(navigation image)
Home American Libraries | Canadian Libraries | Universal Library | Community Texts | Project Gutenberg | Children's Library | Biodiversity Heritage Library | Additional Collections
Search: Advanced Search
Anonymous User (login or join us)
Upload
See other formats

Full text of "De voorname huizen en gebouwen van 's-Hertogenbosch : alsmede hunne eigenaars of bewoners in vroegere eeuwen : aanteekeningen uit de bossche schepenprotocollen loopende van 1500-1810"

HAROLO 8 LEE U8RARY 

8WOHAM YOUMG UWtVBWTY 

PROVO. UTAH 



411 

Mi 

,iVK u-i 

\v\ ^r 

DE VOORNAME 

HUIZEN EN GEBOUWEN 

VAN 

's-HERTOGENBOSCH, 

ALSMEDE HUNNE EIGENAARS OF BEWONERS 
IN VROEGERE EEUWEN. 

AANTEEKENINGEN 

UIT DE 

BOSSCHE SCHEPENPROTOCOLLEN, 

LOOPENDE VAN 1500-1810. 

DOOR 

Jhr. Mr, A. F. O. van SASSE van YSSELT 

BESTUURSLID VAN HET PROVINCIAAL GENOOTSCHAP 

VAN 
KUNSTEN EN WETENSCHAPPEN IN NOORE>BRABANT. 



l e DEEL. 



Uitgaue uan 

het Prouinciaal Genootschap uan Kunsten en Wetenschappen 

in Noordbrabant. 







'TOVO, UTAH 



VOORWOORD. 



Aanvankelijk was mijn voornemen om uit de Bossche 
Schepenprotocollen, loopende over het tijdvak 1500 — 1810, uit- 
treksels te geven op dezelfde wijze als Aug. Sassen zulks deed 
met de protocollen der Helmondsche notarissen. Het bleek 
mij, toen ik met het excerpeeren daarvan was begonnen, dat 
het niet de moeite zoude loonen om al de duizende akten, die 
in de Bossche Schepenregisters staan, bij extract uit te geven 
en bovendien dat het excerpeeren daarvan een werk zoude zijn, 
dat ik onmogelijk zoude kunnen voltooien. 

Ik moest daarom de taak, die ik mij had opgelegd, be- 
perken en ik meende dat niet beter te kunnen doen dan met 
mij te bepalen tot die schepenakten, welke betrekking hebben 
op de voornaamste of belangrijkste huizen en gebouwen, die 
oudtijds te 's Hertogenbosch stonden, alsmede op derzelver be- 
woners of eigenaars ; dan was het geen onbegonnen werk en 
werden in elk geval de belangrijkste schepenakten geexcerpeerd. 

Hierbij heb ik de door mij gemaakte extracten zoodanig 
gerangschikt, dat zij geplaatst zijn in de beschrijving van de 
huizen of gebouwen, waarop zij betrekking hebben, omdat ik 
vermeende, dat daardoor het raadplegen van mijn werk zeer 



zoude worden vergemakkelijkt ; voorts heb ik daarbij hetgeen 
in kronijken of andere oude werken over die huizen of gebou- 
wen en derzelven eigenaars of bewoners vermeld staat, tusschen 
die extracten of excerpten ingevoegd ten einde den inhoud er 
van beter verstaanbaar te maken. Daartoe heb ik ook nog een 
veelvuldig gebruik gemaakt van de onuitgegeven Beschrijving 
van 's Hertogenbosch van den bekenden geschiedschrijver mr. 
Johan Hendrik van Heurn, die ze in zijne Historie der Stad en 
Meyerye van 's Hertogenbosch II blz. 447 noemt : Beschryving 
der Geestelyke en Waereldlyke Gebomven der Stad. 

Naar hetgeen hij daar ter plaatse mededeelt, was hij in 
1776 nog niet met dit werk begonnen, hetgeen ook uit deszelfs 
inhoud blijkt, want men kan er duidelijk uit zien, dat het eerst 
omstreeks 1780 werd samengesteld. Het bestaat uit twee dikke 
folio deelen goed geschreven schrift; Pastoor Coppens maakte 
er reeds een ruim gebruik van voor zijne geschiedenis van het 
Bisdom van den Bosch en daardoor kwam een deel van den 
inhoud der Beschrijving ook in het bekende werk van pastoor 
Schutjes over hetzelfde Bisdom. Met hetgeen ik uit de Be- 
schrijving in dit werk zal mededeelen zal daardoor thans bijna 
de geheele inhoud er van in druk zijn verschenen met uitzon- 
dering echter van hetgeen van Heurn daarin vermeldde over 
de oude Bossche gilden ; overneming hiervan kwam mij niet 
wenschelijk voor, omdat hij over de gilden niets anders mede- 
deelt dan den verkorten inhoud hunner kaarten ; den origineelen 
tekst daarvan gaf hij alzoo niet. 

Dank zij de vrijgevigheid van nu wijlen mr. Petrus Franciscus 
van Cooth, in leven griffier der Staten van Noordbrabant, berust 
de Beschrijving van mr. van Heurn thans in de verzameling 
handschriften van het Provinciaal Genootschap van Kunsten en 



— 5 — 

Wetenschappen in Noordbrabant. Voor eene uitgave in den 
oorspronkelijken tekst is zij voor den tegenwoordigen tijd niet 
meer geschikt. 

Uit de beschrijvingen der kerken en andere openbare 
gebouwen van den Bosch, die gedurende de laatste vijftig 
jaren in druk verschenen zijn, heb ik echter voor dit werk zoo 
goed als niets overgenomen, omdat die boeken door een ieder 
gemakkelijk kunnen geraadpleegd worden en het daarom over- 
bodig was den inhoud daarvan hier over te nemen. 

De nummers, die ik aan de door mij beschreven huizen 
en gebouwen heb gegeven, zijn de huisnummers, welke zij thans 
hebben blijkens het Gemeenteblad van 's Hertogenbosch voor 
1909 n°. 177 en de nummers, die ik achter de door mij mede- 
gedeelde excerpten heb vermeld, zijn die der Bossche schepen- 
protocollen, waaruit ik ze genomen heb. 

Van eenige huizen en gebouwen had ik gaarne meer 
transporten medegedeeld dan ik deed, doch dat was mij niet 
mogelijk, omdat ik daarvan bij het onderzoek in de schepen- 
protocollen den draad kwijt raakte, doordien daarin vóór 155° 
de huizen, met uitzondering van die, welke op de Markt en 
in hare onmiddellijke omgeving stonden, op eene enkele uit- 
zondering na, niet met hunne namen worden aangeduid ; zij 
zullen die vóór dien tijd meerendeels niet hebben gehad. 

De Bossche schepenprotocollen van vóór 1500 heb ik 
niet onderzocht, omdat mij de tijd ontbrak ze te ontcijferen ; 
zeer wenschelijk vind ik het echter dat een ander mijn werk 
uit die protocollen aanvult ! 

A. F. O. van SASSE van YSSELT. 

's Hertogenbosch, 
1 Mei I9ijb. 



INLEIDING. 



De stad 'sHertogenbosch, — haar naam duidt het reeds 
aan, — is gesticht op een bodem, die volgens den eenen kronijk- 
schrijver een boseh was en volgens den anderen nabij een 
bosch was gelegen. 

Jacob van Oudenhoven in zijne uitgave van 1670 van 
zijne Beschryvinghe der stadt van 's Hertogenbossche 1) blz. 2 
zegt : „dat dese stadt uyt gheen bosch gebouwt en is, blijckt 
ten eersten uyt den ouden naem van nova civitas apnd sylvam, 
de nieuwe stadt by het bossche. Ende dat is al eenen seer 
ouden naem, die dese stadt in haer eerst beghin ghevoert heeft, 
want de Roomsche coninck Henrick, soon van den keyser 
Fredericus II, noemt de burghers van dese stadt homines de 
nova civitate apad sylvam, in den brief, gegeven apud Nuren- 
berch anno 1233, 13 Kal Octobris, waerin dat hy deselve tolvry 
maeckt doorgaens op den Rhijn, De grondt, daer de stadt leydt, 
is ten anderen (ook) al te leegh geweest ende (aan) het water 
te seer onderworpen om daer boomen tot een bosch te wassen, 
oock selfs doen de wateren hier noch soo hoogh niet en reesen 
als sy nu wel doen". Kortheidshalve, zoo betoogt hij verder, 
zou dan de naam van civitas apud sylvam geworden zijn 



1) Waar hij in dit werk wordt aangehaald zonder vermelding van 
jaartal is bedoeld zijne uitgave van 1670. 

Hij was in zijne jeugd kloosterling in het klooster Bazeldonk te 
den Bosch, later werd hij Hervormd predikant en stierf te Haarlem omstreeks 
het jaar 1683. 



— 8 — 

Bossche en van hier volgens hem de dwaling, dat ter plaatse, 
waar de stad den Bosch gelegen is, oudtijds een bosch zoude 
hebben gestaan. 

Met deze zienswijze van van Oudenhoven zijn in strijd 
de Bossche kron ijkschrijvers Wilhelmus Molius, Albertus Cupe- 
rinus en Simon Pelgromius 1), die allen veel vroeger leefden 
clan hij ; zoo schreef de in de tweede plaats genoemde hunner, 
wat de beide anderen in bijna dezelfde bewoordingen ook mede- 
deelden: „die plaetse, claer nu die stad van Tsertogenbossche 
op gefuudeert is, was een zeer lustige encle plaisantelycke 
bosscagie ende een genuchelike foreeste, verciert met menigherley 
boomen, ghebusteu, mit verscheyde grim cruden, bloemen ende 
al wat tot genuchte, solacie ende berieflicheyt van een bossche, 
foreeste encle warande toebehoort. In dat bossche waren veel 
vremde, wilde dieren, als: vossen, wolven, beren, wilde swynen, 
hazen, conynen, herten, hijnden ende sulx meer van wilbraet." 2) 

De meening van de drie laatstgenoemde kronijksch rij- 
vers wordt bevestigd door het Eegister der goederen van het 
klooster Lorsch, omdat onder de vrome giften daarin de na- 
volgende van het jaar 815 opgeteekend staat 3) : In villa Hortina 
(= de Frankische villa of dorp Orthen) declit Runfridus terram 
ad seminandum modios clecem et mansos cum pratis, pascuis, 
sylva, piscatoriis et omnibus adjacentiis, zijnde hetzelfde als 
dat wat reeds Alfger had gedaan toen deze: tradidit in Ortinon 
terram ad modia decem sementis et prata, et in Ulam sylvam 
(n.1. het Orthensche bosch) porcos cluos. 

De benaming Muntel, clie een deel van 'sHertogenbosch en 
van den polder het Ertveld en de Vliert(=Yliedaard) oudtijds hacl, 
pleit ook voor het bestaan hebben van een bosch in en nabij 
die stad, daar toch dit woord beteekent eene mun (begraafplaats) 



1) Hij werd omstreeks 1507 te den Bosch geboren en in 1540 prior 
van het klooster Bazeldonk aldaar. Volgens Dr. G. R. Hermans Gesch. 
Mengelwerk 1 blz. 56 overleed hij in 1572 ; zijne kronijk is aldaar afgedrukt 
op blz. 61 en vlgd. 

2) Dr. G. R. Hermans Verzameling van Kronijken blz. 19 en vlgd. 

3) Mr. A G. Bondam de Orthensche verwikkelingen blz. 9 en 6. 



— 9 — 

gelegen bij een lo (bosch) 1). Het deel van de Muntel, dat 
binnen de vesten van den Bosch lag, vindt men omschreven 
in eene Schepenakte dier stad van 1596 (Reg. no. 294 f. 36), 
waarbij Goijart van Engeland aan mr. Jacob van Balen ver- 
koopt een kamp lands, genaamd de Kleine Mantel, gelegen 
op het Hinthamereind tusschen de Pijnappelsche en cle Hint- 
hamerpoorten en den stadswal ex uno en de aldaar vlietende 
wateren ex alio. 

Men kan alzoo veilig aannemen, dat cle stad den Bosch 
gebouwd is ter plaatse, waar voorheen zich een bosch bevond, 
zooals, op Van Oudenhoven na, ook steeds het algemeen ge- 
voelen is geweest. 

„In dit bosch," zoo schreef Pelgromius, „heeft de Hertoch 
een hutte op gheslagen, so voor syne honden ende peerden als 
hy ter jacht ginck als oock voor de menschen om voor den 
reghen ende groote hitte daerin te schuylen. Dese hutte is 
daerna het Hasewijnt ghenaemt ende staet alsnoch op de Merckt. 
Des Hertoghs jaghers hebben dese hutte met eenen graft om- 
graven om hen tegens 'tghewelt haerder vyanden te versekeren, 
want daer was eenen grooten twist geresen tusschen hen ende 
cle jaghers van den Graeff van Megen 2), overmidts dat sy 
onder het ghebiedt van den ghemelden Graeff ghecomen waren, 
volghende haere honden, die daer ofte verdwaelt waren of door 
al te groote hitticheyt het wilt hebben gevolcht, waerover sy 
van des Graefs jaghers seer zijn gheslaghen ende gewont, 
alsof sy hen onderstaen hadden in eens anders jacht te jaghen. 
Dit heeft de Prins so qualijck ghenomen, dat hy die van 
Meghen clwonck de ghedoode honden met de achterste voeten 
om hooch te hanghen ende die gheheelijck, tot een amende, 
met coren te overgieten ende te bedecken'*. 

Molius zegt van bedoelde hut, die hij noemde Casula 
seu diverticalum qaoddam, : postea factum est ut ab hac eaclem 
casula in eodem loco constructa, domus illa, quae nunc circa 



1) Dr. C. R. Hermans Geschiedk. Mengelwerk II blz. 263. 

2) Guperinus in Dr. G. R. Hermans Verzameling van Kronijken blz. 20. 



— 10 ~ 

forum, cane venatico intersignata, monstratur et adhuc ibidem 
nomen servasse videatur. 

Dit huis, het Hazewindje genaamd, was het oudste huis 
van den Bosch, doch daarom nog niet de optrek of het zooge- 
naamde kasteel of paleis, dat de Hertog van Brabant voor zijn 
verblijf aldaar had; dit was het huis, dat Godfried III of wel 
Hendrik I van Brabant 1) een paar huizen verder dan het 
Hazewindje aan de Pensmarkt bouwde om er gedurende het 
jachtseizoen met zijnen hofstoet eenigen tijd verblijf te houden. 2) 
Molius noemde dat huis „aula Ducis, ab eodem recenter in- 
signi opere in foro exstructa, quae nunc e regione maccelli, 
oloris sive cygni insignio, ubi princeps libenter diverte solebat, 
nobilitata conspicitur. Wanneer dit huis gebouwd is, is niet 
meer bekend; zeker zal het reeds in 1200 voltooid zijn ge- 
weest, omdat toen eene compositie- facta est apud Orten inter 
ducem (Hendrik I van Brabant) et comitem (Otto van Gelre) 
en het niet is te veronderstellen, dat vorstelijke personen met 
elkander een verdrag zouden gesloten hebben in eene hutte; 
in elk geval stond het gebouw er al in 1202, daar het toen 
reeds eene munitio werd genoemd. 

Mr. J. H. van Heurn zegt in zijne Historie der Stad en 
Meyerye van ' s Hertog enbosch I blz. 100, dat de bouw van dit 
huis of kasteel, zooals hij het noemt, oorzaak was, dat vele 
menschen zich bij of omtrent hetzelve vestigden, waardoor 
Hertog Godfried werd bewogen hunne woningen en zijn kasteel 
met wallen en grachten te doen omringen, aan welke aldus 
versterkte plaats hij den naam van 's Hertogenbosch gaf, het- 
geen geschiedde in het jaar 1184. 

Pelgromius geeft daarentegen als oorzaak van het ont- 
staan dier stad de volgende op : 

„De plaets van (voorbedoeld) bosch was tot vele saken 
bequaem ghelegen, hebbende in 't midden een ghemeyne vaert, 
tot dewelcke, als tot een ghemejme haeve, vele volckeren 



1) Cuperinus in Dr. G. R. Hermans Verzameling van Kronijken blz. 31. 

2) Butkens Tropheés I bk 4 blz. 131. 



11 



daghelijckx quamen om hare ghecochte goederen daer te ont- 
fanghen. 

De Kempelaoders, Peellanders ende haere gebueren plach- 
ten haere byen naer de uytterste palen van Gelderlandt te 
brengen, omdat die landtstreecke een seer soete ende ghetem- 
perde locht heeft ende overvloedich is van coren, bloeysel ende 
heyde, zijnde seer bequaem voetsel voor de byen. Dese natie 
ter bequamer tijdt haere byen in haere bykorven overbrenghende 
ende, met Geldersche coopmanschappende met coren, boonen, 
erwitten, keesen ende diergelycke waren, hebben dese plaetse, 
als naer alderbequaemste ghelegen, verkosen, tot dewelcke sy 
met groote menichte met haere schuytjens ende kerrekens 
quamen om de gecochte waren of die se noch mochten koopen 
te ontfanghen. Ende geschiede dan door de groote coopman- 
schap, die hier gedreven wert, dat dese plaets vermaerder ende 
meer besocht wert. 

Daer en waeren dan noch geen publycke herberghen om 
de comende luyden te ontfanghen, also dat die ghenootsaeckt 
waren onder den blauwen hemel te vernachten, indien sy tot 
haer groot onghemack tot de naest ghelegen dorpen ende 
hoeven hen niet en begaven. Eenen sekeren huysman, dit 
onghemack moede zijnde, heeft voor hem ghenomen daer te 
timmeren, ende is de eerste gheweest, die in dit bosch een 
openbaer herberghe ghebout heeft aen de Oude Diese ontrent 
de Geertruydebrugghe ende is door de menichte der gasten ende 
groote neeringhe in korten tijdt seer rijck gheworden, dat oock 
niet te verwonderen en is, want het doen eenen vredelycken 
tijt was ende het volck quam daer by groote menichte, soo 
uyt de Geldersche quartieren, voorn amentlijck uyt Bommeler- 
ende Tielerweert, Maes ende Wael, als oock uyt de quartieren 
van Brabant, te weten van Brussel, Loven, Antwerpen, Kempe- 
landt ende Peellandt ende uyt alle omliggende stedekens ende 
vlecken om op dese plaets haere coopmanschap te dry ven. 
Door dit goet succes ende welvaren van desen weert geschiedent 
(ghelijck de menschen van naturen voornuftich zijn) datter 



-*- 12 — 

meer haere wooninghe daer gingen timmeren, soo datter huys 
by huys gevoecht worde. Dit zijn dan de eerste gheluckige 
beginselen gheweest van de toecomende stadt. Molius schreef 
hetzelfde en eindigt dan aldus : haec fuere civitatis buscoducensis 
praeludia; de plaats waar de eerste woningen volgens hem 
kwamen te staan was : „non longe a littore gurgitis antiquae 
diesae, qui eo tempore per pon tem ortensium dirivabatur". 
Van Oudenhoven t. a. p. blz. 3 beweert nog, dat het eerste begrijp 
van dese stadt op den dijck van Orthen begrepen ende meest 
ghebouwt is, en komt alzoo de zienswijze van Molius en Pel- 
gromius zeer nabij, daar toch onder den dijk van Orthen moet 
worden verstaan de Orthenstraat, welke benaming oudtijds niet 
alleen droeg de eigenlijke Orthenstraat maar ook de Hooge 
Steenweg, doch op blz. 12 schrijft hij, behalve dat voorbedoelde 
huisman zijn logement bouwde op de plaats, waar later het 
St. Geertruiklooster stond, dat de woningen, welke na het zetten 
van die herberg gebouwd zijn, getimmer t werden ter plaetse, nu 
de oude dyse ghenaemt, op den Hoogen Steenivegh ende nae de 
Veriverstraet ; hij blijft zich daar alzoo met zijne eerste bewe- 
ring niet gelijk, want hij doet het er toch voorkomen dat de 
plaats, waar de eerste woningen gebouwd werden, was de tegen- 
woordige straat de Oude Dieze. Cuperinus in zijne kronijk, 
uitgegeven door Dr. Hermans 1. c. blz. 23 beweert dit ook, 
want hij zegt daar dat die eerste husen werden getimmert op 
die selve plaetse oft straete, dat nu op die Oude Diese gemunt 
is en dat eerst daarna, nadat ook al de Verver straat bebouivd 
ivas, ivoningen gezet werden op ten Hoogen Steenweek. Het 
wil mij echter voorkomen dat laatstgenoemde geschiedschrijver 
evenals van Oudenhoven op blz. 12 zich vergist, daar het toch 
niet aannemelijk is, dat de eerste woningen der stad gebouwd 
zouden zijn betrekkelijk ver buiten hare eerste ommuring; tot 
die vergissing zullen zij zijn gekomen doordien te hunnen tijde 
alleen het einde der Verwerstraat de Oude Dieze genaamd 
werd. De plaats, door Molius, Pelgromius en gedeeltelijk ook 
nog door Cuperinus aangegeven, als de oorsprong van den 



-- ia - 

Bosch, was bovendien veel beter gelegen voor den handel met 
de Gelderschen dan de zooveel verder gelegene straat, welke 
thans de Oude Dieze heet. Voor mijn gevoelen vind ik nog steun 
bij van Heurn in zijne Beschrijving, want hij is daar ook 
van oordeel, dat de plaats, waar de eerste woningen der stad 
kwamen te staan, gelegen was aan de Oude Dieze, die van af de 
Geertruibrug in meer Oostelijke richting dan de tegenwoordige 
Dieze naar de Maas liep 1) en eerst den naam van Oude Dieze 
kreeg toen, zooals van Oudenhoven op blz. 25 t. a. p. mede- 
deelt men „in den jaere 1448 op den 29 Mey begonst heeft 
een nieuwe haven 2) te graven ende men groef (toen) de Dyse 
tot Enghelen toe ende doen wierden alle het water van de 
waterstroom met eenen graft daer naer (Engelen) toegebrocht, 
die te vooren ten deele met eenen langhen loop door de stadt 
liep ende ten deele door de brugghe by den Orthenschen dijck 
naer de Maes toe". Met de brugghe by den Orthenschen dijck 
bedoelt van Oudenhoven blijkbaar de pons ortensius, waarvan 
Molius, als gezegd, gewaagde, zijnde dezelfde als de Geertruy- 
brugghe, waarover Pelgromius het heeft, zooals ook de meening 
is van van Heurn in zijne Beschrijving, daar deze aldaar toch 
zegt: „door den Ortensen dijk kan ik niets anders verstaan als 
de straat, die den Hoogen Steenweg genaamt werd; deeze straat 
was in de eerste bewalling der stad begreepen en is thans 
nog zo hoog, dat de meeste huizen aldaar ter rechte zijde, als 
men van de Markt komt, aan de agter zijde merkelijk laager 
zijn als de straat is ; van Heurn ziet hierbij echter over het 
hoofd dat de naam Hooge Steenweg van oudsher alleen ge- 
voerd wordt door dat deel van de Orthenstraat, dat loopt van 
af de Vischstraat tot aan de Pensmarkt. 

De ghemeyne vaert, die blijkeus de hiervoren aange*- 
haalde passage van Pelgromius liep door het bosch, op welks 



4) Van af Orthen tot de Maas had dit deel der Dieze den naam 
van het Zwarte Water. 

2) Over de verdere geschiedenis van deze haven, thans de Smalle 
en Breede genaamd, zie men van Oudenhoven 1. c. blz. 23 en van Heurn 
Historie II blz. 489 en 496. 



— 14 — 

bodem den Bosch gebouwd is, was blijkens van Oudenhoven 
t. a. p. blz. 12 de Maalstroom. Hieraan stond onder Orthen 
een kapelleke, aan St. Peter gewijd, dat in 1545 zal zijn afge- 
broken 1), van welk bedehuisje nog melding wordt gemaakt 
in eene Bossche Schepenakte van 5 October 1722, waarbij 
Arend de Raet, wonende te Haarlem, als executeur-testamentair 
van Gualtherus de Raet, heer van Dubbeldam, verkoopt een 
kamp hooi- of weiland, genaamd de Zwanenkamp, groot zeven 
morgen, gelegen te Orthen tegenover de plaats daer de capel 
gestaen heeft, gemeendelijk genoemt Maelstroom, de erve eer- 
tijts Catharina Goossens ende haare kinderen ex uno ende 
tussen de Oude Diese, aldaer vlietende, ex alio. 

De bewering van van Heurn, dat de stad den Bosch is 
ontstaan doordien menschen zich vestigden en in de nabijheid 
van het zoogenaamd kasteel of paleis van den Hertog en die 
van Pelgromius, dat zij is ontstaan doordien menschen het 
deden aan de Oude Dieze bij de St. Geertruibrug, kunnen zeer 
goed samengaan, want het verblijf van clen Hertog in die stad 
zal er zeker ook lieden hebben getrokken 2). 

Wanneer is nu de stad den Bosch gesticht geworden ? 

Lang heeft de meening gegolden, op grond van het oud 
chronicon, dat aldus luidde: 

GodefrldVs dVX e sILVa feCIt oppIdVM, 
dat het jaar 1184 het stichtingsjaar was, maar de Bossche archi- 
varis Jan Hezenmans beweerde in zijn werk de Stichting van 
's Bosch in 1185, dat het stichtingsjaar 1185 moest zijn en 
daarom is op zijn advies in het jaar 1885 te 's Hertogen- 
bosch met zeer veel luister en vrolijkheid het zevenhonderd- 
jarig bestaan van die stad gevierd. Volgens mr. A. C. Bondam 
t. a. p. blz. 20 is echter de stichting van den Bosch door 
Hertog Godfried slechts als eene legende te beschouwen 3) en 



1) R. A. van Zuylen De Stadsrekeningen I blz. 624. 

2) Mr. A. G. Bondam t. a. p. blz. 34. 

3) In het Tijdschrift voor Noordbrab. Gesch., Taal- en Letterkunde I 
blz. 81 staat aangehaald een handschrift van Butkens, volgens hetwelk den 
Bosch in 1185 reeds deze schepenen had: Walterus; Johannes ; Egidius; 
Judocus en Godefridus. 



— 15 — 

hij zal daarin wel gelijk hebben, want uit niets blijkt, dat die 
Hertog of zijn zoon Hendrik die stad stichtte. Edmond de 
Dynter II p. 132, op wien men zich beroept ten bewijze, dat 
den Bosch in 1185 zoude gesticht zijn, spreekt van een e stich- 
ting der stad in dat jaar niet. Het meest aannemelijk is ook, dat 
den Bosch niet in. eens doch langzamerhand is ontstaan, zooals 
eveneens uit de voormelde aanhalingen uit de Bossche kroniek- 
schrijvers valt op te maken en dat die plaats eerst stad zal 
geworden zijn toen door den Hertog aan haar stedelijke rechten 
geschonken werden ; wanneer zulks gebeurde is echter tot dusverre 
niet kunnen blijken. Met Dr. J. Huizinga in de Bijdragen voor 
Vaderl. Geschied. IVe reeks Ve Dl blz. 89 ben ik het eens, 
dat dit zal hebben plaats gehad in of kort vóór 1196, vermits 
Keizer Hendrik VI op verzoek van Hendrik I, Hertog van 
Brabant, den 1 Juni 1196 tolvrijheid op den Rijn schonk: 
universis hominibus suis de nova civitate apud silvam 1) en, 
zooals Dr. Huizinga terecht opmerkt, de Brabantsche Hertog 
aan den Keizer voor zijne nieuwe stad geene voorrechten zal 
hebben verzocht dan nadat hij eerst zelf daaraan voorrechten 
in den vorm van stedelijke rechten zal hebben verleend. Het 
heeft daarom niets gewaagds het verleenen van stedelijke 
rechten van den Bosch op of (op) kort vóór 1196 te dateeren, 
te meer daar dezelfde hertog Hendrik I reeds in 1212 die stad 
met Sichem, Lier, Aerschot, Antwerpen en Leuven rekende 
onder cle oppida nostra ab antiquo aedificata. 2) Maar wat 
er hier ook van moge zijn, in elk geval waren de Bossche- 
naren in 1885 niet ver van de waarheid, toen zij in dat jaar 
het zevenhonderdjarig bestaan hunner stad plechtig herdachten. 
Volgens Van Heurn Beschrijving waren de eerste 
woningen van den Bosch maar boerenhuizen, die slechts gering 

1) Miraeus Opera Diplomatica I blz. 193. Mr. A. G. Bondam t. a. p. 
blz. 35. Wauters Table chronologique des chartes III blz. 55. 

In hetzelfde jaar 1196 gunde ook de Graaf van Gelre tolvrijheid 
aan de burgenses de novo oppido super silvam juxta Orten (Sloet Oor- 
kondenboek no. 387). 

2) Miraeus t. a. p. I blz. 571. 



— 16 — 

van omvang waren, geene andere muren dan leemen wanden 
hadden en enkel en alleen met stroo of riet gedekt waren. 
Doordien hare daken slechts van stroo of riet waren, bevond 
zich tusschen die woningen eene tusschenruimte van twee voeten 
breed om het regenwater te doen wegloopen; hieraan zou het 
volgens hem zijn toe te schrijven, dat men zelfs nog in zijnen 
tijd te 's Hertogenbosch tusschen de woningen zoogenaamde 
wennen had. 

De insoliede bouw der eerste woningen van den Bosch 
maakte het aan de inwoners van Heusden gemakkelijk om, 
toen zij uit afgunst de nieuwe stad wilden vernietigen, de 
nieuwe ivooningen, zooals Pelgromius verhaalt, tot den grondt 
toe af te breken om de voorspoedighe beginselen (van 's Her- 
togenbosch) voor te komen, die ander sins den onder ganck van 
haere stadt (Heusden n.1.) soude medebrenghen. Pelgromius 
verhaalt verder, dat de eerste bewoners van den Bosch aldaar 
wederom nieuwe wooningen ghebouivt hebben, ivaer door den nijt 
van de Heusdensche borgers meer ende meer ontsteken is, die 
deselve oock niet langher en laten nestelen, maer overvallen 
se voor de tweede reyse, ruineren haere huysen ende dryven 
se verre van haere plaets, opdat haer laetste voornemen niet 
arger en worde als haer eerste. 

Uit deze beschrijving van Pelgromius valt op te maken, 
dat den Bosch ook toen nog niet ommuurd was, want anders 
zoude het aan de Heusdenaren zeker niet gelukt zijn om de 
Bosschenaren ten tweeden male te overvallen en hunne woningen 
te vernietigen. Versterkt zal destijds alleen de optrek of het zoo- 
genaamd kasteel van den Hertog geweest zijn, omdat niet ver- 
meld wordt, dat de Heusdenaren het eveneens vernielden en 
in 1202, zooals wij reeds zagen, het zelfs uitdrukkelijk eene 
munitio genoemd werd. Dit werd gezegd bij de vermelding 
van het feit, dat in dat jaar Dirk VII, Graaf van Holland, 
met behulp van de Gelderschen dit zoogenaamd kasteel be- 
legerde, dat toen door Willem, heer van Perweys, den halven 
broeder van Hendrik I, Hertog van Brabant en Hendrik van 



— 17 — 

Kuik, tegen hem verdedigd werd; hij legde het alstoen in de 
asch en voerde genoemde verdedigers gevankelijk daaruit weg, 
doch bij Heusden door hertog Hendrik op 7 September van 
dit jaar achterhaald en overrompeld zijnde, moest hij zijne 
gevangenen weder loslaten en werd hij zelf gevankelijk naar 
Leuven gevoerd; als losprijs moest hij toen 2000 marken be- 
talen, cum quibus, zoo zegt Beka p. 63, ipse dux (Hendrik I) 
suum oppidum reparavit, in quo, zoo voegt de Dyn ter II p. 132 
er aan toe, oppida sua Brabantiae, scilicet Lovanium, Bruxella et 
Antiverpia, fecerunt construi tres portas, 1) welke poorten blijkens 
Pelgromius waren: die van Leuven de poort, welke te zijnen 
tijde de Gevangenpoort was, staande nabij de Markt dicht bij het 
Groot Ziekengasthuis ; die van Brussel de H. Kruispoort, welke in 
de Orthenstraat stond en te zijnen tijde nog aanwezig was en die 
van Antwerpen de O. L. V. poort, welke aan het begin der 
tegenwoordige Schapenmarkt stond en te zijnen tijde reeds was 
afgebroken. Behalve deze drie poorten zal er toen ook nog eene 
waterpoort gebouwd zijn, daar toch aan eiken kant van de 
Dieze vlak bij het Groot Ziekengasthuis en wel ten W. daarvan 
een toren stond, waarvan de onderste stukken thans nog bestaan. 
Tusschen eerstgenoemde drie poorten deed hertog Hendrik I een 
ringmuur bouwen en buiten daarom heen grachten graven, welk 
werk, zoo verhaalt Cuperinus t. a. p. blz. 27, spoedig was 
verricht. Van dien muur schreef van Oudenhoven t. a. p. blz, 14: 
dit was een seer dicke ende sware mner, ivaervan dat men 
noch eenighe overblijfselen siet achter het Minnebroedersclooster, 
bij de Vischmerckt, tusschen de Tolbrugghe ende de Merclct 
ende achter het Oude Raedthuys. De zooveel later dan hij 
geleefd hebbende mr. J. H. van Heurn deelt over dezen muur 
nog mede, dat toen in 1779 het huis de Schotsch e roos (Kolper- 
straat No. 18), hetwelk destijds het eigendom was van den 
stadssecretaris mr. Abraham Bastide, verbouwd werd, men in 
het erf van dat huis een gedeelte van dien stadsmuur met een 



1) Mr. A. G. Bondam t. a. p. blz. 23—34 



— 18 — 

of twee schietgaten er in ontdekte en dat het achterste gedeelte 
van het aan de Groote Markt staand huis de Gulden Ketel 
(Markt No. 17) dat toen toebehoorde aan Godefridus van Lan- 
schot, die door hem genoemd werd een voornaam Koopman te 
'sHertogenbosch, gebouwd was op dien stadsmuur. 

Over de plaatsen, waar die muur gestaan heeft, vond ik in 
de Bossche Schepenregisters nog het volgende: 

Reg. n°. 180 blz. 239 : a° 1550 vermeld een huis, staande 
nabij de Markt tusschen een secreet van het huis de Groeneburg 
(Markt n°. 7) ex uno en den ouden muur van den Bosch ex alio 
en zich uitstrekkende van af gezegd secreet tot aan het Ridder- 
straatje. 

Reg. n°. 99 blz. 88 : a° 1505 verkoop van een erf, gelegen 
in de Korte Waterstraat bij het Groot Ziekengasthuis onder 
den boog van den ouden muur der stad den Bosch. 

Reg. n°. 120 blz. 75 : a° 1520 verkoop door Gerard van 
Wijck Willemszoon aan Nycolaus Geelmans van de helft van een 
stal, staande in antiquo muro oppidi de Buscoducis in vico die 
Waterstraet prope portam Captivorum inter dictum murum ex 
uno latere et inter dictam plateam die Waterstraet ex alio. 

Reg. n°. 101 blz. 94 v so : a° 1506 verkoop van een erf, 
gelegen achter het huis het Hert (Markt n°. 47 en 49) en 
zich uitstrekkende van af de Dieze tot aan den stadsmuur. 

Reg. n°. 126 blz. 147 : a°. 1523 verkoop van een huis in de 
Orthenstraat, staande infra murum antiquum oppidi de Buscoducis 
et ultra en tusschen het huis van Ysselstein ex uno en dat 
van Jan van den Zande ex alio, zich achterwaarts uitstrek- 
kende tot aan de Haven. Kooper daarvan was Henrick, zoon 
van Zander van Horssen. (Men zie ook nog Reg. n°. 101 
f. 396). 

Reg. n°. 133 blz. 447 : a° 1527 verkoop van een huis in de 
Orthenstraat, staande tusschen dat van Glaviman ex uno en 
dat van het klooster Marienhage bij Eindhoven en zich achter- 
waarts uitstrekkende ad murum antiquum van den Bosch. 

Reg. n°. 98 blz. 490: a° 1503 verkoop van een huis en 



— 19 — 

achterhuis in de Karslraat alsmede van een ledig erf vóór dat 
huis gelegen „juxta portam Fratrum Minorum ibidem et domum 
Gysberti Willemszn. aen den put", alsmede van een erf, ge- 
legen achter gezegd huis en zich uitstrekkende tot aan den 
ouden stadsmuur. 

Reg. n°. 292 blz. 74 v so : a° 1595 verkoop van een huis, 
staande in de straat, welke loopt van de Abtsbrug naar de 
Vischmarkt en zich van die straat achterwaarts uitstrekkende 
tot aan antiquum murum oppidi de Buscoducis. 

Uit al deze gegevens valt met zekerheid op te maken, dat de 
eerste vestingmuur van den Bosch van af de voormalige O. L. V. 
poort, die aan het begin der tegenwoordige Schapenmarkt, ge- 
nomen als men uit de Vughterstraat kwam, stond, liep vlak 
achter langs de erven der aan de Zuidzijde van de Markt 
staande huizen, alzoo dwars door de achterplaats van het Stad- 
huis, de Eidderstraat, Kolperstraat en Korte Kerkstraat tot aan 
de Korte Waterstraat; van daar langs de O. grens van het 
eiland, dat aan de O. zijde van de erven der aan de N. zijde 
der Markt staande huizen tot aan de St. Geertruisluis ligt ; 
van daar dwars door de Orthenstraat tot dicht bij de Smalle 
Haven en van daar langs de erven der aan de W. zijde van 
de Orthenstraat staande huizen tot ongeveer het begin der 
W. zijde van de Karstraat ; van daar achter langs de erven 
der aan de O. zijde van de Kruisstraat, staande huizen tot 
aan de Abtsbrug en van daar ten O. van de Dieze, die 
loopt onder de ten O. van de Snellestraat staande huizen, tot 
aan de O. L. V. poort. De plattegrond van den Bosch was 
aanvankelijk derhalve zoo als die, welke afgeteekend staat 
in Dr. C. F. X. Smits de Kathedraal van 'sHertogenbosch 
blz. 11. De vestinggracht, welke langs gezegden vestingmuur 
liep, bestaat nog voor een deel; zoo bestaat die nog van 
af laatstgemelde poort tot aan de Autfoirtsche brug, gelegen 
in de straat genaamd Achter het Stadhuis; van daar tot aan 
het Groot Ziekengasthuis is zij gedempt ; van af dat Gasthuis 
tot aan de St. Geertruisluis bestaat zij daarentegen nog; 



— 20 — 

van daar tot aan de Smalle Haven is zij weder gedempt 
en van daar tot aan Abtsbrug is zij op een enkel stuk na ook 
gedempt 1), terwijl zij nog altijd bestaat van af die brug tot 
aan de plaats der meergezegde O. L. V. poort. 

Eene kerk was er aanvankelijk binnen gezegden vesting- 
muur voor de Bosschenaren niet ; zij hadden daarom tot 
parochiekerk de voormalige St. Salvatorskerk te Orthen, 2) die, 
zooals Cuperinus t. a. p blz. 33 schreef, doen die moyer kerck 
ivas van der stat van den Bosch, maar, zoo had hij al op blz. 
32 geschreven, sy haelden haer Sacramenten ende kerkenregten 
tot Orthen in dat cleyn cappelleken, datter noch staet (n.1. dat 
aan de Maalstroom), dat ivelcke zy hielden voor haer parochie 
kerck (zeker omdat het dicht bij den Bosch stond 3) en aan den 
weg, waar langs de eerste Bosschenaren hunnen handel dreven; 4) 
dit duurde tot dat de Minderbroeders in den tuin en boom- 
gaard, die gelegen waren achter den optrek of het zoogenaamd 
kasteel of paleis van den Hertog van Brabant en hun daartoe 
door dezen waren geschonken, in 1258 een klooster met kerk 
bouwden, waarna deze kerk, zooals Cuperinus t. a. p. blz. 35 
ook nog mededeelt, een wijl tijts een prochie kercke van der 
stat van den Bosch ivas; zij werd, omdat zij de derde kerk 
of kapel voor de Bosschenaren was, genoemd tertia capella 
sitb Orduno 5). 

Toen de stad den Bosch eenmaal versterkt was en zij 
dientengevolge het hoofd kon bieden aan hare vijanden, breidde 
hare bevolking zich weldra zoowel binnen als buiten hare 
vesten aanmerkelijk uit. Hierover deelt Pelgromius het volgende 
mede : „als de poorten so mildelijck opgetimmert waren, soo 
is de plaets van velen soo seer gesocht als ofter geit in de 



1) Van Heurn Historie I blz. 480 en 481. Het dempen van dit deel 
der stadsgracht geschiedde blijkens de Stadsrekeningen van 15 33 /34 in 1534; 
alstoen kwam in de plaats daarvan de tak der Dieze, die van af de Uilen- 
burg onder de tegenwoordige Vischmarkt door naar de Haven loopt. 

2) J. van Oudenhoven t. a. p. blz. 16. 

3) Schutjes Bisdom van 's Hertogenbosch V blz. 422 en 426. 

4) J. van Oudenhoven t. a. p. blz. 12. 

5) J. van Oudenhoven t. a. p. blz. 93. 



— 21 — 

fondamenten begraven waer geweest. Dese nieuwe inwoonders 
grypen eenen nieuwen moet, die se door de plonderinge van 
de Heusdensche borgers te voren verloren hadden, sy timmeren 
wederom nieuwe ghebouwen ende voegen het een huys by het 
ander; alle die haer metter wooningen tot dese stadt begaven, 
al waren ballighen ende banckerottiers, worden van den Prins 
vryheyt vergunt, waerdoor dattet gebeurde, datter menichte 
uyt 't Landt van Cleef, Guylickerlandt, Gelderlandt ende uyt 
andere nabuerighe plaetse quamen om hier haere woonplaetse 
te nemen. Dese ghemelde Provintien geven uyttermaten stercke 
ende stoute vrouwen, alsoo dat dese vremdelinghen seer kneuter- 
achtighe ende stoute vrouwen met haer ghebracht hebben, die 
ten meestendeel over hare mans heerscheden ende de ghemeyne 
goederen verquisten in spijt van hare mans, waerom dat dese 
stadt van den Prins tot een remedie dese wet gegeven is : „dat 
de vrouwe sonder den man gheen macht en heeft om het goet 
te vervreemden maar dat de mans, sonder de vrouwen te kennen, 
volkomen macht heeft om het goed te verruylen ende te ver- 
koopen." 

Onder hen, die zich bij den Bosch metterwoon vestigden, 
waren ook vele Israëlieten, zooals blijkt uit van Ouden- 
hoven 1. c. blz. 17, waar deze schrijft: „vinde mede by 
verscheyden aengheteeckent, dat in den beginne van dese 
nieuwe stadt hier ghekomen waeren een menichte van Jooden, 
dewelcke haer wooninge namen op de plaets, die nu genoemt 
is Achter het Wilt Vereken, dat doen buyten de stadt was, 
want die stadtsmuere met een stadtspoorte stont doen niet 
verre van daer, alwaer nu de groote Wage is; dese Jooden, 
als sy een wyle tijts daer ghe woont hadden, doende hare 
neeringhe ende hanteeringhe ghelijck andere, sijn sy ghevanghen 
gheworden (als daer staet aengheteeckent) om haere leelycke 
feyten ende misdaden ende wierden daernaer alle naer Vucht 
ghebrocht ende zijn daer verbrant op de plaetse, die men noch 
der Jooden Kerckhof noemt, niet verre van de galgh". De 
door van Oudenhoven hier bedoelde poort was de reeds genoemde 



— 22 — 

O. L. V. poort, naar de Joden, die in de buurt daarvan woonden, 
ook wel de Jodenpoort geheeten ; zij bestond nog in het begin 
der 16 e eeuw ; en de door hem genoemde plaats was, zoowel 
de straat, welke nu nog zoo heet, als de straten, geheeten 
Achter het Verguld harnas en Achter het Stadhuis, daar die 
aanvankelijk ook „Achter het Wild Varken" genaamd werden ; 
de straat genaamd Achter het Stadhuis, heette volgens van 
Heurn Beschrijving oudtijds ook wel Jericho. De leelijke 
feiten en misdaden, waarvan volgens van Oudenhoven de 
Bossche Joden beschuldigd waren, bestonden blijkens van Heurn 
Beschrijving hierin, dat men hen verdacht van de hand te 
hebben gehad in de inneming door den Hollandsehen graaf 
Dirk VII van den optrek of het zoogenaamd kasteel of paleis 
van den Hertog van Brabant, dat op de Pensmarkt stond. Volgens 
de overlevering werden zij verbrand op het tegenwoordig 
Israèlietisch kerkhof te Vught, dat, als zij juist zoude zijn, alsdan 
ook een waar champ des martyrs geweest is. 

Kwamen, zooals wij hiervoren zagen, reeds spoedig na 
de eerste versterking der stad vele woningen buiten hare 
muren te staan, er zal toen daar, op de plaats waar thans de 
St. Janskerk staat 1), ook eene kerk gebouwd zijn ; aan die 
kerk waren blijkens eene Bossche Schepenakte van Goeden 
Vrijdag 1273 in dat jaar al acht priesters verbonden 2). Vol- 
gens Molius en Cuperinus 3) bestond deze kerk reeds in 1222, 
want zij zeggen, dat in de akte van dat jaar, waarbij hertog 
Hendrik I van Brabant aan de Keulsche kerk opdroeg : „allodium 
suum de Ortho cum Buscho et aliis pertinentiis omnibus (excepta 



1) S. Pelgromius zegt in zijne kronijk, dat die plaats, zijnde de 
plaats, gelegen tusschen de Gevangen- en Hinthamerpoort, 't Hintemer- 
sant genaamd werd, omdat die plaats oudtijds onder het dorp Hintham 
behoorde. Bij het uitgraven van den grond, waarop het Klooster der Zwart 
Schwestern aan de Papenhulst stond, is in het jaar 1910 eene diepe zand- 
bank, die zich naar het Oosten uitstrekte, te voorschijn gekomen; zij 
hield achter de muren van dat klooster (W.-waarts) op. 

2) Dr. G. F. X. Smits t. a. p. blz. 13. 

3) Guperinus t. a. p. blz. 34. Men zie hierover ook van Heurn 
Historie I blz. 112 en vlgd. 



— 23 — 

curia et atrio ecclesiae) in quibus, si munitionem construxerit, 
allodium ecclesiae Coloniensis existet," met het woord atrium 
ecclesiae bedoeld wordt: atrium ecclesiae S. Joannis Evange- 
listae, en met curia : curia sua, quae est juxta Portam Cap- 
tivorum. Met hunne opvatting zijn echter in strijd Schutjes 
Bisdom van den Bosch IV blz. 185 en Mr, A. C. Bondam t. a. p. 
blz. 38 en 39, doch zij wordt met klem van redenen verdedigd 
door Dr. C. F. X. Smits t. a. p. blz. 14 en 15. Vreemd is het, 
dat eene zoo groote kerk, als de eerste St. Jan blijkens voor- 
melde schepenakte van 1273 moet geweest zijn, buiten de stads- 
muren gebouwd werd, maar nog vreemder is het, dat ook hertog 
Hendrik I buiten dien muur bouwde een hoff, zooals Cuperinus dien 
beschrijft t. a. p. blz. 31, om daer in te tracteren saken aen- 
gaende zijnder domeynder, ivelck huys noch staet in de Gast- 
huysstraete buiten die Gevangenpoort ende is genaemt H hoff 
van Brabant. Het bouwen van die beide aanzienlijke ge- 
bouwen buiten de vesten der stad is alleen te verklaren als 
gezegde Hertog het voornemen had om ook het deel van den 
grond, waarop zijn gouvernementsgebouw en de eerste St. Jans- 
kerk stonden, binnen de stadsmuren te trekken ; dat dit voor- 
nemen werkelijk bij hem heeft bestaan, leid ik hieruit af, dat 
in den tuin van het huis de Wildeman (Verwersstraat n°. 7) 
ligt een stuk vestingmuur, loopende uit de richting van de 
Fonteinstraat naar de achter dat huis stroomende Dieze en 
hebbende niet minder dan 13 versnijdingen ; daar van eene voort- 
zetting van dien muur zuidwaarts uit niets blijkt zoo moet ook 
worden aangenomen, dat de Hertog de doortrekking van dien 
muur zal gestaakt hebben, hetzij wegens voormelde opdracht aan 
de Keulsche kerk hetzij omdat hij later van gedachte werd, dat 
hij een grooter gebied van de omgeving der stad den Bosch 
moest versterken dan aanvankelijk zijn plan was. Met deze 
grootere versterking werd begonnen in het jaar 1250 1); zij zoude 
volgens van Oudenhoven 1. c. blz. 19— 22 eerst in het jaar 1352 



1) Cuperinus t. a. p. blz. 37. 



- 24 - 

voltooid zijn. Hierdoor kwam binnen de muren der stad 
den Bosch te liggen de geheele vesting van dien naam, zooals 
wij die nog gekend hebben, met uitzondering van hetgeen lag 
tusschen de Pijnappelsche en de Hinthamerpoorten en tusschen de 
H. Kruispoort of Vughterbinnenpoort en de Vughterpoort, De 
poorten, welke in dezen nieuwen vestingmuur gebouwd werden, 
waren o. a. de Pijnappelsche en H. Kruispoort laatstgenoemd. 
Deze muur werd ook, ofschoon niet achtereenvolgens, doch in 
verschillende tijdvakken, zooals o. a. blijkt uit Cuperinus t. a. p. 
blz. 118, omgeven door grachten, zooals nu nog te zien is voor 
zoover die muur thans nog bestaat ; dat het gedeelte van den 
muur, waarin de Pijnappelsche poort stond, ook omgeven was 
door eene gracht blijkt uit van Heurn Historie IV blz. 7, uit 
eene Bossche Schepenakte van 20 Mei 1740, waarbij mr. Jacob 
Massing, als politie-rentmeester van den Bosch, aan Roelof van 
Zoggel, wonende aldaar, verkoopt : „eene ledige stadserve, ge- 
leegen aan de westzyde van de passagie, alwaar heeft gestaan 
de Hintemerbinnenpoort 1), welcke erve voor deesen geweest 
is een graft, dog alsnu met straatslijk aangevult, met conditie, 
dat den verkrygere dese erve zal mogen incorporeeren tot aen 
het laaste venster der huisjes, staende langs de voors. erve en 
naast den Kruyttoorn aldaar," alsmede uit eene Bossche Sche- 
penakte van 18 Maart 1743, waarbij mr. Abraham Hubert, als 
politie-rentmeester van den Bosch, verkoopt „een stuk ledige stads- 
erve, gelegen aan de O. zijde van de passagie, alwaar heeft gestaan 
de Hinthamerbinnenpoort, welke erve voor deze geweest in een 
gragt, dog alsnu met straatslijk aangevult, gelegen tussen het 
huys des koopers ex uno en de barakken 2) van mr. Ewout 
Hendrik Storm van 's Gravesande, ex alio, zich uitstrekkende 
tot aan den Wal 3) ; en dat het gedeelte van den muur, waarin 



1) Deze poort, gewoonlijk de Pijnappelsche poort genaamd, stond 
op het Hinthamereind aan de Hofstad en werd in 1723 wegens bouw- 
valligheid afgebroken. Van Heurn Historie III blz. 447 en St. Hanewinkel 
Gesch. en Aardr. Beschrijv. der stad en meierij van den Bosch blz. 234. 

2) Zij waren de woningen der militairen. 

3) Cf. nog Van Heurn Historie IV blz. 7. 



— 25 — 

H. Kruis- of Vughterbinnenpoort zich bevond, eveneens door eene 
gracht was omgeven, zal hierna kunnen blijken uit de beschrij- 
ving van den Colveniersbogaard. 

Volgens J. van Oudenhoven t. a. p. blz. 22 werd het 
gedeelte van den Bosch, dat gelegen was van af de H. Kruis- 
poort tot aan de later gebouwde Vughterpoort, in 1351 en 1352 
bij de stad getrokken en toen ook grootendeels ommuurd en 
is hetzelfde gedaan in 1599 ten aanzien van dat deel daarvan, 
hetwelk lag tusschen de Pijnappelsche poort en de daarna ge- 
bouwde Hinthamerpoort ; van Heurn in zijne Beschrijving ver- 
meent echter, dat deze drie laatste jaartallen elk met 100 jaren 
moeten worden verminderd. Deze nieuwe muren werden toen 
eveneens grootendeels met grachten omgeven en, voor zooverre 
het ommuren en omgeven met grachten toen of te voren al niet 
was geschied, gebeurde dit blijkens de Stadsrekeningen in de eerste 
helft der 16 e eeuw. Zoo was dan toen binnen de vestingmuren 
en grachten de geheel stad den Bosch gebracht voor zooverre 
die tot aan hare ontmanteling vesting was. Laatstbedoelde 
muren waren zoogenaamde schildmuren, achter welke zich be- 
vond een wal- of rondegang ter breedte van 7 a 8 voeten, die 
op bogen rustte, waar tusschen zich bevond de begane grond, 
welke gelijkvloers was met de straat. Volgens van Heurn 
Beschrijving hadden deze vestingmuren veel overeenkomst met 
de Leidsche Burcht 1). 

In laatstbedoelde vestingmuren van den Bosch bevonden 
zich verscheidene torens, waarvan een, die stond aan de Hofstad 
in den vestingmuur, welke liep van de Pijnappelsche poort tot 
aan den wal N. zijde, het Bushuis of Kruittoren geheeten, 
nog tot op onzen tijd aanwezig was en de ander, die aan- 
vankelijk de Bakkerstoren en later de Vuurwerkerstoren ge- 
heeten werd 2), stond in den vestingmuur halverwege den 



1) Men zie over de oude vestingmuren F. A. Hoefer in de Handel, 
van het Prov. Genootsch. van K. en W. in Noordbrabant 1903-10 blz. 107 
en vlgd. en F. Eyck van Zuylichem Kort overzigt over de oude verster- 
kingen en kasteelen in ons land, blz. 33. 

2) Van Heurn Historie III blz. 197 en noot c. 



— 26 — 

Kleinen hekellaan ; zij werd eerst gesloopt toen de vesting den 
Bosch ontmanteld is. De andere torens, welke in de vesting- 
muren stonden, hadden blijkens eene Memorie van de inkomsten 
en lasten der stad 's Hertogenbosch van 1557 ook namen, want 
daarin wordt melding gemaakt van den toren Halff gehangen ; 
van den St. Michielstoren, die blijkens eene Bossche Schepenakte 
van 1529 stond in den vestingmuur achter de Berewoutsstraat; 
den Lintweverstoren ; den toren bij de Kruisbroeders (bij dezen 
toren sprong Juliaan Cleerhage na het mislukken van den aan- 
slag van Hohenlohe op den Bosch in 1585 in de vestinggracht 1) ; 
den Schrijn werkers toren en den St. Willebrordstoren 2). Prosper 
Cuypers-van Velthoven noemt in zijne Documents blz. 502 nog 
andere namen van torens, die in de vestingmuren der stad den 
Bosch stonden en hetzelfde doet R. A. van Zuylen in zijne 
Stadsrekeningen I blz. 584 en 656. Zoo was er nog een Stad- 
houderstoren, die stond achter het Straatje de Ramen nabij 
den Grooten Hekel ter plaatse, waar later een bastion met 
buskruitmagazijn gebouwd werd en zoo wordt in eene Bossche 
Schepenakte van 1649 (Reg no. 397 blz. 108) ook nog vermeld 
de Paustoren, staande in den vestingmuur tusschen den Kleinen 
Hekel en de Hinthamerpoort. Van Vladeracken noemt in zijn 
Diarium, Handel. Prov. Gen. van K. en Wet. in Noordbrabant 
1093 — 1910 blz. 226 nog den Rosmalenschen toren. 

Van Heurn deelt in zijne Beschrijving over die torens mede, 
dat elk dezer had eene boven- en eene benedenverdieping, die 
beiden verwelfd waren ; dat men in de benedenverdieping kon 
komen van uit de straat door eene deur en in de bovenverdieping, 
hetzij met eene trap, die in de benedenverdieping stond hetzij 
van uit den wal of rondegang; in de beide verdiepingen dei- 
torens waren aan den buitenkant schietgaten, die binnen waarts 
breed uitliepen en in het midden rond waren; door die ronde 
gaten werden de haakbussen gestoken, welke dan kwamen te 
hangen aan een haak, die zich boven elk der schietgaten be- 



1) Tijdschrift Noordbrabant 1853 blz. 97. 

2) Men zie hierover R. A. van Zuylen Stadsrekeningen I blz. 769. 



— 27 — 

vond en door welk hangen het gemakkelijk werd gemaakt om 
de bussen naar rechts en links te wenden, al naar mate de 
verdediging der stad zulks vereischte. 

Het schijnt, dat aanvankelijk niet alle torens van een dak 
voorzien waren, daar toch van Oudenhoven t.a.p. blz. 23 schreef: 
„In den jaere 1522 is bij de Regeerders van de Stadt beslooten 
te doen decken de stadtsthorens achter de Tolbrugghe ende is 
elck Clooster gegeven eenen thoren op hare costen te maecken 
ende te decken". 

Behalve deze torens had men vóór het jaar 1600 in de 
vestingmuren ook nog twee rondeelen; zij werden blijkens van 
Oudenhoven t. a. p. blz. 29/26 in 1578 in den muur aan de Z.zijde 
der stad gemaakt, van buyten opghemetselt met sivare mueren 
ende binnen met aerde ghevalt. 

Toen de vestingmuren rondom de stad, zooals die, blijkens 
hetgeen wij hiervoren zagen, achtereenvolgens was uitgebreid, 
gereed waren, had men daarin de volgende poorten (de eerste 
poorten der stad, alsmede de Pijnappelsche poort waren tenge- 
volge van die uitbreiding binnenpoorten geworden) : 

a. De Vughterpoort, oudtijds de PiecJce- of wel, zooals 
van Oudenhoven t. a. p. blz. 25 beweert, de Picardtspoort 
geheeten ; deze laatste benaming zou zij volgens hem gekregen 
hebben, omdat tijdens den Gelderschen oorlog eene compagnie 
pieken iers door haar binnen de stad zoude zijn gekomen, terwijl 
Cuperinus t. a. p. blz. 35 beweert, dat zij dien naam zoude 
hebben bekomen, omdat zij getimmerd zoude zijn tot schande 
van de Hollanders, die men nuemt pickaerts om haer gul- 
sicheyt wille; uit onderzoekingen in de Schepenregisters is mij 
echter gebleken, dat deze poort oudtijds geen anderen naam 
heeft gehad dan van de Pieckepoort en daarmede ontvalt aan 
de naamsafleidingen van Van Oudenhoven en Cuperinus haar 
grond. Van Heurn is in zijne Beschrijving van oordeel, dat 
de poort den naam van Pieckepoort kreeg van eenen Jonker 
Pieck, die 1412 tijdens gezegden oorlog de stad zoude zijn 
binnen gedrongen ; dit is mogelijk, maar ook is het mogelijk, 



- 28 - 

dat zij om eene andere reden dezen naam kreeg, daar toch 
oudtijds eene familie Pieck in en om den Bosch gevestigd 
was; zoo verleende in 1532 Marcelis, zoon van Godfried Pieck 
en Marcelia, dochter van Marcelis Spijker, eene grondrente uit 
eene bouwhoeve onder Rosmalen (Schepenreg. van den Bosch 
n°. 141 f. 466) en verkocht diezelfde Marcelis in 1543 een huis 
met erf te Vught (Eod. n°. 166 f. 147) ; het zal met hare 
benaming wel gegaan zijn even als met die der Pijnappelsche 
poort, die zeker aan de Bossche familie Pijnappel haren naam 
ontleende, vermits een lid daarvan, zijnde Frans Pijnappel, 'in 
1596 nog een huis bij die poort bezat (Eod. n°. 260 f. 125). 

Volgens van Oudenhoven t. a. p. blz. 23 werd de Vugh- 
terpoort in 1461 gebouwd, wat volgens van Heurn Beschrij- 
ving niet juist was, daar hij vermeent, dat ook dit jaartal met 
100 jaren moet worden vervroegd. Blijkens eene oude Bossche 
kronijk, die alleen in H. S. bestaat, was deze : poort soo groot 
ende schoon, dat dergelijke in heel Nederlant niet en was ; daer 
waeren 365 schietgaten in, dat is soo veel schietgaten als er 
dagen in het jaer comen en stond boven dese poort dit devies : 

Quid prosunt munimenta, nisi vir fortis ea tueatur. 

Van Heurn, die van deze poort eene afbeelding zag, 
zooals zij er oorspronkelijk uitzag, zegt daarvan in zijne 
Beschrijving ook, dat zij grootsch van bouworde was. 

Deze poort is vooral bekend geworden door de plichts- 
betrachting en den moed, dien haar oude portier Marcelis 
Jochems in 1585 betoonde bij den mislukten aanslag van Ho- 
henlohe op den Bosch 1). Bij het beleg van die stad in 1629 
werd zij deerlijk gehavend, in welken toestand zij bleef ver- 
keeren tot het jaar 1729, als wanneer zij grootendeels werd 
verbouwd en haar monumentaal karakter verloor 2) ; zij kwam 
er toen uit te zien, zooals zij afgebeeld staat in van Heurn 



1) Van Heurn Historie II blz. 157-161 ; van Oudenhoven t. a. p. 
blz. 209; Tijdschrift Noordbrabant 1853 blz. blz. 83 en vlgd. en R. A. 
van Zuylen Stadsrekeningen II blz. 1049 en 1051, die daarbij vermeldt 
de namen der Staatschen, welken bij dezen aanslag verdronken. 

2) Van Heurn Historie III blz. 435 en 467. 



— 29 — 

Historie I biz. IV ; er .was dan ook niets aan verloren, dat zij 
enkele jaren geleden is afgebroken. 

b. De waterpoort, de S. Cornelishekel genaamd. Zij 
bevond zich in den stadsmuur ter hoogte van de voormalige 
S. Coraeliskapel, welke achter den Vughterdijk stond. Men kon 
van uit de vestinggracht door deze poort varen tot in den tak 
der Dieze, die daar ter plaatse een aanvang nam. Ten tijde 
van Van Heurn was haar toog reeds zoozeer verlaagd, dat de 
doorvaart toen al niet meer mogelijk was. 

c. De waterpoort, de Kruisbroedershekel geheeten. Men 
kon ook daardoor van uit de vestinggracht in de stad varen 
en wel in den tak der Dieze, die onder de Kruiskerk loopt. 
In gemelde Memorie van inkomsten heet zij : „'t poertken aen 
Massereels beemst tot de hekele after de Cnrysbroederen.'' Bij 
het leven van Van Heurn was de toog dezer poort al even 
laag als die van den S. Cornelishekel. 

d. de Molensteegpoort of Molenpoort, door van Heurn 
in zijne Beschrijving ten onrechte ook eene waterpoort ge- 
noemd. Zij stond achter de Weversplaats en men ging daardoor 
van uit de Molensteeg de stad uit naar het molenhuis en de 
rnolenwerf, die oudtijds daar ter plaatse evenals andere huizen 
buiten den vestingmuur zich bevonden; in het jaar 1543 zijn 
zij met al de huizen, die bij en buiten den vestingmuur van 
den Bosch stonden, afgebroken, zooals blijkt uit van Ouden- 
hoven t. a. p. blz. 27 en 203, die aldaar vermeldt, dat in dat 
jaar op bevel van den Hove, ,,dat alle huizen, staande aan de 
stadsmuren, moesten worden afgebroken", wel 200 huizen tot 
aan den grond toe werden afgebroken, evenals het van Adam 
van Mierden 's gasthuis, dat niet ver van de St. Barbarakapel 
stond. 1) 

Be Molensteegpoort bestond in 1628 nog, vermits in eene 
Schepenakte van dat jaar (Reg. no. 364 f. 10) melding wordt 
gemaakt van het poortje van de Molensteeg. 

1) Men zie hierover nog R. A. van Zuvlen de Stadsrekeningen I 
blz. 583. 



— 30 — 

e. de waterpoort, eertijds de Drie hekelen, later de 
Groote hekel genaamd. Den naam van de Drie hekelen droeg 
zij aanvankelijk, omdat de Dommel daar ter plaatse in de stad 
kwam door drie openingen, welke gesloten werden met drijvende 
balken of boomen, waaraan ijzeren pinnen bevestigd waren, 
zoodat die boomen op vlashekels geleken, en van daar, zoo 
schreef van Heurn in zijne Beschrijving, de naam van Hekel. 
Toen men het voor de verdediging der stad gevaarlijk achtte, 
dat in deze poort drie openingen waren, werd een daarvan 
dichtgemetseld. Aan de binnenzijde van die poort bevond zich 
eene waterkom, welke grooter was dan de tegenwoordige en 
het Vollersgat heette, omdat de vollers er hunne lakens in 
volden. Thans is deze poort vervangen door eene dubbele sluis, 
behoorende tot de werken voor de watervrijhouding der stad. 

ƒ. de St. Antonie of Bazeldonkspoort. Zij bevond zich 
bij den Kleinen Hekel aan het einde der St. Antoniestraat, die 
oudtijds liep van af de voormalige brug, de Zwengelbrug geheeten, 
(welke lag aan het einde der Hinthamerstraat over de Aa, toen 
die nog door de stad stroomde), tot aan den vestingmuur ; deze 
straat heette aanvankelijk het Baseldonksche straatje, omdat 
men er mede kon komen door de buurt, de Borcht genaamd, 1) 
aan het klooster Bazeldonk, dat blijkens Cuperinus t.a.p. blz. 
117 en 118 op last van het Hof van Brabant eveneens om 
redenen van defensie in 1542 werd afgebroken met zijne kerk 
en allen husen ter zieken, terwijl toen tevens om dezelfde 
redenen alle daaromheen staande eiken werden geveld. 2) 

In 1535 werd deze poort verfraaid, zooals blijkt uit de vol- 
gende posten, voorkomende in R. A. van Zuj 7 len de Stadsreke- 
ningen I blz. 511: Item (betaeld mr. Jan der Kennis, den loeds- 
meester van de St. Jans-Kerk) van twee wapenen van Avenne 



1) Deze buurt heette aldus, omdat Hertog Antony van Brabant 
aldaar in 1414 eene burcht of kasteel had doen bouwen (van Heurn 
Historie I blz. 259). Over deze burcht zal later uitvoeriger worden gehandeld. 

2) Van Oudenhoven t. a p. blz. 27 en van Heurn Historie I blz. 500, 
welke laatste aldaar abusievelijk vermeldt, dat dit klooster stond op de 
Donk buiten de St. Janspoort. 



— 31 — 

steen ende een capiteel bove St. Anthoinis voir der poirt te 
staen van Vilvoirts orduyn, tsamen 6 Car. guld. 

Noch (door hem) gelevert tot St. Anthonispoirt in 
versceyden reysen 57 voet Vilvoirts orduyn, den voet 3 st., 
vz 8 Car. guld- 11 st. 

Noch den daet (datum) voer St. Anthonispoirt te houwen 
enz. Item omme te maken van Avenner steen die beelden van 
St. Anthoenis ende St. Sebastiaen ende vijff leeuwen gecoft 't 
Antwerpen 3572 voet Avenner steen, elcken voet 4V2 st., vz. 
7 Car. guld. 19 st. 3 oirt. 

Item van vrachten van Antwerpen hier te brengen tsamen 
20 st. Item den steenhouwer van clie voirs. beelden te maken 
6 Car. guld.; van vijff leeuwen 10 guld.; vz tsamen 24 Car. 
guld. 19 st. 3 oirt. Item Willemen clie maelder vant stofferen 
der beelden van St. Anthoenis ende St. Sebastiaen ende die 
leeuwen voirs tsamen 71/2 Car. guld. 

Volgens van Heurn Historie I blz. 483 werd in 1535 
voor deze poort ook nog een blokhuis aangelegd. 

Bij het beleg van den Bosch in 1601 werd zij platgeschoten 1) 
en schijnt zij daarom daarna te zijn afgebroken. Van Heurn 
deelt in zijne Beschrijving mede, dat hij in 1778, toen tot her- 
stelling van den vestingmuur een deel van den wal werd 
afgegraven, gezien heeft, dat de vloer van deze poort nog 
aanwezig was, en dat die twee voeten lager lag dan de straat 
aldaar, waaruit hij de gevolgtrekking maakt, dat die straat na 
1601 met zooveel voeten was opgehoogd. 

g. De waterpoort, genaamd de Kleine hekel Deze poort 
bevond zich ter hoogte van sluis n° 0, alwaar vóór het graven 
van de Zuid- Willemsvaart de rivier de Aa in de stad kwam. 
Van Heurn in zijne Beschrijving is van oordeel, dat deze poort 
gebouwd is, toen in 1534 die rivier van af voormelde zieken- 
huizen door de stad geleid werd 2). Zij werd op dezelfde 



1) Diarium van Van Vladeracken Handelingen alsvoren blz. 232. 

2) Men zie hierover van Oudenhoven t. a. p. blz. 24. 



— 32 — 

wijze gesloten als de Groote Hekel en in 1822 bij het graven 
van de Zuid-Willemvaart 1) is zij afgebroken. 

h. De Hinthamer- of Graafschepoort. De eerste Hint- 
hamerpoort werd gebouwd bij den laatsten uitleg der vesting 
den Bosch ; zij was ook eene fraaie poort ; voor haar stond 
buitenwaarts een blokhuis of rondeel, waarin ook een poort was ; 
boven deze laatste poort werd in 1539 het vijf voeten hooge 
steenen beeld van den apostel St. Andreas geplaats. en daar 
naast aan de eene zijde het wapen van keizer Karel V en aan 
den anderen kant dat van de stad, terwijl toen binnen die 
poort gesteld werd het beeld van de Moeder G-ods. Zie hier hoe 
dit vermeld staat in R. A. van Zuylen de Stadsrekeningen I 
blz. 557 : 

Item betaelt Fransse den beltsnyder van eenen beidt 
van St. Andries in steen gehouwen, lanck 5 voet, met zijnen 
tabernakel lanck 1 1 voet ; noch twee wapenen in steen gehou- 
wen, d'een Keysers wapene (met) den Ar(e)n(t). ende d'ander 
deser stat wapen, al staende buyten 't blockhuys voor de poerte 
aen de Hynthamerpoerte ; noch een Marien beeldt, in steen 
gehouwen, staende bijnnen der poerte van den voirs. blockhuys, 
dairvan denselven toegevueght voer zynen arbeyt ende konste 
24 car. guld. 

Item Willem den maelder van dieselve beelden metten 
wapenen te stofferen bet. 12 Car. guld. 5 st. 

Door deze poorten deed Aartshertog Albert van Oos- 
tenrijk 7 October 1603 zijnen intocht in de stad 2). Zij werden 
in 1632 vervangen door één poort, welke onder den wal ge- 
bouwd en in 1829 geheel vernieuwd werd; bij de ontmante- 
ling der vesting den Bosch is ook deze gesloopt ; zij was toen 
niet veel meer dan een tunnel. 



1) In de verzameling kaarten van het Provinciaal Genootschap 
van Kunsten en Wetenschappen in N. -Brabant bevindt zich het project 
van J. Marcus van Gerwen, Schout van Peelland, -{- 1645, om ter bevor- 
dering van den handel van Luik op den Bosch van af Maeseijck tot aan 
's Bosch eene vaart te graven ongeveer ter plaatse, waar thans de Zuid- 
Willemsvaart loopt. Het plan voor dat kanaal te graven was dus al zeer oud ! 

2) Van Heurn Historie II blz. 267-269. 



— 33 - 

i. De Orthenpoort ; de eerste poort van dien naam 
stond ter plaatse waar nu het fort de Papenbril zich bevindt. 
Het blijkt niet, wanneer zij gebouwd is, wel, dat zij in 1542 
geheel vernieuwd werd 1). Toen in 1641 gezegd fort gebouwd 
werd, is zij gesloopt 2) ; twee jaren te voren was reeds aan 
den tegenwoordigen Ortheruitgang op last van den Raad 
van State eene andere poort daarvoor in de plaats gebouwd 
3), die in 1772 is afgebroken en vervangen, zooals van 
Heum het noemt, door een hek met twee profielmuren ; 
dat hek is bij de ontmanteling der vesting den Bosch ook 
opgeruimd. 

j. De waterpoort de Boom. Denkelijk werd zij zoo 
genaamd, omdat zij werd afgesloten door een boom of balk ; 
zij stond aan den mond der Haven 4) en bestond uit twee 
hooge torens, waarvan de een zich bevond ter plaatse van de 
aanlegplaats der Arnhemsche boot, zooals men nu nog kan zien 
aan het aldaar aanwezig voetstuk daarvan en de ander aan 
de overzijde van het water ; deze torens werden in 1448, bij 
gelegenheid, dat de Haven gegraven werd, gebouwd 5) en 
waren alleen aan den buitenkant rond, daar zij toch aan den 
binnenkant vlak waren ; zij hadden eenige verdiepingen en aan 
de binnenzijde spitse gevels; door eene steenen brug waren 
zij aan elkander verbonden, zoodat schepen met opstaande 
masten niet in de Haven konden komen. Van Heurn in zijne 
Beschrijving vermoedt, dat deze torens met de brug kort na 
de overgave van den Bosch in *629 afgebroken zijn ; bij zijn 
leven bestond van den toren, die aan de overzijde van het 



1) R. A. van Zuylen. De Stadsrekeningen I blz. 573, 575 en 584. 
Guperinus t. a. p. blz. 117. 

2) Van Oudenhoven t. a. p. blz. 29/26. 
3J Van Heurn Historie II blz. 497. 

4) Het wachthuis of corps de garde, dut daarbij stond, werd eerst 
in 1638 gebouwd en is in het laatst der 19e eeuw door een grooter 
militair gebouw vervangen. 

5) Van Oudenhoven t. a. p. blz. 25. Uit R. A. van Zuylen De 
Stadsrekeningen blijkt echter, dat er reeds in 1400 een toren aan den 
Boom stond; wellicht lag deze boom op eene andere plaats. 

3 



— 34 — 

water stond, ook nog het voetstuk en lag tusschen beide voor- 
bedoelde voetstukken de boom en daarvoor nog een tweede drijf - 
balk. Vlak buiten deze poort stonden oudtijds ook huizen, zooals 
blijkt uit eene Bossche Schepenakte van 1520 (Reg. n°. 119 
f. 142) alwaar van een erf gezegd wordt, dat het lag juxta 
tarrem oppidi, dictitm den boem ; zij werden reeds in 1434 
afgebroken 1). 

k. Het Dijhpoorfje. Dit poortje stond ten W. van den 
Boom en kon alleen door voetgangers gebruikt worden ; buiten 
dat poortje bevond zich een klein landhoofd, van waaruit een 
brugje over de vestinggracht gelegd was naar den aan de 
overzijde gelegen dijk, die naar Engelen leidde. Volgens Gra- 
maye Taxandria blz. 3 is dit poortje tijdens den Tachtigjarigen 
oorlog dichtgemetseld. In onzen tijd was daar ter plaatse eene 
opening in den wal, van waaruit men over eene brug naar 
Engelen kon komen ; die brug, welke eene voetgangersbrug- 
was, is bij het graven der tegenwoordige Bnitenhaven afge- 
broken. 

Van Heurn zegt in zijne Beschrijving, dat er behalve 
dit poortje nog een ander dijkpoortje was, dat blijkens Gra- 
maye 1. c. in den Tachtigjarigen oorlog eveneens werd toege- 
metseld en waarvan hij de plaats niet heeft kunnen ontdekken. 
Ik vermoed, dat dit poortje zich bevonden heeft bij den Grooten 
Hekel, omdat blijkens eene Bossche Schepenakte van 13 No- 
vember 1606 (Reg. n°. 273 f. 97) daar eene plaats was genaamd 
het Dijcksxken ; dat poortje zal alsdan toegang hebben ver- 
leend tot den Pettelaarschen weg, zooals ook in onzen tijd een 
poortje deed. 

I. De St. Janspoort. Vóór dat deze poort gebouwd 
was stond aan het einde der St. Jansstraat, oudtijds de Koe- 
straat genaamd, eene poort de Koepoort geheeten, waarvan 
reeds melding wordt gemaakt in de Stadsrekening 1464/65 ; zij 
bestond uit eenen toren, die aan de stadszijde plat, maar aan 



4) Cuperinus t. a. p. blz. 108. 



— 35 — 

de buitenzijde rond was; in de Stadsrekening 1531/32, te vin- 
den bij van Zuylen I blz. 482, staat over deze poort het vol- 
gende vermeld: Item betaelt Jacoppen Coelborner voer loet opte 
Coepoirts Uweren. Blijkens J. van Oudenhoven 1. c. blz. 23 1) 
werd voor die poort aan de buitenzijde der stad in 1532 ge 
bouwd eene andere poort, welke volgens van Heurn Beschrij- 
ving was eene hooge vierkante poort en den naam van 
St.-Janspoort kreeg. Laatstgemelde Stadsrekening bevat hier- 
over het volgende : 

Item Jenny de Wall vijf dagen steen gehouwen tot 
busgateren, sdaighs 4V2 st. 

Item in cle weke dairnae (Maria Visitatie) Henrick van 
Maerheze ende zynen knecht, timmerlieden, aen de nyeuw T e 
cappe van der nyeuwer poirten getijmmert, vz. tsamen 34V2 st. 

Item Frans die steenhouwer aen die nyeuwe poirt, nu 
genoemt Sint Janspoert, buyten die Coepoirt, gemaict van 
witten steen twee wapenen, te weten 's Keysers ende deser 
stat wapenen, twee werpers ende drie leeuwen, tsamen betaelt 
voer zynen arbeyt 12 Car. guld. 

Item Willemen die maelder voer de wapenen te vergul- 
den ende stofferen bet. 4 Car. guld. 2V2 st. 

Item Jenny (van Namen), den loedsmeester, voer den 
witten steen hiertoe ende anderssins gelevert, betaelt 9 Car. 
2 st. IV2 oirt. 

Item betaelt Jacoppen Coelborner voer loet op te Coe- 
poirts thoeren ende op die nyeuwe poirt ende oick int ghieteil 
van blaauwen steenen verbesight, tsamen 300 pond, te 2V2 
Car. guld. 

Item inde week Beati Egidi Melis Willemss ende Hen- 
rick Willemss elck 5V2 dach plancken gesaight totten werck 
om een galerye te maken, sdaigs elcken 4 st. 

Item Fa es ende Aelbert, gebrueders, leydeckers ende 
Jan die oiperman elck 6 daigen die nyeuwe poirte gedeckt. 



t) Cf. nog Cuperinus t. a. p. blz. 105. 



— 36 — 

Item die voergenöempde steenhouwer, die die leeuwen 
ende werpers gemaickt heeft (Frans n.l.),.van Sint Janna 1) 
te maicken ende houwen van witten steen aldair in de nyeuwe 
poirt, St. Janspoirt genoenipt, gestelt, betaelt 5 Car. Guld. 

Volgens van Heurn Beschrijving en van Oudenhoven 1. c. 
blz. 23 werd boven die St. Janspoort dit veis uitgebeiteld : 
Hanc portam, civesque tuos, arasque focosque 
Custodi dilecte Deo patrone Johannes. 
welk vers van Heurn aldus vertaalde : 

O schutsheer, Gode lief Johannes! wilt bewaren 

Deez poort, uw burgerij, haar haardsteên en autaren. 2) 

Van Heurn meent dat beide poorten, de Koepoort en de 
St. Janspoort n.1., reeds in 1597 werden afgebroken 3), omdat 
in de St. Janspoort, welke ten zijnen tijde bestond, aan de 
binnenzijde onder eene nis, die tijdens zijn leven geen beeld 
meer bevatte, het jaartal 1597 was uitgehouwen; de buitenzijde 
dezer laatste, poort scheen hem toe eerst in 1640 gebouwd te 
zijn, vermits daarin van boven dat jaartal was uitgebeiteld 4). 
Laatstbedoelde St. Janspoort liep evenals cle Hinthamerpoort 
onder den stadswal door en wel, in tegenstelling met deze, in 
eene kromme lijn, zoodat het oudtijds niet mogelijk was er 
met kogels door heen te schieten. Toen cle vestingwerken van 
's Hertogenbosch gesloopt werden is ook deze poort geslecht. 

Hiermede zijn al de poorten behandeld, welke voorheen 
in de buitenste omwalling van den Bosch stonden. Eiken 



1) Dit beeld werd, evenals de beelden staande op de St. Anlhonis- 
en Hinthamerpoorten, door de Beeldstormers vernield, doch in 1570 
hersteld (R. A. van Zuylen De Stadsrekeningen II blz. 826). Zie nogeod. 
blz. 835. 

2) Over den weg naar Deuteren, die van af deze poort in 15 32 / 3 3 
gemaakt werd en van de weide de Donck werd afgenomen, zie men 
R. A. van Zuylen de Stadsrekeningen I blz. 488, 494 en 495 en Guperinus 
t. a. p. blz. 105. 

3) Blijkens R. A. van Zuylen de Stadsrekeningen II p. 1095 was in 
1593 de toren van de St. Janspoort al afgebroken. 

4) In gemelde Stadsrekeningen II blz. 1421 staat op dat jaar ver- 
meld : „voor het herbouwen van de blauwe steenen poort aan St. Jans- 
brug met het leveren van eene groote blauwe steenen lijst" enz. 



— . 37 — 

avond werden zij gesloten, hetgeen duurde tot ruim de tweede 
helft der 19 e eeuw ; men zie hierover van Heurn Historie IV 
blz. 158. 

De stad den Bosch moet ten tijde, dat zij omringd was 
van eenen gekanteelden vestingmuur, waar tusschen tot afwis- 
seling stonden torens en kasteelsgewijze gebouwde poorten, met 
hare majestueuse St. Janskerk en vele andere kerken en ka- 
pellen op den achtergrond, er van buiten af zeer schilderachtig 
hebben uitgezien en terecht kon J. van Someren dan ook op 
haar dichten : 

„En w r at daer heerlijck is, vertoont sigh hier rontom." 
Maar de verbetering van het geschut stelde aan de ver- 
dediging eener vesting hoogere eisenen dan schilderachtig ge- 
bouwde vestingmuren ; die waren niet meer bestand tegen de 
al meer en meer tot volmaking gerakende artillerie en daarom 
geschiedde het, dat de steenen walgangen met cle daar tus- 
schen gebouwde torens van den Bosch moesten worden af- 
gebroken en vervangen door aarden borstweringen, aangelegd 
op aarden wallen, die achter de schildmuren werden aange- 
bracht. Hierover deelt Cuperinus t. a. p. blz. 249 mede, dat 
in 1542 de burgers van den Bosch, uit elk huis één, moesten 
graven in de grachten van af den Grooten Hekel tot aan den 
Kruisbroedershekel en den daarvan afkomstigen grond brengen 
achter den vestingmuur, terwijl van Oudenhoven t. a. p. blz. 
23 schreef, dat men in den jaere 1543 is beghinnen te graven 
ende te maecken eenen swaren wal van de Vuchterpoort af 
tot de St. Janspoort toe. Na de overgave der stad in 1629, 
zoo deelt hij aldaar ook nog mede, zijn de wallen al mede 
seer verbetert, opgeruymt ende rontsom met boomen beplant, die 
op die hooghten goeden tier hebben ende schoon boomen ghe- 
worden zijn; deze beplanting geschiedde blijkens van Heurn 
Historie II blz. 490 in 1634; zij zal daarna wel eenige malen 
vernieuwd zijn, althans zeker na 1681 — 1700, in welk tijdvak 
zij blijkens van Heurn Historie II blz. 275, 305 en 359 gerooid 
werd en ook na 1813, want in dat jaar deed deFransche bevel- 



— 38 — 

hebber der stad de mooiste boomen, die op hare wallen stonden, 
vellen om daarvan tegen de in aantocht zijnde legers der Geal- 
lieerden palissaden te maken, ondanks het protest der Bossche 
burgerij, dat hij daardoor de eenige wandeling van de stad 
beroofde van haren lommer. In 1870 wilde de Militaire Overheid 
van den Bosch weder hetzelfde doen, doch dank zij het krachtig 
optreden van het bestuur dier stad kreeg dat werk slechts 
een begin van uitvoering. 

Van Oudenhoven t. a. p. blz. 29/26 vermeldt eveneens, 
dat na 1600 aan de wallen der stad achtereenvolgens bastions 
werden toegevoegd, zoo in 1614 zeven bastions en in 1622 
het bastion Bazelaar, dat het houten bohverck genaamd werd 1); 
in 1634 werd gemaakt het bastion Oranje 2), zooals blijkt uit 
de volgende passage van van Oudenhoven t. a. p. blz. 29/26 : 
item ix hier noch ghemaeckt een groot bohverck achter den 
Ouden Schutsbogaert, met stercke mueren opghemetseli en 
met aerde van binnen ghevult en in 1641, ter plaatse waar 
in 1540 vóór de toenmalige Orthenpoort een bolwerk was ge- 
maakt, het fort de Papenbril, het groot bohverck by den Boom, 
gelijk van Oudenhoven t. a. p. het noemde of zooals het offi- 
cieel genaamd werd naar cle kinderen van Prins Frederik 
Hendrik : de schans Willem en Maria 3). Gemelde bastions werden 
echter niet aanstonds geheel met aarde gevuld, zooals blijkt uit 
het volgende, dat van Heurn dienaangaande mededeelt in zijne 
Historie III blz. 151 : De bolwerken (bastions zeide men daar- 
voor latei) van tijd tot tijd aan de wallen der stad alleenlijk 
ter breedte van den walgang en de borstweering gehegt, 
waren met aarde tegen de muuren van dezelve aangevuld, 
zodat de keelen en het binnenste van dien nog hol en niet 
met de wallen aangehoogd waren, hetwelk tot merklijk nadeel 
der vestingwerken verstrekte. De Prins van Jarante, (Charles 



1) J. van Oudenhoven blz. 117. Men zie nog van Heurn Historie 
II blz. 371 en 378. 

2) Van Heurn Historie II blz. 490. 

3) Van Heurn Historie II blz, 497 en 498. 



— 39 — 

de la Tremoïlle) bevelhebber der stad, begreep dit zeer wel, 
hy stelde den Raad van Staaten voor om de bolwerken met 
straatslijk aan te vullen; de Raad besloot dit te beproeven; 
zy voegde aan de stad, wegens het missen van het straatslijk, 
voor een jaar f 800 toe. De Regeering besloot hierop (a° 1668) 
zig met den Pag ter van het straatslijk te verdragen om af- 
stand van zynen pagt te doen of wel het slijk in de bol- 
werken te vervoeren. In het laaste geval zoude hy niet meer 
dan f 800 desweg ens genieten. 

In 1642 inspecteerde Prins Freclerik Hendrik met zijnen 
zoon de nieuw aangelegde bastions en liet fort de Papenbril 1); 
bij die gelegenheid maakte hij de opmerking, dat de weg van 
de stad naar Orthen, welke blijkens van Oudenhoven t. a. p. 
blz. 23 in 1451 werd aangelegd, veel te breed was gemaakt 
en dat die daarom versmald en tot een hoog voetpad terugge- 
bracht moest worden; aan dit bezwaar is toen onmiddellijk 
voldaan 2). De Prins had voor deze inspectie zijnen intrek 
genomen bij Johan Wolphart van Brederode, den bevelhebber 
of gouverneur der stad, in het gouvernementsgebouw, omdat het 
hem te moeilijk viel de trappen van het toenmalig Stadhuis 
op te klimmen. 

Het zal wel niet noodig zijn mede te deelen, dat al naar 
gelang de belegeringskunst vooruitging, de vestingwerken van 
den Bosch wijzigingen moesten ondergaan 3) ; toch zijn die 
werken in vergelijking van die van andere vestingen van ons 
land, zooals bv. Bergen op Zoom, van weinig beteekenis ge- 
weest, omdat de vesting den Bosch, zooals van Oudenhoven 
t. a. p. blz. 29 (26) al opmerkte, reeds seer sterek was van 
weghen haer situatie ende waer het opperwater alleen ghe- 
noch om de stadt te ontsellen; hetzelfde betoogde Van 
Heurn in zijne Beschrijving, daar hij aldaar toch zegt: de 



1) Van^ïeurn Historie II blz. 518. 

2) In 1736 werd dit pad afgegraven, omdat het voor de defensie 
te hoog scheen te zijn maar is korten tijd daarna weder opgehoogd. Van 
Heurn Historie IV blz. 33 en 34. 

3) Zie hierover Van Heurn Historie II blz. 305 en 324, 



— 40 — 

grootste sterkte der stad heeft echter altijd bestaan in de laagte 
der omliggende landen, die gemakkelijk onder gezet kunnen 
worden. Toen echter liet geschut ten slotte een zoodanig draag- 
vermogen had verkregen, dat de stad gemakkelijk van uit de 
terreinen, die buiten haar inundatiegebied gelegen zijn, kon 
worden beschoten, had zij alle beteekenis als vesting verloren, 
waarbij nog kwam, dat deze in ons tegenwoordig vestingstelsel 
niet meer paste. Hare vestingwerken werden daarom eenige 
jaren geleden gesloopt en toen werd van hare wallen slechts 
zooveel overgelaten als noodig was om haar te verdedigen tegen 
haren eeuwigdurenden vijand, het water, waarvan evenwel in 
1904 de grootste kracht, die het tegen haar kon ontwikkelen, 
was gebroken, toen in dat jaar, nadat eerst het Schansche gat 
en daarna de Heerenwaardensche overlaten, die ook veel hadden 
bijgedragen tot de overstroomingen, welke de stad den Bosch 
en hare omgeving gedurende eenige eeuwen hadden geteisterd, 
gedicht waren, de nieuwe Maasmond geopend werd, waar- 
door thans de Maas en de daarin vallende rivieren en waterloopen 
beter en gemakkelijker haar water naar zee kunnen afvoeren dan 
gedurende de laatste eeuwen het geval was. Van Heurn gaf in 
zijne Beschrijving, waar hij verklaart het feit, waarom het water 
om den Bosch ten tijde van deszelfs stichting niet zoo hoog 
werd als later het geval is geweest, het volgende als oorzaak 
daarvan op, wat wel der moeite waard is mede te deelen als 
zijnde de getuigenis van een man, die vóór anderhalve eeuw 
leefde : de rede hiervan is, omdat de rivier de Maaze voor- 
heen van het Dorp Bokhoven regt toe naar zee liep zonder dat 
zy gemeenschap met een andere rivier had ; naderhand, den- 
kelijk na het inbreeken van den Dordrechtsen waard in het 
jaar 1421, is de staat der rie vieren zeer veranderd ; de Maaze 
storte zich naderhand tusschen Wondrichem en Loevestijn 
in de bedde van de Waal, waardoor er veel vertraaging van 
afvoer van het Maaztuater werd veroorzaakt, waarby komt, 
dat de doorsny dingen omtrent de schans St. Andries en de 
Voorn veel water van de Waal op de Maaze brengen, zodat 



— 41 — 

door het eerste de afvoer van het water vertraagt en door 
het tweede meer er water op de Maaze gebragt werd, waar- 
door het land laag gr schijnd, omdat het water hooger rijst 
als voorheen, waaraan wij menschen van thans ook nog als 
reden zouden kunnen toevoegen de normaliseering van de Dommel 
en de daarin zich uitstortende beken, die na 1850 plaats had. 

Tengevolge van de voortdurende verhooging der water- 
standen, welke in en om den Bosch na deszelfs stichting plaats 
greep, moesten hare straten en pleinen, de Hoogen steenweg, 
Orthenstraat en Paradeplaats waarschijnlijk uitgezonderd, tel- 
kenmale worden opgehoogd. 

Eeeds in het begin der 13 e eeuw was dit noodzakelijk, 
zooals blijkt uit van Oudenhoven t. a. p. blz. 14, alwaar hij 
mededeelt, dat toen de inwoonders (van den Bosch) den grondt 
(daarvan) int ghemeen verhoochden met sandt ende siet men 
noch wel tusschen de stadt en Orten aen de landen, dat de 
aerde daer wegh ghehaelt is, die (nu) meest in 't water staen 
ende niet anders als ruygh ende grof gewas op en werpen, daer 
alleen bij gheheel droog he somers eenigh nut van komt. 

Tusschen de jaren 1624 en 27 werden blijkens van 
Heurn Historie II blz. 393 de voornaamste straten der stad, 
omdat die bij hoog water herhaaldelijk onder water liepen, 
met dat, voor hare defensie nadeelig gevolg, dat hare vesting- 
werken alsdan genoegzaam ongenaakbaar waren, opgehoogd 
met zaud, dat van de Hooge Pettelaar gehaald werd, en na 
hare reductie in 1629 werden volgens van Oudenhoven t. a. p. 
blz. 25 haar mercktvelt ende oock (nog hare) straten vry seer 
verhooght. Een veertigtal jaren geleden zijn de meeste straten, 
welke binnen de voormalige wallen van de stad gelegen waren, 
weder aanzienlijk verhoogd geworden, doch dit kon al weder 
niet verhinderen, clat bij hoog water de meeste straten der stad 
overstroomd werden, zoodat deze omstreeks het jaar 1880 genood- 
zaakt was zich zelve in te polderen en een stoomgemaal te bouwen 
om ingeval van hoog water het kwelwater te kunnen uitpompen 
en na uitpomping van vuil water versch water in de stad brengen. 



42 



De lage grondslag, dien de stad den Bosch aanvankelijk 
li ad, zal er wel toe hebben bijgedragen tot het graven van 
de verschillende takken der Dieze, die thans haar doorsnijden, 
ik schrijf : bijgedragen hébben, want de beveiliging der stad 
tegen hare vijanden was oorzaak, dat om hare eerste en latere 
muren de grachten werden gegraven, die, zooals ik op blz. 17 
en 24 en 25 reeds mededeelde, nu nog voor een goed deel bestaan 
en thans ook takken der Dieze vormen; bovendien liep er reeds 
vóór de stichting der stad eene Dieze door de stad, n 1. de 
Oude Dieze, die van af het latere St. Geertruiklooster in de 
richting van Orthen liep. Van waar kwam die Oude Dieze ? 
Het antwoord op deze vraag geeft van Heurn in zijne His- 
torie I blz. 479 en in zijne Beschrijving, als hij schrijft, dat 
ten tijde van de stichting der stad de Dommel liep door de 
latere waterpoort de St. Cornelishekel tot ongeveer de plaats, 
waar de H. Kruis- of Vughterbinnenpoort gebouwd werd 1) 
en van daar onder de Molenbrug door achter de Postelstraat 
naar de Abtsbrug en van onder deze brug achter de Kruis- 
straat tot aan de plaats, waar de Ortherbinnenpoort gezet 
werd en van daar tot aan de St. Geertruisluis, van waar die 
als gezegd in de richting van Orthen liep. De Aa liep toen 
nog niet door de stad; dit geschiedde eerst na 1534, toen 
blijkens van Oudenhoven t. a. p. blz. 24 begonnen werd de Aa 
te graven van achter die siecken tot de Hekel van S. Teunis- 
poort ende van daer tot de Susteren van Orthen en voorts, 
zooals van Heurn mededeelt in zijne Historie I blz. 481, tot 
aan het Groot Zieken Gasthuis, alwaar die viel in de oude 
vesten, die zig van het Gasthuis uitstrekken tot aan de Geer- 
truidekerk 2); hij vergist zich daar echter, als hij schrijft, 
dat onder de woorden die siecken, welke van Oudenhoven als 



1) Ik acht, het waarschijnlijker, dat de Dommel door den lateren 
Kruisbroedershekel voor het eerst in de stad kwam en van daar onder 
de Kruiskerk door naar de Molenbrug liep, want, zooals wij zullen zien 
bij de beschrijving van het huis van Bokhoven in de St. Jorisstraat, liep 
in 1384 daar achter reeds eene Dieze. 

2) Men zie nog Cuperinus t. a. p. blz, 108 en 9. 



— 43 — 

laatstgezegd bezigde, verstaan zoude moeten worden voormeld 
gasthuis; immers bedoelde deze met die woorden: de huysinghe 
der siecken, die buiten de voormalige St. Antoniepoort stonden 1). 
Dit laatste graaf werk duurde blijkens de Stadsrekeningen yan R. 
A. van Zuylen I blz. 503 en 4 tot het jaar 1540 toe 2). Wanneer 
de andere takken der Dieze door de stad gegraven werden, 
valt niet met zekerheid te zeggen ; blijkens van Oudenhoven 
t. a. p. blz. 24 werd wel in 1534 door de Regeering der stad 
gheresolveert ende gheordonneert, dat men de waterstroomen 
de Dommel ende Aa geheel ende volcomentlijck door de stadt 
soude brengen, opdat de stadt oock te meer ende te beter met 
het water mochte ghedient wesen, doch het blijkt niet dat er 
toen door de stad eene andere Dieze is gegraven clan clie, 
welke door de verlegging van de Aa is gevormd 3) ; er waren 
trouwens vóór 1534 in den Bosch nog andere takken der Dieze 
clan de hiervoren reeds gemelde, zooals b. v. de Oude Dieze ten 
einde cle Verwerstraat, die zich achter deze straat voortzet tot aan 
de Autfoirtsche brug; zij heeft zeker reeds lang vóór laatstge- 
meld jaar bestaan en waarschijnlijk den naam van Oude Dieze 
bekomen, toen er nog meer takken van die rivier in de stad gegra- 
ven werden, zooals in 1250, als wanneer blijkens Cuperinus t. a. p. 
blz. 37 de Aa reeds voor een deel door de stad werd geleid, 
of in 1498, toen blijkens denzelfde die Diese in die Stat werd 
gegraven. Volgens van Oudenhoven t. a. p. blz. 25 werd in 1448 
de Haven (de tegenwoordige binnenhaven) van den Bosch ge- 
graven en volgens denzelfde blz. 23 zijn na de reductie der- 
stad, aan de kade van de Haven, aen d'eene zyde daer de 
huysen op de Haven uytquamen, de huysen achter aen de Haven 



1) Gf. van Oudenhoven t. a. p. blz. 27 en Cuperinus t. a. p. blz. 
118. Deze huizen waren niet het Leprozenhuis, dal; blijkens van Ouden- 
hoven 1. c. blz. 27 en 127 buiten de Hinthamci poort stond. 

2) Sedert het graven van de Zuid- Willemsvaart, alzoo sedert 1822, 
loopt de Aa weder buiten de stad. 

3) Van Heurn, Historie I blz. 481 beweert wel, dat in 1544 de 
Dieze gegraven is, die onder de Zevensteensche brug' loopt, doch hij ver- 
gist zich daar blijkbaar in, want die brug bestond blijkens de Bossche 
8chepenakten in 1500 reeds, 



44 



afghebroocken ende (is) langhs de Haven aen den Oostzijde 
mede een bequame kade ghemaeckt, in voeghen, dat de schepen 
nu aen beyde de zyden van de Haven connen aenlegghen lossen 
ende laden; hij deelt op blz. 25 ook nog mede, dat in 1442 aan 
het binneneinde van de Haven eene kraan was opgericht ; het jaar- 
tal 1442 zal echter wel foutief zijn. 

De eerste straten van den Bosch waren de verbindings- 
wegen met de omliggende dorpen en gehuchten, welke wegen 
binnen die stad door zijstraten met elkander werden verbonden. 
Toen de bevolking der stad, vooral de mindere, allengs zoo in 
aantal toenam, dat de stad langs hare straten geene voldoende 
ruimte meer aanbood om daar langs woningen te bouwen, werden 
ook vele tuinen, die achter de huizen gelegen waren, met arbeiders- 
woningen bezet ; zij kregen toegang tot de openbare straten door 
de gangen of de zoogenaamde wennen, die men oudtijds langs 
de meeste huizen had en zoo zijn dan cle tallooze steegjes en 
slopjes ontstaan, die nu nog in den Bosch, ondanks de Woning- 
wet en woon- of bouwverordeningen worden gevonden. 

De straten van den Bosch waren aanvankelijk niet ge- 
plaveid ; dat heeft men een 40 jaren geleden nog kunnen 
waarnemen, toen eene nieuwe rioleering door de Vughterstaat 
werd gelegd, want toen bleek het, dat deze oudtijds geene 
andere bestrating had dan dat daarin in het karspoor van 
weerszijden eene rij takkebossen lag ; zij lagen diep onder de 
tegenwoordige straat, wel een bewijs hoezeer den Bosch in 
verloop van tijd is opgehoogd geworden. Blijken Cuperinus t.a.p. 
blz. 59 kwam men met het plaveien van den Vughterdijk eerst 
in 1451 gereed, doch die straat was toen nog niet op zijne 
tegenwoordige breedte, vermits de Regeering der stad den Bosch 
in 1514 lieden aanschreef om te komen werken aan den 
Vughterdijk tusschen de H. Kruis- tot aan de Pieckenpoort, ten 
einde dien te ivyen (uitbreiden) met scuppen ende spaden. 

Met het onderhoud der straten waren tot het jaar 1744 
de aanliggende eigenaars van huizen belast 1). 

1) Van Heurn Historie IV blz. 79. 



~ 45 — 

Smerig waren de straten van den Bosch oudtijds in 
hooge mate, want blijkens van Heurn Historie lil blz. 41 
moest de Regeering van die stad nog in 1655 een verbod uit- 
vaardigen tegen het werpen van mest of vuil op de straten ; dat 
moest daarna buiten de stad worden gebracht, wat blijkens den- 
zelfde III blz. 152 en 408 sedert 1668 mocht geschieden tegen 
den wal aan. 

Tot het jaar 1684 had men in den Bosch geene open- 
bare straatverlichting maar bestond er het voorschrift, dat een 
ieder, die, als het donker was, uitging, eene brandende lantaarn bij 
zich moest dragen ; eerst in laatstgezegd jaar w T erd volgens 
van Heurn Historie III blz. 287 door de Regeering van die 
stad besloten er de openbare straatverlichting in te voeren, 
waartoe door haar in het volgend jaar 450 lantaarns wer- 
den aangekocht. 

Vóór het jaar 1688 had men in den Bosch van stadswege 
tot het blusschen van branden slechts lederen emmers, water- 
tonnen, brandladders en brandhaken, waarover het beheer 
hadden de Blokmeesters, die gesteld waren over de 9 Blokken, 
waarin oudtijds den Bosch verdeeld was en die, behalve met 
de armenzorg, welke hunne hoofdtaak w r as, ook met de brand- 
weer belast waren ; als zoodanig hadden zij mede de zorg over 
de watertrappen en de pompen, welke men oudtijds in die 
stad had. Heel in den ouden tijd luidde men daar nog ter 
voorkoming van brand des avonds de St Jans Evangelist- 
klok der St. Janskerk als aanzegging aan de ingezetenen, dat 
zij de vuren in hunne huizen hadden uit te dooven. Blijkens 
van Heurn Historie III blz. 306 stelde de Regeering van de 
stad eerst ia 1688 drie brandspuiten in dienst, welk getal bij 
het leven van Van Heurn tot vijf vermeerderd w r erd ; een 
daarvan stond in de St. Janskerk achter het groot koor en 
de andere in de stadsbrandspuithuisjes, welke zich bevonden, 
een achter het Stadhuis, waar het nu nog is, een bij de St. 
Geertruikerk, dat er ook nog is, een in de St. Jorisstraat, 
dat er eveneens nog is en een bij de Geerlingsche brug. 



— 46 - 

Het was zeer roekeloos van de Begeering der stad, dat zij oud- 
tijds zoo slecht voor de brandweer zorgde, want, behalve 
enkele huizen, die van steen gebouwd waren 1), waren aanvan- 
kelijk de meestehuizen vanden Bosch, zooals wij reeds zagen, 
slechts van hout en leem gemaakt en alleen maar met riet of 
stroo gedekt, zoodat zij gemakkelijk eene prooi der vlammen 
werden, terwijl van de huizen, die van steen gebouwd werden, 
velen nog houten gevels hadden, wat ook het gevaar voor brand 
bevorderde. Te verwonderen is het daarom niet, dat als er in 
den Bosch oudtijds brand kwam, een groot deel dier stad in 
asch werd gelegd. Zoo vermeldt van Heurn Historie I blz. 271 
— 73 eenen grooten brand, die in 1419 uitbrak in het in de 
Hinthamerstraat staand huis de Valk (no. 207), welk huis langen 
tijd eene herberg of logement is geweest, en welke brand eerst 
gestuit werd aan het huis de Zivarte Hond, dat aan den Hoogen 
Steenweg, hoek Scheidingstraat, stond (no. 1) en deelt hij t. a. p. 
blz. 336 mede eenen anderen grooten brand, die in 1463 uitbrak 
in het in de Verwerstraat gestaan hebbend huis de Groote Ketel 
(thans een deel van het Gouvernement) en een zeer groot gedeelte 
der stad, met inbegrip van het Baadhuis en het Minderbroeders- 
klooster, verwoestte ; ruim 4000 huizen zouden toen eene prooi 
der vlammen geworden zijn 2), een getal, dat sterk overdreven 
lijkt, als men let op het resultaat van de telling der huizen en 
haardsteden te 's Bosch in 1526 3), waaronder niet eens waren 
begrepen de huizen, die buiten de muren der stad stonden en vele 
in getal waren, zooals blijkt uit Van Oudenhoven t. a. p. blz. 27 
en 203; het ergste van dezen brand was nog, dat met den 
brand van het raadhuis ook verbrandde het geheel stedelijk 
archief, behalve de stadsprivilegiën, welke toen bewaard wer- 
den in eene ijzeren kast, die stond in de O. L. V. Kapel ten 
N. van den toren der Kerk van St. Jan 4). 

1) Cf. van Oudenhoven t. a. p. blz. 14 en 12. 

2) Men zie over dezen brand ook nog Guperinus t. a. p. blz. 00 
en van Oudenhoven 1. c. blz. 175. 

3; Handelingen van het Prov. Gen. van K. en VV. in N. Brabant 
1891-93 blz. 224 en vlgd. 

4) Van Heurn Historie I bl/. XXVIII. 



— 47 — 

Naar aanleiding van dezen laatsten brand bepaalde de 
Kegeering der Stad bij Ordonnantie van 15 September 1463, dat 
in het vervolg geene huizen meer met stroo of riet doch slechts 
met tegels (pannen) of leien mochten gedekt worden en dat de 
bestaande strooien of rieten daken in 10 jaren tijds door daken 
van tegels of leien moesten vervangen worden. Blijkbaar waren 
er toen nog vele strooien of rieten daken in den Bosch over- 
gebleven, want voor de verandering daarvan in pannen of leien 
daken schonk de Stad eeue premie, als het nieuwe dak met leien 
zou gedekt worden, van 40 en als men daartoe tegels gebruikte, 
van 24 stuivers voor iedere Bossche roede en had zij daarvoor, 
zooals hierna zal worden medegedeeld, veel te betalen. Het 
schijnt, dat de Geestelijkheid der stad zich aanvankelijk niet 
verplicht achtte om de rieten of strooien daken harer gebou- 
wen te veranderen, daar toch Hertog Philips van Bourgondie 
in 14G4 verklaarde, dat de desbetreffende verordering ook op 
haar van toepassing was. 

Van Oudenhoven 1. c. blz. 175 deelt als volgt mede, hoe 
de Stad den Bosch zich na laatstbedoelden brand herkreeg 
en welke de uitwerking van laatstgezegde ordonnantie was: 
de Stadt tuierde alleenskens wederom op getimmer t met schoone 
lustighe huysen ende die neringhe nam seer toe, soo dat vele 
in horten tijdt weder wonnen H gene sy door den brandt ver- 
horen hadden; de huysen tuierden al met hert dack gemaeckt, 
die te voor en meest met stroo gedeckt waren. 

Zooals uit Van Heurn Historie I blz. 138 blijkt, beliep 
hetgeen de stad aan premies voor de vervanging van strooien 
of rieten daken te betalen had al spoedig een zeer aanzienlijk 
bedrag. Deze opgave wordt bevestigd door de Stadsrekeningen, 
loopende van October 1463 tot October 1464, daar toch volgens 
dezelve in dat jaar voor het maken van leiendaken 5530 en voor 
pannendaken 525 oude schilden door de Gemeente waren 
uitgegeven. 

Om die uitgaven te kunnen dekken was bij meergezegde 
Ordonnantie tevens bepaald, dat de stad nieuwe accijnsen zoude 



— 48 - 

beffen op het bier, den wijn, de costelicke drancken en de mede, 
alsmede een weg- en dijkgeld, moetende onder dat weggeld tolhef- 
fing worden verstaan. Met het invorderen dier belastingen en 
der premies werd eene bijzondere commissie uit de stedelijke 
regeering belast, die als leydacmeesteren hunne rekening en 
verantwoording deden. 

De rieten- en strooiendaken werden hierdoor in den Bosch 
geleidelijk opgeruimd en door leien- of pannen daken vervangen. 

Met deze verbetering van bedekking der woningen was 
het gevaar voor groote branden voor den Bosch nog niet afge- 
wend, omdat dit ook nog gelegen was in de houten voorgevels, 
die, als gezegd, een groot deel der Bossche huizen oudtijds had. 
Daarom besloot de Stedelijke regeering het opruimen dier houten 
gevels ook zooveel mogelijk te bevorderen, zooals blijkt uit de 
volgende mededeeling van Van Heurn in zijne Historie Ilblz. 331 : 
De gevels der meeste huizen in deeze stad waren van ouds 
{gelijk er thans nog verscheiden overig zijn) van hout gemaakt, 
ivaarom de Regeering in het jaar 1615, zo tot voorkoming van 
brand, als tot sieraad der stad goedvond, dat ieder burger, 
(behalven de Geestelyke en Kloosters), die eenen steene gevel 
voor zijne huizinge zoude maaken, van Stadsivege met een derde 
der steen en, daartoe noodig, zoude beschonken worden. Deeze 
gift iverd in geld voldaan, gerekend na den prijs der steenen. 
Veele burgers, hierdoor aangemoedigd, veranderden in het eerste 
jaar zestien gevels. Een groot getal waarlijk, wanneer men den 
vervallen staat der burgerye van dezen (dien) tijd beschouwd. 

Dat dit besluit genomen werd vindt men in de Stadsresolu- 
tiënEeg. A. no. 18 als volgt vermeld: Ter vergadering van de 
stadsregeering van 5 Juni 1615 is in overweging genomen 
het verzoek van verscheidene burgers, die steenen gevels voor 
hunne huizen bouwden of zouden komen te bouwen, dat hun 
vrijstelling zouden geschonken op het bier, dat de arbeiders, 
werkzaam aan het maken van steenen gevels in de plaats van 
houten voorplooien (gevels), zouden drinken; zij noemden daar- 
bij die verandering een cieraet vaor de stad. 



— 49 — 

Op dat verzoek besloten de twee eerste leden van de 
Stadsregeering (n.1. de schepenen en de gezworenen en raden), 
dat men daertoe egeen vrydicheyt van den accyns int generael 
en sal accorderen, maer te wordden geordonneert commissarissen 
uuytten dry en leden om ennigen anderen voet ende ordonnan- 
tie te raemen, daerby diegene sonde mogen tuordden gerecog- 
nosceert, die ennige nyeuwe ghevels bijnnen deser stadt souden 
comen te maecken tot cieraet ende verbeteringe derselve ende 
voirts by den commissarissen te tvorden geleth oft nyet goet en 
sonde ivesen, dat voirtaen egeene nyeuwe houten vorployen 
bijnnen deser stadt en souden behoiren gemaecM te tuordden. 

Het derde lid cler Stadsregeering (de dekenen en gezwo- 
renen der ambachten of gilden) was voor de recognosceering 
doch tegen de bepaling, dat voortaan geen houten voorplooien 
meer zouden mogen worden getimmerd. 

Bedoelde commissarissen deden daarop ter vergadering 
van 26 Juni daaraanvolgende rapport en stelden voor, dat tot 
het bouwen van steenen gevels van stadswege aan ieder, die 
ze deed zetten, zoude worden gegeven een derde deel van den 
gebakken steen, te rekenen van den beganen grond tot op de 
hoogte waarop de nieuw te bouwen gevels zouden worden ge- 
bouwd. Des anderen daags vereenigden zich de twee eerste 
leden met dit voorstel en den wensch van het derde lid en 
werd alzoo het besluit genomen, dat Van Heurn ter laatst- 
gemelde plaatse medededeelde, sonder geesteliche personen oft 
cloosteren daeronder te begrypen (Stadsresolutiën A. no 191.) 

Deze nieuwe bepaling werd aanstonds in werking ge- 
bracht, zooals blijkt uit de stadsrekening van St. Eemys of 
St. Bavo (1 October) 1615 tot denzelfden datum 1616; immers 
komen daarin voor uitgaven voor premies voor 16 nieuwe steenen 
gevels, waaronder: aen Dierick Huygen van Berckel als sinne- 
loosmeester voor den steen aen den nyeuwen gevel van den Sinne- 
looshuys 5 gitld. 10 st. ; idem aen Geer truydtivedae Jan Jansse 
Ryder voir een derden deel van de steenen vermetst inden gevel 
van Deventersgasthuys op ten Wyntmolenberch 17 guld. 

4 



50 



Na deze verbouwingen werden vooreerst niet veel houten 
in steenen gevels meer veranderd, daar toch in de volgende 
stadrekeningen weinig uitgaven voor premiëu voorkomen. Dit 
belette echter niet, dat J. van Oudenhoven t. a. p. blz. 25 in 
1670 over de stad den Bosch het volgende kon schrijven, na 
te hebben vermeld, dat na hare laatste uitbreiding binnen hare 
veste wel 2000 groote ende schoone huysen ghestaen hebben, 
behalve de ghemeene huysen ende hutten, : — dat zij noch al was 
een seer wel betimmerde stadt ende vertrouwe, dat het ghe- 
tal der huysen daer niet vermindert en is: de huysen daer 
oock niet verslecht, maer vry verbetert ende de oude houten 
ghevels in steenen veel verandert sijn ende hetwélck niet 
weynigh dient tot cieraet van dese stadt; heeft seer wyde ende 
schoone lochte straeten, 

Ter voorkoming van brandgevaar was het zeker zeer 
goed, dat de Stadsregeering de verandering van houten in stee- 
nen gevels bevorderde, doch of zulks, zooals J. van Oudenhoven 
meende, ook strekte tot sieraad van de stad valt zeer te be- 
twijfelen als men b. v. in aanmerking neemt hoe schilderachtig 
hare Markt er oudtijds uitzag, toen, blijkens de afbeel- 
dingen daarvan uit de 16e en 17 e eeuw. waarvan er een ge- 
reproduceerd is in Van Heurn Historie II blz. 121 en de andere 
in het Tijdschrift voor N. Brab. Geschiedenis, Taal- en Letter- 
kunde van Aug. Sassen II blz. 6, de meeste daaraan staande 
huizen nog houten gevels hadden. 

De stoot tot een e meer algemeene vervanging van cle hou- 
ten gevels door steenen werd eerst gegeven door artikel 77 van 
de Branclkeur voor den Bosch, vastgesteld door hare regeering op 
27 Augustus 1703; daarbij w T as bepaald, dat niemand eenige 
houten gevels van huizen of loodsen, vóór deze binnen de stad 
gemaakt, mocht vernieuwen of repareeren, doch dat zij slechts 
konden blijven staan tot tijd en wijle clezelven komen te 
vergaan. 

Die bepaling had toch eene vluggere opruiming der houten 
voorgevels tengevolge, te meer daar zoowel aan het Besluit van 



27 Juni 1615 als aan cle naleving van art. 77 der Brandkeur 
van 27 Augustus 1703 door de Staclsiegeering streng de hand 
gehouden werd. 

Ruim zes jaren later werd echter het Besluit van 27 
Juni 1615 ingetrokken ; in de plaats daarvan bepaalde de 
Stadsregeering den 22 October 1709, dat aan degeenen. die 
eenigen opbouiv tot cieraet van de Stad zouden doen, zouden 
worden vereerd gouden penningen (vroedschaps- of stadhuis- 
penningen genaamd) ter waarde van 15, 16, 17 of 18 
gulden. Bij een nader besluit van 1 Augustus 1715 bepaalde 
zij, dat aan hen, die een steenen gevel zouden maken, kostende 
fl 200, een gouden penning zoude worden toegewezen van 9 gul- 
den 9 stuiv. en bij dat van 22 Juli 1719, dat de waarde van de 
gouden penningen naar proportie van den opbomv der nieuwe 
gevels zoude mogen worden verhoogd ; van daar, dat er ook gouden 
penningen, die de waarde van fl 40 aan goud hadden, voor 
steenen gevels vereerd zijn. Een van die penningen wordt nog 
in het museum van het Prov. Genootschap van K. en W. in 
N. Brabant bewaard. 

Toen in 1744 op de Schapenmarkt van den Bosch een 
felle brand gewoed had, waarbij o. a. het huis het Groot Para- 
dijs 1), dat aan den hoek dier markt en de Minderbroedersstraat 
stond, eene prooi der vlammen was geworden, bepaalde de 
Regeering van die stad. den 12 Mei van dat jaar, dat niemand 
eenige houte gevels mogt vernieuwen of herstellen anders dan met 
steen op eene boete van fl. 50 ; de timmerlieden of ververs, die 
aan de vernieuwingen van houte gevels de hand leenden, zondert 
ieder fl. 25 verbeuren. 2) 

Ook ten gevolge van deze bepaling werden vele houten 
gevels in steenen veranderd; zij weiden allen in Oud-Holland- 
schen stijl opgetrokken, zoodat straten van den Bosch toch nog 
een vrij schilderachtig aanzien bleven behouden. 



i) Thans een deel van het huis der firma A. Meyring (Schapen- 
markt, no. 1), dat voor het overige bestaat uit de huizen het Klein Paradijs 
en de Regenboog (Schapenmarkt no. 3). 

2) Van Ileurn Historie IV blz. 75 en 76. 



— 52 — 

Daar laatstbedoelde verbodsbepaling steeds, zij het ook 
al in andere bewoordingen, in de Bossche politieverordeningen 
gehandhaafd werd, zoo geschiedde het, dat er een dertig of 
veertigtal jaren geleden in den Bosch maar vier houten gevels 
meer over waren ; de belangrijkste daarvan waren die van het 
huis h e t Klaverblad, dat aan den hoek der Kruisstraat en Oude 
Vischmarkt staat (Kruisstraat no. 44) en die van het huis het 
Fransche Kabinet, dat in de Kerkstraat zich bevindt (Kerkstraat 
n os 73 en 75), van welken laatsten gevel eene afbeelding voor- 
komt in het N. Brab. Jaarboekje van Aug. Sassen van 1889. 
Deze vier laatste houten gevels werden omstreeks dienzelfden 
tijd afgebroken. 

De Oud-Hollandsche gevels, die in de 17 e en 18e eeuw 
in den Bosch in de plaats van de houten gevels gekomen waren 
en aan de straten dier stad nog een vrij aardig aanzien gaven, zijn 
in de laatste 40 jaren bijna allen afgebroken door Bossche met- 
selaarsbazen, die het de hoogste uiting van kunstgevoel achtten 
om de fraaie, ingevoegde, vaak met zandsteen versierde trapge- 
vels van baksteen te veranderen in rechthoekige gevels, voor- 
zien van eene rechte gootlijst en besmeerd met portland cement, 
die hier en daar, om ze toch niet al te eentonig te doen zijn, 
zoogenaamd versierd werden met gegoten portland cementen 
krullen en cementen lijsten. Het oude gedeelte van de stad den 
Bosch levert dientengevolge, in tegenstelling met zoo menig 
andere stad van ons land, op bouw- en oudheidkundig gebied 
zeer weinig belangrijks meer op. 

Het water van de daken der huizen liep voorheen in den 
Bosch niet door pijpen naar beneden maar stortte zich bijna 
midden op de straat uit door van uit de daken of gevels stekende 
goten. Dit veroorzaakte, zoo schreef Van Heurn in zijne His- 
torie II, blz. 509, een groot ongemak voor die, welke by stort- 
regens langs straat gingen. Om dit te voor te komen gelaste 
de Regeering in den jaare 1640, dat alle die gooien binnen 
een jaar weggedaan en het water langs de gevels door loode of 
blikke pypen afgeleid zoude moeten worden. 



— 53 — 

Behalve uitstekende goten hadden voorheen zeer vele 
huizen in den Bosch ook nog uithangborden, terwijl er andere 
huizen in hunne gevels gevelsteenen, met de eene of andere voor- 
stelling er op, hadden staan, (de nieesten met op- of onderschrift,) 
waaraan zij hunnen naam ontleenden en welke namen toen dezelfde 
rol vervulden als thans de kadastrale nummers en secties. Op 
enkele na zijn thans ook die uithangborden en-teekens ver- 
dwenen. Steph. Hanewinkel zegt in zijne Geschied- en Aardrijks- 
Beschrijving de?' Stad en Meierij van 's Bosch blz. 127 noot h, 
dat hij een handschrift zag, waarin alle opschriften, staande op 
openbare gebouwen en particuliere huizen in den Bosch, alsmede 
andere bijzonderheden daarvan, waren opgeteekend, doch hij 
kon het niet te lezen krijgen en wist ook niet wie het bezat. 
Jammer is het zeker, dat dit handschrift verloren schijnt te 
zijn geraakt, want anders zouden wij daaruit omtrent de oude 
Bossche huizen merkwaardigheden en bijzonderheden kunnen 
vernemen, die nu waarschijnlijk voor een goed deel aan de ver- 
getelheid zijn prijs gegeven. Gelukkig is het daarom, dat wat 
dienaangaande nog is kunnen nagespoord worden door Jan en 
Alphons Mosmans is te boek gesteld in hun werk : Oude namen 
van huizen en straten te 's Bosch, waarin niet alleen voorkomen 
de meeste namen der huizen in het oude gedeelte van den Bosch, 
maar ook alle bijzonderheden, welke hun er van bekend waren. 

Van Heurn heeft in zijne Beschrijving der stad 'sHer- 
togenbosch, welke hij, als gezegd, omstreeks het jaar 1780 
maakte, ook nog menige bijzonderheid, betreffende de oude Bos- 
sche huizen, aan de vergetelheid ontrukt. Zoo deelt hij daarin over 
de vroegere burgerwoningen in die stad het volgende mede: 

Kort na 1463 maakte men voor alle de huizen der bur- 
gers gevels van hout. Het is opmerkelijk, dat alle die gevels 
naar de straatzyde stonde en ik weete niet, dat ik aan den 
achterkant der huizen gevels van hout gezien heb. 

Mogelijk, hoewel ik er niets van vinde, is dit verboden 
geweest, omdat men in geval van brand de voorgevels gemak- 
kelijk om en op straat kon haaien, hetgeen met achtergevels zoo 



— 54 — 

ligt niet geschieden kan en van gevaarlyke gevolgen zoude 
kunnen zijn. Het is mede opmerkelijk, dat alle de burgerhuizen 
alhier smal en naar maate zeer lang zijn. De rede daarvan 
schijn d, dat de handwerken voorheen het grootste bestaan der 
inwooners waren. Het voorste gedeelte beneeden van hun huis 
-diende tot winkel en het achterste tot werkhuis. Boven waren 
de pakzolders. Om deeze rede springen de houte gevels by 
ieder verdieping omtrent twee voeten straatwaars uit, waardoor 
men veel plaats won. Aan de meeste oude huizen waren voor- 
heen windaasen om goederen op- en af te laaten ; dit was nodig, 
omdat de meeste goederen der inwooners oudtijds en, thans 
voor een gedeelte nog, in pachthoeven of koornrenten bestonden 
en ook omdat de handwerken aldaar geborgen zouden kunnen 
werden totdat die verkogt werden. Ik zal mijne leezeren een 
kort denkbeeld van de oude burgerhuizen. die genoegsaam allen 
op een en dezelve wyze gebouwd en waarvan er nog ver- 
scheiden overig zijn, opgeeven. 

Hiervoor heb ik verhaald, dat de meesten lang en smal 
zijn en tevens de rede daarvan gemeld. De voorhuizen zijn 
doorgaans van een meer dan gemeene hoogte, denkelijk om in 
de winkels meerer goederen te kunnen bergen. Uit het voor- 
huis gaat men cloor een gang, die ter rechte of ter linke zyde 
van hetzelve is, naar achter. In deeze is een dein*, waardoor 
men in een vertrek komt, dat vry laager van verdieping als 
het voorhuis is en door raamen zijn uitzigt daarin heeft. Dit 
vertrek diend tot verblijfplaats van het huisgezin en voor een 
eet- en meestal nog voor een slaapvertrek voor den man en 
de vrouw; zoodanig vertrek is in genoegzaam alle de burger- 
huizen; men noemd dat denkelijk daarom Bossche keuken. Als 
men de gang verder doorgaat, komt men aan een kelderkamer, 
werwaars men met vier a vijf trappen opklimt. Tusschen de 
kelderkamer en de bosse keuken is de trap naar boven en 
onder deze die naar de kelder onder de kelderkamer. De kelder 
en de kelderkamer scheppen haar licht van een binnenplaats, 
waarop de gang mede uitkomt. Achter is een en somtijds meer 



— 55 — 

vertrekken, die tot werkplaatsen van die, welken zich met 
handwerken geneeren, dienen; veelen deezer vertrekken strek- 
ken zich uit tot aan de rivier de Dieze, welke, zo als hiervoor 
gemeld is, met vele armen door de stad loopt. Het water is 
voor veele handwerken nodig, hetwelk men alsdan by de hand 
heeft. Als men de trap in de gang opklimt, vind men boven 
de bossche keuken een vertrek, dat laag van verdieping is en 
met de bossche keuken, die er onder is, de hoogte van het 
voorhuis heeft ; die kamer, welke de hangkamer genaamt word, 
diend tot een slaapvertrek voor de kinderen en myden. Van 
daar gaat men verder naar boven. Het bovenhuis verdeeld 
zich in twee vertrekken, een boven het voorhuis en de hang- 
kamer; het schijnd my toe, dat deeze voorheen voor de beste 
kamer gehouden werd en dat men daarin bruiloften en niaal- 
tyden gaf; de tweede kamer is boven de kelderkamer; deeze, 
die haar licht van de achterplaats schept, diend om vrienden 
te huisvesten. 

In verre de meeste huizen waren zogenaamde brandgevels; 
deze strekken zich van de kelder af tot boven het dak uit; 
men vind ze doorgaans tusschen de bossche keukens en de 
kelderkamers ; het komt my voor, dat die dienden om, in ge- 
val het voorste gedeelte van het huis in brand raakte, het 
achterste zoude kunnen behouden werden en, ingeval het achterste 
dit ongeluk overkwam, het voorste beveiligd werd en ik meene, 
dat zy om die rede den naam van brandgevels bekoomen hebben. 
Boven waaren de pakzolders, waarop de winkelwaren en de 
handwerken geborgen en van dezelven door de windaasen, 
hierboven gemeld, opgehaald en afgelaaten werden. 

Dit is de waare geschapenheid der meeste oude burger- 
huizen alhier. Van tijd tot tijd zijn er veelen afgebrooken en 
in een anderen smaak vertimmerd. Tot zooverre van Heurn. 

Behalve hetgeen ik hiervoren reeds mededeelde over de 
verandering der houten gevels in steenen trapgevels, zou ik 
aan hetgeen hij over de oude Bossche burgerwoningen aan- 
teekende, nog willen toevoegen, dat zij beneden bijna allen 



— 56 — 

van houten luifels waren voorzien; dezen waren in 1829, op 
enkelen na, reeds allen verdwenen en thans bestaat er geen 
een meer van. Ook hadden de meeste burgerhuizen op de 
daarvoor gelegen stoep, op de scheiding daarvan met die van het 
aangrenzend huis, eene vaststaande houten of steenen bank, 
waarop de bewoners des avonds gingen zitten om een luchtje 
te scheppen, en — als men den onverdraagzamen en daardoor 
lang niet betrouwbaren St. Hanewinkel in zijne Reize door 
de Major y lp. 19 zoude kunnen gelooven, — tot 10 of 
11 uur 's avonds met hunne buren babbelden; dan werden, 
zoo schreef hij, „anderen braaf gehekeld en al wie dan by 
geval langs straat komt, die word dan, en dit hoort ook zoo, 
want wat doet hy toch op straat? ook eens duchtig geroskamd/' 

Ten slotte, zoo schreef van Heurn voorts in zijne Beschrij- 
ving over de oude Bossche burgerhuizen, moet ik nog opmerken, 
dat tusschen veelen derzelver zogenaamde wennen of soeyen 
zijn, dat is, om my klaarer uit te drukken, dat er tusschen 
de huizen een tusschenwijtte van omtrent een en een halve 
voet is, 1) zodat de huizen geen gemeenen muur hebben, maar 
dat ieder huis op zich zei ven staat. Van deeze wennen of soeyen 
maken de Kostuimen der Stad titel VIII artt. 21, 22 en 23 
gevyag, naamelijk, dat men die ten gemeenen kosten moet 
onderhouden en dat men door dezelven geen ander dan hemels- 
water mag doen doorloopen, en meer andere zaaken, die daartoe 
betrekking hebben; gelijk ook, dat indien een der naarbuuren 
toestaat, dat in deszelfs muur getimmerd werd, die muur alsdan 
gemeen zal zijn ; hieruit is dan op te maaken, dat indien 
iemand in deszelfs naarbuurs muur balken mag leggen, hy dan 
ook die wen of soeye mag inneemen en deszelfs erf daarmede 
verbreeden. 

Ik heb naar de rede van deeze wonderlyke wyze van 



1) Het blijkt niet hoe groot de door van Heurn bedoelde maat is; 
gaat men na de ruimte, welke thans nog op het Hinthamereind tusschen 
verschillende huizen gevonden wordt en die de breedte heeft van een 
steegje, dan komt het waarschijnlijk voor, dat de door van Heurn op- 
gegeven maat voor vele gevallen te klein is. 



— 57 — 

timmeren lang* gezogt en het is my voorgekoomen, dat de ge- 
bouwen alhier vóór de twee voornaame branden, in de jaaren 
1419 en 1468 voorgevallen, uit leeme wanden en strooye daken 
bestonden, dus konde men geene gemeene wanden of muureu 
hebben ; het regenwater moest derhalven van de daken tusschen 
die wanden op de straaten uitloopen. Het schijnd mij toe, dat 
by het optimmeren der afgebrande huizen veelen zich over het 
maaken van een gemeene muur niet konden verstaan en niet 
verder als hun erf uitstrekte eenigen grond durfden inneemen 
en hierdoor die wennen of sooyen zijn blyven bestaan. Vaster 
gaat het, dat in laatere tyclen verscheiden van deeze wennen 
zijn weggeraakt en dat men gemeene muuren tusschen de 
huizen gemaakt hebbe, hoewel er noch veele wennen tusschen 
de huizen gevonden werden. Wenschelijk was het, dat alle de 
wennen weggenoomen wierden, omdat het regenwater, hetwelk 
in dezelven van de wederzijdsche daken nedervalt, de muuren 
vogtig maakt en dat als die wennen wegraakten, cle muuren 
drooger en de gezondheid der inwooneren bevorderd zoude werden. 

Over de adellijke huizen, die men voorheen in den Bosch 
had, vermeldde van Heurn in zijne Beschrijving het volgende: 
De huisen der Edelen, waarvan er voorheen zeer veelen hier 
ter steede woonden, waren van een geheel ander maaksel als 
die der Burgerye; zy waren zeer ruim en geheel van steen 
gebouwd. Terzyde of op cle plaatsen van dezelven stond ge- 
meenelijk een torentje, waarop een spitsje met een appel stond, 
dat boven het gebouw uitstak. In dit torentje was de trap 
naar boven. Het is my ondoenelijk alle de huizen der Edelen 
met de Geslachten, aan welken die toebehoorden, te vermelden ; 
veelen zijn er afgebrooken en de naamen der geweezen eigenaaren 
door den tijd verduisterd geworden. 

Wat van Heurn hierop laat volgen omtrent eenige 
adellijke huizen zal ik bij elk dier huizen mededeelen evenals 
hetgeen hij ten aanzien van andere Bossche gebouwen aan- 
teekende. 

Over de vroegere bewoners van den Bosch schreef Wil- 



58 



helmus Molius, eigenlijk genaamd mr. Willem Moei, die aldaar 
priester en rentmeester der 111. L. V. Broederschap was en 29 Sep- 
tember 1565 overleed, het volgende in zijne Annales Civitatis 
Buscoducensis et rerum domi et foris, pace et bello per Buscodu- 
censes ïncolas gestarum compendiosa narratio, eene kronijk, 
die wonderlijk genoeg tot heden niet in druk verscheen ; wel 
schreef Dr. C. E. Hermans in de voorrede zijner Verzameling 
van Kronijken, clat hij ook van plan was deze kronijk uit te 
geven, doch hij liet het daarbij : 

Sylvaducenses artificio quaestuario aut negotiationi ut 
plurimum student, ob quam rem et causam rara est provincia 
in tota Christianitate aut urbs, in qua non versetur Sylvadu- 
censis unus aut alter. 

Buscoducensium seu incolarum hujus oppidi triplex est 
conditio sive status. Primus Clerieorum tam religiosorum quam 
ssecularium, utrique magnis reditibus censibusque provisi, ab 
aliis plurimum honoris percipiunt, quod Deo sacrificant, sanc- 
torum laudes in Ecclesia jugiter cantant, vestitu religiosi omnes 
quique suo et satis decenter utuntur. Sseculares vero sacerdotes, 
ut sunt canonici, beneficiati^ cantores cseterique ministri Dei, 
etc, ecclaesiarum tunicas portant fluxas, caput mitra lanea tegunt, 
non mul turn fastigiata, sed capite auretenus satis adhaerente; 
ex collo, cum in publicum procedunt, fasciam dependunt, qui- 
dam sericam quidam lanea m, tantummodo honestatis causa sed 
hsec deportatio fasciae nunc abolere coepit, ejus usu apud vete- 
ranos sacerdotes, causa frigoris, remanente. 

Secundus est status nobilium et divitum. Sunt enim in 
ea urbe nobiles et divites quam plurimi, qui generis claritudine 
cseteris antecedunt, possessiones et reditus habentes, qui de 
patrimonio et reditibus suis viventes, aut domi manent aut 
committitur ipsis respublica prae aliis, quibus poten tiores etiam 
sunt, nam viri, qui vitre integritate et honestate praecipui ju- 
dicantur, eliguntur in scabinos seu judices, qui, judicandi munus 
necessario subeuntes judiciis statuto tempore in domo civica 



— 59 — 

intendunt; jurantque singuli se judieaturos, secundum quod eiis 
visum fuerit justius atque melius. 

Tertius status est oppidanorum et communis generis 
plebis, qui mercantiis et officinis intendunt, quaestuarias 
artes sednlo exercentes, qui in pompis processionalibus ordine 
progressivo in octodecim vel pluribus agminibus, causa osten- 
tationis incedunt. Primo ordine incedunt fabri ferrarii quocunque 
modo artem suam in ferro aut stanno exercentes. deinde molen- 
darii, deinde pistores, turn textores lanae et lini, deinde calcifices 
et coriarii, item sartores, frumentarii, laniones pecorum. venditores 
piscium, pelliones, chirothecarii, splintifices, cupifices, tectores, 
latonii et chirurgi ac sic de reliquis. 

Cives autem inter se amicissime et honestissime vivunt, 
in locis publicis et privatis frequenter convenientes, mercantur, 
convivantur, colludunt, colloquuntur. Victu et vestitu privatis 
diebus ferme omnes frugali et simplici utuntur, festis diebus 
splendidiore adventitiis et novis vestimentorum formis jam 
plurimum gaudent. 

Ad Dei cultum satis clediti sunt. Si quidem multi artifices 
mane antequam laborare incipiunt, aedes sacras intrant et divino 
officio intersunt, multas eleemosinas in meridie largiter tribuunt: 
at peracto prandio turpc putant, eisque non modice exprobran- 
dum, qui ex pigritia aliave jam causa operi manuum aut studio 
litterarum non insistunt, adeo otium vitant et aspernantur. 
Consuetudo pertinax et perseverans apud ipsos est non prandere 
aut convivia quantumcunque solemnia exercere ante duodecimam 
horam jam tactam in meridie. 

Festa die in sacra aede D. Joannis aut in monasteriis 
ante meridiem quasi omnes conveniunt et a sacerdote verbum 
Dei et sacra audiunt; post meridiem vero campos petunt ad 
spatiandum aut cauponiam intrant et cerevisiam bibunt, quae 
sitienter et immodeste satis ab ipsis bibitur, mutuoque ad 
bibendum cogunt et hortantur; puellae tarnen et juvenes, 
ad vesperante die, clioreas in plateis, praecipue tempore aestivo, 
ducunt. 



— 60 — 

Circa diem dedicationis oppidi juventus nova quaedam 
spectacula excogitat, queis mentem et oculos omnium oblectet, 
admirationeque detineat atque, ne pudor obstet qui se ludicro 
illi committunt, facies larva obducunt sexum et aetatem men- 
tientes, viri mulierum vestimenta, mulieres virorum induunt, 
nemo tune per totum oppidum tanta paupertate premitur, nemo 
tanta tenacitate tenetur, qui in hac dedicationis die vel tem- 
pore non altili aliquo vel saltem ovino aut vitalino viscere 
assato aut lixato vescatur et qui cerevisiae remissius non in- 
dulgeat. 

In die S. Nicolai adolescentes, qui disciplinarum gratia 
scholas frequentant, inter se eligunt episcopum, is ipsa die in 
aedem D. Johannis solemniter introductus a scholastico coetu 
divinis officiis infulatus praesidet. 

Proinde Buscoducenses erga nefarios homines, ut sunt 
fures, latrones, homicidae, etc. multum sunt crudeles et gaudent 
in eorum interitu; cum enim malefactores per justiciam puniendi 
sunt, magna aviditate adsunt spectaculo illi, dicentes : al best 
daer voor, vel simili quid. 

Saepe cum hostibus Geldris, acceptis et illatis cladibus 
contendere, nee totis viribus belli fortunam experiri recusave- 
runt, nam nulla gens Brabantica arma Geldorum magis exercuit, 
nulla ab his rursus magis exercita est; adeo paribus animis 
varioque eventu est semper utrimque bellatum. 

Duobus vitiis haec gens Buscoducensis plus aliis insig- 
ni-s conspicitur, scilicet inhospitalitate et verborum morositate, 
mordacitate et asperitate; de inhospitalitate satis liquet, quocl 
advenientesexternosamicosautnotos raro invitant, aut, siinvitant, 
hoc tarnen imperfecte dubitanter vel interrogative, dicentes: 
vultis semel bibere?; vel aliquando etiam negative, dicentes: 
si esses pransus, darem tibi semel potum et haec dicunt, 
tenentes postem domus in manibus. Sermone quoque minus 
blandi sunt et suaves, si quidem eorum sermo fastuosus, durus 
et asper ; mitior tarnen ac sermone benignior nobilitas et magis 
obvia ad omne humanitatis officium, sed haec de natura, qua- 



— 61 — 

litate et raoribus Buscoducensium sufficiant. Vond Molius het 
hiermede genoeg gezegd hoe hij over zijne stadgenooten oor- 
deelde, welwillender dacht over hen de Bossche kronijkschrijver 
broeder Aelbertus Cuperinus, die ook een Bosschenaar was en 
na hem zijne kronijk van den Bosch schreef, want hij haalt 
dezen daarin aan. Cuperinus schreef toch over de Bosschenaars 
het volgende : 1) Opdat nu voort allen menschen bekent werde 
die vromicheyt en proprieteyt der ingesetenen van den Bosch, 
soo is te weten, dat meeste deel onder die borgers veel goeder 
condicien zijn, die men in d'ander steden onder die borgers 
soo gemeynlijck niet en vijnt. In den eersten, soo is datvolck 
van den Bosch seer strijdbaer en de moedig tegens zijn vianden, 
als dat dickwille openbaer is geweest in verscheyde oorlogen 
tegen die Gelderschen, welck landt sy dicwils alleen gedwon- 
gen hebben, sonderling in dat oerloge van Po(do)roeyen int 
jaer ons Heeren 1508. Item in dat oerloge van Utrecht anno 
1524, doen zij allen die dorpen van Gelderlant tot Zutphen toe 
brachten int verdingen. Item in dat Tielsce belech, geschiet 
sijnde anno 1528 ende tot meer andere tyden van oorlogen, 
daer die van den Bosch haer grootmoedicheyt seer over haer 
vianden gethoont hebben. 

Den tweeden, soo blijckt gemeynlijck onder die borgers 
naturelycke ingeboren getrauwicheyt tot haeren naturelycken 
landsheere ende prinche van Brabant, want sy altoos bereet 
sijn geweest mit haren prinche te leven ofte sterven, alsoo dat 
die wil bevonden is, dat welck hier te lanck soude vallen te 
vertellen; waerom dat die stat van den Bosch van sommighe 
heeren ende hartogen van Brabant begracyt sijn geweest ende 
seer in haer vrintschappe gestaen hebben ende mit previlegien 
begaeft sijn geweest, als te weten: Henrick, die eerste van 
dien name, hartoge van Brabant ; item vrou Janne, hartoghinne 
van Brabant; item Maximiliaen, die keiser ende hartoge van 
Brabant; item zijn sone Philippus, hartoge van Brabant ende 



I) Dr. G. R. Hermans Verzameling van Kronijken blz. 9 en vlgd. 



— 62 — 

coninck van Castillien ende meer andere, die de stat geëert 
ende liefghehadt hebben om haer trouwicheyt. 

Ten derden soo sta et aen te mereken tot loff ende re- 
eommendacie der borgeren ende inwoonders der stadt van den 
Bosch, die groote charitate ende melidende bermherticheyt, 
die zy thonen ende bewysen den ermen ende gebreckelicke 
menschen ende schamel clerxken, want in geen steden, noch in 
Gelderlant, noch int lant van Cleve, Gulick, Ludiek of oeck 
mede in Vlaenderen of Brabant, soe groote charitate van al- 
missen te geven gedaen werdt als tot Tsertoghenbosch, als 
wel blijck ende openbaer is allen menschen die barmhertige 
charitate, die men doet den zieken int Groot Gasthuys; item 
die overvloedighe spine (spijnde), die daer geschiet in denHeyligen 
Geest 2 of 3 mael ter weke; voord aen wat charitaten men 
bewijst den huysarmen ; item hoe dicwils, alst duren tijt was, 
hoe bystandich die goede borgers bewesen hebben den armen 
menschen, die anders van honger bedorven 1) souden hebben, 
als te weten int jaer ons Heeren 1530; item int jaervan 1545; 
item int jaer van 1557, doen ten Bosch alsoo groote volck 
uut andere steden, als van Luyck, uut Brabant, uut Gelderlant, 
uuten landen van Cleve, van Gulick, etc, quam, dat den stadt 
te swaer viel haer almissen te geven ; desgelijcx in tyden, dat 
die Maescant ende daer ontrent overvallen werde mitten water, 
dat de huysluyden, daer woonenden, op die solders lopen om 
haer lijf te sal veren, hoe neerstich die stat van den Bosch 
daer dan beschickte met schuten ende pleiten, proviande van 
broot, kaze, boter, vleesch, etc, om die schamele menschen te 
hulpe te comen, als wel gebleken heeft in 't jaer 1529; item 
int jaer van 1531; item int jaervan 1552 ende tot meer andere 
tyden van duren tijt oft van oploop van wateren, waerom die 
stadt van den Bosch wel mach geneumt werden een toevlucht 
ende onderstant van allen armen menschen. 

Ten vierden soo zijn die van den Bosch seer neerstich 
om haer broot te winnen ende haer ambacht te vervolgen. 



Te lezen : gestorven? 



— 63 — 

Sy hebben voor een maniere dat sy liaer kinderen tot geen 
leechevt en houden, maer sy doen haer kinderen van joncx op 
een ambacht leeren of zy doen haer kinderen scholen gaen. 
het sy buten of binnen der stadt, of sy doen haer kinderen 
leeren comenschappen, midts welcke toecompt, dat men in alle 
landen of steden Busschers vijnt ende dat in die stadt menich 
treft'elijek rijck borger soo ambachsman soo coopman woonende 
is, als men oock wel sien mach die playsantelike husen, die 
dagelijckx in de stadt van den Bosch getimmert ende gebetert 
werden. 

Hoe men in de 18 e eeuw over den Bosch en de Bossche- 
naren oordeelde, deelde ik reeds mede in Taxandria XIJ blz. 
306 en vlgd. 

De bevolking van die stad bedroeg tijdens het beleg in 
1629 zonder het garnizoen 11300 zielen en in 1775, ook zonder 
liet garnizoen, ruim 13000 inwoners. 

En hiermede vertrouw ik de lezers van mijn werk vol- 
doende op de hoogte te hebben gebracht van den toestand van 
den Bosch in vroegere eeuwen om mij met vrucht te kunnen 
vergezellen bij mijne oudheidkundige rondwandeling door die 
stad en hare schepen registers. 



HOOFDSTUK I. 

De Orthenstraat. 

Eerste Gedeelte. 

De kerk en de huizen van het vroegere dorp Orthen 
bevonden zich op eene andere plaats dan die van het tegen- 
woordig gehucht van dien naam. De eerste kerk van Orthen 
toch, de Salvatorskerk geheeten, stond tusschen het tegenwoor- 
dig kerkhof der gemeente den Bosch "en de spoorweglijn naar 
Utrecht, terwijl deszelfs eerste huizen daar grootendeels om 
heen stonden. Bedoelde kerk brandde in 1601 door toedoen der 
Staatschen af 1) ; zij werd daarna weder opgebouwd, maar is 
in 1673 op last der 's Landsregeering geheel gesloopt, omdat 
zij haar gevaarlijk achtte voor de verdediging van den Bosch ; 
hetzelfde geschiedde toen om gelijke reden met de daarom heen 
staande woningen 2), zoodat er daarna van het vroeger zoo 
aanzienlijk dorp Orthen 3) niet veel meer overbleef. 

In de plaats van de afgebroken woningen zijn later aldaar 
huizen gebouwd geworden ter hoogte van de plaats, waar nu 
de tegenwoordige kerk van Orthen staat. 

Het zal ook wel niet noodig zijn mede te deelen, dat 
voor dat het tegenwoordig Orthen aan den weg tusschen den 



4) Diarium van Vladeracken t.a.p. blz. 237. 

2) Van Heurn Historie III blz. 196. 

3) Over het aantal huizen, dat Orthen in 1526 had, zie men de 
telling der huizen en haardsteden in de Stad en de Meierij van den Bosch 
van dat jaar (Hand. Prov. Genootsch. van K. en W. in Noordbrabant 
1891/93 blz. 231). 

5 



— 66 — 

Bosch en Hedel gebouwd werd de verbinding tusschen dat dorp 
en den Bosch anders was dan thans ; minstens twee wegen 
verbonden toen toch Orthen met den Bosch, waarvan een 
liep van de plaats, waar de St. Peters-kapel van dat dorp 
stond, terwijl de ander van de voormalige Salvatorskerk van 
Orthen naar den Bosch zal hebben geloopen; deze weg kwam 
daar uit ter plaatse waar thans het fort de Papenbril ligt en 
is later, ter wille van dat fort, in zooverre verlegd, dat die toen 
in den Bosch uitkwam ter plaatse waar nu de Ortheruitgang 
is. Laatstbedoelde weg werd in 1642 op last van Prins Frederik 
Hendrik, zooals wij reeds zagen, afgekard en tot een hoog voetpad 
teruggebracht en in 1736 nog meer afgegraven, zoo zelfs, dat 
zooals van Heurn in zijne Historie IV blz. 33 schrijft, men 
nauwelijks er over binnen de stad kon komen ; op het vertoog 
van hare Regeering stond echter de Raad van State haar in 
1739 toe, dien weg met steengruis op te hoogen en van weers- 
zijden met eene schoeiing te voorzien ; zederd, zoo vermeldt 
van Heurn t.a.p. verder, is de weg met puin merklijk aange- 
hoogd, zo dat die thans zo hoog is als die voorheen was, 
maar veel bijzonders was die daarom nog niet, want in de 
N. en Z, Brabantsche Faam van 1829 (Dl. I) wordt die gezegd 
te zijn de ellendigste ter wereld, als zijnde des zomers enkel 
zand en des winters bij hoog water geheel overstroomd. Eerst 
omstreeks 1848 is die weg een behoorlijke geworden, doordien 
het Rijk toen den tegenwoordigen weg van den Bosch van 
Hedel maakte en daarin opnam dat gedeelte van den weg van 
Orthen naar gezegde stad, dat vanaf haar tegenwoordig kerkhof 
stadswaarts liep. 

Ging men langs dien weg naar den Bosch, dan kreeg men 
bij het begin dier stad aan zijne rechterhand het fort Willem en 
Maria; het werd gewoonlijk de Papenbril genaamd, omdat het in 
1641 gemaakt was om de Katholieken van den Bosch in bedwang 
te houden; op deze sterkte werden aanvankelijk slechts een 
wachthuis, een ammunitiehuis en eenige barakken gebouwd; 
barakken waren keeten, waarin de minderen van het Bossche 



— 67 — 

garnizoen gelegerd werden, zoolang als er nog geene kazernes in 
den Bosch waren ; later werd op dit fort nog eene woning voor 
zijnen Kommandant gebouwd. In de jaren 1789, 1790 en 1791 
stichtte het Rijk er eene gevangenis voor de militaire mis- 
dadigers, omdat het Geweldiger, dat tot dusverre daartoe had 
gediend en op den Kruisbroedershof stond, te ongezond voor eene 
gevangenis bleek te zijn en bovendien zeer bouwvallig was ge- 
worden. Van deze nieuwe militaire gevangenis, waarin ook eenige 
vertrekken voor den Krijgsraad gemaakt waren, werd, toen zij 
geheel voltooid was, geschreven, dat zij een zeer schoon en 
sterk gebouw was; in lateren tijd werd zij 't Landsprovoosthuis 
en daarna eene kazerne, waartoe zij aanmerkelijk verbouwd 
is; zij is dit nu nog en heet thans de Citadelkazerne. 

Veel merkwaardigs is er op dit fort niet voorgevallen; 
de belangrijkste gebeurtenissen, die er op plaats grepen, waren, 
dat de toenmalige Gouverneur der stad, Henri Charles de la 
Tremoïlle, prins van Tarente en Talmond, er in 1667 plechtig 
vierde het sluiten van den vrede van Breda ; dat den 23 Novem- 
ber 1747 brand op dit fort ontstond, die echter weldra werd 
gebluscht en dat toen de Fransche Republikeinen in 1794 bezit 
van dit fort hadden genomen, zij er gevangen zetten de leden 
van het Corps Fransche legitimisten van Béon, die hun bij de 
overgave van den Bosch in dat jaar in handen waren gevallen 
en er toen eenigen van dezen fusilleerden. 1) Zij gaven aan 
dit fort den naam van la Citadelle, vanwaar de tegenwoordige 
naam der daarop staande kazerne. Het Fransche garnizoen, 
clat zich in 1814 op dit fort uit de stad den Bosch had terug- 
getrokken, nadat hare bevolking het Fransche juk had afge- 
schud, bombardeerde toen van daaruit die stad, doch bracht 
er weinig schade door aan. 

Aan de andere zijde van den Orthenschen weg lag voor- 
heen binnen de vesten der stad eene weide van het aldaar gestaan 



1) N. en Z. Brabantsche Faam 1829 blz. 104 en Taxandria VI blz. 
292, alwaar ik abusievelijk mededeelde, dat al de gevangen genomen leden 
van het corps van Béon op het fort Isabella gefusilleerd zijn. 



— 68 — 

hebbend St. Geertruiklooster. In de jaren 1618 en 19 werd 
daarop bij den ingang dier stad door Dr. Jan der Weeghen, 
ingenieur ende mathematicien van de Aartshertogen Albert en 
Isabella, een kruithuis gebouwd 1), omdat er in het jaar 1616 
nabij ■ de Orthenbinnenpoort, waarin destijds een deel van het 
buskruit der vesting den Bosch bewaard werd, een brand was 
geweest en de Kegeering van die stad daardoor was gaan 
inzien het gevaar, dat voor haar er in was gelegen, dat buskruit 
binnen hare bebouwde kom geborgen was. Eerst den 10 Sep- 
tember 1629 werd de stad den Bosch eigenares van de plaats, 
waarop dit kruithuis door haar gebouwd was, zooals blijkt uit 
eene Schepenakte van dien datum (Reg. n° 365 blz. 347), waarbij 
d'Eerw. Heere ende broeder Jan Boutmans, priester, pater- 
confessor der Susteren Regularissen Convente van St. Gertruyt 
te den Bosch, daartoe gemachtigd door den Eerwaardig sten Heer 
den Bisschop dier stad ende door de Susteren Maria Rogiers, 
priorinne, Johanna Bey hertz, suppriorinne, Johanna Havens, 
procuratesse, Weyndelken van Auwen, Hilleken Ancems ende 
Michielken van Ophoven, senieuren ende andere raedtsusteren 
des voors. Convents, } t selve heel convent representerende, — 
aan de stad den Bosch verkoopen: een stuck erffs, genomen van 
den beempt des voors. convents, daerop deser stadt amonüie- 
huys is staende, met een grachte omme denselven huyse tot 
wydinge ende breydinge van den monte van den ouden 
gracht om met pleyten daer uuyt ende inne te vaeren ende te 
swaeyen uuyt ende afgegraven, mitsgaders de voirdere erffeniss, 
die 't voirs. convent tussen den voirs. nyeuwen gracht van 
den amonitiehuys ende der voirs. stadtwalle is hebbende {uuyt- 
gesceyden de twee molenweruen aldaer). Dit kruit- of amonitie- 
huis was, zooals wij uit laatstgemelde schepenakte zagen, 
omgeven door eene gracht, welke in 1813 er nog om lag; 
daarna is die gedempt, denkelijk bij het graven der Zuid- 
Willemsvaart ; over die gracht lag eene valbrug, waarover men 



1) Van Heurn Historie II blz. 334 en R. A. van Zuylen de Stads- 
rekeningen II blz. 1240, 1252 en 1259. 



? .. 




HET KRUITHUIS. 



Behoort bij blz. 68. 



— 69 — 

door eene poort in dit kruithuis kwam ; beneden die poort be- 
vond zich aan de zijde der gracht een blauwe steen, waarin 
dit chronicon gehouwen was: 

DorMI Vt eXpergls Carls, 
(Slaap om te ontw T aken). 

Tot 1742 bleef dit gebouw als kruithuis dienst doen; 
toen werd het buiskruit daaruit overgebracht naar het daarvoor 
op het bastion Bazelaar gebouwd kruitmagazijn ; het Kruithuis 
werd daarop een arsenaal, later een laboratorium en thans is 
het een militair wapen- en kleedingmagazijn. Het is nu nog 
geheel in denzelfden staat als waarin het oorspronkelijk werd 
gebouwd behalve dat het niet meer zoo goed als vroeger tot 
zijn recht komt, omdat er thans geene gracht meer om heen 
ligt. Het merkwaardige van dit gebouw is nog, dat het het 
eenige kruithuis is. dat hier te lande uit den tijd van den 
Tachtigjarigen oorlog is overgebleven. 

De straat, die thans van Orthen tusschen het fort de 
Papenbril en voorzegd voormalig kruithuis naar de Zeven- 
steensche brug loopt, liep vroeger meer N.waarts, omdat die toen 
uit het midden van voormeld fort kwam. Aan deze straat stonden 
verscheidene huizen, alsmede het oudvrouwen gasthuis van 
Agnes van den Broeck en de in de tweede helft der 15 e eeuw 
gebouwde kerk van St. Peter en Paulus met pastorie; deze 
kerk, waarvan de fundamenten voor den dag zijn gekomen bij 
het graven der fundamenten van het gebouw der voormalige 
Sociëteit de Liedertafel, thans het Concertgebouw, was een 
groot gebouw, bestaande uit een schip met twee zijbeuken; 
boven het schip bevond zich een koepel en in het schip zelf 
een fraai oxaal, zooals men kan zien uit eene afbeelding, welke 
van Saenredam er van maakte en die zich thans bevindt in 
het Eijksmuseum te Amsterdam. Op liet dak dezer kerk stond 
ook nog een torentje, waarin een slaand uurwerk was; bij het 
sloopen dezer kerk is dat uurwerk geplaatst in het torentje der 
Orthenbinnenpoort, terwijl het torentje zelf geplaatst werd op 
de Vughterbinnenpoort. Nadat in 1637 reeds drie huizen van 



— 70 — 

gezegde straat waren afgebroken, omdat zij te dicht stonden bij 
het bolwerk, op de plaats waarvan later het fort de Papenbril 
gebouwd werd, 1) zijn in 1645 de overige 40 huizen en de 
voormelde kerk, die daar stonden, afgebroken, omdat de Eaad 
van State het voor het fort de Papenbril gevaarlijk achtte, 
dat die gebouwen in de nabijheid daarvan stonden ; van het 
erf, waarop zij zich bevonden, is toen eene esplanade gemaakt, 
die den naam van het Plein kreeg en waarop cle troepen ge- 
exerceerd en wapenschou wingen over dezelve gehouden werden. 2) 

Op dit Plein werd den 24 Juli 1831 door den toenmaligen 
Prins van Oranje, den lateren Koning Willem II, aan de dienst- 
doende schutterij van den Bosch plechtig uitgereikt een vaandel, 
dat door de dochters van mr. Jan Hendrik Sassen, lid van 
Gedeputeerde Staten van Noordbrabant en eene freule Hora 
Siccama van de Harkstede voor haar was gemaakt. Van deze 
vaandeluitreiking is door Dubois, directeur der Bossche K. Teeken- 
school eene schilderij gemaakt, die thans hangt boven de 
hoofdtrap van het Bossche stadhuis. 3) Het uitgereikte vaandel 
was hetzelfde als dat, hetwelk 30 October 1906 bij de opheffing 
der D.D. Schutterij van den Bosch plechtig op de pui van het 
Stadhuis dier stad aan Jhr. P. J. van der Does de Willebois, 
als burgemeester van die stad, is teruggegeven. 

Bij de slooping van de St. Petrus en Pauluskerk is 
waarschijnlijk de preekstoel, die daarin stond, overgebracht naai- 
de St. G-eertruikerk, want op de preekstoel, die daarin nog in 
het begin der 19e eeuw stond, waren de beelden der Apostelen 
Petrus en Paulus uitgehouwen ; de in laatstgenoemde kerk gestaan 
hebbende preekstoel bevindt zich thans in de Waalsche kerk van 
den Bosch en zoo zou het dus kunnen zijn, dat deze kerk den 
preekstoel heeft, die eens in de Bossche St. Peter en Pauluskerk 
stond. Waar de grafzerken gebleven zijn, die in deze kerk 

1) Van Heurn Historie II blz. 498. 

2) Van Heurn Historie II blz. 502, 523, 527 en 528. 

3) R. A. van Zuylen Gedenkboek der Teekenschool te den Bosch 
blz. 95 en Beschrijv. Catalogus van de histor. verzameling der Schutterij 
te den Bosch blz. 1-4 en blz. 49. 



— 71 — 

tijdens hare slooping lagen, is onbekend ; de eigenaars der 
graven, waarop die zich bevonden, waren gemachtigd ze tot zich 
te nemen. De afbraak dezer kerk is verkocht geworden en de 
opbrengst daarvan werd in 1645 besteed om daarvan te betalen 
het herstel der St. Geertrui- en der Kruiskerk van den Bosch. 

Toen den Bosch had opgehouden vesting te zijn is het 
Plein of de Esplanade, zooals men het toen heette, door het 
Rijk aan de gemeente den Bosch verkocht en zijn vervolgens 
door haar daarop straten aangelegd, waaraan vele huizen en 
andere gebouwen gezet zijn. Geen dier straten draagt thans den 
naam van Orthenstraat; dit doet alleen de straat vanaf de 
Zevensteensche brug tot aan den Hoogen Steenweg, welke 
laatste straat aanvankelijk ook de Orthenstraat heette. 

Over de Zevensteensche brug 1), waarschijnlijk dicht bij 
dezelve, stond oudtijds een O, L. V. huisje, in eene Bossche 
Schepenakte van 1530 (Reg. n° 138 f. 10v so ) genaamd doman- 
cula beatae Mariae Virginis; blijkens eene Bossche Schepen- 
akte van 1622 (Reg. n° 358 f. 109) bestond het toen al niet 
meer, want daarin wordt gesproken van een plaetsse, da er onser 
Liever Vrouwen haysken gestaen heeft. 

De steeg, welke zich bevindt links van de Orthenstraat, 
als men van de Zevensteensche brug Marktwaar ts gaat en het 
Peter de Gek straatje heet, kreeg dien naam naar eenen zekeren 
Peter, die oudtijds daarin woonde en den bijnaam had van den 
gek; hij was bediende op het Bossche Stadhuis en belast 
met aldaar te bewaren het zij dge weer, waarmede de Bossche 
Regenten zich moesten omgorden, wanneer zij in het openbaar 
vergaderden; zijn portret in olieverf stond voorheen op eene 
deur van de tegenwoordige raadzaal van gezegd Stadhuis ; later 
werd het de deur eener kast, die op de bodenkamer van dat gebouw 
zich bevond en thans bestaat het niet meer ; het stelde voor eenen 
ouden man, die eenige degens onder een zijner armen draagt. 

Schuins tegenover gezegde steeg, wier oorspronkelijke 



1) Men zie over deze brug Van Heurn Historie III blz. 401. 



— 72 — 

naam was het Sullen- of Solsstraatje, stond oudtijds aan de 
Orthen straat 

a. De St. Eloikapel. 

(No. 70.) 

Deze kapel moet, zooals haar bouwstijl ook aanduidde, 
reeds vóór eenige eeuwen zijn gebouwd geweest, daar toch 
Wouter van Oeckel bij zijn testament van 5 December 1394 
haar met het erf, waarop zij stond, bestemde voor het St. Eloys- 
gasthuis, dat door hem daarbij in het leven werd geroepen tot 
een tehuis voor zeven oude vrouwen ; dit oudvrouwenhuis werd 
gebouwd achter deze kapel en bleef daar staan tot dat het 
werd afgebroken tot het maken van de straat de Smalle Haven ; 
het is alstoen of later overgebracht naar het Groot Begijnhof 
en daarna naar de Choorstraat te den Bosch. 

In de St. Eloikapel stond maar één altaar; het was 
aan den H. Eligius toegewijd. 

Toen de stad den Bosch zich in 1629 aan de Staatschen 
had moeten overgeven en dientengevolge de uitoefening van 
den Katholieken godsdienst aldaar verboden was geworden, 
werd deze kapel ook aan hare bestemming onttrokken en richtte 
de Kegeering dier stad haar eerst in tot een turf magazijn voor 
het corps de garde, later tot eene schuur voor de berging van 
de stadsturf, hout, steen en, kalk, enz. 1); naderhand maakte 
zij er een aschhuis van tot berging van de asch, die de aan- 
nemers van den stedelijken reinigingsdienst hadden weg te 
voeren, waarom die kapel toen genoemd werd de stadsaschschuur. 
In het jaar 1765 was deze kapel zoo bouwvallig, dat hare 
muren met palen moesten gestut worden ; de Regeering der stad 
brak haar daarom toen af, evenals het daarnaast Noordwaarts 
staand huis de Eoode Leeuw. Dit huis behoorde in den aanvang 
der 16 e eeuw aan de echtelieden Jan de Cock Gijsbertszn. en 
Barbara van Kelmis; hunne kinderen, zijnde: Gijsbrecht, Jacob, 



1) Van Heurn Historie II blz, 125. 



— 73 — 

Margriet weduwe van Jan van Breugel, Barbara, Lysbeth weduwe 
van Jan Sadorvül, Kathelyne huisvrouw van J or . Vyth Herel en 
Marie huisvrouw van Jan, den zoon van Jan Thomaszn., ver- 
kochten 20 December 1544 1) 7 k in dat huis, dat alstoen om- 
schreven werd als: eene huysinge met poorten, plaetsen, hove, 
afterhuis ende gronden, staande in de Orthenstraat tusschen 
St e . Loyscapelle aldaar ex uno en het huis, genaamd de Ploech, 
toebehoorende aan de Wed e . Jan van Stryp en hare kinderen, 
ex alio en zich achterwaarts uitstrekkende tot aan de Dieze, 
aan hunne zuster Anna, huisvrouw van Joost van Oss Arndszn, 
die daarin als erfgename harer ouders reeds Vs had; de 
kinderen van laatstgenoemde echtelieden, zijnde Bela, Antonia, 
Johanna huisvrouw van Wouter Scellens Dirckszn, Leonard, 
Johan, Mechteld, Barbara en Elisabeth van Oss, verkochten dit 
huis weder aan Henrick Kemp Janszn senior, van wien het 
erfde diens zoon Ambrosius Kemp ; van dezen erfden het diens 
broeders en zuster : Nycolaus, Cornelius en Elisabeth Kemp, 
welke laatste de echtgenoote was van mr. Henrick Oliviers 
van Berchuysen, den zoon van Willem ; zij verkochten het 20 
April 1575 2) aan Geertruid, dochter van Dierck van Wyck 
Loeniszn en weduwe van genoemden Ambrosius Kemp; deze 
verkocht op hare beurt den laatsten Maart 1610 3) dit huis, 
dat nu gezegd wordt te zijn: huis, erf, tuin, achterhuis en 
poort, staande tusschen de Kapel van St. Eloy en het Gasthuis 
ex uno en het erf van Catharina wed e . Gerard Janszn, potten- 
bakker, ex alio, aan Peter, zoon van Peter Goossenszn, timmerman; 
den 16 October 1765 werd de stad 's Bosch eigenares van dit 
huis, doordien haar politierentmeester Wilhelmus Bopp het 
toen voor haar kocht van Lambertus van de Ven, koopman te 
den Bosch, als gehuwd met Anna Maria van der Linden, c.s. 4) 
Op de erven van de St. Eloykapel en het huis de Eoode 
Leeuiu bouwde de stad den Bosch eene nieuwe stadsaschschuur, 



1) Reg. NO 168 f. 146 v*o. 

2) Reg. NO 224 f. 316. 

3) Reg. NO 308 f. 397 v«°. 

4) Reg. NO 579 f. 243. 



— 74 — 

die zij in de eerste helft der 19 e eeuw ook deed afbreken, 
waarna zij naar het plan van J. H. Laffertée, leeraar der K. 
Teekenschool van den Bosch, in de plaats daarvan deed bouwen 
eene korenbeurs, ten einde daarin over te brengen de destijds 
bloeiende korenmarkt, die toen ter tijde in de Hinthamerstraat 
ter hoogte van de Nedercluitsch-Hervormde kerk gehouden 
werd; maar die markt liet zich niet verplaatsen en verliep 
dientengevolge geheel en al toen de Raad van den Bosch die 
in de Korenbeurs deed houden. Dit gebouw is daarop dooi- 
de gemeente den Bosch tot verschillende doeleinden verhuurd 
geworden met uitzondering van deszelfs binnenplaats, waarop 
tot vóór een paar jaren geleden om de 14 dagen op de 
Woensdagen linnenmarkt werd gehouden. Thans dient dit ge- 
bouw sedert het jaar 1909 tot commissariaat van Politie. Aan 
de Zuidzijde van hetzelve bevindt zich een gang, waarvoor aan 
den straatkant eene poort staat, boven welke tot vóór een 
40 jaren geleden zich een steen bevond, waarin was uitge- 
houwen een wapen geheel gelijk aan dat der adellijke familie 
van Wijnbergen; het is mij niet gebleken dat deze familie 
met de St. Eloykapel of het Zuidwaarts daarnaast staand 
huis, tusschen welke gebouwen bedoelde gang lag, iets had uit 
te staan; wel vond ik in Reg. n° 427 f. 146, dat in 1647 J or 
Richard van Theuven, luitenant onder den kapitein Dimmer, 
aan den bakker Willemsen verkocht: een huis met gang daar 
naast, staande en gelegen tusschen de St. Eloikapel en het 
huis het Gulden Vlies en door hem gekocht geweest van de 
Weel 2 , de Dolia, zoodat de mogelijkheid bestaat, dat bedoeld 
wapen het zijne was. 

b. Het Aard van Avennes Mannengasthuis. 

(N°. 57.) 

Schuins tegenover de St. Eloikapel stond dit oudmannen- 
huis, dat in 1396 door Aard van Avennes (of van Au wen) ge- 



— 75 — 

sticht was voor tien mannen boven de 40 jaren, die zoo arm 
moesten zijn, dat zij van deur tot deur hun brood moesten bedelen 
of van de Armen onderhouden worden, en waartoe hij alstoen 
bestemde het huis, dat destijds gezegd werd te staan buiten de 
poort, gewoonlijk genaamd de Peter Scatspoort, in de richting 
van cle plaats, genaamd het Muntelken, tusschen de huizen van 
de erven van Henrick van Amersoyen ex uno en dat van den 
timmerman mr. Henrick van den Venne, ex alio, en dat door 
hem gekocht was van Elisabeth, dochter van Amelis Meyssen- 
zoen. In dit huis werd dat gasthuis opgericht. Ten tijde van 
mr. J.H. van Heurn werden er maar vier oude mannen in ver- 
pleegd en tengevolge van het Decreet van den Franschen 
Prefect van 28 December 1811, (Journal du Departement des 
Bouches du Rhin van 10 Jan. 1812), is het opgeheven geworden. 

c. De Bellaar d. 

Het huis van Herman de Ruyter. 
(N°. 55.) 

Dit huis, dat naast laatstgezegd gasthuis Marktwaarts 
stond, was in de tweede helft der 16 e eeuw het eigendom van 
Herman de Ruyter, die in de Bossche troebelen van de jaren 
1566 en 67, als behoorende tot de Hervormden van die stad, 
aldaar eene groote rol speelde en die vooral vermaard is ge- 
worden, doordien hij op Zaterdagavond 9 December 1570, als 
Franciscaner monnik verkleed, op last van Prins Willem den 
Zwijger het slot Loevestein bij verrassing innam ; hij kon dat 
echter niet lang voor dezen behouden, want reeds op Dinsdag 
19 December daaraanvolgende, des voormiddags omstreeks 11 
uren, werd het stormenderhand door de Spanjaarden herwonnen 
en stierf hij daarbij den heldendood, niet tengevolge van 
het in de lucht laten springen van het kasteel, zooals de le- 
gende er later van heeft gemaakt — daarvan is toch niets 



— 76 - 

waar, — maar doordien de Spaansche soldaten hem doodden 1), 
of, zooals zijn tijdgenoot Michiel van Ysselt schreef in diens 
Historici sui temporis blz. 237 : multitudine tandem hostium 
obrutas occiditur et ipse ; zij sloegen hem daarop het hoofd 
af en namen het mede naar den Bosch, waar zij in contumeliam 
amicorum cognatorumque omnium het op de Markt op het 
schavot plaatsten, waarop het lang moeten hebben gestaan. 

Is het alzoo niet waar, dat Herman de Ruyter den 
dood voncl door het in de lucht vliegen van het slot Loeve- 
stein, evenmin is het waar, dat, zooals eenige geschiedschrij- 
vers, o. a. van Slichtenhorst, beweren, hij uit een adellijk 
Geldersen geslacht gesproten zoude zijn. Hij, die slechts ossen- 
kooper of ossenweider van zijn ambacht was, was niet van 
adel en evenmin van Geldersche afkomst ; hij behoorde tot 
eene Bossche burger familie en was zelf ook Bosschenaar. 

De oudst bekende van zijn geslacht was Henrick de 
Ruyter, welke een zoon had, ook genaamd Henrick de Ruyter, 
die in 1506 reeds was overleden en tot echtgenoote had 
Seynsa 2), dochter van Petrus Scellen (of Scellens) en Elisabeth, 
de dochter van Dirck Diepbeeck ; als zijne weduwe deed Seynsa 
in dat jaar (Reg. n° 101 f. 79) afstand van tocht eener grondrente, 
gaande uit landerijen te Erp gelegen, aan hun beider kinderen 
Henrick en Elisabeth de Ruyter. Laatstgenoemde Henrick de 
Ruyter had tot vrouw Maria, de dochter van den bierbrouwer 
Wouter Koyten Wouterszoon en Aleid ; hij en zijne zwagers Goyart 
en Wouter Koyten verkochten in 1512 voor Schepenen van 
den Bosch (Reg. n° 108 f. 229) 3 A in een huis, erf en steenen brug, 



1) Dr. J. Acquoy Herman de Ruyter blz. 48 en Dr. C. R. Hermans. 
Verzameling van Kronijken blz. 307. 

2) Zij was in eersten echt gehuwd geweest met N. Ponthenier ge- 
naamd Kepkens, uit welken echt geboren werd een zoon Willem genaamd. 
In 1502 deed zij voor Schepenen van den Bosch (Reg. no 96 f. 304) afstand 
van tocht van een huis op het Hinthamereind te den Bosch aan genoemden 
zoon, alsmede aan hare dochter uit haar tweede huwelijk, Elisabeth de 
Ruyter geheeten; deze laatste verleende daarop eene grondrente uit de 
helft van een huis en erf, staande in gezegde straat, door haar geërfd van 
haren grootvader Henrick de Ruyter. 



— 11 — 

staande en gelegen aldaar ter plaatse genaamd die Zyle (thans 
geheeten Achter het verguld harnas) tusschen het huis van 
den timmerman Jan van Lyt, ex uno en de Dieze ex alio, 
aan Jan Hermanszn van den Wande, weduwnaar van hunne 
genoemde moeder Aleid. 

Deze Henrick de Ruyter was in 1531 reeds dood, daar 
toen zijne vrouw als zijne weduwe met hun beider zoon Hen- 
rick de Kuyter voor Schepenen van den Bosch aan de Wed. 
Jan van Kempen geld verklaarde schuldig te zijn (Reg. no 141 
f. 282, alsook, Reg. n° 140 f. 33 v so> ). 

Laatstbedoelde Henrick de Ruyter huwde met Christina, 
dochter van den bierbrouwer Jan Hermanszn van Duimen, 
bijgenaamd Hensken Pi aderkans (of Pleyerkans) 1) en Agatha, 
de dochter van Henrick Jonckers Gooswijnszn. Zijn schoon- 
vader Jan van Duimen zal zijn beroep van bierbrouwer uit- 
geoefend hebben in het huis, genaamd in den Leu(w) i staande 
tegenover de tegenwoordige Protestantsche kerk te Berlicum, 
daar hij, zooals wij hieronder zullen zien, eigenaar was van 
dat huis, waartoe ook een brouwhuis behoorde ; na zijnen dood 
zette zijne weduwe, Agatha Jonckers, de bierbrouwerij voort, 
doch stak zich daardoor in schulden, waarvoor zij op cle Ge- 
vangenpoort te den Bosch gegijzeld werd; hare schoonzoons 
namen daarop op zich die schulden te betalen onder verplich- 
ting harerzijds van zonder hun consent geene schuldeu meer te 



1) Jan van Duimen, zoon van Herman Sceellren, verleende 1515 
voor Schepenen van den Bosch (Reg. no 111 f. 218) eene grondrente uit 
een erf, gelegen te Berlicum tegenover de kerk, alsmede uit een 1/3 in een 
huis met erf, staande achter het Minderbroederklooster te den Bosch en 
zich achterwaarts uitstrekkende tot aan de Dieze, welk 1/3 hij had ver- 
kregen door zijn huwelijk met Agatha, de dochter van Henrick, den zoon 
van Gooswijn Jonckers; hij en zijne medegerechtigden verkochten 28 Jan. 
1515 (Reg. no 111 f. 279) dit huis met erf, dat toen was huis, erf, ledige 
plaats en gang, staande tusschen het huis van Alexander die Goutsmit en 
den Nobel, toebehoorende aan Nicolaus van Delft Janszn., ex uno en het 
huis van Willem Janszn. Moei, ex alio, aan dezen laatste. 

Dezelfde Jan van Duimen als man van Agatha Jonckers verleende 
1519 voor Schepenen van den Bosch (Reg. no 116 f. 189) eene grondrente 
uit huis, erf, stal en andere gebouwen en plaats, gelegen tegenover de 
kerk te Berlicum. 



— 78 — 

zullen maken, zooals blijkt uit eene Bossche Schepenakte van 
18 December 1528 (Reg. n° 135 f. 261,) waarin staat, dat 
vermits Agatha wed e . 1) Jans van Duimen, die men, doen hy 
leefde, gemeynlick noempden Hensken Pladerkans, involveer t 
ende gehouden is in diverssche sculden ende ter causen van 
denwelcken zy langen, mennigen tijt alhier opter poirten ge- 
seten heeft ende aldair oick vertheert 124 Carolus guldens 
ende alsoe dat dese voirs. somme met noch meer andere di- 
versche sommen ende sculden, tsamen byeen getoigen, belopen 
die somme van driehondert ende vierdalven guldens, zoo zijn 
overeengekomen zij ter eenre en Henrick die Ruyter als man 
van Cristyne en Adriaen Vendicx als man van Margriet, dochters 
van haar en Jan van Duimen, dat zij, Agatha, aanstonds zal 
verkoopen den brouwketel, door haren man achtergelaten en 
daarvoor een kleineren in de plaats te koopen; dat zij zal 
verkoopen van haar huisraad het gevoegelijkste, zooals koperen 
vaten, doch geene bedden, alsmede het zilverwerk, zich be- 
vindende ten huize van Anthonis die Wael 2) ; dat hare schoon- 
zoons ten haren behoeve geld zullen opnemen, maar dat zij 
zich daarentegen verbindt om zonder hun consent geene schulden 
meer te maken. Haar schoonzoon Henrick de Ruyter nam daarop 
geld op bij de Karthuizers te Vught. Den 21 Juni 1539 deed 
zij voor Schepenen van den Bosch (Reg. n c 153 f. 367) afstand van 
tocht van een : huis, erf, stal, schop, brouwhuis, plaats en boom- 
gaard, genaamd in den Leu(w), staaude en gelegen te Berlicum 
tegenover de kerk aldaar tusschen het erf van Sebastiaan van 
der Cuylen ex uno en dat van Everard Claeszn die Potter 3) 



1) Zij was toen reeds hertrouwd met Jacob Pauwels, daar zij toch 
19 Dec. 1528 voor Schepenen van den Bosch (Reg. no 133 f. 593) met mach- 
tiging van dien tweeden man aan Johan van Vladeracken, heer van Geffen, 
als man van Anna, verhuurde twee stukjes land, gelegen te Berlicum in 
den Gloot in het goed tot het Personaatschap van Berlicum behoorende, 
alsmede een daaraan gelegen weideveld. 

2) Anthonis die Wael genaamd Jonckers bezat het huis de Zwarte 
Arend, staande aan de Markt te den Bosch. Hij was zoon van Petrus en 
Aleid, de dochter van Gooswijn Jonckers. 

3) De naam Potter was oudtijds eene afkorting van het woord 
pottenbakker. 



— 79 — 

van Brussel ex alio, zich achterwaarts uitstrekkende tot aan 
de erven van Jan Aben Henrickszn en Roelof Henrickszn, — 
aan Adriaen Vendicx Petruszn als man van Margriet en Henrick 
die Ruyther Henrickszn als man van Cristyne, dochters van 
haar en haren man Jan, — waarop dezen dat goed ver- 
kochten aan Henrick, zoon van Jan Vuchs en Petrus, zoon 
van Roelof Janszn, die het weder verkochten aan Henrick 
Gijsbertszn van Rode. 

Genoemde Agatha wed e . van Duimen deed in 1541 
(Reg. n° 158 f. 388) afstand van tocht van land, gelegen te 
Berlicum ter plaatse genaamd de Veedijk, aan hare dochter 
Margriet, de echtgenoote van Adriaen Vendicx Petruszoon, 
wiens naam nu gespeld is Vennicx. 

Henrick de Ruyter, haar andere schoonzoon, verleende 
in 1540 voor Schepenen van den Bosch (Reg. n° 159 f. 77) 
eene grondrente uit land, gelegen: infra libertatem oppidi de 
Buscoducis ad locum dictum Eynhouts inter campos ibidem, 
dictos die gemeyn pepers, ex uno et inter hereditatem, Eyn. 
houts vocatam, tendens ab aggere, communiter den Koedyck 
nuncupato, ad campum, dictum den Vliedert, 

In 1544 kocht hij voor Schepenen van den Bosch (Reg. 
n° 165 f. 333) eene bouwhoeve, gelegen te Rosmalen ter plaatse 
genaamd Eijndhtjnens (of Eijndhijndens). In 1548 verkocht hij 
voor Schepenen van die stad (Reg. n° 175 f. 183) de helft 
van een stuk land, gelegen op de Spqrkt te Rosmalen en in 
1550 deed hij dit met ander land, dat in die gemeente was 
gelegen. (Reg. n° 182 f. 113 v so ). 

Den 3 October 1549 kocht hij van Jan Smeets Peterszn, 
als man van Heylwig, dochter van Raese Persoons genaamd 
's Graets, ten overstaan van Schepenen van den Bosch (Reg. 
n° 179 f. 218 v so ) het huis de Bellaar d, dat toen aldus om- 
schreven werd: domus, area, ortus ac domus posterior, genaamd 
den Bellart, staande in de Orthenstraat tusschen een huis van 
het St. Geertruiklooster ex uno en het Arnts van Ouden Gasthuis 
ex alio en zich achterwaarts uitstrekkende tot aan de Dieze. 



— 80 — 

Hij had van zijne vrouw Christina van Duimen, die in 
het jaar 1556 reeds weduwe van hein was, deze kinderen : 

a. Henrick de Ruyter, die huwde met Anna Vuchts, doch- 
ter van Nicolaas Wouterszn, raad van den Bosch ; hij kocht den 
21 Februari 1559 met zijnen zwager Jacob Janszn Heeren een huis 
met erf te Orthen, waarvan hij de onverdeelde helft in 1567 weder 
verkocht en in datzelfde jaar verleende hij als man van zijne 
gezegde vrouw eene grondrente uit een kamp lands, genaamd 
de Werffertkamp, gelegen in de Vrijheid van den Bosch bij 
de Pomp en de Pompgrave, aan Geertrui wed e . van Cornelis 
Pels (Reg. van den Bosch n° 215 f os . 164 en 347). In 1560 
had hij reeds als man zijner meergezegde vrouw voor Schepe- 
nen van den Bosch (Reg. n° 206 f. 89) land onder Hintham 
verkocht en den 9 Februari 1565 verkocht hij voor Schepenen 
alsvoren (Reg. n° 213 f. 227) aan zijnen genoemden zwager 
een huis, staande in de Orthenstraat te den Bosch tegenover 
het St. Geertruiklooster, (aan weerszijden tusschen het huis van 
Dirck Symonszn), dat hij 17 Juli 1556 had gekocht van Bar- 
bara van Balen wed e . van Jan Lambertszn Rembouts (Reg. 
n° 197 f. 346). Het is onbekend of hij kinderen naliet. 

b. Aleid de Ruyter, huwde den slachter Jacob Heeren 
JanJacobszn, wien zij deze kinderen schonk: 1. Henrick Heeren, 
in 1574 nog onmondig; 2. Maria Heeren, huwde met Frans 
Berckmans. 

Hij hertrouwde met N. N., die hem een zoon Jan zal 
geschonken hebben. 

c. Johanna de Ruyter, huwde met Antonis van Erp, 
zoon van Henrick die Leeuwe genaamd van Erp. 

d. Herman de Ruyter, in 1556 en 57 nog onmondig, 
over wien nader. 

e. Maria de Ruyter, in 1556 nog onmondig, huwde met 
Peter Voirwerck, koopman in zeemleder te Antwerpen. Voor 
Schepenen van den Bosch (Reg. n° 237 f. 76) verkocht hij 
24 Sept. 1572 al de goederen zijner vrouw aan zijnen kouden 
zwager Antonis van Erp bij eene akte, die luidt als volgt: 



— 81 — 

Henrick Willem Herinx als gemecht tot 's geens navol- 
gende is uuyt crachte der machte van zeeckere procuratie- 
brieven van bourgermeesters, scepen ènde raidt der stadt van 
Antwerpen enz., hem Henrick dairinne van Peetere Voirwerk, 
coopman van zeemeleder, ingeseten poirter der stadt voirs ende 
Marye Euyters, dochtere wylen Henrix die Ruyter, zyne 
wittige huysvrouw, in deselve procuratiebrieven gegeven 
ende verleent, enz., — alle alsulcke onroerende ende erffe- 
lvke goederen, huysen, chijnsen, renten, beempden, landen 
ende gronden van erven, hoedanich die wesen mogen, ende 
alomme wair ende tot wat plaetssen die gelegen ende be- 
vonden sellen mogen worden, enz., als die voirs. Marie 
Ruyters ennichsins toecomen ende verstorven mogen wesen 
mits die doot ende afflyvieheit des voirs. wylen Henrix die 
Ruyter, hairs vaders ende wylen Christynen Jans Pleyercans 
dochter, heur moeder, — heeft hy wittelijck ende erffelijck 
opgedragen meesteren Jacoppen Donck tot behoeft* van Antho- 
nissen van Erpe. 

De sub a — e genoemde kinderen de Kuyter verkochten suc- 
cessievelijk hun ouderlijk goed. Zoo verkochten zij in 1556 land, 
gelegen te Berlicum ter plaatse genaamd Hasselt, nadat hunne 
moeder ten hunnen behoeve had afstand gedaan van den tocht, 
dien zij daarop had (Reg. n° 198 f. 225); zoo verkochten in 
1559 (Reg. n° 202 f. 367) hunne moeder en Petrus Jonckers Cor- 
neliszn., Henrick Heeren en Gijsbert Ysebrants als voogden over 
hen, daartoe benoemd bij het testament van hunnen vader, voor 
de eene V2 en Jan Henrickszn. Rutten als man van Francisca 
en Floris, zoon van Gielis Floriszn. als man van Laurentia, 
dochters van Adriaen Vennicx en Margriet van Duimen, voor 
de andere V2, aan mr. Goyart van Vechel Dirckszn een perceel 
weiland en een perceel bouwland, naast elkaar gelegen in de 
parochie van Berlicum ter plaatse genaamd de Veedijclc, tus- 
schen het erf van den kooper en dat van Roelof de Bever en 
verkochten in 1574 (Reg. n° 222 f. 540) Henrick, Johanna de 
Ruyter hvr. Antonis van Erp, Maria de Ruyter hvr. Peter 

6 



— 82 — 

Voirwerck en de voogden over de hiervoren sub 1 en 2 ge- 
noemde kinderen Heeren, zijnde laatstgenoemde Henrick 
de Ruyter, Antonis van Erp voornoemd, Henrick Beyens 
en Martinus Poelmans, de voormelde bouwhoeve, gelegen 
ter plaatse genaamd Eyndhijnens bij de Mutse onder Ros- 
malen en toen verhuurd zijnde aan Roelof, zoon van Arnd 
Vastaerts. Ook de Bellaard werd door de kinderen de Ruyter 
van de hand gedaan, zooals blijkt uit de navolgende Bossche 
Schepenakte van 16 December 1573 (Reg. n° 222 f. 546): 

„Alsoe Christine naegelaten weduwe wilner Henricxdie 
Ruyter, soone wilner Henricx die Ruyter, die tochte haercom- 
peterende in huys, erve, hoff ende afterhuys, gelegen inne 
's Hertogenbossche in de Orthenstraet tusschen beyde de 
poorten aldaer, genoempt den bellart, tussen erffenisse des 
convents van Sinte Gertruyden binnen der voirs. stadt ter 
eene syden ende tussen erffenisse eens gasthuys, genoempt 
Aerts van Auwen gasthuys, ter andere syden, streckende van 
de voirs. straet totten gemeynen water daerachter loopende, 
die diese genoempt, hadde wittelick opgedragen Henricken 
ende Hermannen, gebroederen, soonen Cristine ende wilner 
Henricx die Ruyter voorsr. tot behoeff van hen ende tot 
behoeff Anthonissens van Erpe Henricxzn, wittich man ende 
momber van Jenneken, sijnre huysvrouw ende Peters Voirwerck, 
wittich man ende momboir van Marykenen, sijnre huysvrouwe, 
dochteren Cristine ende wilner Henricx die Ruyter voors, ende 
alnoch tot behoeff Henricx ende Maryckens, onmundige kijnderen 
Jacops Heeren, van denselven Jacoppen ende Aleyden, sijnre 
huysvrouwe, dochtere Cristine ende wilner Henricx die Ruyter 
voirs., tsamen verweet, ende alsoo daernae die voirs. Herman 
die Ruyter voor hem selven ende alnoch dieselve Herman als 
gemechticht uuyt crachte der machte hem van Anthonissen van 
Erpe ende Peeteren Voirwerck in seeckere procuratiebrieven 
der Burgemeesteren, Scepenen encle Raedt der stadt van Ant- 
werpen gegeven ende verleent ende Jacop Heeren, Reyner, 
soone wilner Peter Reynerszn, Jan Heeren ende Herman die 



— 83 — 

Ruyter voirs. als tutoren ende momboiren des voirs. Henricx 
ende Maryckens, onmundige kijnderen Jacops Heeren encle wilner 
Aleyts voirs. ende inne dien name gemechticht uuyt crachten 
der machten hen in sekere mombaersbrieven der Scepenen van 
's Hertogenbossche gegeven ende verleent, opt. voirs. huys, 
erve, hoff ende achterhuys met synen rechten ende toebehoirten 
tot behoeff des voirs. Henricx, soone Cristine ende wilner 
Henricx die Ruyter voirs., erffelick hadden vertegen helmelinge 
inne manieren, inne dien gewoenlicken sijnde, gelijck inne 
Scepenenbrieven, wesende van der dato 19 der maent Julij 
1566" 1) enz., zoo verkoopt genoemde zoon, Henrick de Ruyter 
n.1., 3 /ö in het huis de Bellaar d aan Peter van Antwerpen, 
zoon van wijlen Peter van Antwerpen, waarna hij ook op 
dienzelfden dag aan dezen nog Vs in dat huis verkocht, terwijl hij 
en genoemde Anthonis van Erp zich verbonden, dat zij hem binnen 
de twee eerstkomende jaren nog het laatste Vs zouden leveren. 
Laatstgemelde akte en de daarin aangehaalde akte van 
19 Juli 1566 konden geen effekt sorteeren, omdat zij valsche- 
lijk waren opgemaakt ten einde ongedaan te maken, dat het 
huis de Bellaard, dat door Herman de Ruyter van zijnen vader 
geërfd was en ten zijnen laste was verbeurd verklaard, 
geconfisceerd bleef. Die confiscatie had in 1567 plaats gehad, 
omdat Herman de Ruyter, van wien de Graaf van Megen aan 
Margaretha van Parma schreef, dat hij un principal geidx 
van den Bosch was, die stad had in handen gebracht van den 
Prinsgezinden kapitein Anthonis van Bombergen, zooals dit 
o. a. blijkt uit de navolgende getuigenis van Goeswijn Pijnappel, 
stadhouder van van Brecht, den Hoogschout der stad en Meierij 
van den Bosch 2) : „Herman de Ruytere, geweest hebbende een 
ossencoopere ende gewoent hebbende in de Ortenstraete omtrent 
Sinte Geertruyden cloostere, dewelcke met zijnder huysvrau te 
huwelicke wel gehadt heeft omtrent drie duysent gulden, maer 
wat hy nu heeft en weet hy, deponent, nyet ; welcke Herman 

1) Reg. No 214 f. 347. 

2) Prosper Guypers-van Velthoven Documents, blz. 300. 



— 84 - 

den capiteyn Bombergen inne (den Bosch) gebracht heeft en- 
de naermaels hem gedragen heeft als schouteth des voerschre- 
ven Bombergen, welcke Herman geweest is diegene, die geattes- 
teert heeft ende den volcke van den Bossche te kennen gegeven, 
hoe dat hy present ende aen is geweest, daer die Prince van 
Oraengnen, die Grave van Hoochstraten ende die Heere van 
Brederode den voerschreven Bombergen last ende bevel hadden 
gegeven om hem alhier binnen deser stadt (van den Bossche) te 
vindene ende 't gouvernement derselver t'aenveerdene, ende dat de 
voerschreve heeren hem toegeseght hadden hem zyne com- 
missie naer te zeyndene, gelijck 't selve eenen yegelicken notoir 
is, ende daeraff oick eene gemeyne fame ende gesach is," enz. 
Blijkens de Rekeningen der verbeurdverklaringen te 
den Bosch van 3 Febr. 1567/68 — 30 Sept. 1582, berustende in 
het Rijksarchief te Brussel, werd het huis de Bellaard, dat 
daarin gezegd wordt te zijn dat van Herman de Ruyter, door 
het Domein voor fl 50 'sjaars veihuurd aan Loenis van Wyck 
en werd het volgens eene Schepenakte van den Bosch van 12 
Juni 1581 (Reg. n°. 238 f. 421 v so ) door hetzelve 8 Maart 
1580 gerechtelijk verkocht aan Elisabeth weduwe van Mathijs 
van den Wiel. Kon Herman de Ruyter alzoo zijn vaderlijk 
huis niet buiten de verbeurdverklaring houden, beter zal hem 
dit gelukt zijn met zijn roerend vermogen, want, zooals blijkt 
uit Prosper Cuypers t. a. p. blz. 558, kon, nadat hij den 11 
April 1567 met Anthonis van Bombergen den Bosch had ver- 
laten, de Hoogeschout van Brecht in zijn huis de Bellaard 
niets anders in beslag nemen dan: een houten slaepcoetsse, 
open met gesneden werck, deivelcke geschat was op 24 Carolus 
gulden. Het huis in de drie nobelen, dat in den Bosch in de 
Vughterstraat stond, en dat zijne na te melden vrouw hem had 
ten huwelijk gebracht, had Herman de Ruyter reeds in 1564 
buiten het bereik van zijne tegenpartij gebracht door het den 
20 e Februari van dat jaar (Reg. n° 211 f. 221 v so ) te verkoopen 
aan Jan van Eek Arndszn, den man van zijne schoonzuster 
Peterken Lievens van Mennen; genoemde van Eek machtigde 



— 85 — 

op 13 Juli 1579 voor Schepenen van den Bosch Willem Wels 
Willemszn. om dit huis te verkoopen, doch mr. Jan Splinter van 
Voorn, rentmeester der confiscatiën in het Kwartier van den Bosch, 
vermeende, dat de verkoop, welke Herman de Ruyter daarvan 
had gedaan, maar eene schijnhandeling was geweest en legde 
daarom beslag op dit huis, waardoor genoemde Wels verhin- 
derd werd het te verkoopen, ook tot zijn eigen nadeel, omdat 
hij op dien verkoop reeds gelden ten behoeve van verscheidene 
onmondigen had voorgeschoten; Wels voornoemd verzocht als- 
toen aan den Koning van Spanje het gelegd beslag op te heffen, 
dat deze toestond mits (hij Wels) doende den eedt by hem 
gepresenteert in zyne iniendit, voir Syner Majesteits Commis- 
saris overgegeven ende dat in handen desselfs Commissaris, 
die Syne Majesteit daertoe hadde gecommitteert ; Wels legde 
daarop dien eed af, waarna de Koning genoemden Rentmeester 
beval het arrest op te heffen, opdat Wels uit de opbrengst van het 
huis zoude kunnen verhalen wat deze als momboir over verschei- 
dene onmondigen had voorgeschoten; Wels heeft vervolgens 
uit kracht van de volmacht, hem door genoemden Jan van Eek 
verleend, den 28 Februari 1584 1) het huis, genaamd in de 
drie nobelen, dat alstoen werd gezegd te staan tusschen dat 
van den Kanonik der St. Janskerk van den Bosch, mr. Peter van 
den Water, Markt waar ts ex uno en dat van Jan 2), den zoon 
van wijlen Lieven Peterszoon van Rode, ex alio, verkocht 
aan Margaretha, de weduwe van genoemden Jan van Rode 3). 

1) Reg. No 238 f. 358. 

2) Dit huis, toen genaamd de Witte Leeuw, had deze 21 Augustus 
1564 gekocht van genoemden Jan van Eek Arndszn., als man van Peterken 
Lievens van Mennen. 

3) Haar zoon Jan van Roye (of Rode) had tot vrouw Margriet 
Geubels, die toen zij weduwe van hem was het huis in de drie nobelen 
den 2 Mei 1594 verkocht aan Nicolaas Janszn. Donckers ; diens erven ver- 
kochten het in 1635 aan Gerard Lievens, koopman in wollen lakens. Den 15 
Juli 1658 verkochten de'executeurs van het testament van Hesthervan Griens- 
ven dit huis, dat toen gezegd werd te staan tusschen de huizen de Engel 
en de Rollewagen,a.dLn Hendrik Peterszoon van Bergen, wiens erven het 
16 Maart 1680 verkochten aan Johan van der Meulen, koopman te den Bosch. 

De kinderen van Henricus van Doorn, zijnde Jacobus Jan van 
Doorn en Maria Catharina van Doorn te Rotterdam, zij tevens als erfge- 
namen hunner tante Maria Anna du Tromp weduwe van Christianus 
Antonius van Velsen, verkochten 13 October 1806 het huis in de drie 



— 86 — 

De vrouw van Herman de Ruyter was Maryken 1), de doch- 
ter van Jan (zoon van Lieven Berendszoon van Mennen) en 
Jutken. de dochter van den gewandsnijder Jan van Loom ge- 
naamd Nobelman, welke echtelieden behalve haar nog deze 
kinderen hadden. 

a. Lieven, gewandsnijder, bezat het huis Waehvijck in 
de Vughterstraat te den Bosch, dat hij in 1579 verkocht (Reg. 
n° 228 f. 446) en huwde met Margriet, dochter van Nicolaes 
Janszn. Everswijn, bij wie hij een zoon Henrick verwekte; 

b. Jan de Oude ; hij en zijn broeder Lieven verleenden 
in 1575 eene grondrente uit het huis, genaamd de Witte Valk, 
toen staande in de Vughterstraat te den Bosch tusschen het huis 
van den messenmaker Henrick van Roggen ex uno en dat der 
kinderen van Petrus Janszoon Ketelaer ex allo-, hij had een 
zoon Lieven (Reg. n 200 f. 578); 

c. Jan de Jonge, genaamd Nobelman; deze stelde zich 
4 September 1573 voor Schepenen van den Bosch (Reg. n° 221 
f. 418 vso ) ten beloope van 600 car. guldens er borg voor, dat 
Jacob Pitsen Janszn., toen gevangene, altijd in de gevangenis 
zal terugkeeren zoo dikwijls als de Gouverneur van den Bosch 
het zou verlangen. Hij huwde met Agatha, dochter van Nicolaas 
de Quade van Ravesteyn en Agatha, de dochter van Jacob van 
Bree (welke echtelieden ook nog een zoon Johan de Quade van 
Ravesteyn hadden) en verwekte bij haar een zoon Nicolaas; 

d. Anneken, gehuwd met Peter van Os Arndszn; 

e. Elisabeth, gehuwd met Henrick van Tulden Gijsbertszn ; 

f. Peterken, gehuwd met den gewandsnijder Jan, den 
zoon van Arnd Henrickszn van Eek. Hij verkocht 28 April 1564 
(Reg. n° 209 f. 282) het huis de Witte Leeuw, staande in de 
Vughterstraat te den Bosch. 

nobelen aan Hendrica Verhellouw weduwe van Johan Versfelt, woonachtig 
te den Bosch. Haar zoon Samuel Johan Versfelt verklaarde in 1804 voor 
Schepenen aldaar te willen huwen met Jacoba Arnoldina Beverly, woon- 
achtig te Arnhem. 

1) Hunne afstammelingen staan vermeld in Mr. W. C. Ackersdijck 
Ueschiedk. onderzoek omtrent Herman de Ruyter. 



— 87 — 

g. Arnd, die in 1563 reeds was overleden en tot kin- 
deren had Maryken en Abel, toen nog onmondig. 

De genoemde kinderen der echtelieden Jan Lievens van 
Mennen en Jutken van Loom, alsmede de voogden over de sub 
g genoemde minderjarigen verdeelden 23 Juni 1563 voof Sche- 
penen van den Bosch (Keg. n° 649 f. 311) dezer nalatenschappen, 
waartoe behoorden de voorzegde huizen in de drie nobelen (dat 
bij de deeling der nalatenschap van den gewandsnijder Jan van 
Loom genaamd Nobelman in 1530 voor Schepenen van den Bosch 
gepasseerd tusschen diens kinderen Wouter 1) en Jutken, Reg. 
n° 644, aan laatstgenoemde was toegescheiden) en de Witte 
Leeuw; daarbij kreeg de toen nog minderjarige Maryken, de 
latere huisvrouw van Herman de Ruyter, het huis in de drie 
nobelen voor haar deel, terwijl het huis de Witte Leeuw, dat 
door den erflater Jan Lievens van Mennen was gekocht van 
Elisabeth weduwe van Henrick 2) Huybertszoon de Ruyter, en 
eene bierbrouwerij was, vermits er een brouwgetouw in aanwezig 
was, aan hare zuster Peterken werd toegescheiden. 



En nu nog iets over de verdere lotgevallen van de Bellaar d, 
nadat dit huis, zooals reeds is gemeld, was verkocht aan Elisabeth 
weduwe Mathijs van den Wiel. Zij verkocht het 12 Juni 1581 aan 
Adam van den Laer Mathijszn (Reg. n° 238 f. 421 vso ), die het 15 
Juli daaraanvolgende weder verkocht aan den bierbrouwer Goyart, 
zoon van Rutger Anthoniszn van Boxmeer (Reg. n° 229 f. 183). 
Deze, die zich nu noemt Goyart, zoon van Rutger Lombaerts 
genaamd van Boxmeer, bierbrouwer, deed 13 Juli 1619 (Reg. 
n° 355 f. 472) als weduwnaar van Geertruid 3), dochter van 

1) Diens vrouw was Maria, dochter van Henrick Oems. (Reg. no. 155 
f. 185vso.) 

2) Deze Henrick de Ruyter was een zoon van Huybert de Ruyter 
genaamd van Lyebergen, die weder een zoon was van Paulus de Ruyter, 
welke behalve hem nog een zoon Zeger de Ruyter had, wiens kinderen 
waren Catharina, Adriaan en Paulus de Ruyter, priester. 

3) Hij was 16 Sept. 1580 met haar gehuwd in de \oormalige St, Peter 
en Pauluskerk te den Bosch, 



— 88 — 

Gerard Hermanszn van Herpen en als haar testamentaire erf- 
genaam, afstand van den tocht van dit huis, dat thans gezegd 
wordt te zijn: huys. erve, hoff, coickhuys, afterhuys offbrou- 
werye metten brouwgetouwe daerinne staende, te weten twee 
cuypen, H coelvat, etc, genoempt den bellaert, staande tusschen 
het erf der Zusters Eegularissen Convent van St. Geertruid, ex 
uno en het Aert Aben Mannengasthuis, ex allo, en zich achter- 
waarts uitstrekkende tot aan de Dieze, — aan zijne kinderen : 
Anthonis, mr. Gerard, mr. Jan, Eogierken, Anneken huisvrouw 
Jan Fabri en Catharinal), huisvrouw Huybrecht Anthony van 
Lent, schout van het Kwartier van Maasland, waarna de helft 
van dit huis werd toegescheiden aan genoemde Anneken en de 
wederhelft aan genoemde Catharina, wier gezegde man deze helft 
den 26 October 1624 (Reg. n° 350 f. 21) verkocht aan hare 
zuster, Anneken voornoemd, de huisvrouw van Jan Fabri. 

Den 10 Mei 1667 (Reg. n° 447 fol. 269) verkochten 
Mechteld, dochter van wijlen J or Johan Pol gezegd van Osch 
en Rogierken, dochter van Goyard Lombaerts ; haar broeder 
J or Nicolaas van Osch; eerstgenoemde nog als zich sterk ma- 
kende voor haren afwezigen broeder J or Goyard van Osch ; 
de voogden over de onmondige kinderen van laatstgenoemde; 
hare zusters Geertruid en Hendrina van Osch ; Reynier Gast 
als man van Maria, dochter van genoemden Goyard Lombaerts ; 
de voogden over de onmondige kinderen van Jan Aelberts en 
Margriet, de dochter van wijlen Anthony, den zoon van Goy- 
ard Lombaerts voornoemd ; Caspar Eechoff als man van Jen- 
neken, dochter van Goyard Lombaerts voornoemd ; de voogden 
over de onmondige kinderen van Matheus Cierneels en Geer- 
truid, dochter van Anthony Lombaerts voornoemd ; Jacob van 
den Achter, zoon van Joost Gysbertszoon, als man van Antoi- 
netta, dochter van wijlen Rogier, den zoon van Anthony Lom- 
baerts voornoemd, allen als erfgenamen van Anneken, de dochter 
van genoemden Goyard Lombaerts, eerst weduwe van Jan 



1) Zij was 9 Dec. 1590 gedoopt in de voormalige St. Peter en 
Pauluskerk den 's Bosch. 



— 89 — 

Fabri, daarna van Aert Jaspar Thielemans, zijnde te Hilvaren- 
beek overleden, — aan Anthony van Brouanen, dit huis, alsnu 
omschreven als: r huys, erve, hoff, coochuys ende achterhuys, 
gemeynlic genoemt den Bellaert, staende op H Ortheneynde on- 
trent den Convente van 8. Geertruyd ende tussen erve des- 
selffs Convents ex ano ende tussen erve van Aert van Avenne 
Mannengasthuys aldaer ex alio, streckende van de gemeyne 
straet achterwaerts totte Diese" hebbende genoemde Jan Fabri 
het verkregen bij deeling voor de helft en bij koop van Huy- 
bert Antonissen 1), schout van Maasland, als man van Catharina, 
dochter van Goyard Rutgers Lombaerts alias Boxmeer 2), voor 
de wederhelft. 

Den 28 April 1674 kocht mr. Herman Willemse bij 
gerechtelijke uitwinning de Bellaar & ten behoeve van de ouders 
van Wouterina en Anna Geertruid van Beest 3), welke beide 
laatstgenoemden dit huis 16 Sept. 1729 (Reg. n° 544 f. 154 vso ) 
weder verkochten aan Maria van der Helst, woonachtig te 
den Bosch; zij huwde met Gerardus Haverkamp, professor en 
predikant te den Bosch, en schijnt kinderloos overleden te zijn, 
want van haar erfden dit huis bij versterf: Gezula en Maria 
van der Helst, kinderen van Jeronimus en Adriana de Zwart, 
wonende in den Haag; Anna Gezula van der Helst weduwe van 
Willem Vonk, predikant te Amsterdam; Jacoba van der Helst 
weduwe van Joseph van der Putt en Gezula van der Helst 
weduwe van Matheus Houtkamp, ook wonende te Amsterdam 
en Maria Zwaan weduwe van den kapitein-luitenant George 
Kemmera, wonende te Heusden; dezen verkochten dit huis 
14 Mei 1753 aan Johannes van Alphen, predikant te den Bosch, 
wiens vrouw was Jacomina van Zwyndrecht; zij erfde het 
van hem, waarna zij het 19 April 1765 verkocht aan Maria 
Lucia Sam, weduwe van Arnout Walraven, die de Bellaar 'd den 



1) Zijn familienaam was van Lent. 

2) Hij was dezelfde als de op blz. 87 genoemde Goyart, zoon van 
Rutger Anthoniszoon van Boxmeer. 

3) Haar broeder was Cornelis van Beest. 



— 90 — 

16 September van dat jaar overdroeg aan haren zoon Aldert 
Walraven, med. doctor te den Bosch ; deze verkocht dit huis 7 
Juni 1788 aan Cornelis Theodorus Hoevenaar, die huwde 1° Emilia 
Eckringa van Sprangh; 2° Elisabeth Schouw; hij verkocht het 
10 Januari 1797 weder aan Francis Arend, wonende te den Bosch. 
De Bellaar d is thans een modern heerenhuis. 

d. Het St. Geertruiklooster. 

Dit klooster strekte zich met de daaraan behoorende 
huizen uit van af het huis de Bellaard tot aan den zooge- 
naamd en Kloostergang en besloeg alzoo langs de Orthenstraat 
eene groote uitgestrektheid. Het was een klooster van Zusters, 
die den regel van den H. Augustinus volgden. Wat Schutjes 
er over mededeelt in zijne Geschiedenis van het Bisdom den Bosch 
IV blz. 466 en Coeverincx in zijne Analecta Dl. II zal ik hier 
niet overnemen evenmin als wat zij over de andere kloosters 
van den Bosch schrijven ; dat is toch reeds gedrukt en behoeft 
daarom in dit werk niet te worden herhaald. 

Dit klooster, dat, zooals wij op blz. 12 reeds zagen, ge- 
sticht werd ter plaatse waar de eerste herberg of logement van den 
Bosch stond, was aanvankelijk klein van omvang, doch lang- 
zamerhand werd het grooter en grooter, waarschijnlijk tenge- 
volge van schenkingen. Hoe zoodanige schenkingen geschiedden, 
kan blijken uit de navolgende akte van den Bosschen notaris 
Johannes Amelrici van 13 September 1475, berustende in de 
verzameling handschriften van het Provinciaal Genootschap van 
Kunsten en Wetenschappen in Noordbrabant : 

In nomine Domini amen. Per hoc praesens publicum 
instrumentum cunctis pateat evidenter, quod (13 Sept. 1475) 
coram devotis et religiosis personis, sororibus Cristina Hoerns, 
piïorissa 1), Johanna Hoemken, subpriorissa, Ida van der 
Schueren, procuratrice, Anna van der Aa et Heilwige Pels, ac 

i) Schutjes t. a. p. IV blz. 470 noemt haar de eerste priorin van 
dit klooster; zij zou volgens hem in 1449 met enkele andere zusters dat 
toen nieuw gesticht klooster in bezit genomen hebben onder geleide van 
den pater Gregorius van der Spreet. 



— 91 — 

nonnullis aliis monialibus et sororibus conventualibus canonis- 
sarum regularium (reguliere canonikessen) domus sive conven- 
tus S. Gertrudis Virginis, in vico Ortensi, opicli Busciducensis, 
Leod. Diocesis, ordinis S. Augustini, situati, nomine et ex 
parte omnium et singulorum conventalium domus sive conven- 
tus hujusmodi presentium et futurorum juxta crathem ferream 
(ijzeren hek) in camera locutorii (spreekkamer) ejusdem con- 
ventus ab intra ad sonitum campanule, prout ibi et alias in 
similibus moris est, tanquam loco capitulari (kapittelzaal) 
ad pertractandum et ordinandum negocia sua ad extra (met 
de buitenwereld) capitulariter, conventualiter et solemniter 
congregatarum, et cum eis frater Gregorius van der Spreet, 
sacerdos et regularis dicti ordinis, confessor siquidem et pater 
priorissae et conventus predictorum ad extra constitutus ex 
una necnon honorabili viro magistro Gerardi Hoernken, 
filio quondam Johannis Hoernken, ex ipso quondam Johanne 
et quondam domicella Catherina, filia legitima quondam Ge- 
rardi de Eyck, ejusdem quondam Johannis dum viverent legi- 
tima uxore, pariter genito, ex alia partibus,.... in mei notarii 
publici,.... constitutis, idem magister Gerardus cupiens...., idcirco 
prefatus magister Gerardus (Hoernken,) non vi, dolo, metu.... 
inductus.... sed de ipsius mera affection e.... domos suas anteri- 
orem et posteriorem, ac areas vacuas et ortum atque pratum 
quoddam, retro ortum suum posteriorem situm, necnon ortum 
suum lateralem protendentem a muro quodam, sito apud stal- 
gratam (staltrap) domus suae primodictae et progredientem 
versus et usque habitationem quondam Johannis de Best, nunc 
vero domicellae Demoedis, relictae ejusdem, unacum via proten- 
dente se a vico Ortensi usque ad portam domorum praedicta- 
rum, unacum omnibus et singulis edificiis in hereditate domorum, 
arearum, ortorum atque prati hujusmodo consistentibus...., dedit 
donatione perfecta et reali, quae dicitur inter vivos,.... supre- 
dictae sorori Ghristinae, priorissae presenti et ad opus praedicti 
conventus.... presentibus ibidem honorabilibus et discretis viris 
magistro Gerardo Wege, artium et medicinae doctore ac dominis 



— 92 — 

Johanne dicto Otter, presbytero in ecclesia S. Johannis opicli 
Busciducensis.... ; perpetuis beneficiatis, necnon Johanne Zwitten 
de Weerdt, presbyteris ejusdum ecclesiae et apud eandem com- 
morante testibus.... 

Uit een procesverbaal van plaatsopneming van 21 No- 
vember 1634, eveneens berustende in gezegde verzameling, 
blijkt, dat de bij deze akte geschonken goederen bevatten 
het huis met tuin, dat mej. de Nancy kocht, zooals hierna zal 
worden vermeld, alsmede de tusschen dat huis en den stadswal 
gelegen erven, want zij worden in dat verbaal nader aldus 
omschreven: „Wooningen, erffven, hoff ende ledighe erffenisse, 
tsaemen met alle andere syne timmeringen, malcanderen aen- 
liggende, gelegen in 's Hertogenbossche by off ontrent d'Orten- 
straat tusschen erffenisse der Susteren Eegularissen des Convents 
van St. Gertruyden, gelegen aldaer aen d' een syde ende tusschen 
erve of hoff desselffs Convents ende d' erve Jouffrouwe Demoedis 
weduwe wylen Jans van Best aen d' aender syde, streckende 
met beyde d'eynden totte gemeyne waeteren, die Diese ge- 
noempt, aldaer vlietende, tsaemen met seeckeren doorganck, 
diewelcke streckt van de voorschreven Ortenstraet totten erve 
voors- ende met twee steenen bruggen mette timmeringen opte 
voorschreven bruggen staende, daerenboven seeckeren beempt off 
weyde over d' achterste water aldaer liggende, tsaemen mette 
huysen ende timmeringen in denselven beempt getimmert ende ge- 
ma eckt, aldaer gelegen tusschen erffve des voorschreven convents 
aen d'een syde ende tusschen erffve der erffgenaemen wylen Jans 
Monincx aen d' ander syde, streckende van den achtersten 
water achterwaerts naer deser stadtsmueren tot seecker water off 
erve tusschen den voors, beempt ende muere aldaer gelegen. 

Gaande van het huis de Bellaard naar de Markt was het 
eerste huis van dit klooster, dat men aan zijne linkerhand kreeg : 

het huis no. 53. 

Het wordt in eene Bossche Schepenakte van 1598 (Reg. 
n° 261 f. 480) aldus omschreven: huis met een voorplaatsje 
en poortje, tuin en achterhuis, staande tusschen het huis de 



— 93 — 

Bellart, toebehoorende aan den bierbrouwer Goijart Rutgerzn 
ex uno en een ander erf van dit klooster ex alio en zich 
achterwaarts uitstrekkende tot aan het water. 

Toen het St. Geertruiklooster na de reductie van den 
Bosch in 1629 geconfisceerd was ten behoeve van den Staat, 
kwam dit huis in particulier bezit, waarschijnlijk op eene on- 
eerlijke wijze, zooals dat met meer kloostergoederen van den 
Bosch, waarvan niet valt na te gaan hoe zij na 1629 in handen 
van particulieren gekomen zijn, het geval moet zijn geweest. Op 
een gegeven oogenblik blijkt op eens, dat Wouterina van Beest, 
hiervoren op blz. 89 genoemd, daarvan eigenares was; zij lega- 
teerde dit huis aan hare moeizegster Catharina Elsevier, echt- 
genoote van mr. Antony Versfelt, auditeur militair en advocaat 
te den Bosch, die een zoon was van Johan Versfelt en Jeannetta 
Verbeek, welke echtelieden nog deze kinderen hadden: Helena; 
Arnold, schepen van den Bosch ; Willemina ; Lambert, koopman 
te den Bosch en Johanna Versfelt; hun vader Johan Versfelt 
was van zijn ambacht marktschipper van den Bosch op Rotter- 
dam, als hoedanig hij in 1701 tot lid van het Bossche schip- 
persgilde werd aangenomen; hij was de eerste Versfelt, die 
zich in den Bosch metterwoon vestigde en de stamvader van 
het geslacht van dien naam, dat aldaar gedurende een paar 
eeuwen verblijf hield en er steeds zeer in aanzien was. 

Genoemde mr. Antony Versfelt had van zijn voorzegde 
vrouw Catharina Elsevier deze kinderen : Johan, auditeur-militair 
en notaris te den Bosch ; Jeannette; Isaak Hermanus en Arnoldus 
Versfelt, onder-luitenant der artillerie; eerstgenoemde hunner 
erfde dit huis van zijne ouders en verkocht het 28 November 
1791 aan Arnoldus Hollanders, woonachtig te den Bosch. 

Tusschen dit huis en de straat, welke nu het Geertrui- 
kerkhof heet, stond een huis, dat ook aan het St. Geertruiklooster 
toebehoorde; het was het lage gebouw, dat aldaar thans nog 
staat en genummerd is 51; het diende na 1629 tot woning voor 
den koster der St. Geertruikerk, zoolang als dat gebouw bestemd 
was tot de uitoefening van den Hervormden godsdienst. 



94 



Aan den anderen kant van laatstgezegde straat, alzoo 
verder in de richting van de Markt, stond het eigenlijke St. 
Geertruiklooster. 

In dit klooster zijn volgens eene oude kronijk van 
den Bosch, die alleen nog maar in handschrift bestaat en waarvan 
het begin blijkbaar door eene zijner kloosterlingen geschreven 
is, de navolgende merkwaardige gebeurtenissen voorgevallen : 

(Toen Hertog Aernont van Gelder op het slot te Buren 
gevangen zat) soo is by syne Genade gecomen een suster 
uyt dat clooster te Sint Gertruyden binnen den Bos, genoemt 
suster Margriet van Eyck ende hadde groote kennisse met den 
Graeff, alsoo hy dickwils placht te Bos te comen, want (hy) 
was aldaer een Lieve Vrouwe broeder ende onder de compag- 
nie van de Oude Schuts, soo dat hy, binnen den Bos sijnde, 
veel in dat clooster quam, daer hy oock wel eer sijn juweelen 
ende costelyckheyt hadt te bewaren gegeven. Soo heeft dese 
non sijn Genade gepresenteert, dat hy haere nonnencleederen, 
die sy aen hadt, aen woude trecken ende sy soude de syne 
aen doen ende in de gevangenisse blyven sitten ; neen, syde 
sijn Genade, dochter, sy souden u cappen als vers vlees, want 
sy sullen mijn niet te cort doen aen mijn lyff. 



(Toen hij op instantie van groote heeren op Kerstavond, 
nadat hij zes jaren had gevangen gezeten, uit de gevangenis was 
ontslagen) wert hy, comende tot ? s Hertogenbos, seer treffelijck 
van de borgers met toortsen in de stadt gebrocht ende comende in 
Sint Janskerk voor dat hylig Sacrament ende daernaer voor ons 
Lieve Vrouw, daer sijn Genade devotelijck sijn gebed heeft gedaen 
ende daer waren tegenwoordig de Heer van Pervast (Perweys ?) 
ende meer andere groote heeren. Soo quam sanderendaegs de 
Hertog van Gelder int Gertruydenclooster, daer sijn Genade 
groote liefde toe hadde ; soo hebben de nonnen sijn Genade 
met veele toortsen int clooster ontfangen boven op 't groot 
choor, daer de nonnen alle in haer ordre stonden ende daer 



— 95 — 

was niemant, out ofte jonck, ofte sijn Genade vatte se by de 
hant ende liet hem wilcom heeten ; daer was groot geschreeuw 
van alle die susteren ; daer waeren oock jonge susterkens, dat 
noch clijn kinder waeren, die nam hy by de hant ende syde, 
die sijn diegeene, die hier wel sullen voor mijn bidden, als ick 
van de werelt sall sijn vergeten. Toen sag sijn Genade, dat 
daer noch geen gestoelte en was, daer men die Goddelycke 
dienst dede, soo gaf sijn Genade orden, dat men daer op sijn 
costen een gestoelte maecken soude ende gaf mede costelycke 
silvren vergulden remonstrantie, een costelycke choorcap ende 
cassufelen ende aen den hoogen outaer twee syden gordynen 
ende meer andere dingen ; maer 't is evenwell niet gevolgt, 
want sijn Genade heeft claer niet lang naer geleeft ende die 
sijn Genade dat bevoolen hadde, waaren ons soo gunstig niet. 



Sijn herth js op sijn begeerte int clooster van Sint Ger- 
truyden gebragt ende is daer met groote stacie opt choor ge- 
bracht, liggende in een silvren casseken 1). 

Voorts wordt in gezegde kronijk over dit klooster het 
volgende verhaald: 

In de jaare 1495, des anderen daags naar Sint Anna, 
quam hier (in den Bosch) wonen juffrouw Barbara Disquis, 2) 
natuurlycke dochter van Kyser Maximiliaan ende sy woonde 
by eenen Gerrit van den Broeck, een fatsoenlijck ende aensien- 
lijck man. Als ick (zoo schreef zij) hier nu twee jaeren gewoon t 
hadde, soo quamen hier vreemde boden uyt Duytslant, die ge- 
sonden waren van mijnheer Disquis moeder, clie een gravinne 
was; heer van den Broeck stuurde die boden naar den Kyser, 
waer dat haere soon een dochter hadde achtergelaten, dat sijn 
Genade mijn die oversijnclen soude tot haeren troost ende sy 
soude haer setten in die stede van haeren soon. De Kyser 



1) Dr. C. R. Hermans Verzameling van Kronijken blz. 13. 

2) Men zie over haar Schutjes Gesch. van het Bisdom den Bosch 
IV blz. 471. 



— 96 — 

syde hy wist van geen kint, doch syde de Gravinne, dat daer 
een dochter in Brabant was ; toen syde die Kyser, daer is nie- 
mant vader af dan ick ende die heb ik te Bos by goede waart- 
lieden gelaten ; toen baden sy den Keyser om mijn te sien om 
de Gravinne te voldoen ; toen heeft de Kyser eenen brieff mede 
gegeven aan Gerrit van den Broeck, 1) want hy wist en niet, 
dat ick int clooster was, dat hy mijn desen boden soude laeten 
sien ende spreecken maer niet mede te neemen. Alsoo sijn hier 
gecomen op den dagh van Sinte Paulus; sy quamen by de 
Heeren van de Stadt, die syden, dat ick int Geertruydenclooster 
was; soo quamen sy int clooster; als sy my sagen soo simpe- 
lijck gecleet, soo hielden sy haer seer druckelijck; sy waeren 
met haer vieren, waervan der mijn twee aanspraeken, maer 
die andere twee verstonde ick niet; sy waeren soo vreemt ge- 
cleet ende badden perlen aen haer baerden; sy syden, dat ick 
den Kyser wel geleeck ende zy versochten een brief van de 
Overste aen den Kyser; so naemen sy haer afschijt ende 
druckten mijn aen haer hert soo druckelijck, dat ick oock 
weemoedig wiert ende gaven mijn een somme gelts om goet 
chier te maecken. 

In de jaare 1504 quam Hertogh Philips, coninck van 
Castilien, binnen den Bosch enz. ; de Kyser gaff ordre, dat syne 
dienaren des morgens te vijf uure juffrouw Barbara Disquis 
by hem souden brengen, welcke juffrouw sijn natuurlycke dochter 
was ; soo quam ick by den Kyser ende als de Coninck van 
Castilien mijn by sijn heer vader sagh staen 5 soo vraegde hy 
wie ick was ; toen syde die Kyser ende nam byde mijn handen 
ende syde: dat is mijn een lieve dochter ende alsoo een lieve 
testament, dat ick geen liever en heb gehadt noch een mach 
crygen dan die vader van dese dochter. Toen syde daer eenen 
heer heusselijck tot onsen Coninck: het is de man selver;toen 



1) Tilman van den Broeck vermaakte aan de 111. L. V. Broeder- 
schap van den Bosch een glazen beker met gothieken zilver-vergulden 
voet, door hem van Keizer Maximiliaan ontvangen, welke thans nog in 
haar bezit is; daarop staat als zijn wapen: drie palen van keel op een 
zilveren veld en een schildhoofd van lazuur,, beladen met twee zilveren rozen. 



— 97 — 

woucle mijn de Coninck kussen; soo toogh mijn de Kyser naer 
hem; ten lesten wrong mijn de Coninck het hooft om en de 
kuste mijn; toen riep hy luyde: heer, vader, dat is mijn suster; 
ick wil hier geen bagijn van gemaeckt hebben ; toen wiert de 
Coninck 1) lachende ende wiert root in sijn aensigt ende syde: 
ick sal er geen bagijn van maecken; toen syde de Coninck: 
mijn susterken, mijn heer vader sal u int clooster niet laeten, 
hy sall u corts eenen man geven; toen riep ick: Jesus van 
Nazareth! dien en begeer ick niet; toen worden alle die heeren 
lachende; toen syde die Kyser: laat se noch wat ouder worden ; 
sy sall wel anders praeten ; toen ontboot de Kyser den Pater 
van 't Geertrnydenclooster, daer sy woonde ende bevall hem, 
dat hy my noch een wynig tijds bewaeren sonde ende dede 
hem een signet geven, dat hy my niemant over soucle geven, 
sy en brochten dat mede, ende soo custe mijn onsen genadigen 
heer de Kyser, ons Coninck ende alle cle groote heeren, die 
daer present waeren. 



(Anno 151 1) als de Governante Margriet in cle stadt 
was, wiert haer gesyt, dat haer vader Kyser Maximiliaen 
noch een natuerlycke dochter, genaemt Barbara Disquis, hier 
ten Bos int Getruydenclooster hadde ; soo wiert sy begerig 
om haer te sien ende quam met groote stoet int clooster ende 
liet claer de vespere ende complete singen; doen geboot sy 
haeren hooftmeester, dat hy een vrouwe, genaemt Barbara, 
by haer soude halen ende by haer gecomen sijnde, soo om- 
helsde sy haer met groote vreugde ende wenste om een lieff 
ding, dat sy haer heer vader, de Kyser, soo gelijck had ge- 
weest als dese Barbara ; soo gong haer Majestyt het heel e 
convent door ende comende in de capittelcamer, daer stonden 
drie taeffelen gedeckt met alderly fruyten claerop, encle haer 
Genade sat alleen aen cle taeffel encle nam suster Barbara by 
der hant ende sette haer suster neffens haer; soo ath encle clroncx 

1) De Keizer? 



— 98 — 

sy, dat sy anders buyten tijts niet en dede, ende de groote 
heeren van den Landen ende stadt stonden aen de tafel; naer 
dat sy wel vier uren int convent hadde geweest, doen vroegde 
haer Majestijt : suster Barbara begeerde ietwes ofte dat convent 
ietwes versogt, dat sy haer dat soude seggen, daerover wy 
allegader haer Majestyt bedancten ende doen nam sy de Overste 
metter hant ende bevall Barbara grotelijxs; soo quaem haer 
Majestijt met groote stoet wederom naer de rosbaer ende als 
sy daerin soude gaen sitten, soo riep sy: comt hier suster 
Barbara ende clructe haer druckelijck aen haer herte ende custe 
haer soo, dat sy byde weemoedig wierden. Ende haer Genade 
sont sanderendaegs twee amen wijn met een somme geit, dat 
het convent daermede vrolijck soude maecken ende besette haer 
suster Barbara een rente op de Domynen van fl. 150 jaerlijcxs. 
In 1521 quaem Coninck Christiernus van Deenmarcken 
int Geertruidenclooster, alsoo hy gehoort hadde, daer een 
natuerlycke dochter van Keyser Maximiliaen, genaemt Barbara 
Disquis, in dat clooster non was ende ontboot Barbara by 
hem ende ontfing haer vriendelij ck ende vraegde naer die 
ordonnantie van dat clooster, off sy de getyden van de hylige 
Kercke hielden ; doen antwoorde Barbara : jae ende dat een 
igelijck int clooster brogt was int gemijn ende daer leefden wy 
aff ; maer suster Barbara claegcle aen den Coninck over de 
schattinge, die haer clooster onlangs was opgelijt, soo connen 
wy het niet staende houden ; waerover sijn Genade hem seer 
verwonderde ende syde : ick sou dat in mijn lant niet toelaten 
ende sprack voorder tegen haer van haer vader, den Kyser ; 
den wierdt de suster weemoedig ende dit den Koninck siende, 
sweeg voorder still ende versogt dat ick met 't convent voor 
sijn Majestijt ende sijn vrouwe, de Coninginne, die doen swaer 
ging van haer vijffde kint, bidden soude ende syde tegen 
Barbara : soo mijn vrouw baert eenen soon, sal hem naer u 
Vader Maximiliaen laten hyten ende vereerde Barbara een 
buydel met gout, daer omtrent in was fl 300 ende doen nam 
hy sijn afschijt ende recommandeerde haer aen den pater 



— 99 — 

encle mater encle dat hy voor ons clooster in toecomende sorgh 
soude draegen. 

Het St. Geertruiklooster was volgens van Heurn Be- 
schrijving niet alleen zeer sierlijk, maar ook ruim gebouwd ; 
zijne vertrekken waren fraai en zeer gemakkelijk te bewonen. 
Te verwonderen is het daarom niet, dat toen de nonnen van 
dit klooster waren uitgestorven, de Raad van State het be- 
stemde tot logement voor zijne Gecommitteerden, wanneer die 
in den Bosch moesten verblijven tot behartiging van 's Lands 
zaken ; het kreeg daardoor den naam van het Statenlo gem ent . 
Deze bestemming bleef het St. Geertruiklooster behouden tot dat 
daarvan eigenaar werd, hoe en wanneer 1) blijkt niet, Johan 
Esser 2) Dirkszoon, notaris te en klerk ter secretarie van de 
stad den Bosch en secretaris der heerlijkheid Kessel ; hij ver- 
huurde het in 1706 aan den Graaf van Niel. 

De vrouw van genoemden Johan Esser was Maria Paal, 
van wie hij deze kinderen had : Nicolaas Esser, die als ritmeester 
der Cavalerie in Staatschen dienst in 1746 voor Luik werd 
gewond en 20 Januari 1687 te den Bosch geboren was 3); Ida 
Cornelia Esser, cchtgenootc van Adriaan van der Straten, 
drossaard van Empel en Meerwijk en Jacoba Esser. Ten laste 
van deze kinderen werd het Statenlogement den 1 April 1739 
gerechtelijk voor schuld verkocht aan mr. Hieronymus Gerbade, 
schepen van den Bosch, die 2 Januari 1742 een derde daarvan 
verkocht aan Abraham Verster, drossaard der heerlijkheid 
St. Michiels-Gestel, den zoon van Jan Louis Verster en Catha- 
rina Gast. De Raad van State kocht 13 November 1745 hei 
Statenlogement van mr. Gerbade en Abraham Verster voornoemd 



1) Denkelijk geschiedde het in 109*2. 

2) In 1676 was een Johan Esser, denkelijk dezelfde als de hier- 
boven genoemde, schoolmeester van Kessel. 

3) Hij huwde in derden echt met Catharina Adriana Meerman, 
dochter van mr. Adriaan en Maria van Heusden, welke hem schonk Hei- 
man Esser, cornet te den Bosch; AnnaMariaEsser.wonendetellillegersberg; 
Johan Adriaan Esser, geboren te Breda 31 Maart 1741, overleden te 
Rosmalen 9 Augustus 1808, huwde aldaar 28 Juni 1765 Johanna Jacoba 
de Witte, overleden aldaar 23 Januari 1827, die hem elf kinderen schonk. 



— 100 — 

terug; in de daarvan opgemaakte akte werd het toen aldus 
omschreven: „een hegte, sterke en tveldoortimmerde huysinge 
met syne saletten, camers en behangsels daarinne, helders, 
pompen, met een hoff, paardestal en twee wooninge daaraan 
en by gehoor ende, staande op H Orteneyndt door en by de 
Binnepoort, (sijnde een gedeelte van het Geertruyde CloosterJ, 
ex tmo hays en erve van den eerste transportant, ex alio 
de gemeene Kerkweg, strekkende voor van de Orthenstraat 
tot agter aan de Riviere de Diese". De Eaad van State kocht 
zijn vroeger logement niet terug om er zijne Gecommitteerden 
wederom in te laten logeeren, maar om daarin te doen ver- 
plegen de zieken en gewonden van de legers der Geallieerden 
uit den Oostenrijkschen Successieoorlog, l) Den 15 Januari 
1754 verkocht de Raad van State andermaal het voormalig 
Statenlogement, waarvan toen gezegd werd, dat het na de 
laatste verkooping eerst tot een hospitaal, en nu laatstmaal 
tot een magazijn van den veldtrein gebruikt was; koopers daar- 
van werden toen Antony en Johan van Hanswijk, wonende te 
den Bosch, Mr. Antoni van Hanswijk, hoogschout over de Stad 
en Meierij van den Bosch, Wilhelma van Hanswijk, huisvrouw 
van Mr. Stephanus Eosendaal Jacob Frederikszn. en Mr. 
Johannes Wilhelmus van Hanswijk, allen wonende te den Bosch ; 
Mr. Nicolaas Johannes van Hanswijk, wonende te Amsterdam; 
Wilhelmus Petrus van Hanswijk, wonende te Eotterdam, zoo 
voor zich en als voogd over de 4 onmondige kinderen van 
wijlen de echtelieden Jan Dirk van Heemskerk en Johanna 
Margaretha van Hanswijk, verkochten als erfgenamen van 
Johanna Maria Catharina Hyssel weduwe van voornoemden 
Johan van Hanswijk, 1 Maart 1800 het Statenlogement, 
welks hoofdgebouw als toen was ingericht tot pakhuis, aan 
Hartog Simon 2), koopman, Hendrik Christiaan Klijn, brood- 



1) Van Heurn Historie IV p. 83. 

2) Hartog Simon was Israëliet en schijnt zich, evenals zijn vader 
Simon Hartog, in de tweede helft der 18e eeuw te den Bosch metterwoon 
gevestigd te hebben, alwaar zij veel vast goed aankochten, dat zij daarna 
weder verkochten. 



— 101 — 

bakker en Frederik van der Heyden, kastelein, allen wonende 
te den Bosch, van wie de beide eerstgenoemde hunne aan- 
deelen in het Statenlogeinent vervolgens verkochten aan den 
laatstgenoemde hunner, die kastelein was van het aan de 
Markt te den Bosch staand koffiehuis, toen liet Hollandsen, nu 
het Nederlandsen koffiehuis genaamd. Deze verhuurde het Staten- 
logement aan eenen kastelein, Neerhoff geheeten, die een of 
meer lokalen er van verhuurde aan de Bossche Vrijmetselaars- 
loge de Edelmoedigheid, welke zich daarin den 13 Augustus 
1808 had geconstitueerd ; dat gebouw werd daarom sedert 
dien ook wel de Loge genaamd. Eveneens vergaderde in dat- 
zelfde gebouw de op 11 November 1798 opgerichtte Sociëteit, 
genaamd Muzijk- en Redoute-Kollegie ; zij gaf er concerten 
en bals, welke om reden het Statenlogement een tijcl lang tot 
hooipakhuis had gediend, gezegd werden plaats te hebben op 
den hooizolder; deze sociëteit hield op te bestaan nadat de 
tegenwoordige sociëteit Casino in den Bosch was opgericht; de 
zoogenaamde hooizolder diende daarna gedurende eenigen tijcl 
tot kerk voor de eerste Afgescheidenen, die men in den 
Bosch had; de loge de Edelmoedigheid had reeds in 1810 het 
voormalig Statenlogement verlaten. 

Den 10 en van Zomermaand 1809 verkocht cle curator 
over den boedel van genoemden Frederik van der Heyden 
het voormalig Statenlogement, dat alsnu omschreven werd als: 
„eene groote huizinge, stal, koetshuis en erf, genaamd het 
Oud Statenlogement, staande tusschen het Kerkhof en het 
huis van Hendricus van Someren, en zijnde voorzien van 
een extra groote dans- of concertzaal, verscheidene boven- en 
benedenkamers, zolders, kelders, pomp, priuaat, mitsgaders 
een plaisirtuin met groote tuinkamer en kolf baan daarachter 



IlartogSirnon noemde zich later Herodes Hartogensis. Ten zijnen ver- 
zoeke verklaarde voor Schepenen van den Bosch de wede. Gerard van Altena, 
beeëdigd stadsvroedvrouw aldaar, dat zij op 16 of 17 Augustus 1793 zijne 
echtgenoote had verlost van eenen zoon; dat zij eenige dagen later had gead- 
sisteerd bij de besnijdenis van dat kind en dat dit toen is genaamd Nathan 
Beer Hartog. Dat kind werd in 1811 genaamd Bernardus Hartogensis. 



— 102 — 

gelegen^, aan Antonius de Wijs, brander te den Bosch, zoon van 
Cornelis en Anna Maria van Someren. 

De erven van genoemden Antonius de Wijs, zijnde 
Martinus Franciscus de Wijs, lid der Staten van Noordbrabant; 
Franciscus Antonius de Wijs, R. K. priester, pastoor en land- 
deken te Boxtel; Hein de Wijs, lid der Staten vau Noord- 
brabant; Josephus de Wijs, lid van den Gemeenteraad te 
den Bosch ; Maria Cornelia Lightenveld, echtgenoote van mr. 
Henricus Cornelis Adrianus van Weel, notaris te Oosterhout 
en Hendriena Helena Frederickx weduwe van Antonius de 
Wijs, woonachtig te den Bosch, verkochten 11 Januari 1833 het 
voormalig Statenlogement aan Antonius Wilhelmus van den 
Dun gen, aannemer, ook aldaar wonende; het werd toen om- 
schreven als : „het gebouw, gediend hebbende voor concertzaal 
met aangelegen woonhuizinge, gekwoteerd B n°91 N.B. n° 51 5 
groote openplaats, koestallen, pa arden stallen, koetshuis en 
verdere getimmerten en aanhoren, alles aan elkander vast 
staande en gelegen op het Ortheneinde, het geheel belend aan de 
eene zijde de Geertruikerk, de andere zijde Antony van Pelt, 
strekkende voor van de straat achterwaarts tegen de Dieze." 
Genoemde van den Dun gen verkocht het door hem als 
gezegd gekochte op 19 Februari en 14 Juli 1842 aanLudovicus 
Henricus Rouppe van der Voort, toen rentenier, woonachtig te 
den Bosch; het werd alstoen omschreven als: 

a. een gebouw, (het oude statenlogement n.L), gemerkt 
B n° 91 V.B. n° 51, bestaande in groote bergplaatsen, graan- 
en hooizolders, kelders en kantoor, mitsgaders eene woning ter 
zijde van het gebouw, als mede een koetshuis met stal, een 
pakhuis, erven en verder aanhooren, alles aan- en bij elkander 
staande en gelegen te 's Hertogenbosch in de Orthenstraat, 
belend aan de eene zijde de Heer A. van Pelt, en aan de andere 
zijde cle plaats of straat voor de Geertruikerk, op den kadastra- 
len perceelsgewijzen legger der gemeente 's Bosch voorkomende 
als: a Sectie G. n° 2377 pakhuis ter grootte van 5 roeden 28 
ellen en b Sectie G. n° 2378 huis ter grootte van 18 ellen. 



— 103 — 

b. een gebouw, bestaande in een woonhuis met koestal 
en hooizolder, een koetshuis met hooizolder, twee woningen en 
waschhuis, voorts erven en e ene groote bleek, alles aan- en 
bij elkander staande en gelegen te 's Bosch in de Orthenstraat 
achter het vorige gebouw, belend aan de eene zijde de Geer- 
truikerk en aan de andere zijde de heer A. van Pelt, op den 
kadastralen perceelsgewijze legger der gemeente 's Bosch 
voorkomende als Sectie G n° 2379, waschbleekerij en erf ter 
grootte van 10 roeden en 54 ellen. 

L. H. Eouppe van der Voort voornoemd verkocht het 
door hem, als gezegd, gekochte aan eene maatschappij, die de 
daarop staande gebouwen sloopte en op hunne erven bouwde 
de eerste gazfabriek, welke in den Bosch heeft bestaan. Toen die 
gemeente hare tegenwoordige gazfabriek in exploitatie bracht, 
werd de eerstbedoelde gesloopt en werden op hare erven drie 
w r oonhuizen der familie van Meerwijk 1) gebouwd, zijnde deze 
huizen thans genummerd Orthenstaat 47, 45 en 43. 

Zooals alle Bossche kloosters had ook het St. Geertruikloos- 
ter eene eigene kapel, gemeenlijk de St. Geertruikerk geheeten ; 
zij stond achter dit klooster aan de St. Geertruiplaats, thans het 
St. Geertruikerkhof genaamd. Van Heurn zegt in zijne Beschrij- 
ving van deze kapel of kerk, dat zij oudtijds verscheidene geschil- 
derde glasramen had; zoo waren boven de deur van het koor dier 
kerk in het noorderraam glazen, waarin geschilderd w r as het wapen 
van voornoemde Barbara van Disquis, die hij daar noemt van 
Oostenrijk, zeker omdat zij de natuurlijke dochter was van keizer 
Maximiliaan van Oostenrijk 2), en was in de glazen van het 
oosterraam dezer kerk gebrand de beeldtenis van eenen ridder, 
gekleed met den wapenrok van het geslacht Torck en hebbende 
boven zich zijne vier kwartieren, waarvan het eerste van moe- 



1) ]n 1561 was reeds een van Meerwijk eigenaar van een huis 
in de Orthenstraat. daar toch in dat jaar (Reg. no 206 f. 363) Jan, zoon van 
Jan van Meerwijck en Johanna, de dochter van Gijsbert de Brauwer, een 
huis verkocht, staande aan die straat naast de Bokhovenstraat Marktwaarts. 

2) Volgens van Heurn Beschrijving werd haar portret nog lang 
na haren dood in het St. Gecrtruiklooster bewaard. 



— 104 — 

derszijde dat van eene van Egmoncl was. Van Heurn deelt 
1. c. ook nog mede, dat in deze kerk zich bevond een miracu- 
leus beeldje van O. L. Vrouw, waaronder hing een bord, waarop 
de geschiedenis van dit beeldje, alsmede de twaalf wonderen, 
die geschied waren op gebeden, welke voor hetzelve tot de 
Moeder Gods gestort waren, te lezen stonden 1) ; dit beeldje 
is nadat de St. Geertruikerk in Protestantsche handen was ge- 
komen geplaatst in de schuurkerk van den Jezuit Cornelis 
Bocquet 2), welke in den Bosch stond ongeveer achter den oos- 
telijken hoek van de Verwer- en Lange Putstraat ; thans 
berust het in de Bossche St. Pieterskerk. 

Hertog Arnoud van Gelder, clie in in 1473 stierf, be- 
paalde, zooals wij op blz. 95 reeds zagen, dat zijn hart in deze 
ketk zou begraven worden, naar men verhaalde, omdat eene non 
van het St. Geertruiklooster hem zijne levensloop zoude voor- 
speld hebben en wel in het bijzonder, dat zijn zoon Adolf hem 
zes jaren lang op het Kasteel van Buuren zoude gevangen 
houden ; hij had tengevolge van die voorspelling eene groote 
liefde voor de kerk van dit klooster gekregen 3). Het is mij 
niet .gebleken, waar zijn hart gebleven is, nadat het in het 
koor van die kerk begraven was. 

Deze kapel of kerk had eenen toren met eene hooge 
spits ; blijkens van Heurn Beschrijving sloeg in den avond van 
28 Mei 1551 de bliksem in die spits, met het gevolg, dat alle 
leien er af werden geslagen en de haan, welke boven op die 
spits stond, zoover weggeslingerd zoude zijn, dat die buiten de 
stad op de weide de Donk neerviel 4) ; vele glasramen van 
die kerk werden bij diezelfde gelegenheid verbrijzeld. In den 
toren hing eene klok, welke tot opschrift had : Katerina 
vocor anno dni 1412. 



1) Men zie ook nog Foppens Historia Episcop. Sylvaeduc. p. 311 
en Wichmans Brabantia Mariana II c. 26. 

2) Oudheden en Gestichten van 's Bosch p. 641. 

3) Dr. G. R. Hermans Kronijken p. 13 en Wichmans Brabantia 
Mariana p. 383. 

4) Men zie nog van Heurn Historie I p. 537. 






— 105 - 

Na de reductie van den Bosch in 1629 werd de St. 
Geertruikerk, zooals deze kapel gewoonlijk geheeten werd, aan 
den R. K. eeredienst onttrokken en zal zij van toen af aan tot aan 
het jaar 1645 ongebruikt zijn gebleven. In dit jaar gaf de Eaad 
van State haar aan de stad den Bosch in bruikleen om in de 
plaats der gesloopte St. Peter en Pauluskerk te dienen voor cle 
godsdienstoefeningen van de Bossche Nedercluitsch-Hervormden. 
Aan dezen waren, nadat den Bosch in Staatsche handen was 
gekomen, drie kerken der Bossche Katholieken ten gebruike 
afgestaan : de Groote of St Jan Evangelistkerk, de St. Jacobs 
kerk (waarvoor later de Kruiskerk in de plaats kwam) en de 
St. Peter èn Pauluskerk, zeker in de verwachting, dat met 
den overgang der stad aan de Staatschen ook hare bevol- 
king zoude overgaan tot den godsdienst, dien dezen aanhingen, 
want voor de Nederduitsch -Hervormden, die men bij de reductie 
van den Bosch in die stad had was hare kleinste kapel nog 
groot genoeg. Immers staat in het allereerste lidmatenboek 
van hare Nederduitsch-Hervormde gemeente onder de lidmaeten 
vóór 19 December 1629 gevonden zijn binnen 's Her togenbossch, 
die niet afgevallen en ivaeren of de knye voor den Baal 
niet hadden geboghen enkel en alleen vermeld: Aert Jansen 
de Kennis, schryver aen den boom; verder worden daarin vóór 
gezegden datum genoemd als lidtmaeten die haer belydenisse 
gedaen hebben, van de vorighe irnvoonders van 's Hertogen' 
bossch : 

David Gerritszn. van Strijp achter de Tolbrug; 

Jacob Petersz. van Antwerpen in de Ortenstraet naest 
de brouwerye van cle 3 biertonnekens ; 

Mayken Hermans wed e . in de Kerckstraet ; 

Jacob van Delft op den Hoogen Steenwech ; 

Jan Niclaessen Donckers in de Hintemerstraet ; 

Gerart Claessen Wytinghs op den hoeck van de Stoofstraet; 

Anclries Claessen, slotemaeckers gesel in de Stoofstraet; 

Merten Claes van Meurs, gewesen canonier, achter de 
Minderbroeders ; 



106 



Peeter Donck, borger major, wonende op de Merckt ; 

Christoffel van Ancker, wonende in de Vischstraet ; 

Dirck Pais, wijnverlater in de Minnebroersstraet ; 

Wouter Janssen van Tilborch in de Tolbrugstraet ; 

Jan Jansen, wonende in de Putstraet ; 

Herman Jansen in de ander straet achter de Tolbrugge ; 

Neesken Henricks weduwe van Claes Jansen in de 
Stoofstraet ; 

Peeter Henrickserj by de Merckt tot den coperslager 
naest de Swarte Hoet ; 

Peeter Mathysen van Aken in de Boeckhovenstraet 
aen de Vischmerckt. 

Waarschijnlijk zullen laatstgenoemde 17 personen vóór 
den overgang der stad in het geheim Protestant geweest zijn. 

Na de reductie der stad werd het aantal der lidmaten 
van hare Nederduitsch-Hervormde gemeente bijna uitsluitend 
vermeerderd door lieden, welke er zich metterwoon kwamen 
vestigen en door militairen. De Katholieke Bosschenaren 
bleven toch bijna allen hun voorvaderlijk geloof getrouw. Er 
komen dan ook in gezegd lidmatenboek onder de lidtmaeten, die 
haer belydenisse gedaen hebben tegens H avontmael, gehou- 
den 21 Aprilis 1630, van de oude bossche imvoonders slechts 
23 personen voor, van wie alleen bekende namen hadden : 
Hans van Turnhout, drucker, wonende in de Kercksiraet in 
den Bibel, Henriek van Gasteren, wonende in de Fonteynin 
de H intern er straet en Jacob van Gasteren, rentmeester, oock 
wonende in de Fonteyne. 

Den 28 Mei 1645 werd het eerste Protestantsche kind 
in de St. Geertruikerk gedoopt; het was Anna van 's Gravesande, 
dochter van Laurens, schepen van den Bosch en controleur van 
de convooien en licenten aldaar en Isabella van Heurn. 

In datzelfde jaar werd een terrein van het St. Geertrui- 
klooster tot kerkhof van die kerk aangelegd. 

Toen den 17 Mei 1706 door Cornelis van Nassouw, heer 
van Cortiene en J. Hop, raad en tresaurier-generaal der Unie, 



— 107 — 

als gecommitteerden van den Raad van State, een deel van 
het St. Geertruiklooster geveild werd, boden zij daarbij ook 
deszelfs kerk ten verkoop aan, echter onder voorwaarde: dat 
de coopers off derselver er ff genamen in de kercke off te cenich 
deel van 't voors. clooster noyt en sullen mogen toelaeten, dat 
daerinne eenigen Roomsen godtsdienst en tuort gedaen op ver- 
beurte van 't gecofte pandt en erve, eene voorwaarde die tot 
nu toe trouw is nageleefd. De kerk werd daarbij aldus om- 
schreven: het erve met den opstal, getceckent op het plaen 
enz., sijnde de geheele kerck in haer vierkant met een stuck 
van de bleecke, een stuck van den ommegangh, liggende op de 
Diese, met nogh een out gebouw op en aen de oversyde van 
de Diese, met den boomgarde daer achter liggende tusschen 
de twee Diesen. Kooper daarvan werd toen Willem Vreggen, 
smid te den Bosch, doch eerst den 26 November van het volgend 
jaar werd het gekochte op hem gevest. Hij was geboren te 
Budel en huwde in 1684 te den Bosch, alwaar hij toen op de 
Haven woonde, met Magdalena Kerck ; later hertrouwde hij met 
Johanna de Jongh, die in 1725, na zijnen dood, hertrouwde 
met Leonard Ragay, secretaris van Vught. 

Welke bestemming de St. Geertruikerk na gezegden ver- 
koop kreeg, is mij voor het jaar 1746 niet kunnen blijken ; in dat 
jaar werd zij ook tot hospitaal voor het leger der Geallieerden 
ingericht, omdat het Statenlogement alleen daarvoor niet de 
noodige ruimte had; zij bleef daartoe dienst doen tot dat in 
1748 de vrede van Aken gesloten was, als wanneer zij door 
de zieken ontruimd en weder voor den Hervormden eeredienst 
ingericht werd, zooals blijkt uit van Heurn Historie IV p. 84 
en 127. De Nederduitsch -Hervormde gemeente van den Bosch 
is toen daarvan eigenares geworden, maar krachtens welken titel 
is mij niet kunnen blijken. Deze kerk werd sedert dien gewoonlijk 
de Kleine of Havenkerk genoemd en er bevonden zich toen in: 
aanzienlijke gestoeltens voor den Gouverneur, den Kommandeur 
der stad en hunne gemalinnen; de gemagtigden des Raads 
van Staten nemen daarin, als die zig hier ter stede bevinden, 



— 108 — 

mede plaats, (van Heurn Beschrijving). Alleen des Zondags- 
morgens werd in deze kerk gepreekt. Na de overgave van 
den Bosch aan de Franschen in 1794 werd deze kerk wederom 
aan den Hervormden eeredienst onttrokken en alstoen tot eene 
broodbakkerij ingericht 1). Toen in 1810 de St. Janskerk aan 
de Bossche Katholieken was teruggegeven, hebben de Her- 
vormden van den Bosch de St. Geertruikerk andermaal tot 
hunne kerk ingericht en hebben zij die daarna blijven ge- 
bruiken totdat zij in 1820 hunne kerk in de Kerkstraat in 
gebruik namen; daarop werd de St. Geertruikerk gebezigd tot 
kerk der Waalsche gemeente van den Bosch, wat duurde totdat 
deze hare kerk in de Verwerstraat aldaar kreeg; alstoen werd 
de St. Geertruikerk voor afbraak verkocht en op de absis na, 
die nu tot houtmagazijn dient, gesloopt. 

Bij de verkooping van een deel van het St. Geertrui- 
klooster,, die, als gezegd 17 Mei 1706 plaats had, kocht Willem 
Vreggen ook nog de daartoe behoorende huizen 2), welke aan cle 
Orthenstraat stonden tusschen het Statenlogementenden Klooster- 
gang. Van hem werden ze geërfd door zijne tweede vrouw Johanna 
de Jongh, die ze bij haren tweeden echt in 1725 ten huwelijk 
bracht aan Leonard Ragay, secretaris van Vught. Daar deze de 
daarop staande schuld aan den Rentmeester der geestelijke goede- 
ren niet betaalde werden ze den 3 Februari 1734 (Reg. n° 546 
f. 308) ten zijnen laste gerechtelijk verkocht aan mr. Hieronymus 
Gerbade, destijds advocaat te den Bosch. In de daarvan opgemaakte 
akte werden deze gebouwen aldus omschreven : l c koop eene wel 
doortimmerde huysinge met saletten, kamers, keukens en daar- 
achter gelegen tuin en paardenstal, staande aan de Orthenbin- 
nenpoort en bewoond door mr. Arend Verspijck, ontvanger der 
verpondingen over Kempenland, ex uno het huis der erven 



1) St. Hanewinkel Beschrijving der stad enz. p. 133. 

2) Een dier huizen zal gediend hebben tot woning van den sergeant- 
majoor van den Bosch, daar de Raad van State daartoe een deel van het 
St.-Geertruiklooster had aangewezen, wat duurde tot dat die het verkocht. 



.— 109 — 

Johan Essers (het oude Statenlogement), ex alio de 2 e koop, 
en zich uitstrekkende van af de Orthenstraat tot achter de 
huysingen cler 4 e , 5 e , 6 e , 7 e , 8 e , 9 e en 10 e koop en zoo tot de 
Dieze toe 1); 2 e koop een huis met een plaatsje daarachter, 
staande aan de Orthenstraat, bewoond door Morings, ex uno de 
l e koop, ex alio de 3 e koop en zich uitstrekkende van af de straat 
tot aan de keuken of eetzaal van het huis des l e koops; 3 e koop 
een huis met plaatsje daarachter, bewoond door Borus Vreggen, 
ex uno de 2 e koop, ex alio van onderen het straatje (de Kloos- 
tergang) en van boven het huis, genaamd het Maasschip 2) en 
zich uitstrekkende vanaf de straat tot aan de keuken of eetzaal 
van het huis des l e koops; 4 e koop een huisje, zijnde het eerste 
in gemeld straatje aan de linkerhand, ex uno de keuken of 
eetzaal van het huis der l e koop, ex alio de 5 e koop; 5 e koop 
een huisje, staande tusschen de 4 e en 6 e koop; 6 e tot en met 
den 10 e koop huisjes staande tusschen den 5 e koop en de Dieze; 
J l e koop een huisje, zijnde het eerste in het straatje aan de 
rechterhand, ex uno de pomp en den opgang of de trap tot het 
huis der l e koop, ex alio cle 12 e koop; 12 e koop een huisje 
ex uno de ll e , ex alio de 13 e koop; 13 e , 14 e en 15e koop, 
huisjes, ex uno de 12 c , ex alio de 16 e koop; 16 e koop, een 
huisje, staande op den boog boven de Dieze, ex uno de 15 e , 
ex alio de 17 e koop; 17 e koop een huisje ex uno de 16 e , ex 
allo van onderen cle gang van het secreet, van boven de zolder 
van het huis des 16 e koops; 18 e en 19 e koop twee woningen 
onder een dak, ex uno de gang van het secreet, ex alio de muur 
van na te melden tuin en tot achter tegen het erf van den heer 
mr. Jacob van der Helst, met de steenen liggende in het huis 
des 19 e koops; 20° koop een tuin of boomgaard met een speelhuis 
daarin, binnen zijne muren gelegen, ex uno de Dieze, ex alio 
liet erf van den heer mr. Jacob van der Helst tot achter tegen 



4) De le koop was alzoo het huis, dat thans toebehoort aan Mevr. 
de Wed. Bolsius- verhoeven en bewoond wordt door mr. D. Wesseling, 
zijnde nu Orthenstraat genummerd 41. 

2) Dit huis was ook eigendom van het St. Geertruiklooster, toen 
dit werd creconfisceerd. 



110 



de t>ieze; 21 e koop een huis met een kalkhok daarnaast, staande 
tegen den muur van den tuin des 20 e koops; 22 e koop een 
vervallen huisje, staande op een stuk van den boog boven de 
Dieze naast den 21 e koop. Den 30 e September 1766 verkochten 
Maria Gerbade, huisvrouw van den luitenant Jan Willem Mans- 
velt. wonende te Breda; Hermanus Gerbade, Cornelia Gerbade, 
Otto Gerbade en Lucia Berendina Philippina Gerbade, allen 
kinderen van mr. Hieronymus Gerbade voornoemd, hun aandeel 
in de hierboven sub 1—22 omschreven onroerende goederen 
aan hunnen broeder Hermanus Gerbade, wonende te Utrecht ; 
van dezen werden ze geërfd door zijne vrouw Agatha van 
Heurn ; toen zij was komen te overlijden werden ze door 
haren executeur-testamentair, mr. Hendrik Jacob Ackersdijck, 
wonende te den Bosch, den 1 November 1 805 verkocht aan Hen- 
dricus van Someren (den broeder van Anna Maria van Someren, 
echtgenoote van Cornelis de Wijs, hiervoren reeds genoemd). Hij 
was factoor of expediteur te den Bosch en had tot vrouw Beatrix 
van de Ven, dochter van Lambertus en Anna Maria van der 
Linden, die hem deze kinderen schonk: Maria Helena van 
Someren, de echtgenoote van Francais Halewijn, eigenaar van 
het hotel de Goude Leeuw te den Bosch ; Mai tinus, Constantinus 
Johannes, Lamberdina Theresia, Hendrina Theresia en Lam- 
bertus van Someren. 

Zijn zwager Cornelis de Wijs had reeds 30 Juni 1788 
van cle kinderen van wijlen Johanna Makentos weduwe van 
Hendrikus van Stratum gekocht een deel der erven, welke het 
St. Geertruiklooster oudtijds te den Bosch aan de overzijde der 
Dieze bezat en welke men bereiken kon over eene daarover 
geslagen brug, die lag aan het einde van het St. Geertruikerkhof 
of plaats; dit deel der goederen van het St. Geertruiklooster 
bestond toen uit drie groote aan elkander gelegen moestuinen, 
benevens eene in het midden daarvan staande hovenierswoning 
met stal; zij behooren thans aan de Zusters van den H. Caro- 
lus Borromeus. 

Tot het St. Geertruiklooster behoorden ook nog na te 



— lil - 

melden huis en tuin, waarvan de ligging thans moeilijk meer 
valt aan te wijzen. Johan van Leefdael, heer van Deurne, in 
zijne hoedanigheid van rentmeester der episcopale en andere 
geestelijke goederen in de stad en meierij van den Bosch, verkocht 
ze 12 Juli 1706 aan Dirck van 's Gravesande, president-schepen 
van den Bosch, die in 1681 en waarschijnlijk ook nog in laatst- 
gezegd jaar woonde in de Orthenstraat aldaar in een huis 1), 
dat stond tusschen het huis het Koppel paarden, Orthenwaarts, 
een gang of inrij poort, de Koksche poort genaamd, tusschen 
beiden liggende, ex uno en het huis de Gapert Marktwaarts 
ex alio. Hij was in 1681 gehuwd met Anna Josina Blom, die 
toen in den Bosch in de Nieuwstraat woonde en hem behalve 
Pieter, den vader van Laurens, gouverneur-generaal van West- 
Indie, deze zonen schonk : mr. Ewout Hendrik van 'sGravesande, 
schepen van den Bosch ; mr. Willem Jacob van 's Gravesande, den 
beroemden professor in de philosophie, mathesis en astronomie aan 
de Universiteit te Leiden, (geboren te den Bosch 27 September 
1688 en overleden te Leiden 28 Februari 1742) en mr. .lere- 
mias van 's Gravesande, president-schepen van den Bosch; zij 
verkochten 12 Juni 1725 dit huis met tuin aan Jeanne Ursule 



1) Dit huis was in 1503 door de kinderen van Nycolaus de lïeusch 
en Elisabeth de Ruyter Michielsdochter verkocht (Reg. no 98 f. "24) aan 
Andries van Arckel Gerardszoon ; deze had van zijne vrouw Yda de na- 
volgende kinderen : Gijsbert, woonachtig te Dordrecht en Arnold, die 
wederom tot kinderen had: Dirck, Elisabeth, Margriet, Geertruid, Andries 
en Jan van Arckel. 

Genoemde Gijsbert van Arckel erfde dit huis voor de helft van 
zijnen vader, terwijl hij de wederhelft er van kocht van zijne genoemde 
oomzeggers van Arckel met uitzondering van Andries en Jan. Den 21 Aug. 
1549 (Reg. no 170 f. 429 vs <>; men zie ook nog Reg. no 139 f. 329) ver- 
kocht hij het aan Jan Ilermanszn. Vluggers, genaamd Degens; het werd 
toen omschreven als: domus, area, ortus, domus posteriorac pons lapideus, 
siti in Buscoducis in vico Orthensi inter hereditatem Willelmi de Ryel 
versus portam Ortensem, quadam via interjacente, ex uno latere et inter 
hereditatem Henrici Beys versus Forum, ex alio latere, tendentes a dicto 
vico Ortense retrorsum ultra Diesam ibidem fluentem ad hereditatem 
Conventus Sanctae Gertrudis in Buscoducis, necnon cum jure utendi via 
praedicta. De executeurs van het testament van Heylken, dochter van 
Reynder Poltey en weduwe van Jan Hermanszn. Vluggers genaamd Degens, 
verkochten dit huis 9 Maart 1606 aan Herbert Willemszn., vaandrig in 
Spaanschen dienst. Thans is het genummerd Orthenstraat 25. 



— 112 — 

de Nancy, als wanneer het omschreven werd als: huys ende 
hoff, gelegen agter het Geertruydeclooster in de Orterstraet, 
agter in een poort, oost ende west de gemeene waterloop, ge- 
naemt de Diese, suydwaeris de huysinge bewoont werdende 
by de heer Donckers, noordwaerts de Wed e Vr eggen ende 
N.N. Olyslagers. (Beg. n° 552 f. 333 vso .) 

Genoemde de Nancy verkocht 15 Mei 1727. (Rcg\ n° 
554 f. 8), als wanneer zij gezegd werd te zijn: meerderjarige 
jonge juffrouw, wonende binnen dese stad (den Bosch) dit huis 
met tuin aan Hare Hoogheid Marie gravin van Stirum en 
Bronkhorst, douairière van Zijne Hoogheid den Landgraaf van 
Hessen-Philipsthal, woonachtig te den Bosch, die het 29 December 
1732 (Reg. n° 546 f. 58) weder verkocht aan mr. Jabob van 
der Helst, oud-schepen en raad van die stad; het werd nu 
omschreven als : een welgelegen huysinge, voorsien van ver- 
scheyde camers ende hoff, daerinne verscheyde fruytboomen, 
stallinge, koetshuys, staende ende gelegen binnen de stadt 
(den Bosch) achter het gewesene Geertruydeclooster in de Orten- 
straet achter in een poorte, daer men door in ende uytgaet 
of Ie reyt, oist ende west den gemeenen waterloop, genoempt 
de Diese, zuylwaerts de huysinge tegenwoordich competerende 
Juffrouwe Theodora Maria de Hee weduwe wylen d 1 heer ende 
mr. Paulus Suyskens ende noortwaerts de huysinge ende 
erve van de er ff genamen wylen de weduwe Vr eggen ende... 1) 
Olislaegers. 

Agatha van der Perre, weduwe en testamentaire erf- 
gename van genoemden mr. Jacob van der Helst, nu echtgenoote 
van Joachimus Mobachius, Hervormd predikant te den Bosch, 
met wien ze dit huis bewoonde, legateerde het 1 Juni 1762 
aan de Diaconie der Nederduitsch-Hervormde gemeente aldaar; 
omstreeks dat jaar werd van dit huis gezegd, dat het was 
voorsien beneden met drie groote vertrekken, alle met planken 
vloeren, twee behangen liet eene met goutleer en het ander met 
seyldoek en het derde gelambriseert, met de spiegels en schil- 

1) An dries ? 



— 113 — 

derye in de schoor steenen, staande en leggende plaaten, mits- 
gaders een schoon e keuken met alle gemak daarin en drie 
kelders, so groot als kleyn, put en regenwater, boven met ses 
vertrekken, waervan er vijf behangen sijn en drie solders en 
eindelijk met een magnifique hof, wiens weerga wynig binnen 
dese stad is, beplant met exquise vrugtdragende bomen en 
wijngaerden, mitsgaders vier geschilderde somerhuijsjens, 
hoenderhok, knegtskamer, een zeer groote plaats, waarop een 
fontijn en eenige cieragien, aparte loots. 

De Diaconie der Nederduitsch-Hervormde gemeente van 
den Bosch verkocht dit huis reeds 23 April 1765 aan Claudius 
Antonius Lormier. ontvanger van 's Lands verpondingen over 
de stad van den Bosch en het Kwartier van Maasland ; het 
werd toen in huur bezeten door Samuel Hirschig. C. A. Lor- 
mier voornoemd verkocht het 2 Mei 1776 weder aan Willem 
Hubert senior, mr. timmerman en architect te den Bosch ; wat 
er daarna verder met dit huis en tuin is gebeurd, is mij niet 
gebleken. 

Naast het St. Geertruiklooster stond oudtijds een kapel- 
letje, dat van het H. Kruis genaamd, waarvan Van Heurn in 
zijne Beschrijving de plaats al niet meer wist aan te toonen. 
Het bestond reeds in 1362, daar toch in een testament van 
dat jaar gezegd wordt, dat het verleden werd in Buschoducis 
in capella Sancti Crucis, presentibus Alberto dicto Loze et 
Henrico dicto Lout, clericis Leodiensis diocesis, testibus. 

In dit kapelletje werd bewaard en vereerd een stuk 
van het H. Kruis 1). Na de reductie van den Bosch in 
1629 werd deze relikwie overgebracht naar het klooster der 
Zusters van Orthen aldaar en vervolgens, kort vóór het 
overlijden van deszelfs laatste zuster, naar de voormelde 
schuurkerk van den Jezuit Cornelis Bocquet. Thans berust 
zij ook in de Bossche St. Pieterskerk met het volgend attest 
er bij : 



\) Wichmans Brabantia Mariana p. 387. 



— 114 — 

Exponit qua par est reverentia Joannes Hoogaert, Pleba- 
nus St. Joannis Sylvaeducis, quomodo juxta monasteriuin Sanctae 
Gertrudis magna populi devotione praesertim feriis singulis 
sextis frequentatum olim fuerit sacellum Sanctae Crucis, in quo 
etiam plurima miracula patrata dicuntur virtute salutaris hujus 
signi, per quocl salutis nostrae sumpsimus remedium (Wich- 
mans in Brabantia Mariana p. 387) ; quomodo post extinctio- 
nem praefati monasterii reliquiae illae Sanctae Crucis in eadem 
publica semper veneratione fuerint in oratorio quodam Patrum 
Societatis Jesu, vulgo het houte Kerkske, et quomodo tandem 
post expulsionem Jesuitarum reliquiae illae simul cum devo- 
tione translatae sint ad oratorium Plebani, — quae omnia 
bic praesertim senibus nota simt, — ast cum nullum desuper 
inveniat instrumentum authenticum, binc recurrit ad Reveren- 
dissimam Dominationem vestram, enixe rogans, quatenus ad 
continuendam pristinam populi devotionem, publicam dictarum 
Reliquiarum Sanctae Crucis venerationem semitis antiquis per- 
mittere dignetur. Quod faciendo etc. 

Permittimus, ut reliquiae, de quibus in supplica, publice 
fidelium venerationi in Diocesi nostra exponantur. 

Actum Sylvae. A. van Alphen, vicarius-generalis Duci 
13 Julii 1801. apostolicus Diocesis Buscoducensis. 






HOOFDSTUK II. 

De Bokhoven straat. 



Deze straat werd in de 18 e eeuw ook wel de wip ge- 
naamd, omdat tegenover haar op de Smalle Haven eene wip 
stond, die in 1680 gemaakt was om daarmede uit de schepen 
goederen te lossen. 

Aan de Noordzijde van die straat stond oudtijds de Bank 
van Leening, de Taeffele van leeninge of de Lombaert gehee- 
ten. Waarschijnlijk werd zij er in 1547 of 48 opgericht, daar 
toch in een dier beide jaren Andries Ymony van de Regeering 
der stadden Bosch octrooi ontving om er, tegen eene jaarlijksche 
betaling van fl 40 voor de accijnsen, eene bank van leening op te 
richten en enkele jaren later Jean Bergaigne Paulszn, Franchois 
Campagnie en de gebroeders Willem en Maerten van de Cap- 
pelle vermeld worden als houders van de taeffele van leeninge 
in deze straat. Deze bank maakte slechte zaken, zoodat hare 
houders met gijzeling werden bedreigd en op hare goederen beslag 
werd gelegd. Dit blijkt o. a. uit eene Schepenakte van 16 Juli 
1567 (Eeg. no 236 f. 212) waarbij : „Erasmus van Houwelingen, 
goutsmit, als een van den crediteuren van Jan Paul de Bergaigne, 
als taeffelhalder van den leenen, geweest zijnde binnen deser 
stadt van ? s Hertogenbossche, zoe inne den name van hem 
zelven alsmede inne den name ende van weghen allen ende een 
yegelyken crediteuren desselfs Jans Paul, alleenlijck binnen deser 
stadt woenachtig wesende, daervan die voirs. Erasmus verclaerde 
volcomen procuratie te hebben ende alzoo inne den name ende 
van weghen derselver crediteuren heeft gegeven ende gheeft 



— 116 — 



niidts desen den voirs. Jannen Paul vry ende volcomen geleye, 
den tijt van sess weecken lanck geduerende, ingaende op 
Sondach den 20 e des maent July, omme denzelven tijt geduerende 
vry ende vranck, ongemolesteert van den voirs. crediteuren oft 
ennige van hen, binnen der voirs. stadt ofte anders waer daert 
hem gelieven zall te moighen coomen, passeren ende repasseren 
in zijn eygene persone, zoornede, dat hem by clen voirs. credi- 
teuren ofte eenighe van hen den voirs. tijt lanck geduerende 
eenich hijnder ofte trot aangedaen zall wordden'' (zooals hem 
reeds den 7 Augustus 1566 door zijne schuldeischers was toe- 
gestaan blijkens Reg. n° 213 f. 453); alsmede uit eene akte 
van dading van 13 Mei 1568 (Reg. n° 648 f. 69) waarbij Jan 
Peterszn. Busijn, koopman te Delft en genoemde Erasmus van 
Houwelingen, die in den Bosch goudsmid was, deze laatste zoo 
voor zich en als gemachtigde van Franchois Campaignie en 
de overige medeschuldeischers van genoemden Jean de Ber- 
gaigne, taeffelhouder van de leening e binnen 's Hertogenbossche, 
met dezen en met Franchois Campaignie, Willem ende Maer- 
ten van de Cappelle, gebruederen, als bewaerders ende houders 
der taeffelle van de leeninge voirs, overeen kwamen om het 
beslag op te heffen, dat zij, schuldeischers, op de goederen 
dezer bank hadden doen leggen, waarentegen genoemde houders 
van die bank aan hen boedelafstand deden. In eene Bossche Sche- 
penakte van 5 Mei 1570 (Reg. n° 219 f. 256) komt hierover 
nog het volgende voor: Alzoo de schuldeischers van Johan 
Pauls Bergaigne bevonden hadden, dat hij hun niet ten volle 
kon betalen, zoo heeft deze, zijnde taeffelhouder van leeningen 
der stadt van 's Hertogenbossche, getransporteerd en gecedeerd 
aan Willem en Maarten 1), gebroeders, zonen van wijlen Maarten 
van de Capelle, ten behoeve van die schuldeischers, zijnde 
Erasmus van Houwelingen, goudsmid, Guillaume de Succa en 
nog dertien anderen, alle 't recht ende toeseggen hem enichs- 
sins competerende ende toebehoor ende inne ende totte voirs. 



1) Zijne vrouw vras eene dochter van Arnd Lambrechtszn van Dinther. 



— 117 — 

taeffele van leeninge, met alle hare goederen, have, panden, 
juweelen, penningen en profijten, ten einde zij uit de opbrengst 
daarvan hunne schuldvorderingen zullen kunnen verhalen. 1) 
Den 2 November 1612 (Reg. n° 284 f. 50) deedMariken, 
dochter van Wouter Habbits en weduwe van Dirck Janszn. 
van Hedel ten behoeve hunner kinderen Jan, Josina en Cornelia, 
de echtgenoote van Gerard Janszn. Slimmer, afstand van den 
tocht van het huis, waarin deze bank van leening gevestigd 
was en dat alstoen omschreven werd als: huis, erf, plaats 
genaamd d'oude Lombar t, staande in de Bokho venstraat aan 
de watertrap, genaamd de Bokhoventrap, tusschen de stads- 
haven ex uno en het erf van Jan Hendrikszn, den bakker, ex 
alio, waarna die kinderen dat huis aan hunne moeder verkochten. 
Het was in 1633 geheel bouwvallig, zooals blijkt uit 't Register 
van Resolutien der stad den Bosch van Gans fol. 144 vso , vermits 
aldaar het volgende daarover staat vermeld: 31 Mei 1633. „Op 
de rekeste van de proprietarissen van de omgevalle huysinge, 
genoempt den Ouden Lombaert, staende achter op de Haven 
by de Bokhovense straet, is verstaen eenige Heeren te com- 
mitteren om te spreken met de eigenaers van de voors. huysinge, 
die met deselve oock zullen in handeling treden ende besien 
hoe tot meesten dienste van de stadt ofte beste mesnagie deselve 
huysinge soude worden afgebrooken ofte by de stadt worde 
aengenomen, welcke Heeren meteen inspecteren ende informatie 
nemen sullen van de gelegenheyt om alle de andere huysen 
tot den hoeck toe, die van haere besoigne gehouden sullen 
wesen, te doen rapport." Het blijkt, dat hun rapport is 
geweest, dat de stad de Oude Lombard moest aankoopen, 
want den 9 Juni 1633 (Reg. n° 378 f. 280) verkocht Josina, 
dochter van wijlen Dirck Janszn van Hedel en weduwe van 
Servaes, den zoon van Jacob Henrickszn van Arkenteel, maas- 
schipper, nu huisvrouw van Cornelis Mathijszoon Beversluys, 
oud-burgemeester en schepen van Geertruidenberg, aan de stad 

1) Men zie hierover verder Tijdschrift Noordbrabant 1853 blz. 
217 en vlgd. 



— 118 — 

den Bosch eene huysinge, erve, poirte, plaetse, kelders, gemeyn- 
lijck genoempt den ouden lombart, staande aldaar in de Bok- 
hovenstraat bij de watertrap tusschen de Stadshaven ex uno 
en het huis van Jan Henrickszn, den bakker, ex allo, 
strekkende achterwaarts tot op het erf van de weduwe en 
kinderen van Pauwei Peterszn, den beenhouwer, haddende 
genoemde verkoopster % in dit huis gekocht van haren broeder 
en zuster. Blijkens de oude Bossche kronijk, die alleen in 
handschrift bestaat, brak de stad den Bosch eerst in 1676 
de oude Lombard af. Zij is nog altijd eigenares van het erf, 
waarop deze bank eens stond; voor een paar jaren werd zij 
door koop ook eigenares van het huis, dat aan den anderen 
hoek van de Noordzijde der Bokhovenstraat stond en in voor- 
melde akte van 1633 gezegd wordt te zijn het huis van Jan 
Henrickszoon, den bakker ; het is thans genummerd Orthenstraat 
n° 42, terwijl het terrein van de oude Lombard genummerd 
is Smalle Haven n° 22. 

Aan de Zuidzijde van de Bokhovenstraat stond voor- 
heen een huisje, dat de stad den Bosch in 1647 aan de 
Kraankinderen 1) ten gebruike had gegeven, cloch later door 
haar aan de Turf dragers ten gebruike werd afgestaan ; de 
Kraankinderen kregen toen van die stad ten gebruike het huis 
de Karper, dat aan de Smalle Haven stond en nu de Zalm 
is genaamd. (N os 4 en 3.) Om den Z. hoek dezer straat stond 
aan de Smalle haven ook nog een huisje van de stad ; daarin 
plachten de Bierdragers te vergaderen; het was in 1685 ook 
bouwvallig en is toen door de stad verkocht. 



1) Zij waren de acht leden van het Gilde, dat de kraan op de 
Smalle Haven te den Bosch bedienen en de daarmede opgeheschen goederen 
vervoeren moest. 



HOOFDSTUK III. 

De Orthenstraat. 

TWEEDE GEDEELTE. 

a. De Orthenbinnenpoort. 

Deze poort stond in den eersten ringmuur der stad tusschen 
de tegenwoordige huizen Orthenstraat N os 40 en 38 eenerzijdsen 
45 en 43 anderzijds. Zij heette de Brusselsche poort, omdat zij 
op kosten der stad Brussel zoude gebouwd zijn ; ook wel de 
St. Peters schutspoort, ofwel de H. Kruispoort, omdat in 
hare nabijheid het kapelletje van het H. Kruis zich bevond. 
Zij had een torentje, waarin de slaande klok der St. Peter 
en Pauluskerk gehangen werd, toen die gesloopt werd. Om- 
streeks het jaar 1800 zal zij zijn afgebroken. Zooals wij reeds 
zagen, w T erd er een tijdlang het buskruit, dat benoodigd was 
voor de verdediging der stad, bewaard. Later vergaderde er het 
Kramersgilde. 1) Het bezat eene door J. de Langhe vervaardigde 
schilderij, die in 1829 hing in een gebouw der St. Janskerk, 
dat tegenover hare Kosterij staat en aan den voet waarvan 
een bord zich bevond, waarop dit versje geschilderd was: 

Kramers hoort nae dese leering, 
Soo ghy wilt ghesegend zijn, 
In u coopmanschap en neering, 
Vreest den Heer, geeft ieder 't zijn. 
Maeckt u maeten, ellen, wicht, 
Niet te kleyn, te kort, te licht. 
Anno 1658. 



1) Taxandria XIV p. 150, 



— 120 — 

Thans bevindt zich dit schilderstuk, doch zonder het 
bord, in het gebouw van het Provinciaal Genootschap van 
Kunsten en Wetenschappen in Noordbrabant. 

b. Het Huis van Ysselstein. 

N° 36. 

Als men door de Orthenbinnenpoort de stad inging, was het 
eerste huis, clat men aan zijne rechterhand kreeg, dit huis. 
Deszelfs eerste eigenaars worden als volgt vermeld door P. 
N. van Doorninck in zijnen Inventaris van het oud archief 
der heerlijkheid en gemeente Nederhemert : 

Daags na Maria geboorte (9 Sept) 1325. Dirick de 
Rover, schout te 's Hertogenbosch, draagt, ten overstaan van 
Elyas Pannicida (den gewandsnijder), Gerardus van Neynsel en 
Nycholaus de Ouden, schepenen aldaar, aan Johannes Bode, 
poorter van die stad, over zijn recht op een huis, staande te 
's Hertogenbosch aan de Orthenstraat bij de steenen Binnen- 
poort. Hij verbindt zich daarvan te betalen eene erf rente van 
20 pond aan de tafel van den H. Geest te den Bosch. 

St. Laurensdag (10 Augustus) 1342. Bodo, zoon van 
Ghibon van Waalwyc, en zijne zuster Jutta, beiden ook nog 
als zich sterk makende voor hunnen minderjarigen broeder Ar- 
noldus, verkoopen ten overstaan van Ywanus de Gravia (van 
Grave) en Godescalcus Rosemont, schepenen van 's Hertogen- 
bosch, aan den bakker Henric Henrics Mathijszn. Vö in een 
huis met tuin, afkomstig van hunnen grootvader Bodo de 
Tyla (van Ti el) den oude, en staande aan de Orthenstraat 
dicht bij de Poort. 

Daags na Driekoningen (7 Jan.) 1353. Bodo de 
Tiela draagt ten overstaan van Gerardus Vosse en Arnoldus 
Stamelairt de Penu, schepenen van 's Hertogenbosch, aan Ge- 
rardus van Mameren van Rossem tegen eene grondrente van 
13 pond over een erf, gelegen aan de Orthenstraat. 

St, Petersdaghe ten stoel, die men heyt ad cathedram 



— 121 — 

(22 Febr.) 1355. Schepenen, Gezworenen, Rentmeesters, De- 
kenen van ambachten, een deel der goede knapen en de ge- 
meene stad van 's Hertogenbosch yerkoopen aan Heylwych 
weduwe van Henric Bauderics een achter haar erf gelegen 
gedeelte der oude stadsmuren. 

Maendaghs na der octaven des heylichs Sacramentsdach 
(19 Juni) 1357. Dezelfden bekennen verkocht te hebben aan 
Gheryt van Mameren een stuk erf, 27V2 voet breed en 31V2 
voet lang, gelegen achter diens huis tusschen Ude Vlemings 
en Goclevaert Dunnecop, zijnde deze verkoop geschied onder 
voorwaarde, dat de kooper binnen 2 jaren eene steenen worp 
zal doen leggen aan den stroom 1). 

Vridagh 1363. Dezelfden vergunnen aan Heyl- 
wych weduwe van Henric Bauderics om door de Peter- 
scutspoert binnen te rijden en eenige veranderingen te maken 
aan haar naast die poort staand huis. 

Feria quarta post Misericordia (12 April) 1380. Mech- 
teld weduwe van Goclevaert Dunnecop en hunne kinderen 
Lambertus, Boydewinus, Godefridus en Elisabeth, de vrouw 
van mr. Henricus Goeswinuszoon, dragen ten overstaan van 
Henricus Cnode en Leoninus van Erp, schepenen van 's Herto- 
genbosch, aan Henric Mathyszn. (Henric Henrics Mathyszn?) over 
een steenen huis met tuin, staande en gelegen aan Orthenstraat 
bij de Schutspoort, alsmede een onbebouwd erf, grenzende 
aan dat huis en bezwaard met eene grondrente van 8 pond. 

Sabbato post Dominicam qua cantatur oculi (28 Maart) 
1394. Genta en Mechtildis, dochters van wijlen Gheryt van 
Mameren, dragen ten overstaan van Dirck de Rover, ridder en 
Johannes Coptiten, schepenen van 's Hertogenbosch, aan hunne 
zuster Margaretha over al hetgeen zij uit de nalatenschap van 
hunnen vader geërfd hebben. 

In die beatae Luciae virginis (13 Dec.) 1395. Dirck, 
zoon van Gheryt van Mameren, doet ten overstaan van Ghisel- 



i) Hiermede is blijkbaar bedoeld de toenmalige tak der Dommel, 
welke langs den stadsmuur ter hoogte van de Orthenbinnenpoort liep. 



— 122 — 

bertus de Spina (van Doorn) en Jacobus Coptiten, schepenen van 
's Hertogenbosch, ten behoeve zijner zuster Margaretha afstand 
van hetgeen hem toekomt uit de nalatenschappen zijner ouders. 

Tivee dagen na St. Maarten in den winter (13 Nov.) 
1396. Aleydis, dochter van Gheryt van Mameren en weduwe 
van Jan Janszn de Bachon, draagt ten overstaan van Ywanus 
Stiereken en Gerardus van der Aa, schepenen van 's Herto- 
genbosch, aan hare zuster Margaretha over een huis en erf, 
staande en gelegen aan de Orthenstraat. 

Feria secunda post feshim beati Martini hyemalis (13 
Nov.) 1396. Ywanus Stiercken en Gerardus van der Aa, sche- 
penen van 's Hertogenbosch, geven een vidimus der voormelde 
schepenbrieven van 1357, 1380, 1394, 1395 en 1396, waarna 
Margaretha, dochter van Gheryt van Mameren, verklaart de 
daarin bedoelde eigendomsoverdrachten aan te nemen voor 
zich en voor Hille, dochter van Hilo Borghart. 

31 Maart 1411. Margaretha, weduwe van Henric, den 
zoon van Henric Mathyszn, doet ten overstaan van Daniel 
Roesmont en Gerardus van der Aa, schepenen van 's Hertogen- 
bosch, ten behoeve van Elisabeth, de dochter van Henric Ma- 
thyszn (Henric Henrics Mathyszn), afstand van het vrucht- 
gebruik, dat zij heeft van een steenen huis met erf, staande 
en gelegen aan de Orthenstraat nabij de steenen poort, genaamd 
St. Peters schutspoort. 

J2 September 1425. Bodo de Tyela, zoon van wijlen 
Henric Mathyszn (Henric Henrics Mathyszn ?) draagt ten over- 
staan van Arnoldus de Rover en Godescalcus Eoesmont, sche- 
penen van 's Hertogenbosch, over aan mr. Martinus van Zomeren 
ten behoeve van Tielman en Zwanelde, kinderen van Arnoldus 
Tielmanszn, een erf met timmering, gelegen aan de Orthen- 
straat bij de Peter Schutspoort en belast met eene erfelijke 
grondrente van 7 oude ponden. 

6 Februari 1489 (zal moeten zijn 1439). Zweneldis. 
dochter van wijlen Arnoldus Tielmanszn., draagt ten overstaan 
van Henricus Berewout en Arnoldus Beest, schepenen van 



— 123 — 

's Hertogenbosch, aan Bodo de Tyela (van Tiel) over de helft 
van een erf, gelegen aan de Orthenstraat bij de Schutspoort 
en zich uitstrekkende tot aan de Haven. 

Vrijdag na Paschen (29 Maart) 1459. Arnoldus Hen- 
ricszn. Colen draagt ten overstaan van Nicolaus Spierinc en 
Wolterus van Vucht, schepenen van 's Hertogenbosch, aan Goes- 
vvinus Toelinc over een erf, gelegen aan de Orthenstraat tus- 
schen het erf van dezen laatste en dat van Egidius Screynmeker 
en belast met een Vi eener erfelijke grondrente van 20 oude 
ponden ten behoeve van de Tafel van den H. Geest te 's Her- 
togenbosch. 

Zaterdag na Zondag Judica (13 April) 1469. Goeswinus 
Toelinc draagt ten overstaan van Rodolphus Dicbier en Wil- 
helmus van den Bosch, schepenen van 's Hertogenbosch, aan 
zijnen zoon mr. Wilhelmus Toelinc, priester, over een steenen 
huis met erf, staande aan de Orthenstraat bij de H. Kruispoort 
in de nabijheid van de Vischmarkt en het Bokhovenstraatje. 

Zaterdag na Zondag Judica (13 April) 1469. Theodori- 
cus Henrickszn. Bressers van Beeck doet ten overstaan van 
Kodolphus Dicbier en Wilhelmus van den Bosch, schepenen 
van 's Hertogenbosch, ten behoeve van Willem Hinckart afstand 
van zijn recht van wederinkoop en naasting, dat hij heeft van 
zekere erven aan de Orthenstraat nabij de H. Kruispoort 
gelegen en welke door mr. Willem Toelinc, priester, den 
zoon van Goeswinus Toelinc, aan genoemden Hinckart waren 
verkocht. 

Vrijdag na Paschen (27 April) 1470. Johannes Kemp 
Janszn., als gehuwd met Mechteld Goeswinusdochter, draagt 
ten overstaan van Rodolphus Dicbier en Wilhelmus van den 
Bosch, schepenen van 's Hertogenbosch, aan Wilhelmus Hinckart, 
als gemachtigde van mr. Willem Toelinc, priester, over een 
steenen huis met erf, staande aan de Orthenstraat bij de 
H. Kruispoort en in de nabijheid van de Vischmarkt en het 
Bokhovenstraatje. 

24 Juli 1470. Mr. Willem Toelinc, priester, zoon van 



- 124 — 

Goeswinus Tbelinc, verklaart ten overstaan van Johannes Ghys- 
selen Johanneszoon en Rodolphus Dicbier, schepenen van 's Her- 
togenbosch, van Wilhelmus Hinckart ontvangen te hebben 300 
Rijnsche gl, verschuldigd wegens den koop van zekere huizen 
en erven, staande en gelegen aan de Orthenstraat en afkom- 
stig van genoemden Goeswinus Toelinc. 

F er ia tertia post Misericordia (4 Mei) 1484. Ghysen- 
radis van Erp 1), weduwe van Wilhelmus Hinckart 2), draagt 
ten overstaan van Johannes Maertenszn. Monicx en Johannes 
Dachverlies, schepenen van 's Hertogenbosch, aan haren zoon 
Anthonius 3) over een steenen huis met tuin, staande aan de 
Orthenstraat bij de H. Kruispoort en in cle nabijheid van de 
Vischmarkt en het Bokho venstraat je, door haren overleden man 
aangekocht van Mr. Willem Toelinc Goeswinuszn. 

Feria tertia post Misericordia (4 Mei 1484). Ten 
overstaan van laatstgenoemde Schepenen en met toestemming 
van Johannes van Erp Arnolduszoon en Symon van Gheel 
draagt Anthonius Hinckart laatstbedoeld huis met tuin over aan 
Ludovicus van der Heyde. 

18 Nov. 1488. Frederick, broeder tot Egmond, heer 
tot Ysselsteyn, tot Bueren, tot Craendonck, enz., verklaart, 
dat zijn rentmeester te Maartensdijk zal betalen aan zijnen 
dienaar Lodewich van der Heyen eene jaarrente van 6 Rijn- 
sche gl. ter vergoeding van in 1487 te Leerdam en andere 
plaatsen voorgeschoten gelden. 

5 Aug. 1492. Frederick van Egmond, tijdelijk heer 
van Ysselsteyn, Craendonck, Eyndoven, etc, bekent ten over- 
staan van Jan Heym en Yewaen Kuyst Martynszn., schepenen 
van J s Hertogenbosch, aan Lodewijck van der Heyden Lode- 
wijchszn. schuldig te zijn eene zekere som gelds, voortspruitende 
uit den koop van een steenen huis aan de Orthenstraat bij de 

1) Zij was eene van Erp van Middegael en dochter van Philips 
en Coletta van der Meer. 

2) Zoon van Philips en Gatharina Dielbeeck. 

3J Hij was laagschout van 's Hertogenbosch en gehuwd met Adriana 
van Balveren. 



— 125 — 

H. Kruispoort, welk huis Lodewijch van clerHeyclen gekocht had 
van Anthonius Hinckart Willemszn. en vroeger toebehoorde, 
eerst aan Goeswinus Toelinc en daarna aan Willem Hinckart, 

Zooals uit laatstgemelcle akte kan worden opgemaakt 
en in elk geval blijkt uit Dr. C. E. Hermans Kronijken^. 13, 
daar toch aldaar geschreven staat: her Frederick van Egmont, 
wyens huysing ofte paleys noch staet in die Ortenstraet 
by dal heylich Cruy spoor te, was Frederik van Egmond de 
eigenlijke kooper van dit huis, dat naar hem omdat hij 
heer was van Ysselstein, het huis van Ysselstein is genoemd 
geworden. Zijne ouders waren Willem van Egmond, heer van 
Ysselstein, Leerdam, enz , stadhouder van Grave, overleden op 
het Kasteel te Grave 1483, en Walburg van Meurs, overleden 
in de kraam 1459 1). 

Over het verblijf van Frederik van Egmond in den 
Bosch vermeldt J. van Oudenhoven t. a. p. blz. 191 het vol- 
gende : 

Onder allede Hovelinghen van y t Bourgongiesche Hof 
soo droech Fredrick van Egmonde, eerste Grave van Buren. 
Heere van Ysselsteyn, de Stadt van den Bossche byzondere 



1) Zij hadden behalve hem o. a. nog deze kinderen: 

a. Johan van Egmond, eerste graaf van Egmond, overleden op 
het kasteel van Egmond ; 

b. Willem van Egmond, heer van Haps, huwde Margriet van Meer, 
erfdochter van Boxmeer en weduwe van Pieter van Vertaing, heer van 
Heeswijk, Dinther, Asten en Moergestel (Taxandria VI blz. 52). 

c. Anna van Egmond, huwde Bernard graaf van Bentheim. 

d. Elisabeth van Egmond, huwde 1°. Gijsbrecht van Bronckhorst 
van Batenburg; 2° Jan van der Aa, ridder, heer van Bokhoven, die 23 
Maart 1540 kinderloos overleed. (Taxandria III blz. 112). 

e. Margriet van Egmond, huwde 1°. Johan van Merode; 2°. bene- 
den haren stand, doch- uit liefde, den stal meester haars vaders Godert 
Torck, kastelein van Buren, gesneuveld in den slag bij Middelaar 7 Juni 
1507 en begraven i?i de kloosterkerk van St. Agatha, waarin zij reeds in 
1496 ter aarde besteld was. Zij schonk haren tweeden man o. a. een 
zoon Lubbert Torck, overste in dienst van keizer Karel V, die huwde met 
lladewig van Hemert, erfdochter van Nederhemert, bij wie hij verwekte: 
Godfried Torck, heer van Nederhemert, (wiens vrouw was Gornelia van 
Harff, erfdochter van Bokhoven, welke hem geene kinderen schonk) en 
Frederik Torck ook heer van Nederhemert, wiens vrouw was Maria van 
Wittenhorst. 



— 126 — 

gunste toe; hiel hier sijn wooning he op het Huysvan Hemert 
in de Orthenstraet teghen over het Geertruyden Clooster be- 
neffens de oude Bruysselsche poort, nu de Cruyspoort. Dese 
Graef van Bueren was gewoon met de Bossenaers in Gelder- 
landt vyantlycke invallen te doen. Hy hielt hier vele oefe- 
ningen van wapenen ende reedt veel seer prachtich met sijn 
Buyters rontsom de Merckt ende stelde die dan op de Merckt 
in slach ordre. 

Hij overleed in het jaar 1500. Zijne eerste vrouw was 
Aleicl van Culemborg, erfdochter van Buren en St. Maartendijk, 
die in 1471 stierf; zij schonk hem deze kinderen: 

a. Floris van Eginond, bijgenaamd Fleurtje Dunbier, 
graaf van Buren en Leerdam, heer van Ysselstein, St. Maar- 
tensdijk, Cranendonk, enz., stierf 1539, huwde Margaretha van 
Bergen 1), de zuster van Maximiliaan en Cornelis, heeren van 
Zevenbergen 2), welke hem deze kinderen schonk : Maximili- 
aan, graaf van Buren ; Walburg, die tot man had Robbert van 
der Marck, heer van Aremberg en Anna, die eerst huwde met 
Joseph de Montmorency en daarna Jan, graaf van Hoorn, 
heer van Altena. 

b. Wemmer van Egmond, heer van Ysselstein, die on- 
gehuwd stierf en een bastaardzoon Willem van Ysselstein 
naliet. 

Frederik van Egmond had ook een bastaardzoon, zooals 
blijkt uit eene Bossche Schepenakte van 1546 (Reg. n° 173 
f. 23), waarbij Domicellus Willelmus, filius legitimus quondam 
Domicelli Willelmi de Ysselsteyn, filii naturalis quondam no- 
bilis ac generosi domini, domini Frederici, comitis a Bueren, 
etc, ab eodem quondam Domicello Willelmo de Ysselsteyn et 
Domicella Theodorica, sua uxore legitima, filia quondam 
Gerlaci die Roever, pariter geniti, verkoopt 7 /s in eenen akker te 
Rosmalen, enz. 



4) Zij werden na hun huwelijk feestelijk te den Bosch ingehaald, 
zooals blijkt uit R. A. van Zuylen Stadsrekeningen I blz. 484. 
2) Taxandria VI blz. 53. 



— 127 — 

De tweede, wettige vrouw van Frederik van Egmond 
was Walburg van Manderscheid ; zij kreeg van hem het huis 
van Ysselstein in vruchtgebruik, van welken tocht zij 3 October 
1530 afstand deed ten behoeve van haren genoemden stief- 
zoon Floris van Egmond, zooals blijkt uit eene Bossche sche- 
penakte van dien datum (Reg. n° 138 f. 1 vso ), waarbij „Daniël van 
Gerwen, rentmeester des lants van Craendonck, als speciael ende 
behoirlic gemeen ticht tot sgheen des hier navol ght uuyt crachte 
van zekere oepene brieven van procuratie daer af geëxpedieert 
ende by de Edelre Waelgeboren ende vermogende Vrouwe, 
vrou Walburch van Manderscheyt, grevinne ende weduwe tot 
Bueren, tot Lederdamme, duwagiere tot Craendonck, etc, by 
huere uuythangende zegele besegelt ende hueren name onder- 
getekent, wesende van den date den 24 dach van Januario 
anno 1530, die tochte der voirgen, vrouwe Walburch compete- 
rende in sekere huysinge ende erven, met allen sijn toebehoerten, 
genoempt thuys van Ysselsteyn, gelegen bijnnen deser stat in 
de Orthenstraet by de Convente van Sinte Geertruden, heeft hy 
wittelic opgedragen den Edelen Waelgeboren ende zeer ver- 
mogenden heeren Floris van Egmont, grave tot Bueren ende 
Lederdamme, heere tot Ysselsteyn, tot Craendonck, capiteyn- 
generael der Keys. Mayesteyt in desen synen neder landen, 
tsamen met allen brieven ende rechten der voirgen. vrouwe 
daerinne competerende." 

Na doode van genoemden Floris van Egmond zal het 
huis van Ysselsten door zijne erven verkocht zijn geworden. 
Immers kort na zijn overlijden vinden wij het in het bezit 
van Lubbert Torck, den zoon van Godert en Margriet van 
Egmond voornoemd, daar hij toch blijkens van Heurn Beschrij- 
ving in het jaar 1542 een steen plaatste in den gevel van dat 
huis, waarop uitgehouwen waren twee wapens, waarvan het 
mannelijk dat van Torck was en het vrouwelijk een gekwar- 
tileerd wapen was, waarvan een kwartier dat van Hemert 
vertoonde. Hij plaatste verder in het oostervenster van de 
St. Geertruikerk een glas, waarin zijne beeldtenis gebrand was 



— 128 — 

met zijne vier kwartieren daar boven. Naar hem werd dit huis 
een tijd lang het huis van Hemert genaamd. Het zal van 
hem gekomen zijn aan zijnen zoon Frederik Torck, vermits 
den 12 Juni 1572 voor Schepenen van den Bosch diens weduwe 
Maria van Wittenhorst de Bossche raadsleden mr. Goyart Lom- 
baerts van Enckevoirt en Jaspar Jan Mathijszoon machtigde 
om voor haar gerechtelijk in te vorderen de huy shuer e oft 
hueringe van den huyse Ysselsteyn oft Hemert ende vier ca- 
meren oft huysen daertoe annex ende toebehoor ende. 

Later behoorde dit huis aan de Tafel van den H. Geest 
van den Bosch, krachtens welken titel blijkt echter niet ; alleen 
blijkt uit eene Bossche Schepenakte, te vinden in Reg. n° 252 
f. 514, datHenrick Heeren, raad van den Bosch, als meesteren 
rector van die Tafel dat huis 9 December 1594 verkocht aan 
mr. Jacob van Berchem 1), schout van Maasland, die de zoon 
was van Jacob, den zoon van Jan Gielis (of Michiels)zoon van 
Berchem. Zijne vrouw was Anna Gysselen, dochter van Gys- 
bert en Waltera van Gewande (dochter van Walterus van 
Gewande Willemszn en Judith Kuyst Henricksdochter), die hem 
deze kinderen schonk : 

a. Waltera, huisvrouw van J or . Dirck van Oss (hun 
zoon was Karel van Oss, geboren in 1601). 

b. Mr. Gijsbrecht, die huwde met Peterken, de dochter 
van Jan Peterszoon van Antwerpen en Aleid (de dochter van 
Everard, den zoon van Goeswijn Michielszn.), welke hem deze 
kinderen schonk : 

1°. Mr. Jan van Berchem, echtgenoot van Magda- 
lena van Oss ; hij erfde van zijne ouders (Schepenakte 
van den Bosch 23 Juli 1614 Reg. n° 658 f. 333) de erfse- 
cretarie der vrijheid Oss en der dorpen Lithoijen en Maren, 
mitsgaders de vorsterijen van Oss en Lithoijen. 

2°. Jacob van Berchem, erfde (akte alsvoren) van 
zijne ouders de erfsecretariën der dorpen Berchem, Heescli, 



1) Zijn broeder was Willem van Berchem. 



— 129 — 

Nistelrode, Berlicum, Rosmalen en Nuland, mitsgaders de 
vorsterijen van die dorpen 1). 
3°, Peter van Berchem. 
4°. Judith van Berchem. 
5°. Anna van Berchem. 

6°. Aelken van Berchem. Zij erfde blijkens laatst- 
bedoelde Schepenakte van hare ouders het hier bedoeld 
huis, dat daarin aldus omschreven werd : huis met tuin 
en achterhuis, staande aan de Orthenstraat te den Bosch 
tegenover H Convent van Sinte Gertrude. 

Aelken van Berchem zal waarschijnlijk ongehuwd zijn 
overleden, daar toch hare genoemde moei Wal ter a voor de 
eene helft en haar broeder Jan van Berchem, alsmede J or . 
Dirck van Oss haar oom, Jan Janszn van Antwerpen en Pauwei 
Raessen in hunne hoedanigheid van momboiren over hare min- 
derjarige broeders en zusters, zooeven onder 2° tot en met 5°. 
vermeld, voor de andere helft dit huis den 2 April 1615 (Reg. 
n° 252 f. 514), voor de som van f. 2708 aan de stad den Bosch 
verkochten ; het werd toen aldus omschreven : de groote huy- 
singe, voerpoerte, voerhuys aen de strate, stallinghe, galeryen, 
plaetse, hoff, erfenissen ende achterpoerte, uutgaende achter 
die Craen 2) opten Dieskant aldaer, gestaen ende gelegen 
binnen dese stadt in de Orthenstraet by de Heylich Crays- 
poerte, genoempt tlmys van Hemert oft hnys van Ysselsteyn, 
tussen erfenisse Jacobs van Tulden 3) naer de Vischstraet d'een 

1) Al de sub 1<> en 2° vermelde secretariën en vorsterijen zijn 5 Oct. 
1675 door Judith van Berchem voor Schepenen van den Bosch overgedragen 
aan haren neef Gijsbert Boonaerts. 

2) In eene Bossche Schepenakte van 3 507 (Reg. no 101 f. 380) heet 
deze kraan een edificium, daar toch bij die akte werd verkocht het huis in 
de Slang e retro edificium den craen ultra pon tem piscium. 

3) Dit huis had Jacob van Tulden, die lakenkooper te den Bosch 
en de zoon was van Gerard van Tulden, in 1610 gekocht van Roelof van 
Doirn Dirckszn. (Reg. no 309 f. 197;; deze had het huis verkregen bij akte 
in Reg. no 264 f. 305 ; den 5 Januari 1614 verkocht hij het weder aan 
Adriaan van Druenen Jan Willemszn. Zijne vrouw was Heylwich, dochter 
van Dirck van Meurs; toen zij weduwe van hem was, woonde zij in 
1630 te Oirschot; hun zoon was Theodoor van Tulden, de beroemde 
Bossche schilder. (Cf. Taxandria XVIII p. 118). 

13 



— 130 — 

syde ende tussen erfenisse eensdeels mr. Jan Typoets ende eensdeels 
die Bockhovenstraet d' ander syde, streckende voer van de Orten- 
straet achterwaerts totte strate achter de Craen opten Dieshant. 
Volgens van Heurn Beschrijving kocht de stad den Bosch 
dit huis om er een stedelijk depot van zout in te vestigen. 
Toen zij het daartoe niet meer noodig had, verkocht zij het 19 
Januari 1657 (Reg. n° 411 f. 332) met het daartoe behoorend 
huisje, waarin de Kraankinderen plachten te vergaderen, aan 
Willem van Bree, koopman te den Bosch ; het werd alstoen ge- 
zegd te zijn : een huys ende erve ivilner Jans Comans, gelegen 
in de Orthenstraet by de steenen Binnenpoort, nu zijnde de 
groote huysinge enz. (alsvoren) by de H. Cruyspoort, genoemt 
't huys van Hemert oft 't huys van Ysselsteyn en te staan 
tusschen de Bokhovenstraat ex uno en het huis van mr. Peter, 
scherprechter en het erf van Gerard Andrieszn. van Gelder 
ex alio. Het huis van mr. Peter, scherprechter, was dat, het- 
welk Jacob van Tulden als voorzegd in 1610 had gekocht; 
de erfgenamen van genoemden mr. Peter, wiens familienaam 
was van Olclenburgh en die beul was te den Bosch, verkochten 
26 Mei 1702 (Eeg. n° 514 f. 417) dit huis aah na te noemen 
Pieter van Bree; het werd toen gezegd zich achterwaarts uit 
te strekken tot aan een huis, dat aan cle Haven achter de 
Kraan stond tusschen het huis van Ysselstein ex uno en het 
huis de Drie paternosters ex alio en ook aan meergenoemden 
mr. Peter toebehoorde ; diens erven verkochten het op laatstge- 
melden datum eveneens aan gezegden Pieter van Bree. Genoemde 
Willem van Bree had 13 Maart 1683 (Eeg. n° 477 f. 70) van 
Maria Herincx weduwe van Johan van Kessel 1) bij het huis 
van Ysselstein reeds aangekocht: a een nieuw huis of pakhuis, 
staande op den hoek van cle Bokhovenstraat tusschen het erf 
van den kooper ex uno en het volgend huis ex alio; b een 
huis in dezelfde straat tusschen laatstgemeld huis ex uno en 
het erf van den kooper ex alio, terwijl zijne weduwe van 

4) Deze verkoopster had deze beide huizen verkregen van Mag- 
dalena Herincx weduwe van Mathijs van Kessel. 



— 131 — 

de stad den Bosch 7 Augustus 1685 (Keg. n° 503 f. 101) bij het 
huis van Ysselsteyn nog aankocht de Bierdragersvergaderplaats, 
zijnde een bouwvallig huisje, staande aan de Smalle Haven en den 
hoek der Bokhovenstraat tusschende erven van haar, koopster. 

Meergenoemde Willem van Bree had het huis van Yssel- 
stein en de andere huizen, die hij, als gezegd, kocht, gekocht 
om daarin op te richten eene glasblazerij tot het vervaardigen 
van wijn- en bierglazen en allerhande andere voorwerpen van 
wit glas. Ziehier hoe van Heurn dit mededeelt in zijne Historie 
III blz. 83 : 

„In den jaare 1656 werd hier ter stede eene glasbla- 
zerye door zekeren Willem van Bree, koopman en burger hier 
ter stede, opgeregt. Hy verzogt hiertoe verlof van de Eegee- 
ring voor den tijd van 14 of 20 jaaren met uitsluiting van alle 
anderen en vrydom van stads accijnsen. De Begeering (van 
den Bosch) benoemde eenigen uit den haare om over de voor- 
waarden daarvan met hem nader te handelen en wanneer zy 
verslag deden, dat dit werk voor de stad niet ondienstig was, 
besloot de Regeering de opregting eener glasblazerye aan van 
Bree toe te staan. Voorts gelaste zy, dat geene vreemde glase- 
kramers in de stad eenige glaasen zouden mogen brengen dan 
op de week- en jaarmarkten op de verbeurte van dezelven en 
eene boeten voor ieder glas, dat verkogt werden. Zy zouden 
die glasen op dezelve boete niet langs de deuren mogen dragen 
en verkopen. Van stadswege zoude aan van Bree eene huizinge, 
by de Ortenbinnenpoort gelegen, het huis van Ysselstein ge- 
naamd, alsmede zeker huisje, waarin de Kraankinderen plegen 
te vergaderen, voor vier duizend guldens, om tot eene glasbla- 
zerye te gebruiken, opgedragen worden. Den medestander van 
van Bree zoude het poorterschap geschonken worden. Het ge- 
melde huis zou de vrijdom van inlogering, van ruiters en 
soldaaten genieten, zo lang het tot een glasblazerye strekte. 
Hun houtschip 1) zoude agter hetzelve huis mogen losschen en 

1) N.l. het schip, dat moest aanvoeren het hout benoodigd tot 
het stoken der glasblazerij. 



— 132 — 

indien een ander schip aldaar lag, zonde dit verlegt moeten wor- 
den. Ook zoude de Glasblazery van stadslasten op het hout en den 
turf vry zijn Deze Glasblazery is thans nog in stand. In dezelve 
worden allerlei drinkglazen en ander wit glaswerk gemaakt." 

Blijkens E. A. van Zuylen Stadsrekeningen II p. 1470 
ontving Willem van Bree 5 Juli 1658 van de stad fl. 60 tot 
eene vereeringe van dat hy de samentelycke heer en van de 
regeringe liadde versocht voor d'eerste reyse te willen comen 
sien het blasen der gelasen in de gelaesblaserye, waaruit blijkt, 
dat toen reeds deze fabriek in het huis van Ysselstein in volle 
werking was. 

Genoemde Willem van Bree behoorde tot een Akensch 
geslacht; zijne ouders waren Willem van Bree en Elisabeth 
van Meven, welke beiden in 1654 reeds waren overleden, daar 
toch in dat jaar Dirk van Bree voor Schepenen van den Bosch 
zijne vrouw Elisabeth van Niel en zijnen oom Jacob van Meven, 
koopman te Aken, machtigde om met zijnen broeder te deelen 
de nalatenschappen zijner ouders. 

Willem van Bree, de Bossche glasblazer, overleed 1 Juli 
1683; zijne vrouw was Jenneken Somers (dochter van Peter Wil- 
lemszn en Aelken, de dochter van Henrick Boudewijns), die 4 Sep- 
tember 1696 stierf; beiden werden in de St. Janskerk te den Bosch 
begraven onder eene grafzerk, welke zich aldaar nog bevindt. 

Hunne kinderen waren : Pieter of Pedro van Bree, die 
in 1723 te den Bosch ongehuwd stierf; Mathias van Bree, die 
13 Juni 1688 te den Bosch, als wanneer hij aldaar op den Hoo- 
gen steenweg woonde, huwde met Maria Suyskens, woonachtig 
aldaar in de Verwerstraat, en Aldegonda van Bree, welke laatste 
ook ongehuwd schijnt te zijn overleden. 

Van hen zetten Pieter en Mathias de glasblazerij huns 
vaders in het huis van Ysselstein voort; dit huis kreeg naar 
dat bedrijf den naam van het glashuis. 

Van den medestander van Willem van Bree in deze 
fabriek, over wien van Heurn t. a. p. het heeft, blijkt uit de 
Bossche Schepenakten niets, zoodat hij in den Bosch geene be- 






— 133 — 

zittingen op zijnen naam zal hebben gehad en wellicht aldaar ook 
niet zal hebben gewoond 1). Hij heette Henri Bonhomme en 
ontving 17 October 1658 het poorterschap van gezegde stad, 
hetgeen in haar poorterboek aldus vermeld staat : Henry Bonhom 
is by acte der heeren schepen ende raedt deser stadt in dato 
den 17 Octobris 1658 geworden poirter deser stadt ende heeft 
daerop gedaen den behoirlicken eedt 26 Juli 1659. 

Was genoemde Bonhomme blijkbaar een Waal, zeker was 
dit aanvankelijk het personeel dezer fabriek. Daartoe behoorde 
o. a. Jean Mahye, die van zijne vrouwe Marguerite Ballet (of 
Ballay) te den Bosch in het E. K. bedehuis van St, Pieter deze 
kindereu liet doopen: 

1688 13 November Maria. 

1692 1 Mei Jacobus. 

1694 18 Januari Maria Geertruid. 

1695 28 October Robertus. 

1698 3 Augustus Joannes Franciscus. 

De laatstgenoemde dezer kinderen woonde in 1736 te 
Kotter dam, terwijl de voorlaatstgenoemde, Robertus, in 1721 
meester glasblazer in gemelde fabriek was; hij huwde met 
Maria Geertruid van der Vaart, die hem deze kinderen schonk : 

a. Johanna ; 

b. Johan Francis, die huwde met Maria Hof mans, welke 
in 1799 weduwe van hem was; hij was de stamvader van de 
familie Mahie van Boxtel en Liempde, waarvan het laatste 
mansoir, zijnde Gerard Mahie, 12 Juni 19u6 op het huis van 
Stapelen onder Boxtel overleed; 

c. Arnoldus Mahie. 

Over het personeel dezer fabriek vermeldt van Heurn 
in zijne Beschrijving nog het volgende: 

1) Het lidmatenboek der Nederduitsch-Hervormde kerk te den Bosch 
houdt in, dat 9 October 1687 daarvan met attestatie lidmaat werd Michiel 
Bonhomme, wonende in Torenstraat en dat deze 3L Mei 1692 naar Nieu- 
wenhoorn vertrok. Of hij Henri Bonhomme in den bloede bestond blijkt 
evenwel niet. 



134 



Omtrent twee jaaren geleeden (wanneer dit was vermeldt 
hij niet) heeft de eigenaar (der glasblazerij) een glasenslijper 
uit Engeland bekoomen, na welken tijd er zulken fraai glas- 
werk gemaakt werd, dat zulks het Engelsche evenaarde; doch 
ederd eenigen tijd zijn de eigenaar en de slijper het oneens 
geworden, waardoor hel te vreesen is, dat die geheele hantee- 
ring te niet zal loopen. 

In 1766, toen stadhouder prins Willem V een bezoek 
aan den Bosch bracht, was deze glasblazerij blijkbaar nog in 
vollen bloei, want hij bezichtigde haar toen 1). 

Mathias van Bree, die na cloode zijns broeders Pieter 
waarschijnlijk alleen de glasblazerij zal hebben gedreven, her- 
trouwde na doode zijner genoemde vrouw in 1693 met Geertruicla 
Cornelia Schouten, toen woonachtig te Amsterdam; zij schonk 
hem deze kinderen, wier afstammelingen het huis van Ysselstein 
bezaten: a Johanna Cornelia van Bree, gedoopt te den Bosch 
in het E. K. bedehuis van St. Jan 24 Maart 1694; zij trouwde 
met Jean Pierre d'Henssens, wonende te Antwerpen en b Cor- 
nelia (ook wel genoemd Cecilia) Maria van Bree, die de echt- 
genoote werd van mr. Pieter Tiarck, wonende te Leiden en hem 
deze kinderen schonk: Petronella Geertrudis, die ongehuwd 
stierf, en Maria Jacoba Tiarck. 

Den 20 Juli 1787 verkochten Jkvr. Geertrudis Carolina 
d'Henssens en Antonia Johanna Maria d'Henssens; Elisabeth 
Johanna Ignatia d'Henssens weduwe van J or . Jean Joseph 
van Kessel; Joanna Maria d'Henssens weduwe van J or . Jean 
Pierre Ernest de Caters; Pierre Bals als momboir over J or . 
Michiel d'Henssens, minderjarigen zoon van wijlen Mathias 
Xavier d'Henssens 2) en Anne Jeanne Adrienne Wilmot, als ook 
als momboir over de minderjarige kinderen van voornoemde 
douarière de Caters; (zijnde genoemde personen, die allen te 
Antwerpen woonden, met na te noemen Adrienne Knyfï geb. 

1) Van Heurn Historie IV. p. 223. 

2) Hij was broeder van de drie eerstgenoemde Jonkvrouwen 
d'Henssens. 



— 135 — 

d'Henssens eenige kinderen, kindskinderen en erfgenamen van 
wijlen de echtelieden Jean Pierre d'Henssens en Jolianna Cor- 
nelia van Bree); J or . Petrus Garolns Josephus Knyff en zijne 
vrouw Adrienne d'Henssens, dochter van Mathias Xavier en 
Anne Jeanne Adrienne Wilmot, wonende te Brussel; Maria 
Jacoba Tiarck Walta 1) gravin douairière Jean BaptisteFrancois 
George graaf d'Oultremont de Wegimont en Marie Elisabeth 
de Meex huisvrouw van Rogier de Blavier, beiden wonende te 
Luik, — aan Willem Vosch van Avesaet, kapitein ter zee te 
den Bosch, echtgenoot van Magdalena Juliana Senff : huis en 
erf, van ouds genaamd het huis van Hemert of het huis 
Ysselstein, geapproprieerd en tot hiertoe gebruikt tot eene 
glasblazerij, met alle daartoe behoorencle gebouwen, pakhuizen 
en gereedschappen, staande aan de Orthenstraat bij en aan de 
Binnenpoort, mitsgaders nog zes huizen en erven daarbij en 
aan gelegen in de Orthenstraat, het Bokhovenstraatje en de 
Smalle Haven, en begrensd O. de Orthenstraat, W. de Smalle 
Haven, N. het Bokhovenstraatje en Z. het erf der wed. G. van 
Amelsvoort. Genoemde Vosch van Avesaet heeft daarop het huis 
van Ysselstein, waarvan van Heurn Beschrijving ook nog me- 
dedeelt, dat het toen reeds merkelijk veranderd en verkleend 
was, met de daarbij behoorencle poort afgebroken en in 1789 
in de plaats daarvan gebouwd het thans nog bestaande kapi- 
tale heerenhuis met poort, genummerd n°. 36. Den 1 Februari 
1800 verkocht hij dit huis aan Augustinus Tilmanus van Rycke- 
vorsel, Thomas Cornelis van Ryckevorsel, Bernard Jacob Half 
Wassenaer van Onsenoort, Eugenius de Massen en Jacobus 
Cornelis van Bommel, allen wonende te den Bosch. Het werd 
toen ingericht tot eene factorij van koloniale waren ; later w r erd 
het een bankiershuis en thans wordt het met de daartoe be- 
hoorende gebouwen aan particulieren verhuurd; eigenaars daar- 
van zijn thans Jan van Ryckevorsel, w r onende te den Bosch 
en zijn broeder Herman van Ryckevorsel, wonende te Vught. 



1) Zij werd geboren te Leiden 26 Aug. 1727. -[ te Antwerpen 21 
April 1802 en huwde met haren genoemden echtgenoot te Leiden in 1750. 



— 136 — 

■ c. De Strikkenpoort. 

CN°. 16). 

Over dit huis, dat aan de Orthenstraat eenige huizen ver- 
der Vischstraatwaarts dan het Huis van Ysselstein en aan den- 
zelfden kant als dit huis stond, deelde van Heurn in zijne 
Beschrijving mede: „het is een oud doch sterk gevaarte, dat 
door de tegenwoordige bezitters merkelijk van binnen is ver- 
beterd ; boven de poort dier huizinge staat nog het wapen van 
Strik met een ander, hetwelk my onbekend is. Dit huis word 
thans voor een logement en uitspanning gebruikt." 

De oudst bekende eigenares van dit huis was Arnolda 
weduwe van Jan Gysselen Janszn., die hetzelve, als wanneer 
het omschreven werd: als erfenissen, huizen en erven, staande 
en gelegen in de Orthenstraat tusschen het huis van Willem 
van Venlo ex ano en dat van dezen en van de erfgenamen 
van Petrus Hugenzoon en Petrus van Loen, zoomede de kin- 
deren van dezen laatste, ex alio, bij gerechtelijke uitwinning 
verkregen had; zij verkocht dit huis, clat nu gezegd wordt te 
zijn: domus et area anterior ac vacua hereditas, sibi retro 
adjacens, olim Johannis Reymbrants, dehinc ejus heredum, ge- 
legen aan de Orthenstraat tusschen de erven van Aleid wed. 
Willem van Venlo ex utroque latere en zich achterwaarts uit- 
strekkende tot vijf huisjes, eertijds van genoemden Rembrants, 
nu aan diens erven toebehoorende, alsmede een gang met poort 
daarachter loopende, aan Gyselbert van denpolle 1) Arndszoon 
en aan Dirck, zoon van Arnd Dirckszn. ; dezen beiden deelden 
bij eene akte van scheiding dit huis, — dat toen omschreven 
werd als: huis met area anterior, ledige plaats, sibi retro adja- 
cens, en gang, — aan genoemden Gyselbert van den Polle toe. 
Diens dochter domicella Johanna weduwe van Gerard Sandelyns, 
zoo voor zich en als gemachtigde, blijkens procuratiebrieven 

1) In 1505 was hij reeds overleden met achterlating eener weduwe 
Beatrix geheeten. Reg. n° 92 f. 72, 



— 137 — 

door de Regeering der stad Antwerpen verleend, van Adriaen 
Vleedincx en diens vrouw domicella Aleid van Amstel, dochter 
van Gysbert van Amstel en Elisabeth, de dochter van Gyselbert 
van den Polle voornoemd; Jan Sterckenborch, zoon van Jan 
Janszn., burger van Keulen, en Postulina, dochter van genoem- 
den Gyselbert van den Polle; mr. Jan van der Stegen 1) als 
man van domicella Postulina, dochter van Jan Janszn. Stercken- 
borch en Postulina van den Polle ; Mathias, Gysbert en domi- 
cella Anna, kinderen van laatstgenoemde echtelieden Stercken- 
borch-van den Polle; domicella Adriana, dochter van Jan van 
Kessel 2) en domicella Elisabeth, dochter van Gyselbert van 
den Polle voornoemd; mr. Gooswijn van der Stegen 3) als 
man van Anna, dochter van Jan Kessel en domicella Elisabeth 
voornoemd en Henrica, onmondige dochter van Henricus, den 
zoon van Jan van Kessel en domicella Elisabeth voornoemd, 
verkochten 13 Januari 1538 (Reg. n° 155 f. 77) dit huis, dat 
nu gezegd wordt te zijn huis area anterior, ledige plaats, 
sibi retro adjacens en gang met poort, aan Jan Strick. Naar 
dezen kreeg het den naam van de Strikkenpoort. De oudst 
bekende van zijn geslacht was Nicolaus Strick, clie een zoon 
Goijart had, welke slachter te den Bosch was 4) en tot zoon 
had Nicolaus Strick; deze huwde met Elskenen, die hem de 
navolgende kinderen schonk: 

Arnolda Strick; 

Yda Strick en 



1) Hij was zoon van mr. Jan van der Stegen en Margaretha Kemp; 
hij was schepen van den Bosch, werd geboren 1494 en stierf 17 Januari 1567. 

2) Hij was schout van Boxtel 

3) Hij was ook zoon van mr. Jan van der Stegen en Margaretha 
Kemp; hij was eveneens schepen van den Bosch en stierf 15 October 1577. 

4) Beatrix weduwe van Jan van Uden, bakker, Jan van der Zijde- 
wijnen als man van Yda en Goijart de Bye Dirckszoon als man van Eli- 
sabeth, dochters van Henrick van den Ackeren, den vader van genoemden 
Jan van Uden, verkochten 29 Juli 1485 aan hem eene vleeschbank in 
het Vleeschhuis of Macellum te den Bosch. Zijne kleinkinderen Lambert en 
Jan Strick, Joirden van Maren, als man van Agnes Strick; Goijard Strick, 
Gielis Glerx als man van Heskenen Strick en Anthony Sebastiaanszn. als 
man van Ermgard Strick, verkochten 27 Juli 1564 die bank aan Jan 
Heeren Jacobszn. (Reg. n° 210 f. 450). 



— 138 — 

voornoemden Jan Striek; deze huwde met 1° Antieken Stooters, 
dochter van Mathijs Lambertszn en Ermgard, de dochter van 
Jan, den zoon van Albert Valckens van Maren; 2° Elisabeth 
Pijnappel Jans dochter; hij had van die vrouwen deze kinderen: 

Ex l ma 

Lambert, Goijard, Jan, (Reg. n° 213 f. 107 v so ), Agnesen, 
gehuwd met Jonden van Maren Adriaanszn.. Heskenen, huis- 
vrouw van Gielis Clercx en Ermgard, echtgenoote van Anthony 
Sebastiaatiszn. 

Ex 2 dd . 

Willem, Claes, Elisabetli, Antieken, Heylken en Elsken. 

Het huis de Strikkenpoort werd uit hunne vaderlijke 
nalatenschap toebedeeld aan Goijard en Jan Striek voornoemd 
tijdens dat dezen nog onmondig waren; hunne voogden, zijnde 
Gooswijn en Jacobus Heeren, Jan en Petrus Stooters Mathijs- 
zonen, verkochten den laatsten September 1560 (Reg. n° 203 
f. 490 v so ) dit huis, dat ook nu gezegd werd te zijn: huis, 
area anterior, hereditas vacua, transitus et porta, aan Lam- 
bert Striek, den ouderen broeder van die minderjarigen. Hij 
was slachter van beroep evenals zijn broeder Goijard; in 1593 
verkocht hij voor schepenen van den Bosch: duos stallos seu 
scamma, dictos vleesbanken, in het Vleeschhuis aldaar, die 
zijn broeder Goijard hem 11 Februari 1574 verkocht had, aan 
den Deken van het Vleeschhouwersgilde te den Bosch en in 
1571 procedeerde hij over door hem verkochte ossen. In 1566 
(Reg. n° 215 f. 230) verleende hij eene grondrente uit dit 
huis, clat alstoen omschreven werd als: huis, area anterior, 
ledige plaats, gang en poort, staande aan de Orthenstraat 
tusschen de huizen van Catharina en van Henrick van den 
Bichelaer en zich achterwaarts uitstrekkende tot aan de Haven. 

Lambert Striek voornoemd huwde met Aalken of Aleid, 
dochter van Hans Gijsbertszoon van Amstelredam en Dieriks- 
ken, de dochter van Philips, den zoon van Peter Wouterszoon 
Heeren 1); zij was in 1593 reeds overleden, hij leefde nog in 1613. 

1) Reg. no 213 f. 111. 



— 139 — 

Hunne kinderen waren Johauna, Elisabeth en Aleid Strick, 
welke beide laatstgenoemden dit huis nog in 1630 en 1643 
bezaten (Reg. n° 333 f. 23); eenige jaren te voren, zijnde in 
bet jaar 1622, w T as het tijdelijk ingericht geweest tot kazerne 
voor het Koningsgezind garnizoen. Aan wien dit huis van de 
beide laatstbedoelde meisjes Strick kwam, blijkt niet met zeker- 
heid ; wellicht erfde het van haar Jaspar Strick, koopman te 
den Bosch, daar hij toch in 1652 als eigenaar daarvan optrad; 
immers den 25 Juni van dat jaar (Reg. n° 402 f. 159) ver- 
leende hij aan Jacob Willemszn, de Raedt ten behoeve van 
diens moeder Judith, weduwe van Willem de Raedt, eene 
grondrente uit dit huis, alsnu omschreven als : huys met erve, 
poorte, cleyn huys daer neffens, erven, hoff, achteruytganck, 
staande aan de Orthenstraat tusschen een huis van het Groot 
Ziekengasthuis ex uno en dat der kinderen Jan Joosten ex alio y 
strekkende met den achteruitgang tot aan de kade en het 
water. Zijn vader Hans Strick, koopman in wollenlakens en 
schepen te den Bosch 1), was zoon van AVillem Strick 2), den 
zoon van Jan, welke de zoon was van voornoemden Jan Strick 
Nicolauszoon. Johan Karsmans, koopman te den Bosch, die 
gehuwd was met Mechteld, cle dochter van genoemden Hans 
Strick, verkocht de Strikkenpoort den 29 Mei 1656 voor schuld, 
vermoedelijk ten laste van zijnen zwager Jaspar Strick, die 
waarschijnlijk wegens overbedeeling geld aan hem was sdmldig 
gebleven; dat huis werd toen gekocht door Anneken Martens 



1) Zijne grafzerk, die in de St. Janskerk te den Bosch ligt, staat 
afgebeeld in van der Does de Willebois Studiebeurzen III p. 107. De daarop 
staande kwartieren waren volgens van Heurn Beschrijving de volgende : 

Strick Boort 

Haestrecht Beelaerts 
Stooters Kessel 

Van den Broeck 

Zijne vrouw was Maria van Susteren, dochter van Peter Franszoon 
en Metken, de dochter van Eduvvaert Wellens. 

2) Den '28 Juli 1613 huwden in de St. Peter en Pauluskerk te 
den Bosch Willem Strick en Catharina Jansdr. ; getuigen waren daar* 
bij Jan Strick en Frans Loeff. 



— 140 — 

weduwe van Jacob Lambertszoon Creeft in vruchtgebruik en 
door hare kinderen in eigendom. 

Den 7 December 1678 deed Agnes, dochter van ge- 
noemde echtelieden Creeft en weduwe van Jan van Middeldorp 
ten behoeve harer onmondige kinderen afstand van het recht 
van vruchtgebruik, dat zij van een vierde in dit huis had, 
waarna zij namens die kinderen; Johannes de Heyde als man 
van Maijken, dochter van Jacob Creeft en Anneken Hartens, 
voornoemd; Johan Heeren, burger van den Bosch, als man van 
Metje, dochter van meergenoemde echtelieden Creeft en de 
voogden over Elisabeth en Metje, dochters van wijlen Lambert, 
zoon dierzelfde echtelieden Creeft, dit huis verkoopen, dat alsnu 
omschreven wordt als eene schoone, wel gelege huyssinge met 
een poortte, met een cleyn liuys daerneffens staende 1), erven, 
hoff, stallinge, achteruytganck, genoemd Strickenpoort, staande 
eenerzijds naast het huis van het Groot Ziekengasthuis en 
anderzijds naast dat der erfgenamen van Jan Joostzoon van 
Nieupoort en zich achterwaarts uitstrekkende tot aan de kade 
en het water de Dieze. Kooper daarvan werd toen Herman van 
Beest, burger van den Bosch. Zijn vrouw, die Johanna de Jongh 
geheeten was, hertrouwde, nadat hij was overleden, in 1682 
met Isaac Elsevier, jongman uit St. Michiels- Gestel en secretaris 
der baronie van Hedel 2) en zoo zal het geschied zijn, dat toen 
de op blz. 89 genoemde Wouterina van Beest, die eene doch- 
ter van genoemden Herman Beest was, ongehuwd was komen 
komen te overlijden, 3) de cadet Jan Cornelis Elsevier 4) de 
Strikkenpoort van haar erfde. Van dezen laatste erfden dit 
huis zijne zuster Catharina Elsevier, echtgenoote van mr. Antonij 
Versfelt, toen advocaat en notaris te den Bosch; zijn broeder 



1) Dit huisje was gebouwd op de area anterior, waarvan in de 
voormelde akten de rede is. 

2) Later was hij schepen van den Bosch en drossaard van St.- 
Michiels-Gestel. 

3) Haar broeder en zuster Cornelis en Anna Geertruid van Beest 
waren blijkbaar reeds vóór haar gestorven. 

4) Hij was kleinzoon van genoemden Isaac Elsevier. 



— 141 — 

Pieter Elsevier, wonende te Geldermalsen en de kinderen van 
zijnen overleden broeder Isaacq Willem Elsevier, in leven vaan- 
drig te Grave, over wie moeder-voogdes was diens weduwe 
Cornelia Bokx, wonende aldaar; zij verkochten de Strikken- 
poort, die toen grensde aan de huizen van Roelof Snell en 
Cornelis van Warmond, den 22 Juni 1748 aan Martinus van 
Summeren, ook wel van Someren genoemd. 

Martinus van Summeren of van Someren, die wel geen 
bloedverwant zal geweest zijn van den bekenden Bosschen 
rechtsgeleerde van dien naam, werd te Oirschot geboren en was 
leerlooier te den Bosch, alwaar hij in 1734 huwde metHendrina 
Theresia van Venroy, eerder weduwe van Lambertus Prince 
(van wien zij eene dochter Maria Elisabeth Prince had) en 
dochter van Dirck Mathyszoon van Venroy en Helena Willems. 

Omtrent hare familie staat in een oud handschrift aan- 
geteekendf dat sy binnen Den Bosch heeft gefloreert ten min- 
sten 4 eeuwen (1400—1700), sijnde deselfde noyt afgeweken 
van het H. Roowsch Catholieck geloof; deselfde familie is 
altijdt vermaert geweest door het smeden, seer konstigh in 't 
eyser etc. werckende, hebbende oock gemaeckt die kurieuse 
pomp, dien te Bosch op de Merckt staet. De stadt uitroepers 
bel is oock erffelijck aen die familie geweest, hebbende Liven 
van Venroy 1) tot sijn doot toe die beseten, t. w. tot ontrent 
het jaer 1700. 

Hendrina Theresia van Venroy schonk haren tweeden 
man o. a. Adriana Mechtilda van Someren, die huwde met 
Marinus van Heylerhof, woonachtig te Maastricht; den op blz. 
110 reeds genoemden Hendricus van Someren, die 14 Mei 1741 
in het R. K. bedehuis van St. Pieter te Den Bosch gedoopt 
werd en factoor of expediteur te den Bosch was 2) en Anna 



1) Hij was een zoon van Mathijs van Venroy, die de broeder was 
van Dirck, den grootvader van Dirck Mathyszoon van Venroy voornoemd. 
Ook hij was smid van zijn ambacht. In 1700 trad zijne weduwe Maria 
van der Horst op als moeder-voogdes zijner twee onmondige zonen. 

2) Het beroep van factoor of expediteur was in de 18e eeuw te 
den Bos^h eene winstgevende zaak, omdat sedert het sluiten van den 



— 142 — 

Maria van Someren, die huwde met Cornelis de Wijs, wijnkoo* 
per en brander te den Bosch, geboren te Vessem 7 Februari 
1737 uit het huwelijk van Franciscus de Wijs met Cornelia 
van Poppel Everardsdochter. 

In lat eren tijd was de Strikkenpoort het eigendom van 
H, C. Dobbe, lid van den Gemeenteraad te den Bosch. In het 
daartoe behoorend zijgebouw werd zijn zoon pater Joseph Dobbe 
geboren, die in 1900 in China voor het Katholiek geloof den 
marteldood stierf en wiens monument in de St. Pieterskerk te 
den Bosch staat. 

Van de erven van H. C. Dobbe voornoemd kocht de 
firma P. de Gruyter en Zn. dit huis. Zij deed het met de daarbij 
behoorende poort, waarop al sinds lang geene wapens meer 
stonden, in 1911 geheel afbreken. 

d. De Lintmolen. 

(Tweede straatje van Best n° 1). 

Ter plaatse, waar zich thans de kapitale school dei- 
parochie St. Pieter bevindt, stond eertijds tusschen de beide 
straatjes van Best 1) een gebouw, dat een tijdlang den naam 
van de Lintmolen had. Catharina, eenige dochter en erfgename 
van mr. Jan Lantfort van Turnhout 2) en weduwe van Huy- 
brecht van den Leemputte, verkocht 10 Januari 1625 (Reg. 
n° 350 f. 111 v so ) dit huis, dat haar vader bij gerechtelijke 
uitwinning had gekocht, aan den schoenmaker Andries Willemszn. 



vrede van Utrecht tal van tollen opgericht waren op de Bovenmaas en 
dientengevolge de kooplieden van Holland, die goederen naar Luik of 
Aken te vervoeren hadden er de voorkeur aan gaven om ze te den Bosch 
te ontschepen dan al die tollen te betalen. Sedert dat de Leuvensche vaart 
gegraven werd, is echter de expeditiehandel te den Bosch gaan verminderen. 

1) In eene Bossche Schepenakte van 1522 wordt vermeld : mansio 
olim Johannis de Best, dicta 't straetken van Best. In 1530 bezat Arnold 
van Best Willemszn. een huis in de Orthenstraat te den Bosch (Re^. 
no 139 f. 280). 

2) Deze als man van Heylwig, dochter van Jan Colen Henrickszn. 
van Helt, c. s. verkocht in 1590 aan Huybrecht van den Leemputte Hen- 
rickszn een huis, staande in de Verwerstraat tegenover de Beurdschestraat. 



— • 143 — 

van Affelen. Eene kleine eeuw later en wel in 1707 verkochten 
Authony de Vlieger 1), postmeester te den Bosch, als gehuwd 
met Eleonore Marguerithe Hubert, eerder weduwe van Maurits 
van Eelde, in leven commies ter recherche te den Bosch, die dit 
huis 22 Dec. 1598 gekocht had van Anna Catharina Pappers 
c. s., alsmede de erfgenamen van genoemden van Eelde, op hunne 
beurt dit huis en wel aan Johannes van der Linden, koopman 
te den Bosch. Genoemde Anthony de Vlieger was in 1606, 
evenals Johan Crabbe, Samuel Fabre en Coenraed Cuper van 
Holthuysen, post- en boden me ester van den Bosch op Holland 
enz. ; zijne vrouw was de dochter van Thomas Hubert en 
Catharine Tiecquet. 

Later behoorde dit huis aan de echtelieden Martinus 
van Someren en Hendrina Theresia van Venroy, hiervoren op 
blz. 141 reeds genoemd; hunne dochter Adriana Mechtilda van 
Someren, huisvrouw van Marinus van Heylerhof, wonende te 
Maastricht, verkocht het 23 Augustus 1771 aan haren broeder 
Henricus van Someren, factoor te den Bosch ; het werd als toen 
omschreven als : twee huizen onder een dak, genaamd de Lint- 
molen, sedert eenige jaren ingericht tot een pakhuis en staande 
tusschen de twee straatjes van Best. 

De naam lintmolen duidt aan, dat in dit huis oudtijds 
eene lintfabriek gevestigd was. Voorheen waren er in den Bosch 
vele van die fabrieken, waar men het zoogenaamde Bossche band 
maakte, dat een goeden naam in den lande had. Ten tijde van 
van Heurn was deze tak van industrie in den Bosch reeds in 
verval 2) en thans is er in den Bosch maar één lintfabriek 
meer. Van Heurn vermeldt nog, dat toen in den Bosch het 
lintwerken begon te vervallen, de twijnerijen aldaar toenamen 
en die ten zijnen tijde aldaar eene voorname nering uitmaakten ; 



1) In 1771 werd voor Schepenen van den Bosch een gedeelte in 
een aldaar staand huis verkocht door Judith van den Oudenhof weduwe 
van Johannes de Vlieger, zoon van Carel en Agneta Kies (eigenlijk genaamd 
Kisch). Men zie over deze de Vliegers De Wapenhernut 1909 p. 62 en vlgd. 

2) Dit was het gevolg van den invoer hier te lande van goed- 
kooper band uit Elberfeld. 



— 144 — 

er waren er alstoen wel tien en daaronder meer dan een e, 
waarin met vijf of zes molens gewerkt werd; de garens, die 
men voor de Bossche twijnerijen bezigde, werden van inlandsen 
vlas zoo binnen den Bosch als in de nabijheid daarvan gele- 
gen dorpen gesponnen, hetwelk wel aan twee duizend spinsters 
zoo binnen als buiten de stad een bestaan opleverde; ook de 
Bossche garens hadden een goeden naam in den lande. 
Wat verder marktwaarts had men de huizen: 

e. De Gulden hopzak (huis no. 3), de Struis en de 
Gulden brouwkuip (huis no. 1). 

Van deze drie huizen, had het eerste, gerekend als men 
kwam van Orthen, den naam van de Galden hopzak; heette 
het tweede de Struis of wel de Vogel Struis, ook wel de 
Gulden Struis en het derde eerst de Wildeman, later de Gul- 
den of de Vergulde brouwkuip. 

Het eerst bedoelde huis werd 9 Februari 1564 (Reg. 
n° 236 f. 4) door Dierck 1) en Margriet Loeff, kinderen van 
Henrick Loeff den oude; door Jan, zoon van Albert Wellens en 
van Agnes, de dochter van genoemden Henrick Loeff, alsmede 
door genoemde Dierck, Margriet en Jan namens Henrick en Leo- 
nard, onmondige kinderen van Alberts Wellens en Agnes Loeff 
voornoemd, verkocht aan den bierbrouwer Wouter, zoon van 
Jan Gooswijnszn van Uden; het werd alstoen gezegd te zijn: 
vhuys, erve, hoff met twee af terhuysen, onder een dack staende 
ende eenen stalle, daer achteraen staende, gelegen aen den 
Hoogen Steenweek tegenover de Visstraet tussen erve Gijsbert 
Henrickszn. aen d'een syde ende tussen erffnisse Hanrix van 
Gangel, laeckencooper aen d'ander syde, streckende van de 
voors. straete tot den water aldaer loopende. 



1) Den 27 Mei 1575 (Reg. no. 225 p. 217) verklaarden voor Schepe- 
nen van den Bosch Bartholomeus Loeff, raad dier stad en Henricus, zoon van 
Albert Wellens, graankooper, beiden poorters van den Bosch en eerlijke 
mannen, ten verzoeke van Frans, zoon van Dierck Loeff, uit Heusden, dat 
deze is van goeden naam en faam, probae vitae, nullaque labe heretica 
infectum esse. 



<f^RE7 



* 






-I- für -§~ 









HET HUIS DE GULDEN HOPZAK. 
ORTHENSTRAAT N° 3. 



Behoort bij blz.^i45_ 



- 145 — 

Genoemde van Uden brak daarop al de gebouwen, waaruit 
dit huis bestond, af en maakte daarvan : een ledige plaetsse 
oft erffnisse, streckende van de voorstraete achterwarts tot 
aen een deminghuys by den voors. (van Uden) daergestelt 
ende getimmert, staende tot den water toe aldaer achtervlie- 
tende, met de waterstey gering e daer af ter staende (n.b. dit 
„deminghuys" maakte later deel uit van het door hem gebouwd 
huis de Vergulde brouwkuip). Van meergenoemden van Uden 
kwam dit ledig erf met hetgeen daarachter, als gezegd, gebouwd 
was aan diens dochter Christina van Uden, welke het ten 
huwelijk bracht aan haren man Jan van Vechel, den zoon van 
Joost Leonardszoon ; hunne kinderen, zijnde: Joost, Wouter, 
Agnes, Margriet en Aleid van Vechel, voor welke vier laatst- 
genoemden, omdat zij toen nog minderjarig waren, optrad hun 
curator Adriaan de Eoy Adriaanszn, verkochten dat erf Maart 
1600 aan den bierbrouwer Wouter Janszn van Wel; hij bouwde 
daarna daarop het huisl), dat er thans nog op staat en waarvan 
de gevel thans nog is, zooals hij dien bouwde ; deze is de eenige, 
welken men uit zijnen tijd in den Bosch nog vindt. Zijne doch- 
ter Anna, huisvrouw van Jan van Geffen en zijne overige erven 
verkochten 18 April 1637 dit huis, waarin toen woonde de 
wijnkooper Gerard Hulderincx, aan Jacques de Lange, kapitein- 
geweldiger over het garnizoen van den Bosch, die het 3 Februari 
1643 (Reg. n° 387 f. 168 v so ) weder verkocht aan mr. Peter 
van Bree, notaris en procureur te den Bosch ; diens kinderen 
Jacob en Boudewijn van Bree, dezen ook nog als erfgenamen van 
wijlen hunnen broeder Dr. Peter van Bree, verkochten het 24 
November 1694 (Reg. n° 481 f. 61) aan Josina en Maria van Vechel. 
Het hierop volgend huis, de Struis, ook de Vogel Struis 
of wel de Gulden Struis geheeten, werd door de kinderen van 
Ariken van Bommel wed e van Anthonis Anthoniszn van Berck 
in 1628 verkocht aan Dorfken Ysbrants, die huwde eerst met 
Jan van cle Water en daarna met Herbert van den Wyer. Den 
30 Augustus 1729 werd het ten laste van de erfgenamen Daniel 

1) Reg. no 356 f. 124. 

10 



— 146 — 

Stans Molenmakers gerechtelijk verkocht (Reg n° 544 f. 147 v* ) 
aan Helena Smits weduwe van Hendrik van Amelsvoort, die 
het voegde bij haar huis de Gulden Brouivkaip en daarmede 
tot een geheel vereenigde, zooals het thans nog is. 

Van het derde huis, dat als gezegd aanvankelijk de 
Wildeman heette, was de oudst bekende eigenaar Jan Dirckszn 
Schoircops; het werd ten zijnen tijde gezegd te zijn: huys, 
erve, hoff ende achterhuys, gelegen in de Ortenstraet tussen 
erve Dirx, sone wylen Jacobs van Hedel, aen aVeen syde ende 
tussen huys ende erve Jacobs Donck aen d" 1 ander syde, streckende 
van de gemeyn straet achterwarts totten water aldaer vlietende; 
na zijnen dood kwam het in vruchtgebruik aan zijne weduwe 
Ycla, dochter van Hanrick Stapparts Peeterszoon; zij deed 
3 Februari 1559 (Reg. n° 203 f. 128) afstand van den tocht 
van dit huis, dat toen gezegd werd te staan tusschen het erf 
van Catharina weduwe van Jan, den zoon van Willem Pijn- 
appel Janszn., aan de eene zijde en het huis de Struis, toebe- 
hoorende aan Mathijs van clen Wiel, aan de andere zijde, aan 
hare kinderen Jenneken, Ycla, Henrica en Maria Schoircops; 
dezen verkochten het nog denzelfden dag aan meergenoemden 
Wouter van Uden, die het gedeeltelijk afbrak en daarvan maakte: 
een voor huys met een achter coken da er teynden af ter aen 
gestaen, met noch een ander onderschooten camerke er aen, 
ledige plaetse, een schoon groot nyeuw brouhuys ende brou- 
werye ende onder 't voirs. voorhuys twee schoone onderschoten 
kelders van voore tot af ter ende onder H voirs. brouhuys oick 
eenen schoonen overwulffden kelder met syne geplaveyde deminge. 
Hij gaf toen daaraan den naam, zeker wegens het beroep van 
bierbrouwer, dat hij daarin uitoefende, van de Gulden Brouiv- 
kuip, evenals hij om dezelfde reden het eerst bedoeld huis ge- 
noemd zal hebben de Gulden hopzak. Zijne dochter Christina 
erfde het van hem en bracht het ten huwelijk aan haren ge- 
noemden man Jan van Vechel. Hunne hiervoren gemelde kin- 
deren verkochten het 1 Maart 1600 ook aan den mede reeds 
genoemden bierbrouwer Wouter Janszn van Wel, zoodat het 



— 147 — 

de bestemming van bierbrouwerij bleef behouden, die meerge- 
noemde Wouter van Uden daaraan het eerst gegeven had. 1) 

Eeeds sedert het eerste begin van den Bosch vond men 
daar bierbrouwerijen, zooals blijkt uit J. van Oudenhoven 1. c. 
p. 34. Zij waren niet alleen eene bron van inkomst voor de 
ingezetenen maar ook voor den Hertog van Brabant, want hij 
hief van de daarin gemaakte bieren eene belasting onder den 
naam van gruitgeld. 

Het brouwen van bier werd oudtijds in den Bosch be- 
schermd door invoerrechten op de van het buitenland inkomen- 
de bieren en door de bepaling, dat binnen anderhalf uur af stands 
van de stad geene andere bierbrouwerijen mochten zijn dan 
huisbrouwerijen, d. w. z. brouwerijen, waarin uitsluitend voor 
de leden van het gezin bier gebrouwen w T erd; het lVa uur 
werd gemeten van af de poorten der stad langs den openba- 
ren weg of heerbaan tot aan den dorpstoren; in de dorpen, 
die op een verderen afstand lagen, mochten met vergun- 
ning van 's Lands Eegeering wel bierbrouwerijen opgericht 
worden, maar het daarin vervaardigde bier mocht niet binnen 
den Bosch worden gebracht. Ten einde te voorkomen, dat de 
Bossche bierbrouwers monopolie maakten, w T as bepaald, dat 
niet meer dan twee brouwers zich met elkaar mochten associ- 
eeren. Voorts waren zij verplicht den eed te zweren van hunne 
bieren niet met voor de gezondheid schadelijke bestanddeelen 
te zullen vervalsenen ; zij mochten alleen bier brouwen van 
tarwe, garst, haver of spelt. Uit hunne brouwerijen mocht het 
bier alleen vervoerd worden door de leden van het Bierdra- 
gersgilde, welke bepaling later wegens de sterke toeneming 
der bierbrouwerijen in den Bosch, omdat de leden van dit gilde 
dientengevolge niet talrijk genoeg waren om al het aldaar 
gebrouwen bier te vervoeren, in zooverre gewijzigd werd, dat 
het vervoer ook mocht geschieden door beëedigde knechts der 
brouwers. Voor de behoorlijke maat van de vaten, waarin het 



1) Reg. no 263 fol 326. 



— 148 — 

bier geleverd werd, had de Regeering der stad ook nog gezorgd 
door te bepalen, dat de bierbrouwers alleen geijkte maten 
mochten gebruiken. 

In het jaar 1568 waren er in den Bosch 22 bierbrou- 
werijen voor den verkoop 1), welk getal tot het jaar 1601 aan- 
merkelijk toenam, zoodat er in dat jaar reeds 51 waren; in 
de 17 e eeuw namen de bierbrouwerijen in den Bosch sterk af 
er) ten tijde van van Heurn nog meer en wel, zoo schreef hij, 
wegens het toenemend gebruik van koffie, thee en wijn, zoodat 
er in 1740 nog maar 17 bierbrouwerijen in die stadwaren; 
later, omstreeks 1780, waren er slechts zeven meer: n. 1. de 
Vergulde Brouwkuip aan de Orthenstraat en de Gulden Laars 
(de Witte hond) op den Hoogen Steenweg ; de Witte Zon, het 
Anker, en de Witte Zwaan in de Vughterstraat ; de Drie 
Zwanen op den Vughterdijk en de Roode Kroon op hetHint- 
hamereind; mouterijen, die men oudtijds ook in den Bosch 
vond, bestonden er ten tijde van van Heurn geen van allen 
meer; de bierbrouwers maakten alstoen daar zelf hun mout. 

Jan Gerardszoon van Geffen als man van Anna en Cor- 
nelis Goossens als man van Everken, dochters van genoemden 
bierbrouwer Wouter Janszn. van Wel en Heylken van Heesch 
Walraafsdochter, alsmede Jan Crijnen de Beer, wonende te Well, 
als man van Agnes, dochter alsvoren, verkochten 18 April 1637, 
evenals zij toen ook het huis de Gulden Hopzak verkochten 
(Reg. n° 338 f. 456), het huis de Gulden Brouiukuip, zijnde 
toen eene woning en bierbrouwerij met erf en tuin, staande 
en gelegen aan de Orthenstraat en zich achterwaarts uitstrek- 
kende, de woning en bierbrouwerij met erf tot aan de Dieze 
en de tuin van af het huis de Gulden Hopzak ook tot aan de 
Dieze, wordende zij begrensd eenerzijds door eene poort en erf 
van een huis, toebehoorende aan de Regulieren van Mariënhage 
bij Eindhoven en anderzijds door het huis de Struis, en zijnde 
zij bewoond en gebruikt geweest door Jan, den zoon van genoem- 



1) R, A. van Zuylen de Stadsrekeningen II p. 797. 



— 149 — 

den Wouter van Wel, die daarin gestorven was, — aan Dierck 
Aclriaanszoon van Hoey, koopman. Diens vrouw was Maria de 
Raadt, welke na zijnen dood hertrouwde met Johan Brants ; 
hij en zijne genoemde vrouw, deze als daartoe gemachtigd bij 
accoord door haar gemaakt met de voogden over de kinderen, 
gesproten uit haar eerste huwelijk, zijnde Jacob en Henrick 
van Hoey genaamd, verkochten 14 Mei 1657 (Reg. n° 412 f. 195) 
het huis en brouwerij de Gulden Brouwkuip aan Reynier van 
den Berkenbosch, den zoon van wijlen Cornelis Reynierszoon. 

Dirck Kivits, kleermaker te den Bosch, verkocht 3 Januari 
1678 het huis en bierbrouwerij de Vergulde brouwkuip bij 
gerechtelijke uitwinning aan Johan van Eyl, ook woonachtig 
aldaar. Diens vrouw was Maria de Wijs, de zuster van Helena 
de Wijs, welke laatste 26 Mei 1675 huwde met denBosschen 
boekdrukker Jan Scheffers, den zoon van Jan en Maria de 
Guliker. Daar de vrouw van genoemden van Eyl kinderloos 
overleed, zoo erfde de helft van het huis de Vergulde brouw- 
kuip hare gezegde zuster Helena, waarna deze en haar zwager, 
Johan van Eyl voornoemd, het 7 Januari 1704 verkochten aan 
Hendrik van Amelsvoort, wonende te den Bosch ; dat huis 
werd toen aldus omschreven : „huys, erve, kelders, aghterkeucken, 
camerke, ledige plaetse, brouwkuyp etc, genaemt de Vergulde 
brouwkuyp^ staande aan de Orthenstraat tusschen het huis en 
erf, eertijds der Regulieren van Marienhage, nu van Roelant 
Schoft, ex uno, en het huis en erf de Gulden Struis van Daniel 
Stans Molenmakers, ex alio, strekkende vanaf de Orthenstraat 
tot aan de Dieze. 

Gezegde van Amelsvoort had van zijne vrouw Helena 
Smits deze kinderen : Godefridus van Amelsvoort, die het huis 
de Vergulde Brouwkuip erfde; Dorothea Maria van Amelsvoort, 
echtgenoote van Petrus Josephus Vogelvanger ; Helena van 
Amelsvoort, echtgenoote van Franciscus Wynandus baron van 
Renesse van Wilp, (met wien zij in 1740 huwde) en Jacoba 
van Amelsvoort, echtgenoote van Godefridus Josephus Auwen ; 
laatstgenoemde echtelieden erfden dit huis van Godefridus 



— 150 — 

van Amelsvoort voornoemd ; van hen vererfde het op Mechelina 
Wendelina Decker s weduwe van Petrus Appelboom, die het 
28 October 1788 verkocht aan Lambertus Antonius van Roos- 
malen, wonende te den Bosch 1); het was toen vereenigd met 
het huis de Gulden Struis, daar het nu werd omschreven als : 
huis met brouwerij, tuin en erf, genaamd de Brouwkuyp, en 
huis, genaamd de Vogelslruis, staande aan de Orthenstraat, 
ex uno de Poort, gaande naar de Plebanie, ex alio het huis 
van den heer Kippens en het straatje van Best. 



f. Het Refugiehuis van het Klooster 
Marienhage te Woensel. 

Naast het laatst beschreven huis stond oudtijds Markt- 
waarts eene poort, waarvan de voorgevel nu nog bestaat en 
thans de Ruysche poort heet. Boven die poort bevond zich 
toen een bovenhuis, waarvan de vloer lag ter hoogte van het 
bovenste gedeelte van de verbreeding van den zijgevel van 
het daarnaast staand huis de Pijnappel ; dat bovenhuis had 
toen een stal, die achter laatstgezegd huis stond en boven 
welken eene galerij was; voorts behoorde tot dat bovenhuis 
eene brug over de Dieze en aan de overzijde daarvan de tegen- 
woordige Pastorie van de St. Pieterskerk met een achterhuis 
en eenen tuin, welke thans nog tot die pastorie behoort en 
met eene poort uitweegde in het Eerste(?) straatje van Best, 
dat toen over eene brug tot achter dien tuin zich uitstrekte 
en verder behoorde er toe een bleekveld, op een deel waarvan 
de tegenwoordige St. Pieterskerk van den Bosch staat. (Reg. 
n° 232 f. 525 en vlgd.). 

Al deze goederen behoorden oudtijds aan Jan Pynappel 
den oude, den zoon van Willem Pynappel Janszn en Heylwich, 



1) Hij stierf aldaar in 1806 en was vader van Cornelia Maria 
van Roosmalen, die huwde met Mr. Johannes Luyben, raadsheer in het 
Gerechtshof van Noordbrabant en lid van de Tweede Kamer der Staten 
Generaal. 



— 151 — 

de dochter van Wouter Bollic, welke echtelieden behalve hem 
nog* deze kinderen hadden: 

Jan Pynappel den jonge, Wouter en Heylken Pynappel. 

Jan Pynappel de oude was gehuwd met Catharina, 
dochter van Jacob Dierckszn van Hedel, van wie hij deze kin- 
deren had: Jacob, Barbara, Mechteld, huisvrouw van Adriaan 
Aelbertszn Ketelaers, Elisabeth, echtgenoote van Jan den jonge, 
zoon van Mathijs Stooters Lambertszn, Willem, Johanna en 
Catharina Pynappel. Hij liet van voorschreven goederen den 
tocht na aan zijne vrouw en den eigendom aan zijne genoemde 
kinderen; nadat zijne vrouw ten behoeve van die kinderen 
afstand van haren tocht had gedaan, verkochten dezen waar- 
bij voor Willem, Johanna en Catharina Pynappel, omdat zij nog 
minderjarig waren, als voogden optraden Willem Pynappel, Wou- 
ter zijn zoon, Egidius en Gooswijn, zonen van Jacob Dierckszn 
van Hedel, 4 Maart 1563 (Reg. n° 209 f. 236 v so ) die goederen 
aan genoemden Jan Pynappel den jonge; zij werden alstoen 
gezegd te zijn: huis, erf, plaats, achterhuis met stal en galerij, 
ledig erf, poort, waardoor men gaat naar de Orthenstraat; eene 
andere poort in het Straatje van Best en eene watertra p aldaar, 
zijnde die goederen gelegen bij cle Orthenstraat achter het huis 
de Pijnappel tusschen het huis de Boos, toebehoorende aan de 
erven van Zeger, den zoon van Jan Goijartszn van Hedel, ex 
ano en het erf van Wouter van Uden, alsmede het Straatje van 
Best ex alio en strekkende zij zich achterwaarts uit van af het 
huis de Pijnappel over de Dieze tot aan het erf van genoem- 
de erfgenamen van Hedel en het Klooster achter de Tolbrug. 

Wouter Pynappel huwde met Catharina, dochter van 
Jan. den zoon van Jan Henrickszn Scepers, die hem deze 
kinderen schonk: 

a. Wouter 

6. Elisabeth huisvrouw van Gerard Janszn van Dael. 

c. Maria huisvrouw van Paulus Boen er. 

d. Anna h. met 1° Jan van Tesselt; 2° Ryckaert Rubbens. 

e. Jenneken huisvrouw van Jan Adriaanszn. 



— 152 — 

Jan Pynappel de jonge huwde met Heylwich, dochter 
van Willem Olivier van Berchuysen en eerder weduwe van 
Laureyns van der Sprange. Toen hij weduwnaar van laatstge- 
noemde vrouw was verkocht hij 5 Juni 1589 (Reg. n°246 f. 11) 
voorschreven goederen aan Mr. Frans Goossenszn. van der 
Borcht, priester en kanonik der Collegiale kerk van St. Peter 
te Boxtel; ze werden toen aldus omschreven: 

Een poorte mette huysinge ofte timmeragie boven de voirs. 
poerte, ledige erfenisse, galerye en de stallinge onder de galerye, 
steenen brugge, huys, erve, hoff, bleyckvelt ende achterhuys, mit 
een andere poerte, in het straetken van Best uuytgaende, water- 
trappe in tselve straetken van Best staende ende put, mit allen 
hennen rechten ende toebehoerten, gestaen ende gelegen binnen 
deser stadt van y t Shartogenbossche inne de Orthenstraet tegen 
over de Vischstraet tussen den huyse endeerffenissegenoempt 
den Pynappel, de erffenisse ende cameren toebehorende totten 
huyse genoempt de Boose, op dese zyde van den water ende over 
den water tussen de Ramen ende bleyckeryen, 't anderen tyde 
totte voors. Roose behoert hebbende, d'een zyde ende tussen 
den huyse, erfve ende brouwerye, genoempt de brouwcuyp, 
toebehoorende Jannen Joosten op dese zyde van den water, 
ende over de water tussen 't voers. Straetken van Best ende 
zeekere cameren ende erfenissen der kijnderen Jans Pynappel 
d'oude, d'ander zyde, strekkende voer van der gemeynder 
straet mit een steenen brugge over het water totten erfenisse 
des convents achter de Tolbrugge, d' water tussen beyde hopende. 

De bouw van een huis boven de Ruysche poort tusschen 
de huizen van twee andere eigenaren in ; het feit, dat het 
daarnaast staand huis de Pijnappel had een kijckvensterentralie, 
tussen die poirte ende dien huyse, den Pijnappel genoempt, 
staende, waarvan beweerd werd, dat het bestaan daarvan alleen 
op vergunning berustte, en nog meer de omstandigheid, dat er 
zoowel op hetgeen bij voormelde akte van 1589 verkocht werd, 
als op het huis de Pijnappel en op de zeven kameren, staande 
aan de overzijde der Dieze langs het straatje van Best (welke 



— 158 — 

in 1593 toebehoorden aan Roelof Janszn. Noppen) grondrenten 
voor het geheel drukten, gaven aanleiding tot tal van kwesties, 
die eindelijk bij Schepenakte van 8 Mei 1593 (Reg. n° 232 
f. 525 en vlgd.) 1), waarin uitvoerig vermeld staat hoe voormelde 
gebouwen in elkander gebouwd waren, afdoende geregeld werden. 
Bij diezelfde akte verkochten Mr, Frans Goossenszn. van der 
Borcht en Roelof Janszn. Noppen gezamenlijk zoowel hetgeen 
aan eerstgenoemde hunner toebehoorde krachtens meergemelde 
koopakte van 5 Juni 1589 als de voorschreven zeven kameren 
of woningjes langs het Eerste straatje van Best, die het eigen- 
dom waren van laatstgenoemde: aen den Eerwerdigen ende 
seer religieusen heeren ende bruederen Rutgeren Janss van 
Schijndel, prior ende heeren bruederen Franchoysen Martens van 
Weert, procurator des convents van de Regulieren van onser 
Lieven vrouwen liage bij Eyndhoven ende nu haar residentie 
houdende binnen der stadt van 't Shartogenbossche inne die 
Orthenstraet tegens de Vischstraet over, tot behoef van de 
voirs convente, dat tot dezen koop gemachtigd was bij octrooi 
van Koning Philips van Spanje, als Hertog van Brabant, 
cl.d. 9 Nov. 1592. Het huis, waarin deze monniken volgens 
laatstgemelde akte hun verblijf hielden, zal het door hen bij 
akte van 1593 gekochte huis van Mr. Frans van der Borcht 
zijn geweest, daar toch in de akte van 23 December 1592 (Reg. 
n° 256 f. 484 v so ), waarbij de Eerwerdige ende zeer Religieuse 
Heeren ende Broederen Rutger van Scy netel, prior ende heere 
Adrianen van Luycxgestell, supprior des Convente van de 
Reguliere, genoempt geweest zijnde Onser Liever Vrouwen 
Haghe bij Eyndhoven, van Henrick de Heusch, zoon van wijlen 
Henrick de Heusch en Martha. de dochter van Zeger, den zoon 
van Jan Goijartszn van Hedel, het reeds meermalen gemeld 
huis de Roos, staande aan den Hoogen Steenweg in den Bosch, 
kochten — gezegd wordt, dat zij toen waren residerende bijn- 
nen deser stadt 's Hertog enbossche in het huys van mr. Fran- 



1) Zie ook nog register no 246 fol. 12. 



— 154 — ' 

choys van der Borcht Goossenszn ; zij zullen in dat huis hunnen 
intrek hebben genomen, nadat de Staatschen in 1581 hun 
klooster Marienhage onder Woensel in brand hadden gestoken. 1 ) 
Het huis van genoemden Henrick de Heusch was evenwel niet 
het eerste, dat zij in den Bosch bezaten, daar zij reeds in 1526 
(Reg. n° 132 f. 15 v so ) van Adriaan Zegerszn de Ruyter en 
Nicolaus Vuchts gekocht hadden een huis met erf, staande 
in de Orthenstraat te den Bosch tusschen dat van Marcelis 
van Hoculem ex ano en dat van de kinderen van Godefridus 
van Lynden ex alio. 

Boven cle plaats, waar oudtijds was de ingang van den 
toren, behoorende tot de tegenwoordige pastorie van St.Pieter 
en zijnde een deel van de gebouwen, die cle kloosterlingen van 
Marienhage van mr. Frans van der Borcht, als gezegd, hadden 
gekocht, werd door hen geplaatst het in zandsteen gebeeldhouwd 
wapen van Keizer Karel V, ingesloten door de twee kolommen 
van Hercules en omhangen met den keten der orde van het Gulden 
Vlies, terwijl op den tekstband boven clat wapen gebeiteld stond 
het devies Plus Oultre. Dit wapen, dat zich nog steeds terzelfder 
plaatse bevindt, zal een teeken van verleende sauvegarde zijn 
geweest, doch daarmede is nog niet de vraag opgelost, waarom 
daartoe het wapen van Keizer Karel V werd gebezigd, die reeds 
in 1555 zijne regeering had nedergelegd. Mogelijk had het te 
voren gediend tot sauvegarde van het klooster Mariengarde zelf. 

Na de reductie van den Bosch in 1629 moesten de kloos- 
terlingen van Marienhage hun voormeld refugiehuis aan de 
Orthenstraat metterwoon verlaten en keerden zij naar hun ge- 
zegd klooster terug. Hun refugiehuis schijnt toen domein van 
het Huis van Oranje geworden te zijn, want in het procesver- 
baal van schatting, den 9 November 1648 opgemaakt ten ver- 
zoeke van Johan Stappaerts, rentmeester-generaal der domeinen 
van den Prins van Oranje en der geestelijke goederen van 
Eindhoven en Cranendonk, komt het voor onder deze omschrij - 
ving: eene huysinge met bleycke ende liuysken, mitsgaeders vier 

1) Houben Geschied, van Eindhoven I blz. 195 en 196. 



— 155 — 

camerkens in forme als baracken. Desniettemin had reeds 4 Maart 
van dat jaar Johan Boutmans in zijne hoedanigheid van prior 
van het klooster Marienhage dat refugiehuis, hetwelk toen om- 
schreven werd als des voirs. Convents haysingen, erven en 
hoff, gelijck de voirs. heer e commissaris deselve tegenwoirdich is 
bewonende, metten beempdt ofte bleyck, genoempt de Baemen, 
verkocht aan Johan Kuysch, den zoo even bedoelden commis- 
sarisordinaris van de monstering van wege de Staten Generaal 
over de garnizoenen der stad den Bosch en hare forten, die 
behalve dat, ook nog raad van den Bosch was. Deze verkoop 
kon echter geen effect meer sorteeren en om die reden heeft 
genoemde Johan Kuysch den 17 Februari 1650 dat huis, waar- 
van de voorpoort naar hem de Ruysche poort is genoemd 
geworden, ook nog moeten koopen van genoemden Johan Stap- 
paerts in diens hoedanigheid van rentmeester der Domeinen 
van den Prins van Oranje. (Reg. n°. 430 fol. 132). 

Hij behoorde tot de Amsterdam sche familie Ruysch, 
waarvan in het volksrijmpje gezegd werd: 

De Wael'en, de Zael'en, de Schaep'en, de Ruysch'en 
Zijn de vier oudste van de drie kruisen. 

Zijne vrouw was Clara van Boenen, dochter van Johan 
en Clara van Swansbel. 

Beiden zijn begraven 1) in eenen grafkelder in de St. 
Janskerk te den Bosch, waartoe genoemde Johan Ruysch in 
1652 van de erven van Huybrecht van Maenen had aangekocht 
eene blauwe steenen zerk, welke in die kerk lag. Boven dien 
kelder werd na hun overlijden een rouwbord gehangen, waarop 
hunne navolgende kwartieren stonden: 
Ruysch Beune 

van der Moeien Swansbel 

de Jode de Ryck van Strunkede 
Alkemade van Overlaker. 



1) Hij stierf Aug. 1657, zij 22 Aug. 1678. 



— 136 — 

Hij had van zijne genoemde vrouw deze kinderen : Gijs- 
bert, overste der cavalerie, die huwde met Theodora Ploos van 
Amstel 1) ; Frederick; mr. Henrick, secretaris van den Bosch; 
Diederick2); en Veronica, de huisvrouw van Reynerus Vogel- 
sangh, professor en predikant te Deventer. Bij akte van 5 
September 1676 (Reg. n° 494 f. 368) verkochten zij aan ge- 
noemden mr. Henrick Ruysch het hier bedoeld goed, dat als- 
toen gezegd werd te grenzen ex uno aan het huis van Jaspar 
van Emmerick, koopman in den Pijnappel en aan de bleek van 
Daniel van Zutphèn, en ex alio aan het huis de Brouivcuyp 
van Mayke de Raet, eerst weduwe van Dirck van Hoey, daarna 
huisvrouw van Johan Brant en aan het erf van het Convent van 
St. Geertruid, terwijl het voorts gezegd werd zich uit te strekken 
tot aan eene beemd van het Convent van de Tolbrug. 

Mr. Henrick Ruysch overleed 25 Ag. 1678, van zijne vrouw 
Alletta Tulleken, bij wie hij 14 kinderen verwekt had 3), o. a. 
deze kinderen nalatende ; mr. Rutger Ruysch, advocaat en ont- 
vanger te Roosendaal ; Barbara Catharina Ruysch ; Johan Adriaan 
Ruysch, president-schepen van den Bosch 4) ; Hendrik Ruysch, 
achtereenvolgens predikant te 'sGravemoer, Zevenbergen, Arn- 
hem en Delft en Alletta Ruysch, die huwde met 1° Carel Jacob 
Swaen, luitenant der cavalerie ; 2° Leonard van Eys, koopman ; 
3° Jan van Sevenhoven, schepen van den Bosch. Jan Hezenmans 
in zijn den Bosch 1629 — 1798 p. 320 vermeldt hoe de zoons 
van mr. Henrick Ruysch zich verweerden, toen een van diens 
schuldeischers de meubels, behoorende tot zijne nalatenschap, 
in dit voormalige Refugiehuis had doen in beslag nemen. 



i) Hun zoon was Adriaan Dirck Ruysch, die in 1655 in de Waalsche 
kerk te den Bosch werd gedoopt. 

2) Hij was commissaris van de monsteringen en raad te den Bosch ; 
zijne vrouw was Leonora Wylde, met wie hij huwde in 1681 ; zij wordt 
in eene Bossche Schepenakte van 1692 gezegd te zijn de eenige erfgename 
van Henriette Maria Blom. 

3) Herald. Bibliotheek. Nieuwe Reeks III p. 296 en 297. 

4) Van zijne vrouw Johanna Maria Crayenest, (dochter van Ghristiaan, 
die te Gent woonde) had hij maar één zoon: Ghristiaan Adriaan Ruysch. 



— 157 — 

Zijne genoemde kinderen verkochten 8 Januari 1700 dit 
huis bij eene akte, luidende als volgt: 

De heer Johan Adriaen Ruysch, Hendrick Ruysch, 
predicant tot 's Gravemoer ende Carel Jacob Swaen, luitenant 
te peerde ten dienste der V 'er 'eenigde Nederlanden, als man van 
Aletta Ruysch, alle kinderen ende erfgenamen van wijlen mr. 
Hendrick Ruysch, in zijn leven secretaris dezer stad ende van 
Aletta Tulleken, verkoopen aan Sr. Koelandt Scholt, koopman 
te 's Hertogenbosch, eene huysinge, erve, plaetse, regenback 
ende grooten hof daeraen gelegen, met oock een achterkamer 
op het water, geheten de Diese, aldaer vlietende, uytsiende 
ende een turfhuys daerby ende neffens staende ende alnoch 
eene stalling e voor vier paerden met een erfganck van de 
voors. stallinge of muur van den voors. hof over de steene 
brugge tot dit erf gehoirende ende het recht van den uyt ende 
inganck door een poortie deses erfs in het straetje van Best, 
sonder nochtans hierby te begrypen het ledich erfje ontrent 
tegenover de voors. stallinge met alle verdere rechten ende toe- 
behoorten van dien, gestaen alhier op den hoogen steenwech 
tegensouer de Vischstraet nevens huys ende erven van wijlen 
Jasper van Emmerick, genaamd in den pijnappel ende erve 
wylen Daniel van Zutphen, sijnde een blycke, ex uno ende 
nevens huys ende erve van Johan van Eijl, genaamd in den 
broucuype, d'erve van H convent St. Geertruyt ex alio, strek- 
kende voor van de straet tot op erve des convents van de 
Tolbruch, geheeten den beempt, de riviere de diese tusschen 
beyde vlietende, welcke voors. huysinge ende erve Johan Stap- 
paert, rentmeester van de domeynen ende geestelycke goederen 
van Eyndhoven van sijne Hoocheyt den Heere Prince van 
Orangien, geauthoriseert van sijn Hoochgemeltes Hoocheyt 
signateure ende opgedruckte segel, in rooden wassche daervan 
gedepescheert, op den 25 November 1649 ivettich ende erffelijck 
hadde opgedragen aen de heer Johan Ruysch, in sijn leven 
commissaris van de monsteringe ende raedt deser stadt, der 
heer en opdr ageren grootvader zal., — welcke huysinge ende 



— 158 — 

erve naer voorgaende afgaeninge van tochte van vrouwe Clara 
van Boenen zal., iveduive des voorn. Johan Ruysch, de heeren 
Gijsbert ende Frederick Ruysch zal. ende vrouwe Veronica 
Ruysch, huysvrouw van heer e Reynerus Vogelsangh, 'professor 
ende predicant tot Deventer ende mede tsamentlijck de rato 
caverende voor de heer Diedrick Ruysch, haeren broeder, voor 
vier vijfde parten hadden wettich ende erffelijck opgedragen 
den heer Hendrick Ruysch, der opdrageren vader, die het 
ander vijfde part daerin van te voren ivas toebehoor en de, prout 
litteris d.d. 5 Sept. 1676, ende alsoo daernaer midts dootvan 
haere ouders op haer verstorven. 1). 

Genoemde Roeland Scholt had deze kinderen: 
Vreda Elisabeth Scholt, die huwde met Warner Arent 
van Keppelfox en Johanna Scholt, die trouwde met mr. Meynard 
van Soesbergen; zij erfden van hem het voormalig Refugiehuis, 
dat de eerstgenoemde echtelieden, alsmede mr. Meynard van 
Soesbergen als erfgenaam zijner gezegde vrouw 30 October 1716 
verkochten aan mr. Paulus Suyskens, advocaat te den Bosch. 
Hij was zoon van mr. Lambertus Suyskens en Elisabeth van 
"Beugen en de man van Theodora Maria de Hee ; zoowel hij 
als zijne vrouw waren vurige Katholieken, die veel voor de 
instandhouding van het Katholieke geloof over hadden en het is 
daarom zeer waarschijnlijk, dat hij het voormalig Refugiehuis 
kocht voor eene pastorie van den Pastoor van het bedehuis, dat 
de toenmalige parochies van St. Pieter en St. Jan gezamenlijk 
Achter de Tolbrug te den Bosch hadden staan. 

Deszelfs eigenaar in naam, zooals ik vermeen hem te 
mogen betitelen, Mr. Paulus Suyskens, had van zijne vrouw 
Theodora Maria de Hee deze kinderen : mr. Lambertus Suyskens, 
woonachtig" te den Bosch ; Isabella Johanna Suyskens, echtgenoote 
van Petrus Mathias van der Vrecken, Keizerlijk postmeester 
te Maastricht ; Anna Maria ; Maria Allegonda en Theodora 
Allegonda Suyskens, echtgenoote van Franciscus Hyacinthus 
van den Berghe; dezen verkochten 4 Mei 1742 aan Johan 

1) Reg. no. 483 fol. 189. 




'ty 




HET REFUGIEHUIS VAN MARIENHAGE, 
In het begin der 19e eeuw. 



Behoort bij blz. 159. 



— 159 — 

de Hee, Boomsch ivereltspriester te Berlicam, dat huis, dat nu 
omschreven werd als : „huis met erf. plaats, regenbak, grooten 
hof daaraan gelegen, met eene achterkamer op de Dieze, een 
turfhuis daarnaast staande, een stal van vier paarden met recht 
van uitgang voor dien stal van den voormelden tuin over de 
steenen brug daartoe behoorende 1) en het recht van uit- en 
ingang door eene poort in het straatje van Best, staande het 
voorschrevene aan den Hoogen Steenweg tegenover de Visch- 
straat, ex uno het huis de Pijnappel, ex alio het huis de Bromv- 
Jcuip en strekkende van den Hoogen Steenweg tot aan het erf 
van het Klooster van de Tolbrug, genaamp de Beempt, de rivier 
de Dieze tusschen beide loopende." 

Genoemde Johan de Hee verkocht 4 Mei 1747 dit huis 
weder aan Lambertüs Hoeks, Boomsch priester te den Bosch; 
hij was plebaan aldaar en woonde in dat huis. In zijn testament 
van 14 Juli 1758 bepaalde hij o. a.: „ik wil en begeere, dat het 
huys, gelegen agter de Brouwcuyp enPynappel, verder beschreven 
in de brieven van den coop, na myne dood zy een pastoreel 
huys van de Parochie agter Tolbrug ; het kan en mag gestelt 
worden op den naam van myne erfgenamen, dewelke nogtans 
het minste regt in conscientie tot hetselfde sullen hebben.'' 

Uit dit testament valt alzoo op te maken, dat bij het 
maken daarvan het bovenhuis, dat oudtijds boven de Ruysche 
poort stond, toen niet meer bestond. De voormelde beschikking 
van plebaan Hoeks werd door zijne erfgename trouw nagekomen, 
want 24 Aug. 1764 transporteerde Maria Hoeks weduwe van 
Peter van Iperen, wonende te Berchem, ten behoeve van de 
Gemeente der Roomsche Kerkschuur achter de Tolbrug : aan 
Johan van Venrooy, Roomsch priester en pastoor in de Bhoomsche 
kerkschuure achter de Tolbrug, huis en erf op den Hoogen 
Steenweg tegenover de Vischstraat achter het huis genaamd 
de Pijnappel eenerzijds en het huis de Brouiukuip anderzijds, 
strekkende achterwaarts met eene steenen brug over de Dièze 



1) Deze brug lag over de Dieze tusschen den tuin en een straatje 
van Best ; zij werd omstreeks 1803 afgebroken. 



160 



tot aan de Beemd van het Convent Achter Tolbrug en heb- 
bende eenen uitgang in het straatje van Best. 

Het huis van dit voormalig réfugié,, dat over de Dieze 
stond, bestaat nog altijd en strekt, evenals in de 18 e eeuw, 
nog steeds tot pastorie, thans van de kerk van St. Pieter. Het 
heeft vrijwel zijne vroegere gedaante behouden, behoudens dat 
in het begin der 19 e eeuw het tegenwoordige voorhuis er aan- 
gebouwd is. Ook wordt het nog altijd geflankeerd door eenen 
toren evenals zulks in den Bosch oudtijds met de adellijke 
huizen het geval was. 










GEZICHT OP DE VISCHSTRAAT (O. DEEL), 
Genomen van af de Oude Vischmarkt. 



Behoort bij blz. 161. 



HOOFDSTUK IV. 

De Vischmarkt, Lepelstraat, Korenbrugstraat 

en Kruisstraat. 

Ging men van cle Ruysche Poort Westwaarts dan kwam 
men in de Vischstraat ; een gezicht op deze straat uit de 
18 e eeuw, genomen van uit de tegenwoordige Oude Vischmarkt, 
staat hier neven. 

Hoewel laatstbedoelde straat de Oude Vischmarkt heet, 
was zij niet de oudste vischmarkt van den Bosch ; die werd 
aanvankelijk gehouden nabij de Markt in het begin der Hint- 
hamerstraat, even buiten de Gevangenpoort. 1) Naer de ver- 
grootinghe van de stadt, zoo schreef Oudenhoven t. a. p., is 
de vischmerckt ghebrocht op het eynde van des stadtshaven 
ende tot gherief van deselve (de) bmgghe over het ivater in 
den jaere 1522 vermaeckt ende vergroot ende gheven de by 
ligghende rivieren ende de wateren van de lecghe landen see.r 
overvloedigh goeden riviervissche ende worden daer almede sal- 
men ghevanghen, ghelijck in den jaere 1532 twee salmen metter 
handt luierden ghevanghen, den eenen achter de Weversplaets 
ende den anderen by S. Tennispoort, ghelijck wy dat vinden 
in de Memorien aengheteeckent ende staet daermede, dat in 
den jaere 1530 soo veel salmen hier te koop ghebrocht sijn. 
van Paesschen af tot Bamis toe, dat den uytroeper voor sijn 
uytroepen eenen gheheelen salm kreegh. Volgens van Heurn 



4) J. van Oudenhoven t. a. p. blz. 16. 

11 



— 162 — 

Historie III blz. 133 moet de Vischinarkt vanaf laatstbedoelde 
plaats, die thans de Oude Vischmarkt heet, overgebracht zijn 
ter plaatse waar thans de vischmarkt gehouden wordt, maar 
in het jaar 1664 werd die weder naar de Oude Vischmarkt 
overgebracht 1), alwaar die gehouden is geworden tot een 
veertig jaren geleden, als wanneer die naar cle tegenwoordige 
Vischmarkt andermaal is overgebracht. 2) 

Ten einde van cle tegenwoordige Oude Vischmarkt, ter 
plaatse waar nu de voormalige Stationstraat, thans ook de 
Visch straat geheeten, loopt, liep voorheen naast het huis de 
Zwarte Ruiter, dat in 1592 toebehoorde aan Henrick de Heusch 
Hemïckszn, eene steeg, genaamd het Bokking straatje of Haring- 
yangske, die van af gezegde markt zich uitstrekte tot aan den 
stadswal en langs clie steeg strekte aan de andere zijde van 
af de Oude Vischmarkt tot aan den stadswal een huis met erf 
zich uit, geheeten de Wildeman; dit huis behoorde in het laatst 
der 16 e eeuw aan de familie de Eaet, daar toch 20 Mei 1583 
(Reg. n° 230 f. 61v so ) Arnd Henrickszn van Varick als man 
van Elisabeth, dochter van Albert de Eaet, aan den metselaar 
Reinier Cloot, zoon van Lam bert Jacobszn, verkocht 2 /a in Vc 
in dit huis en 8 Augustus 1584 (Reg n° 239 f. 433) Antonius 
Dirckszn de Raet 2 /a in datzelfde huis aan genoemden metse- 
laar verkocht ; het werd alstoen gezegd te grenzen Zuidwaarts 
aan het huis den Engel, toebehoorencle aan mr. Henrick Lam- 
bertszoon van Uden. Deze beide laatstbedoelde huizen, de Wil- 
deman en cle Engel n.1., zijn een 40-tal jaren geleden door de 
gemeente den Bosch aangekocht, clie ze afbrak en van hunne 
erven alsmede van gezegde steeg een gedeelte van de tegen- 
woordige Vischstraat maakte en verder aldaar over cle stads- 
gracht eene brug bouwde teneinde de stad een behoorlijken 
toegang tot den spoorweg zoude hebben. 

Twee huizen verder clan deze beide huizen stond in de 



1) Van He urn Historie III blz. 132. 

2) Over de sluis nabij die Markt zie men Resolutie van Schepenen 
van den Bosch A. 186 f. 214 vso. 



— 163 — 

Lepelstraat een huis, genaamd de Groote Beer, dat 22 October 
1592 (Reg. n° 257 f. 26) Gijsbertus Masius, bisschop van den 
Bosch en Roelof Leonardszn van Scliijndel, in hunne hoedanigheid 
van testamentaire voogden over Jan, den onmondigen zoon van 
Jan, (den zoon van Jan Dirckszn van den Hovel), en Geertruid 
(de dochter van genoemden Leonard van Schijndel), voor de eene 
1 k en Jan, zoon van Petrus des Menschen, als man van Catharina 
(de dochter van Jan Dirckszn van den Hovel), voor de andere Vs 
verkochten aan Jan, den zoon van Arnold Peterszn; het werd 
toen gezegd te zijn : huis, erf en achterhuis en te staan ultra 
pontem bladi tusschen het huis van Jaspar van Balen Peterszn. 
ex uno en het huis der wed e van mr. Dominicus. den zoon van 
Goeswijn, den zoon van Henrick, den zoon van Jan Boyen, ex 
alio en zich achterwaarts uit te strekken tot aan het erf van 
Cornelis van der Molen. Genoemde mr. Dominicus had het 20 
November 1556 verkocht aan Jan Dirckszn van den Hovel voor- 
noemd en 5 September 1681 werd het bij gerechtelijke uitwinning 
(Reg. n° 476 f. 283 v so ) weder verkocht aan Jan Henselmans. 
Binnen de poort van dit huis staat een Moedergodsbeeld, waar- 
voor de Katholieken plegen te bidden, als zij van af 7 — 15 
Juli na het vallen van den avond den zoogenaamden omgang 
maken, d. w. z, in het donker al biddend den weg volgen, 
die vóór het jaar 1629 de processies plachten te volgen, welke 
vóór dien tijd in den Bosch in het openbaar gehouden werden 
en waren die van St. Jan Evangelist, van H. Sacramentsdag 
en van Zondag na O. L. V. Presentatie; van deze processies 
was die van St. Jan Evangelist de voornaamste, want daaraan 
namen deel de geheele regeering der stad, hare gilden en de 
inwoners van Orthen; toen den Bosch in 1629 in handen der 
Staatschen was gekomen en dientengevolge aldaar de uitoefe- 
ning van den Katholieken godsdienst verboden was, mochten 
er geene processies meer plaats hebben, wat evenwel niet ver- 
hinderde, dat de Katholieken van die stad gedurende voorschre- 
ven tijdsverloop, zoodra het donker was geworden, al bidden- 
de denzelfden weg volgden, die eertijds de voormelde processies 



- 164 — 

plachten te volgen ; de omgang kwam evenwel niet in de plaats 
daarvan; die moet eenen anderen oorsprong hebben. 1) 

Ultra pontem bladi, zooals van laatstbedoeld huis gezegd 
werd, m. a. w. over de Korenbrug 2), stond het op den stadswal 
uitkomend huis de Tamboer, waarvan het moeilijk is uit te 
maken waar het precies stond, omdat de namen van Lepel- en 
Molenstraat oudtijds niet bekend waren en van de huizen, die 
daaraan stonden, enkel en alleen werd vermeld, dat zij ston- 
den over de Korenbrug. Het huis de Tamboer was de zeepzie- 
derij van Jacob Janszn van Lier, die in 1675 reeds was over- 
leden en eigenaar was van het goed de Wamberg onder Berlicum. 

Hij behoorde niet tot de adellijke familie van zijnen naam 
maar tot eene Bossche burgerfamilie; den 26 November 1643 
was hij te den Bosch gehuwd met Allegonda van Empel, dochter 
van Jacob Lourijnszoon, die hem deze kinderen schonk : a. Wil- 
lem, die huwde 1° Antonia Danckeloff 2° Jacoba van den Ancker ; 
b. Jacob, die huwde met Catharina Margaretha Boulay; c. Johan, 
die huwde met Anna Maria de Pottere, ook wel Potters genaamd ; 
deze laatste was koopman te den Bosch en erfde het huis de 
Tamboer, dat hij in 1680 verkocht, waarna hij den 24 Maart 
1689 van den curator over de onbeheerde nalatenschappen van 
Cornelia van Orthen weduwe van Joost van Berckel en hunnen 
zoon Hendrick van Berckel kocht het huis de Engel, staande 
in de Vughterstraat te den Bosch naast het huis in de Drie 
Nobelen, dat toen toebehoorde aan Johan van der Meulen, koop- 
man te den Bosch; den 15 Januari 1699 kocht hij ook nog het 
kasteeltje Leeuwenburg onder Vught ; hij maakte echter slechte 
zaken, zoodat zijn inboedel onder het beheer van curators moest 
worden gesteld; dezen verkochten 9 Mei 1711 zijn huis de Engel 
aan Jacob van der Meulen, koopman te den Bosch en zijn kasteel 
Leeuwenburg, dat toen gezegd werd te zijn met twee grachten 
omivaetert, hoff\ boomgaert ende eisen hegge rontsom de buy- 

i) G. van der Kant Handboekje voor de vereerders der Z. L. V. 
van den Bosch 2e dr. blz. 53. 

2) Bij deze brug stond in 1706 het Gorenmeetershuysken. 



M 



r. 



W 

H 

> 
w 

t- 1 

> 



a 

>— i 

H 



2 



W 
2J 



cd 

re 
ET 

O 

O 







— 165 — 

tenste gracht, aan mr. Daniel de Lobell; d. Hendrik, die 17 Maart 
1656 te den Bosch R. K gedoopt werd en e. Anneken van Lier, 
die in 1674 huwde met Michiel Le Hardy. 

Aan den Westelijken hoek van de Oude Vischmarkt en 
de straat, die thans de Kruisstraat heet, stond oudtijds het huis 
het Klaverblad, een merkwaardig type van eene oude Bossche 
burgerwoning, clat omstreeks het jaar 1867 heeft moeten plaats 
maken voor een geheel modern koffiehuis. Henrick, zoon Gerard 
van den Grave, had eene grondrente verleend uit dit huis aan 
Petronella en Heylwich, dochters van Peter Last en Geertruid 
Strybosch (de dochter van Peter Leonardszn), welke grondrente 
door hare voogden was verkocht aan Henrick Henrickszn van 
Oudenhoven, die ze in 1567 (Reg n° 215 f. 211) weder verkocht. 
De kleinkinderen en erfgenamen van Lambertus Princen, zijnde 
Melchior Lambertus van Gorcom; Isabella Princen huisvrouw 
van Johannes Josephus van Veldriel ; Jacoba Princen en Martinus 
Josephus de Leeuw, weduwnaar en erfgenaam van Anna Catha- 
rina Princen, verkochten 23 October 1780 dit huis aan Willem 
Latour, woonachtig te den Bosch. 

De Kruisstraat, waaraan dit huis met den voorgevel stond, 
heette oudtijds tot aan de Korenbrugstraat de Mandemakers- 
straat 1) en van daar tot aan de Postelstraat Achter de Minder- 
broeders of bij de Abtsbrug ; de tegenwoordige Eerste Korenstraat 
en Korenbrugstraat werden oudtijds, omdat die de beide laatst- 
genoemde straten doorsneden, de Kruisstraat geheeten. 

Aan het eind der tegenwoordige Kruisstraat stond o. a. 
het huis 

a. de Nobel, 

ook wel de Gulden Nobel genaamd, zijnde thans het huis ge- 
nummerd Kruisstraat 6, 4 en 2. Dit huis bevond zich op het 
erf, dat eens toebehoorde aan de Abdij van den H. Trudo der 
orde van den H. Benedictus te St. Truijen, aan welke Abdij 



i) De tegenwoordige Breede Haven heette oudtijds Achter de 
Mandenmakers, 



— 166 — 

de nabij dit huis gelegen brug den naam van de Abtsbrug ont- 
leende. Het deel van het erf, waarop dit huis stond, werd van 
deze Abdij gekocht door Henrick van Uden, dié het weder 
verkocht aan mr. Willem Hoernkens, den klokgieter; deze was 
het wellicht, die het hier bedoeld huis daarop bouwde; zijne 
weduwe Luytgardis deed 14 Januari 1502 (Reg. u° 97 f. 287) 
afstand van den tocht van dat huis, hetwelk alsnu gezegd wordt 
te zijn : huis, erf en achterhuis, genaamd In den nobel, staande 
Achter het Minderbroed ersklooster tusschen het huis van God- 
fried Godden, kleermaker l) ex uno en dat van Elisabeth, de 
dochter van Goeswijn Joncker, ex alio, en zich achterwaarts 
over de Dieze uitstrekkende tot aan het Ulenborchstraetken, — 
aan hunne kinderen Lambert, Wouter, Weyndelmoed, Yda en 
Margaretha Hoernkens, zijnde de laatstgenoemde huisvrouw van 
Henrick Henrickszn van Sprengel genaamd die verwer. Van 
deze kinderen verkochten Lambert, Weyndelmoed en Henrick 
van Sprengel als man van Margaretha Hoernkens 5 Februari 
1507 (Reg. n° 102 f. 128 v so ) aan Nicolaus van Delft Janszn 
voorzegd huis, dat daarbij omschreven werd als te zijn geweest 
een deel erf, genomen van het erf van den Abt en de Con- 
ventualen van het Klooster van St. Trudo der orde van den 
H. Benedictus, n. 1. de muren en gebouwen, staande op dat stuk 
erf, hetwelk is gelegen tusschen het erf van Jan Baliart, bastaard- 
zoon van Jan Baliart, het water tusschenbeiden loopende, ex 
uno en het erf der kinderen van Goeswijn Henrickszn Jonkers, 
— te beginnen van af het huis van Gerard yan Roede, timmer- 
man, en nabij de openbare straat, ex alio, welk stuk erf ge- 
noemde Willem Hoernkens die clockgieter gekocht had van 
Henrick van Uden en nu is: huis, erf en achterhuis, genaamd 
de Nobel, staande tusschen het huis van Lambert Millinck, het 
water tusschen beiden vlietende, ex uno en het erf van Eli- 
sabeth, de dochter van Goeswijn Henrickszn Jonckers 2) ex alio, 

1) Wellicht was deze slechts huurder van dit huis. 

2) De kinderen en kleinkinderen van dezen Goeswijn Jonckers, 
zijnde a Maria wede Marcelis van den Grave, alsmede derzelver kinderen 
Antonius ? Elubert, Joost, Barbara en Adriana; b Antonius die Wael, zoon 



— 167 — 

zicli achterwaarts over de Dieze uitstrekkende tot aan den 
üïenborch. 

Genoemde Nicolaus van Delft Janszn verkocht 6 Juni 
1537 (Reg. n° 152 f. 242) dit huis. dat alsnu omschreven wordt 
als: huis, erf en achterhuis met stal, brug en erf, staande en 
gelegen achter dat achterhuis, aan Mathijs, zoon van Jan 
Mathijszoon van den Wyel. Deze verkocht 27 Februari 1552 
(Reg. n° 188 f. 125) de Nobel, die thans gezegd wordt te zijn : 
domus, area ac domus posterior, simul cum porta, vacua hereditate, 
stabulo, ponte ac vacua particula hereditatis retro dictam domum 
posteriorem jacentibus, aan Herman, den zoon van Willem, den 
zoon van Christaan Lucaszoon. Diens dochter Geertruid, begijn 
op het Groot Begijnhof te den Bosch, verkocht 10 September 
159L (Reg. n° 246 f. 495) 1 k in de Nobel aan den bierbrouwer 
Philips, zoon van OhristofM Sanders, als in huwelijk hebbende 



van Petrus en Aleid, de dochter van Goeswijn Jonckers voornoemd en 
zijn broeder en zuster Jan en Johanna die Wael; c Jan, zoon van Herman 
van Duimen, als gehuwd met Agatha, de dochter van Henrick, zoon van 
Goeswijn Jonckers voornoemd, verkochten 20 Mei 1513 (Reg. n° 108 f. 323) 
het huis van Elisabeth Jonckers, dat gezegd werd te staan over de Abts- 
brug tusschen het huis van Jan Ruysch, bierbrouwer, ex uno en het overig 
huis en erf van haar ex alio; alsmede dat overig huis en erf, staande 
tusschen het achter- of brouwhuis van genoemden Ruysch ex uno en het 
huis de Nobel, ex alio, aan Willem Moei Janszn, Deze kocht 28 Jan. 1515 
(Reg. n° 111 f. 279) van Jan van Duimen als gehuwd met Agatha Jonckers, 
c. s. nog een huis en een daarbij behoorende gang, staande en gelegen 
tusschen de Nobel en het huis van Alexander die goudsmit ex uno en 
zijn huis ex alio. Willem Molius, de Bossche kronijkschrijver, zoon van 
genoemden Willem Moei Janszn en diens vrouw Mechteld, dochter van 
Willem Geris, erfde van zijnen vader van diens gezegde huizen een huis, 
dat toen hij het in October 1554 transporteerde aan de kinderen zijner 
zuster Jutte Moei, echtgenoote van Goyart van Vlierden Danielszn, aldus 
omschreven werd (Reg. n<> 192 f. 46) : domus, area, vacua hereditas dicta 
ledige plaetsse, domus posterior, sitae in Buscoducis retro Conventum Fra- 
trum Minorum juxta pontem, des Abtsbrugge vocatam, inter hereditatem 
Jutte, filiae dictae Willelmi Mooi, relictaeque quondam Godefridi de Vlierden 
Danielszn et ejus liberorum, ex uno et inter hereditatem Joannis, filii 
quondam Petri Jacobszn (hier is bedoeld de zoogenaamde van baukens- 
camer) et Hermanni, filii Wilhelmi Lucaszn, ex alio, tendentes acommuni 
platea ad communem aquam, die Diese vocatam, ibidem retro fluentem, 
hem, mr. Willem Molius, ten deel gevallen bij de boedelscheiding, opge- 
maakt tusschen hem, genoemde Jutte en anderen. Het huis, dat Jutte, 
als voorzegd, reeds bezat, stond Vischmarktaartsw naast het huis, genaamd 
In de Leerse. 



— 168 — 

Aleid of Aelken, de zuster van genoemde verkoopster, welke 
het overige 3 /ö in dat huis, waarin zijne vrouw reeds Vs had, 
21 Februari 1597 kocht van Wilhelma en Judith, de zusters 
zijner genoemde vrouw en van Jacobus, zoon van Symon An- 
thoniszoon, als weduwnaar van Heylwich, ook zuster zijner 
vrouw en als vader van de kinderen, die hij van Heylwich had. 
Genoemde Philips Sanders bezat een kasteeltje op het Loo onder 
St. Michielsgestel en was kleinzoon van den priester Jacob San- 
ders. Van zijne vrouw Aleid of Aelken, de dochtervan gezeg- 
den Herman Willemszoon, had hij een zoon Herman Sanders, die 
10 Januari 1628 (Reg. n° 254 f. 474 v so ) zoo voor zich als voor 
zijne zonen Jan en Christoffel Sanders dit huis, dat nu gezegd 
wordt te zijn: een huysinge, erve, poerte, ganck, plaetsken, coeck- 
haysken, sydelhuys ende achterhuys, ivesende een brouwerye 
ende seeperye, staande achter het Klooster van de Minderbroe- 
ders tusschen het huis eertijds van Lambert Millinck, nu Jan 
Aertszn van Horenbeeck, het gemeene water tusschen beiden 
loopende, ex uno en het huis eertijds van Elisabeth, dochter 
van Goeswijn Jonckers, nu de weduwe van Cornelis Fabri en den 
wollenlakenskooper Jan, zoon van Jan Roelofszn Coenen, ex 
alio, strekkende achterwaarts met eene brug over het water 
tot op den Uilenburg, — verkocht aan den bierbrouwer Adriaan, 
zoon van Jan Wynandszn Suyskensl). 

Tijdens dat laatstgenoemde kooper het huis de Nobel 
bezat werd een deel daarvan, naar alle waarschijnlijkheid het 
pakhuis, het was althans een gebouw, dat achter den Nobel 
stond en daarvan een deel uitmaakte, ingericht tot een geheim 



1) De familie Suyskens, waartoe hij behoorde, was afkomstig van 
Dinther, alwaar in 1540 Jan Henrickszn Suyskens en in 1547 Jan Suys- 
kens Jr., zoon van genoemden Jan, reeds geërfd waren. 

De bierbrouwer Adriaan Suyskens was een afstammeling van eerst- 
genoemden Jan Henrickszn Suyskens, die deze kinderen had : Jan, Arnolda, 
Maria, Hillegonda, Adriana, Elisabeth, Wijnand, Henrick, bierbrouwer, 
Cornelis en Gerard Suyskens, priester. Genoemde Wijnand Suyskens had 
weder deze kinderen : Adriaan, die successievelijk tot vrouwen had Elisabeth 
Wijnants van Resant en Metken, dochter van Eduard Wellens en weduwe 
van Peter Franszn van Susteren en Jan, din vader van bedoelden bierbrou- 
wer Adriaan Suyskens, die naar de plaats zijner afkomst gewoonlijk Suys- 
kens van Dinther genaamd werd. 



-* 169 — 

bedehuis voor de Katholieken. Dit geschiedde, omdat de uitoefe- 
ning van den Katholieken godsdienst na de reductie van den 
Bosch in 1629 in die stad verboden was. Wel was in art. 2 der 
Poincten by syne Princelycke Excellentie ende de Gedeputeerde 
van de Hooge Moghende Heeren Staten Generaal der Veree- 
nichde Provinciën den 14 Septemb. 1629 aen die G eestelij cklieyt^ 
Magistraet ende Borgerye van de Stadt van 's Hertog enbosch 
geaccordeert, bepaald, dat „de Ingesetenen van dese Stadt hun 
sullen moeten draghen volghens de Placaten van den Lande, 
midts ghenietende de vryheyt van conscientie, ghelijck sulckx 
alomme wort ghedaen, doch dit was een vrijheid van geweten 
uitsluitend voor de Nederduitsch Hervormden, niet voor de 
Katholieken, wat ook duidelijk blijkt uit den volgenden inhoud 
van dat artikel, vermits het toch verder luidt: „dat allegeeste- 
lycke ende religieuse manspersoonen sullen uytte stadt vertrecken 
binnen den tijdt van twee maenden" (met bevoegdheid: „met 
haer te nemen hare meublen, beelden, schilderyen ende andere 
kerckelycke ornamenten"). Van daar dat de Katholieke gods- 
dienst na 1629 in den Bosch niet anders dan in het geheim 
kon worden uitgeoefend, wat natuurlijk slechts kon geschieden 
in particuliere woningen, welke door godvruchtige Katholieken 
daartoe beschikbaar werden gesteld en door priesters, die zich 
daar schuil hielden. Het schijnt, dat de Protestantsche Overheid 
van den Bosch er spoedig achterkwam, dat ondanks het verbod 
van voormeld artikel 2 er nog priesters in die stad waren, daar 
toch de Gemachtigden der Staten Generaal den 3 Januari 1630, 
toen zij zich tot regeling van de Staatsche regeering nog in den 
Bosch bevonden, de bepaling uitvaardigden, dat alle Katholieke 
priesters, die zich daaruit nog niet hadden verwijderd, binnen vier 
of vijf dagen na dien uit cle stad moesten vertrekken op straffe 
van anders voor goeden prijs te worden gehouden en dat zij, die 
na den overgang van den Bosch, reeds uit die stad waren gegaan 
doch daarna daarin weder waren gekomen, binnen vier en twintig 
uren na dien op dezelfde straf de stad te verlaten hadden, i) 



1) Bor Beschrijv. van den Bosch p. 401. 



— 170 — 

Aanvankelijk was deze gebodsbepaling voor de valiede 
Katholieken van den Bosch nog te overkomen, omdat ondanks 
de reductie van die stad het gezag van de Staten Generaal over 
cle Meierij in den eersten tijd nog niet zoo krachtig was, dat 
zij konden verhinderen, dat de Katholieke godsdienst in de dor- 
pen der Meierij nog als vroeger openlijk werd uitgeoefend, doch 
al naar gelang hun gezag daar krachtiger werd, werd ook in 
die plaatsen de uitoefening van den Katholieken godsdienst met 
geweld tegengegaan en bleef er voor de Bossche Katholieken 
ten slotte niet anders meer over dan of in de Vrijheerlijkheid 
Bokhoven de Mis te gaan hooren of in het geheim in hunne 
huizen de Mis te laten lezen door den een of anderen moedigen 
priester, die niet de vervolgingen van den Hoog- en laagschout 
vreesde. Dientengevolge ontstonden in den Bosch meer en meer 
geheime bedehuizen, die, hoe zorgvuldig ze ook geheim gehou- 
den werden, toch nog meermalen bekend werden aan den Hoog- 
en laagschout der stad en Meierij van den Bosch, die er dan een 
inval in liet doen, zooals van Heurn Historie II p. 492 op het jaar 
1636 volgender wijze verhaalt: cle Eoomsch gezinde oeff enden, 
niettegenstaande de strenge Plakaaten, hunnen Godsdienst in 
afgelegen huizen en kelders uit, hetivelken hun somtijds gelukte, 
doch dikwijls toerden zij gestoord. Hij deelt daar nog verder 
mede, hoe in datzelfde jaar de Hoog- en laagschout te vergeefs 
een inval trachtte te doen in een huis in den Bosch, alwaar, naar 
hij meende, de Katholieke godsdienst werd uitgeoefend. 

Toen de Staten Generaal vernamen, dat hunne gebods- 
bepaling van 1630 ondanks hare gestrengheid, toch nog ont- 
doken werd. vaardigden zij daarom 23 Januari 1638 eene ver- 
scherpte resolutie uit tegen het uitoefenen van den Katholie- 
ken godsdienst in den Bosch, waarbij o. a. werd bepaald : 
„te verclaeren van goeden prisse de Papen, dewelcke heur in 
de conventiculen 1) hebben laten gebruycken om te prediken, 
misse offte eenige paepsche superstitie te doen offte claertoe 



1) Hieronder werden verstaan de bijeenkomsten, waarin de Katholieke 
godsdienst in het geheim werd uitgeoefend, 



— 171 — 

vergaderinge te maecke encle werden deselve Papen ransoena- 
bel gestelt ter somme van fl 600 toe, niet permissie, wanneer 
eenige Papen souden mogen geattrappeert worden, die van 
meerder vermogen mochten sijn, dat 't selve alhier soude 
mogen bekent gemaeckt worden om met kennnisse tot hoger 
rantsoen van 't selve geresol veert te werden ende weit hier 
neffens verklaert, dat soo wie sijn huys, schuer offte erve 
offte plaetse tot enige sulcke verboden vergaderinge sal geleent 
hebben offte laten gebruycken, dat deselve persoon daervoor 
sal gemulcteert worden ter somme van fl 300 voor elcke reyse 
ende by zooverre de wert offte huysheer van de plaetse, daer 
de ongeoorloffde vergaderinge gehouden sal sijn, de Paep sal 
laten evaderen, dat hy sal gehouden sijn voor het rantsoen te 
verantwoorden ; voorts dat ydereen van de toehoorders offte 
persoonen, in alsulcke verbodene vergaderinge verscheynende, 
gemulcteert sullen worden ter somme van rl 25 voor iedere 
reyse etc." 

Dit besluit werd gepubliceerd in den Bosch 3 Februari 
1638. Hoe streng het ook was, er kon daardoor niet worden 
voorkomen dat moedige en ijverige Katholieke priesters in den 
Bosch in het geheim de Sacramenten hunner Kerk bleven toe- 
dienen en dat menig vurig Katholiek van die stad zijn huis 
daartoe nog beschikbaar bleef stellen, zoodat er ook nog altijd 
geheime Katholieke bedehuizen bleven ot' kwamen. Ondanks 
dat dezen in het grootste geheim gehouden werden, werden zij, 
ook toen er zooveel zwaarder straffen op stonden, van tijd tot 
tijd nog door den Hoog- en Laagschout ontdekt, zooals blijkt 
uit de navolgende notulen der Stedelijke Regeering van den 
Bosch (Resolutiën A. 40) : 

Jovis den 4 April 1641 voormiddach. 

Presenten allen de Heeren Schepenen. 

Is by den Heere president geproponeert, alsoo onlangs 
alhier is gestoort seeckere misse, alwaer groote insolentiën sijn 
gepleecht, sraaeckende na oproer en gewelt, ende alsoo sulcke 



— 172 — 

onbehoorlijckheden in dese stadt niet behooren te werden geto- 
lereert ende dat in toecomencle tegens sulcke moetwillen behoort 
te werden versien, 't welce principalycken in een frontierstadt 
behoort te werden geremedieert off niet behoorlycke informatiën 
daerover behooren te werden genomen off dese isolentiën zijn 
gedaen ofte gepleecht door burgers ofte door soldaten ofte door 
beyde. Ende den Heere Hoochschout aengemaent, dat hy over 
dese sake hem behoorlycke believe te informeren, opdat dair- 
tegens tydelycke remediën mogen werden bygebracht ende voor 
sooveel dese onbehoorlycheden souden mogen wesen gepleegt 
by militaire persoonen, dat daerover behoorlycke dachten aen 
den Heere Commandeur souden mogen werden gedaen, opdat 
claertegens behoorlycke remedie soude mogen werden bygebracht, 
dewyle dit een saecke is raeckende cle seeckerheyt vau de stadt 
aengaende yeder een sijn goet ende bloet, Waerop zijnde gedi- 
libereert, is verstaen ende geresolveert, dat men den Heere 
Hoochschout sal versoecken, dat hy de Heeren Schepenen 
openinge believe te doen, wat informatiën hy aireede over dese 
onbehoirlycke acten heeft genomen ende soo noch geen vol- 
comen informatiën heeft, dat de Heeren Schepenen sijn Ed. 
sullen presenteren om alle behulp ende assistentie te doen. Ende 
alsoo uyt de verclaringe van eenige der Heeren Schepenen is 
verstaen, dat verscheyde militairen persoonen haer met dit werck 
hebben gemoeyt ende vermengt, dat men den Heere (van) Thie- 
nen 1) uyt den naem van de Heeren Schepenen sal versoecken 
mede behoorlycke informatie daerover te nemen. 

Ende sijn gecommitteert van den Heere (van) Thienen 
dit te versoecken cle Heeren Donckers 2) ende Copes. 

Eodem die 

Presenten : den Heere Hoochschout, alle de Heeren Sche- 
penen. Uyt de Heeren Gesworeus : Tielmans, Brul ende (van) 
Brussel. 



1) J or Philips van Thienen, kommandant van den Bosch. 

2) Hij was Johan Donckers, zoon van Nicolaas Laureynszn en 
Heyiwich Boyen Philipsdr, en n. b. Katholiek. 



- 173 -- 

Nadat de Heeren Schepenen dese bovcnstaend Kesolutie 
hadden genomen in de Visiteerkamer, den Heere Hoogschout 
met de Gesworens in de Ordinariscamer van vergaderinge sijnde 
gebleven, soo sijn de Heeren Schepenen weder in de camer 
gecomen ; daer gecomen zijnde, soo heeft den Heere Hooch- 
schout geexhibeert de volgende schriftelycke propositie; nadat 
deselve was aen gevangen te lesen, heeft den President gesusti- 
neert, dat eerst zoude werden gelesen de Resolutien bij de 
Heeren Schepenen genomen ; den Heere Hoochschout daeren- 
tegens, dat syne propositie eerst zoude werden gelesen, waer- 
over lange zijnde gedisputeert ende veel woorden gevallen, soo 
is eindtelycken goetgevonden, dat de schriftelycke propositie 
van den Heere Hoochschout soude werden gelesen ende luyt 
als volgt : 

Mijn Heeren 

Alsoo op Maendach laetstleden, tweeden Paesdach, alhier 
in dese stadt is ontstaen eenen grooten gevaerlycken oploop 
tvde zoo wanneer de twee Heeren claertoe gecommitteerde 
Schepenen, van den Bosch ende Tielmans, waeren geweest op 
versoeck van mynen Stadthouder visiteren het huys 1) ende ge- 
stalte van dien, daer alsdoen gemelte Stadthouder hadde ver- 
stoort een groote vergaderinge van papiste borgeren ende sol- 
daten, ende dat geseyden oploop sulx is geweest met affgryse- 
lycke roupen, worpen van steenen, slaen ende stooten, oock met 
bloot rappier, dat sy, Schepenen ende Stadthouder, niet sonder 
groot gevaer van haer leven uyt denselven oploop met fortse- 
lijck ontryden van de carosse, daer sy in saten, ende stadich, 
in vougen als geseyt is, wierden nageloopen tot aen den Stad- 
huyse, hen al daer hebben gesalveert. Waeromme byaldien hierna 
soo ter straffe van de coupablen als voorcomen van verder on- 
heylen niet promptelycke wert voorsien na behooren soo zijn 
d'uyterste daeruyt ontstaende gevaren w r el te bedencken. Soo 
en heb ick ten vervolge van mijn schuldige plichtampt ende 



1) Het is niet meer na te gaan welk huis hier bedoeld is. 



debvoir niet connen onderlaten op myné preperatoire infor- 
matièn, die ick bereyts hebbe genomen, dese vergaderinge alle- 
sulx voor te dragen teneynde wy alhier in rype diliberatien 
mogen uytvinden de bequaemste middelen soo ter bekentmaking 
der coupablen ende derselver exemplare straffen als tot bera- 
minge der middelen omme de afgryselycke onheylen, die ten 
peryckele van dese stadt ende ons gesamentlijck leven wel 
souden connen vallen, in cas wy daerinne niet te versien, voor 
te comen ende uyt te wercken. 

4 April 1641. H. Bergaingne. 

Welcke propositie, zijnde gelesen, is mede gelesen de 
Resolutie, by de Heeren Schepenen genomen hiervooren gestélt. 

Maendach den 8 April 1641 

Presenten : den Heere Hoochschout, alle de Heeren 
Schepenen. Uyt cle Heeren Gesworens : Outheusden, Tielemans. 
Brul, (van) Brussel. 

Den Heere Hoochschout heeft de vergaderinge voorge- 
dragen, dat hy op de laetste byeencompste de Heeren hadde 
bekent gemaeckt de grooten oploop, die op den eersten April 
was ge pleegt, de onheylen, die in toecomende dairuyt staen 
te verwachten ende geerne gesien hadde, dat eenige prompte 
ordre by publicatie oft anders tot voorcominge van meerder 
onheylen ende swaerigheyden dairtegens soude werden gestelt. 
Dan alsoo tselve tot noch toe niet en is gesciet, soo heeft den 
Heere Hoochschout de vergaderinge op hieus voorgehouden off 
het niet dienstig soude sijn datelij ck een publicatie soude wer- 
den gedaen, dat soo yemant weet bekent te maken eenige bur- 
gerlycke persoon en, die in den oploop, geschiet den eersten 
April, schuldich sijn in het naloopen, roupen, slaen, worpen 
met steenen ofte slijck na de carosse, daer de Heeren Sche- 
penen insaten, aengedaen, dat men die sal vereeren met een 
praemium. Welcke propositie by den Heere Hoochschoudt sijnde 
gedaen, heeft den Heere President daerop omvrage gedaen 






ende na deliberatie is verstaen ende geresolveert, dat men de 
publicatie sal doen in conformité van de voornoemde propositie 
ende dat men den aenbrenger sal vereeren met premium van 
fl 25 ende synen naem sal secreet houden. 

Of de Hoog- en Laagschout, Hen riek van Bergaigne 
voornoemd, met deze uitlokking tot verraad succes had blijkt 
niet ; wel blijkt, dat hij met zijn optreden tegen de geheime 
Katholieke bedehuizen geen succes had, daar hij zich toch in 
1644 genoopt achtte aan de Regeering van den Bosch te ver- 
toonen, dat ,,er toen wel in 18 verscheyde particuliere huysen 
ende plaetsen bevonden werden by de pausgezinde borgeren 
opgerecht te zijn publycque kereken, t'eenemael tot hennen 
dienste geapproprieert ende versien met altaren, alderhande 
kerckelycke ornamenten, bancken en stoven, stoelen, matten, enz., 
uytwysende de bygaende memorie daervan gemaeckt 1), boven 
ende behalven noch andere bynaer ontelbaere gelycke plaetsen, 
die ofte niet bekent en sijn ofte daer ghenen openbaeren toe- 
ganck van volck en weidt geadmitteert, alle welcke voors. 
geapproprieerde plaetsen en kereken met soo veele verschey- 
dene toegangen ende uyteompsten sijn versien, dat het bynaer 
onmogelijck is de byeen vergaderde personen aldaer te betrap- 
pen ofte achterhalen, te min doordien op sijn remonstrants 
ende sijns stadthouders huysen door onbekende persoonen, 
voornementlijck op sonnedaegen ende de heylige claegen, soo- 
danich regard genomen werdt, dat sy niet eenen voet buyten 
henne deuren en connen setten offte die byeen vergaderde 
persoonen werden daeraff gewaerschouth, zul ex dat deselve, 
eer hy, remonstrant, die can doen stooren ende becalangieren, 
door de voors. diversche toegangen der huysen sijn verscheyde 
ende alsoo niet anders bevonden als de voors. altaren, ornamen- 
ten, stoelen, stoven, bancken, alles in form van eene publycque 
kereke geapproprieert, hem, remonstrant, offte synen stadthouder 
alsdan voorwerpende, dat het een kier geoirlooft is zijn huys 



]) Deze memorie schijnt niet meer te bestaan. 



— 176 — 

soodanichlijck te aecommodeeren, versien en approprieeren als 
bet hen goetdunckt, 't welck is eene saecke van quade conse- 
quentie" ; hij vroeg daarom aan het slot van zijn vertoog eene 
strafbepaling tegen eene inrichting der huizen tot Katholieke 
kerken. De Eegeering van den Bosch, hoewel zij grootendeels 
Protestant was, had blijkbaar geen lust om aan het verzoek 
van den Schout te voldoen, want deze moest nog herhaaldelijk 
daarop aandringen, totdat zij ten slotte daarvoor bezweek en 
op 19 Mei 1653 bevel gaf tot opruiming der geheime Katho- 
lieke bedehuizen op poene van arbitrale correctie. Doordien 
die bedehuizen geheim waren, blijkt daarover niet veel, maar 
toch zijn er eenige er van bekend gebleven door een fragment 
van een Memoriaal van Martinus Ackersdijck, rakende de 
Paepsche Conventiculen, beginnende November 1652, dat eenige 
jaren geleden door den toenmaligen archivaris van Noord brabant, 
mr. A. C. Bondam, voor het Eijksarchief aldaar is aangekocht. 
Genoemde Ackersdijck, die een zoon was van den Kot- 
terdammer Cornelis Ackerdijck en diens echtgenoote Johanna 
Nicolaï, had zich in 1651 te den Bosch 1) metterwoon gevestigd 
als gecommitteerde van den Hoogschout J or . Hendrick de Ber- 
gaigne en maakte als zoodanig ijverig jacht op de geheime 
bijeenkomsten, die de Katholieken aldaar tot uitoefeningen 
van hunnen godsdienst hielden en hield daarvan dagboek in 
zijn gezegd Memoriaal. Daaruit blijkt, in verband met na te 
melden schepenakte van 1745, dat ook in den Nobel een ge- 
heim Katholiek bedehuis was, daar hij toch daarin over dat 
bedehuis het volgende relateert: Den lesten April 1656 gestoort 
een paepsche conventicul, dewelcke wierdt gehouden op de 
Cruysstraet, daeruyt hanght St. Jan ende is voor het huys 
betaelt de volle peene, enz. Geheel juist is echter de vermelding 
niet, dat deze bijeenkomst werd gehouden in het huis St. Jan, 
vermits zij plaats had in den Nobel; Ackersdijck zal er toe 



4) Hij huwde aldaar in 1653 met Mechteld Ganters, dochter van 
Joost, schepen van den Bosch en Hermina van Beugen. Hij overleed aldaar 
24 November 1674, verscheidene kinderen nalatende. 



- 177 - 

gekomen zijn, doordien door het buis St. Jan (genummerd 10) l), 
waarvan de daarachter gelegen plaats grensde aan den gang van 
den Nobel, toegang tot dit geheime bedehuis werd verleend. 

Sedert het jaar 1G73 werd er geen geheim meer van 
gemaakt, dat in den Nobel een Katholiek bedehuis gevestigd 
was. Dit was te danken, hoe vreemd het ook moge klinken, 
aan eenen inval, dien de Hoog- en Laagschout op 22 October 
1673 had gedaan in een geheim Katholiek bedehuis, clat ge- 
houden werd in het aan den Hoogen Steenweg te den Bosch 
staand huis, genaamd in Rome 2). 

Die inval had toch onder de Katholieke bevolking van 
den Bosch eene zoo hevige ontroering veroorzaakt, dat daarom 
de Regeering van die stad, zoo schreef van Heurn in zijne 
Beschrijving dit geval den Al gemeen en Staten en den Prinse 
van Orange bekend maakte; zij vertoonde zijne Hoogheid, „dat 
de strenge uitvoering van 's Lands wetten tegen de oeffening 
des Eoomschgezinden Godsdienst, welkers beleiders toen meer 
als drie vierden der inwooners haarer stad, die een grensves- 
ting was, uitmaakten, haar ten uitersten gevaarlijk toescheen; 
zij verzogt om die reden, dat zijn Hoogheid den Hoogschout 
gelasten wilde hierin met meerder gematigdheid te werk te 
gaan (Notulen 9 Mei, 1674 Keg. van Breugel). Of dit eenige 
uitwerking gehad hebbe om de Roomschgezinden zo sterk niet 
meer te vervolgen en hun by oogluiking hunnen Godsdienst te 
laten oeffenen, kan ik by gebrek van bewijs niet vernaaien. Vaster 
gaat het, dat er sedercl, zo in de stad en genoegzaam in alle 
de dorpen der Meyerye kerkenhuysen voor de Roomschgezinden 
geduld zijn. De Officieren 3) voerden vervolgens de strenge Pla- 
kaaten niet uit, maar lieten zich door geld verblinden, aan wel- 
kers kragt zy niet wederstaan konden ; hierdoor brak de oeffening 
des Roomschgezinden Godsdienst meer en meer door; cle Offi- 



i) Dit huis behoorde in 1644 aan Pauwei Janszn Coenen en in 
1742 aan Anthony de Hee. Men zie er over Reg. no 431 f. 14 en eene 
Bossche schepenakte van 1644. 

2.) Van Heurn Historie III blz. 225. 

3) Zij waren de stadhouders of de substituten van de Schouten. 

12 



^- 178 — 

eieren maakten er eindelijk geen geheim meer van, dat zy vatl 
de Priesters en Roomschgezinde inwoners geld genoten. De 
Algemeene Staaten vonden om het willekeurig afneemen van 
geld tegen te gaan, in liet jaar 1730 goed, dat voor ieder kerk 
in cle stad en Meyerye, die door eenen Priester bediend werd, 
vijftig guldens en daar, waar een Kapellaan bygevoegd was, vijf 
en twintig gulden daar en boven betaald zoude moeten werden." 

Zoo had dan de inval van 22 October 1673 het gevolg, 
dat de Katholieke bedehuizen, die toen in den Bosch waren, 
geen geheime meer behoefden te zijn en dat in eene Schepen- 
akte van den Bosch van 1745 door den Katholieken eigenaar van 
dit huis openlijk kon worden vermeld, dat een deel van den 
Nobel gebruikt was geworden tot een Roomsch kerekehuys. 

Zoo als blijkt uit cle reeds meermalen aangehaalde Bos- 
sche kronijk, die alleen nog maar in handschrift bestaat, werd 
dat deel van den Nobel ook nog gebezigd tot het geven van 
stichtelijke tooneeluitvoeringen, daar toch daarin het volgende 
aangeteekend staat : 

„In het jaar 1671 den 18 September is alhier door de 
Bossche jeugt ten huysse van Adriaen Suyskens, bierbrouwer 
in den Nobel, gespeelt het treurspel, verclarende de oogluyc- 
kinge des vaders ende wederspannighijt des soons, gestraft in 
den coninck David ende Absalon, opgedragen aen de heer 
Jaques van Kessel, borger deser stadt, wonende tot Parijs, 
tegenwoordig present alhier, alles door ende onder het belijt 
van den Eerwaerde Heer Jan de Bolster, minderbroeder ende 
missionaris alhier." 

In 1745 was het bedehuis van den Nobel ingestort en 
het is daarna niet meer opgebouwd, zooclat het van af dat jaar 
voor goed ophield eene Katholieke bidplaats te zijn. Onaan- 
genaam zal dat zeker niet aan de Staten-Generaal zijn ge- 
weest, want in het jaar 1731, toen er in den Bosch nog 10 
Katholieke bedehuizen waren J), bepaalden zij, dat hun getal, 



I) Men vindt ze vermeld bij Schutjes t. a. p. IV blz. 299 onder 
nummers 2 — 11. 



— 1?9 — 

bij het uitsterven derzelve bedienende priesters, tot op 5 zoude 
worden teruggebracht (Resol. van 12 Maart 1731). Eenige 
jaren later (1747) stonden zij echter toe, dat er in den Bosch 
7 Katholieke bedehuizen zonden zijn, waarvan er 5 door een 
pastoor en een kapelaan en 2 door een pastoor alleen zouden 
bediend worden. (Resol. van 16 Febr. 1747). 

De vrouw van meergenoeinden Adriaan Suyskens was 
naar alle waarschijnlijkheid Allegonda Loeft' van der Sloot, 
dochter van mr. Godefroy, raad van den Bosch en Hillegoncla 
Colen ; zij stierf 2 Januari 1669. Hun zoon zal dan geweest 
zijn Godefridus Suyskens, die 3 Juni 1690 in den Bosch onder- 
trouwde met Johanna Francoise de Cleyn, woonachtig te Ant- 
werpen, en wiens zoon (uit zijn huwelijk met haar?) was 
Adriaan Suyskens; deze laatste huwde met Hillegond de Soete, 
dochter van Jaspar en Odilia Loeft van der Sloot, welke hem 
deze kinderen schonk : Godfried en Jaspar Suyskens, beiden 
kinderloos gestorven ; Willemina Suyskens, die in 1719 te Meche- 
len woonde en Maria Suyskens, welke met Willem van In gen 
huwde. Het huis de Nobel werd 15 April 1702 (Reg. n° 514 
f. 361 v so ) ten laste van laatstgenoemden Adriaan Suyskens voor 
schuld verkocht ; het werd alstoen omschreven als : „eene huysinge 
met eene poorte, erve, middelhuys op de plaetsche, packhuys, 
mouterye, brouwerye, coelbacken, bierpomp, etc, met een uyt- 
ganck aen den Uylenburch, twee achterhuysen aen ende ter 
zyde van den ganck, te weten aen ieder zyde een, met een 
prieelken over de Diese, alles gelegen aen de Kruysstraet naest 
het erf van de Wed e Anthony de Hee ex uno ende het huys 
van van Tilburch ex alio'\ zijnde het toen bewoond door Adriaan 
Suyskens laatstgenoemd en de Wed Poolen. Koopster werd 
toen daarvan Maria Herincx (dochter van Adriaan Herincx en 
Lucretia Donckers 1), die na doode van haren genoemden man 
hertrouwde met Johan van der Horst, oucl-schepen en raad van 



1) Deze echtelieden hadden behalve Maria deze kinderen: Guiliam, 
woonachtig te Antwerpen; Laurens, gehuwd metElisabeth van der Linde en 
Hendrina Herincx, gehuwd met Guiliam Lefèvre, woonachtig te Amsterdam. 



— 180 - 

clen Bosch 1) en weduwe van Johan van Kessel. Van haar 
werd dit huis geërfd door haren zoon Johan van Kessel, ple- 
baan van den Bosch, van wien het weder erfde diens oomzegger 
Ignatius Petrus van Kessel, woonachtig te Leuven, de zoon van 
Balthazar en N. Driessens; deze verkocht het 26 Mei 1745 (Reg. 
n° 563 f. 432) aan Cornelis van Warmont, woonachtig in den 
Bosch, wiens vrouw was Mathea Sopers 2), dochter van Dirck 
Sopers, slachter te den Bosch en Ida Deckers. de dochter van 
Ivo en Wouterken van Eerssel. De Nobel werd toen volgender- 
wijze omschreven : „huysinge met een poort, erve, middelhuys 
op de plaats en gebouw, laast gebruykt sijnde tot een Rooms 
kerckehuys, met een uytgang naar den Uylenburg, alsmede nog 
twee agterhuysen aan en ter zyde van voois, gang 3), te weeten 
aan ydere zyde een'', staande aan de Kruisstraet tusschen het 
huis van mr. Daniel de Lobell ex uno en het huis de Star- 
ex allo. Genoemde Cornelis van Warmont, die een zoon was van 
Gillis Peeters (den zoon van Balduinus Peeters en Elisabeth 
van Herck) en Cornelia Pardyck, kocht 16 Mei 1750 (Reg. n° 565 
f. 266) van Arnoldus Fabrie, woonachtig te Wassenberg, bij 
clen Nobel nog aan gezegd huis de Star (ook wel de Morgenster 
en vroeger de Torts en de Bril geheeten) 4), dat naast de 

4) Hunne kinderen waren mr. Anthony van der Horst, advocaat 
te den Bosch, die huwde met Maria van Heynsbergen, welke hem kin- 
deren schonk en Adriaan van der Horst. 

2) Hare zusters en broeder waren: Ivesta ; Maria Gatharina, huis- 
vrouw van Jan Arnold Gast en Matheus Sopers. 

3) Met dezen gang zal voormelde uitgang bedoeld zijn. 

4) Arnoldus Fabrie had het geërfd van zijne ouders Theodorus Fabrie 
en Godefrida van Kessel (Protocol van notaris Hendrik Carel van Seven- 
hoven ; akte van 16 Februari 1736). In 1576 heette dit huis die van bau- 
kenscamer; Uenricus Beek als man van Gatharina, dochter van Petrus 
Jacobszn, wonende te Helmond, verkocht 28 April van dat jaar (Reg. n° 225 
f. 442 v so ) die kamer, waarvan toen gezegd werd, dat zij stond bij de 
Abtsbrug tegenover het Minderbroederklooster tusschen het huis van 
Willem Janszn Moei, nu Jan Roelofszoon Coenen, pannicida, ex uno en 
dat van Elisabeth weduwe van Herman Lucaszn en hare kinderen, ge- 
naamd de Nobel, ex alio, en dat zij zich uitstrekte van de slraat tot aan 
laatstbedoeld erf, — aan Gerard, zoon van Marcelis Dirckszn de Moor. 
Over het huis van Willem Janszn Moei voormeld zie men Schepenakte van 
den Bosch n° 192 f. 46 van October 1554, waarbij diens zoon mr. Willem 
Moei, beter bekend onder den naam van Molius, dat huis transporteerde. 



— 181 — 

poort van het buis de Nobel, thans genaamd de Poort van 
Diepen, staat en nu genummerd is Kruisstraat 8. Hij overleed 
te den Bosch omstreeks het jaar 1793; althans den 7 October 
van dat jaar hebben zijne erfgenamen, die allen in België, woon- 
den, deze beide huizen verkocht aan mr. Jacob Marten Deutz, 
oud-schepen en raad van den Bosch, die het drie dagen later 
weder verkocht aan Petrus Josephus van den Endepoel, wo- 
nende aldaar. 

b. Het huis Kruisstraat no. 1 

Dit huis wordt door de Gebroeders Mosmans in hun hier- 
voren reeds aangehaald werk genoemd de Blaasbalg, doch dit 
is het niet. De Blaasbalg was het daar naast staand huis, dat 
Wouter en Clara, kinderen van Henrick Wouterszn van Cuering- 
hen, 21 Januari 1606, als wanneer het werd gezegd te staan 
aan de straat, tendens a porde dicto des Abtsbrugge versus 
forum piscium, tusschen het huis, genaamd het Torcxhooft 1), 
Vischmarktwaarts ex uno latere en een ledig erf van Philips 
Sanders Christoffelszoon, gelegen in de richting van het Min- 
derbroederklooster, ex alio latere, verkochten aan Peter, zoon 
Nicolaas Peterszn, hoedenmaker (pilifex), wiens zoon Nicolaas 
het 13 December 1633 (Reg. n° 336 f. 100), als wanneer het 
gezegd werd te staan tusschen dat van Daniel Danielszn van 
Esch aan de eene zijde en het erf van het convent der Min- 
derbroeders te den Bosch aan de andere zijde, verkocht aan 
den kramer Jaspar, zoon van wijlen Hendrick Peterszn. 

Het hier bedoeld huis, Kruisstraat no 1, was dat waarvan 
Barbara Bacx weduwe van mr. Jacob Proening van Deventher 
in 1572 bij gerechtelijke uitwinning eigenares werd, als wanneer 
het werd gezegd te staan achter het Minderbroederklooster 



1) Bij eene Bossche Schepenakte van 1771 (Reg. n° 582 f. 357 
verso) verkocht Wouter van den Endepoel dit huis, dat toen nog het 
Turkshoofd heette en gezegd werd te staan tusschen dat van Gerard War- 
tenberg ex uno en dat der erven Martinus van Someren ex alio, en zich 
achterwaarts uit te strekken tot aan het erf der juffrouwen de Ilee, aan 
Mathea Sopers weduwe van Cornelis van Warmont. 



182 



tusschen clat klooster ex uno en het huis van Robert van 
Griethusen, den messeninaker, ex alio en zich achterwaarts uit 
te strekken tot aan het erf van bedoeld klooster; zij verkocht 
het in 1582 aan Philips Sanders Christoff'elszn voornoemd (Keg. 
n° 239 f. 88); hij verkocht het 5 Juni 1603 weder aan Dirck 
Arnolduszn van Meurs, in diens hoedanigheid van pater seu 
administrator spiritualis van meerbedoeld klooster, waarna 
deze het 2 Maart 1606 (Reg. n° 302 f. 226 v so ) aan hetzelve 
verkocht; het werd nu gezegd te zijn vacua hereditas seu ortus. 
Frans Blom, koopman, controleur van de fortificatiën in 
den Bosch en commissaris van de monsteringen van die stad 
en hare forten, en mr. Johan Gans, pensionaris van den Bosch, 
kochten 31 Augustus 1641 van den Raad van State (Reg. n°. 384 
f. 677) o. a. het dikwerf bedoeld klooster en daardoor ook ge- 
zegde vacua hereditas seu ortus. Een dier koopers zal daarna 
op dat erf het huis gebouwd hebben, waarvan de rede was bij 
de verdeeling, welke den 13 Juni 1653 (Reg. n°. 538) tusschen 
Maria Sprongh 1) weduwe van genoemden Frans Blom en mr. 
Johan Gans voornoemd plaats had van huysen, landen etc. soo ten 
Minnebroers, Preeckheeren, Geerlruyden, Achter het Klooster 
van de Tolbrugge en de andere, en clat was clat, hetwelk als- 
toen genoemd werd het huys daer den pensionaris Berensteyn 
in woont ; het werd daarbij aan genoemde weduwe toebedeeld 
o.a. onder deze bepaling : ende alsoo het saeltgen off kamerken, 
staende over het water van de Diese van het huys voormelt, 
daer Berensteyn inwoont, voor een gedeelte is betimmert ende 
komende voor het huys, by den Geweldiger bewoont, soo sal 
hetselue, in sulcke forme als het jegenwoordich staet, mogen 
blyven met de gerechtkheyt om terselver breete tot aen de 
straet te mogen timmeren. Van genoemde weduwe of wel, wat 
het meest waarschijnlijk is, van hare kleindochter, Henrietta 
Maria Blom, dochter van haren zoon Nicolaas Blom en Elisa- 
beth Wylde, erfde dit huis Leonora Wylde; zij huwde in 1681, 



1) In de van die scheiding opgemaakte akte wordt gezegd, dat 
haar schoonvader was Johan Pennis, 



— 183 — 

als wanneer zij te den Bosch op het St. Jacobskerkhof woonde, 
met Diederick Ruysch, commissaris-ordinaris van de monstering 
en raad van den Bosch, toen woonachtig in de Postelstraat 
aldaar; hij was weduwnaar van Henrica Elisabeth van Bijster- 
velt (met wie hij in 1678 getrouwd was). Leonora Wylcle ver- 
maakte hem 26 Maart 1682 ten overstaan van Jolian van Rotter- 
dam, notaris te den Bosch, dit huis, dat daarna van hem geërfd 
werd door zijne dochter Florentina Ruysch, die in 1705 huwde 
met Christoffel baron van Galen ; deze verkocht het 23 December 
1716, als wanneer het omschreven werd als: eene huysinge, 
erve, coetsliiiys en grooten hof, thans bewoond door Jacob van 
der Hoeven, heer van Heeswijk en Dinther, oud-president-schepen 
en raad van den Bosch, staande aan de Kruisstraat tusschen 
het huis, dat eertijds het Geweldigershuis w T as en nu de Gans 
geheeten w r ordt, eenerzijds en het huis van Jan van Wartenberg 
anderzijds en zich achterwaarts uitstrekkende van de Kruis- 
straat tot aan de Nieuwstraat (de Doode Nieuwstraat) langs 
eenen nieuwen muur, het voorschreven koetshuis aan de eene 
zijde en met een poortje uitgaande naast het huisde Vijf gars- 
tenbrooden aan de andere zijde, — aan Anthony de Hee, koopman 
te den Bosch 1), zoon van Anthony en Allegonda van Wamel2), 



1) Blijkens eene Bossche Schepenakte van 29 Mei 1624 (Reg. n° 
360 f. 402) had Jan Janszn de Hee (ook wel genaamd van Luydick) 
»zwaardveger", van zijne eerste vrouw Henricksken, dochter van Reynder 
Henrickszn van Lennich genaamd van Reys (wiens overige kinderen waren : 
Jacob, mr. Willem, raad en pensionaris van den Bosch en Hillegond, 
echtgenoote van mi*. Jacob, zoon van mr. Jacob Casseyer) deze kinderen : 
a. Reinier, priester, baccalaurus in de H. Godgeleerdheid en pastoor van 
Maren en Kessel; b. Jacob (die tot zoon had Adriaan de Hee, in 1644 nog 
onmondig); c. Francijntken huisvrouw van Nicolaas van Empel Adriaans- 
zoon; d. Maryken, huisvrouw van Abraham, zoon van Herman Anthonis- 
zoon van der Moeien; e. Gatharina, huisvrouw van Henrick, zoon van 
Gijsmaer Adriaanszoon van Meerwijk; f. Jenneken, begijn op het Groot 
Begijnhof te den Bosch; g. Geertruid; h. Jan. De sub a—g vermelde kin- 
deren verkochten bij die akte aan hunnen broeder Jan 7/8 in het huis, 
genaamd de IJzeren man, staande aan de Zadelstraat (thans de Schapen- 
markt) te den Bosch. 

Theodora Maria de Hee, zuster van genoemden Anthony, huwde met 
mr. Paulus Suyskens, advocaat te den Bosch, II. K. gedoopt aldaar 22 Februari 
1670 als zoon van mr. Lambertus en Maria Elisabeth van Beughem. 

2) Zij was met hem te den Bosch getrouwd ( J Juli 1673, 



— 184 — 

de dochter van mr. Johan, apotheker te den Bosch en Margriet 
de Helt genaamd Colen. 

Zijne vrouw was afkomstig van Luik en heette Maria 
Agnes Burette; hij was met haar 9 Mei 1716 te den Bosch 
ondertrouwd en verwekte bij haar verscheidene kinderen, van 
wie een 17 Juni 1718 in het R. K. bedehuis van St Jan te 
den Bosch gedoopt werd en daarbij de voornamen Aldegundis 
Beatrix ontving ; wellicht was zij dezelfde als Beatrix Elisabeth 
de Hee, die met hare zuster Maria dit huis van hem erfde; 
deze gezusters kochten daarbij van Johannes en Hendricus 
Wartenberg, zonen van Gerarclus, 9 Mei 1783 (Reg. n° 601 
f. 182) aan het huis, dat als gezegd de Blaasbalg heette en nu 
genummerd is Kruisstraat 3 1) ; deze beide huizen kwamen ten 
slotte alleen aan Beatrix Elisabeth de Hee, van wie ze erfde 
Jean Charles de Meester, woonachtig te St. Truijen ; deze ver- 
kocht ze 8 Mei 1804 aan Victor Andreas van Rijckevorsel, 
wijnkooper te den Bosch. 2) 

Genoemde Victor Andreas van Rijckevorsel speelde in 
den Bosch eene groote politieke rol, daar hij aldaar na 1820 
het hoofd was van cle gouvernementeele partij 3). Hij stierf kin- 
derloos op zijn buitengoed Beukenhorst onder Vught 2 Augustus 
1855. Zijne erven verkochten in 1866 de beide laatst bedoelde 
huizen aan Auguste van Lanschot, oud-agent der Nederlandsche 
Bank te den Bosch, den kleinzoon van Franciscus van Lanschot 
en Jacoba Catharina van Rijckevorsel, die de dochter was van 
Augustinus Tilmanus en Maria Barbara van Leempoel. 



1) Jan van Wartenberg, paruikie7* te den Bosch, had het 26 Mei 1716 
(Reg. n° 531 f. 256) gekocht van Catharina van Couverden wed e van Dirck 
Huysbergen, koopman te Rotterdam. 

2) Over den toenmaligen omvang zijner wijnzaak zie men Reg. 
n° 600 f. 78 en 80. 

3) Taxandria XII p. 7. 



HOOFDSTUK V. 

De Snelle» en de Minderbroedersstraat. 



De straat, die van af de Kruisstraat naar de Vughter- 
straat loopt, had aanvankelijk tot aan de plaats, waar de 
Minderbroedersstraat daarop uitkomt, geen naam; werd in over- 
oude tijden van huizen, die aan dat gedeelte der Snellestraat 
stonden, melding gemaakt, dan werd dan ook daarvan gewoon- 
lijk niet anders gezegd dan dat zij zich achter het convent 
der Minderbroeders of achter de Minderbroeders, bevonden. 

Eerst omstreeks de tweede helft der 17 e eeuw ontving 
dat deel van gezegde straat den naam van cle Snellestraat, 
welke naam toen ook liet overig gedeelte van die straat be- 
kwam. Zij kreeg dien naam naar het uithangbord van het 
in die straat staand huis n os . 32 en 34, dat in de drie snelle- 
hens heette, welke naam daaraan was gegeven door Aelbert 1), 
zoon van Herman Snelle van Swoll, nadat deze het clen laatsten 
Januari 1579 gekocht had. Zijne eerste 2) vrouw was Emken, 
dochter van Aert van Scuttrop en Ariken, de dochter van 
Steven Cluytinx Lambrechtszoon, die hem deze kinderen schonk: 

a. Arnd, die huwde met Goijartken, dochter van Jan 
Moillart en bij haar verwekte 1° eene dochter Emerentiana, 
welke de huisvrouw was van den zilversmid Aerd Janszn van 
Meurs en 2° eenen zoon Jan, die huwde met Margriet Adolfs, 



1) Zijn broeder was Nicolaus van Swoll, die huwde met Emberta, 
dochter van Aerd van Meurs. 

% Zijne tweede vrouw was Marikcn, dochter van Joachim Dirks 
en weduwe van Jacob, den zoon van Andries, den zoon van Gijsbrecht Voss, 



186 



bij wie hij verwekte deze kinderen : a Aerd, die huwde met 
Godefricla N. en bij haar deze kinderen verwekte: Emerentiana 
en Jan Snelle; b Aclolph en c Maria Snelle; laatstgenoemde 
werd de huisvrouw van den Bosschen koopman Mathijs van de 
Lande, den zoon van Jacob Gerardszn. 

b. Steven Snelle, den stamvader van de familie Snelle, 
die de heerlijkheid Berkel bij Tilburg bezat en huwde met 
Judith Francken Goijartsdr. Steven Snelle voornoemd en zijne 
sub 1° genoemde nicht Emerentiana verkochten 3 Januari 1607 
het huis de drie snellekens aan den oudekleerenkooper Denys 
van Espendonck, zoon van Laureyns Aertszn en Aleid, de doch- 
ter van Gerarcl Henrickszn, den bakker. (Keg. n° 273 f. 173). 
Diens zoon Jacob, c. s. verkochten 1 September 1650 (Reg. 
n° 397 f. 287 v so ) dit huis aan zijnen anderen zoon Laureyns; het 
werd toen omschreven als: huysinge, ervejedich plaetsJce ende 
koockhuysken, eertijds genaamd liet Sweertken en nu de drey 
snellekens, staande achter de Minderbroeders en zich van cle 
Minclerbroedersstraat achterwaarts uitstrekkende tot aan de 
Postelstraat. 

Het gedeelte van de Snellestraat, dat loopt van af de 
Minderbroederstraat tot aan de Vughterstraat, had aanvankelijk 
dezelfde namen als de Minderbroederstraat; in 1611 heette 
het ook cle Kofferm akersstraat. 

De Minderbroederstraat, die blijkens een Declaratoii van 
Hertog Wenceslaus van Brabant van 1 Mei 1365 omstreeks 
dat jaar werd aangelegd, heette oudtijds de Dravelgas of Dra- 
velstraat; daarna het Spoorstraatje en vervolgens het Minder- 
broedersstraatje. Laatstgezegden naam ontleende zij aan het 
Minderbroedersklooster, dat aan die straat stond. 

Dit klooster strekte met zijne kerk zich uit van af het 
huis de Gulden Tralie (thans een deel van het winkelmagazijn 
de Zon aan de Pensmarkt) langs de N.zijde van de Minder- 
broederstraat en de O. zijde van cle Snellestraat tot aan het 
huis genummerd Kruisstraat n° 1 en was gebouwd in den tuin 
en boomgaard van den optrek of het zoogenaamde paleis van 



— 187 — 

den Hertog van Brabant, die deze daartoe aan de Minderbroe- 
ders had geschonken. Molius deelt dit in zijne Kronijk aldus 
mede: fraterculi minores ab Principe in circumferentia loei, ubi 
nunc habitant, sede monasteriali donati fuere, qui locus eodem 
tempore post ipsitis aulam, quae modo intersignio oloris aut 
cygni est nota, pro horto atque pomario ejusdem Principis habi- 
tus fuit. Volgens Foppens Historia Episcopatus Syluaeducensis 
blz. 304 werd dit klooster in 1228, doch naar anderen meenen, 
eerst in 1258 gebouwd; werd de kerk daarvan in 1263 gesticht 
en is het klooster zelf in 1355 uitgebreid. 1) 

Bij den geweldigen brand, die in 1463 in den Bosch 
woedde, werd dit klooster in de asch gelegd; Lodewijk van 
Bourbon stelde alstoen deszelfs kloosterlingen door aanzienlijke 
giften in staat het weder op te bouwen, wat zij door een op- 
schrift in hun klooster vermeldden 2). In 1566 werd zoowel dit 
klooster als deszelfs kerk door de Hervormingsgezinden deerlijk 
gehavend 3), doch de Begeering der stad herstelde die gebouwen 
weder. In 1628 schonk dezelfde Begeering geld tot herstel der 
kerk van dit klooster, welke ten gevolge van de beschieting dei- 
stad door Prins Maurits in 1601 veel had geleden. Bij het 
klooster was een kerkhof, dat de Geestelijkheid der stad als een 
terrein beschouwde, dat buiten het wereldlijk gezag stond, zoo- 
dat, toen de Begeering der stad aldaar misdadigers had doen 
gevangen nemen, die daarop gevlucht waren, omdat zij het eene 
vrijplaats achtten te zijn, de Bisschop van Luik in 1366 een 
interdict op de stad legde; het werd echter het volgend ja al- 
reeds geschorst en in 1371 door den Paus vernietigd 4). Dit 
kerkhof schijnt zich te hebben uitgestrekt tot ongeveer de W.helft 
van het aan de Pensmarkt gestaan hebbend huis de Vergulde 
Pantoffel, want, toen dit een paar jaar geleden afgebroken 
werd om daarmede het winkelmagazijn de Zon te vergrooten, 



1) Men zie hierover nog Cuperinus t. a. p. blz. 35 en van Ouden- 
hoven blz. 117 

2) Gramaye Taxandria blz. 8. 

3) Prosp. Cuypers t. a. p, blz. 395 

4) Van Heurn Historie I blz. 325. 



— 188 — 

kwamen uit het erf, waarop dat huis stond, geraamten te voor- 
schijn. Dit klooster had ook een tuin, zooals blijkt uit Prosp. 
Cuypers t. a. p. blz. 376, daar hij aldaar toch vermeldt, dat van 
Bombergen daarin op den dag van zijn vertrek uit den Bosch, 
zijnde 11 April 1567, zijne hoplieden en voetknech ten afdankte. 
Doordien dit klooster en zijne kerk, nadat zij in 1641 
door den Staat verkocht waren, geheel zijn afgebroken, is 
het niet meer mogelijk er eene topographische beschrijving 
van te geven. Uit de Bossche Schepenakten kan die ook niet 
worden opgemaakt. Alleen blijkt daaruit, dat aan het begin 
der Minderbroedersstraat langs de Markt eerst een hek. genaamd 
de Minderbroedersstappe en daarna eene poort stond, welke 
tot dit klooster toegang gaf; aan de eene zijde van dat hek 
of poort bevond zich het huis het Groot Paradijs en aan de 
andere zijde een open erf, dat toebehoorde aan de Tafel van 
den H. Geest te den Bosch; het werd door deszelfs meester 
en rector mr. Goijart Lombaerts van Enckevoirt 7 December 
1577 (Reg. n° 245 f. 211) verkocht aan Adam Peterszn van 
Gerwen, die daarop het huis de Gulden Tralie bouwde, op 
welks erf, als gezegd, thans voor een deel het winkelmagazijn 
de Zon staat. Ging men door gezegd hek of poort de Minder- 
broedersstraat in dan kreeg men aan zijne rechterhand eerst 
het Minderbroeders kerkhof 1), vervolgens het Minderbroeders- 
klooster en daarna de Minderbroeders kerk, die zich uitstrekte 
langs de geheele Noordzijde van de Minderbroedersstraat van 
af den Oostelijken hoek dier straat en der Doode Nieuwstraat tot 
aan de Snellestraat en langs de Oostzijde van laatstgenoemde 
straat tot aan de Abtsbrug; immers in eene Bossche Schepen- 
akte van 1648 (Reg. n° 395 f. 257 v so ) wordt vermeld, dat het 
huis de Roode Haan, nu genummerd Snellestraat n° 52, het- 
welke aan de Westzijde van laatstbedoelde straat staat, zich 



1) Het Minderbroedersklooster verkocht in 1625 (Reg. n° 362 f. 18 
en vlgd) ledige erven, gelegen achter de huizen genaamd: In de gulden 
(of dobbele) tralie, In den gulden pantolfel, In de drie vijzels en In den 
Rozenkrans, allen staande aan de Pensmarkt 



189 



bevond eerst tegenover de Minderbroederskerk en daarna tegen- 
over den Geweldiger, over welk laatste huis later. 

De Minderbroederskerk had tegen over liet huis St. 
Antonius, dat aan de Zuidzijde der Minderbroedersstraat staat, 
(het is thans genummerd 28 en 30) een zy delingen inganck, 
ook wel genaamd de valvae of de deuren van de Minderbroe- 
derskerk. Toen de stad den Bosch in 1629 aan de Staatschen 
was overgegaan, vervielen zoowel dit klooster als zijne kerk 
aan den Staat der Vereenigde Nederlanden. De kerk is toen 
een tijdlang ten gebruike afgestaan aan de Hoogcluitsche ge- 
meente, welke in 1630 te den Bosch werd opgericht uit Her- 
vormden, die zich toen aldaar van uit Gulikerland en Aken 
metterwoon hadden gevestigd en daartoe een eigen predikant, 
Eotarius genaamd, hadden medegebracht 1). Deze verzocht aan 
den Kerkeraad der Nederduitsch-Hervormde gemeente te den 
Bosch aldaar als Hoogduitsch predikant bevestigd te w T orden 
en het Avondmaal te mogen toedienen, doch dit verzoek werd 
afgeslagen 2); of dit de reden daarvan was, clan wel of eene 
andere reden daartoe bestond, de Hoogduitsche gemeente van 
den Bosch is in elk geval spoedig daarna te niet gegaan. 

Het Minderbroedersklooster en zijne kerk zijn den 31 
Augustus 1641 (Reg. n° 384 f. 677) door Peter Schuyl, in zijne 
hoedanigheid van rentmeester der geestelijke goederen binnen 
den Bosch, daartoe geautoriseerd door den Raad van State, 
op zeer voordeelige voorwaarden, die zullen worden medege- 
deeld bij de beschrijving van het Bossche Predikheerenkloostei, 
verkocht aan Johan Gans en Frans Blom, hieiyoren reeds ge- 
noemd. Het Minderbroedersklooster en kerk werden daarbij 
aldus omschreven : 

de Minderbroedershuysen 
als te wetene : 

(Een huys inde Karstraet; dit huis maakte geen deel 
uit van het klooster, maar was eigendom daarvan.) 

1) Van Heurn Historie II p. 417 en vlgd. 

2) Akten van gezegden Kerkeraad van 9 Januari, 22 Mei, 17 Juli 
en 7 Augustus 1630. 



— 190 — 

Een gedeelte van 't Minderbroedersclooster mit den war- 
moeshoff, bewoont by den commis Losecaet ; 

Een gedeelte van 't voorn. Clooster, bewoont by den 
geweldiger over 't garnisoen van den Bosch ; 

De erven van 't Minderbroedersclooster ende kercke. 

Genoemde koopers stonden van die door hen gekochte 
goederen aan de gemeente den Bosch het Minderbroeders- 
kerkhof of wel een deel daarvan af om daarop te bouwen een 
wachthuis of corps de garde voor de ruiterij in de plaats van 
het vroegere, dat na 1629 in een deel van het Minderbroeders- 
klooster zelf was gevestigd geweest 1). De Eegering van die 
stad heeft daarop 28 September 1643 (Reg. n° 387 f. 568) met 
dé eigenaars van de aan de Pensmarkt staande huizen de Galden 
Tralie, de Gulden Ketting, de vergulde Pantoffel (welke drie 
huizen thans het winkelmagazijn de Zon uitmaken) en de 
Drie Vijzels (thans de bakkerij van Van de Well,) eene over- 
eenkomst gesloten over hunne wederzij dsche rechten en ver- 
plichtingen als eigenaars van hunne aan elkander grenzende 
erven, waarna zij aldaar het corps de garde met stalling bouwde. 
In lateren tijd geraakte blijkens van Heurn Histo7ie II p. 521 
dit wachthuis als zoodanig in onbruik en werd een deel daar- 
van bestemd tot een winkel, waarin rouwmantels en bedden 
verhuurd werden : het kreeg toen den naam 

a. Het Mantel huis. 

(Minderbroedersstraat n os . 3, 5 en 7). 

Waarschijnlijk om dit huis als mantelhais voordeelig 
te kunnen verhuren bepaalde de Regeering van den Bosch den 
28 Juni 1692, dat uitsluitend in dat huis mochten worden ver- 
huurd de rouwmantels en de lamfers, die men oudtijds in den 
Bosch om en aan deed als men een lijk grafwaarts vergezelde, 
hetgeen steeds te voet geschiedde tot het jaar 1860, als wan- 
neer in de kom van de stad den Bosch geene lijken meer 



1) Van lieurn Historie II blz. 520. 



— 191 - 

mochten worden begraven maar dit in het vervolg te Orthen 
in het aldaar nieuw aangelegd kerkhof moest geschieden. 

Aan zes personen verleende de Regeering der stad dit 
octrooi, waaruit blijkt, dat zes lieden het Mantelhuis exploi- 
teerden. 

Den 4 October 1709 (Reg. n 521 f. 445) verkocht de 
stad den Bosch dit huis aan Hendrick Becla, Hendrick Oppers, 
Thomas Hurkens, Willem Comprez, Ida van Beugen wed. de 
Groot en Anna Maria van Keulen, allen wonende in den Bosch, 
bij eene akte, waarin het werd omschreven als volgt : eene 
huysinge, genaamt het Mantelhuys, mitsgaders een corps de 
guarde offte de stadsstallinge, staande aan cle Minderbroeders- 
straat tusschen het huis, genaamd de Geleerde man, van den 
heer de Groulart, ex uno en het huis de Vergulde Tralie 
Marktwaarts ex alio en zich achterwaarts uitstrekkende tot 
aan het huis Liefkenshoek 1) 

De verkoop van het Mantelhuis aan particulieren zal 
denkelijk ten gevolge hebben gehad, dat derden vermeenden 
aan het daaraan in 1692 verleend octrooi niet meer gehouden 
te zijn ; immers de Kegeering der stad achtte zich genoodzaakt 
23 December 1772 ten behoeve van het Mantelhuis, dat toen het 
Stads Mantelhuis genaamd werd, cle volgende publicatie uit te 
vaardigen: Mijn heeren den Hoogschout, mitsgaders Schepenen, 
Gezworens en Raaden der Hoofdstadt 's Hertogenbosch voor- 
gekomen zijnde, dat deze en geene baatzuchtige Personen zig 
niet ontzien by voorkomende begraaffenissen rouwmantels zo 
binnen als buiten deze stadt te verhuuren en van zodanige on- 
gequalificeerde te huuren tot groot nadeelen dergeenen, welke, 
als geinteresseerdens in het Mantelhuis binnen deze stadt in de 
Minnebroersstraat, daartoe alleen privativelijk geregtigd zijn ; 
niettegenstaande daartegens bereids by Publicatie van den 28 
Juni 1692 is voorzien: Zo is 't, dat mijn heeren de Hoogschout, 
mitsgaders Schepenen, Gezworens en Raaden voorsz., by Am- 
pliatie en Renovatie van gemelde Publicatie, by deze elk 

1) Is thans het hotel het Groenhuis. 



192 



en eenen ieder wel expresselijk op nieuw interdiceren eenige 
rouwmantels binnen dese stadt of buiten dezelve gebruikt wer- 
dencle, te leveren of te verhuuren, nog ook die by zodanige 
ongequalificeerde te haaien of te huuren dan alleen in het 
Mantelhuis in de Minnebroersstraat alhier op eene boete van 
fl 12, telken reize te verbeuren by dengeenen, die bevonden 
zal worden des contrarie te hebben gedaan, waarvan een 
derde part zal zijn voor den Heere Officier, een derde voor 
den aanbrenger en het overige een derde ten behoeve van 
het Burger weeshuis alhier en daarenboven op de verbeurte 
van de door de ongequalificeerde geleverde of verhuurde rouw- 
mantels ten behoeve der geïnteresseerden s in het voorsz. Man- 
telhuis. 

In den loop der 19 e eeuw had dit octrooi blijkbaar zijne 
verbindende kracht verloren, daar men toen in den Bosch ook 
nog een mantelhuis had op het St. Janskerkhof en een tegen- 
over de St. Jacobsstraat. Al deze mantelhuizen verdwenen als 
zoodanig voor goed van het wereldtooneel toen op 1 Januari 
1860 het stedelijk kerkhof te Orthen in gebruik werd gesteld 
en daarmede in den Bosch ophield het gebruik, dat men de 
lijken van zijne magen of vrienden te voet grafwaarts ver- 
gezelde 1). 

Het octrooi, door de stedelijke regeering van den Bosch 
aan het Mantelhuis in de Minderbroedersstraat verleend, zal 
ten gevolge hebben gehad, dat het een groot kapitaal verte- 
genwoordigde en dat alzoo één persoon het niet alleen kon 
bezitten maar dat met meer anderen moest doen. Zoo laat het 
zich verklaren, dat Johannes Oppers, woonachtig te Boxmeer, 
11 Juni 1731 (Reg. n° 555 f. 303 v so ) Vs in Ve in het Man- 
telhuis verkocht aan Maria Anna Oppers, huisvrouw van 
den majoor Johan Ernst Sloot ; dat bij Schepen akte van 
17 April 1750 Jan Louis Verster, oud-schepen en raad van den 
Bosch, Vö kocht in een huizing en pakhuis in de Minderbroe- 
dersstraat, genaamd het Mantelhuis, met Ve van de daarin zich 

1) Taxandria IV p. 95. 



— 193 — 

bevindende bedden, dekens, rouwmantels en sluiers, tot dat 
huis behoorende, terwijl hij bij opvolgende akten van dat jaar 
nog daarin kocht Vs van Vg en Vz in Ve, te zamen alzoo V3 : 

dat bij schepenakte van 9 April 1756 de curator over den 
boedel van Joanna van Rosmalen weduwe van Willem Copier 
aan Nicolaas Pels, burger van den Bosch, verkocht Ve in het 
Mantelhuis, alsmede Ve in den volgenden inventaris daarvan : 
254 rouwmantels, 10 slepers, 20 lamfers, 105 bedden, 117 pelu- 
wen, 12 kussens, alsmede 48 bedden en veeren op zolder; 

dat bij schepenakte van 8 October 1757 Maria Elisabeth 
Hornkens verkocht Ve in het Mantelhuis met inhoud, haar aan- 
gekomen van hare ouders, aan Hendrik van Beugen, koop- 
man te den Bosch en dat bij akte van 13 Juli 1758 Pieter 
de Groot, timmerman te den Bosch, daarin Vis verkocht aan 
Theodorus de Groot, die daarin reeds Vis had ; 

dat bij schepenakte van 17 December 1759 Abraham 
Verster, drossaard der heerlijkheid St. Michiels-Gestel, Jaspar 
Verster, notaris en procureur te den Bosch 1), mr. Philip 
Reinhard Vitrarius, griffier van het Kwartier en secretaris der 
Vrijheid Oisterwijk, als man van Henrietta Geertruy Verster, 
Pieter Francais Verster, kapitein 2) en Daniël Bosch, luitenant, 
als man van Johanna Gijsberta Verster, aan Johannes van 
Hanswijk, oud- schepen en raad van den Bosch, verkochten Vs 
in het Mantelhuis met inhoud, hun aangekomen uit de nalaten- 
schap van hunnen respectieven vader en schoonvader Jan Louis 
Verster (den man van Catharina Gast) ; alsmede dat bij schepen- 
akte van den Bosch van 21 Augustus 1802 mr. Anthony van 
Hanswijk, hoog- en laagschout der stad en Meierij van den 
Bosch en zijn broeder mr. Nicolaas Johannes van Hanswijk, 
woonachtig te Amsterdam, beiden in hunne hoedanigheid van 
executeurs-testamentair der nalatenschap van Johanna Maria 



4) Hij was geboren te den Bosch 22 December 1720 en huwde te 
St. Michiels-Gestel 1 September 1743 Catharina Digues de la Motte. 

2) Hij werd geboren 25 September 1722 en huwde met Cornelia 
Philippina de Bruyn, waardoor hij de stamvader werd van den Eindho- 
venschen en Amsterdamschen tak der Versters. 

13 



— 194 — 

Catharina van Hijssel, weduwe van Johannes van Hanswijk 
voornoemd, 2 /s in bet Mantelhuis, en de daarin aanwezige 
mantels, sluiers, bedden en dekens, verkochten aan Willem van 
Elten en Hendrik Verhulst, wonende in den Bosch. 

b. Het Geweldiger of de Gans. 

Zoodra waren niet mr. Johan Gans en Frans Blom eige- 
naars geworden van het Minderbroedersklooster en kerk of zij 
braken die gebouwen geheel af op een gebouw na, dat in de 
Doode Nieuwstraat stond. In eene Bossche schepenakte van 
1642 (Keg. n° 423 f. 272) wordt dan ook reeds gezegd, dat 
het huis de Paushoed stond in de Minderbroedersstraat tegen- 
over de ledige plaats, daar de Minderbroeder sherk placht te 
staan. Over het erf van die kerk trokken zij de Karrestraat, 
die aanvankelijk heette de Schrijnwerkersstraat, door tot aan 
de Minderbroedersstraat ; deze nieuwe straat werd eerst de 
Nieuwe Karrestraat of de Nieuwe Minderbroedersstraat ge- 
naamd 1) en heet thans de Doode Nieuwstraat. Op de erven 
van het door hen gesloopte klooster en kerk bouwden zij ver- 
scheidene woningen en een magazijn, dat zij aan den Kaad 
van State verhuurden. Welke de huizen waren, die zij bouwden, 
kan men zien uit de akte van 13 Juni 1653 (Reg. n° 538), 
waarbij zij die huizen en dat magazijn verdeelden ; zij waren : 

1° het huis, staande in de Minderbroedersstraat naast 
de ruyters corps de garde, waarin Jan Lodewijcx woont ; 

2° het huis daar naast ; 

3° het huis daar naast, waarin de Voorlezer van cle 
Fransche kerk woont ; 

4° het huis daar naast ; 

5° het huis daar naast, staande aan den hoek der 
Minderbroedersstraat en de nieuwe straat; 

6° het huis daar achter in de nieuwe straat ; 

7° het huis daar naast ; 



1) Van Heurn Historie III p. 408. 



— 195 - 

80 het huis daar naast ; 

9° het huis daar naast, waarin meester Hans de speel- 
man woont ; 

10 e de stal, staande tussehen laatstgezegd huis en den 
stal van Jos. Pieck van Tienhoven en zijnde in huur bij An- 
thonij van Brouanen l) ; 

aan de overzijde der nieuwe straat : 

11° het magazijn, dat de Raad van State in huur 
heeft 2) ; 

12° het huis daar naast ; 

13° het huis daar naast ; 

14° het huis daar naast ; 

15° het huis, staande op den hoek van de nieuwe 
straat en de Minderbroedersstraat; 

16° het huis daar naast ; 

17° het huis daar naast; 

18° het huis daar naast ; 

19° het huis met de poort en den gang, daar de 
mutsenmaker in woont ; 

20° het huis, daar de Geweldiger Jacques de Lange 
in woont ; 

21° het huis, dat de pensionaris van Berensteyn in 
huur heeft 3). 

Zooals uit vorenstaande omschrijving valt op te maken 
omvatte het Geweldiger het geheele blok huizen en erven dat 



1) Deze stal en de sub 5—9 vermelde huizen waren het eenige 
wat van het Minderbroedersklooster was overgebleven; zij werden in 1708 
(Reg. no. 521 f. 117 en 118) wegens wanbetaling van belasting in zes koopen 
gerechtelijk verkocht en toen omschreven als: het vervallene magasijn ofte 
stallingen, gestaen aan de Minderbroedersstraat neffens de voors. Minder- 
broedersstraat ex uno en het erf van Dirck Ruysch ex alio, strekkende 
voor van de Nieuwstraat tot op huysen erve, toebehoorende den heer van 
Wassenberg; zij waren in 1710 zoo bouwvallig, dat de Regeering der 
stad aan zijne eigenaren gelastte ze af te breken ; op het erf daarvan 
zijn toen een pakhuis (thans genummerd Doode Nieuwstraat 21 en 23) 
en huizen gezet (van Heurn Historie III blz. 408). 

2) Dit magazijn, dat nog altijd bestaat, heeft in den gevel het 
jaartal 1644 en is thans genummerd Doode Nieuwstraat 12. 

3) Dit huis is thans genummerd Kruisstraat 1. 



196 



thans zich bevindt tusschen het huis hoek Minderbroedersstraat 
en Snellestraat, het huis Kruisstraat n° 1 en de Doode Nieuwe- 
straat, voor zooverre die zich uitstrekt van af laatstgezegd 
magazijn tot aan de Karrestraat 

Het Geweldiger was de militaire gevangenis van den Bosch 
en bestond uit kamers, waarin de gevangenen militairen opge** 
sloten werden, eene galerij en de woning van den geweldigen 
provoost of geweldiger. Mr. Johan Gans en Frans Blom verhuur- 
den het Geweldiger aan denRaad van State, totdat deze daartoe 
in 1682 bestemde het gewezen Kruisbroedersklooster. Het Ge- 
weldiger in de Snellestraat werd daarop eene herberg, die waar- 
schijnlijk naar zijnen vroeger medeeigenaar mr. Johan Gans 
den naam kreeg van de Gans, ook wel van de Witte Gans. In 
die herberg had in 1694 een Israëlietisch huwelijk plaats, dat 
men merkwaardig genoeg vond om in de oude Bossche kronijk, 
die nog maar alleen in handschrift bestaat, te vermelden, wat 
daarin geschiedde als volgt : „den 13 May 1694 is hier eene 
Jode genaemt Isacq Worms, met een Jodinne van Rees onder 
den blauwen hemel in de Gans (ofte int Minderbroedersclooster 
eertijds) met veele van haere figuren ende solemnityten ge- 
trouwt; daer waeren ter bruyloft seven en vijftich soo Joden 
als Jodinnen!" Over dit huwelijk houden de oude Bossche 
ondertrouw- en trouwregisters niets in, zoo dat het wel geene 
wettelijke kracht zal hebben gehad. 

De herberg de Gans was bij de Bossche schepenakte van 
2 Maart 1684 (Reg. n° 502 f. 124 v so ), waarbij tusschen de 
toen daarop gerechtigden eerrige panclei], die in de plaats van 
het Minderbroedersklooster en kerk gekomen waren, verdeeld 
werden, toegescheiden aan: Cornelis Gans, ridder-baronet, heer 
van Nuland, Bommenede en Blois ; Diederick Ruysch, commis- 
saris van de monsteringen en raad van den Bosch, als ge- 
huwd met Leonora Wylde, universeele erfgename van hare 
moeizegster Henrietta Maria Blom, de dochter van Nicolaas 
en Elisabeth Wylde; Johan Henrick van Gooien, luitenant der 
cavalerie en schepen van den Bosch, als man van Catharina 



— 197 — 

Groenhooft, dochter van Adriaen, auditeur-militair te den Bosch 
en Anna Blom l) en Henry Graham, luitenant-kolonel, als we- 
duwnaar en erfgenaam van Maria Groeuhooft, dochter alsvoren; 
dat huis werd daarbij omschreven als : eene hnyssinge ende 
ledige erve, gestaen in de Snelstraet, genaemt het Geweldige 
huys met de galderye daernevens en de cameren, eertijts ge- 
bruyckt by de gevangenen, streckende voor van de straet en de 
Diese tot aen den scheytsmuur van het Minnebroeder smag azijn 
ende de soldatencamer . In 1689 had Cornelis Gans voornoemd, 
als wanneer hij president-schepen van den Bosch was, dat 
huis met toebehooren aan de Regeering dier stad voor cavalerie- 
stal aangeboden, mits zij dat daartoe inrichtte en hem behulpzaam 
was om daarvoor huur van het Rijk te bekomen ; de Regeering 
der stad nam dit aanbod aan, doch verder kwam van deze 
zaak niets, omdat het bij nader inzien bleek, dat niet alle 
paarden van het Bossche garnizoen er in gestald konden worden. 
(Van Heurn Historie III p. 310.) 

Genoemde Diederick Ruysch als weduwnaar en erfgenaam 
van Leonora Wylde, voor de eene V2 en Egidia Adriana van 
Schoonhoven als weduwe en erfgename van Henry Graham 
voornoemd en de uitvoerder van den uitersten wil van Johan 
Henrick van Gooien voorzegd voor de andere V2, verkochten 4 
Juli 1698 (Reg. n° 511 f. 103) gezegd huis, dat nu geheeten werd 
de Gans, aan Adriaan Molengraeff, woonachtig te den Bosch; 
het werd toen omschreven als : eene schoone ende welgelege 
huyssinge, erve, stallinge, eertijts geweest zijnde 't Geweldigde 
huys ende alsnu de Gans, en de cooper in huere ende gebruyck 
is hebbende, gestaen ende gelegen achter de Minnebroeders 
tusschen huys ende erve van mevrouwe verkooperse ex uno 
en de heere eerstgenoemde vercoopere, bewoont ende gebruyckt 
by den heere Convoymeester Caros, ex alio, strekkende voor 
van de straet achterwaerts tot aent Minderbroedersmagazijn, 
toecomende den Heere van Nulant. Uit gezegde omschrijving 
blijkt, dat het Geweldiger toen al reeds geheel verbouwd was 

1) Zij stierf in 1665. 



— 198 — 

en dat het verkochte enkel en alleen bestond uit het huis, ge- 
nummerd Snellestraat 51 en 49. 

Van genoemden Molegraeff werd de Gans geërfd door 
diens weduwe Geertrudis Meex in vruchtgebruik en hunne 
kinderen en kleinkinderen in eigendom ; zij verkochten dat 
huis 4 October 1714 (Reg. n° 531 f. 234) aan Augustinus van 
Eijckevorsel, koopman in wijnen te den Bosch ; het werd nu 
gezegd te zijn : „een schoon en welgelegen huys, erve, stal^ 
staende achter de Minnebroeders, huys en erve van Willem 
Vregge c. s, ex uno, de loopende Diese en d'erve Heer Diderick 
Ruysch, ex alio, strekkende metten eenen eynde van de voors 
Minnebroedersstraet tot aan het Minnebroedersmagasijn metten 
anderen eynde, nu tot wooninghen geapproprieert de voorn, 
huysinghe genaemt de herberge de Gans. 

Genoemde van Eijckevorsel was de zoon van Johan 
van Eijckevorsel, meel. doctor te den Bosch, den eersten van 
zijn geslacht, die zich in den Bosch metterwoon vestigde, en 
Catharina Lemnius 1) ; zijne vrouw was Maria Adriana van 
Kessel, dochter van Anthony 2) en Isabella van Boxel, (weduwe 
van den advocaat mr. Philippe van den Berghe). Van hem 
erfde de Gans zijn zoon Joan van Eijckevorsel, ook koopman 
in wijnen te den Bosch, die gehuwd was met Jacoba Ermers, 
(dochter van Thieleman en Allegonclis van Lier, cle eigenares 
van het goed de Wamberg onder Berlicum, geboren te den 
Bosch 8 Augustus 1686 uit het huwelijk van Willem van Lier, 
koopman te den Bosch, met Jacoba van den Ancker, cle dochter 
van Theodorus, meel. doctor en Maria Gast). 



4) Johannes Lemnius als man van Ariaantje van Vechel, dochter 
van Felix Adriaanszn en Jenneken van der Donck, en Johannes van Empel 
als man van Antonetta van Vechel, dochter alsvoren, verkoopen 18 Augus- 
tus 1700 (Reg. n° 513 f. 348) het huis St. Joris in de St. Antoniestraat 
te den Bosch. 

2) Hij was de zoon van Andries van Kessel en Catharina de Bruyn 
gezegd van Aalst, welke echtelieden begraven liggen in de Protestantsche 
kerk te Vught onder eene grafzerk, waarop het wapen van van Kessel 
(het ruitenkruisj uitgebeiteld is; zij hadden behalve Anthony nog een zoon 
dr. Theodorus van Kessel, binnnenburgemeester van Antwerpen, wiens 
afstammelingen in de Zuidelijke Nederlandeninden adelstand erkend werden. 



— 199 — 

Over den wijnhandel, die ten tijde van de beide laatst- 
genoemde eigenaren van de Gans in den Bosch gedreven werd, 
schreef van Heurn in zijne Beschrijving het volgende : „de 
wijnhandel is te den Bosch een oude neeringe, die zederdhet 
begin van de zestiende eeuw en zelfs vroeger aldaar in weezen 
was ; stadsrekeningen van die tyden strekken er ten bewyze 
van : ik vinde echter daarin niets als van Rijnsche wynen 
gemeld ; of er andere soorten toen in gebruik waren, vind ik 
niet aangeteekend ; my is als eene vaste waarheid verzekerd, 
dat er [thans jaarlijks meer als 3000 oxhoofden wijns binnen 
de stad gebragt worden, van welken omtrent twee derden naar 
het Land van Luik, de Meyerye en naar elders uitgevoerd 
worden, zo dat er omtrent 1000 oxhoofden binnen de stad 
verteerd worden; het getal der wijnkopers binnen de stad be- 
draagt thans zo als ik ten komtoire van den pachter van den 
wijnexcijns vernoomen heb, het getal van 26 ; onder deezen 
zijn er eenigen, die ook in gedisteleerde wateren handelen, 
behalve nog 27, die in het klein die wateren verkoopen. 

Augustinus Tilmanus van Rijckevorsel, die van zijnen 
vader, Joan van Ryckevorsel laatstgenoemd, het huis de Gans 
erfde, was evenals zijn broeder Thomas Coruelis ook koopman 
in wijnen ; samen zetten zij de wijnzaak huns vaders voort 
onder de firma Johan van Ryckevorsel en Zn. 

Augustinus Tilmanus v. R., die in het huis de Gans 
bleef wonen, huwde 1° met, zooals wij op blz. 184 reeds zagen, 
Maria Barbara van Leempoel, dochter van Johannes Frederik 
en Maria Louisa de Montfort ; 2° met Theresia van Meeuwen, 
dochter van Johannes en Johanna Maria de Pottere, ook wel 
Potters genaamd ; uit dezen tweeden echt werd geboren Johanna 
Cornelia van Rijckevorsel, die het huis de Gans van haren 
vader erfde en het ten huwelijk bracht aan haren man mr. 
Joannes Benedictus Hyacinthus van de Mortel, president van 
het Gerechtshof van Noordbrabant en lid van cle Tweede Kamer 
der Staten Generaal ; van hem erfde het hun zoon Joannes 
Benedictus Augustinus van de Mortel, wethouder van den 



— 200 — 

Bosch, die dit huis naliet aan zijne, uit zijn huwelijk met 
Jonkvr. Eosa van Meeuwen geboren dochter Joanna van de 
Mortel, echtgenoote van Eudolph de Quay, kapitein der Infanterie. 

Bij de op blz. 196 vermelde schepenakte van 1684 werd 
het magazijn, waarvan op blz. 195 reeds de rede was, toebe- 
deeld aan voornoemden Cornelis Gans; het werd daarin genoemd : 
het Minderbroedersmagazijn, met het koetshuys daer annex, 
voor desen gebruyckt by den heer Pieck, soo als int viercant 
in sijn mueren is gestaen ende gelegen in de Nieuive Minder- 
broeder 'sstraet, met seekere camer, genaemt de soldatencamer, 
soo als die achter H voors. magazijn ten westen in syne mue- 
ren is nytspringende met den kelder daeronder liggende. 

Gezegd magazijn en koetshuis bestaan nog altijd. 

c. Het huis der ouders van den Bosschen Schilder 
Theodore van Tulden ï). 

(N os . 28 en 30). 

Dit huis stond aan de Zuidzijde der Minderbroedersstraat 
en was genaamd St. Antonius. Heylwich, dochter van wijlen 
Dirck van Meurs en weduwe van den lakenkooper Jacob 
Gerardszoon van Tulden, deed 14 Augustus 1630, als wanneer 
zij te Oirschot woonde 2), van den tocht van dit huis, dat toen 
gezegd werd te staan tegenover den sydelingen inganck van de 
kercke der Minderbroeren tusschen het huis van Gerard, den 
zoon van genoemden Dirck van Meurs, zilversmid 3), ex uno 

en dat van ex alio, en te strekken achterwaarts tot aan het 

erf van het huis het Gulden Hoofd, zijnde het door haar 
geërfd van haren vader, — afstand ten behoeve harer kinderen, 
welke waren Theodore, Arnoult, Geraert, Frangois, Jan, Anneken, 
Peter en Hendrick, waarna Dirck van Tulden Gerardszoon en 



1) Geboren te den Bosch in 1607 (Taxandria VII p. 211). 

2) Haar man is aldaar gestorven (Taxandria VII p. 212). 

3) Dit was het huis genaamd de Paushoed genummerd 32, dat 
stond naast de Dieze, waarboven thans ook een huis staat. 



— 201 — 

Gerard Dirckszoon van Meurs, als voogden over de genoemde 
kinderen van Jacob van Tulden en Heylwich van Meurs, dit 
huis op gemelden datum (Reg. n° 371 f. 71) verkochten aan 
den zilversmid Aerd Janszn van Meurs, den echtgenoot van 
Emerentiana Snelle. 

De vader van genoemden Jacob van Tulden, mr. Gerard 
van Tulden, was rentmeester van den Bosch 1) en had van 
zijne vrouw Anna van Arckel Jacobsdr., behalve Jacob, deze 
kinderen : mr. Henrick en mr. Frans, priesters ; Dirck ; Pieter 
en Lamberta. Laatstgenoemde machtigde in 1641 voor sche- 
penen van Oirschot hare nicht, Anneken van Tulden voor- 
noemd, om uit de Minderbroederskerk in den Bosch, die, naar 
zij vernomen had, zoude worden afgebroken, te doen halen de 
grafzerk, waaronder hare ouders in die kerk begraven lagen 2). 



i) Zijn vader was Dierck van Tulden, zoon van Henrick. 
2) Taxandria VII p. 210. 



HOOFDSTUK VI. 

De Postelstraat. 

Deze straat ontleent haren naam aan het Refugiehuis 
der Abdij van Postel, dat oudtijds aan deze straat stond. Men 
kwam van de Kruisstraat in die straat over de op blz. 166 
reeds genoemde Abtsburg. Aan die brug was langs de Postel- 
straat, gedeeltelijk boven de Dieze, gebouwd het huis, genaamd 

a. De Meebaal of In Londen. 

(N os 66 en 68). 

dat voor het overige stond op het erf, dat aan de Abdij 
van den H. Trudo der orde van den H. Benedictus te St, Truijen 
had toebehoord. Heer Arncl van Beringen, abt, Godefridus 
de Castro, keldermeester en Jan Galpout, kapelaan van die 
Abdij, convent of klooster, had van dit erf een stuk met de 
daarop staande gebouwen, hetwelk gelegen was tusschen het 
erf, clat de op blz. 166 genoemde Henrick van Uden en dat, 
hetwelk Jan Berewout Gerardszoon van gezegde Abdijheeren 
gekocht had, verkocht aan Jan van den Yevelair Wouterszoon ; 
diens weduwe Aleid verkocht 29 October 1512 (Eeg. n 3 108 
f. 211 v so ) een gedeelte van clat stuk erf, hetwelk alsnu gezegd 
werd te zijn huis, erf, plaats en achterhuis, staande tusschen 
het huis van Nicolaus van Delft ex uno en dat van Lambert 
Millinck ex alio en zich achterwaarts uitstrekkende tot aan 
de Dieze, aan Mathijs, den zoon van Michiel Henrickszoon. Van 
dezen zal dat huis met toebehooren gekomen zijn aan Jan 
Baliart, want hij verkocht het aan Lambert Millinck, zoon van 



— 203 — 

Lambert. Van dezen erfde het diens zoon Lambert Millinck 1), 
die het 16 Februari 1528, als wanneer het gezegd werd te 
zijn : „huis, erf, plaats en achterhuis, staande en gelegen achter 
„de Minderbroeders in de Postelstraat tusschen het huis van 
„Nicolaus van Delft ex uno en dat van Martinus de Oliesla- 
„ger ex alio en zich achterwaarts uitstrekkende tot aan de 
»Ulenborchstraat, met zijne gebouwen, genaamd screynwerck" 
verkocht 2) aan Jan van Kessel, schout te Boxtel 3). Lambert 
Millinck, heer van Waalwijk, Eethen, Meeuwen, en Babiloniën- 
broek 4), die de zoon was van Jan, heer van Waalwijk (den 
zoon van Lambert Adamszoon) en Adriana van Eanst, erfdoch- 
ter van Eethen, Meeuwen en Babiloniënbroek, vernaderde 
echter 28 April 1528 (Eeg. n° 135 f. 343) het verkochte; hij 
stierf kinderloos en dit zal de reden geweest zijn waarom 
Lambert Millinck, de zoon van eerstgenoemden Lambert Mil- 
linck Lambertszoon, enkele jaren later weder eigenaar was van 
dit huis; althans 17 December 1532 verkocht hij het wederom 
(Reg. n° 143 f. 324), nu aan mr. Gijsbrecht Heym Jansz; het 
werd alstoen omschreven als : domus, area, ortus ac domus 
posterior, sitae in Buscodacis retro conventum Fr atrum Mino- 
rumjuxta pontem die Abtsbrugh inter hereditatem Nicolai de 
Delft versus Forum Piscium ex uno latere et inter heredi- 
tatem Martini Olyslegers ex alio latere, tendentes a communi 
platea ab ante et retro usque ad communem plateam, die 
Ulenborchstraet vocatam, aqua die Dyese subtus dictam do- 
mum poster iorem fluente. In het volgend jaar verklaarden 
(Reg. n° 144 f. 80) genoemde van Kessel en Gijsbrecht Pels, 
in hunne hoedanigheid van executeurs van den uitersten wil 



1) Hij had van Katharina, dochter van Pau wel Baten, deze 
bastaarden : Lambert, Leonius en Anna Millinck. 

2) Reg. no 135 f. 319. 

3) Diens wapen was hetzelfde als dat. der familie Pelgrom de Bye, 
wat hiervan kwam, dat hij een de Bye was. Zijn grootvader Gerrit de 
Bye had den naam van Kessel aangenomen naar de heerlijkheid van dien 
naam; de vrouw van Jan van Kessel was Elisabeth, dochter van Gijselbert 
van den Polle. 

4) Zijne vrouw was Beatrix van Assendelft, 



— 204 — 

van laatstgemelden verkooper (Lambert Millinck n. 1.) en diens 
huisvrouw Luytgardis van den Velde Loenisdochter, dat mr. 
Gijsbrecht Heym hun fl 1651 als koopsom van dat huis betaald 
had. Deze was de zoon van Jan Heym, heer van Maurick, den 
hoogschout der stad en Meierij van den Bosch, en Elisabeth 
van Gheel Symonsdochter. Hij verkocht het hier bedoeld huis 
13 September 1538 (Eeg, n° 152 f. 345)) aan mr. Jeronimus, 
van den Coute Claaszoon en Johannes, zoon van Heyman 
Janszoon. Blijkens Cuperinus blz. 113 kochten zij dit huis om 
er eene bank van leening in op te richten, daar deze schreef: 
In dit jaer 1538, mit consent des Hoofs, is ten Bosch comen 
woonen die lombaert en heeft een huys geco ft achter 't convent 
van den Minder br neder en, eertijts toebehoor 'ende Lambert Millinc, 
daernae meester Ghysbert Heym. Zooals door R. A. van Zuylen 
werd medegedeeld in het Tijdschrift Noordbrabant (1853) p. 214 
was door Keizer Karel V bij privilegiebrief van 1538 aan Francois 
cle Bellis en genoemden Johannes Heymanszn toestemming ver- 
leend om in onderscheidene steden van Brabant, waaronder ook 
den Bosch, taeffelen van den wisselen der Lombarden voor den 
tijd van 12 jaren op te richten, waarna de Eegeering der stad 
den Bosch hun bij besluit van 20 Mei 1538 voor gezegd tijdvak 
octrooi verleende om aldaar hunne beleenbank te houden tot 
proeffyte derselver stadt, tot vermeerderinghe hurer assijnssen 
ten gerieve hurer ingesetenen ende poir ter en ende andere luden, 
binnen der voirs. stadt verkerende ende hun comanscappen 
doende. De bepaling, dat de Bank moest strekken tot vermeer- 
dering der stedelijke accijnsen, was echter in strijd met het 
privilegie van Hertog Philips van Brabant van 18 December 1499, 
waarbij aan de houders der Banken van leeningen werd verleend 
vrijdom van accijnsen, contributiën, wachten en inkwartieringen, 
doch naar alle waarschijnlijkheid hadden Francais de Bellis en 
meergenoemde Johannes Heymanszn, ten einde het vereisen te 
octrooi voor hunne bank van leening te krijgen, te voren hier- 
over met de stad den Bosch getransigeerd; immers zij waren 
daarmede overeengekomen, dat zij wegens de stedelijke accijn- 



— 205 — 

sen aan haar jaarlijks 200 carolus guldens vooruit zouden be- 
talen. Francois de Bellis betaalde die som niet, doch wel 
Johannes Heymanszn 1), waaruit kan worden afgeleid, dat eerst- 
genoemde alleen het hoofd was van eene maatschappij, die in 
verschillende plaatsen van Brabant banken van leeningen hield 
en dat Johannes Heymanszn het hoofd was van de bank van 
leening in den Bosch. 

Nadat Johannes Heymanszn die bank gedurende zes 
achtereenvolgende jaren gehouden had, liet hij ze in den steek 
en betaalde toen ook niet meer de aan de stad den Bosch 
toegezegde 200 carolus guldens. De Regeering dier stad deed 
daarom Jan Heijmans die lombar t ter cause van den op- 
houde der taeffele van den lombar t binnen deser stadt, ter 
zake van dat hij volgen die geloofte deser stadt gedaen 
sekere somme van penningen derselver stadt nog schuldig was 
bleven, gevangen nemen en op de Gevangenpoort zetten. Lang 
bleef hij toen daar gevangen omdat hij niet in staat was de 
stad te voldoen tot dat eindelijk, door tusschenkomst zijner 
vrienden, tusschen hem en de stad eene overeenkomst werd 
getroffen en hij zijne vrijheid terugkreeg. 

Drie jaren lang stond intusschen de Bank van leening 
ledig. In 1547 of 48 kreeg, zooals wij hiervoren op blz. 115 
reeds zagen, Andries Ymony van de Regeering der stad den 
Bosch octrooi om er eene Bank van leening op te richten, mits 
jaarlijks aan haar voor de accijnsen fl 40 betalende; waar hij 
zijne Bank hield blijkt niet, waarschijnlijk hield hij ze, zooals ik 
hiervoren t. a. p. reeds veronderstelde, in het Bokhovenstraatje. 

De slechte zaken, welke Johannes Heymanszn met zijne 
Bank van leening in de Postelstraat gemaakt had, zullen ook 
wel ten gevolge hebben gehad, dat Gijsbrecht Heym Janszn 
het hier bedoeld huis moest terugkoopen ; in elk geval was hij 
daarvan in 1558 weder eigenaar, want hij verkocht het 9 Mei 
van dat jaar (Reg. n° 199 f. 336), als wanneer het omschre- 
ven werd als : domus, area, ortus et domus posterior, sitae in 
1) R. A. Zuylen de Stadsrekeningen I blz. 540. 



— 206 — 

Buscoducis retro convenium fratrum minorum juxta pontem, 
dictum Absbrug, inter hereditatem quondam Henriet Bloeyman 
ex uno et inter hereditatem Hermanni, ftlii quondam Wil- 
lelmi Lucasz, ex alio, aan Jeronimus Wijnants, zoon van Paulus 
Wijnants van Eesant 1) en Elisabeth Cuypers. Deze kooper 
was raad van den Bosch en kapitein van de Colveniers aldaar ; 
hij stierf op St. Nicolaasdag 1601, van zijne vrouw Cornelia 
Bloeymans, dochter van Henrick en Catharina, dochter van 
Marcus Gerits Celenzoon. nalatende deze kinderen : 

a mr. Pauwels ; wiens afstammelingen zullen worden 
vermeld in cle beschrijving van het volgend huis ; 

b Henrick ; 

c Marten, die huwde met Dingna, dochter van Jacob 
van Casteren en Anneken van Broeckhoven Gijsbertsdr. ; zij 
hadden ook kinderen ; 

d Wijnand ; 

e Jenneken, die huwde met mr Marten Moins Janszn, 
raad van den Bosch ; 

ƒ Elisabeth, die trouwde met Willem Danckarts ; 

g Jan, schepen van den Bosch, die huwde met Josina 
van Wijck, dochter van Loenis Dircksz; hunne kinderen waren: 
Loenis, Josina, Henrick en Marijken; 

h volgens sommigen nog Mar gare tha, non in het St. 
Geertruiklooster te den Bosch. 

De kinderen genoemd onder c, d en f; Jeronimus, Cor- 
nelia en Elisabeth Wynants, kinderen van het kind genoemd 
sub a; de voogden over deszelfs overige kinderen; Loenis en 
Josina Wynants genoemd sub g en de momboiren over de 
overige sub g genoemde kinderen verkochten 22 Mei 1607 (Reg. 
n° 304 f. 104) dit huis aan Johan van Horenbeeck, zoon van 
Aert Corneliszoon ; deze had van zijne eerste vrouw Catharina, 
dochter van Henrick Herincx, eene dochter Maria, die huwde 
met Guilliam van Doyenbraecken, raad van den Bosch en 

1) Men zie over zijne familie W. Wynaendts van Resandt Geschie- 
denis en genealogie van het geslacht Wijnants. 



— 207 — 

van zijne tweede vrouw Lucia Pottey, dochter van Eeynder 
Ygromszn Pottey, eene dochter Catharina, die in 1623 nog 
minderjarig was; eerstgenoemde dochter alsmede de momboiren 
over de laatstgenoemde verkochten 16 Maart van dat jaar (Reg. 
n° 335 f. 207 verso) dit huis aan Henrick Aertszn van Zut- 
phen, koopman te den Bosch; het werd toen gezegd te zijn: 
huys, erffue met een poirt aen de straet, hoff, achterhuys 
metter brouwerye daerinne staende, brougetouwe, toebehoor 
ende met noch twee woenplaetsen achterwaerts opten Ulen- 
borch uitgaende", staande achter het Convent van de Minder- 
broeders nabij de Postelstraat tusschen het huis van Adriaan 
Jans Wijnen van Dinther, bierbrouwer, genoemd in den Nobel 
ex uno en het huis van Barbara weduwe van mr. Pauwels 
Wynants, raad van den Bosch, ex alio, zich achterwaarts uit- 
strekkende tot op den Ulenborch. Zijn zoon Henrick vanZutphen, 
koopman te Amsterdam, verkocht 9 Augustus 1638 (Reg. n° 421 
f. 145) weder dit huis, dat nu gezegd wordt eene brouwerij 
te zijn geweest, aan Pieter Lus, ontvanger van de convooien 
en licenten te den Bosch; deze geraakte in déconfiture; van 
daar dat de curator over zijnen boedel 2 Januari 1685 dit huis 
verkocht aan mr. Victor van Beughem, toen nog advocaat te den 
Bosch, zoon van Jaspar en Johanna van Wamel (dochter van 
Victor en Anna Coolen); in de daarvan opgemaakte akte werd 
het omschreven als het huis genaamd de Meebael met erf, tuin 
achterhuizen, waarvan een eertijds eene brouwerij was, eene 
woning op de brug boven de Dieze, zijnde de woning naast de 
boog boven die rivier voorheen ingestort doch nu weder opge- 
bouwd, en een pakhuis, drie verdiepingen hoog, welk laatste 
gebouw 4 Juni 1661 door genoemde Lus was aangekocht van 
de belendende eigenares Anna, dochter van Lambert Janszn 
van Boxmeer en weduwe van Dirck de Best. 

Mr. Victor van Beughem voornoemd verkocht 8 Decem- 
ber 1691 (Reg. n° 506 f. 459 v so ) dit huis aan Antony de Hee, 
koopman te den Bosch, die van zijne vrouw Allegonda van 
Wamel, dochter van Mr. Johan, apotheker te den Bosch en 



— 2Ü8 — 

Margriet de Helt genaamd Colen 1), ook nog een zoon Francois 
de Hee had, welke dit huis 10 Maart 1732, als wanneer het 
genaamd was In Londen, verkocht aan mr. Daniel de Lobell, 
oud-schepen en raad van den Bosch, zoon van Daniel, predikant 
te den Haag, (den zoon van Nicolaas, raad vaD den Bosch 
en Johanna Bultjou) en Philippina van Blanckevoort 2). Laatst- 
genoemde kooper brak het volgend jaar den houten voorgevel 
af, dien dit huis tot dusverre had gehad en zette er eenen 
steenen voor in de plaats, waarvoor de Regeering der stad 
den Bosch hem vereerde met eenen dubbelen gouden stadhuis- 
penning, die thans bewaard wordt in de verzameling van munten 
en penningen van het Provinciaal Genootschap van K. en W. 
in Noordbrabant. Zijne vrouw was Dina Vis, die hem deze 
kinderen schonk : 

a. Philippina Johanna de Lobell, die huwde met mr. 
Willem van Laer, raad-ordinaris in den Raad en Leenhove 
van Brabant te den Haag ; 

b. Susanna Petronella de Lobell, echtgenoote van Gerrit 
Godin, kolonel der Infanterie te den Bosch en 

c. Margaretha Maria de Lobell, huisvrouw van Johan 
Philip van Eys, schepen van den Bosch. 

De sub a en b genoemde kinderen verkochten 1 Juli 
1767 hunne aandeelen in dit huis, dat alstoen omschreven werd 
als: huis met tuin, open plaats, tuinkamer, achterhuis, stalen 
koetshuis aan dat genoemd sub c. Van dit kind erfden het 
weder die genoemd sub a en £>, van wie daarop de eerstge- 
noemde hare helft in het huis den 30 Mei 1775 verkocht 
aan Gerrit Godin voornoemd. De executeur van het testament 
van dezen laatste, zijnde Jan Carel Godin, raad in de Vroed- 
schap te Utrecht, verkocht dit huis 2 Juni 1781 aan Johan 



\) De kinderen van Antony de Hee en Allegonda van Wamel 
waren: Francois, Johan, Antony, Margaretha, huisvrouw van Godefridus 
Loyens en Theodora Maria huisvrouw van mr. Paulus Suyskens. 

2) Hun ander kind was Johanna Maria de Lobell, die huwde met 
Abraham Hubert, schepen van den Bosch. 



— -209 — 

Balthazar Wydenkeller 1), wonende te Vught, die het 9 Januari 
1782 weder verkocht aan Melchior van Goens, oud-schepen en 
raad van den Bosch. Diens weduwe Johanna Elisabeth du 
Buisson verkocht het 24 Juli 1792 aan mr. Jacob Maarten 
Deutz, schepen en raad van den Bosch, die het 24 Dec. 1807 
weder verkocht aan Johan Florens Mollerus, koopman te den 
Bosch 2). Later behoorde dit huis aan Johannes Franciscus 
Moleschott, medicinae doctor te den Bosch, aldaar overleden 
4 November 1857; uit zijn huwelijk met Elisabeth Antonia 
van der Monde, overleden te Kleef 31 Maart 1875, werd hem 
9 Augustus 1822 in dit huis geboren Jacob Moleschott, achter- 
eenvolgens privaat-docent te Heidelberg, hoogleeraar te Zurich 
(1856) ; idem te Turyn (1861) en senator van het Koningrijk 
Italië (1876), overleden te Rome 20 Mei 1893. Door den lateren 
eigenaar van dit huis, Victor van cl e Mortel, in leven notaris te 
den Bosch, is dit huis in tweeën geplitst, wat het nu nog is. 

b. Het huis genummerd 64. 

Dit huis, dat naast het laatstbehandelcle staat, is ook gebouwd 
op het erf der Abdij van den H. Trudo der orde van den 
H. Benedictus te St. Truijen. Het stuk van dit erf, waarop het 
gebouwd werd, was, zooals wij hiervoren reeds zagen, door 
voornoemden Jan van den Yevelair Wouterszoon, ook wel 
genaamd Zeelmeker, gekocht van de op blz. 202 genoemde 
Abdijheeren. Van het hierop gebouwd huis worden achtereen- 
volgens als eigenaren vermeld : Aleicl, de weduwe van genoemden 
van den Yevelair, ook wel genoemd Aleid de weduwe van Jan 
den Zeelmeker\ Lambert Millinck; Martinus die Olieslager en 
in 1558 Henrick Bloeymans. 

Laatstgenoemde, die de zoon was van Jan en Johanna 
Michiels genaamd van Enckevoirt (dochter van Gerard Michiels- 



1) Op het oude Protest, kerkhof te Vught ligt begraven Pieter 
Antony van Wydenkeller, cadet onder de Hollandsche tiussaren, geb. 17 
December 1771 en gest. 8 Maart 1790; deze zal zijn zoon geweest zijn. 

2) Hij was geboren in het land van Marck en werd in 1742 poorter 
van den Bosch. 

14 



— 210 — 

zoon, 1537 raad van den Bosch en Elisabeth van Enckevoirt, 
de zuster van den bekenden kardinaal Willem van Enckevoirt), 
huwde met Catharina, de dochter van Marcus Gerits Celenzoon, 
en verwekte bij haar deze kinderen: 

I. Mr. Henrick Bloeymans, licentiaat in de rechten, 
pandheer van Helvoirt, heer van het aldaar staand adellijk 
huis Zwijnsbergen en president-schepen van den Bosch ; hij 
huwde met Elisabeth Lombaerts van Enckevoirt (dochter van 
mr. Jan Lombaerts, pensionaris en secretaris van den Bosch 
en Elisabeth Michiels genaamd van Enckevoirt, de zuster van 
genoemde Johanna), die hem deze kinderen schonk: 

a. Jan, pandheer van Helvoirt en heer van Zwijnsbergen, 
die kinderloos stierf ; „ 

b. Maria, die ongehuwd bleef ; 

c. Johanna, die Helvoirt en Zwijnsbergen van haren 
broeder erfde en huwde met Erasmus van Grevenbroeck, heer 
van Mierlo. 

II. Cornelia Bloeymans, die huwde met den op blz. 205 
genoemden Jeronimus Wynants, raad van den Bosch, die van 
haar had de hiervoren reeds genoemde kinderen. 

III. Gerritken Bloeymans, die in eene Bossche Schepen- 
akte van 1556 gezegd wordt dit huis te bewonen. 

Bij Schepenakte van den Bosch van 1590, waarbij de 
nalatenschappen van Henrick Bloeymans en zijne vrouw Catharina 
werden gescheiden, werd dit huis, hetwelk alsnu gezegd wordt 
te staan tusschen het huis van Jeronimus Wijnants eenerzijds 
en dat der erfgenamen van Goeswijn van Hedel anderzijds, 
toebedeeld aan cle kinderen en kleinkinderen van genoemden 
Jeronimus Wijnants, met namen :Marten en Wynand; Jenneken, 
de vrouw van mr. MartenMoins, raad van den Bosch; Elisabeth, 
de vrouw T van Willem Danckarts ; de kinderen van wijlen mr. 
Pauwels Wijnants en die van wijlen Jan Wijnants. Nog in dat- 
zelfde jaar 1590 werd dit huis bij onderverdeeling toegescheiden 
aan de na te noemen kinderen van wijlen Pauwels Wijnants. 

Genoemde Pauwels Wijnants, die in na te melden akte 



— 211 — 

van 1632 geheeten werd Pauwels Wijnands van Bosan, was 
raad van den Bosch en kapitein van eene compagnie voetvolk 
ten dienste van den Koning van Spanje; hij huwde niet Barbara 
Wijtmans en verwekte bij haar deze kinderen ; 

a. Jeronimus, die huwde met 1° Josina van Berckel, 
van wie kinderen ; 2° Johanna Conincx. 

b. Pauwels, koopman in wollen lakens te den Bosch, die 
huwde met 1° Johanna, de dochter van Herman Jacobszn van 
Casteren en Josina, dochter van Willem Wels; 2° 1632 Judith, 
dochter van Jaspar van Heeswijck en Marieken Poelmans ; 
van beide vrouwen had hij kinderen ; 

c. Cornelia; zij huwde met Rogier van Outvorst Goij- 
artszoon ; 

d. Maria, die huwde met 1° Cornelis Penninx 2° Henrick 
Smits Gijsbertszn ; 

e. Johanna, gehuwd te Schijndel met Dierck van Kessel ; 
ƒ. Elisabeth, die huwde met den bierbrouwer Adriaan 

Suyskens van Dinther, zoon van Wijnand, den zoon van Jan 
Suyskens van Dinther ; zij schonk hem deze kinderen : 

1° Pauwels, bierbrouwer te den Bosch, die huwde 
met Maria van den Merendonck Cornelisdochter; hunne kin- 
deren waren : Elisabeth, de echtgenoote van Reinier Potey ; 
mr. Lambertus, advocaat te den Bosch en Cornelis Suyskens 
woonachtig te Cadix; 

2° Mechteld, die 19 November 1634 in den Bosch 
huwde met Govert van den Broeck Govertszn uit Eindhoven. 
(Hun zoon heette ook Govert) ; en 3° Barbara Suyskens. 

(De latere vrouw van genoemden Adriaan Suyskens was 
Metken, dochter van Eduwaert Wellens en weduwe van Peter 
Franszn van Susteren). 

g. Anneken, die huwde met Marcelis Herincx, laken- 
verwer te Eindhoven, welke bij haar twee kinderen verwekte. 

Bij schepenakte van den Bosch van 1632 verdeelden 
de sub a — g vermelde kinderen Wijnants hunne ouderlijke 
nalatenschappen ; daarbij kwam aan Jeronimus Wijnants van 



- 212 - 

Resant een steen en omwaterd huis 1), staande te Lutteleind, 
gemeente Schijndel, en aan cle kinderen van Marcelis Herincx 
en Anneken Wijnants het huis, waarvan hier de rede is en dat 
nu gezegd werd te staan achter het convent der Minderbroe- 
ders tusschen dat, eertijds van Jan Artszn van Horenbeeck, 
nu Henrick van Zutphen ex uno en dat, eertijds van Cornelis 
van Kessel, nu de wed. en kinderen Marten Fierlands, ex alio. 
Pauwels Wijnants, de koopman in wollen lakens te den Bosch, 
verkocht als gemachtigde van Marcelis Herincx, lakenverwer te 
Eindhoven, en van de voogden over diens onmondige kinderen, 
verwekt bij Anneken Wijnants van Resant, 17 Januari 1635 
dit huis aan den broodbakker Lambert Janszoon van Boxmeer, 
van wien daarna een vierde daarin erfde diens dochter Elisabeth 
van Boxmeer ; hare voogden, zijnde Adam Christoffelszn van 
Beugen en Nicolaas Borchgraeff, verkochten 5 Mei 1661 dat 
een vierde aan Dirck de Best als man van Anna, ook dochter 
van genoemden Lambert van Boxmeer, welke van dezen reeds 
drie vierden daarvan geërfd had. Van laatstgenoemde echte- 
lieden erfden clit huis hunne kinderen : Rogier de Best, brood- 
bakker te den Bosch; Elisabeth de Best huisvrouw van 
Adriaan van Vrieseveen ; Agneta en Maria de Best, welke 
drie laatstgenoemden (Reg, n° 522 f. 185 en id. n° 527 f. 285) 
hare aandeelen in dit huis aan haren broeder verkochten. In 
1743 waren de boedels van dezen en diens vrouw Johanna 
Smeyers insolvent en is toen door den daarover gestelden curator 
dat huis verkocht geworden aan Petrus Scheffers, boekdrukker 
te den Bosch, wiens vrouw was Lucia Cuypers, weduwe van 
Johan Vervorst. Hunne erven, zijnde zijn zoon Jacobus Schef- 
fers, ook boekdrukker aldaar, deze zoo voor zich en als voogd 
over de twee minderjarige kinderen zijner zuster Maria Dingena 
Scheffers, bij haar in echt verwekt door den apotheker Johannes 
Nicols ; Wilhelmus Vervorst, pastoor te den Dungen, zoon van 
genoemde Lucia Cuypers en Johannes Vervorst, haren eersten 
man en Joannes Scheffers, R. K. priester te Baarle-Hertog, 



1) Het heette Groenendaal. 



213 



ook zoon van Lucia Cuypers en haren tweeden echtgenoot 
Petrus Scheffers 1), verkochten 3 September 1763 dit huis aan 
Jacob Sassen, woonachtig te den Bosch. 

Deze, die de stamvader is van de thans nog bloeiende 
familie Sassen, werd geboren te Elsloo en was als bereden 
militair in den Bosch in garnizoen gekomen ; na zijn ontslag 
uit den dienst vestigde hij zich aldaar metterwoon en werd hij 
geëmployeerde bij de Wagenposterij van den Bosch op Maas- 
tricht. Hij huwde 1° in 1733 met Anna Maria van Aalst, 
geboortig van Boxtel, die hem deze kinderen schonk : Maria 
Elisabeth en Jan Sassen, welke in 1775 als erfgenamen hunner 
moeder met eenige andere medegerechtigden aan Antonij Hen- 
drik Voet, factoor in den Bosch, verkochten het aldaar in de 
Karrestraat staand huis de Eenhoorn; 2° in 1745, als wanneer 
hij weduwnaar van zijne genoemde vrouw was en in den 
Bosch in de Postelstraat in het huis het Keizershof woonde, 
met Maria Anna Hermans, geboortig van Boxmeer. Als zijne 
weduwe en erfgename verkocht deze laatste het bedoeld huis 
19 September 1775 aan Johan Hutmann, Johan Willem Daniel 
de Jongh en mr. Cornelis Willem van der Sleyden, toenmaals 
ondernemers van de gezegde wagenposterij van den Bosch op 
Maastricht, of, zooals het in de van dien verkoop opgemaakte 
akte heet: geassocieerden in de wagenposterij van den Bosch 
op Maastricht. Het octrooi tot die onderneming was hun door 
cle Staten-Generaal den 19 October 1770 voor den tijd van 
30 jaren, ingaande 4 April 1775, verleend. Den 30 September 
1785 verkocht Magdalena Dorothea Rumpen, weduwe van 
Johann Christophel Weigels te Lubeck, als eenige erfgename 
van haren te den Bosch overleden halven broeder Johann Eep- 
penhage, zich in den Bosch genoemd hebbende Johann Hutmann, 
geassocieerde in de wagenposterij van die stad op Maastricht, 
diens aandeel in „gezegd octrooi; item in het Posthuis te Eind- 



1) Over hetgeen deze deed om voor zijnen stiefzoon Wilhelmus 
Vervorst 7 Juni 1782 het Roomsche kerkehuis van den Dungen aan te koo- 
pen ; zie men Schutjes III blz. 519 en Schepenreg. van den Bosch no 601 f. 110. 



— 214 — 

„hoven en in alle koetsen of Berlynen, bolderwagens, postchaisen 
„en andere rytuigen, postpaarden, paardentuigen, enz., tot be- 
doelde wagenpostery behoorende," aan Johan Willem Daniel de 
Jongh, wonende te Valkenswaard en mr. Cornelis Willem van 
der Sleijden, wonende te den Bosch, ook hiervoren genoemd. 1) 
Hun genoemde medegeassocieerde en zij hadden reeds 9 Februari 
1779 het huis, waarvan hier de rede is en dat alstoen omschre- 
ven werd als: huis en erf, thans gebruikt wordende tot een 
wagenhuis of remise, verkocht aan den kolonel Gerrit Godin 
voornoemd, die, zooals wij zagen, al eigenaar was van het 
aangrenzend huis de Meebaal; hij voegde het aan dat huis als 
koetshuis toe en zoo ging het successievelijk over aan hen, die 
de Meebaal kochten tot en met deszelfs eigenaar Johan Florens 
Mollerus. Van dezen laatste zal het door koop gekomen zijn 
aan den kleinzoon van Jacob Sassen en Maria Anna Hermans 
voornoemd, zijnde Leonardus Jacobus Sassen, procureur te den 
Bosch, zoon van Jacobus Sassen, posthouder der Hollandsche 
wagenposterij te Maastricht, en Anna Maria Euwel. 

Genoemde Leonardus Jacobus Sassen was gehuwd met 
Anna Maria van Santen, van wie hij een zoon had mr. Jacques 
Sassen, secretaris der gemeente den Bosch, die huwde met 
Elisabeth Wilhelmina Aengenent. Uit dit huwelijk werd o. a. 
geboren Albert Sassen, in leven directeur van de waterleiding 
der gemeente den Bosch, wiens weduwe thans eigenares is van dit 
huis, hetwelk ook thans van het huis de Meebaal is gescheiden. 

Het naast het hier beschreven huis staand huis is 

c. De Fierlandtspoort of het Spookhuis. 

(N os 62 en 60). 

Dit huis staat gedeeltelijk op het erf van de meerge- 
zegde Abdij van St. Geertruid, dat Jan Berewout Gerardszoon 



1) Zijne vrouw was Maria de Jongh, dochter van genoemden Johan 
Willem Daniel de Jongh, stadhouder van Kempenland en drossaard van 
Valkenswaard en Waalre, en Maria Johanna Velsen. 



— 215 — 

gekocht had van de op blz. 202 genoemde Abdijheeren en ge- 
deeltelijk op het erf, dat eerst toebehoorde aan Gijselbertus van 
den Broeck en daarna aan Henrick en Jan, zonen van Arnold 
Roever, den zoon van Gijselbertus van den Broeck voornoemd; 
deze zonen verkochten dat erf aan den reeds genoemden Jan 
Berewout. De beide gezegde erven, die in eene Bossche Schepen- 
akte van 23 Februari 1505 (Reg. n° 100 f 139 v so ) gezegd werden 
te zijn: vacua hereditas, camera, ortus ac domus posterior, 
staande en gelegen tusschen het erf van Aleid weduwe van 
Jan de Zeelmeker ex uno en dat van Adriaan Roempot ex alio 
en zich achterwaarts uitstrekkende tot aan de Dieze, — wer- 
den bij die akte door Rijtsart, kastelein van het kasteel, 
genaamd Ter Auderstat, staande in Lier, als man van domicella 
Bela weduwe van meergenoemden Jan Berewout, verkocht aan 
Nicolaus, zoon van Henrick van Delft genaamd van Henxthem. 

Bij akte van 25 Mei 1546 (Reg. n° 169 f. 350) ver- 
kochten de kinderen van hem, die nu genoemd wordt Nicolaus 
van Henxthem. genaamd van Delft, en welke kinderen waren: 
Willem, Jan, Mechteld senior, Mechteld junior 1), Jutta, Wou- 
terken, echtgenoote van Jan van Elmpt Maarten szn, Gerarda, 
huisvrouw van Elias de Raet Roelofszn en mr. Henrick, dit huis 
aan Jan van Bree Janszn, die het 18 Mei 1552 (Reg. n° 185 
f. 259) weder verkocht aan Gooswijn van Hedel Jacobszn, raad 
van den Bosch; het werd nu gezegd te zijn: domus, area et 
ortus, ac domus posterior, staande in de Postelstraat achter het 
Minderbroedersklooster tusschen het huis van Catharina weduwe 
van Henrick Bloeymans en hare kinderen ex uno en dat van 
Daniel Reinierszn Loijen en zijne kinderen ex alio. 

Genoemde van Hedel liet dit huis na aan zijne dochter 
Adriana van Hedel, welke het ten huwelijk bracht aan haren 
man Cornelis van Kessel; het werd omstreeks dien tijd om- 



1) Eene dezer Mechteld's huwde met Rutger Janszn van Doerne, 
wien zij eene dochter Jutta schonk; dezer man was Petrus van Broeck- 
hoven, zoon van Gielis en Henrica, de dochter van Henrick van Aerle 
en Aleid (Reg. n<> 1G9 f, 324). 



216 



schreven als volgt 1): een schoone groote huysinge met eenre 
poirte, ganc, ledige erffnisse off hoff ende achterhuys, genoempt 
het groot huys ende een cleyn ander huys 2) met een ledich 
plaetsken, staande naast het voorschreven groot huis, welke 
beide huizen staan aan het eind der Postelstraat tusschen het 
huis van Barbara weduwe van Pauwels Wijnants ex uno en 
dat genaamd In Gorcum, hetwelk eertijds van Henrick zoon 
van Goossen Gijsbertszn was. 

Cornelis van Kessel liet van zijne vrouw Adriana van 
Hedel deze kinderen na: Maria, Weyndelmodis Jan, Jacob en 
Anna; zij hadden in 1610 geschil met de erven van Cornelis 
van Baerle, gewoond hebbende te Breda, over schilderijen, die 
hunne moeder bij de inneming van die stad aan dezen in be- 
waring had gegeven. (Reg. n° 280 f. 322). De beide eerstge- 
noemde kinderen, alsmede mr. Jacob van der Cammen, raad 
van den Bosch en Jacob Pijnappel Janszn in hunne hoedanig- 
heid van voogden over de drie laatstgenoemde kinderen ver- 
kochten 3 Februari 1610 (Reg. n° 308 f. 272) dit huis aan mr. 
Maarten Fieiïandts, raad en rentmeester-generaal der Domeinen 
van Brabant in het kwartier van den Bosch. Diens weduwe, 
zijnde de na te noemen Catharina van Eyck, kocht 4 Maart 
1627 van de erven van Reynder Danielszn Loijen daar nog 
bij een huisje, dat zich achterwaarts uitstrekte tot aan voor- 
zegd huis en O.waarts grensde aan het huis der erven van 
Goossen, zoon van Henrick Goossenszoon ; genoemde Reynder 
Loijen had het 9 Februari 1610 gekocht van de genoemde kin- 
deren van Kessel. 

Mr. Maarten Fierlandt, naar wien dit huis sedert dat hij 
het gekocht had de Fierlandtspoort geheeten werd, was de zoon 
van Symon Fierlandts, die ook raad en rentmeester-generaal 
der Domeinen van Brabant in hetzelfde kwartier was, over- 



1) Reg. no 279 f. 105. 

2) Dit was het huis, genaamd In Maastricht. Mathijs van den 
Kolck had het in 1501 (Reg. no 96 f. 43 vso) verkocht aan Nicolaus van 
Henxthem genaamd van Delft, 



— 217 — 

leden 8 April 1601 en Theodora de Wolff, gestorven 10 Decem- 
ber 1621 1), dochter van Dirck, dochter van Thomas Dirckzoon 
en Geertruid, dochter van Arnolcl Emontszn. 

Genoemde mr. Maarten Fierlandts huwde met Catharina 
van Eyck dochter van Goijart Jasparszoon en Heylwich Bacx 
en verwekte bij haar deze kinderen : 

a. Jacques Fierlandts, heer van Zeelst, Veldhoven en 
Blaarthem, raad van den Bosch; hij huwde met Coineïia Pallaes 
van der Sterre, dochter van Johan, vaandrig (wieus vader was 
Michiel Pallaes van der Sterre genaamd Bontenos) en Margriet 
de Haze 2); 

b. Mathias Fierlandts, kanonik te Condé; 

c. Maria Anna Fierlandts, die trouwde met mr. Adriaan 
de Vos, drossaard van de stad en den lande van Ravestein, 
zoon van Willem en Maria van Hamel. 

d. Johan Baptist Fierlandts. 

e. Paulus Rodolf Fierlandts. 

De sub a, c en d genoemde kinderen verkochten, na van 
de sub b en e genoemden derzelver aandeelen daarin gekregen 
of gekocht te hebben, den 26 September 1650 de Fierlandtspoort 
aan Johan de Bacquer Jr, (ook wel genaamd de Backer), koop- 
man te den Bosch, den zoon van Johan. 

Diens eerste vrouw was' Agnes Gysselen, dochter van 
Jacob en Maria van Engelen 3)'; zij schonk hem deze kinde- 
ren : Margaretha de Bacquer, die in 1671 huwde met mr. Cor- 
nelis van Horenbeeck, die eerst advocaat in den Bosch en later 



1) Deze echtelieden hadden nog een zoon Franchoys alsmede een 
zoon Theodore, die in eene Bossche Schepenakte van 1614 gezegd werd te 
zijn secretaris en ontvanger generaal van den graaf van Solre. 

2) De kinderen van Johan Pallaes van der Sterre en Margiet de 
Haze waren: Reinier, Catharina, Gornelia, Anna en Geertruid. (Men zie 
over deze van der Sterre's nog Taxandria XIV p. 230). 

In eene Bossche Schepenakte van 1700 worden als moeizeggers van 
Geertruid Pallaes van der Sterre genoemd MartinusDominicus Fierlandts, 
wonende te Westerhoven en Philip Poulyn, woonachtig te Lubeck. 

3) Hunne overige kinderen waren: Johan Gijsselen, advocaat; 
Guilliam, raad ordinaris in den Souvereinen raad van Gelderland te Roer- 
mond én Jacob Gijsselen, 



— 218 — 

landschrijver der stad en graafschap Megen was 1) ; Adriaan 
en Jacob de Bacquer. 

Johan de Bacquer voornoemd zoo voor zich en als weduw- 
naar van Agnes Gysselen verkocht 16 October 1680 (Reg. 
n° 499 f. 12 v so ) de Fierlandtspoort aan Jacqueline Brouart 
weduwe van Mr. Christiaan van Beresteyn, pensionaris van 
den Bosch, geboren 29 Januari 1616 en overleden 23 Mei 1680; 
hij was zoon van Gijsbert en Maria Prins en woonde in 1653 
in het huis Kruisstraat n° 1. 

In de van dien verkoop opgemaakte akte werd dit 
huis aldus omschreven : „een schoon huis met poort, erf, tuin, 
galerij, achterhuizen, kamers en achterkeuken, genaamd Heer 
Fierlandspoort, staande aan de Postelstraat tusschen het huis 
der erven Lambert Janszoon van Boxmeer eenerzijds en het 
huis genaamd In Maastricht anderzijds.'* 

Genoemde weduwe van Beresteyn werd ook nog eigena- 
res van het landgoed Maurick onder Vught, doordien zij het den 
23 Juli 1681 kocht bij gerechtelijke uitwinning, geschied ten laste 
van deszelfs toenmaligen eigenaar J or . Hendrick Heym. Zij had 
van haren gezegden man o. a. een zoon Thomas van Beresteyn, 
geboren te den Bosch 8 April 1647, overleden aldaar 19 Maart 
1708, heer van Maurick bij erfenis zijner moeder, schepen van 
den Bosch, rentmeester der geestelijke goederen in de Kwar- 
tieren van Kempenland en Oisterwijk en van het Kapittel van 
Oirschot, h. 1° te Rijswijk (Z. Holland) 25 Augustus 1693 Dina 
Cornelia Tromp, (dochter van Maarten Harperstzn Tromp en 
Magdalena van Adrichem), geboren te Delft 6 Oct. 1657, over- 
leden te den Bosch 31 Maart 1699; 2° te den Haag 5 Febr. 
1704 Johana Catharina de Groot, dochter van mr. Pieter en 
Agatha van Ryn. 

Uit diens eerste huwelijk werd o. a. geboren mr. Maarten 
Cornelis van Beresteyn, schepen van den Bosch, die 26 Aug. 
1734 te Rotterdam ongehuwd stierf. Hij erfde ook Maurick, 



1) Hunne dochter Maria Agnes van Horenbeeck huwde met Jonker 
Alexander van Bommel. 



— 219 — 

dat de executeurs van zijn testament den 12 November van 
laatstgezegd jaar trausporteerden aan zijnen halven broeder 
mr. Christiaan Paulus van Beresteyn, die door koop ook heer van 
den Kleinen Kuwenberg werd 1). Deze was geboren in den Haag 
2 Januari 1705 en stierf op den huize Maurick 15 Februari 
1758; hij huwde 1° te den Bosch 21 Februari 1729 Elisabeth 
van Midlum, dochter van Gerard, predikant en hoogleeraar te 
den Bosch en Wilhelmina Backer; 2° te Hörstgen 11 Maart 
1743 Catharina Wilhelmina Brühl ; van beide vrouwen had 
hij kinderen, zooals zal vermeld worden bij de beschrijving 
van het huis der van Berestejm's, dat in den Bosch aan de 
Oude Dieze staat 2). 

Mr. Christiaan Paulus van Beresteyn werd eveneens 
eigenaar van het huis de Fierlandtspoort, dat hij den 15 Januari 
1750, als wanneer hij op Maurick woonde, verkocht ; dit huis, 
dat alstoen ook het Spookhuis genoemd werd, werd alsnu om- 
schreven als huis met erf, stal, koetshuis en pakhuis daar 
naast staande, gelegen in de Postelstraat tusschen het huis 
van Petrus Scheffers eenerzijds en dat der weduwe van 
Heeswijk anderzijds, zijnde het hem aangekomen van zijne 
moeder Johanna Catharina de Groot ; koopers daarvan werden 
toen Abdias Velingius, professor en predikant te den Bosch en 
diens echtgenoote Christina Elisabeth Vis ; zij schijnen in 
slechten doen te zijn geweest, want reeds den 25 October 
1751 werd dit huis, dat nu gezegd wordt te zijn een huis met 
vele groote zalen, ten hunnen laste voor schuld verkocht aan 
Gijsbert van Geffen, koopman te den Bosch, die het 14 Sep- 
tember 1772 weder verkocht aan Jean Pierre Loneux, ook 
koopman in den Bosch 3), die zich in 1805 factoor of expediteur 
noemde 

Dit huis dient thans tot ijkkantoor. 



1) Taxandria VII p. 169. 

2) Over deze van Beresteyn's zie men verder de Wapenheraut 
1905 blz. 268 en vlgd. 

3) Denkelijk een afstammeling 1 van Thomas Loneux, die in 1700 
Maasschipper te den Bosch was. 



- 220 — 

d. Het Zwartmakershof. 

Van de Postelstraat kwam men door het Uilenburg- 
straatje in de buurt, genaamd de Ulenborch of de Uilenburg. In 
die buurt, waarvan de straten thans genoemd worden de Ui- 
lenburg, de Molenstraat en de Walpoort, stonden oudtijds het 
Schildersgasthuis, dat Johan Schilder, raad van den Bosch, in 
het jaar 1500 voor acht oude vrouwen stichtte; het St. Martens- 
mannengasthuis, dat in 1682 door Coenraad van Boxtel Dirkszn 
voor drie oude mannen in drie huisjes was gesticht (Eeg. n° 502 
f. 186); het Loyersgasthuis en het Franciscannessenklooster 
Mariënburg, dat aan de Westzijde van de straat cle Uilenburg 
stond en waarvan thans alleen nog maar over is de kapel, welke 
langs de straat cle Walpoort staat en nu toebehoort aan het tegen- 
woordige nonnenklooster Mariënburg: die kapel diende van 1684 
tot 1693 tot bedehuis voor het grootste gedeelte der Katholieke 
Bosschenaren ; in laatstgemeld jaar werd zij door den Staat 
aan die bestemming onttrokken en ingericht tot 's Lands am- 
munitiehuis of arsenaal; de grafzerken, welke er in lagen, zijn 
alstoen publiek verkocht. Twee eeuwen lang bleef deze kapel 
die nieuwe bestemming behouden tot dat het Rijk ze verkocht 
aan het tegenwoordige klooster Mariënburg, dat er eene school 
van maakte. 

Het oude klooster Mariënburg 1) had achter hetzelve 
tot aan den wal groote tuinen liggen ; een stuk daarvan, dat 
lag tusschen gezegde kapel en den wal (thans de St Jans- 
singel), werd met twee woningen, eene schuur met erf, die in 
1729 gezegd werd te zijn ingericht tot eene plaisante kamer 
met keuken en eenen moeshof, allen behoord hebbende tot ge- 
zegd klooster, krachtens appointement van den Raad van State 
van 22 Augustus 1713 door den generaal-majoor Freclerik 
Thomas Yvoi, den lateren kommandant van den Bosch, van 



1) Het werd grootendeels verkocht bij Schepenakten van den 
Bosch van 27 October 1707, staande in Reg. n° 527 f. 28 en vlgd. 



— 221 — ' 

den Raad van State in erfpacht gekocht 1); het werd in 1729 
gezegd toen te zijn geweest „een vuyle en onordentelyke 
hoeck tegen den stadswal ; hij maakte er ook tuin van ; mr. 
Johan Willem de Groulart, heer van Surester, raad en oud- 
president-schepen van den Bosch, als voogd over zijne minder- 
jarige kinderen en zijne dochter Henrietta Maria Ivoy ver- 
kochten na zijnen dood den 11 Februari 1729 (Reg. n° 544 f. 
21) dezen tuin aan Noël Clement de Grand Champs, lakenkooper 
te den Bosch 2). Marie Franchise Tamineau. wonende te Luik, 
en de andere testamentaire erfgenamen van hem en zijne vrouw 
Marguerith Josselet verkochten dien met andere tuinen van het 
voormalig klooster Marienburg den 9 April 1770 (Reg. n° 591 
f. 129 v so ) aan Abraham Verster, drossaard van St. Michiels- 
gestel, oud-schepen en raad van den Bosch en rentmeester dei- 
geestelijke goederen over de Kwartieren van Oisterwijk en 
Kempenland 3), die er met zijnen tuin van achteren aangrensde. 
Deze transporteerde 21 Augustus 1779 (Reg. n° 585 f. 331) aan 
zijnen zoon Florentius Verster, med. doctor te den Bosch, in 
mindering van diens filiale portie o. a. voormelden door F. T. 
Yvoi tot tuin aangelegclen hoek, die toen aldus werd omschre- 
ven: „eenen boven- en benedenhof met een tuynhuisje, uitziende 
op de stadswalle: item eene groote benedenkamer met twee 
vertrekjes en een kelder daaraan staande, gelegen op den Uilen- 
burg, met eerie planke hyninge en muur nevens de stadswalle 
ex uno en nevens 's Landsmagazijn en arcenaal ex alio, fine 
uno de walle, fine alio een moeshof. De kinderen, behuwd- en 
kleinkinderen van genoemden Abraham Verster, zijnde Dr. 
Florentius Verster, wonende te den Bosch; mr. Cornelis Jacob 
Speelman, heer van Heeswijk en Dinther, wonende te Hees- 

1) Reg. n° 534 f 110. Hij had deze goederen te voren kosteloos van 
den Raad van State in gebruik gehad ter vergoeding van vrije woning, 
die de sergeants-majoor van den Bosch vóór hem in een deel van het 
St. Geertruiklooster hadden gehad. 

2) Deze hadreeds verschillendegebouwen van het klooster Mariènburg 
in 1707 (Reg. n 527 f. 28 en vlgd.) en in 1713 (Reg. n<> 530 f. 307) gekocht. 

3) Hij was zoon van Jan Louis Verster en Gatharina Gast; den 
1 Febr. 1720 werd hij te den Bosch geboren, alwaar hij 9 Juni 1799 over- 
leed. Zijne vrouw was Florentia van Woerkom. 



wijk, als gehuwd met Catharina Verster; Willem Guerin, wo- 
nende te den Bosch, als gehuwd met Geertruy Verster; Abraham 
Gijsbert Verster, wonende te Amsterdam 1); mr. Joost Romswin- 
kel, wonende te Leiden, als echtgenoot van Henriette Geertruy 
Verster, en Agnes Maria cle Lepo weduwe van mr. Jean 
Louis Verster, in leven drossaard van St. Michiels -Gestel 2), zij 
zoo voor zich en als moeder-voogdes over hunne minderjarige 
kinderen Florentia Anna 3), Henrica en Abraham Arnoldus 
Josephus Verster 4), verkochten 17 Maart 1800 dit stuk tuin, 
dat alstoen omschreven werd als : eenen plaisir tuin met ivoning 
en tuinhuis, staande en gelegen op den Uilenburg, met eenen 
uitgang op 's lands wallen, gelegen tusschen 's lands Arsenaal 
en de Stadsxo allen en zich uitstrekkende van den moestuin 
van J. A. Nuyts tot aan die wallen, aan het Gezelschap onder 
de zinspreuk: door eendragt en oprechte vriendschap tzaam 
verbonden, gevestigd te den Bosch. Deze vereeniging kreeg 
later den naam van de Sociëteit de Harmonie en hare voorzegde 
tuin dien van het Zwartmakershof. Volgens eene aanteekening 
van 10 Maart 1839 van Antoni Servaas Welsch 5), die toen 
lid van deze Sociëteit was, werd zij in 1763 in de woning, 
welke aan dien tuin stond, opgericht en stond ten zijnen tijde 
nog de naam van Het gezelschap door Eendragt en opregte 
Vriendschap zaam\ verbonden boven de naamlijst harer leden, 
waarop mede stond: 

En is den wensen der Broederen: 
Dat tweedragt noijt verbreekt den band, 

Van het gezellig Broeder leven, 
Dan zal dit Hoff: genoegen geven 

Tot roem van Stad en Vaderland. 



1) Hij was te den Bosch geboren 31 Juli 1751 en huwde aldaar 
8 October 1778 Maria H ester Blisseth. 

2) Hij overleed te den Bosch 2 September 1793. 

3) Zij huwde met Vincentius van Tuerenhout, controleur der be- 
lastingen te Grave. 

4) Hij werd geboren te den Bosch 15 Nov. 1781, h. 21 Jan. 1824 te 
Boxmeer Glara Maria de Quay en overleed als burgemeester van Vught 
15 April 1836. 

5) Hij was in 1794 te den Bosch geboren uit het huwelijk van 
Frans Lodewijk Welsch met Johanna Adriana Gieseler. 



— 223 — 

Blijkens diezelfde aanteekeniug werd hare eerste bena- 
ming in het jaar 1808 veranderd in die van Harmonie, bij gele- 
genheid, dat haar reglement gewijzigd werd. De oorsprong van 
den naam Zwartmakershof, welke aan haren tuin gegeven werd. 
is niet meer bekend, zoo teekende Welsch in zijne memorie 
nog aan; van gissingen daaromtrent, zoo schreef hij verder, 
houde ik die van den heer de Koning voor de waarschijnlijkste, 
n.1., dat den bijnaam van het Driekoningenfeest, dat vroeger 
luisterrijk en vrolijk schijnt gevierd geweest te zijn, afkomstig 
is. Welligt heeft bij het een of ander dier feesten de Regerende 
en dien dag aftredende Koning der Sociëteit, aan wiens zijde 
opzettelijk of toevallig de laatst vorige Koning geplaatst was, 
de nieuw benoemde in hun midden doen nederzetten, opge- 
schikt met het klatergoud en bordpapier bij die gelegenheid 
in gebruik. Hoe ligt kan het nu aan eenige der vrolijke gasten 
niet hebben ingevallen den hoogen karmozijn tint, die de wan- 
gen van den nieuwen koning, nadat hij copieus gegeten en 
gedronken had, verwde, te overtrekken met de kool van eenen 
gebranden kurk en daardoor het drietal te doen zien, zooals 
het driekoningenfeest het wil, n.1. de zwarte koning in het midden? 
Uit het volgend vers, dat Jan Reinier Hopman op 1 Juni 
1807 op deze Sociëteit maakte, kan men zien hoe het daar 
oudtijds toeging : 

Gezelligheid en vreugd, verdraagzaamheid en trouw 

Maakt hier de vriendschap uit, die elkeen wenschen zou ; 

Belangrijk Broederschap ! Uw heuschheid onbedwongen. 

Uw lusttuin naar waardij wordt nimmer opgezongen. 

't Voorvaderlijk banket, de trotsche eenvoudigheid, 

't Oud burgerlijk bestaan, wordt hier ten toon gespreid. 

Welmeenend eensgezind, hoort men krakeel noch vloeken. 

Geweerd wordt hier diegeen, die twist of tweedragt zoeken. 

Een jasje of 't ombre spel is 't algemeen vermaak, 

Vooral 't sans prendertje, naar toedragt van de zaak. 

Dan mengt men ernst met jok en wordt er hard geblazen. 

't Is louter tijdverdrijf om andren te verbazen 



— 224 — 

Een frissche pijp tabak, een niullig glaasje bier, 

Een krakelring met kaas, ziedaar gepaste cier. 

Trekt iemands lust naar wijn, wil men een gast tracteren? 

Welaan, slechts Jan gelast, hem zal geen flesch ontberen ; 

De roemers staan gespoelt, de tafel wordt geveegd, 

Zoolang na 't eerste glaasje, het tweede is ook geleegd. 

En wordt er extra eens een bonkje in 't jaar gegeven, 

Dan warlen deun en rijm, dan schept men vreugd in 't leven. 

Dan krijgt luidruchtigheid de vrolijke overhand ; 

Dan valt een gast wel eens al pissend aan den wand ; 

Dan barst men uit in 't roud, met algemeen geschater, 

Mits hij zich niet bezeerd, nog dronken van het water! 

Verrukkend staat het oog, waarhenen men het wend 

En dwaalt in 't weidsch verschiet, begeerig zonder end ! 

't Is hier een Paradijs, waarin beproefde leden 

Als broeders van één huis hun snipperuur besteden 

In zaal, prieel of tuin of op de uitstekkamer 

Naar het saisoen hun lokt, als des te aangenamer. 

Dan. ik gedenk mijn pligt voor 't mij vergund genoegen 

Dat ik, als deelgenoot, mij in uw rei mag voegen 

Reeds heet ik wellekom met een vereende hand, 

Die mij straks heeft gesnoerd aan deze vriendschapsband. 

'k Betuig u mijnen dank, hier kunt gij staat op maken, 

Dat door mijn toedoen nooit de vreugd gestoord zal raken. 

Gezelligheid mint deugd, zoekt eendracht, trouw, vermaak 

En dit is hier de wet, en dus der Broeclren taak. 

Dat wij dan onderling dit heilzaam nut betrachten 

En 't onuitspreekbaar schoon van dezen lusthof achten. 

Dat zoo de vriendschap groeije en blijve metterwoon 

Ja, bloeijende overga tot op den laatsten zoon. 

Eenige jaren geleden verkocht de Sociëteit de Harmonie 
haren tuin aan nu wijlen den oud-raadsheer mr. Frans van 
Lanschot, die er o. a. op bouwde de Van LanschoVs Stichting ; 
hare societeitszaal werd door haar ook verkocht en kwam ten 



— 225 — 

slofte aan het tegenwoordige klooster Mariënburg. De vroeger 
zoo bloeiende sociëteit Harmonie leidt nu nog maar een kwij- 
nend bestaan in een koffiehuis. Sic transit gloria mundi ! 

e. Het huis genummerd 52. 

De oudst bekende eigenaar van dit huis, dat aan de 
Postelstraat op den hoek van het Uilenburgstraatje staat, is 
Ludolph Buck Ludolphszn ; deze legateerde het aan zijne 
bastaarddochter Aleid, die gehuwd was met Amelis, den zoon 
van Gielis van Broeckhoven 1) Martinuszn ; deze laatste verkocht 
het 16 Februari 1518 (Reg. n° 116 f. 95), als wanneer het 
gezegd werd te zijn : huis, erf, plaats en achterhuis, staande 
tusschen een straatje ex uno en het huis der erven van Martinus 
van Elmpt ex alio, aan Wouter Oems Janszn, wiens tweede 
vrouw was Beatris, dochter van Marcelis van den Eeckaert en 
Judoca, dochter van Jan, den zoon van Symon van de Graft. 2) 
Bij de verdeeling der nalatenschap van genoemden Wouter 
Oems, die in 1539 plaats had, werd dit huis toebedeeld aan 
de kinderen van diens voor-overleden zoon Gerit Oems, zijnde 
Arykenen (de latere huisvrouw van Gerardus, den zoon van 
Willem Henrickszn), Heylwich, Agnesen (huisvrouw van Lenard 
van Hynsberch Stevenszn, verwer) en Ermgard Oems (huisvrouw 
van Peter Loeckemans Henrickszn), alsmede aan Jan, zoon 
van Cornelis van den Logenhage en Henrica, (dochter van Jan 
Marceliszoon van den Eeckaert) en aan zijne zuster Elisabeth 
van den Logenhage, echtgenoote van Wolphard Haller, ridder, 
tresaurier van Maria, Regentes der Nederlanden. De kinderen 
van genoemden Gerit Oems verkochten 24 Januari van laatst- 
gezegd jaar (Reg. n° 157 f. 87) dit huis aan Frans Pelgrom, 
zoon van mr. Henrick Gerarclszoon en schepen van den Bosch. 
Hij had van zijne vrouw Margriet Kemp deze kinderen : 

1) Diens overige kinderen waren Henrick en Gielis van Broeckhoven 
en eene dochter, gehuwd met Jordanus van Boert. 

2) Genoemde echtelieden van den Eeckaert hadden ook nog eenen 
zoon Jan, wiens kinderen waren: mr. Adriaan, priester, Marcelis, Jan, 
Henrica en Belia (Reg. n° 151 f. 232.) 

15 



— 226 — 

a. Heylwich. die huwde met Grego-ris van der Meer, 
zoon van Dirck Reinierszn en hem kinderen schonk; 

b. Henrick ; 

c. Jan ; 

d. Elisabeth, die huwde met den koopman Wolf Heesters; 

e. Petronella, die huwde met Gysbrecht Bobben, wien 
zij deze kinderen schonk : Besselken, de huisvrouw van den 
koopman Gielis Borremans ; Elisabeth, de huisvrouw van Dirck 
Kyff Junior en Heylwich Robben, de huisvrouw van Lambrecht 
Rombouts, koopman te den Bosch ; 

ƒ. Gerard; 

g. Cornelia, de huisvrouw van Joost Andriessen. die bij 
haar een zoon Joost verwekte, over wien in 1576 Jan Hels 
Andrieszn voogd was. 

Deze kinderen of wel hunne kinderen, voor zooverre zij 
toen al niet meer in leven waren, verkochten 6 April 1576 
(Reg. n° 226 f. 242) dit huis aan Lambrecht de Wolff Janszoon. 

Thielman, zoon van wijlen Jan Thielmans, burger van 
den Bosch, als gemachtigde van den te Amsterdam wonende 
Lambrecht de Wolff, zoon van genoemden Lambrecht, ver- 
kocht 26 Februari 1610 (Reg. n° 251 f. 389) diens een vierde 
in dit huis aan zijne zusters Mayken, Aelken en Catharina de 
Wolff, waarna dezen 14 Juni 1610 (Reg. n° 280 f. 143) dat 
huis verkochten aan Govard Gerardszoon van den Grave, koop- 
man te den Bosch; mr. Johan van de Water vernaderde echter 
14 Mei 1611 het verkochte als man van Maria, dochter van Jan 
Thielmans en Maria, de dochter van Jan Thomaszn, en liet het 
na aan zijne dochter Maria, geboren uit zijnen echt met zijne 
genoemde vrouw; die dochter bracht het ten huwelijk aan 
haren man mr. Theodore Smets, die het als voogd over hunne 
dochter Johanna Maria Smets den 1 Maart 1650 verkocht aan 
Wouter Eeltjens (of Eelkens) Henrickszoon 1); deze had van 

1) Men zie de genealogie dezer familie in Taxandria XV blz. 184 en 
vlgd. De aldaar op blz. 184 genoemde echtelieden Wouter Eeltjens waren 
werkelijk de ouders van Rogier, Mechteld en Henrica, die in 1640 reeds 
dood was. De vrouw van den t. a. p. op blz. 185 genoemden Henrick 
Wouterszn was Catharina, dochter van Goyart Janszn van Aken. 



— 227 — 

zijne tweede vrouw Cornelia Vinck een zoon mr. Johan Eeltjens, 
advocaat te Antwerpen, die 23 September 1707 (Reg. n° 485 f. 
309) dit huis verkocht aan Maria van Boxmeer weduwe van 
Jacobus van Ravesteyn, die later hertrouwd schijnt te zijn met 
Johan van den Heuvel. Van haar erfde het haar kleinzoon 
Willem Vervorst, bierbrouwer te den Bosch, die het 15 Juni 1729 
verkocht aan de curators over den onnoozelen priester Johan 
Hendrick van Boxmeer ; van dezen erfden het Reinier en Maria 
van Boxmeer en van dezen weder hunne zuster Barbera van 
Boxmeer, echtgenoote van Hendrick Backers, koopman te den 
Bosch; deze droeg het 2 October 1750 (Reg. n° 570 f. 103) 
over aan zijne dochter Johanna Catharina Backers 1), die eerst 
huwde met Johan Vervorst en daarna met Henricus Hermanus 
Appelboom, koopman te den Bosch; toen zij weduwe van dezen 
laatste was, verkocht zij dit huis 2 October 1790 aan Thomas 
Cornelis van Ryckevorsel, zoon van Joan en Jacoba Ermers, 
hiervoren reeds genoemd; hij maakte er een wijnpakhuis van. 

f. Het huis genummerd 50. 

De oudst bekende eigenaars van dit huis waren Gerard 
en domicella Alverada, kinderen van Arnd van Vladeraeken 2) ; 
zij verkochten het aan Martinus of Maarten van Elmpt 
Henrickszn, die schepen van den Bosch was en van zijne vrouw 
Elisabeth N. eenen zoon Hendrick had, die dit huis van hem 
erfde; deze verkocht het 14 November 1521 (Reg. n° 122 
f. 19v so ) aan Aerd 3), zoon van Dirck*Aerdszn; het werd alstoen 
omschreven als : domus, area, ortus, domus posterior, pons ac 



1) Hare zuster was Catharina Backers, die huwde met Theodorus 
van Berckel, goud- en zilversmid te den Bosch ; zij waren de ouders van 
den beroemden stempelsnijder Theodorus Victor Berckel, geboren te den 
Bosoh 21 April 1739. 

2) Een Arnd Arndszoon van Vladeraeken, vermeld 1413 — 59, had 
van zijne vrouw Catharina van den Berge twee zonen Jan en Gerard van 
Vladeraeken, die in 1446 nog minderjarig waren. In 1522 was Elisabeth 
van Rode weduwe van Gerard Arndszn van Vladeraeken. 

3) Zijn broeder heette Dirck ; hij verkocht in 1539 een huis in de 
Postelstraat te den Bosch. 



— 22$ — 

vacua hereditas, pronunc domus, area, ortus, domus posterior, 
pons, necnon quaedam camera ultra dictum pontem sita retro 
dictam domum posteriorem, qui siti sunt ibidem inter heredi- 
tatem Wolteri Oems, fllii Johannis (olim Ludolphi Buck) et 
hereditatem conventus opten Ulenborch ex uno et inter heredi- 
tatem Domini de Bucstel et hereditatem ejusdem conventus 
ex allo, tendentes a communi platea, die Postelstraet vocata, 
ad quendam viculum, dictum die Ulenborchstraet. 

Aerd, zoon van Dirck Aerdszn, voornoemd had een en 
zoon Dirck Aerdszn, die dit huis van hem erfde en het onder 
Berlicum bij den Bosch gelegen landgoed de Wamberg kocht 1); 
hij huwde met Henrica, dochter van Joseph Henrickszn van den 
Stadeacker, die bij haar geene kinderen zal hebben verwekt, daar 
zij toch het goed de Wamberg vermaakte aan de kinderen harer 
zuster Judith of Jutte, (die gehuwd was met Marcelis, den zoon 
van Jan Hermanszn 2) van Bergen en Oatharina van den Kerck- 
hoff), zooals blijkt uit den navolgenden inhoud eener schepenakte 
van den Bosch van 15 September 1587 (Reg. n° 241 f. 136 v so ): 

Judith, dochter van Joseph Henrickszn van den Stade- 
acker en weduwe van Marcelis, zoon van Jan Hermans van 
Bergen, doet afstand van den tocht in d'eene helft van den 
steenen huyse, erve, gront, hoff, metten boogardt omgraven 
zijnde, oick mette selven graften ende wagenshuys, gestaen 
ende gelegen op ende aen de hoeve, genoempt de Wamberch 
inne der prochie van Berlicum, by saliger Henrica, dochter 
des voirn. wylen Josephs Henrickszn van den Stadeacker, 



1) Jan van Erp Janszn genaamd van Beerse, meester van den H. 
Geest te den Bosch, kocht 7 Februari 1540 (Reg. n° 159 f. 93) de helft \an 
eenen mansus, gelegen te Berlicum ter plaatse de Wamberg, van de erven 
zijner vrouw Yda, dochter van Henrick Gelen en weduwe van Jan Kanapart. 
Hij en zijne medegerechtigden verkochten daarop 30 Juli 1554 dit goed, 
dat toen de Wamberg geheeten werd, aan laatstgenoemden Dirck Aerdszn ; 
sedert dien is het nooit meer verkocht geworden, wat voor een Noord- 
brabantsch landgoed zeker merkwaardig is. 

2) Herman van Bergen had ook nog een zoon Arnold van Bergen, 
die in 1502 voor Schepenen van den Bosch (Reg. n° 96 f. 303) compareert 
als man van Theodorica, dochter van Henrick van Bloemendael en Sophia, 
de dochter van Dirck Henrickszn van Kuyck, faber. 



— 229 — 

weduwe wijlen Dirix Arts Dirixzn achtergelaten, te wetene 
in alsulcke hel f te van den steenen hmjse, erve, gront, hoff, 
boomgart, wagenhuys ende graf ten voirs,, dairinne Hanssen, 
sone wyle Marcelis, sone Jans Hermans ende Judith voirgen, 
d'erffrecht is competerende nae inhouden des testamenle by de 
voirs. wylen Henrica van den Stadeacker wedue Dirix Artssen 
op 29 Decembris LI. gemaict voir heer ende mr. Peter de 
Ruyter, priester, canoniek der kereke van 's Hertog enbossche, 
als openbair notaris ende sekere getuygen, — ten behoeve 
van Hans, den zoon van haar en haren genoemden man. 

Waarop deze zoon voor de eene helft en zijne zuster 
Yda voor een Vs in de andere helft van voirn. steenen huyse, 
erve, gront, hoff, bogardt, graften ende wagenhuys, uuyt vrient- 
schap ende gerieff het gebruik afstonden aan Jan Kaessen en 
diens huisvrouw, Yda voornd., voor den tijd van hun leven, 
behoudens dat Hans zal behouden .,sijn gebruyek ende optreck 
in eene van de neder camer en des voirn. steenen huyse; daarna 
heeft Catharina, dochter van wijlen Marcelis en Judith voornd, 
aan voornoemden Jan Kaessen en Yda, zijne huisvrouw, ook 
uuyt rrientscappe ende vergonninge, hun levenlang gegeven 
het gebruik van haar Vs „inne der hoeve met allen henre 
landen, genoempt den Wamberch, gelegen in de prochie van 
Berlicum, als wylen Henrica van den Stadeacker wede Dirick 
Artszn deselve heele hoeve heeft achtergelaten, uuyt genomen 
het steenen huys, erve, gront, hoff, boomgart, omgravensijnde, 
oic metten selven graf ten ende wagenhuys, totten voirs. hoeve 
behoor ende, waerinne de voirn. Catharina nochtertijt nyet 
en is gerecht, met conditie dat Jan Eaessen en Yda voorn. 
„de huysinge van der bouwerye in verhouding tot haar aan- 
deel zullen onderhouden, en de opgaande eikenboomen niet 
zullen vellen dan met hare toestemming, voor zooverre haar 
recht daarop reikt. 

Genoemde echtelieden Marcelis van Bergen en Judith 
van den Stadeacker hadden deze kinderen : 

a. Hans voornoemd, die huwde met Catharina Joosten 



— 230 — 

Thomassen van Breugel en bij haar verwekte deze kinderen : 
Jan; mr. Marcelis en Judith. 

b. Yda voornoemd, die huwde met Jan Raessen Wouterszu, 
wien zij geene kinderen schonk ; 

c. Jenneken, die huwde met Jacob Beyharts Franchoyszn, 
wien zij schonk een zoon Joseph, die trouwde met Geertken, 
dochter van Henrick Leuardszn Grois ; 

d. Catharina, die huwde met mr. Godefroi Steech, doctor 
in de medicijnen en lijfarts van Z. K. Majesteit Rudolph van 
Oostenrijk, wien zij schonk een zoon J or Cornelis Steech, licen- 
tiaat in de rechten en heer van Bubbingen. Hij hertrouwde na 
haren dood met Aleid, dochter van Nicolaus van Henxthem 
genaamd van Delft en verwekte bij deze de navolgende kinderen : 
Anna Maria Steech huisvrouw van Johan de Sucha, koopman 
te Luik; Jan; Guillaume en Anna Johanna Steech; 

e. Diericksken, die huwde met Marcelis van Groeningen, 
wijntavernier in het huis, genaamd in Hispanien, staande aan 
den Hoogen Steenweg te den Bosch ; zij schonk hem deze 
kinderen : Jan van Groeningen en Yda van Groeningen, de 
huisvrouw van Leunis of Louis Eeltjens (of Eelkens) Wouterszn, 
wien zij vijf kinderen baarde. 

De sub a tot en met c genoemde kinderen van Marcelis 
van Bergen transigeerden 17 November 1603 voor Schepenen 
van den Bosch (Reg. n° 656 f. 366) met den sub c genoemden 
Joseph Beyharts over den verkoop van eikeboomen, staande 
op de hoeve en het goed de Wamberg, gelegen onder Berlicum 
en Rosmalen. 

Dirck Aerdszn laatstgemeld vermaakte het hier bedoeld 
huis in de Postelstraat aan zijne vrouw Henrica van den 
Stadeacker, die het in 1586 weder vermaakte voor de eene 
helft aan haren genoemden moeizegger Hans van Bergen en 
voor cle andere helft aan hare genoemde moeizegster Catharina 
van Bergen, welke deze helft op hare beurt vermaakte aan 
haren man mr. Godefroi Steech. 

De kinderen van dezen laatste, zoo uit eersten als uit 



— 231 — 

tweeden echt, verkochten 19 Maart 1629 (Reg. n 365 f 239) 
laatstbedoelde helft aan Amand de Homes, heer van Gelclrop, 
die ze den 17 September daaraanvolgende (Reg. n° 369 f. 337) 
weder verkocht aan mr. Albert van Breugel, licentiaat in de 
rechten en raad van den Bosch ; deze laatste verkocht 21 
Januari 1647 (Reg. n° 393 f. 192) die helft, welke nu wordt 
gezegd te zijn: „de helfte in eene huysinge, erve, plaets, hoff, 
achterhuys boven de Diese, met een stallinge ende poirt achter 
in den Uylenberchstraet uytgaende, staende in cle Postelstraef' 
tusschen het huis voorheen van Lucia van Hohensteyn weduwe 
van J or Peter van Broeckhoven, rentmeester der Staten van 
Brabant, nu Abraham Kip, ex uno en het huis, eertijds van 
Lambert die Wolf, nu mr. Theodore Smets en zijne vrouw 
Maria van de Water ex alio, aan mr. Marcelis Hermans van 
Bergen, licentiaat in de rechten, die als erfgenaam van zijnen 
vader Hans van Bergen reeds de wederhelft van dat huis bezat, 

Genoemde mr. Marcelis Hermans van Bergen stelde Nico- 
laas Buysen en Jacob van Lier Janszn 1), kooplieden te den 
Bosch, tot zijne erfgenamen in en zoo kwam dit huis evenals 
het landgoed cle Wamberg aan hen; zij verkochten dat huis 
12 November 1668 (Reg. n° 450 f. 91), als wanneer het werd 
omschreven als: „eene seer schoone huysinge, erve, plaets, hoff, 
achterhuys boven cle Diese, met eene stalling ende poort achter 
in den Uylenborchstraet uutgaencle, met grote schone boven- 
ende benedecamers, met schoone overwulfcle kelders,'' enz, aan 
Gijsbert van Grinsven. 2) 

Deze was gehuwd met Maria van Campen 3), dochter van 
Guiliam, heer van Bysterveld en Geertruy Vermeulen. Zij schonk 
hem deze kinderen: 

a Lucia van Grinsven; zij huwde met Johan de Pottere, 



1) Men zie over Jacob van Lier Janszn blz. 164. 

2) Hij kocht in 1697 het huis de Drie Kronen in de Korenbrug- 
straat te den Bosch (Reg n° 483 f. 103), dat hij in 1705 weder verkocht 
(Reg. no 485 f. 130.) 

3) Hare zuster Johanna van Campen huwde met 1° Johan van 
Hedel ; 2° Thomas Minten. 



— 232 — 

zoon van Claudius, drossaard van Grimbergen en Maria Ver- 
heyden 1), (dochter van Hendrick en Catharina van Berckel.) 
Hunne kinderen waren: 

1° Francois Potters, koopman te den Bosch, huwde Anna 
Maria van Berckel; 

2° Hendrick Potters, wijnkooper te Rotterdam, huwde 
Johanna van Berckel; 

3o Johanna Maria Potters, huwde met Jaspar Spijkers, 
wijnkooper te den Bosch ; 

4° Adriaan Potters, woonde aldaar. 

b. Geertruid van Grinsven, huwde met 1° Jaspar Gast, 
zoon van Gerard en Catharina Boons ; 2° Walterus Nicols. 
Hunne kinderen waren: 

1° Catharina Gast, gestorven in den Bosch 27 Augustus 
1753, huwde 1717 met Jan Louis Verster, notaris en procu- 
reur, schepen en raad van den Bosch, overleden aldaar 15 
Maart 1752 ; 

2° Gerrit Gast, stierf ongehuwd ; 

3° Francois Gast huwde Maria Bos 2) ; 

4° Maria Geertruid Gast, huwde met Peter van Loon ; 

5° Johanna Maria Gast, huwde met Leonard van Ceulen, 
bierbrouwer in den Bosch ; zij schonk hem deze kinderen : 
Gertruda van Ceulen, die huwde met Louis de Mele eii Cor- 
nelia van Ceulen, die huwde met Petrus Josephus van Berckel, 
med. doctor en later burgemeester van den Bosch ; 

6° Francoise Gijsberdina Nicols. 

c. Gijsbert van Grinsven ; 



1) Hun andere zoon was Theodorus de Pottere, wijnkooper te den 
Bosch, die huwde met Ida van den Heuvel, terwijl hunne dochter was 
Anna Maria de Pottere, die trouwde met Johan van Lier, heer van Leeu- 
wenburg onder Vught en koopman te den Bosch, zoon van Jacob Janszn 
en Allegonda van Empel. 

2) Hun zoon Jaspar Gast huwde in 1706, als wanneer hij te den 
Bosch op het Hinthamereind woonde, Petronella Loeff; zij schonk hem 
een zoon Johannes Arnoldus Gast, die huwde met Maria Sopers, welke 
hem baarde een zoon Theodorus Jasper Gast, die huwde Johanna Maria 
de Mele, dochter van Louis en Gertruda van Geulen. 



— 233 — 

d. Guilliam van Grinsven : 

e. Johan van Grinsven ; 

f. Francois van Grinsven. 

Laatsgenoemde, Frangois van Grinsven n. 1., erfde van 
zijne ouders het hierbedoelde huis. Zoowel hij als zijne voor- 
noemde broeders stierven kinderloos, want zijne erfgenamen 
waren, voor de eene helft de hiervoren sub a 1 — 4 vermelde 
kinderen Potters en voor de andere helft de hiervoren sub b 
1 — 6 vermelde kinderen Gast en Nicols ; dezen, voor zooverre 
zij toen nog minderjarig waren, vertegenwoordigd door hunne 
voogden, zijnde voor de kinderen Gast en Nicols hun broeder 
Gerrit Gast en voor de kinderen Potters Henrick van Beugen 
en Theodorus van Berckel, verkochten 23 Augustus 1719 (Reg. 
n° 539 f. 52) dit huis, — dat alstoen omschreven werd als : 
huis met erf,"plaats, tuin en achterhuis boven de Dieze, alsmede 
stalling en poort, op de Uilenburg uitkomende, staande aan 
de Postelstraat, het huis eertijds der erven van mr. Johan 
Eelkens, nu de vrouw van Johan van den Heuvel ex uno en 
het huis van Pieter van Beugen ex alio, — aan mr. Petrus 
Nagelmaeckers, woonachtig te den Bosch, zoon van mr. Rogier 
en Maria Tholinx weduwe van Pieter Vughts ; hij betrok dit 
huis metterwoon en huwde 1° Johanna Maria van den Endepoel 
(dochter van Pieter en Anna Maria Bosch); 2° in 1721 Catharina 
Huygermans, die toen op de Markt in den Bosch woonde, 
dochter van Heribertus en Geertruid Gast; van hem erfden dit 
huis zijne kinderen uit eersten echt: Petronella Maximiliana, 
echtgenoote van Andreas Emanuel van Spoelberch d' Eyndhouts 
en mr. Hendricus Josephus Nagelmaeckers, die gehuwd was 
met Henriette Verster (dochter van Jan Louis en Catharina 
Gast), welke na zijnen dood hertrouwde met mr. Philip 
Reynhart Vitrarius, griffier en secretaris van Oisterwijk. Van 
mr. Hendricus Josephus Nagelmaeckers erfde dit huis diens 
dochter Catharina Martina Nagelmaeckers, echtgenoote van 
mr. Antony Willem Hendrik Nolthenius, ontvanger van de 
convooien en licenten te Tilburg, die het 28 April 1775 verkocht 



— 234 — 

aan Joannes Half-Wassenaer, heer van Nieuwkuik en Onsenoort, 
gedoopt te den Haag 18 October 1706, overleden 10 Februari 
1782, echtgenoot van Joanna Everarda de Roy, dochter van 
Bernard Willem. Van dezen erfde het hun zoon Bernard Jacob 
Half-Wassenaer, heer van Nieuwkuik en Onsenoort, lid van het 
W T etgevend Lichaam en lid der Bossche Municipaliteit, geboren 
te den Haag 6 September 1746, overleden in den Bosch 10 Nov. 
1810, echtgenoot van Petronella Jacoba van Engelen. Thans 
is dit huis het kantoor van 's Rijks directe belastingen. 

g. Het huis van Boxtel of van Oirschot. 

Nos. 46 en 48. 

Dit huis ontleende zijnen eerstgemelden naam hieraan, 
dat het eens het eigendom was der Heeren van Boxtel. 

De eerste hunner, van w T ien bekend is, dat hij dit huis 
bezat, was Jan van Hornes, heer van Baucignies, geboren op 
Gaesbeek, stierf 26 April 1521, huwde 1491 Adriana van Ranst, 
erfdochter van Boxtel en Kessel, dochter van Hen riek, baander- 
heer van Boxtel en Henrica van Haeften. Van hen erfde dit 
huis hun zoon Philips van Hornes, baron van Boxtel, die in 
1526 te Breda huwde Clara van Renesse, dochter van Ferry 
en Anna van Hamal, erfdochter van Elderen. Van deze echte- 
lieden erfde het dezer zoon Jan van Hornes, baron van Boxtel, 
kapitein-generaal en prinsgezind gouverneur van den Bosch in 
1578, gestorven 11 November 1606 in den ouderdom van 75 
jaren ; huwde met 1° Maria van St. Aldegonde ; 2° Anua van 
Flodorp ; 3° Anna van Brederode, dochter van Reinier, heer 
van Cloetingen en Margaretha van Doerne. 

Adrianus van Hoorne, naturalis, zooalshij in na te melden 
schepenakte genoemd wordt, in Boextele, als gemachtigde van 
laatstgenoemde, nu geheeten : nobilis et g enerosus vir dominus 
Johannes de Hoirne, dominus temporalis de Baucingny, Boextele, 
Lokere, Kessele, Lyempde, etc, verkocht Mei 1555 (Reg. n°. 191 
f. 228 v so ) dit huis, dat toen omschreven werd als : „domus, 



— 235 — 

area, domus posterior, pons, hereditas vacua dicta plaetse ultra 
pontem preclictum, una cum quodam exitu ibidem tendente versus 
den Ulenborch' , , staande en gelegen in de Postelstraat tusschen 
het huis van Dirck Aerclszn ex nno en dat van Johanna weduwe 
van Lambrecht van den Kerckhoff en hare kinderen ex alio, 
aan Domicellus Eycaldus de Merode, dominus temporalis de 
Oirschot, Beecke, Duffele, Waetdem, Ghele, etc. Naar dezen 
kreeg het toen den naam van het huis van Oirschot. Jan 
van Esch in zijne hoedanigheid van rentmeester van de kinderen 
van laatstgenoemden eigenaar, zijnde : Rycalt, Henrick, Marga- 
retha, Maria en Anna van Merode, verkocht 25 Februari 1586 
(Reg. n° 243 f. 442) dit huis, dat nu gezegd werd te zijn : 
huys, erffve, achterhuys, stallinge, poerte, etc., gemeyndelick 
genoempt het huys van Oirschot, staande in de Postelstraat 
tusschen het huis van de weduwe van Dirck Aerclszn ex uno 
en dat van de weduwe Lambert Aerdszn exalio en zich achter- 
waarts uitstrekkende tot aan cle straat, genoemd de strate by den 
Convente van den Ulenborch tegensover denselven convente, aan 
Gijsbert, den zoon van Jan Willemszn in den Sester en echt- 
genoot van Margriet 1), (de dochter van den olieslager Jacob 
Janszn Ketelaers en Hadewich, de dochter van Jacob Corneliszn). 
De kinderen van laatstgenoemden Gijsbert, zijnde Jacob 2), 
Henriksken, echtgenoote van Nicolaes Janszn van Driel en 
Hadewich, huisvrouw van den kleermaker Matheus Martenszn, 
verkochten 4 Januari 1622 dit huis, dat alstoen werd omschreven 
als: huys, erve, plaetsse, achterhuys, poorte, brouiverye, achter- 
ivaerts met een steene brugge óver den water uuytgaende met 
een poirte aen de straet tegensover den Susteren convent 
opten TJlenborgh, aan J or mr. Peter van Broeckhoven, schepen 
van den Bosch in 1598, raad en rentmeester-generaal van 
Brabant in het Kwartier van den Bosch, overleden in 1626 3), 



1) Hare zuster Anna was gehuwd met mr. Peter Pelgrom de Bye, 
raad van den Bosch wien zij schonk een zoon mr. Johan Pelgrom de Bye, 
schepen van den Bosch. 

2) Gf. Reg. no 356 f. 155. 

3) Taxandria VI p. 164 en XV p. 38. 



— 236 — 

echtgenoot van Lucia van Hohensteyn, vrouw van Arendonck en 
Sentsich ; zijne genoemde vrouw verkocht in haren weduwlijken 
staat 22 December 1644 dit huis aan Abraham Kip. koopman 
te den Bosch. Diens kinderen, zijnde : Marten Kip, majoor- 
kommandant der vesting Willemstad, Huybrecht Kip, secretaris 
van Steenbergen, Catharina Kip, echtgenoote van Willem Diderix, 
predikant te Lippstadt, en eenige niet genoemde minderjarigen, 
alsmede cle voogden over de minderjarige kinderen zijner 
vóóroverleden dochter Agneta Kip, echtgenoote van Johan van 
der Borch, verkochten 21 Juni 1681 (Keg. n° 499 f. 308 v so ) 
dit huis, dat alstoen omschreven werd als: huis met erf, tuin, 
plaats, zijdelhuis, pomp, stal en achterhuis met eene voor- en 
achterpoort, staande aan de Postelstraat en strekkende ^met cle 
achterpoort tot aan de Dieze, — aan Philip van Beugen, koop- 
man in wijnen te den Bosch, den echtgenoot van Mechteld van 
Heeswyck. Van dezen kwam het door het huwelijk van hunne 
dochter Mechtildis Maria van Beugen met mr. Henricus Josephus 
van Kerrenbroeck, burggraaf van Grimberghe 1), aan dezer doch- 
ter Adriana Mechtildis Petronella van Kerrenbroeck, burggravin 
van Grimberghe, woonachtig te Brussel, die in 1747 huwde 
met Joannes Baptista Helman, baron van W r illebroeck, Ruys- 
broeck, enz. ; bij akte van Schepenen van den Bosch van 16 
Maart 1790 verkocht zij dit huis, waarvan toen gezegd werd, 
dat het bewoond werd door den Eerw. heer Joannes Spierinckx, 
aan dezen laatste onder voorwaarde: dat het altoos zal moeten 
dienen voor een rooms ch her ckenhuys endetothetgebruyckvan 
dien, alsmede, dat de Eoomsche gemeente altoos, soo lange het 
een roomsch ker ckenhuys is, de macht ml hebhen omhet geseyt 
transport tot sigh te reclameren, mits betaelende ofte restituee- 
rende de coopsomme mei de kosten, dogh in geval het voorschreven 



1) Hij was met haar gehuwd in 1720; na haren dood hertrouwde 
hij in 1730 met Allegonda de Meyere weduwe van Johannes Ignatius van 
den Eeckaert, heer van Aalst. (Taxandria X p. 99). Van haar erfden Anna 
Maria van Berckel, huisvrouw van Frangois Potters, koopman te den 
Bosch en anderen het Duifhuis te St. Michielsgestel, dat zij in 1758 ver- 
kochten aan Gornelis Beckers, woonachtig te den Bosch (Reg. n° 573 f. 191 vso). 



— 237 — 

roomsch kerckenhuys hy wettige overheyt qaamt geslotlien te wor- 
den, alsdan sal den cooper ofte eyghenaer, die?' ten teyde zijnde, 
daeraff liet liber gebruyck ende vrye eyghendom hebben. Het 
hier bedoeld kerkhuis stond in den tuin van het huis van 
Boxtel ; volgens Schutjes IV p. 296 werd dit bedehuis, waarin de 
H. Antonius van Padua bijzonder vereerd werd, door de Paters 
Minderbroeders opgericht 1), door hen in 1680 herbouwd en tot 
het jaar 1774 bediend, nadat het door de Staten -Generaal van af 
24 December 1744 — 1747 gesloten was geweest; was in 1774 
daarvan pastoor geworden Joannes Spierings, die in 1800 als zoo- 
danig werd opgevolgd door Gerardus van der Heyden en werd 
bij decreet van Keizer Napoleon I van 9 November 1811 dit 
bedehuis voor altijd opgeheven. Van deze opgave kan echter niet 
juist zijn de mededeeling, dat dit bedehuis vóór 1680 reeds 
bestond, daar toch het huis van Boxtel van 1644 tot 1681 in 
Protestantsche handen was; waarschijnlijker is het daarom, dat 
vóór het jaar 1681 het door Schutjes bedoeld bedehuis geweest 
zal zijn het naast dit huis staand huis Het Wapen van Luik, 
omdat daarin, zooals wij hierna zullen zien, eene Katholieke 
kapel was ; en dat eerst in dat jaar achter het Huis van Boxtel 
het Katholieke bedehuis gebouwd is, zoodat voor het woord 
herbouivd, dat Schutjes bezigt, zal moeten worden gesteld : over- 
gebracht naar het huis van Boxtel. Van dit laatstbedoeld be- 
dehuis bestaat nog altijd het gebouw, terwijl ook nog bestaat 
een fraai gebeeldhouwd houten poortje, met het jaartal 1649 er 
boven, waardoor men van de Uilenburg in dit bedehuis kwam. 

h. Het Wapen van Luik. 

N° 44. 

Ook dit huis behoorde eens aan een Heer van Boxtel. 
Heer Jan van Hoirne, ridder, heer tot Bucstel, Baitssignye 



1) In een handschrift van omstreeks 1774, getiteld: Origo et progressus 
missionis fratrum minorum recollectorum in ipsa civitate Sylvaeducensis 
in missione de Postelstraet, staat: primus Garolus Rillart anno Domini 
1643; illi circa annum 1653 successit R. P. Joannes van Gestel, enz. 



— 238 — 

ende vronive Adriane zyne wettige gesellinne 1) verkochten 
7 Mei 1511 (Reg. n° 105 f. 494) dit huis, — dat alstoen om- 
schreven werd als: huys, hoff ende achterhuys mit eender 
hoiiter bruggen over d'iuater staende, met oic eenen uuytganck, 
coemende achter opten Ulemborch uuyt, staande in de Postel- 
straat tusschen het huis van genoemden Heer en Vrouwe van 
Boxtel ex uno en dat van Jenneken weduwe van Marcelijs 
Henrickszn 2) ex alio, — aan Lambrecht van den Kerckhoff 
Henrickszn; deze had van zijne vrouw Johanna Bolcx Otto's 
dochter onder anderen eene dochter Aleid van den Keickhoff, 
die het ten huwelijk bracht aan haren man Dirck 3), den zoon 
van den op blz. 227 genoemden Dirck Aerdszn en wien zij 
twee zonen schonk: Lambert en Dirck 4), over wie in Regis- 
ter n° 204 f. 384 eene Bossche Schepenakte voorkomt van den 
volgenden inhoud: 

Lambert en Dirck, zonen van Dirck, den zoon van wijlen 
Dirck Arndszn, verleen en aan het Groot Zieken Gasthuis te 
den Bosch eene grondrente van 35 caroli guldens uit: huys, 
erve, hoff ende achterhuys, den voorn. Lambert toebehoorend, 
staande te den Bosch in de Postelstraat tusschen het huis van 
wijlen Aelbert van Deventer ex uno en dat van den Heer van 
Petershem, Ricald van Merode, ex alio, en uit land onder Maren, 
toebehoorende genoemden Dirck, waarna Goyard Corneliszn, 
meester en rector van gezegd Gasthuis, met consent van Henrick 
van Eyndhouts, provisor van hetzelve, verklaart „dat hy van 
nu voortaen ten euwighen daeghen by eenen eerlycken priester 
zall doen doen een weeckmisse voer den altaere, staende in 



1) Zij was, zooals op blz. 234 reeds zagen, eene van Ranst. 

2) Zijn familienaam was van Orthen. 

3) Men zie over hem Reg. n° 221 f. 84, alwaar hij genoemd wordt 
Dirck Aertszn junior. 

4) Hij was gehuwd met Judith, dochter van Jan Elmpt Martinuszn, 
van wie hij in 1570 reeds weduwnaar was; de voogden over hunne on- 
mondige kinderen voor de eene helft en die over de onmondige kinderen 
van wijlen Nycolaus van Elmpt Janszn en Elsbene voor de andere helft 
verkochten toen (Reg. n° 219 f. 247) een steenen huis met leien gedekt en 
een bouwhuis daaraan annex, staande te Schijndel ter plaatse genaamd 
Lieshout, aan Gielis, y.oon van wijlen Jan Pennincx. 



— 239 — 

een choorken bijnnen der kercke van SI. Jan Evangelist ontrent 
der vunte, alwaer Aleyt, des Margrietken ende Agneeskene 
sustere, dochteren des voirs wylen Dirck Arndszn, begraven 
leeght; item daerenboven, dat die voirs. meester van den Groo- 
ten Gasthuys, nu zijnde ende naemaels wesende, alle jaer opten 
tweeden Korsdach zall roepen ten maeltijt, te wetene des mid- 
daechs, den voirs. priester, die dé misse doen zall, den execu- 
teuren 1) van den testamente ende vijff off ses persoonen van 
de naeste vrienden van den voirs. Margrietkene ende Agneeskene, 
schenckende derselver de maeltijt nae zijnder discretien met 
eenenygelycken van hen eenen pot wijns, opte maeltijt te ver- 
drincken ofte min soo veele den executeuren ende vrienden 
believen zall; item daerenboven, dat hy die crancken, daer 
zijnde, nyemanden uuytgescheyden, zall administreren ende 
geven gebraet, suycker^ ivijn ende schoonbroot nae uuytwysen 
van den testamente saliger heer ende mr. Josephs Valckenborch, 
cappellaen in der tijt desselve Groolen Gasthuys, zonder arch 
oft list; item daerenboven, dat die voirs. meester, nu zijnde 
oft naemaels wesende, oock gehouden ende verbonden zall wesen 
al tijt, alst van noode wesen zall, de naeste vrienden van den 
voirs. Margrietkene ende Agneeskene te doenevry endevranck 
opt Gasthuys cost een camere omme by den naesten vrienden 
daerinne te doene eenighe van hueren booden oft kijnderen, 
van eenigher hander sieckte tzy peste oft andere humoer e syeck 
zijnde, behoudens den Gasthuys van den crancken, aldaer 
stervende, zyne gerechticheyt. 20 Febr. 1560. 

Van genoemde beide zonen erfde dit huis Lambert, 
genoemd Lambert Aertssen ; hij huwde met Gertruyt Sterck, 
dochter van mr. Jan Sterck, welke hem deze kinderen schonk : 
Dierck en Lambrecht Aertssen; laatst genoemde Dierck, alsmede 
Mathijs van den Ancker in diens hoedanigheid van curator 
over de onmondige kinderen van laatstgenoemden Lambrecht 
verkochten 16 Mei 1603 dit huis, dat toen omschreven w T erd als: 



1) Dezen waren: Dirck, zoon van wijlen Dirck Aerdszn ; Dirck, 



zoon van Aerd Dirckszn en Dirck van den Berge. 



— 240 — 

een huysinge, erve, hoff ende achterhuys, met eener brugge 
over de water ende eenen uuylganck, comende opten Ulenborch, 
gestaen ende gelegen in de Postelstraet tassen erffenisse eertijts 
Jenneke weduwe Marcelis Henricxszn, daernae Heer Henrick 
Bloyman, Heere tot Helvoirt, nu zyne kijnderen, iïeen syde 
ende tussen erffenisse eertijts des Heeren van Bucstel, daernae 
des Heeren van Oirscot, nu Margriet weduwe Ghijsbert Jan 
Willemszoon, d 1 ander syde, aan mr Peter van Broeckhoven, 
hiervoren op blz. 235 reeds genoemd, wiens echtgenoote was, 
zooals wij op blz. 236 reeds zagen, Lucia van Hohensteyn, vrouwe 
van Arendonck en Sentsich; deze en de kinderen van haar en 
haren genoemden man, zijnde: Johan Martijn van Broeckhoven, 
heer van Arendonck, Maria Anna van Broeckhoven, echtgenoote 
van Johan van Tellin, heer van Martigneul en Catharina van 
Broeckhoven, echtgenoote van J or Willem Berwouts, kapitein 
in Spaanschen dienst, verkochten, nadat hij daarin was komen 
te overlijden, den 16 October 1631 dit huis aan Henrick, zoon 
van Aert Henrickszoon van Zutphen, koopman te den Bosch. 
Van dezen erfde, althans kwam ten slotte door erfenis dit huis 
aan Margaretha van Zutphen, dochter van Daniel en Engela 
Glymmert; zij bracht het ten huwelijk aan haren man Melchior 
Donckers (of Doncquers). 1) 



1) Over zijne familie, waarover men ook zie Taxandria XV blz 
183 en VI blz. 196, blijkt uit de Bossche Schepenregisters het volgende: 

Gielis Donckersse had een zoon Kycolaus Donckers, die in 1545 een 
huis in de Kolperstraat te den Bosch kocht; deze laatste had deze zonen: 

a Gijsbert Donckers, die in 1563 leefde en huwde met Aleid N., 
die bij haar een zoon Nicolaas verwekte ; 

b Laureyns Donckers, die van Oda, dochter van Jacob Gast Wil- 
lemszn, deze kinderen had: 1<> Nicolaas, die in 1611 wollenlakenkooper 
was en huwde met Heylwich Boyen Philipsdr, bij wie hij verwekte eenen 
zoon Philips, die in 1649 reeds was overleden met achterlating van deze 
kinderen: Dirck, Johan en Goijart, welke toennog minderjarig waren (Reg. 
n 429 f. 460); 2<> Antonius. Zijne kinderen waren: Lucretia, die huwde 
met 1° Adriaan Herincx; 2o Johan van der Horst; Arnout; Johan; 
en Odilia, huisvrouw van Jan van Woensel (Reg. n° 388 f. 85); 3° Jaco- 
mina; 4o Maria, die huwde met Dirck Christiaanszn; 5° Willem, in 1595 
buitenslands vertoefde en 6° Gertruid Donckers; 

c Antonius Donckers, verkoopt in 1565 een huis in de Vughterstraat 
te den Bosch; 



— 241 — 

Hij had van zijne genoemde vrouw twee dochters : 
Adriana Elisabeth Donckers, geestelijke dochter te den Bosch 
en Maria Angelina Donckers, die huwde met mr. Victor van 
Beughem, hiervoren op blz. 207 reeds genoemd, eerst advocaat 
te den Bosch, later ordinaris-gecommitteerde der Staten van 
Brabant te den Haag; zij erfden met haar beiden een vierde in 
dit huis, (dat in 1708 verhuurd werd aan Johanna van Beresteyn 
douairière van Johan van Goor, luitenant-kolonel in Staatschen 
dienst), van haren oom mr. Elias Donckers, waaruit is op te 
maken, dat haar vader dit huis aan hem verkocht had ; de 
overige parten in dat huis erfden van dezen : 

Melchior van Susteren, heer van 's Gravenwezel, woon- 



d Jan Donckers, die in 1565 een huis in die straat kocht en van 
zijne vrouw Mariken, dochter van Lodewijk van Duren, deze kinderen had: 

a Nicolaes Donckers, wollenlakenkooper te en raad van den Bosch, 
stierf kinderloos, kocht in 1594 een huis in de Vuchterstraat te den Bosch. 

6 Lowies Donckers, koopman te den Bosch, kocht in 1601 voor 
Schepenen van den Bosch (Reg. n° 266 f. 130) van de kinderen van Fran- 
choys Pynappel en Engelken, dochter van Jan van 't Gasthuys: eenscJwon, 
omgraven steenen leyen huys met boomgaerden, staande te St. Michiels- 
gestel ter plaatse genaamd den Horrick ; Goyart Pynappel Marceliszn ver- 
naderde het echter. Van Maria van Griensven en zijne tweede vrouw 
Anneken, dochter van Albert Janszn Ketelaers had hij deze kinderen : 
1o Guiliam; 2° Johanna, huwde met Marcelis de Wijk; 3o Emerentiana, 
huwde met Johan van Loon; 4<> Helena, huwde met Joris Houbraken en 
5<> Maria Donckers, huwde met Peter Liebrechts (Reg. n° 388 f. 75); 

c Melchior Donckers, bierbrouwer in het Zwart Anker op den 
Vughterdijk te den Bosch, huwde Heylwich van den Graeve, dochter van 
Goijard Gerardszn en Maria van Sambeeck Goijarsdr; hunne kinderen 
waren: 1<> Nicolaas, koopman en houder eener verwerij te Breda, die 
huwde a Adriana van Tilborch ; /5f Mechteld vander Plas; uit beide huwe- 
lijken waren kinderen; 2o Joan Baptist, die huwde Adriana van Horenbeeck, 
uit welk huwelijk o a. Melchior Donckers, die trouwde met Margaretha 
van Zutphen ; 3<> Maria die huwde met: a mr. Gerard van den tfroeck, 
advocaat te Breda (uit welk huwelijk : Maria van den Broeck, de huisvrouw 
van mr. Jacob Oortj'ens en Peter vanden Broeck); ft mr. Peter van Hegelsom, 
president-schepen van Breda; 4<> mr. Elias, stierf kinderloos te den Bosch 
16 Augustus 1673; 5o Helena, huwde met Mathias van Boeckholt; 6° Catha- 
rina, huwde met: o Henrick Herincx; /? Johan Gomes, koopman te Ant- 
werpen (Reg. no 384 f. 633); 

d Balthazar Donckers, lakenkooper te den Bosch, huwde Gatharina, 
dochter van Jan Everardszn van Ravensteyn en weduwe van Peter Wil- 
lemszn van Heeswijk; 

e Jacomina Donckers, huwde met Cornelis Gieliszn van Gierle; 
hunne dochter Jenneken huwde met Jan van de Gracht (Reg. n° 388 f 75); 
f Helena Donckers, huwde met Nicolaas Vereist. 

16 



— 242 ,— 

achtig te Amsterdam (zijne vrouw was Maria Constantia Barbou) ; 
zijne zuster Adriana van Susteren, geestelijke dochter te Am- 
sterdam ; hun broeder Henricus Josephus van Susteren, vicaris 
van het Aartsbisdom te Mechelen, allen kinderen van Gijsbert 
van Susteren en Helena Donckers, dochter van Joan Baptist 
en Adriana van Horenbeeck, ook voor een vierde ; Judocus 
Calendries, licentiaat in de rechten en oud-griffier van Dender- 
monde, als gehuwd met Agnes Donckers, dochter alsvoren, 
ook voor een vierde ; Henclrick Musch 1), heer van Milheeze, 
als gehuwd met Maria Agnes Zyberts, eerder weduwe van 
mr. Adrianus van Straelen, advocaat te Helmond, dochter van 
Willem Zyberts en Maria Donckers, dochter alsvoren ; mr. 
Melchior Zyberts, raad-ordinaris in Z. Kathol. Majesteits Souve- 
reinen Raad van Brabant te Brussel ; Johanna Maria Zyberts, 
echtgenoote van J or Johan Carlo de Biesthoven; mr. Willem 
van Straelen en zijn broeder mr. Pi eter van Straelen, advocaat 
voor den voormelden Souvereinen Raad van Brabant, zonen 
van mr. Adrianus en Maria Agnes Zyberts voornoemd 2); 
Baldewinus van Santvoort, zoon van mr. Gerard Baldewinuszn 
van Santvoort, administrateur van cle Baronie van Boxtel en 
Helena Zyberts, en zijne minderjarige broeders en zusters Adriana 
Maria, Catharina, Henrick en Gerard ; deze allen ook voor een 
vierde; zij verkochten 9 April 1712 (Keg. n° 529 f. 327) dit huis, 
dat alsnu omschreven werd: als huis met tuin en achterhuis, 
met een poortje over het water op de Uilenburg uitkomende 
en met eene kamer bezijden aanliggende, aan Noël Clement de 
Grand Champs, lakenkooper te den Bosch; daar hij uit de 
provincie Luik afkomstig was, zal hij het geweest zijn, die aan 
dit huis den naam van: Het ivapen van Luik "gaf. Zijne vrouw 
was, als reeds gezegd, Marguerithe Josselet, die vóór dat zij 
met hem huwde weduwe was van Godefroy d' Erkenne en van 
wien zij had: Marie Frangoise Joseph en Anne Marguerithe 
d' Erkenne, nonnen in het klooster der Penitentes Recollectines 

1) Men zie over hem Taxandria XIV p. 269. 

2) Men zie over hen Taxandria XIV p. 269 en en 270. 



— 243 — 

te Hoei; van haren genoemden tweeden man had zij eene 
dochter Catharine de Jesus de Grand Champs, chanoinesse 
reguliere du St. Sepulchre te Luik. 

Marguerithe Josselet stierf als weduwe van haren twee- 
den man in dit huis; na haren dood werd in 1744 eene boedel- 
beschrijving opgemaakt van hetgeen zich daarin bevond en in 
dien inventaris komt daarover het volgende voor: de Medingen 
van een altaar tot het bedienen van de Roomse Misse, nevens 
het missaal in een sivart jagryne band met silver beslag, zijnde 
het geheele ornament voor den altaar, alles proper en mooy. De 
ontzegelinge van de kamer nevens de hamer boven het voorhuys 
gedaan zijnde, hebben ivy daarin bevonden een opgeschikte 
altaar met syne schilderyen. Men kan hieruit gerustelijk opma- 
ken, dat het Katholieke bedehuis in de Postelstraat, waarover 
Schutjes t. a. p. handelde, eerst in dit huis is geweest. 

Hubert de Grand Champs, koopman te Luik, als erfge- 
naam van Noel Clement de Grand Champs en diens echtgenoote 
Marguerithe Josselet, verkocht 28 Maart 1749 aan Jacob Elet, 
burger van en koopman te den Bosch, dit huis, dat alsnu om- 
schreven werd als: een huysinge, voorsten van veele logeable 
camers met een pakhuys daarnaast, lioff en agterhuysinge, 
met een poort over 't water op den Uylenborg uytkomende. met 
een huysje off kamer dien bezyden, staande in de Postel- 
straat, ex uno de Roomse Kerk, ex alio mr. Jacob Laurens 
Chatvelt, secretaris van den Bosch. Den 9 Januari 1758 verkocht 
genoemde Elet dit huis aan Abraham van Velsen, koopman te 
den Bosch, die het 8 November 1768 weder verkocht aan Francis 
Vermeulen, koopman aldaar. Laatstgenoemde was 1 Januari 1727 
te Dommelen geboren uit het huwelijk van Dirk Vermeulen 
met Anna Coppens en 6 Januari 1760 te Leende gehuwd met 
Maria Sophia Vermeulen. Hij deed dit huis geheel veibouwen; 
na zijnen dood werd het van hem geëfd door zijn dochter Anna 
Petronella Vermeulen, die 11 Juli 1779 op het aan hare aan- 
staande schoonouders toebehoorend landgoed de Wamberg onder 
Berlicum trouwde met den hiervoren reeds genoemden Thomas 



— 244 — 

Cornelis van Ryckevorsel 1) ; deze werd door dat huwelijk de 
stamvader van alle thans nog in leven zijnde R. K. van 
Ryckevorsels's. 

In het laatst der 19 e eeuw was dit huis het eigendom 
der Noordbrabantsche Bank, die door haar faillissement tal van 
slachtoffers maakte, zoowel te den Bosch als in de omstreken 
van die stad. Thans behoort het toe aan Theodore van Gulick, 
koopman te den Bosch en heer van het goed Henkeshage 
onder St. Oedenrode. Zijn geslacht is met die van Sopers, 
Scheffers en des Mense het eenige, dat gedurende het laatste 
drietal eeuwen tot nu toe onafgebroken te den Bosch is geves- 
tigd gebleven. Het heeft tot stamvader Joris Goijartszoon van 
Gulick 2), die in 1599 kocht het aan Oude Dieze te den Bosch 
gestaan hebbend huis de Witte Laars 3) en behalve eenen zoon 
Peter, over wien in Dl. II, eenen zoon Willem Joriszoon van 
Gulick had, die koopman te den Bosch was en driemaal huwde, 
nj. 1° met Henrica de Leeuw, dochter van Jan Hendrikszn en 
Maria Capermans, welke hem deze kinderen schonk : a Joris van 
Gulick, van wien genoemde Thedore van Gulick in rechte lijn 
afstamt; b Maria van Gulick, die huwde met Johan Becx en 
c Anna van Gulick, die ongehuwd bleef; 2° met Aeltje, dochter 
van den bakker Jan van Oeffel, en weduwe van Jan Claeszn 
van Berckel; 3° met Johanna Andriesdochter van Ravestein 4), 
die hem schonk: d Johanna van Gulick, in 1704 woonachtig te 



1) Het landgoed de Wamberg erfde hij met zijnen broeder Augus- 
tinus Tilmanus, reeds vroeger genoemd ; zijne helft daarin verkocht hij in 
1813 aan Jacoba Catharina, dochter van zijnen voornoemden broeder, die 
de wederhelft daarvan van dezen geërfd had en gehuwd was met Fran- 
ciscus van Lanschot. 

2) Blijkens Schepenregister van den Bosch n° 216 f. 97 verkocht 
iu 1567 Bartel, zoon van Jan Janszn van Gulick en Jenneken, de dochter 
van Peter Hoefnagel, eene grondrente, die ging uit een huis, dat bij de 
toenmalige kerk van Orthen stond. 

3) Op het erf daarvan staat thans het huis genummerd Oude Dieze 11. 

4) Zij bezat in 1668, toen zij reeds weduwe van hem was, een huis 
aan de zuidzijde van de Verwerstraat, staande naast dat der Wed. Johan 
Pelgrom de Bye (Reg. n<> 468 f. 412). Haar man had in 1650 (Reg n<> 430 
f. 434) i/ 3 daarin gekocht van Goyard Nieuwenhuysen, den echtgenoot van 
Geraertgen, dochter van Gerard van Oeffel. 



— 245 — 

den Bosch en e Mathias van Gulick, toen woonachtig te 
Kromme Mijdrecht. 

Genoemde Willem Joriszoon van Gulick kocht 10 Novem- 
ber 1632 van Jan van Herwaerden een huis in de Verwerstraat 
te den Bosch, dat in 1693 (Reg. n° 480 f. 388) gezegd werd 
te staan tusschen dat van Juftr. van Zonst en dat der erfge- 
namen Jan Scheffers, en 29 November 1641 van Jenneken, 
dochter van Peter Wouterszn van de Venne en weduwe van 
Jan Janszn van Oeffel een huis, dat ook in gezegde straat 
stond bijna tegenover het huis genaamd het Zevengester en in 
1704 geheeten werd de stad Munster. (Reg. n° 516 f. 280 v os ). 

i De Munt. 

No. 42. 

Dit huis staat ter plaatse waar oudtijds twee huizen 
stonden ; dat hetwelk Vischmarktwaarts stond, behoorde eerst 
toe aan Gerard van Mulsel, later aan Lambert Millinck, laag- 
schout van den Bosch, die het verkocht aan Willem, zoon van 
Henrick Willemszn van Orthen en aan Jenneken, dochter van 
Johan Henrickszn de Lynther en weduwe van Marcelis, den 
zoon van denzelfden Henrick Willemszn van Orthen 1). Laatst- 
genoemde echtelieden hadden eene dochter Mechteld, die dit 
huis erfde en het ten huwelijk bracht aan haren man Jan, den 
zoon van Jan Hermanszn van Bergen en Maria 2). 

Eerstgenoemde Jan van Bergen had van zijne vrouw 
twee zonen: Herman 3) en Marcelis, die 8 Maart 1532 (Reg. 
n° 143 f. 16) met toestemming hunner amitorum mr. Goijart 
van den Berge, priester en kanonik der parochiale kerk van 
Eindhoven en Jan Gevartszn die Potter, priester en beneficiaat 



1) Pteg. n<> 645 f. 284. 

2) Deze echtelieden hadden behalve den zoon Jan nog deze kinderen : 
Jacob ; Catharina, de huisvrouw van Jan van Bree ; Heylwich, de huis- 
vrouw van Frans van Elmpt Martinuszn; Elisabeth en Arnold, die in 1518 
reeds was overleden met achterlating van onmondige kinderen (Reg. n° 
115 f. 169), zijnde: Jan, Aerken, Henrick en Jacob. 

3) Hy hield in 1544 te Antwerpen zijn verblijf. (Reg. n° 105 f 289). 



— 246 — 

der St. Janskerk te den Bosch, alsmede met toestemming van 
Willem van den Berge, den vader van genoemden mr. Goijart, 
dit huis met erf, dat, zooals toen vermeld werd, eertijds stond 
tusschen dat van Hen riek Goenen ex uno en dat van Jan van 
Ham ex alio en nu staat tusschen dat van Johanna weduwe 
van Lambrecht van den Kerckhoff en hare kinderen Vischmarkt- 
waarts en dat van Aelbrecht van Deventher Vughterstraatwaarts 
en zich achterwaarts uitstrekt tot aan de Dieze, verkochten aan 
Bartholomeus die Mombair 1), zoon van Jan ; deze verkocht 
het 4 April daaraanvolgende weder aan voornoemden Aelbrecht 
Proening van Deventher, die heer van Nieuw-Herlaer, koopman 
te en schepen van den Bosch was en zoon van Gerard en 
Elisabeth Ketelaers Aelberts dr 2). 

Het ander huis, dat Vughterstraatwaarts stond, had tot 
oudst bekenden eigenaar Jan van Ham; vervolgens den laag- 
schout Lambert Millinck en voorts Petronella de Eoover, vrouwe 
van de Nemelaer 3), dochter van Willem de Roover en douairière 
van Claes Oem van Bockhoven. De uitvoerders van haren 
uitersten wil, zijnde Egidius van Weert, priester, Willem van 
Bockhoven en Peter Pels, verkochten na haren dood dit huis 
aan mr. Henrick Pelgrom Gerardszoon, secretaris van den 
Bosch, die in 1514 overleed en de man was van Elisabeth, de 
dochter van Jan van Witmeer, schepen van den Bosch, door 
welk huwelijk hij een koude zwager werd van den Bosschen 
secretaris mr. Claes Kuyst '4) en van den Bosschen schepen 
Lambrecht de Wolff. 5) 



1) Hij fondeerde in 1549 eene beneficie in de kapel van het H. Kruis. 
te Vught, die blijkens J. Hezenmans De Commanderij te Vught blz. 37 
op den weg naar het Buitengerecht aldaar stond. Schutjes t. a. p. IV. 
blz. 386. 

2) Taxandria XVIII blz. 37 en vlgd. 

3) Zij had dit kasteel in 1461 gekocht. Tijdschrift va*i Sassen I blz. 128. 

4) Hij had van zijne vrouw Mechteld van Witmeer Jansdochter 
deze kinderen : Peterken, gehuwd met den notaris Symon Bacx Janszn 
en Margriet, huisvrouw van den gewandsnijder Jan van Emmerick Wil 
lemszn. 

5) Taxandria XIII bladz. 104, alwaar ook de genealogie van de 
hier bedoelde familie Pelorom te vinden is. 



— 247 — 

Van laatstgenoemde echtelieden Pelgrom erfde dit huis 
hun zoon Frans Pelgrom, schepen van den Bosch, die het 
24 December 1527 (Beg. n° 133 f. 589 v so ), — als wanneer het 
omschreven werd als : huis, erf, plaats en achterhuis, staande 
in de Postelstraat tusschen het overig huis en erf, dat voorheen 
was van voornoemden Lambert Millinck en nu is van Joost, 
zoon van Jan Bloemaerts genaamd Metsers, ex uno en het huis, 
dat voorheen was van Willem van Poppel 1) en nu is van de 
kinderen van Jan, den zoon van Jan Hermanszn van Bergen, 
strekkende het zich achterwaarts uit tot aan de Dieze, — 
verkocht aan voorzegden Aelbrecht Proening van Deventher. 
Deze behoorde tot een geslacht, dat blijkbaar uit Deventer 
afkomstig was en in den Bosch, zooals ook hierna zal blijken, 
hoog in aanzien geraakte; oorspronkelijk was het Bruynincx 
geheeten. 2) 

Aelbrecht Proening van Deventer, die alzoo door koop 
eigenaar was geworden van de beide hier bedoelde huizen, zal die 
tot een gemaakt hebben, zooals zij dit thans nog zijn. Hij bezat 
daartoe de middelen, omdat hij een zeer vermogend man was. 
Hij had zich dan ook kunnen veroorloven om behalve deze hui- 
zen den 19 October 1532 aan te koopen 3) het kasteel Nieuw 
Herlaer onder St. Michielsgestel, waarvoor hij in 1544 met 
zijnen broeder Henrick eene poort bouwde met dit opschrift: 
,,Alberti et Henrici de Deventer fraternum opus 1544. Concordia." 

In 1541 hield hij voor zijnen handel te Antwerpen verblijf. 

Zijne vrouw was Anna Vyge, dochtervan Jan Henrickzn 
en Maria Bolten; zij was eene Bossche van afkomst, daar 
toch haar vader in 1521 een huis in de Orthenstraat te 
den Bosch kocht (Reg. n° 221 f. 290 v so ), dat hij in 1530 weder 
verkocht en in 1539 een huis aan den Hoogen Steenweg 
aldaar bezat. In 1545 -waren geërfd in den Bosch Aleid wed. 
van Jan Vyge Junior en hare kinderen ; in 1589 compareerde 

1) Dit is een abuis, zooals zal blijken uit de beschrijving van het 
volgend huis sub j. 

2) Reg. n<> 104 f. 50 vso en 102 f. 326. 

3) Rep;, no 143 f. 35. 



— 248 — 

voor Schepenen van den Bosch (Reg. n° 246 f. 96 v so ) Emmelken, 
dochter van Maximiliaan Bardoul en huisvrouw van Jan Vyge, 
die dezelfde moet geweest zijn als de Jan Vyge Hendrikszn, 
die in 1603 gezegd werd soldaat onder den heer Grobbendonck 
in den Bosch te zijn, vermits zijne vrouw toen Emken geheeten 
werd. 

Anna Vyge schonk aan Aelbrecht Proening van Deventher 
geene kinderen. Wel had hij van eene bijzit eene bastaard- 
dochter Susanna Proening van Deventher, die huwde met 1° Jan 
Winkelroy ; 2° Hendrik Mallants. 

In 1554 was hij reeds overleden. Vermoedelijk heeft 
zijne vrouw daarna het huis de Munt een tijdlang verhuurd 
aan Jacob Bacx Janszn 1), rentmeester der Staten van Brabant 
in het Kwartier van den Bosch, omdat vermeld staat, dat 
deze dit huis bewoonde. Van Heurn deelt op grond hiervan in 
zijne Beschrijving mede, dat dit huis het stamhuis der familie 
Bacx was, doch, zooals reeds uit het voorgaande gebleken zal 
zijn, ten onrechte ; zou er van een stamhuis van die familie 
in den Bosch sprake kunnen zijn, dan is dat, blijkens hetgeen 
later in Dl II zal worden medegedeeld, in de Verwerstraat 
aldaar te zoeken. 

Tijdens dat Jacob Bacx het huis de Munt in huur had, 
geschiedde daarmede volgens Cuperinus t. a. p. blz. 322 het 
volgende : 

Den 9 September 1571 hebben de Duitsche soldaten, die 
binnen den Bosch in garnizoen lagen, ten getale van ongeveer 
200, met geladen roers, brandende lonten, blancke swaerden, 
met een wagen met stroo en brandende toortsen, tsaemen eerst 
gestrecken van de mert aff tot die rentmeester Bacxs huysinge 
in de Postelstraet, die door e oft poirte van den huyse met 
gewelt opengeloepen en daer tgeweer unyt den huyse gehaelt 
met noch meer andere dingen genomen, die zy noch wederom 
te brengen hebben 2). 



1) Men zie over hem van Heurn Historie II blz. 46. 

2) ld. Jac. van Oudenhoven 1. c. blz. 151 en van Heurn. H istoriell blz. 98. 



— 249 — 

In het laatst van 1572 en het begin van 1573 hield de 
Hertog van Medina Coeli, de opvolger van Alva, in dit huis 
zijn verblijf 1). 

Anna Vyge, de weduwe van Albrecht Proening van 
Deventher, stierf omstreeks het jaar 1578. Van hare erven kocht 
daarop de helft van het huis de Munt, dat toen naar haar het 
huis van Vrouwe van Deventher werd geheeten, mr. Henrick 
Bloeymans, pandheer van Helvoirt, heer van Zwijnsbergen 2) 
en president-schepen van den Bosch 3). Hij kocht vervolgens 
25 Januari 1580 (Reg. n° 229 f. 45) van Goyart van Eyck, heer 
van Zeelst (zoon van Roelof, heer van Blaardhem, Velthoven en 
Zeelst en Heylwich van Berckel), als man van Elisabeth Proening 
van Deventher, dochter van mr. Jacob, den broeder van Aelbrecht 
meergenoemd en Barbara Bacx, (dochter van Jan, den vader 
van den rentmeester Jabob Bacx hiervoren reeds genoemd), een 
vierde in dit huis, dat zijne vrouw geërfd had en dat in de 
daarvan gemaakte akte van verkoop aldus omschreven werd: 
een vierde in quadam porta, domo, area, vacua hereditate, 
dicta ledige plaetse, orto, canditorio dicto een bleyckvelt, domo 
posteriori, etc, sitis in Buscoducis in de Postelstraet inter 
hereditatem Lamberti Arntszn ex uno et inter hereditatem 
Jacobi Laurynszn ex alio, tendentibus a dicto vico, dicto die 
Postelstraet, ultra aquam, de Diese appellatam, ad quondam 
alium vicum, vulgo appellatum den Uylenborgh, vulgo appellata 
premissa Vrouwe van Deventher huysinge el quae premissa 
Albertus de Daventhria et domicella Anna Vyge, conjuges, 
post mortem reliquaverunt et de quibus porta, domo, area, vacua 
heredidate, orto, canditorio, domo posteriori una medietasad 
dominum et magistrum Henricum Bloeymans, dominum de 



1) R. A. van Zuylen de Stadsrekeningen II blz. 877 en 878. 

2) Dit adellijk huis zal zijnen naam ontleend hebben aan de famile 
Zweynnen, die in 1517 reeds te Helvoirt geërfd was (Reg. n° 113 f. 139 vso) 
en wier naam in verloop van tijd veranderd is in dien van Sweens. 

Vóór mr. Henrick Bloeymans was Willem Monicx, de zoon van 

den Bosschen president-schepen mr. Jan Monicx Sr, heer van Zwijnsbergen. 

3) Men zie over hem Taxandria IV blz. 181 en volgd; Mr. G. A. 

Hermans Kronijken blz. XVII en blz. 546 en J. Hezenmans 's Bosch blz. 11. 



— ■ 250 — 

Helvoirt, utriusque juris licentiatum et jam president domi- 
norum scabinorum in Buscoducis per prias spectabat. ut 
dicebant. Het overige een vierde in dit huis konden noch 
mr. Henrick Bloeymans noch zijne vrouw Elisabeth Lombaerts 
van Enckevoirt 1) bekomen, want mr. Gerard Proening van 
Deventher 2), die eerst schepen was van den Bosch en daarna 
burgemeester van Utrecht, wilde of kon hun dat part, dat hij van 
genoemden Aelbrecht Pr. van D. geërfd had, niet verkoopeu. Het 
vruchtgebruik daarvan erfde na diens overlijden zijne tweede 
vrouw Emerentiana Wynants van Resant (dochter van Clarebout 
en Maria van den Heuvell), terwijl den blooten eigendom 
bekwamen zijne kinderen uit tweeden echt: Jacob, kapitein- 
kommandant van Loevestein, gehuwd met Christina Back ge- 
naamd van Wytfliet; Barbara; Josina, die huwde met J or Marcus 
van Arckel en Emerentiana Proening van Deventher; nadat 
hunne moeder ten hunne behoeve van dat vruchtgebruik had 
afgestaan, verkochten deze kinderen 28 April 1611 het een vierde 
in dit huis aan de dochters van genoemde echtelieden Bloeymans, 
zijnde Maria Bloeymans en Johanna Bloeymans, erfdochter van 
Helvoirt en Zwijnsbergen, en echtgenoote van Erasmus van 
Grevenbroeck, heer van Mierlo; dit kwart werd aldus omschreven: 
een vierde gedeelte van een huysinge, gangeïick genoempt het 
huys van Deventer, als te weten het vierde gedeelte der poorte, 
ledige plaetse, hoff> achterhuysinge ende alle die appendentien 
van dien, alsuytgang opten Uylenborch ende het screynwerck 
soo in de voorhuysinge als afterhuysinge ende brougebouwen, 
mitsgaders in de scilderye, tegenwoerdelijck daerinne wesende. 
Johanna Bloeymans, de echtgenoot van Erasmus van 
Grevenbroeck, heer van Mierlo, werd later uitsluitend eigenares 
van dit huis. Nicolaes Bloemaerts, muntmeester van den Bosch, 
liet toen zijne oogen vallen op dat huis, dat destijds bewoond 
werd door den sergeant-majoor van den Graaf van Hoogstraten, 



1) Hij stierf 13 April 1584, zij 27 December 1600. 

2) Mij was de broeder van Elisabeth Proening van Deventher, 
echtgenoote van Goijart van Eyck, heer van Zeelst. Men zie over hem 
Taxandria V p. 148. 



— 251 — 

om het voor een muntgebouw aan te koopen ; hij kocht het 
daartoe werkelijk aan, doch de koop werd weder verbroken en 
hij moest toen voor de munt naar een ander gebouw uitzien ; hij 
huurde daarom daarvoor een deel van het Hof van Zevenbergen 
in de Keizerstraat, doch hij kon er geen munt in slaan, omdat 
in November 1613 Anthony Schetz, baron van Grobbendonck, 
de Koningsgezinde bevelhebber van den Bosch, die tegenover 
het Hof van Zevenbergen in het Keizershof woonde , het 
hem verbood op grond dat het uitoefenen van het bedrijf 
van de munt in dat Hof gevaar voor brand voor het Keizershof 
zoude opleveren. Bloemaerts kocht daarom voor de Munt 
wederom het hals van Vrouwe van Deventher aan, doch ander- 
maal werd die koop verbroken, reden waarom hij in 1614 van 
Erasmus van Grevenbroeck dit huis voor een muntgebouw 
huurde tegen eenen jaarlijkschen huurprijs van fl 250, die 
later verhoogd werd tot fl 500 en tegen eene vergoeding van 
fl 260 aan den sergeant-majoor van den Graaf van Hoogstraten, 
omdat deze aanstonds het huis had te verlaten. Zoo werd dan 
eindelijk in het jaar 1614 dit huis de Munt, en kreeg het 
daarna den naam van de Munt, welke het sedert dien behouden 
heeft; een wapenbord, met de wapens van Albert en Isabella 
er op, werd er alstoen voor gehangen. Den 14 Januari 1616 
brak er in het dak van dit huis een groote brand uit, waarvan 
het ontstaan werd toegeschreven aan de ovens der munt. Den 
15 December van het volgend jaar brak er weder brand in uit, 
die aan dezelfde oorzaak werd toegeschreven, doch men twij- 
felde er nu aan of de brand daardoor wel was ontstaan, want 
het bleek, dat de muntmeester Bloemaerts zich aan malver- 
satiën had schuldig gemaakt, zooclat hij de branden wel kon 
aangestookt hebben om zijne misdrijven niette doen uitkomen; 
wegens zijne malversatiën is hij alstoen uit zijne betrekking 
van muntmeester ontslagen en met verbeurdverklaring zijner 
goederen uit den Bosch gebannen. Cornelis van den Leemputte, 
die vroeger ook al muntmeester der stad den Bosch was geweest, 
werd toen zijn opvolger, wat deze bleef tot 14 Juni 1619, 



— 252 — 



als wanneer Lieven van Craeywinckel, goudsmid te Antwerpen, 
in diens plaats werd benoemd; deze bleef dat tot 16 November, 
1624, zijnde de dag, waarop de ovens dezer munt werden uitge- 
doofd; de munt zelve werd eerst op St. Jansdag 1626 gesloten, 
waarna bet huis de Munt, waarin zij toen nog gevestigd was, 
ter beschikking van cleszelfs eigenaar werd gesteld, terwijl 
de stempels, waarmede in den Bosch munten geslagen waren 
geworden, vernietigd werden. Men vindt dit alles uitvoerig 
vermeld in het werk van F. Verachter Histoire monetaire de 
la ville de Bois Ie Duc p. 217 en vlgd. 

De munten, die in dit huis geslagen werden, hebben tot 
onderscheidingsteeken een boompje; enkelen daarvan zijn zeer 
zeldzaam, o.a. het een guldenstuk en de dubbele dukaton, welke 
laatste munt eenige jaren geleden voor fl. 55 aan het Provinciaal 
Genootschap van Kunsten en Wetenschappen in Noordbrabant 
verkocht is; Jhr. M. A. Snoeck heeft de Bossche munten beschre- 
ven in de Handelingen van dat Genootschap van 1883/84, welke 
beschrijving ook nog gaven Alphonse de Witte in zijne Histoire 
monetaire des Comtes de Louva in, Ducs de Brabant en Baud de 
Jonghe in het Tijdschrift van het Necl. Genootschap voor Munt-en 
Penningkunde V. p. 321 en vlgd. Nadat dit huis had opgehou- 
den de munt te zijn, is het den 10 November 1629 ingericht tot 
woning en stal voor den staatsgezinden Hertog van Bouillon. 3) 

Erasmus van Grevenbroeck, de echtgenoot van Johanna 
Bloeymans, de voormelde eigenares van dit huis, had van haar 
onder anderen eene dochter Elisabeth van Grevenbroeck, die 
huwde met Joost Pieck van Tienhoven, heer van Zuilichem 
en bij schepenakte van den Bosch van 22 Augustus 1640, 
waarbij de nalatenschappen harer ouders werden gescheiden, 
voor haar deel kreeg het huis de Mant, dat toen aldus om- 
schreven werd als: eene huysinge. poort, erffenisse ende achter- 
hays, gestaen ende gelegen binnen dese stadt ter plaetse 
genoempt in de Postelstraet, die de lieer e President Ploos, 
(van Amstel) tegenwoordich in zijn gebruyck is hebbende. 

4) R. A. van Zuylen de Stadsrekeningen II p. 1354. 



— 253 — 

Den 23 November 1651 verkocht zij dit huis aan Otho 
Copes, raad en pensionaris van den Bosch ; het werd nu 
omschreven als volgt: eene schoone, welgelegen adelycke huys, 
erve, hoff ende achterhuys, opten Uylenborch uytkomende, 
met syne rechten ende toebehoorten, gestaen ende gelegen 
binnen dese stadt in de Postelstraet, gemeynlick genoempt de 
Mant, daerinne Joncker Johan van Roode tegenwoordelijck 
is woonende, tassen huyse ende erve der weduwe Diericx van 
den Velde (Vughterstraatwaarts) ex uno ende tussen huys 
ende erve van den heer e Elias Donckers, Aicentiaet in de 
rechten (Vischmarktwaarts) ex alio, streckende van de gemeyne 
Postelstraet tot opten Uylenborch uytcomende. 

Otho Copes, die met zijne afstammelingen volgens van 
Heurn Beschrijving gedurende meer dan eene eeuw eigenaar 
van dit huis bleef, had van zijne vrouw Josina Schade van 
Westrum 1) o. a. een zoon mr. Hendrick Copes, die in 1647 
in de Waalsche kerk van den Bosch gedoopt werd en schepen 
van die stad was en eene dochter Henriette Maria Copes, 
welke 25 Juni 1703 huwde met mr. Frans Chatvelt, secretaris 
van den Bosch, wien zij dit huis ten huwelijk bracht; van 
hem erfde het hun zoon mr. Jacob Laurens Chatvelt, ook 
secretaris van die stad (Reg. n° 547 f. 15); deze huwde 
1° in 1741 met Anna Catharina van Thienen, woonachtig te 
Berlicum en dochter van den ritmeester Arend van Thienen, 
heer van Berlicum en Middelrode en Barbara Bellous; 2° in 
1749 met Cornelia van Gils weduwe van Jan Engelbert Oirzandt, 
baljuw en dijkgraaf van de Klundert; zijne beide huwelijken 
schijnen kinderloos te zijn gebleven, want van hem erfde de 
Munt zijne zuster Josina Aemelia Chatvelt, de vrouw van 
mr. Hendrik Aemilius van Panhuys, commissaris-instructeur 
van wege de Staten Generaal der Vereenigde Nederlanden te 
Maastricht. Deze droeg 27 Juli 1761 dat huis over aan zijnen 



1) Van hen werden in de Waalsche kerk te den Bosch behalve 
een zoon Henrick, deze kinderen gedoopt: 1648 Agatha Elisabeth; 1650 
Guillaume; 1651 Gaspar; 1655 Amelia; 1658 Josina; 1668 Henriette Maria. 



— 254 — 

zoon mr. Freclerik Hendrik van Panhuys, woonachtig te den 
Bosch, die het 20 Januari 1775 verkocht aan Cornelia Elisabeth 
van Wykerslooth, woonachtig aldaar, douairière van Gerard 
Theo door van Borssele, heer van Muys winkel en eigenaar van 
het voormalig huis Ter Aa 1) onder Berlicum; hij was zoon 
van Pieter van Borssele en Margaretha, de dochter van Gerrit 
van Honthorst, drost van de stad en lande van Eavestein en 
Anna van der Dussen; hij overleed op het huis Ter Aa in 1765; 
zij stierf kinderloos te den Bosch 13 Juni 1776. Na haren 
dood verkochten 6 December 1776 hare erfgenamen,— zijnde 
Hendrik Willem van Wynbergen, heer van Bussloo, toen woon- 
achtig te Venlo; Cornelis van Wykerslooth van Grevenmachern, 
wonende te Amsterdam; Hendrik Jacob van Wykerslooth, 'de 
latere heer van Weerdesteyn, wonende te Utrecht en Maria 
Johanna Charlotta van Kuykhoven, wonende te Utrecht, weduwe 
van Cornelis Caspar van Wykerslooth, in hare hoedanigheid 
van moeder-voogdes over hare minderjarige kinderen Frans 
Jan Caspar van Wykerslooth, den lateren heer van Eoyestein ; 
Maria Elisabeth en Catharina Maria van Wykerslooth 2), — 
dit huis aan Petrus Josephus van Berckel, med. doctor te en 
later burgemeester van den Bosch. Van Heurn zegt in zijne 
Beschrijving dat het huis de Munt alstoen van buiten dezelfs 
oude gedaante meest behouden had, doch van binnen is het 
onderste gedeelte naar de hedendaagsche ivyze verandert; 
het torentje, waarin de trap is, staat nog in zijn geheel, 
uytgenoomen, dat de knop boven hetzelve afgenoomen en plat 
gedekt is. 

Later werd dit huis het eigendom van den vermaarden 
Bosschen advokaat mr. Jan Hendrik Sassen, geboren te den 
Bosch 27 Mei 1785 uit het huwelijk van Hubertus Sassen, 
mr. zilversmid te den Bosch 3) en Antonetta Maria Euwel en 
overleden aldaar 5 Mei 1830; zijne uitvoerige levensbeschrijving 

1) Men zie hierover Taxandria XVI blz. 238. 

2) Zij huwde met Jean Jacques van Zuyien van de Haar, stam- 
vader der thans nog levende van Zuylen's van de Haar. 

3) Hij was de zoon van Jacob Sassen en Maria Anna Hermans. 



— 255 — 

komt voor in het werk van Coppens Nieuwe Beschrijv. van het 
Bisdom den Bosch II p. 338. Van diens erven werd dit huis 
gekocht door Jhr. mr. Eduard de Kuyper, eerst burgemeester 
van den Bosch, later Commissaris des Konings in Limburg ; van 
dezen erfde het zijn zoon Jhr. mr. Jan de Kuyper, griffier bij 
het Gerechtshof te den Bosch, die er thans nog eigenaar van is. 

j. Het huis n°. 38. 

Naast het huis de Munt stond Vughterstraatwaarts een 
huis, dat zich thans nog onderscheidt door eenen merkwaar- 
digen gevel, over welk huis in Reg. n° 1.18 f. 227 de navolgende 
schepenakte van het jaar 1520 voorkomt: Mathijs en Andries 
Brugmans, zonen van Mathijs Brugmans, en Joseph Henrickszn 
van den Stadeacker, als man van Yda, dochter van laatstge- 
noemden Mathijs Brugmans, zoo voor zich als namens hunnen 
broeder Dirck, verkoopen aan Cornelis, priester, Jan en Catharina, 
ook kinderen van Mathijs Brugmans laatstgenoemd, Vi in de a /2 
van een huis, erf, plaats en achterhuis, staande in de Postel- 
straat tusschen het huis van Henrick Goijartszn van den Broeck 
ex uno en het overig huis van Katherina, dochter van Hubert 
's Abts ex alio ; item het overig huis met erf van genoemde 
Katherina voor het geheel, staande dat tusschen het voormeld 
huis erf ex uno en het huis van Belia weduwe van Johan van 
Tricht en hunne kinderen ex alio, welke voorschreven helft en 
welk voormeld overig huis Mathijs van Poppel gekocht had van 
Katherina, dochter van Hubert 's Abts en nu zijn: „huis, erf, 
plaats en achterhuis, staande in de Postelstraat tusschen het 
huis van Petrus Toelinck ex uno en dat van wijlen mr. Henrick 
Pelgrom, secretaris van den Bosch, ex alio en zich achterwaarts 
uitstrekkende tot aan de Dieze." Genoemde Katherina huwde 
met Joost Janszn Bloemaerts 1), welke 26 Juni 1523 2 k in 



1) Zijne erfgenamen waren in 1561 de navolgende afstammelingen 
van Jan Bloemaerts, zijnen vader: 

a Jan, zoon van wijlen Goessen, Hen zoon van Jan voornoemd; 

b de ldnderen van Arnd Kemp en Segerken, de dochter van Goessen 
voornoemd ; 



— 256 — 

gezegd huis kocht van zijnen genoemden zwager Jan Brugnians, 
(die 20 September 1522 Reg. n° 122 f. 256 daarvan V3 had 
gekocht van zijnen broeder Cornelis,) waardoor hij daarvan 
algeheel eigenaar werd. De erfgenamen zijner vrouw, zijnde 
Jan, Willem en Nicolaus, zonen van Mathijs, den zoon van 
Mathijs Brugmans Senior, hiervoren genoemd ; Gerard Corneliszn 
als man van Clara, dochter van Mathijs Mathijszn Brugmans 
voornoemd; Mathijs, zoon van denzelfde; Anna, dochter van 
Joseph van den Stadeacker Henrickszn en Yda, de dochter van 
Mathijs Brugmans Senior; Marcelis, zoon van Jan Hermanszn 
van Bergen, als man van Jutte, Jaspar van Eyck als man 
van Barbara en mr. Godevaert Lombaerts van Enckevoirt 
als man van Dirixken, dochters van Joseph en Yda voornoemd; 
Jan van Kessel Willemszn als gemachtigde van Dirck Aerdszn, 
als man van Henrica, dochter van Joseph en Yda meerge- 
noemd; de voogden over Jan, onmondigen zoon van Jan van 
Bree en Maria, dochter van Joseph en Yda meergenoemd; de 
voogden over Lamberta, onmondige dochter van Lambert, den 
zoon van Andries, den zoon van Mathijs Brugmans senior; de 
Rector van de Tafel van den H. Geest en die van het Groot 
Ziekengasthuis te den Bosch als uitvoerders van het testament 
van Jacob van Doerne als man van Yda, dochter van Andries 
Brugmans voornoemd, verkochten 9 Februari 1561 (Reg. n° 207 
f. 128 v so ) voorschreven huis, dat nu gezegd wordt te zijn twee 
huizen, erven, plaats en achterhuis, achter elkander liggende, 
staande in de Postelstraat tusschen dat van Petrus Toelinck 
ex uno en dat der erven mr. Henrick Pelgrom, secretaris van 
den Bosch, ex alio, aan Anna Vyge weduwe van Aelbrecht 
Proening van Deventher. Zij vermaakte dit huis aan Jacob 
Laurenszn van den Steen, als man van Jenneken Thomas, 
die het 30 Juli 1614 verkocht aan Dierck van den Velde 



c de kinderen van Dirck Toelinck en Margrietkene, dochter van 
Wouter van Lith en Margrietkene, de dochter van genoemden Jan 
Bloemaerts senior; 

d de kinderen van Dirck Heeren en Adriana, dochter van Wouter 
van Lith en Margrietkene voornoemd. 



— 257 — 

Gijsbertszoon, notaris en schrijver van de evictiën te den Bosch ; 
diens weduwe Pierina Heesters Huybertsdr. schonk het in 1652 
(Reg. n° 402 f. 392) aan Gijsbrecht Karsmans Janszn als zijnde 
gehuwd met hare nicht Maria Strick; van hen erfde het hun 
zoon Pieter Karsmans, van wien het kwam aan diens zoon 
Gijsbert, rentmeester der heerlijkheid St. Michielsgestel, echt- 
genoot van Theodora Jacquelina Ingenrae 1); van dezen erfde 
het hun zoon Theodorus Karsmans, kanonik te Brugge, die het 
21 November 1749 verkocht aan Tjard van Berchuys, commies 
van 'slands magazijnen te den Bosch en daartoe behoorende 
forten; deze verkocht het in 1753 weder aan Pieter Vissers, 
van wien het erfde diens dochter Johanna Louisa Vissers, 
echtgenoote van Gerardus Josephus Deckers, wijnkooper te 
den Bosch. 

k. Het Klein Begijnhof. 

Tegenover het huis het Wapen van Luik stond oudtijds 
tusschen de Postel- en de Snellestraat, aan beide zijden van 
de Begijnenstraat het Klein Begijnhof, waarvan het ontstaan 
en te niet gaan nog steeds onbekend zijn. Van Heurn kon dan 
ook in zijne Beschrijving er niets anders over mededeelen dan 
het volgende: zekere plaats alhier tusschen de Postel- en 
Snelstraaten , alwaar veele gangetjes in zijn, daarin kleine 
huisjes thans nog staan, word de Kleine Begijnhof genaamd. 
Van deezen kan ik bynaar niets melden, omdat noch in 
stadspapieren noch in de rekeningen der Geestelyke goederen 
er iets van gemeld word. Het eenige, dat ik er van vinde, is, 
dat in de stigting van het Spijkers oude vrouwenhuis staat, 
dat Margareet Spykers, beyijn op den Kleinen Begijnhof, dit 

1) In eene Bossche Schepenakte van 1741 (Reg. no 534 f. 126) 
compareerden mr. Pieter Ingenrae, advocaat te den Bosch en Gijsbert 
Karsmans als gehuwd met Iheodora Ingenrae, beiden als testamentaire 
voogden over Helena Maria Nieuwenhoff weduwe van Johan Ingerae, 
rentmeester der heerlijkheid te St. Michielsgestel, alsmede over de minder- 
jarige kinderen dezer echtelieden, welke waren Isabella Maria, Johanna 
Maria en Johan Ingenrae; hunne zuster was genoemde Theodora Ingenrae 
(Reg. no 540 f. 172). 

17 



— 258 — 

oude vrouwenhuis in de jaar en 1443 en 1444 gestigt hebbe, 
waaruit blijkt, dat die begijnhof reeds in dien tijd in wezen 
was; van deszelfs lotgevallen kan ik derhalven niets ver haaien. 
Schutjes IV p. 371 kan er nog veel minder over zeggen ; alleen 
deelt hij daar er over mede, dat blijkens Wichmans Brabantia 
Maria-na blz. 657 tijdens de Nederlandsen e Beroerten het 
H. Bloed van Boxtel op het Klein Begijnhof bij vrouwe Heilwich 
Vos was in bewaring gebracht ; hij ziet daarbij echter over het 
hoofd, dat het Klein Begijnhof toen als stichting niet meer 
bestond, (als het ooit, wat wel waarschijnlijk is, een afzonderlijk 
bestaan zoude hebben gehad) ; immers uit al de Bossche schepen- 
akten van af het jaar 1500 blijkt, dat reecis in dat jaar cje 
verschillende huisjes, waaruit dat Hof bestond, aan verscheidene 
natuurlijke personen toebehoorden 1). 

In eene Bossche Schepenakte van 1539 wordt melding 
gemaakt van huizen : opten cleynen begijnhove ruerens by der 
poirten desselfs begijnhoffs aen de zyde ter kerken ivaert van 
der minrebruederen, streckende metten eynde aen der gemeynder 
strate aldair after der kereker voirs. en in eene zelfde akte van 
1535 (Keg. n° 148 f. 194 v so ) staat vermeld, dat Hercules van 
Edingen, zoon van Petrus, heer van Kestergate, als man van 
Dirckje, dochter van Geerlic de Roover en Geertruid, de dochter 
van Herbert Hals, den zoon van Roelof, den zoon van Jan, toen 
aan Gerard die Vryeze, korenkooper, zoon van Jan Gerritszn, 
verkocht eene kamer met haar erf, staande op het Klein Begijnhof 
in een huis, genaamd het nederhuys, tusschen de kamer van 
domicella van Gestel ex uno en de kamer van Luytgardis van 
Hemert ex alio, welke kamer Hille weduwe van Willem van 
Os gekocht had van den smid Bernard Huysman, waarna zij 
die weder verkocht had aan Hille en Catharina, de dochters 
van Jan Hals. Tal van dergelijke transporten komen in de 
Bossche Schepenregisters voor, doch zij zijn niet der moeite 
waard om ze ook te vermelden, omdat men er niet anders uit 
kan vernemen dan dat het Klein Begijnhof, zooals van Heurn 

1) Men zie over het Klein Begijnhof nog Taxandria III p. 156. 



— 259 — 

reeds schreef, uit verscheidene huisjes bestond. Thomas Cornelis 
van Kijckevorsel, hiervoren reeds meermalen genoemd, kocht 
in de jaren 1793, 94, 97 en 99 van verschillende eigenaren 
aan verscheidene van die huisjes, waarvan het huis de Nietnve 
Paushoed wel het voornaamste zal zijn geweest, brak ze af 
en bouwde er voor in de plaats het kapitale heerenhuis met 
tuin en koetshuis n° 49, dat aan de Postelstraat ten Zuiden 
van de Begijnen straat staat. 

Het huis, dat daarnaast in de richting van de Vuchter- 
straat staat en genummerd is 47, staat gedeeltelijk op het erf 
van het Spijkersgasthuis en gedeeltelijk op het erf van een 
daarnaast gestaan hebbend huis. Het Spijkersgasthuis was door 
Margariet Spijkers, begijn op het Klein Begijnhof, bij uitersten 
wil en codicil, respectievelijk van 6 October 1443 en 23 Juli 
1444, gesticht, waartoe zij bestemde het huis, dat op eerstbe- 
doeld erf stond, met bepaling, dat daarin eerst zouden gehuisvest 
worden vier eerlijke zusters, die zij bij haar testament had 
aangewezen en na dezen vier andere eerlijke vrouwen ; blijkens 
eene Bossche Schepenakte van 6 Mei 1515 (Reg. n° 111 f. 522), 
was toen mr. Lambrecht Zwederszn rector van dit gasthuis en 
woonden toen daarin Barbara van den Bossche ; Mechteld 
Laurensdochter; Gijsbrechtken, dochter van Mechteld voornoemd; 
Jutken Henrick Lambrechtsdochter en Dympna, dochter van 
wijlen Gielis Nuenhem. Den 30 Januari 1750 werd dit gasthuis 
door Wouter van Wolfsbergen, den toenmaligen rentmeester 
van hetzelve, verkocht aan den kapitein Hendrik Joseph de 
Bruynincx, den eigenaar van het daarnaast staand huis ; het 
Spijkersgasthuis had daarna geen eigen gebouw meer. 

Laatstbedoeld huis behoorde eens aan Jonker Engelbert 
Dirix, die te Vechel woonachtig was en zoon was van Adriaan, 
superintendent van den Demer en Hendrina van Broeckhoven 
Rogiersdochter 1); van hem erfde het diens oomzegger Jonker 

1) Deze echtelieden hadden ook nog een zoon Ferdinand Dirix 
en waarschijnlijk mede een zoon Philips ; "misschien ook nog een zoon 
Guiiiam Dirix, die gehuwd was met Anna Wredt, welke hem deze kinderen 
schonk : Adriaan en Reinier Dirix. 



— 260 — 

Christoffel Jacob Dirix Philipszoon, schout van Eoermoncl 1), 
die liet 18 Mei 1701 (Reg. n° 514 f. 106 v so ), als wanneer 
het gezegd werd te staan in de Postelstraat tusschen het 
Spijkersgasthuis ex ano en het huis van den speldenmaker 
Gijsbert Boons, ex alio, strekkende het zich achterwaarts uit 
tot aan het erf van dat gasthuis, verkocht aan Johan van 
Kessel, koopman te den Bosch 2), denkelijk dezelfde als de 
op blz. 180 genoemde Johan van Kessel, wiens vrouw was 
Maria Herincx. Later behoorde het aan genoemden kapitein de 
Bruynincx, clie dit huis, alsmede het Spijkersgasthuis afbrak en 
daarvoor een groot woonhuis in de plaats bouwde ; hij legateerde 
dat huis aan zijne echtgenoote Adriana Maria ab Angelis, met 
wie hij 30 October 1717 gehuwd was, dochter van Petrus en 
Maria Anna van Kessel, de dochter van Antonij en Lucretia 
van Gerwen. Zij maakte van clit huis een fldeicommis ten 
behoeve van Maria Magclalena Glaudina en Johannes Petrus 
Adrianus de Bruynincx als bezwaarde erfgenamen en hare 
eigene erfgenamen als verwachters. In Mei 1757 kwam zij kin- 
derloos te overlijde, waarop dit huis geërfd werd door hare 
genoemde bezwaarde erfgenamen; na hun overlijden verkochten 
de verwachters, zijnde Hendrina Maria Theresia van Kessel voor 
de eene helft, en Maria Agnes Vercamp weduwe van Johan 
van Bommel, Maria Johanna Vercamp, Bernard Jacob Half- 
Wassenaer, heer van Onsenoort en Nieuwkuik als gehuwd met 
Petronella van Engelen, Lucas van Engelen, B. K. priester te 
Antwerpen, Jonker Hendrik Joseph van der Vliert en Joanna 
Elisabeth van der Vliert weduwe van mr. Petrus de Blauwe, 
raadpensionaris der stad Brugge, voor de andere helft 3), den 
21 Augustus J792 (Reg. n° 598 f. 51 v so ) dit huis aan mr. Hugo 
Bowier, oud-schepen en raad van den Bosch; het werd alstoen 

1) Zijne zuster was Henrica Albertina Dirix, echtgenoote van Arnold 
van Wykerslooth, schout van Roermond. 

2) Deze kocht tenzelfden dage van de andere erfgenamen van 
voornoemden Engelbert Dirix een huis in de Stoofstraat, achterwaarts 
grenzende aan het door hem van Christoffel Jacob Dirix gekocht huis. 

3) Over de wijze waarop deze erfgenamen aan de erflaatster bestonden 
zie men Algem. Nederl. Familieblad YII blz. 178 en vlgd. 



— 261 — 

gezegd te zijn: huis en erf, mitsgaders koetshuis en stal daar 
naast staande, staande naast het huis van A. Laurentius ex uno 
en dat van Jonkvrouw Gratiana Maria Deutz ex alio ; genoemde 
Bowier verkocht het 15 December 1797 weder aan den dikwerf 
genoemden Thomas Cornelis van Rijckevorsel, die, als gezegd, 
toen reeds eigenaar was van de Vischmarktwaarts daarnaast 
staande huisjes en waarschijnlijk ook den stal en koetshuis van 
dit huis zal getrokken hebben bij het huis, dat hij op de erven 
van die huisjes bouwde. 

Het voorbedoeld huis der Jonkvrouw Deutz, zijnde thans 
genummerd 45, werd 22 Februari 1762 door Dr. Petrus Josephus 
van Berckel en voorts door anderen verkocht aan Diederik 
Huygens, oud-schepen en raad van den Bosch, zoon van 
Christiaan en Theresia Johnston van Elphinston; deze verkocht 
het 1 December 1781 weder aan Joan Abraham van der Voort, 
oud-gouverneur van Amboina ; het werd toen gezegd te zijn 
een huis met stal en koetshuis ; deze laatste verkocht het op 
zijne beurt 30 November 1789 aan genoemde Gratiana Maria 
Deutz, woonachtig te den Bosch, die het 27 November 1807 
verkocht aan mr. Jacob Marten Deutz van Assendelft, toen 
ook aldaar woonachtig; hij was eigenaar van het buitengoed 
Steenwijk onder Vught, dat hij 8 November 1808 verkocht aan 
Josephus Vermeulen, wethouder van den Bosch, zoon van 
Theodorus en Anna Coppens, — doch het werd toen door 
meergenoemde Gratiana Maria Deutz genaast, 

l. Het Refugiehuis der Abdij van Postel. 

Aan de overzijde der Postelstraat, een heel eind in de 
richting der Vughterstraat, stond een refugiehuis, waaraan eerst- 
gemelde straat, zooals wij reeds zagen, haren naam ontleende. 

De oudste geschiedenis van dit huis kan men leeren 
kennen uit Th. Ign. Welvaerts Het refugiehuis der Abdij 
Postel te 's Hertogenbosch. Blijkens dat werk blz. 10 legateerde 
Lambertus Sus, poorter van den Bosch, in Augustus 1258 aan 
de Abdij van Postel mansionem suam, in qua manebat in 



— 262 — 

Buschodicus cum omni edificio ad ipsam mansionem spectante, 
a fratribus dicti scenobii perpetue possidendam, met voorbehoud 
van zijn recht om zijn levenlang in dit huis te kunnen blijven 
wonen. Gerard van Eyck, prelaat der Abdij van Floreffe, 
waarvan de Abdij van Postel tot in het begin der 17e eeuw 
een filiaal was en Henrick van Eyck, overste der laatstgemelde 
Abdij, verhuurden 6 November 1475 dit refugiehuis, dat daarbij 
omschreven werd als: nostre maison, que Ton dist de Postte 1), 
en la ville de Bosleduc, gisans en la rue nommê la rae de 
Postte, (avec) jardin, prez et pourpris deca et dela riviere, oü 
demeurt presentement la veuve de feu Gerard Boste, ainsi 
qiïelle est enclose de pauois alencontre de la court et place 
de nostre dite maison et Ie petit edifice oü Von mettoit les 
tourbes et bols, voor den tijd van 70 jaren aan Guy de Brimeu, 
heer van Humbercourt, graaf van Megen, enz. 

Nog denzelfden dag stond deze aan de kloosterlingen 
der Abdij van Postel toe om in dit huis hunnen intrek te 
nemen quand ils yront au Bos Ie Duc, doch alleen en V absence 
van hem en zijne tres chiere et tresainte compaigne presente 
ou aucun ou de noz Jioirs ou ayans cause, ou leurs compaignes, 
noz successeurs de la dite maison. De Graaf van Megen of 
zijne erven hield dit huis geen 70 jaren lang in huur want 
reeds in 1485 werd het door genoemden prelaat en overste 
voor den tijd van 12 jaren verhuurd aan Gooswyn van den 
Heesakker, onder voorwaarde echter dat genoemde geestelijken 
met hunne bloedverwanten en bedienden er steeds hun intrek 
in konden nemen. Later werd daarvan huurder Gerard van 
Gerwen en 16 Februari 1524 huurde het Goyart van Eyck 
ook voor den tijd van 12 jaren, die geacht werden reeds in 
1519 te zijn aangevangen. Onmogelijk is het niet, dat Floris 
van Egmond, bijgenaamd Fleurtje Dunbier, graaf van Buren 
en Leerdam, heer van Ysselstein, St. Maartensdijk, Kranendonk, 



1) In eene Bossche Schepenakte van 1567 (Reg. n° 236 f. 244) wordt 
dit huis geheeten thuys van Postel, bestaande uit huis, erf en ledige plaats, 
staande in de Postelstraat tusschen het erf van domicella Sophia wed. van 
mr. Raese Raessens ex uno en een straatje ex alio. 



— 263 — 

enz. in 1535, toen hij, zooals Cuperimis verhaalt 1) des Sondachs 
op sinte Annendach te den Bosch die papegay heeft afgeschoten 
van den Jongen Schutten, dit huis in huur had, want Cuperinus 
deelt verder nog mede, 2) dat deze Graaf sijn ivooninghe 
of herberghe hadde in die Posteïstraet. Den 2 Mei 1614 
(Reg. n° 314 f. 250) verkocht d'Eeriverdighe heer e, heer en 
mr. Rombout Colibrant, proviseur des Goidtshuys van Postel, 
daartoe behoorlijk gemachtigd, dit refugiehuis, dat toen aldus 
omschreven werd: huys, erve, zydelhuis met zyne gronden, 
poirte, poirthuysken, plaetsche, hoff, mit een brugge over den 
strom ofte ivater aldaer vlietende, ende hoff over het voirs. 
water liggende, met allen zynen rechten ende toebehoirten, 
gemeynlick genoempt thuys van Postel, gestaen ende gelegen 
in de straete, genoemt de Postelstraete, tussen huys ende 
erve Michiels van der Sterren totten water toe ende voirts 
neffens erffenisse eens schaemel mansgasthuys, genoempt Loyers 
Gasthuys, ex uno ende tussen erffe Arndts van Heesch, des 
secretaris deser stadt 3) ende een straetken, uutcoemende op 
het water aldaer, ende voirts den hoff over het ivater neffen 
erffenisse ofte bleycke Goyaerts Gerartszn van de Grave, ex 
alio, streckende voir van de gemeyn straet, die Posteïstraet 
genoempt ende den erven des voorn. Arndts van Heesch achter- 
ivaerts tot op erffenisse mr. Hartens Fierlantz, rentmeester 
van de domeynen van Brabant int quartier deser stadt, des 
convents van den Ulenborch ende meer andere geerffden in 
de Berivoutstraet 4), aan Goyaerden van Engelandt, priestere 

1) Dr. G. R. Hermans Kronijken p. 109. 

2) Dr. G. R. Hermans eod. blz. 18. 

3) Jan Buyl, als meester en provisor van het Huis van Postel, had 
namens die Abdij dit huis in 1556 (Reg. n° 193 f. 331) verkocht aan Jan 
Kuysten, priester en kanonik der St. Janskerk te den Bosch, waarna 
13 Dec. 1561 (Reg. n° 206 f. 341) diens bastaarddochter Elisabeth en Adam, 
zoon van Mathijs van den Laer, als man van Maria, zijne andere bastaard- 
dochter, dit huis, (dat nu gezegd wordt te staan in de Postelstraat aan 
den hoek van het Waterstraatje tusschen dat straatje en het ledig erf 
der Abdij van Postel), verkoopen aan mr. Willem van Emmerick Janszn. 

4) In eene Bossche Schepenakte van 1503 (Reg. no 98 f. 466), 
waarbij een huis in de Berewoutstraat verkocht werd, staat, dat dit huis 
achterwaarts zich uitstrekte ad pratum domus de Postnlo,fossataquodam 
int er ja cent e. 



— 264 — 

tot behoeff van de eerto er dighe Patres van de Capacinen binnen 
deser stadt tot erectie ende bouivinghe van een convent ende 
kercke voir denselven Patres der Capacinen. in conformiteit 
van het octrooi hun daartoe 19 December 1611 door de Aarts- 
hertogen Albert en Isabella verleend. De Paters Capucijnen 
vestigden zich daarop voorloopig in dit refugiehuis totdat zij 
hun klooster daarachter hadden gebouwd, zooals nader zal 
worden medegedeeld. Toen hebben zij, zooals bij de beschrijving 
van hun klooster uitvoeriger zal worden vermeld, het refugie- 
huis met Guiliam Aertsen 1) geruild tegen onroerend goed 
van dezen ; wat er verder met dit refugiehuis is geschied blijkt 
eerst op 2 Mei 1739; op dien datum is toch dit huis, hetwelk 
alstoen Het Keizershof geheeten werd, waarschijnlijk omdat 
het toen al een logement zal geweest zijn, door den Ontvanger 
van de verpondingen over den Bosch enz. wegens achterstallige 
belasting ten laste van deszelfs toenmalige eigenares Margaretha 
van Megen weduwe van Johannes Brierye gerechtelijk verkocht 
(Eeg. n° 559 f. 300 v so ) ; het werd toen aldus omschreven : 
een schoone groote huysinge met syne saletten, kam,ers, keuken, 
vijf kelders, slallinge, ende een groote plaats, mitsgaders een 
magnificque tuyn in sijn muuren, beplant met verscheyde 
vrugibomen en een tuynhuys met een vrye toegang tot de Diese, 
gemeenlijk genaamt het Keyzershof, staande in de Postelstraat 
naast het huis der erven van Adriaan van Boxel, en zich van 
de Postelstraat achterwaarts uitstrekkende tot aan het huis en 
erf van Jan Louis Verster. Kooper werd toen daarvan de reeds 
op blz. 213 genoemde Jacob Sassen, die toen al gezegd werd 
burger van den Bosch te zijn. Hij vergrootte dit huis, door op 
23 Juni 1750 (Reg. n° 565 f. 288 v so ) van mr Gerard Smits, 
advocaat te den Bosch, in diens hoedanigheid van bij zonderen 
curator over Reinier, Catharina, Piet en Johannes van Boxel, 
minderjarige kinderen van Adriaan van Boxel en Mechtilde 
Theodora van Ingen, zoomede in diens qualiteit van gemachtigde 
der meerderjarige kinderen dezer echtelieden, zijnde Maria 

1) Zijne vrouw was Petronella van Broeckhoven. 



— 265 — 

Aloysia van Boxel, Anna Theresia van Boxel, echtgenoote van 
Adrianus Cornelis van Wevelinkhoven, mr Cornelis van Boxel 
en Michiel Guilelmus van Boxel, daarbij aan te koopen een huis 
niet erf, staande in de Postelstraat eenerzijds tusschen het erf 
van het voormalig Capucijnenklooster. toebehoorende aan Jan 
Louis Verster, en anderzijds tusschen dat van hem, kooper, en 
zich achterwaarts uitstrekkende van af gezegde straat tot aan 
het erf van hem, kooper. Dit laatste huis was in 1717 bij de 
deeling, welke toen ten overstaan van den Bosschen notaris de 
Bye 1) tusschen genoemden Adriaan van Boxel, Michiel van 
Boxel, beiden kooplieden te den Bosch, Catharina en Maria 
Anna van Boxel, ook aldaar wonende, plaats had van de nala- 
tenschappen hunner ouders Reinier van Boxel (of Boxtel), ook 
koopman te den Bosch en Anna van der Waarde, toebedeeld 
aan meergenoemden Adriaan van Boxel. 

Jacob Sassen maakte van deze beide door hem gekochte 
huizen een logement, dat hij onder den naam van het Oucl- 
Keizershof exploiteerde. 

Hij huwde tweemaal; 1° in 1733 met Anna Maria van 
Aalst, geboren te Boxtel en woonachtig in het huis de Eenhoorn 
in de Karstraat te den Bosch; 2° in 1745 met Maria Anna 
Hermans, geboren te Boxmeer ; uit dit laatste huwelijk had hij 
o. a. twee zonen: Hubertus Sassen, mr. zilversmid te den Bosch, 
die gehuwd was met Antonetta Maria Ruwel en Jacobus Sassen, 
posthouder der Hollandsche wagenposterij te Maastricht, die 
met hare zuster Anna Maria Ru wel was gehuwd; deze beide zonen 
alsmede Petrus Cnoebart waren uitvoerders van den uitersten 
wil hunner moeder Maria Anna Hermans weduwe van Jacob 
Sassen, in welke hoedanigheid zij 6 Maart 1798 (Reg. n° 621 
f. 358 v so ) aan Cornelius Sebastianus van Boeckel, wonende te 
Achel, verkochten voormelde tot een gemaakte huizen, die als- 
toen omschreven werden als: huis met erf, stal en koetshuis, 
genaamd het Oud- Keizershof, staande in de Postelstraat tusschen 
A. Verster ex uno en Bartholomeus Roeters ex alio en zich 



1) Blz. '286 van zijn protocol. 



— 266 — 

achterwaarts uitstrekkende tot aan de Dieze. Dit huis diende 
toen nog, zooals van Heurn in zijne Beschrijving schreef; tot 
een logement en uitspanning der postwagens, die van den Bosch 
naar Maastricht ryden en is merkelijk veranderd. Het bleef een 
logement, totdat de Zusters van Engelen het in 1857 tot een 
liefdegesticht aankochten; lang bleef nog daarna het opschrift : 
het Keizershof, dat op de poort daarvan stond, door de verf heen 
schijnen. Omstreeks 1868 hebben zij het afgebroken en daarvoor 
haar tegenwoordig liefdegesticht in de plaats gebouwd, dat zij 
in 1910 nog hebben vergroot met daarbij aan te trekken een 
gebouw, dat zij deden zetten op het N.waarts daarnaast gestaan 
hebbend huis de Kroon, dat de koopman Beinier van Boxel (of 
Boxtel), 8 Juni 1688 bij gerechtelijke uitwinning had gekocht 
(Reg. n° 479 f. 102 v so j en alstoen werd gezegd te zijn: „huis, 
erf, tuin en achterhuis, staande tusschen het huis van Guilliam 
van Broeckhoven's erfgenamen ex uno en dat van Juffrouw van 
van Weert weduwe Seberts of Zyberts 1) ex alio en zich 
achterwaarts uitstrekkende tot aan de Dieze/' Den 1 April 1599 
(Reg. no 248 f. 385) hadden Jan en Wouter, zonen van wijlen 
mr. Wouter van Achelen en Elisabeth, de dochter van Dirck 
Aerdszn senior; Aelken, dochter alsvoren en weduwe van 
mr. Zeger Adriaanszn, raad van den Bosch; Anthony Dirckszn 
de Raet als man van Francoysken, dochter alsvoren; Elisabeth 
weduwe van Lambrecht, zoon alsvoren en hun zoon Dierck, c. s. 
dat huis de Kroon met een ander daarnaast staand huis. welke 
beide huizen alstoen omschreven werden als: twee huysenmet 
henre gronden, hoff ende achterhuys, malcanderen aenliggende 
in de Postelstraat tusschen het Huis van Postel ex uno en het 
erf, dat eertijds was van Gerard Colen 2), nu van den bakker 



1) Dit huis werd 23 September 1737 (Reg. no 548 f. 4) door mr 
Pieter van Straelen, heer van Yfilheeze, woonachtig te Eindhoven, die 
verklaarde het geërfd te hebben van zijnen oom Melchior Zyberts, verkocht 
aan Johannes van den Bogart, mr wollenverwer te den Boscb; het werd toen 
gezegd te staan tusschen de huizen de Kroon en het Kasteel van Onsenoort. 

2) Gerard Colen Gerardszn, secretaris van den Bosch, had dit huis 
3 Maart 1571 (Reg. no 221 f. 84) gekocht van Dirck Aerdszn junior, zoon 
van Dirck Aerdszn. 



— 267 — 

Mathijs Janszn ex allo en zich achterwaarts uitstrekkende 
tot aan het water, door mr Wouter van Achelen voornoemd 
c. s. in 1592 bij gerechtelijke uitwinning gekocht, verkocht aan 
Michiel van der Sterren, bijgenaamd Bontenos, kapitein van 
een vendel soldaten in 'sKonings dienst, die den 2 October 1591 
van Gregoris van der Meer Dierckszn, raad van den Bosch, 
had gekocht een kasteel, staande tegenover de tegenwoordige 
Protestantsche kerk van Berlicum bij clen Bosch, dat hij 
1 Augustus 1595 weder verkocht aan Gielis de la Couture. 

m. Het voormalig Capucijnenklooster. 

De stichting van dit klooster werd mogelijk gemaakt 
door Goyard van Engeland, die gedurende eenige jaren schepen 
van den Bosch was en na doode zijner vrouw Zeeuwken, dochter 
van Lambert Vastards, welke 5 Juli 1602 stierf, priester was 
geworden. Volgen der wijze verhaalde hij aan pater Cyprianus 
van Antwerpen, provinciaal der Gapucijnen en aan pater Judocus 
van Gend, toen zij bij hem te gast waren, hoe hij er toe was 
gekomen om mede te werken tot de stichting van een Capucijnen- 
klooster: „Ik was, zoo sprak hij, nog geheel onbekend met de 
Orde der Capucijnen, toen ik op zekeren dag met een knecht je 
naar mijn buitengoed, gelegen in het dorp Nuland, ging, en 
mij aldaar op eens een monnik verscheen. Ik zag hem geknield, 
met gevouwen handen, als in het gebed verslonden. Hij droeg 
een kleed, gelijk aan het habijt der Capucijnen. Mijn dienst- 
knecht zag eveneens den monnik. Wij beiden waren ontsteld, 
ofschoon deze gebeurtenis op klaarlichten dag, het was omstreeks 
tien uur in den morgen, plaats greep. Ik zeide tot den knaap: 
ga er eens naar toe en zie wat die monnik doet. Hij durfde 
niet. Toen gingen wij samen, maar zie, plotseling was de 
monnik verdwenen. Ik waande mij door den schijn bedrogen, 
riep een landman, doch na veel zoeken mochten wij ook nu 
niemand bespeuren. Wanneer ik nu des anderen daags wederom 
naar mijn buitengoed wandelde, verscheen mij dezelfde gedaante, 
die echter weder even spoedig verdween. Alstoen kwam bij 



— 268 — 

mij de gedachte op om te Nuland een gasthuis te bouwen 
tot ondersteuning van oude, hulpbehoevende armen, doch de 
inwoners van dat dorp weigerden zich met het onderhoud van 
dat gesticht te belasten en zoo kwam er van dat plan niets. 
Daarna kwam de Capucijnerpater Henricus van Rijn, uit het 
Capucijnenklooster te Maastricht, in de St. Janskerk te den 
Bosch preeken; ik hoorde zijne preek en alstoen vatte ik, 
in de meening zijnde dat zulks met het visioen, dat ik had 
gehad,was bedoeld, liet voornemen op om in de plaats van een 
gasthuis te Nuland een Capucijnenklooster te den Bosch te 
stichten." Van Engeland bood daartoe aan een paar huizen in 
de Diepstraat aldaar, die hij in 1612 daartoe had gekocht, ter 
vervanging van een zijner huizen aan de Windmolenbergstraat 
aldaar, dat hij het jaar te voren daartoe had bestemd, doch 
er niet geschikt voor was. Ook die huizen bleken daarvoor 
niet geschikt te zijn en daarom kocht hij, gesteund met eene 
gift van fl. 1000, die de Regeering der stad den Bosch daartoe 
had gedaan, in het jaar 1614, zooals wij reeds zagen, het 
Refugiehuis der Abdij van Postel voor een Capucijnenklooster 
aan ; de Capucijnen vestigden zich voorloopig daarin, zoodat 
in eene Bossche Schepenakte van 1614 kon vermeld worden 
dat de Paters Capucijnen gevestigd waren in de huysinge 
van Postel, doch dit gebouw was voor hun klooster ook niet 
geschikt waarom dan ook bij den aankoop daarvan reeds 
besloten was in den voorste der daartoe behoorende tuinen een 
klooster met kerk te bouwen; die tuinen vergrootten zij nog 
met verschillende andere erven; zoo verkochten 14 November 
1614 (Reg. n° 315 blz. 70) mr. Maarten Fierlandts, raad en 
rentmeester-generaal der Domeinen van Brabant in het Kwar- 
tier van den Bosch, diens broeder Francois en diens andere 
broeder Theodore, commies-generaal van de affaires van den 
Graaf van Hohenzollern, aan J or . Peter van Broeckhoven, raad 
en rentmeester der Staten van Brabant in het Kwartier van 
den Bosch, tot behoef van de Eerw. Paters van de Cappucinen 
van den Bosch om by hen neffens de huysinge ende erffenisse 



— 269 — 

van Postel gebruyckt ende geemployeert te ivorddene tot erectie 
van convent, kercke, etc. seeckere voortij ts huysinge, over 
het water gelegen, mit zynen gronde, rosmolen, mit den hof 
daertoe behoorende, nu all te samen affgebrocken ende bleyckvelt 
zijnde, gelegen achter de Vughterstraat achter het huis met 
erf, genaamd de Catherine, toebehoorende aan den bierbrouwer 
Leunis Simonszn, tusschen de Dieze ex nno en voorts rondom 
de erven van de Huysinge van Postel, toebehoorende aan 
genoemde Paters en het ook aan de Vughterstraat staand huis 
de Blauwe Leeuw, toebehoorende aan Gerard van de Grave, 
mitsgaders de brug, waarover men over het water gaat van 
het erf van het huis de Catherine naar gezegd bleekveld; 
item de helft van de materialen van een bleekhuisje, op dat 
veld liggende, behoorende dé andere helft daarvan toe aan 
genoemden van de Grave, haddende Symon Fierlandt, vader 
der verkoopers, het verkochte gekocht 22 Januari 1599; voorts 
huis, erf en tuin, staande in de Aert Berewoutstraat tusschen 
het erf van hen. verkoopers, ex uno en dat, hetwelk voorheen 
was van Michiel Joosten, een gangske tusschen beiden liggende, 
ex alio, strekkende van de straat tot aan het erf van gemeld 
huis de Blauwe Leeuw, zijnde dit goed door Johanna weduwe 
van Wouter Pijnappel Willemszn 21 April 1598 verkocht geweest 
aan genoemden Symon Fierlandt; eindelijk een tuin of boom- 
gaard, zijnde voorheen geweest huis, erf en tuin, gelegen in de 
Aert Berewoutstraat tusschen het erf van de Wed e Schepers 
ex uno en dat van Jan Lamberts ex alio, den 16 Februari 1585 
door Wouter de Luyck als man van Hendrica, dochter van 
Jacob Herman szn van Eyck, verkocht geworden aan denzelfden 
Symon Fierlanclts. 

Het zelfde deden in hetzelfde jaar (blz. 124 eod.) Jan 
van den Dunghen met zijn huis en tuin, staande en gelegen 
aan de Aert Berewoutstraat en zich achterwaarts uitstrekkende 
tot aan het erf van het Huis van Postel en de bakker Otto 
Adriaanszn met zijn huis en tuin, in dezelfde straat gelegen en 
zich achterwaarts tot hetzelfde erf. 



— 270 — 

Den 8 December 1614 (Reg. n° 340 f. 89) verkochten 
Jenneken, dochter van wijlen Lambert Janszn van Berlikom 
en haar broeder Jan aan denzelfden J or Peter van Broeckhoven 
ten behoeve van de Paters Capucynen van den Bosch omme 
neff'ens d' andere huysinge ende erffenisse van Postel geem- 
ployeert ende geconverteert te ivordene tot erectie ende opbou- 
ivinge van een convent voor denselven Paters van de Capucinen 
(daartoe gemachtigd door de Aarsthertogen Albert en Isabella 
van Brabant), een huis met erf en tuin, staande en gelegen 
in de Aert Berewoutstraat tusschen het erf van Jan van den 
Dungen, vetteivarier cremer. ex nno en tusschen het erf van 
de Zusters van het Convent op de Ulenborch, ex alio, strek- 
kende zich van gezegde straat achterwaarts uit tot aan het 
erf van het Huis van Postel, nu de eerwaarde Paters van de 
Capucinen. 

Ook kochten de Paters Capucijnen bij deze erven nog 
aan het Loyersgasthuis en een stuk van de straat de Uilenburg, 
waaraan dat gasthuis stond. Door al deze aankoopen waren zij 
eigenaars geworden van een zeer uitgestrekt terrein, dat zich 
van de Postelstraat langs het Waterstraatje 1), nu abusievelijk 
geheeten de Capucijnenpoort, en de erven van de aan de Vughter- 
straat staande huizen eenerzijds en den tuin van het vroegere 
klooster Marienburg op de Uilenburg anderzijds zich uitstrekte 
tot aan de Berewoutstraat. Op dit terrein, waarop men van de 
Postelstraat kwam door na te melden poort, die tusschen het 
Refugiehuis van Postel en het huis, genummerd Postelstraat 
no 16 stond en die altijd de Capucijnenpoort geheeten heeft, 
begonnen de Paters Capucynen achter laatstbedoeld huis in 1615 
hun klooster met kerk te bouwen ; voor deze kerk legde toen 
de Bossche Bisschop Zoesius den eersten steen, terwijl voor het 
klooster vanwege de stad door een harer Schepenen de eerste 
steen werd gelegd, die daaronder twee dubbelde Albertus'seD, 
ter waarde van ongeveer elf Carolusguldens, inmetselde; in 



1) Dit straatje werd in eene Bossche Schepenakte van 1577 (Eeg. 
no 237 f. 464) geheeten: dat straetken neven den Postel. 



— 271 — 

datzelfde jaar gaf de Eegeering der stad aan de Capucynen 
tot bouw van hunne kerk fl 100 en in het volgend jaar nog 
fl 1000 en stond zij hun bovendien toe om daarvoor in de stad 
te collecteeren. Den 16 Januari 1618 was deze kerk voltooid 
en is zij toen gewijd ; in datzelfde jaar werd gebouwd de reeds 
gemelde Capucynenpoort, waardoor men van de Postelstraat in 
het klooster en de daarbij behoorende kerk kon komen ; voor den 
bouw van die poort had de Regeering der stad 3000 steenen 
gegeven, terwijl zij nog fl 40 schonk om boven die poort het 
beeld van den H. Franciscus te plaatsen; bij deze schenkingen 
der stad bleef het niet, want zij gaf in datzelfde jaar aan de 
Capucynen ook nog fl 1000 om te bouwen een muur tusschen 
het erf van hun klooster en dat van het klooster Mariënburg 
op de Uilenburg. 

Toen hun klooster gereed was verlieten de Capucijnen 
het Refugiehuis van Postel en betrokken dat kloostermetterwoon; 
zij hebben daarop dat refugiehuis met een deel van deszelfs 
tuin met Guiliam Aertssen 1), zoon van wijlen Dirck Aertsen 
(of Aerdsen) en Rasa, de dochter van wijlen mr. Gerarcl Hack, 
tegen onroerend goed van dezen geruild, zooals blijkt uit eene 
Bossche Schepenakte van 4 Maart 1617 (Reg.n°318 f. 276 v so ), 
waarin daarover het volgende voorkomt : , .Peter Janszn Mutsaerts 
als geordineerde ende genomineerde directeur off werelijck vader 
van de eerwaerdiche Patres van de Capucinen binnen deser 
stadt ende henne goederen alhier, (gemachtigd) door den Eer- 
weerdiche heere ende Pater Simon Aldenardensis, provinciael 
des ordens der Capucinen over de provincie van Vlaenderen in 
Nederduitzlandt, ter eenre ende Guiliam Aertsn, zoen e wylen 
Diercx Aertsn ende Rasa, dochter wylen mr. Gherarts Hack, 
ter andere zyde, hebben oipentlick beleden ende bekent, dat de 
voirs. Eerweerdiche Patres van de Capucinen binnen deser stadt 
mitten voirs. Guiliam Aertsn hebben gemaect ende aengegaen 



1) Van zijne vrouw Petronella van Broeckhoven, die eene dochter 
zal geweest zijn van Rogier en Elisabeth van Jabeek, had hij geene 
kinderen. Zij stierf in of omstreeks het jaar 1672. 



— 272 — 

zeeckere erffmangelinghe ende permutatie van zeeckere parthyen 
van gronden van erven, malcanderen by ende aengelegen aen 
henne erffenissen, gestaen ende gelegen binnen deser voirs. 
stadt in de Postelstraete, in alsulcke vuegen ende gestaltenisse 
gelijck de voirs. erffenissen ter wedersyden tot elcx gerieff zijn 
mit mueragien affgeteeckent, bevrijdt ende affgeheympt,'' waarna 
zij hunne wederzij dsche rechten en verplichtingen ten aanzien 
van die muren met elkander regelden. 

De Capucijnen bleven niet lang in het bezit van hun 
nieuw klooster, daar reeds in 1629, toen den Bosch zich aan cle 
Staatschen had moeten overgeven, hetzelve ten behoeve van het 
Rijk werd verbeurd verklaard en zij het alstoen moesten verlaten. 
Het Eijk heeft het daarop verhuurd aan Andries de Fresne, 
raad én rentmeester der Domeinen in de stad en Meierij van 
den Bosch en ontvanger van cle gemeen e middelen in die stad. 
Scotte en Gruys in hunne hoedanigheid van Gecommitteerden 
van den Raad van State kwamen daarna in 1636 met dezen 
overeen, nadat zij zei ven het klooster hadden bezichtigd en 
het bovendien hadden doen opnemen en schatten door Pieter 
Bilderbeeck, opzichter en Frans Blom, toen timmerman te den 
Bosch, dat hij het van den staat zoude koopen, waarop Pietei" 
Schuyl, als raad en rentmeester der geestelijke goederen aldaar 
hem den 26 November 1636 het Capucijnenklooster verkocht, 
hetwelk alstoen omschreven werd als volgt : het clooster ofte 
hitysinge, voorplaetse ende lioff'. 1) Op welke wijze dit klooster 
daarna van hem is gekomen aan Henrietta Maria Blom, dochter 
van Nicolaas en Elisabeth Wylde, is mij niet kunnen blijken. 
Van genoemde Henrietta Maria Blom werd het vervolgens 
geërfd door Leonora Wylde, die het ten huwelijk bracht aan 
haren man Diederick Ruysch, commissaris-ordinaris van de 
monstering en raad van den Bosch. 

Van hem erfde het hunne dochter Florentina Ruysch, 
de huisvrouw van Christoffel baron van Galen; deze verkocht 



1) Reg. no 374 fol. 346. 



— 273 — 

20 November 1717 1) het voormalig Capucynenklooster aan 
Nicolaas Smeyers, wonende te den Bosch; het werd alstoen 
omschreven als volgt: huysinge, poorte, voorplaatse, herck, 
binnenhoven ende den groot en hof, gemeenlijch genaamt het 
CapucinenMooster, gelegen aan de Postelstraat, achteruitgaande 
Westwaarts met een poortje in de Berewoutstraat en bezijden 
Noordwaarts met een e poort achter den Uilenburg, door ver- 
kooper en zijne huurders gebruikt wordende. 

Genoemde Smeyers (wiens vrouw was ElisabethLediger- 
mans, die na zijnen dood hertrouwde met Hendrikus Couwenberg) 
verkocht 12 Aug. 1729 (Reg. n° 544 f. 131 v so ) het gewezen 
Capucynenklooster, zooals het in laatstgemelde akte was om- 
schreven, aan Jan Louis Verster, notaris en procureur, schepen 
en raad te den Bosch 2). Het kloostergebouw en de kerk 
van dit klooster verkeerden toen blijkens Foppens Historia 
Episcopatus Sylvaeducensis p. 298 in dezen staat: Conventus 
hodieque in totd ferme integritate perseverat una cum templo, 
nisi quod circa annum 1700 turriscorruerit. Den 2 Jan. 1742 
(Reg. n° 560 f. 456) droeg Jan Louis Verster dit voormalig 
klooster met kerk tegelijk met het voormalig klooster Catharinen- 
berg te Oisterwijk, dat de Staat aan hem den 11 Dec. 1729 
had verkocht, over aan zijnen zoon Abraham Verster, drossaard 
van St. Michiels-Gestel, oud-schepen en raad van den Bosch 
en rentmeester der geestelijke goederen in de Kwartieren van 
Oisterwijk en Kempenland. 

Ten tijde dat genoemde Abraham Verster dit gewezen 
Capucynenklooster bezat, waren de kerk en het kloostergebouw 
daarvan nog in wezen, behoudens dat toen reeds, als gezegd, 
op de kerk geen torentje meer stond en dat het kloostergebouw 
in twee aparte huizen gesplitst was. 

Den 14 Juli 1801 verkochten zijne kinderen, behuwd- en 
kleinkinderen, zijnde: Dr. Florentius Verster, wonende te den 



1) (Reg. n° 5S8 f. 142) 

2) Hij was zoon van Abraham Verster en Henrietta Margaretha 



van Woerkom en huwde als gezegd met Catharina Gast. 



18 



— 274 — 

Bosch l); mr Comelis Jacob Speelman, heer van Heeswijk 
en Dinther, wonende te Heeswijk, als gehuwd met Catharina 
Verster; Willem Guerin, wonende te den Bosch, als gehuwd 
met Geertruy Verster; Abraham Gijsbert Verster, wonende te 
Amsterdam; mr. Joost Eomswinkel, wonende te Leiden, als 
gehuwd met Henriette Geertruy Verster en Agnes Maria de 
Lepo weduwe mr. Jean Louis Verster, voor zich en in hare 
hoedanigheid van moeder-voogdes over hare minderjarige kin- 
deren Florentia Anna, Henrica en Abraham Arnoldus Josephus 
Verster, aan den op blz 265 genoemden Cornelius Sebastianus 
van Boeckel, die vroeger te Achel en nu te den Bosch woonachtig 
was: de kapel van het geiveeze CapucyneMooster met alle de 
gebouwen ten O. van deselve en de open plaats ten Z. en ten 
O. van gemelde kapel, begrensd ten W. door den muur van den 
tuin, ten Z. door den muur van de Dieze, den muur van het 
straatje en het erf van J. cle Gruyter, ten O. door de Poort aan de 
Postelstraat en N. door de erven van den kooper; den 6 November 
1799 had hij van hen reeds van dit kloostergoed gekocht: een 
huisje met een tuintje daarachter, staande aan de Postelstraat 
op den hoek van cle Capucynenpoort en ingang hebbende door 
die poort, begrensd eenerzijds door die poort en anderzijds door 
het Oud-Keizershof en zich achterwaarts uitstrekkende tot aan 
den stal van cle verkoopers, terwijl hij, zooals wij hiervoren 
reeds zagen, den 6 Maart 1798 ook al had gekocht het gewezen 
Eefugiehuis der Abdij van Postel. Zoo waren nu voor een goed 
deel weder in eene hand de goederen, die de Capucynen in het 
begin van 1617 te den Bosch bezaten. 

Het voormalig klooster en kerk der Capucijnen zijn in 
de eerste helft der 19e eeuw gesloopt geworden, Thans zijn 
bijna al de goederen, die zij in het begin van 1617 te den 

1) Hij was aldaar geneesheer, schepen en raad; den 14 Augustus 
4747 werd hij er geboren en hij overleed er 24 April 1802; hij huwde 
met 1° Antonia Emilia van Heurn ; 2° Sabina Wilhelmina Mollerus; zijne 
eerste vrouw schonk hem Jan Francois Leopold Verster, die inspecteur 
der registratie en lid van den Gemeenteraad te den Bosch was en zijne 
tweede vrouw baarde hem een zoon Abraham Hendrik Verster, heer van 
Wulverhorst en opperhoutvester. 



— 275 — 

Bosch hadden liggen en ook bijna al de goederen van het 
vroegere Bossche klooster Marienburg eigendom der Zusters 
van Engelen, of zooals zij officieel heeten : der Zusters van 
het Gezelschap J. M. J. 

n. Het Gele Huis. 

N° 13. 

Hoewel dit huis nooit heeft uitgemunt door omvang of 
door bouwstijl, zoo wordt het hier toch door mij beschreven, 
omdat naar mijne overtuiging het is geweest het ouderlijk huis 
van den Bosschen heilige, den H. Leonardus van Vechel, een 
der martelaren van Gorcum, eene overtuiging, die hierop is 
gevestigd, dat dit huis het eenige huis was, dat zijn vader 
bezat en het geheel onwaarschijnlijk is, dat deze, die in den 
Bosch het eenvoudig beroep van kaarsemnaker uitoefende, daar 
een ander huis zoude bewoond hebben. 

Die vader, wiens voornaam was Goyard en wiens vader 
was Peter Peterszn van Vechel, kocht 8 Maart 1546 (Reg. 
n° 172 f. 149 v so ) de helft in dit huis bij eene akte, die 
luidt als volgt: 

Cum Johannes, filius legitimus quonclam Hermanni 
Michielsz, ab eodem et quondam Margareta, sua uxore, filia 
quondam Willelmi Robbyns, pariter genitus; Lambertus, filius 
Mathiae Ghysbertszn et Johannes, filius naturalis Henrici clicti 
Verbeeck, ab eodem Henrico et quondam Maria, sorore, dum 
vixit, quondam Johannae, filiae dicti quondam Willelmi Robbyns 
relictaeque, dum vixit, quondam Henrici Voss, filii quondam 
Jacobi Voss, pariter genitus, tanquam legatarii seu heredes dictae 
quondam Johannae relictaeque quondam Henrici Voss, tanquam 
potentes vigore testamentorum dicti quondam Henrici Voss 
necnon dictae Johannae, medietatem cujusdam domistadii, siti 
in Buscoducis in vico, tendente a vico Vuchtense versus Forum 
piscium in opposito domus de Postula inter hereditatem Catharinae 
relictae quondam Arnoldi clicti van der Weyclen ex uno et inter 



— 276 - 

hereditatem Gerardi dicti die Cuyper ex alio latere et medietatem 
domus snpra dictum domistadium exsistentis bereditarie suppor- 
tassent Engberto, filio quondani Henrici Toelinck,prout in litteris, 
constitutus igitur coram scabinis infrascriptïs Theocloricus, filius 
dicti qnondam Engberti, filii quondam Henrici Toelinck, dictam 
medietatem domistadii et dictam medietatem domus supra dictum 
domistadium existentis bereditarie supportavit Godefrido, filio 
quondam Petro Peterszn de Vecbel. 

Den 11 April 1548 (Reg. n° 174 f. 328) kocht 'de vader 
van den H. Leonardus van dit huis de andere helft bij eene 
akte van den navolgenden inhoud : 

Vermits Johanna weduwe van Henric Voss Jacobszn uit 
kracht van diens testament de helft van een huis met erf, 
staande te den Bosch in de straat, die loopt van de Vughterstraat 
naar de Vischmarkt, tegenover het Huis van Postel, tusschen 
het huis van Johannes de Roey ex uno en dat van Lambert 
die Cuyper Gerardszn ex alio, welk huis genoemde Henric Vos 
gekocht had van mr. Jan van Lytt, timmerman en diens vrouw 
Heylwich weduwe van Jacob van Bree Jacobszn, verkocht 
had 1) aan Jacob Janszn van Dueren, glazenmaker (vitrifex); 
vermits daarna Jan, zoon van genoemden Jacob van Dueren en 
weduwnaar van Elisabeth, dochter van Mathias die Vlemminck, 
het vruchtgebruik van deze helft in gezegd huis, nu staande 
in de Postelstraat tusschen clat van Comelis, den schrijnwerker, 
ex uno en dat van Johannes van Rode (of de Rode) ex alio 
en zich achterwaarts uitstrekkende tot het erf van den messen- 
maker Henrick van Roggel, afgestaan had aan Jacob, den 
zoon van Jan van Dueren en Elisabeth voornoemd, alsmede 
aan Andries, zoon van Henrick van Broeckhoven, als man van 
Anna, dochter van genoemden Jan van Dueren en Elisabeth, 
de dochter van Elisabeth de Vlemminck, en vermits vervolgens 
genoemde Jacob en Andries, de laatste als man van Anna, 
die helft verkocht hadden aan meergenoemden Jan Jacobszn 



1) Dit geschiedde in 1512 (Reg-. 108 f. 3) 



— 277 — . 

van Dueren, zoo heeft deze Jan, zoon van Jaeob, den zoon 
van Jan van Dueren, glazenmaker, deze helft, waarvan de 
wederhelft reeds toebehoort aan Goyard, den zoon van Peter van 
Vechel, verkocht aan dezen Goyard van Vechel. 

Deze, die in een cijnsboek van het voormalig Baselaars- 
klooster van den Bosch (waarin vermeld staat, dat zijn huis, 
staande in opposito domus de Postula, ten behoeve van dat 
klooster bezwaard was met eene gronclrente) eenvoudig genoemd 
wordt Godefridus Petri die Kersmaker, of wel, zooals in het 
Bosch schepenregister n° 256 f. 260, candellifex, had twee zusters 
Catharina en Weyndelmodis, van wie niet blijkt dat zij trouwden. 
Hij huwde eerst met Adriana van Lommei, waardoor hij vader 
werd van eenen zoon Peter van Vechel, zooals blijkt uit de 
navolgende akte van 6 Februari 1543 (Reg. n° 177 blz. 200): 
Godefridus, filius quondam Petri de Vechel, relictusque legi- 
timus quondam Adrianae suae uxoris, filiae quondam Johannis 
de Loemel, usumfructum sïbi competentem in medietate quo- 
rumcunque bonorum, mobilium et immobilium, hereditariorum 
atque paratorum, nullo bonorum genere dempto, videlicet in 
Ma medietate dictorum bonorum, quae Petro y filio Godefridi 
et quondam Adrianae praedictorum, per et post mortem dictae 
Adrianae, suae matris, .jure successionis hereditarie aduoluta 
est et quae eidem Petro per el post mortem dicli Godefridi, 
sui patris, adhuc advoldendum est, ubicunquelocorumconsis- 
tenlem, sitam, solvendam ac competentem, ut dicebat, legitime 
supportavit dicto Petro, suo filio, ab ipso Godefrido et dicta 
quondam Adriana, sua prima uxore, pariter genito, effestu- 
cando, promittens enz. Onmiddelijk na deze akte droeg bedoelde 
Peter van Vechel voorschreven helft aan zijnen vader over. 

Van gezegde vrouw had Goyard van Vechel ook nog eene 
dochter Maria, zooals blijkt uit eene Bossche Schepenakte van 
4 April 1554 (Reg. n° 191 f. 184), waarbij hij ten haren behoeve 
denzelfden afstand van vruchtgebruik deed als ten behoeve van 
haren genoemden broeder, waarna zij hetzelfde deed als deze. 
Het is onbekend wat van deze twee kinderen geworden is. 



— 278 — 

In tweeden echt huwde Goyard van Vechel, de kaarsen- 
maker, met Yda, dochter van Leonard Arndszoon, zooals blijkt 
uit de volgende Schepenakte van den Bosch van 2 Dec. 1564 
(Keg. n° 212 f. 47), waarin ook hunne kinderen vermeld worden: 

Yda, filia quondam Leonardi Arntszn, relictaque quon- 
dam Godefridi Peeterszn de Vechel, cum tutore, doet afstand 
van tocht, haar toekomende in domo, area et vacua hereditate, 
sitis in Buscodusis in vico Apostolico, dicto die Postelstraet, e 
regione domus de Postula, inter hereditatem Cornelii Thomass, 
scrinipaii, ex uno, et inter hereditatem Johannis 1), filii quon- 
dam Johannis Lievens de Mennen, ex alio, tendentes a dicto 
vico ad hereditatem Henrici, filii quondam Johannis Roggen 2), 
ut dicebat, ten behoeve van en aan Adriano et Catharinae, 
ejus sorori, liberis Ydae et quondam Godefridi predictorum, 
ad opus eorum et ad opus domini et magisiri Leonardi, 
presbyteri, filii Ydae et quondam Godefridi predictorum et 
ad opus Hadewigis, filiae Arnoldi Mars, ab eodem Arnoldo 
et quondam Elisabeth, sua uxore, filiae Ydae et quondam 
Godefridi predictorum, pariter genitorum, nee non ad opus 
liberorum impuberum Adriani, filii quondam Mathei de Herlaer, 
ab eodem Adriano et quondam Theodorica. sua uxore, filiae 
Ydae et quondam Godefridi saepe predictorum, pariter geni- 
torum. 2 December 1564. 

Op deze akte volgt onmiddellijk de navolgende van 
denzelfden datum : 

Notum sit universis etc. constituti igitur coram scabinis 
infrascriptis dicti Adrianus et Gatharina, ejus soror, liberi 
Ydae et quondam Godefridi predictorum, pro se ipsis et adhuc 
pro domino et magistro Leonardo, eorum fratre, filio Ydae 
et quondam Godefridi predictorum, pro quo se fortes fecerunt; 
dictus Arnoldus Mars nomine et ex parte dictae Hadewigis, 



1) Men zie over hem bJz. 86 hiervoren, alwaar blijkt, dat hij de 
zwager was van Herman de Ruyter. 

2) Hij bezat het huis de Witte Valk in de Vughterstraat (Reg. 

ii° 277 f. 46 vso). 



— 279 — 

filiae Arnoldi et quondam Elisabeth predictorum, pro qua se 
fortem fecit et adhuc dictus Adrianus, filius quondam Mathei 
de Herlaer, nomine et ex parte dictorum suorum liberorum 
impuberum, ab eodem Adriano et dicto Theodorica pariter 
genitorum, pro quibus se fortem fecit, dictam domum, aream 
et vacuam hereditatem dederunt ad annuum et hereditarium 
censum Henrico 1), quondam Johannis Roggen. 

Op zijde van deze laatste akte staat geschreven : 

Aernt Henricxszoon van Zutphen, man ende momber 
van Yda, syne hunsvrouwe ■, dochter e Adriaens Goyartszn van 
V echel, heeft bekent dat desen chijns van sestien ende eenen 
halven gulden is gequeten by heer ende mr Henrick Voss, 
presbyter ende Guilliam Voss. sijn broedere, als proprietarissen 
des onderpants. Actum 10 Juny i()i9. 

Zooals ook uit eerstgenoemde akte van 1564 blijkt, 
stond het ouderlijk huis van den H. Leonardus van Vechel in 
de Postelstraat tegenover het Refugiehuis der Abdij van Postel. 
Zijn vader had dit reeds den 8 Januari 1550 ten zijnen 
behoeve verbonden tot zekerheid eener lijfrente van 14 car. 
guldens, die hij hem verleend had, zooals blijkt uit de volgende 
Bossche Schepenakte van dien datum (Register n° 180 f. 279): 

Godefridus Petri de Vechele promisit ut debitor prin- 
cipalis mihi ad opus magistri Leonardi, sui filii, dare ac 
solvere eodem magistro Leonardo annuam et vitalempensionem 
quatuordecim florenorum, Carolus gl. communiter vocatorum, 
ex domo, area ac vacua hereditate, sitis in Buscoducis in vico 
Postulense, inter hereditatem Comelis Thomae, scrinarii 1 ex 
uno et inter hereditatem Johannis de Rode ex alio, tendentes 
a dicto vico ad hereditatem Henrici Roggen. 

1) Deze Hendrick Roggen had van Anneken N. deze kinderen : 

a. mr Reinier Roggen, van wien het Geel huis geërfd werd door 
diens dochter Barbara Roggen. 

b. Barbara Roggen, die na laatstgenoemde den 17 Februari 1599 
eigenares werd van dat huis en huwde met 1° Gornelis Wouterszoon van 
Tilborch ; 2<> Peter, zoon van Nicolaas Janszoon ; hare kinderen uit den 
eersten echt erfden dit huis, zooals blijkt uit eene Bossche Schepenakte 
van 2 December 1600 (Reg. no 235 fol. 41 vso.) 



— 28 r — 

Blijkens eene akte van permutatie van 17 Februari 1599 
(Reg. n° 262 f. 193) werden uit de nalatenschap van dezen 
Henrick Roggen getransporteerd : 

aan Henrick Gerardszu Vuclits als man van Margriet, 
dochter van dien Henrick Roggen : een huys, erve, hoff ende 
afterhuis, genoempt den Witte -Valck, gestaen ende gelegen 
(te den Bosch) in de Vnchterstraet ende uutgaende liet voirs. 
afterhays in de Postelstraet, met den uutganck aldaer in 
deselve Postelstraet, en aan Cornelis Wouterszn van Tilborch 
als man van Barbara, dochter alsvoren : een huys ende erve 
met sijn plaetske, genoempt liet Geel Huys, gestaen ende gelegen 
bijnnen desc.r stadt in de Postelstraet tegenover hei Hnys van 
Postell, zijnde dit huis bezwaard met eene grondrente ten 
behoeve van Aert Henrickszoon van Zutplien en eene dito 
ten behoeve van het Baselaarsklooster te den Bosch. 

Den 2 December 1600 (Reg. n° 235 f. 41 v so ) werd 
het Gele Huis weder getransporteerd bij eene akte, waarvan 
de inhoud is als volgt : 

Peter, zoon van wijlen Nicolaas Janszn, als man van 
Barbara, dochter van wijlen Henrick Roggen en Anneken, en 
weduwe van Cornelis Wouterszn van Tilborch, doet afstand 
van den tocht, aan genoemde Barbara competerende van : huys, 
erf, plaats, genoempt het Geel huis, — staande in cle Postel- 
straat tegenover het Huys van Postel, tusschen het huis eertijds 
vau Cornelis Thomaszn, schrijnwerker en nu mits zijne absentie 
geconfisqueerd zijnde, een gangske tusschen beiden liggende en 
tot het voorhuis van de Voetangel behoorende, ex uno en het 
huis eertijds van Jan LieveDS van Mennen, nu van Aleid, dr van 
Henrick Roggen voornoemd, ex alio, strekkende van cle straat 
tot het achterhuis van den Voetangel, — welk huis genoemde 
Henrick Janszn Roggen tegen Aclriaan en Catharina, kinderen 
van wijlen Yken, dochter van wijlen Lenarts Aertszn en weduwe 
van Goeyart Peterszn van Vechel, gekocht had 2 Dec. 1564, 
en daarna bij boedelscheiding is toebedeeld aan Barbara, doch- 
ter van mr. Reyner Roggen, zoon van genoemden Henrick, en 



— 281 — 

en vervolgens bij contract van permutatie d.d. 17 Februari 1599. 
is gekomen aan Cornelis Wouterszn als man van Barbara, dochter 
van genoemden Henrick Janszn Roggen, — ten behoeve van 
Wouter, Anneken en Henrica, onmondige kinderen van Barbara 
voornoemd en Cornelis Wouterszn van Tilborch, waarop hun 
voogd Jan Wouterszn van Tilborch het verkoopt aan Jan, den 
zoon van mr. Goyart Loefï van der Sloot, gaande uit dit huis 
een erfcijns van 2 guld. 2 st. aan het convent van den Basel- 
donck te den Bosch. 

Bij Schepenakte van den Bosch van 5 Dec. 1611 (Reg. 
n° .283 f. 131 v so ) verkocht genoemde Jan Loeft van der Sloot, 
(die de zoon was van mr. Goyart, den president- schepen van 
's Hertogenbosch), als weduwnaar van Dirkje, de dochter van 
mr. Cornelis van Beeck Otto'szoon, krachtens de macht door haar 
aan hem bij haar testament verleend, dit huis aan Catharina 
Gysselen Henricksdochter, weduwe 1) van mr. Leonard de Vos, 
raad van 's Hertogenbosch, den zoon van Willem cle Vos 2) en 
Jenneken van G effen Leonards dochter. In die akte wordt het 
Gele Huis aldus omschreven : huys, erve met een ledige er ff enisse 
oft plaetsken, gemeynlick genoempt het Geel huis, gestaen ende 
gelegen bijrmen 's Hertogenbosch in de Postelstraet, tegenover het 
Huys van Postell, tussen er ff e, eertij Is Cornelis, screynwercker 
ende daernae, mits sijnre absentie geconfisqueert geweest sijnde, 
een ganxken tussen beyde liggende ende tot den voorhuyse, 
den Voetangel genoempt 3), toebehoirende, aen oVeen syde, 



1) Zij was de moeder van mr. Henrick en Guilliam dG Vos voornoemd. 

2) Deze was een zoon van Jan de Vos en Maria Vastaerts. 

3) Gerardus van der Wetten, schoenmaker te den Bosch, verkocht 
31 Oct. 1757 een huis, staande aan de Vughterstraat aldaar, eertijds 
genaamd de Voetangel, daarna de Bonte Koe, begrensd ex uno door het 
huis van Petrus Scheffers en ex alio door dat van Johan Peymans en 
zich uitstrekkende achterwaarts tot het huis van Verhaeren; met een 
gangetje kwam het uit in de Postelstraat. Kooper daarvan werd toen 
Anthony van Kruystraten (Reg. n° 573 blz. 79). Het huis van genoemden 
Johan Peymans werd 7 Mei 17G0 verkocht aan Theodorus Luyckx, koper- 
slager te den Bosch; het was genaamd het Verguld Hekken en is thans 
het huis van Jan van Gulick-van Roosmalen, genummerd 41 ; in dit huis 
werd van 1797 — 1800 bij deszelfs toenmaligen eigenaar Luyckx bewaard het 
H. Sacrament van Mirakel van Hasselt (in België). Het huisde Voetangel 
werd 42 Aug. 1801 verkocht aan Simon Antonius Luyckx te den Bosch 
en is thans de apotheek der firma Woltering. 



— 282 — 

ende tussen er ff e, eertijts Jans Lievens van Mennen, daernae 
(Alyts) dochter Henrix Roggen, aen cV ander syde, streckende 
voor aen de gemeyn Postelstraet ende achterwaerts tot erffnisse 
der voirs. Alijts. In deze akte staat van dit huis nog vermeld : 
welck voirs huys, erve ende plaetse Jan Wouterszn van Tilborch, 
als momboir van de onmundige kijnderen wylen Cornelis 
Wouterszoon van Tilborch ende Barbara sijn huysvrouwe, 
dochter wylen Henrix Roggen, in 1599 (lees 1600) aan genoem- 
den Jan Loeff van der Sloot had verkocht, zijnde deze voogd 
tot dien verkoop gemachtigd bij het testament, dat door genoem- 
den Cornelis Wouterszoon van Tiborch met consent van Barbara 
zijne huisvrouw gemaakt was ten overstaan van Heer Andnes 
van Hoesselt, priester en vice-plebaan der Kathedrale Kerk 
van St. Jan te 's Hertogenbosch, in tegenwoordigheid van het 
Hoogwaardig H. Sacrament en getuigen. 

Mr. Henrick de Vos, kanonik-graduaal der St. Janskerk 
te den Bosch, zoon van mr. Leonard de Vos voornoemd, verkocht 
18 Februari 1648 (Reg. n° 394 f. 362) dit huis, dat alsnu 
omschreven werd als: eene huyingse ende erve met een plaetsken, 
gemeynlick genoempt het Geelhuys, staande in de Postelstraat 
tegenover het huis en de poort van Petronella van Broeckhoven 
weduwe van Guilliam Aertszn en staande tusschen het huis 
van Cornelis Wynants van Heusden, een gangske, behoorende 
tot het huis de Voetangel, tusschen beide liggende, ex uno 
en het huis der erfgenamen van Lucas Martens, kleermaker, 
ex alio, zijnde het door hem geërfd van zijne ouders, aan 
Abraham Albertszoon van Os. 

Het Gele Huis verwisselde daarna nog herhaaldelijk 
van eigenaar; Adriana Mechtildis Petronella van Kerrenbroeck 
douairière van Joannes Baptista Helman, baron van Willebroeck, 
Ruysbroeck enz, erfde het van hare moeder Mechtildis Maria 
van Beugen, waarop zij het 12 Januari 1786 verkocht aan 
Theodorus Luyckx, koperslager te den Bosch; het daarnaast 
staand huis had deze in 1761 reeds gekocht; thans is dit huis, 
hetwelk in de eerste helft der 19 e eeuw eene speldenfabriek 



— 283 — 

■ 

was, het magazijn der firma van Gulick Luyckx, terwijl het 
Gele Huis de stal en het koetshuis van die firma is ; het achter 
gezegd magazijn in de Vughterstraat staand huis, het Verguld 
hekken genaamd, had meergenoemde Theodorus Luyckx 7 Mei 
1760 al gekocht. 

Ik deelde de overgangen van het Gele Huis eenigszins 
uitvoerig mede om duidelijk te doen zien, dat dit huis dat der 
ouders van den H. Leonardus van Vechel was. 

Omtrent dezen heilige komen in het Bossche Schepen- 
register n° 651 f. 58 nog de volgende akten voor: 

a 5 Juli 1571. Schepenen van den Bosch stellen heer 
ende mr Leonardt, sone ivylen Goyardts Peeterszn van Vechel, 
pastoor ende canoniek der Collegiale Kerke van Sinte Marten 
ende St. Vincent tot Gorinchem, zijnen broeder Adriaan en 
Arndt Mars, weduwnaar van Elisabeth, diens eerste huisvrouw, 
dochter van Goyardt voornoemd, als naaste bloedverwanten van 
Hadewig, onmondige dochter van Arndt Mars en wijlen Elisabeth 
voornoemd, tot voogden over deze Hadewig aan en machtigen 
hen haar huisraad te verkoopen. 

b 12 Juli 1571. Heer ende mr. Lenardt, sone wylen 
Goyarts Peeterszn van Vechel, pastoor ende canoniek der Colle- 
giale kereke van Sinte Marie ende Sinte Vincent tot Gorinchem ; 
Adriaen, sone des voirs. wyle Goyarts Peeterszn van Vechel, 
sijn broedere, als gestelde ende geordineerde momboirs van ende 
over Hadewige, onmundige dochtere Arnts Mars, van denselven 
ende wylen Elisabeth, dochtere Goyarts Peeterszn van Vechel 
voirs., syne yerste huysvrouwe, tsamen verweckt, als gemechtigt 
tot sgeens navolgende is enz. ter eenre, ende Arndt Mars, nage- 
laten weduwer des voirs. Elisabeth, dochtere Goyarts Peeterszn 
van Vechel, syne yerste huysvrouwe, alsse leeffde ende met hem 
Catharina, sijns Arndts tegenwoirdige huysvrouwe, dochtere 
Jans Andrieszn, ter andere syden, hebben aangegaen sekere 
accoirt in manieren hiernae volghende: 

Dats te wetene in recompens van alsulcken huysraedt, 
dair saliger Elisabeth voirs. inne bestorven is, ende hem Arnden 



— 281 — 

Mars ter tochte en de . den voirs onmnndigen ten erfjrecht 
competerende, dewelcke midts lap s van den tyde eensdeels is 
versleten, gebroken ende verloren, soo men verclairde, alsoe 
dat denselve nyet wel reconnrabeJ en was : soe hebben de voirs. 
Arnt Mars ende Catharina syne huijsvrouwe hen midts desen 
overgegeven, dat sy sullen voldoen alsulckeyi concept van testa- 
mente, nochtans nyet gesolempniseert wesende. als die voirs. 
Amdl Mars metter voirs. Elisabeth, syne ierste huysvrouwe, 
cranck liggende ende subytelick voir de volempnisatie desselve 
concepts gestor ve, hadde gemaect ende geconcipzeert, als te 
wetene, dat de lanxt levende tsijnder tochte ende heurder beyder 
kijnderen tsamen verweet ten erffrecht uuytehootstoell) soude 
belegge de somme van tweehondert gulden van 20 stuiv. H 
stuck. Enz. 

De nalatenschap van Goijard Peterszn van Vechel werd 
14 Dec. 1575 ten overstaan van Schepenen van den Bosch 2) 
verdeeld tnsschen Adriaen. zoon van wijlen Goyert Peterszn 
van Vechel; Lyntgen r dochter wijlen Goyert Peterszn voornoemd; 
Aernd Mars in den naam zijner dochter Haesken, verwekt bij 
zijne vrouw Lysken, dochter wijlen Goyert Peterszn voornoemd 
en Adriaan Matheuszoon van Herlaer in den naam van Matheus, 
Goijard, Aelken en Anneken, zijne .kinderen, verwekt bij 
Dierxken, zijne eerste vrouw, dochter wijlen Goyert Peterszn 
van Vechel. Het waren alleen grondrenten, die zij verdeelden. 

De afstammelingen van Goijard Peterszoon van Vechel, 
den kaarsenmaker, waren zooals uit vorenstaande akten reecis 
gedeeltelijk is kunnen worden opgemaakt, 

van diens eerste vroiav Adriana van Lommei Jans- 
dochter : 

a. Peter van Vechel, 

b. Maria van Vechel. 

Van diens tweede vrouw Yda, dochter van Leonard 
Arndszoon : 



1) Dit woord beteekent kapitaal. 

2) Register n<> 651 fol. 393/ 



— 285 



c. Adriaan van Vechel. Bij Schepenakte van den Bosch 
van 1564, waarbij hij gezegd werd ingezetene en burger van 
die stad te zijn, machtigde hij Martenen van Hoochhecken. 
wonende te Aken, om aldaar voor hem geld in te vorderen 
van Jan Goossens den jonge. Den 27 Maart 1573 kocht hij 
van de executeurs van het testament van Lambert van Oirle en 
van de erfgenamen van Dierixken, dochter van Jan Spyckers 
en huisvrouw van genoemden van Oirle, het huis, genaamd de 
Gulden 'paternoster, staande aan de Groote Markt te den Bosch 
opten hoeck der corte cameren. Nog kocht hij een huis, staande 
te den Bosch aan den Vughterdijk over de Molenbrug, dat hij 
echter in 1576 weder verkocht (Reg. n° 226 fol. 310). Hij huwde 
met 1° Catharina, dochter vao Jacob Hermanszn en Anna, doch- 
ter van Jacob Corneliszoon ; 2° Maryken van den Kerckhoff. 
De kinderen van zijne eerste vrouw, zijnde Jacob 1), (die 
19 Aug. 1590 huwde met Mechteld, dochter van Eoelof Noppen 
Janszn) ; Dierixken, begijn in het Groot Begijnhof te den Bosch; 
Aelken, (die huwde met Peter, zoon van Adriaan Artssen); Yken, 
(die huwde met Aert van Zutphen, koopman te den Bosch 2), 
zoon van Hen riek Aertszoon van Zutphen 3) en Petronella 
Hagens); Heylken, (die huwde met Marcelis Andrieszoon) en 
Jenneken, (die huwde met Jan, den zoon van Jan Janszoon 
van der Sluys en Maria Gielis van Hedel), deelden 12 October 
1591 de nalatenschappen hunner ouders; Jacob kreeg daarbij 
voor zijn deel het huis de Gulden paternoster. Van zijne tweede 
vrouw had Adriaan van VecheL eene dochter Adriana, die 



1) Zijne kinderen waren Cornelis, Catharina, Anna en Aelken van 
Vechel; beide laatstgenoemde dochters erfden het huis d», Galden paternoster. 
De afstammelingen van genoemden Cornelis staan vermeld in Taxandria 
X, pag. 261. 

2) Hij was, toen hij met Yken van Vechel huwde, weduwnaar van 
Anneken van den Bersselaer; tijdens zijn huwelijk met deze bezat hij 
huizen te Zutphen. 

3) Hij was eigenaar van het huis, genaamd de Gulden Flesch, 
staande aan de Groote Markt te den Bosch naast het huis de Sampson; 
het is thans een succursaal van het Commissariaat van Politie. Zijne kinderen 
waren, behalve genoemde Amold : Adriaan, koopman te den Bosch; Gerard, 
die huwde met Jacomina Kuysten Ilenricksdochter en Ida, gehuwd met 
den kapitein Richard Fosters. 



— 286 — 

huwde met Zegei*, zoon van mr. Zeger Aclriaanszocm, raad van 
den Bosch en Aleid van Achelen. 

d. De H. Leonardus van Vechel. 

e. Catharina van Vechel 1), die 3 September 1576 aan 
haren broeder Adriaan ten behoeve van diens kinderen verkocht 
een vierde in een huis en hofstad, staande te Gorinchem in de 
Kruisstraat achter de kerk, dat Adriaan van Kuyl Floriszoon, 
schout van die stad, had getransporteerd aan haren broeder 
heere mr. Lenart Vechel, canoniek ende pastoor der Collegiael 
prochiekereke van Sinte Marten ende Sint Vincent bijnnen 
Gorinchem,, heur deur ende na den dood des voors. wylen Heer 
ende mr. Lenarts, heurs brueders, aengecomen ende geadvolveert. 
(Reg. n° 225 fol. 583). 

f. Lysken of Elisabeth van Vechel, die trouwde met 
Aernt Mars, leerlooier te den Bosch, zoon van Arnold en Hadewig 
Ketelaer2), dochter van Willem Albertszn. Zij hadden slechts 
een kind Hadewig of Haesken Mars. die trouwde met Jan 
Janszoon van den Laer. Aernt Mars hertrouwde na doode van 
Lysken van Vechel met Catharina, dochter van Jan Andrieszoon, 
die hem drie zonen schonk: Nicolaus, Johannes 3) en Leonard 
Mars, welke laatstgenoemde trouwde voor de laatste maal met 
Henrica N., welke hem schonk eene dochter Elisabeth Mars, die 
huwde met den schipper Seger Hermanszoon. 

g. Dirckje van Vechel, die huwde met Adriaan, zoon 
Matheus van Herlaer. Hunne kinderen waren Matheus, Goijard, 
Aelken en Anneken van Herlaer. 



1) Men zie over haar Schepenregister van den Bosch n<> 240 fol. 77 ; 
J. Hezenmans in de Dietsche Warande X p. 205 en het werk van Estius 
over de Martelaars van Gorcum. 

2) Arnold, zoon van Dirck Arnoldszoon Mars en Heylwich van 
Diepenbeeck Dircksdr., verkocht 22 Aug. 1543 de helft van een huis op het 
Hinthamereind te den Bosch. 

3) Deze Nicolaus en Johannes Mars noemden zich in 1606 descen- 
denten van Aerd Beys, zoon van Aerd Beys Aerdszn. 



HOOFDSTUK VII. 

De Vughterstraat en de Vughterdijk. 

a. De Gulden Zwaan. 

Vughterstraat n° 73. 

Ging men van de Postelstraat de Vughterstraat in in de 
richting van den Vughterdijk dan was het eerste huis dat men 
aan zijne rechterhand kreeg, het hoekhuis, dat eertijds den naam 
had van de Gulden Hemel en daarna van de Klok. Rutger 
Beelaerts, Cornelis de Bever Janszn als man van Aleid Beelaerts 
en Dierick van den Berghe, zoon van mr Gerard, als man van 
Anna Beelaerts, respectievelijk zoon en dochters van Antonius 
Beelaerts 1), verkochten den laatsten Januari 1544 (Reg. n° 167 
f. 181 v so ) dit huis, dat zij geërfd hadden van Margaretha 2), doch- 
ter van Henrick Beelaerts en omschreven werd als: een huys, 
erve, hoff ende achterhuys, staande in de Vughterstraat op den 
hoek der Postelstraat tusschen deze laatste straat ex uno en het 
huis, dat eertijds het Convent was der Zusters van den derden 
regel van St. Franciscus, ex alio en zich achterwaarts uitstrek- 
kende tot aan het erf van het Huis van Postel, een straatje, het 
Waterstraatje genaamd, tusschen beiden liggende, aan Frans 
Kuysten, zoon van mr. Claes Kuyst, den secretaris van den 
Bosch. De schuldeischers van Mechteld, dochter van genoemden 
Frans Kuysten en diens echtgenoote Ulanda van Vechel en van 
Henrick Robbertszn, haren echtgenoot, verkochten 17 Juli 1593 



1) Deze was de kleinzoon van na te noemen Henrick Beelaerts. 

2) Zij stierf te Oirschot 8 Januari 1517. 



— 288 — 

(Reg. n° 247 f. 196) dit huis voor schuld aan den chirurgijn 
mr. Willem Molengraeff, zoon van Henrick en Heylwich, de 
dochter van Willem Hermans (Reg. n° 354 f. 168); in 1626 
was hij reeds overleden met achterlating o. a. van eenen 
onmondigen zoon Jan (Reg. n 352 f. 393; 253 f. 324). 1) 

Het naast dit huis in dezelfde richting staand huis was 
het huis de Gulden Zwaan, dat, zooals wij zoo even reeds zagen, 
eens het klooster was der Zusters van den derden regel van 
den H. Franciscus. Den 22 December 1562 (Reg n°207 f. 391) 
verkochten Petrus, zoon van Henrick van Buerden en Aleid van 
Uden Henricksdochter, cuin suis, dit huis, dat alstoen omschreven 
werd als: domus, area et particula hereditatis, sibi retro con- 
signe adjacens, sitae in Bus codacis ad vicum Vuchtensem inter 
reliquam hereditatem seu domum Henrici Elen, filii Erardi 
Peter Engele zoen, quodam muro lapideo inter jacen te, ex uno 
et inter hereditatem WalteriEyckmans, / pellificis, ex alio latere, 
enz, aan Yda, relicta quondam Gödefridi de Vechel, cle moeder 
o. a. van den H. Leonardus van Vechel Zij kon den koopprijs 
blijkbaar niet betalen, want zij gaf daarvoor eenige schuld- 
bekentenissen af. Dit huis werd den 3 Januari 1603 door hare 
nakomelingen voor Schepenen van den Bosch weder veikocht, 
zooals blijkt uit de navolgende akte (Reg. n° 268 blz. 72): 

Jacob, sone wijlen Adriaens, sone wylen Goyart Peeterszn 
van Vechel, voir hem selven als voor een sevenst e gedeelt; ende 
alnoch dezelve Jacob voor Mar celissen Andriessone, wittich man 
ende momber, soo hy seide, van Heylwich, sijn huysvrouive, 
dochter e des voors. wylen Adriaans Goyartszn van Vechel, 
voir het tweede sevensle gedeelt-, Dirixken, dochtere des voirs. 
wylen Adriaens Goyartszn, cum tutore, voir het derde sevenste 
gedeelt; Peeter, sone Adriaens Aartssen, wittich man ende 
momber van Aleyt, sijn huysvrouwe; Aerdt Henricxzn van 
Zutphen, als wittich man ende momber van Yda, sijn huys- 
vrouwe: Jan, sone wylen Jans Janszn van der Sluys, als 
wittich man ende momber van Janneken, sijn huysvrouw ende 



]) Over dit huis zie men nog Reg - . n° 254 f. 414. 



*r '289 — 

Zeger, sone mr. Zeger Adriaenszn, als ivittich man ende momber 
van Adriana, sijn huysvrouwe, alle dochteren des voirs. ivylen 
Adriaens, sone Goyart Peeterszn van Vechell, onder hen vieren 
voir de resterende vier sevenste gedeelten maickende, alsoo de 
voirs. gedeelten te samen een derde gedeelte, hen by namen 
ende qualiteyten voirs. competerende in een huys 9 ledige erffnisse, 
hoff ende achterhuys, uutgaende ter sy den in den ganck oft 
waterstraetke aldaer, gaende na den ivatertrap aldaer ende 
voirivarts uut gaende ter Postelstraet waert, sijnde de voirs. 
huysinge gemeynlick genoempt in de gulden sivane, gestaen 
ende gelegen bijnnen 's Hertogenbosch in de Vuchterstraet tegens- 
over de poirte, daer men doir gaet na den Convent van de 
Cruysbroederen 1) ende gelegen tussen huys, erve ende afterhuys 
Lenarts Janssen, bierbrouwer, ter stadivairt uut, aen d'een 
syde ende tussen huys, erve, hoff ende achterhuys mr. Willems 
Henricxzn Molengraeff, chyrurgin, ter Postelstraet waert, aen 
d' ander syde, streckende van de gemeyn Vuchterstraet tot aen 
den voirs. Waterstraetken oft ivaterganc, verkoopen hun één 
derde gedeelte in dit huis aan Matheussen, sonewylen Adriaen 
Matheussen van Herlair, creemer, van denselven wylen Adriaenen 
ende wylen Dirixken sijn huysvrouive, dochter e des voirs. ivylen 
Goyarts Peeterszn. van Vechell, tsamen verweet, die het twee 
derde gedeelte daarin reeds bezat; het overige één derde gedeelte 
kocht deze nog den zelfden dag aan van Jan Janszoon van den 
Laer als man van Haesken, dochter van wijlen Aernt Mars en 
Elisabeth, dochter van Goyard Peterszoon van Vechel voornoemd. 
De in deze akte genoemde Jan, de zoon van Jan Janszn 
van der Sluys, vernaderde echter als man van Jenneken van 
Vechel het verkochte (Reg. n° 268 f. 90), wat evenwel niet 
belette, dat hij het 6 Februari 1603 (Keg. n° 268 f. 118) 
kocht van den in diezelfde akte genoemden Matheus Adriaanszn 
vanHerlaer; van Jan, zoon van Jacob Henrickszn Filters als 
man van Anneken, dochter van Adriaan van Herlaer en Dirckje 



1) In eene Bossche Schepenakte van 1688 wordt die poort nog 
als bestaande vermeld. 

19 



*- 290 — 

van Vechel en van Roeland Lenardszn van Schyndel als man van 
Aelken, ook dochter van Adriaan van Herlaer en Dirckje van 
Vechel. 

Meergenoemde Jan van der Sluys zou volgens eene graf- 
zerk, die voorheen in de Kruiskerk te den Bosch lag, eene 
van Cronenburg tot moeder hebben gehad, wat echter niet juist 
is ; de geheele plaatsing der kwartieren op die zerk toont trou- 
wens voldoende aan, dat die niet juist zijn ; zoo is daarvan 
o. a. niet waar, dat van eene van Cronenburg de moeder eene 
van de Water was ; deze was toch de moeder van Maria van 
Hedel, die met Jan van der Sluys huwde 1). 

De dikwerf genoemde Jan van der Sluys had van 
Jenneken van Vechel eene dochter Catharina, die het huis de 
Gulden Zwaan erfde en het ten huwelijk bracht aan haren 
man Lambert Becx, schout van Helmond, zoon van Jacob 
en Catharina van de Water ; zij vermaakte hem haar aandeel 
in dit huis; na haren dood hertrouwde hij met Catharina de 
Cock, dochter van Jacob en Hesther van Gestel 2), die hem 
deze kinderen schonk : Gerardus, Lambertus, Gasparus Henricus, 
heer van Hoogenhuyse, Jenne Franchoise en Catharina Becx, 
van wie de laatstgenoemde huwde met Johann Wilhelm baron 
Schenck van Nydeggen, die in 1706 te Echternaken woonde. 
Lambert Becx vermaakte dit huis aan zijne genoemde tweede 
vrouw, welke, nadat zij weduwe van hem was geworden, het 12 
Mei 1688 (Reg. n° 479 f. 99) verkocht aan Anthony van Kessel, 
koopman te den Bosch, zoon, zooals wij reeds zagen, van 
Andries van Kessel 3), den zoon van Dirck Anthoniszoon. 



1) Tijdschrift van Sassen voor N.-Brab. Gesch., Taal- en Letter- 
kunde I p. 96. 

2) De kinderen van deze echtelieden de Cock zijn vermeld in 
Taxandria XV p. 178. 

3) Hij had van zijne vrouw Catharina de Bruyn gezegd van Aalst, 
behalve den zoon Anthony, nog deze kinderen : Dr. Johan ; Susanna, huis- 
vrouw van 1° Johan van Boxtel. 1° Johan Otto van Wober; Sara, huisvrouw 
van Jan van Velpe, (wier kinderen waren Theodoor, Thomas en Anna 
Catharina van Velpe) ; Dr. Theodorus, binnenburgemeester van Antwer- 
pen; Francois, vader van na te noemen Adriana ; Maria Anna en Barbara 
van Kessel, nonnen. 



— 291 — 

Genoemde Anthony van Kessel, die 27 Juli 1638 geboren werd en 
12 Juli 1694 stierf, was gehuwd met de weduwe van den advocaat 
mr Philippe van den Berghe, Isabella van Boxel geheeten, 
dochter van Aert en Josina van Bethmeer (de dochter van Simon 
en Beelken van de Water), die hem blijkens Schepenakten van 
den Bosch van 1719 en 1741 1) deze kinderen schonk: 

a Maria Catharina van Kessel, geboren 30 Juli 1676, 
huwde met Jacobus Frencken, koopman te den Bosch, wien 
zij deze kinderen schonk : 

1° Anna Maria Frencken, geboren 24 Juli 1709, huwde 
met Godefridus van de Ven, wien zij schonk : 

a Frangois, geboren 17 Januari 1737 ; 

/5 Adriana Maria, geboren 17 April 1739 ; 

r Leonard Martinus, geboren 10 Mei 1741. 

2° Francais Frencken, wien in 1744 het huis de Gulden 
Zwaan werd toebedeeld. 

3° Maria Angelina Frencken, geboren 14 Maart 1717. 

b Andries van Kessel, pastoor te Bokhoven ; 

c Francais van Kessel ; 

d Isabella van Kessel, geboren 3 Mei 1681, huwde met 
1° Lambertus van Balen, wien zij schonk : 

1° Adriana van Balen, geboren 14 September 1706, huwde 
met Thomas Cornelis van Rijckevorsel, meel. doctor te Ooster- 
hout, zoon van Johan en Catharina Lemnius ; 

2° Frangois van Balen, geboren 14 Januari 1711, huwde 
Maria de Leeuw, die hem schonk : 

« Lambert, geboren 8 November 1734; 

/5 Thomas, geboren 23 Januari 1738 ; 

ï Jacobus, geboren 20 October 1739; 

«j Isabella geboren 1 Juni 1741, huwde met 1° Antony 
Suyskens ; 2° Lambertus Gerardus Antonius Schenck van 
Nydeggen; 3° den gep d . luitenant-kolonel Johannes Zeebis. 



1) De akte van dit jaar werd opgemaakt wegens de nalatenschap van 
Adriana van Kessel weduwe van Jan van Havre, overleden te Gadix en 
dochter van den op p. 290 genoemden Francois van Kessel. 



— 2S2 — 

2° Johan Baptist Le Hen. 

d Maria Adriaiïa van Kessel, geboren 13 Januari 1685, 
huwde met Augustinus van Eijckevorsel, wien zij schonk: 

1° Joan van Eijckevorsel, geboren 14 Juni 1714;. 

2o Catrina van Eijckevorsel, geboren 14 Januari 1719; 

e Josina van Kessel, begijn in het Begijnhof te Lier. 

f Anna Catharina van Kessel, begijn, die in 1741 reeds 
dood was. 

Deze beide laatsten waren eigenaressen van de bouw- 
hoeve Groenendaal met het daarbij behoorend speelhuis, gelegen 
te Esch, die zij 15 Januari 1719 (Reg. n° 539 f. 154) verkochten. 

b. De Molenbrug en hare omgeving. 

Van deze brug, welke tusschen de Vughterstraat en den 
Vughterdijk lag, stond aan de Westzijde van eerstgemelde 
straat van oudsher de bierbrouwerij, genaamd de Witte Zwaan 
(Vughterstraat n os . 97 en 99). Den 26 November 1661 (Reg. n . 
456 f. 119 v so ) verkochten Mathijs van Osch c. s. dit huis, dat 
toen reeds eene bierbrouwerij was en gezegd werd te staan in de 
Vughterstraat bij cle Molenbrug tusschen de Brouwkuip 1), 
toebehoorende aan de erven van Anthonis 2), zoon van Goijart 
Rutgerszn van Boxmeer, ex uno en de Witte Haan, toebe- 
hoorende aan den timmerman Hendrik Cornelissen, ex alio, aan 
Johan Kemp ; Judocus van den Achter als weduwnaar van 
zijne dochter Maria Kemp verkocht l Augustus 1695 (Reg. 
n° 81 f. 58 v so ) aan Joris van Kessel, bierbrouwer te den 
Bosch 3), dit huis, (waarvan nu gezegd werd, dat het 
oudtijds geheeten werd de Witte Zwaan en het thans heet de 
Zwarte Schoen, zijnde een huis met plaats, bierbrouwerij en 
tuin), mitsgaders het daarnaast staand huis de Witte Haan, 
dat ook door zijnen genoemden schoonvader was aangekocht, 

1) Dit is het huls thans genummerd Vughterstraat 95. 

2) Zijne weduwe en kinderen bezaten dit huis reeds in 1624. 

3) Zijne eerste vrouw was Mechteld van Meerwijk, van wie hij had 
eene dochter Anna Lucia van Kessel (Reg. n° k 530 f. 109vso) en zijne tweede 
vrouw Aleida van Breugel, dochter van Geerling en Maria van der Linden. 



— 293 — 

staande die beide huizen in de Vughterstraat nabij de Molenbrug 
tusschen het huis de Brouivhuip ex uno en dat van Gijbertus 
Voetius ex allo. Ik heb nergens kunnen ontdekken wie deze 
Voetius was, als ook niet dat deze eigenaar was van laatsbedoeld 
huis 1) ; wel vond ik van dit huis iu eene Bossche Schepen- 
akte van 29 Januari 1669 vermeld, dat het op de Molenbrug 
naast het huis de Witte Laars stond ; dat deszelfs toenmalige 
eigenaar Henrick van Tilborch het in 1641 nieuwgebouwd had 
en dat de notaris Johan Keyser het in 1669 van diens erven kocht. 
In het Lidmatenboek van de Neder duitsch- Hervormde gemeente 
van den Bosch komt over de Bossche Voetius'sen het volgende 
voor: 14 October 1674 Gisbertus Voetius met belijdenis (naai- 
den Haag 24 Juni 1676); 13 Januari 1675 Gabrièl Voetius met 
belijdenis en Januari 1686 met belijdenis Susanna Voetius op 
de Meulenbrugh. 

De bierbrouwerij de Witte Zwaan behoorde in de tweede 
helft der 18 e eeuw 2) eerst aan Philippus Jacobus van Coenen, 
echtgenoot van Martin a Suyskens, en voorts door koop in 1786 
aan den Bosschen timmerman Willem van der Horst: deze was 
in 1746 gehuwd met Hendrica Catharina Marsmans, die hem 
deze kinderen schonk: a mr. Lambertus Wilhelmus van der 
Horst, eerst raadsheer in het Departementaal Gerechtshof van 
Brabant te Breda, daarna president der Eechtbank van den 
Bosch ; b Johannes Carolus van der Horst, pastoor te Heusden ; 
c Maria Hendrica van der Horst; d Petrus Gijsbertus van der 
Horst; e Gerardus van der Horst, die het huis de Witte Zwaan 
van zijnen vader erfde en gehuwd was met Johanna Wende- 
lina Deckeis en f Gerardus Theodorus van der Horst. 

Het eerste huis, dat men aan de overzijde van de Mo- 
lenbrug, gaande naar Vught, aan zijne rechterhand kreeg was 



1) Dit is thans genummerd Vughterstraat 101. 

2) Genoemde Joris van Kessel had 24 December 1712 de huizen 
de Witte Zwaan en de Witte Haan getransporteerd aan zijne dochter 
Anna Lucia van Kessei (Reg. n<> 530 f 109 vso). Ten laste zijner erven 
werden deze beide huizen 28 November 1727 (Reg. n<> 554 f. 103 en 104) 
gerechtelijk verkocht aan Wilhelmus Hofmans, bierbrouwer te den Bosch. 



_ 294 — 

het huis de Witte Laars (Vughterstraat n<> 105), dat reeds in 
1567 eene bierbrouwerij was en toen met het daarnaast zuidwaarts 
staand huis toebehoorde aan J or . Nicolaas van Vladeracken, 
zoon van Gerard, ridder en heer van Geffen ; hij verleende dat jaar 
daaruit eene grondrente, als wanneer die beide huizen gezegd 
werden te zijn : twee nieuwe huizen met erven en brouwhuis, 
staande aan de Vughterstraat bij de Molenbrug tusschen de 
Dieze en zijn erf; den 14 Januari 1576 (Reg. n° 226 f. 64v so ) 
verkocht hij deze beide huizen, waarvan toen gezegd werd, 
dat dat, hetwelk toen genaamd werd de Witte Laars, is eene 
bierbrouwerij, aan Zeger, zoon van wijlen Jan van Schijndel ; 
in 1740 was het nog eene bierbrouwerij en in 1794 behoorde 
het toe aan Gerardus Theodorus van der Horst voornoemd. Op 
dit huis volgde het reeds zooeven bedoeld huis (Vughterstraat 
n° 107), dat eerst heette de Drie Morianen en daarna de Drie 
Suikerbrooden ; de echtelieden Joost Loeff van der Sloot (zoon 
van Dirck Franchoyszn 1) en Margaretha van Beugen) en 
Maria Colen (die na zijnen dood hertrouwde met Heyliger van den 
Rosé, koopman te Maastricht) hadden het 14 November 1650 voor 
de V2 van Jenneken, dochter van Hendrik Bus en Heylken en 
voor de andere V2 van genoemde Heylken, die de dochtervan 
Jan Adriaanszn en weduwe van Hendrik Bus voornoemd was, 
gekocht ; hunne kinderen waren : 

a Rogier van der Sloot, overleden te Helmond 20 Aug. 
1691, huwde aldaar 26 Februari 1679 met Christina van Haendel ; 

b Johannes Baptist van der Sloot, wiens dochters waren 
Gijsbertina, de vrouw van Jan de Reus en Maria, de echtge- 
noote van Antony van der Meulen ; 

c Dirck van der Sloot, in 1688 reeds dood, huwde met 
Maria Faes, die hem schonk: Antony en Agnes van der Sloot; 

d Maria Anna van der Sloot, de huisvrouw van Vincent 
Mottet en 

e Johanna van der Sloot. 



1) Deze Franchoys of Frans Loeff was de zoon vandenopblz. 144 
genoemden Dierck Henrickszn Loeff. 



— 295 — 

Deze kinderen ofwel, voor zooverre zij toen reeds overleden 
waren, dezer kinderen verkochten 7 April 1688 (Reg. n° 479 
f. 84) laatstbedoeld huis, dat toen gezegd werd te staan tus- 
schen de Witte Leers ex uno en het erf, eertijds van J or Ro- 
gier van Broeckhoven, nu van Judith Karsmans, ex alio en zich 
uit te strekken tot aan het erf van de Witte Leers, aan Josina 
van Aelst weduwe van Mr. Evert van den Bergh, chirurgijn te den 
Bosch; dezer kinderen, zijnde: Reynier, Godefridus en Elisa- 
beth van den Bergh, welke laatste gehuwd was met Johan van 
Loon, verkochten 30 November 1691 (Reg. n° 506 f. 453) dit huis 
aan den bierbrouwer Peter van Geilen, die later ook als eigenaar 
voorkomt van het daar naast staand huis de Witte Leers ; hij 
had van zijne vrouw Catharina Maria Ransecremer deze kinderen : 
Margo, die gehuwd was met Pero van den Berghe en Beatrix, de 
huisvrouw van Hyacinthus van den Berghe; zij verkochten 21 
October 1718 (Reg. n° 533 f. 219 en vlgd.) deze beide huizen 
aan Goyert van Arnhem, beenhouwer te den Bosch ; later was 
het huis de Drie Suiker brooden het eigendom van Catharina 
Susanna van Berckel (dochter van den Bosschen zilversmid 
Theodorus van Berckel en Theodora van Meverden), weduwe van 
den bierbrouwer Jacob Hack en later huisvrouw van Hendrick 
Botti en in 1794 behoorde het aan den dikwerf genoemden 
Gerardus Theodorus van der Horst. Op dit laatste huis volgde 
het na te melden gangetje, dat in het jaar 1910 is volgebouwd 
ter vergrooting van het huis Vughterstraat n° 107 en daarna 
kwam het huis de Vergulde Os, (idem n° 109), dat aan den hoek 
van de Vughterstraat en de straat stond, die oudtijds de Aert 
Berewoutstraat heette en thans alleen de Berewoutstraat ge- 
naamd is; zij ontleent dien naam aan de adellijke Bossche 
familie Berewout, welke daaraan een zeer aanzienlijk huis had 
staan, dat door laatstbedoeld gangetje met eene poort in de 
Vughterstraat uitkwam. 

c. Het huis van Berewout. 

Reeds in het begin der 15° eeuw moet dit huis met de 
zooeven beschreven huizen de Witte Laars en de Drie Mori- 



— 296 — 

anen toebehoord hebben aan de familie Berewout 1), want 
bij eene Bossche schepenakte van 1407 droeg Christina, dochter 
van Gerard Meesman en Elisabeth, de dochter van Henrick 
Berewout junior, aan de Fabriek Capellae SanctiCornelii, sitae 
in Buscoducis ad aggerem vici Vuchtensis, over eene grond- 
rente, gaande uit een huis en erf, staande en gelegen in den 
Bosch in vico Vuchtensi ultra pontem, dictum Molenbrugghe 
en welke daaruit was verleend door Henrick Berewout senior ; 
in gezegde akte staat ook nog vermeld, dat laatstgenoemde 
Henrick Berewout had eenen zoon Aert Berewout en dat deze 
had verklaard, dat bedoelde grondrente toekwam aan de kinde- 
ren van Henrick Berewout junior en diens echtgenoote Christina, 
zijnde: Henrick, Andries, Hilleken en de hiervoren reeds ge- 
noemde Elisabeth. 

Later behoorde dit huis aan de familie de Borchgrave ; 
het blijkt evenwel niet krachtens welken titel. 

Dat de familie de Borchgrave het huis van Berewout bezat, 
blijkt uit eene Bossche Schepenakte van 1542 (Reg. n° 160 
f. 459), waarbij aan Geertruid, dochter van Claes Oem van 
Bockhoven, verkocht wercl eene grondrente, die verleend was 
geweest door Margriet, dochter van Dirck de Borchgrave en 
weduwe van genoemden Claes Oem van Bockhoven : ex domi- 
bus, areis, vacuis hereditatibus, ortis, sibi invicem coacljacen- 
tibus, olim quondam Theodorici de Borchgreve et dehunc guon- 

1) Men zie hierover het Tijdschrift van Sassen voor Noordbrab. 
Gesch., Taal- en Letterkunde III p, 134 en Taxandria III p. 281. In 1508 
(Reg. no 102 f, 66 vso) bezat Godefridus, zoon van Rutger Berewout en 
domicella Elsbene, dochter van Willem Dicbier, land op het Beekveld onder 
Berlicum, afkomstig van Roelof Dicbier en diens broeder Henrick; de overige 
kinderen van genoemde echtelieden Rutger Berewout waren in 1520: 
Luytgardis, huisvrouw van Walraaf van Erp ; Sophia ; Catharina ; Maria ; 
Mechteld, huisvrouw van Gerard van Berckel Gerardszoon, Rodolpha, 
huisvrouw van Willem van Boshuysen en Goijart. 

Elsbene, dochter van Willem Dicbier en weduwe van Rutger Berewout 
voornoemd had in 1501 van Henrick Dicbier Willemszoon gekocht eene 
huisplaats op het Beekveld onder Berlicum. 

In 1539 verleende Arnold, zoon van Roelof Berewout, eene grond- 
rente uit een steenen huis te Blaarthem St. Lambert en deed toen hetzelfde 
mr. Jan, zoon van genoemden Roelof Berewout, uit eenen mansus, ook 
gelegen aldaar, 



— 297 — 

dam magistri Theodorici, ejus filii et depost Domicellae Mar- 
garethae, filiae quondam Theodorici de Borchgreve, relictae 
quondam Nycolay de Buchoven, sitis in Buscoducis juxta pon- 
tem, dictum die Moelenbrugge, partim in platea Vuchtensi et 
partim in platea, dicta Arnts Berwoutstraet, inter hereditatem 
Belae relictae quondam Johannis die Sceper ex uno, tendenti- 
bus ad Dyesam ibidem fluentem. 

Claes Oem van Bockhoven voornoemd, die heer van de 
Nemelaer onder Haaren en raad van den Bosch was, had 
van zijne genoemde vrouw behalve gezegde dochter ook nog 
eene dochter 1) Cornelia Oem van Bockhoven, die het huis de 
Nemelaer alsmede het huis van Berewout van hem erfde en 
huwde met Gerard van Vladeracken, ridder van Jerusalem en 
heer van Geffen en het huis van Nuland. Uit dezen echt werd 
geboren een zoon Nycolaus van Vladeracken, die in 1567, als 
wanneer hij werd gezegd te zijn zoon van Dominus Gerard 
van Vladeracken, dominus in Geffen et eqaes Jerosolimitanus, 
eene grondrente verleende uit : a het huis van Berewout, dat 
alstoen werd omschreven als : domus, porta, area, ortus et 
hereditas vacua in quodam vico, dicto communiter Aernt 
Berwoutstraet, inter hereditatem van genoemden van Vladerac- 
ken ex uno en inter hereditatem van Wouter van den Dun gen 
en dienzelfden van Vladeracken ex alio, zich van af gezegde 
straat achterwaarts uitstrekkende tot aan de Dieze; b twee 
nieuwe huizen met erven en brouwhuis, staande in de Vugh- 
terstraat bij de Molen brug tusssehen zijn ander erf en de 
Dieze en zich achterwaarts uitstrekkende tot aan zijn erf (een 
die huizen was, als gezegd, de Witte Laars). 

Henrick Dachverlies als man van Maria, dochter van 
meergenoemden Nicolaus van Vladeracken 2), voor de eene 
helft en Gooswijn van Brecht, Johan Heym, Willem van Erp 
en mr. Christoffel van Vladeracken als voogden over Karel, 



1) Eene andere dochter was Elisabeth Oem van Bockhoven (Reg. 
n° 157 f. 236). 

2) Zijne vrouw was Barbara van Brecht Jansdr. 



293 



den onmondigen zoon van dienzelfden Nicolaus van Vladerac- 
ken, voor de andere helft, verkochten 9 Juli 1587 (Reg. n° 241 
f. 110) het huis van Berewout, dat alstoen omschreven werd 
als: „domus, area, ortus, cum duabus portis, quarum una porta 
„exitum et introitum habet in platea seu vico Vuchtensi et 
»alia in platea, dicta Arnt Berwoutstraet ; insuper alia domus, 
„area et ortus, ipsis adjacentes, sitae respective in Buscoducis in 
„vico s. dicto, Arnt Berwoutstraet vocato, inter eundem vicum 
,Arnt Berwoutstraet vocatum ex uno etinter communem aquam 
„ibidem fluentem, de Diese vocatam, ex alio" aan Gerard van 
den Kerckhoff Gijsbertszn. Deze kocht 25 Augustus van laatst- 
gemeld jaar (Reg. n° 241 f. 273) daar nog bij van Henrica, 
de weduwe van Arnd Dirckzn, den sieckendraeger, de helft van 
een huis met erf, plaats, poort en eenen tusschen dat huis en 
het huis de Oliemolen gelegen gang, staande het in de Aard 
Eerewoutstraat tusschen het huis van den kooper ex uno en het 
huis de Oliemolen, toebehoorende aan Symon Fierlandts 1), 
rentmeester des Konings, ex alio en zich achterwaarts uitstrek- 
kende tot aan het erf van Nicolaus Kuysten ; de wederhelft van 
dit huis c. a. kocht hij 6 Juni 1591 (Reg. n° 255 f. 339 v so ) 
van Christina weduwe van Michiel Joosten. 

Voornoemde Gerard van den Kerckhoff: verkocht 15 Mei 
1618 (Reg. n° 319 f. 303 v so ) het door hem als voorzegd ge- 
kochte aan J or Rogier van Broeckhoven, zoon van mr. Henrick ; 
het werd toen aldus omschreven : „eene huysinge, brauhuys, 
„stallinge, cleyne poortken ende ganck, erven, hoven eude bleyc- 
„kerye, daer eertij ts eene huysinge op gestaen heeft, put, met 
„eene groote poorte uutgaende in de Berwerstraet," staande in 
de Vughterstraat over de Molenbrug tusschen het huis van Wouter 
Henrickszn Bus, enz. en de Dieze ex uno en het huis van Jan 
Wouterszn van den Dungen en de Berewoutstraat ex alio, 
strekkende achterwaarts tot aan het erf van de Paters Capu- 



1) Deze had in 1585 een huis in de Aard Berewoutstraat gekocht 
(Reg. n<> 240 f. 94), terwijl hij 20 April 1588 (Reg. n<> 245 f. 184vso) in 
diezelfde straat nog een huis kocht, dat naast het voormelde stond. 



cijnen en Govard Gerardzn van den Gr are, zijnde door ver- 
kooper bij verschillende koopen gekocht geweest. 

Vrouwe Hendrina van Broeckhoven weduwe van Adriaan 
Dirix, kapitein van' eene compagnie paardenvolk ten dienste 
van Zijne Kon. Maj. en superintendant van den Demer ; J or 
Guilliam d'Absolons, oud-raad van den Bosch, als man van 
vrouwe Isabella van Broeckhoven ; J or Engelbert van Cannaert, 
zoon van wijlen J or Mathijs van Cannaert en vrouwe Johanna 
van Broeckhoven ; Petrus van Broeckhoven, kanonik der colle- 
giale kerk van Xanthen en Eduardo van Broeckhoven als man 
van vrouwe Lambertina Ernestina de Gerniet, dochter van wijlen 
J or Oudaerts de Gerniet en vrouwe Aldegonda van Broeck- 
hoven, allen kinderen en erfgenamen van wijlen J or Rogier van 
Broeckhoven en vrouwe Johanna van Horenbeeck, verkochten 
27 Mei 1662 (Reg. n° 463 f. 270 v so ) aan Johan Karsmans 
laatsbedoeld onroerend goed, dat nu aldus omschreven werd, 
„huysinge, staïlinge, cleyn poortjen ende ganck, erven ende 
„hoven, met eene groote poorte uytgaende in de Berwoutstraet, 
„gelegen over de Molenbrugge neffens huys ende erve der wed. 
„Wouter Hendricx Bus, Willeme van Gefïen, de gemeyne stroom 
„de Diese naer de Molenbrugwaert, ex uno ende neffens huys 
„ende erve der kinderen Jan Wouterszn van den Dungen ende 
»de voors. Berwoutstraet naer de H. Cruyspoort waert, ex alio, 
„strekkende voor van de Vuchterstraet achterwaerts tot aen 
„erve, toegecomen hebbende de Paters Capucynen 1)." 

Genoemde Johan Karsmans 2) was koopman in zijden- 
lakens te den Bosch en gehuwd met Mechteld, dochter van 



1) Alert Adriaan de Riet wijk heer van Rocqueny, als man van 
Antonetta Maria Isabella, dochter van Guilliam d'Absolons en Isabella 
van Broeckhoven, vernaderde 3 Augustus 1662 dit goed, doch deze naasting- 
blijkt geen effect te hebben gehad. 

2) Hij was een zoon van Jan Kaersman, zoon van Willem Gijsbertszn 
en Jenneken Verschout Jansdochter, welke echtelieden behalve hem nog 
deze kinderen hadden : 

Maria Karsmans, huisvrouw van Jan Anthoniszn Gloot van den 
Huysberch en 

Gijsbrecht Karsmans, die tot vrouw had Maria Strick, dochter van 
Hans Willemszn. 



— 300 — 

Hans Willemzn Strick, koopman in wollenlakens te den Bosch, 
van wie hij deze kinderen had : 

a Mr. Franchois Karsmans ; 

b Petronella Karsmans; 

c Juclith Mechtildis Karsmans; 

d Maria Karsmans, echtgenoote van Jacobus Gysselen ; 

e Johanna Karsmans, echtgenoote van N. Stappaerts, 
(die bij haar verwekte een zoon Godefridus Stappaerts). 

De sub c genoemde Judith Mechtildis Karsmans erfde het 
huis van Berewout van haren vader ; de executeur van haar 
testament verkocht het 25 Juni 1739 (Reg. n° 548 f. 164 v so ) aan 
Thomas Coets, drossaard der heerlijkheid Berlicum; het werd toen 
aldus omschreven : een groot huis met tuin, moestuin, stalling 
en pakhuis, uitkomende met een poortje in de Vughterstraat en 
met eene groote poort in de Berewoutstraat, alsmede nog twee 
woningen, daarnaast staande. Voornoemde Coets verkocht 
24 Aug. 1750 dit huis weder aan Adriaan of Ary Verhellouw, 
architect te den Bosch ; het was toen een huis als volgt : 
een huysinge, voorsten met verschyde boove- en beneedekaemers, 
hvee hooven en stallinge, neevens (met een naast gelegen) een 
gank met een poortie uytgaende in de Vugterstraet, met een 
groote poort in de Berewoutstraet, alsmeede nog tivee ivoonin- 
gen of hnyssies neevens een pakchuyssie in voors. Berivout- 
straet. gelegen in de Berwoutstraat, ex uno Hendrick Botti en 
ex alio de rivier de Diese en de gemeene Benvoittstraet aen 
de andere seyde, streckende met den ganck van de Vugterstraet 
neevens erve van voorn. Botti en de erve van de Wed. Jan van 
Rosmaelen tot aen erve van de heer Jan Louis Ver ster aen 
de andere seyde. Van genoemden Adriaan of Ary Verhellouw 
kwam dit huis aan zijnen broeder Willem Verhellouw, die in 
1777 nog te Waardenburg woonde en gehuwd was met Adriana 
Pistorius en van dezen aan diens zoon Johannes Verhellouw, 
die in 1780 architect der stad den Bosch werd. Van Heurn zegt 
in zijne Beschrijving van dit huis: het huis van Bereiuouts 
of Berwouts staat nog, hoewel gedeeltelijk afgebrooken en 



— -301 — 

vertimmerd, in de Berewoutsstraat. Thans bestaat er niets meer 
van, zelfs niet eens het gangetje naar de Vughterstraat. 

Aan den tegenovergstelden kant der Aard Berewoutstraat, 
nabij den wal, stond voorheen een gebouw, genaamd de Clock- 
gieter spoort, waarvan ik als oudsten eigenaar vond Gobelin us 
Moer den clockgieter, den compagnon van den beroemden klok- 
gieter mr. Geert van Wou ; die in 1474 nieuw burger van 
den Bosch werd en de zoon was van Willem, den klok- 
kengieter. Niet onwaarschijnlijk is het, dat zij in dit gebouw 
hunne klokkengieterij hadden. 

Gobelinus Moer had verscheidene kinderen, zooals blij- 
ken zal bij de beschrijving van het huis St. Joristraat n° 11, 
dat zijne woning schijnt geweest te zijn. Een hunner, genaamd 
mr. Jaspar, zoon van Gobelinus Moer des clockgieters, verleende 
in 1526 (Reg. n° 130 f. 158) eene grondrente uit de Clockgie- 
terspoort, die toen gezegd werd te zijn: domus, area, ortus 
ac domus posterior, sitae in platea, dicta Arnt Berwoutstraet, 
inter hereditatem •Theodorici Sarcop ex uno et in ter heredi- 
tatem quondam Wolteri de Balen ex alio, tendentes a dicta 
platea retrorsum ad murum oppidi. 

Hij huwde 1° met Lucia, dochter van Henrick Ver- 
schaeft ; 2° met Dympna, dochter van Jacob Berewout ; tijdens 
dat hij met deze laatste gehuwd was, deed hij 20 Maart 1537 
(Reg. n° 153 f. 67) als weduwnaar zijner eerste yrouw afstand 
van vruchtgebruik op 4 /7 van de Clockgieterspoort ten behoeve 
zijner kinderen uit eersten echt: Jan, Anna, Katherina en 
Aleid. In 1597 treedt van die kinderen Jan, toen geheeten 
mr. Jan Clockgieters, zoon van mr. Jaspar Clockgieters, als 
eigenaar van dit gebouw of huis op. Den 16 Maart 1607 
(Reg. n° 274 f. 7 v so ) verkocht Steven, zoon van Aelbert Snelle, 
hetzelve, toen gezegd te zijn : huis, erf, poort en tuin of ledige 
plaats, van ouds genaamd de Clockgieterspoort, staande in de 
Aard Berewoutstraat tusschen het erf van Gerard Vogels wal- 
waarts en dat der kinderen van Henrick Ooms, secretaris der 
stad den Bosch, ex alio en zich achterwaarts uitstrekkende 



— 362 — 

tot aan den stadswal, — aan Paulus van Gerwen, zoon van 
Ambrosius Willemszn; blijkens Reg. n° 276 f. 222 moet deze 
daarin een oliemolen gedreven hebben. 

Later komt als eigenaar van dit gebouw voor mr. Peter 
van Oldenburch, de stadsbeul, of zooals hij zich noemde, de 
meester van den scherpe gerechte. 

De curator over diens nalatenschap verkocht 15 Juni 1709 
(Reg. n° 521 f. 370) dit gebouw, toen omschreven als huis, erf, 
poort en tuin, genaamd de Klokgieterspoort, staande tusschen een 
gasthuis 1) ex nno en het volgend huis ex alio, strekkende van 
de Aard Berewoutstraat achterwaarts tot aan den stadswal, als- 
mede een huis en tuin, strekkende achterwaarts alsvoren, met 
verdere gebouwen en erven aldaar aan Jan Adriaan Ruysch, raad 
van den Bosch. Deze verkocht die panden 22 September 1717 aan 
mr. Jacob Biben, advocaat aldaar, die ze 19 December 1720 (Reg. 
n° 551 f. 29), — als wanneer zij omschreven werden als : één 
groot huis en acht huisjes met tuinen, berg en een daarop staand 
huisje, gelegen in de Berewoutstraat tusschen het erf van Peter 
van Geffen en verder den wal, galerij en Berewoutstraat, — weder 
verkocht aan Helena Tulleken douairière van den kolonel Abra- 
ham Tscharner, wier dochter was Barbera Antonetta Tscharner, 
echtgenoote van 1° den kapitein Adriaan de Lange 2), ; 2° Her- 
man Gideon Clemens, professor in de godgeleerdheid en predi- 
kant te den Bosch; zij verkocht 28 September 1733 (Reg. 
no 546 f. 212 v so ) de Klokgieterspoort, die alsnu gezegd werd 
te zijn: „huysinge, erve en hof met nog drie huysjes daer nee- 
vens en nog vijf huysjes, de galderye genaamt, daar agter ge- 
legen," staande in de Berewoutstraat, gemeenlijk genaamt de 
Kloek en zijnde begrensd door het erf van mevrouw van den 
Berg Oostwaarts ex uno en door het Bergje 3), in den volgenden 

1) Dit gasthuis was het Smidsgasthuis, dat door Hendrik van 
Vessem, mr. smid en zijne vrouw Gudula van de Poel Jansdochter gesticht 
was voor oude mannen. Krachtens het decreet van den Franschen Prefect 
van 28 December 1811 werd het opgeheven. 

2) Deze kocht 18Aug. 1729 van Gerard Piper en Lucretia Piper, 
huisvrouw van Charles Gockburn, kolonel in Engelschen dienst, een buiten, 
gelegen te Gemonde onder Boxtel (Reg. n 544 f. 134 vso). 

3) Dit bergje was de werf van eenen afgebroken molen op het 
bastion Maria. 



— 303 — 

koop vermeld, Westwaarts ex alio, strekkende achterswaarts 
tot op den gemeenen weg aan den wal, — aan Thomas de 
Bresser, woonachtig te den Bosch ; gemeld Bergje met een 
speelhuisje daarop staande en den daarbij behoorenden tuin, gele- 
gen in de Berewoutstraat aan den wal* verkocht zij toen san 
Daniël Jannette en Antony Watrin, ieder voor de helft, met 
het recht van uitweg door de deur in den muur, staande op 
het erf van de Kloek (de Klokgieterspoort n. 1.). Genoemde 
Thoman de Bresser verkocht 13 Januari 1744 (Reg. n 563 f. 201 
en volgd.) van hetgeen hij, als gezegd, kocht twee huisjes van 
de zoogenaamde galderije met een stuk van den tuin aan de 
gemeente den Bosch, die toen ook nog aankocht van : Jan Paulus 
van Ceulen een huis met vier woningen, begrensd Oostwaarts 
door de Klokgieterspoort en Westwaarts door het na te melden 
goed van Comans ; van Francis Comans een huis met erf, be- 
grensd Oostwaarts door het door genoemden van Ceulen ver- 
kochte en Westwaarts door den wal ; en van Antony en Johan- 
nes Watering 1) een bergje met een speelhuisje daarop staande 
en een tuin, begrensd ex uno door den wal, zijnde dit laatste 
goed 28 September 1733 door Barbera Antonetta Tscharner 
verkocht geweest. De gemeente den Bosch brak van hetgeen 
zij, als gezegd, kocht de gebouwen af en bouwde op derzelver 
erven en een deel der daartoe behoorende gronden de thans 
nog bestaande Barberkazerne. Uit het vorenstaande valt alzoo 
met stellige zekerheid op te maken, dat de Klokgieterspoort, 
waarin Gobelinus Moer, de compagnon van den beroemden klok- 
kengieter mr. Geert van Wou en wellicht deze zelf zijn bedrijf 
uitoefende, stond naast den Oostelijken zijgevel van die kazerne. 
Vóór dat de stad den Bosch deze kazerne bouwde waren 
daar geene kazernes, hoewel zij tijdens den Tachtigjarigen 
oorlog eene sterke bezetting van den Koning van Spanje als 
hertog van Brabant in had en haar garnizoen, na het beëindi- 
gen van dien oorlog, onder de Republiek der Vereenigde Ne- 
derlanden in vredestijd behalve de officieren ongeveer 2000 
1) Hun naam was Watrin. Zie Reg. n° 556 f. 393. 



- ËOi — 

man telde en in oorlogstijd, zooals o. a. tusschen 1746 en 
1748 het geval was, uit ongeveer 10.000 man bestond. Het 
garnizoen van den Bosch werd, vóór dat die stad daar kazernes 
bouwde, ingekwartierd bij de ingezetenen, wat duurde tot het 
jaar 1610 ; toen werden daarvoor getimmerd barakken, die wel 
niet anders dan keeten, althans maar huisjes geweest zullen zijn 
1) ; daarin werd sedert dien het garnizoen der stad gehuisvest. 
Toen dat in 1623 vermeerderd werd, waren de destijds be- 
staandebarakken daarvoor niet voldoende en moest daarom de 
stad den Bosch voor hetzelve verscheidene nieuwe barakken 
bij de bestaande timmeren 2) ; zij werden evenals de vorige 
op en bij de wallen geplaatst. Eenigen dier barakken, welke 
op den wal ten W. der Haven stonden, deed de Begeering der 
stad in 1637 verkoopen om op de plaats, waar zij gestaan 
hadden, huizen te laten bouwen 3). Tengevolge van de ver- 
breeding der wallen, die na 1673 plaats had, werden verschei- 
dene barakken, die daarop hadden gestaan, van 'sLandswege 
afgebroken, zoodat toen den Bosch in 1701 weder vermeerde- 
ring van garnizoen kreeg, vele militairen andermaal bij de 
ingezetenen moesten worden ingekwartierd 4). Ook had de 
Eentmeester der stad den Bosch in 1677 een groot aantal 
harer barakken, of, zooals zij toen ook genoemd werden, sol- 
daten onderkomens, staande bij de Pijnappelsche poort, de 
Hofstad, de Hinthamerpoort, de Muntel, den Kleinen Hekel, 
de Vughterpoort, het Katerstraatje en den Kuiperstjeswal, aan 
particulieren doen verkoopen, echter met verbod van ze af. te 
breken; dit verklaart, dat in het begin der 18 e eeuw in vredes- 
tijd het Bossche garnizoen ook werd gehuisvest in huisjes, die 
door de ingezetenen van den Bosch voor kazerneering der 
soldaten verhuurd werden. 

Het behoeft wel niet gezegd te worden, dat deze kazer- 
neering van het garnizoen van den Bosch allerellendigst was 

1) Van Heurn Historie II p. 3-0. 

2) Van Heurn 1. c. p. 375. 

3) Van Heurn 1. c. p. 496. 

4) Van Heurn 1. c. III. p. 869. 



— 305 - 

en daarom zal 's Lands Regeering bij de Regeering dier stad er 
wel op aangedrongen hebben voor haar garnizoen kazernes te 
bouwen, althans deze kocht in 1744 behalve voormelde huizen 
en tuinen nog verschillende andere gebouwen en gronden aan 1), 
op wier erven zij toen, behalve de Barber-, ook nog de Mortel-, 
St. Jacobs- en Tolbrugkazerne bouwde. Die kazernen waren 
evenwel alleen voor het garnizoen in vredestijds voldoende, 
zoodat, wanneer het vermeerderd werd, als b.v. tijdens den 
Oostenrijkschen Successieoorlog met 8000 man, toch nog een 7000 
tal manschappen bij particulieren moesten ingekwartierd worden. 

d. De Vughterbinnenpoort. 

Deze poort, welke gebouwd was bij de eerste uitbrei- 
ding der vestingwerken van den Bosch, die tusschen de jaren 
1250 en 1352 plaats had, stond aan het einde der Vughter- 
straat tusschen de huizen, genummerd Vughterdijk 2 en 4 eener- 
zijds en Vughterstraat 125 en 127 en Vughterdijk 1 anderzijds 2). 
Zij heette ook wel de H. Kruispoort ; waarom zij aldus ge- 
naamd werd is mij niet kunnen blijken evenmin als van eene 
ware afbeelding van haar; wel komt er eene afbeelding van 
voor op de plaat van het werk van Braun en Hogenberg, 
voorstellende den mislukten aanslag van Hohenlohe op den 
Bosch in 1585, doch die is blijkbaar niet meer clan eene phan- 



1) Van Heurn Historie IV p. 71. 

2) In eene Bossche Schepenakte van 1736 (Reg. no 557 f. 234vso) 
is sprake van een huis onder de Vughterbinnenpoort, staande tusschen 
het huis de Rosmolen van Mevr. de Wed e Hendrik Antony van de Graeff, 
postmeester, (thans genummerd Vughterdijk 6, 8, 10 en 12) ex uno en een 
straatje, (thans genaamd de Kuipertjeswal) ex alio. Het is het huis, nu 
genummerd Vughterdijk 2 en 4. 

Het huis de Rosmolen werd 13 April 1696 (Reg. no 510 f. 66), als 
wanneer het gezegd werd te zijn: huis, erf, stal en plaats met eenen 
rosmolen, staande Marktwaarts tusschen het gemeen water ex uno en 
Vughterpoortwaarts tusschen het erf van Willem Vervoort, een gang 
tusschen beiden liggende en den zijdelmuur van de huisjes van verkoopster 
ex alio, verkocht aan genoemden Hendrik Antony van de Graeff. Gezegd 
water liep langs den buitenkant der Vughterbinnenpoort. 

20 



— S06 — 

, taisie. Blijkens van Heurci Historie III p. 43-4 stond op deze 
poort een toren met eene spits er op, welke toren met spits vol- 
gens R. A. van iftiylen de Stadsrekeningen IV p. 337 van de 
voormalige St. Peter en Paulnskerk afkomstig en op deze poort 
in 1646 geplaatst was. In dien toren bevond zich een uur- 
werk, dat daarin in 1652 door mr. Juriaan Spraeckel was ge- 
steld. Bij den storm van 1 September 1717 woei van dien 
toren de spits af en werd het daarin zich bevindend uurwerk 
beschadigd ; de Regeering van den Bosch besloot daarom den 
15 en van die maand een en ander te doen herstellen. 

Van Heurn deelt t. a p. II p. 47 mede, dat deze poort in 
1567 en volgende jaren tot hulpgevangenis diende en in De III 
p. 157, dat van af het jaar 1662 zich daarin liet Theater tot de 
ontleding van het Bossche Chirugijnsgilde bevond tot dat de 
Eegeering van den Bosch hetzelve in 1669, toen Lodewijk de 
Bils, heer van Coppensdamme, benoemd was tot hoogleeraar 
in de ontleedkunde aan de Illustre school van die stad, naar 
het koor der kapel van het voormalig klooster der Zwart 
Zusters op den Papenhulst aldaar deed overbrengen. In de 
plaats van ontleeclkamer, werd daarop het vertrek van deze 
poort, dat daartoe gediend had, bestemd tot vergaderzaal van 
de Schutterij van den Jongen Voetboog. 

Ook was sedert het jaar 1699 op deze poort eene anti- 
quiteit' en konstkamer, welke zich aldaar nog bevond toen 
die poort in 1799 gesloopt werd. Blijkens den inventaris van 
de rariteiten, welke zich in die kamer bevonden, was het niet 
veel zaaks wat men er te zien kreeg en getuigde dit nog van 
alles behalve fijnen smaak ; zoo zag men er een paar kousen, 
gemaakt van menschenvel ; het bekkeneel van eene vrouw, 
ingericht tot eene drinkschaal ; graveelsteenen ; geraamten van 
mismaakte menschen ; een drieling, waarvan eene soldatenvrouw 
op een Driekoningenavond ontijdig beviel, toen zij verschrikt 
werd door jongens, die met de ster gingen ; het geraamte van 
eene vrouw van 80 jaren met eene lantaarn in de hand om 
een vrijer te zoeken ; het geraamte van Jacques de Marcelles, 



— 30? — 

geneesheer en soldaat van het garnizoen van den Bosch, die 
in 1672 aldaar wegens verraad werd opgehangen 1) en drie 
geraamten van de Beeren van Erp, zijnde booswichten uit dat 
dorp, die in den Bosch ook opgehangen waren 2) ; zij waren op 
een stoel geplaatst met kaarten in de handen, als zaten zij te 
spelen ; achter hen stond het geraamte van den waard van Bile- 
velcl, met eene kan en een glas in de hand, als wilde hij de 
kaartspelers bier schenken en daarbij nog een jongen met haar 
dieve hand 3). Ook waren er dingen te zien, die onmogelijk 
echt konden zijn, als b.v. de beurs en het wenschhoedje van 
Fortunatus ; de blaasbalg van D 01 Faustus, enz. 4). Verder 
was er tezien cle malienkolder van Lekkerbeetje met zijne 
pistolen; de malienkolder van Breauté met zijne pistolen; 
verschillende stukken lederen geld, waarmede cle werklieden 
der Bossche St. Janskerk tijdens haren bouw betaald waren 
geworden; enkele Romeinsche munten; noodmunten van Haar- 
lem, Breda. enz. ; enkele Romeinsche urnen enz. 

In het laatst der 18 e eeuw waren de verzamelingen dezer 
oudheidkamer blijkens St. Hanewinkel Reize I. p. 14 ellendig 
verwaarloosd en vervallenen in 1799 werd op last van de Munici- 
paliteit van den Bosch cle hierbedoelde poort, waarin zij zich 
bevonden, afgebroken 5); dit gaf, zoo schreef Hanewinkel t. a. p. 
blz. 169 nog een ruim gezigt, maar ik zou, zo het aan my 
gestaan had, gelaten hebben (wat doet veronderstellen, dat het 
eene mooie poort was. ) Men heeft de zeldzaamheden op dezelve 
gedeeltelijk weggesmeten, doch de beste heeft men er laten uit- 
zoeken en bewaaren ; daarvan werd een catalogus opgemaakt, 
waarna laatstbedoelde rariteiten clen 20 Mei 1800 in het 
openbaar verkocht zijn. 



1) Van Heurn Historie III p. 208. 

2) Te den Bosch werden gehangen : in 1662 Jan Hendrik Adriaans, 
geboren te Erp, bijgenaamd de jonge beer en in 1668 Adriaan Hendriks, 
bijgenaamd de beer. 

3) St. Hanewinkel Reize II p. 81. 

4) St. Hanewinkel Reize II p. 159. 

5) St. Hanewinkel Reize II p. 182. 



— 308 — • 

e. De Jonge Schuttersbogaard. 

Deze was gelegen tusschen het voormalig bastion Maria 
en den Vughterdijk aan de Noordzijde van het straatje, ge- 
naamd Achter den Boogaard, dat daarvan de Zuidelijke grens 
uitmaakte. Over de Schutterij de Jonge Voetboog 1), waaraan 
deze bogaard toebehoorde, deelt van Heurn in zijne Beschrij- 
ving het volgende mede : „De Schutterye van den Jongen 
Voetboog is volgens het gemeene gevoelen niet veel jonger als 
die van den Ouden Voetboog. De juiste tijd haarer oprigtinge 
is geheel onzeker. Uit de plaats van de ligging van haren 
boomgaard op den Vuchterdijk, even buiten de binnenpoort op 
de geweesene stadsgragt, zoude men kunnen besluiten, dat die 
na de tweede uitlegging der stad opgerigt zy, dat is na het 
jaar 1361. Vaster gaat het, dat de oprigting tusschen dit jaar en 
het jaar 1424 gezogt moet worden; in 't laastgemelde jaar was 
deze schutterye reeds in staat en zij trok op het beschryven 
van Hertog Jan den IV en te velde en hielp de stad Braine in 
Henegouwen winnen. De Burgerye van 's Hertogenbosch, welke 
stad het verste van alle de Brabandsche steden van Braine 
gelegen is, kwam daarvoor vijftien dagen laater in het leger 
als die der andere Brabanders ; of dit de Boschenaars ten 
schimp verstrekte weet ik niet, zeker is het, dat zy verzogten 
den eersten aanval te mogen doen ; deeze had tengevolge, dat 
de stad Braine zich hierna op genade en ongenade overgaf, 
echter met dit gevolg, dat er wel zevenhonderd Bosschenaars 
claarbv het leven lieten 2) ; door deezen ramp voegden zich de 
twee schutteryen, de Jonge en de Oude Voetboog, by elkander 
en maakten daarop by voorraad een uit ; eenige jaaren daarna, 
wanneer de kinderen der verslagenen volwassen waren, scheide 
men de twee schutteryen van één, de eene onder den naam 



1) Over de oude Bossche Schutterijen zie men behalve hetgeen 
hierna daarover zal worden medegedeeld J. van Oudenhoven 1. c. p. 41 en vlgd. 

2) J. van Oudenhoven 1. c. p. 190. De overlevenden brachten uit 
Braine Ie Gomte de prachtige koperen kerkkroon mede, welke thans nog 
in de H. Sacramentskapel der St. Janskerk van den Bosch hangt. 



— 309 — 

van den Ouden, en de ander onder den naam van den Jongen 
Voetboog; de schutsheer van de laatste was mede St. Joris. 

De boomgaard van de schutterye van den Jongen Voet- 
boog is op het Vuchtereinde even buiten de Vuchterbinnen- 
poort geleegen ; het voorst gedeelte van het daarop staand 
huis is in laatere tyden als het achterste gebouwd, zo als uit 
het aanschouwen van die gebouwen duidelijk is te zien ; het 
schijnd my toe, dat dese schutterye dien boomgaard heeft be- 
komen, nadat zy zich van de Oude Schuts afgezonderd had ; 
achter gezegde gebouwen is een ruime plaats, met boomen be- 
plant, welke zich tot aan den wal uitstrekt, waarvan die met 
een muur, in welke een poortje is, afgescheiden word. Het 
wapenschild van den Jongen Voetboog bestaat uit een gehar- 
nast man te paard, die met een lans eenen draak doorsteekt, 
doch de couleuren zijn my, evenals hoe en wanneer die schut- 
tery dit wapen bekomen heeft, onbekent.'' 

Tot zooverre van Heurn. Jhr. mr. J. B. Verheijen deelt 
in zijne Bijdrage tot de geschiedenis dev voormalige schutterijen 
van den Bosch p. 6 nog mede, dat in eenen brief van 10 Aug. 
1589 de Schutterije van den edelen Ridder St. Joris, genoemt 
den Jonghen Voetboeghe dezer stad, bij de confrèrie van St. 
Joris te Antwerpen er zich over beklaagde, dat de schutterij 
van den Ouden Voetboog te den Bosch, die de Moeder Gods 
tot patroon had, haren patroon St. Joris had geusurpeerd; zij 
deelde daarbij mede, dat na de bestorming van Braineinl424 
zoowel de overgebleven gildebroeders van den Jongen Voet- 
boog als de oudermans, die, mits hare indispositie ende 
ouderdom niet meer ten oorlog dienste van Hertoge uitge- 
reist waren, bij de Oude Schuts ingelijfd waren en dat die 
toen tot zich heeft weten te trekken niet alleen de gildebroe- 
ders der Jonge Schuts maar ook al hare goederen, renten, brieven, 
tituls, kaarten, priviligien, tenten encle alderhande siergereed- 
schappen, waarop de vollen boom metter wortelen, wezende 
het principaalste wapen der Jonge Schuts, alsnog by menschen 
memorie heeft gestaan, een en ander vooreen deel uit oorzake, 



— 310 — 

dat als voors. Jonge Voetboog wederom is geredresseert geweest, 
eenighe van de Hoofdluyden ende principaelste regenten die 
Schuttertje hebben verlaeten, zich onder den Ouden Voetboog 
begevende, waardoor oock alle caerten, brieven, privilegiën ende 
documenten voor de Jonge Schuts sijn verloor en, vervreempt 
ende gedemanueerV\ 

Maar wat de Schutterij van den Ouden Voetboog ook 
moge behouden hebben, zeker is het dat de Jonge Voetboog 
of Jonge Schuts haren bogaard terug bekwam. Het was in 
dezen bogaard, dat, zooals wij op blz. 263 reeds zagen, Floris 
van Egmond in 1535 de papegaai afschoot. 

Deze Schutterij hield bij gezegden brief ook nog vol, 
dat gedurende hare vereeniging met den Ouden Voetboog deze 
laatste St. Joris tot patroon had aangenomen en dien op hare 
wapenen, toortsen (tortysen), palleuren, banieren en vaandels 
afgebeeld had, waartoe hij echter geen recht had; alle welcke, 
zoo staat er in den brief verder, waarschijnlick is gecauseerd 
uit dien fsoo men verstaet) alle de voors. goederen, eertijts 
die gulde van St. Joris toebehoerende, oock de capelle ter eer e 
van den Ridder St. Joris gededieert, door de Oude Schuts zijn 
verkregen en bij haar geïncorporeerd, wat te minder zwarigheid 
vond, daar de Jonge Schuts werkeloos bleef". Wijders staat 
er in den brief nog, dat „de Jonge Schuts in haar banier 
voerde St. Joris bij een vollen en geheelen boom met de wortelen; 
de Oude Schuts daarentegen „in hare wapenen en paleuren drie 
takskens van een boom, waaraan hangen drie voetboogkens". 

Over de Schutterij de Jonge Voetboog komen in de 
Bossche Schepenregisters de navolgende akten voor: 

Reg n° 137 f. 213; 1530: „De coninck, hoofdman, hogh 
deken, dekenen ende voerts alle die ghemeyne guldbrueders 
ende bruederschap der Gulden van Sanct Joris binnen deser 
stadt van Sthertogenbossche, die men noempt den Jonghen 
voetboghe, vergadert sijnde in den huyse ende herberghe, 
genoempt den Zwane 1)", verleenen eene grondrente van 9 carol. 

1) Stond aan de Pensmarkt te den Bosch. 



— 311 — 

guld. „uuyt eenen huyse met eender nyeuwen steenen brugge 
ende met eenen grooten stuck eiffs daeraen gheleghen, der 
voers. gulden encle bruederschap toebehorende, ghenoempt den 
Jonghen Schuttersboghaert, ghelegen binnen deeser stad buyten 
des Heylichs Cruyspoerte in de Vuchterstrate tusschen der 
voers. stadt muer aan d'een zyde encle d'een eynde ende den 
erffenisse der erffgenainen wylen Aernt Pels aen die ander zyde 
ende strect metten anderen eynde aen die ghemeyne straet. 

Reg. n° 139 f. 298 ; 1530: De Schutters van den Jongen 
Voetboog, ten getale van 70 vergaderd zijnde in de herberg 
de Zwaan, staande aan de (Pens)markt, verleenen eene grond- 
rente van 9 carol. guld. „van ende uuyt eender nyeuwer steenen 
brugge met eenen nyeuwen huys daarop getimmer t staende, 
met eenen groote stuck erffs, daer aanliggende, geheyten den 
Jonghen Schut boghaert, gelegen binnen deser staclt buyten 
't heylich Cruyspoerte in de Vuchterstraet" tusschen het erf 
der erfgenamen van heerArnd Pels ex uno en de stadsmuren 
ex allo. Zij verleenden daaruit nog twee andere grondrenten. 

Uit deze beide akten en nog meer uit die van 22 April 
1589 (Reg. n° 241 f. 389), waarbij Godefriclus Henrickszn de 
Kempener als man van Petra, dochter van Petrus Dyonyszn, 
verkocht eene dier renten, w r elke daarbij gezegd werd te gaan uit: 
quodam novo ponte lapideo cum quadam nova domo desuper 
constructa cum quadam manna pecia hereditatis sibi adjacente, 
den jongen scutsbogart geheeten, blijkt, dat het gebouw dezer 
Schutterij gebouwd werd op een steenen boog; daaronder moet 
natuurlijk eene gracht geloopen hebben, daar er anders geen 
reden bestond dien boog of brug te bouwen en deze kan, blijkens 
hetgeen van Heurn, als gezegd, in zijne Beschrijving mededeelde, 
geene andere dan eene gewezene vestinggracht geweest zijn. 

Uit de Bossche Schepenregisters blijkt verder, dat: 
1 September 1604 Mr. David Everswyn, raedtsheere deser stadt 
(den Bosch) als capiteyn, Quiryn van Niel en Nicolaes Laureynszn 
Donckers als Ueutenants, mr. Jan van Berckel als veendrich, 
Peeter Hermans int Bijlken en Peter Lamberts als sargenten, 



— 312 — 

Jan Gysselen, Hans van Gangel, Jan van den Gevel Janszn 
en Jan Thomaszn van Turnhout als dekenen der gilde off 
scutterye van St. Joris, genoempt den Jonge Voetboge, met 
gemeynen eendrachtig en consente ende voorwethe van allen 
den andere hunne medebroederen der gilde oft scutterye voors., 
verleenden eene grondrente uyt huysingen, doelen ende henne 
gronden, boomgart, grachten ende alle henne rechten ende 
toebehoorten van dat gilde, gelegen aan den Vughterdijk tussen 
beyde de poorten ruerens aen 's Heylichs Cruyspoorte aldaer, 
tussen deselve poorte ende de vestmueren deser stadt ex uno 
ende tussen eenen open wech 1), daer men doorgaat van der 
gemeyne voorstraete ter stadswalle waert. 

En dat 21 April 1532 Eeg. n° 141 f. 337 v so Marcelis 
van Maren, coninck, Goert Symonszn, hoechdeken, Willem van 
Os, hooftman, Bouwen Henrickzn, cremer, Wouter Dirckszn, 
Dirick van Mer, dekenen, Peter Steenwech, mr Goyart Wynnagel, 
Gerit Goijartszn, Jan van Doerne, Robbert Lambertszn, snyder, 
Jan Laureynszn, tijmmerman, als scutters van den gilden van 
Sint Jorijs binnen der stat van S hertog enbosch, genoempt ge~ 
meynlic de Scutters van den jongen voetboge.soe in den name 
van hen selven ende mede inden nameende van wegen der ge- 
meynre gesellen van den voors. voetboge, nu wesende ende na- 
maels comende, hebben geloeftop verbij ntenisse van allen den goe- 
den der giiden van St. Joris van den Jonge Voetbogetoebehoerend, 
dat sy van nu voirtaen ten ewige dagen zullen doen celebreren 
alle ja er op Sint Jorijsdach in de kercken van St. Jans bijnnen 
der voirs. stat een singende misse in discant, achtervolgende 
der begerten van Heylwigen, dochter Peter Keymps, die de 
voirs. misse alsoe uuyt haeren huyse, gecelebreert te worden, 
gefundeert hadde ende die voirs. Gilde van den Jongen Voetboge 
alsoe gelijck voirs. staet die voirs. misse jaerlix op huere 
goeden zal doen celebreren. 

Het huis dezer Schutterij, dat, als voorzegd, deel uit- 
maakte van haren bogaard, schijnt aan haar niet tot gildekamer 



1) Dit is het straatje, thans genaamd Achter den Boogaard. 



— 313 — 

gediend te hebben, daar toch uit Prosp. Cuypers Documents 
pour servir a Vhistoire des troubles religieux du XVIe Siècle 
p. 371 blijkt, dat zij in 1567 hare gildekamer had in het huis 
de Engel aan de Markt te den Bosch, terwijl, zooals wij 
hiervoren reeds zagen, zij die na 1669 had op de Vughter- 
binnenpoort aldaar. 

Bij het leven van van Heurn werd het huis of gebouw 
dezer Schutterij door haar tot een logement of wijnhuis ver- 
huurd, zooals toen ook de andere Bossche Schutterijen met 
de gebouwen harer bogaarden deden. 

Tengevolge van het Besluit der Staten Generaal van 
9 November 1787, waarbij zij de vier Schutterijen van den 
Bosch ontbonden verklaarde, hield deze Schutterij, die eene daar- 
van was, als openbaar lichaam op te bestaan. Zij bleef sedert 
dien nog een tijdlang als eene particuliere vereeniging voort- 
leven, wat duurde tot dat de Fransche Republikeinen, toen 
hun in 1794 den Bosch was overgegeven, een deel hunner 
troepen legerden in den bogaard dezer schutterij ; die soldaten 
hebben toen het daartoe behoorend gebouw zoodanig vernield, 
dat daarvan bijna niets anders dan de muren overschoten. 
De leden dezer Schutterij besloten daarom haren bogaard aan 
de stad den Bosch te verkoopen en de schutterij heeft zich daarop 
ontbonden, zoodat zij van toen af aan geheel ophield te bestaan. 
De akte, waarbij zij haren bogaard verkocht, luidt aldus: De 
heer Willem Joseph Spens, bogaartmeeeter van de geweeze 
Schutterye den jongen Bogaard alhier, tot hetgeen navolgende 
gemagtigt van een groot aantal leeden van de voors. geweese 
schutterye by qualificatie door dezelven eigenhandig onder- 
teekend, ter secretarye alhier geregistreerd, verkoopt aan de 
stad den Bosch de byna geheel geruïneerde huizinge den jongen 
Schutsbogaard met de aanhorende erve, staande en gelegen 
binnen deeze stad op den Vugterdijk, gequoteerd Litt. J. n° 265, 
aan de eene zyde erve dezer stad en de heer J. Vermeulen, 
aan d 'andere zyde een straatje, strekkende voor van de straat 
achterwaards tot aan de stadswallen, onder voorwaarde, dat 



— 314 — 

de stad zal betalen de schulden dezer Schutterij; 13 Februari 
1799. De gemeente den Bosch verkocht daarop 8 April 1803 
dezen voormaligen Schuttersbogaard aan Frangois Antony Tret, 
wonende te Gorinchem, bij eene akte, waarin o.a. voorkomt: 
Gerard Sterk, politierentmeester van den Bosch, tot dezen verkoop 
behoorlijk gemachtigd door hare Municipaliteit, verkoopt: de 
grond of erve, waarop voorheen den Jongen Schutsbogaard 
heeft gestaan, gelegen binnen deeze stad op den Vugterdijk, 
aan de eene zijde het Blok Barakken en een gedeelte van de 
stadsweg, aan de andere zijde het straatje naar de Wal, 
strekkende voor van de straat achterwaarts tot de stadswal; 
aan den kooper werd daarbij de verplichting opgelegd om aan 
de straat te bouwen eene capitale huizinge, ingevolge het 
bestek daarvan zijnde, voords dat de roijing van den voorgevel 
zich zal bepalen in eene rechte lijn van den hoek der huizinge 
van den timmerman Massing tot op den hoek der huizinge 
van Gover t van Beurden, enz 

Zoo verdween de Schutterij van den Jongen Voetboog 1) 
met haren bogaard voor altijd. In de verzamelingen van het 
Provinciaal Genootschap van Kunsten en Wetenschappen in 
Noordbrabant bestaan van haar nog enkele voorwerpen, die de 
herinnering aan haar levendig houden, zooals een paar schut- 
terspenningen ; eene zilveren plaat, behoord hebbende tot eene 
patroontasch harer schutters, waarop het wapen dezer schutterij 
en hare spreuk: fortuna fortes adjavat. 



f. Het Sonneveld. 

Ging men van gezegden bogaard naar de Vughterpoort 
dan kwam men aan zijne rechterhand langs liet huis de Twee 
gapers (Vughterdijk n os 41, 43 en 45), dat thans nog de twee 
gapers als een steenen uithangteeken heeft. Wouter van den 
Endepoel, houtkooper te den Bosch, als man van Helena van 
Hulst, voor Vs en Antoni van Hulst, burger van den Bosch, 

1) Men zie over haar nog van Heurn Historie II p. 102. 



— 315 — 

verkochten 1 December 1727 (Reg n° 554 f. 106) dit huis, dat 
toen gezegd werd te zijn: huis met grutmolen, stal enz., ge- 
naamd de Tivee Gapers, hun aangekomen van hunnen grootvader 
Peter van Hulst en diens vrouw Maria van den Bosch, hadclende 
genoemde Peter van Hulst het 21 Juni 1688 gekocht van Jan 
en Pauwei Cronenburg, aan Hendrik van Hulst, graankooper te 
den Bosch, die daarop 27 September 1728 (Reg. n° 554 f. 268 v so ) 
4 /ö daarvan verkocht aan zijnen broeder Antony van Hulst, 
woonachtig te den Bosch, die daarin reeds Vs had. Elisabeth 
Hester van Adrichem, weduwe van Jacob Kien, in hare hoeda- 
nigheid van moeder-voogdes over hunne beide minderjarige kin- 
deren verkocht 17 Juli 1805 dit gebouw aan Anna Maria van 
Someren, weduwe van Cornelis Francis de Wijs 1), wier zonen 
Josephus en Antonius de Wijs daarop het beroep van brander 
er in uitgeoefend hebben ; met den afval dezer branderij maak- 
ten zij vruchtbaar hun buiten Eikenhorst onder Boxtel. 

Eene beschrijving van de poort, die aan het eind van 
de straat de Vughterdijk stond, gaf ik reeds op blz 27. Oud- 
tijds liep van af die poort tot aan Vught een weg, die zoo laag 
was, dat die elk jaar meermalen onder water liep ; de gemeen- 
schap tusschen dat dorp en den Bosch werd dan onderhouden 
door middel van een veerschip ; dit duurde totdat cle straatweg 
van den Bosch naar Best in 1741 gemaakt werd 2). In 1827 is 
deze straatweg tot aan Vught, evenals die van den Bosch naar 
Hintham, aanmerkelijk opgehoogd. 

Bij de Vughterpoort aan de overzijde van den Vughter- 
poort lag een plein, dat oudtijds de militaire gerechtsplaats was; 
het kreeg den naam van Sonneveld naar eenen metselaarsbaas 
Gerarclus van Son, omdat deze in het begin der 19 e eeuw 
aan de N. zijde van dat plein huisjes bouwde; thans heet 



i) Voor de betaling der kooppenningen^ bleven toen voor haar borg 
Dr. Franciscus Gysbertus Lightenvelt en Johannes van Someren, mr. 
timmerman, beiden te den Bosch. 

2) Men zie hierover van Heurn Historie IV blz. 58 en vlgd. en 
blz. 161; St. liane winkel Gesch. en Aardr. Beschr. der stad en Meierij 
van den Bosch blz. 237 en 239. 



— 316 — 

alleen de straat, waaraan die huisjes staan, het Sonneveld, 
terwijl het overige van dat plein met het daaraan na de ont- 
manteling der vesting den Bosch aan geplempt terrein heet het 
Wilhelminapark. Over de executies der militairen, die op dit 
plein plaats hadden, heb ik niets kunnen vinden. 

g. De St Corneliskapel on het Heymsgasthuis. 

Ging men in de 16 e eeuw van laatstbedoeld plein over 
den Vughterdijk marktwaarts dan kreeg men eerst aan zijne 
rechterhand de St. Corneliskapel. Zij stond op een terrein, ge- 
legen tusschen het straatje, genaamd Achter het Fortuintje en 
het straatje, dat eertijds het Galgestraatje heette, doch thans 
naar laatstgenoemden metselaarsbaas de van Son's steeg ge- 
naamd is. 

Deze kapel was eene der kapellen van den Bosch, waarin 
de Hervormde godsdienst het eerst geregeld werd uitgeoefend. 
Zooals toch blijkt, o. a. uit de bijdrage van D r . W. Meindersma 
in het Ned. Archief voor Kerkgeschiedenis VII blz 385 en vlgd., 
werd, toen de reformatorische beweging te den Bosch krachtig 
was geworden, van af 22 Augustus 1566 door Hervormde 
predikanten tweemaal per week gepreekt zoowel in deze kapel, 
als in de St. Jacob-, St. Peter en Paulus en St. Annakapel en 
werden zelfs in begin December van dat jaar deze kapellen aan 
het Hervormd Consistorie van den Bosch door de twee afge- 
vaardigden van de Landvoogdes der Nederlanden tot uitoefening 
van den Hervormden godsdienst afgestaan. De Bossche Protes- 
tanten zullen daarmede zijn blijven voortgaan zoowel in de 
St. Cornelis als in de andere zooeven genoemde kapellen totdat 
wegens het vertrek van Anton}^ van Bombergen uit den Bosch, 
dat 11 April 1567 plaats had, zeer vele Hervormden die stad 
verlieten 1). Blijkens de namen van diegenen hunner, die in 
1568 door Alva werden ingedaagd om voor hem of zijne ge- 
machtigden te verschijnen ten einde zich te verantwoorden over 



1) D r . Meindersma t. a. p. blz. 390. 



— 317 — 

hun doen en laten aldaar, welke namen te vinden zijn in van 
Heurn Historie II p. 49, behoorden destijds de meeste Hervorm- 
den van den Bosch tot den geringen stand. 

Van de Hervormden, die toen aldaar waren achtergebleven, 
werden eenigen in 1568 op de Markt opgehangen 1). De reforma- 
torische bew r eging scheen daarop in den Bosch uitgebluscht; toch 
gloeide er nog vuur onder de asch, zoo schreef D r Meindersma 
t. a. p. en in latere dagen laaide de vlam weer op. Dat bleek in 
1578 toen de geloof s vrede, die door den landvoogd don Jan 
van Oostenrijk was voorgesteld, door de Eegeering van de stad 
aangenomen en door hare vier Schutterijen alsmede door haren 
Prinsgezinden gouverneur J or Jan van Hornes, baanderheer van 
Boxtel, beëedigd was ; immers alstoen bleek, dat er in den Bosch 
nog zoovele Hervormingsgezinden waren, althans aldaar terug- 
gekeerd waren, dat men er toe overging om hun ter uitoefening 
van hunnen godsdienst wederom af te staan de St. Cornelis-, 
St. Jacob-, St. Peter en Paulus en St. Annakapel, met bevoegd- 
heid daarin hunne dooden te begraven. 

Slechts een jaar lang bleven de Bossche Hervormden in 
dat hernieuwd bezit dezer kapellen, w r ant nadat de Regeering 
van den Bosch in 1579 tot den Keulschen vrede was toege- 
treden en zich met Parma had verzoend, verlieten bijna alle 
Bossche Protestanten deze stad en werden bedoelde kapellen 
aan de Katholieken teruggegeven. 

Slechts van enkele Hervormden vindt men dan ook ver- 
meld, dat zij toen nog in den Bosch bleven; o.a. was dit het 
geval met eene Neesken de Greef, die in 1582 te den Bosch 
overleed zonder zich, ondanks de bemoeienissen van den Plebaan 
der St. Janskerk, met de Katholieke Kerk te hebben willen 
verzoenen. Haar lijk is blijkens van Heurn Beschrijving op 
last van den Hoog- en laagschout onder door den dorpel van 
de deur van haar sterfhuis, dien men daartoe ondergraven had, 
waarschijnlijk om niet te schenden het privilegie, dat men 



1) Van Heurn Historie IT p. 48. 



— 318 — 

eens anders woning niet tegen zijnen wil mocht binnentreden, 
weggehaald en op eene horde naar de Markt gesleept, alwaar het 
onder de plaats van den galg, alzoo voor het Stadhuis, begraven 
werd; nadat den Bosch in 1629 aan de Staatschen was over- 
gegeven is haar lijk door de Hervormden opgegraven en in eene 
kist, in de tegenwoordigheid van den Krijgsraad, den Hervormden 
Kerkraad en eenige Protestanten in het Hoogkoor der St Jans- 
kerk ter aarde besteld. 

Na het sluiten van het Twaalfjarig bestand schijnen er 
weder Hervormden in den Bosch gekomen te zijn, zooals blijkt 
uit van Heurn Historie II, p. 320 doch niet lang zullen de 
meesten hunner er gebleven zijn, omdat, zooals wij biervoren 
op blz. 105 reeds zagen, bij de reductie van den Bosch in 1629 
in die stad maar enkele Hervormden waren. 

De St. Cornelis kapel moet nog al groot geweest zijn, 
daar er toch drie altaren in waren, n.1. dat van St. Cornelis, 
dat van O. L. Vrouw en dat van het H. Kruis. Gedurende 
het beleg van den Bosch in 1601 werd deze kapel zoozeer 
door het bombardement der Staatschen gehavend, dat het niet 
mogelijk was de daaraan toegebrachte schade te begrooten; 
kort daarna moet zij evenwel hersteld zijn, want den 30 October 
1626 begaf de nieuw benoemde bisschop van den Bosch, Michael 
Ophovius met den Heer van Rambicourt, plaatsvervangend en 
gouverneur van den Bosch, den Hoogschout en de Eegeering van 
die stad zich daarheen om er zich in tegenwoordigheid van de 
geheele geestelijkheid van die stad als Bisschop te doen kleeden 
en van daar in processie naar de St. Janskerk te gaan. 

Bij het beleg van de stad in 1629 werd deze kapel nog 
heviger dan te voren door de Staatschen beschoten, zoodat 
het nu niet meer mogelijk was ze nog te herstellen; de Regeering 
van die stad besloot daarom in 1664 de ruïne dezer kapel voor 
afbraak en haar erf voor bouwgrond te verkoopen, gelijk zij 
dan ook op 9 Mei van dat jaar deed 1). Koopers daarvan 



1) Schepenreg. van den Bosch no 444 fol. 334 en vlgd. 



— 319 — 

werden toen voor een gedeelte Pieter Cornelisse van der Starren 
en voor het ander Johannes van Grimbergen, die daarop de 
overblijfselen van de kapel sloopten. Laatstgenoemde hunner 
bouwde op het door hem gekocht deel van het erf der kapel 
het huis de Moriaan, dat Johanna de Willefinck, de weduwe 
van zijn zoon mr Willem van Grimbergen, raad en rentmeester 
van den Bosch, 27 Sept. 1695 verkocht aan den luitenant 
Francoys Jourdaen bij een e akte (Reg. n° 509 p. 318), waarin 
het beschreven werd als volgt: „eene welgelege huyssinge, 
genaemt de Moriaen, gestaen encle gelegen binnen clese stadt 
op de Vuchterendijck ende van nieuws door S r Johannes van 
Grimbergen, vader van de voors. heere Willem van Grimbergen, 
getimmert op de erve van Sinte Comelis capelle 1), staende de 
voors. huyssinge de Moriaen neffens de huyssinge de Brabantsche 
Nachtegael ex ano ende neffens huys ende erve genoemt de 
Bontte huyt, een ganseken tusschen beyde liggende, ex alio, 
streckencle van de voors. gemeyne straet tot op de niuer van 
den hoff van voors. vercopersse." Die hof zal waarschijnlijk 
geweest zijn de tuin van genoemd huis de Brabantsche Nach- 
tegaal, dat voornoemde Johanna de Willefinck 27 Sept. 1695 
ook verkocht en waarvan toen werd gezegd, dat Johannes 
van Grimbergen het eveneens had getimmerd op d'erve van 
St. Comelis capelle, even als het daarnaast staand huis der 
Weel. Pieter Corneliszoon van der Starren ook op dat erf was 
gebouwd. 

Achter de St. Corneliskapel stond een tijd lang het 
Heyms oude mannen gasthuis, zooals blijkt uit eene Bossche 
Schepenakte van April 1532 (Reg. n° 140 f. 144), waarbij 
Arnd Heym Janszn als provisor en rector van het St. Coraelis- 
gasthuis, staande achter de St. Corneliskapel aan den Vughterdijk. 
een huis met erf en plaats, staande in de Windmolenbergstraat 
te den Bosch tusschen het erf der St. Jacobskapel ex uno 



1) Over hetgeen J. en A. Mosmans in hun werk Oude Namen van 
huizen en straten te den Bosch over de standplaats dezer kapel tegen 
mijne bewering aanvoeren, zie men hun supplement op dat werk p. IV. 



— 3*20 — 

en dat van Jan Stempels ex alio en zich achterwaarts uitstrek- 
kende tot aan het erf van Elisabeth Tielmans, verkocht aan 
Lambert Wouters Scosterszn. Bij het beleg van den Bosch in 
1629 werd het gebouw van dit gasthuis stuk geschoten, waarom 
het is overgebracht in een gebouw tegenover de voormalige 
St. Peters of strooienkerk te Vught, dat thans nog bestaat. 
J or Henrick Arndszn Heym, als „patroon ende gifter van seker 
mannengasthuys, genoempt Heymsgasthuys," heeft daarop 28 
Mei 1632 (Reg. n° 371 f. 520) aan Peter Anthoniszn vanden 
Wiel en Gijsbert Herincx, raad van den Bosch, verkocht, „de 
hoffstadt, erve ende hoff, daerop 't voors. gasthuys plachte te 
staen, gelegen achter de St. Corneliskapel ;" die panden zijn ver- 
volgens bij eene Bossche Schepenakte van 16 April 1662 (Reg. 
n° 442 f. 338), door Henrick Zierneels als vader over de onmon- 
dige kinderen, door hem verwekt bij zijne vrouw Christina, 
dochter van Willem Herincx; door den curator over het aandeel 
van Corstiaan Herincx in de nalatenschap van voornoemden 
Gijsbert Herincx; door Catharina en Antonetta, kinderen van 
wijlen Anthonis Herincx; door Henrick door Jacobszn van Weert 
als man van Hesther, dochter van laatstgenoemden Anthonis 
Herincx; door mr Peter van Eyl, med. doctor, als weduwnaar 
van Adriana, dochter van Anthonis Herincx meergenoemd en 
erfgenaam van zijnen zoon Johannes Herincx, dien hij van haar 
had; door Johan Herincx, koopman te Parijs en door Willem 
Seberts 1) als erfgenaam van Henrica Seberts, de erfgename van 
meergenoemden Gijsbert Herincx, voor de helft verkocht aan 
Huybert van Boxtel; zij werden toen omschreven als: seeckere 
hoffstadt, erve ende hoff, daerop plach te staen seecker mannen- 
gasthuys, genoemt Heymsgasthuys, gelegen op den V lichter en- 
dijck achter de Capelle, genoemt St. Cornelis Capelle, streckende 
van de gemetste buytenste steenen pïlaeren der voers. capelle 
toe op den waeterstroem daerachter vlietende. De andere helft 
werd door Peter Anthoniszn den 1 Mei 1662 verkocht aan 
Marten Paulszn Smeesters. 

1) Zijn eigenlijke naam zal Zyberts geweest zijn. 



— 321 — 

h. De Suikeraffinaderij. 

Nos. 40, 38, 36, 34, 32 en 30. 

Ging men langs de Oostzijde van den Vughterdijk markt- 
waarts dan kreeg men aan zijne rechterhand het huis de Ver- 
gulde Klok, thans genummerd 76, waarachter zich een steegje 
bevond, dat geheeten werd Achter de vergulde Klok] daarin 
stonden zeven kamers of huisjes, welke de echtelieden Jan van 
den Wiel en Barbara de Cock, die toen ook eigenaars waren 
van het huis de Vergulde Klok, in 1547 bij hun testament 
bestemden tot een gasthuis voor zeven oude vrouwen. Dit 
gasthuis is in 1756 met voorschreven huis, dat daaraan door 
genoemde echtelieden vermaakt was, voor schuld verkocht, 
waarna het ophield te bestaan. (R. A. van Zuylen Inventaris 
der archieven van den Bosch n°. 1014). 

Een eindweegs in dezelfde richting verder gaande kreeg 
men aan zijne rechterhand vier naast elkander staande huizen, 
genaamd de Druif of het Land van Belofte, In Antwerpen 
of het Gekroond Bamshoofd, het Schaapshoofd en de Klokhen. 

Het eerstgenoemde van die huizen werd 20 October 1705 
(Reg. n° 519 f. 280 v so ), als wanneer het werd gezegd te zijn: 
„eene schoone, bequame huysinge, erve, hof, loyerye en aghter- 
huys", staande tusschen dat van Rogier van Boxmeer 1) ex 
uno en het huis het Bamshoofd ex alio, door Johan Baptist 
Huygermans verkocht aan Hendrik de Lepo, notaris en praktizijn 
te den Bosch. 

Het daarop volgend huis werd 4 April 1701 (Reg. 
n° 514 f. 68), — toen het nog heette In Antwerpen en gezegd 
werd te zijn : huis, erf en tuin, staande tusschen het huis, 
dat eertijds was van Jenneken van Vessem en dat van Helena 
van Vucht weduwe van Nicolaas van Gestel, genaamd het 
Schaapshoofd, — door Johan Paters, weduwnaar van Catharina 



1) Deze had zijn huis, dat de Bril heette, 29 Nov. 1679 bij gerech- 
telijke uitwinning gekocht. (lieg. n° 475 f. 24). 

21 



— 322 — 



van Kaldekerken, in diens hoedanigheid van vader en voogd 
over zijne 5 minderjarige kinderen, geboren uit zijn huwelijk 
met haar, (die het geërfd had van haren vader, welke het 
5 November 1661 gekocht had van Abraham Huybertszn van 
den Henxtheuvel), verkocht aan denzelfden de Lepo. 

Ten diens laste werden de beide zooeven genoemde 
huizen, thans genummerd 40, 38 en 36, den 2 Mei 1739, (Reg. 
n° 559 f. 297 en 298), — als wanneer het huis In Antwerpen, 
toen genaamd het Gekroond Ramshoofd, was eene aanzienlijke 
bierbrouwerij, die alstoen aldus omschreven werd : „eene hechte, 
wel ter nering staande huizing, bestaande uit een groot voor- 
huis, voor- en achterkamers, met eene extra schoone nieuwe 
brouwerij, twee bierhuizen, een royalen tuin van twee erven 
met een zomerhuisje ten einde daarvan aan de Dieze, staande 
tusschen het huis van Anthonij van Hulst ex uno en het huis, 
genaamd het Land van belofte ex alio, strekkende van achter 
dit laatste huis tot aan de Dieze, — voor schuld verkocht aan 
Adriana Tarremans weduwe yan Seger Crayvanger, woonachtig 
te Rotterdam. 

Het daarop volgend huis het Schaapshoofd, thans ge- 
nummerd 34 en 32, werd in 1629 (Reg. n°. 365 f. 348) ver- 
kocht aan Jan van Vucht. Diens dochter Heylken van Vucht 
weduwe van Nicolaas van Vechel verkocht 18 Januari 1700 
(Reg. n° 513 f. 123) de helft in dit huis aan Willem van 
Hulst, koopman te den Bosch, die toen reeds eigenaar was van 
de wederhelft daarvan doordien deze ze 3 November 1698 
(Reg. n° 511 f. 221) gekocht had van Jan van Cronenburg 
als man van Elisabeth Venix c.s. (welke die wederhelft geërfd 
hadden van Nicolaas van Vechel en diens echtgenoote Heylken 
van Vucht voornoemd, haddende gezegde Nicolaas van Vechel, 
welke als man van Heylken van Vucht reeds eigenaar was 
van de helft in dit huis, de wederhelft daarvan 2 December 
1671 (Reg. n° 471 f. 70) gekocht van zijnen zwager Anthony 
Janszn van Vucht weduwnaar van Margriet, dochter van Huybert 
van Heesch, als lasthebber hunner dochter Adriaantje). 



— 323 — 

Genoemde Willem van Hulst kocht 7 Februari 1707 (Reg. 
n° 485 f. 203 v so ) van Jacobus van Welhuysen bij dit huis nog 
een ledig erf, gelegen achter het huis de Klokken, begrensd 
ex uno door het erf van zijn huis het Schaapshoofd, ex alio 
door eenen gang, loopencle naar cle bleek van den heer van 
's Gravesande, welk ledig erf door zijnen vader Johan van 
Welhuysen 27 Januari 1693 gekocht was van Laureyns Vercamp, 
in diens hoedanigheid van voogd over diens kinderen. 

Hierop volgde marktwaarts het huis, genaamd de Klokken 
(thans genummerd 30), welk huis 8 Februari 1670 (Reg. n° 470 
f. 129), — als wanneer het gezegd werd te zijn : huis met erf, tuin, 
plaats, waarop een achterhuis had gestaan en het recht van 
gebruik van eenen gang 1), loopende langs dat huis tot aan de 
Dieze, staande het tusschen het huis van Gerard Jacobszn van 
Rundt 2) ex uno en seker hitys, kof ende poortje, toecomende 
aan de erffgenaemen van Juffr. Judith van Bierbeeck, eenen 
ganclc tusschen byde liggende, ex alio ende streckende voor 
van de straet tot liet poortken aldaer by den bleyckvelt niette 
keymuere tusscken dese erffenisse ende het bleyckvelt staende, 
— door Catharina Nieulaet weduwe van Balthasar van Druenen 
en Johan Maes als man van Theodora van Gestel Willemsdr, 
bij gerechtelijke uitwinning verkocht werd aan Gerrit Vercamp 
Gerritszn. Laureyns Vercamp, chirurgijn te den Bosch, als vader 
en voogd over zijne drie minderjarige kinderen, door hem 
verwekt bij Wilhelmina van Beuchem, voor V4; Mechelina, 
Wilhelmina, Allegonda, Paulina, Anthony en Gerardus, kinderen 
van Anthony van Walschuth en Micolaeske Vercamp, ook voor 
% U ; Rogier van Zuylen als vader en voogd over Catharina van 
Zuylen, door hem verwekt bij Maria Vercamp, eveneens voor 
V4 en Johan Spinnen wyl te Haarlem als gehuwd met Christin a 
van der Haegen weduwe van genoemden Gerrit Gerritszn 



1) Men zie over dien gang akte van 28 April 1599 in Reg. n 
262 f. 387vso. 

2) Dit huis was het huis, genaamd het Schaapshoofd. Zie akten 
Re<?. no 306 f. 103vso en id. n 424 f. 269. 



— 324 — 

Vercamp, voor het overige V*, allen als erfgenamen van laatstge- 
noemden Yercamp, (wiens zoon was gezegde Laureyns Vercamp), 
verkochten 22 Januari 1693 het huis de Klokken, dat toen 
gezegd werd te staan tusschen dat van Juffr. van Vechel ex 
iino en dat van van Heek ex allo en zich achterwaarts uit te 
strekken tot aan het poortje bij het bleekveld, aan Jan van 
Welhuysen. Jau Henrixzn Turne als man van Catharina van 
Welhuysen, c. s. verkochten in 1719 (Reg. n<> 539 f. 110 v so ) 
dit huis, dat nu gezegd werd te staan tusschen dat van S r van 
Hulst ex uno en dat van Leonard van Heek ex alio en zich 
achterwaarts uit te strekken tot aan het erf van gezegden van 
Hulst, weder aan den broodbakker Henrick van Nimwegen. 

Johan van Hans wijk, die in den Bosch 24 Januari 1710 
gedoopt was als zoon van Willem van Hanswyk en Cecilia 
van Wynbergen 1), kocht successievelijk de huizen de Klokken 
en ket Sckaapskoofd. Den 18 April 1754 (Reg. n°575 f. 307 v°) 
had hij reeds van de curators over de verlaten boedels van 
Rogier Bakkers, Adriana Tarremans weduwe van Seger Cray- 
vanger en Anna Maria Tarremans weduwe van Jean Francois 
Gast, welke blijkbaar met elkander tot het drijven eener 
suikerraffinaderij in compagnieschap hadden gehandeld en tot dat 
bedrijf de beide na te melden huizen zullen hebben ingericht, — 
gekocht cle huizen ket Land van Belofte en ket Gekroonde 
Ramslioofd, die nu gezegd werden te zijn: „een hegte, sterke, 
doortimmerde en wel geconditioneerde zuykerraffinaderye van 
drie pannen, mitsgaders moderne huysinge, pakhuysen, solders, 
agterhuysinge, thuyn en thuynhuys, uitkomende aan de rieviere 
de Dieze, gestaan op den Vugterendijk, zijnde de twee huysingen, 
op welkers erve de rafinaderye is getimmert en opgerigt, het 
eene genaamt ket Gekroonde Bamskoofd en het andere liet 
Land van Belofte, aan de weduwe Craeyvanger aangekomen in 
twee distincte schepenbrieven van 2 Mei 1739. 



1) Hun andere zoon Anthony van Hanswyk werd aldaar 12 Januari 
1707 gedoopt en huwde in 1736 met PetronellaRagay weduwe van Godfried 
Fettmenger. 



— 325 — 

Van Johan van Hanswij k voornoemd erfde gezegde vier 
huizen zijne weduwe Johanna Maria Catharina van Hyssel 1) 
en van haar hun beider kinderen : a inr Antonie van Hanswyk, 
hoogschout der Stad en Meierij van den Bosch, die 15 Maart 
1751 huwde met Catharina Goverdina Bles, geboren en wo- 
nende te Tilburg 2); b Wilhelmina van Hanswyk, die in 1758 
huwde met mr Stephanus Rosendaal Jacob Frederikszoon, ge- 
boren te Rotterdam ; c mr Johannes Wilhelmus van Hanswyk 3), 
allen wonende te den Bosch; d mr Nicolaas Johannes van 
Hanswyk, wonende te Amsterdam; e Wilhelmus Petrus van 
Hanswyk, wonende te Rotterdam; f Johanna Margaretha van 
Hanswyk, voor welke bij plaatsvervulling optraden de vier 
minderjarige kinderen, geboren uit haar huwelijk met Jan 
Dirk van Heemskerk ; dezen verkochten bedoelde vier huizen met 
erven 24 Augustus 1796 aan Catharina van den Heuvel 4), 
huisvrouw van Adrianus Franciscus Mulders, bierbrouwer en 
later ook nog wethouder te den Bosch; zij werden toen om- 
schreven als volgt: a eene huyzinge, koetshuis en stallinge op 
den Vugterdijk, ex uno de navolgende huizinge, de suikerrafi- 
naderye, ex alio een straatje, strekkende van gezegde straat 
tot aan de suikerrafinaderye ; b eene huizinge en suikerrafina- 
derye met de pakhuizinge en gereedschappen, ex uno voormelde 
huizinge, ex alio de huizinge den Bril 5); c tuin, tuinkamer 
en koepel agter de rafinaderye, ex uno na te melden bleek 
en ex alio, strekkende van de rafinaderye tot aan de Dieze 
en hebbende uitgang door voormeld straatje; d eene lindebleek, 
bestaande in binnen- en buitenbleek met de bleekerswoning 
en door het straatje uitkomende op den Vugterdijk, ex uno 

1) Hij was met haar gehuwd in 1739. 

2) Taxandria XVII p.' 220. 

3) Hij huwde in 1773 met Debora Bouwens, woonachtig op het 
Kasteel Durendaal onder Oisterwijk. 

4) Zij was de dochter van Nicolaas van den Heuvel en Geertrui 
Gast, de dochter van Francois en Maria Bos. 

5) De naam van dit huis was oudtijds In den Roymeulen, later 
de Vergulde bril. nog later de Gekroonde bril ; het stond Vughtwaarts 
naast het huis de Galden bierton, dat weder stond naast het huis In de 
drie zwanen. 



— 326 — 

Constant Mourick 1), ex allo voormelde tuin en achterwaarts 
zich uitstrekkende met een brug over de waterstroom. 

i. De Loeffen poort. 

N os 26 en 28. 

Het volgend huis was de Loeffen poort ; het heeft waar- 
schijnlijk reeds vóór het jaar 1500 toebehoord aan de familie Loeff, 
want blijkens eene Schepenakte, staande in Reg. n° 137 f. 183 v so , 
kocht in 1530 Henrick Loeff Janszn een stuk land, geheeten 
Liefland, gelegen achter de Oostelijke zijde van den Vughterdijk 
over de Dieze infra den nieuwen vestingmuur der stad tusschen 
zijn erf ex uno en dat van Henrick die Lepper ex alio, (welk land 
in eene akte van 1548 (Reg. n° 176 f. 263) gezegd werd hem 
toe te behooren en te zijn gelegen tusschen den Vughterdijk en 
den wal, de Dieze tusschen door loopende, infra novum murum 
prope turrem) en blijkens eene Schepenakte van 16 April 1539 
(Reg. n° 153 f. 308 v so ) verkocht Bartholomeus, de zoon van 
genoemden Henrick Loeff, aan Arnolda weduwe van Willem 
van den Henxtheuvel een recht van weg, behoorende tot het 
erf, genaamd Liefland, gelegen achter de Oostzijde van den 
Vughterdijk over de Dieze infra den nieuwen vestingmuur 
binnen het erf van genoemden Henrick Loeff, welke weg liep 
van het erf Liefland over de Dieze door eene steeg, die aan 
die rivier aanving, naar den Vughterdijk en welke door meerge- 
noemden Henrick Loeff verkregen was van Petrus van Wijck, 
den zoon van Petrus, den zoon van Petrus Stevenszn. Uit clie 
akten blijkt toch duidelijk in verband met hetgeen verder over 
gezegde steeg en gang zal worden medegedeeld, dat de dikwerf 
genoemde Henrick Loef reeds in 1530 eigenaar was van het 
genaamd de Loeffen poort. 

De genealogie dezer familie Loeff, die in lateren tijd 
genoemd werd Loeff van der Sloot en hetzelfde wapen 2) voerde 



1) Deze was toen eigenaar van het huis het Duifke. 

2) Dit wapen bestond uit een gekanteelden en tegengekanteelden 
schuinbalk. 



— 327 — 

als de familie van der Sloot, welke in de 14 e en 15 e eeuw te 
Tuyl en te Buren woonde, vangt, voor zooverre ik ' die uit de 
Bossche Schepenregisters heb kunnen opmaken, aan met eenen 
Dierck Loeff, daarin ook wel Theodoricus Lufo geheeten. Hij 
had eenen zoon Jan Loeff, die in eersten echt huwde met 
Beatrix, dochter van Henrick de Potte, welke hem schonk een 
zoon Henrick Loeff, die was de Henrick Loeff Senior hiervoren 
op blz. 144 reeds vermeld; ook had hij nog een zoon Henrick 
Loeff junior. 

Deze laatste was in 1535 schepen van den Bosch en 
zegelde als zoodanig met het wapen der familie van der Sloot 1) ; 
hij huwde met Christyne Boyen Laureynsdochter, die hem o. a. 
schonk een zoon Bartholomeus Loeff, president-schepen van 
den Bosch, zooeven ook reeds genoemd. Blijkens eene Bossche 
Schepenakte van 1574 (Reg. n° 225 f. 21) was hij eigenaar 
van het huis de Loeff en poort; zijne vrouw was in 1539 
(Reg. n° 153 f. 381) Ermgard, dochter van mr Goijart van der 
Bruggen genaamd van Eyck en Jutta 2), dochter van Otto 
Jacobszn. Hun eenig kind was mr. Godevaert Loeff van der 
Sloot, ook president-schepen van den Bosch, gestorven aldaar 
14 Mei 1604; hij huwde met Josina Pynappel3), dochter van 
Goossen Janszn, raad van den Bosch en stadhouder van den 
Hoogschout aldaar en Oda van Os, dochter van mr. Peter van 
Os, secretaris van die stad. Hunne kinderen waren: 

a. Johan Loeff van der Sloot, in 1623 reeds dood, 
huwde met Dirckje, dochter van mr Cornelis van Beeck Otto's zn; 
hunne kinderen waren : 1° Bartholomeus, huwde met Johanna 
van Dien ; 2° Johanna huwde, met Balthazar van der Veenen ; 
3° Christina, huwde met Franchoys Tielmans van Sittard; 



1) Blijkens Joh. Th. de Raadt Sceaux armoriés deed dit ook Dierck 
Loeff Henrickszn, (vermoedelijk dezelfde als de op blz. 144 genoemde), die 
van 1548—69 schepen van Heusden was. 

2) Zij hertrouwde na dood van haren genoemden man met Henrick 
van Dickberch genaamd van Staeckenbroeck (Reg. n os 173 f, 233 en 
262 f. 518).^ 

3) Zij en haar man werden begraven onder eene zerk, die thans 
ligt ter zijde van het St. Vincentiusaltaar in de St. Janskerk te den Bosch. 



— 328 — 

4° Erasmus, die in 1623 ook reeds dood was met achterlating 
van minderjarige kinderen zijner huisvrouw Bertken Willems. 
h. Mr Henrick Loeff van der Sloot, kanonik te Oirschot, 
die, nadat hij van dat Kanonikaat had afstand gedaan, huwde 
met Geertruid Cornelisdr. 

c. Mr. Godefroy Loeff van der Sloot, raad van den 
Bosch, die huwde met Hillegonda Colen, dochter van Daniel 
Colen genaamd Scalcken en Hillegonda, de dochter van Eymbert 
van Griensven Peterszn. 

d. Symon Loeff van der Sloot. 

e. Mr. Bartholomeus Loefï van der Sloot, schepen van 
den Bosch, huwde Agatha dochter van Laureyns Melen (Reg. 
n° 360 f. 247 v so ). Hun huwelijk bleef kinderloos. 

/. Judith Loeff van der Sloot, die huwde met Johan 
van Bierbeeck 1). 

g. Emerentiana Loeff van der Sloot. 

Deze kinderen en de verdere afstammelingen van mr. 
Godevaert Loeff van der Sloot en diens echtgenoote Josina 
Pijnappel verdeelden 24 October 1623 (Reg. n° 650 f. 320 en 
vlgd.) de nalatenschappen van die echtelieden; daarbij kreeg 
de sub f genoemde Judith voor haar deel het huis de Loeff en 
poort, dat toen gezegd werd te zijn : een groot huis met eene 
poort en tuin ter zijde daaraan liggende, met de heimmuren en 
het poortje tot het daarachter gelegen bleekveld toe; de sub g 
genoemde Emerentiana bekwam toen voor haar deel voormeld 
huis de Klokken, alsmede twee bleekvelden daarachter, waar- 
van het een van achter dit en het voorschreven groot huis 
tot aan de Dieze en het ander, waarop een bleekhuis stond 
over de Dieze zich uitstrekte; dat huis de Klokken had Josina 
Pijnappel, toen zij reeds weduwe was van genoemden van 
mr. Godevaert Loeff van der Sloot, den 12 Juni 1608 (Reg. 
n° 306 f. 103 v so ), als wanneer het gezegd werd te zijn : „huys, 



1) In 1618 compareerde voor Schepenen van den Bosch Johan van 
Bierbeeck Janszn als man van Maria van den Broeck, dochter van Lambert 
Jasparszn en weduwe van Gregorius van Berselaer, procureur te den Bosch. 



— 329 — 

erve, ledige plaetsche, hoff, middelhuys, staende tusschen huys 
ende erffenisse der wed e en kijnderen mr. Goyaerts Loeff, raidts- 
heer, ter eeDre ende tusschen huys ende erve, genoempt het 
JSchaepshooft, toebehoirende Jannen, zooue wijlner Wouters 
Eelkens, cremere, van wegen zijns tegenwordighe huysvrouwe, 
ter andere zyden, mit de gerechticheyt van te moeghen ge- 
bruy eken den ganck, tusschen de voirs. huyssinghe mrs. Goijaerts 
Loeff ende dese voirs. huysinghe liggende", gekocht van Joost, 
den zoon van Gijsbert Janszn, olieslager, (die het vernaderd 
had, toen zijne zuster Jenneken en haar man Nicolaas Acliiaanszn 
van Hulst het 12 Juni 1608 verkocht hadden) voor zich ter 
tocht en voor hare kinderen in eigendom. 

Mr. Bartholomeus Loeff van der Sloot, oud-raad van 
den Bosch, als executeur van het testament 1) van wijlen zijne 
zuster Judith Loeff van der Sloot weduwe van J or Johan van 
Bierbeeck verkocht 15 Maart 1645 (Reg. n° 425 f. 252 v so ) 
het huis de Loeffen poort, dat alsnu omschreven werd als : 
„eene groote huysinge met een poorte ende eenen hoff ter 
syden aenliggende, gestaen opten Vu ch terend ij ck, mitte heym- 
mure tot de bleyck incluys, tsamen mette gerechticheyt om te 
gebruyeken den wech neffen dese huysinge ter Vuchterpoert- 
waert, (strekkende) voir ter straeten uuyt tot achter terDiese 
toe doir een poirtken, opte hoenderplaets aldaer gemaecf', aan 
den bierbrouwer Adriaan, zoon van Jan Wijnandszn Suyskens 
van Dinther, (in deze akte genoemd Adriaan Janssen Wijnen 
van Dinter) en echtgenoot van Allegonda, dochter van mr. 
Godefroy Loeff van der Sloot en Hillegonda Colen. Genoemde 
Adriaan Suyskens verkocht 12 April 1645 (Reg. n° 425 f. 253) 
dit huis weder aan den schoenmaker Peter Geerlingszoon van 
Riel, die het 29 September 1661 (Reg. n° 420 f. 386) schonk 
aan zijne eenige dochter Pierijntken huisvrouw van Sebastiaan 



1) Als executeur van het testament van dezelfde, die erfgenaam 
was van hare zuster Kmerentiana Loeff van der Sloot, verkocht hij 15 Maart 
1644 het huis de Klokhen aan Gerard Jacobszoon van Rundt, die toen 
reeds eigenaar was van het daar naast staand huis het Schaapshoofd. 



— 330 — 

Henricx Corneliszoon. Voor dezen man, wiens familienaam was 
van Tilborch, verkocht in diens afwezigheid de toenmalige oudste 
Bossche groenroede Francoys van Wullen 12 December 1681 
(Reg. n° 500 f. 67) dit huis aan FranQoys van Heek, burger 
van den Bosch; het werd nu omschreven als: „eene schoone 
en welgelege huysinge met een poorte, plaetsche, hoff en drye 
w r oningen, alsmede eene loyerye met een stallinge voor 14 a 
15 paarden'', gemeenlijk genoemd de Loeffenpoort, met de 
heymuren tot de bleyck incluys, staande op den Vughterdijk 
tusschen de beide poorten. Van genoemden Frangoys van Heek 
kwam dit huis aan zijne kinderen, van wie een wasJohannes 
van Heek; de dochter van dezen laatste, Theodora Catharina 
van Heek, echtgenoote van Jan Frans Christoffel de Beyer, 
kolonel 1), erfde het van hem ; toen zij weduwe was, verkocht 
zij 10 November 1781 dit huis, dat alstoen omschreven werd 
als: huis met erf, staande op den Vughterdijk tusschen het 
huis van Jolian van Hanswijk ex uno en dat van den chirurgyn 
Johannes Wartenberg ex allo en zich uitstrekkende tot aan de 
Bleek, aan Gregorius Josephus Koppelaar, medicinae doctor te 
den Bosch. Blijkens het Cijnsregister van den Bosch, berustende 
in het Rijksarchief aldaar, heette het toen de Witte Rooster. 

Naast dit huis stonden Marktwaarts twee huizen onder 
een dak, die ook aan de familie Loeff van der Sloot toe- 
behoorden en thans zijn het huis genummerd 24, waarvan de 
heer Constant Tilman nu de eigenaar is. 

Als oudste eigenaren vond ik daarvan vermeld genoemden 
mr. Godevaert Loeff van der Sloot en diens echtgenoote Josina 
Pynappel. Bij de verdeeling hunner nalatenschappen, welke, 
als gezegd, 24 October 1623 plaats had, werden deze beide 
huizen, die toen omschreven werden als: „twee huysen onder 
een dack, erve ende hoff, staende naest den grooten huyse ter 
heylich Cruyspoorte waert", toebedeeld aan hunnen zoon Symon 
Loeff van der Sloot. De erfgenamen van dezen laatste, zijnde : 

a mr. Bartholomeus Loeff, oud -raad van den Bosch, 



1) Men zie over hem en zijne kinderen Taxandria XI p. 286. 



— 331 — 

tevens als executeur van het testament van genoemden Symon, 
die zijn broeder was; 

b Judith Loeif van der Sloot weduwe van J or Johan 
van Bierbeeck; 

c Emerentiana Loeif van der Sloot; welke beide laatst- 
genoemden de zusters waren van meergenoemden Symon; 

d de kinderen van genoemden Johan Loeff van der Sloot, 
zijnde: Bartholomeus ; Christina, echtgenoote van Franchoys 
Tielemans van Sittard; Johanna, huisvrouw van Balthazarvan 
der Veenen ; alsmede de momboiren over de kleinkinderen van 
dien Johan Loeif van der Sloot, zijnde de kinderen van diens 
vooroverleden zoon Erasmus Loeff: van der Sloot; 

e Hildegoncla Colen weduwe van voornoemden mr. 
Godef roy Loeif van der Sloot ; hunne dochter Allegonda, huis- 
vrouw 1) van Arnoud Bacx en hun schoonzoon Melchior van Kessel, 
die toen reeds weduwnaar was van hunne dochter Josina; en 

f de reeds genoemde Balthazar van der Veenen als 
transport hebbende van voornoemden kanonik mr Henrick 
Loeff van der Sloot, 

verkochten 20 September 1633 (Reg. n°378 f. 380) deze 
beide huizen, van welke dat, hetwelk Vughterpoortwaarts stond 
en later het Duyfken geheeten werd, toen gekocht werd door 
voornoemden Franchoys Tielemans, als man van Christina Loeff 
van der Sloot ; het werd alstoen gezegd te zijn : huis, erf, tuin, 
plaats of gang; terwijl het ander, dat Marktwaarts stond, en 
toen gezegd werd te zijn: „huysinge, erve. hoff, plaetsche ofte 
ganck," staande Vughterpoortwaarts naast het voorschreven 
huis, waarmede het onder een dak stond en Marktwaarts naast 
dat van den „seeldreeyer" Nicolaes Henrickszn, alstoen werd 
gekocht door den bakker Dan iel Hermans, die het 18 September 
1643 (Reg n° 423 f. 590) weder verkocht aan Joost Nicolaaszn 
van Eethen, lijndraaier 2), terwijl voornoemde Christiana Loeff 



1) Haar tweede man was, als gezegd, Adriaan, zoon van Jan 
Wynandszn Suyskens van Dinther. 

2) Na hem behoorde dit huis aan Henrick Laureynszn. 



— 332 — 

van der Sloot het door haar, als gezegd, gekochte huis 
den 7 November 1659 1) verkocht aan Gijsbertje Adriaans 
weduwe van Jan van Santvoirt; deze hertrouwde met Lodewijk 
Beauregard, die het daarop 16 September 1667 verkocht aan 
den koopman Henrick Bits (Reg. n° 447 f. 391). 

Naast het huis, dat, als gezegd, Joost Nicolaaszn van 
Eethen kocht, en dat later geheeten werd het Zevengester, 
stond het huis, eerst genaamd In de vergulde Kabel, later 
het vergulde Kabeltouw; Remigius van Vosbergen verkocht 
11 April 1646 (Reg. n° 391 f. 355 v so ) dit huis, dat toen 
gezegd werd te zijn, huis met erf, tuin en achterhuis, staande 
tusschen het huis van Joost Nicolaaszn van Eethen Vughter- 
poortwaarts ex uno en dat eertijds van Christina weduwe van 
Gijsbert de bleycker, nu Pauwei Janszn busmaker, H. Kruis- 
poortwaarts ex allo, aan Gerard Jacobszn van Rundt; naast, 
althans niet ver van dit laatste huis stond het huis, genaamd 
J t Verguld hert. Ter plaatse waap de beide laatstgenoemde 
huizen en wellicht nog andere huizen stonden, staat thans het 
kapitale heerenhuis van mr Victor Tilman, genummerd 22 en 20. 

De beide daarop Marktwaarts volgende huizen, waren 
de huizen In den Bril, nu genummerd 18 en 16 en het huis, 
genaamd In het cijfer F, genummerd Vughterdijk 14 ; laatst- 
genoemd huis werd 4 Augustus 1698 (Reg. n° 511 f 125 v so ) 
gekocht door Jan Buys, burger van den Bosch, als wanneer het 
gezegd werd te zijn een huis, staande aan den Vughterdijk 
even buiten de Binnenpoort tusschen het huis eertijds genaamd 
de Rosmolen, toebehoorende aan en gebouwd door den post- 
meester van de Graeff, een straatje tusschen beiden loopende, 
Marktwaarts, en het huis in den Bril, toebehoorende aan van 
Heek, ex allo en zich achterwaarts uitstrekkende tot aan het 
huis van Willem Vervoort, staande in gezegd straatje. 

Achter de huizen, thans genummerd Vughterdijk 20, 22, 24, 



1) Haar man had het 9 Dec. 1650 (Reg n<> 431 f. 74) verkocht aan 
den bakker Anthony Abrahamszn van der Meulen, welke verkoop later 
gecasseerd zal zijn. 



- 333 — 

26 en 28 lagen oudtijds eene bleek, alsmede eene binnen- en 
buitenbleek. De bleek behoorde aanvankelijk aan het Kruisbroe- 
dersklooster den 's Bosch en werd in 1641, zooals later bij de 
beschrijving van het Bossche Predikheerenklooster uitvoeriger 
zal worden medegedeeld, door Peter Schuyl, rentmeester der gees- 
telijke goederen aldaar, gekocht door mr. Johan Gans en Frans 
Blom, hiervoren reeds meermalen genoemd. Van mr. Johan 
Gans kwam dit ten slotte aan Jacoba Tromp, welke in eersten 
echt gehuwd was met mr. Johan Willem de Groulart, heer 
van Surrester en president schepen van den Bosch en in tweeden 
echt met mr. Johan Hibelet; daarna behoorde de bleek aan 
de kleindochter van eerstgenoemde echtelieden, zijnde Jacoba 
Adriana de Groulart; haar eerste man was Gerard Cornelius 
Frederik Scheyd, haar tweede Frangois Louis de Graffenried 
de St. Jean; deze laatste verkocht met haar 1) 19 Juni 1770 
(Reg. no. 591 f. 152) de bleek aan Adrianus Kippinx, koopman 
in wijnen te den Bosch; zij werd toen aldus omschreven: eene 
bleek met woning en waschhuis, gelegen langs den Kuipertj es- 
wal en schietende langs den kapitalen wal tegen de bleek 
van Agathus Schouten, met de helft van de sloot, tusschen 
de beide bleeken liggende. Thans maakt die bleek een deel uit 
van den tuin van voorzegd huis van mr. Victor Til man (ge- 
nummerd Vughterdijk 20 en 22.) 

De binnen- en buitenbleek, waarvan de buitenbleek waar- 
schijnlijk oudtijds Liefland heette, waren eens het eigendom 
van mr. Bartholomeus Loeft van der Sloot, zoon van mr. Gode- 
vaert en Josina Pijnappel, vermoedelijk omdat hij ze van hen 
erfde. Tengevolge van zijn kinderloos overlijden, dat 20 No- 
vember 1654 plaats had, werden deze beide bleeken van hem 



i) Deze echtelieden verkochten op denzelfden dag aan mr. Jacob 
Marten Deutz, oud-schepen en raad van den Bosch en ontvanger, het 
onder Vught gelegen landgoed Steenwijk, dat genoemde Jacoba Adriana 
de Groulart had geërfd van haren vader mr. Steven Harpert de Groulart, 
raad en secretaris van den Bosch, die het voor een deel geërfd had van zijne 
moeder Jacoba Tromp en voor het overige had gekocht van Philip Willem 
de Schmeling, raad en rentmeester-generaal der Domeinen van Brabant 



— 334 — 

geërfd door: Philips Loeff van der Sloot en zijnen broeder 
Go y art Loeff van der Sloot, priester en doctor in de Godgeleerd- 
heid te Rome, zonen van zijnen broeder mr Henrick Loeff 
van der Sloot en Geertruid Cornelisdr; door Theodorus Loeff 
van der Sloot, priester 1), die ook een zoon van deze echte- 
lieden zal geweest zijn, alsmede door Anna, Emerentiana, 
Allegonda en Odilia, dochters van mr. Godefroy Loeff van der 
Sloot en Hillegonda Colen; zij verdeelden 13 April 1667 (Reg. 
no. 467 f. 127) de nalatenschap van hunnen voornoemden oom 
Bartholomeus Loeff van der Sloot en daarbij werden deze beide 
bleeken, die toen geheeten werden de Loeffsbleyck en waarop 
alstoen een huisje stond, toegescheiden aan genoemde Allegonda, 
welke, als gezegd, de huisvrouw was van Adriaan Suyskens 
van Dinther; deze schijnt slechte zaken te hebben gemaakt, 
want den 24 Mei 1702 (Reg. no. 514 f. 410) verkocht de op 
blz. 111 genoemde Dirck van 's Gravesande, in zijne hoedanig- 
heid van curator over diens boedel „de binnen- en buitenbleek 
met eene woning er op, gelegen achter den Vughterdijk, uit- 
wegende naar die straat onder door het huis van Jonckhout en 
strekkende langs de bleek van Mevr. de Groulart van af het 
huis de Witte Rooster tot aan den stadswal, — aan zijne echt- 
genoote Anna Josina Blom. Den 29 April 1733 (Reg. no. 546 
f 144) verkocht Aletta Willemina Tulleken de binnen- en 
buitenbleek met bleekerswoning, uitkomende door eenen gang 
op den Vughterdijk, gelegen tusschen de erven van Anthony 
van Hulst en van Tiel, strekkende over eene brug tot aan den 
Stadswal en haar aangekomen van hare voorouders 2), — aan 
Catharina Zoete de Laecke, douairière van Johan Freclerik baron 
van Lier. Later behoorden deze beide bleeken, zooals wij op 
blz. 325 reeds zagen, aan de familie van Hanswyk; op de bin- 
nenbleek bevindt zich thans het Tilmanshofje en de buitenbleek 
is tegenwoordig eene kweekerij. 

1) Men zie over hem J. Hezenmans den Bosch 1629—1798 blz. 179. 

2) Aletta Willemina Tulleken was de dochter van mr. Evert Tulleken, 
raad en griffier van den Bosch en Johanna Gornelia, de dochter van ge- 
neemden Dirck van 's Gravesande en Anna Josina Blom. 



- 335 — 

j, De Doncquerspoort. 

Vughterstraat n°. 102. 

Ging men door de Vughterbinnenpoort de Vughterstraat 
weder in dan kreeg men eenige huizen verder aan zijne rechter- 
hand eerst eene poort, die stond voor de straat, thans de Kui- 
perij eswal geheeten, zooals blijkt uit eene Bossche schepenakte 
van 1611 (Reg. n° 282 f. 82), waarbij Wouter de Weyer kocht 
huis met erf en tuin, staande in de Vughterstraat tusschen de 
Molenbrug en de poort van den gang, waardoor men van die 
straat gaat naar de kerk van de Kruisbroeders en wel tusschen 
het huis der wed. en kinderen Jan Willemszn Seberts in de 
richting van die poort ex uno en het huis van Peter de Weyer, 
broeder van den kooper, Molenbrugwaarts ex alio ; en nog 
eenige huizen verder het huis de Doncquerspoort, dat eerst toebe- 
hoorde aan den op blz. 241 genoemden Joan Baptist Donckers 
Melchiorszn, die van zijne vrouw Aclriana van Horenbeeck o. a. 
een zoon Martin Donckers had, die dit huis van hem erfde en 
tot vrouw had Mechtelcl van Boxmeer, dochter van Gijsbert en 
Catharina van Susteren. De curator over den verlaten boedel 
van dezen Martin Donckers verkocht 19 December 1691 (Reg. 
n° 480 f. 261) dit huis, dat alstoen omschreven werd als: huis 
met tuin, achterhuis, kamer, stal en pakhuis, staande aan de 
Vughterstraat nabij de Molenbrug en uitkomende met eene 
poort aan straat, zich achterwaarts uitstrekkende tot aan het 
Convent der Kruisbroeders, — aan Reinier van Boxel, koopman 
te den Bosch, hiervoren op blz. 265 reeds genoemd. Deze huwde 
twee malen, 1° met Anna van der Waarde, van wie hij had 
Catharina, Michiel, Adriaan en Maria Anna van Boxel en 2° met 
Margaretha Schaer, van wie hij twee kinderen had, die in 1710 
nog onmondig waren. Van genoemden Reinier van Boxel kwam 
dit huis aan diens zoon Adriaan van Boxel en van dezen aan 
diens kinderen, ten wier laste het 9 Sept. 1767 gerechtelijk 
werd verkocht aan Hermanus van Venroy en Johan Alleger, 



— 336 — 

beiden wonende te den Bosch; het werd toen omschreven als: 
„huis en erf, genaamd de Doncquerspoort, met tuin, stal. tuin- 
kamer, koets- en pakhuizen daarachter, staande tusschen het 
erf van Francis Lomans en de Roomsche kerk ex uno en het 
erf van Theodoor van Berkel en Theodorus Peters ex alio en 
zich achterwaarts uitstrekkende tot over de Dieze met twee of 
drie uitgangen op het Kruisboederskerkhof. Francis en Reinier 
van Venroy, kinderen van genoemden Heiman van Venroy en 
diens vrouw Elisabeth Peters, alsmede de zoon, dien deze had 
van haren eersten man Chrysosthomus Mulders, zijnde Jan 
Mulders, verkochten 28 April 1774 hunne helft inde Doncquers- 
poort aan voornoemden Johan Alleger. Petronella van Venroy, 
woonachtig te den Bosch, weduwe en erfgename van Petrus 
Cnoebart, die in 1795 eigenaar werd van de Doncquerspoort, 
verkocht 21 Mei 1801 aan de Roomsche gemeente van de 
Parochie van St. Catharina in de Vuchterstraat aldaar een en 
moestuin met hoveniexswoning, stal en pomp ; gelegen achter het 
huis de Doncquerspoort en uitkomende met eene poort of deur 
bij de Kruisbroederskerk. 

/.-. Het tweede Katholieke bedehuis in de 
Vughterstraat. 

N . 98. 

Naast het huis de Doncquerspoort stond Marktwaarts 
het huis genaamd het Blauwlaken, thans genummerd 100 en 
daarnaast in dezelfde richting de huizen, geheeten de Vergulde 
Ossehuid en de Zwarte Beer of het Beerken, welke beide 
laatste huizen thans tot één gebouwd en de pastorie zijn van 
de Kruisbroederskerk te den Bosch, zijnde deze pastorie nu 
genummerd Vughterstraat 98. 

Het huis de Zwarte beer of het Beerken zal geweest zijn 
het huis, waarvan van Heurn in zijne Beschrijving meende, 
dat het was het; ref ugiehuis der Abdij van Averbode en waarover 
hij aldaar het volgende mededeelde: „De réfugié der Abtdye 



857 — 



van Everbode stond voorheen in de Vuchterstraat by de 
Moolenbrug; die Abdye is in Oostenrijks Brabant geleegen; 
om deeze rede konden de Algemeene Staaten dit huis niet als 
overheerd aanslaan, zoodat de réfugié door de Abdye zal ver- 
kocht zijn, doch op wat tijd (dit geschiedde) heb ik nergens 
ontdekt. Eenige jaaren geleden is het grootste gedeelte afge- 
brooken en in een moestuin veranderd ; het kappelletje nevens 
eenige kamers zijn er thans nog van in weezen." Hoe van 
Heurn er toe is kunnen komen van te beweren, dat een dei- 
huizen in de Vughterstraat het réfugié was van de Abdij van 
Averbode is mij een raadsel, want in de Bossche schepenproto- 
collen heb ik geen enkele akte kunnen vinden, waaruit zoude 
kunnen worden opgemaakt, dat die Abdij ergens in den Bosch 
eenrefugiehuis bezat. Blijkbaar heeft van Heurn zich alzoo vergist 
en heeft hij het tweede Katholiek bedehuis in de Vughterstraat 
voor een refugiehuis aangezien. Wel vond ik in de Bossche 
schepenprotocollen de navolgende akte van 20 Juni 1591 (Reg. 
n° 246 f. 461), waaruit blijkt, dat het huis de Zwarte Beer oudtijds 
toebehoorde aan het Kruisbroedersklooster in den Bosch : Hee- 
ren ende broederen Pauwels van Balen, prior, Thomas van 
Harinxvelt, subprior, Jeronimus van Oisterwijck, custer ende 
Anthonis van Erp, conventualen des Convents van den Cruys- 
broederen binnen der stadt van 's Hertog enbossche, soe voer hen 
als voer allen anderen conventualen des voirs. Convents, present 
ende toecomende ende in dien name gemechticht tot 's geens 
navolgende is uayt crachte van sekere openene brieven van 
consente by den Eerwerdigen Heer ende broeder Georgio 
Constantini, meester-genera el des Ordens van den Cruysbroe- 
deren, onder synen zegele i6 Mey i588 gegeven ende verleent, 
verkoopen aan Willem Strick, zoon van wijlen Jan : a een 
huys metten gront ende hoff, staande in de Vughterstraat 
tusschen het huis en erf eertijds van Gijsbert Gysselen, nu 
van hem, kooper, ex uno en tusschen het huis en erf eertijds 
van Goyart, zoon van Gerrit Goyartszn, nu Willem Herincx 
Gijsbertszn, ex alio, strekkende achterwaarts tot aan de ach- 

22 



— £36 - 

terste kamer van dien Herincx en van die kamer lijnrecht tot 
aan de Dieze; b een erf, gelegen over de Dieze tusschen de 
erven van genoemde belendende eigenaren, alsmede een erf, dat 
achter gezegde achterkamer is gelegen tusschen dat van ge- 
noemden Gysselen en het voorschreven Convent der Kruisbroe- 
der^ — alle welke goederen Jan, zoon van Henrick Franszoon, 
7 Augustus 1529 gekocht had van genoemden Goijart, zoon 
van Gerrit Goijartszu en thans toebehooren aan meergenoemd 

Convent. 

Genoemde Willem Strïck, die voorschreven erven van 
het Bossche Kruisbroedersklooster kocht en toen daarnaast 
reeds een huis aan de Vughterstraat bezat, was cle zoon van 
den op blz. 138 genoemden Jan Strick en diens tweede vrouw 
Elisabeth Pynappel Jansdochter. Hij had deze zonen: Willem 
Strick, wollenlakenskooper, Gijsbert Strick en Hans Strick. 
Laatstgenoemde Willem Strick erfde van zijnen vader het huis, 
dat deze vóór gemelclen koop reeds bezat en verkocht het 7 
Januari 1611 (Keg. n° 281 f. 158 v so ), als wanneer het gezegd 
werd te zijn een huis met tuin, staande in de Vughterstraat 
tusschen het groot huis van zijnen broeder Hans ex uno en 
het huis, genaamd het Wit paardje, toebehoorende aan Willem 
Herincx ex alio en zich achterwaarts uitstrekkende tot aan de 
Dieze, aan den wollenlakenskooper Peter, zoon van Daniel 
Janszn, die het 11 Januari 1616 (Reg n° 341 f. 194) weder 
verkocht aan genoemden Hans Strick. Deze laatste was toen 
reeds voor het geheel eigenaar van gezegd groot huis, doordien 
hij 16 Januari 1612 (Reg. n° 283 f. 208) van zijnen broeder 
Gijsbert diens Vs gekocht had; dit huis werd alstoen gezegd 
te zijn : huys, erve, hoff ende eene steenen brugghe, liggende 
over den waterstroom aldaer ende een af ter huys ende anderen 
hoff, liggende over d'ander syde van het water ende brugge 
voirs.. staande in de Vughterstraat tusschen het huis, dat eertijds 
toebehoorde aan Willem Strick, en het erf van Willem Herincx, 
woonachtig te Luik, ex uno en het huis van Jan Goijartszn 
van Ravenstein, looier en schoenmaker, c. s. ex alio, achterwaarts 



— 339 — 

uitgaande met eene poort op het kerkhof der parochie van 
St. Catharina, zijnde dat Vs door hem geërfd geweest van zijnen 
vader Willem Strick. Zoo was Hans Strick, die ook wollen- 
lakenskooper te den Bosch was, nu weder eigenaar van al het 
onroerend goed, dat zijn vader aldaar bezat, behoudens dat 
deze 5 September 1591 (Reg. n° 246 f. 499 v so ) daarvan aan 
mr. Gerard Bueckelaer, pastoor der parochiekerk van St. Catha- 
rina en kanonik der Kathedrale Kerk van St. Jan te den Bosch, 
had verkocht — teneinde daarmede voorzegd kerkhof te ver- 
grooten, — een deel van zijnen tuin, gelegen achter zijn huis 
en erf in de Vughterstraat en uitkomende op het kerkhof van 
gezegde parochiekerk, zijnde dat deel begrensd door dat kerk- 
hof ex uno en den heimmuur van Goijart Gerritszn, den verwer, 
ex alio en strekkende van den heimmuur van het Convent des 
Kruisbroeders tot aan een ander erf van hem Strick. 

Hans Strick liet zijne voorschreven huizen met tuinen na 
aan zijne dochters Mechteld, echtgenoote van JohanKarsmans; 
Maria 1), echtgenoote van Gijsbrecht Karsmans, suikerbakker 
te den Bosch (den broeder van genoemden Johan) en Francina. 
echtgenoote van Philips van Horen, koopman in wollen lakens 
te den Bosch; zij verdeelden 27 Juli 1651 (Reg. n° 400 f. 327) 
zijne nalatenschap en alstoen kwam een huys, hoff ende erve, 
staende in de Vuchterstraet, genaemt de Swertten beer, aan 
Francina en een huys met syne toebehoortten, staande in de 
Vughterstraat tusschen het voorschrevene en het huis het Wit 
peertken, aan Mechteld. 

Tijdens dat Francina Strick. de huisvrouw van genoem- 
den Philips van Horen, het huis de Zivarte beer of het Beerken 
bezat, diende dit huis of beter gezegd een in den tuin daarvan 
staand gebouw tot geheim bedehuis voor de Katholieken, 
zooals blijkt uit het volgende, dat Martinus Ackersdyck daar- 
over in zijn Memoriaal relateerde: 



1) Zij kocht 4 Juli 1680 (Reg. n° 475 f. 231) het goed Muyserick 
onder Vugtat van mr. Petrus Husvelt, die het gekocht had van Catharina 
van Roye weduwe van Rutger Tulleken. 



— Ê40 — 

Op den lesten November 1652 is by my gestoort een 
paepsche vergaderinge in de haysinge, toebehoorende Philips 
van Hoorn, gestaen in de Vuchterstraet, daer inwoonster van 
ivas Aeltjen Willems, ende alsoo daer geen ofte weynich volck 
in was als de luitenant Maron ende sijn suster, dewelcke ick 
hebbe gekent, is daerom voor het huys betaelt de volle peene 
van fl 300 ende daervan aen mijn Heer (den hoogschout de 
Bergaigne n.t.) gegeven fl 240. 

Dat voormelde huysinge het huis het Beerken was, blijkt 
uit den navolgenden inhoud eener Schepenakte van den Bosch 
van 10 November 1693 (Reg. n° 508 f 243 v so ): Paulus de Grauw, 
secretaris van Thielen, verkoopt de helft in een huis en achter- 
huis, genaamd het Beerke, staande in cle Vughterstraat tusschen 
het huis van Juut. Karsmans ex uno en dat van Johan van 
Ravesteyn ex alio en zich uitstrekkende tot aan het Kruisbroe- 
derskerkhof, — welke helft door hem geërfd was van zijnen 
moederlijken oom Philips van Horen, — aan mr. Marcelius 
Antonius van der Lee, advocaat te den Bosch. 

De andere helft van het huis het Beerken werd geërfd 
door de kinderen van Maria Strick en Gijsbrecht Karsmans, die 
erfgenamen waren, als gezegd, van Hans Strick; van daar dat 
toen Martinus Ackersdijck andermaal eenen inval deed in be- 
doeld geheim bedehuis, hij zal vermeld hebben, dat het toebe- 
hoorde aan laatstbedoelde erfgenamen ; hij relateerde toch dien 
inval als volgt in zijn Memoriaal: Den 27 en Februarij 1656 
gestoort een paepsche conventicul, dewelcke wierdt gehouden 
in de Vuchterstraet, daer uyt hanght het Beer ken, toebehoo- 
rende de Erffgenaemen van sal. Hans Strick. Is voor het huys 
betaelt de volle peene enz. De kinderen van Gijsbrecht Karsmans, 
die in 1689 reeds dood was, waren mr Willem Karsmans, 
advocaat; een kind, dat mij onbekend bleef ; Judith Mechtildis 
Karsmans, die 4 Februari 1695 een vierde in het huis met erf 
en achterhuis, genaamd het Beerken, — staande in de Vughter- 
straat en zich uitstrekkende tot aan het Kruisbroederskerkhof, 
welk een vierde door haar geërfd was van hare ouders, — 



— 341 — 

verkocht aan Anna Maria Lintermans weduwe van voornoem- 
den Marcelius Antonius van der Lee en Pieter Karsmans, 
wonende te Vught, die 16 December 1694 reeds hetzelfde 
had gedaan met zijn een vierde in dat huis, nadat hij den 
13 e November te voren eerst dat een vierde had afgestaan aan 
zijnen zoon Gijsbertus Norbertus Henricus Karsmans, geboren 
uit zijn huwelijk met Anna van Romundt, in mindering van 
diens filiale portie. 

Het geheim bedehuis, dat in den tuin van dit huis stond, 
werd aanvankelijk bediend door eenen pater Predikheer, die 
een lid der Bossche familie Strick zal geweest zijn, want zijn 
naam was Dominicus Strick ; blijkens het werk van G. A. 
Meyer de Predikheeren te den Bosch p. 152— 155 bediende hij 
deze bidplaats van 1643 tot aan zijnen dood in 1677. Hij had 
nog enkele Predikheeren tot opvolgers totdat in 1763 door de 
Staten Generaal aan de Predikheeren verboden werd nog langer 
dit bedehuis te bedienen; toen kwamen daarvoor wereldgeeste- 
lijken in de plaats. 

Den 8 Juli 1773 werd dit bedehuis met de daarbij be- 
hoorende pastorie ten name van cle Roornsche gemeente van 
dat bedehuis gevest; het geschiedde bij eene akte, welke 
luidde als volgt : Johannes Godefridus Heeren, koopman te den 
Bosch, als gemachtigde van Pieter van der Lee, wonende te 
Breda en Godefridus van Geel, koopman, wonende te Rotterdam 
en vermogens de Resolutie der Staten Generaal van 10 Juni 
1773, transporteert de Roomsche Kerkenhuysinge, anders ge- 
naamt het tweede kerkenhays in de Vachterstraat, omtrent de 
Moolenbrug aldaar, mitsgaders het hofje daarby en aan gelee- 
gen, ende alnoch de wooninge en erve, door Bartholomeus 
Smolders, Roomsch Priester en Pastoor, als hy leefde ende tot 
sijn overlyden toe gebruykt geweest ende eyndelijk seker kleyn 
huysje, dienende tot den ingang naar bovengenoemde kerken- 
huys, alles te samen neffens huys en erven van Johannes 
van den Biggelaar, Francis Lomans, mitsgaders Hermanus van 
Venrooy en Johannes Alleger aan de eene en andere zyden 



— 342 — 

respectivelijk strekkende, alles te samen voor van de gemelde 
Vuchterstraat achterwaarts tot tegens den gemeenen weg of 
straat, loopende langs de Kruysbroederskerk, daarop die panden 
met een poortje uytkomen, — aan de Boomsche gemeente 
der meergenoemde kerkenhuysinge. Hoe die kerkenhuysinge, 
toen was leert ons van Heurn in zijne Beschrijving als volgt : 
,,De kerstpelkerk van St. Kathrijn staat in de Vugterstraat 
by de Molenbrug ; zy is in of omtrent het jaar 1696 ge- 
timmerd ; het gebouw, dat taamlijk groot en lugtig is, heeft 
twee ingangen, d'eene in de Vuchterstraat neven het huis des 
Priesters 1) en de andere tegenover de Kruisbroederskerk ; in 
deeze kerk is maar een autaar; daarin staat een schilderye, 
die (zo het my voortkomt) door den beroemden Theodoras van 
Thulden geschilderd is ; daarin word de Moedermaagd ver- 
beeld met het kind op den arm, die den roosenkrans aan 
St. Dominicus geeft 2). Tegenover het autaar is een oxaal, 
waarop een orgel staat. Deze kerk word door een Priester 
en een Kappellaan bediend, die in de Vugterstraat eene huizinge 
hebben, welke in het jaar 1788 geheel is vernieuwd." 

Volgens Schutjes IV p. 294 en 353 noot 1 werd dit 
bedehuis, dat ook volgens hem stond in den tegen woordigen 
tuin der Pastorie van St. Catharina (de Kruiskerk) grootendeels 
gesloopt toen de Katholieken die kerk weder in gebruik namen. 
De pastorie van dit bedehuis, die het eigenlijke huis het 
Beerken was, maakt thans een deel uit van de tegenwoordige 
pastorie van gezegde kerk, welke door den aankoop van het 
daarnaast staande huis de Vergulde Ossenhuid aanmerkelijk 
is vergroot geworden. 

Over de bedehuizen, welke de Katholieken in den Prote- 
testantschen tijd in den Bosch hadden, nadat de Staten Gene- 
raal hun daartoe bij Resolutie van 16 Februari 1747 meer 

1) Naast dat huis liep voorheen een gangetje, waarvan het voorste 
gedeelte thans is ingenomen door de tegenwoordige pastorie der Kruiskerk. 

2) Deze schilderij hangt thans in de Kruiskerk ; de andere schil- 
derijen, die daar hangen, zijn van Petrus Verhagen en afkomstig uit de 
Abdij van Averbode. 



— 343 — 

vrijheid hadden verleend, deelt van Heurn in zijne Beschrijving 
nog het volgende mede : 

„Een ieder, die de stad volkomen kent, weet, dat naar 
maate het getal der Roomschgezinden inwoneren alhier er te 
weinig kerken zijn of dat de kerken te klein zijn. Op alle 
de kerkendagen zijn die zo opgepropt, dat er zo veel plaats 
niet is, dat de menschen daarin staan kunnen, zo daterveelen 
onder den blooten hemel moeten blyven. Indien by oorlogs- 
tyden er veel krijgsvolk binnen de stad, of dat er in vredestijd 
eenige regimenten, waarin zich veele Roomschgezinden bevinden, 
gelegt werden, is het veel erger. In sommige kerken moeten 
de lieden op zolders onder het dak zitten, hetwelk des zomers 
niet alleen ongemakkelijk maar ook zeer ongezond is. De 
Algemeene Staaten hebben denkelijk op het betoog hun des- 
wegen gedaan in den jaare 1775 goedgevonden, dat de kerk 
in de Kerkstraat twintig voeten uitgezet mogt werden en in 
het jaar 1779, dat de kerk van den Plebaan in de Tolbrug- 
straat, die oud was en vernieuwing noodig had, merkelijk ver- 
groot mogt werden. 

De Roomschgezinden hebben derzelver kerken zo ver- 
deeld, dat de oude kerstspellen in stand gehouden werden, 
dan alzo er in het kerstspel van St. Peter en Paulus geen 
Roomschgezinde kerk staat, is de priester van St. Jan of 
cle Plebaan, ook priester van dat kerstspel. Het doopen, 
trouwen en alle ander priesterlijke bedieningen over die twee 
kerstspellen behooren aan denzelven. De kerstspellen van St. 
Jakob en St. Kathrijn hebben ieder hunnen bijzonderen priester 
en kerk". 

/. Het Kruisbroedersklooster. 

Dit klooster, dat achter de Vughterstraat aan het Kruis- 
broedeishof stond, was van uit eerstgemelde straat te bereiken 
zoowel door eene poort, die, zooals wij reeds zagen, voor den 
Kuipertjeswal stond als door eene poort, cle Kruisbroederspoort 



— 344 — 

geheeten, welke voor het Kruisbroedersstraatje zich bevond 1) ; 
bovendien kon men er komen van uit de St. Jorisstraat door 
eene poort, ook genaamd de Kruisbroederspoort, waarboven 
zich uitstrekte eene kamer van het huis, nu genummerd 
St. Jorisstraat n° 1 1 ; van af deze poort liep naar het klooster 
eene straat, eveneens het Kruisbroedersstraatje geheeten, in 
welke laatste straat eene brug over de Dieze lag, die 16 Sep- 
tember 1606 door dat convent aan de stad den Bosch werd 
overgedragen (Reg. n° 272 f. 322 v 60 ). 

Naast cle Kruisbroederspoort in de Vughterstraat stond 
het huis, genaamd in de Ploeg, thans genummerd 82. Nico] aas 
Kuysten, zoon van Aard Franchoyszn 2), verkocht 13 Augustus 
1614 (Reg. n° 286 f. 434) van dat huis een bleekveld, gelegen 
achter het achterhuis van het voorhuis daarvan, welk voor- 
huis toen gezegd werd te staan naast de Kruisbroederspoort, 
— aan heer en mr. Henrick Voss, priester, baccalaurus in de 
Godgeleerdheid en pastoor der parochiekerk van St. Catharina 
te den Bosch, mr, Henrick van Heumen, licentiaat in de rech- 
ten en raad van den Bosch, Jan der Sluys en Einood 
Peterszn, in hunne hoedanigheid van fabriekmeesters der ge- 
zegde kerk, ten behoeve van haar „tot der zeer nootelycke 
vergrootinge van den kerckhoff aldaer tot begraeffenisse der 
dooden. Mr. Jacob van Balen, president-schepen van den Bosch, 
als man van Angela Creeft, dochter van Michiel en Elisabeth 
Kuysten, vernadercle echter het verkochte 12 Augustus 1615; 
hij was echter niet altijd de St. Catharinakerk zoo ongenegen 
als hij zich nu jegens haar betoonde, want 20 December 1596 
(Reg. n° 260 f. 93 v s0 ) had hij als man zijner genoemde 
vrouw, c. s. aan de Fabriekmeesters van die kerk verkocht, 
tot behoeft der breydinge ende ampliatie des kerkwechs der 



i) Zie hiervoren blz. 289. 

2) Mathijs Henrickszn Kuysten verkocht in 1564 (Reg. n° 210 f.382) 
aan zijne zuster Margriet de helft van een huis, staande in de Kruis- 
broederspoort tusschen" het erf van het huis In de ploeg ex uno en dat 
der kinderen van Michiel Kreeft exalio en zich achterwaarts uitstrekkende 
tot aan eerstgemeld erf. 




HET KOOR PER KRUISKERK EN HARE VOORMALIGE PASTORIE. 



Behoort bij blz. 345. 



— 345 — 

kercke vöors , een tuin. gelegen omtrent der Cruysbroede- 
renkercke in de Cruysbroederepoort tussen den kerckwech 
aen d'een syde ende erffenisse, eertijts Jan van de Laer, 
nu der fabrycke van St. Catharyne parochiekercke aen de 
ander syde. 

Aan het einde der beide Kruisbroedersstraatjes moet ook 
nog eene poort gestaan hebben, die tot het Kruisbroedersklooster 
toegang gaf. zooals blijkt uit de na te melden Bossche Sche- 
penakte van 1534 (Reg. n° 144 f. 418), betreffende het bouwen 
van eenen boog boven de Dieze achter het huis, genummerd 
St. Jorisstraat n° 11, en uit meergemeld werk van Jac. van 
Oudenhoven, eerste uitgave blz. 53, waar hij zegt, dat het 
volgend opschrift stond op de Kruysbroereü kerckspoort, welke 
de Vossen- of Kruisbroederspoort heette en blijkens van 
Oudenhoven 1. c. dit opschrift had: 

Da tua dum tua simt, post mortem tua non simt. 

De geschiedenis van het Bossche Kruisbroedersklooster 
vindt men bij Schutjes in diens meergezegd werk uitvoerig ver- 
meld; ik zal daarom ze hier niet mededeelen. Alleen wil ik 
hier vermelden eenige bijzonderheden aangaande de kapel van 
dit klooster en de aan zijn kloostergebouw na 1629 gegeven 
bestemming, die Schutjes niet geeft en die ik vond in de 
Beschrijving van van Heurn. 

Volgens die Beschrijving bestond de kapel van dit klooster 
aanvankelijk alleen maar uit het tegenwoordig koor der kerk 
van St. Catharina; dit prachtig stuk bouwwerk, dat het eenig 
merkwaardige is, dat oplevert het uitwendige van die kerk, 
welke naar hare vroegere eigenaars de Kruisbroeders — of, zoo- 
als meest gebruikelijk is, de Kruiskerk geheeten wordt, schijnt 
eerst in 1533 begonnen te zijn, omdat in een steen, staande in 
een harer dommers, dat jaartal uitgehouwen stond; in het ge- 
welf van het koor stond het jaar 1542 geschilderd, wat kan 
beteeken d hebben dat dit koor eerst in dat jaar voltooid werd. 



— 346 — 

In het jaar 1569 werd deze kapel tot parochiekerk verheven 1) 
en .daardoor al spoedig te klein om het aantal geloovigen te 
bevatten, die er hunne godsdienstplichten moesten vervullen; 
daarom werd in 1601 aan gezegd koor een schip gebouwd, 
waarvoor Anthony Schetz, baron van Grobbendonck, de toen- 
malige bevelhebber van den Bosch, den eersten steen legde, 
zooals blijkt uit het opschrift van een steen, die in den N.W. 
muur van dat schip gemetseld was en dat luidde als volgt: 

Als men schreef sestien honderd en een. 

Leyde den Heer van Grobbendonck, Gueverneur deser stat, 

Aan desen Piler den eersten steen. 

De uitbreiding der kapel schijnt in 1616 voltooid te zijn 
geweest, omdat dit jaartal in het gewelf van het schip geschil- 
derd stond; dat gewelf was slechts van hout, terwijl dat van 
het koor van steen was; dit was ook beschilderd. 

Bij den bouw van het schip werd daar aan de N. zijde 
ook nog een dwarspancl gebouwd, doch aan de Z.zijde niet; 
dit werd waarschijnlijk nagelaten om het Kruisbroedersklooster, 
dat daar stond, niet te veel te beknellen. De Regeering dei- 
Stad deed in 1620 in het nieuw gebouwde schip dezer kapel, 
die nu geheel en al eene kerk was geworden, een raam 
plaatsen, waarin het wapen der stad geschilderd was, nadat 
reeds in het jaar 1609 Bisschop Masius 2) daarin een geschil- 
derd raam gesteld had waarop hij in knielende houding was 



1) De Pastoor dezer parochiekerk kreeg tot pastorie het antieke huis, 
dat ten N. der kerk staat en waarin thans de koster van diekerk woont; blijkens 
het jaarcijfer, dat in den gevel van dit huis staat, werd het eerst in 1619 
gebouwd, zoodat te voren de Pastoor der parochie van St. Gatharina eene 
andere woning moet hebben gehad. Dit was ook werkelijk het geval, want 
blijkens eene Bossche Schepenakte van 1605 stond in dat jaar in de St. 
Jorisstraat tegenover het Kruisbroedersstraatje een huis, toebehoorende 
aan de Pastorie van de St. Catharinakerk, dat te voren had toebehoord, 
eerst aan mr. Ewald Mallants, daarna aan Gatharina weduwe van Henrick 
van Deventher (zijnde deze laatste eigenares vermoedelijk Gatharina van 
den Kerckhoff wed e van Henrick Proening van Deventher.) 

2) Hij is 11 Juli 1614 in het hoogkoor der St. Janskerk van den Bosch 
begraven onder een monument, datthansopeeneandereplaatsindiekerkstaat. 



— 347 — 

afgebeeld, terwijl aan zijne eene zijde geschilderd was Christus 
aan het kruis en aan den anderen kant de Moeder Gods. Bij 
het bloed, dat uit de zijde van den Zaligmaker liep, stond 
geschilderd: Hinc a sanguine pascor en uit de borsten zijner 
Moeder liep melk naar den Bisschop met de woorden er bij: 
Hinc ab ubere lactor, terwijl onder de beeldtenis van den 
Bisschop geschilderd stonden de woorden: Positus in medio 
quo me vertam nescio. 

Toen tijdens het Twaalfjarig bestand eenige Protestanten 
uit de Noordelijke Provinciën des Rijks den Bosch waren komen 
bezichtigen en zij daarbij ook een bezoek hadden gebracht aan 
de Kruiskerk, vond men onder dit raam met rood krijt, blijkbaar 
door een hunner, geschreven: 

O groote zot! 
Keer u tot God. 

Tot veel twistgeschrijf gaf dit laatste glasraam aanleiding, 
zooals ik medegedeeld heb in Taxandria X p. 63. 

Boven de Kruiskerk werd na hare voltooiing een torentje 
met een hooge spits geplaatst, in w r elk torentje twee luiklokken 
gehangen werden. Bij den geweldigen storm van 8 December 
1703 woei dat spits er van af en viel het door het houten 
gewelf van het dwarspand naar beneden; daarna werd het 
torentje met een lager spits gedekt. 

Bij het beleg van den Bosch in 1629 werd deze kerk erg 
gehavend 1), welke schade de Regeering der stad eerst in 1648 
is begonnen te herstellen; het schijnt, dat dit werk pas in 1650 
voltooid werd, omdat dit jaartal geplaatst werd boven het portaal, 
dat bij dit herstellingswerk aan deze kerk werd aangebracht ; 
bij gelegenheid van dat werk werden twee kapelletjes der 
kerk wegens bouwvalligheid afgebroken ; van Heurn gist, dat 
die aan weerszijden van het koor der kerk stonden. Toen deze 
kerk weder hersteld was, is zij door de Hervormden voor hun- 
nen eeredienst in gebruik genomen. Hun predikant predikte er 

1} J. van Oudenhoven 1. c. p. 30. 



— 348 — 

alleen des namiddags. De Regeeringspersonen der stad hadden 
in den Protestantschen tijd in deze kerk eene bank. 

In 1688 barste de klok, welke in den toren van deze 
kerk hing en toen is daarvoor in de plaats gehangen de klok, 
die zich bevond in den toren van de kerk van het Groot Be- 
gijnhof. 

In het jaar 1758 bevond men, dat de vijf pilaren, welke 
aan de N. zijde der kerk stonden en welke de eenigen waren, 
die zij toen had, sterk Westwaarts begonnen over te hellen, 
zoodat men beducht werd, dat de kerk aan die zijde zoude 
instorten; daar aan hare buitenzijde geene plaats was om er 
een dommer tegen den gevelmuur der kerk te zetten, heeft de 
Regeering der stad, ten einde hare instorting te voorkomen, 
een sterken muur binnen in de kerk doen bouwen tusschen 
den laatsten der pilaren en haren Westelijken muur. In 1794 
moesten de Hervormden deze kerk ontruimen, om ze te doen 
dienen tot garnizoensbakkerij der Franschen. Hare verdere 
lotgevallen vindt men nauwkeurig vermeld bij Schutjes IV 
p. 347 en volgd. 

De grafzerken, welke zich voorheen in deze kerk bevonden 
en thans allen daaruit verdwenen zijn 1), waren de volgende : 

Tegen de N. muur van het koor was eene fraaie graf- 
tombe, waarop in marmer uitgebeiteld stonden de wapens der 
hieronder te vermelden abten der Abdij van Bern, met eenige 
teekenen hunner waardigheid er bij, terwijl op een zwarten 
steen daarvan in gouden letters dit opschrift stond : 

Monumentum reverendorum admodum in Christo patrum, 
Domini Johannis Vercuylen, Abbatis monasterii Beatae Mariae 
Virginis in Berna, Ordinis Praemonstratensis, hic in exilio 
sepulti. Obiit 1621 prima Novemb. 

NEC NON 

reverendorum admodum Dominorum ejusdem Monasterii Abbatum, 
pridem ob exilium hoc loco (iiüescentium, D. Adriani Vlimii, 



1) Men 2?ie hierover nog van Heurn Histwie II p. 512. 



— S49 — 

qui obiit 1606 18 Decembris, D. Arnoldi a Vessem de Tilborch, 
qui obiit 1608 24 August. 

Orate pro eis. 

Tegen den Z. muur van het koor stond ook eene fraaie 
graftombe en wel van de familie van den Graef. Daarboven 
stonden de wapens van van den Graef en van Sambeek en 
daaronder stond in gulden letters in eenen blauwen steen dit 
grafschrift : 

D. O. M. 

Begravenisse Govaerts Gerardsen van den Graef, sterft 
den 29 December 1620. Ende Maria van Sambeek, sijn huis- 
vrouwe, sterft den 9 Junij 1626, midt haere kienderen en kients- 
kienderen, borgeren en cooplieden dezer stadt 1627. 

In het O. einde van het koor lag eene groote grafzerk, 
waarvan door Schepenen van den Bosch 12 November 1773 de 
volgende beschrijving gegeven werd, die geregistreerd staat in 
Schepenregister n° 586 fol. 230: 

Wy mr. Jan Hendrik van Heurn en Willem Gornelis 
van Heemskerek, scheepenen in den Bosch, maaken kenlijk, 
certificeerende mits cleezen, dat wy ter instantie en requisitie 
van Jonkheer de Vooght, wonagtig binnen de stad Eyndhoven. 
gelaste, zoo hy zyde, van zyne principalen, ons hebben ver- 
voegt binnen deeze stads parochiale kerk, gen*, de Kruysbroe- 
derskerke en ons op het hooge choir hebben la aten aanwysinge 
doen van eenen grooten blauwen zarksteen met figuuren en 
wapenen behouwen, waarvan ons beschryvinge is versogt, de- 
welke wy bevonden hebben te weezen als volgt : in het mid- 
delste vak of perk was cle gedaante van een manspersoon, om- 
hangen met een mantel tot op de voeten, hebbende op de 
linkerzyde van de borst een cruys in deze gedaante (hamer- 
kruis) en boven aan in dat vak ter weederzyde van het hooft 
een wapenschild, verbeeldende byde hetzelve, namentlyk een 
cruys (hamerkruis) aldus ; in de bovenste afsneede stond in 
het midden in een rond de verbeeldinge van een ciborie met 



— 350 — 

een halve Hostie boven uitkomende en aan de eene zyde het 
wapen van Masschereel en aan de andere zyde het wapen van 
Oey. byde met timbers; in de onderste afsneede stond deze 
inscriptie : 

Clauditur hoc saxo venerabilis D. Florentius Massche- 
relius, ordinis equestris Beatae Mariae Teutonicorum commen- 
dator in Vucht, qui obiit anno 1608 die 29 Aprilis, nee non 
Domicella Petronella Spirink, avia, ac soror sua Maria Massche- 
reel, quae obiit 1540. Requiescant in pace. 

De quartieren op den rand van deezen steen verbeelt, 
waaren vier aan elke zyde, als volgt : 

Masschereel Oey 

Berkel Spyrink 

Merkelbeek Eyck 

Becker Bueren. 

Ten N.VV. van laatstbedoelde zerk lag eene andere, 
waarop de wapens van de Fierlanclt en de Wolff uitgehouwen 
stonden met dit grafschrift er onder : 

Nobili et Amplissimo Viro Do. Simoni Fierlants, Philippo 
IJ ~Hispaniarum Regi Catholico a Consiliis, ac per 18 annos 
Ducatus Brabantiae in districtu hujus Urbis Ditionibusque sub 
ea Quaestori generali. 

NEC NON 

D. Theodorae de Wolff, ejus carae conjugi, Liberi moe- 
sti posuere. Obiit ille 8 Aprilis 1601, illa 10 Decembris 1621. 
Jacet et hic Amplissimus Dominus Martinus Fierlants, eorum 
filius, nobilis paterni stemmatis, animi status ac tumuli aequus 
haeres, successor, ac Nobilis Domicella Catharina van Eyck 
praevius ante obiit 12 Febr. 1622. 

Tu lector piis manibus bene apprecare. 

In het schip der kerk lag niet ver van het koor eene 
zerk, waarop het wapen van van Gerwen uitgehouwen stond 
en waaromheen in het vierkant dit opschrift zich bevond: 



— 351 — 

Hier leyt begraeven Jonker Jan van Gerwen die sterft 
in 't jaer'1504 den 19 October. En Juffrou Geertruyd sijn huis- 
vrou, die sterft in 't jaer 1526 den 24 September. In elk dei- 
hoeken van het vierkant stond een kwartier en wel als volgt: 

Gerwen Heynden 

Roesmont Vucht. 

Wat verder westwaarts lag de grafzerk van de familie 
van der Sluys. Daarop stonden de wapens van van der Sluj r s 
en van Cronenbnrg en daaronder dit grafschrift: 

Hier leyt begraeven Jan Jansse van der Sluys, sterft 
1631 den 10 October. En Adriaan van der Sluys, sijn soon r 
sterft den 14 Januarij 1634. En Maria van der Sluys, huys- 
vrou van Adolph Cremers, sterft den 2 Maert 1634. En Cor- 
nelis Jacobse van Vechel sterft den 17 November 1675. En 
Catharina Vilters, sijn huisvrou, sterft 25 July 1683. 

Ter zijde van de wapens stonden deze, evenwel niet 
juiste kwartieren : 

Van der Sluys Cronenburg 

Van Hedel van de Water. 

In het Z. W. van het schip lag de grafzerk der familie 
van den Velde gezegd Honselaer. Daarop stonden uitgehou- 
wen de wapens van van den Velde gezegd Honselaer en van 
Wel en daaronder het volgend grafschrift : 

Hier leyt begraven Heer Mathys Jansse van den Velde 
d. H., sterft den 26 Julij 1622. En Maria van Wel, sijn Ed. 
huysvrou, sterft den 15 Julij 1637. En Walraven van Rosmalen, 
sterft den 3 November 1619. Johanna Mutsaerts, sterft den 
4 Februarij 1657 en Hr. Jan van den Velde d. H., haer man, 
sterft den 22 Junij 1668 aet. 78. Heer Franciscus van den 
Velde dict Honselaer sterft den 26 December 1685, desself s 
soon. Juffrouw Joanna Maria van den Velde dict Honselaer, 
sijn Dogter, sterft den 27 December 1706. 

In de doopkapel dezer kerk was nog een epitaphium 



— 352 — 



ter nagedachtenis van Gerardus a Brueckelaer, haren derden 
pastoor, nadat zij tot parochiekerk verheven was. De inhoud 
van dat epitaphinm vermeldt Schutjes IV p. 350. Van Heurn 
vermoedt dat dit epitaphium eene schilderij was en dat die uit 
deze kerk in 1629, na de reductie der stad, verwijderd is. 

Het Kruisbroedersklooster stond ten O. der Kruiskerk 
en wel tusschen die kerk en het terrein der tegenwoordige 
gevangenis. Het werd in 1682 ingericht tot eene militaire 
gevangenis, de geweldiger provoost genaamd, nadat een deel 
van het gewezen Minderbroedersklooster, dat aan de Snelle- 
straat stond, opgehouden had zulks te zijn ; Foppens in zijne 
Historia Episcopatas Sylvaeducensis p. 300 deelt dit aldus mede: 
ex conventu crucigeroriim facti sant carceres militum prae- 
sidii, terwijl in de Rekening van den Rentmeester der Gees- 
telijke goederen van den Bosch over 1677 dit als volgt wordt 
medegedeeld : 

Het Cruysbroeders clooster wort volgens resolutie van 
haar EcL Mog., geexihibeert in de reechening de a° 1673, 
bewoont bij N. Bystervelt (zoo) als als oock in voorgaende 
reechening is geseyt. 

Het voornoemde clooster, als in het voorgaande reecke- 
ninge is geseyt, niet genoech en mochte gelden, ten tyde als haer 
Ed. Mog. heeren Gedeputeerdeu | Marty 1681 present waren 
hebben nu (soo men verstaet) toegestaen aen den capiteyn ge- 
weldiger tot desselfs won in ge en gevangenhuys memorie. 

In 1748 bepaalden cle Staten Generaal, dat het gewezen 
Kruisbroedersklooster speciaal zou dienen tot gevangenis voor 
de deserteurs tot en met den rang van sergeant of wachtmeester 
van cle garnizoenen van den Bosch, Grave, Venlo, Gelderland 
en Utrecht en dat daartoe bestemd zoude worden eene zaal 
voor hun dag- en eene andere zaal voor hun nachtverblijf; 
over dag zouden zij met de boeien aan de beenen aan cle ves- 
tingwerken moeten arbeiden. De Raad van State stelde voor 
deze gevangenen eenen ziekentrooster aan, die hun des Zondags 
den Bijbel moest uitleggen. 



— 353 — 

In 1789 was deze gevangenis, gemeenlijk het Geweldiger 
genoemd, zoo oud en vervallen, dat de Raad van State besloot 
in de plaats daarvan op het fort de Papenbril eene geheel 
nieuwe te doen bouwen met vertrekken tevens voor den Provoost 
en den Krijgsraad. Het voormalig Kruisbroedersklooster, Gewel- 
diger of Geweldiger provoost, zooals het ook heette, is daarop 
den 28 Juli 1801 door Bernard Willem de Roy van Wichen, 
kolonel-directeur van 's Lands Fortiflcatiën, in zijne hoedanig- 
heid van gemachtigde van den Agent van Oorlog der Bataafsche 
Republiek, verkocht aan Arnoldus Kluytmans, wonende te den 
Bosch; het werd toen omschreven als thuis en erf, voorheen 
gebruikt tot eene Militaire Provoost, gelegen bij de Manege" '; 
de kooper zal dit gebouw toen wel gesloopt hebben ; op de 
plaats, waar die provoost stond, staan thans gebouwen, toebe- 
hoorencle aan de parochiale kerk van St. Catharina. 

De provoost-geweldige, die over gezegde gevangenis of pro- 
voosthuis gesteld was, huurde in lateren tijd van particulieren 
een bij het Geweldiger staand huis, zooals blijkt uit eene 
Schepenakte van den Bosch van 29 Mei 1755, waarbij Peter 
van der Veen, vorster en gerichtsbode van Eersel, Duizel en 
Steensel, als gehuwd met Catharina Kelderman; Arnoldus 
Kelderman te den Bosch en Martinus van Heynsbergen, vorster 
en gerichtsbode van Vechel, als gehuwd geweest met Allegonda 
Kelderman, zijnde zij respectievelijk zoon en schoonzonen van 
Johan Kelderman, in leven koopman te den Bosch, aan Wouter 
van Aalst aldaar verkochten : een huis, staande bij het gewezen 
Kruisbroedersklooster, nu de woning van den Geweldigen pro- 
voost, achter de kerk aldaar naast een gangske, separeerende 
dit huis van het erf van mijnh. van Boxtel, door hunnen ge- 
noemden erflater 8 October 1738 gekocht geweest van Johannes 
Martinus, Thomas Wolterus en Maria Geertruid van der Vaart, 
alsmede van Jan Brouwers. Dit huis zal ook wel tot het 
Kruisbroedersklooster behoord hebben. 

Op een erf van dit klooster was door den Staat na 1629 
eene manege gebouwd, die in het jaar 1788 werd vergroot en 

23 



- 354 - 

geheel veriiieuwd. Deze bestaat thans nog. Ook behoorden tot 
dit klooster de op blz. 333 vermeldde bleek, zoomede een open 
terrein, dat gelegen was ten W. der Kruisbroederskerk en, na te 
zijn vergroot toen deze kerk eene parochiekerk geworden was, een 
tijd lang tot openbare begraafplaats gediend heeft; thans is het 
als tuin in gebruik bij de bloemkweekers firma Verhoeven ; op de 
poort daarvan kan men nu nog lezen de woorden: Gedenk de dood. 

m. Het huis genaamd „In Amsterdam". 

Vughterstraat n° 66. 

Het huis, dat aan den Noordelijken hoek van de Vughter- 
straat en de St. Jorisstraat staat, was oudtijds eene zeepziederij 
en kreeg, waarschijnlijk toen Amsterdammers het bezaten^ den 
naam van In Amsterdam. Die Amsterdammers zullen geweest 
zijn de zeepzieder Goijart Hermanszoon en diens huisvrouw 
Jenneken. Hunne erfgenamen, zijnde: Jan, cle zoon van ge- 
noemde echtelieden; cle kinderen van diens dochter Jenneken 
en van haren man Jan van Arkel, met namen: Goijart en 
Isaack van Arkel; de kinderen van Aleid, de dochter van meer- 
genoemde echtelieden en van haren man Everard van Arkel, 
met namen: Anneken, huisvrouw van Jacob Stevenszn; Janneken 
eil verdere kinderen, die toen nog onmondig waren; Arnoult* 
en Godefroi, zonen van Herman, den zoon der dikwerf genoemde 
echtelieden, verkochten 11 Juli 1612 (Reg. n° 283 f. 543) aan 
Willem, den zoon van genoemden Herman, die als hun mede- 
erfgenaam daarin reeds Vs bezat, 4 /ö in gezegd huis, dat toen 
gezegd w r erd te staan in de Vughterstraat op den hoek der 
St. Jorisstraat naast het huis van Herman Strick 1) Lambertszn 
en zich achterwaarts uit te strekken tot aan het erf van Aert 
Janszn Gast, den kreupele en de Dieze. 



1) In eene Bossche Schepenakte van 1637 compareeren de onmon- 
dige kinderen van wijlen den schoenmaker Lambert Strick Hermanszn 
en diens echtgenoote Jenneken, dochter van Dirck Janszn van Ravensteyn. 



— 355 — 

Janneken, de te Amsterdam wonende dochter van ge- 
noemden kooper, Willem Goijartszn, verkocht den laatsten Juli 
1619 (Reg. n° 344 f. 485) dit huis, dat toen gezegd werd te 
zijn: „eene hoechuysinge, gemeynlijck genoemt in Amsterdam, 
uitgaende in de Vuchterstraet, ende drye cameren ofte woningen, 
uutgaende in de St. Jorisstraet ende staende achter voors. 
voorhuys," staande op den hoek der St. Jorisstraat tusschen die 
straat ex uno en het huis van Herman Lambertszn Strick ex alio 
en zich achterwaarts uitstrekkende tot aan het erf van Aert 
Janszn Gast, den kreupele en tot aan de Dieze, met de daartoe 
behoorende zeeperijbakken, — aan den zeepzieder Mathys Janszn 
Wytmans. Diens kleinkinderen en diens dochter Catharina ver- 
kochten 9 April 1655 dit huis bijeene akte, luidende als volgt: 

Alsoo Dierck Wytmans, soene wylen Matheus Wytmans, 
woonende tot Gorinchem, als wittich naergelaeten weduwer van 
wylen Ida, syn e huys vrouwe, dochtere Schalcx Claesznvan den 
Bosch, de tochte hem competerende in de helfte van eene hoeek- 
huysinge, gemeynlick genoempt in Amsterdam, metten gronde 
van dyen, uytgaende in de Vuchterstraet ende vier cameren 
oft wooningen, uytgaende in St. Jorisstraet, gestaen ende gele- 
gen vervolgens achter den voors. voorhuyse, met een plaetse 
eertijts geweest sijnde eene seeperye, streckende van de voors. 
voorhuyse achterwaerts tot aen de riviere de Diese, met den 
steyger daerachter aenstaende, ende allen den rechten ende 
toebehoirten derselver voors. huysinge ende vier cameren oft 
wooningen, gestaen ende gelegen inne 's Hertogenbossche, uyt- 
gaende in St. Jorisstraet achter het voors. groot huys, genaempt 
Amsterdam, aen cl'een syde, ende tussen huys ende erve Coenraets 
van Os aen cVander zyde, welcke helfte der huysinge ende 
cameren voorn, de voors. Dierck Wytmans midts doot ende 
afflyvicheyt van syne ouders aengecomen was, hadde wittelick 
opgedraegen ende overgegeven Laureyns van Kessel, secretaris 
deser stadt, tot behoeft van syne onmundige kijnderen aen de 
voorn. Ida van den Bosch, zyne huys vrouwe zal. geprocreert, 
enz. Soo sijn gestaen voor Schepenen ondergescreven die voors. 



— 3o6 — 

Dierck Wijtmans als vader van syne voorsr. onmundigen enz., 
voor d'een helft ende Mathijs Wynants van Heusclen, coopman 
alhier, als wittich man ende momboir van Catharina, zyne 
huysvrouwe, dochtere Matheys Wytmans voorn., voor d'ander 
helft, 't voors. geheel huys, genoempt in Amsterdam, ende vier 
cameren daer achter aenstaende, enz., hebben sy wittelick 
ende erffelick opgedragen ende overgegeven Johannes van 
Grimbergen, coopman (in zijden lakens) binnen dese voors. 
stadt. 9 April 1655. 

Johannes van Grimbergen, die alzoo kooper van dit kapi- 
tale huis werd, had tot zoon mr Willem van Grimbergen, raad 
en rentmeester van den Bosch, die huwde met Johanna de 
Willefinck, welke hem deze kinderen schonk: 

a Maria Magclalena van Grimbergen, huisvrouw van 
Dominique Pasque de Chavonnes ; b Johanna van Grimbergen, 
echtgenoote van Georgius Justus Muller; c Mechelina; cl Elisa- 
beth en e Johan van Grimbergen, procureur. 

Zijne genoemde erven, die sub a en b wellicht uitgezon- 
derd, verkochten 25 April 1722 Vs in dit huis, dat thans gezegd 
werd te zijn een nieuiv huis in de Vughterstraat, bestaande 
uit vijf woningen onder één dak, staande tusschen het huis der 
erven Strick ex uno en de St. Jorisstraat ex alio en zich 
achterwaarts uitstrekkende tot aan de Dieze, aan mr Johan 
van Heurn, secretaris van den Bosch, die aan hen, welke het 
overige % van dat huis reeds hadden, dat Vs weder overdroeg. 

Meergenoemde erven sub c, cl en e verkochten daarop 
den 20 Maart 1726 (Reg. n° 512 f. 136) van dit huis het 
hoekhuis aan Arnoldus Heeren, burger van den Bosch. Deze 
was zeer waarschijnlijk een zoon van Jan Goijartszn 1) Heeren 
en Margaretha de Bruyn daar toch deze echtelieden in het jaar 
1690 in het Katholiek bedehuis van St. Pieter te den Bosch 
eenen zoon Arnoldus lieten doopen. 



1) Den 14 September 1666 werd een Goijart Heeren voor den tijd 
van zes jaren uit den Bosch gebannen en veroordeeld aan die stad te 
leveren 12 groenlakensche kussens met het stadsAvapen erop: »omdat hij 
qualijck van de heeren van de Magistraet gesproocke hadde". 



— 357 — 

Arnoldus Heeren kocht dat hoekhuis, omdat hij er het 
ambacht van bakker en grutter wilde uitoefenen. Voor de uit- 
oefening van het bedrijf van bakker had hij toch een hoekhuis , 
noodig, omdat het oudtijds voorschrift te den Bosch was, dat 
de broodbakkerijen er in hoekhuizen moesten worden gedreven, 
wat zekerlijk bepaald was met het oog op het gevaar van brand, 
dat dergelijke inrichtingen opleveren. Had een bakker te den 
Bosch in een hoekhuis versch brood gebakken, clan was het de 
gewoonte, dat hij dat in den vroegen morgen in zijne buurt 
bekend maakte door op een hoorn te blazen, zooals er kortelings 
geleden nog een hing in de broodbakkerij van van de Well op 
de Pensmarkt te den Bosch; van daar dit rijmpje: 

De bakker van den hoek, 
Die heeft van nacht geblazen, 
Enz. / 

Genoemde Arnoldus Heeren was de stamvader van de 
familie van dien naam, welke een tijd lang in den Bosch ge- 
bloeid heeft en er thans niet meer bestaat ; zijne vrouw was 
Geertruy van Ravesteyn, met wie hij 4 November 1714 in 
den echt verbonden werd en die hem deze kinderen schonk : 
Johannes Godefridus, geboren in den Bosch 22 September 1715; 
Gerhardus ; Willemina, de huisvrouw van Cornelis Mosmans en 
Guilliam Heeren, welke laatste tot kinderen had: Catharina, de 
echtgenoote van Albertus Leonardus Vogelvanger en Geertruy, 
de huisvrouw van Martinus Franciscus van Hooft. 

De sub c, d en e hierover genoemde kinderen van Willem 
van Grimbergen verkochten den 20 Maart 1726 ook de andere 
woningen, welke met het voorschreven hoekhuis onder één dak 
gebouwd waren, en wel die, welke in de Vughterstraat stond 
tusschen het huis In Amsterdam en dat der erven Strick, aan 
Cornelis van Utrecht, burger van den Bosch, terwijl zij van de 
andere, die langs de St. Jorisstraat stonden, verkochten cle eerste, 
die tegen het hoekhuis aan stond, aan mr. Otto van Cattenburg, 
schepen en raad van den Bosch ; de daarop volgende aan 



— 358 — 

mr. Lambert van den Heesacker, advocaat in den Bosch en de 
daarop weder volgende aan mr. Abraham Hubert, ook schepen 
en raad van die stad. De middelste dezer woningen, zijnde 
thans genummerd St. Jorisstraat 8, werd 23 November 1730 
(Reg. n° 555 f. 226 v so ) door Ambrosius Schut, wijnkooper in 
den Bosch, als gehuwd met Cornelia Maria Schouten, eene der 
testamentaire erfgenamen van genoemden mr. Lambert van den 
Heesacker, verkocht aan J or . mr. Steven Johan van den Velde 
gezegd Honselaer, woonachtig in den Bosch ; het werd toen 
omschreven als een schoon en van nieuws opgetimmerd huis 
met erf, staande inde St. Jorisstraat tusschen dat van mr. Otto 
van Cattenburg ex uno en dat van Abraham Hubert ex alio, 
zich achterwaarts uitstrekkende tot aan het erf van J. Strick. 
Genoemde van den Velde behoorde tot een adellijk Brabantsen 
geslacht, waarvan ik de navolgende geslactitslijst uit de Bosche 
schepenregisters heb kunnen opmaken: 

Jan Peterszn van den Velde van Boxmeer had van zijne 
huisvrouw N. N. deze zonen: 

a Peter van den Velde, wiens kinderen waren : 1° Catha- 
rina ; 2° Judith, echtgenoote van Jan Cocx van Cleve, kleermaker 
te Antwerpen; 3° Jan, die vóór 1636 kinderloos stierf en tot 
echtgenoote had Elisabeth, dochter van den bakker Floris Janszn. 

b Mathijs van den Velde, die volgt sub 1°. 

I Mathijs van den Velde, hiervoren sub b genoemd, 
stierf 26 Juli 1622 en huwde met Maria van Wel, overleden 
15 Juli 1637, dochter van Jacob en Elisabeth, de dochtervan 
Gielis Lucaszn van Ham en Catharina de dochter van Wouter 
van Baerle. Hunne kinderen waren: 

a Peter van den Velde. 

b Jacquemyn van den Velde, huisvrouw van J or Henrick 
van Buel, woonachtig te Gent. 

c Maria van den Velde, wier laatste man was Ailcem 
van den Kerckhoö'. 

d mr Jan van den Velde, die volgt sub 11°. 

II mr Jan van den Velde, hiervoren sub I d genoemd, 



— 359 — 

was schout van Geldrop en overleed 22 Juni 1668 in den 
ouderdom van 78 jaren. Zijne vrouw was Johauna "Mutsaers, 
overleden 4 Februari 1657, dochter van Peter Janszn Mutsaers 1) 
en Anna Jansclr van den Wiel 2). Hunne kinderen waren: 

a Jacobus van den Velde; 

b mr. Frans Dominicus van den Velde, die volgt sub 
III ; zij namen bij hunnen familienaam dien van van Honselaer 
aan, om welke reden heb ik echter niet kunnen vinden. 

III mr Frans Dominicus van den Velde gezegd Honselaer, 
hiervoren sub II b genoemd, stierf 26 December 1685, nadat 
hij 28 December 1682 had gekocht het kasteel Henkenshage te 
St. Oedenrode; in datzelfde jaar had hij ook nog gekocht (Keg. 
n° 500 f. 278) en wel van de voogden over Johan Philip Focanus, 
minderjarigen zoon van wijlen Franchoys Focanus, landdrost 
der Meierij en raad van den Bosch 3), het huis Harenstein, 
staande aan het Groene Plein onder Haaren 4). Hij huwde met 
1° Catharina Margaretha van den Broeck, die stierf 12 Mei 
1671; 2° Margaretha Cornelia van den Berch van Lunenburg, 
dochter van Steven, heer van Lunenburg en Elisabeth Schenck 
van Toutenburg Hunne kinderen waren: 

Ex l ma . 

a Johannes Petrus van den Velde gezegd Honselaer. 

b Jacobus Norbertus van den Velde gezegd Honselaer, 
heer van Henkenshage, huwde 7 December 1694 Maria van 
Neerven. 

Ex 2 da . 

c mr Steven Johan van den Velde gezegd Honselaer, 
hiervoren reeds genoemd, die volgt sub IV. 



1) Men zie over dezen tak der familie Mutsaers Taxandria IX blz. 8. 

2) Zij hadden ook nog eene dochter Adriana Mutsaers, mater van 
het Groot Begijnhof te den Bosch ; haar erfgenaam was mr Frans Dominicus 
van den Velde (Reg. n° 472 f. 461 en vlgd). 

3) Men zie over hem van fleurn Historie III blz. 206. 

4) De erven van Cornelis de Groot hadden het 24 Maart 1665 
verkocht aan Diederick van Haersolte, majoor van den Bosch, wiens 
echtgenoote en kinderen het 5 April 1668 (Reg. n<> 448 f. 30) verkochten 
aan genoemden Franchoys Focanus. Het dient thans tot pastorie. 



— 360 — 

d Anna Elisabeth van den Velde gezegd Honselaer, die 
omstreeks het jaar 1757 stierf. 

Nog een paar kinderen, die jong stierven. 

Al deze kinderen, behalve dat sub b, bleven ongehuwd. 

IV J or mr Steven Johan van den Velde gezegd Honse- 
laer, hiervoren sub III c genoemd, werd hierdoor bekend, dat 
hij een boek schreef, getiteld : Oudheden en Gestichten van den 
Bosch ; hij was de eenige Katholiek, die een boek over die stad 
schreef tijdens dat zij nog tot het Generaliteitsland behoorde ; 
veel merkwaardigs bevat dat w r erk echter niet. Den 30 Januari 
1743 overleed hij, het door hem, als gezegd, gekocht huis, dat 
hij bewoond had, nalatende aan zijne volle zuster Anna Elisabeth; 
deze vermaakte het bij haar testament aan Jan Paulus van 
den Berch van Lunenburg, woonachtig te Wijk bij Duurstede ; 
Jacobus Ignatius van den Berch van Lunenburg, woonachtig 
te Zwolle, wiens vrouw, was Hendrica van Grootveld; Isabella 
Catharina van den Berch van Lunenburg, woonachtig te Wijk 
bij Duurstede; Maria Catharina van den Berch van Lunenburg, 
woonachtig te den Bosch en Cornelis Johannes van den Berch 
van Lunenburg, ook woonachtig te Wijk bij Duurstede; zij 
verkochten 18 Maart 1758 (Beg. n° 573 f. 119) clat huis, dat 
nu begrensd werd door dat van Laurens Chatvelt ex uno en dat 
van eenen van Hans wijk ex alio, aan Lucas van Beugen. 

w. Het eerste Katholieke bedehuis in 
de Vughterstraat. 

Dit geheim bedehuis werd gehouden in het achterhuis 
van het huis, genaamd de Zwarte bok, dat in de Vughterstraat 
tusschen de huizen het Bood laken en de Vergulden Eland 
staat en thans genummerd is 54. 

Jacquelina Guillon weduwe van Jan, den zoon van Hen- 
riek van Santen en Antonisken, dochter van Franck Verhoeven, 
verkocht 18 September 1610 (Reg. n 280 f. 329), namens de 
kinderen, die zij van haren genoemden man had, het huis de 



— 361 — 

Zwarte bok, dat alstoeu omschreven werd als: „een huys met 
een hooch camerken ende coickhuysken daerachter aen gemaict, 
put, ledige plaetsse, schoon achterhuys 1), brugge over het water, 
met noch eenen schoonen hoff aldaer over tselve water gelegen/' 
staande in de Vughterstraat tusschen het huis de Eland ex uno 
en het huis, St. Jorisstraatwaarts staande, toebehoorende aan 
Aelbertje weduwe van Roeland van Schijndel, en zich achter- 
waarts over het water uitstrekkende tot aan het erf van den kuiper 
Wouter Maitenszoon van de Laer, aan J or . Hercules Zacharias 
van Biecht, zoon van wijlen J or . Hercules Zacharias van Brecht, 
den zoon van J or . Johan van Brecht, den ridder. 

De groenroede Marten Vermandel als gemachtigde van 
Maria van Brecht, dochter van J or . (Hercules) Zacharias van 
Biecht en weduwe van Don Alonso de Luna, deed 5 Februari 
1641(Reg. n° 384 f. 211) namens haar afstand van den tocht, dien 
zij had van Vs van dit huis, ten behoeve harer beide onmon- 
dige kinderen de Luna, waarna diezelfde groenroede als ge- 
machtige van dezen dat Vs ; genoemde Maria van Brecht als 
erfgename harer zuster Jacomina Ve ; J or . Zacharias van Brecht, 
haar broeder, voor zich Va en als erfgename zijner zuster Ja- 
comina Ve in gezegd huis, dat zij geërfd hadden van eerst- 
genoemden J or . Hercules Zacharias van Brecht (wiens vrouw 
was Elisabeth, dochter van Jacob Servaaszn van Weert), ver- 
kochten aan Servaas Jacobszn van Weert. Van dezen laatste 
zal dit huis gekomen zijn aan de familie Seberts of Zyberts, 
daar een daarvan gehuwd was met eene van Weert en in het 
laatst der 17 e van dat huis eigenaar was Willem Seberts of 
Zyberts, echtgenoot van Maria Donckers 2), dochter van Joan 



1) In 1560 werd aan Dirck, zoon van wijlen Arnd, den zoon van 
wijlen Dirck Arndszn, toebedeeld (Reg. n° 649 f. 68) een huis met tuin 
en achterhuis, staande in de Vughterstraat, met bepaling, dat de eigenaars 
van dit huis altijd zullen hebben het gebruik van eene kapel, daar men 
Mis in doet, staande tusschen het voor- en achterhuis voorzegd en sal 
die capclle altijts blijven getimmert gelijck se nu getimmer t is. Mogelijk 
was dit huis dat genaamd de Zwarte bok. 

2) Men zie hunne afstammelingen in Taxandria VI blz. 200 en 201 
en XIV blz. 269—272. 



V 362 - 

Baptist en Adriana van Horenbeeck. Hem volgden in den eigen- 
dom van dit huis op : Theodora Maria de Hee weduwe van 
den advocaat mr. Paulus Suyskens, doordien zij het 7 Decem- 
ber 1716 kocht van Melchior! Zyberts c. s. (Reg. n° 534 f. 355) ; 
Antonius van der Blommen, die van 1753 — 1786 rector van het 
bedehuis was, dat, als gezegd, in het achterhuis van gemeld 
huis gehouden werd ; Antonius van Gils, de latere president van 
het R. K. seminarie van het Bisdom van den Bosch, die van 
1786 — 1790 rector van dat bedehuis was en Joannes Dominicus 
van der Meulen, die daarvan rector was van 1790—1811, als 
wanneer dit bedehuis krachtens besluit van Keizer Napoleon I 
van 9 November 1811 werd opgeheven; hij bleef echter het 
huis de Zwarte bok bewonen tot aan zijnen dood in 1832 1). 

Van Heurn zegt in zijne Beschrijving van het bedehuis, 
dat achter het voorhuis van de Zwarte Bok stond en behalve 
door dat huis ook nog toegang had van uit de St. Jorisstraat 
door het huis, aldaar genummerd 14, het volgende : 

Het schijnt my uit het beschouwen des gebouivs. dat 
die in den beginne vry kleiner is geweest, dog dat zy twee- 
malen daarna vergroot zy ; zy is redelijk groot, maar niet 
sierlijk gebouiud; heeft twee uitgangen^ een door het huis des 
Priesters in de Vugterstraat en een in de St. Jorisstraat. Dit 
bedehuis, dat het eerste in de Vughterstraat genoemd werd, 
omdat het ander daarin verder op stond, droeg ook den naam 
van de bidplaats der Zeven Weeën. Het werd aanvankelijk 
door Minderbroeders bediend en na hen door wereldgeestelijken, 
wat genoemde rectoren ook waren. 

Het bestond reeds als bedehuis in 1653, zooals blijkt 
uit het meermalen aangehaald Memoriaal van Ackersdyck, welke 
daarin vermeldt de navolgende invallen, die hij namens den 
Hoogschout in dit bedehuis deed : 

Den 26 December 1653 gestoort eene Paepsche conven- 
ticul in de Vuchterstraet neffens den Elandt, alwaer veel volck 



1) Schutjes IV blz. 295. 



— 363 — 

wierclt gevonden; is voor de volle peene van H huys ontfan- 
gen ft SOO ende d'andere bekende persoonen door den Groen- 
roede Vermandel doen sommeer en tot betalinge van fl 25. 

Den 15 October 1656 gestoort een paepsche conventi- 
cule, dewelcke wierdt gehouden in de huysinge, toebehoo- 
rende Willem Zeberts, gestaen in de Vuchterstraet naest den 
Elandt ; is voor dat huys betaelt de volle peene. 

Den 9 Febraarij 1659 gestoort een paepsche conventi- 
cule, dewelcke ivierdt gehouden in de Vuchterstraet in de 
huysinge, staende naest den Elandt, enz. 

Den 26 December 1659 gestoort een paepsche conventi- 
cule, dewelcke werdt gehouden in de huysinge, toebehoorende 
Willem Zeberts, gestaen in de Vuchterstraet alhier naest den 
Elandt, enz. 

Schutjes vermeldt niet de namen der priesters, welke in 
de jaren dezer stoornissen dit bedehuis bedienden. 



HOOFDSTUK VIII. 

De St. Jorisstraat. 

Eerste Gedeelte. 



Deze straat heette aanvankelijk de Hulsstraat of de 
Hoelstraat, zooals blijkt uit het Reg. n° 222 f. 570 v so ; nader- 
hand kreeg zij den naam van de St. Jorisstraat naar de daaraan 
gestaan hebbende kapel, die aan St. Joris was gewijd. De 
brug, die in deze straat ligt, heette oudtijds de Hulsterbrug. 

Naast die brug staat aan de Zuidzijde van deze straat 
en wel ten O van die brug 

a. Het huis no. 7. 

Het eeuige merkwaardige van dit huis is, dat het 19 
October 1735, als wanneer het gezegd werd te zijn: een huis 
met verschillende beneden- en bovenkamers, tuin en kelder, met 
eene schoone galderyel), verkocht wercl aan Johan Martinus van 
der Vaart, mr metselaar te den Bosch, bij eene akte, waaruit men 
verschillende genealogische bijzonderheden kan leeren kennen, 
wijl daarin toch als verkoopers optraden mr Willem de Decquere, 
advocaat te Herpen ; Peter Arnoud de Breff, wonende te Wamel 
en zijn broeder Jacob Adriaan de Breff, wonende te Haps; 
Francis de Decquere, cadet te den Bosch ; Antony de Decquere, 
woonachtig te Nootdorp en Anna Wilhelmina Hagens weduwe 



1) Men zie over dit huis nog Reg. n° 412 f. 21, 131 en 245. 



— 365 - 

van Hendrick Willem Winkelman, drossaard der Grafelijkheid 
Megen, wonende te den Bosch, allen in hunne hoedanigheid van 
erfgenamen van hunnen oom Hendrick de Decquere, die dit huis 
geërfd had voor de helft van zijne vrouw Philippina Isabella 
de Fierlandt en voor de wederhelft van Antonetta Dongius we- 
duwe van Jan Hendrickzn van der Beecke 1) (wiens voordochter 
was Aldegonda van der Beeke, echtgenoote van Johan van 
Hoorn en wier kinderen waren Antonetta en Maria van Hoorn.) 

b. Het Gasthuis van Gijsbert van den Broeck. 

No. 9. 

Ten O. van laatstgemeld huis stond het gebouw van 
het gasthuis van Gijsbert van den Broeck, die tot eene familie 
behoorde, welke oudtijds in den Bosch zeer in aanzien was en 
aldaar in de St. Janskerk had een marmeren gestoelte tot zit- 
plaats en eenen kelder met koperen zerk tot graf 2). 

Zooals deszelfs naam het reeds aanduidt werd dit gast- 
huis door genoemden van den Broeck gesticht en wel bij zijn 
testament van 19 Juni 1464, waarbij hij bepaalde, dat het zou 
dienen tot verblijf van zeven mannen, ouder dan 50 jaren, en 
hunne dienstmeid. 

Den 29 September 1789 is het gebouw van dit gasthuis 
door zijnen rentmeester Philippus de Bergh verkocht en thans 
is het eene smederij. Het gasthuis zelf werd in datzelfde jaar 
vereenigd met het in 1617 door Jan van Sambeek in de Wind- 
molenbergstraat gesticht gasthuis alsmede met de oude mannen- 
gasthuizen van Jacob Uter Oisterwijck, Gerard de Weert en 
Jan Moons, voor alle welke gasthuizen toen een gebouw is 
aangekocht geworden in de Peperstraat te den Bosch 



1) Deze had dit huis in 1674 gekocht. (Schepenreg. van den Bosch 
no 492 fol. 112). 

2) Men zie over hem en zijn geslacht Taxandria VI blz. 109 en 
blz. 161 en vlgd.; XV blz. 35, alsmede M. Balen Beschrijving van Dordrecht. 



— 366 — 

c. Het huis n° 11. 

Naast voorzegd gasthuis staat in O. richting dit huis, 
dat oudtijds uit twee huizen bestond, die toebehoorden aan 
den Bosschen klokgieter Gobelinus Moer, den compagnon van 
den vermaarden Bosschen klokgieter mr. Geert van Wou. De 
kinderen van genoemden Moer, die in na te melden akte ge- 
zegd werd een campanifex te zijn, zijnde Jan, mr. Jaspar, 
Magdalena, IJken, begijn in het Groot Begijnhof te den Bosch, 
Katheryne, huisvrouw van Arnd die Vrieze en Maria, huis- 
vrouw van Jan Zael, verkochten bij akte van 17 December 1504 
(Reg. n°. 99 f. 380) hun 6/7 in die beide huizen, Avelke toen 
gezegd werden te zijn : huis, erf, plaats en achterhuis, staande 
aan den Ouden huls in de St. Jorisstraat tusschen het volgend 
huis ex uno en het Gasthuis van den Broeck ex alio en zich 
achterwaarts uit te strekken tot aan de Dieze, alsmede huis, 
erf, plaats en achterhuis, staande alsvoren tusschen laatstge- 
gezegd huis ex uno en den gang van het Kruisbroedersklooster 
ex alio en zich ook uit te strekken tot aan het water, aan 
hunnen broeder Willem Moer, die als erfgenaam zijns vaders 
daarin reeds het overige bezat. Deze huwde in eersten echt 
met Grietken N., (welke hem deze kinderen schonk : a Grietken, 
huisvrouw van JanHagens; b Catharina, huisvrouw van Wouter 
van Beeck, die bij haar verwekte een zoon Dirck van Beeck 
en c Maryken) en in tweeden echt met Elisabeth N.; laatstge- 
neemde vrouw verkocht, toerj zij reeds weduwe van hem was, den 
5 October 1529 (Reg. n° 137 f. 1 4) deze beide huizen aan Maria 
van Haestrecht, erfdochter van Loon op Zand en douairière van 
Robbrecht van Grevenbroeck, die daarop van deze beide huizen 
er één zal gemaakt hebben De Kruisbroeders van den Bosch en 
Henrick Kuyst(en) Matheuszn, vooreerst als eigenaars van eene 
steenen werf, gelegen aan cle Dieze, die liep tusschen het voor- 
meld erf van Maria van Haestrecht en dat van Henrick Kuyst 
voornoemd, tusschen de Vospoort en het gereet van gezegde 
broeders aan die poort, en verder als eigenaars van eenen weg, 



— 367 — 

loopende van den convent van den Cruysbroederen aen der 
Vosport tusschen die werf en het huis van meergenoemden 
Henrick Kuyst 1), stonden aan Adriaan van Grevenbroeck, 
schout van Loon op Zand, ten behoeve van meergenoemde 
Maria van Haestrecht toe, behoudens consent der stad den Bosch, 
dat zij zal mogen bouwen eenen boog over de Dieze tusschen 
haar meergemeld erf en gezegde werf en daarop timmeren een 
huis, dat slechts een zolder hoog mocht zijn. 

De zoon van Maria van Haestrecht en Robbrecht van 
Grevenbroeck meergenoemd, Dierick van Grevenbroeck, heer 
van Loon op Zand, verkocht dit huis aan Dierick van den 
Berghe, den zoon 'van mr. Gerard, bij eene Schepenakte van 
den Bosch van 18 Januari 1543 2), waarin o.a. dit voorkomt: 

Domicellus Theodoricus de Grevenbroeck, fllius quon- 
dam Domicelli Robberti de Grevenbroeck, dominus temporalis 
de Venloon, ab eodem quondam Domicello Robberto et quon- 
dam Domicella Maria de Haestrecht, sua conthorali, pariter 
genitus, verkoopt aan genoemden van den Berghe domum, 
aream, ortum ac domum posteriorem, sitas in oppido de Busco- 
ducis ad locum, dictum aen den Ouden Huls in vico Sancti 
Georgij, inter hereditatem Willemi, filii quondam Gobelini 
Moor, ex uno; et inter hospitale. dictum, 't gasthaysvanden 
Broeck, ex alio, insuper domum, aream, ortum ac domum 
posteriorem, sitas in dicto oppido de Buscoducis ad vicum 
den Ouden Huls in platea predicta inter hereditatem seu quon- 
dam transitum Conventus fratrum Cruciferorum ex uno, 
et inter hereditatem heredum et aberorum dicti quondam 
Gobelini Moor, ex alio, quae vero premissa pronunc duae 
domus, areae, ortus ac domus posteriores ipsis mutuo et 
lateraliter sunt coadjacentes, sitae in oppido et vico predictis 
prope Conventum Cruciferorum inter quondam transitum 

1) Déze verleende bij dezelfde akte eene grondrendte uit drie 
huizen, staande buiten de poort, voorheen genaamd die Vospoorte, nu 
het Kruisbroedersstraatje, tusschen het erf van het Kruisbroedersklooster 
ex, uno en dat van het huis, in de Ploeg geheet en, ex alio. 

2) Reg. n<> 166 f. 133. 



— 368 — 

dicti Conuentus ibidem, ex uno, et inter hospitale virorum, 
dictum 't gasthuys van den Broeck, predictum, ex alio, ten- 
dentes a dicta communi platea seu vico, Sint Jorisstraet vocato, 
ad communem aquam, ibidem retro fluentem, qnas vero duas 
domus, areas, ortum ac domum posteriorem Domicella Maria 
de Haestrecht, domina temporalis de Venloon, relicta quon- 
dam dicti Robberti de Grevenbroeck, erga Elisabeth, relictam 
quondam Willelmi, filii quondam Gobelini Moor, 15 Septembris 
1529 acquiserat. 

Genoemde Dierick van den Berghe, die alzoo door koop 
eigenaar van dit huis geworden was, was als gezegd, een zoon 
van mr. Gerard van den Berghe 1). Hij huwde 1° met Anna, 
dochter van Anthonis Beelaerts Rutgerszoon en Elisabeth Mer- 
celisdochter ; 2° met Weyndelmoet van Auwen, dochter van 
Joost en weduwe van Jan Heymans Robbrechtszoon. Hem wer- 
den deze kinderen geboren : 

Ex lma: mr. Gerard van den Berghe, raad van den 
Bosch, ex 2da: (zij had van haren eersten man eene voordoch- 
ter Mariken Heymans, die huwde met mr. Nyclaes van Tulden, 
licentiaat in de rechten en schepen van den Bosch) : Anna van 
den Berghe, die trouwde met Willem Oliviers van Berchuysen. 
Mr. Gerard van den Berghe laatstgenoemd erfde het hier 
bedoeld huis van zijnen vader. Hij huwde met Petronella 
Pels 2), eenige dochter van Jan Peterszoon, wollenlakenskooper 
en Anna de Louwe Jansdr, die hem schonk eenen zoon Jan, 
alsmede een en zoon mr. Peter van den Berghe, welke laatste 
ook raad van den Bosch was en op zijne beurt dit huis erfde ; 
zijne vrouw was Sussanna La Flamingh. Na zijnen dood ver- 
kochten zij en hunne kinderen : Cornelia Philippina van den 
Berghe gehuwd met J or . Anthonio van der Perre, kapitein in 
Spaanschen dienst ; Catharina van den Berghe ; mr. Philippe 



1) Taxandria III p. 165 en La familie van den Berghe p. 9. 

2) Zij bracht haren man ten huwelijk aan het huis de Molensteen, 
staande in de Hinthamerstraat te den Bosch (naast het huis de Witte 
hand), dat hij 13 December 1611 (Reg n° 283 fol. 145 vso) verkocht aan 
Arnd Kievits Boelofszn. 



— 369 — 

van den Berghe, advocaat te den Bosch, Petronella, Gerardus 
en Anna Maria van den Berghe, bij Schepenakte van 29 Mei 
1659 dit huis aan Jan Leornardszoon van Oiischot; het werd 
toen aldus omschreven : een schoon steenen huys, erve, hoff 
ende achterhnys, hoven de Diese staende, met een camer boven 
de poorie, gemeynlick genoempt de Cruysbroederspoorte, staende 
in de St. Jorisstraet tussen den huyse des Susteren Convents 
tot Oisterivijk (de poorte daerdoor men yaet naer den Con- 
vente van den Cruysbroeders tussen beyde liggende), ex uno, 
ende het Mannengasthuys, geheyten van den Broecxgasthuys, 
ex alio, strekkende van de St. Jorisstraet over de Diese tot 
een straetke, ivaerdoor men gaet nae de Vughterstraet ende 
nae de parochiekereke van St. CatJiarina. 

Bij erfenis van genoemden van Oirschot kwam dit huis 
aan Antony Peterszn van Geffen, die het 22 December 1692 
(Reg. n°. 480 f. 371 v so ) verkocht aan den advocaat mr. Mar- 
celius van der Lee. Diens weduwe en testamentaire erfgename 
Anna Maria Lintermans verkocht 11 November 1737, als wan- 
neer zij te Noordwijk woonde, dit huis, — dat toen omschre- 
ven werd als huis met tuin, achterhuis, boven de Dieze staande, 
en eene kamer boven de Kruisbroederspoort, staande in de 
St. Jorisstraat ex uno het huis der Wed. Somers, de Kruis- 
broederspoort tusschen beiden, ex alio het van den Broecks- 
mannengasthuis en zich uitstrekkende tot aan het Kruisbroe- 
dersstraatje, — aan mr. Alexander Berent van Eybergen, 
oud-schepen en raad van den Bosch 1). Ten diens laste werd 
het 3 Aug. 1748 gerechtelijk voor schuld verkocht aan Antony 
Verouden, timmerman te den Bosch ; het werd toen gezegd te 
zijn : eene schoone, hegte huysinge, voorsien met verscheyde 
benede- en bovencamers, solders, kelders, grooten hoff' off open 
plaets, pomp, agterhuys, coetshuys en stal boven de Diese 

i) Hij was zoon van Lucas van Eybergen, professor en predikant 
te den Bosch en huwde met 1° Glara Maria Minten (van wie hij had 
eene dochter Gornelia Maria van Eybergen, die trouwde met PieterHubert); 
2° Maria van Antwerpen (van wie hij had Lucas en Johanna Allegonda 
van Eybergen); 3° GatharinaThomina Pauw weduwe van Willem Hartman. 

24 



- 310 - 

staande, met een camer boven de Cruysbroederspoort. Zijne 
erven verkochten 9 October 1784 dit huis aan Hendrik Jan 
van den Pavort, notaris te den Bosch. Thans behoort dit huis 
aan de erven van mr. Alexander baron van Lams weerde, in 
leven rechter te en lid van den Gemeenteraad van den Bosch. 

d. Het refugielmis van het Klooster Catharinenberg 

te Oisterwrjk. 

No. 13. 

Aan den Oostelij ken hoek van het Kruisbroedersstraatje 
en de St. Jorisstraat, staat naast dat straatje dit huis, dat 
aanvankelijk niet grensde aan gezegd straatje, omdat oudtijds, 
waar het thans begint, stond een huis, waarvan omstreeks 
de helft van de 16 e eeuw gemeld w r ordt, dat het toen was 
afgebroken om van uit de St. Jorisstraat een toegang te hebben 
tot de St. Catharinakerk ; het is daarop vervangen door eene 
poort, waarboven eene kamer gebouwd werd, die deel uitmaakte 
van het hiervoren onder c beschreven huis. 

Willem Pynappel Janszn, zijn zoon Wouter Pynappel, 
alsmede Jan Heeren Jacobszn en Martinus, zoon van Gerard 
'sHeeren Dirckszn, in hunne hoedanigheid van voogden over de 
onmondige kinderen van Jan Strick Nicolauszn en Elisabeth, de 
dochter van Jan, den zoon van genoemden Willem Pijnappel, 
zijnde Willem, Claes, Anneken, Heylken en Elsken Strick, 
verkochten 3 Febr. 1559 (Reg. n° 202 f. 340) het hier sub d 
bedoeld huis, — dat alstoen omschreven werd als huis, erf, 
plaats, twee achterhuizen en bierbrouwerij, staande tusschen 
het erf, dat eertijds was van de erfgenamen van den sartor 
Henrick van Uden en nu is de Kruisbroederspoort, ex uno en 
het erf, dat eertijds was van Henrick, Goijart en Dirck, zonen 
van Henrick Janszn Boijens en nu is van Jacob Rutgerszn van 
Berchem, zijnde dat huis door J or Willem Willemszn, van Oss 
voor zich en als gemachtigde van J or Philips Hinckaert Philipszn, 
als echtgenoot van domicella Hadewich, dochter van genoemden 



— 371 — 

Willem van Oss senior, verkocht geweest aan eerstgenoemd en 
Nicolaus Strick, den zoon van Goijart Nicolaaszoon en strek- 
kende het zich achterwaarts uit tot aan de Dieze, — aan Jan 
Pynappel, ook zoon van genoemden Willem Pynappel. Deze Jan 
Pynappel verkocht het 9 Januari 1570 (Reg. n° 220 f. 78 v so )aan 
de voogden over de minderjarige kinderen van Jan Dirckszoon 1) 
van Vechel en Heylwich, dochter van Robbrecht, den zoon van 
Gijsbert Heymanszn, zijnde Dirck, Robbert, Goijart, Maria, 
Mechteld en Bessele van Vechel, die het later toebedeelden aan 
hunnen genoemden broeder en zuster Goijart en Mechteld, toen 
huisvrouw van Gerard Willemszoon van Venloo; deze beide 
stonden het weder af aan hunnen broeder Robbert. Deze 
verkocht het 20 Januari. 1586 (Reg. n° 240 f. 343), — 
als wanneer het gezegd werd te zijn: huis, erf, plaats en 
achterhuis, staande in de St. Jorisstraat tusschen die Cruys- 
broederenpoirte ex uno en het huis van Jacob Rutgerszn van 
Berchem ex alio en zich achterwaarts uitstrekkende tot aan 
de Dieze, — aan Jeronimus, zoon van Benedictus Mathijszn. 
Kort daarna was dit huis in het bezit der nonnen van het 
klooster Catharinenberg te Oisterwijk, krachtens welken titel 
bleek mij echter niet; Schutjes V blz. 395 schrijft, dat de 
Bossche Bisschop Crabbeels het den 10 Mei 1588, als zijnde het 
toen reeds eene verblijfplaats van die nonnen, visiteerde; in 
1593 woonden deze nonnen blijkens eene Bossche Schepenakte 
van dat jaar nog in dit huis. Later namen daarin haar verblijf 
de Ongeschoeide Carmelit essen, die zich in het jaar 1622 op de 
Papenhulst te den Bosch, vermoedelijk in het huis der Arme 
Clarissen van Boxtel, metterwoon gevestigd hadden. Tijdens 
dat zij in dit huis verbleven werd het bij het beleg van den 
Bosch in 1629 door de bommen der Staatschen beschadigd, 
zooals blijkt uit het Dagboek van Robbert van Voorne (Dr. C. 
R. Hermans Verz. van zeldzame oorkonden betrekkelijk het 



1) Deze Dirck van Vechel, die de zoon was van Goijart Dirckszn 
van Vechel en Geertruid van Lairven, had tot vrouw Mechteld van Aerle 
Henricksdr. 



— 372 — 

beleg van den Bosch I p. 61); hij vermeldt daar tevens, dat 
met die bommen der Carmeliten huys ende capelle is vernielt 
met noch diversche huys en in St. Jorisstraet. Na de reductie 
der stad in laatstgezegd jaar werd ook dit refugiehuis door den 
Staat geconfisqueerd. Alard Johan Gansneb gen d Tengnagel, 
als raad en rentmeester-generaal der Episcopale en andere 
geestelijke goederen in de stad en Meierij van den Bosch, 
verkocht 18 Dec. 1723 (Reg. n° 552 f. 70) aan Andries Somers, 
zilversmid te den Bosch, dit huis, dat alstoen omschreven werd 
als volgt : een ivelgeleege htiysinge, erve, hof ende stallinge, 
staande aan de St. Jorisstraat tusschen het huis van Mechtildis 
van Herlaer weduwe van Johan de Clercq, wonende te Venray, 
ex uno en den Kruisbroedersgang, ex alio, zich uitstrekkende 
tot aan de Dieze en voorheen gecompeteerd hebbende aan het 
Convent van de Susteren van Oosterivijck. Genoemde Somers 
had van zijne vrouw Johanna van Huy wegen twee kinderen : 
a Johanna Catharina, die huwde met 1° Godefridus Loeff van 
der Sloot, die kinderloos stierf; 2° Wilhelm Cremer, die evenals 
haar eerste man woonachtig was te Diest en b Maria Theresia, 
die onnoozel was en tot voogd had mr. Arnoldus Franciscus 
Baalmans, luitenant-meier van de stad en het Kwartier van 
Leuven; zij verkochten dit huis 27 Juni 1740 aan Eymbert 
van Aelst, wonende te den Bosch. Thans behoort het aan 
mr Raymond Tilman, agent van de Nederlandsche Bank aldaar. 

e. Het huis n° 15. 

Naast het laatst beschreven huis stond verder in Ooste- 
lijke richting het hier behandeld wordend huis. Hillenus, zoon 
van Willem Zegerszn van Cuyck, en zijne dochters Elisabeth 
én Margaretha, geboren uit zijn huwelijk met Elisabeth van 
Uden Henricksdr; alsmede de kinderen van Gerard van 
Achelen, zijnde Gerard, Adriana, huisvrouw van Gerard van 
Heessel, Agnes, echtgenoote van Zeger r zoon van Jacob van 
Cuyck, en Heylwig van Achelen, verkochten 4 Juli 1504 



— 373 - 

(Reg. n° 98 f. 78) dit huis, dat alstoen gezegd werd te zijn: huis, 
erf, plaats en achterhuis, staande in de St. Jorisstraat tusschen 
het huis van Willem van Oss ex uno en dat van Mathys van 
Tephelen 1) ex alio, en zich achterwaarts uitstrekkende tot aan 
de Dieze, aan Christiaan van Oss. Diens weduwe Christina 
deed 2 Januari 1543 (Reg. n° 164 f. 85) afstand van den tocht 
van dit huis ten behoeve van Jan, den zoon van Dirck Yewans, 
als zijnde gehuwd met hunne dochter Elisabeth, waarna hij 
het zoo voor zich en als gemachtigde van Martinus van der 
Fontayne en diens echtgenoote Henrica, woonachtig te Brussel, 
verkocht aan Rutger Hendrickszn van Weert, ook wel genaamd 
Rutger Hermanszn. 

In Februari 1558 (Reg. n° 201 f. 514) verkochten diens 
zonen, zijnde: Antonius, Casparus en Melchior van Weert, het 
aan Jacob Rutgerszn van Berchem. Diens weduwe Johannatleed 
17 Maart 1575 (Reg. n° 224 f. 262) boedelafstand aan hun 
beider schuldeischers, waarop dezen dit huis 23 Januari 1576 
(Reg. n 226 f. 143) verkochten aan den Spanjaard Johannes de 
Somarostro ; deze laatste verkocht het 23 Januari 1589 (Reg 
n° 241 f. 329), toen het gezegd werd te staan tusschen dat van 
de kinderen Jan van Vechel ex uno en dat van Zoete weduwe 
van mr Goijart van Empel, secretaris van den Bosch, ex alio, 
aan Henrick de Hont Junior, klerk ter secretarie van den 
Bosch, zoon van Henrick de Hont Senior. Antonia, weduwe van 
genoemden Henrick de Hont Junior, verkocht het op hare 
beurt 4 December 1599 (Reg. n° 263 f. 130) aan Gijsbert 
Aertszn van Nymegen, linnenwever, die het 24 Octoberl625 



1) Hij was een zoon van Udo van Tephelen en had eene dochter 
Elisabeth, die huwde met mr Jan van Breugel Arndszoon, wien zij deze 
kinderen schonk : mr Mathijs, priester, Arndt, Elisabeth, Hillegond huis- 
vrouw van Nycolaus van deu Laer, Peter, Alberl, Paulus, Christina en 
Anna van Breugel, zij verkochten 18 Januari 1562 (Reg. n° 207 f. 426) 
2/ 3 in dit huis aan Adrianus, Christina, Joanna huisvrouw van Henrick 
Willemszn en Margaretha, huisvrouw van Jan van Liebergen, kinderen 
van wijlen mr Goijart van Empel, secretaris van den Bosch enSoeteN., 
die daarvan reeds het V3 hadden (Reg. n° 240 f. 140). Men zie over 
genoemde van Breugel s Reg. n° 652 f. 268. 



— 374 — 

(Reg\ n° 326 f. 34) verkocht aan Agnes van Ravensteijn, dochter 
van Henrick Wouterszn en weduwe van Peter de Cort. Willem 
van Bree, koopman te den Bosch, als man van Johanna, dochter 
van Peter Somers, verkocht 13 April 1641 (Reg. n° 384 f. 
389) de helft in dit huis, door haar van haren vader geërfd, 
aan Hillegond van Ravenstein weduwe van Henrick van Herlaer, 
die 31 Mei 1642 (Reg. n° 386 f. 133) 2 /i2 van de % van dat 
huis nog kocht van de onmondige kinderen Brouwer, welke die 
gedeelten geërfd hadden van genoemde weduwe Peter de Cort, 
Zij trad daarna als eenige eigenares van dit huis op, dat later 
geërfd werd door Johanna van Herlaer, van wie het weder 
erfde hare zuster Mechtildis van Herlaer weduwe van Johan 
de Clercq, woonachtig te Venray; cleze laatste verkocht het 
29 Augustus 1726, als wanneer het werd gezegd te staan 
tusschen dat van Andries Somers, zilversmid, ex uno en dat 
van Johan van Grimbergen, c. s. ex alio, aan Jacob Spirinx. 
In den nacht van 3 op 4 Maart 1776 brandde dit huis geheel 
af, waarna den 3 April van dat jaar Carolus Arnoldus Spierings 
Vs in het erf van dat huis, dat hij geërfd had van zijne zusters 
Hesther en Christina Spierings, verkocht aan Jan Willem Sprice, 
mr pruikenmaker te den Bosch, die daarin reeds 2 k had; den 
14 Augustus daaraanvolgende verkocht deze (Reg. n° 584 f. 
405 v so ) dat erf, dat toen gezegd werd te liggen tusschen het 
huis van Eymbert van Aelst ex uno en dat van den notaris de 
Gier ex alio, aan Gerard van der Vaart, mr timmerman te den 
Bosch, die daarop een nieuw huis zal hebben gebouwd. Thans is 
het het eigendom van Jhr. mr Bernard de Roy van Zuidewijn, 
oud-griffier van de Arrondissements-Rechtbank te den Bosch. 

ƒ. Het Karthuizersklooster. 

Het voormalig Karthuizersklooster te Vught werd om- 
streeks het jaar 1473 gevestigd in het klooster der zusters van 
Orthen aldaar, dat onder het bewind van den prior der Karthuizers 
van Loon, in het begin den 16 e eeuw prachtig werd herbouwd. 



— 375 — 

Het stond ter plaatse waar thans liet buitengoed Sophiae 
Domus gelegen is en droeg den naam van het Huis der 
H. Sophia. Den 1 |Maart 1577 werd het door de Staatsche benden 
in asch gelegd, waarna zijne kloosterlingen hunnen intrek namen 
op het kasteel de Groote Ruwenberg te St. Michiels-Gestel, 
dat toen toebehoorde aan Jan van Raveschot Ardtszn. Ook op 
dat kasteel waren zij niet veilig tegen de strooptochten der 
Staatsche benden, waarom zij den 1 Juli 1591 1) aan den 
Koning van Spanje als Hertog van Brabant verzochten zich te 
's Hertogenbosch metterwoon te mogen vestigen; het werd hun 
toen toegestaan en onmiddelijk daarop betrokken zij hun bekrom- 
pen refugiehuis in de St. Jorisstraat aldaar. Dat refugiehuis 
bestond uit twee huizen, waarvan een Westwaarts stond naast 
het huis, genaamd hei Oroen laken en het ander was het daar- 
naast Oostwaarts staand huis, dat later de Mutsaerspoort 
geheeten werd. 

Eerstbedoeld huis had tot oudst bekenden eigenaar Dirck 
van Dyeperbeeck ; van dezen erfden het zijne zonen Arnd, 
Dirck en Jan van Dyeperbeeck en zijne dochter Elisabeth, huis- 
vrouw van Petrus Scelleken Henrickszn; dezen verkochten het 
aan Bernard, zoon van Jan Bernardszn van Overmeer, die een 
zoon Petrus had, welke deze kinderen had : a Margaretha, die 
huwde met Yewan die hoefsmid, wien zij schonk een zoon Petrus; 
b Petrus ; beide laatstgenoemde Petrus'sen verkochten in 1530 
(Reg. n° 139 f. 126 en 281) de helft in dit huis, dat toen ge- 
zegd werd te staan tegenover de St. Joriskapel Westwaarts 
tusschen het huis, dat eertijds was van Jan Danielszn van 
Vladeracken, nu van Jacob van Bladel en Oostwaarts tusschen 
het huis, dat voorheen was van Elisabeth Luws, nu van Nico- 
laas van Bockhoven, — aan Zeynse, de dochter van genoem- 
den Bernard, zoon van Jan Bernardszn van Overmeer, die als 
erfgename naars vaders daarin reeds de helft had. Zij huwde 
met Jan van den Zydewynde, van wien zij geene kinderen 
naliet ; na haar overlijden verkochten de uitvoerder van haar 

1) Mr J. Sassen Charters blz. 241. 



376 



testament, Jan Rutgerszn van Schijnle, 3 A ; Gerard Toelinck 
als man van Geertruid en Michiel, zoon van Dirck die cremer, 
als man van Margaretha, dochters van Willem, den zoon van 
Petrus, den zoon van meergenoemden Bernard Janszn van 
Overmeer, 8 April 1562 (Reg. n° 208 f. 307) de Va in x k van 
gezegd huis, dat nu omschreven werd als huis, erf, plaats en 
achterhuis, staande Westwaarts tusschen het huis eertijds van 
Jacob van Bladel, nu Hemïck van Vechel ex uno en Oostwaarts 
tusschen dat eertijds van Claes Oem van Bocklioven, nu het 
Karthuizersklooster te Vught ex alio en zich achterwaarts 
uitstrekkende tot aan de Dieze vurens aen den choer van der 
kercke des convents van den Cruysbruederen 1), aan Marga- 
retha, dochter van genoemden Petrus van Overmeer, die de 
overige Va van gezegd Vi reeds bezat als erfgename harer 
zuster Geertruid van Overmeer. Laatstgenoemde Margaretha 
van Overmeer verkocht daarop 16 Maart 1572 dit geheelehuis 
aan gemeld Karthuizersklooster, dat, als gezegd, toen reeds 
eigenaar was van het daarnaast Oostwaarts staand huis, later 
de Mutsaerspoort genaamd. 

De oudst bekende eigenaar van laatstbedoeld huis was 
mr. Henrick van Kessel Willemszn, die het verkocht aan Hillenus, 
zoon van Willem Zegerszn van Nuwenkuyck, (echtgenoot van 
Elisabeth, de dochter van den calcifex Henrick van Uden. bij 
wie hij twee dochters verwekte : Elisabeth, huisvrouw van 
Adrianus van Eyswyck Adriaanszn en Judoca, huisvrouw van 
Philip van Weyborch Joostzn, kastelein van het kasteel van 
Heeswijk (Reg. n° 103 f. 100 v so ). Nadat hij weduwnaar van 
haar geworden was stond hij 7 Augustus 1505 (Reg. n° 99 f. 167) 
den tocht van dit huis, dat toen gezegd werd te zijn eene huis- 
plaats met daarop staande gebouwen, staande aan de Oude Huls 
tegenover de St. Joriskapel tusschen dat van Petrus Scellekens 
Westwaarts ex uno en dat van Jan van Doern Oostwaarts ex alio, 



4) Deze hadden in 1541 aan genoemde Zeynse van Overmeer toege- 
staan een trap van blauwen steen aan de Dieze te maken. (Reg. n° ]58 
f 443 v so ). 



— 377 — 

af aan zijne beide genoemde dochters, die het daarop verkoch- 
ten aan Victor de Molendino, zoon van Henrick van Herenthals, 
welke het weder verkocht aan Claes, zoon van Arnd van 
Malsen en echtgenoot van Yda, dochter van Godefridns van der 
Aelsvoirt. Deze Claes van Malsen verkocht het 16 Juli 1509 
(Reg. n° 103 f. 83 v so ) aan genoemden Philip van Weyborch, die 
het weder verkocht aan Lambert Millinck, zoon van Lambert en 
Luytgardis, dochter van Loenis van den Velde ; deze verkocht 
het 27 Augustus 1513 aan Claes Oem van Bockhoven Willemszn 
(Reg. n° 108 f. J80), clie in de betaling der kooppenningen 
achterstallig schijnt gebleven te zijn, want eerst 3 Januari 1532 
(Reg. n° 143 f. 6) deed eerstgenoemde Lambert Millinck afstand 
van alle recht op dit huis, dat nu gezegd wordt te zijn : domus 
anterior, ortus et domus posterior, ten behoeve van genoemden 
Claes Oem van Bockhoven, als zijnde het door dezen betaald. 
Arnd cle Borchgrave Dirckszn en Gerard van Vlade] a eken, als 
voogden over de onmondige dochter, geboren uit het huwelijk 
van genoemden Claes Oem van Bockhoven met Margriet cle 
Borchgrave 1) Dircksdr, clie bij den doop genoemd was Petronella. 
en bij het vormsel Geertrudis, verkochten het 19 April 1531 
(Reg. n° 151 f, 203 v so ) aan Jan van Balen Janszn, kanonik der 
St. Janskerk te den Bosch, clie 10 Juni 1539 (Reg. n° 155 f. 218) 
dat huis, dat nu gezegd werd te zijn: domuncula quaedam anterior, 
porta, ortus ac domus posterior es, sibi invicem adjacentes, weder 
verkocht aan Mathijs Lambertszn Stooters; cleze verkocht het 
op zijne beurt 27 Maart 1544 (Reg. n° 167 f. 284) aan Lau- 
reyns Pelgrom 2), zoon van Henrick Dirckszoon. Deze verkocht 
het 19 Maart 1550 (Reg. n° 181 f. 185) aan: Dommus et frater 
Theodoricus cle Meuwen, prior conventus fratrum Carthusiensium 



1) Haar andere broeder was mr. Dirck de Borchgrave. Uit diens 
nalatenschap werd in 1537 (Reg. n° 150 f. 256) toebedeeld aan zijne zuster- 
Margriet: een steenen huys met synen gronden ende graften dair om- 
gaende, geheyten Ouden Steyn, woenhuys, erve, hoff, schaepskoye, schuere, 
bogart, met haren gronden ende land, gelegen in de prochie van Nuenen, 
dwelck tsamen een leen is ende te leene gehouden wort van den com- 
menduer van Gemert van de Duytschen Heeren. 

2) Men zie over hem Taxandria XIII p. 107. 



— 378 — 

domus Sanctae Sophiae ad Constantinopolim, sitae in prochia de 
Vucht, ad opus ejusdem conventus. Dit huis maakte daarop met 
het daarbij, als gezegd, in 1572 gekocht huis, het refugiehuis van 
dat klooster uit, hetwelk clat réfugié in 1606 en 1626 met twee 
Oostwaarts daarvan staande huizen, waarover nader, vergrootte. 
Op verzoek van deszelfs kloosterlingen stonden de Aartsher- 
togen Albert en Isabella aan dezen den 27 Maart 1615 toe, clat 
zij hunne kloostergoederen konden verkoopen om in staat te 
zijn eene andere verblijfplaats te bekomen. Te dien einde ver- 
kochten zij 30 April 1618 (Reg. n° 253 f 275) het eerstbe- 
doeld huis van hun réfugié aan Dirck van Berckel Rutgerszn, 
die reeds eigenaar was van het Westwaarts daarvan staand huis, 
genaamd het Groen Laken, thans genummerd 23, terwijl zij als- 
toen het laatstbedoelde, dat alsnu omschreven werd als: een 
voorhays, poerte, lioff ende achterhuysen, malcanderen aanleg- 
gende^ gesiaen ende gelegen over Sint Joriscapelle. strcckende 
van de gemeyn straet totten water daer achter hopende] ver- 
kochten aan Peter Janszn Mutsaers, naar wien dit huis daarop 
de Mutsaerspoort geheeten werd. De Karthuizers hielden daarna 
nog het naast dit huis Oostwaarts staand huis over, clat zij, 
zooals hierna zal worden medegedeeld, tusschen 1573 en 1606 
verkregen hadden; gelukkig, clat zij dat niet mede verkocht 
hadden, want het Rijke Fraterhuis te den Bosch, waarop zij 
voor hunne nieuwe verblijfplaats het oog hadden laten vallen, 
ontglipte hun, omdat het Kapittel der Bossche St. Janskerk het 
9 December 1625 verkocht aan de Abdij van Berne, welke daar- 
mede reeds 15 Januari 1624 was overeengekomen, clat hare 
kloosterlingen in dat Fraterhuis konden wonen. Het zal met het 
oog op dezen verkoop geweest zijn, clat eenige leden van dit 
Karthuizersklooster, die in het klooster hunner orde te Lier een 
tijdelijk onderkomen hadden gevonden, in 1624 een huis te 
Antwerpen kochten om het tot klooster te verbouwen en dat de 
overige leden van hun klooster van den Bisschop van den 
Bosch verlof kregen om de nog geschikte bouwmaterialen van 
hun verwoest klooster te Vught te verkoopen of naar Boxtel te 



— 379 — 

vervoeren teneinde eene der aldaar gelegen Castersche hoeven 
tot hun klooster in te richten ; ofschoon zij dit daarna deden 
hielden zij toch, zeker wegens de troebele tijden, waarin zij 
toen leefden, het door hen tusschen 1573 en 1606 verkregen 
huis aan, dat zij bovendien vergrootten door daarbij in 1626 
het Oostwaarts daarnaast staand huis aan te koopen. 

Van het door de Karthuizers tusschen 1573 en 1606 
verkregen huis was de ouds bekende eigenaar een Jan van 
Doerne; vervolgens Paganus, geheeten Paganus van Lavalle; 
deze verkocht het aan Jan van Gerwen Dirckszoon, wiens vrouw 
was Geertruid; vermoedelijk had zij tot familienaam Heynden 
blijkens de kwartieren, staande op de hiervoren op blz 351 
vermelde grafzerk. Deze echtelieden vermaakten bij hun testa- 
ment dit huis aan de Kruisbroeders te clen Bosch, die het in 
April 1529 (Reg. n e 135 f. 348), — als wanneer het werd gezegd 
te zijn: huis, erf, plaats en achterhuis, staande aan de Oude 
Huls tegenover de St. Joriskapel tusschen het huis eertijds van 
Hillenus, zoon van Willem Zegerszn van Nuwenkuyck, nu 
Claes van Bockhoven, ex uno en dat eertijds der erven van 
Geertruid, huisvrouw van Rutger van Erp, nu Richmoedis 
weduwe van mr Ewald Mallants en hare kinderen, ex alio, en 
zich achterwaarts uitstrekkende tot aan de Dieze, — verkochten 
aan Jan die Wolff Lambertszn ; deze liet dit huis na aan zijnen 
zoon Lambert en aan zijne dochter Jenneken, echtgenoote van 
Jan Liebergen Janszn; zij verkochten het 10 December 1560 aan 
Heer en M r Gielis Mallants, priester en kanonik der St. Jans- 
kerk te den Bosch, zoon van mr Ewald Mallants voornoemd; 
deze verkocht het 16 Juli 1573 (Reg. n° 221 f. 381 v so ), waarbij 
het werd omschreven als : een voirhuys met eenre poirten, hooff, 
middelhuys ende achterhuys, aan Roelof, zoon van Arnd 
Vastaerts, den man, die in 1565 zijn huis in de Verwerstraat 
aan de stad den Bosch had verkocht om er een weeshuis van 
te maken en in 1574 twee huizen in den Wolvenhoek aldaar 
kocht, zijnde thans het kapitaal heerenhuis der erven Nicolaas 
Rouppe van der Voort. Hoe genoemde Roelof Vastaerts uit 



— 380 — 

het bezit van zijn in 1573 gekocht huis geraakte, is mij 
niet gebleken; onwaarschijnlijk is het niet, dat hij, die een 
zeer vermogend man was, het uit medelijden heeft geschon- 
ken aan de Karthuizers van Vught, omdat hun aldaar staand 
klooster in de vlammen was opgegaan; in elk geval waren zij 
in 1606 eigenaars van dit huis. 

De oudst bekende eigenares van het daarnaast Oost- 
waarts staand huis was Geertruid, dochter van Klaas van 
Stakenborch en huisvrouw eerst van Willem van den Kerckhoff, 
daarna van Eutger van Erp; zij bezat het reeds vóór 1493 
doordien zij, tijdens dat zij weduwe van haren eersten man 
Willem van den Kerckhoff was, het had gekocht van domicella 
Heylwich weduwe van Aert Berewout 1); deze had het haar 
verkocht met toestemming van Eutger Berewout, van Herman 
Coenen als proost der 111. L. Vrouwe Broederschap en van 
Christiaan van den Meeracker als rector van het Groot Zieken 
Gasthuis te den Bosch (Schepenakte van Januari 1524 Eeg. 
n° 128 f. 64). Waarschijnlijk had genoemde Geertruid van 
Stakenborch van haren eersten man een e dochter, die huwde 
met Herman Coenen Philipszoon ,2), althans diens kinderen 
waren hare erfgenamen en zij kwamen daardoor in het bezit 
van dit huis, zooals blijkt uit de hiervoren reeds bedoelde akte 
van Januari 1524 (Eeg. no 128 f. 64); bij die akte deed toch 
Elisabeth weduwe van Claes, zoon van Herman Coenen Philips- 
zoon, afstand van den tocht van de helft van laatstbedoeld huis 
met erf, toen staande aan de Huls tusschen dat van Egidius van 
Doerne (de Spina) ex uno en dat van Wouter van Oerle ex alio, 
— ten behoeve van Willem, den zoon van Petrus Eaessen, als 
man van Geertruid, dochter van Willem Donck en Christina, de 
dochter van genoemden Herman Coenen Philipszoon, waarna 



1) Zij zal geweest zijn Heylwich Roesmont Dani Isdochter en haar 
man dan Aert Berewout Goijartszoon, over wien men zie Taxandria III 
p. 281 en vlgd. In 1480 wordt zij als poorteres van den Bosch vermeld. 

2) In eene Schepenakte van den Bosch van 1511 (Reg. n° 106 f. 
36 vso) i s sprake van een huis in de St. Jorisstraat aldaar, afkomstig van 
Philips, zoon van Christiaan Coenen. 



— 381 — 

gezegde Willem Eaessen, dat huis, hetwelk alstoen gezegd 
werd te zijn: huis en erf met twee achterhuizen, erven en 
plaats, nu staande tusschen het huis van domicella Geertruid 
wed. Jan van Gerwen ex uno en dat van heer Jan van 
Baexen, ridder, ex alio, zich achterwaarts uitstrekkende tot 
aan de Dieze, met toestemming van mr Henrick en mr Herman, 
zonen van Dirck Pelgrom (de Bij e) 1) Henrickszn en van 
genoemde weduw T e Claes Coenen, als uitvoerders van den 
uitersten wil van dezen laatste, verkochten aan mr Ewald, den 
zoon van Jan Mallants. Deze was gehuwd met Richrnoedis, 
de dochter van Gielis Maartenszn van Broeckhoven, wien zij 
deze kinderen schonk: mr Gielis, Dirck 2), Geertruid, Johanna, 
Margaretha en Elisabeth Mallants (Reg. n° 139 f. 92) ; door 
die kinderen werd dit huis toegescheiden aan hunnen broeder 
mr. Gielis Mallants, die, zooals wij hiervoren reeds zagen, 
priester en kanonik der St. Janskerk te den Bosch was. Hij 
verkocht 6 Maart 1562 (Reg. n° 207 f. 507 v so ) dit huis aan 
Jan Dirckszn van Vechel, die van zijne vrouw Heylwich, 
dochter van Robbrecht Gijsbertszn Heymans, zooals wij hier- 
voren ook reeds zagen, o. a. deze kinderen naliet: Dirck, 
Robbert, Goijart, Maria en Mechteld van Vechel ; hunne voog- 
den, zijnde: mr Goijart van Vechel Dirckszn, raad van den 
Bosch en diens 1 broeder Henrick; Henrick, zoon van Robbrecht 
Gijsbertszn Heymanszn en Dirck, de zoon van Willem Dirckszn 
van Vechel, verkochten 7 Januari 1576 dit huis aan mr Henrick 
van Broeckhoven Peterszn, rentmeester der Staten van Brabant 
in het Kwartier van den Bosch (Reg n° 251 f. 21), die het 
13 Januari 1592 (Reg. n° 256 f. 93) weder verkocht aan Jan, 
den zoon van Jan Smits van Gemert, welke het in 1606 op zijne 



1) Diens vrouw was Elisabeth Coenen, dochter van Herman Ketelaer 
genaamd Coenen (wapen een molenijzer met een vogeltje daar boven) 
en Yken Moyns. 

2) Hij huwde met Aleid, dochtervan Everard van Arkel genaamd 
van de Water en Aleid, wier andere kinderen waren: Jacob, Catharina, 
huisvrouw van Jacob, zoon van Nicolaus van Delft genaamd Bunne, 
Steven en Hadewich (Reg. n° 163 f. 267). 



— 382 — 

beurt verkocht aan Johannes van Steenland, prior en Bartholo- 
meus Wilsen, procurator van meergezegd Karthuizersklooster, 
ten belioeve van hetzelve. Dit klooster vereenigde dat huis met 
hetgeen daarnaast Westwaarts stond en sedert dien vormden 
die beide huizen een geheel. 

Zooals wij hiervoren eveneens hebben gezien had een deel 
der kloosterlingen van dit klooster in 1624 een klooster gesticht 
te Antwerpen; hieruit leidden de Karthuizers van die stad in 
1658 af, dat de beide laatstbedoelde huizen, alsmede de overblijf- 
selen van het voormalig Karthuizersklooster te Vught, ingevolge 
het vredestractaat van Munster van 1648 niet aan de Staten 
Generaal der Vereenigde Nederlanden waren vervallen, daar zij 
toch het eigendom waren eener in het buitenland gevestigde 
kloosterorde; de Staten Generaal waren evenwel eene andere 
zienswijze toegedaan, omdat een deel der Vughtsche Karthuizers 
na 1624 te den Bosch en Boxtel was gevestigd gebleven. Na 
veel onderhandelen kwamen ten slotte beide partijen in 1658 tot 
een accoord bij hetwelk overeengekomen werd, dat het Karthui- 
zersklooster te Antwerpen eigenaar van de voorschreven goederen 
bleef tegen betaling eener som van fl 55000 aan den Nederland- 
schen Staat; van dat geld schonken de Staten Generaal fl 2000 aan 
de Nederduitsch Hervormde Diakonie en fl 1000 aan het Burger, 
thans het Gereformeerd Burger Weeshuis te den Bosch. 

Gezegd klooster verkocht daarop den 8 Januari 1659 
aan Pieter Lus, oud-president schepen en raad van den Bosch, 
hetgeen van het voormalige Karthuizersklooster te Vught nog 
was overgebleven en dat in de daarvan opgemaakte akte aldus 
omschreven wercl: huys, voorpoorte, bovenhoff (daerop eeriijts 
het Clooster van de heeren Carthnysers van St. Sophia van 
Constantinopele gestaenheeft) mette aengelegen landeryen te 
Vucht enz., zijnde thans het eigendom der erven mr E. van 
Zinnicq Bergmann. Den 22 Februari 1659 daaraanvolgende ver- 
kocht Josephus d'Outelair, prior van het meergezegd klooster te 
Antwerpen, de beide hierboven bedoelde huizen in de St. Joris- 
straat aan Florentius Schuyl, raad van den Bosch, bij eene akte, 



— 383 — 

waarin zij omschreven werden als volgt: huys, erve, hoff 
ende achterhuys, gesiaen ende gelegen binnen dese stadt in de 
St. Jorisstraet, (vroeger) tussen huys ende erve van heer ende 
mr Gielis, sone Ewalts Mallants, priester ende canoniek van 
St. Jans Evangelisten kereke binnen dese stadt, ex nno ende 
tussen huys ende erve des Abts van Tongerloe, ex alio, welcke 
voors. huys, erve, hoff ende achterhuys, daerachter liggende, 
Jan, soone wijlen Jans Smits van Gemert, hadde er ffelick opge- 
dragen heer ende broeder Johan van Sieelant, prior ende heer 
ende broeder Bartholomeus, procurator van de Carthuysers, ten 
behoeve van hun convent, ende welcke voors. hnysingen ende 
er ff en alsnu gelegen sijn lussen de huysingen ende erffenisse 
der wed. ende kijnderen van den heere president Cattenburch, 
ex uno, ende tussen de huysinge ende erffenisse van dheer ende 
mr Norbertus Mutsaerts, ex alio, streckende metten eenen eynde 
voor aen de gemeyne straete ende metten anderen eynde achter- 
ivaerts op iï water aldaer vlietende, de Diese genoempt. 

Genoemde Florentius Schuyl, ook wel Schulius genaamd, 
werd later professor in de medicijnen en de botanie te Leiden 
en huwde met Susanna Rysburch ; toen zij weduwe van hem was 
verkocht zij 15 April 1693 de beide laatstbedoelde huizen aan 
Abraham Hibelet, Waalsch predikant te den Bosch ; zij werden 
alstoen omschreven als volgt: 1° huysinge, poortte, erve, hoff 
ende groole achter huysinge, bewoond door Bartholomeus van Eek 
en van Deutecom, staande ex uno tusschen het sub 2° volgend 
huis en dat van Johan Louis van Cattenburch, secretaris van 
den Bosch, en ex alio tusschen het huis van Snelle, strek- 
kende achterwaarts tot aan de Dieze; 2° huis, erf en tuintje, 
staande en gelegen naast voorschreven poort en erf, ex uno, 
en het huis van voornoemden van Cattenburch, ex alio, zich 
achterwaarts uitstrekkende tot aan het erf van het sub 1° om- 
schreven huis, wordende dit huis bewoond door den heer Brielius 
en de weduwe van den luitenant Dart. 



1) Reg. no 555 f. 248 vso. 



— 384 — 

Die beide huizen werden van genoemden Hibelet geërfd 
door zijne dochter Hester Elisabeth Hibelet, die in eerste 
huwelijk getrouwd was met James Ferguson, brigadier-generaal 
en kolonel van een regiment infanterie in Engelschen dienst; 
zij schonk hem een e dochter Johanna Elisabeth Ferguson, die 
8 Januari 1731 te den Bosch woonde, als wanneer zij die 
huizen, die haar na het overlijden haars vaders waren toebe- 
deeld, verkocht aan Reinier Plenus, agent en solliciteur-rnilitair, 
wonende te den Haag (Reg. n° 555 f. 248 v so ) ; zij werden 
nu omschreven als een huis met eene poort, koetshuis, erf 
en tuin, mitsgaders eene groote open plaats achter het huis 
en den tuin, staande in de St. Jorisstraat, tusschen ex uno 
het huis van den heer Speelman, heer van Nuland, ex allo het 
huis van den heer Norbertus Snelle en zich uitstrekkende tot 
aan de Dieze. 

Reinier Plenus vermaakte ze aan zijne vrouw Maria van 
Bruggen. Zij overleefde hem en benoemde Johan Vorstenbosch, 
heer van Aalst en Zegenwerp 1), tot haren executeur-testa- 
mentair ; deze verkocht in die hoedanigheid na haren dood den 
4 Augustus 1750 bedoelde huizen aan Eufemia Clara Minten 2), 
echtgenoote van Louis Richard de Montfort, luitenant in het regi- 
ment van Maleprade, woonachtig te den Bosch 3) ; zij was de 
dochter van Thomas Minten en Johanna van Campen en schonk 
aan haren genoemden man eene dochter Clara Maria Wilhelmina 
de Montfort, die huwde met Cornelis Adriaan Zorreth, luitenant- 
kolonel-titulair der Dragonders; den 21 Februari 1771 verkocht 
hij gezegde huizen aan Diederik Huygens, oud-schepen en raad 



1) Hij was gehuwd met Adriana Mechtildis van den Eeckaert,die 
hem eene dochter schonk, Maria Anna Theresia Vorstenbosch van Aalst, 
welke huwde met Benedictus Arnoldus de Stockmans. (Taxandria X p. 99.) 

2) Zij kocht 13 Juli 1761 het landgoed de Dennenboom onder 
Schijndel (zie Schepenreg. van den Bosch n° 578 fol. 60). 

3) Hij verkocht 29 Sept. 1723 (Reg. n° 541 f. 68 vso) een ten deele 
afgebrand huis, genaamd de Koning van Engeland, staande te flintham, 
aan Johannes van den Heuvel, woonachtig te den Bosch. Thans behoort 
dat huis aan de erven van wijlen Jhr. M. A. Snoeck, kamerheer i. b. d 
van H. M. de Koningin te Hintham. 



— 385 — 

van den Bosch; deze verkocht ze 1 December 1781 weder aan 
Joan Abraham van der Voort, regeerend schepen van den Bosch, 
die ze 30 November 1789 verkocht aan Anthony van Beusekom 
en Dirk van Roothuyzen, beiden wonende aldaar; van genoem- 
den Anthonij van Beusekom erfden de helft in die huizen zijn 
zoon Isaac van Beusekom, koopman te den Bosch en zijn 
schoonzoon Johannes Petrus van Couwenbergh, predikant te 
Zwolle, die 4 Juni 1795 de helft van die helft overdeed 
aan zijnen genoemden zwager. Volgens van Heurn Beschrij- 
ving waren ten zijnen tijde de beide laatstbedoelde huizen der 
Karthuizers, die hij daarin hun refugiehuis noemt, afgebroken 
op het voorste gedeelte daarvan na, dat toen aan particulieren 
verhuurd werd. 

En nu nog iets over de verdere lotgevallen van de 
Mutsaerspoort. 

Peter Janszn Mutsaers, die, als voorzegd, dit huis kocht, 
was een Tilburgenaar van geboorte en rentmeester der Abdij 
van Tongerloo ; zijn vader was Jan Corneliszn Mutsaers en zijn 
broeder Dionysius Mutsaers, kanonik en schrijver der Kerke- 
lijke Historie. Zijne vrouw heette Anna van den Wiel Jans- 
dochter 1), die hem deze kinderen schonk : Geraerd ; mr. Nor- 
bertus, licentiaat in de rechten; Adrianna en Jenneken, de echt- 
genoote van mr. Jan van den Velde, schout van Geldrop. Mr. 
Norbertus Mutsaers, die het huis de Mutsaerspoort van zijnen 
vader erfde, stierf 16 April 1662 ; hij was in 1633 gehuwd met 
Helena van Someren, dochter van mr Gerard van Someren, heer 
van Berkel, den bekenden Bosschen rechtsgeleerde en diens 
eerste vrouw Maria Kelders Johansdochter ; zij bracht hem de 
heerlijkheid Berkel ten huwelijk aan en schonk hem eene dochter 
Maria Anna Mutsaers, die dit huis en de heerlijkheid Berkel 
erfde; haar man was van Jan Snelle, zoon van Steven (den zoon 
van Aelbert Snelle van Swoll) en Judith Francken Goijartsdr. 

Uit het huwelijk van Jan Snelle met Maria Anna Muts- 



1) Taxandria IX blz. 8. 

25 



386 



aerts werden deze kinderen geboren : mr Norbertus Hendricus 
Snelle, heer van Berkel en advocaat te den Bosch, stierf 
aldaar 9 October 1736; Cornelia Theresia ; Stephanus ; Nico- 
laas ; Johan en Hubertus Henricus Snelle. 

Genoemde mr Norbertus Hendricus Snelle huwde met 
Johanna van Vechel, die hem cleze kinderen schonk, behalve 
die, welke jong stierven : a Norbertus Amandus Snelle, die 
9 Mei 1748 (Reg. n° 568 f. 228) aan zijne zuster Cornelia 
verkocht de helft in het huis de Mutsaerspoort, waarvan zij 
als erfgename harer ouders reeds de wederhelft bezat en dat 
toen gezegd werd te zijn huis en erf in de St. Jorisstraat, 
genaamd de Mutserspoort, staande tusschen het huis van 
Mevr. Plenus ex uno en clat van Juffr. Anna Andro ex alio, 
zich achterwaarts uitstrekkende tot aan de Dieze; b Joanna 
Snelle, geboren in 1693, erfdochter van Berkel na cloode van 
haren broeder Stephanus Alexander, met welk goed zij in 1758 
beleend werd; c Gerardus Norbertus Amandus Snelle, geboren 
in 1700, werelds priester; d Stephanus Alexander Snelle, heer 
van Berkel, geboren in 1704; e Cornelia Snelle, geboren in 1706 
en f Adriana Helena Snelle, gedoopt in het R. K. bedehuis van 
St. Catharina te den Bosch 22 December 1710, die ten slotte 
met hare zuster Joanna het huis de Mutsaerspoort erfde en 
30 November 1767 te den Bosch huwde met Boetius Stalpert 
van der Wiele, jongman, geboren te Leeuwarden ; hun huwelijk 
zal wel kinderloos gebleven zijn. Den 31 December 1810 werd 
dit huis gekocht door Frans Arendt, woonachtig te den Bosch. 
Het Westwaarts naast dit huis staand huis werd in 1750 
gekocht door Helena van Amelsvoort douairière van Franciscus 
Wijnandus baron van Renesse van Wilp, van wien zij twee 
dochters had, (van wie eene heette Jacoba Norbertina, die in 
1812 in den Bosch stierf), die dit huis van haar erfden en 
daarbij in 1776 aankochten het daarnaast staand huis het 
Groen laken 1), thans genummerd 23. 



1) Dit huis werd 16 Juli 1722 (Reg. n<> 556 f. 62) door Abraham 
Hubert, oud-schepen en raad van den Bosch, verkocht aan Albertus van 
Eyl, wonende aldaar. 



— 387 — 

Op de plaats, waar de kiervoren genoemde huizen der 
Karthuizers stonden, staat thans een gesticht voor zenuwlijde- 
ressen, genummerd 25, toebehoorende aan de Zusters van 
Barmhartigheid van Ronsse. 

g. De huizen van Bokhoven en van der Aa, beiden 
ook wel genaamd de huizinge van Tongerloo. 

Naast het meest Oostwaarts staand huis van de Kar- 
thuizers stonden oudtijds in diezelfde richting drie huizen, 
waarvan het Westwaarts staande was het huis van Bokhoven 
en de' beide Oostwaarts staande waren het huis van der Aa. 

De oudste geschiedenis van het huis van Bokhoven, 
dat zijnen naam kreeg van de Heeren van Bokhoven, die daar- 
van eens eigenaren waren, kan men ook leeren kennen uit 
den Inventaris van P. van Doorn inck van het Oud-archief van 
Nederhemert. Blijkens dat werk verkocht: 

Derden dag na de besnijdenis des Heeren (4 Jan.) 1384 
Ghiselbertus Lysscap Junior, zoon van wijlen Arnoldus Ysebout, 
ten overstaan van Jacobus Coptiten en Wilhelmus Coptiten, 
schepenen van den Bosch, aan Johannes Danielszoon van 
Vladeracken ten behoeve van Thomas Thomaszn Valant eene 
erfrente van 70 oude schilden, gaande uit een steenen huis en 
hof, staande en gelegen op de Oucle Huls en toebehoord 
hebbende aan wijlen Wouter Colenszoon. 1) 

Zaterdag na St. Mathijs, Apostel en Evang. (21 Septem- 
ber) 1384. Johannes de 2) , man en wettig voogd van 

Luytghardis Woutersdochter van Oerle, verkoopt ten overstaan 
van Symon de Myrabelli en Theodoricus Berewout, schepenen 
van den Bosch, aan Ghiselbertus Lysscap een steenen huis 
met erf, staande op de Oude Huls en zich uitstrekkende van 
af de gemeene straat tot een daarachter vlietend water, zijnde 
dit huis belast met eene erfrente van 40 stuivers. 



1) Blijkens de volgende akte was zijn familienaam van Oerle. 
21 Zal moeten volden Hazen : zie volgende akte. 



— 388 — 

> . 1396. Juffrouw Luytgardis, weduwe van 

Johannes de Hazen, verkoopt ten overstaan van Henricus 
Dicbier en Gerardus 1) van der Aa, schepenen van den Bosch, 

aan eene erf rente van oude schilden, gaande uit 

een steenen huis met erf, staande op de Oude Huls. 

Daags vóór St. Simon en Judas (27 Oct.) 1396. Ghisel- 
bertus Lysscap Junior verkoopt ten overstaan van Gerardus van 
der Wiel en Gerardus van der Aa, schepenen van den Bosch, 
aan Jacob Uter Oosterwyc een steenen huis met hof, staande op 
de Oude Huls en zich uitstrekkende van af de openbare straat 
tot een daar achter vlietend water, belast met eene erfrente 
van 18 gouden denarien, gewoonlijk genaamd oude schilden. 

8 April 1412. Egidius van de Dystelberch draagt ten 
overstaan van Gerardus van der Aa en Johannes Dicbier, 
schepenen van den Bosch, over aan Mechtildis weduwe van 
Jacob Uter Oesterwijc het recht van afkoop en naasting, dat hij 
heeft op eene jaarlijksche erfrente van 40 stuivers, doorArnoldus 
Janszoon van Cromvoirt aan genoemde weduwe verkocht. 

28 Januari 1417. Thomas Valant Thomas zoon draagt ten 
overstaan van Jacobus van Vladeracken en Johannes Heemken 2), 
schepenen van den Bosch, over aan de weduwe van Jacobus 
Uter Oosterwyc eene erfrente van . . . oudeschilden, jaarlijks 
te betalen uit een steenen huis, staande op de Oude Huls. 

9 Augustus 1438. Mechtildis weduwe van Jacobus Uter 
Oosterwyc verkoopt ten overstaan van Willem Dicbier Henricszn 
en Willem Dicbier Janszn, schepenen van den Bosch, aan 
Gerardus van der Aa 3) een steenen huis en burcht, staande 



1) Zal moeten zijn Goeswinus. 

2) Zal moeten zijn : Hoernken. 

3) Hij was Gerrit van Randerode gezegd van der Aa, ridder, welke 
huwde met Anna van Schoonhoven Jansdochter, die na zijnen dood, den 
15 Juni 1473, nou werd in het St. Geertruiklooster te den Bosch en daar- 
aan, tot voltooiing van het gebouw van dit klooster, eene aanzienlijke gift 
deed. Hunne kinderen waren Dirck ; Hendryck van Randerode gezegd van 
der Aa, ridder, heer van Nieuw-Herlaer, overleden 1477, die huwde met 
Margriet Oem van Arckel, erfdochter van Bokhoven en Ollem, gestorven 
1468, dochter van Jan, heer van Bokhoven en Aleid Pieck; Willem, over- 
leden 21 October 1471; mr Goijart;Jan en Elsbena, die huwde met Robert 
't Zloschen. (Taxandria III p. 112). 



— 389 — 

op de Oude Huls en zich uitstrekkende vanaf de gemeene 
straat tot aan het water, zijnde bezwaard met erfrenten. 

31 Maart 1459. Dirck, Hendryck, Willem en mr. Goijart, 
gebroeders, zonen van wijlen Gerrit van der Aa, dragen ten 
overstaan van Martinus van Roye en Henricus van den Meren- 
donc, schepenen van den Bosch, over aan Aleid, weduwe van 
Johannes Oem, ridder, heer van Bokhoven, een steenen huis 
met tuin, staande en gelegen te den Bosch op de Oude Huls 
en zich uitstrekkende van af de gemeene straat tot het daar 
achter vlietende water. Deze koopster was genoemde Aleicl 
Pieck, echtgenoote van Jan Oem van Arckel, heer van Bokhoven 
en Ollem, wiens broeders waren Marten en Claes, welke laatste 
eene dochter Cornelia had, die huwde met Wol ter van Baexen. 1) 

24 Jan. 1463. Aleydis weduwe van Johannes Oem, heer 
van Bokhoven, verleent ten overstaan van Johannes Johanneszn 
Ghysselen en Crispinus Becker, schepenen van den Bosch, aan 
Arnoldus Berewout eene erfrente van 14 Eijnsguldens op een 
huis met erf, staande op de Oude Huls. 

. . . Augustus 1484. Aleydis van Buchoven weduwe van 
Johannes Oem, ridder, heer van Bokhoven en Olmen, draagt 
ten overstaan van Goeswinus van Brecht en Johannes Monix 
Martijnszoon, schepenen van den Bosch over aan Johannes 
van Baecx(en) Wolterszoon, als echtgenoot van Geertrudis van 
der Aa 2), dochter van wijlen Henricus van der Aa, ridder, de 
helft van haar huis met tuin, staande op de Oude Huls en zich 



1) Taxandria IX p. 11 en Genootschap Gelre : Register op de Leen- 
aktenboeken. Uitheemsche leenen p. 71. 

2) Geertrudis van der Aa voornoemd, was de dochter van voor- 
noemden Hendryck van Randerode gezegd van der Aa, ridder, heer van 
Nieuw Herlaer, en Margriet Oem van Arckel. erfdochter van Bokhoven en 
Ollem. Zij huwde met Jan van Baexen van Schoonvorst, ridder, den laatsten 
laagschout der stad en Meierij van den Bosch, want na zijnen dood in 
1529 werd die betrekking vereenigd met die van hoogschout der gezegde 
stad en Meierij; hij was medestichter van het klooster St. Annenborch, 
dat te voren het kasteel Rodenborch te Rosmalen was, van welk klooster 
zijne zuster de eerste priorin werd; (mr A. G. Bondam Inventaris van oor- 
konden, afkomstig van het Jezuitencollege te den Bosch, p. 55). Zijne ouders 
waren Wol ter van Baexen en Cornelia van Bokhoven, hiervoren gemeld. 



— 390 — 

uitstrekkende vanaf de gemeene straat tot aan de Dieze, alsmede 
de haar toekomende helft in alle zilveren vazen en kostbaarheden 
voor huiselijk gebruik, in genoemd huis zich bevindende. 

18 1486. Rutgerus Berwout, als uitvoerder der 

uiterste wilsbeschikking van wijlen Arnoldus Berwout en Heyl- 
wich Roesmontsdochter, zijnen respectieven broeder en schoon- 
zuster, draagt ten overstaan van Johannes Back en Henricus 
van Uden, schepenen van den Bosch, over aan Willem Steen ween, 
als meester en bestuurder van het Groot Gasthuis aldaar, eene 
rente van 14 Rijnsche guldens, gaande uit het huis van Heer 
Johannes Oem, ridder, in leven heer van Bokhoven, staande 
te den Bosch op de Oude Huls. 

10 Juli 1493. Claes en Philips, zonen van Herman Coenen 
Philipszoon, voor zich zelven en als gemachtigde van hunnen 
zwager Willem Donck 1), allen als erfgenamen van Geertruid 
Claes van Stakenborchsdochter, in leven echtgenoote van Rutger 
van Erp, geven ten overstaan van Goessen van Hezeacker en 
Anthonijs Spierinc, schepenen van den Bosch, toestemming aan 
Jan Baecx (lees van Baexen), ridder, wonende in het huis van 
Buchoven aan de St. Jorisstraat, om balken te mogen vastmaken 
in den muur van het huis naast zijne woning, waarin Rutger 
van Erp nog woont. 

3 Januari 1497. Johannes Martens, dienaar van Heer 
Johannes van Renesse van Rinouwen, ridder, als gehuwd met 
Cornelia, dochter van wijlen Johannes van Buchoven, draagt 
ten overstaan van Yewanus Kuyst en Lambertus die Wolff, 
schepenen van den Bosch, over aan Johannes van Baicx (lees 
van Baexen), ridder, de helft in een huis met tuin, genaamd 
het huis van Buchoven, staande te den Bosch in de St. Joris- 
straat tegenover de St. Joriskapel en van achteren zich uitstrek- 
kende tot aan de Dieze, of, zooals het in de daarvan opgemaakte 
akte heet: meclietatem in domo, area, orto ac domo posteriori, 
dictis het huys van Bochoven, sitis in Buscodusis in vico dicto 



4) Zijne dochter Geertruid Donck huwde, als op blz. 380 gezegd, 
met Willem Raessen Petruszoon. 



391 



St. Jorisstraet, in opposito capellae Sancti Georgii, inter here- 
ditatem seu domum, in qua Rutgher de Erp pronunc commoratur, 
ex uno et inter hereditatem seu domum, dictam thuis van der 
Aa ex alio, tendentibus a dicta communi platea Sint Jorysstraet 
retrorsum ad aquam ibidem fluentem die Dieze. 

Dertiendag (6 Januari) 1498. Scheldbrief, gemaakt door 
Henrick van Gent van Ricxtel, Herman van Loenresloot en Jan 
Mertenszoon tusschen Janne van Renesse, ridder, en Cornelia, 
zijne huisvrouw, ter eenre en Heer Jan van Baexe(n), ridder 
en Geertruyt, zijne huisvrouw, ten andere zijde, ter vervanging 
van een scheidbrief van St. Thomasdag 1497, die verloren 
was geraakt. 

In het jaar 1510 was voornoemde Jan van Baexen niet 
alleen eigenaar van het huis van Bokhoven maar ook van het 
daarnaast staand huis van der Aa, waarschijnlijk tengevolge van 
zijn huwelijk met Geertruid van der Aa ; die huizen werden in 
eene Bossche schepenakte van 4 Juli van dat jaar (Reg. n° 104 
f. 515), waarbij Jan van Baexen, ridder, als man van Geertruid, 
dochter van Henrick van der Aa, heer van Bokhoven, daaruit 
eene grondrente verleende, gezegd te bestaan uit: drie naast 
elkander staande huizen, met plaatsen en twee achterhuizen, 
begrensd Westwaarts door het huis van Claes Coenen Hermanszn 
en Oostwaarts door de Oude Schuts en zich achterwaarts uit- 
strekkende tot aan de Dyest. 

In het jaar 1511, tijdens dat hij alzoo eigenaar van die 
huizen was, genoot Jan van Baexen, die laagschout van den 
Bosch was, de eer, dat Margaretha van Oostenrijk, de land- 
voogdes der Nederlanden, daarin, bij haar bezoek aan den 
Bosch 1), haren intrek nam, by haer hebbende, zoo schreef van 
Oudenhoven t. a. p. blz. 197, groot getal van 'peerden en 
eenighe groote Capiteynen uyt Spaingnien met heer Philips, 
bastart van Bourgongien, admiraal van der zee. Blijkens de 
Kronijk van Ouperinus 2) logeerde Margaretha van Oostenrijk 



1) Van Heurn Historie I blz. 4^0. 

2) Dr G. R. Hermans Kron ijken p. 78. 



— 392 — 

in 1515 wederom in dit huis om tegenwoordig te zijn bij de 
inhuldiging van Karel V in den Bosch als Hertog van Brabant. 

Geertruid van der Aa, de vrouw van genoemden Jan 
van Baexen, stierf kinderloos in 1523, waarna hij hertrouwde 
met Elisabeth van Harff, bij wie hij evenmin kinderen verwekte 
en die na zijnen dood hertrouwde met Willem Hinckaert. 

Kort vóór zijnen dood verkocht Jan van Baexen zijn 
goed Nieuw-Herlaer onder St. Michielsgestel aan Aelbrecht 
Proening van Deventher 1) ; doordien de dood hem had ver- 
rast kon hij van dien verkoop de transportakte niet meer doen 
opmaken, hetgeen daarom den 19 October 1532 (Reg. n° 143 
f. 35) zijne erfgenamen deden bij een e akte, waarin o. a. het 
volgende voorkomt : Jaspar van Baexen, broeder van wijlen 
Jan van Baexen ridder; Wouter, Henrick en Margriet, kinde- 
ren van wijlen Henrick van Baexen, ook broeder van Jan ; 
Pouwels van Geervliet als man van Connegonda, dochter van 
wijlen Henrick van Baexen voornoemd; Jan van Baexen. 
zoon van laatstgenoemden Henrick van Baexen ; Claes van 
Baexen, zoon van wijlen Wouter van Baexen, broeder van 
genoemden Jan ; Mary, dochter van voornoemden wijlen Wouter 
van Baexen en huisvrouw van Philips Peters Rutgers, jongsten 
zoon van Woenssel zoo voor zich als voor haren genoem- 
den man ; Henrick de Roever als man van Anna, dochter 
van wijlen Wouter van Baexen voorschreven, allen als erfge- 
namen van Jan van Baexen voornoemd en ook als legatarissen 
van hem en zijne vrouw Geertruid van der Aa, voor de eene 
helft en Willem Hinckaert, weduwnaar van Elisabeth van 
Herff, die vóór zijn huwelijk met haar weduwe was van Jan van 
Baexen meergenoemd, zoo voor zich als wettige actie en tocht- 
recht hebbende tot de andere helft van na te melden goed 
ingevolge opdracht na doode van heer Jan van Baexen voor- 
noemd aan genoemde vrouwe Elisabeth van Herff gedaan door 
heer Jan van der Aa, ridder, vrijheer tot Bokhoven, als wettigen 



1) Taxandria V, blz. 145 en XVII p. 38. 



— 393 — 

erfgenaam van Geertruid van der Aa voornoemd, zijne zuster; 
en Jonker, Goijart van Herff, heer van Herff en erfgenaam van 
Elisabeth van Herff voornoemd, zijne zuster, als rechthebbende 
op de andere helft, verkoopen aan : Aelbrecht van Deventer, 
zoon van wijlen Geraert van Deventer, „'t goet genoemytNyewe 
Herlaer, leenroerig aen de hoffstede ende heerlicheyt Herlaer, 
als eerstens 't huys, genoempt 't hoff tot Nyewe Herlaer, met 
zynen byvangen, bogarclen, uuytgenomen die gifte ofte collatie 
van de cappellen aldaer bijnnen den hove staende encle die der 
voirs. heerlicheyt van de hoffsteden van Herlaer gereserveert, 
landeryen zoo bouw- en weiland'*, enz 1). 

Over de nalatenschappen van Jan van Baexen en diens 
huisvrouwen ontstonden na hun overlijden allerlei kwesties; 
zoo werd in 1547 voor Schepenen van den Bosch over de 
nalatenschappen van hem en zijne eerste vrouw een accoord 
getroffen tusschen J or Goyart Torck, heer van Bokhoven, als 
man van Cornelia van Haiff 2), de erfgename van heer Jan 
van der Aa, ridder, heer van Bokhoven ; cle kinderen van 
wijlen Henrick van Baexen, zijnde Margriet, Wouter, Henrick 
en Cunegond, de echtgenoote van Eoutard van Lanscroon ; de 
kinderen en erfgenamen van Wouter van Baexen, zijnde Rochio 
de la Cousy als erfgenaam van Marie van Baexen, Anna en 
Claes van Baexen; en Coenraad van Baexen als erfgenaam van 
Jaspar, den zoon van wijlen Henrick van Baexen voornoemd. 
Zoo kwamen 1 Mei 1530 (Reg. n° 136 f. 153) Jan van dei- 
Aa, ridder, vrijheer van Bokhoven, met Elisabeth van Haiff, 
zijne nicht, weduwe van Jan van Baexen, over het testament 
van dezen laatste en diens huisvrouw Geertruid van der Aa, 
zijne zuster, overeen, dat hij, Heer van Bokhoven, zal behouden: 
dat geheel huys van bochoven ende dat half huys van der 
Aa mijtten halven huysraet ende silverwerck, daerin wesende, 
mijt hueren toebehoren. 



1) Men zie nog Taxandria XVII blz. 168 en Reg. n° 145 f. 92. 

2) Zij was de dochter van Jacob vanHarffen Elisabeth van Gertzen 



gen d van Sintzich. 



— 394 — 

Zoo droeg nog 13 September 1540 (Eeg. n° 156 f. 141) 
Lambert van Borne als daartoe gemachtigd door Claes van 
Baexen, zoon van wijlen Wouter en door Henrick die Rover 
als man van Anna, dochter van wijlen Wouter voornoemd, over 
aan zijnen zwager mr. Dierck van der Kempden alle recht als 
aan genoemden Claes en Anna competeert in een huis met toe- 
behooren, geheeten H huys van der Aa, staande bij de St. Joris ? 
alsmede in de penningen, die daarvan bij den verkoop zijn 
gekomen of nog zullen worden betaald door J os Lubbert Torck, 
heer van Hemert, die van dit huis kooper is geworden. Zoo 
droeg eindelijk diezelfde Lambert van Borne Janszoon 19 
October 1540 (Reg. n° 158 f. 312) krachtens de macht hem 
gegeven door Wouter en Henrick, zonen van wijlen Henrick 
van Baexen, en door Claes, zoon van wijlen Wouter van Baexen, 
aan m r Dierick Ter Kempden over: allen absulcken gedeelten, 
actie, recht ende toeseggen als denselven Wouteren, Henricken, 
gebruederen ende Claessen ennichsins moigen competeren in 
een huys, erve, hoeff, gelegen bijnnen deser stadt in St. Joris- 
straet, genoempt het huys van Bochoven ende voorts in allen 
alsulcken juwelen, cleynoden soe van goude, silvere, gesteinten 
als alle andere, diewelcke tegen woirdelick staende ende berus- 
tende sijn onder den Gecommitteerden totter policien deser stadt 
geordineert ende aldair by Willemen Hinckart gestelt ende 
geassigneert sijn geweest ende insgelicx in allen den gueden, 
beyde, have ende erve, die hen aenbestorven mogen wesen by 
salige heeren Jannen van Baex, ridderen. Wat er ook van al 
deze geschillen moge geweest zijn in elk geval werden Lubbert 
Torck, heer van Hemert en Godefridus, zijn zoon, heer van 
Bokhoven 1), eigenaren van de huizen van Bokhoven en van 
der Aa; zij verkochten die 10 Februari 1541 (Reg. n° 161 
f. 200 v so ), als wanneer zij gezegd werden te zijn : duae domus, 
sibi invicem adjacentes, vacua hereditas, porta, ortus, domus 
posterior ac alia vacua hereditas, staande in cle St. Jorisstraat 



1) Hij was heer van Bokhoven geworden door zijn huwelijk met 
Cornelia van Harff (Taxandria III blz. 113). 



395 



tusschen het huis van Bichmoeclis weduwe van inr E wal tl Mallants 
Vughterstraatwaarts ex nno en den Ouden Schuttersbogaard 
ex alio, en zich achterwaarts uitstrekkende tot aan de Dieze, 
aan Laurens van Sprange ten behoeve van Arnold Streyten, 
abt van het Klooster van Tongerloo en wel voor hetzelve. 

De Paters dezer Abdij maakten van die huizen een 
refugiehuis en hielden er wegens de toenmalige troebele tijden 
hun verblijf van af 1578 tot 1584; gedurende dat tijdsverloop 
werden zij bij Parma aangeklaagd van niet te leven zooals 
het behoorde en zij verzochten daarom aan Schepenen van 
den Bosch geloofwaardige getuigen te hooren over hunnen 
levenswandel aldaar; dezen gaven in 1580 aan hun verzoek 
gevolg en hoorden toen eenige ingezetenen van die stad als 
getuigen, van wier verklaringen een verbaal is opgemaakt, tl at- 
af gedrukt is in het N.-Brab. Jaarboekje van Sassen 1890 blz. 244 
en vlgd.; van die getuigen verklaarden o.a. mr. Gysbrecht 
Masius: waerachtich te sijn, dat de (kloosterlingen) by mal- 
canderen zijn woonende ende huyshoudende in alle soberheyt 
ende opte cloostersmaniere ende dat dezelve zijn frequenterende 
de prochie van Sinte Catharina ende aldaer hen misse sijn 
doende ende den dienst Goids tlagelix helpen augmenteren ende 
alsoo levende in alle eerbaerheyt, vromicheyt, modestie ende 
civiliteyt, gelijck ook sommighe van hen sonder onderlaet op 
sondaghen ende heylighe daghe sijn frequenteren de sijns deponents 
sermoenen ende dezelve oyck metter pennen excipierende. 

Mr. Gerardt Broeckelaer : dat het hem kennelijck is 
te wezene, dat de (kloosterlingen) ten tytle der Guesen van 
den zelven zeer veel hebben moet lijden, hebbende de moet- 
willighe opten iersten dach July 1579 der (kloosterlingen) huys, 
tlaer sy met malcanderen tegenwoirdelijck in zijn woenende, 
van voor tot achter met haers gelycken beset gehadt, alsoe 
sy wairen scrick den vianden der heyliger kercken, in der 
vueghen, dat sy dezelve der stadt souden uuyt hebben geleyt, 
in soeverre den Raet deser stadt denselven nyet en hadde voor 
gestaen, ende indyen oyck de Catholycke op der Merckt nyet 



396 



de oeverhant en hadden gehouden, verclaerende voorts de 
voors. deponent der (kloosterlingen) nu ter tijt binnen deser 
stadt residerende, leven ende conversatie te wesene godtlijck, 
rechtverdelick ende in alle eerlicheyt ende civiliteyt, — seggencle 
redenen van sijuder kennisse, dat hij deselve dagelicx siet 
coemen binnen Sint Joris capelle deser stadt, alwaer hy, 
deponent, vicaris is, omme heurs convents missen aldaer te 
celebreren ende oyck in Sinte Catharinen prochykercke daer 
hy, deponent, pastoir aff is, helpende aldaer den Cruysbroederen 
heeren singhen encle den dienst Goidts administreren encle oick 
den dienst van der pastoirie inne singhen ende andere cere- 
moniën verstercken. 

Mr. Peter van de Water alsvoren en voorts: Ende hoe 
well sy (kloosterlingen) sijn gaende in haer weerlick habijt ende 
met hennen sydelgeweer, dat tselve nyet toe en compt deur 
haer (kloosterlingen) opset maer dat sy daertoe by cle drie 
Leden derselver stadt sijn geordineert, gelijck hy, deponent 
ende andere geestelycke heeren oyck genoetsaeckt zijn te doene 
deur bevele alsvoor, encle dat hy, deponent ende oyck de 
(kloosterlingen) de contrarie doende dair aff by die van de 
stadt worden becallengeert gelijck noch onlancx hem, deponent, 
is gebuert. 

Mr. Cornelis Eymberts alsvoren en voorts: Ende hoewell 
hem kennelyck is, dat sy gaen in weerlicke corte cleederen met 
sydelgeweer, dat nochtans tselve eensdeels geschiet is, dat ten 
tyde van den Geusen zeer odieus was met lange clederen te 
gaen, ende oyck dat de stadt van den Bossche in haeren drie 
Leden gebooden ende geordineert heeft, dat een yegelick hem 
soude houden op sijn geweer, hem refereerende totter acte dair 
aff zijnde, hebbende daeromme een yegelick zoe well geestelicke 
als weerlicke persoonen, hem gevraecht nae denselven geboth, 
gaende ende staende daegelix met hen sydelgeweer, gelijck 
oyck degeen contrarie den voorscreven geboth gedaen heb- 
bende, gevallen sijn in de peene daertoe staende, enz. 

Iheronimus Wynants, waerachtich te zijn, dat hy 



— 397 — 

oyck eenighe van den voorscreven (kloosterlingen) onder sijn 
vendelen is hebbende. 

Mr. Martin Moins : dat nyet alleen die van Tongerloo 
maer oy ck alle andere conventualen ende geestelyeke persoonen, 
zoe binnen cleser stadt gevlucht als andere haere ordinarisse 
residentie daer houdende, gebooden ende geordineert is by den 
drie Leden deser stadt, dat sy ende elck van hen respective 
als alle andere weerlicke persoonen, de 20 jaeren gepasseert 
sijnde ende nyet excederende den ouderdom van 60 jaeren, 
souden moeten versien zijn van behoorlieke wapenen van de- 
fensien omme daermede den gemeynen viant des catholycke 
gelooffs te resisteren ende dese stadt teghen alle invasien des- 
zelffs te def enderen, enz. 

Den 10 November 1587 1) zijn cle hierbedoelde huizen, die 
toen naar hunne toenmalige eigenaren den naam van de huysinge 
van Tongerloo droegen, en alstoen volgender wijze werden 
omschreven : twee huysen, malcanderen aenleggende ende andere 
timmeragien oft achterhuysen, ledige plaetse, poerte, hoven ende 
erffenissen, gemeynlick genoempt de huysinge van Tongerloo, 
gestaen ende gelegen in de St. Jorisstraet tusschen de huysinge 
ende bogerd van de Oude Scutters ende de huysinge van 
mr Henrick van Broeckhoven, door Clemens Crabbeels, bisschop 
van ; s Hertogenbosch, als prelaat der Abdij van Tongerloo, 
met mr Johannes Hogaerts Kelders als man van Walburgis 
en mr Maarten Bardoul, als man van Barbara, dochters van 
Nycolaus van der Beken en Paulina de Mets, en als zoodanig 
testamentaire erfgenamen van den Bosschen bisschop Laurentius 
Metsius (de Mets), geruild tegen het door dezen nagelaten 
huis van Cloetingen, staande in de Hinthamerstraat te 'sHer- 
togenbosch, ter plaatse waar nu het Paleis van Justitie staat, 
zoodat de huysinge van Tongerloo van toen af aan ophield 
refugiehuis te zijn. 

Den 17 Augustus 1626 2) verkochten voornoemde mr 



i) Reg. no 245 f. 48 en 49. 
2j Reg. no 254 fol. 384. 



— 398 - " 

Johannes Hogaerts Kelders, als gehuwd met Walburgis van 
der Beken, voor de eene helft en de kinderen van voornoemden 
mr Maarten Bardoul en diens echtgenoote Barbara van dei- 
Beken, voor de andere helft de hirysinge van Tongerloo, 
die alsnu omschreven werd als: twee huysen, malcanderen 
aenliggende, ledige plaetse, hof, bogart, bleycvell, staande en 
gelegen in de St. Jorisstraat tusschen het erf van den Ouden 
Schuttersbogaard ex uno en het erf, eertijds van mr Henrick 
van Broeckhoven, raad van den Bosch, nu het Convent van 
de Karthuyzers ex allo en zich achterwaarts uitstrekkende 
over de Dieze tot aan den stads wal, aan Amand de Hornes, 
heer van Geldrop. 

Den 21 Juni 1631 verkocht mr Jan van den Velde, 
schout van Geldrop, als gemachtigde van voornoemden Amand 
de Hornes, deze huizinge weder aan Dirck van Cattenburch, 
secretaris van Johan Wolphert van Brederode, den gouverneur 
van 'sHertogenbosch; zij werd toen ook aldus omschreven: 
twee huysingen, malcanderen aanliggende, ledige plaetse, 
hoff, boomgaert. bleyckvelt, gelegen tusschen het erf van den 
Ouden Schutters boogaard, ex uno, en het erf, eertijds van 
mr Hendrick van Broeckhoven, raad van 's Hertogenbosch, nu 
het Convent der Karthuizers, ex allo, en zich uitstrekkende tot 
aan den stadswal. 

Dirck van Cattenburch voornoemd, die door koop ook 
heer van cle helft der heerlijkheden Heeswijk en Dinther was 
geworden 1) was gehuwd met Catharina van Casteren, dochter 
van Jacob, president-schepen van den Bosch. Van hem kwam 
de huizinge van Tongerloo aan hunnen zoon 2) mr Jean 
Louis van Cattenburch, secretaris van den Bosch, die trouwde 
met Moralla Catharina Copes, welke hem deze kinderen schonk 3) : 



1) Taxandria V blz. 169. 

2) Hunne overige kinderen waren : 

Willem van Cattenburch ; Maria van Gatttenburch, echtgenoote van 
mr Sebastianus Schellekens, professor in de rechten te den Bosch en 
lïelena van Cattenburch, echtgenoote van mr. Johan Vinck. 

3) Reg. no 521 f. 183 v». 



— 399 — 

mr Willem Hendrik van Cattenburch, schepen en raad 
in de Vroedschap van Gouda; 

mr Otto van Cattenburch, schepen en raad van den 
Bosch en 

Theodora Catharina van Cattenburch. 

Zij verkochten deze huizinge 22 Nov. 1725 (Reg. n° 552 
f. 432) aan mr Cornelis Speelman, ridder-baronet, heer van Nuland, 
Heeswijk en Dinther, oud-schepen en raad van den Bosch; zij 
werd alstoen omschreven als een blok huizen en erven, bestaande 
uit : 1° huis, erf en tuin in de St. Jorisstraat ex itno het huis 
van Mevrouw Schombach, ex alio het volgend huis en zich 
uitstrekkende tot aan den Stadswal; 2° huis en erf naast het 
voorgaande; 3° een huisje, naast dat sub 2°; 4° een bekwaam 
huis, staande tusschen dat sub 3° en den St. Joris bogaard. 

Genoemde mr. Speelman was gehuwd met Agatha van 
der Hoeven, van wie hij had deze zonen : Marinus Speelman, die 
in 1742 reeds was overleden; mr Cornelis Speelman, heer van 
Heeswijk en Dinther en mr Jacob Speelman, heer van Nuland 2) ; 
de beide laatstgenoemden erfden van hunnen vader de huizinge 
van Tongerloo, waarvan vervolgens mr Jacob van zijnen broe- 
der mr Cornelis Speelman den 17 e December 1754 de helft kocht, 
zoodat hij nu de eenige eigenaar daarvan was. Zij werd als nu 
omschreven als een huis met stal, koetshuis, tuin en tuinkamer, 
staande aan de St. Jorisstraat, ex ano de Oude Schuts, ex alio de 
Wed. de Montfort en zich uitstrekkende tot aan den Wal, welke 
huizinge in 1725 aan hunnen vader als „vier distincte" huizen 
was verkocht geworden. Zij schijnt daarna afgebrand, althans 
afgebroken te zijn, want genoemde mr Jacob Speelman, die 
behalve dat hij heer van Nuland, ook nog raad en schepen 
van Gouda was, verkocht 31 Januari 1764 deze huizinge als: 
„een ledig erf, waarop voorheen een huis gestaan heeft," met 



2) Hij was gehuwd met Beatrix Susanna van der Meer, doch stierf 
kinderloos; de heerlijkheid Nuland vererfde daarop aan zijnen oomzegger 
mr Jacob Speelman, wiens executeurs-testamentair haar 3 Juli 1790 ver- 
kochten aan Adriana Crena, wonende te Dordrecht. 



— 400 — 

tuin en speelhuis aan den Wal, aan Anna Maria van Dijck 
wed e van Willem Frencken, wonende te den Bosch. Haar 
executeur-testamentair verkocht vervolgens 31 Januari 1794 dit 
erf, dat nu omschreven is als „eene schoone moestuyn met 
een moderne spatieuse agtkantige koupel met een tuynmans- 
wooninge onder die koupel en voorts staV 1 aan Jacob Kien, 
oud-schepen en raad van den Bosch l); deze verkocht dien tuin 
den 16 Maart 1801 weder aan Franciscus Johannes Everardus 
cle Eoy van Wichen, wonende te den Bosch, welke dien op 
zijne beurt den 8 Februari 1803 verkocht aan Franciscus Suys, 
woonachtig aldaar; deze verkocht den tuin den 3 October 1804 
aan de Commissie tot de Directie van het op te bouwene tucht- 
huis en administratiekosten der Crimineele Justitie over het 
District van den Bosch, bestaande uit W. J. Heeren, F. L. van 
Ryckevorsel, J. H. van der Does, L. F. Wesselman, mr. J. de 
Wit, J. Pannebakker en D r L. A. Bokstart en zoo is ten slotte 
op het erf van de huizen van Bokhoven en van der Aa een deel 
der tegenwoordige gevangenissen komen te staan. Hier is dus 
ook weder toepasselijk het : Sic transit gloria mundi ! 

h. De Oude Schutsbogaard. 

bevond zich in de richting van de Oude Huls naast 
het huis ven Bokhoven. Hij behoorde toe aan de Schutterij 
van den Ouden Voetboog, die O. L. Vrouw tot hare bescherm- 
heilige had en in dezen boogaard hare oefeningen en bijeen- 
komsten hield 2). Wanneer deze Schutterij, die de oudste der 
vier Bossche Schutterijen was en ook wel de voornaamste dier 
burgerwachten zal geweest zijn, daar toch Hertog Arnoud van 
Gelder daarvan lid was 3), in het bezit van dien bogaard is 



1) Zijne vrouw was Elisabeth Hester van Adrichem, van wie hij 
twee kinderen had. 

2) Men zie hare geschiedenis in de Bijdrage tot de geschiedenis 
der voormalige Schuttersgilden te den Bosch door Jhr mr J. B Verheven 
en van Heurn Historie II p. 98. 

3) Dr G. R. Hermans Kronyken p. 13, 63 en G4. 



— 401 — 

gekomen, valt niet meer na te gaan, wat hieraan moet worden 
toegeschreven, dat deze Schutterij al reeds vóór 1349 bestond 
en toen ook al haren bogaard zal hebben gehad. Den naam van 
bogaard zal hare oefenplaats gekregen hebben van de boomen, 
waarmede die beplant was; daartusschen stond ten tijde, dat 
de Schutterij van den Ouden Voetboog deze oefenplaats bezat, 
het beeld van St. Joris, zijnde een geharnast man te paard, die 
een draak doorstak. 

Deze Schutterij had behalve eene oefenplaats ook nog 
een eigen gebouw, dat langs de St. Jorisstraat voor dat terrein 
stond. Van Heurn deelt in zijne Beschrijving daarover het 
volgende mede : De voorgevel (van dit gebouw) aan de straat 
was voorheen voor het grootste gedeelte een zeer oud gebouw 
met eenen houten gevel. Een gedeelte van hetzelve was reeds 
in den jaare 1618 zo oud, dat men toen besloot hetzelve te 
vernieuwen. De stad schonk hiertoe ft. 200. Dit gedeelte bestaat 
(thans) uit eenen stevigen steenen gevel naar de wyze dier 
tyden gebouwd. In het jaar 1767 vond de Schutterij goed 
het overige oude gedeelte te vernieuwen, hetwelk in het vol- 
gende jaar geschiede. Het gebouw bestaat thans uit een sier- 
lyken gevel naar de heden daag sche bouwkunde gemaakt, twee 
verdiepingen hoog, in dewelke zestien schuifraamen en eene 
deur zijn, behalven nog een poort, door dewelke de Schutterye, 
wanneer die in de wapenen komt, uittrekt. Boven dezelve 
staan in een sierlyken blaauwen steen het wapenschild der 
Schutterye nevens de naamen der toenmalige officieren uit- 
gehouwen', onder dit staat het jaar getal van 1768, hetwelk dat 
der vernieuwinge van dien gevel is. Het wapenschild deezer 
Schutterye is een rood kruis op een veld van zilver; wat de 
beduiding van dit wapenschild is en . hoe de Schutterye 
daaraan gekomen is, vind ik nergens gemeld. Van Heurn 
deelt over de achter dit gebouw gelegen hebbende oefenplaats 
dezer Schutterij nog mede: Achter dit gebouw is een zeer 
ruime plaats met boomen beplant, die zich tot aan Stadswallen 
uitstrekt, waarvan zij met een steevige muur, in welke een 

26 



— 402 — 

poortje is, word afgescheiden, alsook, dat in den bogaard het 
stadswapen stond, waartoe de stad in 1692 twintig dukatons 
geschonken had. 

Behalve dezen bogaard bezat de Schutterij van den 
Ouden Voetboog ook nog eene eigene kapel, waarover later en 
de visscherij in de Bossche Sloot, zijnde voorheen geweest eene 
vaart, waardoor turf uit de veenen van Loon op Zand met 
schuiten naar den Bosch kon worden gebracht; Hertogin Johanna 
van Brabant had in 1396 aan Paulus van Haestrecht, heer 
van Loon op Zand, toegestaan die te graven. Ook had deze 
Schutterij nog de visscherij in de Dieze van af de plaats, waar 
de Bossche Sloot daarin valt, tot drie worpen ver in de rivier 
de Maas, alsmede enkele perceelen hooiland. Verder bezat 
zij eenig zilverwerk, waartoe volgens van Heurn behoorden 
een ouderwetsch (antiek) halssieraad, dat tot halverwege de 
borst afhing en een ebbenhouten staf, die omgeven was van 
verscheidene dikke zilveren ringen; naar oude lieden aan van 
Heurn verzekerden was deze staf de stok van den Provoost dezer 
Schutterij geweest en waren de daaraan bevestigde ringen 
geschenken harer leden. Wijders had zij nog even zoovele 
koperen schutterspenningen als er schutters in een rot waren; 
bij het schieten werd aan elk hunner zoo'n penning, die elk 
zijn eigen nummer had, overhandigd om dien op de borst te 
dragen teneinde de orde te bepalen, waarin hij moest schieten. 
Het Provinciaal Genootschap van Kunsten en Wetenschappen 
in Noordbrabant bezit hiervan een exemplaar; het heeft even- 
eens het vaandel dezer Schutterij, dat waarschijnlijk nog het- 
zelfde is als dat, hetwelk de stad den Bosch in 1642 daaraan 
schonk, toen Prins Frederik Hendrik deze Schutterij evenals 
de andere Bossche Schutterijen weder opgericht had, na ze 
eerst in 1629 ontbonden te hebben. Ook heeft het Genootschap 
nog enkele exemplaren van de Nieuwjaarsverzen, die de tam- 
boers dezer Schutterij op Nieuwjaarsdag aan de huizen der 
ingezetenen van den Bosch rondbrachten. 

In het gebouw van deze schutterij, dat door haar ook 



— 403 — 

tot logement of wijnhuis werd verhuurd, vierde de Classis van 
den Bosch in 1741 haar eeuwfeest met eenen deftigen maal- 
tijd; elk der gasten ontving toen van haar een zilveren ge- 
denkpenning op dat feest, alsmede een gedrukt exemplaar der 
redevoeringen, welke tot opluistering daarvan uitgesproken 
waren geworden. 1) 

In den Ouden Schutsbogaard, zooals de bogaard van deze 
Schutterij placht genoemd te worden, had den 29 September 
1786 een gecombineerde schiet wed strijd der vier Bossche Schut- 
terijen plaats, waarbij jonge Bossche meisjes aan elk der 
schutters een eiken takje uitdeelden, nadat een harer dit versje 
had opgezegd : 

Uw moedig vuur, hoe sterk, is minder dan den gloed, 
Die in uw harten blaakt, o bloem der Bosschenaaren ! 
Ontvang dan van onz hand, roem waarde wapenstoet ! 
Het eikenloov, van ouds geschikt voor heldenschaaren ; 
Gewapende! Gy zijt (hoe fel de heerschzugt woed) 
De Roe der Dwinglandy en vryheidssteunpilaeren. 

Waarop de luitenant mr. Jean Louis Verster 2) als 
volgt antwoordde: Bevallige Juffertjes, tedere maagden, Bos- 
sche burgeresjes ! Hoe klopt het gevoelig hart van ieder wei- 
menend burger niet, daar, als het ware de vrijheid zelfs door 
uwe onbevlekte handjes onze krijgsoeffeningen bekroont, met 
een op zig zelven gering, doch voor ons allen, waardigst ge- 
schenk van eikenloof, een zinnebeeld der kranssen, welken 
Oud-Romen schonk aan zyne burgerlyke helden, die voor de 
vryheid pal stonden en op de vyanden van den Staat over- 
winningen bevochten. 



1) Van Heurn Historie IV p. 60. Over eene andere gebeurtenis, 
die daar plaats had, zie men van Heurn Historie II p. 98. 

2) Hij was zoon van Abraham Verster en Florentia van Woerkom, 
en bekleedde de betrekkingen van ordinaris-leenman der Leen- en Tolkamer 
te den Bosch en van drossaard van St. Michielsgestel ; den 7 Januari 1745 
werd hij te den Bosch geboren, alwaar hij i September 1793 overleed; 
zijne vrouw was Agnes Maria de Lepo. 



— 404 



Ontvang cloor my de oprechte dankbetuigingen van 
alle uwe brave en rechtaarde meede burgers, welke gy voor 
u in order geschaard ziet, gereed om, wanneer zulks de nood 
mogte vereischen, hetgeen God verhoede ! het dierbaar Vader- 
land, deze stadt met derzelver Burgerlievende Regenten, hunne 
vryheid, rechten en voorrechten, en beneffens dezelven hunne 
dierbaarste panden, hunne gaden en kroost, en onder dezelven 
u, hunne mede-burgeresjes, aan welken zy altoos met dankbaar- 
heid zullen gedenken, te verdedigen. 

En gy, myne waarde medeburgers, exercerende leden 
der vier Schutteryen dezer stad, laat deze gebeurtenis ons 
altoos herinneren, dat wanneer onze plicht ons mogte nood- 
zaken het zwaard aan te gorden en het geweer te schouderen, 
om den vijand weerstand te bieden, wy als vrye Belgen moeten 
sterven of als overwinnaars leven. 

Het was immers Keizer Karel zelfs, die weleer aan 
zynen zoon Philips den Nederlander dus kenschetste : 

Het Neerlands volk bemint zijn wettige opperheeren, 
Zo lang zy hunnen plicht, zijn recht en wetten eeren. 
Dan — welk een hoon 't verduur, zodra 't zijn rechten raakt, 
Wordt ieder Belg een leeuw, die voor zijn welpen waakt. 
De naam van vryheid staat in aller hart geschreven. 
Het kiest een edlen dood voor een verachtlijk leven. 
En zo de dwinglandy hen immer overviel, 
Elk vocht, bezweek en stierf, maar.., „met een vrye ziel." 

De Bossche Schutterijen waren dus in 1786, het blijkt 
ten duidelijkste uit bovenstaande toespraken, volbloed Patriot 
en geen wonder was het daarom dat de Staten Generaal haar 
9 November 1787, ondanks het protest der Regeering van de 
stad den Bosch, voor goed ontbonden. 

De Schutterij van den Ouden Voetboog bleef nu nog 
wel als een privaat lichaam bestaan, doch het mooie was er 
nu van af en daarom verkocht zij 4 October 1804 aan de 
voormelde Commissie tot de Directie van het op te bouwene 



— 4Ctó — 

tuchthuis enz. haren bogaard bij eene akte, waarin gerelateerd 
staat : Pieter Hestor van Galen, lieutenant en rent- of bogaard- 
meester van gewezen Ouden Schuts Bogaard, zich sterk makende 
en de rato caveerende voor de overige Officieren, gemagtigd bij 
authorisatie van het Gemeentebestuur deezer stad, verkoopt 
aan gezegde Commissie het geheele locaal van den Ouden Schuts- 
bogaard, zo daar de huizinge en stallen etc. gestaan hebben 
als den gezegden Bogaard zelve, alle bij den andere gelegen in 
de St. Jorisstraat alhier, de eene zijde de Hr Verheijen, de 
andere zijde de verkrijgster, strekkende voor van de straat 
achterwaarts tot de stadsiuallen. 

De woorden in laatstgezegde akte : zo daar de huizinge 
en stallen etc gestaan hebben doelden op de vernieling van het 
gebouw van den Schuttersbogaard door het bombardement, dat 
de Fransche Republikeinen onder Pichegru de vesting den Bosch 
in 1794 deden ondergaan. Deze vernieling alsmede die van de 
beide naast den bogaard staande huizen staat volgender wijze 
beschreven in de 's Hertogenbossche Vaderlandsche Courant van 
28 October 1794: „De vlammen begonnen te woeden in den 
Ouden Bogaard in de St. Jorisstraat, waardoor dit gebouw 1), 
het logement de Plaats Royaal en nog een daar neffens 
staand huis geheel in den asch gelegd werden. Deeze ver- 
schriklyke brand, te akeliger omdat dezelve in den nagt en 
onder het vreeselijkste schieten ontstond, duurde van 'snagts 
ten half twee tot 's morgens te agt uuren". 2) 

Op het terrein van dezen schuttersbogaard staan thans 
ook de gevangenissen. 

i. De Plaats Royaal. 

Ter plaats waar later het voormeld logement stond, 
bevonden zich in het begin der 16 e eeuw: huizen, erven en 
plaatsen aan cle Oude Huls tusschen den Schuttersbogaard 

1) Het was toen aan eenen van Wurmond als logement verhuurd. 

2) Men zie hierover St. Hanewinkel Reize door de Majorij I. p. 9, 
en Taxandria VI p. 244. 



— 406 — 

ex uno en het erf van den bakker Wouter Emmen ex alio, 
zich van af gezegde straat achterwaarts uitstrekkende tot aan 
den Stadswal, welke huizen, erven en plaatsen onmiddelijk aan 
elkander grensden en toen waren: een hoofdgebouw met zes 
huisjes, onder een dak staande. Gerard van Merlaer Henrickszn 
als man van Aleid, dochter van den slachter Daniel Croeck; 
Jutta, weduwe van dien slachter ; Symon Schoencken ; Halwig 
en Udula, dochters van dien slachter; Henrick Prycker, zoon 
van Lambert en Aleid, dochter van Daniel Croeck Senior; 
Gerard Moll, zoon van Gerard Moll van Driell en zijne zuster 
Elisabeth; Jan, Henrick en Henrica, kinderen van Henrick 
Croeck Mathijszen; Henrick, Michiel en Willem, kinderen van 
Jan Cottens en Katherina, dochter van Mathijs Schoencken; 
Jan, zoon van Goeswijn Ploechmans, als man van Elisabeth, 
dochter van Jan Cottens en Katherina voornoemd; Elisabeth, 
dochter van Henrick van den Acker; Jan van Uden Claeszn 
als man van Beatrix en Joan van den Zydewynde als man van 
Yda, ook dochters van genoemden Henrick van den Acker, 
verkochten deze huizen aan Hendrick Paeuweter Arnoldszoon; 
hij had van zijne vrouw Elsbena, die in 1507 deze huizen bezat 
(Reg. n° 101 f. 378), een zoon Arnold Paeuweter, wiens kinderen, 
zijnde: Frans, Henrick, Anna, Mechteld, Dominicus, Arnold, 
Aelbert en Mathijs Paeuweter, tegelijk met zijne executeurs- 
testamentair : Heer Lambert, priester, zoon van Henrick Claeszoon, 
Henrick Osman en Amelis Maeszn, 6 Januari 1521 die huizen 
verkochten aan Adriaan van den Leemputte en diens echtgenoote 
Hadewich ter tocht en aan hunnen zoon Henrick van den 
Leemputte ten erfrecht. Laatstgenoemde had van zijne echt- 
genoote Hadewich, dochter van Jan Geck en Heylwich, de dochter 
van Gerong, zoon van mr Pieter Gerongszn van den Bosch, 
deze kinderen (Reg. n° 174 f. 4): 

a Comelis, huwde met Catharina Paeuweter Mathijsd r , 
bij wie hij deze kinderen verwekte: Maria, huwde mr Jan van 
der Lee; Hesther, huwde Sylvester Lintermans, med. doctor; 
Elisabeth, huwde Jaspar Peterszn van Heeswijk en Mathijs. 



— 407 — 

b Hen riek. 

c Jacob. 

d Beelken, huisvrouw van mr Herman van Heumen, 
raad van den Bosch. 

e mr Geerling, echtgenoot van Sara van Ouwen Joostd r 
(uit dit huwelijk waren kinderen). 

f Huybrecht, die trouwde met Catharina Lantfort van 
Turnhout. Zij hadden kinderen. 

g Adriana. 

h mr Pauwei, die huwde met Yda van den Nyeuwen- 
huys (welke na zijnen dood hertrouwde met J or Godefroy 
Absolons) en hem deze kinderen schonk: Henrick van den 
Leemputte, kastelein van het huis Oud-Herlaer en officier der 
heerlijkheid St. Michiels gestel ; Lucia, die trouwde met Aerdt 
van Dalen, wien zij eene dochter schonk, de huisvrouw van 
mr Maarten van Weremont, raad van den Bosch; Henrick, ook 
kastelein van Oud-Herlaer en Dominicus van den Leemputte. 

Genoemde mr Herman van Heumen had van zijne voor- 
zegde vrouw een zoon mr Henrick van Heumen, eveneens raad 
van den Bosch, die de hierbedoelcle huizen erfde en daaruit 
in 1624 eene grondrente verleende (Reg. n° 360 f. 504 v so ), als 
wanneer zij gezegd werden te zijn : „huysingen, erven, hoven, 
galleryen met noch zes cameren ofte woningen ende achterhuys'', 
staande in de St. Jorisstraat tusschen het huis van het Gilde 
van St. Joris, genaamd de Oude voetboog, ex uno en het huis 
van den Prelaat van St. Geertruid te Leuven, ex allo en zich 
achterwaarts uitstrekkende tot aan den Stadswal. Mr Henrick 
van Heumen betaalde deze of eene andere grondrente niet en 
daarom werden 2 Mei 1651 voorbedoelde huizen, die alsnu 
omschreven werden als: „huysingen, erven, plaetsen, hoff, 
achterhuysen, camer ende poorte" gerechtelijk uitgewonnen; 
kooper werd toen daarvan Johannes van Grimbergen, koopman 
in zijden lakens te den Bosch. Van dezen w T erden zij geërfd door 
zijnen zoon mr Willem van Grimbergen, raad en rentmeester 
van den Bosch, wiens weduwe Johana de Willefinck ze 14 Mei 






— 408 — 

1708 (Reg. n° 527 f. 88) verkocht aan Jolian Casper Hircel, 
kolonel van een Regiment Zwitsers; zij werden alstoen om- 
schreven als eene schoone en wel gelegene huysinghe, erve, 
hoff, stalling he mette achterhuysinghen en de huysinghe mettet 
poortje ofte ganck de voors. groote huysinghe besyden aenlig- 
gende, soo ende gelijck tselue tegenwoordigh voert bewoont by 
den kooper, staande aan de St. Jorisstraat tusschen de 
wooning he ofte de huysinghe van den Ouden Schutsbogaert, 
ex uno, ende het erf der Abdy van St. Geertruid, ex alio 
en strekkende van de St. Jorisstraat tot aan den Stadswal ; de 
eerstbedoelde huizen waren nu blijkbaar door andere gebouwen 
vervangen. Johan Caspar Hircel was gehuwd met Maria Anna 
Doberkau, die van hem het vruchtgebruik erfde der doorhem, 
als gezegd, in 1708 gekochte huizen; zij deed daarvan in 1718 
afstand ten behoeve hunner kinderen Margaretha en Hendrik 
Hircel, die ze 22 November 1718 (Reg. n° 533 f. 233) ver- 
kochten aan Reinier Plenus, koopman en solliciteur-militair te 
den Haag, 1) wiens dochter Geertruid Plenus, huisvrouw van 
Hendrik Meyer, woonachtig te clen Bosch, ze 21 Augustus 1761 
weder verkocht aan Johan van Hanswijk ; diens weduwe 
Johanna Maria Catharina Hyssel verkocht ze 17 Octoberl781 
op hare beurt aan den logementhouder Samuel Hirschig, woon- 
achtig te den Bosch, die er toen w r el het logement de Plaats 
Royaal van zal hebben gemaakt. Hij was te Amsoldingen bij 
Thun geboren en 15 April 1765 poorter van den Bosch ge- 
worden; zijne kinderen heetten: Antoni, Elisabeth> Susanna 
en Christiaan Jacobus. Zooals hiervoren reeds is gezegd brandde 
zijn logement tengevolge van het bombardement der Franschen 
in 1794 geheel af; hij werd daarom 15 Mei 1795 kastelein in 
den Zwarten Arend op de Markt te den Bosch, en recomman- 



1) Hij was in 1732 eigenaar van het goed Duinen daal onder 
Nuland, waarover men zie Schutjes Gesch. van het Bisdom den Bosch V 
p. 225, en Schepenreg. van Empel (Alrehande akten) op dat jaar. In 1772 
werd het door Jean George baron van Crohnen, die toen daarop woonde 
en het 22 December 1759 had gekocht, verkocht aan Ant. van Hanswijk 
(Schepenreg. den Bosch n° 582 f. 415;. 



— 409 — 

deerde zich daarbij in de courant in het maaken van pasteye, 
allerhande gebakken, enz. Den 17 Januari 1801 verkocht hij 
het erf van zijn verwoest logement, dat alstoen omschreven 
werd als : een afgebrande erf, waarop voorheen gestaen heeft 
een huis met stalling en keuken, liggende met deszelfs tuin 
en tuinkamer aan den Wal en voorts gelegen aan de St. Joris- 
straat, tusschen het erf van Theodorus Prince en dat van 
den Ouden Schutsbogaard, aan mr Arnoldus Gerbrandus Ver- 
heyen, die later burgemeester van den Bosch en lid der Tweede 
Kamer der Staten Generaal werd. Wat deze met dat erf gedaan 
heeft is mij niet gebleken, vermoedelijk verkocht hij het (en 
anders zeker zijn rechtverkrijger) aan de Commissie voor het 
Tuchthuis. 

Het derde huis, dat blijkens voormeld courantenbericht 
in 1794 afbrandde, behoorde tot het Eefugiehuis der Abdij 
St. Geertruid en zal daarbij behandeld worden. 

Ook op de plaats, waar het logement de Plaats Boy aal 
stond, werden in 1804 de gevangenissen gebouwd. Zij waren 
aanvankelijk een tuchthuis, dat van het volk den naam van het 
Spinhuis kreeg, omdat de gevangenen er in moesten spinnen; 
waren er niet genoeg gevangenen voor clat werk, dan sloten de 
Regenten van voorzegd Tuchthuis contracten met Regenten van 
andere gevangenissen af tot het leveren van de vereischte 
arbeidskracht. 

Veel had het in gehad om tot den bouw van dat Tucht- 
huis te kunnen besluiten, zooals men zien kan bij van Heurn 
Historie IV p. 9, 50 en 153. In 1733 was reeds dit onder- 
werp ter sprake gebracht door de Regeering der Meierij, die 
er zich over beklaagde, dat de Justitie wegens gebrek aan 
ruimte op de Bossche Gevangenpoort, die toen cle burgergevan- 
genis was voor de stad en Meierij van den Bosch, de boosdoeners, 
na ze gekastijd te hebben, maar eenvoudig in de Meierij losliet, 
alwaar ze dan de schrik der plattelandsbevolking werden. 

Het Tuchthuis heeft in lateren tijd als zoodanig opgehou- 
den te bestaan ; er zijn toen daarvan gevangenissen gemaakt. 



— 410 — 

j. Het Refugiehuis der Abdij van St Geertruid 

te Leuven. 

N os 33 en 35. 

Aan het einde der St. Jorisstraat stond aan dezelfde 
zijde als de tegenwoordige Gevangenissen het Eefugiehuis der 
Adellijke Abdij van St. Geertruid te Leuven. Daar deze Abdij 
zonder eenigen twijfel eene buitenlanclsehe was, zoo kon zij 
hier te lande na 1648 ongestoord haar refugiehuis blijven be- 
houden. Den 11 Augustus 1767 verkocht mr Petrus Nagel- 
maeckers, wonende te Gorinchem, als gemachtigde van Adrianus 
Guielmus baron van Renesse, prelaat en andere heeren Capitu- 
laren der Adellijke Abdij van St. Geertruid te Leuven, dit 
huis, dat alstoen omschreven werd als volgt: a huys, hof, stal 
en open plaats ten eynde van de St. Jorisstraat, ex uno, het 
huis van den heer Chambrier ; ex allo het volgende, strekkende 
van de straat tot aan den Stadswal; b huys en erve, staande 
ten eynde van de St. Jorisstraat, ex uno het voormelde, ex 
alio dat van den heer van Hanswyk, strekkende achterwaarts 
tot op het erf van eerstgemeld huis. 

Koopers werden toen, van het sub a bedoeld huis 1) mr 
Hendrik Albert van Adrichem, stadhouder van den Hoogschout 
der stad en Meierij van den Bosch, wonende aldaar 2) en van 
dat sub b Gerard van Luynen, eveneens te den Bosch woon- 
achtig; dit laatste huis brandde bij het bombardement van 1794, 
als gezegd, af, zooals ook nog blijkt uit eene akte van 25 Maart 
1797, waarbij dat huis ten laste van genoemden van Luynen 
aan Theodorus Wilhelmus Prinsen, wonende te den Bosch, voor 
schuld werd verkocht, want daarin wordt het toch omschreven 



1) In dit huis overleed de vermaarde Bossche stempelsnijder Theo- 
dorus van Berckel; hij werd van daaruit ?3 September 1808 naar de St 
Janskerk ten grave gedragen. 

2) Hij werd geboren te Pernis en huwde in '1760 met Anna Maria 
Beusichum van der Linden, woonachtig te Leiden. 



— 411 — 

als : een romp van een huis met zijn erf, zijnde in den jare 
1794 grootendeels afgebrand, staande in de St. Jorisstraat 
tusschen het huis van den heer van Adrichem en het afge- 
brande huis van Samuel Hirschig en strekkende achterwaarts 
tegen het erf van genoemden heer van Adrichem. Thans zijn 
de sub a en b huizen kantoor en magazijn der firma Lutkie 
en Cranenburg. 

Toen in 1871 van het gedeelte van het Tuchthuis, dat 
op het erf van de Plaats Royaal gebouwd was, gemaakt werd 
eene bijzondere strafgevangenis, werd in den grond daarvan 
gevonden het wapen van Petrus Was, abt van St. Geertruid te 
Leuven 1); het berust thans op het Provinciaal Genootschap 
van Kunsten en Wetenschappen in Noordbrabant. 

1) Hij stierf als pastoor van Oisterwijk 14 Februari 1553. 



HOOFDSTUK IX. 



De Oude Huls en de St. JonSStr. (Tweede Gedeelte). 



Van de Hulsstraat heeft alleen nog maar het eind van 
de St. Jorisstraat dien naam overgehouden en dat nog wel 
verbasterd, daar toch het eind van die straat thans Hulst heet 
en wel, omdat die naam de alleroudste benaming was van de 
beide straten de Hulst, die men te den Bosch heeft, de Oude 
Hulst. Van waar de naam Huls of Hulst komt durf ik niet te 
zeggen; niet waarschijnlijk acht ik het toch, dat de straat de 
Huls haren naam ontleent aan eene omhulling of aan den be- 
kenden heester met stekelpuntige bladen. 

De verlenging van de St. Jorisstraat van af het na te 
noemen Masschereelshuis, die thans ook de Oude Hulst heet, 
tot aan de Weversplaats, heette aanvankelijk, evenals die plaats 
en de van daar naar de Verwerstraat loopende straat, die Beurde 
of Beurdsche straat. 

Het eerste huis, dat men komende uit de St. Jorisstraat 
aan de Oude Hulst aan zijne rechterhand krijgt is 

a Het Masschereelshuis. 

(Oude Hulst n° 37). 

Het staat tusschen het Refugiehuis der Abdij van 
St. Geertruid en de thans niet meer bestaande steeg, de Molen- 
steeg genaamd. 



— 413 — 

Niet onmogelijk is het. dat dit huis eerst heeft toebehoord 
aan de familie Spiering en dat het door het huwelijk van Petra, 
dochter van Klaas Spiering, schepen van den Bosch in 1447 1), met 
Herbert van Ooy, heer van Balgoy, is gekomen in het geslacht 
van dezen laatste ; in elk geval behoorde het aan de dochter 
dezer echtelieden, Ulanda van Ooy geheeten; zij bracht het 
ten huwelijk aan haren man Henrick van Masschereel Janszn, 
ridder 2), die reeds in 1531 als eigenaar daarvan optrad (Reg. 
n° 139 f. 218 v so ) en naar wien dit huis het Masschereelshuis 
genaamd werd. Den 8 April 1545 (Reg n° 167 f. 324) heeft 
deze, die toen geheeten werd Domicellus Henricus Massereel, 
dominus temporalis de Balgoyen, als man van Ulanda, dit huis, 
dat toen omschreven werd als „domus, area, ortus, vacua 
„hereditas et domus posterior, staande aan de Oude Huls 
„tusschen het erf van den Abt van St. Geertruid ex ano en 
„eene gemeene straat ex alio en zich achterwaarts uitstrek- 
kende tot aan den Stadswal," met eene weide, gelegen achter 
dat huis buiten den vestingmuur, overgedragen aan Aclrianus 
van Eyndhouts, ten behoeve van den zoon, dien hij van zijne 
genoemde vrouw had; die zoon was Herbertus van Masschereel, 
hun, zooals hij toen gezegd werd te zijn, filius emancipatus 
et apud principem de Orangne commorans ac residens. Bij 
gezegde overdracht werd bepaald, dat deze zoon eerst na den 
dood zijner ouders in het bezit van voormeld huis met weide 
zoude komen. 

De Prins van Oranje, bij wien cle jonge Herbertus van 
Masschereel ten tijde van gezegde overdracht verbleef, was 
René van Chalon; deze had reeds in 1543 in het Masschereels- 
huis zijn intrek gehad, zooals blijkt uit eene Schepenakte van 
Heusden van 22 April 1549, vermeld in meergenoemden Inven- 
taris van P. N. van Doorninck, daar toch blijkens die akte 
Schepenen en Burgemeesters van Heusden op laatstgezegden 



1) Het Missale van de kerk te Wijk bij Heusden p. 112. 

2) d'Ablaing de Ridderschap van het Kwartier van Nijmegen p. 28. 



— 414 — 

dag verklaarden, dat S weder van Bemmel i) ten verzoeke van 
Jonker Govert Torck, heer van Hemert, onder eede getuigd 
had, dat hij op 22 Januari 1543 gecommitteerd was geweest 
in den tocht op de Velu we en dat hij van cle aldaar ingevorderde 
brandschatting op last van den Prins van Oranje fl 474 gege- 
ven had aan Lubbert Torck, heer van Hemert, alsmede dat die 
Prins dien last gaf in den op dien tocht gevolgden Vastentijd, 
te den Bosch, ten huize van Henrick van Masschereel, heer 
van Balgoy, alwaar toen verscheidene edellieden bijeen waren, 
onder welken Jaspar Torck 2), clie ook verklaarde gehoord te 
hebben, dat de Prins bedoelden last gaf. 

Genoemde Herbertus van Masschereel stierf zoo niet 
ongehuwd, dan toch kinderloos. Zijne broeders, voor zoover 
bekend, waren: a J or . Jan van Masschereel, heer van Balgoy 
en Opijnen 3), die huwde met Hillegonda de Cock van Opynen 
Arndsdochter 4). 

b Floris van Masschereel, priester en commandeur van 
de Duitsche Orde te Vught. Hij erfde van zijnen broeder 
Herbertus van Masschereel het Masschereelshuis. In eene 
Bossche Schepenakte van 1612 (Reg. n° 283 f. 618) staat van 
hem vermeld, dat hij bij gelegenheid van het huwelijk zijner 
nicht Catharina, dochter van Udeman van Bruheze (den zoon 
van mr Peter) en Petronella van Masschereel, met Ambrosius, 
zoon van wijlen Henrick Fabri van Gemert, aan haar fl 800 
geschonken had. Hij stierf 29 April 1608 en werd, wat wij op 
blz. 350 reeds zagen, in de Kruiskerk te den Bosch begraven. 



1) Hij was zoon van Jan van Bemmel en Margaretha Dachverlies 
Jansdr en gehuwd met Catharina, dochter van Jan Gerritszoon die Werdt. 
Zijn zoon Lubbert van Bemmel, die gehuwd was met Beatrix Vos (Reg. 
no 355 f. 26), kocht 19 Maart 1562 (Reg. n° 196 f. 197 v«*) eene werf, 
waarop een huis gebouwd was gelegen te Vught, en thans genaamd Muy- 
serick. Een andere zoon van hem was Willem van Bemmel. 

2) Men zie over hem Jaarboek van den Nederl. Adel IVejg.p. 268. 

3) Hij verbond zich in 1544 jegens Elisabeth de Cock, de zuster 
zijner vrouw, geestelijke dochter in het St. Geertruiklooster te den Bosch. 

4) Zij schonk hem deze kinderen : Henrick, heer van Balgoy en 
Opijnen, die in 1595 van zijne vrouw Walravina van Wees, minderjarige 
kinderen had ; Mechteld; Ulanda, de vrouw van Henrick van Wyttenhorst, 
landdrossaard van Kleef; en Anna. 



— 415 — 

Zooals uit de na te mededeelen passage uit het werk van 
J. C. A. Hezenmans de Commanderij der Duitsche Orde te 
Vught kan worden opgemaakt, vermaakte hij het Masschereels- 
huis aan die Commanderij, welke gevestigd was geweest in 
het huis de Commanderij te Vught, ter plaatse alwaar later 
het huis Sionsburg gebouwd werd. 

Naast het straatje de Molensteeg stonden oudtijds in 
de richting van de Weversplaats twee huizen naast elkander, 
met vier huisjes daar zijdelings tegen aan staande. Zij behoor- 
den toe aan Wouter Scellens Dierckszn, die dan eens genoemd 
wordt raad, dan weder secretaris en griffier van den Bosch; 
Gijsbrecht van den Velde, secretaris en griffier van die stad 
en Willem Albertszn van der Lynden, in hunne hoedanigheid 
van uitvoerders van den uitersten wil van genoemden Scellens, 
verkochten 11 April 1600 (Reg. n° 334 f. 331) laatstbedoelde 
panden, die nu gezegd werden te zijn: tivee huysen voor aen 
de strate neffens den andere, met vier cameren oft wooninghen 
dyen zydelinge aenliggende, henne erffven ende hoff daertoe 
behoirende, staende in iïeynde van St. Jorisstraet ter plaetse 
genoempt den Ouden Huls tussen de erven eertijts Gerarts 
van Doem, nu Anthonis Lambertss Cloot, ter eenre ende 
tussen den erve heere Floris Massereel, presbyter, commandeur 
tot Vucht, een gemeyn straetken, geheyten de Molenstege, 
tussen beyde liggende, ter andere zyde, streckende voor van 
de gemeyn straet achterwaerts tot deser stadswalle toe, aan 
voornoemden Anthonis Lambertszn Cloot, die in andere Bossche 
schepenakten vermeld wordt maeldere van zijn beroep te zijn. 
Hij was, zooals uit laatstgemelde akte reeds bleek, toen al 
eigenaar van het naast de daarbij verkochte huizen gestaan 
hebbend huis, de Baecsche poort genaamd, welke benaming later 
verbasterd is tot de Bandsche poort. 

Dit huis moet aanvankelijk hebben toebehoord aan Jan 
van Baexen 1), die van zijne vrouw domicella Maria, dochter 
van Jan van Berckel, deze kinderen had: 

1) Reg. no 132 f. 57. 



— 416 — 

Christopher van Baexen, priester en 
Anneken van Baexen, clie huwde met Clemens van 
Accorneys, welke bij haar deze kinderen verwekte: 

a. Jan van Accorneys; 

b. Antonia van Accorneys huisvrouw van Willem van 
Berchen ; 

c. Henrick van Accorneys, die huwde met Helena, 
dochter van Wouter van Losvelt en bij haar deze kinderen 
verwekte: Clementia en Jenneken van Losvelt, die in 1579 
nog onmondig waren. (Reg. n° 238 f. 197), 

De sub a en b genoemde kinderen, alsmede de voogden 
over de sub c vermelde minderjarigen verkochten 16 Januari 
1579 (Reg. n° 238 f. 197) het huis de Baecsche poort, dat 
toen gezegd werd te zijn : huis, erf, tuin en achterhuis, staande 
aan de Oude Huls tusschen het huis van Wouter Scellens, 
secretaris en griffier van den Bosch, ex uno en dat van de 
Wed. Jan Mariens en hare kinderen ex alio en zich achter- 
waarts uitstrekkende tot aan den Stadswal, aan Gerard Arndszn 
van Doerne, die het 11 Maart 1600 (Reg. n° 264 f 43 v so ) 
weder verkocht aan genoemden Anthonis Goot. Deze verkocht 
5 Januari 1618 (Reg. n° 354 f. 136) het erf van dit laatste 
huis 1), dat alstoen gezegd werd te zijn : een ledige hoffstadt, 
daer eertijts een huys op gestaen heeft, erffe, hoff, met een 
poirte aen de gemeyn straet uuytgaende, genoempi de Baecxe 
poirt, zoomede zijne daarnaast staande twee huizen met de 
huisjes daarbij, zooeven vermeld, aan Werner Huyn van 
Amstenrade, heer van Amstenrade, ambtman te Bruggen en 
maarschalk van het Vorstendom Gulick, die in 1621 stierf en 
tot echtgenoote had Liffert, dochter van Wijnand von Leerod. 
Deze zal de huizen van Anthonis Cloot gekocht hebben voor 
de Commanderij van de üuitsche Orde te Vught, want waarom 
anders kocht hij, die in Gulikerland woonde, die gebouwen? 
En gezegde Commanderij zal ze gekocht hebben om van die huizen 



1) Het zal bij eene van de belegeringen, waaraan den Bosch ge- 
durende den Tachtigjarigen oorlog bloot stond, plat geschoten zijn. 



— 417 — 

en het Masschereelshais te maken een nieuw commanclerijshuis 
met tuin ter vervanging van haar huis te Vught, dat reeds jaren 
te voren, waarschijnlijk door de Staatschen, in den Tachtigjarigen 
oorlog, verwoest was 1). In elk geval behoorde het Masschereels- 
huis met cle huizen en erven van meergenoemden Anthonis 
Cloot in 1624 aan meergezegde Commanderij, zooals blijkt uit 
het Eegister harer bezittingen in 1624, vermeld door J. C. A. 
Hezenmans t. a. p. blz. 72, want volgens dat register behoorden 
toen aan haar: 

eene schoone huysinge, gemeynlick genoempt Massche- 
reelshuysinge, gestaen ende gelegen op den hoeck van de 
Molenstege neffens de huysinge der abdye van St. Geertruyden 
tot Loven, sijnde alsnu de woning e ende residentieplaetse, 
daerinne oVheere commandeur jegenwoirdelick inne 's Hertogen- 
bossche is residerende 2) ; 

item eene andere huysinge ofte woninge met eenen 
schoonen hoff ende versceyde cameren dyen annex, gelegen 
ter plaetse lest voirs, op oV ander zyde van de Molenstege. 
sijnde verhuert als volgt: den hoff enz.; oVeene helfte van de 
principale huysinge met d'eerste camer in de Molenstege enz.; 
Wander helfte enz.; d'eerste camer naest het trapken; de 
tweede camer in de Molenstege; de derde ende leste camer 
naest het cleyn poertken, enz. 

In 1663 hield de Commanderij der Duitsche Orde te 
Vught voor goed op te bestaan. Immers den 22 December 1663 3) 
transporteerde Ambrosius van Virmundt, Duitsch Ordensridder 
en commandeur der Duitsche Orde te Gemert, als daartoe ge- 
machtigd door den Landscommandeur der Balye van Alden- 

1) J. G. A. Hezenmans t. a. p. blz. 54 en 56. In 1543 was het 
Vughtsche Commanderijshuis blijkens denzelfden blz. 36 noot 1 ook a! 
verwoest geworden (cf. nog van Heurn Historde I p. 504), doch het moet 
daarna weder zijn opgebouwd, vermits Parma in 1586 in sauvegarde 
nam :' Ie chateau et Commanderie te Vucht. 

2) In 1614 werd het Masschereelshuis gezegd te zijn : »huys, erve, 
poirte, plaetsche ende achterhuysen'', staande in de St. Jorisstraat, eer- 
tijds de Oude Huls genaamd, op den hoek van de Molensteeg, tusschen 
die steeg ex uno en de Abdij van St Geertruid ex aïio (Reg n» 314 f. 196). 

3) J. C. A. Hezenmans t. a. p. blz. 65 en vlgd. 

27 



- 4ié - 

biesen, op Cornelis Kuchlinus, ontvanger van cle gemeene 
middelen en raad van den Bosch, die het vroeger reeds van 
hem gekocht had 1), het erf, waarop het huis van de Commanderij 
der Duitsche Orde te Vught eens gestaan had, met de daarbij 
behoorende gronden. Van dezen werd het geërfd door Cornelis 
Kuchlinus, wiens vader en voogd Jacobus Kuchlinus, professor 
in de Grieksche taal en predikant te den Bosch, het 26 Januari 
1690 voor hem verkocht aan Pieter de Koningh, commies- 
extraordinair van 's Lands bovenkantoren. Er was toen daarop 
weder een huis gebouwd, want het werd alstoen omschreven als: 
eene schoone viercante huysinge met syne onder-en bovencamers, 
geheeten de Commandery van de Duytsche orde te Vucht2). 
Dezelfde Ambrosius van Virmundt, die toen genoemd 
werd de Wel Eerweer dige ende Welgeboren Heer e Ambrosius 
baron van Virmundt, des Eidderlyclcen Duitschen Ordens ridder 
ende Commandeur tot Gemert, als gemechticht by Emondt 
Godefroy vryheere van Bocholtz, der ridderlycken Duytschen 
Ordens Landtcommandeur der ballye Biessen ende Commandeur 
tot Maestricht, verkocht na zijn voormeld transport en wel 12 
Augustus 1670 (Reg. n° 470 f. 305) het Masschereelshuis met het 
erf van het daarnaast aan de overzijde van de Molensteeg gestaan 
hebbend huis, dat-nu een tuin was, aan Jacob Ferdinand Sweerts de 
Landas, heer van Oyen, Landschadenhof , Appeltern en Altforst, 
ontvanger-generaal der beden in Brabant en oud-president- 
schepen van den Bosch 3) ; het werd alstoen omschreven als : 
eene huysinge, statte, plaetse, metten hoff daer ter syden by* 
liggende, gestaen ende gelegen achter aen in St. Jorisstraet 



1) J. G. A. Hezemans t. a. p. blz. 65, 

2) De dochter van genoemden de Koningh, Alyda de Koningh, 
erfde van hem dit huis en bracht het ten huwelijk aan haren man, den 
kapitein Henrick de la Fosse (die na haren dood hertrouwde met Hen- 
rietta de Massin) ; de voogden der kinderen, die haar man bij haar ver- 
wekt had, verkochten 14 Juni 1717 (Reg. n<> 534 f. 436) dat huis, dat toen 
Sionsburg heette, aan Petrus van Geffen, burger van den Bosch. 

3) Hij was broeder van Maarten Ghristiaan Sweerts de Landas, 
heer van Oirschot en Best en van Frederik Hendrik Sweerts de Landas, 
heer van Baarschot. 






— 419 — 

op den Ouden Hulst. Bij deze erven kocht deze later nog bij 
de navolgende daarnaast staande huizen en wel a in 1674 
(Eeg n° 472 f. 56 v so ) het huis genaamd in de Lelie en b in 
1680 (Reg. n° 475 f. 163 v so ) een huis, toebehoorende aan 
Peter van Bree, koopman te den Bosch. Een gangske, uitko- 
mende op de Oude Huls, boven welks poortje thans nog 
zijn wapen met het jaartal 1680 staat, houdt de herinnering 
aan den door hem als gezegd gedane koopen nog levendig. 

Zijne vrouw was Elisabeth van Els tot Boelenham, die als 
zijne weduwe den 20 October 1737 stierf en te Oyen begraven ligt. 

Van hen erfde het Masschereelshuis met bijbehoorende 
huizen en erven hunne dochter Elisabeth Johanna Sweerts de 
Landas van Oijen, zooals blijkt uit eene akte van boedelscheiding, 
door haar 9 Mei 1709 opgemaakt met haren broeder en zusters ; 
zij verkocht het 16 Februari 1712 aan Daniel Chambrier, bri- 
gadier en kolonel van een Regiment Zwitsers, die gehuwd was 
met hare zuster Gratiana Catharina Sweerts de Landas; de 
omschrijving van dit huis was toen als volgt: eene groote 
huysinghe mette naest aengelegene huysinghe, hof en orangie- 
huis, staande in de St. Jorisstraat en genaamd Hulster hoeck. 

De dochter van laatstgenoemde echtelieden, Johanna 
Suzanna Chambrier genaamd, huwde met John Sayer, ritmeester 
der dragonders, wien zij schonk eene dochter Elisabet Gratiana 
Sayer ; deze trouwde met Albert Dominicus van Limburg Stirum, 
heer van den Wildenborch en majoor-kommandant van Arnhem en 
bracht hem ten huwelijk aan het Masschereelshuis met toebe- 
hooren, dat van hem geërfd werd door hunnen zoon Leopold van 
Limburg Stirum, raad en rentmeester der Epicopale en andere 
geestelijke goederen in de stad enMeiery van den Bosch, overleden 
te den Haag 25 Juni 1840. Diens vrouw was Theodora Odilia 
van der Does, vrijvrouwe van Noordwijk, die in den Bosch 3 
Mei 1793 overleed, van hem 1) nalatende eenige minderjarige 
kinderen, wier voogden Otto Ernst Gelder van Limburg Stirum 



1) Hij hertrouwde te den Haag '24 November 1801 met Maria 
van Styrum, dr. van mr. Jan en Anna Visschers Florisdochter, 



— 420 — 

(gehuwd met Maria von Maneil) en Sainuel John van Limburg 
Stirum (gehuwd met Johanna Eeynst) dit huis met toebehooren 
14 December 1801 (Reg. n° 621 f. 512 v so ) verkochten aan Petro- 
nella Josephina van den Heuvel echtgenoote van Joseph Hendrik 
George de Guernon de Pretzi; het werd toen volgender wijze 
omschreven: 1° een huyzinge, voorzien van verschelde groote, 
zoo boven- als beneden vertrekken, keuken en kelders, open 
plaats met casematten onder de stadswallen, alsmede koetshuis, 
stalling en koetsierskamer, staande in de St. Jorisstraat tus- 
schen het huis van den heer van Adrichem en na te melden 
moestuin ; 2° een grooten hof met hovenierswoning met case- 
matten onder de stadswallen, gelegen op de Weversplaats over 

de St. Jorisstraat, gelegen tusschen ., ex uno, het sub 

1° omschreven huis ex alio, strekkende tot aan den Stadswal. 
Thans is dit huis met tuin de boekdrukkerij van Bernard Lutkie, 
handelende onder de firma Lutkie en Cranenburg. Hij is een 
afstammeling van Jan Christoffel Lütke, die als militair uit 
Munsterland hier te lande in dienst was gekomen en in 1748 
te den Bosch trouwde met Johanna de Zeeuw weduwe van 
Egbertus van Mierlo; diens familienaam Lütke, dien men nog 
veel in Duitschland aantreft, was in 1807 reeds verbasterd tot 
Luttekus, zooals blijkt uit eene Bossche Schepenakte van dat 
jaar, waarin Elisabeth de Bie, weduwe van zijnen zoon Bernardus 
Luttekus, optrad voor hare minderjarige kinderen Wouter en 
Johannes Luttekus; ten slotte werd zijn familienaam Lutkie. 

Het Masschereelshuis en de daarbij behoorende huizen 
en erven zijn thans geheel verbouwd, terwijl de Molensteeg 
thans is dicht gebouwd, zoodat het niet meer mogelijk is 
de juiste plaats aan te geven waar al die huizen en erven ge- 
staan of zich bevonden hebben. In elk geval loopt de tegen- 
woordige straat, de Bandsche poort genaamd, niet over hetzelfde 
erf, waarop eens het huis de Baecschepoort stond. 



— 421 — 

b De Koninklijke school voor nuttige 
en beeldende Kunsten. 

St. Jorisstraat N° 82. 

Aan de overzijde van het Masschereels huis, langs de 
St. Jorisstraat, ter plaatse waar thans deze school staat, bevond 
zich oudtijds de kaatsbaan van den Bosch, het Kaetsspel ge- 
naamd. Barbara Wijtmans weduwe van Pauwei Wijnants van 
Resant verkocht dit gebouw 19 September 1605 aan het Klooster 
der Kruisbroeders te den Bosch, waarna heer en broeder 
Pauwels van Balen, prior; heer en broeder Mathias van Aken, 
subprior; heer en broeder Jeronimus Adriaenszn de Greve en 
heer eu broeder Antonius van Erp, seniores conventualen van 
dat klooster, het 26 September 1606 voor dat 'klooster ver- 
kochten (Reg. n° 252 f. 442) aan den Edelen Heere Anthonis 
Baenreheere van Grobbendonck, riddere, raedt van oorloge van 
Hunne Doorluchtige Hoochheden, Gouverneur der stadt en 
Meyerye van 's Hertog enbossche, die het 20 Juni 1613 (Reg. 
n° 252 f. 323), als wanneer het gezegd werd te zijn: ^twee 
huysen ende erven, malcanderen sydelinge onder een dack 
aenliggende ende ledige plaetse daerachter aenliggende, staande 
en gelegen aan de Oude Huls tusschen het erf van Jan 
van Stiphout, timmerman, ex uno en het erf van Ancem 
Ancemszn, spelmaker, ex alio en zich achterwaarts uitstrekkende 
tot aan het erf van den Heer van Zevenbergen, zijnde die 
huizen ,,het Kaetsspel", — verkocht aan heer en mr Jan van 
der Moeien Janszn, priester; deze verkocht 16 Februari 1616 
(Reg. n° 253 f. 54) die huizen, nu wesende eene huysinge aen 
de voerstraet mette huysingen daerachter staende, erve, plaetse 
mei een kaetsspel 1), hoff ende poerte neffens 't voerhuys, alle 



1) Dit kaetsspel werd in 1613 (Reg. n° 285 f. 271) aldus om- 
schreven: eene hooge, rontsomme opgemetste caetsbane ende een ledich 
plaetsken vóór de voors. caetsbane liggende, met noch eenen hoff, liggende 
tynden after aen de caetsbane voors. 



— 422 — 

oen malcanderen gestaen ende gelegen aen den Ouden Huls, 
weder aan genoemden Anthony Schetz, baron van Grobben- 
donck; deze verkocht dat huis den 4 Februari 1618 andermaal, 
nu aan Hans de Brier en Margriet Speckarts. Peter van 
Beerdonck in zijne hoedanigheid van curator over Jan, den 
zoon van wijlen Cornelis de Brier (den zoon van laatstgenoemde 
echtelieden) en Jenneken van Limborch, voor Vs, zoomede Peter 
Doompt als man van Maria, en Margrieta weduwe van Jan 
van Damme, beiden dochters van Hans de Brier en Margriet 
Speckarts meergenoemd, voor %, verkochten den 16 October 
1640 (Reg. n° 376 f. 3) laatstbedoeld huis, dat nu gezegd werd 
te staan ten einde de St. Joristraat op de Oude Huls tusschen 
het huis van de Wed e en kinderen van J or Gerard van Gerwen 
ex uno en dat van Mariken wed e van Goijart Wijnants 1) 
ex alio, aan Nicolaes Pisset, luitenant eener compagnie harque- 
bussiers van Zyne Genade Graaf Fritz van Nassau. Diens 
weduwe Maria Nubaise verkocht 15 December 1662 (Reg. 
n° 464 f. 93 v so ) dit huis, dat alstoen omschreven werd als: 
eene huysinge aen de voorstraete niette huysinge daerachter 
staende, erve, plaetse, voor desen met een caetsspel maer gedemo- 
Hert, pompe, perdestal ende hoff daerachter liggende, aan Seger 
Splinter. Laatstgenoemde stierf met achterlating van minderjarige 
kinderen, die onverzorgd waren, weshalve zij in het Burger 
Weeshuis van den Bosch (thans het Gereformeerd Burgerwees- 
huis, zooals het toen feitelijk ook was) werden opgenomen. De 
Regenten van dat Weeshuis hebben daarop den 16 Februari 
1686 (Reg. n° 503 f. 230) aan Steven Rosendael. commies ter 
recherche te den Bosch, gezegd huis verkocht, dat in de 
daarvan opgemaakte akte aldus werd omschreven : twee huizen 
naast elkander staande onder een dak, zijnde nu gemaakt tot 
één huis met achterhuis, erf en plaats, waarop voorheen eene 
kaatsbaan stond, paardenstal en achtergelegen tuin, staande en 
gelegen teneinde de St. Jorisstraat ter plaatse genaamd de 



1) Zij was Maria, de dochter van Laureyns Donckers, en haar man 
heette voluit: Goijart Wynants van Bernagie. 



— 423 — 

Oude Hulst tusschen het huis der kinderen van J or Gerard van 
Gerwen eenerzijds en dat van Maryken weduwe Goijart Wynands 
anderzijds en zich uitstrekkende achterwaarts tot aan den tuin 
van het Hof van Zevenbergen, hebbende Maria Nubaise, weduwe 
van den luitenant der Cavalerie Nicolaes Piset, dat goed den 
15 December 1662 verkocht gehad aan Seger Splinter en zijnde 
het van dezen geërfd door diens minderjarige kinderen, nu in 
gezegd Weeshuis verpleegd wordende en zijnde het dientegevolge 
gekomen aan dat Weeshuis. 

Voornoemde Steven Eosendael was gehuwd met Johanna 
van Westrick, die hem schonk eenen zoon Michiel Samuel 
Rosendael, welke koopman in drogisterijen te den Bosch was 
en het hierbedoeld huis met ap- en dependentiën van zijne 
ouders erfde. Den 29 November 1724 (Reg. n° 541 f. 353) 
verkocht hij het aan Anthony Martini, professor theologiae en 
predikant te den Bosch, ten behoeve van diens zoon mr Hendrik 
Bernard Martini, oud-schepen en raad van die stad. Het werd 
alsnu gezegd te grenzen eenerzijds aan het huis en erf, eertijds 
der weduwe en kinderen J or Gerard van Gerwen, nu der Vrouwe 
van Oijen, en anderzijds aan het huis en erf, eertijds van 
Maryken weduwe Goijart Wynands, nu (Agnes van Loenen), 
de Wed. (van Nicolaes) Coenen. 

Mr Hendrik Bernard Martini voornoemd verkocht 19 Sep- 
tember 1730 (Eeg. n° 544 f. 349) dit goed aan mr Samuel 
Essenius, extraordinaris raadsheer in het Hof van Gelderland 
en ontvanger der gemeene middelen over de Kwartieren van 
Oisterwijk en Maasland; het heette nu te zijn: een nieuw 
gebouwd huis met tuin, staande aan de Oude Hulst tusschen 
het huis, eertijds van Agnes van Loenen Wed. Nicolaes Coenen, 
nu van haren kleinzoon mr. Gerard Cornelis van Blotenburg, 
eenerzijds en dat van de Vrouwe van Oijen anderzijds en zich 
uitstrekkende tot aan het Hof van Zevenbergen. 

Mr. Samuel Essenius voornoemd verkocht het 30 Sep- 
tember 1733 (Reg. n° 546 f. 215) weder aan Cornelis de Witt, 
professor in de Oostersche talen en Hervormd predikant te 



— 424 — 

den Bosch en diens zuster Jacoba cle Witt, die daaraan krachtens 
koop, gedaan bij gerechtelijke uitwinning van 24 Mei 1738 ten 
laste van den toenmaligen eigenaar der na te melden panden, 
Derck Jacob Sweerts cle Lanclas, heer van Oijen, toevoegden 
een huis met tuin, stal, plaats, erf en huisje, alsmede een huis, 
tusschen het laatstgemelde en clat van hen, koopers, staande. 

Genoemde Sweerts, die kinderloos stierf, was zoon van 
den op blz. 418 genoemden Jacob Ferdinand Sweerts de 
Lanclas, heer van Oijen, Landschadenhof, Appeltern en Altforst, 
ontvanger-generaal der beden in Brabant en president-schepen 
van den Bosch, en van Elisabeth van Els tot Boelenham. 

De huizen, welke Cornelis en Jacoba de Witt, als 
voorzegd, den 24 Mei 1738 bij gerechtelijke uitwinning 
kochten, stonden ter plaatse, waar eens cle navolgende huizen 
stonden : 

a het huis de Paushoed, clat Henricus, zoon van Johannes 
Joordenszn van St. Oeclenrode, den 26 Februari 1608 (Reg. 
n° 305 f. 309) verkocht aan Arnoldus van der Moeien Anthoniszn, 
die het 10 April 1612 (Reg. n° 311 f. 447), als wanneer 
het gezegd werd te zijn huis en erf, den Paushoet genaamd, 
met drie huisjes of kamers daarachter gelegen en eene plaats, 
staande aan de Oude Huls, nu St. Jorisstraat genaamd, 
tegenover het huis van heer Floris van Masschereel, commandeur 
te Vught en tusschen het erf der Kruisbroeders van den Bosch 
ex uno en dat van Magclalena weduwe van Gerarcl Willemszn, 
spintrif ex en hare kinderen, een steeg tusschen beiden liggende, 
ex alio en zich achterwaarts uitstrekkende tot aan de Mortel 
en het erf van Jacques Darbant, — verkocht aan J or Gerard 
van Gerwen Gerardszoon. Deze was ruiterman in dienst van 
den Koning van Spanje als Hertog van Brabant; opmerkelijk 
is het, dat ten zijnen tijde in den Bosch meer voorname lieden 
niet anders dan ruiters in 's Konings dienst waren en daar 
in eigen huizen woonden; daaruit kan worden opgemaakt, 
dat gedurende den Tachtigjarigen oorlog en wellicht ook nog 
later het zijn van ruiter bij de Cavalerie niet gelijk stond 



— 425 — 

met het zijn van gemeen hussaar in clen tegenwoordigen tijd, 
maar dat het eene deftige militaire positie was. 

De vrouw van genoemden Gerarcl van Gerwen was 
Francina, dochter van Jacques van Strijp en Luitgard Pleviers. 
In 1670 worden zij en hare kinderen nog als eigenaars van 
dit huis vermeld. Johan van Kessel, koopman te den Bosch, 
verkocht het als erfgenaam zijner ouders 5 Juli 1 70i (Reg. 
n° 516 f. 301) aan Elisabeth van Els tot Boelenham, douairière 
van Jacob Ferdinancl Sweerts de Landas, van wie het kwam 
aan hunnen zoon Derck Jacob Sweerts de Landas, ten wiens 
laste het, als voorzegd, 24 Mei 1738 gerechtelijk werd uitgewonnen. 

b het huis St. Huybert. Henrick van de Gevel als 
weduwnaar van Anna van Ophoven verkocht 12 Juni 1670 
(Reg. n° 452 f. 378) dit huis. dat toen gezegd werd te zijn: 
huys, erve, stallinge ende hoff, genaemt in St. Huybert, staande 
ten einde de St. Jorisstraat op de Oude Huls nabij de 
Molensteeg tusschen het huis en erf der weduwe en kinderen 
Gerarcl van Gerwen, een straatje tusschen beiden liggende, 
ex uno en het huis en erf van Cornelis van Boxmeer, 
ex alio, zich achterwaarts uitstrekkende tot aan het erf van 
Jacques Darbant, aan Denys Janszn van Loon, ruiter in de 
compagnie van den Prins van Tarente; deze verkocht het 27 
Juli 1686 (Reg. n° 503 f. 303) weder aan genoemden Jacob 
Ferdinand Sweerts de Landas, van wien het kwam aan diens 
zoon Derck Jacob, ten wiens laste, als meergezegd, het 24 Mei 
1738 gerechtelijk werd uitgewonnen. 

Zoo waren dan ten laatste de huizen het Kaatsspel, de 
Paushoed en St. Huybert het eigendom van Cornelis de Witt en 
diens zuster Jacoba; zij zullen die verbouwd hebben, want 
blijkens eene beschrijving van die huizen, gemaakt in hunnen tijd, 
staande in het Cijnsboek van den Bosch, dat in het Rijks- 
archief aldaar berust, stond tegen het huis het Kaatsspel in de 
richting van de Weversplaats de studeerkamer van Prof. Cornelis 
de Witt; daarop volgde een poortje, clat toegang gaf tot voor- 
schreven huis en studeerkamer; dan kwam het koetshuis van 



426 



den professor, dat voor aan de straat stond en waartegen van 
achteren eene keuken stond; vervolgens kwam een stal ; daarna 
nog een koetshuis of stal en eindelijk nog een poortje 1). 
Van Jacoba cle Witt en haren broeder Comelis werden deze 
panden geërfd door de weduwe en testamentaire erfgenaam 
van laatstgenoemde, Cornelia Kalff, die vóór dat zij met hem 
trouwde, weduwe was van Marcelis van den Dungen ; zij ver- 
kocht ze 31 Januari 1775 aan Wilhelmus Velingius, echtge- 
noot van Jacoba Cornelia de Jong ; die panden bestonden toen 
blijkens de daarvan opgemaakte akte uithuis en erf, afzonder- 
lijke woning en stal, tuin en tuinkamer. Van hem werden ze 
geërfd door zijne genoemde vrouw, die ze daarop verkocht aan 
Hendrik Meysenheim Dirkszoon, drossaard van Nieuwkuik en 
aan diens echtgenoote Catharina Johanna de Weitzel ; van hen 
kocht ze 12 Sept. 1783 Helena Johanna van Kretschmar, huis- 
vrouw van mr. Gerard Tulleken en dochter van Andries van 
Kretschmar en Anna Elisabeth Weitzel, de zuster van genoemde 
Catharina Johanna de Weitzel; zij verkochten 1 Maart 1791 
meerbedoelde panden, welke alsnu omschreven werden als huis 
en erf, genummerd F n° 244, met eenen grooten tuin en tuin- 
kamer, alsmede stal en erf, aan Willem Hubert, mr. timmerman 
te den Bosch. Zijn zoon Willem Pieter Hubert, de bekende 
Bossche Patriot, toen lid der Municipaliteit van den Bosch, 
verkocht 14 December 1795 deze panden aan Philip Stubenrauch 
te den Bosch, van wien zij ten slotte door koop kwamen aan 
die gemeente ten behoeve van hare Koninklijke school voor 
nuttige en beeldende kunsten. 



1) Hierop volgde in de richting van de Weversplaats eerst het 
huis het Merenblad, dat Jacob de Witt en zijne zuster in 1746 kochten 
en dat zij 26 Juli 1749 weder verkochten aan Mathias van Heek, Francis 
Herle en Godefridus Henselmans ; dan een huis, dat mr Adrianus Schoneus 
in 1746 kocht ; vervolgens het Mannengasthuis van Aart Berewout, dat 
krachtens het Decreet van den Franschen Prefect ook is opgeheven en 
eindelijk een fraaie, plaisante tuin met hoornen en tuinhuisje, dien 
Magdalena Besemer wed. van den predikant Jacobus Kuchlinus 28 Aug. 
1706 verkocht aan Beatrix van Susteren, echtgenoote van Christiaan 
Beek velt; hare executeurs- testamentair verkochten dien 3 Jan. 1727 weder 
aan Jacobus van Beusekom Sr., koopman te den Bosch. 



427 



Deze school, die aanvankelijk heette A cademie Imperiale 
et Royale de peinture, sculptiire et architecture, werd niet 
in gezegde panden begonnen ; zij werd begonnen in October 
1812, op een afgeschoten zolder boven de toenmalige stads- 
armenschool Achter het Wiklvarken te den Bosch, nu de 
Gemeentelijke Ambachts- en muziekschool; hoe ook haar begin 
was, zij vond toch dadelijk bij de Bossche bevolking instem- 
ming, want reeds bij het eindigen van haar eerste studiejaar 
kon haar bestuur in de dans- of concertzaal van het Oud 
Staten Logement in de Orthenstraat eene tentoonstelling houden 
van de in die Academie vervaardigde teekeningen ; het reikte 
toen daar op eene plechtige wijze ook nog uit drie kleine 
zilveren medailles aan de leerlingen, die zich het meest op die 
school onderscheiden hadden. 

De zolder van de Stadsarmenschool was dan ook spoedig 
te klein om te kunnen voldoen aan de vereischten eener be- 
hoorlijke Teekenschool en het was daarom dat cle gemeente 
den Bosch daarvoor den 7 October 1820 de hier beschreven 
panden aankocht ; de gebouwen, die er op stonden, deed zij 
spoedig daarna herbouwen en uitbreiden, zoodat zij reeds den 
22 November daaraanvolgende er hare teekenschool in kon 
overbrengen. Het behaagde aan Koning Willem I om bij besluit 
van 22 Mei 1828 daaraan den titel te verleenen van Konink- 
lijke school voor nuttige en beeldende kunsten ; zij mocht zich 
in eene steeds toenemenden bloei verheugen, en wel zoo dat het 
thans allernoodzakelijkst is om wederom een grooter gebouw 
voor haar beschikbaar te stellen. 

Een goed deel harer geschiedenis kan men vinden in 
haar Gedenkboek, dat door R. A. van Zuylen is samengesteld. 

c Het Kuystens- of Lojjensmannengasthuis. 

N° 72. 

Ging men van het erf, waarop thans de Teekenschool 
staat, in de richting van de Vughterstraat, dan kreeg men 
eerst aan zijne rechterhand twee naast elkaar staande woningen, 



— 428 — 

die clan eens twee verschillende eigenaren dan weder slechts 
één eigenaar hadden. 

Arnoldus, zoon van Jan van Broeckhoven genaamd Per- 
soens en Yda, de bastaarddochter van Dirck Lambertszoon, 
verkocht in 1530 (Eeg. n° 138 f. 31 v so ) de naast het erf der 
Teekenschool staande woning, (nu genummerd 80 en 78), welke 
alstoen gezegd werd te zijn: huis, erf en achterhuis, staande 
tusschen het huis van Daniel van Vlierden ex uno en dat van 
domicella Mechteld, weduwe van Ricold van Vladeracken 1), ex 
alio, aan Henrick Henrickszoon die Loose, wever. Later be- 
hoorde deze woning aan Ancelmus Ancems, spelmaker. In 1585 
behoorde deze en de andere daarnaast staande woning aan 
Johanna, dochter van Everard van de Water Peterszn, de 
echtgenoote van Lambert Stooters van Enckevoirt, den zoon 
van Peter Mathijszoon; zij verkocht toen (Reg. n° 240 f. 166) 
de naast het erf der Teekenschool staande woning aan mr. Jan 
Schenckels, zoon van den med. doctor Dominions Schenckels; 
deze woning werd 8 Mei 1623 door Cornelis van Davelaer 
weder verkocht en wel aan Huybrecht de Mares, commandant 
op 't fort royael op Deuteren en capiteyn in Spaenschen 
dienst, die ze 29 September 1625 (Reg. n° 325 f. 312) op 
zijne beurt verkocht aan Reynier Gevaerts, commissaris van 
het leger van den Koning van Spanje. 

De andere woning (nu genummerd 76) behoorde eens 
aan Jacob van Vladeracken, zoon van Gerarcl en domicella 

1) Voor van Vladeracken zal moeten worden gelezen de Borchgrave, 
zooals blijkt uit eene akte van 12 Maart 1505 (Reg. n<> 100 f. 312), waarbij 
Daniel van Vlierden Danielszn aan Jan van Os Hermanszoon verkoopt 
een huis, genomen van twee naast elkaar gelegen huizen, staande aan de 
Oude Hulst tusschen het huis van Jan Persoens ex uno en dat der erven 
van Rycold de Borchgrave ex alio, en zich achterwaarts uitstrekkende 
tot aan eene gracht. Genoemde Rycold de Borchgrave had tot vrouw na 
te noemen Mechteld van Nuland Jansdr., die na zijnen dood hertrouwde 
met Gerard van Vladeracken. (In 1507 deelden voor Schepenen van den 
Bosch de dochters van Geerlach van Nuland Willemszn, zijnde Sophiaen 
Aleid, de huisvrouw van Henrick van Lynther. Reg. n° 101 f. 410; ge- 
noemd Geerlach van Nuland had ook nog een zoon Jan van Nuland, wiens 
zoons waren AlfarJ, Reg. n° 161 f. 143 en Jacob Reg. n<> 141 f. 274). 

Rycold de Borchgrave en Mechteld van Nuland hadden tot kinderen: 
Johannes Theodorus; Rycold enLudovicus,conventuaal in de Abdij van Berne. 



— 429 — 

Mechteld van Nuland; hij schijnt kinderloos te zijn gestorven, 
want na zijnen dood traden als eigenaars daarvan op de 
bloedverwanten zijner moeder (Reg. n os 141 f. 274; 152 f. 300; 
158 f os 57 en 156 en 161 f.143), alsmede de erfgenamen van Philips 
van Geldrop, den tweeden man zijner vrouw (Reg. n° 152 f. 
300); zij verkochten ze in 1540 en 41 aan Dirck, den zoon 
van Peter, den zoon van Jan de Borchgrave. Diens dochters 
Maria, begijn op het Groot begijnhof te den Bosch, Petra en 
Egidia de Borchgrave verkochten 11 Februari 1558 (Reg. n° 201 
f. 499) deze laatste woning, die toen gezegd werd te zijn: 
huis, erf, plaats en achterhuis, staande tusschen de woning 
van Ancelmus Ancems, spelmaker, ex uno en het huis der erf- 
genamen van Zeger, den zoon van Jan Goijartszn van Hedel, 
ex alio, aan Jan, den zoon van Gielis van Bladel. In 1585 
behoorde ook deze woning, zooals wij zooeven reeds zagen, 
aan Johanna van de Water en in 1625 was zij het eigendom 
van de weduwe van Jan van der Meer. In 1640 behoorden 
de beide woningen aan Maria Laureynsdochter Donckers, de 
weduwe van Goijart Wynants Roelof szn van Bernagie, bier- 
brouwer 1) ; hunne dochter Theodora Wynants van Bernargie, 
laatst weduwe van den meel. doctor Ambrosius Lintermans, 
verkocht 22 November 1658 (Reg. n° 415 f. 230) de meest 
Vughterstraatwaarts staande woning aan Willem Peterszoon 
van Oudenhoven, notaris te den Bosch, die ze 28 November 1661 
(Reg. n° 456 f. 121), als wanneer ze gezegd werd te staan 
tusschen het huis van den kapitein Faex ex uno en het huis 
van Peter Groenhoft en dat van Hendrijck de Marees, Fransch 
predikant te den Bosch, ex alio, weder verkocht aan Jacob de 
Gruyter Aertszn, commies ter recherche te den Bosch; de andere 
woning werd 5 Mei 1664 (Reg. n° 444 f. 328) door laatstge- 
noemde gekocht van voorzegden Peter Groenhoft, die ze 16 Juli 
1660 gekocht had van den curator over den desolaten boedel van 
genoemde Theodora Wynants van Bernagie. Van voornoemden 

i) Men zie over zijne familie Maandblad van de Nederland Leeuw 
XXIX blz. 90 en vlgd. en blz. 207. 



430 



de Gruyter erfde deze beide woningen Agnes Van Loenen 
weduwe van Nicolaas Coenen, van wie ze geërfd werden door 
haren kleinzoon mr Gerard Cornelis van Blotenburg; deze liet 
als zijne weduwe na Maria Vreda van Blotenburg, (die na zijnen 
dood hertrouwde met Jacob van Brand wyck) en als zijn kind 
Vreda Elisabeth van Blotenburg, die geboren was uit zijn huwe- 
lijk met haar. Genoemde van Brand wyck verkocht 25 Juli 1739 
(Eeg. n° 559 f. 331 v so ) voor zijne genoemde vrouw en voor- 
zegd kind de naast het erf der Teekenschool staande woning, 
welke nu gezegd werd te zijn : huis met erf en achterhuis, staande 
tusschen het huis van den Predikant de Witt ex uno en het 
volgend huis ex alio, aan Lucas Wesselman, burger van den 
Bosch, en de andere woning, welke alstoen omschreven werd 
als : een schoon huis, voorzien van schoone kamers en keukens 
en met eenen schoonen tuin, staande tusschen het voormeld 
huis en dat van van Gemert, aan Daniel Mobachius Quaet, 
professor in de medicijnen en regeerend schepen van den Bosch; 
zij heette toen de Witte hand. 

Over het daarop volgend huis, thans genummerd 74, komt 
in Reg. n° 101 f. 231 v so de navolgende schepenakte van 17 
November 1506 voor: Jan, zoon van Goyart van Hedel en 
weduwnaar van Yda, dochter van Zeger van Brede en Geertruid, 
de dochter van Henrick Back, den zoon van Gyselbert van 
Loen, doet afstand van den tocht van een huis, staande aan de 
Oude Huls tusschen dat van Gyselbert Gyselbertszn van Doorn 
ex uno en dat van Jan die Ridder er alio, (welk huis Jacob 
van Gheel had verkocht aan genoemden Henrick Back), ten 
behoeve van Zeger, zijnen zoon, dien hij had van zijne ge- 
noemde vrouw, waarna die zoon dat huis, hetwelk nu was: 
„huis, erf, plaats, achterhuis en tuin, staande tusschen dat der 
erven van Jacob van Vladeracken ex uno en dat van Peter 
die Borchgreve ex alio, en zich achterwaarts uitstrekkende tot 
aan het erf van Heer Cornelis van Bergen, heer van Zevenbergen, 
de Mortelgrave tusschen beide liggende," overdroeg aan zijnen 
genoemden vader. 



— 431 - 

Zeger van Hedel voornoemd had yan zijne vrouw Aleid, 
dochter van mr Willem van den Bosch, deze kinderen : Lazarus, 
Martha, huisvrouw van Henrick de Heusch en Zeger van Hedel; 
dezen verdeelden in 1550 (Reg. n° 180 f. 16) de nalatenschappen 
van hunnen grootvader Jan Goyartszn van Hedel en diens 
tweede vrouw Aleid van Gunterslaer en alstoen kreeg Lazarus 
voor zijn deel dit huis, dat daarbij omschreven werd als een 
huys, erve, hoff ende erffenisse, dair aenliggende, staende in 
Sint Jorisstraet tegen den hoff over van de Schutten van den 
Alden Voetboege. Genoemde Lazarus van Hedel huwde met 
Cecilia Kievits Cornelisdochter, en verwekte bij haar een e 
dochter Barbara, die de huisvrouw werd van Lambrecht Dirckszn 
Remmen, raad van den Bosch en dat huis erfde ; het werd 
toen gezegd te zijn : eenre voirpoirte, voirplaetse, hoven, woon- 
huysinge ende afterhuysinge, staande in de St. Jorisstraat 
bijna tegenover den Bogaard van de Oude Schutterij tusschen 
het huis van Goyart, zoon van Wynand Roelof szn, bierbrouwer, 
ex uno en dat der erfgenamen van wijlen J or Willem de 
Borchgrave, heer van Oerle, ex alio (Reg. n° 257 f. 252 Vso). 
In 1650 (Reg. n° 493 f. 114) werd het door Aert van Orthen 
verkocht aan Servaas van Zutphen. Later behoorde dit huis 
aan mr. Johan van Gemert advocaat te den Bosch, die gehuwd 
was met Maria Anna Gooien, dochter van mr Cornelis Coolen 
Henrickszn, advocaat te den Bosch en rentmeester van de 
Adellijke Abdij van St. Geertruid te Leuven. Johan Baptist 
van Gemert, die naar alle waarschijnlijkheid hun zoon was, 
verkocht 4 Mei 1757 (Reg. n° 576 f. 290 v so ) dit huis, dat 
alstoen omschreven werd als: huis met achterhuis, tuinkamer, 
stal en tuin, zich achterwaarts uitstrekkende door eene 
poort, de Faasche poort genaamd 1), tot aan de gedempte 
Mortelgraaf, aan Theodora Allegonda Suyskens 2), dochter van 



1) Men zie hierover Reg. n<> 456 f. 121. 

2) Haar broeder was Constantyn Suyskens, geboren te den Bosch 
20 Aug. 1714 en gestorven te Antwerpen 1771. Bij was Jezuit en nam 
een werkzaam deel aan de Acta Sanctorum der Bollandisten. 



— 432 — 

mr Paulus 1) en Theodora Maria de Hee en weduwe van 
Franciscus Hyacinthus van den Berghe ; zij woonde toen te 
Vught, vermoedelijk op Sionsburg en stierf te den Bosch 7 
Februari 1762. Haar man werd 15 Augustus 1718 in het 
bedehuis van St. Catharina te den Bosch gedoopt en was zoon 
van den kapitein Adriaan Hyacinth van den Berghe 2) en 
Beatrix Josepha van Geffen, die 3 Juni 1714 in gezegd bede- 
huis gehuwd waren; laatstgenoemde was denkelijk de dochter 
van Petrus van Geffen, die 14 Juni 1717, als op blz. 418 
noot 2 is gezegd, het huis Sionsburg kocht. 

De echtelieden van den Berghe-Suyskens hadden deze 
kinderen : a Isabella Theodora, gedoopt 25 Mei 1746 in het 
bedehuis van St. Jan te den Bosch, huwde met J or . Johannes 
Baptista Josephus Guyot, aalmoezenier der stad Antwerpen ; 
b Theodora Johanna, gedoopt alsvoren 6 October 1747, huwde 
met J or . Jan Steven Grigis en c Franciscus Josephus, gedoopt 
alsvoren 7 Augustus 1749, aalmoezenier der stad Antwerpen, 
huwde aldaar Maria Theresia de Knyff. Zij verkochten 22 
April 1776 (Keg. n° 584 f. 369) het goed Sionsburg aan Jan 
van Heemskerck, kolonel te den Bosch, en 4 October 1775 
(Reg. n° 592 f. 209) het door hunne moeder, als gezegd, ge- 
kocht en hierbedoeld huis aan mr. Zacharias Mathias Lomans, 
advocaat te den Bosch ; deze verkocht 4 April 1778 dat huis 
(Reg. n° 585 f. 185 v so ), dat nu stond tusschen dat van na te 
noemen kooper ex uno en het huis de Witte hand, toebehoo- 
rende aan Mobachius Quaet, ex alio en zich achterwaarts uit- 
strekkende voor de Franse (Faasse) poort van de straat tot 
aan de gedempte Mortelgraaf , aan Daniel Baert Verspyck, 
schepen van den Bosch en rentmeester der geestelijke goederen 
in de kwartieren van Oisterwijk en Kempenland, zoon van 



1) Hij was zoon van mr Lambert Suyskens en Maria Elisabeth 
van Beughem, dochter van Jaspar, (den zoon van Jan Janszn en Catharina 
Grevenraet) en Johanna van Wamel. 

2) Men zie zijne genealogie in het werk: La familie van den 
Berghe. Anvers 1890. 



— 433 — 

mr Arend Verspyck 1), die gehuwd was met Theodora Elisabeth 
Nobel en weder zoon was van Leonard Verspyck, ontvanger- 
generaal in het Kwartier van Nijmegen en Huberta Ingenool; 
gezegd huis, dat, toen hij het kocht, was een huis met achterhuis, 
kamer, stal, tuin en erf, werd door hem tot eene hoveniers- 
woning gemaakt, wat het nu nog is. De executeur van het 
testament van genoemden Daniel Baert Verspyck verkocht 28 
Juli 1807 (Eeg. n° 622 f. 348 v so ) deze hovenierderij, die toen 
gezegd werd te zijn : „een moeshof meteen kamertje voor aan den 
ingang en achteraan eene woning, mitsgaders stal en koetshuis," 
aan Johan van der Bruggen in diens hoedanigheid van rent- 
meester van het na te melden Kuysten's of Loyen's Mannen- 
gasthuis. 

Het huis, waarin dit oudmannenhuis thans gevestigd 
is, staat naast laatstbedoelde hovenierswoning en is nu ge- 
nummerd St. Jorisstraat 72. 

De oudst bekende eigenaar daarvan was Peter, de zoon 
van Peter Rycolduszoon de Borchgrave ; dat hij de zoon was 
van dezen Peter Rycolduszoon blijkt ten duidelijkste uit eene 
Bossche schepenakte van 1524 (Reg. n° 127 f. 449), waarbij 
Peter, de zoon van eerstgenoemden Peter de Borchgrave, ver- 
kocht het goed ten Mortel onder Udenhout, dat door zijnen 
overgrootvader, Rycoldus de Borchgrave, gekocht was geweest, 
alsmede uit eene Bossche schepenakte van hetzelfde jaar 
(Reg. n° 128 f. 139 v so ), waarin uitdrukkelijk gezegd wordt, 
dat Peter de Borchgrave, die, als gezegd, het goed ten Mortel 
verkocht, had tot pater eerstgenoemden Peter de Borchgrave, 
tot avus diens vader Peter en tot abavus den vader van dezen 
laatste, Rycoldus de Borchgrave; het blijkt verder ook nog 
zoo duidelijk mogelijk uit eene Bossche schepenakte van 1523 
(Reg. n° 125 f. 111). Ik beroep mij op al deze akten, omdat 
in het werk van L. de Herckenrode Collection de tombes etc 



1) Zijn broeder Johan Stephan Verspyck, majoor der Infanterie, 
had van zijne vrouw Elisabeth Maria Smits een zoon mr Leonhard Verspyck, 
gedoopt te den Bosch 10 Januari 1728, die de stamvader werd van den 
adellijken tak van zijn geslacht. 

28 



— 434 — 

dans les églises et couvents de la Hesbaye blz. 337 gezegd 
wordt, dat Peter de Borchgrave, cle verkooper van het goed 
ten Mortel, de zoon was van Dirck de Borchgrave 1) en 
Geertruid Brant van G-robbendonck en dientengevolge de 
meening kon ontstaan, hadde ik mijne bewering niet gestaafd, 
dat ik mij vergiste. 

Eerstgenoemde Peter de Borchgrave huwde met 1° Zum- 
borch, dochter van Floris van der Dussen en Elisabeth Brant ; 
2° Beatrix, dochter van Adolf van Dommelen en Heylwich, de 
dochter van Jan Loenman Janszn ; uit heide huwelijken kreeg 
hij kinderen; die uit den eersten echt waren: a. Peter de 
Borchgrave, die stierf 6 September 1553 en huwde met Anna 
van Nuland; b. Maria de Borchgrave, echtgenoote van Bartholdus 
Wyffliet Janszn ; c. Willem de Borchgrave, heer van Oerle en 
Meerveldhoven. 

De onder a en b genoemde kinderen erfden het hier- 
bedoeld huis, thans genummerd 72; zij bezaten het reecis 
28 Augustus 1505 (Reg. n° 99 f. 349), als wanneer het om- 
schreven werd als : domus, area, ortns ac domus posterior, 
sitae in Buscoducis ad vicum dictum aen den Alden Huls 
in opposito pomarii Sagitiariorum ibidem inter hereditatem 
Johannis Goyartssoen van Hedel ex uno et inter hereditatem 
Egidii dicti des horemekers ex alio, tendentes a dicto vico 
retrorsum usque ad hortum Domini Cornelii de Bergis, domini 
de Zevenbergen, Grevenbroeck, etc., quodam fossato interjacente. 

1) Dirck de Borchgrave, die de zoon was van Dirck de Borchgrave 
en Margaretha Bacx genaamd Houtappel. (Hun andere zoon was Ricold 
de Borchgrave, die weder tot zoon had Dirck van Borchgrave, welke huwde 
met Yda van Kryeckenbeeck Jansdr die hem schonk: Rycold en Heyl- 
wich de Borchgrave), werd in 1492 bij doode zijner moeder beleend en 
stierf in 1519; hij had van zijne genoemde vrouw deze kinderen: 

a mr Dirck de Borchgrave, schepen van den Bosch, stierf kinder- 
loos in 1536. 

b Arnd de Borchgrave, stierf omstreeks 1540, h. Anna van den 
Daele, die hem schonk: 1<> Adriaan, die ongehuwd bleef; 2° Jan; 3° Dirck; 
4° Catharina; 5° Geertruid. 

c Margaretha de Borchgrave, h. Nicolaus Oem van Bockhoven 
(Reg. no 125 f. 423 vso). 

d Ida de Borchgrave h. Gerard van Berckel. 



— 435 — 

Zij verkochten 6 Maart 1524 (Reg. n<> 128 f 139 y«°) 
dat huis, dat alstoen gezegd werd te zijn: domus, area et 
camerae, necnon domus posterior, olim dicti quondam Petri 
de Borchgreve (hunnen vader n.1.), sitae in Buscoducis quasi 
in opposito pomarii Antiquorum Sagittariorum, dicti den 
Ouden Scutter bogart ibidem, inter hereditatem Johannis, 
filii quondam Godefridi de Hedel, ex uno et inter hereditatem 
Egidii horenmakers, ex alio, tendentes a communi platea 
retrorsum usque ad hereditatem heredum domini Cornelii de 
Bergis, domini temporalis de Zevenbergen, Hezewijc, etc., in 
quibus quondam Petrus (vader de Borchgrave zeker) decessit, 
aan domicella Beatrix, dochter van Adolph van Dommelen en 
weduwe van dien Peter de Borchgrave in vruchtgebruik en 
aan hare kinderen in eigendom. 

In 1565 behoorde dit huis, dat toen gezegd werd te zijn: 
porta, domus, area, ortus ac domus posterior, staande tusschen 
het huis van Lazarus Zegerszn van Hedel ex uno en dat van 
mr Willem van den Bosch, ex alio, aan Willem de Borchgrave, 
heer van Oerle en Meerveldhoven, den hiervoren reeds ge- 
noemden zoon van Peter de Borchgrave en diens eerste vrouw 
Zumborch van der Dussen; van zijne echtgenoote Everarda 
van Nuland, dochter van Everard en Adriana van Kessel 
Jansdochter, had hij deze kinderen : Everard, schepen van den 
Bosch, Yda en Jan de Borchgrave, koningsgezind kapitein te 
den Bosch in 1584. Willem de Borchgrave droeg in dat jaar 
aan dezen laatste (Reg. n° 239 f. 421) over de heerlijkheid 
van de parochie en dorp Meerveldhoven mette iuarande,vogelrye, 
visscherye, cueren, breucken, amenden, criminele ende civile 
confiscatien van bastaerd goederen etc. Genoemde Jan de 
Borchgrave schijnt kinderloos vóór zijnen broeder Everard te 
zijn gestorven, want in 1592 noemde deze laatste zich heer 
van Oerle en Meerveldhoven. Toen in 1607 de nalatenschappen 
van diens ouders verdeeld werden, werd het hierbedoeld huis, 
— waarin die ouders hadden gewoond en dat in dat jaar 
omschreven werd als: hmjsinge met erve, tuinen, plaets en poort 



— 436 — 

in de St. Jorisstraat" — aan hem toegescheiden 1). Hij ver- 
kocht het 13 Mei 1610 (Keg. n° 297 f. 95) aan J or Henrick 
Dach verlies Joriszn. 

Laatstgenoemde kooper behoorde tot een tak der adel- 
lijke familie Dachverlies 2), van wie Jan Janszn Dachverlies 
reeds vroegtijdig te den Bosch gevestigd was 3) ; deze huwde 
met Goeswina van Varick (die na zijnen dood hertrouwde met 
Frans de Vos van Steenwijk) ; zij schonk hem deze kinderen : 

a. Margaretha Dachverlies, die huwde met Jan van 
Bemmel en hem schonk eene dochter Anna, alsmede een zoon 
Sweder van Bemmel; (Bossche schepenakte van 1530). 

b. Henrich Dachverlies, die volgt onder I; 

c Walraaf Dachverlies 4), die huwde met Elisabeth van 
Eijswijck Gerardsdr en bij haar deze kinderen verwekte: Jan 
en Geerlac. 

I Henrick Dachverlies, hiervoren onder l genoemd, was 
eerst schepen en daarna hoogschout te den Bosch ; hij verkocht 
in 1535 een huis, staande in de Hinthamerstraat aldaar naast 
dat van zijnen vader; kocht 25 Juni 1534 (Reg. n° 147 f. 200) 
van Willem, den zoon van Jan van Rijswijck en Geertruid, 
dochter van Willem Monicx, zoon van mr Jan, een steenen huis 
met erf, klein huis, boomgaarden en grachten, genaamd Havels- 
donck, (of Havincdonck), staande te Belveren onder Haaren en 
huwde met Engelken, dochter van Peter Colen den oude; in 
1544 deelden hunne kinderen: Henrick, Geertruid, beiden toen 
reeds meerderjarig en Franck, Joris, Walraaf en Maiiken, toen 



1) Zijne vrouw was Johanna 's Groets, dochter van J or Michiel, 
heer van Piepingen en Schalckhoeven; zij schonk hem een zoon Michiel 
de Borchgrave. 

2) Men zie over dezen tak Maandblad van de Nederl. Leeuw XX 
blz. 129. 

3) In 1524 wordt vermeld frater Adrianus, bastaard van Jan 
Dachverlies en biechtvader van het klooster Valle St. Hieronymi te 
St. Truiden. 

4) In 1545 (Reg. no 169 f. 328) worden vermeld de navolgende 
bastaarden van Walraaf Dachverlies en Marie, de bastaard van Frans 
de Vos van Steenwijk: Anneken en Jan; deze laatste trad in 1555 op als 
man van Sophia, dochter van Joorden die Leeuwe. 



— 437 — 

nog minderjarig, voor Schepenen van den Bosch (Reg. n<> 645 
f. 214) hunne nalatenschappen en werd alstoen toebedeeld een 
huis, genaamd Crakenstein, met aanliggende hoeve, gelegen te 
Ruimel ter plaatse de Plack, aan Henrick, Franck en Geertruid 
voornoemd. 

Van deze kinderen 1) huwde : Henrick met Christina 2), 
dochter van Henrick de Ruyter, (die bij haar verwekte twee doch- 
ters Angela en Christina); en Geertruid met Albert Henrickszn 
de Ruyter; waren mr Franck en Walraaf geestelijken; werd 
Mariken non en huwde 

II Joris Dachverlies met Yda van Berckel Aelbrechts- 
dochter. Zij schonk hem deze kinderen: 

a J or Henrick Dachverlies, den kooper van het hier- 
bedoeld huis; hij huwde met 1° Marie van Vladeracken, dochter 
van Nycolaus en Barbara van Brecht; 2° Agnes de Gruytere, 
dochter van J or Philips, heer van Dirksland. 

b Angela Dachverlies, huwde met Floris van Ysselsteyn, 
wien zij schonk: Christoffel Floris, Maria en Margaretha van 
Ysselsteyn. 

c Aelbrecht Dachverlies. 

d Willem DachverlieSj in 1609 vermeld. 

De onder II a genoemde J or Henrick Dachverlies Joriszn 
verleende 23 Juni 1614 (Reg. n° 339 f 478 v so ) als weduwnaar 
van Agnes de Gruytere Philipsdochter eene grondrente uitliet 
hierbedoeld huis, dat alstoen omschreven werd als: huysinge, 
poorte, ledige plaetssen, hoff, voorhuysinge ende achter huysing e, 
staande in de St. Jorisstraat tegenover den Ouden Schutters- 
bogaard tusschen het erf van Lambrecht Remmens, schepen 
van den Bosch, ex uno en dat van den schrijnwerker Herbert 
ex alio en zich achterwaarts uitstrekkende tot aan de bleek, 



1) In eene Bossche Schepenakte van 1552 (Reg. n° 185 f. 280) 
wordt nog als hunne zuster vernield: Antonia, huisvrouw van Petrus 
Janszn van den Yser. 

2) Zij hertrouwde na zijnen dood met J or . Willem van Heerdt. 



— 438 — 

genaamd het Hof van Zevenbergen. In zijne hoedanigheid van 
weduwnaar verkocht hij verder 19 Mei 1618 (Reg. n° 253 
f. 279) dit huis aan J or Lodewijk Vereycken, kapitein ten 
dienste der Aartshertogen Albert en Isabella. 

Van laatstgenoemde kwam dit huis, hoe blijkt niet, 
aan Frans Franssen, koopman te Keulen, die het 18 December 
1634 verkocht aan Johan van Werden, priester; deze verkocht 
het 19 November 1636 (Reg. n° 338 f. 248 v s0 ) weder aan 
J or Elbert Le Lyon, president-schepen van den Bosch en 
drossaard van Oud-Herlaer. Hij was gehuwd met Adriana 
Vlas, dochter van Jacob en Anna Raessen, die hem deze kin- 
deren schonk: Henrick, heer van den G-rooten Ruwenberg, 
luitenant in de compagnie van den kommandant van Tuyll van 
Bulkenstein en kastelein, rentmeester en stadhouder van de 
leenen van Oud-Herlaer; en Digna, die huwde met den kapitein 
Frangois Doublet de Margigny ; aan haar werd 30 September 
1655 (Reg. n° 408 f. 172 v so ) uit de nalatenschap harer ouders 
het hierbedoeld huis aanbedeeld, dat alstoen omschreven werd 
als een huis met stal, plaats en tuin, staande aan de St. Joris- 
straat tusschen het huis der kinderen Lambert Remmens, 
ex uno en dat van mr. Philips, knopmaker, ex alio en zich 
achterwaarts uitstrekkende tot aan de Mortelgraaf. Hoe dit 
huis uit haar bezit geraakte is mij niet kunnen blijken; wellicht 
werd het gerechtelijk uitgewonnen. Blijkens eene akte van den 
Bosschen notaris Theodorus van Asten van 24 November 1702 
werd het bewoond door Catharina van Roye weduwe van 
Rutger Tulleken, schepen van den Bosch en is het toen bij 
de verdeeling van de nalatenschappen dezer echtelieden toebe- 
deeld aan hunne dochter Antonetta Tulleken, die het 24 Februari 
1707 (Reg, n° 520 f. 211 v so ) verkocht aan Abraham Tscharner, 
luitenant-kolonel in het regiment Zwitsers van den kolonel 
Chambrier en echtgenoot harer zuster Helena Tulleken; het 
werd alstoen gezegd te zijn huysing, erve, hoff, stallinge ende 
koetshuys in de St. Jorisstraat, ex uno mr Johan van Gemert, 
ex alio Verheijen, Van laatstgenoemden kooper erfde het 



— 439 — 

diens dochter Barbara Antonetta Rosina Tscliarner, die huwde 
met 1° den kapitein Adriaan de Lange; 2° in 1742 Herman 
Gideon Clemens, professor in de godgeleerdheid en predikant 
te den Bosch, weduwnaar van Alletta Lampsins. Haar tweede 
man overleed 23 Februari 1772, zij op dienzelfden dag, een 
half uur na hem (Reg n° 586 f. 148) ; zij stierf kinderloos en 
dientengevolge erfden de kinderen van haren broeder Abraham 
Assuerus Tscliarner, vaandrig in Zwitserschen dienst, haar 
hierbedoelcl huis, evenals zij ook van haar erfden hare helft 
in het kasteel Nieuw-Herlaer onder St. Michielsgestel ; dezen 
verkochten gezegd huis 30 Juni 1772 (Reg n° 591 f 310 v so ) 
aan den hiervoren reeds genoemden Daniel Baert Verspyck. 
De executeur-testamentair van dezen laatste verkocht 28 Juli 
1807 (Reg n° 622 f 348 v so ) ook dit huis, dat alstoen gezegd 
werd te zijn : huis met poort daarnaast, groote open plaats, 
schoone tuin, tuinkamer, stal en koetshuis, alles bij elkander 
staande tusschen diens voorschreven perceel ex uno en het 
huis van van Kerkhoven ex alio, aan den Rentmeester van het 
Kuysten's of Loyen's Mannengasthuis, om te dienen tot woning 
van de oude mannen, voor wie dat gast- of oudmannenhuis 
gesticht werd. 

Stichters van dat gasthuis waren Willem Loyer en diens 
huisvrouw Heylwich ; volgens J. van Oudenhoven t. a. p. blz. 126 
richtten zij het op in 1407, doch volgens eene oude akte ge- 
schiedde zulks in 1440. Het werd eerst gevestigd op den 
Uilenburg te den Bosch en kreeg in 1535 zijne statuten. Toen 
een gedeelte van den Uilenburg en daarmede dit gasthuis in 
1614 bij het eerste Capucynenklooster van den Bosch getrokken 
werden, werden de oude mannen van dit gasthuis in een 
gebouw in de Tolbrug straat aldaar overgebracht, alwaar zij 
verbleven totdat zij in 1809 werden ondergebracht in het hier 
beschreven huis ; het gasthuis in de Tolbrugstraat, (dat stond 
tegenover de vroegere kazerne, nu van den Bergh's schoen- 
fabriek), is in 1822 door den Provisor van dit gasthuis verkocht. 

Dat gasthuis werd aanvankelijk gesticht voor vijf be- 



— 440 — 

hoeftige mannen, vroom van leven en buiten staat om in hun 
onderhoud te voorzien. In den beginne was voor hen geen 
leeftijdsgrens gesteld, doch later is die bepaald op 60 jaren. 
Volgens cle statuten zouden zij verpleegd worden door eene 
meid, die, evenals zij, jaarlijks zoude bekomen 40 brooden en 
wekelijks een braspenning, terwijl die meid bovendien zoude 
ontvangen eene huur van 4 Bijnsche guldens 's j aars Zij kregen 
daarenboven elk een kan bier 's daags en allen gezamenlijk 
jaarlijks een half varken. De oude mannen, die in dit gasthuis 
werden opgenomen, waren gehouden daarin te brengen een 
behoorlijk bed en 12 pond fijn tin. 

Na de familie Loyer waren provisors van dit gasthuis 
leden der familie van Witmeer, welke aan haar verwant was. 
Door het huwelijk van Mechteld van Witmeer (of Witmerii) 
Jansdochter met Claes Kuyst of Kuysten, secretaris van den 
Bosch, kwam het provisorsschap van dit gasthuis in diens familie 
en van daar, dat het ook het Kuysten's gasthuis genoemd wordt. 

Uit het huwelijk van genoemde Mechteld van Witmeer 
met Claes Kuysten werd geboren Hendrik Kuysten, schepen 
van den Bosch in 1538, wiens zoon was Gijsbert Kuysten, die 
in 1599 stierf en tot vrouw had Susanna van Gasteren, dochter 
van Jacob Gerritszoon en Wendelke Spijckers; tot hunne familie 
behoorde mr Otto van Cattenburch 1), die dientengevolge pro- 
visor van dit gasthuis werd ; hij werd als zoodanig opgevolgd door 
den in dat jaar geborenen mr Leonard Kuysten van Hoesen; deze 
was een kleinzoon van Leonard van Hoesen, die gehuwd was met 
Maria Kuysten, de dochter van mr Gerard Kuysten, die weder 
een achterkleinzoon was van voornoemden Gijsbert Kuysten; 

Mr Leonard Kuysten van Hoesen assumeerde zich op 
23 Juli 1793 als provisor van dit gasthuis Dr Petrus Josephus 
van Berckel, als zijnde van den bloede van deszelfs stichters; 



1) Hij was kleinzoon van Dirck van Cattenburch, president-schepen 
van den Bosch, die gehuwd was met Catharina van Gasteren (dochter 
van Jacob, den zoon van Jacob Gerritszn voornoemd) en zoon was van 
mr Jean Louis van Cattenburch, secretaris van den Bosch en Moralla 
Catharina Copes, dochter van Otho en Josina Schade van Westrum. 



— 441 — 

op zijne beurt assumeercle deze zich na doocle van genoem- 
den van Hoesen in 1809 tot provisor Mr Petrus Andreas van 
Meeuwen, van wien hij bij de akte van benoeming verklaarde, 
dat hij ten duidelijkste onderricht was, dat deze een afstam- 
meling van de Kuysten's was; hetzelfde verklaarde hij van 
zijnen neef, den eerwaarden heer Theodorus Dominicus van 
Berckel, dien hij bij akte van 10 April 1816 tot zijnen opvolger 
aanstelde. Jhr. Mr. P. A. van Meeuwen voornoemd werd als 
provisor opgevolgd door zijnen zoon Jhr. mr. Eduard van 
Meeuwen en deze laatste door den tegenwoordigen provisor 
Jhr. mr. Petrus van Meeuwen, oud-president van het Gerechtshof 
te den Bosch. 

Dit gasthuis is, blijkbaar tengevolge van den grooten 
politieken invloed van zijnen toenmaligen provisor, ontkomen 
aan het vernietigingsbesluit van den Franschen Prefect van 
28 December 1811, want het bestaat nog altijd als eene zelf- 
standige stichting. In de plaats van vijf worden daarin thans 
twaalf oude mannen verpleegd, die wegens dat getal in den 
volksmond heeten de Twaalf apostelen. 

Het tweede huis verder dan dit huis in de richting van 
de Vughterstraat, nu genummerd 68, was het Jacob Uter 
Oisterwyek's gasthuis, dat Jacob Uter Oisterwyck en zijne 
vrouw Mechteld, de dochter van Godevaert Schunken, in 1408 
hadden gesticht voor dertien oude mannen. Dit gasthuis 
kocht 29 Mei 1660 (Keg. n° 440 f. 322) daarbij aan het daar- 
naast in de richting van de Vughterstraat staand huis, dat 
aan den anderen kant grensde aan dat der weduwe van den 
predikant Valckenarius ; het was de kleindochter van Arend 
Gast, echtgenoote van den kuiper Pieter Swaen te Haarlem, die 
het aan dat gasthuis verkocht. Dit gasthuis is 29 September 
1789 aan zijne bestemming onttrokken doordien zijne toenmalige 
rentmeester het toen verkocht aan Jacoba Oucoop weduwe van 
Wouter van Wolfsbergen. 



— 442 — 

d. de St Joriskapel. 

N os 40 en 38. 

Aan den hoek der St. Jorisstraat en Keizerstraat stond 
de St. Joriskapel, die, zooals wij reeds zagen, het eigendom 
was der Schutterij van den Ouden Voetboog 1). Van Heurn 
in zijne Beschrijving deelt er het volgende over mede: „De 
kapelle van St, Joris of St. Georgius staat in de St. Joris- 
straat op den hoek van de Keizerstraat; wanneer die gebouwd 
werd, kan ik by gebrek van aanteekeningen niet vernaaien; 
het was de grootste kappelle binnen de stad, die kruisgewyze, 
egter zonder eenige pilaaren of zypanden, gebouwd was; dezelve 
is grooter als meenige kerstspelkerk in kleine steden of dorpen. 
Uit het beschouwen des gebouws is duidlijk te zien, dat het 
in verscheide tyden getimmerd moet zijn. Het hoogautaar in 
deze kappelle was denklijk den Schutsheer toegewijd. Ik 
vinde, dat zekere kappellaanye, in die kapelle gestigt, by het 
Gemeene Land na het overgaan der stad aangeslagen wierd; 
denklijk moet het alleen die van den autaar van St. Barbara 
zijn geweest, welkers inkomsten tyde van het oprigten der 
nieuwe kerstspelkerken aan den Priester des Kerstspels van 



1) De kapel dezer Schutterij bezat oudtijds ook het hoekhuis aan 
de overzijde van de St. Jorisstraat, zooals blijkt uit eene Bossche schepen- 
akte van 12 Mei 1609 (Reg. n° 307 f. 373), waarbij : Guilliam van Delft, 
kapitein, Jan Aertszn van Horenbeeck en Guilliam Gobels, luitenants, 
Matheus Adriaanszn van Herlaer en mr Willem Vos, vaandrigs, Eustaes 
Janszn van Asperen, Louis Symons en Gijsmar Adriaenszn, sergeanten, 
Peter Allardszn van Herpen, Jan Janszn Wouters en Art Aertszn van 
Horenbeeck, dekenen, Roelof Noppen Janszn de oude en mr. Aert 
Wouterszn van Houbraeken, schrijvers, Peeter van Haeren, rentmeester 
en Gornelis Janszn in den Rijder kapel — en was meester, als respresen- 
teerende het geheele Corpus van de Gulde ofte de Schutterye van den 
Ouden Voetboog binnen den Bosch, verkoopen aan Jan, zoon van Evert 
Janszn van de Water: huis en erf, wezende een hoekhuis, staande op 
den hoek van de St. Jorisstraat tegenover de St. Joriskapel ter zijde, 
tusschen het huis van het Convent der Fraters, ex uno en de straat» 
gaande naar het Loeffbrugske ex alio, strekkende van de St. Jorisstraat 
tot aan het erf der erfgenamen Jenneken van de Water, welk huis heer 
Roelof, priester, zoon van Roelof Coenen, 11 Januari 1486 aan de fabriek 
der St. Joriskapel had vermaakt. 



— 443 — 

St. Katharina gegeven werd (Miraeus Supplem. III p. 245). 
Off'er eenige andere autaaren in deeze kapelle geweest zijn, 
hetwelk ik om derzelver groote vaststelle, kan ik by mangel 
van bewijs niet vernaaien 1). Het is my, behalven uit het 
na te melden schryven der (stads) regeering niet gebleken, dat 
deze kappelle door de Schuttery des Ouden Voetboogs getim- 
merd zy of tot haar bizonder gediend, gelijk ook niet wat 
recht de Schutterye van den Ouden Voetboog er boven die 
van den Jongen Voetboog toe had; de laatste schutterye was 
een afzetsel der eerste. 

In het jaar 1663 schreef de Raad van State aan de 
(stacls)regeering, dat hy vernoomen had, dat er verscheide kap- 
pellen hier ter stede ledig stonden 2); hy zoude derhalven 
gaarne onder anderen die van St Joris tot een krijgsvoor- 
raadhuis doen vervaardigen. De (stads)regeering antwoorde 
hierop, dat de St. Joriskappelle de Schuttery van St. Joris 
of van den Ouden Voetboog toekwam en haar honderden jaaren 
toebehoord had ; zy was uit deszelfs middelen gebouwd en tot 
deezen tijd toe door die Schuttery onderhouden geweest en 
word thans ten naaren voordeele verhuurd. De Schutterye 
was by cle Voorwaarden van overgaaf der stad, in den jaare 
1629 aangegaan, tot die kappelle gerechtigd gebleven". „Ik 
heb niet gevonden", zoo schreef van Heurn verder, „wat hierop 
by den Raad van Staaten besloten werd, zeker is het, dat die 
kappelle tot geen krijgsvoorraadhuis gemaakt is'\ 

„Na het overgaan der stad in 1629 werd die tot een 
pakhuis en stallingen gebruikt" 3). 

Eene oude Bossche Kronijk vermeldt verder nog als 
volgt den verkoop der sieraden dezer kapel : In het jaer 
1632 den 17 Augusti hebben de Officialen van de Oude Schuts 



1) Blijkens Bossche Schepenakte van 1540 (Reg. n° 158 f. 143) 
stond er ook nog in het altaar der H.H Hieronimus en Hubertus belijder, 
alsmede van den H. Matheus, apostel en de H. Dymphna, maagd. Johannes 
Bick was toen daarvan rector. De Schr. 

2) ld. v. Heurn Historie III p. 125. De Scbr. 

3) Zie ook van Heurn Historie III. p. 326. De Schr. 



— 444 — 

uytter hand vercocht aen heer Paulus van Dael, pastoor tot 
Berlicom, ten behoeve van deszelfs kerck, een schoone casuyffell 
met een geborduert cruys daerinne, int midde geborduert den 
ridder Sint Joris te paert, voor de somme van fl 90, (onder 
het beding van wederinkoop, als de stad weder in de macht 
van den Koning van Spanje zoude komen of de Katholieke 
godsdienst er weder zou mogen worden uitgeoefend). Eodem 
anno den 18 dito hebben de selve officialen vercocht het 
silverwerck, toebehoorende de Capelle van St. Joris, voor 
fl 429-4—8. 

Zooals blijkt uit eene Bossche schepenakte van 29 Juli 
1717 (Reg n° 538 f. 5) vergrootte in dit jaar meergenoemde 
Schutterij het terrein der St. Joriskapel door aankoop van een 
open erf, dat tusschen haar en het Keizershof lag, want volgens 
die akte verkochten op dien dag Cornelis Speelman, ridder- 
baronet, heer van Nuland, voor Va, Nicolaas Kivit, kapitein 
ter zee, voor Vs, Frederick Thomas Yvoi, generaal-majoor, 
commandeur van den Bosch, als gehuwd met Alida Maria van 
der Horst, voor V3, allen in hunne hoedanigheid van testamentaire 
erfgenamen van Anna Maria Tromp, douairière van Cornelis Garis, 
riclder-baronet, heer van Nuland, Bommenede en Blois, president- 
schepen van den Bosch, aan de heeren Officieren van den Ouden 
Schuts of Voetboog aldaar ten behoeve van „dien Schuts" eene 
ledige plaats, gelegen te den Bosch in de Keizer- of Waterstraat, 
ex uno het Keizershof, ex allo et fine uno de St. Joriskapel, 
komende met een muur en twee poorten aan cle gemeene straat. 

Bij schepenakte van den Bosch van 3 December 1738 (van 
Heurn schreef verkeerdelijk 1739) verkochten mr Abraham 
Justus Verster 1), kapitein-luitenant en Cornelis Martinus Pels, 
luitenant van de Edele Manhafte Oude Schuts of Voetboog 
binnen dese stad, gemachtigd bij resolutie van de gesamentlyke 



1) Hij was zoon van mr. Isaacq, griffier der Leen- en Tolkamer 
te den Bosch en Francoise Ghristina de Balbian en werd geboren te den 
Bosch, alwaar hij advocaat en schepen was, '25 Mei 1704; hij overleed 
aldaar 12 December 1776. 



— 445 — 

Heeren officieren van welgemelte Schuts en met toestemming 
der gesamentlyke borger y e van meergemelt Oude Schuts : 

a het voorste gedeelte van de St. Joriskapel, staande 
aan de St. Jorisstraat en toebehoorende voor het geheel aan 
genoemde Schutterij, alsmede drie huisjes of woningen, staande 
ten ZO. van die kapel en strekkende van de Keizerstraat 
tot aan het erf, bewoond wordende door den Proost dier 
Schutterij, — aan Abraham van Ruelo, factoor te den Bosch 
en luitenant van de Ed. Jonge Schuts 1). 

b het middelste gedeelte van de St. Joriskapel, strek- 
kende van den koop sub a en het erf van het Provoosthuis 
Z.waarts tot aan den koop sub c, — aan mr Abraham Hubert, 
oud-schepen en raad van den Bosch. 

c het achterste gedeelte van de St. Joriskapel met de 
open plaats en den muur langs de Keizerstraat ten Z O. gele- 
gen 2), soo en in dier voege als voors. agterste gedeelte van 
voors. capelle ten N.W., N O. en Z.O. in sijne eygenmueren 
gelegen is en strekkende ten Z. W. tegen den koop sub &, 
mitsgaders tegen voorschreven openplaats, aan Pieter Guillelmo 
van Bree, wonende te den Bosch. 

Na deze verkooping veranderde de kapel grootendeels 
van gedaante. Van het middelste gedeelte daarvan maakte toch 
mr Abraham Hubert een pakhuis, terwijl Pieter Guillelmo van 
Bree 3) het achterste gedeelte en de open plaats maakte 
tot een stal met koetshuis voor vier paarden en tot twee huizen ; 
thans zijn deze beide gedeelten geheel en al woningen. 

Alleen het voorste gedeelte der kapel behield, hoezeer 
ook geschonden, tot het jaar 1906 het uiterlijk eener kapel; 



1) Denkelijk was hij een zoon van Johannes van Ruelo en Christina 
Leyendecker, wier kinderen, met uitzondering van Adriana van Ruelo, 
douairière van Louis Francois van Raveschot de Capelle, in 1712 nog 
minderjarig waren en alstoen een te den Bosch staand huis verkochten. 

2) Deze plaats was blijkbaar het in 1717 aangekocht open erf. 

3) Zijne zonen Amandus van Bree, erflanddrost van de Stad en 
den Lande van Piavestein ; Guielmus van Bree, woonachtig te Mechelen 
en Hermanus van Bree verkochten 12 Sept. 1780 dezen stal met koetshuis 
aan mr Abraham Hubert voornoemd. 



— 446 — 

in haren voorgevel, waarvan de top toen al reeds sedert lang 
was afgebroken, was van onderen eene poort en daar boven 
één enkel raam, dat vrij hoog en breed was en den vorm van 
een spitsboog had. 

Van genoemden Abraham van Ruelo kwam dit gedeelte 
der kapel aan diens weduwe Aemerentia van Woerkom, van wie 
het weder erfden hare kinderen zijnde : Louis Florentius ; Johan 
van Ruelo, koopman en factoor; Tjard van Berchuys, oud- 
schepen en raad van den Bosch 1), als man van Christina 
van Ruelo; Johan Lodewijk Graham Thielen, gepensioneerd 
luitenant der dragonders, als man van Anna van Ruelo en 
Francois Adam Doornick, gepensioneerd luitenant der Cavalerie, 
als man van Maria van Ruelo ; zij verkochten 14 Maart 1755 aan 
hunnen genoemden broeder Louis Florentius van Ruelo, factoor te 
den Bosch, hunne aandeelen in dit deel der kapel, dat alstoen 
omschreven werd als het voorste gedeelte van de St. Joris- 
kapel met drie huisjes ten Z. O. van de kapel staande, strek- 
kende van de Keizerstraat aan de eene zijde tot aan het huis 
der Schutterij, bewoond door haren Provoost 2), en St. Joris- 
straatwaarts tot aan het huis van Juffrouw van den Heesacker 
anderzijds, — met zijn ruime soldering en catrol, geschikt om 
goederen op te halen. 

In 1906 is het voorste gedeelte der St. Joriskapel, 
dat in den laatsten tijd diende tot wijnpakhuis van Karel 
Rouppe van der Voort, door dezen afgebroken. 



1) Hij was ook commies van 's Lands magazijnen te den Bosch 
en van de daaronder behoorende forten. In 1739 huwde hij met Christina 
van Ruelo. 

2) Dit was het huisje, dat thans nog staat tusschen de St. Joris- 
kapel en het groote huis, hetwelk zich naast de poort van de Réfugié der 
Abdij van Berne bevindt. Het werd 12 Juli 1773 door de Schutterij van 
den Ouden Voetboog verkocht aan Gerardus van der Vaart, timmerman 
te den Bosch. Thans is het genummerd 36. 



— 447 — 
e. Het Refugiehuis der Abdij van Berne. 

N os 34, 32 en 30. 

Ook de voormalige Abdij van Berne bij Heusden had 
oudtijds een refugiehuis in den Bosch. Het grootste gedeelte 
daarvan maakte aanvankelijk deel uit van de gebouwen, welke 
Margriet van Meer, erfdochter van Boxmeer, eerst echtgenoote 
van Pieter van Vertaing, heer van Heeswijk, Dinther, Asten 
en Moergestel en later van Willem van Egmond, heer van 
Haps, te den Bosch langs de Keizer- en St. Jorisstraat bezat 
en waarvan die, welke langs de Keizerstraat stonden, later 
het Keizershof geheeten werden. Al deze gebouwen werden 
van genoemde erfdochter van Boxmeer geërfd door hare dochter 
Anna van Egmond, die met Willem III, graaf van den Berg, 
huwde 1); laatstgenoemde echtelieden verkochten ze in 1506 
(Reg. n° 100 f. 57), als wanneer ze omschreven werden als : 
„domus, areae ac cetera ediflcia olim Thomae de Lavalle, de 
post Pagani ejus fratris, sita in Buscoducis juxta pontem Lom- 
bardorum inter communem plateam ac hereditatem cappellae 
Sancti Georgii de Buscoducis ex uno et inter hereditatem 
heredum quondam Johannis de Maren, carnirlcis et plurium 
aliorum, ex allo, door genoemde Margriet van Meer, weduwe 
van Willem van Egmond, gekocht geweest van de heeren 
Lambert Cuypers, kanonik te Bergen, Jan Raeszn, kanonik te 
Lier, priesters, mr Stephanus van Berlende en Johannes van 
Lavalle, zoon van Paganus, genaamd Paganus van Lavalle", 
aan Arnoldus van Malsen, abt van Berne 2), ten behoeve van 
de abdij van dien naam. Haar latere abt Egidius Ingen Nulant 
verkocht ze 12 Februari 1515 (Reg. n° 111 f. 91 v so ) weder 
aan Arnd Keymp Gerardszoon 3), zooals blijkt uit eene Bossche 



1) Taxandria VI p. 53. 

2) Men zie over hem Schutjes I p. 290. 

3) In 1507 deelden voor schepenen van den Bosch o. a. Gerard 
Keymp, zoon van mr Arnd. 



— 448 — 

Schepenakte van 1525 (Reg. n° 130 f 82), waarin vermeld 
wordt, dat Egidius de Nuwelant, abbas monasterii de Bernae 
ordine, domus, areas, ortos et cetera aediftcia, sita in Busco- 
dacis juxta pontem Lombardorum inter communem plateam 
et hereditatem Capellae Sancti Georgii ibidem, ex uno, et 
inter hereditatem quondam Johannis de Maren, carnificis et 
plurium aliorum, ex alio, supportavisset Arnoldo Keymp, 
filio quondam Gerardi, waarna daarin verder vermeld staat, 
dat na dien verkoop genoemde Arnd Keymp aan meergezegde 
Abdij van die gebouwen en erven schonk: domum, aream et 
ortum ac vacuam hereditatem, dictam ledige plaetse, sibi 
adjacentes, de premissis sumptos ac sitos inter hereditatem 
ad dictam capellam spectantem, ex uno et inter hereditatem 
Godefridi Strick, ex alio, tendentes a communi platea ad 
reliquas hereditates dicti Arnoldi Keymp. Arnd Keymp 
schonk al zoo aan de Abdij van Bern e de gebouwen en erven, 
welke langs de St. Jorisstraat tusschen het huisje van den 
Provoost van den Ouden Voetboog en het huis van Goijart 
Strick Claeszn gelegen waren 1). Laatstbedoeld huis (dat van 
Strick n.1.) werd 23 October 1523, als wanneer het gezegd 
werd geweest te zijn : a „huis, erf, plaats en achterhuis, staande 
in de straat, voorheen cle Oude Huls, nu de St. Jorisstraat 
geheeten, tusschen het huis van Vrouwe (Domina) Margaretha 
weduwe van Willem van Egmond, ridder, heer van Meer en 
hunne kinderen, ex uno en dat van Philips Coenen Christiaanszn 
ex alio, (door Coenrarxl en Gudula, kinderen van den slachter 
Jan van Maren Roelof szn, aan genoemden Goijart Strick ver- 
kocht geweest) ; b een gang, die tusschen het erf van dien 
Goyart Strick Vughterstraatwaarts ex uno en dat van Arnd 
Keymp Gerardszn, een steenen muur tusschen beiden staande, 
St. Joris-kapelwaarts ex alio, van af die kapel tot aan het erf 
van genoemden Arnd Keymp, (door dezen aan meergenoemden 



1) Uit die panden was in 1387 door Jan Lysscap, zoon van wijlen 
Thomas, geheyten Valandt, eene grondrente verleend, die op 7 October 
1627 door den toenmalieen Prelaat van Berne werd afgelost. 



— 449 — 

Goyart Strick verkocht geweest) liep, — door Arnolda en Yda, 
dochters, die de dikwerf genoemde Goyart Strick had van zijne 
vrouw Hadewich, dochter van Arnold van Bladel, verkocht aan 
Cornelis Smeetz, die het den voorlaatsten October 1525, — als 
wanneer gemeld huis en gang gezegd werden te liggen in de 
St. Jorisstraat tusschen het huis van den Abt van Berne ex uno 
en dat van Nicolaus die Wolff Janszn., pellifex, ex alio, 
strekkende het huis zich achterwaarts uit tot aan de Dieze en 
de gang tot aan het erf van Ermgard weduwe van meerge- 
noemd Arnd Keymp, — op zijne beurt verkocht aan genoemden 
Egidius Ingen Nulant, abt van de Abdij van Berne (Reg. no. 
125 f 10 v so ). 

Deze Abdij zal daarop dit huis met die gebouwen, welke 
daaraan, als voorzegd, geschonken waren, tot haar refugiehuis 
gemaakt hebben. Hare kloosterlingen betrokken het in 1579 
metterwoon, zooals blijkt uit hetgeen J. van Oudenhoven t. a.p. 
blz. 93 daarover mededeelt: De Abdye van Berne was een 
schoon ende sivaer gebouiv, maer wier de anno 1579 van het 
chrijgsvolk afgebrandt ende is den Abt met sijn Eeligieusen 
geweechen naar de Stadt van 's Hertogenbossche ende hebben 
daer eenighe jaeren gebleven in een poort in de 8. Jorisstraet ; 
zij verbleven daar gedurende het bestuur van vijf opvolgende 
abten, van wie drie daarin overleden, zijnde Adriaan van 
Vlymen, -J- 18 December 1606; Arnout van Vessem, f 24 Aug. 
1608 en Johan Vercuylen, f 1 November 1621 ; zij werden in 
het koor der voormelde Kruiskerk begraven. 

Toen in 1625 de Abdij van Berne het Bossche Rijke 
Fratershuis, na het eerst gedurende een paar jaren in huur te 
hebben gehad, tot haar klooster had aangekocht, verlieten hare 
kloosterlingen dat refugiehuis en kwam het dientengevolge ledig 
te staan 1). Den 7 September 1629 (Reg. n° 365 f. 352) heeft 
zij het vervolgens verkocht bij eene akte, waarvan de inhoud 
is als volgt: Heere Johan Moors, by der gratie Gods Abt van 



1) Analecta Gijsb. Goeverincx II p. 136 en vlgd. 



— 450 — 

Berne; Heeren ende broederen Leonardt Bossche, prior ; Norber- 
tus Vercuylen, Augustijn Janss, Wouter van Groeningen, 
Cornelis van Griensven ende Bartholomeus Somers, presby teren, 
religieusen ende conventualen der voors, Abdye van Berne, 
des ördre van Premonstreyt 's Bisdoms van 's Hertogenbossche, 
binnen dieselue stadt residerende, verkoopen allen de huysingen, 
aenliggende erven, hoven met hunne gronden der voors Abdye, 
gestaen ende gelegen binnen dese voors. stadt 's Hertog enbossche 
in St. Jorisstraet aldernaest der Capelle van SL Joris des 
Ridders ende Martelaers, zuydtwaerts, ex uno 1 ende tussen 
huys ende erve Elizabeth wed e Jans van Doyenbraeck ende 
haere kijnderen noortwaerts, ex alio, streckende westwaerts 
van de gemeyn strate tot aen erffenisse des baenreheere van 
Grobbendoncq, gouverneur deser siadt voorsz. ende den ge- 
meyn water, de Dieze genoempt, oostwaerts aan inr. Johan van 
den Ven, licentiaat in de rechten en raad van den Bosch. Zooals 
uit den datum der akte blijkt geschiedde de verkoop zeer kort 
voor de overgave van 's Hertogenbosch aan Prins Frederik 
Hendrik, alzoo op een oogenblik, dat de Katholieken dier stad 
moesten en konden voorzien, dat zij weldra onder Protestantsch 
bewind zoude komen en de aldaar zich bevindende kerken en 
kloosters aan hunne bestemming zouden worden onttrokken ; en 
was de kooper mr Johan van den Ven dezelfde als die, aan wien 
de Bossche Jezuiten daags te voren (6 September 1629) een groot 
deel hunner in gezegde stad gelegen kloostergoederen hadden 
overgedragen ; deze laatste overdracht werd na de overgave van 
den Bosch in 1629 door de Staatschen geacht slechts eene schijn- 
handeling te zijn geweest en dientengevolge werden de goederen, 
die de Bossche Jezuiten aan mr Johan van den Ven hadden 
verkocht, zooals nader zal worden medegedeeld, gehouden door 
hen niet te zijn verkocht geweest en daarom onder de algemeene 
confiscatie der kloostergoederen begrepen. De verkoop, die de 
Abdij van Berne aan genoemden mr van den Ven had gedaan, 
schijnt evenwel niet als eene schijnhandeling aangemerkt te 
zijn geworden, althans daarvan blijkt niets. Blijkens na te 



— 451 — 

melden Schepenakte van 3 Augustus 1679 verkocht 30 October 
1635 Melchior Donckers Janszn, koopman te den Bosch, het 
voormalig refugiehuis der Abdij van Berne, dat toen gezegd 
werd te staan tusschen een huis van het Gilde der Oude 
Schutters en de St. Joriskapel ex uno en het huis van Marie 
weduwe van Guiliam van Doyenb raken, raad van den Bosch, 
ex alio, aan den koopman Mathijs van Loosen; deze huwde 
met Johanna van Mechelen, (die na zijnen dood hertrouwde 
met eenen van Collen); hij moet aan haar dit huis vermaakt 
hebben, want hare legatarissen kregen het van haar. Den 
3 Augustus 1679 (Reg. n° 497 f. 321) verkochten de executeurs 
van het codicil van genoemJe Johanna van Mechelen, door 
haar in 1677 te Keulen gemaakt, en hare legatarissen dit 
refugiehuis, dat toen gezegd werd te zijn: een schoone, grootte 
huysinge, hoff ende erven, gelegen in de St. Jorisstraet, 
aldernaest van de capelle van St. Joris suydwaerts, den baron 
van Orobbendonck en de gemeyne Diese ostwaerts, de erffge- 
namen Jans van Doyenbraeclc noordwaerts. de gemeyne straet 
ivestwaerts, aan Jacob de Bye, notaris en procureur te den 
Bosch. Bij dit huis kocht deze bij gerechtelijke uitwinning, 
ten laste der Wed. Paulus van Gerwen op 28 Juni 1695 
(Reg. n° 481 f. 41) geschied, ook nog aan het daarnaast staand 
huis, thans genummerd 28, dat, als gezegd, aan de erven van 
Jan van Doyenbraecken had toebehoord. Laatstgenoemde had 
24 September 1575 (Reg. n° 224 f. 448 v so ) dit huis, dat toen 
gezegd werd te staan tusschen dat van den Abt van Berne 
ex uno en dat, eertijds van Antonius van Haeren, nu van 
Catharina weduwe van Henrick (Proening) van Deventher 
Gerardszn 1), gekocht van de voogden over de onmondige 
kinderen van Jan van Esch Dirckszn, welke laatste het w r eder 
gekocht had van Frans, den zoon van Jan Pynappel Boudewynszn. 



1) Haar man had dat huis in 1524 (Reg. n° 127 f. 433 vso) gekocht 
van mr Ewald MaJlants Janszn, die het 1513 (Reg. no 108 f lö6) had 
gekocht van Gijsbert, zoon van Gerard Toelinck Gijsbertszn. Jacob Torsingh 
kocht dit huis 28 Juli 1712 (Reg. n° 530 f. 30 v»°). Het is thans ge- 
nummerd 26. 



— 452 — 

Dit huis en het voormalig refugiehuis der Abdij van 
Berne werden van voornoemden Jacob de Bye geërfd door zijne 
zuster Johanna de Bye weduwe van den kapitein Johan Fer- 
dinand van Casteren, zoon van Govert, president-schepen van 
den Bosch 2) ; zij verkocht het huis, afkomstig der erven van 
Jan van Doyenbraecken (thans genummerd 28) 11 September 
1709 aan Beatrix van Susteren weduwe van Christiaan Beekvelt, 
wier executeurs-testamentair Pieter Beekvelt en Christiaan 
Mosmans, kooplieden te Bilbao, het 3 Februari 1727, als wanneer 
het gezegd werd te staan tusschen het huis van S r Bacquers 
ex uno en dat van Berkhof ex alio, verkochten aan Agnes, 
Deliana, Johanna Maria en Hendrina van Susteren, allen woon- 
achtig te den Bosch 2) (Reg. n° 553 f. 240). 

Het naaast dit huis in de richting der St. Joriskapel 
staand huis met poort en plaats (thans genummerd 32 en 30) 
werd door genoemde Johanna de Bye 21 October 1710 (Reg. 
n° 528 f. 297) verkocht aan Hendrick Berckhoff, woonachtig 
te den Bosch; het werd toen omschreven als: eene schoone 
huysinge, bestaende in verscheyde cameren, plaets, hof, styger 
op de Dieze, met een groote poorte en cameren daerboven, staende 
aen de St. Jorisstraat tusschen huys van Pedro Beeckvelt en 
dat van verkoopster en zich uitstrekkende tot op het erf der 
Vrouwe van Nuland en de Dieze. Het huis, zooeven dat van 
verkoopster genoemd, hetwelk zij alzoo voor zich behield en dat 
thans genummerd is 34, behoorde in 1755 aan juffrouw van 
den Heesacker, die naar alle waarschijnlijkheid erfgename van 
meergenoemde Johanna de Bye was en zal geweest zijn Hendrina 
van den Heesacker, dochter van Adriaan en Maria de Bye. 
Johan Ferdinand Schouten, woonachtig te Middelrode, als erfge- 
naam van Maria Agatha Schouten, die de erfgename was van 



1) Diens andere zonen waren Hendrik en Jacob van Casteren. 

2) Deliana en Johanna Maria van Susteren, de eenigen harer, die 
toen nog in leven waren, verkochten 28 Januari 1751 dit huis aan mr 
David Kleyne, meester van den scherpen gerechte, alias beul, te den 
Bosch. Hij had van zijne vrouw Sophia Doornik een zoon Jan Libordus 
Kleyne, die na hem meester van den scherpen gerechte te den Bosch was. 



— 453 — 

mr Lambert van Heesacker, zoon van genoemde echtelieden van 
den Heesacker, verkocht het 7 April 1772 (Reg. n° 583 f. 64), 
als wanneer het gezegd werd te zijn huis met tuin en open 
plaats, staande tusschen de St. Joris kapel en het huis van 
den heer Straatmans en zich achterwaarts uitstrekkende tot aan 
het erf van dezen laatste, aan Louis Florentius van Ruelo, 
factoor te den Bosch. 

Van het Refugiehuis der Abdij van Berne zijn thans 
alleen nog maar over de koorafsluiting zijner voormalige kapel, 
die nu het achterhuis vormt van het in de Keizerstraat staand 
huis, genummerd 5, en de poort met open plaats, tegenwoordig 
de Oliepoort geheeten. 



ERRATA: 

Blz. 29 12 e regel v. o. staat 1543, lees: 1542. 

» 38 l e » » » » Jarante, » Tarante. 

» 48 l e » » » „ vaor, » voor. 

» 137 5 e » » » noot 4 staat kleinkinderen, 

lees : achterkleinkinderen. 

» 294 17 e » » » staat van Beugen, lees : van Beughem. 



BRIGHAM YOUNG UNIVERSITY 



3 1197 21118 0457 



Date Due 

AU library items are subject to recall at any time. 



JUN 2 2 2010 



Brigham Young University