Schomburgck, Sclater, Salvin enz. 
beschreven werden als afkomstig uit Guiana, dat tevens als de typische 
woonplaats geldt. 

Treft men nu in andere lokaliteiten individuen aan, die eenigszins 
verschillen van de typische soort, dan worden die individuen door 
moderne natuurkundigen onderscheiden als subsoorten. 

Natuurlijk, hoe uitgestrekter de geographische distributie eener soort, 
alsmede het opmerkingsvermogen van den onderzoeker ter onder- 
scheiding van kleurtinten enz., des te meer subspecies er zullen af- 
gescheiden worden, vooral onder vogels, die in afmeting nogal varieeren 
of een gevlekt vederkleed bezitten, o. a. Uilen, Vinken enz. Om echter 



SOORTEN, SUBSOORTEN, ENZ. xv 

één soort in i8 tot 20 subsoorten te verdeden, kan slechts leiden ter 
bemoeielijking der studie, te meer als men in aanmerking neemt, dat 
de subspecies, door sommige knappe experts uitgemaakt, door anderen, 
even knap, weder verworpen worden. Tevens treft men dikwijls twee 
z.g. subsoorten te zamen in één lokaliteit, ja enkele malen op één 
boom aan. 

Toch staat het feit, dat vele, duidelijk te onderscheiden species 
dikwijls door een reeks van tusschenvormen aan elkander verbonden 
zijn, terwijl bij andere soorten, die in mindere mate van elkander 
verschillen, de aaneenschakeling ten eenenmale ontbreekt, of ten 
minste verondersteld wordt, te ontbreken. Absolute kenmerken dus 
ter onderscheiding eener soort van een subsoort of variëteit, bestaan 
niet, hetgeen evenwel geen verwondering kan wekken in aanmerking 
genomen, dat de classificatie van levensvormen een menschelijke 
instelling is. Het verschil tusschen Orden, alsmede vele Familiën wordt 
gebaseerd, zoowel op inwendige als uitwendige kenteekenen, terwijl 
de classificatie van Genera en Species meer oppervlakkige eigenschappen 
tot grondslag heeft. 

Al onze vogels behooren tot de Hoofdgroep der Carinake, gekenmerkt 
door een kielvormig borstbeen in tegenstelling met de Raiilcr, die 
geen kiel aan den sternum bezitten. Onze Stuithoenders Tinamidir 
vormen de overgang van beide groepen ; zij bezitten nl. het borstbeen 
der Carinaten, doch den schedel der Ratiten. 

Vogels onderscheiden zich van Zoogdieren door het bezit van vederen 
en de verlenging der voorste ledematen tot vleugels. Zij leggen tevens 
eieren, evenals vele kruipende dieren, doch verschillen van deze door 
hun warm bloed en- inrichting der hartkamers. Toch moeten er in 
vroegere eeuwen vele soorten bestaan hebben, die de kloven tusschen 
de klassen overbrugden. De eierleggende Ornithorhvnchus en Echidna 
zijn o. a. overblijfsels van geheele dierklassen, die tusschen de Aves 
en Mammalia moeten gestaan hebben, terwijl in de fossielen sporen 
van bevederde reptielen worden aangetroffen. Het dons bij jonge 
vogels is denkelijk een overblijfsel van een stadium, toen de ver- 
schillende klassen nog niet zoo scherp van elkander gescheiden waren 
als thans. 

Over het algemeen wordt onder een soort of specie verstaan een 
aantal elkander gelijkende individuen, die onderling kunnen voorttelen 
en wier afstammelingen wederom in staat zijn, de soort voort te planten. 
Toch brengen twee species menigmalen bastaarden voort, die evenwel, 
behoudens enkele uitzonderingen, niet bij machte zijn tot verdere 



XVI DE VOGELS VAX GUIANA. 

voorlteiing. ') Deze algemeene wet der natuur houdt dan ook de soort 
staande en werkt mede tot de soortvorming, die volgens de moderne 
wetenschap, op de volgende wijze plaats vindt : 

„Alle individuen, behoorende tot één soort bezitten de kracht, zich 
tot in het oneindige te vermenigvuldigen, hetgeen evenwel belet wordt, 
omdat elke levensvorm te strijden heeft tegen de omgeving alsmede 
talrijke vijanden. Onder vogels wordt nu eens het mannetje, dan weder 
het wijfje gedood. Immer vindt dus nieuwe paring plaats en daar 
vogels niet gebonden zijn tot bepaalde streken, geschiedt de onderlinge 
voortteling over het geheele distributiegebied der specie. 

Elke verandering dus, die zich voordoet bij een individu of een 
aantal individuen, wordt gradueel over al de individuen der soort 
verspreid. Maar de gradueele verspreiding geschiedt soms langzamer 
dan de verandering of ontwikkeling der individuen op een of meer 
plaatsen van het distributiegebied, zoodat er ondergroepen individuen 
ontstaan, die min of meer van elkander verschillen, maar toch door 
een reeks van tusschenvormen aaneengeschakeld zijn. Deze tusschen- 
vormen hebben uit den aard der zaak, min of meer de eigenschappen 
van bastaarden. Zij worden dan ook steeds zeldzamer en zeldzamer 
ijm eindelijk geheel te verdwijnen. 

Op een eiland geschiedt de soort-vorming sneller dan op een vaste- 
land. Want door het wegzinken van het land of anderszins worden de 
eilanden van elkander gescheiden of geïsoleerd, hetgeen onderlinge 
voortteling der individuen van één soort verhindert. Ook door het 
nu en dan overvliegen van vogels van het vasteland naar een eiland 
of omgekeerd of wel van eiland tot eiland, kan er gaandeweg een 
nieuwe soort ontstaan. ") 

Overal waar dus afstanden, bergketens, zeeën, enz. de onderlinge 
voortteling der individuen min of meer beletten, werkt de natuur 
gestadig tot vorming van variëteiten, geographische rassen en subsoorten, 
die langzamerhand in eigenlijke species overgaan. Maar de soortvorming 
berust, gelijk te voren aangehaald, hoofdzakelijk op de bijna algemeene 
wet der natuur, dat bastaarden niet kunnen voorttelen. 

Volgens Prof. Hugo de Vries ontstaan species niet gradueel, maar 



') Bij de kruising van soorten staat phvsisrhe overeenkomst op den voorgrond. L'it den 
aard der zaak kan wel een ezel met een paard, doch geen olifant met een muis paren. 

-I De soorten op eilanden zijn in den regel verwant aan de species van het nabij- 
gelegen vasteland. Op de Antillen treft men talrijke subspecies aan, elk dikwijls beperkt 
tot een bepaald eiland. Onze vogels komen veel overeen met die van Trinidad, door 
Leoland beschreven. 



SOORTEN, SUBSOORTEN, ENZ. xvii 

als het ware schoksgewijze. In den loop der tijden spHtst de soort, 
eene heriditaire neiging volgende, zich nl. nu en dan in variëteiten, 
en de natuur determineert, welke van deze afwijkingen zullen blijven 
voortbestaan. Maar hoe deze theorie kan toegepast worden op vogels, 
die gestadig onderling paren en van de eene naar de andere plaats 
overvliegen, is vrij duister of wel, de variëteit moet, van af haar 
ontstaan, reeds de kracht tot voortteling met de moedersoort verloren 
hebben. Want anders zal door onderlinge voortteling, elke afwijking 
wederom in de moederspecie opgelost worden. (Zie ook Ornithion enz.). 

Toch komt bij vogels meermalen een vreemd verschijnsel voor, in 
dit werk beschreven als phases, doch beter aangeduid als dimorphisme 
of dubbelvormigheid, m. a. w. het verschil dat eenzelfde dier soort 
in tweeërlei gedaanten kan optreden. De meest voorkomende vorm 
is het geslachtelijke dimorphisme of het gewone seksueele verschil in 
kleur, gedaante enz. waarover in de volgende hoofdstukken is melding 
gemaakt. De andere vorm echter doet zich voor onafhankelijk van 
sekse, lokaliteit enz. In één nest worden soms verschillende individuen 
van eenzelfde soort aangetroffen, die onderling opmerkelijk verschillen, 
hoewel niet altijd in dezelfde mate en ook meermalen door een reeks 
van tusschen vormen verbonden. Vooral bij Roofvogels komt deze vorm 
van dimorphisme veel voor, maar tot nu toe heeft de wetenschap 
geen afdoende verklaring aan het verschijnsel kunnen geven. 

In de natuur kan elk individu zich naar een bepaalde richting 
ontwikkelen, geheel verschillend van de andere individuen van dezelfde 
soort. Maar dit wordt doorgaans verhmderd door hetgeen de mensch 
juist niet noodig heeft ter vorming zijner aangekweekte rassen, nl. 
onderlinge voortteling van al de individuen van één soort. De theorie 
der gradueele ontwikkeling echter zou bewezen worden door de 
talrijke ineenvloeiende subsoorten en variëteiten, die de Museums 
vullen; verder nog de studie der palaontology en der embryology, 
gepaard aan het verschijnsel bekend als atavisme of de neiging der levende 
wezens om terug te keeren tot het oorspronkelijk type, waarvan de tusschen- 
inliggende geslachten zich in den loop der tijden verwijderd hebben. 

Linnaeus geloofde, dat 5607 jaren geleden de aarde met al wat er 
op is en was door God in zes dagen geschapen werd. Welk een 
verschil met de moderne theorie der „electrocules", die evenwel het 
levensgeheim niet oplost. ^) 



') De descentie- of evolutie-leer sluit niet uit het begrip aan één Almachtigen God, 
die alle ontwikkelingswetten grondde. Zij verklaart slechts de genetische of natuurlijke 
ontwikkeling — niet den oorsprong der soorten. 

II 



DE VOGELS VAN GUIANA. 



KLEUR, BIJZONDERE EIGENSCHAPPEN, 
INSTINCT, ENZ. 

„Onder de vele oorzaken die tot de afscheiding der species mede- 
werken, draagt, volgens Darwin en andere geleerden, seksueele selectie 
of de preferentie van het wijfje voor het mannetje, dat haar het meest 
behaagt of omgekeerd, vooral onder vogels, veel bij tot de ontwikkeling 
en verandering der individuen en dus ook tot soortvorming. 

Toch is het moeielijk aan te nemen, dat het wijfje of het mannetje 
in werkelijkheid eene keus doet. 

De verandering kan evengoed als zij werd opgewekt, ook verder 
geschieden, behalve door licht, door energie en daarmede gepaard 
gaande temperatuursverhooging tengevolge van de stemming of ver- 
snelling van den bloedsomloop, beperkt tot enkele deelen van het 
lichaam of wel gelijkmatig over alle deelen verdeeld. Ook het volgen 
van een bepaald dieet kan soms den grondslag vormen tot het ontstaan 
van bepaalde kleuren aan het vederkleed, een bijzonder instinct of 
zelfs inwendige eigenschappen, zooals b.v. bij de Euphoniimc. ^) 

De energie bij vogels kan opgewekt worden bij het zoeken naar 
prooi, bij het zingen het pronken of wel de voortplantings aandrift en 
vechtlust. Het wijfje is meermalen wel de oorzaak der verandering, 
doch zij oefent door selectie geen invloed er op uit. 

Er bestaat een gegronder reden, de fraaie kuif van Miisci7jora regm 
toe te schrijven aan de neiging der vogels om steeds hunne kopvederen 
op te richten, dan aan seksueele selectie. ^) De geheele familie der 
Tyrannyda- vormt het bewijs hiertoe. Bijna alle species hebben de 
gewoonte, bij het zoeken en aangrijpen eener prooi of onder het 



') Peper wordt verondersteld bij Papegaaien en Kanaries eene roode kleur op tc^ 
wekken, terwijl maïs en het vet van den Anjoemara (Macrodon Irahira) geel zou 
voortbrengen. Indien het voedsel echter van werkelijken invloed is bij de soortvorming, 
dan geschiedt die denkelijk bij beide seksen in gelijke mate. Mij is geen vogelsoort 
bekend, bij welke het mannetje een ander voedsel gebruikt of zijne prooi op eene 
verschillende wijze aangrijpt dan het wijfje. 

') Bij Muscivorn regia bezitten beide seksen aan den voorkop een hooge kuif, die bij 
het mannetje scharlakenrood, doch bij het wijfje oranjegeel van kleur is. Deze vogels 
hebben tevens lange, stijve borstelharen om de snavelbasis. Zij voeden zich met tamelijk 
groote en krachtige insecten en klapperen gestadig met den snavel. Meerdere dergelijke 
gevallen doen zich voor bij onze vogels. Alle Papegaaien hebben min of meer de 
gewoonte de vederen aan hun achterkop op te richten. Deze neiging bracht bij vele 
species een verlenging of verkleuring der vederen te weeg, doch bij den Zonpapegaai 
Deropivns accipitrimis ontstond een prachtige purpergetipte kraag of kuif bij beide seksen. 



KLEUR, BIJZONDERE EIGENSCHAPPEN, ENZ. xix 

paren of vechten, de kopvederen op te heffen. En zelfs bij de soorten, 
zooals Myopatis semifusca, die in volkomen staat hoegenaamd geen 
kuif bezitten, staan de vederen aan den bovenkop min of meer dicht 
op elkander. ^) Bij alle species, die tot volkomenheid opgegroeid, een 
kruinvlek of kuif aan den bovenkop hebben, valt bij de jongen niets 
er van te bespeuren, eerst onder het opgroeien begint zich een ver- 
kleuring aan den wortel der vederen voor te doen, totdat er ten 
laatste een heldere, duidelijke kruinvlek of kuif gevormd wordt. ^) 

Niets pleit er tegen, dat in den loop der tijden, de verkleuring en 
verlenging der voorkopvederen, ontstaan door de krachtsinspanning 
bij het aangrijpen eener worstelende prooi, en daarmede gepaard 
gaande stremming der sappen of versnelling van den bloedsomloop, 
tengevolge van het gestadig in drift samentrekken van de kophuid 
en het oprichten der vederen, zich vormde tot de hoogopstaande, 
waaiervormige kuif van den Koning-liran, m. a. w. „dat een eigenschap, 
eenmaal hetzij, door inwendige of uitwendige oorzaken in de organisatie 
opgewekt, voortgaat zich te ontwikkelen ; en dat tevens door de wet 
der correlatie ook andere deelen van het lichaam, zoowel in- als 
uitwendig, veranderingen ondergaan." ^) 

Overal onder vogels treft men de bewijzen tot het bovenstaande 
aan, doch bij talrijke species is de fraaie kleur enz. beperkt tot het 
mannetje. Hij onderscheidt zich ook meermalen door bijzondere 
eigenschappen. Hij is dikwijls grooter, krachtiger, pronkzuchtiger en 
vechtlustiger dan het wijfje; het is ook doorgaans „hij" die „haar" 
opzoekt. Verder ben ik overtuigd, dat de temperatuur van het mannetje 
bij vele soorten (ten minste gedurende het broedseizoen) hooger staat 
dan bij het wijfje, m. a. w. „hij bezit sterker driften, zijn bloed vloeit 
sneller door de aderen." 

Dit is ook de oorzaak, waarom vele vogels gedurende den broedtijd 
een anders gekleurd vederkleed dragen dan na het broedseizoen, als 



') Bij siimmige exemplaren dezer kuiflooze Tyrainndir bevinden zich meermalen 
eenige bruine of lichtkleurige vederen aan den bovenkop. 

^) De kruinvlek ondergaat in den regel verscheidene veranderingen alvorens de juiste 
kleur bereikt wordt. Bij Tvrannus melancholicus ziet de bovenkop er eerst grijsbruin 
uit, vervolgens bruin aan de vederwortels, dan geelbruin, geel, oranje en eindelijk 
scharlakenrood. 

3) Het is onmogelijk zich in te denken, dat er in de natuur stilstand kan plaats 
vinden. Integendeel gaat de ontwikkeling, in welke richting ook, steeds voort, d. w. z. 
van eigenschappen die de soort niet aan te vele gevaren blootstellen, want in dat geval 
volgt zeldzaamheid der individuen en ten laatste algeheele uitsterving der specie. 



XX DE VOCrELS VAX GUIANA. 

de hartstocht heelt uitgeraasd. Vooral het mannetje doet zich dan 
opmerkelijk voor of beter gezegd „de tijdelijke versnelling van den 
bloedsomloop en daarmede gepaard gaande temperatuursverhooging, 
opgewekt door krachtsinspanning en driften, heeft invloed op bepaalde 
deelen, of over de gehecle organisatie, terwijl er eene meerdere af- 
scheiding van pigment plaats vindt, waardoor de kleur der vederen, 
of van de naakte gedeelten der huid, tier lellen of andere aanhangsels 
en versiersels in intensiteit toeneemt." 

Hieruit volgt, dat de krachtigste individuen van een soort er ook 
het fraaist of helderst gekleurd uitzien, hetgeen niet kan betwijfeld 
worden. ^) 

In den strijd om liet bezit der wijfjes hebben de krachtige individuen 
meer kans overwinnend op te treden dan hunne zwakkere broederen. 
Zij zijn dus in staat meer nakomelingen na te laten, terwijl door de 
wet der heridity of overerving, de op deze wijze opgewekte eigen- 
schappen van den vader, hoewel misschien gedurende den eersten tijd 
in gelijke mate op de jongen (beide seksen) overgedragen langzamerhand 
toch eene neiging toonen om meer op den zoon over te gaan en de 
dochter meer de moeder gelijkt. 

De mannetjes dus, tengevolge hunner sterker hartstochten ontwikkelden 
zich meermalen in een richting, dikwijls opmerkelijk verschillend van 
de wijfjes. Maar waar de seksen elkander in driften evenaarden, ge- 
schiedde de ontwikkeling meer gelijkmatig en werden ook de eigenschap- 
pen in gelijke mate bij zoon en dochter overgebracht. Een algemeene 
wet der natuur verplicht evenwel eiken levensvorm van kiem af tot 
volkomenheid, alle stadia van ontwikkeling te doorloopen, die de 
soort in den loop der tijden onderging. Aannemende dan, dat bij 
vele onzer species, bij welke de mannetjes in kleur en bijzondere 
eigenschappen van de wijfjes verschillen, beide seksen eens eenzelfde 
kleur hadden, dan moet het jonge mannetje gedurende zijn eerste 
levensperiode met het wijfje overeenkomen. De bijzondere kleur of 
eigenschappen, opgewekt door hartstocht of andere driften, zullen dan 
eene neiging vertoonen zich te openbaren gedurende dezelfde levens- 
stadia, in welke zij bij de vroegere geslachten ontstonden, m. a. w. 



') Bij tamme vogels kan men duidelijk het iiidividueele verschil in kracht en harts- 
tocht opmerken. Sommige mijner kanaries, bij het zien van een wijfje, klampten zich 
tegen de traliën hunner kooi en zongen alsof hun keeltje moest barsten. Andere weer 
sprongen rond en lieten slechts korte geluiden hooren. Wanneer ik echter beide te zamen 
in een kooi met het wijfje bracht, dan was het steeds het krachtige mannetje, dat als 
heer en meester erkend werd, nf beter gezegd, zich zelf instelde. 



KLEUR, BIJZONDERE EIGENSCHAPPEN, ENZ. xxi 

het eerste vederkleed van jonge vogels (en misschien ook in vele 
gevallen dat der volwassen wijfjes) onafhankelijk welke verandering 
er gedurende het leven bij het mannetje of het wijfje of wel bij beide 
seksen plaats vindt, is een stadium '), waarin de soort vroeger moet 
verkeerd hebben. ^) 

Resumeerend kan dan ook met betrekking tot onze avifauna het 
volgende vastgesteld worden: 

1. „Indien het mannetje tot volkomenheid opgegroeid zich door een 
bijzondere kleur, lellen, naakte gedeelten der huid, aanhangsels, 
meerdere grootte of lichaamskracht of anderszins physisch van 
het wijfje onderscheidt, bezit hij ook een bijzondere eigenschap, 
hetzij in geluid, dansen enz., waarin de verklaring van het ver- 
schil tusschen de beide seksen kan gezocht worden. Inderdaad 
hoe opmerkelijker het verschil in uiterlijk, hoe eigenaardiger ook 
de oorzaak of de hartstochten. 

2. Indien beide seksen in volkomen staat elkander physisch gelijken 
in kleur, grootte of anderzins, verschillen zij ook niet in bijzon- 
dere eigenschappen of hartstochten. 

3. Hoe meer de mannetjes van twee nauwverwante species van 
elkander verschillen, hoe eigenaardiger ook de bijzondere eigen- 
schappen van elke soort. Hoe meer de wijfjes elkander physisch 
in kleur of anderzins gelijken, hoe minder opmerkelijk het ver- 
schil in bijzondere eigenschappen of hartstochten. 

4. Indien de bijzondere eigenschappen of de kleur het gevolg zijn 
van het zoeken naar voedsel of oorzaken, waaraan beide seksen 



') Het kan zijn dat bij sommige soorten de ontwikkeling zó() snel geschied is, dat 
wij gedurende het leven van het individu slechts een schemering ervan kunnen opmerken. 
B.v. bij de .Scharlaken Ibissen doet zich een gele tint in het vederkleed voor, dat 
misschien het stadium is van een vroeger geheel geel of oranjegeel vederkleed der soort. 

-) Sommige natuurkundigen beweren, dat de mindere schoonheid der wijfjes in verband 
staat met de voortteling, m. a. w. dat de kleur een bescherming vormt gedurende den 
broedtijd. Doch dat kan op goede gronden betwijfeld worden, vooral als men in aan- 
merking neemt, dat sommige wijfjes, die er in vergelijking met de mannetjes van 
dezelfde soort in onze oogen, beschermend gekleurd uitzien, veel fraaier of opmerkelijker 
van kleur zijn dan de mannetjes en wijfjes van sommige andere species. Veel eerder 
kan de neiging van het mannetje om de uitbroeding der eieren aan het wijfje over te 
laten, gezocht worden in zijne meerdere rusteloosheid en vechtlust. Ook zou bij de 
soorten, bij welke het mannetje in polygamie met verscheidene wijfjes leeft, hij niet in 
staat zijn aan de eischen van zijn harem te voldoen. Zijn werk bestaat dan meermalen 
in het wegdrijven van alle indringers en bescherming der broedende vrouwtjes (zie 
Leistes guiancnsü). Bij andere species weer laat het mannetje het bmedende wijfje 
dikwijls geheel aan haar lot over. 



xxii DE VOGELS VAN GUIANA. 

in gelijke mate deelen, dan toonen die eigenschappen enz. een 
bepaalde neiging in gelijke mate bij beide seksen voor te komen, 
onafhankelijk nf het mannetje een afzonderlijke bijzondere eigen- 
schap bezit." ') 
Overal onder vogels treft men bewijzen aan tot het bovenstaande. 
Er bestaat een direct verband tusschen het dansen van den Rotshaan 
Rupirola crocea (q ) en zijne lange oranjegele vederen; het geschal van 
den Campenero Chasmorliynclnis niveiis [cj ) zijn sneeuwitte kleur ^) en 
elastische zak aan den voorkop ; het loeien van den Kalfvogel Gvni- 
nocephalus calvus (q ) en zijn kale kruin; de hartstocht of liever moord- 
lust der Scharlaken Ibissen Etidocimus ruber (beide seksen) en hun 
roode kleur; het voedsel zoeken der Flamingo's Phoenicoptcrus ruber 
(beide seksen) en hunne lange pooten. De fraai gekleurde mannetjes 
van vele der Piprida- hebben meermalen eigenaardig ingesneden bin- 
nenste slagpennen; zij vliegen op een golvende wijze heen en weder, 
doch de groene wijfjes doen dit niet. Maar er bestaan ook species, 
bij welke de seksen niet in kleur verschillen en in deze gevallen 



') Het verschil in grootte bij soorten van hetzelfde geslacht of dezelfde familie, is 
meermalen opmerkelijk en vermoedelijk het gevolg van verschillende oorzaken. Maar 
onmogelijk is het te bepalen of de stamvader van een gegeven vogelgroep groot of 
klein was. B.v. vfij kunnen niet eens gissen of de verschillende species der Cotingida- 
afstammen van een vogel zoo klein als Jodopleura leiicopygia of wel zoo groot als 
Gviiinocephalus calviis. 

^) Wit is eigenlijk geen kleur, doch het ontbreken van alle kleurstof. De Chasmorhynchi 
Ijehooren tot de enkele Amerikaansche Landvogels die wit zijn. Witte Watervogels 
daarentegen komen nogal dikwijls voor. Maar dat deze kleur speciaal zou ontstaan bij 
sommige vogels tot protectie gedurende den winter, valt te betwijfelen, want er bestaan 
in de tropen even vele witte of gedeeltelijk witte species als in het Noorden. Veeleer 
zou men kunnen vaststellen, dat door de tempering der hartstochten gedurende den 
winter eene tijdelijke vermindering of verdwijning van het pigment plaats vindt, terwijl 
bij de Chasmorhv nclii, als hooge uitzondering op den algemeenen regel, juist de harts- 
tocht de permanente verdwijning der kleurstof ten gevolge heeft. 

De kleurverandering geschiedt zoowel door verdwijning en verkleuring van hot 
pigment als door direct ruien der vederen. B.v. bij vele Eitphoniinm verandert de kleur 
van groen in blauwzwart en geel, terwijl bij de Crotophagina' de bruinzwarte vederen 
uitvallen en dan door glanzend zwarte vervangen worden. Bij Gyniiioderus foetidiis 
verdwijnt het zwarte pigment uit de schoudervederen die dan grijs worden. 

Volgens Dr. Trouessait geschiedt de verdwijning van het pigment door de witte ot 
kl(Mirlooze bloedcellen die de kleurstof vernietigen. Hieraan zou de verandering in kleur 
van dieren, vogels enz. te wijten zijn alsook het grijs worden van menschenhaar door 
ouderdom, of wel in (^ón nacht door hevige gemoedsaandoeningen enz. Tevens zijn 
gevallen bekend, waarbij de gekleurde pels van dieren na één zeer kouden nacht in 
wit is veranderd. 



KLEUR, BIJZONDERE EIGENSCHAPPEN, ENZ. xxiii 

onderscheiden de mannetjes zich in bijzondere eigenschappen niet 
van de wijfjes. 

Bij Chh'omachceris 7nanaais is het mannetje zwart en wit van kleur 
en bezit tevens stijve, sabel vormig gebogen eerste slagpennen, waar- 
mede hij een trillend geluid voortbrengt. Dit vogeltje voedt zich met 
mieren en heeft lange keelvederen evenals Pithys albifrons. Bij het 
geheel groene wijfje zijn de eerste slagpennen normaal, doch de keel- 
vederen, hoewel groen van kleur, zien er verlengd uit. Bij onze Turdidcr 
zingen beide seksen en verschillen ook niet noemenswaardig in kleur. ') 
Doch bij de Grasvinken Spennophila enz. zingt alleen het mannetje 
en verschilt in kleur opmerkelijk van het wijfje. Bij elke soort onder- 
scheidt het volwassen mannetje zich tevens door een geheel verschil- 
lend vederkleed en gezang. De wijfjes zwijgen en kunnen dikwijls niet 
met absolute zekerheid van elkander onderscheiden worden. De prachtige 
Fluweeltanager Rhamphocoehis jacapa zingt met veel energie doch het 
bruine wijfje zwijgt. Bij de Blauwe Tanagers Tanagra epncopiis zingen 
beide seksen even luid, doch verschillen in kleur of lichaamsgrootte 
niet noemenswaardig van elkander. 

Vooral bij de Formkanido' kan men duidelijk opmerken, welke 
eigenschappen het gevolg zijn van hartstocht of vechtlust en welke 
kunnen toegeweten worden aan de driften, bij het zoeken naar voedsel. 
Aannemende de origineele kleur van den stamvader der FormicariidcB 
als bruinachtig, dan kan de zwarte kleur der mannetjes het gevolg 
zijn van hartstocht, maar de witte rugvlek bij beide seksen daaren- 



') Onze Lijsters bewonen over het algemeen den grond en hebben een z.^. protcctief 
of beschermend vederkleed. Maar het is een groote vraag of de omgeving wel van 
directen invloed geweest is bij de ontwikkeling der kleur, zooals bij sommige insecten. 
Buitendien bestaat er onder tropische vogels geen scherp verschil tusschen protcctief en 
non-protectief. De schitterende vederen van Kolibries hebben veel overeenkomst met 
druppels water op gekleurde bladeren. Een Groene Papegaai is protectief van kleur 
tusschen het groene loover, maar niet op de bruine takken. De Fluweeltanager steekt 
helder af tegen de groene bladeren van een Mangaboom, maar verdwijnt tusschen het 
loover van een Sterappel-boom met purperkleurige bladeren. 

De pigmentafscheiding of verwijdering, opgewekt door de eent- of andere oorzaak 
doet zich voor in allerlei kleuren en variaties, gestreept, geviekt enz. Een vogel met 
een vederkleed, dat in kleur nogal met de omgeving overeenkomt, zal in die omgeving 
veiliger zijn, dan ergens anders, terwijl de natuur, door gestadige vernietiging der 
individuen, die zich het minst hiernaar voegen, ten laatste een instinctmatige neiging 
bij de soort doet ontstaan om zich in een bepaalde omgeving op te houden. Maar dit 
geldt slechts min of meer de op den grond levende species. Geen expert kan dan ook 
zonder de pooten in aanmerking te nemen, alleen oordeelende naar de kleur van het 
vederkleed, afleiden op welke plaats een gegeven vogelsoort zich bij voorkeur ophoudt. 



XXIV DE VOGELS VAN GUIANA. 

tegen voortgebracht door de eigenaardige houding der vogels bij het 
rondspringen tusschen de mieren. ^) Er bestaat een speciaal en direct 
verband tusschen de kracht en venijnigheid der Jachtmieren en de hooge 
kuif en lange keelvederen van het Mierenkoninkje, Pithys albifrons. 2) 

Bij de Cassicimr is de energie van het mannetje onder het zingen, 
evenals bij andere Icteridcr en Fringillidw vermoedelijk de oorzaak van 
zijne meerdere lichaamsgrootte, kracht en heldere kleur. Maar de kleur 
van stuit en staartwortel bij beide seksen kan geen verwondering 
wekken, als men deze vogels op de wijze der Spechten zich tegen 
hunne lange nesten ziet klampen. Alleen Cassidix orvzivora maakt 
hierop eene uitzondering, doch deze vogel bouwt geen eigen nest. Hij 
zingt echter even energiek en brengt tevens een klokkend geluid voort. 
Dientengevolge heeft hij lange, dicht op elkander staande vederen aan 
de keelzijden. 

Nog talrijke andere voorbeelden zouden aangehaald kunnen worden 
teneinde aan te toonen welke eigenschappen vermoedelijk het gevolg 
zijn van teeldrift of vechtlust en welke door andere oorzaken ont- 
stonden. ^) Maar op welke wijze ook de energie, hetzij bij het mannetje 
alleen of beide seksen of in enkele gevallen slechts bij het wijfje werd 
opgewekt, steeds was zij in meerdere of mindere mate van uitwerking 
op de kleur of andere eigenschappen en leidde gaandeweg tot soort- 
vorming. Dat evenwel het wijfje of het mannetje door selectie eenigen 



') De witte rugvlek der Foymicarüdrc verschilt dikwijls opmerkelijk in grootte. Bij 
vele individuen eener soort is zij beperkt tot de wortels der vederen, bij andere weer 
strekt de kleur zich uit bijna tot aan de tippen. Bij sommige exemplaren van Thamnomanes 
glaiicus, Cercomncra nigicsceits enz. ontbreekt de rugvlek dikwijls bijna geheel, zonder 
dat dit een soort-verschil vormt. Ook vele andere vogels onderscheiden zich door witte 
plekken aan de wortels der vederen doch de oorzaken hiervan kunnen verschillen en 
soms zoowel aan voedsel zoeken als teeldrift toegeschreven worden. 

^) Dit vogeltje pakt met zijn snavel een mier beet en vliegt er dadelijk mede naar 
een nabijzijnden tak. Daar spant het alle krachten in ten einde het worstelende insect 
te dooden hetgeen dikwijls wel een halve minuut duurt. De krachtsinspanning is vooral 
van invloed op de huid aan den voorkop en aan de bovenkeel, en dit is denkelijk de 
oorzaak van de verkleuring en verlenging der vederen. Dat deze niet het gevolg zijn 
van teeldrift, kan afgeleid worden uit het feit, dat in tegenstelling met den bijna algemeenen 
regel onder de Formicariida, het wij^e van Pifhvs albifrons niet van het mannetje verschilt. 

^) Bij mijne studie over vogels ben ik steeds van dit standpunt uitgegaan. Lang voor 
dat ik ooit het geluid van Capito niger gehoord had, wist ik, dat te oordeelen naar 
de vuurroode keel, deze vogel een hoogst eigenaardig geluid moest voortbrengen. Het 
was de heldere kleur aan den staartwortel, die mij deed onderzoeken naar de losheid 
der staartpennen van de Toekans. De lange keelvederen van Cassidix leidden mij tot 
de ontdekking, dat deze schuwe vogel evenals de Molothrus atroiiiiens een klokkend 
geluid voortbracht, vergezeld van verdraaiing van den hals. 



KLEUR, BIJZONDERE EIGENSCHAPPEN, ENZ. xxv 

invloed uitoefent, heb ik nimmer bij onze vogels kunnen opmerken. 
Inteo-endeel heb ik steeds ondervonden, dat hoe opmerkelijker de 
seksen onderling verschillen, hoe meer ook het wijfje als slavni van het 
mannetje kan beschouwd worden of omgekeerd, zooals bij Roofvogels ^), 
enkele Snippen enz. het mannetje voor het wijfje moet onderdoen. 

Seksuele selectie kan ook slechts plaats vinden bij wezens, ontwikkeld 
genoeg om vergelijkingen te kunnen maken, doch hoe zij werkt bij 
levensvormen, die blindelings hunne natuurdriften of hun instinct volgen, 
is onverklaarbaar. Een jong, krachtig mannetje in het overgangs- 
vederkleed % drijft meermalen een volwassen, fraai gekleurd, maar 
zwakker individu weg en verzekert zich het bezit van het wijfje. Dit 
krachtige mannetje bezit in zich de kiemen om in volkomen staat 
tot een uiterst fraai individu op te groeien, omdat meerdere kracht 
en hartstocht ook meerdere schoonheid of helderheid van kleur enz. 
ten gevolge hebben. Maar het wijfje kan in dit geval onmogelijk eene 
keus hebben uitgeoefend, terwijl het mannetje, juist door zijn meerderen 
hartstocht, het eerste, hel beste wijfje zal opzoeken, doch niet uitkiezen. 

Toch wil ik niet beweren, dat er in de natuur geen antipathie kan 
bestaan tusschen twee individuen, maar hiertegen kan aangevoerd 
worden: „Wat deert de antipathie der hen den haan? Ook de tegenzin 
van sommige tamme vogels om te paren met individuen van eene 
andere kleur, kan moeielijk van toepassing zijn bij wilde vogels, daar 
toch bij één soort alle individuen van dezelfde sekse ook dezelfde 
kleur bezitten. Maar dit geldt slechts voor volwassen exemplaren. 



1) De reden, waarom bij de Rapiorcs het wijfje grooter en krachtiger is dan het 
mannetje, staat vermoedelijk in direct verband met de teeldrift. Zelfs bij tot volkomenheid 
opgegroeide exemplaren zijn de voortplantingsdeelen, vooral van het mannetje, moeielijk 
te onderscheiden na of voor het broedseizoen; en hoewel hij er soms eemgszins fraaier 
uitziet dan het wijfje, kan hij haar toch nimmer dwingen zich naar zijne wenschen te 
voegen. Integendeel bestaat er grond tot de veronderstelling, dat bij Roofvogels, met 
,,hij haar", doch „zij hem"' opzoekt. 

2) Bij Rhaiuphocoehis jacapa, verschillende Spcrmophilas, Pipridw, Eudacimus sttber, 
Ardeida- Gotingidcr enz. paren de individuen meermalen in hun gevlekt overgangs- 
vederkleed omdat het volkomen costuum soms eerst na jaren bereikt wordt. Dat het 
wijfje gedurende dezen tijd niet het schoonste mannetje kan uitkiezen, is verklaarbaar 
en het krachtige mannetje, dat naderhand tot het schoonste zal opgroeien, behoeft niet 
gekozen te worden, want hij kiest zichzelf. Onder vogellief hebbers zijn de beste individuen 
eener soort welbekend. Ik had eens een jonge Euphonia violacea in het eerste groene 
vederkleed. Dit vogeltje was zoo hartstochtelijk, dat bij het zien van een wijfje, het 
met de vleugeltjes flapte onder het voortbrengen van allerlei geluiden. Bij den zang- 
wedstrijd overwon het vele tot volkomenheid opgegroeide individuen. Ook jonge mannetjes 
van E. fincM in het groen of tijgervoderkleed doen zich soms zeer hartstochtelijk voor. 



XXVI DE VOGELS VAN GUIANA. 

Directe bewijzen, dat eene verhooging van temperatuur invloed op 
de kleur van vogels kan uitoefenen, ontbreken niet geheel, want als 
men de purpcrblajiwe vederen van Cotinga cayana, Cotinga coeridea 
en Xipliolena pompadora, aan eene middelmatige hitte blootstelt, ver- 
andert de kleur in rood. ^) En rood wordt bij vele der Cotingidic 
aangetroffen, zooals Querula cruenla, Hacmaioderus fuililans, Phoeiiicocercus 
carnifex enz. 

Niets pleit er dan ook tegen, dat bij deze familie, wier soorten 
ongevenaard staan in fraaie kleuren en bijzondere eigenschappen, deze 
bij de verschillende species werden opgewekt door energie of harts- 
tocht en daarmede gepaard gaande temperatuursverhooging, speciaal 
bij het mannetje, zonder dat het wijfje, hoewel de oorzaak der ver- 
andering, er door selectie eenigen invloed op uitgeoefend heeft. ^) 

In de geheele avifauna hebben in den loop der tijden de krachtiger 
en hartstochtelijker individuen eener soort meer kans gehad om in 
den strijd om het bestaan en de voortteling overwinnend op te treden 
dan de zwakkeren. Zoodoende lieten zij een grooter aantal nakomelingen 
na, die naar dezelfde richting varieerden, het mannetje vaak veel 
sneller dan het wijfje, en dat onafhankelijk of afhankelijk van de 
verandering, dikwijls zelfs degeneratie, voortgebracht door andere 
oorzaken, hoewel er ook soorten zijn, bij welke de beide seksen gelijke 
mutatiën ondergingen. 

De volledige kennis der soorten veronderstelt hun beschouwing ten 
eerste als individueele, op zichzelf staande wezens ; ten tweede als 
te zamen vormende een groot geheel, ten derde als wezens bestaande 
in de ruimte en in den tijd. Bij het eerste gezichtspunt komen in 



') Bij garnalen, kreeften enz. vindt er door koking of hitte een verandering van 
kleur plaats. Bij sommige onzer Rivier-krabben gaat de gruene kleur over in rood ; bij 
onze Landkrabben verandert het leiblauw in vermiljoenrood, de kleur die de Duivels- 
krabben reeds van. natuur bezitten. Ook bij vele planten, insecten, kruipende dieren enz. 
zijn warmte en licht dikwijls van invloed op de kleur. 

^) Prof. A. Lancere, discussing Darwin's theory of female selection as the primarv 
factor in the production of secondary characters in the male, comes to the conclusion 
that such an hypothesis offers an inadequate and untenable explanation of the phenomenon. 
In place of this, the author suggests that such featurus in the male are the equivalents 
of maternity in the female, that is to say, the products which in the female are reqmred 
for generative purposes are superfluous in the male, and are accordingly emploved for 
sexual ornament. 

Ook Capt. Barret-Hamilton is deze theorie toegedaan. 

Het bovenstaande verklaart veel, maar blijft toch in gebreke een uitlegging te geven 
aan zulke species als Etidocimns rubcr, Calliste fiaviventiis, Tanagra episcopus enz., 
bij welke de beide seksen even fraai van kleur zijn. 



KLEUR, BIJZONDERE EIGENSCHAPPEN, ENZ. xxvii 

aanmerking de scheikundige samenstelling eener soort, hare physische 
eigenschappen, haar uit- en inwendig maaksel, hare levensverrichtingen, 
hare ontwikkeling en verdere levensgeschiedenis, hare psychische 
eigenschappen en vermogens; bij het tweede de verhouding eener 
soort tot andere organische wezens, hare levenswijze, als afhankelijk 
van de het individu omgevende middenstof en van de samenleving 
met andere organische wezens ; bij het derde de verspreiding der 
species over de aardoppervlakte en de tijd van hun bestaan op aarde. 

De veronderstelling gaat, dat vogels en ook andere diervormen geen 
verstand of redeneerkunde bezitten, doch gedreven worden door instinct, 
m. a. w. een onwillekeurige neiging of aandrift van het individu tot 
handelingen in verband met zijn bestaan. Maar zoo geheimzinnig en 
duister zijn de wetten der natuur, dat wij onmogelijk kunnen zeggen 
op welke wijze de ontwikkeling van een gegeven instinct plaats vond 
of .werd opgewekt. Deze ontwikkeling staat echter gedeeltelijk in verband 
met den hartstocht, en gedeeltelijk met de omgeving, m. a. w. het 
voedsel zoeken, het ontkomen aan vijanden enz., terwijl de natuur 
door steeds de minder geschikte individuen te verwijderen, gepaard 
aan de wet der inter-breeding en der overerving, het instinct, hoe 
ook opgewekt, zich min of meer gelijkmatig over al de individuen der 
soort verspreidt. 

Instinct dus omsloten en werkend in het organische omhulsel vormt 
den grondslag van de bijzondere eigenschappen, welke de mannetjes 
of beide seksen eener soort kenmerken. Het dansen van de Rupicola 
geschiedt instinctmatig; het gezang van de Lijster van heden klinkt 
in onze ooren evenals het gezang van de Lijster van gisteren klonk. 
iVIaar vermoedelijk zong de Lijster van eeuwen geleden anders, terwdjl 
de Lijster der toekomst weer anders zal zingen. 

Daargelaten het soort-instinct, komt het intellect meermalen de 
instinctmatige neiging van het individu te hulp. B.v. wanneer een 
Svnallaxis haar groot nest, waarin men een opening gemaakt heeft, 
herstelt, handelt zij intellectueel en niet instinctmatig. Want in dit laatste 
geval zou zij het nest van begin af weer moeten opbouwen. 

In alarm of pijn laten vele vogels instinctmatig een gillend geluid 
hooren, dat door andere vogels begrepen wordt. Zij naderen dan in 
menigte of vluchten snel weg, al naar gelang de nieuwsgierigheid of 
de vrees hen ingeeft. Naar men beweert zou het alarmsignaal van 
sommige Snippen door andere vogels zooals Eenden, Reigers enz. 
verstaan worden. 

Ook het instinct van moederliefde of ouderliefde, hoewel absoluut 



XXVIII DE VOGELS VAN GUIANA. 

noodzakelijk tot de instandhouding der soort, is bij sommige vogels 
meer ontwikkeld dan bij anderen. Inderdaad bij vele soorten, wier 
jongen hulpeloos geboren worden, overwint ouderliefde dermate het 
instinct van zelfbehoud, dat de oude vogels zich liever naast hunne 
nesten laten doodschieten, dan hunne jongen aan den hongerdood 
prijs te geven. Tevens bestaan ,er sommige species, die de verlaten 
jongen van andere soorten voeden en beschermen. 

Een zeer interessante studie met betrekking tot de avifauna is het 
onderzoek der verschillende luizen, die tusschen het vederkleed van 
alle vogels te vinden zijn. De meeste dezer vogelluizen behooren tot 
de groep der Bijtende of Vachtluizen Mallophaga. 7a] onderscheiden 
zich door korte, haakvormige bovenkaken en uit twee leedjes samen- 
gestelde lipvoelers; verder zijn ook de lichaamsbekleedselen, uitgezonderd 
aan de rugzijden, min of meer verhoornd; de pootjes zijn kort maar 
krachtig en dragen een of twee klauwtjes. 

Alle vogels, behoorende tot één specie worden bewoond door een 
liepaalde Luis, die bij geen andere vogelsoort voorkomt, hoewel men 
beweert, dat soms twee luis-species bij één vogel worden aangetroffen. 
De individuen van één vogelsoort vormen dus te zamen het distributie- 
gebied der Luizen tusschen hunne vederen en wijl alle vogels van 
één specie gestadig onderling paren, worden ook de Luizen overal 
verspreid. 

Deze insecten voeden zich en hebben zich steeds gevoed met de 
zelfstandigheid der vederen van den vogel, door hen bewoond. En al 
naar gelang de vogelsoort in den loop der tijden veranderingen onderging, 
vonden er ook daarvan afhankelijke mutatiën bij de parasieten plaats. 
Zoo ontstonden vermoedelijk de luis-species en dit is ook de reden, 
waarom zij toevallig tusschen de vederen van een andere vogelsoort 
terecht komende, verkwijnen en sterven. Ook het doode lichaam van 
den door hen bewoonden vogel, wordt oogenblikkelijk nadat het koud 
is verlaten. 

De Luizen onzer vogelsoorten verschillen dikwijls onderling aan- 
merkelijk. Zoo zien die van de Koerlan Aramiis scolapaccus er veel 
grooter uit dan menschenluizen, terwijl die der Kolibri's bijna niet 
met het bloote oog kunnen waargenomen worden. Ook de kleur varieert, 
doch is doorgaans bruinachtig of zwartachtig of hangt af van de 
kleurstof der vederen. De Luizen der Koerlans zijn bruinachtig, die 
van den Scharlaken Ibis geelachtig of zwartachtig, doch die van het 
Scharlakenborstje bloedrood tusschen het roode gedeelte van het veder- 
kleed maar lichter van tint tusschen de bruine en zwarte gedeelten. 



EIEREN, EMBRYO, NESTEN, ENZ. xxix 

Sommige vogelsoorten krioelen van Luizen, andere weer, zooals 
Valken, zijn zeer zindelijk in dit opzicht. 

Alle Vogelluizen leggen platachtige, peervormige eitjes, die in korten 
tijd uitbroeden en het aanzien geven aan nieuwe generaties. Vooral 
aan den voorkop van een vogel kan men in den regel de luis-eitjes 
duidelijk waarnemen. 

Tot de studie der Luizen wordt een microscoop gebruikt. Hierdoor 
bekeken, zien sommige soorten er uit als Alligators, andere weer als 
Schildpadden, sommige hebben lange, andere korte pootjes enz. 

Ook inwendig dragen alle vogels parasieten met zich rond. Deze 
zijn de z.g. ingewandswormen Entozoën, Helminthen die er bij elke 
soort min of meer verschillend uitzien. De ontwikkelingsgeschiedenis 
van vele dezer wormen is zeer gecompliceerd. Sommige soorten zijn 
klein, andere weer groot ; velen zien er plat, ringvormig of draadvormig 
uit. Sommige species planten zich voort door eieren, andere weer zijn 
leven barend. 

Misschien als wij nog verder indringen in de geheimen der natuur, 
dat ook elke Luis zal blijken Luizen te herbergen en elke ingewands- 
worm andere ingewandswormen met zich ronddraagt, die wederom 
mgewandswormen in zich bevatten tot in het oneindige. 



EIEREN, EMBRYO, NESTEN, ENZ. 

„De Oölogie of Eierkunde is de hulp-wetenschap der vogelkunde 
(Ornithologie), die zich met het onderzoek van de schaal der vogel- 
eieren, het aantal wat een vogel voor eiken broedtijd legt en andere 
uitwendige omstandigheden bezig houdt. De Oölogie werd vroeger 
voor een onbeduidende liefhebberij gehouden en voor de ornithologische 
systematiek van niet het minste belang geacht. Thans echter is het 
meermalen het ei, dat daar, waar uitwendige kenmerken der ver- 
wantschap tusschen vogelgroepen door aanpassing aan andere om- 
standigheden onduidelijk geworden of geheel uitgewischt zijn, bij de 
classificatie van een gegeven vorm den doorslag geeft. 

Voor den oppervlakkigen onderzoeker verschillen eierschalen onderling 
betrekkelijk weinig, doch hoe meer men ze bestudeert hoe duidelijker 
het verschil uitkomt. Alles hoe nietig ook wordt daarbij in aanmerking 



XXX DE VOGELS VAN GUIANA. 

o-enomen. De vorm, de grootte, de glans, de dofheid en ruwheid enz. 
der schaal; verder de stand, hoeveelheid, grootte en diepte der poriën, 
welke de kalkschaal doorloopen alsmede de kleur en de teekening of 
bevlekking; in sommige gevallen wijst de kleur van de dooier of de 
vloeibaarheid van het eiwit, tot welke soort de legster van het ei behoort. 
De structuur der schaal is geheel afhankelijk van den vorm en het 
aantal der uterusklieren en vertoont vaak bij bijna niet te onder- 
scheiden eierschalen opvallende verschillen, die dikwijls toereikend zijn 
voor een juiste soortbepaling. Sommige eierschalen zooals vele Cryptiin 
zien er uiterst glanzend uit; andere weer doen zich dof of zelfs ruw 
voor, terwijl ook vele met een kalklaag overdekt zijn. 

De vorm der schaal varieert van af bijna kogelrond bij sommige 
species tot elliptisch, gewoon eivormigovaal of peervormig. De grootte 
wordt uitgedrukt door de lengte der beide grootste assen, de afstand 
van het snijpunt van beide assen van een der polen, het product der 
lengte van beide assen en door het gewicht van het volle en het ledige ei. 
Onder de grondkleur verstaat men de kleur, welke zich gelijkmatig 
over de geheele schaal uitstrekt; bij witte eieren ontbreekt de grondkleur. 
De teekening of bevlekking bestaat uit punten, vlekken, strepen, 
lijnen, aderen, zigzaglijnen, wolken, enz., die hetzij scherp begrensd 
zijn of in elkander loepen ; zij is meeikleurig en gelijkmatig over de 
geheele schaal verdeeld of kransgewijs om het dikste of breedste deel 
van het ei, den" buik of de omgeving daarvan saamgedrongen. ^) 

Bij gevlekte eierschalen is het verschil tusschen de soorten opmer- 
kelijker dan bij eenkleurige exemplaren. Inderdaad kan men dikwijls 
zelfs het individueel verschil waarnemen. B.v. een legsel eieren door 
één wijfje gelegd verschilt meermalen in zulke mate van een ander 
broed, dat men ze uit een groot aantal kan aanwijzen. Het individueel 
verschil is tevens in sommige gevallen duidelijker wiiar te nemen dan 
het soort-verschil. 

Bij enkele eierschalen ontbreekt de tvpische bevlekking, hoewel dit 



') Dit is het gevolg van wrijving of aandrukking van het dikste gedeelte der kalk- 
schaal tegen de kleur\'Oortbrengende organen, met geheel of gedeeltelijke vrijlating van 
het spitse end. Bij vele legsels treft men donker- en licht bevlekte eieren aan ; en bijna 
zonder uitzondering zijn de eUiptische exemplaren gelijkmatiger geteekend dan de spitse 
schalen, die in den regel van een krans om het dikste gedeelte voorzien zijn. Dikwijls 
predomineert bij een ei een bepaalde kleur, terwijl het andere exemplaar van hetzelfde 
legsel er geheel verschillend uitziet. Als hooge uitzondering treft men soms eierschalen 
aan met een dubbelen krans van vlekken, een om het spitse, en een om het stompe 
•end der schaal. In de collectie van schrijver bevinden zich enkele dergelijke exemplaren. 



EIEREN, EMBRYO, NESTEN, ENZ. xxxi 

slechts als uitzondering geschiedt. De reden hiervan h'gt in het feit 
dat de kleurvoortbrengende organen in gebreke gebleven zijn op het 
juiste oogenblik te werken. 

Eieren met zachte schalen, waarover zich nog geen kalklaag gevormd 
heeft, worden dikwijls door hoenders gelegd, doch hoewel meer dan 
40.000 eieren van onze wilde vogels door mij zijn nagezien, heb ik 
slechts eens een gedeeltelijk zachte eierschaal aangetroffen. ') 

Ook ruwe eierschalen en windeieren komen slechts zelden voor bij 
tropische vogels. Toch telt onze collectie verscheidene hoogst interesante 
exemplaren, alsmede verdraaide en kleurlooze eierschalen (albino-eieren) 
en gebroken doch door de natuur weder herstelde schalen. 

(Zie Spelingen der Natuur in dit werk). 

Over het algemeen leggen tropische vogels een minder aantal eieren 
per broed of legsel dan de species der Gematigde en Koudere Streken, 
hoewel dit in vele gevallen vergoed wordt door een grooter aantal 
broedsels per jaar. 

Volgens Schomburgck legt het wijfje van de meeste onzer inheemsche 
vogels slechts twee eieren per legsel, uitgezonderd de Hoenderachtigen, 
Eenden ^) en enkele anderen. Maar dit is niet geheel juist, want in de 
nesten van bijna al de door Schomburgck aangehaalde soorten, vindt 
men zoowel twee als drie eieren. ^) Sommige species, die Schomburgck 
speciaal aangeeft, leggen dikwijls zelfs 4 of 5 eieren. Bij andere weer 
zooals Rhamphocoelus, Elainea enz. treft men in de nesten slechts bij 
hooge uitzondering drie jongen aan, terwijl vele Roofvogels per broed 
slechts een ei leggen. 

Sommige vogelsoorten, zooals de AnPs bouwen te zamen één groot 
nest, waarin de wijfjes dan elk twee of drie eieren leggen. Andere 



') Zie Cheltdopiei a tenebrosa. Het ei was gedeeltelijk zacht aan den kc.ip, doch het 
embryo was tamelijk ontwikkeld. 

-) Het aantal eieren per broed bij onze Eenden varieert van af 6 tot misschien 20. 
Bij onze hoenderachtigen bedraagt het aantal doorgaans meer dan 5, hoewel er ook 
soorten zijn, die maar één ei leggen. 

^) Wanneer men bij tamme kanaries een krachtig, hartstochtelijk mannetje met een 
ouder en zwakker wijfje paart, bestaat het broed jongen grootendeels uit mannetjes. 
Xemen wij aan, dat dit bij wilde vogels ook het geval is, dan zal vermoedelijk uit het 
derde ei van een legsel, als zijnde het gevolg van een sterken hartstocht bij het mannetje, 
eerder een mannelijk dan vrouwelijk individu geboren worden. En dit verklaart bij vele 
soorten de opmerkelijke talrijkheid van de mannelijke sekse tegenover de wijfjes. Bij 
sommige species schijnt de verhouding zelfs als 5 tot i. Tuch zijn er ook soorten bij 
welke de wijfjes de mannetjes in aantal overtreffen. 



xxxii DE VOGELS VAN GUIANA. 

weer zooals de Diplopterinx, Molothrus, Cassidix en soms ook Piaya 
en Coccvziis laten de verzorging hunner jongen aan vreemde vogels 
over, terwijl het wijfje van Legatus albicollis tot het leggen harer eieren, 
de nesten van andere vogels gebruikt. 

Over de koekoekachtige levenswijze van bovengenoemde soorten 
Ireb ik eene speciale studie gemaakt en liet resultaat onder de beschrijving 
van elke soort o})geteekend. 

De tijd benoodigd van af de vorming tot de volkomen ontwikkeling 
van het embryo of foetus hangt in den regel af van de grootte der 
schaal. Zoo geschiedt bij onze kleine Trochilidcv de uitbroeding der 
eieren soms in acht dagen, terwijl de Mycteria americana ruim een 
maand op haar nest zit. 

Over het algemeen geschiedt de ontwikkeling van het embryo eenigszins 
sneller bij de soorten, die van af hun geboorte reeds kunnen zwemmen 
of rondloopen dan bij de species, die meer hulpeloos geboren worden, 
hoewel de tijd, benoodigd tot uitbroeding der eieren, niet verschilt. 

Gedurende de bebroeding verliest het ei aanhoudend in gewicht; 
tevens wordt de schaal merkbaar zachter, zoodat het jong in staat is, 
met zijn snavel een ring van gaatjes nabij het dikke gedeelte of het 
midden der eierschaal te boren, waardoor deze dan in twee deelen 
opengaat, die door den ouden vogel verwijderd worden. 

Ook de nideologie of nestkunde is een hulpwetenschap der ornithologie. 
Vogelnesten varieeren echter onderling niet zoozeer als eieren; zoodat 
het vaak onmogelijk is bij nauwverwante, ja meermalen zelfs bij geheel 
verschillende species, de nesten van elkander te onderscheiden. Toch 
vindt enkele malen juist het omgekeerde plaats, b.v. Pitangus sjdphuraius 
bouwt een rond van een zij-ingang voorzien nest, terwijl het nest van 
P. liclor er komvormig uitziet. 

Al onze vogelnesten kunnen tot twee hoofdtypen teruggebracht 
worden, nl. „hangende" en „rustende". Hangende nesten worden 
gebouwd door vele Ic/erida-, sommige Tirannidce^ Coeiebida, PlpridoE, 
Formicariidie enz. Zij zijn of gesloten met een ingang ter zijde Cassicina, 
Todirostriim sp., Rhynchocycli enz.) of buidel- en zakvormig flcterince) 
of kom en kelkvormig {Pipra, Thamnophihis enz.) De rustende nesten 
varieeren van af rondachtig, gesloten, met een ingang van boven of 
terzijde {Pitangus, Myiozetetes, Thryolhorus, Creciscus enz.), tot komvormig 
(vele Tanagrida Spermophila's, Elaineiacv enz.) of plat {Tyrannus, sommige 
Falconidcc, Herodiones enz.) en tunnel- of ovenvormig [Synalla.vis enz.) 
Vele vogels bouwen ook geen nest doch leggen hunne eieren in holle 
boomen of op den grond of m holen in het zand enz. Ook wat 



EIEREN, EMBRYO, NESTEN, ENZ. xxxiii 

stevigheid aangaat varieeren onze vogelnesten van at zeer los samen- 
gesteld met slechts weinig materiaal tot grondslag {Columba' enz.) tot 
groot met een overvloed van bouwstoffen {Syna/lavts enz.) of stevig 
en compact ineengevlochten {Cassïcus, Elaiiiea enz.^i 

De hangende of rustende, open of gesloten vorm van een nest 
schijnt niet in verband te staan met het meerdere gevaar, waaraan de 
soort gedurende hare voorttelingsperiode is blootgesteld. Want meer- 
malen vindt men een komvormig nest op denzelfden tak, waaraan een 
gesloten nest hangt. Ook de min of meer opmerkelijke kleur van het 
vederkleed is geheel onafhankelijk van den open of gesloten vorm van 
het nest. Inderdaad is het onmogelijk, hiernaar oordeelende het nest 
van een gegeven soort te bepalen. Evenmin hangt de kleur van hel 
ei af van den gesloten of open vorm van het nest. Todirostrum, 
Eustcarthmus, Platynhvnhus bouwen alle gesloten nesten, doch de eerste 
legt witte-, de overigen daarentegen donker geteekende eieren. De 
chocoladebruine eieren van Pachyrhaviphus cinereiis worden aangetroffen 
in groote nesten vol met droge bladeren enz., terwijl het groen en geel 
gestreepte wijfje van Coereba haar zwart ei legt in een hangend, zwart 
nest. Hiertegenover staat, dat bij de open nesten bouwende Tanagrida; 
Grasvinken, Spermophila enz., bij welke het mannetje zich niet met de 
uitbroeding der eieren inlaat, waardoor het wijfje genoodzaakt wordt, 
telkens het nest te verlaten, de eieren donker van kleur zijn. Maar 
dit berust vermoedelijk evenals bij Klimvogelachtigen, Duiven enz. 
meer op de inwendige organisatie der soort dan op uitwendige om- 
standigheden. 

Van al onze vogels bouwen de Cassicime en Iclerinw de eigen- 
aardigste, doch de Trochilida' daarentegen de meest artistieke nesten. 
Vooral het nestje van Topaza pellais'm (l\io\)7Ac\\i een^'^^x mcestenverk. 

Sommige individuen eener soort schijnen meer energie bij het bouwen 
of smaak ter versiering hunner nesten aan den dag te leggen dan 
anderen. Zoo treft men meermalen gekleurde vederen aan tu>schen 
het materiaal van Kolibrinestjes, terwijl ook andere vogels {Elainea, 
Todirostrum enz.) hunne nesten in mindere of meerdere mate versieren 
door het aanbrengen van kleurige vederen, glinsterende vleugels van 
insecten, heldere zaden enz. 

Vele der kleinere vogels maken bij het bouwen gebruik van katoen 
en spinrag als hoofdmateriaal. Vooral het spinrag dient niet slechts 
om de nestjes stevig te houden en tegen een twijg, blad enz. vast te 
hechten, maar ook als protectie tegen insecten, inzonderheid mieren. 
Sommige species gebruiken slangenvellen, andere bouwen hunne nesten 

III 



XXXIV DE VOGELS VAN GUIANA. 

bij voorkeur tusscheu doornen, terwijl enkele steeds de nabijheid van 
venijnige wespen opzoeken. 

Voor zoover ik kan oordeelen, hangt ook het aantal eieren per 
broed door een vogel gelegd, niet af van de open of gesloten vorm 
van het nest, doch wel eenigszins van het feit of de nestelplaats zich 
nabij of op den grond ^) of wel in boomen bevindt. Over het algemeen 
nestelen de meeste onzer inheemsche vogels (uitgezonderd de Falconid(T\ 
niet in heel hooge boomen, maar geven de voorkeur aan boompjes 
en struiken. 



DE SEIZOENEN, BROEDTIJD, LOKALE TREK, 
TREKVOGELS UIT HET NOORDEN, ENZ. 

„De vier jaargetijden van Suriname zijn: „het kleine en groote 
regenseizoen en het kleine en groote droge seizoen. 

Het kleine regenseizoen of de kleine regentijd kan gelijk gestekt 
worden met de lente der Gematigde Streken, maar begint kort na hel 
einde van het groote droge seizoen, omstreeks half November. Deze 
seizoen -kentering wordt gekenmerkt door rukwinden, enkele onweders 
en min of meer zware regens. De atmospheer is van vochtigheid door- 
trokken. De nachten zijn guur; des morgens bedekt meermalen een 
dikke mist het uitzicht. De temperatuur staat betrekkelijk laag, dikwijls 
minder dan 78° Fahr. De zon is in hare zuidelijke declinatie, d. w. z. 
schiet hare stralen niet loodrecht, doch min of meer schuin van uit 
het Zuiden naar omlaag. 

Het kleine regenseizoen wordt verder gekenmerkt door een uiterst 
weelderigen plantengroei, zoowel in de lagere streken als op de savannes 
en het hoogland. Overal bedekken de woudreuzen zich met bloesems 
en hierdoor aangelokt naderen tallooze Kolibrietjes, Bijen, Vlinders enz. 

Het ontwaken der natuur heeft vooral invloed op de dierenwereld. 
Omstreeks einde December of half Januari beginnen onze inheemsche 
vogels weder in menigte te nestelen, terwijl de trekvogels zich gereed 



') r>ij onze Capriniulgida: en enkele andere inheemsche, op den grond nestelende 
species legt het wij^e slechts een ei en zelden twee eieren per legsel. Zij kan die 
evenwel in geval van nood met haar bek opnemen en naar een andere plaats dragen. 
Ook van Crypturus variegatus wordt beweerd, dat zij haar ei onder den vleugel zou 
kimnen medevoeren. Bij andere soorten zou de verwijdering van het ei uit het nest 
geschieden met behul]) der vleugels of tusschen de pooten der vogels. 



DE SEIZOENEN, BROEDTIJD, LOKALE TREK, ENZ. xxxv 

maken tot den terugkeer naar hunne broedplaatsen in het noorden. 

Aan de zuidergrenzen der Vereenigde Staten broeden de vogels in 
Februari maar in Canada en Alaska eerst in Juni en Juli. In September 
en October neemt de trek naar het zuiden weer een aanvang en 
tegen dat de eerste trekvogels in Guiana aankomen, brengen ook vele 
onzer gewone inheemsche species hun laatste broedsel jongen groot.' 

De overgangsperiode van den kleinen regentijd tot het kleine droge 
seizoen (half Febr. tot half Mei) wordt slechts door enkele onweers- 
buien aangeduid. Vele boomen laten ook gedurende dit seizoen hunne 
bladeren vallen en staan dan eenigen tijd geheel kaal, doch nimmer 
ziet het land er zoo droog en verschroeid uit als gedurende het groote 
droge seizoen. Toch schiet de zon hare stralen even loodrecht naar 
omlaag, maar de hitte wordt getemperd door de vochtigheid der 
atraospheer en de gure zeewinden. 

Aan de zeekust beginnen de Nachtreigers nu in menigte te nestelen 
te zaraen met de Blauwe en witte reigers. De Pompadour Kotinga 
verlaat het kustland. Enkele paren Scharlakenborstjes en Nachtzwaluwen 
leggen hunne eieren op den grond evenals de Tinamidse enz. 

Omstreeks half Mei of Juni worden de regenbuien talrijker en volgen 
elkander spoediger op. Sommige boomen dragen nog groene en rijpe 
vruchten, terwijl andere zich reeds weder met bloesems tooien. Het 
broedseizoen heeft nu zijn hoogste standpunt bereikt. Ov^eral treft men 
nesten aan met jonge vogels alsook versche eieren. Maar vele kleinere 
species hebben reeds hun tweede broedsel jongen grootgebracht en 
sommige van het eeiste broedsel groeiden zoo snel, dat ze reeds in staat 
zijn het geslacht voort te planten. 

Het groote regenseizoen wordt, gelijk de naam aanduidt vooral 
gekenmerkt door zware, aanhoudende regenbuien, afgewisseld door 
betrekkelijk warme, zonnige dagen. De zon slaat nu in hare noordelijke 
declinatie. Zoo groot is de toevoer van water uit het binnenland, dat 
de alluviale terreinen bijna geheel overstroomd worden. De kreken 
treden overal buiten hunne oevers, de rotsblokken in de watervallen 
en stroomversnellingen loopen dikwijls geheel onder. Vele kreken 
veranderen in woeste stroomen, die alles in hun vaart medesleuren. 
Overal tiert het plantenleven weelderig. Overal is het loofwerk dicht 
en spreidt de boom zijne bladeren uit ten einde het water te doen 
verdampen. 

Omstreeks half Augustus (dikwijls reeds in Juli) verminderen de regens 
en wordt het aantal zonnige dagen grooter. De wind draait nu naar 
alle richtingen van het kompas. Donderbui op donderbui, rukwind op 

III"^ 



xxxvr DE VOGELS VAN GUIANA. 

rukwind volgen elkander op. Korte, maar zware regens, z.g. Siebi-boesi's 
(Boschbezems, omdat ze de bosschen schoonvegen) worden afgewisseld 
door dagen van drukkende hitte. Heldere zonneschijn volgt meermalen 
den hevigsten slagregen; dikwijls regent het zelfs terwijl de zon schijnt. 
De geheele atmospheer is gedurende deze seizoen-kentering met 
electriciteit bezwangerd. 

Vele vogels, vooral in de binnenlanden hebben hun laatste, dikwijls 
derde broedsel jongen grootgebracht en beginnen de lagere streken te 
naderen, terwijl andere juist nu hunne nesten bouwen. De Rotshaan 
daalt af tot den voet der bergen, de Campeners, Kaalhals Kotinga, 
Pompadour en Purperblauwe Koiinga's, de Stuithoenders enz. tot 
binnen de intermangrove terreinen, waar ook de Ara's zich te goed 
doen aan de rijpe vruchten van den Poisontrie (Hura crepitafis). 

De droge ritsen tusschen de zwampen worden door uitdamping van 
het zwampwater steeds uitgestrekter. Aan den kustzoom brengen de 
Scharlaken Ibissen en Reigers hun laatste broedsel jongen groot om 
zich dan over de geheele lijn der zoet- en zoutwaterpans te verspreiden. 
Ook hunne onverzoenlijke vijanden de Gieren trekken zich evenals 
de andere Roofvogels naar binnen terug, waar weldra geheele terreinen 
zullen droogloopen, waardoor tallooze visschen tot rotting zullen overgaan. 

Tegen begin September verschijnt de Kopervogel Dendroica cesliva 
uit N. Amerika te zamen met de Lachmeeuw Lams atricilla, een 
zeker teeken, dat de koude in het noorden verschenen is. Spoedig 
volgen ook talrijke Snippen, Zwaluwen enz., terwijl de vluchten onzer 
inheemsche Zangtanagers Enphonün(c en Coerebimr overal om voedsel 
rondzwerven. De Agami-reigers, Bootsnavels, enz. verschijnen in troepjes. 
De Scharlakenborstjes, Maïsvogels enz. vereenigen zich tot vluchten 
alvorens tot broeden over te gaan evenals vele in boomholen en op 
den grond nestelende vogels zooals de Caprimulgid(e. Ook onze inheemsche 
Zwaluwen, die evenwel geen trekvogels zijn, ziet men meermalen in 
groote vluchten bij elkander. 

Gaandeweg verdwijnt bijna alle vochtigheid uit de atmospheer. De 
hemel ziet er donkerblauw uit, slechts hier en daar afgebroken door 
enkele vederwolkjes. Loodrecht schiet de zon hare stralen naar omlaag. 

Drie, soms meer dan vier weken heerscht een onafgebroken droogte. 
Overal zien de planten er geelachtig en met stof bedekt uit. Hier en 
daar barst de grond open. Des nachts valt een zwaren dauw, die evenwel 
weinig verlichting aanbrengt. Steeds meer concentreert zich het dieren- 
leven in de nabijheid van water. De binnenlanden staan geheel open, 
maar zijn ook geheel of gedeeltelijk van water ontbloot. Regelmatig 



DE SEIZOENEN, BROEDTIJD, LOKALE TREK, ENZ. xxxvii 

waait de wind des morgens uit het Z. -O. -Oosten, vermindert dan in 
kracht om zich tegen den namiddag weder uit het N. -O. -Oosten te 
verheffen, met zich voerend den rook en asch der brandende pans en 
savannes langs de zeekust. De temperatuur staat meermalen op 
ioo° Fahr. in de schaduw. 

Ook op de savannes van het binnenland is het plantenleven grooten- 
deels verdwenen, en vertoonen zich slechts verschroeide en verdorde 
planten en gewassen. Op gezette tijden nadert de Iridiaan deze open 
vlakten, die hij dan aan een hoek onder den wind in brand steekt. 
Als een woelende zee ijlen de vlammen dan vooruit, alles voor zich 
uitdrijvend, alle leven achter zich vernietigend. Overal hangen dikke 
onwelriekende rookwolken, waartusschen nu en dan Roofvogels zich 
in de vlammen storten ten einde de vluchtende reptielen te bemachtigen. 
Dagen achtereen brandt de savanne en gloeien de vlammen des nachts 
met een rooden gloed, heel in de verte. Na den brand is alle leven 
uit de golvende vlakte verdwenen. Slechts enkele verschroeide zwart- 
geworden boompjes staan eenzaam te midden der verkoolde overblijfsels 
waar enkele gieren naar een maal omzien. 

De savannevogels hebben een schuilplaats gezocht in de oasen en 
de woudzoomen. Vele vogels ruien nu ook ^) hunne vederen. Uitgezonderd 
de Schailakenborstjes, Nachtzwaluwen enz., die in menigte op den 
grond nestelen, alsmede andere species, is het aantal broedende vogel- 
paren opmerkelijk verminderd, hoewel de soorten misschien even talrijk 
zijn als gedurende het kleine droge seizoen. 

Uit het bovenstaande blijkt dus, dat er in Suriname geen vaste 
broedtijd bestaat, doch dat vogels het geheele jaar door broeden. 
Inderdaad, sommige soorten beginnen juist te nestelen als andere hun 
laatste broedsel jongen grootbrengen. In Nederland is het b.v. onmogelijk 
om in December, Januari en Februari een zwaluwei te vinden, terwijl 
men in Suriname, te beginnen met i Januari tot 31 December versche 
eieren en jonge Zwaluwen kan waarnemen, hoewel niet altijd even 
talrijk. En ben ik overtuigd, dat uitgezonderd vele grootere vogels, 
zooals Reigerachtigen, dit het geval is met bijna alle kleinere species 
der lagere streken. 

De seizoenen zijn niet elk jaar even regelmatig, alhoewel in October 
doorgaans weinis; regen valt. Toch komen abnormale seizoenen slechts 



') Een vaste ruitijd kan niet met juistheid vastgesteld worden, wijl men ruiende vogels 
het geheele jaar door aantreft. Het schijnt, dat bij de meeste onzer species kort voor 
bet broeden de staartvederen door nieuwe vervangen worden. 



XXXVIII DE VOGELS VAN GUIANA. 

zelden voor, maar hun invloed op de vogelwereld is over het algemeen 
duidelijk merkbaar. 

Het groote droge seizoen van 1897 was abnormaal. De Ara's ver- 
schenen dat jaar begin Juli, terwijl de regens reeds in Augustus op- 
hielden te vallen. Een felle droogte heerschte toen, slechts enkele malen 
afgebroken door zware onweersbuien. In het eerst bleef alles normaal, 
doch toen tegen November de droogte nog aanhield, begonnen de 
vogels, gedreven door watergebrek overal uit het binnenland naar de 
kuststreken toe te trekken. In het oerwoud waren alle waterreservoirs 
der orchideeën opgedroogd. Alle plantenleven was op de afgebrande 
savannes verdwenen. In de lagere streken bestonden de bijna geheel 
opgedroogde zwampen slechts uit poelen onwelriekend, slijmerig vocht, 
waarin tallooze rottende visschen ronddreven. 

Alle Ara's der binnenlanden hadden zich op dat tijdstip in de 
kustwouden verzameld. Geheele vluchten Suikervogels verschenen tot 
binnen Paramaribo, waar ze den naam kregen van „modevinkjes", 
omdat niemand hen daar ooit te voren gezien had. Ook groote 
Spechten, Boomklimmers, Baardvogels enz. uit het oerwoud trof men 
tot in de stad aan. Vluchten Zangtanagers, Bloemtanagers enz. trok- 
ken al roovend overal rond, terwijl er bijna geen boom te zien was, 
waarop niet een Valk op prooi loerde. AUerwege waar maar een 
schijn van water was, zaten talrijke Ijsvogels. 

Deze felle droogte hield aan tot bijna einde Januari 1898. Eerst toen 
begonnen de regens te vallen en keerde alles weer tot het normale terug. 

Een abnormaal nat seizoen heeft veel minder invloed op de vogel- 
wereld dan eene felle droogte. Alleen de Zoetwatervogels zwerven dan 
overal rond, terwijl de Grondvogels meer naar de droge plaatsen toe- 
gedreven worden. Maar de in boomen levende species bekommeren 
zich weinifr om een overvloed van water. 



LOKALE VERBREIDING VAN VOGELS. 

Zoowel botanisch als zoölogisch kan Suriname \erdeeld worden in 
drie hoofdstreken, die zich als breede strooken van af de Marowijne 
tot de Corantijn uitstrekken : 

I. De strook der alluviale {aangespoelde) terreinen. 
II. De strook der savannes of centraal-plaleaux. 
III. Het hoooland. 



LOKALE VERBREIDING VAN VOGELS. xxxix 

„Deze afdeelingen zijn niet opmerkelijk van elkander gescheiden, 
doch elk wordt gekenmerkt door bepaalde soorten, die nergens anders 
in de kolonie voorkomen. Wat de algemeene verbreiding aangaat, die 
is, voor zoover ik kan oordeelen, vrij regelmatig. Een soort, die het 
kustland bewoont, komt voor van af de Marowijne tot de Corantijn. 
Wel schijnen de individuen op sommige plaatsen talrijker, doch dit 
hangt grootendeels af van de ondervinding van den waarnemer; hoe 
langer men op een plaats vertoeft, hoe meer soorten men opmerkt. 
Volgens onze Indianen overtreft het stroomgebied der Maiowijne, wat 
talrijkheid en variëteit der levensvormen betreft, alle andere deelen van 
Surmame. Toch is dit onjuist en berust slechts op een bijgeloovigen 
eerbied onzer Roodhuiden voor een landstreek, waar zoovele imagi- 
naire wezens verondersteld worden te wonen. 



DE STROOK DER ALLUVIALE TERREINEN. 

„De aangespoelde gronden strekken zich als een meermalen wel 
50 K.M. breede strook langs de kust uit. Het lagere deel vormt het 
gebied der Mangroven en omvat de kustlijn, de oevers der kreken en 
der grootere rivieren tot zoover als bij den allerhoogsten springvloed 
het zeewater reikt; verder al het tusschenin liggend land, het z g. 
intermangrove terrein of de zwampachtige of natte savannes. De 
geheele kustlijn, dikwijls als een zoom van honderden meters breedte 
wordt door de mangrove bosschen ingenomen, waartusschen zich de 
zoutwater- en transitiepans bevinden, die langzamerhand in zoetwater- 
pans en natte savannes of zwampen overgaan. ^) 

Wat soorten aangaat is de avifauna niet sterk in de mangrove bosschen 
vertegenwoordigd, hoewel het aantal individuen van sommige species 
dikwijls verbazend kan zijn. Op de takken der mangroven, waar bij 
hoog getij het zeewater niet reikt, nestelen tallooze Reigers, Ibissen, 
Bootsnavels enz., dikwijls uitgestrekte akkers omvattende koloniën of 



') De naam „pan" doelt op de weinige diepte van het water. Dikwijls gedurende 
een springvloed dringt het zeewater honderden meters ver het land in, doch staat soms 
niet hooger dan een centimeter boven den grond. De Mangroven Rhizopho7-a mangle 
en Avicennia iiiiida ook Parwaboomen geheeten, vormen de levende dijken van Suriname. 
Aan de kust dringen zij in rijen vooruit, die tot dammen samengroeien, waardoor alle 
debris verhinderd wordt weg te spoelen. Voet voor voet, duim bij duim dringen deze 
boomen den oceaan terug. Suriname dankt dan ook de geheele strook der aangespoelde 
gronden a^n de werking der Mangroven. 



XI, DE VOGELS VAX GUIANA. 

missie's vormende. Overal loeren de Gieren ten einde op een onver- 
dedigd nest neder te vallen en de jongen of de eieren te rooven. 
Snippen en Plevieren loopen overal rond, maar nimmer in zulke groote 
vluchten als in de Gematigde Streken. Enkele Zeezwaluwen en Meeuwen 
vliegen in sierlijke cirkels door de lucht. Aan de lagere takken der 
mangroven bouwt de Katoenvogel zijn nest; hoogerop hangt de buidel 
van den Banaanvogel of Zeekant-kanarie; onderaan verbergen de Vietjo's 
hunne groote nesten tusschen de afgevallen takken, bladeren enz. Op 
de zacht glooiende modderbanken krioelen bij laag getij tallooze 
Reigerachtige vogels, terwijl ook de Zeeganzen of Flamingo's soms in 
troepen van honderden voorbijtrekken. Van tijd tot tijd ziet men den 
Fregatvogel alsmede enkele Boebie's, Pelikanen en Zeekuikens. Meer 
in de pans broeden de Bootstaarten, de Geelkop Maïsvogels, de Wit- 
kop Tiranvogels, enkele Waterhoeuders enz. Duizenden Eenden bedek- 
ken soms de pans, waar Negerkoppen, Jabiru's, Ooievaars en Lepelaars 
te zamen met Reigers in het ondiepe water rondwaden. Tusschen de 
m.angrovewortels loert de Krabbenbuizerd bij dag en de Krabbenuil 
des nachts op prooi. In de lucht zeilt de Zwarte Buizerd in cirkels 
rond. Overal laat de Smousvogel zijn krakend geluid hooren. 

Gelijk te voren aangehaald bestaat er geen scherpe lijn tusschen de 
zoetwaterpans en de zwampachtige savannes der intermangrove ter- 
reinen. Op de droge gedeelten of ritsen die gedurende het regen- 
seizoen min of meer onderloopen, groeien talrijke hooge boomen en 
palmen. Ook de open zwamp is bedekt met een dichte vegetatie. 
Het water ziet er oppervlakkig koffiekleurig of bijna zwart uit door 
de overal rottende planten. Op vele plaatsen maakt een op turf 
gelijkende, doch veel slijmeriger en gedurende het droge seizoen 
veerkrachtige laag, den bodem der zwamp uit. 

Het dierlijk leven der intermangrove terreinen is zeer gevarieerd, 
zoowel wat soorten als talrijkheid der individuen aangaat. Vooral de 
avifauna is zeer rijk vertegenwoordigd. De Roerdompachtigen komen 
veel talrijker voor dan de eigenlijke Reigerachtigen. Op de open 
zwampachtige terreinen ziet men Koerlans, Glansibissen. Jacana's, 
talrijke Waterhoenders enz. Enkele eenzame Snipachtigen komen hier 
en daar voor, doch de Zeezwaluwachtigen, Flamingo's enz. ontbreken 
evenals Boomeenden en Anaatjes. ^laar de INIuskuseend daarentegen 
is zeer talrijk; enkele malen treft men ook de Roeieend aan. In de 
kreken verschuilt de Vinpoot zich tusschen de waterplanten evenals 
de slangachtige Anhinga; van tijd tot tijd treft men ook de Kormorant 



LOKALE VERBREIDING VAN VOGELS. xli 

aan. In enkele onbewoonde streken doen de Hoatzins zich te goed 
aan de Arum-bladeren. 

Bijna alle familiën der Landvogels zijn in de intermangrove terreinen 
vertegenwoordigd. De Formicariidce, Co7topophagidce, Dendrocolaplidce 
en Colwgidce treft men betrekkelijk zeldzaam aan evenals de Piprida:, 
Oxyrhamphida;, Tanagridcs MniotiltidcB, Troglodytidoe, Vireonidce, Picida, 
Bucconidcs, Trogonidcr, Galbididce, Moinotidce, Caprimiilgida;, Gallince, 
Crypturi enz. Maar de Fringillidce^ Tyrannidce, Ideridce, Hiriindinidce, 
Alceditiidce, Raptores enz. worden in menigte aangetroffen. In de holle 
hoornen nabij den kustzoom nestelen Papegaaien en Gele Ara's, doch 
de Roode Ara's verschijnen eerst tegen het groote droge seizoen in 
Juli of Augustus. De Lijsters komen over de geheele kolonie voor, 
zoowel in het bergland als langs de kusl. 

Het hoogere gedeelte der alluviale terreinen of het gebied der 
Oerwouden grenst aan het terrein der mangroven, zoodat het inderdaad 
moeielijk valt te zeggen, waar de een eindigt en de ander begint. Vele 
onzer staande bosschen strekken zich uit op de droge ritsen tot diep 
binnen de zwampachtige Savannes. De grond der oerwouden is even- 
wel overal hooger dan het peil der springvloeden, maar wordt toch 
hier en daar doorsneden door terreinsdiepten, die min of meer zwampen 
vormen, waar de vegetatie even dicht staat als in de lagere streken 
nabij de kust. Kaarsrecht, bijna zonder takken richten de stammen 
der woudreuzen zich omhoog. Overal hangen Lianen en tieren de 
Parasieten en Orchideeën weelderig, doch in de eigenlijke oerwouden 
ontbreekt de ondergroei geheel of gedeeltelijk. 

De diervormen der oerwouden verschillen eenigszins van die der 
mangrove-terreinen. Sommige vogelfamiliën zooals de Colingidce, Fiprida:, 
Formicarüdos, Dendrocolaplidce, Ficidcv, Rliamphastidoe, Cracida;, Tana- 
gridoe, Tinamidce enz. worden door talrijke soorten vertegenwoordigd, 
terwijl de Watervogels geheel of gedeeltelijk ontbreken. De Columbidce 
ziet men overal zoowel in het oerwoud als in de lagere kuststreken. 



DE STROOK DER SAVANNES. 

„De Centraal-plateaux of Groote droge savannes van Suriname 
strekken zich uit achter het gebied der Oerwouden. Overal is de grond 
golvend, niet vlak als op de pampa's van Argentina. Hier en daar 
verheffen zich granietblokken. Overal maken zand en verpoederd kwarts 
enz. de grondlaag uit, waardoor op enkele plaatsen het basisgesteente 



xr.ii DE VOGELS VAN GUIANA. 

te zien is. Hier moet eens, in vroegere eeuwen de origineele kustlijn 
geweest zijn, toen de alluviale terreinen nog niet bestonden. 

De savannes worden doorsneden door kreken, waarlangs zich een 
soms wel zestig meters breeden zoom van plantenleven uitstrekt. Op 
vele plaatsen treft men ook tusschen de zandheuvels oasen aan, ge- 
deeltelijk bestaande uit oerwoud, dat de savanne meermalen aan alle 
zijden omringt. 

Het dierlijk leven der oasen verschilt over het algemeen niet van 
dat der Oerwouden. Op de open savanne treft men verscheidene 
soorten aan zooals Slurnella magna enkele Savannezangers, Hegzangers, 
eenige Grondvinken zooals Emberizoides en Ammo dramus ; verder de 
Reuzengrassnip, de Dikknieplevier, de Patrijs van Guiana, enkele 
Caprimulgidce en Tinamidoe, de Savannepowies, enkele Duiven, Mieren- 
vogels, Lijsters enz. 

HET HOOGLAND. 

„Het hooge binnenland van Suriname strekt zich uit van af de 
strook der savannes tot in het onbekende gedeelte der kolonie. Ver- 
schillende berggroepen doorkruisen het terrein, afgebroken door dalen 
met opgaand hout, hoewel over het algemeen de boomen nimmer 
zoo hoog worden als in de oerwouden. Stroomversnellingen en water- 
vallen komen overal voor. Sommige kreekbeddingen zijn diep door 
het water ingevreten, zoodat de met mos bedekte oevers steil om- 
hoog rijzen. 

De avifauna der bergstreken is min of meer beperkt in vergelijking 
met de lagere streken. De Rotshaan komt hier uitsluitend voor evenals 
enkele Mniotiltidae, Turdidcc, Troglodytidoc, Vireonidoe, Tanagridce, For- 
micarüdcr, enz., doch de Falconidoc zijn zeldzaam, terwijl de Water- 
vogels bijna geheel ontbreken. 

Een eigenaardigheid, die de aandacht trekt van den reiziger, zoowel 
in het hoogland als in de kuststreken, zijn de troepen kleine vogels 
van verschillende soorten, die al roovende door het woud trekken. 
Eerst beginnen eenige kleine vogels lawaai te maken. Dit lokt dan 
andere aan totdat er meermalen honderden individuen bij elkander 
zijn. Men ziet er Spechten, Boomklimmers, IMierenvogels, Trogons, 
Tanagers, Vinken enz. De Spechten en Boomklimmers klemmen zich 
tegen den stam en de dikkere takken, terwijl de andere leden van 
den troep met veel lawaai tusschen het loover rondspringen. Hun 



LOKALE VERBREIDING VAN VOGELS. XLiir 

doel is klaarblijkelijk het bemachtigen van insecten. Rusteloos trekken 
zij dan ook van boom tot boom. Maar al gaandeweg wordt de troep 
kleiner, wijl elke vogel, zoodra hij zijn bekomst heeft, de vergadering 
verlaat. 

De voornaamste natuurlijke vijanden der vogels zijn Slangen en 
andere Reptielen, die in boomen klimmen, waar zij de eieren en jono-e 
vogels uit de nesten rooven. Ook de Sapakara Gavetas teguixin als- 
mede de verschillende Kaaimannen Alligator sp. richten een ^roote 
slachting aan onder de Watervogels en de op den grond levende 
soorten. Verder heeft men de verschillende Roofdieren, Buideldieren, 
Knaagdieren, sommige Apen enz. Menig vogeltje wordt tevens door 
de bloeddrinkende Vleermuizen Destnonus rufus vernietigd. Valken 
bemachtigen meermalen vogels, terwijl des nachts de Uilen om levende 
prooi rondzwerven. Schooljongens dooden doelloos met behulp van 
een slinjard ^) menig vogeltje, terwijl aan de zeekust de reigerkoloniën 
letterlijk uitgemoord worden om te voldoen aan een gril der mode. 

') Een Surinaamsche slinjard bestaat uit een krakka (twee Vvormig saamgegroeidc 
takjes). Bovenaan zijn twee stukjes elastiek bevestigd, die met een stuk leder aan elkander 
zijn gebonden; in dit stuk leder wordt een steentje geplaatst en afgeschoten. Mij zijn 
schutters bekend, die wel tienmaal achtereen een walnoot boven een flesch op twintig 
voet afstand kunnen wegschieten. Het aantal vogeltjes, doelloos door deze jongens gedood, 
is werkelijk verbazend. 



CARINAT^. 



A. Ondergedeelte der scheenen over het algemeen onbevederd ; teenen, behou- 
<lcns een aantal uitzonderingen, met groote of kleine vliezen of lobben. 

.... WATERVOGELS. 

B. Ondergedeelte der scheenen over het algemeen bevederd ; teenen, op enkele 
uitzonderingen na, zonder vliezen of lobben. 

LANDVOGELS. 



WATERVOGELS. 

Tot de afdeeling der Watervogels worden gerekend alle 
vogels, die meer het water of de oevers, dan het land bewonen. 
Alle onderscheiden zich door een laag vet tusschen de huid en 
het vleesch alsmede door een min of meer opmerkelijke olielaag 
over het gevederte, dat daardoor voor water ondoordringbaar 
wordt. 

Vooral bij Zwemvogels, die hun prooi onder water be- 
machtigen, is dit zeer duidelijk ; bij anderen weer, zooals 
Waterhoenders, weinig of in het geheel niet merkbaar. 

Deze olielaag doet de vederen van levende Watervogels als 
o vertogen schijnen met een zilverachtig waas, dat bij geprepa- 
reerde huiden bijna geheel verdwijnt. Slechts enkele Land- 
vogels, zooals de Alcedinidcr, die meer de levenswijze van 
Watervogels volgen, hebben ook veel olie over hunne vederen. 



, WATERVOGELS. 

Zooals licht te begrijpen valt, bestaat het voedsel van Water- 
vogels voor een groot gedeelte uit de levensvormen, die meer 
het water bewonen ; het percentage van plantaardig voedsel 
is betrekkelijk gering. Hun lokale distributie omvat dan ook 
meer de lagere, waterrijker, dan hoogere en droger streken. 

Bij Watervogels geschiedt de ontwikkeling van het embryo 
over het algemeen sneller dan bij Landvogels ; daardoor worden 
de kuikens min of meer minder hulpeloos geboren. Velen zijn 
dan ook van af hun geboorte in staat te zwemmen ofte loopen. 
Dit is het geval bij de orden I, II, V, VIII en IX; de jongen 
echter bij orden III, IV, VI en VII komen geheel hulpeloos 
ter wereld en hangen voor lang-en tijd van de ouden af. Toch 
is het percentage van hulpeloos geboren jongen bij Water- 
vogels veel o-eringer dan bij Landvogels. 

Onder de afdeeling der Watervogels zijn in dit werk be- 
grepen 9 orden, waarvan 6 tot de groep der Zwemvogels en 
3 tot de groep der vSteltloopers behooren. 



A. Tarsi over het algemeen kort of moderaat; voorteenen (bij de Steganopodes 
ook de achterteen) door groote zwemvliezen geheel aan elkander verbonden. Slechts 
de Pygopodes hebben groote lobben aan de teenen en alleen de Odoiitoglossa' 
onderscheiden zich door zeer lange tarsi. 

NATATORES. 

B. Tarsi over het algemeen moderaat lang of zeer lang en slank; voorteenen, 
op een aantal uitzonderingen na, met min of meer kleine vliezen of lobben. 

.... GRALLATORES. 



ZWEMVOGELS. 



NATATORES. 



Zwemvogels onderscheiden zich van de overige Watervogels, 
niet alleen door grootere zvvemvliezen, maar ook door een 
over het algemeen dikkere olielaag over de dichter op elkander 
staande vederen, waaronder een dichte laag dons het lichaam 
bedekt ; tevens is de laag- vet tusschen de huid en het vleesch, 
zeer duidelijk of dik. 

Het voedsel van Zwemvogels is van meer dierlijken dan 
plantaardigen aard. Alle rieken min of meer sterk naar rauwe 
visch. Maar dit is opmerkelijker bij de Zeevogels, Roeipootigen, 
enz., dan bij Eenden. 

Alle Zwemvogels kunnen goed zwemmen, maar zeer moeielijk 
loopen ; een groot gedeelte van hun leven brengen ze dan 
ook aan de oppervlakte van het water door. De Flamingos 
echter bewonen meer de waterkanten; ook door hunne lange 
pooten vormen ze als het ware den overgang, van de Natatoi'cs 
tot de Grallatores. 

Alle strekken onder het vliegen de pooten naar achter uit. 

De meeste onzer Zwemvogels komen voor langs de kust ; 
slechts bij uitzondering treft men enkele species ver in het 
binnenland aan. 

Orden. 

A. POOTEN MIN OY MEER KORT OF MODERAAT. 

„Op Eenden gelijkende vogels, met over het algemeen spitse 
snavels; pooten ver naar achter van het lichaam, nabij den 



. ZWEMVOGELS. 

staart, geplaatst; tarsi plat; tcenen vier in aantal, bij Surinaam- 
sche soorten van groote lobben voorzien ; staart zeer kort, bij 
enkele species zelfs geheel ontbrekend. 

I PYGOPODES. 

N.B. Oudere natuurkundigen rekenden de familie der //«•//'orwz'M/^/ffi tot de bovenstaande orde. 
Moderne onderzoekers daarentegen plaatsen haar dicht bij de Rallidie. 

„Over het algemeen vogels met spitse of dikwijls gehoekte, 
valkachtige snavels, uitgezonderd de RhynchopidcE; teenen vier in 
aantal, de voorteenen door groote vliezen aaneen verbonden; 
vleugels lang en spits, de uiteinden in den regel elkander 
kruisend ; tarsus korter dan de staart ; pooten nabij het midden 
van het lichaam geplaatst. 

II. LONGIPENNES. 

„Vogels met over het algemeen valkachtige snavels, de tip 
v. d. bovensnavel in den regel zeer vergroot; neusgaten openende 
door buizen ; achterteen, of geheel ontbrekend, of slechts be- 
staande uit een nagel ; de drie voorteenen door groote zM'em- 
vliezen aaneen verbonden. 

III. TUBINARES. 

N.B. Orden II en III worden door sommige natuurkundigen samengevat tot de ondergroep 
der Zeevogels. Gavice. 

„Teenen vier in aantal, alle door groote zwemvliezen aan 
elkander verbonden ; snavel varieerend, spits of gehoekt. 

.... IV. STEG ANOPO DBS. 

„Teenen vier in aantal, de voorteenen door groote zwemvliezen 
aaneen verbonden; snavel min of meer plat, het midden inge- 
drukt, de tip gehoekt, het uiteinde dikwijls voorzien van een 
verhooging, die veel op den nagel van een menschenvinger gelijkt ; 
randen v. d. snavel met een reeks inkervingen of tandjes. 

V. ANSERES. 

N.B. Door sommige natuurkundigen wordt de familie der PalamcdetJce ook tot de Aiiseres 
gerekend. 

B. TARSUS ZEER LANG. 

„Snavel van af het midden, sterk naar beneden gebogen; 
snavelranden met een reeks inkervingen of tandjes, als bij Eenden ; 
voorteenen door groote zwemvliezen aaneen verbonden. 

.... VI. ODONTOGLOSS^. 

N.B. Sommige natuurkundigen rangschikken orden V en VI, te zamen met de familie der 
PalamedeiJa, onder de ondergroep der Cheno7norphcg. 



PODICIPEDID^.. 



Orde I. PYGOPODES. 

LOBPOOTIGE ZWEMVOGELS. 

Tot deze orde worden gerekend 3 familiën, waarvan 2 in 
Suriname voorkomen. Het aantal bekende fossielsoorten be- 
draagt 15. 

Familicn. 

A. Staart niet zichtbaar of zelfs geheel ontbrekend. 

PODICIPEDID^. 

B. Staart duidelijk zichtbaar en nog al ontwikkeld. 

.... HELIORNITHID^. 



Familie der PODICIPEDID^. 

MOERASDUIKERS. 

Van de ongeveer 22 bekende soorten Moeras- of Zoetwater- 
duikers, eng. Grebes, fr. Grebes worden slechts 3 species, 
behoorende tot 3 geslachten, in de Guiana's aangetroffen. De 
overigen komen voor over de geheele Wereld. 

Alle onderscheiden zich door een eendachtigen lichaamsbouw, 
zijdelings samengedrukte, hoornachtige snavels, platte, korte 
tarsi en gelobde voorteenen met -breede platte nagels. Het 
halsvel is elastisch, hetgeen de inslikking van tamelijk groote 
prooi toestaat; tusschen de huid en het vleesch ligt een laag 
vet of olie ; het vleesch wordt als oneetbaar beschouwd. 

M. hebben bijna- of geen staart, naar verhouding met hun 
lichaam zwakke vleugels, en kunnen dan ook van het land af. 



6 PODICIPEDID^. 

niet in de lucht stijgen; daartoe is eerst een korte aanloop 
over het water noodig. Hun nogal snelle, maar zelden lang- 
gerekte vlucht, geschiedt met gestrekten hals en pooten, die 
tevens, bij gebrek aan staart, als stuur dienst doen. Maar alleen 
in uitersten nood, want gewoonlijk biedt het struikgewas of 
drijvende waterplanten, eene veilige schuilplaats aan. 

Opgeschrikt te midden van een open plas, laten M. zich, 
bijna zonder een rimpel te veroorzaken in het water zinken 
en zwemmen zoo voort, met alleen de neusgaten boven de 
oppervlakte. Scherp moet inderdaad de blik van een jager 
zijn, om die snavelpunt te onderscheiden tusschen de drij- 
vend grashalmen, takjes, enz. aan de wateroppervlakte. Dit is 
dan ook de reden, dat niettegenstaande M. zeer talrijk op eene 
plaats voorkomen, men zelden of nooit een vogel te zien krijgt. 

M. leven bij paren, uitsluitend in het water, naderen alleen 
in uitersten nood het land, maar slapen zelfs, met de pooten 
opgetrokken ter hoogte der vleugelranden en de koppen 
rustende tusschen de schoudervederen, drijvende, evenals kurken. 
Overvalt hen een storm, fluks keeren ze den kop naar den 
wind toe en rijden, met de pooten in het water flappende, 
over de ruggen der aanrollende golven. 

Hun prooi, vooral visschen, vervolgen M. onder water 
en maken als voortstuwingskracht alleen gebruik van de 
pooten. Overigens bestaat hun voedsel uit slakjes, kruipende 
diertjes, insecten, wormen, of enkele malen zelfs planten- 
zelfstandigheden. 

Op land daarentegen zijn M. geheel hulpeloos, omdat hunne 
korte, ver naar achter van het lichaam geplaatste pooten, hen 
noodzaken, rechtop en met een waggelende gang te loopen. 

M. worden met voorlaad- of percussiegeweren niet gemak- 
kelijk gedood, omdat ze in staat zijn bij de flikkering van het 
slaghoedje, snel onder te duiken. Tegenwoordig echter gaat 
dit moeielijker, omdat men moderne achterladers gebruikt. 

Al onze ]M. volgen dezelfde levenswijze. Van den bodem 
der poelen vergaren ze modder of ander rottend materiaal, 
dat dan, te zamen met waterplanten, tot een drijvend nest 
gevormd wordt en vastgehecht of geankerd aan levende 



PODICIPEDID.E. 7 

biezen of andere waterplanten, rijst of daalt, al naar gelang 
het water af- of toeneemt. Waar het water evenwel zeer ondiep 
is, worden de nesten, van den bodem af, opgebouwd. 

De eieren van M. zijn elliptisch of ovaal, hard van schaal, 
licht groenachtig, maar geheel overdekt met een harde kalk- 
laag, die gewoonlijk sterk bevuild is door het nestmateriaal. 
De broedende vogels hebben de gewoonte, hunne eieren bij 
dag te bedekken. Zoodoende wordt de uitbroeding overgelaten 
aan de zon, of de warmte, voortgebracht door de rottende 
planten ; gedurende dit proces 
liggen de eieren dikwijls half 
in het water. Zoodra de avond- 
schemering invalt, verlaten de 
vogels hunne nesten niet meer, 
maar zitten den geheelen nacht 
door op de eieren. Beide sek- 
sen doen dit bij beurten. 

De pas uitgebroede jongen 
zwemmen van af hun geboorte 
reeds evengoed als hunne ouders 
en leeren het duiken binnen 
enkele dagen ; bij nadering van 
gevaar of om uit te rusten, nemen 
ze de wijk op den rug hunner 
moeder. 

In de kolonie worden M. meermalen aangeduid als Paki- 
paki, de naam die men ook aan jonge of halfvolwassen 
Eenden geeft. 

Genera. 




Podilymbiis porliceps (naar B . en N. 



A. Slagp. V. d. eersten en den tweeden rang, van ten naastenbij dezelfde lengte. 
„Snavel moderaat, recht, de tip een weinig naar beneden gebogen. 

PODICIPES, LATH. 



„Snavel krachtig en hoog, de tip sterk naar beneden gebogen, 
voorkop met borstelige vederen. 

PODlLYiMBUS, LESS. 



PODICIPEDID^. 

B. Slagp. V. d. tweeden rang korter dan die v. d. eersten rang. 
„Snavel lang, slank en puntig; kop gekuifd. 

.... yECHMOPHORUS, COUES. 



Species. 

PODICIPBS, LATH. 

P. dominicus, L. = id., Schegal, Mus. P. B. = Colymbus d., 
Cab. i)i ScJioiitb. Reis == Le Castagneux de S. Doviingue, Biiff. 

Ad. ged. het broedseizoen. Bov. d. over het algemeen bruinachtig zwart, met een 
groenachtigen glans ; voorkop, bovenkop en achternek zwart, met een groenen glans ; 
kin en keel zwart; kopzijden en overig gedeelte v. d. nek aschkleurig, overgaande 
in bruinachtig grijs aan de basis v. d. voornek ; zijden v. d. onderrug en stuit 
wit; borstzijden, buikzijden en flanken overtogen met glanzend roodachtig bruin; 
middenborst en buik glanzend wit, met min of meer grauwe vlekken ; slagp. v. d. 
2ilen rang wit, de zoom v. d. buitenvlag der vederen met een bruinen band; slagp. 
v. d. isten lang gedeeltelijk wit; dekv. ond. d. vl. wit; snavel zwart, de tip 
witachtig; pooten grijsachtig zwart; iris oranje. Na het broedseizoe7i. Bovenkop, 
nek en overige bov. d. bruiner, vooral de voornek en borstzijden; kin en keel wit. 
Jo7ig. Ongeveer als ad. na het broedseizoen, maar de buitenvlag der slagp. v. d. 
isten rang bruin. Jong in dons. Bovenkop zwart met een roodbruine vlek en 
verschillende witte vlekken; zijden en onderdeelen v. d. kop en nek wit, met 
zwarte lijnen; overige bov.d. bruinachtig grijs; ond.d. wit. L. 25, vl. 9.5, tars. 3, 
culm. 2.1. Geogr. dist. Tropisch Amerika, noordwaarts tot Texas en Californië. 
Lok. dist. De lagere streken. 

Begroeide zoetwaterkanten, overstroomde savannes en zwam- 
pen, behooren tot de meest bezochte verblijfplaatsen der 
Dominica ]\Ioerasduikers, eng. St. Domingo Grebes, fr. Grebes 
de l'ile St. Domingue, gekenmerkt door halzen, die veel korter 
zijn dan het lichaam. 

D. jM. leven over het algemeen bij paren, soms bij troepjes, 
doch worden in de kolonie niet heel talrijk aangetroffen. Hun 
geluid klinkt min of meer als een geblaf en gelijkt op dat 
van Heliornis fulica. ') 



') Aves do Brazil II, p. 601. 



PODICIPEDID^. 



P. D. broedt gedurende het kleine regenseizoen. Het aantal 
eieren per legsel bedraagt 6 tot 8. M. A/m. 35 X i^ m.M. 



AECHMOPHORUS, COUBS. 

M. major, Bodd. = Grcbe de Cayenne, Daub. = Le 
Grand Grêbe, Buff. = Podiceps major, Schlegal, Mus. P. B. 

Ad. Bov.d. over het algemeen bruinachtig zwart met een groenen glans vooral 
aan kop en nek ; vederen aan den achterkop verlengd tot een korte kuif ; 
rug en schoudervederen met tamelijk duidelijke, bruinachtig witte zoomen ; lora, 
kopzijden en keel grijs; kin wit; bovengedeelte v. d. voornek kastanjekleurig 
evenals een min of meer onduidelijke band langs de borstzijden tot aan de schouders ; 
overige ond.d. zilverachtig wit ; zijden en flanken aschbruin, soms min of meer 
overtogen met kastanjebruin; slagp. v. d. isten rang gedeeltelijk aschbruin en wit; 
slagp. v. d. 2<ïen rang wit. Jong. Lora, kopzijden, kin en keel wit ; zijden en 
voorgedeelte v. d. nek grijsachtig met een kastanjekleurige tint ; borstzijden, buik- 
zijden en flanken aschbruin zonder kastanjekleurige tint; overigens als s.d. Jong i'ii 
dons. Bov.d. over het algemeen zwart, met witte lengtestrepen, die, vooral aan 
de kopzijden en den bovenkop, onregelmatig afgebroken, min of meer ineenloopen ; 
ond.d. wit; midden v. d. bovenkop naakt. L. 65, vl. 15, tars. 6,5, culm. 7.5. 
Geogr. dist. Centr, en Z. Amerika. Lok. dist. De lagere streken. 

Cayenne Moerasduikers, eng. South American Crested 
Grebes or Cayenne Grebes, fr. Grebes de Cayenne, komen, 
volgens BufFon, enkele malen in de kolonie voor, en onder- 
scheiden zich door halzen van bijna dezelfde lengte als het 
lichaam, lange snavels, alsmede gekuifde achterkoppen. Beide 
seksen dragen ten allen tijde eenzelfde vederkleed. 

De eieren zijn grooter dan die der voorgaande en volgende 
soort. M. A/m. 50 X 34 m.M. 



PODILYMBUS, LBSS. 

F. podiceps, L, = Le Grebc de la Louisiane, Daub. = 
Le Grebc ditc-laart, Buff, = Le Castagneux a bec eerde, 
Buff. = Podiceps carolinensis, Schlegal, Mus. P. B. 

(^ Ged. het hroedseizoen. Bov.d. glanzend, bruinachtig zwart ; kruin en achternek 
donkerder, kopzijden en voornek lichter van tint; slagp. van den isten en 2den rang 



I o PODICIPEDID.^. 

aschkleurig, de binnenvlag der vederen min of meer wil ; kin en Iceei donkerzwart ; 
l)ovcnborst, voorkop, nekzijden en buikzijden bruin, niet min of meer zwartachtige 
vlekken; onderborst en overige ond.d, wit, de basis der vederen grijs; snavel 
melkwit, met een zwarten band over het midden; metatarsus en teenen groenachtig 
leikleurig aan de buitenzijde en loodkleurig aan de binnenzijde; iris donkerbruin, 
met een witten rand. § Ongeveer hetzelfde, maar kleiner. Na hef broedseizoen. 
Kin en keel wit, de vederen aan voornek en buikzijden met roestroode randen ; 
ond.d. zuiver wit; snavel bruinachtig, zonder zwarten band ; ondersnavel lichter van 
tmt. Jong. Als ad. na het broedseizoen, maar de kopzijden met min of meer 
duidelijke, bruine strepen; snavel minder hoog. Jong in dons. Bov.d. over het 
algemeen donkcrbruio, met witte lengtestrepen ; kop en nek zwart en wit getee- 
kend ; een kastanjekleurige vlek op den bovenkop en twee banden van dezelfde 
kleur over den achterkop ; kin, keel, borst en buik wit, overgaande in grijsachtig 
bruin aan de zijden. L. 35 — 30, vl. 13.5 — 12, tars. 4.3 — 3.8, culm. 2.3 — 2. Geogr. 
disf. Geheel Amerika, uitgezonderd het uiterste noorden en zuiden. Lok. dist. 
Vooral de lagere streken. 

In tegenstelling met de twee voorgaande soorten bezitten 
Bontsnavel Aloerasduikers, eng. Pied billed Grebes, naar ver- 
houding korter, krachtiger, hooger, aan het uiteinde sterk 
gekromde snavels, doch worden, voor zoover schrijver kan 
oordeelen, niet heel talrijk in de Guiana's aangetroffen. Meer 
noordwaarts echter wel. 

P. P. broedt in Centr. Amerika, N. -Amerika en de West- 
Ind. eilanden gedurende April tot Juni. De 6 tot 9 eieren zijn 
grooter dan die der Dominica Moerasduikers, maar kleiner 
dan die der Cayenne Moerasduikers. M. Afm. 43 X 29 m.M. 

De broedtijd zou drie weken duren. 



Familie der HELIORNITHIDL^. 

VINPOOTEN. 

Slechts 4 soorten Vinpooten, eng. Finfoots, fr. Grebi foulques, 
zijn bekend. Hiervan komen 3 voor in de Oude Wereld ; slechts 
een soort behoort in tropisch Amerika te huis. 

V. onderscheiden zich door lobben aan de pooten en komen 
niet alleen met Moerasduikers, maar ook wel met de Ftilica's 
overeen. De zijdelings samengedrukte snavel is langer dan 



heliornithid.ï:. 



1 1 



de tamelijk kleine kop, die evenzeer op dien der Reigers, 
als op dien der Moerasduikers gelijkt, terwijl de staart met dien 
van Eenden overeenkomt, maar het halsvel even elastisch is, 
als bij Moerasduikers. Tusschen de tamelijk dikke huid en 
het vleesch, bevindt zich een laag vet; de dicht op elkander 
staande vederen zijn zacht. 

Het aantal rectrices bedraagt i S ; aan de contourvederen 
ontbreken achterschachten ; de sternum is verlengd en van 
een enkele kerf voorzien ; de olieklieren zijn bepluimd ; bij de 
species der Oude Wereld dragen beide seksen een eenigszins 
verschillend vederkleed, hetgeen evenwel niet het geval is bij 
onze soort. De jongen komen min of 
meer overeen met de volwassen wijfjes, 
doch hebben veel minder heldere kleuren. 

Uit het bovenstaande blijkt, dat V. 
een combinatie van eigenschappen bezit- 
ten, niet tot één, maar tot verscheidene 
orden schijnen te behooren en door mo- 
derne geleerden tusschen de Rallidcc en 
de Podicipcdidcr gerangschikt worden. 
Voor oudere natuurkundigen daarente- 
gen waren V. niets meer dan een geslacht 
van de familie der Duikers. 

Naar mijne meening is de oude clas- 
sificatie de meest aannemelijke, want al 

mogen V. inwendig een nauwe verwantschap met de Water- 
hoenders aanduiden, de lichaamsvorm komt toch zoo overeen 
met dien der Moerasduikers, dat een leek beide niet van 
elkander kan onderscheiden. Vinpooten gelijken evenveel op 
Waterhoenders, als Snippen op Eenden. 

Ook hun levenswijze verschilt niet veel van Moerasduikers. 
Men treft beide aan op dezelfde plaatsen, t. w. zoetwater- 
moerassen en waterkanten. Over hun voortteling is niets 
bekend. 




Poot van //ilïoi'iiia ftilica 



1 2 HELIORNITHID.E. 

Species. 

HBLIORNIS, BONN. 

H. fulica, Bodd. = ïd., Schlegal, Mus. P. B. = Le Grebi 
foulqiie de Cayenne, Daub. = Le Grèbe-foulque, Bh ff = 
Podoa stcrmamciisis, Cab. in Schomb. Reis. 

Ad. Bov.d. over het algemeen olijfbruin, overgaande in helderder bruin aan den 
onderrug, alsmede roodachtig bruin aan de stuit en dekv. bov. d. st. ; vl. dekv. 
als de rug; huimpje, dekv. der eerste slagp. en slagp. zelve bruin, met een olijf- 
kleurig tintje aan de buitenvlag; binnenste slagp. v. d. a^en rang als de rug; 
staartp. donker bruin, met witte enden ; bovenkop en bovengedeelte v. d. achternek 
glanzend blauwzwart; ondergedeelte v. d. achternek olijfkleurig als de rug; lora 
wit en bruin ; wenkbrauwlijn wit, evenals de vederen om de oogen ; een zwarte 
vlek nabij den mondhoek; oorvederen en achtergedeelte der kaken licht kastanje- 
kleurig ; een blauwzwarte band achter de oogen, boven de oor vederen, tot aan den 
achterkop ; achter de oorvederen een witte band, die langs de nekzijden loopt en 
het zwart v. d. achterkop en nek scheidt van een anderen zwarten band; deze 
begint van af de oorvederen, gaat dan langs den witten band aan de nekzijden, 
wordt daar wijder en vereenigt zich aan de onderkeel ; middenborst en abdomen 
wit ; borstzijden en voornek zandachtig geelachtig, en van het zwart aan de onderkeel 
gescheiden door een witte plek; zijden en flanken olijf bruin; dekv. ond. d. st. 
bruin, de langsten met witte tippen ; dekv. ond. d. vl. en okselvederen bruin, met 
witte tippen aan vele der vederen ; slagp. bruin aan de onderzijde ; snavel helder 
rood, met een zwarte vlek aan den culmen en achter de neusgaten; ondersnavel 
witachtig, met een geelachtige streep nabij de basis; teenen helder geel; midden- 
teen met drie-, binnenteen met iwee- en buitenteen met vier dwarsbanden ; iris 
grijsachtig bruin. (Neuwied). Jong. Roodachtiger bruin dan ad., vooral aan de 
stuit en dekv. bov. de st. ; bovenkop bruin, met zwarte vederen alleen aan den 
achterkop ; zijden van den bovenkop en nek als bij ad. ; zijden v. d. kop wit, 
niet kastanjekleurig, en de zwarte banden aan den nek alleen bestaande uit eenige 
zwarlachtige vederen ; ond.d. zuiver wit, met een geelachtige tint aan den voor- 
nek, maar zonder zwarten band aan de onderkeel ; zijden en flanken roodachtiger 
bruin dan bij ad. ; snavel hoornkleurig, de tip wit ; ondersnavel geelachtig. L. 30, 
vl. 14.8, st. 8.8, tars. 2, culm. 3.2. Geogr. dist. Z. Brazilië tot Amazonia, de 
Guiana's, Venezuela, Columbia en tot Br. Honduras in Centr. Amerika. Lok. dist. 
Vooral de lagere streken. 

Amerikaansche Vinpooten, eng. Am. Finfoots, fr. Grebe 
foulques d'Amérique, zijn zeer eigenaardige vogels, die er 
uitzien als kleine Eenden, maar met snavels van Waterhoenders. 



HELIORNITHIDvE. j^ 

In de kolonie worden ze soms aangeduid als Boesi Paki- 
paki (kleine boscheenden), bij de Arowakken als Abajoe, bij 
de Caraïben als Bonpon en bij de Warrau's als Orani. 

Over het algemeen leven Am. V. bij paren, doch hun 
schuwheid is zoo buitengewoon groot, dat men alleen bij 
toeval een individu te zien krijgt. 

Tot hunne meest bezochte verblijfplaatsen behooren de moeras- 
sige streken binnen het intermangrove terrein of langs de 
rivier- en kreekoevers, tot waar het getij niet meer reikt. 
Gewoonlijk zitten ze op afhangende takken langs het water 
of zwemmen, met hun lichaam half ondergedompeld, terwijl ze 
den hals op eigenaardige wijze naar alle richtingen bewegen. 
Hun voedsel bestaat uit insecten, week- 
dieren en plantenzaden. De wijfjes zijn 
veel talrijker dan de mannetjes. 

Volgens Schomburgch duiken A. V. 
alleen gewond zijnde, en zoeken, op- 
geschrikt, doorgaans hun heil in de 
vlucht of verbergen zich in het struik- 
gewas langs den oever. 

Toch werd mij eens een exemplaar 
gebracht, waarvan de eigenaar ver- staart van den vinpoot. 

klaarde, dat hij reeds meermalen op 

dienzelfden vogel had geloerd. Hij zag hem nl. eiken morgen, 
op een bepaalde plek in de zwamp rondzwemmen. Maar 
zoodra hij de plaats naderde, was er niets te bespeuren dan 
een hoopje waterplanten. 

Hij geloofde, dat de vogel zich daar verborg op zoodanige 
wijze, dat alleen zijn snavel boven het water uitstak, want 
zoodra hij zich verwijderde, vloog de Boesi Paki-paki snel 
weg, om een eindje verder weder neder te dalen. 

Het geluid van A. V. klinkt duidelijk en gelijkt van uit de 
verte wel wat op het blaffen van een hond of wel als „bom, 
bom, bom." 

Te oordeelen naar de voortplantingsorganen broedt H. F. 
gedurende de regenseizoenen. Een wijfje met sterk ontwikkeld 
ovarium, werd geschoten in de zwampen ten noorden van 




M 



HELIORXITHID.^. 



Paramaribo, gedurende de maand Juli. Het nest kon niet ver 
van de plaats geweest zijn. 

De twee? jongen zouden, volgens Prins v. Neuwied, naakt 
ter wereld komen, maar toch in staat, dadelijk rond te zwem- 
men of bij nadering van gevaar de wijk te nemen onder de 
vleugels hunner zwemmende moeder en zich daar met hunne 
snaveltjes vast te houden. 



STERCORARIIDiE. 



Orde II. LONGIPENNES. 

LANGVLEUGELIGE ZWEM VOGELS. 

Tot deze orde worden gerekend 3 familiën, die ook in de 
Guiana's zijn vertegenwoordigd. Men telt ongeveer 10 fossiel- 
soorten, 

Familién. 

A. Ondersnavel niet langer dan de bovensnavel ; snavel niet heel sterk zijde- 
lings samengedrukt. 

„Bedekking v. d. bovensnavel bestaande uit drie stukken ; 
middelste staartpennen lang. 

.... STERCORARIID^. 

„Bedekking v. d. bovensnavel bestaande uit één stuk, waarin 
de neusgaten geplaatst zijn; staart vierkant of gevorkt. 

LARID^. 

B. Ondersnavel veel langer dan de bovensnavel, en beide zoo sterk zijdelings 
samengedrukt, dat zij er uitzien als twee met de snijranden op elkander 
geplaatste messen; staart gevorkt. 

rhynchopid^ï:. 



Familie der STERCORARIID^. 

ROOFMEEUWEN. 

Van de 7 bekende soorten Roofmeeuwen of Zeevalken, 
eng. Jaegers or Skuas, fr. Stercoraires, komen 3 voor in de 
streken nabij de Zuidpool. De overigen bewonen gedurende het 



l5 STERCORARIIDiE. 

broedseizoen het Noorden van het noordelijk Halfrond, hoewel 
alle, tijdens den winter, ook over de intertropische en sub- 
tropische zeeën en zeekusten verspreid zijn. 

Tot de fauna der Guiana's behooren met zekerheid slechts 
3 species, gerangschikt onder 2 geslachten. IMaar dat Ster- 
corarius pomarinus, Temin. en S. longicaudus, Vieill. ook 
dikwijls langs onze kusten trekken, is bijna zeker. 

De Skuas, zeer groote, krachtige vogels, evenaren in afme- 
ting de grootste Meeuwen, doch de eigenlijke R. zijn kleiner 
en slanker. Alle gelijken, zoowel in vorm als levenswijze, veel 
op Roofvogels. 

Hun bovensnavel bestaat uit drie, duidelijk van elkander 
gescheiden deelen of stukken, nl. een min of meer gezwollen, 
gekromde endhoek aan het uiteinde, een zijstuk, en een stuk, 
waarvan de randen over de neusgaten hangen, op den culmen. 

De washuid bedekt den snavel tot aan het gekromde end- 
gedeelte ; tevens zijn de middelste staartpennen lang. Het 
halsvel is elastisch, hetgeen de inslikking van tamelijk groote 
prooi toelaat. De vederen staan dicht op elkander; tusschen 
de huid en het vleesch bevindt zich een laag vet. Het vleesch 
wordt zelden gegeten. Beide seksen gelijken elkander, maar de 
jongen verschillen eenigszins. 

R. bewonen bij voorkeur zeekusten, zelden of nooit het 
binnenland en vergaren haar voedsel door andere zeevogels te 
berooven ; vooral Meeuwen of Zeezwaluwen moeten het erg 
ontgelden. De R. vervolgt haar slachtoffer en dwingt het, eene 
pas ingeslokte prooi wederom uit te braken. 

Eieren, zoowel als jonge vogels, worden weggekaapt; zelfs 
bijna volwassen zwakkere soorten zijn niet veilig. Groot is 
dan ook de vernieling door R. aangericht in de uitgestrekte 
koloniën van zeevogels, meer noordwaarts. 

Behalve levende prooi, voeden R. zich veel met aas, zooals 
drijvende krengen van vogels, enz. of berooven elkander 
onderling den buit ; zelfs de grootste zeevogels worden met 
weergalooze vermetelheid aangevallen. 

R. leven meestal bij paren, zeldzamer in troepjes. Haar vlucht 
is sierlijker, krachtiger en sneller dan de Laridcc. Alle broeden 



MEGALESTRIS. 



17 



gedurende Juni en Juli, dikwijls tot binnen den poolcirkel. De 
nesten, bestaande uit gras, mos, enz., worden doorgaans geplaatst 
op den grond in moerassen ; vele individuen gebruiken echter 
als nest slechts den blooten grond. 

De 2 of 3 eieren zijn ovaal of kort ovaal, eenigszins spits 
en matig glanzend. De grondkleur varieert van af licht olijf- 
groen en lichtbruin tot donker olijlkleurig. De bevlekking 
bestaat uit verschillende tinten van bruin, lilagTijs en zwart- 
achtig. Om het stompe end der schaal staan de vlekken 
dichter bij elkander. 

Genera. 

A. Lichaamsvorm groot en krachtig ; hoogte v. d. snavel bij de basis gelijk aan 
niet minder dan half der lengte v. d. bovensnavel, terzijde gemeten ; tarsus korter 
dan de middenteen met klauw ; staart kort, de middelste rectrices slechts weinig langer 
dan de overigen. 

MEGALESTRIS, BP. 

B. Lichaamsvorm moderaat ; hoogte v. d. snavel bij de basis minder dan half der 
lengte v. d. bovensnavel, terzijde gemeten; tarsus opmerkelijk langer dan de mid- 
denteen met klauw; middelste rectrices bij volwassen vogels veel langer dan de 
overigen. 

.... STERCORARIUS, BRISS. 



Species. 

MEGALESTRIS, BP. 

- M. catarrhactes, L. = Stercorarius c. ScJilegal, Mils. P.B. 
■=^ J\I. skua, Brüiin. 

Ad. Bov.d., staart en vleugels donker, vuil bruin ; schachten der vleugel- en 
staartpennen wit, uitgezonderd de tip; basis v. d. binnenvlag der buitenste slagp. 
•wit; ond.d. lichter van tint dan de bov.d.; nek met min of meer witachtige strepen. 
Jong. Ongeveer als ad., maar met duidelijker geelachtige strepen, vooral aan 
kop en nek. Jong in dons. Geheel bruinachtig of bruingrijs . , . donkerder aan de 
bov.d. dan aan de ond.d. (Dresser). L. 56, vl. 40, tars. 6.6, middenteen 6, 
culm. 5.2. Geogr. distr. Zom. Kusten en eilanden van den N. Atl. Oceaan. Wint. 
Gematigde en tropische streken. Lok. dist. Denkelijk de zeekust. 

2 



i8 stercorariid.ï:. , : 

Indien Prof. E. Goeldi gelijk heeft, dan bezoekt de Groote 
of Noordsche Skua, eng. Skua, meermalen de tropische kusten 
van Amerika. Exemplaren van het geslacht Megalcstris echter 
in het Museum te Georgetown worden aangegeven als M. cJiilen- 
sis. In het Noorden behooren G. S. niet tot de zeldzaamste 
Zeevogels en ook haar levenswijze komt overeen met die der 
kleinere Roofmeeuwen. 

De eieren gelijken wel wat in kleur en vorm op die van 
het geslacht Stcrcorarius, maar zijn grooter. 

Afm. 70 — 75 X 48—50 m.M. (O. Davies). 

M. chilensis, Bp. 

Ad. Ongeveer als M. sktia, maar de okselvederen en dekv. ond. d. vl. donker- 
kaneelkleurig; ond.d. geheel roestbruin of kaneelkleurig. Geogr. dist. Zuidelijk 
Z. -Amerika tot Z. -Brazilië en Peru. Lok. dist. De zeekust. 

Gelijk te voren aangehaald zijn er in het Museum in Engelsch 
Guiana exemplaren van de 
Chiliaansche Skua, eng. Chi- 

Deze vogels komen in Ie- /^^^SIÊ^^?' -iMji "^^ 

venswijze geheel overeen met "'-'*=^^>-^. '~^» 

de voorgaande specie. In de WSm 

collectie van het Br. Museum ^^Br 

is er maar een enkel ei v. d. ' _,_-^-iM^^^» . 

C. S. en dat wordt beschreven Kop van upsaie^tris chHensh. 

als spits ovaal, niet met zeker- 
heid te onderscheiden van vele eieren der voorgaande soort. 
De grondkleur is grijsachtig gemskleurig met licht geelachtig 
bruine, alsmede daaronder liggende, licht purperkleurige vlek- 
ken en plekken. Afm. 73 X 52 m.M. 

Het exemplaar werd gecollecteerd den 3^20 Dec. in Patagonië. 



larid.ï:. 



19 



STERCORARIUS, BRISS. 

- S. parasiticus, L. = id., Schlegal, Mus. P. B. 

Ad. (lichtkl. phase). Bov.d. leikleurig; bovenkop en knevelvlekken grijsachtijj 
bruin; overig gedeelte v. d. kop, nek en ond.d. wit; dekv. end. d. st. grijsachtig ; 
kop en nek getint met stroogeel ; poolen zwart. Jo7ig. Kop en nek gestreept met 
meer geelachtig dan grauw; ond.d. dwars gestreept of gevlekt; bov.d. grauw, de 
vederen met geelachtige randen ; overigens als ad. ; pooten geelachtig. Ad. [donkere 
phase). Geheel roetachtig leikleurig; slagp. donkerder. Jong. Donker bruinachtig 
leikleurig, vleugels en staart donkerder; het midden v. d, nek rondom met ondui- 
delijke, witachtige strepen ; ond.d., uitgezonderd borstzijden en bovenborst, dwars 
gestreept met dezelfde kleur; vederen der bov.d. met smalle, geelachtige tippen. 
N.B. Bij beide phases zijn de tarsi en teenen zwart. Jong in dons [f phase). 
Geheel zijdeachtig grijsbruin, ond.d. lichter van tint. L. 43, vl. 33, st. 2 2, tars. 4.3, 
culm. 2.8. Geogr. dist. Zom. De streken nabij den poolcirkel. Wint. Oost eii 
AVestkusten van den Atlantischen Oceaan, de Westkust van N. -Amerika, enz. 
Lok. dist. De zeekust. 

Parasiet-Roofmeeuwen, eng. Parasitic Jaegers, zijn reeds 
enkele malen langs de kusten der Guiana's en Brazilië waar- 
genomen, maar behooren hier tot de onregelmatige trekvogels 
die alleen door het toeval zoo nu en dan, dikwijls met over- 
springing van jaren, naar deze streken toegedreven worden. 
In het Noorden komen ze evenwel talrijker voor en behooren 
tevens tot de allerroofzuchtigsten der Zeeroofvogels. 

S. P. broedt bij paren, zelden in koloniën, zooals b.v. op 
de Shetland eilanden. 

De afmeting de eieren bedraagt 49 — 54.5X36.5 — 39 m.M. 

(O. Davies). 



Familie der LARID/E. 

ZEEZWALUWACHTIGEN. 

Ongeveer 115 soorten Zeezwaluwachtigen of Meeuwachtigen 
zijn bekend, verspreid over de geheele Wereld. Een jotal 
soorten bewoont het westelijke Halfrond. Tot de fauna der 



2 o LARID^. 

Guiana's rekent men met zekerheid 17 species, gerangschikt 
onder 5 genera en 2 subfamiliën, die tamelijk scherp van 
elkander gescheiden zijn. De overgang wordt gevormd door 
de geslachten Phaefhusa, Gelochclidon, enz. 

In de kolonie staan Z. bekend als Visi-man (Visschers). 
De grootere soorten heeten Biegi Visiman en de kleinere 
species Pikien Visiman, d. vv. z. Groote en kleine Visschers. 

In lichaamsgrootte variëeren Z. tusschen een groote Kalkoen 
en een gewone Grietjiebie. De snavel is gekromd of recht, de 
bedekking bestaat slechts uit één stuk ; terzijde ervan bevinden 
zich de lange neusgaten tamelijk onder aan den bovensnavel, . 
waaraan de washuid ontbreekt. 

Gelijk alle Gavia (Zeevogels) hebben Z. lange spitse vleugels. 
Van de vier teenen aan de tamelijk korte pooten is de duim 
kort, dikwijls zelfs indimentair ; de voorteenen waaraan moderate 
of zwakke klauwen, zijn geheel of gedeeltelijk door min of 
meer groote zwemvliezen aan elkander verbonden. De meeste 
soorten dragen een zomer- en wintervederkleed, hoewel dit 
bij de LarincE slechts weinig opmerkelijk is. Beide seksen 
gelijken elkander in kleur, maar de mannetjes zijn eenigszins 
groüter. De vederen staan dicht op elkander ; tusschen de huid 
en het vleesch is een min of meer dunne laag vet ; het vleesch 
wordt niet gegeten. 

Door hun elastische huid aan den hals, zijn Z. in staat tamelijk 
groote prooi in te slikken, die vooral uit visschen, garnalen, 
enz. bestaat. Alle leggen gevlekte eieren, meestal op den 
grond. De vorm der schaal varieert van af ovaal tot peer- 
vormig, zelden elliptisch, gewoonlijk eenigszins ruw en ten 
naastenbij glansloos, terwijl de bevlekking bestaat uit bruine 
en zwarte, de onderliggende schalenvlekken uit licht purper- 
kleurige tinten. 

Voor zoover schrijver kan oordeelen, broeden beide seksen. 
De kuikens zijn van af hun geboorte in staat op het zand rond 
te loopen, doch het voedsel wordt hen daar door de ouden 
aangebracht. Nadert er gevaar, dan vliegen de oude vogels in 
golvende kringen rond en vallen met een schor krassend 
geluid den rustverstoorder aan. 



LARID^. 



21 



Doordat Z. in koloniën bij elkander nestelen, worden hunne 
eieren zeer gemakkelijk in groote hoeveelheden verzameld. 
Expedities gaan uit in booten. Ter plaatse van bestemming 
loopen de collecteurs over het terrein en breken alle zichtbare 
eieren. Eerst den volgenden dag begint het verzamelen, want 
dan zijn de eieren natuurlijk alle versch. 

Langs de oostkust van Virginia worden de eieren der Lach- 
meeuwen in groote hoeveelheden ter markt gebracht en ook 
op vele andere plaatsen w. o. vooral de Fallarone Eil,, ver- 
zamelt men eieren. Gedurende 1854 werden naar men beweert 
500000 stuks in minder dan twee maanden te San Francisco 
verkocht; van 1850 tot 1856 bedroeg het aantal vier millioen, 
toen verminderde het langzamerhand tot 92000 in i8g6. ^) 

Scott maakt melding omtrent het uitroeien van Meeuwen 
en Zeezwaluwen nabij de monding van Tampa Bay, Florida, 
als een gevolg van het eieren verzamelen omstreeks 1880. 
(Auk V, p. 377, 1888.) 

Andere interessante artikelen over den eierhandel in N.-Ame- 
rika zijn die van Brijant en Loomis „Proc. Cal. Ac. of Sci. 
2 d. ser. I, p.p. 31 — 36, 1888; id. VI, p.p. 356 — 358, 1896." 

Dit uitroeien van vogels, w.o. vele trekvogels in het Noorden, 
moet natuurlijk invloed uitoefenen op hun aantal in de kolonie 
gedurende den winter. 

Subfmnüiën. 

A. Bovensnavel gekromd, doch het uiteinde niet gezwollen ; staart in den regel 
wit, enkele malen getipt met zwart; rectrices over het algemeen van gelijke lengte. 

LARIN^E. 

B. Snavel recht, spits en zonder endhoek; buitenste staartpennen langer dan de 
middelsten (uitgezonderd bij het geslacht Anoits.) 

.... STERNIN^. 



') Yearbook U. S. Dept of Agr. 1899, p.p. 271 — 72. 



22 LARID^. 

Subfam. der LARIN.E. 

MEEUWEN. 

Meeuwen, eng. Gulls, fr, Mouettes, bewonen in den regel 
zeekusten en riviermondingen. Vele soorten wagen zich dikwijls 
op den open oceaan, maar slechts bij uitzondering treft men 
enkelen ook in het binnenland aan. 

Alle onderscheiden zich door een min of meer slanken 
lichaamsvorm. De pooten zijn krachtiger, tevens langer dan 
bij de Zeezwaluwen, de tarsus ongeveer gelijk aan den midden- 
teen met klauw. 

M. vliegen snel, sierlijk, doch eenigszins golvend, en houden 
daarbij den snavel horizontaal op dezelfde hoogte als het 
lichaam, in tegenstelling met de Zeezwaluwen, die in de vlucht 
den bek naar onder toe keeren. Vliegen zij tegen den wind 
in, dan kan men als het ware de slagpennen zien buigen door 
de krachtsinspanning der vogels om vooruit te komen. Bij 
eiken vleugelslag schijnt het lichaam dan een opwaartschen 
schok te ondervinden. 

M. vergaren haar voedsel van af de wateroppervlakte of 
het land, maar duiken zelden of nooit. Enkele soorten behooren 
tot de ware roofvogels en voeden zich behalve met aas ook met 
kleine zoogdieren alsmede de jongen of eieren van andere vogels. 

M. zwemmen beter dan Zeezwaluwen, maar rusten meer- 
malen aan de wateroppervlakte. De meeste species broeden in 
koloniën, gewoonlijk op den grond en zelden in boomen. De 
eieren zijn donker protectief gekleurd; het aantal per legsel 
bedraagt steeds meer dan twee. Onze 2 soorten behooren tot 
het typische geslacht Lams, L. Beide zijn trekvogels. 

Species. 

LARUS, L. 

- L. atricilla, L. = id., S chic gal, Mus. P. B. = Xe ma a., Cab. 
in ScJionib. Reis. 

Ad. Zom. ved. kl. Rug en vleugels donker paarlgrijs ; slagp. v. d. isten rang 
zwart; binnenste slapp. met kleine witte lippen: geheelen kop en keel donker 



LARUS: 23 

leikleurig; overig vederkleed met inbegrip v. d. achterkop, zuiver wit, de borst 
min of meer overtogen met een rooskleurig tintje; snavel donker roodachtig, tip 
helderder ; pooten roodachtig. WmL ved. kl. Ongeveer hetzelfde, maar kop en keel 
wit; kruin, kopzijden, enkele malen ook den achternek met grijsachtige vlekken of 
strepen. Jong. Bov.d. bruinachtig grijs, de vederen met witachtige zoomen; slagp. 
V. d. isten rang zwart; voorkop en ond.d. wit, enkele gedeelten meermalen 
overtogen met een zwartachtige tint; staart donker paarlgrijs met breede zwarte 
tippen. Jo7^g in dons. Bov.d. geelachtig grijs, varieerend tot amberkleurig, de kop 
onregelmatig gestreept of gevlekt; rug, vleugels en stuit gemarmerd met eene 
zwartachtige kleur; ond.d. lichter; borst en buik meer okerkleurig ; hals, zijden, 
flanken en buik onduidelijk gevlekt met een donkerder tint. L. 40, vl. 33, st. 12.5, 
tars. 5, culm. 4.4. Geogr. dist. Zom. Atlantische kust der Vereenigde Staten. 
VViyit. West-Ind. Eil., Midden Amerika (Oost- en Westkust) tot de Beneden 
Amazone. — Lok. dist. De zeekust en mondingen der rivieren. 

„Te midden van het schorre gekiid der Zeezwaluwen kan 
men .duideUjk de lang gerekte heldere noten van de Lach- 
meeuw, eng. Laughing Gull, hooren. Tusschenin khnkt nu en 
dan het vreemde gelach ha! ha! ha! ha!, het laatste lang 
gerekt en min of meer overeenkomend met het eigenaardig 
opgewonden gelach eener oude Indiaansche vrouw (Langille). 

In de kolonie komen L. voor gedurende den grooten drogen 
tijd. Haar gelach weerklinkt dan 
langs de kust en rivieroevers voor 
zoover het getij reikt. Op de Suri- 
name rivier ziet men zelden een- 
zame individuen maar meestal kleine 
troepen over het water vliegen. 

Zij staan hier bekend als Zee- 
doivi, d. w. z. Zeeduiven en bij 
de Indianen als Akawaloe of wel Kop van Lams atriaiia. 

Wanawanalie. 

Vlug pikken M. alles op wat overboord van een schip 
geworpen wordt. Op krengen schijnt het ook gemunt te zijn, 
doch het eten hiervan wordt haar evenwel door de Gieren 
belet. Tegen het einde van het jaar vermindert het aantal L., 
dan neemt het weer toe gedurende Februari, denkelijk door 
noordwaarts terugkeerende vogels. 

L. A. broedt van af Texas tot Florida en Maine. Het nest 
bestaat uit gras, zeewier en andere waterplanten op den grond, 




2 4 LARID^. 

gewoonlijk in met gras begroeide moerassen. De 3 tot 5 eieren 
varieeren van af spits tot stomp ovaal van vorm en de grond- 
kleur van af licht geelachtig olijfgroen tot grijsachtig olijfbruin. 
De bevlekking bestaat uit vlekken en plekken, geelbruin, 
chocoladebruin, zwartbruin en een weinig purpergrijs. 

M. A/m. 54.5 X 39 m.M. 

Vele exemplaren hebben de bevlekking gelijkmatig over de 
oppervlakte der schaal verdeeld; bij andere weer staan de 
vlekken talrijker en vloeien meer ineen aan het stompe end; 
dikwijls doen ze zich ook voor als strepen. 

Mr. F. W. Richards maakt melding omtrent het broeden 
der L. in menigte in al de moerassen langs de kust van Virginia. 
Als nesten gebruiken ze groote hoopen van allerlei materiaal 
en plaatsen die in het waterrijkste gedeelte van het moeras. 
Vele nesten dreven inderdaad op het water. 

L. philadelphia, Ord. = L. honapariei, Schlegal, Mus. P. B. 

Ad. Zont. Tcd.kl. Geheele kop ea keel donker roetachtig leikleurig, achternek 
en nekzijden, overige ond.d., en staart wit; rug en vleugels paarlgrijs; eerste 
slagpen van boven gezien wit, maar de buiten vlag en tip zwart; tweede en derde 
slagpen wit, met zwarten tip ; derde tot zesde slagpen met kleine witachtige tippen, 
dan groote zwarte plekken, maar het overig gedeelte v. d. veder wit of paarlgrijs; 
snavel zwart. Ad. Wint. ved.kl. Ongeveer hetzelfde maar de kop en keel wit ; 
rug en zijden v. d. kop met eene grijsachtige tint overtogen. Jong. Bovenkop, 
achternek en een vlek aan de ooren, min of meer met grijs overtogen ; rug 
varieerend van af bruinachtig tot paarlgrijs ; mindere vl. dekv. grijsachtig bruin ; 
slagp. v. d. 2den j-ang grootendeels paarlgrijs, de buitenvlag-, tip- en het schacht- 
gedeelte v. d. binnenvlag v. d. eerste slagpen zwart; binnenzoom aan de binnen- 
vlag aan het end v. d. veder met een smailen zwarten rand ; tweede en derde 
slagpen ongeveer hetzelfde, maar met meer zwart aan de enden ; staart wit met 
een zwarten band en smalle witte lippen; ond.d. wit. L. 33, vl. 2b, tars. 3.5, 
middenteen en klauw 3.5, culm. 3. Geogr. dist. lVi?iL Geheel N. -Amerika, Zom. 
Centr. en Z. -Amerika. Nog niet waargenomen in het Zuiden der Ver^e Staten, 
maar reeds gezien in de Bermudas en Guiana. Lok. dist. De zeekust. 

Bij Bonaparte's Meeuw, eng. Bonaparte's Gull, fr. ]\Iouette 
de Bonaparte, is de tarsus even lang als de middenteen en 
klauw. De hoogte van den navel nabij de neusgaten bedraagt 
ongeveer 6 m.M. 



STERNIN^. 2 5 

B. M. zijn reeds langs onze kusten waargenomen, maar 
behooren hier tot de onregelmatige trekvogels die men zelden 
en dan meestal te zamen met Lachmeeuwen aantreft. 

In het Noorden komen ze evenwel talrijker voor. Over haar 
levenswijze schrijft Langille: „B- M. vliegen gemakkelijk en 
sierlijk; elke slag der lange puntige vleugels deelt aan het 
lichaam een opwaartschen schok mede, terwijl de vogel nu hier 
dan daar naar prooi uitziet." 

L. P. broedt gedurende Juni en Juli, van af Manitoba noord- 
waarts tot bij na den poolcirkel. Het nest bestaat uit stokjes en 
gras; het wordt geplaatst op stompen in het struikgewas of 
in boomen, 4 tot 20 voet van den grond af. 

De 3 of 4 eieren komen veel overeen met die der voor- 
gaande species. M. A/m. 53 X 38-5 m.M. (Ridgw). 

N.B. Behalve de twee bovengemelde soorten komen nog in Z.-Amerika voor: 

L. cirrhocephalus, V. 
L. maculipennis, Licht. 
L. dominicanus, Licht. 
L. delawarensis, Ord. 



Subfam. der STERNIN^. 

ZEEZWALUWEN. 

Zeezwaluwen, eng. Terns, fr. Sternes ou Hirondelles-de-mcr 
komen in levenswijze zoowel als lichaamsvorm veel overeen 
met Meeuwen, doch zijn wat slanker en hebben naar verhou- 
ding langer, spitser vleugels. De snavel is slechts bij w^einige 
soorten gekromd, bij de raeesten recht en spits; de pooten 
zijn kort en klein; bij vele species versiert een min of meer 
ontwikkelde kuif den achterkop. 

De meeste Z. hebben witte onderdeden, een grijzen mantel 
en zwarten achter- of bovenkop. Beide seksen gelijken elkander 
in vederkleed, zoowel gedurende het broedseizoen, als tijdens 



2 6 larid.ï:. 

den winter. De jongen verschillen eenigszins in kleur, maar 
dragen over het algemeen het wintervederkleed der ouden. 
Alleen de heldere kleur aan den snavel ontbreekt geheel of 
gedeeltelijk. 

Z. vliegen sneller, krachtiger en sierlijker dan Meeuwen en 
houden den snavel niet horizontaal met het lichaam, maar naar 
beneden gekeerd. Wordt een visch bemerkt, dan volgen eenige 
korte hortende vleugelslagen. Een oogenblik fladdert de vogel 
boven de plek om dan eensklaps snel neder te dalen, onder 
te duiken en dikwijls een eindje onder water voort te zwemmen. 

Dit onderbreken der vlucht van Sterns wordt in Nederland 
heel eigenaardig „bidden" genoemd. En dit bidden doen bijna 
alle species. 

Z. bewonen bij voorkeur de zeekusten en rivieren, zeldzamer 
meren of moerassen, maar wagen zich zelden of nooit in open 
zee. Onze soorten zijn, op eenige uitzonderingen na, meest 
trekvogels, die tamelijk onregelmatig gedurende den winter 
voorkomen. 

Voor zoover schrijver kan oordeelen, nestelen hier slechts 
enkele species, maar de koloniën zijn volstrekt niet uitgestrekt ; 
en dat denkelijk door het ontbreken van rotsen langs onze 
kustlijn, alsmede meer moddervlakten dan zandbanken. 

Bijna alle Z. broeden in koloniën, veelal te zamen met 
andere Zeevogels. Gewoonlijk wordt geen nest gebouwd; de 
eieren liggen in eene uitholling in het zand of tusschen de 
schelpen en steentjes op het strand of in de nabijheid ervan. 
Slechts weinige soorten verzamelen als nest grashalmen, zee- 
wier of andere waterplanten, of nestelen ook in boomen. Het 
aantal eieren per legsel bedraagt bij de verschillende species, 
van af i tot 5. De schalen zien er in den regel veel minder 
donker gevlekt uit dan meeuweneieren. 

Genera. 

A. Staart min of meer gevorkt, buitenste staartpennen langer dan de overigen, 
a. Snavelbasis zeer groot ; staart bijna vierkant. 

.... PHAETHUSA WAGLER. 



PHAETHUSA. 27 

b. Snavelbasis minder groot ; staart min of meer gevorkt. 

* Staart gevorkt voor meer dan een vijfde der totale lengte; buitenste 
rectrices smal, met spitse enden. 

„Hoogte v. d. snavel nabij de basis gelijk aan een derde der 



culmenlenote. 



GELOCHELIDON, BREHM. 



„Hoogte V. d. snavel nabij de basis minder dan een derde der 
culmenlengte. 

STERNA, L. 



* Staart gevorkt voor minder dan een vijfde der totale lengte; buitenste 
rectrices breed, de tippen rond. 

.... HYDROCHELIDON, BOIE. 

B. Staart rond, maar de middelste en buitenste rectrices kort. 

ANOUS. STEPH. 



Species. 

PHAETHUSA, WAGLER 

' P. magnirostris, Licht. = Sterna in. Cab, in Schoinb. Reis. 
■= id., Sc hl e gal, Ahis. P. B. 

Ad. Kop en achternek glanzend zwart met een zeer smalle witte lijn aan de 
snavelbasis; achternek en nekzijden licht grijs, mantel en staart leigrijs; een gedeelte 
der vl.dekv. en het grootste gedeelte der slagp. v. d. 2den j-ang wit; slagp. v. d. 
isten rang donkerbruin met witachtige plekken aan de binnenvlag en smalle witte 
randen ; schachten zwartachtig ; binnenste slagp. v. d. aden rang met breede witte 
en grijze randen en met een bruinachtige vlek van boven ; knevelvlekken, kaken 
en ond.d. zuiver wit; snavel chroomgeel, eenigzins groenachtig aan de basis v. d. 
ondersnavel; pooten olijfkleurig, de zwemvliezen echter geel. yöw^. Bovenkop eerst 
lichtbruin met amberkleurige strepen, dan grijs ; bov.d. grijsachtig met bruine en 
grijsbruine vlekken ; dekv. bov. d. st. en rectrices met witachtige of grijsbruine 
dwarsstrepen en tippen. L. 37, vl. 28.8, st. 12, gevorkt voor ongeveer 1.5, tars. 
2.5, culm. 7. Gcogr. dist. Z. -Amerika. Lok. dist. De zeekust en rivieren tot diep 
in het binnenand. 

Kenbaar aan de gedeeltelijk witte vleugels, den bijna vierkanten 
staart en dikken snavel, behooren de Grootsnavel Zeezwaluwen, 



28 LARID^. 

eng. Great billed Terns, tot de gewoonste der Sterns in de 
Guiana's, maar verschillen in levenswijze niet van de overige 
species. Evenzoo is haar geluid krassend en onaangenaam. 
Het klinkt ongeveer als „gwier, gwier, gwier", en wordt 
geuit terwijl de vogel over het water heen en weder vliegt. 
In de kolonie staan G. Z. bekend als Geel-mofo A^isiman, 
d. w. z. Visschers met gele snavels, bij de Arowakken als 
Wolokana en bij de Caraïben als Kariedie of Kawaloe. 

P. M. broedt gedurende het 
droge seizoen in koloniën op 
de zandbanken der rivieren 
of langs de kust. De 2 of 3 
eieren zijn breed ovaal of 
elliptisch ; de grondkleur vari- 
eert van af geelachtig tot 
„ „ . . bruinachtig, met groote en 

Kop van Phaethjisa magiiiros ris. ^^ 

kleine geelbruine en purper- 
grijze vlekken, tamelijk regelmatig over de schaal verspreid. 
M. A/m. 48.5 X 36.5 m.M. 

De exemplaren varieeren uitermate, zoowel in kleur als 
ïifmeting; velen komen overeen met eieren der voorgaande soort. 




GBLOCHBLIDON, BREHM 
G.nilotica, Hasselq. = G. anglica, Mont. Schlegal, Mies. P. B. 

Ad. Zotn. ved.kl. Bov.d. licht paarlgrijs; bovenkop en achternek donkerzwart; 
overig gevederte zuiver wit; middelste staartp. grijsachtig getint; buitenvlag v. d. 
eerste slagpennen zilverachtig; tip en schachtgedeelte der binnenvlag, uitgezonderd 
een smalle zoom aan het uiteinde v. d. veder, wit; snavel donkerzwart; pooten 
zwartachtig. WiJit. ved.kl. Ongeveer hetzelfde, maar de bovenkop wit; oorvederen 
grijs en een plek voor de oogen zwartachtig. Jong. Ongeveer als ad. in het winter- 
vederkleed, maar de bov.d. met een geelachtige tint overtogen, bovenkop, achternek, 
rug en schouders enkele malen met zwartachtige strepen. Jong in dons. Bov.d. 
licht grijsachtig geel met verscheidene tamelijk duidelijke, zwartachtige vlekken aan 
de achterhelft v. d. kop; een duidelijke, zwartachtige streep aan elke zijde v. d. 
achternek en bovenrug; vleugels, stuit en buikzijden met tamelijk duidelijke, 
groote, zwartachtige vlekken; ond.d. wit, keelzijden grijsachtig getint; snavel 



GELOCHELIDON. 



29 



bruinachtig, naar het oranjekleurige zwemende (bij levende vogels) aan den onder- 
snavel; pooten dof bruinachtig oranjekleurig (bij levende vogels). L. 35, vl. 30, 
st. 14, gevorkt voor ongeveer 4, culin. 3.5; hoogte v. d. snavel nabij basis 1.2. 
Geogr. dist. Gematigd Europa en Azië, Australië, N., Centr. en Z.-Amerika, 
inderdaad bijna overal. Lok. dist. Vooral ee kustzoom. 

Lachzeezwaluwen, eng. GuU-Billed Terns, fr. Sterne hansel, 
hebben eenigszins gevorkte staarten alsmede tamelijk korte, 
krachtige snavels, die wel op die van Meeuwen gelijken. Zij 
bewonen zoowel zeekusten als zwampachtige streken. Haar 
voedsel bestaat, naar men beweert, minder uit visch, dan wel 
insecten, die ze bemachtigen door sierlijk over de wateropper- 
vlakte te vliegen. Schril en onaangenaam klinkt echter haar 
geluid. 

In N. -Amerika behooren L. tot de trekvogels, die in 
Centr. Amerika overwinteren, maar er bestaan ook broed- 
plaatsen in de West.-Ind. Eilanden. 

Slechts enkele individuen heeft men tot nu toe in de kolonie 
aangetroifen, en dat wel in het wintervederkleed. Ook uit 
Brazilië zijn ze bekend en in Zuidelijk Z.-Amerika zouden er 
zelfs koloniön bestaan, waaruit volgt dat hare geographische 
verbreiding dus tamelijk onregelmatig, maar zeer uitgebreid 
is. Ook het komen en gaan der L. in de kolonie, geschiedt 
zeer onregelmatig, naar visschers en jagers beweren. 

G. N. broedt gedurende April, Mei en Juni. De broedtijd 
vangt in zuidelijker streken eerder aan dan in het Noorden. 
Het nest bestaat uit een lichte uitholling- tusschen het gras op 
den blooten grond, op het zand, enz. 

De 3 of 4 eieren zijn breed ovaal, enkele malen tamelijk 
spits. De grondkleur varieert van af grijsachtig wit tot bijna 
licht geelbruin, terwijl de bevlekking in den regel gelijkmatig' 
over de oppervlakte der schaal verdeeld is en bestaat uit 
groote of kleine donkerbruine, chocoladebruine en duidelijke 
purpergrijze vlekken en tippen. 

M. A/m. 46 X 33 m-M. 

De exemplaren varieeren, zoowel in kleur als afmeting. 

Eieren in Z.-Amerika gecollecteerd, verschillen onderling 
nog meer en hebben dikwijls eene lichtgele, lichtgroene of 



LARID^. 



lichtblauwe tint in de grondkleur. Tevens zijn de vlekken veel 
grooter en meer ineenvloeiend tot groote plekken en strepen. 



STBRNA, L. 



S. maxima, Bodd. = Actochclidon m. = S. cayennensis, 
Schlegal, AIus. P. B. = S. cayajia, Lath. 

Ad. Gedure7tde het voorjaar. Bovenkop en achterkop glanzend zwart, de vederen 
verlengd tot een kuif; achternek, ond.d. en staart wit; rug en vleugels paarlgrijs; 
binnenvlag der slagp. v. d. isten rang, uitge^onderd de tip, wit; tip, buitenvlag 
en scliachtgedeelte v. d. binnenvlag donker, zilverachtig leikleurig ; snavel donker 
oranjekleurig; pooten zwartachtig. Na het broedseizoen. Ongeveer hetzelfde, maar 
de voorkop en het voorgedeelte der kruin wit; alleen de kuif en het achtergedeelte 
der kruin zwart. Wint. ved.kl. Ongeveer hetzelfde, maar de achterkop met min 
of meer wit ; snavel lichter oranjekleurig. Jong. Ongeveer als ad. in het winter- 
vederkleed, maar de bov.d. met enkele kleine en groote zwartachtig bruine vlekken; 
tippen der staartp. bruinachtig of zwartachtig; bovenkop gestipt, .wit en zwartachtig; 
kuif klein; snavel licht oranjekleurig. L. 50, vl. 36, st. 1 7.5, gevorkt voor ongeveer 
de halve lengte; tars. 3.4, culm. 6.3. Geogr. dist. Zom. N.-Amerika. Wint. West- 
Ind. Eil., Brazilië, W.-Afrika. Lok. dist. De zeekust. 

Koninklijke Zeezwaluwen, eng. Royal ïerms, behooren tot 
den subgenus Actochclidon. 

De staart is langer dan half der vleugellengte en voor 
ongeveer de halve lengte gevorkt ; de kuifvederen zijn tevens 
lang en dun. 

K. Z. bewonen zeekusten, lagunen langs de mondingen der 
rivieren, meren etc. 

Over haar levenswijze schrijft F. M. Chapman : „K. Z. zijn 
de eenigste soort Zeezwaluwen, die in Florida overwinteren. 
Haar vlucht is krachtig. Met groote vermetelheid duiken ze 
onder de w'ateroppervlakte ter vervolging harer prooi, maar 
berooven ook dikwijls de langzamer vliegende Pelikanen." 

In de kolonie komen K. Z. nogal zeldzaam voor gedurende 
den grooten drogen tijd en staan hier bekend als Bigi Redie- 
mofo Viesieman of Roodsnavelige Groote Viesieman. 

S. M. broedt in N.-Amerika, langs de kust van Mexico tot 
Texas, Florida, Virginia enz., gedurende ]\Iei, Juni en Juli. 



STERNA. 



31 



In zuidelijke streken vangt de broedtijd eerder aan dan in 
het Noorden. 

De 2 tot 4 eieren zijn ovaal; de grondkleur varieert van af 
grijsachtig wit tot eene groenachtig gele of rosé tint ; de 
vlekken zijn tamelijk klein, duidelijk en van eene bruine en 
purpergrijze kleur, met lichter getinte randen. In den regel 
is de bevlekking gelijkmatig over de schaal verspreid, maar 
dit varieert uitermate. 

M. A/m. 66 X 44 m.M. 

Prof. R. Ridgway maakt melding van het broeden der K. Z. 
op Cobb's eiland, Virginia, gedurende de eerste helft van Juli. 
Zoo talrijk waren de eieren dat het onmogelijk was voor 
ongeveer een achtste akker te loopen, zonder de schalen onder 
den voet te vertreden. Vele eieren waren ook met zand bedekt. 

— S. eurygnatha, Saunders. 

Ad. ged. het broedseizoen. Ongeveer als 6". elegans en S. maxima, maar de 
snavel is citroengeel en de hoek aan den ondersnavel vlak onder of slechts voor 
het neusgat ; achtergedeelte der tarsi, zwemvlLezen en klauwen lichtgeel. Ad na. 
het hroedseizoeii, half vohvassen individtien en jong. Als bij S. elegans en S. 
maxima, maar de basis v. d. snavel olijf kleurig ; tevens zijn de zwemvliezen bij 
jonge vogels okergeel van kleur. Jo^ig in dons. (Rio Janeiro, Juni 6, J. Young). 
Grijsachtig wit met dunne donkergrijze strepen op den bovenkop, achter de oogen 
en aan de bov.d. over het algemeen; ond.d. wit; snavel olijf kleurig; tarsi en 
teenen bruin; klauwen lichter van tint. L. 44, vl. 30.3, st. 16.3, gevorkt voor 
ongeveer 7, tars. 2.8, culm. 6.9 Geogr. dist. Z. -Amerika. Lok. dist. De zeekust. 

Slechts zeer zeldzaam treft men Geelsnavel Zeezwaluwen, 
eng. Amazone Terns, langs onze kusten aan. Meer zuidwaarts 
aan de Amazone worden er evenwel koloniën aangetroffen. 

- S. sandvicensis acuflavida, Cabot. = TJialasseus acujia- 
vidus, Salv. = sitbsp. van Sterna cantiaca, Gm, Schlegal, 
Mus. P. B. 

Ad. ged. het voorjaar. Geheelen bovenkop en kuif zwart; rug en vleugels licht 
paarlgrijs ; slagp. v. d. isten rang zilverachtig grijs, het schachtgedeelte der binnen- 
vlag wit, uitgezonderd aan den tip; snavel zwart met een duidelijken, geelachtigen tip; 
pooten zwart. Na het broedseizoen en ged. den linnter. Ongeveer hetzelfde maar 
de kruin wit, dikwijls zwart gevlekt; aehtergedeelte v. d. kop en kuif met min 



., 2 LARIDJE. 

of meer witte strepen. Jong. Ongeveer als ad. in het wintervederkleed maar met 
zwartachtige vlekken aan den rug; staart leigrijs en tevens korter; snaveltip bijna 
«f geheel zonder geel. L. 38, vl. 30, st. 15, gevorkt voor ongeveer 6; tars. 2.5, 
culm 5.5. Geogr. dist. Amerika, langs de Atlantische kust tot Zuidelijk Nieuw 
Engeland. Overwintert, maar broedt ook in de West-Ind. Eil., Centr. Amerika, 
enz. Lok. dist. Denkelijk de zeekust. 

Ook Cabot's Zeezwaluw, eng. Cabot's Tern, fr. Sterne 
Caugek, behoort tot het ondergeslacht Actochelidon en gehjkt 
tevens wat vederkleed betreft, min of meer op S. maxima en 
op S. clegans der Westkust van Amerika. 

Audubon beschrijft het geluid van C. Z. als luid, scherp, 
krassend en tot zelfs op een halve mijl hoorbaar. In de vlucht 
zouden ze veel overeenkomen met Moeraszeezwaluwen. 

S. S. A. broedt in het Noorden gedurende Juni en Juli, 
meer Zuidwaarts echter vroeger. De 2 of 3 eieren zijn tamelijk 
spits ovaal, enkele malen peervormig ; de grondkleur varieert 
van af wit tot geelachtig roomkleurig, met groote en kleine 
vlekken en stippen lichtbruin, donkerbruin, zwartbruin, purper- 
grijs en donker purper. 

M. A/m. 51 X 35 m.M. 

De bevlekking is gewoonlijk onregelmatig in zigzaglijnen, 
dikwijls ineenvloeiend tot plekken van zelfs 3 centimeter door- 
snede. Andere exemplaren hebben kleine vlekken over de 
geheele oppervlakte der schaal. 

S. hirundinacea, Less. 

Ad. ged. het hroedseizocit, \'oorkop, het grootste gedeelte der knevelvlekken, 
bovenkop en achterkop zwart, met een witte streep van af den mondhoek naar 
achter toe ; achternek en mantel licht paarlgrijs ; slagp. v. d. 2den rang en boven- 
sten v. d. jsten lang met breede witte zoomen; stuit- en staartvederen wit met 
een grijze tint aan de buitenvlag; ond.d. iicht paarlgrijs, overgaande in wit aan 
den onderbuik; snavel en pooten vermiljoenrood; iris zwart. Na het hroedseizoen. 
Voor- en bovenkop met witte vlekken ; ond.d. bijna wit. De vogels dragen dit 
vederkleed maar voor zeer korten tijd. Jong. Bovenste vl. dekv. met een duidelijken 
bruinachtigen dwarsband; mantel met zwartachtige en witte (bij heel jonge individuen 
geelachtige) vlekken en dwarsstrepen ; snavel zwartachtig; pooten roodachtig geel. 
Jong in dons. Bov.d. olijf bruin met talrijke amberkleurige vlekken; keel bijna 
zwart; overige ond.d. wit; pooten oranjekleurig (G. Young). <7é'o^;-. (/«i^. Z. -Amerika, 
Lok. di^t. De zeekust. 



STERNA. 



33 



Cassin's Zeezwaluwen, eng. Cassin's Terns, fr. Sternes de 
Cassin, zijn reeds enkele malen langs onze kusten gezien, doch 
behooren niet tot onze standvogels, wel tot de toevallig aan- 
wezige soorten. Meer zuidwaarts echter broeden C. Z. in 
groote koloniën, gedurende de laatste maanden van het jaar. 

De eieren worden beschreven als varieerend van af smal 
tot breed ovaal, het kleinere end steeds spits; ook de grond- 
kleur verschilt opmerkelijk, lichtgroen, roomkleurig gemskleurig, 
roodachtig gemskleurig of olijfachtig gemskleurig. 

De bevlekking bestaat uit vlekken en plekken zwart- 
achtig bruin en licht inktachtig purper. Een exemplaar in de 
collectie is wit met enkele inktachtig purperkleurige vlekken. 

Afm. 44—50 X 32.5—36.5 m.M. (Oates), 

— S. trudeaui. Aud. = z^., Schlegal, Mus. P. B. 

Ad. ged. het broedseizocn. Kop, okselvederen, vleugelzoomen en staartp. wit; 
een zwartachtige streep aan elk der kopzijden, om de oogen tot de oorvederen ; 
bovenrug blauwachtig grijs; staart wit; overig vederkleed licht paarlgrijs ; slagp. 
min of meer zilverachtig wit; binnenvlag der slagp. grootendeels wit; snavel zwart 
in het midden, basis en tip geelachtig. Na het broedseizoen. Ongeveer hetzelfde, 
maar de ond.d. wit; snavel zwartachtig met een geelachtigen tip. L. 39, vl. 26, 
st. 14, gevorkt voor ongeveer 5.2, tars 2.3, culm. 4. Geogr. dist. Z. -Amerika ; 
toevallig aangetroffen in de Vereenigde Staten (New-Jersey and Long Island.) 
Lok. dist. De zeekust. 

Trudeau's Zeezwaluwen, eng. Trudeau's Terns, fr. Sternes 
de Trudeau, worden gerekend, evenals de 4 volgende soorten, 
tot het typische ondergeslacht Stcrna. De kenmerken zijn : 
blauwgrijze bo venruggen, ten naastenbij witte staarten en veel 
wit aan de binnenvlag der slagpennen. 

Enkele malen treft men T. Z. ook langs onze kusten aan, 
maar niet als broedvogels. Eene beschrijving- der eieren luidt, 
als volgt : „Van de drie eieren in de collectie zijn twee lang, 
smal ovaal en het derde exempl. breed, maar puntig ovaal. 
De grondkleur is geelachtig olijfkleurig, de bevlekking choco- 
lade of zwartachtig bruin. Een exemplaar heeft meerendeels 
groote plekken en vlekken, de twee overigen hebben duide- 
lijke vlekjes en kleine plekken. Aan het stompe end der schaal 

3 



2 LARID^. 

bevinden zich enkele verdraaide lijnen, enz. De onderliggende 
bevlekking is licht purperkleurig. " (Cat. E. Br. Mus.). 

M. A/m. 43 X 30 m.M. 

De drie exemplaren werden gecollecteerd door A. H. 
Holland Esqi'e gedurende de maand November in Argentina. 
(Oates.) 

S. forsteri, Nutt. = td., Schlegal, Mits. P. B. 

Ad. Zom.ved.kl. Geheelen bovenkop zwart ; rug en vleugels paarlgrijs, binnen- 
randen V. d. binnenvlag der buitenste slagp. v. d. isten rang wit, uitgezonderd de 
tippen; ond.d. wit; staart licht paarlgrijs, de buitenste rectrices donkerder aan het 
endoedeelte waar de binnenvlag altijd donkerder is dan de buitenvlag ; snavel dof 
oranjegeel (bij levende vogels) het end derde echter zwartachtig ; pooten oranjerood. 
Wint.ved.kl. Ongeveer hetzelfde, maar de kop wit, min of meer met eene 
grijsachtige tint overtogen of zwart gevlekt ; een zwarte plek aan elk der kopzijden 
om de oot^en; staart korter en minder gevorkt, de buitenste vederen breeder en 
minder verlengd ^Ridgvvay) ; snavel lichter oranjekleurig, bruinachtig of zwartachtig ; 
pooten lichter van tint, meer bruinachtig oranjegeel. Jong. Ongeveer hetzelfde als 
ad. in het wintervederkleed, maar de rug, vleugels etc. min of meer gevlekt en 
overtogen met eene bruinachtige kleur; staart korter. Jong in dons. Licht geel- 
achtig bruin, borst en buik witachtig; bov.d. onregelmatig gemarmerd en bevlekt 
met zwart; kopzijden met enkele zwartachtige vlekken. L. 36, vi. 24, st. 12.5 
tot 19.2, gevorkt voor ongeveer 5.8 tot 12.5, tars. 2,4, culni. 4. Geogr. dist. Zom. 
Gematigd N.-Amerika noordwaarts tot Manitoba. [Fint. Centr. en Z. -Amerika tot 
Brazilië. Loi. dist. De zeekust. 

In de kolonie komen Forster's Zeezwaluwen, eng. Forster's 
Terns, fr. Sternes de Forster, even zeldzaam voor als de voor- 
gaande soort, doch bewonen zoowel de zeekust of rivieroevers 
als zwampachtige streken. Dr, Brewster beschrijft haar alarm- 
kreet als krassend en eentonig, veel gelijkend op het geluid 
van een sperwersoort. Volgens O. Davies vliegen zij zeer sierlijk. 

S. F. broedt gedurende den zomer, van af Texas noord- 
waarts door de vallei der Mississippi tot St. Clair Flats en 
Manitoba. Evenzoo op de noordelijker West-Ind. Eilanden. 

Mr. Ridgway vond F, Z. in menigte broedende op Cobb's 
eiland, Yirginia. Zij waren even talrijk als de Gewone Zee- 
zwaluwen S. hirundo, maar minder in aantal dan Gelochelidon 
nüotica. 

De nesten bevonden zich meestal in met gras begroeide 



STERNA, 



35 



moerassen, dicht in de nabijheid van de koloniën der Zwartkop- 
meeuwen, Lams Niarinus. 

O. Davies zegt: Mr. Arnold en Mr. Raine troffen F. Z. 
bij duizenden aan broedende op de eilanden van Shoal Lake 
in Manitoba. De koloniën waren dikwijls te zamen met die 
van S. /iinindo, Gelochelidon nïloiica, Larus atricilla en 
L. philadclpJiia. 

De broedende vogels zijn zeer venijnig en vallen den rust- 
verstoorder hunner nestelplaatsen aan, onder het uiten van 
krassende, eentonige geluiden. De nesten worden meerendeels 
uit waterplanten, gras enz. gebouwd. De 2 of 3 eieren zijn 
tamelijk smal ovaal van vorm ; de grondkleur varieert van af 
witachtig tot licht grijsachtig groen en geelachtig bruin m^et 
talrijke vlekken en plekken, zwartachtig bruin, bruin en 
licht purper. 

M. A/m. 46 X 31 m.M. 

In den regel zijn de vlekken gelijkmatig over de opper- 
vlakte der schaal verdeeld. Toch doen enkele exemplaren zich 
zeer onbevlekt voor. 

- S. fluviatilis, Naum. = S. hirundo, L., Schlegal, Mus. F. B. 

Ad. Zo7n.vcd.kl. Geheelen bovenkop zwart ; bov.d. en vleugels paarlgrijs ; bin- 
nenrand V. d. binnenvJag der buitenste slagp. v. d. isten rang wit, uitgezonderd 
de tip; keel wit; borst en buik licht paarlgrijs; staartwit; buitenvlag der buitenste 
pennen grijs of paarlgrijs; snavelbasis rood; end zwart; pooten oranjerood. Wmt.- 
ved.kl. Ongeveer hetzelfde, maar het voorgedeelte v. d. kop en ond.d. wit ; 
snavel grootendeels zwart. /o7tg. Als ad. in het wintervederkleed, maar de bov.d. 
min of meer overtogen en gevlekt met eene licht bruinachtige tint; kleine vl.dekv. 
leigrijs; staart opmerkelijk korter; kleur der pooten minder helder. Jotig in dons. 
Bov.d. licht geelachtig of grijsachtig geel met onregelmatige grauwe vlekken, uit- 
gezonderd aan den voorkop ; ond.d. wit, min of meer geelachtig getint aan de 
zijden; keel en kaken grauw of grijsachtig, L. 37, vl. 26, st. 15, gevorkt voor 
ongeveer 8.8, tars. 1,9, culm. 3.5. Geogr. dist. Zom. Beide zijden v. d. Atlantische 
oceaan. Wint. Indische, Afrikaansche en Braziliaansche kusten. Lok. dist. De 
zeekust en mondingen der rivieren. 

Wilson's Zeezwaluwen, Vischdiefjes, eng. Common Terns, 
fr. Sternes hirondelles, zijn nauw verwant aan S./osieri en S. 
macnira, doch van eerstgenoemde te onderscheiden door de 



36 



LARID^. 



buitenvlag der lange buitenste staartpennen, die steeds don- 
kerder van kleur is dan de binnenvlag en niet omgekeerd. 
Borst en buik zijn ook niet wit, maar overtogen met paarlgrijs. 

Van S. macrura verschillen ze door haar zwart getipten 
snavel, langer pooten, benevens anders gekleurde slagp. v. d. 
eersten rang. 

W. Z. hebben eene groote geographische verbreiding, zoo- 
wel in het oostelijk als westelijk Halfrond. Over haar levens- 
wijze schrijft Chapman : „Vijf jaren is het geleden dat ik de 
„ broedkoloniën van Common Terns op Guli's Eil. L. I. bezocht. 
„Nog voel ik de lucht trillen door de schorre, half dreigende 
„geluiden uit bijna twee duizend vogelkelen. Nu en dan daalt 
„er een neder ten einde zijn nest aan mijne voeten te bescher- 
„men. Daar klinkt een schot. Een oogenblik van stilte, weer 
„volgt het „tearr, terrrr, sirish !" de lucht is bezaaid met heen 
„en weder vliegende, schreeuwende vogels. Nutteloos was het 
„mijzelf te verbergen, geen oogenblik gedurende mijn bezoek 
„hielden de vogels op met vliegen of lawaai maken." 

Dit kleine, verlaten, onbewoonde, zandige eiland, slechts een 
paar akkers in oppervlakte, vormt te zamen met Muskeget 
Eil. aan de kust van Massachusetts, de eenige plaatsen van af 
New-Yersey tot ]\Iaine, waar W. Z. nog in kleine hoeveel- 
heden broedt. Welk een illustratie van de hebzucht der mannen 
en onnadenkendheid der vrouwen. De mode, die eenmaal van 
het Vischdiefje zijn kleedje vorderde, heeft lang reeds nieuwe 
slachtoffers gevonden en de paarlgrijze vederen liggen in de 
vuilmand. Thans zijn de Aigrettes aan de beurt. 

J. Daalder Dz. zegt, dat Vischdiefjes overal langs de kusten 
van Nederland voorkomen. 

Zij vliegen boven het water langs tot dat plotseling een 
vischje of garnaaltje ze „staande" houdt in de lucht, wat door 
snelle en korte vleugelslagen mogelijk is. Men noemt dit 
„bidden". Als zoo'n biddend vogeltje zijn kans schoon ziet, 
worden de vleugels langs het lichaam gestreken, en met kracht 
en loodrecht schiet het omlaag in het water, waar het bijna 
altijd zijn prooi weet te grijpen. Spoedig herrijst het uit den 
vloed. Vleugels en kop worden even heen en weder bewogen. 



STERNA. 



37 



om de overtollige waterdruppels af te schudden, en voort gaat 
het weer, op nieuwe schatten uit. 

In Suriname zijn W. Z. zeer zeldzame verschijningen gedu- 
rende de wintermaanden. Ook keeren ze volstrekt niet regel- 
matig elk jaar terug. Inderdaad moeten de exemplaren, gecol- 
lecteerd aan de kusten der Guiana's en van Brazilië, meer 
beschouwd worden als afgedwaalde individuen dan wel als 
trekvogels. 

S. F. broedt in het Noorden, gedurende de zomermaanden. 
Het nest bestaat uit een weinig gras, enkele waterplanten, enz., 
maar dikwijls liggen de eieren op den blooten grond. Het 
aantal per legsel is 3 of 4 ; de vorm varieert van af breed, 
stomp ovaal tot spits ovaal, de grondkleur van af groenachtig 
wit tot olijfgrijs of bruingrijs, donker bevlekt met zwartbruin, 
chocoladebruin en purper grijs. 

M. A/m. 40 X 30 m.AI. 

De exemplaren verschillen uitermate, zoowel in vorm, kleur, 
als afmeting en zijn niet met zekerheid te onderscheiden van 
eieren der Noordsche en Forster's Zeezwaluwen. 

- S, macrura, Naum. := S. paradisea, Brünn, Schlegal. 
Mus. P. B. 

Ad. Ongeveer hetzelfde als S. JltivtatiHs, maar met minder grijs aan het schacht- 
gedeelte V. d. binnenvlag der buitenste slagp. v. d. istenj-ang; staart eenigzins 
langer; tarsi en snavel korter; snavel in den regel zonder zwarten tip. Jong in 
dons. Ongeveer als het jong van S. finviatilis, maar gewoonlijk donkerder van 
tint. L. 39, vl. 26, st. 18.3, gevorkt voor ongeveer II.5, tars. 1.6, culm. 3.3 
Geogr. dist. Zoni. Noordelijke streken, Gematigd Europa en N. -Amerika. JVifit. 
Afrika en Z. -Amerika. Lok. dist. Denkelijk de zeekust. 

Zoowel in lichaamsbouw, kleur, als levenswijze, gelijken 
Noordsche Zeezwaluwen of Zilvergrijze Zeezwaluwen, eng. Arctic 
Terns, fr. Sternes paradis, veel op Wilson's Zeezwaluwen. 

Mr. Brewster schrijft: Haar gewoon geluid klinkt als het 
„tearrr" van S. Jiiiviatilis, maar schriller en komt veel overeen 
met het geluid van een varken. Tevens laat de vogel een 
korte schorre noot hooren, als S. fosteri. 

J. Daalder Dz. maakt melding omtrent het broeden van 



38 



LARID.-E. 



N. Z. bij honderdtallen op de eilanden Texel, Schouwen en 
andere plaatsen in Nederland, De eieren gelijken precies op 
die van het Vischdiefje. De beide Sterns broeden evenwel niet 
onmiddellijk bij elkander en de hirundo legt gewoonlijk 3, de 
macrura 2 eieren. 

Vindt men verscheidene nesten bij elkander met 2 eieren, 
dan kan men bijna stellig besluiten met macrura te 
doen te hebben. Dikwijls heeft men reeds onderzoekingen 
gedaan in dit opzicht door de broedvogels op het nest te 
vangen, en steeds kwam men tot hetzelfde resultaat. Meer- 
malen ook heeft men de opgevangen vogels eenige dagen in 
gevangenschap gehouden, doch de eieren werden evengoed 
uitgebroed. 

Dit uitbroeden der eieren na het opvangen van een der 
vogels komt denkelijk omdat de overgeblevene, hetzij weduwe 
of weduwnaar, oogenblikkelijk een ander paar zoekt. En al 
zou men beide seksen vangen, hetgeen niet zoo gemakkelijk 
gaat, dan nog zal misschien een vreemd, van haar eieren 
beroofd wijfje, de uitbroeding voortzetten. In alle vogelkoloniën 
dwalen steeds individuen rond, die gaarne de taak van stief- 
vader of stiefmoeder op zich nemien. Naar jagers verzekeren 
zou in de uitgestrekte reigerkoloniën in Suriname, Ardea 
coerulea zelfs het jong van A. candidissima voeden. 

In N. -Amerika dringen N. Z. gedurende het broedseizoen 
veel meer noordwaarts dan Vischdiefjes en broeden over geheel 
Noordelijk Alaska, zoowel in het binnenland als langs de kust. 

Volgens E. W. Oates zijn de eieren over het algemeen 
eenigszins kleiner dan die van het Vischdiefje. 

S. dougalli, Montag. = id., ScJdegal, Mus. P. B. 

Ad. Zom.ved.kl. Rov.d. licht paarlgrijs, overgaande in zilveiachtig wit aan de 
dekv. bov. d. st. ; staart zuiver wit; buitenvlag der siagp. v. d. isten rang en 
schachtgedeelte v. d. binnenvlag leizwart; geheelen bovenkop en achlernek zwart; 
ond.d. wit met een rosekleurige tint ; snavel zwart, de basis rood getint (bij levende 
exempl.) ; pooten helder rood (bij levende vogels). Wiitt.ved.kl. Ongeveer hetzelfde, 
maar de voorkop wit, met min of meer zwarte strepen en vlekken ; ond.d. zonder 
rosé tint. Jong. Pileum en achternek licht grijsachtig geel met donkerder vlekken 
en vlekjes en met zwartachtige strepen, vooral aan den bovenkop ; ooromlrek zwart- 



STERNA. 39 

achtig; overig gedeelte v. d. kop en ond.d. wit; achternek en enkele malen ook 
de zijden der borst geelachtig grijs gevlekt; het lichte paarlgrijs van rug en schou- 
ders geelachtig getint en met onregelmatige zwartachtige vlekken, elke veder met 
een U vormig teeken; snavel bruinachtig of zwartachtig ; pooten zwartachtig. L. 39, 
vl. 24, st. 19, gevorkt voor ongeveer 10, tars. 2.2, culm. 3.8 Geogr. dist. 
Adantische kust der Vereenigde Staten zuidwaarts tot de West-Ind. Eil. enz.; 
verscheidene streken der Oude wereld. Lok. dist. Denkelijk de zeekust. 

In het Noorden komen Dougal's Zeezwaluwen, eng. Roseate 
Terns, fr. Sternes de Dougal, zeer talrijk voor. Volgens 
Chapman zou haar alarmkreet „cack" duidelijk kunnen uitge- 
maakt worden van het geluid der minder schuwe, gewone 
S. hirundo met wie ze te zamen nestelen in groote koloniën. 

Mr. Griffing maakt melding van nog een ander geluid, als: 
tip, tip, tip. Ook zouden D. G. te zamen broeden met .S'. para- 
disea en Larus atricilla. 

S. D. broedt van af Florida noordwaarts tot Maine, gedu- 
rende Mei, Juni en Juli. In het Zuiden vangt de broedtijd 
eerder aan dan in het Noorden. De 2 of 3 eieren zijn niet met 
zekerheid te onderscheiden van die van S. hirundo, S.fosteri 
en S. paradisea. 

M. Afvt. 41.5 X 30 m.M. 

Op een klein eiland, genaamd Goose island, ongeveer drie 
kwart akker in oppervlakte, vond Mr. Griffing D. Z. broedende 
in menigte. Het hooge land is daar ongeveer 2 tot 6 voet 
boven het strand verheven en bedekt met een dichten groei 
van biezen, gras enz. Hiertusschen waren enkele nesten ver- 
borgen, andere weer konden duidelijk waargenomen worden. 
Zoo groot was hun aantal, dat de grond letterlijk ermede 
bedekt werd. Enkele nesten bevonden zich juist boven de 
plaats waar bij hoog getij het water reikt. 

- S. fuliginosa, Gm. = id., Schlegal, Mus. P. B. = S. s er- 
rata, Wagl. 

Ad. Voorkop en een lijn tot aan de oogen wit; knevelvlekken en overig 
gedeelte v. d. kop zwart; achternek, rug en vleugels bruinachtig zwart, bijna even 
donker als de kop; buitenste staartp. wit, end-helft v. d. binnenvlag bruinachtig; 
overige rectrices van dezelfde kleur als de rug; ond.d. wit; snavel en pooten zwart. 



40 



LARID^. 



Jong. Geheel donker bruinachti}^ leikleurig; ond.d. cjrijzer, onderbuik en dekv. 
ond. d. vl. wit; schoudervederen en vl.dekv. met smalle, maar duidelijke witte tippen. 
Jong in dofis. Kop, nek, keel en overige bov.d. donkergrijs met een zilver- 
achtige tint, gevlekt met grijsachtig wit; overige ond.d. wit. (Dresser.) L. 40, vl. 30, 
st. 18.2, gevorkt voor ongeveer 8.5, tars. 2.5, culm, 4.5. Geogr. dist. Tropische 
en Subtropische zeekusten van beide halfronden. Lok. dist. De zeekust. 

Bruinzwarte Zeezwaluwen, eng. Sooty Terns, worden gere- 
kend, evenals de volgende soort, tot het ondergeslacht Haliplana, 
kenbaar aan een zwartachtigen bovenrug en zes tot tien mid- 
delste rectrices van dezelfde kleur. 

Volgens O. Davies zouden B. Z., naar men beweert, zoowel 
tot de nacht- als dagvogels behooren. Lang voor het aanbreken 
van den dag verlaten ze het strand en schijnen des nachts 
even goed te zien als bij dag. 

Chapman zegt, dat men B. Z. onder het voeden troeps- 
gewijze laag over het water ziet vliegen. In de kolonie komen 
ze zeldzaam voor, maar nestelen hier niet, voor zoover 
schrijver kan oordeelen. 

S. Y. broedt meer noordwaarts, gedurende de maand Mei. 
Zelden of nooit wordt een nest gebouwd. Volgens Audubon 
zou het wijfje 3 eieren leggen. Latere waarnemers beweren 
evenwel dat zelfs het getal van 2 tot de hooge uitzonderingen 
behoort. De vorm der schaal is stomp ovaal, zelden spits, de 
grondkleur meer roomkleurig dan roseachtig, gevlekt en ge- 
stipt met donker kastanjebruin, chocoladebruin en purpergrijs. 

M. A/m. 51 X 36 m.M. 

De exemplaren varieeren. Niet zelden \'loeien de vlekken 
ineen om het stompe end der schaal. Tevens zijn de purper- 
grijze schalenvlekken groot en duidelijk. 

Op sommige gunstig gelegen plaatsen zooals op het eiland 
Ascension, broeden B. Z. in zulke ontelbare menigte, dat de 
eieren een belangrijk handelsartikel vormen. Ook op Jamaica 
en de eilanden langs de kust van Mexico enz. broeden duizend- 
op duizendtallen. De eieren worden daar gewoonlijk op de 
bloote rots gelegd en slechts zelden in een nest van gras. 



STERN A. 



41 



S. anaestheta, Scop. = Onychoprion panaya, Macgillivray 
= O. pajiayensis, Gould. = Sterna panaya, Finck & Hartl. 
= Sterna panaycnsis, Schlegal, Mus. P. B. 

Ad. Achternek van onder, en bovenrug grijsachtig wit, overgaande in bruin- 
achtig leikleurig aan vleugels enz.; bovenkop donker zwart; voorkop, kopzijden 
en ond.d. zuiver wit; twee buitenste paren staartp. wit; snavel en pooten zwart. 
Jong. Ond.d., kaken, voorkop en zijden der kruin wit; achternek, achterkop en 
het midden der kruin bruinachtig of zwartachtig, laatstgenoemde met grijsachtig 
witte strepen ; bov.d. grijsachtig bruin ; vederen aan de schouders, bovenrug en 
binnenste slagp. met grijsachtige witte endzoomen. L 36, vl. 26.3, st. 16.3, tars. 
2.2, culm. 3,8. Geogr. dist. Tropische zeekusten; toevallig waargenomen aan de 
kust van Florida. Lok. dist. De zeekust. 

In de kolonie worden de Panayaansche Zeezvvaluwen, eng. 
Bridled Terns, talrijker aangetroffen dan de voorgaande soort, 
maar schijnen hier evenmin te broeden. Meer noordwaarts 
echter treft men ze in menigte aan. Haar levenswijze komt 
overeen met de voorgaande soort. 

S. A. broedt omstreeks de maand IMei. Het wijfje legt maar 
één ei, dat in vorm varieert van af stomp tot spits ovaal en 
in grondkleur van af roomkleurig tot roseachtig geel. De 
bevlekking bestaat uit niet heel groote, maar duidelijke vlekken 
en stipjes donker roodachtig bruin en licht purperkleurig. 

M. Afin. 46 X 33 m.M. 

Volgens Oates vloeien twee vlekken zelden ineen. Volgens 
O. Davies vormt de bevlekking gewoonlijk groote, ineenvloeiende 
plekken aan het stompe end der schaal. Bij andere exemjDlaren 
weer zijn de vlekken over de geheele oppervlakte verdeeld. 

De vogels broeden in groote koloniën, dikwijls te zamen met 
S. dougalli, S. fuliginosa, Anoiis stolidus enz., vooral op de 
West-Ind. Eilanden. Daar leggen ze hunne eieren, die een 
tamelijk belangrijk handelsartikel vormen, op de bloote rotsen 
of steenen langs het strand. 

S. antillarum, Less. = Stcrmtla a. = S.frenata, Ga?nbel. 

Ad. Zom.ved.kl. Voorkop wit, knevelvlekken en kruin zwart; rug, staart en 
vleugels paarlgrijs; buitenvlag der buitenste slagp. v. d. isten rang en het schacht- 
gedeelte V. d. binnenvlag leizwart; ond.d. wit; snavel geel, in den regel met een 
zwarten tip ; pooten oranjekleurig. Wint.ved.kl. Bovenkop wit met min of meer 



42 



LARID^. 



zwarte vlekken; achterkop zwart; snavel lichtgeelachtig of zwartachtig; pooten 
licht geel. Jong. Bov.d. en staart aan het uiteinde zwartachtig en geelachtig gevlekt ; 
slagp. v. d. isten rang als bij ad.; ond.d. wit; snavel zwartachtig. ybw^ in dons. 
Bov.d. grijsachtig wit, varieerend tot geelachtig, gewoonlijk zwartachtig grijs gevlekt ; 
kop met duidelijke, onregelmatige, zwartachtige vlekken; ond.d. geheel wit. L. 22.5, 
vl. 16.5, st. 8.9, gevorkt voor ongeveer 4.3, tars. 1.5, culm. 3. Geogr. dist. Zovi. 
Vereenigde Staten. Wint. Centr. en het Noorden van Z. -Amerika en de West-Ind. 
eilanden. Lok. dist. De zeekust. 

De Dvverg-Zeezvvaluw of Kleine Zeezwaluvv, eng. Least 
Tem, fr. Sterne naine, behoort tot het ondergeslacht Sternuia. 
De vleugel is omstreeks tweemaal zoo lang als de staart, die 
voor ongeveer zijn halve lengte gevorkt is. 

Chapman zegt: „Deze kleine Zeezwaluwen komen in levens- 
wijze overeen met de andere soorten, doch zouden zich naar 
men beweert, behalve met visch, ook met insecten voeden. 
Haar alarmkreet klinkt als het geluid van een biggetje. 

In de kolonie worden D. Z. zeldzaam en onregelmatig aan- 
getroffen en behooren hier tot de trekvogels. 

S. A. broedt gedurende de maanden Mei en Juni. Groote 
koloniën bestaan in de meer noordelijke West-Ind. eilanden, 
de kust van Mexico en Florida. Geen nest wordt gebouwd. 
De 2 of 3, zelden 4 eieren, liggen zoo maar op het bloote 
strand tusschen steentjes, schelpen enz. De vorm der schaal is 
gewoonlijk tamelijk spits ovaal ; de grondkleur varieert van af 
licht roomkleurig tot licht geelachtig bruin, min of meer donker 
bevlekt met verschillende bruine en purperkleurige tinten. 

M. A/m. 32 X 25 m.M. 

De exemplaren varieeren uitermate. Bij enkelen vloeien de 
vlekken ineen aan het stompe end der schaal ; tevens zijn de 
purperkleurige schalenvlekken duidelijk. De eieren komen min 
of meer overeen met den grond, waarop ze liggen en kunnen 
moeielijk op een afstand onderscheiden worden. 

- S. superciliaris, Vièill. = id., Schlegal, Mus. P. B. 

Ad. ged. het hroedseizoeii. Ongeveer als de voorgaande specie, maar grooter 
en krachtiger, het zwart aan de knevelvlekken zeer smal ; mantel en staart donker- 
grijs met een bruine tint aan de binnenste slagp. v. d. 2den rang; de vier buitenste 
slagp. v. d. isten rang over het algemeen zwartachtig met naar verhouding smalle 



STERNA. 43 

witte zoomen aan de binnenvlag der twee eersten en zeer weinig wit aan de 
volgende twee paren, naar binnen toe ; snavel krachtig en groot bij de basis, groen- 
achtig geel zonder zwarten tip; tarsi en teenen geel of oiijfbruin. Na het broed- 
seizoen. Ongeveer hetzelfde, maar de knevelvlekken met zwarte, en de bovenkop 
met witte vlekken. Jong. Knevelvlekken grijsbruin met duidelijke, witachtige wenk- 
brauwstrepen ; voorkop grijsbruin, bovenkop donkerder met amberkleurige vlekken ; 
een zwarte plek achter de oogen tot aan den achternek; mantel grijs met een 
geelachtige tint en aschgrijze • dwarsstrepen ; staart aschgrijs gevlekt; bovensnavel 
bijna geheel hoornkleurig ; ondersnavel geel; tarsi en teenen geel. L. 23, vl. 18.2, 
st. 8.2, gevorkt voor ongeveer 3.2, tars. 1.6, culm. 3.8. Geogr. dist. Z.-Amerika. 
Lok. dist. De zeekust. 

In tegenstelling met de voorgaande, nauw verwante soort, 
behooren Zuid-Amerikaansche Dwerg-Zeezwaluwen, eng. Eye- 




Kop van Steriia siipci-ciiiiu-is. 

browed Terns, tot onze nogal gewone residentvogels, vooral 
aan de zeekust en mondingen der rivieren. 

Haar vlucht geschiedt snel en sierlijk, maar wel wat fladde- 
rend. Haar geluid klinkt ongeveer als „gwie, gwie, gwie !" Haar 
voedsel bestaat zoowel uit vischjes, als insecten. Onze Indianen 
noemen ze Olenapokapo. 

S. S. broedt gedurende het droge seizoen, in koloniën op de 
zandbanken der rivieren en langs de kust. De 2 of 3 eieren 
komen over het algemeen overeen met die der voorgaande 
soort. De bevlekking bij vele exemplaren is echter eenigszins 
minder duidelijk. 

M. A/m. 31 X 25.5 m.M. 



11 LARID.E. 



HYDROCHBLIDON, BOIB. 

H. surinamensis, Gm. = sitbsp. van H. nigra, L. = 
Sfc?'}ia nigra, Sc/ilegal, Mus. P. B. 

Ad. Zom.ved.kl. Geheele kop en ond.d. zwart; dekv. ond. d. st. wit; rug, 
vleugels en staart leikleurig; snavel en pooten zwart. Wint.ved.kl. Voorkop, achter- 
nek en on.d. wit; achterkop zwart met wit gevarieerd; rug, vleugels en staart 
donker paarlgrijs. Jong. Ongeveer als ad. in het wintervederkleed, maar de vederen 
der bov.d. min of meer overtogen en getipt met eene bruinachtige kleur; buikzijden 
grijsachtig getint. lo)ig in dons. Bov.d. amberbruin met een paar onregelmatige 
zwarte vlekken ; voorkop, kruin, keel en borst bruinachtig ; zijden v. d. kop met 
inbegrip der knevelvlekken dof witachtig; middenbuik wit, zijden bruinachtig grijs. 
L. 25, vl. 20.8, st. 8.3, culm. 2.5. Geogr. dest. Zom. Gematigd N. -Amerika. 
Wint. Centr. en Z. -Amerika. Lok. dist. De kustzoom. 

De Zwarte Zeezvvaluw, eng. Black Tern, fr. Guifette fissipéde, 
kenmerkt zich door zeer lange vleugels, waardoor zij in de 
vlucht veel overeenkomt met eene Zwaluw. Zij voedt zich uit- 
sluitend met insecten, en wordt dan ook dikwijls ver van de 
waterkanten af, aangetroffen. 

Mr. Thompson zegt: „Dikwijls ziet men Z. Z. zigzagsgewijze 
vliegen, schijnbaar redenloos, tot ze met een drakevlieg in 
den bek, haar gewone vlucht hernemen." 

In de kolonie komen Z. Z. gedurende het groote droge 
seizoen, enkele jaren tamelijk talrijk voor, op andere tijden 
weer in het geheel niet. 

vS. A. broedt gedurende Mei, Juni en Juli, van af het midden 
der Vereenigde Staten noordwaarts. Tot de meest gezochte 
nestelplaatsen behooren met gras begroeide moerassen en 
andere watervlakten. Dikwijls is het nest tamelijk stevig ineen 
gevlochten, maar meermalen ook behoeden slechts enkele 
grashalmen de eieren tegen afrollen. Vele nesten drijven aan 
de wateroppervlakte. De 2 of 3 eieren zijn spits ovaal of 
peerv^ormig; de grondkleur varieert van af licht geelachtig 
tot bruinachtig geel of olijfbruin, donker bevlekt met roodbruin, 
zwartbruin en purpergrijs. 

M. A/m. 34 X 24 m.M, 

De exemplaren varieeren uitermate. In den regel zijn de 



ANOUS. 



45 



vlekken zeer groot en ineenvloeiend aan het stompe end der 
schaal. 

In Ohio vond Mr. F. W. Langdon de Z. Z. in menigte 
broedende op kleine ophoopingen van half vergane planten, 
gevormd door de gezonken verblijfplaatsen van Muskusratten. 
De eieren waren opzettelijk in den modder gerold ten einde 
ze vuil en daardoor minder opmerkelijk te maken. De vogels 
broeden tweemaal per seizoen. Versche eieren kunnen gecol- 
lecteerd worden in Mei en Juli. 

De eieren gelijken bijna sprekend op die V2a\ Jacana jacann. 
Des te sterker komt dit uit, als een groot aantal exemplaren van 
beide soorten met elkander vergeleken worden. Zelfs individueel 
bestaat het verschil slechts uit een doffere tint, ruwere bevlek- 
king en eenigszins spitser vorm der Zwarte Zeezwaluw-eieren. 

Het rollen der eieren in modder en rottende planten geeft 
te denken aan de nestelwijze der Podicipcdidcr. 

Zeer eigenaardig nestelen al deze vogels op drijvende 
waterplanten in moerassen, enz. 



ANOÜS, STBPH 

- A. stolidus, L. = Sterna stolida, ScJilegal, JMiis. P. B. 

Ad. Bovenkop zilverachtig wit; knevelvlekken zwart; overig vederkleed donker 
roetachtig bruin, slagp. bijna zwart. Jong. Ongeveer hetzelfde, maar de bovenkop 
van dezelfde kleur als het overig gevederte, het zilverachtig wit alleen zichtbaar 
als een lijn van af den snavel tot boven de oogen. L. 38, vl. 26, st. 15, culm. 4.3. 
Geogf'. dist. Tropische en subtropische streken ; in Amerika van af Brazilië noord- 
waarts tot Florida enz. Lok. dist. De zeekust en mondingen der rivieren. 

In tegenstelling met de te voren aangehaalde Zeezwaluwen 
onderscheiden Noddies of Domme Zeezwaluwen, eng. Noddies 
zich door ronde of spitse staarten, waarvan de twee middelste 
rectrices langer zijn dan de overigen, 

In de kolonie komen N. vooral gedurende het groote droge 
seizoen, tamelijk talrijk voor, maar nestelen voor zoover schrijver 
kan oordeelen, hier niet. 

A. S. broedt meer noordwaarts gedurende Mei en Juni. 



46 



LARIDyE. 



Groote koloniën bestaan er op enkele der West-Ind. Eilanden. 
Op de Bahamas worden de nesten gebouwd van takjes, twijgen, 
gras en bladeren, in boomen. Op sommige tropische eilanden 
plaatsen N. hare nesten aan den top van kokospalmen of de 
takken der mangroven. Het wijfje legt maar een enkel ovaal 
ei, dat in grondkleur varieert van af grijsachtig geel tot wit- 
achtig of roomkleurig, dikwijls met een roseachtig tintje, 
gevlekt en gestipt met verschillende roodbruine en purper- 
grijze tinten. 

M. A/m. 51 X 34 m.M. 

De exemplaren varieeren. Bij enkele schalen zijn de vlekken 
zeer spaarzaam over de geheele oppervlakte verdeeld, maar 
vormen bij anderen ineenvloeiïngen aan het stompe end, terwijl 
weer enkelen ten naastenbij ongevlekt zijn. 

A. leucocapillus, Gould. = Sterna Icucocapüla, Schlegal, 
Mus. P. B. =■ Micranoiis l. = A. vielanogenys, Gray. 

Ad. Geheelen boveiikop duidelijk witachtig ; het wit der kruin gradueel over- 
gaande in het grijs aan den achternek; overig vederkleed roetachtig bruin (Ridgw.) 
Geogr. dist. Intertropische zeeën en kusten, alsook de kust van Mexico. Lok. dist. 
De zeekust en mondingen der rivieren. 

De Zwartkaak Noddie, eng. Black cheeked or White Capped 
Noddie, komt in levenswijze tamelijk overeen met de voor- 
gaande soort, maar is hier veel zeldzamer. 

A. L. broedt op tropische eilanden en zeekusten. De broed- 
tijd verschilt naar gelang der lokaliteit. Aan de kust van Brit. 
Honduras valt zij in Mei, op Philip's Eil. nabij Norfolk Eil., in 
November, op Vostock Eil. in October. 

De eieren worden beschreven als gewoonlijk breed ovaal, 
enkele malen elliptisch. De grondkleur varieert van af zuiver 
wit tot roomkleurig en licht rosé. De bevlekking is meestal 
beperkt tot het stompe end der schaal en slechts bij enkele 
exemplaren gelijkmatig over de oppervlakte verdeeld. Ze 
varieeren van af stippen tot groote vlekken of plekken donker 
roodachtig bruin en chocoladebruin, dikwijls ook enkele lijnen 
en kommavormige vlekken. De schalenvlekken zijn licht pur- 



rhynchopid.ï:. ^^7 

perkleurig, maar volstrekt niet talrijk. Bijna ongevlekte exem- 
plaren komen ook dikwijls voor. 

AL Afm. 45 X 3i-5 m.M. 

Volgens Nehrkorn komen de eieren geheel overeen met die 
van A. stolidits. 



Familie der RHYNCHOPID^. 

SCHAARBEKKEN. 

Behalve de 2 fossiel species uit Patagonië, bestaat de familie 
der Schaarbekken, Watersnijders, Sleepmannetjes, eng. Skim- 
mers, fr. Becs en scisseaux, uit 5 bekende soorten, die alle de 
warmere gedeelten der aarde bewonen. ïwee species behooren 
tot de fauna der Oude Wereld, terwijl de 3 overigen in het 
Westelijk Halfrond en ook in de Guiana's worden aangetrof- 
fen, een soort als trekvogel. Alle behooren tot het geslacht 
Rhynchops, L. 

In lichaamsvorm gelijken W. veel op Zeezwaluwen, zij hebben 
nl. dezelfde lange vleugels en gevorkte staarten. Hun snavel 
daarentegen verschilt opmerkelijk, en ziet er uit als een kort- 
boven een langer mes geplaatst. De kaken zijn zijdelings 
samengedrukt; de scherpe bovenrand van de onderkaak sluit 
in een sleuf van de bovenkaak. Alle leven over het algemeen 
evenzeer bij paren als troepjes of vluchten. 

Het vederkleed der jongen verschilt van dat der volwasse- 
nen vogels ; tevens is de ondersnavel bij heel jonge nestelingen 
niet langer dan de bovensnavel. 

Onder het voeden vliegt de W. snel, met half ondergedom- 
pelden snavel, over de wateroppervlakte. Stoot hij tegen eene 
prooi, dan wordt de vlucht een oogenblik onderbroken. De 
bovensnavel daalt met kracht naar omlaag, waardoor de prooi 
gedood en daarna opgeslokt wordt. 

Evenals Zeezwaluwen broeden W. in koloniën en bouwen 
geen nest, maar leggen hunne protectief gekleurde eieren op 



48 



RHYNCHOPIDiE. 



het bloote strand enz. Naar men beweert, broeden beide seksen. 
De jongen kunnen van af hun geboorte reeds loopen of zwem- 
men en vereenigen zich dan min of meer tot troepen. 



Species. 
RHYNCHOPS, L 
R. nigra, L. = id., Schlegal, Mus. P. B. 

Ad. Zom.ved.kl. Slagp. v. d. 2'len rang en binnensten v. d. isten rang met 
breede witte tippen ; staart wit, alleen de middelste vederen grijsachtig bruin ; 
voorkop, kopzijden en ond.d. wit; bov.d., met inbegrip v. d. achternek, bovenkop 
en oorvederen zwart; dekv. ond. d. vl. wit; basishelft v. d. snavel en pooten 
helder vermiljoenrood bij levende vogels (witachtig bij geprepareerde exemplaren), 
endgedeelte v. d. snavel zwart. Wint.ved.kl. Ongeveer hetzelfde, maar het zwart 
bruinachtiger en de achternek met een witten band. Jong. Bov.d. licht geelachtig, 
elke veder met een zwarte vlek in het midden, de vlekken aan de schoudervederen 
het grootst ; knevelvlekken en het gedeelte onder de oogen licht geelachtig ; ond.d. 
wit. Jong ut dons. Bov.d. licht grijsachtig geel met enkele onregelmatige zwart- 
achtige vlekken; ond.d. wit. L. 47, vl. 38, st. 13.8, gevorkt voor ongeveer 3, 
culm. 5.5 tot 7, ondersnavel 7.4 tot 10. 2. Geogr. dist. Zoni. Zeekusten der war- 
mere gedeelten van N. -Amerika; aan de Atlantische zijde tot New-Jersey en 
zeldzaam tot Nova Scotia, Wint. West-Ind. Eil., Centr. en Z. -Amerika tot de 
Guiana's. Lok. dist. De zeekust en mondingen der rivieren. 

Zwarte Watersnijders, eng. Black Skimmers, Cut waters 
Razorbills enz., hoewel in het Noorden nogal gewone vogels, 
komen slechts enkele malen, maar zeer onregelmatig in de 
kolonie voor, gedurende het groote droge seizoen. 

Volgens Mr. F. W. Richards zou hun alarmkreet eenigzins 
klinken als het blaffen van een hond en worden ze ook menig- 
malen met den naam „Seadogs" aangeduid. 

In de kolonie maakt men geen onderscheid tusschen deze 
en de volgende soort. Beide staan bekend als Viesieman of 
Sleepmannetjes. 

R. N. broedt meer noordwaarts, gedurende Mei en Juni. 
De 3 of 4, heel zelden 5 eieren, varieeren van af lang tot kort 
en stomp of spits ovaal; de ondergrond van af wit tot room- 



RHYNCHOPS. ^g 

kleurig en geelachtig, dikwijls met een licht roseachtig tintje. 
De bevlekking bestaat uit onregelmatige, groote of kleine 
plekken zwartachtig bruin, donkerbruin met lichter getinte 
randen. De onderliggende, purpergrijze schalenvlekken zijn 
echter even groot als de bruine bevlekking. 

A/m. 40 tot 49 X 30 tot 34 m.M. 

De exemplaren varieeren uitermate. Bij enkelen is de be- 
vlekking moderaat, maar doet zich bij anderen weer voor als 
bijna één vlakte zwartbruin enz. De eieren behooren dan ook 
tot de fraaist gekleurden. 

Mr. Richards trof duizenden broedende Z. W. langs de 
kusten van Verginia aan. Ook op Cobb's Eiland, de kusten 
van Nevv-Jersey, Florida en meer zuidwaarts op de noordelijker 
West-Ind. Eilanden, bestaan groote koloniën. 

- R. melanura, Swains. == ïd., Cab. in Schomb. Reis = R. 
nigra, Schlcgal, Mus. F. B. ^ R. nigra cinerascens, Spix f 

(^ Ged. het hroedseizoen. Ongeveer als R. nigra, maar met zeer weinig wit 
aan de randen der slagp. v. d. 2den rang; staartp. donker amberbruin aan de 
bovenvlakte, doch bruin aan de onderzijde en de witachtige randen zeer smal ; 
dekv. ond. d. vl. grijsbruin; pooten vermlljoenrood; snavel zwartachtig, de basis 
echter koraalrood; iris zwartbruin. ^ Ongeveer hetzelfde, maar kleiner. Jong. 
Voorkop en kaken vuil witachtig met talrijke bruine strepen ; bovenkop, achternek 
en bov.d. dof amberbruin, de vederen aan bovenrug, vleugels en staart met geel- 
achtige en grijsachtig witte randen en tippen. L 50, vl. 42, st. 14.5, tars. 3.5, 
culm. 10. Geogr. dist. Z. -Amerika tot Centr. Amerika. Lok. dist. De zeekust en 
rivieren tot diep in het binnenland. 

Sleepmannetjes, eng, Blacktailed Skimmers, leven evenzeer 
bij troepen als paarsgewijs en komen talrijker voor in de 
lagere kuststreken, maar volgen ook dikwijls de rivieren tot 
aan hun oorsprong. Vooral aan zandbanken geven ze de voor- 
keur boven moddervlakten en verzamelen zich daar meermalen 
tot groote vluchten. 

Evenals de overige soorten dezer familie, vergaren S. hun 
voedsel, bestaande uit vischjes, weekdieren enz. op eigenaar- 
dige wijze. Vooral bij laag getij doen ze zich het levendigst 
voor en trekken dan met hun langen ondersnavel in het ondiepe 
water gedompeld, langs de waterkanten, elke bocht of kronke- 

4 



RHYNCHOPIDyë. 




Snavel van Rliyiich"ps mclnmira 



ling volgende, heen en weder, onder het nu en dan uiten van 

hun eigenaardig geluid : „woa, wep of vrop." Vooral als men ze 

stoort wordt deze kreet luid 

en menig malen herhaald. De 

mannetjes schijnen talrijker 

dan de wijfjes, die tevens veel 

kleiner zijn. 

In de kolonie heeten S. 
Rede-mofo Visiman, d. w. z. 
Roodsnavelige Visschers, bij 
de Arowakken Warakana, bij de Caraïben Taja-taja en bij de 
Warrau's Wanarie. 

R. M. broedt gedurende het droge seizoen, op de zandbanken 
der rivieren en langs de kust. De 2 tot 4 eieren komen geheel 
met die der voorgaande soort overeen, maar zijn over het 
algemeen een weinig grooter en donkerder van kleur. Toch 
kunnen beide in de meeste gevallen niet met zekerheid van 
elkander onderscheiden worden. 

M. Afm. 44 X 35 m.M. 

Voor zoover schrijver kan oordeelen, bestaan in Suriname 
niet zulke groote broedkoloniën van Schaarbekken als in 
N.-Amerika. Evenmin is dit het geval in Eng. of Fransch Guiana. 

X.B. Volgens Berlepsch en Hartert zou er nog een derde specie ? te vinden zijn, 
gekenrnerkt door witachtig aschkleurige dekv. ond. d. vl. breedere (ongeveer 13 m.M.) 
witte tippen aan de slagp. v. d. aden rang en breedere witte randen aan de rectrices. 
Deze soort of subsoort staat dus tusschen R. melaiiura en R. iiitercedens van Oostelijk 
Z. -Amerika. Laatstgenoemde nu wordt gekenmerkt door witte dekv. ond. d. vleugel. 
Maar zou het niet beter zijn al deze variëteiten te vereenigen onder één naam. 
Want hoe meer exemplaren er gecollecteerd worden, des te grooter de confusie. 

In Mei werden schrijver verscheidene specimen van .5". inelannra gebracht, schijn- 
baar volwassen, maar met geen sterk ontwikkelde voortpilantingsdeelen. De randen der 
slagp. V. d. 2den rang bij de mannetjes, hadden geen wit, maar waren van ten naastenbij 
dezelfde grijsachtige of berookt bruinachtige kleur als de dekv. ond. d. vl. De wijfjes 
waren kleiner en hadden duidelijke, witte randen aan de slagp. v. d. 2den rang. De 
maag dezer vogels bevatte kleine schubben. 



DIOMEDEID^. 



51 



Orde III. TUBINARES. 

BUISNEUZIGE ZWEM VOGELS. 

Deze orde omvat volgens sommige natuurkundigen slechts 
2, volgens anderen 4 familiën. Een 6-tal fossiel-species zijn 
bekend. 

Fainilicn. 

A. Neusbuizen door den culmen opmerkelijk van elkander gescheiden; lichaams- 
grootte der species overeenkomend met ganzen of grooter; vleugels zeer smal; 
remiges talrijk, 39 tot 50 in aantal. 

DIOMEDEID^. 

B, Neusbuizen vereenigd en rustend op het basisgedeelte van den culmen ; 
lichaamsgrootte der species varieerend, maar over het algemeen middelbaar of klein ; 
remiges nooit meer dan 39, gewoonlijk 30 of minder in aantal. 

. . . PROCELLARIID^. 

N.B. Beide bovengenoemde familiën vormen te zamen de Stormvogelachtigen of 
Pioccllaritv. 



Familie der DIOMEDEID.F:. 

ALBATROSSEN. 

Van de ongeveer i8 levende soorten Albatrossen, eng. 
Albatrosses, fr. Albatros, Oiseaux qui presagent la tempête, 
bewonen bijna alle het Zuidelijk Halfrond. Drie fossiel species 
zijn bekend uit Engeland en Frankrijk. 

A. komen veel talrijker voor aan de west- dan aan de 



^2 DIOMEDEIDiE. 

oostkust van Amerika. Geen der soorten is met zekerheid 
langs onze kust aangetroffen. Toch moeten enkele species hier 
meermalen voorbij dwalen, ten minste een soort, Diomedea 
exiilans, is bekend uit Tampa Bay, Florida en eene andere, 
Thalassogcroii cubninatiis, uit Quebec. 

Maar de mogelijkheid bestaat ook, dat deze vogels hun 
weg over de landengte van Panama namen. 

A. behooren tot de allergrootste Zeevogels en tevens de 
dikste van alle Watervogels. Alle hebben een min of meer 
z waren lichaamsvorm ; de snavel is langer dan de kop, het 
uiteinde gekromd en terzijde aan den wortel voorzien van 
buisvormige neusgaten ; aan de korte, onbevederde in het 
midden van den romp geplaatste pooten ontbreken achter- 
teenen en klauwen; de voorteenen zijn door zwemvliezen 
verbonden. De vederen staan dicht op een, meest wit en 
zwart van kleur. Tusschen de huid en het vleesch is een laag 
vet. Het elastische vel aan den hals laat de inslikking van 
groote prooi toe. 

Beide seksen en jongen gelijken elkander in vederkleed. 
maar de mannetjes zijn een weinig grooter. 

Door hunne lange, groote, maar naar verhouding smalle 
vleugels, vliegen A. onberekenbaar snel, meestal in breede 
kringen of ook dikwijls recht tegen den wind in of met 
den wind mede. Toch valt hen het opstijgen zeer moeielijk, 
vooral van de wateroppervlakte af. Klapwiekend slaan ze dan 
met hunne pooten op het water, maar schijnen, eenmaal opgevlo- 
gen, als het ware op de lucht te drijven, nu eens rechts, dan 
weder links hun lichaam werpende, bijna zonder beweging in 
hunne ontzaggelijke vleugels. Slechts bij onstuimig weder 
verheffen A. zich hoog in de lucht of rusten en zwemmen, 
ver van het land af, op de baren. Voor hen bestaan geen 
afstanden, ^^^.n oceanen. 

Op het land ziet men A. zelden anders dan gedurende het 
broedseizoen. Hun geluid klinkt onaangenaam en gelijkt op 
dat van Pelikanen. 

Het voedsel van A. bestaaat grootendeels uit kleine zoog- 
dieren, doode visschen, enz. Hun gulzigheid (de dwalende 



DIOMEDEID^. 



.53 



Albatros slikt zelfs visschen van vier en vijf pond zwaarte 
in) is zoo groot, dat ze te veel eten en niet in staat zijn tot 
vliegen, dan alvorens een gedeelte van het voedsel weer uit- 
gebraakt te hebben, 

A. vallen nooit andere vogels aan, maar verdedigen zich 
tegen Zeeroofvogels, zooals Meeuwen, enz. 

Hun vleesch is taai en onsmakelijk. Slechts in hoogen nood 
wordt er dan ook van gebruik gemaakt. Hunne vleugelbeende- 
ren dienen tot verscheidene doeleinden. 

A. volgen dikwijls schepen honderden mijlen ver, zonder 
daarbij eenige vermoeienis te toonen, maar verwijderen zich 
meermalen, in breede cirkels mijlen in doorsnede, van het 
vaartuig af; en dat zoowel bij dag als des nachts. Met aas 
aan een lijn gebonden en over boord geworpen, kan men 
deze vogels heel gemakkelijk vangen. 

A. broeden meestal op eilandjes, meermalen ook op heuvels 
langs de kust van het vasteland en bouwen kunstelooze nesten, 
bestaande uit hoopen rottend gras, modder, riet of andere 
waterplanten. Het wijfje legt maar één ei per legsel. De 
schaal is grofkorrelig, glansloos wit of licht geelachtig, in 
den regel om het stompe end of tot het midden voorzien van 
kleine vlekken of stippen roodachtig bruin. De vorm is ge- 
Vv^oonlijk verlengd ovaal, het spitse end afgestompt, enkele 
malen zelfs vergroot. De eieren zijn eetbaar, maar de dooier 
wordt bij koking niet hard. 

T. vS. Palmer zegt: „Op Layson, een der noordwestelijke 
Sandwich-eilanden broeden zwermen Gooneys Dioinedea i'in- 
viutabüis. Voor het gebruik van de employees der Guano- 
maatschappij worden groote hoeveelheden eieren verzameld, 
waarvan denkelijk een gedeelte voor Honolulu bestemd is. 

Photo's wijzen aan het collecteeren, niet alleen bij kruiwagens 
vol, maar ook geheele karrevrachten. 

Vroeger werden de vogels beschermd door den superinten- 
dant der compagnie ; hoe lang nu het wegdragen der eieren 
op zulk eene schaal kan volgehouden worden, is niet heel 
moeielijk te berekenen. 

Van vele der volgende Am. A. wordt beweerd, dat ze 



^^ PROCELLARIID^. 

meermalen de Atlantische kust van tropisch Amerika naderen. 

Diomedea exulans, L. 

D. nigripes, Aud. 

D. albatrus, Pall. 

D. melanophrys, Temm, 

D. irrorata, Salv. 

D. immutabilis, Rotch. 

Thalassogeron culminatus, Gould. 

T. chlororhynchus, Gm. 

T. eximius, Verrill. 

Phoebetria fuliginosa, Gm. 



Familie der PROCELLARIID.^. 

STORMVOGELS. 

Deze familie omvat ongeveer 75 soorten, waarvan het grootste 
gedeelte alleen voorkomt in de zuidelijke streken voorbij de 
tropen. De meeste species die men dan ook in noordelijke 
zeeën aantreft, zijn trekvogels uit het zuidelijk Halfrond. Slechts 
2 of 3 soorten worden met zekerheid, en dan nog wel zeld- 
zaam, langs onze kusten aangetroffen. 

Alle Stormvogels, Stormduikers (w.o. de bekende Moeder 
Carie's kuikens der zeelieden), eng. Shearwaters and Petrels, 
fr. Oiseaux de tempête ou qui presagent la tempête, zijn 
kleiner dan Albatrossen, maar onderscheiden zich evenals deze 
door buisvormige neusgaten, aan het uiteinde gekromde snavels," 
moderate of korte halzen, lange vleugels en over het algemeen 
middelmatige of korte pooten. De staart is moderaat, terwijl de 
voorteenen door zwemvliezen aan elkaar verbonden zijn. Een 
dikke vetlaag bedekt het vleesch ; de huid aan den hals is 
elastisch; het tranige vleesch wordt niet gegeten. 

Enkele soorten zijn niet veel grooter dan een Pitangïis 
S2ilphuratus, anderen weer komen overeen met Hoenders. Beide 
seksen en jongen gelijken elkander in vederkleed, maar de 
wijfjes zijn eenigzins kleiner dan de mannetjes. 



PROCELLARIID^. 



55 



S. bewonen bijna zonder uitzondering den open oceaan en 
vergaren hun voedsel, bestaande uit allerlei visschen, week- 
dieren, enz. aan de oppervlakte van het water; en dat zoowel 
bij dag als des nachts. 

Overvalt hen een storm, dan worden ze voortgedreven van 
oceaan tot oceaan en schijnen meermalen over de ruggen der 
golven te loopen. 

Over het algemeen echter zoeken S. voor het losbreken van 
een orkaan, een veilig toevluchtsoord. Dit is de reden waarom 
de aanwezigheid van talrijke S. op eene plaats zwaar weder 
aanduidt. Doch niet altijd ontsnappen alle aan het geweld der 
elementen. Dit bewijzen de talrijke gevallen van uitgeputte 
vogels, die men langs het strand of zelfs in het binnenland of 
andere plaatsen heeft aangetroffen. 

In Suriname echter zijn dergelijke gevallen tot nu toe niet 
voorgekomen. 

Geruimen tijd was het onbekend hoe Zeevogels, die soms 
dagen en weken op den open oceaan vertoeven, toch drinken. 
Tegenwoordig neemt men algemeen aan, dat niet alleen de 
olie der visschen hun dorst lescht, maar dat ze inderdaad ook 
regenwater drinken. Wanneer een onweder lostbarst, ziet men 
van alle streken van het kompas vogels aanvliegen, die het 
vallende water gretig opvangen. 

Evenals Albatrossen volgen S. dikwijls een schip teneinde 
den weggeworpen afval te bemachtigen. Door een lijn, waaraan 
aan het uiteinde een hoek en een stuk aas of zoo iets is 
bevestigd, laten ze zich gemakkelijk verschalken. De meeste 
exemplaren in collectiën heeft men op deze wijze verzameld. 

De bekende species S. nestelen in holen in den grond, 
meestal op rotsachtige eilandjes, ongenaakbare klippen, enz. 
Het wijfje legt maar één ei, dat in vorm varieert; de kleur 
is echter over het algemeen glansloos wit, enkele malen met 
een ring van roodbruine stippen. Dikwijls nestelen vele indi- 
viduen dicht naast elkander en vormen zoo koloniën. 



56 



PROCELLARIID^. 



Subfamüiën. 

A. Aantal slagp. v. d. sden ranj,' 13 of meer. 

.... PROCELLARIIN/E. 

B. Aantal slagp. v. d. 2den rang 10. 

OCEANITIN^. 



Subfam. der PROCELLARIID^. 

EIGENLIJKE STORM VOGELS. 
Genera. 

A. Vleugel langer dan 18 centimeter. 

„Scheiding tusschen de neusgaten zeer dun, veel smaller dan de 
breedte van elk neusgat en tevens geheel in de neusbuizen geplaatst. 

^STRELATA, BR 



„Scheiding tusschen de neusgaten zeer dik, even^ wijd of wijder 
dan het neusgat en eindigende van voren gelijk met of slechts 
weinig achter den voorrand v. d. culmen. 

PUFFINUS, BRISS. 

B. Vleugel korter dan 18 centimeter. 

.... OCEANODROMA, REICHENB. 



Species. 

PUFFINUS, BRISS 

~~ P. major, Faber. = P. gravis, O' Reüly. = Procellaria viaj'or, 
Schlegal, Mus. P. B. 

Ad. Bov.d. zwartachtig, vleugels en staart eenigzins donkerder; langere dekv. 
bov. d. st. met witachtige lippen; ond.d. wit, buik min of meer aschgrijs; dekv. 
ond. d. st. aschgrijs. L. 50, vl. 31, tnrs. 5.5, culm. 4.6. Geogr. ö?«^. Atl. oceaan. 
Lok. dist. De zeekust. 



PUFFINUS. 57 

Groote Stormduikers, eng. Greater Shearwaters, fr. Grands 
Puffins, worden slechts enkele malen langs onze kust gezien. 

Over hun levenswijze schrijft Dr. Brewster: „De lange, 
smalle vleugels staan stijf en rechthoekig met het lichaam ; de 
vogels glijden dikwijls een halve mijl vooruit zonder ze merk- 
baar te bewegen, maar vliegen gewoonlijk recht en dicht 
langs het water. Ik ken geen anderen Zeevogel, die hen in 
sierlijkheid en gemakkelijk vliegen evenaart. Inderdaad bij 
sterken wind kunnen G. S. vergeleken worden met Zwaluw- 
staart Kiekendieven. 

Eén ei, gecollecteerd door Dr. B. in zuidelijk Groenland, 
wordt beschreven als bijna ovaal, origineele kleur wit, maar 
bevuild door de zwarte aarde, waaruit het werd opgegraven. 

Afm. 72 X 50 m.M. 

- P. auduboni, Finsch. 

Ad. Bov.d. vleugels en staart donker bruinachtig zwart; ond.d. wit; zijden der 
borst grijsachtig ; een plek aan de flanken en dekv. ond. d. st. grijsachtig bruin- 
zwart; binnenkant der tarsi geelachtig, buitenkant bruinachtig; snavel zwartachtig. 
L. 30, vl. 20, tars. 4, culm. 3. Geogr. d/st. Warmere gedeelten v. d. Atlantischeu 
Oceaan noordwaarts tot Long Island. Lok. dïst. De zeekust. 

In de noordelijke West-Ind. Eilanden worden Audubon's 
Stormduikers, eng. Audubon's Shearwaters, fr. Puffins d'Audubon, 
talrijk aangetroffen. 

Over hun levenswijze schrijft F. M. Chapman: „Hun vlucht 
is krachtig en snel; vijf of zes vleugelslagen worden gevolgd 
door een kort eind vooruit zeilen laag over het water." 

In de kolonie komen A. S. heel zeldzaam of onregelmatig 
voor en zoover schrijver kan oordeelen, bestaan hier geen 
broedplaatsen. 

P. A. broedt in de Bermudas, Bahamas enz. gedurende 
Maart en April. Gewoonlijk wordt een nest gebouwd van 
droge twijgjes enz., in holen op rotsachtige plaatsen. Het wijfje 
legt maar een enkel ovaal, glansloos wit ei. JM. Afm. 52X36 m.M. 

De exemplaren varieeren nogal in lengte. 

O. Davies zegt: Beide seksen broeden en zitten dikwijls 
naast elkander in het hol. Op het nest gevangen, bieden ze 



58 PROCELLARIID^E. 

in het geheel geen weerstand. Ook op de eilandjes langs de 
westkust van Afrika zouden er broedplaatsen bestaan. 

N.B. Behalve de hierboven aangehaalde soorten, bewonen nog de volgende species 
den Atlantischen Oceaan : 

P. obscuriis, Gm. 

P. assimilis, Gould. 

P. griseus, Gm. 

P. kuhli, Boie. 

P. borealis, Conj. 

P. puffinus, Brünn. 

P. elegans, Gigl et Salv. 

P. stricklandi, Ridgw^. 



^STRBLATA, BP. 
M. jamaicensis, Bancroft. 

At^. Geheel donker bruinachtig, dekv. bov. d. st. grijsachtig, ond.d: lichter en 
grijsachtiger. VI. 2", st. 12.4, gevorkt voor ongeveer 3, tars. 35, Geogr. dist. 
Jamaica en nabijgelegen eilanden en zeeën. 

Jamaica Storm vogels, eng. Jamaica Petrels zijn thans ten 
naastenbij uitgeroeid. 



OCBANODROMA, REICHBNB. 
O. leucorhoa, Vieill. =: id., S chic zal. Mus. P. B. 

Ad. Bov. d. vleugels en staart zwartachtig bruin; ond.d. iets bruiner; vl.dekv. 
grijsachtig bruin, langere dekv. bov. d. st. wit, kortere min of meer zwartachtig 
bruin; staart gevorkt, buitenste rectrices 13 m.M. langer dan middelsten; snavel 
en pooten zwart. L. 20, vl. 15.5, st. 8.8. Geogr. dist. Zeeën van het Noordelijk 
Halfrond. Lok. dist. De zeekust. 

Leach's Storm vogel, eng. Leach's Petrei is enkele malen 
langs onze kust gezien, maar schijnt hier meer tot de trek- 
vogels of toevallige bezoekers te behooren. 



OCEANODROMA, 59 

Meer naar het Noorden daarentegen komen L. S. veel tal- 
rijker voor, zoowel langs de oost- als westkust. Over hun 
levenswijze schrijft Chamberlain : „Deze vogels worden zelden 
bij dag nabij hunne nestelplaatsen waargenomen, maar in de 
schemering rondfladderende, gelijken ze op vleermuizen. Hun 
geluid klinkt wild en klagend. Niet alle individuen zijn evenwel 
nachtvogels; dikwijls zit er een (gewoonlijk het mannetje) den 
geheelen dag op het nest, terwijl het wijfje op zee rondzwerft. 
_^^^^^^ Neemt men deze vogels op, dan loopt 

■ ^^m^i^^^^^ÊÊ. er uit hun bek en neusgaten eene 
{^^^^^^^^^^ kleine hoeveelheid roodachtige, sterk 

^^^^^^B^^^^ naar muskus riekende olie. De nestel- 

^^^^^K plaatsen zijn met deze geur doortrokken. 

O. L. broedt gedurende Maart, April 
Kop van Oceanojrc^m,, ^q^ Augustus, al naar gelang der plaats. 

h'ucorhoa. . . 

Het nest bestaat uit een gat m den 
grond, waarin een weinig gras en enkele twijgjes Het wijfje 
legt maar één ei, dat in vorm varieert van elliptisch tot breed 
ovaal. De kleur is glansloos wit met een krans van rood- 
bruine stipjes om het stompe end der schaal. 
M. A/m. 34 X 25 m.M. 

N.B. Volgens den Cat. of Birds in Br. Mus., komen nog in den Atl. Oceaan voor: 

JE. macroptera, Sinith. 

M. incerta. Schl. 

M. mollis, Gould. 

M. hesitata, Kuhl. 

M. brevirostris, Less. 

M. arminjoniana, Gigl. & Salvad. 

M. trinitatis, Gigl. & Salvad. 

.<E. scalaris, Brewster. 

Bulweria bulweri, J. & S. 

Procellaria. pelagica, L. 

Oceanodroma castro. Hare. 



6o 



PROCELLARIID.ï. 

Oceanites oceanica, Kuhl. 
Pelagodroma marina, Lath. 
Fregatta melanogaster. Gould. 
F. grallaria, V. 
Ossifraga gigantea, Gm. 
Fulmarus glacialis, Gm. 
Prion ariel, Gould. 



STEGANOPODES. 6 1 



Orde IV. STEGANOPODES. 

ROEIPOOTIGE ZWEMVOGELS. 

Deze orde omvat 8 familiën, waarvan 2 uitgestorven ; elk 
der 6 overigen is in de Guiana's door een specie vertegen- 
woordigd. Het aantal fossielsoorten bedraagt ongeveer 30. De 
orde der S. onderscheidt zich van al de andere Zwemvogels, 
doordat niet alleen de drie voorteenen, maar alle vier teenen 
door zwemvliezen aan elkander zijn verbonden. 

Familiën. 

„Middelste paar staartpennen zeer lang, dun en puntig ; snavel 
kegelvormig, zijdelings samengedrukt en spits ; culmen min of 
meer gebogen; neusgaten duidelijk en recht; zij teenen bijna gelijk 
aan den middenteen. t, 

PHAËTHONTID^. 

„Snavel kegelvormig spits, zeer dik bij de basis, de tip min of 
meer gebogen; staart rond, de enden der rectrices min of meer 
spits; neusgaten niet zichtbaar, zij teenen ongelijk en één er van 
veel korter dan de middenteen. 

SULIDyE. 

„Snavel dun en spits; kop zeer klein; hals dun en zeer lang; 
staart rond, de rectrices zeer breed. 

ANHINGID^. 

„Snavel zijdelings samengedrukt, tip v. d. bovensnavel sterk 
gehoekt; keelzak klein; neusgaten bijna onzichtbaar. 

.... PHALACROCORACID^. 

„Snavel langer en plat; keelzak zeer groot en elastisch; neus- 
gaten duidelijk. 

PELECANID^. 



52 PHAËTHONTID.E. 

„Tarsus zeer kort; vleugels zeer lang; staart zeer lang en diep 
gevorkt; zwemvliezen klein. 

.... FREGATID^. 



Familie der PHAETHONTID^. 

ZON-PELIKANEN. 

Zon-Pelikanen, Phaethons, eng. Tropic Birds, fr. Pailles en 
queue, hebben moderaat lange, zijdelings samengedrukte, spitse 
en eenigzins gebogen snavels met inkervingen aan de snij- 
randen, duidelijke lijnvormige open neusgaten, korte pooten, 
nog al dikke halzen, lange vleugels en zeer lange, dunne, 
stijve, middelste staartvederen ; de eerste slagpen is eenigszins 
langer dan de tweede; het aantal staartpennen bedraagt 12 
tot 16; tusschen het vleesch en de huid bevindt zich een laag 
vet ; het vel aan den hals is elastisch ; het vleesch wordt als 
onsmakelijk beschouwd. Beide seksen gelijken elkander; ook 
de jongen verschillen niet veel. 

Z.-P. gelijken in lichaamsgedaante eenigzins op groote Zeezwa- 
luwen, behooren ook tot de beste vliegers en maken soms lange 
reizen over den open oceaan. Hun sierlijke, krachtige snelle 
vlucht geschiedt met naar onder gekeerden snavel, evenals 
Zeezwaluwen. Hun voedsel, vooral visschen, vergaren ze heen 
en weder vliegende, ongeveer tien meters boven de opper- 
vlakte van het w^ater. Zwemmen kunnen deze vogels zeer goed, 
duiken echter minder. 

Van de 6 species die over al de intertropische zeeën en 
zeekusten v. d. Aardbol verspreid zijn, komen 4 soorten in 
Amerika voor ; slechts een dezer species is met zekerheid 
langs de kusten der Guiana's waargenomen, maar noordelijker 
en zuidelijker treft men Z.-P. nogal dikwijls aan. Dit komt denke- 
lijk door het gemis van rotsachtige eilandjes langs onze zeekust. 

Z.-P. nestelen te zamen in koloniën, vooral op een rotsachtige 
kust of een eiland. Het wijfje legt maar één ei per legsel ; de 
schaal is kalkachtig, maar geheel bedekt met eene bruine 
bevlekking. 



PHAËTHON. 63 

Species. 

PHAËTHON, L. 
P. americanus, Brandt. 

Ad. AVit ; een plek voor en door de oogen, buitenvlag der slagp. v. d. isten 
rang, kleine vl. dekv. en binnenste slagp. zwart ; flanken met leikleurige strepen ; 
aantal staartp. 12, zalmkleurig, de schachten zwart; snavel geel; tarsus en basis 
der teenen geelachtig ; overig gedeelte der pooten zwart. Jong. Bov.d. onregelmatig 
gestreept met zwart ; staartvederen met een zwarte vlek nabij de uiteinden ; mid- 
delste paar staartp. niet verlengd. Jo9ig in dons. Borst en buik wit, overigens 
grijsachtig. L. (met inbegrip der lange middelste staartp.) 76, vl. 28, verlengde 
staartp. 55, tars. 2.2, culm. 5.7. Geogr. dist. Oostkust van N. -Amerika, van af 
Florida en de Bermudas alsmede de W.-Ind. eilanden en de Stille Zuidzee (Samoa- 
eilanden). Lok. dist. Denkelijk de zeekust. 

Op de meer noordelijker gelegen W.-Ind. Eil. treft men 
Geelsnavel Zon-Pelikanen of Phaëthons, eng. Yellow billed 
Tropic Birds, fr. Pailles en queue a bec jaune, nogal veel aan. 
Deze eigenaardige, sierlijke vogels met hun satijnachtig, zeer 
compact vederkleed en snelle, elegante vlucht, verschillen in 
levenswijze niet veel van Zeezwaluwen, doch hebben een zeer 

treklustige natuur en worden soms 
waargenomen op plaatsen, duizenden 
mijlen van elkander verwijderd. 

P. A. broedt op de West-Ind. Eil. 

omstreeks Mei. Het nest, dat slechts 

uit enkele grassprietjes of vederen 

bestaat, wordt geplaatst in holen op 

Kop van den Zonpeiikaan rotsachtigc eüandjes of dikwijls ook 

in spleten of bijna ontoegankelijke 

klippen of op de bloote rotsen. H^et wijfje legt slechts een enkel 

ei per legsel, maar heeft verscheidene broedsels per seizoen. 

De schaal is ovaal, dof, kalkachtig wit of bruinachtig, geheel 

overdekt met chocoladebruine vlekken, wolken, enz., donkerder 

om het stompe end. Enkele eieren hebben tevens een roodachtige 

of purperachtige tint. 

M. A/m. 56 X 38.5 m.M. 

De exemplaren varieeren niet veel in afmeting, maar wel 




64 



SULID^. 



in de kleur der bevlekking; enkele schalen zijn zelfs bijna 
geheel zwartbruin. 

Beide seksen broeden. 

P. aethereus, L. = id., Schlegal, Mus. P. B. ■= Paille en 
queue de Cayennc, Dmih ; =^ Le grand Paille en queue, Buff. 

Ad. Ongeveer als de voorgaande soort, maar de snavel helder koraalrood en de 
bov.d. met dimne, zwarte dwarsstrepen ; aantal staartp. 14; schachten der lange 
middelste staartp. zwart aan het bovengedeelte, overigens wit; iris zwart. Jong. 
Ongeveer als ad. maar verschilt hoofdzakelijk door een oranjerooden en bij heel 
jonge vogels zelfs gelen snavel. Jotig in dotis. Ongeveer als de voorgaande specie. 
L. 95, vl. 30, lange midd. staartp. 55, tars. 5, culm. 6.3. Geogr. dist. Tropische 
gedeelten der Stille Zuidzee en den Atlantischen Oceaan. Lok. dist. De zeekust. 

De Roodsnavel Zon-Pelikaan of Phaëthon, eng. Red-billed 
Tropic Bird, fr. Grande Paille en queue, is reeds langs onze 
kusten waargenomen. Hij onderscheidt zich door een koraal- 
rooden snavel, maar komt overigens in levenswijze enz. 
geheel overeen met de voorgaande soort. De eieren van P. A. 
zijn echter eenigzins grooter en hebben eene meer purper- 
achtige of kastanjebruine bevlekking. AI. Afin. 61 X 43 ni.M. 

Beide seksen broeden. 



Familie der SULID.^. 

BOEBIES. 

Acht soorten Boebies, eng. Boobies or Gannets, fr. P'oux, 
zijn bekend, waarvan een in het Noorden voorkomt, terwijl de 
overigen tropische zeeboorden bewonen. Een specie wordt 
met tamelijke zekerheid langs de kusten der Guiana's aange- 
troffen, maar behoort hier niet tot de broedvogels. 

B. gelijken eenigszins in vorm op Kormoranten ; maar ook 
met Ganzen komen ze wel wat overeen. Het zijn zware, 
groote Zeevogels, met een krachtigen, aan de snijranden van 
inkervingen voorzienen, half cylindrischen, een weinig gebogen, 
maar niet gehoekten snavel, korte pooten, nogal dikke halzen. 



SULA. . 

65 



tamelijk naakte kaken, kin en keel alsmede lange, puntige 
vleugels en wigvormigen staart, bestaande uit 12 tot 18 pen- 
nen; de eerste slagpen is langer dan de overigen; bij vol- 
wassen mdividuen zijn de neusgaten gesloten; de huid is 
tamelijk dik; een vetlaag bedekt het vleesch ; de elastische 
huid aan den hals laat de insHkking van groote prooi toe; het 
vleesch wordt over het algemeen niet gegeten. Beide seksen 
gehjken elkander, maar de jongen dragen een ander vederkleed 
B. bewonen uitsluitend zeekusten en verwijderen zich zelden 
ver van het land, hoewel men velen na het broedseizoen biina 
overal aantreft. Hun vlucht is krachtig en snel; enkele vleugel- 
slagen worden gevolgd door een kort- vooruitzeilen. Alle ver- 
garen hun voedsel door van uit de lucht met een vaart naar 
omlaag te schieten en hun prooi, vooral visschen, verschei- 
dene minuten lang onder water zwemmende, te vervolgen 

B. nestelen te zamen in groote koloniën, vooral op rots- 
achtige, bijna ontoegankelijke eilandjes en bouwen hun nest 
enkele malen in boomen, meestal echter op den grond De . 
zelden 3, eieren zijn over het algemeen ovaal, zelden elliptisch 
en doorgaans geheel bedekt met een vuile kalklaag, waaronder 
een blauwe grondkleur; bij sommige exemplaren slijt de kalk- 
laag gedurende de bebroeding gaandeweg af; anderen weer 
hebben geheel geen kalk over de schaal. Nadert men de 
nesten dan vliegen de broedende vogels niet weg, maar hissen 
den indringer tegen evenals gewone Ganzen. Gelijk de engelsche 
benaming Booby en het fransche Fou aanduiden, zijn de B 
zeer dom en laten zich zelfs met de hand vangen 



Species. 

SULA, BRISS. 

- S. sula, L. = Le Fou de Cayenne, Daub. = Le Fou com- 
mun, Bujr^ ^ Le Petit Fou, Bzcf. = Sula Jiber, Schlegal, 
Mus. P. B. = S. fusca, V. 

^<^. Bov.d kop, nek, borst, vleugels en staart donker grij.achti. bruin ; ond.d 
van af de borst, wit; aantal staartp. 14; snavel groenachtig of blauwachtig, de 



66 SULlDiE. 

basis min of meer vleeschkleurig ; naakte huid om de oogen en aan de keel geel- 
achtig rood ; pooten lichtgroen ; iris zilverachtig wit. Jong. Geheel grauwbruin, 
ond.d. lichter van tint. L. "b, vl. 38, st. 19, tars. 4.5, culm. 9,4. Geogr. dist. 
Tropische en subtropische zeeën en kusten, uitgezonderd in Amerika, de kusten 
der Stille Zuidzee. Lok. dist. De zeekust. 

Gewone Boebies, eng. Common Boobies, fr. Les Foux com- 
mun, leven gewoonlijk in troepjes. 

Hun voedsel bestaat nabij de West-Ind. Eilanden vooral uit 
vliegende visschen. Onder het voeden vliegen ze met gestrekte 
halzen ongeveer ter hoogte van ongeveer 25 meter boven de 
oppervlakte der zee, hoewel ook beweerd wordt, dat de hoogte 
afhangt al naar gelang der diepte, waarin zich de prooi be- 
weegt. Zwemmen de visschen dicht bij de oppervlakte, dan 
vliegen de G. B. laag over het water. 




Kop van Siila sii/a. 

Uit de lucht schieten G. B. vertikaal op hun prooi neder. 
Gedurende deze nederdaling worden de vleugels half gesloten 
tegen het lichaam aangedrukt, maar sluiten geheel zoodra 
de vogel, een levenden pijl gelijkend, het water bereikt, er 
onder verdwijnt, een eindje vooruit zwemt om na enkele secon- 
den weer boven te komen, een oogenblik uit te rusten, ten 
einde wederom op nieuwen buit uit te gaan. 

Wanneer G. B. in menigte van de eene naar de andere 
plaats trekken, zoo rangschikken de individuen van een vlucht 
zich in den bekenden V vorm. Hun geluid klinkt krassend en 
onaangenaam. 

G. B. worden nog al dikwijls langs onze kusten waarge- 
nomen, maar niet als broedvogels. Vooral aan boord van 



axhingid.ï:. 



67 



binnenvarende schepen vliegen ze meermalen ; hun uitgeputten 
toestand schijnt dan eene zeer verre reis aan te duiden. 

In de noordelijker West-Ind. Eilanden nestelen S.S.in koloniën 
van dikwijls duizenden individuen, vooral op rotsachtige eilandjes. 
Soms wordt een nest van stokjes, gras, enz. in een lagen boom 
of op den grond gebouwd, maar gewoonlijk liggen de eieren 
op den blooten grond ; het aantal per legsel bedraagt 1 of 2. 
De vorm is ovaal, de grondkleur der schaal blauwachtig of 
groenachtig, maar geheel overdekt met een witte kalklaag. 

AI. Afin. 60 X 41 m.M. De exemplaren varieeren niet veel. 
Beide seksen broeden. 

X.B. Behalve de hierboven aangegeven soort, komen volgens den Cat. der vogels in 
het Br. Museum nog in de tropische gedeelten v. d. Atl. Oceaan voor: 

S. piscator. L. 

S. cyanops, Sundev. 



Familie der ANHINGID^. 

ANHINGA'S. 

Slechts 4 soorten Anhingas of Slangen vogels, eng. Anhingas 
or Darters, fr. Anhingas zijn bekend, een soort in Afrika, 
een in Zuid-Azië, een in Australië en een in x\merika. 

Alle onderscheiden zich door een tamelijk krachtigen lichaams- 
bouw, eigenaardige, lange dunne halzen met een buiging aan 
de achtste en negende vertibrse en voorzien van een eigen- 
aardig mechanisme, waardoor de vogel in staat is, door het 
ineens uitstrekken van zijn hals een visch te doorboren ; verder 
uiterst kleine koppen, rudimentaire neusgaten, dunne puntige 
zijdelings samengedrukte snavels, korte pooten, kleine oogen 
en tamelijk lange, ronde staarten, bestaande uit 12 pennen. 
De vleugels zijn lang, de eerste slagpennen stijf en sterk ; het 
langst is de tweede of derde slagpen ; de binnenste slagpennen 
v. d. 2^'^^ rang hebben evenals de middelste staartpennen 
overdwarse ribben. Het lichaam is geheel bedekt met kleine 



gS ANHINGID^. 

zachte contour- vederen, waaronder zacht dons; de schouder- 
vederen zijn lang, smal en spits ; de huid is moderaat dik, aan 
den hals zeer elastisch, hetgeen de inslikking van tamelijk 
groote prooi toestaat. Dit wordt echter verhinderd door de 
kleine mondopening, zoodat A. zich meer met wormen, insecten, 
weekdieren en kleine visschen van zelden meer dan i d.M. 
lengte, dan met groote prooi, zooals kruipende dieren en 
grootere visschen, voeden; gewoonlijk zijn A. nog al vet; het 
vleesch wordt echter om den tranigen smaak niet gegeten. 
Beide seksen gelijken elkander eenigzins, maar de wijfjes 
hebben langer tijd noodig om tot het volkomen kleed te 
geraken. De jongen zijn doffer van kleur. 

A. leven over het algemeen bij paren, zelden in troepjes, 
langs begroeide zoetwaterkanten ; de species verschillen onder- 
ling niet veel in levenswijze. Alle vergaren hun voedsel meestal 
onder de oppervlakte van het water. 

A. nestelen niet in koloniën, hoewel men soms enkele nesten 
bij elkaar ziet ; die nesten worden tevens meestal in boomen 
of in het struikgewas langs den oever gebouwd. De eieren 
zijn ovaal, blauwachtig van grondkleur, maar geheel overdekt 
met een witte kalklaag, die gaandeweg gedurende de bebroe- 
ding afslijt of vuil wordt. Slechts bij enkele schalen ontbreekt 
de kalklaag. 



Species. 
PLOTUS, L 



" P. anhinga, L. = id., Cab in Schonib. Reis. = id.,Schlegal, 
Mus. P. B. = U AnJiinga de Cayenne, Buff. = AnJiiuga 
anJiinga. 

(^ Ged. het brocdseizoc». Over het algemeen glanzend groenachtig zwart, achter- 
kop en nek met verspreide gtijsachtige pluimen ; bovenriig met talrijke lange, zilver- 
achtige witte vlekken ; kleinere vl.dekv. gevlekt als de rug ; zichtbaar gedeelte der 
middelste en grootere vl.dekv. zilvergrijs; staartp. met witachtige tippen; de buiten- 
vlag der middelste paar vederen sterk geribd ; aantal staartp. twaalf; bovensnavei 
grauwachtig olijfkleurig, de randen geel; ondersnavel helder geel, de randen en tip 



PLOTUS. 



69 



groenachtig ; naakte huid om de oogen, blauwachtig groen ; keelzak helder oranje- 
kleurig, tarsus en teenen olijfgrauw van voren, het achtergedeelte en de zwem- 
vliezen geel ; iris helder karmijnrood. Na het broedseizoen. Zonder grijsachtige 
pluimen aan kop en nek ; iris strookleurig (ten minste bij exemplaren in Suriname 
gecollecteerd is dit het geval). $ Ged. het broedseizoen. Als (ƒ, maar de kop, 
nek en borst grijsachtig, bruingeel ; bovenkop donkerder ; borst lichter met een 
kastanjekleurigen band nabij het zwart v. d. buik ; zijden v. d. bovennek met enkele 
verspreide witachtige 
pluimen ; iris lichter 
rood. § Na het broed- 
seizoen. Zonder wit- 
achtige pluimen aan 
kop en nekzijden. Joftg 
als broedend $ , maar 
het zwarte gedeelte van 
het vederkleed bruin- 
achtig, /ong in dons. 
Geheel geelachtig over- 
gaande in wit aan 
schouders, vleugels en 
ond.d. L. 90, vl. 35, 
st. 28, tars. 3.8, culm. 
8.5. Geogr. dist. Tro- 
pisch en subtropisch 
Amerika. Lok. dist. 
Vooral de lagere stre- 
ken. 

Begroeide 
zwampkanten, 
kreken enz; vor- 
men de uitge- 
zochte verblijf- 
plaatsen der sta- 
tige, eigenaardi- 
ge, onmiskenbare 

Anhingas, eng. Anhingas, fr. Anhingas, die tamelijk talrijk, 
vooral in de lagere streken der kolonie voorkomen en hier 
bekend staan als Gewone Duikelaars, bij de Arowakken als 
Koedoewa, bij de Caraïben Kalawa en bij de Warrau's Majo. 
De mannetjes zijn helderder van tint dan de wijfjes. De bruin- 
achtige jongen dragen het volkomen kleed eerst na drie jaren. 




Poot van Piot lis aniii'nga. 



70 



ANHINGID^. 



Gewoonlijk ziet men A. bij paren of eenzaam op een boom- 
stronk of afhangenden tak langs het water zitten, onder het 
heen en weder bewegen hunner lange, slangachtige halzen. 
Nadert er gevaar, en is het water nabij, dan laten ze zich 
vlug en onhoorbaar zinken, duiken en zwemmen snel onder 
de oppervlakte, terwijl hunne halzen en zeer kleine koppen 
als slangen boven het water uitsteken, 

In boomen verrast, laat de A. zich loodrecht naar beneden 
in het water vallen en verbergt zich, evenals een Moerasduiker 
tusschen het struikgewas langs den oever of vliegt ook wel in 
de hoogte en zeilt er rond als een Gier. 

A. zwemmen met uitgespreide staarten, flunne als een touw 
uitziende en even buigbare halzen kronkelen ze naar alle 
richtingen en gelijken zoodoende wel wat op „half vogel, half 
slang". Onder water vervolgen A. met groote snelheid kleine 
visschen, die hun hoofdvoedsel uitmaken en zwemmen dan met 
ingetrokken halzen tot dicht in de nabijheid der prooi. Als 
een lans of spies wordt nu de kop met den spitsen, aan het 
eindgedeelte van inkervingen voorzienen snavel, vooruit gewor- 
pen en door de vervolgde prooi heen gedreven. 

Op het land waagt de A. zich zelden. Ontmoet men hem 
daar, dan rekt hij den hals uit en vliegt regelrecht naar het 
water toe, om er snel onder te duiken, enkele minuten onder 
de oppervlakte te vertoeven, alvorens lucht te komen scheppen 
en dan oogenblikkelijk weer te verdwijnen. 

De jacht op A. is dan ook zeer moeielijk, want de gewonde 
vogel ontsnapt in den regel ; het schot moet dus doodelijk 
zijn, hetgeen zeer moeielijk gaat, wijl alleen de lange hals en 
de kleine kop van den zwemmenden vogel als mikpunt kan 
dienen. Tevens zijn A. zeer schuw en nemen reeds op grooten 
afstand van een naderenden jager, de vlucht. Over het alge- 
meen zijn ze ook volstrekt niet luidruchtig en laten slechts 
zelden een kort gekras of liever gegurgel hooren. 

A. A. broedt in N. -Amerika, van af Maart tot Mei en in 
Suriname gedurende het kleine regenseizoen. De uit takjes, 
wortels, mos, enz. gemaakte nesten, worden geplaatst soms 
laag bij den grond, gewoonlijk echter in hooge boomen, maar 



PHALACROCORACID.^i. 7 1 

dikwijls ook in de nabijheid of tusschen de reigerkoloniën. 

De 3 tot 5 eieren zijn lang ovaal, licht blauwachtig groen 
en overdekt met een dunne zachte kalklaag. M. Afin. 53 X 
34 m.M. 

De exemplaren varieeren niet veel. 

Beide seksen broeden. De jongen worden hulpeloos geboren. 



Familie der PHALACROCORACIDzE. 

KORMORANTEN. 

Kormoranten, Waterraven of Aalscholvers, eng. Cormorants 
or Shags, fr. Cormorants, worden in alle deelen der Wereld 
aangetroffen, maar vooral langs de Westkust van N.-Amerika 
en Australië. Van de 36 bekende soorten komt slechts een 
soort in de Guiana's voor. 

K, worden gekenmerkt door krachtige, moderaat lange, 
aan het uiteinde sterk gehoekte, sub-cylindrische snavels zonder 
inkervingen aan de snijranden, korte pooten met zijdelings 
samengedrukte tarsi, lange, maar krachtige halzen en moderaat 
lange, spitse vleugels; de slagp. zijn stijf en sterk, de eerste 
en tweede over het algemeen korter dan de derde; de neus- 
gaten zijn rudimentair; de keelzak is naakt van voren; de 
ronde staart bestaat uit 12 tot 14 stijve pennen; een dikke 
laag vet bedekt het vleesch; de huid is tamelijk dik, aan den 
hals zeer elastisch, hetgeen de insHkking van groote prooi 
toelaat; het vleesch wordt over het algemeen niet gegeten. 

In hchaamsgedaante gelijken K. eenigzins op Eenden, vooral 
in hun krachtige vlucht, hoewel ze zelden ver boven de opper- 
vlakte van het water vUegen. Hun vederkleed is in den regel 
zwart van kleur met een mooie glans, maar varieert sterk in tint, 
al naar gelang van het seizoen. Beide seksen gelijken elkander 
in kleur, maar de jongen dragen doorgaans een verschillend 
vederkleed. De kuikens worden geheel naakt geboren; hun 
huid ziet er dan uit als zwart leder. 

K. zijn groote lekkerbekken en gulzigaards. Hun voedsel. 



-2 PHALACROCORACID.E. 

vooral visschen, vergaren ze door van een lagen tak of van 
de wateroppervlakte af, te duiken en snel zwemmende onder 
het water hun prooi aan te grijpen ; de haak aan het snavel- 
uiteinde doet dan denzelfden dienst als de inkervingen aan 
de snijranden bij andere Stcganopodcs. 

Vroeger werden K. in Europa tot de vischvangst afgericht. 
Thans doet men dit alleen nog in China. 

K. bewonen bij voorkeur zeekusten, maar worden ook dik- 
wijls ver in het binnenland waargenomen. Ten allen tijde 
leven ze in troepen en broeden in groote koloniën, dikwijls 
te zamen met andere Zeevogels. Zij hebben veel te lijden 
van de aanvallen der Zeeroofvogels, die, naar men zegt, zoowel 
de jongen als de eieren verslinden, het nestmateriaal wegdragen 
en ook de K. zelve van hun rechtmatige prooi berooven. 

In de nesteik oloniën der K. riekt het lang niet aangenaam, 
daar de vogels de gewoonte hebben, hoopen visch naar hunne 
nesten toe te dragen of den inhoud hunner magen uit te braken. 

De nesten, bestaande uit takjes, twijgen, waterplanten, zee- 
wier, enz., worden zoowel op den grond als in boomen gebouwd. 
De 3 tot 5 eieren zijn ovaal, zelden elliptisch; de grondkleur 
is blauwachtig, maar geheel overdekt met eene witte kalklaag, 
die gaandeweg gedurende de bebroeding afslijt of vuil wordt. 
Enkele exemplaren hebben in het geheel geen kalk over de 
schaal. 

Beide seksen broeden en voeden elkander onder het zitten. 



Species. 

PHALACROCORAX, BRISS 

^ P. vigua, Vieill. = Le Fo2c brun de Cayennc, Dmib. = 
Halicus brasiliamcs, Cab. in Schovib. Reis. = Grac2ilus brasili- 
anus, Schlegal, Mus. P. B. 

(^' Ged. het broedseizoeit. Kop, nek, onderrug, stuit, dekv. bov. d. st. en ond.d. 
glanzend zwart ; bovenrug, vl.dekv. en schoudervederen lang, dun en donker asch- 
kleurig met smalle zwarte zoomen ; slagp. \\ d. isten rang bruinachtig zwart ; slagp. 



PHALACROCORAX, 



73 



V. d. 2den rang min of meer donker aschkleurig ; staartp. zwart ; naakte huid aan de 
keel met een witte band, bijna tot de oogen reikende ; een bosje witte pluimen aan 
elke zijde v. d. kop boven de ooren ; een min of meer onregelmatige wenkbrauw- 
streep van witte pluimpjes van af de knevelvlekken ; een paar verspreide witte 
pluimen en vederen aan den nek; staart bestaande uit 12 pennen. O Iets kleiner. 
Jn7ig. Veel bruiner dan ad. ; vederen naast de naakte keel witachtig, overgaande 
in lichtbruin aan nek en borstzijden, en donkerder aan middenborst en buik ; slag- 
en staartp. zwartachtig, puntig en omzoomd aan de uiteinden met bruinachtig wit. 
Zeer jonge individuen zijn nog bruiner en hebben de kopzijden, keel en het voor- 
gedeelte v. d. nek zuiver wit ; overige ond.d. hetzelfde, maar het midden van vele 
der vederen lichtbruin. Ad. Na het broedseizoeti. Zijden en voorgedeelte v. d. 
kop, alsmede nek en borstzijden, bruiner ; geen witte band aan de naakte keel en 
geen witte pluimen aan kop en nek; snavel bruinachtig hoornkleurig, culmen 
donkerder ; naakte keel vuil geel ; iris donkerblauw. Bij vogels in het volkomen 
kleed zijn ten allen tijde de zijden van den snavel ruw, maar vooral is dit het 
geval gedurende het broedseizoen. L. 75—70, vl. 30.3 — 26.3, st. 17.5 — 16, tars, 
5-3 — 5> culm. 5.5 — 4.8. Geogr. dist. Oost en Westkust \an Zuid- en Centr. 
Amerika, westwaarts tot Texas. Lok. dist. Waterrijke streken. 

De Braziliaansche Kormorant, eng. Brazilian Cormorant, 
fr. Cormorant de Brésil, heet in de kolonie Blaka Doiklari, 
d. w. z. Zwarte Duikelaar, maar staat bij de Indianen onder 
dezelfde benamingen bekend als de Anhinga. 

Langs de zeekust treft men B. K. zeldzamer aan dan in 
het intermangrove terrein of de hoogere alluviale gronden, waar 
ze bij troepjes te zamen leven en gewoonlijk zitten op rotsen in 
het water of op boomen 
langs den oever. 

B. K. bemachtigen hun 
prooi niet door vliegen, maar 
wachten tot een visch voorbij 
zwemt. Dan dalen ze snel 
neder, duiken en vervolgen ^op van Pkaiacrocora.r vi^ua. 

de prooi onder water. Alleen 

het opvliegen valt den B. K. moeielijk. Van het water of de 
rots af, kan hij niet in de lucht stijgen ; daartoe is eerst een 
aanloop noodig. De vogel stoot met zijne groote zwemvliezen 
naar achter toe, rekt den hals uit, klapt met de vleugels en 
schiet dan vooruit. Onder het opvliegen raken de staartvederen 
zoowel als de vleugels en pooten het water, waarin een lange 
zog of vore gevormd wordt. 




74 



PELECANID.E. 



Evenals Reigers enz. scharen de individuen van een troep K. 
zich in de vlucht in den bekenden V vorm. Hun geluid klinkt 
even krassend en onaangenaam. Alle zijn uiterst schuw en 
worden zelden door inlandsche jagers bemachtigd. 

Evenals Anhingas duiken B. K. gewond zijnde onder water 
of trachten zich tusschen de waterplanten aan den oever te 
verbergen, maar keeren zich ook dikwijls, tot het uiterste ge- 
dreven, met veel gehis tegen hun aanvaller en brengen met hunne 
gehoekte snavels vinnige beten toe; daarbij flikkeren hunne 
eigenaardige, zilverachtig groene oogen alsof er vuur in zit. 

P. V. broedt dikwijls in groote koloniën, meer zuidwaarts 
en aan de westkust van Z.-Amerika, vooral op rotsachtige 
eilandjes. Daar worden de uit takjes, zeewier, enz. samen- 
gestelde nesten, zoowel in boomen als op den grond gebouwd. 
De 2 tot ± eieren zijn tamelijk lang ovaal of elliptisch, blauw- 
achtig of groenachtig van grondkleur, maar geheel overdekt 
met een witte kalklaag. 

Af. A/m. 60 X 36 m.M. 

In Suriname nestelen B. K. op boomen langs het water en 
vervaardigen hunne nesten van stokjes, gras, enz. Beide seksen 
broeden. De mannetjes schijnen even talrijk als de wijfjes. 

N.B. In zijn werk over de Caura-rivier zegt !Mr. André dat hij op een groote 
zandbank myriaden B. K. zag zitten. Nooit had hij zoovele vogels te zamen op eene 
plaats gezien. 



Familie der PELECANID.^. 

PELIKANEN, 

Pelikanen, eng. Pelicans, fr. Pelicans, worden gekenmerkt 
door een krachtigen lichaamsbouw, groote vleugels, lange, aan 
het uiteinde platte, breede snavels, kleine neusgaten en enorme 
uitzetbare keelzakken : de pooten zijn tamelijk kort, de tarsi 
zijdelings samengedrukt; de korte staart bestaat uit 22 of 24 
pennen ; de huid is dik en aan den hals zeer elastisch, hetgeen 
de inslikking van groote prooi toelaat; de tong ontbreekt; 
een laag vet bedekt het lichaam ; het vleesch wordt niet gegeten. 



PELECANUS. 75 

Beide seksen gelijken elkander in vederkleed, maar de 
mannetjes zijn iets grooter dan de wijfjes. De jongen ver- 
schillen aanmerkelijk. 

Elf species zijn bekend, verspreid over de warmere deelen 
van den Aardbol. In Amerika komen voor 4 soorten, waarvan 
slechts een soort in de Guiana's wordt aangetroffen. 

P. leven bij troepen, vooral langs zeekusten. Hun voedsel 
bestaat uit visschen, die ze al zwemmende bemachtigen of van 
uit de lucht dalende en onder water duikende, vervolgen. 

Hun vlucht is krachtig, maar langzaam ; zes of zeven vleugel- 
slagen worden gevolgd door een kort vooruitzeilen, hetgeen 
al de vogels van een troep te gelijk doen. 

P. nestelen te zamen in groote roekeriën of koloniën, vooral op 
rotsachtige eilandjes. De nesten worden gebouwd op den grond 
of in lage boomen. De 2 tot 5 eieren zijn in den regel ellip- 
tisch, zelden ovaal, witachtig van kleur, maar geheel overdekt 
met een dikwijls ongelijke kalklaag. 



Species. 

PELECANUS, L. 

- P. fuscus, L. = ld., Cab. in Schomb. Reis. = id. Schlegal 
Mus. P. B. = Pelican brun d'Amerique, Daub. 

Ad. Ged. het hrofdseizoeii (Febr.—Aug.) Korte, stijve pluimpjes aan den bovenkop ; 
kuif, een plek aan bovenborst en bovenzoomen v. d. keelzak stroogeel ; lijn aan 
elke zijde der borst wit; achterkop, nek en een plek aan den voornek varieerend 
roodachtig bruin tot bijna zwartachtig ; bov.d. en zijden zilverachtig grijs, de vederen 
met bruinachtig zwarte randen ; schoudervederen, vl.dekv., slagp. v. d. 2den rang 
en staartp. zilverachtig grijs; slagp. v. d. i^ten rang zwart; ond d. donker zwart- 
achtig bruin, gestreept met wit; aantal staartp. 22; snavel grijsachtig, getint met 
bruin en met onregelmatig karmijnroode vlekken ; tip v. d. boven en endhelft v. d. 
ondersnavel zwartachtig ; naakte plek om de oogen blauw ; keelzak dof groenachtig 
bruin of olijfbruin ; pooten zwart; iris geelachtig. Na het broedseizoen. Achterkop 
en geheelen nek wit, min of meer stroogeel getint. Jong. Als ad., maar de kop en 
nek grijsachtig bruin en het overig vederkleed bruiner en doffer van tint ; ond.d. 
wit getint met bruinachtig grijs aan de zijden en van achter. L. 132—124, vl. 



76 



PELECANID^. 



55 — 50, st. 15 — 14-5, tars. 7.5 — 7.3, culm. 33 — 29. Geogr. dist. Atlantische kust 
van subtropisch en tropisch Amerika tot de Guiana's. Lok. dist. De kust2oom. 

Bruine Pelikanen, eng. Brown Pelicans, fr. Pelicans bruns, 
zijn meermalen reeds in de Guiana's aangetroffen, maar be- 
hooren hier niet tot de inheemsche soorten, veeleer tot de 
onregelmatige trekvogels. In groot aantal komen ze echter 
voor meer noordwaarts op de noordelijke West-Indische Eilanden 
tot aan de kusten van Florida. 

Gewoonlijk ziet men B. P. in troepjes van vier tot acht 




Kop van Pelecaiitis fnscus. 



individuen. De eene vogel vliegt achter den ander, dicht langs de 
kust en bij de oppervlakte van het water. Alle vergaren hun 
voedsel door duiken, jagen bij paren of troepjes, zwemmend 
of vliegend heen en weder en zijn in staat visschen van bijna 
een halven Meter aan te pakken. Gewoonlijk echter bemach- 
tigen B. P. eene kleinere prooi en dragen die dan rond in 
hun elastischen keelzak, totdat de jacht is afgeloopen. Hun 
geluid klinkt onaangenaam en gurgelend of hissend. 

P. F. broedt van af Februari tot Augustus, in groote koloniën 
van dikwijls duizenden paren. Elk jaar keeren de vogels ge- 



fregatid.ï;. 77 

regeld naar deze nestelplaatsen, vooral eilandjes, terug; en dat 
niettegenstaande ze regelmatig elk jaar door jagers beroofd 
worden van hunne jongen en eieren; vooral laatstgenoemden 
zijn, naar men zegt, zeer lekker en brengen goede prijzen op. 
De eieren zouden gebruikt worden, te zamen met die van 
andere Zeevogels, tot het maken van beschuit in het groot. 

De nesten bestaan uit takjes, twijgjes, gras enz., geplaatst 
op den grond of in lage boomen. 

De 2 tot 5, doorgaans echter 3 eieren, zijn wit, roomkleurig 
of blauwachtig wit, maar geheel overdekt met een dikke, 
gewoonlijk min of meer bevuilde ruwe kalklaag. 

M. Afin. 75 X 49 rn.M. Beide seksen broeden. De oude 
vogel voedt de jongen door braking. Hij drukt daarbij den 
gevulden keelzak tegen de borst, hetgeen, gepaard met den 
rooden snavel, aanleiding heeft gegeven tot de veronderstelling 
dat de Pelikaan zijne jongen met bloed uit de borst voedt. 

De nestelkoloniën der B. P. kan men reeds van verre ruiken, 
daar de vogels de gewoonte of liever het ongemak hebben, 
den inhoud hunner magen uit te braken. 



Familie der FREGATID^. 

FREGATVOGELS. 

Slechts 2 soorten Fregatvogels, Fregat-Pelikanen, eng. Man 
o' War Birds or Frigate Pelicans, fr. Frégates, zijn bekend, 
verspreid over bijna alle tropische en subtropische zeeën. 

Beide species worden gekenmerkt door een slanken lichaams- 
bouw, krachtigen hals, matig grooten kop, langen, krachtigen 
gehoekten snavel, korte, bij den voetwortel bevederde pooten, 
uiterst lange, spitse vleugels en diep gevorkten staart, bestaande 
uit 12 pennen. De groote keelzak is geheel naakt; de zwem- 
vliezen tusschen de teenen zijn diep ingesneden; de eerste 
slagpen overtreft de overigen in lengte; de huid aan den hals 
is elastisch; een laag vet bedekt het lichaam; het vleesch 



y3 freCtATID^. 

wordt over het algemeen niet gegeten, omdat het te tranig is. 
Beide seksen verschillen eenigszins in vederkleed en afmeting. 
De jongen komen overeen met de wijfjes. 

F. bewonen uitsluitend zeekusten, hoewel enkele exemplaren 
dikwijls ver in het binnenland worden waargenomen. Naar ver- 
houding van hun grootte, hebben F. de langste vleugels en 
behooren tot de allerbeste vliegers. Zoo groot is hun vermogen 
in dit opzicht, dat ze soms uren lang met den kop naar den 
wind gekeerd, op hunne uitgespreide vleugels, bijna onbe- 
wegelijk kunnen zweven, hoog in de lucht boven de stormen 
stijgen of zich honderden kilometers zeewaarts verwijderen om 
evenwel des namiddags geregeld naar de kust terug te keeren. 

Denkelijk kunnen F. zeer goed zwemmen. Maar behalve 
Audubon, heeft nog niemand dit gezien. Eiken morgen alvorens 
zich zeewaarts te begeven, zouden ze een bad nemen in zoet water. 

F. vergaren hun voedsel, vooral visschen, door van uit de lucht 
naar omlaag te schieten. Zij vervolgen ook wel andere Zee- 
vogels, hen noodzakende hun prooi op te geven, die dan in 
de lucht opgevangen en opgeslokt wordt, 

F, leven gewoonlijk in troepen en nestelen in koloniën, 
vooral op rotsachtige eilandjes, dikwijls te zamen met andere 
Zeevogels, zooals Kormoranten enz., die ze dan van hun nest- 
materiaal berooven en de jongen, naar men zegt, ook verslinden. 

De schotelvormige nesten worden gewoonlijk op lage boomen 
of in het struikgewas geplaatst. Het wijfje legt maar één 
kalkachtig wit ei, dat in vorm varieert van af stomp ovaal 
tot elliptisch. 



Species. 
PREGATA, BRISS. 

F. aquila, L. = id., Schlegal, Mus. P. B. = La Fregate, 
Buff. = La grande Fregat e de Cayennc Daiib. = TacJiypctes 
aquila, Cab. in Schotnb. Reis. 

,-ƒ' Geheel zwart, ond.d. min of meer bruiner, de vederen aan kop, bovenrug 
en schouders lang en puntig, met een metaalgroenen en roodachtigen purperglans ; 



FRECtATA. 



79 



aantal staartp 12; snavel licht purperachtig blauw, wit in het midden, de gehoekte 
lippen grauw ; bek van binnen karmijnrood ; keelzak scharlaken of oranjerood ; 
naakte plek bij de oogen purperblauw ; pooten licht karmijnrood van boven en 
oranjerood van onder ; iris donkerbruin. (J. J. Aud.) ':^ Eenigszins grooter ; kopve- 
deren korter en bijna zonder glans ; rug en schoudervederen eenigszins verlengd en 
bijna glansloos ; achternek donkerbruin; hals, borst en buikzijden zuiver wit; 
kleinere en middelste vl.dekv. bruin met lichtere zoomen en donkerder midden ; 
overig vederkleed als het mannetje; snavel blauwachtig hoornkleurig; keel en 
oogomtrek donker loodkleurig met een violet tintje ; pooten karmijnrood ; iris 
donkerbruin. Jong. Kop, nek, borst en buik wit; overigens als het wijfje ; snavel 
hoornkleurig, basis donkerder; naakt keelvel lavendelkleurig; pooten licht roseachtig 
blauw ; iris donkerblauw. Pas uitgebroed jong. Bedekt met zuiver wit, poeder- 
achtig dons. L. JOG, vl. 60 — 64, st. 3Ó — 42, tars. 1.8 — 2.5, culm. 10 — 12.5. 
Geogr. dist. Tropische en subtropische zeeën, hoofdzakelijk ten noorden v. d. 
Equator. Lok. dist. De zeekust. 

Slecht.s anderhalve kilogram zwaar, bezit de Fregatvogel, 
eng. Frigate Bird, fr. Grande Frégate, eene vleugeluitspreiding 
van ongeveer vier en twintig decimeters. 

In de West-Ind. Eil. staan 
deze eigenaardige, onmisken- 
bare Zeevogels bekend als 
Orkaan vogels, Hurricane Birds, 
omdat zij, naar men beweert, 
voor een storm uitvliegen. Voor 
hen bestaat geen afstand en 
hoewel hunne broedplaatsen binnen de tropen zijn gelegen, 
worden velen evenwel in bijna alle oceanen van den Aardbol 
aangetroffen. Zij vliegen, naar men beweert, naar rato van 
300 mijlen per uur. 

Het ontbreken van rotsachtige eilandjes langs onze kusten, 
is denkelijk een der redenen, waarom F. onze zeeboorden 
schijnen te mijden. Toch behooren ze tot de avifauna der Guiana's, 
want reeds meerdere exemplaren zijn hier gezien en gecollecteerd. 

Ook Schomburgck maakt melding van honderden Fregat- 
vogels, die tegen den avond op een zandbank langs de kust 
van Eng. Guiana te zien waren en die denkelijk den nacht in 
de boomen van het nabij gelegen woud doorbrachten. Maar 
nestelplaatsen zouden daar evenmin bestaan. Ook langs de 
-kusten van Cayenne treft men F. aan. 




Snavel van den Fregatvogel ]•'> rgafa aqidla. 



öo fregatid.ï;. 

Aleer noordwaarts broeden F. bij honderden paren, vooral 
op de Bahamas, gedurende de maand Maart. De zeer platte 
nesten van takjes, twijgen, enz. worden geplaatst in lage 
boomen of op den grond. Deze nesten zijn niet grooter dan 
gewone borden en bevatten in den regel slechts een enkel 
ei van een min of meer ovalen vorm en zuiver kalkachtig 
witte kleur. J/. Afm. 6g X 47 m.M. 

In de nestelkoloniën der F. heerscht een sterke stank, die 
reeds op grooten afstand kan waargenomen worden. Beide 
seksen broeden. De jongen worden hulpeloos geboren. 



ANATIDJE. 



Orde V. ANSERES. 

LAMELLiE-SNAVELIGE ZWEMVOGELS. 

Deze orde omvat slechts een familie. Ongeveer 50 fossiel- 
soorten zijn bekend. 



Familie der ANATID^. 

EENDACHTIGEN. 

De geographische distributie der Eendachtige vogels, eng. 
Ducks, Geese, Swans, fr. Canards, Oies, Cygnes, omvat de 
geheele wereld. Vooral in de warme en gematigde streken 
komen de meeste en grootste van de ongeveer 200 bekende 
soorten voor. In de koude streken zijn de troepen van eene 
soort echter veel grooter. Tot de fauna van Amerika worden 
gerekend ongeveer 100 species, waarvan 12, gerangschikt onder 
9 genera en 3 subfamiliën, de Guiana's bewonen. 

Uitgezonderd misschien een enkele soort, behooren alle hier 
tot de broedvogels. 

Van de typische onderfamiliën der Zwanen Cygnina, Ganzen 
AiiserïncB, Zaagbekken Mergiiicc, zijn tot nu toe geen species 
uit de Guiana's bekend. 

Alle E. hebben een zwaren lichaamsbouw en een langen, 
tamelijk dunnen cylindrischen hals. De huid is dun en spons- 
achtig, maar volstrekt niet elastisch. Vooral de halshuid is stijf 
en strak, hetgeen maakt dat E. niet in staat zijn, eene groote 
prooi in te slikken, maar genoodzaakt met hun eigenaardig daar- 
toe ingerichten snavel, den modder te siften ; voorwerpen boven 

6 



82 ANATID^, 

eene zekere grootte of hardheid, worden niet opgeslokt. Beide 
seksen geHjken elkander, maar bij vele soorten dragen de 
mannetjes een eenigzins verschillend broedcostuum. De jongen 
komen nogal overeen met de wijfjes; toch hebben velen een 
eigen karakteristiek vederkleed. 

Bij het prepareeren van E. moet de kophuid altijd open- 
gesneden worden. Die kop is niet zoo erg groot, maar schijnt 
zoo in verhouding tot den dunnen hals. De snavel is niet 
langer dan den kop, doch dik, plat en met uitzondering van 
een meer hoornachtig gedeelte in het midden van de spits, 
bedekt met een weeke, zeer gevoelige huid, terwijl de zijranden 
bezet zijn met dicht bijeenstaande tandjes of d warsplaatjes. 
De tarsi zijn kort, de voorteenen door zwemvliezen verbonden. 
Verder komt aan de min of meer naar achter van het lichaam 
geplaatste pooten, een vrije duim voor. De vleugels zijn vol- 
doende ontwikkeld ten einde een vrij snelle en lange vlucht 
te veroorloven, die vergezeld gaat van talrijke luide, flap- 
perende vleugelslagen ; de snelheid ervan wordt geschat of 
liever overschat op loo tot i6o mijlen per uur. 

Gedurende de vlucht rangschikken de individuen van een 
troep zich in den vorm van een V. De eerst-vliegende vogel 
wordt meermalen door een ander vervangen, omdat naar men 
beweert, hij gauw vermoeid raakt, evenals de boeg van een 
schip meer te lijden heeft dan de zijden of de achtersteven. 
Toch schijnen E. niet veel van vliegen te houden en verlaten 
hunne voornaamste verblijfplaatsen, begroeide waterkanten of 
moerassen, alleen in uitersten nood. 

Hun voedsel bestaat uit kleine vischjes, wormen, weekdieren, 
insecten en plantenzelfstandigheden. De meeste soorten bevoelen 
onder het voeden den zachten modder onder water. De tandjes 
aan de snavelranden doen dan dienst als zeef, want door den 
bek te sluiten, wordt de modder uitgeperst, terwijl de insecten, 
weekdieren enz. er in achterblijven. Vele soorten voeden zich 
zoowel bij dag als des nachts. 

Door hun dicht olieachtig, voor water ondoordringbaar veder- 
kleed, drijven E. evenals kurken op het water. Alle zwemmen 
en duiken met groote snelheid, enkele Zee-eenden zelfs tot eene 



ANATID^. 83 

diepte van honderd en vijftig voet. Daarbij schudden ze hun 
lichaam, maar vooral hun staart, heen en weder, zoodat de 
waterdruppels naar alle richtingen heen vliegen ; op het land 
daarentegen loopen E. slecht en met een waggelenden gang. Hun 
geluid klinkt als een min of meer sterk gehis en gesnater. 
Onder het vliegen echter, vooral des nachts, klinkt het aan- 
genamer en meer fluitend. De individuen van een troep beant- 
woorden elkander met tusschenpoozen. Dikwijls schijnt het 
of ze eene conversatie houden en elkander verstaan ; alle 
zijn nogal schuwe vogels. 

In de lagere streken van Suriname komen E. veel talrijker 
voor dan in de binnenlanden. Dit vooral gedurende het droge 
seizoen langs de zeekust, waar de jacht op deze watervogels 
een bestaan voor vele inlanders vormt. Jammer echter dat die 
geschiedt juist gedurende en kort na het broedseizoen. 

Onze E. zijn nooit heel vet. Toch smaakt hun vleesch zeer 
lekker, hoewel het nogal donker van kleur is. 

E. nestelen op den grond of in holle boomen. De nesten 
worden vervaardigd uit gras, waterplanten alsmede dons, door 
het wijfje van hare borst afgerukt. Het aantal eieren per legsel 
is soms zeer groot, van af 6 tot 20 stuks. In den regel zijn 
de schalen dun, glad en fijn van korrel, doch tevens zeer hard. 
De soorten van de geslachten Erismatura en Noruo7iyx leggen 
echter eieren met ruwe schalen, die er ook in verhouding 
tot den vogel, tamelijk groot uitzien, terwijl de overige E. 
nogal kleine eieren leggen. 

Alle eendeneieren zijn ongevlekt, wit, licht roomkleurig, 
groenachtig enz. De vorm varieert van af rond tot elliptisch, 
in den regel echter ovaal. 

De broedtijd duurt bij de groote soorten ongeveer vier weken, 
bij de kleinere denkelijk minder. Voor zoover schrijver kan 
oordeelen, broeden bij vele species alleen de wijfjes. De jongen 
staan in Suriname bekend als Pakie-pakies ; alle kunnen van 
af hun geboorte reeds goed loopen, zwemmen en duiken. 

Bij enkele soorten komen de mannetjes talrijker voor dan 
de wij^es, bij andere weer schijnt het aantal van beide seksen 
^oowat gelijk. 



84 ANATID.^:. 

Het is een welbekend feit, dat vele E. -soorten in het wild 
onderling paren en bastaarden voortbrengen, die echter niet 
bij machte schijnen, hun geslacht voort te planten. In Suriname 
heeft schrijver nooit een dergelijk geval opgemerkt. En dat 
niettegenstaande de meeste onzer E. te zamen in een pan leven. 
Alleen in tammen staat paart de Boschdoks wel eens met de 
gewone Kwakwa. Deze laatste is de afstammeling van de 
ingevoerde gewone Eend van Europa, Arms bosclias. De 
bastaarden van beide species leggen wel eieren, maar broeden 
die nimmer uit. 

Subfamiliën. 

A. Voorgedeelte v. d. kop voor de oogen bij het mannetje met groote rose- 
roode of vleeschkleurige caruncles en de bovenkop versierd met een groote kuif; 
verschil in grootte tusschen beide seksen zeer opmerkelijk. 

.... PLECTROPTERIN^. 

B. Voorgedeelte v. d. kop enz. zonder caruncles enz. ; verschil in grootte 
tusschen beide seksen niet zoo opmerkelijk. 

„Staart normaal; achterteen zonder vlies of lob. 

ANATINyE. 

„Staart abnormaaal, de rectrices (dikwijls 24 in aantal) smal 
en stijf, de wortels bijna niet bedekt door de korte dekvederen;, 
achterteen met vlies of lob. 

ERISMATURIN.E. 



Subfam. der PLECTROPTERIN^. 



species. 

CAIRINA, FLEMING. 

- C. moschata, L. = id., Cab. in Schomb. Reis. = Canard 
musque, B2iff^.=-id. Daub. ■=^Ai2as 7noschata, Schlcgal, Mus. P.B- 

(^' Kop, nek en ond.d. glanzend brainachtig zwart ; bov.d. glanzend metaal- 
achtig, zwartachtig groen met een purperglans van voren en aan de stuit; vl.dekv. 



CAIRINA. 85 

van boven en van onder geheel zuiver wit; naakt gedeelte langs den voorkop enz., 
vleeschkleurig, helder rood of licht bloedrood bij levende exemplaren ; snavel zwart; 
gevarieerd met rood; pooten zwart; iris bruin. O Veel kleiner in afmeting ; geheel 
bruinachtig zwart, uitgezonderd enkele der bovenste grootere vl.dekv., die wit zqn ; 
bov.d. met een metaalachtig groenen en purperkleurigen glans ; geen caruncles aan 
den kop. lm. Ongeveer hetzelfde, maar het gevederte veel minder glanzend ; vl.dekv. 
bruinzwart. Jong. Ongeveer als im. maar elke veder der ond.d. met een bruine 
vlek en geelachtige of witachtige zoomen. Joiig in dons. Min of meer geelachtig 
van kleur. 

N.B. Bij beide seksen verschilt het wit aan den vleugel zeer in oppervlakte. 
Enkele mannetjes hebben slechts heel weinig. 

Boschdoksen geheel zonder wit heeft schrijver niet gezien. Toch zouden zij 
volgens jagers in Suriname te vinden zijn. 

L. 90, vl. 40, st. 22.5, tars. 6, culm. 6.3. Geogr. dist. Tropisch Amerika. Lok. 
dist. De geheele kolonie, maar vooral de lagere streken. 

Bizameenden, Boschdoksen of Muskuseenden, eng. Muscovy 
Ducks, fr. Canards musqués, de allergrootste onzer Eenden 
kunnen dadelijk uitgemaakt worden aan de helder roode lellen 
of kralen aan den kop der mannetjes, die tevens veel schooner 
van kleur en wel een derde grooter zijn dan de wijfjes. Bij 
geen andere vogelsoort is het verschil tusschen beide seksen 
zoo opmerkelijk. Een volwassen mannetje weegt ongeveer 4 
of 5 kilogram, een wijfje zelden meer dan 3.5. 

In de kolonie heet de B. Boesi-doksi (van het engelsche 
Bush-ducks), bij onze Holla.ndsch sprekende bevolking Bosch- 
doks, bij de Aro wakken leva, bij de Caraïben Opono en ^bij 
de Warrau's Oumee. 

B. bewonen zoowel de zeekust als binnenlandsche wateren, 
maar worden door watergebrek gedurende het droge seizoen 
teruggedreven naar het terrein der mangroven, soms in zeer 
groote troepen van vijftig en meer individuen, gewoonlijk 
echter veel minder. In de lagere streken langs de kust zijn 
de troepen veel grooter dan in de hoogere streken, waar 
vluchten van boven de 6 of 8 individuen zeldzaam voorkomen, 
maar dikwijls treft men ook eenzame individuen of paren aan. 

Vlug duiken en zwemmen B. langs de rivieroevers en be- 
groeide waterkanten. Op het land loopen ze langzaam met 
een waggelende gang, de een na den ander in een eenigszins 
kronkelende lijn. Waar de eerste gaat, volgen al de overigen. 



86 ANATID^. 

Vooral het mannetje laat daarbij een gestadig gehis hoeren. 
Bij nadering van gevaar nemen de individuen van een troep 
naar alle richtingen de vlucht. 

Gedurende het heetste van den dag zoeken de B. koelte in 
het dichte struikgewas of riet langs den oever. Hun voedsel 
bestaande uit kleine visschen, insecten, kleine reptielen alsmede 
waterplanten, zaden en vruchten vergaren ze uitsluitend des 
morgens en gedurende den vooravond. Vooral op Houtluizen 
(Termites) schijnen B. zeer belust. Daar echter deze insecten 
tamelijk stevige nesten vervaardigen, moeten de vogels die 
eerst openbreken, en doen dit door met hun snavel er tegen 
te hameren. 

B. slapen des nachts in hooge boomen. Ook bij nadering 
van gevaar vliegen ze daar naar toe en wachten met gestrekte 
halzen en, evenals een weegschaal heen en weder schomme- 
lende lichamen, tot het gevaar voorbij is. Neemt dit echter 
toe, dan vliegen ze snel weg met krachtige, flappende vleugel- 
slagen. 

Gedurende het broedseizoen bevechten de woerden elkander 
met groote woede. De een zoekt den ander van zijne vrouwtjes 
te berooven. Het spreekt van zelf dat zeer krachtige indivi- 
duen op deze wijze een geheelen harem vergaderen. Toch 
gebeurt meermalen het tegendeel. Een woerd van betrekkelijk 
geringe kracht wacht dikwijls geduldig tot de sterkeren elkander 
goed hebben toegetakeld. Dan komt hij op het tooneel van 
den strijd en bemachtigt al de aanwezige wijfjes. Onder het 
vechten pakken de B. elkander beet bij de lelietjes aan den kop, 
slaan krachtig met de vleugels en rukken elkander de vederen 
uit. Zoo'n vleugelslag van een volwassen mannetje B. staat 
gelijk met een fiksen klap; de wang van een blanke kleurt 
zich rood door den slag. 

Gedurende het geheele gevecht, dat van een sterk gehis 
gepaard gaat, zwemmen de wijfjes rond alsof ze er niets mede 
te maken hebben Zij schijnen zich ook niet te onderwerpen 
aan hunne heeren en meesters en nemen meermalen gedurende 
het gevecht stilletjes de \'lucht. 

Waar B. talrijk voorkomen, zijn de waterkanten dikwijls 



CAIRINA. 87 

bedekt met een laag afgerukte vederen, die van verwoede 
gevechten getuigen. Schomburgck was een der eerste schrij- 
vers die deze opmerking- maakte, *) 

Bij onze jagers zijn die ontmoetingen wel bekend, omdat 
vooral gedurende dien tijd de jacht zeer loonend is. De B. 
schijnen dan door hunne driften alle vrees te verliezen. Hiervan 
wordt op de volgende wijze gebruik gemaakt: „Men bindt een 
wijfje, hetzij zelfs een tam exemplaar, aan een touw vast. Dan 
loopt de jager het terrein rond, nu en dan luid schreeuwende, 
ten einde de Eenden in den omtrek op te jagen. Na eenigen 
tijd keert hij terug, zeker zijnde eenige vechtende mannetjes 
bij het wijfje aan te treffen." Tot veertig, vijftig woerden of 
drekken {n. h. eng. drakes), die opmerkelijk talrijker dan de 
wijfjes voorkomen, kunnen op deze wijze in een dag bemach- 
tigd worden. 

Ook plaatst men soms een dooden B. op eene plaats waar 
men weet dat levende B. talrijk zijn te vinden. Die dalen 
dan zeker neder en worden de buit van den loerenden jager. 

Na of voor het broedseizoen zijn B. zeer schuw, maar worden 
door goede schutters heel gemak- 
kelijk bemachtigd. B. hebben nl. 
de gewoonte onder het vliegen 
veelal de kronkelingen van een 
kreek of zelf pad te volgen. 
Jagers in een boot verborgen, 
schieten zoo de nimmer hoog 
vliegende vogels één voor één ,. , . . 

'-' *-' Kop van tairina moschaia. 

neer. Schrijver kent z.g. ontwik- 
kelde en beschaafde menschen, die op deze wijze gedurende 
het broedseizoen zooveel Eenden schoten, dat zij die niet konden 
wegdragen. En dat niet uit geldgebrek of behoefte, maar uit 
loutere liefhebberij, z.g. sport of liever moord. Wat een ver- 
schil met den Indiaan, die alleen doodt om zich te voeden. 

Er bestaan tot nu toe in Suriname geen wetten, die den B. 
gedurende de voorttelingsperiode beschermen. Geen wonder 




*) Schomb. Reis in B. G. vol. 11, pag. 30. 



88 ANATID^. 

ook, dat wij deze schoon gekleurde Eenden in de laatste jaren 
in aantal zien verminderen : de troepen van honderden be- 
hooren nu in den omtrek van bewoonde plaatsen tot het ver- 
leden. Hiertoe draagt ook bij het feit, dat door de duurte van kruit 
en hagel, jagers zelden of nooit op oneetbare roofdieren schieten. 

Dikwijls plaatsen jagers op een weg, waar des morgens veel 
B. voorbijvliegen een tobbe met water. Daarachter wordt het 
geweer met den loop naar boven toe en de kolf tegen den 
grond aangedrukt, door den jager vastgehouden. Zoodra nu 
de kop van een voorbijvliegende eend in het water terug- 
gekaatst wordt, trekt de jager aan den trekker. Naar men 
beweert zouden zeer zelden misschoten plaats hebben, d. w. z. 
theoretisch. 

Boschdoksen zijn de oorsprong van de Osodoksies (Huis- 
doksen) Bizam of z.g. Turksche Eenden. Die kwamen niet uit 
Azië maar denkelijk uit Brazilië. In de kolonie worden ze wel 
aangekweekt, maar of dat afstammelingen zijn alleen van 
inheemsche vogels of wel van elders ingevoerden is onmoge- 
lijk uit te maken. Denkelijk moet de oorsprong gezocht worden 
in een combinatie van beide en wel om de volgende redenen: 
„Onder de tamme B. komt albinisme zeer dikwijls voor, hoewel 
velen niet van de wilde exemplaren te onderscheiden zijn. 
Vooral op de plantages is de afscheiding tusschem tam en wild 
nooit absoluut geweest. Integendeel vond „inter breeding" 
vrij plaats. Daar men zoo nu en dan onder wilde B. enkelen 
aantreft met eenig wit of zelfs bijna geheel wit vederkleed, 
kan gerust aangenomen worden, dat dit een gevolg is van 
„inter breeding" met de tamme vogels. Dit geheel of gedeel- 
telijk albinisme is niet in de kolonie ontstaan, maar denkelijk 
ingevoerd. Want op plaatsen waar geen tamme B. te vinden 
zijn, ziet men nooit albinisme bij de wilde vogels. Dit geschiedt 
alleen in den omtrek van bewoonde plaatsen, zooals plantages enz. 

Het vleesch van wilde B. smaakt lekker ; het is donkerder van 
kleur en minder vezelachtig dan dat van tamme vogels. Tamme 
exemplaren wegen ook over het algemeen eenigszins zwaar- 
der, hunne vleugelbeenderen zijn kleiner, hun vlucht daardoor 
moeielijker. 



CAIRINA. 



89 



Te oordeelen naar de wetenschappelijke naam vioschata 
bezit de B. een sterke muskuslucht. Dit is niet geheel bezijden 
de waarheid, hoewel aan het vederkleed, noch aan de lelietjes 
aan den kop, ten minste bij jonge Guiana-vogels, een spoor 
van muskusgeur te bespeuren valt. Heel oude individuen 
hebben echter een min of meer sterke geur. 

C. M. broedt gedurende het einde van den kleinen drogen 
tijd. Het nest bestaat uit dons, door het wijfje van hare borst 
afgerukt; het wordt geplaatst in holle boomen, of de kronen 
van palmen, ongeveer drie tot twintig meters van den grond 
af. Het aantal eieren per 
legsel bedraagt 10 tot 15 
of 20, gewoonHjk echter 
veel minder, daar de leg- 
gende vogel eenmaal be- 
roofd, zelden of nooit tot 
dezelfde plaats terugkeert, 
maar elders een veiliger 
nestelplaats opzoekt. 

De eieren varieeren 
niet veel. Bijna zonder 
uitzondering zijn ze 
ovaal, licht glanzend wit, 
met een groenachtig 
grijzen of licht roomkleurigen weerschijn. 

M. A/m. 69 X 47 m.M. 

In den regel zijn de schalen min of meer bevuild. De broed- 
tijd duurt vier weken. Alleen het wijfje broedt. Zoodra de 
jongen uitkomen worden ze door de moeder een voor een 
met haar bek naar den grond gebracht. Van af hun geboorte 
kunnen de jonge diertjes reeds goed zwemmen en volgen 
de moeder in het dichtste struikgewas. Den nacht brengen 
alle door op een omgevallen boomstam, enz. Nadert eenig 
gevaar dan laten ze zich, als op commando, met één plons 
in het Vv^ater vallen, zwemmen een eindje onder water en 
blijven dan doodstil het verloop der zaken afwachten. Bij dag 
laat de moeder, in gevaar, een eigenaardig geluid hooren. 




Eieren 



go ANATID^. 

De jongen verspreiden zich dan naar alle richtingen, terwijl 
de oude vogel wegvliegt om zoodra het gevaar geweken is, 
terug te keeren. 

Gedurende het broedseizoen zijn de voornaamste vijanden 
der B., niet zoozeer slangen, dan wel de in boomen levende 
roofdieren, zooals de Krabboedagoe Procyon cancrworus, de 
Veelvraten, Gallictis allainandi, G. barhara enz. Een algemeen 
verspreide vijand der jongen is de Sapakara, Salvator tcguixin. 

Tegen den grooten drogen tijd zijn de tamelijk opgegroeide 
jonge B. in staat voor zichzelf te zorgen, maar kunnen nog 
niet vliegen. In menigte worden ze dan te zamen met de ouden 
dikwijls in de rijstvelden aangetroffen. 



Subfam. der ANATIN.^. 

Genera. 

A. Kleiner vormen zonder verlengde halsvederen; vleugel korter dan 28 c.M. 

a. Ondergedeelte v. d. tarsus van voren met een rij overdwarse scutell?e. 

„Staartp. smal en spits, trapsgewijze gerangschikt voor minder 
dan een derde der totale lengte, of anders bestaande uit 14 vederen 
en de culmen korter dan de middenteen zonder klauw. 

x\NAS, L. 



„Staartp. smal en spits, trapsgewijze gerangschikt voor meer 
dan een derde der totale lengte, aantal rectrices 16 en de culmen 
langer dan de middenteen zonder klauw. 

DAFILA, STEPH. 

b. Ondergedeelte v. d. tarsus van voren zonder overdwarse scutella?. 

.... DENDROCYGNA, SWAINS. 

B. Grooter vormen met verlengde halsvederen; vleugel langer dan 28 c.M. 

ALOPOCHEN, STEJN. 



ANAS. 91 

Species. 
ANAS, L. 

' A discors, L. = id., Schlegal, Mus. P. B. = SarccUc de 
Cayenne ditte La soucroitriou, Daith et Bit ff. = Qiierqiiediila d. 

^' Kop en nek dof loodkleurig met een groote sikkelvormige witte plek voor 
de oogen ; een licliter metaalachtige purpergrijze glans aan de zijden v. d. achterkop; 
kruin zwartachtig ; ond.d. licht kastanjekleurig met zwarte vlekken; kleine en 
middelste vl.dekv. grijsachtig blauw ; end gedeelte der grootere vl.dekv. wit; speculum, 
groen. § [alsook (^' gedurende het hroedseizoe>2). Bov.d. zwartachtig, gevarieerd 
met licht geelachtig ; kop, nek en ond.d. dof bruinachtfg wit of licht geelachtig ; 
kop en nek (uitgezonderd kin en bovenkeel) met zwartachtige strepen ; ond.d. min 
of meer met dezelfde kleur gevlekt, de buik, (vooral bij jonge vogels) meermalen 
ongevlekt. Jong. Ongeveer als het wijfje, maar de buik ongevlekt en het speculum 
dof grijsachtig bruin zonder metaalglans. L. 36.3 — 40, vl. 17.5 — 18.8, tars. 3 — 3.3, 
culm. 3.5 — 4.2. Geogr. dist. Zont. N. -Amerika. Wint. AYest-Ind. Eil., Centr. 
Amerika en Noordelijk Z. -Amerika. Lok. dist. De kustzoom. 

Evenals de volgende soort, behooren de Blauwvleugel Talin- 
gen, eng. Blue winged Teals, fr. Sacrelles soucrouettes, tot het 
ondergeslacht Qucrquedula, Stepli. 

De schoudervederen en binnenste slagpennen zijn lang en 
spits, en bij de mannetjes gekenmerkt door geelachtige of vvit- 
achtige strepen. Aan eiken vleugel bevindt zich een duidelijke 
grijsblauwe of blauwe plek. 

B. F. heeten in de kolonie Blauwflei 
Anatjie, d. w. z. Blauwvleugel Eendjes, 
en bij de Indianen Wanelie. 

B. F. zouden tot de trekvogels be- 
hooren, maar worden niettemin het 
geheele jaar door in Suriname aan- ^op van Quc-gneduia dhcors. 
getroffen, het talrijkst echter gedu- 
rende de latere maanden (November en December). Tegen 
Februari neemt hun aantal gaandeweg af. Maar talrijk zijn de 
achterblijvers, die volgens jagers en visschers, hier ook broeden. 

In levenswijze verschillen B. F. niet veel van gewone Anaatjes, 
met wie ze zich dikwijls vereenigen, maar de vluchten zijn 
doorgaans veel kleiner. B. F. laten ook zelden of nooit eenig 




92 



anatid.ï:. 



gesnater hooren. Onder het vliegen of zwemmen is de witte 
sikkelvormige plek voor de oogen reeds van verre zichtbaar. 

Hun voedsel bestaat grootendeels uit plantenzelfstandigheden. 
Hun vleesch is zeer malsch en volstrekt niet tranig. Toch 
maakt men er niet zooveel jacht op als wel op Anaatjes, die 
grooter en talrijker, veel gemakkelijker te schieten zijn. 

A. D. broedt in N.- Amerika, gedurende ]\Iei of Juni en 
volgens visschers en jagers, terzelfder tijd in Suriname. Het 
nest wordt op den grond tusschen het gras of struikgewas 
geplaatst ; het bestaat uit droog gras, riet en is van binnen 
bedekt met dons en vederen. De 6 tot 12 eieren zijn gewoon- 
lijk elliptisch van vorm, glad, licht roomkleurig. 

M. Afm. 46 X 33-5 m.AI. 

De exemplaren varieeren niet veel. De meeste schalen 
hebben een lichten glans; enkele zijn min of meer ovaal. 

A cyanoptera, Vieill. = id., Schlcgal, Aius. P. B. 

(^ Kop, nek en ond.d. helder glanzend kastanjebruin, bovenkop zwartachtig, 
buik lichter van tint, dikwijls zwartachtig; plek aan den vleugel en speculum als 
bij de voorgaande soort. ^ [alsook (^ gediire^ide het broedseizoen). Ongeveer als 
A discors, maar grooter (vooral de snavel), het vederkleed donkerder, alleen de 
bovenkeel of kin zonder strepen ; buik in den regel donker bevlekt en de borst 
opmerkelijk getint met lichtbruin. Jong. Ongeveer als het wijfje, maar de vlekken 
aan de ond.d. smaller. Jong in dons. Bov.d. donker olijfkleurig met een groen- 
achtig gele vlek aan elke zijde van den rug en een helderder gele aan elke zijde 
van de stuit; bovenkop en achternek donkerder dan de rug; voorkop, wenkbrau- 
wen, zijden v. d. kop en v. d. nek alsmede de ond.d. donker geelachtig ; kop- 
zijden met een smalle duidelijke donkerbruine streep. I,. 38.8 — 42.5, vl. 18 — 19.4, 
tars. 3.1- — 3.4, culm. 4.2 — 4.7. Geogr. dist. W. -Amerika van af de Columbia-rivier 
tot Chili, Argentina, de Falklands-eilanden; Guiana. Lok. dist. De kustzoom. 

Volgens Quelch zouden Kaneelbruine Talingen, eng. Cinna- 
mon Teals, fr. Cercelles bruns, meermalen in Demerara geschoten 
zijn. Ook onze jagers en visschers beweren, dat ze enkele 
malen, maar zeer onregelmatig, in troepjes langs de zeekust 
voorkomen, gedurende den grooten drogen tijd. 

Maar of dit nu trekvogels zijn of toevallige bezoekers uit 
het Westen of wel broedvogels, is moeielijk uit te maken. 

K. T. komen in levenswijze enz. geheel overeen met de 



ANAS. 93 

voorgaande specie, doch onderscheiden zich door een grootere 
afmeting en donkerder kleur. 

A. C. broedt in N.-Amerika, gedurende Mei en Juni, in 
ChiU gedurende October, in Sacaya, Tarapaca in Januari, en 
in de Argentijnsche Rep. gedurende November, m. a. w. het 
geheele jaar door. Nest en eieren als de voorgaande soort. 

M. A/m. 47 X 35-5 m.M. 

A. brasiliense, Gm. = id., Schlegal, Mus. P. B. = Mareca, 
Buff-. ■= Qiicrqiiedula hrasüiensis, Cah. in Schomb. Reis. = 
Ncttium b. 

(^ Bov.d. olijf bruin, de rugvederen donker in het midden; voorkop, voorge- 
deelte der kaken en keel bruin ; bovenkop, achterkop en bovengedeelte v. d. 
achternek zwart, laatstgenoemde met een groenen glans ; kopzijden en bovengedeelte 
der nekzijden grijsachtig ; ondergedeelte v. d. nek en borst roodachtig, overgaande 
ig grijsachtig aan den buili en de dekv. ond. d. st. ; borst en buik met bruine vlekken 
of dwarsstrepen ; om het midden v. d. nek enkele kleine zwarte vlekken ; enkele 
ronde vlekken aan de zijden ; stuit fluweelachtig zwart, dekv. bov. d. st. olijf- 
kleurig met een grijze tint ; dekv. ond. d. st. met enkele golvende dwarslijnen, de 
tip der grootere vederen zwart ; vl.dekv. fluweelachiig zwart, maar de zijden der 
grootere vederen, evenals de slagp. v. d. aden rang, glanzend groen met een min 
of meer zichtbaren purperglans, vooral aan de binnenste vederen, die tevens ook 
voor een gedeelte sneeuwwit zijn ; tusschen het groen en wit een fluweelachtig 
zwarte band; binnenste slagp. evenals de schoudervederen olijf bruin; eerste slagp. 
zwart, de binnenste met een groenen glans aan de buitenvlag ; dekv. ond. d. vl. 
zwart met een groenen glans ; okselvederen wit ; staartp. zwart ; snavel zwartachtig 
rood, ondersnavel lichter van tint ; pooten geelachtig bruinrood ; iris bruin. § Onge- 
veer hetzelfde, maar doffer van tint ; bovenkop en achternek bruin ; een witachtige 
vlek eenigszins over, voor de oogen en een tweede aan de snavelbasis ; geen zwarte 
vlekken om het midden v. d. nek ; snavel donkerbruin of zwart. L. 43, vl. 20.5, 
st. 9.8, tars. 3.2, culm. 4.4. Geogr. dist. Z. -Amerika van af Columbia en Guiana 
tot Patagonië. Lok. dist. Vooral de alluviale gronden. 

De Braziliaansche Taling, eng. Brazilian Teal, fr. Sarcelle 
de Brésil, hoewel behoorende tot het ondergeslacht Nettium, 
heeft ook een blauwe plek aan den vleugel evenals^, discors 
en A cyanoptcra, maar de sikkelvormige witte plek voor de 
oogen ontbreekt. 

B. F. zijn kleine Eenden, die in de kolonie en ook bij de 
Indianen als Blauwvleugel Anaatjes bekend staan. Zij bewo- 
nen evenwel meer de zwampachtige savannes der hoogere 



94 



ANATIDJE. 



alluviale gronden achter het terrein der mangroven en de 
kustzoom alleen gedurende de droge seizoenen, zoodat ze inder- 
daad, doch ten onrechte, als trekvogels beschouwd worden. 

Langs de kust leven B. T. met de Anaatjes te zamen, maar 
bij nadering van gevaar verzamelen de individuen van elke 
soort zich tot een afzonderlijken troep. Onder het opvliegen 
laten alle een eigenaardig gefluit hooren. 

Zoodra de regens invallen, verlaten de B. T. den kustzoom, ten 
einde weder de zwampachtige savannes op te zoeken te zamen 
met Dendrocyg7ia viduata. Voor het overige verschilt hun 
levenswijze niet van de Anaatjes, maar er wordt slechts weinig 
jacht op ze gemaakt, hoewel het vleesch even lekker smaakt 
als dat der overige Eenden. 

A. B. broedt, voor zoover schrijver kan nagaan, niet langs 
de kust, maar achter het terrein der mangroven. Het nest van 
dons wordt op den grond gebouwd in de nabijheid van water. 
De 6 tot 8 eieren zijn elliptisch van vorm. De schaal is eenigs- 
2ins glanzend, glad en donker roomkleurig. 

M. Afm. 45 X 34 m.M. 



DAFILA, STBPH. 

- D. spinicauda, V. = Anas s., Schlcgal Mus. P. B. 

(ƒ Bo%'.d. bruin, de vederen zwart in het midden, die v. d. rug, de stuit 
alsmede de dekv. bov. d. st. met grijsaclitig bruine zoomen ; zoomen der schou- 
-dervederen roodachtig bruin ; bovenkop roodachtig kastanjebruin, de zijden der 
vederen lichtbruin met talrijke zwartachtige vlekken of strepen langs het 
midden van eiken veder ; keel witacbtig en ten naastenbij ongevlekt ; vederen der 
ond.d. zwartachtig bruin in het midden ; die v. d. bovenborst, zijden, flanken, 
alsmede de dekv. ond. d. st. met roodachtige randen ; die van de onderborst en 
abdomen met witachtige randen ; vleugels grijsachtig bruin ; speculum zwart met 
een groenen glans en omzoomd met twee geelachtig ■witte banden, een van boven 
gevormd door de tippen der grootere vl.dekv. en een van onder, gevrrrnd door de 
tippen der slagp. v. d. 2'!'?" rang ; binnenste slagp. grijsachtig bruin met een 
breede fluweelachtig zwarte streep langs het midden ; staart grijsachtig bruin, de 
randen der vederen roodachtig ; snavel zwart, basis geel of geel met een zwarten 
■culmen (Coppingerj ; pooten loodkleurig ; iris bruin. '^ Ongeveer hetzelfde, maar 



DAFILA. 



95 



grijsachtiger en minder roodachtig van tint, vooral op den kop ; staart korter. 
d J°'^S- Ongeveer als het wijfje, maar de bovenkop met een roodbruine tint; 
keel met bruine vlekken en strepen, evenals de zijden v. d. kop. L. 50, vl. 23, 
st. 14-5, tars. 4. Geogr. dist. Z. -Amerika. Lok. dist. De lagere streken. 

Te oordeelen naar de beschrijving, gelijken Bruine Puntstaart 
Eenden, eng. Brown Pintail-ducks wel wat op Anaatjes, doch 
worden in de kolonie heel zeldzaam aangetroffen als gelegen- 
heidsbezoekers. 

In Chili broedt D. S. gedurende Maart enz. Het nest bestaat 
uit dons en wordt tusschen het gras gebouwd, niet ver van 
het water af. Het aantal eieren per legsel bedraagt denkelijk 
6 of 8. De vorm is ovaal of breed ovaal, de schaal tamelijk 
glansloos licht bruinachtig roomkleurig (volgens E. Oates) of 
grauweiss (volgens Nehrkorn). AI. A/ni. 54 X 40 m.M. 

D. bahamensis, L. = ld., Cab. in ScJionib. Reis. = Marec, 
Bit ff. = Alias braziliensis, Schlcgal, Mus. P. B. 

(j' Bovenkop, achternek, ondernek, bovenrug, borst en buik roodachtig met 
zwarte, min of meer ronde vlekken aan de borst, den hals en het buikgedeelte ; 
kaken, zijden v. d. kop en keel zuiver wit; onderrug en stuit zwartachtig bruin; 
staart alsmede de dekv. v. bov. en van onder ongevlekt gemskleurig met een licht 
roseachtige tint ; tip v. d. staart lichter ; schoudervederen zwart met roodachtige 
randen, zoowel aan de binnen- als buitenvlag ; vleugels donker leigroen ; speculum 
glanzend groen, van voren omzoomd door een gemskleurigen band, gevormd door 
de tippen der grootere dekv. en van achter door een fluweelachtigen zwarten band, 
gevolgd door een breede gemskleurige, bestaande uit de tippen der slagp. v. d. 
2<ier. rang ; binnenste slagp. zwartachtig bruin met gemskleurige randen, de aller- 
binnenste vederen echter zwart in het midden ; dekv. ond. d. vl. als die v. bov., 
maar de grootere vederen grijs, de binnensten witachtig evenals de okselvederen ; 
snavel blauwzwart met een trapeziumvormige vlek van eene helder oranjeroode 
kleur aan elke zijde v. d. basis van den bovensnavel ; pooten zwartachtig bruin ; 
iris bruin. Q Ongeveer hetzelfde, maar eenigzins kleiner en minder helder van 
kleur, vooral het speculum. Jong. Ongeveer als het wijfje, maar nog doffer en 
tevens eenigszins grijsachtig van tint ; plek aan den snavelwortel kleiner en veel 
minder helder gekleurd. Jong in dons. Bov.d. grijsachtig olijfkleurig met een 
witachtige streep aan elke zijde van den rug, een witachtige plek op den vleugel, 
een geelachtige wenkbrauwstreep en grijsachtig witte met geel getinte onderdeden ; 
achter de oogen is een bruine streep, terwijl ook een onduidelijke vlek over de 
ooren dezelfde kleur bezit. L. 49, vl. 23, st. 12.5, tars. 3.5, culm. 4.7. Geogr. 
dist. West-Ind. Eil., geheel tropisch Z. -Amerika en de Falkland's Eil. Tot nu toe 
niet waargenomen in Venezuela, Columbia en Ecuador. 



96 



ANATID^. 



N.B. Of dit correct is, kan schrijver niet beoordeelen. Welke reden zouden de Eenden 
hebben om deze streken te mijden? Toch kan de oorzaak liggen in het ontbreken van 
groote ondiepe waterplassen. 

Hartert en Beriepach maken geen melding van den vogel als gecollecteerd door 
Cherrie aan de monding der Orinoco. 

Lok. dist. De kustzoom, maar zelden of nooit dringende binnen het interman- 
grove terrein. 

Bahama Talingen, eng. Bahama Pintail, fr. Sarcelles de 
Bahama, worden gerekend tot het ondergeslacht Poccilonetta, 
Eyton, kenbaar aan zeer spitse staarten en witte onderhalzen. 
Beide seksen gelijken elkander in kleur, maar de mannetjes 
zijn wat grooter en helderder van tint, vooral gedurende het 
broedseizoen. 

In de kolonie staan B. T. bekend als Anatjie, Anaatjes of 
ook wel Zeekanti Kwakwa, d. w. z. Eenden van de zeekust, 
bij de Arowakken als Dahiebiedaibiedie en bij de Caraïben 
als Wanelie. 

B. T. komen alleen voor in de laagste streken der kolonie. 
Open zoet- en zoutwaterpans en mondingen van kreken langs 
de zeekust vormen hunne meest bezochte voedingsgronden. 
In de hoogere streken, ja zelfs binnen het terrein der man- 
groven zijn ze onbekend. 

Ten allen tijde treft men Anaatjes aan in vluchten, dikwijls 
van honderden individuen. Bij het trekken van de eene naar 
de andere plaats vliegen alle achter elkander in rijen. ]\Iaar in 
het water gedaald, verspreiden de individuen zich ; elke vogel 
schudt zich flink heen en weder, om daarna onmiddellijk met 
voeden te beginnen. Nu eens duikende, dan weder met ge- 
strekten hals vooruitschietende, worden de puntige staarten 
op een grappige wijze heen en weder geschud. Hun voedsel 
bestaat behiüve weekdieren, wormpjes, insecten en zeer kleine 
vischjes ook wel uit plantenzelfstandigheden. Hun vlucht ge- 
schiedt snel, met korte krachtige vleugelslagen. Ten einde uit 
het water op te stijgen, .stoot de vogel naar achter toe in het water, 
klapt met de vleugels en schiet dan vooruit. De jacht op B. T. 
vormt een bestaan van enkele personen. Jammer echter, dat 
geen wet de broedende vogels gedurende de voorttelingsperiode 



DAFILA. 97 

beschermt. De jagers trekken uit met dubbelloopgeweren, 
maar betrekkelijk weinig patronen. Men weet vooraf, dat 
slechts een paar schoten voldoende zijn, ten einde een vol- 
doenden voorraad Eenden te verzekeren. Bij de pans geko- 
men, scheiden de jagers zich in twee troepen. Elk trekt 
dan naar een vooraf bepaalde plaats. In stilte op den buik 
kruipt men nu vooruit. Want het struikgew^as is laag en 
de vogels zien scherp. Bij de pan genaderd, bemerkt men 
slechts enkele Eenden. Geen nood, een der jagers richt zich 
op en maakt, door de hand tegen den mond te brengen, een 
zuigend geluid. Daarna laat hij zich onmiddellijk weder op den 
buik neder. Alle aanwezigen brengen nu het geweer, waarvan 
de haan reeds te voren werd gespannen, tegen den schouder. 
Een eigenaardig schouwspel vindt nu plaats. Het geluid heeft 
nl. de Anaatjes verschrikt of liever nieuwsgierig gemaakt. 
De geheele troep richt den kop naar één kant. Voor zoover 
het oog reikt zwemmen de Eenden naar elkander toe, verge- 
zeld van een sissend geluid, voortgebracht door het water. 
Zoo vormen alle één hoop, één vlakte van dicht tegen elkander 
gedrongen vogels. Bij honderden steken de lange witte halzen 
als stokken boven het water. Maar geen gesnater noch gekwaak 
laat zich hooren. 

Vuur! klinkt het eensklaps, gevolgd door verscheidene 
schoten. Onder luid gesnater en klappende vleugels vluchten 
de Anaatjes naar één kant toe. Te laat, want de pan is bedekt 
met dooden en stervenden. Alle jagers werpen nu hun geweer 
weg en springen te water. Overal trachten de gewonde vogels 
zich te verbergen, maar worden onmeedoogend achterna gezet ; 
het dubbeltje, dat men meer krijgt voor een levenden vogel, 
verstompt elk gevoel van medelijden. 

Na den buit te hebben opgehaald, verbergt men zich opnieuw, 
want de ondervinding leerde, dat de opgejaagde Eenden regel- 
recht naar een andere pan toevlogen, waar andere jagers hen 
opwachten. Zoo gaat het voort tot de buit of hever prooi 
groot genoeg is om naar de stad te worden overgebracht en 
daar rondgevent tegen 50 cent per dooden en 60 cent per 
levenden vogel, 

7 



98 



ANATID.^5. 




il T. vereenigen zich dikwijls met andere kleine eendsoorten. 
Onder het voeden zwemmen alle door elkander, maar zoodra 
er gevaar nadert, scheiden de individuen van elke soort zich 
tot een afzonderlijken troep af. 

Het vleesch van Anaatjes is zeer lekker en slechts tranig 
gedurende de droge seizoenen als de vogels meestal in de 
zoutwaterpans hun voedsel zoeken. Maar boter vette talingen 

zooals men die in het 
noorden vindt, zijn in Su- 
riname onbekend. 

P. B. broedt gedurende 
de middenmaanden van 
het jaar. Het nest wordt 
g'ebouwd tusschen de water- 
planten, het gras of struik- 
gewas langs den oever ; 
y- ,,//, v,.'/„ /„/v<,w,«./v het bestaat uit zacht grijs- 

achtig wit dons, door het 
wijfje van hare borst afgerukt, al naar gelang de eieren worden 
gelegd. Naar men zegt, zou ook het mannetje zich in geval 
van nood berooven. 

Het aantal eieren per legsel bedraagt van af 6 tot 8 of zelfs 
meer, want Sapakara's, Wezels en ander ongedierte vernielen 
er ontelbare. De schaal is zeer fijn van korrel, de vorm bijna 
altijd ovaal, de kleur varieert van af roomkleurig tot rose- 
achtig bij versche eieren. M. Afni. 54 X 37 rn.M. 
De exemplaren varieeren niet veel in afmeting. 
Het wijfje blijft doorleggen op eene plaats, al neemt men 
ook de eieren weg. Maar een tweede legsel is altijd minder 
in aantal. Zij is eene goede broedster en verlaat het nest 
alleen in uitersten nood, na vooraf de eieren met bladeren, 
gras, enz. te hebben bedekt. Dan loopt zij stil een eindje 
vooruit, om eenklaps met een luid gekwaak, of liever zegekreet, 
op te vliegen. Het schijnt alsof de vogel begrijpt dat thans 
het zoeken naar de eieren gelijk staat met „de naald in de 
hooischuur." 

De bebroeding zou ongeveer vier weken duren. En al dien 



DENDROCYGNA. 



99 



tijd zou het mannetje zich dicht in de nabijheid ophouden om 
bij nadering van gevaar te kunnen waarschuwen. Hij zit dan 
met zijn kop tusschen zijne schouders en naar den kant van 
het nest toe gericht. 

Tegen den grooten drogen tijd kunnen de tamelijk opge- 
groeide jongen wel niet vliegen, maar volgen de moeder al 
zwemmende. Nadert er gevaar, dan stuift de geheele troep 
uiteen en verbergt elk Eendje zich terwijl de oude vogel snel 
wegvliegt. Des nachts slapen alle aan den oever of op een 
omgevallen boomstam. Opgeschrikt volgt als het ware één 
plons en de geheele troep verdwijnt in het water. 

Anaatjes laten zich heel gemakkelijk temmen, maar worden 
in Suriname niet aangekweekt, omdat het de moeite niet loont; 
de wilde vogels kosten zoo goedkoop. 



DENDROCYGNA, SWAINS 

- D. discolor, Scl. et Salv. = Canard Sijyjcnr de Caycnnc, 
Daub. = Sifjieur a bec rouge et narines jannes, BiiJf. = 
D. autumnalis, Eyton, Cab. in Schomb. Reis. ■= id. Schlegal, 
Mus. P. B. 

Ad. Bov.d. kastanjebruin, stuit en dekv. bov. d. st. zwart ; ondergedeelte v. d. 
nek rondom en evenzoo de borstzijden bruinachtig grijs, scherp afstekend tegen den 
kastanjebruinen rug ; slagp. zwart met een grijsachtige plek ; een zwartachtige lijn 
aan den achternek en achterkop ; voorgedeelte v. d. kop bruin ; keel lichter als het 
overig gedeelte v. d. nek ; overige ond.d. zwart, dekv. ond. d. st. wit met zwarte 
vlekken ; snavelend zwartachtig, overigens gevarieerd met rood en geel ; pooten 
rosekleurig of licht vleeschkleurig (bij levende vogels), bruin bij kuikens. Jong. 
Ongeveer als ad., maar veel minder helder en tevens grijsachtiger van tint; snavel 
bijna zonder rood en geel. Jong in dons. Bov.d. zwartachtig bruin met gele plek- 
ken ; ond.d. geelachtig, de buik wit. L. 51, vl. 23, tars. 5.6, culm. 4.6. Geogr. 
dist. tropisch Z. -Amerika. Lok. dist. Vooral de kustzooni. 

Bij het geslacht Dendrocygna heeft de snavel ongeveer de 
lengte v. d. kop. Vleugels en staart zijn nogal kort, de pooten 
echter lang, evenals de achterteenen en middenvoorteenen. 

Columbiaansche Boomeenden, eng. Columbian Tree ducks 



lOO ANATIDiE. 

or Common Visi-\'isi, fr. Siffleurs de Cayenne, bewonen evenals 
de Anaatjes grootendeels den kustzoom ; toch treft men dikwijls 
troepjes aan in de hoogere alluviale gronden. Maar dat alleen 
gedurende het regenseizoen, als de savannes vol water staan, 
want met de invallende droogte trekken alle naar de zeekust 
terug. Daar bewonen ze zoowel de zoet- als zoutwaterpans en 
staan bekend als Skroertjes of Wiesie-wiesie, bij de Caraïben 
evenals de volgende soort of wel Soekoeloertje, en bij de Aro- 
wakken als levasa of Viesiesie. 

Haar voedsel is van meer plantaardigen aard dan de Anaatjes. 

Zwemmen doen ze ook 
evengoed, duiken echter 
minder, maar treden altijd 
paarsgewijs uit het water 
ten einde op afhangende 
takken, boomstronken of op 
hooge boomen uit te rusten. 
Vooral vóór den paartijd 
verzamelen S. zich tot groote 
Deudiocygna discolor. vluchten, dlc zlch wcl mct 

Kawliëren vereenigen, maar 
zelden met Anaatjes of Blauw vleugels. Zoo treft men dikwijls 
pans aan met honderden Eenden van eene soort, terwijl een 
vlak er naast zijnde waterplas van een andere specie wemelt. 
Ook op S. wordt veel jacht gemaakt, want hun vleesch 
smaakt even lekker en zelden of nooit tranig. Dikwijls heeft 
het een pikanten smaak, denkelijk door het eten der vogels 
van zekere in de pans groeiende zaden. 

Men denke slechts aan de beroemde Canvasbacks van 
N.-Amerika. Van deze Eenden wordt gezegd dat het vleesch zoo 
smakelijk is, omdat de vogels zich veel met wilde selderie voeden. 
De jacht op S. vordert meer kunde dan op Anaatjes, want 
de opgeschrikte vogels vereenigen zich niet zoozeer tot troepen. 
Met één schot raakt men dus slechts enkelen, geen tientallen 
te gelijk. 

S. vliegen snel en krachtig en laten daarbij een geluid 
hooren als wiesie-wiesie-wiesie. En vooral des nachts, als een 




DENDROCYGNA. 



lOI 



vlucht hoog in de lucht voorbijtrekt, dan klinkt een g-efluit 
dat door jagers wordt uitgelegd als: „Basi Jansi de bilo (Baas 
Johannes is onder ons). Bij zwaren wind dwalen .S. overal rond. 

D. D. broedt eenigszins later dan de Anaatjes, gedurende 
de middenmaanden van het jaar. En dat niet binnen de man- 
grove bosschen, maar in het terrein er achter. 

Het nest wordt gebouwd in holle boomen, dikwijls 15 a2o 
meters van den grond af en meermalen op grooten afstand 
van een waterplas. Maar ook op den grond tusschen het gras 
en de andere waterplanten vindt men wel eens meerdere 




Eieren van Deitdroeygiia lü'i, 



nesten. Schrijver kocht eens een veertigtal eieren", die volgens 
brenger in de zwampachtige bosschen nabij .Vlbina gecollec- 
teerd waren. 

Het wijfje rukt gewoonlijk van hare borst het dons waarop 
de eieren liggen. Toch treft men die dikwijls aan op het bloote, 
rottende hout. Het aantal per legsel bedraagt 8 tot 12 stuks. 
De schaal is over het algemeen ovaal van vorm, minder glad 
dan andere eendeneieren en glanzend wit of licht roomkleurig. 
J/. A/m. 52 X 39 m.M. 

De exemplaren verschillen niet veel in afmeting of kleur; 
bij de meeste schalen is de glans zeer opmerkelijk, andere weer 



I02 ANATIDyK. 

gelijken op hoendereicren. Enkele in de collectie van schrijver 
komen precies overeen met Ara-eieren. 

Zoodra de wijfjes met leggen beginnen, vereenigen de 
woerden zich tot groote vluchten. 

De broedtijd zou ongeveer vier weken duren ; voor zoover 
schrijver kan oordeelen is er slechts een broedsel per jaar. 

Zoodra de jongen uitkomen, draagt de moeder ze bij het 
nekvel één voor één naar omlaag en zoeken alle het water 
op. De oude vogel beschermt hare jongen evenals het Anaatje, 
maar van de duizenden, op duizenden die men voor het begin 
van het droge seizoen ziet, bereiken slechts enkelen den vol- 
wassen staat. Ook de mensch draagt hiertoe het zijne bij. 
Want tegen September worden de dan tamelijk opgegroeide 
Eendjes in menigte ter markt gebracht. 

Eigenaardig is het dat jonge Anaatjes veel schuwer zijn 
dan jonge vSkroertjes. Toch zouden laatstgenoemden, naar men 
algemeen beweert, ontembaar zijn, hetgeen ik niet geloof, om 
de begrijpelijke reden, dat nog niemand zich ernstig op de 
teelt heeft toegelegd. 

- D. viduata, L. = Canard a face blanche, Biiff. = Canard 
dn Marapiion, Daub. = ïd., Cab. in Schomb. Reis. = id. 
S chic o al, Mns. P. B. 

Ad. Voorgcdeelte v. d. kop, de kin en een trapeziumvormige plek aan het midden 
der keel wit; achtergedeelte v. d. kop en bovengedeelte v. d. nek zwart; onder- 
buik kastanjekleurig ; rug en schoudervederen bruin ; de vederen aan den bovenrug 
met smalle geelachtige dwarsstrepen ; die v. d. middenrug en de schouders met 
geelachtige zoomen ; een kastanjekleurige plek in het midden v. d. rug ; onderrug, 
stuit en dekv. bov. d. st. zwart, evenals het midden der ond.d. en de dekv. ond. d. 
st. ; zijden en flanken geelachtig wit met zwarte dwarsstrepen ; mindere vl.dekv. 
kastanjebruin, overige leizwart; de middelste en binnenste slagp. met eene olijf 
kleurige tint; slagp. bruinzwart ; staartp. zwart; snavel met inbegrip v. d. nagel 
zwart, met een sikkelvormige plek achter den nagel ; pooten loodkleurig ; iris 
donkerbruin. Jong. Als ad., maar doffer van tint en het midden v. d. buik met 
witachtige vlekken. Jong i?i dons. Bov.d. licht grijsachlig bruin, kopzijden en ond.d. 
\vitachtig; een donkere band van af den voorkop door de oogen naar achter toe ; 
een witte band achter den achterkop ; vier witachtige vlekken aan de rugzijden en 
twee onder de stuit. L. 43, vl. 22.5, st. 6.3, tars. 4.9, culm. 5. Geogr. dist. 



DENDROCYGNA. 1 03 

West-Ind. Eil. en tropisch Z. -Amerika, tropisch Afrika en Madagaskar. Lol', dist. 
Vooral de lagere alluviale gronden. 

Braziliaansche Boomeenden, eng'. Whitefaced Visi-Visi or 
Brazilian Treeducks, fr. Canards a face blanche, dadelijk uit 
te maken aan de trapeziumvormige witte plek aan den hals 
alsmede zwarte dekvederen onder den staart, staan in de 
kolonie bekend als Witnikki-Skroertje, d. w. z. Withals- 
Skroertjes, Kawliere of Apoties, bij de Caraïben als Kawlierie 
of Kajoelielie, en bij de Arowakken als Kawiewierie. 

B. B. worden zoowel in Afrika als Z. -Amerika aangetroffen, 
maar de individuen vertoonen onderling geen verschil. En dat 
niettegenstaande de Atlantische Oceaan alle interbreeding belet. 
Toch is het overvliegen van vogels van het eene naar het 
andere Halfrond niet onmogelijk. 

Volgens schrijver moet niet zóó 
lang geleden zoo'n vlucht Eenden 
door storm naar Amerika gedre- 
ven zijn en daar betere levens- ff^P'^:^-- 
voorwaarden als in hun geboorte- 
land vindende, zich snel verme- 
nigvuldigd hebben. 

Wat levenswijze aangaat, ge- j; 
liiken B. B. veel op Skroerties, 
maar worden langs de kust zelden 

en dan gewoonlijk bij kleine troepen waargenomen. Zelfs 
gedurende het droge seizoen zijn de vluchten niet groot. Maar 
zoo talrijk komen B. B. voor op de zwampachtige savannes 
en in de kreken der hoogere alluviale gronden, dat men met een 
schot wel een vijftiental kan dooden. Opgeschrikt vliegen ze 
met een eigenaardig gefluit „kiewiewie" in wijde cirkels rond. 
In hun haast om weg te komen, stoot de een tegen den ander 
en tuimelen beide in het water. Ook Schomburgck maakt 
melding van groote vluchten B. B. op de zwampachtige 
savannes in Eng. Guiana. 

Het voedsel van B. B. is voor een groot gedeelte van 
plantaardigen aard. Zij zwemmen en duiken goed, maar 
vliegen betrekkelijk langzaam. Vooral met Blauwvleugels leven 




I04 



ANATID/F. 



de Kavvlieren eendrachtig te zamen, maar bij nadering van 
gevaar verzamelen de individuen van elke soort zich tot een 
afzonderlijke vlucht. 

D. V. broedt terzelfder tijd en op dezelfde plaatsen als het 
Skroertje, doch schijnt minder talrijk. Het nest, gewoonlijk, 
maar niet altijd, bestaande uit dons wordt gebouwd in holle 
boomen, dikwijls op aanmerkelijke hoogte. De 8 tot 12 eieren 
zijn elliptisch, tamelijk rond, eenigszins glanzend wit of licht 
roomkleurig. M. A/ni. 49 X 38 m.M. 

Zoodra de jongen uitkomen, draagt de moeder ze naar den 
grond. Dan trekken alle naar het binnenland toe, zoodat tegen 
het groote droge seizoen men wel jonge Skroertjes en Anaatjes 
aantreft, maar slechts zelden Kawlieren. 

D. fulva, Gm. = id., Schlcgal, Mus. P. B. 

Ad. Kop, nek en ond.d. donker roodachtig okerkleurig overgaande in kaneel- 
bruin aan de flanken, waar de langere vederen breede, licht okerkleurige strepen 
en zwartachtige randen hebben ; bovenkop roestkleurig ; achternek met een duidelijke 
bruinzwarte streep van af den achterkop ; midden v. d. nek witachtig met kleine 
zwartachtige streepjes aan de randen der vederen ; overige bov.d. over het algemeen 
bruinachtig zwart ; de rug en schoudervederen met min of meer kaneelkleurige 
randen; mindere vl.dekv. kastanjekleurig; dekv. bov. en ond. d. st. geelachtig wit ; 
slagp. en staartp. donkerbruin ; snavel blauwachtig zwart ; pooten helder leiblauw 
(Merrill) ; iris bruin. Jong. Ongeveer als ad., maar met veel minder kastanjebruin 
aan de kleinere vl.dekv. ; ond.d. lichter van tint, dekv. bov. d. st. met smalle, 
bruine zoomen. Jong in dons. Bov.d. grijsachtig bruin, ond.d. witachtig ; een witte 
band aan den. achterkop, onderbroken door een bruine band, die langs den achter- 
nek gaat ; een bruine band van af de ooren tot den achternek ; geen witte vlekken 
aan de zijden v. d. rug; een witachtige band over den vleugel. L. 48, vl. 21.5, 
st. 5.5, tars. 5.6, culm. 4.5. Gcogr. dist. Het Zuiden der Vereenigde Staten tot 
Tropisch Amerika, Tropisch Afrika, Madagaskar, de Ind. Archipel en Burma. 
Lok. dis f. Vooral de kustzoom. 

Geelachtige Boomeenden, eng. Fulvous Treeducks, Large 
Whistling Treeducks ör Brown Vicissis, dadelijk uit te maken 
aan hun lengtsgewijze en dwarsgestreepte vederen, alsmede 
het gemis van zwart aan de onderdeden, komen evenals J). 
viduata zoowel in de Oude als Nieuwe wereld voor. 

In levenswijze verschillen G. B. niet van Skroertjes of 



ALOPOCHEN. 105 

Kawlieren en bewonen ook dezelfde plaatsen, maar volstrekt 
niet zoo talrijk. In de kolonie kent men ze als Boesi Kwakwa, 
d. w. z. Boscheenden. 

D. F. broedt denkelijk terzelfder tijd als de andere Boom- 
eenden. Het nest wordt evenzoo geplaatst in holle boomen. 
Het wijfie legt 8 tot 12 ten naastenbij elliptische, glanzende, 
roomkleurige of witte eieren. M. Afm, 56 X 42 m.M. 



ALOPOCHEN, STEJN. 

A. jubatus, Spix. = Chenalopex jubatus, Cab. in Schoinb. 
Reis. = Anscr polycomos, Ciivier, Schlcgal, Mus. P. B. 

Ad. Kop, nek en borst licht witachtig grijs, donkerder aan den achtemek ; 
bovenmantel en schoudervederen roodachtig bruin ; rug, stuit, dekv. bov. d. st., 
rectrices en vleugels zwart met een groenen glans ; abdomen roodachtig bruin, 
witachtig langs het midden, overgaande in zwartachtig bruin aan het ondergedeelte ; 
dekv. ond. d. st. wit ; grootere vl.dekv. metaalachtig groen met een purperglans ; 
basis der slagp. v. d. 2den rang wit, een speculum vormende ; snavel zwart ; 
pooten roodachtig geel ; iris bruin. L. 50, vl. 30.5, tars. 6.5, culm. 3.7. Geogr. 
dist. Tropisch Z. -Amerika. Lok. dist. De hoogere alluviale gronden. 

Bij de Orinoco Gans, eng. Orinoco Goose, fr. Bernache de 
rOrinoque, is de snavel min of meer kort, maar hoog bij de 
basis ; de lamellae aan den bovensnavel zien er over het alge- 
meen zeer duidelijk uit ; de tarsi zijn min of meer verlengd 
en dik, de voorteenen middelmatig, de duimen daarentegen 
min of meer kort. Aan den hals hangen lange pluimen. 

Langs de kust komen O. G. niet voor, maar wel enkele 
malen in de hoogere alluviale gronden. En dan meestal bij 
paren, zelden of nooit in troepjes. Zij trekken voortdurend van 
de eene naar de andere streek. Haar geluid klinkt als een 
sterk gehis. 

Eieren door A. J.in gevangenschap gelegd, worden beschreven 
als ovaal, licht glanzend en van een bruinachtige roomkleur. 

Afm. ongeveer 60 X 43 m.M. (Oates). 



I o6 ANATID.Ti. 

Subfam. der ERISMATURIN.^. 

ROEIEENDEN. 

Genera. 

A. Staartp. trapsgewijze gerangschikt ; nagel aan den snavel klein, van boven 
af bijna onzichtbaar ; buitenteen langer dan middenteen. 

.... NOMONYX, RIDGW. 

B. Staartp. als voren : nagel aan den snavel normaal, groot en van boven af 
geheel zichtbaar; buitenteen korter dan middenteen. 

ERISMATURA, BP. 



Species. 

ERISMATURA, BP. 

-^E. rubida, Wils. = 7ff;;^rt/V(?;/.s-/j', (iiii. = Biziui'a r., SchlegaL 
Mus. P. B. 

(j' Bovenkop zwart ; kaken en kin wit ; keel en rug roodachtig kastanjebruin ; 
onderrug zwartachtig ; borst en buik zilverachtig wit. O en jong. Bov.d. donker 
grijsachiig bruin, de vederen met smalle, golvende geelachtige dwarslijnen; zijden 
V. d. kop en bovenkeel witachtig ; onderkeel grijsachtig ; overige ond.d., zilverachtig 
wit. Jong in dons. Bov.d. donker grijsbruin, kop donkerder; een witachtige plek 
aan elke zijde v. d. rug; onder de oogen, van af den snavel tot den achterkop, 
een bruinachtig witte streep, hieronder een smalle zwartachtig bruine, wegvloeiend 
met het bruin aan den achternek; ond.d. grijsachtig wit overgaande in bruinachtig 
aan de borst. L. 33 — 40, vl. 14.4 — 15, tars. 2.7 — 3, culm. 3.9. Geogr. dist. Zom. 
N. -Amerika. Wint. Centr. Amerika, West-Ind. Eil., Columbia, Guiana. Lok. dist. 
De kustzoom. 

Bij de Jamaica Roeieenden, eng. Ruddy Ducks or Spring- 
tailed Ducks, zijn de dekvederen boven den staart zeer kort 
en de rectrices stijf en spits. In het Noorden behooren zij 
tot de trekvogels, die nogal zeldzaam gedurende het groote 
droge seizoen tot het begin van den kleinen drogen tijd in 
de kolonie voorkomen en hier bekend staan als Granboesi- 
Kwakwa, d. w, z. Eend uit het groote woud. 



NOMONYX. 107 

J. R. zwemmen zeer vlug, maar duiken nog beter. In de 
vlucht zien ze er plomper uit dan de andere Eenden en hebben, 
alvorens op te vliegen, een langen aanloop over het water 
noodig, gewoonlijk tegen den wind in. Onder het zwemmen 
wordt de staart dikwijls vertikaal naar boven gericht. 

E. R. broedt in het Noorden, gedurende Mei en Juni. Het 
nest bestaat uit allerlei waterplanten en drijft gewoonlijk, even- 
als dat der Moerasduikers, aan de wateroppervlakte. De 6 tot 
10 eieren zijn elliptisch of breed ovaal, ten naastenbij glansloos 
wit of roomkleurig. Evenals bij de volgende soort, hebben de 
schalen een ruwe oppervlakte. M. Afni. 62 X 45 m.M. 

De eieren der Roeieenden zijn tamelijk groot in verhouding 
tot den vogel. 



NOMONYX, RIDGW 

- N. dominicus, L. = Carcellc a qiicu epineiise, Daub. et 
Buff. = Sarcelle de la Guadeloupe, Daub. = Sarcellc roiisse 
a longue queii, Buff. = Biziura dominica, Schlegal, AIus. P. B. 

(^ Voorkop en bovenkop zwart ; overig gedeelte v. d. kop en nek donker 
roeslachtig kaneelbruin ; rug en zijden roestkleurig met zwarte strepen ; buik enz. 
geelachtig roestkleurig, het midden der vederen dikwijls zwartachtig ; vleugels bruin 
met een duidelijk wit speculum aan de grootere dekv. Jo7ig q'. Bovenkop, twee 
strepen aan de kopzijden en bov.d. over het algemeen dofzwart ; ruimte tusschen 
de kopstrepen, kaken en kin dofwit ; nek en borst roestachtig kastanjebruin, 
dikwijls met een lichten purperglans ; overige ond.d. dof okerkieurig, de vederen 
met verborgen zwartachlige vlekken ; middelste en grootere vl.dekv., .basisgedeelte 
der slagp. v. d. 2il<'n rang en okselvederen wit ; vederen aan rug en schouders 
met roestkleurige dwarsstrepen en randen. ^' Ongeveer hetzelfde, maar het zwart 
minder donker en meer afgebroken, de roestkleur lichter van tint, dikwijls zelfs 
okerkieurig en met zwarte vlekken ; buik dof okerachtig wit, speculum kleiner. 
L. 30—36.3, vl. 13.7— 14.5, st. 8.8— II. 3, culm. 3.2 — 3.5. Geogr.dist. Tropisch 
Amerika met inbegrip der West-Ind. Eilanden ; toevallig aanwezig in de Vereenigde 
Staten. Lok. dist. De kustzoom. 

De Gemaskerde Roeieend, eng. Masked Duck, fr. Sarcelle 
rousse a longue queue komt zeldzaam in Suriname voor. 



io8 anatid.ï:. 

maar broedt, voor zoover ik kan oordeelen, hier niet, hoewel 
mij individuen gebracht werden gedurende de maand Juni. 

In levenswijze verschillen G. R. 
niet van de voorgaande soort. Zij 
bewonen dezelfde zwampen of over- 
stroomde savannes ; ook hun lokale 
benaming verschilt niet. 

Eieren uit Jamaica worden beschre- 
ven (zoowel door Nehrkorn als Oates) 

Kop van XoDioiiv.v tlominicus. 

als wit of witachtig met ruwe grof- 
korrelige schalen. M. A/m. 59 X 44 m-M. 

Volgens Nehrkorn zijn authentieke eieren in Peru verzameld 
geelachtig, de schalen glad en de afmeting 54 X 39 m.M. *) 




') K. E. V. A. Nehrkorn, p. 247 



PHCENICOPTER-ID.T.. 109 



Orde VI. ODONTOGLOSSiE. 

DE FLAMINGOACHTIGEN OF LAMELL^SNAVELIGE 
STELTLOOPERS. 

Tot deze orde worden gerekend een levende en een uitge- 
storven familie. Het aantal bekende fossielsoorten bedraagt 
ongeveer 18. 



Familie der PHCENICOPTERlDyE. 

FLAMINGO'S. 

Flamingo's, eng. Flamingo's, fr. Flammants ouPhoenicoptères, 
zijn eigenaardige vogels met een tamelijk sterken lichaams- 
bouw, zeer langen dunnen hals, grooten kop, hoogen dikken, 
in het midden met een stompen hoek naar beneden gebogen 
snavel, die slechts aan de spits verhard en aan de snijranden 
van tandjes voorzien is, middelbaar lange vleugels, korten 
staart, zeer lange dunne pooten alsmede drie onderHng door 
vliezen verbonden voorteenen en een zwakken achterteen. 

Aan den eenen kant komen F. wat snavel en inwendigen 
lichaamsbouw betreft, overeen met de Eendachtige vogels en 
aan den anderen kant door hunne lange pooten en halzen 
met de steltloopers. De huid is dik, maar evenals bij Eenden 
slechts weinig elastisch ; tusschen het vleesch en de huid bevindt 
zich een laag vet; het vleesch wordt als een lekkernij beschouwd. 
Beide seksen gelijken elkander, maar de jongen dragen een 
verschillend vederkleed. 

Wat hunne eieren aangaat, toonen F. eene zekere verwant- 



iio phcenicopterid.ï:. 

schap met de Pelikanen en verwante familiën. Slechts 6 species 
zijn bekend, verspreid over de tropen, zoowel van het Oostelijk 
als Westelijk Halfrond. In Amerika komen voor 4 soorten, 
waarvan slechts een enkele in de Guiana's wordt aangetroffen. 

F. bewonen bij voorkeur de zeekusten, vooral de modder- 
banken, die bij laag water bloot liggen en leven ten allen 
tijde in troepjes tót groote vluchten van duizenden individuen. 

Hun voedsel bestaat uit weekdieren, wormen enz. Onder 
het voeden wordt de ondersnavel heel eigenaardig naar boven 
gekeerd en dienen de tandjes aan de snijranden van den 
snavel als filters of zeven, evenals bij Eenden. 

F. nestelen te zamen in groote koloniën. De nesten, be- 
staande uit modder, \vorden op den grond gebouwd. Het 
wijfje legt I ei tot 3 eieren van een licht blauwachtige grond- 
kleur, maar geheel overdekt met een dikke witte kalklaag. 



Species. 

PHCENICOPTERUS, L. 

- P. ruber, L. = id., Cab. in ScJiomb. Reis. = id., Schlegal. 
Mms. P. B. = Flam7nant on PJuvnicoptcre, Buff. 

Ad. Roseachtig vermiljoen ; vleugels donkerder karmijnrood : flanken roseachtig 
karmijnrood ; slagp. v. d. isten gn 2^?" rang zwart ; basis v. d. bovensnavel 
witachtig rosekleurig, het midden rosekleurig, het uiteinde zwart ; basis v. d. onder- 
snavel witachtig, het midden karmijnrood, het uiteinde zwart ; pooten roseachtig 
lilarood; enkels en zwemvliezen karmijnrood; iris geeX. Jong. Grijsachtig wit, 
de vleugels gevarieerd met grijs en zwartachtig grijs. Jong in dons. Geheel wit. 
L. Ii6, vl. 41, tars. 32, culm. 14. Geogr. dist. Tropisch en subtropisch Amerika. 
Lok. disf. De kustzoom. 

Amerikaansche Flamingo's, eng. Am. Flamingo's, fr. Flam- 
mants ou Phoenicoptères d'Amerique, staan in Suriname bekend 
als Zeegansi, d. w. z. Zeeganzen, terwijl de naam Flamingo 
gegeven wordt aan den Scharlaken Ibis Eiidocimus nibcr, die 
ook eene roode kleur heeft. Beide vogels zijn evenwel zeer 



PHCENICOPTERUS. I j i 

gemakkelijk van elkander te onderscheiden. De Zeegans wordt 
door de Aro wakken Jawloe en door de Caraïben Tokoko genoemd. 

Het zijn mooi gekleurde, maar volstrekt niet sierlijk ge- 
bouwde vogels. De hals is naar verhouding met het lichaam 
veel te lang, evenzoo de pooten. Inderdaad overtreffen Zee- 
ganzen, gemeten van af de teenen tot den snaveltip, den langsten 
man in lengte. Volwassen individuen wegen ongeveer 3 of 4 
kilogram; jongen echter minder. 

In Suriname bewonen Am. F. bij voorkeur de open, groote 
modderbanken, die bij laag getij bloot liggen. Het schijnt dat 
er gedurende zekeren tijd een trek of groote verhuizing plaats 
vindt; al de individuen van een lokaliteit begeven zich dan 
naar andere oorden en trekken bij duizenden langs de zeekust. 

De snavel van den Am. F. is, op het uiteinde na, geheel 
zacht. De tong gelijkt een rooskleurigen spitsen vetklomp, waarop 
twee rijen, elk van ongeveer 14 naar binnen gekromde zachte 
stekels, die bij den tongwortel het kleinst zijn. Wanneer de 
vogel nu den snavel sluit, dan wordt de modder tusschen de 
tandjes uitgeperst, terwijl door de stekels tevens de weekdieren, 
wormpjes enz. tegengehouden worden. Onder het voeden hangt 
de snavel zoodanig naar omlaag, dat hij met den onderkant naar 
boven toe, vlak tusschen de pooten, in den modder heen en weder 
slingert. De vogel loopt dan langzaam achteruit of vooruit. 
Bemachtigt hij eene prooi, dan keert hij den kop naar boven, 
de slokdarm komt in werking, terwijl de hals op een eigen- 
aardige slangachtige wijze wordt bewogen. Het schijnt waarlijk 
alsof het inslikken met moeite geschiedt. Geen wonder ook, 
want zoo weinig elastisch is de huid aan den hals der F, dat 
ze zelfs vischjes van minder dan een decimeter versmaden. 
Alleen wat door de tandjes aan hun snavel en de stekels aan 
hun tong kan passeeren, kan ook door hun keelgat gaan. 

Naar verhouding met hunne grootte, slikken Am. F. de 
kleinste voorwerpen in. Dit in tegenstelling met de Arapapas 
of Xachtreigers, die zelfs voorwerpen ter grootte van een 
kindervuist, met gemak door hun keelgat krijgen. Onwille- 
keurig komt bij ons de veronderstelling op, dat laatstgenoemde 
vogel bij het zien van eene groote prooi, de volgende gedachte 



I I 2 PHCENICOPTERIDxÏ:. 

heeft: „Zij is wel groot, maar ik zal probeeren". De F. daaren- 
tegen denkt: „het voorwerp ziet er niet zoo groot uit, maar 
ik zal mij er liever niet aan wagen". Het gevolg hiervan 
is, dat in den loop der tijden de Arapapas steeds grooter 
en grooter prooi zoeken, terwijl de F. zich met wormpjes, 
garnalen en kleine weekdieren tevreden stelt. 

Naar mijne meening is de wijze van voeden der F. oorzaak 
van hun langen hals en lange pooten. Door in den loop der 
eeuwen gestadig naar onder toe hangen, groeide de hals uit, 
terwijl de stuit naar boven gestooten werd. 

Laat iemand de houding van een voedenden F. aannemen 
en hij zal dadelijk begrijpen wat bedoeld wordt. 

Het is een prachtig gezicht een troep van duizenden Zee- 
ganzen waar te nemen op een open modderbank. Naar men 
wil, plaatsen ze dan schildwachten uit, die bij nadering van 
gevaar kennis geven aan de overige van den troep. Reeds op 
grooten afstand van een naderende boot nemen ze dan ook 
reeds de vlucht. 

Het opstijgen gaat echter moeielijk ; daartoe is eerst een lange 
aanloop van dikwijls honderden meters noodig. Alle individuen 
van een troep nemen den aanloop terzelfder tijd. Alle huppelen 
of liever springen dan vooruit, onder het klappen der vleugels, 
totdat de een na den ander langzaam de lucht instijgt. 

Eerst is de vlucht onregelmatig en vliegen ze door elkander. 
Maar dit verbetert gaandeweg, zoodat ten laatste, hoog in de 
lucht, de geheele troep voorttrekt in den bekenden V-vorm 
der Reigers, elke vogel evenzoo met de pooten recht naar achter 
uitgestrekt en den hals S-vormig gebogen, zoodat dekoptusschen 
de schouders te liggen komt. Op boomen wagen Am. F. zich nooit. 

Op den harden grond kan de Am, F, moeielijk loopen en 
struikelt bij eiken stap, maar slingert om zich staande te houden, 
den zwaren kop tusschen de pooten, heen en weder. In het 
eerst zijn die slingeringen lang ; de vogel maakt dan al dan- 
sende eenige passen voor- en achteruit, totdat hij ten laatste 
zijn balans herkrijgt. 

Am. F. slapen des nachts staande op één poot, terwijl hun 
kop op hun rug rust. Wanneer jagers zoo'n slapenden troep 



PHCENICOPTERUS. 



113 



bemerken, kruipen zij, met stokken gewapend, heel voorzichtig 
door de mangroven, richten zich dan met veel lawaai overeind, 
springen tusschen den troep en slaan rechts en links. De ver- 
schrikte vogels laten een schor gehis of gekras hooren, vluchten 
in allerijl naar de zee toe, en begeven zich te water. 

Dikwijls is hetgeen men echter voor zwemmen aanziet niets 
meer dan waden, want zoolang zijn de pooten der Zeeganzen 
en zóó ondiep de modderbanken langs onze kust, dat honderden 
meters ver in zee, het water nauwelijks tot aan de knieën reikt. 

Am. F. kunnen gedurende zekeren tijd van het jaar niet 
vliegen, daar hunne opkomende of ruiende slagpennen te 
zacht en te zwak zijn, om het zw^are vogellichaam te dragen. 

Volgens mij, be- 
gint het ruien in | 
September of Octo- ^ _ __ 

Toch zou, volgens 

jagers en visschers, 

de ruiïng plaats hebben gedurende de eerste maanden van het 

jaar. Hieruit kan men besluiten, dat het ruien tweemaal per 

jaar of zeer onregelmatig geschiedt. 

De vleugel van zoo'n ruiende Zeegans ziet er eigenaardig 
uit; bijna al de slagpennen van den eersten en tweeden rang 
zijn uitgevallen en in hun plaats ziet men niets dan blauw- 
achtige, opkomende vederspoelen. 

Of alle vogels van een troep terzelfder tijd ruien is moeielijk 
uit te maken, maar ik geloof het niet. Het schijnt ook, dat het 
ruien minstens eenige weken in beslag neemt. Gedurende dezen 
tijd schuilen de Zeeganzen in de dichtst begroeide mangrove 
bosschen en verlaten die alleen in hoogen nood of om voedsel 
te zoeken Zij worden dan door jagers achterna gezet met de 
z.g. visimanassi (visscherspaarden), d. z. plankjes, die van 

8 



Kop van Pliocnicopterus riibcr. 



I I ^ PHCENICOPTERID.^. 

voren zijn omgebogen. Hierop plaatst de jager zijn knie en 
stoot met zijn vrijen voet naar achter toe. Het toestel glijdt 
dan zeer snel vooruit. Men mag echter geen oogenblik stil- 
houden, want anders zinkt alles in den zachten modder weg. 

P. R. broedt gedurende den grooten regentijd (Mei, Juni). 
In vroeger jaren werd eene groote kolonie Zeeganzen nabij 
de monding der Suriname-rivier aangetroffen ; oude jagers en 
visschers verklaren, geheele bootsladingen eieren en jongen 
uit die roekerie naar de stad te hebben gevoerd. 

De nesten worden nogal dicht bij elkander gebouwd en 
bestaan geheel uit door de zon uitwendig gedroogden modder ; 
de vorm is die van een afgeknotten kegel met komvormig 
uitgeholden top, waarin de eieren liggen. De hoogte bedraagt 
nooit meer dan een halve meter, gewoonlijk echter minder, 
ongeveer 30 c.M., de diameter vanboven ongeveer 22 c.M. en 
van onder bij de basis omstreeks 40 c.AI. De zwaarte bedraagt 
ongeveer 50 a 60 pond. 

De nesten worden gebouwd juist hoog genoeg, dat bij het 
hoogste getij de toppen vrij blijven. De reden waarom de 
vogels niet op hooger gelegen terreinen nestelen, vindt zijn 
oorzaak in het feit, dat verderop in het binnenland geen 
zachte modder in voldoende hoeveelheid voorkomt, zoodat de 
Am. F. als het ware genoodzaakt zijn, zeer dicht bij het water 
te bouwen. Zelfs zware regens en daarop volgende overstroo- 
mingen, spoelen soms de nesten weg, hoewel dit slechts zel- 
den gebeurt. 

Elk jaar keeren de Zeeganzen geregeld naar hare vorige 
nestelplaatsen terug. Stoort men ze echter te veel, dan trekt 
de geheele troep naar andere oorden. 

De eieren der Am. F. hebben tamelijk dikke schalen en zijn 
lang ovaal van vorm, het spitse end eenigszins puntig ; opper- 
vlakkig is de schaal geheel overdekt met een dikke, bevuilde, 
witte kalklaag, die afgekrabd zijnde, of tegen het licht gehou- 
den, eene blauwachtige grondkleur vertoont. Het aantal per 
legsel bedraagt i of 2. M. A/m. 89 X 55 m.M. 

De exemplaren varieeren nogal in afmeting. 

Beide seksen broeden. Vroeger werd algemeen geloofd, dat 



PHCENICOPTERUS. 



115 



Am. F, hunne eieren al staande bebroeden. Thans neemt men 
aan dat deze vogels op hunne modder-kluiten zitten op dezelfde 
wijze als de grootere Reigers, nl. met de lange pooten onder 
het lichaam opgevouwen. 

Toch is het oude denkbeeld niet geheel zonder grond en 
wel om de volgende redenen. „Onze Surinaamsche jagers en 
visschers weten niets af van natuurkunde en zijn tevens vol- 
komen onwetend of er een redetwist bestaat over de wijze 
van broeden der Zeeganzen. Vraagt men hen er naar, dan 



•wmmsmmssssm 



K' ...4b ■ -"^ 



iftf^ 




Xestelkolonie van Flamingo's, Bahamas, (Scient. Am.). 



luidt het antwoord der meesten : „De Zeegans bebroedt haar 
nest „ruiter te paard", d, w. z. met de pooten naast het nest af 
wijd uiteen gespreid. Enkele jagers verklaren echter, dat de 
vogel op zijn nest zit, op dezelfde wijze als de grootere reiger- 
soorten. Een oude jager gaf mij de volgende uitlegging. 
„Mijnheer," sprak hij, „het is niet mogelijk de nestelkoloniën 
der Zeeganzen te naderen, zonder dat men bemerkt wordt. 
Als dit geschiedt, dan verlaten de vogels het nest niet onmid- 
dellijk, maar plaatsen hunne pooten op den grond, gereed om 
bij het minste onraad te vluchten. Iemand die zoo'n kolonie 
dan ziet, zal naderhand stellig staande houden, dat hij de 
Zeeganzen, hare nesten „ruiter te paard" zag bebroeden. 



ii6 



PHCENICOPTERID^. 



Had hij echter een weinig geduld gehad en gewacht tot de 
vogels weder op hun gemak waren, dan zou hij gezien hebben 
hoe bijna alle hunne pooten weder optrokken en op hunne 
nesten zaten evenals Reigers. 

De bebroeding der eieren duurt 32 dagen. De jongen zijn 
bedekt met wit dons en hebben rechte snavels, die eerst bij 
het opgroeien de karakteristieke buiging vertoonen. 

Nog verdient opmerking met betrekking tot het broeden 
der Am. F., dat gedurende den broedtijd hun vederkleed in 
tegenstelling met de bijna algemeene wet der natuur, een veel 
minder heldere tint heeft dan na het broedseizoen. 

De voornaamste der weinige nestelkoloniën van Zeeganzen 
in Suriname, bevindt zich thans, naar jagers verklaren, achter 
de Hermina-modderbank nabij Coronie. 




GRALLATORES of GRALL^. ' 

STELTLOOPERS. 

Steltloopers, Oevervogels, Moerasvogels, Stapvogels enz. 
bewonen meer de ondiepe waterkanten dan de oppervlakte 
van het water. Alle kunnen min of meer goed zwemmen, 
maar waden of stappen liever door het water, of loopen over 
den zachten bodem. 

Bij S. staan de vederen niet zoo dicht op elkander als bij 
Zwemvogels en zijn tevens niet met zulk eene opmerkelijke 
olielaag overdekt ; de vetlaag tusschen de huid en het vleesch 
is over het algemeen minder dik en ontbreekt zelfs bij enkele 
Moerasvogels. De pooten zijn doorgaans opmerkelijk lang en 
aan de scheenen grootendeels onbevederd. Hun voedsel is 
hetzelfde, maar het percentage van insecten en plantenzelf- 
standigheden naar verhouding grooter. 

Evenals bij Zwemvogels, hebben de meeste S. een min of 
meer sterke vischlucht over zich, uitgezonderd de Moeras- 
vogels, die tevens met hangende pooten vliegen, terwijl al de 
overigen in de vlucht de pooten naar achter toe uitstrekken. 

De lokale verbreiding van Steltloopers omvat meer de lagere- 
dan de hoogere streken. Het grootste aantal soorten treft men 
aan binnen het intermangrove terrein en langs den kustzoom. 

Orden. 

A. LORA NAAKT. 

„Teenen vier in aantal, alle op een lijn ingeplant; de voor- 
teenen met slechts kleine of in het geheel geen vliezen; hals en 
pooten min of meer opmerkelijk verlengd; snavel zeer varieerend. 

.... VII. HBRODIONBS. 



Il8 STELÏLOOPERS. 

B. LORA BEVEDERD. 

„Teenen vier in aantal, op enkele uitzonderingen na, zonder 
vliezen of lobben; achterteen min of meer op dezelfde hoogte 
ingeplant, maar korter dan de voorteenen ; snavel varieerend lang 
of kort. 

.... VIII. PALUDICOL^. 

N.B. Vele natuurkundigen nemen aan in jjlaats van orde VIII, twee andere orden, 
nl. : de Fulicarice en de Alcctorides. 

„Teenen vier of drie in aantal, met min of meer kleine vliezen of 
lobben; achterteen (mits aanwezig) zeer kort en hooger ingeplant 
dan de voorteenen; slechts bij de JacanidcB is de achterteen zeer 
lang ; snavel bij vele species lang, slank en zacht, bij anderen weer 
zooals de Charadriidcs, korter en harder; vleugels lang en spits, 
de eerste slagpen over het algemeen langer dan de overigen. 

IX. LIMICOL^. 



N.B. Volgens eene andere classificatie vormen orden VIII en IX de ondergroep der 
Grallae, terwijl orde VII alleen staat. Om al deze verschillende classificaties te volgen 
is even onmogelijk als om eene nieuwe nomenclatuur samen te stellen, die aan alle 
geleerden voldoet. 



REIGERACHTIGEN. I I Q 



Orde VII. HERODIONES. 

REIGERACHTIGEN. 

De Reigerachtige vogels bezitten alle min of meer lange 
pooten en halzen. De kleine neusgaten zijn tamelijk hoog aan 
den bovensnavel geplaatst. De harde, hoornachtige snavel is 
langer dan de kop en aan den schedel bevestigd door stevige 
breede beenderen. De kuikens worden hulpeloos geboren. Hun 
lichaam is dan bedekt met lang, zacht, los dons. Tevens dragen 
velen, in het nest zijnde, groote kuiven van dons aan den kop. 
Door hunne groote vleugels behooren de meeste R. tot de 
beste vliegers. De grootere soorten hebben, alvorens op te 
stijgen, al huppelend of springend een aanloop, dikwijls van 
een vijftigtal en meer meters noodig, maar leggen, eenmaal 
opgevlogen, verbazende afstanden af. 

Ook de ruiïng gaat met min of meer ongemak voor de 
grootste onzer R. gepaard, hoewel geen der soorten de kracht 
tot vhegen langen tijd mist. 

R. V. loopen stapvoets. Alle zwemmen goed, maar doen het 
zelden. Onder het wachten op hun prooi zitten ze meer- 
malen bewegingloos op één poot met den anderen onder het 
lichaam opgetrokken; de hals wordt dan gebogen, waardoor 
de kop tusschen de schouders komt te rusten. Alle zitten bijna 
evenveel op boomen als op den grond. 

R. V. bewonen meerendeels waterrijke streken, w.o. modder- 
banken langs de zee- en rivieroevers, overstroomde savannes 
of zwampen, en komen dus meer voor in de lagere, dan hoogere 
deelen der kolonie. Vooral op de ondiepe modderbanken langs 
de zeekust krioelen ze bij tienduizendtallen. 



I20 REIGERACHTIGEN. 

Onder het voeden loopen de individuen van alle species door 
elkander, maar zoodra de vloed intreedt of de avond invalt, 
scheiden de geslachten en soorten zich scherp vaneen. Met 
luid gehis, geratel, enz, vliegen alle dan naar hunne slaap- 
plaatsen, de mangrove bosschen, terug. 

Het voedsel van R. v. is bijna uitsluitend van dierlijken 
aard, zooals visschen, krabben, reptielen, weekdieren, insecten, 
jonge vogels, enz. Het onverteerbare gedeelte er van wordt 
door de vogels weer uitgebraakt. 

Met uitzondering der Roerdompachtigen alsmede enkele 
Ibissen, zijn de meeste R. v. ook communistisch. Bij vele 
soorten rangschikken de leden van een vlucht zich onder het 
vliegen in den vorm van een V. Een vogel vliegt voorop als 
wegwijzer, maar wordt meermalen door een ander vervangen. 
Stil trekken alle dan hoog in de lucht voort. Alleen in alarm 
klinkt hun schor geluid zeer onaangenaam. 

De orde der H. omvat 6 familiën, waarvan 4 in de Guiana's 
zijn vertegenwoordigd. Het aantal bekende fossielspecies be- 
draagt omstreeks 23. 

Siibordcn. 

A. Zijden v. d. bovensnavel met een smalle groef, onafgebroken van af de 
neusgaten tot den tip. 

.... IBIDES = PLATALE^E. 

B. Zijden v. d. bovensnavel zonder groef. 

„Achterteen niet op een lijn met, maar hooger dan de voorteenen ; 
klauwen breed en plat, rustende op een hoornachtig kussen ; mid- 
denteen zonder inkervingen. 

CICONI^. 

„Achterteen op een lijn met de voorteenen : klauwen smal, gebo- 
gen en de onderkant vrij ; binnenrand v. d. middenteen van duide- 
lijke inkervingen voorzien. 

< . . .HERODIL 



IBIDID/E. 12 1 

Suborde der IBIDES — PLATALEiE. 

IBIS OF LEPELAARACHTIGEN. 

Familiën. 

A. Snavel min of meer cylindrisch en gebogen ; neusgroef lijnvormig, zich 
uitstrekkend bijna tot den tip v. d. snavel. 

IBIDID^. 



B. Snavel zeer plat, smalier in het midden, maar zich verbreedend tot een 
lepelvormig end; snaveltip gehoekt. 

.... PLATALEID.^ 



Familie der IBIDID^. 

IBISSEN. 

Ibissen, eng. Ibisses, fr. Ibises enz., waarvan er ongeveer 
27 soorten bestaan, komen voor in al de warmere deelen der 
aarde. Tot de fauna van Amerika rekent men 10 soorten. 
In de Guiana's behooren tehuis 7 species, gerangschikt onder 
5 genera. Uitgezonderd een soort, behooren alle hier tot de 
standvogels, die in lichaamsgrootte ongeveer overeenkomen 
met middelbare en groote hoenders. 

Onze I. hebben over het algemeen een zwaarder, breeder 
lichaamsvorm dan Reigers, dezelfde min of meer lange, maar 
naar verhouding eenigszins dikker halzen, die er evenwel meer 
rondachtig uitzien, zonder de eigenaardige, S-vormige knakking; 
verder evenlange pooten, grooter koppen, alsmede lange, duide- 
lijk over hun geheele lengte naar beneden gebogen slanke 
snavels met bijna cylindrische of zelfs smaller dan hooge 
uiteinden. De kleine tong is driehoevig van vorm. De huid is 
moderaat dik, iets dikker dan bij Reigers, maar aan den hals 
minder elastisch. De olieklieren zijn bepluimd. Bij vele indi- 
viduen bevindt zich tusschen vel en vleesch eene dunne laag vet. 

Het vederkleed bestaat aan de onderdeden niet uit lange, 



J22 IBIDIDiE. 

zachte vederen ; tevens zijn die aan den hals min of meer 
kort en nimmer tot manen verlengd, hoewel enkele soorten 
lange kuiven aan den achterkop dragen. Evenzoo ontbreken 
de poederachtig donzige plekken onder aan het lichaam, maar 
de buik is bevederd. Het vleesch wordt gegeten, hoewel het 
bij sommige soorten, een wel wat tranigen bijsmaak bezit. 

Tot onze I. behoort een der helderst gekleurde vogels der 
Wereld ; vele species dragen ook een bronsgroen vederkleed, 
terwijl een soort er geheel wit uitziet. Beide seksen gelijken 
elkander, maar de wijfjes zijn doorgaans kleiner. De jongen 
verschillen in den regel opmerkelijk van de ouden. 

Evenals bij de overige Reigerachtige vogels, bestaan de 
geluiden van onze I. grootendeels uit gehis, gekras of gegurgel. 
De individuen van sommige in troepen levende soorten, rang- 
schikken zich al vliegende, in den bekenden V-vorm. Bij alle 
worden in de vlucht de pooten wel naar achter gekeerd, maar 
de hals niet als een S gebogen, integendeel lang uitgestrekt. 
Toch buigen I. in rust den hals, waardoor de kop op den 
bovenrug komt te liggen. En dit is veelal hun normale houding. 

In vroeger eeuwen werd een I.-soort in Egypte als heilig 
beschouwd ; hunne karkassen balsemde men, evenals die van 
koningen en er bestaat zelfs een aan hen toegewijde p3Tamide. 
Thans behoort de Heilige Ibis tot de zeldzaamste vogels in 
Egypte. 

Onze I. zijn geen luidruchtige vogels. Hun voedsel komt 
overeen met dat van Reigers. Zij wachten evenwel zelden op 
hun prooi, maar waden door den zachten modder op de bij 
laag getij bloot liggende modderbanken. Andere soorten weer 
bewonen bijna uitsluitend zoetwaterkanten of moerassen. 

Naar jagers beweren, slaan onze I. hun prooi van visschen 
dikwijls tegen een hard voorwerp, ten einde ze gauwer van 
kant te maken. En dit doen zoowel de bij paren, als de in 
troepen levende soorten. 

Evenals de typische ArdeintB, nestelen vele I. in min of 
meer groote koloniën, doch leggen in den regel ovale, gevlekte 
of ongevlekte eieren. De voortteling der Scharlaken I. is eene 
studie en geeft veel te denken omtrent de voortplantings- 



THERISTICUS. 123 

aandrift in verband met de vurige kleuring dezer vogels. 
Voor zoover schrijver kan oordeelen, broeden beide seksen. 

Genera. 

A. Voorgedeelte v. d. tarsus reticulaat, d. w. z. maas- of netvormig en met 

talrijke hexagonale schilden. 

Lora met enkele wratachtige papillffi; oogomtrek naakt, even- 
zoo de kinzijden en bovenkeel; geen kuif aan den achterkop. 

.... THERISTICUS, WAGL. 

Lora naakt, zonder wratachtige papillse: kin en lijn langs de 
keelzijden naakt; een kleine kuif van metaalachtige pluimen aan 
den achterkop. 

.... HARPIPRION, WAGL. 

Voorkop naakt evenals de lora en beide met wratachtige papillse ; 
kin, basis der kaken alsmede oogomtrek naakt. 

PHIMOSUS, WAGL. 

B. Voorgedeelte v. d. tarsus beplaat en met duidelijke overdwarse schilden; 

kuif klein. 

Staart zeer lang, meer dan half der lengte van den vleugel en 
reikende tot over de uitgestrekte pooten; lora, oogomtrek, kin, 
bovenkeel en keelzijden naakt. 

CERCIBIS, WAGL. 

Staart kort, minder dan half der lengte v. d. vleugel en korter 
dan de uitgestrekte pooten; keel tamelijk bevederd; kin, lora en 
een gedeelte v. d. basis der kaken naakt. 

PLEGADIS, KAUP. 

Bovenkeel geheel naakt, evenals de kin, kopzijden, plek achter 
en boven de oogen alsmede de voorkop. 

EUDOCIMUS, WAGL. 



Species. 
THERISTICUS, WAGL. 

T. caudatus, Bodd. = Courly a col blanc de Cayenne, 
Daiib. = Le grand courlis de Cayenne, Biiff. = Ibis albi- 
collis, Cah. iii Schomb. Reis. 

^ Bov.d. over het algemeen zwartachtig met een groenen olieglans en met min 
of meer zandachtige geelachtige randen aan de vederen; vl.dekv. min of meer 



124 IBIDID.E. 

grijsachtig en wit; onderrug, stuit en dekv. bov. d. st. en staartp. glanzend zwart ; 
kop, nek en keel oranjekleurig; kin met een kwastj; van witte vederen; overige 
ond.d. over het algemeen zwart met zandachtige, geelachtige randen aan de buik- 
vederen ; slagp. bronsachtig groen aan de onderzijde ; pooten rood ; iris rood (Whitely). 
5 Ongeveer hetzelfde, maar het witte kwastje aan de kin kleiner; bov.d. en 
abdomen zonder geelachtig zandachtige randen aan de vederen. L. 66, vl. 38, 
st. 17.6, tars. 7.6, culm. 14.8. Geogr. dist. De Guianas. Lok. dist. De lagere 
streken. 

Witkin-Glans-Ibissen, eng. White throated Glassy Ibisses, 
fr. Ibises a col. blanc, zijn dadelijk van de overige soorten te 
onderscheiden, niet alleen door hun meerdere lichaamsgrootte, 
maar tevens door een kwastje van witte vederen aan de kin. De 




Kop van Theristicus caiidafiis. 

oogomtrek is naakt, evenals de kinzijden en bovenkeel. Aan 
de lora bevinden zich enkele wratachtige papillen. 

W. I. leven bij paren of troepjes van zelden meer dan 12 
individuen. Zij bewonen gedurende den regentijd de hooger 
gelegen zwampachtige savannes, maar worden door gebrek 
aan w^ater tijdens het droge seizoen, teruggedreven naar het 
intermangrove terrein, of slechts enkele malen ook op de 
zandbanken in de rivieren. Toch behooren ze niet tot onze 
gewone vogels. 

Hun voedsel komt overeen met dat der andere zoetwater 
Ibissen. 

Inzonderheid gedurende de morgen- en avondschemering 



HARPIPRION. 



125 



doen W. G. zich het levendigst voor. Luide klinkt dan hun 
„kra-kra" door de lucht, vooral onder het vliegen van de 
eene naar de andere plaats. 

In de kolonie kent men de W. G. als Bigi (Groote) Krokro, 
bij de Indianen als Korokoro, doch bij de Arowakken ook wel 
Fieroeto-korokorokoro. 

Voor zoover schrijver kan oordeelen, is over de voortteling 
van T. C niets bekend. Maar Oates beschrijft de eieren van 
T. melanopis. Gin. uit Chili, als biconisch, ruw, glansloos, 
witachtig of grijsachtig wit, met enkele vlekjes en vlekken 
donker bruin en daaronder hggend licht purper. 



HARPIPRION, WAGL. 

H. cayennensis, Gm. = Courly vort de Cayenne, Daub. = Le 
Courlis des bois, Buff.=^ Ibis cayennensis, Cab. in Schoinb.Reis, 

Ad. Bov. d. over het algemeen bronsachtig grasgroen met inbegrip der mid- 
delste en kleinere vl.dekv. ; stuit en dekv. bov. d. st. als de rug, de vederen aan 
laatstgenoemde met staalblauwe randen ; staart staalblauw met een purper en 
groenachtigen weerschijn ; grootere vl.dekv. ; dekv. over de eerste slagp. en slagp. 
zelve zwart, uitwendig purper of purperachtig blauw met een licht bronsachtigen 
weerschijn; binnenste slagp. v. d. 2<ien rang donkergroen; voorkop, voorhelft der 
kruin, kopzijden, kaken en keel grijsachtig; kin, voorgedeelte der kaken, achter- 
kruin en achternek besprenkeld met glanzend, roseachtig purpergetint groen ; nek- 
zijden ook gevlekt, maar minder duidelijk; ond.d. zwartachtig met een donker 
olijfgroenen glans; dekv. ond. d. st. glanzend grasgroen; dekv. ond. d. vl. en 
okselvederen zwart, geglansd met' purper, de onderzijde der slagp. geglansd met 
staalgroen en purper; snavel, lora en naakte huid aan de kopzijden groenachtig grijs; 
achterdeel der kopzijden loodkleurig, bij zeer oude vogels blauwachtig ; pooten licht 
grijsachtig groen ; iris bruin (Burmeister). 

N.B. Bij exemplaren in Suriname gecollecteerd gedurende het broedseizoen (kl. droge 
tijd) zijn de pooten licht vuil grasgroen, terwijl de naakte huid aan de kopzijden eene 
blauwzwarte, die aan de keel eene ultramarijnblauwe en de snavel een glanzend donker 
groenachtige kleur heeft. Na het broedseizoen vermindert de helderheid der verschil- 
lende kleuren. 

L. 55, vl. 32, st. 16, tars. 5.8, culm. 12.3. Geogr. dist. Van af Panama tot 
Columbia, Ecuador, de Guiana's zuidwaarts tot Z. Brazilië. Lok. dist. Vooral de 
lagere streken. 



J26 IBIDID.Ï:. 

Bij den Glans-Ibis, Groene Ibis, Cayenne Ibis, eng. Cayenne 
Glossy Ibis, Bush Currie-currie, fr. Ibis vert de Cayenne, is de 
kin naakt, evenals een lijn langs de keel en een plek aan de 
kopzijden. Aan den achterkop hangt een kuif van metaal- 
achtige pluimen. De kopzijden zijn vooral gedurende het broed- 
seizoen helder gekleurd; de snavel is dan bijna glanzend 
zwartachtig groen ; de pooten zijn lichtgroen. 

G. I. staan in de kolonie bekend als Kro-Kro, omdat hun 
geluid min of meer zoo klinkt, en bij de Indianen als Korokoro, 
evenals de volgende soort. 

Langs de kust treft men de G. I. niet aan, maar wel in het 
intermangrove terrein, en gedurende de regenseizoenen ook 
de zwampachtige savan- 
nes der hoogere alluviale 
gronden, op dezelfde 
plaatsen als de Krau- 
Kraus, Aramus scolopa- 
ceus, d. \\\ z. moerassige 
streken, zoetwaterkan ten 

of StOppelvelden. Kop van Harpiprion cayeniieiisis. 

Hun voedsel komt 
overeen met dat der andere Herodiones. Soms wachten ze 
bedaard op hun prooi, maar waden gewoonlijk door het 
water of loopen over den drassigen bodem. En dat doorgaans 
bij paren, zelden in troepjes van 5 of 6 indi\'iduen. 

Tegen het aanbreken van den avond stijgen G. I. dikwijls 
de lucht in en vHegen dan over de wouden heen, onder het 
uiten van hun eigenaardig ratelend, schor geluid, dat regen 
zou voorspellen. 

H. C. broedt, te oordeelen naar de voortplantingsorganen, 
gedurende den kleinen drogen tijd. 

Jagers in Suriname verklaren de broedplaatsen niet te kennen. 
Maar Nehrkorn beschrijft 2 eieren uit Peru, als donker olijf- 
achtig grauwgroen met zwartachtige en zwartbruine punten 
en vlekken, vooral om het stompe end der schaal. 

Afm. 52-53 X 37-38.5 m.M. 




CERCIBIS. 127 

PHIMOSUS, WAGL. 

Ph. infuscatus, Licht. = id. Cab. in Schomh. Reis. = id. 
Schlegal, Mus. P. B. 

Ad. Bov.d. over het algemeen zwart met een staalgroenen glans, duidelijker aan 
de vleugels, die tevens een donkerder groenen en roseachtigen purperglans bezitten ; 
grootere vl.dekv. en slagp. donker staalgroen met een lichten koperglans ; binnenste 
slagp. V. d. 2den rang als de rug; staart glanzend staalgroen ; voorkop, voorge- 
deelte der kopzijden en kin naakt (rooskleurig bij levende vogels), met caruncles 
aan den voorkop en de kaken ; geheele hals en ond.d. zwart, eerstgenoemde met een 
roodachtig purper, laatstgenoemde met een lichtgroenen glans ; dekv. ond. d. vl. en 
okselvederen met een staalgroenen glans; snavel witachtig; pooten rooskleurig; iris 
bruin. L. 52, vl. 28, st. 12, tars. 6.5, culm. 12.7. Geogr. dist. Van af Columbia 
tot Argentina. Lok. dist. Vooral de lagere streken. 

Bij den Zwarten Glans-Ibis, eng. Black Glossy Ibis, is de naakte 
voorkop, evenals de lora, voorzien van wratachtige papillen; 
ook de kin, basis der kaken en oogomtrek zijn onbevederd. 

Z. G. I. komen in de kolonie niet zoo talrijk voor als gewone 
Krokros, maar worden toch meermalen aangetroffen, vooral in 
het intermangrove terrein alsmede de zwampachtige savannes 
der hoogere aangespoelde gronden. 

In den regel leven Z. G. I. eenaaam of bij paren. Hun geluid 
klinkt als een meermalen herhaald ko-ro-koro. Hun voedsel 
bestaat uit vischjes, weekdieren, kleine reptielen, insecten enz. 
Vooral gedurende de morgenuren dwalen ze overal rond, maar 
keeren, zoodra het warm begint te worden, naar de wouden 
terug. Over hun voortteling is mij niets bekend, noch over 
die van eene aanverwante soort, want Z. G. I. behooren, uit- 
gezonderd Ph. azarcc, die denkelijk ook in de Guiana's voor- 
komt, tot de eenigste soort van hun geslacht. 



CERCIBIS, WAGL. 

- C. oxycerca, Spix. = Ibis oxycercus, Cab. in Schomb. Reis. 
= id. Schlegal, Mus. P. B. 

Ad. Bov.d. over het algemeen zwart met een lichtgroenen of purperglans, 
duidelijker aan vleugels en staart; lora, oogomtrek en keel naakt; achterkop 



128 IBIDIDiE. 

versierd met een purpergeglansde kuif, overgaande in groen aan de nekzijden; 
vederen aan het voorgedeelte der kruin zilverachtig witachtig, evenals een breede 
kaakstrcep; ond.d. dof zwart, bijna zonder glans, de vederen opklimmende in een 
smalle lijn tot een punt aan de keel ; dekv. ond. d. vl. en okselvederen zwart met 
purperglans ; snavel en naakte kopzijden helder vleeschkleurig ; pooten vleesch- 
kleurig geel (Burmeister). L. 88, vl. 40 — 39, st. 27.5 — 26.5, tars. 7 — 6.8, culm. 
16.5 — 15. Geogr. dist. Columbia tot de Guiana's, de Rio Negro en de Boven 
Amazone. Lok. dist. Vooral de lagere streken. 

Door hun vleeschkleurigen of oranjerooden oogomtrek zien 
Groote Glans-Ibissen, eng. Large Glossy Ibises, er eigenaardig 
uit en onderscheiden zich tevens door staarten, die voorbij de 
uitgestrekte pooten reiken ; de lora, oogomtrek, kin, bovenkeel 
en keelzijden zijn naakt. 

In levenswijze komen G. G. I, min of meer overeen met 
de gewone Glans-Ibissen en worden evenzoo bijna uitsluitend 
bij paren,- op dezelfde plaatsen aangetroffen. 

Beide seksen zijn zeer aan elkander gehecht. Wanneer men 
dus een schiet, dwaalt de overblijvende langen tijd om de 
plaats rond, evenals Aras of Sesei-akkas, Elanoides. 

Vooral tegen het aanbreken van den dag en gedurende de 
avondschemering, laten G. G. I. zich luide hooren. Hun geluid 
klinkt dan als een meermalen herhaald : tara-tara-tara. 

In de kolonie staan ze bekend als Bigi Krokro (Groote 
Krokro's). Maar het is slechts zelden dat men er een aantreft. 
Ook verklaren onze jagers de nestelplaatsen niet te kennen. 
Een ei wordt echter beschreven als witachtig met bruine 
vlekken. A/m. 69 X 47 m.M. (Nehrkorn). 



PLBGADIS, KAUP. 
F. guarauna, L. = Ibis falcinelbis, Schlegal, Mus. P. B. 

Kd. Over het algemeen donker metaalachtig kastanjekleurig, enkele deelen met 
een groenachtigen en purperachtigen weerschijn; vederen om de snavelbasis wit; lora 
en kinbasis naakt, karmijnrood bij levende vogels, bruinachtig of geelachtig bij 
gedroogde huiden; snavel grauw, getint met roodachtig; pooten, varieerend van 
grijsachtig bruin tot donkerrood; iris karmijnrood. Jong. Kop en nek zwartachtig 



EUDOCIMUS. 



129 



bruin, de vederen omzoomd met witachtig; overige ond.d. grijsachtig bruin; 
bov.d. met een groenen metaalglans ais bij volwassenen; snavel licht groenachtig 
hoornblauw, het uiteinde zwartachtig, de basis grauw; pooten zwart; iris bruin 
(Ridgway). Jong in dons. Zwartachtig; snavel witachtig, de basis grauw. Iets 
oiider. Basis, tip en middenband van den snavel zwartachtig, de tusschenruimte 
roseachtig wit. L. 53 — 50, vl. 27 — 24.5, st. 9, tars. 10.3 — 8, culm. 13.5 — 10.3. 
Geogr. dist. Zuidelijk U. S. en Mexico tot Oregofl aan de Westkust, Texas en de 
St. John's rivier in Florida, zuidwaarts tot Z. -Brazilië, Chili en Patagonië, alsmede 
St. Domingo en de Sandwich-Eil. Lok. dist. Denkelijk de lagere streken. 

De Witkaak Glans-Ibis, eng. White faced Glossy Ibis, fr. 
Ibis brun ou Acalot, behoort tot de trekvogels uit het Noorden 
of uit het zuiden en broedt in de Vereenigde Staten, zoowel 
als in Argentina. 

Met zekerheid zijn W. G. I. nog niet uit de Guiana's bekend, 
maar toch reeds waargenomen in Z.-O. Brazilië. De specie is 
kenbaar aan den geheel bevederden kop, waaraan een kleine 
kuif van min of meer lange, dunne vederen ; tevens is de keel 
gedeeltelijk bevederd naar de kin toe, doch de lora en een 
gedeelte der kaken zijn naakt. 

In het Westen van N. -Amerika worden W. G. I. talrijk 
aangetroffen, broeden daar te zamen met de andere reigersoorten 
in koloniën en bouwen niet ver van den grond af, een min of 
meer plat, in het midden komvormig nest, van stokjes, twijgjes, 
riet, enz. 

De 2 of 3 eieren zijn gewoonlijk ovaal, zeldzaam elliptisch 
en geheel glansloos, mooi donker, meer blauw dan groen van 
kleur. Al. Afm. 50 X 37 m-M. 



EUDOCIMUS, WAGL. 

~ Ê. ruber, L. = Lc Coitrly rouge du Brcsil, Daub. ■= L 
Courlis rouge, Buff. = Ibis rubra, Cab. tn Schoinb. Reis. = 
Schlegal, Mus. P. B. =■ Guara rubra. 

^ Geheel scharlakenrood, de schachten der slagp. wit; uiteinden der vier eerst 
sLagp. purperzwart ; basis v. d. voorkop, lora, oogomtrek, voorgedeelte der kaken, 

9 



I^O IBIDlDyE. 

kin en bovenkeel naakt, donker vleeschkleuti<; bij levende vogels, geelachtig bij 
geprepareerde huiden; snavel zwartachtig bruin, maar zeer varieerend in tint; bij 
vele individuen zelfs geheel vuil geelachtig of zwartachtig ; pooten eu iris karmijnrood. 
O Snavel iets kleiner maar zeer varieerend in lengte. Jong. Bov.d. bruin, de 
vederen met lichter bruine randen ; slagp. donkerbruin met een groenachtigen olie- 
glans; onderrug, stuit en dekv. bov. d. st. wit; laatstgenoemde met grijsachtige 
randen, basishelft v. d. staart dof wit gevlekt met bruin ; endhelft lichter bruin met 
donkerder banden ; kop en nek rondom min of meer lichtbruin met donkerder 
strepen ; overige ond.d. dof wit ; iris bruin ; pooten zwartachtig ; snavel varieerend 
zwartachtig tot geelachtig of bruinachtig. Jong in do?is. Bov.d. zwartachtig, over- 
gaande in witachtig aan de ond.d. L, 48, vl. 27, st. 8, tars. 7.8, culm. 12.3. 
Geogr. dist. De Guiana's, Rio Negro, alsook de grootere Antillen en enkele malen 
in Florida en Texas. Lok. Jïst. Vooral de kustzoom. 

Volwassen Scharlaken Ibissen, eng. Scarlet Ibisses, fr. Ibises 
rougs, zijn onmiskenbaar en behooren niet alleen tot de fraaist 
gekleurde, maar ook tot de talrijkste onzer watervogels langs 
de kust en de rivieroevers, tot zoover het getij reikt. In Suriname 
staan ze bekend als Flamingo, bij de Arowakken als Kolokolo, 
bij de Caraïben als Wala en bij de Warrau's als Timoeksen. 

Gedurende het broedseizoen vertoont het vederkleed van 
zeer oude vogels een bloedige tint. Alleen de enden der vier 
eerste slagpennen zijn zwart. Het schijnt alsof de natuur als 
het ware de tinten der jeugd gedreven heeft naar de vleugel- 
enden, waarvan enkele vederbaardjes tusschen het zwart, zeer 
dikwijls eene scharlakenroode kleur hebben. En zoo sterk is 
de roode kleur, dat het vleesch der vogels er mede door- 
trokken is. Zelfs de dooiers der eieren g^elijken eigenaardig 
veel op bloed. 

Na het broedseizoen gaat de bloedroode tint min of meer 
over in lichter scharlakenrose. De jongen verschillen in kleur 
geheel van volwassenen. Hun vederkleed bezit bruinachtige 
en witachtige tinten. Jagers verzekeren dat S. I. minstens 3 
of 4 jaren noodig hebben teneinde het volkomen kleed te 
verkrijgen. 

Het ruien of liever de kleurverandering is een studie op 
zichzelf. Schrijver heeft ruiende vogels waargenomen van af 
begin Januari tot einde December. In den regel beginnen de 
hals en rugvederen het eerst van kleur te veranderen, maar 




EUDOCIMUS. 131 

blijven het langst om tot volkomen scharlakenrood over te gaan. 

Gewoonlijk treft men dan ook de S. I. in het volkomen 
vederkleed aan, maar met halsvederen van een gedeeltelijk 
zwarte, gedeeltelijk rosé kleur of met ten naastenbij naakte 
halzen, waaraan opkomende, rosegetinte vederspoelen. Zelfs 
gedurende het broeden is dit het geval. Vogels in het gedeel- 
telijk volkomen kleed, d. w. z. onregelmatig gevlekt zwart- 
achtig, wit en scharlakenrood zien er zeer eigenaardig uit. 

Jagers verzekeren dat ook Albinisme voorkomt in den vorm 
van een rosegetint vederkleed. Schrijver heeft nimmer een 
dezer abnormale exemplaren in handen gehad ; toch is dit geen 
reden om aan hun bestaan te twijfelen. 

De olieklieren aan den 
staartwortel van S. I. zijn 
zeer sterk ontwikkeld. Bij 
volwassen individuen is 
de kleur er van donker- 
geel, bij jongen daaren- 
tegen ZWartachtig. Toch Kop van Eudodmns riibcr. 

treft men soms jonge 

vogels aan met gele olieklieren en evenzoo individuen in het 

half volkomen vederkleed, met zwartachtige olieklieren. 

S. I. leven in troepjes tot vluchten van honderden vogels. Onder 
het vliegen rangschikken de individuen van een troep zich in 
regelmatige rijen naast- en niet zooals Reigers, achter elkander. 
De bruinachtige jongen houden zich geheel af van de ouden. 
Ook dezulken in het gevlekt vederkleed schijnen een voor- 
liefde voor elkander te bezitten. 

Hun geluid klinkt schor en onaangenaam. Hun voedsel 
bestaat uit vischjes, insecten, kuit, kruipende diertjes enz. Die 
bemachtigen ze al wadende door het ondiepe water der pans 
of op de modderbanken, vooral aan de zeekust, maar wachten 
zelden, evenals Reigers, op hunne prooi. Bij dag verspreiden 
de troepen zich overal, maar tegen den vooravond keeren alle 
naar een bepaalde plaats terug. 

Verbeeld u een zwartachtige modderbank, waarachter een 
lange lijn van donkergroene mangroven. Overal waar het oog 



132 



IBIDID^. 



zich wendt, krioelen duizenden scharlakenroode, gevlekte, 
sneeuwwitte, leiblauwe, bruinachtige vogels, die te zamen een 
schouwspel vormen, zooals alleen in de tropen te vinden is. 
Met zonsondergang vliegen alle naar hunne slaapplaatsen, de 
mangrove bosschen toe. 

De voorliefde van S. I. voor al wat rood is, verdient opmer- 
king. Jagers maken hiervan gebruik door het zwaaien van 
een stuk rood goed of het plaatsen van een dooden rooden 
vogel op een open plek, zeker zijnde de voorbijtrekkende 
Ibissen aan te lokken en te doen neerdalen. 




Lade met eieren van E. ruber. 



E. R. broedt gedurende den grooten regentijd. Oude, bloed- 
rood gekleurde vogels beginnen het eerst, waarna de overigen 
volgen. Jagers en visschers verklaren eenparig dat S. I. geen 
nest bouwen, maar gebruik maken van die der Sabakoes, vooral 
LeucopJioyx candidissinia, wier jongen van het tweede broedsel 
dan uit het nest geworpen worden. Schomburgck maakt hier- 
van eene kleine aanhaling in zijn Guiana Reisen. Ook de 
Heer D. E. Mackintosh beweert S. I. verscheidene malen jonge 
reigers uit het nest te hebben zien werpen. *) 

Na de overweldiging vergrooten de overweldigers soms het 
nest, waarin het wijfje gewoonlijk 2, zeldzamer 3 of 4 eieren 



*) Timehri vol. XI, pag. 9. 



EUDOCIMUS. 133 

legt. Naar mijne meening behooren 4 eieren aan twee wijfjes 
toe. De schalen varieeren uitermate, maar zijn gewoonlijk 
ovaal of lang ovaal, glansloos, grijsachtig, blauwachtig of 
groenachtig, zeldzamer geelachtig wit, en vooral om het stompe 
end gevlekt, besmeerd en gestipt met dof zwartbruin, rood- 
bruin, roestbruin enz. M. Afin. 59 X 36 m.M. 

Bij enkele eieren ontbreken de vlekken ten naastenbij, 
anderen weer zijn geheel overdekt. De bevlekking kan met 
eenige moeite bijna geheel van de schalen wegge wasschen 
worden. Ongevlekte exemplaren, door de vogels zelve gelegd, 
gelijken veel op ovale reigereieren, maar zijn even zeldzaam, als 
eieren met een dubbelen band van vlekken, een om het stompe 
en een om het spitse end, of wel alleen om het spitse end. In 
enkele nesten treft men ook abnormaal kleine windeieren aan. 

Gelijk te voren aangehaald, gelijken de dooiers eigenaardig 
veel op bloed ; het wit is tevens wateriger als dat van hoender- 
eieren. De schalen zijn dun en dit maakt dat de eieren zeer 
spoedig bederven. 

Beide seksen broeden. De mannetjes schijnen iets talrijker 
dan de wijfjes. De broedtijd duurt ongeveer 24 dagen. De 
jongen, die geheel hulpeloos geboren worden, zijn aan de 
bovendeden met een donker dons bedekt ; hun snavel ziet er 
dan ook heel anders uit als bij volwassen individuen. 

De oude vogels verzamelen het voedsel voor hunne jongen 
in den elastische zak aan hun bovenkeel. Bij het nest gekomen, 
wordt de bek wijd opengesperd; de jongen nemen er dan de 
vischjes enz. uit. 

Doodt men de oude vogels gedurende dezen tijd, dan zouden 
er altijd individuen gereed staan om de taak van stiefmoeder 
of stiefvader op zich te nemen. 

De jacht op S. I. gedurende het broedseizoen voorziet in 
het bestaan van enkele personen. Toch is het zeer wreed. 
Onbarmhartig worden de vogels op hunne eieren of naast 
hunne jongen neergeschoten, daarna gezouten of gedroogd, bij 
vaten vol getransporteerd en in de stad rondgevent tegen 
25 cent per stuk. Zoowel in gedroogden als verschen staat 
smaakt het vleesch wel wat tranig. 



134 IBIDID^E. 

Maar niet alleen tegen den mensch, ook tegen andere 
vijanden hebben de broedende vogels te strijden, nl. de 
Zwarte, Geelkop en Roodkop Gieren, die zoowel eieren als 
jongen verslinden. Maar zeer eigenaardig is het dat Reigers, 
hoewel bang zijnde voor de S, I., zich krachtig tegen de 
Gieren verzetten, de roode tirannen als het ware machteloos 
tegenover hunne vijanden staan. 

Tot de grootste nesteik oloniën, z.g. flamingo-nissie in Suriname 
behooren de Hermina flats, Via via flats en de oevers der 
Motkreek. Daar nestelen S. I. bij tienduizendtallen, dikwijls te 
zamen met andere Reigerachtige vogels. Op de Hermina flats 
is een begroeid eilandje van hoogstens een paar akkers 
oppervlakte, waar S. I. in zoo groot aantal broeden dat de 
mangroven als met bloedvlekken bespat schijnen. Een schot 
in hun midden gelost, doet alle als een roode wolk opstijgen 
en onder een gurgelend „gwê gwê" naar de hoogere boomen 
toevluchten. 

Zich veilig gevoelende, schijnt elk individu wat te zeggen 
te hebben, en doet dit met veel gehis. Dikwijls ontstaat er 
ook twist ; de een jaagt dan den ander weg. Daarbij ratelen 
ze met hunne snavels, terwijl hunne bloedige oogen op eigen- 
aardige wijze in de oogholten omrollen. Na het broedseizoen 
dwalen alle over al de lagere streken der kolonie rond, maar 
verwijderen zich zelden ver van de zeekust. 

De jongen laten zich gemakkelijk temmen, maar verkrijgen 
in gevangenschap wel het roode, nimmer het scharlakenroode 
vederkleed. Het is dan alsof er iets aan ontbreekt, alsof er 
geen kleurstof genoeg in hunne vederen zit. Geen wonder 
ook, in aanmerking genomen dat de scharlakenroode kleur 
zijn oorzaak vindt in de vurigheid der vogels gedurende de 
voorttelingsperiode, en er ook door ontstond. 

E. albus, L. =: Le Courly blanc cfAmcrique, Daub. = 
Lc Courlis blanc, Bujf. = Ibis alba, ScJdcgal, Mus. P. B. ^= 
Guara alba. 

Ad. W^it ; enden der vier eerste slagp. zwart met een groenen purperglans ; 
achterkop met een })lattc kuif ; snavel, naakt vel aan den kop alsmede pooten 



PLATALEID^. 



135 



helder karmozijnrood gedurende het broedseizoen, oranjerood na den broedtijd ; 
iris paarlblauw (Aud.) /ong. Kop en nek wit met grijsachtig bruine strepen; 
bovenrug en vleugels grijsachtig bruin; stuit, borst en buik wit. L. 63, vl. 31, 
st. 10,5, tars. 10.8, culm. 15. De wijfjes zijn iets kleiner: vl. 27.8. Geogr. dist. 
dist. Van af het zuiden der Vereenigde Staten zuidwaarts tot het dalgebied der 
Amazone. Lok. dist. Denkelijk de kustzoom. 

Jagers verklaren dat de Witte Ibis, eng. White Ibis, fr. 
Ibis blanc, langs onze kust voorkomt, hoewel onregelmatig en 
zeldzaam. Maar meer naar het noorden toe, vooral langs de 
westkust van Centraal en Z.-Amerika, worden W. I. zeer tal- 
rijk aangetroffen. 

Hun levenswijze komt overeen met die van laatstgenoemde 
soort. Alleen maken ze geen gebruik van reigernesten, maar 
vervaardigen zelf een plat nest van takjes, twijgen, riet enz. 

De 2 of 3 eieren komen geheel overeen met die der Schar- 
laken Ibissen, doch zijn naar verhouding iets minder lang en 
tevens grooter. M. A/m. 59 X 40 rn.M. 

Beide seksen zouden broeden. 



Familie der PLATALEID^. 

LEPELAARS. 

De Lepelaars, Lepelbekken, eng. Spoonbills, fr. Spatules 
vormen eene kleine familie van 6 species, waarvan slechts een 
in de Guiana's voorkomt. De overigen worden aangetroffen 
over de geheele Wereld, uitgezonderd Amerika. 

In lichaamsvorm enz. komen L. overeen met Ibissen, uit- 
gezonderd wat snavels betreft. Die zien er uit als twee platte, 
aan het uiteinde verbreede lepels. De jongen zijn veel doffer 
van kleur dan de ouden, die in vederkleed niet veel van 
elkander verschillen. 

L. nestelen in koloniën, zoowel op den grond als in boomen. 
Het wijfje legt over het algemeen ovale, gevlekte eieren. 



136 PLATALEID^. 

Species. 

AJAJA, RBICHBNB. 

A. ajaja, L. = La Spatule coulcior de rosé de Cayenite, 
Daub. = Platalca a. Cab. in Schonib. Reis. = id., Schlegal, 
Mus. P. B. 

Ad. Volk. ved.kl. Nek, rug en borst wit met een rooskleurig tintje ; staartp. 
en dikwijls ook de borstzijden saffraangeel, de schachten der vederen donker rosé ; 
overig gevederte licht rosé ; kleinere vl.dekv., dekv. ond. en bov. d. st., flanken, 
enkele pluimen aan den achternek, alsmede een kwastje van afhangende vederen 
aan den krop, glanzend donker karmozijnrood; snavelbasis geelachtig grijs en 
gevlekt met bruinachtig zwart, overigens licht groenachtig blauw, de zoom lichter 
van tint ; basiszoom v. d. ondersnavel groenachtig geel ; pooten licht karmozijnrood ; 
klauwen bruinachtig zwart; iris karmozijnrood; naakte kop geelachtig groen ; naakte 
oogomtrek en keel oranjeachtig; een zwarte band van af den ondersnavel tot den 
achterkop. Gewoon ved.kl. Ongeveer hetzelfde, maar bijna zonder karmozijnrood 
en saff"raangeel. Jong. Kop bevederd, uitgezonderd de snavelbasis ; vederkleed 
geheel zonder karmozijnrood of saffraangeel en tevens witter getint met rosé, de 
schachten der slagp. zwartachtig, de buitenste v. d. isten rang, donkerbruin aan 
de buitenvlag en tippen; pooten zwartachtig. L. 63, vl. 35, st. q.5, tars. 10.5, 
culm 16.5. Geogr. dist. Geheel Amerika vanaf het Zuiden der Vereenigde Staten 
zuidwaarts. Lok. dist. De kustzoom. 

Even onmiskenbaar, hoewel niet 200 talrijk als de Scharlaken 
Ibissen, leven Roseroode Lepelaars, eng. Roseate Spoonbills, 
fr. Spatules roseatres, bij paren of troepen en staan in de 
kolonie bekend als Lepelbekken, bij de Arowakken als Walala, 
en bij de Caraïben en Warrau's als Ajaja. 

R. L. onderscheiden zich door kale koppen, ooren en boven- 
keel, alsmede abnormaal platte, op twee dunne plankjes gelij- 
kende, aan de punt gehoekte snavels ; hun tong is zeer klein 
driehoekig en ten naastenbij rudimentair ; hun vederkleed schijnt 
onregelmatig, wijl het rosé op sommige plaatsen ontbreekt. 
Het schijnt alsof de vogels niet genoegkleurstof in zich hebben 
teneinde hunne vederen behoorlijk te kleuren. Ook de prachtige 
karmozijnroode vederen, wier min of meer losse baardjes veel 
op bloedstrepen gelijken, varieeren uitermate, maar zijn het 
helderst bij zeer oude vogels, gedurende het broedseizoen. 



AJAJA. 



137 



Gewoonlijk echter ontbreekt het saffraangeel en karmozijnrood 
in mindere of meerdere mate. Jonge individuen hebben beve- 
derde koppen en een roseachtig wit vederkleed. Eerst na 3 
of 4 jaren zijn ze tot volkomenheid opgegroeid. 

R. L. vergaren hun voedsel, vooral vischjes, meestal bij dag 
en waden dan door het water of op de modderbanken, onder 
het zijdelings heen en weder zwaaien van hun snavel, zoodat 
er halve cirkels in het water gevormd wor- 
den. Onvermoeid en systematisch loopen ze 
den geheelen plas rond. Ontmoeten twee 
individuen elkander, dan volgt een gevecht 
dat van geen gehis vergezeld gaat. 

Opgeschrikt, doen R. L. een paar spron- 
gen vooruit, breiden hunne breede vleugels 
uit en stijgen met een krachtige vlucht 
maar langzaam de lucht in, of maken ook 
een klapperend geluid door hunne boven 
en ondersnavels tegen elkander te ratelen. 
Veel kracht zit er evenwel niet in, ten 
minste, broeder van schrijver werd eens aan 
den neus gebeten zonder nadeelige gevolgen. 

R. L. zijn ten naastenbij stom, evenals 
van de Platalea der Oude Wereld beweerd 
wordt, en laten alleen bij hooge uitzondering 
een schor gehis hooren. Hun vleesch is 
eetbaar maar wel wat tranig ; de marktprijs 
in de stad bedraagt ongeveer 75 cent. 

A. A. broedt gedurende den grooten regentijd. Vroeger 
waren de nestelkoloniën niet ver van die der Scharlaken 
Ibissen; thans worden de platte, uit takjes, twijgen enz. samen- 
gestelde nesten aangetroffen achter den zoom der mangrove 
bosschen. En dat meestal in hooge boomen, ongeveer 6 tot 
25 meters van den grond af. Elk jaar keer en de vogels 
geregeld naar deze broedplaatsen terug en maken steeds van 
dezelfde nesten gebruik, na die eerst hersteld en vergroot 
te hebben. 

Het wijfje legt in N.-Amerika 3 tot 5, in Suriname daaren- 




Snavel van Ajaja ajaja. 



138 CICONIIDtE. 

tegen 2 of 3 eieren. De vorm is ovaal, de grondkleur glans- 
loos wit of geelachtig, maar min of meer gevlekt, gestipt en 
overtogen met verschillende bruine tinten. Aï. Afiii. 65 X 43 rn.M. 
Beide seksen broeden en schijnen even talrijk. Na het broed- 
seizoen dwalen R. L. over de lagere streken rond en zijn dan 
ook niet zoo schuw als op andere tijden. De jongen vertoeven 
aan de kust en zonderen zich daar tot troepen van 6 tot 
30 individuen af. Dit doen ook de ouden, maar die trekken 
dan naar de overstroomde savannes achter den zoom der 
mangrove bosschen. 



Suborde der CICONICE. 

OOIEVAARACHTIGEN. 



Familie der CICONIIDtE. 

OOIEVAARS. 

Tot de familie der Ooievaars, eng. Storks, fr. Cicognes, 
worden gerekend de grootste der Reigerachtige vogels. Slechts 
3 van de 18 bekende soorten komen in Amerika, en ook in 
de Guiana's voor. 

De typische soort gelijkt veel op een grooten Reiger; de 
twee overigen daarentegen hebben onbevederde, wratachtige 
koppen en halzen, alsmede groote, dikke, min of meer kegel- 
vormige snavels. Alle onderscheiden zich door een bijna witte 
kleur. De grootste soort, de bekende Blaasman, is grooter dan 
een Kalkoenhaan. Beide seksen gelijken elkander, maar de 
jongen verschillen eenigszins. Hun huid is moderaat dik; soms 
bedekt een dunne vetlaag het vleesch, maar de poederdonzige 
plekken aan de ond.d. ontbreken. De buik is bevederd ; het elas- 
tische vel aan den hals laat de inslikking van groote prooi toe. 
De teenen zijn gewebt bij de basis, vooral de buitenteen. 
Het vleesch wordt gegeten en smaakt goed. 



CICONIID^. 



139 



O. vliegen met gestrekte halzen en naar achter gekeerde 
pooten. De individuen van een vlucht rangschikken zich na 
elkander in den bekenden V-vorm. Alle laten ook het typische 
schor gegurgel hooren. Hun lokale verbreiding omvat zoowel 
de terreinen binnen, als achter de mangrove bosschen. 

In den regel ziet men O. eenzaam of slechts bij kleine 
troepen. Hun voedsel komt overeen met dat der grootere Rei- 
gers, maar ze voegen er tevens jonge vogels en reptielen aan toe. 

Alle O. nestelen min of meer in koloniën. Onze soorten 
bouwen groote, platte nesten in de hoogste boomen. Alle 
leggen tevens glanslooze, witte eieren. Beide seksen broeden. 

Subfamüiën. 

A. Snavel recht aan den tip of slechts weinig naar boven gebogen en de punt 
spits ; teenen kort, de middenteen veel minder dan half de lengte v. d. tarsus. 

CICONIIN^. 

B. Snavel min of meer naar beneden gekromd aan het uiteinde, de punt stomp 
en rond ; teenen verlengd, de middenteen ten minste half de lengte v. d. tarsus. 

.... TANTALINCE. 



Subfam. der CICONIIN^. 

EIGENLIJKE OOIEVAARS. 

Genera. 

„Geheele kop en hals bevederd, uitgezonderd oogomtrek en 
een smalle streep aan elk der keelzijden ; snavel recht tot aan den 
tip ; staart diep gevorkt en zeer kort, nog korter dan de breede, 
stijve onderdekvederen. 

.... EUXENURA, RIDGW. 

„Geheele kop en hals, uitgezonderd achterkop, naakt; snavel 
enorm, het uiteinde eenigzins naar boven gekromd; staart normaal. 

MYCTERIA, L. 



140 CICONIID/E. 

Species. 

EUXBNÜRA, RIDGW. 

E. maguari, Gm. = Le Magtiari, Buff. = Cico7iia ni. Cab. 
in ScJionib. Reis- = id., Schlegal, Mus. P. B. 

Ad. Wit; grootere vl.dekv., schoudervederen, huimpje, dekv. over de eerste 
slagp., slagp. en staartp. zwart met een bronsgroenen en purperen glans ; pooten 
bloedrood; snavel donkergrijs; iris lichtgeel. L. 115, vl. 54, st. 22.5, tars. 23, 
culm 20.5. Geogr. dist. Guiaua tot Brazilië, Chili en Argentina. Lok. dist. Vooral 
de lagere streken. 

In lichaamsvorm komen Z.-Am. Ooievaars, eng. South-Am. 
Storks or Heris, fr. Cicognes d'Amerique du Sud, veel overeen 
met Europeesche Ooievaars ; zij hebben eveneens rechte snavels, 
doch gevorkte staarten, waarvan de onderdekvederen over de 
middelste rectrices reiken, alsmede verlengde kropvederen; de 
lora zijn naakt, evenals de oogomtrek en de zijden der bovenkeel. 

In de kolonie staan Z.-Am. O. bekend als Reddi foetoe, 
d. w. z. Roodepooten, bij de Indianen als Wakrian, doch bij 
de Aro wakken ook wel als Jawroere. 

Langs de zeekust treft men Z.-Am. O. zelden aan. Binnen 
het mangrove terrein bewonen ze meer de overstroomde, 
zwampachtige savannes. Maar dat alleen gedurende den kleinen 
drogen tijd tot het einde van het groote regenseizoen. Daarna 
zouden ze, volgens onze inlandsche jagers en Indianen, in het 
hooge binnenland gaan broeden. Maar of dit juist is, valt te 
betwijfelen, want nesten van den Blaasman, die ook dezelfde 
levenswijze volgt en dezelfde plaatsen bewoont, heeft men 
reeds meermalen waargenomen. 

Toch trof ik tot nu toe niemand aan die met eigen oogen 
het nest van een Roodepoot gezien heeft. Best mogelijk dus 
dat deze vogels behooren tot de weinige trekvogels uit het 
Zuiden van Amerika, waar ze gedurende October nestelen. *) 

Z.-Am. O. leven gewoonlijk in vluchten van zelden meer 
dan 6 individuen en vergfaren hun voedsel al wadende of stil 



*) Holland Ibis 1892, pag. 205. 



EUXENURA. 



141 



loerende aan den oever. Onder het voeden verspreiden de 
troepjes zich overal, maar zoodra een individu opvliegt, volgen 
al de overigen. En dat reeds op grooten afstand van een 
naderende boot of persoon ; inderdaad is hun schuwheid grooter 
dan die van alle andere vogels, uitgezonderd Cerylc torquata. 

Door jagers worden Z,-Am. O. dan ook zoo zelden bemach- 
tigd, dat de meeste inwoners van Suriname wel den naam 
„Roodepoot" kennen, maar den vogel zelve nimmer gezien 
hebben. 

Het voedsel van Z.-Am. O. bestaat uit visschen, kruipende 
dieren, en denkelijk ook kleine zoogdieren of vogels; ten minste 




Kop van Enxenura inagiiari. 



een mij bekend persoon had eens een aan den vleugel gewon- 
den Roodepoot in een omsloten ruimte te zamen met hoenders 
geplaatst, om heel spoedig tot de ontdekking te komen, dat 
al zijne kuikens verdwenen waren. 

E. M. broedt in Argentina gedurende de latere maanden 
van het jaar. Het groote, uit kleine takken en twijgen samen- 
gestelde nest, wordt gebouw^d in hooge boomen. Het wijfje 
legt 2 elliptische, ten naastenbij glanslooze, witte eieren. 

Afvi. 6g— 79 X 45-51 m-M. 



142 



CICONIID^. 



MYGTBRIA, L. 

M. americana, L. = /V/., Cab. in Schomb. Reis. =id., ScJilcgal, 
Mus. P. B. = Le Jabini de Cayenne, Daub. = Lejahiru, Buff. 

Ad. Bov.d. wit met een satijnachtigen, bijna onmerl<baar grijsachtigen glans ; ond.d. 
doffer van tint ; kop en nek naakt zwart, bij levende vogels met een helder rooden 
band van onder ; achternek rnet poederachtige pluimpjes ; snavel en pooten zwart ; 
iris bruin. Jong. Bruinachtig grijs ; achterkop met een kuif van zwartachtige, haar- 
achtige vederen. Jong in dons. Grijsachtig wit. L. 130, vl. 61, vleugeluitspreiding 
236, st. 20, tars. 30, culm. 32. Geogr. dist. Geheel Amerika van af Texas zuid- 
waarts. Lok. dist. De lagere en hoogere streken. 




Kop van Mycierta americana. 

De Jabiroe, eng. Jabiru, fr. Jabiru, de allergrootste stand- 
vogel der Guiana's, staat in de kolonie bekend als Blaasman ; 
bij de Arowakken als Morakoya of wel Moracojasere, d. w. z. 
Geest V, d. Peito (Mora excelsior), bij de Caraïben als Jalieboe 
of Toejoejoe en bij de Warrau's als Dai. 

J. worden gekenmerkt door zeer groote, aan het uiteinde 
eenigszins naar boven gekromde snavels alsmede wratachtige 
naakte koppen en halzen. Het halsvel hangt in rust als een 
zak; de kleur ervan is zwartachtig, maar van onder omringd 
door een scharlakenrooden band. 

Bij voorkeur bewonen J. zoetwaterkanten of zwampachtige 



MYCTERIA. 



143 



savannes der lagere streken maar worden, tengevolge hunner 
groote schuwheid, slechts zelden door jagers bemachtigd. 

Gewoonlijk ziet men Blaasmannen bij troepjes, maar op 
bepaalde plaatsen zouden de vluchten tot zelfs meer dan vijftig 
individuen tellen. Hun voedsel bestaat uit visschen, kruipende 
dieren, kleine zoogdieren en denkelijk ook jonge vogels. 
Ondanks hun enormen snavel, weten ze molusken, zooals de 
Zwamppakro's Ampularia^ zeer behendig uit de schalen te 
trekken, zonder die te beschadigen. 

Onder het voeden zit de J. meermalen op één poot of waadt 
bedaard door het water. Bemachtigt hij een visch of pad, 
fluks wordt dan de groote snavel naar boven gekeerd, de 
prooi verdwijnt in de enorme opening, waardoor de oesophagus 
zich uitzet en de scharlakenroode halsband duidelijk te zien komt. 

Worden J. opgeschrikt, dan vliegen alle met wild geschreeuw 
tot een dertigtal meters de lucht in, en scharen zich daar de een 
na den ander. Spiraalsgewijze omhoog stijgende, gaat het dan al 
verder en verder tot ze ten laatste niet meer dan stipjes gelijken. 

Evenals de meeste onzer vStapvogels, hebben J. de gewoonte, 
gewond zijnde, zich al blazend of bissend tegen hun aanvaller te 
keeren en met hun grooten snavel van zich af te bijten of forsche 
slagen toe te brengen; vandaar dan ook de lokale naam „Blaasman " . 

Gedurende den ruitijd, vooral de laatste maanden van het 
jaar, kunnen J. moeielijk of dikwijls in het geheel niet vliegen; 
hunne opkomende slagpennen zijn dan te zacht om het zware 
vogellichaam te dragen. Maar zelfs met volkomen harde slag- 
pennen valt hen het opvliegen moeielijk; daartoe is eerst een 
aanloop, dikwijls van honderd meters, noodig. Dan stijgt de 
vogel langzaam met zware vleugelslagen de lucht in en vliegt 
met gestrekten hals en naar achter gekeerde pooten. De indi- 
viduen van een vlucht rangschikken zich tevens in den bekenden 
V-vorm. Hun alarmkreet klinkt schor en gurgelend. Hun 
vleesch smaakt goed, vooral dat van jonge vogels is zeer lekker. 

M. A. broedt gedurende het groote droge seizoen, bij paren 
of kleine koloniën. Het nest wordt geplaatst in de hoogste 
boomen, vooral Eridendrons langs zoetwaterkanten ; het is 
samengesteld uit takjes, w.o. vele van 3 c.M. dikte, twijgen 



144 



ciconiid.ï:. 



enz. ; de vorm gelijkt op een groot duivennest met een uit- 
holling in het midden, en rustende, of liever met modder en 
gras op een dikken horizontalen tak bev^estigd. Jaarlijks worden 
er vergrootingen aangebracht, zoodat de nesten dikwijls tot een 
enorme afmeting aangroeien, waardoor de vogels ongestoord kun- 
nen broeden, veilig tegen den loerenden jager onder den boom. 

Soms nestelt de J. ook wel op loodrechte rotsblokken. 
Misschien dus, als onze binnenlanden meer bewoond raken, dat 
hij ook van schoorsteenen of daken zal gebruik maken, evenals 
de Ooievaar in Europa. 

Het wijfje legt 2 of 3 glanslooze, vuil witte eieren. Twee 
exemplaren in mijne collectie, verzameld achter de Hermina- 
bank nabij Coronie, hebben een glanslooze, vuilwitte kleur met 
eenige onduidelijke, wolkachtige, bruine vlekken, evenals 
Tantalus-eieren. Een exemplaar is tamelijk spits ovaal en meet 
93 X 59 m.M,, het andere elliptisch, afm. 89 X 59 m.M. 

Beide seksen broeden bij beurten, maar verliezen elkander 
niet uit het gezicht. Verlaat een den boom, dan is het alleen 
om voedsel te zoeken. 

De jongen worden uitgebroed tegen einde October en zijn dan 
zoo groot als jonge ganzen. Hun lichaam is met grijsachtig 
wit dons bedekt; ze missen evenwel de kracht rechtop in het 
nest te staan, maar liggen languit als levenloos, met hunne 
koppen naar een kant toe. Hun snavel op dit tijdstip is ook 
recht, zonder de eigenaardige opwaartsche buiging. 

Maar zoo snel is hun groei dat ze reeds binnen enkele 
weken de ouden in grootte evenaren, doch nog niet rechtop 
in het nest kunnen staan ; dit geschiedt eerst nadat het 
lichaam geheel met vederen is bedekt. Het nest verlaten ze 
tegen Januari of Februari, maar zitten reeds weken te voren 
op de omringende takken. 

Hun gulzigheid is verbazend ; de oude vogels zijn dan ook 
den geheelen dag in de weer en worden steeds door de jongen 
verwelkomd met schor gehis. 

Bij het verlaten der nestelplaats is hun kleur zwartachtig 
bruin met een bosje haarachtige vederen aan den achterkop; 
eerst na vier jaren dragen ze het volkomen vederkleed. 



TANTALUS. j^^ 



Nadert men de ' nestelplaatsen der J, dan richt het wijfje 
zich op als een signaal voor het mannetje, dat snel nadert en 
met zijn snavel een klapperend geluid laat hooren. Geen van 
beide vliegt weg; inderdaad is hun instinct van ouderliefde 
machtiger dan hun gewone schuwheid. En hierin evenaren 
Blaasmannen dus den Europeeschen moeder-ooiev^aar, die hare 
jongen uit een brandend nest tracht te redden. 

Jonge J. laten zich gemakkelijk temmen, hoewel ze in het 
eerst ontembaar schijnen, en als nijdige katten hissen, verge- 
zeld van een vreeswekkend snavelgeklapper. 



Subfam. der TANTALINCE. 

HOUTOOIEVAARS. 

Species. 

TANTALUS, L. 

- T. loculator, L, = id., Cab. in Schomb. Reis. ■= id., Schlegal, 
Mus. P. B. = Le Curicaca de Cayenne, Daub. 

Ad. Wit ; kop en een groot gedeelte v. d. hals naakt, schurftachtig zwart bij 
levende vogels, zwartachtig grijs bij geprepareerde huiden ; slagp. v. d. isten rang 
en den aden rang zwart met een groenachtigen glans, dekv. ond. d. vl. en oksel- 
vederen roseachtig geel, vooral gedurende het broedseizoen; snavel grijsachti" 
zwart, gevarieerd met geelachtig ; pooten zwart ; iris donkerbruin. Jong. Kop, 
uitgezonderd van voren, met min of meer grijsachtig bruine, wollii^e vederen ; 
achterkop donkerder; nek bevederd, grijsachtig bruin; overig vederkleed als ad. 
maar doffer en grijzer van tint, bij heel jonge individuen zelfs geheel grijsachtig. 
L. io6, vl. 50, st. 15.5, tars. 21, culm. 24. Geogr. dist. Van af het zuiden der 
Vereenigde Staten tot Argentina. Lok. dist. Vooral de lagere streken. 

De Hout-Ooievaar, Hout-Ibis, Nimmerzat, eng. Woodstork 
or Wood-Ibis, fr. Curicaca de Cayenne, onderscheidt zich door, 
uitgezonderd een gladde kruin, naakt, zwart, schurftachtig 
gerimpeld vel aan kop en hals, waaraan gewoonlijk eenige 
korte, poederachtige pluimpjes, alsmede groote, maar in tegen- 
stelling met de voorgaande soort, naar onder gebogen snavel- 
uiteinden, 

10 



146 



CICONIID^. 



Deze leelijke koppen, die er uitzien als met schimmel begroeid, 
zijn denkelijk de reden waarom oude plantagedirecteuren den 
naam Ningrekoppoe, d. w. z. Negerkop, voor den H.-O. uit- 
vonden. Ook in onze zusterkolonie Demerara schijnt men van 
hetzelfde gevoelen te zijn geweest, maar daar is het de even 
leelijke Blaasman die als Negrokop of Negrohead bekend staat. 
Onze Arowakken noemen den Negerkop Anawla, de Caraïben 
Aweloe. 

Gewoonlijk ziet men H.-O. meer bij troepen dan bij paren. 
Hun voedsel vergaren ze door met hunne pooten den modder 
om te roeren en de visschen, weekdieren enz. in te slikken, 
zoodra die boven komen. 




Kop van den Negerkop. 

Langs de zeekust treft men Negerkoppen niet zoo talrijk 
aan als op de zoetwaterpans of overstroomde zwampachtige 
savannes ; en dan doorgaans te zamen met Roodepooten of 
Blaasmannen. Hun vlucht is krachtig, doch, alvorens op te 
stijgen is er een kleine aanloop toe noodig. Onder het vliegen 
worden enkele vleugelslagen gevolgd door een heel eind 
verder voortzeilen. Soms stijgen Negerkoppen ook hoog in de 
lucht en dwalen dan rond evenals Gieren of rusten meermalen 
op boomen. 

Opgeschrikt laten H.-O. een schor keelgeluid hooren of 
klapperen met hunne snavels; evenals Jabiroes. Evenzoo gaat 
het ruien der slagpennen met ongemak gepaard, hoewel de 
kracht tot vliegen nimmer gemist wordt. Hun schuwheid is 



TANTALUS. 



147 



gedurende den ruitijd zeer groot. Toch worden ze menig- 
malen door jagers geschoten en in Paramaribo verkocht tegen 
/"1.25; hun vleesch smaakt zeer goed. 

T. L. broedt gedurende den grooten regentijd ; de nestel- 
koloniën worden niet zooals die der Reigers in de mangrove 
bosschen, maar daarachter aangetroffen. De uit takjes, twijgen, 
gras enz. samengestelde nesten worden in de hoogste boomen 
gebouwd en jaarHjks door de eigenaars vergroot. Het wijfje 
legt 2 of 3 eenigszins elliptische of lang ovale, ruwe, glanslooze, 
kalkachtig witte eieren, die dikwijls van enkele bruine wolk- 
achtige vlekjes voorzien zijn. M. Afm. 68.5 X 45 m.M. 

De exemplaren varieeren niet veel. 

Beide seksen broeden en komen in gelijk aantal voor. De 
jongen groeien nog sneller dan kleine Jabiroes. Bij het verlaten 
van het nest zijn hunne halzen bedekt met bruinachtig grijze 
poederachtige pluimpjes ; eerst na drie jaar dragen ze het 
volkomen vederkleed. 

Groote nestelkoloniën van Negerkoppen bestaan niet in 
Suriname. Maar dat H.-O. in het geheel niet in de Guiana's 
broeden, zooals Schomburgck beweert, is onjuist. Nabij Nickerie 
en Coronie heeft men reeds nestelkoloniën aangetroffen. Toch 
is het aantal vogels gedurende het kleine droge seizoen soms 
zoo groot, dat men moet besluiten met trekvogels uit andere 
oorden te doen te hebben. 

Volgens de Indianen broedt de Negerkop in Suriname, maar 
in klein aantal. Tegen den grooten regentijd verdwijnen velen 
en zouden dan over de bergen naar het Zuiden toe trekken 
om tegen het begin van het volgend jaar terug te keeren, 
vergezeld van hunne jongen. 



148 



ARDEID^. 



Suborde der HERODII. 

EIGENLIJKE REIGERACHTIGEN. 



Familie der ARBEIDT. 

REIGERS. 

Tot de familie der Reigers, eng. Herons, fr. Hérons, worden 
gerekend ongeveer 125 soorten, waarvan 39 in de Nieuwe 
Wereld te huis behooren ; de overigen vindt men over de 
geheele Wereld, maar vooral in de intertropische streken. In 
de Guiana's komen voor 20 species, gerangschikt onder 15 
genera en 2 subfamiliën. Bijna alle zijn standvogels en staan 
bekend als Sabakoe soortoe, d. w. z. Reigersoorten. 

In lichaamsgrootte verschillen R. aanmerkelijk. De grootste 
inheemsche soort evenaart een grooten haan, terwijl de kleinere 
species van het geslacht Ardetta met Steenduiven overeen- 
komen. Alle hebben een zeer sterk zijdelings samengedrukt, 
hoog lichaam, lange, eigenaardig in het midden geknakte 
halzen, tamelijk kleine koppen, lange pooten, groote vleugels, 
korte staarten alsmede lange, en uitgezonderd een specie, 
min of meer zijdelings samengedrukte, bij enkele soorten 
uiterst spitse snavels. Aan de onderzijde van het lichaam 
bevinden zich twee groote plekken poederachtig of liever 
sponsachtig geel dons, dat den vogels dient ter verkrijging 
der benoodigde olie waarmede de vederen ondoordringbaar 
gemaakt worden voor water. Die vederen zijn vooral aan de 
onderdeden lang en zacht, maar de buik is onbevederd. Vele 
soorten dragen ook op den rug, den achterkop of den krop 
lange elegante pluimen. De kleur varieert van af zeer protec- 
tief gestreept of gevlekt tot eene op grooten afstand zichtbare 
sneeuwwitte kleuring. Beide seksen gelijken elkander, maar 
de jongen verschillen dikwijls zeer opmerkelijk. 

De huid is moderaat dik en op enkele uitzonderingen na 
bevindt zich bijna geen vet tusschen vel en vleesch. Het 



ARDEID^. 149 

halsvel is buitengewoon elastisch, hetgeen de inslikking van 
zeer groote prooi toestaat. Het vleesch van de in zwampen 
levende soorten smaakt goed, maar bij de overigen, die meer 
de zoutwaterpans bewonen, heeft het een tranigen smaak. 

Wat levenswijze aangaat, laten onze R. zich tamelijk scherp 
in twee groepen scheiden, nl. de eenzaam of bij paren levende 
soorten en dezulken, die zich gedurende en kort na het broed- 
seizoen tot vluchten verzamelen. 

De eerste categorie, de Roerdompachtige, bewoont en nestelt 
bij paren binnen en achter het terrein der mangroven, terwijl 
de eigenlijke R. de voorkeur geven aan den kustzoom en de rivier- 
of kreekoevers tot zoover het getij reikt. Maar onder het voeden 
zijn alle slechts eenzaam of bij paren te vinden. En dat meestal 
bij dag, hoewel enkele soorten tot de nachtvogels behooren. 

Onze R. hebben een krachtige vlucht en de individuen van 
een soort rangschikken zich bij vele geslachten in den vorm 
van een V. Onder het vliegen wordt tevens de lange hals 
gebogen als een S, terwijl de lange pooten rechtuit naar 
achter gestrekt zijn. Alle laten, vooral opgeschrikt, een schor, 
gurgelend keelgeluid hooren, dat wel wat overeenkomt met 
dat door Gieren voortgebracht. 

Hun voedsel bestaat uit visschen, reptiele insecten enz. Velen 
zijn in staat zelfs geharnaste visschen zooals Kwiekwies in te 
slikken. Dit is te opmerkelijker omdat deze visschen aan den 
rug een grooten harden, onbuigbaren stekel bezitten, terwijl hun 
lichaam bedekt is met schilden of platen, die zelfs voor een 
reigermaag onverteerbaar moeten zijn en ook weder uitge- 
braakt worden. 

Enkele soorten wachten bewegingloos op hun prooi of 
waden stil door het water; anderen weer vertrouwen op hun 
behendigheid of vlugheid en maken onder het loopen veel geraas. 

Soms nemen R. ook de allerbelachelijkste houdingen aan, 
vooral de Roerdompachtigen. De typische soorten van laatst- 
genoemden laten tevens het vreemdste gebrul hooren, zitten 
meermalen op hunne hakken of klimmen tegen rietstengels 
of boomtakken op; met hun snavel loodrecht naar boven 
gekeerd staan ze soms wel voor een kwartier roerloos. 



I50 



ARDEID^. 



Onze ware R. gebruiken als nesten platvormen van takjes, 
twijgen enz.; alle nestelen te zamen in boomen, z.g. koloniën, 
reigerbosschen, heronries, roekeries of volgens onze bevolking: 
„nissies", d. w. z. nesten of koloniën, die dikwijls geheele 
akkers beslaan. 

De verschillende soorten houden zich niet afzonderlijk, maar 
nestelen door elkaar, waardoor er menigmalen verwarring 
ontstaat, tenminste jagers verzekeren dikwijls individuen van 
twee species in één nest te hebben aangetroffen. Ook zouden 
de jongen zelden verlaten worden, al schiet men ook beide 
oude vogels dood. Want overal dwalen er barmhartigen rond 
die gaarne de taak van stiefmoeder of stiefvader op zich nemen. 
Zelfs verlaten eieren worden, naar men wil, soms uitgebroed. 

Tamelijk opgegroeid, verlaten de jongen het nest en zitten 
dan op de omliggende takken. Ze zijn zeer luidruchtig; onop- 
houdelijk klinkt het dan ook den geheelen dag door: „zek, 
zek, zek", „twek, twek, twek", vergezeld van een schor gehis. 
Vooral wanneer de oude vogels met voedsel aankomen wordt 
het geraas oorverdoovend. Het luidruchtigst zijn de Nacht- 
reigers en Arapapas. 

Over onze Sabakoekoloniën zweven de verschillende Gier- 
soorten in menigte rond, gereed om op een onverdedigd nest 
neder te dalen. Ook enkele Roofvogels zooals Uribitinga en 
naar men beweert de krabbenetende Biisarellus en Buteogalhis, 
terwijl tegen het groote droge seizoen de Lachmeeuwen ver- 
schijnen alsmede een andere groote Zeeroofvogel, denkelijk 
Stercorarius of Megalcstris. Slangen ziet men er weinig; de 
Sapakara kan niet in boomen klimmen ; Krabboedagals en 
andere Roofdieren wagen zich niet gaarne in modderig water... 
Behalve de Roofvogels is dus de mensch de grootste vijand 
van den Sabakoe. 

In tegenstelling met de ware R. nestelen de Roerdomp- 
achtigen bij paren ; typische species bouwen hunne nesten 
meermalen op den grond; hunne eieren (bij Amerikaansche 
soorten) verschillen in kleur van die der ware Reigers, die op 
een uitzondering na, ongevlekte, elliptische of ovale, blauwe 
eieren leggen. 



ARDEID^, 



151 



Voor zoover ik kan oordeelen, broeden beide seksen, die 
dikwijls samen op het nest zitten, bij vele soorten in ten 
naastenbij hetzelfde aantal voorkomen en, eenmaal gepaard, 
elkander niet weder verlaten. 

R. worden gewoonlijk verdeeld in twee subfamiliën, die 
evenwel zoo in alles met elkander overeenkomen, dat het 
beter ware de distinctie maar weg te laten. Alleen de typische 
soorten van elke groep verschillen duidelijk van elkaar. 

Sub/amilièn. 

A. Aantal staartpemien twaalf. 

ARDEINCE. 

B. Aantal staartpennen tien. 

.... BOTAURINCE. 



Subfam. der ARDEINCE. 

EIGENLIJKE REIGERS. 

Ge7zera. 

A. Naakt gedeelte v. d. tibio-tarsus gelijk aan of langer dan de binnenteen 
en klauw. 

a. Snijranden v. d. snavel van duidelijke inkervingen voorzien; endkerf 
aan het uiteinde, v. d. bovensnavel zeer klein. 

„Kop versierd met een groote kuif; vederen aan den acliterkop 
lang en dun ; pluimen aan den voornek lang maar de baardjes 
niet van elkander gescheiden ; schouders met smalle lange, spitse 
vederen of pluimen. 

ARDEA, L. 



b. Snijranden v. d. snavel zonder duidelijke inkervingen , endkerf aan het 

uiteinde v. d. bovensnavel duidelijk, uitgezonderd bij het geslacht Leiicophoyx. 

* „Snavel lang maar de culmen niet langer dan de middenteen en klauw. 

,, Bovenkop geheel zonder kuif; rug versierd met lange, rechte 

losse pluimen. 

.... HERODIAS, BOIE. 



1^2 ARDEID^. 

^Kuifpluimen lang; borstpluimen lang; rugpluimen reikende tot 
over het uiteinde v. d. staart; jong wit van kleur. 

FLORIDA, BAIRD. 

* ,,Snavel lang, de culmen langer dan de middenteen en klauw. 

„ïarsus langer dan de snavel; bovenkop versienl met een zeer 
groote kuif van losse vederen; geen verlengde pluimen aan den 
achterkop; borstpluimen los maar niet lang en spits 

.... LEUCOPHOYX, SHARPE. 

„Snavel langer dan de tarsus ; achterkop versierd met een kuif 
van breede vederen ; vederen aan den voornek breed ; losse rug- 
pluimen tot over het uiteinde v. d. staart reikende. 

.... HYDRANASSA, BAIRD. 

B. Naakt gedeelte v. d. tibio-tarsus minder dan de lengte v. d. binnenteen. 

a. Snavel zeer lang, de culmen gelijk aan de lengte v. d. tarsus plus de 
middenteen en klauw. 

AGAMIA, REIGENB. 

b. Snavel moderaat lang, de culmen nimmer zoo lang als de tarsus plus 
de middenteen en klauw. 

* Snavelranden zonder inkervingen, maar het uiteinde v. d. bovensnavel 
van een duidelijke endkerf voorzien. 

„Snavel hooger dan breed; tarsus van ongeveer dezelfde lengte 
als de middenteen en klauw ; achterkop versierd met twee of drie 
lange dunne pluimen. 

NYCTICORAX, RAFIN. 

„Snavel als voren ; tarsus langer dan de middenteen en klauw ; 
kuif lang ; rugpluimen ontwikkeld. 

NYCTANASSA, STEJN. 

„Snavel plat en dus veel breeder dan hoog; kuif aan den achter- 
kop verlengd; rug met pluimen versierd. 

CANCROMA, L. 

,, Culmen korter dan de tarsus die van voren van platen voorzien 
is, snavel hooger dan breed. 

SYRIG^IA, RIDGW. 

* Snavelsnijranden met duidelijke kerfjes, maar zonder de opmerkelijke 
endkerf aan het uiteinde v. d. bovensnavel. 



ARDEA. je, 

I. Keel bevederd. 

„Achterkop met lange dunne pluimen; vederkleed wit van kleur; 
pooten krachtig. 

PILERODIUS, BP. 

„Achterkop zonder pluimen; vederkleed gestreept en gevlekt; 
pooten zwak. 

BUTORIDES, BLYTH. 



2. Keel onbevederd. 



TIGRISOMA, SWAINS. 



Species. 

ARDEA, L. 
' A. herodias, L. = id., Schlegal, Mus. P. B. 

Ad. Midden der kruin en bovenkeel wit ; zijden der kruin tot aan den achter- 
kop en kuif zwart; nek licht grijsachtig bruin met een smalle hjn van witte, 
zwarte en okerkleurige vederen aan den voornek ; een groot gedeelte der slagp. 
zwart ; kropvederen lang, smal en af hangend, witachtig van kleur, dikwijls met 
zwarte strepen ; rug, vl.dekv. en staart leikleurig of grijs, de schoudervederen 
lichter van tint en tevens smal en verlengd ; vleugelbuiging kastanjebruin ; een plek 
van zwarte en witte vederen aan de borstzij den; middenborst en buik gestreept met 
zwart, wit en een weinig licht roodbruin; dijvederen dof roodbruin; bovensnavel 
olijfgeel, de culmen zwartachtig; ondersnavel geel; pooten zwart; iris geel; plekje 
nabij de oogen lichtgroen, y^w^. Kruin zwartachtig; bovenkeel wit; nek bruin- 
achtig grijs met een geelachtige tint overtogen ; geen zwart aan de borstzijden en 
evenmin lange vederen aan den onderhals ; ond.d. gestreept zwart, wit, leigrijs en 
okergeel ; vleugelbuiging en dijvederen lichter van tint ; rug grijsachtig bruin ; 
schouders zonder pluimen. L. 102, vl. 47, st. 18, tars, 15.5, cuim. 16. Geogr. dist. 
N.- Amerika zuidwaarts tot noordelijk Z. -Amerika. Lok. dist. De lagere streken. 

De Groote Blauwe Reiger, eng. Great Blue Heron, fr. Héron 
hupé d'Amérique du Nord, komt in Suriname volstrekt niet 
zoo gewoon voor als de volgende soort en behoort hier meer 
tot de onregelmatige trekvogels uit het Noorden. Mij werd 
een exemplaar gebracht in Januari i8g8. De jager verklaarde 
dat er meerdere van dezelfde soort in de zwampen te vinden 
waren. Maar na dien tijd en tot nu toe zag ik er geen meer. 



154 



ardeid.ï:. 



G. B. R. verlaten de koudere streken omstreeks November 
om tegen begin April terug te keeren. Hun voedsel vergaren 
ze zoowel bij dag als des nachts. En dat stil loerende op één 
poot of langzaam en voorzichtig door het water wadende. 

G. B. R. leven gewoonlijk bij paren, maar nestelen, in 
N.-Amerika van af Maart tot Mei, gezamenlijk in min of 
meer groote koloniën. Daar worden de groote, platte nesten 
van takjes, twijgen enz. in de hoogste boomen langs de water- 
kanten gebouwd. Het wijfje legt 3 tot 6 glanslooze, groen- 
achtig blauwe, elliptische of ovale eieren. J/. Afm. 63 X 38 m.M. 

De exemplaren varieeren zeer in grootte, 

A. cocoi, L. = id., Cab. in Scliomb. Reis, = id., Schlcgal, 
Mus. P. B. = Le Soco Buff. = A. maguari Spix. 

(^ Bov.d. over het algemeen licht leiblauw ; schoudervederen lang, smal en 
loodblauw van kleur ; enden der breede schoudervederen wit ; onderrug, stuit en 
dekv, bov.d. st. licht leiblauw; vl.dekv. hetzelfde maar met min of meer wit; 
huimpje, dekv. over de eerste slagp. en slagp, zwart; buitenvlag der binnenste 
slagp. leiblauw, de allerbinnensten van dezelfde kleur als de rug ; staartp. leiblauw ; 
bovenkop en kuif blauwzwart, evenals de vederen om de oogen ; kopzijden, oor- 
vederen, geheelen nek en keel roomkleurig wit; lange kroppluimen zuiver wit ; 
midden der keel met breede zwartgestreepte vederen ; een blauwzwarte plek aan 
elk der borstzijden ; buik zwart ; middenborst wit en zwart gestreept ; dijvederen 
en dekv. ond. d. st. wit ; flanken en zijden der dijen leiblauw, evenals de oksel- 
vederen en dekv. ond. d. vl. ; vleugelbuiging duidelijk wit ; snavel geel ; oogomtrek 
kobaltblauw gedurende het broedseizoen, overigens licht groenachtig ; pooten bruin- 
achtig zwart ; iris geel. § Ongeveer hetzelfde, maar veel doft'er van tint en met 
veel minder ontwikkelde pluimen. Jong. Bruiner als ad. en geheel zonder pluimen; 
ond.d. wit met enkele zwarte strepen ; bovenkop met een weinig wit doormengd ; 
snavel geel, culmen donkerder; iris geel; oogomtrek zwartachtig. L. loo, vl. 47, 
st. 18, tars. 18, culm, 15.5. De wijfjes zijn kleiner. Geogr. dist. Z. -Amerika. Lok. 
dist. Vooral de lagere streken. 

„Groote Withals Reigers, eng. Cocoi Herons, fr. Herons 
hupés d'Amerique du Sud, zijn geen trekvogels, maar worden 
het geheele jaar door tamelijk talrijk in alle begroeide zwamp- 
achtige streken aangetroffen, vooral binnen het terrein der 
mangroven ; aan de zeekust ziet men ze zelden. 

G. W. R. behooren tot onze grootste en tevens fraaist ge- 
kleurde vogels. Vooral een volwassen mannetje in het volkomen 



ARDEA. 



155 




broedkleed ziet er prachtig uit. Op den rug draagt hij dan 
loodblauwe, lange, dunne vederen of pluimen, terwijl de pluimen 
om den hals eene sneeuwwitte kleur hebben; de buik en kuif 
zijn geheel zwart; tusschen de kuifvederen hangen eenige lange, 
half cylindrische pluimen ; de binnenste slagpennen bezitten 
eigenaardig spitse enden : de snavel is geel maar de oogomtrek 
kobalt blauw. In de kolonie staan G. W. R. bekend als Blauw 
Koemawarie of Hoenoerie, bij de Arowakken als Anola en 
bij de Caraïben als Akamawarie. 

Over het algemeen ziet men den Blauwen Kamawarie zoowel 
bij dag als des nachts, eenzaam of bij paren tusschen het 
struikgewas aan den oever, en wel met ingetrokken hals, 
bewegingloos op prooi 
wachtende. Wordt een 
visch bemerkt, dan werpt 
de vogel zijn snavel voor- |^^^ ,^^ 
uit, evenals een spies. 
Ook kruipende dieren en 

Kop van Ardea cocoi. 

denkelijk ook kleine zoog- 
dieren en vogels worden niet versmaad. 

De schuwheid van den G. W. R. is groot; zijn gehoor 
schijnt even scherp als zijn gezicht. Vermoedt hij eenig gevaar, 
dan wordt de kop al hooger en hooger opgericht. Eindelijk 
staat de vogel met langgerekten hals onbeweeglijk als een 
standbeeld, om eensklaps met een luid „kwak" „kwak" op te 
vliegen. En zoo hard khnkt dit geluid dat men het wel een 
halve mijl ver kan hooren. Behalve dit, klapperen Koemawaries 
met hunne snavels, evenals Negerkoppen of laten een schor 
keelgeluid hooren. Hun vlucht is krachtig, hoewel het opvlie- 
gen door een paar sprongen als aanloop voorafgegaan wordt. 
Hun levenswijze schijnt regelmatig, zoodat men ze soms, weken 
achtereen, eiken morgen op een bepaalde plaats kan aantreffen. 

Ook G. W. R. ondervinden bij het ruien ongemak, hoewel 
slechts voor korten tijd. Hun vleesch wordt gegeten en smaakt 
goed; soms is het zelfs een weinig vet. 

A. C. broedt tegen het einde van den grooten regentijd. 
De nesteik oloniën zijn gelegen langs de zeekust. Daar ziet 



156 



ardeid.ï:. 



men soms in de hoogere boomen wel twintig- tot dertig nesten, 
die alle uit platvormen van takjes, twijgen enz. bestaan. De 
vogels gebruiken de nesten niet geregeld elk jaar, maar zoeken 
meermalen nieuwe nestelplaatsen op. En dat vooral als ze 
het vorige jaar tijdens het broeden gestoord werden. 

Het wijfje legt 2 of 3 (zelden slechts een) glanslooze, blauwach- 
tig groene, gewoonlijk elliptische eieren. M. Afm. 64 X 44 m.M. 
De exemplaren varieeren ; de meesten zijn niet met zekerheid 
te onderscheiden van eieren der Groote Blauwe Reigers. 

Beide seksen broeden; er is slechts een broedsel per jaar. 
Tegen December zijn de jongen tamelijk opgegroeid en in 
staat voor zichzelf te zorgen. Te zamen met de ouden verlaten 
velen dan de zeekust, teneinde de zwampachtige savannes 
achter den zoom der mangrove bosschen op te zoeken. 

N.B. Naar jagers verzekeren zou ook de Groote Witte Reiger, A. occidentalis And., 
enkele malen de kolonie bezoeken. 



HERODIAS, BOIB. 

H. egretta, Wils. = id., Schlegal, Mus. P. B. = La Grande 
Aigrette d' Amerique Daub. = La Grande Aigrctte, Buff. =z 
Ardea Iciice, Cah. in Schoinb. Reis. 

Ad. Geheel zuiver wit ; rug versierd, vooral gedurende het broedseizoen, met 
ongeveer vijftig lange, bij mannetjes ongeveer 23 en wijfjes 18 c.M. metende, 
over de tippen der staartpennen reikende, rechte pluimen met zachte, losse baardjes; 
snavel bijna geheel geel ; pooten zwart ; iris geel ; oogomtrek oranjegeel en groen- 
achtig. Jong. Ongeveer als ad., maar zonder rugpluimen en het gevederte tevens 
meer donsachtig. L. 98, vl, 40, st. 16, tars. 15, culm. 11. De wijfjes zijn iets 
kleiner. Geogr. dist. Geheel Amerika van af Gematigd N. -Amerika zuidwaarts. 
Lok. dist. Vooral de lagere streken. 

De Amerikaansche Egret, eng. American Egret or Great 
White Gaulin, fr. Grande Aigrette d'xVmerique, staat in de 
kolonie bekend als Witti Koemawarie of Leger, d. w. z. Witte 
Koemawarie of Reiger, bij de Arowakken als Aherato anola 
en bij de Caraïben als Akalaw. 

In vroeger jaren trof men Am. E. zeer talrijk langs onze 



HERODIAS. 



157 



kusten aan, hetgeen nu niet meer het geval is. En dit vooral 
door toedoen van stroopers uit Caycnne. Deze lieden trekken, 
moordend en vernielend, jaarlijks langs onze kusten ; zelfs 
Paramaribo doen zij meermalen aan om voedsel te koopen. 

Ook in Florida zijn de Egretten bijna geheel uitgeroeid. 
En dat niettegenstaande ze betrekkelijk kort geleden nog in 
ontelbare menigte voorkwamen. Maar de mode vorderde van 
deze vogels hun bruidskleed. Ik heb, zoo zegt Chapman, een 
plume-hunter hooren pochen dat hij 300 Egretten in ccn 
namiddag had gedood. Een ander verklaarde niet minder dan 
130000 vogels, w.o. Egretten, Zeezwaluwen enz. gedurende 
een seizoen te hebben gedood. ') Ook onze jagers en visschers 
weten te vertellen van de honderden paren Witte Koemawarie- 




Kop van Herodias rg^-ctta. 

pluimen, die vroeger maar voor het nemen waren en tegen 
50 cent per huid verkocht werden. 

In de handelstaal heeten die pluimen „Long Aigrettes or 
Osprey feathers", hoewel de Osprey of Vischvalk, Pandion, tot 
de Roofvogels behoort. Extra selected long plumes I Qual. 
brengen tien tot vijftien gulden per dertig gram op. Elke 
vogel draagt op den rug ongeveer vier gram pluimen, die 
alleen gedurende het broedseizoen hun vollen wasdom en schoon- 
heid bereiken. Voor dien tijd zien de pluimen er donzig en 
kort uit, later daarentegen geelachtig getint en de baardjes 
min of meer beschadigd. 

In N. -Amerika dragen Am. E. alleen gedurende het broed- 
seizoen pluimen aan den rug, hetgeen in Suriname niet het 

') Birds of E. N.-Am., pag. 133. 



158 



ARDEID^. 



geval is. Hun schuwheid is zoowel hier als elders zoo groot, 
dat allec^n des nachts of gedurende de avond- of morgen- 
schemering de jacht kans op succes biedt, uitgezonderd echter 
tijdens het broedseizoen, want dan worden de broedende vogels 
naast hunne jongen doodgeschoten. 

In lev'enswijze verschillen Am. E. overigens niet veel van 
de voorgaande soort, doch zijn meer sociaal en vereenigen 
zich dikwijls met Jabiroes, Houtooievaars of Sabakoes. 

Langs de zeekust ziet men Am. E. minder talrijk dan op 
de overstroomde savannes of pans achter den zoom der mangrove 
bosschen, waar zoowel nogal groote vluchten als troepjes of 
eenzame individuen voorkomen. Hun alarmkreet klinkt als een 
luid „kwak, kwak". Hun voedsel vergaren ze evenzeer door 
loeren als door voorzichtig heen en weder te waden. 

H. E. broedt terzelfder tijd als de voorgaande specie. De 
platte, uit takjes, twijgen enz. vervaardigde nesten worden 
gebouwd in de hoogste boomcn, dikwijls dertig meters van 
den grond af; soms ziet men wel twintig nesten in één boom. En 
dat meermalen te zamen met Ardea cocoi, Tantaliis loailatoi' enz. 

Het wijfje legt in N. -Amerika 2 tot 4, in Suriname 2 of 3 
elliptische of ovale, glanslooze, blauwachtig groene eieren. 
M. Afm. 57 X 40 m.M. 

De exemplaren varieeren uitermate. 

Beide seksen broeden; er is maar een broedsel per jaar. 
De jongen, die tegen December reeds in staat zijn voor zich 
zelf te zorgen, verlaten dan de nestelplaats te zamen met de 
ouden, ten einde de zwampachtige savannes achter den zoom 
der mangrove bosschen op te zoeken. 

Een groote roekcrie van Am. E. wordt thans, naar jagers 
beweren, achter de Hermina-modderbank nabij Coronie aan- 
getroffen. Maar vroeger nestelden de vogels meer nabij de 
kust en ook dikwijls te zamen met de andere kleinere reiger- 
soorten. 



FLORIDA. 



PLORIDA, BAIRD. 



159 



^ F. coerulea, L. = id., Schlegel, Mus. P. B. = Héron bleudtre 
de Cayenne, Dauh. = Le Crahier eendre, Buff. = Ardea 
coerttlescens, Cab. in Scho7nb. Reis. 

Ad. Kop en nek donker kastanjebruin, overig vederkleed donker blauwachtig 
leikleurig; vederen tusschen de schouders en aan den ondernek lang, dun en spits; 
slechts enkele der vederen aan den achterkop zeer lang; snavelbasis ultramarijn- 
blauw, het endgedeelte zwart; lora en oogleden ultramarijnblauw; pooten zwart; 
iris geel. Jong. Zuiver wit; tippen der slagp. v. d. isten rang blauwachtig lei- 
klevirig ; pooten en lora groenachtig geel. Jong in dons. Zuiver wit. L. 56, vl. 28, 
st. 10, tars. 9.5, culm. 7.5. Geogr. dist. Vanaf het midden der Vereenigde Staten 
zuidwaarts tot Guiana, Brazilië, Ecuador en Columbia. Lok. dist. Vooral de 
lagere streken. 

De Kleine Blauwe Reiger, eng. Little blue Heron or Small 
blue Gaulin, fr. Héron bleuatre, kenbaar aan een langen, dunnen 
snavel met een endkerf aan het uiteinde van den spitsen 
bovensnavel, staat in de kolonie bekend als Blauw Sabakoe, 
bij de Arowakken als Euke- 
lie en bij de Caraïben als 
Savakoe of Napiemiesietjoe. 

Over het algemeen zijn 
de wijfjes kleiner en dragen 

tevens vooral gedurende het Kop van Florüta ceemlea. 

broedseizoen minder lange 

rugpluimen dan de mannetjes. De jongen zijn, in tegenstelling 
met de algemeene wet der natuur, waarbij het jong protec- 
tiever van kleur is dan de ouden, geheel zuiver wit, uitge- 
zonderd eenig leiblauw aan de vleugelenden. En alsof hiermede 
een verschillend instinct gepaard gaat, schijnen ze ook veel 
schuwer dan tot volkomenheid opgegroeide leikleurige indivi- 
duen. Maar nog eigenaardiger is het, dat enkelen het wit 
vederkleed nimmer afleggen; alleen de pooten en snavels 
veranderen van kleur. Anderen weer zien er gedurende hun 
geheele leven gevlekt leikleurig en wit uit. 

K. B. R. komen zeer talrijk voor, vooral langs de zeekust. 
Veel jacht wordt er niet op ze gemaakt, daar hun dunne, stijve 
rugpluimen slechts een stuiver per huid waard zijn. 




1 6o ARDEID^. 

Over het algemeen leven Blauwe Sabakoes zoowel bij 
troepjes als bij vluchten, die soms geheel uit witte, dan weer 
uit gevlekte of leikleurige individuen bestaan. Toch treft men 
meermalen eenzame individuen of paren op zwampachtige 
plaatsen aan. 

K. B. R. vergaren hun voedsel, vooral vischjes of krabbetjos, 
bij dag en w^achten gewoonlijk geduldig op hun prooi. Hun 
alarmkreet klinkt als een schor keelgeluid. Opgeschrikt vliegen 
ze niet omhoog, maar beschrijven laag over het water een 
wijden cirkel, om dan op een boom in de nabijheid neder te 
dalen en met langgerekte halzen het komende af te wachten. 

A. C. broedt terzelfder tijd als de twee volgende species. 
Bij honderden worden de platte, uit takjes, twijgen enz. samen- 
gestelde nesten geplaatst in de lage mangroven langs de kust. 
En dat gewoonlijk te zamen met andere Sabakoes, Arapapas 
of Dikkoppen. Soms ziet men wel dertig nesten in één boom. 

Het wijfje legt 2 of 3, zelden 4, meer ovale dan elliptische 
glanslooze, licht blauwachtig groene eieren. M. A/m. 43 X 32 m.M. 

De exemplaren varieeren zeer in tint en afmeting: wind- 
eieren zijn zeldzaam. 

Beide seksen broeden en komen min of meer in gelijk aantal 
voor. Er zijn twee broedsels per jaar. Om de nestelkoloniën 
zwerven Gieren en andere roofzuchtige vogels in menigte rond, 
gereed om op een onverdedigd nest neer te schieten, ten einde 
de eieren of jongen weg te kapen. 

Tegen December zijn de roekeriën geheel verlaten, maar op 
de modderbanken wemelt het dan van duizenden witte, gevlekte 
en donkerkleurige Sabakoes. 



LEUCOPHOYX, SHARPE. 

^ L. candidissima, Gm. = Ardca c. ScJilcgal, Mus. P. B. = 
A. nivea Cab. in ScJiomb. Reis. 

Ad. Geheel zuiver wit; rug versierd, vooral gedurende het broedseizoen met 
ongeveer vijftig lange, aan het uiteinde gekrulde, tot over de staartpennen reikende, 
bij de wijfjes iets kortere pluimen, met losse, ver uit elkander staande baardjes ; 



LEUCOPHOYX. I 6 I 

achterkop en voornek versierd met losse, zachte vederen; snavel zwart, basis v. d. 
ondersnavel geel ; tibia en tarsi zwart ; teenen geel ; nagels zwart ; lora, irides en 
oogleden geel. Jong. Gekuifd als ad., maar zonder rugpluimen. Jong in dons. 
Geheel wit. L. 52, vl. 25, st. g, tars. 9.5, culm. 8.3. De wijfjes zijn iets kleiner: 
vl. 24. Geogr. dist. Gematigd en tropisch Amerika tot Argentina. Lok. dist. Vooral 
de kustzoom. 

Sneeuwwitte Reigers, eng. Snowy Herons, Small Gaulins 
or Little White Egrets, fr. Petits hérons blancs, heeten in 
Suriname Witti Sabakoes. De Arowakken noemen ze Wakara 
en de Caraïben Piesloetie of Piesjoehe. 

Hun snavel komt overeen met dien van Florida ccvrulea, 
maar de punt van den bovensnavel is stomp en mist de typische 
endkerf. Een groote kuif versiert den bovenkop; aan den 
achterkop ontbreken verlengde pluimen, terwijl de kropvederen 
zacht en los, maar er niet lang of dun uitzien, 

S. R. wemelden in vroeger jaren langs onze zeekusten en 
tot nu toe behooren ze tot de talrijkste onzer kustvogels, 
hoewel vele witte Reigers, die men van uit de verte ziet, 
slechts de jongen zijn der Blauwe Sabakoes. Ik zeg „tot nu 
toe", want vervolging, meedoogenlooze, wreedaardige, door 
geen wet beteugelde vervolging, die de specie te zamen met 
de Am. Egretten en andere, uit het Noorden ten naastenbij 
heeft doen verdwijnen, zal ook hier ontwijfelbaar deze prachtige, 
onze kusten tot sieraad strekkende vogels, gaandeweg uitroeien. 

Oppervlakkig beschouwd schijnt dit onmogelijk, wijl de 
S. R. bijzonder schuw zijn en daardoor zeer moeielijk te 
naderen. Maar hiertegen staat het feit dat alle te zamen, bij 
duizenden in uitgestrekte, talrijke akkers omvattende, reiger- 
bosschen nestelen. Tevens worden de nesten zoo laag bij den 
grond g-ebouwd, dat men ze zonder eenige moeite kan bereiken. 

Onder deze nesten, als de jongen uitgebroed zijn, legt de 
jager zich neder en wacht geduldig tot ouderliefde, dat machtig 

instinct, den vogels als het ware noopt te naderen om 

te voldoen aan eene gril der mode. 

De prachtige pluimen, die het bruidskleed van den S. R. 
uitmaken, zijn de bekende, gezochte, prima Qual. aigrettes, die 
veel meer waarde bezitten dan hun gewicht aan goud. 

I 1 



102 



ARDEID^TÏ. 



Onder onze jagers heeten deze pluimen „ploems" (v. h. eng. 
plumes) of wel panasses, in de handelstaal daarentegen „Short 
Osprey feathers" ; Short selected plumes gelden op de wereld- 
markt voor ongeveer /loo per 30 gram. 

Om I Qual. te zijn, moet de pluim omstreeks 18 centimeter 




riiilincn v.Lii I .ei(rofiIioyx cnniiiilissiiiin on I Ifro.iins i-sircttn. 



lang wezen, tevens onbeschadigd en aan het uiteinde omge- 
bogen, ongeveer als een derde cirkel. Perfecte pluimen komen 
alleen voor bij volwassen vogels, vooral mannetjes, gedurende 
het broedseizoen en heeten in .Suriname „full cock plumes"". 
„In aanmerking genomen, dat er jaarlijks honderden, ja 



LEUCOPHOYX. 1 53 

duizenden ponden aigrettes op de wereldmarkten verhandeld 
worden, en dat elke Reiger ongeveer anderhalve gram ople- 
vert, waaronder minder dan een gram „short selected", kan 
het niet anders dan weemoed wekken bij het narekenen hoe- 
vele onschuldige vogellevens jaarlijks aan de almachtige mode 
worden opgeofferd. Ik ken verscheidene pluimjagers, die voor 
jaren achtereen honderden op honderden Witte Sabakoe huiden 
naar de stad brachten, waar ze ongeveer f \. — a / 1.25 op- 
brengen. En dit is nog niets in vergelijking met de enorme 
hoeveelheden door Fransche jagers naar Cayenne gevoerd. In 
Londen alleen werden in 1903 ongeveer igóooo huiden ver- 
kocht en minstens evenveel in Parijs en Berlijn ; dat beteekent 
dus den dood van 588000 vogels. Maar dit getal is verre van 
volledig, daargelaten de tallooze verhongerde, aan gieren ten 
prooi gevallen jongen. Inderdaad, het bruidskleed van den 

Sneeuwwitten Reiger is zijn doodskleed, maar aigrettes 

zijn immers zoo „chique, so becoming". 

Behalve tegen den mensch moeten S. R. ook strijden tegen 
hunne natuurlijke vijanden, de Gieren en andere roofvogels, terwijl 
bij hoog getij tevens de visschen in het drabbige water onder 
de nestelplaatsen hun aandeel komen zoeken. En om de kroon 
op het werk te zetten, werpen de Scharlaken Ibissen het tweede 
broedsel jonge Reigers uit de nesten. De kansen van den 
Sabakoe in den strijd om het bestaan zijn dus niet groot; geen 
wonder ook dat deze schoone vogels jaarlijks sterk in aantal 
verminderen, zoodat er zelfs in Suriname een spreekwoord 
bestaat: „de Sabakoe is onder het voeden zoo vreesachtig dat 
hij nimmer vet kan worden." 

S. R. bewonen bij voorkeur de zoutwaterpans langs de kust. 
Na het broedseizoen ziet men ze meestal bij paren of vluchten, 
dikwijls te zamen met andere kleine reigersoorten. 

De Witte Sabakoe mist het geduld van den Blauwen Reiger 
en vervolgt gewoonlijk zijne prooi, vooral vischjes, door het 
water. Buitendien is de stompe punt van zijn bovensnavel niet 
zeer geschikt om iets te doorboren en is hij dus genoodzaakt 
de prooi aan te grijpen. 

Het geluid van S. R. klinkt als een schor gegurgel ; toch 



104 



ardeid.ï:. 



laten ze meermalen, vooral in hunne nestelplaatson, een duide- 
lijk „kawa, kawa" hooren. 

A. C. broedt van af het einde van het kleine droge seizoen 
tot het begin van den grooten drogen tijd. De nestelkoloniën 
komen geheel overeen met die der Blauwe Sabakoes en Likko's. 
Maar de 2 tot 4 eieren zijn evenwel iets grooter, ronder van 
vorm en tevens opmerkelijk donkerder van kleur. 

M. A/m. 45 X 36 m.M. 

De exemplaren varieeren uitermate. Windeieren zijn zeldzaam. 

Beide seksen broeden en komen ongeveer in gelijk aantal 
voor. Maar door hun meerdere schuwheid worden de man- 
netjes niet zoo gemakkelijk bemachtigd. 

Jonge S. R. gelijken zeer veel op de jongen der kleine 
Blauwe Reigers, maar missen de leikleurige enden der eerste 
slagpennen. 

Sabakoekoloniën treft men bijna overal langs onze kusten 
aan. De voornaamste van af de Suriname-rivier naar den 
kant van Cayenne toe, zijn : Beripan, Monding der Motkreek, 
Via via flats en de Manabank. Naar den kant van Demerara 
vindt men: Skoertje, Papegaimama, Hermina flats, Coronie 
flats, Koema koemakreck en de Nickerie flats. 

Op enkele plaatsen, zooals bv. de groote kolonie nabij de 
monding der Suriname rivier, worden de Sabakoes niet lastig 
gevallen door Scharlaken Ibissen en broeden door tot einde 
Augustus. 



HYDRANASSA, BAIRD. 

H. tricolor, P. L. S. Muil. = Héro7t hleudtre a ventrc blaiic 
de Cayenne, Dmib. = La Derni-aigrette, Buff. = Ardea leuco- 
gaster, Cab. in Sehomb. Reis. = id. Schlegal, Mits. P. B. 

Ad. Bov.d. donlcer blauwachtig leikleurig; achterkop en bovennek met lango 
kastanjebruine en Mitte vederen ; rug versierd, vooral gedurende het broedseizoen, 
met bruinachtig grijze, tot het uiteinde der staartp, reikende pluimen; onderrug, 
stuit en buik wit; nek blauwachtig leikleurig; keel wit met een onduidelijke rood- 
bruine lijn aan het midden v. d. hals; ponten zwartachtig; snavelbasis en lo)a 



HYDRANASSA. IÖ5 



blauw; snavelend zwart; iris rood. Jong. Keel en onduidelijke lijn aan den 
voornek wit; overig gedeelte van kop en nek bruinachtig; bovenrug en vleugels 
blauwachtig leikleurig met een min of meer bruine tint; geen pluimen aan den 
rug; onderrug, stuit en buik wit; borst met enkele leiklcurige strepen; pooten 
geel van achter, maar zwartachtig van voren; ondersnavel en lora oranjekleurig; 
bovensnavel zwart. Jong in dons. Geheel zwartachtig, uitgezonderd de witachtige 
stuit en buik. L. 50, vl. 25, st. 7, tars. 9, culm. 9. De wijfjes zijn iets kleiner, 
vl. 24. Geogr. dist. Guiana, Brazilië en Venezuela. Lok. dist. De kustzoom. 

„Tot volkomenheid opgegroeide individuen van den Witbuik- 
of Driekleurigen Reiger, eng. White bellied or Threecolored 
Heron, fr. Héron bleuatre a ventre blanc, varieeren onder- 
ling nogal in kleur. 

In de kolonie staan W. R. bekend als Witbere blauw 
Sabakoe (Blauwe Reiger met witten buik) of wel Likko ; de 
Indianen noemen ze evenals de kleine Blauwe Reigers. 

Hun vederkleed ziet er min of meer kalkachtig uit, terwijl 
de snavel naar verhouding langer en dunner is dan die der 
andere Sabakoes. Evenals Florida arriilca hebben Likko's 
ook een endkerf aan het uiteinde van den spitsen bovensnavel. 
Een kuif van breede vederen versiert den achterkop; evenzoo 
zijn de kropvederen breed, terwijl de rugpluimen tot over den 
staart reiken. De jongen dragen eerst na twee jaren het vol- 
komen vederkleed. 

W. R. zijn geen slachtoffers der mode en worden dan ook 
zeer talrijk, vooral langs de zeekust of in de zoutwaterpans 
aangetroffen. Van uit de verte gelijken ze veel op Blauwe 
Sabakoes ; alleen als ze opvHegen of op een boom zitten, kan 
men hun witten buik en onderrug duidelijk zien. Hun voedsel 
komt overeen met dat van alle andere Sabakoes; ze wachten 
doorgaans bedaard op hun prooi, om, opgeschrikt, laag over 
het water naar een boom in de nabijheid te vliegen. Hun 
alarmkreet klinkt als een schor keelgeluid. 

H. T. broedt terzelfder tijd als de twee voorgaande soorten. 
Ook de nestelplaatsen en nesten verschillen niet van elkander. 
De 2 of 3 eieren zijn niet met zekerheid van die der Blauwe 
Sabakoes te onderscheiden; alleen is de middelbare afmeting 
over het algemeen iets kleiner en bedraagt ongeveer 41X31 m.M. 



l66 ARDEID.-E. 

NYCTANASSA, STBJN. 

N. violacea, L. = Lc Biborcau de Cayeniie, Daiib. = Lc 
Crabicr gris-dc-fer, Buff. = Nycticorax violaceus, Cab. in- 
ScJtovib. Reis. = Ardea violacea, Schlegal, J\fus. P. B. 

(ƒ Ged. het hroedseizoen. Kruin geelachtig wit; overig gedeelte v. d. kop en 
keel zwart; nek, borst en buik blauwzwart; rug hetzelfde; lange vederen of pluimen 
tusschen de schouders, schoudervederen en vl.dekv. met zwarte strepen ; twee of 
drie zwarte en witte ronde, lange pluimen achter den kop; bovenkop gekuifd ;lora 
groenachtig geel; pooten groenachtig; snavel zwart, basis v. d. ondersnavel min of 
meer geelachtig groen; iris licht oranjekleurig. O Kleiner en bruiner van tint; al 
de langere pluimen aan den achterkop wit; snavel en lora zwartachiig grijs; pooten 
licht olijfgeel. Ad. Kort na het broedseizoc7t. Zonder lange pluimen aan den 
achterkop en met minder ontwikkelde rugpluimen en schoudervederen. Jon-^-. Kruin 
zwart, de \^deren met witte of geelachtige strepen: overige bov.d., w. o. vl.dekv. 
zwartachtig bruin met w'igs'ormige geelachtige of witte vlekjes; slagp. v. d. isten 
rang donker blauwachtig leikleurig zonder roodbruin; ond.d. wit of geelachtig met 
zwartachtige strepen ; snavel groenachtig en geelachtig zwart ; lora groenachtig geel ; 
pooten dof geelachtig groen. L. 55, vl. 29, st. 11, tars. 9.5, culm. 7. 5. Geogr 
dist. Van af gematigd N. -Amerika zuidwaarts tot Brazilië. Lok. dist. Vooral de 
lagere streken. 

„Geelkruin Nachtreigers, eng-. Yellowcrowned Xight-herons 
or Blue Quaaks, fr. Biboreaux gris-de-fer, staan in Suriname 
bekend als Swieti- watra Biegi-hede, Dikkoppoe, Kwakleger, 
d. w. z. Zoetwater Grootkoppen, Dikkoppen of Kwakreigers. 
De Arowakken noemen ze Oenorioema en de Caraïben 
Anapavvle. 

De snavel van den G. N. is veel korter dan de tarsus. Een 
kuif versiert den bovenkop ; aan den achterkop hangen enkele 
lange, op draden gelijkende vederen, terwijl de schouder- 
vederen lang en smal, maar niet spits zijn. Jonge individuen 
verschillen niet veel van de jongen der volgende soort, maar 
bezitten een donkerder tint, de kop donkerder dan de rug 
en de eerste slagpennen zonder roodbruin. 

G. N. bewonen over het algemeen begroeide zoetwater- 
kanten of meermalen ook de zeekust. En dat meestal bij paren 
of eenzaam. Hun voedsel, bestaande uit visschen. krabben, 
kruipende dieren, kleine zoogdieren enz., vergaren ze meer bij 



NYCÏANASSA. 167 

dag' dan des nachts. Doorgaans wachten ze geduldig op hun 
prooi, die soms te groot is om geheel te worden opgeslokt. 
De kop wordt er dan afgebeten of stuk voor stuk in geslokt. 
Hun geluid klinkt schor en onaangenaam; dikwijls klapperen 
ze ook met hunne snavels. Opgeschrikt klinkt hun alarmkreet 
als een luid „kwak, kwak". 

N. V. broedt van af den kleinen drogen tijd tot het begin 
xan het groote droge seizoen. Dit geschiedt in tegenstelling 
met de volg'ende soort steeds bij paren, zeldzamer in troepjes 
maar nooit in uitgestrekte koloniën. Gewoonlijk worden de 
platte, uit takjes, twijgen enz. vervaardigde nesten gebouwd 
tusschen de nesten der Sabakoes en Arapapas. 

De 2 tot 4 eieren varieeren van af eenigszins lang' ovaal 
tot elliptisch ; de kleur is glansloos, licht blauwachtig groen. 
M. A/m. 50 X 36 m.AI. 

De exemplaren varieeren uitermate; windeieren zijn zeldzaam. 

Beide seksen broeden en evenaren elkaar in aantal. Onder 
het broeden zitten mannetje en wijfje soms naast elkander; 
en zoo sterk is hun broedinstinct, dat men ze enkele malen 
met de handen van het nest kan opnemen. 



NYCTICORAX, RAFiN. 

N. naevius, Bodd. = N'ycficorax //. Ra fin. = Lc Ponacrc de 
Cayennc, Daiih. = Lc Foiiacre 021 B^ttor tacJietc, Buff. = lY. 
gardeni, Cah. in Scliomb, Reis. = Ardea nxcfiiorax, Schlegal. 
Mus. P. B. 

Ad. Gid. liet hroedscizocn. Voorkop, lora, nek en ond.d. wit of witacktig, 
enkele dealen met een inooi giijsachtig tintje ; kuif aan den bovcnkop, bovenrug 
en schouders glanzend groenachtig zwart; onderrug, vleugels eia staart aschgrijs; 
achterkop versierd met twee of drie ongeveer 20 centimeter lange, ronde, witte 
pluimen; snavel zwartachtig en geelachtig; pooten geel; oogomtrek groenachtig; 
iris karmozijnrood. Na het hroedscizocn. Geen lange koppluimen ; rug en kop 
groener van tint. long. Eov.d. grijsachtig bruin, de vederen met wigvormige 
witachtige of geelachtige vlekken; buitenvlag der slagp. v. d. istcri rang licht 
roodbruin; ond.d. wit met zwartachtige strepen. L. 56, vl. 30, st. 11, lars. 8, 



IÓ8 ARDEID^. 

culm. 7.5. De wijfjes zijn iels kleiner. Geogr. dist. Geheel Amerika, uitgezonderd 
het hooge Noorden. Lok. dist. Vooral de lagere streken. 

De Zwartkruin Nachtreiger, eng. Blackcrowned Night-heron 
or Common Quaak, fr. Biboreau ou Pouacre is een nogal twij- 
felachtige subsoort van den Europeeschen N. nycticorax, L. 

In de kolonie staat hij bekend als Zoutwatra Biegi-hede. 
Dikkoppoe of Kwakleger, (Zoutwater Grootkop, Dikkop of 
Kwakreiger). De Arowakken noemen hem Hawlerie, de 
Caraïben Anapawle of Koewano en de Warrau's Wonu. 

Bij den Z. N. is de snavel ten naastenbij even lang als de 
tarsus ; een kuif versiert den bovenkop ; aan den achterkop 
hangen dunne, draadachtige, witte pluimen ; de schoudervederen 
zijn breed en zacht. 

Z. N. komen talrijk voor langs alle waterkanten der kolonie, 
maar vooral langs den kustzoom. Hun levenswijze verschilt 
niet van laatstgenoemde soort; alleen zijn ze bijna uitsluitend 
nachtvogels, hoewel toch gedurende het broedseizoen de be- 
hoeften der jongen ze noodzaakt ook bij dag voedsel te verga- 
ren. En dit doen ze evenzeer wadende door het ondiepe water 
of op de modderbanken, als stil loerende aan den oever. 

Door hun elastisch halsvel kunnen Z. N. buitengewoon 
groote voorwerpen inslikken. Niets wordt dan ook door hen ver- 
smaad. Geharnaste visschen, padden, muizen, ratten enz. . . . alles 
verdwijnt in hun uitzetbaren krop. Naar men beweert, zouden 
ze dieren zooals ratten eerst verdrinken alvorens die in te slikken. 

N. N. broeden van af Februari tot Augustus. Van hen gaat 
het sein tot broeden uit ; de overige Reigers volgen eerst 
later. De broedkoloniën zijn zeer uitgestrekt ; dikwijls nestelen 
honderden paren bij elkander, hoewel ze onder het voeden 
slechts eenzaam te vinden zijn. De platte, uit takjes, twijgen 
enz. gemaakte nesten, w'orden gewoonlijk in de lagere man- 
groven langs de kust, en zeldzamer in hoogere boomen meer 
binnenwaarts gebouwd. Soms ziet men wel twintig nesten in 
een boom, hoew'el het enkele malen ook gebeurt dat een 
eenzaam paar Z. N. binnen het terrein der mangroven nestelt. 

Het wijfje legt in N. -Amerika 4 tot 6, in Suriname daaren- 
tegen 2 of 3 eieren, die over het algemeen zoowel in kleur 



NYCTICORAX. 169 

als vorm geheel met de eieren der voorgaande soort over- 
eenkomen. Af. A/m. 54 X 38 m.M. 

De exemplaren varieeren nogal in kleur, vorm en afmeting; 
windeieren treft men slechts zelden aan. 

Gedurende het broedseizoen zijn Z. N. zeer luidruchtig en 
ratelen dan met hunne snavels, onder het voortbrengen van 
allerlei schorre geluiden. Opgeschrikt, klinkt hun alarmkreet 
als een luid „kwak, kwak". 

Beide seksen broeden en schijnen even talrijk. Na het broed- 
seizoen dwalen zoowel ouden als jongen over al de lagere 
deelen der kolonie rond. 

Overal langs onze geheele kustlijn treft men nestelkoloniën van 
Dikkoppen aan. Een groot aantal half volwassen jongen wordt 
soms tegen den grooten drogen tijd in de stad gebracht en 
daar rondgevent tegen ongeveer tien cent per vogel. 

- N. tayazu-guira, Vieill. 

Ad. Ongeveer als de voorgaande soort, maar grooter; ond.d. bijna geheel grijs, 
uitgezonderd keel en onderbuik, die wit zijn, evenals voorkop en wenkbrauwen -. 
bovensnavel en tip v. d. ondersnavel zwart, overigens geelachtig groen; pooten 
licht groen met een gele tint aan de onderzijden; iris karmozijnrood. L. 60, vl. 33.5, 
st. 13.5, tars. 9, culm. 8. Geogr. dist. Z.-Amerika van af de Falklands-eil. tot 
Midden-Brazilië en Suriname. Lok. dist. Vooral de lagere streken. 

De Braziliaan- 
sche Nachtreiger, 

eng. Brazilian 
Night-heron, komt 
in kleur zoozeer 
met de voorgaande 
soort overeen dat 

het meermalen 
moeielijk is, beide 

species van elkan- Kop van Nyclicorax fayazu-giiira. 

der te onderschei- 
den. Ook de afmeting is niet altijd betrouwbaar terwijl het ver- 
schil in vleugellengte (ongeveer 4 c.M.) volstrekt niet opmer- 
kelijk schijnt bij zulke groote vogels. 




IjO ARDEID.li. 

In levenswijze, nestel plaatsen en nesten verschillen B. X. 
niet van de voorgaande soort. Alleen zijn de eieren over het 
algemeen, maar niet altijd, wat grooter. M. Afm. 57 X 39m-M. 



CANCROMA, L. 

C. cochlearia, L. = id., Cab. in ScJtoiiib, Reis. = id. Schlegal. 
Mjis. P. B. = Lc Savacou? de Cayemie, Daub. 

Ad. Bov.d. over het alj^emeen lavendel grijs; boveiimantel met een breeden 
zwarten, bruingetinten band; vl.dekv. als de rug, de grootere echter meer zilver- 
achtig grijs ; slagp. zUverachtig grijs of witachtig, de enden leikleurig getint ; onder- 
rug, stuit, dekv. bov. d. st. en staartp. zilverachtig grijs; kruin en lange afhangende 
kuif blauwzwart; voorkop wit lot boven de oogen; lora naakt; kopzijden, keel en 
borstzijden wit met een min of meer grijs tintje; borst, abdomen en dekv. ond. d. 
st. donker kaneelbruin ; buikzijden en okselvederen zwart; scheenen grijsachtig wil ; 
bovensnavel ten naastenbij zwartbruin, bijna zwart en met een geelachtige streep 
aan elke zijde v. d. culmen ; ondersnavel geel; poolen geelachtig; naakte keel 
licht geel; plek voor de oogen donkerbruin; oogleden groenachtig geel; iris donker- 
bruin. Jong. Bov.d. kaneelbruin ; de rug donkerder en de vl.dekv. lichter van 
tint; grootere vl.dekv. en binnenste slagp. grijsachtig getint; onderrug, stuit en 
dekv. bov. d. st. bruinachtig grijszwart; staartp. grijs met bruinachtige randjes: 
kruin zwart zonder kuif; kopzijden en ond.d. witachtig met een grijze en bruine 
lint overtogen ; buikzijden en okselvederen met grijsachtige, bruinachtige en wit- 
achtige strepen. L. 48, vl. 29, st. 13.5, lars. 7.5, culm. 7.3. Gcogr. dist. Z. -Amerika 
van af Z. -Brazilië. Lok. dist. De lagere streken. 

„Te oordeelen naar de snavels, die veel 
op omgekeerde breede booten gelijken als- 
mede lange, tot op den rug afhangende, als 
manen uitziende kuiven, behooren Bootsnavel- 
Reigers of Krabbeneters, eng. Boat-billed 
Herons, fr. Cuillières d'Amérique du Sud 
eigenlijk tot eene afzonderlijke familie. In de 
kolonie staan ze overal bekend als Arapappa. 
B. R. hebben de typische, zeer groote oogen 
van alle nachtvogels; hun keelvel is bijna 
naakt en hoewel zeer dun, toch buitengewoon 
elastisch. Hun prooi bestaat uit visschen. 
krabben, padden, muizen, ratten enz. 




■1 v;m tan,-, 
rOihlearia. 



CANCROMA. I - I 

Het talrijkst treft men B. R. aan op begroeide zwamp- 
achtige plaatsen langs de kust. Dikwijls doen ze voorbijgan- 
gers op een weinig beganen weg opschrikken door in het 
donker vlak voor hunne voeten op te vliegen, vergezeld van 
inderdaad vreeswekkend snavelklapper. Overigens klinkt hun 
geluid als een schor, krassend „krê, krê" maar wordt meestal 
alleen in de nestelplaatsen gehoord. 

C. C. broedt van af het midden van het groote regenseizoen 




Lade met eieren van ("am 



tot het einde van den grooten drogen tijd. De nesten komen 
ten naastenbij overeen met die der Dikkoppen, maar worden 
meer in hoogere boomen gebouwd. Toch nestelen enkele paren 
ook tusschen de Sabakoekoloniën, of wel in holle boomen op 
zwampachtige plaatsen. 

Het wijfje legt 2 tot 4 ovale of elliptische, glanslooze blauw- 
achtig witte eieren, die om het stompe end van een krans van 
bruine stipjes voorzien zijn. Bij versche eieren kan men de 
stipjes zeer duidelijk zien ; bij geprepareerde exemplaren daaren- 
tegen verdwijnen ze in vele gevallen, terwijl ook de grond- 



172 



ARDEIDiE. 



kleur opmerkelijk lichter van tint wordt. Windeieren treft men 
zeer zelden aan. M. A/m. 50 X 37 m.M. 

De exemplaren varieeren uitermate, vooral in grootte. 

Beide seksen broeden en schijnen even talrijk. 

Evenals Dikkoppen ratelen Arapapas met hunne snavels; en 
wel zoo hard dat het op aanmerkelijken afstand van de nestel- 
plaatsen reeds hoorbaar is. Na het broedseizoen dwalen zoowel 
ouden als jongen over al de lagere streken der kolonie rond, maar 
evenals Nachtreigers ziet men ze nimmer in troepen, doch 
steeds eenzaam of bij paren. 



AGAMIA, REICHENB. 

A. agami, Gm. ^=- Lc Hrroii. brun de Cayennc, Dauh. = 
Le Heron Agavii de Cayenne, Daub. = Le Héron Agami, 
Buff. = Ardea agami, Cab. in Schomb, Reis. = id., Schlegal, 
Mus. P. B. 

Ad. Bov.d. over het algemeen glanzend donkergroen, de schoudervederen min 
ol' meer kastanjekleurig; enden der vl.dekv. eenigszins grijs en omgekruld; midden 
V. d. onderrug leiblauw met breede, lange paarlgrijze pluimen ; slagp. leizwart aan 
de binnenvlag, uitwendig grijzer, de binnenste slagp. van dezelfde kleur als de 
rug ; staartp, donker leikleurig met een groenachtig tintje en lichter getinte randen ; 
dekv. bov. d. st. met grijs bestrooid; bovenkop, wenkbrauwen en oorvederen zwart, 
afdalende als een breede band langs de nekzijden ; voorkop en kruin met een 
leiblauwe tint; achterkruin en ontwikkelde kuif aan den ach ternek helder leiblauw ; 
keel en bevederd gedeelte der kaken wit, dit wit afdalende langs de keel en 
verdeeld langs het midden door een breede kastanjebruine lijn, langzamerhand 
overgaande in de donkerder kleur van den voornek, waarvan al de min of meer 
gekrulde vederen leiblauwe schachtstrepen hebben , voornek leiblauw met een 
breede donkerder leikleurige middenlijn, gevarieerd met wit aan het bovengedeelte 
en kastanjebruin aan de randen der onderste vederen ; ond.d. oranjebruin ; borst, 
hangende pluimen aan de borstzijden en dekv. ond. d. vl. donkerder; bovensnavel 
zwartachtig bruin; ondersnavel, lora en oogomtrek geel; iris geel. Jong. Zonder 
l)luimen ; bov.d. donkerbruin ; kruin zwartachtig leikleurig evenals een paar nek- 
pluimen ; slagp. en staartp. zwartachtig leikleurig ; vl.dekv. en binnenste slagp. als 
de rug; kaken en keel wit met een kastanjekleurige streep in het midden; overige 
ond.d. roomkleurig; lange vedeien aan borslzijden, buikzijden, dekv. ond. d. vl. 
en dekv. ond. d. st. zwartachtig bruin met witte strepen; bovensnavel geelachtig: 
ondersnavel groenachtig; pooten olijfgroen; iris oranjekleurig. L. 8i, vl. 26.5, st. lO, 



AGAMIA. 



173 



tars. 9.5, culm. 14.3. De wijfjes schijnen iets kleiner. Geogr. dist. Amerika, van af 
Mexico tot Peru en Brazilië. Lok. dist. Vooral de lagere streken. 

„Agamie-Reigers, eng. Agami-lierons, fr. Hérons ag"ami zijn 
prachtig gekleurde Reigers met dunne, spitse, op dolken gelij- 
kende snavels. Aan den uiterst langen, dunnen hals hangen 
lange, zachte, gekrulde vederen, die als met zilverdraden door- 
mengd schijnen en ongeveer in het midden van den hals een 
wrong vormen. 

De tot volkomenheid opgegroeide mannetjes verschillen in 
kleur geheel van de bruine jongen, die eerst na verscheidene 
jaren het volkomen vederkleed dragen. Voor dien tijd hebben 
ze veel minder ontwikkelde kuiven ; tevens ontbreken de rug- 
en kroppluimen. 

In de kolonie staan A.-R. bekend als Langanikki-tiegri- 




Koi) van Agmtiid n^anii. 

fowroe, d. w. z. Langhals-tijger vogels of ook wel Groene Tijger- 
vogels. Bij de Arowakken heeten ze Tokolo, bij de Caraïben 
Toekoesioe en bij de Warrau's Okoh. 

Vooral gedurende het kleine droge seizoen treft men A.-R. 
nogal dikwijls aan op begroeide zwampachtige plaatsen, maar 
nooit op de open modderbanken. En dat meestal eenzaam of 
in kleine troepen, die denkelijk uit de leden van één huisgezin 
bestaan. Alle voeden zich zoowel bij dag als des nachts, maar 
vooral gedurende de morgen- of avondschemering. Dan ziet 
men ze meestal roerloos zitten met ingetrokken hals, wachtende- 
op hun prooi. Zij gebruiken hun snavel evenwel niet alleen 
tot het aangrijpen, maar ook tot het doorboren van vis- 
schen. En dat zelfs door het pantser van geharnaste visschen, 
zooals Kwiekwies Calachtenii, die dan in hun geheel wor- 
den opgeslokt, hetgeen zeer opmerkelijk is, in aanmerking 



i-^ ardeid^ï:. 

j4-enomcn den dunnen vogelhals en den langen rugstekel van 
den visch. 

Het geluid van den A.-R. klinkt schor en bissend; daarbij 
richt bij tevens vooral in toorn, de lange balsvederen boog op. 

A. A. broedt, te oordeelen naar de voortplantingsorganen. 
gedurende bet kleine droge seizoen. Nest en eieren zijn mij 
onbekend. De mannetjes schijnen minder talrijk dan de wijfjes. 
Jonge vogels schijnen evenwel het talrijkst voor te komen. 



PILBRODIUS, BP. 

F. pileatus, Bodd. = Lc Hi'roii blanc Jiuppé de Caycnni\ 
Daub. = Le Héron blanc a calottc iioir. Bit ff. = Nycticorax 
pi/rata, Cab. in Scliomb, Rris. 

Ad. Geheel wit; nek, keel en slagp. v. ck istcn i-ang geelachtig getint; bovenkop 
purperzwart, het midden v. d. voorkop wit; achterkop met eenige lange, dunne 
witte pluimen : k)ra, oogomtrek en snavel helder kobaltblauw, maar het snavel- 
uiteinde min of meer witachtig blauw, evenals het midden v. d. ondersnaval ; ponten 
hlauwachlig grijs; iris geel. Jong. (Suriname). Als ad. maar zonder koppkiimen ; 
bovenkop met wit of grijs gevarieerd. L. 63, vl. 27, st. 10, tars. 9.3, culm. 8. 
De wijfjes zijn iets kleiner. Geogi-. dist. Z. -Amerika van af Venezuela en Guiana 
tot de Boven Amazone en Brazilië. Lok. dist. Vooral de lagere streken. 

„Dadelijk uit te maken aan hun witte kleur, zwarten boven- 
kop, alsmede ongeveer vier lange, tot bet midden van den rug' 
reikende, draadachtige koppluimen, woorden Witte Moeras of 
Zwampreigers, eng. Blackcrested White Herons or Gaulins, 
fr. Hérons blancs a calotte noir, slechts enkele malen waarge- 
nomen in de zwampen. Niet dat ze zoo zeldzaam zijn, maar 
wel door hun buitengewone schuwheid. Op bonderden meters 
van een naderenden jager vliegen ze reeds op, geheel in 
tegenstelling met de overige, meer protectief gekleurde soorten. 

In de kolonie staan W. M. bekend als Witte Zwampsabakoe, 
Tijgervogels of Kwakreigers. De Arowakken noemen ze Oeno- 
roema, de Caraïben Toekoesewoe en de Warrau's Wonu. Hun 
voedsel komt overeen met dat der andere Zwampreigers. 



SVRIGMA. 



/O 



Gewoonlijk wachten ze op hun prooi, maar waden ook wel eens 
door ondiep water. En dat vooral gedurende de morgen- of 
avondschemering. Opgeschrikt klinkt hun alarmkreet als een 
luid „kwak, kwak". 

P. P. broedt, te oordeelen naar de voortplantingsorganen, 
gedurende het kleine droge seizoen. Volgens Schomburgck 




Kop van Pileroii/iis pilonfiis. 



wordt het nest in lage boomen gebouwd. Het aantal eieren 
per legsel bedraagt twee. Mannetjes schijnen talrijker dan wijfjes. 



SYRIG-MA, RIDGW. 



_ S. cyanocephalum, Temm. := Ardea sibilatrix, SchlcgaL 
Mus. P. B. 

Ad. Bovenrug en schoudeivederen aschgrijs ; onderrug, stuit en dekv. bov. d. 
st. roomkleurig wit, evenals de staartp. ; vl.dekv. roodachtig met grijze strepen ; 
huimpje, dekv. der eerste slagp. en slagp. zwart, laatstgenoemden min of meer 
;^rijs aan de buitenvlag, de slagp. v. d. a^en rang wit aan het basisgedeelte ; kop 
donker leikleurig met een lange kuif, waai^van de vederen witte tippen bezitten ; 
oorvederen en zijden v. d. bovennek licht kastanjekleurig ; keel wit met een rood- 



l-jt 



ARDEIDA. 



bruine tint,; jjeheele hals, voornek en bovenborst isabellalileurig ; onderborst grijs 
met een roodbruine tint ; overige ond.d. witachtig roomgeel : snavel rooskleurig met 
zwartachtigen tip; naakte huid aan kopzijden azuurblauw. (Cherrie). L. 58, vl. 30, 
st. II.3, tars. 9, culm. 6.6. Geogr. dis/. Brazilië, Uruguay en noordwaarts tot 
Venezuela. Lok. dist. De lagere streken. 

Grijsrug Moerasreigers, eng. Graybacked Bitterns, behooren 
tot de allerzeldzaamste onzer reigersoorten en worden niet dan 
toevallig waargenomen. Over hun levenswijze en voortteling 
is mij niets bekend. 



BUTORIDES, BLYTH 

B. virescens, L. = Crahier tachctc de la Martiniqiie, Dauh. 
= Crahier de la Louisane, Daub. = Le Crabier vert tachetr, 
Biiff. = Le Crabier roux d tête et queu vertes. = Ardea 
virescens, Schlegal, Mus. P. B. 

(j'. Bovenkop, waarvan de verlengde vederen van achter in een punt uitloopen 
alsmede een korte lijn onder de oogen glanzend zwart met een lichte groene tint ; 
keel geelachtig wit, deze kleur afdalende langs den voornek als een dunne maar 
aan de borst zich verbreedende lijn, waartusschen zwarte streepjes; overig gedeelte 
v. d. kop en nek kastanjekleurig met een purperachtigen glans; bov.d. alsmede 
lange dunne schouderpluimen groen, overtogen met loodachtig blauwgrijs: vl.dekv. 
metaalgroen met witte of geelachtige zoomen ; ond.d. grijsachtig met een geelachtige 
tint; slagp. leikleurig; snavel groenachtig zwart van boven, maar heldergeel van 
onderen ; pooten groenachtig geel ; iris en oogomtrek helder geel (Aud.). §. Onge- 
veer hetzelfde, maar met minder grijs aan de schouderpluimen. Jong. Als ad. 
maar zonder verlengde pluimen of blauwgrijze en purperkleurige tinten ; kop van 
achteren met roestkleurige strepen; kop en nek met geelachtige strepen op een 
dofferen roestkieurigen ondergrond; ond.d. witachtig met zwartachtig grijze strepen ; 
zwarte streepjes aan den voornek talrijker; randen der vl.dekv. breeder, de twee 
of drie middelste rijen dekv. met wigvormige witte of geelachtige vlekjes. L. 42, 
vl. 17.8, st. 6.3, tars. 5.1, culm. 6.2. Geogr. dist. N. -Amerika zuidwaarts tnt 
noordelijk Z. -Amerika. Lok. dist. De lagere streken. 

„Een exemplaar van den Groenen Moerasreiger, eng. Green 
Heron, fr. Héron vert, werd gecollecteerd in de zwampen ten 
Noorden van Paramaribo in Januari 1898, maar na dien tijd 
zag ik er geen meer. In het Noorden treft men den G. M. 



BUTORIDES. 



177 



even talrijk aan als in Z.-Amerika de volgende soort, van wie 
hij in levenswijze niet veel verschilt. 

B. V, broedt meer noordwaarts, van af Maart tot Juli. Het 
platte nest bestaat uit takjes, twijgen, enz. ; het wordt geplaatst 
in nogal lage boomen of in het struikgewas, meestal niet ver 
van het water af. De 3 tot 6 eieren zijn over het algemeen 
iets grooter dan die der volgende soort. M. Afm. 38 X 28.5 m.M. 

B. striata, L. ^ Crabier de Cayenne, Daub. = Crabier gris 
a tête et queii vertes, Buff. = Ardea scapularis, Cab. in 
Schomb. Reis. = id., Schlegal, J\Ius. P. B. ■= Ardea cyamwa, 
Vieill. 

Ad. Keel geelachtig wit en, uitgezonderd het bovengedeelte, met roestbruine 
streepjes tot aan de borst; kopzijden zonder kastanjebruin; geheele achternek 
aschgrijs ; ond.d. over het algemeen aschgrijs ; overigens ten naastenbij als B. 
virescens; snavel zwart, grijsachtig geelgroen aan den onderrand v. d. ondersnavel; 
lora blauw of groenachtig; pooten vuil oranjegeel; iris geel. Jong. Grauwer dan 
ad.; bov.d. met meer bruin, de vederen met geelachtige tippen; vl.dekv. met 
opmerkelijk breeder wigvormige zoomen; geen verlengde of slechts zeer korte 
schouderpluimen ; ond.d. min of meer bruinachtig en taankleurig; geen blauw aan 
den oogomtrek • ondersnavel groenachtig. L. 38, vl. 17, st. 5.5, tars. 4.5, culm. 6. 
Geogr. dist. Z.-Amerika, uitgezonderd het noordelijk gedeelte. Lok. dist. Vooral 
de lagere streken. 

„De Z.-Am. Groene Reiger, eng. S. Am. Green Heron, 
fr. Héron vert dAmérique du Sud, kenbaar aan zijn gestreept 
vederkleed, alsmede lange loodkleurig getinte, groene pluimen aan 
de bovendeelen, staat in de kolonie bekend als Tjontjon, Chok 
of Shypok. Bij de Arowakken heet hij Savakoeja en bij de 
Caraïben Panasjaw. 

Begroeide waterkanten 
behooren tot de meest be- 
zochte verblijfplaatsen der 
Z.-Am. G. R. hoewel men 

ze ook dikwijls op de open A, 

modderbanken langs de zee- Kop van Buiorides striata. 

kust en rivieroevers kan 

waarnemen. Ze staan doorgaans met half ingetrokken hals, gerui- 
men tijd roerloos, om dan ineens vooruit te rennen ter vervolging 

12 




j_g ARDEIDyH. 

hunner prooi, die vooral uit kleine krabben bestaat. Bij nadering 
van gevaar vluchten ze snel tusschen de struiken langs den 
oever en blijven daar bewegingloos het komende afwachten, wel 
wetende dat hun gestreept vederkleed moeielijk van de omrin- 
gende takken, afgevallen bladeren, enz. te onderscheiden is. 

Tjontjons voeden zich meestal bij dag en leven eenzaam of bij 
paren, maar nooit in troepen. Hun geluid klinkt schor en 
wordt alleen gehoord als de vogel op de wijze der typische 
Botaiiri, d. w. z. met ingetrokken hals en naar boven ge- 
keerden snavel, als het ware verstompt staat. Opgeschrikt rekt 
hij dan den hals languit, vergezeld van een krassend, kra- 
kend „krê-kê-kek". 

B. S. broedt van af Maart tot October, hoewel men enkele 
malen ook broedende paren aantreft gedurende Januari enz. 
Het naar verhouding zeer kleine, schotelvormige nest van 
takjes, twijgen, enz. wordt geplaatst in struiken of lage boomen 
langs het water. Het wijfje legt 2 tot 4 elliptische, dunge- 
schaalde, glanslooze, licht blauwachtig groene eieren. M. A/m. 
38 X 29 m.]\I. 

De exemplaren varieeren niet veel, hoewel ovale eieren 
soms voorkomen ; windeieren zijn zeldzaam. Beide seksen 
broeden en schijnen even talrijk. 

N.B. Eens werd mij een nest gebracht met drie tamelijk bebroede eieren, te zamen 
met acht en twintig eieren van een Kaaiman Alligator. Alle waren op dezelfde plaats 
verzameld, nl. een eilandje in een vijver. Het Tjontjonnest was slechts twee voet van 
den o-rond af, vlak boven de plaats gebouwd, waar de Kaaimaneieren onder het zand 
begraven waren. Of nu beide dieren eendrachtig samen leefden, of dat de Kaaiman 
van tijd tot tijd naar zijne buren hapte, valt moeielijk uit te maken. 



TIGRISOMA, SWAINS. 

T. lineatum, Bodd, = L! Honorc' de Caycnnc, Daitb. = 
U Onorc rayc de Cayenne, Dauh. = Onoré raye, Buff. = 
Tigrisoma tigrinum. = T. brasiliciisc, Cab. in Schonib. Reis. 
= Ardea brasiliensis, Schlegal, AIiis. P. B. 

Ad. Bov.d. en vl.dekv. over het algemeen gestipt en dwars gestreept met zeer 
dunne, bruinachtige, golvende lijntjes, streepjes, slipjes, enz. op een olijf bruinen of 



TIGRISOMA. 179 

zwaitachtigen grond ; slagp. leikleurig en zwart, de randen der enden wit ; staartp. 
grijsachtig zwart; geheele kop en nek kastanjekleurig, laatstgenoemde met enkele 
min of meer onduidelijke streepjes ; midden der keel met witte en kastanjebruine 
vederen, die als een lijn tot de borst afdalen ; borstzijden met zwarte dwarsstrepen ; 
overige ond.d. roodachtig bruin en grijs ; dij vederen en dekv. ond. d. st. zwart- 
acbtig grijs met een roodbruine tint; dekv. ond. d. vl., okselvederen en lange 
flankvederen zwart met witachtige dwarsstrepen ; snavel zwartachtig ; onderrand v. 
d. ondersnavel groenacbtig ; twee donkerbruine en twee gele strepen om de oogen ; 
oogleden groenachtig, uitgezonderd de oranjekleurige rand ; naakt halsvel groen 
achtig; naakte huid aan basis v. d. ondersnavel helder geeloranje, dan een 
bruinachtige plek en dan een groenachtige en oranjekleurige ; pooten vuil geelachtig 
zwart met een groenachtige tint ; iris oranjekleurig, Jong. Geheel gevlekt, gestreept 
en gestipt met licht roodbruin, geelbruin en zwart; bovenkop donkerder kastanje- 
kleurig; abdomen wit; bovensnavel zwartachtig bruin, ondersnavel geelachtig; iris 
oranjeyeurig. L. 60, vl. 28, st. 9.3, tars. 10.5, culm. 10.5. Geogr. dist. De 
Guiana's Amazonia tot Peru, Ecuador tot Panama ; ook waargenomen in Trinidad. 
Lok. dist. De lagere streken. 

„Door hun eigenaardig vederkleed, naakte bovenkeel, langen 
hals, waaraan lange zachte, op manen gelijkende vederen, 
kunnen Tijger-Roerdompen of Tijgerreigers, eng. Tiger Bitterns 
or Tiger Herons, fr. Onorés rayés met geen andere reiger- 
soort verwisseld worden. 

In de kolonie staat de T. R. bekend als Tiegri-fowroe, 
d. w. z. Tijgervogel. De Caraïben kennen hem als Onore, de 
Arowakken echter als Honolie, terwijl de jongen in het onvol- 
komen kleed Daina heeten. 

In lichaamsvorm en levenswijze komen T. R. geheel overeen 
met de typische Roerdompen, maar moeten toch van wege hun 
twaalf staartvederen onder de Ardcina: gerangschikt worden. 

Het vederkleed der jongen gelijkt eenigszins op de vlekken 
van den Jaguar, doch nog meer op droge bladeren, drijvende 
in het zwarte zwampwater, waartusschen het zonlicht speelt. 
De overgang tot volkomenheid geschiedt grootendeels door 
kleurverandering der vederen; ongeveer drie jaren zijn er 
toe noodig. 

T. R. worden, vooral gedurende het kleine droge seizoen, 
nogal talrijk in alle begroeide waterrijke deelen der kolonie 
aangetroffen, maar nimmer op de open modderbanken. In den 
regel ziet men ze eenzaam of bij paren ; kleine troepen van 



I 8 o ARBEIDT. 

4 tot () individuen zijn denkelijk de leden van één huisgezin. 

Hun voedsel komt overeen met dat der andere Zwamp- 
reigers. Over het algemeen wachten ze hun prooi op en zitten 
dan dikwijls geruimen tijd roerloos met ingetrokken hals en 
naar boven gekeerden snavel, als het ware verstompt. In die 
houding kan men ze tot op zeer korten afstand naderen. En 
dat zoowel bij dag als des nachts, maar vooral gedurende de 
morgen- en avondschemering. 

Op hooge boomen ziet men T. R. zelden, hoewel ze be- 
hendig langs de takken der lagere boomen klauteren. Hun 
alarmkreet klinkt als een krassend „krek, krek". Maar dikwijls 




W-derkleod van T/grisoma lincntiini, aanwijzende de overgang \an 
liet tijgeraclitig tot het zandaehtig vcderkleed. 

kan men ook, vooral gedurende de nachtelijke stilte, een 
brullend geluid hooren, dat min of meer overeenkomt met 
het loeien van een os. Onze Indianen beweren algemeen dat 
dit gebrul wordt voortgebracht door den Honohe. 

T. L. broedt, te oordeelen naar de voortplantingsorganen, 
gedurende den kleinen drogen tijd. Volgens sommige Indianen 
zouden de nesten in boomen gebouwd worden. De eieren zijn 
mij onbekend. Een twijfelachtig ei wordt beschreven als olijf- 
bruin. Afvi. 51 X 3Ö-5 rn-M. (Nehrkorn). 

Beide seksen schijnen even talrijk, maar de jonge vogels 
in het tijgerachtig vederkleed, zijn opmerkelijk talrijker dan 
de tot volkomenheid opgegroeide individuen. 



ARDETTA. l3l 

Subfam. der BOTAURIN.^. 

ROERDOMPEN. 

Genera. 

A. Middenteen en klauw van onL;eveer dezelfde lengte als de tarsus. 

„Kuif klein en spits, den naakten nek niet bedekkend : plek 
achter de oogen bevederd. 

ARDEÏÏA, GRAY. 



„Kuif zeer groot en den naakten nek bedekkend ; plek achter 
de oogen onbevederd. 

ZEBRILUS, BP. 

B. Middenteen en klauw veel langer dan de tarsus; achterklauw zeer lang. 

.... BOTAURUS, BRISS. 



Species. 
ARDETTA, ORAY. 
- A. exilis, Gm. = Ardea exilis, Sc/ilegal, Mus. P. B. 

r<\ Bovenkop, rug en staart glanzend zwart ; achternek kastanjerood ; het 
grootste gedeelte der grootere vl.dekv. en buitenvlag der slagp. v. d. 2den rang 
donkerder ; kleinere vl.dekv. en een gedeelte der grootere geelachtig ; ond.d. met 
inbegrip der dekv. ond. d. st. geelachtig getint ; een zwartachtige plek aan elke 
zijde der borst : slagp. grijsachtig van onder ; snavel donker olijf bruin van boven, 
de 1 anden v. d. bovensnavel en naakte huid geel ; ondersnavel roseachtig geel ; 
pooten dof groenachtig geel ; iris geel. (Aud.). 9- K°P bruiner ; rug glanzend 
Hcht amberkleurig; ond.d. donkerder en met min of meer bruinachtige strepen. 
Jong 1^'. Als ad., maar de rugvederen overtogen en getipt met kastanjebruin ; 
ond.d. donkerder en met min of meer zwarte strepen. Jonf; 9- Als ad., maar de 
rug roodachtig bruin, de vederen met geelachtige zoomen. L. 33, vl. 11.5, st. 3.7, 
tars. 3.7, culm. 4.3. Geogr. dist. Gematigd N. -Amerika zuidwaarts tot Brazilië. 
Lok. dist. Vooral de lagere streken. 

„Bij de Dwerg-Roerdompen, eng. Least Bittern, fr. Blongois 
pourpré, is het vederkleed van het mannetje na het broedseizoen 



i82 ardeid.t:. 

helderder, meer kastanjekleurig van tint; tevens hebben de 
schoudervederen geelachtige zoomen. De wijfjes daarentegen 
zijn gedurende dieii tijd minder helder gekleurd en bezitten 
grijsbruine in plaats van goudgele borstzijden, alsmede klei- 
bruine in stede van okerkleurige vl.dekv. 

D. R. worden enkele malen in de Guiana's aangetroffen, 
maar niet als broedvogels. Meer noordwaarts echter komen 
ze talrijk voor, vooral in moerassige streken. En dat meestal 
eenzaam of bij paren. Hun alarmkreet klinkt als een krassend 
„kwa kwa". Het mannetje laat tevens gedurende den paartijd 
en zoowel bij dag als des nachts, een langzaam geuit „koe- 
koe-koe" hooren. Beide seksen hebben de gewoonte als het 
ware verstompt te staan met ingetrokken hals en kunnen dan 
meermalen met de hand opgenomen worden. 

A. E. broedt in N.-Amerika, van af Mei tot Juli. Het uit 
gras, twijgjes, enz. samengestelde, platte nest wordt gewoonlijk 
gebouwd op den grond, tusschen het gras, in eenzame moeras- 
sen. Het wijfje legt 3 tot 6 elliptische, glanslooze, blauwachtig 
groene of groenachtig witte eieren. M. Afin. 30 X -3 ni.M. 

De exemplaren varieeren niet veel. 

A. erythromelas, Vieill. 

o' ■ Als A. fxilis, maar de roodachtig bruine tippen aan de dekv. over de 
eerste slagp. bijna geheel afwezig; kopzijden en oorvederen kastanjekleurig evenals 
de .wenkbrauwen: snavel grijsachtig bruin, maar de ondersnavel licht geel en de 
rand v. d. bovensnavel donker geel; lora geel met een donkerbruine streep; pooten 
licht groen; zolen geel; iris geel. 5- -^'s het wijfje van A. exilis, maar de bov.d. 
purperachtig kastanjekleurig en de dekv. bov. d. eerste slagp. alsmede slagp. v. d. 
2<leii rang bijna zonder roodachtig bruine tijipen. L. 23, vl. 11, st. 4, tars. 4, 
culm. 4.5. Geogr. dist. Z. -Amerika, van af Panama tot Brazilië. Lok. dist. Vooral 
de lagere streken. 

„Moeras-Dwerg^-Roerdompen of Surinaamsche Woudaapjes, 
eng. Guiana Last Bitterns, fr. Blongois de Cayenne, kenbaar 
aan hunne kastanjekleurige kopzijden, behooren tot onze aller- 
kleinste reigersoorten en staan bekend als vSton-Tjontjon, d, w, z, 
Steen-Tjontjons, De Arowakken noemen ze echter Sjoekoen- 
.Sabakoeja en de Caraïben Tonolamaloe. 




ARDETTA. I03 

M.-D. bewonen inzonderheid begroeide zoetwaterkanten 
en overstroomde savannes. Mij werd eens een exemplaar 
gebracht, dat met de hand was bemachtigd. Het diertje 
scheen, zoo verklaarde de verzamelaar, als verstompt en 

stond met in- 
getrokken hals 
en naar boven 
gekeerden sna- 
vel roerloos tus- 
schen het gras. 
Het voedsel 
van M.-D. be- 

Kop van Ai-dc'f/ti erythrontelas. Staat Uit mSeC- 

ten, v/ormpjes, 
vischjes en soms ook wel plantenzelfstandigheden. Hun geluid 
klinkt als een krassend „kwê kwê" of als een zacht „koe-koe". 
Op boomen ziet men ze zelden of nooit, hoewel ze behendig 
tegen rietstengels of afgevallen takken kunnen opklauteren. 

A. E. broedt, te oordeelen naar de voortplantingsorganen, 
gedurende den kleinen drogen tijd. Nest en eieren zijn mij 
onbekend. 

A. involucris, Vieill. 

Ad. Bov.d. gestreept zwart en okerkleurig ; vl.dekv. kastanjekleurig en geelachtig 
wit; slagp. zwart met kastanjekleurige tippen; buitenvlag v. d. eerste slagpen 
wit; basis der binnenste slagp. grauw, de zoomen geelachtig; staartp. donkerbruin 
in het midden en met geelachtige zoomen; bovenkop en nek grijsbruin met lange 
zwarte vederen in het midden; voorkop roodachtig bruin getint; ond.d. wit met 
een geelachtige streep langs de keel; voornek en borst met geelachtige en grauwe 
strepen; flanken met zwarte strepen; dijen geelachtig en zwart gevlekt aan de 
buitenzijde; een bosje zwartachtige pluimen met geelachtige zoomen aan elke zijde 
der borst; snavel geelachtig groen; pooten geelgroen; iris geel. L. 30, vl. 12.5, 
st. 45, tars. 3.8, culm. 3.8. Geo^y. dist. Z.-Amerika van af Chili, Brazilië en de 
Guiana's zuidwaarts. Lok. dist. De lagere streken. 

Azara's Dwerg-Roerdomp, eng. Azara's Least Bittern, fr. 
Blongois d'Azara, onderscheidt zich door een min of meer 
gestreept vederkleed. Hij is zeldzamer dan de voorgaande soort, 
maar staat overigens onder dezelfde lokale namen bekend. Ook 



184 ARDEID^. 

beider levenswijze komt geheel overeen. Over hun voortteHng 
is mij niets bekend ; volgens onze Indianen zouden ze op den 
grond nestelen. Eieren uit Chili worden beschreven als donker 
geelgroen. Afni. 33—34.5 X 26 m.M. (Nehrkorn). 



ZBBRILUS, BP. 

Z. pumilus, Bodd. = Lc Pciit Crabier, Buf. = Lc pctit 
Butor de Cayemie, Buff. = zd., Daub. 

(^. Bov.cl. en vl. dekv. over het algemeen leizwait met min of meer onduide- 
lijke, dunne, geelachtige, golvende dwarslijnen, uitgezonderd aan den stuit, onderrug, 
slagp., staartp. en dekv. bov. d. st. ; basis der slagp. met tamelijk veel wit aan 
de binnenvlag; bovenkop gekuifd, leizwart ; kopzijden zwart met bovenbeschreven 
golvende lijnen; kaken en keel witter en met zwartachtige dwarsstrepen, vooral 
aan de onderkeel ; voornek, borstzijden enz. zandachtig geelachtig met mm of meer 
zwarte vlekken en golvende dwarslijnen als aan de bovendeden; abdomen en dekv. 
ond. d. st. ten naastenbij wit, evenals de dekv. ond. d. vl. en okselvederen en 
beide taankleurig getint; snavel zwart; rand v. d. ondersnavel groenachtig; lora 
en oogleden groenachtig en roodbruin ; pooten bruinachtig zwart, maar dé tarsus 
van achter groenachtig geel; teenen bruin; iris geel. O. Bov.d. meer gevlekt met 
roodbruin; kop zwart; voorkop roodbruin; keel en ond.d. taankleurig roodbruin, 
overgaande in kastanjekleurig aan de kopzijden en nekjiluimen en in wit aan den 
onderbuik en de dekv. ond. d. st. ; borst, buik en flanken met enkele zwarte schacht- 
strepen, maar de ond.d. vanaf de keel tot de dekv. ond. d. st. zonder golvende 
dwarslijnen als bij het (ƒ. Jong (J'. Als ad. O maar de bov. d. donkerder en 
zwarter; snavel korter; ondersnavel, rand v. d. bovensnavel en lora groenachtig; 
overig gedeelte v. d. bovensnavel zwart; pooten groenachtig geel; iris geel; kuif 
kleiner. Jong 5- ^^^ '^'^- m^^ar de bovenkop met een kastanjebruine en taan- 
kleurige tint. L. 33, vl. 14, st. 5.5, tars. 3.8, culm. 5.8. Geogr. dist. Van af de 
Guiana's tot Midden Brazilië. Lok. dist. Vooral de lagere streken. 

„Kleine Tijger-Roerdompen of Kuif-Roerdompen, eng. Small 
Tiger Bitterns, fr. Petits Butors rayés de Cayenne, zijn dadelijk 
te kennen aan hun donker eigenaardig vederkleed dat bij alle 
individuen verschilt, alsmede enorme, den naakten achternek 
geheel bedekkende kuiven. In de kolonie staan ze bekend 
als Ston-tiegriforoe, d. w. z. Steentijger vogels, bij de Aro wak- 
ken als Honolietjie en bij de Caraïben als Tonolamaloe. 

Op de open modderbanken treft men K. T.-R. nooit aan. 



ZEBRILUS. 



i8.^ 



wijl ze de voorkeur geven aan moerassige streken of over- 
stroomde savannes. Mannetje en wijfje zijn zoo zeer aan 
elkander gehecht, dat als men er een doodschiet, de overlevende 
niet zoekt weg te vluchten. 

Hun voedsel bestaat uit vischjes, insecten, krabbetjes enz. 
Hun alarmkreet khnkt als een hard, krakend ,krê krê", hoewel 
ze dikvv'ijls ook een zachter „klok klok" laten hooren. De 
snavel wordt dan naar boven gekeerd. Met hangende vleugels 
buigt de vogel zich naar omlaag tot zijn buik en keel den 
grond raken, om zich dan 
met kleine schokken weer op 
te richten. Elke schok gaat 
vergezeld van een „klok, 
klok." Bij elke „klok" wordt 
de groote kuif al meer en 
meer opgericht. Eindelijk 
staat de vogel met langge- 
rekten hals, hoog opgeheven 
kuif- en halsvederen en staart 
recht voor zich uit, waardoor 
hij van voren gezien wel wat 
op een uil gelijkt. Langzamer- 
hand begint hij den kop weer 
naar omlaag te brengen en dezelfde bewegingen te herhalen. 

Naar mijne meening is het oprichten van de kuif geheel 
afhankelijk van het uitstrekken van den hals. De vogel is niet 
in staat om met ingetrokken hals zijne kuifvederen op te richten. 

Behalve bovengenoemde geluiden, laat de K. ï. dikwijls, 
vooral des nachts, een gebrul hooren dat ongeveer klinkt als 
„woe-woe" en veel overeenkomt met het brullen van den 
Grooten Tijger-Roerdomp; alleen klinkt het minder luid, hoe- 
wel het eveneens met allerlei verdraaiingen van lichaam en 
hals van den vogel gepaard gaat. 

Z. P. broedt, te oordeelen naar de voortplantingsorganen, 
gedurende het kleine droge seizoen. Nest en eieren zijn mij 
onbekend. Tegen het groote droge seizoen treft men de 
jongen tamelijk opgegroeid aan, hoewel ze meer dan een 




Zchi-ilits pHiiiihis. 



l86 ARDEID.li. 

jaar noodig schijnen te hebben ter verkrijging van het volkomen 
vederkleed. 



BOTAURUS, BRISS. 

- B. lentiginosLis, Montag. = id., Cab. iii Schomh, Reis. = 
Butor de la ba ie de Iludson, Buff. = Ardea fretis /nidsoji'nts 
Sehlegal, AIus. P. B. 

(-ƒ . Een glanzend zwarte streep aan elke zijde v. tl. bovennek nabij de kaak: 
bovenkop en achternek blauwachtig leikleurig, min of meer geelachtig getint; bov.d. 
bruin, de vederen met geelachtige en okerkleurige randen en vlekken; vl.dekv. 
hetzelfde, maar de grondkleur grijzer; slagp. leizwart met roodachtig bruine tippen : 
ond.d. roomkleurig of geelachtig, de vederen met geelachtig bruine strepen, geel- 
achtige stippen en bruinachtig grijze zoomen ; snavel olijfachtig zwart en citroen- 
geel ; oogomtrek citroengeel met een olijfachtige streep aan de lora van af de 
oogen tot de basis v. d. bovensnavel; pooten helder geelachtig groen; iris zwavel- 
geel om de pupil overgaande in oranjebruin en zwart (Baird, Brewster and Ridgway). 
V'. Nek eb kopvederen koiter en de zwarte strepen nabij de kaken kleiner. Jong. 
Als ad. maar zonder zwarte strepen nabij de kaken ; nek en kopvederen zeer kort : 
ond.d. met zwartachtige vlekken. L. 70, vl. 28, st. g, tars. 9.4. culni. 7.8. De 
wijfjes zijn iets kleiner: vl. 25.5. Geogr. dist. Gematigd en tropisch N.- Amerika 
zuidwaarts tot Ecuador en de Guiana's ; ook waargenomen in Euro]:^a. Lok. dist. 
De lagere streken. 

„N.-x\m. Roerdompen, eng'. N.-Am. Bitterns, fr. Butors 
d'Amérique du Nord, worden gekenmerkt door krachtiger 
snavels, korter halzen, grooter koppen, alsmede langer achter- 
klauwen dan de overige reigersoorten. Zij behooren tot onze 
onregelmatige trekvogels of wel toevallige bezoekers. 

Hun levenswijze komt geheel overeen met die der volgende 
soort en der Europeesche species. Alle worden als het zinne- 
beeld van verlatenheid beschouwd, omdat men ze bij voorkeur 
aantreft op open met riet en gras begroeide plassen, ver van 
bewoonde streken. Alle zijn zeer schuw, doch kunnen soms 
voor geruimen tijd roerloos met ingetrokken hals en naar boven 
gekeerden snavel, als het ware verstompt staan. Hun voedsel 
\'an vischjes, kuit, larven, kruipende dieren enz. vergaren ze 
zoowel bij dag als des nachts. 



BOTAURUS. 187 

Het gebrul van den Roerdomp is welbekend. Mr. Nutter 
geeft hiervan de volgende beschrijving: „Hebt gij ooit de 
serenade van een Bittern bijgewoond? Het is zeer belachelijk. 
Een deed mij de eer eener uitvoering. De vogel stond een 
tijdje in een nadenkende houding, waarna hij langzaam den 
kop ophief en den hals uitstrekte tot de snavel bijna loodrecht 
naar boven toe stond. Toen liet hij den onder- en bovensnavel 
verscheidene malen tegen elkander ratelen en wel zoo hard, 
dat men het op zeshonderd voet ^ifstand, nog duidelijk kon 
hooren." Het gebrul beschrijft de heer N. als een soort pompend 
geluid „boem, boem", dat uit het binnenste van den vogel 
schijnt voort te komen en gepaard gaat met allerlei verdraaiingen 
van den hals, alsof er verstikking bij in het spel was. Tot het 
voortbrengen der geluiden wordt geen water gebruikt zooals 
enkele schrijvers beweren. 

B. L. broedt in N.- Amerika omstreeks Juni. Het nest van 
gras, riet enz. wordt gebouwd op den grond in moerassen. 
Het wijfje legt 3 tot 5 matig glanzende, elliptische licht olijf- 
bruine of isabellakleurige eieren. AI. Afin. 48 X 37 ni.M. De 
exemplaren variëeren nogal. 

— B. pinnatus, Licht. = id., Cab. in Sclioinb, Reis. = Ardea 
pinnata, ScJiegal, M21S. P. B. 

Q?'. Bov.d. over het algemeen zwartachtig, min of meer gevlekt en gestipt met 
een zandachtige, geelachtige of witachtige kleur en een weinig zwart; slagp. lei- 
zwart, ook gevlekt en gestipt; onderrug en stuit dof grijsbruin met dwarsstrepen ; 
kopzijden geelachtig met grauwe dwarsstrepen; kin en bovenkeel wit; onderkeel 
en voornek licht zandachtig geelachtig met duidelijke taankleurige, geelachtige, 
geelbruine en zwarte lijnen en vlekken; overige ond.d. geelachtig wit, de zijden 
met taankleurige en geelachtig strepen, zwarte vlekken en zwarte dwarsstrepen aan 
de onderflanken ; aan elke zijde der borst een plek van donkere vederen met min 
of meer geelachtige vlekken en strepen ; snavel bruin van boven en aan den rand 
V. d. ondersnavel, overigens bruinachtig geel; lora vuil geel met een grauwe streep ; 
pooten groenachtig; iris oranjekleurig. O (Suriname). Bov.d. over het algemeen 
zwartachtig bruin met min of meer geelachtige en witachtige vlekken, vooral aan 
de vl.dekv. ; bovenkop bijna zv/artachtig met geelachtige strepen; geheele nek 
gestreept met witachtig, geelachtig en bruinachtig zwart; witte strepen aan den 
voornek, vooral van onder, langer en breeder; bovenkeel wit zonder strepen; ond.d. 
geelachtig wit met enkele taankleurige, geelachtige, grauwe en grauwbruine strepen ; 



jgg ardeid.-ï;. 

burstzijdeii donkerder; snavel zwaitachtig bruin, lijn lanijs den snijrand v. d. 
hovensnavel en basis twee derde v. d. ondersnavel, alsmede de onderrand en tip 
"eelachli"; naakte huid bij de oogen lichtgroen; pooten lichtgroen; iris oranjebruin, 
/ow"-. Meer taanachtig roodbruin en niet zoo donker zwartachtig als ad., de schacht- 
lijnen der vederen aan keel en voornek helderder bruin van tint. L. 75, vl. 30, 
st. 11.3, tars. 10, culm. 8.3, middenteen ea klauw 11. De wijfjes zijn iets kleiner. 
L. 65, vl. 28, st. 9, tars. 8.5, culm. 7.8, middenteen en klauw 9. Geogr. dist. 
Van af Brazilië tot de Guiana's ; volgens Lawrence ook waargenomen in Nicaragua. 
Lok. dist. Vooral de lagere streken. 

„Z.-Am. Roerdompen, eng. S. Am. Bitterns, fr. Butors 
d'Amérique du Sud, hebben geen zwarte strepen nabij de kaken 
en tevens minder duidelijke strepen aan de onderdeelen dan 
de voorgaande soort. 

In de kolonie staan Z.-Am. R. bekend als Strippi Tiegri- 
fowroe, d. w. z. Gestreepte Tijgervogels. De Arowakken noemen 
ze Toeraboroeka of ook wel Honolie of Daina, de Caraïben 
Onore en de Warrau's Unko. 

Op de modderbanken langs de kust en de rivieroevers treft 
men Z.-Am. R. nooit aan, maar wel in de open met gras of riet 
begroeiende zwampen. En dat altijd eenzaam of bij paren. 

Hun voedsel bestaat uit vischjes, insecten, mosselen enz. 
Zoowel bij dag als des nachts dwalen ze rond, zitten ook meer- 
malen op hunne 

hakken of staan met ^ 

naar boven gekeer- 
den snavel voor ge- ..-gtf? 
ruimen tijd roerloos, 
als het ware ver- 
stompt. Ze kunnen 
dan tot op korten 
afstand genaderd K^,p ^.^^ Botaums p.nnat,,.. . 

worden. 

Opgeschrikt khnkt hun alarmkreet als een hard, schor „kwak. 
kwak". Met langzame vleugelslagen vliegen ze dan laag over 
het moeras naar een veilige schuilplaats toe, doch zetten zich 
zelden neder op boomen, hoewel ze, naar men beweert tegen 
een dunnen tak of boomstam kunnen opklauteren. 

Evenals de noordelijke soort, laat de Z.-Am. R. een eigenaardig 



■ '*~,_ 




BOTAURUS. 189 

gebrul hooren, dat ongeveer klinkt als het loeien eener koe of 
wel als een luide zucht. Onze bevolking geeft er allerlei bijg'e- 
loovdge uitleggingen aan, en beweert dat de geluiden afkomstig" 
zouden zijn van den geest der zwampen, of wel van de Boesi- 
mama (moeder der bosschen). 

Vooral in stille nachten, gedurende het kleine droge seizoen, 
brult de Roerdomp het hardst en maakt hij daarbij dezelfde 
belachelijke bewegingen als zijn noordelijke verwant. 

B. P. broedt, te oordeelen naar de voortplantingsorganen, 
gedurende den kleinen drogen tijd. Dan ziet men ook vele 
individuen met half volkomen vederkleed, dat eerst na twee 
jaren volkomen wordt. 

Nest en eieren zijn mij onbekend, maar kunnen theoretisch 
niet veel van die der voorgaande specie verschillen. Volgens onze 
Indianen zouden Z.-Am. R. zoowel op den grond als in boomen 
nestelen. De mannetjes schijnen een weinig minder talrijk dan 
de wijfjes. 



igo MOERASVOGELS. 



Orde VIII. PALUDICOL^. 

MOERASVOGELS. 

Behalve de 40 bekende fossielsoorten, omvat deze orde 15 
familiën, die onderling zeer van elkander verschillen. Eenige 
zijn verwant aan de Hoenders, andere aan de Eenden en 
andere weer komen overeen met Kraanvogels. 

Een kenmerk van bijna alle is, dat ze met hangende pooten 
vliegen en over het algemeen meer in begroeide, waterrijke 
streken te vinden zijn, en niet zooals de soorten der volgende 
orde op open modder of zandbanken. 

In de Guiana's komen voor 6 familiën. 

Fariiilirn. 

A. Vleugels zonder sporen. 

a. A'leugel korter dan 25 c.M. 

„Met poederdonzige plekken onder aan het lichaam, evenals bij 
Reigers; snavel een weinig langer dan de kop; neusgaten min 
of meer open; staart ontwikkeld. 

EURYPYGID^. 

„Geen poederdonzige plekken onder aan het lichaam; snavel 
varieerend, tamelijk lang bij typische soorten, hooger en korter 
bij andere species ; neusgaten over het algemeen open ; enkele 
species met een schild aan den voorkop; staartp. zacht en koit. 



RALLID^E. 



b. Vleugel langer dan 25 c.M. 



„Snavel veel langer dan de kop; eerste slagpen abnormaal; 
neusgaten geheel open : staartp. breeder en langer. 

ARAMID.E. 



EURYPYGIDiE. 



igi 



,,Snavel korter dan de kop; eerste slagpen normaal ; neusgaten 
min of meer open ; staartp. smaller en korter. 

PSOPHIID^. 



B. Vleugel van sporen voorzien. 

„Vleugel met twee sporen; bovenkop met een hoornachtig uit- 
groeisel ; klauwen kort ; lichaamsvorm groot. 

.... PALAMEDEID^. 

„Vleugel met een spoor; bovenkop zonder hoornachtig uit- 
groeisel, maar met een vleeschachtige lel aan den voorkop en 
twee dito ter zijde ervan ; klauwen uiterst lang. 

JACANIDzE. 



Familie der EURYPYGID.^. 

ZON-ROERDOMPEN. 

„Slechts 2 soorten Zon-Roerdompen, Zonvogels. eng. Sun- 
bitterns, fr. Caurales,, zijn bekend, een in Centraal- en een in 
Zuid- Amerika. 

Beide onderscheiden zich door een sierlijken, reigerachtigen 
lichaamsvorm, langen dunnen hals, en kleinen kop; de snavel 
is een weinig langer dan de kop; de pooten zijn middelbaar 
lang, de vleugels groot en breed; evenals bij Reigers bevinden 
zich poederdonzige plekken aan de huid onder den buik. Het 
vel is moderaat dik, aan den hals een weinig elastisch, maar 
veroorlooft niet de inslikking van al te groote prooi. Het aantal 
rectrices bedraagt twaalf, dat der slagp. v. d. eersten rang 
tien ; laatstgenoemde zijn tevens slechts weinig langer dan de 
binnenste slagp. v. d. tweeden rang. De olieklieren zijn naakt, 
terwijl geen der onbevederde gedeelten aan de huid zich voorbij 
de nekbasis uitstrekt. De tibia is onbevederd voor meer dan 
half der totale lengte. Beide seksen gelijken elkander. 



,Q2 EURYPYGIDyE. 

Species. 

EURYPYGA, ILL. 

E. helias, 111. = id., Cab. in Schomb, Reis. = id., Schlegal, 
Mus. P. B. = Le Caurdl de Cayeinie, Daub. = Lc Caurdle 
OU petit Paon des roses, Buff. 

Ad. Bov.d.. over het algemeen bruin met regelmatige zwarte banden, het lichtere 
gedeelte van rug en schouders min of meer aschkleurig met zwartachtige dwars- 
strepen, stippen enz.; bovenrug en mantel roodachtiger bruin; stuit en dekv. bov. 
d. st. met breede, aschachtig zwarte en smallere witte banden; staart evenzoo met 
twee dwarsbanden, een kastanjekleurige van boven en een zwarte van onder ; 
kleinere en middelste vl.dekv. donker aschgrijs met zwarte vlekjes en groote ovale 
vlekken nabij de enden ; huimpje blauwachtig grijs, de basis der vederen zwart en 
met zwarte en witte banden, de tippen smal en wit; dekv. der eerste slagp. goud- 
brons, de enden aschgrijs, de buitenste blauwgrijs met witte banden nabij de tippen 
en kastanjekleurige nabij de basis ; grootere vl.dekv. goudbrons met donkere dwars- 
strepen en grijsachtig witte tippen, al de lichtere gedeelten met zwartachtige 
vlekjes ; slagp. goudbrons met grauwe dwarsstrepen en vlekjes, de tippen echter 
grijs met een zwarten endband ; basis v. d. buitenvlag v. d. tweede slagpen v. d. 
eersten rang kastanjekleurig; eerste vier slagpennen met een witte vlek aan de 
buitenvlag, waar de twee aschgrijze dwarsstrepen zijn ; al de slagp., uitgezonderd 
de eerste, met een breeden kastanjekleurigen band ; basis der binnenste slagp. v. d. 
]sten en 2den rang kastanjekleurig, gevolgd door een breeden zwarten band; aller- 
binnenste slagp. als de rug; boven en achterkop zwart; lora en kopzijden zwart 
evenals een tweede streep aan de kaken tot de nekzijden; een witte lijn van af 
de oogen tot bijna om de kruin; een zandachtig geelachtige streep boven de lora; 
een breede witte streep van af de mondhoeken tot de nekzijden; keel en kaak- 
gedeelte wit; nek roodachtig bruin met kleine zwarte dwarslijnen, de nek van 
voren taanachtig roodbruin met een zwarte lijn aan elke zijde alsmede zwarte 
stipjes ; hals en borstzijden taanachtig roodbruin, het midden van elke veder zwart 
en met zwarte dwarsstrepen en lijnen; middenborst en abdomen wit; zijden, flanken 
en dekv. ond. d. st. okerachtig gemskleurig met zwartachtige dwassirepen ; dekv. 
ond. d. vl. en okselvederen donker okerkleurig met een weinig aschgrijs en enkele 
zwartachtige dwarsstrepen en tippen aan de vederen ; bovensnavel zwart ; onder- 
snavel okergeel; pooten en klauwen okergeel; iris VviXmiyaxooA. Jotig iii dons. Min 
of meer roestachtig wit en geelachtig, lengtsgewijze en dwars gestreept en gevlekt. 
L. 46, vl. 22, st. 14.5, tars. 5.4, middenteen en klauw 4.4, culm. 5.5. Geogr.dist. 
Midden Brazilië en Bolivia, door het dalgebied der Amazone tot Guiana en Vene- 
zuela. Lok. dist. Vooral de lagere streken. 

„Z.-Am. Zon-Roerdompen, Zonvogels, eng. S.-Am. Sun- 
bitterns, fr. Caurales d'Amérique du sud ou Petits Paons des 



EURYPYGA. 



193 




roses, zijn, gelijk de hierboven aangehaalde beschrijving aan- 
toont, zeer eigenaardige vogels, die aan den eenen kant wel wat 
overeen komen met Reigers, maar wier snavel dien der Water- 
hoenders gelijkt. 

In de kolonie staan Z.-Am. Z.-R. bekend als Zonfowroe, 
d. w. z. Zonvogels. De Arowakken noemen ze Ocniekoeja, de 
Caraïben Akere en de Warrau's TiLannn. 

Op de open modderbanken en rivieroevers treft men den 
Zonvogel nooit aan, maar wel in de lagere, begroeide streken, 
met uitzondering van den kustzoom ; en dat eenzaam of bij paren, 
nooit in troepen. Meestal ziet men hem zitten op struiken of 
lage boomen niet ver van het 
water af of soms ook op den grond, 
maar zelden in woudreuzen. 

Dikwijls staan Zonvogels aan 
den oever van een plas, waarin 
zij zich met kennelijk genoegen 
onderdompelen. Nadert er ie- k,,,, van r.,nyp^ra hdn,.. 

mand, dan rekken ze de lange 

halzen uit en vliegen een eindje verder, even onhoorbaar als 
Uilen of Nachtzwaluwen. 

Z.-Am. Z.-R. houden van pronken en doen in dit opzicht 
niet onder, zelfs voor den Pauw. Soms kan men ze waarnemen, 
zich in de zon koesterende met uitgespreide vleugels en staart, 
waarop de zonnestralen weerkaatst worden. De pronkende vogel 
beweegt dan den hals naar alle kanten, en keert de uitgespreide 
schitterende vleugels en staartvederen naar alle richtingen. 

Het voedsel van den Z.-Am. Z.-R. bestaat bijna uitsluitend uit 
insecten, die hij op zeer eigenaardige wijze weet te bemachtigen. 
Wanneer zijn scherp oog nl. eene prooi ontdekt, dan sluipt hij 
onhoorbaar, met ingetrokken hals vooruit, om eensklaps den 
snavel als een spies vooruit te werpen, hetgeen overeenkomt 
met de wijze, waarop de meeste Reigers zich voeden. 

Het geluid van Z.-Am. Z.-R. klinkt ongeveer als „foe foe foe" 
of „so-le.r.r.r", dikwijls vergezeld van snavelgeratel, evenals 
Ooievaars. Hun vechtlust is zeer groot ; in gevangenschap 
vallen ze zelfs kalkoenen, honden en koeien aan. Overigens 

I T 



194 



RALLID/P.. 



hechten tamme individuen zich zeer aan hun meester en volgen 
hem overal. Men beweert dat een Zonfowroe in een huis ge- 
bracht, dit binnen enkele dagen geheel van insecten kan zuiveren. 

E. H. broedt gedurende het groote regenseizoen. Het nest 
wordt soms op den grond, maar gewoonlijk in boomen geplaatst 
op ongeveer twee of drie meters van den grond af; het bestaat 
uit een hoop modder en droge bladeren met een half cirkel- 
vormigen ingang ter zijde. 

Het wijfje legt 2 rondachtige, bijna glanslooze, geelbruine 
eieren, die vooral om het stompe end, van enkele zeer groote 
en kleine donker roodbruine en lilagrijze vlekken voorzien zijn. 
M. A/m. 43 X 39 m-M. 



Familie der RALLID.^. 

WAÏERHOENDERACHTIGEN. 

Ongeveer 210 soorten Waterhoenders, eng. Rails, fr. Rales 
zijn bekend. Van dit aantal behooren 75 in de Nieuwe Wereld 
te huis. Tot de fauna der Guiana's rekent men 14 species 
gerangschikt onder 8 genera en 2 subfamiliën. 

In de kolonie staan W. bekend als Anamoen, evenals de 
TinaniidcE. Alle onderscheiden zich door een min of meer 
zijdelings samengedrukt hchaam, tamelijk langen, eenigszins 
dikken hals, kleinen kop, moderaat lange pooten, lange slanke 
teenen met of zonder lobben, zwakke, ronde vleugels en zeer 
korte, zachte staartpennen. Enkele soorten dragen een schild 
aan den voorkop; de snavel is zijdelings samengedrukt en 
krachtig, langer — maar bij vele species ook gelijk aan — of 
korter dan de kop; de neusgaten zijn over het algemeen 
open ; de huid is moderaat dik en aan den hals zeer elastisch ; 
tusschen vel en vleesch bevindt zich bijna of geen vetlaag; 
de olielaag over het gevederte ontbreekt min of meer bij som- 
mige soorten; toch zijn de oHeklieren bepluimd. De vederen 
staan, vooral om de halsbasis, dicht op elkander; de buik is 
bevederd ; de flankvederen zijn lang en hangen naar onder toe 



RALLID^E. 195 

af. Aan de contour vederen ontbreken geen achterschachten. 
Beide seksen gehjken elkander in vederkleed, maar de mannetjes 
zijn iets grooter; de jongen verschillen eenigszins. Het vleesch 
van alle wordt gegeten en smaakt goed. 

Onze W. leven over het algemeen bij paren, zelden in troep- 
jes en komen het talrijkst voor in begroeide, moerassige streken, 
hoewel enkele soorten ook de hooge binnenlanden bewonen. 

Alle hebben een zwakke, nimmer langgerekte vlucht en 
vliegen met hangende pooten een eindje voort om dan weer 
tusschen het gras of struikgewas neer te dalen en te trachten 
zich daar te verschuilen. Toch scheiden dikwijls duizenden 
mijlen de zomer- en winterverblijfplaatsen van enkele soorten. 

Het voedsel onzer W. bestaat zooweel uit insecten als planten- 
zaden ; vele species behooren tevens tot de graanetende vogels, 
hoewel geen onzer soorten een krop bezit. 

Zoowel bij dag als des nachts, loopen W. rond. Het geluid 
van enkele soorten klinkt zeer eigenaardig; vele species laten 
tevens een gebrom hooren, hetgeen geschiedt met gesloten 
bek en op en neder gaande flankvederen ; evenals bij Psophia 
crepitaiis, schijnt het uit het binnenste van den vogel voort te 
komen. Bij de grootere Araviides klinkt het zeer luid. 

Onze W. kunnen ook min of meer goed zwemmen. Daarbij 
keeren ze hunne staartjes naar boven toe en bewegen hunne 
halzen rechts en hnks; toch zijn er enkele soorten, die zich 
zelden of nooit te water begeven. Loopen en rennen kunnen 
alle uitstekend ; alleen als de bodem zacht is, gebruiken ze 
hunne vleugels om zich in balans te houden. Over het alge- 
meen gaat elk hunner bewegingen met een op en neder wippen 
van den staart gepaard. 

Alle W. zijn zeer schuw, hetgeen maakt dat, hoewel ze 
dikwijls in menigte op eene plaats voorkomen, men toch 
zelden een individu te zien krijgt. Bij de meeste soorten 
schijnen de wijQes talrijker dan de mannetjes. 

Onze W. bouwen hunne nesten zoowel in struiken of lage 
boomen, als op den grond. Het aantal eieren varieert van af 
2 tot 8, dus over het algemeen veel minder dan bij de noordelijke 
soorten. De kleur der schaal is zelden wit en ongevlekt, maar 



igó 



RALLID^. 



in den regel geelachtig of licht roomkleurig met vlekjes enz. 
van verschillende bruine en purpergrijze tinten. 

Van al onze andere vogels, leggen W. ook de meeste 
windeieren, die er meestal ruw uitzien. Toch is de vorm dik- 
wijls zeer eigenaardig, hoewel enkele over hot algemeen geen 
of slechts heel kleine dooiers bevatten ; tevens is het albumen 
volstrekt niet zoo vloeibaar als bij andere normale eieren. 

De kuikens zijn met dons bedekt, evenals hoenderkuikens 
en kunnen reeds enkele uren na hun geboorte loopen of 
zwemmen. Bij de in struiken of boomen nestelende soorten 
draagt de moeder ze van het nest naar omlaag. Alle groeien 
snel en zijn reeds binnen een jaar tot volkomenheid opgegroeid. 

Siibfaiiiiliën. 

A. ,,r.een of slechts een rudimentair schild aan den voorkop. 

RALLINCE. 

B. „Voorkop versierd met een plat schild, dat te zamen met dea culmen één 
stuk vormt. 

.... GALLINULINCE. 



Subfam. der RALLINCR. 

EIGENLIJKE WATERHOENDERS. 

Gejiera. 

A. Culmen langer dan de middenteen en klauw, of ten minste van gelijke lengte. 

a. Tarsus korter dan de middenteen en klauw, of ten minste niet langer. 

„Neusgroef lang, diep en duidelijk ; neusgaten meer nabij de 

vederen aan de snavelbasis geplaatst dan naar het voorgedeelte 

V. d. neusgroef; tarsus korter dan de middenteen en klauw. 

RALLUS, L. 

„Neusgroef diep en duidelijk; neusopening ongeveer in het 
midden v. d. neusgroef; snavel lang, de culmen gelijk aan of 
langer dan de tarsus ; een zeer klein, bijna niet merkbaar schild 
aan den voorkop. 

LIMNOPARDALUS, CAB. 



RALLUS. 



197 



b. Tarsus langer dan de middenteen en klauw ; een duidelijke lange 
groef nabij de basis v. d. ondersnavel. 

.... ARAMIDES, PUCHERAN. 

B. Culmen korter dan de middenteen en klauw. 

a. Tarsus over het algemeen gelijk aan, of slechts weinig langer dan de 
middenteen en klauw. 

„Snavel lang, de culmen even lang als de binnenteen. 

. . . AMAUROLIMNAS, SHARPE. 

b. Tarsus korter dan de middenteen en klauw. 

* Slagpennen v. d. 2<ien rang opmerkelijk korter dan die v. d. isten rang. 

PORZANA, VIEILL. 

* Slagpennen v. d. 2'ïen rang van ongeveer dezelfde lengte als die 
V. d. isten rang of slechts weinig korter. 

1. Neusgaten niet open, maar met een beenachtig septum. 

. . THYRORHINA, SCL. ET SALV. 

2. Neusgaten open. 

Teenen lang, de binnenteen zonder klauw langer dan de culmen. 

CRECISCUS, CAB. 

„Teenen korter, de biimenteen zonder klauw niet langer dan 
de culmen. 

.... NEOCREX, SCL. ET SALV. 



Species. 
RALLUS, L. 



— R. longirostris, Bodd. = id., Schlegal, Mus. P. B. = 
Rdle a long bec de Cayenne, Dauh. = Le Rdle d long bcc, 
Bujf = R. crepitans {nee Gin), Cab. in Schomb. Reis. 

Ad. Bov.d. over het algemeen aschachtig olijfkleurig, de vederen met zwart- 
achtig bruine middenstrepen ; schoudervederen als de rug; onderrug, stuit en dekv, 
bov, d. st. gelijkmatiger, met minder duidelijke strepen; vl.dekv. meer olijf bruin 



igS 



RALLID.Ü. 



niet zwartachtige schachllijnen, de buitenste midden en grootere vl.dekv. met een 
roodbruine tint aan de buitenvlag ; buitenrand van het huimpje roodachtig bruin; 
dekv. der eerste slagp. en slagp. zelve donker sepiabruin met olijfbruine randen ; 
staartp. grijsbruin, zvvartachtig in het midden ; bovenkop eenigszins bruiner dan de 
rug en met donkerder, maar onduidelijker lengtestrepen ; lora en kopzijden asch- 
kleurig met een roodachtig tintje aan de oorvederen; een geelachtige streep over 
de lora; kaken isabellakleurig evenals de onderrug, borstzijden en bovenborst; kin 
en bovenkeel wit ; onderborst en middenbuik wit met een isabellakleurig tintje ; 
zijden met breedere grijsbruine en smallere witte dwarsstrepen ; dijen aschkleurig 
aan de buiten- en isabellakleurig aan de binnenzijde; dekv. ond. d. st. wit, en bij 
den staartwortel met zwartachtige vlekken en dwarsstrepen ; dekv. ond. d. vl. en 
okselvederen zwartachtig bruin met witte dwarsstrepen ; snavel hoornachtig bruin ; 
basisgedeelte v. d. ondersnavel roodachtig bruin, evenals de rand v. d. boven- 
snavel; tarsus oranjekleurig; iris bruin. Jofig in dons. Geheel zwart. L. 26.3, 
vl. 12.5, st. 4.4, tars. 4, middenteen en klauw 5, culm. 4.7. Geogr. dist. Guiana 
tot W.-Peru. Lok. dist. De lagere streken. 

„Langsnavel Waterhoenders, eng. Longbilled Rails or Clapper 
Rails, fr. Rales a bec long, bewonen over het algemeen de 
geheel of gedeeltelijk begroeide zoutvvalerpans langs de zeekust 
en heeten daarom in de kolonie IMangro of Parwa Anamoen, 
hoewel ze over het algemeen niet tot onze gewone Water- 
hoenders behooren. 

L. W. zijn zeer schuw. Hun voedsel bestaat meer uit week- 
dieren, insecten enz. dan wel plantenzaden. Vooral des nachts 
zwerven ze overal rond ; de eene vogel beantwoordt dan den 
anderen, maar alle keeren bij het aanbreken van den dag 
tusschen het veilige gras of struikgewas rerug. 

Opgeschrikt, fladderen L. W. een eindje voort of duiken in 
het ondiepe water, zoodat alleen hun rug te zien is. 

Alle kunnen door dicht en doornig struikgewas heendringen, 
maar volstrekt niet zoo snel als de Kriekos. Over drijvende 
waterplanten daarentegen loopen ze, evenals Gallinules. 

R. L. broedt tegen het einde van het kleine droge seizoen. 
Het uit gras samengestelde nest wordt op den grond gebouwd 
en goed verborgen tusschen gras of andere w^aterplanten. 

Het wijfje legt 4 tot 6 of 8 eieren. De vorm is over het 
algemeen ovaal, de glans weinig opmerkelijk; de kleur varieert 
van af roomkleurig tot licht bruinachtig geel, min of meer 
bevlekt en gestipt met roodachtig bruin en purpergrijs. Om 



RALLUS. igg 

het stompe end der schaal staan de vlekken dichter bij elkan- 
der en vloeien dikwijls ineen. M. A/m. 39 X 27 m.M. 

De exemplaren varieeren nogal, zoowel in kleur als afmeting. 

Kort na hun geboorte verlaten de kuikens het nest om er 
niet weder terug te keeren. Samen met hun moeder, zwerven 
ze dan overal rond. Nadert er gevaar, dan klokt de oude 
vogel, evenals eene gewone hen en rent snel weg, de jongen 
kans gevende zich naar alle richtingen te verspreiden en, plat 
tegen den grond gedrukt, het komende af te wachten. 

R. virginianus, L. = id., Schlegal, Mus. P. B. 

Ad. Ged. het broedseizoen. Bov.d. over het algemeen zwart, de vederen met 
breede, licht grijsachtig bruine zoomen; vleugels en staart donker grijsachtig bruin ; 
vl.dekv. roodbruin; Inra witachtig ; kaken grijs; keel wit; overige ond.d. rood- 
achtig kaneelbruin ; flanken en dekv. ond. d. st. met zwarte en witte dwarsstrepen 
of vlekken ; snavel donkerbruin ; ondersnavel en rand v. d. bovensnavel geelachtig 
bruin; pooten geelachtig bruin met een olijfachtige tint; iris helder rood. (Audubon). 
Ad. Wint.ved.kl. Ongeveer hetzelfde, maar de kleur over het algemeen lichter 
van wege de breedere grijsachtig bruine zoomen aan de vederen der bov.d. Jong. 
Eerste ved.kl. Over het algemeen zwart met enkele vederen van het volkomen 
vederkleed er tusschen in ; borst en keel met veel wit ; snavel korter. Jong in dons. 
Geheel zwart. L. 21, vl. 10,4, st. 4.8, tars. 4.3, middenteen en klauw, 4, culm. 3.8. 
De wijfjes zijn eenigszins kleiner, Geogr. dist. Zom. N. -Amerika. Wint. Centr. en 
N.-Z. -Amerika. Lok. dist. Denkelijk de lagere streken. 

„In het Museum te Georgetown is een in Demerara gecol- 
lecteerd exemplaar van het Virginia Waterhoen, eng. Virginia 
Rail, fr. Rale de Virginie. Maar of dit nu een geregelde 
trekvogel of wel een verdwaald individu was, valt moeielijk 
uit te maken, want volgens Sharpe, strekt de geographische 
distributie van R. v. zich, gedurende den winter, wel uit tot 
Centraal Amerika (Guatemala), maar noch in Columbia, noch 
in Venezuela zijn tot nu toe exemplaren aangetroffen. 

In het Noorden komen V. W. zeer talrijk voor en bewonen, 
volgens Chapman, bij voorkeur zoetwatermoerassen. In den 
vroegen morgen, des vooravonds of bij bewolkt weder, laten 
ze allerlei geluiden hooren, die veel overeenkomen met het 
knorren van hongerige varkens. Tevens klinkt gedurende het 
broedseizoen de liefdezang van het mannetje als een meermalen 



200 RALLID,^. 

herhaald „ciitta-ciitta-cittta' . Het wijfje roept hare jongen toe: 
„ki-ki-ki" en de jongen laten, opgeschrikt, een kort „kip" of 
„kup" hoeren. 

Voor het overige komen V. W. in levenswijze geheel over- 
een met de voorgaande species en broeden ook gedurende 
Mei en Juni. Het goed verborgen nest, bestaande uit gras, 
wordt op den grond, tusschen het gras, in moerassen gebouwd. 
De 6 tot 12 eieren zijn ovaal of spits ovaal, tamelijk glanzend 
geelachtig wit, roomkleurig of licht bruinachtig geel, bevlekt 
en gestipt, vooral om het stompe end, met roodbruin en pur- 
pergrijs. M. Afiii. 32 X 24 m.M. 

De exemplaren varieeren nogal in afmeting en kleur. 



LIMNOPARDALUS, CAB. 

L. maculatus, Bodd. = Le Rdle tacheté de Cayennc, Daub. 
= ïd., Biiff. = Ralhis vi., Schlegal, Mus. P. B. 

Ad. Kleuring der bov.3. over het algemeen bruin, het midden van elke veder 
zwart ; de randen echter wit ; schoudervederen als de rug ; onderrug en stuit meer 
gelijkmatig bruin, de vederen met slechts enkele witte vlekken ; dekv. bov. d. st. 
en staartp. zwartachtig met bruine randen, de dekv. tevens met enkele witte 
vlekken en zwarte dwarsstrepen ; huimpje, dekv. der eerste slagp. en slagp. donker 
bruin; binnenste slagp. v. d. 2den rang gevlekt als de rug; bovenkop zwartachtig 
bruin met slechts enkele witte vlekken ; achternek en mantel zwart met lange witte 
strepen; lora grijszwart; zijden v. d. kop en oorvederen zwart met kleine witte 
vlekken; kaken en keel wit, eerstgenoemde met zwarte strepen; onderkeel, voornek 
en borstzijden zwart met lange witte strepen; zijden en flanken met zwarte en 
witte dwarsstrepen ; dijen wit aan de buitenzijde, zwart echter van achter; abdomen 
en dekv. ond. d. si. wit, laatstgenoemde dikwijls met enkele zwarte vlekken; 
dekv. ond. d. vl. en okselvederen zwartachtig met witte dwarsstrepen en vlekken; 
slagp. zwartachtig grijsbruin; snavel groenachtig; poolen rood; iris rood. L. 26.3, 
vl. 13, st. 4.8, tars. 4, middenteen en klauw 5.4, culni. 4.5. Geogr. dist. Paraguaj' 
en Brazilië tot Guiana, Columbia, Trinidad, Cuba. Lok. dist. Vooral de lagere streken. 

„Het Zwartwit Waterhoen, eng. Streaked Rail, fr. Rale 
tacheté de Cayenne, gelijkt in lichaamsvorm zeer veel op een 
typischen Rallus, en staat in de kolonie bekend als Blaka naga 
witti Anamoen of Toke anamoen, d. w. z. Zwarte en witte 



ARAMIDES. 20 1 

Anamoen of Pintade Anamoen, doch bij de Indianen als 
Akatasoewe. 

Gewoonlijk ziet men Z.-W. eenzaam of bij paren, vooral 
binnen het terrein der mangroven of op de zwampachtige 
savanna's. Hun voedsel bestaat evenzeer 
uit plantenzaden als insecten. Zoowel 
langs waterkanten, op modderige plaat- 
sen als op droge terreinen, zwerven ze, 
vooral des nachts rond en worden dan 
meermalen onder kravanna's gevangen. , , 

"^ ^ Kop v.in Liiiiiiopardiiliis 

Voor het overige verschilt hun levens- „lacdatus. 

wijze niet van de Kriekos en Lang- 

snavel Waterhoenders. De wijfjes schijnen talrijker dan de 

mannetjes. 

Volgens onze jagers, nestelt L. M, op den grond. Het wijfje 
legt 4 tot 6 eieren, die veel zouden overeenkomen met de 
eieren van Rallus longirostris. 




ARAMIDES, PUCHERAN. 

- A, axillaris, Lawr. = id., Ortygarchus man gil- {nee Spix), 
Cab. in ScJiomb. Reis. 

Ad. Bov.d. over het algemeen groenachtig ohjf kleurig; schoudervederen als de 
rug; onderrug en stuit bruinachtig zwart; dekv. bov. d. st. zwart; vl.dekv. olijf- 
kleurig; huimpje roodbruin en olijf kleurig; dekv. der eerste slagp. olijf kleurig met 
een roodbruin tintje aan de wortels; basisgedeelte der slagp. licht kastanjekleurig, 
de enden olijf kleurig; slagp. v. d. 2den rang olijf kleurig; staartp. zwart; bovenkop, 
kopzijden en achternek lichter kastanjekleurig; keel wit met een roodbruine tint; 
mantel en achternek van onder blauwachtig grijs, een driehoekige plek vormende; 
nekzijden en ond.d. lichter kastanjekleurig; onderbuik aschgrijs ; onderflanken zwart 
evenals de dekv. ond. d. st ; dijen donker leikleurig; dekv. ond. d, vl. en oksel- 
vederen zwartachtig met roodbruine of witte dwarsstrepen ; zoomen der slagp. licht 
kastanjekleurig; snavel groenaclitig, maar de basis geelachtig; pooten rood; iris en 
oogleden rood. Jong. Bovengedeelte v. d. kop en achternek lichtbruin ; blauwgrijze 
plek aan den achternek onduidelijk; overig gedeelte v. d. mantel en rug olijf- 
bruin; stuit zwartachtig; keel en kaken vuil wit; overige ond.d. donkergrijs met 
een roodbruin tintje. L. 31.5, vl. 18, st. 5.5, tars. 5.4, culni. 4. Geogr. dist. 
Columbia, Venezuela, Guiana, Honduras, noordwaarts tot Z.-^Iexico. Lok. dist. 
Vooral de lagere streken. 



202 RALLID^. 

„Savanne Kriekos, eng. Brown headed Killicows or Wood- 
rails, komen in levenswijze geheel overeen met de volgende 
soort, maar worden veel zeldzamer in den omtrek van bewoonde 
plaatsen aangetroffen. 

In de kolonie staan S. K. bekend onder dezelfde benamingen 
als de gewone Kriekos, of ook wel als Sabana-krieko of bij 
de Caraïben als Woikrotaka. 

A. A. broedt terzelfder tijd als de volgende species ; ook het 
nest verschilt niet. De eieren zijn evenwel een weinig kleiner 
en roodachtiger van ondergrond. M. A/m. 45 X 3^ m.M. 

.- A. cayanea, P. L. S. MüU. = Poule d'eau de Cayenne, 
Daub. = La Grande Poule d'' eau de Cayenne, Buff. = Orty- 
garchus cayennensis, Cab. in Scho7nb, Reis. = H. Afaximus, 
Schlegal, Mus. P. B. 

Ad. Bov.d. over het algemeen olijfkleurig, groenachtiger aan den bovenrug en 
bruinachtiger aan den onderrug; stuit, staart en dekv. er boven zwart; mindere 
vl.dekv. olijfgroen als de rug; overig gedeelte v. d. vleugel kastanjekleurig met 
grijsachtig zwarte tippen aan de slagp. en hunne dekv. ; grootere vl.dekv. en bin- 
nenste slagp. V. d. 2den rang olijfkleurig getint aan de buitenvlag, maar de bin- 
nenste donker groenachtig olijfkleurig met zwarte schachtstrepen ; bovenkop zwart- 
achtig leikleurig, achternek lichter en het grijs ervan doorloopende tot den boven- 
mantel; kopzijden aschgrijs, lichter en zuiverder aan de kaken, nekzijden en voornek; 
keel wit; overige ond.d. van af den voornek, oranjeachtig kastanjebruin; abdomen, 
onderflanken en dekv. ond. d. st. zwart; dijen leigrijs; dekv. ond. d. vl. en oksel- 
vederen roodbruin met zwarte dwarsstrepen ; snavel geelachtig, maar het uiteinde 
groenachtig; pooten purperrood; iris en oogleden karmijnrood. L. 34, vl. 18, st. 6.5, 
tars. 7, middenteen en klauw 6.3, culm. 5.3. De wijfjes zijn eenigszins kleiner. 
Geogr. dist. Columbia en Guiana tot N. -Brazilië. Lok. dut. Vooral het inter- 
mangrove terrein. "" 

De Groote of Gewone Krieko, eng. Rufous breasted Wood- 
rail or Killicow, fr. Grande Poule d'eau de Cayenne, is dadelijk 
uit te maken aan zijn roode pooten, oogen en oogleden, als- 
mede voor het endgedeelte emerald groenen snavel. De culmen 
heeft tevens dezelfde lengte, of is zelfs een weinig korter dan 
de middenteen en klauw. 

In de kolonie staan G. K. bekend als Krieko Anamoen, Biegi 
Krieko (Groote Kriekos) Kroetaka of Nangaito, en bij de India- 
nen als Krotaka, hoewel de Warrau's ze ook wel Aku noemen. 



ARAMIDES. 203 

Vooral open, vochtige terreinen, waarop hier en daar een 
boschje staat, vormen hunne voornaamste verbHjfplaatsen, waar 
ze zich bij dag verschuilen om eerst tegen den vooravond te 
voorschijn te komen, en dan van het eene naar het andere 
boschje te rennen. Alleen in uitersten nood gebruiken ze hunne 
vleugels en vliegen dan met korte, moeielijke vleugelslagen 
en hangende pooten een eindje voort, om terstond weder op 
den grond neder te dalen. 

Menigmaal werden schrijver volwassen vogels te koop aan- 
geboden, die, zoo verklaarde de verkooper, door hard loopen 
bemachtigd waren. Op de vraag: „vloog de vogel dan niet op" 
luidde het antwoord steeds: „neen, hij liep alleen snel van de 
eene naar de andere plaats en trachtte zich dan te verbergen." 

Onder het vluchten is de G. K, in staat door openingen te 
kruipen, die kleiner zijn dan zijn lichaam. Hij doet dit met 
den kop vooruit, rekt dan het lichaam 
uit en scharrelt met de pooten op |-' ■ 
grappige wijze. Springen kan hij 
ook uitstekend, maar doet het zel- 
den. Integendeel, al komt hij vluch- 
tende een hoop afgevallen takken 

of twijgen tegen, dan zoekt hij Kop van Aram.des cnveunensis. 

eerder er onder, dan er overheen of 

omheen te loopen ; en dat zelfs door de doornigste lemmetjes 

bosschen. 

G. K. leven evenzeer eenzaam, als bij paren en troepjes van 
zelden meer dan 8 individuen. Hun voedsel is van meer plant- 
aardigen dan dierlijken aard. Dit maakt dat ze ook drogere 
terreinen bewonen dan de meeste andere Waterhoenders. Toch 
treft men wel eens G. K. aan langs de waterkanten, doch 
zelden op te modderige plaatsen. 

Gedurende de nachtelijke stilte klinkt het geluid van den 
G. K. zeer aangenaam, vooral tijdens het broedseizoen. Een 
individu begint met een luid „kielie-ko, kielie-ko", waarna 
de overigen van den troep invallen. De wind draagt het geluid 
voort, dat door een anderen troep wordt beantwoord. Nu eens 
luid, dan weder zacht en wegstervend, klinkt „het kielie ko ko 




204 



RALLID.T2. 



ko kielie ko" van alle zijden. Maar zelfs de geoefendste jager 
kan onmogelijk de juiste plaats aanwijzen, waar de vogels te 
vinden zijn. Want nu eens schijnt het geluid van zeer dicht in 
de nabijheid, dan weder heel uit de verte te komen. Tevens 
voeren alle individuen van een troepje een soort van dans uit. 

Het boemen der G. K. is volstrekt niet aangenaam. Schrijver 
heeft meermalen naar gevangen vogels zitten kijken, die van 
tijd tot tijd een luid „boem boem" lieten hooren. Daarbij werden 
de flankvederen op en neder bewog-en, maar de snavel bleef 
dicht, zoodat het onmogelijk was te zeggen of het geluid uit 
den bek of ergens anders vandaan kwam. Het deed onwille- 
keurig denken aan een buikspreker. Toch klinkt het geluid veel 
minder luid dan het gebrom van den Trompettervogel of 
Kamiekamie. 

„De G. K. is een uiterst schuwe vogel, hoewel hij, de 
grachten volgende, meermalen des nachts tot in de stad Para- 
maribo dringt. Breekt de dag aan, dan blijft hij daar, maar over 
het algemeen is zijne levenswijze zeer regelmatig en keert hij 
eiken morgen geregeld naar zijne vorige schuilplaats terug. 

Het vleesch van G. K. smaakt zeer lekker en is bijna 
vezelvrij, maar zelden gebeurt het dat ze met het jachtgeweer 
geschoten worden. Veelal vangt men ze onder z.g. kravanna's 
d. z. latten of meestal takken, die in den vorm eener pyramide 
op elkander gestapeld, door een strak gespannen touw aan 
elk der vier hoeken worden bijeen gehouden ; tevens is een los 
touw met de uiteinden aan de punten van een der onderste 
takken gebonden. 

Om de kravanna te „zetten" richt men eene zijde ervan 
ongeveer een decimeter op en laat die rusten op een vertikaal 
geplaatst, uit twee stukken bestaand houtje, waaromheen het 
losse touw voorzichtig gespannen wordt. Op den grond en in 
den omtrek strooit men dan voer, zooals rijst, maïs enz. 

Al etende nadert nu de vogel, kruipt onder wat hij voor een 
hoop takken aanziet, stoot met zijn lange pooten tegen het 
touw, waardoor het houtje omver en de kravanna dicht valt. 

A. C. broedt gedurende den grooten regentijd. Het kom- 
vormige, uit twijgjes, gras, bladeren enz., samengestelde nest 



AMAUROLIMNAS, 20- 



wordt geplaatst in dicht struikgewas, ongeveer een tot 5 meters 
van den grond af. Het wijfje legt 3 tot 6 eieren van een ge- 
woonlijk ovalen, zelden elliptischen vorm, en met een lichten 
glans; de kleur varieert van af geelachtig wit tot roseachtig 
roomkleurig, met zeer kleine, roestbruine, roodbruine en purper- 
grijze vlekken en stippen. M. A/m. 50 X 36 m.M. 

De exemplaren varieeren niet veel; bij de meeste staan de 
vlekjes eenigszins talrijker om het stompe end der schaal. 

Gewoonlijk broeden alleen de wijfjes en schijnen tevens veel 
talrijker dan de mannetjes. De broedtijd zou ongeveer drie 
weken duren. De moeder draagt tevens de pasuitgebroede 
kuikens naar den grond, waar ze door hun donkere kleur 
moeielijk te vinden zijn. Bij nadering van gevaar klokt de 
oude vogel, evenals eene gewone hen en rent weg; de jongen 
verspreiden zich dan en wachten onbewegelijk hare terug- 
komst af. 

Jonge G. K. zijn naar men beweert gemakkelijk te temmen, 
maar verliezen nimmer hun aangeboren schuwheid ; en dat zelfs 
kuikens onder eene hen uitgebroed. 



AMAUROLIMNAS, SHARPB. 

- A. concolor, Gosse. = Rallina castanca, Schlcgal, AIus. 
P. B. = Corethrura cayenncnsis {ncc Gm.), Moorc. 

Ad. Bov.d. over het algemeen roodachtig bruin, helderder en kastanjekleuriger 
aan de schoudervederen en vl.dekv. ; huimpje en slagp. donker sepiabruin met 
lichter bruine randen; dekv. der eerste slagp. donker sepiabruin; binnenste slagp. 
als de rug; staartp. kastanjebruin; bovenkop en achternek grijsachtig zwartbruin ; 
voorkop roodachtig getint; lora en kopzijden roodachtig bruin ; oorvederen bruiner ; 
nek^ijden en ond.d. geelachtig kastanjekleurig; kin, middenborst en buik lichter 
van tint; dekv. ond. d. vl. en okselvederen zwartachtig grijsbruin met een rood- 
achtige tint ; slagp. van onder zwartachtig grijsbruin ; snavel groenachtig geel, culmen 
donkerder; pooten rooskleurig; iris vermiljoen (Gosse). Jong. Ongeveer hetzelfde 
maar zwartachtig en met meer kastanjebruin aan de bov.d.; ond.d. geelachtig brum 
met witte schachtstrepen aan de vederen der keel en borstzijden ; middenborst en 
dijen aschachtig isabellakleurig. L. 24, vl. 12.5, st. 5.3, tars. 4, niiddenteen en 
klauw 4, culm. 2.8. Geogr. dist. Jamaica, Guatemala tot Guiana, Brazilië en 
W.-Peru. Lok. dist. Nogal zeldzaam in de lagere streken. 



2o6 rallid.ï:. 

„Bij de Kastanjekleurige Waterhoenders, eng. Chestnutbrown 
Rails, zijn de okselvederen en dekvederen onder den vleugel 
ongestreept. 

Over hun levenswijze is mij niets bekend, maar verschilt 
die denkelijk niet van de andere Savanna Anamoens. 

De eieren worden beschreven als: „rotlichgrau mit sehr 
sparsamen feinen violetten und rostbraunen Fleckchen." Afni. 
34X31.5 m.M. ') 



PORZANA, VIBILL. 

- P. albicollis, V. = id., Schlegal, Mus. P. B . = Crex 
mustcUiiia, Cab. iii ScJwmb. Reis. 

Ad. Bov.d. over het algemeen olijfachtig bruin, het midden van elke veder 
zwart; kop als de rug; vl.dekv. als de rug; huimpje, dekv. der eerste slagp. en 
slagp. zvvartachtig grijsbruin met lichter olijfachtig bruine randen ; staartp. zwart- 
achtig met olijf bruine zoomen; lora, smalle wenkbrauwen en kopzijden licht 
aschgrijs; nekzijden bruiner; keel witachtig, overgaande in aschgrijs aan den voornek ; 
ond.d. aschgrijs, de vederen aan den onderbuik met witaclitige randen; zijden met 
bruin overtogen ; onderflankvederen en dekv. ond. d. st. zwart met witte dwars- 
strepen en randen ; dekv. ond. d. vl. en okselvederen zvvartachtig grijsbruin met 
witachtige randen; slagp. zwartachtig grijsbruin van onder; snavel groenachtig; 
pooten purperbruin; iris roodbruin. L. 24, vl. 11.3, st. 4.8, tars. 38, middenteen 
en klauw 4.5, culm. 2.9. Geogr. dist. Van af Paraguay en Z. -Brazilië tot Guiana, 
Venezuela en Trinidad. Lok. dist. Vooral de lagere streken. 

„Te oordeelen naar de vele legsels eieren, die men overal 
op den grond in dichtbegroeide boschjes aantreft, behooren 
Grijsbuik Waterhoenders, eng. White throated Corncrakes, fr. 
Rales a gorge blanche, tot de gewoonste onzer Waterhoenders. 
Maar zoo groot is hun schuwheid, dat men zelden een individu 
te zien krijgt, of onder een kravanna vangt. 

In de kolonie staan G. W. bekend als Greisi .Vnamoen of 
Potlood Anamoen en bij de Indianen, evenals alle andere kleine 
Waterhoenders ; Soliediedie. 



') Kat. E. von Ad. Nehrkorn, pag. 202. 



PORZANA. 



207 




Hun voedsel bestaat evenzeer uit insecten als plantenzaden. 
Opgeschrikt klinkt hun geluid als een vragend „krausofker- 

laut," ze rennen dan 
door het struikgewas 
of fladderen een eindje 
voort maar volgen 
steeds denzelfden weg, 
zoodat er na verloop 
van tijd bepaalde gan- 
gen door het struik- 
gewas of gras gevormd 

Kop van Pot-zaiin ü/bicoi/is. , 

worden. Die gangen 
leiden altijd naar eene veilige schuilplaats. 

P. A. broedt vooral gedurende het kleine droge seizoen. Het 
nest, bestaande uit een weinig gras en enkele bladeren wordt 
op den grond in dicht struikgewas of tusschen uitstekende 
boomwortels gebouwd. Het wijfje legt 3 tot 6 ten naastenbij 
glanslooze, ovale of rondachtige, licht roomkleurige eieren, die 
vooral om het stompe end van enkele roestbruine of zwart- 
bruine en purpergrijze, zeer kleine vlekken en stippen voorzien 
zijn. M. Afm. 35 X 27 m.M. 

De exemplaren varieeren nogal; bij sommige is de grond- 
kleur roodachtig, bij andere weer wit, met enkele stipjes, 
waardoor de eieren dikwijls veel overeenkomst hebben met 
eieren van Crcciscus cayennensis. 

Beide seksen zouden broeden. Zoodra de kuikens uitkomen, 
leidt de moeder ze van de nestelplaats weg, om er niet weder 
terug te keeren. Bij nadering van gevaar volgen alle dezelfde 
gewoonten als de Krieko's of andere Waterhoenders. 

P. flaviventris, Bodd. = Pctit Rdlc de Caycnne, Daub. = 
Porzana flavivcnter, ScJilcgal, Mus. P. B. 

Ad. Bov.d. over het algemeen bruin, het midden van elke veder zwart, en 
vele tevens met witte strepen; schoudervederen over het algemeen taankleurig, 
een breeden, langen band aan elke zijde v. d. rug vormende; onderrug en sluit 
als de bovenrug, maar niet zoo duidelijk gevlekt; vl.dekv. licht taanachlig bruin, 
middelste en grootere met zwarte vlekken en witte dwarsstrepen en vlekken ; 



2o8 RALLID^E. 

delvv. der eerste slagp. donker sepiabruin, huimpje en slagp. zelve meer aschachtig 
bruin met lichtere randen; buitengedeelte der eerste slagpen wit; binnenste slagp. 
V. d. 2'1<"" rang ais de rug; staartp. zwartachtig met lichtbruine zoomen; bovenkop 
zwartachtig bruin; zijden der kruin lichter bruin, evenals de nekzijden; lora zwart- 
achtig met een smalle witte streep ; kopzijden en oorvcderen taanachtig gems- 
kleurig, de oorvederen met een aschachtig tintje; ond.d. witacbtig, voornek en 
borstzijden met licht taanachtig gemskleurig overtogen ; borstzijden, ilanken en 
dekv. ond. d. st. met zwarte en witte dwarsstrepen ; dekv. ond. d. vl. wit met 
eenige zwartachtig grijsbruine dwarsstrepen ; okselvederen wit met zwartachtige 
dwarsstrepen; snavel olijfkleurig; pooten geelachtig. L. 12.5, vl. 7, st. 3.4, tars. 2, 
middenteen en klauw 3.4, culm. 1.5. Geogr. dist. Cuba, Jamaica en Z. -Amerika 
van af Guiana tot Z. -Brazilië. Lok. dist. Vooral de lagere streken. 

„Geelbuik Waterhoenders, eng. Little — or Yellow belHed 
Rails, fr. Petits Rales a ventre jaune de Cayenne, zijn niet 
alleen veel kleiner, maar ook veel zeldzamer dan de voorgaande 
specie, met wie ze in levenswijze overeenkomen. 

Over hun voortteling is mij niets bekend. 



THYRORHINA, SCL. ET SALV. 

T. schomburgki, Cab. = Crex schomhiirgkn, Cab. in 
ScJiovib. Reis. 

Ad. Bov.d. over het algemeen bruin, met ovale witte vlekken, elke vlek met 
een lijn van zwart; de witte vlekken onduidelijker en kleiner aan onderrug, stuit en 
dekv. bov. d. st. ; vl.dekv. taanachtig roodbruin met enkele groote, witte zwart- 
gerande vlekken aan het end van elke veder; huimpje roodbruin met een kleine 
witte endvlek ; dekv. der eerste slagp. en slagp. zelve sepiabruin, de slagp. v. d. 
jsten rang isabeliakleurig aan de buitenvlag; binnenste slagp. v. d. 2den rang bruin 
evenals de rug en met een zwarte middenlijn, die een kleine witte endvlek omsluit ; 
staartp. bruin met een taanachtig geelachtige tint aan de buitenvlag en een kleine 
witte vlek aan het end van elke veder, voorafgegaan door een grootere zwarte 
vlek; bovenkop helder kastanjekleurig; achterkop, achternek, nekzijden als de rug, 
maar met kleinere vlekken ; kopzijden en ond.d. helder oranjegeelachtig, lora 
lichter; kin, middenborst en abdomen wit; zijden der bovenborst met ovale witte 
vlekken; dekv. ond. d. vl. en okselvederen taanachtig geelachtig, grootere vl.dekv. 
echter witachtig; dekv. onder de eerste slagp.. aschkleurig, evenals de vleugelzoomen, 
L. 12.5, vl. 7.4, st. 2.8, tars. 1.9, middenteen met klauw 2, culm. 1.3. Geogr. 
dist. Guiana en Venezuela tot Brazilië. Lok. dist. Zeldzaam in de lagere streken. 



CRECISCUS. 209 

„In tegenstelling met onze andere Waterhoenders, hebben 
Schomburgck's Waterhoenders, eng, Schomburgck's Rails, fr. 
Rales de Schomburgck, gesloten, in plaats 
• van open neusgaten. Binnen het terrein der 

mangroven behooren ze tot de zeldzame 
species, hoewel men ze ook niet heel talrijk 
op de savannes in de hoogere streken aan- 
treft. 

Kop van Thvi'orhiiia 

sc/iomburgiki Overigens verschilt hun levenswijze niet 

veel van de Dwergkrieko's, maar, voor zoover 
ik kan oordeelen, zijn de nesten en eieren tot nu toe onbe- 
kend. 




CRECISCUS, CAB 

- C. exilis, Bp. == Porzana cxilis, Schlegal, Mus. P. B. 

Ad. Bov.d. over het algemeen chocoladebruin, evenals de schoudervederen en 
vl.dekv.; huimpje, dekv. der eerste slagp. en slagp. zelve zwartachtig grijsbruin 
met aschbruine randen; binnenste slagp. v. d. 2*ien rang cbocoladebruin als de rug ; 
Sluit en dekv. bov. d. st. zwart met smalle wilte dwarsstrepen ; staartp. zwart- 
achtig met chocoladebruine randen; bovenkop leigrijs; achternek kastanjebruin; 
een smalle witachtige streep aan de lora ; kopzijden aschgrijs; keel, voornek en 
het midden der borstzijden wit, met een lichte grijze tint aan den voornek ; nek- 
zijden en bovenborst blauwachtig grijs ; overige ond.d. met zwarte en witte dwars- 
strepen, breeder aan de borstzijden en smaller aan de flanken en dekv. end. d. st., 
die tevens een roodachtig bruine tint bezitten ; dekv. ond. d. vl. wit, basis der 
vederen grauw; okselvederen dwars gestreept zwart en wit; slagp. aschbruin van 
onder ; snavel zwart, basis twee derde v. d. ondersnavel met een groenachtige 
tint; pooten bruin; iris rood. Jong i?i dons. Zwartachtig. L. 14.5, vl. 7.3, st. 4.4, 
tars. 2.5, middenteen en klauw 4.4, culm. 1.8 Gcogr. dist. Amazonia tot Guiana 
en Trinidad. Lok. dist. Vooral de lagere streken. 

De Kleine Dwerg-Krieko komt in levenswijze geheel over- 
een met de volgende soort, doch is iets kleiner en veel zeldzamer 
terwijl ook het wijfje eenigszins kleiner eieren legt. M. A/m. 
30 X 24 m.M. 

14 



,jO RALLID.^. 

C. cayennensis, Bodd. = Rdle a ventre roux de Cayenne, 
Danb. = Lc Kiolo, Buff. 

Ad. Bov.d. over het algemeen olijfbruin; vl.dekv. als de rug, maar de mid- 
delste en grootere met licht roodbruine randen; huimpje en slagp. chocolade- 
hruin; binnenste slagp. v. d. 2Jen rang van dezelfde kleur als de rug; staartp. 
zvvartachtig met olijf kleurige randen ; bovenkop helder kastanjekleurig ; achterkop, 
achternek en nekzijden olijf bruin ; smalle wenkbrauwen, lora, kopzijden en oor- 
vederen aschgrijs; kaken en ond.d. helder kastanjekleurig; keel witter; zijden der 
bovenborst olijf kleurig; flanken kastanjekleurig met een olijfachtige tint; dijen 
aschkleurig; dekv. ond. d. st. kastanjekleurig, dekv. ond. d. vl. licht kastanje- 
kleurig, onderste aschbruin met roodbruine tippen; snavel zwartachtig, basis v. d. 
ondersnavel lichter; pooten en oogleden lakrood ; iris karmijn. Jong üi dons. 
Zwartachtig. L. 14.5, vl. 9.5, st. 3.5, tars. 3.5, middenteen en klauw 3.9, culm. 2. 
Geogr. dist. Brazilië en Amazonia tot Guiana en Columbia. Lok. dist. Bijna 
uitsluitend de lagere streken, vooral hel intermangrove terrein. 

„Cayenne Dwerg-kriekos, Dwerg-Waterhoenders, eng. 
Cayenne Rails, fr. Kiolos, gelijken veel op miniatuur groote 
Kriekos en worden in Suriname gewoonlijk aangeduid als 
Stonkrieko (Steenkriekos), Stonanamoen, Stonkroetaka, Ston- 
nangaito enz. of bij de Arowakken als Soeliediedie en bij de 
Caraïben als Koesapie of Kiejolo. 

Langs waterkanten en op modderige plaatsen treft men C. D. 
minder talrijk aan dan op de droge ritsen tusschen de zwampen. 

Daar is er geen boschje, hoe 
klein ook, waar niet een paar 
C. D. te vinden is. Dicht in de 
nabijheid van een woonhuis, in 
een boschje van dikwijls niet 
meer dan twee meters in door- 
snede, laten ze zich meermalen 
des nachts hooren. Doorzoekt 

Kop van Ci-eci.sciis rnYcinicnsis. 1 1 • 1 •• 1 

men dit plekje bij dag, tien tegen 
een, dat er geen vogel te vinden is. Men heeft de volle over- 
tuiging dat er niets was, totdat in den vooravond een zwak 
„kie-kie-kie-kie" het tegendeel bewijst. Dit geluid komt min 
of meer overeen met dat van Taninophilus doliatus. 

Het voedsel van C. D. bestaat zoowel uit plantenzaden, 
vruchtjes, als insecten. Gedurende den nacht zwerven ze overal 




NEOCREX. 2 I I 

rond, maar keeren tegen den morgen naar het veilige struik- 
gewas terug. Toch zijn Ston-krieko's minder nachtv'ogels dan 
de groote Kriekos, want zeer dikwijls ziet men enkele ook bij 
dag naar voedsel zoeken, om opgejaagd, met groote snelheid 
door het struikgewas te rennen, daarbij zeer behendig de door- 
nen, afgevallen takken enz. vermijdende. Slechts in uitersten 
nood gebruiken ze ook hunne vleugels. 

C. C'. broedt vooral gedurende het kleine droge en het 
groote regenseizoen. Het, uit gras, bladeren enz. samengestelde 
nest, heeft een ronden vorm met den ingang ter zijde ; het wordt 
aangetroffen in dicht struikgewas, ongeveer een tot vijf meters 
van den grond af. Het wijfje legt 2, zelden 3 gewoonlijk ovale, 
zuiver witte, geheel of ten naastenbij glanslooze eieren. J/. Afni. 
32 X ^6 m.M. 

De exemplaren varieeren niet veel ; sommige hebben om 
het stompe end eenige, op speldeprikken gelijkende zvvartbruine 
stipjes. In de nesten treft men ook meermalen windeieren aan 
van dikwijls abnormalen vorm. Er is meer dan een broedsel 
per jaar. 

In den regel broedt alleen het wijfje. Zij draagt tevens de 
pasuitgebroede kuikens een voor een naar omlaag. Bij nade- 
ring van gevaar laat zij een zwak geklok hooren ; de jongen 
verspreiden zich dan en wachten onbeweeglijk, plat tegen den 
grond aangedrukt, tot het gevaar voorbij is. 



NEOCREX, SCL. ET SALV. 

N. erythrops, Scl. = Porzana scJiombiirgkï {nee Cab.), 
Sehlegal, Mtis. P. B. 

Aif. Bov.d. over het algemeen olijfbruin, een weinig donkerder aan onderrug, 
stuit en dekv. bov. d. st.; vl.dekv. als de rug; huimpje, dekv. der eerste slagp. 
en slagp. zelve aschbruiner ; slagp. v. d. 2den rang als de rug; staart bruin; voor- 
kop, zijden v. d. bovenkop, kopzijden en ond.d. helder leigrijs ; midden der kruin 
en achlernek olijfbruin; lora en vederen onder de oogen zwartachtig leikleurig; 
!ora met een smalle, isabïllakleurige streep; kin wit; onderbuik zwartachtig grijs- 
bruin met smalle, witte dwarsstrepen; ondertlanken en dekv. ond. d. st zwartachtig 



j I 2 GALLINULINCE. 

met witte dwarsstrepen ; dekv. ond. d. vl. en oksclvedercQ zwarlacluij^ tjiijshruin 
met smalle, witte dwarsstrepen. L. 17.5, vl. 10, st, 3.4, tars. 2.9, middenteen en 
klauw 3.3, culm. 2.3. Geogr. dist. Z. -Amerika van af Brazilië en Artjentina tot 
Peru, Guiana en Venezuela. Lok. dist. Vooral de la<^ere streken. 

„Het Olijtbruine Waterhoen eng. 
Redfaced Crake, bezit een krachtigen, 
hoogen snavel ; tevens is de neusgroef 
onduidelijk en breed. 

In de kolonie komen O. W. enkele 
malen voor, maar schijnen langs de 

- - . _ - Kop van JVroc rr.v k r/njifthn/i . 

kust tot de zeldzame soorten te belioo- 

ren. Over hun levenswijze en voortteling is mij niets bekend. 




Subfam. der GALLINULINCli. 

GALLINULES. 

Genera. 

A. Neusgaten klein en ovaal ; midden teen zonder klauw korter dan de tarsus, 
waarvan het achtergedeelte van binnen bedekt is met een enkele rij groote vier- 
kante scutellse. 

.... PORPHYRIOLA, BLYTH. 

B. Neusgaten verlengd en lijnvormig; middenteen zonder klauw langer dan de 
tarsus, waarvan het achtergedeelte van binnen bedekt is met verscheidene onregel- 
matige rijen hexagonale scutellse. 

GALLINULxV, BRISS. 



Species. 

PORPHYRIOLA, BLYTH 

P. martinica, L. = La petite Poule-Sultane, Biiff. = Por- 
phyrio, m. Cab. in Schoinb. Reis. = Galliniila iiiarlinica, 
Schlegal, Mus. P. B. = lonornis, in. 

Ad. Bov.d. over het algemeen olijfbruin met een groene tint, vooral aan schouders 
en bovenrug ; vl.dekv. blauw met groen overtogen, doch aan de randen helderder 



PORPHYRIOLA. 



213 



blauw ; huimpje en dekv. der eerste slagp. blauw ; slagp. zwartachtig grijsbruiii 
met groene buitenvlag; binnenste slagp. v. d. 2den rang olijfbruin; staartp. donker 
olijf bruin ; bovenkop zwartachtig met een purperachtige tint tot aan de kopzijden ; 
achternek helderblauw met een heldergroene tint; ond.d. purperachtig blauw, dekv. 
ond. d. vl. en okselvederen lichter blauw; grootere dekv. onder d. vl. met zilver- 
achtig witte zoomen; dekv, ond. d. st. zuiver wit; snavel karmijnrood, endgedeelte 
groen ; schild aan den voorkop hemelsblauw bij levende vogels, zwartachtig lood- 
kleurig bij geprepareerde exemplaren ; pooten en klauwen geel. Jong. Bov.d. over 
het algemeen olijfbruin, zonder groene tint; ond.d. min of meer gevlekt met wit 
of geheel wit; schild aan den bovenkop kleiner en zwartachtig van kleur; snavel 
zonder karmijnrood. Jong in dons. Glanzend zwart, de kop met talrijke witte 
haarachtige vederen; snavelbasis geelachtig, end zwart. L. 25, vl. 16.3, st. 5.9, 
tars. 5.9, middenteen en klauw 7.5, culm. en schild 4.3. Geogr. dist. Van af 
Brazilië en het dalgebied der Amazone noordwaarts tot Florida en Texas; eens 
waargenomen in Engeland. Lok. dist. Vooral de lagere streken. 

„Evenals de twee volgende soorten, worden Purperblauwe 
(jallinules of Waterhennen, eng. Purple Gallinules, fr. Petites 
Poules-sultane, gekenmerkt door schilden aan den voorkop, 
maar geen lobben aan de teenen. 

In de kolonie staan P. G. bekend als Blauw Kippanki, 
d. w. z. Blauwe Kemphaantjes of ook wel Amoetoetoe, en bij 
de Indianen als Kalapiesjoeroe. 

Vooral op zwampachtige plaatsen, "waar ^Pankoekoewiewieri 
(Victoria regia enz.) 
groeit, worden Water- 
hennen het talrijkst 
aangetroffen. Scherp 
steekt hun purper- 
blauw vederkleed af 
tegen het zwarte 

zwampwater en de Snavcl en voorkop-sclnld van l'orphyriol.t iiinrtiuira. 

duizenden daarin groei- 
ende waterplanten. Het schild aan hun bovenkop is hemels- 
blauw van kleur, in tegenstelling met den karmozijnrooden 
snavel ; de lange gele pooten en teenen zijn voorzien van 
gele nagels. 

Door hunne nogal lange teenen, kunnen P. G., evenals Jacanas, 
over drijvende waterplanten loopen en maken daarbij van elk 
drijvend blaadje of takje gebruik, de vleugels alleen bewegende 




2 1 4 gallintlinct:. 

als de bodem wegzinkt. Ze zwemmen goed, maar geven over 
het algemeen de voorkeur aan waden. 

Op het droge land loopen of liever stappen Waterhennen 
met veel zwier. Bij eiken stap krullen ze de teenen om en 
wordt de van onder witte staart opgewipt. Snel loopen of rennen 
als Kriekos kunnen ze echter niet. 

P. G. zijn minder schuw dan andere Waterhoenders. Opge- 
schrikt, zoeken ze hun heil niet in onbeweeglijkheid, maar 
vluchten snel weg, wel wetende, dat hun kleur geen pro- 
tectie aanbiedt. 

Het opvliegen gaat gewoonlijk vergezeld van een kakelend 
g'cluid als „kê kê kê en krie krie krie". Daarbij bengelen de 
lange pooten onder het lichaam, terwijl de vogel laag over de 
zwampen fladdert, een eindje verder nederdaalt, en zich dan 
tracht te verbergen. 

Gewoonlijk treft men P. G. aan bij paren. Haan en hen 
vechten zelden met elkander, maar waar twee paren elkaar 
ontmoeten, volgt een gevecht, dat van veel lawaai vergezeld 
gaat en waarbij zoowel bek als pooten gebruikt worden. Zelfs 
andere vogelsoorten zijn niet veilig als ze in de nabijheid komen. 
Alleen de Florida Gallinule maakt hierop eene uitzondering. 

Het voedsel van P. G. is van meer plantaardigen dan dier- 
lijken aard. En wat zeer eigenaardig is, onder het eten kunnen 
ze de voorwerpen met hunne teenen aanpakken en zoo naar 
den bek brengen. Jong maïs v^ooral beschouwen ze als lekkernij. 

Ondanks hun zwakke vlucht, behooren P. G, in het Noorden 
van hun gebied tot de trekvogels, die zelfs tot in BraziHë 
zouden overwinteren. Mr. W, E, D. Scott zegt, dat gedurende 
dezen trek vele naar zee toe worden gedreven en daar omkomen. 

P. M, broedt zoowel in N.-Amerika als in Suriname, gedu- 
rende den grooten regentijd. Het nest bestaat uit een platvorm 
van levende biezen, riet, gras enz., naar elkander toegebogen 
en ineengevlochten. Hierop worden gras en andere water- 
planten gestapeld. Toch drijft het nest soms op het water, 
waarmede het rijst of daalt. 

Vooral op verlaten rijstvelden nestelen Blauwe Kippankies 
bij voorkeur. Het aantal eieren per legsel bedraagt in N,- Amerika 



PORPHYRIOLA. 215 

8 tot 10, in Suriname daarentegen 6 tot 8. Vindt men minder, 
dan is dit een teeken, dat de Sapakara of een ander roofdier 
de nesten te voren bezocht, want het wijfje blijft doorleggen, 
al worden de eieren geroofd ; maar het tweede legsel is altijd 
minder in aantal dan het eerste. 

De vorm der eieren is over het alg'emeen stomp ovaal, soms 
lang ovaal en zelden elliptisch; de glans is slechts weinig 
opmerkelijk ; de kleur varieert van af geelachtig tot donker 
roomkleurig, bij versche exemplaren dikwijls roseachtig getint ; 
de bevlekking bestaat uit vlekjes, stipjes en puntjes donker 
roodbruin, zwartbruin en purpergrijs. Bij sommige specimen 
staan de vlekken dichter bij elkander, om het stompe end 
der schaal. 

De M. A/)n., van in Suriname gecollecteerde eieren, bedraagt 
42 X 30 m.M., en volgens Ridgvvay, in N. -Amerika 39 X 28.5. 

Windeieren treft men veel aan en dikwijls zeer eigenaardige. 

Voor zoover schrijver kan oordeelen, is er maar een broedsel 
per jaar. Beide seksen broeden, maar de hennen zitten langer 
op de eieren dan de hanen. 

De pasgeboren kuikens zijn met zwart dons bedekt. Van 
af hun geboorte kunnen ze reeds loopen en voedsel zoeken of 
kruipen onder de vleugels der moeder, die bij nadering van 
gevaar, evenals een gewone hen klokt en dan snel wegvlucht. 
De jongen verspreiden zich dan overal en wachten het komende af. 

Tegen den grooten drogen tijd zijn jonge P. G. tamelijk 
opgegroeid en moeten talrijk overal in de zwampen te vin- 
den zijn. Toch ziet men ze zelden. Inderdaad zijn volwassen 
individuen in het volkomen kleed veel gemakkelijker te be- 
machtigen dan de bruingekleurde jongen. De mannetjes schijnen 
opmerkelijk talrijker dan de wijtjes. De jongen dragen het 
volkomen kleed eerst na twee jaren. 

P. parva, Bodd. = La Favorite, Buff. = La Favorite de 
Cayenne, Daub. = Gallinula parva, Schlegal, Mus. P. B. = 
Lonornis p. 

Ad. Bov.d. over het algemeen helder roodachtig bruin met olijfkleur overtogen : 
onderrug en stuit donker olijf bruin ; dekv. bov. d. st. en staart ook donkerbruin, 



2i6 GALLINUl.TNCE. 

maar met witachtige randen aan de tippen der vederen ; vl.dekv. licht groenachtig 
blauw; slagp. zwartachtig grijsbruin met grijsachtig blauwe buitenvlag; binnenste 
vl.dekv. en binnenste slagp. v. d. 2den rang van dezelfde kleur als de rug; midden 
der kruin en achternek roodachtig bruin als de rug ; lora, wenkbrauwen, kopzijden 
en nekzijden blauwgrijs tot aan de zijden der bovenborst; kaken, keel, ond.d.. 
dekv. end. d. vl. en okselvederen wit; slagp. grijsachtig bruin, van onder; snavel en 
schild lichtgroen; pooten en teenen okergeel ; klauwen oranjebruin ; iris roodachtig 
bruin. (H. Whitelyj. L. 24, vl. 12.5, st. 6.8, tars. 4.5, middenteen en klauw 6.5, 
culm. en schild 3. Geogr. dist. Guiana en Amazonia tot het binnenland \an 
Brazilië. Vooral de hoogere alluviale gronden. 

Witbuik Waterhennen, eng. Small Waterhens, fr. Favorites 
de Cayenne, zijn veel zeldzamer dan de voorgaande soort, 
vooral in den omtrek van bewoonde plaatsen, maar staan 
bekend onder dezelfde benamingen. 

Over hun levenswijze en voortteling is mij niets bekend. 
Die zouden, volgens de Indianen, niet verschillen van de gewone 
Blauwe Kippankies. 



GALLINULA, BRISS. 

- G. galeata, Licht. = id., G. g. Pr. Neuiv, Cab. in Schoinb. 
Reis. = G. chloropus, ScJilegal, AIus. P. B. 

Ad. Donker blauwachtig leikleurig; rug en schoudervederen overtogen met olijf- 
bruin; buik witachtig; flanken met een paar duidelijke, witte strepen; dekv. ond. 
d. st. wit; schild aan den bovenkop helder scharlaken rood; snavel scharlaken 
rood, tip geelachtig, pooten groenachtig, tibia^ scharlakenrood; iris hx\\\ri. Jong. 
Ongeveer hetzelfde, maar de ond.d. grijsachtig wit ; schild aan den bovenkop 
kleiner; snavel bruinachtig; tibi?e zonder scharlakenrood. Jong in dons. Glanzend 
zwart, midden der ond.d. zwartachtig bruin; kaken en keel met zilverachtig witte 
haren. L. 35, vl. 19, st. 7.5, tars. 5.5, middenteen en klauw 8.3, culm. en schild 
4.7. Geogr. dist. Bijna geheel Noord en Zuid-Amerika. Lok. dist. De lagere streken. 

„Florida Gallinules of Waterhennen, eng. Florida Gallinules, 
fr. Poules d'eau de Florida, heeten in de kolonie Blakka 
Amoetoetoe of Blakka Blauw Kippankie, d. w. z. Zwarte 
Blauwe Kemphaantjes en bij de Indianen, evenals de voor- 
gaande soort. 



ARAMID.E. 



2 17 



Vooral in de lagere, zvvampachtige streken komen F. G. 
ineermalen voor, hoewel niet heel talrijk. Hun levenswijze 
verschilt niet van de Purperblauwe Waterhennen; soms treft 
men diin ook beide soorten in één zwamp aan. En dat al zwem- 
mende, wadende, of door het water loopende over de drijvende 
waterplanten. Maar de F. G. zijn veel minder luidruchtig, 
tevens schuwer en minder geneigd een makker of andere 
vogelsoort aan te vallen. 

G. G. broedt gedurende den grooten regentijd. Het nest 
komt geheel overeen met dat der Purperblauwe Gallinules. 
De, in N. -Amerika 8 tot 13, in Suriname 6 tot 8 eieren, zijn 
over het algemeen ovaal of breed ovaal en eenigszins glanzend; 
de grondkleur varieert van af geelachtig wit tot licht okergeel, 
gevlekt en gestipt met roodbruin, zwartbruin en een weinig 
purpergrijs. j\I. Afm. 48 X 34-5 m.M. 

De exemplaren varieeren uitermate, zoowel in kleur als 
afmeting. 



Familie der ARAMID.F:. 

KOERLANS. 

Twee species Koerlans, eng. Courlans or Limpkins, fr. 
Courlans zijn bekend, die beide in Amerika te huis behooren. 
De eene soort, Aranius giganteus, Bonap., kenbaar aan de 
witte vlekken, die zich tot over den rug uitstrekken, bewoont 
de noordelijker streken van af Costa Rica en de grootere 
Antillen tot Florida, terwijl de andere specie in Z. -Amerika 
voorkomt. 

K. onderscheiden zich door een tamelijk z waren lichaams- 
vorm. De snavel bezit bijna tweemaal de lengte van den kop; 
de basishelft is recht, de endhelft slechts weinig gebogen, uit- 
gezonderd de stompe tip van den bovensnavel. De tip van den 
ondersnavel is spits en de geheele snavel sterk zijdelings 
samengedrukt, terwijl het twee derde gedeelte van den onder- 
snavel ter zijde van een groef voorzien is. De neusgaten zijn 



2 1 8 aramid.ï:. 

geheel open. De tamelijk lange hals is cylindrisch van vorm, 
de kop moderaat groot; de vleugels zijn breed en rond, de 
bovenste slagpenncn zeer lang en breed. Tevens is de eerste 
slagpen van den eersten rang eigenaardig gekromd, evenals een 
sabel met verbreed uiteinde. De olieklieren zijn bepluimd. Vier 
onbevederde gedeelten aan het lichaam strekken zich min of 
meer tot de nekbasis uit. De vederen der bovendeden, uitge- 
zonderd die aan kop en nek, zijn talrijk en breed. De dek- 
vederen onder den staart gelijken veel op de twaalf rectrices 
zelve, zoodat de tamelijk korte staart geen onder noch boven- 
zijde schijnt te bezitten. De geheele buik is bevederd. 

Verder hebben K. lange pooten, vier lange teenen, waarvan 
de middenteen met klauw bijna zoo lang is als de met duidelijke 
schilden bedekte tarsi. De huid is moderaat dik, maar aan den 
hals volstrekt niet elastisch, zooals bij Reigers en Water- 
hoenders. Soms bevindt zich een vetlaag tusschen vel en vleesch. 
De olielaag over de vederen is duidelijk te zien. 

K. leven bij paren of troepjes. Men treft ze aan. waar er 
maar mosselen, hun uitsluitend voedsel, te vinden zijn. Zij 
nestelen dicht bij- of op den grond, gewoonlijk in de nabijheid 
van water, en leggen protectief gekleurde eieren. 



Species. 

ARAMUS, VIBILL. 

A. scolopaceus, Gm. = id., Schlegal, Mus. P. B. = Lc 
Courlan de Cayenne, Daub. = Le Coiirlili ou Courlan, Buff. 
= Nother odius scolopaceus, Cab. in ScJioDib. Reis. 

Ad. Geheel donker, eenigszins glanzend bruin ; bovenkop en kopzijden lichter 
van tint; bovenkeel grijsachtig wit; slagp., uitgezonderd de bovenste, grootendeels 
zwartbruin, bijna zwart; vederen der bov.d. met min of meer lichter bruine zoomen ; 
kopzijden en geheele achternek met duidelijke, langwerpige, witte vlekken, langer 
maar minder talrijk aan de nekbasis; basis van enkele der vederen aan de eenigszins 
doffer getinte ond.d. ook wit van kleur; bovensnavel zwartachtig bruin, uitgezonderd 
de basishelft der snijranden, die, evenals de basishelft v. d. ondersnavel, oranje- 



ARAxMUS. 2 I 9 

kleurig zijn; endhelft v. d. ondersnavel zwartachtig bruin; pooten zwartachtig ; iris 
bruin. Jong. Ongeveer als ad., maar de kleur doffer, de witte vlekken minder 
talrijk en tevens onduidelijker; eerste slagpen minder opmerkelijk sikkelvormig. 
Jong in dons. Geheel zwartachtig. L. 56, vl. 29, st. 14, tars. 12, middenteen en 
klauw 9.6, culm. 10.3. De wijfjes zijn iets kleiner. Geogr. dist. Oostelijk Z.- Amerika. 
Loh. dist. ^'ooral de lagere streken. 

„Z.-Am. Koerlans, eng. South Am. Courlans, fr. Courlans 
d'Amérique du Sud, zijn onmiskenbare vogels. 

Bij verscheidene, in de kolonie gecollecteerde exemplaren 
strekken de vlekken aan de nekbasis zich uit over een ge- 
deelte van den bovenrug en aan de schoudervederen en 
vleugeldekvederen, terwijl de afmeting die van A. giganteus 
te na komt. Indien dit verschil constant is, zou men ze wel 
kunnen separeeren tot een afzonderlijke soort of subsoort nl. 
A. i7ifer)iiediatus. 

In de kolonie staan Z.-Am. K. bekend als Kraukrau, en bij 
de Indianen als Karaw. 

Over het algemeen treft men ze meer aan bij kleine troepen, 
dan eenzaam of bij paren. Soms vereenigen de troepjes zich 
tot vluchten van dikwijls vijftig individuen. 

Tot hunne meest bezochte verblijfplaatsen behooren, behalve 
begroeide waterkanten en stoppelvelden, gedurende den drogen 
tijd, ook afgebrande, zwampachtige savannes, waar ze door 
hun zwartachtige kleur moeielijk te onderscheiden zijn. 

In de hoogere streken treft men Z.-Am. K. alleen aan, ge- 
durende het regenseizoen. Hun talrijkheid op eene plaats wisselt 
af al naar gelang het aantal zoetwatermosselen, vooral Ampul- 
laria glauca, opraakt. Dit is dan ook de reden, waarom men 
ze dikwijls zoo talrijk in sommige streken ziet, maar niet in 
de tusscheninliggende terreinen. 

Onder het voeden, houden Z.-Am. K. de schalen der mos- 
selen met hunne pooten vast en gebruiken den snavel om het 
dier er uit te trekken. Daarbij wordt de tip van den snavel 
dikwijls verdraaid, hetgeen Prof. W. B. Barrows ook bij de 
noordelijke soort heeft opgemerkt. 

Het halsvel van Z.-Am. K. is zoo weinig elastisch, dat ze 
niet in staat zijn, zelfs zeer kleine visschen of reptielen in te 




220 ARAMIDJE. 

slikken. En dat niettegenstaande de hals er nogal dik uitziet. 
Wie zal ons nu zeggen of door het uitsluitend gebruik van 
mosselen, het halsvel zoo weinig rekbaar werd, of dat de vogel 
tot het bovengenoemde dieet werd gedwongen door zijn weinig 
elastisch halsvel? In dit geval komt ons het eerste aanneme- 
lijker voor dan het tweede. Bij het prepareeren van Kraukrau- 
huiden moet men dan ook den kop opensnijden, evenals bij 
Eenden, Flamingo's enz. 

Z.-Am. K. loopen met 
het meeste gemak, on- 
danks hun lichaams- 
zwaarte, over den zacht- 
sten bodem en spreiden 
daarbij hunne lange tee- 
nen uit evenals Jacana's. 
Hun vlucht is krachtig, 
maar nimmer lan gge- .- , , . 

o o Kop van A><iMiis scüiopaceii),. 

rekt. Onder het vliegen 

bengelen de lange pooten onder het lichaam, evenals bij 

Kraanvogels en de meeste Waterhoenders. 

Kraukrau's vergaren hun voedsel vooral gedurende de morgen- 
en avondschemering. Op boomen ziet men ze dikwijls en zouden 
ze, volgens jagers, ook daar overnachten. 

Hun geluid klinkt als een schor „krie-au-krie-au-krie-krie-" ; 
daarbij bewegen ze hunne staarten op en neder. Hun vleesch 
heeft eene donkere kleur, maar smaakt zeer lekker. Aan de 
dijen is het stevig verbonden met de breede, platte spieren 
der pooten. Geen enkele andere onzer vogels bezit deze eigen- 
aardigheid in zoo hooge mate. 

De jacht op Z.-Am. K. behoort hier tot de gezochtste uit- 
spanningen en eene, die gewoonlijk met succes gepaard gaat. 
Want schuw zijn de vogels volstrekt niet. Vertrouwende op 
hun donker vederkleed, laten ze zich gemakkelijk tot op korten 
afstand naderen. Gedurende de morgenschemering kan men 
Z.-Am. K. tot nabij bewoonde plaatsen waarnemen, maar bij 
dag trekken alle zich terug in de meest verlaten zwampen. 

„Van alle mij bekende vogelsoorten, bezit de Kraukrau de 



psophiid.ï:. 22 1 

meeste en grootste luizen, die er lang en bruinachtig uitzien ; 
onder een microscoop bekeken, gelijken ze wel wat op Kaai- 
mannen. 

A. S. broedt gedurende het groote regenseizoen. Het platte, 
uit takjes, twijgen enz, vervaardigde nest, van ongeveer 35 
centimeter doorsnede, wordt in lage boomen geplaatst, omstreeks 
3 a 5 meters van den grond af. Het wijfje legt 6 tot 8 ellip- 
tische, rondachtige, gladgeschaalde, licht glanzende eieren. De 
grondkleur varieert van af donker roomgeel tot bruinachtig, 
geheel overdekt met groote, poederachtig uitziende bruine, 
geelbruine en licht purperkleurige plekken en vlekken. M. 
A/m. 60 X 45 m.M. 

Beide seksen broeden ; de wijfjes schijnen een weinig talrijker 
dan de mannetjes. De zwartachtige jongen worden geruimen 
tijd door de ouden gevoed. 



Familie der PSOPHIID^. 

TROMPETTERVOGELS. 

„De 5 bekende Trompettervogels, eng. Trumpeters, fr. Agamis, 
behooren alle in tropisch Amerika tehuis. Slechts één soort is 
tot nu toe uit de Guiana's bekend. 

Alle ï. gelijken in lichaamsvorm min of meer op Kraan- 
vogels en Waterhoenders. Alle hebben gekromde snavels, 
korter dan de kop, moderaat lange halzen, nogal kleine 
koppen, tamelijk lange pooten en breede, concave vleugels, 
waarvan de binnenste slagpennen slechts een weinig korter 
zijn dan de overige. De open neusgaten zijn ovaal van voren 
maar van achteren van een vlies voorzien. De tarsus heeft bij 
onze soort dezelfde lengte als de staart en is zoowel van voren, 
als van achter, met schilden bedekt. Aan de nekzijden bevinden 
zich onbevederde plekken. Het vel, bij onze soort, is nogal 
dik, maar aan den hals zoo weinig elastisch dat men bij het 
prepareeren de huid aan den kop moet opensnijden, evenals 



222 PSOPHIID^. 

bij Koerlans enz. De dekvederen onder den staart zijn lang 
en zacht. Aan de contourvederen ontbreken achterschachten. 
Bij de mannetjes strekt de trachea zich uit tot in den anus; van- 
daar de vreemdsoortige geluiden, die ze dikwijls voortbrengen 
en waaraan ook hun naam Trompettervogels ontleend is. 

Alle T. leven min of meer in troepen. Hun voedsel is meer 
van plantaardigen dan dierlijken aard. Alle nestelen zoowel in 
boomen als op den grond en leggen ongevlekte eieren. De 
kuikens zijn met dons bedekt. 



Species. 

PSOPHIA, L. 

P. crepitans, L. = /r/,, Cab. in Schomb. Reis. = L'Aganiie 
de Caycnne, Daitb. = L'Agami, Buff. 

Ad. Kleuring der bov. tol het midden v. d. rug zwart, de mantelvederen min 
of meer glanzend ; bovenrug en schoudervederen donker okerkleurig met een 
kastanjebruine tint aan den rand v. d. zwarten mantel; onderrug, stuit en dekv. 
bov. d. st. leizwart; vl dekv., huimpje, dekv. der eerste slagp. en slagp. zwart- 
achtig bruin, eerstgenoemde met zwarte zoomen ; slagp. v. d. 2de" rang blauw- 
achtig grijs, de basis v. d. binnenvlag der vederen donkerder en overtogen met 
okergeel nabij de schachten ; binnenste slagp. los, zacht en lichtgrijs van kleur ; 
slaartp. zwart ; bovenkop, nek en keel fluweelzwart met uitzondering der purper- 
getipte vederen aan de onderkeel ; voornek met een min of meer staalblauwe, 
groene of roodachtige purperlint; overige ond.d, zwart; snavel zwartachtig mei 
een weinig groen ; pooten licht grijsgroen ; iris bruin. Jotig in dons. Licht kastanje- 
kleurig met een driedubbelen band van paarlgrijs aan het lichaam en een dubbele 
lijn aan den kop; achternek bruin, evenals een plek aan den voornek; kopzijden 
wijnrood; keel isabellagrijs; abdomen witachtig. L. 53, vl. 27, st. 12.5, tars. 12.5, 
middenteen en klauw 7.5, culm. 3.7. De wijfjes zijn een weinig kleiner. Geogr. 
dist. Guiana, het daigebied der Amazone tot Iquitos. Lok. dist. Woudrijke streken, 
met uitzondering van den kustzoom. 

„Gewone Trompettervogels, eng. Common ïrumpeters, fr. 
Agamis de Cayenne. zijn onmiskenbare vogels met ronde 
ruggen, v^aarover een bruine band, lange losse, grijze vederen, 
lange, losse vederen aan den staart, alsmede violetkleurige en 




PSOPHIA. 223 

metaalgroene kropvederen. De geheele kop en hals zijn bedekt 
met korte vedertjes, die veel op zwart fluweel gelijken. 

In de kolonie staan T. bekend als Kamie-kamie, bij de Arowak- 
ken als Warakaba en bij de Caraïben en Warrau's als Akamie. 
Over het algemeen leven ze zelden eenzaam of bij paren, doch 
gewoonlijk in troepen van 10 tot 200 individuen, die op moeras- 
sige plaatsen veel zeldzamer voorkomen dan in de wouden 

der hoogere alluviale terreinen. 
Alleen gedurende het droge seizoen 
volgen T. de ritsen tusschen de 
zwampen tot binnen het gebied 
der mangroven, maar nimmer tot in 
de streek der geheel of gedeeltelijk 
zoutwaterpans. 

Voortdurend trekken ze van de 
eene naar de andere plaats ; en 

Kop van Psopkia crcpiians. 1111 , 

dat meestal loopende. Alleen als 
er rivieren of kreken in den weg liggen, worden de vleugels 
te baat genomen ; met hangende pooten en zware vleugel- 
slagen vliegen alle dan over het water heen. Maar zoo zwak 
is hun vlucht dat er bij het overvliegen meerdere individuen 
in het water vallen. Die zwemmen dan vlug naar de overzijde, 
voor zoover ze aan de tanden der alom aanwezige, roofzuchtige 
Pierins ontsnappen. Den nacht brengen alle door in nogal 
hooge boom en. 

Het geluid van den T. klinkt, gelijk de naam aanduidt, 
zeer eigenaardig. Eerst wordt er een scherp klinkende kreet 
gehoord, dan volgen met gesloten, eenigszins naar onder 
gekeerden bek, bastoonen als „boem, boem, boem", die onge- 
veer een minuut aanhouden en dan langzamerhand wegsterven. 
De geluiden schijnen inwendig voort te komen, maar klinken 
niet onaangenaam, wat betreft een individu. Als echter een 
troep zich laat hooren, klinkt het gerommel aanhoudend en luid. 

Onder het uiten der geluiden worden de flankvederen op 
en neder bewogen, vergezeld van andere bewegingen, die 
duidelijk aantoonen, dat de vogel met kracht naar onderen toe 
drukt ; en dat zelfs onder het loopen. 



■24 



PSOPHIIDr^:. 



Lang \'oor de wetenschap het ontdekte, wisten onze inlanders 
en Indianen reeds, dat het geboem van den Kamiekamie door 
den anus en niet door den bek geschiedde. Zij vergeUjken het 
geluid met den klank van een slag tegen een hol voorwerp, 
vooral een inlandsche papagodo ; volgens hen zou do Kamie- 
kamie de kunst van den gewonen Haan gekaapt hebben, die 
tot nu toe nog om zijn eigendom kraait. 

Het voedsel van T. is grootendeels van plantaardigen aard 
en wisselt af al naar gelang van het seizoen. 

P. C. broedt vooral gedurende het groote regenseizoen. 
Het nest wordt in holle boomen of de kroon van palmen 
gebouwd. Het wijfje legt 6 tot lo ovale, glanslooze, witte eieren. 
M. Afm. 48 X 37 m-M. 

Enkele exemplaren hebben een geelachtige tint. 

Alleen het wijfje zou broeden ; zij draagt tevens de pas 
uitgebroede kuikens naar omlaag. Reeds zeer jong verstaan 
ze de trompetterkunst, laten zich, evenals de ouden, gemakkelijk 
temmen en worden dan zeer aan hun meester gehecht ; ze zouden 
zelfs in gevangenschap voorttelen. 

Hun vechtlust of liever zucht tot tiranniseeren is zeer ont- 
wikkeld. Zelfs Powieren en Maroedies loopen ze dan ook achterna 
met flappende vleugelslagen, een luid „kê kê kê" gevolgd door 
een tevreden „koro wie- wie", als ze den vijand hebben verdreven. 

Op enkele plaatsen in Brazilië en Venezuela gebruikt men 
T. om kudden vee naar de weide te brengen; dit doen ze 
uitstekend en weten zelfs afgedwaalde dieren met vleugelslagen 
naar de goede richting terug te drijven. 

De Kamiekamie houdt van lawaai. Hij is zeer gelukkig als 
een kip een ei gelegd heeft en dit, te zamen met andere en 
den haan, luide aan een ieder verkondigt. 

Een tam exemplaar wist zich eens toegang te verschaf- 
fen tot een bottelarie d. i. een kamertje, waar borden enz. 
bewaard worden. Bij toeval viel een bord naar omlaag en brak 
in stukken, hetgeen den vogel zoo beviel, dat hij alles wat 
zich in zijne nabijheid bevond... soepterrines, kommen, 
kopjes, schotels, lepels, vorken enz., omv-er deed tuimelen. 
Het hclsche lawaai deed alle huisgenooten toeschieten naar 



PALAMEDEID^. 2 2=^ 

de plaats, waar de Kamiekamie zich kostelijk amuseerde. 
„In bijna alle Indiaansche kampen treft men tamme T. aan, 
die vrij rondloopen. Hun vleesch wordt ook gegeten en smaakt 
goed. Toch bemachtigen inlandsche jagers ze zelden; en dat 
niettegenstaande de verzekering van velen, dat men ze op 
onbewoonde plaatsen met een stok kan dooden. 

N.B. Volgens sommige Indianen zou er nog eene tweede, maar zeldzamer soort in 
Suriname voorkomen. Die leeft in kleinere troepen en heeft anders gekleurde vederen 
en pooten dan de gewone specie. 



Familie der PALAMEDEID^. 

WEDERVOGELS. 

Slechts 3 species Wederv^ogels of Palamadea's, eng. Screamers, 
fr. Camanches, zijn bekend. Alle komen uitsluitend voor in 
tropisch Amerika. Slechts één soort bewoont de Guiana's. 

W. worden gekenmerkt door een nogal krachtigen lichaams- 
vorm, tamelijk lange pooten, waaraan lange teenen zonder 
zwem vliezen, moderaat langen, dikken hals, groote, breede 
vleugels en twaalf middelbaar lange, groote staartpennen. De 
snavel is een weinig korter dan de moderaat groote kop. 
Nabij de vleugelbuiging bevinden zich twee eenigszins gekromde 
sporen, een lange van voren en een kortere van achteren. Een 
hoornachtig uitgroeisel versiert den bovenkop. Het dikke, 
sponsachtige vel bevat talrijke met lucht gevulde cellen. De 
ribben verschillen van die van andere vogels. De zachte vederen 
staan dicht op elkander; de buik is bevederd. 

„In sommige opzichten komen W. overeen met Powiezen, 
in andere weer met Waterhoenders en Jacana's. Moderne 
natuurkundigen rangschikken ze dicht bij de Flamingo's en 
Eenden. 

Over het algemeen bewonen W. meer de begroeide savannes 
en wouden achter de terreinen der mangroven. Hun voedsel 
is grootendeels van plantaardigen aard. Alle nestelen op den 

15 



2 2 6 PALAMEDEIDy£. 

grond. Het wijfje legt ongevlekte eieren. De kuikens kunnen 
van af hun geboorte reeds loopen. 



Species. 

PALAMADBA. L. 

P. cornuta, L. = id., Cab. in Schomb. Reis. = Le KamicJii, 
Daub. et id. Biiff' 

(^ . Bovenkop zwart en wit; nek en bov.d. glanzend zwart; vederen aan het 
ondergedeelte v. d. hals van voren en ter zijde grijs met een zwarten band aan 
den tip; borst zwart; abdomen wit; dekv. ond. d. st. zwart; vleugels glanzend 
zwart; kleinere vl.dekv. wit, maar die nabij de middelste zwart met witte randen; 
vleugelbuiging wit; basis der slagp. v. d. isten rang met inbegrip v. d. basis der 
schachten, wit; dekv. ond. d. vl. witachtig; staart zwart; bovensnavel donker 
bruingrijs, ondersnavel lichter van tint; hoorn aan den voorkop geelachtig wit; 
pooten aschgrijs; iris helder oranjekleurig. '^'. Ongeveer hetzelfde, maar met min 
«r meer kortere vederen aan den hals ; nek en kop een weinig bruiner van tint ; 
kleinere vl.dekv. met eenig geelachtig. L. 86, vl. 56.5, st. 28, tars. 11, culm. 3 3. 
Geogr. dist. Venezuela, de Guiana's, het dalgebied der Amazone westwaarts tot 
Ecuador en Peru. Lok. dist. ^lin of meer de geheele kolonie, met uitzondering 
van den kustzoom. 

Wedervogels, eng. Horned Screamers, fr. Camichis, zeer 
statige vogels ter grootte van een kalkoenhaan, gelijken van 
voren wel wat op Trompettervogels, maar de pooten zijn naar 
verhouding korter, de vleugels grooter en nabij de buiging 
voorzien van twee zwartachtige sporen, een driekantige van 
ongeveer drie centimeter lengte en een kortere. Op den voor- 
kop bevindt zich een dun, naar voren gebogen hoornachtig 
uitgroeisel. De dijen zijn groot en dik. Beide seksen gelijken 
elkander. 

In de kolonie staan W. bekend als Makaflei-Boesiekrakoen 
d. w. z. Doornvleugel Boschkalkoenen. en bij de Indianen als 
Kamietjie. 

Over het algemeen treft men ze aan in kleine troepen van 
4 tot 6 individuen, maar gedurende den broedtijd doorgaans 
bij paren. 



PALAMADEA. 



22- 



Hun schuwheid is zoo groot dat ze den omtrek van bewoonde 
plaatsen zelden of nooit naderen, maar zich ophouden op de 
savannes of in de oerwouden langs de rivier- en kreekoevers meer 
in het binnenland, vooral aan de Marowijne 

Opgeschrikt, zoeken W. hun heil in hardloopen en hierin over- 
treffen ze dan ook alle andere 
vogels. Alleen in uitersten nood 
worden de vleugels te baat ge- 
nomen. Dan stijgen ze de lucht 
in om er soms rond te zeilen 
evenals Gieren, en dan op den top 
van een woudreus neder te dalen. 
Hun eigenaardig geluid klinkt 
ongeveer als „hie-boe-hie-boe" of 
wel „ka-mie-tjie" vergezeld van 
andere keelgeluiden. Ook op den 
grond roept de eene vogel den 
anderen toe, en wordt van uit 
de verte door meerdere beant- 
woord. En dat vooral gedurende 
de morgen- of avondschemering 
of bij regenachtig weder. 

Volgens jagers, zouden W. dik- 
wijls met flappende vleugels, een soort van dans uitvoeren 
evenals Jacana's. Ze zijn tevens zeer treklustig en groote af- 
standen scheiden soms hunne verblijfplaatsen van gisteren en 
heden. Hun talrijkheid op eene plaats zou afhangen van het 
rijp worden van zekere vruchten enz. gedurende bepaalde 
seizoenen. Ook insecten worden niet door hen versmaad. 

Volgens Schomburgck, wordt het vleesch van W. door de 
Indianen in Eng. Guiana niet gegeten, hetgeen in Suriname 
en Cayenne niet het geval is. Hunne groote staartvederen dienen 
als sieraden. Het uitgroeisel aan den voorkop zou, volgens 
Markgrav, een middel zijn tegen apoplexie, hetgeen even onge- 
rijmd is als dat de vogel ermede drinkt, zooals wel eens be- 
weerd wordt. 

P. C. broedt gedurende den drogen tijd. Het nest wordt 




Gcspoor 



en vleugel van Palmnadca 
t ornuta. 



2 28 JACANID^. 

tusschen op den grond groeiende planten gebouwd. Het wijfje 
legt 2 groote. witte eieren. De kuikens zijn met dons bedekt 
en kunnen van af hun geboorte reeds goed loopcn. Bij nadering 
van gevaar blijven ze onbewegelijk staan, terwijl de moeder 
snel wegvlucht. 

Evenals Kamiekamies, laten W. zich gemakkelijk temmen en 
loopen dan vrij rond; evenzoo is hun zucht tot domineeren zeer 
ontwikkeld. Zelfs honden durven het niet tegen ze opnemen 
xüt vrees voor de krachtige slagen der gespoorde vleugels, die 
in wilden staat tot verdediging der jongen dienen tegen roof- 
vogels of zelfs kleine roofdieren. 

ïoch behooren W., en dat denkelijk door hun weinige voort- 
telingskracht, tot de allerzeldzaamste der vogels van de Guiana's 

Door de Indianen wordt de Kamietjie algemeen als een 
groote roofvogel beschouwd; en dat denkelijk omdat ze hem 
verwisselen met den Harpy Arend. 



Familie der JACANID^. 

JACANA'S. 

„Tot de familie der Jacana's, eng. Jacana's, fr. Jacanas, wor- 
den gerekend 1 1 soorten, Vv'-aarvan slechts 4 in Amerika voor- 
komen, doch slechts een specie de Guiana's bewoont. De 
overige treft men aan in Azië en Afrika. 

De Am. species worden gekenmerkt door een nogal zijde- 
lings samengedrukt lichaam, moderaat langen, eenigszins dikken 
hals, kleinen kop, zijdelings samengedrukten, aan het uiteinde 
eenigszins gebogen snavel, die een weinig langer is dan de 
kop, alsmede open neusgaten en lange, dunne pooten, waaraan 
uiterst lange, dunne teenen met zeer lange, rechte, spitse klau- 
wen. De vleugels zijn nogal ontwikkeld; de staart is zeer kort 
evenals bij Waterhoenders. Aan de vleugelbuiging bevindt 
zich een scherpe, kegelvormige doorn. Aan elke zijde van 
den voorkop hangt een vleeschkleurige lel, terwijl het midden 



JACANA. 229 

versierd is met een hartvormige lel. De huid is moderaat dik 
en aan den hals zeer elastisch. In den regel ontbreekt de 
vetlaag tusschen vel en vleesch. De vederen staan dicht op 
elkander, vooral om de nekbasis; de buik is bevederd. Beide 
seksen gelijken elkander, maar de jongen verschillen aan- 
merkelijk. 

J. zijn verwant aan Snippen en worden ook door Prof. 
Ridgway en anderen onder de Limicolas gerangschikt. Dit 
denkelijk door de sporen aan de vleugels, (evenals bij enkele 
Plevieren, b.v. de VaneUi) alsmede de donkere kleur der eieren, 
hoewel de lellen aan den voorkop en ook de Uchaamsvorm 
eene nog nauwere verwantschap met de Rallido' aantoonen. 

Over het algemeen bewonen J. moerassige streken. Hun 
voedsel is zoowel van plantaardigen als dierlijken aard. Het 
wijfje legt hare donkere, protectief gekleurde eieren op drij- 
vende waterplanten. De kuikens kunnen van af hun geboorte 
reeds loopen en zijn met dons bedekt, even als hoenderkuikens. 



Species. 

JACANA, SCHAEPPER. 

J. jacana, L. = Parra jassana, Cab. in Schonih. Reis. = 
id., Schlegal, Mus. P. B. 

Ad. Geheele nek, kop en ond.d. zwart; rug, schouders, vl.dekv. en alle overige 
gedeelten met inbegrip v. d. st.. kastanjebruin; slagp. licht emerald groen met 
zwarte tippen en zwarte zoomen aan de eerste zeven of acht; dekv. bov. en ond. 
de slagp. V. d. i^ten rang zwart ; dekv. ond. d. slagp. v. d. aden rang kastanje- 
kleurig; flanken kastanjebruin; snavel oranjegeel, de tip donkerder; lellen aan den 
voorkop vleeschkleurig ; pooten zwartachtig grijs: teenen zwartachtig; doorn aan 
den vleugel oranjegeel ; iris bruin. Jong. Bov.d. over het algemeen bronsachtig 
kastanjebruin; ond.d. wit; zijden van kop en nek donkerder zwartachtig bruin; 
wenkbrauwlijn witachtig ; eerste slagp. zwartachtig, maar het grootste gedeelte v. d. 
binnenvlag emeraldgroen, evenals de slagp. v. d. 2den rang; zijden en een gedeelte 
der dijen zwartachtig bruin; snavel geelachtig ; pooten grauw. /ö«^ m <f(?«^. Bov.d. 
zwart, min of meer bruin getint en met eene strookleurige lijn langs elk der rug- 
zijden; zijden v. d. achternekbasis en bovenhelft v. d. vleugel roodbruin; eene 



2 30 JACANIDit:. 

helder roodbruine lijn \an af den voorkop tot aan den achterkop; middenborst rood- 
bruin getint; middenkop zwart met eene zwarte lijn van af de oogen tot aan den 
achternek, die ook zwart is; vederen voor de oogen witachtig; ond.d. zilverachtig 
wit; pootcn grauw; teenen geelachtig; snavel grauw; iris grijs. L. 21, vl. 12, 
tars. 5.5, middenteen en klauw 8, achterklauw 5; snavel tot het end v. d. lel aan 
den voorkop 4.2. De wijfjes zijn grooter: vl. 13. Geogr. dist. Z. -Amerika. Lok. 
dist. De lagere streken. 

„Z.-Am. Jacana's, eng. S.-Am. Jacana's or Spur-wings, fr. 
Jacanas d'Amérique du sud, zijn even onmiskenbaar als de 
voorgaande soort en staan in de kolonie algemeen bekend als 
Kippankie (Kemphaantjes), bij de Arowakken als Kwekwere, 
bij de Caraïben als Mabejau en bij de Warrau's als Nassitung. 

In lichaamsgrootte doen ze onder voor gewone huisduiven. 
Hun kleur is bruin en zwart, maar bij jonge individuen brons- 
kleurig en wit. Hun snavel ziet er, van ter zijde bekeken, aan 
het endgedeelte hooger uit dan bij de basis. Aan den voorkop 
hangen purperroode lellen, die als de vogel danst of zich toornig 
gevoelt, eene donkere, bloedroode kleur aannemen. Wat ze echter 
zoo eigenaardig doet uitzien, zijn hunne lange, dunne pooten 
en sporen aan de vleugels. Die sporen bestaan uit twee deelen, 
een omhulsel dat er uitziet als een rozendoorn, d. w. z, een 
korte kegel vorm, waarvan de tip uiterst scherp, dun en 
eenigszins gekromd is, en een daaronder liggend stompje. Het 
buitenste omhulsel is los aan den vleugel bevestigd en kan er 
met een lichte drukking van verwijderd worden. Met het stompje 
daarentegen gaat dit lang zoo gemakkelijk niet. 

De doorn doet dienst evenzeer als ornament als wapen. De 
vogels voeren nl. eene soort van dans uit, waarbij ze hunne 
vleugels naar boven toe op en neder bewegen en de slagpennen 
uitspreiden, waardoor de emerald groene kleur duidelijk te zien 
komt. De vleugelbuiging is dan in gestadige beweging, en best 
mogelijk dat ook de doorn er door ontstond. 

Onder het vechten slaan Z.-Am. J. naar elkander toe, maar 
zoo voorzichtig dat de doorn hun eigen lichaam niet raakt. Zoo'n 
gevecht gaat tevens vergezeld van veel lawaai dat ongeveer 
klinkt als „krie krie krie kwe kre". Beide seksen dansen en 
zijn even vechtlustig. 



JACANA. 



231 



Z.-Am. J. komen bijna uitsluitend voor in de lagere deelen 
der kolonie, vooral op open plaatsen, waar de Victoria regia 
groeit. Daar loopen ze met wijde stappen over de drijvende 
planten. Zelfs het kleinste blaadje biedt voldoenden steun aan 
hunne uitgespreide teenen en nagels. Bij eiken stap wordt de 
poot een weinig opgelicht 
waardoor de teenen min of 
meer sluiten ; dan brengt de 
vogel den poot naar voren. 
Rennen kan hij niet, want 
dan struikelt hij bij eiken 
stap, maar wel beschouwd 
kan hij met behulp zijner 
vleugels over de wateropper- 
vlakte loopen. 

De vlucht van Z.-Am. J. 
is zwak en nimmer van lan- 
gen duur. JMet hangende 
pooten vliegen ze, onder 
een aanhoudend lawaai, een 
eindje voort, om terstond 
weder tusschen de water- 
planten neder te dalen ; ze 
zwemmen en duiken ook goed, maar doen het zelden. 

Hun voedsel bestaat grootendeels uit insecten, larven enz. 
Onder het voeden zijn alle zeer stil en schuw. Wordt een 
echter opgeschrikt, dan laat hij een luid „krê krê" hooren als 
waarschuwing voor de overige, die dan nieuwsgierig den hals 
uitstrekken om daarna met veel lawaai de vlucht te nemen. 
Dit geschiedt zoowel bij dag als des nachts, maar hoewel vele 
individuen dikwijls één zwamp bewonen, vereenigen ze zich 
nooit tot vluchten. Hun vleesch smaakt zeer lekker. Toch wordt 
er weinig jacht op ze gemaakt. 

J. J. broedt gedurende den grooten regentijd, en slechts bij 
uitzondering gedurende de overige seizoenen. De eieren worden 
gelegd op de bladeren van drijvende waterplanten, dikwijls 
zeer nabij menschelijke woningen, soms zelfs in verlaten putten 




Poot en kuiken van JacnHa jacatia. 



!32 



jacanid.ï:. 



of drinkplaatsen, waar koeien enz. dagelijks rondzwerven. Een 
weinig droog gras, bladeren of twijgjes behoedt de eieren 
tegen afrollen van het blad, dat met het water rijst of daalt. 
Het aantal per legsel bedraagt bijna zonder uitzondering 4. 
De vorm der schaal is over het algemeen kort, stomp ovaal, 
dikwijls bijna rond. De kleur varieert van af licht glanzend 
taanachtig bruin tot licht geelbruin, en met uitzondering van 
de punt van het spitse end, geheel overdekt met een netwerk 
van zwarte, dooreenloopende lijnen. Bij lang bebroede eieren 




I.ade met eieren van 'Jacana yacaiia. 



gaat het zwart soms over in zwartbruin. Slechts enkele exem- 
plaren hebben vlekken of zijn ten naastenbij eenkleurig zwart 
of slechts weinig bevlekt. Geheel ongevlekte schalen trof ik 
nog nimmer aan. Windeieren zijn uiterst zeldzaam. M. A/ni. 
30 X 24 m.M. 

De exemplaren v^arieeren niet veel in grootte. De glans uit- 
gezonderd, gelijken ze wel wat op eieren van Hydrochelidon 
surinaniciisis. Zoo protectief is hun kleur, dat een ongeoefende 
gedurende den broedtijd wel een geheelen dag in een zwamp 
naar een ei kan zoeken, zonder succes. 

De broedtijd zou ongeveer 18 dagen duren. Beide seksen 



JACANA. 233 

broeden, vooral de mannetjes, hoewel een groot gedeelte der 
uitbroeding ook aan de warmte der zon moet geweten worden, 
daar de vogels het nest elk oogenblik verlaten. 

De kuikens worden geboren met lange pooten en teenen, 
maar de klauwen zijn kort ingekromd ; de achterklauw begint 
het eerst uit te groeien. De snavel is dan ook aan het endge- 
deelte minder hoog dan bij de basis. 

Van af hun geboorte kunnen de jonge diertjes reeds overal 
rondloopen en doen dit op dezelfde wijze als de ouden. Elk 
hunner stappen gaat tevens vergezeld van een zacht „piété, 
piété". Bij nadering van gevaar blijven ze onbeweeglijk staan, 
terwijl de oude vogels wegvluchten om zoodra alles weer veilig 
is, terug te keeren en hun kroost door een zacht geklok weer 
bij elkander te roepen. 

Zelfs voor de geoefendsten is het bijna onmogelijk Jacana- 
kuikens tusschen de afgevallen takjes, bladeren enz. in een 
zwamp te onderscheiden, zoozeer komt hun kleur, die afwisselt 
van zwart tot roodbruin, al naar gelang het licht er op valt, 
met de omgeving overeen. 

De verandering in kleur van jong naar oud geschiedt snel, 
naar mijne meening binnen het jaar, en zoowel door ruiïng als 
kleurverandering der vederen. Tegen Maart treft men de indi- 
viduen aan in het ten naastenbij volkomen kleed, maar met 
eenig wit aan de keel. 

Eigenaardig is de gelijkenis van den kop van individuen 
in het half volkomen, brons en wit vederkleed. met dien van 
een tot volkomenheid opgegroeide Helioniis fiilica. 

Zoowel ouden als jongen laten zich temmen, maar dragen in 
gevangen staat zelden of nooit het volkomen vederkleed. 



,34 LIMICOL^. 



Orde IX. LIMICOL^. 

OEVER VOGELS. 

„De Oevervogels, Strandvogels, Baaivogels, Snipachtigen of 
Plevierachtigen, eng. Shore and Bay birds, behooren in de 
Guiana's meerendeels tot de trekvogels; een groot gedeelte 
der species komt dan ook slechts voor tusschen den grooten 
en kleinen drogen tijd. Hun datum van aankomst valt onge- 
veer tegen einde Augustus tot October. Groote vluchten, die 
soms geheel uit jonge individuen van verscheidene soorten, of 
wel geheel uit ouden bestaan, trekken dan langs onze kusten, 
alsmede de open graslanden en savannes der lagere streken. 

Maar hoewel deze vluchten enkele malen uit honderden 
individuen bestaan, verdwijnen ze, denkelijk vanwege de 
splitsing der groote massa's op de West-Ind. eilanden, in het 
niet tegenover de troepen, die bij nadering van den winter de 
noordelijke streken verlaten, waar de lucht zich soms donker 
voordoet door tienduizenden op tienduizenden zuidwaarts be- 
stemde vogels die, nederdalende, dikwijls geheele landerijen 
bedekken. En toch, betrekkelijk weinige keeren tegen het 
voorjaar terug. De oorzaak hiervan ligt in de buitengewone 
slachting, waaraan deze, voor de tafel zoo gezochte vogels, 
over hun geheele immigratielijn onderhevig zijn. 

Zooals te voren aangehaald, merkt men in de kolonie wel 
wat van een najaarstrek, maar van een voorjaarstrek valt niets 
te bespeuren. De mogelijkheid bestaat dus dat die bij vele 
soorten geschiedt aan de andere zijde der Andes of misschien 
zelfs over den open oceaan. 

Dit klinkt evenwel zeer onaannemelijk. Schrijver kent ge- 
vallen van inheemsche vogels, bij wie zich dezelfde geheim- 



OEVERVOGELS. 235 

zinnigheid voordoet. De Cassici b.v. vereenigen zich des 
namiddags tot troepen, teneinde in eene richting naar hunne 
slaapplaatsen te trekken, maar des morgens ziet men ze nimmer 
naar de voedingsgronden terugkeeren, omdat dit dan bij paren 
en heel kleine troepen geschiedt. Dit is denkelijk ook het 
geval met de immer in aantal verminderende, noordwaarts 
terugkeerende vogels, waarvan vele hier den winter door- 
brengen, maar de meeste de kolonie alleen gebruiken als 
een rustplaats gedurende den zuidwaartschen trek, een halt op 
de groote reis over vastelanden en oceanen tot zelfs de eilanden 
der Stille Zuidzee. 

Ook in Europa en elders heeft men menigen verdwaalden 
vogel waargenomen, die dus de geheele breedte v. d, Atlan- 
tischen oceaan moet overgestoken zijn. Evenzoo bestaan er 
records van enkele species der Oude Wereld, toevallig in de 
Nieuwe Wereld aanwezig. Experts beweren dat zoo'n lang- 
gerekte vlucht alleen mogelijk is door het rusten der vogels 
op drijvende voorwerpen. 

Over het algemeen dragen O. een protectief vederkleed in 
verband met hunne levenswijze op den grond en in open 
situaties. In tegenstelling met de Moerasvogels, houden ze er 
van. den blauwen hemel boven zich te zien, doch geven de 
voorkeur aan de open modder- of zandbanken, alsmede de zout- 
en gedeeltelijk zoutwaterpans langs onze kust. Slechts enkele 
soorten komen ook voor langs de oevers van kreken en achter 
de terreinen der mangroven. 

De huid van O. is in den regel moderaat dik of dun, maar 
aan den hals elastisch, hoewel de kleine mondopening de inslik- 
king van eene te groote prooi belet. Vele species bezitten tevens 
gedurende zekere seizoenen, een nogal dikke vetlaag tusschen 
vel en vleesch. De vederen staan dicht op elkander, vooral 
aan den buik. De bovenste slagpennen zijn min of meer lang. 
Bijna al onze soorten hebben donkere, zwartbruine of donker- 
bruine irides. Beide seksen verschillen eenigszins in kleur. De 
meeste soorten dragen gedurende den zomer een anders ge- 
kleurd vederkleed als tijdens den winter. In de kolonie treft 
men ze aan in het geheel of gedeeltelijk wintervederkleed ; 



236 OEVERVOGELS. 

ook de jongen verschillen min of meer van de ouden. 

Alle O. hebben eene krachtige vlucht, maar leggen gewoon- 
lijk slechts korte afstanden af. Op enkele uitzonderingen na, 
behooren onze soorten tot de dagvogels, hoewel men ze meer- 
malen des nachts kan hooren. 

Het voedsel van O. is grootendeels van dierlijken aard 
zooals weekdieren, wormpjes, insecten enz. Alle nestelen bijna 
uitsluitend bij paren, en leggen in den regel breed ovale, peer- 
vormige eieren op den grond. De eieren liggen in het nest 
met de spitse enden tegen elkander, in den vorm van een X- 

Te oordeelen naar de beschrijvingen, broeden bij vele species 
beide seksen. Ook zouden enkele soorten hunne eieren met zand 
bedekken en de uitbroeding bij dag overlaten aan de warmte 
der zon. De kuikens zijn met dons bedekt; van af hun geboorte 
kunnen ze reeds overal rondloopen. 

De meeste O. nestelen in de hoog noordelijke streken, En 
zoo sterk is de indruk door omgeving en omstandigheden 
gemaakt op het brein dezer trekvogels, dat, al moge de koude 
alle tijdelijk verdrijven, ze toch regelmatig met de warmte 
terugkeeren. Het lijdt dan ook aan geen twijfel, dat de oor- 
sprong van O. in het Noorden moet gezocht worden. Van 
daar geraakten de soorten, tengevolge van de gradueele 
afkoeling der polen, over de geheele wereld verspreid. 

Maar al drijft de koude al deze trekvogels zonder uitzon- 
dering uit hunne broedplaatsen zuidwaarts, niet alle, die bij 
machte zijn, keeren er evenwel terug. Integendeel schijnt het 
instinct bij vele individuen verbasterd. In de kolonie komen 
deze achterblijvers, min of meer talrijk, het geheele jaar door 
voor, maar voor zoover ik kan oordeelen, zijn hunne voort- 
plantingsorganen gedurende dien tijd (Juni tot Augustus) niet 
ontwikkeld. Ik onderzocht in 1 905 talrijke individuen van ver- 
schillende species en bij alle waren de teeldeelen klein. Het 
vederkleed van enkele was min of meer tusschen dat van 
zomer en winter in, maar de meeste droegen gedurende Mei, 
Juni en Juli nog het wintervederkleed. Daaruit moet men dus 
besluiten dat die achterblijvers, meestal wijfjes, geen broedsel 
dat jaar voortbrachten. 



OEVERVOCtELS. 



237 



Alle mij bekende jagers en visschers van beroep verzekeren, 
dat er ten allen tijde Snippen langs onze kusten te vinden zijn. 
Mij werden gedurende den zomer van 1905 groote hoeveel- 
heden gebracht, hoewel de jagers verklaarden dat de troepen 
veel kleiner waren als tijdens het groote droge seizoen. Geen 
had echter ooit een snippennest gezien. Toch maakt Schom- 
burgck melding omtrent het broeden van CJiaradrius dominiciis 
op de zandbanken langs de kust van Eng. Guiana. En dit geeft 
ons eenigszins een denkbeeld van den oorsprong onzer inheem- 
sche, alsmede andere tropische, niet-immigreerende Liniicola-. 

In de kolonie staan alle O. bekend als Snippi naga Plevieri 
soortoe, d. w. z. Snippen en Pleviersoorten. De kleinste specie 
heet Josie-josi, bij de Aro wakken Dolieja of wel Eiliber-dolieja, 
d. w. z. Zeekant-snippen, en, bij de Caraïben Toewie-toewie. 

„Tot de Limicolse worden gerekend 13 familiën, waarvan 7 
in de Guiana's vertegenwoordigd zijn. Het aantal bekende 
fossielsoorten bedraagt ongeveer 20. 

Faviilic)i. 

A. Tarsus meer dan tweemaal de lengte v. d. middenteen en klauw ; onbe- 
vederd gedeelte v. d. dij veel langer dan de middenteen en klauw ; tarsus meer 
dan 9 C.M. 

.... RECURVIROSTRID^. 

B. Tarsus minder dan tweemaal de lengte v. d. middenteen en klauw ; onbe- 
vederd gedeelte v. d. dij korter dan de middenteen en klauw ; tarsus minder 
dan 9 C.M. 

a. Zijden der teenen met lobben ; tarsus zeer sterk zijdelings samengedrukt. 

PHALAROPODID^. 

b. Zijden der teenen zonder lobben ; tarsus in den regel niet sterk 
zijdelings samengedrukt. 

* „Teenen vier in aantal, uitgezonderd het geslacht Calidris ; 
voorgedeelte v. d. tarsus met overdwarse, min of meer vierkante 
schildjes; snavel slank met min of meer rondachtigen, stompen tip. 

SCOLOPACID^. 

„Als voren ; snavel krachtig ; geheele onderrug wit met een 
zwarten band over de stuit. 

APHRIZID.ii:. 



238 recurvirostrid.ï:. 

* „Teenen drie in aantal, uitgezonderd Charadrius sqiiaiarola; 
voorgedeelte v. d. tarsiis met kleine, rondachtige schildjes; snavel 
minder dan 5 c.M., korter dan de tarsus, niet zijdelings samen- 
gedrnkt, maar het voorgedeelte v. d. culmen min of meer duide- 
lijk gebogen. 

charadriid^ï:. 

„Als voren; snavel over 5 c.M., langer dan de tarsus, zijdelings 
samengedrukt aan het endgedeelte, maar de culmen niet gebogen. 

.... h^matopodidyï:. 

„Ongeveer als Charadriida-, maar de mondhoeken tot onder de 
oogen gespleten. 

(EDICNEMID^. 



Familie der RECURVIROSTRID^. 

KLUITEN. 

„Tot deze familie worden gerekend ongeveer 1 1 soorten, 
die alle in de gematigde en warme streken te huis behooren. 
Slechts een specie komt in de Guiana's voor, en wel als trek- 
vogel gedurende de eerste en laatste maanden van het jaar. 

Kluiten, eng. Avocets and Stilts, fr. Avocettes, zijn eigen- 
aardige vogels met uiterst lange, dunne pooten en lange, dunne 
snavels. Bij onze soort is de snavel eenigszins naar boven 
gebogen, maar bij de noordelijke Rcciirvirostra sterk opwaarts 
gekromd. 

Species. 

HIMANTOPUS, BRISS. 

H. mexicanus, Müll. = H. nigricollis, Cab. in Schomb. 
Reis. = id., Sc/ilegal, Mus. P. B. 

(ƒ. Een witte plek boven en een onder de oogen ; voorkop, voornek, onderrug, 
stuit en ond.d. wit; staart grijsachtig; overig vederkleed glanzend, groenachtig 



HIMANTOPUS. 



239 



zwart; iris karmozijnrood; pooten rooskleurig ; snavel zwart. O. Ongeveer hetzelfde, 
maar de rug- en schoudervederen bruinachtig leikleurig; overig vederkleed doffer 
van tint. Jong. Ongeveer als het wijfje, maar de kop en nek min of meer met 
wit geteekend; rug- en schoudervederen met witachtige randen. Jong in dons. 
Bov.d. licht taanachtig grijs met zwartachtige vlekken; rug en stuit met verschei- 
dene groote, zwarte vlekken; kop, nek en ond.d. geelachtig wit; bovenkop en 
achternek grijsachtig ; een zwarte lijn aan de kruin ; achterkop met verscheidene 
7.wartachtige vlekken. L. 37, vl. 22, tars. 10, culm. 6. Geogr. dist, Zom. Gema- 
tigd N. -Amerika. Wint. Noordelijk Z. -Amerika tot N. Brazilië. Lok. dist. De 
lagere streken. 

„Zwartnek Kluiten, eng. Blacknecked Stilts, fr. Avocettes 
a nuque noirc, hebben geen achterteenen, noch vHezen tusschen 
de binnen- en middenteenen. De uiter.st lange, dunne pooten 
gelijken veel op stokken. Inderdaad, als de vogel staat, schijnen 
die rechte pooten kunstmatig aan het lichaam bevestigd. Rust 
hij op een poot, dan verdwijnt de andere opgetrokken poot, 
ondanks zijne lengte, geheel tusschen de bonst en buikvederen. 
De vogel schijnt dan eenpootig, maar behoudt toch in die 
houding zijn balans, ondanks het gemis van achterteenen. En 
dat zelfs op drogen grond, hetgeen zeer merkwaardig is, in 
aanmerking genomen dat de even langpootige Phoenicopteri, 
zelfs al staan ze op twee pooten, er bijna niet toe in staat zijn. 

„Vooral gedurende den trek, leven Z. K. bij troepen. In de 
kolonie staan ze bekend als Langafoetoe Krombekki, d. w. z. 
Langpoot Krombekken en bij de Indianen als Sjalielolia. 

Het geheele jaar door treft men Z. K. aan, maar vooral 
tegen het begin van den grooten drogen tijd. Sierlijk rond- 
loopende, worden ze dan meestal bij paren w^aargenomen, die 
met heen en weder zwaaiende snavels, al wadend door het 
water, hun voedsel vergaren, vooral in de zoutwaterpans langs 
de zeekust. In geval van nood kunnen ze ook zeer goed zw^emmen. 

H, M. broedt gedurende den zomer, in gematigd N.-Amerika. 
De vogels vereenigen zich dan tot min of meer groote vluchten 
en bouwen hunne nesten dikwijls dicht bij elkander, gewoonlijk 
in de nabijheid van water. Die nesten bestaan slechts uit een 
weinig gras enz. in een kleine uitholling in den grond. 

De 3 of 4 eieren zijn peervormig, licht glanzend of ten 
naastenbij glansloos. De grondkleur varieert van af geelachtig 



2,o PHALAROPODID^. 

olijf- tot kleikleurig, min of meer regelmatig overdekt met 
chocoladebruine, zwarte en purpergrijze vlekken. M. A/'m. 
43 X31 m.M. 

N.B. Meer zuidwaarts komt nog eene andere soort voor. nl. ƒ/. brasiliensis, Biehm. 
kenbaar vooral aan een witten band aan den achternek. ^Misschien wordt doze specie 
ook in de Guiana's aangetroffen. 



Familie der PHALAROPODID.^E. 

ZEESNIPPEN. 

„De 3 soorten Zeesnippen of Phalaropen, eng. Phalaropes, 
fr. Phalaropes, worden alle tot de fauna van Amerika gere- 
kend. Een soort komt er uitsluitend voor, terwijl de twee 
overigen tevens verspreid zijn over het Noorden van het 
noordelijk Halfrond, waar zich ook hunne broedplaatsen be- 
vinden. Geen der species is met zekerheid uit de Guiana's 
bekend, hoewel haar zuidwaartsche trek zich tot Brazilië en 
Patagonie uitstrekt. 

Z. zijn eigenaardige vogels, die, evenals de Flamingo's, zoo- 
wat tusschen Zwemvogels en Steltloopers instaan, in lichaams- 
vorm min of meer op kleine snippen gelijken, maar tevens 
gelobde teenen bezitten, evenals Duikers. Tevens zijn de vederen 
aan de onderdeelen van het tamelijk platte lichaam dicht op 
elkander, als bij Eenden. 

Door hare gelobde teenen zwemmen Z. met het meeste gemak, 
rusten ook meermalen ver in zee op de baren, en worden 
alleen door storm naar het land teruggedreven. Daar het aan 
onze kust zelden stormt, is dit misschien de reden, waarom Z. 
onze stranden niet naderen. 

Gedurende den trek leven Z, bij troepen. In tegenstelHng 
met de bijna algemeene wet onder vogels, verschillen de wijfjes 
opmerkelijk van de mannetjes. En dat zoowel door eene 
grootere afmeting als door eene helderder kleuring. Tevens 
bemoeien ze zich niet met de uitbroeding der eieren en het 
grootbrengen der jongen, die eenigszins van de ouden ver- 



PHALAROPODIDiE. 



241 



schillen. Toch kan niet gezegd worden dat bij hen de volgende 
versregels van Gats gelden : 

„Waar het haantje zwijgt 

En het hennetje kraait, 
Daar is de boel 

Geheel verdraaid." 

Z. nestelen op den grond. Het nest bestaat uit een weinig 
mos en gras in eene kleine uitholling. De 3 of 4 eieren zijn 
opmerkelijk peervormig met een lichten glans. De grondkleur 
varieert van af geel-olijf- tot geelachtig bruin, min of meer 
donker gevlekt met zwartachtig bruin, chocoladebruin en 
purpergrijs. 

Genera, 

A. Snavel breed, plat en eenigszins verwijd aan het endgedeelte; neusgaten 
gescheiden v. d. vederen der lora door eene ruimte, gelijk aan de hoogte v. d. 
bovensnavel nabij de basis. 

.... CRYMOPHILUS, VIEILL. 

B. .Snavel slank, bijna cylindrisch, niet merkbaar verwijd aan het endgedeelte ; 
neusgaten gescheiden v. d. vederen der lora door eene ruimte, gelijk aan veel minder 
dan de hoogte v. d. bovensnavel nabij de basis. 

„Vlies tusschen de buiten- en midden teenen reikende tot aan 
ol" voorbij het tweede gelid v. d. middenteen; zijvliezen van al de 
teenen breed en duidelijk ingesneden. 

PHALAROPUS, BRISS. 

„Vlies tusschen de buiten- en middenteenea reikende tot aan, 
maar niet voorbij het tweede gelid v. d. middenteen ; zijvliezen 
aan de teenen smal en niet duidelijk ingesneden. 

STEGANOPUS, VIEILL. 



Species. 

Crymophilus fulicarius, L. = Le Phalarope rouge. = Lc 
Phalarope a festons dentilles, Buff. = Phalaropus fulicarius, 
Schlegal, Mus. P. B. 

Geogr. dist. Zom. Noorden v. h. noordelijk Halfrond, Wint. Zuidelijke oceanen. 

16 



242 



SCOLOPACID/E. 



Phalaropus lobatus, Briss. = Lc Phalarope eendre, Buff. 

= Lc PJialaropc de Siberië, Dmib. = P. hyperboreiis, ScJilegal, 
Mus. P. B. 

Gcogr. dist. Zont. Noorden v. h. noordelijk Halfrond. Jl'/z/f. Zuidelijke oceanen. 

Steganopus tricolor, Vieill. = PJialaropus ivilsonii, Schlc- 
gal. Mus. P. B. 

Geo"-r. dist. Zom. Gematigd N. -Amerika. Wint Z. -Amerika. 



Familie der SCOLOPACID^. 

SNIPPEN. 

„Tot de familie der Snippen, eng. Snipes, fr. Bécasses, 
worden gerekend ongev^eer 100 soorten. Hare geographische ver- 
breiding omvat de geheele Wereld, maar gedurende het broed- 
seizoen komen de meeste species uitsluitend voor in het noordelijk 
deel van het noordelijk Halfrond. Tot de fauna der Guiana's 
behooren 24 soorten, gerangschikt onder 14 genera en 3 sub- 
familiën. Slechts 3 species zijn standvogels. 

S." kenmerken zich door lange, slanke, sensitieve snavels, 
die evengoed dienen om te grijpen als om in de zachte 
modder te voelen of te graven. Sommige soorten zijn in staat 
den bovensnavel onafhankelijk van den ondersnavel te bewegen 
en, evenals een vinger, om hare prooi te krullen. De oogen 
bevinden zich hoog en min of meer naar achteren van den kop. 
Verder hebben S. nog lange vleugels, tamelijk lange pooten, 
gewoonlijk vier teenen, middelbaar lange halzen, moderate 
koppen, alsmede korte staarten. 

Over het algemeen bewonen S. meer de zeekusten dan de 
binnenlandsche wateren. Hun wintertrek geschiedt steeds troeps- 
gewijze. Alle broeden echter bij paren en nimmer in koloniën. 
Haar vlucht is krachtig, maar eenigszins zigzagsgewijze en 
onregelmatig. Vlug loopende over de zachte modder, bewe- 
gen ze hare lichaampjes op eigenaardige wijze op en neder 



SCOLOPACID^. 



243 



of rennen langs den opkomenden vloed, behendig de zware 
golven vermijdende, maar verspreiden zich bij hoog getij overal 
en zitten dan dicht naast elkander op boomstronken, takken 
of wel op de gedeelten van het strand, waar alleen de spring- 
vloed reikt. 

Elke jager weet te vertellen hoe moeielijk, bijna onmogelijk 
het is. S. op de modder of in stoppelvelden enz. te onder- 
scheiden. De vogels weten dit ook wel en vliegen slechts in 
uitersten nood op. Schuw kan men ze dan ook niet noemen, 
maar wel uiterst onrustig. Zoo gebeurt het dikwijls, dat onder 
het voeden, een geheele troep, zonder zichtbare reden, met een 
luid „krie krie" opvliegt, een wijden cirkel beschrijft om weder 
naar de vorige standplaats terug te keeren. Dikwijls verlaten 
ze ook die voedingsgronden om mijlen van daar andere, minder 
geschikte, op te zoeken. 

S. zijn geen zangvogels, doch brengen dikwijls zeer eigen- 
aardige geluiden voort. Evenals vele, in troepen levende vogels, 
schijnen ze elkander te verstaan en kunnen dan ook heel 
gemakkelijk door nabootsing van haar lokroep tot dicht in de 
nabijheid van den jager gelokt worden. Haar vleesch heeft 
evenwel geen waarde in onze kolonie, omdat het aan de zee- 
kust krioelt van grooter wild. Toch smaakt het zeer goed en 
liefhebbers houden van snippenbeenderen, die evenals glas 
tusschen de tanden kraken. Maar het vleesch bederft in dit 
warme klimaat zeer spoedig; gedurende den drogen tijd wel 
binnen de zes uren. 

Suhfamiliën. 

A. Achtergedeelte v. d. tarsus met een rij overdwarse scutellïe. 

„Ooren vlak onder de oogen; uiteinde v. d. bovensnavel verdikt, 
de snijranden nabij elkander; vederkleed ten allen tijde hetzelfde. 

.... SCOLOPACINCE. 

„Ooren achter de oogen; uiteinde v. d. bovensnavel dun, de 
snijranden ver uit elkander. Zomer en wintervederkleed zeer ver- 
schillend. Jong anders gekleurd dan ad. 



TRINGINCE. 



244 



SCOLOPACID^. 



B. Aclitergcdeelte v. d. tarsus met kleine, hexagooale scutellre ; snavel opmer- 
kelijk gebogen ; vleugel 20 c.M. of meer. 

.... NUMENINCE. 



Subfam. der SCOLOPACINCE. 

EIGENLIJKE SNIPPEN. 
Genera. 

A. „Snavel veel langer dan de kop. 

.... GALLINAGO, LEACH. 

B. „Snavel slechts weinig langer aan de kop. 

ROSTRATULA, V. 



Species 
GALLINAGO, LEACH. 

G. delicata, Ord. = G. wilso7ii, Schlegal, Mus. P. B. 

Ad. Bov.d. zwart, de vederen dwars gestreept, omzoomd en gevlekt met ver- 
schillende geelachtige tinten; vleugels zwartachtig; buitenrand v. d. buitenste 
slagpen v. d. isten rang en tippen der grootere vl.dekv. wit; keel wit; nek en 
borst okerachtig geel met onduidelijke, zwartachtige strepen; buik wit; dekv. ond. 
d. vl., okselvederen en zijden wit met talrijke leikleurige dwarsstrepen ; dekv. ond. 
d. st. geelachtig met zwarte dwarsstrepen ; buitenste staartp. dwars gestreept zwart 
eu wit; binnenste staartp. zwart met roodbruine dwarsstrepen nabij de enden, de 
tippen echter witachtig; bovenkop met een geelachtige lijn in het midden; snavel 
zwartachtig; pooten zwartachtig. L. 28, vl. 12.5, tars. 3, culm. 6.5. Geogr. dist. 
Geheel Noord- en Midden- Amerika, de West-Ind. Eil. en noordelijk Z. -Amerika. 
Lok. dist. De lagere streken. 

„Wilson's Snip, eng. Wilson's Snipe, fr. Bécassine de Wilson, 
behoort in de kolonie tot de toevallig aanwezige soorten. 
Overstroomde savannes, graslanden en zoetwaterzwampen 



CtALLINAGO. 245 



■vormen de meest bezochte voedingsgronden van W. S. Op 
de open modderbanken ziet men ze alleen des nachts. Ook 
de trek geschiedt des nachts of bij donker weder, en door- 
gaans in troepjes van 3 tot 12 individuen, die snel van de 
eene naar de andere plaats trekken. Opgejaagd, springen alle 
fluks op en vliegen zigzagsgewijze, gewoonlijk tegen den wind 
in, snel weg. Haar alarmkreet klinkt dan als een herhaald 

„escape escape". 

Gedurende de morgen- of avondschemering, bij maneschijn, 
ja zelfs bij donker weder, stijgen W. S. tot eene aanmerkelijke 
hoogte boven de velden, om dan met een vaart naar omlaag 
te schieten, vergezeld van een doordringend, trillend gelmd, 
dat op een' afstand khnkt als het blaten eener geit; naar men 
veronderstelt, wordt het voortgebracht door de lucht die tus- 
schen de slag- en staartpennen schiet. Voor uren vermaken 
de vogels zich op deze wijze; en dat gewoonlijk in het voor- 
jaar, maar ook menigmalen tijdens den herfst. Nog een ander 
geluid van vocalen aard, wordt menigmaal gehoord; het 
klinkt 'ongeveer als „kuk kuk kup". De vogel vhegt dan met 
kennelijke moeite laag bij den grond, waarna hij op een boom 
of zoo iets uitrust. (Brewster). 

G. D. broedt gedurende de zomermaanden, van af het Noorden 
der Vereenigde Staten noordwaarts. Het wijfje legt 3 of 4 
peervormige, tamelijk glanzende eieren, die in kleur varieeren 
van af grijsachtig olijf- tot groenachtig bruin en vooral om 
het stompe end zwaar bevlekt zijn met roodbruin, amberbrmn, 
zwart en purpergrijs. M. A/m. 39 X 27-5 m.M. 

G. frenata. 111. = id., Schlegal, Mus. P. B. = Scohpax f. 
Cab. in Schoiub. Reis. 

Ad Ongeveer als de voorgaande soort, met een lichte streep aan de kruin en 
,6 rectrices, maar kenbaar doordat de eerste of buitenste slagp v. d. aden rang, 
opmerkelijk langer zijn dan de dekv. der eerste slagp.; staartp. smaller. L. 25, 
vl. 12, st. 5. tars. 3.3, culm. 7. De wijfjes zijn iets grooter. Geogr.drst. Z.-Amenka. 
Lok. dist. Vooral de lagere streken. 

„In tegenstehing met de voorgaande soort zijn Grassnippen, 
eng. S. Am. Snipes, fr. Bécassines de Cayenne, geen trekvogels, 




246 SCOLOPACID.^. 

hoewel haar aantal, vooral gedurende het kleine droge seizoen, 
groot er is dan op andere tijden. 

Bij voorkeur bewonen G. weilanden of open velden en 
slechts zelden de oevers van stroomen, rivieren of open mod- 
derbanken. Haar voedsel van wormpjes, insecten enz. vergaren 
ze door met haar langen, beweeglijken snavel den drassigen 
bodem te bevoelen. En dat zoowel 
bij dag als des nachts. 

G. leven over het algemeen 
evenzeer bij paren of eenzaam als 
bij troepjes, en staan hier bekend 
als Grassiesnippi, d. w. z. Gras- 

Kop van Gal/inago ffCiiata. 

snippen of ook wel Fleimoesoe- 

snippi (Vleermuizensnippen) en bij de Indianen als Lawlia. 
Haar vleesch smaakt zeer goed, zoodat er nogal jacht op 
gemaakt wordt, die echter alleen aan geoefenden kans op 
succes biedt. Want de Grassnip is zeer schuw en haar vlucht 
kort en onregelmatig. 

Wil men op jacht gaan, dan is vroeg opstaan de boodschap, 
wijl gedurende de hitte bij dag, de vogels zich verschuilen 
en niet opvliegen. Bij het grasveld genaderd, bemerken wij 
niets. Wij loopen evenwel een paar stappen door het natte gras 
en daar klinkt een luid „kwiet kwiet". Vlak voor onze voeten 
vHegt een vogel op, die met onregelmatige, zigzagsche vlucht 
een eindje verder trekt en dan weder tusschen het gras neder- 
daalt. Wij hebben geen tijd gehad om te schieten en loopen 
door. Daar is er weer een. „Pang" klinkt het schot, maar tien 
tegen een . . , het heeft niet geraakt. Zoo gaat het voort tot 
wij ten laatste, vermoeid van het misschieten, naar minder 
moeielijken buit beginnen om te zien. 

De jacht behoort tot de meest interessante, want elke spier 
van het lichaam is dan in werking. Het oog tracht de diepten 
van het grasveld te doorboren, terwijl het oor elk gerucht 
opvangt. Met aangelegd geweer loopt de jager rond. Een 
halve seconde wijfeling en het schot is mis. 

G. zijn zeer onregelmatig in de keuze harer voedings- 
gronden. Het grasveld, waar ze heden krioelen, is morgen 



GALLINAGO. 



!47 



geheel verlaten. Richt echter den blik naar gindsch stoppelveld. 
In den beginne valt er niets te zien. Daar trekt echter een 
beweeglijk voorwerp de aandacht . . . inderdaad er loopen tal- 
rijke vogels heen en weder, die opgeschrikt, als op commando 
een wijden cirkel beschrijven, om dan weder naar hun vorige 
standplaats terug te keeren. en onmiddellijk met voedsel zoeken 
voort te gaan. 

Op maneschijnavonden. gedurende de avond- of morgen- 
schemering, dikwijls ook bij donker weder, stijgen G. de lucht 
in om zich dan met een vaart naar omlaag te laten vallen, 
maar alvorens den grond te raken, den val door krachtige, 
flappende vleugelslagen te onderbreken. In schuine richting 
vliegt de vogel dan naar omlaag of naar een boom in de 
nabijheid. De nederdaling gaat tevens vergezeld van een eigen- 
aardig trillend „frrr", dat tengevolge der smallere staartpennen 
anders zou klinken als het geluid, voortgebracht door de 
noordelijke G. delicata. Beide seksen voeren dikwijls voor uren 
lang het kunstje uit, vooral gedurende het broedseizoen. Dit is 
dan ook de reden, waarom ze in de kolonie als Vleermuizen- 
snippen bekend staan. 

G. F. broedt gedurende het droge seizoen. De 2 of 3 eieren 
zijn tamelijk glanzend peervormig. De grondkleur varieert van 
af olijfachtig geel tot olijfachtig geelbruin, donker bevlekt, 
vooral om het stompe end, met donkerbruin, geelbruin, zwart 
en lilagrijs. AI. Afm. 39 X 28 m.M, 

Beide seksen zouden broeden. 

„Niettegenstaande G. zeer talrijk in Suriname voorkomen, zijn 
hare eieren bijna onverkrijgbaar ; en dat denkelijk door de hoogst 
protectieve kleur der schalen. Want al vliegt een broedende 
vogel uit het gras op, tien tegen een, dat men wel den geheelen 
dag kan zoeken, zonder het nest te ontdekken. 

G. paraguae, V. = id., Schlegal, Mus. P. B. 

Ad. Ongeveer als de voorgaande species, maar eenigszins kleiner; snavel 6 c.M. 
Geogr. dist. Z. -Amerika en de Falkland's Eil. Lok. dist. Vooral de lagere streken. 

„Evenals E. Hartert en Graaf v. Berlepsch, gelooft schrijver 



!48 



scolopacid.ï;. 



dat G. paragucr en G. frenata tot een en dezelfde soort 
bchooren. Ten minste, vogels met snavels varieerend in lenjsftc 
tusschen 6 en 7 c.M.. zijn in Suriname volstrekt niet zeldzaam. 
Het schijnt dat de lengte der snavels en van de overige 
afmetingen afhangt van den ouderdom van het individu. 
Verder dient niet vergeten, dat de wijfjes iets grooter zijn dan 
de mannetjes. 

Indien echter de Kleinere Grassnip tot een afzonderlijke 
soort behoort, dan komt zij in levenswijze geheel overeen met 
die der voorgaande specie G. frenata. Onder dezen naam iden- 
tifieerde ook Schlegal de exemplaren in het Museum te Leiden, 
hoewel hij G. paragua ook als soort erkent, die evenwel niet 
in de Guiana's voorkomt. Maar individuen op dezelfde plaatsen 
gecollecteerd en naar Engeland gezonden, dragen den naam 
G. paragucE. ') 

G. undulata, Bodd. = Bécassc des savannes, Bnff. = 
Bc'cassi'ne des Savannes de Cayenne, Daub. = Scolopax pahi- 
dosa, Cab. in Schomb. Reis. = G. pahtdosa, Schlegal, Altts. P. B. 

Ad. Ongeveer als G. delicata, met eene lichte streep aan de kruin; onderriig, 
sluit, dekv. bov. d. st., dekv. en slagp. v. d. 2den rang met duidelijke zwarte 
dwarsslrepen ; slagp. met min of meer perfecte, smalle, geelachtige dwarsstrepen, 
die echter aan de slagp. v. d. a^len rang zich zeer duidelijk voordoen. L. 35, vl. 16.3. 
st. 5, tars. 4.3, culm. 10. 3. Geogr. dist. De Guiana's. Lok. dist. De streek der 
savannes. 

„Groote Grassnippen, eng. Great Snipes, fr. Bécassines des 
savannes, zijn grooter, maar komen in levenswijze geheel met 
de voorgaande specie overeen. Evenzoo behooren ze tot onze 
standvogels, die evenwel minder in den omtrek van bewoonde 
plaatsen waargenomen worden, dan wel op de droge savannes 
van het binnenland. En dat meestal paarsgewijze of eenzaam, 
zelden in troepjes. 

In de kolonie staan G. G. bekend als Biegi Sabanasnippi 
of Biegi Vleimoesoesnippi, d. w. z. Groote Savanne- of 
Vleermuizensnippen, en bij de Indianen als Walasa. 



'} Coll. Mus. Leyden, Tom. V, Scolopaces pag. 9 — 1 1 . 



ROSTRATULA. 



!49 



Volgens Schomburgck, nestelt G. U. op den grond. Het 
wij^e legt 2 eieren, die wat grooter zijn dan, maar overigens 
niet afwijken van andere Grassnippeneieren. 



ROSTRATULA, V. 
R. semicollaris, V. = Rhynchaca s., Schlegal, Mus. P. B. 

Ad. Bov.d. over het algemeen grijsachtig bruinzwart, ongevlekt aan den achternek, 
maar overigens gevlekt met grijszwart en witachtig; binnenste slagp. en schouder- 
vederen met bronsachtig roodbruin en oranjebruin, een breede streep aan elke zijde 
v. d. rug vormende; onderrug en stuit aardachtig bruin met onduidelijke, zwart- 
achtige dwarsstrepen, die achter aan de eenigszins okerkleurig getinte dekv. bov. 
d. st. duidelijker te zien zijn; vl.dekv. zwartachtig bruin met geelachtige zoomen; 
middelste en grootere met ovale, witte vlekken ; huimpje, dekv. der eerste slagp. 
en slagp. zwartachtig met ronde, witte vlekken aan de buitenvlag en witte dwars- 
strepen aan de binnenvlag der vederen ; al de slagp. met witte zoomen aan de 
uiteinden; staartp. licht geelachtig met smalle, zwartachtige dwarsstrepen; een 
breede zwarte band aan elke zijde der kruin eu met eene okergele streep in het 
midden; wenkbrauwen smal en wit; kopzijden, keel, nek en borstzijden grijsachtig 
zwartbruin ; een groote, witte vlek aan elk der borstzijden ; middenborst en buik 
wit; zijden zandachtig geelachtig met eenige zwartachtige vlekken ; dekv. ond. d. st. 
zandachtig geelachtig; okselvederen en dekv. ond. d. vl. wit, laatstgenoemden met 
een paar zwarte vlekjes of dwarsstrepen; slagp. zwartachtig, van onder met witte 
dwarsstrepen. Jottg. Als ad., maar lichter bruin van tint ; vederen der keel met 
witte randen; vlekken aan de vl.dekv. geelachtig in plaats van wit. L. 14, vl. 10, 
st. 4.6, tars. 3.5, culm. 3.9. De wijfjes zijn over het algemeen een weinig grooter. 
Geogr. dist. Z. -Amerika. Lok. dist. De lagere streken. 

„Bij de Kortsnavel-Grassnip, eng. S. Am. Painted Snipe, 
fr. Bécassine a bec court. is de snavel slechts een weinig langer 
dan de kop en van voren eenigszins naar beneden gebogen. 

K. G. behooren tot de zeldzaamste onzer inheemsche soorten, 
maar verschillen in levenswijze niet van de andere Grassnippen. 

R. S. broedt, voor zoover ik kan oordeelen, niet in de kolonie. 
Eieren gecollecteerd in Chili gedurende November, worden 
beschreven als licht gemskleurig, geheel overdekt met donker- 
bruine, ineenvloeiende vlekken, strepen enz. A/m. 34 — 35.5 X 
24-24.5 m.M. ') 



') Cat.' of Bird's Eggs in Br. Mus. Vol. II, pag. 69. 



250 SCOLOPACID^. 

Subfam. der TRYNGINCE. 

ZANDSNIPPEN. 

Ge7iera. 

A. Achterteen niet ontbrekend. 

a. Geen vlies tusschen de voorteenen. 

„Culmen langer dan de midden teen en klauw, uitgezonderd 
enkele malen bij Tringa tnacidota ; binnenvlag der slagp. en dekv. 
ond. d. eerste slagp. zonder vlekken. 

TRINGA, L. 

,,Culmen korter dan de middenteen en klauw; binnenvlag der 
slagp. en dekv. ond. d. eerste slagp. zeer mooi gevlekt. 

TRYNGITES, CAB. 

b. Middenteen met een vlies dat bij de basis verbonden is aan een of beide 
der andere teenen. 

1. Staart meer dan half der lengte v. d. vleugel en trapsgewijze 
gerangschikt voor ongeveer de lengte v. d. culmen. 

.... BARTRAMIA, LESS. 

2. Staart niet meer dan half der lengte v. d. vleugel en trapsgewijze 
gerangschikt voor nimmer meer dan half der lengte v. d. culmen. 

* Staart langer dan de snavel. 
§ Vleugel minder dan 10 c.M. 

„Voorteenen met vliezen aan de basis. 

ERENEUTES, ILL. 

vij Vleugel langer dan 10 c.M. 

1 „Tip v. d. snavel smal, hard en glad van boven. 
„Vleugel korter dan 11.3 c.M. 

ACTITES, BOIE. 

„Vleugel langer dan 11.3 c.M.; okselvederen grijsachtig of 
grijsachtig zwartbruin. 

SYMPHEMIA, RAE. 

„Als voren; okselvederen wit of dwars gestreept met wit en 
zwarlaclitig grijsbruin. 

TOTANUS, BECHST. 



TRINGA. 251 

y Tip V. d. snavel verwijd en van boven gegroefd of gerimpeld. 

MICROPALAMA, BAIRD. 

Staart korter dan de snavel. 

„Endgedeelte van onder- en bovensnavel gegroefd en gerimpeld ; 
vleugel korter dan 17.5 c.M. 

. . . MACRORHAMPHUS, LEACH. 

„Endgedeelte van onder- en bovensnavel geheel hard en glad ; 
vleugel langer dan 17.5 c.M. 

LIMOSA, BRISS. 



B. Geen achterteen. 



CALIDRIS, CUVIER. 



Species. 

TRINGA, L. 

- T. canutus, L. = id., Cab. in ScJiomb. Reis. = id., Sclilcgal. 
Mus. P. B. = La Maubcchc tachetée. = La Maubcchc grise, 
Biiff. et Daub. = La Maitbèche commune, Buff'. = La Canut, 
Bu/f. 

Ad. Zoiii. ved.kl. Bov.d. lengtsgewijze en dwars gestreept met zwart, wit en 
roodbruin ; staart aschgrijs met smalle, witachtige zoomen ; ond.d. dof roodbruin of 
kaneelkleurig ; onderbuik wit of witachtig ; flanken met enkele zwarte dwarsstrepen ; 
snavel en pooten zwart. Volgens G. A. Mackay dragen de vogels eerst na vier 
jaren het volkomen vederkleed. *) Wint. ved.kl. Bov.d. aschkleurig, de vederen 
met onduidelijke, donkerder schachtstrepen ; stuit en dekv. bov. d. st. wit met 
zwartachtige dwarsstrepen; ond.d. wit; keel tot borstzijden en flanken met zwart- 
achtige strepen. Jong. Bov.d. aschgrijs, elke veder met witachtige zoomen en 
zwartachtige randjes ; ond.d. witachtig, met eene min of meer geelachtige tint aan 
de borst; nek en borstzijden met zwartachtige strepen en vlekken; flanken met 
onduidelijke, zwartachtige dwarsstrepen en vlekken ; overigens als ad. Jong in dons. 
Voorkop helder geelachtig met een zwarte middenlijn en twee lijnen over de oogen ; 
bovenkop van af het midden zwart met min of meer roodbruine en geelachtige 
vlekken; achternek roomgeel en zwartachtig; bov.d. zwart en roodachtig bruin met 



') Auk. X, 1893, pag. 2- 



'■52 



scolopacid.iï;. 



geelachtig witte vlekken ; ond.d. min of meer geelachtig getint (Dresser). L. 26, 
vl. 16.5, tars. 4, culm. 4.3. Gcogr. dist. Zoiii. Het hooge Noorden. Wint. Bijna 
overal. Lok. dist. De zeekust. 

„Grijze Snippen, eng. Knots, (xray Snipes or Robin Snipes, 
fr. Canuts, hebben dunne snavels. In de kolonie komen ze 
zeldzaam en nogal onregelmatig voor, maar dan gewoonlijk 
in groote vluchten. Haar trek strekt zich uit tot voorbij Kaap 
Hoorn. 

In N.- Amerika bewonen G. vS. niet alleen de zeekusten, 
maar ook de oevers van meren, rivieren enz. Onder het vliegen 
rangschikken de individuen van een vlucht zich dicht naast 
elkander; vandaar denkelijk de naam „Knot", die knoop 
beteekent. Met één schot kan men dan ook dikwijls een 
geheelen troep dooden. 

Evenals ware Snippen, bevoelen G. S. onder het voeden 
den zachten bodem. Haar geluid wordt door G. H. Mackay 
beschreven als een klinkend „wah-quoit" en kort „konk" '). 

T. C. broedt in het hooge Noorden. Een authentiek ei door 
Gen. .Greely nabij Fort Coryer gecollecteerd, wordt beschreven 
als lichtgroen met talrijke bruine, als speldenprikken kleine 
vlekken. Afm. 38 X 2,5 m.M. -) 

T. maculata, Vieill. = id.. SchUgal, Mus. P. B. = Hetero- 
pygia i'i. Ca f. B. Br. Mus. 

Ad. ZoDi.vedkl. Bov.d. zwart, de vederen met breede, okergele zoomen ; stuiten 
dekv. hov. d. st. zwart met okergele tipjes ; middelste staartp. langer dan de 
overige en tevens spits en met geelachtige zoomen; buitenste staartp. bruinachtig 
grijs met smalle, witte zoomen ; keel wit ; nek en borst met duidelijke, geelachtige 
en zwarte strepen; overige ond.d. wit. Wint.ved.kl. Ongeveer hetzelfde, maar met 
roodbruin in plaats van okergeel aan de bov.d. ; borst geelachtig getint. Jong. Als 
ad. in het zomerved.kl. maar de bov.d. met roestbruin gevarieerd ; witte tippen 
aan een gedeelte der schoudervederen en geelachtiger borstzijden enz. met smaller 
strepen. L. 22.6, vl. 13.5, tars. 2.;, culm. 2.8. Geogr. dist. Zotn. Het Noorden 
van N.-Amerika. Wint. C'entr. en Z.. Amerika; ook waargenomen in Europa. 
Lok. dist. De kustzoom. 



') Auk. X, 1893, pag. 25—35. 
^) Auk. II, pag. 313. 



TRINGA. 253 

„Kriekers, eng. Pectoral Sandpipers, verschillen van de twee 
volgende soorten door grooter afmetingen, zwarte in plaats van 
witte of zwartachtige dekv. bov. d. st., alsmede langer, spitser 
uitloopende middelste rectrices. 

Evenals gewone Grassnippen, bewonen K. vooral over- 
stroomde graslanden en naderen zelden de open modder- ot 
zandbanken. Hun vlucht geschiedt troepsgewijze, maar onder 
het voeden gaat elk individu zijn eigen weg. Hun alarmkreet 
klinkt evenzeer als een gefluit als wel een gepiep. Over hun 
levenswijze schrijft Nelson:') „Het hals- en borstvel dezer 
vogels, vooral de mannetjes, wordt gedurende het broedseizoen 
zeer slap en los; bij dissectie blijkt het dan van binnen 
bedekt met kleine, ronde vetmassa's. De vogels hebben de 
eigenaardige gewoonte dezen keelzak met lucht op te blazen, 
waardoor hij opzwelt tot de grootte van het vogellichaam zelve. 
Een hol geluid wordt dan voortgebracht, dat ongeveer kUnkt 
als „toe-u-toe-u". En dikwijls stijgen de K. wel vijf en twintig 
meter de lucht in, om met opgezwollen, hangenden keelzak 
weder naar den grond af te dalen. 

T. M. broedt gedurende Juni en Juli. De 4 eieren zijn 
opmerkelijk peervormig en eenigszins glanzend ; de grondkleur 
varieert van af licht grijsachtig geel tot licht olijfgroen met 
talrijke helderbruine en purpergrijze vlekken. M. A/m. 36 X 
25.5 m.M. (Ridgw.) 

K. verlaten de koude streken omstreeks einde September 
en trekken tegen half October langs onze kusten, maar ver- 
toeven er niet lang, hoewel men ze tegen Februari weer kan 
waarnemen. 

- T. fuscicoUis, Vieill. = 7'. bonapartei, Schlegal, Mus. P. 
B. = Hetcropygia f. Cat. B. Br. Mus. 

AJ. Zont. ved.kl. Bov.d. zwart, de vederen met roodbruine randen; stuitvederen 
zwartachtig grijs met aschgrijze zoomen ; langere dekv. bov. d. st. wit of ook wel 
met een weinig bruinachtig grijs; middelste staartp. zwartachtig, de overige bruin- 
achtig grijs ; bovenkeel wit ; nek, borst en flanken met duidelijke, zwarte strepen 



'^ Rep. ou Nat. Hist. Colis made in Alaska, pag. i( 



'54 



SCOLOPACID^t. 



en vlekken en min of meer okergeel getint. Wint. ved.kl. Bov.d. bruinachtig 
grijs, de vederen met onduidelijke, smalle, zwartachtige strepen ; overigens als des 
zomers, maar met minder duidelijke strepen aan de borst. Jong. Als ad. in het 
zomerved.kl., maar de vederen der bov.d. met ronde, witachtige of okergele tippen ; 
strepen aan de borst enz. veel onduidelijker. L. 18.5, vl. 12.2, tars. 2.3, culm. 2.4. 
Geogr. d-i'st. Zoni. Het hoogc Noorden. IVint. Centr. en Z. -Amerika. Lok. dist. 
De zeekust. 

„Bonaparte's Zandsnip, eng. Bonaparte's Sandpiper or White- 
rumped Sandpiper, leeft zoowel aan zeestranden als op moeras- 
sige plaatsen. En dat meestal in kleine vluchten, dikwijls te 
zamen met andere snippensoorten. Haar alarmkreet klinkt als 
een scherp, piepend „weet-weet". (Gosse). In de kolonie treft 
men ze nogal talrijk aan, vooral gedurende October en Februari. 

T. f. broedt gedurende den zomer in het hooge Noorden. 
Het wijfje legt 3 of 4 eenigszins glanzende, peervormige, licht 
olijf kleurige of bruinachtig olijf kleurige eieren, die in den regel 
bedekt zijn met kleine, donkerbruine en licht purpergrijze 
vlekken. AL A/m. 34.5 X 23.5 m,M. (Ridgw.) 

- T. minutilla, Vieill. = id., Schlegal Mus. P. B. = Limo- 
nitcs Vl. Cat, B. Br. Mus. 

Ad. Zom.ved.kl, Bov.d. zwart of zwartachtig, de vederen met geelachtige of 
roodbruine randen; stuit en middelste dekv. bov. d. st. zwart of zwartachtig; 
middelste rectrices zwart of zwartachtig, de overige aschgrijs; bovenkeel wit; nek 
en borst wit of geelachtig en met zwartachtige strepen; buik en flanken wit. 
Wint.ved.kl. Bov.d. bruinachtig grijs met een weinig zwart nabij het midden der 
vederen; borst wit of aschkleurig, zonder duidelijke strepen, ybw^. Als ad. in het 
zomerved.kl., maar de vederen aan de bov.d. met ronde, roodbruine of geelachtige 
tippen; borst zonder duidelijke strepen. L. 15, vl. 9, tars. 1.8, culm. 2. Geogr. 
dist. Zoin. Het Noorden van N.-Amerika. IVint. Centraal en Z. -Amerika. Lok. 
dist. De zeekust. 

„ Dwerg- Zandsnippen, eng. Least Sandpipers, Meadow Oxeyes 
or Peeps, de allerkleinste onzer soorten, kunnen alleen ver- 
wisseld worden met Ereunetcs pusillus, maar hebben evenwel 
geen zwemvliezen tusschen de basis der voorteenen. 

Open zeestranden, zand- of modderbanken behooren tot de 
uitgezochte verblijfplaatsen der D.-Z. In menigte rennen ze 
daar, dikwijls te zamen met andere kleine soorten, overal rond. 



TRYNGITES. 



^00 




doch laten zich, alleen zijnde, veel dichter naderen dan eenige 
andere Oevervogel. 

D.-Z. doen de kolonie slechts aan als halt op den trek. 

hoewel enkele individuen het ge- 
heele jaar hier doorbrengen. 

T. M. broedt gedurende den 
zomer, van af het noorden der Ver- 
eenigde Staten noordwaarts. Het 
wijfje legt 3 of 4 peervormige, licht 
-■=**>**.- glanzende eieren, die in grondkleur 

varieeren van af geelachtig grijs 

K<ip van Triiiira tuin iitilln . , . , . . r i i 

tot bruinachtig, min of meer donker 
bevlekt met kastanjebruin en purpergrijs. M. Afm. 29 X 
2 I m.M. (Ridgw\). 

T. bairdii, Coues. = Hctcrspygia h. Cat. B. Br. Mus. 

Geogr. dist. Zom. Het hooge Noorden. Wint. Centr. eu Z. -Amerika. 

„Schrijver heeft Baird's Zandsnippen, eng. Baird's Sandpipers, 
nog niet in de kolonie aangetroffen ; evenmin zijn er exemplaren 
in de collectie van het museum te Georgetown. Toch strekt 
haar trek zich uit tot Chili en de Argentijnsche Republiek, 
hoewel die meer geschiedt langs de west- dan aan de oost- 
kust van Amerika. 



TRYNGITES, CAB. 

T. subruficollis, Vieill. = Actitis rufesccns, Schlegal, 
Mus. P. B. 

Ad. Bov.d. licht grijsachtig bruin, het midden der vederen olijf kleurig; slagp. 
V. d. Tsien rang zwartachtig met zwarte vlekjes aan de binnenhelft v. d. binnen- 
vlag; langere binnenste vl.dekv. gevlekt zwartachtig en wit; middelste staartp. 
zwartachtig, overgaande in geelachtig aan de overige en met onregelmatige zwarte 
en geelachtige vlekken en tippen; ond.d. okergeel, de vederen met witachtige 
tippen en min of meer zwartachtige vlekjes. Jong. Ongeveer hetzelfde, maar de 
bov.d. en borst lichter van kleur. L. 21.5, vl. 13.2, tars. 3, culm. 1.9. Geogr. 
dist. Zom. Het noorden van N. -Amerika. Wint. Centr. en Z.-Amerika; ook 
waargenomen in Europa. Lok. dist. De zeekust. 



2-6 SCOLOPACIDIDiE. 

„Geelborst-Zandsnippen, eng. BufF-breasted Sandpipers, onder- 
scheiden zich door tamelijk korte snavels, alsmede eene eigen- 
aardige bevlekking aan de binnenvlag van al de slagp. v. d. 
isten rang en de dekv. ond. d. vl. 

In de kolonie treft men G.-Z. te zamen aan met troepjes 
andere Snippen, maar niet als geregelde trekvogels. Ook in 
het Noorden komen ze overal zeldzaam voor en bewonen daar 
bij voorkeur velden en prairiën. Haar voedsel bestaat grooten- 
deels uit insecten. In de vlucht scharen de individuen van een 
troep zich dicht naast elkander, vliegen in eene golvende lijn, 
maar toonen steeds eene neiging om naar hun vorige stand- 
plaats terug te keeren. (Dr. Hatch). 

T. S. broedt in het Noorden gedurende Juni en Juli. Het 
wijfje legt 3 of 4 spits peervormige, licht glanzende, geelachtige, 
grijsachtig witte, of licht olijfgele eieren, lengtsgewijze of 
spiraalsgewijze gevlekt met donkerbruin, amberbruin en pur- 
pergrijs. M. Afin. 38.5 X 26 m.M. Ridgw. 



BARTRAMIA, LESS. 

- B. longicauda, Bechst. = Actitis bartrainus, ScJilcgaL 
Mus. P. B. 

Ad. Kop en nek met okerkleurige, geelachtige en zwarte strepen ; rug- en 
vl.dekv. okergeel met zwarte dwarsstrepen ; binnenste slagp. olijf kleurig met zwarte 
dwarsstrepen en okergele zoomen; slagp. v. d. isten rang zwartachtig, de buitenste 
met witte dwarsstrepen ; binnenste staartp. bruinachtig grijs, maar de overige 
varieerend van af okergeel tot wit en alle met min of meer zwarte dwarsstrepen ; 
borst en zijden geelachtig van tint en met zwarte lengte- of dwarsstrepen ; buik 
wit of witachtig: pooten donker geelachtig groen; snavelbasis geelachtig, tip don- 
kerder. Gedurende den winter zijn de geelachtige en okerkleurige tinten aau het 
vederkleed helderder of donkerder. Jong. Als ad., maar de geelachtige tinten 
donkerder en de zvvartachtige strepen aan borst en voornek onduidelijker; rug 
zwartachtig, de vederen met duidelijke, geelachtige zoomen. Jong in dons. Bov.d. 
onregelmatig gevlekt met eene zwartachtige kleur op een grijsachtig witten onder- 
grond, getint met licht roestbruin ; ond.d. geelachtig wit met verscheidene zwart- 
achtige vlekken aan de flanken, alsmede een vlek onder de oogen, een kleinere aan 
de lora en een achter de ooren. L. 21, vl. 16.3, tars. 4.8, culm. 2.8. Geogr. dist. 



ERENEUTES. 



257 



Zotn. N. -Amerika. Wint. Centr. en Z. -Amerika ; ook waargenomen in Europa en 
Australië. Lok. dist. De lagere streken en min of meer ook het binnenland. 

„Langstaart- of Bartram's Zandsnippen, eng. Bartramian 
Sandpipers, Upland Plov^ers or Field Plovers, hebben vliezen 
tusschen de voorteenen. De snavel is korter dan die der 
Willets, terwijl ook de tip er meer gekromd uitziet. De staart- 
pennen zijn naar verhouding langer dan bij de meeste andere 
snippensoorten. 

L. Z. bewonen vooral velden, weiden en prairieën. Haar 
kleur gelijkt wel wat op die van droog gras, en kan dan ook 
moeielijk tusschen de halmen onderscheiden worden. Langille 
beschrijft haar alarmkreet als een snel herhaald „quip-ip-ip-ip", 
haar gezang daarentegen als een zacht „chr-r-r-r-re-re-re-oe-oe". 
Gedurende den trek, vooral des nachts, klinkt dit geluid als 
het melancholiek fluiten van den wind. De vogels vliegen dan 
snel voorbij, om bij het nederdalen op den grond alle hunne 
vleugels naar boven toe uit te strekken, zoodat de tippen elkander 
raken en dan in die houding een eindje vooruit te loopen. 

In de Guiana's zijn L. S. gedurende het groote droge seizoen 
nogal talrijk over de hoogere alluviale gronden en binnen- 
landen verspreid. Vele brengen tevens de zomermaanden hier 
door, maar of deze achterblijvers ook nestelen, kan moeielijk 
bepaald worden. 

B. L. broedt van af Kansas en Virginia tot Alaska en Nova 
Scotia, gedurende Mei en Juni. Het wijQe legt 3 of 4 breed 
ovale, tamelijk glanzende, roomkleurige of geelachtig witte, 
met roodachtig bruin, geelbruin en licht purperkleurig gevlekte 
eieren. M. A/rn. 45 X 0- m-M. 



ERENEUTES, ILL 

E. pusillus, L. = E. seinipalniatits, Cab. in ScJiomh. Reis. 
= Tringa pusilla, Schlegal, JMus. P. B. 

Ad. Zom.ved kl. Bov.d. zwart of zwartachtig, de vederen met bruinachtig grijze 
en enkele roodbruine zoomen; stuit grijsachtig bruin; dekv. bov. d. st. zwartachtig; 

17 



2-8 scolopacid.ï:. 

rectrices bruinachti<^ gfijs, de middelste bet donkerst van tint; borst zwartachtijj 
gestreept of gevlekt; overige «nd.d. wit. Wint -vcd.kl. Bov.d. bruinachtig grijs met 
donkerder schachtstrepen ; dckv. bov. d. st. donkerder; oiid.d. wit met enkele 
zwarte strepen aan de borst. Jong. Als ad. in het zomerved.kl., maar de vederen 
der bov.d. en de vl.dekv. zwartachtig met ronde roodbruine of geelachtige tippen; 
borst geelachtig getint, en zonder strepen. Jong in do7zs. Voorkop witachtig met 
een zwarte middenlijn; bovenkop kastanjebruin met zwarte en witte vlekken van 
achter; een paar zwarte lijnen aan den oogomtrek ; bov.d. geelachtig bruin of 
roestbruin, zwarter in het midden, en met talrijke witte, donsachtige plekjes; keel 
geelachtig wit; overige ond.d. witachtig; buik bijna zuiver wit. L. i6, vl. g.4, 
tars. 2.1, culm. 1.9. De wijfjes zijn eenigszins grooter. Geogr. dist. Zo/n. Het 
hooge Noorden. JVint. Cenlr. en Z. Amerika. Lok. dist. De zeekust. 

„Wilson's Zandsnippen, eng. Wilson's Sandpipers, Sandoxeyes 
or Peeps, zijn kleine Snippen, die talrijk in het Noorden voor- 
komen, vooral aan zeestranden of op modderbanken. Ook langs 
onze kusten treft men ze nogal veel aan, gedurende October. 
Daarna vermindert het aantal langzamerhand om tegen Alaart 
weder toe te nemen. Maar vele achterblijvers brengen den 
geheelen zomer hier door. 

Over het algemeen leven W. Z. in kleine en groote troepen. 
Haar vlucht geschiedt snel; haar geluid klinkt ongeveer als een 
zacht „twiet-twiet". 

E. P. broedt in het hooge Noorden, omstreeks Juni. Het 
wijfje legt 3 of 4 peervormige, glanzende, licht grijsachtig gele, 
met donkerbruin en purpergrijs gevlekte en gestipte eieren. 
IV. A/m. 30.5 X 21.5 m.M. (Ridgvv.). 

N.B. Tusschen de vluchten van W. Z. bevinden zich, vooral in Florida en Mexico, 
vele individuen van de Westersche specie E. occidentalis Laivr., kenbaar vooral aan 
een l.ingeren snavel; denkelijk komt deze soort ook enkele malen in de Guiana's voor. 



ACTITIS, BOIE. 

A. macularia, L. = id., Schlcgal, Alits. P. B. = Tringoides 
m. Cal. B. Br. Mus. 

Ad. Zom.ved.kl. Bov.d. bruinachtig grijs met een lichten groenachtigen glans; kop 
en nek min of meer lengtsgewijze-, maar de rng dwars gestreept of gevlekt met 



ACTITIS. 



259 



zwart; binnenste staartp. bruinachtig grijs, de overige met zwartachtige dwars- 
strepen ; ond.d. wit met zwarte vlekken; snavel en pooten groenachtig geel. Wint. 
ved.kl. Bov.d. grijsachtig olijf kleurig met een lichten bronsachtigen glans en onge- 
vlekt, uitgezonderd de zwartachtige schachtstrepen der vederen en de min of meer 
zwartachtige dwarsstrepen aan de vl.dekv., ond.d. wit, de borst bruinachtig grijs 
getint. Jong. Ongeveer als ad. in het winterved.kl., maar de vl.dekv., schouder- 
vederen en dekv. bov. d. st. met min of meer geelachtige en zwartachtige dwars- 
strepen. Jong in dons. Bov.d. geelachtig grijs met een smalle zwarte streep aan 
den rug tot aan den snavel en eene smalle zwarte lijn aan elk der kopzijden door 
de oogen; ond.d. dof witachtig. L. 19, vl. 10.5, tars. 2.4, culm. 2.4. Geogr. dist. 
Zom. N.-Amerik. Wint. Z.-Amerika. Lok. dist. De kustzoom alsmede het inter- 
mangrove terrein. 

„Gevlekte Zandsnippen, eng. Spotted Sandpipers, behooren 
tot de allergewoonste Snippen, zoowel in het Noorden als in 
de Guiana's, waar ze evenzeer aan het strand als langs zoct- 
waterkanten aangetroffen worden. En dat meestal eenzaam of 
in kleine troepjes van zelden meer dan 20 individuen, die met 
eigenaardige, schommelende lichaampjes over de modder- en 
zandbanken rennen om eensklaps met een luid „ik weet, ik 
weet" op te vliegen, al vliegende een cirkel te beschrijven 
en daarna weer naar haar vorige standplaats terug te keeren. 

Het talrijkst treft men G. Z. aan gedurende October tot 
Maart, hoewel ook tijdens den zomer het aantal achterblijvers 
soms zeer groot kan zijn. 

A. ]\I. broedt over geheel N.-Amerika tot aan de Hudson- 
baai. Het wijfje legt 2 tot 5 eieren, die varieeren van afkort 
ovaal tot peervormig. De kleur is tamelijk glanzend licht 
roomgeel of geelachtig, met chocoladebruine, zwarte en purper- 
kleurige vlekken en stippen. M. Afm. 32 X -o ni.M. 



SYMPHBMIA, RAP. 

- S. seniipalmata, Gm. = Catotropliorits s., Cab. in Schomb. 
Reis. = To fan lts s., Schlcgal, Mits. P. B. 

Ad. Zo7n.ved.kl. Bov.d. bruinachtig grijs; kop en nek zwart gestreept; rug met 
zwarte dwarsstrepen en soms ook enkele geelachtige, of het midden der vederen 



2ÖO 



SCOLOPACID^. 



aehcel zwarl; buitenhelft der slag]), v. d. istcn rang en het grootste gedeelte der 
sla<ïn. V. d. aden rang wit; dekv. bov. d. st. wit met enkele zwartachtige dwars- 
strepen; middelste staartp. aschkleurig met onduidelijke, zwartachtige dwarsstrepen; 
overige rectrices witachtig, min of meer met grijs gevlekt; voornek met talrijke 
strejien; borst en zijden met talrijke, donker bruinachtig grijze dwarsstrepen en 
min of meer geelachtig getint; buik wit of wel met slechts enkele dwarsstrepen; 
])ooten en snavel donker blauwachtig. Wïnt.ved.kL Bov.d. bruinachtig giijs zonder 
strepen; staart zonder dwarsstrepen; borst en voornek grijsachtig getint; pooten 
loodblauw; snavel zwartachtig, de basis echter lichter van tint. Jong. Bov.d. 
bruinachtig grijs, de vederen met geelachtige of licht okerkleurige zoomen; zijden 
met laatstgenoemde tinten overtogen en overdwars gevlekt met lichtgrijs. Jotjg in 
dons. Bov.d. licht grijsachtig wit of bruinachtig grijs, min of meer lichtbruin getint 
en met onregelmatige zwartachtige vlekken ; voorgedeelte en zijden v. d. voorkoj) 
witachtig, evenals de kopzijden en ond.d. ; een zwartachtige lijn voor, en twee van 
dezelfde kleur achter de oogen. L. 40, vl. 20, tars. 6, culm. 5.5. Gcogr. dist. Zom. 
Gematigd N.-Amerika. Wint. Centr. en Z. -Amerika tot Brazilië enz.; ook waarge- 
nomen in Europa. Lok. dist. De kustzoom. 

„De Willet, eng. Willet Stone Snipe or Curlew, behoort tot 
de grootste Snippensoorten en wordt onderscheiden door een 
krachtigen, dikken, rechten snavel, terwijl de basis der teenen 
door vliezen verbonden is. 

Over haar levenswijze schrijft Chapman : „Willets bewonen 
zoowel zoet- als zoutwaterkanten. Bezoekt men de broedplaatsen, 
dan vliegen de broedende vogels onder het uiten van een luid 
herhaald „pillie, willie, willet" laag over het moeras, ten einde 
de aandacht van hun nest af te trekken. Mr. Perry maakt 
melding omtrent het broeden van W. in menigte in de zout- 
watermoerassen van Georgia. Dikwijls treft men wel honderd 
paren op één plaats aan. Toch zijn de eieren moeielijk te 
vinden daar Kraaien ze opvreten ; vele leege doppen liggen 
dan ook over het veld verspreid. 

In de kolonie komen W. talrijk voor 

gedurende het groote droge seizoen. 

Tegen Februari en Maart ziet men ze in 

troepjes van 5 of 6 individuen, vooral 
Kop van Symphamia op dc open moddcrbankcn langs de kust 

01 de overstroomde pans bmnen den zoom 
der mangrove bosschen. Haar vederkleed is dan zoowat tus- 
schen dat van winter- en zomer in, maar de okselvederen zijn 




TOTANUS. 261 

donkerbruin, niet zwart van kleur. Vele achterblijvers brengen 
den geheelen zomer in de kolonie door. Ten allen tijde zijn ze 
nogal schuw. 

S. S. broedt in N.-Amerika, gedurende Mei en Juni. Het 
wijfje legt 3 of 4 peervormige, tamelijk glanzende eieren, die 
in kleur varieeren van af grijsachtig groen tot bruinachtig 
geel, en vooral om het stompe end met talrijke geelbruine, 
chocoladebruine, zwartbruine en donker purperkleurige vlekken 
bedekt. M. Afin. 53 X 38 m.M. 

Volgens O. Davies bestaan er twee typen, een met een 
groenachtig witten, het andere met een donker bruinachtig 
olijfgroenen ondergrond. De exemplaren varieeren nogal in 
afmeting en zijn tevens zeer groot naar verhouding met het 
vogellichaam. 



TOTANUS, BBCHST. 

-T. melanoleucus, Gm. = id., Cab. in Schomb. Reis. = 
id., Schlcgal, Mus. P. B. 

Ad. Zom.ved.kl. Bov.d. zwart; kop en nek met witte of aschgrijze strepen; rug 
met witte of aschgrijze vlekken of dwarsstrepen ; dekv. bov. d. st. wit, min of 
meer dwars gestreept met zwart; staartp. wit of aschgrijs, eveneens met dwars- 
strepen ; borst met talrijke zwarte vlekken; middenbnik wit, de zijden met zwarte 
dwarsstrepen; pooten helder geel; snavel zwart. Wint.ved.kl. Bov.d. bruinachtig 
grijs met witachtige randen aan de vederen ; zijden der schoudervederen, binnenste 
slagp. en vl.dekv. met zwartachtige en witachtige vlekken ; borst met enkele zwart- 
achtige lengtestrepen, maar de buikzijden dwars gestreept. Jong. Als ad. in het 
winterved.kl, maar donkerder en bruinachtiger aan de bov.d. en de witachtige 
vlekken bruinachtig geel getint. L. 35, vl. 19.2, tars. 6.5, culm. 5.5. Geogr. dist. 
Zom. Het Noorden van N.-Amerika. Wint. Z.-Amerika. Lol:, dist. De kustzoom 
en het terrein der mangroven. 

„Groote Geelpoot-Snippen, eng. Greater Yellow legs. Big 
Yellow shanks or Longlegged Tattlers, kenbaar aan hare lange, 
dunne snavels alsmede gele pooten, staan hier bekend als 
Torieman, d. w. z. Konkelaars, omdat ze naar men beweert, 
bij het zien van een naderenden jager, dit door gefluit aan 



252 scolopacid.ï:. 

andere vogels, zooals Eenden, zouden te kennen geven. Ook in 
N. -Amerika dragen G. G.-S. om dezelfde reden, dikwijls den 
naam van Tell-tale. 

Gedurende den trek treft men de Toriemans nogal talrijk 
aan, te gelijk met de Goudpleviere. En dat meestal eenzaam 
of bij troepjes, maar tegen Maart schijnen alle bij paren naar 
hare broedplaatsen terug te keeren, hoewel enkele den 
geheelen zomer in de kolonie doorbrengen. 

T. M. broedt in het Noorden van N. -Amerika. Het wijfje 
legt 3 of 4 peervormige, grijsachtig witte eieren, met donker- 
bruin en lilakleurige vlekken, vooral om het stompe end der 
schaal. AL A/m. 36 X 30 m.M. (O. Davies). 

T. flavipes, Gm. = id., Cah. in ScJiovib. Reis. = id., 
Schlegal, Ahis. P. B. 

Ad. Zom.ved.kl. Bov.d. over het algemeen bruinachtig grijs met zwarte en witte 
strepen aan kop en nek ; rugvederen, schoudervederen en vl.dekv. min of meer 
zwart nabij de schachten en met witachtige of bruinachtig grijze tippen of vlekken ; 
dekv. bov. d. st. wit met enkele zwarte dwarsstrepen; staartp. varieerend van af 
wit tot bruinachtig grijs met talrijke zwarte of zwartachtige overdwarse strepen ; 
borst met talrijke zwarte strepen en vlekken ; buik wit, de zijden dwars gestreept 
met zwart; pooten helder geel; snavel zwart. IVint.ved.kl. Bov.d. bruinachtig grijs 
met witachtige vlekjes; dwarsstrepen aan den staart grijsachtig; borst met enkele 
asihkleurige strepen. Jong. Verschilt van ad. al.s het jong van den Grooten Geelpoot. 
L. 27, v!. 16, tars. 5.1, culm. 3.5. Geogr. dist. Zom. Het Noorden van N. -Amerika. 
Wint. Z.-Amerika; ook waargenomen in Europa. Lok. dist. De kustzoom. 

„In lichaamsvorm en levenswijze komt de Kleine Geelpoot- 
Snip, eng. Smaller Yellowlegs, Yellowshanks or Yellow 
Longshanks, geheel overeen met de Groote Geelpoot, maar de 
pooten zijn naar verhouding dunner en zien er daardoor langer 
uit. In de kolonie staan K. G.-S. onder dezelfde namen bekend 
als de voorgaande soort, doch bij de Caraïben als Pioenpie. 

Gedurende September treft men K. G.-S. talrijk langs onze 
kusten aan ; daarna verminderen ze in aantal om tegen Maart 
wederom toe te nemen. Haar zuidwaartsche trek strekt zich 
uit tot Patagonië. Toch brengen vele de zomermaanden in 
de kolonie door, maar broeden er niet. Haar geluid klinkt 




TOTANUS. 263 

helderder en niet zoo luid als dat van den Grooten Geelpoot. 
T. F. broedt van af het Noorden der Vereenigde Staten 

noordwaarts. Het 
wijfje legt 3 of 4 
spits peervormige, 
tamelijk glanzende, 
over het algemeen 
geelachtige of room- 
kleurige, maar dik- 
wijls ook bruinach- 
T- -r- , „ ■. tige eieren met 

Kop van Jptanus jiavipes. 

groote en kleine 
chocoladebruine, amberkleurige, zwartachtige en vele lila- 
kleurige vlekken, vooral om het stompe end der schaal. 
M. Afm. 42.5 X 29 m.M. 



^ T. solitarius. Wils = id., Schlegal, Mus. P. B. ■=■ Helo- 
dronias s., Cat. B. Br. Mus. 

Ad. Zom.ved kl. Bov.d. olijfociitig leikleurig met een licht groenachtige tint; kop 
en nek wit gestreept; rug met witte vlekken; dekv. bov. d. st. zwartachtig, de 
zijden der vederen met witachtige vlekjes; buitenste dekv. bov. d. st. min of meer 
dwars gestreept ; middelste paar staartp. zwartachtig, de overige wit met zwarte 
dwarsstrepen ; borst lengtsgewijze en de buikzijden dikwijls dwars gestreept met 
zwart; niiddenbuik wit; okselvederen dwars gestreept zwart en wit; pooten zwart- 
achtig groen; snavel zwartachtig. Wint.ved.kl. Bov.d. grijsachtig bruin ; kop en nek 
over het algemeen zonder strepen ; rug met slechts enkele geelachtig witte vlekjes ; 
borst bruinachtig grijs gestreept. Jong. Bov.d. grijsachtig bruin met talrijke geel- 
achtige vlekjes; kop- en nekzijden bijna eenkleurig grijsachtig. (Ridgw.). L. 21, 
vl. 13.5, tars. 3.5, culm. 3. Geogr. dist. Zom. N.-Amerika. Wint. Z.-Amerika. 
Lok. dist. De lagere streken. 

Bij de Eenzame Zandsnippen of Houtsnipjes, eng. Solitary 
Sandpipers or Wood-Tattlers, zijn de tarsi veel minder dan 
anderhalf maal zoo lang als de middenteen en klauw, hetgeen 
bij de twee voorgaande soorten niet het geval is. 

E. Z. worden zelden langs de zeekust of in de pans aan- 
getroffen. Veel talrijker daarentegen komen ze voor langs de 
zoetwaterkanten, vooral in de lagere streken. Maar dat altijd 



-64 



SCOLOPACID^. 



eenzaam, zelden of nooit bij troepjes. Haar voorliefde voor 
zwerven is i^root, en leggen ze inderdaad grooter afstanden af 
dan eenige andere snippensoort. Haar alarmkreet klinkt fluitend. 

In de kolonie behooren E. Z. gedurende den trek tot de 
allcrgewoonste snippensoorten. Vele brengen ook den zomer 
hier door, maar nestelen, voor zoover ik kan oordeelen, hier niet. 

T. S. broedt in N.-Amerika. Dr. Brewster beschrijft een ei, 
gecollecteerd door Mr. Richardson in Virmont, als langwerpig 
peervormig, licht geelachtig bruin met enkele kleine ronde 
vlekken. Afm. 33 X 22.5 m.M. 

T. ochropus, L. := Hclodronias ocJiropiis, Cal. Birds Br. Mus. 

Ad. Dekv. bov. d. st. zuiver wit; middelste staartp. met breede witte dwars- 
strepen ; overigens als de voorgaande soort. Jong in dons. Kop grijsachtig geel ; 
een zwarte lijn nabij de oogen en drie van dezelfde kleur aan den bovenkop ; de 
lijnen vereenigen zich aan den achterkop en loopen dan door in een breede lijn 
tot aan de stuit; bov.d. grijsachtig geel en roodbruin met zwart gevarieerd; kin, 
keel en ond.d. wit. (Dresser). L. 25, vl. 14, tars. 3.3, culm. 3.4. Geogr. dist. 
Zotn. Noorden v. h. Oostelijk Halfrond. JVint. Z. -Europa enz. ; ook waargenomen 
in Nieuw Schotland en door mij in Suriname. 

„Groene Zandsnippen, eng. Green Sandpipers, komen nogal 
talrijk in Europa voor, zoowel langs zeestranden als binnen- 
landsche wateren, maar behooren in de Guiana's tot de zeldzame, 
toevallig aanwezige soorten, indien n.1. de identificatie der hier 
gecollecteerde en naar Engeland gezonden individuen correct is. 

T. O. broedt in Europa en Azië. In tegenstelling met andere 
snippensoorten bouwt het wijfje geen nest, maar legt hare 
eieren in de verlaten nesten van andere vogels, zooals Duiven, 
Sperwers, Lijsters enz. Het aantal per legsel bedraagt 4. De 
grondkleur varieert van af groenachtig wit tot licht grijsachtig- 
zeegroen met enkele donkerbruine en purpergrijze vlekken, 
vooral om het stompe end der schaal. M. Afm. 38 X 28 m.M. 
(O. Davies). 



MICROPAL AMA. 265 

MICROPALAMA, BAIRD. 

-M. himantopus, Bon. 

Ad. Zom.Tcd.kl. Bov d. gevlekt zwart, lichtgrijs en geelachtig, eerstgenoemde 
kleuren vooral aan rug- en schoudervederen ; vl.dekv. grijsachtig met lichter 
gekleurde zoomen; dekv. bov. d. st. wit met zwartachtige lengte- en dwarsstrepen; 
bovenkop zwartachtig met witachtige strepen; oorvederen en een plek aan elke 
zijde v. d. achterkop licht roestbruin; een zwartachtige streep van af de oogen tot 
de mondhoeken; overige gedeelte v. d. kop en nek witachtig met zwartachtige 
strepen; ond.d. witachtig met zwartachtige dwarsstrepen. Jl'mt.vcd.kl. Bov.d. 
aschgrijs, ongevlekt, uitgezonderd staartp., dekv. bov. d. st. en vleugels; wenk- 
brauwlijn en ond.d. wit, de borstzijden, nekzijden en dekv. ond. d. st. met grijs- 
achtige strepen. Jong. Rug- en schoudervederen zwartachtig met geelachtige of 
geelachtig witte zoomen; dekv. bov. d. staart ten naastenbij wit; ond.d. witachtig, 
de borstzijden en flanken min of meer geelachtig getint en onduidelijk met grijs 
gestreept. L. 21, vl. 13, tars. 4, culm. 4. G'co^;'. t/wi". Zow. Oostelijk N. -Amerika. 
Wint. Cenir. en Z. -Amerika. Lok. dist. De kustzoom. 

De Langpoot Zandsnip, eng. Stils Sandpiper, heeft, evenals 
de volgende soort, een platten, van putjes voorzienen snaveltip, 
alsmede dvvarsgestreepte rectrices en dekv. van boven. 

Over het algemeen treft men L. Z. zoowel langs de zeekust 
als de oevers van kreken en rivieren aan, hoewel als zeldzame 
trekvogels. In hare bewegingen zijn ze minder vlug dan de 
overige Snippen. Soms zoeken ze aan de opmerkzaamheid te 
ontsnappen door zich plat tegen den grond aan te drukken. 
Haar alarmkreet klinkt als een scherp „tweet-tweet". ') 

Over de voortteling van M. H. schrijft O. Davies: „Mac 
Ferlane vond deze vogels broedende aan het Rendez-voüs 
meer in het hooge Noorden. De nesten geleken op die van 
andere snippensoorten. De 3 of 4 eieren zijn peervormig, licht 
geelachtig grijs of grijsachtig met een gele tint, en met 
duidelijke donkerbruine en purpergrijze vlekken. M. A/m. 
35.5 X 25 m.M. (Ridgw.). 



^) Gosse, Birds of Kansas. 



266 SCOLOPACID/ÏT. 

MACRORHAMPHUS, LBACH. 

M. griseus, Gm. = id., Cab. in Sc hom b. Reis. == Linwsa 
grisea, Sclilcgal, JMus. P. B. 

Ad. Zom.ved.kl. Bov.d., binnenste slagp. en vl.dekv. zwart met okergele of 
roodbruine randen en dwarsstrepen ; stuit, staartp. en dekv. bov. d. st. met zwarte 
en min of meer okergele dwarsstrepen; slagp. v. d. jsten rang zwartachtig ; ond.d. 
dof licht roodbruin; buik witachtig met min of meer zwarte dwarsstrepen en 
vlekken; snavel en pooten olijf kleurig. Wint.ved.kl. Bov.d. bruinachtig grijs; stuit 
en staart met zwarte en witte dwarsstrepen; keel en borst aschgrijs getint; buik 
wit, de zijden en dekv. ond. d. st. met zwarte dwarsstrepen. Jong. Bov.d. zwart, 
de vederen met roodbruine randen; stuit en staart met zwarte en witte dwars- 
strepen en soms ook roodbruin getint ; slagp. v. d. aden rang met breede witte 
randen; ond.d. min of meer okergeel getint met onduidelijke, zwartachlige vlekken. 
L. 26.5, vl. 14.4, tars. 3.3, culm. 5 tot 6.3. Geogr. dist. Zo/ii. O. Siberië en 
N. -Amerika. JVint. Centr. en Z. -Amerika, ook waargenomen in Europa. Lok. dist. 
De kustzoom. 

„In vorm en kleur komen Roodborst-Snippen, eng. Red- 
breasted Snipes or Dawitchers, veel overeen met Grassnippen, 
maar verschillen nogal in levenswijze. Haar trek geschiedt 
troepsge wijze; duizenden op duizenden trekken dan zuidwaarts 
langs de oostkust van Amerika, maar keeren in veel kleiner 
troepen naar het Noorden terug. In de kolonie komen de 
vluchten vrij zeldzaam voor. 

Bij voorkeur vergaderen R. S. op open modder- en zand- 
banken, die bij laag getij bloot liggen. Haar vlucht is snel en 
geschiedt nu eens in cirkels, dan weer heen en terug laag 
over de wateroppervlakte. Eensklaps stijgt de geheele troep 
hoog in de lucht, splitst zich daar in kleinere vluchten, terwijl 
elk individu tevens een trillend gefluit laat hooren. 

M. G. broedt in het hooge Noorden, gedurende Juni en Juli. 
Het wijfje legt 4 licht geelachtig olijfkleurige, om het stompe 
end der schaal duidelijk met donkerbruin gevlekte en gestipte 
eieren. M. Afm. 41.5 X 28.5 m.M. (Ridgw.). Volgens O. Davies 
zijn de eieren niet met zekerheid te onderscheiden van die der 
Gallinas'o delicata. 



LIMOSA. 267 

LIMOSA, BRISS. 

- L. haemastica, L. = L. hudsonica, Schlegal, Mus. P. B. = 
id., Ca f. B. Br. Mus. 

Ad. Zoin.vcd.kl. Kop en nek licht kastanjebruin met zwartachtige strepen : ond.d. 
donkerder kastanjebruin met zwartachtige dwarsstrepen ; rug enz. zwartachtig en 
geelachtig gevlekt; staart zwart, de basis en tippen der rectrices echter wit; een 
zuiver witte band over de dekv. bov. d. st. ; langere dekv. bov. d. st., stuit en 
okselvederen zwartachtig, evenals de dekv. ond. d. vl. ; pooten liclUblauw. Wint. 
ved.kl. Rug enz. licht bruinachtig grijs ; kop, nek en ond d. witachtig of licht 
geelachtig grijs, de borst met een bruinachtig grijze tint. Jong. Rug enz. bruin- 
achtig grijs, de vederen met zwartachtige, sikkelvormige vlekken en geelachtige 
enden; ond.d. geelachtig grijs; buik witachtig; borst grijsachtig. L. 38, vl. 21, 
tars. 6, culm. 8. Geogr. dist. Zom. Het Noorden van N. -Amerika. Wint. Z. -Amerika. 
Lok. dist. De kustzoom. 

„Aan hare dunne, lange, buigzame snavels alsmede lange, 
slanke, lichtblauwe pooten, kunnen Kastanjekop-Snippen, eng. 
Hudsonian Godwits, Am. Blacktailed Godwits, Redbreasted 
God wits or Ringtailed Maslins dadelijk van al de andere Snippen 
onderscheiden worden. 

In de kolonie staan K. S. bekend als Krombekkie, d. w. z. 
Krombekken, hoewel haar snavel er niet opmerkelijk krom 
uitziet. Men treft ze gewoonlijk aan bij kleine troepen, vooral 
gedurende de droge seizoenen. En dat zoowel aan de zeekust 
als langs zoet waterkanten. Haar wijze van voeden komt over- 
een met gewone Grassnippen. Haar vlucht is niet zeer krachtig, 
maar sierlijk en van tamelijk langen duur. Bij het nederdalen 
op den grond worden de vleugels naar boven gericht, zoodat 
de tippen elkander raken. Overigens zijn K. S. schuw en 
worden dan ook zelden door onze zeekantjagers bemachtigd. 

L. H. broedt in het Noorden van N. -Amerika. Het wijfje 
legt 3 of 4 breed ovale, donker olijfkleurige, haarbruine of 
chocoladebruine, min of meer met donkerbruin gevlekte eieren. 
M. Afm. 55 X 35-5 m.M. (Ridgw.). 



2 68 SCOLOPACID^. 

CALIDRIS, CUV. 

C. areneria, L. = id., Cab. ui Schomh. Reis. = La Sandcr- 
ling, Buff. = Tinga a., Schlegal, Alus. P. B. 

■ Ad. Zom.ved.kl. Bov.d. licht roestbruin, de vederen met zwartachtige vlekken 
en ook vele witachtige tippen ; kop, nek en borst licht roestbruin met zwartachtige 
strepen en vlekjes. Wint.ved.kl. Bov.d. licht aschgrijs of paarlgrijs, de vederen 
met eenigszins donkerder schachtstrepen ; een gedeelte der vl.dekv. van voren 
opmerkelijk donkerder; keel en borst wit. Voorjaarsved.kl. Bov.d. licht grijsachtig 
met zwarte vlekken (kop en nek gestreept) en hier en daar een roestbruin tintje; 
borst met zwarte vlekjes. 

N.B. Ten allen tijde hebben de vogels wiite ond.d. en brecde witte tippen 
aan de grootere vl.dekv. ; tevens is de basis v. d. buitenvJag der binnenste slagp. 
v. d. i^ten rang ook wit van kleur. L. 20, vl. 12.5, tars. 2.5, culm. 2.5. Geogr. 
dist. Zom. Het Noorden v. h. noordelijk Halfrond. ]Vint. Bijna overal. Lok. dist. 
De kustzoom. 

„De Zanderling of Brandingssnip, eng. Sanderling or Surf- 
snipe, fr. Sanderling, onderscheidt zich door overdwarse schildjes 
aan de tarsi, alsmede drie in plaats van vier teenen. 

Bijna uitsluitend bewonen Z. zeestranden, dikwijls te zamen 
met andere kleine snippensoorten van wie ze in levenswijze 
niet veel verschillen. Haar trek strekt zich uit in de Oude 
Wereld tot Afrika, Azië enz., en in Amerika tot Patagonië. 
In de kolonie komen Z. nogal zeldzaam voor, gedurende de 
laatste week in September of het begin van October. 

C. A. broedt in het hooge Noorden. Het wijfje legt 3 of 4 
peerv^ormige, eenigszins glanzende eieren van een licht olijf- 
bruine kleur met donkerder bruine en purperkleurige stipjes 
en vlekjes, vooral om het stompe end der schaal. AI. A/m. 
35 X 23 m.M. (Ridgw.). 



Subfam. der NUMENINCE. 

WULPEN. 

„De onderstaande twee soorten behooren tot de allergrootste 
der Oevervogels en worden gekenmerkt door lange, slanke, 
gebogen snavels. 



NUMENIUS. 269 

Species. 

NUMENIUS, BRISS. 

N. hudsonicus, Lath. = id., Schlegal, Mus. P. B. = N. 
phacopus, Cab. in Schomb. Reis. 

Ad. Bov.d. grijsachtig bruin met witachtige vlekjes; sluit en staart met geel- 
achtige en zwartachtige dwarsstrepen ; binnenvlag der buitenste slagp. v. d. i^ten rang 
en buiten- en binnenvlag der binnenste met geelachtige of vvitachtige en zvi^arte 
dwarsstrepen; ond.d. geelachtig of witachtig ; nek en borst lengtsgewijze-, zijden 
en dekv. ond. d. vl. dwars gestreept met zwart. /ow^o- in dons. Geelachtig; bov.d. 
donkerder met zwarte vlekken; ond.d. zwavelgeel van tint: snavel recht en onge- 
veer 35 m.M. lang. L. 43, vl. 26.2, tars. 5.7, culm. 9.2. Geogr. dist. Zom. Het 
hooge Noorden. Wint. Centr. en Z. -Amerika; ook waargenomen in Europa. Lok. 
dist. De kustzoom. 

„Krombekken, Zeissnavels of Wulpen, eng. Am. Wimbrels, 
Jack Curie ws or Hudsonian Curlews, fr. Courlis de la Baie de 
Hudson, bewonen modderbanken of pleinen, en staan in de 
kolonie bekend als Krombekkie, d. w. z. Krombekken; de 
Caraïben noemen ze echter Sokokoi. 

Hun voedsel bestaat uit insecten, weekdieren, krabbetjes enz. 
Dikwijls treft men ze aan te zamen met andere groote Oever- 
vogels. Hun trek strekt zich uit tot Patagonië. 

Gedurende de wintermaanden komen K. nogal talrijk voor 
op de open modder- of zandbanken, alsmede zoutwaterpans 
langs onze kusten. En dat meestal eenzaam of bij troepjes, 
die vooral des morgens en gedurende den vooravond minder 
schuw schijnen dan op andere tijden, en ook gemakkelijker 
genaderd en neergeschoten kunnen worden. 

N. H. broedt in het Noorden van N.-Amerika. Het wijfje 
legt 3 of 4 peervormige, bijna glanslooze, Hcht olijfkleurige 
of grijsachtig gele, met chocoladebruin, amberbruin en purper- 
grijs gevlekte eieren. M. A/m. 58 X 4° m.M. 

. N. borealis, Lath. = id., Schlegal, Mus. P. B. 

Ad. Bov.d. zwart, de vederen met geelachtige of witachtige zoomen en tippen; 
dekv. bov. d. st. dwars gestreept geelachtig en zwart; staartp. bruinachtig grijs 



2~o APHRIZIDxTÏ. 

met geelachtige randen en zwarte dwarsstrepen ; slagp. v. d. isten rang zwartachtig 
zonder zwarte dwarsstrepen; ond d. geelachtig of witachtig, de borst lengtsgewijze, 
de zijden en dekv. ond. d. vl. dwars gestreept met zwart, /ong in dons. Ongeveer 
als de voorgaande soort. L. 34, vl. 21, tars. 4.4, culm. 6. Geogr. dist. Zom. Het 
Noorden van N. -Amerika. Wint. Centr. en Z. -Amerika. Lok. dist. De kustzoom. 

„Over de levenswijze van den Eskimo Krombek enz., eng. 
Eskimo Curlew, fr. Courlis du nord, schrijft Chapman : „E. K. 
zijn gewoner in het binnenland dan langs de kust en bewonen 
vooral de drogere plaatsen der hoogere streken. Hun voedsel 
bestaat uit zaden en insecten. ') 

Volgens G. H. Mackay komen E. K. veel overeen met 
Goudplevieren. Hun trek die zich uitstrekt tot Patagonië, ge- 
schiedt troepsgewijze ; en de individuen van een vlucht rang- 
schikken zich onder het vliegen in den bekenden V-vorm. 
Alvorens neder te dalen, vliegen alle een eindje laag over den 
grond voort om dan een oogenblik stil te staan. Hun geluid 
zou klinken als een gilletje. ") 

In de kolonie komen E. K. veel zeldzamer voor dan de voor- 
gaande soort, doch staan onder denzelfden lokalen naam bekend. 

N. B. broedt in het hooge Noorden, gedurende Juni en Juli. 
Volgens O. Davies kunnen de eieren alleen door hun grootere 
afmeting van die der voorgaande specie onderscheiden worden. 
M. A/m. 51 X 36 m.M. (Ridgw.). 



Familie der APHRIZIDJi. 

STEEXLOOPERS 

„Tot de familie der Steenloopers, eng. Turnstones, fr. Tourne- 
pierres, worden slechts 4 soorten gerekend, waarvan een ge- 
durende den trek de Guiana's aandoet. 

S. komen in lichaamsvorm nog-al overeen met Plevieren, 



') Birds of E. N. Am. pag. 171. 
-) Auk. vol. IX, 1892, pag. 16 — 21. 



ARENERIA. 



maar hebben evenwel vier teenen. De snavel, die er eenigszins 
korter uitziet dan de kop, is min of meer wigvormig of 
kegelvormig met nogal spits uiteinde en ingedrukten culmen. 
Alle S. broeden in het hooge Noorden, maar trekken met 
den winter zuidwaarts. De nesten komen overeen met die van 
alle andere Snippen en Plevieren; eveneens zijn de eieren 
peervormig en hoogst protectief van kleur. 



Species. 

ARENERIA, BRISS. 

_A. interpres, L. = Lc Tour ne- Pierre, Buff. = Strepsilas 
i. Cab. in Schoinb, Reis. = id., Sclilegal, Mus. P. B. 

Ad. Zom.vedkl. Bov.d. en vleugels gevlekt roodbruin, zwart en wit; staartbasis 
wit met een zwarten band nabij het uiteinde der staartp., waarvan de tippen echter 
wit zijn; keel en borst zwart en wit; buik wit; snavel zwart; pooten roodachtig 
oranje. Wint.ved.kl. Bov.d. zwartachlig, de vederen met bruinachtig grijze of asch- 
kleurige zoomen; onderrug wit; langere dekv. bov. d. st. wit maar de overige 
zwart; staart als voren; keel wit; borst zwart, de vederen met witte zoomen; 
huik wit. Jong. Bov.d. zonder roodbruin, maar de vederen met okerkleurige of 
geelachtige zoomen; kop over het algemeen zwartachtig ; borst met laatstgenoemde 
kleur gevlekt. Jong in dons. (ongeveer drie dagen oud ; vide Collett.) Zwartachtig 
grijs met een geelachtige tint en zwarte stippen hier en daar; een smalle zwarte 
band langs de kruin tot aan den voorkop en een streep van dezelfde kleur van af 
de bovensnavelbasis tot aan de oogen ; een zwarte vlek aan elk der mondhoeken ; 
zijden der keel grijs; buik wit; vleugels en schouderv. als de rug. (Dresser). 
L. 24, vl. 15, tars. 2.5, culm. 2.1. Geogr. dist. Zoni. Het hooge Noorden. Wint. 
Bijna overal. Lok. dist. De kustzoom. 

„Steenloopers, eng. Turnstones, fr. Tourne-Pierres, bewonen 
bij voorkeur zeekusten en vergaren hun voedsel door schelpen 
en steentjes om te wentelen, teneinde de daaronder verborgen 
insecten, weekdieren enz. op te pikken. 

In de kolonie staan S. bekend als Pinnie Snippie, d. w. z. 
Gevlekte Snippen, maar bij de Indianen als Akwamoi. Ze 
komen hier tegelijk aan met de Goudplevieren en zijn dan bij 
troepjes over al de modder- en zandbanken langs de kust 



,^2 CHARADRIID.'K. 

verspreid. De eerstaangekomen dragen het nog onvolkomen 
vederkleed ; eerst later volgen de tot volkomenheid opgegroeide 
individuen. Tegen midden October verlaten de troepjes ons 

langzamerhand. Om- 
streeks Februari en 
Maart neemt hun aan- 
tal weer opmerkelijk 
toe. In menigte trek- 
ken ze dan, in het 
half zomer, half vvinter- 
vederkleed langs onze 
Kop van Arr,u;-/a luferpres. kust naarhunne broed- 

plaatsen in het Noor- 
den terug. IMaar ten allen tijde gedurende den zomer treft 
men vele achterblijvers aan, die evenwel nimmer het volkomen 
kleed dragen, doch er steeds onregelmatig gevlekt, bruinzwart 
en wit uitzien. 

A. I. broedt in het hooge Noorden. Het wijtje legt 3 of 4 
peervormige, licht glanzende eieren, die in kleur varieeren 
van af groenachtig wit tot olijfachtig geel, gevlekt, vooral om 
het stompe end der schaal, met verschillende bruine, olijfbruine 
en purpergrijze tinten. JM. Afiii. 39.5 X 28.5 m.M. (Ridgw.). 




Familie der CHARADRIID.^. 

PLEVIERENT. 

„De Plevieren, Pluvieren of Kievietachtigen, eng. Plovers, 
fr. Pluviers, zijn verspreid over de geheele aarde. Van de 
ongeveer 100 bekende soorten komen in de (ïuiana's voor g 
species, waarvan 6 trekvogels. 

In lichaamsvorm en kleur gelijken P. veel op Snippen maar 
hebben korter, krachtiger snavels, die ongeschikt tot het 
bevoelen van den modder enz., dienst doen om het voedsel 
van de oppervlakte af te vergaren. De neusgaten bevinden 



BELOXOPTERUS. 



273 



zich in de zijdelingsche holte v. d. bovensnavel. In den regel 
zijn de pooten korter als bij Snippen, terwijl het aantal teenen 
drie en slechts bij vntzondering vier bedraagt. De vingers aan 
de voorteenen zijn kort en bijna altijd door een vlies verbonden. 

Onze P. bewonen zoowel de hooger gelegen droge pleinen 
als waterkanten, maar komen het talrijkst voor op de modder- 
of zandbanken langs de kust, alsmede de oevers van rivieren, 
kreken, enz. Evenals bij Snippen bestaat haar voedsel uit 
wormen, weekdieren, insecten enz. ; slechts bij uitzondering 
gebruiken enkele soorten ook plantenzelfstandigheden. Alle 
leven eenzaam of bij troepjes, die zich gedurende den zuid- 
waartschen trek tot groote vluchten vereenigen. Enkele species 
overwinteren tot zelfs in Patagonië. 

„De meeste P. broeden tot nabij den poolcirkel, maar evenals 
bij Snippen, treft men vele individuen aan, die den weg naar 
het Noorden schijnen vergeten. 

Tamelijk talrijk komen deze achterblijvers ook in de Guiana's 
voor; volgens Schomburgck zou een soort zelfs hier broeden. 
Zoowel in het Noorden als in de tropen gelijken de nesten 
van P. op die van Snippen. Eveneens hebben de eieren een- 
zelfden eigenaardig"en peervorm en hoogst protectie ve kleuring. 

Genera. 

A. Vleugel van een spoor voorzien. 

„Achterkop versierd met een kuif van lange, smalle vederen. 

. . BELONOPTERUS, REICHENB. 

„Achterkop zonder kuif. 

HOPLOXYPTERUS, BP. 

B. Vleugels zonder sporen. 

„Bov.d. gevlekt; midden der ond.d. zwart in het zomervcderkleed. 

CHARADRIUS, L. 

„Bov.d. ongevlekt; midden der ond.d. wit in het zomervcderkleed. 

^GIALITIS, BOIE. 



iS 



274 CHARADRIIDiE. 

Species. 
BELONOPTERUS, REICHENB. 

B. cayennensis, Gm. = Vannemi armé de Cayenne, Buff. 
= Vauellus <;., Cab. in ScJionib. Reis. = id., Schlegal, Mus. P. B. 

(^ Bov.d. over het algemeen aschkleurig met een olieachtig groenen glans aan 
rug en schouders ; onderrug en stuit zwartachtig bruin ; dekv. bov. de st. en rec- 
trices zuiver wit, de endhelft echter zwart met witte tippen ; buitenste schouder- 
vederen met een koperglans ; kleinere vl.dekv. wit, de binnenste aschbruin; huimpje, 
dekv. der slagp. v. d. isten rang en slagp. zwart; binnenste slagp. v. d. 2J'""" rang 
wil of aschbruin aan het basisgedeelte, allerbinnenste aschbruin met een metaal- 
achtig groenen olieglans; voorkop zwart tot boven het voorgedeelte der oogen, 
basis der lora en een vlek aan de basis der kaken, gevolgd door een wiiachtigen 
band over het voorgedeelte der kruin, die voor het overige eene lichtbruine kleur 
bezit, evenals de achternek, nekzijden, oorvederen en zijden van den kop tot onder 
het midden der oogen; een witte plek voor de oogen, voorgedeelte der kaken wit, 
achtergedeelte brmn ; hals en bovenborst glanzend zwart; ondergedeelte der borst, 
abdomen, dekv. ond. d. vl. en ond.d. st. wit; slagp. zwart aan de onderzijde; 
snavelbasis lichtrood, doch het uiteinde zwartachtig bruin ; pooten rood of grijs- 
achtig bruin, rood echter bij de buiging; iris rood. ^ Ongeveer hetzelfde, maar 
met een kortere kuif; snavel roodachtig purper, de tip zwart; pooten zwart; iris 
rood. I-. 32, vl. 22.5, st. 9.8, tars. 8, culm. 3.2. Evenals bij de voorgaande species 
zijn de wijfjes naar verhuuding eenigszins grooter, maar hebben korter pooten dan 
de mannetjes. Geogr. dist. Columbia, Guiana en Brazilië. Lok. dist. De kustzoom. 

Evenals de volgende soort, hebben ook Cayenne Kievieten, 
eng. Guiana Lapurings, fr. Vanneaux armés de Cayenne, sporen 
aan de vleugels, maar tevens een kuif van lange smalle, naar 
boven gekrulde vederen. Het aantal teenen bedraagt vier; de 
staart is vierkant; de snavel komt overeen met dien der typische 
Charadrse. 

C. K. zijn geen trekvogels, maar worden toch gedurende 
het droge seizoen talrijker aangetroffen, zoowel in kleine 
vluchten als paarsgewijs of eenzaam, vooral op zwampachtige 
plaatsen, savannes, velden en weilanden. Haar vlucht is snel 
en krachtig, maar nimmer langgerekt. Opgeschrikt, klinkt haar 
alarmkreet als een luid „swiet swiet". Bij het nederdalen op 
den grond worden de vleugels rechtuit naar boven gesteld, 
zoodat de tippen elkander raken. Naar jagers verzekeren zouden 



HOPLOXYPTERUS. 275 

C. K. gedurende het broedseizoen luchtevoluties uitvoeren 
evenals Grassnippen, en worden dan ook evenzoo met den 
naam „Vleermuizensnip" aangeduid. 

Voor zoover schrijver kan oordeelen, broedt B. C. gedurende 
de droge seizoenen. Het nest, bestaande uit een weinig gras 
enz., wordt op den grond gebouwd. De 2 of 3 eieren varieeren 
van af peervormig tot ovaal. De schaal is matig glanzend 
olijfachtig geel of geelbruin, min of meer donker bevlekt en 
gestipt, vooral om het stompe end, met zwart donkerbruin en 
lilagrijs. M. A/m. 45 X 33 rn-M. 

De exemplaren verschillen uitermate, zoowel in kleur als 
bevlekking. 

N.B. In Europa worden Kievietseieren als een lekkernij beschouwd. Groote hoeveel- 
heden komen jaarlijks ter markt. In Suriname eet men ze niet om de zeer begrijpelijke 
reden, dat ze moeielijk te vinden zijn. 



HOPLOXYPTERUS, BP. 

- H. cayanus, Bp. = Pluvier aruic de Cayenne, Buff. = 
Hoploterus c, Cah. iii Schomb. Reis. = Vanellus c, Schlegal, 
Mus. P. B. 

Ad. Kleuring der bov.d. over het algemeen lichtbruin met zwart en wit getee- 
kend; mantel zwart; bovenrug bruin; onderrug, stuit, dekv. bov. d. st. en staartp. 
wit, de rectrices met een breeden, zwarten band aan het uiteinde, de uiterste tippen 
echter wit ; schoudervederen wit, dikwijls overtogen met bruin ; vl.dekv. lichtbruin, 
aschkleurig en wit; slagp. zwart; de buitenste slagp. v. d. 2den rang wil met 
zwarte tippen; binnenste zuiver wit, de lange echter lichtbruin; voorkop en voor- 
gedeelte der kruin zwart; evenzoo een breede lijn over de oogen tot aan de zwarte 
kopzijden, mantel en boven-borstband ; lora, vederen onder de oogen en oorvederen 
zwart; kaken, keel en overige ond.d. zuiver wit; dekv. ond. d. vl. en okselvederen 
wit; snavel zwartachlig bruin, basis v. d. ondersnavel echter geelachtig; pooten 
zwartachtig; iris grijsbruin. L. 22, vl. 13.6, st. 5.8, tars. 4.3. culm. 2.9. De wijfjes 
zijn eenigszins grooter, maar hebben korter pooten dan de mannetjes. Geogr. dist. 
Z.-Amerika van af auiana tot Z.-Brazilië. Lok. dist. De lagere slreken. 

Spoorvleugel Plevieren, eng. Spur Winged Plavers, fr. Pluviers 
armés de Cayenne, onderscheiden zich door grijsachtig bruine, 
zeer ontwikkelde sporen aan de vleugels; zeer eigenaardig 



276 



CHARADRlIDiE. 



zijn ook de uiterste rectrices smaller dan de overige. Aan 
den achterkop ontbreekt de kuif; het aantal teenen bedraagt 
drie; de snavel gelijkt op dien der typische Plevieren. 

Over het algemeen leven 
S. P. bij paren of eenzaam, 
zelden in troepjes. Haar geluid 
klinkt als een luid „swietswiet". 
Haar vlucht is snel en krachtig, 
maar zelden van langen duur; 
een paar wijde cirkels en de 
vogel daalt neder niet ver van 
de plaats, waar hij opvloog. 

S. P. behooren niet tot onze 

trekvogels, hoewel haar aantal, 

vooral gedurende het kleine 

droge seizoen opmerkelijk schijnt toe te nemen. En dat vooral 

langs zoetwaterkanten of overstroomde savannes en zwampen. 

Over haar voortteling is mij niets bekend. 




Kop van Hop/o.\ ypfcrns 



cn\(!iiiis. 



CHARADRIUS, L. 

C. squatarola, L. = Squatarola Jichctia, Caf. Birds, B. JMus. 

Ad. Zom.ved.kl. Bov.il. zwart, de vederen met witte randen; staart wit met 
zwarte dwarsstrepen ; basisheift v. d. binnenvlag der i^lagp v. d. isten rang wit 
evenals de onderbuik ea dekv. ond. d. st. ; kopzijden, nekzijden alsmede overige 
ond.d. zwart. Wint.ved.kl. Ond.d. wit in stede van zwart; voorneken borst 
gestreept en met enkele zwartachtige vlekken; randen der vederen aan de bov.d. 
grijsachtig in plaats van wit. Jong. Ongeveer als ad. in het wmtervederkleed, maar 
met geelachtige stippen aan de bov.d. Jong in dons. Bov.d. geelachtig olijfkleurig 
met zwartachtige vlekken; achternek wit; een zwartachtige lijn aan de zijden v. d. 
bovenkop en een andere van af den snavel tot aan de oogen, waar zich van onder ook 
een min of meer onduidelijke boogvormige streep bevindt; ond.d. wit. L. 27.5, 
vl. 18. 8, tars. 4.7, ciilm. 2.8. Geogr. dist. Zom. Het noorden v. h. noordelijk 
Halfrond. Wint. Australië, Kaap de Goede Hoop, Centr. en Z. -Amerika. Lok. 
dist. De kustzoom. 

„De Zwartbuik-Plevier, Goudkievit, eng. Black-bellied Plover 
Swiss Plover or Beetlehead, fr. Vanneau varié ou Vanneau 



CHARADRIUS. 277 

de Suisse, onderscheidt zich door een kleinen, rudimentairen 
achterteen, alsmede zwartachtige oksel vederen. In de kolonie 
staan Z.-P. bekend als Plevierie. Over haar levenswijze schrijft 
Mr. Mackay: „Z.-P. behooren meer tot de getij vogels, vergaren 
haar voedsel vooral op zandvlakten, die bij laag getij bloot 
liggen, maar worden bij hoog getij ook in moerassen enz. 
aangetroffen. Ze eten met vlugge bewegingen, slaan doorgaans 
naar de begeerde prooi, loopen vlug een paar meters vooruit, 
staan dan stil, heffen den kop op en kijken rond. Haar trek 
geschiedt troepsgewijze ; de individuen van een vlucht rang- 
schikken zich onder het vliegen de een na den ander evenals 
Eenden enz. Haar geluid is op verren afstand hoorbaar. 

In de kolonie komen Z.-P. te gelijk aan met de Goudplevieren, 
maar zijn veel zeldzamer. 

C. S. broedt in het hooge Noorden, gedurende Juh. Het 
wijfje legt 3 of 4 spits peervormige, bijna glanslooze, licht 
geelachtig olijfkleurige, met donkerbruin, zwartbruin, zwart 
en purper gevlekte eieren. M. Afin. 51 X 36 m.M. (Ridgw.). 

- C. dominicus, Müll. = Lc Pluvier dorc a gorge uoire, Buff". 
= C. virginiainis, Cab, in Sclioinb. Reis. 

Ad. Zour.ved.kl. Bov.d. zwart, de vederen met goudgele zoomen en vlekken; 
staart bruinachtig grijs met onduidelijke witaclitige dwarsstrepen ; borstzijden wit; 
kopzijden en overige ond.d. zwart; dekv. end. d. vl. aschgrijs. Wint.ved.M. Bov.d. 
en staart zwartachtig met witachtige of gele vlekken en dwarsstrepen ; ond.d. wit- 
achtig met min of meer bruinachtig grijze strepen. Jong. Ongeveer als ad. in het 
wintervederkleed, maar de bov.d. duidelijk geelachtig gevlekt en de borst met 
dezelfde tint overtogen. [ong in dons. Helder goudgeel met zwarte vlekken; een 
plek onder de oogen en ond.d. zuiver wit L. 26.3, vl. 17.6, tars. 4.2, culm. 2.3. 
Geogr. dist. Zoni. Het noorden v. N. -Amerika. Wint. Centr. en Z. -Amerika. 
Lok. dist. Vooral de lagere streken. 

„Bij de Am. Goudplevier, eng. Am. Golden plover, Greens- 
hank or Blackbreast, fr. Pluvier doré a gorge noire, ontbreekt de 
rudimentaire achterteen, maar evenals bij de voorgaande soort 
is de snavel kort, recht en gekromd aan het uiteinde. De 
okselvederen en dekv. ond. d. vl. zijn aschgrijs in tegenstelling 
met de Europesche C, pluvialis, die witte ondervleugels bezit ; 



278 CHARADRIID^. 

ook met de kleinere aziatische soort bestaat er veel overeenkomst. 

Am. G. bewonen bij voorkeur open terreinen zooals moeras- 
sen, zandvlakten, stoppel velden, alsmede modder of zandbanken, 
die bij laag getij blootliggen. Haar vlucht geschiedt troeps- 
gewijze, maar op den grond nedergedaald, gaat elk individu 
zijn eigen weg. Onder het voeden loopen alle snel een eind 
vooruit, staan dan stil, kijken om zich heen, doch vliegen, 
opgeschrikt, zelden ver, en keeren ook na korten tijd terug. 

„In tegenstelling met de voorgaande soort laten de jongen 
zich moeielijker verschalken dan de ouden ; alle zijn evenwel zeer 
schuw. Haar geluid klinkt ongeveer als „coodle-coodle". 

Na het broedseizoen vereenigen Am. G. zich tot groote 
vluchten. De meeste jonge individuen trekken zuidwaarts over 
het vasteland, maar de oude daarentegen nemen hun koers 
direct over zee. Gedurende Augustus en September trekken 
de vluchten in menigte voorbij de Bermuda's, de West- 
Indische eilanden en verder over land tot Argentina. Na hun 
lange zeereis zijn ze soms zoo uitgeput, dat vele op de 
Antillen met steenen en stokken gedood worden. 

In de kolonie behooren Am. G. tot de allergewoonste onzer 
trekvogels. Het eerst ziet men de vluchten omstreeks half 
Augustus, maar gedurende September en begin October neemt 
het aantal sterk toe, zoowel op de modder- of zandbanken 
als in de zoet- en zoutwaterpans. Toch zijn de troepen niet 
elk jaar even groot. Tegen einde October verminderen ze in 
aantal en trekken alle, op enkele achterblijvers na, verder 
zuidwaarts, teneinde omstreeks Februari en Maart naar hare 
broedplaatsen in het Noorden terug te keeren. Toch brengen 
enkele individuen de zomermaanden in de tropen door en 
Schomburgck maakt zelfs in zijn Reizen melding van het nestelen 
der Am. G. op de zandbanken langs de kust van Eng. Guiana. 

C. D. broedt tot nabij den poolcirkel. Het wijfje legt 3 of 
4 spits peervormige, eenigszins glanzende eieren, die varieeren 
van af licht geelachtig bruin tot donker grijsachtig geel, 
gevlekt en gestipt, vooral om het stompe end der schaal, met 
zwartbruin, chocoladebruin en een weinig purpergrijs. M. A/m. 
47-5 X 32.5 m-M. (Ridgw.). 



^GIALITIS. 



279 



^GIALITIS, BOIB. 

-iE. vocifera, L. = Charadrius v., ScJilrgal, Mns. P. B. = 
Oxyechus v., Cat. B. Br. Mus. 

Ad. Voorkop, een plek achter de oogen, Iceel, een ring om den nek, een band 
om de borst, ondergedeelle der borst en buik wit; voorgedeelte der kruin, lora, 
een ring om den nek en een band aan de borst zwart; overig gedeelte v. d. 
bovenkop en rug grijsachtig bruin, met roodbruine tippen; stuit en dekv. bov. d. 
st. roodbruin; bmnenste staartp. grijsachtig bruin, buitenste overgaande in roodbruin 
en wit en alle met zwarte en witte tippen ; oogleden helder oranjerood ; snavel 
zwart. Jong. Ongeveer als ad., maar de vederen der bov.d. met min of meer 
duidelijke, licht roestbruine of okerkleurige zoomen. Jong in dons. Bovenkop en 
bov.d. over het algemeen grijsachtig bruin met zwart omringd ; een witte band 
aan den achternek ; ondel, wit met een zwarten band aan den hals en een breeden, 
van dezelfde kleur aan de borst ; een smalle zwarte lijn voor de oogen ; zijden 
licht bruinachtig geel met een breede, zwarte dwarsstreep aan het humurusgedeelte 
en een smalle aan de stuit; vleugels met een weinig wit. L. 26.5, vl. 16.3, tars. 
3.5, culm. 2. Geogr. dist. Zom. Gematigd N.-Amerik.a. Wint, Centr. en Z. -Amerika. 
Lok. dist. Vooral de lagere streken. 

„Bij Kildiers, eng. Kildeers, zijn de staarten ten minste half 
zoo lang als de vleugels en steken voor min of meer de helft 
hunner lengte voorbij de tippen der gesloten vleugels uit. 

K. bewonen zoowel hoogere als lagere streken, vooral zoet- 
waterkanten, open pleinen of landerijen, leven troepsgewijze, 
loopen snel hier en daar rond, zoekende naar voedsel, maar 
vliegen alle te gelijk op. Haar geluid klinkt als een welluidend, 
klagend „kildier, kildier"; en wordt zoowel bij dag als des 
avonds gehoord, vooral gedurende het broedseizoen. 

K. behooren tot onze zeldzaamste trekvogels, die evenwel 
meer noordwaarts in menigte overwinteren. 

^4ï. V. broedt gedurende den zomer over geheel N. -Amerika. 
Het wijfje legt 3 of 4 peervormige, licht glanzende, geelachtige 
of roomkleurige, vooral om het stompe end der schaal met 
chocoladebruin, zwartbruin en een weinig purpergrijs gevlekte 
en gestipte eieren. M. Afiii. 38 X -7-5 m.M. 



o8o CHARADRIID^. 

M. semipalmata, Bonap. = CJiaradrius s., ScJilcgal, Mus. 
P. B. = yKgialciis s., Ca f. B. Br. Mus. 

Ad. Zom.ved.kl. Vederen aan de basis v. d. hovensnavel, voorgedeelte der kruin, 
zijden v. d. kop tot onder de oogen en een horstband, die ook min of meer om 
den nek loopt, zwart; overige ond.d. en een ring om den nek wit; achterkop en 
rug bruinachtig grijs ; binnenste staartp. bruinachtig grijs, overgaande in wit aan 
de overige; snavel, uitgezonderd het zwarte endgedeelte, en pooten oranjerood. 
JVint.ved.kl. Ongeveer heizelfde, maar bruinachtig grijs in plaats van zwart. Jong. 
Ongeveer ais ad. in het wintervederkleed, maar de vederen der bov.d. met geel- 
achtige endzoomen. Jong in dons. Bov.d. licht grijsachtig bruin met zwarte vlekken; 
een sikkel aan den voorkop, een band om den achternek en ond.d. wit. L. 17.5, 
vl. 12, tars. 2.5, culm, 1.3. Gcogr. dist. Zoin. Het noorden van N. -Amerika en 
N. O.-Siberië. Wint. Centr. en Z. -Amerika. Lok. dist. De kustzoom. 

„De Ringnek Plevier, eng. Semipalmated Plover or Ringneck- 
Plover, wordt onderscheiden door duidelijke zwemvliezen aan 
de basis der teenen ; tevens is de snavel veel korter dan de kop. 

Over het algemeen bewonen R. P. zoowel zeestranden, 
modder- of zandbanken als moerassen. En dat gewoonlijk bij 
troepjes van vijf tot tien individuen, die 
zich onder het voeden hier en daar ver- 
spreiden maar alle te gelijk opvliegen. Haar 
geluid klinkt eigenaardig en welluidend. 

Omstreeks September komen R. P. tame- 
lijk talrijk in de kolonie voor, waar ze be- „ . ,.^""''' '^" 

hj^^ia/i/ts seinipaltnnta. 

kend staan als Reddiefoetoe Snippie of 
Marowiena Snippie, d. w. z. Roodpoot- of Marowyne Snippen. 
Dan vermindert haar aantal langzamerhand om tegen Maart 
weer toe te nemen, als de vluchten naar hare broedplaatsen 
in het Noorden terugkeeren. Toch brengen vele individuen 
de zomermaanden in de Guiana's door. 

J^. S. broedt van af Labrador tot aan de stranden der 
Poolzee. Het wijfje legt 2 tot 4 peervormige, eenigszins glan- 
zende, roomkleurige of groenachtige eieren met duidelijke 
donkerbruine en zwarte, en enkele purpergrijze vlekken en 
stippen. M. Affii. 32.5 X 22.5 m.M. 




.EGIALITIS. 281 

^ M. wilsonia, Ord. = Charadrius 7u., Schlegal, Mus. P. B. 
= OcJitlwdroiinis te., Cat. B. Br. Mus. 

^^ Lora, voorgedcelte der kruin en een band om de borst, zwart; overige 
ond.d., voorkop, wenkbrauwiijn en een onduidelijke ring om den acbternek wit; 
kopzijden en achternek dikwijls met roodbruin gevlekt; kaken, kruin en rug 
bruinachtig grijs; binnenste slaartp. zwartachtig overgaande in wit aan de overige; 
snavel zwart. O Ongeveer hetzelfde, maar bruinachtig grijs in plaats van zwart en 
dikwijls ook met een min of meer okerkleurig of roestbruin tintje. /o«i?-. Ongeveer 
als ad. wijfje, maar de vederen der bov.d. met grijsachtige zoomen. /o/i£- in dons. 
Kruin en achterkop licht grijsachtig geel met onregelmatige zwarte vlekken; stuit 
en rug hetzelfde maar grijsachtiger en de vlekken onduidelijker; vleugels licht 
geelachtig met zwartachtige vlekken, maar de uiteinden wit ; voorkop. wenkbrauwen, 
kopzijden, band om den achternek en ond.d. wit; een zwarte streep achter de 
oogen. L. iq, vl. 11.3, tars. 3, culm. 2. Geogr. dist. Zom. Atlantische kust van 
Noord- en Centr.-Amerika. IVint. Centr.- en Z.-Amerika. Lok. dist. De lagere streken. 

„Wilson's Plevieren, eng. Wilson's Plovers or Great-billed 
Plovers, fr. Pluviers de Wilson, onderscheiden zich van de 
voorgaande soort door staarten, die minder dan half der vleugel- 
lengte bezitten, en die ook maar weinig voorbij de tippen der 
p-esloten vleugels reiken ; tevens is de culmen even lang als 
de middenteen en klauw. Haar kleur komt overeen met Ringnek- 
Plevieren, maar de roodbruine tint ontbreekt ten naastenbij. 
De afmeting is ook wat grooter, terwijl de snavel, die onge- 
veer de lengte v. d. kop bezit, er langer, dikker en aan den 
tip verdikt of gezwollen uitziet. 

W. P. worden het talrijkst aangetroffen langs zeekusten, 
vooral zandbanken en moddervlakten, die bij laag getij bloot 
liggen. En dat meermalen te zamen met andere soorten van 
het geslacht ^J^gialitis. Haar geluid verschilt eenigszins van 
dat der voorgaande species. Ze zijn evenwel veel minder 
schuw en loopen inderdaad tot onder de voeten van een per- 
soon, die te dicht in de nabijheid harer nesten nadert. 

Gedurende den grooten drogen tijd komen W. P. tamelijk 
talrijk in de kolonie voor, maar nimmer in groote vluchten. 
Men ziet ze dan overal langs de zeekust en rivieroevers ver- 
spreid, tot zoover de mangrove groeit, reden waarom ze in 
de kolonie als Mangro-snippie bekend staan. Tegen Maart 
trekken de troepjes terug naar hunne broedplaatsen in het 



282 CHARADRIID.qi. 

Noorden, hoewel vele achterblijvers den zomer in de tropen 
doorbrengen. 

yE. W. broedt van af Virginia tot Centr. Amerika, waar 
de broedtijd eerder aanvangt dan meer noordwaarts. Het wijfje 
legt 3 of 4, in den regel peervormige, zelden ovale, ten naas- 
tenbij glanslooze, licht roomkleurige of groenachtig gele, min 
of meer, vooral om het stompe end der schaal, onregelmatig 
met zwart, donkerbruin en purpergrijs gevlekte eieren. M. A/m. 
34-5 X 25.5 m.M. 

N.B. Volgens Ridgway bestaan er van W. P. twee subsoorten, de bovenbeschrevene 
alsmede eene andere ^. IV. Rufinucha, die de West.-Ind. Eilanden alsook de Atlantische 
kust van Z.-Amerika tot Bahia bewoont, en te onderscheiden is aan eene duidelijke 
okerkleurige of licht roestbruine bevlekking of tint aan den achternek en de zijden v. d. 
achterkop. Bij het wijfje zijn tevens de lora ten naastenbij bruinachtig grijs ; ook de 
borstband is in den regel okerkleurig of licht roestbruin. 

Engelsche ornithologisten kennen deze subsoort evenwel niet; zij komt ook niet voor 
in den Grooten Cat over vogels in het Br. Museum. De mogelijkheid bestaat dus dat 
men hier te doen heeft met individuen, die hoewel den zomer in de tropen door- 
brengende, nimmer het broedcostuum dragen. Toch zouden, te oordeelen naar de geogr. 
verbreiding, vele achterblijvers in de tropen nestelen, hetgeen in de Guiana's evenwel 
niet het geval is. 

Hieraan kunnen twee uitleggingen gegeven worden n.1.: ,,Of het zijn vogels met 
verbasterd trekinstinct, die hier niet broeden en dus moeten uitsterven, indien ze ten 
minste het volgend jaar den weg naar het noorden niet terug vinden, of ze broeden 
hier, hetzij ook bij enkele paren, maar dragen nimmer een zomervederkleed. 

Is het laatste waar, dan zal de soort zich langzamerhand splitsen in groepen individuen, 
die eindelijk tot onderlinge voortteling niet meer in staat, in ware species zullen over- 
gaan. Misschien dat de volgende soort op deze wijze ontstond. 

Mj. collaris, Vieill. = C/iaradrins azarcr, Cab. in ScJioinb. 
Reis. = C har ad rins, c, Sclilcgal, JMits. P. B. 

Ad. Bov.d. grijsachtig bruin, de vederen met lichter getinte zoomen en min of 
meer roodbruin, vooral aan de kruin, de oorvederen en nekzijden ; voorkop, kaken 
en ond.d. zuiver wil, uitgezonderd een zwarte band aan de borst; voorgedeelte 
der kruin en een duidelijke streep voor de oogen, zwart. Jong. Bijna geen zwart 
aan de kruin en lora; borstband smaller en min of meer afgebroken. L. 15.3, 
vl. 10, tars. 2.6, culm. 1.5. Geogr, di'sf. Centr. en Z.-Amerika alsmede een gedeelte 
der Antillen, Lok. dist. De lagere streken. 

„Azara's Plevier, eng. Azara's Plover, fr. Pluvier d'Azara, 
bezit een dunnen snavel ter lengte of langer dan de midden- 
teen en klauw; tevens ontbreekt de witte of zwartachtige band 
om den achterncK. 



OESTERVANGERS. 283 

Deze kleine Plevieren zijn geen trekvogels, maar ten allen 
tijde, hoewel zeldzaam, in de kolonie te vinden, waar ze 
bekend staan als Mangro-snippie of Das-snippie, en meestal 
eenzaam of bij paren, zeldzamer in troepjes zoowel langs de 
zeekust als op zwampachtige plaatsen worden aangetroffen. 
Haar geluid klinkt ongeveer als „wiet w^et". 

JE. C. broedt gedurende het kleine droge seizoen. Het nest 
bestaat uit een w^einig droog gras en bladeren in een uithol- 
ling in den grond, meestal in de nabijheid van water. Het 
wijfje legt 2 of 3 peervormige of breed ovale, bijna glans- 
looze geelachtige of licht geelbruine eieren, met talrijke donker 
geelbruine en zwarte, en enkele purpergrijze vlekken. Af. Afin. 
27-5 X 20.5 m.M. 



Familie der H.^MATOPODID^. 

OESTER VANGERS. 

„Ongeveer 10 soorten Oestervangers of Scholeksters, eng. 
Oystercatchers, fr. Huitriers, zijn bekend, waarvan slechts een 
soort, denkelijk een standvogel, in de Guiana's wordt aange- 
troffen. 

O. komen in lichaamsvorm overeen met Plevieren en hebben 
eveneens drie teenen, die aan de basis door vliezen verbonden 
zijn. De snavel ziet er van terzijde breeder uit dan in het midden 
als aan de basis of het stompe uiteinde ; van boven gezien 
lijkt hij echter op een spitse wig. Het endgedeelte van den 
snavel heeft dus veel overeenkomst met een oestermes en doet 
ook denzelfden dienst. 

Alle O. nestelen op den grond en leggen ovale of elliptische 
protectief gekleurde eieren. Beide seksen zouden broeden. 



2 8^ H/EMATOPODID.?t. 

HAEMATOPUS, L 

H. palliatus, Temm. = id., S chic gal, Mus. P. B. 

Ad. Kop, nek en bovenborst glanzend zwart; rug en vl.dekv. olijf bruin ; slagp. 
V. d. Zilen rang wit; slagp. v. d. isten rang zwartachtig; dekv. bov. d. st. wit 
evenals de staartbasis, de enden der rectrices echter zwartachtig; ondergedeelte van 
borst en buik wit ; snavel helder rood ; pooten rood. Jong. Kop en nek dof zwart- 
achtig; bovenkop met bruine stippen; zoomen der vederen aan de bov.d. geel- 
achtig; snavel bruinachtig. Jong in dons. Kop en nek grijsachtig met donkerder 
vlekken en een smalle lijn achter de oogen ; overige bov.d. licht taanachtig grijs 
met donkerder vlekken en twee smalle zwarte strepen langs den rug; ond.d. wit. 
L. 48, vl. 26.5, tars. 6, culm. 8.5. Geogr. dist. Kusten van Amerika van af 
Nova Scotia en Z.-Californië tot Brazilië en Chili. Lok. dist. De kustzoom. 

„Am. Oestervangers, eng. Am. Oystercatchers, fr. Huitriers 
d'Amérique. bewonen bij voorkeur zeekusten, vooral zand- en 
modderbanken, die bij laag getij bloot liggen ze vergaren 
hun voedsel door hunne snavels als oestermessen te gebruiken, 
ten einde de schalen van oesters, mosselen enz. te openen. 

Over hun levenswijze schrijft O. Davies: „Am. O. broeden 
in menigte, maar onregelmatig langs de kusten van New 
Jersey en verder zuidwaarts. Ook langs de kusten van Virginia 
Florida, de Bahamas enz. bestaan uitgestrekte broedkoloniën. ^) 

Mr. Hoxy geeft eene interessante beschrijving van een 
paar Am. O., die trachtten hunne eieren weg te dragen, toen 
het nest ontdekt was. Terwijl Mr. H. naar de oude vogels 
keek, droeg het wijfje de eieren tusschen hare pooten wel 90 
meters ver naar een nieuw, inderhaast vervaardigd nest, "') 

Am. O. broeden in menigte langs de zandige oevers aan 
de monding der Amazone; naar verscheidene visschers beweren 
zou er ook in de kolonie een broedkolonie voorkomen, en wel 
nabij Cayenne. 

De broedtijd wisselt af, al naar gelang der verschillende 
lokaliteiten, van af Januari tot Augustus enz. Het wijtje legt 
2 tot 4 ovale of elliptische, licht glanzende, roomgele, onregel- 



') Nests and Eggs of N.-Am. Birds, pag. i6o — ibi. 
") Ornithologist and Oologist. Aug. i8iS;. 



CEDICNEMUS. 



matig met zwart, donkerbruin en purpergrijs gevlekte en 
besmeerde eieren. AI. Afm. 55.5 X 39-5 m.M. 



Familie der CEDICNEMID.^. 

DIKKNIE-PLEVIEREN. 

„ïot de familie der Dikknie-Ple vieren, eng. Thickknee- 
Plovers, fr. CEdicnèmes rekent men slechts 10 soorten, waar- 
van een in tropisch Amerika en ook in de Guiana's voorkomt ; 
de overigen zijn verspreid over de Oude Wereld. 

D.-P. vormen den overgang van de Oevervogels tot de 
Hoenderachtigen. Haar lichaamsvorm komt overeen met dien 
der Plevieren, maar de bek is gespleten tot onder de oogen, 
waardoor de mondhoeken ver uit elkander staan. De snavel 
heeft ongeveer de lengte v. d. kop en gelijkt nogal op dien 
der Charadrii. De vleugels zijn min of meer convex ; de tweede 
slagp. is ongeveer even lang als die v. d. i^'^" rang; de tamelijk 
spitse staart is overigens ontwikkeld. Verder hebben D.-P. 
groote oogen, dikke, geheel met een netwerk van schildjes 
bedekte tarsi alsmede drie voorteenen, die evenwel niet door 
vliezen verbonden zijn; de achterteen ontbreekt. Plet veder- 
kleed komt overeen met dat der overige Oevervogels. 

„x\lle D.-P. nestelen op den grond en leggen protectief 
gekleurde eieren. 



Species. 

CEDICNEMUS, TEMM. 

" CE. bistriatus, Wagl. = id., Cab. in Schonib. Reis. = id., 
Schlegal, Mus. F. B. 

Ad. Bov.d. over het algemeen taanachtig roodbruin met zwarte vlekken, die er 
aan kop en nek langer en smaller uitzien ; dekv. bov. d. st. grijs getint en dwars 



286 CEDICNEMID^. 

gestreept met bruinachtig zwart; vl.dekv. als de rug, maar met duidelijke zwart- 
achtige strepen en schachtiijnen ; grootere vl.dekv. grijsbruin met geelachtige randen 
en zwartachtige endlijnen ; huimpje, dekv. der eerste slagp. en siagp. donkerbruin 
met veel wit aan de binnenvlag en aan de buitenvlag v. d. eerste slagpen ; basis 
V. d binnenvlag der slagp. duidelijk wit, een wit speculum aan den vleugel 
vormende: binnenste slagp. als de rug; middelste staartp. bruin met taankleurige 
randen en zvvartachtige stipjes en vlekjes; overige staartp. wil met zwartachtig 
bruine dwarsstrepen en breede zwarte tippen, vootal aan de buitenste veder, die 
een witte band nabij het uiteinde bezit; lora witachtig, evenals de breede wenk- 
brauwlijnen; daarboven een zwarte plek aan de zijden der kruin; kopzijden, kaken 
en oorvederen licht taanachtig geelachtig met smalle zwartachtige schachtiijnen; 
zijden v. d. onderrug taanachtig roodbruin, het midden der vederen zwartachtig; 
dekv. ond. d. st. licht icaneelkleurig; dekv. ond. d. vl. en okselvederen zuiver wit 
met een weinig taanachtig roodbruin en aschgrijs ; snavel zwartachtig, basisgedeelte 
echter groenachtig; pooten groenachtig geel; iris getX. Jotig. Ongeveer als ad. maar 
roodbruiner van tint en meer gevlekt en gestipt. Jong- in dons. Geheel zandkleurig 
met zwarte lijnen aan den rug. L. 39, vl. 24, st. 12, tars. 9.5, culra. 4.3. Geogr. 
dist. Centr. en Z. -Amerika tot Columbia Guiana en het dalgebied der Amazone. 
Lok. dist. Savannes der hoogere en lagere streken. 

De Am. Dikknie-Plevier, eng-. Am. Thickknee-Plover, 
fr. OEdicnème dAmérique, evenaart in grootte bijna een 
gewoon hoen. 

In de Guiana's treft men Am. D.-P., hoewel zeldzaam, vooral 
aan op de savannes ; en dat 
meestal eenzaam of bij paren, 
die nogal vlug rondloopen, 
maar, opgeschrikt, slechts 
een kort eindje laag over den 
grond voortvliegen om dan 
weder tusschen het gras 
neder te dalen. Haar voedsel 
bestaat uit insecten en kleine 
reptielen, en denkelijk ook 
zaden en vruchties. Haar sfe- ,, „.. ,., . 

■' '^ Kop van Uiaicno/iiis öisfrtatus. 

luid klinkt als een luid, 

verscheidene minuten lang herhaald toe-toe, dat langzamer- 
hand in kracht afneemt om eindelijk geheel weg te sterven. 
Vooral op maneschijnnachten kan men het getoeter meer- 
malen hooren. 




CEDICNEMUS. 287 

CE. B. broedt gedurende het droge seizoen. Volgens Schom- 
burgck wordt het nest op den grond tusschen het gras ge- 
bouwd. Het wijfje legt 2 eieren van eene geelbruine kleur met 
enkele zwarte of zwartachlig bruine lijnen en vlekken. De 
kuikens zien er bruinachtig uit met twee zwarte lijnen aan 
den rug. 



,88 LANDVOGELS. 



LAND VOGELS. 



„Eigenlijke kenmerken, die den Landvogels van de Water- 
vogels onderscheiden, bestaan er niet; alleen is het gedeelte van 
den poot boven de kniebuiging of liever hak, bij eerstgenoemden 
over het algemeen bevederd. Tevens ontbreken zwemvliezen 
tusschen de teenen. die slechts bij enkele familiën, zooals de 
Hoenders en Gieren, door een vliesje verbonden zijn. Slechts 
bij een, in Suriname niet vertegenwoordigd geslacht der Picidcc 
ontbreekt een der teenen. Evenzoo ziet de duim bij de Tinamidcc 
er rudimentair of zeer kort uit. De vetlaag tusschen vel en 
vleesch is veel minder opmerkelijk, evenals de olielaag over het 
gevederte. Toch hebben vele soorten een opmerkelijkenglans, die 
evenwel bij geprepareerde huiden bijna geheel verdwijnt. 

Het voedsel van Land vogels is voor een groot gedeelte van 
plantaardigen aard ; overigens bestaat het uit insecten en de 
levensvormen, die meer het land bewonen. Slechts enkele 
soorten, zooals eenige Valken, Ijsvogels enz. eten ook visch. 
De meeste vliegen met de pooten onder het lichaam opge- 
trokken en niet zooals de Watervogels, met naar achter ge- 
strekte of hangende pooten. 

„De ontwikkeling van het embryo geschiedt bij de Landvogels 
langzamer dan bij de Weitervogels. De jongen worden dan ook 
hulpeloos geboren en hangen voor geruimen tijd geheel van 
de ouden af. Alleen de Galliiia' en Crypturi maken hierop 
eene uitzondering. 

De lokale verbreiding van Landvogels omvat zoowel de 
lagere als hoogere streken. Het talrijkst worden de species 



LANDVOGELS. 289 

aangetroffen in de hoogere alluviale terreinen en de streek 

der zwampachtige savannes. 

Onder de afdeeling der Landvogels zijn in dit werk begrepen 

7 orden. 

Orden. 

A. Basis V. d. bovensnavel zonder duidelijke washuid. 

a. Snavel sterk gekromd en kort. 

Drie teenen naar voren en een naar achter gekeerd ; achterteen 
nogal kort, bij enkele soorten zelfs rudimentair; klauwen normaal. 

X. GALLIN^. 

b. „Snavel recht, de basis plat en alleen het uiteinde min of meer gekromd. 

„Achterteen zeer kort; klauwen normaal. 

XI. CRYPTURI. 

B. Basis V. d. bovensnavel met een duidelijke verdikte washuid. 

a. Snavel recht; teenen normaal zonder sterk ontwikkelde klauwen. 

XII. COLUMBiE. 

b. Snavel sterk gekromd en kort. 

Drie teenen naar voren en een naar achter gekeerd of wel 
twee naar voren en twee naar achter, maar dan kan een der 
achcerteenen willekeurig vooruit of achteruit gebracht worden; 
klauwen, uitgezonderd bij enkele species, zooals Gieren, sterk 
ontwikkeld en gekromd ; vederkleed zonder eene grasgroene kleur. 

. . . XIII. ACCIPITRBS. 

C. Basis V. d. bovensnavel zonder duidelijke washuid of wel de washuid kort 

of bevederd. 

„Twee teenen naar voren en twee naar achter gekeerd ; klauwen 

normaal; vederkleed met veel grasgroen, geel, blauw, rood enz.; 

snavel sterk gekromd en zeer krachtig. 

XIV. PSITTACI, 

D. Bij de onderstaande orden is de achterteen ontwikkeld en op een lijn met 
de overigen ingeplant. Geen der soorten heeft sterk ontwikkelde klauwen aan de 
teenen, noch een washuid aan de basis v. d. bovensnavel. 

„Teenen twee naar voren en twee naar achter gekeerd of wel twee 
naar voren, een terzijde en een naar achter ; snavel zeer varieerend. 

XV. PICARI^. 

N.B. De Anisodaciyli hebben drie teenen naar voren en een naar achter gekeerd, 
maar moeten toch van wege hun overeenkomst in andere karaktertrekken met de 
overige familiën tot bovengenoemde orde gerekend worden. 

„Drie teenen naar voren en een naar achter gekeerd; snavel 
niet in zulke mate varieerend als bij de voorgaande orde. 

.... XVI. PASSERBS. 

ig 



2 go HOENDERACHTIGEN. 



Orde X. GALLIN^. 

HOENDERACHTIGEN. 

„De Rasores, Hoenderachtigen of Krab vogels, eng. Game 
Birds, onderscheiden zich door een zwaren lichaamsbouw en 
tamelijk dicht op elkander staande vederen, waaraan achter- 
schachten ontbreken. De kop is altijd klein, de snavel kort 
en sterk gewelfd, en zijn de groote neusgaten opmerkelijk naar 
onder geplaatst. Vele soorten hebben naakte plekken aan kop 
en hals, waaraan dikwijls aanhangsels zooals kammen, lellen enz. 
De tarsi zijn min of meer dik en meestal van voren duidelijk 
met schildjes bedekt. Bij de Cracidce is de achterteen ontwik- 
keld en staat op een lijn met de voorteenen; bij de overige 
soorten is de duim echter hooger ingeplant dan de andere 
vingers, zoodat hij slechts met de spits den grond raakt; bij 
enkele species ontbreekt hij ten naastenbij. Vele soorten heb- 
ben tevens kleine vliezen tusschen de voorteenen. De vleugels 
zijn bij de meeste nogal klein, eenigszins bol en afgerond 
en kunnen gedurende de vlucht het zware lichaam slechts 
voor korten tijd dragen. Onze soorten hebben zoowel groote 
breede, als korte staarten, bestaande uit i o of 12 pennen. 
Alle onderscheiden zich door groote kroppen, waarin het 
voedsel een tijdlang verblijft alv-orens in de maag te geraken, 
waarvan de dikke harde wanden onder het loopen tegen 
elkander wrijven. Hierdoor wordt het voedsel fijngemalen met 
behulp van steentjes of andere harde voorwerpen, door de 
vogels, speciaal tot het doel, hier en daar opgepikt. Het vel 
van al onze species is nogal dik en aan den hals elastisch. 
Gedurende zekere seizoenen bedekt een vetlaag vooral het 
ondergedeelte van het lichaam. 



HOENDERACHTIGEN. 



2gi 



H. leven meestal in polygamie. Bij vele soorten zijn de 
mannetjes, die dikwijls ook gekleurde huidaanhangsels aan den 
kop en sporen aan de pooten dragen, opmerkelijk grooter en 
fraaier van kleur dan de wijfjes, hoewel het verschil bij onze 
species niet zoo sterk uitkomt. Soms gebeurt het dat een 
onvruchtbaar of abnormaal wijfje het vederkleed en de sporen 
van het mannetje draagt. 

Het voedsel van H. bestaat uit zaden, vruchtjes, insecten, 
wormen enz. die ze vergaren door met hunne krachtige teenen 
en stompe nagels den grond open te krabben. Vele species 
wasschen zich nooit maar rollen met welbehagen in het zand om. 

H. bewonen meerendeels den grond. Opgeschrikt, zoeken 
ze hun heil in rennen of vliegen slechts een kort eindje voort. 
De meeste soorten zijn geen trekvogels maar brengen den 
winter in hun geboorteplaats door en ook onze species be- 
hooren tot de Standvogels, die zich gedurende de regenseizoenen 
tot in de hoogere bergstreken wagen. Maar gebrek aan water 
en voedsel dwingt alle, vooral gedurende het groote droge 
seizoen, ook de lagere streken te bezoeken. Soms gebeurt het 
inderdaad dat bij abnormaal droge seizoenen de lagere allu- 
viale gronden van H. krioelen. 

Onze H. nestelen zoowel op den grond als in boomen. Het 
aantal eieren per legsel is bij de op den grond nestelende 
soorten veel grooter en bedraagt soms 8 of lo stuks. De kleur 
der schalen is, op twee uitzonderingen na, geheel zuiver wit 
maar wordt gedurende de bebroeding min of meer geelachtig 
van tint, evenals Eendeneieren. De vorm varieert van af rond- 
achtig tot ovaal, maar de beide enden bijna altijd min of meer 
s|ids. 

De kuikens gelijken op die van gewone hoenders ; evenzoo 
kunnen ze van af hun geboorte reeds loopen en voedsel zoeken ; 
alle brengen den nacht door onder de vleugels der hen. Hierop 
doelende, luidt een inlandsch spreekwoord: De vleugels der 
kip zijn groot genoeg om al hare kuikens te bedekken. 

Onze H. laten zich gemakkelijk tammen, maar telen in ge- 
vangenschap niet voort. Toch beweert men in de kolonie dat 
de Maraihaan Penelopc jacztpeba paart met eene gewone hen 



292 



CRACIDyE. 



en dat de bastaarden in staat zijn hun geslacht voort te planten. 
Men kent het tusschenras als Maraiplantsoen. 

„Door hun geringe vruchtbaarheid is het slechts een kwestie 
van tijd wanneer de grootere Amerikaansche H. geheel zullen 
zijn uitgeroeid. En dit niettegenstaande deze vogels den mensch 
schuwen, zijne woonplaats nimmer naderen, maar zich reeds 
bij de eerste bijlslagen van den pionier-landbouwer in de oer- 
wouden terugtrekken. Toch zijn alle, evenals onze Indianen, 
reeds nu ten doode gedoemd. 

De orde der H. omvat 7 families, waarvan 3 in de Guiana's 
vertegenwoordigd zijn. Het aantal bekende fossielen bedraagt 
ongeveer 35. 

Famüi'en. 

A. Grooter vormen ; vleugel 20 c.M. of meer. 

„Staart bestaande uit 12 vederen en slechts weinig korter of 
langer dan de vleugels; tarsus bij de meeste soorten langer dan 
de middenteen en klauw. 

CRACID^. 



„Staart bestaande uit 10 vederen en slechts weinig korter dan 
de vleugels; middenteen en klauw iets langer dan de tarsus. 

OPISTHOCOMID^. 



B. Kleiner vormen; vleugel 15 c.M. of minder. 

„Staart bestaande uit 1 2 vederen en iets langer of korter dan 
de helft v. d. vleugel; middenteen en klauw langer dan de tarsus. 

.... ODONTOPHORID^. 



Familie der CRACID.^. 

HOKKOHOENDERS. 

„Tot de familie der Hokkohoenders, eng. Curassows and Guans, 
fr. Hoccos et Penelopes ou Marails, rekent men 60 soorten, 
die alleen in de Nieuwe Wereld voorkomen en daar de 



CRACID.T.. 293 

Fazanten, Pauwen enz. der Oude Wereld vervangen. Tot de 
fauna der Guiana's behooren 1 1 species, gerangschikt onder 
7 genera en 2 subfamilies. 

De lichaamsvorm van H. komt overeen met die der Fazanten : 
het vederkleed is evenwel bij lange na niet zoo fraai gekleurd, 
doch bestaat meestal uit zwarte, bruine en witachtige tinten. 
De kop is klein, de hals middelbaar kort of lang en nogal 
dun, terwijl de twaalf breede staart vederen voorbij de tippen 
der ronde vleugels uitsteken. De achterteenen zijn ontwikkeld 
en in staat zelfs betrekkelijk dunne takjes te omklemmen. 
Het vel is tamelijk dik en aan den hals elastisch ; soms bevindt 
zich een nogal dikke vetlaag tusschen vel en vleesch, vooral 
aan het ondergedeelte van het lichaam ; de buik is bevederd ; 
de olieklieren zijn bepluimd. Bij sommige onzer species verschilt 
het mannetje eenigszins in kleur en afmeting van het wijfje. 

Onze H. bewonen over het algemeen droge, woudrijke 
streken en zelden zwampachtige plaatsen langs de kust. Hun 
voedsel is grootendeels van plantaardigen aard hoewel alle, 
naar insecten en wormen zoekende, den grond met hunne 
nagels openkrabben. Loopen kunnen de meeste zeer goed 
maar niet zoo vlug als gewone hoenders. Het is niet zeker 
of alle kunnen zwemmen, maar bijna alle hebben een zwakke 
vlucht. Ze houden tevens van pronken en zijn doorgaans dag- 
vogels, die den nacht in hooge boomen doorbrengen. 

Onze H. leven over het algemeen bij paren of kleine troepen 
van 5 tot op meer onbewoonde plaatsen 20 a 30 individuen. 
Beide seksen schijnen niet even talrijk. Het witte vleesch van 
alle wordt als een lekkernij beschouwd, vooral dat der Marai's, 
reden waarom men gaarne / 1.25 a / 1.50 er voor betaalt. 
De meeste kunnen gemakkelijk getemd worden, maar schijnen 
dan de kracht tot voortteling te missen. 

Onze H. hebben evenals de meeste grootere Hoenderachtigen 
en vStruisvogels der Oude Wereld eene bepaalde voorliefde 
voor al wat blinkt. Zoo wordt beweerd dat men in de magen 
van in de goudvelden geschoten Porviezen zelfs goud zou 
hebben gevonden. Ook zijn meerdere gevallen bekend, waarbij 
deze vogels verschillende sieraden zooals broches, oorringen, 



!94 



CRACID^. 



zelfs gouden kettingen hebben ingeslokt; en het wordt als 
zeer gevaarlijk beschouwd te dicht in de nabijheid van een 
tamme Powies te komen omdat het dier naar de oogen pikt. 
„Voor zoover bekend nestelen H, in boomen. Het aantal 
eieren per legsel is zeer gering. Alleen het wijfje broedt. De 
kuikens zouden veel gelijken op- maar zwakker zijn dan die 
van gewone hoenders. De moeder zou ze eiken morgen naar 
omlaag op den grond dragen en des avonds weer naar het 
nest terug. Of dit echter waar is, kan ik niet beoordeelen. 
Volgens de meeste onzer Indianen en inlandsche jagers draagt 
de moeder de kuikens onmiddellijk na hun geboorte uit het 
nest om er niet weder terug te keeren. Dit laatste is ook 
mijne meening. 



Subfamilicn. 

A. Bovensnavel hooger dan breed. 



B. Bovensnavel breeder dan hoog. 



. . CRACINCE. 
PENELOPINCE. 



Subfam. der CRACINCE. 

EIGENLIJKE HOKKOHOENDERS. 

Genera. 

A. Vederen aan den bovenkop gekruld. 

CRAX, L. 

B. Vederen aan den bovenkop niet gekruld. 

a. Lora naakt. 

.... NOTHOCRAX, BURM. 

b. Lora bevederd. 

„Seksen van gelijke kleuring; culmen min of meer verhoogd, 
maar zonder eivormig uitgroeisel aan den voorkop. 

MITUA, LESS. 

„Seksen verschillend van kleur; voorkop versierd met een groot 
eivormig uitgroeisel. 

PAUXIS, TEMM. 



CRAX. 295 

Species. 

CRAX, L. 

C. alector, L. = id., Cab. in ScJiomb. Reis. = id., Brown, 
Br. Giiiaiia. 

(j'' Over het algemeen zwart met een purperglans ; onderbuik, onderflanken en 
dekv. end. d. st. wit ; washuid en snavelbasis geel ; end v. d. snavel zwartachtig ; 
poolen loodkleurig; iris bruin. O Ongeveer hetzelfde, maar met witachtige strepen 
aan de kuifvederen. L. 86, vl. 35.5, st. 31, tars. 10.8. De wijfjes zijn iets kleiner. 
Geogr. dist. De Guiana's en het noorden van het dalgebied der Amazone. Lok. 
dist. Oerwouden over de geheele kolonie. 

„Gekuifde Hokkohoenders, eng. Crested Curassows or Po wis, 
fr. Hoccos de la Guiane, onmiskenbare zwarte vogels met 
witte onderstaarten, korte, kromme snavels, naakten oogomtrek 
en tamelijk lange, eigenaardig gekrulde vederen aan den 
bovenkop, zijn wat kleiner dan een kalkoenhaan, maar behooren 
niettemin tot de allergrootste onzer Hoenderachtigen. 

In de kolonie staan G. H. bekend als Powiesie of Powiezen, 

bij de Arowakken als Hietjie, 
bij de Caraïben als Woko en 
bij de Warrau's als Yaruma. 
Langs de kust treft men zelden 
Powieren aan. In de oerwouden 
leven ze bij paren of troepjes 
van meermalen 20 of meer 
individuen, die met statigen 
stap en dikwijls wijd uitge- 
spreiden staart rondloopen, 
zoekende naar voedsel, be- 
Kop van Ci-ex aiecfor. Staande uit zaden, vruchtjes 

of insecten. Hun geluid dat 
ongeveer klinkt als een brommend „poe-wie, poe-wie", gevolgd 
of voorafgegaan door een zachter hm, hm, wordt zoowel bij 
dag als des nachts gehoord, maar vooral gedurende den paartijd. 
G. H. schijnen niet alleen nieuwsgierig maar ook slechts 
weinig vrees voor den mensch te bezitten; ze laten zich zelfs 




2g6 



CRACIDiTt. 



onder het paren tot op een paar passen naderen om, opge- 
schrikt, snel weg te loopen of te vliegen naar een boomtak 
in de nabijheid en daar met langgerekte halzen het komende 
af te wachten. Jonge individuen zijn echter veel schuwer en 
daardoor ook moeiehjker te bemachtigen. Hun vlucht is zwak 
en nimmer van langen duur; den nacht brengen alle door in 
boomen. 

„Vooral Indianen maken veel jacht op Powieren. Maar ge- 
durende den kleinen drogen tijd heeft het anders smakelijke 
vleesch een onaangename geur, denkelijk doordat de vogels 
dan van een bepaalde soort vruchten eten. De ingewanden 
worden als een vergif voor honden beschouwd. 

C. A. broedt gedurende het kleine droge seizoen. Het nest, 
bestaande uit takjes, twijgen enz., wordt geplaatst zoowel in 
lage boomen als woudreuzen, dikwijls 20 tot 30 meters van 
den grond af. Het wijfje legt 2 of 3 ovale witte, ruwe grof- 
korrelige eieren. AI. Afm. gi X 65 m.M. 

De broedtijd zou ongeveer een maand duren. Alleen het 
wijfje broedt; zij draagt tevens de kuikens naar omlaag, maar 
verlaat ze bij nadering van gevaar om, zoodra dit voorbij 
is, weer terug te keeren. De kuikens zouden volgens onze 
Indianen, er zeer mooi gevlekt uitzien met een kuif aan den 
bovenkop. Zoowel jongen als ouden laten zich gemakkelijk 
temmen. Mij is echter zoowel in Suriname als in Demerara 
geen enkel geval bekend waarbij Powieren in gevangenschap 
eieren legden en die uitbroedden. 

C. daubentoni, Gray. = Hocco, Faismi de la Guiane, Daub. 

(^' Geheel zwart met een groenen glans, uitgezonderd aan den onderbuik, de 
onderflanken en dekv. ond. d. st., die alle wit zijn : tippen der staartp. eveneens 
M'it; lel aan elke zijde van het basisgedeelte v. d. ondersnavel licht geel; pooten 
grijsachtig hoornkleurig. O Basis der kuifvederen wit; borst, zijden en dijen met 
witte dwarsstrepen en min of meer witte lijnen aan de vl.dekv. ; huid aan den 
bovensnavel purperachtig zwart; snavel zwart; pooten grijsachtig hoornkleurig. 
L. 86, vl. 38.5, st. 35, tars. 11.6. De wijfjes zijn iets kleiner. Geogr. dist. 
Venezuela en de Guiana's. Lok. dist. Als de \oorgaande specie. 

„Ook D'Aubenton's Hokkohoen, eng. D'Aubentons Curas- 
sow, fr. Hocco de D'Aubenton zou in de Guiana's voorkomen, 



NOTHOCRAX. 297 

hoewel ik nimmer een exemplaar heb gezien. In Venezuela 
daarentegen treft men ze talrijker aan. Hun lichaamsgrootte 
komt overeen met die der Powieren ; de mannetjes hebben 
gele lellen aan de snavelbasis en de wijfjes witte dwarsstrepen 
aan de vederen der onderdeelen. Hun levenswijze verschilt 
echter niet veel, en beide broeden ook omstreeks denzelfden tijd. 
Eieren uit Venezuela worden beschreven als overeenkomend 
met die der voorgaande soort, maar wat kleiner. Afni. 
90X 61 m.M. (Nehrkorn). 



NOTHOCRAX, BURM. 
N. urumutum, Spix. = Crax n., Cab. in ScJwnib. Reis. 

(ƒ Een zwarte kuif van lange vederen aan den bovenkop ; achterkop en het 
overig bevederd gedeelte v. d. kop alsmede keel, nek en borstzijden kastanjebruin, 
overgaande in bruinachtig aan den mantel, die evenals de overige bov.d. bedekt is 
met dunne zwarte dwarsstrepen, lijnen en vlekjes ; slagp. bruinachtig zwart, die \ . 
d. isten rang in mindere-, die v. d. s^en rang in meerdere mate gestreept, gevlekt 
enz. met geelachtig roodbruin aan de buitenvlag ; borst en overige ond.d. kaneel- 
kleurig met enkele grauwe vlekken aan de zijden; staartp. zwart met geelachtig 
witte tippen, uitgezonderd de middelste, die aan de zoomen gevlekt en gestreept 
zijn met geelachtig roodbruin ; lora en een groote naakte plek om de oogen licht- 
geel van boven en purperachtig van onder ; snavel scharlakenrood ; pooten vleesch- 
kleurig. O Bov.d. en middelste staartp. minder fraai gevlekt, gestreept enz. met 
licht geelachtig roodbruin op een donkerder grondkleur ; borst, zijden en dijen met 
grauwe wolkachtige vlekken. L. 61, vl. 30, st. 23, tars. 9, middenteen en klauw 
7.3. De wijfjes zijn iets kleiner. Geogr. dist. De Guiana's en het dalgebied der 
Amazone. Lok. dist. Oerwouden. 

„Nacht-Hokkohoenders, eng, Night Curassows, fr. Hoccos 
de nuit, behooren niet tot onze gewone soorten, maar worden 
gekenmerkt door groote kuiven, krachtige snavels alsmede 
onbevederde plekken om de oogen. 

In levenswijze komen N. H. overeen met Powiezen of Maraï's, 
doch zouden zich tevens ook des nachts voeden (hetgeen wel 
te betwijfelen valt) en den dag doorbrengen in dichtgebladerde 
boomen of tusschen de sporen van woudreuzen. Over hun 
voortteling is mij niets bekend. 



298 



CRACID^. 



MITUA, LESS. 
M. mitu, L. = Urax crythrorhynchus, Cah. in Schoinb. Reis. 

Ad. Over het algemeen zwart met een blauwen glans; buiken de kv. ond. d. st. 
donker kastanjebruin; tippen der staartp. wit; snavel en pooten rood. L. 86, 
vl. 36.3, st. 30.5, tars. ii.i, middenteen en klauw q. De wijfjes zijn iets kleiner. 
Geogr. dist. De Guiana's, het dalgebied der Amazone, Bolivia en Peru. Lok. dist. 
De oerwouden. 

„Bruinbuik-Hokkohoenders, eng. Brown-bellied-Curassows, 
fr. Hoccos a ventre brun, worden gekenmerkt door nogal ont- 
wikkelde kuiven, bestaande uit rechte vederen. De culmen is 
van voren hoog, rond en sterk zijdelings samengedrukt, maar 
dik van achter bij de basis. 

In levenswijze komen B. H. overeen met gewone Powieren, 
doch zijn veel zeldzamer. Hun geluid zou klinken als „ragua 
ragua". Hunne nesten van takjes, twijgen enz. bouwen ze in 
boomen. Het wijfje legt 2 of 3 witte, ovale, ruwgeschaalde 
eieren. Afm. go X 60 m.M. (Nehrkorn). 

M. tomentosa, Spix. = Urax t., Cab. in Schoinb. Reis. 

(^ Over het algemeen zwart 'met een purperblauwen glans; buik, dekv. ond. d. 
st., buitengedeelte der dijen en tippen der staartp. donker kastanjebruin ; snavel 
licht hoornkleurig, wijnrood aan de basis, den bovensnavel en het midden v. d. 
ondersnavel waar de kleur donkerder wordt; culmen zwartachtig; pooten oranje- 
bruin ; iris bruin. O Ongeveer hetzelfde maar met een blauwen in plaats van purper- 
blauwen glans. L. 8g, vl. 38, st. 35, tars. 12.1, middenteen en klauw 9.6. De 
wijfjes zijn iets kleiner. Geogr. dist. De Guiana's en het dalgebied der Amazone. 
Lok. dist. Savannes en wouden der hoogere alluviale terreinen. 

„Groote Bruinbuik-Hokkohoenders of Savanne-powieren, eng. 
Savanna Curassows or Powis, fr. Hoccos des savannes, komen 
in de kolonie talrijker voor dan de laatstgenoemde soort, maar 
worden vooral op de savannes of de tusschen inliggende oer- 
wouden aangetroffen. Hun levenswijze verschilt niet van die 
der gewone Powieren. Zoowel bij dag als des nachts kan men 
hun klagend melancholiek geluid hooren, dat ongeveer zou 
klinken als „pa-wie-oe-ma", reden waarom onze Indianen ze 



PAUXIS. 299 

Pawieoema noemen. Zij gelooven tevens, evenals de Indianen 
van Eng. Guiana, dat de vogels zich alleen als het zuiderkruis 
aan den horizon verrijst, laten hooren, hetgeen door Schomburgck 
bevestigd wordt. Tevens zouden de gekookte beenderen, en 
niet zooals bij den Powies de ingewanden, een vergif zijn voor 
honden, maar niet voor menschen. 

M. T. broedt omstreeks denzelfden tijd als Crax alcctor. 
Het nest, bestaande uit takjes, twijgen enz. wordt in boomen 
gebouwd. Het wijfje legt 2 of 3 witte eieren met ruwe schalen. 
.17. Afm. 93 X Ö2 m.M. 



PAUXIS, TBMM. 

F. pauxi L. = Le Pauxi ou Ie Pierre, Buff. = Le Pierre 
de Cayeinie, Daiib. 

(^ Over het algemeen zwart met een donkergroenen glans ; buik, dekv. ond. d. 
st. en tippen der staartp. wit; vederen aan kop en nek kort en fluweelachtig; 
snavel helder rood; pooten rood; uitgroeisel aan den bovenkop leiblauw. 9 Kop 
en nek zwart als bij het mannetje, maar de vederen aan kin en keel over het 
algemeen licht roodachtig bruin; mantel, vl.dekv. en schoudervederen kastanjebruin 
met glanzend zwarte dwarsstrepen en vlekken en geelachtige of geelachtig witte 
tippen; onderrug roodachtig bruin met onduidelijke zwarte dwarsstrepen; dekv. 
bov. d. st. zwart gevlekt en onregelmatig dwars gestreept met geelachtig roodbruin ; 
slagp. licht roodbruin met overdwarse of schuine zwarte vlekken ; borstzijden rood- 
bruin met glanzend zwarte dwarsstrepen, overgaande in lichter geelachtig roodbruin 
aan de middenborst, zijden en dijen; buik en dekv. ond. d. st. wit; staartp. zwart 
met witte tippen; middelste rectrices en het basisgedeelte der overigen geelachtig 
roodbruin gevlekt. L. 85, vl. 36, st. 34, tars. I0.6, middenteen en klauw 9. Geogr. 
dist. Columbia, Venezuela, de Guiana's en Peru. Lok. dist. De oerwouden. 

„Ook Roodsnavel-Hokkohoenders, eng. Red-billed Curassows, 
fr. Pauxis, behooren tot onze groote, maar zeldzame soorten, en 
worden onderscheiden door korte, zijdeachtige vederen aan kop 
en nek, terwijl een groot, hoog, vijgvormig uitgroeisel van 
eene leiblauwe kleur de culmenbasis en den voorkop versiert ; 
de tarsus is tevens langer dan de middenteen en klauw. 

In levenswijze komen R. H. overeen met Powieren, bewo- 



300 CRACIDiE. 

nen uitsluitend oerwouden en bouwen hunne nesten in boomen. 
Het wijfje legt 2 of 3 witte eieren met ruwe schalen. Afin. 
87 X <^'o m.M. (Nehrkorn). 



Subfam. der PENELOPINCE. 

NAAKT-KEEL-HOKKOHOENDERS. 

Genera. 

A. Uiteinden v. d. binnenvlag der eerste slagp. niet diep ingesneden. 

„Keel vel naakt en los met slechts enkele haarachtige vederen. 

.... PENELOPE, MERREM. 

,.Een band van vederen aan het midden der keel 

ORTALIS, MERREM. 

B. Uiteinden v. d. binnenvlag der eerste slagp. diep ingesneden. 

„Voorgedeelte v. d. hals over het algemeen naakt met een 
korten lel in het midden. 

PIPILE, BP. 



Species. 

PENELOPE, MERREM. 
F. jacupeba, Spix. = Salpiza cristata, Cab. in Schoinb. Reis. 

Ad. Bov.d. en borstzijden over het algemeen donker glanzend bruinachtig olijf- 
groen; vederen aan het voorgedeelte v. d. kop met grijsachtig witte randen; evenzoo 
die er naast en aan de kaken ; vederen aan achternek, mantel en eenige der vl.dekv. 
met onduidelijke grijsachtig witte randen ; vederen aan het voorgedeelte v. d. nek 
en de borstzijden met Avitte zijzoomen ; borst en overige ond.d. geelachtig rood- 
bruin met een grijze tint, grauwe vlekjes en een lichtgroenen glans aan de dekv. 
ond. d. st. ; snavel en naakt vel om de oogen zwartachtig; naakt los vel aan de 
keel helder rood; pooten purperachtig rood; iris bruin. L. 75, vl. 29, st. 31, 




PENELOPE. 301 

tars. 7, middenteen en klauw 6. De wijfjes zijn iets kleiner. Geogr. dist. Columbia, 
de Guiana's en het dalgebied der Amazone. Lok. dist. Vooral de oerwouden der 
lagere alluviale terreinen. 

„Bruine Naakt-keel-Hokkohoenders, eng. Small Maroudis, 
fr. Petits Penelopes ou Marails, zijn kleiner dan Powieren, maar 
hebben evenals de volgende soorten naakt los, helder rood 
vel aan de bovenkeel, alsmede staande kuiven van niet ge- 
krulde vederen ; de oogomtrek is 
naakt ; de neusgaten zijn voor aan 
den gekromden bovensnavel ge- 
plaatst en nimmer gedeeltelijk met 
vederen bedekt; de staart bestaat 
uit 1 2 breede vederen ; de tarsus 
is even lang of langer dan de 
v.o^ ... prn.iope jacupcba. middcuteen on klauw, terwijl het 

bevederd gedeelte der tibiae zich 
soms tot voorbij de kniebuiging of hak uitstrekt. De eerste 
slagpen is sikkelvormig. 

In de kolonie staan B. N. H. bekend als Marai of Boesie- 
krakoen (Boschkalkoenen), bij de Arowakken en Warrau's als 
Maroedie en bij de Caraïben als Malai of Kakakaka. Ze be- 
hooren tot de gewoonste onzer Hoenderachtige vogels en 
worden meermalen in den omtrek van bewoonde plaatsen 
waargenomen, op den grond evenwel minder dan in boomen, 
waar ze tevens den nacht doorbrengen. Maar zoodra de dag 
aanbreekt trekken alle naar den top van een woudreus, ten 
einde zich daar in de stralen der opkomende dagvorstin te 
koesteren en hunne vederen te reinigen alvorens weg te vliegen 
om zich te goed te doen vooral aan vruchtjes of palmezaden. 
Tegen het middaguur zitten alle weer rustig of rollen op den 
grond in het zand om. 

Opgeschrikt stuiven B. N. H. met een luid ka-ka-ka-ka naar 
alle richtingen; sommige verbergen zich in het struikgewas, 
maar de meeste vliegen naar hooge boomen toe, om daar met 
langgerekte halzen het komende af te wachten. Van deze 
eigenschap zouden jagers gebruik maken teneinde den eenen 
vogel na den anderen neer te schieten. 



302 



CRACID^. 



Tegen zonsondergang beginnen B. N. H. weer naar voedsel 
om te zien en daarna naar hunne slaapplaatsen te trekken, 
waar alle nog een laatste luidruchtige conversatie houden. 
Ook gedurende den nacht kan men hun luid paulie, paulie 
hooren, maar vooral tegen het aanbreken van den dag. 

De vlucht van B. N. H. is zwak en nimmer van langen 
duur ; loopen daarentegen kunnen ze met veel zwier, hoewel 
hunne lange staarten hen wel wat in den weg schijnen te 
staan, vooral in het struikgewas. Jonge individuen zijn veel 
schuwer dan ouden. 

P. J. broedt gedurende de beginhelft van het jaar, vooral 
tegen het kleine droge seizoen. Het nest van takjes, twijgen 
enz. wordt zoowel in hooge als lage boomen gebouwd. Het 
wijQe legt 2 of 3 gladde, witte eieren, il/. Afni. 6o X 49 rn.M. 

P. marail, Gm. = Le Marail, Buf. = Salpiza maraü, 
Cab. in Scliomb. Reis. 

Ad. Over het algemeen zeer donker bruinachtig blauwachtig groen ; bovenkop 
zwart met een lichten groenachtigen glans; enkele der vederen met grijze zijranden; 
vederen aan den voorkop, langs de zijden der kruin en aan de kaken donkergrijs ; 
vederen aan den achternek, en de mantel met onduidelijke grijze zijzoomen; buiten- 
helft der slagp. v. d. isten rang lichtbruin; vederen aan het voorgedeelte v. d. nek 
en aan de borstzijden met witte zijzoomen; overige ond.d. bruin met een donker- 
groenen glans aan de dijen en dekv. ond. d. st. ; buitenste staartp. zwart met een 
purperglans; naakt los vel aan de keel helder rood; pooten purperrood; snavel en 
naakt vel om de oogen zwartachtig; iris bruin. L. 83, vl. 34, st. 35, tars 8, 
middenteen en klauw 7.6. De wijfjes zijn iets kleiner. Geogr. dist. De Guiana's. 
Lok. dist. De oerwouden. 

„Groote Naakt-keel Hokkohoenders, eng. Large Maroudis, 
fr. Grands Penelopes ou Marails, komen in lichaamsvorm veel 
overeen met de voorgaande soort, maar zijn opmerkelijk grooter. 
In de kolonie kent men ze als Heegron of Boesi Marai, d. w. z. 
Hoogland of Bosch Marai, bij de Aro wakken als Klara en bij 
de Caraïben als Poli. 

In den regel treft men G. N. H. aan bij paren en zeldzaam 
in troepjes. Overigens komt hun levenswijze geheel overeen 
met die der voorgaande soort. Alleen krabben ze nimmer den 



PENELOPE. 303 



grond open teneinde naar insecten te zoeken; hunne pooten, 
waaraan kleine teenen, schijnen hiertoe ongeschikt. 

G. N. H. behooren tot onze schuwste vogels en worden 
slechts zelden door jagers bemachtigd. Hun geluid klinkt als 
een luid po-li po-li. De mannetjes schijnen talrijker dan de wijfjes. 

P. M. broedt terzelfder tijd als de voorgaande soort. Evenzoo 
wordt het nest in boomen gebouwd en legt het wijfje 2 of 3 
eieren. M. A/m. 63X51 m.M. 

P. jacucaca, Spix. = Salpiza /., Cah. in Schomh. Reis. 

Ad. Over het algemeen bruin, het midden v. d. kop donkerbruin ; vederen aan 
den voorkop met witte zijzoomen ; een breede witte band aan elke zijde v. d. kop : 
bov.d. lichtgroen getint; het grootste gedeelte der vl.dekv., schoudervederen en 
borstvederen met witte zij randen ; los vel aan de keel helder rood; oogomtrek en 
snavel zwartachtig; pooten rood; iris bruin. L. 70, vl. 29, st. 28, tars. 8, midden- 
teen en klauw 8. De wijfjes zijn iets kleiner. Geogr. dist. Brazilië en de Guiana's. 
Lok. dist. De oerwouden. 

„ Witknevel Naakt-keel Hokkohoenders, eng. Brovvn Maroudis, 
fr. Penelopes ou Marails bruns, onderscheiden zich van de voor- 
gaande soorten door een breeden witten band om de oogen. 
"^ In de kolonie komen W. N. veel zeldzamer voor dan de 
andere Marais, maar verschillen niet in levenswijze, staan ook 
onder dezelfde lokale namen bekend als de Bruine Naaktkeel 
Hokkohoenders en bouwen evenzoo hunne nesten in boomen. 
Het wijtje legt 2 of 3 gladde, witte eieren. Afin. 72X51 m-M. 
(Nehrkorn). 

N.B. Ook van de drie laatstgenoemde soorten wordt beweerd, dat hunne beenderen 
hetzij rauw of gekookt, een vergif zouden zijn voor honden. 

„Volgens Schomburgck nestelen onze species van het geslacht Fenelope op den grond. 
Zoodra de kuikens eenigszins zijn opgegroeid, leidt de moeder ze naar het struikgewas 
en van daar naar de hoogere boomen. Bij nadering van gevaar springen alle van tak 
tot tak tot de top van den boom bereikt is. 

Het bovenstaande wordt algemeen door onze Indianen beaamd, uitgezonderd dat de 
Marais op den grond zouden nestelen. 



304 CRACID.E. 

ORTALIS, MBRREM. 

O. motmot, L. = Fatsan de la Guiane, Daiib. =i Ortalida 
lil., Cab. in Sc/iomb. Reis. = id., Brozun, Br. Guiana. 

Ad. Boven en achterkop donker kastanjebruin evenals het bevederd gedeelte 
der kopzijden en het voorgedeelte v. d. nek, maar lichter van tint; overige bov.d. 
olijf bruin, min of meer roodbruin getint; slagp. en middelste staartp. bruin met 
een duidelijk groenen glans ; buitenste staartp. kastanjebruin ; borst bruinachtig of 
bruinachtig grijs; buik iets lichter van tint; dijen en dekv. ond. d. st. donkerder 
en min of meer roodbruin getint; snavel leikleurig; pooten purperachtig rood; 
naakt vel aan de keel vleeschkleurig ; iris bruin; naakt vel om de oogen zwart- 
achtig. L. 58, vl. 20.8, st. 25.8, tars. 7, middenteen en klauw 6.1. De wijfjes 
zijn kleiner. Geogi-. dist. De Guiana's en het dalgebied der Amazone. Lok. dist. 
Wouden over de geheele kolonie. 

„Hannakwa's of Paraka fazanten, eng. Hannaqua's, fr. 
Hannaquas, hebben naakte plekken om de oogen en kuiven 
aan den bovenkop; kin en keel zijn naakt, uitgezonderd een 
band van dunne vederen met borstelige schachten. De tarsus 
is langer dan middenteen en klauw, terwijl de ronde staart 
uit 12 breede vederen bestaat. 

In lichaamsvorm komen H. veel overeen met Hokkohoenders ; 

vooral hun kop gelijkt dien 
van den Marai. Ze staan be- 
kend als Wakago, bij de 
Arowakken als Kanoeba, 
bij de Warrau's als Ha- 
nakwa en de Caraïben Pa- 
raka. 

„De naam Wakago is af- 
komstig van het engelsche 
„walk and go" en aan den 
Kop van Ortaiis motmot. \ogë\ gegQwen omdat zijn 

geluid pa-ra-ka min of meer 
zoo khnkt. Dit geluid wordt zoowel bij dag als des nachts 
gehoord, maar meestal gedurende de morgen- of avonduren. 
Eerst klinkt het zacht en schijnt heel uit de verte te komen 
om gaandeweg in helderheid toe te nemen, tot men ten laatste 




PIPILE. 305 

bijna zeker is dat de vogel zich in het naaste struikgewas 
schuil houdt. Maar eensklaps vermindert het geluid weer in 
kracht en schijnt zich meer en meer te verwijderen. „Loop en 
ga" klinkt het luid, „Loop en kom" zacht en wegstervend, heel 
in de verte beantwoord door een ander „walk and go", „go 
and v/alk". En zoo eigenaardig en geheimzinnig khnkt deze 
morgengroet van den Wakago dat geen reiziger, die ooit 
tropisch Amerika bezocht, heeft nagelaten er met enkele 
woorden melding van te maken. 

H. bewonen meer open dan dichte wouden en worden meer 
bij paren dan in troepjes, zoowel in boomen als op den grond 
aangetroffen. Hun voedsel bestaat uit zaden, vruchtjes of 
insecten. Hun vlucht is zwak en nimmer van langen duur, 
hoewel ze met veel zwier rondloopen. De wijfjes schijnen tal- 
rijker dan de mannetjes ; naar het mij voorkomt leven H. ook 
dikwijls in polygamie. Hun vleesch smaakt even lekker als 
dat der Marais; ze zijn echter nog schuwer en dit, gepaard 
aan de uiterst protectieve kleur van hun vederkleed, is denke- 
lijk de reden waarom Wakago's zoo zeldzaam door jagers 
bemachtigd worden, hoewel ze tot de gewoonste onzer Hoender- 
achtige vogels behooren. 

O. M. broedt gedurende het kleine droge seizoen. Het nest 
van takjes, twijgen enz. wordt geplaatst in boomen of ook 
wel in het struikgewas. Het wijfje legt 3 of 4 witte of geel- 
achtige, ovale, maar aan de beide enden min of meer spitse, 
ten naastenbij glanslooze eieren; de schalen zijn ruw als schuur- 
papier. M. A/m. 65 X 47 m-M. 

De exemplaren varieeren niet veel. 



PIPILB, BP. 



P. cumanensis, Gm. = Pcuelopc pipile, Cab. in Schomb. 
Reis. = ïd., Browii, Br. Guiaua 

Ad. Bov.d. over het algemeen zwart met een donkergroenen glans ; bovenkop en 
de helft der nekzijden versierd met lange witte vederen; enkele vederen aan de 
mantel, binnenste vl.dekv. en vederen aan de borstzijden met witte zijzoomen; 

20 



3o6 



OPISTHOCOMID^. 



eerste zes of zeven buitenste dekv. der slagp. v. d. a^en rang en enkele der 
buitenste middelste dekv. wit met groene tippen ; snaveluiteinde zwart ; washuid 
en naakt vel om de neusgaten en oogen witachtig met blauwe strepen; naakt vel 
aan de keel donkerblauw; pooten rood; iris bruin. L. "jb, vl. 34.5, st. 29, tars. 6.3, 
middenteen en klauw 6.7. Geogr. dist. De Guiana's, Venezuela, het dalgebied der 
Amazone, Bolivia en Peru. Lok. dist. De oerwouden. 

„Witkuif Naakt-keel Hokkohoenders, eng. White-headed 
Maroudis or Cumana Maroudis, fr. Marails de Cumana, behoo- 
ren niet tot onze gewoonste, hoewel ook niet tot de zeldzaamste 
soorten, doch onderscheiden zich door groote kuiven van lange, 
spitse, witte vederen, alsmede naakte lora en oogomtrek. Ook 
de voornek is naakt, uitgezonderd eenige haarachtige vederen 
in het midden. De ronde staart bestaat uit 12 breede vederen, 
terwijl de middenteen en 
klauw den tarsus in lengte 
overtreffen. 

W. N. H. bewonen uit- 
sluitend oerwouden en ko- 
men in levenswijze geheel 
overeen met Marai's. Ze staan 

t 1 T-> • Kop van Pipila cn>/!aiir>:sis. 

bekend als Withede Boesie- 

marai (Witkop Bosch-Marai), bij de Arowakken als Klara, bij 
de Warrau's als Quahenne en bij de Caraïben als Koejoelie. Hun 
geluid klinkt ongeveer als „fo, fo" of ook wel koe-joe-lie. 

P. C. broedt tegen het kleine droge seizoen. De nesten 
worden in boomen gebouwd. 

Het wijfje legt 2 of 3 eieren, die beschreven worden als 
glad en wit van schaal, maar met dicht op elkander staande 
poriën. A/m. 66 X 44 m.M. 




Familie der OPISTHOCOMID^. 

HOAZIXS. 

„Tot de familie der Hoazins, eng. Hoazins, fr. Hoazins, rekent 
men slechts een soort, die alleen in de tropen van Z.-Amerika 
voorkomt. 



OPISTHOCOMUS. 307 

Species. 

OPISTHOCOMUS, ILL. 

O. hoazin, P. L. S. MüU. = Faizan huppc de Cayenne, 
Daub. = U Hoaziii, Buff. = O. cristatits, Cab. in Schojub. Reis. 

Ad. Bov.d. over het algemeen donkerbruin met een olijfkleurigen glans; bovenkop 
versierd met lange, smalle, stijve vederen, die aan den voorkop eene roodbruine 
en aan den achterkop eene donkerbruine kleur bezitten ; achternek donkerbruin, de 
vederen met lange geelachtige strepen ; vederen aan den bovenmantel met witte 
schachtstrepen ; schoudervederen met witte zijzoomen ; vleugelbuiging, buitenvlag v. 
h. huimpje en buitenste dekv. der eerste slagp. geelachtig, de tippen der overige 
vl.dekv. wit; slagp. kastanjebruin met een licht olijfkleurigen glans aan de uiteinden; 
eerste slagp. v. d. 2^^" rang kastanjebruin in het midden, overigens donkerbruin 
met een olijfkleurigen glans; kin, keel en borst geelachtig, overgaande in kastanje- 
bruin aan de overige ond.d. ; staart donkerbruin met een olijfkleurigen glans en 
geelachtig witte tippen, snavel donker olijfachtig grijs; naakt vel om de oogen 
blauw; loris, kaken en kin licht kobaltblauw; pooten grijsachtig zwart; iris karmo- 
zijnrood. L. 60, vl. 31.5, st. 30, tars. 5, middenteen en klauw 4.9. Geogr. dist. 
De Guiana's, het dalgebied der Amazone, Columbia, Ecuador, Peru, Bolivia en 
Venezuela. Lok. dist. Wouden en terreinen waar Arum arborescezis groeit. 

„Van al de vogels die de wouden van Z. -Amerika bewonen 
behooren Hoazins of Canje Fazanten, eng. Canje Pheasants, 
tot de eigenaardigsten. 

In lichaamsvorm komen H. wel wat overeen met Anhinga's 
en Zonroerdompen. Hun lange, ronde staart bestaat uit tien 
vederen, terwijl een groote kuif van stijve vederen den boven- 
kop versiert; verder hebben ze lange, dunne, slangachtige 
halzen, kleine koppen, naakte kopzijden, korte gekromde 
snavels, rondachtige vleugels, nogal korte pooten, bepluimde 
olieklieren, alsmede enorm groote kroppen. 

Van alle vogels komt de H. het reptiel meest nabij in wat 
inwendigen lichaamsbouw betreft, hoewel hij ook veel weg 
heeft met de uitgestorven Dodars van Madagaskar en met de 
familie der Touraco's of Musophagidce der Oude Wereld. Beide 
seksen gelijken elkander. 

Over het algemeen bewonen H. woudrijke oevers van kreken 
of rivieren en leven in groote troepen van honderden individuen, 



3o8 



OPISTHOCOMID^. 



die met veel geraas elkander van tak tot tak najagen. Ook 
ziet men ze dikwijls met uitgespreide vleugels zich in de zon 
koesteren. Op den grond loopen ze tamelijk snel; zwemmen 
kunnen ze ook goed, maar hun vlucht is zwak en nimmer 
van langen duur. Schuw kan men H. volstrekt niet noemen, 
hoewel ze den omtrek van bewoonde plaatsen nimmer naderen 
en slechts door enkele Indianen als Zeziera aangeduid worden. 

Het voedsel van den 
H. is uitsluitend van plant- 
aardigen aard en bestaat 
al naar gelang van het sei- 
zoen uit bepaalde vruch- 
ten, bladeren of bloesems. 
Vooral voor de bladeren 
van onze inlandsche Moko 
moko Artim arhoresceus 
heeft hij eene bepaalde 
voorliefde. Het vleesch 
wordt niet gegeten om- 
dat het, evenals de vede- 
ren, eene hoogst Onaan- Kop van Opistkocomus hoazin. 

gename geur bezit, die 

zelfs bij geprepareerde huiden na jaren nog merkbaar is. 
Roofdieren versmaden het vleesch, maar niet roofvogels, slan- 
gen of andere reptielen. Volgens Schomburgck heeft de geur 
veel overeenkomst met die van versch paardenafval, maar is 
niet het gevolg van het eten der Arumbladcren, want die 
ruiken er volstrekt niet naar. In Demerara waar de H. tal- 
rijker voorkomen dan hier, staan ze dan ook bekend als 
Stinking Birds of Gouv. van Batenburg's Turkey's. 

O. H. broedt gedurende de middenmaanden van het jaar in 
groote koloniën. Het ongeveer 35 c.M. in doorsnede metende 
nest van takjes wordt geplaatst in het struikgewas of lage 
boomen niet ver van het water af. Het wijfje legt 2 of 3 
elliptische of breed ovale, ten naastenbij glanslooze, licht rose- 
achtig roomkleurige eieren, met groote en kleine roodbruine 
en lilagrijze vlekken. M. Afm. 43 X 3^ m.M. 



1 


"Tl 


i 


^^fB^SS^fBKf^^ 



ODONTOPHORID.E. 



309 



verlaten reeds na 



De exemplaren varieeren nogal in afmeting; bij vele is de 
bevlekking het donkerst om het stompe end der schaal ; enkele 
gelijken op eieren van Aramidcs, Porphyriola en andere 
groote Waterhoenders. 

De kuikens worden naakt geboren en 
enkele uren het nest. Aan de vleugels 
hebben ze dan haakvormige uitgroeisels 
waarmede ze snel met behulp hunner \ 
snavels en pooten tegen takken en twijgen 
opklimmen; van af hun geboorte kunnen 
ze ook goed zwemmen. 

Het haakvormig uitgroeisel aan den 
vleugel van het hoazinkuiken vindt zijn 
gelijke in de haken aan de vleugels van 
Archseopteryx lithographica, een eigen- 
aardig bevcderd kruipend dier, waarvan 
er meerdere fossieloverblijfselen opge- 
graven zijn. Dit dier vormde den z.g. 
overgang van de vogels tot de kruipende dieren. 




Haakvormig uitgroeisel aan 

den vleugel van het 

Hoa z in -kii ik en . 



Familie der ODONTOPHORID.^. 



AM. PATRIJZEN, 



„Ongeveer 70 soorten Am. Patrijzen, eng, Am. Partridges, 
fr. Perdrix d'Amérique, zijn bekend. Van dit aantal komen 
slechts 2 soorten, behoorende tot 2 genera, in de Guiana's voor. 

In lichaamsvorm gelijken beide veel op Patrijzen met middel- 
baar lange halzen, nogal kleine koppen en korte gekromde 
snavels ; de staart is maar ongeveer half zoo lang als de vleugels, 
terwijl de snijranden van den ondersnavel van inkervingen 
voorzien zijn. Hierdoor verschillen Am. P. van de Perdicincv 
der Oude Wereld. 

Onze Am. P. nestelen op den grond en leggen gevlekte 
of ongevlekte eieren. De kuikens zijn met dons bedekt en 



3IO ODONTOPHORIDiE. 

kunnen van af hun geboorte reeds rondloopen en voedsel 
zoeken. 

Genera. 

A. „Staart iets langer dan de helft v. d. vleugel; snavel kleiner; 
seksen verschillend van kleur. 

.... EUPSYCHORTYX, GOULD. 

B. „Staart iets korter dan de helft v. d. vleugel; snavel grooter; 
seksen van gelijke kleuring. 

.... ODONTOPHORUS, VIEILL. 



Species 

EUPSYCHORTYX, GOULD. 

E. sonnini, Temm. = Le Caille de Cayennc, Biiff. = 
Ortyx cristatus, Cah. in Schomb. Reis. 

(J' Loris, bovenkop, kuif, kin en keel geelachtig of geelachtig bruin; oorvederen 
witachtig ; een breede zwarte wenkbrauwlijn en een zwarte band van af den 
mondhoek tusschen de keel- en oorvederen; achternekvederen wit met een drie- 
kantige vlek aan het uiteinde ; mantel, nekzijden en vl.dekv. roodbruin met een 
grijze tint, overgaande in grijs aan de stuit en dekv. bov. d. st. ; bov.d. met min 
of meer groote en kleine zwarte en geelachtig witte vlekken en stippen; vederen 
aan de borstzijden licht wijnrood, in het midden met zwarte dwarsstrepen en witte 
endvlekken; zijden of flanken hetzelfde; middenborst en buik wit met zwarte 
dwarsstrepen en min of meer oranjekleurige tippen aan de vederen ; dekv. ond. d. 
st. geelachtig met donkere schachten ; staartp. bruinachtig grijs met onregelmatige 
geelachtige vlekjes; snavel zwartachtig; pooten grijsachtig zwart; iris bruin. 
O Wenkbrauwstreep oranjegeel ; oorvederen licht bruin ; band onder de oorvederen 
geelachtig wit; keelzijden met laatstgenoemde kleur overtogen en de vederen tevens 
met zwarte zijzoomen. Jong. Bov.d. als bij het wijfje, maar de mantelvederen, 
vl.dekv., schoudervederen en vederen aan de borstzijden met geelachtige schacht- 
strepen ; kin en keel wit ; overige ond.d. wit met onregelmatige zwarte dwars- 
strepen. L. 21, vl. lo, st. 6.2, tars. 2.7, middenteen en klauw 3. Geogr. dist. 
De Guiana's, Venezuela en Rio Negro. Lok. dist. Bijna overal, uitgezonderd de 
kustzoom. 

„Sonnini's Patrijzen, eng. Sonnini's Partridges, fr. Cailles 
de Sonnini, de eigenlijke Patrijzen der Guiana's, onderscheiden 



ODONTOPHORUS. 3 i i 

zich door ontwikkelde kuiven aan den bovenkop en behooren 
tevens tot de kleinste en schuwste onzer Hoenderachtigen. De 
eerste slagpen reikt ongeveer tusschen de achtste en negende; 
de vierde is de langste, 

S. P. komen niet langs de zeekust of in den omtrek van 
bewoonde plaatsen voor, maar wel op de savannes en de daar- 
aan grenzende wouden. Gedurende den paartijd leven ze bij 
paren, maar daarna in troepen van 8 tot 20 individuen. Hun 
vlucht is zwak en nimmer van langen 
duur, Loopen kunnen ze echter zeer vlug, 
en wel door het dichtste struikgewas. 
Soms ziet men een troepje op de open 
savanne, maar bij nadering van gevaar 
trekken alle zich oogenblikkelijk in het 
struikgewas terug. Op boomen ziet men 

Yio'pxa.n Etipsyc/iortvx sonnini. 

S, P, zelden of nooit. Hun voedsel van 
insecten, zaden enz. vergaren ze tusschen het gras enz. of 
krabben ook meermalen den grond open. Hun vleesch smaakt 
zeer lekker. 

In de kolonie staan S. P. bekend als Sabana-patrijs of 
Anamoen, d. w. z. Savanne-patrijs en bij de Caraïben alsTjaibieda. 

E. S. nestelt op den grond tusschen het struikgewas. Het 
wijQe legt 6 tot 10 eieren, die door Nehrkorn beschreven 
worden als wit met een roodachtige tint en bruingele vlekken, 
Afm. 34.5 X 25 m.M. 




ODONTOPHORUS, VIEILL, 

O. guianensis, Gm, = id., Cab. in Scliomb. Reis. = id., 
Brouni, Br. Guiaiia. = Le Tocro ou Perdrix de la Guiane, BufJ. 

Ad. Bovenkop donker kastanjebruin met onregelmatige roodbruine en zwarte 
vlekken; achternek en mantel grijs met zwarte vlekjes; onderrug en stuit zand- 
achtig roodbruin, overgaande in donker roodbruin aan de dekv. bov, d. st. en alle 
met min of meer zwarte vlekken; vl.dekv., schoudervederen en buitenste slagp, v, 
d. 2den rang roodbruin, gevlekt, vooral aan de tip v, d, binnenvlag met zwart en 
alle onregelmatig geteekend, gestipt enz, met dezelfde kleur; enkele der schouder- 



312 



odontophorid.ï:. 



vederen met een vuiUvitle of grijze band aan de buitenvlag nabij de schachten ; 
langere schoudervederen en buitenste slagp. v. d. 2<ien j-ang met geelachtige randen 
aan de binnenvlag ; slagp. donkerbruin, de buitenvlag met onregelmatige geelachtige 
dwarsstrepen ; kin, kaken en keelzijden donker kastanjebruin; oorvederen geelachtig; 
middenkcel en voornek grijsachtig; overige ond.d. lichter of donkerder geelachtig 
roodbruin met min of meer grauwe dwarsstrepen en vlekken aan borstzij den en 
flanken; staart donker roodbruin met onduidelijke dwarsstrepen; snavel blauwachtig 
zwart, naakt vel om de oogen vermiljoenrood ; pooten donker loodblauw ; iris bruin. 
L. 29, vl. 14, st. 7, lars. 4, middenteen en klauw 4.5. Geogr. disi. De Guiana's 
en de Beneden Amazone. Loh. dist. Bijna overal, uitgezonderd de kustzoomen. 

„Guiana Patrijzen, eng. Guiana Partridges, fr. Perdrix de 
la Guiane, zijn eenigszins grooter dan de voorgaande soort en 
hebben tevens naakt, rood vel om de oogen, alsmede grooter, 
krachtiger snavels; een kuif versiert den bovenkop; de eerste 
slagpen is korter dan de tiende ; het langst is de vierde of vijfde. 

Bij onze inlanders staan G. P. bekend als Tokoro, bij de 
Arowakken als Dorokola en de Caraïben Tokolo. Hunne voor- 
naamste verblijfplaatsen zijn droge ritsen tusschen de zwampen 
alsmede de wouden der lagere en hoogere 
alluviale terreinen. Over het algemeen leven ! ^^ 

Tokoro's bij paren of troepjes. Hun voedsel 
bestaat uit insecten, zaden enz. Snel loopen 
ze door het dichtste struikge\vas, maar hun 
vlucht is zwak en nimmer van langen duur. 
Den grond krabben ze dikwijls open en 

Kop van Oiio>iiopho7-us 

rollen zich met welbehagen in het zand om. sniancnsis. 

G. P. zijn over het algemeen dagvogels, 
die den nacht in boomen doorbrengen. Hun geluid klinkt 
ongeveer als fo-fo-fo. Tevens geeft het mannetje zoowel bij 
dag als des nachts, maar vooral gedurende den paartijd, door 
een luid, op verren afstand hoorbaar to-kro-to-kro, zijn strijd- 
lust te kennen. Door nabootsing van dezen lokroep met behulp 
van een stuk hol bamboes kan men dan den strijdlustige tot 
dicht in de nabijheid lokken en neerschieten. Het vleesch 
smaakt evenals dat der voorgaande soort, zeer lekker. 

O. G. broedt vooral gedurende het groote regenseizoen. 
Het nest van bladeren, gras enz. wordt op den grond tusschen 
dicht struikgewas of de sporen van woudreuzen gebouwd. Het 






ODONTOPHORUS. 3 1 3 

wijfje legt 6 tot 10 ovale, witte, licht glanzende eieren. 
M. A/m. 40 X 29 m.M. 

De exemplaren varieeren niet veel. De kuikens groeien 
snel en verlaten hunne ouders spoedig. Alle kunnen gemak- 
kelijk getemd worden en zouden in gevangen staat voort- 
telen. 



314 



tina:mid.T£, 



Orde XI. CRYPTURI. 

STUITHOENDERACHTIGEN. 

' „Tot deze orde wordt gerekend een familie; slechts een 
fossielsoort is bekend. 



Familie der TINAMID^. 

STUITHOENDERS. 

„Stuithoenders of Tinamoes, eng. Tinamous, fr. Tinamous, 
staan zoowat tusschen de Cariiiatcc en Ratita. omdat de 
schedel met dien der Struisvogelachtigen overeenkomt, terwijl 
het borstbeen dat der Carinaten gelijkt. 

T. worden uitsluitend in Z.-Amerika aangetroffen. Ongeveer 
40 species zijn bekend waarvan 8, gerekend tot 2 geslachten, 
in de Guiana's voorkomen, waar alle tot de Standvogels 
behooren, die in grootte varieeren tusschen een duif en een 
groot hoen. 

„Alle onderscheiden zich door een dik lichaam, kleinen kop 
en slechts weinig gebogen, slanken, dunnen, bij de basis platten 
snavel ter lengte van den kop. De neusgaten zijn in het midden 
van den bovensnavel ; de hals is nogal kort en dik. Verder 
hebben S. kleine korte staarten, die dikwijls geheel door de 
dekvederen bedekt zijn, alsmede korte, ronde vleugels met 
zeisvormige eerste slagpennen. De tarsi zijn middelbaar lang, 
naar verhouding dunner dan bij de Hoenderachtigen, terwijl 
de tamelijk korte voorteenen van korte klauwen voorzien zijn ; 



TINAMID^. 



315 



de duim is rudimentair. De vederen staan over het algemeen 
dicht op elkander; de buik is bevederd. Het nogal dunne vel 
scheurt bij de geringste aanraking, hoewel het aan den hals 
elastisch is. Tusschen vel en vleesch bevindt zich dikwijls een 
vetlaag. De buik is bevederd ; maag en krop komen overeen 
met die der Hoenderachtigen. Beide seksen gelijken elkander 
min of meer, evenals de \'erschillende soorten ; en ook de jongen 
verschillen weinig. De wijfjes schijnen talrijker. 

S. komen talrijk in de kolonie voor en naderen meermalen, 
vooral gedurende het groote droge seizoen, tot dicht bij bewoonde 
plaatsen. Langs de zeekust treft men ze zelden of nooit aan. 

Alle behooren min of meer tot de dagvogels, maar worden 
ook wel des nachts gehoord. Enkele soorten kunnen op dikke 
boomtakken zitten waar ze, door hun protectie ve kleur, moeielijk 
te onderscheiden zijn. De kuikens gelijken die der Hoender- 
achtigen en stuiven evenzoo bij nadering van gevaar naar alle 
richtingen uiteen, teneinde de moeder kans tot ontsnappen te 
geven. Plat, onbewegelijk tegen den grond aangedrukt, wachten 
ze dan haar terugkomst af. 

Loopen kunnen S. zeer goed, maar vliegen alleen in uitersten 
nood een eindje ver. Hun voedsel bestaat meer uit insecten 
dan wel zaden of andere plantenzelfstandigheden, maar geen 
maïs. Hierop doelt dan ook een inlandsch spreekwoord : „Men 
kan wel kippen met maïs vangen, maar geen Anamoen's." 
Ondanks hunne kleine pooten krabben ze toch den grond open 
evenals gewone hoenders of rollen zich in het zand om. 

„Volgens sommige natuurkundigen zouden S., wat intellect 
betreft, voor andere vogels onderdoen, zoo zelfs, dat ze zich 
met een stok laten dooden. Dit is echter meer theorie dan 
practijk, tenminste wat onze soorten betreft. 

„Omdat nu de Tinamoes lichamelijk op een lagen trap van 
ontwikkeling staan, volgt hieruit niet dat ze dit ook intellec- 
tueel zijn. De Didelphidae b.v. behooren toch ook tot de minst 
ontwikkelde zoogdieren, maar staan niettemin wat intellect 
betreft boven de meeste der andere mammalia. De strijd om 
het bestaan voor den Tinamoe geschiedt toch onder dezelfde 
omstandigheden als die der meest ontwikkelde soorten; inder- 



3l6 TINAMID/E. 

daad is het getal hunner vijanden veel grooter dan van Struis- 
vogels of Penguins. En indien de Tinamoos werkelijk in 
intellect voor andere Hoenderachtige vogels zouden onderdoen, 
waarom treft men ze dan zoo taltijk in onze wouden aan? 
Schrijver heeft in Suriname nimmer over de domheid van S. 
of Anamoen, gelijk bijna alle staartlooze vogels hier heeten, 
hooren spreken. Integendeel bezitten ze eene opmerkelijke 
vrees voor den mensch en worden dan ook zelden door 
inlandsche jagers bemachtigd. En dat ondanks hun wit, maar 
licht bederfbaar vleesch als eene delicatesse beschouwd wordt 
evenals de eieren. 

„Alle S, nestelen op den grond, waarin ze met hunne 
pooten een kleine uitholling krabben. De eieren zijn onmis- 
kenbaar, nl. blauwgroen of roodviolet. De schalen zien er hoogst 
glanzend uit en schijnen wel gepolitoerd. Zeer eigenaardig 
bedraagt bij sommige soorten het aantal eieren per legsel tot 
8 of lo stuks, terwijl andere weer, die op dezelfde plaatsen 
nestelen, slechts een of 2 eieren leggen. Maar alle zijn goede 
broeders en verlaten hunne nesten alleen in uitersten nood. 
De kuikens kunnen van af hun geboorte reeds rondloopen en 
voedsel zoeken. 

Genera. 

A. „Achterzijde v. d. tarsus ruw. 

.... TINAMUS, HERM. 

B. „Achterzijde v. d. tarsus glad. 

.... CRYPTURUS, ILL. 



Species. 
TINAMUS, HERM. 



T. tao, Temm. 



Ad. Boven en achterkop zwart; kopzijden zwart met witte vlekken; aan elke 
zijde V. d. achterkop twee witachtige met zwart gevlekte banden; keel wit met 
zwarte vlekken ; ondergedeelte van nek en borst leigrijs met min of meer golvende 



TINAMUS. 3 I 7 

donkere lijnen , bov.d. grijsachtig olijfkleurig met golvende zwarte lijnen en dwars- 
strepen, die er aan onderrug en stuit breeder uitzien ; vl.dekv. als de bovenrug ; 
flanken grijsachtig met onregelmatige geelachtige, golvende banden ; middenbuik 
geelachtig; dekv. ond. d. st. grijs, het midden roodachtig en met min of meer 
onregelmatige, golvende grijze üjnen; slagp. v. d. isten rang, dekv. en huimpje 
leizwart ; dekv. ond. d. vl. leigrijs ; staart leizwart, de buitenranden der vederen 
met olijf kleurige vlekken; bovensnavel donkerbruin, ondersnavel geelachtig; pooten 
zwartachiig olijfkleurig, nagels geel; iris donkerbruin. L. 53, vl. 28, st. 12.6, tars. 
7.6, culm. 3.8. Geogr. dist. Het dalgebied der Amazone, de Guiana's, Venezuela, 
Columbia, Peru en Bolivia. Lok. dist. De binnenlanden. 

Groote Tinamoes, eng. Great Tinamous, fr. Tinamous grands, 
kunnen dadelijk uitgemaakt worden aan hun afmeting alsmede 
donker grijsachtig olijfkleurig getint vederkleed. 

In de kolonie staan G. T. bekend als Gran-boesie Anamoen, 
d, w. z. Stuithoender uit het hooge woud, en bij de Indianen 
evenals de volgende soort, met wie ze in levenswijze geheel 
overeenkomen, doch in de kuststreken slechts bij hooge uit- 
zondering aangetroffen worden. 

T. T. broedt terzelfder tijd als de volgende soort. De eieren 
zijn echter wat grooter. M. A/m. 62 X 55 m.M. 

T. subcristatus, Cab. = id., Cab. in Scliomb. Reis. 

(^ Voorkop en het gedeelte boven de oogen grijsachtig zwart; overig gedeelte 
v. d. bovenkop alsmede kuif aan den achterkop kastanjebniin ; kopzijden van voren 
en oorvederen zwartachtig, van achter en aan de nekzijden gevlekt met roodbruin 
en zwartachtig, het midden van elke veder zwartachtig en de randen roodbruin ; 
keel wit; onderhals licht olijf bruin; rug, stuit en dekv. bov. d. st. olijf bruin, 
laatstgenoemde tevens met geelachtige randen en onduidelijke dwarsstrepen ; vleugels 
olijfkleurig, maar de slagp. v. d. 2den rang roodachtig olijf bruin en die v. d. 
isten rang grijsachtig bruin, evenals de roodbruin getinte dekvederen en het huimpje; 
dekv. ond. d. vl. grijsachtig bruin met duidelijke olijfkleurige randen, maar de 
laatste rij vederen zuiver grijs; staart olijfachtig roodbruin; ond.d. licht olijfgrijs, 
het midden met dunne golvende grauwe lijnen; flanken geelachtig met breede 
onregelmatige dwarsstrepen; bovensnavel bruin, ondersnavel geelachtig; pooten 
olijfkleurig; iris bruin. O Ongeveer hetzelfde, maar de bov.d. met min of meer 
zwarte dwarsstrepen en vlekken. Jong. Als ad. maar roodachtiger bruin van tint 
en de bov.d. met lichter roodbruine vlekken. Jong in dons. (Suriname.) Bov.d. 
over het algemeen saiijnachtig roodbruin evenals de bovenkop en achternek; die 
evenwel eigenaardig geteekend zijn met donker roodbruin, grijsbruin en zwartachtig ; 
vleugels donkerbruin met geelachtige stippen; keel wit, overgaande in grijs aan 



3 I 8 TIXA UIDJE. 

voornek en nekzijden ; bovenborst roodachtig grijsbruin, overgaande in grijsachlig 
aan de onderborst en flanken; buik wit, alsook een gedeelte der dijen; staart 
bestaande uit een roodbruin kwastje van haarachtige vederen. L. 44, vl. 24, st. 8,2, 
tars. 6.5, cuim.3.3. Geogr. dist. De Guiana's. Lok. dist. Oerwouden der geheele kolonie. 

Kortkuif of Guiana Tinamoes, eng. Guiana Tinamous or 
Alaams, fr. Tinamous de la Guiane, staan in de kolonie bekend 
als Mama-fowroe Anamoen, d. w. z. Volwassen kip-Stuithoen- 
ders of ook wel als Blauw-Anamoen, naar de kleur der eieren, 
hoewel de vogels zelve volstrekt geen blauw in hun veder- 
kleed hebben. De Arowakken noemen ze Kasaleroe, de Caraï- 
ben Njamoe en de Warrau's Tuba. 

Van de voorgaande soort worden K. T. onderscheiden door 
eene geringere afmeting alsmede olijf bruiner vederkleed. Langs 

de zeekust treft men ze zelden aan, 
veel talrijker echter in de oerwouden 
en gedurende den grooten drogen 
tijd ook de ritsen tusschen de zwam- 
pen. Hun voedsel bestaat uit insecten 
of zaden ; evenals gewone hoenders 
Kop van Tu,amus suhcr.status. pï^ken zc tevens stccntjes en schel- 
pen op. Ze slapen des nachts op dikke 
boomstammen, hiertoe in staat gesteld door hunne tarsi, die er 
van achter ruw uitzien en waarvan de schildjes uitstekende 
bovenranden bezitten. Twijgen of dunne takken daarentegen 
kunnen ze niet omklemmen, omdat hen de achterteen ten 
naastenbij ontbreekt. 

Het geluid van K. T. klinkt als een fluitend fo-fo-fo en 
kan op grooten afstand gehoord worden, vooral gedurende 
den vooravond of de morgenschemering. 

T. S. broedt min of meer het geheele jaar door, maar vooral 
tijdens het kleine droge seizoen. Het nest wordt op den grond 
tusschen de sporen van w^oudreuzen gebouwd en bestaat uit 
gras, bladeren enz. Het wijfje legt 6 tot 8, soms zelfs 10 eieren 
van een korten ronden ovaalvorm en sterk glanzende, donker 
blauwgroene kleur. Van versche eieren kan men niet zeggen 
dat ze veel blauw bezitten, integendeel is de kleur dan donker- 
groen. M. A/m. 55 X 46 m.M. 




TINAMUS. 



319 



De exemplaren varieeren niet veel, hoewel men soms z.g-. 
tapoe-bere-eksie, d. w, z. gesloten buikeieren aantreft, hetgeen 




Lade met eieren van Tïnamiis siibcrisfatiis, uit de verzameling van schrijvers. 

meest het laatste ei is door den vogel gelegd. Zoo'n laatste ei ziet 
er doorgaans uit als de normale eieren maar is kleiner. A/m. 
48 X 39 m.M. De dooier is geel van kleur en het wit zeer 
vloeibaar. De eieren worden als eene lekkernij beschouwd, 
maar bederven spoedig, ze zijn tevens naar verhouding veel 
zwaarder dan hoendereieren, zoo zelfs dat half bebroede eieren 
niet boven water drijven. De _ _ 

broedtijd duurt een maand. 
Alleen het wijfje zou broeden 
en haar nest slechts in uitersten 
nood verlaten. De fraai ge- 
kleurde kuikens groeien snel 
reeds binnen het jaar tot vol- 
komenheid op. Alleen In- 
dianen schijnen in staat Tina- 
moes te temmen. Zelfs kuikens 
onder een gewone hen uitge- 
broed, zijn zoo schuw dat ze bij de eerste gelegenheid weg- 
vluchten en nimmer aan hun hok gewend raken. 




Kuiken van Ttnanuis siihcrïstatns. 



320 



ÏINAMID.^. 



CRYPTURUS, ILL. 
C. cinereus, Gm. 

Ad. Grijsachtig bruin, alleen de bovenkop, oorvederen en achterkop roodbruin 
getint; keel grijsachtig, de vederen met witte schachten, evenals die aan de kop- 
zijden; dekv. ond. d. st. met onduidelijke zwartachtige en roodbruine dwarsstrepen; 
bovensnavel bruin, ondersnavel lichter van tint ; pooten geelachtig bruin ; iris bruin. 
Jong. Bov.d. donker grijsachtig bruin, ond.d. lichter van tint, de vederen met min 
of meer geelachtige randen ; buik met enkele smalle geelachtige dwarsstrepen ; keel 
lichtgrijs; buitenvlag der slagp. v. d. 2den rang met driehoekige roodachtige vlekken; 
dekv. ond. d. st. met min of meer roodachtige vlekken of zwarte dwarsstrepen. 
L. 32, vl. 18, st. 15, tars. 5.4, culm. 2.5. Geogr. dist. Noordelijk Z.-Amerika, 
Lek. dist. Oerwouden. 

„Grijsbruine Tinamoes, eng. Graybrown Tinamous or Brown 
Maams, fr. Tinamous bruns, de grootste onzer Cryphiri staan 
in de kolonie bekend als Bruin-Anamoen, en bij de Indianen 
als Mawa. 

In levenswijze komt de G. T. geheel overeen met de volgende 
soort, maar is alleen wat zeldzamer. Tevens hebben de glan- 
zend roodviolet gekleurde eieren geen elliptischen, maar ronden 
vorm evenals die der tj^pische Tiiiami. M. A/m. 48 X 4° rn.JM. 

C. pileatus, Bodd. = C. sovi, Cah. in Schoinb. Reis. 

Ad. Kleuring over het algemeen bruin, roodbruin, olijf bruin of zelfs olijf kleurig; 
ond.d. helderder, het midden varieerend van af helder kaneelbruin tot licht oker- 
kleurig, de zijden min of meer van af kastanjebruin tot olijf kleurig; keel wit, 
dikwijls ook roodbruin of grijs getint ; bov.d. kopzijden en achterkop zwartachtig 
bruin of zelfs grijsachtig, dikwijls met een helder roodbruine lijn aan de kaken ; 
nek helder kastanjebruin, roodbruin of zelfs zwartachtig; vederen der flanken met 
lichter gekleurde tippen; dekv. ond. d. st. geelachtig, min of meer gevlekt met 
bruin en zwart; vl.dekv. als de rug; slagp. zwartachtig; dekv. ond. d. vl. bruin- 
achtig en grijsachtig; bovensnavel bruin, ondersnavel lichter van kleur; pooten 
olijfgrijs ; iris bruin. Jo?tg. Vederen der bov.d. met zwarte vlekken en lichter 
gekleurde tippen; vl.dekv. geelachtig getipt; ond.d. roodbruin, de flanken vooral 
dwars gestreept met zwart. L. 23, vl. 13.6, st. 4.5, tars. 4, culm. 2. Geogr. dist. 
De Guiana's en zuidwaarts tot Brazihë en Bolivia, westwaarts tot Peru, Ecuador, 
Columbia en Centr. Amerika, noordwaarts tot JSIexico. Lok. dist. Wouden der 
geheele kolonie, uitgezonderd de kustzoom. 

„Kleine Tinamoes, eng. Small Tinamous or Maams, fr. Petits 



CRYPTURUS. 



,21 




Tinamous zijn dadelijk door hun geringere grootte van de 
andere soorten te onderscheiden. Maar met de kleur gaat het 
moeielijker daar deze ten sterkste varieert, zoodat bijna geen 
twee individuen elkander gelijken. 

In de kolonie staan K. T. bekend 
als Ston- of Pikien Anamoen d. w. z. 
Steen- of Kleine Stuithoenders, bij de 
Arowakken als Sielieroe en bij de 
Caraïben als Soewie. In levenswijze 
en lokale verbreiding verschillen ze 
niet van de Bruinzwarte species ; alleen 
klinkt hun geluid ongeveer als soe-wie 
soe-wie. Evenzoo nestelt het wijfje op 
den grond en legt een enkel ei van 
een donker glanzend roodviolette kleur, p,„„ ,^„ c-ypturus pueatus. 
die bij geprepareerde exemplaren over- 
gaat in licht lilaviolet. M. A/m. 42 X 32 m.M. 

De exemplaren varieeren niet veel. De broedtijd zou minder 
dan 3 weken duren en het aantal broedsels per jaar 5 of 6 
bedragen. 

C. simplex, Salvad. 

(-ƒ' Bov.d. olijf bruin ; kopzijden grijsachtig; dekv. bov. d. st. olijfachtig grijs of 
grijsachtig; flanken geelachtig met bruinzwarte dwarsstrepen ; buik witachtig; snavel 
zwart; pooten blauwgrijs; iris bruin. O Ongeveer hetzelfde, maar de buik geel- 
achtig van tint. L. 32, vl. 17. 5, st. 6, tars. 5, culm. 2.6. De wijfjes zijn iets 
kleiner. Geogr. dist. De Guiana's. Lok. dist. De oerwouden. 

„Olijfbruine Tinamoes, eng. Olive brow^n Tinamous, zijn 
grooter en bruiner van kleur dan de volgende soort, van wie 
ze in levenswijze niet verschillen. Voor zoover ik kan nagaan 
staan O. T. bij de Arowakken bekend als Holorwee en bij de 
Caraïben als Soloi (naar het geluid). Hunne eieren zouden 
eenigszins grooter zijn dan die der volgende soort. 

C. variegatus, Gm. = id., Cab. in Schoiiih. Reis. 

(ƒ Bov.d. en kopzijden bruinzwart ; keel wit ; nek en borst kaneelbruin of rood- 
bruin, donkerder aan den achternek ; rug, stuit, dekv. bov. d. st. en vl.dekv. met 

21 



■i^22 tinamid.ï:. 

olijfgroene en zwarte dwarsbanden; abdomen geelachtig, maar het ondergedeelte 
er van bijna wit; zijden grijsachtig bruin met bruine en roodbruine dwarsstrepen ; 
onderflanken bruin, de tippen der vederen met geelachtig witte dwarsstrepen; basis 
d. dekv. ond. d. st. zwart, de tippen geelachtig; slagp. v. d. i^ten rang, dekv. en 
huimpje bruinzwart; slagp. v. d. 2'ien rang bruinzwart met roodbruine plekken 
aan de buitenvlag; binnenste slagp. met roodbruine dwarsstrepen; dekv, ond. d. vl. 
grijsachtig bruin, de binnenste witachtig, maar de laatste rij lichtgrijs; staart bruin- 
zwart met drie roodbruine dwarsstrepen ; snavel bruinzwart ; pooten geelachtig grijs ; 
teenen groenachtig getint ; iris oranjebruin. § Ongeveer hetzelfde, maar de ond.d. 
roodbruin getint; tippen der dekv. ond. d. st. wit; dwarsstrepen aan de donkerder 
bov.d. min of meer smaller. Jong. Als ad., maar de voorkop, achteroogen, kaken 
en bov.d. wit gevlekt ; vederen aan den voornek met zwartachtige dwarsstrepen en 
witte tippen; vederen der ond.d. met witte tippen, die er aan de flanken duide- 
lijker uitzien. Zeer jonge individuen hebben geen dwarsstrepen aan de bov.d., die 
tevens olijfbruin van kleur zijn, min of meer met zwart en wit gevlekt. L. 28, 
vl. 16, tars. 4, culm. 2.8. Geogr. dist. De Guiana's en de Beneden Amazone. 
Lok. dist. Wouden der geheele kolonie. 

„Bruinzwarte Tinamoes, eng. Brown-hlack Tinamous or 
Mammos Swaggers, fr. Tinamous brun-noirs, heeten in de 
kolonie Roode Anamoen of Reddie-Anamoen, omdat hunne 
eieren eene roode kleur hebben. De Arowakken kennen ze 
als Wenela-manalie en de Caraïben als 
Makawie. i 

Men treft B/T. bijna overal aan, tot 
zelfs op de droge ritsen tusschen de 
zwampen nabij Paramaribo. Hun voed- 
sel bestaat uit insecten en zaden. Even- 
als de andere soorten loopen ze snel Kop van cyptnrus va,,egatM.. 
maar vliegen moeielijk. In tegenstelling 

met de Kortkuif Tinamoes brengen B. T. den nacht door 
tusschen de sporen van woudreuzen of in dicht struikgewas. 
De achterzijde der pooten is dan ook, evenals bij de overige 
Crypturi, glad en niet ruw als bij de typische Tinami. Hun 
geluid klinkt als een fluitend melancholiek fo-fo-wo-fe fe of 
wel ma-ka-wie. Vooral tegen de morgenschemering, gedurende 
den vooravond of bij regenachtig weder kan men ze reeds 
op grooten afstand hooren, 

C. \ . schijnt geen bepaalden broedtijd te hebben, wijl men 
versche eieren het geheele jaar door kan vinden. Zeer opmer- 




CRYPTURUS. 323 

keiijk bedraagt het aantal per legsel slechts een of zeldzaam 
twee. Geen nest wordt gebouwd, maar het ei ligt op den grond 
tusschen de sporen van woudreuzen of in het dichte struik- 
gewas. De vorm der schaal is zuiver, nogal gestrekt elliptisch, 
beide enden even stomp; de kleur bij versche eieren is zeer 
glanzend roodviolet, maar gaat bij geprepareerde exemplaren 
over in Hchter purperachtig violet. M. A/m. 56 X 3^ m.M. 

De exemplaren varieeren zeer in afmeting, maar niet in kleur, 
d. w. z. versche eieren. 

Het wijfje is zoo'n goede broedster, dat men haar wel met 
de hand zou kunnen aanraken, hoewel B. T. tot de schuwste 
vogels behooren. Bij het verlaten van het nest bedekt zij het 
ei met een blad. 

De broedtijd zou minder dan eene maand duren. Alleen 
het wijfje broedt. De zwartachtige kuikens volgen dezelfde 
gewoonten als die der Kortkuif-Tinamoes, doch groeien sneller 
en verlaten de moeder spoedig, waarna deze wederom een ei 
legt, zoodat het aantal broedsels per jaar wel vier of vijf be- 
draagt. 

C. dissimilis, Salvad. = C. noctivagus. Cao. in ScJiomb. Reis. 

(^ Bov.d. olijf bruin, de stuitvederen met smalle zwartachtige randen ; dekv. 
bov. d. st. olijf kleurig met onduidelijke zwarte en smalle geelachtige dwarsstrepen 
nabij de tippen; borst licht roodbruin; overigens als de andere Cryptiiri. § Ver- 
schilt min of meer van het mannetje. L. 32, vl. 17.6, st. 4.8, tars. 4.8, culm. 2.6, 
Geogr. dist. De Guiana's. Lok. dist. Woudrijke streken. 

„In levenswijze enz. komt de Bruinborst Tinamoe, eng. 
Brown-breasted Tinamou, geheel overeen met de voorgaande 
specie. Hij staat bij de Arowakken eveneens bekend als Holor- 
wee en bij de Caraïben als Soloi. Het wijfje zou echter donker 
blauwgroene, elliptische eieren leggen. 

C. erythropus, Pelz. 

(^ Bovenkop bruin overgaande in roodbruin aan den achterkop en achternek ; 
rug roodbruin, min of meer olijfgroen van tint ; mantel eenigszins gevlekt en 
gestipt; dekv. bov. d. st. olijf bruin met zwarte en okergele dwarsstrepen; vl.dekv. 



324 



TINAMIDylE. 



eenigszins donkerder olijfgroen dan de rug- en met enkele smalle zwarte dwars- 
strepen, alsook okergele vlekken en smalle dwarsstrepen nabij de randen; huimpje, 
dekv. der eerste slagp. en slagp. v. d. isten rang grijsachtig bruin; slagp. v. d. 
2dcn rang okergeel gevlekt aan den buitenrand ; lora, kopzijden en nekzijden roest- 
bruin ; keel wit, soms met een bruinachtige tint ; onderkeel en bovenborst aschgrijs ; 
buik lichter in het midden en witachtig van onder; zijden roodbruin, min of meer 
olijfgroen getint; flanken dwars gestreept bruin, elke veder met geelachtige dwars- 
strepen aan het uiteinde ; dekv. ond. d. st. roodbruin met onregelmatige zwarte 
dwarsstrepen ; staartp. roodbruin gevlekt met zwart aan de randen en met okergele 
dwarsstrepen nabij de tippen ; bovensnavel bruinzwart, ondersnavel grijsachtig rood 
met zwartachtigen tip ; pooten rood; (Natterer) iris geelbruin. $ Ongeveer hetzelfde, 
maar de vl.dekv-, onderrug en dekv. bov. d. st. met okergele dwarsstrepen ; iris 
donkerbruin; pooten donker rooskleurig. (NattererV L. 33, vl. 16.5, st. 4. tars. 4.1, 
culm. 2.4. Geogr. dist. Centr. Brazilië tot Eng. Guiana. Lok. dist. Het binnenland. 

„De Roodpoot-Tinamoe, eng. Red-footed Tinamou, behoort 
tot onze zeldzaamste soorten en wordt alleen in het binnenland 
aangetroffen. Nehrkorn beschrijft de eieren als rood violet. Afm. 
50 X 39 m.M. 



DUIFACHTIGEN. 325 



Orde XII. COLUMB^. 

DUIFACHTIGEN. 

„Duifachtige vogels zijn nauw verwant aan de Hoender- 
achtigen en in sommige opzichten ook aan de Gieren en Uilen. 
Hun bijna rechte snavel, die bij onze soorten een weinig 
korter is dan de kop, gelijkt wel wat op dien der Plevieren. 
Het basisgedeelte is naakt en bedekt met een dikke zachte 
washuid, maar het endgedeelte hoornachtig, hard, gekromd 
en hooger dan het zachte gedeelte, waarin zich nogal onderaan, 
de spleetvormige neusgaten bevinden. Voorts hebben D. nogal 
kleine koppen, korte halzen en korte pooten waarvan de tarsi 
van voren en ter zijde met hexagonale schildjes bedekt zijn. 
Geen vlies verbindt de r. • , 

v_»v^v^ii » Duiven-snavels. 

vier teenen aan elkan- 
der, maar zijn deze door 
een vliezigen zoom om- 
geven; de duim staat 
altijd op gelijke hoogte 
met de overige teenen. 

De vleugels zijn van ^ LeptoptUa verreanxi. 2. Cohnnba rufiun. 

matige grootte, spits 

of afgerond; de staart bestaat uit 12 tot 20 tamelijk ontwik- 
kelde, bij enkele soorten zelfs nogal lange stuurpennen. 

Wat de inwendige organisatie aangaat, onderscheiden de D. 
zich in enkele opzichten van de Hoenderachtigen. De maag 
is voorzien van een zeer sterke spierlaag ; de galblaas ontbreekt ; 
de bUnddarmen zijn zeer kort, de krop is parig. De vederen 
staan dicht op elkander, vooral om den hals ; de buik is bevederd. 
Tevens ontbreken over het algemeen achterschachten aan de 



iri H 



326 DUIFACHTIGEN. 

vederen, die zeer los aan het vel zijn bevestigd en er van 
onder donzig uitzien. De olieklieren zijn onbepluimd of ont- 
breken geheel en al. Het vel bij onze species is dik, sponsachtig 
en aan den hals elastisch, maar scheurt bij de geringste aan- 
raking, zoodat het prepareeren van duivenhuiden met de grootste 
voorzichtigheid moet geschieden. De geringste beschadiging 
aan het halsvel is voldoende om dit geheel te doen open- 
scheuren ; ook geronnen bloed kan moeielijk weggewasschen 
worden zonder de vederen af te rukken. Tusschen vel en 
vleesch bevindt zich soms een vetlaag. Bij de meeste soorten 
verschillen de mannetjes eenigszins van de wijfjes; de jongen 
dragen een doffer vederkleed. Beide seksen komen in min of 
meer gelijk aantal voor. 

In de kolonie staan alle D. bekend als Doivie (van Duiven) ; 
de op boomen levende soorten heeten Bon-doivie d. w. z. 
Boomduiven, terwijl de Grondduiven, Grondoivie of Stondoivie 
genoemd worden. Bij onze Indianen dragen de meeste species 
een afzonderlijken naam. 

De vlucht van D. is krachtig en snel ; een kort vooruitzeilen 
wordt gevolgd door talrijke vleugelslagen, die bij de grootere 
soorten van een eigenaardig, fluitend of liever trillend op verren 
afstand hoorbaar geluid vergezeld gaat. Bij het nederdalen 
worden de vleugels rechtop naar boven gericht zoodat de tippen 
elkander raken. 

Alle D. zijn tamelijk slechte loopers, hoewel onze kleinere 
soorten zich nogal vlug over den grond voortbewegen. Alle 
kunnen op boomen en zelfs op de dunste twijgen zitten. Hun 
geluid of liever gekir klinkt melancholiek en min of meer als 
een kort of langgerekt „koe koe." 

Hun voedsel is bijna uitsluitend van plantaardigen aard 
zooals vruchtjes, bloesems, zaden enz.; alleen de grootere onzer 
soorten kunnen maïskorrels inslikken, want alle hebben een 
kleine mondopening. Ook schelpjes en steentjes pikken ze op 
ter bevordering der digestie, want evenals bij Hoenderachtigen 
gaat het voedsel eerst in een krop en van daar in de maag, 
waarvan de harde wanden onder het loopen tegen elkander 
wrijven. D. drinken echter niet bij teugjes zooals andere vogels 



DUIFACHTIGEN. 



327 



maar steken den snavel in het water en trekken hem er niet 
weder uit dan wanneer hun dorst geheel gelescht is. 

D. leven in monogamie, hoewel de paren zich dikwijls, 
vooral tijdens den broedtijd, tot min of meer groote vluchten 
vereenigen. Beide seksen zijn zeer aan elkander gehecht en 
wordt er een gedood, dan blijft de overlevende soms geruimen 
tijd eenzaam rondzwerven. Onder het paren reinigen ze elkan- 
ders vederen of trekkebekken. De een pakt dan met zijn 
snavel de tong van den ander vast. De mannetjes houden 
tevens van pronken ; en dat vooral de op boomen levende soorten. 
Alle zijn opmerkelijk schuw; vooral de grootere species koes- 
teren een opmerkelijke vrees voor den mensch en schijnen 
zoo intelligent dat ze een geweer van een wandelstok kunnen 
onderscheiden. 

Het vleesch van al onze D. smaakt zeer lekker, maar heeft, 
bij enkele soorten, zooals Coluniba rufina, gedurende zekere 
seizoenen een bitteren bijsmaak, die echter naar men beweert, 
kan voorkomen worden door bij het schoonmaken eene zekere 
zelfstandigheid te verwijderen, die zich nabij de longen bevindt. 
Toch maakt men betrekkelijk w^einig jacht op D. En dat 
ondanks enkele soorten, zich talrijk in den omtrek van bewoonde 
plaatsen ophouden, en vooral gedurende het groote droge 
seizoen denkelijk uit vvatergebrek, de lagere alluviale ter- 
reinen naderen. 

Al onze D. bouwen kunstelooze nestjes van takjes, twijgen 
en bladeren. En dat meestal in boomen of in het struikgewas, 
zelden op den grond. 

„Het wijfje, bij onze species, legt soms een ei, gewoonlijk 
2 en zeldzamer 3 eieren, die er in verhouding met eieren van 
andere vogels nogal klein uitzien. De schalen zijn glad, min 
of meer glanzend ; de vorm is in den regel elliptisch en zelden 
ovaal, terwijl de kleur varieert van af zuiver wit tot bruinachtig 
roomgeel. Windeieren zijn uiterst zeldzaam. Beide seksen 
broeden en voeden elkander onder het zitten. De kuikens 
worden bijna naakt geboren. In tegenstelling met hoender- 
kuikens zijn ze dan geheel hulpeloos en worden door de ouden 
gedurende eenigen tijd gevoed met een melkachtige zelfstan- 



^28 DUIFACHTICtEN. 

digheid, die zich in hun krop afzondert. Later braken de oude 
vogels den inhoud hunner kroppen gewoonweg in den bek 
der jongen uit. 

„In de symboUek heeft de Duif verschillende beteekenis : 
oudtijds was zij het zinnebeeld der algemeene levenverwekking, 
van den natuurdrang tot voortplanting, van den vruchtbaar 
makenden regen ; wegens hare dartelheid en vruchtbaarheid 
was zij aan Aphrodito (Venus) gewijd en in S3-rië richtte men 
columbariën voor haar op; Jeruzalem voerde den bijnaam 
van stad der duive, evenals Babyion, waar de uit een duivenei 
geboren Semiramis heerschte ; duif phenix en palmboom stelden 
in het hieroglyphenschrift den tijd en de voortteling voor; in 
de christelijke symboliek werd de duif het attribuut van Maria, 
ook van den Heiligen Geest, later eveneens van het apostel- 
schap ; in de graven der martelaren werden duiven gelegd als 
teeken der opstanding. In Rusland worden de duiven ontzien 
als de zielen van afgestorvenen tijdelijk tot woonplaats strek- 
kende. Eindelijk is de duif ook het zinnebeeld der echtelijke 
trouw en eendracht. (Vivate, Geill. Ene.) 

In de kolonie wordt de D. als het zinnebeeld van onschuld 
en schaamte beschouwd. Een inlandsch gezegde luidt dan ook : 
de duif buigt den kop niet uit domheid, maar uit schaamte. 

De geographische verbreiding der ongeveer 500 soorten D. 
omvat de geheele aarde; vooral op de eilanden van den 
Grooten Oceaan en op de Antillen komen ze talrijk voor. Al 
onze 15 species zijn Standvogels. 

Tot de orde der D. worden gerekend 6 familiën, waarvan 
een, de Dididae, in historischen tijd, geheel is uitgestorven. In 
de Guiana's komen voor 2 familiën. Het aantal bekende fossiel- 
soorten bedraagt ongeveer 10. 

Famüicii. 

A. Tarsus korter dan de middenteen ; aantal staartp. I2. 

COLUAIBIDyE. 

B. Tarsus gelijk aan of langer dan de middenteen ; aantal staartp. van af 12 tot 20. 

.... PERISTERID^. 



COLUMBA. 329 

Familie der COLUMBID^. 

BOOMDUIVEN. 

„Tot de familie der Boomduiven, eng. Tree-pigeons, fr. Pigeons 
OU Colombes, rekent men ongeveer 125 soorten, waarvan 25 
tot de fauna van Amerika behooren en 5 species, gerangschikt 
onder een geslacht, in de Guiana's worden aangetroffen. 

„Bij de B. zijn de teenen naar verhouding korter dan bij 
de Grondduiven. Alle hebben tevens normale zolen en alleen 
bij de achterteen is het vliezig gedeelte duidelijk verbreed 
aan de zijden. De eenigszins ronde staart is veel korter dan 
de vleugels en bestaat steeds uit twaalf breede vederen. 

B. worden, gelijk de naam aanduidt, meer in boomen waar- 
genomen en slechts zelden, alleen om schelpjes of steentjes op 
te pikken, ook op den grond. In den regel treft men ze in 
veel grooter vluchten aan dan de Grondduiven. 



Species. 

COLUMBA, L. 

C. speciosa, Gm. = id., Cab. in Schomb. Reis. = Pigeon 
ramier de Caycime, Dazih. = Raniiret Buff. = Lepidoenas s., 
Schlegal, Mus. P. B. 

(^ Kop kastanjebruin met een wijnkleurige tint ; rug, stuit en kleinere vl.dekv. 
kastanjerood met een purperkleurige tint; zoomen der nekvederen donker metaal- 
achtig groen met een violetachtigen weerschijn en een witte vlek nabij den zoom van 
elke veder, uitgezonderd die onderaan den achternek ; borst licht wijnkleurig, de 
vederen met donkerder zoomen ; middenbuik en dekv. ond. d. st. wit, de vederen 
met zwartachtige randen ; slagp. bruin, die v. d. isten rang met smalle, lichter 
gekleurde randen ; dekv. ond. d. vl. grijsachtig bruin, min of meer wijnkleurig 
getint ; langere dekv. bov. d. stuit bruin ; staartp. zwartbruin ; snavel rood, hec 
uiteinde echter witachtig ; pooten rood ; iris donkerbruin ; oogleden rood. O Onge- 
veer hetzelfde, maar lichter van tint ; rug, stuit en kleinere vl.dekv. bruin zonder 
kastanjerood. Jong. Bov.d. grijsachtiger bruin, elke nekveder met een bruinzwarten 
rand- en een lichter gekleurde vlek in het midden ; ond.d, witachtig, de vederen 



.-,0 COLUMBID^Ti. 

met zwartachtige zoomen; vl.dekv. met smalle, lichter gekleurde randen. L. 31, 
vl. 18.2, st. 10.7, tars. 2.7, culm. 2.1. Geogr. dist. Van af Mexico tot de Guiana's, 
Brazilië en Peru. Lok. dist. Wouden over de geheele kolonie, uitgezonderd de 
kustzoom. 

„Gevlekte of liever Geschubde Woudduiven, eng. Scaled or 
Speckled Pigeons, fr. Pigeons ou Raminets tachetés, onder- 
scheiden zich van al onze overige Woudduiven door haar 
vederkleed, dat als met schubbetjes bedekt schijnt. 

In de kolonie staan G. W. bekend als Pinnie-hati Boesie- 
doivie, d. w. z. Boschduif met gevlekt hart of liever borst, bij 
de Arowakken als Jaboelie en bij de Caraïben als Toetoekoe. 

In den omtrek van beu^oonde plaatsen treft men G. W. 
zelden of nooit aan. Gedurende den paartijd leven ze bij paren, 
maar daarna in groote vluchten, die snel, en met van verre 
hoorbare vleugelslagen over de toppen der woudreuzen heen- 
vliegen. Haar gekir klinkt als een melancholiek kie-a-goe. 

C. S. broedt gedurende de middenmaanden van het jaar. 
Het schotelvormige nest van takjes en twijgen wordt in boomen 
gebouwd; zoo los is het samengesteld dat de i of 2 eieren, 
die wat grooter zijn dan die der volgende soort, van onder 
af kunnen gezien worden. M. Afm. 41 X 29 m.M. 

C. rufina, Temm. = id., Cab. in ScJioinb. Reis. 

(^ Voorkop, achtergedeelte v. d. bovenkop en borst wijnrood met een amethist- 
kleurige tint, vooral aan den nek ; achterkop en bovengedeelte v. d. achternek 
metaalachtig bronsgroen met een goudachtigen en purperkleurigen weerschijn ; kaken 
grijs ; kin en keel witachtig grijs ; rug, schoudervederen, kleinere en middelste 
vl.dekv. purperachtig kastanjebruin, min of meer amethistkleurig getint ; onderrug. 
stuit en dekv. bov. d. st. loodgrijs ; de purperachtig wijnroode tint der borst gaat 
gradueel over in grijs aan de zijden, den buik en de dekv. ond. d. st. ; grootere 
vl.dekv. bruingrijs ; slagp. bruin met smalle, lichter gekleurde randen ; staart bruin- 
grijs met een vuilgrijzen band aan het uiteinde ; onderzijde v. d. staart lichter van 
tint ; snavel zwartachtig ; pooten purperrood ; iris rood. O Ongeveer hetzelfde, maar 
min of meer dofïer van kleur en het kastanjebruin der bov.d. meer beperkt tot 
den rug en de vl.dekv. Jong. Bruingrijs, achterkop donkergrijs ; geen purperachtig 
wijnrood aan borst, rug enz. ; kin en keel witachtig ; stuit loodkleurig ; zijden, buik, 
dekv. ond. d. st. en ond. d. vl. grijs; staart bruingrijs met een vuilgrijzen band 
nabij het uiteinde ; vl.dekv. en dekv. bov. d. st. grijsachtig bruin met smalle, 
roodbruine randen. L. 31, vl. 18, st. 11.5, tars. 2.5, culm. 1.6. Geogr. dist. Van 



COLUMBA. 331 

af Guatemala tot Columbia, de Guiana's, Brazilië, Ecuador en Peru. Lok. dist. 
Wouden over de geheele kolonie. 

„Groenkop- of Gewone Woudduiven, eng. Common Wood- 
pigeons, fr. Raminets ou Pigeons a tête vert, zijn een weinig 
kleiner dan de voorgaande soort, maar missen de op schub- 
betjes gelijkende vederen, hoewel ze, vooral volwassen man- 
netjes, tot onze fraaiste soorten behooren. 

In de kolonie staan G. W. bekend als Boesie- of Mangro- 
doivie, d. w. z. Bosch- of Struikgewas-duiven, bij de Arowakken 
als Wakekwan en bij de Caraïben als Akoekwa. 

Gedurende de voorttelingsperiode leven Boschduiven bij 
paren, maar zoodra de jongen zijn opgegroeid, ongeveer tegen 
het groote droge seizoen, vereenigen alle zich tot groote vluchten 
van dikwijls honderden individuen, die met veel geraas over 
de wouden heenvliegen en dikwijls zelfs tot in Paramaribo te 
vinden zijn. Haar voedsel bestaat vooral uit palmzaden. Jagers 
weten dit wel en maken ervan gebruik door des morgens of 
tegen zonsondergang onder de palmen op de loer te gaan 
staan. Want bij dag schuilen de Mangroduiven in het dichtste 
gedeelte van het woud, waar ze tevens den nacht doorbrengen 
in dicht gebladerde boom en of dicht bij elkander groeiend 
bamboes. Haar geluid klinkt ongeveer als een melancholiek 
„koe koe" of wel „gon-stot-mie", d. w. z. „geweer stootte mij" 
en is reeds van verre hoorbaar. 

C. R. broedt gedurende de beginhelft van het jaar. Het 
schotelvormige nest van takjes, twijgen enz. wordt op het 
struikgewas gebouwd, zoodat de broedende vogel overal om 
zich heen kan zien. Het aantal eieren per legsel bedraagt i 
of 2. De vorm der schaal varieert weinig en is min of meer 
verlengd elHptisch, beide enden eenigszins spits; vele exem- 
plaren hebben een nogal opmerk elijken glans; de kleur is 
zuiver wit. M. Afm. 40 X 27 m.M. 

Er zijn twee broedsels per jaar, maar de meeste paren 
nestelen gedurende den grooten regentijd. 



332 columbid.ï:. 

C. albilinea, G. R. Gr. = id., Schlegal, Mus. P. B. 

rj'' Bov.d. donker purperachtig wijnrood met een witachtigen hand om den 
achternek, waarvan de op schubben gelijkende vederen een goudachtigen glans 
bezitten; rug en vleugels leikleurig met een lichten olijfgroenen glans; stuit en dekv. 
bov. d. st. blauwachtig leikleurig; keel leigrijs; overige ond.d. donker purjierachtig 
wijnrood; zijden en dekv. ond. d. vl. loodkleurig; dekv. ond. d. st. loodgrijs met 
een lichte, wijnroode tint; slagp. bruinzwart, de smalle randen der buitenste v. d. 
isten lang witachtig; staart van boven bij de basis leigrijs, maar lichtgrijs aan den 
breeden endband en een onduidelijken zwartachtigen band in het midden ; onder- 
zijde V. d. st. lichter van tint; snavel en pooten geel; iris rood met een witachti- 
gcn ring er omheen ; naakt vel om de oogen rood. $ Ongeveer hetzelfde, maar 
doffer van kleur. Joiii;: Grijsachtig bruin met een groenachtige tint aan de bov.d. 
en een lichter purperkleurige tint aan de grijsachtige ond.d. ; achternek zonder 
l)and, maar met enkele metaalgroene vederen. L. 38, vl. 20.7, st. 16, tars. 2.6, 
culm. 1.9. Geogr. dist. Columbia, de Guiana's, Ecuador, Peru en Bolivia. Lok. 
dist. De oerwouden. 

„De Grijsvleugel Woudduif, eng. White-lined Pigeon, fr. 
Pigeon OU Raminet a ailes gris, behoort tot de grootste onzer 
soorten en is dadelijk te kennen aan een grijzen rug en vleu- 
gels van dezelfde kleur. 

In de kolonie staan G, W. bekend als Biegie-, Grijsvlei- of 
Wittievlei-Granboesie-doivie, d. w. z. Groote Grijsvleugel of 
Witvleugelduiven uit het oerwoud, en bij de Caraïben als 
Matoeleloe. Ze worden in den omtrek v^an bewoonde plaatsen 
zelden of nooit aangetroffen en ook in het woud schijnen ze 
zeldzamer dan de andere soorten, van wie ze overigens in 
levenswijze niet verschillen. Haar gekir klinkt echter als een 
klagend o-hoe-o-hoe. 

C. A. broedt terzelfder tijd als de voorgaande soort. Het 
schotel vormige nest van takjes en twijgen wordt in boomen 
gebouwd. De i of 2 eieren komen overeen met die van C. 
rujïfia, maar zijn eenigszins grooter, terwijl de enden er minder 
spits uitzien. M. Afvi. 42 X 29 m.M. 

C.plumbea,Vieill.=67^/örö^;^rtj- vwiacca,Schlegal, Mus. F. B. 

(^ Kop, nek en ond.d. purperachtig wijnrood ; rug, stuit, dekv. bov. d. st. en 
dekv. bov. d. vl. donker sepiabruin met een olijfkleurigen glans en min of meer 
purperachtigen weerschijn; slagp. donker olijfachtig sepiabruin; dekv. ond. d. vl. 



PERISTERIÜ^. 



333 



donker grijsachtig wijnrood ; staart donker olijfbruin met een lichten purperglans ; 
snavel zwartachtig; pooten purperrood; iris rood; oogleden rood. § Ongeveer 
hetzelfde, maar doffer van kleur en met minder wijnrood aan de ond.d. ; achternek 
dikwijls roodachtig gevlekt. Jong. Als het wijfje, maar met smalle roodbruine 
randen aan de vederen van den kop, de ond.d. en de vl.dekv. L, 26, vl. 18, 
st. 12.5, tars. 2.2, culm. 1.6. Geogr, dist. De Guiana's, Columbia, Ecuador, N. 
en O. Peru, Bolivia en Brazilië. 

„Koperkleurige Woudduiven, eng. Copper-colored Pigeons, 
fr. Pigeons ou Raminets couleur de cuivre, zijn wel minder 
zeldzaam dan de voorgaande soort, maar toch niet zoo gewoon 
als de Groenkop- Woudduiven, van wie ze in levenswijze niet 
verschillen. Haar kleur is evenwel donkerder, vooral aan de 
onderdeden. 

In de kolonie staan K. W. eveneens bekend als Mangro- 
of Boesie-doivie, bij de Caraïben echter als Opotoko en bij de 
Arowakken als Wakewan. Toch worden ze meermalen met den 
naam Kissie-kissiedede, d. w. z, Apendood, aangeduid, omdat 
haar geluid zoo klinkt en reeds van verre hoorbaar is, hoewel 
men den vogel zelden te zien krijgt, omdat zijn kleur zoo 
overeenkomt met het donker loover waar hij zich bij voor- 
keur ophoudt. 

C. P. broedt terzelfder tijd als C. rufina. Het schotelvormige 
nest van takjes en twijgen wordt in boomen gebouwd. Het 
wijfje legt I of 2 eieren, van dezelfde kleur en vorm, maar 
iets grooter dan die der Gewone Woudduiven. M. Afm. 
41 X 28 m.M. 



Familie der PERISTERID^. 

GRONDDUIVEN. 

„Ongeveer 200 soorten Grondduiven, eng. Ground-pigeons 
or Dover, fr. Colombes de terre, zijn bekend. Tot de fauna van 
Amerika worden gerekend 85 species, w^aarvan 11, gerang- 
schikt onder 6 genera en 4 subfamiliën, in de Guiana's 
voorkomen. 



,,. PERISTERID^. 

G. komen in lichaamsvorm overeen met Boomduiven. Alleen 
is de tarsus gelijk aan of wel overtreft den middenteen in 
lengte, terwijl de staart uit 12 tot 20 vederen bestaat. 

G. bewonen, gelijk de naam aanduidt, meer den grond, 
hoewel men ze ook dikwijls in boomen kan waarnemen. 

Sub/amilié'n. 

A. Een min of meer metaalachtige, zwartachtige plek onder de oorvederen ; 
nekzijden met een metaalachtigen glans. 

ZENAIDINCE. 

B. Geen zwartachtige plek onder de oorvederen. 

„Geen metaalachtige vlekken aan den vleugel; lichaamsgrootte 
gelijk aan die der gewone huisduif of kleiner bij onze soorten ; 
vleugels rond, slagp. v. d. isten rang niet veel langer dan de 
binnenste slagp.; tarsus van voren van schildjes voorzien; staart 
tamelijk lang; geen metaalglans aan de nekzijden of eenig ander 
gedeelte van het vederkleed ; aantal staartp. 14 of 12. 

GEOPELIINCE. 

„Vleugels van metaalachtige plekken voorzien; lichaamsgrootte 
kleiner dan die der gewone huisduif; aantal staartp. 12; slagp. 
V. d. isten rang opmerkelijk langer dan die v. d. 2flen rang. 

PERISTERINCE. 



„Geen metaalachtige plekken aan de vleugels; lichaamsvorm 
krachtig ; pooten dik ; tarsus veel langer dan de middenteen en 
tevens met schildjes van voren ; vleugels kort, zeer breed en rond, 
maar de slagp. v. d. isten rang opmerkelijk korter dan die v. d. 



jden 



rang. 



GEOTROGONINCE. 



ZENAIDA. 335 



Subfam. der ZENAIDINCE. 

AM. TORTELDUIVEN. 



.Species. 
ZBNAIDA, BP. 
Z. vinaceo-rufa, Ridgw. 

j' Bov.d. olijf bruin; voorkop, kopzijden, wenkbrauwstrepen, keel en bovenborst 
bruiDachtig wijnrood overgaande in roodachtig' kaneelbruin onderborst, abdomen 
en dekv. ond. d. st.; bovenkop en achterkop grijsachtig getint; zijden en dekv. 
ond. d. vl. grijs; slagp. bruin met smalle, lichter gekleurde randen; slagp. v. d. 
2den rang grijsachtig bruin; twee staalblauwe strepen, een boven en een ander 
onder de oorvederen; twee goudbron sachtige plekken aan de nekzijden; vl.dekv. 
en bmnenste slagp. met kleine zwarte vlekken; onderzijde der slagp. grijs; mid- 
delste staartp. grijsachtig bruin, de twee volgende paren grijsachtig bruin aan de 
tippen en met zwarte banden ; basis der overige grijs, het endgedeelte bruinachtig 
wijnrood en met een onregelmatigen zwarten band; buitenvlag der uiterste staartp. 
eenkleurig; snavel zwart; poolen rood; iris bruin. $ Ongeveer hetzelfde, maar 
doffer van kleur; voorkop, kopzijden en onderhals van voren lichtbruin getint 
zonder wijnrood. L. 23, vl. 13, st. 7-5. tars. 2.1, culm. 1.4. Geogr, dist. De 
Guiana's, Venezuela, Curavao en Grenada. Lok. dist. De oerwouden. 

„Bruinhals-Grondduiven, eng. Brownnecked Grounddoves, 
fr. Tourtes a nuque brun, hebben zwartgevlekte schouder- 
vederen alsmede ronde, uit 12 vederen bestaande staarten; 
de snavel is middelbaar en bijna recht. 

In de kolonie staan B. F. bekend als Boesie-Torteldoivie, 
d. w. z. Bosch-Tortelduiven en bij de Caraïben als Weloesie. 
Even zeldzaam als in den omtrek van bewoonde plaatsen 
schijnen Bosch-Tortelduiven ook in het woud voor te komen, 
waar men ze gewoonlijk op den grond ziet rondloopen, zoe- 
kende naar steentjes en schelpjes. Haar voedsel bestaat uit 
zaden, vruchtjes enz. Haar gekir klinkt als een klagend hoe- 
toe koe-koe, het laatste langgerekt en wegstervend. 

Gedurende den broedtijd leven B. G. bij paren, maar zoodra 
de jongen kunnen vliegen, vereenigen alle zich tot vluchten, 



336 



teristerid.ï:. 



die evenwel bij lange na niet zoo groot zijn als de vluchten 
der gewone Mangroduiven. 

Z. V. broedt gedurende de middenmaanden van het jaar. 
Het schotelvormige nest van takjes en twijgen wordt op nogal 
dikke takken in dichtgebladerde boomen geplaatst. Het wijfje 
legt 2 witte, tamelijk glanzende elliptische eieren. M. A/m. 
30 X 20 m.M. 



Subfam. der GEOPELIINCE. 

LANGST AART-GRONDDUIVEN. 



Species. 
SCARDAPBLLA, BP. 

S. squamosa, Temm. = Gcopelia s., Schlcgal, Mus. P. B. 

Ad. Bov.d. grijsachtig bruin; ond.d. wit met een roseachtige tint aan zijden, 
ondernek en borst en elke veder met een sikkelvormige zwarte vlek, uitgezonderd 
de dekv. ond. d. st., die zuiver wit zijn ; vl.dekv. lichtbruin met witte tippen en 
zwarte sikkelvormige vlekken; huimpje en dekv. der eerste slagp. zwart; slagp. 
bruin; binnenvlag der slagp. v. d. lasten rang kaneelbruin, uitgezonderd de bruine 
tippen ; binnenste slagp. grijsachtig bruin als de rug, maar met smalle witte randen 
aan de buitenvlag ; dekv. ond. d. vl. donkerbruin met zwarte randen; twee mid- 
delste staartp. grijsachtig bruin, basis der volgende twee paren bruin, de enden 
zwart; drie buitenste paren niet breede, witte tippen; snavel bruinachtig zwart; 
pooten vuil roseachtig; iris roodbruin, maar bij het wijfje geelbruin. L. 20, vl. 9.3, 
st. 10, tars. 1.7, culm. 1.3. Geogr. dist. Van af Brazilië tot Venezuela en Columbia. 
Lok. dist. Open pleinen. 

„De Langstaart, Gevlekte, Grond- of Dwergduif of Steen- 
duif, eng. Scaled Dove, fr. Colombi-collin a queue longue, komt 
in vorm veel overeen met andere Steenduiven, maar de staart 
is langer dan de vleugels, terwijl de buitenste vederen smalle 
enden hebben. 

In de kolonie staan L. G. bekend als Pinnie-Stondoivie, d. w. z. 
Gevlekte Steenduiven, en bij de Indianen als Toekoeloewe, 



CHAM^PELIA. 337 

ze schijnen evenwel tot onze zeldzaamste soorten te behooren. 
Haar levenswijze verschilt niet van de Chamoepelia's ; ze broeden 
ook terzelfder tijd en bouwden eenzelfde nest, waarin het wijfje 
2 witte, Hcht glanzende, elliptische, aan beide enden even 
stompe eieren legt. M, Afin. 22 'X. i-] m.M. 



Subfam. der PERISTERINCE. 

EIGENLIJKE GRONDDUIVEN. 

Genera. 

A. „Tip V. d. eerste slagpen niet ingesneden. 

.... CHAM^PELIA, SW. 

B. „Tip V. d. eerste slagp. diep ingesneden. 

PERISTERA, SW. 



Species. 

CHAM^PELIA, SW. 

C. passerina L. = id., Cah. in Schomb. Reis. = Petite 
Tourterelle de l'Isle Dominique, Daub. = Cocotzin, Bujf. = 
Peristera p., Schlegal, Mus. P. B. = Columbigallina p. 

(^ Rug, stuit, dekv. bov. d. st., schoudervederen, binnenste slagp. en middelste 
staartp. grijsachtig- of olijf bruin ; voorkop, kopzijden, nekzijden, borst en abdomen 
purperachtig rood of helder wijnkleurig; voorkop en middenkeel lichter van tint; 
achterkop en achternek blauwachtig grijs, de vederen met zwartachtige randen 
evenals die aan de nekzijden en daardoor wel wat op schubbetjes gelijkende; 
vederen aan onderkeel en bovenborst zwartachtig bruin in het midden en ook veel 
gelijkend op schubbetjes; flanken zwartachtig grijsbruin; midden v. d. abdomen en 
basis der dekv. ond. d. st. witachtig, de langere zwartachtig grijsbruin; vl.dekv. 
purperachtig wijnrood; vleugels met staalblauwe, violetgetinte vlekjes; dekv. ond. 
d. vl., okselvederen en slagp. kaneelbruin, de slagp. met zwartachtig grijsbruine 



;38 



PERISTERID/E. 



zoomen aan de buitenvlag en tippen van dezelfde kleur; binnenste slagp. v. d. 
2(lcn rang en buitenste grootere vl.dekv. bijna geheel zwartachtig grijsbruin; mid- 
delste staartp. als de rug, basis der overige grijsachtig, de enden zwart, maar de 
randen der tippen bruin; buitenste staartp. wit gestipt; snavel geelachtig, het 
uiteinde donkerder; pooten roseachtig; iris rood. O Ongeveer hetzelfde, maar met 
slechts weinig of in het geheel geen purperrood. Jong. DoflFer van kleur als het 
wijfje; uiteinden der vederen aan de bov.d. met smalle witte dwarsstrepen. L. I5.<S, 
vl. 8.8, st. 7, tars. i.6, culm. i. Geogr. dist. Van af het zuiden der Vereenigde 
Staten zuidwaarts tot Brazilië. Lok. dist. Open pleinen, vooral in de lagere streken. 

„Bij Gevlekte Kleine Dwerg- of Steenduiven, eng. Speckled 
Ground-doves, fr. Petits Cocotrins tachetés, is de staart korter 
dan de vleugels, maar toch meer dan half der lengte ervan. 
De enden der buitenste staartvederen zijn tevens breed en rond. 

„Door hare op schubbetjes gelijkende borstvederen staan G. 
K. D, in de kolonie bekend als Pikien Pinnie-hatie Stondoivie, 
d. w. z. Kleine Steenduiven met gevlekt hart of liever borst, 
en bij de Indianen als Toekoeloewe. 

G. K. D. behooren tot onze allerkleinste, maar tevens ge- 
woonste dui vensoorten, die bijna overal waar er maar schel pj es 
en zand te vinden zijn, worden aangetroffen, hoewel het nogal 
moeielijk valt ze te onderscheiden daar haar kleur veel met 
die van den bodem overeenkomt. Opgeschrikt, vliegen ze een 
eindje ver naar de lagere takken van een struik of boom en 
wachten daar tot alles weer veilig is. Haar voedsel bestaat uit 
vruchtjes en zaden, vooral van laaggroeiende planten, zooals 
grassen enz. Op boomen ziet men G. K. D. zelden bij dag, 
hoewel ze er den nacht doorbrengen, ofschoon dit ook wel in 
dicht struikgewas geschiedt. Haar geluid klinkt als een lang- 
gerekt, zacht „koe-koe". 

Gedurende den broedtijd leven G. K. D. bij paren, die zich 
later tot vluchten van zelden meer dan dertig individuen ver- 
eenigen. Wanneer er echter vluchten van verscheidene species 
bij elkander zijn, vormen ze soms één reusachtigen troep, maar 
dan ook slechts voor korten tijd, want weldra zoekt elke afzon- 
derlijke vlucht weer haar eigen weg. Alle zijn wel niet heel 
schuw doch buitengewoon vreesachtig. En hierop doelt dan 
ook het inlandsche spreekwoord : „Men doodt de Steenduif 
dikwijls alleen door met haar te spelen." 



CHAM^PELIA. 339 

C. P, broedt gedurende de droge seizoenen, vooral den 
grooten drogen tijd. Het komvormige, van binnen ongeveer 
7 C.M. metende, los samengestelde nest van twijgjes en bladeren, 
wordt in het struikgewas, laag bij den grond gebouwd, hoewel 
men ook wel enkele nesten op den grond zelve aantreft. Het 
wijfje legt 2 of zelden 3 witte eieren van een gewoonlijk kort 
elliptischen vorm, de beide enden even stomp. De glans is 
over het algemeen middelmatig of nogal duidelijk. Afin. 21.5 
— 23 X 17 ITl.M. 

De exemplaren varieeren uitermate, zoowel in afmeting als 
vorm ; enkele zijn verlengd elliptisch met de beide enden 
even spits, andere weer zien er nogal ovaal uit ; eenige gelijken 
wel wat op eieren der kleinere Ijsvogels. 

C. minuta, L. = Peristera griseola, Schlegal Mus. P. B. = 
C. griseola. Bp. = Coluvibigallina, g. 

(ƒ Kruin, achternek en dekv. bov. d. st. aschkleurig; rug grijsachtig bruin; 
achterkop bruin getint, maar de voorkop licht wijnkleurig; keel, borst en abdomcn 
wijukleurig ; onderbuik witachtig grijs; dekv. ond. d. st. grijs met witte randen; 
vl.dekv. grijsachtig wijnkleurig, de binnenste met enkele staalblauwe vlekjes; huimpje 
en dekv. der eerste slagp. zwart; dekv. ond. d. \1., okselvederen en binnenvlag 
der slagp. kaneelbruin; buitenvlag en tippen der slagp. bruinachtig zwart; twee 
middelste staartp. als de rug, overige grijs met een breeden zwarten band nabij 
de uiteinden ; tippen der buitenste staartp. met witte randen ; snavel bruinachtig 
en geelachtig; pooten roseachtig; iris rood. O Bov.d. licht grijsachtig bruin met een 
ohjfachtige tint; voorkop lichter; staalblauwe plekken aan den vleugel als bij het 
mannetje; randen der grootere vl.dekv. wit; keel en abdomen witachtig; borst en 
flanken licht grijsachtig bruin ; dekv. ond. d. st. licht geelachtig, het midden echter 
zwartachtig grijs ; onderzijde der vleugels als bij het mannetje ; staart evenzoo, 
maar de middelste vederen bruiner van kleur. Jong. Ongeveer als het wijfje maar 
doffer van tint. L. 15, vl. 7.5, st. 5, tars. 1.2, culm. i.i. Geogr. dist. Van af 
Z. Mexico zuidwaarts tot de Guiana's, Brazilië, Paraguay en Peru, Lok. dist. 
Vooral de lagere streken. 

„Kleine Grijze Dwerg- of Steenduiven, eng. Tiny Ground- 
doves, fr. Petits Cocotzins gris, zijn nog kleiner dan de voor- 
gaande soort en uit te maken aan haar grijs, nogal ongevlekt 
vederkleed. 

K. G. D. staan hier bekend als Pikien Greisie Ston-doivie, 



3_^0 TERISTERID^. 

d. w. z. Kleine Grijze Steenduiven, en bij de Indianen als 
Toekoeloewe. Haar levenswijze komt overeen met de andere 
Steenduiven, hoewel men ze niet zoo talrijk aantreft. 

C. M. broedt terzelfder tijd als de voorgaande soort. Ook 
de nesten en eieren komen overeen, maar laatstgenoemde zijn 
eenigszins kleiner. M. Afm. 22 X 16.5 m.M. 

C. talpacoti, Temm. = id., Cah. in Schomb. Reis. = 
Peristcra /., Schlegal Mus. P. B. = Columhigallina t. 

(^ Vederkleed over het algemeen bruinrood met een wijnroode tint, lichter en 
bijna wit aan de borst; bovenkop en achternek grijs, voorkop lichter van tint; 
binnenste vl.dekv., schoudervederen en binnenste slag]5. met donker staalblauwe 
vlekjes; huimpje, dekv. der eerste slagp. en slagp. bruinzwart; okselvederen en 
dekv. ond. d. vl. zwart; middelste staartp. als de rug, basis der overige bruin- 
rood met zwarte uiteinden; endgedeelte v. d. buitenvlag der buitenste staartp. met 
licht roodachtige randen; snavel bruinachtig; pooten roseachtig; iris bruinoranje. 
O Ongeveer hetzelfde, maar lichter en doffer van kleur; mantel bruinachtig getint; 
wijnroode kleur min of meer licht bruinachtig grijs van tint; middenbuik wit- 
achtig; dekv. ond. d. st. licht roodachtig bruin met witachtige randen. Jong. Onge- 
veer als het wijfje, maar zonder vlekken aan de vleugels; randen der staartp. 
roodachtig. L. 19, vl. 9, st. 7, tars. 1.7, culm. 1.3. Geogr. dist. Venezuela, de 
Guiana's, Brazilië, Paraguay, Bolivia en Peru. Lok. dist. Vooral de lagere streken. 

„Talpacoti's Dwerg- of Steenduif, eng. Talpacoti's of Savanna- 
Ground-dove, fr. Cocotzin de Talpacoti, komt in lichaams- 
grootte en kleur zoo overeen met de volgende soort, dat men 
beide nogal moeielijk van elkander kan onderscheiden. Ook 
haar levenswijze, nestelplaatsen, nesten en eieren verschillen in 
het geheel niet van elkander. 

N.B. Exemplaren der gewone Savanna Groimddoves heeten in de lijst der vogels in 
het museum te Br. Guiana, alsook in Schomb. Reis. C. talpacoti, maar individuen in 
.Suriname gecollecteerd, werden in Engeland geïdentifieerd als C. rujipennis van 
Venezuelii. Beide species schijnen dus tamelijk identisch. 

C. rufipennis, G. R. Gr. = Peristcra r., Schlegal Alus. P. B. 
= Coluvibigallina r. 

(^' Ongeveer als C. talpacoti, maar de slagp. kaneelbruin ; slagp. v. d. istenrang 
met bruine tippen; slagp, v. d. 2den rang bruin aan de buitenvlag; grootere en 
buitenste dekv. ond. d. vl. kaneelbruin. (altijd?) O Bov.d. dof bruinachtig, min of 



CHAM^PELIA. 



341 




meer roestbruin getint; ond.d. grijsachtig bruin. Jong. Bov.d. grijsachtig bruin; 
ond.d. lichter ea zonder wijnroode tint; vl.dekv. met smalle, lichter gekleurde 
randen. Geogr. dist. Van af Mexico zuidwaarts tot Columbia, Venezuela en de 
Guiana's. Lok. dist. Open pleinen, vooral in de lagere streken. 

„Bruinroode Dwerg- of Steenduiven, eng. Brown-red Ground- 
doves, fr. Cocotzins brun-rouges, de gewoonste onzer kleine 
duiven soorten, staan in de kolonie bekend als Reddie Ston- 
doivie, d. w. z. Roode Steenduiven, bij de Aro wakken als 
Malai en bij de Caraïben als Toekoeloewe. 

B. D. worden bijna overal aangetroffen ; vooral op begraaf- 
plaatsen kan men meermalen, behalve 
eenloopende paren ook vluchten van 
10 a 15 individuen bij elkander zien, 
gewoonlijk te zamen met andere kleine 
Steenduiven. Snel loopen alle over den 
grond, zoekende naar schelpjes en 

steentjes, om, zoodra hiervan een vol- 
Kop van Chamoepclia 

doenden voorraad verzameld is, troeps- mjipennis. 

gewijze naar hare voedingsgronden 

te vliegen. Vooral op klaroenzaden schijnen ze zeer belust en 
\vaar deze plant groeit, kan men altijd Steenduiven, en wel 
van verscheidene soorten, waarnemen. 

B. D. volgen eene geregelde levenswijze; eiken dag kan 
men ze dan ook op hetzelfde uur op dezelfde plaats terug- 
vinden. Opgejaagd, vliegen ze naar een boom toe en wachten 
daar, al trekkebekkende of hare vederen reinigende, tot 
alles weer veilig is. Haar gekir klinkt als een uiterst melan- 
choliek langgerekt „koe, koe". Gedurende den paartijd leven 
ze bij paren, die zich, nadat de jongen zijn opgegroeid, tot 
vluchten vereenigen. 

C. R. broedt gedurende de droge seizoenen, vooral in den 
grooten drogen tijd. Het los uit twijgen, bladeren enz. samen- 
gestelde, komvormige, ongeveer 8 c.M. in binnendoorsnede 
metende nest, wordt in het struikgewas, in een lagen boom 
of ook wel op den grond gebouwd. Het wijfje legt 2, zelden 
3 witte, licht glanzende eieren, die in vorm varieeren van af 
kort tot lang elliptisch, het eene end iets spitser dan het 



342 



PERISTERIDiE. 



andere, of wel beide even spits of even stomp ; enkele exem- 
plaren zien er zelfs ovaal uit, andere weer zijn ten naast enbij 
glansloos. M. Afm. 23 X i8 m.M. 

De jongen laten zich gemakkelijk temmen ; ze vliegen dan 
overal rond, maar keeren des avonds geregeld naar hunne 
kooi terug. Ik twijfel er ook niet aan of in latere jaren zullen 
deze duifjes tot onze siervogels behooren. Maar zeer eigen- 
aardig verschillen gevangen individuen dikwijls van wilde, 
doordat hun vederkleed bijna zwart wordt. 



PERISTERA, SW. 
P. cinerea, Temm. = id., SchlcgaU Mms. P. B. 

(^ Over het algemeen blauwachtig grijs, ond.d. lichter van kleur; voorkop en 
keel bijna wit; kleinere en middelste vl.dekv., enkele der buitenste schoudervederen 
en binnenste slagp. v. d. 2<ïen rang met ronde of vierkantachtige blauwzwarte 
vlekken; huimpje, dekv. der slagp. v. d. isten rang en slagp. zwart, die v. d. 
oden rang met gedeeltelijk smaller grijze randen; middelste staartp. grijs; overige 
zwart, maar de basis der binnenste van boven grijs; snavel geelachtig en zwart- 
achtig; pooten roseachtig; iris roodbruin. O Bov.d. bruin, bijna kaneelbruin aan 
de dekv. bov. d. st., maar lichter van tint aan den voorkop; vlekken aan de 
vl.dekv. en binnenste slagp. v. d. 2der. rang kaneelbruin, de grootere aan de 
middelste en grootere vl.dekv. met een lichte lijn van achter; keel witachtig; 
voornek van onder en borst lichtbruin overgaande in grijs aan de overige ond.d. ; 
dekv. ond. d. st. grijsachtig kaneelbruin; dekv. ond. d. vl. grijs; middelste staartp. 
kaneelbruin, overige zwart, maar de buitenvlag der binnenste roodbruin getint; 
randen der buitenvlag v. h. buitenste paar roodbruin. Jong. Ongeveer als het wijfje, 
maar doffer van kleur en zonder vlekken aan den vleugel; randen der bruine 
vederen aan rug, borst en aan de vl.dekv. roodbruin. L. 21.5, vl. 12, st. 9, tars. 
1.9, culm. 1.5. Geogr. dist. Van af Z. Mexico zuidwaarts tot Paraguay, Peru en 
de Guiana's. Lok. dist. Open pleinen en wouden. 

„De Grijze Dwerg- of Steenduif, eng. Gray Ground-dove, 
fr. Cocotzin gris, onderscheidt zich van al de andere Steen- 
duiven door diep ingesneden uiteinden aan de eerste slagpennen 
V. d. isten rang, alsmede grootere afmetingen en grijze kleur. 

In de kolonie staan G. D. bekend als Biegie Greisie Ston- 
doivie of Gronddoivie, d. w. z. Groote Grijze Steen- of Grond- 



PERISTERA. 343 

duiven, bij de Arowakken als Malai en bij de Caraïben als 
Toekoeloewe. 

In den omtrek van bewoonde plaatsen treft men G. D. 
zelden of nooit aan, en zelfs in het binnenland schijnen ze 
zeldzaam. Haar levenswijze komt overeen met de voorgaande 
soort ; alleen ziet men ze ook dikwijls in het woud. 

P. C. broedt vooral gedurende het groote droge seizoen. Het 
nest komt overeen met dat der voorgaande soort, maar is iets 
platter en grooter. Het wijfje legt 2, zelden 3 witte, nogal 
glanzende eieren van een lang elliptischen vorm, de beide 
enden even stomp. M. Afm. ibyc^ \^ m.M. 



Subfam. der GEOTRYGONINCE. 

LOOPDUIVEN. 

Genera. 

,, Endgedeelte v. d. eerste slagpen ingesneden. 

LEPTOPTILA, SW. 



,Endgedeelte v. d. eerste slagpen niet ingesneden. 

.... GEOTRYGON, GOSSE. 



Species. 
LEPTOPTILA, SW. 

L. verreauxi, Bp. = L. jamaiccnsis, Schlegal, Mus. P. B. 

= Engyptila v. 

Ad. Bov.d. olijf bruin, voorkop wijnkleurig; achterkop en achternek koperachtig 
rood met bronsachtigen of geelachtigen weerschijn, vooral aan den bovenrug ; kin 
wit; kaken, nekzijden, onderkeel, krop en borst licht wijnrood overgaande in wit 
aan den abdomen en de dekv. ond, d. st., die tevens lichtbruin getint zijn aan de 



344 



PERISTERID^. 



buitenvlag; flanken lichtbruin; slagp. grijsachtig bruin met gedeeltelijk smalle, 
roodbruine randen aan de buitenvlag; dekv. ond. d. vi., okselvederen en binnenvlag 
der slagp., uitgezonderd de tippen kaneelbruin ; middelste staartp. als de rug, basis 
der overige grijsachtig overgaande in zwartachtig met breede witte tippen en een 
smallen witten rand aan de buitenvlag der allerbuitenste rectriccs; snavel zwart- 
achtig; pooten purperrood; naakt vel om de oogen blauwachtig; iris oranjebruin. 
Jo7ig. Ongeveer als ad., maar doffer van kleur en met min of meer roodbruin aan 
de bov.d. en borst. L. 27, vl. 17, st. 11.3, tars, 3, culm. 1.7. Geogr. dist. Centr. 
Amerika zuidwaarts tot Columbia, de Guiana's, Ecuador en Peru. Lok. dist. De 
geheele kolonie, uitgezonderd de kustzoom. 

Roestbruine- of Roodkop Loopduiven, eng. Rusty Ground- 
pigeons, fr. Colombi-Perdrix a tête rousse, zijn ongeveer even 
groot als de volgende soort, maar hebben dezelfde, aan de 
uiteinden ingesneden eerste slagpennen, hoewel al de slagpennen 
min of meer smal zijn met spitse enden. 

In de kolonie staan R. L. bekend als Granboesie Passie- 
doivie, d. \v. z. Weg- of Baanduif uit het oerwoud, bij de 
Arowakken als Wiero en bij de Caraïben als Walamie. 

In den omtrek van bewoonde plaatsen komen R. L. veel 
minder talrijk voor dan in het oerwoud, waar ze in het struik- 
gewas langs de randen haar voedsel van vruchtjes, zaden enz. 
vergaren. Overigens komt haar levenswijze geheel overeen met 
de volgende soort. Evenzoo de broedtijd, nestelplaatsen en 
nesten. Alleen de eieren zijn iets donkerder roseachtig room- 
geel, en tevens kleiner. M. A/tn. 2-j X 20 m.M. 

L. rufaxilla, Rich. en Bern. = Peristcra jamaiccnsis, Cab. 
in ScJiouih. Reis. = Engyptila r. 

Ad. Voorkop witachtig grijs overgaande in blauwgrijs aan den bovenkop en 
dan in licht purperkleurig aan den achterkop en purperviolet aan achternek 
en mantel; overige bov.d. olijf bruin met een lichten purperglans aan den rug; 
kin en middenkeel wit; zijden van kop en bovenkeel roodachtig bruin; zijden van 
nek en onderkeel wijnkleurig, lichter aan de borst; zijden of flanken olijf bruin; 
abdomen wit ; buitenvlag der dekv. ond. d. st. min of meer bruin, binnenvlag 
echter wit; slagp. v. d. isten rang grijsbruin ; dekv. ond. d. vl. kaneelbruin; basis 
V. d. binnenvlag der slagp. min of meer kaneelbruin; middelste staartp. olijf bruin, 
de overige zwartachtig, maar de buitenste twee paren met witte tippen ; snavel 
zwartachtig ; pooten purperrood ; iris bruin ; naakt vel om de oogen purperachtig. 
Jong. Doffer vau kleur als ad. L. 25, vl. 13.5, st. 9.5, tars. 2.9, culm. 1.5. 



LEPTOPTILA. 345 

Geogr. dist. De Guiana's, het dalgebied der Amazone, Peru, Ecuador en Columbia. 
Lok. dist. De geheele kolonie. 

„De Grijskop Loopduif, eng. Gray-crowned Ground-dove, 
fr. Colombi-Perdrix a tête grise, is iets kleiner en ziet er tevens 
minder roestkleurig uit dan de voorgaande soort. 

In de kolonie kent men G. L. algemeen als Passiedoivie, 
d. w, z. Weg- of Baanduiven of wel kortweg Pasduiven. De 
Arowakken noemen ze Wiero, de Caraïben Walamie. 

Vooral in het struikgewas langs de zoomen der wouden en 
de droge ritsen tusschen de zwampen, treft men G. L. meerma- 
len aan. En dat meestal op den 
grond, zelden in boomen. Haar 
-«Ü^, voedsel bestaat uit vruchtjes, 

zaden enz. Op lemmetjes- 
pitten zijn ze zeer belust; onder 
het netwerk van afgevallen 
takken, twijgen enz., onder 
lemmetjesbosschen kan men 
dan ook steeds Pasduiven vin- 
r ^, ,,; . v; den. Maar dat altijd bij paren 

Kop van Lcptopiila riifaxiUa. ^^ j J r 

of eenzaam, nooit in vluchten. 
Soms ziet men enkele individuen op een beganen weg 
naar schelpjes of steentjes zoeken om, opgeschrikt, naar den 
dichtstbij staanden boom toe te vliegen. Haar gekir klinkt 
als een kort, melancholiek „koe". Ten allen tijde zijn ze 
uiterst schuw en worden slechts zelden door jagers geschoten, 
hoewel men ze meermalen onder kravanna's vangt. Haar 
vleesch smaakt zeer lekker. 

L. R. broedt vooral gedurende het kleine droge seizoen. 
Het kleine, schotelvormige, van buiten ongeveer 9 c.M. metende, 
zeer los uit twijgjes samengestelde nest, wordt op dikke, lage 
takken in dichtgebladerde boomen of in het struikgewas ge- 
bouwd. Het wijfje legt 2, zelden 3 licht glanzende eieren van 
een min of meer elhptischen of ovalen vorm, het eene end 
eenigszins spits, het andere stomp of beide even spits of stomp; 
De kleur varieert van af wit tot donker roomkleurig. M. A/m. 
28 X ^2 m.M. 




346 



PERISTERID^. 



GEOTRYGON, GOSSB. 

G. violacea, Temm. = Starnaims v., Schlegal Alus. P. B, 

(^ Voorkop witachtig, overgaande in grijs aan de achterkruin ; een purpergouden 
plek aan den achterkop ; acbternek en mantel metaalachtig purper, maar de basis 
der vederen bruin; onderrug olijf kleurig, de randen der vederen licht purperkleurig; 
stuitvederen en dekv. bov. d. st. licht kaneelbruin met purperkleurige randen; 
kopzijden witachtig grijs ; keel zuiver wit overgaande in wijnrood aan het onder- 
gedeelte V. d. krop en dan in wit aan de onderborst, den abdomen en dekv. ond. 
d. st.; vl.dekv. en slagp. v. d. aden rang olijf bruin, de kleinere vl.dekv. met dui- 
delijker purperkleuriger randen; slagp. v. d. isten rang kaneelbruin met olijf bruine 
tippen; binnenste dekv. ond. d. vl. wit met zwartachtige tippen, de buitenste echter 
kaneelbruin ; staart van boven purperbruin, van onder licht kaneelbruin met een 
bruine tint aan de tippen v. d. binnenvlag ; snavel geelachtig; pooten rood. 
O Bov.d. olijfbruin met een purperkleurigen weerschijn aan den mantel, de stuit 
eii dekv. bov. d. st. ; bovenborst bruin; overige ond.d. wit met een licht geel- 
achtige tint. I.. 25, vl. 15.5, st. 9.5, tars. 2.9, culm. 1.5. Geogr. dist. Centr. 
Amerika tot Brazilië. 

„ Violetkleurige Loopduiven, eng. Violet-colored Ground-doves, 
fr. Colombi-Perdrix violets, hebben geen ingesneden enden aan 
het uiteinde van de eerste slagpen, maar de tweede tot vijfde 
daarentegen zijn golvend ingesneden ; de staart bedraagt minder 
dan twee derde der vleugellengte; evenals bij het voorgaande 
geslacht zijn de tarsi van voren metoverdwarse scutellae bedekt. 

V. L. staan in de kolonie bekend als Gran-boesie Grond- 
doivie, d. w\ z. Grondduiven uit het oerwoud, bij de Arowakken 
als Wiero en bij de Caraïben als Popoweloesie of Walamie. 
Haar levenswijze komt geheel overeen met de volgende 
soort ; alleen treft men ze minder aan in den omtrek van 
bewoonde plaatsen. Over haar voortteling is mij niets bekend. 

G. montana, L. = Peristera w., Cab. in ScJionib. Reis. = 
Starncenas ni., ScJilcgal Miis. P. B. 

(j'' Bov.d. helder roodbruin met een duidelijken purperglans, vooral aan achterkop, 
achternek, nekzijden en mantel ; een licht roodachtige band onder de oogen en 
daaronder een purperbruine band tot aan den achterkop; keel en een band aan 
de borstzijden witachtig geelbruin; middenborst purperbruin; abdomen en dekv. 
ond. d.' st. reebruin ; slagp. roodbruin, helderder aan de buitenvlag alsmede de 



GEOTRYGON. 347 

basis V. d. binnenvlag ; dekv. ond. d. vl. roodbruin ; staart purperbruin, de tippen 
der uiterste vederen lichter van tint ; snavel zwartachtig, maar de basis rood ; pooten 
rood, evenals het vel om de oogen ; iris bruin. ^ Bov.d. donker olijf kleurig met 
een gouden glans; voorkop en kaken roodbruin, de kaken met een olijf kleurigen 
band van onder; bovenkeel witachtig roodbruin; onderkeel en bovenborst olijf bruin; 
onderborst en abdomen geelachtig, min of meer bruin getint; slagp. bruin, basis 
V. d. binnenvlag kaneelbruin ; staart olijfbruin van boven, maar de basis der 
vederen met een roodbruine tint, duidelijker aan de onderzijden. Jong. Bov.d. 
donker sepiabruin, vl.dekv. min of meer met roestbruin gevlekt; voorkop, borst- 
zijden enz. dof kaneelbruin; overige ond.d. licht bruingeel; slagp. zwartachtig 
grijsbruin, maar de binnenvlag met breede, roodbruine randen, vooral aan de basis. 
L. 23.3, vl. 14.5, st. 8.2, tars. 2.7, culm. 1.3. Geogr. dist. Tropisch Amerika 
van af O. -Mexico zuidwaarts tot Paraguay, Bolivia, Peru en de Guiana's. Lok. 
dist. De geheele kolonie, uitgezonderd de kustzoom. 

„Bruine Loopduiven of Bergduiven, eng. Ruddy Quail Doves 
or Brown Ground-doves, fr. Colombi-Perdrix bruns, zijn iets 
kleiner dan de voorgaande soort; haar vederkleed ziet er tevens 
bruiner uit. 

In de kolonie staan B. L. bekend als Gronddoivie, d. w. z, 
Grondduiven en bij de Indianen evenals de voorgaande specie. 

„In den omtrek van bewoonde plaatsen ziet men zelden 
B. L., daar ze, evenals Pasduiven, de voorkeur geven aan 
v^ouden of dicht struikgewas en alleen om schelpjes of steentjes 
op te pikken, open terreinen naderen. Haar vlucht is snel en 
krachtig, maar geschiedt met veel minder geraas dan bij de 
andere soorten. Haar geluid khnkt als een zacht, melancholiek 
„koe, koe". Gewoonlijk ziet men ze eenzaam of bij paren, 
maar nimmer in vluchten. 

G. M. broedt gedurende de droge seizoenen. Het nest komt 
geheel overeen met dat der Leptoptila's en wordt eveneens op 
lage boomtakken of in dicht struikgewas gebouwd. Het wijtje 
legt 2 Hcht glanzende, bruinachtige roomkleurige eieren van 
een nogal kort-elliptischen vorm, de beide enden even stomp, 
M. A/m. 27 X 21.5 m.M. 



348 



ROOFVOGELS. 



Orde XIII. ACCIPITRES. 

ROOFVOGELS. 

„De Raptores of Roofvogels, eng. Birds of Prey, fr. Oiseaux 
de proie, onderscheiden zich van alle andere vogels door 
gekromde, krachtige snavels, alsmede sterk ontwikkelde, ge- 
kromde, tot grijpen zeer geschikte klauwen. Bij de eigenlijke 
Valken zijn deze karaktertrekken het duidelijkst ; de Gieren 
daarentegen hebben minder gekromde snavels, normale klau- 
wen, doch grootere teenen; tevens is het verschil in grootte 
tusschen de beide seksen niet zoo opmerkelijk. 

„De vorm van het borstbeen (sternum) dat bij de classifi- 
catie van vogels zoo belangrijk is, komt bij R. niet in aan- 
merking, omdat er zelfs bij verwante soorten te veel verschil 
bestaat. Alle hebben evenwel aan de basis vaYi den bovensnavel 
een harde of zachte washuid, die bij Uilen dikwijls geheel door 
borstelharen is verborgen. 

„Alle R. dragen een min of meer protectief vedcrkleed, 
waarvan bruin, geel, wit, grijs en zwart de hoofdkleuren uit- 
maken; scharlakenrood vindt men bij geen onzer soorten, 
evenmin helder blauw, grasgroen, violet enz. 

„Moderne natuurkundigen verwerpen de oudere classificatie, 
waarbij R. in Dag- en Nacht-Roofvogels worden verdeeld, 
omdat er enkele Uilen bestaan, die zich ook bij dag voeden. 
Toch is deze rangschikking de meest begrijpelijke en natuur- 
lijke ; ook kent men slechts een valkensoort, die des nachts 
op Vleermuizen aast, terwijl het aantal Dag-Uilen hoogstens 
een vijftal bedraagt. 

„Tot de orde der R. worden gerekend 6 familiën. waarvan 



ROOFVOGELS. 349 

4 in de Guiana's voorkomen. Het aantal bekende fossielsoorten 
bedraagt ongeveer 26. 

Suborden. 

A. Drie teenen naar voren en een naar achter gekeerd ; buitenteen niet naar 
achter beweegbaar ; oogen terzijde v. d. kop. 

ACCIPITRES DIURNI. 

B. Twee teenen naar voren en twee naar achter gekeerd ; buitenteen naar 
achter beweegbaar; oogen voor aan den kop. 

. . . ACCIPITRES NOCTURNI. 



Suborde der ACCIPITRES DIURNI. 

DAG-ROOFVOGELS. 

Familiën. 

A. „Kop onbevederd of met een weinig dons bij jonge vogels ; neusgaten 
groot, langwerpig en open ; een duidelijk vlies tusschen binnen- en middenteen bij 
de basis; achterteen kort en hoog, de klauwen tot grijpen ongeschikt. 

CATHARTID^. 



B, Kop bevederd; neusgaten vertikaal of rondachtig en dicht; op enkele uit- 
zonderingen na, geen vlies tusschen de basis v. d. binnen- en middenteen; achter- 
teen lang en terzelfder hoogte als de overige teenen, die alle van ontwikkelde, 
gekromde, scherpe, tot grijpen zeer geschikte klauwen voorzien zijn. 

........ FALCONID^. 



Familie der CATHARTID^. 

AM. GIEREN. 

„Gieren, eng. Vultures or Carrion Crows, fr. Vautours, 
hebben een beperkter geographische verbreiding dan de Valk- 
achtigen ; in de noordelijke streken komen ze heel zeldzaam 



350 



CATHARTID^. 



voor en ontbreken ook op Nieuw-Holland of O, -Azië. Hun 
eigenlijk vaderland omvat de tropische en subtropische streken 
van Amerika, Afrika, alsmede de naburige deelen van Azië. 
Van de ongeveer 28 bekende soorten behooren g te huis in 
Amerika, terwijl 5 species, gerekend tot 3 genera, in de 
Guiana's worden aangetroffen, 

„De Am. G. verschillen van die der Oude Wereld door het 
ontbreken van een tusschenschot in de neusholten (nares pervise) ; 
tevens missen de vederen aan het lichaam achterschachten. 

Alle Gieren zijn nogal groote vogels met krachtige, hooger 
dan breede, voor meer dan de helft met een washuid be- 
kleede, aan den wortel rechte, maar aan het uiteinde haak- 
vormig omgebogen snavels, korter of slechts weinig langer dan 
de kop. De bovensnavel bezit geen inkervingen of tanden ; 
de hals is moderaat lang of zelfs kort, de kop klein en geheel 
onbevederd. De vleugels zijn lang, breed, min of meer afge- 
rond en bevestigd aan lange armbeenderen ; de vogels laten 
ze dan ook in rust of zelfs onder het loopen eenigszins hangen. 
Het vel is moderaat dik, aan den hals elastisch of los, hetgeen 
de inslikking van nogal groote prooi in stukken en brokken 
toestaat. De pooten zijn middelbaar lang, krachtig, en van de 
verzenen af onbevederd. Evenals do snavels zijn ook de 
klauwen minder gekromd en tevens stomper dan die dor Valken. 
Warende Am. G. watervogels geweest, ongetwijfeld zou het vlies 
tusschen hunne nogal ontwikkelde teenon als het gevolg der 
levenswijze zijn aangemerkt; maar ze zwemmen nimmer. 

Bij Am. G. zijn do mannetjes eenigszins kleiner dan do 
wijtjes; de jongen hebben min of moor bovoderde koppen. 
Alle rieken sterk naar muskus, waardoor hunne vederen door 
onze bevolking als een goed middel worden beschouwd ter 
verjaging van mieren, 

„Onze Am. G. zijn schuwe, lafhartige vogels, die bij dag 
eenzaam naar prooi omzien, maar des avonds zich bij min of 
meer kleine troepen op bepaalde plaatsen, meestal boomen, 
vereenigen, ten einde daar te overnachten. Toch brengt een 
groot kreng dikwijls geheele zwermen bij elkander. Alle loopen 
eenigszins huppelend en bewegen daarbij hunne staarten en 



CATHARTID^. 



351 



koppen op eigenaardige wijze op en neder. Hun vlucht is 
krachtig, snel en recht als ze van of naar hunne slaapplaatsen 
of prooi toevliegen. Toch zeilen ze soms in breede cirkels rond 
en schijnen meer te zweven dan te vliegen. Vooral bij regen- 
achtig weder kan men Am. G. meermalen waarnemen, spiraals- 
gewijze hoog in de lucht stijgende, om eindelijk tusschen de 
wolken te verdwijnen. Na eene regenbui drogen alle dikwijls 
hunne natte vederen, evenals Arenden. 

„Begrijpelijk is het, hoe Am, G. met den wind mede vliegen, 
maar hoe ze, bijna zonder hunne vleugels te bewegen, tegen 
den wind op naar boven stijgen, laat zich moeielijk verklaren. 
De opstijging geschiedt al waggelend ; daarbij hangen de 
vogels dikwijls zoo over naar eene zijde, dat de punten hunner 
vleugels bijna loodrecht naar onder en naar boven toe staan. 

Nemen w^e als voorbeeld een vlieger, die aan een touw 
bevestigd, ook tegen den wind in naar boven stijgt, dan nog 
wordt de vlucht van den Gier er niet door verklaard. Toch 
kan een schip, al zeilende tegen den wind in laveeren, maar 
dan biedt het water een steun, hetgeen in de lucht ontbreekt. 

Het vederkleed van al onze Am. G. toont eene neiging tot 
albinisme; jagers verzekeren ten stelligste in het woud enkele 
malen geheel of gedeeltelijk witte Gieren gezien te hebben, 
die ook in de stad zouden voorkomen. Over de waarheid dezer 
verhalen kan schrijver echter niet oordeelen, hoewel ze niet 
ongegrond schijnen, daar immers in het Noorden witte Raven, 
Eksters enz. reeds bekend zijn. 

Het gezicht van Am. G. is scherp, veel ontwikkelder echter 
hun reuk. Hoog in de lucht rondzwevende, besnuiven ze de 
geuren, die van de aarde opstijgen en worden, evenals een 
Hond of Tijger een spoor volgt, door den stank naar hun 
prooi toe geleid, hoe verborgen deze ook moge zijn. En dat 
zelfs een paar centimeter onder de aarde begraven krengen. 
De eene vogel volgt de bewegingen van den ander, zoodat er 
binnen korten tijd een groot aantal bij elkander verzameld 
zijn. De nederdaling uit de lucht geschiedt bijna loodrecht 
en gaat vergezeld van een sterk gesuis. Zoodra echter de 
dalende vogel den grond of een boomtak bijna bereikt, neemt 



35- 



CATHARTID^. 



hij eene schuine richting om zich dan neer te zetten. Dit 
trekken van Gewone Gieren van alle richtingen naar eene 
plaats toe, is het teeken voor den Koningsgier dat er wat te 
halen valt. Maar bij hevigen honger vallen G. ook slangen 
aan of kapen kuikens weg (zie beschrijving der reigerkoloniën 
kmgs de kust). Ook heeft men in de magen der Roodkop- 
Gieren groene bladeren aangetroffen ; en onze jagers verzekeren 
dat gewone Zwarte Gieren meermalen plantenzelfstandigheden 
gebruiken, en wel als medicijn. 

Het bestaan onzer Am. G. hangt gedeeltelijk af van Roof- 
dieren, vooral de Felidoe, hoewel ze zich, gedurende het groote 
droge seizoen, ook met de rottende visch in de zwampen 
voeden. Verscheurende dieren in de koude streken hebben tijd 
hun prooi op te vreten, omdat deze niet zoo gauw tot ont- 
binding overgaat. Voor de Gieren blijft dus niets over; en 
dit is dan ook de reden waarom de species der noordelijker 
streken en ook min of meer de Condor der hoogere Andes 
zich met levende prooi voeden. Maar in de warmere streken, 
vooral langs den equator, gaan de lichamen van dieren dik- 
wijls binnen de tien uren tot bederf over. Tevens drinken de 
grootere species der Felïdoe alleen versch bloed, maar ver- 
smaden rottend vleesch. Bemachtigen deze roofdieren dus eene 
groote prooi, zooals b.v. een Hert of Peccarie, dan vreten ze 
den volgenden nacht nog van het karkas, maar laten het 
daarna geheel over aan de Gieren. En zonder deze vogels, 
waar zou het heen met al die rottende krengen, in aanmerking 
genomen dat onze fauna zulke dieren als Hyena's mist. 

„Gieren zijn dus zeer nuttig. De wet erkent dit dan ook, zoo- 
dat er in Suriname (en ook in andere plaatsen) een boete van 
./5 op het dooden van een dezer vogels bestaat. Toch wordt de 
wet dikwijls niet gehandhaafd, want b.v. op plantages vergif- 
tigt men meermalen het kreng van een door den Jaguar gedood 
dier, maar in plaats van het roofdier te vergiftigen, wordt 
aan talrijke Gieren het leven ontnomen. 

De gulzigheid onzer Am. G. is spreekwoordelijk. Ongelooflijk 
snel kunnen ze rottende karkassen in hunne magen doen 
verdwijnen ; van een volwassen paard of os valt na drie dagen 



CATHARTID^. 353 

niets meer te bespeuren dan de beenderen. Gieren vreten soms 
zooveel, tot ze tot staan niet meer in staat zijn, naast het aas 
gaan liggen, terwijl een walgelijke lucht uit hunne neusgaten 
opstijgt. Het is bij hen overvloed of honger; meermalen zwer- 
ven ze dagen lang rond zonder voedsel. Dikwijls bevechten 
Am. G. ook elkander in den buik van een kreng ; en dat gaat 
steeds vergezeld van een schor gegurgel, want tot het voort- 
brengen van andere geluiden zijn Gieren niet in staat, hoewel 
onze Indianen beweren dat de Roodkop Gier des nachts een 
melanchohek „hoe-hoe" laat hooren. 

„Wanneer een Gier een kreng heeft opgespoord, dan daalt 
hij neder, pikt de oogen uit en scheurt den buik open zoo deze 
reeds tot ontbinding is overgegaan. Dit is zijn voorrecht en 
de overige Gieren, die inmiddels genaderd zijn, wachten tot 
hij er mede gereed is; dan begint de pret. Maar bij groote 
krengen zijn Gieren gewoonlijk in den beginne niet in staat 
de harde huid open te pikken en zitten dan als het ware te 
watertanden, wachtende op het verder verloop van het rottings- 
proces. Dikwijls ziet men op de rivieren drijvende karkassen, 
waarop Aasgieren in menigte af en toe vliegen. Ook de lijken 
van menschen worden menigmaal half opgevreten gevonden ; 
en dat dikwijls slechts een dag nadat zij verdronken waren. 

„In de kolonie staan Am. G. bekend als Tiengie-foroe, van 
het engelsche „Stinking P^owl". Onze hollandsch sprekende 
bevolking noemt ze Stinkvogels en heel zedigen Struikvogels. 
Bij de Indianen draagt elke soort een afzonderlijken naam. 

Onze G. nestelen in holle boomen of op den grond. Het 
wijfje legt I of 2 ovale, enkele malen elliptische, en, uitgezon- 
derd bij het geslacht Gypagus, gevlekte eieren. 

Beide seksen broeden en komen in min of meer gelijk aantal 
voor. De met dons bedekte kuikens gelijken veel op hoender- 
kuikens, maar blijven tamelijk lang alvorens tot volkomen- 
heid te zijn opgegroeid. 

Denkelijk wordt slechts een broedsel per jaar grootgebracht, 
maar naar mijne meening broeden niet alle geregeld elk jaar ; 
evenals bij Valken zijn de voortplantingsdeelen in den regel 
klein. En dit is dan ook, gepaard aan beperkt voedsel, de 

23 



354 



CATHARTID^. 



reden waarom er geen oververmenigvuldiging van Gieren 
plaats vindt. Want de Gier telt bijna geen natuurlijke vijanden 
en wordt zelfs door den mensch geduld. 

Genera, 

A. Grooter vormen. 

„Snavel krachtig, korter dan de kop ; vederkleed beginnende 
aan den nek met breede, normale vederen ; slagp. v. d. isten rang 
niet langer dan die v. d. aden rang; een uitgroeisel of lel boven 
de neusgaten op de washuid. 

GYPAGUS, VIEILL. 



B. Kleiner vormen ; vederkleed beginnende gradueel aan het bovengedeelte of 
het midden v. d. nek met breede normale vederen. 

,,Neusgaten klein en smal, de voorenden puntig; vleugels korter 
en ronder, de tippen reikende tot het midden v. d. vierkanten of 
eenigszins ingesneden staart. 

.... CATHARISTA, VIEILL. 

„Neusgaten zeer groot en breed, de beide enden afgerond; 
vleugels verlengd, de tippen reikende tot aan of voorbij het uit- 
einde v. d. ronden staart. 

CATHARTES, ILL. 



Species. 
GYPAGUS, VIEILL. 

G. papa, L. = L'Urubu ou Rol des Vantours de Cayenne, 
Buff. = Sarcorhamphus p., Cab. in ScJiomb, Reis. = Cathartes 
p., Schlegal, Mus. P. B. 

Ad. Bovennek, d. w. z. kraagvederen, loodkleurig met witte basis; binnenste 
slagp., slagp. v. d. 2den rang, die v. d. istcn rang, hunne dekv., alsmede de 
grootere vl.dekv., stuit, dekv. bov. d. st. en st. zwart, de slagp. v. d. aden rang 
grijsachtig aan de buitenvlag met witte randen ; overig vederkleed roseachlig room- 
kleurig aan de bov.d.; ond.d. wit; naakt los vel aan kop en bovennek schitterend 
gekleurd, bij levende vogels geel, oranje, rood, blauw, enz. ; snavel roodachtig (bij 
geprepareerde exemplaren), maar bij levende individuen oranje en zwart; iris wit^ 



GYPAGUS. 



355 



Jong. Geheel zwartacbtig bruin; snavel en naakt vel aan den kop zwartachtig 
L. 75, vl. 48, st. 24, tars. Q.r, culm. 3.4. De wijfjes zijn iets grooter. Geogr. dist. 
(xeheel tropisch Amerika, uitgezonderd de West-Ind. eil. Lok. dist. De geheele 
kolonie, uitgezonderd de kustzoom. 

„Koningsgieren, eng. King-Vultures or King of the Carrion- 
crows, fr. Rois des Vautours, hebben onbevederde naakte 
koppen en halzen van een eigenaardige kleuring. De keel en 
achternek zijn geel, de nekzijden van af de ooren naar onder 
toe, helder scharlakenrood ; achter het gerimpelde vel is een 
witte vlek. De bovenkop heeft eene scharlakenroode kleur, 
terwijl er zich tusschen de ondersnavelbasis en de oogen, dicht 
bij de ooren, een zilver- 
achtig blauwe plek bevindt. 
Het gerimpelde gedeelte is 
vuil bruin, daarachter en 
vlak boven de witte plek 
heeft een gedeelte van het 
vel eene blauwe kleur, 
overigens is het scharlaken- 
rood. Het losse vel aan den 
achternek ziet er uit als 
een lange lel, gedeeltelijk 
blauw, gedeeltelijk oranje- 
kleurig. De snavel is zwart 
en oranjekleurig, evenals 
de lellen aan den voorkop, alsmede de washuid aan den boven- 
snavel. De oogleden zijn scharlakenrood, de irides zelve 
wit. Onder het naakte nekgedeelte is een kraag van grijze 
vederen, terwijl de kropzak een mooie witte kleur bezit met 
blauwe aderen. De wijfjes zijn grooter en komen talrijker voor 
dan de mannetjes, hoewel de uitgroeisels aan hun bovenkop 
naar verhouding kleiner schijnen. De bruinzwarte jongen hebben 
volstrekt geen wit in hun vederkleed. Eerst na een jaar begint 
het zich aan den buik te vertoonen, om eerst na drie jaren tot 
volkomen wit over te gaan. Ook de kam aan den bovenkop, 
alsmede het naakte vel aan hals enz., bezitten dan hun vol- 
komen kleuring. 




Kop van Sarcorhaniphns papa 



356 



CATHARTID^. 



K. zijn grooter, maar hebben naar verhouding kleiner vleu- 
gels dan de overige Gieren, In de kolonie staan ze bekend 
als Tiengieforoe-Gramman, omdat men hier geen hooger waar- 
digheid kent dan die van Gramman, d. w. z. Gouverneur of 
Landvoogd. De Arowakken noemen ze Anowana a deo nasha 
of Oeroeboe en de Caraïben Anovvane. 

In de nabijheid van bewoonde plaatsen treft men K. nimmer 
aan. Ook leven ze steeds eenzaam of bij paren, hoewel vijf 
of zes individuen soms bij een kreng te vinden zijn, maar 
overal komen K. veel zeldzamer voor dan de andere Gier- 
soorten. Hun vlucht is tevens veel minder sierlijk en geschiedt 
met talrijke flappende, van verre hoorbare vleugelslagen. In 
de lucht rondzweven doen ze zelden en zijn dan ook niet in 
staat de geuren die van de aarde opstijgen, te besnuiven. Ten 
einde dit te verhelpen, volgen K. oplettend de bewegingen 
der andere Gieren om, zoodra ze iets merken, in dezelfde 
richting voort te vliegen. 

Bij nadering van den K. stuiven al de overige Gieren uiteen. 
Met op- en nedergaande koppen schijnen ze als het ware 
buigingen te maken voor den Gramman en zijne echtgenoote, 
die evenwel volstrekt geen haast maken om hun maal te 
beginnen, maar eerst hunne vederen gaan reinigen om daarna 
den omtrek te overzien en zoo nu en dan, denkelijk om den 
eetlust op te wekken, een blik naar het kreng te werpen ; soms 
steken ze ook hunne koppen wel een kwartier lang onder de 
vleugels. 

„Ondertusschen zitten de overige Gieren watertandend en 
met kennelijk ongeduld te wachten tot het Hunne Majesteiten 
gelieft te beginnen. Eindelijk zijn deze klaar en dalen naar 
omlaag. Hun maagzak is dan geheel door de vederen ver- 
borgen, maar al naar gelang hij met aas gevuld raakt komt 
zijne witte kleur meer en meer uit, tot hij ten laatste veel 
gelijkt op een gezwollen, witte, blauwgeaderde blaas. 

Evenals gewone Gieren vreten K. soms zooveel aas dat ze, 
onmachtig om langer op hunne pooten te staan, naast het 
kreng gaan liggen om zoo nu en dan den snavel uit te steken 
ten einde een laatste hapje te nemen. 



CATHARISTA. 357 

„Toen ik mijne studie over onze vogels begon, hoorde ik 
steeds spreken van een buitengewonen witten Stinkvogel, die 
met veel geraas door de lucht vliegt ; eerst later werd het mij 
duidelijk dat men hiermede den K. bedoelde, die ook van al 
onze Gieren het sterkst naar muskus riekt. 

G. P. broedt gedurende den kleinen drogen tijd. Geen nest 
wordt gebouwd, maar het wijfje legt slechts een ei in een 
hollen boom of rotsspleet. De vorm der schaal is ovaal, de 
oppervlakte ruw, maar tamelijk glanzend, de kleur wit of vuil 
wit. Afm. 92 X 63 m.M. 

N.B. Behalve den K. heeft men nog andere soorten, zooals de bekende Condor 
Sarcorhamphus gryphiis der Andes, terwijl in N.-Amerika de specie vertegenwoordigd 
wordt door den Californischen Condor Pseudogryphus californicus, die evenwel thans 
ten naastenbij is uitgeroeid. 



CATHARISTA, VIBILL. 

C. atrata, Bartr. = Urubu, Vieill. = Vautour du Bresil, 
Buff. = C. foetens, Cah. in Schomb. Reis. = Cathartes atratus, 
Schlegal Mus. P. B. 

Ad. Geheel zwart, basis der slagp. grijsachtig of grijsachtig wit aan de onder- 
zijde, maar de schachten zuiver wit ; snavel zwartachtig met geelachtigen of wit- 
achtigen tip ; naakt vel aan kop en hals zwartachtig ; pooten zwartachtig ; iris 
donker. Jong in dons. Licht blauwachtig of bruinachtig grijs. L. 60, vl. 43, st. 20, 
tars. 7.5, culm. 2.3, vleugelspanning 137. De wijfjes zijn iets grooter. Geogr. dist. 
Geheel tropisch en warm gematigd Amerika zuidwaarts tot de Argentijnsche 
Republiek en Chili, noordwaarts regelmatig tot N.-Carolina en de Beneden-Missis- 
sippi, onregelmatig of toevallig in Maine, New-York, Ohio, Indiana, Illinois, 
Dakota enz. ; nog niet aangetroffen in W.-Mexico en Californië, noch in Haïti. 
Lok. dist. De geheele kolonie, maar veel talrijker binnen het terrein der mangroven, 
vooral in de nabijheid van bewoonde plaatsen tot zelfs in de stad Paramaribo. 

„Een zwaarder lichaamsvorm, korter staart en korter vleu- 
gels onderscheidt de Zwarte Gieren, eng. Black Vultures or 
Carrion Crows, fr. Vautours noirs, van de volgende soorten. 
Z. G. huppelen tevens meer dan ze loopen, hebben alvorens 
van den grond op te vliegen een langen aanloop noodig, en 
flappen in de vlucht ook meer met hunne vleugels. 



358 



CATHARTID^. 



In de kolonie staan Z. G. bekend als Tiengie-foroe, d. w. z. 
Stinkvogels, bij de Arowakken als Anowane en bij de Caraïben 
als Kroemoe. Andere namen zijn : Jankro, Opitte, Njamasoe 
en Blakka djaktie. 

„Dikwijls heb ik met bewondering naar deze vogels zitten 
kijken als ze bij zwaren wind in cirkels rondvlogen of met 
uitgespreide vleug'els op den wind schijnen te drijven. Hun 
lichaam nu eens rechts dan weder links werpende, stijgen ze 
vertikaal tegen den wind op, balanceeren dan voor verschei- 
dene minuten om eensklaps uiterst snel door den wind mee- 
gesleept te worden, een eind verder met zichtbare moeite een 
halven cirkel te beschrijven en den kop weder naar den wind 
toe te keeren. Dit geschiedt soms voor uren. 

Z, G. kwamen 
eenige jaren gele- 
den zeer talrijk voor 
in de stad Parama- 
ribo, hoewel hun 
aantal in de laatste 
jaren sterk is ver- 
minderd tengevolge 
van eene verscher- 
ping der wetten op 
het gooien van 
krengen in de stra- 
ten. De eenige plaats 
waar ze nog talrijk 
te vinden zijn is het 
abattoir, waar vee 
geslacht wordt, 
waarvan men de ingewanden enz. aan de Gieren overlaat, 
die elkander met veel gehis het bezit der lekkerbeetjes be- 
twisten. Maar betrekkelijk kort geleden heeft schrijver Z. G. 
meermalen waargenomen elkander tot in de volkrijkste buurt 
het bezit van een kreng betwistend. Daarbij vergaten ze 
alles, zelfs hun aangeboren schuwheid en werden bijna onder 
den voet getreden. Eenmaal verzadigd gingen alle naar de 




Een giercn-nia:il in het abattoir te Pararnaribu. 



CATHARISTA. 



359 



daken der huizen in den omtrek om daar met hangende- of 
geheel uitgespreide vleugels en half geopende oogen uit te rusten. 
Maar wat het ergste is, hun afval komt door de dakgoten in 
het drinkwater terecht; vele gebouwen hebben dan ook z.g. 
„stinkvogelafweerders", bestaande uit lange stukken ijzerdraad, 
die van den eenen naar den anderen hoek, ongeveer twee 
decimeter boven den nok gespannen worden, hetgeen de 
Gieren belet zich hier neer te zetten. Maar op andere daken 
is het soms zeer treurig gesteld ; daar bleeken dikwijls de 
beenderen van kleine krengen in de zon, daargelaten wat in 
de regenbakken terecht komt; gezond kan dit onmogelijk zijn. 

„Bij de markt stonden niet lang geleden een rij tamarinde- 
boomen waar Z. G. den nacht in menigte doorbrachten, het- 
geen den grond nabij de markt volstrekt niet reiner maakte. 
Menigmalen heb ik mij verwonderd over de voorzorgsmaat- 
regelen tegen de verspreiding van bubonische pest; op het 
dooden van ratten stelde men premiën, terwijl uit het oog 
werd verloren dat Gieren besmette rattekrengen volstrekt niet 
versmaden en verzadigd zijnde, op de markt hunne excre- 
menten kwamen werpen. En dat nog door de wet geprotecteerd ! 

„Toch geloof ik dat de balans onzer tropische natuur de 
aanwezigheid van Gieren vordert en dat het uitroeien der Z. G. 
min of meer ernstige gevolgen na zich zal slepen. Veel beter 
zou het zijn de eigenaren van huizen b.v. boven de 30 voet, te 
verplichten stinkvogelafweerders op hunne daken te plaatsen ; 
tevens zou de wet op krengen nog verscherpt kunnen worden, 
hetgeen de Gieren zou noodzaken hun voedsel in het bosch 
te zoeken. Immers, eeuwen geleden deden ze dit ook, en de 
overige soorten doen het nog. 

„In den omtrek der stad worden krengen, zelfs van de 
grootste dieren, zelden begraven; men brengt die eenvoudig 
een eindje ver het struikgewas in en laat het overige over 
aan de Gieren, die nimmer in hun werk falen. Inderdaad zoo 
ontwikkeld is hun reuk dat schrijver meermalen naast zijn 
venster vogels heeft zitten prepareeren, die onmogelijk door 
de Gieren van buiten af konden gezien worden. Toch ge- 
beurde het herhaaldelijk dat een vermetele tot bij het venster 



36o CATHARTID^. 

vloog, terwijl op de daken der omringende huizen nog andere 
te zien waren. 

„Wanneer men zonder tegenzin den lichaamsvorm van een 
Z. G. goed beschouwt, dan gelijkt hij wel wat op eene duif; 
dit zou nog meer uitkomen als zijne pooten wat korter waren. 
Maar wat het eigenaardigst is, onder het paren trekkebekken 
Z. G. evenals duiven en papegaaien. 

Het volksgeloof kent den Z. G. wonderkracht toe. Zoo zou 
degene die een dezer vogels doodt niet verder rustig voort- 
leven. (Is misschien hier de boete bedoeld ?) De vederen zouden 
een goed middel zijn ter verjaging van mieren en andere lastige 
insecten, hetgeen niet onjuist is, want er zit een sterke muskus- 
lucht aan. Ze dienen tevens als middel tegen stuipen. Een doode 
Gier zou wegrotten zonder dat er wormen aan komen ; er bestaat 
zelfs een inlandsch spreekwoord, dat luidt: „De Stinkvogel 
verspreidt buitendien reeds geen aangenamen geur, laat staan 
wanneer hij dood is", tevens gelooft men dat Gieren elkanders 
doode lichamen nimmer opvreten. Hun leeftijd zou een eeuw 
bedragen evenals van den Lammergier en andere species der 
Oude Wereld beweerd wordt. 

„De levenswijze van Z. G. verschilt niet over hun geheel 
geographisch gebied. Evenals in Paramaribo en Georgetown 
komen ze talrijk voor in alle steden en andere bewoonde 
plaatsen tot het zuiden der Vereenigde Staten, uitgezonderd 
op sommige West-Ind. Eilanden. Maar bijna overal staan Z. G. 
min of meer onder de protectie der wet. 

C. A. broedt gedurende den kleinen drogen tijd. Holle 
boomstronken, de sporen van woudreuzen, dicht struikgewas 
en enkele malen ook rietvelden zijn de meest gezochte nestel- 
plaatsen. Maar een nest zelve wordt zelden of nooit gebouwd. 
Het wijfje legt i of 2 ovale of lang ovale, zelden elliptische, 
ten naastenbij glanslooze, licht roomkleurige, groenachtig ge- 
tinte, met donkerbruin, chocoladebruin en purpergrijs gevlekte 
eieren. M. Afin. 75 X 50 m.M. 

„De exemplaren varieeren niet veel; bij de meeste zijn de 
vlekken het talrijkst om het stompe end der schaal, andere 
weer hebben slechts stippen over de geheele oppervlakte; ook 



CATH ARTES. 36 1 

geheel on gevlekte exemplaren zouden zoo nu en dan voorkomen. 
De broedtijd duurt ongeveer 30 dagen. Maar ondanks Z. G. 



Lailc met eieren van Cathart'sfa afrafa, uit de verzameling van schrijvers. 

zeer talrijk in en om de stad te vinden zijn, worden de kuikens, 
die wel wat gelijken op licht gekleurde hoenderkuikens, zel- 
den of nooit gezien. 



CATHARTES, ILL. 

C. aura, L. =■ id., Cab. in Schomb. Reis. = id., Schlegal 
Mus. P. B. 

Ad., Nek en ond.d. dof zwart; bov.d. zwartachtig met een groenachtigen en 
violetkleurigen glans ; rugvederen, schoudervederen en vl.dekv. met breede maar niet 
scherp afstekende licht grijsachtig bruine zoomen ; randen der slagp. v. d. 2den rang 
licht grijsachtig bruin, varieerend tot licht aschgrijs ; schachten der staartp. en slagp. 
lichtbruin, varieerend tot geelachtig wit: naakt vel aan kop en bovennek helder 
karmozijnrood, donkerder aan de washuid ; lora en bovenkop enkele malen met 
witachtige. op wratten gelijkende papillen; snavel kalkwit; iris grijsachtig bruin. 
Jong. Ongeveer als ad., maar de snavel zwartachtig en het naakte vel aan kop 
en nek min of meer blauw en zwartachtig; bruinachtige zoomen aan de vl.dekv. 
enz. minder duidelijk. Jong in dons. Geheel zuiver wit, de kop echter onbevederd 
en min of meer zwartachtig van kleur. L. 72, vl. 55, st. 29, tars. 5.5, culm. 2.5; 
vleugelspanning 183. "De wijfjes zijn iets grooter. Geogr. dist. Gematigd en 
tropisch Amerika, uitgezonderd eenige der West-Ind. Eil., zuidwaarts tot Patagonië, 
noordwaarts tot Br. Columbia. Lok. dist. De geheele kolonie. 



302 CATHARTID^. 

„De soorten van het geslacht CatJi artes onderscheiden zich 
van de Zwarte Gieren door helder gekleurde koppen, minder 
krachtigen lichaamsbouw, langer staarten c^n langer vli^ugels : 
het bovengedeelte van den nek is geheel kaal. 

„Roodkop Gieren, eng. Turkey Buzzards, fr. Vautours noirs 
a tête rouge, heetcn in Suriname Rcddic-hedc Boesie-Tiengie- 
foroe, d. w. z. Bosch-Stinkvogels met rooden kop, en bij de 
Indianen Piajoelie. Hun kop is karmozijnrood, maar verschilt 
in tint al naar gelang de vogels verzadigd of uitgehongerd zijn. 

In de stad Paramaribo komen R. G. zelden of nooit voor, 
daar ze door de krachtiger Zwarte Gieren verdreven worden. 
Waar deze twee elkaar ontmoeten, volgt een gevecht; maar 
met de andere Kleurkop-Gieren vereenigen R. G. zich dikwijls. 

R. G. loopen zeer statig, bijna zonder te huppelen. Met den 
kop naar den wind gekeerd, stijgen ze dikwijls in wijde cirkels 
opwaarts, maar spreiden in de vlucht hunne staarten niet uit 
zooals Zwarte Gieren en bewegen hunne vleugels ook veel minder. 

„Volgens natuurkundigen zouden R. G. tot de trekvogels 
behooren, die alleen gedurende den winter Z.- Amerika naderen. 
Toch treft men ze het geheele jaar door in de kolonie aan, 
doch hun aantal schijnt in het najaar niet te vermeerderen. 
Volgens inlandsche jagers en Indianen zouden R. G. hier 
broeden en jonge witte stinkvogels niet tot de grootste zeld- 
zaamheden behooren ; ook uit andere plaatsen van Z.-Amerika 
zijn eieren bekend. 

„Zeer aardig en lief zien deze Gierkuikens er uit; ze gelijken 
volstrekt niet op hunne leelijke ouders, maar wel op ballen 
wit katoen met naakte koppen; men zou ze wel willen streelen. 
Toch is het beter ze op een afstand te bewonderen, want de 
donzige ballen hebben de leelijke gewoonte als ganzen te 
hissen onder het uitbraken van hun laatste, alles behalve wel- 
riekend, maal. 

C. A. broedt in N. -Amerika en ook in de Guiana's, van af 
Februari tot Mei ; in het Zuiden vangt de broedtijd eerder 
aan. De nestelplaatsen verschillen niet van die d(T voorgaande 
soort. Ook de i of 2 eieren komen overeen, maar zijn iets 
korter; bijna elliptische exemplaren treft men ook talrijker 



CATH ARTES. 363 

aan, terwijl de ondergrond tevens eene lichte roseachtige tint 
bezit en de bevlekking donkerder en duidelijker is, en niet 
zoo dikwijls ineenvloeit om het stompe end der schaal. M. 
A/m. 70 X 50 m.M. 

De exemplaren varieeren niet veel. R. G. broeden soms in 
kleine koloniën bij elkander. 

C. pernigra, Sharpe. 

Ad. Min of meer overeenkomend met de voorgaande specie, maar de bov.d. 
geheel dof zwart en het naakte vel aan kop en bovennek geel. L. 70, vl. 50, 
st. 30, tars. 6.3, culm. 2.1. De wijfjes zijn iets grooter. Gcogr. dist. De Guiana's, 
het dalgebied der Amazone en Peru. Lok. dist. De geheele kolonie. 

„Geelkop Gieren, eng, Amazonian Turkey-Vultures, fr. Vau- 
tours noirs a tête jaime, heeten in Suriname Geel-hede Boesie- 
tiengieforoe, d. w. z. Geelkop Boschstinkvogels en bij de 
Indianen evenals de voorgaande en volgende soort met wie 
G. G. in levenswijze geheel overeenkomen, hoewel ze niet 
heel talrijk in den omtrek van bewoonde plaatsen te vinden zijn. 

Over hun voortteling is mij niets bekend ; duidelijk ver- 
schilt die niet van de andere soorten. 

C. burrovianus, Cass. = C. tirubi tinga, Schlegal Mus. P. B. 

Ad. Geheel zwart; schachten der slagp. wit; snavel en washuid roodachtig wit ; 
bovenkop en onderzijde v. d. kop licht violet of hemelsblauw ; kopzijden, nek en 
keel mooi oranjegrijs; iris rood; pooten zwartachtig. /ö«^. Iris zwartachtig grijs; 
kop bij zeer jonge individuen roodachtig grijs ; kruin en een gedeelte boven de 
oogen witachtig ; nek blauwachtig ; kop roodachtig violet met een witachtig blauwe 
plek aan den achterkop. Jong in dons. Licht roodachtig bruin ; snavel, onder- 
gedeelte der kopzijden en kaken zwart ; overig gedeelte v. d. kop bruin getint ; 
iris chocoladebruin ; pooten vleeschkleurig met zwartachtige scutellae. L. 60, vl. 46, 
st. 22, tars. 6.5, culm. 2.1. Gcogr. dist. Het Oosten van Tropisch Amerika van af 
Brazilië tot O. -Mexico, uitgezonderd de West-Ind. Eil. Lok. dist. Als de voor- 
gaande soort. 

„Het bovengedeelte van den achternek bij den Oranje- of 
Blauwkop Gier, eng. Barrough's Turkey Vulture, fr. Vautour 
noir de Burrough, is bevederd tot bijna aan den achterkop ; 
de bovenkop heeft eene hemelsblauwe kleur, de kopzijden 



364 CATHARTIDvE. 

daarentegen zijn grijsachtig oranjerood. Volgens onz(^ bevolking 
zou deze gekleurde kop eenige gelijkenis vcrtoonen met dien 
van een Kalkoen. Daarop doelt dan ook het gezegde: „Scheld 
men den Stinkvogel uit, dan voelt ook de Kalkoen zich 
beleedigd. " 

In de kolonie staan O. G. bekend als Blauw naga reddie- 
hede Boesie-tiengieforoe, d. w. z. Blauw- en roodkop Bosch- 
Stinkvogels of ook wel onder dezelfde benamingen als de 
Roodkop Gieren. De Arowakken kennen ze eveneens als 
Anowana en de Caraïben als Piajoelie. 

Men treft O. G. talrijker aan dan de twee voorgaande 
soorten, hoewel bij lange na niet 
zoo gewoon als de Zwarte Gieren 
van wie ze in levenswijze niet 
verschillen, maar bewoonde plaat- 
sen min of meer mijden. In de 
stad Paramaribo ziet men ze 
zelden of nooit. 

De oranjekleur aan de kopzij- 
den en keel bij den P. G. is zeer 
varieerend van tint en ziet er, Kop van Cathartes bnrroviau.s. 
wanneer de vogels onderling 

elkander naast een kreng bevechten, uit als bloedrood, van 
bijna dezelfde tint als bij den Roodkop Gier. 

C. B, broedt gedurende den kleinen drogen tijd. In mijne 
verzameling is er een legsel van 2 eieren, gecollecteerd ge- 
durende de maand Februari. Het nest bevond zich in een 
hollen boom, ongeveer 4 meters van den grond af. Beide 
eieren zijn ten naastenbij glansloos, licht blauwachtig of groen- 
achtig met chocoladebruine, donkerbruine en purpergrijze 
vlekken ; de bcvlekking vloeit niet ineen en ziet er regel- 
matiger uit dan bij eieren der voorgaande soorten ; tevens zijn 
de purpergrijze vlekken grooter, talrijker en duidelijker. 
Het eene exemplaar is elliptisch en meet 69 X 50 m.M., het 
andere min of meer ovaal, a/m. 75 X 47 m.M. 




VALKACHTIGEN. 365 

Familie der FALCONID^. 

VALKACHTIGEN. 

„Van de familie der Valkachtigen, eng. Hawks, fr. Faucons, 
zijn bekend ongeveer 500 soorten, verspreid over de geheele 
wereld. In Amerika komen voor 175 species, waarvan 56, 
gerangschikt onder 34 genera en 6 subfamiliën, de Guiana's 
bewonen. 

Alle behooren tot de moedigste en krachtigste onzer stand- 
vogels, hoewel enkele in het Noorden van hun gebied met 
den winter zuidwaarts trekken. Maar of deze trek zich tot de 
kolonie uitstrekt, valt wel te betwijfelen. 

V. hebben in den regel een krachtigen lichaamsvorm, breede 
schouders, korte halzen en moderaat groote koppen ; de snavel 
is kort, doch zeer krachtig en van af den wortel opmerkelijk 
gekromd; aan de basis v. d. bovensnavel bevindt zich een 
washuid die doorgaans eene andere kleur dan de snavel 
bezit; de hoornachtige bovenrand der terzijde v. d. kop ge- 
plaatste oogen is bevederd, zoodat deze diep gezonken schijnen 
te liggen; de kleur der irides wisselt af vanaf karmozijnrood 
tot bruin, oranje en geel; de staartpennen zijn moderaat of 
zelfs lang bij enkele soorten, de tarsi middelbaar of eenigszins 
lang, de vleugels groot, tamelijk lang en krachtig, de eerste 
slagpennen bij vele soorten ingesneden aan de buiten- of 
binnenvlag. Verder onderscheiden alle V. zich door groote, 
gekromde, tot grijpen zeer geschikte klauwen. Hun vel is in 
den regel nogal dun, maar stevig en droog, op enkele uitzon- 
deringen na, zonder vetlaag tusschen vel en vleesch. De vederen 
staan dicht op elkaar en bij vele zijn vooral de onderdeelen 
min of meer donzig ; de buik is onbevederd, maar met dons 
bedekt. De olielaag over de vederen ontbreekt bijna geheel, 
hoewel niet in zulke mate als bij de Uilen. In tegenstelling 
met de Gieren en Nachtroofvogels hebben de vederen achter- 
schachten, uitgezonderd bij het geslacht Pandion. 

„In den regel zijn bij V. de wijfjes grooter dan de mannetjes ; 



366 falconid.ï;. 

slechts enkele verschillen onderling min of moer in kleur ; ook 
doet het vederkleed zich meermalen voor in twee phases, een 
lichtkleurige en donkerkleurige, maar hoewel typische indivi- 
duen opmerkelijk verschillen, bestaan er steeds een reeks van 
tusschenvormen ; dikwijls gaat zoo'n phase gepaard aan grootere 
afmeting. De identificatie van V. vordert dus veel kennis, 
vooral als men in aanmerking neemt dat vele reeds met 
broeden beginnen alvorens het volkomen kleed te dragen. 
De jongen echter van bijna alle soorten verschillen dikwijls 
zeer opmerkelijk in kleur van de ouden. 

„Door hunne groote oogen zien V. zeer scherp en kunnen 
zelfs, evenals Gieren, tegen de zon in vliegen, hiertoe in staat 
gesteld door hun ontwikkeld tweede ooglid. De meeste kunnen 
nogal vlug loopen, andere weer springen of huppelen over 
den grond. Hun prooi, die bijna uitsluitend van dierlijken aard 
is, grijpen ze aan met de klauwen, verscheuren haar met 
den snavel en slikken de stukken en brokken op, om later 
het onverteerbare gedeelte zooals vederen enz. wederom in 
den vorm van balletjes uit te braken. Toch worden in de 
magen van V. dikwijls groene bladeren, zaden, vruchtjes, enz. 
aangetroffen ; en dat op plaatsen waar overvloed van dierlijk 
voedsel aanwezig is, hetgeen eene bepaalde voorliefde van den 
Roofvogel voor plantaardig voedsel aanduidt. Volgens onze 
jagers zou het geschieden tot bevordering der digestie, hoewel 
men enkele soorten zooals de Karakara's aantreft, die bijna 
uitsluitend van zaden en vruchtjes leven. Een gezegde in de 
kolonie luidt: „ik ben gelijk den valk, als er niets anders te 
halen valt, dan eet ik bladeren". 

Hoewel alle V. zoo nu en dan kuikens wegkapen en zich 
gedurende de droge seizoenen met visch voeden, behooren 
vele toch tot de nuttigste onzer vogels. Welke jager, land- 
bouwer, die zijn eigen belang en dat zijner medemenschen 
begrijpt, zal schieten op een valk die met een Crotalus, Lachesis, 
enz. in den bek, de lucht invliegt. Inderdaad behooren 
vogels, en vooral Roofvogels, tot de weinige natuurlijke vijan- 
den van slangen. De balans der tropische natuur vordert dan 
ook een overvloed van vleeschetende levensvormen, ten einde 



VALKACHTIGEN. 367 

het immer aangroeiend aantal planteneters in bedwang te 
houden. Toch gebeurt het meermalen dat de roofvogel voor 
de slang moet onderdoen, vooral v^ranneer deze tot de con- 
strictors of worgslangen behoort, zooals b.v. de Redetere 
Corallus enz. De roofvogel vsrordt dan in de omwindingen 
der slang verstikt. 

V. komen veel talrijker voor in de lagere dan hoogere 
streken der kolonie en staan hier bekend als Hakka of Akka 
V. h. engelsche „Hawk". De Caraïben noemen ze over het 
algemeen Apakanie, de Arowakken echter Balielja ofBalielie, 
d. w. z. Bazen of Meesters van andere levensvormen, zooals 
slangen, vogels, enz. Zoo heeft men Dolokola-balielie of Baas 
der Patrijzen, Odontophorus gtiianensis, Wakekwan-balielie, 
Baas der Boschduiven Columba rufina ; de kleinere Balielie 
worden als de kwaadaardigste beschouwd. 

Vooral wanneer gedurende het groote droge seizoen water- 
gebrek de levensvormen en dus ook hunne vijanden naar 
waterrijke streken heendrijft, ziet men op zwampachtige plaat- 
sen bijna geen drogen boom waarop niet een Valk beweging- 
loos op prooi loert, die meestal bestaat uit visschen of kruipende 
dieren. Gewoonlijk zit het wijfje op een boom dicht in de 
nabijheid; slechts enkele soorten leven troepsgewijze. 

Hun vlucht is snel en krachtig; soms zweven ze boven 
hunne jachtterreinen rond, waarop, behoudens enkele uitzon- 
deringen, geen ander van dezelfde soort geduld wordt. 

Het vleesch van V. wordt in de kolonie meermalen gegeten ; 
vooral de vette Baboenakka, Krabboeakka, Pakroakka enz. 
zouden eene lekkernij zijn. 

„De meeste onzer V. bouwen hunne groote nesten op takken, 
gewoonlijk in hooge, onbeklimbare boomen, hoewel ze ook 
meermalen gebruik maken van verlaten nesten van andere 
vogels. Voor zoover schrijver kan oordeelen, legt het wijfje (in 
Suriname, niet in N. -Amerika) een of 2 eieren van een over 
het algemeen breed ovalen of rondachtigen vorm, en glansloos 
of ten naastenbij zoo; de kleur varieert van af ongevlekt tot 
eene donkere bevlekking, bij vele exemplaren beperkt tot het 
spitse, niet het stompe end der schaal. 



368 



FALCONID/E. 



„Over het algemeen broeden beide seksen ; de ontwikkeling 
van het embryo geschiedt snel; de kuikens worden met dons 
bedekt geboren, maar zijn toch geheel hulpeloos en hangen 
voor geruimen tijd geheel van de ouden af. Er is slechts een 
broedsel per jaar; en zeer eigenaardig zijn alleen gedurende 
den broedtijd de teeldeelen van V. ontwikkeld ; op andere 
tijden zien ze er klein uit zoodat het, zonder de grootte in 
aanmerking te nemen, moeielijk valt uit te maken tot welke 
sekse een gegeven vogel behoort. Voor zoover ik kan oor- 
deelen schijnen de mannetjes even talrijk als de wijfjes, maar 
de jongen in het onvolkomen of gedeelteHjk volkomen veder- 
kleed treft men het meeste aan. 

In Europa werden V., vooral de typische Falconinoe, tot de 
jacht afgericht. Thans geschiedt dit nog slechts op enkele 
plaatsen in Nederland. 

Subfamiliën. 

A. Buitenteen niet naar achter beweegbaar. 

a. Buitenteen en binnenteen bij de basis door een vlies aan den middenteen 
verbonden. 

.... POLYBORINCE. 

b. Alleen de buitenteen bij de basis door een vlies aan den middenteen verbonden. 

* Tibia en tarsus ongeveer evenlang, het verschil minder dan de lengte 
V. d. achterklauw. 

.... ACCIPITRINCE. 

* Tibia langer dan de tarsus, het verschil altijd meer dan de lengte 
V. d, achterklauw. 

§ Tarsus van achter gezien beplaat, d. w. z. van plaatjes voorzien. 

BUTEONINCE. 

§ Tarsus van achter reticulaat, d. w. z. met kleine schildjes als een 
netwerk bedekt. 

„Bovensnavel zonder tand. 

AQUILINCE. 

„Bovensnavel met een of twee duidelijke tanden. 

FALCONINOE. 



POLYBORUS. 369 

B. Buitenteeen naar achter of naar voren beweegbaar evenals bij Uilen. 

PANDIONES. 



Subfam. der POLYBORINCE. 

GIERACHTIGE VALKEN. 

„Wat lichaamsvorm aangaat, staan de Gierachtige Valk- 
achtigen of Karakara's zoowat tusschen Gieren en Hoenders 
in, vooral wat betreft het naakte vel aan keel en kopzijden. 
De teenen zijn meer tot vasthouden dan tot grijpen geschikt, 
maar de klauwen nogal ontwikkeld. Groote en kleine schildjes 
bedekken de van voren voor ongeveer een kwart der lengte 
bevederde tarsi ; een vlies verbindt de twee zijteenen aan den 
middenteen. 

Genera. 

A. Neusgaten lang ovaal ; vederkleed bij ad. dwars gestreept. 

.... POLYBORUS, VIEILL. 

B. Neusgaten roodachtig ; vederkleed bij ad. zonder dwarsstrepen 

„Vederkleed bij ad. met veel zwart. 

ICBYTER, VIEILL. 

„Vederkleed bij ad. met veel roomgeel, geelachtig wit en bruin. 

MILVAGO, SPIX. 



Species. 

POLYBORUS, VIEILL. 

P. cheriway, Jacq. = id., Cab. in Schovih. Reis. = P. 
brasiliensis, ScJilegal Mus. P. B. 

Ad. Bovenkop, onderrug, vleugels en buik zwarlbruin of zwart; keel geelachtig; 
achternek, bovenrug en borst met zwarte en geelachtige dwarsstrepen; basis van 

24 



■570 FALCONID^li. 

vleugels en staart wit, met talrijke zvvarthruine dwarsstrepen, overgaande in /.wart 
aan de uiteinden; snavel loodkleurig; pooten geel; naakt vel aan kopzijden helder 
geel; iris bruin. Jonff. Dof bruinachtig, de dwarsstrepen vervangen door lengte- 
strepen; staart als bij ad.; snavel loodkleurig, de tip witachtig; naakt vel aan 
kopzijden roseachtig wit. L. 52, vl. 36, st. 22, tars. 8, culm. 3. De wijfjes zijn 
grooter: vl. 42. Gcogr. dist. Van af Florida en Californië zuidwaarts tot de 
Guiana's, Ecuador, Trinidad en Cuba. Lok. dist. Vooral de lagere streken. 



„Audubon's Karakara's, eng. Audubon's Caracara's, fr. <,'ara- 
<;aras d'Audubon, hebben ovale, geen ronde neusgaten; de kop 
is groot, de snavel groot en dik, terwijl de tamelijk lange, 
eenigszins ronde staart van 13 of 14 dwarsstrepen voorzien 
is; de kopzijden zijn onbevederd en geel van kleur bij oude, 
maar roseachtig wit bij jonge individuen. Evenals bij de vol- 
gende soorten is de snavel duidelijk gehoekt, doch veel minder 
gekromd dan bij de overige Valkachtigen. 

A. K. leven bij paren of kleine 
troepen. Langs de. zeekust treft men 
ze minder talrijk aan dan in het 
binnenland, waar ze vooral open 
wouden bewonen, en dikwijls tot den 
grond afdalen ter vervolging van 
kruipende dieren, insecten enz. Toch 
versmaden A. K. ook geen aas en 
vereenigen zich dikwijls te zamen K.>p van Poiyimus riu;i-rny. 
met Gieren om krengen. Tevens 

zouden ze, teneinde gewonde vogels te bemachtigen, zelfs 
andere roofvogels aanvallen en deze noodzaken hun prooi los 
te laten. Soms maken A. K. het den Gieren zoo lastig, dat 
deze hun laatste maal weer uitbraken. 

„Hun snelle, krachtige, rechte vlucht gelijkt wel eenigszins 
op die van Gieren ; meermalen zweven ze ook hoog in de 
lucht in cirkels rond. Hun geluid khnkt eigenaardig ; en onder 
het voortbrengen er van wordt de snavel naar omhoog gericht. 

P. C. broedt gedurende den kleinen drogen tijd. Het uit 
takjes, twijgen enz. samengestelde nest wordt in boomen 
gebouwd. Het wnjfje legt in Z.-Amerika 2 of 3, in N.-Amerika 
3 of 4 eieren van een rondachtigen, kort ovalen vorm ; de 




POLYBÜRUS. 371 

grondkleur varieert van af roomkleurig tot roodachtig geel, 
maar is geheel bedekt en besmeerd met roodbruin, chocolade- 
bruin enz. M. Afin. 60 X 46 m.M. 

De exemplaren varieeren eenigszins en gelijken wel wat op 
eieren van Vischarenden, maar de bevlekking is min of meer 
gelijkmatiger. 

P. tharus, Mol. = P. brasilicnsis, Schlegal Mus. P. B. 

Ad. Bov.d. zwartachlig bruin ; slagp. v. d. 2Jen rang min of meer bruin met 
lichter gekleurde randen; kuif aan den bovenkop zwartachtig bruin; kopzijden en 
nek rondom geelachtig wit met min of meer duidelijke, zwarte dwarsstrepen ; 
geheele rug, stuit en dekv. bov. d. st. met smalle, witachtige dwarsstrepen ; staart 
geelachtig wit met een breeden, zwartachtig bruinen band aan den lip en min ol 
meer duidelijke, bruine dwarsstrepen aan het ondergedeelte v. d. staart, duidelijker 
aan de buitenste staartp. ; slagp. v. d. I^ten rang donkerbruin, die v. d. 2den rang 
lichter gekleurd; keel geelachtig wit; hals en borst wit, met duidelijke, zwart- 
achtige dwarsstrepen; overige ond.d. zwartachtig bruin, de vederen aan de onder- 
borst met smalle, witachtige zoomen; dekv. ond. d. vl. en dijen donkerbruin; 
dekv. ond. d. st. geelachtig wit met smalle, bruine dwarsstrepen; naakt kop- 
gedeelte geel; washuid en plek om de oogen karmozijnrood met een gele tint; 
snavel zwartachtig; pooten geel; iris bruin. Jong. Bovenkop donkerbruin, de vederen 
met enkele roodbruine tippen; kopzijden geelachtig met enkele zwarte borstels aan 
de lora, kaken en onder de oogen ; bov.d. bruin met geelachtig witte vlekken en 
strepen; twee derde gedeelte der slagp. v. d. isten rang wilachtig met min of meer 
vlekken; staart geelachtig wit met ongeveer 14 dwarsbanden ; ond.d. bruin met 
geelachtig witte lengtestrepen; dekv. ond.d. st. witachtig. yo;?,^ ?'« tfo«j. Witachtig. 
L. 66, vl. 45, st. 29, tars. 9.6, culm. 5.3. De wijfjes zijn grooter. Geogr. dist. 
Z. -Amerika tot het dalgebied der Amazone en de Guiana's. Lok. dist. Woudrijke 
streken, uitgezonderd de kustzoom. 

„De Braziliaansche of Groote Karakara, eng. Brazilian 
Caracara, fr. Qaragara de Brésil, gelijkt wel wat op de voor- 
gaande soort, maar is grooter en tevens iets zeldzamer. Beider 
levenswijze komt echter geheel overeen, evenals de broedtijd, 
nestelplaatsen en nesten; alleen de eieren zijn wat grooter. 
M. A/m. 61 X 4S m.M. 



-, - , FALCONIDiE. 

ICBYTER, VIBILL 

I. ater, Vieill. = id., Schlcgal, Mus. P. B. = Daptius atcr, 
Cab. i?t ScJioinb. Reis. 

Ad. Geheel zwart met een groenachti<;en ijlans en een witten band aan de 
staartbasis; naakte kopzijden en kin lielder oranjerood; pooten geel; iris bruin. 
Jong. Doffer van tint, het wit neemt ongeveer twee derden v. d. staart in beslag 
en wordt afgebroken door zes min of meer duidelijke, zwarte banden ; naakt vel 
aan de kopzijden vleescbkleurig, maar citroengeel aan de kin. L. 40, vl. 27.5. De 
wijfjes zijn grooter. Geogr. dist. Brazilië, het dalgebied der Amazone tot de 
Guiana's en Ecuador. Lok. dist. Woudrijke streken. 

Geelpoot Karakara's of Zwarte Karakara's, eng. Black 
Caracaras. fr. (^aragaras noirs, worden gekenmerkt door ronde 
neusgaten; de zijden van den kop zijn naakt, oranjegeel tot 
aan den omtrek der ooren en aan de kin, terwijl de pooten 
eene gele kleur bezitten. 

In de kolonie staan G. K. bekend als Geelfoetoe Boesiekaka 
(Geelpoot Boschhanen), bij de Arowakken als Bultata, bij de 
Caraïben als Wataloe of Plaka en bij de Warrau's als Outuanaitye. 

G. K. bewonen bij voorkeur begroeide savannes en oevers 
der rivieren of kreken; op zandbanken ziet men ze dikwijls, 
bijna uitsluitend bij paren, slechts zelden in troepjes; ook op 
den grond worden G. K. meermalen aangetroffen. Hun geluid 
klinkt evenals dat der volgende soort, maar veel minder luid. 
Evenzoo is hun voedsel grootendeels van plantaardigen aard ; 
vooral aan de zaden der laurierachtige vogelranken LorantJius 
sp. en Clusia sp. schijnen ze de voorkeur te geven. Toch vindt 
men in hunne magen dikwijls Koeparies, d. z. zekere soort 
parasitische insecten, die aan de vacht van dieren voorkomen ; 
evenzoo de haren der verschillende dieren waarvan de koepa- 
ries afgepikt werden. Evenals Anis dalen G. K, dikwijls op 
de ruggen van grazend vee. Volgens Schomburgck behooren 
ze tot de roofvogels, die te midden van het vuur der brandende 
savannes opgejaagde reptielen enz. bemachtigen. 

I. A. broedt gedurende de beginhelft van het jaar. Het uit 
takjes, twijgen enz. vervaardigd nest wordt in boomen gebouwd. 
Het wijfje legt 2 of 3 kort ovale, ten naastenbij glanslooze 



ICBYTER. 373 

eieren van een lichte roomkleur, maar bijna geheel overdekt 
met chocoladebruine en roodbruine, vooral aan het stompe 
end der schaal ineenvloeiende, groote en kleine vlekken. 
M. A/i/i. 50 X 39 m.M. 

I. americanus, Bodd. = id., Schlegal, Mus. P. B. = LAigle 
d' Anicriqiie, Buf. = I. acquiliniis, Cab. in ScJwtnb. Reis. 

Ad. Buik, dijen en kleinere dekv. ond. d. st. wit; overig vederkleed zwart 
met een groenachtigen en grijsachtigen glans ; washuid, basis v. d. ondersnavel enz. 
hemelsblauw ; onderste ooglid geelachtig met een rooden rand ; naakt vel aan kop- 
zijden en keel vermiljoenrood ; snavel geel; pooten rood; iris karmozijnrood, yi?;/^. 
Doffer van tint; naakt keelvel oranjegeel van tint. L. 50, vl. 30, st.- 20, tars. 4.5, 
culm. 4. De wijfjes zijn grooler: vl. 36. Geogr. dist. Brazilië en het dalgebied 
der Amazone tot Ecuador, Columbia, de Guiana's, Centr. Amerika tot Honduras 
en Guatemala. Lok. dist. Vooral de lagere streken. 

Bij de Groote Zwarte Karakara's of Roodpoot Karakara's, 
eng. Large Black Caracara's, fr. Qaragaras noirs a pieds rouges, 
zijn de kopzijden en keel naakt en rood van kleur, maar 
kunnen naar willekeur van den vogel, in oranjerood of zelfs 
geel veranderen ; in gramschap gaat de kleur over in bloed- 
rood. De snavel is min of meer ver- 
lengd en de washuid aan den boven- 
snavel tamelijk klein. 

In de kolonie staan G. Z. K. be- 
kend als Boesiekaka, d. w. z. Bosch- 
hanen, bij de Arowakken als Bultata, 
bij de Caraïben als Pielietotoko of 
Plaka en bij deWarrau's alsYacka talia. Kop van h-byter americatius. 

Over het algemeen leven G. Z, K. 
na het broedseizoen in troepen, houden zich bij voorkeur op 
in de hoogste boomen en dalen zelden of nooit tot den grond 
af. Onder een aanhoudend schel „ka-kla-ka-kla-ka-kla" trekken 
alle van tak tot tak ; vooral als men ze stoort wordt het 
geluid oorverdoovend. G. Z. K. zijn tevens zeer kwaadaardig 
en vliegen, zich gewond voelende, hun aanvaller met luid 
geschreeuw in het gezicht. In de kolonie worden ze beschouwd als 
hoenders, gelijk ook de lokale benaming „boschhaan" aanduidt. 




^■j^ FALCONIDyE. 

En wel beschouwd is dit volstrekt niet zoo dom geredeneerd, 
want de Karakara's, vooral de G. Z. K., gelijken, wat lichaams- 
vorm, kleur der pooten en der naakte roode keelhuid betreft, 
veel op Marais. Beide vogels woorden ook op dezelfde plaatsen 
geschoten en het geluid van sommige Marais klinkt eveneens 
als een luid „kakakaka". Geen wonder dan ook dat men hier 
geen onderscheid maakt tusschen het vleesch van Karakara's 
en dat van Hokkohoenders. Alleen een wetenschappelijk per- 
soon kan een tegenzin gevoelen het vleesch te eten van een 
vogel, zoo nauw verwant aan de Gieren, en die hen in snavel 
en kleur zoo gelijkt, hoewel niet in levenswijze, want het 
voedsel van G. Z. K. is van bijna uitstuitend plantaardigen 
aard en het percentage dierlijk voedsel zeer gering. 

I. A. broedt op dezelfde plaatsen en terzelfder tijd als de 
voorgaande specie; ook de 2 of 3 eieren komen overeen, 
maar zijn wat grooter. 3:/. Afm. 56 X 43 ni.M. 



MILVAGO, SPIX. 

M. chimachima, Vieill. = id., Cah. in Schomb. Reis. = 
Polyborus c, Sclilcgal, Mus. P. B. = Icbyter c. 

Ad. Kop, nek en ond.d. licht roomkleurig of geelachtig wit ; overige bov.d. 
bruin, de vederen met aschgrijze zoomen; staart wit, de basis met bruine banden, 
gevolgd door een breeder bruinen band en geelachtig witte uiteinden; basis der 
vleugelvederen wit; naakt vel bij de oogen witachtig rosé of lichtgeel; snavel licht 
blauwachtig, washuid oranjegeel; pooten geelachtig; iris bruin. yb«_^. Roodachtig 
bruin, de vederen der bov.d. met geelachtige vlekken, strepen enz. ; ond.d. geel- 
achtig wit of okerkleurig met bruine lengtestrepen en vlekken; snavel geelachtig; 
naakt vel bij de oogen roseachtig; pooten grijsachtig wit. L. 45, vl. 27, st. 18, 
tars 5, culm. 3.4. Geogr. dist. Geheel Brazilië, het dalgebied der Amazone, de 
Guiana's en Columbia tot Panama. Lok. dist. Vooral de lagere streken. 

„De Witkop Karakara of Chimachima, eng. White headed 
Caracara, fr. (^ara^ara a tête blanche, bezit ronde neusgaten, 
evenals de twee voorgaande soorten ; de kopzijden zijn gedeel- 
telijk naakt, maar de keel en kin bevederd; de snavel gelijkt 
dien der andere Karakara's en komt dan ook overeen met dien 



MILVAGO. 



375 



der Gieren ; evenzoo de lichaamsvorm, en dit is dan ook de 
reden waarom men W. K. in de kolonie kent als Tiengieforoe- 
akka. d. w. z. Stinkvogel-roofvogel; de Indianen noemen ze 
Wokiera, de Caraïben ook wel Arvatalu of Tapivogel. 

„W. K. leven evenzeer bij paren als vluchten, hoewel de 
individuen van een troep nimmer dicht bij elkander zitten. 
Vooral op half opengekapte terreinen of oevers van kreken 
en rivieren treft men ze talrijk aan, zoowel in boomen als op 
den grond. Loopen kunnen W. K. uitstekend, maar hun vlucht 
is niet zoo krachtig als die der andere Valken; onder het 
vliegen kan men duidelijk de witte basis van vleugels en staart 
zien. Hun voedsel bestaat uit insecten, kruipende dieren en in 
uitersten nood ook aas. Slangen weten ze heel behendig in 
het struikgewas achterna te loopen, met de klauwen aan te 
pakken en met den snavel te verscheuren. Op plaatsen waar 
vee gefokt wordt, dalen W. K. op de ruggen der grazende 
beesten, teneinde daar koeparies af te pikken. Hun geluid 

khnkt als een demonisch 
lachend „krie-o, krie-o"; 
daarbij wordt de kop min 
of meer naar achter ge- 
bracht en de snavel naar 
boven gericht. Vooral als 
W. K. met bek en pooten 
een e prooi verscheuren 
heffen ze van tijd tot tijd 
den kop omhoog en lachen. 
Opgeschrikt, klinkt hun 
gehis als dat eener nijdige 
kat ; alvorens op te vhegen 
loopen ze snel weg met 
den eigenaardigen gang, 
eigen aan Gieren. Maar 
hoewel aan deze vogels verwant, schijnen W. K. wat intellect 
betreft zeer hoog te staan. Dit kon ik wel merken aan een 
gevangen exemplaar. 

„Ik had nl. een individu met een touw aan den poot 




M Uva go c/l int ach im a . 



376 FALCONID^. 

gebonden en onder een mand geplaatst om na een kwartier 
tot de ontdekking te komen dat het touw los was, hoewel 
niet stukgebeten. Denkende dat de schuld aan den knoop lag, 
maakte ik een tweede, hetgeen even vruchteloos bleek als 
een derde en dubbele. Met zijn snavelpunt pikte de vogel in 
den knoop tot hij het losse gedeelte beet had, waaraan hij 
dan trok en zich zoo bevrijdde. Inderdaad was ik niet in staat 
hem vast te binden, anders dan met een ver ingewikkelden 
knoop. Geen anderen vogel die het kunstje kon nadoen, heb 
ik ooit aangetroffen. 

M. C. broedt gedurende den grooten regentijd. Het uit takjes, 
twijgen enz. vervaardigde nest wordt in boomen gebouwd. 
Het wijfje legt 2 of 3 eieren die in kleur en vorm geheel 
overeenkomen met die der voorgaande soort; alleen de afmeting 
bedraagt minder: 43 X 36 m.M. 



Subfam. der ACCIPITRINCE. 

LANGPOOTIGE VALKACHTIGEN. 

De leden van deze onderfamilie hebben naar verhouding 
langer pooten dan de overige Valkachtigen. De tibia is nl. 
van ongeveer dezelfde lengte als de tarsus. 

Gc7iera. 

A. Een kraag of ruf van vederljes om het aangezicht, evenals bij Uilen. 

„Ruf duidelijk : neusgaten ovaal. 

CIRCUS, LACÉP. 

„Ruf minder duidelijk; neusgaten rond. 

MICRASÏUR, GRAY. 

B. Geen kraag of ruf van vedertjes om het aangezicht. 

a. Pooten zeer lang; vederen aan de tibia zeer kort; binnenteen kort. 

. . . GERANOSPIZIAS, SUNDEV. 



CIRCUS. 37 7 

b. Pooten minder lang, vederen aan de tibia minder kort; binnenteen 
minder kort. 

* Lora onbevederd. 

„Middenteen korter dan het onbevederd gedeelte v. d. tarsus 
van voren. 

PARABUTEO, RIDGW. 

* Lora bevederd. 

„Onbevederd gedeelte v. d. tarsus van voren korter dan de 
middenteen ; vleugel meer dan 30 centimeter. 

ASTUR LACÉP. 

„Onbevederd gedeelte v. d. tarsus van voren langer dan de 
middenteen ; vleugel minder dan 30 centimeter. 

ACCIPITER, BRISS. 



Species. 

CIRCUS, LACÉP. 

C. maculosus, Vieill. = C. wacropferus, Schlcgal, Mus. 
P. B. 

Ad. Bov.d. zwart met een leiblauwen of grijzen glans en een smalle, witte wenk- 
brauwlijn; voorgedeelte der kaken wit; overige kopzijden zwart met enkele witte 
vlekken om de oogen; grootere vl.dekv., dekv. der eerste slagp. en slagp. blauw- 
achtig grijs met zwartachtig bruine dwarsstrepen ; tippen der slagp. v. d. isten ^ing 
sepiabruin met donkerbruine banden, binnenste slagp. zwartachtig; onderzijde v. d. 
vleugel aschgrijs. binnenvlag der slagp. v. d. isten rang roodbruin getint nabij de 
basis; onderrug en stuit zwartachtig; dekv. bov. d. st. wit met min of meer 
onduidelijke, roodbruine dwarsstrepen; staart aschgrijs met witachtige tippen en zes 
zwarte banden ; binnenvlag der staartp. wit en de banden aan de buitenste rectrices 
roodbruin getint; kin w i tachtig ; keel en hals zwart, de kraag om het aangezicht 
met wit gevlekt; ond.d. wit, de borst met enkele smalle, zwarte strepen of vlekken; 
flanken en okselvederen met roodbruine dwarsstrepen ; dekv. ond. d. staart met 
enkele roodbruine dwarsstrepen ; dekv. ond. d. vl. wit met enkele zwarte dwars- 
strepen; washuid blauwachtig; pooten geel; iris geel. Jong. Bov.d. bruin, de 
vederen met geelachtig bruine tippen, donkerder en duidelijker aan den bovenkop ; 
achterkop geelachtig gevlekt; voorkop, voorgedeelte der kaken en keelwitachtig; 
oorvederen donkerbruin ; aangezichtskraag geelachtig met enkele donkerbruine strepen ; 



378 



FALCONID/Ti. 



dckv. der eerste slagp. bruin, evenals de overige vl.dekv. en evenzoo met taan- 
kleurige tippen ; slagp. ascligrijs met zwarlachtig bruine dwarsbanden en donker- 
bruine tippen, die van geelachtige zoomen voorzien zijn ; binnenste slagp. als de 
rug; dekv. bov. d. st. wit met bruine of zwartbruine dwarsstrepen ; staart aschgrijs 
met vier zwarte banden; ond.d. donkerbruin, de zoomen der vederen geelachtig en 
er uitziende als strepen; dijen en dekv. ond. d. st. donker kastanjebruin, laatst- 
genoemde met geelachtige vlekken. L. 51, vl. 44, st. 26, tars. 8.1, culm. 3.7. De 
wijfjes zijn grooter. Geogr. dist. Oostelijk Z.-Amerika van af Venezuela, Trinidad 
en de Guiana's tot Patagonië. Lok. dist. Vooral de lagere streken. 

„De Uilvalk of Langpoot Kiekcndief, eng. Long-legged 

Harrier, fr. Milan a pieds longues, onderscheidt zich door lange 

pooten, langen staart, ovale neusgaten en uilachtig voorkomen. 

U. behooren tot onze gewoonste kustvogels, staan in de 

kolonie bekend als Oroekoekoeakka, d. w. z. 

Uilroofvogels en bij de Arowakken ook wel 

als Hoelie balielie, d. w. z. Baas der slangen. 

Men ziet ze gewoonlijk eenzaam of bij paren, 

zeldzamer in troepjes van 5 of 6 individuen. 

Dit vooral als de zwampachtige savannes 

overstroomd zijn en de slangen, hagedissen, 

padden enz. naar de droge plaatsen gedreven 

worden. 

U. bemachtigen hunne prooi vooral tus- 
schen het struikgewas; daarna vliegen ze de 
Poot van lucht in, waar het slachtoffer aan stukken 

Circus niacnlosiis. 

wordt gereten, half opgegeten en het over- 
blijvende aan een boomtak opgehangen. Soms vangen U. ook 
visch, door evenals Vischarenden, van uit de lucht in het water 
neer te schieten. Hun snelle, krachtige en sierlijke vlucht 
geschiedt met uitgespreiden staart, waardoor de grijze en 
zwarte banden duidelijk uitkomen ; soms zweven ze voor ge- 
ruimen tijd boven hunne jachtterreinen rond. Op een tak 
nederdalende, hebben U., alvorens hun evenwicht te krijgen, 
eenige seconden noodig ; en dit denkelijk door de lange pooten. 
C. M. broedt gedurende den kleinen drogen tijd. Het nest 
van takjes, twijgen en bladeren wordt in boomen gebouwd. 
Het wijfje legt i of 2 kort ovale, rondachtige, ten naastenbij 
glanslooze, witte eieren. M. Afm. 48 X 37 m.M. 




MICRASTUR 379 

MICRASTUR, GRAY. 

M. gilvicollis, Vieill. 

^ Bov.d. aschachtig bruin, helderder aan den kop en de zijden ervan ; sla^^p. 
als de rug, de buitenvlag een weinig bruiner en met witte dwarsstrepen aan de 
binnenvlag; staart zwartachtig met smalle, witte tippen en vier witte banden; 
ond.d. wit, de borst met kleine, golvende, zwartachtige dwarslijnen ; zijden der 
bovenborst aschgrijs getint, de dwarsstrepen in aantal verminderende aan d. abdomen, 
de dijen, dekv. ond. d. vl. en ond. d. st. Q Bov.d. zwartachtig met een lichte, 
bruine tint; basis der dekv. bov. d. st. met enkele witte vlekken; vederen aan 
voorkop en kaken witachtig, de achterrand der oorvederen zwartachtig, daarachter 
een onvolkomen aangezichtskraag, waarvan de basis der vederen wit is; slagp. iets 
bruiner dan de rug en met witte dwarsstrepen aan de binnenvlag ; staart zwart met 
witte tippen en vier onregelmatige witte dwarsbanden; ond.d. wit, en uitgezonderd 
de keel, met talrijke golvende, zwartachtig bruine lijnen, in aantal verminderende 
aan den abdomen en dekv. ond. d. st. ; boyenborst licht geelachtig getint. L. 43, 
vl. 16.6, st. 16.5, tars. 3.1, culm. 2.4. De wijfjes zijn grooler. Geogr. dist. Het 
dalgebied der Amazone, de Guiana's, Columbia en Peru. Lok. dist. Vooral de 
lagere streken. 

Zwartgevlekte Uil valken of Kiekendieven, eng. Black spotted 
Harriers, fr. Milans tachetés, gelijken, evenals de volgende 
twee soorten, wel wat op eigenlijke Musschen valken, maar 
hebben naar verhouding krachtiger, grooter snavels, een dikker 
lichaam alsmede dikkere pooten. Het achtergedeelte dertarsis 
bedekt met kleine schilden, terwijl een onduidelijke kraag van 
kleine vederen om het aangezicht deze vogels wel wat op Uilen 
doet gelijken, maar niet in zulke mate als bij het voorgaande 
geslacht; de neusgaten zijn rond van vorm. 

Z. U. heeten in de kolonie Wit-bere Akka, d. w. z. Roofvogel 
met witten buik en bij de Caraïben Towma, evenals vele andere 
valken met witte onderdeden. 

In kleur komen Z. U. veel overeen met den kleinen Accipiter 
tintcs. Hun voedsel bestaat uit vogels, w.o. nogal groote, als- 
mede kruipende dieren en insecten. Hun vlucht is niet heel 
krachtig. Over hun voortteling is mij niets bekend; volgens 
onze Indianen zouden Z. U. in hooge boomen nestelen, 

M. mirandollei, Schl. = Astitr w,, Schkgal, Mus. P. B. 

Ad. Bov.d. helder leikleurig, kop donkerder, basis van het voorgedeelte der 
oorvederen witachtig; slagp. bruin, van boven met grijsbniine en van onder met 



380 FALCONID^. 

grijsachtig witte dwarsstrepen ; staart zwart met aschgrijze tippen en grijsbruine 
banden van boven, maar witachtig van onder en met een onduidelijke witte lijn, 
die ook van boven te zien is ; ond.d. zijdeachtig wit met een bijna onmerkbaar 
grijze tint aan de keel en enkele grijsachtige dwarsstrepen aan de borstzijden, 
alsmede enkele zwarte schaclitlijnen aan de flaukvedereu ; dekv. ond. d. vl. 
wit, de onderste evenals de basis der slagp. met breede, zwarte dwarsstrepen ; 
snavel zwartaclitig, basis geelachtig; pooten geelachtig. L. 43, vl. 24, st. 20, 
tars. ;, culm. 3. De wijfjes zijn grooter. Geogr. dist. Het dalgebied der Amazone 
en de Guiana's. Lok. dist. Vooral de lagere streken. 

„Mirandolle's Uil valken of Kiekendieven, eng. Mirandolle's 
Harriers, fr. IMilans de MirandoUe, hebben krachtige snavels, 
alsmede dikke pooten en teenen. Hun kleur komt overeen met 
die der Roodpoot-musschenvalken, uitgezonderd dat de rood- 
bruine dijvederen ontbreken. 

In de kolonie staan M. U. onder dezelfde benamingen bekend 
als de voorgaande soort, maar schijnen evenwel iets gewoner, 
hoewel beider levenswijze geheel overeenkomt. Ook over hun 
voortteling is mij niets anders bekend dan dat ze in boomen 
zouden nestelen. 

M. melanoleucus, Vieill. = Nisiis brachyptcrtis, Schlegal, 
AIiis. P. B. = AI. scniitorqiiatus. 

Ad. Kop en bov.d. zwartachtig evenals een lijn achter de ooren ; kopzijden, 
een band om den achternek en ond.d. bruinachtig okerkleurig ; achternek met 
enkele zwartachtige strepen en vlekken; slagp. als de rug; die v. d. isten rang 
iets bruiner aan de buitenzijde en alle met witte dwarsvlekken aan de binnenvlag ; 
dekv. bov. d. st. zwartachtig met witte dwarsstrepen en tippen ; staartp. zwart- 
achtig met witte tippen en drie witte banden. Zeer oude vogels zijn bijna geheel 
wit aan de ond.d. en hebben dan ook een witten nekband. Jong. Bov.d. licht 
cliocoladebruin, basis der oorvederen licht geelachtig; rug en vl.dekv. met geel- 
achtig bruine dwarsstrepen en tippen ; nekband geelachtig roodbruin met donker- 
bruine vlekken ; slagp. bruin als de rug en eveneens met roodbniine dwarsstrepen ; 
dekv. bov. d. st. bruin met bruinachtig witte dwarsstrepen; staartp. bruin met 
smalle witte tippen en zes witte, roodachtig bruin getinte banden ; ond.d. wit, de 
keel ongevlekt, maar de borst met talrijke bruine dwarsstrepen en roodbruin getint; 
flanken, dijen en dekv. ond. d. st. donkerder; dekv. ond. vl. wit met donker- 
bruine dwarsstrepen en vlekken. L. 51, vl. 26.5, st. 26, tars. 8,2, culm. 3.6. De 
wijfjes zijn grooter. Geogr. dist. Centr. en Z. -Amerika. Lok. dist. Woudrijke 
streken. 




MICRASTUR. 381 

„De Langstaart Uilvalk, eng. Longtailed Harrier, fr. Milan 
a queue longue, onderscheidt zich door een langen, ronden 
staart, alsmede opmerkelijk korte vleugels. 

In de kolome kent men L. U. als Langa-tere Akka, d. w. z. 
Roofvogel met langen staart en bij de Arowakken als Kanoeba- 
balielie, d. w. z. Baas der Kanoeba's of Wakago's, Ortali 
inotmot. Deze vogels zijn grooter dan hun aanvaller, die even- 
wel met bewonderenswaardige vermetelheid op zijne prooi 

nederdaalt. Er volgt een kort gevecht, 
: waarbij beide tegenstanders van den 

boom afrollen; zelden gelukt het den 
aangevallene te ontsnappen. 

Bij den aanval op Dolokola's. Odon- 

topJwrus gniajiensis, gaat de L. U. 

anders te werk; hij vervolgt dan zijne 

prooi door het dichte struikgewas. 

M.-rrasflrVeZoU-.cus. Daarbij is zijn kngc, slanke vorm van 

veel nut, daar hij hierdoor in staat 

wordt gesteld door even kleine openingen te kruipen als zijne 

prooi. Ook zijn lange, los aan den wortel bevestigde staart 

hindert hem niet. 

De vlucht van L. U. is volstrekt niet krachtig; een paar 
flappende vleugelslagen worden gevolgd door een kort eind 
vooruitzeilen, maar zelden of nooit voor een grooten afstand; 
gewoonlijk zitten L. U. dan ook op droge takken in lage boomen. 
Over hun voortteling is mij niets bekend. Volgens onze 
Indianen zouden ze gedurende het kleine droge seizoen in 
boomen nestelen en daar een groot, van takjes, twijgen enz. 
samengesteld nest bouwen. 

M. ruficollis, Vieill. = Nisus xanihothorax, Schlcgal Mus. 
P. B. 

Ad. Bov.d., kop en keel roodbruin; ond.d. witachtig, min of meer roodbruin aan 
de borst en met donkerbruine dwarsstrepen ; staart met vijf witte banden, die er 
dikwijls als vlekken uitzien. Jong. Bov.d. donkerbruin met een witten halsband, 
die zich tot de ooren uitstrekt; ond.d. min of meer roodbruin getint en met 
eenigszins breeder dwarsstrepen als ad. L. 33, vl. 15, st. 15.5, tars. 5-1. De 



382 



FALCONID^. 



wijfjes zijn grooter. (jcogr. Ji.\/. Braziliü, liet dalgebied der Amazone, de Guiana's 
en Venezuela. Lok. J/'sf. Woudrijke streken. 

De Bruinnek Uih alk, eng. Brownnecked Harrier, fr. Milan 
a nuque roux, behoort niet tot onze gewoonste roofvogels. In 
levenswijze verschilt hij echter niet van de voorgaande soorten. 
Over de voortteling is mij niets bekend. 



GBRANOSPIZIAS, SUNDEV. 

G. coerulescens, Vieill. = hchnoscelis gracilis, Cab. in 
Schomb. Reis. = Xisus hemidaeiylus, Schlegal, Mus. P. B. 

1^ Bov.d. Iciblauw met enkele witte vlekken aan den achterkop ; buitenvlag der 
dekv. bov. d. st. eveneens inet witte vlekken; kopzijden, nek en ond.d. blauwgrijs 
als de rug, en met enkele witachtige dwarsstrepen boven aan de dijen en onderste 
dekv. end. d. st., de basis der overige overgaande in okergeel met onduidelijke, 
zwartachtige banden nabij de uiteinden; dekv. ond. d. vl. leiblauw, met onregel- 
matige, witte dwarsstrepen ; slagp. zwart, maar die v. d. 2den rang leiblauw als 
de rug; eerste vijf slagp. v. d. isten rang met een groote witte vlek aan de binnen- 
vlag; staart okerklcurig met twee zwarte banden en grijsachtige vlekken aan de 
buitenvlag der vederen; bij de middelste staartp. zijn de tusschenruimten wit met 
grijs gevlekt; snavel zwart met loodblauw ; pooten rood; iris rood. O Ongeveer 
hetzelfde, maar de ond.d. met witachtige dwarsstrepen: kopzijden en keel witachtig 
met leiblauwe strepen; staart okerkleurig met drie zwarte banden ; middelste staart p. 
als bij het mannetje. Jong. Bov.d. licht blauwachtig aschgrijs met onduidelijke 
witte dwarsstrepen aan bovenkop, kopzijden en onderrug; bovenvlakte der vleugels 
met talrijke witte dwarsstrepen en streepjes; slagp. v. d. aden rang met breede 
witte tippen; slagp. zw^art, met aschgrijze dwarsstrepen en enkele witte vlekken 
aan de binnenvlag ; onderzijde der slagp. zwart, die v. d. i^ten rang dwars gestreept, 
die V. d. 2^'en rang gevlekt met wit aan de binnenvlag; staart bruinachtig oker- 
kleurig met grijsachtig witte lippen en twee zwarte banden; keel witachtig met 
grijze vlekken; overige ond.d. aschgrijs met smalle en breede dwarsstrepen. L. 42, 
vl. 24.5, st, 20.1, tars. 7.1, culm. 2. De wijfjes zijn opmerkelijk grooter: vl. 32. 
Geogr. dist. Brazilië, Bolivia, Ecuador tot Panama. Vooral de lagere streken. 

„Blauwe Haviken, eng. Blue Sparrow-hawks, fr. Autours 
bleuatres, hebben zeer lange pooten, die er nog langer uitzien 
door de korte vederen aan het ondergedeelte der dijen ; de 
teenen zijn kort, vooral de buitenteen, waaraan tevens een 
kleine, korte klauw. 




GERANOSPIZIAS. 383 

B. H. Staan in de kolonie bekend als Langa-foetoe-Akka, 
d. w. z. Langpoot-roofvogel, en bij de Arowakken als Hiahia- 

balielie, d. w. z. Baas 
der Zonpapegaaien, 
DeropteriLS accipi- 
trinus. Ze behooren 
tevens tot de groot- 
ste vernielers van 
slangen. 

Vooral op zwamp- 
achtige plaatsen 

Kop van Gera.,ospi^ia. coerulescens. treftmenB. H.meer- 

malen aan, snel, 
maar zelden voor langen tijd, over de wouden heenvliegende. 
Bij het nederdalen op een tak balanceeren ze eenige seconden 
alvorens hun evenwicht te krijgen. Hun voedsel bestaat behalve 
uit vogels, vooral uit slangen. Over hun voorttehng is mij 
niets bekend, 

G. gracilis, Temm. 

Ad. Bov.d. en ond.d. helder leiblauw, lichter van tint bij jonge individuen, die 
tevens witte dwarsstrepen aan de ond.d. hebben, uitgezonderd de dijen en dekv. 
end. d. st. ; slagp. zwart met groote, witte vlekken; staartbasis zwart, de tippen 
der vederen echter wit en met twee smalle, witte banden. VI. 16—20. Geogr. dist. 
Brazilië, de Guiana's en Paraguay. Lok. dist. Vooral de lagere streken. 

„In den Catalogus der vogels in het Br, Mus. wordt de 
Sierlijke Musschenvalk niet als een afzonderlijke soort aan- 
gegeven, maar in de Hand, hst staat zij als zoodanig opgeteekend. 

Levenswijze enz. als de voorgaande soort. 



PARABUTEO, RIDGW. 

P. unicinctus, Temm. = Asturina u., Schlegal, Mus. P. B. 

Ad. Over het algemeen donker chocoladebruin of zwartachtig, min of meer 
gevlekt en gestreept met een witachtige of okerkleurige tint, vooral aan de ond.d. ; 



3^4 



FALCONID^. 



kleinere vl.dekv. en tibi;v donker roodbruin, laatstgenoemde met okerkleurige 
dwarsstrepen ; dekv. bov. d. st. M"it; rectrices zwart met witte basis en tippen; 
snavel zwart; pooten en washuid geel; iris bruin. yow^. Bov.d. zwartachtig bruin, 
de randen der vederen roestbruin; kop en nek met okerkleurige lengtestrepen; 
ond.d. licht okerkleiirig of geelachtig wit, borst en buik met langwerpig ovale, 
zwartachtige vlekken; dwarsbanden aan de tibia; donker roestbruin; dekv. ond.d. 
st. met zwarte schachtlijnen ; kleinere vl.dekv. min of meer roodbruin getint; staart 
grijsachtig bruin, de tip witachtig, en met ongeveer 19 smalle, zwartachtige banden. 
L. 46, vl. 29, st. 22.5. tars. 7, culm. 2.1. De wijfjes zijn grooter : vl. 36.5. 
Geogr. dist. Z. -Amerika. Lok. dist. Vooral de lagere streken. 

„Bij den Eenband- Valk, eng. One-banded Hawk, is de hoogte 
van den snavel minder dan de lengte ervan ; de lora zijn ten 
naastenbij onbevederd, terwijl het naakt gedeelte voor aan den 
tarsus veel langer is dan de middenteen. 

Over het algemeen behooren E. V. tot onze zeldzame soorten, 
die men meestal op eenstaande hooge boomen aan de randen 
van open savannes en zwampen aantreft, Hun voedsel bestaat 
uit vogeltjes, kleine zoogdieren, reptielen en insecten ; ook 
zouden E. V. meermalen te zamen met Gieren en Karakara's 
op krengen azen. Hun vlucht is licht en sierlijk. Hun geluid 
klinkt als een fluitend „kwa-rie-rie-rie". 

P. U. broedt gedurende de middenmaanden van het jaar. 
Het nest van takjes, twijgen, bladeren enz. wordt in hooge 
boomen gebouwd. Het wijfje legt i of 2 ovale of breed ovale, 
ten naastenbij glanslooze witte, zelden met eenig roodbruin 
en purpergrijs gevlekte eieren. J/. Afm. 53 X 4° niM. 



ASTUR, LACBP. 

A. pectoralis, Bp. = id., Schlegal Mus. P. B. 

9 (nog onvolkomen vederkleed.) Bov.d. bruin, de vederen aan middenrug, 
schouders en slagp. v. d. sden rang met lichter gekleurde tippen ; het grootste 
gedeelte der vl.dekv., vederen tusschen de schouders, onderrug, stuit en dekv. bov. 
d. st. zwart met witte tippen; kuif zuiver zwart; oorvederen en nekzijden helder 
roodbruin, een breeden band om den nek vormende ; vederen onder de oogen zwart ; 
keel wit, een streep in het midden en enkele vederen aan het ondergedeelte ervan 
zwart; hals en borstzijden roodbruin evenals de achternek, het midden ervan 



ACCIPITER. 385 

gevarieerd met zwart en wit; overige ond.d. wit met breede, duidelijke gitzwarte 
dwarsstrepen aan flanken en dij vederen, maar kleiner en minder duidelijk aan den 
buik; dekv. ond. d. vl. en okselvederen wit, evenals de borst en evenzoo dwars 
gestreept met zwart ; slagp. bruin, van boven met donkerder dwarsstrepen, de 
onderzijde grijsachtig wit met enkele grijsachtig zwarte dwarsstrepen ; staart grijs- 
bruin met vier breede, zwarte dwarsbanden, even duidelijk aan de boven- als 
onderzijde, die tevens eene grijsachtige witte kleur bezit; snavel zwartachtig, basis 
geelachtig; pooten geel. L. 48, vl. 28, st. 21.5, tars. 6, culm. 3.2. Geogr. dist. 
Brazilië en de Guiana's. Lok. dist. Denkelijk de lagere streken. 

Bruinhals-Haviken, eng. Brownnecked Goshawks, fr. Autours 
a collier brun, hebben zeer krachtige snavels, dikke tarsi en 
scherpe klauwen, maar de teenen zijn naar verhouding kleiner 
dan bij andere roofvogels. 

Levenswijze enz. zijn mij geheel onbekend. 

A. jardini, Gurney. 

„Ook van Jardin's Havik, eng. Jardin's Goshawk, weet ik 
niets anders dan dat hij voorkomt in de binnenlanden van 
Eng. Guiana. 



ACCIPITER, BRISS. 
A. tinus, Lath. = A^. Hnus, Schlegal Mits. P. B. 

Ad. Bov.d. leigrijs, bovenkop donkerder; kopzijden en nek lichter grijs; keel 
zuiver wit; overige ond.d. wit met smalle, grijsachiig bruine dwarsstrepen; dekv. 
ond. d. st. en ond. d. vl. wit, bijna zonder dwarsstrepen; vl.dekv. en slagp. een 
weinig bruiner dan de rug ; slagp. v. d. 2<len rang met bedekte witte vlekken, die 
V. d. isten rang met donkerbruine dwarsvlekken, duidelijker aan de onderzijde, 
waar de basis v. d. binnenvlag der slagp. eene witte kleur heeft; staart grijsbruin, 
de tippen lichter gekleurd en met vier donkerbruine dwarsbanden, duidelijker aan 
de onderzijde, waar de tusschenruimten witachtig roomgeel van kleur zijn. Jong. 
Bov.d. licht roodbruin, kop zwartachtig, wenkbrauwlij nen licht roodbruin; rug, 
schouder- en vl.dekv. met enkele zwarte vlekken; kopzijden en keel licht rood- 
bruin, maar de keel witachtig van tint; ond.d. geelachtig kaneelbruin met onduidelijke 
bruine dwarsstrepen; dijvederen en dekv. ond. d. st. donkerder van tint en bijna 
zonder strepen; vleugels als de rug; slagp. v. d. isten rang grijsachtig bruin aan 
de buitenvlag en tippen en met dwarsvlekken aan de binnenvlag ; staart kaneelbruin 

25 



386 



FALCONID^. 



met zes zwarte dwarsbanden, waarvan twee ond. de dekv. bov. d. st. I>. 22, 

vl. 13.5, st. 9.8, tars. 4, culm. 1.7. De wijfjes zijn grooter: vl. 16.5. Geogr. dist. 

Tropisch Amerika noordwaarts tot Panama. Lok. dist. De geheele kolonie, uitge- 
zonderd de kustzoom. 

De Dwerg- of Kleine Havik, eng. Small or Barred Sparrow- 
hawk, fr. Petits Autours, heeft een kleinen, zwakken snavel 
met een dubbel festoen, d. w. z. dat in plaats van een min 
of meer onafgebroken kromming van af den kaakhoek tot 
de snavelpunt, er zich onder de neusgaten een projectie 
bevindt, zoodat er twee krommingen gevormd worden. De 
pooten zijn dun en zwak, vooral de teenen ; de middenteen is 
veel langer dan de buitenteen en evenzoo voorzien van kleine 
klauwen in tegenstelling met de lange, dikke klauwen aan de 
binnen- en achterteenen ; het achtergedeelte der tarsi is bedekt 
met een rij groote platen. 

D. H. behooren tot onze kleinste, maar in den omtrek van 
bewoonde plaatsen nogal zeldzame roofvogels en staan bekend 
als Ston-akka of Pikien akka, d. w. z. Steen- of Kleine roof- 
vogels, bij de Caraïben als Kojawa of Lietjo-lietjo en bij de 
Arowakken als Dolokola-balielie, d. w. z. Baas der Dolokola's, 
Odontophorus giiianensis. 

Ondanks zijn nietigheid overtreft de D. H. in vermetelheid 
de meeste andere roofvogels. Met groote snelheid vervolgt hij 
zijne prooi tusschen het dichtste struikgewas of schiet van uit 
de lucht neder op een voorbij vliegenden vogel, hoewel hij ook 
insecten niet versmaadt. Zijn geluid zou ongeveer klinken als 
„krie-rie-rie-rie". 

„Volgens onze Indianen nestelt A. T. gedurende het droge 
seizoen, en wel in holle boomen. 

A. bicolor, Vieill. 

(^ Bov.d. donker leikleurig, Icop zwartachtig; vl.dekv. een weinig donkerder 
dan de rug; buitenzijde der slagp. bruin met een leigrijze tint en donlverbruine 
dwarsvleklien, duldelijlier van onder, waar de tusschenruimten eene aschgrijze kleur 
hebben; allerbinnenste slagp. v. d. 2den rang leigrijs, als de rug; staart grijsbruin 
met een leigrijze tint en vier zwarte dwarsbanden ; kopzijden, nekzijden en ond.d. 
helder leiblauw, de dijvederen helder taanachtig roodbruin; dekv. ond. d. st. wit; 



ACCIPITER. 387 

dekv. ond. d. vl. wit met een weinig roodbruin aan de vleugelbuiging; okselvederen 
aschgrijs; pooten rood. $ Ongeveer hetzelfde, maar de staart met vijf banden, 
waarvan een ond. d. dekv. Jong. Bov.d. donkerbruin, bovenkop zwart, de vederen 
met roodbruine randen, vooral de dekv. bov. d. st., die tevens onduidelijke witte 
dwarsstrepen hebben; slagp. donkerbruin met lichter roodbruine tippen en zwart- 
achtig bruine dwarsvlekken, duidelijker van onder, waar de tusschenruimten eene 
aschgrijze kleur bezitten; staart aschachtig bruin met witte tippen, witte vlekken 
aan het schachtgedeelte en vier of vijf zwarte dwarsbanden; een onduidelijke, 
donker geelachtige, met zwart gestreepte lijn om de oogen; kopzijden en ond.d. 
geheel helder geelbruin; keel wit; bovenrand der oorvederen bruin; een rood- 
bruine band om den achternek. L. 34, vl. 24.5, st. 18.5, tars. 5.7, culm. 2.4. 
De wijfjes zijn grooter: vl. 25.5. Geogr. dist. Centr. Amerika zuidwaarts tot de 
Guiana's en Ecuador. Lok. dist. De geheele kolonie, uitgezonderd de kustzoom. 

„Roodpoot-Haviken, eng. Red-legged Sparrow-hawks, fr. 
Autours a pieds rouges, zijn grooter, maar in den omtrek van 
bewoonde plaatsen even zeldzaam als de voorgaande soort. 
Men kan ze tevens dadelijk kennen aan hunne grijze vederen, 
waarvan de donkere schachten aan borst en keel op draden 
of borstels gelijken. 

In de kolonie heeten R. H. Langa-foetoe Akka, d. w. z. 
Langpootige roofvogel en bij de Aro wakken Hia-hia-balielie, 
d. w. z. Baas der Zonpapegaaien. 

R. H. bewonen vooral de wouden der hoogere alluviale 
gronden. Hun voedsel bestaat bijna uitsluitend uit vogels, w.o. 
zelfs groote soorten, zooals Wakago's enz. Hun vlucht is 
krachtig, hoewel ze, alvorens op een tak neder te dalen, eenige 
seconden moeten balanceeren teneinde hun evenwicht te krijgen. 
Ook hun geluid zou klinken als een gierend „kure-rie-rie-rie". 
Over hun voortteling is mij niets bekend. 

A. pileatus, Temm. = Nisiis sexfasciatiis, Cab. in Scliomb. 
Reis. = Nisus pileatus, Schlegal, Mus. P. B. 

Ad. Bov.d. leigrijs overgaande in zwartachtig aan bovenkop, vleugels en staart, 
die tevens van zes zwarte banden voorzien is; slagp. v. d. isten rang eenigszins 
onduidelijk met bruin gevlekt; ond.d. helder grijs, de schachten der vederen zwart- 
achtig; dijvederen en dekv. ond. d. vl. roodbruin; dekv. ond. d. st. wit; washuid 
olijfgeel ; omtrek der oogen geelachtig; pooten helder oranjegeel bij het mannetje, 
citroengeel bij het wijfje; snavel zwartachtig; iris geel. Bijna volk. ved.kl. Als ad., 
maar de vederen der ond.d., uitgezonderd die aan de dijen en dekv. ond. d. st.. 



-,88 FALCONID^. 

bruinachtig grijs met witte en zwartachtige dwarsstrepen. Jong. Bov.d. zwartachtig 
liruin, met roodbruine randen aan de vederen ; staartbanden grijsachtig bruin ; 
wenkbrauwen, kopzijden en halsband bruinrood, elke veder met een groote zwart- 
achtig bruine vlek; ond.d. witachtig, borst en flanken gevlekt; dekv. ond. d. vl. 
bruinachtig en eveneens gevlekt. L. 32, vl. 19, st. 15, tars. 5, culm. 1.3. De 
wijfjes zijn grooter: vl. 25. Geogr. dist. Brazilië en de Guiana's. Lok. dist. Als 
de voorgaande soort. 

„Levenswijze, lokale benamingen enz. van den Geelpoot- 
Havik, eng. Yellow-legged Sparred-hawk, fr. Autour a pieds 
jaunes, komen overeen met die der te voren genoemde specie ; 
ook beider kleur verschilt niet veel. 



Subfam. der BUTEONINCE. 

BUIZERDACHTIGEN. 

„De leden van deze onderfamilie onderscheiden zich van de 
Arenden, Valken enz., doordat het achtergedeelte der tarsi 
met een rij platen bedekt is en niet met een netwerk van op 
mazen gelijkende schildjes. De pooten zijn tevens onbevederd 
of gedeeltelijk bevederd, maar nimmer tot aan de teenen. B. 
vormen dus den overgang van de Langpootige Valkachtigen 
tot de Arendachtigen. 

Genera. 

A. Tarsus bij de mannetjes 10.5 c.M. of minder, uitgezonderd Urjihitinga 
urubitinga; vleugel minder dan 42.5 c.M., uitgezonderd Tachytriochis 
albicatidatus. 
a. Vleugel meer dan 24.7 c.M. bij de mannetjes en 26.8 c.M. bij de wijfjes. 

* Vleugel viermaal zoo lang als de tarsus, die meer dan 10 c.M. bedraagt. 

. . . HETEROSPIZIAS, SHARPE. 

* Vleugel meer dan viermaal zoo lang als de tarsus, die minder dan 
10 c.M. bedraagt. 

„Vleugel langer dan 36 c.M. 

.... TACHYTRIOCHIS, KAUP. 



BUIZERDACHTIGEN. 389 

„Vleugel minder dan 36 c.M. ; staart meer dan 16 c.M. bij de 
mannetjes en 17.5 c.M. bij de wijfjes. 

BUTEOLA, BP. 

b. Vleugel gelijk aan of minder dan 24.7 c.M. bij de mannetjes en 26.8 
bij de wijfjes. 

„Vleugel meer dan 24.5 c.M. en reikende tot het midden v. d. staart. 

ASTURINA, VIEILL. 

„Vleugel minder dan 24.5 c.M. en reikende tot het uiteinde 
V. d. staart. 

RUPORNIS, KAUP. 

c. Vleugel meer dan 35 c.M., uitgezonderd Leucopternis melanops. 

* Onderzijde der teenen met harde spicules of tuberkels. 

„Slagp. V. d. isten rang slechts weinig langer dan die v. d. 2den rang, 
het verschil minder dan de lengte v. d. tarsus, maar niet v. d. 
achterteen; vleugel meer dan viermaal de lengte v. d. tarsus. 

.... BUSARELLUS, LAFR. 

„Als voren, maar het verschil tusschen de slagp. v. d. isten rang 
en die v. d. 2'len rang minder dan de lengte v. d. achterteen; 
vleugel minder dan viermaal de lengte v. d. tarsus. 

.... BUTEOGALLUS, LESS. 

* Onderzijde der teenen zonder spicules of tuberkels. 

„Slagp. V. d. isten rang langer dan die v. d. 2den rang, het ver- 
schil minder dan het onbevederd gedeelte v. d. tarsus van 
voren ; vederkleed met veel zwart ; culmen naar verhouding kort, 
bij de mannetjes ongeveer gelijk aan of minder dan 3.4 c.M 

URUBITINGA, LAFR. 

„Vederkleed met veel wit; culmen naar verhouding langer, bij de 
mannetjes ongeveer 3.4 c.M. of meer. 

. . .LEUCOPTERNIS, KAUP. 

B. Tarsus bij de mannetjes meer dan 10.5 c.M.; vleugel langer dan 42.5 c.M. 
a. Vleugel bijna tweemaal de lengte v. d. staart. 

. . HARPYHALIAËTUS, LAFR. 



3QO FALCONID^. 

b. Vleugel minder dan anderhalf de lengte v. d. staart. 
„Vleugel minder dan 50 c.M. 

MORPHNUS, CUV. 

„Vleugel meer dan 50 c.M. 

.... THRASAÊTUS, GRAY. 



Species. 

HBTBROSPIZIAS, SHARPB. 

H. meridionalis, Lath. = Hypomorphmis riitilans, Cab. 7?i 
Schomb. Reis. = Butco m., Schlegal, Mus. P. B. 

Ad. Bovenkop roodbruin, lora witachtig; oorvederen en kopzijden licht asch- 
grijs; rug- en schoudervederen licht leigrijs met roodbruine zoomen; onderrug, 
stuit en dekv. bov. d. st. zwartachtig, laatstgenoemde met een purperglans en witte 
tippen; mindere vl.dekv. helder roodbruin, de overige licht leikleurig met breede 
roodbruine tippen en de middelste tevens met roodbruine zoomen ; slagp. rood- 
bruin, die V. d. isten rang met zwarte uiteinden, die v. d. aden rang met een 
breeden, purperachtig bruinen endband, maar de binnenste slagp. geheel van laatst- 
genoemde kleur ; staart purperachtig zwart, de basis gevlekt en overtogen met 
roodbruin, de breede tippen wit, evenals een duidelijke witte band aan het 
midden der vederen ; ond.d. roodbruin, de geheele borst met min of meer smalle, 
zwartachtige dwarsstrepen ; dijvederen, dekv. ond. d. vl. en ond. d. st. helder 
roodbruin. Jong. Bov.d. zwartachtig met een bruine tint, de staart met twee of 
drie witte banden nabij de basis, daaronder echter niet begrepen de midden- en 
endbanden ; bovenkop zwartachtig, de vederen met onduidelijke roodbruine vlekken 
en dwarsstrepen; achternek en ond.d. licht roodbruin met zwartachtige dwars- 
strepen; mindere vl.dekv. helder roodbruin met zwartachtige vlekken en dwars- 
strepen; overige vl.dekv. zwartachtig als de rug, maar met enkele onduidelijke 
dwarsstrepen aan de roodbruine basis. L. 51, vl. 42, st. 21, tars. 10.5, culm. 4. 
De wijfjes zijn grooter: vl. 46. Geogr. dist. Tropisch Z. -Amerika. Lok. dist. 
Vooral de lagere streken. 

„Savanne Buizerds, eng. Savanna Hawks, fr. Buse-Echasses 
des savannes, hebben min of meer verlengde tarsi, van voren 
en van achter met groote schilden bedekt; de vleugels zijn 
nogal lang, de neusgaten rond en van binnen voorzien van 
een duidelijken tuberkel. 



TACHYTRIOCHIS. 



391 



S. B. bewonen over het algemeen zwampachtige savannes 
en oevers van kreken en rivieren. In de kolonie staan ze 
bekend als Biegie Baboen- en Piengo-akka, 
d. w. z. Groote Brulaap- of Piengo-roofvogel, 
bij de Arowakken als Arapaiko en bij de 
Caraïben als Woiarapatje. 

Hun prooi bestaat behalve uit visschen, krab- 
ben enz., vooral uit slangen. Teneinde deze 
te bemachtigen, zouden S. B. zich, volgens 
Schomburgck, zelfs te midden der vlammen 
op de brandende savannes wagen. Tevens 
zijn ze in staat zeer snel door het struikgewas 
te loopen. Evenzoo is hun vlucht krachtig, 
snel, en zeilen ze soms in cirkels boven hunne 
jachtterreinen rond. 

H. M. broedt gedurende de middenmaanden 
van het jaar. Het nest van takjes, twijgen 
enz., wordt zoowel in hooge als lage boomen 
gebouwd. Het wijfje legt i of 2 rondachtige, witte eieren 
met slechts enkele roodbruine vlekken en wolken. M. Afm. 
60 X 49 m-M. 




Poot van Hctfrospizias 
meridionalis. 



TACHYTRIOCHIS, KAUP. 



T. abbreviatus, Cab. = id,, Cab. in ScJiomh. Reis. = 
B. albi/rons, Sciilcgal, Mus. P. B. 

Ad. Over het algemeen zwart of zwartachtig bruin, de basis der vederen zuiver 
wit; staart zwart met drie breede dwarsbanden, aschgrijs aan de buiten vlag, maar 
zuiver wit aan de binnenvlag; pooten geel. Twee phases zijn bekend, een zwarte 
en een lichter gekleurde; eerstgenoemde is de door Schlegal beschreven Buteo 
cabanisii. Jong. Ongeveer als ad.; staart grijsachtig bruin met talrijke schuine, 
zwarte banden of strepen, de binnenvlag der rectrices gedeeltelijk of geheel wit. 
L. 49, vl. 38, st. 22.3, tars, 6.5, culm. 2. De wijfjes zijn grooter: vl. 42. Geogr. 
dist. Z. -Amerika noordwaarts tot Califomië en Texas. Lok. dist. Vooral de lagere 
streken. 



392 



FALCONIDyE. 



In tegenstelling met de meeste andere Buizerds, bezit de 
Langstaart-Buizerd, eng. Zone-tailed Hawk, fr. Buse a queue 
longue, een slanken lichaamsvorm alsmede lange vleugels, die 
tot over den langen staart reiken. 

In de Guiana's schijnen L. B. nogal zeldzaam voor te komen. 
Men treft ze vooral aan op hooge boomen. Hun voedsel komt 
overeen met dat der voorgaande species. Hun alarmkreet 
klinkt luid en fluitend. In de kolonie staan ze onder dezelfde 
benamingen bekend als de volgende soort. 

T. A. broedt in het Noorden en denkelijk ook in Suriname 
gedurende de maand Mei. Het uit takjes, twijgen, van binnen 
uit bladeren en mos vervaardigde nest wordt gebouwd op 
horizontale takken in nogal hooge boomen. Het wijfje legt in 
N.-Amerika 2 tot 4, in Suriname denkelijk i of 2 breed ovale, 
dof witte, gewoonlijk met donker kastanjebruin of amberbruin, 
vooral om het stompe end gevlekte, besmeerde en gestipte 
eieren. M. A/m. 54 X 42.5 m.M. (O. Davies). 



T. albicaudatus, Vieill. = Butco pterocks, Cab. in ScJiomb. 
Reis. = id., Sc Ideaal, Mits. P. B. 

Ad. Bov.d. leigrijs, donkerder aan den kop; een gedeelte der schoudervederen 
en der mindere vl dekv. roestbruin; onderrug, stuit en dekv. bov. d. st. zuiver wit, 
eerstgenoemde met een roestkleurige tint aan de bovenste vederen ; staartp. zilver- 
achtig grijs, uitgezonderd de middelste vederen, en met acht of negen leikleurige 
dwarsbanden, witte of grijsachtige tippen, alsmede breede, zwarte endbanden ; 
kopzijden en keel donker leigrijs; overige ond.d. wit, okselvederen met talrijke 
leizwarte dwarsstrepen, dikwijls min of meer roodbruin getint; flanken evenzoo 
dwars gestreept, maar met smaller en onduidelijker dwarsstrepen; dekv. bov. d. vl. 
leizwart, donkerder dan de rug en met onduidelijke zwartachtige dwarsstrepen aan 
de grootere dekv. ; slagp. zwart, de basis echter aschgrijs met zwarte dwarsvlekken, 
duidelijker en breeder aan de witachtige binnenvlag. Jong. Over het algemeen 
zwart, de basis der vederen wit; zoomen der kleinere vl.dekv. roodbruin; schou- 
dervederen roodbruin gevlekt; grootere vl.dekv. met onduidelijke lichtbruine zoomen ; 
slagp. zwartbruin, de buitenvlag aschgrijs getint en met zwartachtige dwarsstrepen ; 
basis der slagp. min of meer wit; dekv. bov. d. st. bruin, de basis wit, de 
buitenste wit met bruine tippen; staartp. blauwgrijs met 16 of 17 min of meer 
onduidelijke, zwartachtige dwarsbanden; lora duidelijk wit; kop zwart; een ondui- 
delijke wenkbrauwlijn, nekzijden en achternek geelachtig of geelachtig wit gestreept; 
keel zwart; ond.d. geelachtig met min of meer zwarte vlekken, die aan de flanken 



BUTEO. 



393 



en dijen in dwarsstrepen overgaan; dekv. ond. d. staart bijna zonder vlekken; 
dekv. ond. d. vl. wit met zwarte vlekken; okselvederen zwart met witte vlekken 
en tippen. L. 53, vl. 44, st. 17.6, tars. 8.6, culm. 4. De wijfjes zijn grooter : 
vl. 47. Geogr. dist. Tropisch Z. -Amerika. Lok. dist. Vooral de lagere streken. 

„De Witstaart-Buizerd, eng. White-tailed Hawk, fr. Buse a 
queue blanche, komt in de Guiana's talrijker voor dan de 
voorgaande soort; en dat vooral langs de oevers 
van kreken, rivieren en overstroomde savannes. 
De jongen staan bekend, evenals zoovele andere 
species van dezelfde grootte of kleur, als Baboen- 
of Krabboe-akka, de ouden daarentegen als Wit- 
bere-Baboen-akka, d. w. z. Witbuik-Brulaap- 
roofvogel. De Arowakken noemen ze Kiebiehie- 
balielie, d. w. z. Baas der Kiebiehies, Nasiia rttfa, 
en de Caraïben Ajoewimbo tamoene Arapatje. 

Het voedsel van W. B. bestaat uit kleine 
zoogdieren, vogels, reptielen en krabben. Ze 
vliegen sierlijk en snel, zweven meermalen boven 
hunne jachtterreinen rond, maar dalen slechts 
zelden tot den grond af. Hun geluid klinkt on- 
geveer als het blaten eener geit. 

T. A. broedt gedurende den groeten regentijd. Het nest 
van takjes, twijgen enz. wordt zoowel in hooge als lage boomen 
gebouwd. Het wijfje legt i of 2 ten naastenbij glanslooze, 
stomp ovale of rondachtige witte of grijsachtig witte eieren, 
met enkele roodbruine of geelbruine vlekken om het stompe 
of spitse end der schaal. M. A/m. 57 X 44 ni.M. 




Tarsus van Bufc 
albicmidatus. 



BUTEO, CUV. 



B. latissimus. Wils. 



Ad. Staartp. zwartachtig met 2 tot 4 breede, licht bruinachtig grijze of bruin- 
achtig witte dwarsbanden en smalle witte tippen ; bov.d. zwartachtig bruin, rug 
donkerder; borst varieerend bruin, roodbruin of roestbruin met min of meer witte 
vlekken ; buik wit met licht roodbruine dwarsstrepen en vlekken. Jong. Staartp. 



grijsaclitig bruin met 5 tot 7 smalle, zwartachtige dwarsbanden en witte tippen ; 
kopzijden en ond.d. geheel wit of geelachtig met zwartachtige lengtestrepen aan 
borst, zijden enz. ; een duidelijke knevel van zwartachtige vederen aan de kaken. 
L. 36, vl. 26, st. 17, tars. 6, culm. 1.8. De wijfjes zijn grooter: vl. 28. Geogr. 
dist. Zont. Oostelijk N.- Amerika. Wint. Centr. en noordelijk Z.-Amerika. Lok. dist. 
De lagere streken. 

„Bij den Breed vleugel-Buizerd, eng. Broadwinged Hawk, fr. 
Buse a ailes larges, is de middenteen korter dan het onbe- 
vederd gedeelte voor aan den tarsus. 

In de kolonie komen B. B. enkele malen voor, maar of 
ze trekvogels zijn of wel standvogels, valt moeielijk uit te 
maken, hoewel ik het laatste geloof. 

Evenals de meeste andere vogels kunnen B. B. soms voor 
geruimen tijd op een drogen tak in een boom zitten, hoewel 
ze ook dikwijls tot den grond afdalen. Hun voedsel komt 
overeen met dat der voorgaande soort, hun vlucht is echter 
moeielijker en dit is misschien de reden waarom B, B. minder 
schuw schijnen dan de andere Buizerds. Hun alarmkreet zou 
schril en doordringend klinken. 

B. L. broedt in het Noorden omstreeks Mei en Juni. Het 
uit takjes, twijgen, wortels, bladeren, mos en vederen samen- 
gestelde nest, wordt zoowel in hooge als lage boom en gebouwd. 
Het wijfje legt in N.-Amerika 2 tot 4, in den regel ovale of 
breed ovale, ten naastenbij glanslooze, grijsachtig of geelachtig 
witte, met verschillende bruine en purpergrijze tinten besmeerde 
en gevlekte eieren. lil. Afm. 48 X 3^ m.M. 

B. sw^ainsoni, Bonap. 

(^ (Lichtkl. phase). Bov.d. zwartachtig bruin, de vederen met min of meer 
roodbruine of geelachtige randen en zoomen ; staartp. eenigszins grijzer dan de rug 
en met 9 of lo zwartachtige dwarsbanden, die duidelijker aan de onderzijde der 
rectrices te zien zijn; borst met een groote roodbruine of kaneelbruine plek; buik 
wit of okergeel, lengtsgewijze of dwars gestreept en gevlekt met zwartachtige, 
geelachtige en roodbruine tinten. § Ongeveer hetzelfde, maar de borstvlek van 
dezelfde kleur als de rug. Ad. (Donkere of melanistische phase). Geheel zwart- 
achtig; dekv. ond. d. st. en ond. d. vl., alsmede de rectrices enkele malen gevlekt 
of dwars gestreept. Jong. Bov.d. zwartachtig bruin, de vederen met breede, geel- 
achtige of roodbruine zoomen; basis der slagp. v. d. isten rang grijsachtig met 



BUTEOLA. 395 

enkele onduidelijke dwarsvlekken ; staart ongeveer als bij ad. ; ond.d. okergeel met 
zwartachtige vlekken of lengtestrepen. L. 49, vl. 38, st. 22, tars. 6.3, culm. 2.1. 
De wijfjes zijn grooter: vl. 41. Geogr. dist. Het "Westen van N.- Amerika zuid- 
waarts tot Centr. en Z.-Amerika. 

„Swainson's Buizerds, eng. Swainson's Hawks, fr. Buses de 
Swainson, zijn nog niet met zekerheid in de Guiana's aange- 
troffen, hoewel bekend uit zuidelijker streken. In het Noorden 
echter, vooral in het Westen der Vereenigde Staten komen 
S. B. talrijk voor, en wel bij voorkeur langs begroeide oevers 
van stroomen, of ook wel enkele malen op zandheuveltjes in 
de open prairie. Hun vlucht is in den regel langzaam; alleen 
bij het vervolgen eener prooi, w.o. kleine zoogdieren, vogels, 
reptielen enz., wordt groote vlugheid aan den dag gelegd. 

B. S, broedt in N.-Amerika gedurende Mei en Juni. Het 
nest van takjes, twijgen enz. wordt gewoonlijk in hooge of 
lage boomen en slechts zelden op den grond gebouwd. De 2 
tot 4 eieren zijn breed ovaal of rondachtig, ten naastenbij glans- 
loos wit, blauwachtig wit of geelachtig wit, min of meer be- 
dekt en besmeerd met kaneelbruin, geelbruin en purpergrijs. 
M. A/m. 58 X 43 m-M. 

De exemplaren varieeren; vele zijn zelfs ongevlekt. 



BUTEOLA, BP. 
B. brachyura, Vieill. 

Ad. Bov.d. leigrijs of zwartachtig grijsbruin ; voorkop witachtig; basis der 
vederen aan den achterkop wit; staartp. met zwarte dwarsstrepen en smalle witte 
tippen; onderzijde v. d. st. grijsachtig; borstzijden met een weinig roodbruin of 
kaneelbruin; overige ond.d. zuiver wit; staart met 4 tot 7 dwarsbanden. yb«^. 
Bov.d. bruiner, de vederen met taankleurige zoomen; bovenkop, kopzijden en nek 
gestreept; ond.d. wit of geelachtig, dikwijls met bruine strepen, maar zonder bruin 
aan de borstzijden; staart met 7 tot 9 dwarsbanden. L. 43, vl. 28, st. 15.5, 
tars. 5.3, culm. 1.9. De wijfjes zijn grooter: vl. 32. <9«'o^/'. (/w^. Tropisch Amerika, 
uitgezonderd de West-lnd. Eil. noordwaarts tot Florida. Lok. dist. Vooral de 
lagere streken. 



396 



FALCONID^. 



Bij de Kortstaart- Buizerd, eng. Short-tailed Hawk or White 
fronted Buzzard, fr. Buse a queue courte, is de middenteen 
langer dan het onbevederd gedeelte v. d. tarsus; de neusgaten 
zijn rond met een tuberkel in het midden; de vleugels zijn lang 
en reiken bijna tot het uiteinde van den nogal korten staart. 

In de kolonie komen K.-B, nogal zeldzaam voor, en staan 
bekend als Wit-bere blakka Akka, d. w. z. Zwarte roof- 
vogel met witten buik, en bij de Arowakken als Warakaba- 
balielie, d. w. z. Baas der Trompettervogels of Kamie-kamies. 
Gewoonlijk treft men K.-B. aan op begroeide, zwampachtige 
plaatsen en aan de oevers van stroomen. In Florida behooren 
ze tot de trekvogels. 

B. B. broedt van af het Zuiden der Vereenigde Staten. De 
nesten worden geplaatst in de hoogste boomen. Bendire be- 
schrijft een ei als dof wit (blauw schijnend tegen een sterk 
lichi bevlekt en besmeerd, vooral om het stompe end der 
schaal met roodachtig bruin. Afm. 54.5 X 40-5 m.M. ') 

B. fuliginosa, Scl. 

Ad. Bov.d. zwartachtig of zwartachtig bruin, de basis der vederen aan den 
achterkop wit; voorkop witachtig; staartp. leigrijs, varieerend tot grijsachtig bruin 
met smalle witte tippen en zwarte dwarsbanden ; ond.d, van dezelfde kleur als de 
bov.d. Jong. Als de voorgaande soort. Lok. dist. De lagere streken. 

„Hoewel de Kleine Zwarte Buizerd, eng. Little Black Hawk 
or Buzzard, fr. Petit Buse noir, in den catalogus van het Br. 
Museum is opgenomen, behoort hij toch, volgens de meeste 
natuurkundigen, niet tot eene afzonderlijke soort, maar zou 
slechts de donkere of melanistische phase van B. brachyiira 
daarstellen. Dit is ook mijne meening, want individuen met 
wit en zwart gevlekte onderdeden komen dikwijls voor. 



') Nests and Eggs of N.-Am. Birds, pag. 213. 



ASTURINA. 



397 



ASTURINA, VIEILL. 

A. nitida, Lath. = id., Cab. in ScJwmb. Reis. = id., Schlegal, 
Mus. P. B. 

Ad. Bov.d. aschgrijs met witachtige dwarsstrepen, kop en nek lichter van tint; 
slagp. V. d. 2den rang met breede witte tippen; slagp. v. d. isten rang donker- 
bruin, min of meer aschgrijs aan de buitenvlag en met zwartachtige dwarsvlekken; 
onderzijde der slagp. wit bij de basis aan de binnenvlag en met zwartachtige 
dwarsvlekken ; onderrug, stuit en dekv. bov. d. st. donker aschgrijs, laatstgenoemde 
met breede witte tippen; staaitp aschachtig zwart aan de bovenzijde, de tippen 
witachtig en met een breeden witachtigen dwarsband ongeveer een derde der lengte 
van het uiteinde af; onderzijde der staartp. lichter gekleurd en met een breeden 
witten band; voorkop, kopzijden en keel witachtig; overige ond.d. aschgrijs en wit 
overdwars gestreept, de dwarsstrepen aan de dijvederen echter smaller; dekv. ond. 
d. vl. en ond. d. st. wit, eerstgenoemde met enkele aschgrijze dwarsstrepen ; pooten 
en washuid citroengeel ; snavel zwart, basis v. d. ondersnavel loodkleurig; iris 
oranjegeel. Jong. Bov.d. bruin, bijna alle vederen omzoomd en overtogen nabij de 
basis met roodbruin ; bovenkop geelachtig wit met breede donkerbruine strepen ; 
voorkop en wenkbrauwlijn, kopzijden en keel geelachtig wit, ten naastenbij onge- 
vlekt; overige ond.d. geelachtig wit met enkele groote, donkerbruine vlekken aan de 
tippen der vederen; dij vederen, dekv. ond. d. vl. en ond. d. st. helder roomgeel; 
basis der slagp. roomgeel overgaande in roodbruin aan de lippen, al de slagp. met 
zwartachtig bruine dwarsvlekken, duidelijker aan de onderzijde, uitgezonderd de 
slagp. V. d. 2 'en rang, die geheel bruin zijn, met vlekken aan de binnenvlag; 
staartp. met geelachtig witte en 5 zwartachtig bruine dwarsbanden, alle min of 
meer grijsbruin getint. L. 41, vl. 24.6, st. 17, tars. 6.5, culm. 3.3. De wijfjes zijn 
grooter : vl. 26.5. Geogr. dist. Z.-O. Brazilië, het dalgebied der Amazone, de 
Guiana's en Columbia tot Panama. Lok. dist. Vooral de lagere streken. 

„De Grijze Buizerd, eng. South Am, Goshawk, fr. Asturine 
gris, heeft nogal korte vleugels, die, evenals bij de volgende 
soort, minder dan viermaal de lengte van den tarsus bedragen, 
maar slechts tot ongeveer de helft van den staart reiken ; de 
bedekte tuberkel boven aan de ovale neusgaten is nogal groot. 

In de kolonie heeten G. B. Biegie Doivie-akka, d. w. z. 
Groote Duif-roofvogel of ook wel Greisie Apakanie. De Indi- 
anen kennen ze evenals de volgende soort, de Arowakken 
ook wel als Fieroetokoromawajakana, de Caraïben als Potome- 
sierietowa. 

Men treft G. B. nogal dikwijls aan, vooral op open ter- 



;98 



FALCONIDiE. 



rein en en in den omtrek van bewoonde plaatsen. Hun vlucht 
is snel, maar zelden van langen duur; slechts 
zelden zeilen ze dan ook in cirkels boven hunne 
jachtterreinen rond. Hun voedsel bestaat uit 
vogels, slangen, insecten enz. Hun geluid klinkt 
fluitend. 

A. N. broedt gedurende het kleine droge 
seizoen. Het uit takjes, twijgen, mos enz*, samen- 
gestelde nest wordt zoowel in hooge als lage 
boomen gebouwd. Het wijfje legt i of 2 ten 
naastenbij glanslooze, rondachtige, witte of blauw- 
achtig witte eieren met enkele geelbruine vlek- 
ken of wolken om het stompe of spitse end der 

Poot van 

Mur/,ni ,nfida. schaal. M. A/m. 49 X 39-5 m.M. 




RUPORNIS, KAUP. 

R. magnirostris, Gm. = ïd., Cab. in Schomb. Reis. = 
L Epervicr a bec gros de Cayenne, Biiff. = Asturina m., 
Schlegal, Mus. P. B. 

Ad, Bov.d. licht aschgrijs ; dekv. bov. d. st. met zwarte en witte dwarsstrepen ; 
grootere vl.dekv. een weinig donkerder van kleur dan de rug ; dekv. der eerste 
slagp. en slagp. roodbruin bij de basis, aschachtig bruin aan de tippen ; buitenvlag 
der buitenste slagp. v. d. aden rang aschgrijs, binnenste geheel van laatstgenoemde 
kleur ; eerste slagp. met onregelmatige zwarte dwarsvlekken, breeder maar ondui- 
delijker aan de slagp. v. d. 2den rang; binnenzijde der vleugels licht roodbruin, 
bijna zonder dwarsstrepen; staartp. aschgrijs met 3 breede, zwarte dwarsbanden ; 
kopzijden, keel en borstzijden aschgrijs, maar de kin witachtig; overige ond.d. wit 
met breede, licht roodbruine dwarsstrepen aan de borst, maar smaller en van een 
aschgrijze kleur aan buik, flanken en dijen ; dekv. ond. d. st. wit met enkele 
onduidelijke aschgrijze dwarsstrepen ; pooten en washuid geel, helderder bij het 
mannetje; snavel zwartachtig; iris geel. Jong. Bov.d. zwartachtig bruin, kop en nek 
met witte strepen; schoudervederen wit gevlekt; dekv. bov. d. st. okerklenrig met 
bruine dwarsstrepen; schoudervederen als de rug, maar met eenigszins lichter 
gekleurde zoomen; overigens als ad. L. 36, vl. 22, st. 15.6, lars. 6.3, culm. 3.3. 
De wijfjes zijn iets grooter: vl. 24. Geogr. dist. Het dalgebied der Amazone, de 
Guiana's, Columbia, Venezuela alsook een deel der Antillen. Lok. dist. Vooral 
de lagere streken. 



RUPORNIS. 



399 



„Grootsnavel-Buizerds, eng. Great-billed Buzzards or Gos- 
hawks, fr. Asturines a bec gros, gelijken in kleur wel wat op 
de voorgaande soort, maar zijn kleiner, terwijl ook de vleugels 
tot het uiteinde van den staart reiken; de neusgaten zijn van 
tuberkels voorzien. 

In de kolonie staat de G. B. algemeen bekend als Doivie- 
akka of Greisie-apakanie, d. w. z. Duif-roofvogel of Grijze 
roofvogel, bij de Aro wakken als Mawajakana of Balakana, bij 
de Caraïben als Sierietowa en bij de Warrau's als Ohtocamu. 

Over het algemeen bewoont de G. B. meer half opengekapte 
terreinen nabij bewoonde plaatsen, hoe- 
wel men hem ook wel diep in de binnen- ; 
landen aantreft. Ondanks zijn nogal 
krachtige vlucht, zweeft hij zelden in de 
lucht rond, maar zit gewoonlijk op lage 
takken en boomen. Van daar overziet 
hij het terrein en wee den vogel, 
die zich een oogenblik bloot geeft. Met 
half gesloten vleugels daalt de roover 
naar omlaag, grijpt zijne prooi en vliegt 
ermede naar een boomtak in de nabijheid. 
Daar wordt de prooi verscheurd, in stuk- 
ken en brokken gedeeltelijk opgeslokt, 
maar het overblijvende aan een tak op- 
gehangen tot groote voldoening der rondzwervende Gieren. 

„Van al onze roofvogels wordt de G. B. het meest door 
kanarieliefhebbers gevreesd, daar hij de vermetelheid bezit de 
trahën van een knipkooi open te breken en het gevangen 
vogeltje er uit te trekken. En dat ondanks de eigenaar dik- 
wijls onder den boom staat, met steenen gooit of een helsch 
lawaai maakt. Ook hoenderkuikens moeten het geducht ont- 
gelden, evenals kleine zoogdieren, slangen, insecten enz. Alvo- 
rens zich ter ruste te begeven, zou de G. B. gedurende 
den vooravond nog eenigen tijd ronddwalen ter vervolging 
van Vleermuizen. 

Het geluid van den G. B. klinkt ongeveer als een schril „krie-ê- 
krie-ê"; vooral bij het opvliegen laat hij zich herhaaldelijk hooren. 




Knpo 



40O 



FALCONID^. 



R. M, broedt gedurende het kleine droge seizoen. Het nest 
is een platvorm van takjes, twijgen, bladeren enz., met een 
uitholling in het midden ; het wordt gebouwd zoowel in hooge 
als lage boomen, maar zeer dikwijls dient ook een holle 
boom of de kroon van een palm als nestelplaats. Het wijfje 
legt in den regel slechts een ei, en zelden twee eieren van 
een rondachtigen, kort ovalen vorm; de kleur varieert van af 
ten naastenbij glansloos wit tot licht grijsachtig of blauwachtig ; 
de bevlekking bestaat uit groote en kleine vlekken en wolken 
geelbruin of roestbruin. J/. Afm. 48 X 38 m.M. 

De exemplaren varieeren uitermate; enkele hebben de 
bevlekking om het kleinere end der schaal, andere weer zijn 
geheel met vlekken overdekt. Een exemplaar in mijne col- 
lectie heeft een breeden, uit kleine vlekjes gevormden band 
om het midden der schaal. 

Beide seksen broeden. De kuikens zien er donker zwart- 
achtig uit. Onophoudelijk wordt hen door de ouden voedsel 
aangebracht. Vooral slangen moeten het geducht ontgelden, 
evenals de kleine Rivier-vleermuizen, Rhynchonycteris iiaso, 
die aan de takken langs de waterkanten hangen. 



BUSARBLLUS, LAFR. 

B. nigricollis, Lathr. .= IcJitJiyoborus hisarcllus, Cab. in 
Schoinb. Reis. = Biitco n., Schlegal, Alits. P. B. 

Ad. Bov.d. helder kastanjekleurig met smalle zwarte schachtstrepen aan de rug- 
en vl.dekv. ; binnenvlag der grootere vl.dekv. zwartachtig, buitenste evenals de 
dekv. der eerste slagp. geheel zwart; slagp. zwart, maar die v. d. z^en rang 
bruiner met geelachtige tippen en min of meer kastanjebruine basis ; binnenste 
slagp. als de rug ; dekv. bov. d. st. helder kastanjebruin evenals de staartbasis, 
maar de endhelft der rectrices zwart met smalle witachtige tippen en 3 of 4 zwarte 
banden bij de basis ; kop en nek rondom geelachtig met smalle zwarte strepen 
aan den bovenkop; ondergedeelte der keel zwart, een duidelijke das vormende; 
overige ond.d. helder kastanjebruin, uitgezonderd de hals, die eene geelachtige tint 
bezit; dekv. ond. d. vl. en okselvederen kastanjebruin, een weinig donkerder dan 
de borst; pooten grijsachtig wit; snavel zwartachtig, basis loodkleurig; washuid 
zwartachtig; iris oranjebruin. Jong. Als ad., maar met zwarte dwars- en lengte- 



BUSARELLUS. 401 

strepen; gelieele kop lichter van tint. L. 46, vl, 38, st. 19, tars. 8.4, culm. 4.7. 
De wijfjes zijn grooter : vl. 46. Geogr. dist. Brazilië, het dalgebied der Amazone, 
de Guiana's en Venezuela. Lok. dist. De lagere streken. 

„Zwartdas Buizerds, eng. Blacknecked or White-headed 
Buzzards, fr, Buses-Echasses a gorge noire, hebben dicht op 
elkander staande harde spicules onder de teenen ; de tarsi 
zien er ruw en dik uit ; tevens zijn de vleugels lang, maar de 
eerste slagpennen slechts weinig langer dan die van den 
tweeden rang. 

Z. B., de volgende soort en de Savanne Buizerds gelijken 
zoozeer op elkaar, dat alleen een geoefende de species kan 
onderscheiden; vooral is dit het geval met nog niet tot vol- 
komenheid opgegroeide individuen. 

In de kolonie staan Z. B. bekend als Krabboe-akka, d. w. z. 
Krabben-roofvogel en bij de Indianen als Kwapiepie. 

Hunne voornaamste jachtterreinen zijn de oevers van kreken en 
rivieren, maar vooral de mangrove bosschen langs den kustzoom. 
Daar zitten ze meestal onbeweeglijk, loerende naar prooi, die 
grootendeels uit krabben, Gecarcinus ruricola, bestaat, hoewel 
ook kruipende dieren, visschen, garnalen, insecten enz, niet 
versmaad worden. Hunne pcoten zijn dan ook gewoonlijk met 
een laag modder bedekt, daar ze meermalen op de modder- 
vlakte nederdalen of voorzichtig tusschen de mangrove wortels 
loopen. Op zwampachtige plaatsen, nabij Paramaribo, zitten 
Z. B. soms langs de vischvijvers. 

De vlucht van den Z. B. is snel en krachtig; meermalen 
zweeft hij dan ook in cirkels boven zijn jachtterrein rond. 
Zijn geluid klinkt ongeveer als een fluitend „kwie-pie-pie-pie- 
pie". Hij behoort tevens tot de weinige roofvogelsoorten wier 
lichaam met een opmerkelijke laag vet bedekt is; het vleesch 
wordt gegeten en zou goed smaken. 

B. N. broedt vooral gedurende den grooten regentyd. Het 
schotelvormige nest van takjes, twijgen enz. wordt soms in 
hooge boomen, maar aan de zeekust meestal in lage Parwa 
en Mangrove boomen gebouwd. Het nest doet verscheidene 
jaren achtereen dienst, waardoor het gaandeweg eene groote 
afmeting krijgt, daar de vogels gestadig vergrootingen aan- 

26 



402 



FALCONID^. 



brengen. Het wijfje legt maar een ei en slechts zelden 2 eieren. 
De vorm der schaal is kort, stomp ovaal of rondachtig; de 
grondkleur varieert van af bijna glansloos witachtig of geel- 
achtig tot blauwachtig of groenachtig. De bevlekking bestaat 
uit geelbruine, roestbruine en lilagrijze vlekken, wolken enz. 
M. A/m. 59 X 45 rn.M. 

De exemplaren varieeren uitermate van af ten naastenbij 
ongevlekt tot geheel overdekt, besmeerd enz. ; in het nest zijn 
de schalen tevens met een laag modder bedekt. 

De broedtijd zou een maand duren. Beide seksen broeden 
en zijn dan zoo uiterst venijnig, dat ze met schor geluid alle 
indringers in hunne nestelplaatsen aanvallen en met bek en 
klauwen trachten te verwonden. De kuikens zien er donker 
zwartachtig uit, en blijven geruimen tijd in het nest waar de 
ouden hen een enorme hoeveelheid voedsel aanbrengen. Eerst 
na drie jaren verkrijgen ze het volkomen vederkleed. 



BUTEOGALLUS, LESS. 

B. aecquinoctialis, Gm. = Falco bicson, Cab. in ScJiomb. 
Reis. = BiUeo ce., Schlegal, Ahis. P. B. 

Ad. Bov.d. zwart met roodbruine zoomen aan de bovenrug- en vl.dekv. ; kop 
geheel zwart evenals de onderrug, stuit en dekv. bov. d. st. die tevens van smalle 
witte tippen voorzien zijn; slagp. helder kastanjebruin, die v. d. isten rang met 
leizwarte buitenvlag, die v. d. 2den rang met een breeden zwarten band over de 
tippen; binnenste slagp. bruin met lichter gekleurde tippen; staartp. zwart met 
duidelijke witte tippen en een onduidelijken witten dwarsband in het midden; keel 
grijsachtig bruinzwart; overige ond.d. helder roodbruin met zwarte zigzag- en 
dwarsstrepen, smaller aan de dijen en zeer klein aan de dekv. ond. d. st. ; dekv. 
end. d. vl. met zwarte dwarsstrepen en vlekken; washuid en oogleden geel; snavel 
zwartachtig, basis lichter van tint; pooten geelachtig; iris bruin. Jong. Bov.d. 
bruinachtig grijs; ond.d. witachtig met lange witte strepen en vlekken. L. 49, 
vl. 33.5, st. 19, tars. 9, culni. 4.3. De wijfjes zijn grooter: vl. 36. Geogr. dist. 
Brazilië, het dalgebied der Amazone en de Guiana's. Lok. dist. De lagere streken. 

„Bij Zwartkop-Buizerds, eng. Black-headed Buzzards, fr. 
Buses-Echasses a tête noire, zijn de kopzijden onbevederd tot 
onder de oogen ; de snavel is dun en de washuid tamelijk lang. 



URUBITINGA. 



403 



Evenals bij de voorgaande soort zijn de onderzijden der teenen 
van harde tuberkels voorzien, maar de slagpennen van den 
eersten rang zien er naar verhouding nog korter uit. 

Z. B. staan in de kolonie bekend als Baboen- of Schapoe- 
akka, d. w. z. Brulaap- of Schapen-roofvogel. De laatste naam 
is naar het geluid dat ongeveer klinkt als het blaten van een 
schaap of ook wel als het geschreeuw van een jong Bosch- 
varken. De Arowakken noemen ze Arapaiko, de 
Caraïben Arapatje. 

Het talrijkst treft men Z. B. aan in waterrijke 
streken, vooral langs de zeekust. Hun voedsel 
komt overeen met dat der voorgaande soort. 
Volgens Schomburgck zouden ze zich ook te 
midden der brandende savanne wagen ter ver- 
volging der vluchtende reptielen. 

Door zijn snelle, krachtige vlucht is de Z. B. 
in staat geruimen tijd boven zijne jachtterreinen 
rond te zweven, hoewel hij gewoonlijk zijne 
prooi in het dichte struikgewas beloert. Op de 
modderbanken waagt hij zich zelden of nooit. 
Evenals bij de voorgaande soort is zijn levens- 
wijze zeer regelmatig en kan men hem dag aan dag op 
dezelfde plaats terugvinden. 

B. JE. broedt terzelfder tijd en op dezelfde plaatsen als de 
Zwart-das-buizerd ; ook het nest komt overeen, maar de eieren 
zijn wat grooter. J/. A/m. 60 X 46 m.M. 




Poot van 

Btiieogallus 

aecguiiiociialts. 



URUBITINGA, LAF. 

U. urubitinga, Gm. = Hypomorphnus u., Cab. in Schomh, 
Reis. = Asturina ze, Schlegal, Mus. P. B. = U. zonura. 

Ad. Geheel loodzwart, dekv. bov. d. st. wit evenals twee of drie dwarsbanden 
over de staartp., dijen in den regel zonder witte dwarsstrepen ; dekv. ond. d. vl. 
gewoonlijk ongevlekt ; snavel zwartachtig ; washuid geel ; pooten lichtgeel. Jong. 
Bov.d. gevlekt met meer zwartbruin dan okergeel; ond.d. okergeel of licht geel- 
achtig met zwartachtige strepen ; dijen met zwartachtige dwarsstrepen ; staartp. met 



^04 FALCONID^. 

talrijke smalle, zwartachtige en licht grijsachtige dwarsbanden. waartusschen eenig 
wit. L. 60, vl. 44, st. 30, tars. 12.4, culm. 3.3. De wijfjes zijn grooter: vl. 46. 
Geogr. dist. Tropisch Amerika noordwaarts tot Costa Rica en Nicaragua, en 
zuidwaarts tot Argentina. Lok. dist. De lagere streken. 

Bij den Zwarte Buizerd, eng. Black Hawk, fr. Asturine-Buse 
noire, reiken de vleugels tot ongeveer het midden van den 
staart en is de van voren met 1 5 schilden bedekten tarsus voor 
ongeveer een kwart zijner lengte bevederd. 

In de kolonie staan Z. B. bekend als Biegie Blakka akka, 
d. w. z. Groote Zwarte roofvogels, bij de Caraïben als Towma, 
bij de Arowakken als Hietjie-balielie (Baas der Hokkohoenders, 
Crex alector) en bij de Warrau's Ohto. 

Vooral langs de zeekust treft men den Z. B. nogal dikwijls 
aan, alsook in de oerwouden over het algemeen. Zijn voedsel 
bestaat uit kleine zoogdieren, vogels, kruipende dieren en 
groote insecten. Voor hoenderkuikens en tamelijk opgegroeide 
hoenders schijnt hij eene bepaalde voorliefde te koesteren. 

De vlucht van Z. B. is zeer krachtig. Dikwijls zeilen ze dan 
ook, evenals Gieren, in cirkels boven hunne jachtterreinen rond ; 
onder het vliegen steekt de witte staartbasis scherp af tegen 
het overige zwarte vederkleed. Op den grond wagen ze zich 
dikwijls en loopen vlug door het dichtste struikgewas, waar 
vooral de jongen in het onvolkomen kleed zich bij voorkeur 
ophouden. 

Hun geluid klinkt schril en fluitend. Volgens Schomburgck 
behooren ook Z. B. tot de roofvogels die zich te midden der 
vlammen op de brandende savanne wagen ter vervolging der 
opgejaagde reptielen enz. Volgens Tschudi vereenigen Z. B. 
zich dikwijls om een kreng, maar vreten nimmer van het aas. 

„Dit is denkelijk eene vergissing en heeft meer betrekking op 
Gieren. Waarom toch zouden Z. B. zich zonder doel verzamelen 
rondom iets, waarvan ze toch geen gebruik gaan maken? In 
de kolonie weet men niets af van deze eigenschap der Blakka 
Akka's, hoewel deze roofvogels algemeen als zeer schuw 
beschouwd worden. 

U. U. broedt gedurende den kleinen drogen tijd. Het uit 
takjes, twijgen enz. samengestelde nest wordt meestal in hooge 



URUBITINGA. 



405 



boomen gebouwd. Het wijQe legt maar een kort ovaal, wit, 
min of meer met bruin en purpergrijs gevlekt ei. 

U. anthracina, 'Licht. = Hypomorph7ius a., Cah.in Schomb, 
Reis. = Asturina a., Schlegal, Mus. P. B. 

Ad. Geheel zwart met een kalkachtig waas ; dekv. bov. d. st. met smalle, witte 
tippen; staartp. zwart, de tippen en basis wit en met een breeden witten dwars- 
band in het midden. Jong. Bov.d. bruinachtig zwart, de vederen met min of meer 
roestbruine randen en vlekken; kop, nek en ond.d. licht okergeel met bruinachtig 
zwarte strepen; dijen met dwarsstrepen van dezelfde kleur; staartp. met ongeveer 
7 zwarte en witachtige dwarsbanden. Jong ïn dons. Bijna wit aan kop en borst, 
overgaande in grijs aan achterkop, keel, borstzijden, tibise en rug. (Mearns). L. 54, 
vl. 35, st. 20, tars. 8.2, culm. 2.6. De wijfjes zijn grooter: vl. 38. Geogr. dist. 
Tropisch Amerika noordwaarts tot Arizona. 

Volgens Prof. Cabanis in Schomburgck's Reisen, zou ook 
de Mexicaansche Zwarte Buizerd, eng. Mexican Black Hawk, 
fr. Asturine-Buse noire de Mexique, in Engelsch Guiana 
voorkomen. 

W. Quelch betwijfelt dit echter en veronderstelt dat de vogels 
door Cabanis geidentifieerd jonge individuen der voorgaande 
soort zouden geweest zijn ; ook Whitely heeft de specie 
nimmer aangetroffen en in het Museum te Georgetown zijn 
geen exemplaren aanwezig, ') 

Denkelijk heeft de heer Q. gelijk ; in Suriname komen 
Gewone Zwarte Buizerds even talrijk voor als in Demerara, 
maar de noordelijke soort is tot nu toe niet door mij gezien. 

Volgens W. Mearns behooren M. Z. B. in Arizona tot de 
trekvogels en bewonen bij voorkeur de donkere ondergroei 
langs waterkanten. Hun geluid klinkt fluitend en geheel ver- 
schillend van dat der andere Valken. 

U. A. broedt in Arizona gedurende Mei en Juni. Het nest 
wordt beschreven als samengesteld uit takjes, twijgen en 
bladeren. Maj. Bendire beschrijft een ei als ovaal van vorm. 
dof wit van kleur, met onregelmatige bruine vlekken van 



') Timehri vol. VI, 1892, p. 157 — 158. 



4o6 



FALCONID^. 



verschillende tinten, vooral om het stompe end der schaal. 
Afm. 55.5 X 45.5 m.M. ') 



LBUCOPTBRNIS, KAUP. 

L. albicollis, Lath. =: Asturina poecilonotus, Cab. in 
Schomb. Reis. = Asturina a., Schlegal, Mïis. P. B. 

Ad. Bov.d. leizwart, basis en zoomen der vederen tusschen de schouders wit, 
dikwijls ook met witte dwarsstrepen aan de buitenvlag; vl.dekv. als de rug, maar 
met minder wit ; slagp. leizwart, die v. d. 2<len rang een weinig bruiner en met 
breede witte tippen, enkele der buitenste met onduidelijke bruine dwarsstrepen ; 
rug, stuit, staart en dekv. zuiver wit, de rectrices met een breeden zwarten band 
nabij het uiteinde ; kop wit met zwarte strepen ; kopzijden, geheele hals rondom, 
alsmede overige ond.d. wit. L. 53, vl. 35.5, st. 23, tars. 8.2, culm. 4.2. De wijfjes 
zijn grooter: vl. 37. Geogr. dist. Het dalgebied der Amazone, de Guiana's, Vene- 
zuela en Trinidad. Lok. dist. Wouden der lagere streken. 

„Witdas-Buizerds, eng. White-necked Buzzards, fr. Asturines- 
Pies a gorge blanche, zijn mooie roofvogels met nogal korte 
vleugels en veel wit in >hun vederkleed. 

In de kolonie kent men den W. B. als Biegie Wittie-akka, 
d. w. z. Groote Witte roofvogels. De Caraïben noemen hem 
Potome-towma en de Arowakken Soeloelie-balielie, d. w. z. Baas 
der Sagowyntjes, Midas iirsitlus. 

Toch behooren W. B. niet tot de gewoonste soorten of 
liever worden zelden gezien, daar ze aan lage takken van 
dichtgebladerde boomen de voorkeur geven. Hun vlucht is 
zeer zwak, zoodat ze zelden of nooit in de lucht rondzweven. 
Hun voedsel bestaat vooral uit slangen. Over hun voortteling 
is mij niets bekend, 

L. melanops, Lathr. = Asturina m., Cab. in Schornb. 
Reis. = id., Schlegal, Mus. P. B. 

Ad. Geheele kop en nek wit, de vederen met zwarte schachtlijnen; oogomtrek 
zwart ; overige bov.d. zwart, de vederen met witte vlekken, minder duidelijk aan 



') Life Hist. of N.-Am. Birds, vol. 1, pi. 3, fig. 8. 



HARPYHALIAËTUS. 



407 



de vl.dekv., die tevens witte tippen hebben ; staartp. zwart met witachtig bruine 
tippen en een breeden witten dwarsband; ond. d. wit. L. 40, vl. 22, st. 14, 
tars. 6.2, culm, 3.4. De wijfjes zijn grooter: vi. 24. Geogr. dist. Het dalgebied 
der Amazone en de Guiana's. Lok. dist. Als de voorgaande soort. 

„ Zwartrug- Witte-Buizerds, eng. Blackheaded White Buzzards, 
fr. Asturines-Pies blanches a dos noir, komen in kleur en 
levenswijze wel wat overeen met de voorgaande soort. In de 
kolonie staan beide species onder dezelfde benamingen bekend, 
echter zonder het woord Biegie. De Caraïben kennen ze als 
Toeloe-toeloe. Over hun voortteling is mij niets bekend. 



HARPYHALIAËTUS, LAFR. 
H. coronatus, Vieill. = Asturina c, Schlcgal, Mus. P. B. 

Ad. Bov.d. aschachtig bruin of chocoladebruin met een duidelijke grijsachtige 
lint aan de mindere vl.dekv. en vederen tusschen de schouders; een lange kuif 
van donker gekleurde vederen aan den achterkop; een breede geelachtig witte 
streep achter de oogen, de vederen met smalle, donkergekleurde schachdijnen ; 
kopzijden tot aan den nek witachtig, de vederen met grijsachtig bruine schachten; 
bovenrand der oorvederen geheel grijsbruin; 'ond.d. geheel helder grijsbruin met 
witachtig bruine zoomen aan de dijvederen en dekv. ond. d. st. ; dijen zwartachlig; 
dekv. ond. d. vl. grijs met witte strepen en zoomen ; slagp. zwartachtig, basis v. 
d. buitenvlag van die v. d. isten rang grijsachtig getint, die v. d. 2 Jen rang asch- 
grijs met zwarte vlekken en smalle, witachtige tippen; binnenste slagp. als de rug; 
stuit en dekv. bov. d. st. donker grijsbruin, laatstgenoemde met breede witte 
tippen; staartp. zwart met smalle, witte tippen; een breede witte middenband 
en een onduidelijke band van dezelfde kleur nabij de basis der buitenste rectrices ; 
snavel zwartachtig, de basis geel; pooten donkergeel; iris roodbruin. L. 75, vl. 51, 
st. 26, tars. 12.5, culm. 7.5. De wijfjes zijn grooter: vl. 60. Geogr. dist. Z.-h.vci^x''^». 
noordwaarts tot Guatemala. Lok. dist. Vooral de oerwouden der hoogere alluviale 
terreinen. 

„Grijsbruine Arend-buizerds of Kroon-buizerds, eng. Gray- 
brown Eagle-Buzzards, fr. Asturines-Circaëtes, onderscheiden 
zich door groote kuiven aan den achterkop ; de tarsi zijn 
evenals bij de drie volgende species, bedekt met groote schil- 
den, die er van voren grooter dan van achter of ter zijde 
uitzien, maar niet gelijken op de schilden aan de pooten der 
eigenlijke Arenden; de staart is vierkant. 



4o8 FALCONID^. 

Gelijk de meeste onzer groote roofvogels staan G, A, in de 
kolonie bekend als Kesie-kesie-akka, d. w. z. Apen-roofvogels 
en bij de Indianen onder dezelfde benamingen als de volgende 
soort, of bij de Arowakken ook wel als Kaboewasie-balielie, 
d. w. z. Baas der Eekhoorn-apen of Monkiemonkies, Chry- 
sothrix sciiiTCiis. 

Langs den kustzoom treft men den G, A. slechts bij uitzon- 
dering aan, hoewel hij ook in de oerwouden zeldzaam schijnt. 
Zijn vlucht is zeer krachtig en stelt hem in staat zelfs zulke 
vlugge dieren als apen te bemachtigen, alsook groote vogels, 
zooals Powiezen, Marai's enz. 

H. C. broedt gedurende het kleine droge seizoen. Het nest 
van takken, twijgen enz. zou, volgens onze Indianen, in de 
hooge boomen gebouwd worden, en een of twee jongen bevatten. 



MORPHNUS, CUV. 

M. guianensis, Daub. = id., Cah. in Schomb. Reis. = 
Astur g., Schlegal, Mus. P. B. 

Ad. Bov.d. zwart, de zoomen der vederen bruin getint ; tippen der dekv. bov. 
d. st. wit, de buitenste met dwarsstrepen, vooral nabij de witte basis; dekv. bov. 
d. vl met grijsachtig witte zoomen ; grootere vl.dekv. grijsbruin, gevlekt en dwars 
gestreept met donkerbruin; slagp. zwart met min of meer grijsbruine vlekken, de 
buitenvlag en tippen witachtig bruin, duidelijker aan de slagp. v. d. 2den rang ; 
staartp. zwart met witachtig bruine tippen en drie grijsbruine banden en donker- 
bruine vlekken; staartbasis min of meer witachtig; kop- en nekvederen grijsachtig 
bruin met min of meer witachtig grijze zoomen ; bovenkop met een lange kuif van 
bruine, aan de basis min of meer witte vederen met zwarte vlekken nabij de 
uiteinden ; borstzijden grijsachtig bruin, de vederen met onduidelijke witachtige 
zoomen; overige ond.d. wit met licht roodbruine dwarsstrepen, donkerder en 
bruiner aan de dijen; dekv. ond. d. st. bijna geheel zonder strepen; dekv. ond. d. 
vl. bruin en aschgrijs met min of meer bruine en zwartachtige vlekken en strepen. 
Jong. Als ad., maar de ond.d. over het algemeen vuil wit; staart met ongeveer 
12 dwarsbanden. L. 75, vl. 43, st. 3b, tars. ii,culm. 5.5. De wijfjes zijn grooter: 
vl. 49. Geogr. dist. Het dalgebied der Amazone, de Guiana's en noordwaarts tot 
Panama. Lok. dist. Oerwouden der geheele kolonie, maar zeldzaam langs de kust. 

De Guiana-Arend-Buizerd of Gekroonde Arend-Buizerd, eng. 



MORPHNUS. 



409 




Crested Eagle-Buzzard, fr. Harpyie de Guiane, is kleiner dan 
de volgende soort, maar komt in kleur wel wat overeen ; de 
neusgaten bevinden zich tevens boven en niet in het midden 
van den bovensnavel. Een groote kuif versiert den bovenkop. 
G. A. heeten in de kolonie Kesie-kesie-akka, d. w. z. Apen- 
roofvogel, bij de Caraïben Kwano en bij de Arowakken Foedjie- 
balielie, d. w. z. Baas der gewone apen, Cebus capiicinus. 

Langs de zee- 
kust en in den 
omtrek van be- 
woonde plaatsen 
treft men G. A. 
even zeldzaam 
aan als in het 
binnenland. Hun 
vlucht is even 
krachtig als bij 
de voorgaande 
soort.hoewel men 

ze meestal in 
hooge boomen 
ziet zitten, loe- 
rende naar Apen, Luiaards, Powiezen enz. Op den grond 
wagen ze zich zelden of nooit. 

M. G. broedt gedurende den kleinen drogen tijd. Het nest 
van takken, twijgen enz. komt overeen met dat van Mycteria 
americana, en wordt ook in de hoogste boomen gebouwd. 
Volgens onze Indianen ziet men in de nesten steeds een of 
twee jongen. Onder de nestelplaatsen bevinden zich hoopen 
beenderen van allerlei dieren enz. 




Kop van Morphnus giitanensis. 



4IO 



FALCONID^. 



THRASAËTUS, GRAY. 

T. harpyia, \,. ^= L! Oicira ouassorc, Buff. =^ Morphnus h., 
Cab. in ScJiomb. Reis. = Astur //., ScJilegal, Mus. P. B. 

Ad. Bov.d. over het algemeen alsmede borstzijden zwart, de vederen der bov.d. 
min of meer grijs gevlekt ; kop en nek grijsachtig, kuif donkerder, maar de keel 
lichter van tint; staartp. met breede zwarte dwarsbanden, grijze bevlekking en 
vier grijze dwarsbanden; ond.d. van af de borst zuiver wit; dijen en dikwijls ook 
andere gedeelten v. h. vederkleed met smalle zwarte dwarsstrepen. Jong. Bov.d. 
aschgrijs met zwarte vlekken en vijf min of meer afgebroken dwarsbanden aan de 
middelste rectrices, maar zeer onduidelijk aan de overigen ; slagp. met zwartachtige 
vlekken ; kop, nek en ond.d. wit, de langere kuifvederen en borst aschgrijs getint. 
L. 86, vl. 53, st. 40, tars. 11.3, culm. 4.5, achterklauw 5.6. De wijfjes zijn 
grooter. L. 100, vl. 62, vleugelspanning 215, st. 47, tars. 12.5, culm. 5.5, achter- 
klauw 7.5. Geogr. dist. Tropisch Amerika, zuidwaarts tot Bolivia en Paraguay en 
noordwaarts tot het zuiden der Vereenigde Staten. Lok. dist. Oerwouden der 
geheele kolonie, uitgezonderd de kustzoom. 

De Harpij Arend-Buizerd of Harpij Arend, eng, Harpy 
Eagle, fr. Harpyie, behoort tot de allergrootste onzer roof- 
vogels en tevens tot de allerkrachtigste der geheele orde 
Raptores, de Lammergier der Alpen niet uitgezonderd. Voor 
den Condor doet hij in afmetingen onder, maar overtreft hem 
in kracht. 

H, A. B. onderscheiden zich door groote, dikke pooten, 
snavels, alsmede zeer formidabel uitziende klauwen. De tarsi 
zijn zoo dik als kinderarmen en van achter bedekt met groote 
platen, maar niet met de kleine schilden der eigenlijke Arenden. 
De middenteen meet ongeveer 8 c.M., de achterteen 4 c.M. 
en de gekromde klauwen er aan omstreeks 8 en 4 c.M. De 
kop is versierd met een groote kuif, die aan beide zijden 
uitsteekt en alzoo op hoorns gelijkt. De vleugels zijn krachtig, 
hoewel korter dan die der Arenden. 

De H. A. B. schijnt nergens tot de gewone roofvogels te 
behooren. In de kolonie staat hij bekend als Akka-granman, 
d. w. z. Gouverneur der roofvogels of ook wel als Gabian en 
Gongonie. De Caraïben noemen hem Potomekwano of gewoon- 
weg Kwano, de Arowakken Waliemedoe- en Haw-balielie, 



THRASAETUS. 



411 



d. w. z. Baas der Luiaards, Ardopithecus flaccidus en Cho- 
Icepus didactylus. 

Het jachtgebied van den Kwano is grooter dan dat van 
alle andere roofvogels. Op een drogen tak in een hoogen 
boom gezeten, beloert deze reuzenroofvogel zijne prooi die 
uit middelbaar groote zoogdieren en groote vogels bestaat. 
Vooral op Loiries schijnt 
het speciaal gemunt. Deze 
hulpelooze dieren, wier eeni- 
ge bescherming in hun pro- 
tectief gekleurde pels be- 
staat, kruipen onderaan de 
takken en zijn daardoor van 
boven gezien onzichtbaar 
onder gewone omstandig- 
heden. Maar het scherp oog 
van den roofvogel schijnt 
zelfs door het dichtste gebla- 
derte heen te dringen. Naar 
men zegt, voelen de Lui- 
aards als het ware de komst 
van hun aartsvijand en be- 
groeten hem, evenals de 
Apen, met een klagend ge- 
schrei, dat naar men beweert, 
zelfs het hart van den Jaguar 
zou vermurwen. 

Dikwijls bemachtigen H. 
A. B. eene prooi, b.v. een 
Zon-loirie, wel driemaal zoo groot als hun eigen lichaam, maar 
vliegen er toch mede de lucht in. 

De Macoeshie Indianen in Demerara verzekerden Schom- 
burgck dat Goeans, zooals zij de H. A. B. noemden, ook 
kinderen rooven ') (evenals de Europeesche Lammergier). Mij 
is slechts een geval van dezen aard uit Suriname bekend. 




Poot van Thrasai'ius harpyia. 



*) Schomb. Gwan. Reis. Vol. II, pag. 365. 



412 



FALCONID^, 



Het geval vond plaats aan de Marowyne. „Twee boschnegers 
arbeidden niet ver van de plaats, waar een eenjarig kind voor 
de deur eener hut rondkroop. Een Kwano, dit ziende en 
denkelijk denkende met een Kwatta, Ateles paniscus, te doen 
te hebben, daalde neder en droeg het kind weg. En hoewel 
men later er in slaagde den roofvogel te dooden, had deze 
toch reeds zijne prooi aan stukken verscheurd. Ook bij onze 
Indianen doen verhalen of legenden de ronde omtrent monster- 
achtige Arenden, die vroeger vrouwen en kinderen wegdroegen. 
Dat dit nu betrekking heeft op den H. A. B. is bijna zeker, 
hoewel het ook best mogelijk kan zijn dat de Condor soms 
onze hooge bergstreken een bezoek brengt. 

In Brazilië, zegt Goeldi, beschouwen de Indianen den afval 
der H. A. B. als geneesmiddel. 

T. H. broedt gedurende den kleinen drogen tijd. Het nest 
van takken en takjes wordt in de hoogste woudreuzen gebouwd 
en gelijkt veel op het nest van Mycteria americana. Het 
wordt jaren achtereen gebruikt en vergroot. Onder de nestel- 
plaatsen liggen tallooze beenderen van zoogdieren en vogels 
overal rondgestrooid. 

Volgens Dr. Oswald legt het wijfje 4 of 5 eieren, waarvan 
nooit meer dan twee uitbroeden ; de schalen zijn wit, maar 
gevlekt en overtogen met geelachtig bruin ; de grootte zou 
overeenkomen met een gewoon hoenderei, maar de zwaarte 
meer bedragen. 

Evenals Maj. Bendire geloof ik, dat het bovenstaande op 
eene vergissing berust. Waarom toch zou de allergrootste 
onzer roofvogels zulke abnormaal kleine eieren leggen? En 
waarom zou een legsel 4 of 5 eieren bevatten, terwijl al onze 
andere roofvogels slechts een ei en zelden twee eieren leggen ? 

Volgens onze Indianen en andere woudloopers ziet men in 
de nesten der H. A. B. nimmer meer dan een of twee jongen. 



ARENDACHTIGEN. 



413 



Subfam. der AQUILIN^. 

ARENDACHTIGEN. 

„Gelijk te voren aangehaald, onderscheiden de Arendachtigen 
zich van de Buizerdachtigen door hunne tarsi, die van achter 
met een netwerk van scutellse bedekt zijn. Overigens komen 
de pooten van beide met elkander overeen ; de tibia is nl. opmer- 
kelijk langer dan de tarsus, die er daardoor kort en dik uitziet. 

Genera. 

A. Tarsus tot aan de teenen bevederd. 

„Tarsus minder dan 9 c.M. ; vederkleed bij ad. bijna geheel 
wit aan de ond.d. 

SPIZASTUR, GRAY. 



„Tarsus 9 c.M. of meer; vederkleed bij ad. bijna zonder wit 
aan de ond.d. 

SPIZAËTUS, VIEILL. 



B, Tarsus niet tot aan de teenen bevederd. 

a. Vleugels naar verhouding kort; vederen aan den achterkop dicht en 
lang; oogomtrek zwart. 

. . HERPETOTHERES, VIEILL. 

b. Vleugels naar verhouding lang en spits; achterkop zonder kuif; oog- 
omtrek niet, of met slechts weinig zwart. 

* „Staart zeer opmerkelijk gevorkt; vleugel langer dan 38 c.M.; staart 
langer dan 30 c.M. 

.... ELANOIDES, VIEILL. 

* Staart minder opmerkelijk of in het geheel niet gevorkt; vleugel 
minder dan 38 c.M.; staart minder dan 30 c.M. 

§ Vleugel meer dan 20 c.M. 

I. Culmen langer dan 2.5 c.M. 

„Snavelbasis dunj staart een weinig gevorkt. 

.... ROSTRHAMUS, LESS. 



414 FALCONID^. 

„Snavelbasis dikker; staart min of meer rond. 

.... LEPTODON, SUNDEV. 

2. Culmen minder dan 2.5 c.M. 

ELANUS, SAVIGN. 

. CAMPSONYX, VIG. 



§ Vleugel minder dan 20 c.M. 



species. 

SPIZIASTUR, GRAY. 

S. melanoleucus, \\e\\\.=Spizaëhcs7n.,Schlegal, Mus.P. B. 

Ad. Bov.d. zwartachtig, donkerder tusschen de schouders en aan de vl.dekv. ; 
slagp. donkerbruin met smalle, geelachtige tippen en zwartachtig bruine dwars- 
vlekken; buitenvlag der slagp. v. d. isten rang grijsachtig getint; binnenste slagp. 
iets lichter van kleur dan de rug; dekv. bov. d. st. lichtbruin met onduidelijke 
witachtig bruine zoomen; staart grijsbruin met smalle, geelachtige tippen en vier 
zwartachtige dwarsbanden, waarvan die nabij het uiteinde het breedst; kop, nek 
en ond.d. zuiver wit met enkele zwarte vlekken aan achterkop en kuif; dekv. ond. 
d. vl. en ond. d. st. wit; snavel zwartachtig; washuid en pooten geel. L. 53, 
vl. 38, st. 23, tars. 7.3. De wijfjes zijn grooter: vl. 41.5. Geogr. dist. Centr. en 
Z. -Amerika. Lok. dist. De oerwouden. 

„Witbuik Arend-Buizerds, eng. White-bellied Buzzards, fr. 
Autours-pattus a ventre blanc, onderscheiden zich door nogal 
korte vleugels, min of meer verlengde staarten, alsmede tot 
aan de teenen bevederde pooten; de teenen zijn zeer lang. 
maar de kuif is nogal kort. 

De W. A. B. staat in de kolonie bekend als Biegie Wittie- 
bere Akka, d. \v. z. Groote roofvogel met witten buik, bij 
de Caraïben als Toehoe-toehoe en bij de Arowakken evenals 
de volgende soort. 

„Vooral in oerwouden treft men W. A. B, nogal dikwijls 
aan, gewoonlijk onbeweeglijk op een tak in een hoogen boom 
zittende, om van daar op hun prooi, bestaande uit kleine 
zoogdieren, vogels en reptielen, neer te schieten. Hun vlucht 



SPIZAËTUS. 4 1 5 



is nogal zwak ; zelden zweven ze dan ook boven hunne jacht- 
terreinen rond. 

Over de voortteHng der W. A. B. is mij niets bekend; 
alleen zouden ze volgens onze Indianen hunne groote nesten 
van takjes, twijgen enz. in hooge woudreuzen bouwen. 



SPIZAËTUS, VIEILL. 

S. ornatus, Daub. = id., Schlegal, Mies. P. B. = S. tyran- 
71US Neuzüïed. 

Ad. Bov.d. zwart met een drie duim lange kuif aan den achterkop; schouder- 
vederen en binnenste slagp. bruin met zwartachtige dwarsstrepen ; slagp. bruin 
met smalle, witachtige bruine tippen en zwartachtige dwarsstrepen, onduidelijker 
aan de slagp. v. d. 2'ien rang; onderzijde v. d. vl. grijsachtig wit met duidelijke 
zwartachtige dwarsvlekken aan de slagp. v. d. i^ten rang, maar onduidelijk aan 
die V. d. aden rang; staartp. bruin met 5 zwartachtige dwarsbanden van gelijke 
breedte; oorvederen, nekzijden en achternek helder taanachtig roodbruin met een 
zwarte lijn onder de oogen; keel zuiver wit; overige ond.d. wit, borstzijden helder 
taanachtig roodbruin met enkele zwarte strepen; onderborst en buik met talrijke 
zwarte dwarsstrepen, die aan de dijen en het bevederd gedeelte der tarsi smaller 
uitzien dan aan de dekv. ond. d. st.; dekv. ond. d. vl. wit met zwarte vlekken; 
snavel zwartocbtig ; washuid vuil geelachtig; iris oranjebruin of geel; teenen geel. 
Jong. Bov.d. en ond.d. zwart, vl.dekv. een weinig bruiner; vederen aan de tarsi, 
dekv. ond. d. vl. en ond. d. st. met enkele witte vlekken of strepen ; slagp. donker- 
bruin, buitenvlag aschgrijs getint en met zwarte banden; onderzijde der vleugels 
zwartachtig bruin met drie onregelmatige aschgrijze banden; dekv. bov. d. st. 
zwart met enkele witte vlekken en tippen ; staartp. zwart met 3 of 4 grijsbruine, 
dwarsbanden. L. 60, vl. 34, st. 27.5, tars. 9, culm. 5. De wijfjes zijn grooter: 
vl. 41. Geogr. dist. Centr. en Z.-Amerika. Lok. dist. Wouden der geheele kolonie. 

„De Gevlekte of Zwarte Arend-Buizerd, eng. Spotted Crowned 
Buzzard or Eagle, fr. Autour-pattu tacheté, bezit evenals de 
voorgaande soort, tot aan de teenen bevederde pooten. Een 
groote, spits uitloopende, van onder witte kuif versiert den 
achterkop. De vleugels zijn nogal kort, maar de staart daaren- 
tegen lang. Het vederkleed varieert ten zeerste in kleur, van 
af bruingevlekt tot bijna zwart. (Zie S. tyrannus) 

In dekolonie staan G. A. B. bekend als Biegie pinnie- of 



4i6 



FALCONIDxE. 




Kop van S/>izaefus onia/i/s. 



Blakka Akka, d. w. z. Groote gevlokte of Zwarte roofvogels, 
bij de Caraïben als Pioekoe en bij de Arowakken als Maroedie- 
balielie, d. w. z. Baas der IMaraïs, Pcnelope. 

Men treft den G. A. B. 
vooral aan binnen het 
terrein der mangroven 
en de hoogere alluviale 
terreinen. Zijn vlucht is 
zwak, zoodat hij zelden 
in de lucht rondzweeft, 
maar de voorkeur geeft 
aan lage takken in dicht- 

gebladerde boomen. 
Daar zit hij dan onbe- 
weeglijk, loerende naar 
prooi, die vooral uit vogels bestaat, zooals Wakagos, IMaraïs 
enz., hoewel ook slangen, padden of hoenderkuikens niet ver- 
smaad worden. Zijn schuwheid schijnt niet groot, zoodat men 
hem meermalen tot op korten afstand kan naderen. Opge- 
schrikt, klinkt zijn alarmkreet als een scherp 
en doordringend „kie-kie-kie". 

Over de voortteling der G. A. B. is mij 
weinig bekend. Een wijfje in het zwarte 
vederkleed, geschoten in Nov., had een 
\JBWM nogal ontwikkelden eierstok. Volgens onze 

Indianen wordt het groote nest van takjes, 
twijgen enz. in de hoogste boomen gebouwd. 

S. tyrannus, Neuwied. 

{. Ad. Over het algemeen geheel zwart; basis der kuif- 

vederen wit ; dijen met smalle, witte dwarsstrepen. 

-^^. „Volgens vele natuurkundigen behoort 

de Zwarte Arend-Buizerd niet tot eene 

afzonderlijke soort, maar zou slechts een 

Poot van phase van de voorgaande specie zijn. Men 

spizaetus tyrannus trcft dau ook alle ovcrgangcn van het 




HERPETOTHERES. 



417 



bruingevlekte tot het zwarte vederkleed aan. Toch kan niet 
ontkend worden dat vele individuen nimmer hun eerste veder- 
kleed afleggen, en heb ik verscheidene paren gezien waarbij 
het mannetje of het wijfje zwart was of bruingevlekt. 



HERPETOTHERES, VIBILL. 

H. cachinnans, L. = id., Cab. in Schomb. Reis. = Astur 
e., Schlcgal, lihis. P. B. 

Ad. Bov.d. bruin, de vederen met eenigszins lichter gekleurde zoomen ; onderste 
dekv. bov. d. st. roomgeel ; bovenkop en kuif geelachtig wit, de vederen met 
smalle bruine schachtstrepen ; vederen om de oogen, achtergedeelte der kaken, 
oorvederen en een breeden band om den achternek zwart; een vlek onder de 
oogen, voorgedeelte der kaken, nekzijden, een band om den achternek en ond.d. 
geelachtig wit; vl.dekv. als de rug; slagp. bruin, de basis roomgeel overgaande in 
roodbruin en met zwarte dwarsvlekken ; basis der binnenste slagp. v. d. isten rang 
roomgeel aan de buitenvlag, een duidelijke plek aan den vleugel vormende ; staart 
met donkerbruine en roomgele banden, uitgezonderd de buitenste paar rectrices, 
die geheel roomgeel zijn met zeer smalle dwarsstrepen ; snavel zwart; washuid 
oranje of geel ; iris bruin; pooten geel. yö;z^. Ongeveer als ad., maar met duidelijke 
zoomen aan de vederen der bov.d.; ond.d. en vooral dekv. ond. d. vl. en oksel- 
vederen okergeel getint ; roodbruin gedeelte der slagp. grooter ; staartbanden oker- 
geel getint. L. 42, vl. 26, st. 22, tars. 5, culm. 3.2. De wijfjes zijn grooter: 
vl. 28.5. Geogr. dist. Centr. en Z.-Amerika. Lok. dist. Vooral de lagere streken. 

„Lachhaviken, eng. Laughing Falcons, fr. Autours a ventre 
blanc, zijn onmiskenbare, krachtig gebouwde vogels met bruine 
ruggen, witgevlekte schouders, groote ronde kuiven van rechte 
vederen, witte ond.d. en groote zwarte plekken om de oogen, 
waardoor ze wel eenige gelijkenis vertoonen met jonge Krabben- 
uilen, Pulsatrix. Aan den krachtigen snavel ontbreekt de 
typische tand, maar de tip is sterk gehoekt. De vleugels zijn 
nogal kort, de min of meer bevederde dikke tarsi met kleine 
schilden bedekt. 

In de kolonie heeten L. Alin-akka, d. w. z. Regen-roof- 
vogel of wel als Ma-a-ko, bij de Caraïben Kowalotowma of 
Makawo en bij de Arov/akken Malarowa of Hoelie-balielie, 
d. w. z. Baas der slangen. 

27 



4i8 



FALCONID^. 



Vooral op zwampachtige plaatsen treft men den L. dikwijls 
aan ; en dat meestal op lage takken van woudreuzen of in het 
struikgewas. Zijn hoofdvoedsel bestaat uit slangen, vooral de 
kleine soorten, zooals de Krawasie-slang, Dromicus lineatus. 
Ik vond eens in de maag van een Mako vier, ongeveer 40 c.M, 
lange, slangetjes, die in hun geheel waren opgeslokt. Zelfs de 
vergiftigste species, zooals Tr'igonocephahis, Lachesis, Crotahis 

enz. zijn niet veilig. Met de pooten 
pakt de L. zijne prooi aan en ver- 
scheurt haar met den snavel. 

De vlucht van L. is nogal zwak, 
doch geschiedt meermalen laag 
langs den grond of over het struik- 
gewas heen en weder. Soms dalen 
ze ook wel tot den grond af en 
loopen er nogal vlug rond. 

Hun geluid behoort tot de eigen- 
aardigste roofvogelgeluiden, die 
men in onze wouden hoort. Een 
luid, helder „ma-a-ko", een of 
tweemaal herhaald, wordt gevolgd 
door een snel en daverend „ko- 
ko-ko-ko". Daarbij buigt de vogel 
den kop naar omlaag, richt de 
kuif op, terwijl het lichaam met 
elke „ko" een schok ondervindt. 
Te verwonderen is dit evenwel 
niet als men in aanmerking neemt dat de geluiden wel een 
mijl ver hoorbaar zijn en dan wel wat klinken als schor gelach. 
Volgens onze bevolking voorspelt de IMako steeds regen, 
omdat hij bij donker weder het luidruchtigst is. Ook des nachts 
kan men hem hooren, maar of hij dan naar prooi rondzwerft 
is vrij onzeker. 

H. C. broedt gedurende het kleine droge seizoen. Het nest 
van takjes, twijgen enz. wordt zoowel in hooge als lage boomen 
gebouwd. Volgens onze Indianen ziet men in de nesten steeds 
een of twee jongen. 




Ilcrpcthoftrcs cat Jtiiinaus. 



ELANOIDES. 419 



BLANOIDES, VIEILL. 

E. furcatus, L. = id., Schlegal, Mus. P. B. — Nauclenis 
f., Cab. in Schomb. Reis. 

Ad. Kop, nek en ond.d. met inbegrip der dekv. ond. d. vl. en basishelft der 
slagp. V. d. 2den rang aan de onderzijde, en een breede band over de stuit 
zuiver wit; rug, vleugels en staart glanzend zwartachtig; binnenste slagp. wit 
met zwartachtige tippen; rug, schouders en mindere vl.dekv. met een donker 
bronsachtigen, zijdeachtigen purperglans ; overige zwarte gedeelten van het veder- 
kleed met een glansloos, kalkachtig waas overtogen ; snavel zwartachtig ; iris bruin- 
rood. /o«^. Kop en nek met smalle zwartachtige strepen; het zwart aan rug enz. 
minder glanzend, meer bruinachtig en met een groenachtigen in plaats van purper- 
kleurigen glans; slagp., staartp. en dekv. der slagp. v. d. i^ten rang met smalle 
witte uiteinden. L. 50, vl. 39, st. 32, gevorkt voor ongeveer 8, tars. 2.5, culm. 1.7. 
De wijfjes zijn grooter: vl. 44. Geogr. dist. Zom. N.-Amerika. Wint. Centr. en 
Z.-Amerika; ook waargenomen in Europa. 

„Zwaluwstaart-Kiekendieven, eng. Swallow-taüed Kites or 
Scissor-tailed Kites, fr. Milans-hirondelles, kunnen dadelijk van 
alle andere roofvogels onderscheiden worden door hun uiterst 
lange, gebogen, spitse vleugels, diep gevorkte staarten, alsmede 
karakteristieke kleuring. De tarsi zijn dik, kort, met schildjes 
bedekt en min of meer bevederd. 

In de kolonie staat de Z. K. bekend als Sesee-akka, d. w. z. 
Schaar-roof vogels of hever Roofvogels met staarten als scharen, 
bij de Caraïben als Kamalako of Salape en bij de Arowakken 
als Haimaleroe, Bajawja of Samalia-baheUe, d. w. z. Baas der 
zwaluwen. Ze gelden als het zinnebeeld van dolheid. 

Het talrijkst treft men Z. K. aan gedurende de regensei- 
zoenen in de hoogere streken en droge savannes. Maar met 
het droge seizoen dalen alle af, uit gebrek aan voedsel naar 
de lagere alluviale gronden tot binnen het terrein der man- 
groven. Toch zouden Z. K., volgens Sharpe, tot de trekvogels 
behooren, hetgeen evenwel gedeeltelijk onjuist is. Wel trekken 
individuen uit de noordelijke streken met den winter zuid- 
waarts, misschien zelfs tot in de kolonie, maar Z. K. treft 
men ten allen tijde hier aan. Volgens Lloyd Price zouden ze 



420 



FALCONIDiE. 



zelfs in Demerara nestelen, ') hoewel hij ten onrechte de twee 
eieren als glanzend wit beschrijft. 

De Z, K. leeft eenzaam, bij paren of kleine troepen van 4 tot 
12 individuen. In de vlucht gelijkt hij veel op een overgroote 
zwaluw, sierlijk in S-vormige kringen rondvliegende, terwijl 
de lange buitenste staartpennen als de bladen 
van een schaar open en dicht gaan. Zelden of 
nooit rust hij op boomen. Eten, drinken enz., — — ^A 

alles geschiedt in de vlucht. 

Van nature treklustig, dwalen 
Z. K. dikwijls een geheelen dag 
op eene plaats rond, om weken 
daarna niet weer gezien te wor- 
den. Tot in de stad Paramaribo 
treft men ze meermalen aan, laag 
over de daken der huizen heen- 
vliegende. 

Volgens Quelch bestaat het 
voedsel van Z. K. uit insecten 
en zaden. De gevleugelde wijfjes 
der Parasolmieren, groote motten, 
sprinkhanen, de larven van ver- 
scheidene species Hymenoptera, 
denkelijk uit de nesten geroofd, 
maken te zamen met de zaden 
van vogelranken (Loranthus) en 

andere planten, den inhoud uit der op verschillende tijden 
onderzochte magen ^) dezer roofvogels. 

Ik moet echter bekennen, in de door mij in Suriname 
onderzochte magen van Z. K., behalve insecten en overblijfsels 
van kruipende dieren, slechts vogeltjes te hebben aangetroffen. 
Een maag bevatte twee bijna volwassen Tanagers, Tanagra, 
alsmede de overblijfsels van een Okerparkiet, Psittacula en 
andere. De jonge Tanagers waren in hun geheel opgeslokt ; 




Staarten snavel van Elanoides furcafiis. 



') ïimehri, 1891, p. 67. 

') Timehri, vol. VI, June 1892, p. n6. 



ELANOIDES. 



421 



tevens verklaarde de verzamelaar dat hij dien Z. K. denzelfden 
morgen omstreeks acht uur (de vogel werd des namiddags 
drie uur geschoten) een Zwaluw had zien bemachtigen. 

Bij het zoeken naar voedsel zweven Z. K. nu eens laag, 
dan weder hoog van den grond af, over hunne jachtterreinen 
heen en weder, om eensklaps met half gesloten vleugels als 
de pijl uit een boog op hunne prooi neer te schieten, haar 
met de korte pooten aan te grijpen, en weder de lucht 
in te vliegen. Daar wordt het slachtoffer verscheurd en in 
groote brokken opgeslokt. Het vederkleed aan de onderdeden 
van den Sesee-akka geraakt daardoor meermalen met bloed 
bespat; het wit krijgt een geelachtige tint, vooral de vederen 
aan den buik. 

Eenzaam rondvliegende Z. K. zijn zeer moeielijk door jagers 
te bemachtigen. Niet zoo met de individuen van een troep, 
want evenals enkele Papegaaien en andere species, vliegen 
Sesee-akka's in cirkels om hun gevallen makkers rond, onder 
het uiten van klagende, maar schrille geluiden, om dikwijls 
tot op de lichamen der gevallenen neder te dalen, als trachten 
ze die te verwijderen. 

E. F. broedt in N.-Amerika gedurende April, en terzelfder 
tijd in de Guiana's. Het komvormige, uit takjes, twijgen, mos 
enz. samengestelde nest, wordt in hooge boomen gebouwd en 
meet ongeveer 45 c.M. in doorsnede. Het wijfje legt i, 2, 
zelden 3 witte, groenachtig witte, of geelachtig witte, vooral 
om het stompe end der schaal met bruin van verschillende 
tinten gevlekte en besmeerde eieren. M. A/m. 46.5 X 36-5 m.M. 

De exemplaren varieeren uitermate. 

De broedende vogels zijn zeer venijnig en verlaten, eenmaal 
van hune eieren of jongen beroofd, het nest om er niet weder 
terug te keeren. 



422 



FALCONID^. 



ROSTRHAMUS, LESS. 

R. sociabilis. Vieill. = R. /ia?naüts, Cab. in Schovib. Reis. 
= Ichyter s., Schlegal, Mus. P. B. 

Ad. Donker leikleurig; dekv. ond. d. st., langere dekv. bov. d. st. en staarl- 
basis wit; tippen der rectrices witachtig; snavel zwart; washuid en pooten oranje- 
rood; iris karmozijnrood. Jotig. Bov.d. donkerbruin, de randen der vederen geel- 
achtig of roodbruin; kop, nek en ond.d. geelachtig of okergeel met zwarte en 
zwartbruine lengte- en dwarsvlekken ; staart ongeveer als bij ad. ; washuid en 
pooten geelachtig; iris bruin. L. 36, vl. 30, vleugelspanning 100, st. 15, tars. 5, 
culm. 2.6. De wijfjes zijn grooter: vl. 34. Geogr. dist. Tropisch Amerika noord- 
^^•aarts tot Florida. Lok. dist. Vooral de lagere streken. 

„Bij den Mossel-havik, eng. Everglade Kite, is de staart 
slechts weinig gevorkt, maar de bovensnavel is lang, dun, ge- 
kromd en zeer spits; ook de pooten zijn slank, de klauwen 
lang en scherp, terwijl overdwarse schilden den van voren 

min of meer bevederden tarsus 
bedekken ; de kopzijden zijn 
naakt tot onder de oogen. 
„In de kolonie heet de M. 
_ Greisie, Srapoe-mofo of Pakro- 

^^^^ÊÊjÊt^ akka, d. * w. z. Grijze, Scherp- 

^^^^Hf snavelige of Mossel-roofvogel. 

WKÊÊÊÊÊF De Indianen kennen hem als 

Snavel, eerste slagpen Sieto, dc Caraïben ook wel als 

en poot van Rosfrha- a . 1 ia 11 1 

nu,s sociabilis. Awataloc en de Arowakken als 

Kiewe-balielie, d. w. z. Baas 
der mosselen. 

In het noorden van hun gebied behooren M. tot de trek- 
vogels, die omstreeks Februari in Florida aankomen. In Suri- 
name treft men ze ten allen tijde, vooral op zwampachtige 
plaatsen aan. En dat gewoonlijk bij dag, eenzaam of in kleine 
troepen, maar tegen den vooravond op bepaalde plaatsen in 
groote vluchten van honderden individuen, zoowel jongen als 
ouden, die alle alvorens neer te dalen aan den oever, zeer laag 
over de wateroppervlakte heen en weder vliegen, alsof ze 
insecten vangen. Dikwijls plassen ze ook met vleugels en 




ROSTHRAMUS. 423 

Staart in het water, vergezeld van een eigenaardig gillend 
geluid, om, opgeschrikt, heen en weder te vliegen, maar zich 
niet te verwijderen. 

„Gelijk te voren aangehaald, staan M. in Suriname bekend 
Pakro-akka ; men heeft gestreepte, grijze, zwarte, omdat jonge 
individuen geheel van ouden verschillen en zelfs eene andere 
soort schijnen. 

Het woord „pakro" beteekent „mossel" en duidt het hoofd- 
voedsel der M. aan, niet alleen hier, maar ook zoover het 
gebied der Pakro-akkas zich uitstrekt. Ze vergaren die mos- 
selen, vooral Avipiillaria glauca, meermalen door onder water 
te duiken, gewoonlijk echter, evenals de Arami, op afgebrande 
zwampen, overstroomde, ondiepe savannes enz. Daar ziet men 
dikwijls dag aan dag, weken achtereen een M. op eene 
bepaalde plaats, bv. een boomstronk zitten, waar omheen de 
schalen der gedoode mosselen zich gaandeweg ophoopen. En 
die schalen zijn onbeschadigd, want ten einde er de mossel 
uit te trekken, houdt de Pakro-akka de schaal met de klauwen 
vast en steekt dan zijn spitsen snavel naar binnen, hoewel de 
Kraukrau met zijn stompen snavel dit ook doet. 

Raakt het voedsel op eene plaats op, dan trekken M. naar 
elders. Dit is dan ook de reden waarom deze roofvogels gedu- 
rende het droge seizoen talrijker in de lagere streken voorkomen. 

In den regel zijn M. altijd zeer vet. Het vleesch wordt 
zoowel hier als in Demerara en Cayenne gegeten en zou 
goed smaken. 

R. S. broedt in de Everglades van Florida en ook in 
Suriname, gedurende Maart. Het schotelvormige, ongeveer 
30 C.M. in doorsnede en 8 c.M. in diepte metende nest van 
takjes, twijgen, gras enz., wordt nogal laag bij den grond 
gebouwd. De i, 2 of zelden 3 eieren varieeren van af licht 
glanzend ovaal tot elliptisch, donker bevlekt, besmeerd en 
©vertogen met bruin van verschillende tinten op een lichten, 
dikwijls blauwachtig witten ondergrond. Af. A/m. 45 X 3Ö-5 m.M. 



424 



FALCONID^. 



R. leucopygus, Spix. = Icbytcr /., Schlegal, Mus. P. B. 

Ad. Ongeveer als de voorgaande soort, maar de kleur der bov.d. donkerder 
leizwart met een bruine tint en liet wit bov. en ond. d. st. zuiverder. Jong. Als 
de voorgaande soort. L. 45, vl. 34, st. 18, tars. 5.5, culm. 2.8. Geogr. dist. 
Brazilië, het dalgebicd der Amazone, de Guiana's en Colombia. Lok. dist. Als de 
voorgaande soort. 

„Het is vrij onzeker of de Leizwarte Mossel-havik tot een 
afzonderlijke soort behoort. Naar de meening van Quelch en 
ook van mij is het vederkleed der individuen door Sharpe 
aangehaald in den Cat. of Birds in Br. Mus. niets anders dan 
een stadium in den overgang van het bruinzwarte naar het 
leikleurige vederkleed. Zeer oude, maar naar verhouding nogal 
zeldzaam voorkomende individuen, hebben zelfs eene hcht 
blauwgrijze kleur. Ook de afmeting kan niet als maatstaf 
genomen worden, daar de mannetjes kleiner zijn dan de wijfjes 
en de exemplaren in de collectie van het Engelsche Museum 
meerendeels zonder seksen zijn aangegeven. 

Volgens onze inlandsche jagers en Indianen treft men beide 
z.g. soorten in een troep aan. 



LEPTODON, SUNDEV. 

L. uncinatus, Temm. = Rcgerhitms ?/., Cab. in Schomb. 
Reis. = Cymidis u., Schlegal, Mits. P. B. 

„Het is bijna onmogelijk eene afdoende beschrijving van deze soort te geven 
daar de individuen te veel van elkander verschillen en de vederen gestadig aan 
kleurverandering onderhevig zijn, evenals bij de Europeesche Pernis. Over het 
algemeen zijn jonge vogels bruin met roodachtig bruine of geelachtige randen aan 
vele der vederen ; vleugels en staart dwars gestreept met laatstgenoemde kleuren ; 
kop donkerbruin ; band om den nek en ond.d. wit met min of meer bruine of 
roodbruine vlekken of dwarsstiepen. Gaandeweg veranderen al de bovengenoemde 
kleuren, worden al donkerder en donkerder en dan lichter en lichter van tint. 
Het bruin wordt eerst bijna zwart en dan grijs of leiblauw, vooral aan kop en 
nek; de nekband verandert in zuiver wit en gaat dan over in grijs, dan in donker 
roodachtig of geelachtig bruin om ten laatste geheel te verdwijnen; gaandeweg 
verminderen tevens de dwarsstrepen of vlekken aan den vleugel en worden 



LEPTODON. 



425 



onduidelijker, die aan den staart gaan langzamerhand over in twee zwarte en twee 
leigrijze banden ; de ond.d. veranderen van wit tot geelachtig, dan roodbruin of 
kastanjebruin, min of meer gevlekt en dwars gestreept, om ten slotte in onregel- 
matige blauwgrijze of witte dwarsstrepen over te gaan. Individuen in het volkomen 
kleed zien er blauwgrijs uit met witte dwarsstrepen aan de ond.d. en twee witte 
banden, alsmede witte tippen aan de staartp. L. 40, vl. 27.5, st. 14, tars. 3.5, 
culm. 4. De wijfjes zijn grooter: vl. 29.5. Geoqr. dist. Centr, Amerika tot de 
Guiana's, Venezuela, het dalgebied der Amazone, Brazilië en Bolivia. Lok. dist. 
Woudrijke streken. 

„De Tandsnavel-Kiekendief, eng, Tooth-billed Kite, fr. 
Bondrée d'Amérique, onderscheidt zich, evenals de volgende 
soort, door bijna onbevederde plekken voor de oogen ; de 
snavel is min of meer verlengd en gekromd ; de neusgaten 
zien er lijnvormig uit, terwijl kleine hexagonale schilden den 
tarsus bedekken, uitgezonderd een rij grootere schilden van 
voren en het bevederd gedeelte dat meer dan de helft van 
den geheelen poot bedraagt; de teenen zijn min of meer kort 
en van lange, dunne, scherpe klauwen voorzien ; de staart ziet 
er eenigszins rond uit. Tevens is de hoek aan den boven- 
snavel sterk ontwikkeld, maar de snavelbasis is naar verhouding 
dikker als bij het voorgaande geslacht. 

T. K. komen langs de kust zelden voor, maar wel in de 
wouden binnen en achter de mangrove terreinen. Hun vlucht 
is krachtig en snel, hoewel ze meestal op lage boomen zitten, 
loerende naar vogeltjes, reptielen en insecten. In de kolonie 
kent men den T. K. al naar gelang van het vederkleed als 
Strippie- of Greisie-akka, d. w. z. Gestreepte of Grijze roof- 
vogels en bij de Indianen ook wel als Moriera. 

Over de voortteling is mij niets bekend. Volgens Schom- 
burgck zouden T. K. hunne nesten in hooge, onbeklimbare 
boomen bouwen. 

L. cayennensis, Gm. = Petit Autour de Cayenne, Buff. = 
Regerhinus c, Cab. in Schomb. Reis. = Cymidis c, Schlegal, 
Mus. P. B. 

„Evenals bij de voorgaande soort is ook het vederkleed van L. C. aan vele 
kleurveranderingen onderhevig. 

Ad, Bov.d. over het algemeen groenachtig zwart, overgaande in grijs aan den 



426 



FALCONID^. 



kop; ond.d. wit, evenals drie dwarsbanden en tippen aan de staartp. Andere 
individuen hebben bruine bov.d. en witachtige ond.d. met bruine lengtestrepen, 
alsook een roodbruinen halsband; pooten, iris en washuid oranjegeel. /ö«^. Vleugels, 
mantel, staart en strepen aan den achternek donkerder brum, de vederen met 
roodbruine randen ; overig vederkleed over het algemeen witachtig. Zeer jonge 
individuen hebben bruine bovenkoppen en bruine banden aan de ond.d. of ook 
wel zwartachtige, wolkachtige vlekken. L. 45, vl. 33, st. 22.6, tars. 4, culm. 4. 
De wijfjes zijn grooter : vl. 36.5. Geogr. dist. Centr. Amerika tot de Guiana's, 
het dalgebied der Amazone en Brazilië. 

„De Groote Tandsnavel-Kiekendief, eng. Large Tooth-billed 
Kite, fr. Bondrée de Cayenne, heeft een minder opmerkelijk 
gehoekten snavel, maar aan de kromming bevindt zich een 
vooruitstekend stuk, dat een kleinen, breeden tand vormt; de 
staart is nogal verlengd. 

In de kolonie staan G. T. K. bekend als Witbere-akka, 
d. w. z. Roofvogel met witten buik, en bij de Indianen als 
]\Ioriera. Hun levenswijze enz. komt geheel overeen met de 
voorgaande soort. Over hun voortteling is mij niets bekend. 



ELANUS, SAVIGN. 

E. leucurus, Vieill. = id., Cab. in ScJionib. Reis. = id., 
Schlegal, Mus. P. B. 

Ad. Bov.d. licht blauwachtig grijs, overgaande in wit aan kop en staart; een 
groote zwarte plek omstreeks de kleinere vl.dekv. ; ond.d. zuiver wit met een 
zwarte vlek voor en gedeeltelijk om de oogen. Jong. Ongeveer hetzelfde, maar 
met een roestbruin tintje en onduidelijke zwartachtige strepen aan de bov.d.; 
vleugelvederen met smalle witte tippen ; staart met een zwartachtigen, onduidelijken 
band nabij het uiteinde; borst overtogen of onduidelijk gevlekt en gestreept met 
een geelachtige roeslkleur. L. 36, vl. 28, st. 14.8, tars. 3, culm. 1.6. De wijfjes 
zijn grooter: vl. 33. Geogr. dist. Tropisch Amerika, uitgezonderd de West-Ind. 
Eilanden, noordwaarts tot het zuiden der Veieenigde Staten. Lok. dist. Vooral de 
lagere streken. 

„Wit-staart-Kiekendieven, eng. White-tailed Hawks or Kites, 
fr. Faux-Milans a queue blanche, hebben geen sterk gevorkte 
staarten; de pooten zijn klein en dun, maar de klauwen 



ELANUS. 



427 



daarentegen sterk gekromd en scherp, terwijl zeer kleine schil- 
den den tarsus bijna geheel bedekken. De punt van den 
bovensnavel ziet er scherp en spits uit. 

De W, K. behoort in het noorden van zijn gebied tot de 
trekvogels. In levenswijze komt hij nogal overeen met den 
Zwaluwstaart-Kiekendief, maar hij rust meer op hooge boomen. 
In de kolonie staat de W. K. bekend als Shatoetere Sesee- 
akka, d. w. z. Kortstaart vSchaarroofvogels, en bij de Indianen 
als Marawiea of bij de Arowakken ook wel als Balielie-balielie, 
d. w. z. Baas der bazen. 

De voornaamste jachtterreinen der W. K. zijn open savannes 
en begroeide zwampen. Daar vliegen ze sierlijk in golvende 
kringen heen en weder om eensklaps bliksemsnel op eene prooi, 
hetzij vogel of slang, neder te schieten. Hun vlucht is nog 
krachtiger dan van den Seseeakka en evenals dezen, schijnen 
ze dikwijls met den kop naar den wind gekeerd in de lucht 
te drijven, hoewel nimmer bij troepen. 

De W. K. is zeer woest van natuur en zou zelfs den grootsten 
roofvogel vrees inboezemen, hetgeen niet geheel bezijden de 
waarheid is, want dikwijls gaat zijn vlucht gepaard aan een 
grievend, van den grond af nogal duidelijk hoorbaar geluid. 

E. L. broedt in N. -Amerika van af Maart tot Mei. Het 
losse, schotelvormige uit takjes, twijgen, mos enz. samengestelde 
nest wordt in de hoogste boomen gebouwd. Het wijfje legt 4 
tot 6 glanslooze, breed ovale, dikwijls bijna bolronde, witachtige 
of licht roomkleurige met donker roodachtig bruin gevlekte 
en besmeerde eieren. M. A/m. 43 X 32-5 m.M. (Ridgw.) 

De exemiplaren varieeren nogal. Het is mij niet gelukt in 
Suriname iets omtrent de voortteling der W. K. te weten te 
komen, maar denkelijk broeden ze gedurende het kleine droge 
seizoen en legt het wijfje i of 2, maar geen 4 tot 6 eieren. 



428 



FALCONID^. 



CAMPSONYX, VIG 



C. s\vainsoni, Vig. = id., Cab. in ScJiomb. Reis. = Elanus 
s., Schlegal, ]\his. P. B. 

Ad. Bov.d. loodgrijs, slagp. zwartachtig, die v. d. 2c'<"" rang met breede witte 
tippen; staartp. van boven loodachtig zwart, van onder lichter getint en min of 
meer witachtig aan de binnenvlag; voorkop en kopzijden saffraangeel; nekzijden 
en een band om den achternek wit, daarachter, tusschen de schouders een min of 
meer duidelijke wijnroode plek; ond.d. geheel wit met een loodzwarte plek aan 
elk der borstzijden van boven ; dijen licht roodbruin evenals de binnenste dekv. 
ond. d. vl. ; overige vl.dekv. en binnenzijde der slagp. wit; snavel zwartachtig; 
pooten geel; nagels zwart. L. 20, vl. 14.5, st. 10, tars. 2.9, culm. i.~. De wijfjes 
zijn grooter: vl. 17.5. Geogr. dist. Centr. Amerika van af Nicaragua zuidwaarts 
tot de Guiana's en Brazilië. Lok. dist. Vooral de hoogere alluviale terreinen. 

Swainson's Kiekendief, eng. Swainson's or Yellow-faced Kite, 
fr. Faux-Milan de Svvainson, komt in kleur wel wat overeen 
met Falca albigularis, maar aan den snavel ontbreekt de 
typische tand ; de lichaamsvorm is tevens krachtiger, de staart 
min of meer afgerond, terwijl de vleugels tot ongeveer twee 
derde van den staart reiken. 

In de kolonie staan S. K. bekend als Vleimoesoe-akka, 
d. w. z. Vleermuizen-roofvogels, bij de Caraïben als Okope en 
bij de Aro wakken als Lelia-balielie, d. w. z. Baas der Vleer- 
muizen. 

Langs de kust en in den omtrek van bewoonde plaatsen 
treft men S. K. zelden of nooit aan. Meer in het binnenland 
bewoont hij de oevers van kreken en rivieren. Zijn vlucht is 
zwakker dan die der andere kiekendieven. Gewoonlijk zit hij 
dan ook op de lagere takken van een boom, loerende naar 
slangen en vogels, waaronder nogal groote, zooals Dolokola's, 
•Kanoeba's enz. en niet gelijk de lokale benaming aanduidt 
naar vleermuizen. 

C. S. broedt gedurende den kleinen drogen tijd. Het nest 
zou, volgens de Indianen, in hooge boomen gebouwd worden. 



HARPAGUS. 429 

Subfam. der FALCONINCE. 

EIGENLIJKE VALKEN. 

„Bij de eigenlijke Valken is de bovensnavel voorzien van 
een of twee duidelijke tanden. De groote washuid heeft door- 
gaans eene heldere kleur, evenals de pooten. Al onze soorten 
zijn nogal klein, maar behooren toch tot de vermetelste der 
roofvogels. 



Genera 

A. Bovensnavel met twee tanden. 



.HARPAGUS, VIG. 



B. Bovensnavel met een tand. 

a. Neusgaten niet rond en zonder een beenachtig tuberkel in het midden. 

. ICTINEA. 

b. Neusgaten rond en met een beenachtig tuberkel in het midden. 

„Seksen van gelijke kleuring . 

FALCO, L. 

„Kleuring der beide seksen verschillend. 

.... CERCHNEIS, BOIE. 



Species. 

HARPAGUS, VIG. 

H. bidentalus, Lath. = id., Cab. in Schomh. Reis. = Falco 
b., Schlegal, Mus. P. B. 

Ad. Bov.d. helder leiblauw; staartp. bruin met grijsachtig witte tippen en dne 
smalle banden; ond.d. helder kastanjebruin, buik en dijen bij de wijfjes met 
onduidelijke, witachtige dwarsstrepen ; keel wit, uitgezonderd een breede, leizwarte 
middenlijn; dekv. ond. d. st. en ond. d. vl. witachtig roomgeel evenals de oksel- 
vederen; snavel leizwart, maar de basis v. d. ondersnavel geelachtig; washuid 



430 



F ALCONIDyE. 



groenachtig geel; pooten oranjegeel; klauwen zwart; iris bloedrood. Jofig. Bov.d. 
bruin, de vederen met smalle, roodbruine randen en min of meer witte vlekken ; 
slagp. en staartp. bruin met witte tippen en van boven met lichtbruine, van onder 
echter witachtige dwarsstrepen ; kopzijden bruin, uitgezonderd het voorgedeelle 
der kaken, dat wit is met bruine strejoen ; ond.d. wit, keel met een zwarte midden- 
lijn en evenals de borstzijden met smalle, donkerbruine strepen ; flanken met enkele 
onduidelijke, wigvormige vlekken; dekv. ond. d. vl. geelachtig wit; snavel zwart- 
bruin, basis v. d. ondersnavel en rand v. d. bovensnavel geelachtig ; pooten geel ; 
klauwen zwart. L. 31, vl. 20, st. 15.5, tars. 3.7, culm. 2.3. De wijfjes zijn grooter: 
vl. 23. Geogr. dist. Het dalgebied der Amazone, de Guiana's, Venezuela en 
Columbia. Lok. dist. Woudrijke streken. 

„De Dubbeltand-Valk of Koekoek valk, eng. Double-toothed 
or Cuckoo falcon, fr. Faucon au bec a doublé feston, wordt 
evenals de volgende soort onderscheiden door twee tanden 
aan den bovensnavel, terwijl de overige Valken er maar een 
of geheel geen hebben; de vleug'els zijn afgerond, de klauwen 
middelbaar ontwikkeld. 

D. V. staan in de kolonie bekend als Biegie Vleimoesoe- 

akka, d. w. z. Groote Vleermuizen-roofvogel, bij de Caraïben 

als Wataloe en bij de Arowakken als Soloma-balielie, d. w. z. 

Baas der Grijsgroene of Amazone papegaaien, Aviazona 

farinosa. 

„Vooral in de lagere streken wordt de D. V. nogal dikwijls 
aangetroffen, meestal in hooge boomen, zelden of nooit op 
den grond of in het struikgewas. Zijn vlucht is krachtig; 
meermalen zweeft hij statig boven de wouden rond. Zijn 
voedsel bestaat vooral uit vogels en niet uit vleermuizen gelijk 
de lokale benaming, die meer op eene overeenkomst in kleur 
met andere valkensoorten gebaseerd is, doet veronderstellen. 

D. V. behooren tot de vermetelste onzer roofvogels, die hun 
prooi w.o. zelfs groote vogels zooals Wakago's of Dolokola's, 
van boven af aanvallen, en dan ook door de Indianen meer- 
malen verwisseld worden met de te voren aangehaalde Acci- 
piter sp. 

Naar men beweert zouden D. V. in vroeger eeuwen van 
Amerika naar Europa zijn overgevoerd om daar bij de valken- 
jacht gebruikt te worden. 

H. B. broedt gedurende den kleinen drogen tijd. Volgens 



ICTINEA. 43 I 

Schomburgck en Goeldi wordt het nest in hooge boomen 
gebouwd, en legt het wijfje 3 of 4? witachtige bruingevlekte 
eieren, die veel overeenkomen met de eieren van den euro- 
peeschen Falco sabbuteo. 

H. diodon, Temm. = ïd. Schlegal, Mus. P. B. 

Ad. Bov.d. bruinachtig zwart met een grijze tint aan den mantel; ond.d. min 
of meer helder grijs; keel wit, uitgezonderd een zwarte middenlijn; staart met 
vier grijsachtige banden; pooten oranjegeel; iris geel. >».°- Ongeveer hetzelfde, 
maar de ond.d. witachtig en met lange zwarte vlekken. L. 28, vl. 19, st. 13.8. 
De wijfjes zijn grooter: vl. 20. Geogr. dist. Brazilië en de Guiana's. Lok. dist. 
De lagere streken. 

Kleine Dubbeltand- of Koekoekvalken, eng. Small Double- 
toothed Falcons, fr. Petits Faucons au beo a doublé feston, 
komen in kleur zeer veel overeen met de voorgaande soort, 
maar zijn wat kleiner en tevens veel zeldzamer. Over hun 
levenswijze enz. is mij niets bekend. 



ICTINEA, VIEILL. 

I. plumbea, Gm. = id., Cab. in Schomb. Reis. = id., Schlegal, 
Mus. P. B. 

Ad. Bov.d. donker leizwart, overgaande iu leiblauw of grijs aan den kop ; slagp. 
V d. 2<ien rang zwart; binnenvlag der slagp. v. d. isten rang bijna geheel rood- 
bruin, buitenvlag met slechts weinig van laatstgenoemde kleur; ond.d. blauwachtig 
grijs keel lichter van tint; staartp. bijna zwart met twee duidelijke witte dwars- 
banden en een derden band onder de dekv. ond. d. st.; pooten oranjegeel; ins 
bloedrood. Jong. Bov.d. zwartachtig, de vederen met witte randen en strepen ; kop 
nek en ond.d. witachtig met zwartachtige lengte- en dwarsstrepen. L. 33, vl. 2b, 
st 14, tars. 2.5. De wijfjes zijn grooter: vl. 30. Geogr. dist. Tropisch Amerika, 
uitgezonderd de Antillen, noordwaarts tot Z.-Mexico, zuidwaarts tot Paraguay. 
Lok. dist. Vooral de lagere streken. 

„Bij den Loodkleurigen Valk of Kiekendief, eng. Plumbeous 
Kite, fr, Milan-faucon, is de bovensnavel voorzien van een 
min of meer duidelijken tand aan elke zijde ; de lange, krachtige. 



432 



FALCONID^. 



spitse vleugels reiken tot voorbij den min of meer vierkanten 
staart ; de neusgaten zijn rond, de tarsi van voren met schildjes 
bedekt evenals de teenen. waaraan zwarte klauwen. 

In de kolonie staan L. V. bekend als Greisie akka, d. w, z. 
Grijze roofvogels, bij de Caraïben als Watatoe en bij de Aro- 
wakken als Malia-balielie, d. w. z. Baas der Steenduiven. 

De L. V, wordt nogal talrijk over de geheele kolonie aan- 
getroffen, maar vooral op zwampachtige plaatsen. Zijn vlucht 
is krachtig en snel; soms stijgt hij hoog in de lucht en gelijkt 
dan op een stip, doch meestal zit hij op een drogen tak in een 
boom nabij een open plein, weiland of savanne. Van daar 
overziet hij den omtrek om eensklaps op eene prooi neer te 
schieten. Vooral insecten, w.o. de kleurige Chlorida festiva, 
of vogeltjes moeten het geducht ontgelden, hoewel ook slangen 
niet versmaad worden. Enkele onderzochte magen van dezen 
roofvogel bevatten zelfs plantenzelfstandigheden. 

I. P. broedt gedurende het kleine droge seizoen. Het nest 
van takjes, twijgen enz. wordt in hooge boomen of ook wel 
in boomholen geplaatst. Een ei uit Panama w^ordt beschreven 
als bijna rond, wit en glansloos. A/m. 41.5 X 35 m.M. ') 



FALCO, L. 



F. fusco-coerulescens, Vieill. = Hypotriorchis femoraUs. 
Cab. in Sclionib. Reis. = Falco f., Schlcgal, Mus. P. B. = 
Rhynchofalco c. 

Ad. Bov.d. blauwachtig grijs of loodkleurig, slagp. v. d. 2<ïen rang met breede 
witachtige tippen; staartp. donkerder aan het uiteinde met witte tippen en onge- 
veer acht smalle witte d warsbanden ; een breede streep achter de oogen, het midden 
der oorvederen, kin, keel en borst wit; achterkop oranjebruin; buikzijden leizwart 
met smalle witte dwarsstrepen ; dijen en dekv. ond. d. st. licht roodbruin of zwart- 
achtig okergeel ; pooten geel. Jong. Ongeveer hetzelfde, maar de kleuren doffer, 
het grijs der bov.d. minder blauwachtig en de dijen lichter van tint ; borst min of 
meer geelachtig met zwartachtige strepen. L. 37.5, vl. 25, st. 18, tars. 4.5, culm. 1.6. 



') Cat. of Bird's Eggs in Br. Mus. vol. II, p. 294 — 295. 



FALCO. 433 

De wijfjes zijn grooter: vl. 28. Geogr. dist. Tropisch Amerika, uitgezonderd de 
Antillen noordwaarts tot Z. -Texas. Lok. dist. Vooral de lagere streken. 

„Bij den Aplomado-Valk, eng. Aplomado Falcon or Large 
Baridi, fr. Faucon-Aplomado, is de tarsus niet opmerkelijk 
langer dan de middenteen, terwijl het basisgedeelte der teenen 
met overdwarse scutellen bedekt is ; de washuid boven aan den 
krachtigen snavel bezit ongeveer een derde der culmenlengte. 

In de kolonie heeten A. V. Biegie Vleimoesoe-akka, d. w. z. 
Groote Vleermuizen-roofvogels, bij de Caraïben Okope of 
Sakoetoe en bij de Arowakken Boekoerie- en Lelia-balielie, 
d. w. z. Baas der Vleermuizen of ook wel Dolokola-balielie. 

Gewoonlijk ziet men den A. V. in hooge boomen, vooral 
op zwampachtige plaatsen. Van tijd tot tijd stijgt hij de lucht in, 
zweeft er in kringen rond om evenwel weer naar zijn vorige 
standplaats terug te keeren. Zijn geluid klinkt als gegil. Hij 
voedt zich met insecten en vogels, w.o. nogal groote soorten, 
zooals Patrijzen, Wakago's enz. 

F. F. broedt gedurende Mei, Juni en Juli. Het schotel- 
vormige nest van twijgen wordt in lage boomen, in holle 
boomen of tusschen de kroon van palmen geplaatst. Het 
wijfje legt 2, zelden 3 breed ovale, witachtige of roomgele, 
geheel met roodbruin en geelbruin bevlekte en besmeerde 
eieren. M. A/m. 44.5 X 33-5 m-M. 

De exemplaren varieeren uitermate zoowel in kleur als afmeting. 

F. albigularis, D'Aub. = jF. aurentius Lath., Cab. inSchomb. 
Reis. = -F. aurenims Giti., Schlegal, Ahis. P. B. = Hypotri- 
orcliis rufigularis, Daiid. 

Ad. Bov.d. zwart, de vederen met leigrijze randen; keel roodachtig en geelachtig 
wit, overgaande in roodachtig bruin aan de randen van bovenborst en nek, waar 
er een halve band gevormd wordt; overig borstgedeelte en dekv. ond. d. vl. zwart, 
de vederen met smalle witte randen ; buik en dijen helder kastanjebruin ; staart 
met zeven witte dwarsvlekken of banden; snavel zwartachtig; pooten helder geel; 
iris geel. Jong. Ongeveer als ad., maar de vederen der bov.d. zonder loodgrijze of 
leigrijze randen, dikwijls ook bruinachtig van tint met roestbruine zoomen; keel en 
borst donker okergeel, de borst gewoonlijk met enkele zwarte strepen. L. 23, 
vl. 17.5, st. 12, tars. 3, culm. 1.2. De wijfjes zijn grooter: vl. 22. Geogr. dist. 
Centr. en Z. -Amerika. Lok. dist. Vooral de lagere streken. 



434 



FALCONID^. 



Geelkeel- Valken, eng. Yellow- or Red-throated Falcons or 
Small Baridis, fr. Faucons a gorge jaunatre, behooren tot de 
kleinste onzer valkensoorten en staan in de kolonie bekend 
als Vleimoesoe-akka, d. w. z. Vleermuizen-roofvogels, bij de 
Arowakken als Boekoerie- of Lelia-balielie, d. w. z. Baas der 
Vleermuizen en bij de Caraïben als Okope of Letjaletja, 

Vooral in de lagere zwampachtige streken en langs de 
oevers van kreken treft men den G. V. nogal dikwijls aan ; 
inderdaad behoort hij tot de gewoonste valkensoort langs de kust. 
Gewoonlijk zitten G. V. op droge takken in boomen en 
schieten van daar bliksemsnel neder op hunne prooi, die uit 
vogeltjes, slangen, insecten of gelijk de lokale 
^^^^ n naam aanduidt, ook uit vleermuizen bestaat, 
^^^^^R^l^ vooral de soorten, die in rijen aan de tak- 
^^Hj^^ ken hangen. Soms vallen ze ook tamelijk 

H^T**' groote vogels aan, zooals Wakago's, Patrij- 

zen enz., maar komen er dan niet altijd 

Kop van Falco 111 1 ttt 11 

aibiguiavis. zonder kleerscheuren at. Hun grootste kracht 
zit in de klauwen, hoewel die er toch niet 
zoo formidabel uitzien. 

De vlucht van den G. V. is zeer krachtig en snel. Soms 
zweeft hij in kringen in de lucht rond, maar keert steeds naar 
zijn vorige standplaats terug, waar hij evenals al onze soorten 
van het geslacht Falco met eene rechte houding op den tak 
zit. Bij het op- of rondvdiegen klinkt zijn geluid als een gillend 
„rie-rie-rie-rie-rie". 

F. A. broedt gedurende Mei, Juni en Juli. Het nest van 
dunne takjes en twijgen wordt in hooge- of lage-, maar ook 
wel in holle boomen gebouwd. Het wijfje legt 2, zelden 3 
stomp ovale, gladde, glanslooze eieren van een roomgele kleur, 
maar geheel overdekt met geelbruine en chocoladebruine vlek- 
ken en wolken. M. Afin. 42.5 X 32-5 m.M. 

De exemplaren varieeren uitermate. 

Als eigenaardigheid zij nog aangemerkt, dat men een paar 
G. V. om den Tower in Georgetown heeft zien ronddwalen, 
denkelijk met het doel er te broeden. 



FALCO. 435 

F. aurentius, Gin. = F. deiroleuciis Teinm., Schlegal, 
Mus. P. B. 

Ad. Dekv. ond. d. st. okergeel of wit en roodbruin met groote schuine, zwarte 
vlekken; dekv. bov. d. st. met witte of aschgrijze dwarsstrepen ; bov.d. loodzwart, 
de vederen met blauwachtig loodkleurige zoomen; keel en borst zuiver wit in het 
midden en van voren, roodbruin daarentegen aan de zijden en van achter; dijen 
ongevlekt roodbruin; pooten geel; iris geel. Jong. Bov.d. dof zwart, de vederen 
meermalen met roodbruine zoomen ; keel en borst varieerend vanaf wit tot oker- 
geel of roodbruin, de kleur altijd donkerder aan de zijden en van voren; dijen in 
den regel met talrijke zwartachtige dwarsvlekken. L. 32, vl. 24, st. 13. ö, tars. 3.7, 
culm. 1.8. De wijfjes zijn opmerkelijk grooter: vl. 28. Geogr. dist. Centr. en 
Z.-Amerika. Lok. dist. Vooral de lagere streken. 

„Bij Temminck's Valk of Witkeel-Valk, eng. Temminck's 
Falcon or Orange-breasted Baridi, fr. Faucon de Temminck, 
is de tweede slagpen het langst, maar de eerste tevens korter 
dan de derde. Jonge vogels hebben geen duidelijke strepen 
aan de ond.d. 

T. V. behooren niet tot de gewoonste onzer roofvogels, maar 
worden toch meermalen aangetroffen, vooral op droge takken 
in boomen. Hun levenswijze verschilt niet van die der gewone 
Vleermuizen-valken. Evenzoo klinkt hun geluid hetzelfde. Ze 
zien er echter minder slank uit en zijn inderdaad niet zoo 
vlug en woest. 

F. A. broedt gedurende het groote droge seizoen. Naar 
men beweert zou het nest in holle boomen gebouwd worden. 

F. columbarius, L. = ïd., Schlegal, Mus. P. B. 

Ad. Bov.d. leiblauw met een geelachtigen of roestbruinen band om den hals en 
witte dwarsstrepen aan de slagp. v. d. isten rang; staartp. met 3 of 4 grijsachtig 
witte dwarsbanden en witte tippen; ond.d. varieerend van af roomgeel tot donker 
okergeel met zwartachtige lengtestrepen, uitgezonderd aan de keel. Jong. Bov.d. 
zwartachtig of bruinachtig zwart met een geelachtigen band om den achternek en 
okergele dwarsstrepen aan de slagp. v. d. isten rang; staartp. met 3 of 4 afge- 
broken geelachtige dwarsbanden en witachtige tippen; ond.d. ongeveer als bij ad. 
L. 26.5, vl. 19, st. 12.2, tars. 3.4, culm. 1.2. De wijfjes zijn grooter: vl. 21.2 
Geogr. dist. Zovi. N. -Amerika. Wint. Centr. Amerika en noordelijk Z.-Amerika. 
Lok. dist. De lagere streken. 



436 



FALCONID^. 



„Bij den Am. Duivenvalk, eng, Am. Pigeon-hawk, fr. Emé- 
rillon d'Amérique, is de.tarsus niet opmerkelijk langer dan de 
middenteen ; aan de basis der teenen bevinden zich tevens 
hexagonale of rondachtige schildjes. 

In N. -Amerika behooren A. D. tot de trekvogels die bij 
voorkeur woudzoomen bewonen en zich met kleine zoogdieren, 
vogeltjes en insecten voeden. Hun geluid klinkt gierend of 
fluitend. In de vlucht of zelfs zittende op een tak gelijken ze 
veel op duiven. 

In de kolonie komen A. D. zeer zeldzaam voor en moeten 
inderdaad tot de zeldzaamste der toevallig aanwezige soorten 
gerekend worden. 

F. C. broedt van af het noorden der Vereenigde Staten, en 
wel in Mei en Juni. Het nest van takjes, twijgen enz. wordt 
in boomholen, op klippen, op takken en zelfs onder de daken van 
huizen gebouwd. De 4 of 5 eieren zijn breed ovaal, glansloos 
witachtig, roomkleurig of lichtbruin, min of meer geheel over- 
dekt en besmeerd met bruin van verschillende tinten. M. Afin. 
40X 31 m.M. 



CERCHNBIS, BOIB. 
C. sparveria, L. = Falco s., Schlegal, Mus. P. B. 

(^ Rug roodbruin met min of meer zwarte dwarssrepen ; staartp. roodbruin met 
een. zwarten band nabij de uiteinden en witte tippen ; kop leiblauw, in den regel 
met een roodbruine plek op den bovenkop; slagp. v. d. isten rang met witte 
dwarsstrepen ; een zwarte plek voor en achter de witte oorvederen; ond.d. varieerend 
vanaf roomgeel toi okergeel met zwarte vlekken aan buik en zijden; snavel zwart- 
achtig; washuid, omtrek der oogen en pooten oranjegeel; iris geel. § Rug, staart en 
vl.dekv. roodbruin met zwarte dwarsstrepen; kop als bij het mannetje; ond.d. min 
of meer lengtsgewijze gestreept met donker okergeel. yb;/^. Ongeveer als ad., maar met 
minder wit in het vederkleed en 13 of 14 dwarsbanden aan den staart. L. 24, 
vl. 18, st. 12, tars. 3.5, culm. 1.3. De wijfjes zijn grooter: vl. 19. Geogr. dist. 
Zojtt. Gematigd N.-Amerika. Wint. Centr. en noordelijk Z.-Amerdca. Lok. dist. 
De lagere streken. 

„De N.-Am. Musschenvalk, eng. Am. Sparrow Hawk or 
Kestrel, fr, Cresserelle d'Amérique, wordt heel zeldzaam 



CERCHNEIS. 



437 



gedurende den trek in de Guiana's aangetroffen. Hij onder- 
scheidt zich evenals de volgende soort of subsoort door een 
kleinen snavel, terwijl de washuid aan den bovensnavel minder 
dan een vierde der culmenlengte bedraagt; de tarsus is tevens 
veel langer dan de middenteen. 

In het Noorden behooren N.-Am. M. tot de gewoonste roof- 
vogels, die hun prooi, vooral musschen, van een drogen tak 
of boomstronk af beloeren. Hun vlucht is krachtig en snel; 
dikwijls stijgen ze dan ook de lucht in, zweven in kringen 
rond om eensklaps naar omlaag te schieten ter vervolging van 
een muis of sprinkhaan. Volgens Chapman klinkt hun geluid 
als een snel herhaald „killie-killie-killie". 

C. S. broedt in N,-Amerika en enkele der Antillen gedu- 
rende April en Mei. Geen nest wordt gebouwd, maar legt het 
wijfje hare 4 of 5 eieren in holle boomen, tusschen rotsen, in 
holen langs oevers, ja zelfs onder de daken van huizen. De 
eieren varieeren vanaf breed ovaal tot elliptisch en bolrond, 
de grondkleur vanaf geelachtig en witachtig tot licht geel- 
bruin, geheel overdekt en besmeerd met bruin van verschil- 
lende tinten. AL A/m. 35 X 28 m.M. 

De exemplaren varieeren uitermate zoowel in kleur als 
afmeting; enkele bezitten een lichten glans. 

C. isabellina, Swains. = Emcrillon de Cayenne, Bujf. = 
C. sparvcriiis, Cab. in Schomb. Reis. = Falco sparverius, 
Schlegal, Mus. P. B. 

^ Bov.d. roodachtig bruin met min of meer zwarte dwarsstrepen ; kop en 
vl.dekv. blauw, laatstgenoemde met zwart gevarieerd; staartp. met witte tippen en 
een breeden zwarten dwarsband ; buitenste staartp. met zwart en wit gevarieerd; 
slagp. zwart met witte dwarsvlekken, overgaande in leigrijs met zwarte dwars- 
vlekken ; keel wit, overgaande in lichtbruin of geelachtig wit aan borst, flanken of 
zijden, die tevens eenige donkere vlekken vertoonen ; washuid, omtrek der oogen 
en pooten oranjegeel; iris geel. ^ en Jong. Bov.d. donker roodbruin; staart met 
gelijkmatiger zwarte dwarsvlekken. I-. 23, vl. 17.5, st. 11.5, tars. 3.3, culm. 1.2. 
De wijfjes zijn grooter: vl. 19. Geogr. dist. De Guiana's en Venezuela. Lok. dist. 
De geheele kolonie, uitgezonderd de kustzoom. 

Guiana-Musschen valken, eng. Guiana Sparrow-hawks, fr. 



438 FALCONID^. 

Emerillons ou Cresserelles de Guiane, gelijken zoozeer op de 
voorgaande soort, dat beide identisch schijnen te zijn. 

De G.-M. behoort tot de fierste en slankste onzer inheemsche 
roofvogelsoorten en staat bekend als Savanna-akka, d. w. z. 
roofvogel der savannes, doch bij de Indianen als Kierierie. 

Langs de kust en in den omtrek van bewoonde plaatsen 
treft men G.-M. zelden aan ; veel talrijker daarentegen op de 
savannes, waar ze op de heuveltjes der termieten zitten. 
Hun voedsel bestaat uit kleine zoogdieren, vogels en slangen. 
Hun vlucht is krachtig en snel; meermalen zweven ze dan 
ook in kringen boven hunne jachtterreinen rond of vallen zelfs 
de grootste roofvogels aan, om op hun beurt weer door den 
nog vermeteler Müzmliis tyraiinus verdreven te worden. Hun 
geluid klinkt als een gierend „kwie-rie-rie". 

C. I. broedt gedurende het droge seizoen. Het nest van 
dunne takjes, twijgen enz. wordt op boomtakken, maar ook 
dikwijls in holle boomen of tusschen de kroon van palmen 
gebouwd. Het wijfje legt 2 of 3 eieren, die niet met zeker- 
heid van die der voorgaande soort te onderscheiden zijn. 
M. A/m. 34 X 27 m.M. 



Subfam. der PANDIONES. 

VISCHARENDEN. 
Species. 

PANDION, SAVIGN. 

P. haliaëtus carolinensis, Gm. =: Le Bidbuzand, Bitff. 
= P. haliaëtus, Schlegal, JMus. P. B. 

(ƒ Bov.d. zwartachüg grijsbruin, de staartp. grijzer mei smalle witte tippen en 
6 of 7 smalle zwartachtige dwarsbanden ; slagp. v. d. is'en rang zwart; kop, nek 
en ond.d. zuiver wit, enkele malen met een weinig bruin aan de borst; een zwart- 
achtige streep voor de oogen tot over de ooren ; bovenkop dikwijls min of meer 
gevlekt; snavel zwart, dé basis loodkleurig; washuid leikleurig; pooten licht blauw- 



PANDION. 439 

achtig grijs ; iris geel. $ Ongeveer hetzelfde maar de borst altijd gevlekt met bruin. 
Jong. Bov.d. zwartacbtig bruin elke veder met duidelijke witachtige of geelachtige 
endzoomen ; overigens als ad., beide seksen in dezelfde mate verschillend. Jong in 
dons. Dof bruinachtig grijs of zwartachtig, aan de bov.d. min of meer roestbruin 
en taankleurig getint; een breede witachtige streep aan rug en stuit; een zwart- 
achtige streep aan de kopzijden en drie andere strepen aan den bovenkop, alsmede 
witte strepen er tusschen in; voorgedeelte v, d. vleugel witachtig, achtergedeelte 
zwartachtig; ond.d. dof witachtig, borst bruinachtig of zwartachtig. L. 52, vl. 43, 
vleugelspanning 150, st. 17.5, tars. 4.9, culm. 3. De wijfjes zijn grooter: vl. 53. 
Geogr. dist. Alaska, gematigd en tropisch Amerika. Lok. disi. De lagere streken. 

„De Vischarend, eng. Am. Osprey, fr. Pandion Balbuzzard 
OU Aigle-pêcheur, heeft lange vleugels, die tot over het uit- 
einde van den eenigszins ronden staart reiken; de van voren 
gedeeltelijk bevederde tarsi zijn kort maar dik en met zeer 
kleine, ruwe schilden bedekt; de teenen, waaraan lange, 
scherpe klauwen, zijn van onder zeer ruw, terwijl de buiten- 
teen willekeurig naar voren of naar achter kan gekeerd worden. 
Hierdoor vormen Y. min of meer eene toenadering tot de 

Uilen, hoewel ze tevens aan de Karakara's 

verwant zijn en door vele natuurkundigen dan .^pMp- ^ 
ook tot een afzonderlijke onderorde gerang- M 

schikt worden. B| 

In de kolonie staat de V. bekend als Biegie ■■ 

Viesie-akka, d. w. z. Groote Visch-roofvogels, ■ 

bij de Arowakken als Kaliewa en bij de ^^^ 

Caraïben als Piawsie of Ptajata. 

,.1,1 -iT TarsLis van Pandion 

In het noorden van hun gebied behooren V. ,,,,;,„,„„•,. 
tot de trekvogels, die evenzeer in koloniën als 
paarsgewijze leven. 

Hun voedsel bestaat uitsluitend uit visschen. Zoodra de V. 
een visch bemerkt, houdt hij een oogenblik met vliegen op 
en daalt dan pijlsnel met half gesloten vleugels naar omlaag, 
dikwijls geheel onder de wateroppervlakte verdwijnende, om 
een oogenbhk later weer met een spartelend slachtoffer te 
verschijnen, dat, of in de lucht of in een boom door den 
gevleugelden visscher wordt opgegeten. 

Het gebeurt meermalen dat V. te groote visschen aanvallen, 
en hunne klauwen niet gauw genoeg kunnende terugtrekken. 



440 



FALCONID^. 



onder water gesleept worden en verdrinken. Ook onze Indianen 
weten te verhalen hoe V. soms Anjoeinara's Macrodon traJiira 
bemachtigen en niet bij machte den visch naar boven te 
dragen, zelve onder water gesleept worden om niet weer te 
verschijnen. Zelden of nooit missen V. hunne prooi. En toch, 
wat verschil in snavels en pooten met Ijsvogels, Kormoranten 
enz., die op dezelfde wijze visschen. 

P. H. broedt in N.-Amerika gedurende Mei en denkelijk 
terzelfder tijd in Suriname. Het nest van takjes, twijgen, 
bladeren, zeewier of alles wat maar voorhanden is, wordt 
gewoonlijk in hooge boomen en slechts zelden op den grond 
gebouwd. Het wijfje legt 2 tot 4 ovale of breed ovale, bijna 
glanslooze, roomgele of geelachtige geheel met donker rood- 
bruin, chocoladebruin en een weinig purpergrijs bevlekte en 
besmeerde eieren. AI. A/m. 62 X 46 m.M. 

De exemplaren varieeren uitermate. De broedtijd duurt 
ongeveer 24 dagen. 

O. Davies zegt : V. zijn zeer regelmatig in hunne levens- 
wijze en keeren jaarlijks naar dezelfde nestelplaats terug. Op 
Shelter-eiland bouwen ze hunne nesten op schoorsteenen even- 
als Ooievaars. Tusschen het nestmateriaal bevinden zich dikwijls 
de nesten van verscheidene kleine voeelsoorten. ') 



Suborde der ACCIPITRES NOCTURNI. 

NACHTROOFVOGELS. 

Nachtroofvogels of Uilachtigen, eng. Owls, fr. Hibous, 
Chouettes, Chat-huants, komen in lichaamsvorm veel overeen 
met Dagroofvogels, maar verschillen vooral doordat de teenen 
twee naar voren en twee naar achteren zijn gekeerd ; slechts 
bij een valkensoort Pandion is dit ook het geval. 

Alle N. hebben breede schouders, zeer korte halzen en 



') Nest and Eggs of N.-Am. Birds, p. 232 — 233. 



NACHTROOFVOGELS. 441 

groote koppen ; de korte snavel is van af den wortel gekromd 
en aan de basis van een zachte washuid voorzien, die evenwel 
geheel wordt verborgen door de talrijke stijve borstels, die de 
oogen omgeven. De bovenrand der oogen is hoornachtig; de 
oogballen zijn zeer groot en voor aan den kop geplaatst, die 
tevens van een ruf of aangezichtskraag, bestaande uit vederen 
van een donkerder kleur, omgeven is ; de irides zijn geel of 
bruin ; de pupil kan, evenals bij die der katten, bij dag 
inkrimpen of des nachts vergroot worden. Hierdoor zien N. 
er zeer eigenaardig, ernstig of wijs uit, en gelijken tevens 
door hun plat aangezicht min of meer op apen en katten, 
hoewel enkele valkensoorten, zooals Circus en Micrashcr, ook 
een vederruf om het aangezicht dragen. De oogen zitten 
onbeweeglijk in hunne kassen vast en kunnen niet, zooals bij 
andere vogels, er in omrollen. Indien dus een Uil ter zijde of 
naar achter wil kijken, dan is hij verplicht zich om te keeren. 
Daarbij klappert hij tevens met den snavel om er bang voor 
te worden. 

Bij alle N. is de opening der ooren een nogal ingewikkeld 
orgaan, dat bij vele individuen dikwijls aan elke zijde van den 
kop verschilt. 

Alle N. hebben lange, groote, krachtige vleugels; bij som- 
mige soorten zijn de eerste slagpennen, evenals bij Valken, 
ingesneden aan de buiten- of binnen vlag; de staart is nogal 
ontwikkeld en slechts bij enkele species min of meer kort; de 
tarsus bezit maar half de lengte van de tibia. De pooten zijn 
bij de meeste soorten bevederd of met dons bedekt, bij velen 
zelfs tot aan de scherpe, gekromde, tot grijpen zeer geschikte 
klauwen. 

Alle N. hebben, evenals Valkachtige, een eenigszins dun, 
nogal droog maar stevig vel, dat aan den hals zoo elastisch 
is, dat ondanks den grooten kop, ik bij het prepareeren van 
huiden onzer soorten nimmer het vel aan den bovenkop heb 
moeten opensnijden, gelijk in vele werken over taxidermie 
wordt aangehaald. Toch vordert het prepareeren der huiden 
eenige oefening, omdat, zoodra de oogballen uit de kassen 
genomen zijn, het aangezicht de karakteristieke platheid verhest 



_^^2 NACHTROOFVOGELS. 

en de Uil dan op een Valk gaat gelijken. Ten einde dit te 
voorkomen maakt men de oogballen alleen schoon van bin- 
nen maar laat het hoornachtig omhulsel staan en vult dit op 
met katoen. 

Bij alle N. staan de vederen dicht op elkander en zijn lang, 
zacht en los; van een olielaag valt niets te bespeuren, integen- 
deel ziet het vederkleed bij al onze soorten er dof, glansloos, 
donzig uit. Tevens missen de vederen achterschachten ; de 
buik is met dons bedekt. 

Door dit dichte vederkleed zien N. er veel grooter uit dan 
ze werkelijk zijn. Een individu b.v. dat oppervlakkig zoo groot 
schijnt als een hoen. blijkt na het afplukken der vederen maar 
zoo groot als een duif. De mannetjes zijn kleiner dan de 
wijfjes, maar verschillen op enkele uitzondering na, niet noemens- 
waardig in kleur; de jongen echter min of meer. 

Het vederkleed doet zich tevens bij de meeste soorten in 
twee phases voor, een lichtkleurige of min of meer grijze en 
donkerkleurige of roestbruine. Typische individuen verschillen 
opmerkelijk, maar zijn gewoonlijk door een reeks van tusschen- 
vormen verbonden. 

Evenals bij Valkachtigen vordert de identificatie van N, 
veel kennis, vooral omdat vele soorten reeds broeden alvorens 
het volkomen vederkleed te dragen. 

N. leven bij paren, nooit in troepen. Alle zijn slechte loopers 
maar vliegen daarentegen snel, krachtig en geheel onhoorbaar, 
zoodat ze hunne prooi, bestaande uit kleine zoogdieren, vogels, 
slangen, visch enz. kunnen naderen en met de klauwen aan- 
grijpen alvorens de slachtoffers zich van het gevaar bewust 
zijn. De prooi wordt dan in stukken gescheurd en opgeslokt, 
maar het onverteerbare gedeelte, zooals vederen enz., nader- 
hand in den vorm van balletjes weer uitgebraakt. 

X. bemachtigen, gelijk ook de naam aanduidt, meestal des 
nachts hun prooi. Alle brengen den dag door hetzij in holle 
boomen, tusschen dicht gebladerte, tusschen de bladeren der 
grootere orchideeën, of ook wel op den grond, in holen of 
enkele zelfs onder de daken van huizen. Alle slapen al staande, 
met den kop rechtop en niet zooals bij vele andere vogels 



NACHTROOFVOGELS. 443 

tusschen de schoudervederen of onder den vleugel, hetgeen 
ook niet zou kunnen, daar de kop te groot is. 

Zoo goed weten N, zich te verbergen, dat men slechts 
zelden en dan bij toeval een individu te zien krijgt. Ze doen 
dit niet uit vrees voor het daglicht of den mensch maar wel 
voor andere vogels, vooral kleinere soorten. Zoodra een dezer 
de schuilplaats van een paar Uilen ontdekt, wordt de geheele 
vogelwereld uit den omtrek door lawaai ermede in kennis 
gesteld, totdat er van alle zijden hef hebbers komen aanvliegen, 
die het den Uil zoo moeieiijk maken dat hij ten laatste uit 
zijn schuilhoek vlucht. Maar dan begint pas de eigenlijke 
pret, en het slachtoffer mag blijde zijn als hij slechts een 
gedeelte zijner vederen in den strijd kwijt raakt, die 'het eerst 
door de kleinere vogels met zwakke vlucht wordt opgegeven. 
Andere weer, zooals Zwaluwen, volgen dikwijls over een 
grooten afstand, maar het hardnekkigst en luidruchtigst zijn de 
Grietjebies, Pitangiis snlp/nirafus, die het slachtoffer onder 
een gillend „hie hie" tot het uiterste toe tergen en alleen door 
uitputting genoodzaakt, den strijd opgeven. 

Alle N. zien des nachts zeer scherp. Bij het nederdalen op 
eene prooi schijnen de oogen uit de kassen te puilen en worden 
de spieren voor aan den kop sterk samengetrokken. Dit is 
naar mijne meening de reden van het ontstaan der talrijke 
borstels om de oogen of den snavel van Uilen. Die borstels 
doen geen dienst om de oogen of den bek tegen de stuip- 
trekkingen van het slachtoffer te beschermen, want de Uil 
pakt zijn prooi aan met de pooten, en niet met den snavel. 

N. komen over de geheele kolonie voor, maar vooral in de 
lagere streken waar het meeste voedsel te vinden is. Alle 
behooren tot onze standvogels en staan hier bekend als Owroe- 
koekoe van het engelsche „Owl" en het geluid boe-hoe; de 
Boschnegers noemen ze ook wel Ogriefowroe (Ugly of Ogn 
fowl), d. w. z, vSlechte of Kwaadaardige vogels. 

Op eene uitzondering na nestelen onze X. in holle boomen, 
tusschen de bladeren van orchideeën, in holen in den grond 
en enkele malen ook in oude verlaten gebouwen. Geen bouwt 
in den regel een nest of bestaat dit slechts uit enkele twijgjes, 



... NACHTROOFVOGELS. 

vederen of grashalmen. Het wijfje legt 2 of 3 over het alge- 
meen rondachtige, zelden ovale, witte eieren, die er na de 
bebroeding dikwijls geelachtig uitzien; de korrel der schaal is 
zeer fijn ; de glans varieert of ontbreekt bij enkele soorten 
geheel en al. 

Bij onze species broeden beide seksen. De ontwikkeling van 
het embryo geschiedt snel, maar de kuikens worden hulpeloos 
geboren en zijn geheel met dons bedekt; hunne oogen staan 
dan niet vooraan doch ter zijde van den kop, evenals bij de 
kuikens van Valkachtigen en Gieren. Tamelijk opgegroeid, zien 
uilkuikens er uit als donzige poederkwasten en ik ben over- 
tuigd dat vele in den handel voorkomende artikelen uit de 
pluimen van jonge Uilen zijn vervaardigd. 

Toch zijn alle N. nuttige dieren omdat ze zich meestal 
voeden met de levensvormen, die den mensch des nachts 
schade berokkenen. 

Er is slechts een broedsel per jaar en evenals bij Dagroof- 
vogels zien de teeldeelen er alleen gedurende dien tijd ont- 
wikkeld uit. De wijfjes schijnen iets talrijker dan de mannetjes. 
Bij de grootere soorten dragen de jongen eerst na ongeveer 
drie jaren het volkomen vederkleed. 

Hoewel de geluiden en het gekras van N. niet juist eigen- 
aardig kunnen genoemd worden, hebben deze hier tot allerlei 
bijgeloovigheden aanleiding gegeven. Zoo zou een soort des 
nachts een aanlokkend „Soema no habie wroko, mikkie a 
kom", d. w. z. „Die geen werk heeft, laat hem komen", laten 
hooren. Dan moet men een schoen onderste boven keeren, 
anders sterft er iemand, doch het kan niet schelen wie ! ! 
Hierop doelt dan ook het inlandsche spreekwoord : alle vogels 
brengen geluiden voort, maar het „boe-hoe" van den Uil 
voorspelt onheil. 

]\Iaar niet alleen in Suriname, ook in alle overige deelen 
der w^ereld is er veel bijgeloof aan den Uil verbonden. 

Zinnebeeldig wordt hij als het teeken van wijsheid beschouwd ; 
steeds ziet men dan ook de godin Minerva met een uil op 
haar schouder afgebeeld. De dichter Cats zegt: 



STRIGID^. 445 



„Dit dient aan den balk geschreven: 

„Het is beter bij den Uil gezeten, 

„Dan met den A^allc rond te zweven. 

„Tot de onderorde der N. worden gerekend 2 familiën, beide 
in 'de Guiana's vertegenwoordigd; het aantal bekende fossiel- 
soorten bedraagt omstreeks 12. 

Familiën. 

A. Binnenteen even lang als de middenteen; binnenrand v. d. middenklauw 
van inkervingen voorzien; vederen aan het achtergedeelte v. d. tarsus gekruld 
of naar boven gekeerd; eerste slagpen langer dan de derde en geen der 
slacp. v. d. isten rang ingesneden of spits aan de binnenvlag. 

STRIGID^. 



B. 



Binnenteen opmerkelijk korter dan de middenteen; binnenrand v. d. midden- 
klauw zonder inkervingen : vederen aan het achtergedeelte v. d. tarsus naar 
onder gekeerd; eerste slagpen korter dan de derde en van af een tot zes 
der slagp. v. d. i^ten rang ingesneden of spits aan de binnenvlag. 

. . . '. BUBONID^. 



Familie der STRIGID^. 

HEEISI-UILEN. 

„Van de ongeveer 26 bekende soorten Heem-Uilen, eng. 
Barnowls, treft men slechts een specie, verdeeld in twee sub- 
soorten aan, op het vasteland van Amerika en ook in de 
Guiana's ; de overigen komen voor in bijna alle gematigde en 
tropische streken. 

H. onderscheiden zich, behalve door de te voren aangehaalde 
eigenschappen alsmede den vorm van het borstbeen, ook door 
het ontbreken van verlengde vederen over de ooren. De ruf 
om het aangezicht is groot en zuiver hartvormig; de lange 
vleugels, reiken tot over den staart; de opening der ooren is 
groot; de amandelvormige donkere oogen staan min of meer 
schuin als bij een Chinees; de teenen zijn onbevederd. 



446 



STRIGIDiE. 



Over het algemeen verschillen H. niet van Hoorn-uilen, 
maar leggen evenwel ovale, geen rondachtige eieren. 



Species. 

STRIX, L. 

S. perlata, Licht. = ïd., Cab. in ScJiomb. Reis. = S. Jiani- 
mea americana, Sc/ilegal, Mus. P. B. 

Ad. Bov.d. over het algemeen okerachtig geel gevarieerd met grijs en met 
zwartachtige en witte stippen; slagp. en staartp. met min of meer duidelijke, 
zwartachtige randen ; ond.d. varieerend van af sneeuwwit tot helder taankleurig, 
met ronde, zwartachtige vlekjes en stippen; aangezicht varieerend van af wit tot 
taankleurig, de ruf er omheen min of meer okergeel of roodbruin ; snavel rose- 
achtig wit; pootcn ruiggrauw; iris donkerbruin. N.B. Bij de donkerkleurige phase 
zien de bov.d. er over het algemeen blauwachtig grijswit uit. Jong in dons. Zuiver 
wit met een roodbruine tint om de oogen; ruf zilverachtig wit, enkele der vederen 
met oranjekleurige tippen ; slagp. oranjegeel, de tippen grijs gevlekt en gestipt. 
L. 33. vl. 30, st. 12.6, tars. 5.6. De wijfjes zijn grooter: vl. 31. Geogr. dist. 
Z.-Amerika. Lok. dist. Denkelijk de geheele kolonie, maar tot nu toe slechts 
waargenomen in de lagere streken. 

„Z.-Am. Heemuilen of Katuilen, eng. S.-Am. Barn Owls, 
behooren tot de vogels, die denkelijk in menigte voorkomen, 
maar die men slechts bij toeval te zien krijgt, zoo goed weten 
ze zich bij dag te verschuilen in holle boom en enz. ; ook treft 
men soms individuen aan in oude gebouwen , op plantages 
of in de stad. In de Kromme-elleboogstraat stond eenige jaren 
geleden een oud gebouw waar eenige H. hun intrek genomen 
hadden ; toen men weer ging opbouwen vonden de werklieden 
verscheidene eieren. 

In de kolonie staan Z.-Am. H. bekend als Poesiepoesie 
Ouroekoekoe, d. w. z. Kat-uilen, bij de Caraïben als Oeloe- 
koeleja en bij de Arowakken als Molokodie. 

Zoodra de avondschemering invalt, verlaat de Z.-Am. H. 
zijn schuilhoek teneinde op buit uit te gaan, die in den 
omtrek van bewoonde plaatsen grootendeels uit muizen en 
ratten, maar in het woud uit andere kleine zoogdieren, vogel- 
tjes, reptielen of insecten bestaat. Zijn vlucht is zoo onhoor- 



STRIX. 



447 



baar, dat een persoon kan zitten schrijven in een kamer waar 
een dezer Uilen rondvliegt zonder gestoord te worden. Zijn 
geluid klinkt als een gierend „kwie- 
rie-rie". 

S. P. broedt min of meer het ge- 
heele jaar, maar vooral gedurende de 
droge seizoenen. Het nest wordt in 
holle boomen of, ook wel in oude 
gebouwen geplaatst. Het wijfje legt 
2 tot 5 witte, glanslooze, ovale eieren. 
M. A/m. 45 X 34 m.M. 

De exemplaren varieeren uitermate 
in afmeting. Gewoonlijk treft men bij 
de eieren van een legsel, het embryo 
in verschillende stadiums van ontwik- 
keling aan, zoodat er soms drie weken 
voorbijgaan alvorens het laatste ei na 
het eerste is uitgebroed. 

De kuikens zijn met witachtig dons bedekt; ze zien er 
aardig uit, maar hissen evenals nijdige katten, vergezeld van 
een gegurgel als van Gieren. 




Sti'i'x perlata. 



Familie der BUBONID^. 



HOORN-UILEN. 



„Ongeveer 280 soorten Hoorn-Uilen, eng. Horned O wis 
zijn bekend. Hiervan komen in Amerika voor 90 species, 
waarvan 17, gerangschikt onder 8 genera en 2 subfamiHën, 
de Guiana's bewonen. 

„De meeste H. dragen lange, op hoorns gelijkende vederen 
aan de zijden van den voorkop, hoewel die vederen bij jonge 
individuen ontbreken, een ronde ruf omringt het aangezicht; 
de vleugels zijn naar verhouding minder lang als bij de 
StrigidcE-, de opening der ooren is klein of groot, terwijl de 



448 



BUBONID^. 



oogen er cirkelvormig en niet amandelvormig uitzien; de 
tcenen'zijn bevederd of onbevederd. Aan den achterrand van 
het borstbeen bevinden zich twee of drie duidelijke spleten. 




Oor van Asio midas. 



In levenswijze komen H. overeen met Heemuilen. Onze 
soorten leggen evenwel over het algemeen rondachtige en 
zelden ovale of elliptische eieren. 

Subfaniilicn. 

A. Ooropening voorzien van een operculum, d. w. z. een plooi aan het vel 
dat het oor sluit. 

.... SYRXIINCE. 



B. Geen operculum aan de ooren. 



BUBONINCE. 



Subfam. der SYRNIINGR:. 



„Van deze onderfamilie komt in de Guiana's slechts voor 
een geslacht Asio, De washuid aan den bovensnavel is van 



ASIO. 4_^g 

boven gelijk aan of langer dan de koorde v. d, culmen ; de 
ooropeningen zijn zeer groot, nemen bijna de geheele hoogte 
van den schedel in beslag, maar zien er aan beide zijden van 
den kop assymetrisch, d. w. z. niet verschillend uit. Lange, 
staande, op hoorns gelijkende vederen versieren de zijden van 
den bovenkop. 



Species. 
ASIO, BRISS. 

A. accipitrinus, Pall, = La Choiceffe, Buf. = Otus 
brachyotus, Schlegal, Mus. P. B. 

Ad. Uitstekende hoorns aan den zijkop nogal kort; kleur over het algemeen 
varieerend van af helder taanachtig okergeel tot geelachtig wit en met duidelijke 
donkerbruine strepen, die er onder aan den buik smaller uitzien en gaandeweg 
verdwijnen aan de pooten en dekv. ond. d. st. ; vleugels gevarieerd met zwart- 
achtige, grijsbruine en okergele tinten; slagp. met groote, dikwijls ineenvloeiende 
okergele vlekken ; staart okergeel of geelachtig (buitenste rectrices lichter van tint) 
met ongeveer 5 zwartachtig grijsbruine banden ; aangezicht om de oogen zwart- 
achtig; wenkbrauwen witachtig; iris geel. Jong. Bov.d. donker sepiabruin met 
breede okergele tippen aan de vederen; aangezicht bruinachtig zwart; ond.d. onge- 
vlekt licht geelachtig met een grijze tint aan de borst enz. Jong in doits. Geel- 
achtig, de pluimen dof bruin met okergele of geelachtige witte tippen; slagp. mei 
okergele vlekken; al de pluimen om de oogen en aan de kopzijden donkerbruin; 
frontpluimen geelachtig. L. 35, vl. 31, st. 16,3, tars. 4.4. De wijfjes zijn iets 
grooter: vl. 32. Geogr. dist. Koude, gematigde en tropische streken over de 
geheele aarde, uitgezonderd West-Afrika en Australië, maar wel in de Sandwich- 
eil. Lok. dist. Vooral de lagere streken. 

„Kortoor-Uilen of Wouduilen, eng, Short-eared Ovvls, heb- 
ben dezelfde zeer groote ooropeningen, met dons bedekte 
tarsi en teenen, maar minder lange vederen aan de zijden 
van den bovenkop dan de volgende soort. 

K.-U. behooren tot de enkele species, die zonder noemens- 
waardig verschil in vederkleed bijna over de geheele vv^ereld 
worden aangetroffen. In het noorden van hun gebied worden 
ze tot de trekvogels gerekend, die tegen den winter in vluchten 
van dikwijls 200 individuen het noorden van Amerika verlaten. 

29 



j^rQ BUBONID^. 

In de kolonie staan K.-U, bekend als Strippie- of Zwampoe- 
owroekoekoe, d. w. z. Gestreepte of Moeras-uilen, bij de 
Arowakken als Oeneberamolokodie, de Caraïben Djapomolokolo. 

Vooral treft men den K.-U. aan in moerassige streken, en 
dat meermalen op den grond. Opgeschrikt, vliegt hij onhoor- 
baar naar een nabijzijnden boom en wacht daar het komende 
af. Naar men beweert zou hij zijne prooi, bestaande uit muizen, 
ratten, vogels, slangen enz. niet alleen des nachts, maar 
gedurende het broedseizoen, ook bij dag bij donker weder 
vervolgen. 

A. A. broedt gedurende de droge seizoenen, fiet nest, 
bestaande uit enkele vederen, twijgen en grashalmen, wordt 
zoowel op den grond als in holle boomen gebouwd. Het wijfje 
legt 2 of 3 rondachtige, licht glanzende witte eieren. M. Afvi. 
39 X 31 m.M. 

A. stygius, Wagl. = Otits s., Schlegal, Mus. P. B. 

Ad. Bov.d. chocoladebruin, de achternek en ruf met enkele lange, licht okergele 
vlekken ; overige bov.d. met bedekte witachtig gele vlekken en stippen, iets duide- 
lijker aan de schoudervederen; slagp. chocoladebruin als de rug, met lichter bruine 
dwarsvlekken en dikwijls okergele vlekjes en stippen aan de slagp. v. d. 2denrang; 
dekv. der slagp. v. d. isten rang ongevlekt bruin; dekv. bov. d. st. bruin met 
duidelijke, helder okergele dwarsstrepen ; staartp. donker chocoladebruin met 5 tot 
8 helder okergele dwarsbanden en witachtige tippen; voorkop en vederen boven 
de oogen bruin met zilvergrijze strepen ; verlengde hoorns 5 c.M. lang, chocolade- 
bruin van kleur met licht okergele buitenranden; kopzijden bruinachtig, de kaken 
geelachtig gestreept; basis der oorvederen geelachtig; ruf bruin met licht okergele 
vlekken, de vederen achteraan bijna geheel okergeel met bruine zoomen en schacht- 
strepen ; kin bruinachtig met licht okergele vlekken ; ruf van de keel bestaande uit 
witte, bruingevlekte vederen ; overige ond.d. okergeel met bruine vlekken ; midden 
der vederen aan de bovenborst bruin ; onderborst en abdomen met bruine lengte- 
strepen, die elk van zijstrepen voorzien zijn, min of meer als de takken van een 
boom ; tusschenruimten tusschen de strepen met ovale, witte vlekken ; vederen aan 
de pooten donker okergeel met driehoekige bruine vlekken; dekv. ond. d. st. 
donker okergeel, de langste met bruine strepen; dekv. ond. d. vl. okergeel, de 
buitenste met bruine vlekken en zoomen; basis der grootere licht okergeel, de 
tippen bruin. L. 50, vl. 34, st. 19.4, tars. 4.5. De wijfjes zijn grooter: vl. 36. 
Geogr. dist. Het Oosten van Z. -Amerika van af Brazilië tot Mexico; alsook Cuba. 
Lok. dist. Vooral de lagere streken. 



ASro. 45 1 

„In tegenstelling met de voorgaande soort heeft de Stygi- 
aansche of Mexicaansche Langoor-Uil, eng. Stygian or Mexican 
Long-eared Ovvl, fr. Hibou de Mexique, wel 5 c.M. lange 
hoorns alsmede eene boomvormige bevlekking aan de vederen 
der onderdeelen. Zie verder Asw midas. 

A. clamator, Vieill. = A. wilsonianiis americamis, Schlegal, 
Mus. F. B. 

Ad. Bov.d. over het algemeen goudachtig geel, min of meer zwartachtig aan 
het midden der vederen, waardoor de bov.d. er gestreept uitzien, met zwartachtige 
golvende dwarslijntjes en stippen; schoudervederen ongevlekt aan de goudachtig 
gele buitenvlag; vl.dekv. goudachtig geel met donkerbruin gevarieerd; dekv. der 
slagp. V. d. isten rang zwartachtig bruin met lichter bruine schakeeringen; slagp. 
grijsbruin met donkerbruine dwarsvlekken overgaande in stippen aan de slagp. v. 
d. aden rang, die tevens eene lichtere kleur bezitten; dekv. bov. d. st. bruinachtig 
met enkele goudgele vlekjes; staartp. dof geelachtig met 7 tot 10 nogal breede 
donkerbruine dwarsbanden; basis der staartp. lichter goudachtig geel; boven kop en 
nek donkerder goudachtig geel dan de rug, de middenstrepen der vederen smaller 
en met draadachtige dwarsstrepen ; hoorns ongeveer 5 c.M. lang, donkerbruin van 
kleur met smalle, goudgele zoomen aan de buitenvlag en breedere van dezelfde 
kleur aan de binnenvlag; vederen aan den voorkop roodbruin, donkerbruin echter 
in het midden; wenkbrauwen wit evenals de lora, waaraan zwarte borstelharen ; 
de meeste oorvederen dof kastanjebruin, slechts enkele witachtig; voorste ruf 
zwartachtig bruin, daarachter een andere, die er helder oranjegeel uitziet; kin 
witachtig; keelvederen stijf, en roodbruin van kleur met donkerbruine schacht- 
strepen; overige ond.d. helder oranjegeel, het midden der vederen met breede, 
donkerbruine vlekken of strepen, smaller aan de abdomen en geheel ontbrekende 
aan de dekv. ond. d. st.; vederen aan de pooten geelachtig wit; dekv. ond. d. vl. 
witachtig, min of meer geelachtig getint en eenigszins gevlekt. L. 33, vl. 27, st. 16, 
tars. 5.6. De wijfjes zijn grooter: vl. 28. Geogr. dist. Van af Mexico zuidwaarts 
tot Columbia, de Guiana's en Brazilië. Lok. dist. Vooral de lagere streken. 

„Kleinere Langoor-Uilen, eng. Small- 
eared O wis, zijn niet zoo groot als de 
voorgaande specie, maar hebben toch 
opmerkelijk langer hoorns dan de Kortoor- 
Uilen ; hun vederkleed is tevens gestreept 
aan de onderdeelen. 

De K. L.-U. behoort tot onze gewone 
soorten en staat bekend als Pinnie-Toetoe- 
owroekoekoe, d. w. z. Gevlekte Hoorn-Uil Kop van Asio ciamator. 




45- 



bubonid.ï:. 



en bij de Indianen onder dezelfde benamingen als de Kortoor- 
Uil, van wien hij in levenswijze niet verschilt, maar zich nooit 
bij dag buiten zijn schuilhoek waagt. Zijn geluid klinkt als 
het mauwen van een katje. 

A. C. broedt gedurende de droge seizoenen. Nestelplaatsen 
en nesten komen overeen met die der Kortoor-Uilen. Het 
wijfje legt 2 of 3 licht glanzende, rondachtig w^tte eieren. 
M. A/m. 37 X 30 m.M. 



A. midas, Schlegal. = Otus nicxüanus, Schlegal, Mits. P. B. 

Ad. (Suriname). Bov.d. gevlekt zwartachtig, grijsachtig, geelachtig en roodachtig 
bruin; bovenkop lichter van kleur; ruf zwart; plek onder de oogen kastanjebruin; 
borstelvederen om den snavel wit ; keel wit evenals de onderruf ; ond.d. taanachtig, 
geelachtig en aschgrijs, borst bruiner met dunne zwarte strepen; vederen aan de 
pooten lichter geelachtig taankleurig; staart van onder met grijze banden; boven- 
zijde V. d. staart met vlekken, stippen enz.; slagji. met zwartachtige, witachtige en 
grijze dwarsvlekken; snavel zwart; teenen zwart; iris bruin. L. 40, vl. 27, st. 11.5, 
culm. 3.2. De wijfjes zijn grooter: vl. 29. Geogr. dist. De Guiena's, La Plata en 
Z.-O. Brazilië. Lok. dist. Vooral de lagere streken. 

„De Geelbuik Langoor- 
Uil, eng. Yello\v-bellied 
Long-eared Owl, onder- 
scheidt zich door een min 
of meer on ge vlekten, taan- 
kleurigen buik, maar ge- 
lijkt overigens nogal op 
A. stygiiis. Individuen uit 
Suriname werden in En- 
geland geïdentifieerd als 
A. midas. 

G. L.-U. behooren tot 
onze nogal groote, ge- 
wone Uilsoorten en staan 
bekend als Biegie-Pinnie- 
owroekoekoe, d. w. z. 
Groote Gevlekte Uilen, 
en bij de Caraïben als 




.-Ji/c wil/as. 



bij de Arowakken als Mawkodie 
Molokolo. 



ASIO. 



453 



Het talrijkst treft men G. L.-U. aan in de lagere zwamp- 
achtige streken. Hun voedsel bestaat, behalve uit muizen, 
ratten, vogels en reptielen, ook uit nogal grootere zoogdieren, 
zooals kleine Agoeties, Buidelratten enz. Hun geluid klinkt 
als een langgerekt, gierend „kwie-rie-rie"; ook hissen ze als 
nijdige katten. 

A. M. broedt gedurende de droge seizoenen in holle boomen 
of tusschen de bladeren van orchideeën. Het wijfje legt 2 of 
zelden 3 rondachtige witte eieren M. Afin. 43 X 33 rn.M. 

De kuikens zijn met roodbruin dons bedekt. 



Subfam. der BUBONINCE. 

„In tegenstelling met de voorgaande onderfamilie hebben 
de typische Hoornuilen niet zulke groote oorgaten, alsmede 
minder lange washuiden aan de bovensnavels ; de opening der 
ooren is dikwijls ongelijk aan beide zijden van den kop. Vele 
soorten dragen ook lange, op hoorns gelijkende vederen aan 
de zijden van den voorkop. Overigens komen ze wat lichaams- 
vorm en levenswijze betreft geheel overeen met de Syrniïnoe. 

Genera. 

A. Vleugel 35 C.M. of langer. 

„Lange vederen aan de zijden v. d. voorkop; tarsus met dons bedekt. 

BUBO, CUV. 

„Geen lange vederen aan de zijden v. d. voorkop ; teenen zonder dons 

.... PULSATRIX, KAUP. 

B. Vleugel 34 C.M. of minder. 

a. Lange vederen aan de zijden v. d. voorkop. 
„Vleugel minder dan i8 c.M. 

SCOPS, SAVIGN. 

„Vleugel langer dan i8 c.M. 

.... LOPHOSTRIX, LESS. 



454 BUBONID^. 



b. Geen lange vederen aan de zijden v. d. voorkop. 
* Vleugel langer dan 20 c.M. 



CICCABA, WAGL. 



Vleugel minder dan 20 c M. 
„Tarsüs onbevederd. 

.... SPEOTYTO, GLOGER. 

„Tarsus met dons bedekt. 

.... GLAUCIDIUM. BOIE. 



Species. 

BUBO, CUV. 

B. virginianus, Gm. = id., Cab. in Schomb. Reis. = id., 
Schlegal, AJits. P. B. = Hiboti des terrcs magellaniqite , Buff. 
= Buho magellanicus, Gvi. 

Ad. Hoorns duidelijk en ongeveer 5 c.M. lang; bov.d. gevlekt, gestipt enz. met 
verschillende tinten van okergeel, zwartachtig en zwartachtig bruin; buitenvlag der 
slagp. met donkere en lichtere vierkantachtge vlekken; ruf okergeel; hoorns zwart 
en okergeel ; een witte plek aan de keel en het midden der bovenborst ; overige 
ond-d. okergeel met zwarte dwarsstrepen, vooral aan de zijden ; staart met onge- 
veer 7 zwartachtig grijsbruine gevlekte banden; wenkbrauwen en lora witachtig; 
snavel zwart; iris geel. Jong. Slagp. en staartp. als bij ad.; overig vederkleed 
geelachtig of okergeel met zwartachtig grijsbruine dwarsstrepen. L. 50, vl. 36.5, 
st. 21.5, tars. 6.5. De wijfjes zijn grooter: vl. 37.5. Geogr. dist. Geheel Amerika. 
Loh. dist. Vooral de lagere streken. 

„Evenals de species van het geslacht Asio hebben Groote 
Hoorn-Uilen, eng. Great Horned Owls, fr. Grand-ducs d'Amé- 
rique, ongeveer 5 c.M. lange hoorns aan de zijden van den 
voorkop; de teenen zijn met dons bedekt; de opening der 
ooren is klein. 

In de kolonie staat de G. H.-U. bekend als Owroekoekoe- 
gramman of Biegie Zeekantie-owroekoekoe, d. w. z. Gouverneur 
der Uilen of Groote Zeekant-Uilen, bij de Arowakken als 



BUBO. 455 

Fierotokoromolokodie of Poesieka, en bij de Caraïben als 
Potome-koeloetau. 

G. H.-U. behooren tot de allergrootste onzer Xachtroofvogels 
en zien er inderdaad vreeswekkend uit met hunne strakke, 
groote, gele oogen, alsmede opgerichte vederen, waardoor hun 
lichaam grooter schijnt dan het inderdaad is. 

„Over het algemeen bewoont hij woudrijke streken, maar 
waagt zich zelden in den omtrek van bewoonde plaatsen. 
Den dag brengt hij door in dichtgebladerde of holle boomen 
of ook wel tusschen de bladeren van orchideeën. Die schuil- 




Biibo virginiantts. 



hoeken verlaat hij tegen den vooravond, maar keert er gere- 
geld tegen den morgen terug. 

Het voedsel van G. H.-U. bestaat uit vogels, reptielen en 
zoogdieren. Door hunne krachtige klauwen zijn ze in staat 
Agoeties, Buideldieren, ja zelfs jonge herten weg te dragen ; 
en dat ondanks deze dieren dikwijls veel zwaarder zijn dan 
hun aanvaller. 

„De G. H.-U. breekt gewoonlijk de ruggegraat en andere 
beenderen van kleine dieren, slikt dan het lichaam met huid 
en haar op, hoewel groote vogelkoppen eerst in stukken 



456 bubonid.ï;. 

gescheurd worden. Bij grootere zoogdieren wordt de buik 
opengelegd en het vleesch van binnen af weggevreten. Heeft 
de Uil zijn bekomst, dan verbergt hij het overblijvende vleesch 
op een donkere plaats zooals een holle boom enz. 

Het geluid van G. H.-U. klinkt als een snel, op grooten 
afstand hoorbaar „boe-boe-boe". Bijgeloovigen onder onze 
bevolking beschouwen het als een slecht voorteeken. 

B. V. broedt gedurende het kleine droge seizoen. Het nest 
wordt in dichtgebladerde boomen, holle boomen of wel tus- 
schen de bladeren van orchideeën gebouwd, maar dikwijls is 
het ook het verlaten nest van een anderen vogel. Het wijfje 
legt 2 of 3 rondachtige, eenigszins glanzende, witte eieren. 
M. Afin. 55 X 45 m.lVL 

De exemplaren varieeren nogal in grootte. 

De kuikens zien er uit als ballen katoen of dons, doch zijn 
zeer luidruchtig en blazen of hissen bij de geringste aanleiding. 
Het nest verlaten ze eerst na 8 weken. 

B. mangellanicus, Gm. wordt thans als identisch met de voor- 
gaande soort beschouwd, hoewel in afmeting eenigszins kleiner. 



PULSATRIX, KAUP. 

F. perspicillata, Lath. = AtJiene torquata, Cab. in Schomb, 
Reis. = Uhtla torquata, Schlegal, Aïus. P. B. = Pulsatrix 
torquata. 

Ad. Bov.d. chocoladebruin, donkerder aan den kop ; enkele der grootere vl.dekv. 
met lichter gekleurde dwarsstrepen ; slagp. bruin met smalle witachtige tippen en 
lichtbruine dwarsvlekken aan de slagp. v. d. isten en aden rang; schoudervederen 
als de rug, de buitenste (bij de mannetjes) met geelachtig witte dwarsstrepen ; 
staartp. donkerbruin met 6 lichter bruine banden en witte tippen; lora wit met 
zwarte strepen; wenkbrauwen geelachtig wit; kopzijden geheel zwartachtig bruin, 
maar de kaken en nekzijden wit; keel zwart en wit, gevolgd door een breeden 
chocoladebruinen band ; overige ond.d. helder okergeel, maar varieerend in tint ; 
vederen aan de pooten lichter gekleurd; dekv. ond. d. vl. okergeel en bruin; rand 
V. d. vleugel wit; teenen geelachtig groen; iris geel. Jong. Zuiver donzig wit met 



PULSATRIX. 



457 



zwarte plekken om de oogen en aan de keel ; slagp. en vl.dekv. licht geelachtig, 
roodbruin en wit gevlekt; staartp. donkerbruin met 4 of 5 lichter bruine banden 
en breede witte tippen. L. 49, vl. 35, st. 20.8, tars. 6, culm. 4.9. De wijfjes zijn 
grooter: vl. 38. Geogr. dist. Van af Mexico zuidwaarts tot de Guiana's, Brazilië 
en het dalgebied der Amazone. Lok. dist. Vooral de lagere streken. 

„Krabben-Uilen, eng. Crab-owls, onderscheiden zich door 
krachtige maar onbevederde teenen, die evenwel bij jonge 
individuen tot op de helft met dons zijn bedekt; de aange- 
zichtskraag is eenigszins smal, doch de ooropening tamelijk 
groot. Verder hebben K.-U. groote gele oogen met sterk 
ontwikkelde borstels er omheen, maar geen hoorns. 

De jongen die eene donzige 
sneeuwwitte kleur hebben met 
zwarte plekken aan de oogen 
en keel, alsmede bruingevlekte 
vleugels, staan in de kolonie 
bekend als Blakka fissie-wittie- 
owroekoekoe, d. w. z. Witte 
Uilen met zwart aangezicht, 
terwijl de donkerbruine en 
taankleurige ouden Krabboe- 
owroekoekoe, d. w. z. Krabben- 
uilen heeten. De Indianen 
noemen ze Popopo. 

Langs bijna alle waterkanten 
zoowel aan de zeekust als op 
zwampachtige plaatsen treft 
men K.-U. aan, gedurende den vooravond laag langs het water 
vliegende. Hun prooi bestaat, gelijk de naam aanduidt, vooral 
uit krabben, hoewel ook reptielen en kleine zoogdieren niet 
versmaad worden. Dikwijls ziet men een K.-U. ook tusschen 
de komvormige wortelspreiding der mangroven zitten, maar 
dat alleen des nachts, want bij dag verschuilt hij zich in dicht- 
gebladerde boomen enz. Zijn geluid klinkt als een snel her- 
haald „boe-boe-boe-boe", vergezeld van snavelgeklapper. 

P. P. broedt tegen het groote droge seizoen. Het nest wordt 
in holle boomen of tusschen de bladeren van orchideeën gebouwd. 




W it jong van Puhafrix perspiciUafa. 



458 



BUBONID^. 




Piihairix perspicillafa, od. 



Het wijfje legt 2, zelden 
3 rondachtige, eenigszins 
glanzende, witte eieren, 
ïwee exemplaren, gecol- 
lecteerd in de wouden 
ten westen van Parama- 
ribo meten : 46 X 39 rn.M. 
en 47 X 38 m.M. 

De kuikens zijn geheel 
sneeuwwit, maar met de 
oogen ter zijde van den 
kop. Ze groeien snel, 
verlaten het nest na een 
zestal weken , maar worden 
nog geruimen tijd door 
de ouden gevoed en dra- 
gen het volkomen veder- 
kleed eerst na drie jaren. 



SCOPS, SAVIGN. 



S. brasiliana, Gm. = S. cJioUba, Cab. in ScJiomb. Reis. = 
S. brasiliensis, Schlcgal, Mus. P. B. 

Ad. Bov.d. bruin gevlekt, dwars gestreept, gestipt enz. met donkerbruin, geel- 
achtig wit of taankleurig, vooral aan den achternek; vederen der bovenzijde zwart 
in het midden, lengte of dwarsstrepen vormende ; bovenkop met breede strepen, 
de geelachtige vlekjes zeer klein en witachtig aan de frontvederen ; aan den achter- 
nek een min of meer duidelijke band van lichter gekleurde vederen, meerendeels 
witte, taanachtig getint nabij de basis en met 2 of 3 bruine zigzaglijnen nabij de 
uiteinden; schoudervederen grijzer dan de rug en met onregelmatige grijsachtig 
witte vlekken aan de buitenvlag, die bij enkele vederen geheel wit is, met zwarte 
tippen en een of twee golvende, donkerbruine lijnen; slagp. bruin, geschakeerd als 
de rug, de kleinere dekv. eenigszins roodachtig-, de grootere en middelste grijs 
getint aan de buitenvlag, enkele der vederen met groote, grijsachtig witte vlekken 
of dwarsstrepen aan de tippen v. d. buitenvlag; dekv. der eerste slagp. zandachtig 
geelachtig met donkerbruine dwarsstrepen; slagp. donkerbruin met zandachtig 
roodbruine dwarsvlekken, min of meer geelachtig aan de binnenvlag ; dwarsvlekken 



SCOPS. 



459 



aan de buitenvlag licht zandachtig geelachtig, eenigszins wit aan de buitenzoomen 
der slagp. v. d. aden rang, die min of meer met bruin geschakeerd zijn; slagp. v. 
d isten rang met duidelijk geelachtig witte, golvende vlekken aan de buitenvlag; 
binnenste slagp. gekleurd en gevlekt als de rug, maar met enkele grijsachtig witte 
dwarsstrepen ; staartp. donkerbruin, eenigszins geschakeerd aan de tippen en met 
ongeveer 6 tot i o regelmatige, zandachtig roodbruine banden, lichter en witachtiger 
aan de uiteinden; lora wit, de schachten der vederen verlengd tot haarachtige 
zwarte borstels; pluimen over het voorgedeelte der oogen wit met smalle donker- 
bruine tippen; pluimen aan de kruinzijden met enkele witte vlekken; oorvederen 
als de kop maar met witte binnenvlag en enkele smalle, donkerbruine lijnen ; 
kopzijden grijsachtig wit met smalle donkerbruine zigzaglijnen, de achterste met 
breede zwarte tippen; ruf geelachtig wit, de vederen met breede zwarte tippen en 
strepen; ond.d. wit, hier en daar met de goudgele tint v. d. basis der vederen, 
waarvan elk met smalle zwartachtig bruine zigzagdwarshjnen en schachtstrepen, die 
er aan de borstzijde breeder uitzien; dekv. ond. d. st. eveneens dwars gestreept; 
vederen aan de pooten goudachtig geel met donkerbruine dwarsstrepen; dekv. ond. 
d. vl. geelachtig en grijsbruin, min of meer gestreept ; snavel zwartachtig, de tip 
groenachtig; teenen loodkleurig; iris geel. Jong. Als ad., maar grijzer van tint en 
minder fraai gevlekt, zonder de zigzagdwarslijnen aan de ond.d. en zonder hoorns 
aan de zijden van den voorkop. L. 22.5, vl. 15, st. 7.6, tars. 3-2- De wijfjes zijn 
grooter: vl. 15.7. Geogr. dist. Brazilië, noordwaarts tot de Guiana's, Venezuela en 
Columbia. Lok. dist. Vooral de lagere streken. 

„De Braziliaansche Uil, eng. Brazilian Scops owl, fr. Petit- 
duc de Brésil, is kleiner dan de 
voorgaande soorten, maar draagt 
ook hoorns aan den zij kop. Snavel 
en pooten zijn niet heel krachtig, 
terwijl de opening der ooren heel 
klein is; de pooten zijn met dons 
bedekt min of meer tot aan het 
midden der teenen. Het vederkleed 
ziet er geheel gevlekt uit, en vooral 
aan de onderdeelen gelijken de 
vlekken wel wat op boomen met 
horizontale takken. 

De B. U. heet in de kolonie 
Biegie Ston-owroekoekoe, d. w. z. 
Groote Steen-uilen. De Indianen 
noemen hem Boekoeboekoe, de 
Aro wakken ook wel Sjoekoen- 




Vederkleed van Scops brasilietisis. 



460 



BUBONID^. 



molokodie of Kcrepoenoema, de Caraïben Moeloekoeja. 
B. U. behooren tot de minst schuwe onzer Nachtroofvogels, 

en worden overal in het 
woud, maar vooral in 
de lagere zwampachtige 
streken, dikwijls zelfs in 
de stad Paramaribo aan- 
getroffen. Den dag bren- 
gen ze door in dicht 
gebladerde boomen enz., 
hoewel men een een- 
zaam individu meer- 
malen ook bij dag kan 
waarnemen, denkelijk 
door vogeltjes of slangen 
uit zijn schuilhoek ver- 
jaagd. Hun voedsel be- 
staat uit muizen, vogel- 
tjes, reptielen en insecten. Hun vlucht geschiedt minder onhoor- 
baar dan die der meeste andere Uilen. Hun geluid klinkt als 
een snel herhaald, hokkend „ boekoe-boekoe-boekoe ". 

.S. B. broedt gedurende het droge seizoen. Het nest 
wordt tusschen de bladeren van orchideeën gebouwd. Het 
wijfje legt 2 min of meer glanslooze, rondachtige, witte eieren. 
M. A/m. 36 X 31 m-M. 

De exemplaren varieeren niet veel. 




Scops braiili'ensis, vader en kinderen. 



S. roraimae, Salv. 

S. atricapilla, Temm 

S. usta, Scl. 

S. guatamelae, Sharpe. 



N.B. De \\er bovenstaande soorten of liever variëteiten zijn reeds uit de Guiana's 
bekend. Toch is het onnoodig de karaktertrekken van elk afzonderlijk te beschrijven. 

Bij al deze gevlekte vogels, behalve het feit dat het vederkleed zich in een donkere 
en lichtkleurige phase voordoet, ligt het afscheiden van subspecies geheel aan het ver- 



LOPHOSTRIX. 461 

mogen van den beschrijver om kleurtinten te onderscheiden.^ Een weinig meer grijs, 
roodbruin of geelachtig aan de tippen of het midden der vederen, doet het geheele 
vederkleed een andere tint verkrijgen. 



LOPHOSTRIX, LBSS. 
L. cristata, Daud. = Bubo cristatus, ScJilrgal, Mus. P. B. 

Ad. Bov.d. donker, eenigszins roodachtig chocoladebruin, min of meer met zwart 
geschakeerd; bovenkop roodbruin getint; schoudervederen en vl.dekv. roodbruin 
getint met witte en geelachtig getinte vlekken; slagp. donkerbruin met enkele 
geelachtige of roodbruine vlekken en dikwijls zwartachtige stippen, dwarsstrepen 
enz.; binnenste slagp. ongevlekt, maar van dezelfde kleur als de rug; onderzijde 
v. d. vleugel lichter en met breede, geelachtig witte dwarsvlekken aan de binnenvlag; 
staart roodachtig bruin met zwartachtige schakeering en met geelachtig witte dwars- 
vlekken aan de binnenvlag der reclrices ; voorkop en breede wenkbrauwlijn wit, 
min of meer bruin gevlekt; lora witachtig met een roodbruine tint en eindigende 
zwarte schachtborstels; vederen om de oogen, aan de kopzijden en een gedeelte 
der nekzijden helder roodbruin; verlengde hoorns 6.5 c.M. lang, bruin van kleur 
met een roodachtige tint, de basisvederen wit evenals een gedeelte der andere 
vederen; kaken en keel bruinachtig grijs; een witte vlek aan het achtergedeelte 
der kaken ; overige ond.d. grijsbruin, overal met smalle donkerbruine lijnen ; midden 
der borstzijden en flanken min of meer wit, de lijnen bijna niet te zien aan de 
onderflanken; vederen aan de tibiae min of meer oranjegeel, die aan de tarsi 
taankleurig met een roodbruine tint aan het bovengedeelte en met bruine dwars- 
lijnen enz.; dekv. ond. d. st. taankleurig met slechts enkele bruinachtige lijnen enz.; 
dekv. ond. d. vl. oranjegeel met enkele vlekjes; snavel en teenen geelachtig; iris 
geel. Jong. Als ad., maar roodachtiger van tint en minder fraai gevlekt. L. 47, 
vl. 32, st. 21.5, tars. 4.5. De wijfjes zijn grooter: vl. 34. N.B. Er bestaat van 
bovengenoemde soort ook een roodbruine phase, kenbaar vooral aan de bruinroode 
tint der bov.d. Geogr. dist. De Beneden-Amazone, Ecuador en de Guiana's. Lok. 
dist. Vooral de lagere streken. 

„Van al onze Nachtroofvogels hebben Langkuif-Uilen, eng. 
Longcrested Owls, de langste, bij enkele individuen zelfs bijna 
zeven centimeter metende hoorns, alsmede onbevederde teenen. 

In de kolonie staan L. U. eveneens bekend als Biegie- 
Pinnie-owroekoekoe of Toetoe-owroekoekoe, bij de Arowakken 
als Molokodie en bij de Caraïben als Koeloetaw. 

Vooral in de dichtere wouden treft men den L. U. meer- 



46; 



BUBONIDiE. 



malen aan Zijn levenswijze verschilt anders niet van die der 
andere groote Nachtuilen. 

L. C, broedt gedurende het droge seizoen in dichtgebladerde 
of holle boomen. De eieren zijn onbekend, maar het aantal 
jongen in een nest bedraagt doorgaans 2 en zelden 3. 



CICOABA, WAGL. 

C. huhula, Daud. = Athene li7ieata, Cab. in Schonib. Reis. 
= Ulula ulicla, Schlegal, Mus. P. B. 

Ad. Bov.d. zwart, min of meer bruin aan de schoudervederen en met witte 
dwarsstrepen, die er aan de schoudervederen en vl.dekv. eenigszins golvend uitzien, 
maar kleiner aan den eenigszins donkerder kop; vl.dekv. zwart met minder dwars- 
strepen als de rug ; slagp. donkerbruin met lichtbruine dwarsvlekken overgaande 
in wit aan de buitenvlag en aan de slagp. v. d. aden rang; staartp. zwart met 
witte tippen en ongeveer 4 witte banden, lora en vederen om de oogen, kopzijden 
en ruf zwart met witte vlekken en tippen; nekzijden zwart en wit evenals de 
achternek; kin zwart; overige ond.d. zwart met witte banden, minder duidelijk 
aan de pooten ; dekv. ond. d. vl. zwart met witte banden, de onderste min of 
meer grijsbruin ; snavel, teenen en klauwen geelachtig wit. Jong. Ongeveer als ad., 
maar doffer van tint. L. 40, vl. 25, st. 15, tars. 4.5, culm. 3.5. De wijfjes zijn 
grooter: vl. 26. Geogr. di'it. Brazilië en de Guiana's. Lok. d?st. Vooral de 
lagere streken. 

„Bij den Gevlekten Zwarten Uil, eng. Spotted Black owl, fr. 
Hibou noir tacheté, is de tamelijk groote ruf om het aangezicht 
cirkelvormig. Geen dons bedekt de teenen ; de openingen der 
ooren zijn slechts middelbaar; de vleugels reiken tot ongeveer 
twee derde van den bijna vierkanten staart, maar aan den 
zijkop ontbreken hoorns. 

In de kolonie staan G. Z. bekend als Pinnie-Blakka-owroe- 
koekoe, d. vj. z. Gevlekte Zwarte Uilen en bij de Indianen 
als Popopo of Hoehoeloe. Hun levenswijze komt overeen met 
die der andere grootere Uilsoorten. Hun geluid klinkt als een 
meermalen herhaald „boe-boe-boe". Over hun voortteling is 
niets bekend. Volgens Schomburgck verschillen de jongen 



CICCABA. 463 

in kleur van de ouden en dragen het volkomen vederkleed 
eerst na 2 of 3 jaren. 

C. virgata, Cass. = Ulula cayennensis, Schlcgal, Mus. F. B. 

Ad. Bov.d. sepiabruin met talrijke okergele vlekken, dwarsstrepen, stippen enz., 
onduidelijker aan de vederen tusschen de schouders, maar duidelijker aan bovenkop, 
stuit en dekv. bov. d. st., waarvan enkele met onregelmatige witte dwarsstrepen 
en dus op de staartp. zelve gelijkende; schoudervederen aan de buitenzijde helder 
okergeel of wit, binnenste schoudervederen meer gevlekt dan de rug en tevens met 
meer taangeel of okergeel; vl.dekv. als de rug en met okergele zigzag-dwarslijnen 
overgaande in geelachtig wit aan de grootere vl.dekv. ; dekv. der slagp. v. d. isten 
rang en slagp. donker sepiabruin met lichter bruine banden, die er aan de buiten- 
vlag der slagp. v. d. isten rang lichter, geelachtig wit uitzien; binnenste slagp. als 
de rug; staartp. zwartachtig met breede witte tippen en ongeveer 5 lichter bruine 
banden, min of meer wit aan de binnenvlag; voorkop en kruin met dunne oker- 
gele dwarsstrepen; lora witachtig, min of meer gevlekt met bruin en overgaande 
in zwarte schachtborstels; een breede witte band over de oogen; kopzijden en 
oorvederen okergeel met witachtige schachtstrepen en talrijke bruine dwarslijnen; 
snavelwortel met enkele witte vederen, die het ondergedeelte v. d. ruf vormen, 
waarvan de vederen er witachtig uitzien met een okergele tint aan de tippen 
alsmede kleine, donkerbruine vlekken; ond.d. okergeel, de keel en borstzijden met 
bruine stippen, vlekken, dwarslijnen enz. ; middenborst, abdomen en flanken met 
witte strepen, vele der vederen geheel wit met breede donkerbruine strepen ; dekv. 
ond. d. st. witachtig, okergeel getint en met onduidelijke bruine banden ; vederen 
aan de pooten okergeel, evenzoo onduidelijk dwars gestreept; dekv. ond. d. vl. 
grijsbruin en licht okergeel met enkele bruine strepen en vlekken ; snavel geelachtig; 
teenen bruingeel; iris geel. /o«^. Geheel donzig, geelachtig, min of meer witachtig 
aan bovenkop, kopzijden en keel. L. 35, vl. 22.5, st. 14.3, tars. 4.3, culm. 3.3. 
Geogr. dist. Van af Mexico zuidwaarts tot Venezuela en de Guiana's. Lok. dist. 
Vooral de lagere streken. 

„Bij den Cayenne- of Bruinen Uil, eng. Cayenne or Brown 
Ovvl, fr. Hibou de Cayenne, is de vierde slagpen gelijk aan 
de vijfde; de teenen zijn onbevederd maar bedekt met kleine 
schilden, niet de fijne schildjes en 3 a 4 platen aan het uiteinde 
als bij de voorgaande soort, van wie de C.-U. in levenswijze 
niet verschillen, doch veel zeldzamer schijnen. In de kolonie 
staan ze onder dezelfde benamingen bekend. 



464 



BUBONIDiK. 



SPEOTYTO, GLOGES. 



S. cunicularia Mol. = La CJiouette de St. Dominique, 
Bujf. = Athene c, Cab. in Schomb. Reis. = Noctiia c, 
Schlegal, Mus. P. B. 

Ad. Bov.d. bruinachtig met witachtige of geelachtige vlekken, dwarsstrepen, 
stippen enz.; ond.d. witachtig of geelachtig, dwars of overdwars gestreept met 
bruin; wenkbrauwen, kin en een gedeelte der borst wit; een bruine en geelachtige 
das om de keel ; vederen aan de pooten witachtig of geelachtig ; staartp. bruin met 
witachtige tippen en ongeveer 5 geelachtige banden; lora witachtig met haarachtige 
schachtlijnen ; snavel geelachtig; teenen grijsachtig; iris geel. yb;?^. Bov.d. pngevlekt 
bruin, uitgezonderd vleugels en staart ; dekv. bov. d. st., een plek aan de vl.dekv. 
alsmede ond.d. ongevlekt geelachtig; kleinere vl.dekv. van voren donkerder bruin 
dan de rug; bovenkeel en een gedeelte der borst wit. L. 22,5, vl, 16.5, st. 8.4, 
tars. 4.5. De wijfjes zijn grooter: vl. 17.5. Geogr. dist. Van af het zuiden der 
Vereenigde Staten zuidwaarts tot Argentina. Lok. dist. Savannes vooral in de 
hoogere alluviale gronden. 

De Lang-poot Grond-Uil, eng. Burrowing Owl or Moth-like 
Owl, onderscheidt zich door lange, met haarachtige borstels 
bedekte pooten. Oorgaten en ruf zijn klein, hoorns ontbreken 
aan den zijkop evenals bij de twee volgende soorten. 

In de kolonie staan L. G. bekend als Langa-foetoe-Ston- 
owroekoekoe of Gron-Owroekoekoe of ook wel Sabana-owroe- 
koekoe, d. w. z. Langpootige Steenuilen of Grond-Uilen of 
Uilen der savanne en bij de Indianen als Bokoba. 

Langs de kust worden L. G. zelden of nooit aangetroffen, 
veel talrijker daarentegen op met gras begroeide savannes. 
Toch ziet men ze zelden omdat ze zoo schuw zijn en hun 
kleur veel met die van gedroogd gras overeenkomt. Opge- 
schrikt, strekken L. G. den hals uit, schudden den staart een 
paar keeren en vliegen dan een eindje verder, vergezeld van 
hun eigenaardig fluitend geluid. Hun voedsel, dat gewoonlijk 
bij dag bemachtigd wordt, bestaat uit kleine zoogdieren, vogels, 
reptielen en insecten. 

S. C. broedt gedurende het droge seizoen, vooral den grooten, 
drogen tijd. Als nestelplaatsen worden gebruikt holen in den 
grond, vooral verlaten holen van Armadillen onder de heuvel- 
vormige nesten der Termieten. Het nestmateriaal bestaat uit 



GLAUCIDIUM. 465 

gras, twijgjes enz. Het wijfje legt 2 of 3 witte, rondachtige, 
glanzende eieren. M. Af ui. 31 X 28 m.M. 

De exemplaren varieeren nogal in glans en afmeting. 

De jongen verlaten spoedig het nest. Dikwijls nestelen ver- 
scheidene paren bij elkander in een hol en naar men zegt ook 
te zamen met ratelslangen enz., hetgeen evenwel onjuist is. 
Wel vindt men in de holen van Kapacies of Armadillen, de 
met deze dieren samenwonende slangen, zooals de Makkaslang 
Lachesis mithis, de Ratelslang Crohihis Jwrridiis enz., maar 
dit kan op waarheid berusten, want het pantser van een 
Armadil is wel bestand tegen een slangenbeet, terwijl het 
vederkleed der Uilen geen bescherming hoegenaamd aanbiedt. 

Ziet men dus een slang zich in een hol begeven waar L. G. 
nestelen, dan is het zeker niet om huisvesting te verzoeken, 
maar denkelijk om zoowel huis als eigenaren in beslag te nemen. 



GLAUCIDIUM, BOIB. 

G. phalaenoides, Daud. = Atheiie passerinoides, Cab. in 
ScJwïiib. Reis. = A^octiia infiiscata, ScJilegal Mus. P. B. 

Ad. Borstzijden en voorgedeelte der zijden ongevlekt bruin of roodbruin ; banden 
aan den staart varieerend van af wit tot roodbruin, de tusschenruimten van af 
grijsachtig bruin tot zwartachtig- of donker roestbruin ; bovenkop met smalle wit- 
achtige of licht roestbruine vlekjes; ond.d. witachtig met min of meer bruine of 
roodbruine strepen; bov.d. donker sepiabruin met enkele witachtige of geelachtige 
vlekjes enz. ; een band van okergele en zwarte vederen om den achternek ; rui 
donker van kleur; snavel geelachtig wit; iris geel. Jo7ig. Ongeveer als ad., maar 
de bovenkop ongevlekt. L. i6, vl. 9.5, st. 6.5, tars. 1.9. De wijfjes zijn grooter: vl. 10.3. 

N.B. Bij de roodbruine phase zijn de bov.d. min of meer roestachtig kastanjebruin. 
Geogr. dist. Geheel tropisch Amerika (uitgezonderd de Antillen) noordwaarts tot 
Texas. Lok. dist. Vooral de lagere streken. 

„In tegenstelling met de voorgaande soort zijn bij de Roest- 
bruine Dwerg-Uilen, eng. Rusty Pigmy O wis, de pooten met 
dons bedekt, uitgezonderd de teenen. 

In de kolonie heeten R. D.-U. Pikien Ston-owroekoekoe, 
d, w. z. Kleine Steen-Uilen en bij de Indianen Daeno of ïoetoe. 

3 f' 



466 



buboxid.ï;. 



R. D.-U. bchooren tot onze allerkleinste Nachtroofvogels 
en worden het talrijkst in noordelijke streken aangetroffen. 
Den dag brengen ze door in holle of dichtgebladerde boomen, 
tusschen de bladeren van orchideeën enz. Mannetje en wijfje 
zitten gewoonlijk dicht tegen elkander gedrongen en gaan 
alleen des nachts op prooi uit, die uit muizen, andere kleine 
zoogdieren, vogeltjes, reptielen en insecten bestaat. 

Het geluid van den R. D.-U. klinkt als een melancholiek 
„toet-toet" en kan wel een kwart mijl ver gehoord worden. 
Toch is het moeielijk te ontdekken van welke zijde het van- 
daan komt, daar het nu eens luid dan weder wat zachter klinkt. 

G. P. broedt gedurende de droge seizoenen. Het nest wordt 
in holle boomen, tusschen de bladeren van orchideeën, maar 
vooral in verlaten holen van Spechten gebouwd. Het wijfje 
legt 2 of 3 rondachtige, nogal glanzende witte eieren. M. Afin. 
27.5 X 2^ m.M. 

G. ferox, Vieill. = Noctna fcrruginca, Schlegal Mus. P. B, 

Ad. Bov.d. grijsbruin met ruitvormige witte vlekken aan rug tot dekv. bov. d. 
st. en overgaande in dwarsstrepen aan de scboudervederen, waarvan de buitenste 
tevens met ovale witte vlekken; bovenkop meer aardachtig bruin dan de rug en 
bedekt met ovale, licht okergele vlekken en strepen; een band van witte, zwarte 
en okergeel getinte vederen om den achternek ; een gedeelte der vl.dekv. met 
ovale, witte vlekken; dekv. der slagp. v. d. isten rang grijsbruin ; slagp. grijsbruin, 
iets donkerder dan de rug, uitgezonderd aan de basis v. d. buitenvlag der slagp. 
v. d. istcn rang, die met wit gevlekt zijn, evenals de slagp. v. d. a^en ning ; 
staartp. zwartachtig, donkerder dan de vleugels en met ongeveer 7 rijen witle 
vlekken ; vederen aan voorkop en over de oogen wit, die aan de lora eindigende 
in zwarte schachtborstels; oorvederen aschgrijs met breede okergele strepen; kin 
en onderkeel tot 'onder de ooren zuiver wit en van elkander gescheiden door een 
zwartachtigen band ; overige ond.d. wit met grijze strepen, slechts enkele aan den 
abdomen zwartachtig; flanken en bovenborst grijsachtig bruin, laatstgenoemde met 
onregelmatige witte vlekken; vederen aan de pooten wit met grijsbruine vlekken 
dekv. ond. d. st. zuiver wit met zwarte strepen; dekv. ond. d. vl. geelachtig en 
wit met min of meer donkere vlekken ; snavel geelachtig wit ; iris geel. Jong. 
Ongeveer als ad., maar de bovenkop ongevlekt. L. 19.5, vl. 10, st. 8,3, tars. 2.3. 
De wijfjes zijn grooier: vl. 11.5. 

N.B. Zoowel in kleur als afmeting verschillen de individuen ondeiling ten zeerste. 
Bij de roodbruine phase zien de bov.d. er min of meer roodbruin of roodachtig 



GLAUCIDIUM. 



46: 



kaneelbruin uit. Geogr. dist. Z. -Amerika tot Brazilië en Peru. Lok. dist. Vooral 
de lagere streken. 

De Grijsbruine Dwerg-Uil, eng. Gray-brown Pigmy Owl, 
is eenigszins grooter, maar komt in levenswijze geheel 
overeen met de voorgaande soort; beide staan ook onder 
dezelfde lokale benamingen bekend, maar de G. D. schijnen 
minder gewoon dan de andere Dwerg-Uilen, 

G. F. broedt gedurende het droge seizoen. Nest en eieren 
gelijken op die der voorgaande species, alleen zijn laatstge- 
noemde wat kleiner. AI. Afm. 28 X 25 m.M. 



468 



PSITTACIDiE. 



Orde XIV. PSITTACI. 

PAPEGAAIACHTIGEN. 

„Tot deze orde worden gerekend 6 familiën, waarvan slechts 
een in de Guiana's vertegenwoordigd is. 

De P. worden meermalen verdeeld in 2 onderorden of secties, 
nl. dé Eigenlijke P., Psittaci proprii, en de Rechtsnavelige P., 
Psittaci ortognati, die evenwel niet in Amerika voorkomen. 
Men kent omstreeks 500 soorten, w.o. de thans zoo beruchte 
vleeschetende Kea of Schapendooder, Nestor natahiiis. Het 
aantal bekende fossielspecies bedraagt 6. 



Familie der PSITTACID.^. 

PAPEGAAIEN. 

„Ongeveer 440 soorten Papegaaien, eng. Parrots, fr. Perro- 
quets et Perruches, zijn bekend, verspreid over bijna alle 
tropische deelen der aarde. Slechts enkele soorten komen ook 
in het Noorden voor. De fauna van Amerika telt omstreeks 
200 species, waarv'an 40, gerekend tot 13 genera en 2 sub- 
familiën, in de Guiana's inheemsch zijn. 

Onze P. hebben een krachtigen lichaamsbouw, breede schou- 
ders, een lang borstbeen, korte, nogal dikke halzen en groote, 
dikwijls zeer groote koppen. De uiterst dikke snavel is in den 
regel korter of even lang als de kop en van af den wortel 
sterk gekromd, terwijl zich, evenals bij roofvogels, een was- 
huid aan den bovensnavel bevindt, maar die er doorgaans 



PAPEGAAIEN. 469 

bevederd uitziet. De bovensnavel is niet onbeweeglijk aan den 
schedel vast, doch van spieren voorzien en kan op en neder 
bewogen worden. De ondersnavel ziet er bol en rond uit. De 
tong is dik, vleezig en lijkt op leder. De in den regel kleine 
oogen zijn ter zijde van den kop en dikwijls door een onbe- 
vederde plek omringd. Het gezicht van P. is dan ook weinig 
ontwikkeld. De vleugels zijn in den regel middelbaar lang, 
nogal spits met dikwijls ingesneden enden aan de binnen- of 
buitenvlag der eerste slagpennen. De staart, bestaande uit 12 
vederen, varieert vanaf kort en vierkant tot uiterst lang en 
spits; de dikke pooten zijn kort, de tarsi dikwijls korter dan 
de langste teen, en met kleine, ruwe schildjes bedekt, terwijl 
de lange, dikke teenen, waaraan evenwel scherpe klauwen 
ontbreken, permanent twee naar voren en twee naar achter 
zijn gekeerd. 

Verder hebben de meeste onzer P. geen of bepluimde olie- 
klieren, een dik, stevig vel en gedurende sommige seizoenen 
een zelden dikke vetlaag tusschen vel en vleesch. De vederen, 
waaraan achterschachten ontbreken, zijn aan de uiteinden vol- 
strekt niet donzig, staan ook niet heel dicht op elkander, 
terwijl de stijve baardjes er aan elkander gekleefd uitzien; de 
buik is bevederd. Elke veder bedekt, vooral aan de onder- 
deden, een bepaald gedeelte van het. lichaam en als men dan 
ook eenige vederen uitrukt, ontstaat er dadelijk een opening 
in het vederkleed. Aan den hals is het vel nogal elastisch, 
hetgeen de inslikking van harde brokken voedsel mogelijk maakt. 

In den regel zijn bij onze P. beide seksen min of meer 
hetzelfde gekleurd en van gelijke afmeting, hoewel bij enkele 
species de wijfjes wat grooter schijnen. Jonge verschillen 
eenigszins van oude. Maar alle behooren tot onze fraaiste 
vogels, die in hun vederkleed meermalen alle kleuren van den 
regenboog vertoonen. Toch zijn die kleuren, hoewel helder, 
dikwijls zeer protectief, b.v. een groene papegaai tusschen groene 
bladeren. Over de vederen ontbreekt de olielaag ten naastenbij 
geheel. Toch bezitten vele species een fraaien glans, die echter 
bij geprepareerde huiden niet verdwijnt. 

Onze P. zijn goede vliegers, maar plaatsen onder het loopen 



^■jQ psittacid.ï:. 

den eenen poot schuin voor den ander en loopen dan met een 
eigenaardigen gang, die zelfs in Suriname spreekwoordelijk 
is. Onder het klimmen pakken ze een tak met den snavel 
vast en rekken zich dan naar boven. Hierop doelt een Suri- 
naamsch gezegde : „de papegaai laat den snavel niet los, dan 
alvorens hij met den poot een houvast heeft", hetgeen betee- 
kent: Werp geen oude schoenen weg enz.; een ander gezegde 
luidt: de papegaai blijft te huis, maar zijn vleugel gaat ter jacht. 

„Het voedsel van onze P. is grootendeels van plantaardigen 
aard, hoewel gevangen individuen ook wel vleesch eten. Het 
voedsel gaat eerst in een krop en vandaar in de maag. Alzoo 
komen P. min of meer overeen met Hoenders, hoewel ook 
aan de Koekoeken en Roofvogels, vooral Uilen, verwant, doch 
missen evenwel een galblaas. 

Onder het eten, zitten P. op hunne hakken, houden de spijs 
met een poot vast, en bijten er stukken af met den snavel; 
de dikke tong doet tevens uitstekenden dienst bij het verder 
vermalen of liever in stukken breken van het \'oedsel. 

Onze P. leven na het broedseizoen over het algemeen bij 
kleine of groote vluchten, hoewel men ook meermalen een- 
zame paren aantreft. Maar gedurende het broedseizoen houden 
de paren zich steeds afgezonderd. Mannetjes en wijfjes zijn 
zeer aan elkander gehecht, ja, er zijn enkele zooals de kleine 
Psittaciila, die het verlies van hun paar dikwijls niet overleven. 

Het donkere vleesch van onze P., uitgezonderd de aller- 
kleinste soorten, wordt gegeten en smaakt goed, hoewel de 
taaiheid ervan in de kolonie spreekwoordelijk is, maar Pape- 
gaaien- en Ara-soep daarentegen zijn beroemd vanwege hun 
eigenaardigen doch moeielijk te beschrijven smaak. Het vleesch 
onderscheidt zich verder van alle andere door meerdere zwaarte 
en doordat het langen tijd goed blijft. Inderdaad heb ik een 
doeden Ara gedurende het groote droge seizoen 36 uren goed 
gehouden bij een atmospheer van 92" Fahr. Alle ander vleesch 
bederft bij zulke hitte reeds binnen de 12 uren. Naar mijne 
meening is het bovenstaande het gevolg- van het eten van 
zekere zaden en noten, die een bederf werenden invloed uit- 
oefenen. 



PAPEGAAIEN. 



471 



P. komen zeer talrijk voor over al de woudrijke deelen der 
kolonie, vooral in de hoogere alluviale- en intermangrove 
terreinen, waar het dikwijls, gedurende het droge seizoen van 
enkele soorten krioelt. 

Onze P. kunnen alle getemd worden en hechten zich dan 
aan hun meester. Alle, van de grootste tot de allerkleinste, 
houden ervan dat men hen aan den achterkop streelt, z.g. 
„kopjeskrabben". Hunne geluiden klinken in het wild hard en 
krassend, maar de meeste bezitten het vermogen de mensche- 
lijke stem na' te bootsen. Vooral de soorten van het geslacht 
Amazona staan in dit opzicht hoog. 

Volgens onwetenden zou de P. begrijpen wat hij zegt en 
in staat zijn een gesprek te voeren. Natuurlijk is dit belachelijk, 
maar zelfs ontwikkelde personen, die deze vogels elkander in 
het wild hebben zien liefkoozen en trekkebekken evenals Duiven, 
vergezeld van allerlei zachte klanken, kunnen niet anders dan 
gelooven dat P. een taal bezitten, alleen verstaanbaar voor 
henzelven. Te meer blijkt dit als twee individuen twist krijgen, 
evenals vischvrouwen kijven en elkaar den rug toekceren. 

Vooral bij regenachtig weder doen P. zich het luidruchtigst 
voor en als gedurende het droge seizoen soms een onver- 
wachte bui valt, dan davert het in de wouden van hunne 
vreugdekreten. 

In de kolonie staan P. bekend als Popogai en Prakiekie 
van het engelsche Popinjays en Parakeets of ook wel het 
hollandsche Papegaai en Parkiet. Sommige soorten worden 
als het zinnebeeld van babbelzucht beschouwd ; hierop doelt 
het inlandsche gezegde : „Wil men zijne handelingen niet 
openbaar maken, men vertelle dan niets aan den Papegaai." 

De ouderdom van P. is welbekend en zou in sommig(;; 
gevallen, bij de grootere soorten, een eeuw bedragen, hetgeen 
ik niet betwijfel. Mij is een persoon bekend, die reeds achttien 
jaar in het bezit is van een Pionus menstniiis. De lange 
levensduur verklaart tevens gedeeltelijk de talrijkheid der 
Psittacidce over geheel tropisch Amerika. 

In gevangenschap verkrijgen de vederen van P. dikwijls 
een geelachtige tint en zien er minder donker uit dan bij 



472 



PSITTACID^. 



wilde vogels. Ook het voedsel oefent invloed op de kleur uit ; 
b.v. veel peper veroorzaakt eeno roode kleur enz. 

Onze P. overnachten en nestelen doorgaans in holle boomen, 
tusschen de kroon en van palmen of ook wel verlaten holen 
van Spechten of holen in de nesten van Houtluizen enz. Geen 
nest wordt gebouwd, maar legt het wijfje hare, bij de grootore 
soorten 2 of 3, bij de kleinere 3 tot 5 witte, ovale of rond- 
achtige eieren, op het rottende hout enz. De schalen varieeren 
vanaf dof glansloos tot hoogst glanzend, maar worden door 
de bebroeding in den regel bevuild en bevlekt met een gele tint. 

Beide seksen broeden, voeden elkander en zitten ook meer- 
malen naast elkander op de eieren. „De kuikens worden 
geheel naakt, blind en hulpeloos geboren. Hun kop is dan in 
verhouding tot het lichaam zoo groot, dat ze hem niet kunnen 
oprichten, maar verplicht zijn op eene zijde te laten rusten. 
Alvorens vederen te krijgen, wordt hun lichaam eerst met 
dons bedekt. 

* 

De ouden voeden de jongen, evenals bij Duiven, door bra- 
king. Het jong spert den snavel wijd open, waarna de oude 
vogel den inhoud van zijn krop in den bek van het jong 
overbraakt. Eenigszins opgegroeid laten de meeste soorten een 
eigenaardig geluid hooren als „kekkem kekkem", onder een 
gestadig knikken met de groote koppen. De nestelplaats ver- 
laten ze eerst in volwassen staat, maar zitten reeds geruimen 
tijd te voren op de omringende takken of klauteren er rond. 

Naar men beweert, zouden sommige papegaaikuikens tanden 
aan den bovensnavel hebben, die evenwel bij het opgroeien 
weer verdwijnen. 

Er is doorgaans slechts een broedsel per jaar. Xaar mijne 
meening dragen bij de meeste species de jongen het volkomen 
vederkleed binnen een of twee jaar. 

De vederen van al onze grootere P,-soorten worden door 
de Indianen als versiering gebruikt. 

Siib/arnilicn. 
A. Staart middelbaar of zeer lang, trapsgewijze gerangschikt en spits. 

.... CONURINCE. 



ARA. 



473 



B. Staart middelbaar of kort, nimmer spits aan de uiteinden, maar de breede 
vederen gewoonlijk van ten naastenbij gelijke lengte of rond gerangschikt. 

.... PIONINCE. 



Subfam. der CONURINCE. 

SPITS-STAART-PAPEGAAIEN. 

„Bij de leden dezer onderfamilie zijn de middelste staart- 
pennen altijd langer dan de overige, die tevens doorgaans 
trapsgewijze zijn gerangschikt, zoodat de staart er spits uitziet 
aan het uiteinde. De snavel is krachtig, hooger dan lang, over 
het algemeen zonder tand, maar met op een vijl gelijkende 
inkervingen aan den hoek van den bovensnavel, die van boven 
plat en gegroefd of rond en glad is. De washuid, die meer- 
malen den geheelen bovensnavel als een band omringt, ziet 
er dikwijls bevederd uit en bedekt soms de neusgaten. Bij 
vele soorten is de omtrek der oogen geheel onbevederd. Een 
kuif ontbreekt aan den achter of bovenkop, terwijl de snavel 
in kleur varieert van af bruin tot witachtig of rosé, maar 
nimmer rood. Beide seksen gelijken elkander in kleur, uitge- 
zonderd bij het geslacht Psittacitla. 

Genera. 

A. Omtrek der oogen geheel onbevederd. 

a. Kopzijden bijna geheel naakt. 

ARA, CUV. 

b. Kopzijden niet geheel onbevederd; lora bevederd. 

„Vierde slagpen spits aan het uiteinde; vederkleed met veel groen. 

.... CONURUS, KUHL. 

„Vierde slagpen niet spits ; vederkleed met veel bruin en gevlekt. 

PYRRHURA, BR 



474 



psittacid.t:. 



B. Omtrek der oogen niet geheel onbevederd. 

a. Snavelzijden min of meer gezwollen ; culmen rond. 

„Vleugel langer dan 9 c.M. 

.... BOLBORHYNCHUS, BP. 

„Vleugel korter dan 9 c.M. 

PSITTACULA, CUV. 

b. Snavel eenigszins zijdelings samengedrukt. 

BROTOGERYS, VIG. 



Species. 

ARA, CUV. 

A. ararauna, L. = Ara bleu,, Bujf. = Ara bleu el j'aiuie 
du Brcsil, Daiib. = Alacrocerciis a., Cab. m Schomb. Reis. = 
Ara ra a., Schlegal Mus. P. B. 

Ad. Bov.d. en dekv. ond. d. st. zijdeachtig blauw met een groenachtige tint; 
voorkop groenachtig; kaken onbevederd en evenals de lora met een paar lijnen 
van donkergroene vederen; rand der kaken en kin zwart, de vederen onder aan 
de kin groenachtig; oorvederen, nekzijden, borst, abdomen en dekv. ond. d. vl. 
helder oranjegeel ; slagp. en staartp. blauw van boven, maar goudachtig olijfgeel 
van onder; naakte huid aan de kopzijden roomgeel; iris licht geel; snavel zwart; 
pooten zwartachtig. L. 78, vl. 36, st. 30, culm. 4.5, tars. 2.8. Geogr.dist. Tropisch 
Amerika vanaf Panama tot Bolivia, de üuiana's en het dalgebied der Ajnazone. 
Lok. dist. Vooral de lagere streken. 

De Oranjegele Ara, eng. Blue and yellow Macaw, fr. Ara 
bleu et jaune, behoort, evenals de volgende twee soorten, tot 
de allergrootsten onzer Psitlaci. Alle drie species onderscheiden 
zich door uiterst lange, spitse staarten, zeer groote koppen, 
die er aan de zijden onbevederd, roomkleurig uitzien, maar 
bij de O. A. met rijen donkere vederen versierd zijn. De 
onderdeelen zijn tevens helder oranjegeel en niet rood als bij 
de twee volgende soorten. 

De O. A. staat in de kolonie bekend als Tjamba-rafroe, 



ARA. 475 

d. w. z. Tjamba-raaf. Deze naam is evenwel niet gebaseerd 
op een gelijkenis in gedaante of vederkleed met Raven, maar 
meer op het geluid, dat ongeveer klinkt als „raa" of „arrra". 
Het woord „Tjamba" doelt op de vroeger als slaven in de 
kolonie ingevoerde Tjambanegers, die lange sneden of inker- 
vingen aan de wangen hadden evenals de zwarte vederlijnen 
aan den zijkop van den Tjambaraaf. De Indianen kennen hem 
als Kalalawa of Warara, de Warrau's ook wel als Apahuima. 
„Vooral in de lagere woudrijke streken, zoowel in de hoogere- 
alluviale- als zwampachtige intermangrove terreinen, treft men 

O. A. talrijk aan, tegen den voor- 
avond dikwijls in vluchten naar 
hunne slaapplaatsen, hooge woud- 
reuzen of holle boomen toevlie- 
gende, maar zich nimmer met de 
roode Ara's vereenigende. Ge- 
durende het broedseizoen leven 
ze echter strikt bij paren. Man- 
netje en wijfje zijn zoozeer aan 
elkaar gehecht, dat wanneer er 
een vleugellam geschoten wordt, 

Kop van Ara ararauiiit. 

de ander den jager overal tot 
in Paramaribo volgt, en daar verscheidene dagen rondzwerft 
onder het uitstooten van allerlei schrille klaagtoonen. 

Gedurende het groote droge seizoen neemt het aantal O. A. 
in de kustwouden sterk toe door individuen uit de hooge 
oerwouden, om tegen het invallen der regens in November 
weder opmerkelijk te verminderen. 

„De jacht op Ara's, hoewel een der meest gezochte uitspan- 
ningen gedurende het groote droge seizoen, is niet altijd 
loonend, omdat deze vogels doorgaans in de hoogste woud- 
reuzen zitten. Zij zijn tevens zoo taai van leven, dat dikwijls 
alleen een schot in het hart hen kan doen omlaag tuimelen. 
Soms grijpt een gewonde Ara onder het vallen een tak met 
den snavel vast en klimt weder omhoog. Een zondagsjager 
gaat dan ook meermalen met een twintigtal patronen er op 
uit om, na alles verschoten te hebben, toch platzak terug te 




476 



PSITTACID.E. 



keeren. Volgens hem zouden de Ara's wel geraakt zijn, maar 
zich naar hunne slaapplaatsen begeven hebben om er te sterven. 
De grond zou daar na een jacht, met ravenlichamen bedekt zijn ! ! 

Het gezicht van den Ara is zoo weinig ontwikkeld, dat ik 
niet geloof dat deze vogels in staat zijn, een mensch onder 
een boom duidelijk te onderscheiden, hoewel zelve reeds van 
verre zichtbaar. Dikwijls kan een jager tot onder een betrek- 
kelijk lagen boom naderen, waar een twintigtal xVra's bij 
elkander zitten, zonder door hen opgemerkt te worden of wel 
hij schiet ze in de vlucht, als ze laag over de boomtoppen 
heenvliegen en hunne kleuren duidelijk met het oog te onder- 
scheiden zijn. 

Ook het gehoor der Ara's schijnt evenmin ontwikkeld, hoe- 
wel ze na het hooren van een geweerschot dadelijk wegvliegen 
onder het uiten van een krassend: „mie men tok", d. w. z. 
„ik heb voorspeld", of wel een luid „ara ara". Hun donker 
vleesch heeft een eigenaardigen geur, maar smaakt zeer lekker, 
vooral dat van jonge individuen ; kenbaar aan hun met de 
vingers indrukbare kaken, die evenwel bij oude vogels, hout 
in hardheid evenaren. Sommige jagers breken dan ook de 
kaken van oude Ara's, teneinde die als malsche, jonge exem- 
plaren te verkoopen, in Paramaribo voor ongeveer 75 a 80 cent. 

Het vleesch van een zeer ouden Ara, een z.g. „uit Noach 
Ark", moet wel acht uren op een sterk vuur, en zonder zout 
koken, alvorens het eetbaar wordt, hoewel nog altijd bijna 
even taai als gomelastiek. Slechts door toevoeging van een 
weinig soda of eenige druppels van het sap van den Papajer- 
boom, Carica papaja, kan men het zacht krijgen. 

Sommige lekkerbekken wikkelen het vleesch voor de berei- 
ding eerst een half uur in eenige papajerbladeren, die een 
hoogst ontbindenden invloed uitoefenen. Maar overigens bederft 
het vleesch van Ara's, zooals te voren aangehaald, zelfs bij de 
grootste hitte, niet spoedig. 

„De vlucht van Ara's is krachtig, snel en recht. Mannetje 
en wijfje vliegen dicht naast elkander. Bij het nederdalen 
nemen beide eene schuine richting ; hun lichaam helt dan 
sterk naar eene zijde over, terwijl ook de lange staart schuin 



ARA. 477 



te liggen komt. Loopen doen Ara's met denzelfden eigenaar- 
digen gang der andere Papegaaien. Eveneens gebruiken ze 
onder het klimmen zoowel bek als pooten. 

Het voedsel van Ara's is grootendeels van plantaardigen 
aard, vooral harde noten, zooals van den Possentree. Volgens 
Schomburgck zouden ze tevens tot de plunderaars der Indiaan- 
sche maïsvelden behooren. Onder het rooven zit er altijd een 
individu in de nabijheid op den uitkijk en geeft door luid 
geschreeuw kennis als er gevaar nadert. Wordt dit dreigend, 
dan vliegt de wachter met een krassend geluid op, waarna 
de geheele troep onder luid geschreeuw^ het terrein verlaat. ') 
Mij zijn evenwel geen gevallen van dezen aard uit Suriname 
bekend. Ook een inlandsch spreekwoord luidt : „de Parkiet eet 
maar de grootere Papegaai krijgt er de schuld van." 

„De kracht, die tusschen de kaken van Ara's zit, verdient 
opmerking. Met het meeste gemak kraken deze vogels dan 
ook voorwerpen stuk, waartoe men een hamer noodig heeft 
en zouden zelfs in staat zijn het been van een menschen- 
vingcr stuk te bijten. Onder het eten rollen ze een vrucht 
met hun tong in den hollen ondersnavel om, scheren er met 
de snavelranden het zachte gedeelte van af, tot aan de pit, 
die dan stuk gekraakt wordt. En dit gaat steeds vergezeld 
van allerlei tevreden, knorrende geluiden. 

Alle Ara's kunnen gemakkelijk getemd worden, maar leeren 
slechts enkele onduidelijke woorden praten. In gevangen staat 
leven ze lang, vooral jong uit het nest genomen individuen, 
die evenwel in Suriname bijna onverkrijgbaar zijn. De meeste 
tamme Ara's die men ziet, zijn dan ook vleugellam geschoten 

vogels. 

A. A. broedt zoowel in de hooge oerwouden als in de 
wouden der intermangrove terreinen langs de zeekust. De 
broedtijd begint kort na het invallen der regens in December 
en Januari. Als nestelplaatsen worden holle boomen of palm- 
boomen gebruikt, dikwijls dertig meter van den grond af. 

Onder het paren trekkebekken mannetje en wijfje, evenals 



'} Schomb. Guian. Reis. vol. II, pag. 197 — 198. 



478 



PSITTACIDiE. 



Duiven ; de een houdt den ander met den snavel aan 
de dikke, lederachtige tong vast en trekken er aan onder 
een hevig schudden met den grooten kop. Tevens reinigen ze 
elkanders vederen. 

Het wijfje legt 2 witte, ovale, fijnkorrelige, hoogst glanzende 
eieren. J/. Afni. 50 X 37 ni.M. 

Beide seksen broeden en zitten dikwijls naast elkander in 
de nestelholto, waaruit hunne lange staarten steken en reeds