(navigation image)
Home American Libraries | Canadian Libraries | Universal Library | Community Texts | Project Gutenberg | Children's Library | Biodiversity Heritage Library | Additional Collections
Search: Advanced Search
Anonymous User (login or join us)
Upload
See other formats

Full text of "De Vrije Fries"

Goügle 



This is a digital copy of a book that was prcscrvod for gcncrations on library shclvcs bcforc it was carcfully scanncd by Googlc as part of a projcct 

to make the world's books discoverablc onlinc. 

It has survived long enough for the copyright to cxpirc and thc book to cntcr thc public domain. A public domain book is one that was never subjcct 

to copyright or whose legal copyright term has expircd. Whcthcr a book is in thc public domain may vary country to country. Public domain books 

are our gateways to the past, representing a wealth of history, cultuie and knowledge that's often difficult to discovcr. 

Marks, notations and other maiginalia present in the original volume will appear in this flle - a reminder of this book's long journcy from thc 

publishcr to a library and fmally to you. 

Usage guidelines 

Googlc is proud to partncr with libraries to digitize public domain materials and make them widely accessible. Public domain books belong to thc 
public and wc arc mcrcly thcir custodians. Nevertheless, this work is expensive, so in order to keep providing this resource, we liave taken stcps to 
prcvcnt abusc by commcrcial partics, including placing tcchnical rcstrictions on automatcd qucrying. 
Wc also ask that you: 

+ Make non-commercial use ofthefiles Wc dcsigncd Googlc Book Scarch for usc by individuals, and wc rcqucst that you usc thcsc filcs for 
personal, non-commercial purposes. 

+ Refrainfivm automated querying Do nol send aulomatcd qucrics of any sort to Googlc's systcm: If you arc conducting rcscarch on machinc 
translation, optical character recognition or other areas where access to a laigc amount of tcxt is hclpful, plcasc contact us. Wc cncouragc thc 
use of public domain materials for these purposes and may be able to help. 

+ Maintain attributionTht Goog\'S "watermark" you see on each flle is essential for informingpcoplcabout this projcct andhclping thcm lind 
additional materials through Google Book Search. Please do not remove it. 

+ Keep it legal Whatcvcr your usc, rcmember that you are lesponsible for ensuring that what you arc doing is lcgal. Do not assumc that just 
bccausc wc bclicvc a book is in thc public domain for users in the United States, that the work is also in the public domain for users in other 
countrics. Whcthcr a book is still in copyright varies from country to country, and wc can'l offcr guidancc on whclhcr any speciflc usc of 
any speciflc book is allowed. Please do not assume that a book's appearancc in Googlc Book Scarch mcans it can bc uscd in any manncr 
anywhere in the world. Copyright infringement liabili^ can be quite seveie. 

About Google Book Search 

Googlc's mission is to organizc thc world's information and to makc it univcrsally acccssiblc and uscful. Googlc Book Scarch hclps rcadcrs 
discovcr thc world's books whilc hclping authors and publishcrs rcach ncw audicnccs. You can scarch through thc full icxi of ihis book on thc wcb 

at |http : //books . qooqle . com/| 



.i^ 




V 




I 
I 



./ 



t 



DE VKIJE FRIES. 



MENGELINGEN, 



UITGEGEVEN DOOR HET 



FRIE8CH GENOOTSCHAP 



^ VAN 



GESCfflED-, OÜDHEID- ew TAALKUNDE. 



ZEVENTIENDE DEEL. 



r>£SI>£2 SKSKS. 



Vijfde deel. 



-'î«9@?ES?e^- 



TE LEEUWARDEN , bij 

A. MEIJEB, 

Firma H. Küipers & J. G. Wester, 

1890. 



I N H O U D. 



Bijlagen, Aanteekenmgen en Register op het 
verzet der Priezen tegen de Spaansche dwin- 
gelandij, door Mr. A. J. AndreaB . . . bladz. 1. 

De praehis torische honden der terpen , door Dr. 

W. K. J. Schoor » 113. 

De voridst van gouden voorwerpen en gouden 
Merovingische munten, beschreven door Mr. 
J. Dirks » 143. 

De wording van het coliege der Gedeputeerde 
Staten in de provincie Friesland, door Dr. 
F. G. Siothouwer j> 165. 

De Tien Geboden, naar een handschrift uit de 
Provinciale bibliotheek , bewerkt door G. H. 
Van Borssum Waalkes ...... » 237. 

Romeinsche Steen , gevonden te Beetgum , door 

Prof. Dr. U. Ph. Boissevain d 325. 

Overzicht over de Inrichting en de Bevoegdheid 
der plaatselijke besturen in Friesland , sedert 
1795, door Mr. J. G. Van Blom J.Gz. . » 341. 

Franciscus Meinardus, hoogleeraar in de rech- 

ten te Poitiers, door Mr. W. B. S. Boeles » 425. 

Een Manuscript van een Oud Friesch Eronijkje , 
berustende op het Rijks-archief te Groningen , 
door Mr. J. E. Heeres ...... » 437. 



391704 



HET VERZET DER FRIEZEN 



TEGRN 





GEDUBENDE HET TIJDVAK: 4566—1574, 



DOOK 



Mr. A. •F. AMDHMi 



Bijlagen , Aanteekeningen 



KN 



Register 



OP 



HET YERZET DER FRIEZEN 



TEGEN 



DE SPAANSCHE DWINGELANDIJ, 



DOOK 



Mr. A. J. ANDREiE. 



(Zie Deel XVI. Reeke III. Oeel IV. Bladz. 387.) 




MLAQEff 



bbvattbnde: 



de NAMEN Yan hen , m wie het bekend is , dat zy zicii op 

de eene of andere wyie yerzet hebben te^fen 

de Spaansche dwin^felandy , 



AL8MBDB: 



een OTERZIGHT * Yan de Yoornaamste Yonnissen , daarop betreld:in|[ 

hebbende , 

GEDURENDE HET AANGENOMEN TIJDVAK, 



Verkortingen der aangehaalde bronnen (a/gemeeney 

Charterboek van Friesland = Ch.bk. ; Ephimerides van Ant. Jz. 
(Vrije Fries, IX) = Ant. Jz. ; Van Groningen, »De Watergeuzen" 
enz. =z V. Gron. ; Van Sminia , Nieuwe Naamlijst van Grietmannen 
= V. Sm. ; Stamboek van den Frieschen adel , door Jhr. de Haan 
Hettema c. s. = Stbk. ; Sententiën van Alva , door Marcus uitge- 
geven = Sent. ; Crim. Sent. van den Hove = Crim. Sent. ; Te 
Watcr , » Verbond der Edelen ," enz. = T. W. 



Bijlage A, (biadz. 427), 

bevattende eene Naamlijst Van FrieSChe Geestelijken , die wegens de 
omhelzing der Hervormde leer zijn gevlucht of gebannen. 

Den 124en Januari 1567 werden volgens Gabbema , Leeuw. , 

bl. 483 ; Schotanus , t. a. pl. , bl. 738 en Ant. Jz. , bl. 

402 , uit Leeuwarden verbannen • • 6 *) 

\ volgens Crim. Sent. boek ^ uit / 
Deh l^denFebr. 1567, J Friesland verbannen op grond , 1 22 

Den 20sten Febr. 1567 , f >'^^* ^Ü ^^^^* gevoelen hebben I 5 

\ »van de Sacramenten der heyligen ) 
Den 26sten H ebr. 1 567 , ; »kercken ende ceremoniën derzelve \ ^ 

Den 12den Maart 1567 , 1 »ende dat zij nyeuwicheden intad- i 1 

Den 13den Maart 1567 , 1 »«ûnistreren der sacramenten ge- [ j 

/ »pleecht hebben." \ 

Bij ordonnantie van 29 Maart 1567 werd gelast deze • • 36 
geestelijken gevangen te nemen, zoo zij zich nog binnen 
*s lands mochten bevinden , benevens nog 2 

anderen , boven niet vermeld. Ch.bk. , III , bl. 709 , (38 
geestelijken). Ant. Jz. , in De Yrije Fries , IX , bl. 422 , 
noemt 57 geestelijken , »die om die gcuserije" gebannen 
werden (er staat 1566, maar *t is duidelijk, dat het 1567 
moet zijn, vergelijk aldaar, bl. 402), van welkc er 32 
onder dc bovenbedoelden aldaar voorkomen, zoodat er • 
overblijven 25 

Menso Poppius, een tijdgenoot, evenals Ant. Jz. , vervaar- 
digde eene lijst van gevluchte ^eestelijken , waarop 68 na- 
men voorkomen, waarvan 56 onder de vorige opgaven 
voorkomen en alzoo te vermelden overblijven^ • • . 12 

Verder werden ons door de bereidvaardigheid van Dr. J. Reit- 
sma , Hoogleeraar te Groningen , nog 3 namen opgegeven 3 

zoodat het geheele getal namen , die wij verzamelden , beloopt 78 

In de hier volgende naamlijst hebben wij aangeduid : pastoor : p. , 
vicaris: v. en prebendaris: preb. 



*) Over dit getal zes zie men hierna. 



8 



BIJI.AGE A. 



Dc lijsl van Menso Poj)pius konit voor in tle Boekzaal van Juli 
1731, bl. 66 — 84, terwijl die namen aldaar bl. 579 — 601 nader 
worden besproken. 

Met betrekking tot de woelingen destijds in Friesland op kerkelijk 
gebied, verwijzen wij naar het verdienstelijk werk van genoemden 
Hoogleeraar: »Honderd jaren uit de Geschiedenis der Hervorming 
cn der Hervormde Kerk in Friesland , 1876 ," hetwelk wij hierna 
aldus verkort zuUen aanwijzen : Dr. J. R. , G. d. H. ; men zie aldaar 
mecr in H bijzonder wat de verbannen geestelijken betreft, bl. 145 
en 146; voorts: Naamlijsten der Predikanten in de class«n, als: 
Cl. ; lijst van Menso Poppius : M. P. ; de Boekzaal : Bz. 

Voor het overige verwijzen wij naar : Schotanus, t. a. pl. , bl. 
737 , Winsemius , Kronijk , bl. 534 en zijne Historia , bl. 88 , als- 
mede de bekende werken van Harkenroht en Meiners. 

Vergelijk voorts bl. 418 en 427 van onzen tekst. Op bl. 418 
leze men in noot 1: Gabbema, bl. 483 en op bl. 427: dat een 
grool getal geeslelijken in het voorjaar van 1567 door Aremberg 
werden verbannen , waarmede het bovenstaande te vergelijken. 



. OOSTERGO. 

1. Heer Sytthle Ahhesz. ^ »p. tot Oldehooff," 

2. Heer Arien ïf^arnersz^ »p. tot Nijenhooff," 

3. Heer Douwe Jouckesz. , »p. toe Sinte Katherinen ,'' en 

4. Heer Pieter Jqcohsz.^ »v. aldaer," 1) 

allen te Leeuwarden, waar destijds nog als geestelijken voorkomen 
de bekende Heer Ivo Johannes »ende Heer Douwo ^ pastoeren lot 
»OIdehooff ," welke laatstc ook genoemd werd : Hr. Dmiwe Eel- 
kesz,; zie Dr. J. R. , G. d. H. , bl. 101. 

Den llden September 1566 wertlen zij alle zes »voor den Hove 
»van Frieslant verdachvaart ," waar hun »te vooren geholden" werd , 
dat zij zich toch zouden houden aan de oude »catholicke religie." 

De vier eerstgenoemden voldeden daaraan niet , want twee dagen 
later in de kerk »tot Sinte Katherinen," na de vroegmis , »vuijl- 
»gesmeten hebbende hair geestelijcke habijten," gaven zij openlijk 
te kennen, dat zij de Hervormde leer omhelsden. Daar zij hierin 



1) De kerk van St. Catharina of de Hoeksterkerk stond naby de 
voormalige Hoeksterpoort ; zie: Ëekhoff, Beschr. van Leeuwarden. 



BIJLAGE A. ^ 

volhardden , vuurdigde Areinberg den 12den Januari 1) van het 
volgende jaar het bevel uit , dat de vier bedoelde goestelijken »moes- 
»ten initter daet bij sonnenschijn vuijt dije stadt Leeuwerden, ende 
»binnen drij dagen vuijt die Mats. Nederlanden , ende sijn dselve 
»tijt naemiddachs tusschen drij ende vier uren vuijt Leeuwerden ■ 
»vertrocken ; ende int vertrecken isser een groote droeffenisse onder 
»den geineenen inan gecoinen , dije hoir toegedaen waren , ende hair 
»is vuijtgeleij gedaen by Tjerck Walles ," zoo verhaalt Ant. Jz. , 
»inet ineer andere haere mede complicen ende goetgunders." 2) 

Desnietteinin koinen zij voor op de lijst van gebannen geestelijken , 
van 29 Maart van dal jaar. 

Zie Dr. J. R. , G. d. H. , bl. 138 en 139, waar gezegd wordt, 
dat zes geestelijken de stad veriieten , inaar dat zal vper moeten zijn , 
wanl onder die zes zijn zeker ook gerekend : ^nthomiAS en Marii- 
mis ^ (zie: Gabbema, t. a. pl., bl. 483), die echter geen geestelijken 
te r^euwarden waren. Zie over deze twee hierna , op no. 12 en no. 49 ; 
Ant. Jz. , bl. 393 — 396 en 402; op bl. 413 aldaar worden dc 
toenmalige aclit geestelijken van Leeuwarden opgenoemd, die aan \ 
de oude reiigie getroiiw bleven , waaronder de bovenvermelde 
Heer Ivo Joannis ën Heer Douwo ^ v. Er schijnen dus destijds 
12 geeslelijken te Leeuwarden geweesl te zijn , waarvan 4 de nieuwe 
leer omhelsden en verbannen werden. 

Heer Sytthie vluchtte naar Haariem en van daar naar £inden , 
vvaar hij den 2den October 1567 op zich nain »kranken te bezoe- 
»ken en lijkredenen te houden." 

»Den 12 Januarius/' verhaalt Meiners, »liet hij zich bewegen, 
»()iii den vasten dienst hier te aanvaarden ," hoewel de Haarlemmers 
veel deden , om hein terug te krijgen. » Hij stierf aan de pest " 
(volgens Nl. classis Leeuw. , 12 Sept.), »en wierdt den 13 Septem- 
»ber 1568 begraven tot grote droefheit der Gemeente." Ch.bk. , 
Ant. Jz. en 3L P. - Meiners , »Oostvrieslandts Kerkelijke geschiede- 
nisr I, bl. 457. 



1) Schotanus, bl. 7«^, zegt: 11 Jan. , maar Gabbema en Ant. Jz. 
noenicn: 12 Jan. ; vergelijk den tekst, bl. 418. 

2) In ecn brief van Arcmberg d.d. 8 Sept. 1566, voorkomende in 
de Correspondance de Frise, Tom. IV, bl. 97, op *t Belgisch Rijks- 
archief, leest men, volgens mededeeling van den Heer Rengers van 
Naerssen: „Aremberg propose dc donner cinq ou six coups de canon 
.,au travers des églises ou ceiles presches se feronf Cf. bl. 14 , no. 49- 



10 BIJLAGE A. 

Heer Arien vluchtle naar Ëmden en stierf »zeer oudt van dagen'' 
in 1606. Bz. 1731, t. a. pl. 

Heer Douwe g^g eveneens naar £mden, schreef zich sedert 1571 : 
Dominicus Julius Tzercknerius en vervulde daar het ambt van »No- 
' tarius," terwijl hij aldaar in 1598 overleed. Bz. , t. a. pl. 

5. Hr. Johannes Romckesz. , beter :. Johannes Rouckesz, , reeds 
in 1565 V. te Kornjum, werd 18 Febr. 1567 verbannen; wellicht 
de vader van Daniel Johannis Snecanis. - Crim. Sent. - Ch.bk ; Ant. 
Jz. en M. P. - Cl. Leeuwarden , bl. 42. - Aanm. Cl. Leeuw. , bl. 
134. - Cl. Sneek, bl. 42. - Dr. J. R., G. d. H., t. a. pl. , bl. 
242 en 379. - Men zie over de geestelijken , die onder den naam 
van Johannes op de lijsl van M. P. voorkomen , nader in de Bz. , 
t. a. pl. , bl. 591. 

6. Hr. Michiel Andriesz. , v. te Leckum , werd beschuldigd , 
dat hij »nyettegenstaende hij van sijn beneficie gepriveert is, hem 
»evenwel vervordert heeft binnen de Kercke van Leckum int swarl 
»te prediken," en daarom 13 Maart 1567 door het HofvanFries- 

' land verbannen. Hij ivas in 1570 te Emden. - Crim. Sent. ; Ch.bk. ; 
Ant. Jz. en M. P. - Aanm. Cl. Leeuw. , bl. 132 en Dr. J. R. , 
G. d. H., bl. 145. 

7. Hr. Agge Ilillesz:^ 1) p. te Hempens, ook genoemd ^/^^,y 
Sloot y was aldaar in 1565 pastoor, maar werd 18 Febr. 1567 
verbannen en vluchtle met vrouw en kinderen naar Fihden, »en 
»dewijle hij 5 Kinderen hatt, nam hij tot onderhoudt het schip- 
»peren bij de handt." - Bz. , t. a. p. - Criin. Sent. , Ch.bk. , Ant. Jz. 
en M. P. - Cl. Leeuw. , bl. 35. 

8. Hr. Andries^ p. te Huizum, mogelijk dezelfde als Andreas 
Stangerus , die omstreeks 1590 te Dockuin predikant was. - Cl. 
Lecuw. (Aanm.), bl. 131; Cl. Dockuin, bl. 55 en v. B. Waalkes, 
»Huizum ," bl. 31 en Vrije Fries , XIV , bl. 30—34. - Ant. Jz. en M. P. 

9. Hr. Jelle^ p. te Finkuin. - Ant. Jz. en M. P. - Cl. Leeuw. 
(Aaiiin.), bl. 138. 

10. Hr. Eecke Symonsz. ^ sacrista en 11. Hr. Hendericu^ 
Boeshurgh ., preb. , beiden le Stiens, werden 18 Febr. 1567 ver- 
bannen. - Crim. Sent. , Ch.bk. , Anl. Jz. en M. P. - Cl. Leeuw. , bl. 
47 en Aanm. Cl. Leeuw. , bl. 136. 



l) Aggeus Sloot werd beschuldigd met do vrijbuitcrs te heulcn en 
daarover gestraft. In Juli 1570 vcrtrok hij met vrouw cn kindcren 
uit £mden; waarbeen wordt niet vermcld. — Bz. 



BIJLAGE A. 11 

12. Hr. Antonim JVicolai ^ p. te Hoogebeintuin , Avai> te Dockum 
geboren, werd 12 Januari 1567 verbannen, vluchtte naar £mden, 
werd later predikant te Leeuwarden en is in 1574 naar Ënkhuizen 
verroepen , waar hij na 1595 overleed. - Ch.bk. en M. P. - Dr. 
J. R. , G. d. H. , bl. 93. - Cl. Dockum , bl. 29 en 30 en de al- 
daar aangehaalde bronnen , doch aldaar moeten de deelen van Mei- 
ners* Oostfr. Kerk.* Gesch. juist omgekeerd staan ten opzichte der 
bladzijden. * Zie hiema op no. 49. 

13. Hr. Phoco^ p. te Blija. - Ant. Jz. en M. P. - Cl. Doc- 
kum, bl. 31. 

14. Hr. Tjebbe Fedäesz. ^ p. te Marrum, werd 18 Febr. 1567 
verbannen. - Crim. Senl. , Ch.bk. , Ant. Jz. en M. P. - CI. Leeuw. 
(Aantn.) , bl. 153. 

15. Hr. Pieter y p. en 16. Hr. Reydmer ^ v. , beiden te Fer- 
werd. - M. P. noetnt den eersten : Petrus Leovardiensis en den 
ander . Rodmer. - Ant. Jz. en M. P. - CI. Dockum , bl. 93. 

17. Hr. Jratthie Pauly ^ ook Watze of Valerius, p. te Hallum , 
werd 18 Febr. 1567 verbannen. - CI. Leeuw. (Aanm.), bl. 152 en 
vergelijk: Cl. Leeuw. , bl. 135. - Mogelijk een broeder van Suffri- 
dus Pauly , v. te Heeg ; zie hierna. - Crim. Sent. , Ch.bk. , 
Ant. Jz. en M. P. 

18. Hr. Bernardus Stellincwerff ^ ^. tn \9. Johannes Johannis , 
preb. , reeds in .1562 beiden te Wanswerd, werden 18 Febr. 1567 
verbannen. - Volgens het St.bk. , II , Nalezing , bl. 1 , zou de eerst- 
genoemde een zoon zijn geweest van den beroemden Johannes Acro- 
nius (van Akkrutn) en iia zijne vlucht weder in zijn oude woon- 
plaats gepredikt hcbben onder den naam van Bernardus Acronius. 
Hij huwde alsdan met Johanna N. , die 12 December 1593 over- 
leed, terwijl hij reeds vôôr 1582 zou zijn gestorven, twee zonen 
nalatende : Johannes en Ruardus , welke laatste ook priester zou zijn 
geweest. - Crim. Sent. bk. , Ch.bk. , Ant. Jz. en M. P. - Cl. Doc- 
kuin, bl. 192 en 193. - St.bk., H, Nalez. , bl. 1 en 3. 

20. Hr. Theodoricus Jfarciens^ j)reb. te Brantgum, waar hij 
waarschijnlijk reeds gehuwd was, daar zijne vrouw Harike in 1568 
te Ëmden beviel, werwaarti> hij gevlucht was. Later werd hij pre- 
dikant te Marienweer , nabij die stad gelegen , ging in Sept. 1582 naar 
Friesland terug en was in 1585 leeraar te Komjum en in 1592 
tc Hantumhuizen. - M. P. - Cl. Dockum , bl. 107 en 189; CI. 
Leeuw. (Aanm.), bl. 134. - Harkenroht , Oostfr. Oorspr. , bl. 201. 

21. Hr. Luitthie Andriesz. van Hasselt ^ was in 1569 mede- 



12 BIJLAGE A. 

p. te Holwerd en werd 21 Oclober van dat jaar wegens hervormde 
gevoelens door het Hof van Friesland gebannen. - Crim. Sent. 

22. Hr. Jacoh JFeesop , p. te Bornwerd en misschien van Weesp 
geboortig, werd 18 Febr. 1567 verbannen. - Crim. Sent. , Chbk. 
en M. P. - Cl. Dockum, bl. 97 en 114. - Ant. Jz. noemteen Hr. 
Johannes, als p. aldaar. 

23. Hr. Johannes^ p. te Oostrum. - Cl. i)ockum , bl. 152. - 
Volgens M. P stond er een Hr. Johannes te »Jistcum," d. i. 
Ëestrum , maar volgens Ant. Jz. een Hr. Claes. - Zie no. 37 hierna. 

24. Hr. Johannes Monac ^ p. te Engwierum. - Ant. Jz. en 
M. P. - Cl. Dockum , bl. 85. 

25. Hr. Folckert Foensz. , p. te Morra , volgens M. P. : Folkerus 
Foeconis of Fockesz. , werd 18 Febr. 1567 gebannen en was in 
1568 te £mdeii. - Crim. Sent. , Ch.bk. , Ant. Jz. en M. P. - Cl. 
Dockum, bl. 139. 

26. Hr. Joannes Bogerman , j). en 27. Hr. Gerardus Huisin' 
gius^ V., beiden te Kollum. - Ant. Jz. en 31. P. - Zie: Oudheidk. 
Plaatsbeschr. van KoUumerland c. a. en Cl. Dockum , bl. 42 en 45. 

28. Hr. Petrus , p. te Oudwoude. - Zie alsvoren en Cl. Doc- 
kum, bl. 160. 

29. Hr. yïntonius^ p. te Buitenpost, iater toegenaamd Van 
Apen , omdat hij na zijne vlucht in 1567 te Ape in Oostfriesland 
predikant werd. Hij ging vervolgens als emissarius naar Vlaanderen 
en woonde weder in 1568 te £mden. - Ant. Jz. en M. P. - Cl. 
Dockum, bl. 34; Dr. J. R. , G. d. H. , t. a. pl. , bl. 117. 

30. Hr. Schelte Aitzema , p. te Luljepost en v. te Buiienposl , 
werd 26 Febr. 1567 door Jiet Hof van Friesland verbannen en na 
zijne terugkomst vrij zeker predikant le Nijkerk in Oostdongeradeel. 
Hij was dat althans in 1595 en overleed aldaar in October 1609 , 
oud 69 jaar, zoodat hij in 1540 was geboren. Zijn stoffelijk over- 
schot werd in de kerk van dat dorp bijgezet onder »enen groten 
blauwen steen ," waarop een tweeregelig latijnsch gedicht , benevens 
een grafschrifl is gebeiteld. Bij zijne vrouw Sjouckje Lieuwesd. , 
die in 1544 was geboren en in Augustus 1609 overleed , had hij 
5 of 6 kinderen , o. a. : Lieuwe en ^Liria , die beiden vc>6r hunne 
ouders kwamen te overlijden. - Crim. Sent. , Ch.bk. , Ant. Jz. en M. 
P. - Cl. Dockum, bL 34 en 149 en Si.bk. , H, bl. 161a, waar 
echter geene Maria als hunne dochter voorkomt, maar wel Lieuwe 
en vier andere kinderen. 

31. Hr. Ayko^ p. te TwijzeL - M. P. - Cl. Üockuiii , bl. 197. 



BIJLAGE A. 13 

32. Hr. Fuykke , p. te Januin , bij M. P. genoemd : Hulrichus 
l'saniusy elders : H'ilco, - Ant. Jz. - Cl. Dockum, bl. 25. 

33. Hr. Reyner ^ elders Regnerus Hachtingius of Reiner Ja- 
cohsz. genoemd, v. te Rinsumageest , in 1591 predikant te Aland 
bij Ëmden en in 1593 tc Leeuwarden. Johannes Harmensz. Klink- 
hijl was aldaar denkelijk destijds p. en nog in]1580, maar ter- 
zelfder plaatse in 1596 predikant. - Cl. Dockum , bl. 171 — 174. - 

Harkenroht, t. a. pl. , bl. 192 en 509. - Opgaven van Dr. J. 
Reitsma. - Ant. Jz. en M. P. 

34. Hr. Jelle Hoithesz. of Geliius Hotsenus, meer bekend als 
Gellius Snecanus, van Sneek geboortig, p. te Giekerk, werd 18 
Febr. 1567 verbannen en stierf vermoedelijk teSneek in 1600. Hij is 
gehuwd* geweest. - Men vindt het een en ander van hem vermeld in 
het meergenoemde werk van Dr. J. Reitsma (die ook zijn leven 
beschreef) , o. a. bl. 116, noot 2 en verder 'tRegister aldaar. - 
Crim. Sent. , Ch.bk. , Ant. Jz. en M. P. - Cl. Leeuw. , bl. 131 en 
Aanm. daarop, bl. 151. 

35. Hr. Sicke fFybesi. was reeds in 1564 p. te Oudkerk, 
werd 18 Febr. 1567 verbannen en waarschijnlijk na zijne terug- 
komst predikant te Marrum , o. a. in 1592. - Crim. Sent. , Ch.bk. , 
Ant. Jz. en M. P. - CI. Leeuw. (Aaum.) , bl. 151 en 153. 

36. Hr. Gerrit Lamhertsz.^ p. te Wijns, werd 18 Febr. 1567 
verbannen. - CI. Leeuw. (Aanm.), bl. 151 en vergelijk: Cl. Doc- 
kum , waar hij ten onrechte gehouden wordt voor dezelfde als Ger- 
ryt Jansz. - Crim. Sent. bk. , Ch.bk. , Ant. Jz. en M. P. 

37. Hr. Claes y p. te Eestnim. - Zie hiervoor op no. 23. - 
Ant. Jz. - Cl. Leeuw. (Aanm.), bl. 149. 

38. Hr. Johannes Johannis ^ p. te Noorder-Drachten. - Ch.bk. 
en M. P. - CI. Leeuw. (Aanm.), bl. 149. 



. WESTERGO. 

39. Hr. EverarduSy p. te Franeker, was in 1574 Leeraar te 
Oostdeel in Oostfriesland. - Cl. Franeker, bl. 21. 

40. Hr. Sixtus, v. te IJIst. - M. P. - Cl. Sneek (Aanm.), 
bl. 169. 

41. Hr. Cornelius Rotsterhaulius ^ p. en 42. Hr. Andreas Ca- 
stricomius , v. , beiden te Sneek. 

Eerstgenoemde komt ook voor als Corneiius Poppius van Rotster- 
haulc (of Oosterhaule) , vluchtte naar Oostfriesland en werd aldaar 
in 1569 predikant te Westerhuisen. 



14 BIJLAGE A' 

« 

De andere , ook Andtnes Dircksz, van Castricum geheelen , j)re- 
dikte later te Leeuwarden en overleed te Ënkhuizen in 1598. - 
Ant. Jz. en M. P. - Cl. Leeuw. , bl. 6, Cl. Sneek, bl. 42 en Cl. 
Dockum, bl. 2. - Dr. J. R. , G. d. H. , t. a. pl. , bl. 131. -Bz. , 
t. a. pl. 

43. Hr. Johannes^ p. te Boxum, werd in 1567 afvallig. Me- 
dedeeling van Dr. J. Reitsma. 

44. Hr. Fredericus of Fecco ^ p. te Wier, werd 18 Febr. 1567 
verbannen. - Crim. Sent. , Ch.bk. , Ant. Jz. en M. P. - Cl. Leeuw. 
(Aanm.), bl. 140. 

45. Hr. Jacob of Jacob Arendtsz. , p. te Marssum , werd 18 
Febr. 1567 verbannen, na zijne terugkomst aldaar predikant en in 
1580 naar Leeuwarden verroepen. Hij komt ook voor onder den 
naam van Jacob Sart of Sartor. - Crim. Sent. , Ch.bk. , Ant. Jz. 
en 3L P. - Cl. Leeuw. , bl. 3 en 78 en Aanm. aldaar, bl. 142.; 
Cl. Zevenwouden, bl. 196. Verg. : Meiners, t. a. pl. , dl. 11 , bl. 
252 en 253. 

46. Hr. Frerick^ p. te Menaldum, hoewel volgens Matth. Ana- 
lecta , m, bl. 581 , 582 en 641 , hij in 1553 en in 1571 Sibrandus 
Leo aldaar pastoor was , doch deze bediende ook gedurende eenigen 
tijd het altaar te Berlikum. - Mededeeling van Dr. J. Reitsma. - 
Ant. Jz. en M. P. - Cl. Franeker, bl. 125. - Volgens Bz. , t. a. 
pl., bl. 589: monnik en pastoor aldaar. 

47. Hr. Flde of Fldo Johannis , p. »oppe Schingen." - Ant. Jz. 
en M. P. - Cl. Franeker, bl. 99. 

48. Hr. Gysberty p. te Deinum, werd 18 Febr. 1567 verban- 
nen en was waarschijnlijk dezelfde als degeen , die door M. P. : 
Gysberttis Zytopaeiis wordt genoemd. - Crim. Sent. bk. , Ch.bk. , 
Ant. Jz. en M. P. - Cl. Leeuw. (Aanm.), bl. 144. 

49. Hr. Martinus Eleus of Eliacm , ook genoemd : Martinus 
Argidiris Eliacus ^ was voor 1565 p. te Tjum en had later een 
werkzaam aandeel in de eerste prediking der Hervorming te Leeu- 
warden. Hij en de bovengenoemde Antonius Nicolaï predikten o. a. 
den Ssten Sept. 1566 »met zwarte mantels ende met hoeden op 
»hair hoofl** in de Kerk van Oldehovc, »gevende haar vuijt,'' zoo 
vocgt Ant. Jz. er honend bij , »voor oprechte Leeraars des woorl 
»gods.*' Reeds in 1565 was hij in leendienst te Hinte in Oosl- 
friesland en werd te Emden 15 November 1568 in den dienst be- 
vestigd. Hij overleed aldaar 6 December 1573 , »tenvijl zijne vrouw 
»en Dienstmaagd mede in doodts-noodt lagen.*' - Zie over 



BIJLA6E A. 15 

hem o. a. Dr. J. R. , t. a. pl. , in 't Register en de bronnen al- 
daar in noot 1 op bl. 127 aangehaald. - Ch.bk. en M. P. - Cl. 
Leeuw. , bl. 2 , Cl. Franeker , bl. 105 en Cl. Dockum , bl. 25. - 
Meiners , t. a. pl. , I , bl. 467. - Zie no. 12 hiervoor. (Ant. Nicolai). 
Daar hij zich reeds in of kort vdör 1565 naar Oostfriesland be- 
gaf, zoo zal hij zeker kort te voren als pastoor te Tjum zijn ver- 
vangen door: 

50. Hr. Eghert IFig of Jf^ipnans , p. te Tzum , werd 18 Febr. 
1567 verbannen. - Crim. Sent. bk. , Ch.bk. , Ant. Jz. en M. P. 
Tegelijk met hem: 

51. Hr. Henderick^ »in onze Kerkboeken ,** zegt de Bz. , t. a. 
pl. , bl. 590, loHenricus Geestzon toegenaemt,'* v. aldaar, kwam 
reeds in October 1565 naar Emden »als balling vlugten ; hij was 
»mankgaende.** - Bz. , t. a. pl. , bl. 590 , Ant. Jz. en M. P. - 
Cl. Franeker, bl. 106. 

52. Hr. Sipcke , p. te Boer , elders Cyprianm Burensis genoemd , 
bevond zich in 1572 nog te Emden en werd in 1 574 te Grootebroek 
in N. Holland beroepen. - Ant. Jz. ; M. P. ; Cl. Franeker \ bl. 96. 

53. Hr. Wyger Diericx ^ p. te Schalsum, waarschijnlijk elders 
fFigerus Millesius genoemd , werd 18 Febr. 1567 verbannen. - 
Crim. Sent. bk. , Ch.bk. , Ant. Jz. ; M. P. - Cl. Franeker , bl. 96 ; 
Meiners , t. a. pl. , I , bl. 460 en Harkenroht , Oostfr. Oorspr. , bl. 172. 

54. Hr. Gysbertus ^ p. te Winaldum. - Cl. Franeker, bl. 115 
cn M. P. 

55. Hr. Tyalle , p. te Huijns , elders Tjallingius Jouckonis ge- 
naamd , werd omstreeks 1580 predikant te Ulst en later te Ooster- 
littens. - Ant. Jz.; M. P. - Cl. Franeker, bl. 80en 120; Cl. Sneck 
(Aanm.). bl. 169. 

56. Hr. jihhe Syhesz.y jihho of AheltLS ^ v. te Weidum, werd 
18 Febr. 1567 verbannen. - Crim. Sent. bk. , Ch.bk. , Ant. Jz. en 
M. P. - Cl. Franekcr (Aanm.), bl. 145. 

Dat hij dczelfde zou zijn als Ahelus Frankena^ is niet waar- 
schijnlijk. Zie Bz. , t. a. pl. en IJpey cn Dermout, Gesch. der 
Hcrv. Kerk enz. , 11 , bl. 31 der Aantt. 

57. Hr. Johannes, v. te Bozum, was reeds in 1566 gevlucht 
cn kwam met vrouw en drie kinderen te Emden. Hij vertrok in 
1570 naar Holland, waar hij in 1573 overleed, terwijl zijne we- 
duwe in 't volgende jaar te Emden stierf. - Ant. Jz. en M. P. - 
Cl. Sneek (Aanm.), bl. 155. 

58. Hr. ïï^yhren Tjepckesz. ^ p. , reeds in 1543 en : 



16 



BIJLAGE A. 



59. Hi*. IFierdt Tzommes , v. , beiden Kubaard, werden 18 
Febr. 1567 verbannen. 

Dat de eerstgenoemde dezelfde zou zijn als fflbrandm Gerardl , 
zooals gemeend wordt in de Naamlijst der Pred. in de Cl. Frane- 
ker , bl. 4 en Bz. , t. a. pl. , bl. 599 , is zeer le betwijfelen. 

De ander, ook fFiardm genoemd, kwam in 1567 te Emden eu 
was daar nog in 1571 , maar werd later schoolmeester le Kanipen 
in het Peeuwzumer Ampt, waar hij nog in 1574 voorkomt. - 
Crim. Sent. , Ch.bk. , Ant. Jz. en IVI. P. - Cl. Franeker, bl. 4 en 
Benef. boek, bl. 390. 

60. Hr. Jacob , p. te Arum. - Cl. Bolsward , bl. 23. 

61. Hr. Sybren^ p. te Kimswerd , ook : Sibrandus Jacobi ge- 
heetep, was nog in 1570 te Emden en overleed als predikant in 
16Ö3 te Wibelsum. - Ant. Jz. en M. P. - Cl. Franeker, bl. 65. 
Bij Harkenroht, Oostfr. Oorspr. , bl. 304 , vindt men zijn merk- 
waardig grafschrift vermeld. 

62. Hr. Sicke of Sixtm Poppii ^ p. te Burgwerd. - Anl. Jz. en 
M. P. - Cl. Bolsward, bl. 30. 

63. Hr. Jokannes of Johannes Jetzonis, p. le Piugjuni. - Anl. 
Jz. en M. P. - Cl. Bolsward , bl. 59. 

64. Hr. Arent of Arnoldtis , p. te Dedgum , wellicht Arnoldus 
Aetius ^ volgens de Bz. t. a. pl. ; kwam te Ëmden en in 1579 te 
Groot Midlam. Hij schijnt in 1600 te Uskwerd en in 1606 van- 
daar vertrokken of overleden le zijn. - Ant. Jz. en M. P. - Cl. 
Bolsward, bl. 63. 

65. Hr. Siurdt Pouwels , v. te Heeg , schijnt eigenlijk Feitkemu 
geheeten te hebben , misschien een broeder van Watthie Pouwels , 
hiervoor onder no. 12 vermeld. Hij werd met de tner volgende 
geestelijken 20 Febr. 1567 door het Hof van Friesland verbannen. 
In de Naamlijst der Cl. Sneek, bl. 13, wordt hij genoemd Suf- 
fridus Hariton en daarbij is aangeteekend , dat hij 22 Sept. 1 568 
door Ds. Albert Hardenburg werd geëxamineerd. Hij vluchtte naar 
Emden, werd in 1573 naar Texel verroepen en later naar ver- 
schillende plaatsen in Friesland , o. a. ook in zijne oude woonplaats. 
Crim. Sent. , Ch.bk. , Ant. Jz. en M. P. - Dr. J. R. , G. d. H. , l. 
a. pl., bl. 234 en 205 (noot). - Cl. Leeuw., bl. 92 en 135; CI. 
Sneek, bl. 13; Aanm. aldaar, bl. 157; Bolsward (Aanm.), bl. 177 
cn Cl. Franeker , bl. 110. - V. d. Aa , Aardr. Wbk. , op : Mar- 
rum. - In de staat van 1580 komt Suffridus Pnuîi voor onder 
Hallum, als )>»predicant in ferwerderadeell.'' 



BIJLAGE A. 17 

66. Hr. Feyte Peeckesz., p. te Oosthem, werd 20 Febr. 1567 
mct no. 65 , 67 , 68 en 69 verbannen. (Zie hiervoor op : Siurdt 
Pouwels.) Was hij dezelfde als Feike Riordts of Feyto Ru^rdi ^ 
zooals men wil, dan was hij reeds in 1546 p. te Pingjum en later 
predikant te Leeuwarden, Oldersum en Groningen, waar hij in 
1602 overleed, zeker in hoogen ouderdom. 

Hij was in 1565 beschuldigd , dat hij de mis naliet en andere 
nieuwigheden pleegde. 

Zou de naam Peeckesz. misschien eene foutieve schrijfwijze zijn 
voor Ruirdtsz.? Zie ook Bz. , t. a. pl. , bl. 588. - Crim. Sent. , 
Ch.bk. , Ant. Jz. en M. P. - CI. Sneek , bl. 33 en de Aanm. al- 
daar, bl. 162. - Dr. J. R., G. d. H., bl. 115 en 180. - Reg. 
van Aanbren|[ , III , bl. 462. - Meiners , t. a. pl. , I , bl. 394 en 
II, bl. 245. - Harkenroht, t. a. pl. , bl. 691. 

67. Hr. Syhe Ahlesz.^ p. te Santfirt, werd 20 Febr. 1567met 
no. 65 , 66 , 68 en 69 verbannen. (Zie hiervoor op : Siurlt Pou- 
wels). - Crim. Sent. , Ch.bk. , Ant. Jz. en M. P. - CI. Franeker , 
bl. 161. 

68. Hr. Jelte Hendricx ^ p. te Smallebrugge , werd 20 Febr. 
1567 met no. 65, 66, 67 en 69* verbannen , vluchtte met vrouw 
en vier kinderen naar £mden en werd in 1569 predikant teBede- 
caspel , waar hij in 1 599 overleed. - Opgave van Dr. J. R. - Crim. 
Sent. , Ch.bk. , Ant. Jz. en M. P. - CI. Sneek , bl. 48 en Aanm. 
aldaar, bl. 168. (Zie hiervoor opi.Siurdt Pouwels). 

69. Hr. Pieter van Sychene ^ p. te Koudum, wordl ook wel 
Sichemiu^ genoemd. Hij iverd met de vier laatsten 20 Febr. 1567 
gebannen en was later predikant te Deinum , o. a. in 1 583 , 
terwijl hij vijf jaren later , van Leeuwarden naar zijne Avoonplaats 
terugkeerende,*door boeven bij Ritzumazijl werd vermoord. - Da- 
thenus schreef hem in 1587 een belangrijken brief en noemt hem: 
»Vir eruditione et pietate eximius." - Opgave van Dr. J. R. - 
Ch.bk. en M. P. - CI. Bolsward, bl. 34 en CI. Franeker (Aanm.) , 
bl. 144. - V. d. Aa, Biogr. Woordenboek. - (Zie hiervoor op: 
Siurdt Pouwels.) 

70. Hr. Johannes^ p. te 0. L. Vrouwen Parochie. - AAl. Jz. 
en M. P. - CI. Leeuw. (Aanm.), bl. 139. 

71. Hr. Johannes^ p. le St. Anna Parochie. - Ant. Jz. - CI. 
Leeuw. (Aanm.), bl. 140. 

72. Hr. Johannes Jans, p. te St. Jacobi Parochie, vluchtte in 
1567 van daar mel vrouw en twee kinderen naar Emden, waar 

2 



18 BIJLAGE A. 

hij waarschijnlijk in 1576 slierf. Neef van Marlinus Eliacus , hier- 
voor op no. 49 verineld. - M. P. - Cl. Franeker, bl. 60. 

C ZEVENWOUDEN. 

73. Hr. Johannes Meinei'tsz.^ v. te Leimner , iverd 18 Febr. 
1567 verbannen. - Crini. Sent. , Chbk. , Ant. Jz. en M. P. - 
Cl. Sneek (Aanm.) , bl. 171. 

74. Hr. Jacob Galmery , p. te Beetsterzwaag , ook wel Gelmeri 
of Jelmersz. genoemd , werd beschuldigd van nieuwigheden te heb- 
ben »gepleecht int dopen der kynderen" en deswege door het Hof 
van Friesland den 12den Maart 1567 verbannen. 

Hij schijnt na zijne terugkomst in zijne oude Avoonplaats predi- 
kant te zijn geworden en overleden te zijn kort vôor .1606. -Crim. 
Sent., Ch.bk. en M. P. - Dr. J. R. , t. a. pL, bl. 145 enCl. Ze- 
venwouden , bl. 195. 

75. Hr. Jacoh Ahhesz. , p. te Uréterp. - Ch.bk. en M. P. - 
Cl. Zevenwouden , bl. 202. 

76. Hr. JFesselius .^ p. te Hemrik. - M. P. 

77. Hr. Quirinus Palm ., p. te Oldemirdum , was, reeds voôr 
1566 naar £mden gevlucht, maar omlrent dien tijd te Leeuwarden 
werkzaam. Later verviel hij tijdelijk weder tot het Pausdom , maar 
keerde daarna weder tot de Herv. Kerk terug. Hij werd vervolgens 
predikant te Leerdam, waar hij in 1574 door de Spanjaarden is 
opgehangen. - M. P. - Dr. J. R. , G. d. H. , t. a. pl. , bl. 117. - 
Cl. Sneek (Aanm.), bl. 161. - Bor, 7de Boek, fol. 41 v. vak. 

78. Hr. Regnerus , p. te Niehollwolde. - M. P. 



N.B. Op de bovenvermelde lijst komen niet voor: 

Hr. Petrus Hotzenins ., p. te Oldeholtwolde (misschien een 
broeder van Jelle Hotzes of Gellius Snecanus, boven vermeld 
op no. 34), die reeds voôr of in 1567 de wijk had geuomen , 
blijkens Dr. J, R. , G. d. H.., t. a. pl. , bl. 116; 

alsmede : Hr. Andries Slrom of Schorm , uit West-Stel- 
lingwerf, 18 Mei 1569 gebannen , omdat hij zich onder de 
vendelen van Graaf Lodewijk had gevoegd en wiens naam men 
vindt in Marcus* Sent. , bl. 191 ; zie hiema in Bijlage C op : 
Heiligerlee. 



Bijlage B, (bladz. 453), 

bevattende namen der Friesche edelen en aanzienlijken , van wie 

het deels zeker, deels onzeker is of zij op het Verbond der £delen 
hebben geteekend. 1) Wij hebben daaroin deze Bijlage in drîe 
nummers verdeeld , als : 

I, bevattende de namen van hen, van wie het zeker is, 

dat zij daaraan deelnamen, ten getale van 36 

n , van wie dit door ons wordt vermoed 53 

III, van hen, die bij Te Water buiten de vorigen, als 
zoodanig nog genoemd worden , doch voor wier deelname , 
onzes inziens, geen genoegzaam bewijs bestaat • . . • 31 

Samen * • • 120 
Vergelijk noot 2 op bl. 446 van' den tekst , terwijl hierna eene 
verbetering zal voorkomen met betrekking tot bl. 453 van den tekst. 
Bronnen: Sententién van Alva, uitgeg. door Marcus; Charter- 
boeken van Friesland ; Te Water , »Historie van het Verbond en de 
»Smeekschriflen der edelen ," enz. ; De Vrije Fries , XIV , bl. 35 — 
47, terwijl nog enkele andere bronnen hierna zullen worden aan- 
gewezen. Zie ook de verkortingen op bl. 5 hiervoor. 

Bekend is het werk van den Hoogleeraar Te Water, belangnjk 
vooral wegens de vele merkwaardige aanteekeningen en levensbijzon- 
derheden , die daarin zijn opgenomen. Jammer is het echter , dat 
de Naamlijst daarin , althans wat de Friezen aangaat , niet geheel 
te vertrouwen is. - In die Naamlijst toch worden 111 namen van 
Friezen gevonden , die aan het Verbond zouden hebben deelgenomen. 
Behalve dat daarin namen worden genoemd van personen, van wie 
het geheel onzeker , ja onwaarschijnlijk is , dat zij aan het Verbond 
deehiamen , komen bovendien vijf namen van Friezen daarin te veel 
voor, zoodat er een getal van 106 namen overblijft. Hrj vermeldt 
nl. de namen ; Jan BelUma , JFiUem Binga , fFillem Bonga , 



1) Hoewel niet van Friesche edelen afkomstig, zoo willen wij er 
toch aan herinneren, dat er zich op het Nederlandsch Museum te 
'sHage enkele voorwerpen bevinden, afkomstig van Verbondene ede- 
len; zie: ^Eigen haard," 1879, bl. 79, 



20 



BIJLAGE B. 



. . . Bouwtma en Otto Jferlngsrna , waarvoor hij de juiste nainen 
ook opgeeft , te weten : Jan Bonga , JFiUem Butna , Hotthie Bou- 
wema en Otto Herema, 

Ant. Joostz. venneldt t. a. pl. , bl. 425 , de namen van 37 
edelen en op bl. 439 van 42 , te zamen 79 namen , doch dewijl 5 
namen op die lijsten tweemaal voorkomen, zoo wordt dit getal tot 
74 teruggebracht. 1) Ant. Jz. noemt dezen alleen als gebannenen 
en voegt er niet bij , dat zij tot de Verbondene Edelen behoorden , 
hetgeen wel door Winsemius, die t. a. pl. , bl. 90 en 114dezelfde 
namen vermell, schijnt verondersteld le worden. 2) Dit is moge- 
lijk , maar de noodige zekerheid outbreekt in dezen. Wij komen 
hierop nog nader terug. 

De bron, waarvan Te Water ten opzichte van de Friesche 
verbondenen heeft gebruik gemaakt, is, behalve de iverken van 
Winsemius en M. S. aantt. vau E. M. van Burmania, eene Naam- 
lijst, van den Hoogleeraar Wesseling afkomstig, aan wien zij was 
verstrekt door Duco Martena van Burmania, nakomeling vnn Duco 
van Martena, »die," zoo zegt Te Water, »ook zelf tot het getal 
»der Bondgenooten behoorde," hetgeen echter, zooals wij hierna 
zuUen zien , in 'l geheel niet zeker is en zelfs zeer te betwijfelen 
valt. Overigens vermoedt hij , dat deze lijst van Duco van Martena 
afkomstig zou zijn. 

Deze Naamlijst zullen wij in 't vervolg als Lijst JF» en de na- 
men , die daarop voorkomen en hierna vermeld ivorden , met een 
kruisje (^) aanduiden. Zij komt voor bij Te Water in Dl. IV, bl. 
30 en bevat 51 namen , waaronder die van Brederode , Bouwema , 
Jan Bellema en JFillem Bonga , welke laatste drie aldaar ook 
voorkomen als : Hoitie Bouwema , Jan Bonga en JPlllem Binga 
(of Buma)y zoodat er een getal van 47 namen van Friezen daarop 
overblijft. Veel waarde meenen wij aan die lijst niet te mogen 
hechten. Zij schijnt in lateren tijd voornamelijk uit de Sent. van 
Marcus te zijn opgemaakt, blijkens de verkeerde spellingen van 
^ggania voor ^ggema en Binga voor Bonga. 

Om echter niemand van het voorgeslacht te kort te doen, zoo 
hebben wij in deze Bijlage ook de namen opgenomen van hcn , van 



1) Nl. van: Jelte Eelsma^ Doytxe Wingiat Edo Gerbrandüf Oene 
Grovestins en Oene Heringa, 

2) Op bl. 115 ald. komen nog andcre namen voor, vermeldinhet 
Ch.bk., III, bl. 72G en 762; zie hierna: Bijlage E. 



bijla(;e r. 



21 



wie het naar ons gevoelen geheei onzeker is of zij ooit lot de Ver- 
bondenen .hebben behoord, maar die door Te Water daartoe ge- 
bracht worden. 

Dewijl bij de bespreking van de Verbondene Ëdelen op bl. 453 
in den tekst later een paar misstellingen zijn ontdekt, willen wij 
die vooraf rectificeeren : 

In regel 11 van boven: leze men 38, in plaats van 39, daarde 
naam van Tjerck JFalles ^ wél in het Charter van 9 Jan. 1568, 
maar niet in dat van 8 Sept. voorkomt. Voorts in regel 15«;.^., 
in plaats van : »met 42 edelen" : ^>mel de namen van 42 edelen , 
waaronder echter voorkomt die van Doytze frîngia^ dîe reeds op 
de Hjst van 9 Jan. staat vermeld.^'' In plaats van hetgeen vermeld 
staat in regel 16 v, b. tot en met regel 23 v. o. (wllet — personen**.) 
het volgende: i>Fan deze SO personen (39 -f- 41) namen ontegen^ 
zegge/ijky zooals hierna zal worden 'aangeloond, een getal van 31 
deel aan het Ferhond , nl. : de 23 eerstgenoemden , alsmede de 
volgende a c h t ^ wîer namen op 26 Junî werden afgelezen : Edo 
van yïhhema , ^lef van Aggema , Jan van Bonga , Jelte van 
Eelsma ^ een der van Eysîngas^ Jouw en Oene 1) van Iferinga en 
Jelle Jacohsz. Bovendîen îs het nog van elders hekend^ dat daar" 
aan deelnamen de 5 volgende edelen: Sjoert van Beyma^ Jf^illem 
van Buma , TjaUîng van Eysînga , Hartman van Galama en 
Syhe van Scheltema, Met zekerheîd kunnen wij alzoo de namen 
van 36 Frîesche Ferhondenen aanunjzen,'* (Men leze dus in regel 
4 V, o, op bl. 453 , niet : 34 , maar 36.) 

y>Ferder is het naar onze meenîng zeer waarschîjnlijk ^ dat ook 
de 49 overîgen van dîe 80 op het Compromis hehhen geteekend^ 
te weten: de \Q anderen ^ dîe 9 Janmrî 1568 werden gedagvaard 
en de 33 personen , dîe met de reeds genoemde 8 edelen , in he^ 
Charterhoek van 26 Juni van dat jaar en hij Ant, Jz, vermeld 
worden, 2) Hîerhij voegen wij nog 4 namen , dîe wîj , hekalve de 



1) Oene j niet DouwCj zooals op bl. 453 van den tekst staat , waar- 
over hiema. 

2) De 42 personen , die vermeld worden in het Ch.bk. van 26 Juni 
1568 (ald. 111, bl. 737) worden ook genoemd bij Ant. Jz., bl. 439 en 
440, waar gezegd wordt, dat zij omstreeks de maand Augustus van 
dat jaar twee Volmachten naar Antwerpen , naar den Hertog van Alva 
zondcn. Vergelijk: Ch.bk., dl. III, bl. 747: 24 Aug. 1568, waar- 
door het zeer waarsehijnlijk wordt, dat zij tot de Verbondenen be- 
booren. Zie ook bl. 454 van den tekst en hiema op: Edo Ahbema^ 



22 



BIJLAGE B. 



meesten der bovenbedoelden , dan nog bij Ant* Jz, vermeld vonden , 
zoodat ivij voor deze rubriek een getal van 53 namen verkrygen, 

fPij achten het dus aannemelijk , dat er in het gekeel 89 Frie- 
zen op het Compromis hebben geteekend.^" 

Alzoo in regel 6 v, o, op bl. 453 te lezen : 89 , in plaats van 92 • 

I. 

De nainen der 36 eerstbedoelden zijn opgespoord als volgt : 

a, uit eene acte van 30 Januari 1568, zie Gabbema, 
Leeuw. , bi. 504 (op bl. 452 van den tekst verraeld) : 23 

Ant. Jz. en Te Water noeraen ze allen, behalve: Epo 
van Bootsma^ Cornelis Cornelisz, en Jf^yger van Sytsma ; 
ook worden zij allen met 16 anderen , hiema gemeld, ge- 
noemd in het Charter van 9 Jan. 1568 en in de Viglii Epis- 
tolae, in H. v. P. , II, 406, terwiji op 428 aldaar: fFilco 
van Holdinga en Pibo van Jfaerda meer bijzonder ais leden 
van 't Verbond der £delen genoemd worden. Verder ver- 
gelijke men bladz. 419 en 420 van onzen tekst. 

b, van hen, wier namen op 26 Juni 1568 werden af- 
geiezen , een achttal^ nl. : \AleJ Aggema , \Jan 
van Bonga , \Jelte van £elsma , ^Jotiw en Oene van 
Heringa en \JeUe Jacobsz, , die op bl. 127 van Mar- 
cus , Sent. van Alva als onderteekenaars van het Ver- 
bond voorkomen , waar men echter : Doetie van Heringa 
leest , op grond waarvan Te Water van Douwe spreekt ; 
maar dat men daar Oene moet lezen kan blijken uit 
Ch.bk. , m , bl. 738 en 762 en Ant. Jz. , bl. 440 ; 
verder: \Edo van Abbema (Marcus, 170). In Viglii 
Ëpistolae, in H. v. P. , I, bl. 428, worden drie ge- 
broeders Fan Eysinga als leden van het Verbond 
vermeld , van welken Frans reeds hiervoor is ge- 
noemd , terwijl Tjalling volgt , zoodat Focke of 
Ritscke de derde zal zijn geweest, alzoo . . • • 8 

c, in Marcus , Sent. van Alva , worden als Verbondenen 
nog genoemd de vier volgenden : \Sjoert van Beynia 
(bl. 75); j/n/lem van Buma (bl. 353); ^TjaUing 
van Eysinga (bl. 166) en \ Hartman van Galama 

(bl. 80) 4 

rf. Sybe van Scheltema , blijkens Ch.bk. , III , bl. 707 . 1 

AIzoo in *t geheel • • • 36 



BIJLAGE R. 23 

De onder b, , c. en d, genoemden komen allen bij Te Water voor , 
en , uilgenomen Tjalling van Eysinga , ook bij Ant. Jz. In het 
Ch.bk. worden : Beyma en Galama niet genoemd , maar de overi- 
gen wel; zie bl. 738, 744 en 762. 

II. 

Deze lijst bevat 53 namen, waarioe gebracht zijn: 

a, de 16 overigen, die met de 23 hiervoor onder \a 

genoemd, op 9 Januari 1568 werden gedagvaard: • 16 

\Focke van Aysma , \SyhoU von Aysnm , Wouter 
Coquilain , Sierck Fongers , Cornelis Fonck , \Ifornme 
van Hettinga^ Tjepcke van Oenema, Pieter Pietersz, 
Carel van Roorda , Jan Symonsz , Leo Syinonsz , 
Syhren Syhrensz^ Eebe Tinckes, Jeppe Verielsma, 
Syurdt Verielsma , Dirck Willemsz. 

Ant. Jz. en Te Water noemen van dezen alleen de 
vijf cursief gedrukten. 
h, al de overigen , die voorkomen op de tweede lijst van 
Ant. Jz. (ald. bl. 439), bevaitende 42 namen, van 
welke hiervoor reeds negen zijn genoemd , onder \a : 
Doytze ff ingia , en onder \h : Edo Ahhenia , Alefvan 
Aggema , Jan van Bonga , Jelte van Eelsma , Jouw 
en Oene van Heringa , Jelle Jacohsz, en een der f^an 
Eysinga's , zoodai er alzoo 33 overblijven , allen ver- 
meld in hei Charter van 26 Juni 1568 (Chbk. , III, 

bl. 737) en bij Te Water 33 

Zie ook de noot op bl. 21 hiervoor. 
Watihie van Aylva, Upcko v. Burmania, Gemme 
V, Burmania, Syds v. Donia, Idzert v. Douma,rop- 
pe V. Douma, Erasmus v. Douma , Douwe v. Douma , 
Wyger v. Eelsma , Ritscke of Focke v. Eysinga , Hes- 
sel V. Eminga , Syds v. Eminga , Boite v. Eminga , 
Ate Fernia , Edo v. Gerbranda , -j-Oene v. Grovestins , 
Tjepcke v. Goslinga , Taco v. Galama , -l-Seerp v. Ga- 
lama , Frans Gerritsz , Jorrit v. Hania , Laes v. He- 
ringa, -J-Otlo v. Herema, fTiete v. Hetiinga, Tjaerdt 
Jellersma , Aeltie v. Jaersma , Scipio v. Meckema , 
Fr. V. OfTenhuizen , Agge v. Osinga , Jelte Riddersma , 
Schelte v, Tjaerda, fAucke v. Unia, Hoyte v. Unia. 

49 



24 



BIJLAGE B. 



49 

c, eindelijk komen nog dc vier volgenden voor bij Ant. 
Jz. , t. w. : JSverard Arckens en Frans llemmes , die 
9 Aug. 1568 werden gedagvaard (Ch.bk. , III , bl. 744) , 
alsmede : Otto nania en Schelte v, Jloorda , welke 
laatsten nergens anders voorkomen , dan alleen met de 
twee anderen bij Te Water 4 



Samen alzoo • • • 53 

III. 

Zooals wij opmerkten noemt Te Water 106 Friezen, die 
aan het Verbond zouden hebben deelgenomen; zie bl. 19 
hiervoor. Van dezen zijn 33 onder I en 42 onder II ver- 
meld , samen : 75 , zoodat er nog te vermelden overblijft een 
getal van : 31 

fGoossen v. Andringa , fTjeerd v. Andringa , fWybrand 
V. Aylva, fPieter v, Aylva, fHessel v. Aysma, fJulius v. 
Botnia , f Syds v, Botnia , f Hotze v. Buma , f Pieter v. Cam- 
mingha , f Haring v, Glins , f Aedo Gabbema , f Hartman Gau- 
ma , f Watze Gauma , f Wybe v, Grovestins , fC. Haga , f lïa- 
ring V. Haersma, fHartman v, Haersma (Harinxma thoe 
Heeg) , Hessel Haytsma , Leo v, Hania , f Donwe v. Heringa , 
f Douwe V, Hottinga , f lïero v, Hottinga , f Baerte v. Idzarda , 
f Eco IJsbrandtsz. , f Laes v, Jongema , Simon Longobardus , 
f Duco V. Martena , f Aucke v, Oedtsma , f Tzomme v. Rol- 
lema, fPopcke v. Roorda, fSippe v, Scheltema, 



N A A M L IJ S T. (*) 

1 . £do of Vde jïbbema (453) , zoon van Sipcke , omstreeks 
1544 olderman te Sneek en Rensck Baringa , huwde met Edwer 
van Popma , die in 1575 als zijne weduwe voorkomt , terwijl hij 
in 1566 burgemeesler was in die slad. Twee jaren later werd hij 
gebanncn en zond vervolgens met 41 zijner land- en lotgenooten 
twee gemachtigden naar Antwerpen , met name : Fccko Rhala en 

(*) De nummers achter de namcn.. duiden de bladzijden in dcn 
tekst aan. 



RIJLA6E B. 25 

Jurrien Godofredi. Hij is daarop vermoedelijk gevlucht, bevond 
zich echler in 1572 weder in Friesland en slierf v66r 1575. In 
eene Sententie van 22 Oct. 1568 wordt hij een der Verbonden 
edelen genoemd. - Marcus , Sent. , bl. 170; T. W. , II, bl. 139; 
Stbk. , op: Solckema, aant. 20; De Vrije Fries, IX, bl. 440; Dr. 
J. R., G. d. H., bl. 131; Chbk., III, bl. 737. 

2. jilef yïggema (422 , 453 en 454) , verkeerdelijk Aggania 
genoemd, waarschijnlijk zoon van Pieter en IJnts van Siersma of 
IJnts van Ëminga , die vermoedelijk op Aggemastate te Witmarsum 
woonden. Hij schijnt niet gehuwd geweest te zijn. Zijn naam werd 
26 Juni \ 568 afgelezen , terwijl hij 10 Sept. daarna nogmaals werd 
gebannen, w^arvan het vonnis 26 Januari 1569 in Friesland werd 
afgekondigd.. - T. W. , II, bl. 144; Stbk, op: Walta, gen. 5; 
Marcus, Sent. , bl. 127, en Chbk., III, bl. 737 en 765. 

3. Hendrick Albertsz, (452) of AUartsz,^ zooals T. W. hem 
noemt, in 1566 schepen te Leeuwarden , woonde in de »Guldén 
Handt." Hij bevond zich in Januari 1568 in Emden en werd in 
diezelfde maand gedagvaard , en nadat hij in Mei daama met zijn 
zoon onder Graaf Lodewijk bij Heiligerlee gestreden had , gebannen. - 
T. W., II, bl. 147; Gabbema, Leeuw. , bl. 50; Chbk., III, bl. 
726 en 752. Zie ook: Bijlage C. 

4. Sjoert van Beyma (411, 429 en 445) werd, zooals in den 
tekst is vermeld , in Mei 1567 bij Harlingen gevangen genomen en 
1 Juni 1568 te Brussel onthoofd. Zijn hoofd werd op een paal 
geplaatst en zijn lichaam daaraan gehangen , »in welke akelige om- 
»standigheid zijn lijk zou hebben moeten blijven , hadt hij , door 
»biechten de eere niet verdiend , dat zijn lichaam in ongewijde aarde 
»begraven wierde." 

Zijne weduwe, die waarschijnlijk niet hertrouwde, zooals elders 
wordt gemeld, leefde nog in 1615, was toen 80 jaren oud en ont- 
ving toen een jaargeld van 150 pd. (gld.) »vuyt commiseratie" en 
uit dankbaarheid voor de diensten, die haar man den lande had 
bewezen. Haar broeder Sydts schijnt haar tot zijn overlijden, dat 
in laatstgenoemd jaar plaats had , onderhouden le hebben. 

T. W, (II , bl. 184 , noot) teekent aan , dat het geslacht Van 
Beyma, waartoe Sjoert behoorde, te zijnen tijde reeds zou zijn 
uitgestorven , maar volgens het Stbk. behoorde hij tot het thans 
nog levend adellijk geslacht Van Beyma. 



26 - BIJLA(;£ B. 

Men vergelijke verder T. W, , II , bl. 364 , op den naam : Suffridus 
Eejenus. - Marcus , Sent. , bl. 75 ; Stbk. , op : Beyma , o. a. aant. 21 
aldaar, in verband met aantt. 10 en 16 op: Mockema; Feith, 
Reg. V. h. Archief van Gron. , 2de vervolg , op : 1567 , no. 64 , 
waar vermeld wordt, dat hij 28 Maart 1567 zich te Groningen 
bevond en aldaar zijn intrek had genomen in »Het golden varcken** ; 
Tegenw, Staat, III, bl. 160 en over het Jaargeld van Beyma's 
weduwe : Navorscher , jaarg. 28 , bl. 58. Voorts zie men over de 
gevangenneming van Beyma en de zijnen, alsmede over den gees- 
telijke, die Beyma in de laatste ure zou hebben bijgestaan, noot 
160 op bl. 75 der Aantt. van het Iste deel van de »Gesch. der 
N. H. Kerk,*' door IJpey en Dermout. Die geestelijke zou, vol- 
gens E. M. van Burmania , zijn geweest een landgenoot van Beyma , 
met name : Heer Jf^atze of Valerîus van Herema , die in 1560 
Deken van Bolsward werd. Vergelijk 'tStbk. , alsmede: De Vrije 
Fries, V., bl. 25. 

5. Jan van Bonga (453 , 462 , 519 enz.) , zoon van Syds en Rints 
van Roorda , die te Holwerd woonden , zeer zeker op Bongastate , waar 
ook hun zoon Jan later verblijf hield en met Sytske van Aylva 
huwde. Hij werd in 1560 grietman van Wesi-Dongeradeel , maar 
deed ^in 1567 afstand, om plaats te maken voor den Spaanschge- 
zinden Reinier Fritema. (Zie bl. 497 van den tekst). 

Nadat Bonga op het Verbond der edelen had geteekend , werd 
hij den lOden Sept. 1568 verbannen , terwijl zijn naam ook reeds 
den 26sten Juni van dat jaar was afgelezen, hetgeen op nieuw 
26 Januari 1569 geschiedde. 

Hij streed bij Heiligerlee en Jemmingen , voegde zich later bij de 
Watergeuzen en was misschien in Juni 1570 tegenwoordig bij een 
inval der Geuzen te Holwerd , toen de grieiman Frilieina wcrd op- 
gelicht , die mogelijk zijn verbeurd verklaard huis bewoonde ; 
althans men vindt vermeld , dat Bonga zijn eigen huis in brand 
heefl doen steken. 

Hij zal wel dezelfde zijn als Jan Bellema (Bouwema) , die volgens 
den geschiedschrijver Hoofl in 1575 mei 50 anderen ( VVaiergeuzen) 
uit Ëngeland de wijk moest nemen. (Zie aldaar, fol. 443). Zie 
hiervoor, bl. 19 o. a. 

Den I6den Augustus 1580 bekwam hij in een gevecht tegen de 
Spanjaarden bij Aduarderzijl eene wonde, waaraan hij na een lang 
en smartelijk ziekbed te Leeuwarden overleed. 



BIJLAGF. B. 27 

Stbk. , zie het Register en o. a. Roorda yan Tj. , aant. 21 ; 
Marcus, bl. 127; V. Sminia, bl. 51; V. Gron., bl. 168, 174 en 
438 , aant. 48* ; Navorscher , IV , Bijblad LII ; Hooa , fol. 443. 
Over de verschillende schrijfwijzen , als: Binga, Bonga, Bouwema, 
Buma , Buwingha , enz. zie men : T. W. , II , bl. 255 en IQ , bl. 
496 en voorts over Johan Bonga , ald. bl. 189. - Chbk. , III , 
bl. 737 en 762. 

Bij eene andere gelegenheid hopen wij op dezen vrijheidsheld 
nader terug te komen. 

6. Ej)o van Boot^ma (452). Omtrent denzelfden tijd woonde 
er een £po van Bootsma te Kollum en een van dienzelfden naam 
te Huizum. Het is onzeker, wie van deze beiden in Januaril568 
zich te Emden bevond en in die maand gedagvaard werd. - T. W. 
noemt hem niet. Men zie over dien uit Ä'ollum: Frisia Nobilis, 
bl. 150 en 153; Koll.land c. a. g. beschr., bl. 138 en de Plaats- 
beschr. dier gemeente, I, bl. 123. Over dien uit Huizum: De 
Vrije Fries, XIV, bl. 31, 1) en overigens : Gabbema, bl. 504; 
Chbk. , ffl , bl. 726 en 752. 

7. JFillem van Buma (412, 429 — 445), vrij zeker zoon van 
Wopke en Odtzen van Heemstra , (en niet , zooals in den tekst , bl. 
412 staat: zoon van Johan en £bel van Popma) , die waarschrjnlijk 
op Buma-state te Driesum verblijf hielden , waar ook deze hun zoon 
met zijne vrouw Auck van Heemstra schijnt gfewoond te hebben. 
Volgens Schotanps was hij )>ongetrout*'; volgens £. M. van Bur- 
mania had hij een zoon , die Popcke heette , hetgeen w^ij betwijfelen. 

Van Meeteren en Bor, en op hun voetspoor ook enkele andere 
geschiedschrijvers , meenen, dat hij 25 Aug. 1568 met vier anderen 
te Utrecht werd onthoofd. Sommigen stellen dit op den Isten Juni 
van dat jaar, maar uit zijn vonnis blijkt duidelijk, dat hij den 
24sten December veroordeeld werd, om vijf dagen later onthoofd 
te worden. 

De verschillende schrijfwijzen van zijn naam zal tot deze verwar- 
ring aanleiding hebben gegeven. Zie daarover : T. W. , 11 , bl. 
255 en ffl, bl. 496. 

Zijne weduwe hertrouwde met Matthijs Rommerts, syndicus der 
stad Leeuwarden. - T. W. , D, bl. 211 , 263, 272 en 308; ffl, 



l) Op b1. 32 aldaar zegt de Heer V. 6. Waalkes : „Roordahuizum /' 
maar men zie ook: Frisia Nobilis, bl. 153. 



28 BUrAftF. B. 

bl. 484; Fr. Volks-Alm. voor 1887, bl. 15 enz.; Marcus, bl. 353; 
Stbk., ïn HRegister en dl. 11, Nalezing, bl. 8; Bor, IV, bl. 169 
en 177; Hoofl, fol. 180; Van Meeteren, in, bl. 56 en vergelijk: 
V. Sminia, bl. 122, aangevuld uit M. S. aantt. , alsmede Feith, 
Register van het Archief van Gron. , 1573, no. 44; Chbk. , IQ, 
bl. 762, en ^anf. V hierna. 

8. Foppe van Camsfra (452), zoon van Homme en Eelck van 
Ëjsinga , die waarschijnlijk te Wirdum woonden , terwijl Foppe , 
die met Tieth , dochter van Ruurd van Feytsma , huwde , te Dei- 
num, vrij zeker op Feytsma-state , verblijf hield. 

Hij bevond zich in Januari 1568 te £mden, werd op den 9den 
dier maand gedagvaard en later verbannen. Zijne vrouw overleefde 
hem en stierf in 1606. Een portret van hem bevindt zich op het 
Friesch Museum van Oudheden t« Leeuwarden; zie: Catalogus, bl. 
141, no. 234. - T. W. , II, bl. 317 en Stbk. , op: Camstra; 
Chbk. , III , bl. 726 en 752. 

9. Cornelis Cornelisz, (452) bevond zich in Januari 1568 te 
Emden , werd den 9den dier maand gedagvaard en later verbannen. - 
Chbk. , III , bl. 726 en 752. 

lOi Epo van Douma (452) , »d* olde ," zoon van Epo en Tjets 
van Camstra, die te Irnsum woondcn op Doumastate , waar Epo 
(en ook diens broeder Goffe , die later te Iluizum verblijf hield) , 
zal zijn geboren , althans vôôr 1516 , dewijl toen zijn vader over- 
leed. Epo , de zoon , werd » d* olde " toegenaamd , omdat zijn 
broeder Goffe een zoon had , die eveneens Epo heetle. 

Naar onze meening heefl van deze twee Epo's , die van Hallum 
op het Verbond geteekend , daar uit een Charter van 30 Januari 
1567 vrij duidelijk blijkt , dat »Epo van Douma toe Halhim" tot 
de » Geconfedereerde Heeren " behoorde. Deze zal zich dan ook in 
Januari van het volgende jaar te Emden hebben bevonden (bl. 452) , 
vervolgens 9 Januari van dat jaar als voorlvhichtig zijn gedagvaard , 
om 2 Februari daama te verschijnen , waama hij , daaraan niet 
voldoende , verbannen werd. 

In eene der afschriflen , in H Kempo 3Iartcnaboek opgenomen , 
waarvan in H Chbk. , t. a. pl. , bl. 707 , wordt melding gemaakt , 
staat ook zeer duidelijk : » Epo van Douma toe Hallum." 

Epo nde ofdé ," zooals Ant. Jz. t. a. pl. , bl. 425, hem noemt 
en dezen als een der voortvhichtigen in 1567 vermeldt , woonde tc 



BIJLAGE B. 29 

Hallum , waarschijnlijk op Feytsma-state en was gehuwd met Sâapke 
yan Feytsma , daarna met Tietcke Tjaarda van Starckenborgh. Over 
Epo van Douma , van Hnizum , die ook is uitgeweken , zie me^ 
de belangrijke levensbeschrijving door Ds. Van Borssum Waalkes, 
in het XlVde deel van De Vrije Fries. 

Wij hebben nergens het stellige bewijs kunnen ontdekken , dat deze 
laatste aan het Verbond zou hebben deelgenomen. - T. W. , II , bl. 
347 en IV, bl. 462 en het Stbk. , op : Douma ; Chbk. ,111, bl. 
696—707 , 726 en 752. 

11. Jelte van Eelsma of Elinxma (422) , zoon van Rippert en 
Trijn van Flipga , woonachtig op Eelsma-state te Sexbierum , waar 
Jelte zal zijn geboren omstreeks 1539. Hij huwde met Wick van 
Galama en woonde met haar op Hottinga-state te Pietersbierum , 
hetwelk hij in 1564 , toen hij 25 jaar oud was , had betrokken. 

Den 26stin Juni 1568 werd zijn naam afgelezen en den lOden 
September daama werd hij gebannen. 

In zijne ballingschap begaf hij zich naar Emden en voegde zich 
later bij de Watergeuzen, terwijl zijne vrouw daar bleef wonen. 

Over zijn dood in 1572 , zie bl. 514 in den tekst. 

Zijne vrouw stierf in 1574 op hare terugreis van Emden naar 
Friesland. - T. W. , II , bl. 365 en III , bl. 460 ; Stbk. , op : 
Eelsma , o. a. aant. 11 en Hottinga , aant. 35 ; Chbk. , III , bl. 
737 en 762. 

Dat hij een zoon was van Rippert en Trijn Elinga , is ons ge- 
bleken uit de kwartieren van zijne dochter Foeck , die blijkens £. 
M. van Bumania aldus zijn : 

Eelsma , Douma , Elinga , Greustra ; 
Galama , Osinga , Hoxwier , Dekema. 

12. Frans van Eysinga (452) , zoon van Aedo en Tieth van 
Juckema , op Eysinga-state te Oenkerk woonachtig , die , behalve 
Frans , ook nog tot zonen hadden : Tjalling , Focke en Ritscke. 

Van Frans en Tjalling (die volgt) is het bekend , dat zij tot het 
Verbond der edelen behoorden , maar dewijl Viglius in een zijner 
brieven vermeldt , dat drie gebroeders daaraan deel namen , zoo 
zullen wij voor dien derden ôf Focke 6f Ritscke moeten houden. 

Frans huwde driemalen. Met zijne eerste vrouw Lisck Jousma 
zal hij waarschijnUjk op Jousmastate te Wirdum gewoond hebben, 
althans in 1567 was dat dorp zijne woonplaats. Zfjne derde vrouw 
was Riem , zuster van Hartman van Galama. 



30 BIJLAGE B. 

Hij beyond zich in Januari'1568 te Emden en werd later'ge- 
bannen , terwijl hij in 1603 slierf en te Wirdum werd begraven. - 
T. W. , II , bl. 390 ; Stbk , op : Eysinga en Viglii Epistolae , in 
H. V. P. , n , bl. 406 en 428 , alsmede : Chbk. , ffl , bl. 737. 

13. »Doctor Tzaling Eyssinga''' (413, 453 en 462), broeder 
van den voorgaande , huwde met Hylck , dochter van Pieter vaji 
Haersma of Harinxma thoe Heeg en His Jousma. Hij woonde te 
Leeuwarden op het huis Muntenburg , thans nog bekend. 

Bij vonnis van 22 Octpber 1568 werd hij , zoowel als zijne vrouw 
en schoonmoeder , met eenige anderen verbannen , wat hem betreft , 
omdat hij , niettegenstaande hij Z. M. Raad in den Hove van Fries- 
land was , nogthans had aangehangen en begunstigd de Hervormde 
Godsdienst , de Predikatiën had bijgewoond en toegelaten , dat er 
bijeenkomsten en geheime vergaderingen in zijn huis gehouden wer- 
den van de voornaamste bewerkers der oproerigheden en nieuwig- 
heden en bekend van in geschrift opgesteld te hebben het zooge- 
naamde kleine Verbond en het geteekend , en in 't Leger der Vijanden 
gediend te hebben als Commissaris der Monsteringen , Schatmeester 
of iets dergelijks. 

Zijne vrouw en schoonmoeder werden beschuldigd de Hervormde 
leer te hebben aangehangen en begunstigd, de Predikatiën bijge- 
woond en de Hervormde Predikanten onthaald te hebben in hunne 
woningen. 

Zij waren reeds 9 Aug. 1568 gedagvaard , terwijl hun vonnis 
van verbanning den 26sten Januari 1569 in Friesland werd afge- 
kondigd. 

Hij overleed te Wezel volgens sommingen in 1569 , volgens an- 
deren in 1572 , zoo het schijnt , aan een berocrte. - Volgens 't 
Stbk. in 1572 ; T. W. , II , bl. 391 ; De Vrije Fries , XI , bl. 405 , 
aant. 17 — ^20 aldaar en de aldaar aangehaalde schrijvers ; Marcus , 
bl. 166 ; Chbk. , lU , bl. 744 en 762. 

14. Focko bî Ritscke van Eysinga (453) , broeders van de 
voorgaanden. Misschien teekenden beiden op het Verbond , ■ doch 
dit is niet volkomen zeker. Wel weten wij , dat beiden later wer- 
den gebannen. Zie hiervoor op no. 12. 

Focko huwde met Jel van Glins en was in 1557 en 1563 subst. 



BIJLAGE B. 31 

grietinan van Baarderadeel. Zijne«vrouw overleefde hem. In 1555 
woonde hij te Harlingen. 1) 

Zijn broeder Ritscke huwde mel Mary van Tjaerda , van Rinsu- 
sumageest. Deze begaf zich naar Oostfriesland en overleed 9 Mei 
1573 .te Leer , vanwaar zijn gebeente in 1592 naar Leeuwarden 
werd overgebracht. Zijne vrouw stierf , niet zooals in het Stbk. 
staat in 1601 , maar in of na 1607 , zooals blijkt uit Beschr. van 
Leeuw. door Eekhoff, II, bl. 125. - T. W. , U , bl. 387 en 391 
en m , bl. 528 ; Ant. Jz. , bl. 439 ; Stbk. ; Chbk. , ffl , bl. 737. 
Zie Bijlage B II , no. 17. 

15. Sjuck van Eminga (423 , 451 , 452 en 463) , zoon van 
Ids en Wick van Heemstra , huwde met Fouwel van Holdinga , 
met wie hij te Kornjum woonde. 

Hij onderteekende 8 Febr. 1567 eene acte betreffende het Com- 
promis der edelen , vluchtte naar Oostfriesland en bevond zich in 
Januari 1568 te Emden. Den 9den dier inaand werd hij gedag- 
vaard en later verbannen. 

In 1580 werd hij grietman van Dantumadeel en stierf in 1586. - 
T. W. , II , bl. 377 ; Stbk. , op Eminga ; V. Sm. , bl. 120; Chbk., 
m , bl. 707 , 726 en 752. 

16. Hessel van Feyisma (452) , te Huizum woonachtig , ver- 
moedelijk de oudste van de beide Hessels van Feytsma , die aan het 
Yerbond deehiamen en van zijn naamgenoot , die volgt , aldus on- 
derscheiden werd. Hij was dan de zoon van Jelger en Claer van 
Emmga en huwde eerst met Bauck van Galama , daarna met Habel 
van Offenhuizen, die hem overleefde. In Januari 1568 bevond hij 
zich te Emden , werd den 9den dier maand gedagvaard en daarna 
verbannen. Met zijne eerste vrouw heeft hij »in baUingschap ge- 
»leeft toe Lier in Emderlant alwaer Bauck ook is versturven ," ter- 
wijl hijzelf in 1585 overleed. - T. W. , U , bl. 394 en395; Stbk., 
op : Feytsma ; De Vrije Fries , XTV , bl. 30 en Aantt. van E. M. 
V. B. ; Chbk. , ffl ^ bl. 726 en 752. 

17. Hessel v, Feytsma (452) , te Peins woonachtig , Kooals wlj 
zeiden , vermoedelijk de jongere geheeten , ter onderscheiding van 
den vorige , was waarschijnlijk de zoon van Gerrolt «n Anna van 



1) Zie Leeuw. Courant van Donderdag 10 Dec. 1885. 



32 



BIJLA6E B. 



Cainstra en gehuwd mel WÜÄk van Heeinstra. Hij bevond zich 
in Januari 1568 te Einden , werd den 9den dier inaand gedagvaard 
en daarna gebannen en overleed vôôr 1577. - (Bronnen alsboven.) 

J8. Gerrit Florisz. (452 en 453) , toegenaaind » van J)elff^\ 
geboren in 1519 , verinoedelijk te Leeuwarden , koint in 1563 cn 
'67 voor als schcpen dier stad , bevond zich in Januari 1568 tc 
Einden en werd den 9den geJagvaarJ en daarna gebaiinen o. a. op 
grond , dat hij in Januari 1567 zijn kind had laten doojien »nac 
»die Zwingelsche inaniere." 

Of hij bij Heiligerlee heefl gestreden is onzeker ; zie daaroYcr : 
Bijhge C. - T. W. , U , bl. 402 ; De Vr. Fries , IX , bl. 417 ; Oork. 
V, h, St. Anth. Gasthuis , te Leeuw, , bl. 388 en 605 , waar hij 
»van Delff" gcnoeind wordt , terwijl Gabbenia , t. a. pl. ,bl. 504, 
hein »Gerrit Floriszoon Delf" noemt ; Chbk , III, bl. 726 cn 752; 

19. Hartman van GalamH (411 , 429 — 445). Zijn vader tec- 
kende over zijne geboorte aan : »In Hjeer van tryentrytigen de 18 
»dey Jan. de morns voor tryen doe word ws Harlinan bern." 

Hij huwde inet Riein van Herinana , (wed. van Wytze Cainstra , 
gesl. 1555) en woondc inct haar te Wirdum , vermoedelijk op Cain- 
stra-state. Zijne moeder was eenc zuster van Hcctor van Hoxwicr , 
wiens dochlers met Fgmond en Huchtenbroek huwdeu. Zie tekst, 
bl. 404 en 405. 

Yolgens sommigcn is hij ook gehuwd gewccst mct Kinsck van 
Ropta (gcst. 1581), doch dil is zeker eene dwaling , dewijl Ricm 
(geb. vöôr 1508) in of na 1588 is overleden. 

In eene acte van 31 Januari koml hij voor als tot de Vcrbon- 
dcnc Edelen behoorende. - T. W, , II , 405 ; Stbk. , op : Galama , 
waar zijn geboortcdag op 18 Februari wordt gesteld ; later Yonden 
wij bovcnverinelde aanteekening zijns vaders. Marcus , bl. 80. - Zijnc 
zuster irkk huwde met den hiervoor vermelden Jelte van Eelsnia, 

20. Douwe van Glins (452) , zoon van Laes en Wilsck Uninga 
van Hoytema , die op de stale Glins te Dronrijp hebben gewoond , 
huwdc met Tjets van Galama , zuster van Hartman , met wie hij 
op gemeldc state heeft verblijf gehouden , welk huis door zijncn 
groötvadcr Taecke in 1548 was gebouwd en ook wel »HBlaauw 
Huis** hccttc. 

Douwe vluchtte in 1567 , was in Januari 1568 te Eindcn cn 
wcrd den 9den dier inaand gcdagvaard en daarna gebannen. Later 



BIJLAGE B. 33 

Yoegde hij zich bij de Walergeuzen en schijnl tegenwoordig le zijn 
geweest bij de inneining van den Briel. Kort daarna werd hij 
gevangen genoinen en te Groningen onthoofd. Zie bl. 510 van den 
tekst. Tegenw. Staat van Gron. , I , bl. 402 en vooral : Gron. 
Bijdr. , V , bl. 332. 

E. M. V. B. teekende nog uit zekere genealogie over deze echte- 
lieden aan : »hebben te saem in ballingschap gewoont tot Emden , 
»alwaer Douwe in den Heere is versturven** (onjuist, zooals blijkt 
uit den tekst t. a. pl.). »en Tiets daer na wedergekomen in H land en 
»weder gestorven binnen Leuwarden in Hjaer van 1581 in Leu- 
Äwarder leste merkt." 

Stbk. , op : Galama en Glins , waar 1568 als zijn sterfjaar wordt 
vermeld ; T. W. , H , bl. 417 ; V. Gr. , bl. 239 en de Aantt. al- 
daar , bl. 240 ; Schotanus , Fr. Gesch. , bl. 766 ; Van Haren , »De 
geuzen" (uitgave 1875), bl. 175, noot 22; Kronijk van Rengers 
ten Post , I , bl. 357 ; Chbk. , III , bl. 726 en 752. 

21. Piho van Haerda (429, 451 en 452, 462) wordt een der 
onderteekenaars van het Yerbond genoemd in een der brieven van 
Viglius van Aytta. Hij was de zoon van Fedde en diens eerste vrouw 
Saeck van Herwey , of van diens tweede vrouw Womck van Jon- 
gema , die zeer zeker op de state Herwey te Ternaard woonden , 
die Pibo in 1558, nog minderjarig zijnde , uit zijns vaders 
nalatenschap erfde en waarop hij later , o. a. in 1567 , met zijne 
vrouw His van Bootsma , van KoIIum , ook verblijf heefl gehouden , 
in welk laatste jaar hij de wijk nam. 

In 1568 was hij te Emden , werd den 9den dier maand gedag- 
vaard en daarna gebannen. Later voegde hij zich bij de Water- 
geuzen. - T. W. , II , bl. 448 , Viglii Epist. (H. v. P. , II , bl. 428) ; 
Stbk. , op : Haerda ; »KolI.land c. a. , geschiedk. beschr.'\ bl. 140 ; 
Chbk. , ra , bl. 726 en 752 ; Fr. Volks-AIm. , 1887 , bl. 64 en 76. 

22. Edo van Heringa (430) , zoon van Eelcke en Womck van 
Jongema , van Rauwerd , die te Marssum , zeer waarschijnlijk op 
de aldaar gelegen Heringastate , verblijf hielden. Hij is niet gehuwd 
geweest. 

Als lid der Verbondene edelen komt hij voor in eene acte van 
31 Januari 1567 , vluchtte in dat jaar en bevond zich in Januari 
1568 te Emden , werd den 9den dier maand met verschillende 
anderen gedagvaard en op den 20sten dier maand nog afzonderlijk 

3 



34 BlJLAaE V. 

mel Cornelis Fonck. (Zie tekst bl. 453.) Laler werd hij gebannen. 

Hij stierf 31 Augustus 1575 en werd te Rauwerd begraven. - 
T. W. , II , bl. 455 en IV , bl. 413 ; Stbk. , op : Heringa en ver- 
gelijk aldaar Aant. 31 ; Adell. Jaarboekje voor 1884 , bl. 93 en 94. 

Een zijner broeders , die na den dood van den hier genoemden , 
Edo werd geheeten , was Spaanschgezind ; zie T. W. en het Stbk. , 
t. a. pl. , alsmede de Conscriptio Exulum en het Adell. Jaarboekje , 
t. a. pl. ; Chbk. , UI , bl. 726 en 752 en Ant. Jz. , bl. 432. 

23. Jouw van Heringa (422) , zoon van Haring , (broeder van 
Eelcke , vader van £do) en His Aebinga , die te Hijum woonden , 
zeer zeker op Aebinga-state , h'uwde met Tiets van Harinxma (thoe 
Heeg) en hield zijn verblijf waarschijnlijk te Heeg , terwijl hij even- 
als zijn broeder Oene , die volgt , in 1568 en nogmaals 10 Sept. 
van dat jaar verbannen werd - T. W. , III , bl. 456 ; Stbk. , op : 
Heringa ; Marcus, Sent. , bl. 127 en Chbk. , lU , bl. 737 en 762. 

24. Oene van Heringa (422, waar men in plaats van Douwe : 
Oene moet lezen) , was een broeder van Jouw en huwde met Foo- 
ckel van Aylva , met wie hij op Aebingastate te Hijum woonde. 

Hij werd , evenals zijn broeder Jouw , bovengenoemd , in 1568 
yerbannen en 10 Sej>t. van dat jaar wederom , welk vonnis 26 Jan. 
van dat jaar in Friesland werd afgekondigd. 

Beiden stierven in 1575 en werden in de Kerk te Rauwerd bij- 
gezet. - T. W. , U , bl. 457 ; Stbk. , op : Heringa ; Sent. , bl. 127 
cn vergelijk daarmede H Chbk. van Fr. , lU , bl. 737 en 762 , als- 
mede Geogr. Woordbk. van Fr. , 1743 , op Hijum ; Adell. Jaar- 
boekje van 1884 , bl. 93 ; en bl. 21 en 22 dezer Bijlagen. 

25. ^ilco van Holdinga (420 , 452 , 462) , omstreeks 1536 
yrij zeker op Holdingastate te Anjum geboren , zoon van Botte en 
Hack van Eysinga , huwde : a. met Tet Sjaarda , en h, voor 1566 
met Haring van Roorda , die in 1574 te Bremen overleed , terwijl 
hij na 1577 ten derdenmale in het huwelijk trad met Helena van 
Bunau , weduwe van Idzard van Douma (zie hiema : U , no. 12) , 
met wie hij op Doumastate te Britsum woonde , waar hij in 1595 
overleed. 1) 



1) Volgens de overlevering zou W. v. H. in de groote zaal yan 
het Holdingahuis (nu het Diaconiehuis in de Gr. Rerkstraat, tb Leeu- 
warden) in 1565 bijeenkomsten van edelen hebben gehouden. Dit 



BIJLAGE B. 35 

üit een der brieven van Viglius van Ayttii en uit eene oorkonde 
van 31 Januari 1567 blijkt duidelijk , dat hij tot de Verbondene 
edelen behoorde. Hij vluchtte daarom in laatstorenoemd jaar , toen 
hij op Holding^a-state verblijf hield en bevond zich in Januari van 
het volg^ende jaar te Emden , terwijl hij in diezelfde maand werd 
gedagryaard en daarna gebannen. Vermoedelijk was hij tegenwoordig 
bij den slag van Heiligerlee en bevond zich in 1573 te Bremen , 
maar keerde vervolgens naar zijn Vaderland terug. 

Rengers vermeldt van hem in zijne Kronijk , I, bl. 326: w/f'. 
ihHoUinga een westfriesch edelman vertoernde voorsz. entens seer 
»mit etliche woerden ," nl. Asinge Entens een »veenrich" van Jochem 
Panser , die tot de Spaanschgezinden behoorde en zich in Mei 1568 
in Appingadam bevond ; zie ald. bl. 324 en 325. Zie voorts : 
T. W. , II , bl. 466 en IH , bl. 543 ; Chbk. , III , bl. 707 ; Vi- 
glii Epist. in H. v. P. , II , in H Register ; Stbk. , op : Holdinga , en 
Chbk. , ni , bl. 726 en 752. - Zijn originele testament is in ons 
bezit. Zijne bepalingen daarin omtrent de plaats zijner begrafenis 
worden bij T. W. vermeld. 

26. Rienck Hotiema (419, 420, 452), zoon van Gerlof Epes 
Hotzema en Rints Camstra , werd v66r 1533 vermoedelijk te Beers 
geboren. Hij was een volle neef van Viglius van Ajtta en van den 
verraderlijken Rommert Friesma. (Zie bl. 446 van den tekst.) 

Hij schijnt gewoond te hebben te Aegum in Idaarderadeel » op 
»fife Bolle , 't welk om de Geuzenfaktie werd verbeurd verklaard.*' 
Inmiddeb wordt Franeker als zijne woonplaats aangewezen, toen 
hij in 1567 de wijk nam. Hij was tweemaal gehuwd, maar de 
namen zijner vrouwen zijn ons onbekend. 1) 

In een paar oorkonden uit 1567 wordt hij » Geconfedereerde '* 
genoemd. Hij bevond zich in Jannari 1568 te Emden eu werd in 
diezelfde maand gedagyaard en daama gebannen. - T. W. , II , bl. 
477 en de noot; Stbk. , aant. 13, van Aytta en vergelijk: aant. 
22* van Aylva van W. ; Chbk. , ffl , bl. 697 en 707 , 726 cn 752. 

27. Frans Huyghes (452 en 463) was de zoon van Leendert en 
Anna Jacobsd. Buygers en werd te Leeuwarden geboren , waar zijn 
Yaedr omstreeks 1531 burgemeester was. Hij huwde met Gcel van 



wordt ook van *t Martenakuis en Muntenburg gezegd. - Eekhoff , Leeuw.., 
I, bL 348; Cat. Runstverz., bl. 165, 181 en 182. 

1) Dissertatie van Mr, J. Minnema Buma, bl. 14 en 15 der Bijlagen. 



36 BIJLAGK B. 

Boolsina , uil Kolluïu , waar hij in 1567 schijnt verblijf gehouden 
le hebben en vanwaar hij de wijk naar Emden nain. Althans hij 
bevond zich in die slad in Januari 1568 , maar nam in Mei daarna 
deel aan den slag van Heiligerlee. Den 9den Januari van dat jaar 
gedagvaard , werd hij daarna verbannen. Laier leruggekeerd , werd 
bij in Nov. 1578 , niel zonder veel iegenkaniing van de zijde van 
Rennenberg , iot secrelaris van KoUumerland c. a. gekozen en ver- 
wisselde deze betrekking in 1582 met die van ontvanger derKloos- 
tergoederen in Oosiergo , maar bleef ie KoUum wonen. - T. W. , 

II , bl. 482 ; Sibk. , op : Booisma ; Oork. van Si. Anth. Gasthuis 
ie I^uwarden, in HRegister; K. en N. K. geschiedk. beschr. , bl. 
70 en 141 en Plaatsbeschr. van KoU. land c. a. , le Ged. , bl. 121. 
Zic: Eekhoff, Beschr. van Leeuw. , op: »Huyghes-huis." - De Vrijp 
Fries, XI, bl. 434; Chbk. , lU , bl. 726 en 752. 

28. Jelle Jacohsz, (422 en 453) , zoon van zekeren Jacob Jelles 
(of Aegidius) , die in 1533 burgemeesier van Leeuwarden was , ter- 
wijl de naam zijner moeder ons onbekend bleef. 

Hij huwde Trijn Hoppers en was in 1564schepen ieLeeuwarden. 
Later vluchiie hij , en werd 10 Sepi. 1568 verbannen , welk von- 
nis den 26 Januari daama in Friesland werd gepubliceerd. Ook 
was hij vroeger en wel v66r 26 Juni van dat jaar reeds gebannen. 
Waarschijnlijk vhichiie hij naar Emmerik , dewijl zijne vrouw aldaar 
laier overleed. - T. W. , U , bl. 483 en lU , bl. 545 ; Stbk. , op : 
Hoppers ; Oork. Si. Anih. Gasth. , te Leeuwarden , bl. 343 en 587. 
Marcus , Sent. , bl. 127 ; Chbk. , lU , 737 en 762. 

29. Hesseî van Ostheim (453 en 462) , zoon van Hans en Fo- 
ckel van Mariena , huwde mei Tei van Burmania. Zijn vader was 
een vreemdeling , zeer waarschijnlijk een Duiischer , die met de 
Ilertogen van Saksen in Friesland was gekomen. 

Hessel werd in 1565 grietman van Idaarderadeel , moest in 1567 
vluchien , bevond zich in Januari 1568 te Emden en nam deel aan 
den slag van Heiligerlee. Den 9den Januari 1568 gedagvaard , werd 
hij daama verbannen. 

Zijne vrouw overleed in 1589 ie Franeker en werd aldaar begra- 
ven ; hijzelf is waarschijnlijk in Oosifriesland gestorven. - T. W. , 

III , bl. 198 en IV , bl. 448 ; Sibk. , op : Burmania en Martena ; 
De Vrije Fries , I , bl. 111 en XIU , bl. 205. - Volgens Dr. Van 
Vloien , t. a. pl. , I , bl. 169 , was hij met Brederode uitgeweken , 
doch wij hebben dit nergens bevestigd gevonden. - Dat de naam 



BIJLAGE R. 37 

Yan dit geslacht Ostkeim moet worden geschreven , wordt vermeld 
op bl. 111 van het Iste deel van De Vrije Fries. - Chbk. , III , 
bl. 726 en 752. 

30. Minne van Scheltema (452) , zoon van Gabbe en Tjets 
IJdsma , die op Groot-Scheltema onder Ferwerd verblijf hielden , 
terwijl in het plaatwerk : » Friesche Oudheden ** wordt vermeld , 
dat Gabbe op Groot-Scheltema onder Blija woonde. 

Hij huwde met Tietke van Feytsma , mel wie hij in 1567 te 
Hallum woonde , vrij zeker op het aldaar gelegen Feytsma-state. 
Hij bevond zich in Januari 1568 te £mden , werd den 9den dier 
maand gedagvaard en daama gebannen. Later kwam hij in het 
Yaderland terug en overleed in 1597 le Hallum , terwijl zijne vrouw 
reeds in 1578 was gestorven. 

Volgens E. M. v. B. woonde er in 1557 een Jelger van Feytsma 
te Hallum , wellicht de vader van genoemde Tietke. - T. \V. , IH , 
bl. 285 en Stbk. , op : Scheltema. - Men vindt eene af beelding van 
Gabbe*s grafsteen in de » Friesche Oudheden." - Chbk. , III , bl. 
726 en 752. 

31. Sybe of Syhetk vaa Scheltema , een broeder van den voor- 
gaande , huwde met Trijn van Feytsma , van Boxum , waar zij in 
1559 en 1566 op Scheltemastate hebben gewoond , welk huis in 
het midden der vorige eeuw nog in wezen was. 

In eene acte van 31 Januari 1567 wordt hij een der Verbondene 
edelen genoemd en was dientengevolge genoodzaakt kort daama de 
wijk te nemen. 

Volgens *t Registr,boek van Koll. land woonde Hessel, de vader 
van Trijn , in 1555 te Boxum. - Aantt. van £. M. v. B. ; Geogr. 
Wbk. , 1764 ; T. W. , III , bl. 287 ; Chbk. , III , bl. 707; Stbk., 
op : Scheltema. 1) 

32. Gabbe Selsma (408 , 452 en 463) , zoon van Gabbe Selsma , 
die de oude werd genoemd , waarom zijn zoon : » jonge Gabbe Sel- 
sma" werd geheeten. De naam zijner moeder bleef ons onbekend. 

1) Hun broeder Syds oî SitxuSf gehuwd met Tjemck vau Aylva, 
wordt in zekere oorkonde genoemd : „een groote rebel en geus /' wes- 
halve in Januari 1582 zijne goederen werden geschonken aan zekeren 
Johan van Blankenoort, waarscbijnUjk in Groningen woonachtig. — 
Feith j Register van het Arohief enz. , h. a. no. 19. - Hij leefde nog 
in 1585; K. en N. R. gescbiedk. beschr., bl. 83. 



38 



BIJL .\(f E B. 



» Jonge Gabbe '' was wijnheer en woonde te Leeuwarden in i>den 
Vergulden Helm," waar ook zijn vader »plach te wonen." 

Hij was gehuwd met Jees Wybrantsdr. , die 9 Aug. 1568 wcrd 
gedagraard en 22 Octobür daarna gebannen , dewijl zij .in haar 
huis Rae[)horst , Huchtenbrouck en Egmont had ontvangen en ont- 
haald. Zelfs had zij gedoogd , dat vele Verbondene Friesche £delen 
voor haar huis hunne Wapenborden gehangen hadden , met het 
bijschrifl : »Lang leven de Geusen." 

Selsma bevond zich in Januari 1568 te Emden , werd den 9den 
dier maand gedagvaard en daarna gebannen en begaf zich onderde 
vanen der Nassausche Graven. Hij woonde de slag van Heiligerlee 
bij , maar ontkwam en woonde in 1571 te Emden. 

T. W. , ni , bl. 291 ; Stbk. , op : de With , Bijlage Buma , 
aant. 14 ; » Oud en Nieuw ,*' door Scheltema , II , bl. 152 ; Eek- 
hoff, Leeuw. , II, bl. 433; Viglii Epist. , in H. v. P. , lï , bl. 
407 ; De Vrije Fries , IX , Aantt. van Anth. Jz. ^ enz. 

In de Navorscher , jr. 27 , bl, 557 , worden Jacob Seldenrick 
en zijne vrouw de ouders van Gabbe de jonge genoemd , maar uit 
de Oork. van het St. Anth. Gasthuis te L. , blijkt voldoende , dat 
deze lacob Thijszoon Seldenrîck en Rixt Gabbes , in 1531 tc 
Leeuwarden woonachtig , de ouders waren van Gabbe de oude , die 
aldaar omstreeks 1542 leefde ; âldaar : bl. 242, 320, 375, 394' 
en 416 en de noot op de laatste bladzijde. - Chbk. , III . bl. 726 
en 752. 

33. ff^ygcr «'<"? Sytsma (452) , waarschijnlijk een natuurlijke 
zoon van Frans van Sytsma en Kinsck van Tjaerda , huwde met 
Auck van Jellinga , weduwe van Taccke van Mockema. 

Hij bevond zich in Januari 1568 te Ëindcn , werd den 9den dier 
maand gedagva.ird en daarna gebannen , lcrwijl hij zich later bij 
de Watergeuzen voegde. T. W. noeint hem niet. - Zie : Stbk. , U , 
bl. 248 en V. Gron. ; Chbk. , III , bl. 726 en 752. 

34. Alle Teijes (451 , 452 , 462) , omslroeks 1567 Burge- 
meester van J.ecuwarden , vluchlte in dat jaar , vermoedelijk naar 
Groningerland , waar hij bezittingen schijnl gehad le hebben. Im- 
mers , hij wordt in een »cohier ofl regislre van den gegoeden fu- 
»gitiven ," die in de stad Groningen , zoowel als tcn platte lande 
werden gedagvaard , aangeduid als : »AIIe Theys vuyt Westvrieslandt.*' 
Dit regist»T is gedagteekend : 9 Juli 1569. 't Is echter waarschijn- 
lijk, dat hij toen niet ineer in leven was. (Zie rubriek 11, no. 3.) 



BIJLAKR B. liO 

In Januari 1568 was hij te Ëinden , op den 9den van welke 
inaand hij reeds met vele anderen was gedagvaard , ierwijl hij zich 
vervolgens in Mei daama bij de graven van Nassau voegde en zeer 
zeker later werd verbännen , hoewel wij dat nergens vermeld vonden* 

Hij huwde met Machtelt Dircksdr. , die den 9den Augustus van 
laatstgenoemd jaar gedagvaard en den 22sten October daama ver- 
bannen werd, omdat zij de nieuwe leer aanhing niet alleen, maar 
bovendien haar man daartoe had overgehaald. 

Te Water vermeldt , dat AUe Teijes volgens opgave van E. M. v. 
B. , van de afgemeene vergiffenis werd uitgesloten , doch wij vohden 
dit overigens nergens vermeld en wij vermoeden , dat dit niet hem , 
maar zijn ambtgenoot Tjerck Walles (die volgt) betrefl. Op de lijst 
der personen , die van het » pardoen " van 7 Juni 1574 ('t welk 
volgens Chbk. , III , bl. 1043 in Aug. van dat jaar in Friesland 
is gepubliceerd) werden uitgesloten , vermeld bij den geschiedschrijver 
Bor , t. a. pl. , 1574 , fol. 29 vso. (zie ook : Schotanus , t. a. pl. , 
fol. 788) komen van de Friezen alleen voor : Sipcke Amckes , van 
Oosterzee ; 1) Oene en Wyhe van Grovestins (zie hierna); Tietevan 
Hettinga (zie hierna) ; loachim lansz, Vermeer , predikant te Fra- 
neker , maar volgens Marcus , Sent. , bl. 208 : Joachim Joestz, F^ér- 
nier , zie : Bijlage C hierna ; Doecke van Martena (zie hierna) ; Tzom- 
me Rollema (zie hiema) ; Syvert Rompckes en Derck Willemsz, , van 
Leeuwarden (zie hiema) , bij Schotanus genoemd : Harcke Willems , 
van Leeuwarden , terwijl hij ook nog noemt : Tjerck Walles, - T. 
W. , III , bl. 328 en IV , bl. 543 ; Van Hasselt , Bijdragen , I , 
bl. 371 ; Chbk. , III , bl. 726 ; De Vrije Fries , IX , t. a. pl. 

35. Tjerk Walles (414 , 450 , 451 , 452 en 462) , evenals dc 
voorgaande omtrent 1567 burgemeester van Leeuwarden , huwde 
met Rinsck Jorritsdr, van Andringa. (Zie Kierna op : Andringa.) 

Hij verzetle zich inet nadruk tegen de Spaansche regcering , hield 
o. a. in September 1566 eene vergadering ten Stadhuize, waarin 
hij op hevigen toon zijne grieven uiteenzette. Ook nam hij deel 
aan het avondmaal en beschermde de Hervormde leeraars , die hij , 
4oen zij ingevolge het vonnis van Aremberg de stad moesien ver- 
iaten, met »groote droeffenisse'' uitgeleide deed op den 12den Jaiu 
van het volgende jaar. 



l) Misschien een broeder van Pier ilR^cAre^, grietman van Lemster- 
land. Zie: Van Sminia. 



40 



BIJLAGE B. 



In Januari 1568 beyond hij zich te £inden , werd den 9den dier 
inaand gedagvaard , en den 8sien Maart nogmaals , ierwijl hij later 
werd gebannen. 

In Mei van dat jaar was hij iegenwoordig geweest bij den slag 
Yan Heihgerlee , terwijl hij volgens Schoianus bij de algemeene yer- 
giffenis van 7 Juni 1574 werd uiigesloien (zie hiervoor op : ^lie 
Teijes) , hetgeen ook Winsemius in zijne Historie , bl. 206 , op 
goede gronden verhaalt. Te bejamineren is hei zeker , dat zijnc 
aanieekeningen over de iroebelen in die dagen , evenals die van zijn 
loigenooi Syboli van Aysma , zijn ie ioor geraakt. Winseinius 
heefl ze echier gekend en gebruiki , zooals o. a. blijkt uit zijne 
» Hisioria ," bl. 206. - T. W. , IH , bl. 368 ; Gabbema , Leeuw. , 
bl. 451—454 , 457 , 483 , 486 , 487 , 508 en 513 ; De Vrije Fries , 
dl. IX (Ant. Jz.) , o. a. bl. 402, 433 enz. ; Schot«mus , t a. pl. , 
bl. 747 ; Sibk. , II , bl. 20 : Andringa , 3de fragment , aant. 2 en 
vergelijk hei Stbk. van Ferwerda. 

Zijne weduwe leefde nog in 1607 en stichtie ioen o. a. met dc 
wed. van Riiscke v. Eysinga (zie hiefvoor) , in de Boliemansteeg te 
Leeuwarden , de zoogenaainde BoUeinanskamers ; Leeuw. , door Eek- 
hoff, I, bl. 125. - Chbk., III, bl. 726 en 752, aismede Ant. 
Jz. , bl. 433 en bl. 453 van den ieksi. 

• 36. Doytze JJ'îngia (452) , door Gabbeina bijgenaamd : » loc 
Abinga ," was , naar men wil , op grond eener acle vim 1554 , dc 
zoon van Reihmerl van Wingia of »Wynia ,*' De naam zijner moe- 
der bleef ons onbekend en overigens schijnl hij van Blija af komstig 
geweest te zijn , waar zijne ouders op Aebingaslate zullen hebben ge- 
woond. Misschien was hij gehuwd inet Jick Binnertsdr. Echtels. 

Inmiddels leefde er ierzelfder tijde een naamgenooi van dezen , 
die de zoon was van Sjuck en Frau van Reynsma, iets,watT. W. 
niel schijni -geweten ie hebben. 

Een Doytze Wingia werd 9 Januari 1568 gedagvaard en bevond 
zich in diezelfde maand te Emden , volgens (iabbeina , l. a. pl. , 
die hem daar Doytze Wingia »toe Abinga'' noeint. Laier werd hij 
gebannen. 

Doytze Sjucksz. van Wingia , die volgens het Stbk. de balling zou 
zijn , helgeen wij betwijfelen , huwde mei Eeck 1) of met Auck van 
Burmania en was zoker dezelfde , als die in 1570 Rentmeesler van 
Leeuwarden was. Yolgens T. W. , III , bl. 380 , bevond de bal- 

1) Oork. St. Anth. Gasthuis. te Leeuw. , bl. 420, noot. 



BIJLA6K B. 41 

ling zich in 1575 nog in Oostfriesiand , maar Caroius Terhaalt t. 
a. pl. , bl. 194 , dat hij in 1573 is overleden. 1) 

T. W. , t: a. pl. en II , bl. 54 ; Dr. J. R. , G. d. H. , bl. 135 ; 
Koopmans , »Het Notariaat in Friesland" , bl. 163 ; Winsemius , Kro- 
nijk , fol. 550 ; Oork. v. h. St. A. G. te L. in 't Register ; 'l Slbk. , op : 
Jeltinga , aant. 14, Ydtsma , aant. 10 en Burmania , aant. 31 ; 
Oorkonde van Juli 1570 op het Prov. Archief van Friesland. — 
Zie ook . Ant. Jz. (Vr. Fr. IX) en Gabbema , t. a. pl. - Carolus , 
l. a. p. - Chbk. , III , bl. 726 , 737 en 752. 



U. *) 

1. fratthie vnn Aylva ^ volgens T. W. een broeder van Pieter , 
hierna gemeld , maar meer waarschijnlijk zoon van Tjaerd en Rints 
van Galama , die op Aylva-slate te Witmarsum woonden. Hij werd 
gebannen en was gehuwd met Franske Groestra, die hem over- 
leefde. - T. W. , II , W. 168 en Stbk. , 6e gen. van Aylva. - 
Chbk. , III , bl. 737. 

2. Focke van Aysma (451), zoon van Schelte en Tjets van 
AevSgema, waarschijnlijk op Lauta-state te Wier, vôôr 1510 gebo- 
ren , was , voorzoover bekend , ongehuwd. 

In 1564 en '67 was hij Schepen van Leeuwarden en vluchtte 
in laatstgenoemd jaar , waarop hij 9 Januari 1568 gedagvaard en 
daarna gebannen werd. 

Hij was eenigen tijd te voren met Dr. Doecke Titlema , over 
wien hierna, naar Antwerpen gezonden, om tegenwoordig te zijn 
bij het bekende aanbod aan den Koning van Spanje , van 30 tonnen 
gouds, om vrijheid van geweten en godsdienst te verkrijgen. 

T. W. , II, bl. 47, 171 en 479; Stbk., op : Lauta en Sent. van 



1) Dewijl die Doytze Wingia , die met Eeck v. Bunnania buwde, 
volgens Oork. v. h. St, A. G. , in 1570 te Leeuwarden was, zal niet 
âeze , maar de andere te Bhja hebbcn gewoond en de door Carolus 
en Fr. v. Inthiema bedoelde balling zijn geweest. Vreemd is het , dat 
Carolus het jaar 1573 als zijn sterQaar vermeldt en T. W. , 111 , bl. 380 , 
verhaalt, dat hij in 1575 nog in leven was; zou dit 1573 moetenzijn? 

♦) Men zie vooral bl. 19 en 23 hiervoor. 



42 



BIJLAGE B. 



Marcus, bi. 129 en 168. - Vergelijk over de 30 tonneii gouds, 
bl. 399 van den tekst. - Chbk. , III , bl. 725 en 752. 

3. Syhoh van Aysma , voUe neef van Focke , daar hij een zoon 
was van Schelte's broeder Hothje, ten^ijl dc naam zijner moeder 
ons onbekend bleef. - In 1 534 werd hij geboren , zeer waarschijn- 
lijk op Aysma-state te Beetgum , woonde omstreeks 1567 te Leeu- 
warden en is viermaal gehuwd geweest. Hij was in laatstgenoemd 
jaar genoodzaakt te vluchten , werd daarop 9 Januari 1 568 gedag- 
vaard en daama gebannen. In het volgende jaar bevond hij zich 
te Emden , daar hij toen in de Groote Kerk aldaar huwde met zijne 
tweede vrouw Machtelt Dircksdr. , vermoedelijk de weduwe van 
Alle Teijes , die althans in Sept. 1568 niet meer schijnt geleefd te 
hebben en over wien men zie bl. 38 , no. 34 hiervoor. Later 
kwam hij in het Yaderland terug, werd tot ontvanger aangesteld 
en woonde vrij zekcr te Wirdum, waar hij in 1604 overleed en 
begraven werd. - T. W. , II , bl. 178 en Stbk. , op : Lauta , ook 
Aant. 15 aldaar. - Chbk. , III, bl. 726 en 752. 

4. Everard Arckens 6f van Arckens., zooals Ant. Jz. hem 
noemt, woonde te Leeuwarden en nara mede in 1567 de wijk , 
waarop hij met 20 zijner lotgenooten den 9den Augustus 1568 
werd gedagvaard. Daar hij niet ter verantwoording verscheen , 
werd hij den 22sten October daarna verbannen , omdat hij de Her- 
vonnde predikatiên zeer begunstigd had , terwijl zijne vrouw op 
haar aandrijven naar de Swingliaansche wijze getrouwd was en met 
zijne aanhangers tegen wil en dank van den Pastoor en Koster de 
Sacristie overweldigd had, om aldaar de psahnen te zingen. — 
Den 29sten Januari 1569 werd zijn vonnis in Friesland gepubli- 
ceerd. - T. W., II, bl. 159; Marcus, bl. 166; Chbk., III, bl. 
744 en 762. 

5. Gemme van Burmanîa , zoon van Douwe, Drossaard van 
Harlingen en Admiraal van de Zuiderzee en Saepck van IJdsma , 
werd vermoedelijk op Juwsina-state le FerwiM'd geboren. llij was 
eerst gehuwd met Jouck , zuster van Pibo van Haerda , daarna met 
Jel, zuster van Watthie van Aylva en heefl zeer waarschijnlijk op 
evengenoemde state te Ferwerd gewoond , die hij van zijne moeder , 
welke met den ongelukkigen Jemnie of Gemme Herjuwsma was 
getrouwd geweest, zal hebben gocrfd oîi ^>aarop hij 28 November 
1602 is overieden, terwiji hij in de kerk van dat dorp is bijgezet. 



BIJLAGE Ik 



43 



Van wege den adei van Friesiand was iiij tegenwoordig bij den 
eed en huldiging yan Koning Philips II, te Brussel in 1555, bij 
welice gelegenheid hij geweigerd zou hebben den eed knielende af te 
leggen , de merkwaardige woorden daarbij uitsprekende : »Dy Frie- 
zen knielje allinne for God," hetwelk aanleiding zou hebl)en gege- 
ven , dat men hem met den eerenaam van »Standfries** betitelde. 

Toen hij iater werd gebannen, begaf hij zich met zijne vrouw 
Jel van Aylva naar Keulen, in welke stad hij zich in 1579 in ge- 
zelschap van Aggeus van Aibada en andere Friesche ballingen ge- 
durende eenigen tijd ophield , doch iater keerde hij weder naar zijn 
Vaderland terug. - T. W. , II , bl. 309 en III , bl. 497 ; Stbk. , 
op: Burmania; De Vrije Fries, X, bl. 176 en 177 en Winsemius , 
Hist., fol. 396. - Chbk., m, bl. 737. 

6. Uycke van Burmania ^ zoon van Hero , broeder van Gemme , 
en zijne eerste vrouw Frau van Stenstera , volgens anderen van 
Hero*s tweede vrouw IJmpck van Glins. . Hij huwde met Kinsck 
van Roorda en werd , naar men wil , het »Litze Geusken** bijge- 
naamd , hetzij wegens zijne Jonge jaren of wel , omdat hij misschien 
klein vaÄ persoon was. 

Evenals zijn oom Gemme, later gebannen, vluchtte hij. In 
Friesland teruggekeerd , overleed hij aldaar in 1615 en werd , 
evenals zijne vrouw , te Stiens bijgezet , waar hij vermoedelijk op 
Burmania-state , aleer Haijema genoemd , zal hebben gewoond. - 
T. W., n, bl. 312; III, bl. 497 en IV, 409; Stbk. , op: Bur- 
mania; Geogr. Wdbk. van Friesland van 1746-op: Stiens ; Chbk. , 
ni, bl. 737. 

7. JFotiter Coquîlla 6f Coquîllan^ in 1554 en 1563 notaris te 
I^euwarden, werd 9 Januari 1568 gedagvaard en daarna gebannen. - 
Oork. van het St. Anth. Gasth. , bl. 345 en 610 en Koopmans : 
»Het Notariaat" enz., bl. 163; Chbk. , m, bl. 726 en 752. 

8. Sydts van Donîa , zoon van Kempo en Tjemck van Eminga , 
die zeer waarschijnlijk woonden op Hemmema-, ook genoemd Do- 
niastate, onder Menaldum en nabij Beetgum, welk huis afkomstig 
zal zijn geweest van Kempo^s moeder Syds Hemmema. 

Hij huwde met Jouck van Stenstera, die reeds 19 Aprii 1561 
te Menaldum overleed en zeker aldaar in de grafstede harer voor- 
ouders is bijgezet. Hij werd verbannen en zijn naam den 26sten 
Juni 1568 afgelezen. Zijnen knecht Bocke, die 22 October van dat 



44 *BIJLAGE B. 

jaar yerbannen werd , bescholdigde men , dat hij gebeeldstormd had 
in de kerk van Beetgum en daartoe bekwame werktaigen gebruikt 
had. Zie Bijlage C, ü. 

Sydts vluchtte niet , zooais velen zijner lotgenooten , naar *t bui- 
tenland, maar bieef, zoo het schijnt, rustig op zijne state te Me- 
naldum wonen en bemoeide zich met niets , ^aenmerckende d* im- 
»potentie ofle 'zwackheydt zynder lichaem , als zynde een gebroeken , 
»ende meest een blindt man." Toen echter de Watergeuzen in 
1572 »voor ende in den Meytydt, ende daer nae** meermalen bij 
de Nieuwe zijl op het Bildt aan wal stapten, plunderden en vele 
inwoners gevangen namen, achtte hij zijne woonplaats minder vei- 
lig, te meer omdat hij wegens zijn ziekelijken toestand ]»geene 
»resistentie zolde konnen doen , ende H ongemack van die gevan- 
»ckenisse onmoegelick, zonder verlies zyns lyffs ende leven, hinge 
»conde verdraegen.'* Hij begaf zich daarop naar Franeker, maar 
het ongeluk scheen hein te vervolgen , want , zooals wij zagen , werd 
die stad in 't laatst van Augustus door de Geuzen ingenomen , zoo- 
dat er niemand uit of in kon. Toen echter de Geuzen vandaar 
verdreven waren , nam hij de wijk naar Brenien , waar hg »in Fe- 
»bruario Anno 1573'' overleed en aldaar begraven werd onder 
»een buitengemeen groolen grafsteen," zijnde »een zwarte, harde 
»steen , er uitziende als een toetssteen , zooals de goudsmeden gô- 
»bruiken , uit één stuk , en met eenen klank als van metaal.'* Von 
Uffenbach, een Duitscher, die in 1710 leefde en toen ons Vaderland 
bczocht, vermeldt ons dit van dien steen en voegt er bij , dat hij 
hem heefl zien liggen bij »de deur van het raadhuis.** Hij zegt 
daarvan nog, dat hij in zijn leven nog niinmer zulk een grooten 
steen gezien had , dat hij 10 voet laug , 6 voet breed en 1 voet dik 
was en dat het was »de lijksteen van Sixtus â Donia , Phrisius." 
Verder verhaalt hij : »In het middeii was zijne l)eeldleniji , aan de 
»beide kanten fides ei s//es (de trouw en de hoop). Boven stond de 
»naam van den ineester steenhouwer: Pieler Dircks , 1574J (tc 
»weten , jaar). Het is zonde , dat deze steen , buiten deur liggende , 
»door aWijling zal verdwijnen." Zie De Vrije Fries, YI , bl. 379; 
in de noot 65 aldaar wordt gezegd : »In het Stainboek niet le vin- 
»den ,** doch dit is onjuist , want hij koint voor in de genealogie 
van Harinxina-Donia ; zie aldaar ook aanl. 43. 

Na zijn overlijden was zijn broeder Sierck, van Bilgaard, voogd 
over zijne kinderen. Deze zond in Decembor 1575 een reque.staan 
de regeering ten behoeve dier kinderen niet betrekking tot himne 



BIJLA6E B. 



45 



vaderlijke goederen, die men dreigde te confisqueren. Hierover 
kan men eene belangrijke oorkbnde lezen , waaruit wij ook voor 
een deel het bovenstaande hebben geput , op bl. 1042 en 1043 van 
het 3de deel van het Charterboek. 

Verder zie men bl. 517 van den tekst; T. W. , 11, bl. 337; 
Stbk. , op : Donia , Stenstera en Hemmema ; Schot. , Beschr. van 
Friesland , op : Menaldumadeel en de kaart aldaar ; Marcus , bl. 166 
en Carolus, t. a. pl., bi. 84, 151 en 194; Chbk. , m^ bl. 737. 

9. Douwe van Douma zal de zoon zijn geweest van den beken- 
den Jancko Douma (van Oenema) en Teth Luersma. 

Hij werd gebannen en zijn naam den 26sten Juni 1568 afgelezen. 
T. W. , n , bl. 346 ; Stbk. , op : Douma van Oenema , vooral aant. 
32, volgens welke hij niet in 1565 overleed, zooals in den tekst 
van het Stamboek staat, maar zeer waarschijnlijk nog in 1571 
leefde; Analecta, H. v. P., I, bl. 384; Chbk., III, bl. 737. 

10. Era^mus van Douma (463) , zoon van Jancke Douma , van 
Langweer en Marj van Burmania , werd waarschijnlijk op Douma- 
state te Langweer geboren. Hij huwde Athcke van Burmania , 
woonde te Langweer en was kapitein over eene bende krijgsvolk bij 
Heiligerlee en werd dientengevolge later gebannen. Nadat hij in 
het Yaderland was teruggekeerd , werd hij in 1577 grietman van 
Doniawerstal. Drie jaren later werd hij gevangen genomen, den- 
kelijk door de Spanjaarden , maar overleed in het volgende jaar en 
werd te Langweer bijgezet. Zijne vrouw stierf kort daama in het- 
zelfde jaar en werd te Harlingen begraven.- - T. W. , U , bl. 349 ; 
Stbk. en V. Sminia, bl. 344; Chbk., III, bl. 737. 

11. Foppe van Douma, broeder van den voorgaande, werd 
evenals deze gebannen , stierf ongehuwd in 1592 en werd te Leeu- 
warden begraven. - T. W. , II, bl. 349 en Stbk. , op: Douma; 
Chbk., m, bl. 737. 

• 

12. Idzard van Douma^ broeder van de beide vorigen, werd 
mede gebannen. Hij huwde met Helena van Bunau en overleed in 
1577, waarop hij te Britsum, waar hij zeker gewoond heeft, be- 
graven werd. Zijne weduwe hertrouwde met Wilco van Holdinga, 
hiervoor bl. 34 gemeld. - T. W. , t. a. pl. ; Stbk. , op: Douma 
en Hpldinga ; Chbk. , IH , bl. 737. 



46 BIJLAGE B. 

13. Wiger van Eelsina^ vader of broeder van Jelle op 
bl. 29 hiervoor verineld , huwde inet Doutzen van Douma en 
woonde raet haar op Eelsma-state te Sixbierum. Hij werd verban- 
nen en zijn naam den 26sten Juni 1568 afgelezen. - T. W. , II, 
bl. 367; Stbk., op: Eelsma; Chbk. , m, bl. 737. 

14. Boite van Eminga , zoon van Menno en Eelck Jaerla , 
huwde met Syts van Tjaerda, met wie hij op Jaerla-slate tc Wet- 
zens woonde , in de kerk van welk dorp zij beiden werden bijgezet. 
Hij werd gebannen en zijn naam 26 Juni 1568 afgelezen. - T. W. , 
II , bl. 374 ; Stbk. , op : Eminga cn Chbk. , III , bl. 737. 

15. Syds van Eminga^ broeder van Botte, was gehuwd: a, 
met Doedt van Sjaerda, met wie hij op Wobbema-state op dc 
Schingen heefl gewoond, hetwelk in 1548 werd gebouwd; h, met 
Trijn van Roorda, die op de Schingen werd begraven. Ook hij 
werd verbannen en zijn naam 26 Juni 1568 afgeiezen. Hij oyer- 
leed in 1605 en werd op de Schingen begraven. - T. W. , II, bl. 
379 ; Stbk. , op : Eininga en V. d. Aa , Aardr. Wbk. , op : Schin- 
gen. Chbk. , m , bl. 737. 

16. Hessel van Eminga , broeder van SJuck , hiervoor op bl. 
31 verraeld, werd in 1542 geboren en huwde met Wick van Her- 
mana. Zij overleed 19 October 1592 en hij 8 Au^ustus 1605, 
terwijl beiden te Goutum werden begraven. - T. W. , II, bl. 375 
en Stbk. , op: Eminga. Chbk. , m. bl. 737. 

17. Jiitscke 6ï Focke van Eysinga; zie over dezen bl. 30 
hiervoor. 

18. Sierck Fongers , bij T. W. niet vermeld, werd 9 Januari 
1568 gedagvaard en later gebannen. - Chbk. , m, bl. 726en752. 

19. Cornelis Fonck ^ geboren te Leeuwarden in 1523, in 1562 
schepen, in het volgende jaar burgemeester- en in 1567 » Rente- 
»meester der stadt Leeuwerden.** Den 9den en 20sten (tevens met 
£do yan Heringa, zie: I, bl. 24 hiervoor) Januari van het toI- 
gende jaar werd hij gedagvaard en later gebannen. Mogelijk heeft 
hij in Mei van dat jaar onder de vanen der Nassausche grayen bij 
Heiligerlee gestreden ; zie daarover in : Bijlage C. - Oork. St. Anth. 
Gasthuis te Leeuw. , bl. 491 en 603; De Vrije Fries (Anth. Jz.) , bl. 



BIJLA6E B. 



47 



434 en Tergelijk : Schotanus , t. a. pl. , bl. 747 ; Chbk. , III , bl. 
726 en 752 en Ant. Jz. , bl. 432. 

20. ^tte Fernîa, verraoedelijk zoon van Atte en Trijn van 
Roorda, en gehuwd met Ansck van Roorda , die in 1572 als zijne 
weduwe voorkomt. 

Hij werd gebannen en zijn naam den 26sten Juni 1568 afgeiezen. - 
T. W. , II , bl. 396 ; Stbk. , op : Roorda (met de baar) , gen. 6 en 
8 en aant. 19«; V. Sminia, bl. 243; Chbk., III, bl. 737. 1) 

21. Seerj) van Galama (439) , broeder van den vroegeren ver- 
melden Hartman van Galama en zwager van Jeite van Ëelsma , werd 
25 October 1528 geboren en huwde His Sydsdr. van Botnia, met 
wie hij op de state Hoxwier te IVÏantgum woonde. 

Hij werd verbannen en nam daarop de wijk. Dc Spaanschge- 
zinde Carolus verhaalt, dat zijne vrouw hem met zeven kinderen 
in den barren winter volgde en de ellendigste wederwaardigheden 
verdroeg met een voorbeeldig geduld en mannelijken moed. 

In 1572 was hij in Friesche krijgsdienst, werd in 1577 griet- 
man van Baarderadeel en overleed 22 Januari 1581 op zijne state 
Hoxwier, waama hij in de kerk te Mantgum werd begraven, ter- 
wijl zijne vrouw in 1593 stierf. 

T. W , n, bl. 406; Stbk., op: Galama; V. Sminia, bl. 228; 
Fr. Yolks-Almanak , voor 1853, bl. 28 (Korte levensbeschrijving). 
Zie de noot op bl. 474 , alsmede : Bijlage C. - Zijn : » Epitaphium*' 
of grafschrift wordt vermeld op bl. 103 van de » Frisia Nobilis." 
Chbk., m, bl. 737. 

22. Taco van Gaîama , zoon van Sicke en Jelst Taeckesdr. van 
Heemstra , huwde met Auck Tjessens en volgen» anderen ook met 
Hil Jansdr. van Keppel. Hij werd gebannen, maar stierf kort 
daama , den 3den November 1568, op zijne state Blinckstra te 
Akkrum, in de kerk van welk dorp hij werd begraven. 



1) Volgens T. W., t. a. pL, was ScheÜe Andla in Mei 1559 voogd 
over de kinderen van ^Anthoems Femye /* doch daar Andla volgens 
het Stbk. in 1550 stierf, zoo moet men in plaats van 1559 wellicht 
1539 lezen, om welken tyd Aite dus moet zijn overleden. In de 
Rentmr. Rek. komt Watze van Roorda in 1540 voor als Femia*8 
opvolger ala grietman. 



48 



BIJLAGE B. 



T. W. , II , bl. 409 en Stbk. , op : Galaina ; Aantt. van E. M. 
V. Burmania; Chbk. , III, bl. 737. 

23. £do van Gerbranda , zoon van Jan en Tjets van GosUnga , 
huwde Jel van Douina , die hern overleefde , terwijl hij 22 Sepiem- 
ber 1595 testeerde. Hij had bij deze zijne vrouw geene kindereu, 
maar liet een natuurlijken zoon na, Douwe geheeten. Hij was ter- 
zelfder lijd gebannen als de voorguande. - T. W. , II, bl. 412 en 
Stbk., op; Gerbranda; Chbk. , III, bl. 737. 

24. Frans Gerritz. werd eveneens in 1568 gebannen. - T. W. , 
m, bl. 413 en Chbk., m, bl. 737. 

25. Tjepcke van GosUnga^ zoon van Feijo en Jeus Sjoerda van 
KoUum , vermoedelijk op Goslinga-state le Driesum geboren , waar 
hij later met zijne vrouw Anna van Liauckama zal hebben gewoond. 

Hij werd in 1568 gebannen en later in het Yaderland terugge- 
komen, stierf hij 20 Maart 1581 en zijne vrouw 2 Juli van het 
volgende jaar. Beidea werden in de kerk van Driesum bijgezet. - 
T. W., II, bl. 420 en m, bl. 534; Stbk., op : Goslinga ; Chbk. , 
m, bl. 737. 

26. Oene van Grovesllns , zoon van Idzard en Tjets van Unema , 
woonde in 1567 te Marssum en huwde Teth Uninga van Hoylema. 
Hij vluchtte met zijne vrouw en kinderen in dat jaar , dewijl hij 
verbanneh was, maar keerde later naar het Yaderland terug en 
kreeg in 1572 bevel over eenige ruiters , terwijl hij tweejaren later 
van de algemeene vergiffenis werd uitgesloten. Hij stierf in of na 
Mei 1583. - T. W. , 11, bl. 423 en Stbk. , op : Grovestins. - Zie 
hiervoor op : AUe Teijes. - Chbk. , m , bl. 737. 

27. Jorrit Hania , zoon van Seerp en N. van Andringa , woonde 
met zijne vrouw Udt van Aetsma o. a. in 1569 te Roordahuizum , 
vermoedel^k op de state £ekma , waar zijn grootvader Broer Hania 
eertijds ook had verblijf gehouden. Hij werd gebannen en is eerst 
na 20 Mei 1602 overleden, daar hij toen testeerde. 

Op het Rijksmuseum te Amsterdam bevindt zich een portret , 
vervaardigd door een onbekenden schilder , maar met het opschrift : 
» Monsieur de Hania.** In den Catalogus van die verzameling wordt 
op bl. 63 het vermoeden geuit, dat daarmede een der drieHama*s 
wordt bedoeld , die op het Verbond zouden geteekend hebben , vol- 



BIJLAGE B. 49 

geus Te Water : Jorrit of Otto , tlie volgrl , ol' Leo , tlie hierua in 
rubriek no. UI dezer Bijlage zal worden vermeld. - T. W. , II, 
bl. 447 en Slbk. , op: Hania: Geogr. Woordenb. van Fr. , 1743; 
Chbk. , m , bl. 737. 

28. Otto Hania was wellichl zoon van Wigle en alsdan een 
neef van Jorrit, hiervoor genoemd , lerwijl de naam zijuer moeder 
ons onbekend bleef. Hij wooude in 1567 te Leeuwarden, niaar 
moest in dat jaar de wijk nemen. 

Wij vonden hein alleen op de lijst van Anl. Jz. vermeld. - 
T. W. , II , bl. 448 en Stbk. , op : Hania , aanl. 43 ; Anl. Jz. , bl. 425. 

29. Frans Hemmes (462) was advocaat , woonde te Leeuwardeu 
en huwde met Hylck Oentzema, weduwe van Sybout Syboutsz. en 
Sybrand Sybrandtsz. , lerwijl zij later hertrouwde met Wybe van 
Grovestins. 1) Nadat hij in 1567 was gevlucht, voegde hij zich in 
Mei 1568 onder de vendelen der Nassausche Graven. Daarop werd 
hij den 9den Augustus van laatstgenoemd jaar met 20 anderen ge- 
dagvaard en daar hij niet verscheen, den 22sten October daarna 
verbannen , beschuldigd , dat hij een groot begunstiger was van de 
nieuwe leer , gedurig de predikatiën der Hervormden had bijgewoond 
en ook het Avondmaal met Gabbe Selsma op Calvinistische wijze 
gebruikt had ; dat hij verder voor het huis van Heer Ivo , 
pastoor van Oldehove , groote moedwilligheden , zoowel met woor- 
den als door daden en zelfs bedreigingen had gepleegd voor het huis 
van Heer Frederick, vicarius te Nijehove, terwijl hij de Hervorm- 
den tot advocaat had gediend. Ook had hij zich zeer onbehoorlijk 
gedragen tegenover den Graaf van Aremberg, toen deze, wegens 
de troebelen , begeerd had , dat de Hervormden , toen zij de wacht 
hielden, het Kasteel niet zouden naderen. Zijn vonnis werd 26 
Januari 1569 in Friesland afgekondigd. - T. W. , II, bl. 453 (ook 
428) en III, bl. 540; Stbk. , zie : Register en Marcus, bl. 166; 
Chbk. , m , bl. 744 en 762. 

30. Otto van Herema^ van Tjum (.^*), op de lijst van Wesse- 
ling: Herîngsnia genoemd , vermoedelijk zoon van Epe en Wisck 
van Aylva , huwde waarschijnlijk met IJmck Ruurdtsdr en 



1) Vermoedelijk zal Sybout Syboutsz. eene foutieve schrijfwijze zljn 
voor Syhrand Sybrandtsz. cn zal zij voör haar huwclijk met Hemmes, 
alleen met dezen laatste zijn gehuwd geweost, ovcr wien hiema no. 4(». 

4 



50 BIJLAGE B. 

zal wel te l)een»uiii gewoond hebben. Hij werd Terbannen en over- 
leed in 1583. 

In het Stbk. wordi in gen. 3 yan Herema van Deersum een 
Otto gevonden , dien wij yoor den boTenbedoelden houden. In aant. 
32a op Herema van Tjum aldaar wordt gezegd, dat in de genea- 
logie Van £rp een Otto als zoon wordi gegeven aan eenen Epo van 
Hereina , die in 1585 siierf en diens Trouw Wisck van Aylya , 
welke echtelieden volgens den teksi in het Stbk. geene kinderen 
hadden. Dewijl nu onder de Yerzameling Tan Oudheden van wijlen 
B. Th. Baron Tan Heeiiistra te *s Hage zich een zÜTeren geuzennap 
enz. bcTond , Tersierd met de wapens Tan Heerma en uiylva , die 
op den Catalogus van den Verkoop dier Verzameling no. 409 , toe- 
geschreven werd aan Otio van Herema , zoo houden wij de opgaven 
in de genealogie Van Erp voor juisi. - Vergelijk bl. 396 van den 
teksi. - T. W. , II , bl. 453 en 457 en ffl , bl. 540 ; V. Sminia , 
i. T. - Slbk. , op : Heerma. - Chbk. , ffl , bl. 737. 

31. Lnes van Heringa ^ zoon Tan Hobbe en Doedi Tan Eelsma , 
Terraoedelijk in 1544 te Hilaard geboren, siierf ongehuwd 25 April 
1571. Ook hij werd gebannen en zijn naam den 26sien Juni 1568 
afgelezen. - T. W. , II , bl. 456 en Sibk. , op : Heringa ; Chbk. , 
m , bl. 737. 

32. Homme van Hettinga (451 , 452, 456, 457, 462 enz.) , 
zoon Tan £po en Auck Tan Herema , die in de Hommeris , Trij zeker 
op Heiiinga-siaie aldaar Terblijf hielden. Hij huwde mei Trîjn 
Tan Rinia , die in 1574 als zijne weduwe Toorkomt. 

Oinstreeks 1558 werd hij grieiman Tan Baarderadëel , in welk 
jaar hem , op Terzoek Tan den Stadhouder Aremberg , door het 
Hof Tan Frieshind werd toegesiaan , »dai hij zich een tijdlang in 
»den Krijgshandel buiien deze landen in diensi Tan Z. K. Maj. zal 
»mogen begeTcn en dai Seerp Bonga de Grieienij Toor hem zal 
»waamemen.'* In 1567 en wellichi reeds Troeger, woonde hij 
op Heiiinga-siate ie Jorwerd , maar Tluchiie in dai jaar en Toegde 
zich , zooals wij zagen , onder de Tendels Tan Graaf Lodewijk in 
Mei 1568. In Januari Tan dai jaar gedagraard en daama geban- 
nen , streed hij bij Heiligerlee en ook bij Jemmingen. Later begaf 
hij zich bij de Waiergeuzen cn siierf Toör 23 April 1574. - Arch. 
de la Maison d' Orange , ffl , bl. 230 ; T. W. , 11 , bl. 457 en 459 
(noot k.) ; Stbk. , op : Hettinga en Tooral aldaar Nalezing , 11 , bl. 



BIJLA6E B. 



51 



11; Vaii Siiiinia, bl. 226 en V. Gron. , t. a. |>1. , bl. 250; 
Chbk , III , bl. 726 en 752. 

33. Tiete van Hettinga (483 enz.) , halfbroeder van Homine, was 
grieiman van Wijmbrilseradeel en huwde inel Hylck van Galaina , 
met wie hij op de voorvaderlijke state le Hommerts woonde , in 
welk dorp hij in 1561 kerkvoogd schijnt geweest te zijn. 1) 

Zijne moeder heette Wypck van Hoytema. 

Hij vluchtte en werd dientengevolge in 1568 verbannen. Later 
keerde hij naar Friesland lerug en wijdde zich aan den krijgsdienst, 
maar werd in 1574 van de algemeene vergiffenis uitgesloten. In 
het volgende jaar streed hij dapper in Noord-Holland tegen de 
Spanjaarden en is vermoedelijk drie jaren daama gestorven , waarop 
hij in de kerk te Hommerts zal zijn bijgezet. Een grafgedicht op 
hem wordt in het Stbk. vermeld. Dat hij echter , zooals sommigen 
willen , in 1574 zou zijn gestorven , komt ons min waarschijnlijk 
voor , tenzij er een naamgenoot van hem legelijkertijd in Staatsche 
krijgsdiensl is geweest. - T. W. , II , bl. 460 ; Stbk. , op : Het- 
tinga , o. a. aant. 37 ; V. Sminia , bl. 294 ; Geogr. Wbk. van 
1746. Zie ook hiervoor op : jille Teijes en Van Gron. , t. a. pl. , 
aant. 143 op bl. 458 ; Chbk. , III , bl. 737. 

34. Aeltie of Alef van Jaersina , zoon van Sjoert en Popck van 
Hoytsma , le Holwerd op Jaersma- of Jarichsma-state woonachtig , 
huwde mei : a. Rixt van Roorda en b. IJdt van Hania , van Hol- 
werd , in welk dorp hij , waarschijnlijk op voormelde state heefl 
gewoond en den 13den Mei 1574 overleed , waarna hij in de kerk 
aldaar werd bijgezet. Hij werd verbannen en zijn naam den 26sten 
Juni 1568 afgelezen. - T. W. , II , bl. 484 ; Stbk. , op Jaersma ; 
Chbk. , m , bl. 737. 

35. Tjaerdt Jellersma werd mede in 1568 gebannen. - T. W. , 
n , bl. 485 en m , bl. 546 ; Chbk. , m , bl. 737. 

36. Sippe of Scipio van Meckama , zoon van Pibe en Sjouckje 
Tjaerda van Starckenborgh , werd omstreeks 1525 op Nieuw-Mec- 
kama-state te Kollum geboren , welk huis hij laler ook met zijne 
vrouw Ëmerentiana van Grombach bewoonde. Daar hij voort- 
yluchiig was , werd hij gebannen , maar woonde vrij zeker in 1571 
weder in zijne oude woonplaais , terwijl hij drie jaren later tot Lid 

1) Zie ook : Carolus , t. a. pl. , bl. 69, 



52 BIJLAGE B. 

(ler Stati'ii wenl benoeind en in 1587 tot grietinan vanKoiluinerland 
c. a. , welke betrekking hij waarnain tot zijii dood , die 22 Noveni- 
ber 1599 ]>laats had. Zijn lijk werd naar J^eeuwarden oyergebracht 
en aldaar in de Groole- of Jacobijner kerk bijgezet , evenals dat van 
zijne vrouw , die in genoeinde stad in 1608 kw^ain te overlijden. - 
T. W. , III , bl. 119 : Schotanus , t. a. pl. , bl. 789 ; Plaatsbeschr. 
van Koll.land c. a. , Iste gcd. , bl. 145 en 146 en K. en N. K. 
geschiedk. beschr. , bl. 104 en 150 ; Chbk. , III , bl. 737. 

37. Tjepcke van Oenema , die bij Te Water niet voorkorat , 
was verinoedelijk de zoon van Douwe en Riein Ëesckes en alsdan 
gehuwd inet Ulck Eelsina. Hij woonde in 1567 te Sneek , werd 
9 Januari 1568 gedagvaard en later gebannen. - Stbk. , op : Douma 
van Oeneina , gen. 4. - Aantt. uit Prov. Archief van Friesland. - 
Chbk. , III , bl. 726 en 752. 

38. Frederik van Offenhuîsen , zoon van Hans en Rintje van 
Roorda , huwde inet Rieine van Waltinga , werd in 1579 grietman 
van Franekeradeel en woonde in 1594 op de stins Offenhuizen te 
Achhiin. Ook hij werd evenals Meckaina gebannen en stierf waar- 
schijnlijk na 1598. - T. W. , III, bl. 196; Stbk. , op : Offenhuisen 
en V. Sininia , bl. 193 ; Chbk. , m , bl. 737. 

39. A§ge van Osinga , zoon van Seerp en Jel van Hermana , 
huwde Rinthie van Aylva , die , evenals hij , reeds vôor 1589 over- 
leden was. Ook hij werd gebannen en zijn naam den 26sten Juni 
1568 afgelezen. - T. W. , HI , bl. 199 en Stbk. , op : Osinga ; 
Chbk. , III , bl. 737. 

40. Pleter Pletersz, , die eveninin bij Te Water wordt ver- 
ineld , is wellicht dezelfdc , die op de Lijst , door Aremberg aan 
Alva gezonden , aangeduid wordt als : »Peter Graefmeester , nu ge- 
»nacinpt Sneeberger.'' Alsdan was hij tegenwoordig bij den slag 
van Heiligcrlee (zie bl. 463 van den tekst). 

Hij komt in 1561 als exchijsineester te Leeuwarden voor en was 
gehuwd inet Ath Hettes 31elleina ; althans was een Pieter Pietersz. 
met eenc Ath Hettes gehuwd , terwijl Ant. Jz. , t. a. pl. , bl. 395 , 
spreekt van »Ath Mellema , die huysfrouwc van Pieter exchijs- 
»ineester." 1) 



1) Zie Stbk. , op: Rheen. jiant. 4. 



RIJLAUF. R. 



53 



Den 9den Januari 1568 werd hij gedagvaard en later gebannen. 
Inmiddels schijnt hij de wijk naar Ëinden te hebben genoinen , want 
zijne vrouw overleed aldaar 5 October van dat jaar en hij zelf den 
volgenden dag , beiden aan de pest. Hare voordochter Magdalena , 
die zich naar die stad begeven had oin hare moeder en haren stief- 
vader »eens toe te spreken /' was aldaar anderhalve inaand te voren 
(21 Sept.) aan diezelfde vreeselijke ziekte overleden. - Stbk. , op : 
Aebinga van Blija , aant. 23 ; Oork. v. h. St. Anth. Gasthuis te 
Leeuw. , bl. 452 en 750 ; Chbk. , III , bl. 726 en 752. 

41. Jelte Riddersnia ^ zoon van Hidde of Hedt , woonde op 
Riddersma-state onder Kolluin , terwijl in 1558 Wyt^ van Beyina 
als zijne echtgenoote voorkomt. Omstreeks 1584 schijnt hij over- 
leden te zijn. 

Hij werd gebannen , maar bevond zich in 1571 reeds weder in 
zijne oude woonplaats. - T. W. , bl. 262 ; Stbk. , op : Beyina , gen. 
7; Plaat^beschr. van Koll.land c. a. bl. 156; Chbk. , III, bl. 737. 

42. Carel van Roorda was de zoon van Popcke, grietman van 
Idaarderadeel en Margareth van Aernhem. Wij noemen hein hier, 
omdat Te Water zegt , dat het van elders blijkt , dat hij tot de 
Verbondenen heefl behoord , hetwelk ons wel niet voldoende is ge- 
bleken , maar in ieder geval werd hij op 9 Januari 1568 gedag- 
vaard en later gebannen , terwijl hij in 1601 overleed. Vermoede- 
lijk heefl hij te Grouw^ gewoond. - T. W. , III , bl. 278 ; Stbk. , 
bl. 207 ; Scheltema , Staatk. Nederland , in voce ; Winsemius , Kro- 
nijk , bl. 594 en Chartbk. , III , bl. 726 en 752 ; M. S. Roorda. 

43. Schelte van Roorda , waarschijnlijk zoon van Schelte en 
Jel van Hottinga , huwde volgens sommigen inet Jel van Botnia , 
inaar zeer zeker met eene andere van dien naam , dan de weduwe 
van Sjoerl van Beyma , zooals het Stbk. veronderstelt. (Zie hier- 
voor op : Beyina.) 

Hij woonde te Britsum en inoest volgens de opgave van Ant. Jz. 
in 1567 vluchten , doch hij komt in geene der ons bekende ver- 
banningslijsten voor. In 1573 was hij weder in Friesland terug , 
wanl bij vonnis van 15 October van dat jaar werd het hein , »we- 
»gens dienst neinen en adsisteren van Z. M. Rebellen geinterdiceert 
»binnen eenige Steden van Friesland te komen ter tijd en wijle 
»daarin door Z. M. anders zal worden versien." Bovendien werd 
hij veroordeeld in »de kosten van apprehensie en gevangenis.'* - 



54 BIJLAGE B. 

T. W. , m , bl. 276 ; Stbk. , op : Roorda , van Tj. , aant. 27 ; J. van 
Leeuwen , Merkw. Sent. , M. S. op de Prov. Bibl. van Friesland. - 
Zie ook hiervoor op : Beyma , B , I , no. 4. AUeen bij Ant. Jz. , 
t. a. pl. , op bl. 426 vermeld. 

44. Jan Smo?isz. (463) , zoon van Simon Hendricksz. en Tieth 
J;insdr. van Auckama , huwde met : a. Aets Siercksema en b. £na 
Pietersdr. van Arenlsma. In 1551 was hij schepen te Leeuwarden , 
moest in 1567 vluchten , werd 9 Jan. 1568 gedagvaard en daama 
gebannen , terwijl hij in Mei van dat jaar bij Heiligerlee streed. 
Of hij zich daarna bij de Watergeuzen heefl gevoegd , is mogelijk y 
daar men iemand van dien naam onder hen aantrefl. 1) Maar 
zeker is het , dat hij 29 Aug. 1565 testeerde en 7 Mei 1569 te 
Keulen overleed. - T. W. , III , bl. 293 ; Stbk. , op : Auckama , 
aant. 2() ; Chbk. , III , bl. 726 en 752 ; G. de Wal , De claris 
Jur.cons. Fr. , bl. 306 en 307. - Zie hierna : Bijlage C en D. - 
Chbk. , III , bl. 726 en 752. 

45. J.eo Symonsz. , bij T. W. niet genoemd , misschien broeder 
van Jan , werd 9 Januari 1568 gedag^^aard en later verbannen. - 
Chbk. , m , bl. 726 en 752. 

46. Sybren Syhrensz. woonde te Lceuwarden , moest in 1567 
vluchten , werd 9 Januari 1568 gedagvaard en daarna gebannen. 
Of hij in 3Iei van dal jaar bij Heiligerlee streed , is onzeker ; zic 
daarover : Jiijlage C. llij was gehuwd met Hylck Oentzema , dic 
hertrouwde met Frans Hemmes , zie hiervoor, B, II, no. 29. - 
T. W. , III, bl. 293; Stbk. , op : (irovestins , gen. 8 en aant. 14; 
Chbk., III, bl. 726 en 752. 

47. Schelte van Tjaerda , zoon van Sydl en Moe van Sytj»ema , 
huwde mel His van Hermana , werd in 15(58 gebannen. - T. W. , 
III , bl. 332 en Slbk. , op : Tjaerda ; Chbk. , III , 737. 



1) In het cxcmplaar van hot Stbk. , dat zich op de Prov. Bibl. 
bevindt, staat bij aant. 20, gen. Auckama, aangeteekend , dat zijn 
broeder (Pietcr?) to Leeuwarden ecne grooto stins liet bouwen, nL 
het huis ^^Starckenburg ," bij Docckc Martcnapijp. Zie : Ëekhoff, Leeu- 
warden , in *t Register en Dl. l , bl. 3/4 (noot) en vergelyk : De 
Vryo Fries, I, bl. 207 (noot). 



BIJLAGE B. 



55 



48. Eebe Tinckes , bij T. W. niet verineld , ^verd 9 Januari 
1568 gedagvaard en daarna gebannen. - Chbk. , III , bl. 726 en 752. 

49. Awcke van Unia , zoon van Juw en Aelke van Juckema , die 
le Wirdum , vrij zeker op ünia-slale woonden , waar hij ook met 
zijne vrouw Anna van Tjaerda schijnt verblijf te hebben gehouden. 
Hij werd in 1568 gebannen , was in 1572 weder in Friesland 
teruggekeerd en woonde toen waarschijnlijk te Sneek. Hij stierf 
voôr 1578 , in Noveraber van welk jaar zijne weduwe testeerde. - 
T. W. , III , bl. 352 en Stbk. , op : Unia ; Chbk. , III , bl. 737. 

50. Ifoite van (Jnia , vermoedelijk broeder van voormelden Aucke. 
Terzelfder tijd als Aucke werd hij gebannen. - T. W. , III , bl. 
354 , die daar zonder twijfel in dwaling verkeert. - Chbk. , III , 
bl. 737. - Stbk. , op : ünia , aant. 25. 

51 . Jepfie Veriehina en 52. Syurdt Ferielsma , komen bei- 
den bij T. W. niet voor. Zij waren vrij zeker broeders en werden 
9 Januari 1568 gedagvaard en daarna gebannen. Syurdt van 
Yrielsma (zooals hij zich teekende) , was in 1582 Yolmacht der stad 
Dockura. - Chbk. , III , bl. 726 en 752 ; IV , bl. 302 , 327 en 
328 en Winseraius , Kronijk , bl. 747. 

53. Dirck IFilleitisz. (456 en 457) , bij T. W. niet genoemd , 
woonde o. a. in 1567 »binnen Leeuwerden opte nyeuwe Stadt " en 
werd 14 Juni van dat jaar opgeroepen , maar verscheen niet, want 
»hij hadde sich versteken ende is voorts balling gebleven van Co. 
»>Iat." Doch hij werd inmiddels den 9den Januari 1568 gedag- 
vaard , daarna gebannen en voegde zich in April 1568 bij Graaf 
Lodewijk. Volgens Crim. Sent. van den Hove werd hij 2 October 
1568 gebannen. 

Ook schijnt hij een groot medestander te zijn geweest van zekeren 
Ahhe Udesz. , over wien hierna in de volgende Bijlage. Of hij in 
1574 van de algemeene vergiffenis werd uitgesloten (zie daarover 
hiervoor op : Alle Teijes) , is onzeker. - Ant. Jz. in De Vrije 
Fries , dl. IX , bl. 421 , 422 en 428. - Bor , t. a. pl. , Boek IV, 
fol. 168 vso. - Chbk. , m , bl. 726 en 752. 



56 RIJLAGE B. 



m. 



i. Goossen van Andringa en 2. Tjeerd van Andringa^ den- 
kelijk zijn zoon. Gosse , waarvoor men GoflFe zal inoeien lezen , 
waarsohijnlijk de zoon van Tjaerd , in 1509 grietman van ütinge- 
radeel , was , naar men wil , gehuwd mel Geel Riencks , naiuurlijke 
dochter van Rienck Reynarda , pasloor te Goëngarijp. 1) Tjeerd 
(de jongere) is , naar men wil , in 1591 te Akkrum overleden en 
begraven. - T. W. , II , bl. 154 — 159 en vooral de nooten aldaar ; 
Stbk. , op : Bonninga , aani. 4 en op : Andringa. 

3. Pieter van Aiflva , vermoedelijk zoon van Pieter en Rixl 
van Aebinga , woonde ie Wilmarsum , zeer zeker op Aylva-state en 
streed bij Heiligerlee. Dienlengevolge werd hij 20 Mei 1569 ge- 
bannen , welk vonnis 24 J)ec. daarna werd afgelezen. - T. W., II , 
bl. 166. - Sibk. , oj) : Avlva van W. , aani. 17. 

4. 1f ijhrand van Aylva , zocm van Rienck en Hylck van Roor- 
(la , huwtle 19 Juni 1564 mei Auck van Galama , met wie hij op 
Roorda-slale te Genum woonde , in de kerk van welk dorp hij 
laler is bijgezet. Hij stierf na 1602. - T. W. , n , bl. 169. 

5. Nessel van Aysma , broeder van Focke , hiervoor op bl. 
41 genoemd , huwde eerst met Taeck van Mockema , daarna met 
Catharina van Aesgema. Mogelijk behoorile hij onder de strijders 
bij Heiligerlee ; zie daarover in Jiijlaf^e C. - T. W. , II, bl. 172. 
Stbk. , op : J^iuta. J)e Vrije Fries , VII , bl. 445 en Viglii Epist. in 
H. V. P. , I , bl. 517. 

6. Jelle of JhHus van Bolnia (519) , zoon van Douwe en Rixl 
van Ookinga , huwde Foockel van Walla , met wie liij op Botnia-huis 



1) Den 17den Oct. 1573 werd Jarich Andringa te Ackrum wegens 
vorleenon van huisvesting aan zijn zoon (zijnde een knevelaar) voor 
10 jaar uit Friesland gcbannen. 

Mcn vindt dit vermeld bij Te Watcr , IV, bl, 319 , terwijl uit bl. 
320 is op tc makcn , dat die zoon Jorrit hccttc ; zic ook ald. bl, 321. 

Jarich schijnt gesprotcn tc zijn uit hct huwclijk van Jorrit (een 
broeder van Goffe's vader Tjacrd) cn Reynsek van Sinnema, die in 
1544 te Ackrum woondcn. - Cf. V. Sminia, i. v. 

Jorrit werd 23 December 1574 „mctten Zwacrde gerccht"; T. W,, 
t. a. pl. on zio hiorna in dezo lijst op: Hartman en Watze Gauma. 



filJLAGE B. 57 

woonde te Franeker , in welke slad hij Olderman was. Volgens 
T. W. moest hij later vluchlen , maar was in 1578 teruggekeerd. 
Eene beschrijving hunner portrelten vindt men op bl. 99 en 100 
van het Jaarb. v. d. Fr. adel, voor 1885. - T. W. , 11 , bl. 267 
en Stbk. , op : Botnia. - De Vrije Fries , VIII , bl. 333 en 
XVI , bl. 556. 

7. Syds van Botnia (519) , zoon van Syds en Bauck van Heringa , 
huwde in 1571 met Tet van Douma van Oenema. Zijne zuster Jel 
was gehuwd met den meergemelden Sjoert van Beyma. Later , in 
1578 , werd hij grietman van Wijmbritseradeel en woonde op Hot- 
tinga-state te Nijland. Hij stierf 20 Maart 1615. - T. W. , II , 
bl. 270 ; m , bl. 486 en IV , bl. 430. - Stbk. , op : Botnia 
(bl. 518, 520). - V. Sminia, bl. 297. - Vergelijk het medegedeelde 
bij Sjoert van Beyma hiervoor. 

8. Hotthie of Hotze Buma of Bouwema , van KoUum , werd 
wegens deelname aan den slag van Heiligerlee, den 18den Mei 1569 
verbannen. Later diende hij onder Sonoy , tenvijl hij vôor 1590 
is overleden. - T. W. , II , bl. 309. - Marcus , Sent. , bl. 188. - 
K. en N. K. g. beschr. , bl. 62 en Plaatsbeschr. van KoU.Iand c. a. , 
2e ged. , bl. 144. 

9. Pleter van Cammingha (489 , 527 enz.), zoon van Sicco enTrijn 
van Herema , was Heer van Ameland , huwde inet Franske van Minne- 
ina , met wie hij het slot Cammingha te Ballum op Ameland be- 
woonde. Hij was geboren 16 Juli 1531 en stierfvrij zeker in 1578, 
zooals T. W. , bl. 315, opgeefl. Het Jaarb. v. d. Fr. adel,1884, 
bl. 40 en Stbk. , op : Cammingha , alsmede 't Biogr. Wdbk. van 
V. d. Aa , i. V. , noeinen 1571 als zijn sterfjaar. In den 2den 
Jaargang van De Nederl. Heraut , leest men op bl. 16 wijsselijk : 
1571 of *78. Dat zijne vrouw in 1570 zou zijn overleden, zooals 
Eekhoflf , Leeuw. , II , bl. 380 beweert , is onjuist , tenzij hij meer 
dan eens is gehuwd geweest. Het porlret van hem en zijne vrouw 
waren , volgens aanteckening van Scheltema , Slaatk. Nederland , i. 
V. , indertijd in het bezit van den oud-grietman U. van Burmania. 
Stbk. , op : Siercksma , aant. 10. Fr. VoIks-AIm. , 1855 , bl. 48. 

Hij had slechts één broeder Taeke , die in 1570 uit Friesland 
week ; Stbk. , op : Cammingha , aant. 19. 

10. ^edo Gabbema was in 1572 vaandrig over eene bende 
Slaatsch krijgsvolk. - T. W. , II , bl. 405. 



58 BIJLAGE B. 

H eiî 12. Ifartman en JVatze Gauma (498) waren beiden zo- 
nen van Hoecke Gauma , weshalve zij ook wel genoemd werden : 
Hartman en ïFatze Ifoeckesz. Zij woonden le Akkrum Tolgens 
hun vonnis van 19 Noveraber 1571 , waarbij beiden werden ver- 
bannen , waarna zij zich naar Emden begaven. Hartman diende 
onder de vanen van Graaf Lodewijk en was dientengevolge ook 
reeds 20 Mei 1569 verbannen. 

Zij stoorden zich weinig aan hun banvonnis , want in 1574 waren 
zij vveder in ïViesland. Met Jorrit Andringa (zie hiervoor bl. 56, 
noot) lichtten zij Andries Grijph , grietman van Utingeradeel , uii 
zijn bed en verwoestten zijn huis. Zij deden hem veel smart en 
lijdcn aan en namen hem mede naar Holland. Wel lieten zij hein 
weder vrij t^gen een losgeld van 6000 gld. , doch hij raoest bovcn- 
dien alle dagen nog 100 gld. geven tot hij verlost was , waardoor 
hij in de uiterste armoede verviel met vrouw en kinderen , terwijl 
hij daarenboven met graveel en teering » seer swaarlijcken gequelt " 
was. - V. Gron. , t. a. pl. , bl. 52 en 53. - T. W. , II , bl. 410 
cn IV, bl. 320. - V. Sminia , bl. 329. - Marcus, Sent., bl. 191. - 
Winsemius , Kronijk , fol. 562. - Aantt. van E. M. van Burmania. 
Zie ook : I)r. J. R. , G. der H. , bl. 159 en 170. 

13. Ifarlng van Glins (528) , zoon van Taco en Habel van 
Haersma , d. i. Harinxma thoe Heeg , huwde eerst met Anna van 
Jongema , later met Deytzen van Unema. Hij woonde in 1567 
» opper Schyngen '' en overleed in 1572. - T. W. , II , bl. 418. - 
Stbk. , op : Glins. - Scheltema , Staatk. ^ederl. , i. v. 

14. Jrybe van Grovestîns (483, 519, 531 ) , broeder van Oene , 
hiervoor op bl. 48 vermeld , werd 23 Maart 1565 (en niet , zooals 
V. Sminia zegl , in 1561) grietman van Menaldumadeel en woonde 
te Berlikuin , waar hij ook na zijn overlijden , dat 18 Juni 1600 
plaats had , werd bijgezet. Hij huwde eerst met Johanna Bulier 
van f.eeuwarden en daarna mel Hylck Oenlzema , weduwe van 
Frans Hemmes. (Zie bl. 49 hiervoor.) In 1572 koos hij de partij 
des Prinsen , voegde zich bij de Wateigeuzen en werd Vice-Admiraal 
onder Duco van Martena. In I)ec. vaii dat jaar werd hij als griet- 
man afgezet , maar zes jareii iater in het Vaderland teruggekeerd , 
werd hij nogmaals grietman van voornoemde grietenij en bleef dil 
tol zijn dood. In 1574 werd hij uitgesloten van de algemeene ver- 
giffenis ; zie bl. 39 hierv(H)r. - T. W. , N , bl. 426 en III , bl. 
535. - Stbk. , op : Grovestins. - 's Hofs Commissieboek. 



BIJLAGE B. 59 

15. C, Haga ^ ons wijders onbekend. - T. W. , II, 441 en 
III , bl. 537. 

16 en 17. Haring en Hartman van Haersma , anders f^an 
Harinxma thoe Heeg (519) , zonen van Douwe en Popck van 
Roorda , op Harinxma-state ten zuiden van Heeg. 

Hnring huwde Wick Uninga van Hoyteina , stierf 3 Januari 1581 
en werd te Heeg begraven. 

Hartman nam tot vrouw Kinsck van Ropta , welk huwelijk in 
1578 werd voltrokken , wier ouders op Popinga-state te Weidum 
woonden. 

In 1572 voerden beide broeders het bevel over eenig krijgsvolk 
in Friesland. - T. W. , II , bl. 439 en IH , bl. 537 ; zie aldaar 
ook op Hartman van Galama ; Stbk. , op : Harinxma. 

18. Hessel Haytsma (428) , waarschijnlijk gehuwd met Anna 
Alefsdr. van Aylva o. a. in 1560 en \bQS tmXs&'Jiïi Hessel Benedix 
Haytsma geheeten , werd » opten derden May " 1567 doorFoxvan 
Hasselt , »doen ter tijt liggende met zijn fendelen tot Sloten , in die 
»Lemmer ende op Geesterlant gevangen genomen ,** tegelijk met 
»Symon met die langhen baerdt, die welcke hy tot Leeuwarden 
»gesonden heeft." 

Hij zal wel dezelfde zijn als Hessel Benedictus ^ die hierna in 
Bijiage C onder de slrijders van Heiligerlee zal worden vermeld. - 
T. W. , II , bl. 442 en III , bl. 538 : De Vrije Fries , IX , bl. 
427 (Ant. Jz.) ; Stbk. , II , op : Aylva v. W. , aant. 38 en bl. 4 
van de Nalezing ald. , Deel II , waaruit blijkt , dat men den naam 
niet als Hoytsma moet lezen , zooals in den tekst staat vermeld , 
maar als Haytsma. 

19. Leo Hania , woonachtig te Sneek , wellicht broeder van Otto , 
hiervoor bl. 49 gemeld. Hij werd 9 Augustus 1568 gedagvaard en 
27 Augustus van dat jaar verbannen , welk vonnis 26 Januari 1569 
in Friesland werd afgekondigd. - Stbk. , op : Hania , aant. 43. - 
Marcus, Sent. , bl. 166. - Chbk. , III, bl. 743 en 762. 

20. Douwe van Heringa : vermoedelijk zoon van Abbe en Jel 
Douwesz. van Douma , wordt alleen door T. W., II, bl. 454 , ver- 
meld , op grond van Marcus' Sent. , bl. 127 , waar echter zeer 
zeker Oene in plaats van Douwe moet gelezen ; zie daarover bl. 34 
hiervoor. - Hij schijnt ongehuwd geweest te zijn. - Zie : Stbk. , 
op : Heringa-Camstra , aant. 38. 



60 



BIJLA(wE B. 



21 en 22. Douwe en Ifero vaïi Hoitiyiga , zonen van Douwe 
en Luls Hereina van Walla. 

Douwe huwde inel Habel van Offenhuizen , weduwe van Hessel 
van Feytüma , hiervoor geineld , die in 1585 was overleden. 

Hero (416 enz.) woonde volgens T. W, te Tzuin op Hottinga-state , 
inaar volgens Anl. Jz. le Leeuwarden en huwde inet Anna Wigersdr. 
van Eelsma. Hij werd 18 Mei 1568 door Aremberg inet meer ande- 
ren veroordeeld de stad Leeuwarden te verlaten en streed daama bij 
Heiligerlee , tengevolge waarvan hij den 18den Mei 1569 werd ge- 
bannen en zich vervolgens bij de Watergeuzen voegde. - T. W. , 
II , bl. 476. - Stbk. , op : Hottinga. - V. Gron. , bl. 253. - De 
Vrije Fries , IX (Ant. Jz.) , bl. 435 ; het aldaar vermelde yonnis 
koml woordelijk aldus voor in \s Hofs Criin. Sent. boek. 

23. Baei'the van /fjfsa erJa (kl6) , zoon van Haicko Meinis, te Ter 
Idserd en Imck Rommerl^ , werd in 1528 geboren en huwde mel 
Magdalena Rommerls , met wie hij op ïdsaerda-slate te Ter Idserd 
woonde. Hij overleed 14 Mei 1603 en werd in de kerk van gc- 
noemd dorp begraven , waar een gedenkteeken met opschrifl voor 
hein door zijne erfgenamen is opgerichl. - T. W. , II , bl. 395 en 
Slbk. , oj) : Idsaerda , aant. ia , 2 en 7. 

24. IJco Jslpra)i(itsz. woonde le Jelsum , was eerst advocaat 
voor den Hove van Friesland en laier Raadsheer. Hij schijnt te 
Sliens begraven te zijn. - T. W. , 11, bl. 485 en lïl , bl. 546, 

25. Jsfies van Joïigenta , zoon van Doecke van Walla en Trijn 
van f^iauckema. »l)eze Laes van .longema ," zoo lee^t men in hcl 
Stbk. , op Jongema , aant. 38, »heetle eigentlijk Agge van Walta , 
»doch J^aes , de vader van Foookel , die de eerste vrouw geweest 
)>was van Doecke van Walla , liet , bij zijnen ['itersten Wil , aan 
»liem Doecke (U» St;ile Getpîs te Wommels na , onder voorwaarde , 
»dal Doeckes zoon zich : l^ies van Jongema noemen en schrijyen 
»zou , gelijk (lan ook geschied is. Lae.s (of Agge) heefl op Geyns 
»gewoond." — Tweemalen wa^ hij oehuwil : a. mel I^uts van Aylva 
en I). iiiet Habel van Herema en overleed in hoogen ouderdom , 
daar hij , althans volgens Te Wat^îr , 30 October 1618 lesteerde. - 
T. W. ,' II , bl. 487 en Hf , bl. 546, - Stbk. , t. a. pl. 

26. Simon Longobardm ^ aldus door T. W. vermeld , is nie- 



BIJLAGE B. 61 

iiiund anders dan de boYengenoemde »Symon met die langhen 
»baert /' die door de Spanjaarden , tegelijk met Hessel Haytsma , 
werd gevangen genomen. Zie hiervoor no. 18. - T. W. , ÏI , bl. 
502 en De Navorscher , dl. III , bl. 7. 

27. Doecke of Duco van Martena (416, 420, 424, 439 enz.) 
heefl naar ons gevoelen aan het Verbond geen deelgenomen , zooals 
ook Schotanus , t. a. pl. , bl. 7G3 , vermelt. De groiiden door T. 
W. , t. a. pl. , III, bl. 99, 101 , 107 en 108 daartegen aange- 
voerd , komen ons niet zeer overtuigend voor. Maar zeer terecht 
merkt daarentegen deze laatste schrijver aan (ald. bl. 93) : »Het 
»zou der inoeite waardig zijn , s* Mans leven in 't breede te beschrij- 
»ven'* — en dewijl wij het voornemen hebben opgevat , oin van 
dezen »waaren , standvastigen , wijzen en voorzichtigen vriend van 
»de Godsdienst , de Geleerdheid , het Vaderland en deszelfs Vrijheid" 
eene levensbeschrijving samen te stellen, zoo zullen wij hier alleen 
dit van hem vermelden , dat hij v66r of in 1530 , in welk jaar 
zijn vader , naar men wil , is overleden , geboren werd uit Tjebbe 
en Bauck van Heringa en dat hij eerst inet Swob van Botnia , later 
met Trijn van Unema is gehuwd geweest. 

Hij overleed in hoogen ouderdom in 1605 en werd te Leeuwar- 
den in de Galileër kerk begraven. - T. W. , t. a. pl. , De Vrije 
Fries , het Stbk. en V. Sminia. Zie ook : Ëekhoff , Leeuw. , in 
*t Register en aldaar over de Duco Martena-pijp. 

28. Aucke Oedtsma (519) was de zoon van Dirk Freerksz. , griet- 
man van Utingeradeel en Idaarderadeel, terwijl de naam zijner moeder 
ons onbekend bleef. Aucke , meent inen , nain den naain Oedtsma 
aan van een eigenerfde plaat^ van dien naain , nabij Grouw. Later , 
in 1557 , was hij grietman van Dantumadeel , maar werd na 1571 
afgezet en huwde met Mary Claasdr. , terwijl hij in of omstreeks 
1578 overleed. Hij schijnt een werkzaam aandeel genomen te heb- 
ben aan de Dockumer furie. - M. S. aantt. op de Naaml. van V. 
Sminia. - T. W. , III , bl. 594 en V. Sminia , i. v. 

29. Tzomme Rollema , een bloedverwant van Viglius van Aytta , 
was geboren te Sneek en zoon van Wybe en eene ons onbekende 
vrouw. In 1556 was hij olderman in die stad en huwde met Anna 
Smits. Of hij aan het Verbond der edelen deelnam , betwijfelen 
wij zeer. Immers , toen hij in 1569 gevangen genomen werd , 
werd hij twee jaren later op voorspraak van Aytta en Hoppers 



62 BIJLA6E B. 

bevrijd. In Dec. 1572 schijnt hij zich bij de Staatsgezinden ge- 
voegd te hebben en was werkzaain voor den Prins. Doch hij plun- 
derde eenige kloosters en nam daarop , voorzien van een rijken buit 
van kerksieraden , de wijk naar Etnden. Hij werd in 1 574 dan ook 
van de algemeene vergiflFenis uitgesloten. 1) In 1577 was hij Bal- 
juw van Vlissingen en is wellicht kort daama overleden. 

V, Sminia , bl. 296 , vermeldt hem als grietman van Wymbrit- 
seradeel , maar dil is zeer te betwijfelen. - T. W. , III , bh 263. - 
Chbk. , III, bl. 401. - Viglii Epistolac , in H. v. P. , no. 8, 
54 , 55 en 188. 

30. Popcke van Roorda , ôf een broeder van Karel , hiervoor ge- 
meld , ôf een zoon van Frederik en Haring van Andringa en was 
uit den tak van Roorda van Tjummarum. Hij huwde o. a. inet 
Elisabeth van Baerdt en woonde volgens zijn vonnis van 22 Oci. 

1568 te Sneek. Daarin wordt hij beschuldigd een roomsch priester 
belet te hebben zijne predikatie te doen , » om plaatse te maken ** 
voor een predikant der onroomschen ; voorts , omdat hij de sleutels 
der poorten van de portier had afgenomen en in handen gesteld 
van IJde Abbema , een der Verbondenen. Zie in deze Bijlage , I , 
no. 1. Den 9den Aug. was hij met Leo Hania, hiervoor gemeld, 
bl. 59 , en anderen gedagvaard , terwijl zijn vonnis den 26sten Januari 

1569 in Friesland werd afgekondigd. - T. W. , UI , bl. 272. - 
Marcus, Sent. , bl. 166. - Stbk. , op : Roorda van Tj. , gen. 8 en 
aaut. 8. - Chbk. , III , bl. 744 en 765. 

31. Sippe van ScheUema (519,520), zoon van Schelte en Ursel 
van Harckema , welke laatstc vermoedelijk niet uit Groningerland 
was , zooals hct Stbk. zegl , maar uit Kollumerland. 

Hij huwde met Bauck Wopckesdr. van Douma , van Anjum. 
Winsemius , Kronijk , bl. 565a vermcldt , dat hij een broeder had , 
Sicke genaamd , waarschijnlijk dezelfde als degeen , die in *t Stbk. 
Syds wordt genoemd. - T. W. , III , bl. 289. - V. Gron. , t. a. pl. , 
bl. 239. - Stbk. , op : Scheltema. - Oudheidk. Plaatsbeschr. van 
KoUumerland c. a. , 2de ged. , bl. 61 en 62. 



Overigens willen wij nog opmerken , dat Gellius Snecanus de 
geslachtsnamen noemt van 14 uitgeweken edelen : 



1) Zic hiervoor op : Alle Teijes en Wins. Historia, bl. 206. 



BIJLAGE B. 



63 



Cammingha , Botnia , Martena , Heerma , Meckama , Eysinga , 
Ifoldinga , Feytsma , Doënga , Juckema , Aylrn , Scheltema , 
Douma , Grovestins. 

Zie De Vrije Fries , XIV , bl, 27 en Diesl Lorgion , Gesch. der 
Kerkhervorming , bl. 88. 

Zooals wij in den lekst , bl. 450 , hebben gezegd , zijn er ver- 
schillende edelen naar Emden gevlucht. Daarom willen wij nog 
herinneren , dat aan de Boltenpoort te Emden , in 1819 gesloopt , 
dit opschrifl stond : » Heer , beware de herberg diner gemeene." 
Merkwaardig is het zeker , dat op de oude Ketenpoort te £nkhuizeu , 
met groote vergirlden letters te lezen stond : »God bewaart de Her- 
»berg zijner Gemeente." Zie: De Navorscher , jrg. 32, bl. 514. 
Men zie over het bekende glasvenster in de Gasthuiskerk te Ëmden : 
noot 2 , op bl. 56 van » £po van Douwma te Huizum ,'* door Ds. 
G. H. Van Borssum Waalkes , opgenomen in het XlVde deel van 
De Vrije Fries ; mede aldaar noot 3 , op bl. 45 en eindelijk : Har- 
kenroht , Oostfr. Oorspr, , bl. 135 en 139. 

Betreffende Joachum van Ammama en Juw Ter Wisga , vonden 
wij met betrekking tot het Verbond der £delen het volgende vermeld : 

In het slot van aant. 54 op Unia in het Stbk. van den Fr. adel 
leest men , dat in zekere genealogie wordt vermeld : »Catharina 
»Unia , maritus Joachum Amama , qui est un de celle qui aie 
»presente un request a la Princesse de Parma ce qui a este la ruine 
»de la familie.** Zie ook ald. op : Amama , gen. 2. 

In 't » Geschied- en Letterk. Mengelwerk *' van Scheltema , III , 
2de stuk , bl. 109 wordt gezegd , dat zekere Jouw van de irUka 
of Juw Ter JFisga op het Verbond der £delen had geteekend en 
Friesland was rondgereisd , om tot de onderteekening daarvan op 
te wekken , alsmede dat hij een groot vriend was van Orck van 
Doijem (volgens Scheltema gehuwd met Pierck van Walta) en van 
Sjoerd van Beyma , met welke beide edelen hij verscheidene malen 
in *t belang des volks naar Brussel was gereisd , naar de Hertogin 
Van Parma. 

Bij geen der ons bekende schrijvers vonden wij daaromtrent iets 
van beide personen vermeld. 



Bijlage C, (Wadz. 477), 

bevaitende de nainen van hen , die gebannen werden : 

I. wegens deelname aan de slagen bij Ifeîligerlee en Jemmlngen , 
II. wegens de omhehtng der Hervormde leer , en oin verschil- 
Jende nndere redenen^ 



1. Ten opzichle van de slagen bij Ifeiligerlee en Jemmingen 
valt nog hel volgeiide op te racrken. 

In de Kronijk van Rengers , I , bl. 324 toi 335 , wordi nog het 
een en ander wetenswaardig vernield , hoewel de daia niei oyereen- 
koiuen met die bij andere schrijvers. Zoo teekende hij aan , dat 
Lodewijk zich inet 80 ongewapende soldaien den Isien Mei in de 
kerk van Bellingwolde legerde en kort daarop hei huis te Wedde 
innain , dal door Thijs Oert verlaien werd. Volgens bl. 15 van de 
Corr. du duc d' Albe geschicdde dit laat^te den 24sien April. Men 
vergelijke hiermede bl. 443 , noot 24 , dl. Xï van De Vrije Fries. 

Rengers verhaalt verdcr , dat Joachim Panser en Asinga £ntens 
» sijn veenrich '' (zie bl. 35 hiervoor) daarop eene loopplaats in 
Appingadam maakten , waarheen ook Groesbeeck en Johan de Mep- 
sche zich begaven. Twee dagen later (dus 26 A])ril) kwam Lodewijk 
ie Slochiereii , waarop Panser naar Groningen vluchiie. Lodewijk 
irok vervolgens naar Appingadam en eischte iwee dagen daarna 
(dus 28 April) de siad (xroningen op. Dii zal doelen op den inhoud 
van dcn brief iii dc Corr. bl. 21 , van 4 Mei , door Dr. Bisschop 
overgenomen in De Vrije Fries , i. a. pl. , bl. 444 , noot 28. Velc 
volgelingen der Nassausche graven voerden in hunne vaandels , zoo- 
als bekend is, de woorden : »Recuperare aui inori " : herwinnen of 
sterven en » Nunc aui nunquam " : nu of nooii. 

Den 21sien Mei legerdc Arembcrg zich , volgens Rengers , bij 
Ten Posi en Wiiiewierum , vanwaar hij zich den 23sten in de 
richting van Heiligerlee begaf , ierwijl Lodewijk des nachis tusschen 
22 en 23 Mei Appingadam had verlaieii en naar Winschoten was 
geirokken. Zie bl. 465 van den ieksi eii vergelijk bl. 92 en 93 
van dc » Correspondance." Over Megen's krijgsmachi zic men ald. 
bl. 89 en 97. 



BIJLAGE i'. 65 

Rengers vermeldt voorts nog , dat Bârthold Ëntens edelman was 
bij Graaf Lodewijk en op bl. 326 (en 307) , dat Yegersheim 1200 
man onder zijn bevel had. Zie bl. 428 van onzen tekst. 

Overigens zie men over dit onderwerp het werk van Bosscha , 
»Neêrlands Heldendaden te Land," I, bl. 152 — 169; » Archives 
de la Maison d*Orange", III, bl. 220 enz. en meer bijzonder over 
Heiligerlee, de Gron. Yolks-almanakken voor 1837, bl. 91, voor 
1839, bl. 113 en voor 1840, bl. 140 en 178. 

Brieven van Rouwbeklag over Aremberg*s afsterven vindt men in 
dl. III van het Chbk. van Friesland. In de Gron. Bijdragen, dl. 
III , bl. 267 , komt voor eene Yerhandeling , getiteld : » Over het 
»graf van Johan de Ligne, graaf van Aremberg," waarbij wordt 
melding gemaakt van een paar brieven van 5 en 7 Maart 1570 , 
waaruit blijkt, dat men destijds in Groningen ernstig dacht »over 
»het oprichten van eene memorie of Epitaphium, ter plaatse 
»waar de graaf van Aremberg in den slag bij Heiligerlee is ge- 
»sneuveld.** Op bl. 269 aldaar wordt medegedeeld , dat op 24 
Augustus 1826 eene eerezuil voor Graaf Adolf van Nassau bij Hei- 
ligerlee werd gesticht, die in 1868 door het tegenwoordige fraaie 
Monument werd vervangen. Over die gedenkteekenen vindt men 
nog het een en ander vermeld in het Xlde deel dier Bijdragen, 
bl. 49, in eene beschrijving over de »Platen van den slag bij Hei- 
»ligerlee." 

Bekend is het fraaie gedicht bij gelegenheid van de onthulling 
van het Monument in 1868 door Dr. Nicolaas Beets vervaardigd en 
door den dichter op de plaats zelve voorgedragen , alsmede de 
Feestrede van Dr. W. J, A. Jonckbloet. - Zie ook : De Navorscher, 
XXV, bl. 492. 

Bor, t. a. pl., vermeldt eenige namen van gesneuvelden aan de 
Spaansche zijde. Aan de zijde der Nassauschen sneuvelde o. a^ 
Frans de Roussel, zoon van Jacob, Raad ordinaris in den Hove 
van Friesland en diens eerste vrouw. (Zijne derde vrouw was Sjouck 
van Stania.) Hij was edelman van Brederode. - Stbk. v. d. Fr. 
Adel , n , bl. 258. 

Treslong was tegenwoordig , zoowel bij Heiligerlee, als bij Jem- 
mingen , volgens Bor , t. a. pl. , bl. 246. Zie ook : V. Gron. , 
De Walergeuzen. 

Verder waren er in 't leger van Graaf Lodewijk de bekende 
GelHus Snecannsy die in 't leger predikle: zie Dr. J. R.,G.d. H. , 

9 



66 KiJi.\(iK r. 

bl. 149; ook Dîerick Maertsz, van Schaegen ^ ter dood veroordeeld 
13 Nov. 1568 en onder wien , kort na den slag van Heiligerlee, 
zekeren Fries Gnrhrant Pktersz, vaandrager was , over wien hiema 
in deze Bijhge. Zie Marcus' Senl. , bl. 335 en vergelijk : Van 
Vloten, t. a. pl. (ed. 1858), J, bl. 281. 

Volgens zekere aanteekeningen uit het geslacht /f^<?rfl/i»?///0r , zou- 
den bij den slag van Heiligerlee aan de zijde der Nassausche graven 
gestreden hebbcn : Beät IVerdmüUer , die zeer hoog bij den Prins 
van Oranje stond aangeschreven , alsincde Anthony de Zoete^ Heer 
van Hautain, die Areniberg zouden hebben omgebracht. Dit laatste 
is niet geheel juist, niaar *t kan zijn, dat zij niet hein in gevecht 
zijn geweesl. Werdinüller werd in den strijd gewond. - Zic : P. Ver- 
gers: » I)e Prinsen van Oranje-Nassau ," enz., 1874, bl. 181 en 
vergelijk: Van Wijn, » Huiszittend leven," I, bl. 241, 247, 249 
(noot), 250 en 251. - Volgens V. Mcteren , Nederl. Hist. , III, bl. 
56 , waren er twee heeren ^an Ifautaiyi in H leger. 

Matthias Ort of Thijs Oert ^ de bekende Drost van Wedde, 
bekleedde die betrekking iiog in 1586; zie Feith's Register t. h. 
Arch. V. Groningen, 2e Vervolg, bl. 46; Gron. Bijdr. , VII, bl. 
73 en De Vrije Fries, X, bl. 407. 

Zie verdere Bronnen over dit onderwerp, vermeld op bl, 477 
van den teksl. 

De Graaf ^an Megen (bl. 475) was den 26sten Juni 1568 aan 
Van Areinberg opgevolgd ; zie : Chbk. , III , bl. 735, 



I. Strijders hij Heiligerhe en Jemmingen onder Graaf Lodeunjk, 

a. Bij HeiligeriOB waren , voorzoover wij dat konden nagaan , 
cen getal van 279 Friezen tegenwoordig. (Op bl. 457 van onzen 
tekst staat : » ineer dan 230 '*, waarvoor mcn gelieve te lezen : 
» nieer dan 270'*.) 

Dit blijkt: 

l^. uit een Ujstje ^ den 15den i>Iei 1568 door Aremberg aan 
Alva gezonden en hetwelk venueld wordt in dc Corr. , bl. 58 ; 
Viglii Epistolae, in H. v. P. , I, bl. 406 en in De Vrije Fries, 
XI, bl. 434 en dat 31 nainen bevat, cn 

2^. uit de Sententiën van Alva, uitgegevcn door Marcus, bl. 
188 — 193. alsinede bl. 166, waarin 250 uamen voorkomen , waar^ 



BIJLAGK t'. 67 

van 2 reeds onder de 31 eerstbedoelden o^enoeind zijn, zoodat nien 
aldus een gelal van 279 nainen verkrijgt. - Verder zie inen Win- 
semins' Kronijk , bl. 553 — 555 , alsinede bl. 562. Ook hebben wij 
nog in een bundel Staatsi'esolutiën , aanwezig op 's Hofs Archief , 
waarop wij hierna terugkomen , eene lijst van Friesche slrijders gevon- 
den , vrij gelijk aan die , welke in de Senl. van Marcus voorkoinen. 

Van de personen, wier namen in het bedoelde lijstje van 15Mei 
1568 voorkomen, zijn hiervoor in Bijlage B reeds 22 besproken, 
te weten : 1. Hendrick Alhertsz.^ 2. Jan van Bonga^ 3, £rasmus 
van Bounia , 4. Sjuck van Eminga , 5. Tjalling van Eysinga , 
6. een der beide Feytsma's , 7. Pibo van Haerda , 8. Hessel Be- 
nedictus (Haytsma), 9. Homme van Hettinga ^ 10. Jnico van Hol- 
dinga, 11. Frans Huyghes ^ 12. Mr, Frans Hemmes^ 13. Hessel 
van Oosthiem^ 14. Gabbe Selsma, 15. */an Simonsz., 16. Alle 
Teijes^ 17. Tjerck JFaUes ., 18. Dirck JFillemsz.^ alsmede: 19. 
Hessel Aysma^ 20. Gerrit Florisz.^ 21. Sybren Sybrensz. en 22. 
Cornelis Vonck (of Fonck)., van welke laatste vier in het lijstje 
vermeld wordt : » onzeker ofl dese bij den geusen geweest " (zijn) , 
hetgeen ook geldt van IFïbo Sivordtsz. , over wien hierna , in Bij- 
lage D: Watergeuzen. 

Voorts worden terzelfder plaatj>e nog genoemd : Jan Basius , 
Hylcke Martensz. en Pieter Graejmeester .^ over wie wij hiema 
het een en ander zuUen mededeelen , alsmede : Ches (Bockes) Clock^ 
gieter , Feyt Huytmaker , Abraham Snijder ^ Jan Sweertvegher en 
de zoon van Hendrick Albertsz. , van welke laatste 5 ons niets 
naders bekend is. Vergelijk bl. 462 en 463 van den tekst, 

Uit de Sentenliën van Marcus (verkort: Senl.) blijkt, dat: 



18 Mei 1569 (ald. 


bl. 


188) 


werden verbannen: • 


46 pers. 


» » » ( » 




189) 




> (er staat 42) : 


43 » 


» » )V ( » 




190) 




> (er staat 32) : 


33 » 


20 Mei 1569 ( » 




191) 




> (er staat 47) : 


48 » 


» » » ( » 




193) 




> • • 


22 » 


» » » ( » 




194) 




»> • • 


26 » 



Samen : • «218 pers. 
waarbij nog : Anthoni Chirurgijn , inwoner van Sneek 

(Sent. bl. 170 en zie ook onder no. II dtzev Bijlage): 1 » 

Samen: • • 219 pers. 
welke uamen allen , eveuals de 31 bovenverinelden , voor- 



68 BIJLA<tK 0. 

219 pers. 
komen op bl. 431 en v. van De Vrije Fries, dl. XI, 
waar op bl. 434 echter abusief op regel 10 v. b. staat: 
216, een gevolg van de verkeerde getalsopgaven boven 
de Sententiën, zooals wij hebben aangewezen. 

Dewijl de nainen van Claes Bockes en Pieier Graef- 
meesier y die reeds op het lijstje van Aremberg vermeld 
staan , ook in de Sententiën voorkomen , moet dit getal 
worden verminderd met: 2 pcrs. 

Rest dus: . .217 pers. 
waarbij onzes inziens nog moeten worden gevoegd een 
gelal van 31 personen uit Leeuwarden en Sneek, voor- 
komende op bl. 228 der Sent. , alzoo : 31 pers. 

248 pers. 
uitmakende met de 31 van Aremberg's lijstje: . . . 31 » 

een getal van : • • 279 pers. 

Van deze personeii hebben wij in Bijlage B reeds besproken: 
Pieier van Ayha^ van Witmarsum (Sent. , bl. 192), Hotthie 
Bouwema , van Kollum (Sent. , bl. 188) , Ifariman Gauma (Sent. , 
bl. 192) en Ifero van Hoiiinga ^ van Leeuwarden (Sent., bl. 189, 
waar verkeerdelijk HHtinga slaat). 

Met betrekking tot de overigen zullen , voorzoover zij zich niet 
bij de Watergeiizen voegdeti en alsdan in Bijîage D hiema zullen 
worden behandeld , alleen in deze Bijlage , behalve de bovengenoemde 
Jan Basius ^ Hylcke J/ariensz. en Pieier Graefmeesier ^ allen in 
Aremberg*s lijstje vermeld , nog worden besproken : Lyeuwe Broent^ 
ma , Heiie Bruynsm't , Homme van Camsira , Doecke en Taeckt 
van Heiiinga (De Vrije Fries , I , bl. 341 , noot) , Ballinck Rtdder^^ 
ma , Bernardus Roorda , Syhren Saeckiesz. , Heer Andries Schorm , 
Gerben Syisz. en Ciaes /roijfsy allen in de Sent. vermeld, 
zooals wij hierna zullen zien. 



Jan Basiu^ of Jan Baes , komt niel in de Sententiën , maar 
alleen in het meergemelde lijstje van Aremberg voor. Men meent, 
dat hij in 1548 te Leeuwarden is geboren , maar anderen betwijfelen 
dit. Hij kreeg onderwijs, eerst in zijne geboorteplaats , later te 
Haarlem en studeerde te Leuven. Daarna zette hij zich aanyankelijk 
als advocaat in zijne geboorte])laats neder , maar verdacht wordende 



RIJT.AGK ('. fiO 

(le Hervorming te zijn toegedaan , inoest hij de wijk nemen en werd 
daarop secretaris te Delft , zooals men wil , reeds in Maart 1568. 1) 
Al spoedig werd hij de vertrouweling van Prins Willem I , die hem 
later in menigerlei moeilijkheden raadpleegde. 

Kort voôr den slag bij Heiligerlee wa^ hij reeds ijverig bezig de 
belangen des Yaderlands te bevorderen en het gelukte hem o. a. 
inet Reinier Kant, 1300 geweren in het leger des Nassausche gra- 
ven te brengen , die door Sonoy te Wesel gekocht waren. Zie 
voorU bl. 462, 480 en 531 van den tekst. 

Na den slag van Heiligerlee begaf hij zich naar £mden , waar hij 
zich o. a. in 1570 bevond en zich ook daar beijverde den Prins 
ter zijde te staan , door op krachtige wijze de Watergeuzen in hunne 
uitrustingen te steunen. 

Te Delft trad hij in het huwelijk met Sophia van Maasland en 
stierf aldaar 11 September 1596. 

y. d. Aa, Biogr. Wdbk. en de aldaar aangehaalde bronnen, o; 
a. : Hooft , in 't Register ; Groen van Prinsterer , Archives enz. , bl. 
203, 281, 336, 358, 363, 364 en 377; Suffr. Petrus, bl. 430; 
De Vrije Fries , XI , bl. 402 en 406 regel 1 en 2 v. b. , aan te vullen 
met bl. 179 van Hooft, Ned. Hist.; De Vrije Fries, XIII, bl.85; 
Van Vloten, t. a. pl, (n. e.), I, bl. 184, 323 en 300 en (o. e.) 
I, bl. 175 en 300; Bor, t. a. pl., bl. 208 vso. , 223 en 234 , waar 
in Boek XXXIU, bl. 57 de dag van zijn overlijden wordt vermeld. 

Lyeuwe Broersma , van Kollumerzwaag ; Sent. , bl. 189 en »K. 
en N. K. geschiedk. beschr. ," bl. 62 en Plaatsbeschrijving dier 
gemeente, I, bl. 137 en II, bl. 42. 

Hette Bruynsma werd 9 April 1570 verbannen en kort daarna 
door den Raad van Sneek , zijne woonplaat^ , gevankelijk naar Leeu- 
warden gebracht. - Sent. , bl. 220 en Rentm. Rek. van Friesland , 
1570—71. Volgens de Crim. Sent. boeken, dl. m, fol. 126 , 
werd hij den 26 Oct. 1568 uit Sneek verbannen en volgens fol. 
206: 4 Oct. 1572 te Leeuwarden onthoofd. 

Homme van Camstra , zoon van Foppe en Tieth van Feyisma , 
huwde Sjouck van Liauckama en woonde te Wirdum, volgens zijn 
vonnis. Hij stierf 9 Febr. 1579 en zij 16 April 1599. Hij streed 
ook bij Jemmingen. - Sent. , bl. 191. 

Doecke en zijn jongere broeder Taecke^ zonen van Homme van 
Hettinga^ geboren te Jorwerd, trokken met hun vader mede ten 



1) Volgens aant. van wijlen den Heer Archivaris Ëekhoir. 



70 



BIJLAaE C. 



slrijde onJcr dc vanen der ^assuiische graven , blijkens hun voimis 
van 20 Mei 1569, waarbij zij verbannen werden. Later voegden 
zij zich bij de Watergeuzen. In het na te melden Register , aan- 
wezig op *i> llofs Archief, vindt men aangeteekend : »Doecke en 
»Taecke van Hettinga soenen van Homine Hettinga. De Jonghe is 
»met den vader bij de prince , d olste heeft geweest teemden " (te 
£mden) »met hem zich onthoudende bij de moeder.** - Zie ook: 
Sent., bl. 192 en hierna in Bijlage D. 

Hylcke jVariensz. , over wien wij gesproken hebben op bl, 436 
en 457 van den tekst, was volgens Bor, t. a. pl. , fol. 168, een 
Leeuwarder, ook genaamd fFilde Ifylcke en volgens sonimigen 
ook Hiddinck , hetgeen wij echter betwijfelen. Volgens anderen was 
hij vermoedelijk een Zwollenaar. Nadat hij 23 April 1568 was 
gevangen genomen , werd hij 19 Januari 1569 door het Hof van 
Friesland ter dood veroordeeld. - Crim. Sent. boeken , III , bL 129. 
Verder: V. Haren, »De Watergeuzen ," bl. 175 en V. Gron. ,»De 
Watergeuzen ," bl. 250, alsmede hierna in : Aanteekening f^II, 

Ballinck Riddersnm , van Lutkewoude , in Kollumerland. - Sent., 
bl. 188; T. W., III, bl. 262, noot; »K. en N. K. geschiedk. 
beschr. ,*' bl. 138 en Plaatübeschr. dier gem. , I, bl. 156 en II, 
bl. 66. 

Bernardas Roorda , van Sneek , alzoo een stadgenoot en vermoe- 
delijk een aanverwaiit van Popcke Roorda , in Bijlage B , III , no. 
30 vermeld , werd 9 April 1570 verbannen. - T. W. t. a. pl. , 
m , bl. 277 , nool en Sent. , bl. 229. - Zie hierna op : Bylage D. 

Sybren Saecklesz. , van Witmarsum , werd 20 3Iei 1569 verban* 
nen. - Sent. , bl. 192. 1) 

Pieter , »Graefmeester nu genoemt Sneeberger ," van Leeuwarden , 
is misschien. . wel dezelfde, als Pieter Pietersz. de exchijsmeester , 
over wien hiervoor in Bijlage B , II , no. 40 , is gesproken. - 
Sent., bl. 189. 

Heer Andries Schorm ^ bij .Harcus, Sent. , bl. 191 abusievelijk : 
Slrom genoemd, woonde in West-Stellingwerf , werd na zijne 
vlucht adelborst van Jan van Bimga en was »een wilt gast", zooals 
men vermeld vindl in een Register grool 16 bl. , vooraan ingebon* 
den in het Iste deel van Staatsresolutién , placaten enz. (1527 — 



1) Zou hij ook kunnen zijn: Sybrand Sickesz. ^ de moordenaar van 
Aremberg? - Dozc toch vindt men in de Scnt. bij Marcus nergens 
vermeld. Zie bl, 468 van den tekst. 



nïilAGF. c 



71 



1666) , berustende op 's Hofs Archief le Leeuwarden. Dil register 
is aldus betiteld: »Dit zijn de persoenen die men doer rescriptie 
»van de grietsluyden ende andersins bevonden heeft ten dienste van 
»grave Lodewijck geweest te zijn, oft andersins inet provande ende 
»presentie van hun persoenen den leger gesterckt te hebben." Het 
zijn nagenoeg dezelfde nainen , als die , welke men in de Sent. ver- 
ineld vindt , maar — en dit maakt die lijst merkwaardig — voor- 
zien van kantteekeningen bij sommige nainen , aanduidende , wat er 
later van de daarin vermelde personen geworden is. Onder »Stel- 
linckwerff Westeynde" komen alleen voor : genoemde Heer Andries 
Schorm (zooals Winsemius , Kronijk , bl. 556 , opgeeft , hoewel wij 
ineenen : Storm te inoeten lezen) en Heer Andries Henricksz, met 
een latere hand daarbij ^evoegd en waarbij geschreven staat : » is 
»geweest Vendrich onder Grave Lodewijk ende is ter cause van een 
»nederslach binnen £mden onthalst.*' - Is deze dezelfde misschien 
als de eerstbedoelde ? - Zie Bijlage A op het einde en Bijlnge E. 

Gerbe Sytsz, van Nijkerk (in Ferwerderadeel .^) , werd »18 May 
»1569, ten eeuwighen daghen'' uit het land gebannen , »by peene 
»van der Galghe , mit confiscatie van goederen/' Maar »dies nyet 
»jegenstaende ," was hij weder tot »cleynachtighe ende versmaede- 
»nisse van der Justicie" in zijn Vaderland teruggekomen. Men 
deed hem vatten en den 27sten Sept. 1570 werd hij veroordeeld 
»by den Scherprechter onder Galghe gehangen ende geworcht te 
»worden." - Sent. , bl. 392 en vergelijk aldaar bl. 188. Crim. 
Sent., m, bl. 195. 

Claes IFolffs^ van Kolluin, vrij zeker de zoon van Wolf van 
Wortzou, grietman van HN. Kruisland en ürsula, » echteluyden " 
aldaar. - Sent. , bl. 188. Zie: »K. en N. K. gesch. beschr. ," bl. 
50, 138 en 143 en Oudheidk. Plaatsbeschr. dier gein. , I, bl. 35. 

h. Bij Jeminingon streden , voorzoover ons bekend , van de hier- 
voor in Bijlage B genoemden : Jan van Bonga , Homme van Cam- 
stra (zooals blijkt uit het vonnis van zijn lijfjongen nagemeld), 
Tjalling van Eysinga , Douwe of Seerp van Gnlama (zie beneden) , 
Homme van Hettinga; verder nog (zie bl. 473 van den tekst): 
ffillem van Dockum , IJmmel op (sic !) Leeuwarden en Aucke 
Sjoerdtsz,, lijfjongen van genoemden Camstra , alsmede Sybrand 
Sickesz.; zie bl. 468 en 473 van den tekst, en Dl. III van de 
»Archives de la Maison d'Orange," bl. 230 en 231. 

Zooals gezegd is in noot 1 op bl. 474 van den tekst, is het 



72 Bur.AGE r. 



onzeker of Douwe , dan wel Seerp van Galama de persoon is , die 
bij den slag van Jenuningen onikwam. Wij achten het meest waar- 
schijnlijk Douwe ^ op grond van Winsemius, Kronijk, bl. 543 en 
Historia , bl. 110, die uit de aanteekeningen van Abelus Fran- 
kena heeft geput; Bosscha, P, bl. 245 noemt: Seerp^ eyenals 
T. W. , t. a. pl. , II, bl. 407; Schotanus, t. a. pL, bl. 753, 
spreekt alleen van » Gaiama." In het Stbk. van den Fr. adei wordi 
van een Douwe in aani. 34 , gen. Galama , gezegd : » Is in krijgs- 
»dienst geweest (onder Graaf Willem Lodewijk van Nassau, zegt 
»het H. S. Doys) en in den krijg omgekomen," terwijl van Seerp 
(aani. 37) dii niei vermeld wordt, die echter wel in de banyon- 
nissen voorkomt, maar Douwe niet. Zie over Seerp ^ hiervoor in: 
Bijlage B, II, no. 21. Zie voor verdere nasporingen het Stbk. 
V. d. Fr. adel; vergelijk bl. 430 v. d. tekst. 

Wat Aucke Sjoertsz, betrefi, deze werd later gevangen genomen 
en den 31sien Januari 1570 door hei Hof van Friesland veroordeeld , 
om onthoofd ie worden , dewijl hij Homme van Camstra in den 
slag bij Jemmingen had gediend. Zie: H. S. op de Prov. Bibl. 
van Friesland, vermeld in Dl. V van den Catalogus, no. 389. 

In HCrim. Sent. bk. wordcn nog enkelen vermeld, die wegens 
dicnst nemen onder de vijandcn en rebellen en het voeren van wa- 
penen tegen Z. M. werden onihoofd en wier goederen werden 
verbeurd verklaard. Vergelijk Dijlage E. 

Over de 10 vendelen van Barlaymont , waarover op bl. 472 en 
475 is gesproken, zie men nog: Schotanus, i. a. pl. , bl. 754. 



II. Baiiingen : a. tengevoige de onilieizing der Hervormde leer 
en b. om andere hijgevoegde redenen. 

a. Bij Citaiie van 9 Aug. 1568 werden 20 personen gedagvaard 
(Chbk. , III, bl. 743), die bij Senteniie van 22 Oct. 1568 (Senl. 
bl. 166) werden verbannen , van welk vonnis de af kondiging in 
Frie^land den 26sien Januari 1569 plaats had (Chbk. , III , bl. 762.) 
Van deze zijn hiervoor reeds 6 genoemd , nl. in Bijiage B : Everard 
Arckens , Tjaiiing van Eysinga , Leo Hania , Frans Hemmes en 
Popcke Hoorda en onder no. I dezer Bijiage : Anthony Clnrnrgijn ; 
zie bl. 67 o. a. 

Verder komen in die Senientie voor: 

Poppe Agges , nit Sneek , omdai hij zich te veel met de predi- 
kanien had ingelaien en geweigerd den eed af te leggen. 



BUr.AGE c. 73 

Dirck Eemskercky uit Leeuwarden, misschien een broeder of 
aanverwant van den Griffier Picter van Ëemskerck , beschuldigd dat 
hij het Avondmaal op Calvinistische wijze gehouden had. 

Agge Hendricksz, , uit Sneek , die de eed van getrouwheid aan 
den Koning geweigerd had af te leggen. 

Luytien Sytzess, of schipper Luytien , van Leeuwarden , uit 
welkt stad hij door Aremberg den 18den Mei 1568 met27 anderen 
gebannen was. (Zie bl. 464 van den tekst.) Den 9den Augustus 
daarna werd hij wederom gebannen , omdat hij zeer verachtelijk en 
oproerig gedurende de troebelen gesproken had en onder anderen 
zich had uitgelaten , dat men de personen , die zich voor de Catho- 
lijke Kerk in de bres stelden, zou ophangen en slecht behandelen. 
Ook had hij geweigerd Roomschen in zijn schip te ontvangen en 
zelfs den eed van getrouwheid aan den Koning niet wilien afleggen , 
om de scheurmakers tegen te staan. Gabbema, bl. 513, getuigt 
van hem, dat hij »om zijnen yver in het voorstaan van de goede 
»zaak , die bijnaam van de Geus , ter eeren heeft wech gedraagen , 
»gelijk die*\ zoo voegt hij er bij , »van zijne naakomelingen heeden 
»noch alhier word gevoert.*' 

Uercke Ryurdtsz. , ook een schipper uit Leeuwarden , werd ver- 
oordeeld , omdat hij dagelijks de Hervormde leeraars bijgestaan en 
met hen omgegaan had. 

Wytthie Scroer , uit Leeuwarden , had een zijner kinderen naar 
de Calvinistische wijze laten doopen. 

Jeîle Scroer en Bocke ^ knecht van Syds van Donia (zie Bijlage 
B , II , no. 8) , beiden van Beetgum , daar zij de beelden in de kerk 
van hunne woonplaats vernield hadden en daartoe geheel geschikte 
werktuigen hadden gebruikt. 

Mr. Doecke Titlema , van Leeuwarden. In de citatie van 9 Aug. 
L568, Chbk., III, bl. 744, staat: Doecke Titlema, in het hoofd 
der bedoelde Sententie , (bl. 166) : y>Doeclo Titlema ," maar in de 
Sent. zelve: Doecko Tiltema, Is hij niet Doecke Teetlum , raad 
in den Hove (zie Naamrol Raden 's Hofs , bl. 30) , dan vermoeden 
wij , dat hij zal hebben behoord tot het geslacht fTiarda , waarin 
de naam Titleman menigvuldig voorkwam en dat hij het zal zijn 
geweest , van wien in de genealogie van dat geslacht gezegd wordt , 
dat hij om de geloofsvervolging uit Friesland heeft moeten vluchten 
en mogelijk dezelfde als diegeen , van wien in aant. 12 in het Stbk. , 
op Wiarda , wordt gesproken , hoewel de daarbedoelde Bucho heette , 
of wel , dat Bucho een broeder heeft gchad , die Doecke heette en op 



74 BIJLAGE C. 

Avieii van loej>assing ïs^ heigeeii aldaar van Bucho wordt verineld. 

Hij werd veroordeeld wegen^ het bijwonen van predikatiën en het 
houden van het Avondinaai. Yerder ook, omdat hij met Fockt 
van Aysma (zie Bijhge B , II , no. 2) naar Antwerpen was gc- 
reisd, mei hei doel den Koning 30 ionnen gouds aan te bieden, 
om daarvoor vrijheid van geweten en godsdienst te verwerven. 

Pieter de ff'evere^ van Leeuwarden, oindat hij de nieuwe pre- 
dikanten in zijn huis had onihaald , hun zeer gene^en was ^wee^t 
en zich dikwijls voor hen in de bres had gesteld bij de Kegeering. 
Ook had hij zich uitgelatcu , dat hij , indien het noodig was , sol- 
daten ten hunnen behoeve zou werven en er dan zelf wel drie wilde 
onderhouden. 

Verder nog : /fylck van Jfaersma , de vrouw van Tjalling van 
Ëysinga en hare mocder Jfis Jousma , weduwe van Pieter van 
Jfaersma (Ilarinxma ihoe Heeg?), alsmcde: Macht^lt Dlrcksdr. ^ 
de vrouw van Alle Teijes en Jees ff'ybranisz. , vrouw van Gabbe 
Selsma. Zij ailen werden hoofdzakelijk veroordeeld, omdat zij de 
Hervormde ieer omheisden. Overigens zie meu over deze vrouwen 
hiervoor in Jiijlage B en over Jees n'yhranisz. bl. 408 van den tekst. 

h, Om verschillende andere redenen tverden nog gehannen: 

Joachim Joestz. J'ermeer (elders f erniers) was predikanl der 
3Ieniionielcn ic Francker cn werd daarom 26 Nov. 1569 verbannen 
en zijne goederen verl)eurd verklaard. - Scnt. , bl. 208. 

Bij publicaiie van 7 Jiini 1.Î74 werd hij uiigcsloten van de al- 
gemeene vergiflcnis , waarovcr mcn vergclijkc : JÜjlage B , I , no. 34. 
Zie ook hct aangehaalde werk van l)r. J. Rcitsma, bl. 132 en 
IJpey en Dermoui, NedcrL Kcrkh. , I, bl. 103 van den tekst en 
bl. 51 der Aanii. 

Garhrandt Pietersz. , van Nijcga in Heiiiel. Oldcphaert c. a. , werd 
13 November 1568 vcroordeeld , omdat hij onder zekeren Dirck 
3Iartensz. vaii Schaegcn (zic bl. 66 hicrvoor) iii Holland en elders 
velc moedwilligheden had bcdrevcn en vaandcldrager onder hein was 
gcweesl. Ilij wcrd veroordeeld »gcleyi tc wordcn op de Marckt 
»alhier in <len Hacge , cndc aldacr cersi zyii rcchicr Handt (daer 
»inede hij M Vaandcl gedraegcn hc^fl) atrgchoudcu , cnde dan voirts 
»gehangen ende geworchl tc wordcii , zuk^x datlcr die doot nae 
»volcht ,*' inet verbcurdvcrkhuing zijiicr gocdercn. - Senl. , bl. 338 
en Van Vioten, t. a. pl. , bl. 284 cn 28:). 

JloHe Jfannes^ »geboeren van Backhuyscn bij Slaveren in Yries- 



BIJLAGE r. 75 

»laiidt ," werd op dienzelfden dag inede gevonnisd , »oin gehangen 
)»ende geworcht te worden." - Sent. , bl. 340. Verder nog : 

Abbe lldesz, , Ude ^bbesz. en Eekke Lieuwesz. , allen uit Leeu- 
warden, die in het vonnis van 18 Mei 1568 met Andries Wy- 
bi audisz. en 24 anderen voorkomen ; zie hiervoor in deze Bijlage 
op : Luytien Sytzesz, - Ëerstgenoeinde was reeds 14 Juni 1567 
gevangen , wegens oproerige bewegingen. Chbk. , III , bl. 734 ; 
De Vrije Fries, IX, bl. 421 , 422, 428 en 435. 

Den IGden Mei 1569 werden 5 personen uit Friesland verbannen 
wegens aanslagen op Alkmaar en Hoorn , t. w. : fFobbe Sjouckesz. 
uit Oldega; Intzie, woiiende nabij Noordwolde; Tite Zitkies ^ van 
Bakhuizen; uir. Jan., chirurgijn , van Visvliet en Jan Pietersz.^ 
genaanid : »Bloem van Slooten ," uit Sneek. - Senl. , bl. 187. 

In het najaar van 1570 of in *t voorjaar van 1571 werd volgens 
de Reniinr. Rekeningen geëxecuteerd : Gerbrant Sittiesz. Frisvogel 
van Witmarsuin, mogelijk een aanverwant van Ebel Frisvogel ^ op 
bl. 192 der Sent. genoemd. 

Ëindelijk vindt men in de Kronijk van Winsemius , op bl. 562 , 
nog eene lijst, bevattende 35 namen van »soo als sij die noemden 
»Knevelaers, Vagabunden eic", die verbannen werden ingevolge een 
Placcaat van 19 November 1571 ; zie bl. 505 van den iekst. 

Van de ' daarin genoeinde personen komen voor Hartman en 
JFatze Gauma ^ in Bijlage B, III, no. 11 en 12 reeds besproken, 
en verder 9 , wier nainen vermeld worden in de bovenbedoelde 
Seni. van Alva; terwijl daarvan in Bijlage D nog 4 hunner onder 
de Watergeuzen zullen worden besproken , inet naine : Pieter en 
JFybe Sjoerdtsz. , Melchior en Jelcke Seerpsz. , zoodat er nog een 
20-tal namen overblijven van personen , van welke wij geene bijzon- 
derheden kunnen mededeelen. 



Ten opzichte van de bij Marcus vermelde en door ons op bl. 67 
hiervoor aangehaalde vonnissen van 18 en 20 Mei 1569, moeten 
wij aanieekenen , dai Dr. Bisschop in De Vrije Fries , t. a. pl. , bl. 
431, niet 1569, maar 1568 noemt , maar dat is zeker onjuisi , 
daar de slag van Heiligerlee 23 Mei 1568 plaai^ had en ook dewijl 
de grietslieden eersi den 25sien Aug. 1569 werdeii aangeschreven , 
om aan Megen al de namen op te geven van hen , »die hun ien 
»diensie van Graeff Lodewick gegeven hebben." Zie bl. 476 v. d. 
teksi ; Chbk. , III , bl. 748 en verder : Bijlage E hierna. 



Bijlage D, 

bevattende de nainen en enkele levensbijzonderheden van de ons 

bekende Friesche Watergeuzen. 



Vooraf een paar opmerkingen. 

Voor Gerrolt Gerroltsma , op bl. 486 van onzen tekst genoemd , 
zal men wel moeten lezen : GerroH Gerritsma of Montzema , ge- 
huwd met Tieth van Hoytema en daardoor een aangehuwde neef 
van den mede aldaar genoemden Rinthje van Aytta en een zwager 
van Igram van Achelen , over wien : Aant. I hierna. - Stbk. , op : 
Aytta, aant. 24. 

Men zie over de soorten van schepen , destijds in gebruik , waar- 
van in noot 2 , bl. 486 in den tekst melding is gemaakt , ook nog : 
De Vrije Fries, V, bl. 358 en de afbeelding aldaar tegenover bl. 
351. Behalve »boyers, yachten, kitzen , carwelen" enz. , waren er 
nog Vlieboolen, veelal in Zeeland in gebruik; zie: Van Meeteren, 
fol. 76. De naam kits komt nog voor als vischsloep. 

De meergemelde cn o. a. op bl. 496 bedoelde stukken bevatten : 
»Expensen ende vuytgaven zedert de trubele begost in den iaere van 
»XVc ses ende tsestich tol het jaar 1570." Daaronder komt ook 
voor eene »Memorie voor den Heere van Groesbeke om onsen G. 
»Heere den Grave tot Megen, enz. antegeven" van 10 Juli 1570, 
behelzende schulden en onkostcn wegens het uitrusten en bemannen , 
van »groote" en »cleyne jachten ,'* voor den oorlog ter zee in gebruik 
gesteld; niet onbelangrijk , maar te uitgebreid, om hier te worden 
opgegeven. 

Ten oj)zichte van de dag- en nachtwacht , waarover o. a. op bl. 491 
en 492 van den tekst is gesproken , is ons nog het volgende voorge- 
komen in een Staat van Artikelen . dat onderwerp betreffende , doch 
zonder bijvoeging van een jaargetal , zoodat het misschien uit iets latcr 
tijd is. dan het door ons behandelde tijdvak. In dezen staat, die 
berust op 'l Prov. Archief vaa Frioshind , vonden wij : 



BIJLAGE D. 77 

» Ordonnanlie up die wacht up die zeekandt van Monckesyl " 
(Munnekezijl in Kollumerland) »tot bij die Raecken van den darden 
»nian , van Burum , 't nijecruislt , vuyterdijcxsterclufl ende Beystere , 
»waarvoor Gerryt Wolters generaal wachtmr. geordonneert is , voor 
»den derden nacht." Verder worden voor die wachten aangewezen : 
28 personen uit Burum en HN. Kruisland, 19 uit Uitterd. cluft 
en 5 van de Bey. Men zie mijne Oudheidk. Plaatsbeschr. van Kol- 
lumerland c. a. , o. a. : I , bl. 17 en 175 en II, bl. 66 en 77; 
op de laatste bladzijde komt Gerryt Wolters voor , ais » exchijs- 
meester** te Burum c. a. in 1»563 en 1580. 

Betreifende de inneming van den Briel (zie bl. 508 van den tekst) 
vindt men o. a. ook het een en ander in de »Kunst- en Letterbode" 
van 1840, bl. 183, waarop door V. Gron. , t. a. pl. , bl. 420, 
reeds is gewezen. Op bl. 186 van de »K. en L. bode" wordteene 
confessie vermeld , waarin voorkomt : »dat van daar'* (nl. van den 
Briel) »gezonden is een Boeijer met klokken , om daarvan metaal 
»geschut te gieten." Men zie verder : Bor , t. a. pl. , 6e boek , bl. 
367 ; De Vrije Fries , Vni , bl. 404 en dl. XVI , bl. 200 , alwaar 
door Ds. Van Borssum Waalkes de klok van het voormalige Ger- 
kesklooster wordt besproken. 

Overigens zie men verdere levensbijzonderheden der Friesche en 
en andere Watergeuzen in het belangrijk werk : »Geschiedenis der 
Watergeuzen ," door A. P. van Groningen , waarvan wij een veel- 
vuldig gebruik hebben gemaakt , evenals van »Nederlands Opstand tegen 
Spanje ," door Dr. Van Vloten ; verder : »Neerlands Zeewezen" door 
De Jonge en » Geschiedenis der Vaderlands " door Arend , o. a. 11 , 
5de stuk , bl. 171 enz. , terwijl men in een der Leeuwarder Couranten 
van April 1872 eene Naamlijst van Friesche Watergeuzen aantreft. 
In het aangehaalde werk van Dr. Van Vloten (ed. 1858) , I , bl. 
209 , wordt nog het een en ander medegedeeld over den Heer Van 
Wacken^ over wien op bl. 487 van onzcn tekst is gesproken. 



Als FrieSChe Wafergeuzen vonden wîj vermeld : 
1 , 2 en 3. Focke , Jan en Tavime Ahels. - Jan en Tamme wa- 
ren broeders , terwijl volgens hun tijdgenoot Carolus , Focke de zoon 
Tan Jan was. Dat Jan een zoon had , is zeker (tekst, bl. 485) , maar 
daar de naam Abels geen familienaam schijnt te zijn en men dus veeleer 
in dezen Abels^. moest sehrijven, zooals zij ook voorkomt op bl. 
193 der Sent. , zoo is het aannemelijker , dat Focke ook een broe- 



"78 BIJLAGÉ D. 

der van Jau en Tainme is geweest. Dit neeint echter niet weg, 
dat Jan een zoon zal hebben gehad, dien hij reeds vroeg bij zich 
aan boord nam , maar wiens naam onbekend is gebleven en Carolus 
slechts de namen van drie Abels* kennende, heeft een van dezeu 
voor den zoon van Jan gehouden. Zij waren bekwame zeelieden en 
geboortig van Dockum , hetwelk destijds door koophandel en zee- 
vaart belangrijk bloeide. (Carolus, 1. a. pl.) 

Focke werd 17 Mei 1572 door Alva verbannen , dewijl hij be- 
schuldigd werd , dat hij Kapitein was op een der schepen , die op 
last van den Prins van Oranje le La Rochelle waren uitgerust. 
Sent. , bi. 243. 

In het begin dierzelfde maand had » de rosharige , kort gebouwde 
»Friesche Watergeus ," zooals hij in zekere verklaring — waarin hij 
echter verkeerdelijk een Vlaminger wordt genoemd — wordt aan- 
geduid , met zijn schip » de Gaiei '* eenige Fransche soldaten uit 
Dieppe naar Vlissingen overgebrachl. V. Vloten , 11 , bl. 8 en 
Bijlage VI ald. , bl. XXIV. 

Ook komt in de rekeningen van Veere omtrent dien tijd een post 
voor van twee tonnen bier , geleverd op zijn schip , » de Galei " 
genoemd. - V. Gron. , bl. 134. 

Jan en Tamme dienden in 1558 de stad Groningen tegen de 
zeeroovers. Zie bl. 479 van den tekst, 

Jan werd, met 21 zijner stadgenooten , 20 Mei 1569 uit den 
lande verbannen , omdat hij Graaf Lodewijk in Groningerland had 
bijgestaan. Zie : Corresp. du duc d'Albe, bl. 125, en Archives , 
III , bl. 232 (noot). Hij was tegenwoordig bij de inneming van 
den Briel , hetgeen van de anderen onzeker is. Zie : V. (iron. , W. 
29, 30 en i. v. 

4. Johannes Andriesz, is naar alle waarschijnlijkheid een Fries , 
althans Van Groningen houdt hem er voor. Hij was kapitein van 
een Geuzenschip en een dapper man. In een geduchten storm yan 
1573 verloor hij op de kusten van Friesland zijn schip en 14raan 
van zijn scheepsvolk. Of hij zelf er het leven afbracht, schijnt 
niet bekend. - Zie V. Groningen, t. a. pl. , bl. 135; op bl. 116 
noemt hij hem, zeker bij vergissing: Jacoh Andriesz, - Zie ook: 
Winsemius, Hist. , bl. 174. 

5. Foppe Annesz, was een Dockumer en werd met zijn 
stadgenoot Jan Abelsz. 20 Mei 1569 verbannen. Waarschijnlijk 
was hij later, in 1573, luitenant van Wyger van Dockum. 

6 en 7. Jan en Fieter Ariens , van Bolsward , broeders , 



bijla(;e ü. 79 

lagen in 1575 in den inond der £eins , ioen zij » niet konnende 
»lijden , dat men in H ghemeen op Vriendl , Vijandl ende onparty- 
»dick roofde ," door hun scheepsvoik werden vermoord. Doch 
»de Moordenaars hebben haer straffe te Emden onlfangen." Pie- 
ter was in 1572 »Faendrager" en Jan »schrijver*' onder hop- 
raan Bocke Klok. - V. Gron. , bl. 116, 790 en Wins. , Kronijk , 
bl. 578 en 592. 

8. Jan Bonga , zie hiervoor : Bijîage B , I , no. 5. 

9. Marien Broerckesz, , van Workum , werd met eeniwe zijner 
stadgenooten 20 Mei 1 569 door Aiva gebannen , omdat hij in dienst 
was geweest van Graaf Lodewijk. - Sent. , bl. 194. Zie tekst, bi. 
516 en zie hiema op no. 39. 

10. Claes^ van Dockum, was in 157.3 »veenrick'* (vaandrig) en 
lag in November van dat jaar »onder amelant in een boetesmans- 
»boet ", toen Duco van Martena zekeren Johan van Rijn , van 
Vlieland, den 3den dier maand naar hem afzond, »um den veen- 
»rick weder int fly ofte upt fllylandt tho haelen." Gron. Bijdr. , 
IX, bl. 61. 

11. Claes ^ »van Nijerzyl ," zie bl. 515 van den tekst. 

12. Jan Claesz, van Sneek, was een der Geuzen-kapiteins , die 
12 Juni 1572 een brief mede onderteekende aan de Spaansche be- 
zetting in Delfzijl, om ze tot overgave aan te sporen. Hij lag toen 
zeer zeker met zijn schip op de Dollard. 

Korten tijd daama (in Aug.) deed hij met honderd medgezellen 
een inval in Vollenhove , »innemende 't huys van Toutenburgh." De 
vijand kwam spoedig opdagen en nam het huis in, hoewel met 
▼eel moeite, waarop eenige geusen werden geschoten, »andere in 
»zee gejaecht , eude oock eenyghe gevangen ; endc naementlijcken 
»haerluyder Capiteyn Jan Claess genaempt , wezende van Sneeck van 
»geboorte, die all in seecker cleyne schuyte gecomen was,menende 
o>'t ontcomen , in dezelve schuyte doorschoten ende omgebrocht is 
»geweest." - De Vrije Fries, VIII, bl. 406 en 413. 

13. Cornelisj bij Franeker ; zie bl. 515 van den tekst. 

14. Hoytze Douwes of Lange Hoyte » van Worckum ," werd 
met eenige anderen bij Placaat van 19 November 1571 veroordeeld ; 
zie bl. 515 van den tekst. - Vergelijk : Bijlage E en Winse- 
mius , Kronijk , bl. 562. 

15. Jelte van Eelsmn ^ zie : Bijlage B, I, no. 11 en erî V^, 
Vlolen , I , bl. 325. . .' : 



80 BIJLA6E D. 

16. Jurrîaen Eltes^ waarschijnlijk een Fries; zie bl. 509 van 
den tekst. 

17. Sjuck van Eminga , zie Bijîage B , I , no. 15 en V. Vlotcn , 
bl. 325. Hij was evenals Eelsma kapitein. 

18. Meinert Friese (482) was kapitein op een » jacht '* en lag in 
Januari 1572 met zijn schip en met andere kapiteins »onder H 
»eyland van der Schellinge." Waarschijnlijk was hij tegenwoordig 
bij het innemen van den Briei. - V. Gron. , t. a. pl. , bl, 235 ; 
V. Vloten, t. a. pl. , I, bl. 288, 326 en 328. 

19. Edo Gabhema ^ zie Bijlage B, III, no. 10. 

20. Jelmer Gahhes , volgens Carolus op Amcland , volgens an- 
deren op Vlieland geboren. - V. Gron. , bl. 236. 

21. Douwe van Glins ^ zie : Bijlage B, I, no, 20. 

22. Heer Godinck^ van Harlingen. - V. Vloten, I, bl. 291. 

23. fFiho van Grovestins y zie: Bijlage B, III , no. 14; 
Gron. Bijdr. , IX , bl. 57. 

24. Piho van Haerda ^ zie: Bijlage B, I, no. 21. 

25. Ifomme van Hettinga en zijne beide zonen : 

26 en 27. Doecke en Taecke , alsmede zijn half broeder : 

28. Tiete , over wien , benevens over Homme hiervoor in B^" 
lage B is gesproken en in den tekst ; over Doecke en Taecke , 
hiervoor in Bijlage C, bl. 69. 

Homme en ook vrij zeker zijn zoon Doecke , waren tegenwoordig 
bij de inneming van den Briel, maar van Taecke en Tiete wordt 
dit niet vermeld. 

Van Doecke wordt als Watergeus melding gemaakt in de reke- 
ningen van Veere. In cene bekentenis van een gevangene in Maart 
1571 wordt gesproken van »Homme Hettingha, mede Capn. , die 
»met een raeseyl comen zal , dat op 't eilant van Wicht in Engelant 
»toegerust wordt , die bij hem heefl zijnen jongsten zoon ** (zeker 
Taecke) , »ende d' ander zijnen zoon" (zeker Doecke) »leyt ondcr 
»Barteldt Ëntens mede Capa." 

Taecke huwde met Neelcke N. , eene vrouw uit Holland of meer 

waarschijnlijk uit Emden. Doecke stierf in 1620 , maar zijn broe- 

der stierf , naar men wil , als student en dus op veel jongeren 

leeflijd. - V. Gron. , bl. 248 ; V. Vloten , t. a. pl. , I , bl. 320 en 

325 ; Sent. , bl. 192 ; Stbk. , op : Hettinga en T. W. , III, bl. 459. 

.^„1^, Heyntgen^ van Dockum, was in 1570 bootsgezel op hct 

: .' ic}y'p van Jan van Troyen. - V. Vloten , I , bl. 290. 

• • 30. Mr. Hindryck , zie bi. 515 van den tekst. 



BIJLAGE D. 81 

31. Hero van Hottinga ^ zie Bijhtge B, III, no. 22. 

32. Frederik van Inthiema »slaal", volgens V. Gron. , »op de 
»lijst der Watergeuzen op zijn eigen greluigenis" en was voljjens 
soinmigen tegemvoordig bij de inneining van den Briel. Zie : Arend , 
Vaderl. Gesch. , 11«, bl. iVl. 

Hij was de zoon van Reijn en Sibbcl van Hanckema , die te Wor- 
kum woonden , waar Frederik zeer zeker geboren werd. Zijnejeugd 
was niet zeer aangenaam , althans men vindt aangeteekend , »dat 
»hij door eene bijzondere zucht tot de wetenschappen gedreven werd , 
»en zijn standvastig geduld aileen den onwil en de slagen zijns va- 
»ders overwon, die hem tot iandbouwer bestemd had." 

Nadat hij zijne rechtsgeleerde studiën aan de Hoogeschool te Leu- 
ven had volbracht , zette hij zich als advocaat in zijne geboorteplaats 
neder en werd korl^n tijd daarna Burgemeester aldaar. Hij huwde 
met Margaretha , natuurlijke dochter vanFeicke van Heslinga, bij eene 
dienstmaagd, Gerritje van der Steine verwekt en leefde nog in 1608. 

In de stad zijner inwoning bouwde hij een prachtig huis, »ter 
»plaetse , waar de voorouderlijke stins , in den aanvang der regeering 
»van Keizer Karel V," door zijnen grootvader Tjebbe van Inthiema 
was bewoond geweest en omtrent dien tijd was verwoest geworden. 
Dit huis werd in de wandeling genoemd : » dwang van Workum," 

Stbk. , op : Inthiema en Aylva van W. , aant. 29 ; V. Gron. , bl. 
255 ; Schotanus , Beschrijving , op : Workum , bl. 268 en T. W. , i. v, 

33. Harmen Jansz. , van Leeuwarden , diende als »klerck*' op 
een der Geuzenschepen , »ten upziene hy lezen ende scriven conste, 
»ende dattet nyemant up 'tscip wel conste doen/' 

Hij teekende zich dan ook deftig »Hermannus Leovardiensis ,'' 
zooals blijkt uit de onderteekening der »articulen . . . geordineert by 
» Johan van Rinsdorp , Capitein . . . om op sine schip van Oorloch 
»te gebruicken ende te onderhouden.*' 

Hij bevond zich zeker aan boord van dit »schip van Oorloch," 
toen het in Augustus 1571 door de Spaanschen werd bemachtigd. - 
V. Vloten (ed. 1872) , I , bl. 238. 

34. Jarich , luitenant van Jelte Eelsma , »wesende een paep , 
jodie... gestaen heeft opter Schellinck." - V. Vloten (ed, 1858),I, 
bl. 149 en 325 en bl. 489 van den tt^kst. 

35. Pieter de Jonge^ zie bl. 514 van den tekst. 

36. Jan Joosten , vermoedelijk een Fries. - V. Gron. , t. a. pl, , 
bl. 73, 227 en 257. 

37. Dnco van Martena ^ zie: Bijlage B, III, no, 27. 

G 



82 



KIJLAGE D. 



38. Marien , ook genoeiiid »cleyne Marlen , van der Jouwere." 
Zie bl. 516 van den tekst. 

39. Feycke Jfrtrtens^ geboortig van Workuin, was kapitein op 
een Geuzeuschip, inaar werd inet vele anderen, ten getale Yanil2 
man, den 23sten Juni 1571 op de £eins voor Ëinden door Bos- 
huizeii gevangen genoineii. De iiieesten werden dood geschoien , 
maar Martens blet^f met eiikele anderen voorloojûg gespaard, niet 
uit medelijden , maar om achter de plannen der Geuzen te komen. 

Bossii ineldde aaii Boshuizen bij brief van 6 Juli daama over 
hem , >»welcke ick gesonden hebbe tot Groeningen , by den Heere 
»van Billy , omme mette langer hant geëxamineert te werden." 
Vermoedelijk is hij kort daarna ter dood gebracht. - V. Vloten, 
I , bl. 184 en 322. 3Iisschien is hij dezelfde als no. 9. 

40. 3lelchior (516), wever van Midlum, werd 19 Noyember 
1571 vogelvrij verklaard. Wins. Kronijk, bl. 562. 

41. Pieter ^ van Leeuwarden, was inede Geuzenkapitein blijkeiis 
meergemelde confessie van Maart 1571 ; zie op no. 28 hienroor. 

V. Vloten , t. a. pl. , I , bl. 325 en V. Gron. , bl. 130. 

42. Jelcke Seerps (516) , van Gaastmeer , bij Placcaat van 19 
November 1571 vogelvrij verklaard. - M^iiis. , t. a. pl. , bl. 562. 

43. Jan Simonsz, , van Sneek , is misschien dezelfde als degeen , 
die hiervoor in Bijlage B , II , no. 44 , is vermeld , maar is dan niet in 
1569 overleden , want de hicrbedoelde stond in Febr. 1581nogals 
vrijbuiter bekend. - V. Gron., bl. 306 en 421 ;Chbk., IV, bl. 232. 

44 en 45. Pieter en U'yhe Sjoerdtsz. (483 en 509) , gebroeders , 
uit Workum. 

In de meergemelde bekentenis vaii Maart 1571 wordt Wybe Sy- 
uerdt^z. aangeduid als een der Geiizciikapiteins eii wordt Pieter, de 
broeder van »voorn. Wybe*' genoemd. Wybe was bij vonnis van 
20 Mei 1569 inet meer anderen uit zijne woonplaats verbannen, 
omdat hij Graaf Lodewijk in Groningerland had bijgestaan. Moge- 
lijk dezelfde als »Wibo Sivortszoon" ; zie bl. 67 hiervoor. 

Beide broeders waren bij Placaat van 19 November 1571 Yer^ 
bannen en misschien ook Jurriaen £ltes , de luitenant van Wybe 
Sjoerdtsz. , hoewel deze dan als »Jurjen Ottes" in dat Placaat voor- 
komt. - V. Gron., bl. 307; Sent. , bl. 194; V. Vloten, I, W. 
325 ; Bor , VI , fol. 289 ; Corresp. , bl. 58 en Wins. Kronijk , bl. 
562. - Van Wijn, Huiszittend leven, II, bl. 394. 

46. Pier Smit , van Harlingen , bevond zich in *t voorjaar yan 
1571 le Emden, toen 200 pond biiskruit werd verbeurd verklaard , 



filJLAGE D. 83 

heiwelk hij voor Jan Abels had gekocht. Men had een schip van 
dezen vrijbuiter in of korl vôor 1570 buitoemaakt. Zie stukken 
uit het Prov. Archief (» Expensen", waarover : bl. 76 hiervoor.) 

In de aanteekeningen over den inval op Hindeloopen in Mei 1572 
(zie bl. 515 van den lekst) , leest inen van hein , dat hij »onlancx 
»tot Dockum gevangen geweesl , Schipper, vcrclaerde: »»zij wilden 
»»mij hangen , daer ick het niet verdiend hadde, dan laeten zij 
»»coemen , ende hangen inij nu , dewijl ik het nu beter verdient 
»»hebbe." " - V. Vloten , I , bl. 180 en De Vrije Fries , VIII , bl. 40t . 

47. J^yger van Syisma ^ zie Bijlage B, I, no. 33, en V, 
Gron. , bl. 343. 

48. Wiho Tjarrels^ van Bolsward; zie bl. 502 van den tekst. 

49. FUeger , van de Nijkerk , waarschijnlijk een Fries en van 
Nijkerk in O.-Dongeradeel of Ferwerderadeel af komstig. In Jaii. 
1570 vormde hij , zoo het schijnt , het plan oin met Homme van 
Hettinga en Barthold Ëntens Dockum in te nemen. In Maart 1571 
wordt hij Kapitein der Geuzeii genoemd en bevond zich in 1580 
voor Delfzijl. - V. Vlolen, I, bl. 154 en 325 ; Schotanus , bl. 860. 

50. fFyger^ van Dockuin , was kapitein en had tot luitenanl 
zijn stadgenoot Foppe Annesz. (zie no. 5). - V. Gron. , bl. 358. 

51. Jeldert Jrigers^ waarschijnlijk een Fries, diende onder den 
Groninger edelman Ëntens en deed ijverig inede aan diens bande- 
looze rooftochten. - V. Gron. , bl. 257 en 358. - Stond in Febru- 
ari 1581 als vrijbuiter bekend. - Chbk. , IV, bl. 231, in verband 
met bl. 227 aldaar ; zie hierna. 

52. Tjepcke IFigers , inede een Fries , naar wij meenen , was 
in Juli 1573 kapitein van «en Geuzenschip en lag toen voor den 
Briel. - (Leeuw. Archief.) 

53. 54 en 55. Andries^ Eghert en Jurrien JFybranisz,^ zo- 
nen van Wybrant Eelkes , uit Leeuwarden. 

Andries werd 18 Mei 1568 met 27 mede-ingezetenen uit Leeu- 
warden verbannen, terwijl hij en zijn broeder Egbert bij vonnis 
van 18 Mei 1569 werden gebannen , omdat zij Graaf Lodewijk 
haddén bijgestaan; latcr begaven zij zich metterwoon naar Amster- 
dam en voegden zich bij de Walergeuzen. Zie bl. 483 en 500. 

Jurrien was ook kort te voren door Basius als Geuzenkapitcin 
aangenomen ; hij wordt dan ook , evenals zijn broeder Egbert , in 
de meergemelde confessie van Maart 1571 , kapitein genoemd. 
Laatstgenoemde had in 1572 eene »Engelsche kits vaerende 3 bas- 
)»sen en 16 of 17 man*' onder zijne bevelen , waarinede hij in 't 



84 BIJL4(rE D. 

begiii van Mei van dat jaar voor den Briel kwam. (Zie over de 
benaining ; kîts , hier^'oor in deze Bijlage , bl. 76.) 

Bij vonnis van 3 Juni van dat jaar werden »Echbert et Joriaen 
»Wybrantsz. Freres Frizons," als »voorlvluchtich vuyter Stadi van 
»Anisterdanr' verbannen en hunne goederen verbeurd verklaard. 

In 1584 was een Eghert ff'ijhrnnts Bornstrn luit^nani van Jr. 
Fredrick van Vervou ; niisschien is hij dezelfde als dc bovenge- 
nocinde, daar Jonaen Wybrantsz. Bomstra in 1581 nog als vrij- 
buiter voorkoint; zie beneden. - Chbk. , IV, bl. 231. V.Gron. ,bL 
358 en noot 239, op bl. 486; Sent., bl. 190 cn 245 ; V. Vloten , 
t. a. pl. (ed. 1858), I, bl. 164, 308 en 325 en »Gedenckv. 
Ge^sch. van Fr. van Vervou ," bl. 29. - Zie Bijlnge C op : Abbe Udesz. 

Mogelijk was hun aanverwant (misschien een zoon van een hunner), 
die ff'ybtant Bornstrn , die in April 1599 te Douay zijn »doctoorschap" 
verkreeg. - Feith , Rcg. v. h. Archief van Gron. , h. a. no. 58. 

Verder vindt men nog in het Crim. Sent. bock van den Hove 
van Friesland , dc namen vau onderschcidcne Friesche ff^aiergeuzen 
vernield , raceslal veroordeeld , qm onthoofd te wordcn , dewijl zij 
zich »ondcr diverschc Capiteynen van dc zecrovcrs ende hei gesel- 
»schap derzelve l)cgcvcn hebben.*' 

Ovcr het herooven der kerken \n Fricsland door » frybulers ,'* 
vindt mcn eenige bijzonderheden hierna in ^nnteekening X. 

Hocwcl het nict bepaald de Friesche Watergcuzen beirefl, zoo 
willen wij cr toch dc aandacht op vcstigcn, dat met de ^lnfor^ 
matie," voorkomendc bij Van Vlolen , t. a. pl. , I, bl. 328 en 329 
moct worden vcrgeleken : Gron. Bijdr. , Dl. V , bl. 332. 

Eenigc vrijhiiiters wordcn nog gcnoemd in Chbk. IV , bl. 231 , 
die in Fcbruari 1581 nog als zoodanig bekend stonden, te weten: 
Joriaen fFyhrnntsz, Bornstrn (zie no, 55 hiervoor) ; Reijtr ffU^ 
iemsz. : Jeldert fFigers (zie no. .')1),- Jnecques Dielheeck ; Rinckt 
Rommertszoon ; Broer Jhties^ van Workura; Jnn Simonsz,.^ van 
Sneck (zic no. 43); Fojjjm; Jellisz. ; Meynert Jnnsz,; fFillem 
ff'ikkertszoon ; Adrinen Croenenhvrch , sccrclaris van Tieijerkste- 
radccl cn fflUem Rijdwijck, In hocvcrrc mcn hcn , bchalve die , 
welkc boven gcnoemd zijn , onder dc Watcrgcuzcn mag rekenen , 
durvcn wij nict bcpalen. Zic ook : Chbk. , t. a. pl. , bl. 227. 

In het op bl. 67 en 70 hicrvoor vcrmeldc Register^ voor- 



BIJLAGE 0. 8.') 

komende in het Iste deel der Staatsresolulién van Friesland , worden 
de namcn in eene andere volgorde opgegeven, dan bij Marcus en 
wel volgcns diens bladzijden aldus: 189, 194, 193, 191, l^ en 
190. Zooals wij opmerkten , vindt men in dat Register van som- 
mige personen aangeteekend , wat er later van hen geworden is , 
b. v. gesneuveld , in het land teruggekeerd , bij de Watergeuzen , 
gevangen , geéxecuteerd , enz. 

In de twee laatste gevallen kan men meestal hunne vonnissen 
vinden in de Crim. Sent. boeken van den Hove van Friesland , 
waarvan zeer duidelijk geschrevene uittreksels bestaan, aanwezig op 
de Provinciale Bibliotheek , in die van de stad Leeuwarden en van 
Het Friesch Genootschap , het een meer , het ander minder volledig. 
Zie ook: Dr. J. Reitsma, t. a. pl. , bl. 158, 159 en 171. 

Winsemius vermeldt in zijne Kronijk van Friesland op bl. 553, 
554 en 555 ook al de namen , door Marcus opgegeven op de hier- 
voor vermelde bladzijden , alsmede 5 namen , die door Marcus op 
bl. 187 worden aangewezen , maar in genoemd Register niet voor- 
komen. fiij Winsemius is de volgorde , wat dc bladzijden bij 
Marcus betreft : bl. 187 , 188 , 189 , 191 , 194 , 190 cn 193 , 
terwijl hij ten slotte nog noemt de 31 personen , uit Leeuwarden 
en Sneek verbannen volgens te firussel gepubliceerd vonnis van 9 
April 1570 , die , naar het ons voorkomt , volgens latere inlich- 
tingen ook bleken Graaf Lodewijk te hebben bijgestaan. Al nu 
deze door Winsemius vermelde namen schijnen toegevoegd te zijn 
aan eene Ordonnantie d.d. 16 Dec. 1569, vermeld , maar zonder die 
namen , op bl. 774 van Dl. III van het Chbk. , o. a het bevel inhou- 
dende, om eenige vroeger uitgcvaardigde placaten tegen dc »Rebel- 
len" op nieuw af te kondigen , tenvijl er aan het slot volgt , nagenoeg 
gelijkluidend met hetgeen men vindt bij Winsemius , t. a. pl. , fol. 
553« : »Naemen der geener die bij Sententie gecondemneert ofte 
»welckers goedcren deur ordonnantie van zijne Excellentie geanno- 
»teerdt zijn." Dan volgden in het origineel de namen , waarvoor 
door den vervaardiger van het Charterboek wordt verwezen naar 
Winsemius , t. a. pl. , zijnde deze ordonnantie overigens afgedrukt 
»Na een afschrifl uit de secretarie van Franequeradeel." 



Bijlage E. 

OTERZIGHT DER (voornaamste) TOIIIHSSEM, groeteodeels Tenani 

(Zie bl. 454 (noot) van den tekst.) 



o 

jbp 
'o 



DATUM 
VERBANNING. 



OPGAVE DER GEBANNENEN enz. 



1. 
2. 



3. 



4. 
5. 
6. 



7. 



8. 

9. 
10. 
11. 



29Maart1567 
9 Jan. 1568 



18 Mei 1568 



28 Mei 1568 

29 Mei 1568 
26 Juni 1568 



9 Aug. 1568 



2 Oct. 1568 
13 Nov. 1568 

idem 
24 Dec. 1568 



verbannen 39 geesielijken 

dagvaarding van 39 edelen en hurgersy die den 8st 
Sept. 1568, Chbk., III, bl. 752, allen, behal 
Alle Teijes, werden afgelezen • • • • • 

Men vindt 22 dezer namen ook in De Vrije Fries , D 
bl. 425 en in H. v. P. (Viglii Epistolae) , I , bl. 4« 
komen ze allen voor. 

verbannen uit Leeuwarden 28 personen , van welke ( 
laler 24 bij Heiligerlee streden; vergelijk benedc 
no. 14, 19, 21 en 23 

Zie de Aantt. van Ant. Jz. (De Vr. Fr. , IX , bl. 435) 
die dit vonnis woordelijk mededeelt , zooals het voor 
komt in 's Hofs Crim. Sent. boek. 

Sjoert van Beyma ter dood veroordeeld • • • i 

Hariman van Galama ter dood veroordeeld • • < 

gebannen 42 edelen , van welke één (Dionysius Wingil 
reeds onder de hierboven genoemde 39 edelen (fli 
no. 2) is gemeld , alzoo •••••••! 

Zij werden waarschijnlijk (zie Ant. Jz.) 24 Aug. daanj 
opgeroepen , oin binnen 30 dagen te Antwerpen I 
verschijnen ; zie : Chbk. , III , bl. 747 , in verhanj 
met De Vrije Fries, IX, bl. 439 en Winsemin* 
Historia, bl. 114. 

Van dezen werden 10 Sept. daarna, blijkens Sent. , H 
127, een vijjial gebannen en bovendien DouweE^ 
ringa , nog niet vermeld 

gebannen 20 personen , van welke één (Schipper LnJ 
tien) reeds is vermeld onder no. 3 hiervoor • 

Zij werden allen 22 October daarna veroordeeld^ 

Hunne nainen werden met die der zes edelen hierro^ 
onder no. 6 bedoeld, den 26sten Januari 1569 aff 
lezen en tegelijk ook den naam van Willem T* 
Buma ; zie : Chbk. , III , bl. 762 ; zie ook ; Wins 
mius , Historia , bl. 115. 



Dirck JFillemsz. gebannen • • • • 
HoUe Hannes , van Bakhuizen . • • 
gebannen Gerhrand Pieiersz. van Nijega 
JFillem van Buma ter dood veroordeeld 



iffUliglc {eitTti! ta Ttrtriithre briiiei. 



gtnúm^a t 


. Bijl.s.: 


1 


Broi.n.n. 


T 


t. 


c 


D. 


.g^ 


1."^ 


u, tm. 


I. lu. 


3 








1 




39 


Cl.l.k. . m , 1.1. 709. 


427. 


23 


16 




u 


4 




39 
38 


iil. 72B. 
a. 73». 


4.W. 


1 
1 












1 
1 


.SenL . bl. 75. 
iU. 80. 


Ui. 

4U. 


7 
1 


U 










41 
1 


Chbt. . m . bl, 737, 


453. 


1 


2 


2 


1 

1 


13 
1 




1» 

1 
1 
1 
I 


i,l, 744, 
Sml, , bl. 1116. 

Chbb.. lU, bj. 762en 
Placboek.I,fol.302. 
Cr. Sent. boek. 
Sent. , bl, 340, 

id, 338, 

i.1, 353. 


456. 
445. 


35 


52 


2 


26 


18 




173 







88 



Bin.AUE E. 



o 
c 

"o 



DATUM 
VERBAMING. 



OPGAVE DER GEBANNENEN enz. 



12. 
13. 

14. 

15. 

16. 
17. 
18. 
19. 



20. 
21. 



19 Jan. 1569 
16 Mei 1569 

18 Mei 1569 

idem 

idetn 

20 Mei 1569 

ideni 

ideni 



26 Nov. 1569 
24 Dec. 1569 



Hylcke Martensz. ter dood veroordeeld , 
verbannen 5 personen , wegens oorlogsbedrijveB 

N. Holland 

gebannen uit Kollum en anderc dorpen , wcgen: 

Heiligerlee 

uit Leeuwarden : 43 , maar er staat boven : 42 

alsvoren 

»vuyt diverse Dorpen'' : 33 , cr slaat : 32 , alsvorei 
alsvoren : 48 , er staat : 47 , alsvoren . • . , 
»yuyter stcde van Dockum" alsvoren . . . , 
uil Franeker , Workum , Harlingen en Slootcn 

alsvoren 

Samcn 
Van dezen zijn reeds onder no. 3 een tiental ge- 

noemd • • • # 

Blijft dus • 
Joachim Joest f^'ernier , als Mennonict veroordeel 
het vonnis afgclezen van 257 personen , als : 
1°. van de 5 hiervoor ondcr no. 13 vcrmeld. 
2°. van de 218 onder nos. 14 — 20 vermeld. 
3°. van 3 rccds onder no. 3 (C. II) vermeld. 
4°. van 14 mcde onder no. 3 (C. I) vcrmcld. 
5°. van 17 personen uit Sncck, die nog niet 
genocmd en dus hicr wordcn gcnoteerd , 
3Icn vindl dit vonnis in Chbk. III, bl. 774, 
daarin wordcn in hcl Charler de namen niet 
mcld , maar dcswcgens vcrwezen naar Winsei 
Kronijk , b1. 555 , waar de namcn dezer 257 ^ 
komcn cn waar gczcgd wordt : »Den 36 Jai 
»afgclczcn ovcr H Rccht." Te Watcr (III, bl. 
vcrmcldt , dat dczc lijst van Winsemius , wat ojtsc 
cn namen belreft , vrij wcl ovcreenkomt met 
lijst in 't Lccuwardcr Placactbock, no. 194, waa 
der slaal : »0p huijdcn den XXIIII DccemJser . 
»XVc negcn cndc t^eslich , sijn dcse boevcn ge» 
»venc Pcrsoenen , nae voergaende luijden vai 
»stadisclockc , den Gemeynte vergaderl sijnde , 
»den Racdthuijse der stede Lecuwerdcn gepubU 
»ende aifgclesen , ter presentie van den Burgeuu 



Opf' 



I. lu. 



39 35 52 2 252 



Cr. Senl. 
Senl. , bl. 



twek. 

487. 

188. 

189. 
190. 
191. 
1911. 

IM. 



Chbli. , m , H, 77«. 



90 



BIJLAGK E. 



O 

e 
"0 



DATÜM 

VAN 

VERBANNING. 



OPGAVE DER GEBANNENEN enz. 



22. 
23. 



24. 
25. 
26. 



27. 



31 Jan. 1570 
9 April 1570 



27 Sepl. 1570 
15 Sepl. 1571 
19 Nov. 1571 



20 Dec. 1571 



28. 


31 Jan. 


1572 


29. 


31 Jan. 


1572 


30. 


12 Febr. 


1572 


31. 


17 iHei 


1572 


32. 


13 Juni 


1.572 


33. 


12 Juli 


1572 


34. 


In Sept. 


1572 


35. 


22 Ocl. 


1572 


36. 


27 Ocl. 


1572 


37. 


3 Jan. 


1573 


38. 


9 Ocl. 


1574 


39. 


20 Dec. 


1574 



»Barent Jansz. ende dat doer bevel van den H< 
»van Vrieslandt, volgende den inissive daer 
»sijnde , van date den XVIen December 1569. 
»Kennisse van mij. Ter ordonnantie van den R 
»(get.) : A. Ruijs.'' 
Andries Syuerdtsz. veroordeeld oin onthoofd te woi 
gebannen de 14 personen uit Leeuwarden en de 
personen iiit Sneek , te zainen 31 , reeds hien 
onder no. 21 besproken. 
Gerbe Syiihiesz. , te Leeuwarden ter dood veroordc 
Sybrand Sickesz. , te Ainsterdani ter dood veroord 
werden door Alva 35 yersonen gebannen , van w 
reeds in de Sent. , bedoeld onder no. 13— 20 , vc 
komen één onder no. 7 hiervoor (Anth. de Chii 
gijn)en tien onder nos. 13 — 20, zoodat nog overbliji 
Men vindt de naiiien in Winseinius' Kronijk , bl. 5 

verineld. 
werden er een gelal van 50 personen verbannen 
Oldeboorn , Goïngarijp , Ackruni , Nes , Wird 
Leckuin , Mieduiii , Huizuin , Goutum , Jelsum 
Stiens. 

(lerhen Gerritsz. onlhoofd 

Sytke Feddcs opgehaiigen 

liiemer Feytcs geradl)raakt 

Focke Ahcls gebannen 

Pieter de Jonge geë.xecuteord ...*•• 
Ifyhe Sjoerdtsz. opgehangen ...••• 
werden onderscheidene burgers uit Leeuwarden gebani 
Ocne Geerts en Jlans Holstein gehaiigen . • • 

Sjocrds llcssclsz. gehangen • • 

vicr personen ter dood veroordeeld. 

Minne HiUesz. geworgd 

Tjehhe Tackcs onthoofd en zijn vroiiw i'ilk gehan( 



BIJLAGF. R. 



91 



Opgenomeii in Bijlag 


e : 


• 

e 

S 

C^ 

C/3 


fi r n n e n. 


a 

. • 


L 


BL_^ 

I. u. m. 


I. n. 


D. 


Bladz. in 
ieksi 


9 


35 


52 


2 


252 


24 




405 














1 


i 


1 

! 


1 
i 

1 


H. S., Prov. Bibl. 




1 

• 

1 

1 
1 

1 








i 


1 
1 

1 
1 

24 


1 

1 
1 

1 


1 

1 

24 

50 

1 
1 
1 
1 
1 
1 


Sent. , bl. 228. 
id. 392. 
Van Wijn, t. a. pl. 

Chbk. , III , bl. 872. 

Cr. Seni. bk. 

Cr. Seni. bk. 

Cr. Senl. bk. 

Cr. Senl. bk. 

Seni. , bl. 243. 

Vr. Fr. , VIII , bl. 403. 


71. 

468. 

77. 
82. 

1 








2 


254 


48 


1 

4 


1 
2 
4 

1 
2 

498 


Cr. Sent. bk. 
Cr. Sent. bk. 
Cr. Sent. bk. 
Cr. Sent. bk. 
Cr. Seni. bk. 
Cr. Seni. bk. 


J92. 
J92. 


9 


35 


52 





92 bijla(;f. e. 

llit de Yonnisüen , in de Criiu. aSV«/. ÄoeXeÄ voorkoinende, blijki, 
dat de meesUin van hen , die omlrent dezen tijd veroordeeld werden , 
ôf dienst genomen hadden bij de »rebellen", 61' hun banvonnis van Mei 
1569 overtreden , ôf schuldig waren verklaard aan zeeroovcrij. Een paar 
aanteekeningen willen wij daaruit mededeelen , vooral met betrekking 
tot de op bl. 498 van den lekî»l vermelde Gaumas en hunne mede- 
helpers. 1) Zoo werd Gerhen Gerrîtsz. ^ vrij zeker van Oldeboorn , 
die reeds in 3Iei 1569 verbannen was , wegens het ontvangen en 
huisvesten van Hartman Gauma »ende eenige sijner complicen", den 
31 Januari 1572 te Leeuwarden onthoofd. Vrij zcker had hij zich 
ook schuldig gemaakt aan kerkroof in die stad. Op dienzelfden dag 
werd Sytkc Feddes gehangen wegens medeplichtigheid aan de kne- 
velarijen door Hartman Gauma le Irnsum bedreven , omtrent Cam- 
buir , Uitwellingerga , enz. Rieiner Feytes werd , ook omdat hij bij 
genoemden Harlman dienst genomen had, den 12 Febr. 1572 te 
Leeuwarden geradbraakt. Geen beter lot ondergingen de echtelieden 
Ijebhe Foeckes en iilk »sijne huysfrouw wegens het logeren van 
Hartman ende andere knevelaers", 24 uren vôôrdat de grietman 
Grijp van het bed was gelichl. (Zie bl. 58 hiervoor.) Op den 
20slen Dec. 1574 werd de man onlhoofd en de vrouw gchangen. 

Maar no^ afschuwelijker was het vonnis , dat Ilinne Hillesz. van 
't Nieuwland onderging, die reeds in Mei 1569 was verbannen, maar 
dat vonnis had overschreden. ^Niet alleen , dat hij mede genoemden 
grietman had helpen gevangen nemen en wegvoeren , maar hij had 
zich ook schuldig gemaakt aan kncvelarij en »*i spolieren der kerc- 
ken.'' Deze ongelukkige werd veroordeeld »aan een paal te worden 
»gebonden, met een gloeijende lange driemaal in sijn ligchaam ge- 
»kneepen, voorls aen die zelve paal geworgt, hel ligchaam op een 
»Rad gesielt te worden," welk vonnis 9 Ociober 1574 te Leeu- 
warden aan hem werd voltrokken. 

Den 22sten Oci. 1572 werden Oene Gecrts en Ilans van Hot- 
stein opgehangen , omdat zij diensi genomen hadden onder Binnert 
Roorda (moo^elijk dezelfde als Bernardus Roorda , op bl. 70 hier- 
voor vermeld) , zceroover en geweldenaar en vijf dagen later werd 
eenzelfde vonnis volirokken aan Sjoerd Ilesseis, omdat hij gediend 
had onder Sicke van Tjessens (zie *i Regisier) , hopman der rebellen. 

En zoo zijn er meerdere ie vinden in dai zwarle boek der oud- 
heid , merkwaardig , maar dikwijls min verkwikkelijk voor den lezer I 



1 ) Carolus , t. a. ))I. , noemt als een der medehelpers der Gauma*8 
eenen Sixtus Jansz. ; wellicht moet mcn daarvoor Oege Jansz, lczeu , 
in Mei 15G9 als inwoncr van Akkrum verbannen. Cf. Scnt. van Marcus. 



A ANTEEKENINGEN . 



ly bl. 402. De copie van de iii den lekst bedoelde niodelver- 
klaring luidt als volgt : 

»Copie. 
»Ick onderschrevene certificere bij mijnen eedl ende in Edelinans 
»woerden een yegelycken die deese sullen zien ofl hooren leesen , 
»hoe dat ick int verbundt van de geconfedereerden niet getreden en 
»ben dan deur Inductie ende persuasie van eenyghe onder pretrext 
»ende dexel van die Spaensche Inquisitie die nien seide dat Co. 
»Mat. hier te lande wilde introduceren mitsgaeders oeck om de 
»strengicheyt ende riguer van de placaten op H stuck van der reli- 
»gie gemaeckt, maer gemerckt naemaels van wegen Zyne Mat. ver- 
»claerdt is datte voorsz. Inquisitie soude cesseren ende dat de selve 
»zijne Mat. tevreeden is datter nyeuwe placaelen souden gemaeckl 
»worden , 

»Soe ist dat ick in confederatie van tgeene voors. is de voersz. 
»Verbundenisse affgetreeden hebben ende afflreede ende bij desen 
»renunciere. In alles deselve en alle andere verclaerende daer en 
»boven bereyt ende overboedich te zijn om zijne Mat. voorsz. in 
»alles ende jegens een yder ende over al werwaerdt Zijne Mat. be- 
»lieven sal mij te bevelen te dienen , ende allc onderdanicheyt te 
»bew^ijsen , sonder eenyge restrictie ofle limitalie. Des t oerkonde 
»heb ick mijn gewoentlycke handteycken hier onder gestell. Actum 
»binncn leeuwaerden : 

»GecoIIationeert jegens zeeckere ongeauthen- 
»tyseerde aclc is daermede bevonden t accor- 
»deren naer dat die vuvten franchovs in ne- 
»derlantsch duylsch was overgeset daer van 
»teneur an d'andere zvde van dese ffeschreven 
»staêt. Bij mij : 

»P. Eemskerck." 
Aan de keerzijde vindt men het Fransche stuk en daaronder : 
»BruxeIles le 30 jour de Februier 1566.'* 

Zooals in den tekst is opgemerkt , was het aldaar aangehaalde 
stuk van 24 Febr. 1566, maar wij hebben later bemerkt , dat daar 
achter volgt: »stilo curiae,'* zoodat het volgens de gewone tijdre- 
kening 1567 was. I/el had dus op hl. 427 van den iekst moefen 
worden heaproken. - Vergelijk over den »stilus curiae" o. a. : Mr. 
J. Minnema Buma , » Bijdrage tot de Gesch. van het Dijkregt in 
Friesland," bl. 96, noot 2 en bl. 99, noot 3. - Overigens vindt 



94 AANTEEKF.NINGEA. 



men aan hel slol van dil stuk de volgende woorden : »Geëxlraheeri 
»vuyt zeeckere Resolutie van de Hertoginne van Parina Regente 
»ende gevoecht bij zeeckere zwaricheyt bij den grave van Areraberch 
»haer hoocheyt deur doctor IJgram van Achelen Raet angebracht 
»ende nae collatie daermede gedaen is bevonden t accorderen bij 
»mij : P. Eemskerck." 

Igram van Achelen , af komslig van 's Hertogenbosch , was in 
1560 Raadsheer in den Hove van Friesland geworden en gehuwd 
met Meyntje van Hoytema. Zie : Stbk. v. d. Fr. Adel. 

Over de benaming » Gem ", zie men nog : IJpey en Dermout , 
t. a. pl. , II, bl. 61 (noot 132) der Aanteekeningen , alsmede 
jiavt, FIII hierna. 



II, bl. 4.31. Door dit verhaal wordt de onzekerheid opgeheven, 
waarmede de dood van Gahhe van Scheltema in het Stbk. v. d. 
Fr. Adel staat aangeteekend. Daar toch leest men in Dl. II, in 
aant. 11 op Scheltema (bl. 214) over Gahhe: »Is nog een jongeling 
»zijnde , te Leeuwarden ellendig omgekomen en te Hallum begraven, 
»VoIgens H Burmaniaboek zelf, zou hij zijn doodgeslagen door 
»Rienck van Aylva. Wij hebben," zoo voegen de vervaardigers 
van het Stamboek daarbij , »noch van het een , noch van het ander 
»iets kunnen vinden." 

Maar zie ook aant. 16 aldaar en ommezijde. 

Uit het in den tekst aangehaalde stuk blijkt duidelijk , dat Buma 
de bedrijver van dien moord was en niet Rienck van Aylva ; wel 
was er een Jan van Aylva bij tegenwoordig. Wellicht was dit die 
Johan , welke in de genealogie Van Aylva , in het Stbk. van den 
Fr. Adel voorkomt in gen. 5, en alsdan in het volffende jaar (1567) 
overleden , en gehnwd met Ulck , dochter van Gabbe van Srheltema 
de oud^. 

Uit aantt. 11 en 16 op Scheltema , t. a. pl. , blijkt , dat er on- 
zekerheid bestaat of de doodslag aan Gabbe Syhethsz. of aan Gabbe 
Scheltesz. werd gepleegd ; zeer waarschijnlijk aan den laatste , 
daar dit beter met de tijdrekening overeenkomt. Deze was een 
volle neef van de vrouw van Johan van Aylva. Daarentegen, als 
de verslagene inderdaad te Hallum is begraven, dan zou dit meer 
j>Ieiten voor hct vermoeden , dat het Gabbe Syhethsz. is ffeweest , 
daar diens grootouders, Gabbe de oude en Tjets van IJdsma op 
Groot-Scheltema te Ferwerd gewoond hebben en te Hallum begraven 
zijn. De ouders van Gabbe Scheltesz, woonden zeer waarschijnlijk 
in Groningerland. Zie: Gron. Bijdragen , X, bl. 117. 

Vergelijk : Te Water , III , bl. 286 , onderaan in de noot ; daar 
wordt gezegd , dat Gabbe S. nog een jongeling zijnde , in 1600 door 
loedoen van Rienck van Aylva ongelukkig om 't leven kwam. Zou 



AANTEEKENINGEN. 95 

dat niet eene yerwarring zijn met den inani»lag door Buina bedreven ? 
Douwe van Galama, die tot het gezelschap behoorde, zal wel 
zijn Douwe , zoon van Tonis en Cnier van Jousma. Men vindt van 
hem vermeld, dat hij in krijgsdienst ging, volgens sommigen 
onder Graaf Willem Lodewijk , en in den oorlog is omgekomen. - 
Zie Stbk. v. d. Fr. Adel. Misschien was het die Galama , die bij 
Jemmingen streed; zie bl. 473 van den tekst en bl. 71 hiervoor. 



III y bl. 436. Ten opzichle van den toren ^ waarin de in den 
tekst genoemde edelen gevangen zaten , kunnen wij het volgende 
vcrmelden. 

Door de welwillendheid van Jhr. Mr. C. L. van Beyma , te 
Leeuwarden , werd ons inzage verleend van het afschrifl van een 
»rragment uit de Kerckwijdinghe , dat is d' Eerste Predicatie ge- 
»daen , in de Nieuwe Kercke tot Harlingen , ghenaemt te vooren 
»het Blaeuhuijs , en nu de Westerkercke den 13 Novb. 1650 uyt 
»Jesai , cap. 2 vs. 3 , door Wesselium Acronium , Bedienaer des 
»Heiligen Ëvangelij in de gemeynle Chrisli aldaer." 

Het vangt aldus aan : ȣnde in dit huys (nl. het voormalige 
»Blaeuhuis van Harlingen) ofle liever in dezen toren , daar aan ten 
»Zuidwesten, syn gevangen geset d'Edele Heeren en Kinderen van 
»Batenburgh , ende de Twee ÎViesche Edellieden Sjoerdt van Beyma 
»ende Hartman van Galama ," enz. Men vindt hel vervolg in de Tegenw. 
Staat van Friesland , II , bl. 624 , alsmede aldaar bl. 600 en ver- 
der bij Te Water, Verb. der Edelen , dl. II, bl. 187, in de nool. 

Het bedoelde afschrifl bevat nog iets meer dan in de aangehaalde 
plaatsen wordt gezegd, doch van geen belang voor ons onderwerp. 

Genoemden toren liet Frits van Grombach , Drost van Harlingen , 
in 1515 bouwen van de sieen, die hij in April van dat jaar van 
het door de Gelderschen verwoeslte klooster Ludingakerk bij Lidlum 
liet aanvoeren. - Zie V. d. Aa , Aardr. Woordenboek , op Ludinga- 
kerk en Schotanus , Beschr. van Friesland , bl. 566. 

Men zie verder hierbij : de plattegronden van Harlingen in de 
werken van Wiusemius , Emmius en Scholanus en over de gevan- 
genneming der edelen enz. : IJpey en Dermout , Gesch. d. Kerkh. , 
n, bl. 75—81 der Aantt. 

Een gedicht op Jacob Donker komt voor in De Vrije Fries , V , 
bl. 226. 



IV, bl. 442. Ten opzichle van hen, die bij Harlingen werden 
gevangen genomen, nog het volgende: 

D Andelot , Cock en JFingh vertrokken 12 Mei uit Friesland , 
kwamen 16 Mei le Antwerpen aan en werden denzelfden dag naar 
Vilvoorden gebrachl. 



96 AANTEEKENUCGEIir. 

De Baienhurgen vertrokken 20 3Iei onder geleide Tan Ernst Mu- 
lert , kwainen den 24sten te Antwerpen en werden des nachts even- 
eens naar Vilvoorden vervoerd. Aantt. uit de Corresp. de Frise , 
etc. op 't Belgisch Archief , raij welwillend verstrekt door den Heer 
L. U. Rengers van Naerssen , te 's Hage. Vergelijk ook bl. 444 
van den tekst. 

Soramigen werden 1 Juni 1568 te Brussel onthoofd, naraelijk, 
behalve Beyma (Sent. bl. 76) en Galamn (ald. bl. 81), ook 
fflngle ^ Treslong ^ Peliier ^ Bel Kal en Bruynseeh ; de laat^te 
drie stierven in het catholijke geloof. De volgende edelen waren 
onrooraschen en werden dienzelfden dag onthoofd : de beide 
Batenhurgen , Max. Blois (Sent. bl. 79) , lï'Andeht , Triest , Lois 
Carlier , Bumault , die alle zeven ook bij Harlingen waren gevat ; 
voorts : Ilpendam , Artur van Baudichon , Pieter en Filij> ff^atte- 
paste , terwijl de raede bij Harlingen gevangen genoraen Quintijn 
Benoit den volgenden dag in die stad op dezelfde wijze zijn leven liet. 

Men zie daarover : Van Vloten , t,. a. pl. , bl. 39 — 44 en de 
Bijlagen , o. a. V, VI en VIII, alsraede : De Navorscher, jr. XI, 
bl. 68. Voorts zie raen Te Water, t. a. pl., II, bl. 152, over : 
D'Andelot; bl. 190, over : Q. Benoit ; bl. 216, over : Max. Blois; 
bl. 307 (en IV, bl. 433) , over C. Bruynseels ; bl. 318 , over : J. 
Ruraault ; bl. 339 , over : Ph. Triest ; bl. 355 , over : B. de la 
Valle en bl. 378 , over : Ph. Wingle. Zie ook : Kronijk van Jhr. 
Rengers ten Post , I , bl. 328. 

In » D*onsteIde Leeuw ," bl. 307 , vindt men een verhaal over 
eenige Arasterdarasche vluchtelingen , die inet een klein gebrekkig 
vaartuig naar Eraden zouden stevenen en daar later ook »nae veele 
»sucklens en arraoede" aankwaraen; ook leest men daar over een 
ander vaartuig : »de schuyt kreegh een leck en raeenende nae Harlin- 
»gen over te steecken, sagen zij twee schepen raalkanderen aen 
»boort klarapen , en hier in waaren de Ifeeren van Batenhurgh ^ 



V, bl. 445. Het sraeekschrift van ffHlem van Buma ^ waarvan 
ons indertijd door vriendelijke beraiddeling van Mr. J. Dirks, uit 
het Brusselsch Archief , een afschrift werd verstrekt en waarvan wij 
in den tekst den hoofdzakelijken inhoud hebben raedegedeeld , vindt 
raen verraeld bij : Van Vloten , t. a. pl. , I , bl. 276. 

Hel ons uit Brussel toegezonden-en daarbij behoorend certificaat 
van den provoost Grauwels , wordt niet door Van Vloten vermeld. 
Het luidt als volgt : 

»Nous Jehan Grauweels , prévost de la court , certifions par ces- 
»les pour la vérité (dc ce estant reauis) , que entre plusieurs pri- 
»sonniers de Harlinge , en Frise , il y a esté constitué prisonnier 
3i>WiIIem Bonga , frison , lequel esloit chargé d'avoir signé le cora- 



AANTEEKENINGEN. 97 

»promis des confédérez de Frise et en oultre d^avoir cominis quel- 
»que homicide , duquel il se présentoit deifendre et descharg^er ; par- 
»quoy a ledit Willem Bonga par nous esté delivré prisonnier , 
)»[ayant eu advis des commissaires â V examination des dits priso- 
»niers députéz 1)] ens mains du lieutenant du procureur général de 
»Frise , â Leeuwarde , le XXVe de Juing dernier passé , pour par 
»ledii procureur général ou son lieutenant estre procédé contre ledit 
^Bonga , et en faire la poursuite ordinaire de Justice comme ils 
»trouveroieni convenir. £n tesmoing de vérité ay cestes soubsigné 
»par mon seing manuel , le quinsiesme jour d* avpril , V an mille 
»cincq ceni soixante sept , avant Pasques. 

(signé) J. Grauwels." 

Naar het origineel op het Koninkl. Archief te Brussel , uit de 
»Conseil des troubles,** V, fol. 157. - Het smeekschrifl komt aldaar 
Yoor op bl. 156. - Het jaar 1567 zal zeker hofstijl zijn (zie bl. 93 
hiervoor) en dus zal men moeten lezen : 1 568 , daar Buma in Mei 
1567 werd gevangen genomen. - Zie ook : V. Vloten , t. a. pl. 

Zijn doodvonnis wordt in de Sent. van Alva , door Marcus , op 
bl. 353 vermeld ; daarin wordt niet over den door hem beganen 
manslag , maar alleen over zijne deelname aan 't Verbond gesproken, 
waanran hij , zooals blijkt , aanvankelijk was vrijgesproken. 

In den tekst , bl. 443 , hebben wij op gezach van Ant. Jz. ver- 
meld , dat Buma 22 Juni (1567) van Harlingen naar Leeuwarden 
werd vervoerd en drie dagen later in vrijheid werd gesteld , maar 
misschien is het meer juist , dat hij niet den 22sten , maar den 
25sten (yolgens bovenstaand certificaat) is vervoerd , daarna in vrij- 
heid werd gesteld , zooals Schotanus vermeldt , en later weder ge- 
vangen genomen werd. Uit Buma*s request schijnt men echter te 
moeten opmaken , dat hij wel vrijgesproken , maar niet losgelaten 
is. - Zie : V. Vloten , t. a. pl. 2) 



VI j bl. 446. Over Jean Grauwels en Rommert Frlesma , die 
beiden een vrij belangrijke rol hebben gespeeld in het drama van 
hen , die in Mei 15d7 te Harlingen werden gevangen genomen , 
willen wij nog met een enkel woord het volgende mededeelen. 

Jean Grauwels , gewoonlijk de »Roode Roe" en Spelle bijge- 
naamd , was Provoost Maarschalk van Braband en een zeer wreed 
en geldgierig mensch. De geschiedschrijver Hoofl schrijfl in zijne 
Nederl. Hist. , fol. 193 : »De Roô Roe Jan Grovels , Spelle geby- 
»naemt , reed van gewest tot gewest , volmaakende , *t geen aan de 
»felheii der gewoonïijke vierschaaren te kort schoot." 

1) N.L Parijs en Charles, zie den tekst en het Smeekschrift van 
Buma. 

2) Men zie voorts nog: Viglii Epistolae, in H. v. P. 1», bl. 428, 
429 en 453 en Epist Hopperi, bl. 129. 



98 AANTEEKENINGEN. 



In de Aant. op dat werk door Dr. W. Hecker leest men : 
fiDe Roô Rot. Aldus werd gemeenlijk de Schout geheeten naar 
»het teeken dat hij gewoon was in de hand te dragen , om alzoo 
»zijn bloedig ampt waardiglijk voor te stellen.** Zie ook :• Motley , 
t. a. pl. , II , bl. 298 en 330. 

Binnen weinige maanden , nadat hij het doodvonnis over Buma 
had uitgesproken , werd hij bij den Hertog van Alva aangeklaagd 
wegens zijne grenzelooze geldafpersingen. Na onderzoek bleek het, 
dat dit Yolkomen juist was en *t gevolg daarvan was , dat Alva 
zonder veel omwegen hem exemplair liet straffen. Op den llden 
Februari 1569 onderffing hij het lot van zoovele ongelukkigen , 
die onschuldig door hem ter galg waren gedoemd , om hunne 
schatten meester te worden. Hij werd dien dag te Brussel opge- 
hangen , terwijl twee zijner dienaren , die hem in het uitvoeren 
zijner hebzuchtige plannen hadden gediend , ieder aan een der palen 
van de galg vastgebonden en met roeden gegeeseld werden. - »Syn 
DSentencie ,*' zegt Bor , »was op een Pampier geschreven ende op 
»zijn Borst gestelt ,** waarvan de hoofdzakelijke inhoud was , »dat 
»hij vele personen zonder schriflelijk bevel ter dood had gebrafl;t 
»en aan den anderen kant zich had laten omkoopen om vele schm- 
»digen heimelijk aan de straf te onttrekken.** De beide medehel- 
pers van den Provoost , die getuige moesten zijn van het treurig 
uiteinde van hun Meester , kregen ieder een soortgelijk placaat op 
de borst , waarin hunne medeplichtigheid werd vermeld. - Zie : 
Bor , Nederl. Hist. , 5e boek , bl. 194 , r.-v. en Gabbema , t. a. 
pl. , bl. 493. 

Wat Rommert Friesma aangaat , hiervan kunnen wij nog hel 
volgende vermelden. 

In het Museum van het Fr. Genootschap te Leeuwarden bevindt 
zich nog een voorwerp , dat ons aan dezen ontaarden Fries herin- 
nert , nl. een » uitstekende houten arm en vuist ** en een daarbij 
behoorende »zwart eeverfden steen met uitgehouwen en vergulde 
jiletters", bevattende hct volgende opschrifl : 

»Dese fuyst is in dc jaere MVc en LXXIIII de XXVII Octob. 
»ter ordonnantie van den Hove gestelt tot memorie dat Karste 
»Luytiesz vâ Oisterwolde , Rommert Friesma , grietman vâ Stel- 
»lingwerf Oisteynde, in seeckere executie naer Smaedighe woorden 
»oicK feytelick wedergestaé , gewondt , ende ter aerde geslaghé heeft.** 

Deze Karste Luytthiesz. was door ffenoemden grietman onder- 
scheidene malen aaneemaand , om te voldoen aan de uitspraak van 
een vonnis , hetwelk het gerecht van 0. Stellingwerf had gewezen 
ten zijnen nadeele. Niet alleen weigerde hij dit , maar hij over- 
laadde den grietman met scheldwoorden en sloeg hem met een 
»schavelijn one sprinkstock** (pols) zoodanig op het hoofd , dat hij 
bem door den hoed heen verwondde en de grietman in eene opge- 



AANTEEKENINGEN. 99 

droogde sloot nederviel. De misdadiger werd bij den Hove aange- 
klaagd , tengeyolge waarvan hij veroordeeld werd , om met ont- 
blooten hoofde , barrevoets , in linnen kleederen , met een brandende 
toorts in de linkerhand en de rechterhand gebonden op den rug , 
Toor den Hove te verschijnen en daar , op de knieën liggende , 
yergiffenis yoor zijn euveldaad te vragen aan God en de justitie en 
yoorts eene boete te betalen van 300 gulden ten voordeele des Ko- 
nings , terwijl hij inmiddels zoolang in de gevangenis moest blijven , 
totdat deze boete met de kosten zou zijn betaald. £veneens moest 
hij vergiffenis vragen aan den gerechte zijner grietenij en werd door 
den Hove bevolen , dat de bedoelde vuist in den mujir van *s Hofs 
Crerechtszaal moest worden geplaatst. 

Boyendien moest de veroordeelde het volgende gebed uitspreken : 

»Dat ick mijnen Grietman , doende van wegen Co. Mat. executie , 
»niet alleen hebbe geresisteert met woorden , dan deselve feytelijck 
»mede wederstaen ; slaende hem een wonde in zijn hooft , is mij 
»yan harten leedt. Bidde daeromme Godt ende die justitie om ver- 
»giffenisse ende soe verre ick tselve njet en hadde gedaen , soude 
»tselye om gheen goet ter werelt willen doen." 

Yolgens het Stbk. van den Fr. Adel : Aytta , aant. 13 , was 
Jtommert de zoon van Gerrit en Sydts Sjoerdtsdr. van Camstra , 
en is hij ook gehuwd geweest , hetgeen ook blijkt uit de Conscr. 
Exulum. 

Zie : Catalogus v. h. Museum van het Friesch Genootschap, bl. 
129 , no. 137. Aant. uit het Prov. Archief van Friesland. Tegen- 
woordige St. yan Fr. , 11 , bl. 92. Schotanus , Fr. Gesch. , fol. 
743 ; Winsemius , Hist. , fol. 523 en Kronijk , bl. 538 en 684 ; 
y. Sminia , N. Naamlijst , bl. 390. 



VII 9 bl. 457. De Besiellingshrief luidt aldus , blijkens eene 
»Copia", door Homme van Hettinga zelf gecopiéerd : 

»Copia. 

»Wyr Lodewich Grave tzo Nassou Katzenelenbogen Vianden und 
»Dietz Heer zu Beylstein , u. Thun kundt unde tzo wissen men- 
»niglichem , das wir den £dlen und Ërhvesten unsen lieben beson- 
»deren und getrouwen Homme Hettinga besteldt und angenomen 
»hebben tzu einem Hopman uber etzliche knecht, und haben den 
»befohlen und auferlegt , wes er sich zu verhalten. Ist also unsem 
»gunstich geliewen und fleissige bitt an allein den Jenigen soe dieses 
»unseres schreibens vorkhommen wirt , die welcken gemelten Honmie 
»Hettinga den Jenighen soe ehr mit innen handlen und abreden 
»wirt, aUen glauben tzo tzustellen auch es gewislich darvor halten 
»da5 diese kriges rustungh nicht tegen dat heülige reich gehen soll, 
»noch das die Jenigen soe sich hirinne werden bestellen laess^n 
»tegen die reyne lehr des godtlicken wordtz generley wis" (vis äp\ 



100 AANTEEKENIÎTGEN. 

geweld ?) »sollen gebraucht werden , sonder das sie einen christ- 
»licken und erlicken herren und gutte bezalingh haben sollen. Des 
»tzo Orcondt haben wir dis schreiben myt eij^ner handt under- 
»zeichnet und mit unsern aulTgedruicten se^ret befestigt dato den 
»X Aprilis 1568. 

»Gecopiert ende gecollationert tegen hÖr principall bij mij Hommo 
»van Hettinga." Dan volgt de onderteekening : »Hommo van Het- 
»tinga." 

Naar een afschrift genomen uit : »Archives de la Belgique , Pa- 
»piers d*£tat. Correspondance du duc d*Albe sur la bataille d*Hey- 
»ligerlee ," fol. 6 , mij welwillend ter inzage verstrekt door den 
Heer Rengers van Naersen , te 's Hage. 



VIII, bl. 459. Men vindt die verklaring in Dl. III van het 
Charterboek , bl. 733 , waarin wij voor het eerst in eene Friesche 
oorkonde den naam : »Goesen'' (Geuzen) aantroiTen. De namen der 
weigerachtigen worden aldaar ten getale van negen zeer onduidelijk 
opgegeven. Gabbema , Verhaal van Leeuwarden , bl. 510 , 511 en 
512 vermeldt de volgende el/ namen : Doecke van Martena^ Hette 
van Dekama , Hette en Goffe van Aehinga , Rienck en Wytthye 
van Cammingha , Sierck van Donia , Docter Gijshert en Christoffel 
van jiirensma , Meester Fecke Rhala en Docter Johan van Tyara, 



IX , bl. 463. Onder de meergemelde stukken , mij door den Heer 
Rengers van Naersen welwillend toegezonden , komt ook voor een 
verhaal , waarin het wedervaren wordt vermeld van zekeren advo- 
caat Boudewijn Mamminga , die in Mci 1568 eene poging aan- 
wendde , om zijnen oom , den bekenden Cornelis Kempis , die des- 
tijds in Appingadam woonde , uit zijne woonplaats te bevrijden , 
daar de inwoners dezer plaats toen zeer bezwaard waren met het 
krijgsvolk der Nassausche graven ; zie den tekst , t. a. pl. De 
jeugdige Mamminea , destijds 26 jaren oud , werd in bedoelde maand 
bij zijn oom Matthijs Rommerts »tsavondts ten eten'* verzocht, die 
met hem overlegde op welke wijze Comelis Kempis het best uit 
zijne woonplaats zou kunnen geraken. Na eenig praten nam de 
jeugdige Mamminga op zich dit te beproeven. Rommerts zou hem 
»een oepen brieff* medegeven , waarin hij aan Kempis zou mede- 
deelen , dat Ronmierts* vrouw »ter doet toe cranck waere , versoec- 
»kende deshalven dat Kempis ende zijn huysvrouwe** zich haasten 
zouden over te komen , ten einde »hun sustêr noch eens te spreken.** 
Die »cranckheyt** was echter »versiert.** Mamminga toog op weg , 
kwam in Appingadam en overhandigde aan Kempis den brief, 
. w^ama hij de plaats weder meende te verlaten , maar dit ging zoo 
;": fgcmakkelijk niet. Hij werd door de wachten niet uitgelaten. Hierop 



AANTEEKENINGEN. 101 

begaf hij zich naar Homine van Hettinga , inaar ook deze verklaarde 
hem niet te kunnen helpen. Daarop kwam de zoon van Alle Teijes , 
)>trawant van Dr. Tzalinck Eysingha" bij hera , die hein verzocht 
»bij zijnen heere** te komen. Hieraan voldeed hij , maar dezeont- 
ving hem alles behalve vriendelijk en gaf hem te kennen , dat hij 
hem niet vertrouwde en hem voor een spion hield , hetgeen Ëysinga 
ook aan den Graaf van Nassau mededeelde. Kort daarna kwam Selsma 
bij Kempis en deelde hem inede , dat men van voornemens was , 
Mamminga gevangen ie nemen , die van dit plan door zijn gastheer 
al spoedig in kennis werd gesteld , en Mamminga dit hoorende , 
»is ten eynde van zijnen raedt geweest.** Tot zijn geluk was de 
Abt van Oldeklooster toen in Appingadam , die aan £ysinga beloofd 
had al het zilverwerk uit zijn klooster te halen en hein te over- 
handigen. Deze kreeg verlof , oin de plaats te dien einde te verla- 
ten en zich naar zijn klooster te begevcn , hetwelk hij aan Kempis 
mededeelde. Mamminga dit vernemende , volgde den abt , alsof hij 
zijn dienaar was en kwam op die wijze de stad uit. 

Cornelis Kempis was , volgens Suflridus Petrus , gehuwd met 
Creeske Faesma; zie aldaar, i. v. 



X f bl. 493. Betreffende enkele rooverijen , in sommige kerken 
in Friesland gepleegd door de JFatergeuzen , vonden wij later het 
volgende vermeld in een uittreksel van : »Het boek der rekening van 
»de gecommitteerden voor de beneficiale goederen in Oostergo a®. 
»1580,*' welk belangrijk handschrift in zijn geheel eerlang in druk 
zal worden uitgegeven door de ijverige bcmoeingen van Dr. J. 
Reitsma , Hoogleeraar te Groningen , die ons bedoeld uittreksel wel- 
willend ter inzage heeft verstrekt. Zie voorshands de Oudheidk. 
Plaatsbeschr. van Kollumerland , 2e gedeelte , bl. 122. 

Daaruit blijkt dan , dat Hartman Gauina in of omtrent 1572 het 
zilverwerk uit de kerk van Idaard gestolen had , o. a. een ciborium , 
die hij »tstucken brekendc inde buysse gesteken** had. In Grouw 
legde men hem ook ten laste , dat hij »twee silver kelken*' had 
medegenomen. Men wist het niet zeker ; H kon ook zijn dat »ander 
»boven** (boeven) dat »bij nachte** gcdaan hadden , want men had 
opgemerkt , dat »smorgens tglas instucken was." Zijn broeder 
Watze had »dree silver olijvaten met een silver paes" medegenomen. 1) 

Te Aegiim was het zilverwerk »bij de vrijbuiteren" BemtMoIler 
en Siurdt Reitsesz. weggenomen , »darvan Sybolt Aysina bekent oock 
^kennisse te hebben doer de vorsz. bernt ende Siurdts eigen beken- 
»tcnis." Ook uit de kerk te Frîens waren »de kleinodien vorlangs 
»al doer frijbuiters end andere genomen ,'' terwijl ook »de glasen 
»ende venstere tstucken gebroken" waren. De soldaten van Tiete 
van Hettinga , uit Sneek komende (zie bl. 525 hiervoor) , hadden 

1) Zie over de Gauma's: bl. 498, Bijlage By III en Bijlage E. 



102 AAITTEEKEPriNGEN. 

zilverwerk »hengehaelt uit de kercke" van TerzooL »Tsylvcrwerck 
»ende ineublen der kerke" van Uolwerd waren »omtrent acht iar 
»geleden op twee diverse tijden bij de frijbuiters te weten gisbert 
»gerritsz. end nachtegall van Ylissingen omtrent hondert man starck 
»uit de kerke genomen" (zie bl. 497) en ook te Brantgum en 
Aahum was »tsilverwerck" door vrijbuiters , o. a, ülck van Wyrum 
met twee anderen weggenomen »uyt de kercke doer tglas." Te 
Anjum had »de nie waert op Amelant" (nieuwe burgtvoogd van 
den Heer van AmelandP) »int iar 1573 een vergulden kelck geno- 
»men" en »Douwe Glins to groninghen affgehouwen" (zie bl. 510 
hiervoor) had er »een kelck met cyborie" weggehaald. Te Sibran' 
dahuis hadden de »frijbuters vuyt de see", waaronder »darmetge- 
Dwest Tjepke Joukesz. fributer" veel zilverwerk medegenomen. Ook 
te Deersum , Hempens , Miedum , Wanswerd , Wetzens , Ee , Eng^' 
wierum , Zioessens , Roodkerk , Birdaard en andere plaatsen wa- 
ren door de »frijbuters" of »knevelaers" veel zilverwerk en mis- 
kleederen weggehaald , soms »onder predicatie", zooals te Lioessens 
of op »allerhîlgen merkdach'", maar meestal des nachts »doer *t glas 
Ävuyt sacramentshuis", zooals te Wetzens en te £e , terwijl in de 
meeste dier dorpen de »glasen , doeren ofle vensteren*' gebroken en 
vernield waren. 



B IJ V O E G I N G. 

Hoewel misschien niet bepaald op Friesland betrekking hebbende , 
kunnen wij niet nalaten te vermelden , dat Jr. Onno van Haren in 
het midden der vorige eeuw eene groote schilderij bezat , die in 
onderscheidene tafereelen de gesteldheid »der zaken** voorstelde van 
het begin der beroerten tot in het inidden van 1572. ȣen der 
»hoofdlafereclen vertoonde dc Prinses van Parma", zoo yermeldt 
ons Halbertsma , »hebbende Granvelle aan de regter zijde , die haar 
»met eenen blaasbalg in het oor blies , terwijl Barlaimont , Yifflius 
»en anderen van die kleur , hare linkcr zijde dektcn. Al de edelen 
»lagcn op ecnen rei voor haar op de kniëen , elk met het toapen 
»zijner provincie op de borst, terwijl Brederode het smeekschrifl 
»overhandigde. Achter de edelen , meer geweken op den achter- 
»grond , stonden Spanjaarden.** Onno had ze gevonden in den 
winkel van den zilversmid Jelgerhuis te Lecuwarden boven den 
toonbank. Uit hetgeen daar verder wordt medegedeeld , schijnt het , 
dat er meerdere exemplaren geweest zijn. Waar zijn ze gcbleven? 
Uit de wapens zou men kunnen opmaken of er ook Friezen bij de 
aanbieding van het Sineekschrifl zijn geweest. - Zie : Halbertsma*s 
Letterk. Naooffst , I, bl. 495 en Catal. der Sted. Kunstverz. van 
Leeuwarden , door W. Ëekhoff , bl. 312. 



VERBETERINGEN. 



N.B. Men zie vooral noot 1 op bl. 479 van den tekst. 
De voomaamste misstellingen zijn de volgende: 
Bladz. 

392 , noot : § 22 , lees : Jaargang 22. 

396, regel 16 van boven : wordt toegeschreven aan, /!?w;wordt 

gezegd. 
401 en 402: zie eene verbetering hierover in Aanteekenîng /, 

bl. 93. 
405, r. 5 V. o. : Renisse , lees: Renesse. 
410, r. 5 V. b. : er , lees : u. 
412 , r. 10 V. o. : geboren uit Johan van Buma ; zie daarover 

eene verbetering in Bijlage B, I, no. 7. Noot 1 behoort 

te staan bij noot 2 op bl. 411. 
413 , r. 10 V. b. : Traling , lees : Tzaling. 

414 , r. 8 V. b. : in , lees : en. 

415, r. 11 V. b. : Overijsel , lees : Overijssel. 

416 , r. 12 V. 0. : den roomschen eeredienst , lees : de roomsche 
eeredienst, enz. 

» r. 7 V. o. : werden zij (?) , lees : werden de Gedeputeerden. 

418 , r. 3 V. b. : Doyte , lees : Doytze. 

Yerder kan tot aanvulling dienen, van hetgeen daar vermeld 
wordt, dat Aremberg, blijkens eene oorkonde d.d. 8 Januari 1567 , 
benistende op 't Prov. Archief van Friesland, [die ons eerst later 
onder de oogen is gekomen] , kort te voren »met voele knechten ende 
»etlycke ruyteren binnen den convente van Bergum" gekomen was. 
Men had dit in Leeuwarden vernomen en tevens ging het gerucht, 
»datter noch wel meer knechten ende ruyteren corths by ziine ge- 
»naede sullen comen." Eenige »trefflycke personen ende lyffnebbers 
»van dese landen" droegen aan den advocaat Dr. Peter Rieuwerdts 
op , den Gedeputeerden aan te sporen , om te overleggen , wat men 
zou doen , om hunne aankomst te verhinderen met »bequaeme mid- 
»delen ende voorslaegcn" en daarvoor met den Stadhouder in overleg 
te treden. Dit geschiedde dan ook bij missive van bovenvermelden 
datum aan de Gedeputeerden : Haring van Glins (oppe Schingen) , 
Ruurd van Roorda (te Hennaard), Watthie van Cammingha (te 
Wirdum) en Mr. Tjepke van Oenema (te Sneek). Daarop werdcn 
Seerp Hania , Burgemeester van Leeuwarden , Allert Jacobsz. , sche- 
pen en de twee hoofdadvocaten : Frederik van Inthiema en Gysbert 



104 VERBETERINGEN. 

yan Arensinu naar den Stadhouder gezonden, die hun den llden 
dier inaand dan ook toezeide , dat zij van »Garnizoen" vrij zouden 
zijn. ))Hier af passeerde Aremberg 3 dao^en later een Handschrift" 
te Berguin, waarin hij tevens verklaarde, dat hij geen krijgsvolk 
in de stad zou brengen , maar »alleenlijck daer inne coemen met 
»onsen gesin ende die luyden van onse guarde van vijfftich peerden 
»oft daaromtrent." Overigens zou hij niemand om *t gebeurde 
»apprehenderen ofte in gevanckenisse stellen laeten" en mocht het 
blijken, dat dit aan de Gouvernante »nyet aengenaeme en waere, 
»zullen wij ons beste doen dat den genen die zuUen willen vertrecken 
»daertoe redelijcker tijt gegeven ende gegunt zall worden." Even- 
wel vertrouwden zij den Stadhouder niet en velen, zooals in den 
tekst is verhaald, pakten zich in tijds weg. 

Oorkonde uit 'tProv. Archief van Friesland, in verband met bl. 
736, 738 en 741 van Schotanus* Gesch. van Friesland. Zie over 
Aremberg's lijfwacht, bl. 430 van onzen tekst. 

422, r. 11 V. b. : Douwe van Heringa ; zie daarover : Bijlage 
B, I, no. 24. 

453 : zie eene verbetering hiervan op bl. 21. 

455 , r. 6 V. o. : vierde , lees : derde. 

457 , r. 1 1 V. b. : 230 , lees : 270 ; zie bl. 66 der Bijlagen. 

477 , r. 3 V. o. in de noot : Naamlijst van strijders , lees : Naam- 
lijst van Friesche strijders. 

493 : Groesbeeck volgde Megen niet op , maar hij was diens 
luitenant; Chbk. , ffl, 781. 

496 : in noot 1 hij te voegen : zie bl. 474 en 492. 

498 : achter »voorspelden" (r. 3 v. o.) te voegen : noot 2 ; zie : 
Bijlage E. 

508 , in noot 3 te lezen : Friescke Watergeuzen. 

533, r. 8 V. b. : Den 17den der volgende maand, lees : Den 
17den December ; Motley , t. a. pl. , ffl, bl. 151, zegt : 
18 December. 

BI. 96 der Aant, : Over hetgeen aldaar uit » D'onstelde Leeuw " 
wordt aangehaald , zie men nog : Mr. J. van Lennep , »Verspreide 
opstellen," [ed. 1878], bl. 310, waar echter, hetgeen sommige 
andere schrijvers ook vermelden, wordt gezegd, dat ook Ilpendam 
zich op het bewuste schip van Donker bevond , hetgeen , zooals uit 
ons verhaal kan blijken , eene dwaling is. 



REGISTER VAN PERSONEN. 



gedrukte cijfers doiden de blad 
en jianteekeningen aan. 



Abbema, (Edo ran) 453, 519; 

21—25. 

Abbesz. , (Heer Jacob) 18. 
Abbesz., (Hr. Sjtthie) 8, 9. 
Abbesz. , (Ude) 75. 
Abelsz., (Focke) 480, 483; 77, 

sa 

Abelsz., (Jan) 460, 469, 470, 
473, 479, 483, 485, 486; 
77. 

Abelsz. , (Tamme) 479 , 483 ; 77. 
Ablesz., (Hr. Sybe) 17. 
Achelen, (Igram Tan) 94. 
Aebinga (Hette en Goflfe van) 1 00. 
Aggema , (Alef Tan) 422 , 453 , 

454; 21, 22, 23, 25. 

Agges, (Poppe) 72. 
Aitzema, (Hr. Schelte) 12. 
Alberts, (Wybe) 414; 25. 
Alva, (Hertog van) 446, 469, 

471, 472, 473, 475, 533. 
Ammama, (Joachum van) 63. 
Andries, (Heer) 10. 
Andriesz. , (Johannes) 78. 
Andriesz. , (Hr. Michel) 10. 
Andringa , (Goffe en Tjeerd van) 

24, 56. 

Andringa, (Jarich en Jorrit v.) 

56 (noot). 
Andringa , (Tjerck van) 512 (noot). 
Annesz. , (Foppe) 78. 
Ansckes, (Sipcke) 39. 
Anthoni , de chinirgijn , 67 , 72. 
Antonius, (Heer) 12. 



Arckens, (Everard) 24,42,72. 
Aremberg, zie op: Ligne. 
Arendtsz. , (Hr. Jacob), 14. 
Arendtsz. , (Magnus) 486. 
Arensma, (ChristofTel van) 100. 
Arensma , (Gijsbert en Christoffel 

van) 100, 103. 
Arriens, (Jan en Pieter) 78. 
Arnoldus, (Heer) 16. 
Ayko, (Heer) 12. 
Avlva, (Jan van) 430. 
Aylva, (Pieter van) 24, 56, 68. 
Aylva, (Ulbe van) 512 (noot). 
Aylva, (Watthie van) 23, 41. 
Aylva, Wybrandt van) 24, 56. 
Avsma, (Foeke van) 451; 23, 

41, 74. 

Avsma , (Hessel van) 24 ,56 , 67. 
Aysma, (Svbolt van) 23, 42, 

100. 

Aytta, (Rinttje van) 486, 488. 
Avtta, (Viglius van) 440, 445, 
532; 102. 

Barlaymont, (Gillis van), 472, 

506, 511. 
Basius, (Jan) 462, 480, 531; 

67 , 68. 

Batenburg, (Dirck en Giisbert) 
432—443, 444; 95. 96. 

Bergen, (Adriaan van) 481. 

Berrijns, (Pieter) 412. 

Beyma, (Sjoert van) 411, 419, 
420, 429, 433, 438, 444, 



106 



REGISTER 



453, 469; 21, 22,23,25, 
86, 95. 

Billy , zie op : Robles. 
Bocke, knecht van Donia, 73. 
Boeymer, (Abel van) 519. 
Boeymer, (Engelbert van) 438, 

443. 
Bogerman, (Hr. Johannes) 12. 
Bonga , (Jan van) 422 , 453 , 454 , 

456, 462, 473, 482, 519, 

520, 522; 18—24,26,67, 

71 , 79. 

Bootsma, (Epo van) 452; 22, 

27. 

Bornstra, (Egbert en Jurrien), 

zie op : Wybrandtsz. 
Boshuizen, (Jan van) 461, 462; 

82. 

Bossu, (Graaf van) 460, 461, 

531 ; 82. 
Botnia, (Jelle van) 519 ; 24, 56. 
Botnia , (Syds van) 519 ; 24, 57. 
Bracamonte, (Gonsalvo - de) 460, 

466. 
Brederode , (Hendrik van) 392 , 

393, 403, 404, 408, 411, 

419, 425, 429, 431, 432. 
Brederode, (Lodewijk van) 482. 
Brioticxz. , (Lolcke) 438. 
Broerckesz. , (Marten) 79. 
Broersma , (Lieuwe) 69. 
Bronckhorst, 525. 
Brunswyck, (Eric van) 472. 
Bruynsma, (Hette) 69. 
Bueren , (Quintijn van) 418, 427 , 

458, 464. 
Buma, (Hotze van) 518, 520; 

24, 57, 68. 

Buma, (Taecke van) 440, 443. 
Buma, (Willem van) 412,429, 

438, 443, 444, 445, 453; 

19, 24, 27, 86, 96. 

Burmania , (Gemme van) 23 , 42. 



Burmania , (Upcke van) 23 , 43. 

Cammingha , (Pieter van) 489 , 

502, 519, 527; 24, 57. 
Cammingha, (Watze van), 532; 

100, 103. 

Camstra, (Foppe van) 452; 28. 
Camstra, (Honmie van) 69,71. 
Charles, (Jean- of Joh. Carolus) 

404, 440, 448, 450. 
Claes, van Dockum, 79. 
Claes, van Nijezyl, 515; 79. 
Claesz. , (Jan) 79. 
Claes, (Heer) 13. 
Claes, clockgieter, 463; 67. 
Conraet, (Hans) 465, 466. 
Coquillan, (Wouter) 23, 43. 
Corbet, (Philips) 527. 
Comelis , bij Franeker , 515 ; 79. 
Cornelisz. , (Comelis) 452; 22, 

28. 

Croenenburch , (Adriaen van) 

84. t) 

Dekema, (Hette van) 439; 100. 
Dekema, (Rienck van) 521. 
Dielbeeck, (Jacques) 84. 
Diericx , (Hr. Wyger) 1 5. 
Dircksdr., (Machtelt) 74. 
Doesburgh, (Hr. Hendericus) 1 0. 
Donia, (Syds van) 529 ; 23 , 43. 
Donia, (Sierck van) 531; 100. 
Donker , (Jacob) 433 ; 94. 
Doties , (Broer) 84. 
Douma, (Douwe van) 23, 45. 
Douma, (Epo van) 419, 420, 

452 ; 28. 
Douma , (Erasmus van) 463 ; 

23, 45, 67. 

Douma , (Foppe van) 23 , 45. 
Douma , (Idzard van) 23 , 45. 
Douwes , (Hoyte) 79. 



t) Zie over hem en zijn neef Jacob van Croenenburch , ons opstel 
in het Tijdschrift; „De Nederl. Leeuw'\ jaarg. 1887. 



VAN PERSONElf. 



107 



Eboli , (Prins yan^ 447. 
Eelkesz. , (Hr. Doúwe) 8 , 9. 
Eelsma , (Jelte van) 422 , 454 , 

482, 508, 514; 21 , 22, 

29 , 79. 

Eelsma , ( Wiff er yan) 23 , 46. 
Eemskerck , (Direk van) 73. 
Eemskerck , (Pieter van) 93. 
Egmond , (Frits van) 404. 
EEacus , (Hr. Martinus) 14. 
Eltens , (Jurriaen) 509 ; 80. 
Eminga , (Botte van) 23 , 46. 
Eminga , (Hessel van) 23 , 46. 
Eminga , (Sjuck van) 423 , 451 , 
456, 463, 482, 519; 31 , 

67, 8a 

Eminga , (Syds van) 23 , 46. 

£ntens , (Asinga) 64. 

Entens, (Barthold) 398, 482, 

492 , 501 ; 65. 
Espelbach , (George yan) 434. 
Eyerards , (Lieyen) 440 , 448 , 

450. 
Eyerardus, (Heer) 13. 
Eyers , (Herman) 486. 
Eysinga , (Frans yan) 452 ; 21 , 

22,29. 

Eysinga, (Focke en Ritske yan) 

453; 22, 30, 46. 

Eysinga , (Tzaling yan) 413 , 453 , 
454, 456, 461, 473; 21, 
22, 23, 30, 67, 71, 72. 

Feddesz. , (Hr. Tjebbe) 1 1 . 
Feddesz. , (Sytke) 90 , 92. 
Femia , (Atte) 23 , 47. 
Feytsma , (Hessel yan- , yan Hui- 

zum en yan Peins) 423 , 452 , 

463 ; 31 , 67. 
Feytes , (Riemer) 90 , 92. 
Fiennes, (Guislain de) 481. 
Florisz. , (Gerrit) , 451 , 452 ; 

32 , 67. 

Foeckes, (Tjebbe) 90, 92. 
Foensz. , (Hr. Folckert) 1 2. 
Fonck , (Cornelis) 453 ; 23 , 46 , 

67. 



Fonffers , (Sierck) 23 , 46. 
Fredericus , (Heer) 14. 
Frerick , (Heer) 14. 
Friese , (Meinert) 482 ; 80. 
Friesma , (Rommert) 446 ; 97. 
Frisyogel , (£bel en Gerbrant 

Sittiesz.) 75. 
Frittema , (Reinier) 497. 

Gabbema , (£do) 57 . 80. 
Gabbes , (Foppe) 504. 
Gabbes , (Jelmer) 80. 
Galama , (Douwe yan) 430 , 474 ; 

71 , 72 . 94. 

Galama , (Hartman yan) 41 1 , 
419, 420, 429, 444, 453, 
469; 21, 22, 32,86, 95. 

Galama , (Seerp yan) 439 , 474 , 
519; 23, 47, 72. 

Galama , (Taco yan) 23 , 47. 
Galmery , (Hr. Jacob) 18. 
Gauma , (Hartman en Watze) 

498; 24, 58, 92. 

Geelmuiden , (Johannes) 524. 
Geerts , (Oene) 90 , 92. 
Gerbranda , (£do yan) 23 , 48. 
Gerritsz. , (Frans) 23 . 48. 
Gerritsz. , (Gerben) 90, 92. 
Gerriisz. , (Gisbert) 1 02. 
Gerroltsma , (Gerrolt) 486 ; 76. 
Gheel , (Julius van) 431 , 448. 
Glins , (Douwe yan) 452, 510; 

32 80 1 02. 

Glins ,'(Ha"ng ya'n) 528 ; 24 , 58, 

103. 

Godinck , (Heer) 80. 
Gonsaga , (Caesare) 471. 
Goslinga , (Tjepcke yan) 23 , 48. 
Grauwels , ( Jean) 440 , 443 ; 96 , 

97, 98. 

Groesbeeck , (Segher yan) 456 , 
457 , 458 , 461 , 469 , 471 , 

493; 64, 104. 
Groyestins , (Oene yan) 23 , 39 , 

48. 

Groyestins , (Wybe yan) 483 , 

519, 531; 24, 39,58,80. 



108 



RE6ISTER 



(t\.Hl)erl , (Ikcr) 14. 
(tijNl)orluN , (Heer) 15. 
(;\)Nl)erlu.s , 520, 521 , 



522. 



Himih , (Pibo van) 429 , 451 , 

452 , 456 , 462 , 482 , 502 ; 

33, 67, 80. 

llHorstnu , (Harinff en Hartman) 

r)l9; 24, 59. 
llaerHiiia , (Hylck- , vrouw van 

Tzaling van Eysinga) 74. 
Ilaga , (C.) 24 , 59. 
Ilania , (Jorrit) 23 , 48. 
Ilania , (J.eo) 24 , 59 , 72. 
Ilaiiia , (Otto) 24 , 49. 
Ilaiiia , (Seerp) 451 (noot); 103. 
Haiine.H , (Holle) 74. 
Harckens, (Hr. Theod.) 11. 
Hah.selt , (Fox van) 418 , 428. 
Ha.sselt , (Hr. Luitthie Andriesz. 

van) 11. 
Havtsma, (Hessel) 428; 24, 

69 , 67. 

Hayt.siiia , (Tjerck) 512 (noot). 
Heinmes , (Frans) 462 ; 24 , 49 , 

67, 72. 

Hendrick , (Heer) 1 5. 
Hendrick , schoolmeester , 515. 
Hendrieks , (Hr. Jelle) 1 7. 
Hendricksz. , (Agge) 73. 
Hendricksz. , (Andries) 71. 
Herema , (Otto van) 396 ; 23 , 50. 
Heringa , (Douwe van : iees Oene 

van; zie aldaar.) 
Heringa , (Edo van) 420 , 452 , 

453 ; 33. 

Heringa , (Jouw van) 422 , 453 , 

454 ; 21 , 22 , 34. 
Heringa , (Laes van) 23 , 50. 
Heringa , (Oene van) 422 , 453 , 

454; 21, 22, 34, 59, 86. 

Hesselsz. , (Sjoerd) 90 , 92. 
Hettinga , (I)uco van) 482 , 509 ; 

69, 80. 

Hettinga , (Homine van) 451 , 
452 , 456 , 457, 462 , 473 , 
482, 492 49 J 509; 23, 



50, 67, 69, 71, 80, 99. 

Hettinga , (Taecke van) 69 , 80. 

Hettinga , (Tiete van) 483 , 509 , 

518—520, 525; 23, 39, 

51 , 80, 101. 

Heyntgen , van Dockum , 80. 
Hillesz., (Hr. Agge) 10. 
Hillesz. , (Minne) 90. 
Mr. Hindrick , 80. 
Hoithesz. , (Hr. Jelle) 1 3. 
Holdinga , (Wilco van) 420 , 452 , 

462; 34, 67. 
Holst«in , (Hans) 90 , 92. 
Hoppers , (Joachim) 440. 
Hottinga , (Douwe van) 24 , 60. 
Hottinga , (Hero van) 416 , 483 , 

508; 24, 60, 68, 81. 

Hotzema , (Rienck) 419 , 420 , 

452; 35. 
Hotzenius , (Hr. Petrus) 1 8. 
Hoxwier , (Hector van) 440. 
Hoyte , (Lange) 515. 
Hoytsma , zie : Haytsma. 
Huchtenbrouck , (Albert van) 404. 
Huyghes, (Frans) 452, 462; 

35 , 67. 

Huysinge , (Jacob) 418 , 466 , 

469. 
Huysingius, (Hr. Gerardus) 12. 
Huytmaker , (Feyt) 463 ; 67. 

Idzaerda , (Baerthe van) 416 ; 

24, 60. 

Ilpendam , (Jacob van) 425 , 96. 
Indyck , (Pilgrom ten) 504. 
Inthiema , (Frederik van) 81 , 

103. 

Intzie , van Noordwolde , 75. 
Isbrandfciz. , (Eco) 24 , 60. 

Jacob , (Heer) 1 6. 
Jacobs , (Jelle) 422 , 453 , 454 ; 
21 , 22 , 36. 

Jacobsz. , (Allert) 103. 
Jacobsz. , (Hr. Pieter) 8 , 9. 
Jaersma , (Aeltje yan) 23 , 51 . 
Jansz. , (Barend) 451 (noot). 



VAÄ PEIUONO. 



109 



Jansz. , (Harmen) 81 . 
Jansz. , (Hr. Johannes) 1 7. 
Jansz. , (Meynert) 84. 
Jansz. , (Simon) 524. 
Jansz. , (Sytse) 498. 
Jansz. , (Willem) 474. 
Mr. Jan , van Visvliel , 75. 
Jarich , (Heer) 489 ; 81 . 
Jelle, (Heer) 10. 
Jellersma , (Tjaerdt van) 23 , 51 . 
Jellisz. , (Foppe) 84. 
Jetzonis , (Hr. Johannes) 1 6. 
Johannes , (Heer , te Oostrum^ 1 2. 
Johannes, (Heer, teBoxum)14. 
Johannes , (Heer , te Bozum) 1 5. 
Johannes, (Heer, te 0. L. Vr. 

Parochie) 17. 
Johannes, (Heer, te St. Anna 

Parochie) 17. 
Johannes, (Hr. Edo) 14. 
Johannes , (Hr. Ivo) 8 , 9. 
Johannis, (Hr. Johannes, te 

Drachten) 13. 
Johannis , (Hr. Johannes , te 

Wanswerd) 11. 
Jonge , (Pieter de) 483 , 514 ; 

81, 90. 

Jongema , (Laes van) 24 , 60. 
Joosten , (Jan) 81 . 
Jqostz. , (Anth.) 406 , 436. 
JoQckesz. , (Hr. Douwe) 8, 9, 1 0. 
Jousma , (His- , schoonmoeder v. 
Tj. V. Eysinga), 74. 

Karel V, 389. 

Kempis , ((3omelis) 463; 100. 

Lambertsz. , (Hr. Gerrit) 13. 

Landen , (Hr. Nicolaus van) 499. 

Langbaerdt , (Simon) 428. 

Liauckama , (Schelte van) 439. 

Lieuwesz. , (Eelcke) 75. 

Ligne , (Jan van- , graaf Van 
Aremberg) 401 , 434 , 436 , 
442, 446, 449, 462, 464, 
465,467; 64, 65, 103. 

Lottrich, (Imele) 451. 



Lumbres , (Admiraal : De) 499. 
Luytthiesz. , (Karste) 98. 

Maarten , de tasmaker , 467, 468. 

Mamminga , (Boudewijn) 100. 

Marien , (broerken) 516. 

Marten, (>>Cleyne'') 516; 82. 

Martena , (Doecke van) 416 , 420, 
424, 439, 518, 519, 525, 
530, 531; 24,39,61,81, 
100. 

Martens, (Feycke) 82. 
Martensz. , (Hylcke) 456 , 457 , 

464; 67, 70, 88. 
Martinengo , (Curtius) 466 ,471. 
Meckama , (Scipio van) 23 , 51 . 
Megen , (Graaf van) 432 , 434 , 

461 , 466 , 470 , 475 , 493 , 

506; 64, 66. 

Meinertsz. , (Hr. Johannes) 1 8. 

Melchior , 516 ; 82. 

Mepsche , ( Joan de) 451 , 458 , 

531 ; 64. 
Minnema , (Franske van) 528. 
Mockema , (Hessel van) 420. 
Moller, (Bemt) 101. 
Monac , (Hr. Johannes) 1 2. 
Moncheau , (De kapitein :) 507 , 

514. 
Mulert , (Ernst) 418 , 427 , 434 , 

442 , 464. 

Nassau , (Adolf van) 467 ; 65. 
Nassau , (Lodewijk van) 398 , 

399 , 455 , 463 , 468—474 ; 

64, 101. 

Nicolai , (Hr. Antonius) 10. 

Oedtsma, (Aucke) 519; 24,61. 
Oenema , (Tjepcke van) 23 , 52 , 

103. 

Oert, (Thijs) 64, 66. 
Offenhuisen , (Fredr. v.) 23 , 52. 
Oosthiem , (Hessel van) 452 , 

456 , 462 ; 36 , 67. 
Oranje , rWillem van) 455. 
Osinga , (Agge van) 23 , 52. 



110 



REGISTER 



Palm , (Hr. Quirinus) 1 8. 

Panser , (Joachim) 64. 

Panser , (Sicco) 510. 

Parma , (Hertogin Van :) 392 — 
394 , 402 , 410 , 427 , 439 , 
440, 441; 93, 102. 

Pauly , (Hr. Walthie) 1 1 . 

Peeckesz. , (Hr. Feyte) 1 6. 

Petri , (Cunerus) 494. 

Petrus , (Heer) 1 2. 

Philips n , 389. 

Phoco , (Hecr) 1 1 . 

Pieter , Graefmeester of Sneeber- 
ger, 463; 67, 68, 70. 

Pieter , van Leeuwarden , 82. 

Pieter. (Heer) 11. 

Pietersz. , (Garbrandt) 66 , 74 , 

86. 

Pietersz. , (Jan) 75. 
Pietersz. , (Pieter) 23 , 52. 
Poppes , (inrich) 502 , 503. 
Poppii , (Hr. Sixtus) 1 6- 
Potter , (Arriën) 425. 
Pouwels , (Hr. Siurdt) 1 6. 

Raephorst , (Herbert van) 404 , 

451. 
Reydmer, (Heer) 11. 
Reyner, (Heer) 13. 
Reynerus , (Heer) 1 8. 
Reitsesz. , (Syurdt) 101. 
Rhala , (Fecko) 100. 
Riddersma , (Ballinck) 70. 
Riddersma , (Jelte) 23 , 53. 
Rijdwijck , (Willem) 84. 
Robles , (Caspar de-) 472 , 506 , 

511. 
Rollema , (Tzomme van-) 24 , 

39, 61. 

Romckesz. of Rouckesz. , (Hr. 

Johannes) 10. 
Rommerts , (Focke) 438 , 440. 
Rommerts, (Matthijs) 440,512 

(noot); 100. 
Rommerts , (Rincke) 84. 
Rompckes , (Syvert) 39. 
Roorda , (Bmnert van- of Ber- 



nardus) 70 , 92. 
Roorda, (Carel van) 23, 53. 
Roorda, (Popcke van) 24, 62, 

72. 

Roorda , (Ruurd van) 420 , 424 , 

527 ; 103. 
Roorda , (Schelte van) 24 , 53. 
Rotsterhaulius , (Hr. Cornelius) 

lo. 
Roussel , (Frans de) 65. 
Ruychaver , (Nicolaes) 501. 
Ruyrdtsz. , (Hercke) /3. 

Saecklesz. , (Sybren) 70. 
Scheltema , (Gabbe van) 430 ; 

94. 

Scheltema , (Menno van) 452 ; 

30. 

Scheltema , (Sippe Tan) 519 ; 

520; 24, 62. 
Scheltema , (Sybeth Tan) 420 ; 

21 , 37. 

Schorm , (Hr. Andries) 18.70. 
Schouwenburg , (Joost van) 518 , 

525. 
Scroer , (Jelle en Wybe) 73. 
Seerps , (Jelcke) 516 ; 82. 
Seldenrick , (Jacob Thijszoon) 38t 
Selsma , (Gabbe) 408 , 452 , 456 , 

463; 37, 67, 101. 
Sickesz. , (Sybrandt) 468 , 473 ; 

70 (noot) , 71 , 90. 
Simons , (Hr. Ëelcke) 10. 
Sipcke , (Heer) 1 5. 
Sixtus , (Heer) 1 3. 
Sjoerdtsz. , (iindries) 90. 
Sjoerdtsz. , (Aucke) 71 , 72. 
Sjoerdtsz. , (Pieter en Wybe) 483 , 

509; 82, 90. 
Siouckesz. , (Wobbe) 75. 
SÎoot, (Hr. Agge) 10. 
Smit , (Pier) 483 , 515 ; 82. 
Snecanus , (Gellius) 65. 
Snijder , (Abraham) 463 ; 67. 
Solbrugge , (Crispijn van) 482. 
Sonoy , (Dirck van) 470 , 480 , 

518. 



YAN PERSONEN. 



111 



Splinter, (Johan) 418. 
Spruyt , (Pietcr) 442. 
StellinGwerff , (Hr. Bernardus) 1 1 . 
Sweertyegher , (Jan) 463 ; 67. 
Sjbesz. , (Hr. Abbe) 1 5. 
Sybrandtsz. , (Jacob) 451 (noot). 
Sybrensz. , (Sybren) 23 • 54, 67. 
Sychene, (Hr. Pieter) 17. 
Symonsz. , (Jan) 463 ; 23 , 54 , 

67, 82,84. 

Symonsz. , (Leo) 23 , 54. 
Syrxma , (Allert van) 523. 
Syrxma, (Doede yan)489,504, 

528. 
Sytse, (Heer) 16. 
Sytsz. , (Gerben) , 71 , 90 ; zie 

ook op ; Frisyogel. 
Sytsesz. , (Luytien) 73. 
Sytsma , (Wiger van) 452 , 483 ; 

38,83. 

Taeckes , (Tjebbe , lees •* Tjebbe 

Foeckes) z. a. 
Teijes , (Alle) 451 , 452 , 456 , 

462; 38, 67, 100. 
Thomas , (Hendrick) 470 , 480. 
Thyes , (Ficter) 486. 
Tinckes , (Eebe) 23 , 55. 
Titlema (Doecke) 73. 
Tjaerda , (Schelte van) 23 , 54. 
Ijarrels , (Wibo) 483 , 502 ; 83. 
Tjepckesz. , (Hr. Wybren) 1 5. 
Tjessens , (Sicke van) 519, 522; 

92. 

Torre, (Jacob de la) 428. 
Tplle, (Heer) 15. 
Tyara , (Johan van) 1 00. 
Tzonmies , (Hr. Wierdt) 1 6. 

Udesz. , (Abbe) 75. 
Unia , (Aucke van) 55. 
Unia, (Hoyte van) 75. 

Vegersheim, 428; 65. 
Yerielsma , (Jeppe en Syurdt) 55. 
Vermeer of: Vemier (Joachim 



Joestz.) 39, 74, 88. 

Vitelli , (Chiapin) 472. 
Vlieger i>van de Nykerk", 83. 
Vliermaal , (Lambert) 530 (noot). 
Vuylcke (Heer) 13. 

Wacken, (Van-) 487 ; 77. 
Walles , (Tjerck) 414 , 450 , 452 , 
453,456, 462;9, 21, 39, 67. 
Warnersz. , (Hr. Adriaen) 8,9, 

10. 

Weesop , (Hr. Jacob) 1 2. 
Werdmüller , (Beat) 66. 
Wesselius , (Heer) 1 8. 
Wevere , (Pieter de) 74. 
Wig, (Hr. Egbert) 15. 
Wückertsz. , rWiUem) 84. 
Wilde Hylcke ; zie op : Hylcke 

Martensz. 
Willem , van Dockum , 473 : 71. 
Willemsz., (Dirck) 456, 457; 

23, 39, 55, 67. 

Willemsz. , (Johannes- van Vel- 

zen) 426 , 451 (noot) ; 86. 
Willemsz. , (Reyer) 84. 
Wingia , (Doytze van) 417 , 452 ; 

21, 23,40. 

Wisga , (Juw Ter) 63. 
Wolffsz. , (Claes) 71 . 
Wubbens, (Sebastiaen) 463. 
Wybe, (Hr. Sicke) 13. 
Wybrandtsz. , (Andries , Effbert 

en Jurrien) 483 , 500 ; 83. 
Wybrandtsdr. , (Joosje- , vrduw 

van Gabbe Selsma) 408, 74. 
Wyger , van Dockum , 83. 
Wygers , ( Jeldert) 83 , 84. 
Wygers , (Tjepcke) 483 ; 83. 
Wyneken , (Eilco) 486. 
Wyrum, (ülcke van) 102. 

Ymmel, »op" (van) »Leeuwar- 
den", 473; 71. 

Zithies, (Tite) 75. 
Zoete , (Anthony de) 66. 



I 



In Deel XVI van dlt Tijdschrlft: 

Voorwoord Bl. 389. 

I. De Frîesche Verbondene £delen »401. 

n. Heiligerlee en Jemmingen • . »455. 

III. De Friesche Walergeuzen ••••••• » 479. 

En in Deel XVII: 

Verkortingen • Bl. 5. 

BIJLAGEN, bevaltende; 

A: Naaml. van Friesche Geestelijken Bl. 7. 

B: Naaml. der Friesche Verbondene Fdelen • • • • » 19. 

C : Naaml. van strijders bij Heiligerlee en Jemmingen , enz. » 64. 

D: Naaml. van Friesche Watergeuzen » 76. 

£: De voornaamste vonnissen uit dit tijdperk • • • »86. 

AANTEEKFNINGEN : 

I. (Bl. 402.) Acte van afstand van het Verbond • Bl. 93. 

II. (» 431.) Over Gabbe v. Scheltema^s dood, • » 94. 

III. ( » 436.) De gevangentoren te Harlingen • • » 95. 

IV. ( » 442.) Over de gevangenen te Harlingen • » 95. 
V. ( » 445.) Smeekschrift van Willem v. Buma • » 96. 

VI. ( » 446.) Over Jean Grauwels en Rommert 

Friesma » 97. 

Vn. ( » 457.) Bestellingsbrief voor Homme van 

Hettinga » 99. 

Vm. ( » 459.) Verklaring van I Mei 1568 • • » 100. 

IX. ( » 463.) lels over Cornelis Kempis • . . » 100. 
X. ( » 493.) Kerkrooverijen door de Watergeuzen 

gepleegd ••••••.• »101. 

Bijvoeging (oud tafereel van de Verb. Edelen) • • . » 102. 

Verbeteringen . , » 103. 

Register • . . » 105. 



DE PRAmSCHE HONDEN DER TERPEN 



DOOR 



Dr. W. K. J. SCHOOR. 



DE rBisnn übii m mu. 



*tKlonk ons vreemd in de ooren, toen de geleerde Ita- 
liaan Pigorini zeide : de Friesche terpen zijn paalwoningen. 
Men lachte er om , men vond het ongerijmd , en ten slotte 
het was niet waar. Neen , deze uitspraak was zoo dwaas , 
dat men haar eenvoudig voor eene fantasie aanzag. Volgens 
de overlevering beschouwde men de terpen als heuvels om 
zich tegen watervloeden te beschermen , waar men het vee 
op bracht en waar men op woonde. Ook Plinius i) zegt, 
als hij van de Chaucen spreekt, dat dit ongelukkige volk 
op hooge heuvels of hoopen woont, met de handen tegen 
de woede der hooge branding vervaardigd, in daarop ge- 
plaatste hutten. Zij gehjken op schepelingen , als alles 
rondom hen met water bedekt is , of op schipbreukelingen , 
wanneer het water valt en zij op de met de zee wegvlie- 
dende visschen rondom hunne stulpen jacht maken. Zij 
hebben geen vee en voeden zich niet met melk, zooals 
hunne naburen; zelfs is het hun niet vergund, wilde die- 
ren te bekampen, daar zij verwijderd wonen van eenîg 
kreupelbosch. Niet eens de jacht verschaft hun onderhoud , 
want nergens wordt bosch gevonden. Uit zeewier en bie- 
zen vlechten zij garen of touwwerk tot netten, waarmede 
zij de visschen pogen te vangen. Het met de handen op- 
gezameld shjk drogen zij meer in den wind dan in dezon 



1) Ilist. nat. XVI, I. 



116 DE PRAEHI8T0RISCHE 

Deze aarde gebruiken zij om hunne spîjzen te bereiden en 
bunne door den guren noordenwind verstijfde leden te ver- 
warmen. Regenwater, dat zg bij hunne hutten ingroeven 
of kuilen opvangen , maakt hun eenigsten drank uit. 

Toch was Pigorini's gezegde niet nieuw. Mr. J. Dirks 
had reeds in 1871 gezegd: dLos terpen sont des terrema- 
res historiques" ; en de te vroeg ontslapen Hooft van Idde- 
kinge 1) zegt in zijne beschrijving over de huisvormige um , 
die gevonden werd in de oude heemsteden : »Zouden ^vij in 
de huisvormige urn ook de afbeelding eener paalwoning 
mogen zien?" 

Doch op deze beide gezegden had men geen acht gesla- 
gen. Hoe het zij, naar Pigorini's gezegde luisterde men, 
hoewel men het dwaas vond. 

Dit gaf mij aanleiding om zijne conclusie aan eene critiek 
te onderwerpen en ik vond hiervoor geene betere gegevens 
dan om den gezelligen geleider van den menscb , den bond , 
te bestudeeren. Schedels van honden had men in de ter- 
pen gevonden. Het Museum van het Friesch G-enootschap 
te Leeuwarden bezit eene uitgebreide verzameling, terwgl 
het Museum van Oudheden te Leiden slechts enkele exem- 
plaren telt. 

Voordat ik evenwel over deze merkwaardige getuigen 
der praehistorische tijdeu zal spreken , zal ik eerst de mo- 
numentale honden n.l. die behandelen , welke op de monu- 
menten enz. zijn afgebeeld, na vooraf eenige woordenover 
de afstamming te hebben medegedeeld. 

In de tertiaire formatie en in het diluvium, waar resten 
van menschen worden aangetroffen , vindt men geen over- 
blijfselen van deu bond Canis familiaris L. Dawkins 2) 

1) Vrije Fries, N. R., VI, bl. 427. 

2) Cave huntinjr 2G4. 



HONDEN DER TERPEN. 117 

# 

z^t: J>in the Pleistocene caves of Germany andgreatBre- 
tain is a total absence of the domestic animals. The dog , 
goat, sheep, Celtic-shorthorn and domestic swine are con- 
spicaous by their absence." De eerste resten vindt men 
in de praehistorische paalwoningen en in de neolitische 
holen der brons- en ijzerperiode. 

Hoemes 1) zegt, dat er een tusschenvorm Âmphicion in 
het tertiaire tijdvak voorkomt, doch deze nadert tot de 
beren, In de Midden-Europeesche beenderholen in het 
diluvium vindt men volgens Woldrich 2) talrijke soorten, 
doch behoorende tot de wolven of vossen ; ook de chakal 
wordt er aangetroffen. 

In de Braziliaansche beenderholen van het diluvium vindt 
men twee soorten, doch de een is een vos, de ander een 
wolf. De Canis Parisiensis Cuv. , gevonden in het Parij- 
sche gips van het pleioceen, is een tusschenvorm der hon- 
den en civetkatten. Volgens Quenstedt 3) gelijkt dit dier 
veel op den ysvos Canis lagopus , welk dier door Meyer als 
Canis palustris beschreven is. 

Daar waar de Canis familiaris L. in holen wordt aange- 
troffen, vindt men ook steenen en bronzen voorwerpen, 
dus van veel lateren tijd dan het pleioceen en diluvium of 
plcistoceen. 

De Canis familiaris L. is dus geen afzonderhjke soort of 
een afstammeling van eene bepaalde soort, maar een dier 
van jongere dagteekening dan de mensch, een dier, dat 
door hem gemaakt, gevormd cn vervormd is uit naastbij- 
staande soorten van dezelfde familie. De hond, zoo als 



1) Ëlemente der Palaeonthologie , s. 554. 

2) Caniden aus dem Diluv. Denksch. d. Akad., Wicn,Th.33, 1878. 

3) Uandb. d. Pctrefactenkunde 1882, s. 45. 



118 DE PRAEHISTORISCHE 

wij dien kennen, is (om met Genesis te spreken) laterge- 
schapen dan de mensch. 

Doch waar komt dit dier dan van daan? Dit is een 
raadsel, doch 'tis een feit, dat daar, waar geen wolven 
of vossen voorkomen, ook geen huishonden aanwezig zijn. 
Blasius zegt in navolging van Linnaeus, dat hem niets 
van de wolven onderscheidt dan de naar links gekrulde 
staart. Paget en Jeitteles zeggen , dat de herdershond in 
Hongarije zoozeer op den wolf gelijkt , dat Paget zelf eens 
een wolf voor een van zijn eigene honden hield. Ook 
Columella in de eerste eeuw na Chr. zegt , dat de herders 
witte honden moeten houden , daar men ze anders voor 
wolven zou aanzien. Dr. Pleyte deelde mij mede,datmen 
in de oudste Egyptische dynastieën , dus ongeveer 4000 j. v. 
Chr. met honden op honden jaagde. Voeg hierbij , dat men 
thans nog met tamme olifanten wilde vangt, en dat de 
Indische daarvoor geschikt is , een dier met groote ooren ; 
de Afrikaansche met kleine ooren is ontembaar. Doch ook 
hierin zou men dwalen, de oudste Egyptische munten ver- 
toonen olifanten met kleine ooren , de latere met groote. 
Dit bewijst, dat de oude Egyptenaar het inheemsche dier 
aan zijn wil onderworpen, dus getemd had, hetgeen men 
later niet kon. 

Maar van den hond zijn nog vroegere oorkonden , hoewel 
het geen natuurbeschrijving is. In de Vendidad , het oudste 
en echtste deel der Zend-Avesta, een der oudste boeken 
der menschheid , staat : ))Door het verstand van den hond 
bestaat de wereld." Dit is zeker niet gezegd in een tijd, 
dat de schrijver met den mensch ophad , daar hij aan den 
hond een groot verstand toekende. En als men tot nog toe 
den stamvader , namelijk den Canis familiaris , nog niet gevon- 
den heeft als een afzonderhjke soort, maar wel een dier 



HONDEN DER TERPEN. 119 

dat wolf of V08 is , waarvan het in anatomischen bouw weinig 
Terschilt, dan is men gerechtigd, den hond te beschouwen 
als een schepping, een maaksel van den mensch. 

In deze meening sta ik niet alleen. 

De hond neemt de gewoonten van zijn meester aan. 

G-ratius Faliscus zegt: al heeft men honden van 1000 
verschillende streken , elk ras heeft de eigenaardigheden van 
het land, waaruit het afkomstig is. 

De meest onbeschaafde honden , die men zich denken 
kan, zijn de Australische en de Amerikaansche. 

De Australische hond is de Dingo, een ongetemd wild 
dier, het eenige verscheurende , dat er voorkomt, doch die 
als een gewone hond blaft en zeer goed kan getemd worden. 
In levenswijs komt hij veel met den voa overeen , doch niet 
met den wolf. De rekel paart met tamme honden, welke 
dan wolfachtîge dieren voortbrengen , die grooter en wilder 
zijn dan al onze overige huishonden. 

De Amerikaansche honden komen veel overeen met den 
prairiewolf C. latrans, en met den grijzen wolf C. lupus 
occident. Richardson zegt, dat de overeenkomst van den 
Eskimohond en den grijzen wolf even zoo groot is als van de 
huishonden van sommige Indianenstammen en de prairie- 
wolf. Ook Lord (the Naturalist in Vancouwer Island 1866) 
Is van oordeel, dat de huishond der Spokan Indianen in 
de nabijheid van het rotsgebergte niets anders is dan een 
getemde prairiewolf. 

Richardson zag niet zelden een troep wolven voor Indi- 
aansche honden aan , en het gehuil van gene is zoo gehj- 
kend op dat van honden, dat Indianen zich er dikwerf in 
vergissen. Kane vermeldt, dat de Indianen meermalen,om 
hunne honden te verbeteren, ze met wolven laten paren. 

Dit geschiedt met de Zuid-Amerikaansche , die, zooals 



120 DE PRAEHISTORISCHE 

wij weten , niet blaffen , doch het later aanleeren ; deze laat 
men paren met den Canis cancrivorus. 

Honden werden vroeger in Amerika als een godheid ver- 
eerd; men vîndt volgens von Tschudi in de Peruaansche 
graven vele honden-mummicn. Deze dieren verschillen veel 
van de Europeesche , doch komen met eigenaardige wolven- 
soorten overeen , evenzoo als de Europeesche, Âziatische en 
Afrikaansche honden met de inhcemsche wolven dezer wereld- 
streken overeenkomen. 

Dc oudst bekende rassen zijn de Afrikaansche , de Azia- 
tische en de Europeesche. 

Hierin vindt men de onderafdeelingen veelal genaamd 
naar de landstreek, waar zij van daan kwamen. 

Pindarus en Xenophon sommen een aantal rassen op; 
Aristoteles, Plinius, Oppianus e. a. stellen het aantal hon- 
denrassen talrijk voor en even als Gratius Faliscus afhan- 
kehjk van de streek, waaruit zij afkomstig zijn. 

De Afrikaansche rassen worden verdeeld in het Egypti- 
sche, het Cyrenaïsche en het Canarienische. 

Van de eerste tot de XHde dynastie van Egypte kende 
men rceds tallooze hondenrassen , doch bijna alle hebben 
staande ooren , later vindt men honden met hangende ooren. 
Alle deze dieren doen ons denken aan den Egyptischen 
chakal, een hondachtig dier met spitsen snuit en een bor- 
steligen staart. Morton beschrijft in het vijfde deel der 
Proceedings of the academy of Philadelphia 1850 deze 
dieren, zich beroepende op de chronologie door Lepsius 
gemaakt over de oudste Egyptische monumenten, welke 
zouden aantoonen, dat deze ongeveer 4000 jaren oud 
zouden zijn. Dit dier treft men aan op de grafmonu- 
menten van Roti te Beni Hassan, ongeveer 2300 jaren 
vôôr Chr. 



HONDEN DER TERPEN. 121 

Dcze zou de Canis sacer der mummiën zijn. Yan dezen 
zou de thans nog levende straathond van Caïro en van 
andere steden van Beneden-Egypte afstammen , welke een 
nomadisch leven leidt, en waarschijnlijk met de Fellah's 
nog de eenige levende overblijfselen uit de rijken der mach- 
tige Pharaönen zijn. Yan de eigenlijke tamme honden, 
welke op de Oud-Egyptische monumenten voorkomen, vin- 
den wij twee verschillende soorten van windhonden. De 
eerste is van een slanken Uchaamsbouw, kort glad haar; 
hg komt heden nog in Egypte, Nubië en Sennaar voor. 

Een der oudste voorstellingen is met lange, opstaande 
ooreu en met een korten , misvormden staart. Voor 't eerst 
komt hg op een grafsteen in de derde dynastie voor en 
ook op andere monumenten. Als de monumenten der derde 
dynastie van ongeveer 3500 j. v. Chr. zijn, dan is deze 
vorm reeds zeer oud. 

De andere vonn toont ons het dier met afgesneden, 
korte ooren. Het oudste monument is dat van Roti te 
Beni Hassan, uit de 12de dynastie, 2300 jaren vôôr Chr. 
Dit afsnijden der ooren laat zich in hooge oudheid ver- 
volgen. 

Vervolgens vindt men op de monumenten van oudere en 
jongere perioden den Arabischen windhond , een kruising van 
den Egyptischen met den chakal. Deze is ruig , heeft rechtop- 
staande ooren, een met lang haar bezetten staart enisge- 
makkelijk van de overige rassen te onderscheiden. Afge- 
beeld zijn zij op het monument van Thotmes H, 1700 j. 
V. Chr. , menschen vervolgende. Evenzoo vindt men ze op 
den grafsteen te Gournek bij Thebe, hetgeen ook tot de 
latere perioden behoort. 

Nog treft men aan een soort wolfshonden , die ook bij de 
Grieken en Bomeinen bekend waren en volgens Morton in 



122 DE PRAEHISTORISCHE 

mozaiek in Pompeji zouden gevonden zijn en als wachthonden 
zouden dienst gedaan hebben. Deze hond zou volgens Hamilton 
Smith van den Natolischen wolf Canis ictinus afstammen en 
zeer met den Turkomanischen wachthond overeenkomen. Het 
is zeker, dat ook deze soort zeer oud, maar waarschijnlijk 
ingevoerd is. De oudste voorkomende hebben alle staande 
ooren , doch de Egyptenaar had reeds keus uit een nest en 
zocht er den hond met hangende ooren uit ; in latere tijden 
zijn de hangende ooren meer voorkomende. Men vindt die 
afgebeeld op een grafsteen in het Museum van Oudheden 
te Leiden uit de XHde dynastie , 2327 v. Chr. , van den 
opperpriester Ap-heru-aa. 

De Cyrenaïsche hond was afkomstig uit Barbarije, vol- 
gens Nemesianus gekruist ras van hond en wolf; hij was 
klein van taille, maar met veel moed. Volgens Aristoteles , 
Oppianus, Strabo e. a. waren de meeste Egyptische kleiner 
dan de Grieksche, maar over het algemeen moedig; men 
gebruikte ze voor de j^htenin den oorlogals wachthonden, 
waarvan men ook vele kruisingen kent met de Aziatische 
en voornamelijk met de Assyrische honden. 

De Aziatische honden met alle varieteiten hebben een 
groote overweging gehad bij de kruising. Van waar deze 
af komstig waren ? Aristoteles verklaart hen voor een bas- 
taard van den tijger en den hond , doch van welken hond ? In 
zijn werk »de generatione animalium" spreekt hij van eene 
vermenging van een hond en een ander hondachtig dier, 
terwijl hij in zijne ^problemata'* dezen hond in twee soorten 
deelt , een wilden en een tammen , van welke laatste de In- 
dische hond zou afstammen, na een derde kruising. 't Is 
zeker, dat het woeste diercn waren, als men ze eigen- 
schappen van den tijger toekent. Ilet grootste ras , dat met 
Alexander den Grooten van Macedoniö uit Indië kwam, waar- 



HONDEN DER TERPEN. 123 

van hij 150 ten getale van Sopethés cadeau kreeg, was 
bekend om zijne woestheid. Zij waren de beroemdste van 
Azie. Volgens Herodotus voedde men in een provincie van 
Babylon een groot aantal honden voor de koningen, als 
belasting. Zij waren groot, hadden een buitengewonen 
moed, kracht en vlugheid, ja woestheid. 
. Onder de schoonste rassen is het Medische , het Alba- 
neesche en het Hyrcanische het meest bekend ; talrijke fa- 
belen worden aan deze dieren toegekend. Overal werden 
zij voor gebruikt, voor de jacht, in den oorlog, als huis- 
honden, waarvan men merkwaardige verhalen vindt opge- 
teekend. Ook van hunne kracht en moed, daar leeuwen 
en oliphanten door hen werden afgemaakt. 

Men zegt , dat de brakken , thans nog in Bengalen voor- 
komende, van hen afkomstig zijn. De overeenkomst vol- 
gens een af beelding uit het Britsch Museum , af komstig 
uit Ninivé, 640 j. v. Chr. , doet onwillekenrig aan den brak 
denken. Een andere met hooge statuur , sterke pooten , 
kort borstelig haar, den staart gekruld en de ooren recht, 
nadert meer het ras van Thibet , en komt ook overeen met 
den Molossier. Lysimachus , koning van Thracie , had een 
mooien Hyrcanischen hond , die hem tot zijn dood getrouw 
was en zich op den brandstapel wierp om zich met zijn 
meester te laten verbranden. 

Ten tijde van Augustus had men honden, bekend als 
Lydische, die den naam van Magneet droegen, doch die 
slechts een varieteit van dcn beschreven brak waren. 

Het ras van Creta gaf honden voor de jacht op het zwijn 
en de beren. Begaafd met een fijnen neus, strijdlustig en 
onvermoeid, hadden zij vele voordeelen. Ook bij de troe- 
pen werden zij gebruikt en tevens als reiscpmpagnon. 

Oppianus zegt , dat zij een lang lichaam haddeu , de kop 



124 DE PRAEHISTORISCUE 

wsë middelmatig , de oogen groot, met een zachtblaawe 
irÎB, de muil niet groot, maar gewapend met sterke tan- 
den, de ooren kort, de hals lang, de voorpooten korter 
dan de achierpooten. Zij waren dus uitstekend geechikt 
om te loopen. 

Men yindt deze dieren afgebeeld op Corinthische yazen, 
op > de jacht van Calydon**, » de dood van Âctaêon" enz. 

Deze Âziatischc honden naderen het Grieksche ras, dus 
een van de Europeesche. 

Deze omvatten n.l. het Grieksche, het Italiaansche , het 
Brittanische en bet Keltische of Gallische ras. 

Yan het Griekscbe kent men (i hoofdvormen, waarvan 
de Molossus en de Ârkadischc honden zeer beroemd zijn. 

De Canis Molossus wordt door Buifon groote deen en 
door Linnaeus groote dog genoemd. Varro beschrijft hem 
als een hond van den bewoner van Epirus, Clythus als 
xd<ûf fAoXoTTtxôg, doch deze zijn dezelfde dieren. Vol- 
gens sommigen stamt bij van Cerberus af ; hij valt den 
wilden stier en den leeuw aan. Oppianus zegt: hij is zeer 
groot, heeft een korten snuit, dikke wenkbrauwen bescha- 
duwen zijn oogen en geven hem een vreeselijk aanzien , de 
oogappels schitteren en het lichaam is bedekt met een dik , 
kort haar. 

Als hij zich irriteert, zegt Lucretius, trekken zich de 
lippen samen en ziet men de tanden; als hij blaft, vervult 
hij deu omtrek met zijn vreeselijke stem. Uij ismeestalstil, 
maar op de jacht blaft hij, is vraatzuchtig, vol moed, vecht 
verschrikkelijk , en is voor den oorlog uitnemend geschikt. 

Ili) komt overeen met den herdershond en den wolf , doch 
wijkt er van af door het langere haar aan den hals. Te 
Florenoe in de vestibule van het Museum des Offices en 
in het Museum van het Vatikaan vindt men mooie stand- 
beelden van dit dier. 



HONDEN DER TERPEN. 125 

In Arcadië , de geliefde verblijfplaats van Pan , vindt men 
den berdersbond onder bet Arkadische ras. Het waren 
groote dieren , zegt Ovidius , met een majestueus voorkomen. 
Daar vond men weilanden en jachtvelden, twee redenen 
om goede honden te hebben. Maar ook in Griekenland 
ontbrak de windbond niet, die voornamehjk in Laconië 
voorkwam. 

Omtrent bet Italiaansche en Brittanische ras kan ik niet 
veel mededeelen , doch daarentegen meer van het Eeltiscbe 
of GkUiscbe. De oudste oorkonden der Keltiscbe bon- 
den zijn van Xenopbon , die gezegd heeft , dat zij de beste 
der wereld waren, even goede speurhonden als die van 
Carië en Creta. Maar zlj waren leelijk, ruig, onbevallig 
en woest. 

Arianus is bet met Xenopbon niet eens en zegt , dat bij 
gedwaald heefk , n.l. , dat zij beter dan andere zouden zijn. 
Even als de Cariscbe, speuren zij blaifend, somtijds met 
een zeker gebuil, alsof zij bedelaars vervolgen, en zijn zij 
het wild op 'tspoor, dan is het geblaf veel heviger. 

Eigenaardig is bet, dat deze dieren veel met Indiscbe 
honden overeenkomen , althans wat de bescbrijving aangaat. 

Ongeveer 390 j. v. Chr. bedienden de Galliërs onder 
Brennus zicb van groote honden in de oorlogen tegen de 
Romeinen, evenzoo als zij bet deden 58 j. v. Chr. ten 
tgde van Caesar. Ook de Cimbren, een Germaansche 
volksstam, 108 j. v. Chr. , gebruikten in den oorlog bon- 
den t^n hunne vijanden. 

Wat de afetamming van deze dieren aangaat, men spreekt 
alweer van den wolf; komen zij uit Indië, dan zouden zij 
van den reeds genoemden Indiscben cbakal a&tammen. 

Plinius zegt , dat de Galliërs hunne teven in de bosscben 
vastbinden, om ze met wolven te laten paren. 



126 DE PRAEHISTORISCHE 

Men verdeelde ze in segusii, vertagues, petrones en 
damarets. 

Zoo spreekt Ovidius over de groote snelheid, waarmede 
de vertagues een haas vervolgen. De naam beduidt snel- 
heid, en komt overeen met vertraha, veltraga, veltris, en 
het oude Fransche woord: viautre (windhond). Wat de 
seguses aangaat, Arrianus noemde ze ook éguses, volgens 
zijn vermoeden , naar een landstreek in Gallie , doch deze heeft 
nimmer bestaan. Ook heetten zij segusii , seugiî , seuces , ver- 
schillende vormen van een woord , hetgeen beteekenen moet : 
leiti-hunten. Zij waren moedig, hadden rechte ooren, lang 
haar, overeenkomende met onzen herdershond, houdende 
het midden tusschen den wolf, den huishond en den patrijs- 
hond. Doch mij komt het voor, dat zij met brakken of 
perforce honden moeten overeengekomen zijn, hetgeen ik 
ook moet afleiden uit den naam speurhond, spurihunten. 

De petrones hebben volgens Gratius Faliscus de eigen- 
schap, hun prooi in stilte te bemachtigen en die niet af te 
geven. Den naam hebben zij te danken aan de bewoners , 
die vereelte voeten hadden door het loopen over harde 
keien en steenen. 

Volgens de Cygenetisi hadden ook deze honden vereelte 
zolen aan de pooten , zooals Xenophon zegt , dat zij tvnodfg 
waren. Latere schrijvers verwarren deze met de seguses en 
viautres, doch ten tijde van Earel den Grooten sprak men 
van den steenbrak Canis petronius. Deze is naar alle waar- 
schijnlijkheid de krombeenige dashond Canis vertagus. In de 
2de eeuw na Chr. komen zij afgebeeld op vaatwerk voor. 

Wij moeten evenwel hier nog gewag maken van eenige 
jachtwetten, die in de lOde eeuw na Chr. onder den titel 
Geaponica verzameld zijn. 

Wij hebben hier b.v. de AUemannische wetten, waar 
men 7 verschillende hondenvormen opgenomen ziet : 



HONDEN DER TERPEN. 127 

Den drijf- of loophond C. seucius vel cursor , 

Den leîthond C. Ductor , 

Den wilde zwijnenhond C, porcaritius , 

Den berenvanger C. ursaritius , die ook koeien en stieren 
aanvalt, 

(Deze vier zijn alle waarschijnlijk van dezelfde type, 
bekend als de seuces van Gratius Faliscus en Arrianus.) 

Den windhond Veltris leporalis, 

Den berdershond C. pastoralis, 

Den huishond C. qui curtem defendit. 

In de Bojische wetten treffen wij met eenige verandering 
soortgelijke namen aan : 

Den leithund C. seuces seu Leitihunt, 

Den drijfhond seuces doctus seu Triphunt, 

Den speurhond seuces qui in ligamine vestigum tenet seu 
spurihunt , 

Den beverhond, die onder de aarde jaagt, C. quem Bi- 
barhunt vocant, 

(Deze vier komen met de vier anderen overeen.) 

Den windhond C. veltrix, die de hazen vervolgt, 

Den Habichthond of Hapichhunt C. acceptorius seu Ha- 
pichhunt , die den buit voor de valken jaagt , dus insgehjks 
een windhond, en 

Den huis- of hofhond C. qui curtem sui domini defendit 
seu Hovawanth. 

In de jachtwetten der overige Duitsche volksstammen 
vinden wij dezelfde honden met eenigszins andere benamingen. 

Zoo beteekent in de Burgondische wetten Canis veltraeus 
den windhond der AUemannen en den windhond C. veltrix 
der Bojesche wetten. 

De C. segutius, de Canis seusuis vel cursor der Allem. en de 
drijfhond seuces doctus seu triphunt der Bojesche wetten. 



428 DE PRAEHISTORISCHE 

Maar hîer vindt men een C. petrunculus, die m. i. 
de hond met eeltzolen aan de pooten van Gr. Fal. is en 
later C. petronius onder Karel den Grooten genoemd îs. 

In de Priesche wetten wordt voor het eerst van C. 
Bracco gesproken, die dezelfde is als de vier eerste der 
Allem. en Bojesche wetten, Canis seuces. 

De C. acceptorius is die der Bojesche wetten, dus de 
windhond althans een soort er van. 

In de Salische wetten komt een Veltris porcarius voor, 
die waarschijnlijk dezelfde is als de C. porcarius der Allem. 
wet, en de Canis Bracco der Friesche, dus een seguse. 

Ook een windhond wordt hier aangetroffen , overeenko- 
mende met die welke in de vorige wetten beschreven zijn. 

Ten tijde van Karel den Qrooten heeft men maar vier 
vormen : 

Den hond voor de zwijnenjacht , den C. porcaritius der 
AUem. en den Veltris porcarius der Saliers, 

Den bullenbijter of berenvanger der Allemannen, 

Den drîjfhond C. lusis , die dus voorkomt in de drie ge- 
noemde wetten en bij de Friezen, en 

Den windhond , die in de genoemde wetten steeds genoemd 
wordt. 

Dus heeft men hier drie varieteiten , seguses en veltragas. 

In latere eeuwen vindt men veel meer vormen; zoo 
spreekt Fetrus de Crescentus in de iSde eeuw na Chr. 
van 14 varieteiten, die evenwel in de hoofdvormen tot de 
7 reeds genoemde kunnen teruggebracht worden. 

Doch genoeg hierover. 

In genoemde wetten werden zîj beschermd, en degene, 
die honden doodde, werd met boeten gestraft, welke boe- 
ten grooter of kleiner waren, naar gelang van hetgebruik 
van het dier. 



HONDEN DER TERPEN. 129 

Die een Leithunt stal, werd volgens de Allem. wetmet 
42 en volgens de Bojische met 6 solidi gestraft. 

Evenzoo werd de diefstal van een drijf- of loophond met 
6 of 3 solidi gestraft, naar gelang dit volgens de Allem. 
of Bojesche wet was. 

De Salische wetten waren veel strenger. Voor dezelfde 
feiten kreeg men geldstrafFen van 15 solidi, terwijl men 
Yolgens de Burgondische wet den gestolen hond, als hij 
tenig was gebracht en nadat men de boete betaald had , bij 
den schandpaal voor het geheele volkvoor het achterdeel 
moest kussen. 

Hoewel beschermd, werden in lateren tijd kwadehonden 
door Bchout en schepenen gestraft, zooals blijkt uit een 
Yonnis, uitgesproken te Leiden in 1595, tegen een kwaden 
hond j genaamd Provetie , die zich niet ontzien had om het 
kind van Jan Jacobsz. van der Poel te bijten , welk kind , 
»op 9 Mey 1595 speelende tot zijn oom, een stuk vleesch 
in de hand had. De gevangene genaämd Provetie heeft, 
daama grijpende, het voom. kind gebeeten en alzoo een 
wonde geinflegeerd in de tweede vinger van den regter- 
hand gaende door het vel tot aan het vlees , zoodanigh dat 
den bloede de wonde uytliep ende het kind in korte dage 
daama door den schrik deser wereld is komen te overlij- 
den, waarover den heer Eysser (Lot Huygensz. Gael, de 
Bchout) hem Provetie in apprehensie heeft genomen: blij- 
kende al hetselve bij des gevangene eygen confessie bij 
hem buyten pijn en banden van ijsere gedaen ende [also] 
het Yoorsz. saken zijn van quade gevolgen die in een stad 
van goede politie niet moet werde geleeden, maar tot een 
exempel van andere insonderheyd van quade honden ten 
hoogsten enz. enz.'' 

9 



130 DE PRAEHISTORISCHE 

Copie Sententie. 

Scheepenen der stad Leyden gezien hebbende den Eysch 
en Conclusien gedaen en genomen by Lot Huygens Gael, 
Schout dezer stad, op ende ten Lasten van den hond van 
Jans Jansz. van der Poel, genaamt Provetie ofte so hy 
anders met naam ofte toenaam soude mogen zyn genaamt, 
tegenwoordig synde gevangen, gezien mede de informatie 
by den Heer Eysscher tot dien eynde bekomen , mitsgaders 
de gevangens eygen Confessie buyten pyn en banden van 
yseren gedaan , doende Regt , en uyt den naem enz. hebben 
hem gecondemneert en condemneeren hem mits dezen ge- 
leyd en gebragt te werden op 'tPleyn van 's Gravesteijn 
alhier, alwaer men gewoon is de boosdoenders te strafien 
en dat hy aldaer door den Scherpregter met de Koorde aan 
de Galge tusschen Hemel en aarde zal werde gehangen 
tot dat er de doud na volgt, dat voorts zyn dode Lyf zal 
werde gesleepr op een horde tot op het galge Velt en dat 
hy aldaer aan de galge zal bly ven hangen tot afschrik van 
alle andere honden, en elk tot een exempel, Verklaart 
voorts alle zyne goederen indien hij eenige mogt hebben 
te zyn verbeurt en geconfisqueert , ten behoefe van de 
Graaflykheid etc. 

Actum en de Openbare Vierschaar Presentibus alle de 
Heeren Scheepenen den 15 mey 1595." 

In het jaar 1861 beschreef Rütimeyer in zijne Fauna der 
Pfahlbauten een hond , behoorende tot een constant ras , met 
een lichten, eleganten bouw van het schedelkapsel , groote 
oogholten , tamehjk korten , matig toegespitsten snuit , matig 
sterk gebit en afwezîgheid van sterke spier- of beenlijsten. 
De jukbogen zwak, kleine achterhoofdskam , bijna geen 
sagittaalkam , ooguitsteeksel van het voorhoofdsbeen niet 
sterk ontwikkeld en afgerond. 



HONDEN DER TERPEN. 131 

De grootte was van 130 — 145 m.M. Bij honden van 
oude stations, zooals van Schaffis (Chavannes), Moossee- 
dorf, yindt men de grootte van 145 m.M. nietbereikt. De 
grootste schedel van het Moosseedorf in de verzameling van 
Dr. Uhhnann is 139 m.M. , de grootste onderkaak 117 m.M. , 
bij anderen van 95 — 97 m.M. Uit het station Schaffis 
bereikt de grootste schedel 140 m.M. , bij anderen van 
130—135 m.M. 

Twee in de terp van Aalsum gevonden schedels hebben 
een lengte van 138 en 131 m.M. Deze zijn niet de eenige , 
die in het Museum te Leeuwarden aanwezig zijn. 

Bûtimeyer vergelijkt dezen hond met den tegenwoordigen 
jacht- of staanden hond. 1) 

Jeitteles 2) vond dezen hond in turfgrond , van daar de 
naam van turf hond , onder de stad Olmütz , in de Terramaren 
van Modena , in het Dabermeer in Pommeren , in Lycopolis 
in Aegypte enz. 

Na onderzoek en vergelijking met talrijke andere schedels 
komt hij tot het besluit, dat hij een directe afstammeling 
van den Chakal Canis aureus is, welke beschouwing ook 
door Naumann gedeeld wordt , die deze schedels in het Stam- 
bergermeer aantrof. 3) 

Om dit te bewijzen zou men de mummicn van den Chakal , 
den fox dog, gewijd aan Anubis, moeten onderzoeken. 

Bûtimeyer noemde dezen hond Canis palustris. 

Deze hond stemt overeen met den thans levenden huishond 



MkMaai^h^bi 



1) Dr. Th. Studer, Beitr. zur Keuntuiss der Hundenraeen iu deu 
tfiüilbauten. Arch. f. Anthrop, XII, 1880, s. GJ. 

2) Die Yorgeschichtliehen Altherthümer der Stadt Olmütz und ihre 
Umgebung. Mitth. d. anthrop. Geogr. in Kün 1872 uud die Stamväter 
unserer Hundenrasen 1875. 

3) Archiv. f. Anthropol. 1875. 



i^î'l DE PfLVEHKTOIUiïCHE 

Aftr Papoaa ?aii den Nieaw Bmachen Archipri, de Can. 
Uibemiae Qaov Gaimard. 't h eea s{»tasniiitig na met 
korte, opstaande, spitse ooren en don, glad haar. De 
klear 'ui brain of geel. Hij leeft yan Tiach en plantaardig 
Toediiel. doch wordt in een soort ran park gehracht om als 
Yoedingsmiddel te dienen. 

Btader, die deze honden in de meeste dorpen aan de 
zuidkast van N. lerland en N. Hannover zag, verhaalt, dat 
zi) er rond liepen alsof zi) niemand toebehoorden , dochdes 
nachts schenen zi) wachtdienst te hebben. AIs 's nachts 
een boot het strand nadert, blaffen zg met een hooge, 
scherpe stem , en de bewoners springen gewapend de hat oit. 

Een aan boord genomen was zeer apatisch en moest 
kunstmatig gevoederd worden. Later werd hij wild, beet 
naar iedereen en viel ongelukkig over boord en yerdronk. 

Üe schedels dezer honden stemmen geheel overeen met 
dien van den Canis palustris , hetgeen Bûtimeyer heeft aan- 
getoond, doch zij zijn iets kleiner. 

Elen andere soort, de C. f. matric. optimae, door Jeit- 
teles beschreven , is , ter grootte van een herdershond alleen 
in de stations van den bronstîjd aangetroffen. 

Jeitteles vond hem in de paalwoningen van Wûrzburg, 
in turf by Roigheim , in bronsstations in Estavayer , Au- 
vemiers, Echallen, in het Dabermeer in Pommeren, inde 
Terramaren von Modena , Zittel in de rooverholen , in de 
Bayersche Opperpals met bronzcn gereedschappen , Naumann 
iii do paalwoningen van het Stambergermeer , ook in het 
bronsstation in Mörrig vond men een exemplaar. 

Dr. Uhlmann heeft een schedel uit het Bielermeer in 
turflagon gevonden, met die van een klein paard en het 
turfzwijn uit den bronstijd. 

Ik hob excmplaren in liet Museum van Oudheden te 



HONDEN DER TERPEN. 133 

Leiden gevonden, een afkomstig uit de terp te Hallum, 
de anderen uit Arensburg. Het Museum te Leeuwarden 
bezit verscheidene exemplaren. Van twee heb ik de maten 
opgegeven; een i& in de collectie van wijlen den Heer 
Cannegieter, de andere is uit de terp van Feitsma-state. 

Naumann onderscheidt twee varieteiten, een windhond- 
achtige , terwijl de andere een grooteren jachthond , brak of 
perforcehond , zeer nabij komt. Beide varieteiten zijn hier 
zoowel als in Leiden, maar mijne opmerking is, dat de 
wîndhondachtige ook aan den vorm van den herdershond 
zou kunnen behoord hcbben, dooh hierover straks. 

Het onderscheid van dezen en den turf hond is nog al aan- 
merkelijk ; het schedelprofil is veel vlakker , minder gewelfd 
hersenkapsel , het gehemelte lang en smal , een hooge sa- 
gittaalkam, de verhouding van de hoogte van dcn schedel 
tot de lengte is kleiner dan bij den turf hond , de oorblazen 
zijn minder ontwikkeld. 

Jeitteles zegt, dat de Canis pallipes Sytes een eigenaardig 
soort van Chakal in Noord-Indië in Kepal, de stamvader 
van den bronshond is. Dit is een soort Chakal , welke 
Brehm nimmer heeft te zien gekregen. 

De schedels, door genoemde schnjvers beschreven, zijn 
nîet zoo groot als degenen , die in ons land gevonden worden. 

De grootste is 184 m.M. , terwijl de onze tot 219 m.M. 
lengte hebben. 

.üit het materieel is het gebleken , dat er tusschenvormen 
zijn, die door het nauwkeurig onderzoek van Wöldrich tot 
eene bepaalde soort zijn vereenigd, die hij Canis f. inter- 
medius genaamd heeft en waarvan te Leeuwarden en te 
Leiden exemplaren zijn. 

Dat er bastaarden zullen gevonden worden, dit is niet 
onwaarschijniyk maar zeker , zoodat men met zekerheid deze 
ook zal aantreffen. 



134 DE PRAEHISTORISCHE 

De schedels, die in het Museum van het Friesch Ge- 
nootschap aanwezig zijn, komen geheel overeen in vorm, 
in maat, in habitus, met de beschrevene door Eütimeyer, 
Jeitteles , Wöldrich , Studer en Naumann , die zij gevonden 
hebben in de stations der steen- en bronsperiode der paal- 
woningen. Wanneer men de teekeningen der verschillende 
schedels met deze natuurlijke exemplaren vergelijkt , dan be- 
hoeft zelfs de oppervlakkige beschouwer niet te twijfelen. 

Er is derhalve een vondst gedaan van niet geringe waarde , 
die over den toestand van ons land in den praehistorischen 
tijd eenig meerder licht verspreidt. Wij hebben een aan- 
wijzing meer, dat de terpen paalwoningen zijn geweest. 

De cerste, hoewel ik er op gewezen heb, dat zij nîet 
geheel juist is, de eerste aanwijzing is die van Pigorinî, 
de tweede : men vindt in de terpen palen , die een bepaal- 
den grondslag aanduiden , en de derde : men vindt dezelfde 
schedels van honden , die in de paalwoningen op andere 
plaatsen en in holen worden aangetroffen. De schedels van 
genoemde honden vindt men meestal op of beneden het 
maaiveld , meermalen 1,50 M. er onder. 

De Canis palustris behoort tot de eerst getemde dieren 
van den mensch. Studer wijst er op , dat dit dier met het 
zwijn en het hoen de eenige dieren der nog levende paal- 
bewoners zijn. 

Nog weinig beschaafd , trok hij met zijn weinîg beschaaf- 
den meester mede , terwiji zijn beide natuurgenooten tot geep 
meerderc ontwikkeling kwamen. Hij stond, evenals zijn 
meester, op dezelfde lage ontwikkeling als de fijne hond 
van den Egyptenaar met zijn meester op een hoogen trap 
van beschaving was. 

Wanncer het zal zijn uitgemaakt, dat hij afkorastig is 
van den Chakal, dan weet men, dat hij uit zuidoostelijke 



HONDEN DER TERPEN. 135 

richting met zijn meester is medegekomen. Doch hehalve 
de genoemde hondenschedels vindt men in den ondergrond 
der terpen tot 1,50 M. beneden het maaiveld den Bospri- 
migeniuB, die door Rütimeyer in de paalwoningen is ge- 
Yonden. Te Robenhausen vindt men hetzelfde als bier, den 
hond en den Bos primigenius, de beenenschaats enz. 

In het Museum te Leeuwarden is tevens een stuk sche- 
del van een rund , dat volkomen de Bos brachyceros , de 
turfkoe van Rütimeyer is, en evenals die in de stations 
der paalwoningen voorkomt. 

Het is zoo goed als zeker, dat Pigorini goed beeft ge- 
aden, dat terpen paalwoningen zijn. 

Ik ben het evenwel niet met hem eens , dat zij van be- 
trekkelijk jongen tijd zijn. 

Als men nagaat, dat afbeeldingen op vaatwerk uit de 
2de eeuw na Chr. dateeren , waarop de aeguses en vel- 
tragas voorkomen, dat de Galliers zich 390 j. v. Chr. 
onder Brennus van honden in den oorlog bedienden, dat 
er steenen en bronzen wapenen in de tcrpen worden aan- 
getrofifen, dat het vaatwerk onder uit een terp dunner en 
minder gebakken is dan uit hoogere gedeelten, dan geloof 
ik , dat zij van veel ouderen datum zijn dan Pigorini meent. 

Hetgeen hij fe Leidcn en te Leeuwarden heeft gezien, 
zou uit de tweede ijzerperiode zijn. Maar hoe rijmt men dit 
met de beschrijving van Plinius, die in 79 na Chr. bij de 
uitbarsting van den Vesuvius gestorven is ? Toen waren de 
heuvels der Chaucen er reeds lang geweest ; men hoopt deze 
geduchte heuvels niet in enkele jaren alleen met de handen op. 

Wat de bronshond van Jeitteles aangaat, deze zou vol- 
gens hem van den Indischen Chakal afstammen. Hij zou 
derhalve mét een volksstam uit het oostcn zijn gekomen , 
of op een of andere manier hier zijn doorgedrongen. 



130 I)E PRAEHISTORISCHE 

Dit doordringen van dieren is geen ongewoon verschijnsel ; 
de zwarte rat hebben de ouden niet gekend, doch die is 
uit het oosten gekomen , thans is hij hier geheel verdrongen 
door de bruine rat, die in het midden der vorige eeuw 
(1727 — 1730) uit het oosten is binnengedrongen , zoodat 
men thans nimmer een zwarte rat vindt. 

De Saxers brachten den Bos primigenius, j>domestic-ox", 
in 449 na Chr. in Engeland. De kat kwam er ongeveer 
in 800 — 1000. Nimmer heb ik een schedel van een kat 
in de onderste lagen der terpen aangetroffen. Die men in 
de terp hooger vindt, zijn uiterst gering en staan tot 
die der honden in aantal als 1 — 40. Wel vindt men er 
zwijneschedels en sporen van hanen. De Papuas op N. 
Guinea , paalbewoners , hebben nog enkel als huisdieren den 
hond, het zwijn en het hoen. 1) 

Dit laatste is ook het geval met den turf hond ; men vindt 
dit dier in geen latere perioden als constante soort, de 
bronshond verdringt hem geheel. Wel vindt men vele over- 
gangen , die door kruising van beide zouden zijn ontstaan , 
hetgeen niet onwaarschijnhjk is. 

In den bronshond vindt men den stamvader der seguses , 
den brak der Friesche wetten , nauwkeurig door oude schrij- 
vers beschreven, doch de hazewindachtige vorm komt ge- 
heel met den herdershond overeen , behalve de eigenaardige 
kenmerken van den bronshond. Volgens af beeldingen heeft 
hij een spitser kop en langer haren. 

Als overgangsvorm zien sommigen ook de C. f. inter- 
medius aan, doch ik betwijfel het; de schedels, die ik 
onderzocht heb, zijn mij te sprekend. Ik geloof eerder, dat 
hij van den grooten Âfrikaanschen Chakal afstamt, hetgeen 



1) Rütimeyors Verli. d. Naturf, Ges. iu Bascl , VI, 3, 1877. 



HONDEN DER TERPEN. 137 

Jeitteles yoor mij reeds gezegd heeft. Ik beschouw hem 
als den stamyader van den C. acceptorius, den windhond 
der Friesche wetten, den veltraga van Gr. Faliscus. 

Wat de petrones en damarets van dezen schnjver aan- 
gaat, hiervan heb ik niets gevonden, misschien zijn er 
schedels van. Die van de petrones zouden veel met dien van 
den dashond overeen moeten komen en wellicht ontstaan 
zijn door kruising, of later zijn ingevoerd, daar zij op 
Egyptische monumenten voorkomen. 

Behalve de platen heb ik er twee tabellen bijgevoegd tot 
vergelijking ; de eerste geeft de maten op van verschillende 
honden, gevonden in paalwoningen. 

De tweede de maten der drie soorten, ter vergelijking 
met die, welke in de terpen gevonden zijn. 



UE PRAEHISTORISCHE 



s 



OMSCHRIJVING. 



u 






d 

oö 



w 



Schedellengte 

Grootste breedte des schedels 
tot de jukbeensbogen . . 

Lengte van het harde ge- 
hemelte 

4 Lengte der neusbeenderen m 
het midden 

Breedte tusschen de hoek- 
tands alv 

6 Breedte van den snuitmhet 
midden 

A&tand der proc. orbit. van 
het voorhoofdsbeen . . . 

8 Grootste breedte der alveol. 
der bovenkaak .... 

Lengte des achterhoofdskams 
tot den wortel van het 
neusbeen 

40 Schedelhoogte van het wig- 
gebeen tot den voorhoofds- 
naad 

11 Lengte der baktandsrei . . 



171—478 



106—114 



96—101 



68—70 



45—50 



61—68 



108—114 



47-56 



170,5 



92,5 



47—49 



68 



112 



48—55 



177 



414 



98 



64 



69 



122 



57 



HONDEN DER TERPEN. 



;s 



â 






08 



I 






fl 

•3 



fl 
o 



08 



2 






o 

> 

4 



152 



140 



150 



147 



152 



155 



156 



90 



86 



90 



102 



97 



92 



99 



85 



77 



83 



80 



81 



88 



85 



55 



51 



54 



53 



60 



60 



61 



2-2 



19 



22 



20 



24 



23 



43 



46 



40 



44 



47 



44 



45 



41 



60 



54 



55 



57 



59 



64 



62 



56 



61 



95 



92 



99 



100 



93 



94 



102 



101 



107 



52 



50 



51 



48 



54? 



53 



51 



DE PRAEHISTORISCHE 



1 


OMSCHRIJTING. 


C. ( 


matr 


opt. 


C. f. intenn. 


öi 


Olmütz. 


j 


' i 
î' 


1 1 
1 


-fs 


1 


II 


i-S 


2 
S 


1 


SchedeUengte 


(84 


180 


170,5 


164 


164 




134 


2 


Grootato breedte dea schedels 
tot de jukbeenabogen . . 


112 


— 


— 


97 


— 


— 


92 


3 


Lengte van het harde gehe- 
melte 


103 


101 


02,5 


95 


92 


95 


75 


4 


Lengte der neusbeenderen in 
het midden 


68 


70 


_ 


64 


59 


— 


— 


5 


Breedto tuaschen de hoek- 
tanda alveol 


38 


34 


39 


34 


38 


36 


30 


6 


Breedte van den snuit in het 
midden 


37 


32 


41 


33 


35 


33 


28 


7 


A&tand der proc. orbit. van 

het Toorhoofdübeen . . . 


57 


45 


— 


51 


51 


52 


40 


8 


GrootBte breedte dor alveol. 
der bovenkaak .... 


m 


Ul 


68 


00 


64 1 61 


52,S 


9 


Lengto dea achtorhoofdakams 
tot den wortel van het 
neusbeen 


111 


108 


112 


97 


101 — 


87,S 


10 


Schedelhoogte van het wigge- 
been tot den voorhoofde- 
naad 


50 


47 


55 


53 


55 — 


48 


H 


Lengte der baktandsrei . . 


70,5 


70 


- 


60 


65,5 


66,5 


67 



I 



HONDEN DER TERPEN. 



C. f. matr. optim. 



OMSCHRIJVING. 



■§"05 



Hallum. 



OQ 

s 

O) 
O) 

H 



Perf. honden. 



Windh. 
acht. 



C. f. inter. 



00 



O) 



C.f.pal 



Aalstt: 



1 i Schedellengte 



6 



8 



9 



Grootste breedte der schedels 
tot de jukbeensbogen . 

Lengte van het harde ge- 
hemelte 



Lengte der neusbeenderen 
in het midden . 



. • 



Breedte tusschen de hoek- 
tands alyeol. 



* • • 



10 



11 



Breedte van den snuit in het 
midden 

Afrtand der proc. orbit. van 
het Toorhoofdsbeen . 

Grootste breedte der alTeol. 
der boTenkaak . . . 

Lengtedesachterhoofdskams 
tot den wortel Tan het 
neusbeen 

Schedelhoogte Tan het wig- 
gebeen tot den Toorhoofds- 
naad 

Lengte der baktandsrei 



219 



115 



115 



75,5 



49 



49 



62 



81 



192 



111 



104,5 



68 



46 



46 



63 



81 



123 



58 



76 



186 



117? 



102 



68 



42 



41 



59 



73 



122 



53 



74 



176 



105? 



101 



? 



39 



40 



50 



62 



116 



57 



71,5 66 



106 



50 



174 



? 



95 



60 



39 



37 



47 



160 



98? 



90 



59 



35 



32 



50 



66 


38 


119 


100 


47 


56 


67 


66 



138 



88 



80 



52 



30 



29 



41,5 



53 



90 



42 



60 



. • •• • 



DE mm W GOIIDEN mVEilPEN 



EN 



Gouden Merovingische Munten, 

te DRONRIJP, 



besehreven door Mr. J. DIRKS. 



i^ vmM mn êouden ^mratti^m 

EN 

GOUDENT MEROYINGISCHE MTJNTEir, 

te DRONRIJP. 



Op Maandag den 13 Maart 1876, des voormiddags , werd 
door Wijbren Douma, arbeider, bij het afgraven van eene 
terp, gelegen onmiddelijk aehter het boseh van den huize 
Schatzeriburg , eigendom van en toen nog voortdurend be- 
woond door Mr. A. Quaestius, ten noorden van het dorp 
Dronrijp, (gemeente Menaldumadeel , provincie Friesland) 
eenige kleine gouden munten en gouden voorwerpen gevonden. 

De terp of althans het gedeelte er van, waaruit zij te 
voorschijn kwamen, behoorde aan den landbouwer G. M. 
van der Eooi, wonende in de Poelen ten oosten vanDron- 
rijp. 1) De terp zelf in 1876 reeds gedeeltelijk (thans ge- 
heel) afgegraven , muntte onder de vroeger zoo bekende , thans 
bijna verdwenen Dronrijper schilderachtige terpen door hoogte 
en uitgestrektheid uit. De genoemde voorwerpen kwamen 
aan de helling er van op eene diepte van ruim twee voet 
te voorschijn. Zij waren gelegd in een klein potje, waar 
de arbeider dwars doorheen stiet met zijnen gzeren schop 
en dit daardoor zoodanig vemielde, dat Mr. A. Quaestius 



1) Zie de aanteekening achteraan. 

10 



146 DE VOXDST VAN GOUDEN 

(die ons bijna onmiddelijk (15 Maart 1876) van de vondst 
kennis gaf en zich zeer veel moeite getrooste om dien 
kleinen schat voor den smeltkroes te behoeden) er later op 
de vindplaats zelfs geen voegzaam stukje van kon vinden. 
De vondst bestond (a) uit 28 kleine en door de later daar 
nog bijgekomen twee zeer klein korrelachtige stukjes uit 
dertig gouden muntjes. (b). Uit vier stuks dikke geslagen 
gouden, langwerpige meer of min gebogen goudenplaatjes, 
waarvan drie pl. C (1 — 3) snebvormig doorboord met kleine 
ronde of langwerpig vierkante gaatjes , kennelijk daarin ge- 
maakt om er draden of klinksels door te steken of te drij- 
ven ter aanhechting van (zooals wij meenen) eene tasdi, 
Ook het vierde pl. C (4) snebvormig bijna even groot voor- 
werp (maar niet doorboord) behoorde kennelijk tot het 
binnenste van dien beugel van de tasch. Aan de binnen- 
zijde van de zich daaraan bevindende sneb is dan ook een 
aanhechtingsplaatje zichtbaar. Zeer merkwaardig is het 
stuk pl. C (1) als het snebvormig overblijfsel van het 
slot kenbaar aan de tanden der kunstige sluiting en het 
sleutelgat. Ook hieraan bevinden zich een negental klink- 
of aanhechtingsgaatjes. Dit voorwerp hebben wij, duide- 
lijkshalve , zoowel van de btnten' als van de bi^inenz^de op 
plaat C laten afbeelden evenals al de andere in natuurlyke 
grootte. Het gewicht er van is : 20 gram. De doorboorde voor- 
werpen pl. C (2-3) wegen ieder 21.5. De niet doorboorde 
pl. C (4)in twee stukken gebroken maar weder zamen gevo^pde 
sneb weegt 12 gram. Er waren dus eigenlijk v\jf gouden 
brokstukken yan hetgeen wij voor den beugel van eene tasch , 
deswegens ook beugdtasch genaamd , houden , eene meening 
in 1876 bevestigd door het eenparig oordeel van deskundige 
goudsmeden. — Doch in een brief van 1 Januari 1877 
uit ^s Gravenhage aan mij gericht door den heer J. E. Hooft 



VOORWERPEN ENZ. 147 

van Iddekinge, lees ik: ï)Wat u voor de fragmenten van 
»een beugel aanziet acht ik de overblijfsels van ietsanders. 
»Drie van de vier fragmenten passen volkomen aan elkan- 
»der (pl. C 1 — bovenzijde 3 en 2 omgekeerd) en het vierde 
»(0 4) sluit daar onder juist er in en tegen aan. Op die 
iDwijze tegen elkander gelegd komt een figuur dat doet den- 
»ken aan den fraaien gordelhaak van Wieuwerd. 1) AUe 
»opgelegde omamenten waarvan de plaats door de gaatjes 
»is aangewezen zijn verdwenen, op een klein fragraent 
»van den rand na boven bij (C I) , dat nog aangeeft op welke 
»wijze het voorwerp was versierd. Terwijl wij echter in 
»de gordelsluiting van Wieuwerd dat deel hebben waaraan 
»het oog was gehecht, hebben wij hier het andere deel 
»waaraan de haak was verbonden, en wel blijkens hetnog 
ïoverige bueje op zoodanige wijze , dat de haak kan draâijen 
^Ddoch het beslag zelf op den gordel onbewegelijk was vast 
x>gemaakt. De dikte tusschen (C 3) en de sneb omgekeerd 
»van (C 4) komt juist overeen met die van zeer zwaar leder 
»zooaIs wij het nog heden kennen en gebruiken.'' 2) 

Doch van die omamenten die los zouden geraakt zijn is 
geen spoor gevonden en wat H. v, L daarvan als een eenig 
overblijfsel aanzag is het sJot. Het sleutelgat is er vlak ne- 
vens en naast C 1 bovenzîjde behoeft H. v. L nog rechts een 
zeer groot (ook ontbrekend) stuk om den gordelhaak aan te 



1) Door ons volgens de afteekening van Hoofb van Iddekinge af- 
gebeeld in de Revue de la Numismatique Belge 1867 pl. VI no. 9, 
later ook beschreven door Dr. L. J. F. Janssen. 

2) AIs brokstuk van een gordelhaak dan ook afgebeeld door Dr. 
W. Pleyte in zijn Nederlandsche Oudheden pl. XX no. 15 en be- 
schreven blz. 15 als: „£enige stukken van cen gordelklamp of gesp, 
„in vijf stukken gehakt met het doel om versmoltcn te worden , twee 
„der Btukken ontbreken; het voorwcrp komt met de gewone Franki- 
^sche gespen overeen, het oog en de tong zoowel als dc opgelegdc 
,,versieringen en edelgesteenten zijn er afgenomcn." 



148 DE VONDST VAN GOUDEN 

hechten. 1) Hoe het zij , gouden gordelhaak- of gouden beu- 
gel-fragment , beide bewijzen (gevoegd bij den niet minder 
dan 45.5 gram wegende gouden staaf (C 6) ook bij de be- 
schreven voorwerpen gevonden) dat er in Priesland in de 
zevende of achtste eeuw , toen zij aan de aarde toevertrouwd 
werden, geene zoodanige armoede heerscHte als men ge- 
woonlijk meent. Gouden beugels aan de tasschen zijn nog 
bij bemiddelde Friesche famihes aanwezig. Vitrine 146 
van de Historische Tentoonstelling bevatte er dine stuks van 
goud en 23 stuks van zilver , en die er prachtige exempla- 
ren van wil zien, bezoeke de Hindeloper kamer in het 
Museum van het Friesch Genootschap en zie aldaar hoe de 
Hindeloper moeder en dochter ze dragen. 

Eindelijk bevonden zich in het verbrijzelde potje nog 
twee andere gouden voorwerpen. 

Het eerste afgebeeld pl. C (5) is een klein, slechts 0.3 
gram zwaar , gouden hangertje , een vrouweusieraad. Oor- 
spronkelijk zat in het daarin zichtbaar gaatje een gekleurd 
steentje of jja^e of wellicht een robijntje of zoo iets. Het 
tweede voorwcTp was veel grooter , hartvormig , versierd 
met drie kleine robijntjes (twee in top en een beneden 
aan het uiteinde), zijnde de beide bovenste steentjes daarin 
nog aanwezig. 

Het mocht Mr. A. Quaestius niet gelukken dit vrouwen 
borstsieraad van den eigenaar ter afteekening of in eigen- 
dom te bekomen. Doch eene bij mij aanwezige schetstee- 
kening is voldoende om den vorm en de bestemming er 
van aan te toonen. 



I) Plcytc t. a. p. „Dcze versohillcnde stukken vorraen dcn gehee* 
„Icn schat. Hij ia wcllieht afkomstig van cen muntmeester , die uit 
„vrccs voor diefstal dien bcgroef op dcn Schatzenburg. En do gissing 
„schijiit guwcttigd , dat de man zich in dc licdcn zijner omgeving niet 
..bedroog . hera is in iedcr geval de gelegenheid tot opgraven ontnomen. 



VOORWERPEN ENZ. 149 

Deze beide vrouwen sieraden ondersteunen onze meening 
dat wij hier met een vrouwen-beugeUasch te doen hebben 
en niet met een stevigen inansgordel, 

Het géwestelgk bestuur van Priesland onderricht van de 
vondst en de belangrijkheid er van bevroedend , nam zonder 
aarzelen het voorstel van het Friesch Genootschap aan om 
dezen kleinen schat voor het Provinciaal Museum aan te 
koopen. Na eenige onderhandelingen gevoerd door Mr. A. 
Quaestius gelukte zulks: de 32 muntjes werden voor fSO,T> 
en de gouden voorwerpen voor /"161.25 aangekocht en be- 
rusten nu als P(rovinGiaal) E(igendom) in het Museum van 
het Priesch Genootschap. 

Wij gaan nu over tot de beschrijving, bepaling of toewijzing 
en opheldering der 30 stuks munten , voor zooverre zulks uit- 
voerlijk en ons althans mogelijk is, want vele er van mis- 
sen alle opschriften, andere vertoonen die zeer verminkt of 
onvolledig. Slechts de type aanwijzing is bij de meesten 
de leidsvrouw. 

Na vooraf te hebben opgemerkt dat al de op de platen 
A — B onder no. I — 28 afgebeelde muntjes tiers de sd of 
derde gedeelte van den sdidus zijn, gaan wij tot de be- 
schrijving over. 

1. Maastincht. Gewicht 1.19 Rechts gewend borstbeeld 
met een kruisje (-H) voor zich, gedekt met een diadeem of 
muts van achteren in den zwaluwstaartvorm en van voren 
knopvormig eindigende 1). Omschrift (de letters hersteld) 
OTRIECT -h zijûde TRIECTO. Kennelijk wordt hierdoor 
Maastricht of ütrecht aangeduid. 

Met Perreau in de Revue de la Nurnismatique Belge 1 846 , 
p. 333 kiezen wij Maastridit als muntplaats. Wij wijzen 



1) V. d. Chijs zegt „met zeer opgesicrd haar," 



150 DE VONDST VAN GOUDEN 

er op dat deze voorzijde verschilt met die bij Dr. v. d. Chijs 
in zijne Miinten van Frankûiche, Duitsche en NederlandscJie 
vorsten, (Haarlem 1846 pl. VII (13) aigebeeld en blz. 77 
beschreven tiers de soL 

Aldaar is ons tweede kruisje (-f-) duidelijk een T, de 
ruimte achter T en de omgekeerde R is oningevuld, 
terwijl op het exemplaar van Dronrijp een paar voor het 
omschrift niet in aanmerking kunnende komen letterteekens 
zichtbaar zijn. 

Keerzijde, Een groot zoogenaamd Karolingisch kruis of 
croix d hranches égales volgens Lelewel Numisniatique du 
Moyen-Age (Paris 1835, Atlas Table XXXVI Explication 
de la table XXXII (19 — 21) onder ^lvi/i/^ in Rome omstreeks 
het jaar 455 ontstaan en onder de Merovingiers met fijne 
of dunne stijlen (somtijds gecantonneerd) tegen het jaar 700 
meer in gebruik gebracht. De cantonnage (twee bolletjes 
boven links en rechts van het kruis) ontbreekt niet. 

Oinschrift : even als bij v, d. Chijs , (doch aldaar duidely- 
ker) ANSOALDO , zijnde de naam van den muntmeester 
ook op dergelijke tiers de sd afgebeeld bij v. d. Qiijs t. 
a. p. onder no. 11 tot 13 voorkomende. 

2. Orleans, gewicht 1-17. Een rechts gewend zeer klein 
borstbeeld , gedekt met een kapje in een strik eindigende , 
en de hals of de zoom van het kleed met parels versierd. 
Hoog vôor het voorhoofd een gelijkvoetig kruisje (+) , het- 
geen ons met Lelewel, I, p. 37, doet zeggen, Dcette piêce 
n'est pas trop ancienne car elle a une croix â des bran- 
ches égales." 1) 

Omschrift f MAVRINV8 M0NITARI(v8) {muntmeester 
Maurinus) even als op een dergelijk muntje afgebeeld in de 

1) Lelewel I p. 36 eu 60 vermeldt, ^^Maurinus dont les piêces sout 
uombrcuscs." 



VOORWERPEN ENZ. 151 

Monétaires Afërovingiens Pains 1 843 , (quarto) planche 1 
(8) en met het onze geheel overeenkomende te zien. 1) 

Keerzijde. Een zoogenaamd verhoogd en geappeld kruis 
{croix hanssée pommetée), welk verhoogd kruis in Rome 
(volgens Lelewel Tab. XXXVI en XXXII (1 -4) onder 
Keizer Theodosius 11 omstreeks het jaar 408 voor den dag 
kwam, soms geappeld is en bij de Merovingiers van het 
jaar 550 — 750 voorkomt. 

Omschrift + AVRELIANIS ClV(itas). {De gemeente of 
stad Means). De reeds aangehaalde af beelding in de Mo- 
nétaires heeft CIVI, doch ons no. 2 komt overeen met 
Lelewel, pl. IV (5). 

3. Huy in België, gewicht 1-27. Rechts gewend zeer 
misvormd borstbeeld met een geparelde hoed of diadeem 
gedekt. Het voorwerp dat hij draagt zal een scepter of 
lans zijn. 

Omschrift CHOE PI(t). Gedagen te Huy. In de 
Monétaires Mérovingiens pl. I (13), woi*dt een solidus met 
nagenoeg dit omschrift toegekend aan Coije en Beauvoisis 
evenwel met een? maar men vindt ook aldaar op pl. 21 
(14 — 17) drie tiei^s de sd met Choe fit enz., die p. 6 be- 
paald aan Coije worden toegekend. Lelewel dacht aan 
Cayeux. Het gelukte aan den scherpzinnigen Louis de 
Coster om in de Revue voornoemd (1859 p. 385 — 390 en 
Bevue 1860 p. 369) te bewijzen dat Huy de muntplaats 
van dezen tiers de sd is. 

Keerzijde. Een kruis verhoogd door het op een scham- 
mel {piédouche) te zetten. Onder den schammel een bol of 



1) Ëlders, I p. 60, zegt Lelewel ^^Maurinus d'Orléans omait quel- 
„ques uues de ses piêces avec la croissette devant le profil ce qui pa- 
^rait les attacher k la seconde moitié du Vle siêcle." Inderdaad moet 
no. 2 langen tijd in omloop zijn geweest. 



152 DE VOXDST VAN GOUDEN 

ring. Omschrift BERTOAL(dvs) , de naam van den munt- 
meester. 

4, 5, 6 en 7. Deze zeer raadselachtige tiers de scl be- 
hooren om de overeenkomst van voor- en keerzijden aan 
dezelfde muntplaats te worden toegekend. Ook het gewicht 
van no. 4 en 5 is van beide 1.26. No. 6 weegt 1.24doch 
no. 7 slechts 1.13, trouwens dit stukje heeft het hoogst 
ruw gesneden , gehamasd ? gehelmd (?) borstbeeld rechts ge- 
wend terwijl dit bij no. 4 — 6 links gewend is. Ook de keer- 
zjjden van al deze muntjes vertoonen ter weerszijden van 
het kruis de veel al meer of min verminkte letters L V 
(het best op no. 7), terwijl de fragmenten van letters 
als omschrift gcene namen vormen, door ons althans niet 
als zoodanig herkend werden. — Wij moeten daarbij op- 
merken dat hct niet voor het eerst is dat deze hoogst bar- 
baarsch gesneden muntjes in Friesland zîjn gevonden. Reeds 
in 1858 hebben wij er een afgebecld. 1) (Borstbeeld links 
gewend. Keerzijde. Het kruis in parelrand vergezeld 
(zeer duidelijk) met L— V,) toen voorhanden in de ver- 
zameling Simtee te Leeuwarden. Prof. v. d. Chijs gaf 
datzelfde muntjc nog eens in 1866 uit in zijn reeds aan- 
gehaald werk, pl. II, no. 21 (beschreven blz. 16 — 17) 
en voegde er op zijn Supplement plaat XX (5) nog een 
twccde bij (ook blz. 17 vermeld) alwaar ook naar een derdo 
verwezen wordt, afgebeeld in de Mouétaires Mêrovingiens 
pl. 28 (9). Doch het laatste muntje evenals dat van Santee , 
vertoondo vô6r het hoofd een liggende S of wijdbcenige M 
en daar achter EA, voor ons (zegt r. d. Chijs, blz. 17(die 
de liggende S of M echter niet vermeld) van geheel onzekere 
beteekenis. — Andere afbecldingen van dergelijke muntjes 



1) Revue vooruoemd, 1858, pl. 1 (6) p. 12. 



VOORWERPEN ENZ. 153 

hebben wij niet aangetrofFen. Bij het wegen er van schreef 
de heer Hooft van Iddekinge bij allen Keulen, Muntmees- 
tei' N. N. doch in het verslag der Exposition du Vicomtede 
Pontan d' Amecourt au Trocadero (1873) des monnaies 
frappées par les Barbares (476 — 800), 1) (niet minder dan 
2118 nummers bevattende) komen (p. 364) de volgende 
tiers de sd uit Holland, voor. Duerstede 23, Utrecht 8 
en Or 42 en Argent en Leyde met een? II en Or. 

In de Monétaires Mérovingiens ^ p. 7, werd het muntje 
betiteld Dégradation du tijpe de Sigebert H (638—656) â 
MarseiUe? zeker om de letters M AE (Massiliae) doch de 
Vicomte de Ponton d^Amécourt bracht het LV op een an- 
der Lvgdvnvm als Lyon over wier tiers de sol (afgebeeld 
in de Monétaires Mé*ovingiens pl. 28 (2 — 7) duidelijk 
hebben Lvgdvno fit, Het Lvgdvnvm Batavorvm kwam 
dien grooten muntkenner voor den geest en in de Numis- 
matic Chronide van 1872 (Part. H, p. 77) naar aan- 
leiding van het vinden van een dergelijke tiers de sol met 
eene menigte anderen bij Crondal (Hantshire) in Engeland 
ontdekt, (beschreven en opgehelderd in theNum. Chron. 
Vol. VI en Vol. X p. 164—176) Uet hij zich aldus uit. 

dNo. 15. Cette monnaie se rencontre assez souvent dans 
)!>les collections frangaises. Quoique les legendes soient tou- 
»jours barbares et qu'on n'ait par encore retrouvé un pro- 
ïtotype qui en donne le sens , on peut sans trop de témérite 
jrattribuer â Lugdunum Batavomm (Leyde) k cause des 
»initiales L U = L V." 

Natuurlijk valt hier het later ontstaan Leiden weg maar 
niet het Lvgdvnvm Batavorvm dat daar toch zeer dicht bg 



1) In het Annttaire de la Societé fran^aise de Numismatique et 
dTArchéologie (Scconde Serie T. I. 4me partie 1880. T. V. de la col- 
lection de Paris.) 



154 UE VONDST VAN GOUDEN 

gelegen was. Eene enkele sterkte, eene marktplaats , een viais 
ja eene vUla waren aanleiding voor de tol- en belastingheffers 
in dit Merovingisch tijdvak , om aldaar tiei^s de sol te slaan. 
Ilet veelvuldig voorkomen van dezen type in Friesland doet 
aan eene in of niet te ver van dat gewest verwijderde munt- 
plaats denken Sed judicent pentiores. 

8. Rio)n in Frankrijk, gewicht 1.19, doch het stuk is 
besnoeid of liever-getierceerd. 

Voorzijde. Een rechts gewend barbaarsch gesneden hoofd 
dat rust op een borst die veel heeft van een kuipers vuur- 
haardje, doch een harnas of een met lutsen â la Brayvden- 
boimj bezet kleed zal aanduiden. 

Omschrift -f- RIOM(agvs). 

Kecrzijde, Kruis met voetstuk (in parelrand). 

Omschrift ARIFREDVS M(onetarivs). 

9. Vic sur Cerre in Auvergne (Frankrijk), gewicht 1.29. 
Scherp en diep gesneden. Voorzijde. Rechts gewend , scherp 
uitkomende buste , waarvoor VICO F(it) blijkens de af beel- 
ding van een dergelijk muntje op pl. 49(2) der Monétaires 
Mérovingiens , âlwaar bij de achterzijde van het hoofd slechts 
eenige afgebroken letters zichtbaar zijn. 

Keerzijde, Eene aan tiers de sol vreemde symbolische 
voorstelling van een jager die het door hem ter neder ge- 
veld roofdier (wolf ?) vertoont. Hij staat met uitgestrekte 
beenen , iets links gewend , voor den beschouwer ; met zijne 
uitgestrekte linkerhand houdt hij een op den grond recht- 
standig steunende , gedraaide stok of lans vast en in de uit- 
gestrekte rechterhand een vrij groot dier (wolf?). Van het 
om- of onderschrift van dezen anders scherp gesneden tiers 
de sol zijn maar eenige brokstukken van letters zichtbaar. 

In de J/(>?i^»^r/ms pl. 49(2) verschilt dekeerzijdeeenigszins, 
waarschijulijk door de min juiste afteekening van een min- 



VOORWTRPEN ENZ. 155 

der scherp exemplaar dan het onze 1). In de aanteekening 
daarop (pag. 10), leest men alleen i>Piêce frappée en Au- 
vergne." In dat bergachtige gedeelte van Zuid-Prankrijk, 
waar de Loire , Cher , Vienne en Lot ontspringen , waren 
ivdven in den Merovingischen tijd overvloedig. Wij vonden 
aldaar eene overoude plaats Vicus ad Cerem nu Yic en 
Carlades sur la Serre 2). 

10. Mainz^ gewicht 1.24. {A fieur de coin), 

Voorzijde, Rcchts gewend borstbeeld met lang krullend 
haar en diadeem waarin drie parels zichtbaar zijn. 

Omschrift in soms halve, verknoeide of omgekeerd ge- 
plaatste letters MOGVNCLiCO PI(t). Geslagen te Mainz. 

Keerzijde. Een kruis in parelcirkel , geflankeerd links en 
rechts aan den voet met het cijfer VII. Volgens E. Car- 
tier {Revue Numismatique) Année 1839 (de BUns) p. 427 
staat dit cijfer VII , in verband met het cijfer XXI op den 
sdidiis, sol of sou d'or (waarvan deze tiers de sd het een 
derde is), en tot de oorspronkelijke zwaarte van 0.28 en 
84 grammen. 

Deze Vn komt ook voor op no. 11 , en 14 en als IIV 
op no. 12 en 15 aanduidende den triens (Monét. Mérov. p. 
12, pl. 57 no. 24.) 

Omschnft + GAROALDO MON(etarius) , vergehjk Moné- 
taires Mérov. pl. 32 (12) , (doch met een andere krans 
om het kruis) den tiers de sd van Mainz van Mantuarius 
mo(netarius) en pl. 57 (2) met parelcirkel. 



1) Vosgien Dictionnaire géographique ût voce, Vic sur Cerre, Guide 
en France cPAmedée de Cesina {Paris 1863) , alwaar minerale wateren. 

2) Vergelijk den tiers de sol bij P. Petau Explication de plusieurs 
Antiquités. Edit. d'Amsterdam 1757 > quarto, pl. C (I no. 3, alwaar 
de man de yoorwerpen anders om houdt (kruis en palmtak ?) (Mis- 
teekend?) 



156 DE VONDST VAN GOUDEN 

11. Mainz, gewicht 1.27 V 2. Ongestempeld en niw. 
Keerzijde, waarsehijnlijk als no. 10 met Garoaldo. 

12. Mainzj weegt 1.24. Voorzijde ruw. Keerzijde met 
n Y schijnt gegoten te zijn, van daar ook het omgekeerd 
voorkomen van VII. 

13. Mainz, gewicht 1.25 (gegoten?) Voorzijde buste 
als op no. 10. 

Keerzijde. Het kruis niet zoo als op no. 10 — 13 in pa- 
reldrkel maar in een lauwerkrans als Monétaires Mérovin' 
giens pl. 30 (12), doch het omschrift verschilt. 

14. Van ? gewicht 1.22 â fleur de coin, 

Voorzijde. Kruis met armen geplaatst op een bolvormig 

voetstuk (vergelijk Monétaires Mérovingiens pl. 57 (4). Om- 
schrift zeer duidehjk maar de meeste letters zijn van vreem- 
den vorm, aan de uiteinden soms met bolletjes voorzien, 
b.v. de A of Delta die ook op de munten van £^orestate 
(Dimrstede) als A voorkomt. Opmerkelijk is het dat in de 
rijke verzameling van onzen geachten penningmeester mr. A. 
Looxma Ypey ook een tiers de sd voorkomt, (hoogstwaar- 
schijnlijk ook in Friesland gevonden) met dezelfde vow — 
doch met een andere keerzijde. Uitgegeven door den heer 
Raymond Serrure in de Revue Numismatique , Paris 1886 
pl. VI no. 11 en beschreven pag. 47. Evenmin als deze 
bekwame en ijverige muntkenner weten wij deze letters 
te huis te brengen. 

Kcerzijde. Kruis met VII. Omschrift volgens Serrure 
TASIVAO of TAGIVAO. 

15. Van ? Gewicht 1.22.5, gegoten. 

Voorzijde. Kruis met armen geplaatst op een halven bol 

waarin een liggende S, zoo het schijnt misschien het slot 
van het omschrift door misvormde letters zeer onduidelijk 
BODOILVS. (?) 



VOORWERPEN ENZ. 157 

Keerzijde. KnÚB H V in parelrand. 
(16 — 19). Vertoonen dezelfde zonderlinge kruisen op de 
keerzijdcn. 

16. Van . . . . ? Bleek goud, gewicht 1-11. 
Voorzijde. De ruwe sporen van eene rechts gewende buste 

gevormd door een twaalftal bolletjes die den mond en neus 
trachten aan te duiden. 

Keerzijde. Een kruis van zonderlingen vorm bij Lélewd 
Table XXXIT, niet afgebeeld. Alhier besloten in een krans 
die bij no. 17 — 18 door de naar binnen uitstekende punten 
den doornenkrans van Jezus Christus wordt. 

Omschrift . . . . ? 

17. Beter goud dan no, 16, gewicht 1.21. Eennelijk 
gegoten. 

Voorzijde. Hoogst ruwe sporen van een hoofd. 
Keerzijde. Het kruis en de doornenkrans met drie naar 
binnen springende nagels. 

18. Best goud, gewicht 1.24 â fleur de coin. Barbaars 
gesneden hoofd. 

Keerzyde. AIs no. 11, doch met een Omschrift. 

19. Goed goud, gewicht 1.24. Zeer ruw gesneden kruis 
met chinsma? (vergelijk Lelewel, pl. XXXH (10) omgeven 
door een doomenkroon waaruit binncnwaarts vier nagels 
schieten (De Eruisnagels?) 

Keerzijde. Een kruisje, besloten in een krans en waar- 
aan twee driehoeken zijn gehecht. 
Omsdirift ? 
20 — 23. Zeer kleine stukjes. 

20. Mainz? gewicht 1.24. Voorzijde Ruw. Keerzijde. 
Een gelijkvormig dik in knoppen eindigend kruisjc {croix 
pommetée) waarbi) beneden of boven (naarmate men het 
muntje keert) drie (2-1) boUetjes. 



158 DE VONDST VAN GOUDEN 

21. Mainz? gewicht 1.16. Dik, scherp gesneden. 
Voorzijde, Kruisje en knopje. 

Keerzijde, Een vreemd kruis, gehjkende op dat bij LéLe- 
wel, Table XXXII (op Table XXXVI croix Brahangonne 
genoemd) doch dat is van veel lateren tijd. Ik zoude het 
croix ä pétales noemen. 

Omschrift . . . . ? 

22. Mainz? Als no. 21 , gewicht 1.22. Voorziide Oni' 
achrift? Kruisje en krans gehecht aan den parelrand. 

Keerzijde als no. 21. Oinschrift? 

23. Mainz? gewicht 1.22 Zeer ruwgegoten, dik. Ver- 
gelijk no. 21-22. Voorzijde. O^nschrift? Kruisje in een 
krans zonder aanhechting. Keerzijde als no. 20-21, maar 
zeer misvormde lyetalen, Onischrifi? 

24. Mainz, weegt 1.22 Vergelijk no. 21-23. Voorzijde 
als no. 23. Omsclmft , . . , ? Keer^zijde als no, 21-22. 
OmscJtrift ? 

25. Keiüen? Sterk besnoeid, gewicht 1,17. 
Voorzijde, Rechts gewend hoofd, gedekt met een helm. 
Keerzijde, Een groot kruis boven den wereldbol geplaatst. 

Daarnevens sporen of overblijfselen van het getal VII, al- 
les besloten in een parelrand. (Barbaarsche navolging). 

26. Mainz? gewicht 1.17. Scherp gesneden. 
Voorzijde, Rechts gewend hoofd gelauwerd, waarvoor 

een paar letters. Kecrzijde, Ilet kruis als op no. 21-24 
Kcrrzijdc in parelrand. Omschnft? 

27. Van . . . . ? gewicht 1.28, gegoten. Voof*zijde, Zeer 
ruw boratbeeld oi fai;e, Omschrift in zeer groote letters. 

Keerzijde, Een gehjkbecnig kruis met een boUetje in 
icder hock. 

ümschrift in zeer grootc lctters BETTVS(?) of BETTI 
monc£{an\xs). 



VOORWERPEN ENZ. 159 

28. Huy, gewicht 1.26. 

Voorzijde. Bijna onkenbaar borstbeeld en omschrift Choe fit. 

Keerzijde' Een staand groot kruis waarnevens een paar 
boUetjes. OmschHft RIÖOALDVS ? 

29 — 30. Dikke gestempelde korrels, wegende 1.32 
en 1.24. 

Lh*. V, d. Cliijs in zijne Munten der Frankische vorsten 
heeft pl. XX no. 1 een dergelijk gestempelde korrel afge- 
beeld, wegende ongeveer een wigtje en in 1866 in de ver- 
zameling van den heer Bloembergen Santee en dus ook in 
Friesland gevonden voorhanden. Hij zegt er (p. 6) dit 
van i>waarschijnhjk heeft het als ruilmiddel gediend. Het 
))heeft gelijk men ziet op de voorzijde drie hoUetjes, op de 
^keerzijde eenige kleine dito. Wij weten niet wat van het 
»stukje te denken , daar ons nimmer iets dergelijks is voor- 
^gekomen. 1) 



AANTEEKENING. 



Dro7i}njp. De geboorteplaats van den beroemden schilder 
L. Alma Tadema. Wij zouden hiervan bij de beschnjving 
van Merovingische oudheden in de nabijheid van dit schoone 
dorp gevonden, geen gewag hebben gemaakt, indien wij 
daartoe ons niet genoopt hadden gevoeld door een paar op- 
merkingen , die wij vonden in het volgende werk : L. Alma 
Tadema, R. A. his Life and Works bij H. Zimmern. Hlus- 

1) Pleyte t. a. p. zegt. „Twee kleine stukjes ter zwaarte van een 
^iiers de sol, moesten waarschijnlijk nog gemunt worden, evenalseen 
„Tierkant staaQe waar deze muntstukjes mn schijnen afgehakty (Dit 
is niet het geval). 



160 AANTEEKENING. 

trated with engravings, wood facsimiles, zijnde dit The 
Art. Annual 1886. Aldaar lezen wij p. 2, )i>dat het opmer- 
))king verdient, dat het gewest, in hetwelk deze schilder 
»geboren werd en leefde als knaap, een is van die HoUand- 
»8che gewesten in welke Merovingische oudheden, munten 
7>en penningen (coins and medals) worden gevonden en het 
»waren de Merovingiache zooals wij later zien zullen, zegt 
ï>Zimmern , welke Tadema's aandacht het eerst op het schilde- 
»ren van historische tafereelen brachten" ! Ook blz. 16zegthij : 
»Gregoriu8 van Tours, Historia Francorum 1) werddoorTa- 
»dema bestudeerd en het gebruik dat hij van dit oude boek 
»maakte is van het grootste belang om licht te werpen op zijne 
»wijze van werken. Hij was toch niet tevreden met de aanwij- 
Äzingen die hij kon verzamelen uit dit werk. De archeolo- 
»gische waarheid van zijne latere schilderijen , spiegelt zich 
»reeds vooruit af in zijn eerst historisch doek {Clotüde hij 
y>het graf van liare klemkinderen). Geene voor hem te ver- 
»krijgen middelen om inlichtingen (over dat Merovingisch 
»tijdvak) te bekomen liet hij verloren gaan en {let wd) iedere 
»muntbijzijne woonplaats (/lome) gevonden , werd bestudeerd." 
Tadema, geb. 8 Jan. 1836 schilderde Clotilde in 1852. 
Onze munten werden in 1876 gevonden. Zimmern draaft 
hier door, ja! spreekt zelfs van Merovingische medailles. 



1) Van dit hoogst belangrijk werk van dezen Bisschop van Tours, 
(Ao 572 en gestorven Ao 594 of 595) onder den titel GregorU 
Tnronici historiae (libri dcccm) bezit ik cen kl. 8o druk van 1568(Ba8i- 
liae.) Dezc druk (blijkens den titel) is vergeleken bij vroegere zeer 
vermecrderd ^^qvorvm qvarto dvo capita praec^va ex MS accesserunt, 
Appendix item sive liber XI ^ llO annorvm historiam continenSf alio 
qvodam autore: In de Algem, Konst- en Letterbode 1861 no. 44, blz. 
345 , dus juist in dcn tijd toen Tadema druk dc stoffen voor zyn 
meesterstukken uit Gregorius Turonensis puttc, leest men: ,,In den 
jongsten tijd en vooral in Frankr\jk is veel gcschrevcn over Gregorius 



AANTEEKENING. 161 

van Tours en het gezag aan hem als geschiedschrijver en geograaf toe 
te kennen. Lecoy de la Marche schreef De Vautorité de Grégoire de 
Tours, Etude critique sur le texte de Vhistoire des Francs (Paris Du- 
rand 1861). A. Jacobs bezorgde in dat jaar (Paris Didier) eene tweeâe 
herziene uitgaaf van de vertaling van Cruizot, die het eerst in 1823 
was uitgegeven en dezelfde Jacobs gaf eene tweede 1) zeer gewijzigde 
uitgaaf zijner verhandeling Sur la Géographie de Grégoire de Tours. 2) 
Voorts gaf de heer Bordier 3) het eerste stuk uit van zijne geheel nieuwe 
vertaling van Gregorius van Tours, (bet tweede werd in 1861 spoedig 
verwacht, waaruit een fragment reeds toen was medegedeeld in de 
Correspondance litéraire 1861 no. 23). Daarin trecdt Bordier in we- 
derleggiug van de beschuldigingen door Lecoij de îa Marche voomoemd 
tegen Gregorius als niet geloofwaardig op het gebied van geschiedenis 
en aardrijkskuude ingebracht. 

Ook v66r en na 1861 hield men zich zeer bezig met onzen Grego- 
rius. Zie Gregor von Tours und seine Zeitgenossen , vomehmlich aus 
seinen Werken geschildert. Von J. W. LÖbelU Leipzig 1&^9 {Litte' 
ratur Bîatt, 1840 no. 25). A. Dupuy Vie de St, Gregoire, evéque de Tours, 
Tours 1852. Un gros volume in 8o. Ueber Gregor von Tours, Ltb. II 
Cap 22 und 23 (handelende over den Sanctus Sidonius) in de Forschun- 
gen zur deutscher Geschichte 1870 X S 388—390. Essai sur la Numis- 
matique Mérovingienne comparée h la Géographie de Grégoire de Tours 
Lettre ä Aifred Jacobs par îe Vicomte de Ponton d'Amécourt, Paris 
1864 , 220 pp. 8o. Etudes critiques sur les sources de Vhistoire Méro- 
vingienne par Gabriel Monod 1 Introduction — Grégoire de Tours. — 
Marius d'Adenches, Paris chez Franck 1872, VIII 63 pp. 8o (von 
Sybel Historisch Zeitschrift XIV (4) 1872 S 415. Renovation de Vhis- 
toire des Franks pac Victor Gautier, (Bruxelles 1884). In De Gids 
(Juni 1884, blz. 609), lezen wij bij de aankondiging van dit werk als 
resultaat het volgende dat ook zeer onze aandacht verdient. „De Fran- 
„ken zijn niet gelijk Gregorius van Tours en diens navolgers zeggen 
ypver den Rhijn in het eerste derde deel der vijfde eeuw onder Chlqje , 



1) Eerste uitgave te Parijs 1858. Géographie de Grégoire de 
Tours, le pagus et Tadministration en Gaule. 

2) Jacobs. Deze gaf in 1871 bij Didier in Parijs (14 fr) nog uit, 
Gregoire de Tours et Fredigaire Histoire des Francs et 
Chronique traduite. Nouv-Ed revue et augmentée de la Géo- 
graph'ie de Grégoire de Tours et de Fredigaire. (Dit werk 
werd bij ministerieel besluit op de openbare scholen ingevoerd). 

3) Bordier. Van dezen verscheen te Parijs in twee deelen bij Fir- 
min Didot in 1873 fr., nog Grégoire de Tours Histoire Ec- 
clésiastique des Francs, traduction accompagnée d'une 
Table analytique, d'un soHimaire des autres ouvvages de 
Grégoire de Tours et de sa vie écrite au X siécle par Odon 
abbé de Quny. 



162 AANTEEKENING. 

Chlogio of Clovis getrokken , zijn niet van de overzijde gekomen , maar 
in opstand tegen de Romeinen in Vlaanderen, Brdband , Zeeland , Betutce 
en op de Zuid-Hollandsche eilanden, Dc Lex Salica was hun hand, Ver- 
gelijk Ranke, Weltgeschichte , (^nafecten achter Band IV 2 , S 328 ff.) 

Behalve de vertaling van Guizot gaf de Société de VHistoire de France 
nog eene Latijnsche editie in IV Volumina 1836 — 1838, Parisiis, J. Re- 
nouard Sf Co. cum versione Gallica , notis append et tabulis cura Guadet et 
Taranne en verschenen in het Duitsch (coU. Pertz), Zehn Biicher 
Fränkischer Geschichte von Bisscho/ Gregorius von Tours, 2Bände(6ibl. 
Fr. Gcn.) 

Eindelijk vermelden wij nog 0. Sikkel, Zur Kritik Gregors von 
Tours, Berlin 1875, 23 S. 4o, (Program) W.C. Grimm Ueber deutsche 
Rünen Gottingen, 1821 die (S 53 — 54) ook naar aanleiding van het 
Nouveau traité de Dipîomatique II 50 en 65, de plaats bij Gregorius 
V 54 {îees 44) besprcekt. 







ATEN 



1 




«- -* - 






11 



DE WORDING 



VAN 



HET COLLEGE DER GEDEPUTEEeOE STATEN 



I\ 



de provincie Friesland, 



DOOU 



Dr. F. G. SLOTHOUWER. 



11 



DE WORDING 



VAN 



HET C0LLE6E DER GEDEPUTEERDE STATEN 



IN 



de ppovincie Fpiesland, 



Dat ten tijde der Republiek het grietmansambt eene zeer 
begeerlijke betrekking was, is aan geen twijfel onderhevig. 
En geen wonder , want niet alleen stonden de grietmannen 
aan het hoofd van het burgerlijk bestuur en de rechtspraak 
hunner grietenij, maar lichtelijk konden zij ook door hun 
invloed bij de stemming te laten gelden zitting krijgen in 
de Staten des Lands. Dan waren geene hoogere staats- 
colleges meer voor hen gesloten en bijna zeker waren zij 
in een dezer beurtelings plaats te nemen. Het spreekt wel 
yan zelf, dat de souvereine macht zich de verkiezing van 
zulke machtige ambtenaren yoorbehield, al mocht zij zich 
ook in de keuze door eene voordracht der stemgerechtigde 
ingezetenen laten beperken. Wel had zij zich in den tijd , 
toen Friesland nog door een Heer werd geregeerd, daarbij 
niet aan banden laten leggen, doch dit geschiedde, sinds 
de Staten meer en meer het gezag aan zich trokken en 
eindelijk de souvereiniteit aanvaardden. Toen werden de 



468 DE WORDING VAN HET COLLEGE 

Qedep. met de uitvoerende macbt bekleed, vertegenwoor- 
digden de souvereine Staten , wanneer dezen niet bijeen wa- 
ren, en benoemden de grietmannen, in wier keuze zij dan 
waren beperkt. Op welke wijze nu het recht om griet- 
mannen aan te stellen op Gedep. is overgegaan , was eene 
vraag, die mij belang inboezemde, en om haar voldoende 
te kunnen beantwoorden , begreep ik , dat dit niet zou kim- 
nen geschieden, zoo niet daarmede gepaard ging een on- 
derzoek naar de wording van dat college. 

Verschillende bronnen stonden mij daartoe ten dienste, 
waaronder in de eerste plaats de resolutie-boeken der Staten 
moeten worden genoemd, welke op het voormalig provin- 
ciaal, nu rijksarchief berusten en mij zeer bereidwillig ten 
gebruike werden afgestaan. Zij vangen aan met heteinde van 
het jaar 1 576 , even nadat Casper de Robles , heer van Billy 
en stadhouder der noordelijke gewesten was gevangen ge- 
nomen. Bij het doorbladeren dezer boeken bleek mij al 
spoedig, dat zij niet alleen besluiten der Staten of vaneen 
der Kwartieren bevatten , maar ook brieven of andere pa- 
pieren, gewoonlijk van staatkimdigen aard. Vele dezer 
bescheiden vond ik in Schwartzenberg's Charterboek afge- 
drukt. Van sommige Statenvergaderingen evenwel , althans 
uit de eerste jaren na haar meer zelfstandig optreden in 
4576, zijn in de resolutie-boeken de besluiten niet te vin- 
den, terwijl toch Winsemius of Schotanus ze vermelden. 
Dit bracht mij op het vermoeden, dat het verzamelen en 
bewaren dezer oorkonden van latere dagteekening zijn, 
toen reeds vele stukken waren verloren gegaan. Verder 
had ik gehoopt mijn voordeel te kunnen doen metdereso- 
luties der Qedep. Staten , doch , ofschoon reeds eenige van 
vroegeren tijd dateeren , vangen deze eerst geregeld aan met 
het jaar 4604 , toen aan de GFedep. der plattelandskwar- 



DER ÜEDEPUïKliUDE STATEN. 169 

tieren eene instructie is gegeven, die tijdens de geheele 
Republiek is blijven bestaan. Eveneens vond ik mij teleur- 
gesteld in mijne pogingen om op het archief van het voor- 
malig Hof provinciaal gegevens op te sporen. Hoezeer mij 
ook de hulpzame hand werd geboden , mijn onderzoek bleef 
vruchteloos. Daarentegen heb ik mij ten nutte gemaakt 
een handschrift uit den tijd van Merode , dat op de provin- 
ciale bibliotheek berust , benevens eenige processtukken , die 
op de geschillen tusschen de Landen en Steden uit*tlaatst 
der 16de eeuw betrekking hebben en zich op het rijksar- 
chief te Leeuwarden bevinden. Eindelijk zijn door mij 
geraadpleegd de algemeen bekende geschiedschrijvers dier 
dagen en daaronder de Memoriën van Renicus Fresinga van 
Franeker, een keurig boekje, dat, uitmuntende door on- 
partijdigheid , hoofdzakelijk de krijgsgeschiedenis der vier 
noordelijke gewesten tijdens het stadhouderschap van Ben- 
nenberg bevat. Het is overgedrukt in de Analecta van 
Oerardus Dumbar en laat zich zeer aangenaam lezen. 

Reeds in het jaar 1524 bij het onderhandelen over de 
overdracht der souvereiniteit aan Earel Y trachtten de 
Staten , die toen te Leeuwarden bijeen waren , te verhin- 
deren, dat nog steeds tot grietmannen werden aangesteld 
vreemdelingen , aan welke de voorrechten en bloei van het 
gewest weinig ter harte gingen. Zij poogden daarom de 
vrije benoeming, zooals zij sinds den Saksischen tijd door 
den Yorst geschiedde, aan banden te leggen. Immers zij 
verklaarden zich bereid Karel als hun wettigen heer te er- 
kennen, mits hij onder meer toestond, dat voortaan de 
grietman zou worden gekozen uit een voordracht van drie 
personen. Deze zou dan door de stemgerechtigde ingeze- 
tenen der vacante grietenij moeten worden opgemaakt. Doch 
de conmiissarissen , die op last der Landvoogdes Margaretha 



170 DE WORDING VAN HET COLLEGE 

namens Earel de onderhandelingen voerden , brachten hier- 
tegen te berde , dat men geene zwaardere eischen aan Zijne 
Eeizerlijke Majesteit mocht stellen, dan men indertgd aan 
den Vorst van Saksen had gedaan, »ende die Eeyserlycke 
Majesteyt anders radende soude wesen teghens syne Hoec- 
heydt ende Preëminentie." 1) Ook zoude men nietbehoe- 
ven te twijfelen of de Eeizer zou steeds trachten personen 
aan te stellen, die tot nut en voordeel van de landen van 
Friesland zouden werkzaam zijn. In den »Confîrmatie-brief 
des Overdrachts ," die daarop den IS^en jSTov. is uitgevaar- 
digd, treft men dan ook geene sporen aan, waaruit te 
dezen opzichte eenige toegevendheid van den Vorst zou kun- 
nen bhjken. Overigens betoont hij zich nog al inschikke- 
lijk en belooft onder anderen boven de reeds ingewilligde 
belastingen geene nieuwe aan de Landen te zullen opleggen 
buiten hun weten en vrijen wil. 2) 

Om nieuwe lasten te vragen werden dan ook telkensde 
Staten bijeengeroepen , doch dezen wisten tevens aan het 
toestaan eene voorwaarde tot opheffing der grieven te ver- 
binden. Zoo oefenden zij middellijk invloed uit op de re- 
geering des Lands en waakten daarbij trouw voor de hand- 
having hunner voorrechten. En opdat dit des te beterzou 
kunnen geschieden, kozen de volmachten der Landen, be- 
nevens die der stadFrancker, den 25sten ApriI1532 achttien 
personen uit hun midden , die het eerste college der Gedep. 
vormden. 3) De talrijke moeielijkheden toch, waarin de 



1) Cbrtb. II pag. 147. Articulen bij den Landen overgegeven den 
commisRarissen van myn G. Vrouwe, met dc antwoerden ende apos- 
tille op clcken artikel. 

2) Chrtb. II pag. 150. Confirmatie-brief des overdrachts. 

3) Ubbo Emmius pag. 869. Chrtb. II pag. 611. Commissie of 
procuratie voor zekere achttien Ueeren om alle *iLandi saecken te 
behandelen. 



DER GEDEPUTEEUDE STATEN. 171 

Landen dagelijks werden gewîkkeld, werden toegeschreven 
aan het gemis van personen , die te allen tijde bereid zou- 
den zijn hunne belangen te verdedigen. Immers vergader- 
den de Staten gewoonlijk slechts een enkele maal 'sjaars 
gedurende korteren of langeren tijd en konden dit alleen 
doen , wanneer zij door den Vorst of namens hem door den 
Stadhouder in overleg met het Hof waren opgeroepen. 
Daarom werd aan de Qedep. , totdat de Staten anders 
mochten oordeelen , een lastbrief gegeven , volgens welken 
hun zonder eenige restrictie werd toegestaan te doen en te 
laten , wat zij ten voordeele van het gewest noodig achtten. 
Wanneer een hunner mocht komen te overlijden, hadden 
zij het recht zich zelven aan te vullen. Ook werd hun ge- 
oorloofd wederom vier personen uitzichzelven tebenoemen, 
die namens hen daar in rechten zouden kunnen optreden , 
waar het noodig mocht zijn en aan wie zij eene meerder 
of minder ruime volmacht mochten geven, naarmate het 
hun wenschelijk mocht toeschijnen. Nu meene men even- 
wel niet, dat deze achttien personen of die vier mannen 
eenig aandeel in de regeering des Lands hadden. Deze 
bleef uitsluitend berusten bij den Yorst en diens Stedehou- 
der, bijgestaan door den Raad, zooals toen het Hof werd 
genoemd. En de bevoegdheid der Gedep. was niets anders 
dan om de rechten des Lands zoowel tegen den Yorst als 
tegen ieder ander te beschermen. 

Niettemin werd na verloop van tijd de Confirmatie-brief 
in vele opzichten overtreden. Toen nu in 'tvooqaar van 
1539 op last der toenmalige Landvoogdes Marie door den 
Stadhouder Schenck van Tautenburg de Staten werden bij- 
eengeroepen om hun een i^goede somme van penninghe" 
te verzoeken, maakten zij van hare geldverlegenheid ge- 
bruik om deze gelden niet toe te staan, voordat zij aan 



174 DE WORDING VAN UET COLLEGE 

gen, legden in handen yan Stella den eed aan de Staten- 
Generaal af en verkozen nieuwe kapiteins. Door dezen werd 
Stella's raad ingewonnen, wat hun te doen stond. Hij 
ried hun de burgemeesters der stad nog dienzelfden dag 
te ontbieden, dezen opening van zaken te geven en van 
hen den eed aan de Staten-Generaal te eischen. Inderdaad 
werd deze raad opgevolgd, doch de burgemeesters ant- 
woordden, dat zij in een zaak van zooveel gewicht niet 
zonder de burgerij mochten handelen. Deze dan , den vol- 
genden dag bijeengexoepen , besloot , uit vrees voor een 
plundering en moord, zooals te Antwerpen had plaats ge- 
grepen, zonder dralen den eed aan de Staten-Generaal af 
te leggen. Stella werd met eenige burgers naar Brussel 
gezonden om mededeeling van het gebeurde te doen , een 
nieuwen gouverneur te verzoeken en aan te dringen op 
de spoedige betaling van het krijgsvolk, welke door hem 
zelven was beloofd. 1) 

Nog vôôr zijne gevangenneming had Casper de Robles, 
vreezende dat Friesland zich met de andere gewesten zou 
vereenigen om de vreemde soldaten den Lande uit te drij- 
ven , de Gedep. Staten streng verboden afgevaardigden naar 
Brussel te zenden om dienaangaande het advies van den 
Baad van State of diens voorzitter Viglius ab Aytta in te 
winnen. Doch reeds den 2<ien Dec. ontving de magistraat 
van Leeuwarden een brief van de Gedep. Staten derBan- 
nerheeren , Ridders en Steden van het hertogdom Gelre en 
graafschap Zutfen , waarin werd te kennen gegeven , dat zij 
zich , op aansporing van den Raad van State , onder leiding 
van hunnen Stadhouder Gilles van Barlaimont, heer van 
Hierges, met de Staten-Generaal hadden verbonden tot 



1) Bor 1 boek 10 pag. 750. Fresinga pag. 9 en Tlg. 



DER GEDEPUTEERDE STATEN. 175 

eeuwige bevrediging dier landen. Toen het dan ook aldus 
ter kennisse van de Qedep. van dit gewest was gekomen , 
dat de Pacüicatie met advies van den Raad van State was 
gesloten, meenden zij niet langer te mogen dralen. Op 
eigen gezag waagden zij het evenwel niet te handelen en 
verzochten daarom den 5den December aan den President 
en de Raadsheeren van het Hof de Statcn des Lands 
bijeen te roepen. Dezen verklaarden zich echter daartoe 
niet genegen, waarop de Gedep. Staten den 6en Dec. be- 
sloten een hunner Erasmus van Douma met Lucas Jarges , 
secretaris der Staten van Friesland , naar Brussel te zenden 
om den raad van Viglius te vememen, den Gouv.-Gen. 
bijeenroeping der Staten te verzoeken en, zoo het noodig 
mocht zijn , deze provincie te verontschuldigen , dat zij zich 
nog niet bij de andere gewesten had aangesloten. 1) Ten- 
zelfden dage werd ook door de stad Leeuwarden, die 
tevens namens de andere steden handelde, een besluit in 
dienzelfden geest genomen en Aesge Harmens, burgemees- 
ter, met Jan Huyberts, gezworen gemeensman dezerstad, 
naar Brussel afgevaardigd. Ook hun werd gelast zich , na 
het advies van Viglius te hebben ingewonnen, bij monde 
of geschrifte tot Don Juan , hetzij zij hem alleen , hetzij in 
vereeniging met den Raad van State aantrofFcn , of tot dat 
college te wenden en mede te deelen, dat zij noch door 
den Raad van State noch door iemand zijnentwege van de 
Pacificatie waren verwittigd, doch dat hun daarvan het 
eerste bericht was gezonden door de Gedep. van het her- 
togdom Gelre en graafschap Zutfen. Tevens werd hun op- 
gedragen te verzoeken , dat , nu Casper de Robles was ge- 



1) Chrtb. III pag. 1078. Instructie voor Ërasmus yan Douma, 
Gedeputeerde , en Lucas Jarges, secretaris der Staten van Friesland 
als Gecommitteerde. 



176 DE WORDING VAN HET COLLEGE 

yangen genomen en het garnizoen in de verscliillende sterkten 
en steden van opperbevel was verstoken, ter yoorkoming 
van alle gevaren daarin zoo spoedig mogelijk mocht worden 
voorzien. En om te kennen te geven , dat de Steden geens- 
zins voomemens waren zich van de Landen te scheiden, 
werd hun bevolen om, indien zij ^tnoodig mochten oordee- 
len, bijeenroeping der Staten van Friesland te vragen. 1) 
De lastgevingen van de afgevaardigden der Landen envan 
die der Steden kwamen dus in hoofdzaak met elkaârover- 
een. Wat hun op hunne tocht is wedervaren en welk 
antwoord zij hebben bekomen, vond ik nergens vermeld. 
Doch dit is zeker , dat door den Raad van Statedenll^^ 
Dec. eene ordonnantie aan het Hof werd uitgevaardigd om 
de Pacüicatie van Gent alom in de steden en dorpen dezer 
provincie af te kondigen, waaraan evenwel geen gevolg 
werd gegeven. Het Hof toch zag deze beweging met leede 
oogen aan en bleef Robles getrouw. 

Nog te voren had het Hof aan Don Juan geschreven, 
dat de stad Leeuwarden voomemens was i>om de burgers 
in de goede devotie van den Eoning de houden." Zooten 
minste hed hare magistraat geantwoord op de vraag, hoe 
zij te midden der toenmalige moeielijkheden dacht te han- 
delen. Daarover gaf Don Juan haar in een brief van den 
i3den Dec. zîjne goedkeuring te kennen en verzocht haar 
niemands bevelen, dan die van 'sEonings gouverneur op 
te volgen. En in een brief van denzelfden datum, die 
aan de Staten was gericht , verzocht hij hun pogingen aan 
te wenden , dat Casper de Robles en zijne medegevangenen 
weder op vrije voeten werden gesteld, opdat dezen hun 



1) Resolutie-boekcn. Instructie bij ikn Burgemeesteren , Schepenen 
ende Raiden , met den gesworen Gemcensluyden voor hen selven en ujrt 
ten naeme ende yan wegen den gemeeneu burgeren ens. 



DER QEDEPUTEERDE STATEN. 177 

dienst zouden kunnen volbrengen, zooals zij het nog kort 
te voren hadden gedaan. 1) Wel waren de Staten toen 
nog niet bijeen, ja zelfs nog geene maatregelen tot hunne 
bijeenroeping genomen , doch de Gedep. , die namens hen 
handelden , wilden daarvan niets hooren. Immers al mocht 
het toen nog bij niemand hunner, evenmin als bij den 
magistraat van Leeuwarden , in de gedachte komen de ge- 
hoorzaamheid aan den Koning op te zeggen , de dwingelandij 
van De Robles met de zijnen waren zij meer dan moede. 

De Staten-Oeneraal kwamen hun ondertusschen te hulp 
en benoemden Oeorge van Lalaing , graaf van Rennenberg 
en bannerheer van Yille, voorloopig tot stedhouder ofgou- 
vemeur der noordelijke gewesten. Deze kwam, nadat hij 
nog te Middelburg den Prins van Oranje had bezocht , den 
22sten Dec. te Groningen aan. Dat hij kort te voren de 
Duitsche soldaten zonder bloedvergieten gedwongen had de 
stad Yalenciennes te verlaten en de Spaansche het kasteel 
dier stad over te geven , had vooral tot zijne benoeming 
bijgedragen. 2) Terstond na zijne aankomst drongen de 
soldaten op de betaling der achterstallige soldij aan , die hun 
door Stella was beloofd. Zoolang deze niet had plaats ge- 
had , waren zij niet genegen hem als gouvemeur den eed 
te doen. Hij haastte zich dus de Staten der noordelijke 
gewesten te beschrijven om gelden tot betaling der soldij te 
verzoeken, waartoe hij Willem van Doetichem en Johan 
van Mathenes de Wybisma naar Friesland zond. Door 
dezen werden tegen den IS^en Jan. 1577 de Staten van 
dat gewest te Leeuwarden bijeengeroepen , waar zij in tegen- 
woordigheid van President en Raden van het Hof voorstel- 



1) Chrtbk. III pag. 1082. Missire vaii Don Juan van Oostenrijk 
aan de Staten van Friealand. 

S) Schotanus, 22ste boek, pag. 797. Fresinga, pag. 20 



178 DE WORDINQ VAN HET COLLEGE 

den , dat spoedig middelen zouden worden beraamd tot het 
yerknjgen van penningen en afgevaardigden naar Brussel 
zouden worden gezonden tot aanneming van het Qentsche 
verdrag. Vôôr hierop te antwoorden , lieten de Staten aan 
het Hof, dat door hen niet ten onrechte verdacht werd 
Rennenberg niet genegen te zîjn , hun achterdocht blijken. 
Zij gaven het namelijk te kennen , dat hun nog niet was 
aangetoond , volgens welken lastbrief 't aan Kennenberg was 
toegestaan dergelijke voorstellen in hun midden te laten 
doen. Zij verzochten het daarom hun dienaangaande nedere 
inlichtingen te gevcn en tevens te verklaren , of het zich naar 
de besluiten van de Staten-Generaal en van den Raad van 
State dacht te gedragen. Zeer ontwijkend gaf hetevenwel 
ten antwoord , dat het vermoedde , dat Rennenberg handelde 
volgens voorafgaanden last en bevel , doch van wien hij dat 
bevel zou hebben ontvangen, werd niet gezegd. Mochten 
zij meerdere zekerheid willen hebben , dan ried het hun , 
zich te wenden tot diegenen, die zij noodig mochten oor- 
deelen. Blijkt hieruit reeds , dat hun vermoeden al te zeer 
gegrond was, noch meer werden zij daarin versterkt door 
de bekentenis , die het Hof deed , dat het in alles dacht 
te handelen naar de bevelen van den Koning en van den 
Raad van State. Over de Staten-Generaal werd dus geen 
woord gerept. 1) Blijkbaar beschouwde het de handelingen 
van deze vergadering als onwettig. Bij het vememen de- 
zer antwoorden waren dan ook Rennenberg's gezantenzeer 
ontstemd en eischten, dat het Hof eene schriftelijke ver- 
klaring zou afleggen , of het hun meester als voorloopigen 
Stadhouder wilde erkennen en de besluiten van de Staten- 



1) Chrtbk. III pag. 1086. Antwoord en resolutie der Lauden op 
de propositic yan Jan. 1577, alsmede het adfies van den Hove, 
daarop gegeven. 



•DER GEDEPUTEERDE STATEN. 179 

Qeneraal en den Raad van State al dan niet wilde aan- 
nemen. Nu bekende het reeds in het laatst van hetvoor- 
gaande jaar een brief, die de benoeming van Rennenberg 
behelsde, van den Raad van State te hebben ontvangcn, 
yerklaarde zich genegen hem in alles te eerbicdigen over- 
eenkomstig de commissie, die hij zou overleggen, en be- 
loofde zich te zullen gedragen naar de bevelen des Eonings 
en van den Raad van State. 1) Over de Staten-Generaal 
bleef het dus het stilzwijgen bewaren, waaruit men mag 
besluiten , dat het ook aan het Gentsche verdrag zijne goed- 
keuring bleef onthouden. 

De Staten hebben daarop den IS^en Jan. besloten bij 
wijze van eene leening op 's Eonings domeinen de som van 
fl 100.000, gerekend tegen 20 stuivers het stuk, op te 
brengen , mits de gelduitdeelingen aan het krijgsvolk onder 
leiding van eenige gecommitteerden hunner geschiedden en 
de sterkten en steden van de troepen werden bevrijd. De 
Gentsche bevrediging namen zij aan en afgevaardigdcn wil- 
den zij naar Brussel zenden om zich met die der andere 
gewesten te vereenigen, op voorwaarde evenwel, datRen- 
nenberg in overleg met de Gedep. Staten wilde regeeren. 2) 
Welk antwoord hierop is gegeven, is mij niet gebleken. 
Maar mag men afgaan op 't bescheid , dat Rennenberg een 
paar maanden later aan de Gedep. gaf, dan was hij op 
dit oogenblik nog niet bereid zich machtsbeperking te laten 
welgevallen. Nog ontstond twist tusschen de Landen en de 
Steden over de ingewilligde penningen en trachtten de eersten 



1) Resolutie-boeken. Request aan den Hove van Vrieslend met 
de apostille, daarop gevolgd. 

2) Resolutie-boeken. Resolutie yan 18 Jan. 1577. Schotanus laat 
dezen landdag twee dagen later bijeenkomen , zooals hij ook dezc 
resolutie twee dagen later stelt Doch hij is telkens met de data 
in de war. 



180 DE WORDING VAN HET COLLEGE 

zooveel mogelijk den druk daaryan op de schouders 
der laatsten te schuiven, doch, nadat de Landen hadden 
besloten fl 80.000 -[te zullen ]opbrengen , hefc overige voor 
rekening der Steden latende, is de landdag ontbonden en 
zijn Rennenberg's gezanten naar Groningen teruggekeerd. 1) 

Den 4<lc<^ Maart deed Rennenbcrg zijn intocht in Leeu- 
warden , waar hij met groote vreugde werd ontvangen. Met 
zich voerde hij Robles en diens medegevangenen , welke 
voorloopig op het blokhuis werden gevangen gezet. Eenige 
dagen later werden zij buiten het gewest gevoerd en toen 
op vrije voeten gesteld. Het Eeuwig Edict toch, dat de 
Staten-Generaal den 12den Febr. met Don Juan hadden ge- 
sloten , bepaalde in het 8ste artikel , dat al degenen , die 
ten gevolge der beroerten gevangen waren genomen , zonder 
rantsoen zouden worden losgelaten. 

Alhoewel Rennenberg geenszins de voorwaarde had wîllen 
inwilligen, werden toch afgevaardigden naar Brussel ge- 
zonden. Het waren Schelte Tjaerda, Marten Nitsen en 
Peycke Tatmans. Zij werden voorzien van een lastbrief, 
waarin werd betoogd, dat de Staten des Lands steeds de 
gehoorzaamheid aan den Koning en het behoud der vader- 
landsche wetten en privilegiën voor oogen hadden gehad, 
geen ander doel najagende dan rust en vrede, benevens 
vermindering der lasten. Hadden de Staten voorheen meer- 
malen te vergeefs geklaagd over de al te zware lasten, 
waardoor de Stadhouder en het Hof , onder voorwendsel 
van 'tkrijgsvolk te stillen, de schatkist des Lands en die 
der particulieren hadden uitgeput, nu verzochten zij ver- 
lichting daarvan. Het Gentsche verdrag namen zij aan, 
doch op voorwaarde dat hun slechts eene matige schatting 
werd opgelegd en door deze nieuwe verbintenis 'sLands 

1) Sohotanus 22ste bock, pag. 797 cn vlg. 



DER GEDEPUTEERDE STATEN, 181 

inkomen en goederen niet ten gronde werden gericht. Voorts 
eischten zij, dat de Staten-Generaal aan de Gedep. Staten 
het recht toestonden om den landdag uit te schrijven , zon- 
der dat zij dit telkens aan het Hof behoefden te yragen, 
dat door zijn hardnekkig verzet menigmaal aan zaken, die 
geen uitstel duldden , nadeel toebracht. Had niet juist 
daardoor nog onlangs het Hof tot groote schade van het 
gewest het deehiemen aan de Pacificatie zooveel mogelijk 
verhinderd , om dit land onder de strenge tucht van Robles 
en zijne soldaten te houden ? Ook was , meenden zij , de 
tijd nu aangebroken om vreemdelingen , waarmede de sterk- 
ten , blokhuizen en rechtbanken in strîjd met de verdragen , 
die men met Karel V had gesloten, waren bezet, door 
inboorlingen te vervangen. Maar bovenal drongen zij er 
op aan , dat men zou verbieden , dat ambten en waardighe- 
den aan slechte of onwaardige lieden werden gegeven, 
zooals , naar zij beweerden , het Hof meermalen grietenijen 
en drostambten aan misdadige personen had geschonken. 
Eindelijk verzochten zij, dat de brieven der Staten-Gene- 
raal , met uitsluiting der Steden , slechts aan de Geestelijken , 
Edelen en Eigenerfden zouden worden gericht. 1) Immers 
dezen maakten eigenlijk alleen de Staten des Lands uit en 
betwistten aan de Steden het recht als afzonderlijken stand 
te verschijnen. 

Tijdens zijn verblijf te 'Leeuwarden zorgde Bennenberg 
nog, dat de ordonnantie, die in Dec. van het voorgaande 
jaar ten opzichte der Gentsche bevrediging uitgevaardigd , 
doch door het Hof niet nagekomen was, werd ten uitvoer 
gebracht, waarop vele ballingen het waagden terug te 
keeren. Tevens droeg hij het bevel over de blokhuizen 



1) Schotanus, 22ste boek, pag. 809. 

12 



182 DE WORDING VAN HET COLLEGE 

van Leeuwarden, Harlingen en Stavoren aan meer ver- 
trouwde personen op. Deze sterkten waren nog steedsbe- 
zet met Walen en Duitschers. De penningen toch, die 
in Januari waren toegestaan , waren lang niet toereikend 
om de achterstallige soldij te voldoen. Zij voorzagen slechts 
voorloopig in de behoeften, want, toen men in Mei met 
de Walen ging afrekenen , bleek , dat men hun meer dan 
fl 450.000 schuldig was, niettegenstaande maandelijks 
fl 15.000 aan Casper de Robles waren opgebracht. 

Zooals blijkt uit eene remonstrantie , die Rennenberg den 
13den Maart werd aangeboden, waren de Gedep. zeer met 
hem ingenomen. Daarin deelden zij hem mede , dat , naar 
zij hadden gehoord, eenige aanzienlijke personen naar het 
stadhouderschap der noordelijke gewesten dongen. Zij ver- 
zochten hem ook tot de mededingers te willen behooren. 
Maar tevens verbonden zij daaraan het verzoek, dat hij 
overeenkomstig de Staten-resolutie van den 18den Jan. toch 
niets zou besluiten , zonder het advies van hun college te 
hebben ingewonnen. Ook drongen zij er nu weder , zooals 
vroeger meermalen was geschied, op aan, dat voortaan 
geen grietmannen door den Stadhouder of bij diens afwezig- 
heid door het Hof zouden worden aangesteld, dan nadat 
door de ingezetenen eene voordracht was opgemaakt. Hoe 
ook de genegenheid, die men hem toedroeg, op prijs stel- 
lende, toch was Rennenberg niet van zins toe te laten, 
dat de rcchten van den Stadhouder werden beperkt. Wel 
weigerde hij niet uitdrukkelijk in alle zaken telkens de Gedep. 
te raadplegen, doch het valt op te maken uit het ont- 
wijkend antwoord, dat hij gaf. 3>Wij zullen" , zoo luidde 
het immers, >ons desen aangaande zoe dragen, dat de 
Landen met reden geen oorsaecke sullen hebben hen 
des te beklagen." En wat de grietmanskeuze betreft, 



DER GEDEPUTEERDE STATEN. 483 

verwees hij naar het tractaat van 1539, met Karel V ge- 
sloten, waarvan hij niet voomemens was af te wijken. 1) 

Bekend is het, dat Don Juan den 24sten Juli het Eeuwig 
Edict verbrak door plotseling den burcht van Namen te be- 
zetten, waarvan hij nog denzelfden dag het Hof vanFries- 
land bericht zond. Dit stelde er reeds den 3<ien Aug. de 
grietmannen van in kennis. Ongeveer denzelfden tijd werd 
Francois Mayart, die in dienst van Casper de Bobles was 
geweest , te Groningen gevangen genomen en , toen bij hem 
verdachte brieven werden gevonden, op de pijnbank ge- 
legd. Ondervraagd wordende bekende hij , dat Robles voor- 
nemens was eerstdaags de Friezen met vijftien honderd 
voetknechten en drie honderd ruiters te overvallen. 2) Moest 
dit reeds de Gedep. aansporen op hun hoede te zijn , nog 
meer werden zij daartoe aangemaand, toen uit Brussel 
Marten Nitsen aan een hunner, Duco Martena, schreef, 
dat , wilden zij niet worden verrast , zij op hun hoede moes- 
ten zijn. Bor doet het voorkomen , alsof Marten Nitsen 
aan Duco Martena en aan de Gedep. een brief heeft ge- 
zonden, Schotanus daarentegen spreekt van een brief aan 
den eerste alleen. 3) Daarom vermoed ik , dat de brief 
van Marten Nitsen aan Duco Martena in zijn kwaliteit van 
Gedep. was gericht en dat Bor, dit niet wetende, gemeend 
heeft, dat twee brieven zijn geschreven. 

Omdat Rennenberg zich niet door Don Juan had laten 
meeslepen, maar aan de Staten-Generaal getrouw was ge- 
bleven , werd hem bij resolutie van den 31sten Aug. over 



1) Chrtbk. III pag. 1110. Remonstrantio der Heeren Gedep. Sta- 
ten Yan Vriesland aan den Hcere Stadhouder, Graye van Lalaing, 
inhoudende verscheidene klagten met verzoek van redres , benevens het 
antwoord op deselve gegeven. 

2) Fresinga, pag. 32. 

3) Bor , lOde boek , pag. 809. Schotanus, 228te boek , pag. 809 en vlg; 



184 DE WORDING VAN HET COLLEGE 

Priesland , Groningen , Drente , Twente en Lingen het 
stadhouderschap , dat hîj tot nu slechts voorloopig had be- 
kleed , voor goed opgedragen , waarop hij in het laatst van 
Sept. te Leeuwarden verscheen. Hier liet hij door het Hof 
den Isten Oct. de Staten bijeenroepen en hun door 'sHofs 
President Van Achelen verzoeken , of zij hem , overeenkom- 
stig zijn lastbrief, als hun gouverneur wilden erkennen 
en eerbiedigen en of zij genegen waren de Pacificatie van 
Gent te onderhouden en middelen te beramen tot het be- 
talen van de twee vendelen Duitsche soldaten, die nog in 
dienst dezer provincie waren , ten einde van hen zoo spoedig 
mogelijk ontslagen te worden. Maar de Staten waren het 
oneens. De Steden toch hadden zich reeds vroeger in het 
gevocl harer zelfstandigheid meer en meer als afzonderlijken 
stand doen gelden. Ook nu op dezen landdag maakten zij 
daarop aanspraak , waartegen zich evenwel de drie Goên aan- 
kantten, die niets van haar als afzonderlijken stand Yrilden 
weten en begeerden , dat iedere stad zich bij die Go zoude 
voegen, waartoe zij behoorde. De volmachten der Steden 
lieten zich evenwel niet van hun voornemen afbrengen. Zg 
beweerden , dat in de brieven , waarmeê de landdag was uit- 
geschreven, uitdrukkelijk was vermeld, dat men staatsge- 
wijze zou vergaderen en evenzoo over de punten , die werden 
ingediend, zou beraadslagen en stemmen. En uit de brie- 
ven van den Eoning en die van de Staten-Generaal, aan 
de Landen en Steden van Friesland gezonden , bleek dui* 
delijk , meenden zij , dat de Staten van Friesland verdeeld 
waren in Geestelijken , Edelen of Ridderschap , Eigenerfden 
en Steden, en niet in Goén. Nadat zij dan ook besloten 
hadden Rennenberg als hun gouverneur te erkennen en het 
Gentsche verdrag, voor zoover het niet streed tegen hun 
aloude wetten en privilegiën, te onderhouden, verklaarden 



DER GEDEPUTEERDE STATEN. 185 

zij zich bereid om met de drie andere standen of staten 
middelen te zoeken tot het betalen der twee Duitsche ven- 
delen. 1) De volmachten der Goên verzetten zich tegen 
deze nieuwigheid en waren daarbij volkomen in hun recht. 
Van oudsher toch was Friesland verdeeld in drie Goên en 
ieder van dezen in drie standen , Geestelijken , Edelen en 
Eigenerfden , zoodat dezen ten landdage gezamenlijk de stem 
der Go uitmaakten en de Steden daaronder waren begre- 
pen. Doch hoe meer de Steden in bloei toenamen en hoe 
krachtiger zij werden , des te meer streefden zij er naar om , 
evenals in de andere gewesten, als stand ter Statenverga- 
dering te verschijnen. 

Zonder evenwel op deze aanspraken verder acht te 
slaan besloten ook de volmachten der Goén Rennenberg als 
hunnen gouverneur te erkennen, mits hij beloofde naar de 
privilegiën en wetten des Lands te zullen regeeren. Der Pa- 
cificatie bleven zij getrouw, doch voor het Duitsche krijgs- 
volk wilden zij geen geld toestaan, vôor zij door hem in 
hunne geschonden privilegiën waren hersteld. Verder lieten 
zij ten opzichte der grietmanskeuze en van het aandeel, 
dat zij voor de Gedep. in de regeering wenschten, derge- 
Iijke eischen gelden, als reeds door hen in het begin des 
jaars waren gedaan. Maar met nadruk voegden zij ernog 
aan toe , dat zij daarom wenschten , dat de Gouverneur han- 
delde in overleg met de Gedep. , omdat de Eoning steeds 
was achterwege gebleven in het nakomen van zijne verplich- 
ting, om het gewest te beschermen, en het aan deingeze- 
tenen zelve was overgelaten zich van de lasten te bevrij- 
den. In overeenstenmüng daarmede wenschten zij dan ook 
niet meer, zooals in de maand Maart, dat uit eene voor- 



1) Chrtbk. pag. 1153. Antwoord en Resolutie van de yolmachten 
der Steden op de Propositie van den Stadhouder Lalaing. 



186 DE WORDING VAN HET COLLEGE 

dracht de keuze der grietmannen door den Gouverneur of , 
bij diens afwezigheid, door het Hof, maar door den Gou- 
verneur in vereeniging met de Gedep. Staten zou geschie- 
den. 1) De Goên trachtten dus van het verraad van Don 
Juan ruimschoots gebruik te maken om de macht van den 
Gouverneur als vertegenwoordiger van dén Koning , evenals 
die van het Hof, dat zij bleven wantrouwen, tebesnoeien. 
Wel protesteerden nog de Steden , dat al deze besluiten 
buiten haar om waren genomen, doch daarom bekommer- 
den zich de Goên al zeer weinig. 

Eerst na lang aarzelen gaf Rennenberg toe om in alle 
zaken, die het gewest betrofFen, met de Gedep. inoverleg 
te treden, voor zoover echter daardoor het gezag van den 
Eoning niet werd benadeeld. De rechten en privilegiën be- 
loofde hij te zullen beschermen en, om zoo spoedig 
mogelijk de tekortkomingen van zijne voorgangers te 
kunnen herstellen, verzocht hij de Goên hem zonder 
dralen op te geven, welke rechten geschonden waren, 
opdat de betaling van het krijgsvolk geen uitstel zoude 
lijden. Minder toegevend toonde hy zich evenwel ten op- 
zichte der grietmanskeuze. Wel verklaarde hij zich bereid 
de grietmannen, die na 1539 tegen dc wetten des Lands 
waren aangesteld en die zich aan machtsovertredingen had- 
den schuldig gemaakt, tot nadere ordonnantie der Gedep. 
te schorsen, doch overigens week hij niet van het antwoord 
af, dat hij hun den löden Maart had gegeven. 2) 

De vohnachten der Goên drongen niet op verdere înwilr 



1) Chrtbk. III pag. II54. Antwoord cn respectieve remonsttantiën 
der Heeren Gedep. Statcn van Vriesland op dc Propositie der Heeren 
Raaden, uit naam van den Heere Grave van Ronncnberg. 

2) Chrtbk. III pag. 1157. Nadere apostille op de vorige remon- 
strantie. 



DER GEDEPUTEERDE STATEN. 187 

liging hunDer eischen aan, maar bleven bij deze beslissing 
berusten, waarna nog op denzelfden landdag door hen een 
nieuw coUege van Gedep. werd benoemd. Degenen, die 
toen werden verkozen, waren: Gerardus Jacobi, abt van 
Claercamp , Duco Martena , Seerp Galama , Goslick Hiddema , 
Erasmus van Douma en Baerthe Idzerda , twee uit iedere Go. 
Hun werd opgedragen om eerstdaags met den Stadhouder 
bijeen te komen en maatregelen te nemcn tot herstel van 
'sLands wetten en vrijheden. Het Gentsch verdrag moes- 
ten zij ten uitvoer brengen en niets achterwege laten, wat 
tot welvaart van het Land noodig mocht zijn. Behalve 
voor openbare zaken moesten zij ook zorg dragen voor dij- 
ken , wegen , waterlosingen , vaarten en sluizen. Zij moes- 
ten acht geven op de ambtenaren en op alles, wat tot de 
hoogheid des Lands behoorde. Indien de Stadhouder we- 
gens de moeielijkheid eener zaak in gebreke bleef eenebe- 
slissing te nemen, werd hun toegestaan zich tot den Baad 
van State en de Staten-Generaal te wendenmethet verzoek, 
dat het geschil op zoodanige wijze werd uit den weg ge- 
ruimd, als in overeenstemming was met de wetten des 
Lands. Bovendien zouden zîj in lastige gevallen uitiedere 
grietenij één volmacht mogen ontbieden of des noods de 
Staten bijeenroepen. Indien een hunner om de eene of 
andere reden belet werd langer zijne waardigheid te vervul- 
len, dan konden zij iemand anders in zijne plaats stellen. 
Op het einde van den gewonen jaarlijkschen landdag zou- 
den zij hunne commissie moeten neérleggen, waarop zij 
herkozen of anderen in hun plaats benoemd konden worden. 
Minstens twee vergaderingen zouden zij jaarlijks gedurende 
drie dagen moeten houden, acht dagen na Pinksteren en 
op den 15den October >om over ghemeene en eygenmans 
saecken te sitten." Aldus luidde de instructie, die den 



488 DE WORDING VAN IIET COLLEGE 

^3den Oct. 1577 aan het vernieuwde college der Gedep. 
v^erd gegeven. Hierdoor hield het op louter wachter der 
wetten te zijn, maar kreeg tevens aandeel in 'tbestuur en 
niets liet het na om zijn macht uit te breiden. 1) 

Daar dit alles buiten de Steden om geschiedde, gevoel- 
den zij zich zeer achteruitgezet en , »om te obvieeren de 
schaden en intréssen , waarin de gemeene steden van Vries- 
land geschapen waren te geraken door gebrek of intermis- 
sie van generale volmachten," verschenen hare afgevaardig- 
den den 22sten Oct. op het raadhuis te Leeuwarden. Hier 
werden door hen Mr. Matthijs Rommarts en Dr. Simon Pol- 
man , beiden advocaten bij het Hof van Friesland , benevens 
Jan Huberts tot Gedep. gekozen. AUen waren burgers 
van Leeuwarden, tot welke men voor ditmaal om kosten 
te bcsparen zijne keuze had bepaald. Hun werd opgedragen 
in alle zaken, die de Steden betroffen, te besluiten , zooals 
zij het 'traadzaamst zouden oordeelen, en zich bij de vol- 
machten der Goen te voegen, zoodra het zaken gold, die 
het geheele landschap aangingen, opdat geen besluit werd 
genomen, v6ôr ook hun advies wasgehoord. Verdermoes- 
ten zij waken , dat geen stad in hare privilegiën werd aan- 
getast en, zoo dit reeds mocht zijn gebeurd, verzoeken, 
dat zij in hare rechten werd hersteld. 2) Doch dit alles 
baatte niets. De Gedep. der Goen weigerden met die der 
Steden saâm te werken. 

Om tegen plotselingo invallen van den vijand beveiligd 
te zij'n, beval Rennenberg, dat de boeren van wapenen 



1) Sohotanus, 22stc bock, pag. 813. 

2) Chrtbk. III, pag. 1159. Coinmissie bij de Volmaohten der Ste- 
den in Vricsland, door speciaal verschrijvingc den 22sten en 23sten 
Oct. op dcn Raadhnizc verschcncn zijndc , gcpasscert op Mr. Matthys 
Rommarts, Dr. Simon Polman cn Jan Huberts. 



DER GEDEPUTEERDE STATEN. 189 

zouden worden voorzien en dat hem in elke grietenij drie 
personen zouden worden aangewezen, waaruit hij een hop- 
man zou kunnen kiezen. Dit geschiedde , ofschoon niet 
geheel zonder moeite, waarop allen, zoowel hoplieden als 
boeren , den eed van trouw aan den Stadhouder en de Sta- 
ten deden. Velen , zooals Johan van Mathenes de Wybisma , 
die door Rennenberg tot bevelhebber van het blokhuis te 
Leeuwarden was aangesteld, verwachtten van dezen maat- 
regel weinig heil. Zij toch meenden, dat zes vendelen be- 
taalde huurknechten meer zouden uitrichten tot verdediging 
van het Land , dan twintig vendelen boeren , die , onge- 
woon aan den krijg, tucht noch gehoorzaamheid kenden. 

Midderwijl liad Rennenberg de wet in de Steden verzet 
en de Spaanschgezinden buiten het bestuur gesloten. En 
daar er onder de grietmannen velen waren, die, door de 
Spanjaarden aangesteld , dezen nog genegenheid toedroegen , 
verzochten de Gedep. aan de Staten-Generaal Rennenberg te 
machtigen ook dezen door anderen te doen vervangen. Te- 
vens vroegen zij , dat de blokhuizen van Leeuwarden en 
Harlingen zouden worden geslecht en de plaatsen , waar zij 
hadden gestaan, aan de Steden zouden worden gevoegd. 
Welk antwoord hun is gegeven, is mij niet gebleken. Maar 
mag men uit de handelingen, die daama hebben plaats 
gehad, tot een besluit komen, dan is het, wat de veran- 
dering der grietmannen aangaat, niet ongunstig geweest. 
Immers werden Seerp Galama , Duco Martena , Rienk Cam- 
minga en eenige andere heeren , vergezeld van eenige leden 
van het Hof, de provincie rondgezonden. Hun werd ge- 
last in iedere grietenij, waar een Spaanschgezinde grietman 
was, door de ingezetenen een voordracht van drie personen , 
bekend als beminnaars van het vaderland en vijanden van 
Spanje, te laten opmaken. Uit dezen zou dan door Ren- 



\0Û r»E WORDING VAN IIET COLLEGÉ 

nenberg mct de Gedep. cen nieuwe worden gekozen. Al- 
diLs verhaalt FrcsiDga en , ofschoon wij geene reden hebben 
zijn verhaal în twîjfel te trekken, is het toch opmerkelijk , 
dat Renncnbcrg, dic nog op den landdag van October de 
grietmanskeuzc gchccl aan zieh had gehouden, deze reeds 
weinigcn tijd later met de ingezetcnen gaat deelen. Wel- 
licht was hem dit door de Staten-Qeneraal gelast. En 
juJAt daarom is hct dcs te meer te bejammeren , dat het 
antwoord dicr vcrgadering op hct verzoek tot yerandering 
dcr gnctmanncn nergcns is te vinden. Misschien had dit 
onj* ccnig licht verschaft. 

Allc nicuw vcrkozcncn werden door Matthias in hun ambt 
b^îVfn-tigd. Dezc was , nadat Don Juan den Tden Dec. 1577 
tot vijand was vcrklaard, den il^^^ dierzelfde maand door 
(\(i Staf/în-(i<în(M-aaI tot landvoogd benoemd. Reeds den 
ISfï'" Jan. 1578 had hij zijn blijdcn intocht in Bnissel ge- 
hoijrUîn. (i(îO()rninittccrdcn uit dc Staten-Generaal waren 
ri/iar (l(;zc provincic gczondcn om zijne erkenning te ver- 
y/tfkfMi, wjuirtoiî ti^gcm dcn 25steD Pebr. een landdag te 
ïf>i.rlirij((în w(îni i)ijc(Migcroepcu. ïoen werd voor het eerst 
('.on r/îi;l(îni(înt op hct vcrkiczcn van volmachten ten landdage 
ijiti^/îv;ifir(li;;(l. hîdcr grictraan wcrd bevolen om, nadathij 
v;ni Utd Ilof (hîiuî uiisaivo van uitschrijving had ontrangen, 
fh'/t'. tum allc dorpcMi van zijn grietcnij bekend te maken, 
opdat (hî bocnMi daarvan bchoorlijk hunne landheeren me- 
Mt't'Vm^ kondcn docn. lu iedcr dorp moest de geheele 
jr/'rrw'iMihî . dit is ulle stemgcrechtigdon , bij elkaar yeigade- 
r*ri t'u iiii't i^enuuîno stemmen geschikte personen tot dorps- 
voliiijMliteii verki(v,en, zondcr dat iemand zich verstouten 
roor.lit i'ttrlijke p(M'soneii afzondcrlijk saâm te roepen. De 
nMiH iHMKHMiiileii viin iedcr dorp zouden op de gewoDe 
phi.it.;iii . diit is in (le reohtskamcr van de grietenij , bijeen- 



DER GEDEPUTEERDE STATEN. 191 

komen en aldaar tot Yolmachten der grietenij voor den 
landdag verkiezen , zoowel Edelen als Eigenerfden , mits 
dezen daar hun erven hadden liggen. En daar er velen 
waren, die, »om de saecken in de grietenij te bewaeren'', 
jaargelden genoten en juist niet allen het vertrouwen 
der ingezetenen bezaten, werd bepaald, dat niemand 
dezer ten landdage mocht verschijnen, tenzij hij langs 
dezen weg was verkozen. 1) Aldus trachtte men, 
daar eigenlijk ieder Edelman of Eigenerfde krachtens zijne 
goederen de Statenvergadering kon bijwonen, het aantal 
leden te beperken en tot wering van de listen en lagen 
van den vijand de verkiezing van volmachten te regelen. 

Ondertusschen hadden de Spaanschgezinden tengevolge 
van de nederlaag, die het Statenleger bij Gemblours den 
31sten Jan. 1578 had geleden, overal de hoofden wederom 
opgestoken, vooral ook in deze provincie , waar het Hof wei- 
gerde het plakkaat, dat de verklaring van Don Juan tot 
vijand bevatte, af te kondigen. Doch Rennenberg, het 
voortdurend tegenstribbelen van dat college moede , liet alle 
raadsheeren met hun voorzitter Igram Van Achelen deels 
gevangen zetten deels gijzelen. Toen hierover reeds de ge- 
moederen in opgewonden stemming verkeerden, nam de 
onrust nog toe, toen een plakkaat des Konings bekend 
maakte , dat hij Don Juans handelingen goedkeurde en alle 
ambtenaren voor onwettig verklaarde, die niet door dezen 
waren benoemd. 2) 

Zoodra nu Matthias, die door de volmachten als hun 
wettige landvoogd was erkend geworden, de gevangen- 



1) Chrtbk. III pag. 1183. Reglement op het yerkiezen van toI- 
machten ten landdage. 

2) Schotanus, 228 te boek. pag. 816. Fresinga, pag. 47. Bor, 
12de boek, pag. 950. 



192 UE WORDING VAN HET COLLKGE 

neming van het Ilof had vernomen , beval hij , opdat geens- 
zins de rechtspraak zou stilstaan, dat een nieuw Hof zou 
worden saâmgesteld om voorloopig dienst te doen. Daartoe 
werd tegen den Isten Mei wederom een landdag uitgeschre- 
ven. Dit geschiedde nu voor het eerst door de Gedep. 
Toen wezen de volmachten uit de drie Goên twee hunner 
aan , om met de Gedep. de raadsheeren te benoemen. Reeds 
op den 4den juU konden Jhr. Frans van Eysinga, Feicke 
Rhala , Jan Versteveren en Gysbert Aernsma als nieuwe 
leden worden geïnstalleerd. Hun werd opgedragen de 
rechtspraak uit te oefenen, totdat Matthias en de Staten- 
Generaal de zaken van het oude Hof hadden onderzocht. 
Twee maanden later werden hun nog drie andere leden 
toegevoegd, met name Hessel van Aysma, Douwe van 
Burmania en Baerthe Idzerda. Allen waren Friesche rechts- 
geleerden, van wie men redelijkerwijze kon verwachten, 
dat zij meer dan hunne voorgangers, onder welke vreem- 
delingen waren, voor de rechten van dit gewest zouden 
waken. En ofschoon voorloopig aangesteld, zijn zij in 
functie gebleven. 1) 

Ongeveer terzelfder tijd liet Rennenberg nog den Bisschop 
van Leeuwarden, Cunerus Petri, gevangen nemen. Ook 
deze stond als vijand van de nieuwe orde van zaken be- 
kend. Lang heeft hij hem niet in hechtenis gehouden., 
maar spoedig weder ontslagen. Docli toen deze aan het 
verzoek der Staten om rckening en vcrantwoording van 
zijne inkomsten en uitgaven af te leggen niet wilde voldoen , 
werd hij in het klooster te Bergum in gijzeling gezet. Van 
daar is hij naar Keulen ontvlucht. Nadat op deze wijze 
de invloedrijkste Spaanschgezinden onschadelijk waren ge- 



1) Schotanus, 22ste boek, pag. 81/. 



DER QEDEPUTEERDE STATEN. 193 

maakt , toog Rennenberg naar Overijsel , waar veel voor 
hem te doen viel. Van zijne afwezigheid maakte men te 
Leeuwarden gebruik om , vertrouwende op den godsdienst- 
vrede, openlijk in de Jacobiner kerk den Gereformeerden 
godsdienst te prediken. 1) 

Midderwijl had de strijd tusschen de Landen en Steden 
voortgeduurd. Wel waren er onderhandelingen gevoerd tot 
bijlegging der geschillen, doch deze hadden nog tot niets 
geleid. Ja zelfs scheen de klove grooter dan ooit, toen 
de Steden er dén 5den Sept. toe overgingen , om haar eigen 
rent- en rekenmeesters te kiezen , die geheel buiten die der 
Goên om de gelden van haar ontvangers zouden innen en 
daarover naar behooren binnens- en buitenslands konden be- 
schikken. Eerst den iöden Sept. schenen beide partijen 
elkaâr te naderen. Toen toch boden de Gedep. der Landen 
aan voorloopig tot dcn naasten landdag toe twee Gedep. 
der Steden als 4de stem in hun midden op te nemen , om 
met hen te besluiten in alle zaken, die de Landen en 
Steden gelijkelijk aangingen. Hiermede stelden zich voor- 
eerst de volmachten der Steden tevreden en hebben Jelle 
Sybesz, burgemeester van Leeuwarden, en DouweSyxnfa, 
burgemeester van Franeker, gelast zich als hun Gedep. 
bij die der Landen te voegen. 2) 

Niet lang daarna werden door Matthias maatregelen ge- 
nomen ten opzichte der blokhuizen van Leeuwarden, Har- 
lingen en Stavoren, die nog altijd door huurtroepen waren 
bezet. Den 8sten Oct. toch vaardigde hij eene ordonnantie 
uit, waarbij hij toestond, dat ze zouden worden gesteld in 



1) Fresiuga, pajf. /3. Bor, 12de boek, pag. 996. 

2) Chrtbk. III, pag. 1210. De Steden als een yierde stem in 
staat door de Landen bij proyisie aangenomen, zonder praejudicie yan 
beide partijen. 



194 DE WORDING VAN HET COLLEOE 

handen van de burgers der respectieye steden, om ze, tot- 
dat ze zouden worden geslecht, door yertrouwde personen 
te doen bewaken. Uitdrukkelijk voegde hjj daaraan toe , 
dat dit geschiedde op advies yan den Raad van Staie en 
de Staten-Qeneraal en op verzoek yan de Staten der pro- 
vincie. 1) Waarschijnlijk werden met de laatsten de Gedep. 
bedoeld, die zich reeds in het vorige jaar tot de Staten- 
Generaal met een vcrzoek in dien geest hadden gericht en 
dit wel zullen hebben herhaald, toen Matthias landvoogd 
was geworden. 

»In het begin van 1579 begonnen," zegt Schotanus, 
»tusschen Rennenberg en de Gedep. eenige onlusten te ver- 
rijzen, omdat zij bij hem mindere geestdrift voor de vrijheid 
en grootere sympathie voor het oude Hof meenden op te 
merken." Nog in het laatst van het voorgaande jaar was 
het college van Gedep. gewijzigd en waren Epo van Douma , 
Laes Jonghama en Dirk Fogelsang in de plaats van Gerar- 
dus Jacobi, Seerp Galama en Goslick Hiddema getreden. 
Toen nu de landdag den 4t^^^ Maart bijeenkwam, heerschte 
daar groote verdeeldheid. Vooreerst toch wilden de Steden , 
niî hun bij provisie de vierde stem onder de Gedep. was toe- 
gestaan, ook als vierde stand op dcn landdag verschijnen, 
waartegen zich evenwel de Goén met kracht verzetten. Zij 
wendden zich daarom met een verzoekschrift tot Rennen- 
berg en gaven hem te kennen, hoe zij hadden gehoopt, 
dat de Staten van de platte landen zich niet daartegen 
hadden gekant. Met te meer grond hadden zij gemeend 
dit te mogen verwachten, omdat zij reeds sinds vele jaren 
mecr , dan zij van ouds gewoon warcn , in de lasten des 
Lands hadden bijgedragen. Nicttemin waren zij teleurge- 



1) Chrtbk. III pag. 1214. Ordonnantio van dcn Aartshertog Mat* 
thias betreffende het bczcttcn van het Kastecl van Locuwarden. 



DER GEDEPUTEERDE STATEN. 195 

steld en was hun niet alleen geweigerd als afzonderlijken 
stand aan den landdag deel te nemen, maar was hun ook 
weder de voorloopige toelating tot het coUege van Gedep. 
opgezegd. Tevens was het hun aandacht niet ontgaan, 
dat in de opschriften der brieven, die zoowel door Zijne 
Hoogheid als door de Staten-Generaal gezonden en op dezen 
landdag voorgelezen werden, de Steden niet meer werden 
genoemd. Zij meenden daaruit te mogen opmaken , dat zij , 
alhoewel zij door Rennenberg waren opgeroepen, eigenlijk 
op dezen landdag overbodig waren. Daarom waren zij voor- 
nemens maar naar huis terug te keeren en verzochten hem 
verlof om te mogen vertrekken. Zij verzekerden evenwel , 
dat , indien contributiën mochten worden gevraagd , zij geene 
andere zouden toestemmen, dan die van ouds gebruikelijk 
waren. Alle verdenking van de rust en welvaart tewillen 
verstoren, wierpen zij van zich af en ten bewijze daarvan 
verklaarden zij zich bereid tot onderhandeling , mits zij als 
vierde lid op den landdag zouden worden toegelaten. Toen 
Rennenberg den ilden Maart dit verzoekschrift ontving, 
stelde hij het twee dagen later in handen van de Staten 
der platte landen om hem dienaangaande hunne meening 
mede te deelen. Reeds den volgenden dag waren dezen 
met hun antwoord gereed, dat verre van toegevend luidde. 
Zooals meermalen vroeger, eischten zij ook nu weder, dat 
de Steden zich zouden voegen onder de Go, waarin zij 
waren gelegen , zonder dat de Goên zich schrik lieten aan- 
jagen door de bedreiging , dat de Steden in dat geval geene 
zwaardere lasten, dan zij van ouds gewoon waren, zouden 
dulden. Rennenberg dacht er evenwel anders over en be- 
val, dat de Steden voor dit maal zonder praejudicie van 
ieders recht als vierde stand op den landdag zou ver- 



196 DE WORDING VAN HET COLLEGE 

sohijnen. 1) Ook bleven dezen hun deel in het college der 
Gedep. behouden. Zoo behaalden zîj een tweede belang- 
rijke overwinning op de Landen. Wat hun nu voorloopig 
werd toegestaan, werd van blijvenden aard. 

Nog werd op dezen landdag zeer getwist over het aan- 
nemen der Unie van Utrecht. Een deel der vohnachten 
wenschte, dat zij zou worden geteekend, terwijl een 
ander deel en vooral de Geestelijken zich daartegen verzet- 
ten. Beiden boden den Stadhouder een verzoekschrift aan ^ 
die evenwel aan geen hunner eenig antwoord gaf , volgens 
Schotanus , j>B.h in twijfel staande en onberaden , wat hem 
te doen stondt, heimelyck de oneenigheid voedende, in *t 
openbaar nochtans sluitende, wat hij wilde." Of Rennen- 
berg inderdaad toen reeds met verraderlijke plannen om- 
ging, dan of hij wilde afwachten, wat de Prins zoudoen, 
waag ik niet te beslissen. Reeds den 12^^^ Maart hebben 
de volmachten van Leeuwarden, Franeker en Sneek met 
eenige grietmannen en edellieden , waaronder Duco Martena 
en Seerp Galema, de Unie aangenomen en daamaBaerthe 
Idzerda en JeUe Sybesz naar Utrecht gezonden, om haar 
namens hen te teekenen. Wcllicht uit vrees , dat tot Gedep. 
zouden worden gekozen mannen, die van de Unie afkee- 
rig waren, hebben hare voorstanders weten te bewerken, 
dat de toenmalige Gedep. niet aftraden , maar hun commisie 
werd verlengd, Onder dezen toch waren velen, die de 
Unie genegen waren. Yruchteloos poogde de andere partij dit 
te verhinderen. 2) Zoo was deze landdag vol tweedracht 
en ging uiteen, zonder dat censgezindheid was verkregeii. 



1) Chrtbk. IV pag. 5. Do Stcden van Vricsland voor dit inaal 
an zonder praojudicie van iedors rocht als ecn vionlo lid van staat 
toegolaten. 

2) Schotanus; 23ste bock, pag. S3ú. 



DER QEDEPUTEERDE STATEN. 497 

Den i2<len Mei liet Rennenberg, terwijl hij zelf te De- 
venter vertoefde , tegen den 20sten opnieuw een landdag 
door het Hof uitschrijven. Daar hij evenwel verhinderd 
werd dien datum te Leeuwarden te verschijnen , werd deze 
vergadering tot den 27sten uitgesteld. Laiig schijnt hij niet 
te Leeuwarden te hebben vertoefd , maar spoedig deze stad 
weder te hebben verlaten. Immers treffen wij hem reeds 
den 30sten aan te Winsum , om van daar uit maatregelen 
te nemen tot het beleg van Groningen, dat tot de vijan- 
delijke partij was teruggekeerd. Van hier schreef hij dien 
dag een brief aan de Staten van Frieslând en verzocht hun 
de gecommitteerden der nader geunieerde provinciën met 
aandacht aan te hooren en gunstige besluiten te nemen , 
op hetgeen door dezen zou worden voorgesteld. Hij helde 
dus toen reeds zelf tot de Unie over. Deze gecommitteer- 
den waren Reinhart van Aeswijn , Loeff van der Haer en 
Reynier Cant, die den 31sten eene nadere verklaring van 
de Unie indienden. De volmachten van Leeuwarden, Fra- 
neker, Sneek, Bolsward, Yist, Sloten, Workum en Sta- 
voren , waarvan de drie eersten reeds in Maart haar hadden 
aangenomen , draalden nu niet langer en traden reeds den 
2den Juni toe. i ) Daarentegen verklaarden de Geestelijken 
en eenige volmachten der Edelen en Eigenerfden dienzelf- 
den dag, dat zij vast besloten waren bij de Generaliteit 
overeenkomstig de Pacificatie van Gent to blijven en het 
dientengevolge onnoodig oordeelden in een nader verbond 
te treden. 2) Dit belette evenwel niet, dat andere vol- 



1) Chrtbk. IV, pag. 29. Actc , vvaarbij de Steden L., F., S.. B., 
Y., Sl. . W. en St. de Unie van Utrecht approbeeren en ratificeeren. 

2) Chrtbk. IV, pag. 29, De Prelaten en Volmachten der Statcn 
van Friesland vermenen onnoodig te zijn nader in do Unie van 
Utrecht te treden. 

13 



198 DE WORDING VAN lïET COLLEGE 

machten uit Ooster- en Westergo de Unie aannamen. 1) 
De vrienden der Unie traehtten aan deze tweedracht 
een einde te maken en stelden aan degenen , die nîets 
van haar wildeii weten , voor , dat van weerszyden twee 
of drie personen zouden worden benoemd om met elkaâr 
te beraadslagen. llet zou geschieden in tegenwoordigheid 
van de gecommitteerden der nader geuniëerde provinciën 
en van eenige afgevaardigden uit het Hof. Onder leiding 
van dezen zouden dan zulke middelen tot eensgezindheid 
worden beraamd , als eenigszins mogelijk zouden zijn. Mocht 
hunne tegenpartij in het verzet blijven volharden , dan pro- 
testeerden zij tegen alle onheilen, die deze provincie ten 
gevolge der tweedracht mocht ondervinden. De Prelaten 
en de volmachten , die het met hcn eens waren , antwoord- 
den evcnwel, dat van oudsher de minste stemmen gewoon 
waren de meeste te volgen en dat , hetgeen door de meeste 
besloten werd , sinds alle tijden beschouwd werd als de re- 
solutie dcs Lands, zonder dat het iemand geoorloofd was 
in strijd daarmede tc handelen. En daar nu zij , die de 
Unie niet hadden willen teekenen , de meeste stemmen 
vormden , behoordeii de anderen zich daaraan te onderwer- 
pen. Zy protesteerdcn mitsdicn tegen alles, wat tegenhun 
besluit mocht worden gedaan. 2) Ook nu schcidde wederom 
de landdag , zonder dat men tot een vergelijk was gekomen. 
Den llden Juni teekende Rennenberg do Unie , waama 
hij zich den 4den JuH tot zijne bondgenooten te Utrecht 



1) Chrtbk. IV, pag. 31. Concept-acte van de Volmachtcn in 
Oostcrgo, waarbij dcsulve dc articulcn van de Unic van Utrecht ap- 
probeeren en ratificcercn. 

2) Chrtbk. IV , pag. 34. Preseutatic en protestatie van dc Vol- 
machtcn , dio de uadere Unie hebben aangenomcn , aan de Prelaten 
en andcre Volmachtcn, met bunlicdcr antwoord. 



DER GEDEPUTEERDE STATÊN. 199 

begaf. Terwijl hij daar vertoefde , gelastte hij het Hof tegen 
den 6den Aug. wederom te Leeuwarden den landdag bijeen 
te roepen. Al spoedig verrees daar een twist tusschen de 
Landen en Steden over het aandeel , dat de laatsten , be- 
nevens het Bilt, in de oorlogscontributie hadden te dragen. 
Doch toen raen het niet eens kon worden , onderwierp men 
de zaak aan de beshssing van den Stadhouder en hetHof, 
die bepaalden , dat de Steden zouden opbrengen een negendo 
en het Bilt een vijfentwintigste deel , mits de Steden , zoolang 
de oorlog en dus ook de contributie duurde , zouden hebben de 
vierde stem in de Staten des Lands. En Rennenberg zich van 
de gezindheid der ingezetenen van de platte landen willende 
overtuigen, zond den 19den Aug. de volmachten naarhuis, 
met uitdrukkelijken last , om in hunne respectieve grietenijen 
door de grietmannen de ingezetenen bijeen te doen komen 
en hen af te vragen, of zij den oorlog met Spanje wensch- 
ten voort te zetten, dan wel een afzonderhjken vrede te 
sluiten en of zij , ingeval zij aan den oorlog wilden blijven 
deelnemen , bereid waren steeds haar quoten tot geregelde be- 
taling der soldij op te brengen. Van de grietenijen , wier 
ingezetenen zich daartoe genegen zouden verklaren , moesten 
de volmachten uiterlijk den Maandag, die op deze ontbin- 
ding volgde, terug zijn gekeerd, voorzien van eene vol- 
macht om zonder ruggespraak over de punten , die hij hun 
voorhouden zou, te beraadslagen en te besluiten, zooals 
zij het *tmeest in het belang van het Land zouden oor- 
deelen. 1) Dat nu Rennenberg dezen maatregel slechts nam 
voor de grietenijen en niet voor de steden, is vrij natuur- 
lijk , daar deze allen , op Hindeloopen na , de Unie hadden 



1) Chrtbk. IV , pag. 74. Poincten , de Volmachten van VrieslanJ 
Yoorgestcld om dezelve hun gemeentens voor te dragen cn met vol« 
komen procuratie weder te compareercn. 



200 DE WORDING VAN HET COLLEOE 

geteekend. Immers reeds den 2<îen Jûni hadden acht van 
de elf dit gedaan , welk voorbeeld den 4<îen Augustus door 
Dokkum en den 14dendoor Harlingen was gevolgd. 

Den 25sten kwamen de volmachten te Leeuwarden terug , 
waar men toen of op een der volgende dagen tot het ver- 
kiezen van nieuwe Gedep. overging. Het waren Scipio 
van Meckema, Rienk van Camminga, Jancke van Osinga, 
Dr. Orck van Doyem, Baerthe Idzerda, Auke Edesz, 
Jelle Sybesz, burgemeester van Leeuwarden en Douwe 
Syxma, burgemeester van Franeker. Hun werd opgedra- 
gen niet alleen het Gentsche verdrag en den Godsdienst- 
vrede te onderhouden, maar ook de Unie van ütrecht na 
te komen. Sinds dien tijd verschenen de vijanden der 
Unie en daaronder de Geestelijkheid niet meer ter Staten- 
vergadering. 1) 

Niet minder belangrijk voor de staatkundige geschiedenis 
dezer provincie was het jaar 1580. Toen toch had het 
verraad van Rennenberg plaats, waarvan de invloed niet 
kon uitbhjven. Was het vertrouwen, dat aanvankelijk de 
Friesche staatslieden in Rennenberg hadden gesteld , al lang 
aan het tancn , wijl de meeste zijner raadslicden uit Spaansch- 
gezinden bleven bestaan en hij gedraald Iiad de Unie te 
onderteekenen , in het begin van dit jaar sloeg hetbepaald 
tot wantrouwen over, toen eenige gijzelaars op vrijevoeten 
werden gesteld. Den lO^en Juni toch van het vorige jaar 
had Groningen zich aan Rennenberg overgegeven. Bij het 
verdrag van overgave was bepaald , dat zij trouw zou moe- 
ten zweren aan den Aartshertog Matthias, den Prins van 
Oranje en de Staten-Generaal , bencvens aan den Stadhou- 
dcr Rennenberg. Den Godsdienstvrede had zij moetenaan- 



1) Chrtbk. IV, pag. /8. Commistio en instructie voor de Ileeren 
Gedep. Staaten van Fricsland. 



DER GEDEPUTEERDE STATEN. 201 

nemen en de geschillen met de Ommelanden opschorten. 
En om verzekerd te zijn , dat deze bepalingen zouden wor- 
den nagekomen, had Rennenberg zes gijzelaars geëischt, 
welke hij zelf had moeten kiezen. Zooals zich laat denken , 
had hij dezen uit de yoornaamstc burgers gekozen , die als 
Spaanschgezinden en yijanden der Ommelanden bekend 
stonden. Hij had ze reeds den 14<iei^ Juni naar Eampen 
laten voeren en daar onder bewaking stellen. 1) Dezen 
werd het nu in 1580 toegestaan naar huis terug te keeren , 
zonder dat het belang der staatsgezinde partij of dat der 
Ommelanden hunne vnjlating wettigde. 

Ongeveer dienzelfden tijd kwam Rennenberg's zuster, 
Comelia van Lalaing, met haren echtgenoot, den Baron 
de Monceau, te Groningen aan. Reeds te Coevorden had 
zij een lang en geheim onderhoud met diens geheimschrij- 
ver Bailly, hetgeen niet weinig de achterdocht van Jan 
Van der Comput, die toen daar gouverneur was, gaande 
maakte. Hîj draalde dan ook niet zijn vermoeden aan 
Popke Ufkens, den eenigen staatsgezinde in Rennenberg's 
raad , mede te deelen en dezcn aan te sporen op zijn hoede 
te zijn. Later meende men met zekerheid te weten , dat 
zij de eenige oorzaak is geweest van Rennenberg's afval, 
daar hij, verlokt door de geschenken en fraaie beloften, 
welke zij had medegebracht , waarschijnlijk aan de verzoeking 
geen weerstand heeft kunnen bieden. Ternauwernood was zij 
dan ook in Groningen aangekomen , of hij liet toe , dat de 
Drentsche boeren de ruiters , die hij zelf op last der verbonden 
gewesten in dienst genomen en gemonsterd had , uit die pro- 
vincie verdreven. Wel handelden daarbij de boeren , ver- 
bitterd over den overlast, dien zij sinds eenigen tijd van 



1) Fresinga, pag. 153. 



202 DE WORDING VAN IIET COLLEGE 

dezc troepen haddcn te lijdcn, schijnbaar cigenmachtig en 
bctuigde Rennenberg aan Van der Cornput zijn dank , om- 
dat deze de vendels na hunne verdrijving in het land van 
Bentheim had doen huisvesten, doch men wist wel beter. 1) 
Alle twijfel was nu bij de Friezen weggenomen en, om 
niet te worden vcrrast, besloten zij door te tasten. Den 
isten Febr. bestormde men het kasteel van Leeuwarden en 
nam het zonder veel moeite in. Immers de ordonnantie 
van den 8stcn Oct. , hoewel uitgevaardigd , was nog niet 
ten uitvoer gcbracht. Dc wallen werden, voor zoover zij 
naar de stad waren gekeerd, geslecht en dc grachten ge- 
dempt, waarna het gebouw binnen de vcstingwerken der 
stad werd gesloten. Terwijl men hiermede bezig was, 
werden de Minderbroeders uit het klooster gehaald en do 
stad uitgeleid. Den volgcnden dag vertrokken vier ven- 
delen , vergezeld van eenige leden uit de Gedep. Staten , 
met name Rienk van Camminga, Scipio van Meckema, 
Baerthe Idzcrda cn Jancke van Ozinga , naar Harlingen , om 
zich ook daar van liet kastcel mecster te maken. 2) Zoo- 
dra zij cr waren aangekomcn , lieten zij het opeischen , 
doch hun eisch werd mct vijandchjkhedcn bcgroct. Mid- 
delerwijl had Renncnberg vcmomcn , wat in doze provincie 
gaande was , cn Bailly naar Lecuwarden gezonden , met uit- 
gebreide volraaclit oni in dcze zaken te handelen , zooals 
het met de oinstandigheden hct best ovcrecnkwam. Däâr 
werd hij tcrstond gevat en , toen men hem onderzocht , 
werden papiercn in blanco bij hem gevondcn , welke , allecn 



1) Fresinga, pag. 1/9. 

2) Fresinga, pag. 181 vu vlg. Bor, 2(le stuk , 14(le boek, pag. 
1(>4 zegt, (lat (le Gedcp. Staten Mr. Fiicke Rhala , Dr. Baortho Id- 
zcrda eii Douwe Syxuia van Franckcr uict dcu Sccr. Eelke Isbrandi de 
vicr vcndelcu vcrgczeldcu , doch ik hctvvijfcl of hij gocd waa iugolicht , 
daar cr o.a. gccn Hhala ondcr dc Gcdcp. van dit jaar was. 



DER GEDEPUTEERDE STATEN. 203 

onderteekend met den naam Rennenberg, waarschijnlijk 
moesten dienen voor een verbond met hen , die i?an de 
TJnie afkeerig waren. Doch men gebruikte ze nu om er 
een bevel tot overgave van het kasteel te Harlingen op te 
schrijven. En de bevelhebber , geen kwaad vermoedende , 
gaf het den 5<ien Febr. over, waarop het hetzelfde lot als 
dat van Leeuwarden onderging. Daarna sloegen de Gedep. , 
gesteund door Dirk Sonoy, die hun na herhaald verzoek 
door de geunieerde provinciën was te hulp gezonden, met 
vier vendelen het beleg om het kasteel van Stavoren en 
eischten het eveneens op. Doch de bevelhebber weigerde 
het over te geven , zoo men hem niet een bevel van de 
Staten-Generaal en den Prins van Oranje kon vertoonen. 
En eerst toen men dit had verkregen , had de overgave 
plaats. Men beging evenwel de onvoorzichtigheid het kas- 
teel te slechten, vôôr de stad was versterkt, waarvan de 
nadeelige gevolgen niet konden uitblijven. Op deze wijze 
werden de Friezen binnen een zeer kort tijdsverloop van 
drie machtige sterkten bevrijd, die zulke geschikte werk- 
tuigen waren geweest tot uitbreiding van de macht des 
Vorsten en onderdrukking van de rechten des volks. 

Toen Rennenberg dit alles vemam , gedroeg hij zich , 
alsof de Friezen hem ten onrechte van verraad verdacht 
hielden. Hij betreurde hunne rebellie en hun gemis aan 
dankbaarheid voor de groote diensten, die hij hun meerma- 
len had bewezen. Ook beklaagde hij zich, dat men hem, 
onder voorwendsel van met hem te willen beraadslagen , 
als een verrader binnen Utrecht had gedaagd , om voor den 
Prins en de bondgenooten te verschijnen. Doch Popke 
Ufkens en Jan Van der Comput trachtten hem te betoogen , 
dat hij juist door naar Utrecht te gaan zich zou zuiveren 



204 DE WORDING VAN HET COLLEGE 

van de blaam , die op hem rustte. 1) Hij wachtte zich 
natuurlijk wel aan dezen raad gevolg te geven en zond in 
zijn plaats Ufkens , die deze gelegenheid te baat nam , den 
Prins van alles in te lichten. Deze , voornemens om naar 
Amsterdam te vertrekken , veranderde terstond van plan en 
toog naar Eampen , van waar hij naar Groningen wilde 
gaan. Keeds was hij te Eampen aangekomen , toen dit 
aan Rennenberg door Ufkens werd medegedeeld , die hem 
aanspoorde den Prins tegemoet te reizen; Doch zich van 
schuld bewust , waagde hij het niet onder de oogen van 
zijn vroegeren vriend te verschijnen. Hij verhaastte zijn 
afval, die den 3den Maart plaats had, zonder veel meer 
dan de stad Groningen in zijn verraad mede te slepen. En 
Uf kens , zich niet veilig wanende binnen hare muren , had 
haar nog bij tijds , na velen gewaarschuwd te hebben, ver- 
laten. De Prins bleef tot den 1 ôtien Maart te Eampen en 
keerde van daar naar Holland terug. Te voren had hij 
nog maatregelen genomen tot behoud van Drente en 
Overijsel. 

Middelerwijl hadden de geruchten over het verraad van 
Rennenberg eene groote onrust onder de bevolking van het 
Noorden teweeggebracht. Niet alleen Spaanschgezinden , 
maar ook Roomsch-katholiekcn moesten het ontgelden. Om 
den Godsdienstvrede werd niet meer ge'dacht. Reeds in 
het midden der vorige maand was men in Friesland be- 
gonnen de beelden in de kerken te vemielen , de kloosters 
te bestormen en andere gewelddadigheden te plegen. Dit 
voorbeeld vond nu elders eene al te gereede navolging. 2) 

Ook op de Statenvergadering , die den 14denMaart bijeen 
kwam, trad men krachtig tegen de Eatholieken op. Dit 

)) Fresinga, pag. 185. 

"2) Fresinga, pag. 211 on 212. 



DER GEDEPUTEERDE STATEN. 205 

blijkt boYenal uit de instructie, die men aân de nieuwe 
Gedep. gaf. Toen toch legden zij, die sinds Â.ugustu8 
van het vorige jaar deze waardigheid hadden bekleed, haar 
neder. Allen , behalve Baerthe Idzerda en Dr. Orck 
yan Doyem , in wier plaats Laes Jongema en Sybren 
Hiddesz werden verkozen , werden op nieuw benoemd. Hun 
werd opgedragen de kloosters, die in deze provincie waren 
gelegen , in bezit te nemen , de roerende en onroerende 
goederen dezer stichtingen op het spoedigste te beschrijven , 
de roerende te verkoopen , van alles behoorhjke registers op 
te maken en de inkomsten na aftrek der schuld aan te 
wenden ten bate des Lands. Tevens werd hun gelastzoo- 
wel in godsdienst- als in staatszaken een grondige refor- 
matie te bevorderen. Voorts werd in deze instructie eene 
bepaling opgenomen omtrent de grietmanskeuze , waarvan 
nog in geene der vorige was gesproken. Misschien zou 
men daaruit mogen afleiden , dat de vorige Qedep. hun 
macht hadden overtreden. Wat beteekent anders de waar- 
schuwing, dat de nieuw verkozenen zich moesten wachten 
grietmannen bij provisie aan te stellen? Of was het wel- 
licht een voorzorgsmaatregel om te voorkomen, dat, nu 
eenige grietenijen vacant werden, wier grietmannen, omdatzij 
waren Rennenberg toegedaan , werden verdreven , eigenmach- 
tig door de Qedep. daarover zou worden beschikt? Hun 
werd dan ook door deze bepaling uitdrukkelijk opgedragen 
om , zoo eene grietenij mocht openvallen , deze volgens oud 
gebruik door den naasten grietman te doen bekleeden, tot- 
dat door de ingezetenen eene nominatie van drie personen 
was opgemaakt en daaruit ji>naar behoorcn" eene keuze was 
gedaan. 1) 

l^ Chrtbk. IV, pag. 139. Comoiisaie van de Heeren Gedep. Staaten 
van Vriesland. 



206 DE WORDING VAN IIET COLLEüE 

Wat nu verder den SlstenjfaÄrttenopzichtederbeneficiën 
en leenen op dezen landdag besloten v^erd, ga ik, hoe 
belangrijk het overigens ook zij , stilzwijgend voorbij , daar 
het geheel valt buiten mijn onderwerp. In plaats van Ren- 
nenberg werd door Matthias in overleg met de Staten- 
Generaal en op verzoek van de Staten dezer provincie de 
Prins van Oranje tot Stadhouder benoemd , met machtiging 
om in zijne plaats een geschikt persoon aan te 8tellen,die 
in zijne afwezigheid het stadhouderschap zou kunnen be- 
kleeden. Dit besluit was geteekend den llden Juni. De 
Prins draalde niet aan deze machtiging gevolg te geven en 
benoemde nog den 26sten dierzelfde maand Bemard van 
Merode , heer van Rummen , tot zijn plaatsvervanger. Zelf 
was hîj niet in staat in dit gewest te verschijnen, omdat 
zijne tegenwoordigheid in het Zuiden werd vereischt, waar 
te Antwerpen de Staten-Qeneraal bijeen waren en de vijand 
zich met veertien vendelen voetknechten en een deel ruitenj 
in de nabijheid van Brussel bevond. 1) 

Gemakkelijk laat het zich verklaren, dat de Gedep. als 
het ware met bezigheden werden overstelpt, nu zij boven 
hun gewonen werkkring nog moesten zorg dragen voor de 
invoering van eene nieuwe orde van zaken op kerkelijk 
gebied, waaraan tallooze moeielijkheden verbonden waren. 
Daarbij kwamen nog de zorgen , welke de oorlog met zich 
sleepte , en de zendingen , die binnens- en buitenslands door 
hen moesten worden verricht. Zij gevoelden dan ook, dat 
tegcn dit alles hunne krachten niet warcn opgewassen en 
beslotcn gebruik te maken van eeue bepaling hunner in- 
structie, die hun in dergelijk geval toestond tot verlichting 
hunncr taak uit icdere Go en uit hct kwartier der Steden 



1) Resolutiü-bocki-n. Resol. van Matthias van 11 Juni 1580 on 
RosoL van Willem van Nassau vau 26 Juni 1580. 



DEU GEDEPUTEERDE STATEN. 207 

zooYele personen te beschrijyen , als de omstandigheden 
zouden vereisehen. Zij verzochten daarom den lCdcn Sept. 
, de respectieve Goén en de Steden in allerijl een volmacht 
binnen Leeuwarden te zenden , die met hen zou kunnen 
beraadslagen en besluiten , zooals zij het ten dienste van 
het Land het nuttigst zouden oordeelen. 1) 

Middelerwijl hadden Rennenbergsche troepen voortdu- 
rend strooptochten in de Zevenwouden gedaan , waaraan 
men ten leste besloot paal en perk te stellen. Toen wer- 
den vier vendelen voetknechten en eenige ruiters tegen hen 
gezonden. Doch op het vernemen , dat er versterking voor 
den vijand in aantocht was, trokken twee vendels nog bij 
tijds terug , waarna de twee andere , zich dapper verdedi- 
gende , den 31sten Oct. werden verslagen. De vijand , nu 
geen tegenstand meer ontmoetende, rukte daarop voort 
naar Sloten , dat zonder moeite werd ingenomen , daar de 
versterkingen , hoewel begonnen, nog niet waren voltooid 
en de bezetting teruggeweken was. Hoorende , dat Sloten 
was verrast , verlieten ook de Staatsche troepen De Lemmer, 
ofschoon deze plaats voldoende door schansen was versterkt, 
en staken over naar Enkhuizen. De vijand vermeesterde 
nog Stavoren , waarvan men in het begin dezes jaars zoo 
onvoorzichtig het kasteel had vernield, zonder vooraf de 
stad te hebben versterkt. Het kasteel werd nu weder op- 
gebouwd , zooals er ook een te Makkum werd gesticht. 
Dagelijks werden van hier tot voor de poorten vanHarlin- 
gen , Franeker en Bolsward strooptochten ondemomen. 2) Te 
midden dezer rampspoeden schreef de Prins een brief vol 
bemoediging en troost naar deze provincie en spoorde haar 



1) Resolutie-boeken. Resol. van de Gedep, Staaten van Vriesland 
van 16 September 1580. 

2) Fresinga, pag. 308 en 309. 



208 DE WORDING VAN HET COLLEGE 

aan in haar dappere en kloeke houding te volharden , te 
meer omdat zij kon verzekerd zijn, dat hij met de geoniëerde 
provinciën niets zou nalaten , wat haar tot hulp en bijstand 
zou kunnen dienen. Inderdaad waren de Staten-Generaal 
reeds bezig met het werven en uitrusten van voetknechten 
en ruiterij , die haar te hulp moesten snellen. 1) 

x)Het was te verwonderen*', zegt Schotanus, »datlieden, 
die de onmatige heerschappij van het oude Hof hadden 
tegengestaan , nu, alsoo se in haer plaetse waren verheven, 
nae deselve stonden." 2) Hieruit ontstond een hevige twist 
tusschen hct nieuwe Hof Provinciaal, dat dezelfde macht 
als het vorige wilde uitoefenen, en de Qedep. , wier werk- 
kring op staatkundig gebied meer en meer dat college verving 
en die in hun ijver zclfszoovergingen, datdoor henookniet 
altijd het rceds zoozeer vcrzwakte gezag van den Stadhouder 
werd ontzien. Te midden dezer oneenigheid was Merode in dit 
gewest aangekomen , waar hij in overleg met het Hof tegen 
den löden Febr. 1581 een landdag bijeen riep. Toenheeft 
hij, om aan het twisten een einde te maken, eenige voor- 
stellen ingediend , dic de macht van den Gouvemeur , het 
Hof en de Gedep. nader moestcn omschrijven. In zeer 
reactionairen geest waren zij door hem opgesteld , hetgeen 
men van een vertegenwoordiger van den Prins ternauwer- 
nood zou hebben verwacht. Zoo wenschte hij , dat het 
vervallen gezag , ^volgens 't oude loflycke ghebruyck ge- 
heelyck en in alle poinctcu** den Qouverneur zou worden 
teruggegeven , opdat hij, met bchoorhjk gezag bekleed , des 
te beter al zijne krachten ten dienste van deze provincie 
zou kunnen aanwenden. Welk antwoord door de Staten 
daarop werd gegcven , laat zich nict moeiehjk gissen. »Syn 



1) llesolutio-bockon. Missivo van dcn Prins van 1(> Nov. 1580. 

2) Schotanus, 2dste boek, pag. 352. 



DER OEDEPUTEERDE STATEN. 209 

Genade sal," zoo luidt het in de Staten-resolutie van den 

22sten Febr. , »metten Gedep. Staten van den Landen com- 

municeeren , adviseeren en resolveeren , als Hoofd van deselve, 

op alle Landtssaken, soowel den vrede als den oorloghe 

betreifende , en anders soodat behooren sal." Ja zij voeg- 

den er nog aan toe, dat in zijne afwezigheid de Staten en 

hunne Gedep. zouden mogen beraadslagen en besluiten tot 

welzijn dezer Landen , welke besluiten dan zijne Genade zou 

moeten ten uitvoer brengen. Geenszins waren zij dus genegen 

het aandeel , dat zij reeds in de regeering hadden verworven , 

weder op te geven , maar steeds waren zij van zins het uit te 

breiden. Wat het Hof aanging , stelde hij voor , dat het 

zich voortaan slechts met rechtszaken zou hebben te bemoeien, 

terwijl hij aan de Gedep. eene j^ghelimiteerde" commissie 

wenschte opgedragen te zien , die zij nimmer zouden mogen 

overtreden. Ten ware de Staten van meening waren om den 

geheelen last der regeering op de schouders der Gedep. 

te leggen, zouden dezen zich niet mogen mengen in de 

zaken van den Stadhouder of in die vanhetHof, danalleen 

wanneer zij daartoe werden geroepen. De Staten besloten 

evenwel hierop slechts, dat zoowel het Hof als de Gedep. 

zich hadden te gedragen naar dergelijke coUeges in de an- 

dere gewesten. 1) 

Toen ging men over tot het verkiezen van nieuwe Gedep. 
De meesten van hen , die aftraden , stelden zich niet her- 
kiesbaar. Zij toch verklaiurden , dat zij, wijl zij gedurende 
langen tijd de groote en zware lasten hadden gedragen , 
nu gaame daarvan wenschten te worden ontslagen. Men 
verkoos alzoo Sydts Scheltema , Doecke van Aysma , Jelger 
van Peitsma , Geroldt Inthesz , Aucke Edesz , Abel Pran- 
kena, Douwe Syxma en Mr. J. Monsma. Slechts twee 

1) Handschnft van Merode. Winsemius, Chronyck, pag, 692. 



210 DE WORDING VAN HET COLLEGE 

hunner , Aucke Edesz en Douwe Syxma , hadden tot de 
aftredende behoord. Nog denzelfden dag ontvingen zjj eene 
instructie, die op enkele uitzonderingen na geheel met die 
van het vorige jaar overeenkwam. Zoo werd hun thans 
uitdrukkelijk opgedragen om met den Stadhouder te zorgen 
voor handhaving der krijgstucht en , zoo zij het noodig mochtcn 
oordeelen, ongeschikte hoplieden af te zetten en door be- 
kwamere te vervangen. En wat de grietmanskeuze aan- 
ging, werd bepaald, dat deze uit eene nominatie deringe- 
zetenen zou geschieden door den Stadhouder , na advies der 
Gedep. 1). Was dit voor hen eene belangrijke uitbreiding 
van macht, het Hof, dat daardoor al zijn invloed verloor 
op de aanstelling van zulke gewichtige ambtenaren als de 
grietmannen , moest zich door deze bepaling gekrenkt ge- 
voelen. De tweedracht bleef dan ook voortduren, waarop 
Dr. Orck van Doyem en Jacob Jacobs, burgemeester van 
Bolsward , naar den Prins werden gezonden , om diens over- 
komst te verzoeken. Deze gaf daaraan gehoor en verscheen 
in het begin van April te Harlingen, waar hij met groote 
blijdschap ontvangen en door de Gedep. verwelkomd werd. 
Hij was vergezeld van zijne vrouw , Charlotte van Bourbon, 
zes dochters en zijn natuurlijken zoon Willem. 2) 

Aan de Gedep. , benevens eenigen uit de EdoIIieden en 
Eigenerfden , verklaarde de Prins , dat , hoewel zijne tegen- 
woordigheid elders werd vereischt , in het bijzonder wegens 
het bijeenroepen der Staten-Generaal binnen HoUand, hij 
toch om aan hun dringend verlangen te voldoen , zich bin- 
nen Harlingen had laten vinden. Wel had hij gehoopt , 
dat vôôr zijn aankomst de geschillen waren bijgelegd , doch, 



1) Schotanus, 23stc boek, pag. 852, waar de instractie in haar 
gchcel is vermcld. 

2) Fresinga, pag. 4()2. Schotanus, 2dstc bock, pag. 879. 



DER GEDEPUTEERDE STATEN. 241 

daar hij hierin teleurgesteld was , had hij zich genoodzaakt 
gezien hun eenige punten en artikelen voor te stellen , die 
konden worden nagekomen , totdat hij gedurende langören 
tijd binnen deze provincie zou kunnen vertoeven en een 
landdag uitschrijven. 1) Zoo adviseerde hij ten opzichte der 
justitie , dat , ten einde de rechtspraak in voldoend aanzien 
zij , deze aan het Hof zonder eenig beletsel zou worden 
overgelaten , terwijl het zich geenszins met lands- en krijgs- 
zaken had te bcmoeien, ten ware het om advies werd ge- 
vraagd. Ten opzichte van 'sLands bestuur gaf hij den raad, 
dat Merode als Luitenant-Gouverneur en als Hoofd der Qedep. 
met dit college zou te rade gaan en besluiten over al, 
hetgeen de privilegiën aanging , benevens over alle zaken , 
waardoor de veiligheid en welvaart van dit gewest zouden 
worden bevorderd en de gesloten verdragen gehandhaafd. 
Mochten er echter tusschen de Steden of de ingezetenen der 
platte landen of tusschen beiden onderling twisten ontstaan , 
dan moesten deze, ried hij, door het Hof worden beslecht. 
Aangaande het verkiezen der grietluiden zou de Prins op 
den aanstaanden landdag zulke maatregelen nemen, als tot 
welvaart en voorspoed van dit gewest noodig zouden zijn. 
In geval vôôr dien tijd eene grietenij mocht openvallen , 
zou hij goedvinden, dat bij voorbaat de ingezetenen dier 
grietenij uit de aanzicnlijksten en besten hunner een voor- 
dracht van drie personen opmaakten, welke zij den Stad- 
houder of bij diens afwezigheid den Luitenant-Gouvemeur 
zouden aanbieden , om, na 't advies van het Hof en de Gedep. 
te hebben ingewonnen, daaruit eene keuze te doen. En 



1) Bor, 16de boek, pag, 252, verhaalt , dat de Prins tegen den 
IJden April een algemeenen landdag heeft uitgeschreven eu dââr deze 
adviezen heeft ingediend. Dat dit evenwel in strijd is met de waar* 
heidy biykt uit de authentieke stukken. 



212 DE WORDING VAN HET COLLEGE 

om een eînde te maken aan de geschillen , die gewoonlijk 
op iederen landdag uit het verkiezen van Gedep. ontston- 
den , adviseerde de Prins , dat , zoolang de oorlog duurde , 
de volgende voet zou worden gevolgd. Alle Edelen toch 
uit den lande van Friesland, zoowel die in de steden als 
op het platte land woonden , zouden uit hun midden twaalf 
personen ï>nomineeren" met meerderheid van stemmen, het- 
geen eveneens de Eigenerfden en de Steden zouden moeten 
doen, of, zoo dit niet mocht goedgevonden worden , zou ieder 
der plattelandskwartieren , zoowel uit de Edelen als uît de 
Eigenerfden , evenals dat der Steden uit hare burgers een voor- 
dracht van twaalf personen moeten opmaken. Deze voor- 
drachten zouden dan aan Zijne Exc. als den Stadhouder van 
dit gewest moeten aangeboden worden om uit ieder harer vier 
of drie personen tot Gedep. te verkiezen , naarmate men den 
eersten of tweeden weg volgde. Hierbij zou evenwel in acht moe- 
ten worden genomen , dat de een tot den ander niet in nadere 
betrekking van bloedverwantschap zou mogen bestaan dan in 
den vierden of van aanverwantschap dan in den derdcn graad. 1) 
Hoe ingenomen zich overigens de Gedep. met deze ad- 
viezen betoonden , toch waren zij in zooverre niet voldaan , 
dat de Prins, althans voorloopig, aan het Hof eenigen in- 
vloed op de keuze der grietmannen wilde laten behouden. 
En wat de samenstelling van hun eigen college aanging, 
meenden zij niet te kunnen antwoorden , omdat zij daartoe 
niet waren gemachtigd. 2) De Prins evenwel, gesteund 
door de Edelen , 3) bleef bij zijn gevoelen en vaardigde nog 
den 7den April te Harlingen eene resolutie uit , die op enkele 

1) Proces tusschen Landcn en Stedcn. 

2) Proces tusschcn Landen cn Steden. 

3) Chrtbk. IV , pag. 245. Provisioneel reglement van Prins Willem 
van Oranje, op 'tstuk vau regeeringc in Vriesland gemaakt, met de 
adviczcn der Heeren Edclen daarop gegcven. 



DER GEDEPUTEERDE STATEN. 243 

wijzigingen na geheel met zijne adviezen overeenkwam. 
Zoo gaf hij o.a. aan den wensch der Gedep, toe, dat door 
hen in vele zaken met meerderheid van stemmen zouwor- 
den beslist , doch hij willigde niet in , dat grietmannen kon- 
den worden gekozen , zonder dat vooraf het Hof was ge- 
raadpleegd. Afzonderlijk vaardigde hij dienzelfden dag over 
de wijze , waarop de verkiezing der Gedep. zou plaats heb- 
ben , een advies uit , dat geheel overeenkwam met hetgeen 
hij twee dagen te voren aan Gedep. , Edellieden en Eigen- 
erfden had geraden 1), maar waarop de Ged. hadden gemeend 
niet te kunnen antwoorden. 

Den lOden April overhandigden de Gedep. nogmaals eene 
acte aan den Prins. Wat ze behelsde, weten wij niet. 
Dit alleen weten we , dat de Prins haar aan President en 
Raden van het Hof overgaf, met verzoek hem schriftelijk 
daarover hun oordeel mede te deelen, waaraan zij reeds 
den 12den voldeden. Hierbij verklaarden zij, nanietgeheel 
in overeenstemming met de ware toedracht der zaken te heb- 
ben vermeld , hoe zij op verschillende landdagen met gemeene 
stemmen der Landen en Steden tot hun ambt waren verko- 
zen , 2) van geen ander voomemen te zijn , dan om zoowel 
in godsdienst- als in staatszaken de belangen van dit ge- 
west voor te staan, in 'tvaste vertrouwen, dat zij na deze 
bekentenis geenszins zouden worden verdacht met den vijand 
eenige gemeenschap te hebben. Immers al was ook het 
Hof sinds een paar jaren uit andere personen saâmgesteld , 
nog steéds werd het gewantrouwd als een geschikt werk- 
tuig tot bevordering der tyrannie. En voorzoover de 
Gedep. mochten beweren , dat het , ofschoon het Hof toen 



1) Chrtbk. IV, pag. 248. Advys van den Stadhouder, Prins Willem 
van Oranje , waarna de electie der Gedep. in 't toekomende zou kun- 
nen geschieden. 

2) Zie pag. 192. 44 



214 DE WORDING VAN HET COLLEGE 

nog geene reden tot ongerustheid had gegeven , mettertijd 
kon veranderen en te duchten was , dat 't op den duur de 
zaken van godsdienst en staat niet naar behooren zou be- 
hartigen , merkten zij op , dat dit veeleer van de Gedep. 
kon worden gevreesd. Dezen toch traden telken jare af en 
konden naar 't believen der Landen en Steden worden ge- 
wijzigd , terwijl de ambtenaren van het Hof perpetueel wa- 
ren. Men zag évenwel voorbij , dat hierdoor juist dit lichaam 
zich groote macht kon toeöigenen en iedere hervorming te- 
gengaan, terwijl de Gedep. zich richtten naar dezienswijze 
der Staten en meer rekening hielden met de tijdsomstan- 
digheden. Den Prins en de Gedep. werd in bedenking ge- 
geven , of 't niet beter was omtrent alle zaken met het 
Hof in overleg te treden, dan dat ieder der beide colleges 
zijn eigcn zin volgde, te meer daar de staatszaken moeie- 
lijk van de justitie konden worden gescheiden zonder ver- 
warring te veroorzaken. Ten opzichte van de verkiezing 
der grietmannen echter verwierp het Hof alle inmenging 
der Gedep. en beriep zich op oude verdragen, die zouden 
vermelden , dat , na voorafgaandc nominatie van drie perso- 
nen , de vacante grietenijen door den Stadhouder in overleg 
met President en Raden van hct Hof vergeven moesten 
worden. En daar dit nu een der voornaamste voorrechten 
van dit gewest zou zijn, welke de Gedep. overeenkomstig 
hun lastbrief behoorden te beschermen, verzocht het den 
Prins dezen ook tot onderhoud van dit privilegie te bewegen. 
Doch de zaak werd niet geheel juist voorgesttfld, daar 
oudtijds wel de grietmannen werden benoemd door den 
Stadhouder met het Hof, maar van eene voordracht der 
ingezetenen toen nog geen sprake was. De Prins braeht 
dan ook , niettegenstaande alle pogingen , geene verandering 
in de maatregelen, die hij reeds bij voorbaat had geno- 



DER GEDEPUTEERDE STATEN. 215 

men 1) , maar keerde, nadat hij nog eerst een bezoek aan 
Leeuwarden had gebracht, naar HoUand terug. 

Reeds m Maart hadden de Friesche troepen onder Merode 
De Lemmer en Sloten hemomen door ze bg verdrag tot 
overgave te dwingen, zoodat Stavoren nog de eenige ves- 
ting was, die zieh in handen van den vijand bevond. Doch 
ook om deze stad werd op bevel van den Prins het beleg 
geslagen en aan Sonoy komt de eer toe haar in April op 
Rein Dekema te hebben genomen. Het kasteel , dat de 
vijand weder had opgebouwd , werd opnieuw geslecht ; en 
door de ondervinding geleerd, verzuimde men niet de stad 
te versterken. 

Terwijl men alzoo voortging dit gewest tegen de aanval- 
len van den vijand te beschermen, werd den 26sten JuH 
door de Staten-Generaal besloten en met eede bevestigd 
Filips H niet langer als hun wettigen vorst te erkennen , 
waama ook door hen o.a. de President en Raden van het 
Hof van de commissie werden ontslagen, die zij namens 
hem hadden ontvangen. Tevens werd evenwel verklaard , 
dat zij op nieuw in hun ambt zouden worden bevestigd , 
zoo zij genegen waren voor de Gedep. van dit gewest een 
eed af te leggen , dat zij den Koning niet langer onderda- 
nig wilden zijn, maar aan de geunieerde provinciën, be- 
nevens aan de overheid, door de Staten dezer gewesten 
gesteld , en in 't bijzonder aan de Staten van Friesland ge- 
trouwheid cn gehoorzaamheid wilden bewijzen. 2) Hieraan 
werd door hen den 5den Dec. en volgende dagen voldaan. 



1) Chrtbk. IV, pag. 250. Advys TaÄ den flove van Vrieskndop 
zekere acte, bij de Staaten van Vriesland zijne vorstelijke Genade 
overgegeven, 

2) Chrtbk. IV, pag. 281. Formulier van de commissie voor de 
Raden in den Hove Provinciaal. 



216 DE WORDING VAN HET COLLEGE 

Reeds sinds eenigen tijd hadden de Staten-Genemal met 
den Hertog van Anjou verdragen gesloten , waarbij zij hem 
als Heer der Nederlanden aannamen , doch niet voor den 
17den Febr. 1582 verscheen hij te Antwerpen, waar hij 
tot Hertog van Brabant en Markgraaf van Antwerpen werd 
gehuldigd. De gemachtigden der andere gewesten, die 
achtereenvolgeus in deze stad kwamen, werden aangezocht 
hem ook hunne hulde te bieden, waaraan onder anderen 
de Friesche afgevaardigden voldeden en wat zij met een 
eed bevestigden. En opdat nu , hetgeen door hen was ver- 
richt, door de Staten van dit gewest kon worden goedge- 
keurd, werd door Merode in Juli 1582 een landdag uit- 
geschreven. Hier hebben slechts de Steden op zijn voor- 
stel tot erkenning van Anjou een antwoord ingediend.. 1) 
Zij verklaarden zich bereid om ter goedkeuring van de ver- 
schillende verdragen , die door de geunieerde provinciën met 
Anjou waren gemaakt en zoowel in Frankrijk als onlangs 
in Antwerpen met een generalen eed waren bekrachtigd, 
ook een particulieren ced te doen , mits Anjou op zijn beurt 
eveneens aan den lande van Friesland een bijzonderen eed 
aflegde, dat hij dit gewest in het algcmeen en de Steden 
in het bijzonder in hunne privilegiën zou handhaven en naar 
aloude wetten en gewoonten zou besturen. Tevens ver- 
zochten zij met nadruk, dat hij al zijne krachten zou wil- 
len inspannen, opdat de geschillen tusschen de Gedep. en 
het Hof , met behulp van twee uit den Adel en twee uit 
de Steden overeenkomstig 'sLands tractaten, welke in 
1522 met Keizer Karel waren gemaakt, werden beslecht 
en alle andere moeielijkheden , die tusschen de Steden en 
Landen of tusschen particulieren onderling waren ontstaan, 
uit den weg werden geruimd. Gebeurde dit iiiet, dan 

1) Schotanus, bock 23, pag. 898. 



DER GEDEPUTEERDE STATEN. 217 

vreesden zij , dat gedurende dezen landdag op yerscheidene 
andere punten geene resolutie kon worden genomen. Ein- 
delijk bekenden zij , dat zij niets liever hadden gezien , dan 
dat de volmachten van de Landen zich met hen vereenigd 
en dit besluit onderteekend hadden, doch dat zij daarin 
waren teleurgesteld. 1) 

De stnjd tusschen de Gedep. en het Hof, nog zoo pas 
door den Prins voorloopig beslecht, was namelijk in het 
begin dezes jaars op nieuw uitgebarsten. Toen toch had 
Merode met de Gedep. de magistraatsbestelling te Leeuwar- 
den bezorgd tegen den zin van den magistraat en de bur- 
gers dier stad, die daarop haren Burgemeester Aesge Lam- 
berts hadden afgevaardigd , om hun te verzoeken toch geen 
inbreuk op de oude gewoonte te willen maken en de magis- 
straatsbestelling te laten aan den Stadhouder en het Hof. 
Doch de Gedep. , geenszins voomemens om dat college in- 
vloed in de regeering toe te staan, wilden daarvan niets 
hooren en brachten Lamberts onder het oog, dat het Hof 
een van de oude banden der slavernij was. Hij antwoordde 
evenwel , dat , indien voortaan de magistraatsbestelling zou 
moeten geschieden door Merode met de Gedep. , er ook in 
dit college evenveel leden uit de Steden als uit deLanden 
moesten zitten, opdat dezen in hunne voorrechten nietzou- 
den worden verkort. Lnmers waren de Steden steeds op 
hunne hoede, dat zij niet door het platte land werden 
overheerscht. Voortdurend droegen zij zorg hunne reeds 
verworven rechten te handhaven en uit te breiden , waarom 
zij zich dan ook bij het Hof aansloten. Eerst door bemid- 

1) Chrtbk. IV, pag. 301. Resolutie nopens de particuliere aanne- 
ming van den Hertog van Alen^on en het doen van den eed aan 
weerszijden wegcns de provincie Friesland, doch alleen doordeSteden 
onderteekend en voor hare particuliere resolutie gehouden , vermits 
zwarigheid van de lianden. 



218 DE WORDING VAN HET COLLEGE 

deling van de Staten-Qeneraal werd de twist, die in den 
aanvang zeer hevig was, eenigszins totbedarengebracht. d) 

Waarom de vohnachten der Landen het besluit , dat door 
het kwartier der Steden was genomen, niet wilden onder- 
teekenen, valt niet met zekerheid te zeggen. Hetvermoe- 
den ligt evenwel voor de hand , dat zij , ofischoon bereid 
Anjou als him Yorst te erkennen, in geen geyat de be- 
slissing der geschillen tusschen de Gedep. en hetHofwilden 
overlatei^ aan Merode, gesteund door een commissie yan 
vier personen, waarvan twee behoorden tot den Adel en 
twee tot het kwartier der Steden en waardoor aan delaat- 
sten een invloed zou worden gegeven, die tegen dien der 
Landen ruimschoots opwoog. Daarenboven neme men nog 
in aanmerking, dat het tractaat, waarop zich de Steden 
beriepen, geenszins op deze zaak betrekking had. Daarbg 
toch was door den Keizer toegestaan , dat in crimine laesae 
Majestatis geen edehnan of aanzienlijk persoon aan lijf of 
goed zou worden gestraft, zonder dat vooraf twee uit de 
Edelen en twee uit de Steden daarvan in kennis waren 
gesteld. 2) 

Hoezeer ook tegenstand vindende bij de plattelandskwar- 
tieren, toch lieten zich reeds op deten landdag de Steden 
gelden, alsof hun kwartier alleen volkomen dezelfde rech- 
ten had, als de drie Qoên samen. Zij besloten daarom den 
26sten Juli het voorloopig verdrag, dat zij den lödcn Sept. 
1578 met de Qoén hadden gemaakt en waarbg hun bij 
provisie slechts de vierde stem in het coUege der (ïedep. 
was toegestaan , op te zeggen , liever hun eigen zaken zelf- 
standig willende besturen, dan langer in een verdrag beruBten , 



1) Schotanus, boek 23, pag. 898. 

2) Chrtblu II , pag. 124. 



DEK GEDEPUTEERDE STATEN. 219 

dat hun zoo weinig invloed schonk. Echter werden ze nog, 
daar de vijand met vreugde deze tweespalt aanschouwde, 
door den President van het Hof Hessel van Aysma en den 
Raadsheer Jhr. Frans van Eysinga overgehaald voorshands 
^ met het maken van veranderingen te wachten tot het einde 
der maand Maart van het volgende jaar , wanneer de eerst- 
volgende landdag zou bijeenkomen. i) Middelerwijl zou 
dan, hoopte men, de Hertog van Anjou en diens Stede- 
houder , de Prins van Oranje , maatregelen kunnen nemen , 
om deze geschillen hetzij voorloopig en gedurende den oor- 
log of voor altijd bij te leggen. Daarop zijn den 28sten JuU 
acht nieuwe Gedep. op den ouden voetgekozen. Hetwaren 
Kempo van Donia , Mr. Sjoerd Fockes , Jelger van Feitsma , 
Dr. Orck van Doyem , Abel Frankena , Meine Lykles , 
Douwe Syxma en Willem Arents , waarvan sommigen reeds 
tot de afgetredenen hadden behoord. 

Aan hen werd overeenkomstig de adviezen , die de Prins 
het vorig jaar had gegeven, in hunne commissie opgedra- 
gen zoowel de civiele als crimineele rechtspraak aan den Stad- 
houder of diens plaatsvervanger , Merode , en het Hof over 
te laten, zonder dat de Gedep. zich daarmede hadden te 
bemoeien, gelijk het Hof zich niet had te mengen in het 
bestuur des Lands. Doch in afwijking van 's Prinsen advies 
werd hun gelast te zorgen , dat voortaan alle grietluiden 
op voorgaande nominatie der ingezetenen doordenStadhou- 
der in vereeniging met de Gedep. werden gekozen , waarbij 
dus de medewerking van het Hof geheel werd buitenge- 
sloten. Merkwaardig was nog deze lastbrief, voorzoover 
hij aan de Gedep. de macht verleende niet alleen , zooals 
reeds vroeger geoorloofd was , in buitengewone gevallen een 
landdag uit te schrijven, maar ook zorg te dragen, dathij 

1) Scbotanus, 238te boek , pag. 898, 



220 DE WORDING VAN HET COLLEGE 

telken jare tegen het einde van Maart of begin van April , 
naarmate de omstandigheden het vorderden , bijeenkwam 1) 
Ook zou dit moeten geschieden, al mocht de Stadhouder 
afwezig en niemand tegenwoordig zijn om hem te vervan- 
gen. Zoo werden aan het Hof opnieuw belangrijke voor- 
rechten ontnomen , hetgeen een logisch gevolg was van het 
streven, om zijn macht tot rechtzaken te beperken. 

Het twisten hield dan ook niet op , maar verergerde 
weder van dag tot dag, waarom eenigen uit het kwartier 
der Steden naar Anjou werden gezonden. Dringend ver- 
zochten zij hem om, zoo hij niet een vrede van langen 
duur zou kunnen stichten, dan toch voorloopig de rust te 
herstellen. Was eenmaal het onderling wantrouwen weg- 
genomen , dan zou , meenden zij , het Land rustig met gelijk 
aantal stemmen van de Landen en de Steden kunnenwor- 
den bestuurd. Hun werd evenwel door Anjou geantwoord , 
dat in deze zaken niet zonder volkomen kennis en eerst 
na rgpe deliberatie gehandeld mocht worden. Hij zou daar- 
toe den Luitenant-Gouvemeur Merode bevelen om met twee 
leden van het Hof onderzoek te doen naar de rechten der 
partijen. Eerst wanneer dit had plaats gegrepen , zou hg 
in staat zijn zulke middelen te beramen , die de rust en 
welvaart van het Land zouden bevorderen. 2) Hiermede 
verliep deze zaak tot den landdag van het volgende jaar. 

Getrouw aan hunnen lastbrief riepen de Gedep. in over- 
leg met Merode de Staten tegen den 26sten Maart 1583 
bijecn. Gewichtige gebeurtenissen hadden middelerwijl plaats 



\) Chrtbk. V , pag. 302. Commissiebrief op acht Gcdep. om met 
den Stadhouder te handelen ovcr zaken , 't welzijn van den Lande 
betreffende, uitgezonderd civielc cn crimineele justitie. 

2) Chrtbk. IV, pag. 318. Provisionele decisicn of appoinctementen 
door den llertog van Alengon gegeven aangaande het atemmen in 
zaaken van staat. 



DER OEDEPUTEERDE STATEN. 221 

gegrepen. De Hertog van Ânjou had, doch te vergeefs, 
beproefd zich yan Antwerpen en andere steden meester te 
maken, waardoor de verwarring niet weinig was vermeer- 
derd. Dringend was het dus noodig maatregelen totherstel 
der orde te nemen , hetgeen behalve de gewone zaken alle 
aandacht der volmachten op dezen landdag zou vorderen. 
Doch i>noch ghemeene noodt van Nederlandt, noch eygene 
van Westerlauwers kon", zegt Schotanus, »de twist slissen , 
die tusschen de Landen en Steden in 'tvoorleden jaer in 
flamme uytbrack." i) 

Reeds daags na het openen dezer yergadering verklaar- 
den de Steden vooralsnog bij hun besluit van den 26sten JuU 
des voorgaanden jaars te volharden. Alleen op voorwaarde , 
dat de Landen zouden goedvinden , dat aan Merode en twee 
leden van het Hof het onderzoek in de geschillen werd op- 
gedragen, waren zij bereid met hen te beraadslagen en te 
besluiten ten bate van het gewest. Uit vrees dat de Landen 
scheuring onder hen zouden veroorzaken , besloten zij tevens , 
te allen tijde bij elkaâr te zuUen bhjven en in alle zaken 
met meerderheid van stemmen te zuUen beslissen, zonder 
zich in eenig opzicht van elkâar te laten scheiden. 2) 

Op het eerste besluit werd door de vohnachten der Lan- 
den den volgenden dag geantwoord en uit de qualificatie, 
die zij zich zelven toen gaven , blijktvoldoende , welke hou- 
ding zij tegenover de Steden aannamen. Immers noemden 
zij zich »de ghemeene vohnechten van Oostergoe, Wester- 
goe en Zevenwouden, van oldts gerepresenteerd hebbende 
de Staten van Yriesland voor het geheel, daaronder den 



1) Scbotanus, Sde dl. , Iste bk., pag. 916. 

2) Cbrtbk IV. pag. 354. Verbintenis der Steden onder malkan- 
deren tegen den aanleg der platte landen om scbeuringe onder hen te 
verwekken. 



222 DE WORDING VAN HET COLLEGE 

Steden elx onder syn goe begrepen, en nu voor een tijd- 
lang de drie stemmen derselver den 4^«^ den Steden uit 
gratie geconsenteerd ende verwilligd hebben." Geenszins 
waren zij dan ook genegen aan de Steden meerder aandeel 
in de regeering toe te staan , dan dezen tot nu toe hadden 
gehad. Mochten dezen evenwel bg hun eisch blijven vol- 
harden, dan verklaarden zij zich bereid de geschillen ordi- 
naria via justitiae te laten beslechten. 1) 

Over dit antwoord toonden zich de Steden zeer gekrenkt. 
Op hoogen toon gaven zij hunne verwondering te kennen , 
dat de volmachten der platte landen zich zulke qualificatie 
durfden aan te matigen en bestreden hunne bewering, dat 
eigenlijk aan hen alleen het bcstuur over de Landen en 
Steden toekwam en aan de laatsten slechts bij provisie in 
4578 de vierde stem was gegeven. In strijd met hunvroe- 
gere bewering, dat de Staten des Lands bestonden uit 
Goestehjken, Edelen, Eigenerfden en Steden, betoogden 
zij nu, dat dezen slechts drie leden vormden, met name 
de Qeestehjken, Edelen en Eigenerfden, die zoowel in de 
steden als op het platte land woonden. Zij leidden daaruit 
de conclusie af, dat, daar de Geestehjkheid opgehouden 
had deel te hebben aan de zaken des Lands, aan de 
platte landen voor de eene en aan de Steden voor de andere 
helft de regeering toekwam, 

De volmachten der platte landen vonden, zooals men 
kan nagaan, dezc gevolgtrekking zonderling. Hierdoor 
toch zouden aan de Steden alleen de voordeelen ten deel 
vallen, die uit dcn ondcrgang der Geestehjkheid voortsproten , 
en zouden dezen de erfgenamen harer rechten zijn. Wel 
mochten de Steden betogen, dat vôôr 1577 en 4578 geens- 
zins bij de volmachten der Goén het bestuur des Lands, 

1) Bor, 2dc st., 18do boek, pag. 373. 



DER GEDEPUTEERDE STATEN. 223 

veel minder dat der Steden had gezeteld en dus aan hen 
geenszins het recht toekwam voorloopig slechts de 4de stem 
aan de Steden toe te staan , doch de volmachten der platte 
landen verzochten him niet alleen op dien tijd te letten, 
maar ook een blik te slaan op den regeeringsvorm des Lands , 
toen het zich nog aan geen Heer had onderworpen en zonder 
twijfel de regeering bij de Landen berustte, En mochten 
zij er zich ook tegen verzetten, dat aan.Merode en twee 
leden uit het Hof de beslissing der geschillen werd opge- 
dragen, zg beletten daarom de Steden niet den gewonen 
weg der justitie te bewandelen, zooals voldoende uit hun 
vorig antwoord was op te maken. Tevens gaven zij te 
kennen, dat zij volstrekt niet van plan waren aan de Ste- 
den tegen hunnen wil de vierde stem te laten , doch daaruit 
volgde nog niet , zooals de Steden meenden , dat zij dan van 
het dragen der gemeene lasten ontslagen zouden zijn. 1) 

Terwijl men aldus voortging met kibbelen, hebben de 
Steden den 5den April op aansporing van Merode en eenige 
leden van het Hof een voorstel bij de Goên ingediend , om 
de beslissing der geschillen over te laten aan den Prins 
met eenige onpartijdige rechters, mits de zaak binnen drie 
maanden afgeloopen zou zijn. Mocht binnen dien tijd geene 
beslissing zijn gevallen, dan zouden de platte landen moeten 
goedvinden , dat daama de Steden dehelftder stemmen zouden 
genieten, Middelerwijl zouden dezen zich met de vierde stem 
tevreden stellen , doch de Qedep. zonder hunne uitdrukkelijke 
toestemming geene verdragen met Anjou , den Prins en Me- 
rode mogen aangaan, Wel ondervond dit voorstel van de vol- 
machten der platte landen geen verzet , doch dezen oordeelden 
het toch beter daaraan niet eerder hunne goedkeuring te hech- 
ten, voordat zij eene behoorlijke machtiging van de grie- 

1) Scbotanus > 3de deel , Iste boek , pag. 919. 



224 DE WORDING VAN HET COLLEGE 

temjen hadden ontvangen. Dit vond bij de Steden bijval, 
die evenwel op den eisch van de volmachten der Goên om 
alles tot afloop van het geding te laten blijven, zooals het 
was, slechtfl voorwaardelijk antwoordden. Zij toch keurden 
goed, dat men gedurende dien tijd aan hun Qedep. de 
vierde stem zou laten, doch verbonden daaraan de voor- 
waarde, dat de instructie voor de Gedep. , die zouden die- 
nen, totdat de zaak was beslist, met evenveel stemmen 
van de Steden als van de Landen zou worden opgemaakt , 
hetgeen de Landen niet inwilligden. 

Ziende hoe moeiehjk het was tot een vergelijk tekomen 
en voor de Goen niet willende wijken, scheidden zich de 
volmachten der Steden van die der Goén , riepen hun beide 
Gedep. Douwe Syxma en Willem Arents , die op den vo- 
rigen landdag waren gekozen, uit dat coUege terug en 
vernietigden hunne commissie, waama zij den 14den April 
besloten tot een afzonderlijk college van Gedep. , dat uit 
zes personen zou bestaan. Toen gingen zij uiteen, gaven 
rapport aan hunne respectieve meesters , van hetgeen door hen 
was verricht, cn verzoehten daarop hunne goedkeuring. i) 
Vijf dagen later keerden zij voldaan naar Lecüwarden terug , 
verkozen nieuwe Gedep. en schreven den 27sten April een 
vertoog aan den Prins , waarin zij protest aanteekenden 
tegen de handelingen van de volmachten der platte landen 
en de verantwoordehjkheid van alle onheilen, die uit de 
tweespalt mochten voortspruiten , van zich afwierpen. Dit 
laatste hadden vier dagen te voren ook de volmachten der 
Goên gedaan, nadat vooraf door hen was besloten voorloo- 
pig bij het verdrag van 1578 te volharden. Tevens was 



1) Chrtbk. IV, pag. 358. Voct van rogocringe, gcraampt by de 
Steden van Vriesland. 



DER GEDEPUTEERDE STATEN. 225 

door hen een nieuwe weg aÄngewezen, waarlangs de twis- 
ten uit de voeten konden worden geruimd. 1) 

Reeds den 6den April had de Prins, bewogen met den 
toestand des Lands , tot tusschenkomst besloten en aan Jhr. 
Nicolaas Van Zuylen, heer van Drakenborch, schout te 
Utrecht, Mr. Leonard Casembroot, raadordinaris in den 
Hove van HoUand en Mr. Willem Bardesen, burgemeester 
van Amsterdam , opgedragen deze geschillen bij te leggen. 2) 
De Heer Van Zuylen evenwel verzocht om bijzondere rede- 
nen, die door Bor worden vermeld, doch hier weinig ter 
zake doen, van deze opdracht ontslagen te worden, het- 
geen de Prins toestond. 3) Middelerwijl was zooveel tijd 
verloopen, dat eerst den Idden Mei de beide andere afge- 
vaardigden te Leeuwarden aankwamen. Hier spraken zij 
met Merode en verschenen in de vergadering van de vol- 
machten der vier kwartieren , waar zij in 't belang der Ver- 
eenigde Nederlanden in 'talgemeen en van Friesland in 't 
bijzonder tot vrede en eendracht aanspoorden. Echter waren 
toen alle volmachten der Landen niet meer bijeen, maar 
nevens de Gedep. slechts een paar uit de respectieve Goên. 
Doch toen men naar 's Prinsen afgevaardigden niet luisterde 
en alle hunne raadgevingen tot herstel der eendracht in den 
wind werden geslagen , hebben dezen zelf een voorstel inge- 
diend , dat grootendeels aan de wijze , waarop de volmachten 
der Goên de twisten wilden vereffend zien , beantwoordde. 

Li overeenstemming dan met het verdrag van 1578 zou- 
den voorloopig zes van wege de Landen en twee van den 



1) Chrtbk. IV, pag. 362. Resolutie, genomen bij de Landen tegen 
de Steden nopens de regeeringe, zitten der Gedep. enz. 

2) Chrtbk. IV, pag 356. Instructie voor de a^evaardigden yan 
den Prins. 

3) Bor, 18de boek, pag. 376. 



226 DE WORDING VAN HET COLLEGE 

kant der Steden als Qedep. in het coUege zitting hebben. 
Zij zouden tot den naasten landdag, die in het einde van 
Oct. of begin van Nov. gehouden zou worden , »bij provisîe 
en sonder praejudicie van beider partijen gerechtichheid" 
'sLands zaken mogen behandelen, zooals zîj tot nu toe 
hadden gedaan. Zoo evenwel op den genoemden tijd de 
landdag niet werd gehouden, zou alles, wat na dien tgd 
door de Gedep, werd verricht, krachteloos zijn, ten ware 
onverhoopte gebeurtenissen mochten belemmeren , dat deze 
vergadering bijeenkwam. Om tot beslissing der geschillen 
te komen, 3>zouden beide partijen van drie weken tot drie 
weken hunne schrifturen overleveren, tot dupliek inkluis, 
zonder meer , niettegenstaande eenige vacantiên , welke hierbg 
aan beide partijen werden ontzegd. Deze schrifturen moesten 
worden overgeleverd binnen Leeuwarden voor het Hof of 
diens commissarissen , in de raadkamer op de kanselarij, 
op het gewone zittingsuur. Wat na afloop dier termgnen 
bevonden zou worden te zijn ingebracht, zou men houden 
voor een geconcludeert ende gefumeert proces." De proces- 
stukken zouden , nadat zij in tegenwoordigheid van beide 
partijen of hare advocaten waren geinventariseerd en bg 
elkaar gevoegd, verzegeld worden overgezonden aan den 
Prins en vier rechtsgeleerden. Dezen zouden evenwel geene 
ingezetenen van dit gewest of van Stad en Lande mogen 
zijn en door beide partijen vijftien dagen voor het sluiten 
van het proces moeten worden gekozen. Bij hen zou men 
er op aandringen, dat de zaken op 'tspoedigst werden 
onderzocht en nog voor den eerstkomenden landdag ten 
einde gebracht. 4) 

De volmachten der Steden dienden reeds den volgendeil 
dag een schriftehjk antwoord in , waarin zg verklaarden het 

1) Bor, 18do bock, pag. 3/6. 



DER GEDEPUTEERDE STATEN, 227 

Yoorstel niet te kunnen aannemen. Immers hadden zij al 
eene maand te voren maatregelen tot bemiddeling voorge- 
steld, welke door de Goên waren geweigerd. Zij hadden 
daarom met toestemming hunner committenteu eennieuwen 
voet van regeering opgemaakt , ja zelfs reeds Gedep. geko- 
zen , waarin , naar zij beweerden , nu geene verandering 
kon worden gebracht. Om vredes- en eendrachtswille waren 
zij evenwel bereid de resolutie, die door hen aangaande 
het bestuur was genomen , nog eene maand aan te houden , 
middelerwijl de beslissing der geschillen aan Zijne Exc. 
over te laten en tevreden te wezen met hetgeen door dezen 
en de personen, met wie hij zou te rade gaan, zou wor- 
den beschikt. i) 

De volmachten der Goên daarentegen brachten tegenhet 
voorstel mondeling wel eenige zwarigheden in, maar keur- 
den het overigens goed, waarop zij de Steden hebben aan- 
gemaand daaraan ook hunne goedkeuring te hechten. Na 
eenige moeite slaagden zij inderdaad. Zoo werd voorloopig 
het twisten gestaakt en konden de gezanten huiswaarts 
keeren. 

Met het inleveren der stukken talmden echter de Goên , 
wien het blijkbaar niet om spoedige afdoening der zaken 
was te doen, maar die haar op de lange baan trachtten 
te schuiven, zoodat de Steden begonnen te vreezen, dat 
de tijd , binnen welken de inlevering moest geschieden , zou 
verloopen , zonder dat iets van den tant der platte landen 
was verricht. Zij hebben daarom het Hof verzocht de Goên 
voor zich te dagen, ten einde den eisch der Steden aan 
te hooren , daarop te antwoorden , en voorts binnen de ter- 
mijnen , die in *t verdrag waren vastgesteld , te procedeeren. 



1) Schotanus 3de deel, Iste boek, pag. 922. Bor, bk. Î8,pag.377. 



228 DE WORDING VAX HET COLLEOE 

Werkelijk had deze dagvaarding plaats tegen den 3^«! Joli. i) 
Daama schijnt de zaak eenigen yoortgang gehad teheb- 
ben , zoodat men in 't begin der maand October TÎjftien 
dagen yoor het sluiten yan het proces kon overgaan tot 
het yerkiezen yan vier rechtsgeleerden. De Steden verko- 
zen Mr. Jan Yan Bancken, lid in den Hoogen Raad, en 
Mr. Adriaan Yan der Mijle , terwijl de platte landen be- 
noemden meergemelden Mr. Leonard Casembroot en Mr. 
Floris Thin, pensionaris der Staten van Utrecht. Aan de 
beide eersten werd door de Steden Jacob Jacobs, burge- 
meester van Bolsward , afgevaardigd , om hun van hunne 
benoeming mededeeling te doen en hun te verzoeken, dat 
zîj zich deze zouden laten welgevallen. Tevens werd hem 
opgedragen zich tot den Prins te begeven, dezen te be- 
richten , welke rechtsgeleerden waren verkozen , en er op 
aan te dringen, dat het geding zoo spoedig mogelîjk werd 
ten einde gebracht. Bovendien zou hij hun ten opzichte 
van al hetgeen in de processtukken duister mocht zijn , in- 
lichtingen moeten geven. Yan den kant der Gtoea evenwel 
is geen gecommitteerde bij den Prins verschenen 2) en 
waarschijnhjk ook niet benocmd, waarop de zaak opnieuw 
in zijn voortgang werd belemmerd. 

Middelerwijl had Merode, gedrukt door den lastder jareit 
en het twisten moede, den Prins om ontslag verzooht en 
dat ook vcrkregen , waama deze , die gaame zag , dat een 
opvolger werd benoemd, welke den Friezen aangenaam 
was, hun toestond een persoon aan te bevelen. 3) Daartoe 

\) Cbartbk. IX, pag. 374. Rcqucst yan de Stedcn aan het Hof 
van Vriüsland, yorzoekende, dat dcsen gecitecrd mogcn worden met 
bct Üat en relaas daamcTcns. 

2) Winsemiusy Chrongck, bk. 18, pag. 736. Bricf van den Prina 
21 Dec. 1583. 

3) Missiyo van den Prins 12 Aug. 158.T 



DER GEDEPUTEERDE STATEN. 229 

werd door de Qedep. een buitengewone landdag in het 
laatst van het jaar 1583 te Leeuwarden bijeengeroepen. 
Met eenparigbeid yan stemmen, die echter niet zonder 
moeite was verkregen, werd Willem Lodewijk, graaf van 
Nassau , den 23sten Dec. tot Luitenant-Gouverneur over het 
landschap en Colonel over het krijgsvolk verkozen, welke 
keuze den llden Febr. van het volgende jaar door den Prins 
werd bekrachtigd. 

Toen nu alzoo aan het geding geen einde kwam, trad 
de Prins met zijne mederechters krachtiger op en verzocht 
aan de Landen en de Steden om tegenden 12^«!^ Jan. 1584 
S. N. gecommitteerden naar den Haag te zenden , voorzien 
van eene volmacht , om de middelen tot eensgezindheid , die 
hij hun voorhouden zou , aan te hooren en , zoo zij er zich 
meê konden vereenigen, ze aan te nemen of anders het 
vonnis te hooren uitspreken. 1) Eerst nu zonden de Lan- 
den gecommitteerden en verkozen daartoe Jelger van Feitsma, 
Ernst van Aylva , Dr. Orck van Doyem , Mr. Jan Monsma 
en Feicke Tatmans, Door de Steden werd , benevens Jacob 
Jacobs, Mr. Antonie Jans Trijst, secretaris van Sneek, af- 
gevaardigd, wier volmacht, hoe uitgestrekt ook, toch be- 
perkt werd door de voorwaarde, dat aan de Steden de 
halve stem in de regeering moest worden gelaten. Even- 
wel niet in den Haag, maar in Delft werden de onder- 
handelingen gevoerd. Doch toen de Prins bemerkte, dat 
de volmacht van de gecommitteerden der beide partijen 
niet ruim genoeg was , en moeielijkheden in het proces ver- 
hinderden, dat spoedig een besluit kon worden genomen, 
werd door hem, in tegenwoordigheid zijner mederechters , 
des voormiddags van den llden Febr. een voorloopig vonnis 



1) Winscmius , Cronyck, bk. 18, pag. 786. 

15 



230 DE WORDING VAN HET COLLEGE 

uitgesproken. De inhoud luidde in korte trekken aldus : 
Binnen den tijd van één maand zouden door Oostergo , 
Westergo en Zevenwolden respectievelijk twee Gedep., één 
uit de Edelen en één uit de Eigenerfden , worden gekozen, 
waaraan door de Steden drie mochten toegevoegd worden. 
Alle negen moeslen behooren tot de Gereformeerde kerk , 
getrouwe patriotten zijn en daarvoor bekend staan. Mocht 
een der vier kwartieren in gebreke blijven aan deze bepa- 
lingen te voldoen , dan zou de Prins van zijn macht als 
Gouvemeur gebruik maken om daar Gedep. aan te stellen. 
Dit alles zou van kracht blijven, totdat de zaak voldoende 
was onderzocht en eene eindbeslissing kon worden ge- 
nomen. i) 

Des namiddags van dicnzelfden dag lieten de Prins en 
zijne medercchters de gecommitteerden nogmaals voor zich 
komen en brachten hun de moeielijkheden onder het oog , 
die in de processtukken werden aangetroflfen. Duidelijk 
deden zij uitkomen , dat van beide zijden er op werd aan- 
gedrongen , dat de hooge regeering des Lands in denzelfden 
vorm behoorde tc worden gegoten, als vôôr de komst van 
den Hertog van Saksen, zonder dat deze evenwel în de 
stukken voldoende was toegelicht. De Prins vorderde daarom, 
dat beide partijen zouden aanvnjzen , bij wien vôôr dien tijd 
de hooge regeering had berust en hoe zij was ingericht, 
hoe de Staten, op gewone landdagcn vergaderende, hadden 
gestemd en welk gewicht de stem van ieder, die op den 
landdag verscheen, had in de schaal gelegd. Eveneens 
zouden zij moeten aantoonen, hoe de Staten ten tijde van 
den Hertog van Saksen , van Eeizer Karel en Eoning Filips 



1) Sententic van dcn Prins cn zyne mcderechters , bij Winscmius, 
bk. 18, pag. r.'W. 



DEIl GEDEPUTEERDE STATEN. 231 

hadden vergaderd en gestemd. De gecommitteerden deins- 
den evenwel, zooals zich laat denken, voor de beantwoor- 
ding dezer vragen terug en verzochten uitstel, om daarvan 
hunne committenten op den eerstvolgenden landdag te ver- 
wittigen en met hen middelen te beramen tot oplossing dezer 
vraagpunten. 1) 

Over het voorloopig vonnis gevoelden zich de gecommit- 
teerden der Landen bezwaard en teekenden twee dagen later 
daartegen protest aan , vooreerst omdat aan de Steden werd 
toegelaten drie Gedep. te kiezen, waardoor zij in 'tcollege 
zouden genieten de .derde in plaats van de vierde stem. 
Immers zou aldus aan de Steden een te groote invloed in 
de zaken des Lands, vooral bij het verkiezen van ambte- 
naren ten platten lande, worden gegeven, zonder dat we- 
derkeerig aan de Goen werd toegestaan zich met de regee- 
ring der steden en de benoeming harer magistraten te 
bemoeien. Voorts gaven zij te kennen, dat, daar ouder 
gewoonte de Gcdep. op den gewonen landdag moesten 
worden gekozen, de tijd van. één maand, voor het ver- 
kiezen vastgesteld , lichtelijk groote moeielijkheden kon ver- 
oorzaken. Verschillende omstandigheden toch zouden kun- 
nen verhinderen , dat binnen dien tijd de landdag werd ge- 
houden , in welk geval dan, in strijd met 's Lands voorrech- 
ten, Gedep. door den Stadhouder zouden worden benoemd. 
En eindelijk beweerden zij , dat het gedeeltelijk tot nadeel 
van de Landen strekte te bepalen, dat uit iedere Go één 
Edelman en één Eigenerfde in 't college moesten zitten , daar 
te allen tijde , naar de omstandigheden het meebrachten en 
de bekwaamheden der personen het vorderden , nu eens uit 



I) Winsemius, bk. 18, pag. /39. Poincten en swarichcdcn clcn 
Gecomm. door deu Prins en zijnc mederechters voorgehouden. 



232 DE WORDING VAN HET COLLEGE 

iedere Go één Edelman en één Eigenerfde , dan weder twee 
Edellieden of twee Eigenerfden als Gedep. optraden. Zij 
verzochten daaroni , dat hun drie of vier maanden tijd zou wor- 
den gelaten , om zich op de Algemeene Staten te beroepen. 1) 

De Prins en zijne mederechters antwoordden evenwel, 
dat het voor hen onbegrijpelijk was , waarom de gecommit- 
teerden der Landen zich niet met het voorloopig vonnis 
konden vereenigen. Wanneer toch uit ieder der drie Goen 
één Edelman en één Eigenerfde in het coUege zouden zitten, 
zouden deze beide standen even sterk zijn vertegenwoordigd 
als die der Steden. Het verzock om zich op de Staten- 
Generaal te beroepen , kon niet worden ingewilligd , daar 
er rechtens van hun vonnis geen appel was. Hierbij is het 
gebleven, en zijn de gecommitteerden naar huis terugge- 
keerd. Het voorloopig vonnis is blijven bestaan , werd een 
vaste voet van regeering en heeft voortgeduurd tot het einde 
der Republiek. 

Eerst op den landdag , die door Willem Lodewijk in 
overleg met de Gedep., kort na zijne aankomst in dit ge- 
west, tegen den 31sten Maart te Franeker werd bijeenge- 
roepen, werden door de Steden drie Gedep. gekozen , met name 
Dr. Ghristoffel Aernsma , Mr. Hobbe Baert en Mr, Doecke 
Teetlum , terwijl de volmachten der respectieve Goên verko- 
zen voor Oostergo Eempo van Donia en Mr. Sjoerd Fookes , 
voor Westergo Jelger van Feitsma en Dr. Dirk Fogelsang 
en voor Zevenwouden Abel Frankena en Eylardus Augustini 
Beinalda. 2) Aan hunne Gedep. gaven de Steden eene af- 
zonderlijke instructie, waartegen evenwel de Landen pro- 
testeerden. Dezen toch begeerden, dat, evenals te voren, 



1) Winsemius » bk. 18, pag. 740. Request van de Landen aan 
den Princc ende de Raden tot appoUatie van de lententio. 
*2) Winsemius, bk. 18, pag. 748. 



DEK GEDEPUTEERDE STATEN. 233 

ook nu aan de Qedep. van het geheele landschap één com- 
missie zou worden gegeven. Slechts dan konden zîj eene 
afzonderlîjke instructie toelaten , wanneer eene acte van prae- 
judicie werd opgemaakt, waarbij de Landen ter eene en 
de Steden ter andere zijde verklaarden , dat zij elkander 
niet zouden benadeelen in de uitoefening hunner wederzijd- 
sche rechten. Inderdaad kwam deze acte den 28sten Aprii i) 
tot stand. 

Waarom nu de Steden eene afzonderlijke instructie aan 
hunne Gedep. hebben gegeven , schijnt te hebben gelegen in 
den eisch der Goên, dat niet standsgewijze zou wordenge- 
stemd, waardoor Edellieden, Steden en Eigenerfden respec- 
tievehjk evenyeel stemmen zouden uitbrengen, maar kwar- 
tiersgewijze , waardoor de voordeelen van het voorloopig 
vonnis voor de Steden zouden verioren gaan en zij slechts 
de vierde stem in het coUege zouden behouden. Uit vrees 
dus, dat zij door het platte iand al te zeer zoudenworden 
overheerscht , hadden zij zich afgescheiden , ten onrechte 
bewerende, dat zij te allen tijde j>haer eygen staet met 
aperte commissie ende eeden hadden bewaert," zooals uit 
verschillende stukken zou te zien zijn. 2) Over deze en 
andere zaken wilden zij het oordeel van den Prins iriwinnen 
en zonden daartoe in de maand Juni tot hem Dr. Rombartus 
Ulenburgh, burgemeester van Leeuwarden, die, zooals be- 
kend is , zich nog even voor 's Prinsen dood met hem over 
de Friesche troebelen heeft onderhouden. Ondanks dezen 
strijd hadden reeds den 30sten April alle Gedep. den eed 
in handen van Willem Lodewijk afgelegd , waama de vorige , 

1) Chrtbk. IV, pag. 468. Acte dc non praejudicando , door de 
Landen en Steden aan malkanderen gepasseert. 

2) Chrtbk. IV, pag. 488. Instructie, behelsende eenige poincten, 
waerom de Steden de commissie bij de Landen gemaeckt niet mogen 
onderteekenen. 



234 I)E WORDINÜ VAN HET COLLEGE 

die wegens de talrijke moeielijkheden langer dan gewoon- 
lijk dit ambt haddcn bekleed , waren afgetreden. 

De onverwaclite dood van den Prins greep plaats , nog 
voordat hij zijn antwoord aan de Staten had kunnen mede- 
deelen. De strijd bleef alzoo voortduren, al mocht ook 
Willem Lodewijk, die den 16«ien October door de Staten 
als 's Prinsen opvolger werd verkozen , er nu en dan in 
slagcn dezen bij te lcggcn. De Stcden , gesterkt door het 
Hof Provinciaal, dat het verlics dcr politieke macht niet 
kon vergetcn cn gaarne in troebcl water wilde visschen, 
blevcn in huiî cisch, om als stand te stcnimcn, volharden, 
totdat in 1 601 door dc Gocn aan humie Gcdep. cene com- 
missie is gegeven , welke tot dcn ondergang der Republiek 
is bhjven bestaan. Recds sinds geruimen tijd hadden zich 
dc gedachten over de machtsbcvocgdheid dicr ambtenaren 
vastcr gcvormd , zoodat dan ook deze commissie weinig ver- 
schilt van die der voorafgaandc jarcn. Ilun werd gclast 
mct de Gcdep. der Stcden , in ^t bijzijn van den Stadhouder 
of tijdens dicns afwczighcid , te beraadslagcn en te besluiten 
op allc zakeu , dic mochten voorvallcn en waardoor de vrij- 
heid cn welvaart van het Land kondcn wordcn bevorderd. 
De zaken evenwel , die dc civiclc cn crimincelc justitic be- 
troffen , zoudcn aan dcn Stadhoudcr mct hct Ilof Provin- 
ciaal mocten ovcrgclateu wordcn , zondcr dat dezen eenigszins 
daarin mochtcn wordcn bclcmmcrd. Vcrdcr zoudcn de Gedep. 
zoi'g moetcn dragen voor dijkcn , wegcn , watcrcn , sluizen , 
zijlcn cu andcrc zakcn, die dc plattc landcn aangingen , 
zondcr dat dc Gcdcp. dcr Stcdcn zich daarmcde hadden 
tc bcmocicn , bchalvc wannccr liot sommigo dijkcn en wegen 
gold, te wicr opzichtc cciiige stedcn Dmcdcgorechtigd" 
warcn. Ook mocstcn zij wakcn , dat gecne grietluiden , 
dan na bchoorhjke nominatie dcr ingczctcnen, door hen en 



DER GEDEPÜTEERDE STATEN. 235 

den Stadhouder in de opengevallen grietenijen werden aan- 
gesteld , waarbij het aan de Gedep. der Steden eveneens ver- 
boden was hnn invloed te laten gelden. In moeielijke om- 
standigheden zouden zij een of twee volmachten uit die 
grietemjen , welke het aanging , of wel den geheelen land- 
dag moeten bijeenroepen , terwijl hun tevens de verplichting 
werd opgelegd dezen telken jare in ^tlaatst van Februari 
of in 'tbegin van Maart, ook al mocht de Stadhouder af- 
wezig zijn , bijeen te doen komen , op straffe dat alles , wat 
na dien tijd door hen werd verricht , van onwaarde zou zijn. 1) 
Âldus heeft zich langzamerhand dit gewest aan de macht 
van den Vorst onttrokken en zich een coUege ontwikkeld , 
dat, in den drang der tijden uit den boezem der Staten 
voortgekomen , zich op den duur bijna alle gezag toeëigende. 
Immers al bleef ook de Souvereiniteit bij de Staten berus- 
ten, de korte tijd, waarin dezen jaarhjks vergaderden, en 
het gebrek aan eensgezindheid , waardoor zij herhaaldelijk 
in het nemen van een besluit werden verhinderd, dicnden 
slechts om de macht der Gedep. te doen stijgen. Welbe- 
kleedden zij dit ambt niet langer dan één jaar, doch her- 
kiezing was mogelijk. En na^rmate nu het gewest in bloei 
toenam, werd deze betrekking des te begeerlijker. Bovenal 
door de aanstelling der grietmannen, konden zij te platten 
lande een grooten invloed uitoefenen. De Goen waren dan 
dan ook geenszins genegen dit voorrecht te deelen met de 
Steden , die , ofschoon zij oorspronkelijk als stand geen aan- 
deel in het bestuur haddeu^ steeds in macht en aanzien 
stegen , naarmate zij meer werden beschouwd als bolwerken 
tegen vreemde overheersching. Wel werden de Stedenge- 



1) Chrtbk. IV, pag. 1105. Instructde voor de Gedep. van Fries- 
land, bij de Edelen en Eygenerfden van Oostergo , Westergo en Ze- 
yenwouden geraampt en gemaakt enz. 



236 DE WORDING VAN IIET COLLEGE ENZ. 

steund door het Hof, dat, onteyreden over het verlies aan 
macht, het vroegere aanzien wilde herwinnen, dochmetde 
macht van den Yorst was ook die van het Hof ten onder 
gegaan en was zij in handen gekomen van dat coUege , dat 
de besluiten der souvereine Staten ten uitvoer bracht en hen 
bij hunne afwezîgheid verving. Slechts de beslissing in bur- 
gcrhjke en strafrechterhjke geschillen was aan het Hof ge- 
laten, ofschoon van eene nauwkeurige omschrijving der 
macht van de faooge staatscolleges uit dien tijd ter nauwer- 
nood sprake kau zijn. 



DE TIEN GEBODEN, 



NAAR EEN 



HANDSCHRIFT 



UIT DE 



Provinciale Bibliotheek van Friesland, 



BEWERKT DOOR 



p. fi. YAN BoRSSUM WaALKES 



INLEIDING. 



In de Prov. bibliotheek van Friesland is een handschrift, 
dat de aandacht waardig is. 

Met verlof van de Gedeputeerde Staten van Friesland 
ziet een gedeelte er van het licht. 

Het is geschreven op perkament met zeer zwarte inkt, 
en de letters zijn bij het begin van nieuwe pericopen en 
volzinnen gekleurd met donkerder en lichter roode , paarsche 
en blauwe kleuren , terwijl op eene enkele plaats een weinig 
groen is aangebracht. Een klein gedeelte is bij A. op de 
plaat gefacsimiJeerd. Het schrift is vierkant en duidehjk. 

Het bevat op ruim 98 bladen , aan beide zijden beschre- 
ven , een leven van Jezus , dat begint met de woorden : 
y>Wee u scriben ende phariseën'' en eindigt met : ^siet an 
of enich liden is ghelijc mijnre droeffenisse ende mijns 
yamerliken lidens." Helaas ! wat aan het begin voorafging , 
is verloren geraakt. 

Op bladen 99 tot 151^, in het midden, volgt wat hierbij 
het licht ziet. 

Daarna behelst het Hs. , op bladen 151^, in hetmidden, 
tot 159a, onder aan, een stuk, dat tot opschrift heeft »hoet 
dat vermaledide dobbelspul is eerst in die werlt gecomen ," 
en eindehjk volgt nog op bl. 159», onder aan, en 159^ een 
klein gedeelte ^van der gedencnisse der doot peter da. (1) 

Ook heeft het deel , dat nu uitgegeven wordt , een hiaat , 
gelijk bij den tekst wordt aangewezen. 



(1) Petrus Damiensifl, een tijdgenoot yan Gregorius VIL 



240 INLEIDING. 

Het H.8. werd aan de Prov. Bibl. geschonken door den 
vroegeren bibliothecaris , den Heer T. R. Dijkstra , en is in 
zijnen tegenwoordigen toestand 4 c.m. dik, 47 c.m. hoog, 
1 1 c.m. breed, en gebonden in een slechten band van papier , 
met leder van achteren , die duidelijk van veel later tijd is. 

Het gedeelte, waarin de 10 geboden zijn vervat, vindt 
men ook in andere H.H.s. 

Zoo bezat Prof. MoU er een , waarin het voorkomt , hoe- 
wel niet in alles overeenkomstig met het onze. Een merk- 
waardig verschil is reeds dat de dialoogvorm, in het onze 
bestaande tusschen een meester en jonger, er in vervallen 
is. Een klein gedeelte er van is bij B gefacsimileerd , en 
het stuk zclf is als bijlage hierbij gevoegd. De belangrijkste 
overeenkomsten en afwijkingen heb ik daarin, door onder- 
strepingen en in de noten, aangewezen. (i) 



(1) Zie Cat. v. Ilamîsehrifton uit de bibl. van wijlen den Iloogl. 
Willem MoU, Amst. Stadsilrukkerij 1880, bl. 7, no. 35. Hotgedeelte, 
door mij bedoold , bevat 30 bladen van de 1()0 in 12o. Ilet ganscbe 
H.s. , nú behoorendc tot de Universiteitsbibl. te Amstenlam, is op 
perkament, en 4^ c.m. dik . 14 c.m. hoog, 10 c.m. breed. Hot is 
geschreven met donkere inkt in vierkante letters. Op de laatstc blad- 
zyde staat met eenigzins bloeker inkt, en, zooals mij toeschijnt, ook 
met een andere hand geschreven: „In den iaren onses hcron duscnt 
vicr hondert ende achte én viertich screef ditbokekcnbroder Johannes 
van leyerdam profest broder ende priester des cloesters marienkam]>e 
in ocstfrieclandc bij esynghe ghelegen van der regeliers ocrde cndo 
sandet den eeraamen endu wijscn manne Alardo Sijmonis in Amstor- 
damme synen alre liefsten vrende in xpo.** — Ilet H.s. is gebondon 
in eenen lederen band met kopercn haken. De band is bewerkt met 
beelden en figuren . van welke laatstc ons sommigcn doen denken aan 
hct Monogram van Maria. Ook ziet men het lam met hct kruis, en 
kleinc lammetjos, met wijngaardrankeu omgeven. op dien band. 

Waar dc ticn geboden bcginnen, staai eene teekening in klcurcD 
(groen , blauw , rood , gccl , paarsch , wit en grijs) vooraf , die eenc zyde 
van ecn blad innecmt , cn voorstelt Mozes op den bcrg , tcrwyl dc Hecr 
uit dcn hcmel hcm dc tafclen der wct toercikt, en bet volk met 



INLEIDING. 241 

Voorts kwamen nog twee H.H.s. onder mijne oogen, 
waarin onze tien Geboden zijn opgenomen. 

Het een behoort aan de Maatschappij van letterkunde 
te Leiden, is gebonden in een net bruin lederen band, 4 
e.m. dik, 20 c.m. hoog en 43 c.m. breed. Het bevat: 
1. eene samenspraak tusschen een Meester en leerling over 
Israëls uittocht uit Egypte, bl. 1 — 161; 2. Acht sermoe- 
nen op Paschen enz. , bl. 162 — 207 ; 3. Jhesus coUacien, 
of vijf en veertig sermoenen van vastelavont tot paeschen, 
bl. 208—262. Het H.s. is op papier. De 262 bladenzijn 
aan weerskanten in twee kolommen beschreven. Aan het 
einde van het eerste stuk , waarin onze tien Geboden voor- 
komen, staat op bl. 160 Atem dit boeck hoert den suste- 
ren van S. marie te weesop.'' Het H.s. wordt geacht uit 
de 15de eeuw te zijn, is met bleeke zwarte inkt in vier- 
kaute letters geschreven, terwijl de aanvangletters en de 
hoofden der afdeelingen rood gekleurd zijn. Een facsimile 
van een klein gedeelte staat bîj C. (1) 

Het ander, thans in het bezit van van de bibliotheek 
der Amsterdamsche Universiteit (2) , is gebonden in een 
band van donker leder, en 5 c.m. dik, 14 c.m. hoog, 10 
c.m. breed. Het bevat in 306 bladen, aan weerskanten 
met meer loopende letters beschreven, die met roode initi- 
alen afgewisseld worden, waarin soms een weinig blauw 



Aäron lager staat. Mozes hoofd is met een kap gedekt, terwijl er 
onder bet volk ook zijn, die bun boofd gedekt hebben; 

Hier en daar, b.v. bij het begin yan elk gebod zijn roodo letters. 
Nu en dan , b.v. by den aanvang yan een volzin , zijn ook wel blauwe 
aangebracht. De belangrijkste er van wijs ik in de noten bij de 
Bylage aan. 

(1) Dit Hs. was een tijdlang in het bezit van de H.H. B. Huyde<^ 
coper en Z. H. Alewijn. 

(2) Deze kocht het aan uit de nagelaten boeken yan wijlen W. 
Ëekhoif te Leeuwarden. 



242 INLEIDINQ. 

voorkomt , een gesprek tusschen een Meester en jonger over 
den uittocht der Israëlieten uit Egypte, blad 1—425 waarin 
onze tien Geboden zijn opgenomen ; en dan voorts verschil- 
lcnde andere godsdienstige stukken, bl. 125 — 306. Het 
is op papier, en wordt geacht (1) uit de 15de eeuw te zijn. 
Een facsimile van een klein gedeelte staat bij D. Achter- 
aan staat in roode letters ))Deo gracias res (rescriptum?) 
ruysbroeck." 

Verder worden onze tien Geboden gevonden in H.H.s. 
en gedrukte uitgaven, vermeld door J. Geffken in zgn 
»Bildercatechismus des fdnfzehnten Jahrhunderts , Leipz. 1 855. 

De H.H.S. , door hem vermeld, zijn de volgende: 

1. een, in het jaar 1451 geschreven door Christiaan 
Murr, in fol. , dat op 9 bladen en 36 kolommen slechts 
de eerste drie gebodcn bevat, en het eigendom is van den 
heer Geffken; (2) 

2. een in Ncderlandsch-Duitsch van ïbroder Johann van 
kochem zo den Olijven bynnen CoUen 1509", in kl. 4°ge- 
schreven. Het bestaat uit 150 bladen, en begintopbl. l^: 
»Hije begynnent d'e tzyen gebode mitter glosen. Als sy 
der eirwerdige leirre und meister marcus van derlyndauwe 
gemacht hait;*' (3) 

3. een te Giessen , Cat. ed. Adrian p. 251 No. 849 , 
dat zich aan don hcer Goffken, toen hij het zag, voor- 
deed als een H.s. van M. v. d. Lyndauwe; (4) 

4. een te Straatsburg, H.s. B. 140, 4, dat volgenBDr. 
C. Schmidt, die het voor den heer Geffken nazag, uit hct 
eind der 14<^ eeuw is. Het tractaat heeft den titel : >Dis 



(1) Zie Cat. d. Bibl. van wijlcn W. Eekhoff, bl. KiS. 

(2) a. w. s. 42 enz. 

(3) a. w. 8. 42 cnz. 

(1) a. w, s. 109 in 42 enz. 



INLEIDINQ. 243 

buechelin heiszet Moises und seit von den X gebotten/' en 
Yult 160 bladen. Het is in den yorm van een gesprek 
tusschen een jonger en een Meester. De uitlegging en toe- 
passing der geboden zijn mystiek. Het traktaat behoort, 
Yolgens Dr. Schmidt, tot den kring van Tauler, Suso, 
Merswin en dergelijke Yrienden Gods. De naam ^Qottes- 
freunden" komt er dikwijis in voor; (i) 

5. een te Straatsburg, B 135, 4, volgens Dr. S. uit de 
lÖ^e eeuw. (2) Voorts vermeld ik nog, behalve de door Gt, 
genoemde : 

6. een H.b. te Straatsburg in een particuliere bibliotheek 
aanwezig , en door Dr. Jundt gebruikt (3) , op papier ge- 
schreven en uit de 15^^ eeuw. 

De heer Geffken schrijft verder nog : >Het van Hoffman 
von Fallersleben'^ (verzeichniss der altdeutsche Handschriften 
in Wien onder no. 363 en 355) aangewezen H.s. , evenals het 
daar in het Schottenkloster aanwezige, kan mQeielijk iets anders 
dan ons boek , van M. v. d. Lyndouwe namelijk , bevatten.'' (4) 

De gedrukte uitgaven , door den heer Geffken vermeld , 
zijn : (5) 

1. bij »erhart ratdolt von augspurg zu Venedig, 1483", 
in fol. Hain 4034. Zij heefk 3 ongetelde bladenRegister, 
en 78 getelde bladen met 47 regels op de geheele zijde. 
De 10 Geb. beslaan 62 bladcn; 

2. Strasburg, Johannis Grûninger, 1516, in fol. met 
houtsneden van Hans Baldung Grûn. — Panzer, Ann. d. 
deutsch. Lit. I p. 386 No. 833. Zij heeft eenen rood en 
zwart gedrukten titel met een houtsnede. De 10 Geboden 



(1) a, w. 8, 109, 

(2) a. w. 8. 109. 

(3) Zie Dr. A. Jundt, Les amis de Dieu. Pari8 1879. p. 61 noot2. 

(4) a. w. 8. 42 enz. 

(5) a. w. 8. 42 enz. 



244 INLEIDINQ. 

beginnen bl. UI^ kolom I , en eindigen op bl. LXa kol. 2, 
en bevatten alzoo 57 bladen met 2 kolommen; 

3. dezelfde uitgave, met dezelfde typen en houtsneden, 
woord voor woord overeenstemmende , doch met vele ver- 
schillen, wat den druk betreft, Strasburg 4520. (Gott. 
bibliotheek). 

De heer G. vermeldt, dat de Yenetiaansche en Straats- 
burger uitgaven meermalen van elkander afwîjken, zooals 
zulke afwijkingen ook in de handschriften voorkomen. 

De H.H.8. , waarvan bij A , B , C en D facsimilees zijn , 
en daarom gemakshalve door mij met deze letters worden 
genoemd , en de H.H.s. en uitgaven door Geffken en Jundt 
genoemd, hebben dan allen de tien Geboden. 

Maar op welke manier? — Bij de beantwoording van 
deze vraag leggen wij H.s. C tot grondslag. H.s. C begint 
op bl. 1 — 13b met de geschiedenis van Jacob en zijne vrou- 
wen , dienstmaagden en kinderen. Yoorts die der Israclieten 
in Egjrpte, dc uittocht en hun doortocht door de Roode zee. 
Dit alles wordt geestelijk verklaard. Hiermede schijnt over- 
een te komen het Straatsburger H.s. , boven onder 6 ge- 
noemd (1), terwijl in geen enkel van de overige H.H.S. dit 
gedeelte voorkomt. Ook de uitgaven , boven bedoeld , schi)- 
nen het niet te bevatten. 

Vervolgens heeft H.s. C. op bl. 13^ — 19* een stuk, 
waarin de tocht van de Roode zee naar Sinaï behandeld 
wordt. Met dit gedeelte vangt H.8. D. aan , op bl. 1 — 7i> , 
hoewel het eenigszins verkort is, en hier en daar een 
andor woord heeft, b.v. ziiyle en loolke voor columme, 
(H.s. C). Ook schijnt het Straatsb. H.s. , boven onder 6 
genoemd, dat gedeelte te hebben. De overige H.H.8. en 
de uitgaven bevatten het niet. 

(1j Zic Dr, At Jumlt. Lms amis dc Dieu. Paris 1879, p. 61. 



INLEIDING. 245 

Hierna vangt in H.s. C. bl. 1 9» — 20b een jaramerklacht 
aan over de zonden , hoewel de hoop ook wordt uitgespro- 
ken: sals ic aen sie die hoeghe verdiensten ons liefs heren 
ihu XPI ende syn exempel , syn beelde ende syn leven ende 
hoe hi ons den wech totten ewighen rijcke ghemaec ende 
bereit hevet." Het houden der 10 Geboden zijn nu noodig 
om Mïï te gaen totten ewighen leven.'' — Dit gedeelte 
begint dus : ^Salomon die wise man spreket aldus : seven 
warven in den daghe valt die rechtvaerdige." (bl. 19»). 
H.s. D. heeft dit ook op bl. 7^ onderaan tot 9», en begint het 
dus : DSepties in die cadit justus : sic scribit proverbiorum 
X XTHT : ni. Alsoe sprect d' wyse man salömo seven 
werf in den daghe soe valt die rechtvaerdighe ende hi staet 
weder op.*' De H.H.s. van Geffken vanl451 , van Straats- 
burg boven onder 4 genoemd, de Straatsburger uitgaven, 
en het H.s. van Geffken van 1 509 , vangen met dit gedeclte 
aan ; het eerste en tweede in het latijn als H.s. D. , 
de derden met de woorden äEs spricht der weisz. kung 
Salomon Siben stund inn den tag so fellet der gerecht;" 
het vierde met de woorden : j>Seven werff an dem dage 
enz.^' — Het Straatsb. H.s. , onder 6 boven genoemd , zal 
dit gedeelte ook hebben, maar in de overige M.M.s.s. en 
de Venetiaansche uitgave komt het niet voor. 

H.B. C. behandelt daarop, van bl. 20^ tot 131^, detien 
geboden. H.s. D. doet het van bl. 9» tot 96b. H.s. A. be- 
helst dit van bl. 99—151. (1) 



(l) De Venctiaansche uitgave bcgint , na een titel en eene klcine 
inleiding, terstond mct de behandeUng der 10 Geboden. De titel is 
rood gedrukt , cn luidt : „In den namen dcs Vaters und des suns und 
des heiligen geist facht an das buch der zehen gcpot, Disz buch der 
zehen gepot, das do gezogen ist aus der heiligcn geschrift, sagt und 
leget ausz , nit allein klare und schoene underweisung sunder auch 

16 



246 INLEIDING. 

Maar welke verhouding bestaat er nu, in deze behan- 
deling der tien Geboden, tusschen deze drie laatstgenoemde 
H.H.8.8. C. , D. en A. ? De volgende : C. en D. bevatten 
beidcn woordchjk wat in A. staat, maar C. heeft A. uit- 
gebrcid , en D. heeft A. bekort. C. bevat A. met gansche 
gedceltcn er tusschen in , die in A. niet voorkomen , en D. 
hecft slechts zccr beknopt wat in A. voorkomt, terwijl toch 
bcidcn , C. cn D. , nagenocg woordclijk met elkander over- 
eenstcmmcn , wanncer elk Gcbod met het cxempei van »die 
licvc Mocdcr gods'' opgchclderd, en tevens aangewezen 
wordt, hoe de vricnden Gods het houden, van welke 
ophcldcring cn aanwijzing in A. niets voorkomt. A. heeft 
daarentcgen exempclcn bij sommige geboden, en een enkel 
gedeelte mecr, waarvan niets gevonden wordt in C. en D. 
In dcn tckst gcschiedt hiervan nadere aanwijzing. 

Opmcrkclijk is hct voorts: 

1. dat wat A. ,.bij de eigcnhjkc behandeling derlOQ^b. 
niet, maar C. wrJ hecft, tcvcns voorkomt in het H.b. 
van GcflFkcn van 1509 , in dc uitgaven , die hij raadpleegde, (1) 



nützliche uud uotbcre lere zu Cliristeulicheu wcsen uud lebeu: nach 
deu zehcu ge])oten , dic unscr herr gab heruu moysi au tzwain stcinen 
tafelu: uud umb behcuder underichtuug wegeu ist hie inn geordnet, 
wic dcr jiiuger bcgirlichen fraget uud im der meistcr imbrünatlichen 
uud klüglichen autwort, uach dem Du hernach bcschaidcn findeat.** 

Na dezcn titel gaat hct voort : „Der jüoger fragt dcn moister. Ich 
bcgere das du mich beweisest vou dcu zehen gepoton gotes klorlichcr 
uud auch mcr, dau du vorzeiten andereu lcutcu hast gcthaon. Der 
mcister: du vodcrst vou mir acinc werck das uebcr meine sinnc und 
kraft ist und bcgcrst von aciucm blindcn gefucrt werden enz." — - Zoo 
gaat het voort van b1. 1 tot G2a in fol. met 47 regols op do geheele 
zijde. Geifkeu a. w. s. 4'J cuz. 

(1) Iloewel uiet altijd. Zic cen mcrkwaanlig verschil opgogcvcn in 
den tekst , bij gelM)d 5. 



INLEIDING. 247 

en, volgens opgave van Dr. Schmidt, in het H.s. boven 
onder 4 genoemd ; (1) 

2. en dat, wat in A. geheel ontbreekt, namelijk wat 
gemeld wordt omtrent Maria en de Godsvrienden , en in 
C. en D. staat, eveneens gevonden wordt in het H.s. van 
Geflfken van 1509, de uitgaven, die hij raadpleegde, en 
vermoedehjk ook in H.s. 4 b.g. 

Eindelijk hebben H.s. C. bl. 431^—160^, en H.s.D.bl. 
96b — 125, nog een stuk over den verderen tocht van Sinaï 
door de woestijn en komst in Canaän. In A. wordt hier- 
van niets gevonden. Of het in de buitenlandsche H.H.8.8. 
en uitgaven gevonden wordt, kan ik met zekerheid niet 
zeggen , maar komt mij , volgens de opgaven van den heer 
Geffken , niet waarschijnhjk voor. Het zou echter kunnm 
staan in het H.s. , boven onder 6 genoemd. 

Wat blijkt nu uit dit een en ander? 

Dat er verschillende recensies voorkomen vandetienGe- 
boden, waarvan sommigen langer en anderen korter zijn, 
en die, blijkens niet of wel aanwezige gedeelten, toevoeg- 
selen of verkortingen , op onderscheidene bewerkingen van 
de tien Geboden wijzen. 

Dit wordt nog duidehjker als men H.s. B. met deoveri- 
gen vergelijkt. Het meest komt het overeen met A. Woor- 
delijk soms. (2) Maar den vorm van samenspraak tusschen 
een meester en een jonger heeft het niet, en meestal heeft 
het de denkbeelden van A. in korten zîn weergegeven. 
Geheel anders echter dan D. doet bij de behandeling der 
Geboden. D. laat weg; B. dringt te zamen. Beiden ver- 
korten , maar op verschillende wijze. In de bijlage bij den 



(1) Zie Geflfken a. w. s. 109. 

(2) Het overeenkomstige in woord of gedachtc tusschen A. en B, 
18 in de Bijlage cursief gcdrukt. 



248 INLEIDINa. 

tekst zal dit , ten aanzien van B. , hier en daar worden 
aangetoond. 

Welke van deze recensies mag wel de oudste en meest 
oorspronkclijke zijn? 

Ik hoop te kunnen aantoonen, dat wîj in H.s. A. die 
bewerking der tien Geboden hebben weergevonden , die het 
naaste van allc bovcngenoemde rccensies staät bi| het werk 
van den eigenlijken auteur. 

Er heeft toch oorspronkehjk eene meer beknopte behan- 
deUng der 10 Geb. bestaan, dan wij in de langere recen- 
sics vinden. 

Dat bhjkt recds uit hct woord, dat in de Ven. uitgaye 
van 1483 de jongcr zcgt tot den meester : »Ich begere 
das du mich bcweiscst von dcn zehen gepoten gotes tder^ 
licJier iind arich mer , dan du vorzeiten andere^i leuten lictsi 
gethaen,{[) Er bcstond dus vroegcr, voor het H.s. waamaar 
de Ven. uitgavc gedrukt is , een geschrift of eene onder- 
wijzing van den autcur, die minder bevatte. 

Dat dit niinderc dc inhoud van H.s. A. geweest is , blijkt : 

a, uit dc omstandighcid , dat de inhoud van H.s. A. in 
allc boven aangeduidc rccensies is opgenomen , terwijl som- 
migen hicraan vccl meer dem anderen hebben toegevo^^. 
Het toegcvoegde varicert, maar wat in A. voorkomt ia in 
hoofdzaak in alle bewerkingen hetzelfde; 

h, uit den hoogeren ouderdom van den inhoud van A. boTen 
dien van C. , tcrwijl de inhoud der buitenlandsche H.H.8.8. 
en uitgaven , bhjkcns den mystieken geest der Qt)d8vrien- 
den, die er in heerscht, uit dcnzclfdcn tijd moet zgn ala 
de inhoud van H.s. C.j dat ook dicn geest ademt. 

Dat de inhoud van A. nu werkehjk ouder is dan die van 
C, bhjkt: 

(1) Zie boveii bl. 245 iioot 1. 



INLEIDING. 249 

1. uit de taal. A. heeft bl. 119» ïgrymmenden vuer", 
waar C. heeft »gruwelike veghevuer'^; A. bl. 120^ »gaen 
op eertricij", C. »gaen op aertrijc'* ; A. bl. 121a »orber- 
liken", C. »orbaerlike'' ; A. bl. 122b »wonschens gewolt", 
C. »hadde wenschens ende ghewout" ; A. bl. 129b »de8 
anderen erchste", C. ^des anderen scade"; A. bl. 141b 
»huef8chen lichten loegen" , C. Dhoefsche lichten loghen" ; 
A. bl. 145b ïwonschheit" , C. Dwenschet"; A. bl. 150b 2>waer", 
C. »hoeden saF', A. bl. 151* Djonferen", C. Dmaechden en 
ionckfrouwen" ; 

2. uit een enkel gedeelte van den inhoud zelven, b.v. 
over den woeker. H.s. A. staat ten aanzien hiervan een 
strenger, (1) dus een ouder gevoelen voor dan C. , gelijk 
bij den tekst , bij Gebod 7 , nader wordt aangewezen. Zoo 
handelt A. niet over de echtscheiding , want het huwelijk 
kon niet ontbqnden worden in den ouderen tijd, C wél en 
staat een milder en dus jonger gevoelen voor , bl. 91 a kol. 1. (2) 
H.8. D. , waar wij de behandeling der 10 Geb. korter vin- 
den dan in A. , levert tegen den ouderdom van A. geen 
bezwaar op. Het behoort toch , blijkens de mystieke stuk- 
ken over Maria en de Godsvrienden , tot den tijd , toen deze 
gevoelens aan de orde waren , dus tot den tijd van C. , en 
heeft dan ook met juistheid weergegeven wat wij hierom- 
trent in C. en de buitenlandsche H.H.s.s. vinden. Waihet 
van de eigenlijke behandeling der 10 Geboden bevat , komt 
woordelijk met de andere H.H.s.s. overeen , en dit verschijn- 
sel doet ons gevoelen, dat het overige, wat het bij de 
eigenlijke behandeling der 10 Geboden niet heeft , kortheids" 
hcdve is weggélaten. 



(i; W. Moll., Kerkgesch. v. Ned. v. d. Herv. II. 1. bl. 383 en IL 
4. bl. 144. 

(2) MoU. a. w. II. 4. 17 en 18. 



250 



INLEIDING. 



Het grootste bezwaar tegen den hoogeren ouderdom van 
den inhoud van H.s. A. leyert H.s. B. op. Misschien zou 
men een oogenblik voor ouder houden wat daarin staat, 
omdat het veel korter is , en b.v. door den schrijver van A. 
zou kunnen zijn uitgebreid. Doch, mijns inziens, zou 
men zoo ten onrechte denken. 

H.s. B. verraadt immers op een paar plaatsen , dat , al 
is de dialoogvorm er in vervallen, de schrijver toch een 
samenspraak gebruikt heeft, b.v. als in het derde Gebod, 
de woordcn gebezigd worden ^also als daer voer af ghe' 
sproken is", en als bijna aan het einde voorkomt joals hier 
voer ende nu is gheseit'' H.s. B. is dus gevormd naar een 
ander, dat den dialoogvorm had. 

Voorta komen in H.s. B. gedeelten voor, die niet in A. 
maar wel in C. gevonden worden, b.v. over de echtschei- 
ding , het verkoopen van zieke beesten , het verkoopen van 
een kwaad ding voor goed, en het huichelachtig onvangen 
van het H. Sacrament. Heeft B. dit aan C. ontleent, en 
is C. jonger, wat den inhoud betreft, dan A. , dan is ook 
B. jonger dan A. 

Eindelijk komen er in B. gevoelens voor, die van later 
dagteekening zijn dan die in A. Zoo is B. milder op het 
punt van woeker dan A. In B. wordt de woeker wel be- 
streden , maar niet met de strenge woorden van A. »die 
woekeners en horen der heiliger kerken niet toe." — Zoo ook 
ten aanzien van de echtscheiding. A. spreekt hiervan niet , 
maar B. brengt , bij de behandeling van hct 6de Gcbod , 
de echtscheiding tcr sprake, en toont daardoor een kind 
van zijn tijd te zijn d. i. van do lö^le eeuw, toen dit punt 
milder werd behandeld dan vroeger , toen men van oordeel was, 
dat de echtscheiding volstrekt niet mocht geschieden. (1) 

(1) MoII, Kerkgcsch. v. Ned. v. d. Hcrv. II. 4. bl. 17 en 18. 



INLEIDING. 251 

Eindelîjk schijnt mij het »panden" waarvan B. handelt, 
onder het zevende Gebod , iets te zijn , waarvan de auteur 
yan den inhoud van A. nog niet wist. 

Zoo meen ik dan in H.s. A. die behandeling van de 10 
Geboden gevonden te hebben , die het oorspronkelijk ge- 
schrift van den schnjver over de tien Geboden nader bijstaat 
dan alle overige recensies er van , die mij bekend zijn. De 
H.H.s.s. C. , D. , die van Geffken en Straatsburg , en de 
gedrukte uitgaven behooren, wat den inhoud aangaat, tot 
den kring der Godsvrienden in de veertiende eeuw ; H.s. B. 
is hiervan een zeer verkort uitvloeisel, gemaakt in ons 
Vaderland (1); maar de înhoud van H.s, A. klimt ouder 
op. Wij zullen daarbij te denken hebben aan den tijd na 
1294 en 1310, dus aan die tijden, die het optreden der 
Godsvrienden voorafgingen , tocn in ons Vaderland de Bis- 
schoppen Jan van Zijrik en Guy van Avesnes het voorschrift 
gepubliceerd hadden : »wij bevelen ten ernstigste , krachtens 
de ons verschuldigde heilige gehoorzaamheid , aan alle 
rectoren en priesters , en ieder hunner in het bijzonder , 
dat zij alle Zondagen in hunne parochiekerken in de moe- 
dertaal het pater-noster en credo , behalve de artikelen des 
geloofs , verstaanbaar zullen uitleggen , en daarenboven eens 
in de maand , of minstens drie of viermalen 's jaars , de tien 
gehoden en de zeven sacramenten.^' (2) Zulk een voorschrift 
moest een boekje als A. te voorschijn roepen. 

Zoo zou dan de auteur van ons geschrift over de tien 
Geboden in Nederland gezocht moeten worden ? — Ik twijfel 
er geen oogenblik aan, en mijne gronden som ik hier op^ 

1. Is boven aiet zonder grond aangewezen , dat de inhoud 



(1) Dit büjkt uit de vermelding van de haringvisscherij bij Gebod 3. 
Zie Bijlage. 

(2) MoU a. w. II, 3. bl. 6 en 7. 



252 INLEIDING. 

van A. ouder is dan cenige ons bekende reoensie van de 
10 Geboden, dan wordt rccds uit het zieh bevinden yan A. 
in Ncderland en in dc Nederduitsche taal het yermoeden 
gcwcttigd, dat de auteur van den inhoud van A. een Ne- 
derlandcr zal geweest zijn. 

2. In don inhoud van A. komt iets voor, waardoor dit 
vermoeden wordt bcvestigd. De woordcn toch »holt voeren", 
en ))een brugge maken", en j>wacrt dat al dat water der 
zee ynckct waer endc alle ryct pennen waren'*, (1) wijzen 
op ccn streek, waar riet en hout groeicn, bruggen noodig 
zijn , cn men nabij dc zee is. In Nederland is meer dan 
66n oord van dien aard aan te wijzen. 

ÎJ. Do hcer Geffken heeft in zijn H.s. van 1509 den 
naam van den autcur van het gcschrift over de tien Ge- 
bodcn gcvondcn, namehjk Marcus van der Lyndouwe. De 
woordcn luiden: dHijc bcgynncnt d*e tzyen gebode mit- 
tcr gloscn, als sy dcr eirwcrdige leirre und meister marcus 
van dcr lyndouwc gcmacht hait.'' (2) 

Ilct II.s. wajrin hij dit vond, is in het Nederlandsch- 
Duitsch geschreven; wclk verschijnsel reeds weder aanNe- 
derland doct dcnkcn. Johann van kochem, die dit H.s. 
schrccf, kende, wellicht door zijnc betrekking op Nederland, 
blijkons de taal van zijn II.s. , ook den naam van den 
autcur. 

Dic naam zclf, Marcus van dcr Lyndouwe, herinnert 
aan Nedcrland. Gcffkcn vond nict Mnm der Lyndouwe'', 
maar van, Daarcnbovcn kunncn wij in Ncderland ecn streek 
aanwijzen, dic mct dcn naam îj[pHhnaw aangeduid kon 
wordcn. Gchjk toch hct hmd aan de IJssol Isdoxave^ en 



^^1) Onder Gebod 3 eii 5. 
(2) Zie boven bladzyde 242. 



INLEIDINO. 253 

dat aan de Maas Mosouwe heette, (d) zoo noemde men de 
streek aan de Linde Lyndouwe. Marcus boyengenoemd was 
dan afkomstig uit het oord van de Linde, tegenwoordig 
Oost- en West-Stellingwerf, en de toevoeging totzijnnaam 
van der Lymlouwe duidde dit aan, gelijk in H.s. B. de 
naam Johannes van leyerdam beteekent, dat Johannes van 
Leerdam afkomstig was. (2) 

4. Bevestigd wordt deze Noord-Nederlandsche , of wilt 
gij Friesche, afkomst van den auteur van den inhoud van 
H.s. A. nog door het gebruik van een paar woorden, die 
ons niet slechts aan Nederland, maar inzonderheid aan 
Friesland doen denken. Zoo wordt op bl. 136» de naam 
Lysbeth gebruikt, eene verkorting van Elysabeth, (3) die 
vooral voorkomt in Friesland. Zoo staat op bl. 146^ »schoene 
ende Jwsen* , een woord , dat in het Friesch kousen betee- 
kent. (4) Zoo lezen wij op bl. 147» »in den wege derwerts 
martirius tijde,'' en* in Friesland beduidt het woord tijen 
nog gaan. (5) 

{}), Dr. W. Pleijte, A. v. d. Bogert en H. Bouvrheer^plaatsbeschrij- 
viüg Meerveld. Nov. 1887, afl. 3, bl. 184. 

(2) Jundt, a. w. p. 60, beweert dat M. van der Lyndauwe uit 
Lindau was , aan het meer van Constans gelegen , maar brengt hier- 
voor geen enkel bewiJR bij. Marc de Lindau geeft dan ook nietterug 
wat Geffken vond , namehjk Marcus van der Lyndouwe. Van Lindau 
en van der Lyndouwe zijn niet hetzelfde, al zijn enkele letters gelijk. 

OpmerkeUjk is het, dat in de Linde-streek nog eene familie woont, 
die van der Linde heet. In de Leeuw. Cîour. van 20 Mei 1887, in 
het bij voegscl , wordt vermeld een T. van der Linde , die te Spanga 
woont. De gewoonte om zich te noemen naar het riviertje de Linde 
bcstaat dus nog. 

(3) Wassenb. bl. 88. Lijsabeth komt voor in het klooster van Die- 
peveen door W. R. E. H. Opzoomer, 's Gravenhage 1886, bL 28 en 
in het Kl. v. Dicp. door denz^lfden, Doetinchem 1887, bl. 37. 

(4) Volgens Oudemans beteekent het bij de Westvalingers ook kousen^ 

(5) Tijden ~ gaan , komt ook voor by Camphuizen Ps. 78 : 16 en 
Minnenloep B. I. ▼. 1106 en 2754 en Belgische Museum VI. 20 , en 



256 DE TIEN 

sche in cen dootsunde Ende aldus nae Sunte Augustijns 
woerde soe verstaes du wal dat mcniger hande menschen 
dit gebod breken , cnde daerom verdoemt werden. Ten 
eersten soe syn hier in verdoemt alle ongelouige menschen 
Ende alle die dat mit weten valsche holden dat (lOO^) die 
heilige kerke verbiet. Ten anderen mael al die mit touerien 
om gaan ende die hande te besien. Ende daer of te spre- 
ken oft gcluckelic gaen sal ende desgelikes Ten waer dat 
sijt alleen deden om den tijt te verdriuen in geselscap mit- 
tcn anderen. Ten derdcn macl AUe die een tijt oft een 
vre vocr den anderen wtucrkiesen wcrcken te doensundec- 
linge alsulckc die den vrien wille angaen Mcr gaen si den 
liue an in natuerliken dingcn soc mach mcn sonder dootsunde 
die een tijt voer die ander wtverkiesen Datisofdiemensche 
latcn wil of medicine nemen of dcs gclijcs. Ten vierden 
mael soe sijn hicr in vcrdocmt allc die an dromen gelouen. 
Die van den quadcn gccstcn comcn cnde (101») niet van 
godc Mcr gclocft die mcnsche an dromen die van natueren 
comen Ende op natuerlike wise dragen dat cn is geen 
sundc Dat is of ccn mcndchc drocmdc dat hi in een schip 
of in kolden water satc Soc mach hie wal gelouen dat hi 
te vclc koldcr vochtichcit dat is kolde humorcn in hem 
hcuct. Endc drocmt hcm dat hi in cncn vucr is endeniet 
cn kan geroepen ende van stridcn cnde van vcchten Soe 
mach hi wal geloucn dat hi tc vcel blocts in hem heuet, 
Want dit syn al natucrlikc saken. cndc cn gaen niet op 
ten vrion willc. Ten vijften niael soc sijn allc dic verdoemt 
is dcscn gcbode dat dic artikclcn hocrs gclouen niet en 
weten Di si doch wal mochtcu ende konden gelercn Ten 
sesten mael allc (lOl^) dic dat gelouc tc veel willen gron- 
dcn mit vcrmetclhcit dacr si nict tocghelcert en sijn. Ende 
willcn daer meer afgronden met haren hogen mode dan 



GEBODEN. 257 

si seluer begripen kunne. Ten seuenden mael alle die god 
temptieren öf becoren met voerberaet ende opset. Ak die 
doen die een heet yser dragen om hem te ontsculdigen. 
Of dîe hem seluen te veel wagen in eniger noet of sorch- 
licheit. Ten achten mael die hoer leste toeuerlaet setten in 
enigen heilich of in enigen creatuer Als dat si die creatuere 
mynnen als een eynde hoere salicheit Want voerwaer geen 
heilich nog geen creatuer in deser wisen en is antebeden. 
Ten IX mael sijn alle houeerdige menschen daer in ver- 
doemt Die hem sieren ende pronc- (102*) ken ander men- 
schen toe lieue of te leyde Of dat si meer willen gheeert 
wesen voer. dat hoer geliken sijn Of dat si verheuen wer- 
den voer ander menschen Mer ist dat si hem reynliken 
sieren mit suuerliken gewoenliken clederen Ende niet mit 
nyer vindinge der wilder clederen deser werlt soe en 
ist gene dootsunde. Sueket oec die mensche die voer- 
gesproken houerdie in nyen ofte geesteliken wisen. (1) Als 
mit gebede of mit vasten soe isset noch een swaere doot- 
sunde. Ten tienden mael syn hier in verdomet alle die 
gene die enige creatuer god gelijc mynnen. Of die god 
niet bouen alle dingen lief en hebbeh. Nu spreken een dcel 
menschen dat si god mynnen bouen (102^)alledingendoch 
en wiUen si die dingen niet laten die si in hoerre menynge 
dieper vinden gemynt dan god. Och dese menschen sijn 
mit sienden ogen blint Het is te vresen dat si in horen 
lesten eynde ende in den ionxten dage alte bescemet sul- 
len staen Want si die creaturen voer god gemint hebben 
Du salte weten dat si alsoe surcliliken leuen Ende wisten 
si hoe dattet mit hen stonde hoer morch in horen benen 



(l) C. heeft hier „reijnen of ghestelike**, en den zin alzoo niet be- 
grepen. Volgens opgave yan Geffken komen zijne H.U.8.S. , wat den 
inboud aangaat, hier met het onze geheel overeen. 



258 DE TBEN 

mochte dorre werden yan anxte ende yan sorgen Ende 
opdat ic dit cortelicke segge soe weet wellic mensche dle 
hem niet en kiert, mit enen gansen stadigen moede ende 
mit gansen wille tot gode Alsoe dat hi god in sijnre me- 
ningen nemen wil ende oec mynnen wil bouen alle din- 
(103a) gen Ende en wort hi daer niet in ghenoden soe en 
comet hi tot gode nv noch nummermeer Al gaue hi oec 
al sijn goet omme god ende liet hem oec bemen Ende 
heuet hi deser mynnen niet soe en ist al niet dat ewige 
leuen te vercrigen. Hier bi soe merke hoe clagelike dat 
si doen die daer weten dat die creaturen den gront hoers 
hcrten becommeren endo besitten Ende dat .si die stat 
wctelic gode benemen. God en is om die werke niet,mer 
om dat herte Wat ghift god om dat caf als die creatuer 
dat koem heuct Wat sal god die wterste scale als een ander 
die korlo heuet ende besittet (1) Hier of sprect sunte iho- 
mas ende seit Wiltu weten oftu toenemes in der rechter 
mynnen godes dat saltu daer (103^) bi prueue Want alsoe 
vele als van dij gaat die mynne der creatueren Alsoe vele 
nemeste toe in godlicker mynnen Ende alsoe veel als dij 
die weerlike dingcn in dijn herte opgaen alsoe veel gaet 
die mynne godes onder. (2) Mer nochtan al isset dat een 
mensche een creatuer meer inder herten licht dan god. (3) 
Ende of hi en oec sterckeliker mynt Dat is synre bitiden 



(1) „Wat gift - bcsittct/* Gcffkcii las dit in zijnc M.M.84I. dus : 
„Wa8 sullen got dic spruwtT (Oohi. H.s. das cave*') so dic creatur 
dcr waitzcn odcr den kom hin haben , was sol im dic auszer schal 
so cin andcr den kem hat und bcsitzt." 

{2) Dit volgeude wordt in C. vcel breedsprakiger wecrgegeven in 
bl. 2:^, le kol. tot 23b 2c kol. 

(3) Na dc uitweiding hocft C. dit weer, gaat dan vcrder bn>cd- 
sprakig voort, cn komt zoo tot Maria, die het gcbod houdt, daar 
haar binnenstc cen allerheiligste was, en tot de uitverkoren vriendcn 
van God. Dit loopt tot hl 27b. kol. 2. 



GEBODEN. 259 

dicker ghedenoket dan god Dese twe wisen of manieren en 
sijn geen dootsunden Mer die mensche is daer toe verbonden 
dat hi den leueden edelen god meer goets sal gunnen dan 
enige ander creatuer. Ende eer dat hi god wolde verliesen 
of ouergeuen Soe wolde hi lieuer diecreaturen verliesen. (1) 
Dit is dat ander gebot. 

(104a) DV en salste den name dijns godee nîet ydelic 
nemen in dinen mont. Hierom als sunte Augustijn spreckt 
soe is di alle versweren ende alle meyne ede verboden 
Hierbi saltu weten dat een mensche in drierhande manieren 
is sculdich dit gebot te holden Die eerste wise of manier is 
dat men sonder noetsake niet en sal sweren. Dat ander is 
datmen geen eet noch gelofte en breke Dat derde is dat 
men biden godliken name niet en swere noch oec en vloeke 
Hierom opdattu die eerste wise ende maniere verstaeste 
Soe saltu weten dat tot enen rechten godliken sweren drie 
dingen horen Dat eerste is waerheit, des ey- (104^) des 
of des swerens Dat ander is datmen sweer mit bedachten 
mode. Dat derde is datmen sweer temelike dingen Dit 
scryft sunte Iheronimus. Ende daerom verstaestu wal datmen 
geen quade saken cn sal sweren. (2) Wi lesen oec inden 
boeke vanden rechten der heiliger kerken dattet is geoerloft 



(1) H.8. D. heefb Tan het eerste gebod slechts l^ bl. in l2o, wat 
in A. gevonden wordt bl. 90a — lOOa in het midden. Dit kleine ge- 
deelte heeft D. zelfs nog een weinig bekort. Overigens handclt D. 
over Maria en de uitverkoren vrienden van God , en komt daarin , 
behoudens enkele verkortingen en variaties, met C. overeen. 

Volgens GeflFken komt in de Ven. uitgavc bl. Ila nog het volgende 
Toor, dat in geen enkel Ned. M.s. staat : „Gegen dies Gebot sûndigen 
auch, die wider Gott murren oder in ungeduld verzweifeln." 

(2) Geffken bericht, dat de Straatsb. uitgave van I51G nog hierby 
heeft: „noch kein gut ding mag verscheren/' wat in geen Ned. H.s, 
voorkomt. 



260 DE TIEN 

te sweren in vierrehande saken. Die eerste is viande te 
versuenen die mogen onder een sweren. Die ander is vrede 
te bestedigen onder vreenden. Die derde is die waerheit te 
beschermen ende te betugen anden rechte. Ende in den 
vierden (1) alsmen sage dat enen ontseuldigen menschen 
sijnre ontsculdicheit gebrake (2) Dan mach men hem mit 
sweren te hulpe comen. Ende onse heer ihesus cristus doe 
hi seide (105^) Doe en salste ummer niet sweren Daer en 
meent hi niet alle sweren toe verbieden Mer alleen datmen 
niet sonder noetsaken en sal sweren. (3) Nu salste voert 
weten om dit gebot to holden datmen mitten godliken name 
niet en sal vloeken. Mer wanneer dat die vloec niet en 
comet van wraken noch van sotheit of ghecheit. mer ge- 
rechticheit. dat en is geen sunde. Ende dat mach mit gode 
wal bestaen. Ende in deser wisen ende manieren soe lesen 
wi dat god seluer ende die heihgen hebbe geuloect. Als wi 
oec lesen inden boec vanden rechten. Ende in deser ma- 
nieren soe en ist niet vcrboden dat vloeken mit desen 
geboden. Bi desen voersprokenen woerden verstaestu wel in 
welker manie- (105^>) ren dat mcn god niet ydelic dat is 
onnuttelic en sal nomen. Wat dat hetet ydelic alst geen 
noet en is. Alsoe dat geen mensche en sal sweren hi en 



(1) C. hccft „>ianden", en dus vcrkcord gclczcn. 

(2) C. heeft „8ijnre onsculdichcit ghebrcket cudc dat hi tot aynre 
ontscout niet en mach comcn'\ cn is dus brcedsprakiger , en vcrklaart 
hct oorspronkclijke , dat in ons 11.8. staat. 

(.3) C. heeft hier een stuk tusschcn in , om tc bctoogen , waunocr 
ccn bcloftc gcrccht is, dat mcn kwadc bcloftcn brckcu mag, cn wan- 
neer mcn dat mag docn , bl. 28a kol. 2 — 29a kol. 1. Uet ii Toor eon 
dccl herhaling, en dc schrijvcr van C. schijnt ua dc inlassing vcrgcti'U 
te z\jn, dat hij dc dcrdc mauicr om hot gcbod tc houdcn recdi had 
aangewczeu op bl. 28a kol. 1 , cn gaat daarom op bl. 29a kol. 1 weer 
schrijvcn „Nu selstu dic derdc manicr wcten dit gcbot to houdcn'^en 
daii volgt wccr wat in ous II.s. staat. 



GEBODEN. 261 

doet dat om vrede wil of om die waerheit te beschermen 
Ende in deser manieren soe en ist niet verboden god te 
nuemen ende bi hem te sweren. Aldus merckestu waldat 
vele lude in dootsunden vallen vandes gebodes wegen. Die 
eerste sijn die van quader gewoenten sonder vrese ende 
sonder enige noetsaken sweren ende god ydelic noemen. 
Ten anderen mael alle die wetelic liegen , ende die onwaer- 
heit sweren in spot in spele of in eersten moede Soe isset 
dootsunde als die meister inden rechtboec spreket. Ten 
derden male alle die ghene (106») die sweren biden edelen 
leden cristi Ende sunderlinge die bi sine liden pinen ende 
steruen sweren Ende doen si dat mit andacht quader wil- 
liger gewoenten dan ist een dootsunde si sweren waer of 
gelogen. Ten vierden mael alle die gene die een dinc 
sweren daer si doch an twyuele. Ten vyften mael als een 
mensche sweert in onversonnenheit Ende inder reden syn 
herte om seit dattet niet waer en is dat hi wil sweren dat 
is oec dootsunde. Ten sesten mael wanneer dat een men- 
sche sweert mit weten of geloeft dattet quaet ende onrecht 
is dat is oec een dootsunde. Ten seuenden mael wanneer 
dat een mensche sinen eet of gelofl^nisse die hi god heft 
gedaen brect sonder noetsaken. (106^) Ten achten mael 
wanneer datmen gode of den heiligen vloect. Ten negenden 
mael wanneer datmen dat woert godes versmaet mit opset 
ende dat bespot ende daer mede ghecket. Ende dat voert 
godes hindert of belettet Van desen menschen sprect sunte 
Augustijn Als dat boec oec vanden rechten der heiliger 
kerken secht inder glosen l)at si niet myn en sundigen dan 
of si dat hcilige sacrament onder die voetetrede. Dochsoe 
sahnent alsoe verstaen dattet alsoe wal dootsunde is AIs 
die dat sacrament trade onder die voete, Aldus doch hoe 
wal dat si beide dootsunden sijn. Nochtan is dat een veel 

17 



262 DE TIEN 

quadcr gedaen dan dat ander. Ten tienden mael yallen 
si al in dootsun- (107^) den in desen gebode die die wer- 
ken godes Als die regen snee die kolde ende dier gelike 
werke mit opset vloeken. Of doen dat van quader willi- 
ger gewoenten. Desgelikes misdoet oec een mensche die 
den anderen vloect om wraken wil van rechten toeme. Ende 
van hat ende van nijde mitten godliken name Ende hoe 
wal dattet den vloeker leet waer dat die vloeke waer wor- 
den. Doch soe ist een dootsunde als si geschiet mit voer- 
dachten mocde. Dic ionger. Hoe ist nu mitten gemenen 
sweren cnde eden Endc van den sweren die in haesticheit 
geschien. Ende alsmen bi eniger creaturen sweert. Die 
meister. Wanneer dat die mensche mit eenre lichticheit 
sprect Bi gode ic wil dit of dat doen dat (107^) is allene 
cen dagelicse sunde Ende al ander eden die dien gelijc sijn. 
Also sprcct een meister die Raymondus heit Oec soe ont- 
faert bitidcn een mensche een sweren in toerne, Of in 
ghccheit dat hi sweert biden temeliken leden ons heren 
ihesu cristi. Ilet geschict ooc dan onuersienlic of van onbe- 
dachtheit Dat is allene een dagelix sunde als meister Wil- 
helmus seit iiulcr glosen. Swcert oec een mensche bidcn 
creatueren Als of hi scide bi minen liue bi minen rocke bî 
minen ogen bi mijnrc catten ende desgelijc , Ende een meent 
geen eer te doen den creaturen dacr hi by sweert soe en 
ist geen doetsunde Ende alsoe sweren die heidene biden 
creatueren dat si menen die crcatueren te eren ende een 
godhcke eer hem (108^1) te bicdcn. Die alsoe in dier me- 
ninge swoer die dede dootsunde Ende daerom soe geboet 
onse lieue heer ihesus cristus sinen iongeren dat si niet en 
solden sweren bigheenre creatueren Noch biden hemel. 
Noch bider eerden. Xoch bider stat noch biden houede. 
Mer hoer wocrden aoldcn w^csen Ja. Ja. Neen. Neen. Die 



OEBODEN. 263 

ionger. Mi ontfermt der luden dat si des gebodes ons heren 
also luttel weten Ende dat si hem also menichuoldelic ende 
soe vele tegen dit gebot versumen ende alsoe grote sunde 
doen. Die meister. Ic segge dat dit doet hoer eygen 
blintheit want si soe weinich ende soe cleyn licht iebben 
dat si niet en verstaen noch en bekennen dat sweren alsoe 
grote dootsunde is. Want bekenden si die eden (108^) si 
en konden niet in horen herten geliden Dat si hem seluer 
aldus verderuen mit horen groten eygenen sunden. Die 
ionger. Ic begeer dattu mi segget hoe groet dat die scolt 
is cnde pine diemen voer een dootsunde moet liden ende 
ghelden. Die meister. Si is recht alsoe groet als dat 
groet is daerom dat di mensche niet en solde sunde doen. 
Die ionger. Dat en verstae ic noch niet wal. Die meister. 
Segt mi doch wat solde die mensche in rechter bescheiden- 
heit nemen dat hi gode niet en wolde onderdanich sgn. 
Dic ionger. Daertoe soe en kan ic geen tijtlic goet geliken 
noch gemeten Want alle goet dat tijtlic is dat waer mi of 
enigen menschen een cleyn loen. Als dat ic mi tegen god 
(109a) solde setten Die mi ende aldat goet deser werlt mocht 
in enen ogenblic in die helle versincken. Diemeister. Ston- 
destu nv voer godes aensicht ende seide god aldus toe di 
Siet mi an ende siet niet omme Wat naemstu daer an dattu 
tegen godes wil om sages. Die ionger. Al die werlt en 
name ick er niet an al solde ic daerom verderuen. Die 
meister : Mosten daertoe alle engelen verderuen en toe niete 
werden Ende en woldest du nochtant niet een ogenblic 
tegen god doen Op dattu daer mede den engelen mochtes 
gehelpen. Die ionger. Ic wolde eer alle engelen ende alle 
creaturen te samen laten verderuen en mochtet anders niet 
sijn eer ic mi tegen godes wille wolde (109^) van hem, 



264 DE TIEN 

kercn waer ic Yoer sinen ogen. (1) Mer doch ic armesun- 
dige mensche en weet genen wech tot hem wert Want of 
ic bede of vaste ende wat ic mach gedoen dat is al te 
cleyn tegen die scholt ende misdaet die ic doch bin sculdich 
te betalen voer minen groten sunden. Die meister. Du 
segges waer het is alsoe Du en betaelste noch du en yer- 
geldes niet mit dinen vasten beiden Noch mit allen dattu 
docn of laten niogcs enige scholt den ewigen god. Want 
al en waerstu nye in sunden geuallen du waerste hem 
nochtan sculdich te dienen van alle dinen crachten. Daer 
om soe soe en verghelste noch en betaelste dine sunde daer 
niet medc. Wattan dat die voerseyde werke goet ende 
nuttc sijn gcdaen (110») Hier om w^ilstu dine scolt enmis- 
daet betalen. Soe kcerdi totten scat der ouerweerdiger ver- 
dientcn ons lieuen heren ihesu cristi. AIs vake andenckende 
syn heiligeii leuen syn bitter passie ende versmadeliken 
doot. Ende oifer di mit sinen bequamen ende genamen 
verdiensten den hemelscen vader soe betaclstu volcomelicke. 
Want die wecrdige persone ons lieuen heren ihesu cristi 
beter is dan alle sunden quaet cndc misdadich mogen sijn. 
Sich dit is hi daer du mcde cndc alle menschen betalen 
mogen onsen heren god. Dit is die rike scat dat kostel(ic) 
cleinoet dat duerbaer yuweel. AIs die soen onse lieue 
heer ihesus cristus ende syn alre heilichste verdiensten daer 
men den hemelschen vader allo scolt mede betaelt (llOb) 
Indien dat die vader alsijns tocrns tegen den menschen 
vegetet Och aldus en hebben wi nict daer wi mede be- 
talen mochten. Want al onse goetheit werket god in onB 
ende het is al syn eygen. Ende of wi hem niet sculdich 



(1) nier heeft C. weer eeii stuk ingcvoegd, b1« 31 a kol. 2 tot31b 
kol. 2, over de noodzakilijkheid vau dc betaling ouzer schulden by 
Go<1 , en gaat dan voort als ons II. a. 



GEBODEN. 265 

en waren nochtant want wi syn eygen sijn. Daerom en 
mogen wi niet van ons selfs goetdoen betalen. Hierom 
sullen wi dat mynnentlike grondelose godlike wesen anroe- 
pen. Ende bidden dat hi hem seluer mit hem betale. 
Want wi arme menscen nv soe arm bloet ende naket syn. (1) 
Dit is dat derde gebot ons heren. 

Ghedencke dattu den heiligen vierdach heiliges. Wie 
lesen in den olden testament dat god .alle die werlt 
heuet gescapen in VI (llla) dagen ende rustede in den 
seuenden dage Ende dat hi heilichde dien dach voer 
alle ander dage. Ende dedc dat daerom opdat alle men- 
schen heilicheit ende salicheid sochten ende vonden. Ende 
soe wat hi alle die weke had versumet dat hi dat op den 
heiligen dach weder haelde ende beterde. Daerom heuet 
god hem seluen eygen gemaect desen dach. Opdat hî 
allene in sijnre eren ende loue worde toegebracht. Ende 
want die ewige god inder nyer ewen alsoe vele wonders 
gewracht heft op ten sonnendach. Want in dien dage god 
geboren werden wolde ende opuerstaen vander doot. Ende 
alle die olde vaders vter hellen verlossen. Daerom soe 
heuet die heilîge kerke den sabboth des saterda- (lllb)ges 
der older ewen opten sonnendach geleît. Opdat dan die 
monsce mach rusten Ende al dat hem inden dienste godes 
mocht hinderen van hem zal werpen. Ende dansalhihem 



(1) C. gaat na dezen zin nog voort met te haudelen over hetoffer 
des Zoons, en of de overtreding van dit gcbod of van het eerete de 
grootste is (die van het eerste is grooter), en komt vervolgens weer 
tot Maria en de alre liefete vrienden onzes Heeren, bl. 32b kol. 1 
tot 35a kol. 2. Maria hield dit gebod , want hare redenen waren 
zachtmoedig, liefderijk en wel overwogen. 

H.s. D. heeft op bl. 13b slechts een halve pagina van het tweede 
gebod , wat wij lezen in ons H.s. op bl. I04a. Niets meer ; en handelt 
dan , overeenkomstig met C. , over Maria en de allerliefste vrienden 
van God, bl. 14a — 17a. 



266 DE TIEN 

holdcn inden grauc sijns hcrten, als cristus inden sabboth 
dat is dathi opden vierdach rustc inden graue om des men- 
schcn wille. Aldus is men verbonden dit gebot te holden 
in dricrley manicren. Die cerste is datmen dan gene grouen 
arbeit noch werc op dien dach en doe. Dat is alsoe te 
vcrstanc datmcn dan vier werkcn scuwe. Dat is datmen 
mitten handen nict en doc enich hantwerc noch arbeit noch 
andcr groue werke. Dat ander is datmen niet kopen noch 
vercopen cn sal. Noch (112a) hier noch daer gaen of riden 
of warcn sondcr noctsaken. Dat dcrde is datmen nietdin- 
gen en sal op dien dach. Hct en waer om vrede toema- 
ken of van gchocrsaemheit of om noetsaken. Ende daer 
alte vcel gocds van quame daer god van worde gelouet. 
Ende dat daermcde vcel quacts achterbleue. Dat vierde is 
datmen opten vicrdach niet en sal sitten toe gerichte yemant 
to vcrordelen. Dat vinden wy al indcn bocc des rechtes 
gescrcven. Endc het is dootsundc soc wîc daertegcn doet 
Doch saltu weten dat die menschc een deel wtwendîger 
wcrkcn wal mach doen sondcr dootsunde opten heiligen 
dach. Ende dat in vicrrchande wisen. Die eerste of dat 
wcrc alsoc clcyn is dat dacr (112^) dcs menschen herte 
nict of ontsct en wert. Noch daor van cn vallet in onuredo. 
Die ander ofdat werc noetdurftich is. AIs datmen dat op 
ccn andcr tyt niet vcrbetcrcn en kan of vcrhalen. Of dat 
mcn daer nict mcde cn kondo vcrbciden an schade liues 
oftc gocts. Dat derdo is alsmcn om god oon goet werc 
doct. AIs datmcn armen luden horcn acker seydo. Of 
datmen holt vocrde opten sonnendach, dat en waer niet 
tcgcn dit gebod. Dat vicrde is: Alsmen om cen gemeen 
wcrcs wil dat goet is tc vcrgeues wat doct daer men geen 
sundcrlinc loon of nemct. AIs datmen een brugge maket 
of üucn wüch of des gclycs. Dic ionger. lc begoer dattu 



GEBODEN. 267 

mi groet (113a) onderscheit wilt geuen vanden werken diemen 
is geboden te doen. Die meister. Sunte thomas van aquinen 
seit datmen niet en brect den vierdach mit genen dingen 
dîe recht noet sijn totten liue ende totter sielen. Ende 
daerora soe straefde onse heer ihesus die yoden ende scholt 
se in dat si meynden het waer qualic gedaeh. Als dat hi 
enen sieken mensche hadde gesont gemaect opten vierdach 
Mer doch totter noet ende noetdurften sal die mensche sinen 
biechter vragen. Of hi selven eenigen twiuel daer an 
heft. (1) Du salte oec weten datmen sonderlinge isverbon- 
den den vierdach te eren Als datmen dan geen dootsunde 
ende doe Ende hier toe is die mensche meer verbonden dan 
tot wtwendi- (113b) gen werken te laten op die vierdage. 
Endc hiervan sprect sunte Augustinus aldus Ic segge dy 
mensche dattu sonderlinge den vierdach salt holden ende 
niet als die yoden. Die des heiligen dages wtwendige wer- 
ken scuweden. Ende doch onwaerheit ende onkuuscheit 
dreuen ende deden Want die menschen deden veel bet 
dat si horen acker bouden dan dat si inden merctenof inder 
tauernen krigen onnutlic ende onreyn leuen. Ghi vrouwen 
deet veel bet dat ghi op ten vierdach sponnen Dan dat 
ghi opten heiligen dach in ongeoerdenierder manieren mit 
ydclheit danset Hier om bespot die wise seneca der yoden 
vieren ende seide dat si verloren tseuende deel hoers tijs. 
Hierbi saltu weten dat (114^) menich kersten menscheinden 
vierdaeh van allen rechten te bespotten waer Want du 
wal sieste ofmen wal wtwendich holt die vier. Als men 
doch niet en viert van hat ende nyde Van dansen van 



(1) H.s. C. hecft hier weer een stuk ingevoegd . waarin voorbeelden 
worden bijgcbracht , waardoor het gebod niet wordt OYertreden , bL 
3()b kol. 2 — 37a kol. 2. Dat dit ingevoegd is blijkt uit het begin er 
van bl. 36b kol. 2: ^^Ende hierbi soe segghe ic enz,'' 



268 DE TIEN 

dronckenscap , van menîge ghecheit ende ydelheît Diemen 
doch is vcrbonden sonderlinge opten vierdach te laten. Want 
Buntc gregorius seit dat een yegelic sundich werc quader 
ende sondegcr is opten vicrdach dan opten werkendach 
Endc want die heilicheit des dagcs meer licht an inwendi- 
gher rusten dcs herten. Dan ander rusten wtwendiger wer- 
kcn. Daerom soe moestu di mit rechter andacht an desen 
gcbodc bowarcn. (d) Sunte iohan guldemont seit Waor dat 
men danset daer is die duuel. Ende (li4i>) diebosequade 
geesten verurouwen hem in den dansen. Ende alhoer 
dienres hebben vroudc mit hem Doch soe suldi weten dat 
dan dansen ecn dootsundc is wanneer deser vier saken een 
daerbi is. Dat eerstc is als gccstelike of gewide menscen 
dansen Want daervan comct quaet exempel ende argeringe 
der luden soe macht een dootsundc sijn. Die ander sake 
Î8 Wanncer dat men danset inden tj'dcn datmen sculdich is 
te wcsen bi godcs dienste. Dat derde alsmen danset op 
gewiden stedcn. Die vierde of mcnt dede mit quaden bo- 
sen ydelen gebere. îf u wil ic dy oec seggen van eten ende 
van drincken Du salt weten wannecr die menschen heuct 
die mcninge hem ouertallich toe- (115») vullen Of dat hi 
dronken wert of hem vcruullet mit spison ende dranc son- 
dcr mact soc ist een dootsunde. Mer gcschietet hem on- 
wetclic sondcr opset. Ende datmcn dcr wallust cleyn genoech 
doot sonder quadc meninge soe cn ist gccn dootsunde. Ten 
derden macl is men sculdich dit gcbot te holden Alsdat 
dic mcnschc sondcrlinge ccn andc(n)cken tot gode sal hebben 



(1) (/. Inat hiir ccno vraag volf^cu vaii din jonger „ic wistc alto 
gaenn vau danscn vm\v van gbrstlscapo van t^tcn vïn\o vau (Irinckcn 
of (lat (lootson(l<' \va«T. Want nicn sondiTlinghc (îcsr twc wcrckcu op 
tcn viirdach (loit .'' hl. .'^h kol. 2, llct antwoord , dat de mecster 
in C. cfi'id komt ovirccn inct ons lî.s. van hicr tot bl. Il5a laatste 
rcgcl. 



QEBODEN. 269 

opten viordaghe Ende mit enen mynliken herten god bouen 
alle dinc voersette. Want god een grondeloes goet isdaer 
in dat onse geest alleen ruste vint Daerom sal dan die 
mensche enen toekeer op dien dach tot den lieuen god doen 
mit ganser begheerten syns herten. Als tot enen goeden 
eynde synre salicheit. (1) Ic begeer dattu my (115^) be- 
scheit doeste vanden sunden inden heiligen getst wanneer 
dat si sijn dootsunden. Ende waerom dat si alsoe swaer 
sijn dat si nummermeer en werden vergeuen. Die meister. 
Ghi sult weten waerom dat Ihesus seghet: si en werden 
nummermeer vergeuen dat saltu also verstane Dat die 
sunde inden heiligen geest geen ontsculdigen en heeft daerom 
dat si solde werden vergeuen Want die sunde tegen den 
vader ontsculdicht onse crancheit tegen syn aelmachticheit 
Ende die sunde tegen den soens wysheit onsculdyget 
onze onwetenheit Mer die sunde tegen die goetheit des 
heiligen geestes die en heuet geen ontsculdigen Daerom soe 
menet cristus onse heer hoo wal dat dese sunden(il6a) oec 
vergeuen werden Dat nochtans niet en geschiet als ander 
sunden vergeuen werden. Dat is in genen ontsculdigen hier 
noch daer. Nu saltu weten dat deser sunden inden heiligen 
geestVI sijn. Die eerste is datmen twiuelt ander goedheit 
godes Of dat geschiet mit onderscheide langer bekentnisse 
Ende alsmen die sunde meer weget dan die goeden godes 
dat is dootsunde. Mer geschietet enen mensche van cranc- 
heit der sinnen of van swaermoedicheit Ende die mensche 



(1) C. heeft hier wederom een stiik ingevoegd van bl. 38a kol. 2 
tot 39a kol. l , omtrent den tijd en dc lengte , dat men op den vier- 
dag aan God te denken hceft, cn de begeerte, waarmede men dat 
moet docn, zal men het gebod houden. 

In ons H.s. zullen wij achter het woord „salicheid", in onze ge- 
dachten in te voegen hebben „De jonger." Wat nu volgt is met C. 
in overeenstemming. 



270 DE TIEN 

doch in hem scluen daerom een mishagen ende verdriet 
heuet anden twiuel Ende dattet hem leet is dattet hem 
alsoc in comet soe en ist gheen dootsunde. Die ander îs 
als cen mensche hem te seer verlaet op die (11 6b) barm- 
harticheit godes dat hi daerop sundicht. Ende wanneer die 
menscho wil w^ctentUc tcgen die gerechticheit godes doen. 
Endc dat hi denct aldus in hcm sclven Du heues veel goets 
gcdacn god salt di noch al vergeuen hoe veel du sun- 
diges. Dat is vocrwacr ecn dootsunde. Gheschîetet doch 
van gocthcit des hcrtcn dat cen mensche die ontfarmher- 
ticheit tc vcol vocrsettc. Of hcm daerop verlatet soe en 
ist gccn dootsundc. Dic dcrdc sundc is Alsmen mit weten 
dic wacrheit wcder sprcct Endc wanncer dat geschiet om 
gauen wilîe soe ist een dootsunde. Ende wanneert gescbiet 
van tocmc of van viantscappcn soc ist oec dootsunde Dit 
selve ist oec alsmcn mit andacht cndc wetentheit sprect 
tegen dat gelo- (117^) ue Of tegen dat gebot der heiliger 
kcrkcn Mcr gcschiet dat van cranchcit soc en ist geen 
dootsundc Gheschictet occ van schecmtcn in enigen dingen. 
AIsoc dat die mcnschc wcder sprcct cnigc waerheit dat hi 
doch weet, dattet waer is. Endc dat hic doch wil recht 
hebben cnde niet aflatcn soc ist dootsundc Mer ist doch van 
ecnvoldigen cleynen ontscnldîgcn soc en ist nict dootsunde. 
Dic vicrde sundc is verhardingc indcn sunden. AIsoc dat 
dat die mcnschc gcncn wil en hcuet licm vmmermeer van 
den sunden te kcren Endc dat hi heuet wil hem al syn 
leuen tcgcn godes gebot tockcrcn Dat is cen alte groten 
dootsundc. Die vvfto is versniacthcit dcs rouwen. Alsmen 
genen rouwc en (11710 wil liebbon van den sunden diehie 
hcuet gcdaen Ende een mcnschc in dcsen quadeu vvil blijft 
staen Dat is die vciiiccrlicstc dootsundc. Mer heuet dio 
mcnschc ocn mishagcn daerin ondc ist hcm Icet dat hi gcncn 



GEBODEN. 271 

rouwe en heft Of van crandieit daerin viel dat hem sine 
sunden niet leet willen sijn soe en ist geen dootsunde. Die 
seste sunde is hate ende nyt. bruedeliker mynnen. Alsoe 
dat een mensche leet is dat een ander mensche verurouwet 
of gheeert wort. Daerom dat hem duncket dat hi des te 
myime gheachtet wert dat is dootsunde. Also veer alst 
staet in des menschen herten mit williger andacht endebe- 
geerten. Ende oec wanneer die mensche doget hatet in 
sinen eijen (118*) kersten. Ende hem vergan der godliker 
genaden dat is oec dootsunde Mer doedet die mensche van 
onbedachtheid of tegen sinen wil en is niet dootsunde. (1) 
Dat vierde gebot ons lieuen heren. 

D.V. salste vader ende moeder eren. Nu heuet dit 
gebot d(r)ierhande bedudinge want daer syn drierhande va- 
deren. Die eerste is die natuerlicke vader. Van desen 
eersten vader salstu weten datmen is sculdich vader ende 
moeder te eren in sesterhande wisen. Die eerste is 
datmen hem lijflic te hulpen come in hoerre crancheit 
mit hefFen ende myt leggen of si daerin voersien als sijs 



(l) H.8. C. heeft hier wederom een gansch stuk meer, waarin de 
jongcr zich beklaagt over zijne zondige invallen, en de meester hem 
een regel leert in betrekking tot alle invallen. Vervolgens wordt er 
weer gehandeld over Maria en de alreliefste vrienden Gods , bl. 40b kol. 
1 tot 5lb kol. 1. De stijl van deze ingevoegde stukken schijnt mij 
veel langdradiger dan dic van ons H.s. 

Maria hield dit gcbod, want, hoewel zij met goud naaien konde, 
zoo deed zij toch geen steek dan tot Gods eer, en hoewel zij met 
spiunen en naaien zich en haar kind onderhield, zoo hoorde zij toch 
Gods woord en las in de Schrift. 

H.s. D. heeft, bl. 17a — 18a zeer verkort. wat in ons H.8. voorkomt 
bl. UOb — ll5a. Dan heeft het bl. 18a — 19a, wat niet voorkomt in 
ons H.s. , maar wel in C. bl. 38a kol. l — 39a kol. 1. Zie boven bij 
bl. Il5a noot 1. Voorts heeft D. bl. 19a — 20b . wat in ons H.s. is 
op bl. 115a— 118a en in C. 39a kol. 1— 40b kol. 1. Ook heeft D. 
wat in C. voorkomt over Maria en de vrienden Gods. 



272 DE TIEN 

noet hcbben. Want dit doen onredelike dieren ende bees- 
ton. Als (il8^) wi lesen wanneer die aern oelt wortende 
cranc Dat dan die iongen heni dragen in hoer nest ende 
hcm also spisen. Dat ander is datmcn si van herten mynne 
cnde liefhcbbe vocr ander mcnschcn. Alsoe eer dat men 
si wolde bedrouon datmcn dan ccr ander lude wolde be- 
drouen ende verlicscn. Dat dcrde is men sal si eren mit 
woerdcn ende mit sachtcn antwoerdcn hoeren toem voer- 
hueden. Soe datmen hem gcen scheldige woeisde noch 
vlocke toe cn sal sprckcn. Dat vicrde datmen daer toe 
vcrbonden is ende sculdich datmen hem te hulpe come in 
lijfkcr noetdroftichcit Als in spiscn in cledoren ende desge- 
lijcs wacr si des noet hcbbcn cnde men hcm gehelpen kan 
Ende daerom sprac dic wisc man (IdO'i) aldus: Du salste 
ercn dincn vadcr endc du cn salstc nummer meervergeten 
dat scrcyen dijnre moeder. Ghcdcnckc dattu nîet en waerste 
haddcn si nict gcwcost. Dat vijftc men is verbonden ende 
sculdich gehoersammich te syn vadcr cnde moeder soo waer 
si hocr kiut tot ducchdcn wisen. Ende dat si gcbieden to 
docn datmen sondcr schadc kan gcdocn. Dat sesto is men 
is sculdicli cndc vcrbündoii liooren siclcn tc helpen te comen 
waiinccr datsi iiidcii lidcn des vcgcvucrs syn. Ende want 
mcn ia sculdicli hcm tc hclpcn in alrc noct hier op. ter 
ecrden So is men te vecl moor scuhlich hcm te helpcn dio 
syn inden bittcrcn grymnK^ndcn vuor. Endc în enen duus- 
tcrcn kerkcr lcggon gouangcn. Eiidc ooc mccr gro- ( 1 1 î)l>) 
tcr pinc hcbbcn. dan warcn occ to samon vcrgadert allc 
pinc alre mertelaers iii cnon monschc. Dic piiie wacr noch- 
tant clcync togoii dic pinc dio si in dcn vcgevucr liden. 
Ilicrom soc roopcn si allo tijt alsc Job sprao Ontfarmt v 
mynrc ontfarmt v niynrc doch ghi niino vricndo want die 
haiit dos hcrcn hcuct mi goruort. Och wat groter sunden 



GEBODEN. 273 

doen die menschen die horen vrienden wtter pinen des ve- 
geuuers niet en helpen als si dat wal raochten doen. (1) 
Die ander sin des ghebodes is dat men eer den geesteliken 
vader Ende die geestelicke moeder die heilige kerke. Ende 
in desen synne is een mensche verbonden den geesteliken 
vader toe eren in VI manieren. Als sijn die pawes die 
(120a) bisscop of die ouerste priester der kerken die biect- 
uader Ten eersten male salstu hem eren mit gehoersaem- 
heit inden saken daer du bist toe verbo(n)den hem gehoer- 
saem te syn Dat is als hie gebiet te vieren of te vasten 
of gebannen lude toe miden of te scuwen. Want heuestu 
geselscap mitte verbanden menschen. Ende du des niet 
wilt achten dat di verboden is ende dat gebot versmades ende 
en holt daer niet of so ist dootsunde. Gheschiet dy dat doch 
van onuersiennicheit of van medeliden soe en ist geen doot- 
sunde. Tenanderen mael soe saltu hem eren dattu hem geuet 
sijn recht an oflfer ende an tenden. Ende dattu tot eenre tijt 
inden iaer van hem dat sacrament des altaers ontfanges 
Ende tot desen stucken bistu hem ver-(120i^) bonden. Oec 
soe bistu hem verbonden in hjfliker noetdurften oftu die 
an hem vondes. Nae dien dat ghescreuen staet inden recht- 
boec. Ten derden mael Soe bistu verbonden hem toe eren 
mit woerden. Daerom sprac die wise man , du salste die 
priesters eren. Hierom soe wat lude die den priester qualic 
spreken of si schelden of belieghen. Die doen alte grote 



(1) C. heeft hier wederom een stuk ingevoegd over de middelen, 
die dienen om de lieden , die in het vagevuur zijn , te helpen , en over 
de vraag, of men op denzelfdeu tijd voor meer dan één persoon mis- 
sen kan houden. Dit stuk, waarin tevens nog de jammeren van het 
vagevuur worden herhaald , draagt daarin het kenmerk van door eenen 
lateren bewerker te zyn ingeschoven. Bl. 52b kol. 1 tot 54a kol. 1. 
H.S. C. en ook B. komen hier overeen, althans gedeeltelijk , metwat, 
volgens Geflken, staat in de Ven. uitgave. 



274 DE TIEN 

swaer sonde ende dat doen si dan oec god seluer. Want 
die priesters gaen op certririj(cij) in cristus persoen. Hierom 
soe eerde cristus seluer die priesters om hoere weerdicheit 
wille hier op der eerden Want hi sande die melaetsche 
mannen totten priester. Ende hi geboet oec den iongeren 
dat si deden aldat hcm die pricsters (121^) heiten doen. 
Ende des is nv meer te doen inder nuwer ewen dat is inden 
nyen testament. Om der groter macht willen der priesters 
ende hoere groter weerdicheit. (1) Dieionger. icbegeervan 
dynre mynnen want dat vcgevuer aldus bitter ende swaer is. 
Ende dat oec die siele alsoc gheringe vergeten wort hoe 
dat een siec mensche hem mach hebbcn op dat hi te seker- 
liker moge steruen. Ende dic dan oec veel vegevuers hadde 
to lidcn waertoe dat hi hem dan kercn solde Ofwaerindat 
hi hem dan oefenen soldc. Dic meister. Du vragest my een 
herde orberliken vragc Want het is die beste edelste konst 
die wal steruen kan. Hicrom soe sprect die wise seneca 
dat dio menscho al sijn lcue- (121^) dage niet en solde 
docn dan leren sterven. Endc opdattu nv die konst mogest 
weten wanneer god ouer dy gebiet. Soe salstu weten dat 
ses dingen syn dic dacrtoe horon. Dat cerst is dat een 
siecke mensche die storucndc is sal licm afkeren van allen 
tijtliken dingcn. Ende kercn hcm mit al sijnrc begeerten 



{\) C. hecft hicr op nicuw ccn vrij groot stuk over de zielen in 
hct vagevuur ; haar pijn , wat zi j cr docn ; of zij wctcn , hoo hct taet 
ons op aardü staat ; of zij ook van dc boozc gecsten gepijnigd woTdcn; 
üf zij alk'U bijcen ziju in ccn gcniccn vagcvuur ; of zij gclijk in l\)den 
ziju ; of dc aÜaat haar ook hclpt, dic mcu voor haar wiut; of hct 
gevcn van aalmocscn cn hct latcn lczcn van misscn haar hclpt;ofhet 
even goi'd voor mccr ziclen tegclijk helpt ; of gt*bcd haar hclpt ; en 
hoe lang zij er lijdcn zuUen. Bl. 54b kol. 1 tot 57a kol. 2. Het ii 
duidclijk hoo bn^cdsprakig dit stuk is, ja! zclfs z66, dat dc schryver 
diugen herhaalt, dw hii in een vrocger iugcvocgd atuk rccds behau- 
deld had. 



QEBODEN. 275 

in dat geloefde lant der ewicheit. Ende dan anroepen dat 
înghe8}Tme des hemelschen houes dat si willen wesen syn 
leiders. Ende voeren sine siele van deser werlt in hoer 
lustelike vrolic geselscap. Ende dat is ons inder older ewen 
voer bedudet Want doe moyses solde steruen doe sach hi 
to voeren in dat mateerlike geloefde lant. Dat ander is 
dat die mcnsche (122») dan geen touerlaet en sal setten op 
sijn goede werken die hi heft gedaén Mar hi sal hem al 
insincken ende neigen in die weerdige verdienten onsheren 
ihesu cristi Ende in sinen diepen wonden waerin dat alle 
sunden sonder enich middcl gereinicht ende verdelicht wer- 
den. Want die mynste wonde die cristus ye geleet is van 
also grondeloser mynnen Soe dat in hoer mogen versinken 
dusent ende dusent dootsunden. Ende dit punt leert sun- 
derlinge sunte bemaert. Dat derde punt is dat die sieke 
steruende mensche die sal hem seluen een leuende offer 
maken den ewigen god. Alsoe dat hi hem dan temael eal 
laten in godes wille. Ende van rechter mynnen steruen 
(122b) gode toe loue ende te lieue Ende dat die mensche 
nochtant hadde wonschens gewolt noch dusent iaer te leuen 
in alre lust ende ere. Nochtant solde hi willichlic gode te 
loue ende te lieue steruen. Ende ist alsoe dat die mensche 
hem hiertoe wal kan ghegeuen dat hi in rechter mynnen 
sterue in gode. Ic gelouo dat hie also voer vandenmonde 
in hemmelryc. Ende hi en quame nummer meer in dat 
veghevuer. AI hadde hi oec alder werlt sunden gedaen , 
ende alsoo sterf oec die moerdenaer anden cruce. Want 
hoe wal dat hi steruen moste nochtant soe gaf hi hem so 
willichlic van mynnen inden doot. la ic gelgue al mocht 
hi hem wel hebben verloest van den dode hie (123») en 
haddes niet gedaen Mer hi wolde gode te loue ende toe 
lieue steruen. Ende hierom soe is hem geworden der mar- 



276 DE TIEN 

telaren crone. Als sunte Augustijn seit. Dat vîerde punte 
is dat eene mensche niet en sal van vresen der pinenende 
der hellen rouwe hebben. Mer van rechter puerre mynnen, 
dat hi ye den suetcn mildcn god vertoernt heuet mitBÎjnre 
misdaet. Endc hct sal hcm leet sijn dat hi ye tegen den 
lieuen sueten god gedcde. Endc alsulc gans rouwe die van 
rechter mynnen comct die geschict al te selden inden sieken 
menschcn. Als suntc augustijn seit. Dat vijfte punte is 
dat dic mensche sal te vueren ordinieren alsijn begeerte in 
gode ende syn wc endc verlicsen der synne. Ende syn 
ver- (1231j) scheiden in dat mynlicke verschcyden ons heren 
ihcsu cristi anden crucc Ende sal dat alte samen der gron- 
deloscr barmherticheit godes beuelen. Dat seste punt is hi 
sal hem stcdelic holdcn ande heiligen geloue ^Vant die quade 
bose geest op die tijt dcs dodcs den mcnschcn al tegeeme 
brengct in dwalinge des gelouen. Of hi werpt hem voer 
sine grote sunden, of die gercchticheit godes Dan soe sal 
hem dic mcnscho holdcn indcn hciligen geloue Die ons dat 
werdige stcrucn, ende verdientcn ons heren soe genadelic 
ende ontfarmelic heft gelcert. Och licue kynt mit desen 
scs puntcn vaert dic mcnschc vrilic cnde sekerlic van deser 
elendiger werlt Ende du salt occ weten dat In- (124*) no- 
cencius die pawcs scrijft dat onse lieue hcre ande cruce 
plccht tc verschincn allcn rcchtcn kcrsten menschen als si 
sullen verscheiden. Ende schclt endo strafFet si om hoere 
ondancberheit Ende hi werpt hem oec voer den groten riken 
Bchat synre hciligcr verdienten. Salich syn si die daer dan 
an hopcn. Dacran en is cristus lidcn nict verloren. (i) 



(1) In C. doet de jongnr liior nog do vraag: of ieder mcnBchsicrft 
in dtn hcsteii staat , waariu liij eertijda kwam of was , wolkc vrftag 
door den mccater ontkcnnend wordt beantwoord. Bl. 58b kol. 2 
tot yja, kol. 1« 



GEBODEN. 277 

Die ionger. Ic wiste al to geerne hoe dat hem een mensce 
totten dode sal bereiden. Die meister. Dat een kersten men- 
sche niet en solde nemen al dat ganse eertrike dattet al 
gulden waer. Soedat hi mit weten een vre onbereidet bleue 
in deser onsekerre tijt. Ende daerom sprekt sunte Jhero- 
nimufl. Hot is alte groet wonder dat een (124^) kersten 
mensche in dien staet der leuen daer hi niet in en der 
steruen. Hierom soe wil ic di seggen hoe dat hem een 
mensche tegen den doot sal bereiden. Dat eerste is dat die 
mensche niet en holde sinen rechten rouwe hent hi te bedde 
comet. Mer hi sal hem te voeren bereiden. Ende wil hi 
oec wal steruen soe sal hi oec te voeren een goet leuen 
leiden. AIs augustijn seit Het en is geen beter doot dan 
daer een goet leuen is voergeleuet. Hie en solde niet 
doen als balam dede die daar begeerde te steruen als die 
gerechtigen. Ende nochtant niet en begeerde te leuen 
als die gerechtigen. Dat ander is dat een mensche hem 
solde voer den doot eer dat hi opten bedde quame ver- 
(125a) suenen mit allen menschen. Opdat hie nietendorfte 
vanden bedde totten luden senden. Dat derde is dat die 
mensche te voeren solde al sine schuldeners betalen. Ofsijn 
scholt claerliken bescriuen opdat hie niet en dorft sijn daer 
mede becommert opten bedde. Dat vierde is dat hi sijn 
testament solde te voeren geuen bi sinen leuenden liue. 
Opdat hi niet en dorft inden bedde daer mede becommcrt 
sijn. Dat vijfte is hi sal hem te voren mitten heiligen sa- 
crament bewaren. Ende dat sunderlinge alte hant als hi 
der siecheit gewaer wert. Want die heilige sacramenten 
bidden voer die siel ende voer dat leuen. Dat VI dat hi 
sijn consciencie solde altevoren bereiden in allen dingen 
recht (i25b) of hi des dages solde begraven werden. Wan- 
neer dat hem die mcnsche alsoe bereit hadde soe en solde 

18 



278 DE TIEN 

hîc hem daemae nîet verueren. Mer in ganser hopen tot 
gode hert ende syn keren. Aldus soe heb di wal gemerct 
hoe dat hem dîe mensche sal bereîden voer den doot. Dio 
ionger: Ic heb di wal verstaen doch soe begeer ic een 
weînîch to weten van der bîecht. Dat wîl ic dy seggen. 
Wanneer dattu wîlt biechten soc salstu sonderlinge VI pun- 
ten doen mît gansen eemste. Dat eerste is dattu dy voer 
mit andacht bedenckest alle dine sunden. Ende dathi dy 
besculdîcht daemae înder bîechten oftu enighe sunde ver- 
getes. Dat ander îs dat tu te voeren salste vallen an die 
(126a) weerde ontfarmherticheît godes. Ende dattu dandie 
sunden beghîetes mit ganscn rouwe ende rechter menynghe. 
Ende vaste wîlle dy voert meer te hueden voer alle die 
saken die god mochten vcrtoemen. Want ic segge dy inder 
wacrheît dat dîe prîester dy nîet en mach ontbinden. Ist 
dat sake dattu dy nîet mit gansen rouwe voer gode en 
bekennes. Ende gansen wille hcbt dî voer dootsunden te 
hueden. Dacrom dîe mcnschen dîe daer meer wtwendich 
bicchtcn dan înwendîch alsulcke biecht brenget alte cleyn 
vrucht. Dat derde is du salste enen wîsen biechter nemen. 
Want twe sluetelcn daer too horen dat men binden ende 
ontbînden mach. AIs dîe meîster der godliker konst sprect. 
Dîc (120^) eerste sluetel is macht dîo ander is konst. Daer- 
om saltu weten dat die pricsters die ongeleert sijn ende 
geen konst en hebben dat sîe onderscheit der sonden moch- 
ten weten. Dat die alsoo weînich die sunden ontbinden 
als een onghewijt mensche. Want cristus heuet gesproken : 
Leidet die ene blînde dcn anderen soe vallen si beide inden 
graue. Dat vicrde is Du salste mit groten onderscheide 
alle dootlikc sunden biechten als du si wetes ende beken- 
nes Ende du salste seggcn van wat leuen dattu biste endo 
wat du gedacn hcucst. Ende lioe dat tuut gedaen heuest. 



GEBODEN. 279 

Ende waeromme. hoedicko ende wanneer dattu et gedaen 
heuest. Dese onderscheide is men sculdich te verclaren 
(127a) den biechter Alsoverre als die mensche dat weet 
Dic vijfte du salste di hueden voer veel woerden temaken 
inder biechten ende rechte noetdurftige woerde spreken. Du 
en durfste dat huusgesynne niet noemen. Of oec seggen 
een lange materie daerdu doch den gront der sunden moges 
mit corten woerden begripen. Noch du en salste oec geen 
groet werc maken mit daghelixgen sunden dan allene 
inder ghemeenre biecht saltu se seggen. Ende die en 
derfstu niet onderscheiden. Want dat heilige Pater noster 
ende dat wywater ende dat heilige sacramente te sien. 
Ende die mynne godes die doch neerstich is. Ende die 
gemeen bicht nae of mede gesproken. Dese dingen ver- 
(127^) driuen alle dagelixge sunden. Ende dat sacrament 
der biecht is van dootsunden geset ende gemacct. Dat 
seste is du salste dy hueden dattu dy in den sunden niet 
en ontschuldichste. Noch dattu die sunden niet en bedecste. 
Huedede di oec dattu in dynre biecht niement en meldes 
noch en nomes daer du des moges of wesen ende daerom 
siet wal toe. Dese ses punten saltu voer ogen hebben wan- 
neer du biechten wilste. Ende alstu gebiecht hebt suldy 
tehants die penitencie doen dattu daer en tusschen niet in 
dootsunden en valles. Doch seggen die behende meisters of 
die mensche daer en tusschen in dootsunden viele die peniten- 
cie hulpe nochtant soe datmen die gebiechte sunden niet (1) 



(l) Hier heeft ons H.s. helaas! een hiaat. C. heeft bet volgende , 
dat vry zcker niet geheel in ons H.s. zal hebben gestaan: „ander- 
warf en dorste bicchten. Mar het is best dat men die penitencie doet 
als men eerst macht als men ghebiecht heuct ende dat is het sekerste. 
Jongher. Nu segghe mij bin ic sculdich te haents te biechten als ic 
in dootsonden valle. Meijster, Neen du en biste niet sculdich noch 
verbondcn dan tot cncn mael in den jaer te biechtcn. Doch wanneer 



280 DE TIEN 



(lattu dootsondeii docste soe bistu verbonden dat tu goeden wille heb- 
sto dat te biechtcn en tc bctcrcn. Doch soe selstu wcten wanneer 
du tcn hcilighcn sacramcnt woustc gacn of in enen strijt of ovcr see 
of cortclike gcscit. wanncer du in sorghe dyns lives bisto Boe birtu 
sculdich te bicchtcn is dat sake dattu di bckenste in enighcn doot- 
sondcn te vcsen. Dic jonghcr. Wacr of comt dat des menschen biechte 
1)i tidcn niet cn helpct cnde dat si sonder allo >Tucht ghesciot. Mcijstcr. 
Dat wil ic di s<"gghcn. Soc wat bicchte die souder bcrouwe ghesciet 
eudc sondcr willc hcm trouw(;likcn tc bctcrcn. Of als men ghien 
rccht ghclovc andcr bicchtcn <.;n hevct. Of als men dic boetc of pe- 
nitcucic nict cu wil docn of als mcn twivclt ander ghenaden gods. 
Of ala ci'U mcnschc sijn cvcnmcnsche nict cn wil vergheven dat hi 
tcghcu hem misda«'n hcvct. Of dic wctcnde cnighe dootsondcn ver- 
swighct of wctcudt; ccuigli onghclccrde mannen thcghcn tc bicchten. 
Of dotr ourccht go(;t of ghcwouncn goct nict weder ghoven cn willc, 
Wannocr dcs(; punt(rn ccu daermcdc is soc is alle die biechte verloren. 
Dic jongcr. Nu scgghc mi voert van dcn derde sins des gheboots. 
M('ijst(!r. Dic dcrdc sinnc dcs ghcboots is dat men eer den hemel- 
schc vadcr eudc occ dic hcmclschc mocd(T gods. Men sal al te billic 
cndc al t(î tacmclikcn dcn hcuiclschcn vadcr boven den natucrliken 
vadcr crcn. cndc occ bovcn dcn glicestelikcn vader. mar dcn ghcea- 
tclikcn vadcr n i*. st god, Want mcn allccn van god is cnde hcvct van 
hcm dat dic mcuschc yct gocds is. Dacrommc is mcn hcm Bculdich 
hcm ccrstc ccrcn mit dancbacrhcit. Eudc dat mcn hem bcllickcn 
danck(!U sal dcr grotcr mincn dic hi cncn yghclic menschc 800 ovcr- 
vlücdclikcu ghewcnt hcvct rccht of al syn salicheit daer aen laghe. 
Endc want allc cr( atucrcn hcm dauckcn soe scl die mensche altc veel 
billickcr docn. Dacromme die octmoedighc vadcr sinto franciscus. 
Wannccr dat hi dic voghclcn vocr den daghc hocrde singhen cndc 
hocrcu sccppcr lovcn soc wocrt hi occ vcrwect sincn lieven god aynt 
gocts cndc synrc ghcnaeden tc danckcn cnde te lovcn. Ten andcrcn 
malc soe scl meu hem cercn als dat men sijurc eercn allcen mcnen 
sal iu allc wcrcken cndc gliedachtcn. Want al daer mcn syn ccrniet 
en ment dat is al onrccht endc vcrlorcu. Ten derdc macl soe aal 
men god dcn vadcr ercn als dat men hcm minnen sal bovcn alle 
dinghcn nae dien dat ic di iu dcn eerstcn ghcboot oudcrscoidcn heb- 
ben. AKlus soc sal mcu occ dic wacrdighc mocder gods dic rcyne 
maghct maria (Tcn. Want dat is cen vat vol alre ghenacdcn cnde een 
scrineu des godlikcn afgronts die maria macht endc ghcwout bcvot 
ghcvcu alle syns scats. Endc want ons occ hocr barmhcrtichcit alsoo 
na(' is cndc occ hocr mildc ghctrouwo hcrtc. Daer omme scllcn wi 
'Mana. allc tvt iu sonderliuîîhc wacrdicheit hcbbeu. Want si^lcn ons 
ommcrmeer van God ghcnadc comcn dat moct docr hacr mildc handen 
gain. Als siutc barnardus sprckct. Nu mcrcstu wcl hoc veel dat dit 



GEBODKN. 281 

ghebot verbint daer onirae sellen wi alle tyt Maria in sonderlinge 
waerdicheit hebben. Ende op dattu dit claerliken moegheste verstaen 
soe wil icker di noch bet beduden ende openbaren welcke menschen 
hier in vallen in doot sonden als du oec in den voerscreven punten 
mercken moegheste. Ten eersten mael soe vallen si al in doot sonden 
die niet en hclpen noch bi en staen vader ende moeder als si cranc 
syn ende siec syn ende als hem des noot is ende die kijnder dat wel 
mochten doen ende dat si wel weten. Ten anderen maele al die hocr 
ouders haten of vloecken of hem hoeren doot wenschen. £nde wan- 
neer dat dat gheschiet mit voerdachte ende mit opset van haetswe- 
ghen so is dootsonde of als men doet opdat men hoer goet mochten 
besitten. Tcn derdo mael soe doen sonde alle die ghene die hoer 
ouders vcrscalcken of bedrieghen mit woerden of mit wercken of die 
se mit onrechte wetelike bedroefl of slaet dat is al te grote sonde. 
Ten wierden male alle die ghene die hem mit spisen ende mit not- 
roeften des lijfs niet te helpe en comt als si horen noot weten endo 
sijs die macht wel hadden. Ten wijften mael alle die ghene die hoer 
ouders in quaden boesen wille om hem teghen to wreken onghehoer- 
saem syn. Ten sesten maele alle die ghene die horen ouders mit 
ghebede eudc mit almisscn niet en helpet als hem dunct dat si noch 
mochtt-n in dcn pinen des vcgheviers syn of als sy daer anxte voer 
hebben. Tcn sevendcn mael alle die mit versmaethcit laten ende bre- 
ken dic gheboeden hocrs ])(riestcrs) laten. Waer in dat si verbonden 
sijn en die hem haer rcchte mit opset mit ontrccken ende onthouden 
als dcn oflfer ende die tienden. Ten achton mael alle die quaet van 
liem spreken in toern endc in versmacdcu mit opset dat is doetsunde. 
Ende wanneer ic segghe van kercheren soe mene ic alle gheeste- 
like vaders. Want die paus is meer dyn gheestclike vadcr cnde 
die biscop dan eenich heere heer mach syn. Ten neghenden male 
alle die ghene die god ondancbacr syn dcs goets dat hi hem doct 
of glit'dacn hevet. Endc oec soe doen si doet souden alle die 
ghene die theghen die cere gods enich dinc willen hebben nae horen 
luste cnde die oec horen oerbacr suecken teghen die eer gods dat is 
dootsoude. Ten tiende raael soe doen dootsonde alle die ghcne die 
wetemU' mit oueerliken woerdeu onteeren die moeder gods of diese ver- 
smacdt n in gedachten in wercken ende daer toe hoer nymmer meer 
te ghedeincken. Dese menschen doen alle zwaere doot sonde want 
die ewighe god wort daer mede zwaerliken vertoernt in die sake daer 
syn moeder wart onteert. Ja noch veel meer dan of hi selve wort 
onteert als wi lcsen. Daer omme en soude van rechte nymmermeer 
mensche soe hoeghe ghecomcn. Hi en soude eerwaerdighen die moe- 
der gods ymmer alle daghe wat sonderlinghe eer doen ende oec waer- 
dicheit. Want se god selve gheloeft ende gheeert hevet boven alle 
creatueren. C. bl. GOb kol. 2 — 63a kol, l. 



282 DE TIEN 

Het H.8. wijst nu verdcr wecr aan hoe Maria on de godsyrienden 
dit gebod hetrachten bl. ()Ha kol. 1 — 70a 2de kol. regel 4. Mariahield 
dit gebod, want zij eerdc God haren hemelschen V ader , werd gedoopt 
cn biechtte voor Johannes cn Jacobus, cn ontving ook alle dagenhet 
lichaam van haar kiud door St. Jan. 

H.s. D. heeft het vicrde gebod wederom verkort, cn, opdat het 
blijken kan, hoc ons n.8. door D. verkort wordt, cn tevens om aan 
te wijzcn, hoc het hiaat van ons H.s. in D. voorkomt, geven wij het 
hicr gchccl weer, „Nu wil ic di voert scggen van den vierden ghe- 
bode. Du salte wcten dat god tcn vierden mael gheboet altoes eer- 
wcrdicheit tc holdcn tcghcn vadcr cnde mocdcr cnde sprac alsoe Du 
sulstc vadcr cu mocdcr eren. Nu hecft dit gebot drierhande bediedin- 
gen. want daer svni drierhande vaders. Die jerste is die nataerlike 
lijfclike vader en moedcr dic t' sinen scuidich te cren met woerden 
endc mct werken. En met hcrtcn licf to hebben cnde te mynnen vocr 
al andcr mcnschcn. Ënde men sal hoer ghchoersaem syn in allen' 
dingcn dacr gods ere in is ghclegen. Ënde men sal hen te hulpen 
comcn in allcn manieren in hocrrc lyfelikcr noot. Ende bovcn al soe 
is mcn sculdich te hclpen hocrc siclen, als si in d* pinen des veghe- 
vucrs syn. waut si daer in alte grote pyncn sijn. Ja al warcn oecte 
samcn alre mertclcrcn p^-n in ccn vergadert in enen mensche die pyn 
wacr noch altc cleyn tcghcn dic pine des vcghevucrs. Hierom soe 
rocpen si altoes als Job seet. Ontfermt u ovcr my ghi doch myn 
vricnde . want die hant gods heeft my gerucrt. Och wat groto sonden 
doen di(^ ludc dat si horcn vricndcn niet cu hclpen wten vegevucr alst 
wel te docn is endc si wel mochten. Dic andcr synne is. dat 
mcn cre den gecsteliken vadcr cnde die ghccstelike moeder die bei- 
lighc kerkc. Dic ghccstelikc vader. dat is dic paus endc dic bia- 
scop. cndc dic ovcrstc kcrcpriester ende dio biechtvader. Dese is 
mcn sculdich te ercn mct ghchoersamhcit in dcn sakcn daor du in 
sculdich bist ghehocrsam te syn. Dic derde synnc is. dat mon 
den hcmelschen vadcr cnde oec dio hcmclsche mocder. Men sal 
billics crcn dcn hcmclschcn vader bovcn dcn natucrlikcn vader ende 
dcn ghcesteliken vadcr. Mcr dcn gheestclikcn vadcr naest g^e. want 
allccn van godc comt dat dcr mcnscho yct goets is. Dacr ommc soe 
ismcn hcm sculdich jerst tc cren met dancbacrhcit dat is dat mon 
hem billic dancken sal die groudeloser myune. dacr hi onen ycgeliken 
mcuschc alsoe veel hecfl ghetocnt. rccht of syu salicheit dacr aen 
laghc. Kude waut hcm allo creatueren danckcn soc sal occ die mensrh 
dat alsoe vccl tc billicker docn. Dacr onime die oetmoedigho vader 
Sinto franciscus als hi die vogelcn voer den daghc hoertlc singcu onde 
horcu sehepper loven. soc waert hi oec vorwcct syus licvcn sucten 
gods. endo synre gheunden tc danckcn. Tcn andcrcn sal men bom 
cren. als datmen syu eer meync in allen worken ondo ghodachten, 



GEBODEN. 283 

(128^) (1) enen mensche dodet ende dat en is geen sunde 
mer het is louelic. Also yerre alsmen dat doet om die ge- 
rechticheit wille ende niet anders. Ten anderen mael als- 
men doer lijfsnoet enen menschen dodet. Recht ofmen mi 
wolde dootslaen in enen bossche. Ende dat ic om mijnlijf 
te beschermen dien dootsloech die mi doden wolde dat en 
waer mi geen sunde Mer mochte ic hem ontulien ende en 
dede dat niet ende wolde hem ynmier doden soe waert 
dootsunde. Mer mocht ic mi sijns uerweren dat ic hem 
niet doot en sloege dat waer ic schuldich te doen. Mer 



want al dat daer syn ere niet în en is ghemeynt dat is al verloren. 
Ten derden male, soe salmen god den vader eren. datmen hem sal 
mynnen boven alle dine. soe ict u inden jcrsten ghebode heb onder- 
scheyden. Aldus salmen oec die werdighe moeder gods eren. want 
si is een vat vol alre eren. cnde een schyn des gotteliken afgronts. 
die Maria heeft macht ghegeven alle syns scats. £nde want ons oec 
hoer bermhcrticheit alsoe ua is . ende oec hoer mylde herte . daer omme 
sullen wi Maria altoes in sonderlinge ere hebben. Want sal ons enighe 
ghenade ummermeer ghescien dat moet gaen doer hoer mylde hande. 
Als bernardus spreect . daer ommc sullen wi Maria altoes in eren heb- 
ben. En die menschen doen alte swaren dootsonde die hocrnummer- 
meer en ghedenckcn. want d* ewige god wort daer alte swaerlic in ver- 
toernt. In den saken daer syn lieve eerwerdige moeder in wort on- 
eert. Daer omme en soude van recht uummermeer mensche alsoe 
hoghe comen hi cn soude d' werdiger moeder gods ummer alle dage 
wat sonderlinger eren doen. synt dat se god selve alsoe heeft gheeert 
boven alle creatueren." D. bl. 33b — 35a, Het stuk over Maria en 
de Godsvrienden heeft D. gelijk C. 

(1) Ons H.s. mist helaas! ook het eerste gedeelte van het 5de 
gebod. Uit C. vullen wij het aan, aldus : 

„Dat V gebot ons he. Dit is dat god ten wijften male sprac Du 
en selste niement doden. Hiermede en is dat lijflicken doot slaen 
niet alleen verboden mar oec alle die scade die men den even mensche 
doen mach dat is dinen naesten het si mit woerden of mit wercken 
of mit haete of mit nydicheit. Aldus soe hevet oec dit ghebot drie 
sinnen. Die eerste sinne is. dat men niemen lijflicken en sel doden. 
Ende mercket dat nochtan mach gheschien in drier hande manieren 
of stucken. Ten eersten male als men mitten rechten aen den ghe- 
rechte ..." H.s. C, bl. 70 kol. 2. 



284 D£ TIEN 

konde îc hocre gcen gcdoen, soo mocht ic dien sonder 

sunde dootslaen om myn leuen te beschermen. Wolde oec 

yemant mi mijn goet nemen ende ic een wer- (128^) lic 

mensche waer daerom en solde ic niemant doden. Ende 

ic soldo eer al mijn goet verliesen eer ic dat verweerde 

mit enichs menschen doot. Het en waer dan also dat mi 

yemant ncmen wolde des ic niet ontberen en conde soedat 

ic ummer sterucn moste. Ende om dat tc beschermen moch- 

te ic wal een mensche dodcn. Ten derden mael. Wert 

een mensche gedodet van ongeualle. Alsoe of ic ene clocke 

lude endo dat die klepel wt viel vanden luden ende enen 

mcnsche dode dat en is geen sunde. AIso verre alst mi 

leet waar. Eude ic doe temclic werc dat gewoenlic is te 

doen. Mer doet die meusche cen onghewoenlic werc. Als 

of een schoet ouer encn wech daer die lude gewoen syn 

te gaen soe wi al daer ecn (129^^) verschoet dat is doot- 

suude Of mcn oec enen steen worp van enen dake daer 

dic lude gewoon sijn te gaen. Geraect mcn yemant scha- 

dclic dat is occ dootsunde. Ilet en sy dan also dat men 

dic lude te voercn anroep endo waeme si. Ten vierdcn 

mael dodet men dic menschen van hate of van rechten 

moctwillen ende om godes willc of om toern. Dat is alle 

wege dootsundc. Mer of die een monsche den anderen doot- 

sloge in enen gcrcchtcn stridc dat en is niet dootsundc. 

Ist dat die strijt gcschict om die gerechticheit too bescher- 

men. AIs hostiensis (1) bescrijft. Die andcr syn des gebodea 

is dat niemant en sal dodcn nict alleen mitter hant Mor 

oec cn salmen ract of hulpo daer (129^^) toe doen. Ende 

hier en tegcn wcrt wal gcdaen. * Ten eerstcn dio daar ge- 

bieden yemant tc dodcn of om biddcn. Ten andercn macl 



(l^ IleuricuM Ilosticnsis, eeu rochtsgc'lctrdi' , lccfdo in hct midden 
der l'Mü ccuw in Frankrijk. 



GEBODEN. 285 

80 wio dat enen raet dat hi dootslae. Dese twe sijn doot- 
sunde. Het en waer dan alsoe dat hijt most hete doen of 
raden van sijns ambochts ende des gerichtcs wegen. Ten 
derden mael die daar dootslage mochten hinderen sonder 
horen groten scade lijfs ofte goedes ende dat niet en doen. 
Dat selue soe waer dat een mensche mach hinderen des 
anderen erchste. Dat is hi sculdich te doen alsoe veer 
als hijt kan gedoen sonder schade lijf ofte goets. Ende 
het is dootsunde alst ist groet scade of quaet. Item men 
en sal oec niemant gheestelic doden. Ende dat(130a) doot- 
slaen geschiet in vierehande manieren. Ten eersten mael 
als men den evenkersten hatet inden herten van rechter 
nidicheit van dien mensche seit sunte Johannes : Soe wie 
sinen brueder hatet die is manslachtich. Soe waer oec 
alsulken hat ende nijt is dattet den enen leet si dattet den 
anderen wel gaet dat is oec tegen dit gebot. Mer waer 
ycmaut des auderen boesheit of quaetheit hatet. Ende oec 
corrigierde enige misdaet sijnre naesten of sijns euen men- 
schen niet van toeme mer om die gerechticheit wille. Op- 
dat hem die mensche daer te bet daer voer huede. Of 
dat sijn hoemodicheit gedrukt wert dat en is gene sunde. (1) 
Want men sal den euen menschen (130^) mynnen ende 
goet doen. mer die gebreke ende sunden sal men in hem 
haten. Die ander manier is AIs dat die mensche niet en 
sal in hem doden die godlike vermaninge ende inspreken 
des goeden willen , des en sal hi in hem niet laten verder- 
uen. Ende also sonder die goede werke steruen. Want 
die geestelicke gebuerte die god in den menschen werket, 
die is edelre dan alle lijflicke gebuerte. DaeronMne wan- 
neer hem die mensche vander geesteliker gebuerten eens 



(1) H.s. C. heeft hier breedsprakiger weergegeven , bl. Zlbkol. 2 — 
72a kol. 2 , wat ons H.s. heeft met de woorden „Want — in hem haten.^' 



286 DE TIEN 

goeden insprekens of yermanens of goeden wUles keert mit 
versmaeden opset des willen. Dat is dootsunde. Die derde 
manier is Dat die mensche niet en sal mit quaden exempel 
ende mit achterclappen sinen euenmenschen doden. Want 
wanneer dattu (131^) enen mcnschen een oersake bist mit 
opsat ende wetenheit tot dootsunden soe doestu oec doot- 
sunde. (1) Lieue kint ic segge di dat die menschen alte 
seer swaerliken sundegen die achtersprake doen of horen. 
Want die achtersprekers sijn gode hatelic. Oec seget sunte 
bcmaert. Achtersprake tc doen of te horen wellic dat 
quadeste is en kan ic niet lichtelic onderscheiden. (2) Mer 
geuestu dinen wille niet daertoe ende hoerste dat allene 
daerom. Want tu den menschen die woerde mit di henet 
niet geeme en wolste versmaden soo en isset niet doot- 
sunde. Die vierde manier is dat die mensche niemant en 
sal doden mit ontholdinge der noetdurfte des liues. Want soe 
waer dat arme hongheringe lu- (134i>) de sijn. ofdochlude 
sijn in noctdurfte des liucs dicn is men sculdich te helpen. 
Want sunte Ambrosius seit: Spise den genen die daer van 
honger sterft , Want doc du dat nict soe heuestu hem ghe- 
dodet Dit salstu alsoe verstaen soe waor du sieste die wterste 
noetdurfte an enen menschc. AIs in hongcr in cledinge in 
herbcrgen of in enigen andcren dingcn. Ende hebstu also 
veel dattu hcm gehelpen konste. Ende dattu doch daer 

(1) C. handült hier wecr uitvoeriger, vooral ovcr achterklap. Bl. 
72h kol. 1— kol. L>. rtgel (i v, o. 

(2) De woordcn „Mer gciieatu — (lootsundc'* heeft C. dus: ,,Doch 
sestu al dat (dc woorden nainelijk van St. Bernard) alsoc vcrstaen loe 
wanncer dat di afterclap niet leet cn is om hactswillcn dic stuhebstu 
hebste in dyn hcrt cnde dattu een oersake bistc niit dinen willighen 
lioreu des aftcrclappcns soe doestu dootsunde. ghcvestu oec mct dinen 
willc! daer toe. inar hoerstu dat allcen om dattu den mcnschc niet 
gaern cn wouste vcrsmadcn dic niit ti reden hcvet soe cn ist ghien 
dootsonde." Ilicr blijken wcdcrom dc brccdsprakighcid en mindcre hcl- 
derhcid van C. ti^gcnover dc kortheid en hclderheid van ons ILi. 



GEBODEN, 287 

niet van en yerderfste soe bistu sculdich hem te helpen. 
Ende waer du des niet ende doeste soe doet ghi dootsunde (1) 
Ende onse here Ihes cristus salt hem yerwiten in horen 
lesten eynden ende inden ionxten dagen ende hem seggen 
Gaet ghi vermalediden in (132») de dat ewige vuer dat 
den duuel ende sinen engelen bereit is Ic was hongherich 
ende ghi en gauet mi niet teten. Ic was dorstich ende ghi 
ende gauet mi niet te drincken et cetera. Hierom laet ons 
goede werke doen die wile dat wijt vermogen ende eertsche 
goede hebben. Opdat wi weder mogen vercrigen die he- 
melsche goede ende ewige blijsscappen. Exempel. Bie duuel 
wert eens besworen die inden beseten mensche was dat hi 
solde seggen welc dio meeste vroude of blijscap waer die 
die heilige sielen hadden inden ewighen leuen. Hi antwoerde 
ende seide Wat vragestu nu (mi?) nader meester vroech- 
den. Waert dat al die hemel perkament waer ende al dat 
water der (132^) zee yncket waer ende alle ryet pennen 
waren soe en conde ic die alremynste vroude niet bescriuen. 
Die die salige sielen gebruken in den ewigen leven. (2) Dat 
Besde geb ot ons heren ihesu cristi. 

(1) Wat in ons H.8. hier volgt tot aan het einde van het gebod , 
staat in C. niet. C. handelt daarentegen langwijlig over de barmhar- 
tigheid , vijandlicfde , aalmoesen geven , bl. 73a kol. 2 — 76a kol. 2, en 
dan over de gehoorzaamheid van Maria, die niet begeerde en den 
moordenaars van haar kind vergaf , en van de volkomene menschen 
aan dit gebot, bl. 76a koL 2 — 81b kol. 2. 

(2) H.s. D. heeft de behandeling van het gebod in een half blad , 
bl. 44b , verkort weergegeven , en komt dan over Maria enz. nagenoeg 
geheel met C. overeen, bl. 45a — 51b. Geffken las iu zijne H.H.8.S. 
of uitgaven nog een gedeelte, ten aanzien van dit 5de gebod, dat in 
de Ned. H.H.8.S. niet voorkomt, en aanwyst, dat het zwaarder zonde 
is den lichamelijken vader te dooden dan den geestelijken, tenzij de 
eerste cen ketter of boos mcnsch ware. Voorts is het even groote 
zonde vader of moeder tc dooden. In nood moet de laatste boven 
den eerste geholpen worden. Het is grooter zonde een Christen te 
dooden dan een Jood; dat eene moeder haar ongedoopt kind doodt, 



288 DE TIEN 

Du en salste geen oncuuscheit doen. Of dijn ewe datis 
dine echtscap breken. Ende hierin soe heuet god alle lîjf- 
felike lust verboden die oncuusche sijn. Ende als dieleres 
scriuen soe heuet dit gebot oec drie manieren. (1) Dat 
eerste is datmen niet en sal doen lijflik tegen dit gebot 
Ilierom soe besundigen hem alte veel lude in desen ghe- 
bode. Ten eersten mael doen dootsunde van des gebodes 
wcgen alle die gene die hjflic onkuus sijn. Endedochniet 
(133îi) cn sittcn inder echtscap. Ten anderen maelalledie 
gcloeft hcbbcn kuurschcit al hoer leuen lanc hetsi dat si 
sijn in oerden of nict. Soe waer die vallen in oncuuscheit 
dat is dootsunde. Ende ist dat si oec enige kuursche reyn 
meechdcn doen vallen dat is een al te groten dootsunde. 
Ten derden mael alle die in d' echtscap sitten miton recht 
alsoe vcrre als sijt voerwaer wetcn die doen mitten hylic- 
werc dootsunde. Ten vierden mael alle die gene dîe ind' 
cchtscap reclit sitten ende dat si daer on bouen mit anderen 
vallen dat is alte grote sunde. Ten vyften mael alle die 
gene die inden hylic mit horen eygheuen vrouwen anders 
dan recht hylich werc driuen ende dan si billix solden doen. 
Want wanneor (133^0 dattot geschiet op heiligen tidon of 
op onbehocrliken tyden of in wocrden mit tasten of dier- 
gehjc. Om die vleischelike walluste daermede te verwecken 



clan lut j?i'(lüoj)tL' ; maar toch ook vvn jriilooptin ('hristen tc dootU'n , 
ilan (>L>n ongL-(U)()pt(.n Jood. (irootcr zondo is zijnc niocMU'r dau 7Jiiie 
vronw, ieniand nict vcrfjif dan opcnlijk nict hct zwaard U' duodeu. 
Zondc is zich zrlvcn tc doodt n ; zicli te ontniauncn. GrootLT xondc 
doodslaj? tc j^lcfrcn, dan cchtbrcnk ; ccncn rcchtvaardij^c, danonrifht- 
vaardigc tc doo(U^n ; nicinccd tc docii , dan dood tL* slaan , hoowel 
voor niaijslag j^rootcr ho« tc is hcj)aaU1. 

(\) Wij inogcn hicr nUt vcrp-tcn, dat dc schrijvcr zcj?t, dat de 
leernars aan dit j^chod dric nianiiTcn tockcnucn, tcrwijl htj zdfklaar- 
bhjkchjk plan hccft slcchts dc ccrstc cr van tc bchandclcn. 



GEBODEN. 289 

dat is al dootsunde. Dic ionger. Wattan dattet mi nietan 
en gaet soe segget mi doch wanneer dat die gehilicte lude 
Bonder sunde mogen bieen slapenmitt en werken. Diemeis- 
ter. Drie dingen sijn die dat hilicwerc ontsculdigen soe waer 
datter een is. Dat eerste is alst dat geschiet ora kinderte 
krigen. Ende menen die kinder toe brengen totten godliken 
dienst. Dacr alle kersten menschen sijn toe verbonden hoer 
kinder te holden. Dat ander is : wanneer dattet geschiet 
van gehoersaemheit des hilix bandes. (134») Dat derde alst 
geschiet om toe voerhueden een arger quaet dat van hoere 
enich mocht geschien. Als een goede vrouwo mit horen 
man, op dat hi niet en gae tot anderen vrouwen. Ende 
oec also die man tot den vrouwen. In desen drien wisen 
soe ende geschiet geen sunde. Mer die twe eerste punten 
sijn alre meest te louen. Ende du salste weten datmen al 
te lichtelic bouen desen drien mach vallen in dootsunden. 
Die ionger. Nu segt mi wat hoert tot enen rechten hilix 
bedde datmen den staet recht ende geordeniert holde. Die 
meister. Du salste weten dat daertoe horen vijf punten. Dat 
eerste is ganse liefte. Want man ende wijf sullen hem 
recht onderlinge hertelike lief- (134b) hebben. ende geen 
gecke lieftc hebben tot anderen menschen. Want alle 
menschen suUen in desen punten doot sijn in horenherten. 
Dan alleen sal die een den anderen lief hebben m synrc 
herten. Ende also meynde oec god doe hi sprac. Daerom 
sal die mensche vader ende moeder laten ende sal trouwelic 
bliuen bi sinen wiue. Dat ander is dat si hem onderlinge 
sullen in allen dingen verdragen als twe gesellen. Want 
daerom heuet god dio vrouwe vander ribben des mannes 
gemaect. Ende nict vandcn houede noch oec vanden voeten 
opdat si solden wesen twe gesellen. Daer die een niet en 
wil bouen den anderen sijn. Dat derde punt is si sullen 



290 DE TIEN 

dio een den andcren (135a) guetelike schelden ende onder- 
wisen van allen gebreken. Want soe waer dat dieeendes 
andors sunde cnde gebreko niet en ycrhoct ende kiert nae 
sijnre macht Soe wert hi dcr misdaet ende sundon mit hem 
dcelachtig yoer gode. Dat yierde is sio sullen die een den 
anderen gchoersaem sijn inden hylicwerken. Ende die vrouwe 
sal sondorlinge horen man gehoersaem sijn in allengerech- 
ten dingen die tegen god niet en sijn. Mer doch soe en 
ist also niet mitten man dat hi yerbonden is den wiue ge- 
hoersaem te sijn Want hi mach vastcn ende om god geuen 
endo menich andcr dinc doen sonder der vrouwen wille. 
Ende des en mach een vrouwe niet doen. Want wanneer 
dat die man (135^) dat vmmer niet en wil liden sol sal si 
alsulke dinge van rcchte latcn. Ende alsoe wert die vrouwe 
ontsculdigct vander misdaet om der gehoersaemheit wille 
dcs hilix bandcs. Dat vijfte is dat si sullen hebben die 
vrese godcs in den hylix wcrkcn. Ende dat îs groet noet 
want die bose geest heuet sunderlingc macht ouor alle die 
gcne die dat hilixwerc docr lusten driuen. Want si sijn 
sculdich die drie puntcn te holden of te mynsten een daer 
af — als sî hicrvoer sijn gescrcucn. Endc sijn oec sculdich 
nummcrmcer mit opset dacrtegen doen. Siet dese vijf pun- 
tcn hielt die saligo patriarcho abraham also vastelio. Soedat 
hi sijn wwyf nye en beslicp dan in rcchter menyngen , ende 
mit al tc groter vre- (136^) sengodes. Ende daerom sprect 
simte Augustijn dat sijn locn niet ongelijc is sunte Johannos 
ewangelisten. Nochtant dat abraham vele kinder hadde. 
Ende sunte Johan een puer lutter rcine maget was. (1) 



(1) Tot hicrtoc komt C. in dc l>chan(lc1ing van dit gobod, uitgc* 
zonderd klcinc vcrachillen, ovcrccn inct ons H.s. Maar in plaatsvaa 
het cxcmpcl van den landgraaf v. Ilcsscn hoeft C nu dcn 2den cn 
3dcn zin van het gcbod langwijlig ontwikkcld. By deu 2den sxn wordt 



QEBODEN. 291 

exempel. Men leest oec yanden landgreue yan Hessen 
Ludowîcus die sunte Elysabeth des conincs dochter van 
hongherien man was. Dat hie op een tijt doe hi getogen 
was totten keyser frederic sijn noen slape wolde slapen. 
Ende doe wort tot hem gebracht een schoen wijf. Doe hi 
se sach riep hi tot hem sijn kemerlic ende seide hem : Doet 
dit wijf en wech want al waert dat ic god niet en ontfange. 
Ic en wolde nochtant mijnre lieuer gemynder vrouwen lijs- 
beth die ontrouwe niet doen. (136b) Dat seuende gebot 
ons heren. 

Du en salste niet stelen Ende hierin als sunte Augustijn 
sprect soe is verboden alle onrecht goet. Ende alle goet 
dat des menschen niet en is. Doch soe mach men sonder 



gehandeld over onkuische gedachtenj maar dadelijk ook overgegaan tot 
„die eroen der ioncfrouwen" en den staat der weduwen. Als de 3de 
zin wordt nog eens weer aangeduid „dat men die echtscap nict en sel 
breken*\ en wordt dit in betrekking gebracht met Maria, (van wie 
nadrukkelijk wordt beweerd. dat zij zonder erfzonde ontvangen is, en 
dat wie het tegendeel beweren het woord van de Engelsche groet 
Ave d. i. zonder we vervalschen, en God groote dwaasheid toekennen , 
daar geen wijs heer zijn paleis laat verontreinigen , waarin hij zijne 
inwoning koos,) om dan nog eens op de maagden terug te keercn 
en het vereenigen vau des menschen wil met Gods wil , bl. 8db kol. 
1 tot 96 kol. 2. Klaarblijkelijk heeft C. den oorspronkelijken auteur 
niet begrepen, waar hij wêl vcrmeldt, dat de leeraars aan het gebod 
drie zinnen geven , maar hij zelf er maar éen van opneemt. C. heeit 
nu den tweeden en derden zin er aan toegevoegd. Maar hoe ? . . den 
tweeden met enkele woorden , om dadelijk tot iets anders oyer te gaan, 
eu den derden, bij herhaling, om een overgang te hebben tot Maria 
en hare gehoorzaamheid aan het gebod. Opmerkelijk is het danook, 
dat C. , bij gebod 10 , nog eens , in overeenstemming met ons H.s. , 
van de maagden en weduwen handelt , ten deele met dezelfde woorden. 
H.s. D. , waarin alles wat het gebod betreft weer in een half blad 
behandeld wordt , maakt dan ook geen melding van drie zinnen , maar 
heeft : „ende hierin heeft got alle lijfelike lost die oncuijsch sijn ver- 
boden. Ten anderen dat nyemant onsuvcrheit en sal doen met ghe- 
dachten." Van eenen derden zin is nergens in D. sprake , hoewel het 
overigens overeenkomt, ten aanzien van Maria enz. met H.s. C. 



292 DE TIEN 

sunde anderlude goet nemen in drierhande wiscn. Ten 
eersten mael wauneert gebodcn wert van enen groten heer 
Die dat mit recht mach ghebieden als god dede die hete 
den yoden in egipten nemen dcn luden hoer goet. Ten 
anderen mael Wanneer datmen enen onsinnigen mensche 
syn sweert uemct, opdat hi hem seluen nochtander lude 
daer niet mede en dode. Ende oec soe wanneer dat enen 
mensche die sijn goet qualic ouerbrenct dat genomen wert 
tcgen si- (137^) nen willc ende men doet om sinen orber 
ende nuttichcit mede te doen. Ten derden mael Wanneer 
dat recht liues noet daertoe dwinget dan mach men ander 
luden goct antastcn. Want inder wterster noet sijn alle 
dinge gemeen. Du salstc weten dat nae desen gebode ses- 
tcrhandc menschcn in dootsunden yallen. Ten eersten male 
alle die gene die horen kerchere mit weten sijn offer ende 
sijn recht mit opsat ontholden. Ten anderen mael al die 
dic rccht sculdighe tynse horen hcer mit weten ontholden. 
AIs si dien wal betalcn mochte. Ten derden mael al die 
gene de mit opset hoer leengoet trecken tot eygen of onder 
ander lude gewalt souder dcs rcchten heren willc. Ten 
vicrdcn mael alle dicnstkncch- (137^^) ten ende meechden 
dic horen hercn cndo vrouwen hocr goct ncmen buten horen 
wcten. Of dat si tegen horen willc aclmissen geuen. Want 
al ist dat hoer menyuge god is doch so en sijn si daerom 
niet ontsculdich van dootsunde. Ten vijften mael alle die 
echtvrouwen die hoers mans goet stelen of aelmissen geuen 
tegcns smen willc. AIs dat boec vanden rechte der heiligher 
kerkcn sprcct. Du cn salstc noch van dinen clederen noch 
van golde noch van siluer noch van ghenen dingen doen 
wt die selucn Doch of cen vrouwc mit horen handen yet 
hadde gcwonncn. Of scluer sonderlinge goet hadde Boe en 
ist gcno dootsunde of si aelmissen geuet tegen des maiiB 



GEBODEN. 293 

wille. Ist oec dat (138*) hoer man hoer heuet wijn bîer 
ende broet ende diergelike beuolen. Ende hi te vrack ende 
te karich is tegen den armen luden , soe mach si oec buten 
sinen weten daer van aelmissen geuen. Doch moet dat 
geschien mit al sulker maten dat die man 4^6r omme niet 
en come tot groter armoden noch in scolt. Ten sesten 
yallen si al in dootsunden die tolle ontholden die recht sijn. 
Of die tienden niet en geuen ende desgelijcs ende doendat 
mit weten. Of die dat quaetste wtlesen ende geuen dat 
tot tenden. Die ander (1) sin is datmen niemant en sal 
scade doen an horen goede. Ende hierin sundigen yele men- 
schen. Te eersten alle rouers ende dieue ende nae keiser- 
liken rechte soe sijn alle rouers dieue. Ten anderen mael, 
alle die (138^) tot stelen ende rouen raetgeuen of hulpe 
doen. Of die geroeft of gestolen goet copen. Ten derden 
mael al diegene die geuonden goet holden tot hoer selfs 
behoef. Want si sijn sculdich vlitelie ende mit andacht te 
vragen ende te doen vragen nae dengenen diet verloren heuet. 
Of kan men des niet vinden soe sal men dat mit des biech- 
ters rade om gode geuen , ende daervoer geuen dattet weert 
is. Ten vier(den) mael al diegene die mit onrecht dwingen 
hoer ondersaten om goet van hem te hebben. Ten vijften 
mael al die daertoe raden of helpen. AIs die voechten die 
amptluden ende der heren dienrés. Ten sesten mael alle 
diegene die horen dienstboden ontholden hoer rechte loen 
tegen horen wfl, AIso vere als si dîen vermoch-(139a) ten 
te betalen. Dese ses stucken sijn al dootsimde. Het en 
waer dan alsoe dat een mensche also cleynen ende ontsca- 
deliken dinc stael of rouede als eten of drincken. Dat 
mocht in alsulker lichtueerdicheit geschien ende in speel. 



(1) C. heeft hier tersie , zekcr bij ver^issiDg. 

19 



294 DE TIEN 

Soe dattet oec gene sunde onwaer. (1) Diejonger: Icwiste 
al te geerne wat dattu woeker hetes. Die meister: Die 
woekeners en horen der heiliger kerken niet toe. (2) Ende 
ic hete dat woker dat meu yet wil heben bouen dat hoeft- 
goet yanden goleenden geldc. Ende dat mene ic alsoe soe 
wauneer dat een mensche leent mit voerbedinghinge der ge- 
loften toe nemen bouen dat rechte hoeftgoet. Dat is woeker. 
Ten anderen mael Oft niet en is mit yoerbedinge wige- 
sproken. (139^) Ende dat doch is in sijnre meningen dat 
hem ouer dat hoeftgoet yct werde dat is oec woeker. Ten 
derden mael Wanncer dat een mensche den andoren leent 
op cen tijt toe betalen. Ende dan niet langer en wil beiden 
hem en werde dan wat bouen dat hoeftghelt dat is oeo 
woeker. Ten IIII mael: Wanneer een menscho wat ver- 
copet te duere om des burgens wil dan hi dede om reet 



(1) Hier hcrhaalt C. als derden zin van het gebod nog eens, wat 
rceiU als tweede zin was opgegevcn, (de schrijver hccft bij den ^iOMCÜm 
zin abusicvelijk eerste sin gczet), uamclijk op dezo wijzo, datinplaats 
van „schade doeii den menschcn dic onder hem ziju acn haren goede**, 
zooals bij den twceden zin was o])gcgeven , nu sprakc is van „onrecht 
doen den cven kersteu acn sinen gocde/' Oaartoc wordcn gebracht 
woekeraars; dic heilige dingttu b. v. altarcn, kclkcn, miBgcwaden 
schadc doen of stelen; valschc munters cn makers van yalscho ge* 
wichtcn, cllcn of maten; vcrkoopers van dobbelsteenen , van zicke 
bcesten voor gezond , van iets dat kwaad is voor gocd ; die goed be- 
houden dat met spelen ^sonderlinghe mit dobbelen'* gcwonnen is , hoc- 
wcl niet het schaakspcl ecn uitzondcring gemaakt wordt „want die 
speel sijn meer cunstieh dan gheluckich'* ; die eten en drinken van ge- 
stolen goed; en die deze dingcn niet verhindercn, bl. 98a kol.2— »99a 
kol. 1. Geffken las dit ook in zgne M.M.8.8. cn uitgavcn. 

(2) Ilocwel C. dc woorden ook hecft ^wockcnaars si sijn heimelic 
of opcnbacr. Ende die selvc menschcn syn ghicn leden dcr hcilighcr 
kercken," bl. 98a kol. 2, zoo wordt toch in cen volgeud stuk in C, 
do deur tot wockeren wecr open gezct, zie bij bl. l.'^9b vau oni H.iit 
Ons il.s. ia op dit punt gestrcngcr. 



QEBODEN. 295 

gelt dat is oec doetsunde. (1) Nemet een mensche oec lijf- 
renten ende waert dat hi dan meer ontfenge dan hi wt 
heuet gegheuen Dat en is oec niet onrecht om des twiuels 
wil sijns leuens. Doch of die mensche dat wederkeert dat 
hi meer heft ontfangen dat is godlic ende het is te louen. 
Mer du salste weten dat de (140^) mensche niet en is van 
recht daertoe verbonden. Ende hi macht rechtelic sonder 
alle onrecht beholden. (2) 



(1) C. heeft hier wederom een stuk tusschen in, aldus: „Doch of 
hem een mensche voer wel bedocht hadde om hoe veel dat hi een 
dinc woude vercopen soe mach hi eeu mcnsche die beiden moet om 
also veel vercopen. Elnde of hi dan reet ghelt behoefde soe mach hi 
die selue comenscap naere gheven om den ghereden ghelts willen dan 
hi hem te voren hadde bedocht syn goet te vercopen. Mar hi ensal 
dic mensche des voerbedachtcu cops niet verwandelen om des beidens 
wille. Ist oec also datmen toecomende dinghen vercopen wil dat recht 
of onrechteliken ghescien mach. Als dat den mensche den anderen 
gheeft tien schellinc dat hi hem te somer gheve X maten v^ijns of 
oUjs of koers. Ist dat in twifel dat die wijn of dat coren te somer 
of in den herfts wat meer of wat myn gheldende soe en ist ghien 
woeker om des thuifels wille. Ist oec alsoe dat een mensche een dinc 
niet wil vercopen ende men hem daeromme bidt soe mach hi dat dinc 
niet te duere vercopen tot eenre tijt dan ghemeen loep is in den 
lande," bl. 99a kol. 2 — 99b kol. 1. — Dit stuk is voor ons H.s., 
waarin het niet voorkomt, te breedsprakig , te casuisstiek, en het 
verkleint de zoude des woekers, die in ons H.s. streng veroordeeld 
wordt. Geffken las in zijne M.M.s.s. en uitgaven als C. 

(2) H.s. C. gaat nu , na nog betuigd te hebben , dat alles van den 
woeker niet bescheiden kan worden „want van den weder copen also 
veel nuwer vonden sijn ende oec vau den voeker", (welke uitdrukking 
ook aanwijst, dat men het met den woeker niet meer zoo emstigop- 
nam) en na van de tollen gehandeld te hebben, over tot de moeder 
Gods en de vrienden vau God, bl. 99b kol. 2 — 107a kol. 2. 

Maria vervalschtc het evenbeeld van God niet; zij hield den edelen 
penning zuiver. Ook zaaide zij geen onkruid in den akker haars har- 
ten; hare ziel was zonder onkruid. Zij verknoeide haren tijd niet, 
maar gebruikte dien trouw. De eerstgenoemde dingen te doen was 
overtreding van het gebod; Maria deed laatstgenoemde , en hield zoo 
het gebod. — Geffken n C. 

H.s. D. heeft van het gebod slechts 5 regels, gelijk aan ons H.s. 



296 DE TIEN 

Dat achte ghebot. 

D V en salste geen valsche getuuch gheuen Ende hiermede 
als sunte Augustijn sprect soe is verboeden alle die scaden 
diemen vmmermeer mach gedoen den euenkersten. Mit 
woerden of mit werken of mit eniger valscheit ofte be- 
driechnisse in woerden of in werken. Ende aldus heuet dit 
ghebot drie synncn. (1) Die eerste syn is dat men nietmit 
boser quaetheit onwaerheit ende logen en salseggen. Ende 
in deser wisen sundigen drierhande menschen. Teneersten 
alle diegene die mit opset spre- (4401>) ken tegen den hei- 
ligen kersten geloue ende nochtant bet weten Dat is doot- 
sunde. Endc alsmen dat doet in spele of in toeme soe 
wertet doch alte lichtelic dootsunde. Want ic segge dy: 
dat daer sijn drie dinge die geen spot spiel noch scempe 
en mogen liden. Dat eerste is dat geloue. Dat anderdat 
ist oge. Dat derde is die reinicheit. Dese drie dingen en 
willen niet dat men spot ende scempe mit hem driue. Hoe 
wal dat men in spele gestubbe werpt in die ogen. Doch 
soe en werden si niettemyn daer af waterende. Dat selue 
is oec mitten geloue endc mitter jonferlicheit. Tenanderen 
maol soe sundigen alle menschen tegen dit ghebot Die 
mit onwaerheiden euenkersten sijn eer nemet. Ende hem 
sijn (141a) vrient (2) also vermynret dat is dootsunde. Doch 
of een mensche van hates of van toemes w^n mit d' 
waerheit yemant sijn eer name of sijn goede gemchte dat 
is oec dootsunde. Ende hi waer sculdich dat hi hem agn 
eer weder gaue also verrc als hi konde. Doch soe en solde 

en aan C, en gaat dan tot Maria enz. over, in oyereenstcmming met 
C, behoudens ecnige vcrkorting. D. bl. 68a — 76b. 

(1) Dczo woorden „Ende - synnon" hebbcn betrekkiDg tot het 
voorgaande. H.s. C hccft do drie zinnen, vooral dcn twecden en 
dcrden uitgcbreid bchandcld. Ons H.s. is hierin, vooral by dentwce- 
den zin , korter. C hecft wccr toegogeven aan de lust tot uitvoerigbeid. 

(2) 0. hecft hicr ook „ccr." 



GEBODEN. 297 

hi niet seggen dat hi hem ouerlogen hadde mer hi solde 
aldus spreken : Ghi goede lude men en sal desen menschen 
om mijnre woerden wil niet te quader holden. Want ic 
heb mi seluen an hem versumet ende ic wolde dat ic ge- 
swegen hadde. Ten derden soe sundigen al diegene tegen 
dit gebot Die valsch getuuch of orkonde dragen. Ende 
daermede horen euenkersten sijn goet of sijn eer of tugen 
of desgelikes. Dat is dootsun- (141^) de. Die ionger. Ic 
wiste al te geerne wanneer datmen mit weten een logenof 
onwaerheit sprect of dat altoes dootsunde is. Die meister: 
Neen. Want sesterhande onwaerheit en sijn gene dootsun- 
den. AIs sunte thomas sprect van huefschen lichten loegen. 
Ten eersten mael soe wanneer dat die mensche van ont- 
fermherticheit spraec. AIs of hem gevraecht worde waer 
dat een mensche waer die men doden wolde. Ende hi 
seide hi en is niet in deser stede die doch daer waer. Ten 
anderen mael. AIs yemant onwaerheit seit opdat hi den 
menschen hinderen mach van sijnre boesheit die hi wil 
hadde te doen. Ten derden mael. AIs een mensche loge 
ende onwaerheit seget opdat hie (142») mach enenanderen 
sijn goet bescermen dat men hera rait onrecht wil neme. 
Ten vierden mael. Soe sijnt die onwaerheiden die men 
sprect om speelswille opdat men vroelic werde. Tenvijften 
mael als men in spot of in spele onwaerheit spreket. Opdat 
men een mensce te langer ende te lieuer hoert epreken. 
Ten sesten mael. Alsmen den mensche priset ende louet 
mit onwaerheit. Ende doet dat den mensche te lieue opdat 
hi oec wederom den priser des te lieuer hebbe. Dese ses 
voerseide manieren der onwaerheit als die logen ende sijn 
gheen dootsunden. Mer doch soe sijnt dagelixge sunde. (1) 



(1) n.s. C. heeft hier eene uitweiding , naar aanleiding van eene 
vraag van den jonger ^^ist oec sonde of een mensche om wrede wille 



298 DE TIEN 

Ende veel dagelixger sunden daer men niet op en achtet 
die werden wal dootsunde. (1) Hierom so (142^) sal een 
kersten mensche hem pinen behuet ende waerachtich te 
wesen in sinen woerden ende werken nae sinen vermogen. 
Men leest van sunte Augustijn dat hi na sijnre bekeringe 
niet gedaen en hadde willens of wetende een dagelix sunde 
om alle die wcrlt ende al dat daerin is. (2) Oec soe meynt 
god in desen gcbode alle valsche bedecte godschinende wer- 
ken te verbieden. Ende in desen maniercn soe breken oec 
veel menschen dit gebot. Ten eersten mael al diegene die 
valschelic totten hciligen sacrament gaen. die in dootsunden 
staen. Noch oec gencn wille en hebben die te laten. Desen 



onwacrheit seit of om sotnmighe luden cer te bcsehermcn'*, waarop de 
mcester aantoont „dat het is dootsonde/' Als dan echter de jonger 
vraagt naar het voorbeeld van Abraham , die zijne vrouw zuster noemdci 
cn naar Jacob, die Ësau cn zijncn vader bedroog, zegt de meestcr, dat 
Abraham en Jacob hier geene zonde deden, want Sara was de dochtcr 
van Abrahams brocder, cn Jacob was, door aankoop van het recht 
van eerste geboorte , het cerste kind gewordnn. Iliema keert C. terug 
tot het onwaarheid zeggcn in spel en boert, cn zegt, dat de bcgecrto 
om dit te doen cen doodzonde doet gi'boreu worden. bl. I08b kol. 1 — 
109a kol. 2. Geffken = C. 

(1) In de woorden „Hierom — en al dat daerin is'' wijst ons !!.■. 
aan, dat men den twccden, door Augustinus aangeduiddcn, zin, om 
niet alleen niet met woorden maar ook mct gcen werken den me<lc- 
christcn te schaden. houden moct. II.s. C. heeft hicr 12 puntcn op- 
gesomd. waarin de menschen zich ten aanzien hiervan bezondigen, 
bl. 109a kol, 2 — llOb kol. 1, a, door den naastcn tc bespotten ; 6. door 
het wederMprckcn van lof, die men aan menschcn geeft ; c. door ver- 
raad; d. door achterspraak ; e, door iemand uit haat beschaamd te 
makcn; /. door iemand uit haat tc schcldcn of tc bcstraffen; g, door 
iemand met zocte woorden te bcdricgen; h. door dcn cvcnmcnsch met 
opzet toomig te maken ; i. door ergcrnis tc geven ; j. door twist to 
stoken; k. door iemand opzettelijk tot zonde raden ; /. als mcn Tredo 
maken kan, en het nict doet. 

(2) Ilier begint de derde zin van het gebod. — Terwyi ons ILt. 
aanwijst, dat hier ztren soorten van liwlen overtrcdcn, spreekt C. van 
twaalf, maar telt maar e(f op. 



GEBODEN. 299 

menschen waer beter datsi die kerke vol vergifnîs in hem 
eten. Want si ontfangen den ewigen (143») doot in hem. 
Ten anderen mael. AUe diegene die mit verdriet allene 
beden mitten monde sonder dat herte. Mer dat en is geen 
dootsunde het en waer dat die mensche in sinen gebede 
nae quaden onkuuschen dingen mit opset dachte ende daerop 
stonde. (1) Ten vierden (2) male alle diegene die inhoren 
goeden werken niet anders en sueken noch en menen Dan 
prijs lof ende eer der werlt dat is dootsunde. (3) Ten vierden 
mael al diegene die om weerliker eren ende vresen wil 
trecken ander lude van horen goeden leuen. Ten vijften 
mael al die gene die om tijtlikes goedes willen sommiger 
menschen sunden ontsculdigen. Ende om hat ende nijts 
wil sommiger menschen gebreke te veel beswaren. (143b) 
Is die beswaringe scadeHc soe ist een dootsunde. Mer die 
ontsculdinge en mach niet also licht een dootsunde werden. (4) 
Ten sesten mael al diegene die die gerechticheit vercopen. 
Of die sonder gelt of genieten die gerechticheit niet en 
willen bescermen. Gehjc als doen die quade ongerechtige 
richters. Ten seuenden mael Alle die gene die niet van 
mynnen des rechten Mer van wrake of van hate ende van 
nijts wegen quade lude of goede verderuen an horen liue 
of anhoren goede Want hoe sculdich dat een dief is soe 
wert nochtant een richter manslachtich Soe waer dat hi 



(1) C. noemt hier nog zelfmoordenaars op, 

(2) De schrijver meent hier „ten derden", zooals uit het voorgaande 
en volgende blijkt. 

(3) C. noemt hicr nog ,,die met bedoeling uit haat andere lieden 
bestraffen cn schclden van „groter gebreken." 

(4) C. heeft hier nog „die zich innig verblijden over de droef- 
heid van anderen , hoewel zlj doen alsof zij medelijden hebben, en zich 
aanstellen alsof zij zich verheugen in het geluk van anderen , hoewel 
het hun leed is. 



300 DE TIEN 

dien dodet niet Yan mynnen des rechtes mer van hatende 
van nide. (1) Dat negende gebot. 

(144a) DV en salste niet begeren dijns naesten goet. 
Hiermede soe meent god toe verbieden alle begeerte tot 
onrechten dingen tijtlikes goets. Ende dit gebot heuet oec 
drie sinne. Die eerste sin datmen niet ghierich en si ander 
lude goet te hebben mit onrechte. Ende in deser wisen 
soe breken vierehande menschen dit gebot. Ten eersten 
mael al diegene die daer begeren ander lude goet. Ende 
inden wille sijn mochtet hem gebueren si deden daertoe 
wat dat si konden. Ende want si des geen macht en heb- 
ben soe en stellen si hem niet daemae dat sijt vercrigen 
mochten. Dat is dootsunde. Ten anderen mael alle die- 
gene die ander lu- (144b) de goet begeren. Ende daertoe 
doen al dat si mogen opdat si dat mochten krigen! Noch- 
tant dat hem niet en wert nae horen arbeit nochtant soe 
ist dootsunde. Ten derden mael al diegene die anderlude 
goet begeren. Endc daertoe doen al dat si vermogen op- 
dattet hem mach werden ende dat sijt ten lesten vercrîgen 
dat is oec dootsunde. Ten vierdcn al diegene die ander 
lude goet begeren Ende doch van anxt ende vresen wille 
hoere eren. of des liues daer niet toe en doen dat sijt 



(1) C. hccft hier nog „dio in cunre ghemccnto onreehte quade sta- 
tutcn wetcnde opsettcn thogcns pricstcrlikc vrijhcit." 

Vcrvolgens heeft C. nog con gansch stuk over Gods verhouding tot 
allc dcze overtredingcn , over dc „weerde moedcr cnde maghet", die 
zieh liever duizendmaal zou hcbbon latcu doodcn , dan dat zy eene 
onwaarhcid zeide, en dc vricnden Gods in betrokkiug tot dit gebod. 
Bl. lllb kol. 2— 117b kol. 2. Gcflfkcn = C. 

II.8. D. bl. 76b — 81b, gccft slochta dc drio zinnon op , zooals by hct 
bcgin van dit gebod in ons II.s. cn ook in (3. staat, zondcr cenige 
vordcro uitwijdiug, cn gaat dan tcrstond over de Moeder Gods enz. 
handclcn, in ovcrcenstemming mct C. Ook vau hct stuk ovcr GUnIi 
verhouding tot allc ovcrtriilingen dor mcnschcn , dat C. hceft , bevat 
D. niets. 



GEBODEN. 301 

mochten yercrigen Mer doch dat sie niet cn vreseden der 
weerliker eren of des liues soe en lieten sgs niet omgodes 
wille si en naement dat is oec dootsunde. Dieionger. Segt 
mi doch of een men- (145a) sche begeert ander lude goet 
Ende ummer dat hi dat doch niet geeme en wolde hebben 
tegen god ende mit onrecht. Is dat oec dootsunde. Die 
meister : Neen dat en is gene dootsunde dat enen menschen 
vallet sijn begeerte tot enen dingcn. Ende hi doch in sinen 
versynnen niet en wolde hebben dat dinc tegen den wil 
godes. Dat en is niet dootsun[sun]de. Mer wanneer dat 
men ander lude goet mit opset wolde vercrigen tegen god, 
Dat is dootsunde. Die ander sin des gebodes is dat men 
niet en sal begeren ander lude goet of eer of enich dinc. 
In dier meninge datment wolde gebruken tegen godes 
wille. Ende in deser wisen soe sundigen vierrehande men- 
schen in dit gebot. (145^) Ten eersten al die daer begeren 
ander lude goet Opdat si mochten lijflicke genuechte of 
ander quaet bose leuen daer mede driuen tegen den wille 
godes dat is dootsunde Soe wanneer dattet mit opsat alsoe 
staet in den menschen. Ten and^ren mael. Soe wie daer 
begeren lijfiike eer ofschoente vananderenmenschen Opdat 
sie te meer der werlt wal beuallen ende tegen god der 
werlt mochten leuen. Dat is oec dooteunde. Mer of die 
mensche wonscheit dcs anders lijf of eerte hebben van 
natuerliken gauen. Ende doch daer niet en meenden mede 
t^en god te doen dat en is niet dootsunde. Ten derden 
mael. Alle diegene die hoer.eygen goet mit sonderlinger 
begeerten besitten. AIs dat si (146a) alleen daeraf willen 
den liue leuen ende der werlt. Ende alsoe tegen god willen 
hoer goet verteren mit ononrechten leuen. Dat is oec doot- 
sunde. Ten vierden mael alle gewide lude die hoer goet 
mit onrechten leuen verteren dat is oec dootsunde. Ende 



302 DE TIEN 

groter sunde dant is den weerliken luden. Die derde sin 
des gebodes is dat mcn ghene grote begeerte en sal hebben 
op eygen goet ende vergeten der armer menschen. Mer 
want ic inden vijften geboden hier genoech van geseit heb 
soe laet ict na wesen. Mer ghi rike vracke menschen hoert 
wattu sunte Gregorius die heilige pawes ende lere seit inden 
rechtboeck. Die seluer een mynre was der armer. Der 
hongeriger lude seit (146^) hi is dat broet dattu beholdes 
Der naccter luden is dat gewant dattu beslutes. Derarmer 
sijn dijn schoene ende hosen die dy verslijtste Aldus soe 
proucstu wal dat dic gyrige lude den armcn ludendathoer 
ontholdcn Endc docn dootsunde soe wanneer datsi hem in 
horen noedcn niet te hulpen cn comcn. Ende ic vermaen 
V dattu ummer mildc biste ende genadich den arme luden. 
Ende sondcrlinge dcn besuucten cndc melaetschen Want 
dacr is god sondcrlinge in verborgcn. (1) Exempel. Sunte 
Grcgorius bcscriuet dattcr ccn hcilich man was inden lande 
van lycaonien dic Martirius hete. Dessc so ghinc op een 
tijt tot cncn clocstcr om te vanden dcn vader die daer abt 
was. Ende indcn wcgc vant hi (147a) enen melaetschen 
mcnsche Die dat stinckendc eucl mit lopenden gatenhadde 
ouer al sijn lijf. Endc hi scidc dat hi sIdc woeninge hadde 
indcn wcgc dcrwerts Martirius tijde mcr van groter crancheit 
en vermochte hijs niet te gaen. Die goede man wert be- 
wcgcn mit barmherticheit ende sprcide sinen mantel opter 
ecrden. Ende bewant dcn melactschcn mensche daerin 
ende leidcn op sine scolderen. Als si dan nict vere en was 
vandcr poerten des clocsters. Soc bcgan die vader vanden 
clocster toc rocpen cndc scide : Lopet brucders lopet want 
brucder martirius comct onsen hercn dragende. Ende dien 



(1) C. hcoft dit cxompel niot. maar laat hicr onmiddeiyk volgeii 
wat op bl. 147b van ons H.s. ovor St. Bemard staat. 



GEBODEN. 303 

hi waende te wesen een melaetschen mensche spranc hem 
yanden hals. Ende openbaerde hem in (147^) dier gelike- 
nisse daer men hem by bekent dat hi is die beholder der 
werlt ende seide hem Martirius du en hebste dij mijnsniet 
gescamt op der eerden. Ende ic en sal mi dijns niet sca- 
men opten hemel. Ende hie voer op te hemel daert mar- 
tirius sach. Doe hi int cloester gecomen was seide hem die 
abt: Brueder martirius waer hebdi onsen heren gelaten dien 
du quameste dragende. Hi antwoerde Och hadde icket 
geweten wie hi was ic solde sine voete geholden hebben. 
Ende hi seide oec mede doe hi hem droech dat hi niet en 
woech ende dat en was geen wonder. Want hi den genen 
droech die hem droech. (1) Sunte bernaert seit mensche 
ist dattu een heer dijns goedes biste soe coep di e- (148») 
wich goet om dat tijtlike daermede. Mer en kundi des 
niet andinen herten gehebben. Soe saltu weten dattudijns 
goedes knecht sijste ende niet een heer. (2) Hierom pijn 
di oly in vwer lampen des herten te vergaderen dat sijn 
deuchdelike werken. Opdat ghi mitten wisen meechden 
moget ingaen totter hemelscher bruloft. Alse die dwase 
meechden suUen werden buten gesloten. Dat tiende gebot 
onses heren. 

Dv en salste niet begeren dijns naesten wijf. Datsalstu 
alsoe verstaen datmen mit voerdachten willen niet en sal 
willen in sunden vallen mit eniges mans wijf. Want waer 
dat gheschiet dat is al te grote sunde. (148b) Oec wanneer 



(1) Zie Toorgaande noot. 

(2) „Hierom - gesloten'' heeft C. nict. Dit H.s, vangt daarentegen 
hier aan met te handelen over Maria , en de vrienden Gods , bl- 1 19a 
kol. 2— 125a kol. 1. 

H.s. D. heeft wederom de bchandeling van het gebod zeer verkort , 
en komt daama, wat Maria en dc Godsvrienden bctreft, met H.s. 
C. overeen, bL 81b— 89a. 



304 DE TIEN 

ten anderen male dat mcnt bedachtclic wolde doen waert 
datmens niet en liet dan om der werlt wille soe ist oec 
dootsunde. Ten derden mael nochtant dat het niet sin en 
mach ende die mensche woldet nochtant mit opset doen soe 
ist oec dootsunde. Ten vierden mael. Alle diegene die 
niet indcr heiliger echtscap en sijn . soe waer di mit onghe- 
echten luden vallen dat is oec dootsunde. Hebben si oec 
ganscn wil daertoe ende des niet en kunnen yolbrengen dat 
is oec dootsunde. Mer hebbcn si des willcn ende wandelen 
si den opsat yanden quaden wille. Soe en isset geen doot- 
sundc. Dic andcr syn des gcbodcs is datmen gene quade 
gedachten hebben en sal van den (449») wive in oncuus- 
scheit. Sunte gregorius seit: Die gedachten die onuersien- 
lic cnde gheringe invallcn die en sijn gcne dootsunden. 
Ende blijft men op die gedachten sonder voerdencken een 
tijt dat en is gecn dootsunde. Mer blijft men daerop mit 
voersetten wil om genuechten wille dan ist dootsunde. Of 
men oec die werken mit dcr gedacliten nict geerne en dede. 
Doch want mcn opten ghedachten staet om gelust willen 
dan soe valtmen in dootsunden. Die derde sin des gebodes 
is datmen nict cn sal bcgeren dcs naesten ghehilicte wijf 
in oneerbare licften. Ende hierin soe sundigen drierhando 
menschen, Ten cersten mael al die hem daertoe scieren 
cndo stellen mit clederen of mit gebere. opdatsian-(i49b) 
der ludc beualen. Ende begcren dat si van hem becoert 
werden in oneorbaerre Iijflioker maniercn dat is dootsunde. 
Tcn anderen mael degene die weduwcn sijn ende hem wt- 
wendelic holden. Of occ mit cierhcit hoers lichaems be- 
gcren andror ludo to trccken tot hom in oneerbare en ont- 
godliker wisen en lijften. Dat is dootsunde. (i) Oec soe 



(1) Tot hiertoc komt II.s. C. bl. 125a kol. 1— 12Ga koL 1 mct 
ons U.8. iii dc bchaudtling van dit gcbod overecn. Maar wat ona 



GEfiODEN. 305 

bescriuet ons sunte pauwel der weduwen regel. Ende hi 
meent dat hem vier dingen toe horen. Dat eerste is an- 
dachtich gebet. Want die weduwen sunderlinge mynne 
suUen hebben tot andachtigen ende neersten gebede. Dat 
ander is si en sullen niet ledich wesen. Want sunte pau- 
wel scheldet ende bestrafFet alle weduwen die in ledicheiden 
willen le- (450^) uen. Hierom sal een weduwe altoes wat 
goeder pefeninge hebben daer god in gelouet werde. Dat 
derde is si sullen luttel ende weinich woerdcn hebben. 
Want een swîgenden behueden mont hoert sunderlinge den 
weduwen toe. Als sunte pauwel sprect. Dat vierde is 
si sullen enicheit mynnen ende eensaemheit. Ende niethier 
ende daer lopen noch scieren noch proncken. Als sunte 
pauwel seit : Want een weduwe sal wesen als een torttel- 
duue. Want wanneer dat hoer gade steruet so minnet si 
eensaemheit. Ende si en vliecht niet hier ende daer als 
sî te voeren plach te doen. Wi lesen oec dat sunte Johan 
ewangelist sunderlinge mynne hadde tot eenre edelre weduwe 
die electa heit. Ende scrijft (150») in eenre epistelen daerin 
dat hi se yermaent ende leert. Alsdat si hoer mynlic sal 
hebben tot allen menschen Ende dat si hoer waer voer 
quaet geselscap die si bedriegen ende verleiden mochten. 
Ende sunderlinge so leerde hi se dat si hoere eren solde 
waememen. Opdat si niet en verloer dat si gedaen hadde. 
Mer dat si altoes wolde gestadich bliuen hent totten eynde 
toe dat si mochte vercrigen dat sestichuoldige loen mitten 
heiligen cuusschen weduwen. Ende dit loen is also groet 
ist datsi die vier voerseide punten holden die sunte pauwel 



H.8. dan verder heeft tot de woorden„ten derden mael '' onder bl. 15ta 
regel 4 t. b., staat in C. hier niet als vervolg, maar op bl. 90a kol. 
1 — 90b koL 2 , bij de behandeling van het 6de gebod — evenwel met 
eenige uitbreiding , en een stuk over de kuischheid van de H. Anna, 



306 DE TIEN 

bescriuet dat menige salige weduwe hoger is in hemmelrîjc 
dan menige ionfer. Ende oec soe waer hoer een wedue 
holt cuusschelic inden punten die den ionferen toebe-(151a) 
horen. Siet soe wert hoer meghedeilt der ionferen loen 
meer ende myn naedien dat si hoer daertoe helt. (4) Ten 
derden mael. Âlle ionferen die hem daerom scieren dat si 
die lude wal mogen beuallen. Ende dat die herten der 
menschen tot hem werden geneycht in oneerberre lieften 
dat is dootsunde. Want een goede ionfer en sal niement 
begeren te behagen dan alleen horen brudegom ihesu cristo. 
Ende dat hoert oec eenre weduwe toe. Want alle desse 
werlt solde doot wesen in hore beider herten. Endeallene 
horen gemynden heren ihesus cristus solde alle tijt yoert- 
mecr bouen alle creaturen in horen herten leuen. Ende 
want onsen heren bouen alle dinc wal behagen oetmodige 
seden ende ma- (151b) nieren die sonder wandel sijn daerom 
soe sullen si alle weerlike scicrheit ende wtwendicheit schu- 
wen ende vlien. Ende sullen hem alle tijt in oetmoedicheit 
sincken beide die weduwen ende die ioncfrouwen. (2) 



(1) Wat hier volgt tot het einde, staat in H.s. C. bl. 126a koL 
1 regel G v. b. — kol. 2 rcgcl 12 v. b, Maar dc gedachten er van 
viuden -wij in C. ook , op bl. 87a kol. 1 , onder het Gde gebod , ten 
dcele zelfe woordelijk wecrgegcven, b.v. tcn aanzien van den ân 
„want een goedo ionfcr — cristo." Een bewijs opnieuw , dat C. breed- 
sprakig is, in hcrhaling valt, en den inhoud van ons H.8. met be« 
paalde bedocliug hocft boworkt. 

(2) H.8. C. gaat uu wecr voort met te handelcn over de volkomeiL 
mcnschen en Maria. bl. 12Ga kol. 2~131b kol. 2. B\j Maria wai 
gccn strijd van het lichaam tegen do ziel, maar eene zoodanige rein* 
heid, dat zij was als do zon cn do zaligo Jozeph haar niet konde 
aanzieu. 

H.8, D. hceft het gcbod weer verkorfc. Overigens komt D. met C 
overeeu in de behaudeling vau do volkomcn meuschcn en Maria, U. 
89b— %b. Eindelijk hebbcn H.s. C, bl. 131b kol. 2— 160b, en H.i, 
D., bl. 96b — 125b nog cen uitvoerig stuk over den vorderen tocht der 
Israelieteu door do woe8t\ja cn huu komst in Canaän* 



BIJLAGE. 



Handschrift B. 



(86a) (1) Hier beghynnen die tien ghebode. (2) 
(3) Hier beghinnen die tien ghebode godes die moyses ontfinc 
van gode op den berch van sijna mit haren verclaringhe ende be- 
dudinghe na den woerden der heiligher leerres. Ende is een yghe- 
hc die sijn sinnen ende jaren hevet van node sculdich te houden 
dese tien gheboden. £nde in houdenisse deser gheboden staet die 
nederste wech te comen totten ewighen leven . als god sprac totten 
jonghelinc die hem vraechde wat hi doen soude op dat hij dat (86b) 
rike godes besitten mochte XPÜS antwoerde Wilstu gaen in dat 
rike godes so holde die ghebode of hi segghen woude Wilstu in 
dat rike godes gaen . so is di noet dattu die ghebode houdes . ende 
mit niet myn en moghestu daer comen. Daer om mensche doe als 
onse here begheert doer moyses sprekende. israel hoer die ghe- 
bode des heren dijns godes ende scrijfse in dijn herte als in een boec . 
ende ic sel di gheven die eerde die vloyet melc ende honich. Dat irste 
ghebot. (4) — D(5)at eerste ghebot is Du en selste niet hebben 
ander gode dan mij . noch anbe- (87a) den noch eeren. So wie 
dat sijn hope set principaliken an creatueren die doet hoeftsonde 
ende teghen dit ghebot. Ende dese bedet afgode an. ende maket 
sijn gode van creaturen. £nde daer om doen teghen dit ghebot 
die alte seer mynnen horen scat gout of silver . ende ander eertsche 
dinghen £nde die in dese verganckelike dinghen so seer settenhaer 



(1) Deze cijfers 86a enz. duiden wederom de bladen van het H.s. aan. 

(2) Roode letters. 

C3) Deze H. is met rood, blauw, paarsch en wit gekleurd en 
groot van vorm. 

(4) Roode kleur. 

(5) Deze D is groot van vorm^ de helft van de grootte van de 
beginletter vau het H.s. , en met rooden inkt. 

20 



310 BIJLAGE. 

herten ende hope . dat si daer bi vergheten horen scepper . ende 
beocven hein die hen alle dat goet hevct verleent . cnde den si sr.ul- 
dich waren te diencn ende te dancken. ende boven alle dinghen te 
inynnen ende te eren also ons bewiset dat eerste ghebot. Oec . . 
(87b) so niisdocn teghcn dit ghebot al die ghene die geloven dat . 
meer gode sijn dan een , of die twivelen an die sacramenten der 
heiligher kerkcn. Ende die g/ieioven a?i die toverntenoîwsiersa^hen. 
of an menigherhande boe<:cn der quenen of der wiven . die si 
mit woerden ende mit menighhande manieren van werken onder- 
vijndcn te doen. £ndc al ist sake dat si dicwijl goede woerde ende 
crucen menghen mit harcn tovcrnicn , opdat het goet scine te wesen . 
mer nochtant want si dacr caracteren ende vrcemde manicren toe 
doen, cndc desen woerden endc manicren eer ende machttoe- (88a) 
ghcven. dic alleen gode toc hocrt, so en salmen daer niet in ghe- 
loven wanl hct is teghen dit ghcbot. Oec so verheughet onse here 
dicwijl wel ovcrmits onghelove des menschen cnde werken des duvels 
dat die dinghcn also ghcscien als si dacr in gheloven. nochtant en 
sel nicment gheloven dattct ghescict overmits crachte der woerden of 
caracteren of andcre valsche vrecmde manieren . want dat waer den 
woerden of dcn vrcemdcn maniercn macht cnde eer toe te scriven . 
ende in hem tc glieloven ende bctruwcn dat allecn gode toe behoert , 
cnde dat is teghen dit ghcbot. Yocrt so doen teghcn dit (88b) 
ghcbot alle die ghenc die horen hcerscappen of prclaten of enighe 
menschen ghehocrsam sijn teghcn ende boven gode . ende die ghene 
die hen houdiMi bctruwcn ende ghclovcn an dromen of an valtckt 
visioneny dic dicwijl ovcrmits insprekcn des duvels of des vleisches 
ghescicn. \(l)oert so doen le»hen dit ghcbot die hoveerdîghe enJe 
die ghicrighe ende die dic gulsighe menschen. Want dic hoveer- 
dighc mensche oefent voer sinen god dic ydel glori . cnde die ghie- 
righe sinen penninc of sijn ghclt . mer die gulsighe j>inen buuc of 
vervollinghc sijns bukes. Endc daer af spre- (89a) ket die apostel . 
dat ghiericheit is dienst der afgoden. £nde van den gulsighen seghei 
hi Welker god haer buuc is. Want na sinte iheronimus ende 
augustinus. soe wat ecn mensche mynt boven of ghelijc gode. dat 
hccfl hi hem ghesct voer god. also langhe als hijt so mynnet. 
Ghemecnliken so doen teghen dit ghebot die gode htlkn miUen 



(1) Voor deze V stoat een schoidingsteckon in blauwe kleur , xooali 
mecrmaltu in dit II.s. voorkomt. 



BIJLA6E. 311 

monde^ mer mîtten werken hem versaken ende vertoernen Van 
wclken onse here claghei doer den propheet ysaiam ende seil Dit 
volc lovet my miiten lippen mer hoer herte is veer van my. Dat 
ander ghebot. (1) 

D(2)ai ander ghebot is Du en sels- (89b) te niet noemen den 
name godes ydeliken. \n vi^tw. ^'f^iQAt ah sinte augiistinus spreect 
wert verboden die ydele ende valsche eeden want beide die ydeliken 
ende valscheliken sweert noemen die name godes ydeliken. Wani 
die eerste sweert ende noemt die eerste waerheit die god is sonder 
sakc. mer die ander noemtse ende versmaetse swerende of verswe- 
rende Het is te weten dat die name godes wort ghenomen ydeliken 
drieerhande wijs. Ten eersten als yemant sweert ydeliken ende on- 
nutlic noemende die eerste waerheit sonder sake ende daermede te 
tughen. (3) Ten anderen mael swerende loeslic ende be- (90a) driechlic 
als in comenscap sinen naesten te bedrieghen . ende zweert sijn dinc 
of sijn goei beter te wesen dan het is . of dat si hem meer ghecost 
hebben dan si doen. Ten derden mael swerende dwaeslic ende mit 
verherden moede Ende dat ghesciei oec drierhande wijs. Ten eersten 
swerende vermaledidelike . als wanneer yeniant zweert bidendermen 
XPI of alsulker wijs. Ten anderen mael swerende oneersamlic. als 
wanneer yemani zweert bi den vijfwonden XPI. Dese eede oec hoe 
wacr sij sijn . ist dat si ghescien wt voerseiier meninghe *so sijn si 
dootlike sonde. Want die eerste eet luut (90b) in die blasphemie 
godes. in dien dat hi gode wat toe scrivei dat sijnrc weerdicheit 
niet en beteemt mer die andcr eet ludet in die oneersaemheit godes 
sine duerbare wonden ijdelic te noemen. van welken ons allc sa- 
licheit toe ghevloyt is. Oec die gotlike waerheit wetenlike mit ver- 
herden moede zwerende te versmaden. Dai ghevalt in vierrehande 
manieren . ende een yghelic van desen wort gheheiten meneetscap. 
Ten eersten mael als yemant wetelic zweert dat valsch is, en dat 
is altoes dootsunde. £n niet alleen die versweert mer oec die ghene 
die hem *mit vollen wille latei te versweren . . (91a) eer hi dan 
zwccrt scijnt hi menedich te wesen. Ten anderen mael heit onbe- 



(1) Roode kleur. 

(2) Deze D is twecmaal of driemaal zoo groot als de gewone letters 
van het H.8., en blauw gckleurd. 

(3) Voor deze T. staat een scheidingsteeken in roode kleur. gelijk 
meermalen in dit H.s. voorkomt. 



312 BiJLAac. 

sceidelic of twiveiic sweren ineneetscap lc wescn . als wanneer yemant 
zweert daer hi nn twiveli oft waer si. Ende ghesciet dat wt voer- 
selter ineninohe so ist dootsonde. Ten derden inael wert over^angke 
(hs t'ff^?.? olit'bcilcn inentTtscap. ist dat die eel is ongeoerlofl als 
fi \. .iiit z\>eert dat hv niel en sal jjheven aelmissen. so 
>\oil hi nienedich in den werken ende hi sondicht in niet te gheven. 
Ten vierden inael heit meninghe des eedes ineneetscap. want die 
valschelike zweert. ende die (91b) den anderen dwinghet te zwe- 
ren dat hi weet dat niet waer en is beide sijn si menedich. Ende 
die reden is dit Want die enighen mensche dwinghet te zwcren ende 
weet dat hi valsche sal zweren . dat gaet boven den manslachtigen 
mensche in der sonde Want die manslachtighe dodet dat lichame 
ende die den anderen doet zweren dat hi weet dat valsch is. die 
dodet die sieie des ghenes den hi doet zweren ende sijns selves siele. 
Mer een ricliter daer ment voer eischet ende die die saken richten 
sal die mach den eet ontfanghen sonder sonde wil mens hem niet 
rerdraghen. Oec so doen . . (92^) teghen dit ghebot ende noemen 
den name godes ydeliken . die overgaen of hreken enighe ghelofnisêe 
dat si gode hehben ghelovet, Voert so wort die name godes y^elike 
ghenoemt ende dat anderde ghebot ghebroken in yermalediden woer- 
den . als men vermaledijt gode of sijn /leiiighen als die dobbeUers 
ende ander spoelres in den taveernen pleghen te doen . of als men 
vermaledijt dat woert godes of hespotten . of den predikers hinderen 
om dat si die waerheit te herde of teghen hem prediken als doen 
die die woerden der predikers bespotten . ende op dat . . (92b) 
si hen hinderen maken si roepinghe of lachinghe ende ander tuus- 
chernie oefenen. of oec die ghene die vermaledien den wille godes. 

Dat derde gebod. (1) 

D(2)at derde ghebot is. Dencke dattu den vierdach heilichste. 
Dit ghebot magmen ten eersien aldus verstaen dat wi ghemeenliken 
sellen oflaten van lichaemliken werken ende van hantwtrken bi 
welken die siele wort belet dat si niet en mach vrilikea andenken 
gode. Mer om vier saken wert een mensche onsculdiht van doot- 
liken sonden die op den heilighen dach arbeidet. Ten eersten om 
cleinheit des arheides, als . , (93a) wanneer die arheit aUo cleyne 
is dat hi niet en heneemt die ruste des herten in gode . alse oft 
yemant ghinghe doer sijnen wijngaerde of doer sinen acker. ende 



(1) Roode kleur. 

(2) Dozc D i.s woer twoc of driomaal grooter dan de gewone lettert 
van dit II.s. . on iiu rood groklourd. 



RIJLAGE? 313 

saghe daer wat onreines dat hi dat reinichde dat overmits versu- 
menisse onghereinicht vergheten waer. ofle saghe hi dat een hittel 
van den tune te broken waer dat hi dat oprichte. Mer hoe vele 
arbeides datmen op ten vierdach mach doen sonder sonde dat en is 
niet gheset. mer daer in selmen raet nemen mit enighen goeden 
man. Ten anderen mael wort een mensche onsculdicht om noet 
des arheides welke noet alsoe . . (93b) groet sel wesen datmens 
voer noch nae doen en mach sonder vermoedeliken anxt der ver- 
derfnisse of grote verquadingi^^es dinghes. alst ghesciet in den 
bouwe om der vemielinghe der vianden. Ende in den wijndruven 
of te sniden om der kolde. ende in den herinc te vanghen. want 
men den op sonderlinghe tijt moet vanghen. In also danighen din- 
ghen ontsculdicht die noet die gheen ewe (l) en hevet. Mer hoe groet 
die noet sel wesen die den mensche onsculdicht van der sonden dat 
is te oerdelen na donken eens goeden mans. Hier van seghet gwil- 
helmus Ist sake dat die ver- (94a) copers ende die ghene die die 
lude laten. of die wandelaers. of die die peerde beslaen. ist dat si 
al sulke dinghen doen niet om haer eyghen neringhe. mer om 
ander luden noet so werden si onsculdicht ende anders niet. Ten 
derden mael onsculdicht dat werc op den vierdach van sonden god" 
dîensticheit of gocdertierenheit des herten . want het wel gheoerloft 
is op die heilighe daghen te bouwen om godes vnllen ende der ar- 
men acker te seiden . of kout te voeren den ontfermeliken personen. 
dat sijn blijnden of armen of weduwen of weeskens. Ten vierden 
mael mach een ... (94b) mensche arbeiden op ten vierdach 
den ghemeinen 07'baer als ie arheiden an een brugghe of an enen 
wech of an een kerke te weder maken des men dese dinghen puer- 
liken doe om god ende mense op ander tiden niet doen en mach 
van arnioeden. ende oec dat si niet en arbeiden in desen dinghen 
alden dach dat si versumen die gotlike ambochte. Oec en machmen 
dese dinghen niet doen op die grootste hoechtiden . mer op anderen 
cleinen feesten . sonderlinghe daer dat een ghewoente is Mer in allen 
desen voerseiden punten is wisse ende nut raet te nemen mit enen 
goeden man . want si dicwijl anx- (95a) telic ghescien mochten. 
£nde dit ghebot na deser verstandenisse wort ghebroken in vier 
manieren. Ten eersten tn werken der handen also als dacr voer 
af ghesproken (2) is. Ten anderen mael in comenscappen . want 

(1) ewe z=z wet. 

(2) Dit woord wijgt op een gesprek. Dit heeffc dus ten grondshig 
gelegd van dit geschrift. 



314 



BIJLAGE. 



(lie ghene die pleghcn te wanderen tot comenscappen op Tierdaghen 
van ghewoenten ende van ghiericheiden ende om hope der winninghe. 
ende daer om selden comen in die kerke die breken dit ghebot. 
mer die selden gaet opten hoechtiden totten mercten van node . ende 
daer om niet afler en laten den dienst godes dese machmen oni- 
sculdighen. Oec comenscap (95b) dic men doet in spisen of cos- 
ten die noct sijn totter hoechtijt al hoe groet die hoechtijt si. als 
in brode wyne hoenre enden ende dierghelike. die en sijn nietTér- 
boden. des hem een mensche daer om niet en trecke Tan den am- 
bochte der heiliger kcrke. Ten derden mael in tveerliken plcitingken 
te hantieren ende frequentieren . het en waer dattet noet eischedeof 
goddienstîcheit of goedertierenheit daer toe riede, Ten Tierden mael 
in den weerliken gherichten te oefcnen. want hel is gheset in den 
rechte dattet ghedalsche des gerichtes dan sel rusten. het en si 
daltet noet of goddiensticheit (96^1) ende goedertierenheit eischet. 
Oec verstaet men dit ghebot aldm dat wi in den heilighen daghen 
sonderlinghe sellen ophouden van dootliken sonden . want inden 
Tierdaghen sal hem een mensche meer ghcTcn tot gotliken dinghen 
in ghebede ende psalmcn te lesen . in predicatien ende ander doech- 
den cnde geesteliker disciplinen meer dan op anderen daghen. Want 
du en sclste den vierdach niet vieren a/s die yoden haren sabbai 
of saterdach . want si vieren hem in lichaemliker ledicheit tot loghe- 
nen ende onkuuscheit. Si deden vele het dat si in den vierdagken 
wat snyden in haren acker. dan si alden dach in den mcrctTelde 
(96b) of in der straten staen te twisten ende te vechtige. Ende beter 
waert dat haer wiven sponnen woUe in den heilighen daghen dan 
si alden dach onscameliken springhen an den danse, God hcTet 
den heilighen dach gheboden te vieren van lichameliken werken. 
sonderling op dat die mensche soude vriliker ende rusteliker anden- 
ken der gotlikcr oefeninghe. welke die lude ymmer hebben Terghe- 
ten die alle die weke arbeiden heilighe ende gheoerlofde werken . mer 
den sonnendach of den vierdach ontreynen si ende besmitten . anden- 
kende die waellusticheide des dronkenscaps cnde der onkuuscheid 
ende der dansinghe. Ende van desen mensche . . (97a) claghet onte 
heer doer den propheet ezechiel sprekende Mijn heilighe stede hebdi 
versmaet ende mynen sabbaet dat is mijn vierdaghe hebdi besmit. 
daer om sal ic u gheven versmadelic te wesen aüen gheslechte. 
Dat vierde gebod. (1) 



(1) Roodo kleur. 



BIJLA6E. 315 

D(2)at vierde ghebot is Eer vader ende moeder. endc du selstc 
langhe levcn op eertrikc. Dit ghebot vermaent ons te hoeden tc 
vertoernen vader of moeder vfetendc. want dic hen mit yoersatc 
vloeket of hen deert bi quaetheiden die doet teghen dit ghebot. Wi 
sellen onse natuerlike vader ende moeder eren ende bewi- (97b) 
sen revcrencie. ende hen nymmermecr doen onghelijc noch mit 
woerden noch mit werken, Daertoe troest ons die wyse man eccle 
siasticus in den sevende capittel endc sprecct aldtis, Eer dinen vader 
ende die stichtinghe dijnre moeder en verghete niet, Ghedenke dattu 
niet en haddeste gheweest dan overmits hem . ende ghif hem also 
alsi di ghcgheven hebben. Om dat natucrlic wesen dat wi van 
vader ende van moeder ontfanghen hcbben so sijn wi hem scuîdich 
eerlic ende oetmoedelic te dienen, Ten eersten wt onsen crachten 
des Hchames, Want ist dat si cranc sijn . , (98*) so sellen 
wi se draghen lickaemlike ende mitten handen hen dienen, Ende 
dit is teghen dieghene die haer ghewcldighe handen slaen an vadcr 
of an moeder ende weygheren noetoerlighe lijfveringe. Ten anderen 
mael mit onsen herten opdat wy se mynnen van herten, Ende 
dat is tcghen die ghene die begheren den doot hoerre ouders . opdat 
si moghen hacr erfnisse ontfanghen of dat si leven moghen na be^ 
ghcerlicheit haers cighens quaden willen. Ten derden mael mit 
onsen monde , so dat wi nymmermeer en scelden mit hem mit harden 
ende mit vreemden woerden, Dat is teghen die- . . (98b) ghene 
dic haer ouders vermaledicn . cnde daer om verdiencn si die gotlike 
maledictie. Oec sellen wi vadcr ende moeder eren endc gheven hen 
hacr noetorfte of si des behoeven. Ende wi sellen arbeiden te ver" 
lossen hoer sielen wt den veghetmer mit misscn ende mit aelmisscn 
ende daer toe hebben wi scout . want wi van hem hebbcn ontfanghcn 
natuerlic wesen ende voetsel. Oec sellen wi hem onderdanich wescn 
in den dinghen die behoren tot onser goetheit ende salichcit. Oec 
mach men dit ghebot verstaen van den gheesteliken vaderen als 
priesteren ende hiechters , ende desen vader sellen wi eren driesins. 
Ten eersten (99a) seîlen wi hem onderdanich wesen sonderlinghe 
in welken wi van rechte sculdich sijn , als wanneer hi ons ghe^ 
biedet te vieren of te vasten , dattu dat docste . cndc houdes die 



(1) Deze D is wederom twee of driemaal grooter dan de andere 
letters van dit II.s., en nu weer blauw geklcurd. £n zoo gaat het 
voort bij den aanvang van ieder gebod , maar wat de kleur betreft 
beurtelings bij het 5de gebod rood, bij het 6de blauw enz. 



316 BIJLAGE. 

banne der heiligher kerken. ende dattu scuwes die banninghe men" 
scken, JFant overtredinghe al deser sonden . ist dat si ghescien 
wt voersetten wille ende wt versmadenisse inhrenghet doadlike sonde. 
Ten anderen mael seltu eren dinen gkeesteliken vader hem hetalende 
die scoiit der gherecktickeit als dattu offerste als te offeren is . als 
in (len meesten hoechtidcn na ghewocuten des landes of om armoede 
des priestcrs te hulpen te . . . (99l>) comen in sijnre noet. JEnde 
dattu kem tiende gheves van dinen goede van welken men sel tiende 
ghevcn . ende dattu biechtes eens des jaers dinen enighen priester 
of diet geocrloft is biccht tc horen. Ten dtrden mael seltu eren 
dinen gkeesteliken vader hem bewisende betamelike ecr ende rcTe- 
rencie. Mer wec den ghenen dic die priesters niet en eren om hoer 
priesterscap. Want al leven hoerre summighe qualiken dat hoert 
alleen horen oversten te corrigicren. Nochtan mach een yghelic 
mcnsrhc die prieslers die opcnbaerlic qualiken levcn wel oetmoede- 
liken cnde heimeliken vermancn dat si hem . . (lOOa) beteren. 
Yocrt want wi sculdich sijn godc te mynncn boven alle dinc ende 
sijn ghcbode te houden endc sinen raet te volghen . so en sel nie- 
ment vader of moeder of priest4.TS onderdanich wesen teghen dai 
ghebot godes of salicheit sijnre sielcn. Want die gode dienen wil 
ende hcm sceiden van der werclt cnde van dcr ghiericheit ende 
rijcheit cude weerlikcn geselscap . of van allen anderen quaden ende 
gaen in cen heilighe oerde. of mit andcreu goeden luden daer hi 
gode in oetmoedicheit ende in armoede cnde in anderen doechden 
dienen mach . die en selt noch om vaders noch om moeders . noch 
(lOOI^) om priesters of om enighes menschen onderdanicheit laten. 
Want wi mecr sculdich sijn gode onderdanich te wesen ende sijnen 
raet te volghcn dan eniges menschen als sinte petcr spreect in den 
boeke van den werkcn der apostelen. als men occ leset dicke dai 
die inarlelaers meeste persecucie hadden van horen ouders . als XPS 
te voren hadde ghcsproken. Ende hier van seghet sinte iheronimus 
in eenre ej)istoIen die hi screef tot elyodorum. AI wacr dat sake 
datti dijn moeder haer borsten toende daer si di niedc hevet ghe- 
voedet mit ghespreidcn haer ende dijn vader o]» ten dorpel laghe . , . 
(lOlïi) overtrede dijnen vader ende gae ende mit droghe oghen 
vlie tot der bannicr des cruces. Het is alleen cen manier der 
goedertierenheit in de.sen dinghen wreet gheweest hebhen. 
Dat vijfte ghebod. (l) 



(1) lioode kleur. 



BIJLA6E. 317 

Dat vijfte ghebot is Du en selste niement doden. In welken open- 

baerlic alle manslachte verboden wert. Mer verborghenlic wert 

verboden alle gramscap mitter herten. als hat ende nijt. of mit 

woerden als smadeliken te spreken van hate om te onteren. of in 

werken als te slaen of te trecken bi den haer van toerne. Het is 

te weten dat vele manieren sijn . . (lOlb) van manslachte. som- 

mighe is lichamelic , sommighe is gheestelic . lichamelic is in welken 

een mensche na den lichame wert ghedodet. Ende dat ghesciet in 

twee manieren. als mitter hant ende mitter tonghen. £nde mitter 

tonghen ghesciet manslacht in drien manieren. Ten eersten in den 

ghebode. also dode pylatus XPIV. Ten anderen mael mit rade, 

ah yement den anderen radet oï biddet dat hi dootslach doe , ende 

toent hem oerbaerlicheit die hi vervolghen mach wt der dootslacht . 

ende al sulke menschen als innocentius seghet sijn sculdich des 

dootsla- (102a) ghes. Ten derden mael ghesciet dootslach alleen 

van bescuddinghe of wt den moede te bescudden den ghenen die 

den dootslach doet als of yement ghinghe te doden enighen mensche. 

ende du dat wistes ende nemestu den in dijn gheselscap. nochtan 

dattu hem niet en troestes totter doodslachte te doen . noch du en 

hebbes ghenc woerden mit hem ghehat van dien noch hi mit di. 

mer wt dynen moede ontradestet hem al en wil hi dynen raet niet 

volghen. mer du hebste vreese voer hem ende du verselste di mit 

hem in dinen moede. of hi by aventuer worde vervolghet of . . . 

(102b) betreden du solte dan hem bescudden. in deser sake seghet 

hostiensis dat al sulke menschen werden manslachtich ende irre 

gulares. 

Gheestelic dootslach is in welken een mensche wert ghedodet 
gheestelike. jils ten eersten in hate tot enighen mensehen van 
welken sinte iohan scrivet, Alle die ghene die hatet sinen hroeder 
die is manslachtich, Ten anderen mael doet gheestelic dootslach 
die den anderen trect van enen goeden toille ende goeden werken 
totter werlt . want die wcrdet ghedodet in der sielen £nde dese 
doen meerre sonde dan die ghene die XPIV cruusten. Als sinte . . 
(103^) bernardus spreect in een sermoen van der bekeringhe sinte 
paulus. Ten derden mael gesciet oec gheestelic dootslach mit woer^ 
den ende mitten monde als in afterclappinghe van onsen even kersten 
van hate. Ten vierde mael ghesciet gheestelic dootslach in den 
werke , als niet te spisen of te hulpe te comen den armen in 
hoerre noet. 



318 BIJLAGE. 

Dat seste ghebod. (1) — Dat seste ghebot is Du en selste nict doen 
oYerspul. AIs sinte augustinus spreect. Dit ghebot Terbiet alle onghe- 
oerloefde vleischelike versatneuinghe ende ongheoerlofde hantieringe der 
leden. Yramer verbict . . . (103b) hi ons oec alle ongheoerloefde be- 
gheerten ende alle onreijnicheit des vleisches. Ende men doet teghen 
dit ghebot lelike en oncuusche dinghen oyerpensende . ende in leliken 
gedachten te merren (2) willendes mit ghenoechten. Want waert 
dat ijemant mit merringhe al willens in vleischeliker begheerte ghe- 
noechte hadde overpensende . al en woude hi nymmermeer alsulke 
lelike dinghen doen of volbrenghen mitten werken . nochtan als 
sinte augustinus seghet beghinge hi dootlike sonde. Oec doetteghen 
dit ghebot die sijn eighen wijf latet wtghenomen om . . (I04a) 
openbaer overspul . ende voer dat gheestelike gherechte die se nemet 
die ghelaten is doet overspul Als sinte matheus scrivet. Yan deser 
sceidinghe mans van wiven is vele ghescreven in den gheesteliken 
rechte. dat alte lanc waer hier te (3) scriven. Mer die dat noetis 
die mach daer van raden mit enen die hem gheestelics rechtes wel 
verstaet. 

Dat sevende ghebod. (4) 

Dat sevende ghebod is Du en selste niet doen diefle. In wtlken 
ghehode ah sinle augustînm seghet wert verhoden alle nemingke 
eens irreemdens dinghes comende wt ghiericheit of wt onrechte. Teghen 
dit . . (104b) ghebot doen ten eersten die ghene die horen curei" 
ten loesliken in hoer offerhande ende tiende 1>edrieghen, Ten an" 
deren mael die diejliken ontrecken horen heren die dinghe die hen 
van rechte toe horen, Ten derden mael die leengoet heholden als 
eyghen goet of die dat ken goet enighes heren over draghet iot 
enen anderen heren . of die dat goet verminren sonder weten of 
wille des rechtes heren. Ten vierden mael doen teghen dit gkehot 
dienstknechten ende maechden die diejlike verteren dai goet koerre 
heren. ende die oec merkeUke aelmissen doen van hners herengoede 



(1) Roode klour. 

('J) tc mcrrcu := toe te ncmcn. 

(,'i) Hier staat schrijven, niet spreken als boven. 

Zie ovcr dc cchtscheidiuj; Moll II. 4. 17 cn 18. Dit gedeclto over 
do cchtschciding komt ook voor iu II.s. C, bl. 91 a kol. 1 ;eenbewyt 
dat H.s. B. de uitbrciding gckcnd hceft, en daamaar verkort. 

(4) Roodo inkt 



♦ BIJIA6E. 319 

teghen . . (105a) haren wille sonder noct. Ten vijften mael 
wive die diefliken ontrecken dat goet van haren mannen dat niet en 
sal ghescien. JHIer dat wert nochtan ghehenghet in drierhande ma" 
nieren, Ten eersten mael of dat wijf waer wijfachtig. Ten an^ 
deren mael of si hadde vaderlic goet hehalven dan haer mede gave, 
Want van alsulkcn goede ende van ghewonnen goede moghen die 
vrouwen redelike aelmissen gheven als sommighe leerres segghen. 
Ten derden mael moghen si wel aelmissen gheven van den goede 
dat haerre scafnisse hevolen is , of van den goede dat van goeder 
ende ghe^ . . (105b) proefder ghewoenten toe horen tot ter scaf- 
nisse der wiven . als van brode ende van unjn ende dier gheiike 
die men daghelics ghehruket in den huise, JSnde sonderlinghes 
als die man is alte seer hert in den werken der ontfermherticheyt. 
Want dan mach dat wijf sonderlinghe gheyen yan dinghen haerre 
scainisse wt goedertierenheit om salicheit haers mans . al so nochtan 
dat die aelmisse si inder maten . op dat si den man niet en hrenghe 
in groten scade of armoede, Ten lesten mael doen teghen dit 
ghebot die den heren loeslike ontrecken haer rechten tol of wech 
ghelt. ende . . (106a) die sijn al dat sculdich weder te gheven. 
Oec is dit ghebot aldus te verstaen Bu en selte niet doen diefte. 
dat is. du en selste den menschen die bencden di sijn gheen scade 
ofte letsel onrechteliken doen. Ende teghen dit ghehot doen ten 
eersten nemers of rovers ende hoer gonners . dat is die hem consen' 
tieren. TFant niet alleen sijn die ghene rovers die roven , mer oec 
die dat ghehieden of raden . die wetelic alsulke menschen in haer 
herbcrghe ghemeenlike ontfanghen. Want si scinen te consentieren 
den rovc ende hulpe te doen. of die wetclikc oflc . . (106b) ver- 
modende copet ghcrovet goet. Tcn anderen mael die enighe dinghen 
vijnden ende hehouden . want als gescrcvcn is . hebstu yet ghcvônden. 
ende hcbstu dat niet weder ghcghcven dat hebstu ghenomen. Tcn 
dcrden macl die hi behendighen ende ontemeliken scattinghe van 
haren ondersaten ontemelike wt drucken. Ten vicrdcn mael die 
haer borghcrs cnde haer ondcrsatcn ontemclike panden. (l) Tcn 
vijflcn mael die onrechtelike ontholden dat loen anderen menschen 
Oec docn teghcn dit ghcbot woekenacrs . (2) of oec lude die wt 
lenen sonder enighe vorwaer- . . (107a) de meer te nemen. mer 



(1) Hebben wij hier niet eene instelling van later t^d dan de 
14de eeuw? 

(2) In H.8. A. behooren deze woekeraars niet eens tot de kerk, 



320 



BULAGE. 



nochtan mit alsulken moede ende andackte dat si yet sellen nemen 
hoven dat hoeft ghelt , dese syn woekenaers vocr gode om haer 
quade meninghe. Of lude die lenen haer ghelt tot eenre seker tijt, 
welc tijt als si coemt so en willen si niet ghtven langher vertrecke^ 
nûise der tijt het en si dat si daer af enighe hate ontfanghen, 
Oec so doen teghen dit ghebot die haer goet duerre vercopen am 
vertreckenisse der hetalinghe dan si hem ghelden tn der ieghenwoer~ 
dicheit. Ist dat die vercoper set in . . (107b) sijn herte om hoe 
vele hi sijn dinc gheven wil hi en mach sonder sonde niet dat 
ghelt vermeerren om die verlanghenisse der betalinghe als gescreven 
is in den rechte. Het is een ghemene reghel des rechtes so wat 
inen eijschet of ontfael of begheert om des gheleenden gheldeswille 
totter hoeft sumnien dat is woeker. Ende oec doen teghen dit 
ghebot die wetenlike vercopen beesten die sieke sijn (1) ende dat 
niet en openbaren ende dat is oec diefte. Oec doen teghen dit 
ghebol werclude die haer werc loesliken doen. of die in enigher^ 
hande . . (108aj conienscapen die menschen bedrieghen. Als een 
quaet dinc voer goet te vercopen. (2) 

Dat achtende gebod. (3) 

Dat achtende ghebot is. Du en selste niet segghen valsche ghetuich. 
In welh'.n ghehode als sint augustinns seit wort alle scade ende 
letsel verboden mit wclkcn yement qtietset sinen even kersten over^ 
mits valscheit des mondes. Hnde niet alleen e?i wort hier verhoden 
loghenen mer oec lelsel de^ mondes (4) anter in valsche woerden 
of in gheveinsden werken. Teghen dit ghebot doen ten eersten die 
loghen segghen teghen die waerheit des kersten gheloves, Ten . . 
(108^) anderen mael doen teghen dit ghebot die mit loghene 
quetset die maer ende die eer haers even kerstens. Ab die loghene 
der valscheyt. aflerclappens ende des valsche ghetughes , oîAit^eat 
die lichteliken ende valschelike oerdelen ende ten quaetsten trecken 
die werken haerre even kersten van hate . of die al willens mii 
horen woerden \\s\A ende kijf maken ende ander lude tot toerne 
trecken van hate. ende om ander lude tot sonden te trecken. of 
mil quaden rade ander lude trecken tot sonden. Of dieanderlude 



(1) Dit staat wel in H.s. C. , bi. 98b kol. l, niet in A, — con 
hewijs tc meer, dat B. vcrkort naar C. 

(2) Dat staat ook woer in H.s. C. bl. 98b kol. 1. 

(3) Roode kleur. 

(4) anter of auter := of ? 



BIJLA&E. 321 

niet cn berispen of corrigieren mil haren woerden ende leren als 
si dat sculdich sijn . . (109a) te doen. Het is te weten dat alle 
loghene die in den rechten ghescghet wert van dien dinghen die 
totten rechten behoren sijn dootlic endc deerlic Want si verkeeren 
die waerheit des gherechtes sonder alleen die spotlike loghen. wt 
welker scijnt dat die richler of die tugher . of die anghesproken is . 
of die anspraker. of oec die procurator valsch segghen in den ghe- 
richte . als die richter een valsche sentencie voert brengt ende die 
procurator ende die voerspreker een valsche sake wetenlike bescud- 
det . overtreden dit ghebot ende sondighen dootlike . ende dic tugher 
cnde die voerspreker sijn . . (109b) sculdich te beteren den ghenen 
die dat onrechte heeft gheleden na den rechte. ende dat is waer is 
dat die ghemene sentencie is teghen hem die dat onrechte lidet an- 
ders niet. Het is te weten dat die tuuch sondighet dootliken . niet 
alleen lieghende. raer oec die waerheit te verhudende mit voersate. 
opdat enen anderen onrechte ghescie. Oec doen teghen dit ghebot 
die ghene die dat heilighe sacrament onweerdeliken ontfaen wetende (1) 
want alsulke menschen doen gode meer onrechtes dan in das (lees : 
iudas) dedc die XPM verriet. £nde dese doen teghen dit ghebot . . 
(llOa) want si een valsch ghetuuch gheven ven hoerre heilicheit in 
haren werken. 

Dat neghende gebod. (2) 

Dat neghende ghebot is Du en selste niet begheren dat dinc dijns 
naesten Al ist sake dat in desen ghebode wert verboden openbaerlic 
begheerlicheit der oghen in vreemden dinghen . nochtan verborghent- 
lic wert hier verboden ghemeenlik alle begheerlicheit of begheerte 
des quadcn willes tot enen vreemden dinghen ï]nde dit ghebot selmen 
aldus verstaen Du en selste ntet begheren dat dinc dijns naesten . 
als bi ghierichheiden . . (llOb) te begheren of mit onrechte te 
houden. Het is te weten dat een vreemt dinc mach werden be- 
gheret in drien manieren JFant sommighe menschen begheren som- 
mighe vreemde dinghen. mer als si weten dat si niet en moghen 
vercrighen dat si begheren so en vervolghen si niet meer haer be- 
gheerten. mer wisten si dat si mochten vervolghen die begheerde 
dinghen si souden hem sterclike pinen te vervolghen die begheerte 
in den werke, ende dese also begherende sondighen dootlike. Ten 
anderen mael sijn sommighe menschen die vreem^ . . . (lHa) de 



(1) Dit staat weer in H.s. C. 

(2) Roode letters. 



322 BIJLAOE. 

dinghen hegheren . oec mit wtwendighen arbeide . toant si arheiden 
om alsulke dinghen ongheoerloftlike te hehoiiden, Ende al ist sake 
dat si die dinghen niet en hoxiden noch en vercrighen, îioclktan 
sondighen si dootliken ende swaerliker dan die eerste. Ten derden 
mael sijn sommighe menschen die niet alleen en pininghen hem 
te hegheren vreemde dinghen, mer oec vercrighen si die begheerde 
dinghen mitten arheide. Ende dese sondighen alre swaerlicste van 
den anderen. 

Dat tiende ghebod. (1) 

Dat tiende ghebot is Du en selste . . (lllb) niet begheren dat 
wijf dijns naesten In welken alle begheerlicheit des yleisches wert 
verboden rechte als in den neghenden ghebode alle begheerlicheit 
der oghen verboden wert. £nde hier in is TÜtelic te merken. Ist 
dat onse here alleen vcrbiet die wille deser sonde. mit hoc groter 
strengheit der ghercchticheit sellen dan die ghene werden ghepijnt 
die haren wille sijn veryoUende mitten werken. ende teghen dit 
ghebot gode sijt ghedaghet vele wive ende mannen doen Wdke al 
ist dat si niet en willen begheren of werden begheert . si . . . . 
(112a) willen nochtan mit ghenoechten merren in onreynen ghe- 
pcnse. ende in vulen ghedachten der oncuuscheit. sonder willen of 
werpen of wederstaen alsulker ghedachten . dat nochtan seer Treeselic 
is. £nde na sinte thomas woerden van aquincn so ist dootlike 
sonde £nde hier vallen si dicwijl in overmits vele ende langhe OTer- 
denken der wcrken . die si voer tides mit anderen personen ghedaen 
hebben of daer si mede omgaen. ofle die si alte neersteliken an 
ghesien hebben. £(2)nde al is dat sake dat een mensche behouden 
mach bliven die dese lien . . (112b) ghehode houdet. ende noch- 
tan ontgaet hi hem overmits crancheit in daghelicschen sonden. 
mer nochtan die daghelicsche sonden te versmaden of niet te achten 
is seer anxtelic £nde daer seghet sinte bernt aldus Tan in een ser- 
moen van sinte paulus bekeringhe Saule saule wat vervolghestu mj 
£nde saulus seghede Wie bistu here. Hi seghet wie biste Wanthi 
vervolghede XPIV onwetelic. endc daer om heeft hi Tercreghen 
barmherticheit . want hijt onwetende ende in onghelove dede Ende 
hier wt leert broeder dat god die cen gherecht richter is . niet al . • 
(113a) leen an en siet wat een mcnsche doet. mer dat hi oec 



(1) Roode lcttcrs. 

(2) Dezc E is grooter cn mct roodeu inkt gcschrcven, dua ( 




BIJLA6E. 323 

ansiet wt wat mcninghe of andachte dat ecn mensche doet. Ende 
scuwet cnde hoedet voertmeer dat niement van u reken cleyn soude 
te wesen als yement al wetende sonde doet oec hoe cleine si sijn 
Niement en seg in sijn herte Het sijn lichte of cleyne sonden. ic 
en achtes niet dat icse beter si en sijn niet groet . mer ic wil bliven 
in desen daghelicschen ende seer cleyne sonden Alre lieffle broeders 
dit waer versmadenisse der penitcncien ende blasphemie in den 
heilighen gheeste. Voerwaer paulus blasphe- (113b) mierde mer 
niet in den heilighen gheeste . want hi dedet onwetende Aldus spreect 
oec sinte bemardus in den boec datmen heit de praecepto et dis- 
pensacione. dat alle dwase callinghe ende ydel woerden. ydel ghe- 
dachten ende ydel werken die sijn in deser manier teghen die verbie- 
dinghe godes . want si nymmermeer en ghescien si en sijn teghen den 
wille godes . want si sijn sonde . ende god verbiedet alle sonden. Mer 
nochtan sijn si daghelics sonden ende niet dootlike sonden . het en waer 
dat dese voerseide sonden overmits onachtsamheit ende versmadenisse 
werden ghebrocht of ghekeert in ghewoente (114a) ende danensiet 
god niet an dat werke of ghedacnte der sondcn . mer die andachte ende 
meninghe des ghenes die die sonden doet Ende so werden si dootlic 
na sinte bernardus woerden Want die hoverdie des ghenes die versmaet 
die verbiedinghe godes . ende die verhardicheit . dat een mensche 
gheen penitencie daervan doen en wil . die maken grote sonde in den 
cleynen gheboden godes . in welken god verbiedet die daghelics son- 
den . endc maket van enen overganghe alsulker verbiedinghe van 
daghelics sonde een dootlike sonde. ist dattet ghesciet als hier voer 
ende na is . . (114b) gheseit. (1) Ende hier af spreket sinte 
augustinus ende is ghescreven in decreet Dat gheen sonde so da- 
ghelics en si die niet dootlic en werde als si den menschen behaghet 
Dat selmen aldus verstaen na den leerres Dat die sonde die in haer 
selven daghelic waer. overmits versmadenisse . als een mensche al 
willens ende al wetende daghelics sonde doet. ende en acht se niet. 
mer het is lief . ende verblidet hem dacr in in versmadcnisse godes 
ende synre ghebode. ende opset hi die echter te doen alst hem 
echter voervallet . dese sonde die in hacr selven daghelics waer . . 
(115a) wert dootlic. Hier van staet in den boec van sentencien. 
dat die daghelics sonden als si vermenichfoudichtsijn. datsij enighen 
menschen moghen bedelven of bedrucken als een dootlike sonde 
Mer dat is te verstaen dat die daghelics sonde reescap of bereide- 



(1) Wederom e«ne aanduiding van een g;e8prek« 



324 BIJIA6E. 

nisse ghevet totter dootliker sonden. Want die ghcwoente ofle on- 
achsamheit der daghelicher sonden . maect den menschen bereit te 
vallen in dootlikcn sonden. als ghewoente te sweren maket den 
menschc bereit tc yallen in yersweren dat is yalsche te sweren. als 
iohannes seghet in . . . . (115b) summa confessorum. Hier eynden 
die tien ghebode. (1) 



Eigeaaardig is het met de tien geboden, zooals zij in 
onze H.H.s.s. behandeld zîjn, te yergelijken de onderwij- 
zing van Lucas Lossius, van 1551, uit Lunenburg, waar 
hij rector was, in zijne 2>Quaestiunculae Methodicae de 
Christiano catechismo " , een boekje op Luthersche leest 
geschoeid , en in het bezit yan het Friesch G^nootscbap. 



(1) Dcze laatsto woorden wecr met rooden inkt. 



ROMEINSCHE STEEN 



TE 



BEETGÜM GEVONDEN, 



DOOR 



PROF. Dr. Ü. JPh. BoiSSSYAIIf, 



24 



ROMEINSCHE STEEN 



TE 



BEETGUM GEVONDEN. 



Priesland's bodem had tot nog toe slechts geringe over- 
bhjfsels van den Romeinschen tijd opgeleverd: eenig vaat- 
werk, enkele bronzen beeldjes, munten het meest. (4) De 
dag van 15 Augustus 1888 bracht hierin verandering , toen 
bij het afgraven van een terp te Beetgum , 2 uren t. N. W. 
van Leeuwarden, een votiefsteen voor den dag kwam met 
een Bomeinsch opschrift, dat onder de in Nederland ge- 
vonden inscripties wellicht de eerste plaats verdient in te 
nemen. 

De terp, waarin deze merkwaardige sleen gedurende 
vele eeuwen verborgen was, ligt ± 100 metert. W. Z. W. 
van de kerk te Beetgum, dicht aan den Leeuwen-Singel. 
Voor ongeveer 5 jaren werd de bovengrond (2) van dezen 
heuvel in 2 perceelen verkocht. Een zekere G. K. Brouwer 
kocht de noordehjke helft , waaruit de steen is opgegra- 
ven. De top der terp verhief zich ± 4.50 m. boven zo- 
merpeil. Het altaar werd echter gevonden aan deNoorde- 



(1) Vgl. Pleyte, Ncderlandsche Oudheden (prov. Priesland.) 

(2) Den meestcn, zoo niet allen, lezei^ van dit Tijdschrift zalhet 
bekend z'ijn dat de humus dezer terpen zeer yruchtlNiar is , en tot ver* 
betering van scbralen grond duur wordt verkocht. 



328 ROMEINSCHE STEEN 

lijke hellirig , ongeveer 2 m. onder de oppervlakte , dîe daar 
ih 4 m. boven zomerpeil zal geweest zijn. Met pnjzens- 
waardigen ijvcr werd het belangrijk monument reeds den 
d8<l«" Augustus door het Bestuur van het Provinciaal Mu- 
seum van Priesland, te Leeuwarden, aangekocht en der- 
waarts vervoerd. 

Een bezoek aan het Museum gebracht overtuigde mij ên 
van de echtheid én van het groote belang der inscriptie. 
Een verzoek haar in dit tijdschrift uit te geven werd mij 
met de meeste bereidwilligheid toegestaan. (1) 

De afmetingen van het monument zîjn dé volgende: 
breedte 0.60 m. , dikte 0.22 m. , hoogte van het vlak der 
inscriptie 0.50 m. , van het zitbeeld der godin 0.22 m. 
Een later gevonden fragment (zie taf.) is hoog 0.36 Vi m. 
Steensoort: kalksteen. 

Aan de linkerzijde (gerekend van den beschouwer) is 
de steen afgestooten, aan de rechter is het opschriftvlak 
eenigszins afgeschaafd, zoodat ook de kant rond îb gewor- 
den. Enkele letters van het overigens zeer goed lees- 
bare opschrift zijn daardoor of gebroken of afgesleten. 
Minder gelukkig is het zitbeeld der godin bewaard, dat 
in eene nis was uitgehouwen ; wel is waar ontbreekt alleen 
hals en hoofd, maar het overgeblevene is deerlijk gehayend ; 
toch is de omsluierde (?) en gedrapeerde figuur duidéiyk 
te herkennen. (2) 



(1) Het is mij een aangcname plicht deu Heer Ck^rbelyn Baitanrd, 
die mij met grootc voorkomendheid iu hot Musoum rondleidde enaan 
wien ik ook bovengenoemdo gegcvens vcrschuldigd ben, benevena 
den Heer Mr. W. B. S. Bocles voor hunne welwillcndo ontvangit mynen 
dank te bctuigen. 

(2) Hoc hot altaar (t oorspronkclyk in zijn geheel zal hebben uit- 
gcKien leeron o. *a. enkcle matronensteenen. Verg. b. v. Rkemische 
Jahrbächer, He/t LXXXIIl. Tafel 1, no. 1. 



TE BEETGUM GEVONDEN. 329 

Het opachrift luidt (1); 

DEAE • HLVDANAE 

COND VCT ORES 

PISCATVS • MANCffE 

Q • VALERIO • SECV 

NDO • V • S • L • M 
Deae Hludanae Conductores piscatus, mancipe QfuintoJ 
Valerio Secundo vfotumj s[6LveruntJ IfibentesJ mferitoj , d. 1. : 
Der godin Hludana hebben de pachters der visscherij onder 
den manceps Quintus Valerius Secundus, hunne gelofte gaame 
en naar verdienste betaald. 

Wij beginnen onze bespreking van het opschrift met de 
germaansche godin Hludana , aan wie het altaar was gewijd. 
Het is niet de eerste maal dat zij wordt aangetroflFen. Van 
hare vereering getuigden reeds een drietal inscripties waar- 
van de oudste sints de il^^ eeuw bekend was, de twee 
laatsten eerst in deze eeuw zijn gevonden. 

1. Deae Illudanae saci^m C. Tiberius Vei*us, opgegra- 
ven op den Monterberg bij Ealkar tusschen Eleef en Xanten , 
thans in het Museiim vaterl, Alterth. te Bonn (Overbeck 
Cat. 23). — Brambach, Corpus Inscriptionum IHienanarum 
no. 450. Van de ouderen o.a. bij Cannegieter de Brit- 
tenb, p. 34; de Wal Myth. Sept. p. 449; Orél]! Inss. Latt. 
Sell. no. 2044. 

2. Deae Hludenae cen , gevonden terzelfder 



(1) Daar op de heliotype (zie taf.)het opschriftuitneraend is weerge- 
gevcn is een diploraatisch juiste lezing overbodig. Op de 3deregeli8 
van de oerste letter P alleen de halve cirkel over , hebben de letters 
A T van piscatus wat geleden , en zijn van de twee laatste letters P E 
de verticale , diep ingehouwen balken duidelijk zichtbaar , maar het 
halfrond van de P eenigszins, de horizontalc lijnen der £ gehcel af- 
geschaafd. 



330 ROMEINSCHE STEEN 

plaatse (vgl. Janssen, /?/td?iis67ie Ja/tr6. XXIII, 170), thans 
in het Museum te Leiden. — Bramb. no. 488. 

3. . HluO'enae {sacruin] pro salute im]p. 

Caes. M. AurJl Severi Alexa[ndri Pii] Feh Invicti [Aug, et 
Juliaell Mamaee ma[tris At(g,] vexülat[iol leg[ianisj [/ il//wier- 

viael piiaej f(idelis/ ] , gevonden te Iversheim 

in het Eifelgebergte , thans in het boveng. Museum te 
Bonn. — Rliein, Jahrh, l/li, 184. — De steen is gezet 
222/235 n. Chr. , de regeeringsjaren van Eeizer Seyeras 
Alexander. 

Wij vinden derhalve den naam der godin op drieêrlei 
wijze geschreven: 

llludana (Bramb. 150 en onze inscriptîe) 

Hludena (Bramb. 188) 

HluOena (1) {Rfiein. Jahrh. l/li, 184), 
en sporen van hare vereering vertoonen zich in Friesland 
en op twee plaatsen aan den Beneden-Rijn : op den Monter- 
berg, waar zich een Romeinsch castellum bevond, en te 
Iversheim in den Eifcl, bij in het Romeinsche leger die- 
nende soldaten, die een detachement (VexiUatio) vormden 
van een der beide in Neder-Germanië liggende legioenen, 
de prima Minervia. (2) Het zoude echter voorbarig zijn 
uit de laatst genoemdc inscripties op te maken dat Hla- 
dana eene in deze streken inheemsche godin is. De moge- 
lijkheid kan worden toegegeven, maar wij-opschriften van 
soldaten geven daarvan niet de zekerheid. Anden is het 
met onze inscriptie: door deze staat inderdaad hare ver- 
eering in Friesland buiten twijfel. 

(I) Dr. J. Klein in Bonn had de gocdheid mij mede te dcelen dat 
indcrdaad Hlu&ena (mct 0") op dcn stccn staat. 

(li) Ongevecr scdcrt hct niiddcn dcr twccdc ecuw n. Chr, Hggcn 
iu Ncder-Germanië slcchts 2 lcgioenen : do prîma Minerma et de 
tricesima Ulpia. 



• TE BEETGUM GEVONDEN. 331 

Reeds in de vorige eeuw had de Deensche geleerde Thor- 
lacius in zijn Antiquit, Borecd. spec. III de dea Hludana verge- 
leken met Hlodhyn^ een bijnaam aan de godin der Aarde 
Jördh in de noordsche mythologie gegeven (vgl. Snorra 
Edda 1 , 474. 585 ; Völuspâ 55). Deze meening werd 
door Jacob Grimm in zijne Deutsche MytJiohgie 1 , 208 
tot de zijne gemaakt en nader ontwikkeld. Zij is doorhet 
Iversheimer altaar , dat de vorm HluO^ena (met de spirans) 
biedt, nader bevestigd, en wordt ook door de friesche in- 
scriptie weder gesteund , daar de Priezen onder de Germanen 
tot dcn tak der Inguaeonen behooren , die langs de kusten der 
Noordzee tot Scandinavië toe zijn gevestigd geweest. (1) 

Het is eene bijzonderheid van onzen votiefsteen, dat on- 
der de ongeveer 100.000 reeds bekende Romeinsche inscrip- 
ties hier het eerst van ^pachters der visscherij*^ wordtmel- 
ding gemaakt. Onder de vectigalia (in engeren zin de 
belastingen voor het gebruik van Staatsdomein) wordt op 
verschillende plaatsen ook de visscherij op rivieren en mee- 
ren opgenoemd (2), maar terwijl pachters der tienden, 
der havengelden, der mijnen enz. vrij veelvuldig in op- 
schriften worden aangetroflFen waren die der visscherij tot 
nog toe niet voorgekomen. Hen juist in het om zijne tal- 
rijke meren vroeger nog meer dan thans bekende Friesland 
te vinden kan ons geen verwondering baren. 



(1) Over de 3 hoofdtakken der GermaDcn , Inguaeonen , Istuaeonen, 
Herminonen vlg. men Tacitus' Germania 2 en de comm. op deze plaats. 
Wil men uit de drie reeds vroeger bekende inscripties tot eene ver- 
eering dcr godin Hludana ook bij de stammen aan den Beneden-Rijn 
besluiten zoo zoude zij niet alleen bij dc Inguaeonen, maar ook bij 
den 2den tak , dicn der Istuaconen voorkomen. 

(2) Verg. Mommsen, Römisches Staatsrecht II, 430 (2de druk), 
Marquardt Römische Staatsverwaltung II, 154. 



332 ROMEINSCHE STEEN 

Evenmin hadden wij vôor deze vondst in opschriften een 
voorbeeld der overigens zeer juiste tegenstelling van condiio 
toresy pachters en hunnen manceps, Ik behoef ernietaan te 
herinneren, dat de Romeinen gewoon waren de belastingen 
te verpachten , en dat de pachters (puhUcanil (1), daar dit steeds 
in het groot geschiedde (b. v. de vectigalia eener geheele pro- 
vincie te zamen), zich in vennootschappen (Societates Vec- 
tigaliumj vereenigden. Bij de openlijke verpachting op het 
Porum Romanum bood echter niet de vennootschap als zoo- 
danig, maar één persoon op zijn eigen naam. Zulke hoof- 
den der societates heetten mancipes. (2) En van onze pach- 
ters der visscherij was nu de overigens niet bekende Q. 
Valerius Secundus de manceps, 

Friesland had, zooals ik zeide, tot heden geen Romein- 
sche opschriften opgeleverd. Het stond daarin gelijk met 
het geheele gebied rechts van den Beneden-Rijn. Met uit- 
zondering van enkele plaatsen, dicht aan den oever gele- 
gen, zijn hier geen sporen van Romeinsche inwoners te 
voorschijn gekomen , een voldingend bewijs dat de Romein* 
sche cultuur niet over den grensstroom is gedrongen. In- 
tusschen had keizer Augustus , in hct begin zijner regeering 
niet den Rijn , maar de Elbe als grcns van het Rijksgebied 
bestemd , en eerst na de nederlaag van Yarus heeft hij deze 
grootscher plannen opgegeven. Tiberius is hem hierin ge- 
volgd, en toen Germanicus aanvallendcrwijze tegendeGer- 
manen over den Rijn te werk ging werd hij door zjjnen 
adoptiefvader teruggeroepen. Toch bleef voorloopig aan den 



(1) Publicani is do algemcene naam; wordt or dc bclasting; iclf by* 
gevoegd zoo heetcu zij socii of conductores, Publicani piscatus b. v. it 
een onmogclijke verbinding. 

(2) Verg. Marquardt t. a. p. p. 21K). 



TE BEETGUM GEVONDEN. 333 

Neder-Rijn een aanzienlijk deel van het land over de rivier 
onder Romeinsche heerschappij , en hieronder ook het ge- 
bied door de Friezen bewoond, die zich in het jaar 12 y. 
Chr. aan Drusus zonder tegenweer hadden onderworpen. (1) 
Eenen opstand , verwekt door de knevelarijen van den land- 
voogd Olennius (28 n. Chr.), trachtte de bevelhebber der 
Nederrgnsche legioenen Lucius Apronius te onderdrukken , 
maar te vergeefs. (2) Sinds dien tijd lëefden de Priezen in 
een staat van rebellie, afgewisseld door tijdelijke onder- 
werping (3) ; tot in het jaar 47 n. Chr. Domitius Corbulo 
hen nog eens volledig onder de Romeinsche heerschappij 
terugbracht. (4) 

Dan — terwijl de bevelhebber zijne strijdmacht reeds 
tegen de oostelijke naburen der Friezen, de Chaucen, in 
het veld had gevoerd, kwam het bevel uit Rome alle be- 
zettingen aan gene zijde van den Rijn terug trekken (5) , 
een maatregel , naar het zeer waarschijnlijk vermoeden van 
Mommsen, samenhangende met het gelijktijdig genomen 
besluit Britannië te veroveren. (6) Corbulo gehoorzaamde 
aan den keizerhjken wil : de politiek van Augustus met be- 
trekking tot den Rijn was door zijnen derden opvolger ge- 
heel voltooid. 



(1) Dio Cassius 54, 32. Tac. Ann. 1, 60. 

(2) Tac. Ann, 4 , 72—74. 

(3) Dit blijkt uit de woorden vau Tacitus, Ann. 11, 19: Natio 
Frisiorum post rebellionem clade Apronü coeptam infensa aut 
male fxda» 

(4) T. a. pl. gaat Tacitus verder: JVa/tb Frisiorum — datis obsidibus 
consedit apud agros a Corbulone descriptos , idem senatumf magistratuSj 
leges imposuit : ac ne iussa eruerent praesidium immunivit, 

(5) Tac. Ann. 11, 19: Claudius adeo novam in Germanias vim pro- 
hibuitf ut referri praesidia cis Rhenum üiberet. 

(6) Vgl. Mommsen, Römische Geschichte 5, 115. 



336 ' ROMEINSCHE STEEN 

noodzaakt zijn in Îfoord-Holland en op de eilanden, die 
later door de zee verzwolgen zijn, vroeger dan gewoonlijk 
geschiedt, (We8t-)Friezen gezeteld te denken. Het komt 
mij Yoor dat dit gevoelen door een plaats bij Plinius en bij 
Tacitus wordt gesteund. Volgens den eerste liggen er eilan- 
den der Friczen en Frisiayonen (1) in den Rijn tusschen 
Helinium en Flevum, de monden van den zuidelijken en 
den noordelijken arm (2); en in de Germania c. 34 zegt 
de laatste , die ook Frim maiores en minores onderscheidt : 
utraeque nationes iisque ad Ocennum Bheno praetexwitur , 
a mhiunt qu e i mme n sos i n s wp er lacus e t 
Romanis c l a s s i h u s n a v i q a t o s, Volgens hem 
wonen zij dus, zoo het schijnt, om het meer Flevo. 

Is de tweede opvatting juist, zoo kunnen de Friezen,die 
in het Rijksleger dienen , deze (de latere West-) Friezen zijn , 
en in dat geval blijft de steen van Beetgum voor c. 50 
te dateeren. Voor wie de eerstc aanvaardt staat er niets in 
den weg hem later te stellen. 

Dit blijft dus een onopgelost vraagstuk. Maar zeker is 
het dat door de nieuw gevonden inscriptie meeningen onmo- 
gelijk zijn geworden als die door M. Voigt {das ius naturale 
aequum et hoyium und ius gentium der Römer 2 , 773 n. 



(1) De beide nanien wijzen ook op ecue verdeeling van den 
Frieschen stam. 

(2) Plin. Ä. w. 4, 15, 101 : In Rheno autem ^so, prope C m foii- 
gitudinem nobilissima Batavorum insula ef Cannenefatium , et aliae PW- 
siorumt Chaucorum, Frisiavonum, Sluriorum , Marsaciorum ^ qnae ster- 
nuntur inter Helinium et Flevum. Ita appellantur ostia, m quaeejfMSUê 
Rhenus a septentrione in îacus ab occidente in amnem Mosam se spargiit 
medio inter haec ore modicum nomini suo custodiens alvum, Hoeechter 
dc Cbaucen dc Rijn-d(^lta kunnen bewoond hcbben is raadselachtig. 
Ook de woordcn ita appellantur ostia enz. geven tot bedenkingen 
aanleiding. Do onnauwkeurighcid . van geographische opgafen dcr 
ouden is trouwens bckend. 



TE BEETGUM GEYONDEN. 337 

879) geuit omtrent de Friezen der eerste eeuw onzer jaar- 
telling, met verwerping van Tac. Ami, 11 , 19: ^die Friesen 
aber sitid liber popuius ausserhalb der Grenzen des Reiches*'; 
en wij mogen de hoop koesteren wat nu nog duister bleef 
door latere vondsten opgehelderd te zullen zien. 

Qroningen, 7 October 1888. 

U. Ph. BOISSEVAIN. 



k a 



] 


^J^llfll^^ 



■^l 



OVERZICHT 



VAN 



de Inrichting en de Bevoegdheid 



I>KR 



PLAATSELIJKE BESTUREN IN FRIESLAND, 

sedert 1796, 



DOOIl 



Mr, J. G. van Blom J.pz 



^>o 



OVERZICHT 



VAN 

DE INRIGHTING EN DE BEVOEGDHEID 

DER 

plaatseltjke besturen in Friesland, 

SEDERT 1795. 



Dit ovendcht laat zich gevoegelijk verdeelen in vier 
perioden. 

De eei'ste periode (1795 — 1801) omvat de toestanden, 
waarvan de revolutie van 1795 het middenpunt îs : — eerst 
den toestand , waaraan de revolutie een einde heeft ge- 
maakt , — dan de revolutie zelve , — vervolgens de onmid- 
delijke gevolgen der revolutie, — en eindelijk den toestand , 
die uît de revolutie geboren werd. 

Deze periode laat zich eigenaardig aanduideu als dievan 
de revdutie. 

In den loop der tweede pe^node (1801 — 1810) begon'het 
gemeente-wezen langzamerhand tot eene meer regelmatige 
ontwikkeling te komen. 

Een door en uit de ingezetenen gekozen plaatselijk be- 
stuur werd erkend als bestemd te zijn om de huishouding 
der Gemeente, behoudens hooger toezicht, zel&tandig te 
besturen. Door het optreden (naast het Gemeentebestuur) 
van een' , door eene hoogere staatsmacht aangesteld , rech- 



344 OVERZrCHT VAN DE IN'RICHTING en de bevoeodheid 

terhjk ambtenaar, erlangde de lagere rechtsmacht (die tot 
dusverre met het Gemeentebestuur in één hand was) een 
meer zelfstandig bestaan; tevens kwam hierdoor de eigen- 
Ijjke Gemeente-administratie beter tot haar recht. 

Het is de periode der opkoymt vun het modern Ge- 
meente-recht. 

In de derde per iode (iSiO — 1814) vallen de jaren , waarin 
van Gemeente-recht in Priesland geen sprake meer kon 
zijn, — de jaren van het youoernemeni persannd van 
keizer Napoleon's regeering. 

Het is de periode van den ondergang t^an het modern 
Gemeente-recht , 

De oierdv periode (1814 — 1851) kenmerkt zich aanvan- 
kelijk door eene richting, die, na afschudding van het 
Pransche juk , lierstel bëoogde van wat echt nationaal was. 
Een eerste gevolg hiervan, bij de invoering der nieuwe 
gemeente-organisario , was het weer in het leven roepen 
vau de vroegere namen en grenzen der Grietenijen. 

Iliermedc ging gepaard een streven naar eene meer 
rationeele verdeeling der bestuurs-macht , dat ten dotte , 
zij liet ook niet zonder strijd, werd bekroond door eene 
voor stad- eii laud-gemeeuteu beide gelijke toepasaing dor 
hoofdbeginselen vau het modern Gemeentc-recht. 

Wat er goeds was in de vroegere organisatiën werd, voor 
zoover uoodig iiaar deu eisch der nieuwe tijdsomstandig- 
hedeu gewijzigd eu aangevuld, tot wettelijken regel ver- 
heven. 

Voor dezo poriode mag de naam van de restaumtie niet 
ongepast worden geacht. 



DER PLAATSELIJKK BK8TUREN IX FRIESLAND SEDERT 1705. 345 

I. DE REVOLUTIE. 

(1795—1801.) 



Op Dondcrdag 19 Februari 1795, des voormiddags elf 
uur , waren Frieslands Volmachten ten Landsdage — of Sta- 
ten-Provinciaal — voor de laatste maal vergaderd. Den 
vorigen dag waren zij daartoe, op aandrang van het Co- 
tnitê reiduiionnair provincianl ^ door den president van het 
Mindergetal opgeroepen. 

Op het bepaalde uur verscheen het ComHê revolvtionnair 
provinciaal in de vergaderiiig , waarop de president van het 
( ^omité , 11, Bonjrink , het woord nam met deze toespraak : (1 ) 

»Edele Mogende Heeren ! Wettige Souverein van den 
Lande! — waren de titels, welke Gijlieden u tot hiertoe 
hebt aangematigd, en welke een in naam vrij doch inder- 
daad verdrukt Volk u heeft moeten geven. 

Thans beleven wij verHchter en gelukkiger dagen ; — 
dagen waarin het Volk zijne waarde kent, zijne onver- 
vreemdbare rechten herneemt en gevoelt vrij te zijn; — 
dagen waarin niemand Edel dan door daden, — Mogend 
dan door de wil des Volks zijn kan, en waarin het Volk 
zelf alleen souverein is en wil zijn, — dagen waarin ook 
hier liet zweet en bloed der nijvere burgerij en dappere 
krijgslieden niet langer nutteloos verkwist en ten gevalle 
van een snooden en ondankbaren despoot Wiüem de Vijfde, 
tot de onzaligste einden vergotcn worden zal, — dagen 
eindelijk waarin, — dank zij der Goddelijke Voorzienig- 
heid — de heilige rechten van den mensch geêerbiedigd 
worden en (althans wij bidden en verwachten het) geëer- 
biedigd blijven zullen. 



(1) Zio : Vt'rzaineliug van placc*at<Mi cnz. . Istv stuk pag. 4 eu vlg. 



340 OVERZIOHT VAN DE INRICHTJNG £N DE BEVOEQDHEID 

Welnu dan burgers I daar nauwelijks de kluisters , waar- 
mede men den achtbaren en deugdzamen Frieschen burger 
geboeid had en door buitenlandsche macht geboeid hield, 
verbroken zijn, of gij bespeurt reeds op de gevoeligste 
wijze, hoe gij het vertrouwen der natie mist, — zoo is 
het daarom dat wij overeenkomstig den wil der natie en 
onzen plicht, u verklaren van uwe posten als VdmagteH 
ien Landsdage en daaruit voortgevloeide commissiën in het 
Mindergetal eii Gedeputeerde Staten vervallen, ontzet en 
mitsdien ontslagen van den eed bij het aanvaarden van 
dezelve gedaan , — doch niet van uwe verantwoordelijkheid, 
ten welken einde wel expres met allen emst van u gevergd 
wordt in dit land onder uwe medeburgers aanwezig te 
blijven. 

Keert dan, op die voorwaarden in den thans eerbied- 
waardigen burgerkring terug , en geniet daar niet alleen de 
veiligheid van uwe personen en goederen, welke aan alle 
menschen toekomt, maar leert ook bij ondervînding , dat 
dc bewerkers en bevorderaars der tegenwoordige omwen- 
ding van zaken — niet gelijk die van 1787 door wraak, 
eigenbelang, heerschzucht en tegelijk slaafsche onderwer- 
ping aan den tiran Willem Y , die zelf heerschte over hen, 
wier dienaar hij behoorde en voorgaf te zijn , neen ! maar — 
door deugd, braafheid en zachtmoedigheid in het handha- 
ven van de heilige rechten van den mensch gedreven en 
bestuurd worden !*' 

Nauwelijks had burger Borgrink uitgesproken , of de ge- 
wezen leden der Staten van Friesland, zich ten volle be- 
wust, dat hun rijk had uitgediend, verlieten onmiddellgk 
en zondcr eenig protest de vergaderzaal. Het C. R. P. 
dat wist te handelen , liet onmiddelhjk , door eene oommisne 
uit zijn midden, de bij voorbaat aangewezen i^Prmriimele 



DER PLAATSELIJKE BESTUREN IN FRIESLAND SEUERT 1795. 347 

Representanten van îiet Volk van Friedand*' binnenleideD. 

i>Vr^heid, Gdijkheid en BroederschapY' waren de eerste 
woorden, die hen onmiddellijk tegenklonken uit den mond 
van burger Borgrink, als introductie op diens klinkende 
installatie-speech. Daarin deelde hij vervolgens aan de 
Representanten mede, dat het C. R. P. zooeven de Yol- 
machten ten Landsdage van hunne posten had ontzet, en 
drukte hen, als zijnde door het Yolk zelv' tot zijne ver- 
tegenwoordigers verkozen , hunne plichten als zoodanig ern- 
stig op het hart. 

Hierop volgde de voorlezing der Instructie voor do Pro- 
visionele Representanten , de beëediging van dezen, toen 
nog eene korte toespraak en — het C. R. P. verwäderde 
zich. (1) 

Nog een publieke daad bleef het Comité te doen over , — 
het uitvaardigen eener publicatie aan het Volk. Ook dit 
geschiedde nog dienzelfden dag. (19 Februari 1795.) Van 
uit het Stadhuis werd den volke kond gedaan, dat de re- 
volutie was een voldongen feit , — dat niet alleen de leden 
der regeeringen van de Steden cn de Grietenijen , — maar 
ook die van de Provincie van hunne posten waren ontzet 
en door andere bestuurders vervangen; dat het C. R. P. 
alzoo hebbende gedefungeerd het Friesche volk plechtig 
geluk wenschte met de volbrachte revolutie en — (en hierop 
mocht inderdaad met zelfvoldoening worden gewezenî) met 
de bedaardheid, de goede orde cn de bewaarde rust, bij 
zulk eene :!>verbazenden omkeering van zaken.*' (2) 



(1) V^gl. : Het Journaal van de Vohnachten ten Landsdage , dd. 
19 Februari 1795; de (in handschrift op het oud archief in Fries- 
land aanwezigc) notulen van het Comitë revolutionnair provinciaal , 
pag. 69. 

(2) Zic Verzanieling vau plarcateu enz. . Iste stuk, pag. 12. 



348 OVERZICHT VAN DE INRICHTING EN DE BEVOEGDHEID 

Waarin bestond die }E>verbazende omkeering van zaken'\ 
en vanwaar die buitengewone macht van het C. R. P. ? 

Laat ons, om hierop het antwoord te vinden, een blik 
slaan op de toestanden en den gang van zaken vôôr en 
tijdens den arbeid van het C. R. P. 

Daartoe volge hier allereerst een beknopte sohets van 
den grondslag en de inrichting van het gewestelijk en de 
plaatsehjke besturen. 

De grondslag van het bestuur in Friesland was het kies- 
recht. Dit sproot voort uitsluitend uit den eigendom van 
onroerende goederen. 

Dit kiesrecht werd (behoudens enkele uitzonderingen) toe- 
gekend aan ieder, die eigenaar was eener boerenplaats , 
bestaande uit een huis ^n erf of ))homleger*' , met eene 
bepaalde daartoe behoorende uitgestrektheid lands, n.l. op 
de klei van 10, en in de wouden van 20 pondematen. 
Âl wie als eigenaar van zulk een* plaats op de stemkohieren 
stond geboekt, was kiezer , onverschillig of die eigenaar een 
man was of eene vrouw, meerderjarig of minderjarig, — 
met dien verstande dat voor getrouwde vrouwen het stem- 
recht werd uitgeoefend door den man en voor minderjarigen 
door den voogd. 

Het privaatrecht domineerde dus in dezen het staats- 
recht. De friesche rechtsgcleerde Blnkefi qualificeert dan 
ook het kiesrecht als een patHmoniaal gevcHrf van den 
eii/endom, (1 ) 

Ook in de steden schijnt het kiesrecht verbonden te zijn 
geweest aan den eigendom van bepaalde goederen. 

Deze kiezers van het platte land en uit de steden kozen 



(1) Birikos , Bej^insclen der llegtskuudc iii Frieslaud , cnz. . lito 
deel , Boek II , kapittel .% , no. 2, 



DER PLAATSELIJKË BESTUREN IN FRIESLAND SEDERT 1795. 349 

gezamenlijk de leden der Staten-Proyinciaal. De eerstbedod- 
den maakten bovendien voor de benoeming der leden van het be- 
stuur hunner respectieve Grietenijen de nominaties op, waaroit 
door den Stadhouder de Grietmannen en door dezen de Bysit- 
ters en Secretarissen werden benoemd. (1) Het kiezers-corps 
in de steden werd veelal aangeduid onder den naam van de 
Vroedschap, In de meeste steden werden de leden der Vroed- 
schap aangewezen door die leden zelve , in enkele (o.a. in Doc- 
kum) door de burgers. Uit de door deze Yroedschappen voor 
huime steden gemaakte nominaties werden door den Stad- 
houder de leden benoemd van den Stedd^ken Magistraat, (2) 
Tot aan de revolutie van 1795 berustte de hoogste of 
souvereine macht în Friesland bij de Staten Promnciaal. 
Deze vergadering bestond deels uit afgevaardigden van het 
platte land, deels uit die van de steden. In elk Grietenij 
werd één edelman en één eigenerfde, — en in elke stad 
üén ingezetene uit de Vroedschap en één uitden Magistraai 
gekozen. De vergadering bestond dientengevolge uit 82 
leden , Vdmachten genaamd. Hun mandaat duurde slechts 
één jaar. De Staten-vergadering , bekend onder den naam 
van Landsdag , was verdeeld in vier afdeelingen , die Kamers 
heetten; dezen werden aangeduid (in overeenstemming met 
de namen der vier verschillende Kwartieren van het Gewest, 
waarin de afgevaardigden waren gekozen) als de Eamer van 



(1) Dezelfde kiezers kozen ook de üerefonneerde predikanten, 
kerkvoogden, schoolmecsters . dijkgraven en volmachteu en in de 
Dijks-contributiën. 

(2) Zie over het kiesrecht : De Landsordouuantie van Friesland j 
Bock IV . Tit. XIX ; Foeke Sjoerds , Algemecne beschriiving van oud 
en nicuw Friesland, deel II, Iste stuk, Leeuwarden 1767 pag. 90 — 
103 en 416; tegenwoordige staat van Friesland^ der Vereenigde Neder- 
landcn. deel XVI, Beschrijving van Friesland, 1789, pag. 2 — 7 en 
245; het Reglement reformatoir van 21 December 1748, artt. 3envlg. 



350 OVERZICHT VAN DE INRICHTIN6 EN DE BEVOEODHEID 

Oostergo , — van Westet*go , — van de Zevenwouden — en 
van de Steden. (1) 

Uit elk dezer vier Eamers werden (gewoonlijk voor drie 
jaren) twee gecommitteerden benoemd, die te zamen eene 
conunissie van acht leden vormden, genaamd Jiet Minder' 
getal, Deze commissie was geen regeerings-coUegie ; zij 
diende voomamelijk om de zaken, die bij den Landsdag 
ter tafel moesten komen , voor de behandeling gereed to 
maken, en was dus eigenlijk eene vaste commissie van 
instructie. (2) 

Het dagelijks bestuur der Provincie, dat in de eerste 
plaats was belast met de uitvoering der besluiten van den 
Landsdag , berustte bij Gedeputeerde Staten. Dezen werden 
door de vier Kamers gekozen uit de leden van den Lands- 
dag, in dezer voege, dat door de Eamers van Oostergo, 
Westergo en Zevenwouden ieder twee leden en door de 
Kamer der Steden drie leden werden gekozen, zoodat hct 
CoUegie van Gedeputeerde Staten negen leden telde. (3) 

Het gewichtigste rechterljjke collegie in het Gewest was 
het Ilof Provinciaaî , dat (geheel afgescheiden van Lands- 
dag , Mindergetal en Gedeputeerde Staten) uitsluitend was be- 
last met de hoogste rechtspraak in burgerlijke- en ^trafzaken. 

Het Nedergerecht , dat in de hoofdplaatsen der Grietenijen 
en in de steden zetelde , oefende , gelijk de naam aanduidt , 
de lagere rechtsmacht uît, terwijl daarbij tevens hetbestuur 
van de Grietenij of dc Stad werd aangetroffen. (4) 



(1) Vgl- Foeke SjoerdSt t. a. p. pag. 103—104; Tegenwoordige Btaat 
van Friesland, t. a. p. pag. 2. 

(2) Vgl. Foeke Sjoerds, t. a. p. pag, ll(>, 11/. 122—121. 

(3) Vgl. Foeke Sjoerds, t. a. p. pag. IKî. 117 cn 204 vlg. 

(4) Foeke Sjoerdst t. a. p. pag. 279 vlg. 
Tegenuy. staat „ „ 212 „ 



DER PLAATSELUKE BESTURKN IN FRIESLAND SEDERT 1795*. 351 

't Yerdient opmerking , dat hier justüie en administratie 
(waartusschen trouwens de grenzen destijds minder scherp 
waren getrokken) in één hand waren. 

Berustte in de Grietenijen de eigenlijke rechterlyke macht 
van het Nedergerecht bij het collegie van Orietman en Me- 
derechters of Byzitters — het bestuur , waarin de Byzitters 
slechts een adviseerende stem schijnen te hebben gehad, 
was althans feitelijk zeer zeker in handen van de Orietman 
alleen. (1) Deze, de ziel van 'tbestuur der Orietenij, 
werd, uit een door de kiesgerechtigden der grietenij opge- 
maakt drietal , voor zijn leven benoemd door den Stad- 
houder. (2) 

Tot het bestuur der Orietenij behoorde in hoofdzaak, 
— behalve de uitvoering van de Lands-ordonnantiën en 
van bizondere bevclen van hoogere autoriteiten , — de uit- 
oefening der politie-macht in 't algemeen en in het bizonder 
het houden (of doen houden) van toezicht op het richtig 
onderhoud van publieke vaarten , wegen , bruggen, enz. (3) 
Onder de uitoefening dier politie-macht schijnt ook te moeten 
worden gerekend de bevoegdheid tot het uitvaardigen van 
politie-verordeningen voor de Orietenij, bêkend onder den 
naam van :»politiqi(e ordonnantiën.^' (4) 

Plaatselijke (dorps-) belastingen werden op authorisatie 



(1) Foeke Sjoerds , t. a. p. pag. 399, 

(2) Art. 12 van het Reglement re/ormatoir, van 21 December 1/48. 
Foeke Sjoerds, U a. p. pag. 384 — 386. 

Tegenw. Staat, „ „ 220—232. 

(3) Zie: Statuten van Friesland , Boek IV, Til. X. 
Foeke Sjoerds, t. a. p. pag. 388, 389. 

Tegenw. Staat , „ „ 228. 

(4) Reglement reformatoir , art. .'30. 



352 OVERZIGHT VAN DE INRICIITING EN DE BEVOEGDHEID 

der Staten-Provinciaal , geheven door Kerk- en Armvoog- 
den der respectieve dorpen. (1) 

Doch meer tijd en moeite dan het bestuur, eischte de 
rechuhededing van het Nedergerecht. Daartoe behoorde, 
behalve de rechtspraak in burgerlijke zaken (eerste instantie) 
en politie-overtredingen , ook de destijds zeer omvangrgke 
behandeling van familie- en boedelzaken, eene bevoegd- 
heid alzoo niet ongelijk aan die der latere Yrede- en 
de tegenwoordige kantongerechten. (2) Al deze functiën 
waren van dien aard en omvang, dat daarmede in de 
Grietenijen kwahjk ééu persoon alleeii (6p wien boven- 
dien nog de zorg rustte voor het bestuur der Grietenij) 
kon worden belast; de Grietman werd in de uitoefening 
dier rechterlijke functicn dan ook bijgestaan door drie of 
vier Mederechtcvs of DyzUters, die door hem zelven, uit 
eene door de stemgerechtigde ingezetenen der Grietenij op- 
gemaakte nominatie, voor hun leven werden benoemd. (3) 

Zoozeer schijnt bij de functiën der overheid van deGrie- 
tenijen de rechts-bedeeling op den voorgrond te hebbenge- 
staan, dat men nergens de benaming aantreft van Grie- 
tenij'bestmir , maar steeds die van Nedergeredit of kortweg 
het Gerecht, Ook de plaats, waar de zetel was van het 
bestuur en de rechtsmacht in de Grietenij , stond algemeen 
onder den naam van de Grietenije'rechtkamer bekend. (4) 

(1) Zie o.a. Staats-revoluticn van : iJ5 Febr. 1681 , 9 Maart 1731 . 
12 Maart 1/45, 24 Febr. 1751, 11 Maart 1751, 26 April 1752, 20 
Febr. 1753, 26 Febr. 1/54, iO Maart 1756 , 12 Mei 1757, opdeninvotr 
van wijn , bier , gediatillcerd, alsmcde van turf, cu hcffîug van bruggeld. 

(2) Foeke SjoercU , t. a. p. pag. 379— :m 
Tegenw. Staat, ,, ,. 212—215. 

(3) Zie : Statuten van Frieshmd , Boek 111, Tit. ll,art. 3, vlg. iki#i 
Beijma , Tractatus dc Grietniannis , caput. V , § 23 , Franeker 1780 ; 
Foeke Sjoerds t. a. p. pag. 397 vlg. Tegenw, Stftaf. t. a. p. pftg.^.**?— 236. 

(4) Zie o.a. Tegenw, Staat , t. a. p. pag. 234. 



DER PLAATSRLIJKE BESTUREN IN FRIE8LAND 3EDBRT 1795. 353 

^.B. 1 Dat de' rechtspraak in de Grietenij wcrd uitgeoefend door 
Grietman en 3Iederechters of Byzitters gezamenlijk , blijkt duidelijk 
uit de Statuten van Friesland (1), en wordt bevestigd door van 
Beijma , in zijne verhandcling de Grietmannis (2) , ofschoon 't twij- 
felachtig is, of de Mcdcrechters bij 'topmaken van alle vonnissen 
(*ene beslissende stem hadden. (3) 

Ter toelichting mijner bovenuitgcsprokcn meening , dat hct cigen- 
lijk hestuur der Grietenij zou berusten bij den Grictman alleen , 
diene 't volgendc : 

Bedenkt men , dai dit bcstuur zich wel hoofdzakelijk zal hcbben 
bepaald tot , wat men legenwoordig nocmt » de uitvoerende mackt*\ 
en dat dcze zich voor een groot deel oplostte in ecnc politie-macht, 
dan schijnt mij de onderstelling nict gewaagd , dat althans dczc tak 
van bestuur , door den aard der daaraan verbondcn functién , gcheel 
in handen was van den Grietman en door dezen wcrd uitgeoefcnd 
met bijstand ôf van dcn Secretaris ôf van de dicnaren van politie. 

Mcer kwestieus komt het mij voor , of y>de wetgevende macht^' 
in de Grietenij , — de bevoegdheid tot het maken van r>politique 
ordonnnvti'én\ ook aan de Grietman alleen behoorde. Toch 

meen ik het er voor le niogen houden , dat dit wcl het geval was. 

Het positief recht (4) erkent de wettigheid van — »Politieque 
»ordonnantién en bevelen van de Magistraten , rakende de parti- 
»culiere huishoudinge vnn hnnr Steden of DUttricten (Grietenijen) , 
»als bij voorhield het regelen van de uuren van 't afvaren , sampt 
»vrachten , laad-, los- en legplaatsen van wagenen en schepen , 
»jaar- en weekmarkien en plaaisen van dien , het maken en onder- 
))houden van straaten eu generaallijk van alles, hetgccn zij tot on- 
»derhoudint)e van goede Politie , gerief en gemak hunner ingezetcnen 
»en derzelver negotie en neering bevinden zuUen dienstig tezijn.*' — 
In overeenstcmming hiermede zcgt Foeke Sjoerds: (5) »Bij de Ne- 
x)dergcrcchten , zoo in de Steden als in de Grietenijcn , is het Tcr- 



(1) Boek m, Tit. II, art. 3. 

(2j Caput V , § 23. 

(3) Van Beijma, t. a. p. 

(4) Publicatie der Staten van Friesland, dd. 26 Mei 1768, betref- 
fende art. 30 van hct Heglement reformatoir vau 21 December 1748. 

(5) Algemeene beschrijving van niouw Friesland, deel ll. lestuk, 
HoofdRtuk XV, pag. 280 vlg. 



354 OVBRZIOHT VAN DE INRICHTINO EN DE BEVOEGDMEID 

»iiiogen oni binnen hunne jurisdicten politique ordonnaniië'n te ina- 
)»ken , enz.*' 

Daarentegen blijkt uit de Statuten of Landsordonnantiën van 
Friesland (1) niet, dat de Bysitters den Grietman ook in andere 
functiën , dan die betreifende de rechtsbedeeling , moesten adsisteeren. — 
ran Beijma heefl , in zijne bovenaangehaalde verhandeling , Caput 
V : de Grietymnnof^um munere , na eerst eenige § § te hebben ge- 
wijd aan de behandeling van des Grietmans administratieve macht, 
zonder daarbij van Byzitlers te gewagen , in § 23 deze verklaring 
neérgeschreven : »Grietmanno in juredicundo adsunt Assessores seu 
Conjudices.*' — De acte van aanstelling eens Byzitters (2) legt dezen 
niet anders op dan — »om in alle voorvallende zaaken , daar Recht 
»verzocht wordt , na beste kennisse ende gewichte te spreeken ende 
»te oordeelen , en zijn Ampt na inhoud der Ordonnantie trouwelijk 
»te bedienen.** — De practijk leverde mij in dezen weinig bewijs- 
middelen ; slechts eeu viertal j/olitique ordonnantiën heb ik kunnen 
vinden : één uit Hennaarderadeel van 13 September 1730, één uit 
Smaîlingerland van 12 Januari 1773 en twee uit Bauwerderkem 
van 26 Juni 1780 en 25 Maart 1794. Of de eerste door de Griet- 
man alléén is vastgesteld , is uit het stuk niet op te maken. Slechts 
blijkt uit het onderschrift , dat de ordonnantie is : »aldus gedaan 
en geresolveerd in de Regtkamer tot Wommels" ; daarop volgt : 
»ter ordonnantie van HGerechte**, 'waaronder staat de naam van 
den Secretaris der Grietenij. De drie overigen zijn klaarblijkelijk 
en onmiskenbaar vastgesteld door den Grietman alléén, ex plenitudine 
potestatis I 

Uit al het boven aangevoerde blijkt naar mijn* bescheiden meening, 
dat de bevoegdheid tot het maken vaii jtoÜtique ordonnantie wel 
behoorde aan de x^Iagistralen iu de Steden en de Grietenijen, m. a. w. 
aan de Nedergerechten , doch tevens blijkt daaruit , dat bij de Ne- 
dei^erechten in de Grietenijen de Grietman alleen in de rechtshedee^ 
ling door de Byzitter werd geadsisteerd , zoodat alleen dan >» ket 
volle GerechV^ in functie was. Hieruit en niet minder uii de bo- 
venaangehaalde poliiique ordonuaniién meen ik de gevolgtrekking le 
ino($eu maken, dat de bevoegdheid iot hei vasistellen ran >>j)oHtique or^ 
donftantië/i'' in den regel in de Grietenijen werd uitgeoefend door de 
Grietman alleen. 



(1) Boek III , Tit. II , art. 3 en vlg. 

(2) Zie: Tegenw. St^t, zestiende dcel, (bo8chr\|ving van Friei* 
land), pag. 233. 



DBR PLAATSBLIJKE BESTURE^f \S PRIESLAND SEDERT 1795. 355 

Eindelgk dient hier nog te worden venneld het reoht 
van den Grietman tot aanstelling, op voordraoht van de 
stemgerechtigde ingezetenen, van den Secretaris der Ghrie-^ 
tenij, en tot benoeming van dezen als hodgoeds-ontvanger. 

De Secretaris adsisteerde den Grietman in de uitoefening 
van het bestuur en eveneens het Nedergerecht bij de rechtsbe- 
deeiing ; als boelgoeds-ontvanger hield hij, bij Yereyening van 
boedels, de vereischte verkoopingen van roerende goederen 
(boelgoeden.) (1) 

De Grietman bekleedde , gelijk uit het boven aangevoerde 
kan blijken, onmiskenbaar een zeer gewichtig ambt. In 
*t bestuur der Grietenij was hij nagenoeg alleenheerscher , 
terwijl hij op de rechtsbedeeling ongetwijfeld een sterk 
overwegenden invloed zal hebben uitgeoefend. Levenslang 
aangesteld had hij geene macht boven zich, en tegenover 
hem, of liever gezegd naast hem, waren niet anders dan 
de door hem zelven aangestelde Bysitters. In het Griet- 
mansambt concentreerde zich alzoo eene macht bîjna zonder 
eenig tegenwicht. En te sterker was deze macht, toen 
alles scheen te moeten worden aangewend om de Griete- 
nijen zoo mogelîjk voortdurend te houden onder het bestuur 
van Grietslieden uit hetzelfde geslacht. Z66ver ging men 
in deze richting, dat men dien ten behoeve zich niet ont- 
zag, om de fundamenteele wet voor het gewest, het Be- 
glement reformatoir van 21 December 1748, door eene 
verwrongen explicatie geweld aan te doen. Terwijl toch 
art. 12 van dat Reglement uitdrukkelijk voorschreef, dat 
ter vervulling van een vacanten Grietmans-post , niemand 
door de kiezers op de nominatie gebracht — en door den 



(1) Zie de Statuten van Friesland, Boek III, Tit II, artt 6 en 
17 vlg.; Tegenw. Staat, t. a. p. , pa^. 232, 2.%— 241; Foeke Sfoerdi ^ 
t. a. p. pag. 40l-*406. 



356 OTERZICUT VAN DE INRICHTING EN DE BEVOEODHEID 

atadhouder aangesteld mocht worden, die niet den vollen 
ouderdom van twintig jaren had bereikt , — heeft de Stad- 
houder Willem V kunnen goedvinden om, bg wijze van 
desisoire explicatie van voormeld art. 12, te bepalen, dat 
de zoons of verdere descendenten van Grietslieden , ofschoon 
zij bij 't overlijden hunner vaders of grootvaders den vollen 
ouderdom van 20 jaren nog niet hadden bereikt, toch tot 
het bekleeden van den vaceerenden post T^nominabd en 
eligîber zouden zijn , des dat zij niet vôôr hun 208te jaar 
in functie zouden kunnen treden, en dat intusschen door 
den Stadhouder een substituut-Grietman zou worden aan- 
gesteld. (1) 

Bedenkt men tevens, dat de Grietslieden steeds uit de 
wegens geboorte en grondbezit aanzienlijkste familiën der 
Grietenij werden gekozen, dan ligt de gevolgtrekking voor 
de hand, dat hunne macht inderdaad buitensporig groot 
moet zijn geweest. Wel mochten het bovenmenschelijke 
sterke beenen zijn , om de weelde van zulk eene macht te 
kunnen dragen ! 

Ook in de Steden was , gelijk boven reeds is opgemerkt, 
het pUiatselijk bestuur en de lagere rechismacht in één hand , 
n.l. van den Stedelijken Magigtraat. Diens dubbele funcdën 
waren dan ook in hoofdzaak dozelfde als die van de No- 
dergerechten in de Grietengen , doch in aantal en titulatuur 
bestond tusschen hen een groot verschil. Dit zelfde ver- 
sohil viel ook in de onderscheiden steden op te merken. 
Te Leeuwarden b.v. bestond de Magistraat uit 4 Buige- 
meesters en 6 Schepenen, elders uit Burgemeesters en 
Baadalaiden. 



(l) Zie: Publieatie der Staten van Friesland, van 26 Mei 17t)B, 
(Vors. place van 7 Maart 1766 tot 6 December 1771 1 pAg^ 168). 



DER PLAATSELIJKE BESTUREN IN FRIESLAND SEDERT 1795. 357 

De rechtsmacht van het Nedergerecht (1) berustte (ge- 
lijk ten platten lande bij Qrietman en Mederechters) in de 
Steden bij den Magistraat. Deze was tevens belast met 
het dagelijksch bestuur der stad en had als zoodanig de be- 
geying der stadsambten. Het Yoorzitterschap van den 
Magistraat ging bij beurten onder de Burgemeesters rond. 

AI deze dignitarissen werden voor zeker aantal jaren 
benoemd door den Stadhouder, wien daartoe eene uit en 
door de leden der Vroedschap opgemaakte nominatie werd 
aangeboden. 

De Vroedschap was alzoo het kiescollegie in de stad , 
doch bovendien diende zij in gewichtige aangelegenheden , 
ah die de belastingen, leeningen en rekening der stad be- 
treffende, den Magistraat van preadvies; voorts oefende zij 
over diens bestuur in 'talgemeen zekere contrôle uit, — 
eene contrôle als in de örietenijen ten eenenmale werd 
gemist. (2) 

De grondslag van het bestuur in Friesland, was, gelijk 
wîj boven deden opmerken en vervolgens nader aanduidden, 
het kiesrecht dat, verbonden aan den eigéndom van een 
behuisd hornleger met een bepaalde daartoe behoorende 
uitgestrektheid lands , door den frieschen rechtsgeleerde 
Binkes werd gequalificeerd als een patrhmniaal gevolg van 
den eigendom. De eigenaren van de grootste hoeveelheid 
stemdragende goederen waren dus de machtigen in den lande. 
En hoe werd van dit kiesrecht gebruik gemaaktl 
Ingeval er, bij een' aanstaanden verkiezingstrijd, grond be- 
stond om te vreezen , dat de stemmen van eigen goederen al- 



(i) Zie: Statuten van Friesland, o. a. Boek II, Tit. 23; Boek 
IV, Tit. 8, artt. 8—13; — Tit X, artt. 2 en vlg. 

(2) Foeke Sjoerds, t. a.- p. pag. 415—429. 
Tegenw. Staat „ „ 245—251. 

23 



358 OVERZICUT VAN DE INRICHTINa EN DE BEVOEaDHEID 

leen ontoereikend zouden zgn om bij de verkiezing de over- 
winning te bezorgen , — en door zulk eene vrees werd on- 
getwijfeld dikwijls menig belanghebbende bevangen I — dan 
lag als middel om 'tgewenschte doel te bereiken voor de 
hand, dat men zich de hulp verzekerde van destemmen, 
rustende op de goederen van anderen. 

Deze wijze van handelen , gesterkt door , met schriftehjke 
contracten bezegelde , geloften over en weder , werd van lie- 
verlede met z66 algemeene bekendheid en zôô groote vrij- 
moedigheid in praktijk gebracht, als betrof het de toepas- 
sing van een oud gewoonte-recht. Eens lid van den Lands- 
dag , placht men — in stede van bij elke , dier vergadering 
ter vervuUing voorkomende , vacature den waardigste ter be- 
kleeding van den post aan te wijzen , — ingevolge (dikwijls 
jaren lang te voren gesloten) overeenkomsten, beurtelings elk- 
ander of elkaars vrienden en magen te begunstigen metde 
vele en velerlei ambten , waarvan de begeving was bij den 
Landsdag. En , alsof er een buit viel te verdeelen , wierpen 
vrienden elkaar beurtelings deze ambten, (zeer zeker tenge- 
volge van de wijze van begeving) bekend onder den naam 
van ambulatolre ambten, volgens accoord in den schootl 

Kuipen was het algemeen bekend nomen generis dezer 
praktijken, terwijl de verschillende vormen van kuipen 
werden aangeduid door de namen van verbindtenissen , 
ligues, tourbetirteji , almandkken enz. Al deze conventiën, 
voortdurend tusschen de machtigen in den lande (zoo in 
als buiten den Landsdag) gesloten en zoo noodlg gewijzigd 
of hernieuwd, waren gewoonlijk bestemd om gedurende 
een lange reeks van jaren te gelden. (1) Moohten al 
enkelen hunne afkeurende stemmen hierover doen hoo- 
ren, en mochten ook al de Staten en de Stadhouder 

(1) Tegenw, Staat, t. a. p. pag, 23^24. 



DER PLAATSELIJKE BESTUREN IN FRIESLAND SEDERT 1795. 359 

beide nu en dan yerbodsbepalingen daartegen uitvaardigen , 
dat alles baatte niets ; het kuipen bleef in zwang , totdat 
de revolutie ook hieraan een einde maakte. (1) 

Niet beter werd het met de praktijk van het kiesrecht, 
toen men dit van hoogerhand ging ondermijnen. Wat ge- 
beurde? Terwijl het onmiskenbaar des wetgevers bedoe- 
ling was, het kiesrecht ten platten lande te verbinden uit- 
sluitend aan den eigendom eener zathe en landen van eene 
bepaalde grootte , die cds één geheel werd gebruikt (2) — 
heeft het nochtans den Stadhouder Willem V kunnen be- 
hagen, bij decisoire interpretatie van art. 4 van hetRegle- 
ment reformatoir te verklaren, — »dat het niet noodig is 
»nogte vereischt wordt, dat de (ter completering van het 
10- of 20-taI vereischte pondematen) bijgevoegde landen 
))dadelijk onder en tegelijk met het Hornleger bij een en 
»dezelfde personen worden gebruikt." (3) 

Wie nu maar eigenaar was van een »hornIeger*' met 
daarop staand huis en van 't vereischt aantal pondematen 
»loB8e landen'^ kon een stem rijker worden. En stond op 
't hornleger geen huis meer , — geen nood ! — in weinige 
dagen, in één nacht soms, was daarop een » stemhuisje*' 
verrezen , en de eigenaar van dat alles had woer een stem 
gewonnen. (4) 

(1) Zie, over de misbruiken bij het kiesrecht, de verhandeling van 
Dr. F, G. Slotkouwer, Oligarchische misbruiken in het Friesch Staats- 
bestuurf voorkomende in de „6ijdragen voor Vaderlandsehe geschiede- 
nis", onder redactie van Dr, R. Fruin, hoogleeraar te Leiden. Derdc 
reeks, eerste deel, pag 67 vlg. 

(2) Zie artt. 3 en 4 van het Reglement reformatoir; FoekeSjoerds 
t. a. p. pag. 92. 

(3) Publicatie der Staten van Friesland van 13 October 1770 (Vers. 
place van 7 Maart 1766 tot 6 December 1771 , pag, 364.) 

(4) Zie Petrus Wierdsma , het stemrecht in Friesland , Leeuwardeu 
1792, pag. 42 en 48. 

Foeke Sjoerds, Iste deel, Iste stuk, pag. 175. 



3G0 OVERZICHT VAN DE INRICHTINQ EN DE BEVOEQDHEID 

Niet te verwonderen is het, dat al deze misbruiken hoe 
langer zoo meer ontevredenheid wekten bij het volk, en 
dat velen behoefte hadden hun verkropt gemoed lucht te 
geven. Gaarne stelde het bekend democratisch weekblad 
»de Post van den Neder-rhijn*^ zijne kolommen open (1) 
om door de macht van de pers eene volksovertuiging te 
wekken en te vestigen , — dat ten spoedigste eene radicale 
verandering komen moest. 

Inderdaad, daaraan was groote behoefie, want er was 
bederf in den staat, een bederf zôô diep reeds ingevreten, 
dat van herziening der wetten geen baat meer was te 
wachten. Hier gold het quid leges sine moribus! 

Andere politieke begrippen, volgens welke het staats- 
burgerschap niet meer werd beschouwd als een sequeel van 
den eigendom, maar als geworteld in de menschelijke na- 
tuur, begonnen door te dringen in den boezem des volks. 

De nieuwe staatsleer, uit Franknjk tot ons vaderland 
doorgedrongen , zich uitende in de leus: Vrijheidj Gd^k- 
held en Broeilerschap ! werd met geestdrift gepredikt en 
beleden in de vele , vooral in de steden , gevormde po- 
litieke clubs. En aangewakkerd door de reeds van uit 
de verte vernomcn toonen van de krijgstrompet der revo- 
lutioneerende troepen van Pichegru , — gordde ook • de 
stoere Fries zich aan om zijne aloude vrijheid te hememen! 

De voomaamste der politieke clubs in de Provincie was 
ongetwijfeld die, genaamd de Fraterniteitj gevestigd te 
Leenwarden , welke vergaderde in een huis aan het Waag- 



(l) Zic de Post van den Neder'rhijn, 4de deel, no. 171, p«g. 127 
vlg.; lOcie deel, no. 502, pag. 320 vlg.; no. 503, pag. a29 vlg.; no. 
504, pag. 337 vlg; no. 517, pag. 453. 



DER PLAATSELIJKE BESTUREN IN FRIESLAND SEDERT 1795. 361 

plein (1) Van deze club ging voor een groot deel de kracht 
uit, die de revolutie deed gelukken. 

Doordrongen van de overtuiging , dat het anders moest 
en andere kon , hadden eenige kloeke mannen het initiatief 
genomen. 

Op Zaterdag 7 Februari 1795, 'smorgens 9 uur,waren 
zij te Leeuwarden vergaderd. (2) Voor hen op de tafel lag 
eene lijst, bevattende de namen van 32 met hen gelijk- 
gezinde mannen, in verschillende plaatsen der Provincie 
woonachtig. Dezen zouden aan de , daartoe in de Fratemi- 
teit vergaderde burgers worden voorgedragen om gezamenlijk 
in deze Provincie op te treden als comité revdutionair. 

Ter bestemder tijd begaf men zich naar de Fratemiteit, 
waar een aanzienlijk aantal burgers, op ontvangen oproe- 
ping , was bijeengekomen. De aangeboden voordracht werd 
goedgekeurd en de op de lijst aangewezen personen werden 
onverwijld bij circulaire uitgenoodigd , zich bij de reeds te 
Leeuwarden aanwezigen aan te sluiten , om gezamenlijk 
zich te constituëeren als Comité Revdutionair Provinciaal. 

Reeds dienzelfden dag, des avonds 7 uur, hield het 
Comité zijne eerste vergadering ten huize van den burger 
Pier Zeper. Doch daar men deze vergaderplaats minder 
geschikt achtte , werd eene commissie afgevaardigd naar den 
presideerenden burgemeester der stad, om van dezen een 
ander locaal te vragen, met dit gevolg dat (volgens rap- 
port dier commissie) door den burgemeester het gebruik 



(1) Terzelfder plaats staat thans het heerenhuis van den heer No- 
taris Albarda. 

(2) Al hetgeen hier wordt medegedeeld omtrent den oorsprong en 
den arbeid van hct Comité revolutionair Provinciaaly is ontleend aan 
de geschreven notulen en daartoe betrekkelijke stukken van dit comité , 
een en ander bewaard op het oud^rchief tn Friesland te Leeuwarden. 



362 OVERZICHT VAN DE INRICHTING EN DE BEVOEGDHEID 

van een vertrek ten raadslmize (!) als vergaderplaats aan 
het Comité werd »geaccordeerd/' 

De overtuiging — dat de revolutie onvermijdelijk w^as! — 
scheen dus ook reeds bij dezen magistraats-persoon post te 
hebben gevat ; en dat deze niet de eenige was , zou weldra 
ruimschoots blijken, — immers reeds in de vergaderingen 
van 't Comité {ien raadhuize !) gehouden op Zondag en 
Maandag 8 en 9 Februari, werd gerapporteerd : dat door 
Gedeputeerde Staten maatregelen waren genomen, om de 
militairen te beletten, weerstand te bieden aan de hande- 
lingen der burgers, behoudens (natuurlijk !) het recht van 
zelfverdediging , terwijl bij resol. van Ged. St. dd. 8 Febr. 
1795 aan den generaal G^imoëns, als commandeur der 
troepen in de Provincie , was gelast , om wel alle vxolentien 
aan personen en goederen met geweld te keer te gaan, 
echter zonder zich verders met iets hoegenaamd te hemoeien ! ! 
En hoe de generaal zelf dezen last opvatte, blijkt uit het- 
heen hij aan burger Rom (als lid van 't C. R. P. te dezer 
zake tot hem afgevaardigd) betuigde, dat het 'tbest zoude 
wezen, de militairen buiten de handelingen der revolutie 
te houden , doch dat hij (generaal) er voor in stond , dat 
de militairen geen verstoring of hinder aan de handelingen 
der burgers zouden toebrengen. 

Intusschen werd — men diende toch op alles bedacht 
te zijn ! — aan burger Rom , onder approbatie der burgers 
van de Fraleimiteity voorloopig het commando opgedragen 
ovcr de vrijwillig gewapende burgers. 

In dezelfde vergadering van 9 Febr. was, — in overleg 
mct de gecommitteerden üit de exercitie-genootschappen en 
burgers uit de steden en van 't platte land ; — eene /n- 
strudie voor 't C. R. P. , gearresteerd , in hoofdzaak în- 
houdende: — dat het Comité belast zal zgn met het be- 



DER PLAATSELIJKE BESTÜREN IN FRIESLAND 8EDERT 1795. 363 

stuur van al het werk der revolutîe en met het opperbe- 
stuur in de Provincie, doch dat het zal laten continueeren 
het Hof'promriciaal en de Rekenkamer ; — dat het zelf de 
eventueele vacatures in zijn midden zal aanvullen, behou- 
dens goedkeuring der burgers van de Fratemüeit; — dat 
het C. aan de burgers in de steden en ten platten lande 
de vrijheid zal laten, om zoodra dit in orde en gerustelijk 
geschieden kon , zelve binnen hunnen bedrijve de revolutie 
te beginnen en provisioneele municipaliteiten aan te stellen ; — 
dat het C. binnen 2 maanden of zoo mogeUjk eerder zijn 
werk moest eindigen en het opperbestuur overdragen aan 
de benoemde volksrepresentanten. 

Aldus ingespannen ging het C. aan 't werk ! Leeiiwarden 
was 'teerst aan de beurt. Dinsdag 10 Februari wasdaar- 
voor aangewezen. Alles was daartoe vooraf behoorlijk (en 
zeer zeker niet buiten medeweten van de bezoekers der 
Fratemiteit) in gereedheid gebracht, als: de noodige aan- 
spraken en de candidaten voor het nieuw stads-bestuur , 
de mimicipaUteit, Maar bovendien had — voorzichtigheids- 
halve! — burger Rom (de commandant der gewapende 
burgers) nog eens geconfereerd met generaal Gumoëns en 
met dezen de noodige schikkingen gemaakt ter conservatie 
van de goede orde, 

Op verzoek van den Secretaris van 't Comité (Koon) had 
de presideerende burgemeester der stad (Viersen) om 11 
uur vergadering belegd van Magistraat en Vroedschap. 

Op dat uur begaf zich de daartoe door het C. R. P. uit 
zijn midden bcnoemde commissie (bestaande uit : pres. Bor- 
grink, secret. Koori en de leden Ruitingay Dijkstra en 
Zeperl naar het raadshuis en, na zich nog eerst van de 
gunstige stemming der voôr 't raadshuis verzamelde menigte 
te hebben vergewist, trad de commissie binnen. Aange- 



364 OYERZICUT VAN D£ INRICHTING £N û£ BEVOEODHEID 

komen in de zaal, waar Magistraat en Yroedschap waren 
gezeten, vraagt hun de presideerende burgemeester naar 
de reden van hun verzoek tot het beleggen dezer verga- 
dering. Nu treedt burger Borgnnk vooruit en spreekt : 

»6urgers ! Het is ulieden bekend , hoe gij op eene wijze, 
»die voor een burgerij , welke hare waarde gevoelt , ondra- 
»gelijk is, tot deze uwe betrekkingen gekomen zijt; en 
»deze reden is het, waarom het C. R. P. uithoofde van 
»plieht, overeenkomstig den wil en last der burgers, u 
^allen alhier heeft verzocht te roepen en in haren naam 
:DuIieden te verklaren: dat zij in deze verlichte dagen niet 
»Iangei* door ulieden wil of kan worden vertegenwoordigd 
»of geregeerd , dat gij dus van uwe regeeringsposten wordt 
^ontslagen, ten einde terstond van hier, met volkomen 
»veiligheid voor uwe personen en goederen, in den thans 
»achtbaren burgerkring weder te keeren!" 

De heer Viersen antwoordt hierop met deze merkwaar- 
dige woorden: »Wg hebben u gehoord en verlaten onze 
»zitplaatsen !" 

Onmiddelhjk daama verkondigde het klokgelui, dat er 
iets gewichtigs had plaats gehad, terwijl de juiste toedracht 
der zaak aan de voor het stadshuis verzamelde volksme- 
nigte werd medegedeeld door voorlezing eener publicatie. 
Daarbij werd tevens aan den volke een twaalftal burgers 
voorgedragen als provisioneele leden der municipaliteit , — 
welk twaalftal bij acclamatie met een driewerf lioezee! 
werd aangenomen. (1) 

Dit feit werd in Leeuwarden feestelijk gevierd: vlaggen 

(1) llunnc namen ziju: Carel Willem Coulon, Jacob Ctip, Harma* 
nus Balky Hector Veugen , Petrus van GorkurHf fVillem Carréf Kkuu 
SfjbretiSf Johannes Petrus Pulinx, Auke van ThuitUHf Dirk KUuet , 
Jan Dirks en Hendrik Eringa, 



DER PLAATSELUKE BESTUREN IN FRIESLAND SEDERT 1795. 365 

wapperden van de torens , op de wallen bulderde 't kanon , 
en daarbinnen werd om den vrijheidsboom de carmagnole 
gedanst! 

Het eerste werk van 'tC. R. P. was dus wél volbracht; 
in de andere steden en in de Grietenijen zou de revolutie 
weldra eveneens gelukken. 

Daartoe waren de volgende maatregelen beraamd: 

het C. R. F. had zich in onderscheidene sub-commissiën 
verdeeld , en aan elk dezer sub-commissiën of Gecommüteer' 
den was bij bepaalde lastbrieven of instructiën opgedragen, 
de daartoe aangewezen steden of Grietenijen te revolutio- 
neeren; 

het C. had Ged. St. »gerequireerd", de Nedergerechten 
aan te schrijven om de orders van 't C. naauwkeurig en ten 
spoedigste uit te voeren; 

het C. zelf had bovendien de Nedergerechten bij circu- 
laire gelast om, terstond na ontvangst dier circulaire, in 
verschillende dorpen van de Grietenij, alle personen van 
20 jaar en daarboven , die hunne eigene goederen adminis- 
treerden op een bepaalden dag op de gewone plaats van 
stemming bijeen te roepen, om aldaar te benoemen twee 
personen , die van behoorlijke (daartoe door 't C. R. P. 
verstrekte) procuraties voorzien, zich op een daarvoor ge- 
stelden tijd naar de Grietenij-rechtkamer moesten begeven, 
ten einde aldaar finaal te besluiten op de punten , hun door 
'tC. R. P. voor te dragen; 

deze stukken werden van wege 'tC. door couriers aan 
de Nedergerechten verzonden tegen onderteekend ontvang- 
bewijs , — terwijl intusschen eene commissie uit het C. was 
belast met de zorg Dom ten spoedigste de noodige paarden 
»en rijtuigen in gereedheid te hebben." 

Zoo togen de verschillende Gecommitteerden van 'tC. 



366 OVERZICHT VAN DE INRICHTING EN DE BEYOEGDHEID 

R. P. aan 't werk in stad en lande. Onmiddellijk bij hunne 
aankomst in de Rechtkamer onderzochten zij de procuraties 
der dorpsgecommitteerden ; dan werd aan dezen het doel 
hunner komst, n.l. afzettinq van het tegenwoordige en aan- 
stelling van een nieuw bestuur, bekend gemaakt en hun 
een vijftal personen, als provisioneele leden der munidpa- 
liteit voorgedragen. Volgde daarop (zooals bijna zonder 
uitzondering geschiedde) dc gewenschte approbatie, — dan 
verwijderden zich de Dorpsgecommitteerden , de leden van 
't oude Nedergerecht kwamen binnen en dezen werden door 
de Gecommittccrden uit het C. R. P. toegesproken als 
volgt : — ^Burgers! De revolutie is noodzakelijk ; wij zijn 
:î>gelast dezelve alhier te bewcrken; wij verklaren u ver- 
Dvallen van uwe posten en ontslagen van uwen eed! keert 
»wedcr naar dcn staat van burgers ; als zoodanig zal er , 
»gelijk voor clk, voor uwe veiligheid worden gewaakt. 
»Gaat heen !" 

Vervolgcns werden — na een aanspraak aan *t publiek — 
de lcden dcr nieuwe municipaliteit beëedîgd en geïnstalleerd. 
Daarbij werd aan dezon nadrukkehjk onder *t oog gebracht, 
dat zij de Secrctarissen voor zich mocsten ontbieden om 
dezen zoo mogelijk bij eod of belofte aan de nieuweregee- 
ring te verbinden. 

Tevens waren de noodige voorschriften gegeven, hoe de 
Gecommittecrden van hct C. R. P. hadden te handclen 
in gevallon van onwil en tcgenstand. Dan moesten zij 
de oppositic met »bedaardc en crnstige vertoogen'* aan- 
sprakclijk stolleu voor de gevolgcn van hare houding ; 
terwijl allcen in geval van geweldadig verzet insgelijks ge- 
weld mocht worden gebruikt , 't zij ter eigenc beveiliging ,• 
'tzij tcr richtige uitvocring van den last. 

Naar dcze regelen werd door 'tC. R. P. gowerkt in de 



DER PLAATSELIJKE BESTÜREN IN FRIESLAND SEDERT 1795. 867 ' 

Grietenijen en — voor zoovor noodig , met wijzigîng in den 
vonn — ook in de steden. 

Doch, behalve met het volbrengen der revolutie in de 
Steden en Grietenijen , . waren de Gecommitteerden van 't 
C. R. P. ook belast met het aanbieden aan de Gecommit- 
teerden uit de Steden en Dorpen van candidaten voor een 
nieuw Provinciaal hestuur onder den naam van y>Provisionele 
Representanten van het VoUc van FrieslandC' ; tevens moesten 
zij »derzelver goedkeuring en verkiezing met alle vriende- 
>>lijke en emstige drangredenen bevorderen en zulks geob- 
))tineerd hebbende, daarvan kennis geven aan de bijeen 
Dvergaderde menigte." 

Op deze wijze werd binnen den tijd van twee weken, 
het bestuur in alle Steden en Grietenijen van Friesland aan 
kant gezet en door een nieuw vervangen , en werden even- 
eens, in de plaats der leden van den Landsdag, de leden 
van een nieuw bestuur der Provincie gekozen. Zoo waren 
in de Steden, in plaats van Magistraat en Vroedschap — 
en in de Grietenijen, in plaats van Grietman en Bysitters, 
(voorloopig) Mimicipaliteiten aangesteld, en hadden in de 
Provincie de Staten-Provinciaal plaats gemaakt voor eene ver- 
gadering van Provisionele representanten aan Jiet Volk van 
F^nesland. Den 7den Febr. 1795 had het C. R. P. zijne 
taak aanvaard, den 19<îen Februari daaraanvolgende had 
het zijn werk volbracht , met beleid en met orde en — zon- 
der daden van geweld! Met zelfvoldoening mocht hettoen 
aan het Friesche volk verklaren , (1) — dat de Grietenije- 
en Stedelijke reformatiën waren geschied , dat overal nieuwe 
municipaliteits-regeeringen met goedkeuring en welbehagen 
des volks waren aangesteld en geïnstalleerd , en datterzelf- 



(1) Verz. place deel I , pag. 4. 



'368 OVERZICHT VAN DE INRICHTING EN DE BEVOEGDHBID 

der tîjd de stem des volks het zegel zijner goedkeuring en 
toestemmmg had gedrukt op een zestigtal vertrouwenswaar- 
dige personen , bestemd om provisioneel de plaats der vroe- 
gere Staats-leden te yervangen. 

De revolutie was volbracht. Met recht mocht burger 
Borgriïik verklaren, dat er 2>eene verbazende omkeering 
van zaken" tot stand was gekomen ! 

Overigens verdient het opmerking, dat men wel alge- 
meen diep doordrongen moet zîjn geweest van de overtui- 
ging, dat deze revolutie onvermijdelijk was. Haar zooge- 
regeld en vreedzaam verloop levert daarvoor wel hetmeest 
afdoend bewijs. 



Wij dienen thans ons oog af te wenden van het veld 
der actie en een blik te slaan in dcn gang der ontwikke- 
ling van het Gemeentewezen in de Provincie, zooals zîch 
dat afspiegelt in de opeenvolgende reglementen en wetten, 
waarbij de inrichting en werkkring der Gemeente-besturen 
zijn omschreven. 

Deze bcsturen (zoo landelijke als stedelijke) droegen nu 
den naam van Mimicipaliteiten. Hun werkkring was ge- 
lijk gebleven aan die , der besturen van vôôr de revolutîe. 
In hun' vorm daarentegen was veel verandering gekomen; 
vooral ten platten lande springt al dadchjk een groot ver- 
schil in het oog. Daar bestond geen Grietman meer ! En , 
'tzij men gevoclde, dat daardoor de oude kracht van het 
bestuur was gebroken , 't zij dat de leden dcr Munîcîpali- 
teit , voorloopig aangcsteld als zij waren , zich juist daar- 
door minder tot een krachtig optreden gevoelden opgewekt, 
men scheen er in menige Municipaliteit naar te verlangen, 
dat de voorloopige toestanden voor definitieve plaats mooh- 
ten maken. 



DER PLAATSELUKE BESTUREN IN FRIESLAND SEDERT 1795. 369 

Yandaar ongetwijfeld , dat de (insgelijks Provisionélel Re- 
presentanten van het Volk van Vriedand het noodig achtten, 
alle Municipaliteiten aan te schrijyen , dat zij yerplicht wa- 
ren ]>in hunne posten te continueeren'' totdat zij daaruit 
wettig zoude zijn ontslagen. (1) 

De Mu7iicipaliteiten zouden dus tot nader order de huis- 
houdingen der steden en voormalige Grietenijen blijven be- 
sturen , ongeveer op dezelfde wijze als dit vroeger bij de 
Landsordonnantien was bepaald. 

In het provinciaal bestuur trachtten de Promsionde Re- 
presentanten hunne macht behoorlijk te verzekeren. Zij 
belastten een vijftal uit hun midden met het dagelijksch 
bestuur der Provincie, als Commissie tot het waamemen 
der zaken van 't Cdlegie en drie hunner met het waame- 
men der zaken van de Rekenkamer. (2) 

Tevens achtten zij het noodig, zich te vergewissen om- 
trent de verstandhouding tusschen hen en 't Hof Provinciaal. 
Want wel had het Comité revolutionair Provinciaal, in de 
publicatie van 19 Februari 1795, waarbij het den volke 
kennis gaf van het volbrengen der revolutie, uitdrukkelijk 
verklaard, »dat het Hof van Justitie zal behouden de uit- 
]»oefening van de hooge civiele en criminele justitie in deze 
]»Provincie, des gehouden zijnde het gezag en de macht 
2>der Provisionele Representanten des Yolks te erkennen en 
»te doen erkennen", (3) — maar toch achtte men 'traad- 
zaam , 's Hof opvatting hiervan met zekerheid te kennen. 

De Provisionele Bepresentanten richtten derhalve te 
dien einde een schrijveu aan 't Hof (4), waarop dit be- 



(1) Resol. 1 April 1795. 

(2) Verzameling placcaten, deel I, pag. 17. 

(3) Zie Verz. placcaten deel I, pag. 9. 

(4) Zie Resolutie 20 Februari 1795. 



370 OVERZICHT VAN DE INRICHTINO EN DE BEVOEGDHEID 

richtte, — »dat zij (President, Leden, Bentmeester , Pro- 
cureur-Generaal en Griffier) »het gezag en de macht der 
»Provisionele Representanten des Volks erkennen enzullen 
»doen erkennen zoo en in dier voege als zij voorheen de 
Ägeweezen vergadering der Volmachten representeerende 
»de Staten van Friesland, geërkend hebben." (1) 

Niet lang intusschen zouden de Provisionele Representan- 
ien hot provinciaal bestuur in handen houden. Bij hunne 
Instructie was daarvoor een tijd van vier maanden gesteld , 
terwijl zij in last hadden, onverwijld een plan te maken 
voor eene verkiezing van dcfinitieve representanten. (2) 

Deze volksvertegenwoordiging zou op geheel andere 
grondslagen, dan vôôr de revolutie, gevestigd zijn. 

Laat ons zienl 

Nadat (3) het oude stemrecht was y>gesurc}ieer(ï\ en alle 
vergunningen , bepalingen en wetten , daaromtrent ooit ge- 
maakt en in 's Lands ordonnantiën vermeld , buiten werking 
waren gestcld, met last tevens aan het Hof Provinciaal 
om alle inbreuk hierop ^naar exigentie van zaken*' voor- 
beeldig te straffen, — werd een paar weken later een 
nieuw reglement op de verkiezing van VoHks'representatie 
i)i de Promncic afgekondigd. (4) 

De commissie^ die het rcglement had ontworpen, vea- 
tigde, in de missive waarbij zij het inzond, uitdrukkelijk 
de aandacht hierop, dat het T>voor deze Piwincie gehed 
j>nieuw en zelfs zonder modd loas." 



(1) Zie Resolutie 2 Maart 1795. 

(2) Zit' Verzameling placcaten , deel I pag. 7. 

[\^) Zie Publicatie der Provisionele llepresentanten van 11 Mci 
1/95, in de Verzameling van placcaten , deel I, pag. 112 en 113. 

(4) Zie Publicatio der Provisionele llopresentanten van 30 Mei 
1795 , in dc Verzameling vau placcaten , deel I pag. 119^151. 



DER PLAATSELUKE BESTURËN IN FRIESLAND SEDERT 1795. 371 

Dit Beglement schrîjft geen rechtstreeksche verkiezmg 
voor, maar eene met één trap: siemgerechtigden benoemen 
kiezers en dezen verkiezen de representanten. 

Dit kiesrecht steunde op het volgend grondbeginsel : 

y^Stemgerechtigdeny d. i. bevoegd om door het uitbren- 
»gen van hunne stemmen op het daarstellen van de vol- 
»gende representatie een gelijken invloed te hebben, zijn 
»alle vrije burgers van Friesland, aan wie men eene ge- 
»noegzame kennis, ondervinding , eerlijkheid en onafhan- 
»kelijkheid, om ten algemeenen nutte welmeenend mede 
i>te werken , met eenigen grond kan toekennen , zonder dat 
»het onderscheid van geboorte, gegoedheid, Godsdienst-be- 
i>grippen of bedrijf hierbij verder in aanmerking kome, 
»dan voorzooverre het op de Vrijheid van den Burger een 
Bschadelijken invloed heeft." 

Stemgerechtigd werden diensvolgens alle mannelijke inge- 
zetenen , met uitzondering van : a. minderjarigen , onder 
curateele gestelden, geälimenteerden en dienstboden, die 
geen wapenen mochten dragen; h. niet genaturaliseerde 
vreemdelingen en vagebonden; c. strafrechterlijk veroor- 
deelden. 

De kiezers moesten niet alleen alle vereischten bezitten 
der stemgerechtigden , maar bovendien 25 jaar oud zijn , 
kunnen lezen en hunne namen schrijven. 

De representanten behoorden dezelfde attributen te heb- 
ben als de kiezers en bovendien de Rediten van den Mensch 
en Burger te erkennen en de beginselen van Vrijheid en 
Gelijkheid te belijden. 

Volgens het op deze beginselen gebaseerd reglement wer- 
den ter bestemder tijd de nieuwe Provlnciale Representanten 
gekozen. 

Na in de Galileër kerk plechtig te zijn beêedigd , namen 



372 OVERZICHT VAN DE INRICHTINQ EN DE BEVOEGDHEID 

zij de zetels in het Landschapshuis in, en begonnen met 
tot hunnen president te kiezen den bekenden Dr. Simon 
Stijl. Yervolgens werden twee comtnissiën gekozen, eene 
tot het waamemen der zaken van H CoUegie en eene andere 
tot het waamemen der zaken van den Rekenkamer" (4) 

Nu was ook de tijd gekomen om de nog provisionele 
besturen van de steden en de voormalige Grietenijen (de 
door of namens het C. R. P. aangestelde Municipaliteiten) 
door definitieve besturen te vervangen. 

Een daartoe ontworpen plan (2) werd afgekondigd en — 
om daarover de volksstem te hooren! — in de steden en 
dorpen voor een iegelijk ter lezing gelegd en bij de boek- 
verkoopers voor geringen prijs verkrijgbaar gesteld. Uit- 
drukkelijk werden de burgers aangespoord om hunneeven- 
tueele bezwaren tegen dit pla7i, vôôr een bepaalden dag 
bij de Commissie uit de Representanten , belast met de 
waarnemîng der zaken van 'tCoUegie, in te dienen. En 
nadat de hiervoor gestelde termijn nog eens was verlengd (3) 
en de ingekomen bezwaarschriften naar voormelde Com- 
missie waren verzonden om met inachtneming van die be- 
zwaren het plan te herzien, werd het den 30 December 
1795 vastgesteld. (4) 

Yolgens dit kies-reglement zouden nu de plaatselijke be- 
sturen den naam dragen van Gerecfit. De vreemde (fransohe) 
benaming van Municipaliteit maakte dus weer plaats voor 
dcn ouden (inheemschen) titel. 



(1) Zie — Joumaal der Provis. representanteu , 23 Juni 1795 ; — 
Notulen der Representanten van 23 Juni 1795 en de Publicatie van 
25 Juni 1795 in de Versameling van placcaten, deel I, pog. 165. 

(2) Zie de Publicatien der Representanten van 4 en 8 Septemb«r 
1795 , in de Verzameling van placcaten , deel 1 , pag. 198 — ^213. 

(3) Zie Verzameling placc , deel I , pag. 222—924. 

(4) Zie Re8ol.«boek der Repreientanten van 1795 , IX pag. 1064/1066. 



DER PLilATSELIJKE BESTUREN IN FRIESLAND SEDERT 4795. 373 

De verkiezing der Gerechtsleden had plaats volgens de- 
zelfde beginselen en op denzelfden voet als die der Repre- 
sentanten , volgens het Reglement van 30 Meî i 795. Stem- 
gerechtigden benoemden alzoo kiezers en dezen kozen de 
Gerechtsledeyi* 

De Gerechten ten platten lande moesten bestaan uit 5 
leden, benevens 2 plaatsvervangers. 

Was in het ontwerp'reglement een census van negen 
caroli-guldens belasting een vereischte om voor Gerechtslid 
verkiesbaar te zijn , in het vastgesteld reglement was dit 
vervallen. Uitdrukkelijk was den Gerechtslieden opgelegd , 
de Rechten van den Mensch en Burger te handhaven en 
de beginselen va7i Vrijlieid en GelijkJieid te belijden. 

Ter benoeming van een Seo'etaris werd door dezelfde 
kiezers een drietal gemaakt, waaruit door het Gerecht eene 
keuze werd gedaan. 

Dit reglement werd spoedig in toepassing gebracht niet 
alleen, maar aan de Gerechten werd tevens de bevoegdheid 
verleend, (1) om door de stemgerechtigde burgers binnen 
hunne bedrijve dergehjke reglementen onder approbatic van 
het bestuur te doen maken, (2) 

Zoo waren dan de plaatselijke besturen in de steden en 
op het platte land , alsmede de provinciale regeering op 
democratischen grondslag gevestigd. Langs ordelijken weg 
was die verandering tot stand gekomen. Andere regeerings- 
personen , met nagenoeg dezelfde bevoegdheden als de vroe- 
geren, waren voor dezen in de plaats gekomen. Zouden 



(1) Zie: Publicatien van 11 Maart 1796 en 19 Januari 1797, in 
de Veraameling van placcaten, deel I en II pag. 370 vlg. en 209. 

(2) Zoodanige plaatsclijke reglementen zijn o. a. vastgesteld in de 
Grietenij Tietjerksteradeeî , 29 Maart 1796 en 11 April 1797. 

24 



374 OVERZICHT VAN DE INRICHTING EN DE BEVOEGDHEID 

zij een nieuw leven wekken? Zouden onder hun Bestuur 
de vrijheid en zelfstandigheid der ingezetenen gewttarborgd 
worden ? 

De geschiedenis der eerstvolgende jaren zou hierop een 
antwoord geven. 

Friesland had opgehouden een zelfstandig gewest te zijn , 
gelijk het was in den Staten-bond , ontstaan op den grond- 
slag der Ufiie van Utrecht. 

Het was nu een onderdeel geworden van den vemîeuw- 
den Staat der Nederlanden^ eerlang te omvatten door de 
één en ondeeïbare repuhliek, 

De geboorte der eerste constitutie voor die republiek was 
aanstaande ; een heftige partîj-strijd ging daaraan vooraf. 

De pasgeboren vrijheid , in den beginne zoo uitbundig 
toegejuicht , lced groot gevaar in den strijd der politieke 
partijen ten onder te gaan. Meer dan eens werd die vrij- 
heid met voeten getreden. 

Een blik op den strijd in die dagen moge dit duidelijk 
maken. 

De voomaamste politieke partijen waren : de Unitarissen , 
voorstanders der meest volstrekte eenheid en centralisatie , 
en de Foederalisten , die zooveel mogelijk zelfstandigheid 
van Provincie en Gemeente in den Staat wilden. Heftig 
streden dezen in 's lands vergaderzaal en ook daarbuiten 
om het meesterschap. 

In de Nalionale vergadering, die geroepen was eene 
constitutie voor de republiek tot stand te brengen, werd 
door dien rampzaligen partij-strijd het algemeen belang dik- 
wijls geheel uit het oog verloren. 

Nadat een eerste ontwerp van Staatsregeling » waaib^ nog 
een zweem van zelfstandigheid der onderdeelen van den 
3taat was behouden, schipbreuk had geleden en een volgend 



DER PLAATSELIJKE BESTUREN IN FRIESLAND SEDERT 1795. 375 

ontwerp Tan gelijken geest hetzelfde lot dreigde, heeft de 
partij-drift zich niet ontzien macht te stellen boven recht! 

De Unitarissen , die în hunne proolamatiën de natuurlijke 
rechten van den mensch en hurger steeds zoo hoog verhie- 
ven , toonden , nu het op daden aankwam , deze rechten 
aan geen andere menschen te willen toekennen, danalleen 
aan hen, die behoorden tot hunne partij ; uitdrukkelijk zelfs 
verklaarden zij de Foederalisten 3) onwaardig" die rechten 
uit te oefenen. En wel verre van de Foederalisten als 
staatsburgers te erkennen, trachtten zij dezen zooveel mo- 
gelijk tijdclijk onschadelijk te maken , niet alleen door hen 
van de uitoefening van het stemrecht te weren , maar zelfs 
door eenigen hunner zonder vorm van proces gevangen te 
zetten. 

In het begin van 1798, toen de burger Midderigh yoot- 
zitter was van de nationale vergadering en uit kracht dezer 
qualiteit tevens het opperbevel had over de militaire be- 
zetting van den Haag , was door dezen in overleg met zjjne 
partijgenooten (de Unitarissen) tegen Maandag 22 Januari 
1798 een stoute coi^) d' état beraamd , waaraan des noodig 
door de gewapende macht de vereischte kracht zoude kun- 
nen worden bijgezet. 

Ten 8 uur 's morgens waren de representanten ter verga- 
dering bescheiden. Midderigh nam met een vijftigtal par- 
tijgenooten zitting en onmiddellijk daarna werden de deuren 
der zaal gesloten en met dubbele wachten bezet. Deze 
wachten wisten welke representanten zij binnen mochten 
laten en wie zij buiten moesten keeren. De laatsten, 22 
în getal, kregen order zich naar des Voorzitters kamer te 
begeven , alwaar zij zonder formaliteiten in verzekerde be- 
warîng werden genomen. 

Hierop constitueerden zich de in de vergaderzaal aanwe- 



376 OVERZICHT VAN DE INRICHTINQ EN DE BEVOEQDHEID 

zige representanten in comité-generaal, De president ver- 
klaarde deze vergadering voor permanent en noodigde de 
aanwezigen uit, hem na te volgcn in het aâeggen der 
plechtige verklaring - yan onveranderlijken af keer van het 
Stadfiouderlijk hestuuTy het Foederalismus , de Aristocratie en 
de Hegeennglooslieid, Nagenoeg alle aanwezigen en de 
Secretaris voldeden aan deze uitnoodiging; tien representanten 
weigerden en moesten daarop de zaal verlateh. 

Om elf uur ging de vergadering van coinité'generaal over 
in eene openhare zitting y waarin bij acclamatie werd aan- 
genomen het gewichtig voorstel van den Voorzitter om 
deze vergadering te verklaren tot » de Constitueerende ver- 
gadering , representeerende het Bataafsche VoUcJ^ En met 
welk gevolg? ))Het gejuich in de vergadering en op de 
tribunes" — zoo getuigt een geschiedschrijver van 1799 — 
j>vferd beantwoord door een streelend muziek en het los- 
^Dbranden van geschut, dat deze blijde gebeurtenis ook aan 
3>de omliggende streken kenbaar maakte." (1) 

De Unitarissen , alzoo van den overlast der Foederalisten 
ontdaan, hadden nu het veld ruim. . 

Eene in den geest der zegevierende partij ontworpen 
Staatsregeling werd reeds in Maart door de Constitueerende 
vergadering aangenomen. Deze behoefte intusschen, alvo- 
rens in werking te kunnen treden, de bekrachtiging van 
het Yolk. De stemgerechtigden in de grondvergaderingen 
moesten nog over het ontwerp en hloc met voor en tegen 
hunne stemmen uitbrengen. ^t Was te verwachten , dat de 
foederalistische stemgerechtigden zich zouden verklaren tegen 
een Staatsregeling , zoo geheel m den geest der ünitarissen 



(l) RoggCf Geschiedcnis dcr Staatercgeling voor het Bataa£iche Volky 
Amsterdam , 1/99 , pag, 495 , 499 , 506 en 525. 



DER PLAATSELIJKE BESTUREN IN FRIESLAND SEDERT 1795. 377 

opgemaakt. Was dan de kans dezer stemming te wagen — 
zoo vroeg men zich af in de bijeenkomsten der heerschende 
partij. Neen ! wagen konden en wilden zij niet ; zij wilden 
mnnen! — winnen — en alweer ten koste van hetrechtl 

Van hooger hand werden bevelen uitgevaardigd om de 
bovenbedoelde grondvergaderingen te ïzuiveren^' van Foe- 
deralisten, Geene stemgerechtigden werden in de grond- 
vergaderingen ter uitoefening van hun stemrecht toegelaten 
dan na onderteekening eener verklaring van onverand^^t;7cen 
afkeer van het Stadhouderlijk hestuur , het Foederalismus , 
de Aristocratie en de Regeeringloosheid; en bovendien werden 
van de stembus geweerd zij , die na genoegzame informaties 
gé)leken ztjn aanhangers te wezen van het Stadhouderîijk" 
of Bondge7iootscliappelijk hestuur of die in ^t gemeen de orde 
van zaken op 22 Januari LL gevestigd, niet zijn toege- 
daan^ (1) 

Na zulke voorzorgen meende men gerust den uitslagder 
stemming te kunnen afwachten. 

Den 23 April 1798 werd de Staatsregeling met groote 
meerderheid aangenomen , en den 1 Mei d. a. v. afgekon- 
digd. (2) 

Art. 1 luidt : De Bataafsche republiek is Een en cm- 
deeîhaar, 

Art. 2. De oppermacht berust in de gezamenhjke leden 
der maatschappij , Burgers genaamd. 

De grondslag der Staatsregeling was alzoo zuiver demo- 
cratisch; overigens heerschte daarin een beginsel der sterkst 



(1) Zic : Circulaire van het intermediair administratief bestuur iu 
Friesland dd. 2 April 1798, — in het Regol.-boek van April 1798, 
pag. 4. 

(2) Zie : Proclamatie van het Uitv. bewind der Republiek , van 6 
Mei 1798. (Verz. placc. deel III , pag. 203. 



378 .OVERZICHT VAN DE INRICHTING EN DE BEVOEGDHEID 

mogelijke centralisatie. De wetgevende macht berustte.bij 
het Vertegenwoordigend lichaam (art. 30) , dat de uüvoe- 
rende macht legde in handen van het Uitvoerend hewitid 
(art. 83). De departementale- en gemeente-hesturen werden 
verlaagd tot administratieve lichamen , ondergeschikt en ver- 
antwoordehjk aan het Uitvoerend bewind, (art. 147). 

Van de oude Souvereiniteit der vroegere Staten-provin-- 
ciaal bleef dus niets over; van autommie der besturen van 
de Gemeenten was geen sprake meer. 

Dat een dergelijke toeleg bestond , had men in Frieslandy 
reeds vôôr de afkondiging der Staatsregeling , ondervonden. 
Immers onmiddellijk na den coup d' état van 22 Januari 
1798, was bij Puhlicatie van de Ck>nstitueerende vergadering 
als representeerende het Bataafsche Volk van 29 Januari 
1798 (1) aan den Volke bekend gemaakt, — dat het 
noodzakelijk was geacht om provisioneel tot aan de invoe- 
ring der constitutie een Uitvoeretid hewind aan te stellen , 
dat onder meer was belast met ample aut}w)*isatie om door de 
intermediaire administratieve besturen, zoo landschappelijke 
als plaatselijke , (zoolang die nog zouden bhjven bestaanop 
den bestaanden voet) derzelver orders te doen obediêeren, 
Hierin meende het ProviDciaal bestuur van Priesland te 
moeten berustcn , blijkens zijne notificatie aan zijne mede- 
burgers van 30 Janüari 1798 , waarin het zich al dadelijk 
qualificeert als Het intermediair administratief bestuur in 
Fneâand, (2) 

Bovenbedoeld Uitvoerend hewind maakt hier van zijne 
i>ample authorisatic' al spoedig een ruim gebruik. Het 
ontbond (8 Maart 1798) het toenmalig bestuur in dit Q«- 



(1) Zie: Verzam. placc. deel III , pag. 11 — 13. 

(2) Zie: Verzam. placc. deel II, pag. 395. 



DER PLAATSELIJKE BESTUREN IN FRIESLAND SEDERT 1795, 379 

west, stelde daÄrvoor in de plaats een Intermediair admi' 
nistratief hesttiur en voorzag dit van eene Instructie. (1) 

Dit nieuwe bestuur in de Provincie meende (volgensart. 
23 zijner Instructie) nu ook op zijne beurt de plaatselijke 
besturen te moeten rëorganiseeren , en stelde voor dezen al 
dadelijk eene instructie vast , natuurlijk geheel in den geest 
der bovendrijvende partij. Daarbij werd het plaatselijk be- 
stuur — thans onder den naam van Raad der Gemeente — 
belast met het dagelijksch beheer der Gemeente-huishou- 
ding. (2) 

De uitvoering van deze rëorganisatie der Gemeente-be- 
sturen geschiedde naar een vast plan , dat binnen weinîge 
weken was volvoerd. Rëorganiseerende commissarissen 
stelden de leden der Gemeenteraden aan , zij 't ook dat 
hiervoor zooveel mogelijk de oui- Gereclitsledeyi werden ge- 
kozen. (3) 

Men merke op, — de leden van Provinciaal- en Ge- 
meentebestuur werden, voor deze gelegenheid, niet geko- 
zen door de ingezetenen , maar aangesteld door of van wege 
het centraal gezag! 

De Unitarisseyi hadden den grond , waarop het gebouw 
der door hen gewrochte Staatsregeling zoude worden opge- 
trokken, goed bewerkt; en de bouwmeesters enwerklieden 
waren behoorlijk geünitariseerd. 

Zoude ^thun gelukken dien bouw te voltooien in al 
zijne onderdeelen? Zouden onze Gemeentebesturen werke- 
lijk onderdanige dienaressen worden van het Uitvoerend be- 
wind? (Art. 447 Staatsreg.) 



(1) Zio : Verzam. placc. deel III , pag, 46 — 50. 

(2) Zie : Resol.-boek van het interm. admin. bestuur van Fries- 
land , 1798 , III 8—29 Maart , pag. 77—80. 

(3) Zie: Voormeld resol.-boek , pag. 100 — 103. 



380 OVERZICHT VAN DE INRICHTING EN DE BEVOEGDIIEID 

De gesehiedenis geeft hierop een ontkennend antwoord. 

Wel zijn, bij Publicatiën van het Uitvoerend bewind van 
9 Juni en 20 October 1800 twee wetten afgekondigd , 
waarvan de eerste o. a. inhield een Instructie voor de Ge- 
meentehesturen der Bataafsche repxibliek en de tweede een 
Reglement op de verkiezing van de leden der Gemeentehe- 
stureny (1) — doch deze zjjn ongetwijfeld niet ten uitvoer 
gebracht. (2) 

De revdutie had alzoo voor de Priesche Gemeenten slechts 
een negatîef resultaat opgeleverd. Wel had zij aan het ver- 
ouderd stemrecht en de daarmede gepaard gaande oligarchi- 
sche misbruiken , evenals aan de daaruit voortvloeiende bui- 
tensporige macht der plaatselijke besturen voor goed een einde 
gemaakt, — maar de Staatsregeling van 1798, die op het 
werk der revolutie de kroon zoude zetten , onthield aan de 
Gemeenten die vrijheid en zelfstandigheid van bestuur, 
welke de öemeentenaren recht hadden te verwachten! 



(1) Zie: Yerzameling placcaten , deel IV, pag. 501 vlg. en deel 
V pag. 73 vlg. 

(2) Niet alleen hcb ik , in de stukkcn van het oud-archief in 
Friesland , geen spoor van zoodanigc uitvoering kunnen vinden, maar 
terwijl volgens art. 13 van bovengemeld Reglement, ,,de tijd der eerste 
„bcnoeming cn samenkomst van de Gcmeentebesturen nader zal wor- 
„den vastgcsteld" — werd , bij Publicatic van het Uitvoerend bewind 
van 20 Maart 1801 (Verz. placc. deel V, pag. 243 en 244) bekend 
gcmaakt, dat het Vcrtegenwoordigend lichaam had ^besloten en ver- 
,,ordend , dat provisioncel zal worden gesurcheerd de oproeping en 
„verkiezing van nieuwc Gemeentebcsturen" ; bovendien wordt in eene 
Proclamatie van hetzelfde Uitvoercnd bewind van 14 September 1801 
(Verz. placc. decl V , pag. 402) uitdrukkclijk te kennen gegeven , dat 
„aan het werk dcr Gcmccntebesturen zoovecl gearbeid en nog niets 
„daarge8teld is.'* 



DER PLAATSELIJKE BESTUREN IN FRIESLAND SEDERT 1795. 381 

n. OPKOMST VAN HET MODEKN GEMEENTE-RECHT. 

(1801—1810.) 



Het grootste gebrek in de Staatsregeling van 1798, dat 
rechtstreeks ons onderwerp raakt, bestond ongetwijfeld 
hierin, dat, door het centralisatie-systeem dier constitutie, 
het Uitvoerend bewind schier overladen werd met allerlei 
werkzaamheden , die aan de Departementale- en Gemeente- 
besturen hadden behooren te zijn opgedragen. Dit moest 
ieder, die ambtshalve of als belanghebbende in den gang 
van zaken betrokken was , herhaaldelijk in het oog springen. 
Voorzeker was niemand beter dan het Uitvoerend hewind 
zelf bevoegd hieromtrent eene gevestigde overtuiging uit te 
spreken. Terecht nam dan ook dit Staatslichaam het ini- 
tiatief tot herziening der constitutie. (1) 

Wel dreigde de uitvoering hiervan af te stuiten op de 
tegenwerking van het Vertegeniooordigend lichaam^ doch 
het Uitvoereiîd bewind, zich ten voUe bewust, dat het op 
den steun der burgers konde rekenen, zette met kracht 
zijne plannen door. (2) 

In eene Pt^oclamatie aan het Bataafsche Vdk van 14 
September 1801 (3) ontvouwde het op emstigen en zeer be- 
zadigden toon den politieken toestand des lands. Daarin 
wordt 0. a. van de Staatsregeling van 1798 getuigd, dat 
zij in deszelfs géboorte en uitwerkselen de kenteékenen met 
zich voerde van de drift en de overhaastimj , waannede de- 
zélve in de waereld was gebracht ; en de vraag wordt ge- 



(1) Zie de praemissen der Publicatie van het Uitvoerend bewind 
van 26 Maart 1801 , — in de Verzameling van placcaten , deel V , 
pag. 243. 

(2) Zie : Wijnne , Geschiedenis des Vaderlands , pag. 326 en 327. 

(3) Zie : Verz. placc. , deel V , pag. 397 vlg. 



382 OVERZICHT VAN DE INRICHTING EN DE BEVOEGDHEID 

steld , of deze StaÄtsregeling nîet is het gewrocht van eene 
partij j welke door düe de spitsvo7idigheden van eene hedrie- 
gelijke staatkunde getracht heeft het bestuur van 's Lands 
zdken onder een zekeren kring van menschen te bepcden? 
Met nadruk wordt er op gewezen hoe de Staatsregeling 
den burgers ontneemt dat zelfbestuur , hetwelk alleen blijveti" 
de drangredenen tot nanwgezetheid en spaarzaaniheid op~ 
Uveren kan. Worden niet ^ — zoo luidt het verder — 
aUe zelfs iiwe plaatselijke eii iiuiselijke belaiigen en béhoef" 
ten VERRE VAN u behandcld'? Aan de wetgeving was, vol- 
gens dit merkwaardîg staatsstuk , veel gearbeid , met velerleî 
discussie, doch weinig resultaten, en er wordt onder meer 
aan herinnerd , hoe aan het werk der Gemeentebesturen ZOO' 
veel gearbeid en nog niets daargestdd is ! 

Op grond van deze en nog zooveel andere beweegrede- 
nen had het Uitvoerend bewind den tijd gekomen geacht , 
om eene nieuwe Staatsregeling te ontwerpen en dat ontwerp 
aan dc goed- of afkeuring des Bataafschen Volks aan te 
bieden. — Het riep mitsdien de (volgens de bestaande 
Staatsregeling) stemgerechtigde burgers op , om op 1 Octo- 
ber a.s. met ja of necji hunne stemmen over het ontwerp 
uit te brengen. (1) 

Bij proclamatie van 16 October 1801 maaktehet Uitvoe- 
rend beivind aan het Volk bekend , dat zijn ontwerp tot 
grondwet van den Staat was verheven. (2) 

Deze constitutie — bekend onder den naam van de 
StaatsregeUng van 1801 — was wel evenals de vorige 
zuiver democratisch en gegrond op het beginsel der eén-cn 



(1) Zie de proclamatie in de Verzameling van placcaten , deel V, 
pag. 397—407. 

(2) Ziü de proclamatic in de Verz. van placc , deel VI. pag 1 en 2. 



DER PLAATSELIJKE BESTUREN IN FRIE8LAND SEDERT 1795. 383 

ondeelbaarheid van het Gemeenehest , (1) maar de sterke 
centralisatie in het bestuur der vorige Staatsregeling had nu 
plaats gemaakt voor eene behoorlijke autonomie in de on- 
derdeelen van den Staat , de Provincie en Gemeenten , ge- 
temperd door een gepast toezicht der hoogere besturen. (2) 

Zoo spoedig als de loop der zaken het toeliet , moest de 
hand worden geslagen aan eene organisatie der Gemeente- 
huishoudingen ; het toezicht hierop was opgedragen aan de 
Departementale besturen. (3) Toen zich in Friedand den 
21 Juni 1802 zoodanig bestuur had geconstitueerd , met 
den beroemden rechtsgeleerde Petncs Wierdsma tot Secre- 
taris (4), werd reeds den 1 October deszelfden jaars door 
het Departementaal Bestuur van Fmesland een Reglement 
tot het oprichten der Gemeentebesturen in het Departement 
a%ekondigd. (5) 

Dit reglement behelst niet eene complete organisatie van 
het bestuur der Gemeente-huishouding ; het is eigenljjk niet 
anders dan een grondreglement , dat eenige voorschriften 
inhoudt , waarnaar elke stad of plattelandsgemeente, behou- 
dens goedkeuring van de Departementale regeering , zijn 
eigen bestuur kon inrichten. 

Het volk kon gerust zijn. De hoogste Staatswet wilde 
aan de Qemeenten niet alleen hare oude zelfstandigheid 
teruggeven, maar zij had den ingezetenen ook de meest 
mogelijke vrijheid van bestuur der Gemeente-huishoudingen 
gewaarborgd. (6) 



(1) Zie : Staatsregeling art. 20. 

(2) Zie: Staatsregeling artt. 64—75. 
{3) Zie: Staatsregeling art 72. 

(4) Zie : Verz. plaee, deel VI , pag. 209. 

(5) Zie : Verz. place. dcel VI , pag. 299—203. 

(6) Zie: Artt. 73—76 der Staatsregeling van 1801. 



384 OVERZICHT VAN DE INRICHTING EN DE BEVOEaDHEID 

Elke , zoo stedelijke als plattelands-gemeente , zou wor- 
den bestuurd naar een reglement , door eene uit de ingeze* 
tenen aangewezen commissie , onder goedkeuring yân het 
Departementaal bestuur , vastgesteld. (1) 

De leden van het ÄÖemeentebestuur" moesten door en 
uit de ingezetenen worden gekozen en waren aan periodieke 
aftreding onderworpen. Hun aantal was verschillend naar 
gelang van de grootteof deaanzienlijkheidder Gemeente. (2) 

Nog steeds stond geen eminent hoofd aan de spitse , 
gelijk vôôr 1795 een troonde in de Grietenijen. Ongetwg- 
feld fungeerde beurtelings een der leden van 'tGemeente- 
bestuur als president. 

Deze besturen waren bevoegd de binnen hunne bedrijve 
vereischte plaatselijke verordeningen te maken, waarvan 
alleen die tot heffing van plaatselijke belastingen de goed- 
keuring behoefden van het Departementaal bestuur. Dit 
had overigens slechts toe te zien , dat de Gemeentebesturen 
de grenzen van het gebied hunner eîgen' huishoudingen 
niet overschreden. (3) 

Omstreeks het midden van 1804 waren nagenoeg alle 
Gemeenten in het Departement voorzien van eigen consti- 
tutieve reglementen, regelende de inrichting en bevoegd- 
heid van het bestuur en de verkiezing der leden hiervan. 



(1) Zie: Art. 20 van het Reglement : Verzam. placc. deel VI, 
pag. 299 vlg. 

(2) Ilet Gemeentebüstuur van Leeuwarden telde 12 leden; dat van 
Harlingen en Sneek 9; van Bolsward ^ Franeker^ Dockum en Workum 
6 ; dat van Staveren , IJlst , Sloten en Hindeloopen 3, ten platten lande 
en op de eilandcn , naar gelang der grootte , 3 of 5 leden (artt 2 — 4 
van het bovenaangchaalde Reglemcnt). 

(3) Zie : Artt. 44 en 45 van het Rcglcment voor het Departemen- 
taal bcstuur van Friesland. Verz. placc. dcol VI , pag. 210 vlg. 



DER PLAATSELUKE BESTUREN IN FRIESLAND SEDERT 1795. 385 

Blijkbaar waren al deze reglementen gemaakt naar eenzelfde 
model. (1) 

Eene beknopte mededeeling van den hoofdinhoud dezer 
reglementen vinde hier eene plaats. 

De Gemeentebesturen waren belast met de zorg voor 
de ]»hui8houdeIijke administratie en de financiëele belangen" 
der Gemeente. Hiertoé behoorden o. a. : het toezicht op 
alle gebouwen , straten , bruggen , wégen , vaarten , water- 
lossingen , enz. , voor zooverre die door de Gemeente moes- 
ten worden onderhouden; — de benoeming van denSecre- 
taris , den rentmeester of kassier en van andere beambten. 

Naast dit bestuur was in elke Gemeente nog een ander 
(eveneens door en uit de ingezetenen gekozen) collegie, dat 
der Gecammitteerden , welks werkkring eenige overeenkomst 
had met dat der voormalige Yroedschappen in de steden. 
Deze Gecommitteerden moesten de Gemeentebesturen bij- 
staan in de behandeling van belangrijke financiëele aangele- 
genheden, als : belastingheffingen, vervreemding van eigendom- 
men , vaststelling der jaarlijksche Gemeente-rekeningen , enz. 

Mannen , van wier advies of stem de beslissing over zoo 
belangrijke zaken afhing, moesten — zoo oordeelde men 
blijkbaar — behooren tot diegenen , welke in de eerste 
plaats zelve bij een deugdelijk beheer der Gemeente-finan- 
ciën waren geïnteresseerd. Yandaar dat de Gecommitteer- 
den moesten worden gekozen uit de meergegoede ingezetenen. 

Behalve deze , zoowel in de steden als în de platte-Iands- 
gemeenten bestaande , colleges van Gecommitteerden , komen 
in de laatstbedoelde gemeenten ook nog Dorps^ecommit* 
ieerden voor. 

Dezen moesten niet alleen met de Gemeentebesturen de 
heffing der dorps-belastingen regelen, maar waren tevens 

(1) Zie: Res. van het Dep. bestuur, dd. 21 Maart 1804, no. 11. 



386 OVERZICHT VAN DE INRICHTING EN DE BEVOEGDHEID 

belast met de zorg voor het onderhoud van straten , paden , 
wegen , vaarten enz. , — ten ware , volgens oud gebruik , 
de zorg hiervoor rustte op de dorps-armvoogden. 

Intusschen was , ruim een jaar voordat deze Gemeente- 
reglementen in werking konden treden, reeds een einde 
gemaakt aan het bestuur der Gemeenterade^i , dat onder 
de Staatsregeling van 1798 door de Unitmnssen was in- 
gevoerd, — terwijl tevens, in afwachting van het in wer- 
king treden dier boven bedoelde reglementen , bij voorbaat 
eene nieuwe orde van zaken in het leven was geroepen. 

Met de rëorganisatie der Qemeentebesturen (bedoeld bg 
artt. 64 — 75 der Staatsregding van 1801 en het meermalen 
aangehaald Grondreglemeyit (1) van 1 October 1802) was, 
ingevolge besluit van het Departementaal bestuur van 9 
November 1802 (2), bereids een begîn gemaakt door aan- 
stelling van de bestuursleden (voor ditmaal) door het Depar- 
tementaal bestuur (art. 14 Grondreglement). ' 

Hiermede ging eene niet onbelangrijke veranderîng van 
de samenstelling der lagere fplaatselijkej rechterlijke cMegies 
gepaard. 

Dezen bestonden , evenals vôôr 1 795 , nog altijd uit de 
leden der plaatselijke besturen. Doch hoe dikwijls hadden 
deze magistraats-personen , gedurende de weinige jaren, die 
sedert de revolutie waren verloopen , niet voor anderen 
plaats moeten makenl Zonder twijfel was dit niet bevor- 
derlijk geweest aan eene voor de justitiabelen zoozeer ge- 
wenschte eenheid en gelijkmatigheid in de rechtsbedeeling 
van die rechterlijke collegies. 

Dat de behoefte aan hervorming van dezen door velen 



(1) Zie: Verz. placc deel VI, pag. 311 vlg. 

(2) Zie I Verz. placc. deel VI , pag, 299 vlg. 



DER PLAATSELUKE BESTUREN IN FRIESLAND SEDERT 1795. 387 

levendig werd gevoeld , ligt voor de hand. De wijze , 
waarop dit zoude plaats hebben , was de volgende. 

Waren tot dusverre het hestuur en de lagere rechtsmacht 
in de Gemeente in handen van één en dezelfde authoriteit, 
voortaan zou diezelfde rechtsmacht (met inbegrip van de po- 
litie) worden uitgeoefend onder leiding van een afzonderhjk 
hiervoor aangesteld rechterlijk ambtenaar , den Drost, 

y^De Pölicie en Justitie , afgescheiden van Huishoudelijke 
äAdministratie , ziiUetx worden hediend in de Steeden en 
3ten platten Lande door Drost en Gerecliten\ — zoo luidt 
art. 1 van het daartoe betrekkelijk Beglement van 1 Oc- 
tober 1802 (1); en terwijl art. 9 den Drosi de verplichting 
oplegt , Mj de Gei^echten te praesideeren'\ laat het onmid- 
dellijk hierop volgen : y>doch hij zal zich onthouden mede 
Ttdeel te nemen aan de deliberatie van de Gemeente-hesturen 
i^over de huishouddijke helangen hunner Gemeente , noch 
i^zich in de administratie van dezelve mogen inmisceeren,*^ 

Dit reglement houdt dus in , niet eene volledige scheiding 
tusschen de rechterlijke en de administratieve macht , maar 
althans de kiem van dit beginsel van staatsrecht! 

Laat ons op den werkkring van den Drost nogkortelijk 
een blik slaan. 

Priesland werd verdeeld în veertien Drostambten ; elk 
omvatte twee of meer Gemeenten ; alleen Leeuwarden en 
Ameland waren ieder op zich zelv' een Drostambt. 

Het Gerecht in elke Gemeente bestond uit de leden van 
het Gemeentebestuur benevens den Drost (van het Drost- 
ambt waartoe de Gemeente behoorde) als Fresident. De 
Gemeente-Secretaris moest bij het Gerecht in zijne Gemeente 
den Drost adsisteeren als Griffier. 

De Drost werd benoemd door het Departementaal be- 

(3) Zie: Verz. placc. deel VI, pag. 303 vlg. 



388 OVERZICHT VAN DE INRICHTINO EN DE BEVOEODHEID 

stuur, uit een door het Departementaal Gerechtshof opge- 
maakt drietal. 

Hîj moest in het algemeen zorg dragen voor de handha- 
ving van het recht binnen zijn ambtsgebied. Inzonderheid 
was hem opgedragen , te waken voor de belangen van min- 
derjarigen en van publieke corpora. Rechtschennis zooveel 
mogelijk te voorkomen, was een zijner eerste plichten. 

Door middel der op de verschillende plaatsen van het 
Drostambt wonende Gerechtsdienaren moest hij zich voort- 
durend nauwkeuiig op de hoogte houden van alles, wat 
hem als Drost aanging. 

Werd er een misdaad ontdekt, dan moest hij door'mid- 
del van voorloopige informatiën, verhooren enz., de zaak 
instrueeren. 

Op de zitting van het Gerecht moest een door hemaan- 
gesteld advocaat of procureur namens hem ]>de noodige 
rechtsvordering doen." 

Verder behoorde tot den werkkring van Drost en Gérechtey 
behalve de eigenlijke rechtspraak , de behandeling van fa- 
milie- en boedelzaken , alsmede de uitoefening van het po- 
litie-recht; tot dit laatste werd ook gebracht het vaststellen 
en uitvaardigen van politie-reglementen. (1) 

De Drost was dus het immer wakend oog des rechts in 
de tot zijn Drostambt behoorende Gemeenten. 



(1) Zie : Het Rcglement op do aanstelling van Drosten van 1 Oc- 
tober 1802, de desbetreffende nadcre bepalingen van 8 Febniari 1804. 
(Verz. placc. decl VI , pag. 303 vlg. en deel Vll pag. 209 vlg. en 
dc Instructie voor de Drostcn , wat het Justitiëele aangaat , van 18 
November 1802 (voorhanden op 't Oud-archief in Friesland , no. 22 
eener collectie Publicatiën en Rcglementen 18(X) — 1805) — alsmede 
het besluit van het Departementaal bestuur van 9 November 1802, 
ten achtsten f (Verz. placc. deol VI) pag. 311 tI^). 



DER PLAATSELIJKE BESTUREN IN FRIESLAND SEDÊRT 1795 389 

Zoo scheen men dan eindelijk na herhaalde slingeringen 
op den beteren weg gekomen. Zelfregeering was nu het 
hoofdbeginsel der Gemeentehuishoudingen , volkskeuze de 
grondslag harer besturen , terwijl de kiem van scheiding 
tusschen justitie en administratie was gelegd ! 

Toch zoude ook deze toestand geen langen tijd geheel 
onveranderd blijven. 

'Er was uit Frankrijk een andere wind, dan omstreeks 
1795, over ons land komen waaien. Een monarchale zin , 
zich openbarende in Napoleontische sympathiën , liet in ons 
yaderland zijn invloed gelden. 

De gevolgen hiervan bleven niet uit. De Staatsregeling 
van 1801 — de laatste wier jaar van vaststelling nog als 
een y>jaar der Bataafsche vrijheid'* wordt genoemd! (1) — 
moest weldra plaats maken voor eene nieuwe met andere 
beginselen , eene die in aard en strekking de overgang was 
van den republikeinschen tot den monarchalen regeerings- 
vorm. 

Zoo kwam in 1805 de derde Staatsregeling tot stand. 
De bekwame Rittger Jan Schimmelpenninck trad daarbij , 
met den titel van Raadpensionaris , op als hoofd der uitvoe- 
rende macht en was met vorstelijk gezag bekleed. 

Meer concentratie van macht bij de hooge regeering was 
hiervan het natuurlijk gevolg. Ook bij de nieuwe organi- 
satie der Gemeentebesturen was dit wel eenigszins merkbaar. 
Hunne autonomie bleef intusschen, behoudens hooger toe- 
zicht, volkomen gehandhaafd. (2) 

In afwachting der herziening van het Gemeente-recht 



(1) Zie de proclamatie der afkondiging van de Staatsregeling van 
1801 , in de Verz. plaec. deel VI , pag. l en 2. 

(2) Zie artt. 66—68 der Staatsregeling 1803. 

25 



390 OVBRZICHT VAN DE INRIGHTING EN DE BEVOEaDHEID 

zouden de plaatselijke besturen voorloopig op den bestaan- 
den voet blijven ingericht. (1) 

De nieuwe inrichting der Gemeentebesturen was in hoofd- 
zaak dezelfde als onder de vorige Staatsregeling. Naast 
de eigenlijke Gemeentébesturen stonden de bekende coUegies 
van Gecommitteerden y ieder met de hun eigen bevoegd- 
heden. Ook het onder de vorige Staatsregeling in de Qe- 
meenten ontloken beginsel scheiding van administratie en 
jxistüie bleef van kracht. 

Een blik in de organieke reglementen moge dit een en 
ander nader doen bbjken. 

Twee reglementen komen hiervoor in aanmerking : 

1°. het Reglement lioudende algemeene hepcdingen voar 
de Gemeentehesturen hinnen de Bataafsche republiekf vast- 
gesteld bij de wet van 20 December 1805 (2), — hoofd- 
zakelijk strekkende tot regeling van de bevoegdheid der 
Gemeentebesturen ; 

2°. het Reglement voor de Drosten , Mederechters en 
Sdiepenen in Frieslandy vastgesteld bij Staatsbesluit van 
den Raadpensionaris van 24 Februari 1806 (3). 

Bij dit laatste was de huishoitddijke administraiie met de 
politie , in de plattelands-gemeenten en de steden Stavoren , 
IJlst, liindeloopen en Sloten aan Brost en Gemeentebestuur — 
en in de overige steden aan het Gemeentehestuur opge- . 
dragen , terwijl met de justitie , in eerstbedoelde Gemeenten 
en Steden, Drost en Gerechte — en in de overige steden 
de Schepenen waren belast. Eene nieuwe verdeeling der 
Provincie in Drost-ambten j waarin (met afwgking van het 



(1) Zie ftrt 15 yan het Algemeen reglemeni voor de Departementak 
besturen van 19 Juli 1805. Verz. placc. deel VIII pag. 84 ylg. 

(2) Zie : Verz. placc deel IX , pag. 146 vlg. 

(3) Zie î Verz. placc. deel IX , pag. 484. 



DER PLAATSELIJKE BESTUREN IN FRIESLAND 8EDERT 1795. 391 

Reglement van 1 October 1802 , verz. placc. deel VI , 
pag. 303 vlg.) alleen de vier bovengenoemde steden waren 
opgenomen, ging hiermede gepaard. 

Yolgens art. 1 van het sub l^ genoemd reglement kon 
(in overeenstemming met art. 66 der Staatsregeling) elke 
Gemeente haar eigen bestuur, behoudens goedkéuring van 
het Departementaal bestuur, inrichten op zoodanigen voet 
als met de plaatselijke omstandigheden het meest overeen- 
kwam , mits j>gegrond op het heginsd van Vdhskeuze en 
van eene geregelde afwisseling,** 

Dientengevolge waren omstreeks het midden van 1806 
alle plattelands en stedelijke gemeenten voorzien van eigen 
reglementen van bestuur. (1) Dezen, meer de samenstelling 
dan de bevoegdheid der besturen betreflfende , hebben niet 
alleen onderling maar ook met de soortgelijke reglementen 
van 1804 zeer veel overeenkomst. In de plattelands-ge- 
meenten en in de steden Stavoren , IJlst , Hindeloopen en 
Sioten was de Drost president van het Gemeentebestuur en 
had daarbij tevens j^eene adviseerende en concludeerende 
stem." (2) In de overige steden werd de Voorzitters-stoel 
bij de Gemeentebesturen ongetwijfeld door een der leden 
ingenomen. Wel was het lidmaatschap van hetGemeente- 
bestuur vereenigbaar met dat van het Gerecht of van de 
Schepenbank , doch de Gemeentebesturen mochten in geen 
geyal eenigen invloed uitoefenen op de rechterlijke macht. (3) 

Laat ons thans op enkele beginselen van het Beglement 



(1) Zie resolutiën yan het Departementaal bestuur , dd. 10 , 28 , 
29 Juli en 4 Au^stus 1806. 

(2) Art 12 van het Reglement voor de Drosten enz. (Verz. placc. 
deel IX, pag. 484.) 

(3) Zie artt 28 en 50 van het Reglement voor de Drosten enz. 
(Verz. placc, deel IX, pag. 484) en art. 3 van het Reglement voor 
de Gem. besturen. (Verz, placc. deel IX, pag. 146). 



392 OVERZICHT VAN DE INRICHTINÖ EN DE BEVOEODHEID 

voor de Gemeentebesturen , van 20 December 1 805 , nader 
onze aandacht vestigen. Wij zuUen daarin eene merkwaar- 
dige overeenkomst aantreffen met beginselen ook gehuldigd 
in onze tegenwoordige Gemeentewet. 

Een dezer, de wetgevende macht der Gemeentebesturen 
betreffende , is vervat in art. 11 , luidende : 

»De Gemeentebesturen zijn bevoegd plaatselijke reglemen- 
}i>ten vast te stellen , mits niet aanloopende tegen de Staats- 
]»regeling en algemeene landswetten of strijdig met het al- 
Dgemeen belang van het Gemeenebest." 

Een ander — en hieruit blijkt de meerdere concentratie 
van macht bij de hooge regeering — is dat, waardoor de 
heffing der plaatsdijke helastingen werd beheerscht. 

Dezen mochten niet worden geheven dan volgens plaat- 
selijke reglementen , door de Gemeentebesturen met de G^ 
committeerden vastgesteld en op advies van het Departe- 
mentaal bestuur door den Raadspensionaris geapprobeerd. 

Behoefden dergelijke reglementen onder de Staatsregeling 
van 1801 de goedkeuring van het Departementaal bestaor , 
onder de Staatsregeling van 1805 werd daarop, evenals in 
onze tijd , de bekrachtiging vereischt door het hoofd van 
den staat. 

Doch ook uit anderen hoofde nog verdienen de plaatse- 
lijke belastingen van dien tijd onze aandacht. 

De Begeering wenschte , — naast de invoering van al- 
gemeene landsbelastingen — aan de eindelooze veraoheiden- 
heid der plaatselijke heflingen een einde gemaakt — en meer 
eenheid en gelijkvormigheid daarvoor in de plaats gebracht 
te hebben. Ook moest elke belasting-heffing behoorlyk 
gemotiveerd zijn en instemming vinden bg de Geeommit- 
teerden. Aan dezen moest het Gemeentebestaur behalve 
het ontwerp der heffing een staat overleggen zoowel van 



OER PLAATSELIJKE BESTUREN IN FRIESLAND SEDERT 1795. 393 

de bezittingeii en schulden , als yan de inkomsten en uitga- 
ven der Gemeente, beneveiS eene begrooting harer toe- 
komstige behoeften. Dit een en ander moest strekken tot 
toelichting en grondslag van de voorgestelde heffing. 

En welke soort van plaatselijke belastingen konden langs 
dien weg worden geheven? — een jaarlijksche hoofdelijke 
omslag, opcenten op de landsbelastingen , weg-, straat-, 
brug-, kaai-, sluisgelden en dergelijke heffingen, allen toe- 
gestaan onder deze bepaling: tot geen hooger bedrag dan 
noodig is tot dekking der kosten van aanleg en onderhoud 
der betrekkelijke werken. (1) 

Zoo werd de huishouddijke administratie meer door vaste 
regelen beheerscht en de handhaving van het financiëel 
evenwicht behoorlijk gewaarborgd. 

De lagere rechtsmacht in de Gemeenten (het rechtsgebied 
der voormalige Nedergerechten) werd, gelijk wij reedsdeden 
opmerken, bij het boven sub 2^ aangehaald Beglement 
voor de Drosten, Mederechters en Schepenen, nader gë- 
organiseerd. 

In elk van Frieslands 15 Drostambten (bevattende de 
plattelandsgemeenten en steden Stavoren , IJlst , Hînde- 
loopen en Sloten) berustte deze lagere rechtsmacht bij 
Drost en Gerecht (artt. 1 en 2 van 'tReglement). Deze 
rechtbank bestond behalve uit den door den Raadpensio- 
naris benoemden Drost als president, (artt. 6 en 12), uit 
vier, door het Departementaal bestuur uit de ingezetenen 
der tot het Drostambt behoorende Gemeenten gekozen, 
Mederechters, (artt. 26 en 27). 



(1) Vgl: art. 67 der Staat8regeling en artt. 12, 13, 15, 18, 19, 
27 9 36 , 37 en 38 van het Reglement. (Verz. place. deel IX , pag. 
146 vlg.) 



394 OVKRZIOHT YAN DE INRICHTING EN DE BEVOEGDHEIO 

In zake politie hadden de Drosten te zorgen yoor rioh- 
tige toepassing der wetten , ftglementen en keuren en waren 
zij tevens bevoegd, geringe overtredingen dadelijk af te 
doen; wat de justitie betrof, hadden zij zich te gedragen 
naar de orders van het Departementaal Gerechtshof ennaar 
hunne boven aangehaalde instructie van 18 Novemberl802 
(artt. 8 en 11). 

Eene dergelijke rechtsmacht als in de Drostambten, werd 
in de steden Leeuwarden , Harlingen , Sneek , Bdsward , 
Franeker , Dockum en Workum uitgeoefend door Schepenen, 
die door het Departementaal bestuur werden benoemd (art. 
46—49). 

Wel konden de leden van het Gemeentebestuur tot Afe- 
derechters en Scliepenen worden benoemd , doch zg bekleed- 
den niet meer als vroeger van rechtswege deze administra- 
tieve en rechterlijke betrekkingen tegelijk. De Drost daar- 
entegen trad nu ambtshalve in die dubbele qualiteit op. 

Onder zijn presidium en met zijne medewerking werden 
de besluiten genomen van y>Ih'ost en Gemeentebesluur'' ; en 
hij was het , die de vierschaar spande van i^Drost en Gerecht'\ 
ter behandeling der binnen zijn Drostambt voorkomende 
rechtszaken. In de bovengenoemde groote steden hadden 
voor het administratief beheer de Gemeentébesturen — , 
voor de lagere justitie de Schepenen , elk onder zijn eigen 
president , zorg te dragen. 

Scheiding tusschen administratie en justitie bleef dus onder 
de Staatsregeling van 1805, zij 'took in eenigszins anderen 
vorm als onder die van 1801 , gehandhaafd. 

Het Qemeenterecht in Friesland had nu zijn hoogste 
punt van ontwikkeling bereikt. 



OER PLAATSELUKE 6ESTUREN IN FRIESLAND SEDERT 1795. 395 

De geest des tijds , die machtige factor der geschiedenis , 
ook op staatsrechterlijk terrein , gunde , gelijk te vreezen was, 
aan de voormelde organieke reglementen geen lang leven. 

Intusschen zaten de Gemeentebesturen niet stil, en heb- 
ben zij o. a. tal van reglementen tot hefling van plaatse- 
lijke belastingen ingediend bij het Departementaal bestuur, 
om daarop de goedkeuring der Hooge Regeering te erlan- 
gen , doch — althans voor zooverre mg is gebleken — zijn 
deze reglementen niet aan den Raadspensionaris ter appro- 
batie opgezonden , maar aan den koning , aan den Koning 
van HoUand , Lodewijk Napoleon ! 

Het ligt niet in mijn bestek hier zij 'took slechts een 
deel der historia pditica van ons vaderland in te lasschen. 
Toch meen ik , ter wille van het verband der onderdeelen 
van mijn opstel, er op te moeten wijzen, dat keizer Na- 
poleon er zich thans niet meer mede vergenoegde om, als 
bij de invoering der Staatsregeling van 1805, een zijde- 
lingschen invloed op de inrichting van ons Staatsbestuur uit 
te oefenen. Integendeel, rechtstreeks wist hij door een 
tractaat met de Bataafsche republiek ons volk te dwingen , 
zijnen broeder Lodewijk, als koning van HoIIand te hul- 
digen. (1) 

Onder zoodanige auspiciön beklom Lodewijk zijn troon 
en gaf daarbij zijn koninklijk woord , dat 3!>aIIe de gecon- 
i^stitueerde authoriteiten , hoe genaamd , burgerlijke en mi- 
^litaire, zullen voortgaan hunne functiën waar te nemen, 
»totdat daarin nader of anders zal zijn voorzien." (2) 



(1) Vgl. Wijnne, Geschiedenis van het Vaderland, pag. 330 en 
331. Zie het Tractaat , in de Verzameling van placcaten deel XI , 
pag. 194, vlg. 

(2) Proclamatie des Konings van 5 Juni 1806, Verzam. placcaten 
deel X, pag. 193. 



396 OVERZICHT VAN DE INRICHTING EN DE BEVOEGDHEID 

Had men dus reden beducht te zijn voor den overweldi- 
genden invloed des keizers , de aangehaalde woorden des 
konings daarentegen waren wel geschikt, de geschoktege- 
moederen, voorloopig althans, tot rust en kalmte te brengen. 

En die koninklijke woorden zijn voor de Friesche Ge- 
meenten geen ijdele klank geweest. 

In de inrichting harer besturen werden inderdaad niet 
vele of diep ingrijpende wijzigingen aangebracht. 

Toch moesten zij van hunne zelfstandigheid al spoedig 
iets afstaan aan het centraal gezag. 

De organisatie van het hooger toezicht werd versterkt 
en verscherpt. Ook openbaarde zich in de wetgeving eene 
richting om aan den koning het recht toe te kennen van 
benoeming niet alleen van de hoofden , maar ook van de 
leden der plaatselijke besturen. 

Dit laatste trof echter alleen de groote steden; in de 
kleinen en ten platten lande bleef het bestaande stemrecht 
behouden en bepaalden zich de wijzigingen hoofdzakelijk tot 
eene verandering van titulatuur. 

Laat ons dit kortelijk aanwijzen. 

De inrichting der Departementale- en Gemeentebestoren 
was , ingevolge art. 13 der constitutie voor het koninkrgk, 
geregeld bij de wet. (1) 

Het Departement Vrledand werd daarbij verdeeld in drie 
kwartieren , lleerenveen , Sneek en Leeuwarden. Aan het 
hoofd van het Departement stond een Land-drost, aan dat 
van elk der kwartieren een Drost , ondergeschikt aan den 
Land-drost. 



(1) Zic: dc Wet op het bcstuur der Departemcnten van 13 April 
1807. (Vcrz. placc. dcel X , pag. 48'J vlg.) , en het kon. besluit van 
29 April 1807 , inhoudcnde ccn Regiement op het bestuur der DqHW' 
tementen (voorkomcndc in de , op het oud-arehicf in Friesland , berus- 
tcnde collcctie Reglcmenten enz. 1807 — 1815 , no. 37.) 



DER PLAATSELIJKE BESTUREN IN FRIESLAND SEDERT 1795. 397 

Deze Land-drosten en kwartier-drosten waren geene rech- 
terlijke ambtenaren, gelîjk de Drosten onder de Staatsre- 
gelingen van 1801 en 1805, maar ambtenaren yan de 
administratieve macht. De Land-drost was als 't ware de 
Commissaris des Konings yan den tegenwoordigen tijd , en 
de kwartier-drosten waren zijne adjuncten. Dezenyormden 
de hoofdschakels in den keten , waarmede de Gemeente- 
besturen waren yerbonden aan 'skonings regeering. 

De Gemeenten waren yerdeeld in twee klassen. Tot de 
eerste klasse behoorden de steden yan 5000 of meer in- 
woners ; al de oyerige gemeenten behoorden tot de tweede 
klasse. (1) 

Friesland had slechts drie gemeenten der eerste klasse, 
de steden Leeuwarden, Ilarlingen en Sneek, (2) 

Hier berustte het Bestuur bij een Burgemeester , Wet- 
houders en Vroedschap , — allen door den koning be- 
noemd. (3) 

Stelt men zich den werkkring yan Burgemeester en Wet- 
houders yoor als dien yan 't Gemeentebestuur onder de beide 
yorige Staatsregelingen , en de werkzaamheden der Vroed- 
schap gelijk aan die der Gecommitteerden uit dien tijd , 
dan heeft men zich in hoofdlijnen eene yrij duidehjke schets 
geyormd yan de inrichting der besturen in de Gemeenten 
yan de eerste klasse. 

Voor de organisatie yan het bestuur der Gemeentenyan 



(1) Artt. 32 en 33 der aangehaalde wet van 13 April 1807. 

(2) Kon. besluit van 23 October 1807 y inhoudende een Reglement 
op het bestuur der Gemeenten van de eerste klasse. (Verz. placc. 
deel XI , pag. 90 vlg). 

(3) Artt. 35 en 37 der aangehaalde wet. 



398 OVERZICHT VAN DE INRICHTINQ £N OE BEVOEGOHEID 

de tweede klasse was nog een reglement te waohten. (1) 
Ook is door den Land-drost van Friesland daarvoor een 
concept aan den Minister van B. Z. aangeboden (2), maar 
het organiek reglement schijnt niet tot stand te zijn geko- 
men. De inrichting van de besturen dezer Gemeenten bleef 
ongetwijfeld zooals die was geregeld onder de Staatsrege- 
ling van 1805. (3) 

Slechts de titulatuur werd gewijzigd. De Drost , dien wij 
onder de Staatsregeling van 1805 leerden kennen ak pre- 
sident van 't Gemeentebestuur en van 't Gerecht , die Droet 
zou nu , met behoud van zijn dubbele qualiteit , den titel 
voeren van Baljuw. (4) De titulatuur luidde voortaan: 
Baljuw en Gemeentébestuur of Baljuw en Gerecht, alnaar- 
mate het administratie of justitie betrof. 

De bevoegdtieid der Gemeentebesturen onderging alleen in 
zooverre eenige verandering , dat hunne zelfistandigheid 
eenigermate werd ingekort, — wellicht niet ten nadeele 
der Gemeentenaren. Zoo moest elke politie-verordening , 
inhoudende strafbepalingen van niet meer dan /^50.» boete 
of 3 dagen gevangenisstraf, ter goedkeuring aandenkwar- 
tier-drost worden aangeboden; bij hoogere strafbepalingen 
werd de goedkeuring van den Land-drost vereischt. (5) 
De jaarlijksche Gemeente-begrootingen en -rekeningen be- 



(1) Art. 31 van het boven aangehaald Reglement van 29 April 180/. 

(2) Res. van den Land-drost van 28 November 1807 , no. 22. 

(3) Art. 47 der aangehaalde wet. 

(4) Zie Resol. van dcn Land-drost , dd. 12 October 1807 » no. 3 
en circulairc van het Departementaal Gerechtshof dd.2dOctober 1807. 

(5) Art. 8 der wct van 11 Januari 1808. (VerE. placc. deel XI 
pag. 149 vlg.) 



OER PLAATSELIJKE BESTUREN IN FRIESLAND SEDERT 1795. 399 

hoefden , na door den Ewartier-drost en Land-droet te zijn 
onderzocht, 'sEonings goedkeuring. (1) 

Eindebjk verdient nog te worden opgemerkt, dat het 
voorschrift van art. 51 der (meermalen aangehaalde) wet yan 
13 April 1807 — volgens 'twelk scheiding tusschen ju^i^te 
en administratie , y>in die plaatsen alwaar dezdve totnutoe 
i^is gêcombineerd geweest'\ moest worden tot stand gebracht — 
in Friesland niet meer behoefden te worden toegepast. (2) 

Zoo was in hoofdzaak de organisatie onzer Gemeente- 
huishoudingen gedurende de regeering van koning Lodewîjk. 

Weliswaar beoogde de wet van 20 April 1809 (3) eene 
belangrijke rëorganisatie , meerendeels geschoeid op dezelfde 
leest als het reeds ingevoerd bestuur over de Gemeenten 
van de 1^^^ klas, doch deze rëorganisatie , die bij konink- 
lijke besluiten zouden worden geregeld , kwam (althans in 
Friesland) niet tot uitvoering. (4) 

Zoo bleven dan de inrichting en bevoegdheid der Ge- 
meentebesturen in Friesland , gedurende 's Eonings regee- 
ring , verder onveranderd. 



(1) Art. 45 der Wet van 13 April 1807- (Verz. placc. deel X , 
pag. 482 vlgj. 

(2) In het ,,Reglement op de uitoefeningderjustitie in de Gemeen- 
ten der Iste klas alwaar dezelve tot nu toe met de administratie der 
politie is gecombineerd geweest'' , vastgesteld bij het aangehaald kon. 
besluit van 23 October 1807, (Verz. placc. deel XI , pag. 100 vlg.) 
komt onder de daarbij genoemde steden , dan ook geen naam van een 
stad in Friesland voor. 

(3) Zie Verz. placc. , deel XIII pag. 98 vlg. 

(4) Behalve een kon. besluit van 2 Mei 1809 (Verz. placc. deel 
XIII pag. 152) — dat enkele regelen gaf „6i/ de nieuwe organisatie'' 
ten opzichte van de aanstelling der hoofden en leden van de Gemeen- 
tebesturen en omtrent het bestuur van dorpen , in acht te nemen — 
vond ik in *tarchief van Friesland niets dan een Resolutie van den 
Land-drost dd. 2 November 1809, no. 15, blijkens welke dezehoofd* 
ambtenaar aan den Minister van B. Z. zijn advies had uil^bracht 



400 OTERZICHT YAN OE INRICHTINQ EN DE BEVOEODHEID 

Het Gemeente-recht was gedurende den loop dezer tweede 
periode in Friedand tot eenen niet onbelangrijken trapvan 
ontwikkeling gekomen, — zij 'took dat in de laatste jaren 
eenige réactie merkbaar werd. 

Met de inyoering der Staatsregeling van 1801 werd aan 
de Oemeenten eene plaats als zelfstandige onderdeelen in 
den Staat toegekend. De leden harer besturen werdeh aan* 
gewezen door de Gemeentenaren zelven. Deze besturen 
wareu, behoudens een door het Staatsverband vereischt 
hooger toezicht, in hun beheer gebonden door het huis- 
houdelijk belang der Gemeente , gelijk dit door de organieke 
reglementen was yerzekerd. 

Tijdens de Staatsregeling yan 1805 — ingeyoerd met 
het welbdiagen van Keizer Napöleon! — bleef dieautono- 
mie in de Gemeenten gehandhaafd en werden bovendien het 
financiëel beheer, en inzonderheid het plaatselijk belas- 
tingwezen alsmede de Gemeentelijke comptabiliteit, op deug- 
delijker groudslagen gevestigd. 

Onder de regeering van koning Lodewijk, — denkoning 
bij de gratie van Keizer Napdeon I — behielden de Gemeen- 
tebesturen in hoofdzaak de hun onder de twee vorige Staats- 
regelingen toegekende bevoegdheid ; aan de besturen der 
groote steden werd echter al spoedig de grondslag van 
volkskeuze ontuomen , terwjjl eindelijk bleek , dat ook aan 
de overige gemeenten hetzelfde lot was toegedacht. 



over enkele punten , betrefTende „(ie ophanden zijnde organisatie^' der 
Gemeentebesturen. 

Die organisatie was dus '2 November 1809 nog niet tot stand gekomen. 

Terwijl art. 8 der aangehaalde wet van 20 April 1809 bepaalt, — 
dat in iedere Gemeente een Burgemeester , Wethouders en Vroed- 
schappen moeten zijn y — betitelden zich de plattelands-besturen , 
zelÊi nog op het einde van 1810, (blijkens de in resolutien van den 
Land-drost uit dien tijd voorkomende aanhalingen van ingekomen 
stukken) nog steeds als ^^Baljuw en Gemeentebestmr,'* 



OER PLAATSELUKE BESTUREN IN FRIE8LAND SEDERT 1795. 401 

Weldia zoude blijken, dat aan alle Gemeenten een nog 
erger lot was beschoren. 

Een verpletterende slag hing ons vaderland boven het 
hoofd. Eoning Lodewijk had als zelfstandig vorst ten nutte 
yan zijn volk willen regeeren. Dit deelde de Fransche 
alleenheerscher niet; deze veroorloofde aan het koninkrijk 
Holland slechts in zooverre een eigen bestuur, als hetzich 
als een Fransch wingewest wilde laten behandelen. 

De koning van HoUand , af keerig van zulk een politiek , 
viel bg den keizer in ongenade. 

Openlgk sprak Lodew^k het uit, dat hij zoo ongelukkig 
was geweest zgnen broeder te mishagen en diens vriend- 
schap te hebben verloren. AI zijne pogingen en opoffe- 
ringen om den tegenzin , dien zijn broeder hem toedroeg , 
te overwinnen, waren, zoo betuigde hij, vruchteloos ge- 
weest. 

Daarin , meende de koning , moest de oorzaak worden 
gezocht van den ongelukkigen toestand, waarin het konink- 
rijk verkeerde. 

Dit noopte hem afstand te doen van zîjn' troon , en den 
1 Juli 1810 legde hij den scepter neêr. (1) 



m. ONDERGANG van het MODERN 
GEMEENTE-RECHT. 

(1810—1815). 

3La HoUande est réunie â Vempiré'\ zoo luidde het von- 
nis, den 10 Juli 1810 door Äeizer Napoteon over ons vader- 



(l) Zie de acte van a&tand van 1 Juli 1810, in de Verz. placc 
deel XIV pag. 97. 



402 OVERZICHT VAN DE INRICHTING EN DE BEVOEGDHEID 

land uitgesproken , en door den Hertog de Pîaisance als 
algemeen stedehouder des keizers uit te voeren. (1) 

Nederîand was uit de rij der volkeren gedelgd. De 
staatkundige vrijheid — in 1795 tegen zware geldelijke 
offers van de Frauschen gekocht ! — werd thans door den 
keizer dier Franschen ten eenenmale vemietigd. 

Het Fransch régime van de imperator zou nu ons natio- 
naal staatsrecht vervangen en een gouvemement personnd 
de plaats innemen van het tot nu toe bestaand gouveme- 
ment répresentatif. 

Evenals in de overige gewesten van ons vaderland , stond 
aan het hoofd van het bestuur over het departement Fries- 
land een Prefect, onder wiens bevelen in de arrondisse- 
menten Sneék en Heerenveen onder-prefecten dienst deden. 
De 32 Friesche plattelands-gemeenten werden versnipperd 
în 80 mairien (2) over ieder van welke, evenals over de 
11 steden een maire met zijne adjuncten het bestuur had. 

Geen spoor van een stelsel van vertegenwoordiging was 
in de inrichting dezer besturen te vinden. 

Yolgens de hier te lande executoir verklaarde Fransohe 
wetten en keizerlijke decreten berustte het eigenlijk bestuur 
(evenals in de Departementen uitsluitend bij den Prefect) 
in de gemeenten uitsluitend bij den Maire en diens ad- 
juncten. (3) 



(1) Zie Keizerlijk decreet van 10 Juli 1810, art 125. (Yerx 
placc. XIV, pag. 111). 

(2) Hiermede ging gepaard eene Terdeeling der Gemeente-archieTeii, 
in dier voege dat elke mairie zooveel mogelijk de itukken kreeg tot 
de respectieve mairies betrekkelijk. (Zie Resol. van den Prefect, dd« 
18 December 1811 , no. 19 , sub 4). 

(3) Zie artt. 3 en 13 der wet van 17 Februari 1800 en art. 5 van 
Decret imperial van 4 Juni 1806. (Rondonneau: Collection dea loit 
francaises constitutionnelles etc. , declarés par lea decreti de 8 Novem* 



DER PLAATSELIJKE BE8TÜREN IN FRIESLAND SEDERT 1795. 403 

Wel bestond — gelijk in ieder Departement naast den 
Prefect een canseH de préfectuur — ook in ieder stad en 
in elke i^mairie", hoe klein ook, naast den Maire een 
doort yan Gemeenteraad , bekend onder den naam van "pcon- 
seil 7iiiunicipaV\ doch deze miste ten eenenmale het karak- 
ter van een vertegenwoordigend lichaam ; immers zijne 
leden waren in de grootere steden (Leeuwarden, Harlingen, 
en Sneek) benoémd door den keizer (1) en in de kleinere 
en de mairien door den Prefect. (2) Bovendien had dit 
lichaam , dat in den regel slechts éénmaal 's jaars verga- 
derde, in zake van Gemeentelijk bestuur eigenlijk geene 
andere bevoegdheid dan die tot het uitbrengen eener ad- 
viseerende stem. (3) 

Inderdaad het Qemeentebestuur was geworden een gou- 
vemement personnel van den Maire. 

Toch blonk in de Gemeente ook een enkele straal van voor- 
uitgang. Waren zij op cw:?minis^m^ie/'gebiedzoo sterkmoge- 
Igk achteruitgegaan, op dat deTjustitie werden zij door des kei- 
zers regeering eene groote schrede vooruit gebracht. Het be- 



bre 1810, 6 Jan. , 4 cu 19 Avril 1811 , exécutoires dans les Depar- 
tement de la Hollande , et autres rëunis â la France depuis 1810, 
Tome II , pag. 145 vlg. en 224 vlg.) 

(1) Zie Resol. van den Prefect van 13 Juni 1811 , no. 3. 

(2) Zie ResoL van den Prefect van 5 Juli 1811 , no. 5 en 18 De- 
cember 1811 , no. 19. 

(3) Zie art. 15 der boven aangehaalde wet van 17 Februari 1800 , 
waarvan Toor Friesland nog van eenig belang kan worden geacht te 
wezen de 7de alinea , luidende : „11" (le conseil municipal) „reglera 
„1a repartition des travaux nécessaires â l' entretien et aux reparti- 
lytions des propriétés , qui sont k la charge des habitans." 

Dit onderwerp, alsmede „le partage des affouages, patures, recoltes 
^et fruits communs'*, mocht de conseil muncipal regelen; overigens 
mocht hij slechts hooren^ debatteeren en délibereeren. 



404 OVERZICHT VAN DE INRICHTING EN DE BEVOEGDHEID 

ginsel scheiding van administratie en justitie , ofechoon reeds 
onder de Staatsregelingen van 1801 en 1805 gedeeltelijk 
in toepassing gebracht, werd eerst nu, ook in eerster in- 
stantie , een fait accompli. Baljuw en Gerecht maakten nu 
plaats voor een geheel zelfstandig Vredegerecht. (1) 

Overigens viel Friesland een groot voorrecht ten deel , 
doordien aan het hoofd des bestuurs van dit Departement 
werd geplaatst een man als Jan C^jsbert Verstolk, die aan 
trouwe plichtsbetrachting eene groote mate van humaniteit 
paarde en die den druk der strenge wetten en bevelen niet 
zelden door een milde toepassing wist te verzachten. (2) 



Zoo leefde men hier onder dit Fransch régime drie jaren 
voort, totdat in November van het jaar 1813 demarevan 
den slag bij Leipzig (18 October 1813) ook tot Friesland 
doordrong. 

Als eene koortsachtige rilling vloog die tijding door de 
leden van hier fungeerend Fransch ambtenaars-personeel , 
en in ijlende vaart vloden zij teu lande uit 

Onder den machtigen invloed van deze gebeurtenissen 
was het , dat de prefect VerstcHk , in den vroegen morgen 
(4 uur) van 18 November 1813 dit merkwaardig beduit 
nam: 



(1) Zic artt. 53 vlg. van het Algemecn Reglement ter organintie 
der Departementen van Holland , van 18 October 1810. (Ven. placc. 
deel XIV , pag. 137 vlg. 

De wet op de rcchterl\jke instellingen en rechtspleging in het Ko- 
ninkrijk Hollan^ van Lodewijh Napoleon , dd, 14 Juli 1809, no. 42, 
schijnt hier (zie de Pinto , Wet op de rechterlyke organiaatie , 1844 , 
pag. 3) nooit in werking te zijn gebracht; intusachen gold het kon* 
besluit van 20 Sept. 1809 en de Wet van 21 Febr. 1810. (Ven. pUcc.' 
deel Xlll , pag. 416 vlg. en deel XIV pag. 3 vlg). 

(2) Vlg. Ëekhoff , Friesland in 1818 , pag. 44-*47. 



DER PLAATSELUKE BESTUREN IN FRIESLAND SEDERT 1795. 405 

»De Rijksbaron , Ridder van het legioen van Eer , Pre- 
fect van het Departement Yriesland , 

Overwogen hebbende de omstandigheden waarin zich het 
Departement bevindt, 

Besl ui t : 
Art. 1. De uitoefening van deszelfs functiën als Prefect 
van Yriesland, te beschouwen als vervallen. 

Art. 2. De Raa^ van préfecture hiervan te informeren.^' 

De leden van dezen Raad (//. van Sminia, P. Foniein, 
J, J. Bergsma en /. P. van HijlckamaJ namen nu de teugels 
van het bewind in handen en droegen hun' coUega Hector 
van Sminia de waarneming op der functiën vanPrefect. (1) 

Hiermede was voorloopig de eerste stap gedaan tot hand- 
having der orde in het bestuur ; weldra zoude van hooger 
hand nader hierin worden voorzien. 

Het Algemeen hestuur der Vereenigde Nederlanden be- 
noemde den 2 December 1813, in naam van Zijne Hoog- 
heid den Prins van Oranje , (den vorigen dag te Anîsterdam 
door het volk als souverein vorst uitgeroepen) Ennius Berg- 
sma en Hector van Sminia tot Commissarüsen'Generaal 
over Friedand en belastte hen provisioneel met hetbestuur 
over dit Departement. (2) Den 7 December aanvaardden 
zg hunne taak. (3) 

Erachtig openbaarden zich in die dagen de geest der her- 
leving van de nationaliteit en de aloude gehechtheid aan 
het Huis van Oranje. Er heerschte eene feestvreugde, niet 
minder opgewekt dan in 1795. De dag van lODecember 



(1) Zie: de Proclamatie van 25 November 1813. Eekhoff, Fries- 
land in 1813, pag. 130. 

(2) Zie: Bekhof, Friesland in 1813, pag. 93. 

(3) Zie: Resolutie der Commissarissen-Geueraai van 7 December 
1813 , no. 1810«. 

26 



406 OYËRZICHT VAN DE INRICHTING EN DE BEVOEaDHEID 

1813 , waarop te Leeuwarden aan het yolk , onder 't hijschen 
der Oranjevlag , mededeelmg werd gedaan van den grooten 
onunekeer van zaken, was een algemeene jubeldag. (1) 

Intusschen verloor men het algemeen belang niet uit 
het oog. Ook aan het bestuur der gemeenten zou de noo- 
dige zorg worden gewijd. 

Yolgens art. 4 der Instructie voor de Commissarissen- 
Generaal moesten dezen de Maires c. s. in Friesland doen 
vervangen door provisionde regeeringen , saâmgesteld uit de 
braafste en meest gegoede ingezetenen, zonder onderscheid 
van politieke denkwijze of godsdienstige gezindheid. 

Dientengevolge werden de maires en adjunct-maires overal, 
en in de steden tevens de municipale raden, onder dank- 
betuiging voor hunne bewezen diensten , Dop de meest ho- 
norable wijze" uit hunne betrekkingen ontslagen. Inhunne 
plaats werden in de steden collegies van Burgemeesteren 
en Vroedscfiap in het leven geroepen , terwijl ten piatten 
lande aan het hoofd van elke Qemeente een Schout werd 
aangesteld , naast wien de leden van den municipalen raad 
voorloopig als leden van den Raad der Gemeente werden 
gecontinuëerd. (2) 

Ingrijpende wijzigingen kwamen nog niet dadelijk tot 
stand. Meerendeels andere personen met nieuwe titels kwa- 
men aan 't roer , doch de inrichting en de bevoegdheid der 
Gemeentebesturen onderging vooralsnog geene verandering. 
De administratieve macht, volgens het Fransch régime beros- 
tende bij den Maire en diens adjuncten, wbs nu in deste- 
den bij het collegie van Burgemeesteren en in de platte- 
lands-gemeenten bij den Schout , terwijl de adviseerende 



(1) Zie: Eekhoff, Friesland in 1813 , pag. 93 en 94. 

(2) 't Gevolg hiervan was , dat het platteland tot op het einde van 
1815 nog in 80 Gcmeenten verdoeld blcef. 



DER PLAATSELUKE BESTUREN IN FRIESLAND SEDERT 1795. 407 

stem van den conseü municipal in de steden was overge- 
gaan bg de Vroedschap en ten platten lande bij den Raad 
der Gemeente. (1) 

De Fransche ambten hadden Hollandsche benamingen ver- 
kr^n; de inrichting en bevoegdheid der Qemeentebestu- 
ren was echter nog geheel fransch. 

Vijf jaren ruim waren onze Qemeenten bestuurd volgens 
het fransch régime , keizerlijke discreten en arretés. Ons 
modem Qemeente-recht der vorige periode , dat de klem 
van het bestuur had gelegd in de handen der Qemeente- 
naren zelve , was geheel ten onder gegaan in het gouver- 
nement personnel des vertegenwoordigers van het centraal 
gezag. 



IV. DE RESTAURATIE. 

(1815—1851). 

Een andere tijd was aangebroken. Nederland zou zich , 
na de herleving van zijn zelfistandig volksbestaan , weer in 
bet genot van een eigen staatsrecht verheugen. 

Reeds waren, onder de Qrondwet van 1814 , in Pries- 
land eene provinciale vertegenwoordiging en een collegie 
van Qedeputeerde Staten in het leven geroepen. (2) In 
het jaar 1815 maakte de organisatie der Qemeentebesturen 
een onderwerp uit van eene uitvoerige correspondentie tus- 



(1) Zie: de resoluties van de Cominissarissen-Generaal van 28 De- 
cember 1813, no. 1879 en van 18 Januari 1814, no. 27. 

(2) Zie: Notulen der Steden 1814 , pag. 1 en Resolutie-boek vau 
Qed. Staten, October — December, pag. 1, 



408 OVERZICHT VAN DE INRICHTING EN DE BEVOEGDHEID 

schen 'sEonings regeering en het Provmciaal bestuur. (1) 
De invoering van twee reglementen was hiervan het resul- 
taat. Dientengevolge werden de regeeringen van Burge- 
meesteren en Vroedschap in de steden en van Schout en 
Raad der Gemeente ten platten lande vervangen door be- 
sturen aangesteld volgens een Reglement voor de Steden 
(vastgesteld bij kon. besluit van 5 November 1815, no. 60, 
en ingevoerd in het begin van 1816) en een voor de Chie' 
tenijen (vastgesteld bij kon. besluit van 17 December 1815, 
no. 5 en ingevoerd 1 October 1816). 

Was het eerst genoemd reglement afkomstig uit 's Hage, 
het andere was eene vrucht van Frieschen bodem. Dit 
was ontworpen door eene commissie , samengesteld uit de 
schouten der gemeenten : Anjum , Temaard, Wirdum, Ak" 
krum , Buitenpost en Bergum , leden der Gemeenteraden 
van Witmarsum , Nijland, Mimiertsgaj Knijpe en Oosterend^ 
de Vrederechters te Lemmei* en te Hallum , — gepresideerd 
door den Gouvemeur yEbinga van Humalda en geadsisteerd 
door den heer D. Suringar , te Leeuwarden, als Secretaris. 
De Staten der Provincie hechtten aan dit ontwerp hunne 
goedkeuring onder besluit, dat het den Eoning ter vaatstel- 
ling zou worden aangeboden (2) , waarvan 's Eonings be- 
sluit van 17 December 1815, no. 5, het gewenschte ge- 
volg was. 

Bij inzage dezer reglementen valt al dadelijk in het oog. 



(1) Zie: (bctr. 'tbestuur der Steden) Rcsol. van Ged. Staten yan: 
28 Maart 1815, no. l ; 17 Mei 1815 , no. 12; 6 Juni 1815, no. 2; 
19 Juni 1815, no. 2 ; 4 Juli 1815, no. 1; 11 December 1815, no. 4; 
23 December 1815 , no. 4 ; en (betr. 't bestuur der Grieten^en) Resol. 
van Ged. Staten van: 20 Maart 1815, no. 3; 8 Mei 1815, no. 4 ; 
27 Mei 1815, no. 6; 26 Juni 1815, no. 11; 3 Januari 1816, no. 1; 
2 September 1816 , no. 24 ; 2 Soptember 1816 , no. 25. 

(2) Zie : Statenbesluit van 3 Juli 1815 , no, 2. 



DER PLAATSELIJKE BESTUREN IN FRIESLAND SEDERT 1795. 409 

dat daarbij eene , op een voor Friesland althans nieuw be- 
ginsel gebaseerde , inrichting yan bestuur , uit tweeërlei col- 
legies bestaande , werd ingevoerd : een Raad in steden en 
grietenijen beide en tevens in de steden een coUegie van 
Burgemeesteren en in de grietenijen een van Grietman en 
Assessore7î] bovendien bevatte het reglement voor de Grie- 
tenijen nog een afzonderlijk hoofdstuk van den Gtnetman. 

Bij eene nadere beschouwing van deze reglementaire be- 
palingen blijkt n.l. , dat daarin, voor 't eerst in het Friesch 
Qemeenterecht, het beginsel scheiding tusschen wetgevende en 
uitvoerende macht wordt gehuldigd. 

Deze twee machten berustten tgt nu toe bij ééncollegie, 
het Gemeentebestuur. Wel ontmoetten wij , tijdens de 
staatsregelingen van 1801 tot 1805 , naast het Gemeente- 
hestuur nog een collegie van Gecommitteerden ^ doch dezen 
dienden slechts tot versterking der wetgevende macht van 
de Qemeentebesturen , bij 't nemen van besluiten van finan- 
ciëelen aard , als die tot het maken van belasting-verorde- 
ningen , het aangaan van geldleeningen en dergelijke. 

Thans werd alles , wat behoorde tot 't geen men noemt 
de wetgevende macht in de Gemeente , als : verordenin- 
gen , belastingen , begrootingen , leeningen enz. , gebracht 
onder bevoegdheid van den Raad (1), — terwijl de uit- 
voering van 's Raads besluiten , wetten en besluiten van 
hoogere staatsmachten , in één woord, de uitvoerende macht 
was opgedragen in de steden aan ^tcollegie van Burge- 
meesteren en in de Grietenijen ôf aan dat van Qrietman 
en Assessoren , ôf aan den Grretman. (2) 

(1) Zie: Reglcment voor de Steden , o. a. artt. 10, 16, 17. 28, 
29 ; voor dc Grietenijen o.a, artt. 38 , 40 , 42 , 43 , 45 , 46 , 47. 

(2) Zie : Reglement voor de Steden , o. a. artt. 54 , 55 , 58 , 60 , 
67 ; voor de Grietenijen o. a. artt. 23 en 24 , benevens artt. 14 , 15 , 
16, 17, 19. 



410 OVERZICHT YAN DE INRICHTINO EN OE BEYOEGinEID 

Naast dit punt van overeenkoiiist tiuBchen deze twee 
r^lementen treft men daariny inzonderhdd wat de iniich- 
ting yan het bestaor aangaat, ook menig pant Tan ver- 
Bchil aan. 

In de steden bestond het bestnur nit een Baad en een col- 
lege yan Borgemeesteren ; Hledental dezer bestnnrHlichamen 
was niet in alle steden hetzelfde. De raadsleden werden 
gekozen voor hun leven door kiescoll^^es uit >de yroedste 
en gegoedste ingezetenen/' (1) Bnrgemeesteren werden be- 
noemd door den Eoning uit eene nominatie van drie ledenf 
door den Baad uit zijn midden aan te wgzen ; jaarlgks 
trad een hunner af. £en der Burgemeesteren was brarte- 
lings president der stads-regeering. (2) 

Bernstte . gelijk wij boven opmerkten , de wetgeTOide 
macht bij den Baad en de uitvoerende bij Bnigemeesteren , 
toch stelle men zich de grens tusschen deze bevo^dhedmi 
niet onberispelijk scherp getrokken voor. Ook meene men 
niet, dat de Gemeentenaren beducht behoefden te wezen 
voor mogelijke stagnatie in den dienst, ten gevolge van over- 
dreven vrees voor machtsoverschrijding bg de respeetieve 
machten onderling in de Gemeenten. 

De Raad had zgue vaste , meestal periodieke , werkzaam- 
heden. De voomaamste hiervan waren: het vaststellen 
der begrootingen en rekeningen , het maken van plaatselgke 
verordeningen (die niet mochtenstrijdenmet wet ofalgemeen 
belang en in afschrift aan de Staten moesten worden me- 
degedeeld), het benoemen van den Secretaris en den Qnt- 
vanger, het besluiten tot vérvreemding en verpanding van 



(1) Zie : Reglement , artt 2 , 70 en 7h 

(2) Zie: Reglement, artt 43—46. 



DER PLAATSELIJKE BESTUREN IN FRIESLAND SEDERT 1795. 411 

stadsgoederen , het aangaan van geldleeningen enz. (1) 
Wat buiten 'sRaads werkkring viel, behoorde tot het 
gebied van het dagelijksch bestuur van Burgemeesteren, 
'twelk, behalve over policie, financiën, burgerlijkenstand, 
toezicht , enz. , zich uitstrekte i>in het generaal over alles 
>hetgeen bîj dit Reglement niet afzonderlijk aan den Raad 
>Î8 opgedragen en toegekend.'^ (2) 

Grdbter dan in de steden was de verandering ten platten 
lande, door de invoering van het nieuwe reglement van 17 
December 1815 te weeg gebracht. Hier werden de Grie- 
tenijen van vroeger weer hersteld (3) en een Grietman 
voerde daarin weer het bewind. 

Minder democratisch dan in de steden was hier het be- 
stuur ingericht. Wel was ook in elke Grietenij een Grie- 
tenye-Raad, maar zijne leden werden aangesteld door Ge- 
deputeerde Staten , zij 't ook uit eene nominatie van drie 
perspnen voor elk lid , door de stemgerechtigde burgers uit 
>de vroedste en gegoedste ingezetenen'* der Grietenij opge- 
maakt. (4) Ook was in elke Grietenij een college van 
Grietman en Assessoren , doch de Assessoren werden zonder 
eenige tusschenkomst van ingezetenen of Raad door Gede- 
deputeerde Staten gekozen uit de raadsleden, terwijl de 



(1) Zie: Reglemcnt, artt. 10, 17, 18, 21,29, in verband met 
de voorschriften betreffende de begrootingen , plaatselijke belastingen 
en rekeningen, vervat en bedoeld in artt. 156 — 159 der Grondwet 
van 1815. 

(2) Zie: Reglement , artt. 54 — 57, 61 — 65. 

(3) De Grietenij-archieven , met het in 't leven roepen der 80 
Mairiën , onder dezen verdeeld , moesten nu , voor zooverre mogelijk , 
naar hunne oorspronkelijke plaatsen van herkomst worden terugge- 
bracht. (Res. Ged. Staten 2 September 1816 , no. 24.) 

(4) Zie: 'tReglement voor de Grietenijen , artt. 1 en 2. 



412 OVERZICHT YAN DE INRIGHTINO EN OE BEVOEGDHEID 

Griehnan rechtstreeks door den Eoning werd benoemd. (1) 
Tot de bevoegdheid van den Raad behoorden in de Grie- 
tenîjen vrij wel dezelfde zaken als in de steden. 

Het dagelijksch bestuur, dat deels bij Grietman en As' 
sessoren^ deels bij den Grietman alleen berustte, omvatte 
in de eerste plaats alles , wat behoorde tot de uitvoering 
der besluiten van den Grietenije-raad. Grietman en Asses- 
soren hadden verder het beheer over de financiën , niet in- 
achtneming van de desbetreffende begrootings-posten ; min- 
stens éénmaal in de drie maanden moest door hen de kas 
van den Ontvanger worden opgenomen ; aanbestedingen en 
verhuringen voor de Grietenij werden door hen gehouden; 
zij hielden toezicht op de administraties het armwezen be- 
treifende; zij regelden de uren van af vaart der beurtschepen 
en het houden der jaarmarkten ; zij onderzochten de maten 
en gewichten en namen maatregelen ter voorkoming van 
brand. (2) Ter behandeling dezer zaken moest dit collegie 
minstens eenmaal in de veertien dagen , of zoo dikwyls 
als de Grietman (!) (niet de Assessoren) dit noodig achtte, 
vergaderen. (3) 

Intusschen houde men in 'toog, dat de Grietman, als 
president van den Raad en van het dagelijksch bestuur, 
belast was met de zorg voor de uitvoering der besluiten 
dezer beide colleges. Niets werd afgekondigd dan op zijn 
bevel. Hem behoorde het bestuur en oppertoezicht over 
alles, wat betrekking had tot de handhaving der plaatselijké 
verordeningen van politie of oeconomie. Maar wat bovenal 
den Grietman, inzonderheid wanneer deze eene invloedrgke 



(1) Zie: Reglement, art 2. 

(2) Zie : Reglement , artt 23—30. 

(3) Zie : Reglement , art. 35. 



DER PLAATSELUKE BESTUREN IN FRIESLAND 8EDERT 1795. 413 

en op macht beluste persoonlijkheid was, maakte tot het 
eminent hoofd des Grietenij-bestuurs , was de bepaling, — 
dat de Grietman , in zaken de uitvoerende macht betreffende, 
alleen dan gemeenschappelijk met de Assessoren behoefde 
te handelen , als de zaak voor raadpleging vatbaar was , of 
in gevallen uitdrukkelijk bij het reglement voorgeschre- 
ven. (1) En wie anders dan de Grietman zelf had deze 
préalable kwestie te beslissen ? 

Inderdaad niet ten onrechte droeg het hoofd van het 
plaatselijk bestuur ten platten lande weer den ouden en 
indrukwekkenden naam van Grietman. 



Negen jaren ongeveer hadden deze reglementen op het 
bestuur der Steden en Grietenijen gewerkt , toen zij werden 
vervangen door een Reglement vom^ het bestuur der Steden, 
gearresteerd bij koninklijk besluit van 5 Januari 1824, 
no. 50 en een op het bestuur ten platten lande^ vastge- 
steld bij koninklijk besluit van 23 Juli 1825, no. 132, 
(beîden afzonderlijk uitgegeven). 

HKerste was het reglement voor alle steden, behalvede 
hoofdstad des Rijks, in de noordelijke provinciën, — het 
andere gold in het geheele rijk ten platten lande overal , 
behoudens enkele wijzigingen , wegens bizondere toestanden 
in sommige provinciën vereischt. (2) 

In hoofdzaak was de bevoegdheid der besturen volgens deze 
reglementen gelijk aan die hun bij de reglemeuten vanl815 
toegekend, als berustende op het beginsel scheiding tussdien wet^ 
gevende en uitvoei*ende macht. *t Grootste verschil was eigenlijk 



(1) Zie: Reglement , art. 17. 

(2) Zie : Luttenberg , vcrvolg op het groot placcaat-boek, Bestuur in 
de Gemeenten , Eerste deel , pag. 85 vlg. en 123 vlg. 



414 OVERZIGHT VAN DE INRICHTING EN DE BEVOEGDHEIO 

hierin gelegen , dat die bevoegdheid in deze latere regle- 
menten meer in bizonderheden was uitgewerkt. 

De inrichting van het bestuur in de steden en de Grie- 
tenijen was, wat den vorm betreft, geheel gelijk. In bei- 
den berustte de wetgevende macht bij den Racid en de 
uitvoerende- bij het coUegie van dagelijksch bestuur , dat in 
de steden den naam droeg van Burgemeester en Wethouders 
en ten platten lande dien van Grietman en Assessoren. Ook 
hadden de steden nu een permanent hoofd van bestuur in 
den Burgemeester , gelijk de grietenijen in den Grietman. 

Daarentegen was er groot verschil in de wijze waarop 
de stedelijke- en de grietenijbesturen tot stand kwamen. 
In de steden werden de raadsleden voor hun leven gekozen 
door de kiescolleges , terwijl de Burgemeester en de Wet- 
houders voor den tijd van zes jaren , uit de leden van den 
Raad werden benoemd door den Eoning , behoudens Z. M.'s 
bevoegdheid, om ook buiten den Baad een Burgemeester 
te kiezen. (1) 

Ten platten lande waren de ingezetenen ten eenenmale 
van eenige deelneming in de benoeming der bestuursleden 
verstoken. De leden van den Grietenije-raad werden be- 
noemd niet — zelfs niet met een trap of op andere indi- 
recte wijze — door de ingezetenen, maar door de Staten, 
na eerst daarover het Grietenij-bestuur te hebben gehoord, 
terwijl de Grietman werd aangesteld door den Eoning en 
de Assessoren uit de leden van den Raad werden gekozen 
door den Gouvemeur. (2) Derhalve — een Grietman ge* 
zonden door den Eoning, Assessoren door den Gouvemeur 
en Raadsleden door de Staten, — dezen vormden het be* 
stuur der Grietenijen. 

(1) Zie : Reglement voor de Stcden , artt. 1 , 52, 55 en 56. 

(2) Zie : Reglement voor de Grietenyen, art. 11. 



DER PLAATSELUKE BESTUREN IN FRIESLAND SEDERT 1795. 415 

Inderdaad geen schijn of schaduw meer van eenige zelf- 
regeering! 



Het volk moet zich wel zeer afgemat hebben gevoeld door 
de herhaalde aanvallen van revolutie- en contra-revolutie- 
koortsen, waardoor het sedert het einde der vorige eeuw 
zoo dikwijls was geteisterd. Ongetwijfeld had het boven 
alles behoefte aan verademing en rust. Anders toch ishet 
kwalijk te verklaren , hoe het kon gedoogen , dat de Ge- 
meentezaken, zoo geheel buiten eenigen invloed der Gemeen- 
tenaren om , werden behandeld. 't Was of men ten eenen- 
male de les was vergeten, die in 1801 met zoowaardigen 
emst door het Uitvoerend Bewind der Bataafsche republiek 
den Stcuttsburgers op het hart was gedrukt, — dat alleen 
zdfbesiuur eene blijvende drangredeti tot nauwgezetheid en 
spa^xrzaamheid hon opleveren. (1) 

De reglementen leden voomamelijk aan dit groot euvel , 
dat daarin geen behoorlijke band was gelegd tusschen het 
bestuur en de ingezetenen der Gemeente. 

Een nadere blik in die reglementen moge dit aantoonen. 

De leden van den stedelijken raad, niet rechtstreeks door 
de ingezetenen maar door een kiescollege gekozen , bleven 
in Hbezit van die waardigheid, totdat zij door overlijden, 
bedanken of verlies der vereischten, ophielden raadslid te 
zgn, en alleen in zoodanig geval mocht het kiescollege een 
nieuwe keus doen. Erger nog was het in de Grietenijen, 
waar den ingezetenen hoegenaamd geen deel in de benoe- 
ming der bestuursleden was toegekend. 



(l) Verzam. placc. deel V , pag. 400. 



416 OVERZICHT YAN DE INRICHTING EN DE BEVOEGDHEID 

Aan openbare behandeling der bestuurs-zaken , — die 
machtige drijfveer tot plichtsbetrachting I — schoen zelfia 
niet te worden gedacht. Alleen de afgesloten jaarlijksche 
rekeningen moesten met de daartoe betrekkelijke begroo- 
tingen ter visie worden gelegd. (1) Het was dus den in- 
gezetenen wel is waar vergund , een blik te slaan in het fi- 
nanciëel beheer der Gemeente , doch , ontdekten zij misbruiken 
of wanbeheer , zij waren niet bij machte dit voor 't vervolg 
te voorkomen door het aanwijzen van andere beheerders. 

Overigens bleek hoe langer zoo meer, dat eene behoor- 
lijke af bakening der grenzen ontbrak tusschen de bevoegd- 
heid van den Baad en die van het Dagelijksch bestuur. 
Dit laatste had alleen de hoogere machten, door vrie het 
gezonden was, en niet de ingezetenen, wier belangen het 
moest behartigen , naar de oogen zien. Yoor uitbreiding 
zijner macht vond het een ruim veld , waarop het zelfs door 
geen interpellatie in den Raad kon worden gekeerd. Im- 
mers eene bepaling als die van art. 183 onzer tegenwoor- 
dige Gemeentewet, zoekt men in de reglementen te vergeefs. 
Nergens dus , noch bij den Raad , noch bij het Dagelijksch 
bestuur eenige verantwoordelijkheid I 

Deed dit groot euvel — gemis van een behoorlijken 
band tusschen bestuur en ingezetenen der Gemeente — 
zich gelden in Steden en Grietenijen beide, niet het minst 
voorzeker gevoelde men de gevolgen daarvan ten platten 
lande, waar de Grietman, — bevoegd om , ingeval de zaak 
hem voor raadpleging met de Assessoren niet vatbaar scheen, 
alleen te handelen (2) — zeer zeker oneindig veel meer 
was dan de ziel van het Dagelijksch bestuur. 



(1) Zie : Kon. besluit van 1 Maart 1831 , bij Luttenberg t, a. p. 
})ag. 201 vlg. 

(2) Zie: Reglement artt. 51 en 82. 



DER PLAATSELUKE BEST^REN IN FRIESLAND SEDERT 1795. 417 

Eindelyk werden dan ook de bewoners der Grietengen 
den staat van politieke onmondigheid , waarin zij werden 
gehouden , moede en luide gaven zij hunne ontevredenheid 
lucht in woord en schrift. 

Was 't wonder , dat velen inzonderheid in het Grietman' 
schap de kern meenden te zien van het kwaad , waaraan 
het bestuur van het platteland zoozeer leed en dat , toen 
in de dagen van het zoo opgewekt poliliek leven van 1848 
enkelen nog hunne stem verhieven voor het behoud van het 
Grietmanschap , (1) anderen zich krachtig daartegen aankant- 
ten (2), zoo zelfs, dat een niet onbekend Friesch zanger 
een schamper, satyriek lied (tegen het Grietmanschap) 
slingerde over Friesland , een lied dat ofschoon nooit 
gedrukt, destijds op aller tongen was. (3) 



(1) De Grietmannen in Friesland, uitgegeven te Leeuwarden bij 
fV. Eekhoff, November 1848. 

(2) Het Grietmanschap ontmanteld ^ uitgegeven te Leeuwarden bij 
D. Meindtrsma^ 1849, 

(3) Als teeken des tijds vinde het hier eene plaats. 

DE GRIETMAN. 

Ik woe wol dat ik Grietman wier : 

Sa'n ampt stiet my wol oan. 
Dat baentsje is ek gfkns net swier 

£n it fortsjinnet skoan I 

It rjuchthûs sit it hearlik op ; 

Men smoakt en drinkt er ta. 
En jowt Mynhear in foarstel op , 

Dan seit Assessor : »ja." 

Wol er Ijeauwer swije , 
Nigen is genôch. 
0, hwat binn* dy Hearen 
Bargen oan 'e trôch ! 



418 OVERZICHT VAN DE INRICHTING EN DE BEVOEGDHEID 

Andere en betere tjjden voor het Gemeente-wezen waren 
aanstaande. 

Het Grietmanschap , door het volk veroordeeld , weid ên 
bij de Gedeputeerde- ên bij de Provincîale Staten van Frîes- 
land tevens afgekeurd. (1) 



Hjar feinten habbe se ek goedkeap , 

Want de earme Grietenij 
Jowt jild , en dan nog op 'e heap 

In moaije liverey. 

£n hat Mynhear it podagra , 
Wol hy fen 't reisgjen frij : 

In rinner bringt him tiding ta ; 
Dy skikt de Grietenij. 

Wol Mynhear út jeyen , 
Boeren sjagg'lje mei. 
Sizz* , hwa lykje dy sloven ? 
Lammen oan *e wei ! 

En moat Mynhear it wird 'r is dwaen , 
£n falt it praet him swier : 

Siktaris hat hy by der han , 
Dat is syn officier. 

£n is *tforstan net al to great, 
Is him de saek net klear, — 

Dy leit him alle dingen bleat , 
£n sprekt mar for Mynhear. 

Fjirtsjin hundert goune 
£n sa*n tsjerkfoudij — 
Is in akkefytsje , 
*t Komt er aerdich bij ! 



(1) Zie: Nüt. Prov. Staten 10 Juli 1849, pag. 36A en 11 Juli 
1849, no. 40. 



DER PLAATSELIJKE BESTUREN IN FRIESLAND SEDERT 1795. 419 

De gemeentenaren ten platten lande werden als politiek- 
mondig erkend. Stedelijke- en landgemeenten beide zouden 
Toortaan naar één en dezelfde Gemeentewet worden bestuurd. 

Eene werkelijke vertegenwoordiging der ingezetenen zoude 
het bestuur in die Gemeenten uitmaken en bestemd zijn 
om onder behoorlijk toezicht , zoo van de ingezetenen als 
van de hoogere staatsmachten , zelfstandig de huishouding 
te regelen en te besturen, alsmede om, in zaken van al- 



Mar komt er sims hwat jild to koart , 
Hy skriuwt in omslach út, 

£ii oft de boargerij al moart , 
Biteljen is Hbislút. 

Hwer , siz my , is yn 't hele lân 
Sa'n Hear as Grietman is ! 

Hwa komt sa makk'lik oan it jild ? 
Net ien , — dat is gewis. 

Komm* myn goede Friezen 
Sjen mar ta , en — swij ! 
Wêzz* mar tige fleurich , 
'tSjongen is yet frij ! 



'k Woe dôchs net , dat ik Grietman wier , 
Fcn 'tbrea fen de earme man. (*) 

Sok jild misgun ik him gjin hier : 
De flok dy kleeft er oan. 

Sa'n hounebaes fen *t heech Bistjûr , 

Op 't great lâns-tichelwurk , 
Is er by alle Friezen oer , 

Dy heart nou by de Turk ! 

Choor ad libitum. 



(♦) Op een half roggenbrood werd destijds ongeveer 2^^ cent Grie- 
tenlj-belasting geheveQ. 



420 OVERZIGHT VAN DE INRICHTING EN DE BEVOEQDHEID 

gemeen belang , als organen der Rijksregeering dienst te 
doen. 

De grenzen tusschen de bevoegdheid der weigevende 
macht (van den Raad) en der oitvoerende macht (van Bur- 
gemeester en Wethouders) zouden duidelijker worden aan- 
gewezen. Daardoor zoude paal en perk worden gesteld 
aan de neiging van het Dagelijksch bestuur tot uitbreiding 
zijner macht , als ook aan een streven naar concentratie 
dezer macht in den persoon van het hoofd der Gemeente. 

Een gezonde staatsburgerlijke geest zou zich kunnen ont- 
wikkelen door invoering van rechtstreeksche verkiezingen 
met periodieke aftreding, en de band tusschen de ingeze- 
tenen en hunne vertegenwoordiging zou hierdoor nauwer 
worden toegehaald. 

Door de toepassing van nog een ander zegenrijk beginsel 
van het nieuwere staatsrecht zou de inrichting vanhetGe- 
meentebestuur worden verrijkt. De publieke belangen zou- 
den worden behandeld in het volle licht der openbaarheid. 
De les van Thorbecke werd ter harte genomen, — de les 
neergelegd in deze kernachtige woorden : »0p het plichtbesef 
Dte vertrouwen is edel , maar het bedriegt. Tot hoe lagen 
^stand het in gesloten vergaderingen soms daalt , stelt nie- 
»mand, dan die er in zat, zich voor.'* 

Met een onwrikbaar vertrouwen in de deugdelijkheid der 
beginselen van de Gemeentewet, beval deze groote staats- 
man haar bîj de Yolksvertegenwoordigîng aan. 

»Wat doet deze wet ?" — zoo sprak hij. — j^Yeigelijk , 
»zoo gij wilt , hetgeen de Gemeenten zullen worden met 
2>hetgeen zij tot dusverre zijn. Zoo er tot dusverre eenige 
:Dwerking , eenige zelfstandigheid , gelijk men pleegt ie 
2>zeggen, bij de Gemeente bestaat, dan is die aUeen (e 
Yvinden in de ongeveer 80 steden, maar niet in de Qe- 



DER PLAATSELIJKE BESTUREN IN FRIESLAND SEDERT 1795. 421 

imeenten op het platte land. Die Gemeenten op het platte 
iland ten getale van 1200 zullen nu door deze wet tot 
leene vrijheid worden gebracht , veel grooter , veel uitge- 
Ystrekter, veel krachtiger dan die op het oogenblik door 
»de grootste steden van het land wordt genoten." 

»Ik meen" — zoo besluit Thorbecke — »niet noodig 
»te hebben meer te zeggen om te bewîjzen, dat deze wet 
>geen getuigenis draagt van vrees, maar van vertrouwen 
lin eene edele en trouwhartige natie I" (1) 

Leeuwarden. Mr. J. G. van BLOM J.Gz. 



(1) Zie: Boissevain, Geinecntewet. Algemeou oTcrzicht § 2, infine. 

27 



CHRONOLOGISCHE LIJST 

der plaatselyke besturen in Friesland, 

VAN 1795 TOT 1851. 



Véúr en onder de Staatsregeling van 1798. 

Zie overzicht , 

1795. Remotie der besturen van de steden 
(Magistraat en Vroedscfiap) en de grie- 
tenijen ( Grietman en Bysitters) en aan- 

stelling van MunicipalUeiten . . . pag. 367 vlg. 

1796. Verkiezing van Gerechien ...» 372 » 
1798. Aanstelling van Gemeenteraden . . » 379 » 



Onder de Staatsregeling van 1801. 

1802. Aanstelling van Drosten. (Begin der 

scheiding van administratie enjustitie pag. 387 vlg. 

1804. Verkiezing van Gemeentehesturen en 

Gecommitteerden » 384 » 



Onder dc Staatsregeling van 1805. 

1806. Aanstelling (als leden der plaatselijfce 
recliihanken) van Drosten en Mederech- 
ters in de plattelands-gemeenten en 
kleinere steden en van Schepenen in 
de grootere steden pag. 390 vlg. 

1806. Verkiezing van Gemeentehesturen en 

Gecommiiteerden » 390 » 



423 

Onder de constitutie van 180G. 

Zie overzicht , 
1807. Aanstelling van Burgemeester , Wet- 
houders en Vroedschap in de steden 
Leeuwarden, Harlingen en Sneek . pag. 397 vlg. 
1807. Baljutven met Gerecfite)i en Gemeen' 
tébesturen in de overige steden en t^n 
platten lande (Baljuw en Geredit en 
Baljuw en Gemeentehestuur) ...» 398 » 



Onder de iniyving by liet Fransche keizerryk. 

1810. Aanstelling van Maires eneen Conseü 

Municipal .••.,,.. pag, 402 vlg. 



Na de verdrQving der Fransehen. 

1814. Aanstelling van Burgemeesteren en 
Vroedschap in de steden en van een 
Scliout en een Raad der Gemeenten 
in de plattelands-gemeenten . . . pag. 406 vlg. 



Onder de grondwet van 1815. 

1816. Aanstelling van Burgemeesteren en 

verkiezing van een Raad in de steden pag. 409 vlg. 

1816. Aanstelling van Grietman en Assesso- 
ren en van een Grietenije'raad in de 
Grietenijen . 1> 409 » 

1824. Aanstelling va,n Burgemeester en Wet- 
houders en verkiezing van een Raad 
in de steden » 414 » 



424 



Zie overzicht , 
1825. Aanstelling van Grietman en Asses- 
soren en van een Grietenije-raad in 
de Grietenijen pag. 414 vlg. 



Onder de grondwet van 1848. 

1851. Aanstelling van een Burgemeester en 
verkiezing van WetJwuders en een 
Gemeenteraad în de stedelijke- en 
landgemeenten ...... pag. 419 vlg. 



FRANCISCUS MEINARDUS, 

Hoogleeraar in de rechten 



TE 



POITIERS , 



DOOR 



Mr. W. B. S. BOELES. 



FRANCISCUS MEINARDUS , 



TE 



P O I T I E R S. 



Yan dezen man is tot nog toe hier te lande nieta be- 
kend geworden, dan dat hij een Fries was, die de boven- 
vermelde betrekking in de eerste helft van de 17^ eeuw 
heeft bekleed en eenige rechtsgeleerde werkenschreef, wier 
titels door prof. Gab. de Wal (1) zijn opgegeven. 

Uit een drietal beneden medegedeelde brieven van Petrus 
Valens, hoogleeraar in de Grieksche taal te Parijs, is mij 
onlangs iets meer van zijn levensloop gebleken. 

Valens , die in zijn vaderland weinig bekend is geworden, 
was af komstig uit het in de Friesche Ommelanden gelegen 
dorp Bedum , en ging in of omstreeks 1588 te Parijs stu- 
deeren^ verkreeg daar den graad van Magister artium , 
voorts het Fransch-burgerrecht , en klom , na aan verschei- 
dene academische inrichtingen aldaar onderwijs gegeven te 
hebben , in 1609 tot hoogleeraar aan het Collége Royal op (2). 

De bedoelde brieven zijn niet de oorspronkelijken , maar 
afschriften door S. A. Gabbema genomen , en voorhanden in 
diens archief, hetwelk door het Friesch Genootschap be- 



(1) De claris Frisiae Jureconsaltis , p. 192, 442. 

(2) Vgl. hetgeen ik over hem schreef in de Bijdr, tot de gesch, en 
oudheidk, vart de prov. Groningen , VIII , 90. 



428 FRANCISCUS MEINARDUS, 

waard wordt. De eerste van 20 Januari 1629 is gericht 
aan Sierck Tritzum, destîjds te Leiden yerblgf houdendoy 
vroeger tafelgenoot van Valens aan de hoogescholen te Dôle 
en te Parijs (1); de tweede van 26 Mei 1629 en dederde 
van 15 October 1632 zijn gericht aan diens neef Willem 
Staackmans (2). Oeldelijke belangen maken het onderwerp 
dezer briefwisseling uit. Yalens had in de eerste plaats 
eene schuldvordering op de erfgenamen van Lambertus Petri , 
die eens te Franeker in de rechten studeerde (3), vervol- 
gens te Parijs , waar hij den bijnaam i>EmbrodevaI" droeg , 
gedurende twee en een half jaar had gewoond ten huize 
van Valens, en, na voor verschuldigd kostgeld eene nota- 
riëele schuldbekentenis afgegeven te hebben, ten jarel607 
op 25-jarigen leeftijd naar Italië was vertrokken. Sedert 
had men niets meer van hem vemomen. Naar Friesland 
was hij ten minste nimmer teruggekeerd , weshalve Yalens 
het er voor hield dat Lambertus overleden was. 

Twee zusters, te Wolvega wonende, waren zijne erf- 
genamen. Deze weigerden de schuldvordering af te los- 
sen, tenzij Valens haar de oorspronkelijke akte met de 
handteekening van Lambertus toonde. Dit stuk berustte 
echter onder de minuten van den notaris, die het daarom 
niet mocht afgeven. In weerwil van het eenig en zgns 
inziens afdoend bewijs, dat Valens konde leveren, nl. een 
authentiek gelegaliseerd afschrift, bleven zij bij hare wei- 
gcring volharden. Hij was dus wel genoodzaakt om haar 



(1) Waarschynlijk dezelfde Sierck Tritzum, die m het SUmboek van 
den Frieschen adel vermeld wordt als Burgemeester yan Dokkum. 

(2) Vgl. ovcr hem P. Winsemii Oratio in obittm D, Oul. Staaek' 
tnans, Dynastae Rugewartii, Viri Consularis etc, Fran. 1641, 

(3) In het AUmm Acad, Franeq, ingeschreTen den 2 Not. 1603, 
als: Lambertus Petri, Stellingwerfiensis , Jur. Stud. 



HOOOLEERAAR IN DE RECHTEN. 429 

aan te spreken. De behandeling dezer zaak wenschte hg 
op te dragen aan den Leeuwarder advocaat Hartius, zoo- 
dra hîj door Staackmans nog zou zijn ingelicht omtrent de 
finantiëele krachten der erfgenamen yan Lambertus. Tar- 
quinius Solcama en Meinardus Renckum , beiden te Wolvega 
wonende, zouden de verlangde inlichtingen aan Staackmans 
kunnen yerschaffen. 

In de tweede plaats behartigde Yalens de belangen der 
weduwe van Franciscus Meinardus. Hij yerhaalt , dat Mei- 
nardus een kennis van hem was , reeds uit de dagen , toen 
zij beiden te Groningen de Latijnsche school bezochten (1). 
Door YOortrefTelijke eigenschappen en door zijne kundighe- 
den , gebleken bij openbare dispuutcollegiën, welke Meinardus 
te Poitiers had geleid, was hij daar geroepen tot den ka- 
theder , welke door den dood van den hoogleeraar Irlandus (2) 
yacant geworden was. 

Na met de dochter van zijn rechtsgeleerden voorganger 
in het huwelijk te zijn getreden , had hij van de terugkeer 
naar Friesland afgezien. Terwijl hij dan te Poitiers geves- 
tigd was , viel zijne vaderlijke nalatenschap open , welke hij 
had te verdeelen met zijne broeders, van welke één, met 
den naam Petrus Meinardus, bepaald genoemd wordt. 

Zijne belangen bij die verdeeling waren waargenomen 
door den Grietman van Weststellingwerf Marcus Lycklama 
â Nijeholt. Deze had reeds de helft van het aan Meinardus 
toekomend bedrag gezonden aan Yalens, door wien het, 
daar Meinardus inmiddels was gestorven, aan diens weduwe 



(1) Of hij de St. Maartens- of wel Der A school bedoelde , blijki 
niet. 

(2) Ik meeu althans te mogen aannemen, dat Irlandus als ge- 
slachtsnaam gebezigd is. Had Valens willen zeggen , dat die hoog- 
leeraar een lerlander was , dan zou hij ,,Hibemus'' geschreyen hebben. 



430 FRANCISGUS MEINARDUS , 

en wettige kinderen was uitgekeerd. Nadat ook Lycklama, 
v66r dat hg nog de tweede helft konde overmaken, over- 
leden was, hadden de naastbestaanden van Meinardus aan 
diens weduwe verboden de onder haar berustende tweede 
helft der erfenis door middel van een wissel naar Parijs 
op te zenden. 

Geheel zonder redenen — schreef Valens — want de 
kinderen van Meinardus waren uit een wettig huwelijkge- 
boreuy zooals bleek uit de openbare akten, die naarFries- 
land waren overgezonden. 

Naar aanleiding van die feiten wordt de medewerking 
van Staackmans ingeroepen , om met Joh. Saeckma en den 
advocaat Hartius die zaak ten spoedigste tot hetgewenscht 
einde te helpen brengen. 

Alvorens uit die berichten gevolgtrekkingen te maken, 
dien ik nog de titels te vermelden van Meinardus' geschrif- 
ten , zooals die door prof. de Wal zijn opgegeven , te weten : 

Regicidium detestatum, quaesitum , praecautum, Augusto- 
viti Pictonum, 1610. 8°. 

Disputatio de Juribus Episcaporum, ad Cap. XVI de 
officio Judicis ordinarii, Pictavii 1612 (of 1613). 8®. 

Orationes legitimae, sive drAaioXoyiai tres: De visco Drui- 
da}*um, Jurispudentiae Symbolo; De templo Justiniani jRo- 
manae Justitiae dicato ; De gemino reipublicae Christi oculo. 
August. Pict. 1614. 

Meinardus was dus geboortig uit een der dorpen van 
Weststellingwerf , van weike grietenij Wolvega de hoofdplaats 
was. Dat hij te Wolvega geboren is durf ik uit de brie- 
ven niet met zekerheid afleiden. Met het oog op de om- 
standigheid, dat de naam Meinardus in de 16«enl7«eeuw 
in Friesland meermalen voorkomt, schijnt mij de gissing 
te gewaagd, dat hij tot dezelfdo familie behoorde als Ni- 



HOOQLEERAAR IN DE RECHTEN. 431 

colaas Meinardus, van het naburige Blesdijke afkomstig, 
die de schoonzoon en tevens de biograaf was van David 
Joris. 

Onze Meinardus is dus , waarschîjnlijk aan de door Friezen 
zeer bezochte St. Maartensschool , te Oroningen opgeleid met 
Valens, tusschen 1580 en 1590, terwijl die stad aan de 
Spaansche zijde was. Onder de Franeker studenten komt 
hij niet voor. Ik ontmoette hem weder te Poitiers, toen 
hij daar in 1610 het eerstvermeld werkje uitgaf , misschien 
sedert korten tijd hoogleeraar was en reeds gehuwd met de 
dochter van zijn voorganger. 

Daar Marcus Lycklama â Nijeholt den 9 Augustusl625 
overleden is, en nog vôôr zijn dood de helft van het aan 
Meinardus toegescheiden deel der bedoelde nalatenschap aan 
Yalens deed toekomen, waama deze het aan Meinardus' we- 
duwe uitkeerde , moet de hoogleeraÄr kort vôôr den dood van 
Lycklama aan vrouw en kinderen zijn ontvallen, ongeveer 
55 jaren oud. 

Valens stierf ten jare 1641 op gevorderden leeftijd. Of 
hij geslaagd is in zijne pogingen om zich betaling te ver- 
schaifen van 'tgeen Lambertus Petri hem schuldig wasge- 
bleven en van het gedeelte der nalatenschap , dat hij voor de 
weduwe Franciscus Meinardus opvorderde , — ik heb het niet 
noodig geacht daaromtrent een tijdroovend onderzoek in de 
ôude rechtsprotocollen in te stellen. 

Mr. W. B. S. BOELES. 



B IJ L A G E F. 



I. 

Clariss, Firo D. Cyriaco Tritzum Petnis F'alens ^ 

Frisim Groning. 
Professor Graec. Lit. Regius Lut. Paris. 
S. P. D. 

/jeidam. 

£cce qui ad te venit Y. Cl. nuncius Leidensis est, is me de tua 
valetudine certiorem fecit, quo gratius accidere nihil mihi potuit. 
Haec ad te scribo , ea lege ut ad me rescribas. Paucis vero multa 
in hac epistola complectar. Yivo et valeo, doceoque in collegio 
Lexoveo prope S. Genovefam. D. de Villers vivit ct valet , liberos 
habet sequioris sexus. Animus mihi est proxima aestate invisere 
vos , si Dominus Deus vitam proroget. Negotia mihi sunt in Frisia 
tot JFolvega ; ibi quidem nomine Lambertus Petri , qui studuit ölim 
Franekerae tempore cuiusdam Lubberti Theologi. Is Lutetiae mecum 
habitavit annos duos et pene sex menses : debet pro pensione cccclxxx 
libras. Discessit Lutetia Anno ci:)i:)cvii in Italiam. Sed coram 
notarijs obligavit se mihi, se sotulurum cum omnibus impensis et 
damnis. Post tempus illud nihil de illo potui rescire: puto obijt. 
Annorum xxv erat , puto obijsse illum in Italia , nam in Frisiam 
nunquam redivit. Haeredes relicti bona partiti sunt. Ego scripM 
ut pensio mihi solvatur. Responderunt se soluturos modo obliga- 
tionem mittam. Copiam mihi signatam sigillo praetoris Yrbani 
contenti non sunt , ipsam obligationem videre volunt. Quid censes P 
quaeso ad me rescribas. Praeterea res mihi est cum vidua D. Marci 
â Lycklama , qui octingentas libras habet in manibus , quas tran- 
scribere vellet ad iiie Lutetiam , si tuto posset , ad viduam defuncti 
D. Meinardi inittendas. Illum virum si nosti ad me scribe per 
nuncios Lutetiam proficiscenles. Vale ex Lexoveo cioiaoxxix - xx 
Jauu. Siylo Roin. 



BIJLA6EN. 433 

II. 

Nobiliss. Clarissimoque Viro 

D, GuL Staackmans , 
consiliario sapientiss. Ordinum. 

Yisis literis tuis , Yir Ampliss. quas ad me destinasti per manus 
D. Cyriaci de Tritzum , miratus sum ; perlectis mirari pene desij , 
et cognovi caussam cur ad me , nihil tale merentem , literas bene- 
Tolentiae studijque plenas miseris , pro quo tuo in me animo ac 
prolixo studio , non quas debeo , sed quas possum gratias ago ; 
maiores etiam habeo , relaturus si usquam aut umquam sese osten- 
derit occasio. Scripsisti ad me de negotio quodam meo , quod 
mihi est in Frisia in Wolvega , cum quodam Lamberto Petri, alias 
Embrodeval , ut se cognominabat Lutetiae , qui mihi cohabitavit 
ultra biennium , et pro pensione debet cccclxxxix libras Francicas , 
seque , discendens Lutetia , obligavit coram notarijs publicis regijs , 
ut mos est in Gallia , se summam istam , cum primum ad lares 
reversus esset , ad me suo periculo et sumtibus missurum , copiam 
originalis mitto notariorum mann subscriptam , sigillo praetorio mu- 
nitam , ne uUa fraudis aut doli suspicio subesse possit. Nescio num 
tibi notus sit. 

Lambertus hic noster , nam Franekerae juri civili operam nava- 
verat annos aliquot , et multa mihi narravit de quodam Lubberto 
Theologo Academiae Franekeranae. Discessit a me anno ci3.iac.vii 
circa Id. Jun. ni fallor ; unicus erat domi heres masculus. Sorores 
habebat binas , quae hereditatem adierunt , matre , ut credo , iam 
defuncta , nam pater eius jam decesserat. Accepi alias ex Frisia 
literas a quodam Petro Meinardi, Francisci Meinardi fratre, juris- 
consulti et Doctoris Pictaviensis ; cuius vidua rem habet cum vidua 
defiincti M. Lycklama , viri doctissimi , et judicis in Wolvega , qui 
saepius ad me scripsit de pecunijs quibusdam residuis debitis defuncto 
Fr. Meinardo , qui tibi ignotus, ut video, non est. Non satis capio , 
quae caussa tantae morae , cur locc librae non transcribantur Lu- 
tetiam ad me , nam pecunia illa paratissima est. Yelim huius rei 
caussam rescissere ex aliquo. Praeterea quid spei de mei Lamberti 
pensione ; nam nemo , ut puto , succedit in cuiusquam bona , nisi 
deducto aere alieno. Yolunt videre , ut aiunt , fratris manum, sed 
notarijs non licet tradere periculum (1), sinepericulo. Copiam trans- 



(1) Periculum d, i, het protocoî, o( wel de minute, in welke beteekenis 
het woord hier en daar , volgens Soheller e. a. , bîj Cicero voorkomt, 



EEN MANU8CRIPT 



VAN EEN 



Oud Frieseh Kronijkje, 



BERUSTENDE OP HET 



RIJKSARCHIEF TE GRONINGEN, 



DOOR 



Mh. J. ^. fiBSHBS 



28 




N MANUSCRIPT 

VAN EEN 

OUD FRIESCH KRONIJKJE, 



BERUSTENDE OP IIET 



Rijksarchief te Groningen. 



Dr. J. G. Ottema spreekt in zijn i>Voorberigt'' vôôr 
de uitgave van i>Die olde Freesche cronike", de ^Gesta 
Prisonum" en »Alvini Tractatus", in de werken van 
het »Friesch Genootschap voor Geschied-, Oudheid- en 
Taalkunde** (Leeuwarden, Suringar, 1853), vaneen manus- 
cript, in de Friesche taal geschreven, zich bevindende in 
een handschrift in 4° , getiteld j> Jus Municipale Frisonum *' 
enz. (Voorberigt, p. 192). Dit manuscript is uitgegeven 
als Dlnhoud der Oude Friesche Kronijk'* in hetzelfde deel 
van de werken van 't Genootschap, (p, 207 — 210). Op 
het Rijksarchief te Groningen bevindt zich (folio 15 B. pag. 
10 verso) het hier volgende manuscript, dat grootendeels 
overeenkomt, wat den inhoud betreft, met het hier boven 
genoemde, maar toch hier en daar, vooral op 't gebied 
der spelling, daarvau afwijkt. De afwijkingen, wat de 
spelling betreft, allen aan te wijzen, zou een werk van 
nog al langen duur zijn; ik bepaal mij er daarom toe, de 
voornaamste varianten té noteeren: 

»Als wy lesset in Cronicis , dat deer weren tree broeren , (1) 



(l) Is het HS., waarvan Mr. S. MuUer Fz. in zijn ,,Lijst van 
Noord-Nederlandsche Kronijken" spreekt (p. 63), een variant van dit 
manuscript , of is de lezing „ twee braeven " een srhrijf- of drukfout ? 



442 EEN MANUSCRIPT VAN EEN 

Die byscop Baldricus , dy quam deer na , dy brochte dis 
lichamen : sancti Ponciani , sancti Pancracii , sancti Benigni , 
sancte Agathe by al here handen to CJtracht. 

Eoningh Puppijn is een Eoningh in Franckrijke and is 
Eoningh Eaerlis vader. GafFridus was een Eoningh van 
Deenmercken. Ende Radbodus was da Freesna aersta 
Eoningh ende was een kyndes kynt. Ende Eoningh Eiierl 
wan Freesland vanden Eoningh Radbodus. Ende da foer 
hy weder to huys in Daenmerkera land myt synre here, 
Tha koem Eoningh Eaerl and seeth da to riuchte to 
Fraenkere (27) wr da Freesen. 

Tha Freesen wonnen een stad in Hispania, dyo hiete 
Flixibama (28) , fanden Sarracenen (29) ende tha Heydene. 
Al deer ward litika Popka daed schetten fan Freesland. (30) 

Ende da fan Dockem ende anders Eersten lyode, de 
wonneth een floeth (31), that werc op enen dyep, ther 
heet Nyla Thio stad heet Damita , ther weren Sarracenen 
ende other Heyden. Ende tha fan Dockem wonnen thet 
aerst. Dic Heyden worpen ther wth grekis fyoer. Deer 
to jeens soe dede da fan Dockem pissia in dat sand. Da 
frya Freesen hadden een wth Fyvllinga land, dy hedeeen 
yseren (32) flayla in synre hand ende sloech nether, dat 
hem nymman to jeens mochtc staen. 

Lamberth, dy was fan Eatryp, dy sloech twa dusent 
manna daed op sinte Maria burch in Prusen , deer foerdeckt 
weren in sacken ende op waynen quamen ende sculden 
wynnen Maria burch in Prusen. 

Mynna, ther was boren wter Westergo (33), dij foerde 
dyn wympel to Akrom (34) , do dat werde ghewonnen. 
Ende thy ward daed schetten. 

Ende da Freesen wonnen Aken mit da Eeyser Wilhelmus." 



OUD FRIESCH KRONIJKJE. 443 

(1 ) Het uitgegeven HS. heef); : to ; (2) ende that bi ther Elwa 
bi land tha flothe; (3) ontbreekt; (4) ende ther (weren) VH ze- 
lande ; (5) Hilderia , Thitimaria ende Tadalem ; (6) Statha ; (7) 
Sweuen ; (8) and ; (9) gram ; (10) door een andere interpuno- 
tie is hier het uitgegeven HS. lastig tebegrijpen; (11) ont- 
breekt, waardoor de zin niet klopt; (12) in oer;(13)Wil- 
hadus; (14) ielkis; (15) Goda; (16) feere; (17) Hwinersse; (18) 
Rechderaland ; (19) Omsche ; (20) scellath ; (21) Gregorius thi; 
(22) ontbreekt en daardoor andere interpunctie ; (23) Ludith ; 
(24) Hildesem ; (25) Luidzers ; (26) Deuenther ; (27) Franch- 
kere ; (28) Wlixibanna ; (29) Sarratenen ; (30) fan Fresland , 
daed scetten ; (31) sloeth ; (32) yrssen ; (33) Westerghe ; (34) 
Akis; (19a) ieyscziaen. 



Bovenstaand HS. wordt door den heer Ottema genoemd 
»een uittreksel of breede inhoudsopgave" van de »01de 
Freesche Cronike." Volgens hem blijkt het »uit de volg- 
orde der vermelde zaken, dat (het) niet op de Gesta Fri- 
sonum, maar op de Olde Freesche Cronike, betrekkmg 
heeft." Dat wil er bij mij niet in. Integendeel , ik geloof, 
dat de samensteller gebruik heeft gemaakt van én de 0. 
F. C. én de G. Fresonum of Frisiorum. Een inhouds- 
opgave van de 0. F. C. is het bepaald niet. Heeft het 
daarvoor moeten dienen, dan heeft de samensteller een 
vreemd begrip gehad van de eischen, daaraan te stellen. 
Verschillende feiten , vermeld in de 0. F. C. , ontbreken 
hier , b.v. het eigenaardige verhaal van de wijze , waarop 
»Coninck Kaerr' Friesland op Radbodus verovert (0. F. C. 
389 — 425); de wijze waarop de Friezen wetten verkregen 
(435 — 523); de verovering van Rome onder Magnus (578 — 
619), enz. , alle z.g. feiten, niet van belang ontbloot. Bui- 



444 EEN MANUSCRIPT VÂN EEN 

tendien neemt ons HS. niet altijd de volgorde der 0. F. C. 
in acht en vertelt soms iets meer dan die kronijk. Einde- 
Igk komen de Gesta's hier en daar meer met ons HS. 
üvereen. 

Een nauwkeuriger beschouwing zal ons dit alles doen 
zien. 

Terwijl bovengenoemde kronijken spreken over een pro- 
vincie i>Frisia'* in Azië en vertellen , dat drie broeders 
daaruit zijn verdreven en in deze streken zijn gekomen, 
b^^t ons HS. dadelijk met de namen der heeren, die 
Friesland )!>aerst begunden." Er wordt nu verteld, waar 
Friso , Saxo en Bruno zijn gebleven en reeds dadelijk is ons 
geschriftje in de war. Het maakt van 2 Bruno's , oudoom 
en achtemeef, één persoon en laat door die personen ên Bruns- 
wîjk cn »Bruuns berch'* stichten. Noch de 0. F. C. noch 
de Gesta's zijn het met die beschouwing eens. 

Een der broeders, Friso, de peet van Friesland, had 
zeven zoons en een dochter. leder der zoons wordt heer 
en meester in een der Zeelandén, die toevallig zeven in 
getal zijn en de dochter wordt geplaatst in een land, 
'twelk naar haar wordt genoemd Wymidis-, Wymôdis-, 
Wemode- of Wymoltsland, al naar gelang de schnjvers 
haar zelve Wymide , Wymoed , Weymede of Wymolt 
noemen. (Ook heet zij Weemoed, Domdat hare moeder van 
haar in den arbeid was gestorven." jDEroniek der Vrije 
Priesen", Haarlem, 1743, p. 13). Hier werd deinterpunc- 
tie de oorzaak van een mociclijkheid. In het Groningsch 
IIS. volgde op de woorden » Wymidisland , deer that wetter 
ora ghyngh'' een komma , daarop een open ruimte ; en op 
lîen volgende pagina worden dan genoemd »HyIderici , Thi- 
tinarici (Thit?>îarici?) ende Caldaleni." Ik geloof , deze 
woorden te mogen beschouwen als een aanvulling van het 



OUD FRIESCH KRONUKJE. 445 

land yan Friso^s dochter. Ook de uitgever van het andere 
HS. is van die meening, (p. 208), terwijl de inhoud der 
kronijken er niet tegen strijdt. De lezing in het uitgege- 
ven HS. ]E>Statha" is beter dan ]!>Schata" van het Groningsch, 
maar dit laatste vindt steun in de i>Gesta Fresonum'^ waar 
gelezen wordt Scaden, als men hier ten minste niet aan 
een drukfout heeft te denken. (p. 121). 

De Noorsche Eoningen verschijnen nu op het tooneel met 
de bekende houten halsbanden en de afgoden. In de 0. 
F. C. is alleen sprake van den Deenschen Koning; in de 
Gesta's is deze tevens beheerscher van Noorwegen. Hetuit- 
gegeven HS. noemt hem ook Koning der Sweuen , ^t geen 
in 't Gron. manuscript ook gestaan heeft. 't Is duidelijk te 
zien, dat de d van Zweden daarin verbeterd is. Later 
spreekt de 0. F. C. van Swaven en Denen (regel 283) 
evenals de Gesta Frisiorum (pag. 290). Het door hetGe- 
nootschap uitgegeven manuscript is m. i. eenige woorden 
verder niet zoo duidelijk als het door mij geraadpleegde. 

Wij zijn nu gekomen tot de evangelieprediking. Dat 
Willebrord in Holwyrde of Holwerd landde, ontleent het 
HS. aan de 0. F. C. Bonifacius wordt aar^sbisschop ge- 
noemd en hierin staan onze HHSS. alleen. MetLudulphus 
van Saxen wordt weer aardig omgespeeld: de 0. F. C. 
spreekt van een hertog van Bourgondië, de Gesta's van 
een Lutgerus van Sassen. Die geweldenaar verwoest Dal 
Aesterland al toe Groninghen toe", voor welke plaatsbe- 
paling de Gesta^s spreken van de streek tusschen Leeu- 
warden en Groningen , 't geen ongeveer daarmêe gelijk staât. 
De 0. F. C. stemt hiermêe niet geheel overeen(regeH85). 
Wilhaldus of Wilhadus , zooals de Kronijken en gedeeltelijk 
ook het uitgegeven HS. zeggen, kerstent vervolgens een 
deel der Friezen. De curieuse wgze, waarop de EUBLSS.